diff options
Diffstat (limited to '30735-0.txt')
| -rw-r--r-- | 30735-0.txt | 11498 |
1 files changed, 11498 insertions, 0 deletions
diff --git a/30735-0.txt b/30735-0.txt new file mode 100644 index 0000000..94149ba --- /dev/null +++ b/30735-0.txt @@ -0,0 +1,11498 @@ +The Project Gutenberg eBook of Bedenkingen tegen de Leer van Darwin, by +Antoine Charles Reuther + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: Bedenkingen tegen de Leer van Darwin + Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen. + +Author: Antoine Charles Reuther + +Release Date: December 22, 2009 [eBook #30735] +[Most recently updated: December 10, 2022] + +Language: Dutch + +Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ from scans made +available by the University of Groningen. + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEDENKINGEN TEGEN DE LEER *** + + + + + BEDENKINGEN TEGEN DE LEER VAN DARWIN, + + Gevolgd door + + Beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen. + + + Door den schrijver van het werk, + + Getiteld: + + Over de werking der natuurwetten op zedelijk gebied enz. + + En van + + Het vervolg op dit werk. + + + + Amsterdam, + + J. C. Loman Jr. + + 1871. + + + + + + +INHOUD. + + + BLADZ. + + 1o. Bedenkingen tegen de leer van Darwin. 3. + 2o. Beschouwingen over de oorzaak van het kwaad en over het doel + van het leven. 64. + 3o. Beschouwingen over eenige onderwerpen op buitenzinnelijk + gebied. 143. + 4o. Beschouwingen over de geestelijke ontwikkeling van + den mensch. 205. + 5o. Beschouwingen over de drie algemeene natuurwetten en eenige + andere hiermede in verband zijnde zaken. 231. + + + + + + +BEDENKINGEN TEGEN DE LEER VAN DARWIN. + + +Onze bedenkingen tegen de thans bij het beschaafde publiek vrij +bekende leer van Darwin zijn de volgende: + +1o. Dat de splitsing van diersoorten in andere soorten, van deze weder +in nieuwe enz. slechts bij uitzondering kan plaats hebben; namelijk, +wanneer de natuur aan eenige diersoort een grooter aantal wijzen +van bestaan aanbiedt dan vroeger en anders belet wordt, door dat +de voortplanting door paring van mannetjes en wijfjes van diezelfde +soort geschiedt. + +2o. Dat het uitsterven van diersoorten slechts bij uitzondering kan +plaats hebben, omdat, naarmate van zulk eene soort, binnen dezelfde +uitgestrektheid grond, het aantal exemplaren vermindert, elk dezer +onder levensomstandigheden komt, waarin het beter dan vroeger aan de +oorzaken, deszelfs soort trachtende te vernietigen, kan wederstaan. + +3o. Dat het geschikter worden der organisatie van diersoorten, voor +de omstandigheden waarin zij verkeeren, onmogelijk door de natuurkeus +(anders gezegd door de werking van het toeval) kan geschieden. + +4o. Dat, zelfs aangenomen, dat de natuurkeus die geschiktwording +kon voortbrengen, hierdoor nog niet verklaard zou worden, hoe +lagere diersoorten van lieverlede hoogere organisatien verkrijgen, +zoodat de leer van Darwin de vraag wat was eerder de kip of het ei, +onbeantwoord laat. + +Een wel is waar niet volledig, maar desniettemin vrij voldoend +antwoord op die vraag wordt toch slechts gegeven, wanneer men kan +aantoonen, dat al de thans bestaande diersoorten ontsproten zijn +uit een aantal anderen, elk op den allerlaagsten trap van dierlijke +organisatie staande. + +Deze hypothese heeft reeds, voordat de onderzoekingen +der versteeningen, binnen de sedimentaire lagen bevat hare +waarschijnlijkheid aangetoond hadden, den bijval van denkers +genoten. Ten allen tijden hebben deze toch aangenomen, dat het +bijzondere, uit het meer algemeene, het zamengestelde (mits die +zamengesteldheid in eene meer kunstige inrigting bestond), uit het +meer eenvoudige en het hoogere uit het lagere (zoo dit een even +bijzonder karakter als dit hoogere bezat), moest voortspruiten. + +De ervaring toonde toch aan, dat in het maatschappelijke en op +het gebied van kunst en wetenschap dit steeds het geval was en +vandaar, dat men stelde, dat die schoone regels ook op het gebied +van het buitenzinnelijke moesten gelden. Raadpleegt men zelfs de Oude +Cosmogonien, zoo ontwaart men daarin eene veelal op kinderlijke, wijze +ontvouwde grondgedachte, dat er, wel is waar, niet een begin van alles, +maar wel van het bijzondere bestaan heeft, namelijk dat de wereld met +al derzelver verscheidenheden zich uit een eenvormigen chaos ontwikkeld +heeft en dat uit een nevelachtigen en een karakter van algemeenheid +bezittende Oergod, de menschen en bijzondere goden voortgesproten zijn. + +Men kan gemakkelijk opmerken dat het hoogere, mits dit een even sterk +karakter van bijzonderheid als het lagere bezit, dit laatste noodig +heeft om te bestaan; terwijl het omgekeerde niet doorgaat. + +De vleeschetende dieren verslinden bijv. de gemiddeld minder geestelijk +ontwikkeld dan zij zijnde plantetende dieren; terwijl deze zeer +gevoegelijk eerstgemelde kunnen ontberen. De kleine vogels voeden zich +met de lager dan hen staande insecten, deze weder met microscopische +diertjes en zelfs de planten zouden niet kunnen bestaan, zoo er geene +microscopische plantjes en diertjes aanwezig waren, terwijl daarentegen +deze de hoogere planten wel kunnen missen. Zoo toch het regenwater +geene organische bestanddeelen bevatte, zouden er door zouten uit den +bodem gevoerd, maar geene nieuwe zouten door ontbinding dier organische +bestanddeelen, er ingebragt worden. Deze laatste worden nu geleverd +door de microscopische plantjes en diertjes, welke de zouten van den +Oceaan binnen hunne ligchamen opnemen, tijdens het waaijen, door de +beroering der lucht, hoog in den dampkring gevoerd en aldaar binnen +de waterblaasjes en de zich vormende regendruppeltjes opgenomen worden. + +Ook op maatschappelijk gebied dient het lagere het hoogere, +als onmisbaar hiervoor, vooraf te gaan. Een leger bijv. zonder +hoofd vormt wel een ordeloozen troep, maar kan niettemin bestaan, +terwijl een officier zonder soldaten onmogelijk zijne functiën kan +uitoefenen. Kinderen kunnen des noods van zelf leeren, maar een +onderwijzer zonder scholieren onmogelijk als schoolmeester werkzaam +zijn. + +Tusschen dieren van dezelfde soort en die van naburige soorten bestaat, +naar ons inzien, dit onderscheid, dat mannetjes en wijfjes van naburige +soorten geene en die van dezelfde soort wel neiging tot geslachtparing +bezitten. Hierdoor ontstaan er scherpe kloven tusschen de soorten, +omdat bijv. mannetjes, zekere afwijkingen vertoonende van die, welke +het beste de eigenaardigheden hunner soort vertoonen en alsware +in het midden dier soort staan, in de meeste gevallen met wijfjes, +gelijksoortige afwijkingen dier eigenaardigheden niet vertoonende, +zullen paren, maar door de organisatie der jongen alsware naar die +der exemplaren, zoo als zoo even gezegd is, in het midden der soort +staande, teruggebragt zullen worden. + +Dit kan vergeleken worden met het rollen van voorwerpen naar de eene +of andere teen van een dijk, zoo deze geene kruin bezit en men er die +voorwerpen boven laat vallen. De klove tusschen de naburige diersoorten +wordt dan bij die vergelijking voorgesteld door de breedte van den +grondslag van den dijk. + +Bestaat de helft der bevolking van een eiland uit blanken en de +andere helft uit negers en is het voor elk hunner onverschillig, +of zij al dan niet met kleurgenooten huwen, zoo zal de eerstvolgende +generatie gemiddeld bestaan uit een kwart blanken, de helft mulatten +en een kwart negers. Dit aantal mulatten bij die generatie kan, wel +is waar, minder, maar even goed meer dan die helft bedragen, en bij +die generatie is voor elken blanken de kans, om met een kleurgenoot +te huwen ¼. Klaarblijkelijk zal dus bij de daarop volgende generatie +het aantal zuiver blanken gemiddeld maar ¼ × ¼ = 1/16 van het geheel +bedragen. Dezelfde redenering, door ons voor de eerste generatie +gedaan, voor de tweede doende, zoo zal men bevinden, dat bij de derde +generatie het aantal zuiver blanken maar gemiddeld 1/16 × 1/16 = +1/256 van het geheel zal bedragen. + +Dit ook doorgaande voor de negers en voor de kleurlingen, hetzij naar +de blanken hetzij naar de negers overhellende, zoo zal men ontwaren, +dat na slechts weinig generatien op zulk een eiland enkel mulatten +gevonden zullen worden [1]. + +De gevolgen der accidentele oorzaken, waardoor de kinderen eenigzins +van hunne ouders en onderling verschillen, worden aldus door eene +constante oorzaak tegengewerkt, zoodat die gevolgen (namelijk de +afwijkingen van het gemiddelde type) aldus zekere sterkte niet kunnen +overschrijden. Bestaat er bij kleurgenooten zekere voorkeur voor +elkander, zoo zal het gemengde ras niet zoo snel, maar niettemin bij +de achtereenvolgende generatie steeds meer gaan predomineren, (hetgeen +bijv. in Brazilië thans schijnt te geschieden). Slechts, wanneer de +personen van elke kleur onmogelijk bij die eener andere kleur kinderen +kunnen verwekken, zal de onderlinge betrekking der blanken, negers, +mulatten enz. bij de achtervolgende generatien dezelfde blijven. + +Zoo men aanneemt, dat voor een mannetje eener diersoort, hoe weinig +ook, de mogelijkheid bestaat, om neiging tot paring met een wijfje +eener naburige soort te bezitten, en om bij dit wijfje vruchtbare +jongen te verkrijgen, zullen de bastaarden, ofschoon zeer langzaam, +in aantal toenemen, en eindelijk, al is het ook na zeer langen tijd, +alleen bestaan. Elk dier beide soorten bezit echter nog andere +naburen, waarmede iets dergelijks geschieden kan, zoodat bijv. n +diersoorten in n - 1 tusschensoorten zullen veranderen. Deze zullen +op dergelijke wijze in n - 2 nieuwe tusschensoorten omgezet worden, +en zoo voortgaande, er na een uiterst langen, maar eindigen tijd, +slechts eene resulterende diersoort bestaan, hoe ver ook de beide +uiterste soorten der primitieve reeks van elkander stonden. + +Deze werking (de tegengestelde van die door Darwin aangenomen) wordt +echter tegengewerkt, doordat er eene constante oorzaak bestaat, deels +door tusschenkomst van den wil der dieren (de stelling van Lamarck), +doch grootendeels buiten die tusschenkomst, gedurende het leven de +organisatie der dieren, voor de omstandigheden waarin deze verkeeren, +geschikt trachtende te doen worden. + +Gesteld bijv. dat bij het op blz. 6 aangegeven voorbeeld de kinderen +steeds de levenswijze hunner vaders volgen en dat hierdoor gedurende +hun leven hunne kleur, trekken enz. tot die dier vaders naderen +(hetgeen overeenkomt met de nadering der bastaarden gedurende hun leven +tot die der twee stamdiersoorten wier levenswijze zij kiezen), zoo zal +bij de eerstvolgende generatie de helft der mulatten, gedurende den +tijd tusschen hunne eigen geboorte en die hunner kinderen verloopen, +de blanke en de andere helft de negertype wat naderen. Hetzelfde +bij de volgende generatie plaats hebbende, zoo zal er eindelijk eene +generatie ontstaan, waarvan de beide helften in uitzigt zoo weinig van +elkander verschillen, dat de zoo even gemelde neiging der kinderen +om gedurende hun leven tot den type hunner vaders te naderen, even +sterk is als die om, (door voor hunne geboorte wat van de type hunner +moeders over te nemen), alsdan van die hunner vaders af te wijken. + +Klaarblijkelijk zal, wanneer de zucht tot paren van individuen, +tot verschillende rassen behoorende, zwakker is, dan bij individuen +van hetzelfde ras, dit tegen elkander opwegen van zooeven gemelde +constante oorzaak en die op blz. 6 aangegeven, vroeger en bij +grootere verschillen tusschen de na eenige generatiën bestaande rassen +bestaan. Olie tracht bijv. steeds boven water te drijven, en roert +men beide die vochten, zoo zal eindelijk de vermengende werking dier +beroering gebalanceerd worden door de neiging der olie om op- en die +van het water om nederwaarts te gaan. Hoe zwakker nu die beroering +(vergelijkbaar met de werking der paring tusschen individuen van +verschillend ras) is, hoe zuiverder de olie in het bovenste en het +water in het onderste deel van het vat zullen zijn. + +Met de kloven tusschen de diersoorten kunnen vergeleken worden, die +tusschen de volken en die tusschen de belijders der verschillende +godsdiensten bestaande. + +Het geriefelijke voor menschen, om de eigenaardigheden van een of ander +volk aan te nemen, of om eenige bestaande godsdienst te belijden en +aldus niet, zoo als bij het geïsoleerd staan tusschen twee volken, +of twee godsdiensten, voor een ieder een vreemdeling te zijn, is +toch met de voorkeur der mannetjes voor de wijfjes van de meest op +hen gelijkende soort te vergelijken. + +Naarmate zekere verschillen in organisatie de neiging tot +geslachtparing sterker verzwakken, zullen er kleinere maar meer +diersoorten bestaan en, naarmate, bij minder beschaving, het verkeer +tusschen de menschen en hun geest van zamenwerking geringer is, +er meer natiën bestaan. + +Volken ontstaan, doordat niet ieder mensch zijne afzonderlijke +wetten kan bezitten en, zonder aansluiting aan anderen, voor +zijne veiligheid kan zorgen; godsdienstige gezindheden, wegens de +behoefte om gemeenschappelijk de eerdienst te verrigten; diersoorten, +doordat de neiging tot paring niet reeds door de minste verschillen in +organisatie (de sexuele niet in aanmerking genomen), uitgedoofd wordt +en, doordat de voortplanting niet door hermaphroditen plaats heeft; +doch, terwijl tot eene natie, of eene religie menschen kunnen behooren +van zeer verschillende geestelijke, ontwikkeling en overigens onder +verschillende levensomstandigheden verkeerende, is zoo iets bij de +dieren eener zelfde soort veel minder mogelijk. + +Voor de verdeeling eener diersoort in verschillende rassen dienen +deelen er van onder andere levensomstandigheden te gaan verkeeren +(hetgeen met het ontstaan van zelfstandige koloniën bij de volken +te vergelijken is). De neiging der organisatiën der dieren, om voor +de levensomstandigheden, waarin deze dieren verkeeren, geschikt +te worden, kan dan maken dat die rassen zooveel van elkander gaan +verschillen, dat de neiging tot paring tusschen hen wordt uitgebluscht, +even als bijv. tusschen de Engelsche en Amerikanen het gevoel van +gemeenschappelijke nationaliteit. + +Gaan echter die kortelings ontstane diersoorten later weder onder +dezelfde omstandigheden verkeeren, en met elkander vermengd leven, +zoo zal noodwendig het omgekeerde van zooeven moeten plaats hebben. + +Noodigt de aardoppervlakte de dieren steeds tot evenveel verschillende +wijzen van bestaan uit, zoo zullen wel is waar accidentele oorzaken +splitsing van soorten teweeg kunnen brengen, doch zamensmelting +hier van gemiddeld even menigvuldig plaats hebben, doch, wanneer +die mogelijke wijze van bestaan menigvuldiger worden, de soorten dit +insgelijks doen. + +Dit laatste schijnt nu het geval geweest te zijn. Primitief was +toch de aardbodem overal met water van even groote diepte en even +hooge temperatuur bedekt en hield de met dikke vochtblaasjes vervulde +lucht de aarde in de schaduw gedompeld. Later ontstonden droog land, +stranden, moerassen, bosschen en meer of minder diep en heet water, +nog later de bloemen ontluikende zonneschijn, groote hoogten, diepe +valleijen, uitgestrekte landen, groot verschil in gewassen en in +temperatuur enz. + +Men denke voorts niet, dat enkele exemplaren eener diersoort, +in een ander land en klimaat overgebragt, zich aldaar steeds sterk +vermenigvuldigen. Dit is somtijds het geval geweest, zoo als bijv. met +de paarden en runderen in Z. Amerika, omdat deze dieren aldaar in zeer +gunstige omstandigheden verkeerden en de beschermende hand van den +mensch zich niet terstond van hen aftrok, doch in veel andere gevallen +zijn de per scheepsgelegenheid naar vreemde gewesten overgebragte +tamme dieren aldaar uitgestorven. + +Terwijl geheel gemis aan neiging tot paring maakt, dat, ofschoon +op verschillende wijze levende dieren van verschillende soorten, +met elkander vermengd, dezelfde landstreek kunnen bewonen, zonder +dat die soorten te zamen smelten, is dit niet zoo goed mogelijk bij +dieren van aangrenzende rassen, omdat tusschen deze er nog eenige +neiging tot paring bestaat. + +Bij die rassen zal dan iets plaats hebben overeenkomende met hetgeen op +blz. 8 aangevoerd is, namelijk, er zal na een aantal generatiën twee +verscheidenheden, minder dan de twee rassen, toen deze met elkander +vermengd gingen leven, van elkander verschillende, ontstaan. + +Zoo men het aantal der tusschen die beide verscheidenheden gelegen +kruislingen vermenigvuldigt met derzelver afwijkingen van de eene of +andere verscheidenheid, zal eenmaal dit product niet meer vergrooten, +door het geboren worden van nieuwe kruislingen, als verminderen, +doordat gedurende hun leven al die kruislingen, deels tot de type +der eene, deels tot die der andere verscheidenheid naderen. + +Laatstgemelde terugbrenging ontstaat, doordat de dieren, het zuivere +type der verscheidenheden m bezittende voor de levensomstandigheden +waarin zij verkeeren (niet meer zijnde die der beide primitieve rassen) +beter georganiseerd zullen zijn dan die kruislingen. + +De dieren schikken niet alleen hunne organisatie naar de +levensomstandigheden waarin zij verkeeren, maar zoeken tevens naar +levensomstandigheden voor hunne organisatie geschikt (even als +bijv. een plotseling verrijkt mensch, niet slechts zijne behoeften +grooter doet worden, maar tevens door werkeloosheid en zorgeloosheid +zijne voor hem te aanzienlijke inkomsten vermindert). + +De kruislingen, door paring dier beide primitieve rassen n ontstaan, +zullen dit ook eenigzins doen en aldus wel is waar, zich niet geheel +in voor hunne organisatie geschikte levensomstandigheden bevinden, +maar ook niet meer geheel in die der uiterste van hen het meeste +afwijkende leden van een dier beide primitieve rassen verkeeren. + +Voor zooverre nu die kruislingen door achtervolgende paringen +de organisatie dier uiterste leden dier beide rassen meer tot +elkander doen naderen, moet klaarblijkelijk, het opzoeken van +levensomstandigheden voor de veranderde organisatie meer geschikt, +de levensomstandigheden dier uiterste leden der beide rassen n +meer tot elkander doen naderen en deze alsdan in de bovengemelde +verscheidenheden m veranderen. + +Hiermede kan vergeleken worden, hetgeen bij twee volken, in karakter, +geest, beschaving enz. van elkander verschillende en elk voor +die qualiteiten geschikte instellingen bezittende, plaats heeft, +wanneer zij met elkander in aanraking komen. Alsdan nemen zij wat +van elkanders zeden en qualiteiten over, beginnen aldus wat meer op +elkander te gelijken en schikken tegelijk hunne instellingen naar +hunne nieuwe qualiteiten. + +Even als echter zulk een verkeer tusschen twee volken, hen slechts +tot zekeren graad meer op elkander doet gelijken, zoo zal van +de bovengemelde verscheidenheden m de gelijkenis zekeren grens, +bepaald door de sterkte hunner onderlinge paring, niet kunnen +overschrijden. Niet alleen zoeken, wanneer eene diersoort door eene +andere teruggedrongen wordt en zij in aantal individuen vermindert, +deze (zie blz. 11) plaatsen op, waar zij beter dan vroeger het +bestaan hunner soort kunnen verdedigen, maar bij de door overmaat +van geboorten boven sterfgevallen in aantal toenemende indringers +heeft het tegenovergestelde plaats. Hoe verder deze aldus dringen, +hoe moeijelijker dit geschiedt, zoodat er eindelijk een toestand van +evenwigt zal ontstaan waarbij aanval en verdediging tegen elkander +opwegen. Het is bijv. mogelijk, dat de Indianen der Vereenigde Staten, +in aantal zeer verminderd, zich eindelijk binnen voor den landbouw van +onwaarde en weinig genaakbare streken als jagers en visschers zullen +kunnen staande houden, en dat de olm en andere grotdieren vroeger +buiten de holen leefden, maar in deze alsware teruggetrokken zijn, +eigenschappen, hen geschikt makende, om die duistere verblijfplaatsen +te bewonen, verkregen hebben, en dat thans bij die diersoorten het +aantal geboorten tegen dat der sterfgevallen opweegt. + +Niettegenstaande sedert eenige eeuwen binnen het beschaafde Europa +het schadelijke wild met vuurwapens bestreden wordt, weet het zich, +in aantal verminderd, binnen weinig genaakbare plaatsen vrij wel +staande te houden. + +Dat, wanneer hoogere rassen met lagere in aanraking komen, +laatstgemelde uitsterven, is onjuist. Het ongedierte bijv. volhardt +met onze ligchamen in aanraking te komen en sterft niet uit. Somtijds +worden de bewoners van eenig land door veroveraars hiervan aan zich +dienstbaar gemaakt en sterven zij, zooals bijv. de Heloten in het Oude +Lacedemon, niet uit. Het lot der plantetende dieren, na de optreding +onder hen der carnivoren, kan hiermede vergeleken worden. + +Tijdens den inval der Anglo Saxen in Groot-Brittanje zijn de Celten +door hen teruggedrongen, maar niet uitgeroeid, en die laatste +volkstam neemt thans in Wallis in aantal individuen niet af, maar +integendeel toe. + +Een deel der Indianen van Mexico heeft zekeren graad van beschaving +verkregen en, in plaats van uit te sterven, neemt het in invloed toe +en heeft zelfs iemand uit zijn midden den presidentszetel beklommen. + +Door opneming in andere stammen, door vermenging hiermede, door +verandering van naam en gewoonten kunnen buitendien volkstammen +schijnbaar van den aardbodem verdwenen zijn en wegens het verkrijgen +van andere organisatien dit met de diersoorten der voorwereld +insgelijks het geval geweest zijn. + +Uitsterving van diersoorten en menschenstammen kan naar ons inzien +slechts bij uitzondering en wel voornamelijk, daar waar geschikte +ruimten om er binnen terug te trekken en verschil in localiteiten +gemist worden, plaats hebben. + +Wordt ergens het klimaat kouder, zooals bijv. dat van Europa gedurende +en na het tertiaire tijdperk, zoo zal de vegetatie er minder weelderig +worden en aldus minder voedsel aan de plantetende dieren aanbieden. Een +deel hiervan zal zich alsdan terugtrekken naar warmere oorden en +van de overblijvende de organisatie voor het koudere klimaat van +lieverlede geschikt gemaakt worden. + +Voor de vleeschetende dieren zal dit eveneens doorgaan, aangezien +de veelvuldigheid van derzelver voorkoming van die der plantetende +afhangt, en zoo iets is nu vergelijkbaar met hetgeen in eenig door een +vreemden stam veroverd land plaats heeft, wanneer voor een deel der +inwoners émigratie mogelijk is. Dit deel gaat alsdan in een vreemd land +hetzelfde vrije leven van vroeger voeren; terwijl de achterblijvers +zich onderwerpen en voor den slavenstaat geschikt worden. + +Zoo bij elke generatie een ieder slechts wist hetgeen hij van de +vorige generatie leerde en er niets van zijne eigen vinding bijvoegde, +zou de wetenschap gedurende de achtereenvolgende generatien steeds +achteruit gaan, daar toch de onderwijzers slechts een deel hunner +kennis in den geest hunner leerlingen kunnen doen overgaan. + +Nu verkeert misschien de overdragt der deugd der organisatie van +ouders op hunne kinderen, gedurende het vruchtleven dezer, in een +geval met dat van het onderwijs vergelijkbaar. Deugd veronderstelt +toch iets dat verstoorbaar is en dat aldus eene neiging bezit om +te verminderen, wanneer er toevallige veranderingen bij ontstaan, +zooals bijv. bij de bijna goed gerangschikte letters van een woord, +zoo men eenige dier letters blindelings verzet. De kans, dat van de +juiste rangschikking verder afgeweken wordt, is alsdan veel grooter, +dan die dat er toe genaderd wordt. + +Om zelfs op eene zeer gebrekkig wijze te bestaan, moeten de dieren +eene organisatie bezitten, zoo weinig van die het beste voor de +omstandigheden, waarin zij verkeeren, geschikt, afwijkende, dat +men toevallige afwijkingen er bij naar de eene of andere zijde, +kan vergelijken met de blindelingsche verzettingen der bijna goed +gerangschikte letters van eenig woord. Iets waarvoor grootere +kans bestaat heeft nu op den langen duur zoo goed als zeker het +veelvuldigste plaats, zoodat, zoo geene constante oorzaak zulks +tegenging, de herhaalde toevallige afwijkingen der jongen van hunne +ouders na eene reeks van generatien de organisatie der dieren zoo +slecht zou maken, dat zij onmogelijk meer zouden kunnen bestaan. + +Kan die constante oorzaak nu deze zijn, dat de zeer enkele toevallig +wat beter dan hunne ouders georganiseerde jongen, gemiddeld meer +nakomelingen dan de andere verkrijgen en zulks bij de volgende +generatien insgelijks liet geval is (de zoogenaamde Darwinsche +natuurkeus). [2] + +Naar ons inzien niet. Wat zou bijv. Darwin zeggen, zoo men voorstelde +de Engelsche wetten voor den veranderenden maatschappelijken toestand +van Engeland geschikt te maken door de volgende politieke keus? De +ministers stellen in den blinde gedane wijzigingen der wetten +voor en het parlement neemt onder die geheel ondoordacht en dus +natuurlijk slechte wijzigingen betrekkelijk betere aan, naarmate eene +grootere meerderheid er zich voor verklaart. Die meerderheid bij die +politieke keus zou dan overeenkomen met bovengemelden overheerschenden +invloed op de nakomelingschap der betrekkelijk beter georganiseerde +dieren. Klaarblijkelijk zou zulk eene politieke keus van de Engelsche +wetten weldra louter onzin maken. + +Hoe volmaakter de organisatie van een dier is, hoe meer gemiddeld +die zijner jongen voor de zijne zal onderdoen, want waar het meeste +te bederven valt, zal de blinde werking van het toeval gemiddeld het +meeste bederven. Na eenige generatien zal aldus, hetgeen bij sommige +individuen der eerste generatie eene deugdzame eigenaardigheid was, +van lieverlede verbasteren en eindelijk niet meer deugdzaam zijn. Bij +de generatie, waarbij dit laatste het geval is, bezitten de die +eigenaardigheid vertoonende individuen aldus niets meer voor boven +hunne soort en tevens tijdgenooten en zullen zij aldus gemiddeld +niet meer jongen dan deze verkrijgen. Om dit te vergelijken met +een voorbeeld op zedelijk gebied, zoo merken wij op, dat iemands +zuinigheid, door zijne nakomelingen op eene onberedeneerde wijze +nagevolgd, bij hen zal ontaarden in eene soort van gierigheid, in +benarde omstandigheden niets voor hebbende boven gemis van zuinigheid. + +Gaat eenige diersoort een kouder klimaat bewonen, zoo zullen de +individuen er van, met eene dikkere vacht dan de anderen voorzien, +met betrekking tot de nieuwe omstandigheden, waarin zij verkeren, +volmaakter dan deze zijn, zoo hunne gansche organisatie in harmonie is +met die dikkere vacht. Zoo echter bij hunne nakomelingen die harmonie +van lieverlede verdwijnt, kan het zijn, dat het nut dier overgeërfde +dikkere vacht zulks ook doet. + +Wordt bijv. een zwaarder pantser bij een oorlogschip aangebragt, +zonder dat de constructie en bevrachting er van met dit zwaardere +pantser in harmonie gebragt worden, zoo zal zulk een vaartuig te diep +in het water zinken, een tragen gang bezitten, door de geschutpoorten +water ontvangen en in het gevecht ten slotte welligt minder goed +voldoen dan toen het nog ligter gepantserd was. + +Darwin gewaagt van de accumulatie van gelijksoortige wijzigingen +gedurende achtereenvolgende generatiën. Zoo echter de deugd +dier wijzigingen niet gepaard is met eene constante oorzaak, +waardoor die accumulatie plaats heeft, wordt deze toevallig en +onwaarschijnlijk. Ziet men bijv. de nakomelingen van twee blonde +menschen gedurende achtervolgende generatiën steeds blonder +worden? Neen het tegendeel heeft eerder plaats, want, zelfs zoo +de voortplanting door hermafroditen geschiedde, zou die toevallige +accumulatie, evenmin plaats hebben, als het blindelings achtereen +trekken van witte ballen uit eene bus, evenveel ballen van die kleur +als zwarte ballen bevattende. + +Bloedverwanten zullen dikwijls gelijksoortige eigenaardigheden +bij hunne organisatie bezitten, en ware het nu dat uit een de +opeenstapeling hiervan bij de latere generatiën voor het menschdom uit +een physiologisch oogpunt niet nadeelig ware, zoo zouden huwelijken +tusschen bloedverwanten onmogelijk eene ligchamelijke verbastering +van het nageslacht kunnen voortbrengen. Dit wordt echter beweerd het +geval te zijn en zou gedeeltelijk ontstaan kunnen, doordat alsdan +niet, zooals bij huwelijken tusschen geheel vreemden, man en vrouw +nog al vaak tegenovergestelde vicieuse afwijkingen van eene goede +organisatie bezitten, en bij hunne kinderen die tegenovergestelde +gebreken elkander alsware opheffen. + +Dit kan ook de reden zijn der deugd der organisatie van kruislingen +van twee tamme rassen. Het paren bijv. van langbekkige en kortbekkige +duiven kan goedbekkige jongen in het leven roepen. + +In den wilden staat zijn het alleen accidentele oorzaken, welke de +organisatie der dieren minder geschikt voor de levensomstandigheden +dezer maken. + +In den tammen staat daarentegen leidt hiertoe eene constante +oorzaak, namelijk de kunstkeus. Terwijl aldus in den wilden staat +twee rassen van elkander onderscheiden zijn, omdat zij niet in +dezelfde omstandigheden verkeeren, zijn in den tammen staat twee +door dwang gevormde verscheidenheden aan dezelfde omstandigheden +blootgesteld. Deze kunnen nu voor den tammen kruisling nog gunstig +zijn, terwijl de wilde kruisling geene voor zijne organisatie geschikte +levensomstandigheden kan vinden. + +Op blz. 16 hebben wij aangegeven, hoe eene gunstige wijziging, +gedurende de overerving er van, bij de achtervolgende generatiën door +de werking van het toeval hare deugd kan verliezen. Bij de kunstkeus is +dit bij eene opeenstapeling van gelijksoortige wijzigingen insgelijks +het geval voor de dieren zelf, doch niet voor het gebruik, welke wij +van deze wenschen te maken. + +Wenscht men bijv. het op blz. 16 gemelde met een zwaarder pantser +voorziene oorlogschip als drijvende batterij slechts binnengaats te +gebruiken, zoo kan die onberedeneerde verzwaring van het pantser +nuttig zijn, doch zij is dit dan slechts, omdat men aan het schip +eene bestemming geeft in strijd met zijne primitieve. + +Een vleezig en zelfs nog al vet beest kan zeer gezond zijn, terwijl +zijne nakomelingen, waarbij die eigenaardigheid voortgeplant is, +zulks niet meer zijn, en zelfs zoo deze nog vleeziger en vetter dan +hun voorzaat worden, het ware wanstaltigheden worden. Daar echter, +zie blz. 7, eene constante oorzaak gedurende het leven der dieren +die wanstaltigheden tracht te verminderen, en aldus verwilderde tamme +rassen de organisatie hunner wilde voorouders tracht terug te geven, +kan de uit ons oogpunt beschouwde veredeling der rassen, door middel +der kunstkeus, slechts tot zekere hoogte gedreven worden. + +Die grens ligt echter verder zoo men de levenswijze dier dieren +geschikt tracht te maken voor de eigenaardige organisatie, welke zij +verkregen hebben, of zoo men deze door zeker régime te voorschijn +tracht te roepen. De Engelschen noemen dit laatste entrainement en +passen dit niet alleen op de tamme dieren, maar ook op menschen toe, +die zij tot jockeys, boxers enz. bestemmen. + +De kunstkeus alleen is even onmagtig om dieren voor de hen door ons +menschen opgelegde levensomstandigheden geschikter te maken, als de +natuurkeus om hen geschikter te doen worden voor de omstandigheden +van het vrije natuurleven. + +De sexuele keus, waardoor de best georganiseerde mannetjes, vaders +van meer jongen worden dan de anderen, kan voor de verbetering +der organisatie der latere generatiën geen ander gevolg hebben, +dan hetgeen eigenlijk (zie de noot dier blz.) op blz. 15 gesteld is, +namelijk dat de best georganiseerde hermaphroditen meer nakomelingen +dan de anderen bekomen. + +Gewis zou dit van elke opvolgende generatie de gemiddelde organisatie +der exemplaren iets beter doen worden, dan die der voorgaande en +zoo voort, totdat (bij niet verandering der levensvoorwaarden), +de volmaaktheid bereikt zou zijn, zoo de jongen (behoudens het +onderscheid wegens verschil in leeftijd) volmaakt naauwkeurige copijen +hunner ouders waren. Alsdan zou echter bij elke generatie het eene +individu geene betere organisatie dan het andere kunnen bezitten dan +door omstandigheden na de geboorte er van plaats hebbende en wel door +omstandigheden de vrucht van eene constante oorzaak, de organisatie +der dieren trachtende te verbeteren, daar, even goed na de geboorte als +gedurende het vruchtleven, afwijkingen, door het toeval teweeg gebragt, +(zie blz. 15) gemiddeld ten nadeele dier organisatiën zullen strekken. + +Het schijnt dat, naarmate dieren jongen kunnen verwekken, beter +georganiseerd voor de levensomstandigheden hunner ouders, de +vruchtbaarheid dezer laatste gemiddeld wat grooter is. Van daar dat +gekruist wordende soorten en bastaarden in het algemeen onvruchtbaar +zijn en gekruist wordende tamme rassen en tamme kruislingen in het +algemeen in vruchtbaarheid uitmunten (zie blz. 17). Dit zou maken, dat +bij de opvolgende generatiën, de op blz. 15 gemelde overheerschende +werking der goed georganiseerde individuen, wat grooter werd, +doch desniettemin zal de natuurkeus evenzeer onvoldoende blijven, +om de organisatie der diersoorten voor hunne levensomstandigheden +geschikter te maken, als bij de politieke keus, op blz. 15 gemeld, +het bestaan eener wat sterkere meerderheid om de verbastering der +wetten te verhinderen. + +Ook op zedelijk en maatschappelijk gebied tracht eene constante +oorzaak het een voor het ander geschikt te maken. + +Verarmde menschen trachten bijv. hunne behoeften te verminderen, +plotseling rijk gewordene, om zich de beschaving der vermogenden te +geven, handwerkslieden om hun ambacht beter uit te oefenen, gehuwden, +wier huisgezin vergroot, om ruimer te wonen, volken, betrekkelijk +hunne regering in beschaving gestegen, om eene vertegenwoordiging te +verkrijgen enz. + +Gebrek aan goeden wil en traagheid kunnen de neiging der menschen, om +alles ten beste voor zich te schikken, om zich naar de omstandigheden +te voegen en voordeelige omstandigheden op te zoeken, gering maken, +doch, zoolang de menschen zich niet geheel blindelings aan hunne +hartstogten overgeven, bestaat die neiging bij hen. Zou deze nu, +zelfs bij zeer groot gebrek aan doorzigt der menschen, ten gevolge +hebben, dat deze zich werkelijk voor hunner levensomstandigheden +geschikt maken? Naar ons inzien wel, zoo de werking der accidentele +omstandigheden en de verandering der omstandigheden vroeger opgedane +ondervinding niet somtijds grootendeels nutteloos maakten en aanleiding +tot dwalingen gaven. Bleven die omstandigheden steeds dezelfde, zoo +zou zelfs de domste mensch, hoe langzaam ook, juist te weten komen, +wat voor hem nuttig en wat voor hem schadelijk is, en het begrijpen +hiervan, kort na verandering dier omstandigheden, stelt dan ook daar, +hetgeen men doorzigt noemt. + +Zelfs tracht in het maatschappelijke het eene voor het andere geschikt +te worden door de collectieve werking der menschen, en zonder dat +deze zulk een doel voor oogen hebben. Dit is bijv. het geval met +het verdwijnen van primitief onregtvaardige toestanden, zoo de +omstandigheden niet zoodanig veranderen, dat, bij het niet bestaan +dier neiging tot geschiktwording, die onregtvaardigheden sterker +worden. Wordt bijv. een volk in slavernij gedompeld en verdierlijkt +het hierdoor zoodanig, dat zelfs de minste vrijheid tot ledigheid +en losbandigheid aanleiding geeft, zoo is die toestand van slavernij +niet langer iets onregtvaardig. + +Neemt echter daarna de graad van beschaving tegelijk bij de meesters +en slaven toe, zoo wordt die slavernij weder een kwaad, omdat +willekeurige behandeling dit bij een hoogeren graad van beschaving +is. De heerschappij, door de meer geestelijk ontwikkelden over de +betrekkelijk hen minder beschaafde menschen uitgeoefend, dient alsdan +niet in sterkte, maar wel in karakter te veranderen. + +Zoo thans eene patentbelasting ingevoerd werd, zouden de winkeliers +en industriëlen onregtvaardig behandeld worden, doch later de tijd +die onregtvaardigheid van lieverlede doen verdwijnen, daar alsdan het +aantal winkeliers en industriëlen zoo lang zou verminderen, totdat elk +derzelve, betrekkelijk den bloei van het gansche land, evenveel zou +verdienen als voor den invoer dier belasting. Wij zeggen betrekkelijk +den bloei van het gansche land, omdat die patentbelasting handel en +industrie zou doen inkrimpen en aldus dien bloei tot zekeren grens +zou doen verminderen. Dit echter niet in aanmerking nemende, zoo zou +alsdan, bij overname eener zaak, de kooper er zooveel minder voor +betalen, dan voor den invoer dier patentbelasting, als ten bedrage +dezer belasting gekapitaliseerd, en het oprigten eener nieuwe zaak, +slechts dan plaats hebben wanneer, bij gelijke kosten van oprigting, +de winsten, na aftrek der patentbelasting, even groot als de winsten +voor den invoer dier belasting zouden worden. + +Wanneer eene partij, hoe zwak ook, gegronde grieven bezit, zal +zij trachten deze te doen verdwijnen, en er hiervoor aldus eene +constante oorzaak bestaan. De veroordeelen der meerderheid, waardoor +deze de schade aan het publiek belang door het bestaan dier grieven +teweeggebragt, over het hoofd ziet, worden daarentegen door den +tijd verminderd. + +Ook bij de dieren, ofschoon minder dan bij ons menschen, en minder +bij de laag dan bij de hoog ontwikkelde dieren, maakt de werking der +accidentele omstandigheden en de verandering der omstandigheden, dat +de op blz. 7 gemelde poging tot geschiktwording hunner organisatiën +gedurig tegengewerkt wordt, en aldus slechts tot zekeren grens +haar doel kan bereiken. Hoe digter toch bij de volmaaktheid de +organisatie van een dier is, hoe zwakker zooeven gemelde poging +tot verdere volmaking er van zal zijn, (even als bijv. iemand, die +bijna het noodige bezit, minder ijverig zal zijn om het alsdan nog +ontbrekende te bekomen), en hoe meer die variatien der omstandigheden +die organisatien onvolmaakter zullen trachten te doen worden. + +Er zal aldus zekere nadering tot den volmaakten toestand zijn, waarbij +die twee tegengesteld werkende oorzaken even krachtig zullen werken. + +Bij dien toestand van evenwigt zal de nadering tot de volmaaktheid der +organisatie der dieren minder zijn, wegens het niet steeds op aarde +voortleven derzelfde individuen. Op blz. 15 hebben wij toch gezegd, +dat de jongen slechts gedeeltelijk de deugdzame eigenschappen der +organisatie hunner ouders erven, hetgeen beschouwd kan worden te +ontstaan door de werking van accidentele omstandigheden gedurende +het vruchtleven. + +De organisatien der dieren en planten trachten ook voor periodiek +veranderende omstandigheden geschikt te worden. De dieren hebben +bijv. hun slaaptijd geregeld naar de lengte der nachten en de op +hooge breedten groeijende planten, kunnen de winterrust niet ontberen. + +De geschiktwording dier organisatie geschiedt echter traag, zoodat +eerst langen tijd, nadat de nieuwe levensomstandigheden ontstaan zijn, +zij den hierboven gemelden niet te overtreffen graad van geschiktheid +kan voortbrengen. De planten bijv. zijn ontstaan, terwijl op alle +breedten er eene vochtige en eene hooge temperatuur bezittende lucht, +ofschoon welligt weinig of geen zonneschijn bestond, en welligt is +de sedert verloopen tijd nog te kort geweest om die planten in koude +klimaten weelderig te doen groeijen. + +Accidentele oorzaken kunnen iets kenmerkend bij de organisatie +van vele individuen eener diersoort voortbrengen en door overerving +zullen zulke meestal vicieuse eigenaardigheden zich bij de opvolgende +generatiën voortplanten. De op blz. 7 gemelde geschiktmakende oorzaak +zal dan wel is waar zulke toevallige eigenaardigheden van lieverlede +doen verdwijnen; doch tevens sneller hen voor die dieren nuttiger +maken en alsware eene primaire en tegelijk eener snellere secundaire +verbetering van de organisatie dezer dieren voortbrengen. + +De wapens der dieren bestaan bijv. in klaauwen, hoeven, horens, +schilden enz. en voor de gemiddelde levensomstandigheden van +elke diersoort kan eene zekere verhouding tusschen den graad van +ontwikkeling van elk dier wapens de voordeeligste voor haar zijn. De +verschillen der levensomstandigheden der diersoorten wettigen echter +niet zulke verschillen in bewapening en in het algemeen in uitzigt, +als men bij die soorten opmerkt. Die groote verschillen moeten +aldus de vruchten van accidentele omstandigheden zijn, doch terwijl +de oorzaak, waardoor de organisatien dier soorten voor derzelver +levensomstandigheden geschikt worden, bovengemelde verhoudingen tracht +daar te stellen, verbetert zij tevens elk dier wapens en plooit zij +er na de levenswijze van derzelver dragers. + +Op maatschappelijk gebied is dit eveneens het geval. Thans en +bij toekomstige hoogere trappen van beschaving nog meer, zal +bijv. gelijkheid van munt in alle beschaafde staten iets zeer +wenschelijk zijn. In sommige Europesche staten is men dan ook reeds +begonnen hier werk van te maken, doch, waar men nog ter naauwernood +aan zoo iets denkt, tracht men de munt tiendeelig te maken en aldus +eene secundaire verbetering daar te stellen. + +Als zulk eene secundaire verbetering kan thans gelden, het oprigten +van goede bewaarscholen en als primaire verbetering het onderwijs +der kleine kinderen door hunne moeders. + +Hoe grooter de gemeenschap tusschen de volken zal worden en hoe hooger +de wetenschap zal staan, hoe meer de behoefte aan eene universele +wetenschappelijke taal gevoeld zal worden. Die primaire verbetering +zal, hoe langzaam ook ontstaande, niet uitblijven, doch als eene +secundaire verbetering kan de beschaving der verschillende volkstalen +en het geschikt maken dezer voor de uitdrukking van abstracte en +wetenschappelijke denkbeelden aangemerkt worden. Dit toch is bij den +thans bestaanden toestand het eenige middel om de wetenschap en de +bellettri in elk rijk binnen een uitgestrekten kring te verbreiden. + +Gedurende de middeleeuwen diende het Latijn als wetenschappelijke +taal, omdat de moderne talen toen nog in staat van kindschheid +verkeerden. Thans zou het eerste door zoo even gemelde secundaire +verbetering tegengewerkt worden, terwijl zulk eene aanwending van +het Latijn, voor het voortbrengen der primaire verbetering van gering +nut zou zijn, omdat het nationale gevoel der volken nog te sterk is, +om hen die laatste verbetering sterk te doen wenschen en om hen de +volkstalen tot ondergeschikte rollen te doen bestemmen [3]. + +Dat toevallig de Europesche volken gedurende de middeleeuwen het +Latijn konden aanwenden om wetenschappelijke denkbeelden uit te +drukken, heeft echter het hier voor geschiktmaken der moderne talen +vertraagd. Hiermede kan nu vergeleken worden de hulp door den wind en +de insecten aan de planten, ter overbrenging van het stuifmeel van de +meeldraden der mannelijke bloemen naar de stampers, verleend. Deze +hulp maakt dat de oorzaak, de organisatie der planten verbeterende, +slechts weinig tracht om de onderlinge plaatsing der meeldraden en +stampers doelmatiger te doen worden. + +Voor het eten van elk der onderscheidene soorten van organische +stof, zooals bladeren, vruchten, dood en levend vleesch enz. zijn er +diersoorten geschikt geworden. Bestonden er alleen plantetende dieren, +zoo zou het totale aantal dieren veel geringer dan thans zijn, evenals +bijv. Engeland minder bevolkt zou zijn, zoo van deszelfs rijkdom +aan delfstoffen geen gebruik gemaakt werd. Onwaar is het echter dat, +bij gemis van carnivoren, de plantetende dieren steeds menigvuldiger +zouden worden. + +Hoe hooger de stand van beschaving der menschen zal worden, hoe minder +het klimaat op hunne organisatie van invloed zal zijn en dus hoe +meer zij in alle landen op elkander zullen gaan gelijken. Wanneer in +de verre toekomst dit in hooge mate het geval zal zijn, zal welligt +gelijkheid in geestontwikkeling grootendeels de keuze bij huwelijken +bepalen. + +Het kan zijn dat de neiging, om voor de bestaande omstandigheden +eene geschikte organisatie te verkrijgen, ook bestaat bij organische +wezens andere hemelbollen bewonende, hoe of de natuur dier bollen +ook zijn moge, en dus welke omstandigheden die wezens er ook +mogen aantreffen. Naarmate die omstandigheden op zulk een bol meer +verscheiden en veranderlijk zijn, zullen de er op wonende wezens, +naar aanleiding van hetgeen op blz. 20 en 22 gezegd is, minder geschikt +voor die omstandigheden zijn en aldus meer lijden, maar tevens (zooals +later verklaard zal worden), meer in geestontwikkeling toenemen. + +Onze aarde kan nu misschien, wegens de ongelijkheid in verhitting +welke zij, wegens hare betrekkelijke nabijheid van de zon ondervindt +en, wegens de verschillen in aantrekking door zon en maan op de +onderscheidene deelen van hare gesmolten kern uitgeoefend, betrekkelijk +andere hemelbollen eene sterke verscheidenheid en veranderlijkheid +van omstandigheden voortbrengen. Dat de zon bestemd is, om haar licht +en warmte mede te deelen is evenmin juist, alsdat de menschen voor +het hun bloed opzuigend ongedierte bestemd zijn, en het is zelfs de +vraag, of het bezit der planeten van zwak elliptische banen en van +eene betrekkelijk digte groepering om de zon, van geen accidentelen +en tijdelijken aard is, en, of die planeten zich niet eenmaal zullen +verspreiden en in derzelver normalen toestand zeer lange en zeer +sterk elliptische banen om elkander, of om andere hemelligchamen +bezitten. Alsdan dienen, derzelver bewoners zich naar geheel andere +omstandigheden, dan de thans er bij-bestaande (waaronder behoort +de gemiddelde uitwerking van de gesmolten aardkern op de aardkorst) +te schikken. + +Tegelijk met de oorzaak, de organisatie der dieren, voor de +levensomstandigheden, waarin deze verkeeren (hetzij daardoor die +organisatie hoog of laag, ingewikkeld of eenvoudig wordt) geschikt, +of anders gezegd die dieren betrekkelijk volmaakter trachtende te doen +worden, poogt eene tweede constante oorzaak die organisatiën hooger op +te voeren, dat is hen passende voor de stijgende geestontwikkeling der +hen bezittende wezens te doen worden. Die tweede oorzaak vermindert +meer de betrekkelijke volmaaktheid dier organisatiën, naarmate zij +sterker gedrongen wordt, te werken, evenals bijv. het sterker groeijen +van jongelieden deze teringachtiger doet worden. + +Zoo bijv. een dier hoogere levenstoestanden opzoekt verheft zich +zijn geest en dien ten gevolge ook zijn ligchaam, maar, wegens +de werking der traagheid, kan die verheffing (evenmin als de +geschiktwording voor veranderde omstandigheden) in korten tijd in +genoegzame mate geschieden. Vrij geschikt zijnde voor zijne vroegere +levensomstandigheden, wordt het dier aldus ongeschikter voor de +nieuwe omstandigheden en aldus betrekkelijk onvolmaakter. Gaat +het even snel voort met naar hoogere levensomstandigheden te +zoeken, zoo zal zijne organisatie zich eindelijk wel even sterk +als die omstandigheden verhoogen, maar steeds evenveel hierbij ten +achteren blijven en dit in sterkere mate doen, naarmate die zucht +naar hoogere levensomstandigheden sterker is. Die achterblijving kan +bijv. vergeleken worden met de spanning der lijn, waarmede een paard +eene schuit voorttrekt, hoe harder het paard loopt, hoe grooter +de spanning dier lijn wordt. Vandaar dat, van de op deze aarde +levende wezens, die het traagste opwaarts zijn gestegen, zooals de +infusiediertjes en dergelijken, de volmaaktste en wij menschen de +betrekkelijk onvolmaaktste zijn. + +De verhooging der organisatie der dieren geschiedt naar ons inzien, +evenals, (zie blz. 7), de geschiktwording er van voor de bestaande +omstandigheden, deels door den wil (of anders gezegd door zekere +soort van eigen denking der dieren) deels zonder, maar wel op +aansporing hiervan, eene wijze van verhooging dier organisatie door den +schrijver der Natuurlijke geschiedenis der Schepping de geheimzinnige +inwendige aandrift genaamd [4]. Een paard alleen kan geen spoortrein +voorttrekken, hierin moet het door de stoomkracht geholpen worden, +doch geschiedt dit laatste slechts in zulk eene mate, dat de trein +iets trager zou bewegen dan het paard zulks verlangt, zoo zal dit +niet alleen tot die beweging bijdragen, maar zelfs de impulsie +er toe geven. De beweegkracht, alsdan door het paard uitgeoefent, +kan vergeleken worden met de verhooging der organisatie der dieren, +ten gevolge van de werking van hun wil, alsmede met de genezing van +patiënten ten gevolge der geneeskundige behandeling. De beweegkracht, +in zulk een geval door den locomotief geleverd, is daarentegen +vergelijkbaar met de verhooging der organisatie der dieren en met de +genezing der patiënten buiten hun toedoen door de Natuur. + +Hoe lager, bij gelijkheid van geestelijken aanleg, de geestontwikkeling +en dus gemiddeld ook de ligchamelijke organisatie van eenig dier is, +hoe geringer de invloed van zijn wil betrekkelijk die der Natuur op +de veranderingen zijner organisatie zal zijn; terwijl bij de planten +uitsluitend de Natuur, zoo voor derzelver geschiktwording, als voor +de verhooging van derzelver organisatie zorgt. + +De zucht naar het hoogere werkt bij de menschen als een harstogt, +de leiding der rede behoevende, omdat de vooruitgang anders niet +steeds in de goede rigting, of wel te snel geschiedt, zoodat de +geschiktwording voor meer nederige levensomstandigheden er te veel +aan opgeofferd wordt. Hoe menigmalen wordt toch aan de menschen niet +gezegd, dat aanzien, magt, rijkdom en zelfs kennis hen niet gelukkiger +kunnen maken, dat zij met een bescheiden lot tevreden moeten zijn, en +toch trachten zij opwaarts te gaan, en hebben zij in zooverre gelijk, +dat zij betrekkelijke volmaaktheid en geluk niet met volstrekten +stilstand willen koopen. + +Een geoefende timmermansknecht zal baas worden, maar hiervoor de +noodige kennis en kapitaal missende, in zijne nieuwe positie meer +bekrompen moeten leven dan in de vorige en misschien zelfs van het +huwelijk moeten afzien. Stelt men nu, dat al de kinderen van zulk soort +bazen insgelijks bazen worden en dat de kinderen van hen, die knecht +gebleven zijn, knechten worden, hoe kunnen dan bij gene de geboorten +de sterfgevallen en bij deze laatste de sterfgevallen de geboorten +overtreffen? Zoo iets zou niettemin noodig zijn, om uit eene generatie, +uit enkel knechten bestaande, andere generatiën te doen voortspruiten +steeds en meer en meer en eindelijk uitsluitend uit bazen zamengesteld, +zoo er geen drang naar het hooge bij de menschen bestond. + +Evenmin zal nu een zeehond, de levenswijze van een otter trachtende aan +te nemen en in organisatie wat tot die van zulk een dier naderende, +het beter hebben en meer jongen verkrijgen dan zijne makkers, welke +bij hunne oude gewoonten gebleven zijn. De verhooging der organisatie +der dieren door de Natuurkeus veronderstelt echter zoo iets en kan +aldus niet bestaan. + +Naar ons inzien heeft die verhooging plaats gehad, op eene wijze, +in hoofdzaak overeenkomende met de hypothese door den schrijver der +Natuurlijke geschiedenis der schepping op blz. 62 en volgende van +het vervolg van zijn werk voorgesteld. + +Gesteld dat de hoogten van organisatie der verschillende thans +bestaande diersoorten aangeduid worden door de lengten der loodlijnen +onder de horizontale lijn a van vorenstaande figuur, en dat, voor +de aanduiding dier hoogte, elke diersoort hare bepaalde loodlijn +bezit en wel eene meer naar den linkerkant, naarmate op hetzelfde +oogenblik die diersoort eene hoogere organisatie bezit, betrekkelijk +die der anderen. Zoo nu, tijdens het geologische tijdvak, waarin +het organische leven op deze aarde begonnen is noemenswaardig te +worden, al de diersoorten, zoo ligchamelijk als geestelijk, uiterst, +weinig ontwikkeld waren, maar in geestelijken aanleg verschilden, +zullen die van grooteren aanleg, zoowel ligchamelijk als geestelijk, +sneller dan die van minderen aanleg voorwaarts gegaan zijn en aldus +de loodlijnen, derzelver ligchamelijke ontwikkeling bij vorenstaande +fig. aanduidende, meer links dan die van die diersoorten van lageren +aanleg gelegen zijn. De loodlijnen, begrepen tusschen de horizontale +a en de schuine lijn b, zullen dan de hoogten, welke de ontwikkeling +der organisatie der verschillende diersoorten op een gegeven tijdstip +bereikt hebben, aangeven. + +Zij, welke zich dan het meeste ontwikkeld hebben, zullen +klaarblijkelijk achtervolgens de meeste veranderingen hebben ondergaan +en het meeste aantal keeren schijnbaar uitgestorven zijn. + +Op blz. 22 hebben wij gezegd dat, naarmate die soorten sneller in +organisatie veranderen, deze gemiddeld minder geschikt voor de +omstandigheden, waarin die diersoorten verkeeren, zal zijn. Van +daar dat, gedurende zulke snelle veranderingen, diersoorten, of +somtijds werkelijk uitsterven, of althans minder individuen tellen +dan wanneer de verandering van derzelver organisatie trager is. Van +daar welligt het gemis aan overgangsvormen tusschen de gedurende den +voorhistorischen tijd bestaande diersoorten, waarvan de schaarsche +overblijfselen voor den dag gekomen zijn. Van elk dezer soorten is +de stamboom te vergelijken met eene rivier, een snelleren stroom +bezittende, naarmate derzelver bedding kleiner is. De grootte dezer +komt dan overeen met het aantal individuen eener diersoort en de +stroomsnelheid met de snelheid waarmede de organisatie te dier soort +verandert. + +Op een later tijdstip dan het bovengemelde zullen de loodlijnen, +tusschen de horizontaal a en de schuine lijn b' begrepen, de hoogten, +welke de organisatie der verschillende alsdan bestaande diersoorten +bereikt hebben, aanduiden, en, wanneer eenmaal de aard en beperktheid +onzer planeet de verdere verhooging der alsdan aanzienlijk geworden +ontwikkeling der diersoorten steeds sterker zal tegenwerken, de +tijdvakken, gedurende welke eene soort een zeker bedrag in organisatie +en geestontwikkeling klimt, al grooter en grooter worden. + +Veronderstellende dat bij het punt b' de meest beschaafde hedendaagsche +Europeanen staan, zoo zullen zeer digt links van het snijpunt der +lijnen b' en a de thans bestaande infusiediertjes staan en al de +andere diersoorten, gerangschikt naar hare hoogte, van geestelijke +ontwikkeling, tusschen dit snijpunt en het punt b' verondersteld +moeten worden te staan. + +Een dier diersoorten zal nu staan bij het punt waar eene horizontale +lijn, uit het punt b getrokken, de schuine lijn b' snijdt en deze +soort bij minderen geestelijken aanleg, thans even sterk ligchamelijk +en geestelijk ontwikkeld zijn als de bij het punt b staande voorouders +der beschaafde volken van Europa in een uiterst ver verleden. + +Klaarblijkelijk heeft de ontwikkeling der diersoorten op eene meer +zamengestelde wijze plaats gehad dan hierboven aangegeven is. Zoo +kunnen bijv. accidentele oorzaken gemaakt hebben, dat eene diersoort +tijdelijk trager in ontwikkeling is toegenomen dan eene andere van +wat minderen aanleg, en alzoo tijdelijk lager dan deze in geestelijke +ontwikkeling heeft gestaan. Iets dergelijks ontwaart men ook in de +geschiedenis der volken. De Chinezen bijv. bezitten klaarblijkelijk +minder aanleg dan de Duitschers, en niettemin waren zij voor achttien +eeuwen beschaafder dan de Germanen. Deze hebben echter de Chinezen +veel meer dan ingehaald, en het schijnt dat de geestelijke aanleg +dezer laatste hunne beschaving thans weinig verder vermag te voeren, +iets dat in de verre toekomst ook voor de Europeanen het geval zal +worden, wegens de op blz. 31 gemelde die vergrooting in beschaving +tegenstrevende invloed der woonplaats der menschelijke ligchamen. + +Buitendien zullen de bij de diersoorten van hoogeren aanleg als ware +sterker gegroeide stamboomen, door de bovengemelde loodlijnen van +fig. blz. 29 aangeduid, zich vertakt hebben en wel in meer takken, +naarmate het verschil in ontwikkeling tusschen de gelijktijdig +bestaande diersoorten grooter werd, omdat toen de verscheidenheid +der door de aardkorst opgeleverde levensomstandigheden zulks ook werd. + +Somtijds zelfs zullen de stam, of eenige der takken uitgestorven +zijn, somtijds de naburige takken van stamboomen meer of minder +te zamen gegroeid zijn. Iets dergelijks ontwaart men ook bij +menschenrassen. Deze zenden vertakkingen uit, zooals bijv. de +Engelschen, waaruit de Amerikanen, de Nederlanders, waaruit de +Kaapsche boeren voortgesproten zijn, en ook vermengen zij zich +geheel, of gedeeltelijk met elkander, zooals bijv. de Angelsaxen +met de Celtische Schotten, de Franken met de Galliërs enz. De lage +stand der geestontwikkeling der dieren betrekkelijk die der menschen, +maakt echter dat, bij gene naburige soorten slechts door onderlinge +paring eigenaardigheden van elkander kunnen overnemen, terwijl bij +de menschenrassen dit ook door het maatschappelijke verkeer kan +geschieden. + +Slechts indirect en wel door strijd kan de eene diersoort de andere +in geestontwikkeling doen toenemen, terwijl, wegens de zamenwerking +der menschen en van deze en de tamme dieren, dit ook bij hen door +onderwijs kan geschieden. Voorts bezitten de dieren niet zoo als +de menschen de middelen, om door kunst voor zich de verschillen +in klimaat, bodemgesteldheid enz. minder te doen worden, en (zie +blz. 26) ten gevolge hiervan, hier en elders meer op elkander te gaan +gelijken. Naarmate echter de geestontwikkeling eener diersoort hooger +staat, is derzelver organisatie minder gevoelig voor verschillen +in levensomstandigheden, of liever geschikter voor eene grootere +verscheidenheid hiervan en is, evenals bij volken van hoogere +beschaving, het leven bij zulk eene diersoort meer gevarieerd. + +De op blz. 30 gemelde hypothese wordt door de paleontologie bevestigd, +daar deze toch leert, dat, hoe ouder de sedimentaire lagen zijn, +hoe lager de hoogst ontwikkelde dieren zijn wier overblijfselen zij +bevatten, alsmede dat van twee opvolgende sedimentaire lagen de lagere +dier vormen in ontwikkeling minder dan de hoogere verschillen. Bij +fig. blz. 29 wordt dit laatste aangeduid door het kleiner zijn der +verticale distantiën tusschen de schuine lijnen b en b', naarmate +men de snijpunten dier lijnen met de horizontaal a nadert. + +Het is mogelijk, dat thans bestaande diersoorten in enkele gevallen +toevallig zoo gelijken op er mede in ontwikkeling gelijkstaande +fossile soorten van hoogere en aldus individuen van meer aanleg +bezittende stamboomen, dat men hen voor dieren van zeer naverwante +soorten aanziet. Evenzoo waande eene Engelsche touriste, bij het +zien der Fellahs van Opper-Egypte, zich in de tijden der aartsvaders +verplaatst en aldus de voorouders der thans, wegens hun grooten aanleg, +zoo beschaafde Israëlieten te ontmoeten. Even als de thans bestaande +diersoorten eene reeks vormen van af de laagst staande infusiediertjes +tot de Frankrijk, Duitschland en Engeland bewonende menschen, zoo +ontwaart men thans op onze aarde volken op allerlei trappen van +beschaving staande en in geestelijken aanleg nog al verschillende, +zooals de wilden van Zuid-Australië, de Maories, de Ashantijnen, +de Kabijlen, de Japanezen, de Columbianen, de Russen en eindelijk +de Franschen. + +Eene eeuw geleden stonden deze laatste minder hoog in beschaving dan +thans en evenaarden zij hierin de Russen van heden. Even als thans +in Rusland, was toen in Frankrijk de lage volksklasse in onwetendheid +gedompeld, de burgerij in snelle opkomst en de adel nog bevoorregt. + +Tijdens de bloedige burgeroorlogen der Ligue waren de Franschen +nog minder beschaafd dan gedurende de vorige eeuw en in beschaving +evenaarde zij de thans bestaande en in bloedige twisten gedompelde +Columbianen. + +Tijdens den bloei van het leenstelsel en de zamenspanningen der +leenmannen tegen de koningen was de beschaving der Franschen nog +lager dan tijdens de Ligue en kon zij met die der Japanezen van heden +gelijkgesteld worden. + +Ten tijde van Cesar was de beschaving der Galliërs niet hooger dan die +der hedendaagsche Arabieren van Algerië en vervulde Vincengetorix, +de kampioen der nationaliteit in den krijg tegen de beschaving, +eene rol, veel op die door Abdelkader gespeeld, gelijkende. Bij de +oudere Galliërs deden de Druïden ter eere der Goden binnen teenenpoppen +menschen verbranden, en thans ziet men de Ashantijnen menschen offeren +ter eere hunner goden en overleden vorsten. + +Gaat men nog verder terug, zoo ontmoet men digt bij Frankrijk de ruïnen +der meerdorpen, namelijk die der woningen van een volk dat, even als +thans de Maories, sterkten bouwde, stoffen weefde en onbekend was met +het gebruik der metalen, even als thans de Maories nog zouden zijn, +zoo er geen Europeanen op hunne eilanden geland waren. + +Eindelijk in Frankrijk een laatsten terugtred doende, zoo ontmoet +men aldaar de tijdgenoten van den mammouth en van den holenbeer, +namelijk een volk wiens beschaving wel niet hooger dan die der thans +minst ontwikkelde stammen van Australië gesteld kan worden. + +Bij volken van minder geestelijken aanleg ontbreekt de toename +in beschaving door eigen ontwikkeling niet. Toen bijv. de hooger +in aanleg dan de oude Mexicanen zijnde Spanjaarden onder Cortes in +Mexico kwamen, waren zij gedurende de toen laatst verloopen eeuwen +meer in beschaving dan de Mexicanen toegenomen, doch de oorkonden +dezer laatste maakten melding van hervormers en van het ontstaan van +vrij groote rijken aldus van toename in beschaving. + +Constante oorzaken van verschil in zeden, godsdienst wetenschap, +moraal en uitzigt der menschen zijn den trap van geestontwikkeling of +beschaving, de grond en luchtgesteldheid en den volksaard. Accidentele +omstandigheden maken echter, dat, even als bij de diersoorten, (zie +blz. 22), die onderscheidene zaken bij de volken meer uiteenloopen, +dan ten gevolge dier verschillende constante oorzaken, even als +bijv. bij personen van denzelfden leeftijd, beroep en woonplaats, +de wijze waarop zij gekleed gaan, zoo zij zich niet op de voor hen +doelmatigste wijze kleeden, maar onafhankelijk van elkander ook hunne +grillen en individuele opvattingen van schoonheid raadplegen. [5] Wel +tracht de op blz. 20 gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak, +die onderscheidene zaken zoo doelmatig mogelijk voor de volken, +met inachtneming van derzelver stand van beschaving, karakter en +landsklimaat te doen worden, doch gedurig worden zij hierin door +op nieuw ontstaande accidentele omstandigheden gestoord. Dit een en +ander maakt nu, dat er tusschen eenig thans bestaand volk, en de op +een even hoogen trap van ontwikkeling als dit staande voorzaten van +een thans beschaafder volk zekere gelijkenis, maar tegelijk ook zeker +verschil bestaat, waarvoor men bijv. de Galliërs met de Kabijlen van +heden kan vergelijken. Evenzoo zullen de thans bestaande grootste +apensoorten tegelijk gelijken op en verschillen met de voorouders +der Europeanen, toen deze op den trap van geestontwikkeling dier +hedendaagsche apen stonden. + +In elke maatschappij bestaan er voor menschen, op dezelfde hoogte +van geestontwikkeling staande, verschillende geschikte werkkringen, +terwijl er beroepen bestaan voor de meest en anderen voor de minst +beschaafde leden van een zelfde volk geschikt. + +Gesteld nu dat leden van een zeer onbeschaafd volk beroepen kiezen, +dat de meest ontwikkelde onder hen krijgsman en priester en de +minst ontwikkelde landbouwer en lastdrager worden: voorts, dat die +beroepen erfelijk zijn en eindelijk, dat zulk een volk van lieverlede +in beschaving klimt tot die thans in Nederland bestaande, wat zal er +dan plaats hebben? + +De met dierenvellen omhangen en met knods en werpspies gewapende +krijgslieden van voorheen verkrijgen tot nakomelingen soldaten in +laken gekleed en met achterladers gewapend. De met amuletten omhangen +priesters herkennen hun toga en bef dragende nakomelingen niet. Van den +in eene uit boomtakken zamengestelde hut wonende en met een ruw steenen +werktuig den bodem omwroetende landbouwer van voorheen, bewonen de +nazaten hofsteden en wordt door hen de voor den ploeg gespannen paarden +gemend, terwijl van den naakten lastdrager de nakomelingen gekleed +zijn, handwagens voortduwen, of wel als koetsier fungeren. Buitendien +zijn de beroepen in aantal vermeerderd, de onbeschaafde krijgsman van +voorheen bezit tot nakomelingen infanteristen, artilleristen, mineurs +enz.; van de fetische priesters stammen af professoren in de theologie, +aalmoezeniers en monniken, de primitieve landman bezit tot nazaten +wijngaardeniers, bouw- en weiboeren en de lastdrager van voorheen, +koetsiers, fabriekarbeiders, matrozen enz. Een hiermede vergelijkbaar, +maar veel grooter verschil bestaat er nu tusschen de thans bestaande +diersoorten en de alleroudste uiterst weinig ontwikkelde stichters +hunner stamboomen. De wijzen waarop de dieren hun voedsel magtig +worden, kunnen namelijk met de beroepen der menschen vergeleken worden. + +Zeer verschillende wijzen van voeding kunnen van dieren evenveel +geestontwikkeling vorderen, doch dit is volstrekt niet altijd het +geval. Meer geestontwikkeling wordt er bijv. vereischt bij dieren, +welke moeten klauteren, om vruchten en noten te plukken, dan bij die +zich met gras en kruiden voedende, meer, wanneer zij vleesch moeten +eten en aldus vlugtende en zich verbergende prooijen moeten vangen, +dan wanneer zij slechts naar plantenvoedsel te zoeken hebben, meer, +wanneer hunne prooijen grooter zijn en dus schaarser voorkomen, +dan, wanneer deze uit overal fladderende insecten bestaan, meer, +wanneer zij, vleeschetende zijnde, het land, dan wanneer zij de zee +bewonen enz. + +De primitieve op blz. 30 gemelde uiterst weinig ontwikkelde diersoorten +kunnen nu verschillende wijzen van voeding en alzoo ook van leven +(natuurlijk veel minder van elkander verschillende, dan die der +heden bestaande diersoorten) aangenomen hebben. Van die primitieve +diersoorten kunnen er nu twee zeer weinig in aanleg verschild hebben +en de eene plant- en de tweede vleeschetende geworden zijn, echter +met dien verstande, dat de laatste slechts gemakkelijk te vangen +prooijen te bemagtigen had. + +Van elk tijdperk moeten echter de hoogst ontwikkelde diersoorten +doorgaans de krachtigste en best gewapende diersoorten van dit tijdperk +geweest zijn. + +Zoo nu elk dier primitieve diersoorten derzelver wijze van voeding op +hare nakomelingen overgedragen heeft, deze weder op de hare enz. tot +op heden, zoo is het gemakkelijk te begrijpen, dat hare zoo veel meer +dan zij ontwikkelde nazaten, een veel minder dan voorheen uniformen +bodem bewonende, veel meer dan zij van elkander in organisatie en +wijze van leven moeten verschillen. + +Aan de thans bestaande roofdiersoorten staan die van het katten en +hondengeslacht hooger dan de insectenetende zoogdiersoorten alsmede +dan de gras en kruidenetende diersoorten, doch dat zij hooger staan +dan de verschillende op boomen klauterende en noten bolsterende +apensoorten is zeer twijfelachtig. + +Dieren, in gedaante en levenswijze veel verschillende, kunnen in aanleg +en geestelijke ontwikkeling zulks veel minder doen dan met andere +dieren, waarmede zij in uitzigt meer overeenkomen. Olifanten moeten +bijv. in geestontwikkeling minder met honden dan met rinocerossen +verschillen. Die laatste dieren leven toch niet zooals de eerste +gezellig bij elkander, en buitendien zijn zij ontembaar en bezitten +zij niet de geestontwikkeling voor het gebruik maken van een langen +snuit gevorderd wordende. + +Voor de diersoorten van hetzelfde geslacht kunnen de voorouders hun +bloed eenigzins met elkander vermengd hebben, en, zoo zij van eene +enkele soort afstammen, moet deze nog al lager dan hen gestaan en +betrekkelijk zeer veel vroeger dan hen bestaan hebben. + +Zoo bijv. de verschillende soorten van het kattengeslacht afgestamd +zijn van eene enkele soort van katachtige dieren, moeten deze, +in eene even ontwikkelde en verscheiden natuur als hunne nazaten, +geleefd hebben. Het is aldus moeijelijk te verklaren, hoe voor de +verschillende groepen dezer, de levensomstandigheden zoo zeer met +elkander zijn gaan verschillen, dat, naar aanleiding van hetgeen +op blz. 9 gezegd is, elk dier groepen zoo in soortkenmerken van de +andere moest gaan verschillen, dat de lust tot paring met deze verdween +[6]. Zoo echter die gemeenschappelijke stamvaders der katachtige dieren +ver achterwaarts van hen staande zeedieren geweest zijn, laat zoo iets +zich beter verklaren, doch het is de vraag, of de geslachtkenmerken +eener diersoort niet geheel onafhankelijk van den invloed der andere +soorten van ditzelfde geslacht, door de op blz. 7 gemelde neiging +tot geschiktwording voor gelijksoortige levensomstandigheden, in +verschillende landen kunnen ontstaan. + +De noodzakelijkheid om bijv. in streken, sterk door groote plantetende +dieren bewoond en aldus in het bezit eener weelderige vegetatie zijnde, +hunne prooijen in eene hinderlaag af te wachten en hen te bespringen, +kan dezelfde geslachtkenmerken gegeven hebben aan de leeuwen in +Afrika, aan de gestreepte tijgers in Azië, en aan de jaguars in +Z.-Amerika. Dezelfde strijdwijze heeft bijv. aan de tirailleurs der +verschillende legers vrij gelijksoortige uitrusting en bewapening +doen geven, zonder dat het eene leger daarvoor het voorbeeld van +het andere noodig had. De ondervinding, door elk leger opgedaan, +was hiervoor voldoende. + +De onjuistheid onzer laatste stelling zou alleen aangetoond worden, zoo +bijv. onder de geslachtkenmerken der katachtige diersoorten er gebreken +voorkwamen, door accidentele oorzaken ontstaan, door overerving +voortgeplant en door de meergemelde oorzaak van geschiktwording +van lieverlede uitgeroeid wordende. Zulke gebreken kunnen aan elke +diersoort van een geslacht moeielijk anders dan bij het bestaan van +bloedverwantschap tusschen hen medegedeeld zijn, even als bijv. het +bezit van beerenmutsen door tirailleurs van verschillende legers +moeijelijk anders dan door navolging te verklaren is. + +Zoo daarentegen de diersoorten van een geslacht, door in ontwikkeling +toe te nemen, eene gemeenschappelijke vroegere wijze van leven voor +eene nieuwe vaarwel gezegd hebben, kunnen zij, wegens de werking +der traagheid, allen nog eene zelfde eigenaardigheid, goed voor +die vorige, maar ondoelmatig voor die nieuwe wijze van bestaan, +bezitten. Zulke veranderde eigenaardigheden (zooals bijv. de +zwemvliezen der pooten der nimmer zwemmende fregatvogels) vormen +alsdan gebreken, welke echter veel minder zeker dan de hierboven +gemelde op bloedverwantschap tusschen die verschillende diersoorten +wijzen. Evenzoo vindt men bijv. in vele legers heden nog kurassiers, +ofschoon de thans bestaande vuurwapenen het nut der kurassen hebben +doen verdwijnen. Deze bestaan echter, niet doordat de departementen +van oorlog van verschillende staten eene gril eener hunner nagevolgd +hebben, maar wel, doordat allen te traag geweest zijn, om het vroeger +wel, maar thans niet meer doelmatige bij tijds afteschaffen. + +Om de op blz. 30 ontwikkelde hypothese te bewijzen, zouden de geraamten +van althans eenige leden van elk der vroegere generatien van elken +stamboom opgedolven moeten worden en men, bij die stamboomen steeds +achterwaarts gaande, gemiddeld tot steeds lagere, maar in wijze van +voeding eenigzins met elkander overeenkomende diervormen moeten +komen. [7] Om het onmogelijke, vooral voor de overblijfselen van +landdieren, hiervan na te gaan, behoeft men slechts te bedenken, +dat van die dieren het verrotten der beenderen slechts kan worden +belet, wanneer hunne lijken overdekt worden met veen, vulcanische +asch, opgestoven zand, of in holen nederploffende kalk en wanneer +zij door beken of rivieren naar opslibbende, of verzandende meeren, +of zeevakken gevoerd worden. + +Wij hebben zooeven gesproken van gemiddelde verlaging, daar bij +uitzondering de latere generatien eener diersoort eene lagere +organisatie dan derzelver voorouders kunnen verkrijgen. De Schrijver +der Sporen der Natuurlijke geschiedenis der schepping, stelt bijv. dat +de nazaten van althans sommige der groote landhagedissen van het +secundaire tijdvak gedurende het tertiaire tijdvak de slangenvorm +aangenomen hebben. + +Nu kan het zijn dat, toen de magtige landzoogdieren en landvogels +in groote hoeveelheden optraden, het land als ware door twee legers +veroverd geworden is en dat hierdoor die landhagedissen tot binnen +holen en digt struikgewas terug gedrongen en in aantal vermindert zijn. + +De drang tot geschikt wording voor nieuwe en lagere +levensomstandigheden kan toen laatstgemelde dieren sterker achter, +dan die tot het hoogere voorwaarts hebben doen gaan, zoodat eene +resulterende verlaging en voor de nieuwe levenswijze der dieren +betrekkelijke verbetering hunner organisatie later op die terugdringing +gevolgd is en het cijfer der geboorte weder op dat der sterfgevallen +gebragt heeft, zie blz. 12. + +Iets hiermede vergelijkbaar wordt ook bij den strijd tusschen de +volken waargenomen. + +Verovert bijv. een dezer het grondgebied van eenig ander volk en dringt +het dit terug tot binnen woeste bergstreken, zoo zal laatstgemeld +volk, om zich in zijne nieuwe positie beter te handhaven en er +voor geschikt te worden, op een lager standpunt van beschaving dan +vroeger moeten gaan staan, en, in plaats van te leven van landbouw +en handel, zulks grootendeels van stroopen moeten gaan doen. In zulk +een geval kunnen bijv. de Montenegrijnen, na den inval der Turken in +het Illyrische schiereiland, verkeerd hebben. Thans echter kan die +drang tot geschiktworden voor zekeren toestand bij hen weder zwakker +dan die tot verhooging geworden zijn en zij aldus, na een tijdelijke +achteruitgang, thans weder in beschaving stijgen. + +Wanneer een volk een ander, of leden daarvan, op gelijken trap +van beschaving als dit eerste volk staande, gaat overheerschen, +zooals bijv. plaats heeft bij volken, hunne krijgsgevangenen tot +slavernij veroordeelende, zal de neiging tot geschikt wording voor +nieuwe toestanden dit eerste volk in beschaving vooruit en het tweede +achteruit doen gaan. + +Bij beiden te zamen genomen kan dan die dwang tot geschiktwording +den graad van beschaving even groot laten. Staat het eerste volk in +beschaving hooger dan het tweede, iets dat gemiddeld plaats zal hebben, +zoo zullen die voor en achteruitgang beide kleiner worden en zelfs +kunnen omkeeren, omdat bijv. het contact met zijne meer beschaafde +meesters, de levensomstandigheden van het in dienstbaarheid gebragte +volk sterker kan verhoogen, dan die dienstbaarheid, op zich zelf +genomen, het verlaagt. Dit bijv. was het geval met de uit Afrika naar +N. Amerika gevoerde en aldaar tot slavernij veroordeelde negers. + +Heeft daarentegen het omgekeerde plaats, zoo zal de verhooging in +beschaving van het overheerschende volk en die in barbaarschheid van +het dienstbare sterker zijn dan in het eerste geval. + +Zoo iets heeft plaats gehad na den inval der barbaren in de wingewesten +van het Romeinsche rijk, en zoo men nu zamen voegt de beschaving der +barbaren en die der onderdanen van Rome voor dien inval, en die som +vergelijkt met die na den inval, is het de vraag of de eerste som +veel kleiner dan de tweede geweest is, tengevolge dat accidentele +omstandigheden de verlaging der eene natie grooter dan de verhooging +der andere hebben doen worden. Buitendien bedenke men wel, dat de +beschaving, niet enkel uit intellectueele, maar tevens uit morele +ontwikkeling bestaat. Beide trachten nu op eene overeenkomstige hoogte +te gaan staan, zoodat de intellectuele ontwikkeling, door onderwijs +bevorderd wordende, de zedelijke ontwikkeling absoluut grooter zal +doen worden, ofschoon het de vraag is, of de eischen der maatschappij +dan niet eveneens gestegen zijnde, de menschen alsdan beter hier aan +zullen voldoen en betrekkelijk deugdzamer en volmaakter dan vroeger +zullen zijn. [8] + +Verhooging, zoowel in zedelijke als in intellectuele ontwikkeling, +vereischt zekere inspanning, en zelfs wordt zekere inspanning, +waaraan wij allen gewoonlijk behoefte hebben, vereischt, om de +geestontwikkeling niet te doen dalen. Ontstaat er nu door zekere +verzadiging van rijkdom en magt, gebrek aan veerkracht en matheid, +zoodat men zich zelf die inspanning niet gunt, zoo daalt eerst +de zedelijke ontwikkeling en sleept zij de intellectuele in haren +val mede. + +Dit bijv. was het geval in de Romeinsche wingewesten ten tijde van +den inval der barbaren. + +In morele ontwikkeling stonden deze welligt hooger dan de door hen +overwonnen volken, even als tijdens het begin der Romeinsche republiek +zulks bij de zegevierende Romeinen het geval was. Bij deze stond +toen de morele ontwikkeling hooger dan de intellectuele. Dat voorts +toeneming in beschaving en dus ook in absolute welvaart en rijkdom +met zedebederf gepaard zou gaan, is geheel bezijden de waarheid. De +beschaving toch versterkt de maatschappelijke banden en dus ook het +onderling hulpbetoon en de beredeneerde opoffering voor de publieke +zaak. Zij maakt dat men meer om de toekomst geeft en aldus minder aan +de neigingen van het oogenblik toegeeft, zij verhoogt de werkzaamheid +en vervangt den blinden moed door eene uit plichtbesef ontstaande +dapperheid. + +De hooger geestelijk ontwikkelde menschen overheerschen de minder dan +zij geestelijk ontwikkelden, hetgeen bewezen wordt door de betrekking +tusschen meesters en dienstboden, door die tusschen de hooger standen +en de lagere volksklassen, door het kiezen van hoofden onder de meer +beschaafden door het gepeupel en door de betrekkingen tusschen de +Europeanen en de inboorlingen hunner kolonien. + +Dit heeft eveneens plaats bij de dieren, doch bij deze bestaat er +geene zamenwerking tusschen de heeren en de onderdanen, maar slechts +een leven der eersten ten koste der laatsten. + +Zoo bijv. verslinden de roofvogels de lager dan zij in +geestontwikkeling staande granen etende vogels, vele kleine vogels +verslinden insecten, zeevogels visschen, deze weder weekdieren; +terwijl, wanneer de lager staande dieren eene grootere ruwe kracht +bezitten dan de hooger staande waarmede zij in contact komen, deze +laatste middelen bezitten om, of gene te ontwijken, of zoodanig aan +te vallen dat hunne kracht nutteloos wordt. + +Even als eene gansche kudde schapen eene grootere totale ruwe kracht +bezit dan een wolf en niettemin deze eenige van de schapen rooft, +zonder dat deze makkers door collectieve handeling zich hiertegen +weten te verzetten, zoo overheerscht een betrekkelijk klein aantal +Europeanen millioenen Hindoes of Javanen en in beide gevallen +heeft de duur van die en de berusting in die overheersching haar +gerechtvaardigd. Klaarblijkelijk zouden toch de schapen, zoo zij +vonden op eene voor hunne eigene geestontwikkeling door de wolven te +vernederen de wijze behandeld te worden, zie blz. 43, hunne positie +omhoog trekken, even als bijv. de Israëlieten zulks gedurende en na +de middeleeuwen, de meest beschaafde Galliers (onder anderen die tot +geestelijken stand behoorende), zulks na den vermeestering van Gallie +door de Franken en zooveel tot groot aanzien gekomen vrijgelaten +slaven, zulks onder de Romeinsche keizers gedaan hebben. + +Dat de roofdieren beter gewapend zijn dan de dieren welke zij +bemagtigen, spruit althans in de meeste gevallen voort uit hunne +meerderheid in geestontwikkeling, want op blz. 28 hebben wij +aangegeven, hoe de impulsie tot verhooging der organisatie door +den eigen wil der dieren ontstaat. Buitendien zouden de wapens der +roofdieren hen van weinig nut zijn, zoo eene hoogere geestelijke +ontwikkeling dan die van de door hen bemagtigde dieren, hen niet in +staat stelde er een doelmatig gebruik van te maken. + +Een rund met de tanden en klaauwen van een leeuw, en zich alleen met +vleesch kunnende voeden, zou van honger sterven, zoo hij niet even als +dit roofdier prooijen wist op te sporen, zijn sprong wist te meten, +en de opvoeding zijner jongen zoover wist te drijven, als dit bij de +roofdieren het geval is. + +Beschaafde volken overwinnen wilde stammen, door tegenover de pijlen en +lanzen en onzamenhangende werking dezer stammen, te stellen vuurwapens +en zamenwerking. Voor dit laatste wordt er eene hoogere geestelijke +ontwikkeling gevorderd dan die der wilden, en eigenlijk is zulks voor +het gebruik van vuurwapens ook het geval, wegens de noodzakelijkheid +om het geschut te transporteren, de vuurwapens te repareren, buskruid +te vervaardigen enz. + +Waren de dieren ligchamelijk onsterfelijk, stoorde geene +accidentele oorzaken van de op blz. 22 gemelde constante oorzaak +tot geschiktwording gedurig de werking en bestond er geen drang +tot verhooging der geestelijke ontwikkeling, zoo zou eindelijk elke +diersoort, over anderen in ontwikkeling lager dan zij staande soorten, +eene heerschappij, geevenredigd met derzelver overmaat van geestelijke +ontwikkeling, uitoefenen, en zij daarentegen door anderen, hooger +dan zij staande diersoorten, op hare beurt in reden van het verschil +tusschen hare geestontwikkeling en die dezer hooger staande soorten +overheerscht worden. + +Geen dier zou dus alsdan eenige reden bezitten om over zijn toestand +ontevreden te zijn en de aarde worden een eentoonig paradijs, waarin +van vooruitgang geene sprake meer zou zijn. + +De drang tot vooruitgang maakt echter, dat, bij eene volgens de +opgegeven wijze bepaalden graad van overheersching, de overheerschte +soorten de over haar uitgeoefende heerschappij gemiddeld even sterk +zullen trachten te verzwakken (zooals bijv. door het beter ontvlugten +van roofdieren) als de heerschappij voerende soorten haar nog sterker +zullen trachten te doen worden (zooals bijv. door het behendiger vangen +van prooijen door roofdieren). Hierdoor zal er tusschen die heerschers +en beheerschter een strijd ontstaan, van beide zijden met gemiddeld +evenveel kracht gevoerd wordende en waarin aldus gemiddeld aan beide +zijden evenveel voordeel behaald zal worden, zoodat de verschillen +in geestontwikkeling tusschen beide soorten even groot blijvende, +de heerschappij der eene over de andere zulks gemiddeld ook zal doen. + +De inspanning, door zulk een strijd gevorderd, bij beide partijen +alsdan even groot zijnde, zal beider geestontwikkeling even veel doen +stijgen en aldus bovengemelde verschillen hierin even groot laten. De +overheerschte soort wordt door zulk een strijd in geestontwikkeling +en dus ook in positie verhoogd, maar daarom niet gelukkiger. De +handwerksman, die niet alleen voor zijn gezin moet zorgen, maar +ook zijne geldelijke belangen tegenover zijne bazen of werkgevers +moet verdedigen, zal bijv. niet gelukkiger zijn dan den onbezorgden +minder ontwikkelden slaaf, en het roofdier, dat beter dan vroeger +prooijen kan vangen, het niet ruimer en rustiger dan toen hebben, +zoo (zie blz. 38) die prooijen moeijelijker te vangen geworden zijn. + +De verhouding tusschen de geboorten en de sterfgevallen zal aldus +na zulk eene verhooging bij die roofdieren niet gunstiger voor +eerstgemelde worden. + +Daar echter door zulk een strijd gebrek aan geschiktheid voor de +omstandigheden, waarin de dieren verkeeren, levendiger dan anders +gevoeld zal worden, zoo zal hij tevens strekken om de organisatie +dier dieren sterker dan anders voor die omstandigheden geschikt te +doen worden. + +Zoo van de overheerschte soort, tijdens zulk een strijd, de positie te +laag voor de geestontwikkeling is, zal dit te laag zijn dier positie +die ontwikkeling trachten te verminderen, terwijl de strijd ze tracht +te vergrooten. Bij de overheerschende soort de positie te hoog voor +de geestontwikkeling zijnde, zoo zal gene lager en deze ontwikkeling +hooger worden en beiden trachten zich naar elkander te schikken. De +strijd nog in het bijzonder die geestontwikkeling trachtende te +verhoogen, zoo zal dit dan bij die diersoort wegens twee oorzaken +geschieden. Bij beide die soorten te zamen genomen zal aldus, even +als in het vorige geval, de strijd de geestontwikkeling en dus ook +de positie verhoogd hebben. + +Na de nederzetting der Germanen in de vroegere Romeinsche wingewesten +zijn bijv. de eerste meer in beschaving gestegen dan de vroegere +onderdanen van Rome er in gedaald zijn. + +Zelfs wanneer twee diersoorten even hoog staan en even magtig zijn, +zullen zij strijden om elkander te overvleugelen en, wegens de hiervoor +gevorderde inspanning, beiden in geestontwikkeling verhoogen. + +Iets dergelijks bestaat ook op maatschappelijk gebied, zooals bij de +concurrentie der verschillende industriën, der arbeiders en bazen, +der politieke en religieuse partijen, der spelers, legers en zelfs +der regeringen en volksvertegenwoordigers, want, al handelen geen +dezer beiden in strijd met de wet, zoo trachten zij niettemin op +elkanders gebied te dringen en, bij gelijke inspanning van beide +zijden, zal de verhouding van beider magt gemiddeld constant blijven, +maar beiden in talent toenemen. + +Hoe digter opeengehoopt de dieren binnen zekere streek zijn, hoe +moeilijker elk derzelve het noodige voedsel zal kunnen bekomen, en +daar dit integendeel gemakkelijker zal geschieden, wanneer hunne +organisatie beter voor de omstandigheden, waarin zij verkeeren, +geschikt is, zoo zal, naarmate dit laatste meer het geval is, bij den +toestand, waarbij elk dier gemiddeld het noodige heeft, (namelijk die +waarbij er niet meer dieren geboren worden dan sterven), deze binnen +zulk eene streek meer opeengehoopt zijn. + +De eene helft der dieren van elke soort zal, bij het bestaan van +dien toestand, wat meer en de andere helft er van wat minder dan dit +noodige bezitten, en bleven zij dan steeds op deze aarde voortleven, +zoodat er geen nieuwe zouden geboren worden en waren zij niet gedurig +aan de werking van storende accidentele oorzaken blootgesteld, zoo +zou elk dier dieren in een standvastigen toestand komen, waarbij het +juist het noodige zou bezitten. Alsdan toch zouden de in overvloed +levende, wat minder goed voor hunne middelen van bestaan gaan zorgen +en tegelijk hunne organisatie zich naar dien overvloed schikken, +zoodat deze er van lieverlede minder misbaar voor zou worden, totdat +zij eindelijk met een gemiddelde zorg voor hun bestaan, niet meer +dan het noodige zouden hebben. + +Evenzoo zal een arm geworden mensch harder gaan werken, ten einde +minder te kort te komen, maar tegelijk zijne behoeften verminderen. Hoe +minder hij nu te kort komt, hoe geringer die overmaat van arbeid +zal worden, om geheel te verdwijnen, wanneer hij geen gebrek meer +heeft, althans zoo die meerdere werkzaamheid niet eene behoefte voor +hem wordt. + +Hoe zamengestelder de levensomstandigheden van dieren zijn, hoe meer +tijd de op blz. 7 gemelde constante oorzaak noodig heeft, om hunne +organisatie voor hunne levensomstandigheden geschikt te maken. Van +daar, dat er reeds voor het leven in den Oceaan goed georganiseerde +visschen bestonden, tijdens dat er nog slechts gebrekkig georganiseerde +landdieren aanwezig waren. + +De ten gevolge der snelheid, waarmede (zie blz. 27) derzelver +ontwikkeling stijgt, ontstaande ongeschiktheid der organisatie der +diersoorten voor de omstandigheden waarin deze verkeeren, maakt dat +alsdan accidentele oorzaken gemakkelijker, even als op blz. 23 gezegd +is, verschillen tusschen de soorten kunnen daarstellen. Naarmate toch +verschillende diersoorten, in dezelfde omstandigheden verkeerende, +allen hiervoor minder geschikte organisatien bezitten, kunnen deze +bij grootere onderlinge verschillen allen even goed voldoen. + +Wordt daarentegen de ongeschiktheid der organisatie van elk dier +diersoorten uiterst gering, zoo zullen zij uiterst weinig van elkander +moeten verschillen en aldus, wanneer eenmaal de organisatien der +diersoorten opgehouden zullen zijn met in ontwikkeling te stijgen, er +kleinere verschillen tusschen de nabij in dezelfde levensomstandigheden +verkeerende dieren bestaan dan thans. + +Het zoo evengemelde bestaat ook op maatschappelijk gebied, want toch +iets, bijv. een werktuig, tot zeker doel dienende, kan slechts op eene +wijze geconstrueerd zijn en tegelijk volmaakt voldoen; terwijl er eene +grootere verscheidenheid van allen even goed voldoende constructien +mogelijk is, naarmate deze allen minder voldoen. Het is dan zelfs +wenschelijk zulk een verscheidenheid toe te laten, daar men dan, door +na te gaan waarin elk derzelver uitmunt, gemakkelijker meer volmaakte +constructien kan vinden. Op de instellingen, de manieren van leven +en zelfs op de karaktertrekken der menschen is dit ook van toepassing. + +De wederkeerige versterking van het geschikt worden voor zekere daden +van eenig deel der organisatie der dieren en het verrigten van zulke +daden beslist het pleit tusschen de beweringen, dat bijv. vogels +vliegen, omdat zij vleugels hebben, of wel deze bezitten om te kunnen +vliegen. Beide beweringen zijn waar. De allereerste pogingen om zich +van den bodem te verheffen, ten gevolge van den op blz. 27 gemelden +drang, leiden namelijk tot vorming der eerste rudimenten van vleugels +en, wegens de zeer trage toeneming der poging om te vliegen gedurende +eene reeks van generatien, bleven bij elk dezer de werktuigen, voor +het in zulk eene mate vliegen, als door elk dier generatien gewenscht +werd, zeer weinig in gebreke. + +Iets hiermede vergelijkbaar heeft ook op maatschappelijk gebied +plaats. Zoo zou men bijv. kunnen vragen: genieten de studenten hooger +onderwijs (wel te verstaan in de gezonde beteekenis van dit woord) +omdat er universiteiten bestaan? of wel: bestaan er universiteiten om +studenten hooger onderwijs te doen genieten? Klaarblijkelijk konden +de Batavieren geene universiteiten stichten, al gevoelden zij de +noodzakelijkheid om hunne jeugd eenig onderwijs te doen genieten. + +De pogingen hiertoe door onze onbeschaafde voorouders aangewend, +kunnen nu vergeleken worden met die, welke de vetganzen of manchots +tot vliegen doen. + +Evenmin als bij de organisatie eener diersoort, staan in de +Maatschappij, wegens de werking van accidentele oorzaken, de +verschillende zaken op dezelfde hoogte. Ten gevolge van den drang +tot geschiktwording van het een voor het ander, trekt hetgeen het +hoogste staat het tegelijk lager staande omhoog en omgekeerd, terwijl, +wegens den op blz. 27 gemelden drang tot verhooging, het gemiddelde +van beiden verhoogt. + +De kop en vooral de hersens der dolphijnen schijnen ons bijv. op +een hoogeren trap van ontwikkeling te staan dan het achterlijf dier +zeezoogdieren, en eveneens staan in de Maatschappij de inrigtingen +van liefdadigheid op een hooger standpunt dan het tweegevecht. Wat +houdt echter dit voor onze Maatschappij achterlijke gebruik in +stand? Eenvoudig het door de werking der traagheid bestaande gemis aan +zamenwerking bij het publiek, waardoor dit de zaak der beleedigden niet +genoegzaam opneemt en de beleedigers door verachting niet genoegzaam +straft, om gene te ontslaan van het zich verschaffen van eigen regt. + +Evenzoo staat thans bij de volken van Middel-Europa (in tegenstelling +van gedurende het begin der middeleeuwen) de godsdienst te laag +betrekkelijk de wetenschap, en tracht deze thans hier te lande op +de gemengde scholen gene op te heffen, terwijl op de sectescholen de +godsdienst de wetenschap omlaag tracht te brengen. + +Bij uitzondering kunnen sommige zaken te hoog staan voor de eischen der +omstandigheden, ofschoon gemiddeld, wegens de werking der traagheid, +het tegenovergestelde plaats heeft. Die uitzondering bestaat bijv. bij +nieuwe kinderkleederen, welke op den groei gemaakt worden; terwijl +groeijende kinderen gemiddeld voor hen te kleine, of als ware +achterlijke kleederen dragen. + +Zulk een tijdelijk te hoogen stand van iets, kan ontstaan, doordat zulk +eene zaak vroeger, door te laag voor de eischen dier omstandigheden te +staan, groote rampen heeft te weeg gebragt, en dat sommige menschen, +sterk met de zucht bezield om dit te verhelpen, wegens de werking der +traagheid (waardoor men iets doende, niet op het gepaste oogenblik +weet uit te scheiden) zulk eene zaak te hoog opvoeren. + +Dit is bijv. het geval met het toekennen van het kiesregt aan de +onbeschaafde klassen onzer Maatschappij, met het gemis der doodstraf +in Saxen, en met het bestaan der republiek in Frankrijk tijdens de +revolutie van 1789. De republiek is een geschikte vorm van regering, +daar waar er een sterken geest van zamenwerking tusschen en eerbied +voor de wet bij de burgers bestaat. Waar echter deze hiervoor te +onbeschaafd zijn, kunnen zij echter met eene lager staande deugd dan +de eerbied voor de wet, namelijk met trouw bezield zijn, en het is nu +op deze, bij sommige dieren, zooals bijv. de hond, bestaande deugd, +dat de monarchie en het feodale stelsel gebouwd zijn. + +Neemt de Maatschappij met zekere snelheid in beschaving toe, zoo wordt +zij hierdoor betrekkelijk onvolmaakter, omdat de inertie der menschen +maakt, dat al de maatschappelijke inrigtingen niet bij tijds voor de +nieuwere en hoogere behoeften geschikt gemaakt worden. + +Zoo bijv. binnen een staat het absolute stelsel goed werkt en de +bevolking neemt sterker in gemasseerde en zamenwerkende geestelijke +ontwikkeling toe dan de regering, zal zij over het bestuur ontevreden +worden. + +Maakt de vergrooting der bevolking en dien tengevolge gemiddeld die +der beschaving, dat steden zich uitbreiden, zoo neemt de drukte op +straat toe, en vroeger genoegzaam breede straten worden later te +smal gevonden. + +Het Noord-Hollandsch Kanaal voldeed 40 jaren geleden goed aan de +behoeften van den Amsterdamschen zeehandel, en thans hebben de +toegenomen behoeften van dien zeehandel dit kanaal te bekrompen +hiervoor gemaakt. + +Wegens gebrek aan geest van zamenwerking bij de leden der Maatschappij, +moet deze, als geheel werkende, in sommige gevallen aan hare leden +dwang opleggen. De hiertoe strekkende instellingen zijn thans, nu die +geest van zamenwerking bij de individuen toegenomen is, veelvuldiger +dan wenschelijk is. + +Wanneer eenige instelling van hoogeren aard wordt en aldus met zekere +snelheid verandert, zullen er ware en ingebeelde belangen gekwetst +worden, en, wegens de werking der traagheid, des te meer, hoe sneller +de opwaartsstreving dier instelling geschiedt. Laatstgemelde grieven +moeten door de slijtende werking van den tijd verdwijnen terwijl, +eene slechts, wegens het effect der traagheid, na zekeren tijd +mogelijke betere inrigting dier tot hooger gestreven instelling aan +de eerstgemelde grieven te gemoet kan komen. + +Wegens dit effect der traagheid zullen bijv. vroeger in het water +levende dieren, tot landdieren opgeklommen zijnde, in hunne organisatie +deelen bezitten, door dit leven op het land op eene ongunstige wijze +aangedaan wordende en somtijds eerst na een reeks van generatien de +op blz. 7 gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak dien euvel +wegnemen. + +Wegens de werking der traagheid zullen eerst, lang nadat het drooge +voor landdieren bewoonbaar geworden was, in het water levende +diersoorten noemenswaardig tot landdieren opgeklommen zijn en dit +bij die soorten bij een lageren trap van organisatie geschieden, +naarmate van derzelver thans bestaande nazaten de organisatie lager is. + +Goed voor het leven op het land georganiseerde dieren verdrinken +in het water en in overeenkomst hiermede zou een bijna perpetuelen +oorlogstoestand, zoo als bij de wilden, beschaafde volken ten gronde +rigten. + +Als een verouderd deel der organisatie van eenig tot eene hoogere +levenswijze opgeklommen diersoort kunnen de in ingekrompen toestand nog +bestaande zwemvliezen van den fregatvogel beschouwd worden. Hiermede +kan nu vergeleken worden den hinderlijken en verouderden band tusschen +staat en kerk thans in Engeland bestaande, doch, even als voor de +lager dan hen staande en nog zwemmende voorouders der fregatvogels die +zwemvliezen nuttig waren, zoo was, tijdens de regering van Elizabeth, +bij het toen allerwege bestaande verband tusschen de godsdienstige +voorschriften en de burgerlijke wetten, de koppeling van kerk en +staat noodig voor het weren van vreemden staatkundigen invloed. + +Even als voorts thans voor de lager dan de fregatvogels staande eenden +de zwemvliezen zeer nuttig zijn, kan bijv. thans in het lager dan +Engeland staande Abyssinië, voor de aldaar bestaande christelijke +kerk het schild van den staat vereischt worden. + +De graad van zamenwerking tusschen de individuen, bij de dieren slechts +zeer gering, wijst den stand aan der maatschappelijke beschaving. Die +zamenwerking nu verhoogt den aard van den strijd noodig voor de +vergrooting der geestelijke ontwikkeling der individuen. In plaats van +strijd, slechts het persoonlijk eigenbelang tot motief bezittende, +wordt het strijd door het publiek belang uitgelokt, zooals bij het +oorlogvoeren van natiën, bij den aanleg van groote werken, bij de +bestrijding van (naarmate de mensch zich meer van den natuurstaat +verwijderd, de bevolking digter wordt en het verkeer toeneemt) +hinderlijker wordende maatschappelijke kwalen enz. [9] + +Den strijd, het eigenbelang tot motief bezittende, ondergaat ook, +naarmate de maatschappij beschaafder wordt, verandering, daar in +plaats dat er dan bloed bij gestort, er geld bij omgewisseld wordt, +zoodat de een te veel en de ander te weinig geld voor zijne behoeften +bekomt, een kwaad, wel minder in het oogvallende dan het vergieten +van bloed, maar dat niettemin bestaat. + +Wegens de werking der traagheid, voert de betrekkelijk snel in +beschaving toegenomen maatschappij eene voor haar stand van beschaving +gemiddeld te lage soort strijd. Echter moeit men vermijden om de voor +de thans bestaande maatschappij in sommige gevallen noodzakelijken +en nuttigen oorlog te willen afschaffen, omdat men hem voor eene +hoogere denkbeeldige maatschappij in alle omstandigheden te barbaarsch +vindt. Zoolang toch de internationale zamenwerking tusschen de staten +niet zoo groot is, dat sommige hunner, in het belang van allen te zamen +en van de menschheid, afstand doen van deelen van hun grondgebied, +zonder door nederlagen hiertoe gedwongen te worden, zoo lang zal +de oorlog noodzakelijk blijven ter verbetering der verdeeling van +den aardbodem in rijken, zonder nog te gewagen van het regt tot +defensieven oorlog. + +Bij de dieren van dezelfde soort bestaat er te weinig zamenwerking +om hen te leiden, om zich te vereenigen tot groote met elkander +strijdende groepen en slechts ziet men hen somtijds elkander prooijen +betwisten. Bij onbeschaafde volken is de geest van zamenwerking te +gering om te vormen groote groepen in wier boezem er niet gevochten +wordt, zoodat bij hen de politie en de regtbanken in een rudimentairen +toestand verkeeren. Een ieder behoort bij hen maar te strijden om +zich regt te verschaffen en buiten de mogelijkheid zijnde om dit te +beletten, of iets verhevener er voor in de plaats te stellen, hebben +de regeringen van zulke volken gewis gelijk zoo zij het tweegevecht +aan zekere regels binden. + +De dieven voeren voorzeker binnen onze maatschappij een voor de +belangen dezer veel te lage soort van strijd, die buitendien den meer +verheven strijd, welke tot verhooging der beschaving leidt en door +de met elkander zamenwerkende leden der maatschappij gevoerd wordt, +belemmert. Desniettemin toonen de kunstgrepen, welke die dieven +moeten verzinnen en de behendigheid, welke zij moeten bezitten aan, +dat hun bedrijf strekt tot vergrooting van die lagere soort van +geestontwikkeling, welke men in Sparta trachtte te bevorderen, +doch met het oogmerk om er slechts in den oorlog partij van te +trekken. Bij meer verhevene wijzen van oorlogvoeren mag dit laatste +zelfs niet gedaan worden en zijn de antagonisten, als leden der +de gansche menschheid bevattende maatschappij gehouden, terwijl +zij tegen elkander strijden, met elkander zamen te werken in den +meer verheven strijd door die gansche maatschappij tegen ziekten, +vijandige elementen enz. gevoerd. [10] + +Klassen der maatschappij kunnen met elkander zamenwerken, zooals +bijv. de bazen en werklieden, bij het uitvoeren van publieke werken, +het fabriceren van voorwerpen en, zonder derzelven gemeenschappelijke +belangen te benadeelen, te zamen strijden, zoo dit bestaat in wettig +concureren bij het opdrijven der loonen van de eene en het laag houden +dezer van de andere zijde. + +Dat de werklieden thans trachten zamen te werken is een teeken +dat hunne intellectuele ontwikkeling en tegelijk hunne behoeften +gestegen zijn en moet, voor zoo verre die zamenwerking tot geene +daden van geweld aanleiding geeft, gunstig werken op de toename +in geestontwikkeling van al de klassen der maatschappij. Deze toch +derzelver onderlinge distantie willende behouden, zoo moet een stoot +voorwaarts bij de eene, dergelijke stooten bij de andere klassen tot +gevolg hebben. + +Dat men niet alleen de menschen iets nuttig, of anders gezegd, iets ten +bate der geschiktheid der Maatschappij voor de omstandigheden waarin +deze verkeert, gesticht hebbende, hoogschat, maar insgelijks hen in +eere houdt, die de geestontwikkeling van eene menigte individuen sterk +hebben doen toenemen, bewijst de betooverende werking van roemrijke +daden. Deze toch strekken meestal meer om de individuen te doen +vooruitgaan door strijd van lagere of hoogere soort, door inspanning +van hunne vermogens, dan om de maatschappij gelukkiger te maken. + +Even als strijd tusschen twee diersoorten en zelfs tusschen dieren +van dezelfde soort, leidt tot verbetering hunner organisatie, zoo +leidt de strijd tusschen de fabrieken tot verbetering der wijze +van fabricering, zonder dat de fabrieken uitgebreid worden, of dat +er in nieuwe wijze van bewerking (voortbrengselen van een hoogeren +trap van beschaving) in praktijk gebragt worden, of, anders gezegd, +dat de fabrieken passende voor een hoogeren trap van beschaving +gemaakt worden. Die verheffing der industrie is wel is waar evenzeer +een gevolg van industrielen strijd als de boven gemelde wijze van +verbetering der fabricering, doch leidt niet voor de fabrikanten tot +dezelfde uitkomsten als deze, want, terwijl die enkele verbetering +zonder verheffing, wegens de geringe er voor gevorderde uitgaven en +de zekerheid waarmede de fabriekanten te werk kunnen gaan voor deze +voordeelig is, strekt de verheffing hunner fabrieken, wegens de groote +er voor gevorderde uitgaven en de onbekendheid van den weg, waarop +de fabrikanten zich begeven, deze dikwijls tot schade. Eerst later, +wanneer alles meer in overeenstemming gebragt is met die op grootere +schalen aangelegde en procedes, van hoogeren trap van beschaving +getuigende, aanwendende fabrieken gebragt is, wanneer die procedés, +zonder verdere verhooging er van, verbeterd zijn en dat het publiek +zich op de hoogte dier bij hoogeren trap van beschaving passende +fabrieken gesteld heeft, ontstaat er voordeel voor de fabriekanten. + +Alsdan dringen zulke fabrieken, die bij lageren stand van beschaving +passende, tot op zekere distantie terug en onderwerpen hen in zekeren +zin aan zich. Die minder hoog opgevoerde fabrieken kunnen dan wel is +waar nog bestaan, doch moeten een meer bescheiden en anderen rol dan +vroeger vervullen, om bij dien hoogeren trap van beschaving van het +publiek nog te passen. + +Dit laatste vergelijkende met het inkrimpen der moerassen, zoo komen +die lager staande fabrieken overeen met de in die moerassen levende +kruipende dieren en de tot op een hoogeren trap geklommen fabrieken met +de tot zoogdieren verheven dieren, nadat deze het drooge land in bezit +genomen hadden, zie blz. 42. De bewerking van het ijzer in het groot +en door middel van door stoom bewogen werktuigen, heeft wel is waar +het smeden uit de hand van voorwerpen tot een geringer aantal hiervan +beperkt, doch slechts tot zekeren grens teruggedrongen en buitendien +worden er in de groote ijzerfabrieken ook voorwerpen, waarbij dit +moeijelijk anders kan geschieden, uit de hand gesmeed en bewerkt. + +De ijzerindustrie staat bijv. hooger dan de houtindustrie, doch +kan deze slechts tot zekeren grens terugdringen, daar, naarmate die +houtindustrie vermindert, zij zich hoe langer hoe meer bepaalt tot +het leveren van voorwerpen, niet slechts geschikter van hout dan +van ijzer gemaakt kunnende worden, maar zelfs in het eerste geval in +het gebruik beter voldoende. Men verkeert dus hierbij in een geval +overeenkomende met dat op blz. 13 aangegeven. De gansche vernietiging +van soorten van industrie behoort evenzeer tot de uitzondering, als, +naar ons inzien, het uitsterven van soorten van dieren of planten. + +Evenmin als men, hetgeen op het gebied van vrijen handel en industrie +gebeurt, kan opmaken uit hetgeen, waar de staat den eenigen industrieel +en handelaar is, plaats heeft, dat evenmin kan men, uit hetgeen bij +de tamme soorten plaats heeft, afleiden hetgeen bij de wilde geschiedt. + +Zoo bijv. het verbod om varkensvleesch te eten uit den Koran geschrapt +werd, zouden de Muzelmannen meer varkens en minder schapen gaan houden +en zou men nu hieruit mogen besluiten, dat in den strijd des levens +de varkens eene belangrijke overwinning op de schapen behaald hebben? + +Hetgeen op blz. 21 gezegd is, dat met belastingen bezwaarde neringen, +eindelijk in handen geraken van lieden, er zooveel minder voor gegeven +hebbende, als de belasting gekapitaliseerd bedraagt, zou waar zijn, +zoo die neringen in het geval verkeerden van met grondbelasting +bezwaard wordende landerijen, of met huurwaarde bezwaard wordende +huizen, (onverschillig of die belasting door de eigenaars of huurders +betaald wordt), edoch zij doen dit slechts gedeeltelijk. Neemt de +bevolking eener stad niet toe, zoo zal, na den invoer eener belasting +op de huizen, deze allen ter bewoning aangeboden worden, en, daar de +huurders er van wat bekrompener gaan wonen, het bod van huizen de vraag +er naar zoo lang overtreffen, totdat de waarde er van tot bovengemeld +bedrag gedaald is, de huurders weder even ruim als voor den invoer +der belasting wonen en bod en vraag weder even sterk geworden zijn. + +Het aantal der bovengemelde neringen zal daarentegen na den invoer +der belasting verminderen en buitendien de waarde er van gedeeltelijk +bestaan uit die van zaken door arbeid gedurig op nieuw voortgebragt +moetende worden. Van zulke zaken stijgt nu, door meerdere vraag +dan bod de prijs na den invoer der belasting in zulk eene mate, dat +deze niet alleen door de met patent belaste neringdoenden, maar in +werkelijkheid door de gansche maatschappij (ter wier bate de opbrengst +er van eindelijk komt) en wel gemiddeld in reden, van het vermogen +van elk lid er van opgebragt wordt. [11] + +De onregtvaardigheid eener belasting op den arbeid, verdwijnt aldus +door dat de arbeiders er eindelijk niet meer in deelen dan het +gansche publiek, die van eene belasting op het geene vaste renten +gevende kapitaal door den dood der bezitters dier kapitalen, en door +de gewoonte hunner erven aan het bezit van minder fortuin. Zelfs +al bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zou dit +het geval blijven, omdat de menschen zich kunnen voegen naar het +bezit van minder inkomen, mits hun werkkring tegelijk die wordt van +personen van minder beschaving. De opvolgers, zoo van intellectuelen, +als van handenarbeiders kunnen zich daarentegen niet voegen naar het +bezit van minder verdiensten dan hunne voorgangers, zoo zij dezelfde +soort van werk als deze willen blijven uitoefenen. Van daar, dat, +wanneer zulk een arbeider en een kapitalist zich dezelfde moeite +geven om niet te verarmen onder steeds toenemende druk, de eerste +kan maken dat zijn loon niet beneden zeker bedrag gevoerd wordt en +de tweede slechts dat zijn kapitaal niet al te snel wegslinkt. + +Bovengemelde neringdoenden verkeeren nu daaromtrent in tusschengelegen +gevallen; deels wordt belast hun arbeid, of wel dien der fabriekanten, +waarbij zij gestadig inkoopen doen, deels hunne bedrijfskapitalen, +zooals werktuigen, uitstallingen enz. en daar beide zaken naauw +verbonden zijn die arbeid te zamen, met de inkrimping der neringen, +die bedrijfskapitalen beletten tot op het op blz. 21 aangegeven +bedrag te dalen. Verteringsbelastingen kunnen aldus door de belaste +personen slechts gedeeltelijk, door het grooter worden van het bod +dan de vraag, en door tijdelijk eene meer bekrompen levenswijze te +voeren, geladen worden op de bedrijfskapitalen van hunne leveranciers +en van hen die hun woning, vervoer enz. verschaffen. Wordt nu dit +slechts tijdelijk voelbare verlies over een groot aantal en eene +groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen geladen, zoo zal, +daar de behoeften van den Staat en die der ambtenaren ook door de +bezitters van eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen +voldaan worden en deze trachten te verhoogen, zelfs de tijdelijke +onregtvaardigheid, na den invoer van zulke belastingen ontstaande, +veel verminderd worden. Er bestaat eene oorzaak trachtende een ieder +van het maatschappelijke kapitaal een deel te verschaffen, evenredig +met van zijn stand van beschaving afhangende behoeften. Bezit hij +minder dan dit voor hem geschikte deel, zoo zal hij (zie blz. 49) +duurder dan gemiddeld zijn arbeid en producten trachten te verkoopen, +en goedkooper dan gemiddeld trachten te koopen, terwijl, zoo hij meer +dan zijn geschikt deel bezit, het omgekeerde zal plaats hebben. [12] + +Alle onregt is een gevolg der variatie der wereldsche zaken, ook bij +den door belastingen teweeg gebragten druk. Bestond toch die variatie +niet, zoo zou het slechtste stelsel van belasting eindigen met geen +onregt te baren, omdat een ieder een vermogen zou verkrijgen dat, +na aftrek der gekapitaliseerde belasting, die hij werkelijk zou +opbrengen, het voor hem geschikte deel van het maatschappelijke +kapitaal zou vormen. + + + + + + +BESCHOUWINGEN OVER DE OORZAAK VAN HET KWAAD EN OVER HET DOEL VAN +HET LEVEN. + + +Het kwaad, zoowel het zedelijke als het stoffelijke, bestaat +in ongeschiktheid van het eene voor het andere en het is even +eigen aan het veranderlijke, als de volmaaktheid zulks is aan het +onveranderlijke. + +Wegens de werking der traagheid, anders gezegd de neiging van alles +om, zooals het geworden is, in stand te blijven, moet toch de op +blz. 7 gemelde oorzaak van geschiktwording tijd noodig hebben, om +haar doel te bereiken, maar zullen daarentegen volmaakte toestanden +bestendigd worden. + +Het zedelijke kwaad, dat wij menschen verrigten en de inspanning +en opoffering die deugdsbetrachting ons kost, ontstaan doordat onze +geest niet op de hoogte is van de sedert de wording der maatschappij +verhoogde eischen van ons zedelijk bestaan. Deze eischen vorderen +opoffering van het genot in het heden ten bate, van het welzijn, zoo +van andere menschen als van onze eigen toekomst. De eischen van het +heil der onbeschaafde maatschappijen vorderen zoo iets veel minder, +en die van den dierenstaat bijna niet. De dieren hebben toch bijna +geen besef van hunne toekomst en kunnen zeer weinig zoo hiervoor, +als voor elkander doen, en zoo elk hunner slechts zorgt voor zijne +oogenblikkelijke behoeften, schiet hij bijna niet te kort in de +vervulling der eischen van zijn zedelijk bestaan. + +De, betrekkelijk de toeneming in beschaving der maatschappij, +zeer langzaam opwaarts gestegen dierenstaat, maakt dat, wegens het +effect der traagheid, niet alleen de dieren minder ten achteren +zijn met betrekking tot de eischen van hun zedelijk bestaan en +aldus betrekkelijk minder zedelijk kwaad doen dan de menschen, +maar ook dat bij hen het lichaam betrekkelijk den geest minder ten +achteren is dan bij ons menschen. Ons lichaam tracht ons toch naar +het dierlijke en aldus achterwaarts te trekken, ten einde den geest +voor zich geschikt te maken, terwijl omgekeerd onze geest het lichaam +opwaarts moet trachten te halen, hetgeen, zoo de geest niet ophoudt +met in ontwikkeling toe te nemen, steeds aanhoudt en, wel is waar +door de hulpmiddelen der geneeskunde wat gemakkelijker gemaakt wordt, +maar niettemin het trage lichaam steeds achterlijk zal doen blijven. + +Ook de hartstogten kunnen hoog of laag zijn (het woord laag dan niet +in den alsdan gebruikelijken zin bezigende). Wegens zooeven gemelde +werking der traagheid, bezitten wij bijv. hartstogten, waaraan de +dieren zich geheel kunnen overgeven, zonder aan de eischen, van hun +zedelijk bestaan te kort te doen, doch die wij menschen sterk moeten +bedwingen, omdat zij te laag voor de eischen van onze maatschappij +zijn, te meer dewijl zij, wegens de hoogte waarop die maatschappij +gestegen is, op eene meer uitgebreide schaal kunnen werken. Zie noot +blz. 57. + +Zelfs de menschen staan daarin op verre na niet gelijk. De toegeving +aan hartstogten doet bijv. de wilden minder kwaad dan ons beschaafde, +en zelfs bij ons is dit kwaad geringer bij de lage dan bij de hooge +standen. Zoo bijv. zal grootspraak van een ijverigen en bekwamen +werkman weinig ergeren en dit daarentegen in de hoogste mate doen in +den mond van een beschaafd mensch. + +Het op straat vechten van vischvrouwen maakt niet dezelfde indruk +als dat van dames, en, dat wij daaromtrent aan beschaafde en niet +beschaafde menschen verschillende eischen stellen, moet blijkbaar +gegrond zijn op een verschil in de eischen van beider maatschappelijk +en zedelijk bestaan. + +Het ligchaam der vrouwen, van dat der mannen verschillende, moet, daar +het den geest der eerste voor zich geschikt tracht te doen worden, +deze van die der mannen doen verschillen, zoo anders beider geesten +niet onderscheiden zouden zijn. + +Voorts neme men in aanmerking; dat, terwijl het ligchaam, door met +betrekking tot den geest te laag te staan, op eene directe wijze de +vergrooting der geestelijke ontwikkeling belemmert, het deze op eene +indirecte wijze, namelijk bij het gebruik der zintuigorganen en der +ledematen, bevordert. + +Voor soorten van geestontwikkeling, welke als de verhevenste +binnen eenige onbeschaafde maatschappij beschouwd worden, (bijv. die +betreffende den oorlog en de jagt) kan nu die indirecte werking van het +ligchaam der mannen gunstiger zijn dan van het ligchaam der vrouwen, +en vorderen nu de eischen eener maatschappij, dat de sexe, welke minder +aan huis gebonden is, meer leert, zoo zal bij die sexe de intellectuele +ontwikkeling verder dan bij de andere gedreven worden, en de opvoeding +bij beide sexen niet van denzelfden invloed op de hartstogten zijn. + +Die eischen kunnen nu langzaam in het voordeel der vrouwen, veranderen +naarmate de maatschappij beschaafder wordt, doch zullen, wegens de +werking der traagheid, gedurende die met zekere snelheid toenemende +beschaving, steeds wat te veel in het voordeel der mannen gehouden +worden. Van daar welligt dat de eischen van het welzijn der thans +bestaande maatschappij vorderen, dat tusschen het de vergrooting +der intellectuele ontwikkeling bevorderende onderwijs aan jongens en +meisjes gegeven, het verschil geringer zij dan werkelijk het geval +is. Neemt echter eenmaal de beschaving zeer weinig toe, zoo zal +klaarblijkelijk dit verschil zoo groot worden als noodig en nuttig is. + +Ter opheldering van het hierboven en op blz. 56 gemelde, moeten wij +opmerken, dat er op de verschillende trappen van beschaving tusschen +de geestontwikkeling niet slechts een verschil in quantiteit, maar +tevens ook in qualiteit bestaat. Op lagen trap van beschaving bevat +toch de geest veel denkbeelden over strijd, zoo met natuurlijke als +met kunstwapens, want men wane niet dat er geene andere denkbeelden +bestaan, dan die in woorden uitgedrukt kunnen worden. Integendeel +worden er vele door oefening in de eene of andere zaak verkregen, +waarbij dit het geval niet is en de dieren moeten slechts zulk eene +soort van denkbeelden bezitten. + +Het talent van een koorddanser zit bijv. niet in zijne beenen, maar in +zijn geest. Hij bezit voor de spraak onuitdrukbare denkbeelden over de +bewaring van het evenwigt door middel van zekere snelle bewegingen van +het ligchaam, die een ander mensch, slechts van goede beenen voorzien, +niet bezit. + +Zoo echter zulk een koorddanser het koord niet meer beklimt en zich +bijv. op de wetenschappen gaat toeleggen, zullen zijne denkbeelden over +de middelen ter bewaring van het evenwigt, zich steeds in den latenten +toestand, of, zooals men zegt, uit zijn hooft bevinden, zij in dien +toestand van lieverlede door ook deels voor de spraak niet uitdrukbare +denkbeelden over de wetenschappen verdrongen worden, en de kunstenaar +van lieverlede voor het loopen op het koord onbekwamer worden. + +Denkt men hierover na, zoo zal men gewaar worden, dat de waarde der +wereld bestaat in den geest, anders genaamd de veropenbaring der +zelfstandigheid door denking. Men bedenke bijv. dat, wanneer een +zuigeling voor de eerste keer de aardsche voorwerpen ziet, wel is +waar die aanschouwing tot het domein zijner denking behoort, maar nog +geene beteekenis voor hem bezit. Die gezigtsvoorstellingen zijn voor +hem even onverstaanbaar als voor een volwassen mensch, de woorden +eener in eene hem onbekende taal uitgesproken redevoering. Door +oefening, door met inspanning denken onder bezit van denkbeelden, +in den niet latenten toestand verkeerende, moet het kind zich de +beteekenis dier gezigtsvoorstellingen eigen maken, en, wanneer dit +heeft plaats gegrepen, het ook met betrekking tot dit zien rijker in +denkbeelden geworden zijn. + +Waren zelfs de ligchamen der dieren en menschen onsterfelijk, zoo +zouden zij niettemin, aan allerlei uiterst onregelmatig voorkomende +accidentele omstandigheden blootgesteld zijnde, wegens gedurig +gebrek aan geschiktheid lijden. Zulk een gebrek leidt echter tot +geestinspanning en als gevolg hiervan tot vergrooting der geestelijke +ontwikkeling. Het gemis van zulke accidentele afwijkingen van een +gemiddelden standvastigen toestand zou aldus, zie blz. 47, leiden tot +een toestand, waarin er, wel is waar, noch lijden, noch ongeschiktheid +van het een voor het ander meer zou bestaan, maar tegelijk de prikkel +tot verderen vooruitgang gemist zou worden. + +De verhooging der geestelijke ontwikkeling der levende wezens door die +hen lijden berokkende accidentele afwijkingen, sluit niet in dat elk +dezer, (zooals bijv. die van den gemiddelden toestand der gesmolten +stoffen binnen den aardkern, tijdens het bestaan van aardbevingen), +zulk eene verhooging in geestontwikkeling teweeg brengt, dat er +hierdoor eene vergoeding voor het er door teweeg gebragte nadeel +ontstaat, noch zelfs dat zij elk, op zich zelve beschouwd, tot +verhooging dier geestontwikkelingen zouden bestemd zijn [13]. + +Dit zou eene kinderlijke en bekrompene wijze van natuurbeschouwing +zijn. Slechts in zooverre men zulke accidentele of toevallige +afwijkingen collectief met andere dergelijke afwijkingen beschouwt, +valt in zekere mate zoo iets er van te zeggen, en wel in sterkere mate, +naar gelang men hen collectief met meer andere soorten van accidentele +afwijkingen beschouwt, en, slechts op een volstrekte wijze, wanneer +alle mogelijke accidentele afwijkingen van gemiddelde toestanden te +zamen beschouwd worden. Aldus, slechts in ruimte en tijd collectief +beschouwd, vormen die afwijkingen iets algemeen en aanhoudend en, +naarmate nu de natuurverschijnsels een meer algemeen en voortdurend +karakter bezitten, komt het ons voor dat alles er bij meer voor +elkander bestemd is [14]. + +De eenvoudigheid der natuurwetten maakt bovendien dat tusschen oorzaken +en gevolgen er zekere gelijkslachtigheid moet bestaan, zoodat van +accidentele afwijkingen, zooals bijv. aardbevingen, stormen enz. bij +het bestaan van zulke natuurwetten, aard niet kan bepaald worden +door doelmatige wijzen om der menschen geestelijke ontwikkeling te +verhoogen, aangezien dit laatste op geestelijk gebied behoort. Die +eenvoudigheid dier wetten maakt, dat men kan leeren, terwijl de er door +teweeg gebragte verscheidenheid en afwijkingen dit leeren bevorderen. + +Was het verband tusschen oorzaken en gevolgen, zoo als de +supranaturalisten beweren, dan zouden de natuurwetten zoo uiterst +zamengesteld zijn, dat de gevolgen van zekere gebeurtenissen onmogelijk +zouden te gissen zijn en de ervaring geen leiddraad voor het handelen +meer zou opleveren. + +Van daar dat er in het practische leven evenmin zuivere +supranaturalisten als zuivere fatalisten bestaan. De onwetenste +schipper, nimmer van natuurwetten en eene daardoor teweeg gebragte +gelijkslachtigheid van oorzaken en gevolgen gehoord hebbende, maakt +bijv. uit den staat van den atmospheer op, welk weder er te verwachten +is en rigt zich hiernaar in. + +Even als Molieres bourgeois gentilhomme in proza sprak zonder dit te +weten, zoo gedraagt zich aldus die schipper, zonder hiervan bewust te +zijn, in strijd met zijne supranaturalistische religieuse beginselen, +als naturalist, en neemt hij bijv. niet aan, dat voor of tegenwind +van de zedelijke gehalte zijner passagiers afhangen, daar hij dan +hun certificaat van goed gedrag zou moeten inzien, in plaats van op +wolken en windwijzer te letten. + +Hoe minder intellectueel ontwikkeld de menschen zijn, hoe meer +onmiddelijk de verschijnsels uit elkander voortvloeijen, waarvan +het verwachten der eene uit het voorkomen der andere opgemaakt dient +te worden; en met hoe minder kennis der werking der Natuurwetten op +stoffelijk en geestelijk gebied zij aldus kunnen volstaan. Hieromtrent +gemaakte dwalingen zullen aldus door zulke menschen minder dan door +meer beschaafde opgemerkt worden, en buitendien heeft het bijgeloof +minder invloed op de handelingen, dan men wel denkt. In plaats van +deze te doen afhangen van goede of slechte voorteekens, waardoor het +toeval de wijze van handelen zou bepalen, vallen, naarmate, wegens +naturalistische oorzaken, zekere handelingen al of niet geraden +geoordeeld worden, die voorteekens goed of slecht uit. Vaak toch +bedriegen de menschen zich zelf en zien zij hetgeen zij raadzaam +achten te zien. + +Wij hebben hierboven de directe en niet de indirecte gevolgen der +verschijnsels in het oog gehad. Zoo is bijv. zeeziekte een direct +gevolg der schommelingen van schepen ten gevolge der deining, maar +de door deze teweeg gebragte bewondering en vrees, moet niet als een +direct gevolg der golving der zee, maar als dat van zekere zinnelijke +indrukken in verband met eene bestaande gemoedsgesteldheid beschouwd +worden. Men heeft hierbij als ware eene andere reeks van oorzaken en +daarmede gelijkslachtige gevolgen. + +Behalve de gemiddelde plaats hebbende vergrooting der geestontwikkeling +der soorten bestaat die der wisselende individuen dier soorten. + +Deze, zeer gering bij de geboorte, klimt gedurende een beperkt +aantal jaren tot de hoogte welke die der soort gedurende een veel +grooter aantal eeuwen bereikt heeft; en daar die snelle verhooging +der geestontwikkeling der individuen het gevolg moet zijn van eene +snelle verhooging der levensomstandigheden, zoodat die individuen +gedurig aan hoogere eischen moeten voldoen, zoo zal, wegens de +werking der traagheid, bij elk individu die geestontwikkeling meer +te kort schieten, dan bij de soort, zoo deze bijv. uit steeds op +aarde voortlevende individuen bestond. In dit geval zou gewis de +toename in geestontwikkeling der soort sneller zijn dan thans, +daar bijv. eene generatie, op zeker tijdstip op den graad van +geestontwikkeling harer soort staande, na bijv. 30 à 40 jaren een +hooger standpunt van geestontwikkeling zal bereikt hebben, dan zoo +op dit eerste tijdstip die generatie van ongeveer nul af aan alles +moet leeren. In dit laatste geval zal zij echter gedurende zekeren +tijd sneller in geestontwikkeling toenemen dan in het eerste, omdat +in dit eerste geval er geen prikkel bestaat om zich op de hoogte der +kennis van voorgangers te stellen. Dit geldt ook voor individuen van +volgende generatiën met betrekking tot individuen van voorgaande, +en vandaar dat bijv. menschen van hunne geboorte tot hun dertigste +jaar meer leeren dan van af dien leeftijd tot hun zestigste jaar. + +Van af den achttienden tot den dertigjarigen leeftijd is de verhooging +der eischen der levensomstandigheden op het sterkste en vandaar +dat alsdan de geestontwikkeling, wegens de werking der traagheid, +het meeste te kort schiet, de menschen uit gebrek aan ondervinding +de meeste dwaasheden en euveldaden verrigten en zich daardoor het +meeste benadeelen. Zelfs de uitmuntendste opvoeding kan dit kwaad +slechts gebrekkig wegnemen, daar de menschen veel minder van andere +menschen dan door eigen ondervinding kunnen leeren. + +Niet slechts dat, de snelle verhooging der menschen +levensomstandigheden, de voor de vervulling der eischen dier +omstandigheden gevorderde wijsheid meer te kort doet schieten, maar +ook de accidentele veranderingen dier omstandigheden zullen, al wordt +er hierdoor geene verhooging dier eischen daargesteld, wijsheid en +ondervinding (wegens de op blz. 63 gemelde werking der traagheid) +in gebreke doen zijn, wanneer er door, alsware nieuwe en onbekende +toestanden daargesteld worden. Dit nu zal veel meer het geval zijn +bij vrij kort, dan bij zeer lang op deze aarde vertoefd hebbende +wezens, en aldus reeds wegens twee oorzaken de sterfelijkheid der +individuen voor hen eene bron zijn van te kortschieten in wijsheid en +ondervinding en dus ook van ramp, maar tevens van sterkere toeneming +in geestontwikkeling gedurende een bepaalden tijd. + +Evenzoo als des menschen geest ten achteren blijft betrekkelijk de +eischen der levensomstandigheden, doet het ligchaam zulks betrekkelijk +den geest. Dit vooruit-zijn van deze laatsten, waardoor op het +ligchaam eene vooruittrekkende werking uitgeoefend wordt, doet dit +lijden en kan het zelfs ongeschikt maken om tegelijk met eene juiste +werkdadige denking te bestaan. Vandaar het somtijds idioot worden +van geleerde kinderen. + +Buitendien kan men op eene gebrekkige wijze op de hoogte zijn van +hoogere levensomstandigheden dan die waarin men verkeert. Een kind +kan bijv. in sommige opzigten te wijs zijn voor het kinderleven, +zonder zelfs in dit opzigt, aan de eischen der levensomstandigheid +van meervolwassenen te kunnen voldoen, niet wegens eene te lage, +maar wegens eene scheve opvatting dier eischen. Zoo zal bijv. de +republikeinsche regeringsvorm voor de Fransche natie, wanneer bij +deze de eerbied voor de wet grooter en de bekoorlijkheid van het +prestige van naam en roem geringer geworden zal zijn, geschikt worden, +doch de alsdan vigerende republikeinsche constitutie waarschijnlijk +beter zijn dan die gedurende het laatst der voorgaande eeuw en +aldus in Frankrijk te vroeg ingevoerd [15]. Thans noemen zich +de materialistische pantheïsten eene zeer geavanceerde partij +op godsdienstig gebied, doch, wanneer het gros van het publiek op +hunne hoogte gekomen zal zijn, zal dit geene hooger staande en minder +kinderlijke, maar wel betere en minder eenzijdige godsdienstbegrippen +dan zij aankleven. Krankzinnigheid, vaak ontstaande door het onvervuld +blijven van wenschen, en waarbij het denken niet in overeenstemming +is met de eischen der werkelijkheid, gaat, zooals bijv. bij sommige +asceten, dikwijls gepaard met valsche voorstellingen van hoogere +toestanden. Vandaar dat de geestelijke ontwikkeling van krankzinnigen +gemiddeld niet lager is dan die van andere menschen en bijv. door +Cervantes, bij Don Quichotte, zonder dezen onmogelijk te maken, +vooral in het zedelijke op een hoog standpunt gesteld kon worden [16]. + +Het achterlijk zijn van het eene met betrekking tot het andere, +ontstaat alleen doordat de vooruitgang van het laatste dit alsware ten +deele vernieuwd heeft, en is aldus een bijzonder geval der uitwerking +der traagheid waardoor, wanneer iets verandert, iets anders, er mede +in verband zijnde, niet terstond eene overeenkomstige verandering +ondergaat. + +Wat doen nu de geavanceerde beginselen bezittende menschen en partijen? + +Zij ontwerpen instellingen, geschikt behoorende te zijn niet voor +den bestaanden, maar voor toekomstige toestanden, en neemt men nu in +aanmerking, hoe, door veranderingen in het verledene, de bestaande +toestand nog min of meer nieuw is, zoo zal men beseffen, hoe veel +meer nieuws veronderstelde toekomstige toestanden zullen opleveren, +en hoeveel moeijelijker het wordt, om de eischen en aard hiervan dan +van een bestaanden toestand te bepalen. Door menschen van evenveel +talent en doorzigt ontworpen, zoo zullen ontwerpen van geavanceerde +instellingen noodwendiger gebrekkiger zijn dan die van instellingen +voor bestaande toestanden bestemd. + +Door de ondervinding ingelicht, zullen daarentegen de ontwerpers +van instellingen voor verleden toestanden bestemd, deze volmaakter +maken dan de instellingen werkelijk gedurende die verleden toestanden +bestaan hebbende, mits de aard dezer niet te zeer onbekend geworden is. + +Zoo weten de menschen gemiddeld beter wat zij vroeger hadden behooren +te doen, dan zij zulks vroeger geweten hebben en weten zij minder +goed wat zij later zullen moeten verrigten, dan zij zulks later +zullen weten. + +De miskenning der eischen van dezen thans bestaanden toestand, het +zonder zulks te weten, voor oogen houden van hoogere toestanden dan den +thans bestaanden, benevens de zeer gebrekkige kennis van den aard en +eischen er van, hebben aanleiding gegeven tot het ontwerpen en zelfs +tot het voor een deel in praktijk brengen van allerlei wel is waar +buitensporige instellingen, wetten en gebruiken, maar waarbij de meeste +der ontwerpers, deze in dit opzigt, gene in eenig ander opzigt, iets +voorgesteld hebben werkelijk voor hoogere maatschappelijke toestanden +geschikt. Die ontwerpers zijn te vergelijken met de pionniers, welke +in Amerika en Australie de ontginners van den bodem in de wildernis +voorafgaan, dikwerf verdwalen zij, doch niettemin wijzen zij aan het +hen achterna komende gros van het menschdom den te volgen weg. + +Op wetenschappelijk en godsdienstig gebied is dit nu evenzeer het +geval. De hierop geavanceerde stellingen en hypothesen, hoe eenzijdig, +gebrekkig en somtijds zelfs buitensporig, bevatten meestal eenige +vroeger onbekende waarheden, die wel vaak lang onbegrepen blijven, +maar, telkens op nieuw verkondigt, eindelijk wortel schieten; terwijl, +de tegelijk met hen voorgedragen dwalingen, van lieverlede in de +vergetelheid geraken. Daar echter de wetenschap gemiddeld steeds +voorwaarts gaat, houdt het opwerpen van geavanceerde stellingen niet +op. Zekere dosis dwalingen, en wel gemiddeld eene grootere, naarmate +de voortschrijding der wetenschap sterker is, blijft aldus steeds +in omloop. + +Nemen wij bijv. de stelling van Bouddha, dat alle bestaan een kwaad +is, zoodat de mensch, door onderdrukking zijner begeerten en door +zedelijke veredeling, moet trachten op te gaan in het Nirwana en zich +te onttrekken aan eene wedergeboorte. Vooreerst verstonden Bouddha +en zijne aanhangers onder Nirwana het niet, of wel de oplossing in +de oneindige onveranderlijke denking onder verlies der eigenaardige +menschelijke natuur, en verstonden zij onder bestaan alle zijn hoe +ook, of wel gevarieerde op die van ons menschen gelijkende wijzen van +bestaan. De tweede onderstelling komt ons de aannemelijkste voor, +daar de stelling, dat men zich door veredeling moet voorbereiden +voor het niet ongerijmd is, en omdat daarop, zelfs bij de traagste +Oosterlingen, geen godsdienst te bouwen is. + +In zooverre had echter Bouddha gelijk, dat veranderlijkheid bij het +bestaan, wegens de werking der inertie-wet, ramp te weeg brengt, +zoodat slechts eene, met onze geestelijke natuur niet overeenkomende +onveranderlijke wijze van bestaan, met volmaakte zaligheid te +vereenigen is en ook had hij gelijk door te stellen dat onderdrukking +der begeerten, tot geluk leidt, doch hij had er bij moeten voegen, +ook tot stilstand. + +Was toch die tweede stelling van Bouddha aanbevelingswaardig, +zoo zouden de menschen, even als Diogenes, hunne stoffelijke en +geestelijke behoeften moeten trachten te verminderen, en in zooverre +als de ontwikkeling van handel, industrie en wetenschap meer dient om +nieuwe stoffelijke en geestelijke behoeften te scheppen, dan om aan +reeds bestaande behoeften te voldoen, zij gebreideld moeten worden. Bij +het onderwijs zou dan alles wat kan strekken om de leerlingen een +hoogeren graad van beelding, dan voor den maatschappelijken toestand +hunner ouders past, te doen geven, zorgvuldig geweerd moeten worden. + +De indeeling der maatschappij in kasten behoorde alsdan weder te +worden ingevoerd. Schadelijk voor den vooruitgang dier maatschappij, +omdat de geest van routine er door opgewekt wordt en rijk begaafde +individuen uit de lagere standen er door belet worden om op de +maatschappij eene opheffende werking uit te oefenen, zoo bevordert +daarentegen zulk eene indeeling de rust en tevredenheid, wanneer de +kinderen van jongs af opgeleid worden voor de bekwame vervulling van +den ouderlijken werkkring. + +De gilden en het staatstoezigt over handel en industrie zouden alsdan +weder ingevoerd en vrije handel afgeschaft moeten worden. De vrije +concurrentie gaat toch gepaard met een strijd, waarin de knapste +industrielen de andere ten gronde trachten te rigten, waarin zij op +middelen peinzen, om in het bedriegen van het publiek elkander de loef +af te winnen en waarin een ieder dus maar, ten bate der verhooging +zijner geestontwikkeling, maar moet zorgen om niet de verliezende +partij te zijn. + +Wilden zou men slechts moeten trachten in den wilden toestand in +gunstige omstandigheden te doen leven, maar zich overigens wel +hoeden moeten om hen te beschaven, kortom men zou enkel aan de +zucht tot geschiktmaking gehoor moeten geven. Dit echter wordt door +de instinctmatige zucht tot vooruitgang, den mensch in veel hoogere +mate dan de dieren deelachtig, onmogelijk gemaakt, maar tevens wordt, +door het gehoorgeven aan die zucht, verklaard hoe de mensch, getooid +met eene schoone, maar met distelen doorvlochte kroon, tegelijk is +het verhevenste en het betrekkelijk onvolmaaktste, het edelst en het +ongelukkigste wezen der aarde. + +Even als bij snellen gang troepen niet meer opgesloten blijven, maar +zich verdeelen op den weg, doet de betrekkelijke snelle toeneming in +geestontwikkeling van den mensen een groot verschil in verhevenheid +ontstaan tusschen zijne denkbeelden betreffende de eene en de andere +zaak. Van daar zekere disharmonie, zekere tegenstrijdigheid bij zijn +wezen, die gevoegd bij de uitwerking der met elkander strijdende +neigingen naar geluk en naar vooruitgang, hem in zijn eigen oog, +zooals Pascal zeide, tot een onbegrijpelijk monster maken [17]. + +Des menschen geest neemt te snel in ontwikkeling toe, om voor +blijvende aardsche ligchamen geschikt te zijn, daar de aarde zelve +het streven dier ligchamen naar hoogere ontwikkeling (volstrekt niet +in vergrooting der gezondheid bestaande) belemmert. Het is dan ook +verkeerd te beweren, dat de waarde van den geest hand aan hand gaat +met die van het ligchaam uit het oogpunt van gezondheid en goede +werking der verschillende organen. + +De menschen bijv. bezitten meer wijsheid, kennis en zelfs in het +algemeen eene grootere geestelijke ontwikkeling, wanneer op hoogen +leeftijd hun ligchaam gebrekkig geworden is, dan toen dit in vollen +bloei verkeerde. Wanneer echter de zintuigen beginnen te begeven en +alle bewegingen moeijelijker en vermoeijender worden, let men minder +op hetgeen in de omgeving geschiedt en gezegd wordt. Geestelijk +leeft men dan minder in het heden en op de plaats zelve waar men +zich bevindt, en van daar het schijnbare gemis aan geheugen en die +schijnbare botheid van geest welke de grijsaards met afgetrokken en +diepzinnige personen gemeen hebben. [18] Bij de kinderen heeft het +tegenovergestelde plaats, hunne denkvormen gelijken meer op die der +dieren dan die der volwassenen. Geheel vervuld met het heden en de +omgeving, ontgaat er weinig aan hunne opmerkzaamheid, doch worden +hunne vroeger gemaakte denkbeelden snel uitgewischt door andere, +ten gevolge van nieuwe zintuigelijke indrukken ontstaan. + +Ofschoon aan het leven gehecht, zouden de meeste menschen niet +andermaal hun levensloop willen herhalen. Wel zouden zij wenschen hun, +door inspanning en wegens gebrek aan ondervinding, onder betaling van +leergeld, vooruitgeganen geest, aan een verjongd ligchaam te koppelen, +doch niet in geestontwikkeling tot den kinderlijken toestand terug +te keeren. + +De geest kan overigens bij alle graden van ontwikkeling jong of oud +zijn, daar zulks afhangt, of dat hij zekere toestanden en omgeving +sedert kort begonnen is met bewustheid te aanschouwen, of dat hij +hieraan reeds lang gewoon geworden is, of, met andere woorden, van het +verkrijgen van nieuwe denkbeelden, of van het behouden der vroegere. + +Werkte, bij de op eenigen hemelbol aanwezige ligchamen van wezens +slechts de oorzaken hen voor de omstandigheden, door den aard van dien +hemelbol opgeleverd, geschikt trachtende te maken, zoo zou zulk eene +beschadiging dier ligchamen, dat het organische leven er niet meer +bij mogelijk is, bij elke volgende generatie moeijelijker dan bij de +voorgaande plaats hebben. Gemiddeld zou aldus elke generatie langer +leven dan de haar voorgaande en van de, na een oneindig langen tijd +bestaande, de ligchamen onsterfelijk zijn; terwijl reeds thans dit +het geval zou zijn, zoo die constante oorzaak reeds gedurende eene +eeuwigheid alleen gewerkt had. + +Tegelijk er mede heeft echter de oorzaak, de organisatie dier +ligchamen trachtende te verhoogen, gewerkt, en daar nu de snelheid +waarmede zulks geschiedt, zoo als op blz. 72 verklaard is, juist +het tegengestelde effect der voorgaande oorzaak te weeg brengt, +beide oorzaken, vereenigt werkende, de organische ligchamen uit de +stoffen van zekere hemelbollen gevormd, wel meer zamengesteld van +bouw en hooger ontwikkelt, doch tegelijk meer teer en vernielbaar +dan bij het gemis dier laatste oorzaak doen zijn. + +Hoe geringer de toeneming in geestontwikkeling en aldus ook +de verhooging der organisatie der ligchamen van wezens is, hoe +zwakker de werking van de tweede der boven gemelde oorzaken wordt, +en hoe bezwaarlijker aldus het leven der ligchamen van zulke wezens +uitgebluscht moet kunnen worden. Van daar de taaiheid van het leven +en den meer onbeperkten groei der lagere dieren. Het optreden van hen +overheerschende namelijk bestrijdende hoogere dieren heeft echter voor +die lagere dieren veranderde levensomstandigheden daargesteld, waarvoor +eerstgemelde constante oorzaak, wegens de binnen geen beperkten +tijd te overwinnen werking der traagheid, hen niet geheel geschikt +kon maken. Hunne ligchamen moeten aldus voor die hoogere dieren +verslindbaar zijn, en, korteren tijd bestaande, door groeijen niet +zulk een omvang verkrijgen, als die der mede in ontwikkeling gelijk +staande dieren, aan zulk eene overheersching niet blootgesteld. Van +daar dat welligt de (zie blz. 30) binnen de sedimentaire lagen gevonden +fossile weekdieren, levende voor dat de visschen optraden, grooter +waren dan de heden bestaande weekdieren en dat de kruipende dieren +van het secundaire tijdperk grooter waren dan de heden bestaande door +vogels en zoogdieren overheerschte kruipende dieren. + +Naar ons inzien kan aldus gesteld worden, dat kortere duur van het +leven van ligchamen gemiddeld een teeken is van snelle toename in +ontwikkeling en tevens van betrekkelijke onvolmaaktheid van geest +en ligchaam. + +Neemt een volk in beschaving af, zoo zullen na zekeren tijd, deszelfs +instellingen en geestelijke ontwikkeling op de hoogte der eischen van +den verminderden graad van beschaving zijn, een maximum bereikt hebben, +na dien dalen, en voor de eischen der afnemende beschaving, wegens de +werking der traagheid, te hoog blijven (zie Noot blz. 72). Al bleven +echter de individuen steeds voortleven, zoo zou zulk een volk geruimen +tijd in beschaving moeten achteruitgaan, voordat de nog stijgende +geestelijke ontwikkeling dier individuen in elk opzigt op zulk eene +hoogte zou gekomen zijn, dat zij aan de eischen der omstandigheden, +door den trap van beschaving daargesteld, zou voldoen. + +Nu kunnen zulke afnamen in beschaving slechts bij uitzondering, +gedurende betrekkelijk korten tijd en gedurende den leeftijd der +individuen slechts in geringe mate plaats hebben. Voor deze blijven +aldus de eischen der levensomstandigheden gedurende hun leven toenemen, +zoodat hunne geestelijke ontwikkeling er beneden en buitendien, wegens +andere soorten van verandering dier omstandigheden (zie blz. 71), +onvoldoende zal blijven. [19] + +Hoe, wanneer de beschaving toeneemt, de zedelijke ontwikkeling der +volken absoluut kan toenemen en nogthans even onvoldoende blijven, +blijkt bijv. uit het gemis aan eerlijkheid, waarover men thans niet +minder dan vroeger klaagt. Welligt zijn wij in geldzaken eerlijker dan +onze voorouders vier à vijf eeuwen geleden, doch hoe uitgebreider is +het finantieel verkeer geworden, hoe noodzakelijker het is geworden, +dat men op de eerlijkheid van anderen staat kan maken. + +De opvoeding van een timmerman duurt bijv. korter dan die van een +staatsman, en niettemin levert gene gemiddeld beter werk dan deze +en zullen er over de kunsten van koorddansers gemiddeld minder +aanmerkingen dan over de verzen van dichters te maken zijn. Slechts +in zooverre de lagere klasse aan dezelfde eischen als de hoogere moet +voldoen, vertoont zij zich betrekkelijk onvolmaakter dan deze, terwijl, +wanneer die eischen evenredig zijn met de graden van beschaving van +beide klassen, de lage het in betrekkelijke zedelijke volmaaktheid van +de hooge wint. Dit zou echter het geval niet zijn, zoo de menschen +tot hoogere klasse behoorende, langer en alsware langzamer leefden +dan die van lagere klassen, zoodat zij niet sneller dan deze in +geestontwikkeling moesten toenemen. + +De graad van beschaving of geestelijke ontwikkeling der menschen zal, +na gedurende zeker tijdvak vertragende gestegen te zijn, dit op deze +aarde eenmaal niet meer noemenswaardig moeten doen. + +De beperktheid der zintuigelijke aanschouwing is toch onvereenigbaar +niet eene onbepaalde geestontwikkeling en, naarmate de drang +tot vergrooting hiervan zwakker is, zal die grens, waarboven de +geestontwikkeling niet meer noemenswaardig stijgt, lager gelegen zijn, +even als, naarmate een steeds aanhoudende wind zwakker is, de er door +voortgebragte toenemende, maar eindelijk in sterkte circa standvastig +wordende golving, geringer is. + +Dit laatste nu ziet op de hoogere en lagere dieren, want ook deze +bezitten, ofschoon in veel zwakkere mate dan de mensch, bewuste +aanschouwing en zucht tot uitbreiding hiervan. + +Zoo elk mensch steeds op deze aarde bleef voortleven zou hij, nadat +zulk een eindtoestand der beschaving bereikt is, alles weten wat +hij maar eenigzins in zijn stand wenschelijk zou achten te weten, +omdat hij een onbepaalden tijd ter zijner beschikking zou hebben om +een bij de maatschappij niet noemenswaardig meer toenemende dosis +kennis op te doen. Hoe langer de individuen leven, hoe sneller het +gansche menschengeslacht bij gelijken aanleg in kennis zal toenemen, +omdat elke generatie alsdan meer tijd zal hebben om hare verkregene +kennis aan het opkomende geslacht mede te deelen. + +Hoe hooger de beschaving is, hoe meer elke generatie zal moeten +leeren, en hoe betrekkelijk gebrekkiger de opvoeding zal worden, +al is het dat alsdan, wegens de grootere zamenwerking en onderlinge +gemeenschap der menschen, de mededeeling van wetenschap aan de jeugd +gemakkelijker geschiedt. + +Elke generatie zal aldus op lateren leeftijd meer in kennis moeten +toenemen, om zich op de hoogte te stellen der kennis door het vorige +geslacht bereikt. Dit zal nu gemiddeld wel geschieden en zelfs iets +meer dan dat, zoolang de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing +die vergrooting der wetenschap der aardbewoners niet belet, maar de +zoo even gemelde oorzaak de vergrooting der kennis van het menschdom +trager doen toenemen. + +Van deze kennis zal alsdan elk individu een kleiner deel zich eigen +kunnen maken dan tijdens het bestaan van een minder gevorderden trap +van beschaving, elk individu alsdan, met betrekking tot het dan zoo +zamengesteld geworden maatschappelijk leven, meer in ondervinding +te kort schieten; zij alsdan gedurende hun leven wel sterker in +geestontwikkeling dan thans toenemen, doch tevens meer teleurstellingen +ondervinden; met betrekking tot hetgeen zij wenschen te leeren en te +doen, minder en gebrekkiger leeren en doen, in een woord betrekkelijk +onvolmaakter zijn dan tijdens het bestaan van lagere trappen van +beschaving. + +Zij die de individuen geschikt voor het leven op deze aarde +wenschen te zien, zullen aldus door de toeneming der beschaving niet +bevredigd worden. Wel integendeel zij, die de toename der geestelijke +ontwikkeling der individuen, al zij het dat hierdoor hunne ligchamen +gesloopt en hun leven verkort wordt, als het doel hiervan beschouwen. + +De aanhangers van eerstgemelde levensbeschouwing (die der geschiktheid +voor het aardsche), waartoe behooren de epicuristen, voegen den mensch +toe: gedenk te leven, in den zin van gedenk op eene oordeelkundige +wijze te genieten, tracht uwe gezondheid en welvaart te bevorderen, +in vrede met andere menschen te verkeeren, bedenk dat slechts +in een gezond ligchaam eene gezonde ziel kan huizen en weet dat +onnieuwsgierigheid een zacht hoofdkussen voor een welgevormd hoofd is. + +De aanhangers der tweede levensbeschouwing (die van den vooruitgang), +waartoe de rationele stoïcijnen behooren, roepen daarentegen de +menschen toe: gedenk te sterven, namelijk leef zoodat uwe geestelijke +ontwikkeling op het oogenblik van het verscheiden hoog opgevoerd zij, +offer hieraan op gezondheid en welvaart, schroom niet in strijd met +anderen te komen en oneenigheid te stichten, wanneer het beginselen +geldt het menschdom naar hooger leidende en tracht zoover mogelijk, +door peinzen en denken, op het gebied van het buitenzinnelijke door +te dringen. + +Een gemiddelde tusschen beide soorten van levensbeschouwing komt ons +voor de voorkeur te verdienen. + +Dat onze geest ons ligchaam noodig heeft om werkdadig te denken en +om indrukken van de buitenwereld te verkrijgen en dat de bloeijende +toestand van het ligchaam, bij gelijke hoogte der organisatie hiervan, +maakt dat het de streving opwaarts van den geest gemakkelijker kan +volgen, en die streving aldus dan minder tegenwerkt, maakt het noodig, +dat men in zekere mate een geschikt ligchaamsleven leidt en dat onze +geest zich bezig houdt met het verkrijgen van hetgeen noodig is voor +de behoeften van het ligchaam en aldus de wetenschap beoefent met het +oog op het materiele en praktische nut. Dit een en ander maakt tevens +dat wij aan den bloei van het ligchaamsleven en aan de welvaart van +anderen zorgen moeten wijden, terwijl het leven in vrede met deze +zamenwerking met hen gemakkelijker maakt, hetgeen weder strekt ter +bevordering der vergrooting der geestelijke ontwikkeling. Eindelijk +moet de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing grenzen stellen aan +het doordringen van den geest op buitenzinnelijk gebied (zie later). + +Van den anderen kant moet het ligchaam dienstbaar gemaakt worden +aan de toename der geestontwikkeling om aldus de machine, slechts +in zooverre in goeden staat gehouden worden, als de eischen van +het gebruik er van zulks toelaten. Zelfs behoort men, om aan die +eischen te voldoen, niet te schromen om de machine te verslijten en +aan gevaar voor vernieling bloot te stellen. Ook moet de wetenschap, +met het oog op die toename der geestontwikkeling, zelfs ten koste +van stoffelijke welvaart beoefent worden. + +Voorts behoort men zich jegens anderen zoo te gedragen, dat men +hunne materiele welvaart in zekere mate ondergeschikt maakt aan de +toename hunner geestontwikkelingen moet de deze bevorderende strijd +van denkbeelden en beginselen niet aan eene te ver gedreven zucht naar +eensgezindheid en vrede opgeofferd worden [20]. De liefde voor anderen +moet niet alleen ten doel hebben om hen van lijden te bevrijden, of +anders gezegd om hen geschikt te maken voor de omstandigheden waarin +zij verkeeren, maar tevens om de zedelijke ontwikkeling, zoowel van hem +die liefde betoont als van hem aan wie zij betoond wordt, te verhoogen, +en zij aldus ook ten bate van den vooruitgang der individuen strekken. + +Slechts, wanneer de liefde op deze wijze beschouwd wordt, kan het +verstandig geacht worden zich groote offers op te leggen, ten einde op +eene onzekere wijze het lijden van anderen een weinig te verminderen. + +Het is waar dat, hoe hooger de geestelijke ontwikkeling der menschheid +is, hoe meer de menschen zich om hunne natuurgenooten en om de belangen +hunner eigen toekomst bekreunen en dit kunnen doen, doch het is er +verre van af, dat het directe nut dat men, zoo voor anderen als voor +zich zelf, op deze aarde sticht, de hiervoor genomen inspanning loont. + +Ook nemen de menschen (tenzij oppervlakkig op gezag) niet gaarne +onderrigt en teregtwijzing van anderen aan, zij leeren liever zelf +en nemen hierdoor wel is waar trager in kennis toe, doch deze wordt +alsdan dieper, inniger en minder vergeetbaar, terwijl hunne grootere +en meer langdurige inspanning ten gunste van hun intellectuelen aanleg +en van hunne geestontwikkeling in het algemeen werkt. Om een anders +ideën goed te begrijpen, dient men zelfs (al zij het meer onbepaald +en minder naauwkeurig) van zelf op die ideën gekomen te zijn. + +Hoe moeten nu de aanhangers der epicuristische levensbeschouwing zich +gevoelen op het gezigt eener omgeving weerbarstig in het aannemen +van onderrigt, en wel is waar grif in het aannemen van materiele +hulpmiddelen, doch slechts wanneer zij hierover naar goedvinden kunnen +beschikken; op het gezigt van min of meer direct ten gevolge van hun +individuelen vooruitgang lijdende menschen en dieren, waarvoor zij +slechts zeer weinig kunnen doen? Zij die zulk eene levensbeschouwing +aanhangen, het doel van het lijden aldus niet begrijpen en aan +de liefde geene hoogere beteekenis geven dan om dit lijden te +verzachten en, zoo der naasten als hunne eigen geestontwikkeling, +elk oogenblik met vernietiging bedreigd achten, moeten geleid worden +tot moedeloosheid, tot minachting van zich zelf en van anderen, tot +gemis aan zedelijke kracht en moed om zich offers te getroosten ten +behoeve van anderen of van eigen toekomst; tot het zich verdooven in +de beslommeringen en genietingen van het heden; tot het ontvlugten +van het lijden van anderen en zelfs tot ontkenning er van, omdat dit +lijden een protest is tegen die slechts geschiktheid bij een aardsch +bestaan noodig achtende levensbeschouwing. + +Wanneer deze dan ook door de massas in praktijk wordt gebragt, +moet zedelijk verval het gevolg zijn, zooals bijv. bij de Grieken en +Romeinen tijdens het begin onzer jaartelling. De natuurwet, dat van +een verschijnsel oorzaak en gevolg aan elkander tegengesteld zijn, deed +echter toen hare werking gevoelen, namelijk dit zedelijke verval deed +eene tegengestelde levensbeschouwing een kerkelijk gewaad aantrekken +en, aldus geschikt geworden voor de massas, tot binnen deze dringen +[21]. + +Te weinig wijsgeerig om te weten, dat het lijden een gevolg is der +werking der traagheid bij het veranderlijke en aldus ook bij het +zich verheffende (zie blz. 63), zoo hebben de menschen niettemin een +zeker besef, dat er geleden moet worden om opwaarts te streven en dit +besef nu werd levendig in de levensbeschouwing van het Christendom, +dat het lijden heiligt, op den weg ter heerlijkheid plaatst en door +het zich omhoog heffende kruis zinnebeeldig voorstelt. + +De aanhangers der épicuristische levensbeschouwing verdiepen zich +ongaarne in de beschouwing der individuen, maar liever in die der +in beschaving toenemende maatschappij, in die harer kunstgewrochten, +in die der schoone en jaarlijks herlevende natuur. Doch is de duur van +dit alles zoo zeker, kunnen betrekkelijk snelle en groote veranderingen +bij de aardkorst en het gasvormige omkleedsel onzer planeet dit alles +niet vernietigen? Buitendien die schoone organische natuur maskert een +slagveld, een strijdperk waarop dieren en planten al strijdende hoogere +organisatiën verkrijgen en zich individueel trachten te verheffen en +buitendien, waartoe leidt die toenemende beschaving? Naar aanleiding +van het op blz. 83 gemelde, tot sterkeren vooruitgang der individuen +gedurende hun leven, maar volstrekt niet tot hun geluk of geschiktheid +voor de omstandigheden waarin zij verkeeren. + +De maatschappij wordt gevormd door zamenwerkende individuen, en in het +belang van beider vooruitgang is het noodig dat die individuen zekere +zelfstandigheid behouden, en dat zij aldus geene levensbeschouwing, +de individualiteit in minachting brengende, aanhangen. + +Om te begrijpen, hoe het zedelijke verval eener maatschappij, derzelver +beschaving achteruit moet doen gaan, behoeft men slechts te bedenken, +welk een nadeeligen invloed vermindering van arbeid en vertrouwen op +handel en industrie uitoefent. Zoo bijv. de menschen slechts werken om +geld te winnen, zal hun arbeid geene vruchten opleveren van zulk eene +gehalte, als wanneer men hem tevens ter vergrooting der geestelijke +ontwikkeling, zoo van anderen als van zich zelf, doet strekken. Dit +verschil, niet noemenswaardig bij grof handenarbeid, zal grooter +worden, naarmate die arbeid van meer verheven aard wordt. Verder zal, +zoo de winsten geringer worden, de productie van den arbeid insgelijks +verminderen, en ook weder in sterkere mate, naarmate de aard hiervan +meer verheven is [22]. + +De vergrooting der hulpmiddelen der wetenschap maakt dat de vruchten +van den arbeid grooter worden, terwijl de vergrooting der digtheid +der bevolking eene tegenovergestelde werking uitoefent. Gedurende de +toeneming der beschaving en der volkrijkheid komt ons de toeneming der +hulpmiddelen der wetenschap eerst en die der digtheid van bevolking +later de overhand te moeten hebben. + +Volstrekte overbevolking, wegens gebrek aan te bebouwen bodem, kan +wel is waar niet gezegd worden te bestaan, zoolang die bodem nog een +mud graan, of het voedsel voor een rund meer kan opbrengen, iets wat +overal het geval is, doch dit belet niet, dat, het digter worden +der bevolking, den arbeid, noodig om bijv. een mud graan voort te +brengen, grooter doet worden. Minder arbeid zal er dus, naarmate (bij +denzelfden trap van beschaving) die digtheid der bevolking grooter +wordt, besteed kunnen worden aan de vervaardiging van voorwerpen +niet volstrekt onmisbaar voor de menschen onderhoud, minder van +zulke voorwerpen zullen er aldus dan te verkrijgen zijn voor hen, +die hen dan met de winsten, door hun arbeid opgeleverd, willen koopen. + +Wel is waar zullen de meer beschaafde menschen steeds meer +behoeften hebben dan de andere en grootere rijkdom aldus voor hen +eene noodzakelijkheid blijven, doch dit overwigt in geestelijke +ontwikkeling zich (wanneer de digtheid der bevolking grooter is met +betrekking tot de beschaving) meer door hare innerlijke waarde en +minder door uiterlijk vertoon veropenbaren. + +De kleinere verschillen in rijkdom, bij het kleiner zijn der winsten +van den arbeid, kan men vergelijken met het meer opgesloten zijn +der op blz. 77 gemelde manschappen, naarmate deze gemiddeld trager +loopen. Het verschil in snelheid tusschen de verschillende manschappen +zal hierdoor evenzoo verminderen, als dat der gemaakte overwinsten +door het mindere gemak om overwinsten te verkrijgen. De neiging der +manschappen tot opsluiting komt bij deze gelijkenis overeen met de +uitwerking der verdeeling der rijkdommen bij het erven, met die der +giften aan behoeftigen en met het effect van den grooteren prikkel +voor armen dan voor rijken om geld te winnen, zie blz. 49. + +Tegen hetgeen op blz. 86 gezegd is, zal men welligt aanvoeren, dat +het kwaad, in ongeschiktheid van het een voor het ander bestaande, +het zedelijke kwaad eerder moet af- dan toenemen, wanneer de menschen +zich geschikter voor hun aardsch leven trachten te maken. Men dient +hierbij echter te onderscheiden de eischen van het maatschappelijke +en zedelijke leven van den mensch en die van zijn zinnelijk of +ligchaamsleven. + +De drang tot vooruitgang maakt dat de menschen die eerste eischen +zoodanig verhoogen, dat, wegens de werking der traagheid, hunne +geestontwikkeling er bij te kort schiet. Verlagende op deze werken nu +de eischen van het zinnelijke leven en verlagende op de organisatie van +het ligchaam de onbewerktuigde aardt. Deze vier zaken, waarvan nu de +laatste onveranderlijk is, trachten op gelijke hoogte te komen en aldus +voor elkander geschikt te worden, en, zoo nu de eerste verlaagd wordt, +namelijk zoo de menschen trachten de maatschappij meer barbaarsch te +doen worden en naar het dierlijke terug te brengen, zullen zij tot +elkander naderen en de menschen werkelijk betrekkelijk beter worden. + +Zoo bijv. eene generatie in geestontwikkeling minder toeneemt +dan de vorige, zal de werking, de toeneming in ontwikkeling van +het ligchaam bevorderende, hierbij ook eenigzins kleiner dan bij +de vorige generatie zijn. De laatste generatie zal aldus aan hare +kinderen wat minder hoog ontwikkelde ligchamen achter laten dan zij +van hare ouders ontvangen heeft, en de ligchamen dier kinderen zullen, +door de werking van den geest, wat moeijelijker dan die hunner ouders +in ontwikkeling kunnen toenemen. Bij die derde generatie zal aldus +de toeneming der geestontwikkeling nog wat zwakker zijn dan bij de +tweede, zoo zij zich, betrekkelijk haar standpunt van ontwikkeling, +niet meer dan deze inspant, en dit zoo voortgaan; zoodat de mensch +dan langs den op blz. 30 gemelden stamboom, alsware terug zal gaan, +en, aangezien de geest der dieren ook opheffende en de onbewerktuigde +aarde verlagende op hunne ligchamen werkt, die teruggang niet ophouden, +voordat het punt van aanvang van dien stamboom weder bereikt is [23]. + +Wanneer de menschen hunne geestelijke ontwikkeling, onder tegenwerking +der eischen der zinnelijkheid, bijzonder verhoogen, zal zij, wel is +waar, steeds in het een of ander ten achteren staan bij de eischen +van het zedelijke en maatschappelijke leven, doch die eischen en +die ontwikkeling digter bij elkander komen en gene sneller opwaarts +gedreven worden. + +Het tegengestelde zal daarentegen plaats hebben, zoo, wegens den drang +tot vooruitgang, men die eischen wel tracht te verhoogen, maar de +geestelijke en vooral de zedelijke ontwikkeling, door het toegeven aan +de eischen de zinnelijkheid, daalt. Dit laatste dan kan in zulk eene +mate geschieden, dat de eischen van het zedelijke en maatschappelijke +leven en aldus ook de beschaving er sterker door omlaag getrokken, dan +door den drang tot vooruitgang omhoog gedrongen worden. Zulk een geval, +op blz. 86 bedoeld, is vergelijkbaar bij eene schuit, die een paard +stroomopwaarts tracht te trekken, maar daartoe onvermogend is, zoodat +dit paard (met die eischen der beschaving vergelijkbaar) achterwaarts +moet stappen, omdat de spanning der treklijn (met de betrekkelijke +zedelijke slechtheid der menschen vergelijkbaar) groot is. + +De groote afstand tusschen de beschaving der menschen en de organisatie +van hun ligchaam maakt dat de beschaving middelen aanbiedt om zinnelijk +te genieten en tevens dit ligchaam te benadeelen, iets dat bij dieren +slechts in veel zwakkere mate bestaat, en bijv. het geval is bij hen, +welke de epicuristische levensbeschouwing op eene verbasterde wijze in +praktijk brengen, namelijk bij hen die zich aan grove zinnelijke lusten +overgeven en onverschillig worden voor de geestelijke ontwikkeling +zoo van anderen, als van zich zelf, zie blz. 87. + +De verbasterde opvatting der tegenovergestelde levensbeschouwing +ontmoet men bij de asceten, die, om alle zinnelijkheid te vernietigen, +hun ligchaam martelen, dit alzoo minder bekwaam maken, om op eene +indirecte wijze de vergrooting der geestelijke ontwikkeling te +bevorderen en deze laatste zooals zij die opvatten, zoodanig ter +harte nemen, dat zij andersdenkenden vervolgen [24]. + +Vele menschen zijn in het eene punt de eene en in tegengestelde +het andere de levensbeschouwing toegedaan, doch steeds zullen die +onderdeelen hunner levensbeschouwing zich in harmonie met elkander +trachten te stellen. + +Een gemiddelde tusschen beide dient echter in innigheid en +wetenschappelijkheid toe te nemen, naarmate de beschaving zulks +doet, en aldus de instinctmatige aandrang en tot geschiktheid en tot +vooruitgang, bij de dieren, zie blz. 64, voldoende, alsdan meer te +kort schieten om de menschen in de school van het leven te leiden. + +Het humanisme, zooals de aanhangers der epicuristische +levensbeschouwing dit opvatten, zou slechts kunnen bestaan, zoo de +menschen steeds op aarde bleven voortleven, de onbewerktuigde natuur +niet de op blz. 91 gemelde terugtrekkende werking op der menschen +ligchamen uitoefenende en de beschaving niet meer toenam. Wegens +de neiging der dingen om, wanneer geene oorzaken dit tegengaan, +harmonisch met elkander te worden, zouden dan de eischen van zedelijke +en maatschappelijke leven, de geestontwikkeling, de eischen van het +zinnelijke leven en de organisatie der menschelijke ligchamen zich +op dezelfde hoogte stellen, en de betrachting van het goede geene +opoffering meer kosten en niet meer in strijd zijn met het genieten +in het heden. + +Die toestand zou echter, zelfs bij zulk eene aardsche onsterfelijkheid +deelachtige wezens, niet mogelijk zijn, zoo de onbewerktuigde aarde +de organisatie hunner ligchamen omlaag trok, daar dit tegengegaan +zou moeten worden door eene even sterke hen omhoog trekkende werking +en deze niet zou kunnen bestaan, zoo der menschen geestontwikkeling +niet hooger dan die hunner ligchamelijke ontwikkeling stond, en +door hoogere eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven, +die geestelijke ontwikkeling niet, tegen omlaagtrekking er van door +de eischen van het zinnelijke leven, behoed werd [25]. + +Een trap van beschaving, wegens de terugtrekkende werking der +onbewerktuigde aarde voor geene verdere verhooging vatbaar, zal, +wegens de op blz. 71 gemelde oorzaak, bij sterfelijke wezens niet zulk +eene hoogte kunnen bereiken als bij ligchamelijk onsterfelijke. Die +beschaving, door den eenen mensch in dit en door den anderen in +andere opzigten opgedreven, zal eischen stellen voor het zedelijke +en maatschappelijke leven, waaraan de menschen, wegens den korten +duur van hun leven, nog minder zullen voldoen, dan zoo zij steeds +op deze aarde bleven voortleven, aan den eenigzins hoogeren trap van +beschaving, die dan bereikbaar zou worden. + +In dit laatste geval zou toch die beschaving het werk zijn van de +alsdan levende menschen, terwijl tot de werkelijk op deze aarde +bestaande beschaving de vroegere generatiën bijgedragen hebben, +zoodat zij voor elke volgende iets nieuws is. + +De korte duur van ons leven maakt aldus dat wij in denzelfden tijd, +om even goed te voldoen, in geestontwikkeling sneller moeten toenemen, +dat wij dit wel eenigzins sneller doen, doch niet in zulk eene mate +dat wij even goed voldoen als bij langer leven, dat onze taak zwaarder +dan in dit laatste geval is en dat, wegens dien gevorderden snelleren +aanwas in geestontwikkeling, de eischen van het zinnelijke leven meer +ten achteren staan bij die van het maatschappelijke en zedelijke leven, +zie blz. 71. + +Het maatschappelijke verkeer maakt niet slechts, door die beschaving +een hoogeren trap te doen bereiken en aldus het doel verder te +stellen, dat wij onze geestontwikkeling sterker moeten vergrooten, +maar tevens door het onderwijs, dat wij geholpen worden om nog sterker +in geestontwikkeling toe te nemen. + +Deze zou men kunnen vergelijken met een kapitaal, dat gedurende zekeren +tijd van af circa nul gemiddeld vertragende toeneemt en alsdan renten +afwerpt. Het totale bedrag hiervan is vergelijkbaar met de baten die +iemands geestontwikkeling aan anderen verschaft, en zal, betrekkelijk +het kapitaal, op het oogenblik dat dit ophoudt met renten af te werpen, +meer bedragen naar gelang die renteafwerping langer duurt. Men kan +zich nu voorstellen dat de inspanning, gevorderd voor de vergrooting +van zulk een kapitaal, grooter is dan het nut door het totaal die +renten voortgebragt. + +Zoo echter dit totaal minder misbaar is, naar gelang die rente kleiner +is, zal, na zekere vertraging bij de vergrooting van het kapitaal, +het nut, door het totaal der kleinere renten voortgebragt, gelijk +worden aan de inspanning gevorderd voor die mindere vergrooting +van het kapitaal. Dit nu is vergelijkbaar met de grootere behoefte +voor de leden eener maatschappij, wier zedelijke eischen tot zekere +hoogte opgedreven zijn, om van de geestelijke ontwikkeling hunner +medeleden te profiteren, naarmate zij zulks minder doen, of anders +gezegd met de grootere behoefte aan het goede, naarmate het gebrek +hiervan grooter is. + +Wordt daarentegen het totaal der renten niet minder misbaar, naarmate +het minder bedraagt, hetgeen te vergelijken is met het op blz. 90 +gemelde geval, dat de eischen der beschaving van de maatschappij +tegelijk met geestelijke ontwikkeling van derzelver leden verminderen, +zoo is er geene reden waarom, na het ophouden der renteafwerping, +gedurig zulke kapitalen verloren moeten gaan, en gedurig nieuwe van +meet af aan vergaard moeten worden, zie blz. 85. + +Schoonheid bestaat evenzeer als deugd in geschiktheid, doch, terwijl +men iets deugdelijk noemt, wanneer het zekere geschiktheid bezit voor +de omstandigheden waarin het verkeert, zoo noemt men daarentegen iets +schoon, wanneer deszelfs deelen voor elkander geschikt zijn. Voor +volmaakte deugdelijkheid wordt wel is waar dit laatste ook gevorderd, +doch bij zekeren graad er van, kan van iets de geschiktheid der deelen +voor elkander nog al te wenschen overlaten. + +Verschillende typen van diervormen vinden wij bijv., wegens de juiste +harmonie der deelen, schoon, maar daar onder behoort niet de vorm der +miereneters, niettegenstaande de organisatie dezer dieren geschikt +is voor het vangen en opslurpen van mieren. + +Dit is evenzeer het geval op zedelijk gebied. Men zegt bijv. dat +een deugdzaam mensch eene schoone ziel bezit, doch het komt ons +voor dat het beter is te stellen dat eene schoone ziel zulk eene is, +wier eigenschappen goed met elkander overeenstemmen en voor elkander +geschikt zijn. De geniüs van het kwaad, zooals Milton die geschilderd +heeft, kan bijv. kwalijk de bewondering opwekken als door zekere +harmonie bij zijn zedelijken aard, die wij vermeenen morele schoonheid +te moeten noemen. + +De werking der traagheid bij veranderlijke en dus ook bij naar de +hoogte strevende wezens, moet, zooals op blz. 53 gezegd is, de harmonie +en geschiktheid voor elkander bij de deelen dier wezens verbreken en +deze noodwendig leelijk maken. De aap, naar het ligchaam half mensch +half dier, het vogelbekdier, van vogel tot zoogdier opklimmende, een +wilde met vederen op het hoofd, een knods in de hand en een pantalon +met souspieds aan de beenen, kwetsen evenzeer het schoonheidsgevoel +als iemand, binnen eene beschaafde maatschappij handelende, zooals +dit bij de wilde stammen gebruikelijk is, het zedelijk gevoel kwetst. + +Men dient wel onderscheid te maken tusschen het schoone, of de +innerlijke harmonie van iets, het goede, of de geschiktheid van iets +voor hetgeen waarmede het in verband is, en de verhevenheid, of het +behooren van iets bij hoogere phasen van bestaan. + +Zoo noemen wij bijv. eene uitmuntende geteekende mestvaalt, waarin +een varken wroet, eene goede, maar geene schoone en nog veel minder +eene teekening van verheven genre. De getrouwheid der afbeelding +geeft deze zekere geschiktheid voor ons en maakt haar aldus goed, +doch eene verzameling van allerlei vuil en heterogene vodden kan +kwalijk gezegd worden innerlijk harmonisch te zijn, terwijl het +wroetende varken naar het grove dierlijke terugtrekt. + +Wegens op blz. 64 gemelde de werking der traagheid binnen onze +veranderlijke wereld, kan evenmin iets innerlijk volmaakt harmonisch +zijn als precies passen voor alles waarmede het in verband komt. Bij +het eene kan het eerste en bij iets anders het laatste meer het geval +zijn en volmaakter zal iets zijn naarmate deugd en schoonheid beide +in hoogere mate er in vereenigd zijn. + +Het streven naar de hoogte van Natuur en Maatschappij maakt verder +dat het schoone en goede in hoogere phasen van bestaan komen. Zoo +staat bijv. de schoonheid van een insect lager dan die van een +vogel, die van eene mosplant lager dan die van eene roos, die van een +vogel lager dan die van een mensch, die van de kleeding en hut eener +negerin lager dan die van het gewaad en woning eener beschaafde dame, +niettegenstaande in elk dier gevallen de betrekkelijke schoonheid even +groot kan zijn. Evenzoo is het met de deugd van zaken gelegen. Die +van een spoorweg staat bijv. hooger dan die van een straatweg, +die van een schietgeweer hooger dan die van een boog, die van ons +burgerlijk wetboek hooger dan de burgerlijke gebruiken der Maories, +die van eene fotografie hooger dan die eener silhouette, die van een +gekleurd en met haren en nagemaakte oogen voorzien wassen beeld, hooger +die van een bronzen beeld, niettegenstaande met betrekking tot hetgeen +waarmede zij in verband zijn, elk dier zaken even goed kan voldoen. + +Dit zal daarentegen, wegens de werking der traagheid, minder het geval +zijn bij iets, naarmate men sneller van een lageren tot een hoogeren +trap van deugd tracht te komen en van daar dat bijv. wassen poppen +minder voldoen dan bronzen beelden. De betrekkelijke schoonheid van +zaken zal ook door de sterkte van zulk eene opklimming vermindert +worden, doch ook hierbij de gevolgen dier opklimming zich nog +doen gevoelen, nadat deze geëindigd is, omdat alsdan de werking +der traagheid, waardoor het eene met betrekking tot het andere +achterblijft, door de werking, alles wel met elkander in verband is, +voor elkander geschikt trachtende te doen worden, nog niet geheel +overwonnen is. Zoo zal bijv. wanneer een troep soldaten verspreid +wordt, ten gevolge van zijn snellen gang, eerst zekeren tijd, +nadat de voorste man stilhoudt, de troep weder opgesloten zijn, +en een wilde, in eene op dezelfde hoogte van vrij groote beschaving +blijvende maatschappij gebragt, nog lang te laag ontwikkeld, voor +de omstandigheden waarin hij verkeert, kunnen blijven. Stelt men bij +nevenstaande fig. in plaats der bovenste letter a, a', zoo zullen de +ordinaten der kromme ab voorstellen de graden van beschaving van dien +wilde, zoo hij bij zijne landgenooten bleef en die der kromme a'b' +de graden van beschaving van den kring waarin hij gebragt wordt. De +kromme ab', in dit geval de opklimming in beschaving van dien wilde +voorstellende, zal nu de lijn a'b' eerst eenigzins regts van aa' raken. + +Zoo de menschen zich direct voorgesteld hadden om het menschelijke +gelaat volledig af te beelden, dan zou gewis de silhouette hen nimmer +zoo goed voldaan hebben als thans de fotografie ons voldoet, terwijl, +zoo zij zich tot taak stellen om zeer naauwkeurige afbeeldingen +van schoone voorwerpen te maken, deze dezelfde blijvende, hunne +afbeeldingen schooner moeten worden, naarmate die menschen in +kunstvaardigheid toenemen. + +Wij vermeenen hiermede aangetoond te hebben, dat de volmaakte +schoonheid en deugd niet in eene veranderlijke wereld en bij +veranderlijke wezens gevonden kunnen worden en voorts dat schoonheid +en deugd, onafhankelijk van derzelver betrekkelijke grootte, op zeer +verschillende standpunten van alsware volstrekte grootte kunnen staan. + +Op deze aarde kan de volstrekte grootte, van schoonheid en deugd, +even als die der kennis der waarheid, slechts eene beperkte hoogte +bereiken, en nu kunnen wij ons wel wezens voorstellen, waarbij die +volstrekte grootte van schoonheid en deugd, die van al de werkelijk +bestaande menschen overtreft, doch dit is slechts binnen zekere grenzen +mogelijk, willen zulke wezens voor ons te begrijpen blijven. De oude +Grieken stelden zich hunne goden voor als wezens, niet slechts van +groote ligchamelijke, maar ook van groote morele schoonheid in den +zin als op blz. 97. Dier goden absolute grootte van zedelijkheid +was, toen de Grieken nog barbaarsch waren, nog vrij wel boven die +dezer laatste verheven, doch later toen die Grieken, ofschoon niet +zedelijker met betrekking tot de intusschen verhoogde eischen van hun +zedelijk en maatschappelijk leven geworden, desniettemin in zedelijke +ontwikkeling geklommen waren, konden hunne goden, als voorbeelden +van het goede en verhevene, hen niet meer voldoen. Hunne godsdienst +strekte toen niet langer ter opheffing hunner zedelijke ontwikkeling en +daar zij voortgingen met de eischen van hun maatschappelijk bestaan +te verhoogen, moesten zij deze op eene meer gebrekkige wijze gaan +vervullen. + +Buitendien moet (zie blz. 77) bij denkbeeldige goddelijke wezens, +wier geestelijke ontwikkeling men niet beneden die van menschen stelt, +er, evenals bij ons menschen, disharmonie tusschen geest en ligchaam +bestaan, zoo de ligchamen, die goden toegekend, innerlijk harmonisch +gemaakte, of anders gezegd, verfraaide copijen van onze ligchamen +zijn, en aldus, zie blz. 97, wel betrekkelijk, maar weinig of niet +absoluut schooner en verhevener zijn als deze. + +Dit hebben de stichters van den Islam begrepen en vandaar hun verbod +om Allah, ofschoon zij dezen menschelijke denkvormen toeschreven, +onder menschelijke gedaante af te beelden. Omdat het ligchaam der +menschen lager staat dan hun geest, voldoet men zooveel mogelijk in +het geheim aan de ligchaamsbehoeften en tracht men voor het gezigt +beider disharmonie te verminderen door het ligchaam gedeeltelijk te +bedekken en wel, naarmate de geest verhevener geacht wordt, door de +ligchaamsvormen meer masquerende gewaden [26]. + +De absolute grootte van deugd en schoonheid wordt niet alleen +vermeerderd door de hulpmiddelen van hoogere beschaving, zie blz. 97, +maar ook door het passen er van in meer verhevene spheren, in spheren +waarin eene grootere geestelijke ontwikkeling als in het dagelijksche +leven te huis behoort. Het er in ontmoeten der schoonheid, maakt het +treden binnen zulke spheren aantrekkelijker en in zooverre kan men +zeggen dat de schoonheid de menschen naar hooger opvoert. Dat zij +dit steeds van zelf direct doet en afgezien van hetgeen waarbij zij +opgemerkt wordt, vermeenen wij daarentegen te moeten ontkennen. + +De harmonie tusschen de verschillende deelen eener zaak wordt +toch teweeg gebragt doordat (zie ons werk get. Over de werking der +Natuurwetten, enz., blz. 501, en het vervolg hierop, blz. 207 en +414), elk dier deelen het gemiddelde is van de overeenkomstige deelen +van overeenkomstige zaken, omdat bij die gemiddelden accidentele en +grillige afwijkingen gemist worden. + +Wanneer er nu bij zaken sprake kan zijn van hoogere en lagere vormen, +zullen die bemiddelden evenmin naar de laatste als naar de eerste +hellen. Zal bijv. een menschelijk ligchaam, wiens deelen, indirect +dienende tot verhooging der geestelijke ontwikkeling van zijn bezitter, +sterk en wiens deelen, meer bestemd voor dierlijke verrigtingen, +weinig ontwikkeld zijn, schoon gevonden worden? Naar ons inzien neen. + +Zijn de talen der meest beschaafde volken de zuiverste en van de +regelmatigste constructie? Eigent zich fraaije stijl het beste +voor het uitdrukken van diepzinnige denkbeelden, van verhevene +wetenschap? Wordt de aanschouwing van den sterrenhemel, van een tal +van lichtende werelden (gedurende den spreekwoordelijk leelijken +nacht), bij uitnemendheid schoon gevonden? Worden de Gothische kerken +schooner gevonden dan de met de weinig verhevene godsdienst der oude +Grieken zoo in harmonie zijnde tempels van het oude Hellas? Op dit +alles vermeenen wij dat ontkennend geantwoord moet worden. [27] + +Dat de harmonie der deelen van tafereelen ontstaat doordat die deelen +in den gemiddelden toestand verkeeren van die bij andere dergelijke +tafereelen, wordt bijv. aangetoond bij die van stormen. Om het tafereel +hiervan schoon te doen zijn moet toch eene bewolkte en driftige en +geene heldere lucht zich boven eene onstuimige zee bevinden. + +Het daarstellen van schoone gewrochten is aldus eene bijzondere soort +van geschiktmaken van het een voor het ander. De kleêrmaker, die een +rok voor iemand pas maakt, de staatsman, de constitutie van een staat +zamenstellende en Phidias toen hij de majesteit van den Dondergod door +een marmeren blok trachtte uit te drukken, zij allen doen dit; terwijl +de burgerman, die den edelman nabootst en zich hierdoor belagchelijk +en ongelukkig maakt, even goed aan den drang vooruitgang gehoorzaamt, +als Columbus toen deze de Spanjaarden naar Amerika leidde en dien +ten gevolge Spanje van de noodige inwoners beroofde en als iemand, +die het voorvaderlijk geloof verzaakt en zijn geest te gelijk met +twijfel en met philosophische bespiegelingen vult. + +Dat er nu in elk dier tweede soort van gevallen een tijdelijk kwaad +geboren wordt, ontstaat, zooals reeds op blz. 68 gezegd is, ten +gevolge der werking der traagheid bij overgangen. + +Hoe, ten gevolge hiervan, vooruitgang het schoone benadeelt, +bemerkt men bijv. aan de klagten geheven over het bederven van +landschappen door fabrieken, over het gemis aan schoonheid der +Protestantsche eerdienst, over het ondichterlijke dat er in gelegen +is om bijv. per spoorweg te Athene te komen enz. Zoo echter deze +stad eenmaal de bloeijende hoofdplaats van een bedrijvig volk wordt, +zal een spoorwegstation er evenmin misstaan als in vele oude en thans +bedrijvige steden van Europa. + +De neiging tot het geschikt maken van het een voor het ander kan +zich veropenbaren, als teedere liefde voor bloedverwanten, die men, +met opoffering van vooruitzigten, niet wil verlaten; als practisch +gezond verstand, dat doelmatigheid boven theoretische volkomenheid +en verhevenheid verkiest; als huisbakken bekrompenheid slechts kleine +belangen trachtende te bevredigen; als lage zelfzucht slechts zoekende +eigengenot in het heden te verkrijgen. + +De neiging tot vooruitgang kan zich daarentegen veropenbaren, +als opofferende liefde voor menschheid, wetenschap en geloof; als +verstandelijke bespiegeling over verhevene en duistere onderwerpen; +als onpractische plannenmakerij; als dwaze naäperij van maatschappelijk +hooger verheven personen. [28] + +Het is er aldus (zie blz. 83) verre van af, dat aan den drang +tot geschiktmaken en aan dien tot vooruitgang steeds op eene wijze +toegegeven wordt in het welbegrepen en aldus ruim opgevatte heil der +maatschappij zijnde. + +Achteruitgaan en tevens het een voor het ander ongeschikt maken, +doen de menschen nimmer tegen beter weten in; en, wanneer dit door +hun toedoen gebeurt, vermeenen zij dat, men, door te sterk en op +verkeerde wijze vooruitgegaan te zijn, de geschiktheid van het een +voor het ander geschaad heeft. + +Geschikt houden is in het algemeen, ofschoon niet geheel teregt, het +doel der conservatieven, de vooruitgang het doel der liberalen. (Zie +blz. 73.) + +Tusschen het toegeven aan beiderlei soorten van drang moet eene +behoorlijke en van de omstandigheden afhangende verdeeling gemaakt +worden, bij het voorschrijven van zedelijke beginselen, zie blz. 83, +bij het onderwijzen, zie, blz. 76, bij het voeren van strijd en het +bestaan van bescherming en regeling op verschillend gebied enz. [29] + +De drang tot geschiktwording van het een voor het andere veroorzaakt +bijv. dat de aan wilde volken gepredikte Christelijke godsdienst bij +hen van lieverlede verbastert, dat is wel, door hooger als deze te +zijn, de beelding van zulke volken wat verhoogt, maar zich te gelijk, +door te dalen, op de hoogte hiervan stelt. Wel zal dan die invoering +der Christelijke godsdienst bij zulke volken hunne beschaving wat +verhoogen, doch die verhooging er niet alleen aan te danken zijn, +dewijl er bij de rest hunner beelding (zie blz. 47) eene eigen impulsie +tot verhooging bestaat. [30] + +Bij de menschen wordt de aard hunner godsdienst bepaald door hun +graad van intellectuele ontwikkeling, door de eigenaardigheden van +hun karakter, den aard van het land dat zij bewonen, hunne omgeving, +benevens door accidentele omstandigheden. + +Van elk dezer laatste kan de invloed niet blijvende zijn, doch daar er +gedurig nieuwe accidentele omstandigheden, van invloed op der menschen +godsdienstbegrippen, ontstaan, zoo zal er hierbij op den duur een +zeker van aard veranderend deel het gevolg van het toeval zijn. + +Het in zulke deelen bevatte zal echter, even als de op blz. 22 gemelde +door het toeval ontstaande afwijkingen bij de organisatie der dieren, +gemiddeld ten nadeele werken, en aldus het geheel der godsdienstige +begrippen van elk mensch, noch voor dezen, met betrekking tot zijne +beelding gemiddeld geschikter maken, noch gemiddeld nader tot de kennis +van hetgeen werkelijk op buitenzinnelijk gebied bestaat, brengen. + +De invloed der omgeving baart zekere ofschoon vaak geringe gelijkenis +tusschen de godsdienstige begrippen van met elkander verkeerende +menschen, en op blz. 9 hebben wij aangetoond hoe deze zich in groepen +splitsen, waarvan elk gezegd wordt tot zekere secte te behooren. De +grootte dezer wordt, even als die der rijken, door de geographische +gesteldheid der landen, het verkeer en den aard der menschen, den +aard der godsdiensten benevens door accidentele oorzaken (zooals +bijv. accidentele grootere of kleinere gelijkvormigheid in opinie) +bepaald. In het algemeen nemen zij, even als de rijken, in grootte +toe naarmate de beschaving zulks doet. + +Overigens brengen veranderingen bij dien invloed der omgeving der +volwassen menschen, bij de godsdienstige begrippen dezer accidentele +afwijkingen naar alle kanten van de godsdienstige begrippen, welke +zij, zonder het bestaan dier invloeden, zouden bezitten. Deze zijn +te vergelijken met die op onze daden ten gevolge der raadgevingen +der menschen, waarmede wij achtervolgens te doen krijgen. + +Die onderscheidene oorzaken, de accidentele uitgezonderd, bepalen +de religieuze begrippen der menschen geheel onafhankelijk van +de leering en daden der stichters der godsdiensten. Zoo belijden +bijv. voornamelijk de Germaansche volken de Protestantsche godsdienst, +wegens de hoogte waartoe hunne beelding op het einde der middeleeuwen +gestegen was, benevens wegens hunnen grooteren ernst en minder +zinnelijk karakter dan de Latijnsche en Slavische volken. Het deel +hunner godsdienstige begrippen niet het gevolg hiervan, maar van +hetgeen er buitendien van de leer der hervormers overgeleverd is, kan +als iets toevallig beschouwd worden en moet van lieverlede verdwijnen. + +Men bedenke toch dat, wanneer zoo iets door eene constante oorzaak +wordt voortgebragt, niet enkele, maar zeer vele menschen in dien +geest werkzaam zijn, zoodat, bij gemis dier enkele voorgangers, de +menigte het werk verrigt, voor zooveel die arbeid levert hetgeen die +constante oorzaken tot gevolg kunnen hebben. + +Die arbeid der achtervolgende generatien is grooter dan men denkt +en zou bijv., al hadden de stichters van het Christendom nimmer +bestaan, de meer verheven begrippen betreffende de betrekking van +God tot de menschen, de pligten en roeping dezer enz., waardoor het +Nieuwe Testament zich van het Oude Testament en van het Neoplatonisme +enz. onderscheid en hooger dan deze staat, stellig voortgebragt hebben, +omdat de aard en toename in geestontwikkeling der bewoners van het +Romeinsche rijk tijdens het verval der Romeinsche staatsgodsdienst +hiertoe leidde, maar dat die menigte tot de bijzonderheden der +Christelijke dogmas, bij onstentenis der vinders dezer, zou gekomen +zijn, is daarentegen zeer onwaarschijnlijk. [31] + +Die bijzonderheden zijn aldus gewrochten van het toeval, zooals +alles wat in iemands geest opkomt, gelijkslachtig is met hetgeen tot +vergrooting der kennis van het menschdom kan strekken, en later niet +opkomt in den geest van eene menigte andere menschen te zamen genomen, +zoo al deze in dezelfde omstandigheden als hij gaan verkeeren. + +De geniën, welke, door een toevalligen loop der omstandigheden, in de +zending, welke zij zich opgelegd hebben, zeer goed slagen, (voorzeker +de minderheid hunner) vervullen dan ook de noodzakelijke behoeften der +menschheid iets eerder, maar op eene meer gebrekkige wijze, dan dit bij +hun gemis later gebeurd, en het lot dier nakomelingschap hangt alzoo +niet af van het broze bestaan dier enkele. Van daar ook dat zij, welke +dit anders begrijpen, zulke geniën als door God speciaal bestemd en +bewaard achten voor zulke zendingen, een begrip onvereenigbaar met de +eenvoudigheid der Natuurwetten en aldus van supranaturalistischen aard. + +De bij de menschen bestaande godsdienstige begrippen, bepaald wordende +deels door accidentele oorzaken, deels door dier menschen aanleg, +karakter en woonplaats, aldus door dergelijke oorzaken als die der +beschaving, zoo dienen die godsdienstige begrippen bij de volken van +grooteren aanleg gedurende denzelfden tijd meer dan bij die van minder +aanleg in ontwikkeling en verhevenheid gestegen te zijn, er op aarde +te gelijk religieuse begrippen op allerlei graden van ontwikkeling +te bestaan, en in het verleden ook het geval geweest zijn, maar, +naarmate men in dit verleden verder achterwaarts gaat, de hoogst +ontwikkelde der religieuse begrippen, gedurende elk tijdstip omhelsd, +gemiddeld in verhevenheid lager te staan. + +Dit is dan ook het geval, want bijv. zijn bij de Europeanen gedurende +de laatste achttien eeuwen de religieuse begrippen in verhevenheid +veel meer gestegen dan bij de Hottentotten en zelfs dan bij de +Bedouinen, ofschoon deze gedurende dien tijd van het heidendom tot +den Islam geklommen zijn. Voorts bestaan thans op aarde de geheel +op wijsgeerigen grondslag berustende godsdienst-begrippen bezittende +vrije Duitsche gemeenten, wilde stammen, wier godsdienst het plengen +van menschenbloed voorschrijft, en volken met godsdiensten op allerlei +trappen tusschen die beide ingelegen. + +Gaat men in het verledene achterwaarts, zoo ontwaart men een paar +eeuwen geleden als hoogste godsdienstbegrippen die van het orthodoxe +protestantisme, vier eeuwen geleden, die van het catholicisme, +negentien eeuwen geleden, die van het mozaïsme en van het wordende +neoplatonicisme. + +Toen het gansche menschdom op den laagsten trap van beschaving stond, +was het verdeeld in eene menigte in geestelijken aanleg verschillende +kleine stammen. Bij uitzondering zijn er van die stammen uitgestorven, +doch meestal hebben zich, naarmate, bij verhooging hunner beelding, +er meer geest van zamenwerking tusschen de menschen ontstond, zich +eerst tot kleine en later tot grootere, volken gegroepeerd. Elk dier +volken vormde niet altijd een staat of eene politieke eenheid, maar +deszelfs leden waren door taal, zeden, wetten, godsdienst, benevens +door veelvuldiger onder elkander dan met leden van andere volken +gesloten huwelijken, met elkander verwant, en splitste zich somtijds, +zooals bij het vormen van kolonien, in verschillende van lieverlede +zich van elkander vervreemende deelen. Het bovenstaande, kan nu +(zie blz. 33) voorgesteld worden door eene menigte stamboomen, +sneller groeijende naarmate de aanleg der stammen of volken +grooter was (somtijds zal deze, zoo als bij vermenging van hoogere +met lagere rassen, den gemiddelden van die van beide geworden +zijn) en dan zamengroeijende en dan zich in verschillende takken +splitsende. [32] De bovenste einden dier takken en stammen zullen +dan de thans bestaande volken (wel te onderscheiden van staten) en +de distantie dier verschillende uiteinden tot den bodem, de graden +van beschaving dier volken aanduiden. Zoo nu van elk dezer de leden +dezelfde godsdienstige begrippen aankleefden, zouden die takken en +stammen tevens den groei dezer begrippen voorstellen. Het Britsche +rijk en deszelfs koloniën zou bijv. bevatten catholieke Ieren, +angelicaansche Engelschen, presbyteriaansche Schotten, mozaïsche +Israëlieten, mohamedaansche Maleijers, brahmmaansche Hindoes, +boedhisthische Singalezen, zonvereerende Parsen enz. + +Het bezit van dezelfde godsdienst door verschillende dier volken +zou dan niet als eene zamensmelting van derzelver stamboomen moeten +beschouwd, maar meer met het bezitten van dezelfde wetten moeten +vergeleken worden en de bekeering van een volk tot eene andere +godsdienst, onder behoud van sporen der vorige, met het enten van +buiten aangebragte wetten op oude vergelijkbaar zijn en aldus niet +als eene verandering van stamboom aangemerkt moeten worden. + +Die onderscheidene religieuse begrippen van volken zullen nu, +even als de diersoorten, onder den invloed zijn van een drang tot +geschiktwording, een drang tot vooruitgang en de werking van het +toeval. + +Het geschikt worden der organisatie der dieren voor hunne +levensomstandigheden, benevens het geschikt worden der verschillende +deelen dier organisatie voor elkander, wordt bij die religieuse +begrippen der volken vervangen door het harmonisch worden derzelve +met de beschaving en aard dier volken en met het goed bij elkander +passen der verschillende deelen dier begrippen, zoodat zij te zamen +een harmonisch geheel vormen. Die geschiktheid of betrekkelijke +volmaaktheid der godsdienstige begrippen neemt aldus volstrekt niet +toe met derzelver wetenschappelijke waarheid van voorstelling van +hetgeen in tijd en ruimte op buitenzinnelijk gebied bestaat. Bij +onbeschaafde volken moeten zij bijv. eenvoudig en zinnelijk zijn om +voor hen geschikt te zijn en dit maakt bijv. dat men niet in elke +omstandigheid welke ook dwalingen moet bestrijden. Hierdoor zou +meer dan wenschelijk is den vooruitgang ten koste der geschiktheid +begunstigd worden. + +Even als bij de organisatie der dieren, bestaat er ook bij +die begrippen een drang tot vooruitgang waardoor zij echter in +het algemeen niet te hoog voor den graad van beschaving der volken +worden, omdat hierbij ook een dergelijken eigen drang tot vooruitgang +bestaat, waardoor zij dan trager en dan sneller dan die begrippen +zal klimmen en die godsdienstbegrippen aldus dan voor en dan achter +zich zal laten. Daar echter in het eerste geval die begrippen de +beschaving voor- en deze die begrippen achterwaarts tracht te trekken +en omgekeerd in het tweede geval, kan beider ongelijke snelheid van +vooruitgang door geene constante oorzaak in stand gehouden worden. Bij +vooruitgang dier begrippen zullen echter derzelver verschillende deelen +dit nimmer even sterk doen en van daar dat, naarmate zij sneller +vooruitgaan, de harmonie en consequentie bij het geheel verbroken +wordt. Die verandering moet dan noodwendig twist over en twijfel aan +de verschillende deelen der begrippen benevens splitsing van derzelver +aanhangers in verschillende rigtingen doen ontstaan. In een woord er +ontstaat dan bij hen iets gebrekkigs, dat met gemis aan opsluiting +en rigting van met den looppas gaande soldaten vergelijkbaar is, +maar dat bij trageren voortgang dier begrippen van lieverlede moet +verminderen, daar de drang tot geschiktwording van het een voor het +ander, die begrippen evenzoo op gelijke hoogte tracht te stellen +en voor elkander passende maakt, als het bevel tot opsluiting die +soldaten bij elkander brengt. + +Ook zijn die begrippen, even als de organisatie der dieren, aan +de werking van accidentele oorzaken onderhevig en, terwijl bij de +ligchamen der dieren die toevallige bijzonderheden, zoo als bijv. de +bogchels der kameelen, door geslachtsvoortplanting van generatie tot +generatie overgaan, geschiedt dit bij de toevallige bijzonderheden +dier begrippen, door het onderwijs der jeugd. + +Hierboven hebben wij reeds gezegd, hoe bij zeker geheel van +godsdienstige begrippen de onderscheidene deelen, even als bij de +organisatie dier diersoorten, op ongelijke hoogte kunnen staan, doch +ook kunnen deelen der organisatie van diersoorten, zonder hooger +of lager dan de rest te staan, buitengemeen ontwikkeld, vervormd +of gereduceerd zijn. Somtijds maakt zoo iets zulke diersoorten +geschikter voor hunne levensomstandigheden, doch somtijds is het +deels eene toevallige en aldus door den drang tot geschiktwording +voor die levensomstandigheden van lieverlede weggenomen wordende +wanstaltigheid. Evenzoo bij de godsdienstige begrippen. Zoo vindt men +bijv. bij die van het oude Israel het bestaan van een volksgod zeer +sterk en dat der zielsonsterfelijkheid zeer zwak uitgedrukt. In zekere +mate kan dit geschikt zijn geweest voor een volk, waarbij het individu +zoo sterk in het volksbestaan opging als bij de oude Israelieten, +doch deels was het ook eene door het toeval ontstane wanstaltigheid, +die, wel is waar, door het geloof aan eene regtvaardige vergelding der +daden en geschikte rolsverdeeling gedurende dit aardsche leven, wel min +of meer bedekt bleef, doch bij de latere Israelieten desniettemin van +lieverlede verminderd werd. Evenzoo kan men zeggen dat het fatalisme +wel min of meer eigenaardig is bij een volk van een passief en het +begrip van een volstrekte wilsvrijheid bij dat van een actief karakter, +doch beide stellingen zijn niettemin accidentele afwijkingen van +het juiste. + +De stelling, dat, wat men ook denkt of doet, eene zaak zal uitvallen +zoo als dit vastgesteld is, leidt tot moedeloosheid, die, dat men +eene zaak goed of slecht kan doen uitvallen, naarmate men zus of zoo +verkiest te denken, tot overmoed. [33] De aanhangers der absolute +wilsvrijheid stellen eigenlijk dat de loop der verschijnselen oneindig +zamengesteld is, zoodat zij met geene mogelijkheid te ontwarren en te +voorzien is; de fatalisten daarentegen, dat de loop dier verschijnselen +eenvoudiger is dan in waarheid. Zij maken van de menschen alsware +inerte blokken wier aaneenschakeling van denkbeelden van geen invloed +is op hetgeen bij hun ligchaam door anderen waargenomen wordt plaats +te hebben. + +Evenals de dieren zoo handelen, dat zij van de gebreken hunner +organisatie zoo min mogelijk hinder hebben, zoo verzaken de aanhangers +van dergelijke eenzijdige begrippen deze grootendeels in het practische +leven. + +Dit is zelfs het geval bij hetgeen wel eens door de godsdienst als +maatschappelijken plicht voorgesteld is. De christenleeraars vermanen +bijv. niet hunne gemeenteleden aan om zich te laten vertrappen, of +om te zorgen dat ieder hunner even rijk blijft. Voor de toeneming +der ontwikkeling van het menschdom is het toch noodig, dat men tracht +door arbeid in vermogen toe te nemen en dat men voor zelfverdediging +zorg draagt. Er bestaan dan trouwens ook maar weinig christenen welke +dit niet aldus opvatten en de slagtoffers worden van de naauwgezette +opvatting hunner godsdienstleer. + +De anatomisten hebben bevonden dat de hoofddeelen der ligchamen der +dieren volgens een grondtype, bij de hoofddeelen van al de andere +diersoorten terug gevonden wordende, gevormd zijn. In dergelijke +gevallen verkeeren bijv. het hoofd, het hart, het zenuwstelsel, +de ledematen enz. Naarmate de organisatie der diersoorten lager +is, bevinden die deelen zich in een meer rudimentairen toestand en +buitendien verschillen die volgens denzelfden grondtype gevormde +deelen ook als derzelver organisatie ongeveer even hoog is, zooals +bijv. de voorpooten van honden en de vleugels van vleermuizen. + +Iets hiermede overeenkomende ontwaart men bij de verschillende +godsdienstbegrippen der volken. Bij elk dezer kunnen toch die begrippen +in drie deelen verdeeld worden, namelijk: 1º. die over God met of +zonder ondergoden en hooger dan den mensch zijnde wezens, 2º. die +over de zielsonsterfelijkheid, 3º. die over het werelddoel. + +Elk dezer deelen vindt men bij de godsdienstbegrippen van alle volken +in meer rudimentairen toestand, naarmate die begrippen bij eene lagere +geestontwikkeling passen en buitendien met elkander verschillende, +wanneer zij, over het geheel genomen, op gelijke hoogte staan. Zoo +staat bijv. het christelijke godsbegrip hooger dan dat der Israelieten +van voor 3000 jaren, doch of het hooger staat dan het werkelijke der +thans bestaande Israelieten is de vraag. In sommige opzigten misschien +wel, doch in andere opzigten zal welligt het Israelitiesche godsbegrip, +wegens deszelfs strenger monotheïstisch karakter en het stellen dat +God niet onder menschelijke gedaante kan afgebeeld worden, het in +verhevenheid winnen. + +In zooverre zij door het karakter, den graad van beschaving en den aard +der woonplaats der volkeren bepaald worden, zullen zulke verschillen +bij die godsdienst begrippen door eene constante oorzaak in stand +gehouden worden, doch voor de rest zijn zij accidenteel en zullen zij, +door de op blz. 20 gemelde constante oorzaak van geschiktwording van +lieverlede weggenomen worden. + +Naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is, worden die +godsdienstbegrippen gemiddeld niet slechts meer verheven, maar moeten +zij, naar ons inzien, ook meer bevatten van hetgeen op buitenzinnelijk +gebied werkelijk bestaat, zonder evenwel, wegens de beperking welke +de aard hunner woonplaats aan de vergrooting der geestontwikkeling +der aardsche menschen stelt, die waarheid op dit gebied ooit geheel +en zuiver te kunnen bevatten. + +Zelfs bij de minst ontwikkelde menschen overtreft de bewuste +aanschouwing der dingen ver die der dieren. Zij zien niet slechts dat +de lucht schijnbaar een gewelf vormt, dat zon en maan daarop groote +lichtende plekken en de sterren kleinere plekken vormen, dat het licht +van de zon komt, dat de aardbodem, bergen en dalen niet in achtgenomen, +plat voorkomt, dat zon en maan het uitspansel doorloopen van horizon +tot horizon, maar zien dit met bewustheid, dat is zij merken het op en +prenten het in hun geest. Hoe is het nu mogelijk dat zulke door hunne +zintuigen bedrogen menschen niet stellen dat de aarde plat is, dat zon +en maan bewegen, dat de sterren zijn lichtende punten, vastgehecht +aan het uitspansel enz.? Kunnen zij reeds dadelijk opmerken, dat de +voorwerpen bij den horizon duiken, dat, naarmate voorwerpen hooger +gelegen zijn, zij, wanneer men zich verplaatst, meer mede gaan, zoodat +de hemelligchamen, dit in de hoogste mate doende, uiterst ver moeten +liggen, neen zoo naauwkeurig kunnen zij eerst later opmerken. + +Kunnen zulke menschen denken, wij zijn onbekwaam om door opmerking en +redenering over den aard der hemelligchamen iets vast te stellen, +wij schorten ons oordeel op? Neen zoo iets kan slechts gedaan +worden, wanneer de ondervinding aangetoond heeft, dat vroeger +gedane waarnemingen en daarop gebouwde begrippen onjuist zijn. De +naauwkeurigheid der opmerkingen en die der daarop gebouwde redeneringen +en stellingen staat tot bewuste aanschouwing der dingen in dezelfde +verhouding als de organisatie der diersoorten tot de omstandigheden +waarin deze verkeeren. Hoe sneller deze verhoogd zijn, hoe meer zie +blz. 31 die organisatie te wenschen zal overlaten en eveneens, hoe +sneller de bewuste aanschouwing der dingen zich uitbreidt, hoe meer +dwaling der menschen begrippen zullen bevatten. De veranderlijkheid is +aldus, wegens de werking der traagheid, bij gebrek aan tijd, evenzeer +de moeder der dwaling als die der betrekkelijke onvolmaaktheid. + +Zoo aldus de bewuste aanschouwing van menschen bijna steeds op eene +zelfde zeer beperkte hoogte bleef, zou eindelijk dit effect der +traagheid bijna vernietigd moeten worden en de menschen bijv. wel +van den aard en den loop der hemelligchamen zeer weinig afweten, +maar daaromtrent bijna geene dwalingen aankleven. Hunne dan door +geene noemenswaardige overmaat van bewuste aanschouwing alsware +omhoog getrokken en alzoo bijna niet meer toenemende sterrekundige +kennis zou tot die onzer hedendaagsche astronomen bijv. staan +als de organisatie van een laagstaand, maar vroeger zeer traag +in ontwikkeling gestegen dier, bijv. een oester, tot die van een +veel hooger staand, maar sneller in ontwikkeling toegenomen dier, +bijv. een paard. Even als nu, wegens die snellere ontwikkeling, de +organisatie van dit dier betrekkelijk onvolmaakter is dan die van +den oester, zoo zou de astronomische kennis van bovengemelde bijna +niet in geestontwikkeling stijgende menschen minder dwaling dan die +der hedendaagsche sterrekundigen moeten bevatten [34]. + +Dit zal daarentegen het geval niet zijn met de kinderlijke +astronomische begrippen der werkelijk bestaande of bestaan hebbende +zeer onbeschaafde volken, omdat de bewuste aanschouwing der dingen +bij hen niet in elk geval trager toeneemt dan bij de beschaafde volken. + +In het naauwste verband met de bewuste aanschouwing staat de +verbeelding. Deze rigt in der menschengeest gebouwen op, en het +verstand komt later deze verbeteren, wijzigen en zelfs gedeeltelijk +afbreken [35]. Hoe grooter de verbeeldingskracht eener natie is, hoe +sterker derzelver bewuste aanschouwing der dingen in uitgebreidheid zal +toenemen, hoe meer dwalingen zulk eene natie zal aanhangen, maar ook +hoe sneller die toename der bewuste aanschouwing de wetenschappelijke +kennis zal verhoogen [36]. Gebrek aan verbeeldingskracht is bijv. de +oorzaak dat de wetenschappelijke kennis der Chinezen zoo langzaam +stijgt en tevens dat deze zoo arm aan mythen en zoo weinig bijgeloovig +zijn. + +Omgekeerd zal gebrek aan oordeel en kritiserend verstand maken, dat +de wetenschappelijke kennis moeijelijker voortgaat, en dit de toename +in uitgebreidheid der bewuste aanschouwing vertragen. Waar dit nu +het geval is, zal de vooruitgang, zoo in bewuste aanschouwing als in +kennis, even als in het vorige geval, traag zijn, maar, in plaats +dat de laatste weinig bij de eerste ten achteren zal zijn, zoo als +in het eerste geval, zal zij zulks veel zijn. Zulke volken paren een +bijna stationnairen intellectuelen toestand aan rijkdom van mythen; +terwijl daarentegen volken van scherp verstand en tevens van veel +verbeeldingskracht, (zooals bijv. de oude Grieken) snel voorwaarts +gaan in kennis en tevens rijk aan mythen zijn. + +Was de bewering der Atheïsten, dat alle begrippen omtrent +de zielsonsterfelijkheid, het werelddoel en den oneindigen +onveranderlijken geest, buiten der menschen en dieren geesten +bestaande, geheel het werk der verbeelding en valsch waren, juist zoo +zou der menschen verstand deze niet gebaat hebben om, bouwende op de +ervaring op zielkundig en ander gebied, het werk hunner verbeelding +te achtervolgen en alsware te verbeteren. De middelste der drie +bovengemelde gevallen zou alsdan in zeer geprononceerde mate bestaan +en aldus die begrippen als werk der verbeelding slechts een lagen +trap van ontwikkeling hebben kunnen bereiken, even als bijv. de +organisatie van dieren, zoo deze zich hoegenaamd niet naar hoogere +levensomstandigheden kunnen schikken. + +Welk een verschil neemt men daarentegen waar tusschen de godsdienstige +begrippen der fetischdienaars en der menschen van het steenen +tijdperk en die van sommige wijsgeeren en in den jongsten tijd ook +van vrijzinnige godsdienstleeraars. + +Uit het voorgaande volgt, dat, naarmate de godsdienstige begrippen +in verhevenheid klimmen, zij niet altijd minder dwaling zullen +bevatten. Wanneer de bewuste aanschouwing het sterkste toeneemt, +zullen die dwalingen gemiddeld op een maximum zijn, en, zoowel in +het verledene als in de toekomst, verminderen, even als bijv. bij +zeer kleine kinderen het vallen voor en na zekeren leeftijd zulks +doet, en wij vermeenen dat de protestanten dit keerpunt reeds achter +zich hebben. + +Bleef de geestontwikkeling van een volk steeds op dezelfde hoogte +en bestonden er (zie blz. 68) geene storende en verandering +aanbrengende accidentele oorzaken, zoo zouden eindelijk zijne +godsdienstige begrippen, door de volledige achterhaling van het werk +der verbeelding door dat van het kritiserende verstand, niet alleen van +(zie blz. 104) door het toeval, maar ook van door constante oorzaken, +zooals zinnelijkheid, bekrompenheid enz. ontstaande dwalingen gezuiverd +worden. In plaats van met dwalingen vermengde en op eene gebrekkige +wijze uitgewerkte waarheden te bevatten, zouden zij slechts uit zuivere +waarheden bestaan, maar deze, even als, zie blz. 115, de astronomische +begrippen van zulk een volk zeer rudimentair kunnen zijn [37]. + +Bij het voorgaande moeten bij de dwalingen, door de verbeelding bij +bewuste aanschouwing der dingen voortgebragt, gevoegd worden, die +geboren door onzuivere redeneringen, waarmede men meent den aard der +dingen op eene wetenschappelijke wijze te verklaren. Vandaar dat het +maximum der dwalingen, dan niet alleen, uit wat men mythen kan noemen, +bestaande, eigenlijk eenigzins later zal bestaan dan tijdens dat de +bewuste aanschouwing op het sterkste toeneemt, en dat eindelijk ook de +uitbreiding van het veld van bespiegeling minder nieuwe dwalingen ten +gevolge zal hebben, dan er oude door de kritiek weggenomen worden [38]. + +Onder die dwalingen, door constante oorzaken bij de godsdienstbegrippen +teweeggebragt, behoort de speciale en directe goddelijke +veropenbaring. Deze dwaling zal in kracht afnemen, naarmate de +voorstellingen van den aard en de werking van het Opperwezen minder +gebrekkig worden. Integendeel doet de met de beschaving toenemende +behoefte aan godsdienst haar in kracht toenemen. Beneden zeker +standpunt van ontwikkeling der godsdienstbegrippen schijnt het laatste +en na dien het eerste de overhand te hebben. Hunne bewuste aanschouwing +van hetgeen in de natuur voorvalt buiten de ten gevolge hunner eigen +denking ontstaande handelingen en arbeid, moest de op lagen trap +van geestontwikkeling staande menschen leiden om zulke voorvallen, +even als hunne eigen handelingen, te stellen, het gevolg te zijn +van denking, maar van denking van magtige, onsterfelijke ofschoon +menschelijke denkvormen bezittende wezens zie blz. 4. + +Dat die Goden der wilden ons zoo weinig zedelijk voorkomen spruit +hieruit voort, dat bij volken, waarbij den maatschappelijken band +zeer zwak is, wat wij onregt, willekeur en wreedheid noemen, veel +minder schaadt dan bij ons. De vergrooting der geestontwikkeling +der individuen kan bij wilden slechts door lagere soorten van strijd +geschieden en het is klaar dat zulke wilden niet hunne goden kunnen +modelleren naar de behoeften van maatschappelijke toestanden ver +boven de hunne verheven. + +Tot het begrip van een eenigen God kunnen door eigen ontwikkeling +wilden zich niet verheffen, deels omdat zij de verschillende +natuurverschijnsels niet genoegzaam met elkander in verband weten +te brengen, om zich een eenigen regelaar er van te denken, deels +omdat zij geen eenige wijze van denking slechts Gode waardig weten +te keuren. Zoodra dit laatste plaats heeft vervalt het polijtheisme, +omdat het ongerijmd is om zich verscheidene wezens alle precies op +dezelfde wijze denkende en handelende en aldus als volmaakt identiek +voor te stellen. + +Wegens die losheid der maatschappelijke banden en de slechts +vijandelijke gevoelens welke wilden van verschillende stammen +voor elkander koesteren, kunnen menschenoffers niet als voor hen +schandelijke en zeer schadelijke gebruiken gerekend worden. Evenals +toch de zijne jongen zorgvuldig opvoedende arend, andere dieren +die hij magtig kan worden, rooft en moordt, zonder zijne zedelijke +verpligtingen te kort te doen, evenzoo kan de wilde deze vrij wel +vervullen, terwijl hij steeds vijandig optreedt tegen andere stammen +en zelfs tegen andere huisgezinnen. Op hoogeren trap van beschaving en +aldus van gevoel en deelneming voor de menschen in het algemeen staan +bijv. gewis de protestantsche Kaapsche boeren en niettemin achten +deze zich jegens de Kaffers aan bijna niets gebonden en ontzeggen +zij zelfs deze den naam van mensch. + +Ofschoon nu de wilde, wegens de bovengemelde rede, andere waarden dan +wij aan de zedelijke daden toekent, wenscht hij echter eene vergelding +dier daden bepaald door de hem er aan toegekende waarde, dat is hij +wenscht dat er billijkheid heersche. De menschen komen hem daartoe +onvermogend voor, de goden moeten te hulp komen en wel, wegens zijne +beperkt inzigt in den tijd, binnen korten tijd, of wel zij laten het +onregt met het oog op een voor de menschen verborgen doel, toe. + +In tweederlei opzigten werkt aldus zijn godsbegrip gunstig voor hem, +primo als drijfveer tot het goede, zooals hij dit, met het oog op de +eischen van zijn lagen maatschappelijke toestand, opvat, en secundo +als een drang tot het hoogere, omdat hij zich zijne goden, ofschoon, +wegens zijne beperkte opvatting, naar zijn model geschoeid, als hooger +geestelijk ontwikkelde wezens voorstelt. + +In zulk een godsbegrip bestaat er, naar ons inzien, een grond van +waarheid. De billijkheid heerscht, maar niet gedurende een beperkt, +maar slechts gedurende grootst eindig aantal jaren, (zie ons werk get: +Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 131.) + +Hij die het goede betracht verheft zijne zedelijke ontwikkeling en +maakt zich geschikter voor hoogere levens toestanden, terwijl hij, +die zich aan het kwaad overgeeft, naar lagere toestanden neigt. Het +onregt bestaat, deels wegens de betrekkelijke snelle verhooging der +eischen van den maatschappelijken toestand, deels wegens de werking +van accidentele oorzaken en beide oorzaken strekken, zie blz. 67, ter +verheffing van de geestelijke ontwikkeling der menschen, ofschoon, +zooals op blz. 68 gezegd is, slechts, in zooverre zulke onregt +teweegbrengende accidentele omstandigheden vereenigt met andere +accidentele omstandigheden beschouwd worden, zij voor zulk een +doel als die geestelijke verheffing kunnen geacht worden bestemd +te zijn. Desniettemin is hij, die de werking der Natuurwetten op +geestelijk gebied niet nagegaan heeft, geregtigd om te zeggen, dat het +bestaan van het onregt zamenhangt met een voor hem verborgen doel. Dat +het opzien naar en het zich wenden tot een hooger wezen geestopheffende +is, zal wel niet ontkend worden, maar bekrompen zijn de begrippen, dat +zulk een wezen qualitatief niet van wijze menschen verschilt, dezelfde +denkvormen als deze bezit, dat zijne werking op de menschen gelijkt +op die van deze op elkander en dat men zich met hem in gemeenschap +kan stellen zoo als de menschen dit onderling doen. Naar ons inzien is +de gemeenschap van ons menschen met het oneindige oerwezen wel in het +duister verborgen, maar veropenbaart zij zich echter hierdoor, dat de +beschouwing van de stoffelijke en geestelijke wereld onzen in het bezit +van zekeren aanleg zijnde geest vraagstukken ter oplossing voorstelt +en ons aldus alsware vragender wijze doet leeren en ten gevolge +hiervan in geestontwikkeling doet toenemen. Geheel de beschaving +en wetenschap van ons geslacht en de toeneming in geestontwikkeling +der menschen gedurende hun leven is hiervan het gevolg. Op blz. 56 +hebben wij aangetoond, dat de verhooging der geestelijke ontwikkeling +der wezens door geestinspannenden strijd geschiedt. Nu zijn hulp en +bescherming zaken voorkomende bij strijd met collectieve handeling +met onderlinge zamenwerking der menschen gepaard gaande en waarvan +dus slechts tusschen de medestrijders onderling sprake kan zijn. Ja +zelfs bij de aldus strijdende maatschappij, wordt, in het belang der +toeneming van hare geestelijke ontwikkeling, bescherming en hulpbetoon +beperkt. Dit zoeken van hulp en bescherming bij volksgoden, bij +sommige der goden en, bij hoogeren trap van beschaving, bij het eenige +Opperwezen is een gevolg van het op blz. 117 gemelde vooruitloopen +der werking der verbeelding. Hoe sterker de maatschappelijke banden +worden, hoe sterker bij den mensch het denkbeeld van hulpbetoon, +wordt, doch hij blijft ten achteren om, door middel van beredeneerde +beschouwing en doorgronding der dingen, te bepalen bij wie hij hulp +bij arbeid en strijd mag ondervinden om haar vruchtbaar voor zijne +geestelijke ontwikkeling te doen zijn zie blz. 55 [39]. + +Tot een noemenswaardig begrip der onsterfelijkheid der ziel is de +mensch eerst op een hoogeren trap van geestelijke ontwikkeling en +aldus later gekomen dan tot een godsbegrip. Eerstgemeld begrip is +toch niet in zulk direct verband met zijn heden als dit laatste +en de onbeschaafde mensch houdt zich zeer weinig met de toekomst +op. Buitendien was het gemakkelijker om zon, maan enz. bezield +te achten, dan te stellen dat van den mensch iets anders dan een +bewegingloos lijk kan overschieten. + +Bij de wilden, die wijsheid bij verzwakte en oude en daarentegen minder +geestontwikkeling bij krachtige ligchamen bezittende menschen vermeenen +te vinden, onder anderen bij onze voorouders de Germanen, verkregen de +dapperste en krijgshaftigste, dat is in zeker opzigt de (zie blz. 65) +meest geestelijk ontwikkelde onder hen eene eereplaats in den Walhalla. + +Reeds dit rudimentaire begrip der onsterfelijkheid der ziel is +een bewijs hoe vroeg de mensch tot het bewustzijn komt, dat wij +in dit aardsche leven wel in zekeren zin ons ligchaam verslijten, +zoodat dit na volbragte taak geene reden van bestaan meer heeft, +maar dat wij in geestelijk opzigt, door werken, strijden en leeren, +iets voor ons eigen ik bekomen, zoodat dit niet behouden blijvende, +dit leven grootendeels zijn doel zou missen. + +De onbeschaafde mensch is echter te beperkt van opvatting om zich +een leven hier namaals voor te stellen, waarin men niet ligchamen +bezit op de aardsche gelijkende en met dezelfde zintuigen als deze +begiftigd, waarin niet perpetueel de menschelijke denkvormen en +de menschelijke geestelijke natuur, al zij het in verhevener vorm, +behouden blijven en dat elders dan boven de wolken, of in de diepte +der aarde gesleten wordt. + +Trouwens het bestaan van een onnoemelijk aantal werelden buiten +onze aarde, waarvan de meeste tot woonplaatsen kunnen dienen van ver +boven ons verheven wezens, is betrekkelijk kort geleden ontdekt en de +meest gevorderde godsdiensten hebben zich nog niet op de hoogte der +astronomie kunnen stellen. Evenmin hebben zij zich kunnen verheffen +tot het bij sommige wijsgeeren wortelgeschoten hebbende begrip +van eene reeks van toekomstige levens, waarin de gewonnen schat +(namelijk de geestontwikkeling) niet alleen voor roesten bewaard of +behouden, maar ook door arbeid en strijd vergroot moet worden; van eene +reeks van levens, waarin van lieverlede de denkvormen van het wezen +veranderen en meer gelijkslachtig met die van het oerwezen worden, +totdat na een grootst eindigen tijd en grootst eindige vergrooting +der geestontwikkeling, er eene volmaakte oplossing in dit oerwezen +plaats grijpt. + +Slechts bij het Boeddhisme wordt die eindelijke oplossing op eene +twijfelachtige en gebrekkige wijze, (omdat zij plotseling geacht +wordt te kunnen geschieden) aangenomen. + +Bij de godsdienst der Brachmanen vindt men het zinrijke denkbeeld, +dat hij, die zijne zedelijke ontwikkeling vermindert, zich voor +lagere levensvormen geschikt maakt en deze deelachtig wordt, en +aldus een verband tusschen menschen en dieren, alsmede het begrip +van preexistentie (zie later). In sommige opzigten zijn aldus die +godsdiensten de christelijke vooruitgestreefd, evenals dieren, over +het geheel eene lagere organisatie dan andere bezittende, in sommige +opzigten hooger dan deze staan. + +De mensch hecht aan het leven, zelfs dan wanneer zijn door ouderdom +uitgeput ligchaam zijn naderend einde verkondigt en desniettemin +voldoet het leven hem niet, terwijl noch het een noch het ander zou +moeten plaats hebben, zoo het, in plaats van eene leerschool, die men +op allerlei leeftijden en door allerlei toevallen kan verlaten, een +goed voltooiden loopbaan, waarvan al de vruchten achterbleven, vormde. + +Hoe minder dit laatste, naar aanleiding van het op blz. 83 gemelde, +het geval is, naarmate bij de maatschappij de geestontwikkeling +en dus ook de beschaving grooter is, hoe meer behoefte men dan +aan duurzaamheid heeft, hoe meer men dan om de toekomst denkt en +hiervoor leeft, in hoe scherper tegenstelling dan met die behoefte +de broosheid van het leven van het ligchaam wordt en hoe inniger het +bewustzijn, dat met dit ligchaam onze geestelijke ontwikkeling niet +kan ten ondergaan, moet zijn. Zoo toch bij hoogere beschaving de kunst +meer hulpmiddelen verschaft om het ligchaam te behoeden, is men dan +ook meer verpligt om in den strijd des levens, in het streven naar +hooger, op de onmetelijke vlakte der zee, in de ingewanden der aarde, +bij werktuigen, bij het minste ongeval verwoesting veroorzakende, +het bestaan van dit ligchaam te wagen, terwijl van den dan gedurende +zijn leven meer leerende mensch de grootere geestinspanning zie bl. 72 +en 84 ook vernielender op zijn ligchaam werkt. Ook met betrekking +tot het werelddoel vormt de onbeschaafde mensch zich bekrompen, +maar kiemen van waarheid bevattende begrippen. Zoo bijv. acht hij +dieren en planten voor hem geschapen. Dit nu is (zie bl. 18) niet +juist, maar, wegens de uitwerking der oorzaak de mensch geschikt +trachtende te maken voor de levensomstandigheden waarin hij verkeert, +en de wijzigingen die hij ook, tengevolge dier oorzaak, bij sommige +dier en plantensoorten heeft teweeggebragt bestaat er wel een zeker +verband tusschen zijne behoeften en den aard der dieren en planten. + +Ook het nederdalen van Goden op deze aarde om het menschdom in +moeijelijke omstandigheden te helpen is een bekrompen denkbeeld, +doch dat de waarheid bevat, dat in zulke omstandigheden er werkelijk +redding komt, maar van de menschheid zelve die, geprikkeld door het +ongeluk, onder inspanning en vergrooting harer geestontwikkeling de +vereischte hulpmiddelen vindt en in toepassing brengt. Ook behoort tot +de begrippen over het werelddoel die, dat eene opvolging van generatien +elk een leven leidende, zoo rijk aan ramp en teleurstelling als het +menschelijke leven, niet steeds heeft plaats gehad, noch immer zal +voortduren, maar gevolgd is op een zeer gelukkigen primitieven toestand +en, na de totale nederlaag van het genie van het kwaad, eindelijk +zal opgevolgd worden door een niet minder gelukkigen eindtoestand. + +Bij dit begrip heeft men dan het oog gehad op een volk, dat eindelijk +de anderen zal overheerschen, dan op eene godsdienst, die eindelijk het +gansche menschdom onder hare banier zal brengen, dan op de menschheid, +die eindelijk het godsrijk zal binnentreden [40]. + +Laat ons thans zien in hoeverre die begrippen waarheid bevatten. + +Op bl. 64 en 67 hebben wij aangegeven dat de veranderlijkheid, de +voorwaarde van allen vooruitgang, wegens de werking der traagheid, +de bron is van alle kwaad, dwaling en onvolmaaktheid, terwijl die +zelfde traagheid de voorwaarde is van alle bestendigheid. Is er nu +in de wereld voor een grootst eindigen tijd eene uiterst kleine +verandering ontstaan, zoo kan eerst toen er op het kwaad in eene +noemenswaardige mate ontstaan en aldus het rijk van Ahriman geboren +zijn. Zoolang echter die veranderingen zeer luttel waren, moest dit +kwaad zulks ook zijn, omdat, even als een zeer traag groeijend kind +gemiddeld steeds weinig uit zijne kleederen zal gegroeid zijn, de +trage verandering van het eene, waarna zich het andere moet schikken, +dit laatste veroorlooft om weinig achterna te komen. Toen echter die +verandering sneller plaats had moesten onvolmaaktheid en kwaad grooter +en aldus Ahriman magtiger worden, doch tegelijk, naar aanleiding van +het op bl. 13 gezegde, de organische Natuur in ontwikkeling sneller +dan vroeger toenemen. Stelt men echter dat, wanneer deze ontwikkeling +eene zeer groote hoogte zal bereikt hebben, de veranderingen weder +trager gaan geschieden, zoo zal alsdan het kwaad weder afnemen, om +bijna niet meer te bestaan wanneer na een uiterst langen tijd die +verandering weder uiterst luttel geworden is. + +Na eene eeuwigheid moet dan Ormuzd weder alleen heerschen, doch +er dit verschil met den toestand in het eeuwig verleden aanwezig +bestaan, dat toen die ontwikkeling nul en nu oneindig groot is. Op +deze aarde is echter zoo iets onmogelijk, wegens de gedurige +verandering van in geestontwikkeling toenemende individuen, zie +bl. 82. Dit systema vindt men bij het Parsisme op eene wel is waar +gebrekkige en kinderlijke wijze ontwikkeld, doch het doet dit in zoo +verre staan boven het christendom, dat met eeuwige straffen in de +hel dreigt, niettegenstaande de oorzaak, het eene voor het andere +geschikt trachtende te maken, bij een constanten toestand der hel, +onmogelijk de verdoemden gedurende eene eeuwigheid onvoldaan kan laten. + +Een slecht mensch is iemand sterk ten achteren zijnde betrekkelijk +de zedelijke eischen van zijn bestaan, (zoodat slechtheid niet de +tegenstelling van deugdzaamheid in het algemeen, maar slechts van die +met offers gepaard gaande, is). Deze eischen trekken hem opwaarts en, +ofschoon zoo iemand gedrongen wordt naar wijzen van bestaan waarbij +die eischen lager zijn, zoo gaan gemiddeld toch die lagere eischen ook +opwaarts. Zoo zal b.v. een verspilziek beschaafd man wel matroos of +soldaat kunnen worden, betrekkingen waarin men met weinig zorg voor +de toekomst kan volstaan, doch ook de matrozen en soldaten moeten, +naarmate de beschaving klimt, aan hoogere maatschappelijke eischen +voldoen. Stijgen nu deze eischen zeer weinig, zoo moet klaarblijkelijk +een slecht mensch minder betrekkelijk die eischen ten achteren +geraken en aldus betrekkelijk minder slecht worden, en, wanneer die +eischen gedurende uiterst langen tijd bijna niet vooruitgegaan zijn, +niet meer noemenswaardig slecht zijn. Hiertegen zal men aanvoeren dat +zijne finale trap van oneindige ontwikkeling dan kleiner moet zijn dan +bijv. die van een steeds braaf mensch, doch een ieder, in de hoogere +wiskunde ervaren, weet dat oneindige grootheden zelfs oneindig veel +met elkander kunnen verschillen, en dat eene kromme lijn steeds minder +en minder boven de abcissen as kan stijgen en niettemin bij oneindig +groote abcissen er oneindig hoog boven verheven kan zijn. + +Naarmate de beschaving stijgt, hechten de menschen meer aan hunne +godsdienstbegrippen, doch begrijpen zij tevens beter dat die begrippen +hen niet direct op goddelijke wijze geopenbaard zijn. Heeft nu, +gedurende de toeneming in ontwikkeling dier begrippen, eerst het +eerste en later het tweede de overhand, zoo zal bij zekere graad van +ontwikkeling dier begrippen, (evenwel nog al veel uiteen loopende, +naarmate van den aard dezer) het toekennen van goddelijk gezag aan +de godsdienstbegrippen op een maximum van sterkte zijn. + +Bij elk volk vindt men individuen, zoo wegens opvoeding als wegens +ouderdom, op zeer verschillende trappen van geestontwikkeling +staande. Ofschoon nu hierin de lage klassen en de kinderen bij +beschaafde volken op gelijke hoogte als de volwassenen onder de hooge +standen bij minder beschaafde volken kunnen gerekend worden te staan, +is dit niet het geval voor elk deel dier geestontwikkeling. Bij sommige +deelen hiervan zullen die hooge standen bij minder beschaafde volken, +omdat zij de andere standen moeten overheerschen, hooger dan bij ons +de lage standen en bij andere deelen dier geestontwikkeling, omdat +zij het onderrigt van meer beschaafde menschen dan zij missen, lager +dan deze staan. Men kan echter niet zeggen dat hierdoor, zoo bij de +hooge standen der minder beschaafde als bij de lage standen der meer +beschaafde volken, het harmonische verband tusschen de deelen hunner +geestontwikkeling verbroken is. Zij verkeeren toch in verschillende +omstandigheden, even als bijv. de groote gras en kruidenetende en de +kleine vleeschetende zoogdieren, die insgelijks niet quantitatief maar +wel qualitatief met elkander in geestontwikkeling verschillen. Zie +blz. 38. + +Desniettemin moet bijv. de volksklasse lagere en meer kinderlijke +godsdienstige begrippen dan de meer beschaafde klasse bezitten, zonder +dat zij daarom bij gene meer dan bij deze, met die, zooals op blz. 104 +gezegd is, door het toeval ontstane begrippen vermengd zijn. De +geschiedenis leert dan ook dat bij sommige volken hiervoor welligt +(in tegenoverstelling van bij ons) zelfs in te sterke mate gezorgd +werd, doch men moet niet hieruit besluiten dat het oningewijd blijven +der volksklassen in de mysteriën der godsdienst niet voornamelijk +tot oorzaak had de onvatbaarheid dier volksklassen om die mysteriën +te begrijpen. + +Wanneer menschen betrekkelijk anderen in kennis van iets toenemen, +oefenen zij te weinig gezag uit en willen zij anderen te veel van +hunne verkregen kennis mededeelen, en, wanneer hunne superioriteit +vermindert, heeft het omgekeerde plaats. + +Bij het harmonisch zijn der verschillende takken van het weten, +gelooft men met betrekking tot het godsdienstige aan hetgeen men, +krachtens de ervaring (die op zielkundig gebied er onder begrijpende) +krachtens op die ervaring gebouwde redeneringen en krachten historische +gronden en inspiratie, zeker vermeent te weten. Wanneer echter de +harmonie tusschen de verschillends takken van het weten verbroken is, +ontdekt men bij het licht der verst gevorderde wetenschap, dat de +juistheid der minder gevorderde geen onderzoek meer kan verdragen, +en wordt niettemin het geloof aan die juistheid als iets noodzakelijk +voor den mensch beschouwd, zoo wordt er een anderen grondslag dan eene +vermeende indirect op ervaring gegronde overtuiging aan gegeven. Dit +gebrek aan harmonie tusschen de verschillende takken van wetenschap, +wegens derzelver ongelijken vooruitgang zie blz. 133, benadeelt den +phylosophischen geest, leidende om die verschillende wetenschappen +in verband met elkander te beschouwen en maakt thans dat velen in +hun geest eene scheiding maken tusschen wetenschap en godsdienstig +geloof en dezelfde scheiding bij het onderwijs der jeugd verlangen. + +De primaire verbetering van zulk een vicieusen toestand, kan slechts +geschieden door het achterhalen, of althans door het meer nabij +achtervolgen der meest gevorderde takken van weten door de minder +gevorderde, doch als secundaire verbetering is het welligt het beste, +zoo men teregt het onderwijs der jeugd de wereld en levensbeschouwing +niet verbannen wil, er zeer bescheiden mede te zijn en de zaak zoo te +middelen, dat de gematigden, namelijk het gros, wanneer zij die levens +en wereldbeschouwing der school niet te veel op den keper beschouwen, +er mede kunnen instemmen. Van de uiterste partijen, namelijk de +sterkste, maar in scheve rigting geavanceerde, die der materialistische +pantheisten en de achterlijkste, die der stijf orthodoxen, moeten de +godsdienstige overtuigingen dan maar ongeëerbiedigd blijven. Trouwens +zij, welke tot de uiterste politieke partijen behooren, moeten bij +gemeenschappelijke handeling van een gemengd publiek zich evenzeer +gekwetst gevoelen. Dit gebrek is (zie bl. 73) het gevolg der sterkte +der toeneming der maatschappelijke ontwikkeling en zal even goed +verminderen als deze toeneming geringer wordt, als dat een troep +soldaten bij vertraagden gang beter opgesloten zal raken. + +Zoolang de voorste verwisseld wordende manschappen van den troep +sneller loopen dan het gros, zullen zij meer verspreid en verder +van dit gros verwijderd zijn dan de achterste manschappen, doch +het omgekeerde plaats hebben, wanneer zij naderhand trager dan deze +loopen. Evenzoo zullen, zoolang van de beschaafde klasse, zij die +geavanceerde begrippen koesteren, sneller vooruitgaan dan het gros +dier klasse zij slechts, enkelen zijn betrekkelijk ver van dit gros +verwijderd (zooals bijv. de wijsgeeren) doch kunnen zij eenmaal hier +op aarde weinig verder voorwaarts gaan, het gros bij hen komen en de +achterblijvende uit enkele verspreide personen bestaan. Het voorwaarts +gaan bij nevenst. fig. van a naar d gerekend wordende te geschieden, +zoo zal de digtheid van groepering bij de gelijktijdig bestaande +trappen van vooruitgang in het eerste geval door de ordinaten der +kromme abd en in het laatste geval door de ordinaten der kromme +acd aangegeven worden. Onderdrukking der uiting van denkbeelden, +van die van het gros verschillende, ter bevordering van eenheid +en aldus ter daarstelling van geschiktheid in zekeren zin, zal +(behoudens de vertraging van den vooruitgang door het onderdrukken +van den intellectuelen strijd) in het eerste geval bij gemiddeld al +de individuen van bovengemelde beschaafde klasse tot trageren en in +het tweede (zooals bijv. bij het opdringen van het christendom aan +verschillende heidensche stammen door Karel den Grooten) tot snelleren +vooruitgang leiden. + +Het gros kleeft de het meeste prestige bezittende denkbeelden +aan. Dit prestige van iets is gemiddeld het gevolg van deszelfs +voortreffelijkheid met betrekking tot de behoeften der menschen +gedurende zeker tijdvak, doch, wegens de werking der traagheid, +is het op het grootste wanneer die voortreffelijkheid reeds aan het +verminderen is. Het belemmert aldus den vooruitgang, maar bevorderd de +geschiktheid, daar het wel eenigzins verouderde, maar niettemin nog +veel goeds bezittende zaken sterker in de maatschappij doet wortelen +en deze als ware, zie blz. 72 op een beteren weg trager voorwaarts +doet schrijden. + +Even als dwang gaat het prestige den intellectuelen strijd tegen en +maakt, door dien dwang aan zich dienstbaar te doen worden, dat deze +gemiddeld meer de uiting der geavanceerde dan die der verachterde +denkbeelden onderdrukt. Zelfs in het geval dat (zie bl. 83) de +maatschappij bij de achtervolgende generatien niet meer in beschaving +toeneemt, zal bij de individuen er verschil in opinie bestaan en +den hierdoor verwekten intellectuelen strijd den vooruitgang dier +individuen gedurende hun leven bevorderen. Deze zal daarentegen, ten +bate der geschiktheid, door geen leed teweeg brengende dwang tegen +gegaan worden, want alle soort van dwang schept evenmin geschiktere +levensomstandigheden voor de individuen, als (zie bl. 56) alle soort +van strijd ten beste van hun vooruitgang strekt. + +Bestaat er eene oorzaak, waardoor in een staat eene meerderheid en +eene minderheid tegenstrijdige belangen hebben, zoo zal, wanneer elk +hunner toegeeft in omgekeerde reden van derzelver sterkte, de drang +van beide zijden even sterk zijn, er als ware een evenwigtstoestand +ontstaan en de oorzaak, het een voor het ander geschikt makende, zoowel +de grieven der minderheid als die der meerderheid van lieverlede doen +verdwijnen. Veranderingen van omstandigheden, waardoor er nieuwen +strijd tusschen de belangen ontstaat en de trage werking dier oorzaak +van geschiktmaking zijn hierbij de oorzaken van grieven en tweespalt. + +De oorzaak, waardoor gemiddeld de godsdienstbegrippen der volken +eenigzins ten achteren zijn betrekkelijk hunne andere wetenschappelijke +kennis, ontstaat doordat het verstand moeijelijk in het gebied van +het buitenzinnelijke kan dringen, en de godsdienstbegrippen voor een +grooter deel op buitenzinnelijke zaken betrekking hebben dan bijv. de +begrippen over de scheikunde, geologie enz. + +Dit is echter het gevolg der toeneming onzer geestelijke ontwikkeling +en is vergelijkbaar met de afstanden tusschen de op bl. 131 gemelde +soldaten ontstaande, zoo sommige hunner op moeijelijker paden dan +de andere loopen. Hoe harder zulk een troep dan gemiddeld loopt, +hoe verder die soldaten uiteen zullen geraken, niettegenstaande +het bevel tot opsluiting, dat te vergelijken is met de neiging der +verschillende takken van weten om zich op dezelfde hoogte te stellen +en aldus voor elkander geschikt te worden. + +Zoo echter de voorste manschappen van lieverlede langzamer gaan loopen, +zullen de achterblijvende hen steeds meer naderen en eindelijk, +wanneer alles stilstaan, de troep volmaakt opgesloten zijn. Evenzoo +zou dit met der menschen verschillende takken van weten moeten gaan +bij wezens slechts voor eene eindige ontwikkeling vatbaar. Hunne meest +gevorderde tak van weten zou zich eindelijk niet verder ontwikkelen +en de andere van lieverlede zich op eene zelfde lijn er mede stellen, +omdat, waar de vooruitgang opgehouden is, de disharmonie eindelijk +ook verdwijnen moet. + +Zoo echter het pad voor de achterblijvende manschappen voorbij zekere +plaats van den weg wat gemakkelijker wordt, ofschoon nog steeds +moeijelijker blijvende dan voor de voorste manschappen, zal hunne +distantie verminderen en dit eveneens het geval kunnen zijn met der +geesten verschillende takken van weten gedurende toekomstige wijze +van bestaan. + +De practische hulpmiddelen der wetenschap zijn bij de eischen van +het in ontwikkeling toenemende maatschappelijke leven gemiddeld ten +achteren. Toen bijv. Columbus naar de West-Indië toog, liet zijne +kennis van het aardmagnetismus hem in den steek, de mijnwerkers +zouden wel wat meer van den geologischen toestand der aardkorst +en de schippers van de meteorologie wenschen te weten. Trouwens +de vooruitgang van het practische deel der wetenschappen ontstaat +gemiddeld ten gevolge der behoefte hieraan en slechts bij uitzondering +zullen practische hulpmiddelen der wetenschap te verheven voor de +maatschappelijke behoefte zijn, want het tijdelijk verzuimen van +kortelings verkregen hulpmiddelen der wetenschap, wegens de ongewoonte +hieraan, mag niet als het werkelijk er voor te laag zijn dier behoeften +aangemerkt worden. Zulke verkregen hulpmiddelen komen overeen met die +te laat voor de maatschappelijke behoeften ingevoerde instellingen, +waaraan men zich moet gewennen, zoodat in een opzigt men hierbij eene +zaak reeds vroeger noodig zou gehad hebben en in een ander opzigt +nog niet op hare hoogte gekomen is. + +Eigen vooruitgang bij de practische hulpmiddelen der wetenschap noopt +de eischen van het maatschappelijke leven, voor zoo verre zij met die +hulpmiddelen in verband staan, hooger te worden. Zoo bijv. heeft de +uitvinding van het kompas gemaakt dat men wat eerder verre zeereizen is +gaan ondernemen, en zal bijv. de vergrooting der vleugels van vogels +deze hooger doen vliegen. Dit maakt echter slechts dat hetgeen men, +om aan de eischen van iets te voldoen noodig heeft, hierbij minder +ten achteren blijft, terwijl beide evensnel en wat sneller, dan bij +het gemis van den eigen vooruitgang, van het eerstgemelde, voorwaarts +gaan. Dit bijv. voorstellende door eene schuit, zoo zal die eigen +voortgang vergelijkbaar zijn met roeijen, waardoor die schuit, bij +wat snelleren gang dan anders, minder ver achter het jaagpaard zal +liggen, zoo het hiermede verbonden is door eene elastieke treklijn. Dit +jaagpaard komt dan in de plaats van dit iets aan wiens eischen behoort +voldaan te worden en de zamentrekkende werking bij de elastieke +treklijn met den drang tot geschiktwording van het een voor het ander. + +In dezelfde verhouding als zulke hulpmiddelen, betrekkelijk de eischen +van het een of ander bedrijf, staan de godsdiensten betrekkelijk +de eischen van het geestelijke leven van den mensch. Deze vorderen +verklaringen betreffende het werelddoel, de bestemming van den mensch +en het Opperwezen, verklaringen bij elke hoogte dier eischen met +betrekking tot deze in geene voldoende mate te geven. + +Nu kan het wel zijn dat, evenmin als een schipper inziet, dat +bijv. de bemesting der akkers niet aan de eischen van den landbouw +voldoet, menschen van geringe geestontwikkeling met betrekking +tot de maatschappij waarin zij verkeeren, dit onvoldoende der +godsdienstbegrippen dier maatschappij niet bemerken. Dit echter +bewijst slechts dat zij een oppervlakkigen blik in het leven slaan, +of wel met sterke veroordeelen behebt zijn, en van hen is dan ook +geene bevordering van den vooruitgang dier begrippen te verwachten. + +Zoo eenmaal de eischen der beschaving niet meer toenemen moeten de +hulpmiddelen der wetenschap op de hoogte der behoefte er aan komen, +doch ook dan zullen zij er slechts gebrekkig aan voldoen. Veel komt +het toch aan op de aanwending dier hulpmiddelen, en deze zal door de, +wegens hun kortstondig en veranderlijk leven, slechts gebrekkig iets +leerende menschen nimmer volmaakt goed geschieden. + +Welke hulpmiddelen men bijv. verzint om schipbreuken bij de zeevaart +te beletten, de niet volkomene ervarenheid der bemanningen zal maken, +dat er steeds op zee ongelukken zullen plaats hebben. + +De groote verschillen bij en den accidentelen aard der omstandigheden, +waarin er behoefte aan het aanwenden van zulke hulpmiddelen bestaat, +verhindert ook het steeds voldoen hiervan. Dit gaat ook door voor +menschen, zoodat, om deze in zekeren werkkring beter te doen voldoen, +men hen in zoo min mogelijk variërende omstandigheden moet plaatsen, +iets dat bijv. gedaan wordt bij de verdeeling van den arbeid. Ten +bate der geschiktheid wordt door die verdeeling den vooruitgang der +individuen geschaad, want hoe nadeelig hiervoor is het veroordeelen +van menschen tot steeds denzelfden arbeid is gemakkelijk na te gaan. + +Hoe hooger de graad van beschaving is, hoe meer, naar aanleiding van +het op bl. 83 gemelde, het individu in kennis in den algemeensten zin +en dus ook in die van ambachten ten achteren zal staan betrekkelijk +de gansche Maatschappij en zulk een toenemende euvel zal slechts door +versterking der werkverdeeling kunnen getemperd worden. + +Die verdeeling van den arbeid is, naarmate de staten grooter werden, +ook bij de legers en regeringen meer ingevoerd. Zij baart verschil +in rangen, autoriteit en discipline en strekt ter verhooging der +maatschappelijke beschaving, voor zooverre deze door de zamenwerking +der individuen bevorderd wordt, doch belemmert daarentegen die +verhooging, voor zooverre deze de vrucht der vrije en veelzijdige +werking der individuen is. Vandaar dat bij toeneming der beschaving +wel de willekeur vermindert, maar, noch de vrijheid, noch de gelijkheid +der individuen grooter worden. + +Leeren veronderstelt iets nieuws doen op eene gebrekkige wijze, +terwijl men op de beste wijze iets zal doen en aldus op het meeste +practisch nuttig zijn, wanneer men iets, waarmede men bekend is, +verrigt. Vandaar dat de menschen het meeste practisch nuttig zouden +zijn, zoo zij steeds op deze aarde voortleefden en niet door leeren in +geestontwikkeling toenamen, zoodat zij zonder vermoeijende inspanning +werkzaam en, voor de eischen van hun bestaan en de omstandigheden +waarin zij verkeerden, volmaakt geschikt waren. + +Op bl. 134 hebben wij gezegd, dat der menschen kennis niet op de +hoogte is der behoeften der maatschappij en toch zullen de menschen +meer kennis moeten trachten te bekomen dan die, waarvan zij in de +praktijk voordeel kunnen trekken. Dit nu is het geval, omdat de +wetenschap, zoo lang zij in ontwikkeling toeneemt, bij elken graad +hiervan slechts gedeeltelijk voor practische toepassing vatbaar is, +en alzoo hiertusschen en de ontwikkeling der wetenschap dezelfde +verhouding en wederkeerige neiging tot gelijkwording bestaat als op +bl. 64 voor den geest en het ligchaam is aangegeven. + +Evenzoo is het gelegen met de intellectuele ontwikkeling der menschen +in het algemeen, benevens met hunne zedelijke ontwikkeling. Bij +het gebruik dat zij hiervan in de praktijk maken, vervullen zij +slechts gebrekkig de eischen van het maatschappelijke leven, +en desniettemin kunnen zij, noch hunne intellectuele, noch hunne +zedelijke ontwikkeling hier op aarde geheel ten nutte van anderen als +van zich zelf benuttigen. Men treft hierbij aldus tegelijk aan gebrek +en overvloed, even als bij de kinderen, welke niet genoeg weten voor +de eischen van het leven als kind en desniettemin met zaken bekend +zijn, waarvan zij als kind nog geen partij kunnen trekken. + +Bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zoo zouden +zij, door in geestelijke ontwikkeling niet meer toe te nemen, die +ontwikkeling door de practisch nuttige aanwending er van doen inhalen +(iets dat gedurende hun beperkt leven in geestontwikkeling veranderende +wezens daarentegen niet kunnen doen) en de stilstand dier ontwikkeling +bij een hoogeren graad er van invallen, naarmate zij later besloten +enkel voor het practisch nuttige te leven. + +Dit zou eveneens het geval zijn bij elke generatie, zoo deze geen +onderwijs van de vorige generatie verkreeg en niet in geestontwikkeling +toenam en aldus zoo elk harer van de geboorte af enkel voor het +practisch nuttige geleefd had, er op deze aarde geen hoogere wezens +dan infusiediertjes bestaan, zie blz. 30. + +Bij het wel bestaan van zulk een onderwijs, zou de stelregel, om zich +tot het practisch nuttige te bepalen, de opvolgende generatien in +geestontwikkeling trapsgewijze doen dalen. Zoo toch een dezer het +onderwijs der volgende enkel tot het practisch nuttige bepaalde, +zou deze in geestontwikkeling en beschaving voor hare voorgangster +wat onder doen en hierdoor het veld van het practisch nuttige bij +haar wat kleiner dan bij gene zijn. + +Men zal toch toegeven, dat de grootte van het veld van het practisch +nuttige afhangt van den graad van geestontwikkeling en beschaving, +zoodat bijv. een wilde onze industriële kennis, onzen eerbied voor +wetten en voorschriften even gevoegelijk kan missen als de zonderling +Diogenes een nap om uit te drinken. + +Die volgende generatie zou nu, door zich, bij het onderwijs van het +op haar volgende geslacht, tot het voor haar zelf practisch nuttig +geoordeelde te willen bepalen, deze minder leeren dan zij zelf geleerd +zou hebben en dit bij elke nieuwe generatie zoo voortgaan. + +Zoo iets is wel is waar in strijd met de geestelijke natuur van +den mensch, doch niet onmogelijk is het dat elke generatie, bij +het onderwijzen der volgende, zoo weinig buiten de grenzen van het +practisch nuttige treedt, dat elke generatie aan de volgende niet meer +leert dan zij geleerd heeft, iets dat bijv. thans in China het geval +is en zamenhangt met den eerbied der Chinezen voor de voorvaderlijke +overleveringen. Hoe meer de beschaving bij de opvolgende generatiën +toeneemt, hoe meer het onderwijs van elk dezer de grenzen van het +practisch nuttige zal overschrijden, terwijl dit insgelijks het geval +moet zijn, bij het even groot blijven dier beschaving, naarmate, +deze grooter is, omdat als dan die individuen van elke generatie, op +zich zelve beschouwd, gedurende hun leven sneller in geestontwikkeling +toenemen. [41] + +De menschen trachten steeds hulpmiddelen uit te vinden om den arbeid +te verrigten, anders met weêrzin door menschen verrigt moetende +worden. Daar echter, naarmate de beschaving stijgt, elk individu +meer arbeid vereischende producten verbruikt, zoo zullen, wegens +de werking der traagheid, die hulpmiddelen, menschelijken arbeid +uitsparende, steeds wat te kort schieten. Van den anderen kant zouden +onbeschaafden weinig arbeid vereischende producten consumerende volken +te veel ledigen tijd hebben, zoo het mogelijk was, dat zij over de +hulpmiddelen van beschaafde volken ter besparing van menschelijken +arbeid konden beschikken. Bij de beschaafde standen gebruikt men zelfs +somtijds ter beschikking staande hulpmiddelen, bestemd ter verkrijging +van het gewenschte met minder menschelijken arbeid, niet en geeft men +aan in zeker opzigt meer primitieve middelen de voorkeur, ten einde +gemis aan ligchaamsbeweging en aan vaardigheid in den wapenhandel +te voorkomen. Dit is bijv. het geval bij het verkrijgen van wild +door middel der jagt, terwijl de fokkerijen met veel minder arbeid +evenveel wildbraad kunnen opleveren. + +Onze geperfectionneerde wapens zouden bijv. ongeschikt en alsware te +machinaal voor wilden zijn. Naar gelang toch wapens meer primitief +zijn, vereischen zij meer kracht en behendigheid, aldus eene grootere +mate van hetgeen wij op bl. 66 eene lage soort van geestontwikkeling +genoemd hebben om goed behandeld te worden, waarvoor men slechts +het gebruik van een slinger met dat van een revolver te vergelijken +heeft. Eenvoudige wapens, ofschoon zie blz. 134 wat minder primitief +dan die welke zij zelf hebben uitgevonden, zijn aldus geschikter voor +wilden, die veel tijd aan ligchaamsoefeningen en aan den wapenhandel +kunnen wijden en bij wie het oorlogen op eene kleine schaal geschiedt, +maar veel tijd mag wegnemen. + +Bleef in het beschaafde deel van Europa de beschaving van heden af +stationnair, zoo zou men er zoo lang voortgaan met het verbeteren +der middelen van communicatie, als men meenen zou te veel tijd +en inspanning voor het reizen te besteden, maar na dien niet +meer. De menschen zullen hunne woonplaatsen zoo verleggen, dat, waar +bijv. wegens den aard van het terrein, die uitbreiding en volmaking der +middelen van communicatie, kosten zouden veroorzaken overtreffende de +baten door het meerdere gemak en den meerderen spoed bij het reizen +opgeleverd, zij minder en met minder spoed behoeven te reizen en +aldus meer primitieve middelen van communicatie voldoende zijn. + +Van daar, dat het onraadzame van den aanleg van eenig middel van +communicatie, zoo de directe en indirecte baten niet tegen de kosten +opwegen, slechts een tijdelijk verschijnsel zal zijn, omdat de menschen +aldaar van lieverlede meer zullen gaan wonen en die baten doen stijgen. + +Hierbij moet men echter stellen, dat er van lieverlede een nadien niet +meer veranderenden toestand ontstaat, want blijft deze veranderlijk, +zoo zal, zooals wij meermalen gezegd hebben, het een nimmer steeds +voor het ander geschikt kunnen blijven. + +De meer primitieve middelen van vervoer vereischen meer +bedrevenheid bij de reizigers dan de meer geperfectionneerde. Zij +die bijv. hun talent in de stuurmanskunst willen toonen, maken niet +van stoom- maar van zeiljagten gebruik. Buitendien zijn zij voor de +reizigers leerzamer, meer herinneringen opleverend en minder enkel +verplaatsend. Weet men aldus van den tijd en van het geld, die, bij het +gebruik van (zie blz. 97) meer verheven middelen van vervoer gespaard +blijven, geen gebruik te maken, zoo verdient eene meer primitieve +wijze van reizen de voorkeur. Dit een en ander is niet in strijd met +hetgeen wij op blz. 46 gezegd hebben, dat namelijk bij de dieren het +bezit van meer geperfectionneerde wapens meer geestontwikkeling bij +hen vereischt, want dit laatste is bij de (hetgeen de dieren niet +doen) in de maatschappij zamenwerkende menschen evenzeer het geval, +edoch bij de vervaardigers en niet bij de gebruikers dier wapens. Het +bestaan dezer vordert bij de maatschappij en somtijds ook bij die hen +behandelen, in mindere mate, zie blz. 66 lagere, doch in sterkere +mate hoogere soorten van geestontwikkeling (namelijk zulke welke +minder het ligchaam vaardig maken) dan de meer primitieve wapens. + + + + + + +BESCHOUWINGEN OVER EENIGE ONDERWERPEN OP BUITENZINNELIJK GEBIED. + + +Hoe ontstaat het vermogen der organisatie der dieren, om, +grootendeels buiten de bijzondere soort van eigen denking der dieren +wil genaamd, geschikt te worden voor de omstandigheden waarin de +dieren verkeeren. Naar ons inzien, door het aan de ligchamen dezer +annex zijn van moleculaire bewegingen der zelfstandigheid, geene +zintuigelijke indrukken te weeg brengende, en alzoo niet makende dat +die zelfstandigheid zich voor ons als ligchaam veropenbaart. Een +deel dier geene zintuigelijke indrukken voortbrengende bewegingen +vormen een geheel en worden bepaald door en bepalen de eigen denking +van het dier, waartoe ook het zien, het voelen, enz. behoort, en die +aldus evenmin door de hersens (namelijk zintuigelijke indrukken te +weeg brengende ligchamen) als de in de denking van het dier begrepen +gezigtsindrukken, door de oogen, plaats heeft. + +De overige dier geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende +bewegingen, worden naar ons inzien bepaald door en bepalen eindige +deelen eener oneindig groote eenheid van denking, behalve de +geesten of eenheden van denking van menschen en dieren en hiermede +verwante wezens op andere hemelbollen, in de totale veropenbaring der +zelfstandigheid door denking bevat. Die eindige deelen dier oneindige +denking werken nu, door dat zij door bewegingen der zelfstandigheid +bepaald worden, mechanisch op de deelen der ligchamen der dieren en +zijn wederkeerig aan den invloed hiervan blootgesteld. Stel bijv. dat +iemand, ten gevolge van eenige tot hem gerigte woorden, gaat zitten, +wat heeft er dan plaats. 1o Geluidsgolven planten zich in de lucht +voort, 2o de trommelvliezen van dien persoon geraken in trilling, +3o onbekende moleculaire bewegingen ontstaan in zijne gehoorzenuwen, +4o in zijne denking ontstaat een gehoorindruk, 5o hij denkt over de +woorden na, 6o in zijne denking ontstaat een wilsindruk, 7o onbekende +moleculaire bewegingen ontstaan binnen eenige zijner bewegingszenuwen, +8o insgelijks onbekende bewegingen ontstaan binnen de met die zenuwen +in verband zijnde spieren, 9o beweging der ledematen heeft plaats. + +Bij No. 1, 2 en 3 zijn elkander mechanisch bepalende bewegingen +aangegeven, insgelijks bij No. 7, 8 en 9, terwijl bij No. 4, 5 +en 6 er elkander bepalende denkingen zijn aangeduid. De keten van +elkander bepalende bewegingen kan echter kwalijk na No. 3 afgebroken +zijn en bij No. 7 weder beginnen, want denking en beweging zijn +geheel ongelijkslachtige zaken. Er schiet aldus niets anders over +dan te stellen, dat de denkingen, bij No. 4, 5 en 6 aangeduid, +geene zintuigelijke indrukken teweeg brengende bewegingen der +zelfstandigheid bepalen. Van den anderen kant zou men ook kunnen vragen +of, zoo de ons bekende denking van bewegingen vergezeld moeten gaat, +alle bewegingen welke ook der zelfstandigheid (ofschoon volstrekt +niet in reden van derzelver sterkte) niet mede bepalen en bepaald +worden door denking, behalve de eenheden van denking der eindige +levende wezens eene oneindige eenheid van denking vormende [42]. De +denking bij No. 4 aangeduid, zou dan door die denking buiten ons +bepaald worden en die bij No. 6 aangegeven er bepalende op werken, +zoodat de keten der denking evenmin als die der beweging, afgebroken +zou zijn. De fatalisten stellen eigenlijk dat de aaneenschakeling +onzer denkbeelden van geen invloed is op die denking buiten ons, +de aanhangers der absolute wilsvrijheid, dat deze van geen invloed +is op de aaneenschakeling onzer denkbeelden, terwijl daarentegen die +invloed wederkeerig is. + +Veranderen de omstandigheden waarin een dier verkeert, zoo wordt dit +er eerst min of meer aan gewoon en verandert aldus zijn toestand, +zonder dat er eene noemenswaardige verandering bij de organisatie van +zijn ligchaam bespeurd kan worden. Verandering dient er dan evenwel +ergens plaats gegrepen te hebben, en zou deze dan niet kunnen bestaan +bij die geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende bewegingen, het +eigenlijke leven daarstellende, en wier er door bepaalde denking, het +ligchaam voor die nieuwe levenstoestanden geschikt zoekt te maken? Deze +bewegingen werken toch mechanisch op de wel zintuigelijke indrukken +voortbrengende moleculaire en andere bewegingen van het ligchaam en +kunnen hierbij alsware eene verandering te weeg brengen in gelijken +geest als die bij haar zelve tijdens het wennen plaats had, ofschoon, +wegens de werking der traagheid, later, zoodat de wijzigingen der +geene zintuigelijke indrukken teweeg brengende bewegingen, die der +organisatie van het ligchaam alsware achter zich voortslepen. [43] + +Zonder de aanhoudende werking der op blz. 7 gemelde oorzaak van +geschikthouding, zouden de ligchamen der dieren onmogelijk aan vele +de deugd hunner organisatie verstorende invloeden kunnen wederstaan, +en er bestaat hierdoor eene ondempbare kloof tusschen de levende +organismen aan de eene en de anorganische en doode organische stof aan +de andere zijde. Gene toch zijn actief, deze passief, van gene kan +men zeggen, dat zij voor zich zelf beter of slechter zijn ingerigt, +terwijl het ongerijmd is te zeggen, dat een stuk goud voor deszelfs +eigen ik meer of minder deugdzaam is. + +De denking buiten de eigen denking der menschen en dieren, de +organisatie dezer voor de bestaande omstandigheden geschikt trachtende +te maken, moet niet veronderstelt worden te grijpen naar middelen, +slechts in indirect verband met de gebreken dier organisatie zijnde, +tevens ook niet door redenering het bekende uit het bekende af te +leiden, of tusschen verschillende in te slane wegen eene keus te doen. + +De dieren komen slechts van het eene tot het andere, wanneer dit +laatste in direct verband met het eerste staat, en zijn hierdoor +veel minder dan de menschen aan dwaling onderhevig. Bij deze ontstaat +eerst het begrip van het doen van daden, geschikt bij het verkeeren in +zekere omstandigheden en later worden die daden verrigt. Bij de dieren +gaat dit eerste dit laatste minder vooraf, zij vormen zich meer al +handelende het begrip van hetgeen zij behooren te doen. Zij bezitten +andere denkvormen dan wij, en van daar dat de fabeldichters onder +den naam van dieren eigenlijk menschen van verschillende karakters +doen optreden. Overleg en handeling ten gevolge van eigene opmerking, +en aldus rede kan aan de dieren niet ontzegt worden, zamenwerking met +en opoffering voor andere wezens evenmin, doch wel de bewustheid, dat +hunne daden strekken ter vergrooting hunner geestelijke ontwikkeling, +alsmede abstracte en op het gebied van het buitenzinnelijke treden +de denkbeelden. Zij missen geheel de bij vele menschen zoo flaauw +ontwikkelde godsdienstige wijsbegeerte, hunne levensbeschouwing is +gegrond op de directe ervaring, op de eischen van het practische nut, +en dweepen en droomen is hen even vreemd als aan middelmatige menschen +de dwalingen en exentriciteiten van het genie. + +Evenals de op blz. 143 gemelde denking, moet de eigen denking van +dieren, wegens de werking der traagheid, blijven beneden de eischen +van zekere levensomstandigheden, wanneer zij hieraan niet geheel +gewoon is, en niet aan die eischen zonder vermoeijende inspanning +kan voldoen. Om bij gelijken aanleg en even hoogen graad van +geestontwikkeling tijdens de geboorte, gedurende het leven sterk in +geestontwikkeling toe te nemen, moet 1o. van het voorgeslacht veel te +leeren vallen, 2o. de middelen van gemeenschap met dit voorgeslacht, +namelijk het spraakvermogen enz. op een hoogen trap staan, 3o. de +levensomstandigheden, waarvoor men zijne geestontwikkeling geschikt +tracht te maken, insgelijks op een hoogen trap staan, en 4o. het +ligchaam op de vergrooting der geestontwikkeling slechts eene kleine +directe tegenhoudende werking uitoefenen. + +Met betrekking tot het eerste en derde zijn wij Nederlanders +bevoordeeld boven onze voorouders de Batavieren enz. en deze waren, +met betrekking tot al die zaken bevoordeeld boven hunne op de +boomen klauterende en, bij hoogeren aanleg, de geestontwikkeling der +hedendaagsche apen bezittende voorouders en deze op hunne beurt boven +hunne millioenen jaren vroeger in zee levende en de geestontwikkeling +der hedendaagsche visschen bezittende voorzaten, zie blz. 31. Wel kan +men door zijn vrijen wil, of anders gezegd door daden het gevolg zijnde +van uit elkander voortvloeijende en elkander bepalende redeningen, de +omstandigheden, op wier hoogte men zich tracht te stellen, eenigzins +hooger of lager stellen, en dit ook door het toeval plaats hebben, +doch hiervoor bestaan er grenzen, en, evenmin als Napoleon I in gewone +tijden keizer had kunnen worden, kan een wezen zelfs van grooten +aanleg, met een laag bewerktuigd ligchaam voorzien, en beroofd van +de middelen om uitgebreide waarnemingen te doen en om met andere +wezens denkbeelden te wisselen, gedurende zijn leven belangrijk in +geestontwikkeling klimmen. + +Op bladz. 143 hebben wij aangegeven, hoe op onze denking eigenlijk niet +eene wel of geen zintuigelijke indrukken te weeg brengende moleculaire +beweging bij ons ligchaam en de daarbuiten gelegen voorwerpen, maar +eene hierdoor gedeeltelijk bepaalde denking (buiten de onze en die +van andere eindige wezens bestaande) van invloed kan zijn. Om meer +bij het gewone spraakgebruik te blijven, gewagende van den invloed +door ons ligchaam op onzen geest uitgeoefend, zoo herinneren wij +dat, naar aanleiding van het op blz. 91 gemelde, die invloed op eene +directe wijze onzen geest tracht te verlagen. Op eene indirecte wijze +tracht hij echter, door ons te veroorloven waarnemingen te doen en +met de buitenwereld en andere wezens in contact te treden en onder +zekere inspanning denkbeelden in werkdadigen toestand te bezitten, +hem te verhoogen. Sprekende, om bij het gewone spraakgebruik te +blijven, van wederkeerige werking tusschen ligchaam en geest, zoo is +het klaar, dat elke verandering bij onze denking gepaard zal moeten +gaan met zekere verandering bij de verschillende ligchaamsdeelen en +omgekeerd. Zijn nu die veranderingen bij een dier deelen merkbaar, +en worden zij door andere invloeden niet zoodanig gestoord, dat zij +onherkenbaar worden, zoo moet elke toestand van den geest overeenkomen +met zekeren toestand van zulk een ligchaamsdeel, en zelfs met dien +der kleederen welke men draagt. + +In zekere mate kan dit nu het geval zijn met de hersens, doch hieruit +mag men volstrekt niet afleiden dat de hersens denken en aldus boven +alle andere organische levende stofmassa's het voorregt bezitten, +om te denken en dus ook te voelen, te ruiken, te zien enz. Bijna +even goed kan men bijv. aan eenig ingezegend voorwerp boven andere +dergelijke, maar niet ingezegende voorwerpen het voorregt toekennen +om zekere geheime kracht uit te oefenen. + +Waarom buitendien aan de hersens boven de andere zenuwknoopmassa's het +vermogen om denken toe te kennen, en, zoo men dit min of meer als een +vermogen van al de zenuwknoopmassa's beschouwd, waarom kan men, zooals +bij afzetting van ledematen, van die zenuwknoopmassa's verliezen, +terwijl de denkbeelden in hun geheel behouden blijven? Waarom kan +men zelfs bij lagere dieren de hersens wegnemen en zij nogthans, +waarschijnlijk ten gevolge van bewuste denking, hunne ledematen +bewegen. Het komt ons integendeel waarschijnlijk voor, dat de +op blz. 143 gemelde eenheid van geene zintuigelijke indrukken +veroorzakende beweging aan onze ligchamen annex, wanneer de beleediging +van dit ligchaam zekere grenzen overschrijdt, hier niet meer annex +mede kan blijven, en, even als de op blz. 145 gemelde denking +(buiten de onze bestaande en onze organisatie geschikt voor de +levensomstandigheden trachtende te maken) alsware vrij komt en dan +(zie later) geene werkdadige denking kan bepalen. + +Dat voorts organische stof onder den invloed dier geene zintuigelijke +indrukken te weeg brengende beweging ontstaat en tegelijkertijd uit +anorganische stoffen zamengesteld kan worden, behoeft niet meer te +verwonderen, als dat bijv. waterstof door electrische ontleding van +water en tegelijk op zuiver chemische wijze te vormen is. + +Op blz. 146 hebben wij gezegd dat de geest der dieren niet slechts +quantitatief, maar tevens ook qualitatief met den onzen verschilt. Een +zoodanig verschil bestaat er echter ook tusschen den geest der +kinderen en die der volwassenen en bij den op blz. 31 gemelden +stamboom van het menschelijke geslacht moet de qualitatieve verandering +evenzeer geleidelijk als de quantitatieve plaats gegrepen hebben. Het +bestaan van gelijkslachtigheid tusschen de ziel der dieren en die der +menschen kan echter niet ontkend worden en, zoo men aan de onze eene +toekomstige steeds voortdurende gemiddelde vergrooting toeschrijft, +moet eene tragere vergrooting aan die der dieren toegekend worden. + +Men verhoogt zich dan trouwens ook niet door anderen te verlagen, en +passende met een hoogeren trap van geestontwikkeling, dan de thans bij +de menschen bestaande, zal het welligt zijn, om, wanneer men van dieren +gewaagt, niet slechts te denken aan ponden vleesch en vet, of zelfs +aan een kunstig physiologisch zamenstel, maar tevens ook aan iets dat +aan den kogel van den jager en aan het mes van den slagter ontsnapt. + +Het verschil in uitzigt en levenswijze van wezens, elkander als +niet meer vreemd beschouwende, wordt grooter naarmate de beschaving +stijgt, en, terwijl bij zeer lagen trap van beschaving de leden der +verschillende stammen elkander vreemd of vijandig blijven en wreedheid +en onverschilligheid jegens de dieren, gemis aan beschaving aanduidt, +zoo moeten, naarmate de beschaving stijgt, de menschen minder exclusief +en meer cosmopoliet worden. + +Hetgeen op blz. 148 gezegd is, dat elk verschil in zielstoestand, +wegens de wederkeerige werking tusschen ziel en ligchaam, gepaard moet +gaan met eene ofschoon volstrekt niet er mede geëvenredigde verandering +bij het ligchaam (evenmin als de veranderingen van uit zintuigelijke +indrukken bestaande denkbeelden met er aan geëvenredigde veranderingen +bij de ligchamen die zintuigelijke indrukken opwekkende), moet niet +aldus verstaan worden, dat de ontwikkeling en eigenschappen der ziel +geheel door het ligchaam (de op blz. 143 gemelde moleculaire beweging, +de eigen denking bepalende, hier niet bij gerekend) bepaald worden. De +ziel zou zich dan tegenover de invloeden, door het ligchaam er op +uitgeoefend, geheel lijdelijk moeten gedragen, iets dat wel bij +de dieren en vooral bij de lagere meer dan bij de menschen, maar +volstrekt niet volkomen het geval is. + +De waarde van een wezen wordt niet alleen bepaald door hetgeen het +is, maar tevens door hetgeen het kan worden, zoodat bijv. een wezen, +in gedaante en geestontwikkeling met een visch gelijk staande, maar +met menschelijken aanleg begiftigd, uit een geestelijk oogpunt meer +waarde dan een werkelijken visch zou bezitten. + +De geestelijke aanleg, die, door grooter te zijn, de toename +in geestontwikkeling bevordert, is voorts bij elk individu niet +onveranderlijk, maar kan door inspanning van den geest (waaronder +eigenlijk alle inspanning begrepen is, omdat bijv. het gevoel van +spierinspanning tot het rijk der denking behoort) vergroot worden. Die +inspanning aldus beide de geestelijke ontwikkeling en den aanleg +vergrootende, ofschoon deze laatste minder snel, zoo moet, bij het +niet bestaan van de vergrooting dier geestontwikkeling tegengaande +oorzaken, zooals bijv. de moeijelijkheid om de bewuste aanschouwing +uit te breiden, die vergrooting versnellende geschieden. + +De aanleg, waardoor onder geestinspanning de zedelijke ontwikkeling +van den mensch toeneemt, bestaat naar ons inzien in den graad van +verhevenheid van het karakter. Zoo bijv. iemand zich veel moeite geeft +om beter te handelen, vergroot hij zijne zedelijke ontwikkeling, maar +tevens verbetert hij zijn karakter, waardoor later dezelfde toename in +geestontwikkeling hem ligter zal vallen, en dus bij gelijke inspanning +als vroeger, zij grooter dan toen zal worden. + +De graad van zedelijke ontwikkeling hangt veel meer van de opvoeding +en van de maatschappij af waar binnen men op deze aarde treedt, +dan van het karakter. Hedendaagsche menschen, geen verhevener +karakter bezittende dan oude Romeinen, dompelen bijv. niet als zij de +krijgsgevangenen in slavernij, verstooten niet zoo ligt als zij hunne +echtgenooten, hakken in schijnbaar wanhopende omstandigheden niet zoo +ligt als zij, door middel van zelfmoord, den gordiaansche knoop door, +in plaats van te trachten hem te ontwarren, kortom zij staan hooger +in zedelijke ontwikkeling als die oude Romeinen. + +Bij de intellectuele ontwikkeling staat de aanleg vooral in verband +met de op blz. 67 gemelde door oefening verkregen en niet door middel +van de spraak uitdrukbare denkbeelden. Men zal bijv. ontwaren dat +binnen zekere grenzen, hoe langer men zich in iets geoefend heeft, +hoe gemakkelijker het valt om er zich verder in te bekwamen, zoodat de +bekwaamheid versnellende toeneemt. Vandaar de verwonderlijke hoogte +waarin menschen het brengen in zaken, waarin zij zich bijzonder +oefenen, doch hierbij werken de beperktheid der bewuste aanschouwing, +de levensomstandigheden en zeker besef van genoegzaamheid, die anders +versnellende toename der intellectuele ontwikkeling in het een of +ander tegen. + +Die inspanning, waardoor de geestontwikkeling en te gelijk, maar +in mindere mate den aanleg vergroot, is echter steeds eene overmaat +van inspanning boven die noodig om die geestelijke ontwikkeling op +dezelfde hoogte te houden. + +Voor zooveel de inspanning hiertoe werkt, komt het ons voor dat zij ons +aangenaam moet zijn. Trouwens zij zou bestaan bij een veranderlijken +toestand van onzen geest en hierbij moet, zooals op blz. 47 en 64 +gezegd is het een geheel voor het ander geschikt zijn. Deze slechts +voor de bestendiging der verkregen geestontwikkeling gevorderde +inspanning is naar ons inzien tijdens het waken grooter dan gedurende +den slaap, bij hooge geestontwikkeling grooter dan bij kleine, aldus +bij de menschen grooter dan bij de dieren en grooter bij eene natuur +van den geest waarbij deze sterk gedreven wordt naar verhooging zijner +ontwikkeling [44]. + +Slechts voor zooverre de vergrooting in aanleg en geestontwikkeling +eener generatie door eigen toedoen op de ligchamen van derzelver leden +en op de opvoeding der volgende generatie van invloed is, zal deze +er partij van trekken. Dit bedrag vormt echter eene kleinere breuk +dier vergrooting, voor zooverre deze den aanleg dan voor zooverre die +vergrooting de geestelijke ontwikkeling betreft. In wetenschappelijke +ontwikkeling zijn de volken gedurende de toeneming der beschaving +het meeste toegenomen, in de kunsten veel minder, omdat hetgeen +men daaromtrent weet moeijelijker medetedeelen is dan in zaken van +wetenschap, en in aanleg voor de kunsten nog veel minder. + +Op blz. 146 hebben wij gezegd, dat bij de anorganische ligchamen +er van geene deugd of geschiktheid voor het verkeeren in zekere +omstandigheden en van verhooging van organisatie sprake kan zijn. Het +is er echter verre van af dat hierbij de uitwerking der Natuurwetten +naar geen doel zou streven. Beschouwt men bijv. de anorganische +ligchamen niet afzonderlijk, maar tot hemelbollen gemasseerd, zoo +kan bij deze zeer wel sprake zijn van deugd in eigen belang, welke +bijv. zou bestaan in het vermogen om een afzonderlijk bestaan te +perpetueren, om niet steeds in snelheid af te nemen, om korsten en +gasvormige omhulsels te bezitten, om bij een en ander verscheidenheid +van aard en van temperatuur in stand te houden enz. Ook kan het zijn +dat de hemelbollen, door zamenpakking van den ether of algemeene +enkelvoudige oerstof, binnen en om hun oppervlak gelegen, er bij +chemische verbindingen te weeg brengen, de natuur van hun eigen +bestanddeelen aan dien ether geven en aldus in massa toenemen, hetgeen +met de vergrooting der geesten te vergelijken zou zijn, terwijl de +neiging dier bollen om in massa toe te nemen met den aanleg dier +geesten zou overeenkomen. + +Hoe grooter afwijkingen er van de geschikste organisatie der planten en +dieren ten gevolge van zekere accidentele oorzaak bestaat, hoe sterker +de oorzaak, des geschikste organisatie trachtende voort te brengen, +de verdere vergrooting dier afwijking tegengaat en deze, wanneer die +accidentele oorzaak niet meer bestaat, tracht te vernietigen. Hiervan, +kan de algemeene reden zijn, dat, wanneer natuurwerkingen zekere +afwijking van een toestand voortbrengen, de verdere vergrooting +dier afwijking steeds bezwaarlijker voor hen wordt en andere +natuurwerkingen een teruggang sterker trachten voort te brengen. De +ongelijkheid in snelheid van naast elkander bewegende ligchamen doet +bijv. gewone snelheden door middel der wrijving in warmtebeweegkracht +overgaan, doch de ongelijke druk, bij warme ligchamen bestaande, doet +weder warmte in gewone snelheden veranderen. Hoe meer er nu van die +snelheden en hoe minder warmte er bestaat, hoe sterker die uitwerking +der wrijving en hoe zwakker die dezer ongelijkheid in drukking zal +zijn. Bij ongelijkheid van temperatuur verspreidt zich de warmte van +de warmste naar de koudste plaatsen en wordt de temperatuur overal +meer egaal, doch waar er electrische scheiding plaats heeft, wordt er +warmte ergens opgenomen en deze bij electrische verbinding in warmte, +van hooge temperatuur omgezet, zoodat aldaar de temperatuur veel hooger +dan elders wordt en aldus de ongelijkheid er van op de verschillende +plaatsen hersteld wordt [45]. Was de aarde van binnen vast, zoo zou +het rivier- en beekwater de grondspecie naar zee voeren, de golving +der zee deze stoffen op derzelver bodem egaliseren en eindelijk de +aardkorst volmaakt vlak en overal met eene even diepe zee overdekt +raken. De aarde is echter van binnen met (zie hierboven) in beweging +gehouden gesmolten lava gevuld en daar deze specifiek wat ligter dan de +aardkorst is, zoo zal, waar die lava deze korst van onderen afschuurt, +deze dunner en aldus, ter bewaring van het hydrostatische evenwigt, +opgeligt worden. Elders het tegenovergestelde plaats hebbende, zoo +zullen hierdoor de ongelijkheden van den bodem hersteld worden [46]. + +Ook op maatschappelijk gebied ontbreken niet die dit grooter worden +der accidentele afwijkingen en, naarmate die afwijkingen zulks zijn, +sterker, tegengaande werkingen. Wordt er bijv. wegens het bestaan +eener accidentele oorzaak, minder goed en meer kwaad gedaan, zoo +lijdt de maatschappij hieronder en tracht zij dit te keer te gaan +door meer moeite ter zedelijke verbetering der menschen aan te wenden, +benevens door de belooningen en straffen te vergrooten [47]. + +Zoo de hemelbollen, door de werking der wrijving der vloeistoffen +dier bollen tegen die van andere bollen waartegen zij botsen (want, +voordat zulk eene botsing mogelijk wordt, zullen, wegens derzelver +onderlinge aantrekking, hemelbollen zoo sterk uitgezet en dus kouder +worden en zooveel warmte uit den omringenden ether opnemen en binden +dat derzelver bestanddeelen tot den gasvorm overgaan) veel kleinere +banen verkrijgen, zal eene andere werking die banen sterker trachten +te vergrooten [48]. + +Stel bijv. dat eene groep betrekkelijk kleine hemelbollen langs +eene elliptischen baan om een anderen bol, in het eene brandpunt van +die ellips gelegen, beweegt, zoo zullen de kleine bollen der groep +buitendien gedurig naar elkander toe, digt achter elkander heen en, +wegens de werking der traagheid, weder van elkander afgaan; zij zullen +aldus gemiddeld grootere resulterende snelheden bezitten, dan zoo +zij slechts een enkelen bol vormden, waar echter hunne resulterende +elliptische baan krom is, zooals bijv. digt bij het perihelium, zullen +zij, wegens het bezit dier bijzondere snelheden meest grootere banen +erlangen welke echter voor elk dier kleine bollen niet dezelfde als +van de andere zal zijn. Verder gekomen zal echter derzelver onderlinge +aantrekking hen weder naar elkander toe doen gaan, doch daar zij meest +eene grootere baan verkregen hebben, de resulterende baan, waar langs +nu die groep van kleine bollen beweegt, grooter dan vroeger geworden +zijn. Dit nu zal insgelijks het geval zijn, zoo die groep vervangen +wordt door een enkelen vloeibaren bol waarbinnen er stroomen bestaan, +zoodat de vloeistofmassa's van dien bol, behalve derzelver snelheid +langs eene elliptische baan nog bijzondere snelheden bezitten. + +Het uiteenloopen der zooeven gemelde grooter geworden banen zal zulk +een vloeibaren bol sterk uitzetten en vervormen, doch de onderlinge +aantrekking dier massas (nu in tegenstelling van bij het voorgaande +geval door de drukking dier massas tegen elkander wederstaan) die +vervorming, wanneer die bol voorbij het perihelium gekomen is, met +behulp der wrijving van lieverlede te loor doen gaan, zonder evenwel de +baanvergrooting van het zwaartepunt van den bol te kunnen vernietigen. + +Stelt men nu dat wanneer die bollen grooter zijn, bij het bestaan van +grootere onzuivere en zeer sterk elliptische banen om elkander, de baan +vergrootende en verkleinende werkingen tegen elkander opwegen, zoo zal, +wanneer van eene groep hemelbollen de leden grooter worden door, zooals +op blz. 154 gezegd is, ether tot hunne zelfstandigheid te vervormen, de +banen, welke zij om elkander beschrijven, ook grooter worden en aldus +de groep in omvang toenemen en de gemiddelde positie dier bollen, bij +derzelver aphelium gelegen, verder van het middelpunt der groep komen. + +Zelfs zou zoo iets plaats hebben, wanneer die bollen langs eene schil +verspreid waren daar, ten gevolge van derzelver onderlinge aantrekking, +terwijl sommige dier bollen ver van anderen gelegen, zeer nabij stil +zullen staan, andere digter bij elkander gekomen, zekere snelheden en +ook ontbondene snelheden rakende aan het oppervlak dier schil zullen +bezitten. Elke bol zal nu binnen betrekkelijk korte tijden zulke +ontbondene snelheden bezitten, zoodat, zoo de aantrekkingskracht +plotseling verdween, de bollen dier schil gemiddeld buitenwaarts +zouden bewegen en zich verspreiden. Daarentegen zal de resulterende +aantrekking van al de overige bollen, langs het oppervlak dier schil +verspreid, de tegen gestelde uitwerking doen. Bij vergrooting dier +bollen moet dan alsware de schaal van het geheel grooter worden en +aldus slechts bij een grooteren diameter dier schil die centrifugale +werking aan die resulterende aantrekking gelijk zijn. Zulke bollen +zullen niet met elkander kunnen zamensmelten, wegens de tegengestelde +snelheden welke zij bezitten, wanneer zij tegen elkander botsen, en, +bij het aphelium gelegen, dan onder de overheerschende aantrekking +van deszelfs eenen en dan onder die van deszelfs anderen buur komen +en alzoo dan naar den een en dan naar den ander gaan, er achter om +heen trekken en, door de werking der traagheid, vertragende ongeveer +naar derzelver vorige plaatsen terugkeeren. + +Ontstaan er nu bij het midden van bovengemelde groepen nieuwe +bollen, door zamenpakking van den omringenden ether van af eene +kleinst eindige massa zich verder vergrootende, en gaan de andere +bollen dier groep door zamenpakking en omzetting van den omringenden +ether in hunne zelfstandigheid voort met in massa toe te nemen, zoo +zal zulk eene groep steeds meer omvang verkrijgen en de buitenste +bollen er van de oudste, grootste en gemiddeld snelst bewegende +zijn. Waren al die bollen regelmatig gegroepeerd en in rust, zoo +zou zulk eene groep door de werking der aantrekkingskracht kleiner +worden, maar de elkander naderende bollen in snelheid toenemen, +digt achter elkander, en nadien door de werking der traagheid weder +buitenwaarts gaan; de groep weder grooter worden, terwijl deze +bollen in snelheid afnemen en zij weder voor een oogenblik in den +primitieven toestand komen. Bij onregelmatige groepering bestaan in +zeker opzigt al de toestanden, zooals zooeven gezegd is achtervolgens +bij de regelmatige groepering plaats hebbende, tegelijk. Hier komen +er bollen ver van elkander en circa in rust, elders zijn zij digt tot +elkander genaderd en bezitten zij groote snelheden dan in deze en dan +in ongeveer tegengestelde rigting, zoodat het oppervlak der groep wel +hier zich naar buiten en elders zich wat naar binnen kan verplaatsen, +maar onmogelijk in grootte sterk kan varieren. De vergrooting der +snelheden der in massa toegenomen bollen, zal hierbij ontstaan door +de vergrooting der aantrekkende massa's, die van derzelver banen, +zie blz. 157, door vermindering der snelheden waarmede de vloeibare +massas van elk dier bollen zich betrekkelijk derzelver zwaartepunten +verplaatsen en die laatste snelheden, zie blz. 155, door ongelijke +drukking binnen die vloeibare massas onder omzetting in snelheden van +warmte ontstaan door omzetting van ether in de zelfstandigheid dier +bollen, daar dit onder scheikundige verbinding plaats heeft. Bij die +vergrootende hemelbollen kan er nu een strijd bestaan tusschen twee +tegengestelde werkingen, namelijk die der warmte van den er binnen +en buiten tegen gecomprimeerden onomgezetten ether, uitzetting dier +bollen en onder warmteopneming chemische ontleding van derzelver +bestanddeelen trachtende te veroorzaken en die der zamenpersende +werking der zwaartekracht en welligt ook der beroering der hemelbollen +bestanddeelen deze onder warmteafgeving chemisch zamengestelder +pogende te doen worden. Heeft nu laatst gemelde werking eerst de +overhand boven die der warmte en moet zij nadien hiervoor onderdoen, +zoo zullen de bollen eerst in digtheid toenemen en qualitatief meer +van den ether gaan verschillen en nadien, wanneer zij tot op zekere +distantie van het middelpunt der groep gekomen zijn, het omgekeerde +gaan plaats hebben en dit steeds aanhouden, terwijl zij, meer en meer +in massa toenemende, verder van dit middelpunt komen. Die toeneming in +massa dier bollen, door omzetting van den ether er binnen en er omheen, +zal wel op het sterkste zijn, wanneer derzelver bestanddeelen op het +meeste met die van den ether verschillen en derzelver digtheid op een +maximum is; doch later, wanneer zij meer etherachtig geworden zijn, +niet geheel verdwijnen. Er bestaat aldus geen eindigen grens voor +de vergrooting dier bollen, doch zij kunnen geene oneindige grootte +bereiken en tevens in natuur hoe weinig ook met den ether verschillen +en hiermede niet geheel eenzelvig zijn. Binnen die eene grootere dan +elke eindige ruimte beslaande sterrengroep, zal er nu eene bolvormige +schil bestaan, waar binnen van de middelpuntszijde er gedurig bollen +intreden, aan de andere zijde er bollen uitgaan en waarbinnen de +bollen eene grootere digtheid en chemische zamengesteldheid dan +ter wederzijde er van bezitten. Alsdan moeten naar ons inzien de +electrieke verbindingen gestolde, gecondenseerde of gasvormige +stoffen bij die bollen op zulk eene hooge temperatuur brengen, dat +zij voor ons waarneembaar licht uitstralen, want toch wanneer die +hemelbollen zeer etherachtig zijn moeten zij in temperatuur weinig +boven de gemiddelde van den ether verheven zijn en kunnen zij aldus +dan kwalijk als vurige nevels voor ons zigtbaar zijn. + +Slechts de sterren binnen die schil gelegen en dan nog slechts een +deel er van, omdat vele geen voor ons waarneembaar licht uitstralen, +of door andere voor ons donkere bollen gemasqueerd zijn, moeten +zich voor ons als zonnen vertoonen. Al de sterren in dit geval +zijnde moeten, zoo deze hypothese juist is, wegens de kromte van +bovengemelde schil, alsmede omdat men slechts het licht der sterren +binnen een segment dier schil kan zien, ons op geen grooten cirkel +omspannenden en aldus den hemel in twee wat in grootte verschillende +deelen splitsenden onregelmatigen ring (den Melkweg) op het digtste +gegroepeerd voorkomen. De bewoners van elk dier bollen binnen die schil +gelegen, zullen aldus hun eigen melkweg aanschouwen, even als iemand, +op eenige plaats staande, zijn eigen horizon bezit, en, evenmin als +voor menschen, op verschillende plaatsen staande, langs den horizon +dezelfde voorwerpen zich verheffen, evenmin de melkwegen der bewoners +der verschillende bollen dier schil dezelfde zonnen bevatten. Met +den blik naar het middelpunt van het kleinste cirkelvlak, door hun +Melkweg gevormd, gerigt, zullen echter allen naar het middelpunt van +de sterrenwereld zien, en voor ons dit middelpunt in de rigting van +het sterrenbeeld, het Hoofdhaar van Berenice zijn. + +Evenmin als de hemelbollen, wegens de tegengestelde snelheden, welke +zij, tegen elkander botsende, bezitten, die (bij het alsdan zijn +dampvormig van minstens den kleinsten dier beide bollen) wegens het +bestaan van veerkracht niet zullen verdwijnen, kunnen zamensmelten, +evenmin kunnen zij zich naar ons inzien in verschillende hemelbollen +splitsen [49]. + +Het planetenstelsel is naar ons inzien het gevolg eener accidentele +wenteling der zon om derzelver as, en deszelfs toevallig bestaan +heeft naar ons inzien den volgenden oorsprong gehad. Zoo eene +groep van hemelbollen (bijv. ontstaan, door dat bij die bollen de +baanverkleinende werking de baanvergrootende werking tijdelijk +heeft overtroffen) door een er buiten gelegen hemelbol a wordt +aangetrokken en dat in die groep zich een hemelbol b bevindt zooals +zon, veel grooter zijnde dan de andere bollen c van die groep, later +de planeten, zoo zal de bol b bij a gekomen, (even als de kometen bij +derzelver perihelium) gasvormig en uiterst sterk uitgezet zijn. Botsen +nu die beide bollen a en b scheef tegen elkander, zoo zullen zij +aswentelingen verkrijgen, in stand blijvende, nadat zij zich weder +van elkander verwijderd hebben. De bollen c zullen dan betrekkelijk +den bol b zeer komeetachtige banen bezitten, en tegen b botsende door +de aswenteling van dien bol snelheden ongeveer loodregt op die banen +kunnen erlangen. Tegelijk door de werking der wrijving in lengte +afnemende, zullen die banen, door de impulsie der aswenteling van b +aan de bollen c gegeven, breeder worden, en krimpt nu die bol b in, +doordat hij zich van den bol a verwijdert, nadat de bollen c er aldus +herhaaldelijk tegen gebotst zijn, zoo kan eene anders onvermijdelijk +nieuwe botsing der bollen b en c vermeden worden. Wel is waar zal, +wanneer de aswentelingssnelheid bij den evenaar van den bol b kleiner +is dan de snelheden der bollen c bij hun perihelium digt bij het +oppervlak van den uitgezetten bol b, de banen dezer nog vrij sterk +uitmiddelpuntig moeten zijn, doch die uitmiddelpuntigheid, terwijl +die banen en tegelijk de bol b kleiner worden, kunnen verminderen. + +Hoe sneller de hemelbol b, waartegen die botsingen van c geschieden, +om deszelfs as wentelt, hoe geringer de uitmiddelpuntigheid dier banen +van c zal worden en zij is nu bij de binnenkometen kleiner dan bij de +buitenkometen, bij de coplaneten weder kleiner dan bij eerstgemelden +kometen, en bij de planeten Venus en Neptunus weder merkelijk kleiner +dan bij de coplaneten. De kometen en planeten voor geheel verschillende +hemelligchamen te houden, komt ons even ongegrond voor als het stellen +dat de inwoners van twee steden op verschillende wijzen gekleed gaan, +zoo men de eene stad slechts over dag en de tweede slechts des nachts +bezoekt. Wij zien toch de kometen slechts wanneer zij betrekkelijk +digt bij de zon gekomen, zoo als op bl. 155 gezegd is, uitgerekt, +misvormd en tot den dampvorm overgegaan zijn. Het bewegen der meeste +kometen in dezelfde rigting als die waarin de zon om derzelver as +wentelt, maakt buitendien waarschijnlijk dat vele er van, even als +de planeten, tegen het wentelende zonsoppervlak gebotst hebben. + +Op blz. 158 hebben wij gezegd dat, naarmate hemelbollen grooter zijn, +bij grootere banen de deze verkleinende en vergrootende werkingen aan +elkander gelijk zijn. Van daar welligt, dat de grootste planeten +gemiddeld het verste van de zon gelegen zijn. Bij groepen van +betrekkelijk kleine bollen, om eene ster zooals de zon primitief een +sterk uitmiddelpuntige baan beschrijvende en later, wanneer die baan +meer cirkelvormig en kleiner geworden is, langs de gansche lengte +derzelve verspreid rakende, moet bij deze stelling de totale massa +der bollen dier groep in rekening gebragt worden. + +De coplaneten, de ligchamen van het zodiakaallicht en de ringen van +Saturnus hebben welligt primitief zulke groepen van betrekkelijk kleine +bollen gevormd. Wanneer bij zulke langs eene weinig uitmiddelpuntige +baan verspreide bollen van zulk eene zich dan niet meer bij het +aphelium weder vormende groep, een derzelver de andere in massa ver +overtreft en eene snelle aswenteling bezit, moeten de kleinere bollen +dier voormalige groep er tegen botsende evenzoo weinig uitmiddelpuntige +banen er om verkrijgen als op blz. 161 voor de planeten aangegeven +is. Van daar den oorsprong der satelliten. + +Waarschijnlijk zijn echter, tijdens de vorming van het +planeten-stelsel, de baanverkortende werkingen slechts wegens +accidentele omstandigheden grooter dan de baanverlengende geweest, +zoodat nu die oorzaak met meer bestaande, evenmin als eene oorzaak van +instandhouding der aswenteling der zon en planeten, bij deze laatste, +alsmede bij de manen de baanverlengende werkingen de overhand boven +de tegenovergestelde kunnen bezitten en in de uiterst verre toekomst +het gansche planeten-stelsel uit elkander rukken, zoodat derzelver, +alsdan uiterst lange komeetachtige banen verkrijgende leden niet meer, +of althans niet meer uitsluitend om de zon zullen wentelen, maar elk +hunner op zich zelf zal staan. + +Eene afscheiding van ringvormige massa's langs den evenaar der om +derzelver as wentelende zon, komt ons onmogelijk voor, daar bij dien +evenaar de snelheid van omwenteling nimmer zoo groot kan geweest +zijn, dat de zonsaantrekking niet in sterke mate de overhand boven de +centrifugale kracht bezat. Wanneer men eene zeer vervormbare massa +met zekere snelheid duwt over een wrijvend vlak, zullen derzelver +hier langs verschuivende deelen eene kleinere snelheid verkrijgen, +dan die hooger boven dit vlak bewegende, doch, wegens de gemakkelijke +vervormbaarheid dier massa, deze, door de ongelijke verplaatsing van +derzelver deelen, sterk uitgerekt worden en niet gaan kantelen. Dit +laatste zal daarentegen wel geschieden, zoo die massa door zekere +inwendige, kracht bolvormig poogt te blijven en aldus die uitrekking +er van tegengegaan wordt. Bij de op blz. 161 gemelde scheve botsing +der sterk uitgezette en geheel dampvormig geworden zon, bestaat nu +zoodanig een geval, daar de eigen aantrekking der zon die onbepaalde +vervorming hiervan bij derzelver oppervlak tegengaat. De roterende, +beweging der zon b, tengevolge van derzelver scheve botsing tegen +een ander hemelligchaam a, is aldus slechts mogelijk, wanneer de +aantrekking der zon bij het oppervlak hiervan meester blijft. Wel is +waar zal de dampvormige zon, zich verwijderende van den hemelbol a, +weder kleiner worden, en hierdoor de kromming en dientengevolge ook +de centrifugale kracht bij derzelver evenaar toenemen, doch men houde +in het oog dat dit verkleinen en krommer worden van den zonsevenaar +door de er bij bestaande centrifugale kracht tegengewerkt wordt en, +wanneer die kracht zeer nabij gelijk wordt aan de zonsaantrekking, +bijna geheel verhindert wordt, zoodat alsdan de verkleining van +het zonneligchaam onder warmte afgeving meer door toeneming der +afplatting zal geschieden. Buitendien zal de aswenteling der zon +stroomen binnen de gasvormige massa dier zon doen ontstaan, en de +hierbij onstaande wrijving die aswenteling zoodanig verkleinen, dat +de centrifugale kracht, tijdens het krommer worden van dien evenaar, +hierbij wel niet belangrijk zal toenemen. [50] + +Naar ons inzien bezit de ether zekere aantrekkingstrillingen, welke om +lichamen, grooter specifiek dan dien ether bezittende, zonder dat de er +bij bestaande, beweegkracht verandert, zulk eene wijziging ondergaan, +dat zij op concentrieke boloppervlakken aantrekkingen naar die +ligchamen voortbrengen. Gaat er nu hier naar toe eenig ander ligchaam, +zoo kan het zijn dat dit op zijn weg die aantrekkingstrillingen in +gewone snelheden bij deszelfs massa omzet, en wel in sterkere mate, +naar gelang het digter bij het aantrekkende ligchaam komt. Volgens deze +hypothese zou de beweegkracht of levendige kracht steeds eene snelheid, +of liever het quadraat hiervan zijn, zoodat, wanneer men zegt snelheden +gaan verloren door overwinning van afstooting over zekeren weg, zij +werkelijk in andere niet direct waarneembare snelheden omgezet worden. + +Elk der atomen van een homogeen ligchaam (bij hetzelfde ligchaam +niet dezelfde behoevende te blijven en die men, wanneer men ze +oneindig digt bij elkander stelt te zijn, oneindig klein moet +veronderstellen), draagt bij tot vorming van al deszelfs eigenschappen +bij de veropenbaring van deszelfs zelfstandigheid door beweging, en in +overeenkomst hiermede moet bij de veropenbaring der zelfstandigheid +door denking, die van elken atoom tot elk denkbeeld van een geest +bijdragen, en dus een deel der denking van elk dier atomen tot het +eene denkbeeld, een ander deel tot eenig ander denkbeeld enz. De +eigenschappen der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging +zijn in vele opzigten met die der veropenbaring dier zelfstandigheid +door denking te vergelijken, zoo men de hemelbollen met de eindige +geesten en de eene oneindigmaal grootere massa dan al die bollen te +zamen bezittende ether met het oerwezen vergelijkt. Op blz. 145 hebben +bijv. gezegd, dat de denkbeelden van den oergeest invloed uitoefenen +en geinfluenceerd worden door de denkbeelden der afgescheidene +geesten en bij den ether heeft, met betrekking tot de hemelbollen, +iets dergelijks plaats. Het digt bijeen liggen dier bollen kan men +bijv. vergelijken met het met elkander in contact zijn van geesten +(iets dat in het algemeen niet het digtbij elkander zijn der er +aan annex zijnde levende ligchamen vordert), derzelver onderlinge +aantrekking wordt bij de geesten vervangen door de neiging dezer +om met elkander in contact te komen, derzelver snelheid en in het +algemeen de er bij bestaande beweegkracht met de werkdadige denking +van geesten en, terwijl bij de bollen die snelheden op het grootste +zijn, wanneer zij elkander op het meeste genaderd zijn, zoo is de +werkdadigheid van geesten op het grootste, wanneer zij met andere +geesten op het sterkste in contact zijn. + +Even als twee hemelbollen van ongelijke massa evenveel beweegkracht +kunnen bezitten, zoo kunnen geesten van ongelijke grootte, of anders +gezegd in het bezit van een ongelijk aantal denkbeelden (de sterkte en +diepte dezer hierbij in acht nemende) in even sterke mate werkdadig +zijn, en bij die geesten wordt die werkdadigheid grooter of kleiner, +naar mate zij met grootere of kleinere geesten in contact zijn, +even als de hemelbollen trager of sneller bewegen, naarmate zij door +kleinere of grootere andere bollen aangetrokken worden. + +De overheerschende werking door grootere geesten over kleinere, +waarmede zij in contact zijn, uitgeoefend, kan vergeleken worden met +die van groote bollen op de banen van kleinere en het verstrooid +liggen dezer laatste met het gemis van collectieve werking bij +overheerscht wordende wezens. Die hemelbollen oefenen (zie blz. 165) +door tusschenkomst van den ether invloed op elkander uit, de geesten, +volgens het op blz. 145 gemelde, door tusschenkomst der denkbeelden +van den oergeest en, even als gene, wanneer zij elkander naderen +(zie blz. 165 door omzetting van ethertrillingen in snelheden bij +hunne massa's) beweegkracht uit den ether opnemen, zoo kan men stellen +dat de geesten, bij het sterker in contact komen met andere geesten, +om hunne latente denkbeelden werkdadig te maken, denkkracht van den +oergeest ontleenen. + +De door de nadering der bollen ontstane snelheden heeft tot gevolg +dat zij zich weder van elkander verwijderen, en die verwijdering dat +derzelver snelheden kleiner worden. Bij de geesten moet evenzeer (zie +blz. 87) het voortgebragte uitputtende werken op het voortbrengende, +en aldus de werkdadigheid van geesten derzelver contact (waarvan de +wijzigingen met de veranderingen in rigting der snelheden der bollen +vergelijkbaar zijn) verzwakken en die laatste verzwakking wederom +leiden om die werkdadigheid te verminderen. + +Op blz. 73 en 84 hebben wij dan ook aangegeven, hoe de werkdadigheid +der geesten de er annex aan zijnde ligchamen, met wier behulp zij +in contact met andere geesten zijn, vernield en op blz. 73 en 78 hoe +die vernieling de werkdadigheid dier geesten vermindert. + +Een eindelijk volslagen gemis hiervan bij den dood dient echter +krachtens bovengemelde wet te leiden tot de vergrooting van het +contact met andere wezens en alzoo tot het ontstaan van de hiervoor +gevorderde hulpmiddelen. De denking, behoorende bij de levende +organische wereld van hemelbollen, zou men tot deze kunnen stellen in +dezelfde verhouding te staan, als de ligchamen bij die denking annex, +(en zie blz. 143 wel te onderscheiden van de moleculaire beweging deze +bepalende) tot die denking zelve. Gedurig verwisselen die ligchamen +van deelen, en evenzoo kunnen die organische werelden van denkende +wezens verwisselen, terwijl, even als die ligchamen ontstaan, groeijen +en vergaan, en dit laatste, zooals op blz. 73 gezegd is, een gevolg +is der sterke werkdadigheid van de er aan annex zijnde geesten, +die organische werelden kunnen ontstaan, bloeijen en, tengevolge +van aanraking der bollen waarop zij aanwezig zijn met andere, (het +op blz. 161 gemelde tengevolge hebbende) weder vergaan. Op blz. 7 +hebben wij wel is waar gezegd dat organische naturen zich geschikt +maken voor de omstandigheden door elken hemelbol opgeleverd en aldus +van allerlei aard kunnen zijn, doch, wanneer die omstandigheden snel +veranderen, zal, wegens de op blz. 68 gemelde werking der traagheid, +er zulk eene ongeschiktheid bij zulke naturen kunnen ontstaan, dat zij +er onder te niet moeten gaan. Die vernietigende oorzaak, bestaande in +het zeer sterk uitgezet en gasvormig zijn van zulke betrekkelijk zeer +digt bij elkander gekomen hemelbollen, op het grootste kort nadat zij +op het snelste bewegen, zal (zie blz. 167) vroeger moeten invallen +dan het gevolg er van, namelijk het vernietigd zijn der organische +naturen, en evenzoo volgt de dood van het ligchaam eenigen tijd na +dat de werkdadigheid van den geest een maximum bereikt heeft. + +Op blz. 159 hebben wij gezegd, dat de hemelbollen, onder vergrooting +van derzelver massas, door vervorming tot derzelver bestanddeelen +van den omringenden ether (iets dat misschien door het bezit van +snelheden door die bollen bevorderd wordt) eerst tot zekeren grens +minder etherachtig worden en in massa versnellende toenemen, en, +nadat zij dien grens bereikt hebben, weder meer etherachtig worden en +vertragende in massa toenemen, zonder echter weder volmaakt etherachtig +te zijn, voor dat derzelver massa oneindig groot geworden en hunne +zijde gekeerd naar het op blz. 161 gemelde middelpunt van het Heelal, +oneindig ver hiervan afgelegen is. Hoe minder etherachtig die bollen +zijn, hoe grooter betrekkelijk hunne massas hunne snelheden gemiddeld +zullen zijn, doch tevens hoe minder latente warmte beweegkracht die +massas zullen bevatten. + +Zou men nu bij de in geestontwikkeling, of anders gezegd in grootte +toenemende geesten ook niet kunnen stellen, dat hunne denkvormen eerst +tot zekeren grens van die van den oergeest gaan verschillen en die +toeneming alsdan versnellende is, terwijl later het tegenovergestelde +plaats heeft. Die toeneming zou aldus voorgesteld kunnen worden door +het onbepaald hoog oploopen van eene ojiefvormige kromme lijn, wier +buigpunt oneindig ver van het punt waar die kromme de abcissen as +raakt, maar op zekere distantie boven die as gelegen is. [51] + +Bij dien grens, waarbij zij qualitatief het meeste van den oergeest +verschillen, zullen die geesten het veranderlijkste en aldus zie +blz. 64 het betrekkelijk onvolmaaktste zijn, hunne invidualiteit +(wel van zelfbewustheid te onderscheiden) op een maximum zijn, en zij +betrekkelijk hunne grootte op het meeste op eene wijze, vergelijkbaar +met het bezit van snelheden, doch daarentegen op het minste op eene +wijze, vergelijkbaar met het bezit van warmtebeweegkracht, werkdadig +zijn. Het bezit dier laatste soort van werkdadigheid, achten wij te +zijn de mogelijkheid om denkbeelden, door aanschouwing verkregen, +voor den geest te houden, en het bezit der eerste om, zooals bij ons +menschen, denkbeelden onder inspanning en met verstandswerking voor +den geest te houden, en aldus te oordeelen, te zoeken, te kiezen enz. + +Van de oneindige massa van den ether is slechts een deel, gelijk +aan de grootst eindige grootheid en betrekkelijk volstrekt nietig, +onder den invloed der uit van den ether onderscheiden stof gevormde, +hemelbollen. Slechts bij dit laatste deel van den ether, oneindig +maal overtroffen wordende door deszelfs gansche massa, verkeert +aldus die oerstof in geen onveranderlijken toestand en is aldus +de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging niet steeds +onveranderlijk dezelfde. Des te minder zal dit het geval zijn bij de +massas van gemeld deel van den ether, naarmate zij digter liggen bij +hemelbollen en vooral bij die minder etherachtig van aard zijnde. In +overeenstemming hiermede moet het oneindig aantal denkbeelden van den +oergeest op een grootst eindig en aldus betrekkelijk volstrekt nietig +deel na onveranderlijk dezelfde en zie blz. 64 derhalve volmaakt zijn, +terwijl van dit uiterst groote, maar nog eindig aantal veranderlijke +denkbeelden deze het sterkste veranderlijk moeten zijn, welke het +meeste met de denkbeelden der afgescheiden geesten (en voornamelijk +met die qualitatief het meeste met den oergeest verschillende) in +contact zijn. + +Op blz. 143 hebben wij daarvan reeds gewag gemaakt en tevens gemeld +dat de beweging der zelfstandigheid de denking moet bepalen en +omgekeerd. Slechts bij de hemelbollen en, zooals hierboven gezegd is, +bij een grootst eindig deel van den ether bestaan er nu veranderlijke +bewegingen (ofschoon te zamen met onveranderlijke) en daar slechts +zij veranderlijke denking kunnen bepalen en hierdoor bepaald worden, +zoo volgt ook hieruit, dat slechts een grootst eindig maar betrekkelijk +volstrekt nietig deel der denkbeelden van den oergeest veranderlijk en +aan den op blz. 64 gemelden invloed der traagheid onderworpen kan zijn. + +Men dient hierbij wel te onderscheiden de wederkeerige bepaling der +beweging en denking der zelfstandigheid van de overeenkomst tusschen +hetgeen op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door +beweging en door denking bestaat. Een zich als iets onderscheiden +veropenbarende op dit laatste gebied, is vergelijkbaar met een evenzoo +onderscheiden iets op het andere gebied, maar wordt niet door zulk een +onderscheiden iets hierop bepaald. De denking van eenig wezen wordt +bijv. niet door iets onderscheiden op het gebied der veropenbaring +door beweging bepaald, maar kan vergeleken worden met de bewegingen +(de moleculaire ingesloten) van een hemelbol, terwijl omgekeerd de +bewegingen hiervan niet door een onderscheiden iets op het gebied +der denking bepaald worden. Zoo hebben wij bijv. het oerwezen met den +ether vergeleken, terwijl ook bewegingen bij de massas der hemelbollen +bijdragen om de veranderlijke denkbeelden van den oergeest te bepalen, +en daarentegen veranderlijke bewegingen bij den ether voor een deel +de denking der afgescheiden geesten kunnen bepalen. + +De enkelvoudige etheratomen zullen misschien oneindig klein zijn, +oneindig digt bij elkander zijn gelegen, en in een oneindig kleine +tijden trillingen maken, voor zooverre deze niet ontstaan door den +invloed van hetgeen op de hemelbollen plaats heeft, zooals bijv. wel +het geval is bij de ethertrillingen der stralende warmte. Zulke +binnen een oneindig kleinen tijd zich herhalende bewegingen kunnen +nu in zekeren zin als een onveranderlijke bewegingstoestand beschouwd +worden en onveranderlijke denkbeelden bepalen. Elk der moleculen der +ligchamen, een oneindig aantal etherdeelen bevattende, zal voorts op +een eindige distantie van andere moleculen gelegen zijn. + +De op blz. 159 gemelde bollen, zullen, naarmate zij trager gemiddeld +naar buiten dringen, in grooter aantal op concentrieke boloppervlakken, +het middelpunt, van blz. 161 tot middelpunt bezittende, gelegen zijn, +en bij al die boloppervlakken de naar buiten dringende massa gemiddeld +even groot moetende zijn, zoo zullen aldus de uiterst groote bijna +etherachtige bollen met zeer kleine gemiddeld buitenwaarts gerigte +snelheden kunnen volstaan. Voorts zal de ether, ter vergrooting +der massa dier bollen strekkende, naar binnen stroomen en met de +landwaarts zich verplaatsende dampen te vergelijken zijn, zoo men die +zich vergrootende bollen met de rivieren, en de ether met den Oceaan +en het dampkringswater vergelijkt. + +Elk verschijnsel ondervindt den invloed van eene reeks van verledene +en oefent invloed uit op eene reeks van toekomstige verschijnsels, +doch doet zulks minder, naarmate deze verschijnsels verder in het +verleden en in de toekomst gelegen zijn. Zoo nu een bestanddeel van een +zamengesteld verschijnsel in het heden min of meer verflaauwd bevat is +in zamengestelde verledene of toekomstige verschijnsels, kan men zeggen +dat wat van het verleden nog en wat van de toekomst reeds in het heden +bevat is, en dit zal in sterkere mate het geval zijn, naarmate zulke +bestanddeelen van verschijnselen in het heden minder veranderlijk en +tevens meer algemeen zijn. Zoo bijv. een volk eene ingewortelde liefde +voor een vorstenhuis bezit, moet die liefde, ofschoon in flaauwere +mate, zoo zij door de daden dier vorsten later niet opgewekt wordt, +in de toekomst nog bestaan en alsdan op den toestand van dit volk, +waaraan inmiddels eene andere dynastie opgedrongen kan zijn, van +invloed zijn. Van de toekomstige omstandigheden van dit volk is aldus +reeds een deel in het heden bevat. De aard van zulk een volk, een +minder veranderlijk en meer algemeen verschijnsel als de populariteit +van eene dynastie, zal aldus in de toekomst minder verzwakken dan die +populariteit en veel langer dan deze van noemenswaardigen invloed zijn +op de lotgevallen van zulk een volk. Als zulk een verschijnsel kan ook +beschouwd worden de gunstige ligging eener stad voor den zeehandel, +waardoor die stad, terwijl de beschaving toeneemt, zulks in rijkdom +en uitgestrektheid moet doen. De verheffing van zulk eene stad in de +toekomst, zoo accidentele oorzaken dit niet tegengaan en in dit geval +zekeren wederstand aan accidentele oorzaken van verval, is aldus een +feit reeds in het heden begrepen, doch, evenmin als het karakter eener +natie, is de gunstige ligging eener stad voor den zeehandel iets dat +door eene volstrekt constante oorzaak steeds in stand gehouden wordt. + +Die van Amsterdam is bijv., door het ondieper worden der Zuiderzee en +het vergrooten van het charter der schepen, na gedurende de opkomst +der zeevaart tijdens de middeleeuwen in waarde gestegen te zijn, +na de zestiende eeuw van lieverlede vermindert, en evenzoo zal +het toenemende verkeer tusschen de volken de eigenaardigheden van +den Nederlandschen volksaard van lieverlede uitwisschen. Kenden +wij uitmuntend den aard onzer ziel, zoo zouden wij welligt door +aanschouwing er bij gewaar worden eene constante oorzaak, haar in +ontwikkeling trachtende te doen toenemen. Die oorzaak zou aldus een +verschijnsel zijn van een onveranderlijk en algemeen karakter, en +het gemiddeld minder ontwikkeld zijn eener ziel, naarmate men hoever +ook in derzelver verleden teruggaat en het gemiddeld meer ontwikkeld +zijn er van, aan hoe verder afgelegen toekomstige tijden men denkt, +iets zijn in den huidigen toestand dier ziel bevat. + +Het is aldus klaar dat, naarmate verschijnsels in het heden, door +meer onveranderlijk en algemeen te zijn, de verledene en toekomstige +toestanden meer bepalen, zij absoluut belangrijker worden en eene +ruimere plaats in de denking van eenig wezen zouden innemen, zoo diens +inzigt in den tijd niet beperkt ware. Bij den oergeest dit laatste het +geval niet zijnde, zoo moet bij dit wezen het denken aan de volstrekt +algemeene en onveranderlijke verschijnsels oneindig maal sterker +zijn, dan dat over de veranderlijke en niet volstrekt algemeene, +welke slechts bij en door den invloed van eindige wezens en eindige +hemelbollen ontstaan. Het denken betreft steeds min of meer direct +de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, doch, naarmate +de geestontwikkeling grooter is, is de kennis dier veropenbaring der +zelfstandigheid door beweging rijker en van meer beteekenis en wordt +zij algemeener en dieper opgevat (zooals bijv. bij sterker onderzoek +der oorzaken der verschijnselen en der werking der Natuurwetten). In +den allerhoogsten graad behoort men zoo iets te veronderstellen bij de +denking van het oerwezen, doch men hierbij geene kennis ontstaan door +het afleiden van het onbekende uit het bekende door oordeelen en raden, +maar slechts eene, door directe aanschouwing van het tegenwoordige +verkregen, moeten veronderstellen. De ether niet onder den invloed der +er van onderscheiden hemelbollen zijnde, maar waarmede deze, na het +bereiken eener oneindige grootte zamensmelten, vormt eene oneindige +massa en deszelfs bewegingen moeten aldus bepalen de oneindige en +onveranderlijke denkbeelden van den oergeest (de geesten, nadat deze +eene oneindige grootte bereikt hebben en er mede qualitatief gelijk +geworden zijn in zich bevattende). Daar nu die denkbeelden moeten +betreffen dienzelfden ether, beschouwd als eene oneindig rijke en +diepe veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en oneindige +en onveranderlijke verschijnsels te weeg brengende, zoo moet het +gezegde, dat het oerwezen verzonken is in de contemplatie van zich +zelf en er voor al het algemeenste van het verledene en toekomende +door het huidige bepaald is, waar zijn. + +De zelfstandigheid, wier veropenbaring door beweging al de +veranderlijke verschijnselen bij de eindige hemelbollen en die bij +den ether, voor zoo verre deze den invloed van die bollen ondervindt, +vormt, kan kwalijk zich door denking veropenbarende, bij het oerwezen +anders dan eindige en veranderlijke denkbeelden te weeg brengen. Zoo +deze echter slechts de kennis van het thans bestaande bevatten, +voor zoo verre dit voor volmaakte aanschouwing vatbaar is, en die van +het verledene en toekomstige, voor zooverre deze in het tegenwoordige +vervat zijn, zal die kennis volmaakt juist zijn. Van eene kennis zooals +wij menschen bezitten, waarbij uit de beschouwing van verschijnselen +afgeleid is het bestaan van zekere natuurwetten en, door het bestaan +zulke wetten te stellen, tot het aanwezig zijn van andere verschijnsels +besloten wordt, moet zij aldus onderscheiden zijn. De wetenschap +van wetten dient bij de kennis van het oerwezen bevat te zijn in de +aanschouwing van al de er door te weeggebragte verschijnsels, want +slechts dan kan zij geheel zeker zijn. Die veranderlijke denkbeelden +van den oergeest (door zijne onveranderlijke denkbeelden oneindig maal +in sterkte overtroffen wordende) moeten niet als deze laatste slechts +betreffen de bewegingsveropenbaring van het geheel van bewegingen +m welke die denkbeelden bepalen en er door bepaald worden, evenmin +als zulks bij ons menschen het geval is. Het geheel van beweging, +onze denking bepalende, vormt toch geen verschijnsel op het gebied der +veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, waarmede onze denking +zich alleen bezig houdt, ja zij is zelfs onnaspeurlijk voor onze +zintuigen. Die bewegingen m moeten echter van invloed zijn op andere +bewegingen, bijv. die waardoor de organisatie der planten en dieren +gevormd wordt en deze omhoog drijven en voor de levensomstandigheden +waarin zij verkeeren geschikt maken. Minder naauwkeurig, aangezien +denking slechts op denking en niet direct op bewegingen van invloed is, +zou men kunnen zeggen, dat door de denkbeelden van den oergeest door +de bewegingen m bepaald, die organisatien op eene wijze, direct uit de +bestaande gebreken voortvloeijende, voor derzelver levensomstandigheden +geschikt gemaakt worden. Wegens de kracht waarmede het bestaande, of +dit al of niet moge voldoen, onveranderd tracht te blijven, of anders +gezegd wegens de werking der traagheid, zullen die verbeteringen te +laat plaats hebben, doch zij kunnen niet ten gevolge van zulk eene +onzekere en indirecte aanschouwing der gebreken en niet in zulk een +indirect verband hiermede aangebragt worden als de verbeteringen van +ons menschen voortspruitende. Het oordeelen of deze of gene verbetering +te verkiezen is, zal er aldus niet bij kunnen plaats hebben. Het +aannemen van die bewegingen zonder er door bepaalde denking heeft +sommige menschen geleid tot het ontkennen van doel in de natuur, +terwijl het niet aannemen van zulke bewegingen, maar wel van die +denking, andere menschen geleid heeft tot de miskenning van het +noodwendig uit elkander voortvloeijen der stoffelijke verschijnsels. + +Elk verschijnsel bevat iets bijzonder, tot alleen eigen, voorts iets +meer algemeen en minder veranderlijk, dat het met meer soortgelijke +verschijnsels gemeen heeft, iets nog meer algemeen en nog minder +veranderlijk, dat het met eene grootere verscheidenheid van +verschijnsels gemeen heeft enz. + +Een verschijnsel is het bijv. dat een dier des winters eene +zwaardere vacht verkrijgt. Het meest bijzondere hiervan bestaat in de +eigenaardigheden dier vachtverzwaring bij dit eene dier verscheiden +van die in het algemeen bij de dieren dierzelfde soort bestaande, het +minder bijzondere, in het eigenaardige der verzwaring der vacht bij de +gansche soort, het meer algemeene, in het eigenaardige der natuurlijke +beschutting van al de diersoorten tegen koude, het nog meer algemeene, +in dat van derzelver beschutting tegen schadelijke invloeden in het +algemeen en het meest algemeene, in dat der beschutting der levende +organisme op al de wereldbollen tegen schadelijke invloeden in het +algemeen. Bij elk verschijnsel, bij elk in vachtverzwaard dier kan +het meer bijzondere niet bestaan, zonder het meer algemeene, doch wel +omgekeerd, en kan de zorg voor het meer bijzondere niet bestaan zonder +die voor het meer algemeene en is dit laatste iets van meer gewigt dan +het eerste. Men kan die geschiktmaking der organisatiën der dieren +voor derzelver levensomstandigheden vergelijken met het in goeden +gang houden van machines van verschillend maaksel, tot verschillende +einden dienende en aan allerlei storende oorzaken blootgesteld. De +hiervoor te nemen maatregelen zullen dan, deels voor elk dier machines +verschillende, doch deels ook voor alle dezelfde worden. + +Behalve die gedurige verbetering van zulke machines kan men eene +beschouwing van derzelver goede werking aannemen. Wij menschen zouden, +niet alleen wegens den aard onzer zintuigelijke waarneming, maar +tevens ook wegens die onzer denkvormen, zulke machines achtervolgens +bezigtigen, en, van de eene naar eene andere gaande, de denkbeelden +betreffende de eerste latent maken. Men kan zich echter ook voorstellen +dat, even als men het bespelen van al de instrumenten van een orkest +tegelijk en niet achtereenvolgens hoort, al zulke machines te gelijk +bezigtigd worden. Geschiedt zulks en verandert de werking van elk dier +machines, zoo is de denking van den toeschouwer niet veranderlijker +dan de taferelen die hij aanschouwt; terwijl dit daarentegen wel het +geval is, zoo hij die veranderlijke werking dan bij de eene en dan +bij de andere machine beschouwt. Dit kan met op blz. 182 gemelde in +verband gebragt worden. + +De bewuste aanschouwing der verschijnselen leidt niet alleen, zooals op +blz. 119 gezegd is, tot onderzoek en verklaring er van, maar ook tot +verificatie der waarde onzer begrippen over die verschijnselen. De +eerste soort van bewuste aanschouwing betreft meer verschijnselen +dan die waarvan den aard verklaard wordt, terwijl de tweede soort van +aanschouwing der dingen (dieper en grondiger dan de eerste zijnde en +waaronder bijv. behoort die van de telescopische planeet Neptunus), +slechts van eenige dier verklaringen de waarde aantoont. Zoo nu +die eerste soort van aanschouwing niet grooter werd, zou de kennis +der verschijnselen en de controle hiervan door de tweede soort van +aanschouwing zich van lieverlede, op derzelver hoogte stellen, die +kennis aldus eindelijk volmaakt juist worden, en die tweede soort van +aanschouwing alsdan direct den aard en het verband der verschijnselen +aantoonen, zoodat men naar geene verklaringen er van zou te zoeken +hebben. Zulk een eind toestand kan bij in geestontwikkeling toenemende +en deze aarde tot standplaats bezittende wezens niet bestaan; +doch, naarmate bij aardsche wezens de geestelijke ontwikkeling en +eerstgemelde soort van bewuste aanschouwing minder toenemen, zal +de controlerende aanschouwing minder ten achteren blijven, en de +afwijkingen van dien eindtoestand geringer zijn. Dit bijv. kan bij +de dieren het geval zijn, niettegenstaande bij hen de eerste soort +van bewuste aanschouwing geringer dan bij ons menschen is. De werking +der traagheid, waardoor bij ons menschen de sterkte der controlerende +aanschouwing der verschijnselen ten achteren is betrekkelijk onze +denkbeelden over den aard en de toedragt dier verschijnselen, maakt +dat vele verschijnselen ons toevallig voorkomen. Kon men bijv. uiterst +goed waarnemen op welk eene wijze een witte of zwarte bal blindelings +uit eene bus (evenveel witte als zwarte ballen bevattende) getrokken +wordt, zoo zou het trekken van een witten bal ons niet meer toevallig +voorkomen. + +Dat ons ligchaam en onze zintuigen van dien aard zijn, dat zij bij +de verst verwijderde generatiën nimmer zoodanig kunnen worden, dat de +controlerende aanschouwing van elk verschijnsel der aard hiervan zoo +sterk aantoont, dat geene onzekere veronderstellingen daaromtrent +kunnen gevormd worden, is slechts een bewijs dat op deze aarde de +harmonie tusschen die aanschouwing en de redeneering bij der menschen +geest onmogelijk kan ontstaan en dat deze aldus geen product dezer +aarde is. + +Hierbij dient echter onkunde, waarvan men bewust is, als kennis +aangemerkt te worden, daar zij vordert het bezit van denkbeelden over +verschillende wijzen waarop eene zaak zich kan toedragen, doch waar +tusschen men, wegens de onvolkomenheid der waarneming, geene keus weet +te doen. Zoo iemand, in eene foul staarde, bijv. door den bliksem +wordt getroffen, zal een naturalist zeggen, de vochtigheid van het +ligchaam en de aard van den bodem waarop de getroffen persoon stond, +de verplaatsing van de donderwolk kunnen hiertoe geleid hebben, +en hij blijft in het onzekere. Niet alzoo de supre-naturalist, +zoo deze dit verschijnsel wijdt aan het opwekken van den toorn +Gods door den getroffen persoon. Hij die zulk eene verklaring geeft +bewijst slechts dat hij van zijne onkunde weinig bewust is. Zoo nu +de inrigting van het Heelal zoodanig was, dat die supre-naturalist +gelijk had, zouden de Natuurwetten zoo uiterst zamengesteld zijn, +dat verstandige redenering over den aard der verschijnselen tot geene +uitkomst zou leiden, en dat slechts de directe aanschouwing van elk +derzelve ons er mede bekend zou maken [52]. + +Met zulke wetten kunnen eenigzins vergeleken worden die voor de +uitspraak der Engelsche taal. Het is circa even gemakkelijk om van +die taal woord voor woord door nazegging goed te leeren uitspreken, +dan om de regels dier uitspraak te leeren en toe te passen. + +Voor zooverre de menschen schijnbaar vrijwillig handelen, zijn +hunne handelingen geheel toevallig, of anders gezegd, de vruchten van +accidentele oorzaken, en kan men evenmin uit de omstandigheden, waarin +die menschen verkeeren, opmaken, welke schakels van redeneringen uit +die omstandigheden zullen voortvloeijen en tot welke handelingen die +redeneringen zullen leiden, als dat men uit de houding der hand, welke +men in eene met ballen van verschillende kleur gevulde bus zal steken, +benevens uit de kennis van de kleur dier ballen, kan opmaken, van +welke kleur een blindelings getrokken bal zal zijn. Er bestaat echter +onderscheid tusschen handelen ten gevolge van inwendigen dwang bij +het doen van aaneengeschakelde redeneringen, en handelen ten gevolge +van uitwendigen dwang. Zoo overigens wij en anderen steeds in den +letterlijken zin schijnbaar vrijwillig handelden, zouden, zoowel onze +daden als die van anderen, ons steeds raadselachtig voorkomen. Wordt +toch iemand niet door bekende beweegredenen gedwongen tot zekere +handeling, zoo is deze toevallig, dat is zoo iemand weet zich volstrekt +niet te verklaren waarom hij zoo handelt. Zulke beweegredenen bestaan +nu ook bij het doen eener keus, zoodat, wanneer deze schijnbaar +vrijwillig geschiedt, het is alsof zij door dobbelen bepaald wordt. + +Dat der menschen daden afhangen van constante oorzaken zooals bijv. den +aard van hun geest, is voor hen een waarborg, om, althans niet binnen +zeer korten tijd, daden, geheel met den huidigen toestand hunner ziel +in strijd, te verrigten. Overigens moet die inwendige dwang slechts bij +den geest verondersteld worden te bestaan en die dwang hierop door het +ligchaam uitgeoefend, slechts als een meer nabijzijnden uitwendigen +dwang als dien der omgeving aangemerkt worden. Zedelijke daden, ten +gevolge van innerlijken dwang gedaan, gaan van het individu zelf uit +(van daar het gevoel der toerekenbaarheid) en toonen op welken trap van +zedelijke ontwikkeling het, met betrekking tot de maatschappij waarin +het verkeert, staat, en voor welke behandeling het aldus geschikt +is. Doet een individu, zonder uitwendig hiertoe gedwongen te worden, +kwaad, zoo is het niet voldoende zijne omgeving zoodanig te maken, +dat het geen kwaad meer kan doen, en aldus den uitwendigen dwang +hiertoe weg te nemen, maar het moet ook gestraft, dat is als een lager +ontwikkeld wezen behandeld worden. Is de intellectuele ontwikkeling van +dit individu even groot als die van het gros der menschen, zoo moet +klaarblijkelijke die behandeling anders zijn, dan zoo zij even laag +als de zedelijke ontwikkeling staat, hiervoor bestaat er even goed +reden als om bijv. een hond anders te behandelen dan een schaap. In +het eerste geval heeft men te doen met een disharmonisch wezen, dat in +zijn eigen oog behoort vernederd te worden, in het tweede met een meer +harmonisch wezen, dat naar lagere rangen behoort te worden verbannen. + +Ongerijmd is het echter zoo bijv. een zedeloos mensch zegt: +"ik kan mijn gedrag niet verbeteren, want mijne denkbeelden zijn +gedetermineerd, dat is uit een dezer kunnen niet zus of zoo andere +volgen." Zoo iemand stelt toch zijne keus, om zijn gedrag niet te +verbeteren, ongedetermineerd, en niet voor een deel zijn later +gedrag noodwendig te moeten bepalen. De menschen handelen onder +den gezamentlijken invloed van bekende oorzaken (zooals bijv. hun +karakter) en van onbekende accidentele oorzaken, welke de gevolgen +van eerstgemelde oorzaken kunnen vergrooten, maar ook verkleinen +en zelfs opheffen. Van daar hunne bewustheid dat hunne daden anders +kunnen zijn, dan zoo deze enkel de gevolgen van eerstgemelde oorzaken +waren. Waar dit niet het geval is, hebben wij dan ook het bewustzijn +dat onze denking niet vrij is, bijv. dat wij de tastbaarste waarheden +niet in gemoede kunnen ontkennen. Door accidentele redeneringen kan +men echter constante oorzaken bijv. zijn karakter en een graad van +verlichting, waardoor het onmogelijk wordt om aan bijgeloovigheden te +hechten, veranderen. De indeterminist, die den drang dier constante +oorzaken ontkent, maakt (zie blz. 112) van de wereld een warboel, +de determinist, die de werking der accidentele redeneringen niet +telt, vervalt tot fatalisme, voor beiden zal echter in de praktijk +de illusie dat hun wil vrij is sterker zijn, naar gelang hunne kennis +van hetgeen er met hen voorvalt de op blz. 178 gemelde controlerende +aanschouwing meer overtreft. + +Op blz. 67 hebben wij gezegd, dat denkbeelden, uit het hoofd gebragt +zijnde, tijdens het verkrijgen van nieuwe denkbeelden, van lieverlede +uitgewischt worden. Moeijelijker echter geschiedt dit, naarmate die +latente denkbeelden dieper in den geest gegrifd zijn, moeijelijker +aldus wanneer zij, al of niet door middel van de spraak uitdrukbaar, +betreffen iets, dat men met inspanning geleerd heeft, dan wanneer zij +slechts door vlugtige zintuigelijke indrukken ontstaan. Wanneer men +bijv. zich in eenige wetenschap geoefend heeft en er gedurende eenigen +tijd niet meer aan doet, zal men wel van die wetenschap het een en +ander en wel voornamelijk datgene, wat meer bepaaldelijk geheugenwerk +is, vergeten, doch andermaal de beoefening dierzelfde wetenschap +weder opvattende, zij gemakkelijker als vroeger zijn. Die eerste +leering is aldus niet te vergeefs geworden. Dit bestaan van latente +denkbeelden is een gevolg van de veranderlijkheid van ons bestaan, +zoodat, bij het komen in nieuwe toestanden, nieuwe denkbeelden sterk +in het hoofd gebragt of werkdadig worden. Ware dit niet het geval, +kon men al zijne denkbeelden in ligte mate in het hoofd houden, geen +dezer zou dan vergeten worden, doch de som der denkbeelden, de diepte +dezer ook in acht nemende, niet vergrooten, terwijl daarentegen +dit opdagen van nieuwe toestanden de belangstelling opwekt, tot +grootere inspanning leidt en maakt, dat men (zie blz. 151) meer nieuwe +denkbeelden verkrijgt dan oude vergeet. Die invloed der veranderingen +van toestand doet zich in sterke mate gevoelen bij de denkbeelden +betreffende der menschen eigen geschiedenis, en wel in veel sterkere +mate bij kinderen dan bij bejaarden. Men kan het er dus voor houden, +dat die invloed sterker is, naarmate de geestelijke ontwikkeling en de +zelfbewustheid geringer zijn, ofschoon dan niet steeds de betrekking +der kennis van verleden en heden eene kleinere breuk zal zijn. Het laat +zich toch denken, dat, wanneer de bewuste aanschouwing van het heden +zwakker is bij eenig wezen van zwakkere zelfbewustheid dan bij een +ander, die breuk bij dit eerste wezen grooter dan bij het tweede kan +zijn, niettegenstaande, dat het zich absoluut minder dan dit tweede +van zijn verleden herinnert. In elk geval zal bij een in geestelijke +ontwikkeling en zelfbewustheid toenemend wezen de herinnering van +feiten, naarmate deze langer verleden zijn, niet slechts kleiner zijn, +wegens den langeren tijd sedert verloopen, maar tevens omdat, toen +zij pas verleden werden, de zelfbewustheid van het wezen geringer was. + +De zelfbewustheid van dit wezen constant zijnde, zoo zou zijne +herinnering van feiten, bij het begin der achtervolgende veelvouden van +zekere tijdseenheid geschiedt, vertragende verzwakken, naarmate die +veelvouden grooter zijn en aldus nimmer volmaakt nul zijn, hoe groot +die eindige veelvoud ook zijn moge. Aldus zal bijv. de herinnering +van een feit, voor 2n jaren plaats gegrepen, minder met die van een +dergelijk feit, voor n jaren geschiedt, verschillen dan die laatste +herinnering met die van een dergelijk feit, zoo dit gisteren heeft +plaats gehad. + +Wegens bovengemeld effect van het zwakker zijn der zelfbewustheid +van de waarnemers van feiten, naarmate deze tijdens het begin van +grootere veelvouden van zekeren tijd plaats gehad hebben, zullen +de herinneringen dier feiten bij in zelfbewustheid toenemende +wezens, kleinere onderdeelen dezer herinneringen zijn, (in de +veronderstelling, dat die zelfbewustheid steeds even groot als in het +heden geweest was), naarmate die feiten tijdens het begin van grootere +veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt zijn. Aldus zullen bij +elk wezen, zekeren graad van zelfbewustheid verkregen hebbende, +die herinneringen geheel nietig zijn, zoo zij feiten betreffen +geschiedt toen zijne zelfbewustheid nog betrekkelijk gering was, en +de som der herinneringen van al die feiten zelfs geheel nietig zijn, +al is dit aantal feiten grooter dan de grootst mogelijke eindige +grootheid [53]. Dit betrekkelijk kleiner worden der herinnering +van feiten, naarmate deze waargenomen zijn door wezens van kleinere +zelfbewustheid, bestaat bijv. bij de geschiedenis der menschheid, +omdat, naarmate volken op een lager standpunt van beschaving staan, +hunne geschiedenis meer verloren raakt. Van hetgeen bijv. vroeger dan +1000 jaren voor het begin onzer jaartelling geschiedt is, weten wij +zeer weinig en de kennis hiervan kan vergeleken worden met hetgeen +een bijv. 34jarig mensch weet van de geschiedenis van zijn eigen leven +voor bijv. zijn zesde jaar. De kennis van zijn verleden gedurende een +acht-en-twintigjarig tijdvak vormt aldus zeer nabij zijne gansche +kennis van zijn verleden, even als de kennis der geschiedenis van +het menschdom gedurende de jongste acht-en-twintig verloopen eeuwen +bijna onze gansche kennis vormt der geschiedenis van de voorouders van +het thans bestaande menschelijke geslacht, sedert dat het organische +leven op deze aarde begonnen is te ontluiken zie blz. 30. Sommige +geologen stellen nu dat dit voor meer dan tienduizend millioen eeuwen +geschied is, zoodat, stellende, dat bij een imaginair menschelijk +wezen de toeneming in geestontwikkeling honderdmaal sterker is dan +bij het menschdom en deszelfs stamboom vormende voorouders, zulk een +imaginair mensch, voor tienduizend millioen plus acht-en-twintig jaren +geboren, gedurende dit eerste aantal jaren het maar tot den staat +van een zesjarig kind zou gebragt hebben, en geen noemenswaardige +herinnering van zulk een ontzettend lang bestaan zou bezitten. + +Dit in de geschiedenis onbekende ontzaggelijk lange verleden van +het menschelijke geslacht, voor dat dit eene noemenswaardige mate +van beschaving verkregen had, heeft echter er voor eene werkelijke +waarde. Op blz. 31 hebben wij toch aangegeven, hoe, wegens de werking +der traagheid, naarmate een organisch wezen sneller verandert, +deszelfs organisatie slechter wordt. Die trage opklimming der +organisatie der voorouders van het menschelijk geslacht heeft aldus +gemaakt, dat dit voor de levensomstandigheden waarin het verkeert, +geschiktere ligchamen bezit. + +Vooral moet dit het geval zijn bij de eigenaardigheden dier organisatie +vroeger bij de achtervolgende generatiën van den stamboom van het +menschelijke geslacht bestaan hebbende, en die aldus in sterkere +mate als de grondslagen er van kunnen beschouwd worden. Hetgeen der +menschen organisatie, met die van al de gewervelde dieren gemeen +heeft, behoort toch meer tot de grondslagen hunner organisatie dan +de bijzonderheden hiervan, bij geen viervoetig en dus nog minder bij +visschen aangetroffen wordende, en, hetgeen de organisatien van al +de dieren gemeen hebben, vormt nog in sterkere mate den grondslag +der organisatie der gewervelde dieren dan hunne geraamten en +ledematen. Daar nu de sterkte van opklimming der organisatie bij de +achtervolgende generatiën van bovengemelden stamboom zwakker geweest +is, naarmate die generatien vroeger geleefd hebben en eene lagere +organisatie bezaten, zoo moeten de eigenaardigheden der organisatie der +menschen volmaakter zijn, naarmate zij in sterkere mate de grondslagen +er van vormen. + +Evenzoo zou dit het geval zijn met de geestelijke ontwikkeling van +den op blz. 185 gemelden imaginaire mensch na tienduizend millioen +levensjaren slechts den graad van ontwikkeling van een zesjarig kind +bereikt hebbende. Eene zeer zwakke toeneming in geestontwikkeling +gepaard gaande met zeer geringe verandering en vernieuwing van +denkbeelden, moet deze zie blz. 115 en 178 eene zeer groote mate +van juistheid geven, en van daar misschien, dat de dieren binnen +een zeer beperkten kring zoo oordeelkundig te werk gaan [54]. Nu +zijn het juist de denkbeelden, welke een wezen bezit, voor snel in +ontwikkeling toe te nemen, welke den grondslag vormen der later te +verkrijgen denkbeelden, en waarvan de deugd dier latere vergrooting +in geestontwikkeling voornamelijk afhangt. + +Een mensch, ofschoon zich zijne lotgevallen voor zijn zesde jaar niet +meer herinnerende, bezit op dien leeftijd eene geestontwikkeling, +wel is waar betrekkelijk die van later gering, doch uithoofde van +het zooeven gemelde, van eene betrekkelijke belangrijke waarde, zie +voorgaande noot. Het is nu echter de vraag of een kind, van af het +oogenblik, dat het begint te zien en te hooren, betrekkelijk snel in +geestontwikkeling zou kunnen toenemen, zoo er op dit oogenblik geen +grondslag aanwezig was voor dit op te trekken gebouw van denkbeelden +dat is zoo dit kind alsdan niet reeds eene voor ons onwaarneembare +geestontwikkeling bezat. Deze achten wij nu niet te bestaan uit +zoogenaamde aangeboren denkbeelden, maar wel uit die, gedurende +vroegere zielenlevens, door tusschenkomst van met de aardsche +verschillende zintuigelijke indrukken, verkregen. De verschillen +hierin vergelijkende met die tusschen de behandeling van buksen en +van bogen, zoo zou men zulk een kind, op het oogenblik der geboorte +reeds zekere geringe geestontwikkeling bezittende, kunnen vergelijken +met iemand, nooit eene buks in handen gehad hebbende, maar geoefend +in de behandeling van den boog. + +Wel zijn de tot het domein der denking behoorende zintuigelijke +indrukken in zekeren zin de bouwstoffen der denkbeelden, doch, even +goed, als men deze eerst in eene en later in eene andere taal uitdrukt, +kan men hen eerst uit deze en later uit andere zintuigelijke indrukken +zamenstellen. + +Op blz. 174 hebben wij gezegd, dat werkdadige denking onbestaanbaar +is zonder aanschouwing der veropenbaring der zelfstandigheid door +beweging, zoodat, deze bij het heelal niet bestaande, alle denking +zou vervallen. Van den anderen kant drukt het woord veropenbaring +uit het bestaan van iets waaraan zij geschiedt, dat niet anders dan +bewuste denking, onder welke vorm ook, kan zijn, zoodat, zonder deze, +er wel van zelfstandigheid, doch van geene veropenbaring hiervan +sprake kan zijn. + +Bij dit woord van zelfstandigheid mag dan niet eens aan massa en +beweging gedacht worden, omdat dit begrippen onafscheidelijk van +denking zijn. Op verschillende plaatsen hebben wij op blz. 144 gezegd, +dat de denking bepaald wordt door atomistische beweging, ofschoon +zij volstrekt niet in reden der sterkte hiervan is; naauwkeuriger +is het echter om te zeggen, dat de zelfstandigheid, in den toestand +zijnde waarin zij zich veropenbaart, eenige denking bepaalt, omdat +die toestanden niet aanschouwd wordende, de zelfstandigheid zich +op geenerlei wijze zou veropenbaren. Men kan echter niet zeggen, +dat die veropenbaring verloren gaat, wanneer ligchamen niet het +voorwerp der aanschouwing van menschen zijn, evenmin als men kan +zeggen, dat de denking dezer onbestaanbaar is, wanneer bij derzelver +aanschouwing de aardsche zintuigelijke indrukken niet meer worden +opgewekt. Dat menschen kunnen stellen, dat die onbestaanbaarheid +niet bestaat, bewijst de juistheid dier stelling. Elke met ernst +geopperde stelling moet toch, hoe weinig ook, zekeren grond van +waarheid bevatten. Zegt men bijv. van een schurk, dat hij een braaf +mensch is, zoo moet braafheid met betrekking tot dien persoon niet +iets volstrekt onbestaanbaar zijn, evenals bijv. met betrekking tot +een spiegel. Zoo nu het bestaan van eenigen grond van waarheid bij +eene stelling vereischt, dat deze geheel waar is, moet zulks het geval +zijn en aldus iets niet onbestaanbaar zijn, zoo er eenigen grond voor +de bestaanbaarheid er van bestaat. Bespiegelingen over hetgeen op +buitenzinnelijk gebied bestaat, zijn voor ons menschen mogelijk en +kunnen aldus, hoeveel dwalingen ook inhoudende, niet in alle deelen +ongerijmd zijn. + +Hebben de menschen immer gedacht eenige wetenschap te beoefenen, +terwijl deze, geheel op het gebied van het ongerijmde verkeerde? Naar +ons inzien neen. Zoo bijv. zochten de alchimisten goud in waardelooze +stoffen en uit klei is het aluminium voor den dag gekomen. De +astrologen veronderstelden dat de hemelligchamen allerlei invloeden +op deze aarde uitoefenen, en meer en meer invloeden schrijft men +thans aan het zonnelicht toe. Buitendien dient men wel onderscheid +te maken tusschen hetgeen de astrologen zelf voor wetenschappelijk +waar hielden, en hetgeen zij oningewijden zochten wijs te maken. + +Bij het op blz. 185 gemelde hebben wij het oog gehad op eene +preëxistentie der zielen van menschen en dieren, gedurende welke zij, +annex zijnde aan ligchamen op andere wereldbollen, wel zie blz. 169 +gemiddeld in geestontwikkeling versnellende zijn toegenomen, doch +hierin nog steeds te laag stonden, om, betreffende verledene feiten, +denkbeelden in den latenten toestand, niet uiterst nabij geheel door +nieuw opgekomen denkbeelden verdrongen en uitgewischt, te behouden. + +Er bestaan naar ons inzien voor die hypothese even veel gronden +als voor die van het niet ophouden van het bestaan der ziel na +den dood van het ligchaam. Men dient toch aan te nemen, dat, even +als de wereldbollen in massa toenemen, door etherdeelen den aard +hunner bestanddeelen te geven en aan zich te voegen, de zielen in +grootte toenemen, door denkbeelden van den oergeest te verflaauwen +ten bate hunner eigen hoeveelheid denkbeelden, want anders bestaat +er op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking +niet iets overeenkomende met de onveranderlijkheid van het totaal +der massa op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door +beweging. Op blz. 158 hebben wij gezegd, dat de hemelbollen voor den +grootst eindigen tijd reeds eene eindige grootte bezaten en aldus +gedurende geen eindigen tijd van af nul eene eindige grootte bereikt +hebben. Ware dit het geval wel, zoo zouden zij gedurende een eindig +tijdvak in massa betrekkelijk oneindig maal vergroot zijn, hetgeen, +bij een zelfstandig en door eigen vermogen en impulsie zich vergrootend +iets, niet aanneembaar is. + +De zaken, bij hun ontstaan oogenblikkelijk eene eindige grootte +verkrijgende, zijn afgescheiden en vervormde deelen van andere er +mede gelijkslachtige zaken, en is bijv. de dierlijke vrucht eene +afscheiding van de uitgegroeide ligchamen der ouders. + +Stelt men nu, dat geene reeds vroeger bestaande denking aan de +vrucht annex wordt, maar dat er zich eene denking van nul af er bij +ontwikkelt, zoo weten wij niet waarom men deze voor geene afscheiding +der denking der ouders zou houden. Terwijl echter het ligchaam in +grootte toeneemt door afscheidingen uit massa's voedsel, wier aard +op die van het ligchaam van invloed is en waarvan, door die er bij +gedane afscheidingen, de quantiteit vermindert, waarmede vergroot +zich de, bij het aanhouden der werkdadigheid, tot aan den dood in +ontwikkeling toenemenden geest? Tegen de ontkenning der preëxistentie +bestaat buitendien ook dit bezwaar, dat alsdan op eenige bollen zooals +bijv. de aarde er bij ligchamen denking van niet af zou ontstaan, +terwijl er slechts vroeger bestaande denking annex zou worden aan de +ligchamen op andere bollen aanwezig, een onderscheid, waarvoor geene +reden van bestaan is. Wezens kunnen naar ons inzien niet binnen een +eindigen tijd van nul af zekeren graad van aanleg verkrijgen, en deze +dient zie blz. 151, tijdens dezelfde toeneming in geestontwikkeling, +meer te vergrooten, naarmate die toeneming der geestontwikkeling +gedurende meer tijd heeft plaats gehad [55]. Daar, na het komen +van wezens onder geheel andere omstandigheden, de door eene nieuwe +aanschouwing opgewekte denkbeelden meer zullen verschillen van die in +vroegere omstandigheden verkregen, naar gelang zij meer het bijzondere +betreffen, en er aldus van de vroeger verkregen denkbeelden in den +latenten toestand minder uitgewischt zullen worden, naarmate deze +het meer algemeene betreffen, zoo zal, naarmate van eenig wezen de +denkbeelden meer van laatstgemelden aard zijn, het zich onder geheel +nieuwe omstandigheden in sterkere mate herkennen. Dit houden wij +voor het ware deel van het dogma der zielsonsterfelijkheid verkregen +door het geloof, omdat dit geloof gewaand werd in te houden begrippen +verheven boven de denkbeelden verkregen door de indrukken der omgeving +en van het heden, bijv. de denkbeelden over der menschen handel, +bedrijf en vermaken, welke allen het zeer bijzondere betreffen. + +De physica leert, dat zekere geheelen van moleculaire bewegingen +van stofdeelen, als zoodanig niet waar te nemen, maar zekeren +zintuigelijken indruk, bijv. het beeld van eenig voorwerp te weeg +brengende, zich bij eene middenstof onbegrijpelijk snel golfvorming +in de eene of andere rigting voortplanten en aldus onbegrijpelijk +snel van stofdeelen verwisselen. In uiterst korten tijd breiden +zij zich uit over stofdeelen binnen verbazende inhouden bevat, en +ongehinderd doorkruisen zij andere dergelijke zich in andere rigtingen +golfvorming voortplantende geheelen van moleculaire bewegingen. De +electriciteit, van eene in den grond gegraven zinkplaat uitgaande, +bestaat hoogstwaarschijnlijk uit zulke binnen de vochtige aardkorst +zich golfvorming voortplantende moleculaire bewegingen, en deze +breiden zich van af die zinkplaat uiterst snel over de omringende +ruimte alsware tastende uit; doch, zoodra een deel er van eene +honderde mijlen verwijderde ingegraven koperen plaat bereikt heeft +(iets dat, uiterst kort nadat die golfvormige voortplanting begonnen +is, geschiedt) dringen zij alsware hier naar toe en verzamelen zij +zich er bij. + +Men verbeelde zich eene lange goot, uitgezonderd bij de beide einden, +waar zich afgesloten vakken bevinden, met water en aldaar met eenig +ander vocht van even groot specifiek gewigt als water gevuld. Zoo +nu dit vocht binnen een dier vakken in golving is, en men verbreekt +de afsluiting, wordt die golving voortgaande, plant zij zich voort +tot binnen het water, dat vroeger in rust was, doorloopt zij, +navolgbaar dezelfde blijvende, al verandert zij van gedaante, de +goot en komt zij eindelijk binnen het tegenovergestelde vak, zoo dit +open is. Wordt dit laatste vak alsdan direct gesloten, zoo blijft +die golving hier binnen en het vocht binnen het eerste vak is dan +op het oog in rust [56]. Even als nu het wezen van ligchamen in het +algemeen, waartoe ook zulke, golvingen behooren, (omdat ligchamen +zijn de veropenbaringen der zelfstandigheid door beweging) zich in +sommige omstandigheden onbegrijpelijk snel verplaatsen kan, om op +uiterst verren afstand van de primitieve plaats, wegens den aard +der localiteit daar ginds, weder stil te staan, zoo kan dit, naar +ons inzien, ook doen het niet zintuigelijk aanschouwbare geheel van +bewegingen het denken van eenig wezen bepalende, en omgekeerd door +die denking bepaald wordende. Wel is waar is de moleculaire beweging +bij den ether, tusschen en binnen de hemelbollen gelegen en deze, +zie blz. 165 en 171 in verbinding met elkander brengende, anders dan +bij het cellenweefsel der zenuwknoopmassa, doch op blz. 144 is reeds +gezegd, dat het niet de zintuigelijke aanschouwing te weeg brengende +moleculaire bewegingen der zenuwknoopmassa behoeven te zijn, welke +de denking der menschen bepalen. Bij het bovengemelde voorbeeld zijn +het toch niet de moleculaire bewegingen van het vocht, waardoor dit +bijv. spiegelend, blaauw en vloeibaar voorkomt, welke de golving te +weeg brengen. + +Wegens de talrijkheid der bevolking dezer aarde (en nog in veel +sterkere mate van die van het uiterst groote aantal hemelbollen na hun +vertrek van het op blz. 161 gemelde middelpunt, tot een gelijksoortigen +graad van ontwikkeling gestegen zijnde) zullen de oorzaken, tot veel en +weinig sterfte bijdragende, door gelijktijdig te bestaan, te zamen eene +resulterende gemiddelde sterfte te weeg brengen en dit eveneens plaats +hebben met de oorzaken welke de geboorten bevorderen en verhinderen. + +Op die, wegens gelijktijdigheid van ontstaan in zekere zin +gelijksoortige hemelbollen, te zamen beschouwd, zullen gedurende +korte tijdperken er aldus evenveel vruchten bestaan, waarbij eene +zelfstandige denking annex wordt, en dit constante aantal door zeer +algemeene oorzaken bepaald worden. + +Diezelfde algemeene oorzaken kunnen nu tegelijkertijd bepalen de +sterfte gedurende even groote tijdvakken plaats hebbende op de +verzameling bollen m, aan de middelpuntszijde van gene gelegen, +en die tot op den voorafgaanden trap van ontwikkeling van die der +bollenverzameling n, waartoe onze aarde behoort, gestegen is. Die +algemeene oorzaak is te vergelijken met de verhouding tusschen de +witte en zwarte ballen binnen eene bus, waaruit blindelings een +uiterst groot aantal ballen getrokken worden. Doen nu twee personen, +onafhankelijk van elkander, even veel trekkingen, zoo zal de kans, +dat beide even veel witte ballen trekken, uiterst groot zijn, en, +zoo er eene oorzaak bestaat hen hiertoe dwingende, het bestaan +hiervan geheel onmerkbaar kunnen zijn, daar, zoo beide personen +geheel vrij en onafhankelijk van elkander te werk gaan, er uiterst +groote kans bestaat, dat zij tot dezelfde uitkomst zullen geraken, +als onder den dwang dier oorzaak. Een zoo kan het annex worden van +zelfstandige denking bij de vruchten op de verzameling van bollen n, +gedurende korte tijdvakken even menigvuldig zijn, als het ophouden van +het annex zijn van zelfstandige denking bij stervende ligchamen op de +verzameling van bollen m, niettegenstaande het eene schijnbaar geheel +onafhankelijk van het andere plaats heeft. Wat meer is gedurende +uiterst korte tijden kan dit het geval zijn, daar bijv. hier op +aarde het juiste oogenblik van het sterven niet aan te geven is, +zoodat men bijv. onmogelijk kan opmaken, hoeveel personen er gedurende +achtervolgende secunden werkelijk sterven, terwijl er geene questie +van is om het juiste tijdstip, waarop de vruchten beginnen te denken, +aan te geven. Wij moeten hier zelfs de hypothese opperen, of niet +alle ontstaan van organisch leven op de verzameling bollen n gepaard +gaat met vernietiging van dit leven op de verzameling bollen m, zoodat +de bollen hiervan alsware levensstroomen (in den zin van electrische +stroomen opgevat zie blz. 192) naar de bollen der verzameling n zenden +[57]. + +De geene zintuigelijke indrukken teweegbrengende moleculaire bewegingen +bij die stroomen, zouden alsdan bepalen de denking, de organisatie der +er aan annex zijnde levende bewerktuigde natuur trachtende, zooals +op blz. 143 gezegd is, geschikt voor levensomstandigheden te maken, +en tegelijk die organisatie eene hoogere ontwikkeling trachtende te +geven. Binnen die uit zich golfvormige voortplantende moleculaire of +liever atomistische bewegingen zouden zich dan evenzoo voortplanten +de geheelen van moleculaire beweging, de denking der afzonderlijke +wezens bepalende, wanneer deze van er aan annex zijnde ligchamen +veranderen. Die bijzondere stroomen zouden dan bij de plaatsen van +aankomst van den algemeenen levenstroom van een bol uitgaande, naar +speciale punten leiden, namelijk naar die waar vruchtbeginsels in +een sterk stadium van groei, den algemeenen stroom sterker zien naar +toetrekken [58]. + +Tot het sterven der ligchamen van dieren moet, naar ons inzien, ook +bijdragen de drang tot verhooging der ontwikkeling dier ligchamen door +de er aan annex zijnde denking buiten die eigen denking der dieren, +en eerstgemelde denking alleen, door te trachten de organisatie der +gewassen eene hoogere ontwikkeling te geven, deze doen sterven. Hiervan +zijn toch de accidentele variatiën der omstandigheden, waarin die +gewassen verkeeren, niet, de eenigste oorzaak, zelfs voor de gemiddelde +dier omstandigheden zijn de organisatien dier gewassen niet geschikt, +iets dat daarentegen wel het geval zou zijn, zoo zij niet sneller in +ontwikkeling toenamen, dan op blz. 157 gezegd is door onze gansche +planeet te geschieden. Van daar ook, dat de laagst ontwikkelde planeten +een taaijer leven dan de hooger ontwikkelde bezitten. De oorzaak van +het sterven der planten en der ligchamen der dieren (bij deze laatste, +voor zooverre de toename in ontwikkeling hunner eigen denking dit zie +blz. 143 niet bevordert) hebben aldus volgens deze hypothese plaats +wegens de toename in ontwikkeling der bijzondere denkbeelden van den +Oergeest aan die levende planten en dierenligchamen annex, iets dat, +naar ons inzien, slechts dan bijna niet bestaat, als die ligchamen +bijna niet onderscheiden zijn van de overige massa van de hemelbollen, +dat weder slechts mogelijk is, als deze bijna etherachtig van aard +zijn. Slechts dan zullen die bollen bijna in geen staat van groei, +van verandering verkeeren, bij derzelver organische natuur geboorten +en sterfgevallen betrekkelijk niet noemenswaardig in aantal zijn +en die aan die natuur annex zijnde bijzondere denkbeelden bijna +niet naar hooger streven. Al het bijzondere en wel in sterkere mate, +naarmate het meer van het algemeenste op het gebied der veropenbaring +der zelfstandigheid door denking (de algemeenste en onveranderlijke +denkbeelden van den Oergeest) en opdat der veropenbaring dier +zelfstandigheid door beweging (de ether buiten invloed der hemelbollen) +afwijkt, moet, naar ons inzien, in ontwikkeling toenemen, om reden +van bestaan te hebben. Men kan zich wel iets bijzonder denken, dat, +even als alles aan wiens invloed het blootgesteld is, in geen opzigt, +of wel er tegelijk regelmatig periodiek mede verandert (zoo als +bijv. het openen en sluiten der bloemen met de afwisseling van dag en +nacht) en dat aldus volmaakt geschikt is voor de omstandigheden waarin +het verkeert, doch, door naar geen einddoel te streven, zou het niet +absoluut volmaakt zijn. De op blz. 194 gemelde levensstroom, bepalende +de bijzondere denking annex geweest aan de pas gestorven planten en +dieren, moet naar ons inzien uitkomen daar waar die bijzondere denking +weder annex kan worden aan stofmassas er voor geschiktheid bezittende, +en die zij op een hongeren trap van organisatie kan voeren, dan die +welke zij verlaten heeft. Gesteld, dat iemand ter zijner beschikking +heeft eenige stukken stof, in grootte verschillende, en, naarmate +zij zulks meer doen in aard, meer onderscheiden zijnde, uit welk +stuk zal dan die persoon een nieuwen rok laten maken, zoo hij die, +gemaakt van een stuk waarvan de qualiteit hem het beste paste, door +te groeijen verscheurd heeft? Klaarblijkelijk uit het stuk stof, in +grootte en in qualiteit het digtste grenzende aan dat waaruit zijn +vernielde rok gesneden geweest is, en zelfs, zoo hij nog een dergelijk +stuk stof ter zijner dispositie had, zou hij dit niet kiezen, omdat +de alsdan er uit te snijden rok te klein voor hem zou zijn. + +Wegens dezelfde reden moet de bovengemelde levensstroom uitkomen +bij eene verzameling van hemelbollen een trap in ontwikkeling +verschillende en van buiten (namelijk aan de van het middelpunt van +blz. 161 afgekeerde zijde), grenzende aan de bollenverzameling waarvan +hij uitgaat. + +Zooals bekend is ontstaat de geslachtsvoortplanting door het ophouden +van den groei der ligchamen der ouders, en die groei moet, dunkt +ons, het gevolg zijn van de toeneming in ontwikkeling der bijzondere +denking aan het groeijende ligchaam annex (zie blz. 143 wel van de +eigen denking van een persoon te onderscheiden) zonder toeneming in +geestontwikkeling onderscheiden. Bij onveranderlijke wezens, zonder +toeneming in geestontwikkeling, voor hunne levensomstandigheden +volmaakt geschikt en volmaakt in harmonie met hunne niet groeijende +ligchamen, zou er aldus ook geene reproductie bestaan, zoodat die +toeneming in geestontwikkeling zoowel die reproductie, door de +ligchamen te doen groeijen, als, door deze als ware geweld aan te +doen, het sterven te weeg brengt [59]. Welvaren der ligchamen moet +zoowel de reproductie als derzelver groei gemakkelijker maken en +aldus den op blz. 194 gemelden levensstroom er naar toe trekken, +terwijl sterkere drang van dien stroom de reproductie ten koste van +den groei der ligchamen moet bevorderen. + +Zooals bekend is, is de organisatie der dierlijke vrucht bij het begin +van derzelver ontstaan uiterst laag en, evenmin als (zie blz. 30) +bij de laagste soort van dieren (zooals bijv. de infusoria) behoeft +er dan eigen denking bij die vrucht annex te zijn, en zal dit welligt +eerst plaats hebben, wanneer de organisatie er van zekeren trap (iets +hooger voor de bolverzameling n van blz. 193 dan voor die m genaamd) +overschreden heeft. Ook kan de invloed der ligchamen der ouders +de toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht bevorderen, +doch, even als de op blz. 28 gemelde locomotief het paard helpt +om den trein voort te trekken, zoodat de impulsie tot die toename +in ontwikkeling der organisatie der vrucht ontstaat door het er +aan annex en min of meer werkdadig worden der door den op blz. 194 +gemelden levensstroom aangebragte bijzondere denking. De invloed der +ligchamen der ouders op de organisatie der vrucht is vergelijkbaar +met die van het onderwijs op leerlingen. Deze behooren de zucht naar +onderwijs niet van hunne leeraren te bekomen, en zulk een onderwijs +hen slechts in staat te stellen om sneller te leeren, dan zoo zij +dit uit hun eigen moesten doen, benevens om de vakken te bepalen, +welke geleerd moeten worden. Men kan zich hierbij voorstellen, dat +dit onderwijs in zulk eene sterke mate gegeven wordt, als de leerling +poogt vorderingen te maken, en dit vergelijkbaar zijn met het zich +afmeten van den opheffenden invloed der ligchamen der ouders op de +vrucht naar de werkdadigheid der hieraan annex zijnde bijzondere +denking. Met de oorzaak der gelijkenis der jongen op hunne ouders +is alsdan de aard der leervakken vergelijkbaar. Even weinig kan men +zeggen, dat de individuen dienen om de eigenaardigheid der soort te +perpetueren, alsdat leerlingen van gymnasia dienen om de kennis der +oude talen in stand te houden. + +De aan de vrucht annex zijnde bijzondere denking zou, door de +organisatie er van vooruit te zijn, hierdoor alsware achterwaarts +getrokken worden en aldus in geestontwikkeling verkleinen, zoo zij +niet een eigen drang tot uitbreiding en verhooging van haar veld van +aanschouwing en dientengevolge tot vergrooting dier geestontwikkeling +bezat. Bovengemelde werking van de ligchamen der ouders op de vrucht +zal maken, dat de organisatie hiervan minder bij de ontwikkeling +dier bijzondere denking ten achteren blijft en, naarmate hierbij +den geestelijken aanleg, die, zooals op blz. 150 gezegd is, met de +geestontwikkeling toeneemt, grooter is, men kunnen stellen, dat die +bijzondere denking annex wordt aan eene vrucht van ouders eene hoogere +organisatie bezittende, en die aldus de ontwikkeling der organisatie +dier vrucht krachtiger vergrooten. Dit zou vergeleken kunnen worden +met het zenden van vlugge kinderen naar scholen, waarop het onderwijs +sneller opklimt en, de vorming tot eene hoogere maatschappelijke +betrekking ten doel heeft. + +Dat de reproductie bij eenige diersoort grooter wordt, wanneer, +ten gevolge der vervolging door nieuwe vijanden, de sterfgevallen +er bij menigvuldiger worden, kan misschien ontstaan, doordat het +aantal individuen zulk eener soort verminderende, terwijl het aantal +sterfgevallen betrekkelijk grooter dan vroeger blijft, die individuen +wegens overvloediger voeding sneller dan vroeger zullen groeijen. + +Het omgekeerde zal daarentegen plaats hebben, zoo wegens overbevolking +de voeding schaarscher wordt, en aldus dan de gestalte der menschen +verkleinen en het betrekkelijke aantal geboorten zooveel verminderen, +tot dat deze weder even menigvuldig als de sterfgevallen zijn [60]. + +Naarmate de hemelbollen in aard minder met den ether verschillen, +zullen zij, zooals op blz. 160 gezegd is, betrekkelijk trager bewegen +en in massa toenemen en, in harmonie hiermede, de er op wonende wezens +in zeker opzigt qualitatief minder met den Oergeest verschillen, trager +in geestontwikkeling toenemen, op elk dier bollen gemiddeld langer +leven. Hunne verwisseling van ligchaam zal meer geleidelijk geschieden +en bij de denking dier wezens eene minder scherpe verandering te +weeg brengen, terwijl de op blz. 94 gemelde terugtrekkende werkingen +geringer zullen zijn bij hen dan bij ons. Zoo lang de denking van +wezens annex wordt aan ligchamen achtervolgens in aard meer met +den ether verschillende, moeten die denkingen qualitatief meer met +die van den Oergeest in natuur gaan verschillen en (zie blz. 169) +in grootte of ontwikkeling gemiddeld versnellende toenemen. + +Dat de toeneming op deze aarde van het aantal menschen eenmaal niet +noemenswaardig zal worden, blijkt ook uit het volgende. Hetgeen de +menschen jaarlijks aan voedsel, kleeding, woning, huisraad en andere +kunstwerken benevens aan brandstof verteren, kan toch beschouwd worden +als de rente van een kapitaal bestaande uit: 1o. de voor de weide, +bouw- en boschgronden benoodigde zouten; 2o. het voor de gewassen +gevorderde koolzuur; 3o. de den bodem bedekkende nuttige gewassen; +4o. het vee en 5o. de voor voedsel en mestspecie gebruikt wordende +waterdieren en planten. Daar nu de drie laatste deelen van dit kapitaal +in reden zijn met de hoeveelheden zouten en koolzuur, ter vorming er +van benoodigd, zoo kan met dit kapitaal in zeker opzigt stellen geheel +te bestaan uit zulke zouten, benevens uit koolzuur. Neemt men nu de +vermeerdering van dit gas, door de verbranding der fossile brandstof, +benevens door de vulcanische werkingen, niet in aanmerking, zoo wordt +dit kapitaal constant, maar vergrooten, naarmate de beschaving en het +aantal aardbewoners stijgen, de deelen No. 3 en 4 er van ten koste +van de deelen No. 1, 2 en 5. Buitendien wordt alsdan de omzetting +van dit kapitaal en dus ook de jaarlijksche rente er van grooter; +doch, zoowel dit als die vormverandering van dit kapitaal, moeten +noodwendig begrensd zijn. + +Naarmate de landbouw volkomener is, draagt elke oppervlakte grond +gemiddeld meer planten en wordt er meer en zwaarder vee gehouden, doch, +wegens het alsdan meer opvangen der mestspecien, zullen er minder +zouten hiervan door het grondwater en de rivieren naar zee gevoerd +worden, en aldus al het water alsmede de dampkring (op de op blz. 5 +verklaarde wijze) minder van die zouten inhouden. Zoo wegens deze +oorzaak, waardoor het voedsel der zeedieren vermindert als, wegens het +verjagen, zullen deze dan minder in aantal worden. Neemt de beschaving +toe, zoo vindt men middelen om het vee sneller vet te doen worden, om +de nuttige gewassen sneller te doen groeijen, om de bosschen jaarlijks +meer brandhout te doen leveren en om de vischvangst te verbeteren, +hetgeen de hierboven gemelde rentevergrooting uitmaakt. Zoowel dit +als de vermindering der hoeveelheden vrij koolzuur en vrije voor den +landbouw benoodigde zouten zal echter steeds bezwaarlijker worden, +naarmate men beide verder doordrijft, en aldus de middelen van bestaan +van het menschdom, tegelijk met de totale massa der menschelijke +ligchamen, vertragende en eindelijk niet meer noemenswaardig toenemen +[61]. + +Op blz. 9 en 18 hebben wij gezegd, dat de verschillen tusschen +de op natuurlijke wijze ontstane rassen, waaronder ook de +menschenrassen behooren, bepaald worden door de verschillen +hunner levensomstandigheden in verband met die tusschen de grond +en luchtgesteldheid, en op blz. 26, dat de verschillen in lucht +en grondgesteldheid, naarmate de beschaving klimt, van minder +invloed zijn op de menschen, zoodat, zie blz. 9, de verschillen +tusschen de thans bestaande menschenrassen geringer moeten zijn +dan tusschen die aanwezig, toen het menschdom ontstaan is. De thans +bestaande verschillen zijn echter grooter dan door de verschillen +in lucht en grondgesteldheid der woonplaatsen der onderscheidene +menschenrassen gewettigd wordt. Zoo kan men bijv. kwalijk aannemen, +dat de organisatie van menschen, zich geschikt hebbende naar +het tropische klimaat van Afrika, de neger en die van menschen, +zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van Amerika, de +roodhuidentype heeft voortgebracht. De verschillen tusschen de thans +bestaande menschenrassen moeten aldus, zie blz. 24 voor een deel +de gevolgen zijn van accidentele oorzaken, of wel zij moeten, (zie +blz. 30) voor het ontstaan van het menschdom, door de verschillen in +levensomstandigheden der voorouders der menschen in de verschillende +werelddeelen teweeggebragt, ten gevolge der werking der traagheid, +zie blz. 41 later, te groot gebleven zijn, en dus gedeeltelijk als +iets verouderd beschouwd moeten worden. + +Naar ons inzien mag men niet stellen, dat primitief elk der +zoogenaamde menschenrassen een volk heeft gevormd, eene enkele taal +sprekende en later in verschillende natiën gesplitst, daar toch de +toeneming der beschaving (zie blz. 26) juist het tegenovergestelde +namelijk aglomeratie en eenheid te weeg brengt. Elk der zoogenaamde +menschenrassen moet integendeel in een groot aantal onzamenhangende en +verschillende talen sprekende stammen verdeeld zijn geweest en eene +primitieve taal van het zoogenaamde Arische menschenras, naar ons +inzien, evenmin beslaan hebben, als thans eene enkele Australische +Indianentaal. Zoodra echter wilde stammen niet volstrekt vreemd +aan elkander blijven, door bijv. door zeeën, woestijnen, enz. van +elkander gescheiden te zijn, zullen zij bij die plaatsen van onderlinge +aanraking, gebruiken, woorden, enz. van elkander overnemen en zelfs hun +bloed vermengen, en die kruisingen zich alsware van af die plaatsen +van aanraking naar het midden de woonplaatsen van elk der stammen, +zie blz. 12, voortgeplant hebben. Volksverhuizingen hebben er steeds +plaats gehad, stammen hebben, (zie blz. 12) stammen teruggedrongen, +of onder deze hunne woonplaatsen gevestigd en met hen hun bloed, +zeden, taal, enz. vermengd, (zooals bijv. de Normandiërs met de +Anglo-Saxen). Wegens de met de toename der beschaving plaats hebbende +aanwas in bevolking, zal het indringen meer dan het terugdringen +(zooals dat der Mooren uit Spanje) plaats gehad hebben; doch men mag, +naar ons inzien, niet stellen, dat wilde stammen na hunne verhuizing +zeer veel uitgestrekter jagtvelden en weidegronden hebben ingenomen dan +voor die verhuizing. Hetgeen thans in Amerika en Australië plaats heeft +kan toch niet vergeleken worden met hetgeen heeft plaats gehad tijdens +de nederzetting der Germanen in Duitsland en Scandinavië. De Engelschen +en Duitschers leven, wegens hunne hooge mate van beschaving, in hun +vaderland digt opeengehoopt, en vinden aldus in Amerika en Australië +voor hunne behoeften zeer uitgestrekte akkers en vermenigvuldigen +aldaar sterk. Zoo echter, in plaats dat er Engelschen zich in Australië +vestigen, men er Sioux en andere Indiaansche stammen bragt, zou dit +geenszins het geval zijn, en niet veel uitgebreider streken als die +welke deze stammen in de Vereenigde Staten innemen, zouden door de +inboorlingen van Australië op dit eiland, al zij het zelf gedwongen, +(zie blz. 13) aan die Amerikaansche wilden afgestaan kunnen worden. + + + + + + +BESCHOUWINGEN OVER DE GEESTELIJKE ONTWIKKELING VAN DEN MENSCH. + + +Er bestaat in des menschen geest een strijd tusschen de zucht naar +toestanden, waarvoor hunne natuur, zooals zij thans is, zekere +geschiktheid bezit en waaraan zij gewoon zijn, hetgeen eene soort +van geschiktheid is, en de zucht naar hoogere, maar hun onbekende +toestanden. Van daar dat bijv. menschen, geruimen tijd in de gevangenis +vertoefd hebbende, aan hunne enge cel hechten, en er somtijds tegen +op zien, om weder in de wijde en hun vreemd geworden maatschappij +te treden [62]. Vandaar ook de liefde der menschen niet slechts voor +bestaan in het algemeen, maar tevens voor het aardsche leven, dat wel +is waar hun veel leed oplevert, maar met wiens aard zij bekend zijn, +en waarvoor zij zekere geschiktheid verkregen hebben. Hoe lager des +menschen trap van geestontwikkeling is, en aldus hoe zinnelijker zij +en hoe meer bekrompen hunne denkbeelden zijn, hoe sterker (althans +zoo men het zwakker zijn hunner zelfbewustheid niet in aanmerking +neemt) hunne gehechtheid aan bekende levenstoestanden, en tegelijk hoe +sterker hun afkeer voor door hen veronderstelde vreemde toestanden zal +zijn. Dit kan nu de oorzaak zijn, dat de oude Grieken het verblijf in +den Hades zoo weinig aanlokkend voorstelden, en dat de menschen zekere +neiging bezitten om den zielstoestand na den dood wel verhevener, +maar overigens gelijkende op die hier op aarde te stellen. Kan +bijv. de meest philosophische mensch vurig verlangen naar een leven, +waarin hij een veel hoogere ontwikkeling, maar tegelijk geheel andere +denkvormen dan hier op aarde bezit, en dat hij aldus wel kan stellen +te zullen bestaan, maar voor zich niet begrijpelijk kan maken? Naar +ons inzien neen, maar zulk een philosoof zal zeggen, dat de aardsche +levenstoestanden thans voor hem niet eene grootere absolute, maar +slechts eene grootere relatieve waarde bezitten dan alle andere wier +bestaan hij kan stellen, en dat die voorkeur voor het aardsche bestaat +door zijne bekendheid er mede, aldus door eene oorzaak, die, wanneer +hij eenmaal vertrouwd zal zijn met andere levenstoestanden, hem voor +deze dezelfde voorkeur zal inboezemen, al thans voor de aardsche. + +Wel zal hij, naar ons inzien, een oneindig, onveranderlijk en dus +volmaakt, maar hem geheel vreemde denkvormen en denkbeelden bezittend +en aldus hem onbegrijpelijk wezen, in waarde onvergelijkbaar hooger +schatten dan de menschen, die hij liefheeft, maar toch, wegens de +onmogelijkheid om het te kunnen begrijpen, dit wezen niet kunnen +beminnen op de wijze als hij menschen bemint. Hiervoor zou hij dit +Oerwezen moeten vermenschelijken en aldus een karakter moeten geven, +dat zijne rede en wetenschap hem zegt, dat het niet bezitten kan. Die +voor hem onbegrijpelijke aard van het Oerwezen zal die wijsgeer +achten volmaakt geschikt te zijn voor het Heelal en zelfs voor zijn +eigen geestelijken loopbaan, gedurende de eeuwigheid als een geheel +beschouwt, maar voor zijn gemoedsgevoel, zooals dit thans is en zelfs, +zoolang zijn geest binnen de palen der eindigheid besloten is, zijn +zal, moet die onbegrijpelijke aard als iets ongeschikt voorkomen [63]. + +Slechts wanneer de wezens, na eene oneindige groote geestontwikkeling +bereikt te hebben, geheel met den Oergeest vereenigd zijn, moeten zij, +naar ons inzien, zijne natuur door deze volkomen te deelen, volkomen +begrijpen, en dan ook eene volmaakte wetenschap van hunne eigene +bestemming en van het werelddoel bezitten. Voor dien tijd, terwijl +die geestontwikkeling uiterst groot, maar nog eindig is en, ofschoon +uiterst weinig, nog toeneemt zie blz. 200, kan dit begrijpen wel +reeds uiterst goed, maar nog niet volkomen goed zijn, evenmin als eene +kromme lijn ac (zie onderstaande fig.), een assymptoot lg bezittende, +deze op uiterst groote eindige distantiën volkomen kan raken. Zoo nu, +na het bereiken van zekere eindige grootte, de geestontwikkeling, +na steeds verzwakkende vergrooting er van, niet meer toenam, zou +na een uiterst langen tijd er (zie blz. 178) geene noemenswaardige +dwaling en disharmonie bij onze denkbeelden meer moeten bestaan. Daar +dan echter het begrijpen van het oneindige zeer onvolkomen zou zijn, +zou het stellen er van in 's menschen geest niet meer moeten plaats +hebben, want anders zou de disharmonie zelfs niet zeer nabij weggenomen +zijn. Van den anderen kant kan een niet in grootte van ontwikkeling +afnemende geest, het stellen van het oneindige niet verleeren, en +dit toont dunkt ons aan, dat dit stellen (door de wijsgeeren slechts +bepaalder en naauwkeuriger dan door andere menschen geschiedende, en +waarvan bij alle metaphysische godsdienstbegrippen zelfs de laagste, +er reeds eene kiem bestaat) bewijst, dat de natuur van onzen geest +zoodanig is, dat bij geen trap van eindige ontwikkeling er tusschen +zijne denkbeelden eene volmaakte harmonie kan bestaan, en dat aldus +binnen geen eindigen tijd hij in een volmaakt bevredigenden toestand +kan geraken. + +Het zich bevinden der stelling van het eeuwige, onveranderlijke +en oneindige binnen de hierdoor nimmer derzelver aanhangers +geheel bevredigende godsdienstbegrippen, heeft gemaakt, dat de +vermogensvergelijking der goden slechts tot zekeren graad mogelijk +werd. Bij den Oergod, tijdens het begin der tijden begonnen zijnde +den chaos te ontwarren, ging dit het minste goed, bij de ondergoden en +middelaars beter, en uit zucht, om voor zich zooveel mogelijk geschikte +godsdienstbegrippen te verkrijgen, hebben de menschen dan ook niet +verzuimd om zulke middelaars, wier bijna menschelijke natuur hen +goed begrijpelijk, en ten gevolge van dien vrij beminnenswaardig en +geschikt om gebeden te verhooren maakte, te scheppen. Somtijds geen, +somtijds eenigen, maar steeds een grootendeels toevalligen historische +oorsprong bezittende, zoo waren die middelaars vaak zinnebeelden van +zaken op geestelijk of stoffelijk gebied binnen de bewuste aanschouwing +vervat, en verhevener was hunne natuur, naarmate hunne voorstelling +deel uitmaakte van hooger staande godsdienstbegrippen. + +De disharmonie van hetgeen wij op het buitenzinnelijk gebied stellen +met wat wij hiervan begrijpen, is, naar ons inzien, de oorzaak +waardoor de arbeid der eigenlijke wijsgeeren voor de verhooging der +godsdienstbegrippen der massas zoo weinig vruchtbaar geweest is en +waarom men aan de juistheid, van hetgeen men op buitenzinnelijk gebied +gelooft met de waarheid ongeveer over een te komen, te kort moet doen +bij het mededeelen van godsdienstbegrippen aan kinderen en onbeschaafde +menschen. Terwijl de wiskundige kennis bij de achtervolgende generatiën +door juxtaposa aangroeit, zoodat het nieuwe zich naast het oude vleit, +zonder aan de waarheid hiervan te kort te doen, groeit de kennis van +het buitenzinnelijke door interposa, namelijk elk deel ontwikkelt zich +en nadert gemiddeld meer tot de waarheid. Tracht men aldus bij het +onderwijs der jeugd die deelen in hun vorigen verachterden toestand +alleen te verbeteren en te zuiveren, zonder hen tegelijk te verhoogen, +zoo zal men gebrekkig werk leveren. Zie blz. 130. + +Zelfs menschen, welke zich boven de voorstelling van middelaars +verheven hebben, zijn niet vrij van het toeschrijven van menschelijke +denkvormen aan het Opperwezen. + +Zij zeggen, wij zijn geene loondienaars, doch de hartekenner volgt onze +schakel van denkbeelden en, naarmate deze goed of slecht zijn, keurt +hij die goed of af, en daarvoor is het dat wij gevoelig zijn. Men zou +nu aan zulke menschen kunnen vragen, of die opvatting der denking van +God niet insluit, dat zij voor een deel even als Godsvoorwetenschap van +al het toekomstige bijzondere (en derhalve ook van hetgeen door al de +menschen in de toekomst gedacht zal worden) eene overbodige duplicata +is van het geestelijke leven der menschen, en tevens dezelfde vorm +als de denkbeelden dezer laatste bezit, zie blz. 175. Die goed of +afkeuring kan ook kwalijk zonder het bezit der menschelijke denkvormen +geschieden, en zou buitendien niets beteekenen, zoo zij aan God geene +vreugde of verdriet verschafte, hetgeen de toekenning van menschelijke +hartstogten aan hem noodzakelijk maakt [64]. + +Wijsgeeriger is het naar ons inzien te zeggen, dat, door goed te doen, +men zijne zedelijke ontwikkeling, en wel te meer hoe verhevener door +onbaatzuchtigheid de gehalte van die goede daden is bevordert, en zich +hierdoor een blijvenden schat verwerft, zoo het geestelijke leven niet +met vernietiging bedreigd wordt, en men zorgt die verkregen vergrooting +van zedelijke ontwikkeling in stand te houden. Zie blz. 153. Even +als toch eene nietige oorzaak, gedurende zeer langen tijd werkzaam, +groote kwalen kan doen verdwijnen en eene groote ommekeer van zaken te +weeg kan brengen (reden waarom ongelukkige en door de omstandigheden +magteloos gemaakte, maar met wijsheid en wilskracht begiftigde menschen +vertrouwen in de toekomst kunnen stellen), zoo moet een verworven goed, +niet onderhouden wordende gedurende een lang tijdsverloop tot op een +niet noemenswaardig deel wegslijten. + +Op blz. 122 hebben wij aangegeven wat ons noopt om onze +geestontwikkeling naar de hoogte te werken, en op blz. 207 wat het +einddoel dier vergrooting is. Die vergrooting onzer geestontwikkeling +is aldus onafscheidelijk van de denking van den Oergeest, en zonder +deze zou ons bestaan zelfs onmogelijk zijn, zoodat de gedachte aan hem +onafscheidelijk is van die dat de vergrooting onzer geestontwikkeling +onze roeping is. + +De zooveel mogelijk regtvaardige vergelding der daden, of anders gezegd +het beloonen en straffen, dit is de taak der met elkander verkeerende +eindige wezens. Dit moet dunkt ons niet alleen hier op aarde, maar +ook op de hemelbollen, waar er hooger ontwikkelde levende wezens met +elkander in contact komen, het geval zijn. Wegens de gelijkslachtigheid +tusschen oorzaken en gevolgen (zie blz. 70) moet de behandeling van +andere wezens door deze laatste, of, wanneer op hoogeren trap van +geestesontwikkeling zij met andere wezens zamenwerken, door die welke +hunne partij opnemen, beantwoord worden. Slechts omdat dit het geval +is, kunnen wij onderzoeken hoe die beantwoording moet zijn om tot heil +van de geheele maatschappij te strekken, of anders gezegd om onregt +te weren. Dit onderzoek, die pogingen vereischen geestinspanning en +leiden aldus tot de vergrooting zoo van eigen geestontwikkeling, als +tot de verheffing der maatschappij. Zoo er eene supranaturalistische +vergelding bestond, zouden wij de handen in den schoot kunnen leggen, +zoo zulk eene vergelding kort na het begaan der daden op een goed +merkbare wijze plaats had. Het is waar, dat, wegens het bestaan +van allerlei accidentele omstandigheden en wegens de kortheid van +het aardsche leven, het voor de menschen zelfs met den besten wil +onmogelijk is om elk hunner voor zijn dood zijn geregeld deel te geven; +doch beide die oorzaken, en aldus ook het er door teweeggebragte kwaad, +zijn zie blz. 84 onafscheidelijk verbonden aan levenstoestanden waarin +toename der geestontwikkeling mogelijk is. + +Het voorschrift, dat men andere menschen even sterk als zich zelf moet +beminnen, en aldus in de wederwaardigheden van vreemdelingen evenveel +belang stellen als in zijn eigen lot, kan, naar ons inzien, eerst een +vereischte worden voor wezens, na eene oneindige vergrooting hunner +geestontwikkeling, zie blz. 169 volmaakt met elkander samengesmolten +zijnde. Uit het feit, dat wij thans individueel bestaan, volgt direct, +dat wij voor ons zelf moeten zorgen en een levensdoel met betrekking +tot ons eigen persoon moeten bezitten, terwijl uit het feit, dat +wij met andere wezens behooren zamen te werken, volgt, dat wij ons +het lot dier anderen behooren aan te trekken. Wij behooren hen te +helpen voor zooverre zij onze strijdmakkers zijn, en wel niet slechts +in den strijd van partijen van het menschdom tegen elkander, maar +zie blz. 55 tevens in de hoogere soort van strijd door het gansche +menschdom vereenigd gevoerd. Slechts in zooverre de menschen aldus +behooren zamen te werken, moet elk hunner voor de maatschappij leven, +en dit kan nu hun levensdoel met betrekking hun eigen persoon hooger +en edeler doen worden. + +Wanneer begrippen over levens- en wereldbeschouwing te laag staan met +betrekking tot de wetenschap en de behoeften der maatschappij, zijn +zij voor deze laatste wel in het algemeen, maar niet in allen deele +ongeschikt geworden, en zijn dien ten gevolge de hoogere begrippen +over wereld- en levensbeschouwing ongeschikt voor bijzonderheden der +maatschappelijke behoeften. Om dit op te helderen stellen wij bijv. dat +iemand te klein gehuisd is. Vooreerst zal hij, wegens de werking der +traagheid, later verhuizen dan op het oogenblik, dat hij ondervindt te +eng gehuisd te zijn, al kon dit verhuizen zonder de minste zwarigheid +geschieden, maar buitendien wordt hij terug gehouden, omdat zijne +vloerkleederen en gordijnen zoo goed in het oude huis passen, omdat +hij geen meubels genoeg bezit voor eene ruimere woning enz. [65]. + +Precies in dezelfde verhouding staan nu de massas iets bezittende, +dat in het algemeen te laag voor hen staat tegenover novateurs, +welke zulk eene zaak op een hooger standpunt willen brengen, al +is het dat hierdoor aan eene werkelijke behoefte voldaan wordt, +en aldus nog zooveel te meer zoo die behoefte nog maar flaauw is, +en het nieuwe, dat wordt aanbevolen, voor die massas nog te verheven +is. De geschiktheid van het oude voor bijzonderheden van den bestaanden +toestand en de ongeschiktheid van het nieuwe hiervoor, verklaren de +inertie dier massas, en ten gevolge hiervan worden die hervormers, +meestal bekwame personen, maar die weinig te verliezen hebben, gehouden +voor lastige menschen en onpraktische warhoofden, goed om te worden +verwaarloosd. Komen deze nu in aanraking met magthebbende personen, +wier positie aan den ouden stand van zaken verbonden is, zoo wordt +de zaak erger voor hen, althans zoo men vervolging erger kan noemen +dan voor anderen vruchteloos te arbeiden. Al komen zulke magthebbenden +niet tegen beter weten in veel te kort in de vervulling der eischen van +hunne positie, al zijn het dus geen slechte menschen, zoo zullen zij, +door overdrijving der bezwaren der verandering, door gehechtheid aan +hunne wijze van zien, door gekwetste ijdelheid, al ligt er toe komen om +die hervormers voor monsters en vijanden van het heil der maatschappij +te houden, en hen, wanneer de stand van beschaving en de wetten dit +veroorloven, naar het schavot zenden. Dit in aanmerking nemende, zoo is +het gemakkelijk te verklaren hoe de Atheners, zonder te meenen onregt +te plegen, Socrates konden ter dood veroordeelen, omdat hij beticht +werd de jeugd tot ongeloof en zedeloosheid te verleiden. [66] Wat nu is +de oorzaak dier verkeerde oordeelvellingen en van het verwonderlijke +verschil in appreciatie der waarde van zaken door de menschen? Niets +anders dan de verandering der wereldsche zaken, waardoor, wegens +de werking der traagheid, bij verandering van eene zaak, niet al de +andere direct eene overeenkomstige verandering ondergaan en zich er +naar schikken, maar op verschillende hoogten staan, zie Noot blz. 69, +en voorts het verschil in werking der traagheid niet alleen bij +onderscheidene menschen, naar gelang van hun karakter, beelding, +antecedenten en positie, maar ook bij denzelfden mensch bij de +verschillende zaken, waarmede hij zich bezig houdt. + +Zoo zal bijv. een geleerde, de vader der nieuwste ontdekkingen op +het gebied van eenige wetenschap, in zijne kleeding de mode van voor +twintig jaren volgen, ofschoon hij volstrekt niet overtuigd is, dat +deze doelmatiger dan de thans bestaande is, en eenig ander mensch +hevig liberaal, maar tevens voorstander zijn van classieke studiën +voor regtsgeleerden en sterrekundigen zijn, omdat het toeval hem +rector gemaakt heeft. + +Eene constante oorzaak (bij het voorbeeld van blz. 132 de doorloopende +orde tot opsluiting zijnde) tracht echter, wanneer bij iemand, of bij +eenige maatschappij verschillende zaken op ongelijke hoogte staan, +deze in hoogtestand naar elkander te trekken. Zoo is het bijv. niet +aan het toeval te wijten, dat thans de geestelijken eene ouderwetsche +kleeding dragen en gehecht zijn aan de klassieke studiën. + +Bij zwakke verandering der maatschappelijke toestanden, meeningen +en behoeften zal men daarentegen bij instellingen geene groote +ongeschiktheid van het een voor het ander en evenmin groote verschillen +in opinie bij de menschen, ten gevolge van bovengemelde werking der +traagheid, waardoor zie blz. 119 de kritiek met betrekking tot de +vorming van nieuwe opiniën ten achteren blijft, bespeuren. + +Tusschen den mensch van genie van heden en den gewonen mensch +van lateren hoogeren trap van beschaving, wiens toename in +geestontwikkeling door uitgebreider onderwijs en zelfs zie blz. 199 +door den ligchamelijken invloed zijner ouders meer begunstigd is dan +die zijner voorzaten, bestaat het verschil, dat gene betrekkelijk zijne +tijdgenooten in eene soort van geestontwikkeling kan uitmunten, waarvan +later weinig werk wordt gemaakt zie blz. 67, en waarin dus zijne +niet geniale nakomelingen hem niet evenaren, ofschoon deze in andere +soorten van geestontwikkeling hem zullen overtreffen. Desniettemin +kan men zeggen, dat in zeker opzigt, vooral de in het algemeen geniale +mensch van heden, vertoont wat de gewone mensch in de verre toekomst +zal zijn, en dat hetgeen hij voor zich (niet voor zijne tijdgenooten) +op maatschappelijk en religieus gebied geschikt acht, in de toekomst +bij hoogeren trap van beschaving eenmaal zal bestaan. Beide zullen zie +blz. 84 gebrekkiger dan den gewonen mensch van heden aan de door hen +gestelde levenseischen voldoen, sneller dan dezen voorwaarts schrijden +op de baan der geestontwikkeling, en beter dan dezen begrijpen hoeveel +er voor den individuelen mensch te leeren valt, en welke kennis hunne +nakomelingschap zal kunnen opdoen. Van den in kennis boven zijne +tijdgenooten verheven mensch, wordt vaak de leering, van den hen +zedelijk overtreffenden mensch, de beweegredenen zijner handelingen +gebrekkig begrepen. Beide nu moeten binnen zekere grenzen trachten zich +geschikt te maken voor hunne omgeving, de eerste door zich door deze te +doen begrijpen, de tweede door de verdediging zijner regten minder aan +de hoede der maatschappij over te laten en haar meer op zich te nemen. + +Hiervoor behoeft men echter zijne toeneming in intellectuele +en zedelijke ontwikkeling slechts te wijzigen, zonder haar te +verzwakken. Zoo men toch minder tijd wijdt aan het opdoen van kennis, +ten einde pligten jegens anderen te vervullen, zal men zijne zedelijke +ontwikkeling bevorderen, en zoo men zich sterk tracht te maken, ten +einde zijne belangen beter te verdedigen en geene vergevingsgezindheid +en onbaatzuchtigheid betoont waar misbruik van gemaakt zou worden, +zijne intellectuele ontwikkeling begunstigen. + +Verder mag men evenwel naar ons inzien niet gaan, en aldus niet +zeggen, ik zal die kennis niet opdoen, omdat ik haar niet ten volle +aan anderen kan mededeelen, ik zal mij niet meer zedelijk veredelen, +omdat anderen hierdoor slechts weinig gebaat zouden worden. Zulk eene +nuttigheidsleer zou slechts kunnen opgaan zoo de menschen uiterst +innig met elkander verbonden en alsware geestelijk zamengesmolten +waren, zoo er een geestelijk communisme bestond. + +Even als de door de regtbanken opgelegde en tot afschrikking +dienende straffen, zooveel mogelijk aan de zedelijke verheffing der +veroordeelden dienstbaar gemaakt worden, zoo moet een ieder, zooals +hierboven gezegd is, de verhooging zijner geestelijke ontwikkeling +zooveel mogelijk dienstbaar trachten te maken aan het heil zijner +medemenschen. Dit nu wordt door hen, welke zich aan het zoogenaamde +comtemplatieve leven wijden, verzuimd, doch dit leven kan voor die +personen zelve even heilzaam zijn als eene de veroordeelden niet +zedelijk opheffende straf voor de maatschappij. + +Het verzuimen van lagere soorten van geestontwikkeling, ten einde +zijn leven toe te wijden aan vergrooting van meer verhevene soorten +er van, was primitief het doel van het kloosterleven, en zoo iets +kan niet ten allen tijde geschieden, zonder zich van de maatschappij +af te zonderen. De vergrooting der geestelijke ontwikkeling dier +maatschappij, zijn eigen persoon hier in begrepen, zooveel mogelijk +bevorderen, behoort een ieders streven te zijn, doch om (zooals op +blz. 85 gezegd is) de geschiktheid dier maatschappij voor het aardsche +te paren aan haren geestelijken vooruitgang, dient die vergrooting +niet alleen bij de hoogste ons bekende soort, maar ook bij lagere +soorten van geestontwikkeling (waarvan op blz. 67 gesproken is) +plaats te hebben. Alles komt toch neder op gedachten. + +Onjuist komt ons voor Göthes epicuristische stelling, dat men gedurende +zijn leven de som der aangename en verstandige gedachten zoo groot +mogelijk moet trachten te maken. Deze stelling zou passen voor wezens, +individueel in geen phase van vooruitgang zijnde. De eischen hiervan +maken (zie blz. 84) dat men zich dikwijls onaangename en bezwarende +gedachten moet opleggen. + +Wanneer bij eenig wezen de zedelijke ontwikkeling hooger staat dan +de intellectuele, zal gene verlagen door onwetendheid en gebrek +aan kracht, terwijl in het omgekeerde geval, de intellectuele +ontwikkeling door toegeving aan hartstogten zal verlaagd worden. Op +den langen duur kunnen beide soorten van geestontwikkeling niet op +verschillende hoogten blijven staan, en van daar dat de genius van +het kwaad, bestendig eene hooge intellectuele aan eene zeer lage +morele ontwikkeling parende, niet slechts een niet bestaand, maar +zelfs een onbestaanbaar wezen is. Het kwaad bezit steeds het karakter +van dierlijkheid, zwakheid of bekrompenheid. Hij die bijv. zelfs ter +bereiking van een goed en groot doel (zooals bijv. het daarstellen van +een deels meer geschikten, deels meer geavanceerden maatschappelijken +toestand) slechte middelen aanwendt, handelt bekrompen, daar hij weinig +vertrouwen in zijn talent schijnt te stellen en een gebouw op zwakke +grondslagen sticht. Even als het afbreken veel gemakkelijker dan het +opbouwen is, zoo is het benadeelen en bedriegen van een ander veel +gemakkelijker dan het met hem zamenwerken ter bevordering van zijn +heil. Hiervoor wordt meer menschenkennis en overleg gevorderd dan voor +het bedriegen, waarbij men met eene lage soort van geestontwikkeling, +ook bij de roofdieren bestaande, kan volstaan. Deze kunnen toch +goed onderscheiden welk dier zij aan en welk zij niet aan kunnen, +zich in hinderlagen leggen en hunne prooi onverwachts bespringen, +doch wat zij slechts op eene zeer beperkte schaal kunnen doen is met +elkander zamenwerken. Zoo iemand door kwaad te doen, zijne zedelijke +ontwikkeling betrekkelijk die der andere menschen verlaagt, trachten +de door deze opgelegde straffen hem te verlagen, en omgekeerd, na +het plegen van goede daden, de ontvangen loonen hem in eene hoogere +positie te plaatsen. De menschelijke vergelding strekt dus niet alleen, +om door afschrikking en aanmoediging de zedelijke ontwikkeling der +menschen te verhoogen, maar tevens om deze in voor hen geschiktere +toestanden te brengen, door een ieder digter bij de plaats te brengen, +waarop de hoogte zijner geestelijke ontwikkeling hem aanspraak geeft. + +Overigens loonen en straffen de menschen slechts voor zoo verre hen +door iemand goed of kwaad gedaan wordt. De verhooging of verlaging der +zedelijke ontwikkeling van een persoon, gevolgen zijner daden, bestaan +naast die loonen en straffen, zijner niet steeds mede evenredig, +worden er meer of minder door geinfluenceerd en zijn sterker en +duurzamer, naarmate de zelfbewustheid der menschen grooter is. Tegelijk +hiermede moet het bewustzijn der morele verhooging of verlaging, bij +de menschen sterker wordende, deze meer wéérhouden om anderen kwaad +of te kort en meer dringen om anderen goed te doen. Werden de eischen +van het maatschappelijke en zedelijke bestaan der menschen alsdan +niet hooger, zoo zouden de menschen zeldzamer door anderen te kort +gedaan en menigvuldiger goed bejegend worden, dit kwaad en dit goed +minder geteld en menschelijke straf en loon zwakker worden [67]. Men +ziet aldus hoe wenschelijk het is, dat de menschen hunne zedelijke +verlaging of verhooging ten gevolge hunner slechte of goede daden, +groot en duurzaam voorstellen, en hoe is dit nu mogelijk, zoo zij +haar bij het einde van hun aardsche leven stellen op te houden? De +voorstelling der zedelijke verhooging of verlaging van den mensch +na den dood is thans bij de massas nog kinderlijk, daar zij is die +van opgelegd menschelijk loon of straf, doch verdween zij bij die +massas, zoo zouden deze betrekkelijk wat slechter worden, hierdoor +de eischen van hun maatschappelijk en zedelijk bestaan verlagen, en +dit successivelijk voort gaan, tot dat het menschdom zou dalen tot +op het standpunt dier wilde volken wier zelfbewustheid zoo gering en +wier zinnelijkheid zoo groot is, dat zij zich nog hoegenaamd geene +voorstelling van een toekomstig leven kunnen vormen. De atheïsten +door redenering zouden aldus van lieverlede atheïsten uit onwetendheid +zijn geworden, of is het niet waar, dat bij den mensch alles zich op +dezelfde hoogte tracht te stellen, en dat, zoo aldus iets bij hem op +een zeer laag standpunt te houden was, al het ander van lieverlede op +een even laag standpunt zou komen? Hij die zoo iets ontkent, kent de +natuurwet der geschiktwording van het een voor het ander niet. Of zou +men denken, dat, zoo het mogelijk ware dat de menschen steeds naakt +gingen loopen, en hunne dierlijke lusten in het publiek dan met deze en +dan met gene gingen voldoen, kunsten en wetenschappen nog lang zonden +bloeijen? Apen zouden zulke menschen worden, apen in ligchaamsvorm, +in intellectuele en zedelijke ontwikkeling, in levenswijze. + +Dit onverzettelijk zeer laag houden van een factor der ontwikkeling +van eenig wezen, betrekkelijk de andere factoren, is echter op den +duur onmogelijk, daar niet slechts alles in hoogte elkander tracht +te naderen, maar bij dit alles een drang tot vooruitgang bestaat. + +Door dien vooruitgang worden de wezens magtiger, en streven zij sterker +dan hunne gelijken voorwaarts, zoo worden zij magtiger dan deze. + +De menschen bezitten eene zucht hiernaar, doch trachten zij macht te +verkrijgen, niet door vergrooting hunner intellectuele en morele +ontwikkeling onder gestadige inspanning, maar ten koste dezer +laatste soort van geestontwikkeling, zoo worden zij eene prooi hunner +hartstogten en zinnelijkheid, en het gebouw hunner magt valt weldra +ineen. Zinnebeeldig heeft men zoo iets voorgesteld door verbonden van +naar magt en grootheid hunkerende menschen met den booze, en het geloof +aan tooverij heeft geen anderen oorsprong. De toovenaars toch werden +beschouwd magt verkregen te hebben door onwettige middelen, terwijl +godsdienst en vroomheid als de wettige middelen beschouwd werden, en de +maatschappij, zich door de toovenaars benadeeld achtende, strafte deze. + +De toovenaars zijn verdwenen, doch waarop berust thans veler ephemere +grootheid? Op intrigue, op bedrog en opligterij, en hunne weelde +en saturnaliën duiden genoegzaam den onwettigen oorsprong dier magt +aan. Hoogere intellectuele ontwikkeling maakt, dat men meer bespeurt, +welke voordeelen in het heden misdaden te weeg kunnen brengen, +en beter de middelen weet te vinden om deze te volvoeren. Vandaar +dat, ofschoon de menschen gedurende hun leven gemiddeld absoluut +in zedelijke ontwikkeling toenemen, in het oog loopende misdaden, +zie blz. 72 niet meer door jonge lieden dan door oudere van dagen +gepleegd worden. + +Dat menschen in beschaving toenemen en absoluut moreel slechter worden, +gebeurt somtijds en naar ons inzien door dat zij dan aan qualitatief +lagere eischen van zedelijkheid minder gaan voldoen, en zulks nog +vrij slecht aan qualitatief hoogere doen. Dit kan vergeleken worden +met het slecht schieten door een wilde, die afgeleerd heeft om met +den boog om te gaan, maar nog niet goed met vuurwapens overweg kan, +alsmede met het ongeloof van hen die hunne voorvaderlijke godsdienst +ontgroeit, maar nog slechts gebrekkig eene meer verhevene godsdienst +aangenomen hebben. Dit verschijnsel is echter bij de menschen in +beschaving toenemende slechts tijdelijk. + +Bij vergrooting zijner intellectuele ontwikkeling verkrijgt de mensch +een dieperen blik in verschijnselen op stoffelijk en geestelijk +gebied meer vreemd zijnde aan die onder het directe bereik zijner +waarneming gelegen, zoo wegens derzelver aard als wegens het plaats +hebben er van in verder verleden of toekomst. Hij verkrijgt aldus dan +kennis van alsware sterker buitenzinnelijke zaken, van zaken welke +een meer algemeen karakter bezitten, dan de het gevolg er van zijnde +bijzonderheden die hij direct waarneemt; in een woord een wijderen +blik in tijd en ruimte, zoo men die laatste uitdrukking niet slechts +volgens de letter, maar tevens in figuurlijken zin opneemt. Bij +vergrooting der zedelijke ontwikkeling verkrijgt de mensen liefde +(uit met zekere eigenschappen begiftigde denkbeelden bestaande) +voor wezens sterker van hem onderscheiden, en dus in figuurlijken +zin in de ruimte verder van hem verwijderd, voor belangen dier wezens +verder in de toekomst verscholen, en van een meer verborgen en meer +algemeenen aard zijnde dan die welke direct onder het bereik zijner +waarneming vallen. Zijne liefde dringt aldus dan door tot meer +buitenzinnelijke zaken, tot verder in ruimte en tijd. Naarmate de +zedelijke ontwikkeling grooter wordt, veranderen de er bij behoorende +denkbeelden, door verhevener en dieper te worden, op dezelfde wijze van +karakter als die der intellectuele ontwikkeling. [68] Er moet aldus +eene constante oorzaak bestaan beide soorten van geestontwikkeling, +door te trachten hen op gelijke hoogte te stellen, een overeenkomstig +karakter trachtende te geven. + +Aldus bestaat bij een hoog intellectueel ontwikkeld mensch, een ver +en diep ziende geest parende aan groote wijsgeerige kennis, en zich +verheffende boven het heden en de omgeving, een drang om opofferingen +in het heden ligt te tellen, om niet een alles aan zijn eigen en +oogenblikkelijk belang opofferend bekrompen egoïst te blijven en om +door de ruimte van zijn blik, tot regtvaardigheid geleid te worden. Hij +die daarentegen zeer van hem onderscheiden wezens en ver in de toekomst +verscholen belangen met zijne liefde bereikt, moet daarentegen +klaarblijkelijk geleid worden om zich bekend te maken met den aard +van hetgeen in tijd en ruimte (ook in figuurlijken zin opgevat) ver +van hem gelegen is. Kan men bijv. deelneming in vreemdelingen stellen +en onverschillig blijven voor hun ganschen zijn en alles wat daarop +betrekking heeft, en moet omgekeerd de kennis hiervan niet leiden +tot deelneming voor zulke personen. Het spreekwoord zegt "onbekend +maakt onbemind," maar evenzeer moet onbemind onbekend houden. + +De godsdienstbegrippen moeten van die vergrooting der intellectuele +en zedelijke ontwikkeling de gevolgen en het doel aangeven, tevens +deel uitmaken dier intellectuele ontwikkeling, en op dezelfde wijze +als derzelver andere deelen verkregen worden. Onze voorstellingen der +daden van andere menschen vergelijken wij bijv. met de voorstellingen +onzer eigen daden en uit de overeenkomst van beide, leiden wij +af dat zij gelijkslachtige oorzaken moeten bezitten, en dat aldus +andere menschen even als wij denken. Die denking van andere wezens +behoort echter reeds met alles wat ligt buiten de voorstellingen +door de zintuigelijke indrukken teweeggebragt, tot het gebied van +het buitenzinnelijke, en niettemin verkeeren wij daaromtrent niet +in onzekerheid. Bij hoogeren graad van geestontwikkeling gaat men +echter vragen of een oester denkt, iets dat insgelijks uit de door +dit dier verrigt wordende daden moet opgemaakt worden. Zekerheid +bestaat hierbij niet, doch het is vrij waarschijnlijk, dat de oesters +wel denken, maar andere denkvormen bezitten als de menschen. Moet nu +uit hetgeen wij opmerken, dat in de stoffelijke en zedelijke wereld +plaats heeft, zonder dat de eigen denking van menschen of dieren +daarvan de oorzaak kan zijn, de menschen niet evenzoo leiden om na te +gaan of die verschijnselen al dan niet denking tot oorzaak hebben, +of hiermede vergezeld gaan, een vraagstuk waarbij men, door middel +van op zinnelijke waarnemingen gebouwde redeneringen, komt tot de +vaststelling van iets dieper op buitenzinnelijk gebied gelegen dan +de denking van andere menschen. Bestaat er een anderen weg om tot de +kennis van het Oerwezen te komen? Naar ons inzien neen, en dat die +kennis zoo gebrekkig is, spruit naar ons inzien alleen voort uit de +disharmonie tusschen onze denkbeelden over buitenzinnelijke zaken +en die door de zintuigelijke indrukken teweeggebragt. Wanneer de +geestontwikkeling van wezens sedert lang slechts zeer langzaam aan +het toenemen is, moet de laatste soort van denkbeelden zeer nabij +in hoogte gelijk staan met de eerste, even als, bij eenigen dwang +tot opsluiting, een mensch, zeer ver voor een ander uitgaande, na +sedert zeer lang zeer langzaam geloopen te hebben, door deze bijna +ingehaald moet worden. Op blz. 80 hebben wij aangegeven hoe, wanneer +de geestontwikkeling van een wezen toeneemt, deszelfs ligchaam in +figuurlijken zin omhoog getrokken wordt; en aldus hierbij, hetzij door +eigen, of wel door kunstmatige hulpmiddelen, het veld der zintuigelijke +waarneming vergroot. Dat er hiervoor op deze aarde een grens bestaat, +bewijst dat wezens, welke zelfs rudimentaire denkbeelden over het +buitenzinnelijke en oneindige verkregen hebben, omdat die denkbeelden +door middel van zintuigelijke waarneming en directe ervaring op deze +aarde niet tot volle zekerheid en klaarheid kunnen komen, van eene +natuur zijn, dat zij er slechts tijdelijk op kunnen wonen. + +Een hersenschimmige, ongevallen en ligchamelijk onsterfelijk gebleven +Adam zou, sedert uiterst langen tijd in geestontwikkeling niet +toegenomen zijnde, slechts denkbeelden kunnen bezitten door directe +ervaring en zintuigelijke waarneming zeer nabij ten volle bevestigd, +en zijn geest alsware een aardsch product zijn. In sommige opzigten +zou hij aldus lager dan de laagst ontwikkelde onzer, en niettemin +hooger staan dan een slechts kortstondig op deze aarde levend, maar +overigens zijne geestelijke natuur bezittend wezen. Zoo bijv. een +leerling al zijne denkbeelden van zijn onderwijzer bekomt, zal hij, +uiterst lang onderwijs genietende, eindelijk bijna even bekwaam als +dien onderwijzer en klaarblijkelijk bekwamer dan na het kortstondig +genieten van zulk onderwijs zijn. Ook in dit laatste geval zou aldus +de leerling een product zijn van zijn onderwijzer, even als onze geest +een der aarde, zoo hij zich niet, even als de vogels boven den bodem, +boven de aardsche ervaring wist te verheffen. + +Ons gemis aan volmaakte juiste en klare bevatting, van hetgeen wij op +buitenzinnelijk gebied en betreffende het oneindige stellen, is echter +niet oneindig groot, want alsdan zouden wij, evenmin als de dieren, +zulke stellingen kunnen maken, en veler onzer niet kunnen wanen, +dat bij hen dit gemis niet noemenswaardig bestaat. De grootte hiervan +kan aldus bij ons menschen, zie fig. blz. 207 niet door de oneindige +hoogte der assijmptoot al der kromme a b c uitgedrukt worden. Zij +zal dit integendeel voor onbeschaafde, bewoners dezer aarde door de +ordinaat i h en voor beschaafde door de ordinaat f b gedaan worden; +terwijl de kromme a b c, voorbij c uiterst ver verlengd gedacht, +aldaar uiterst kleine ordinaten bezitten zal. + +Het op blz. 223 gemelde geldt ook voor het verkrijgen der kennis van +het werelddoel en van 's menschen bestemming. Zoo wij ons bijv. een +vroeger leven, op een anderen hemelbol doorgebragt, konden herinneren, +zouden wij slechts door directe ervaring weten, dat de ziel het leven +van ééne soort van er aan annex geweest zijnde ligchaam kan overleven, +maar volstrekt niet dat die ziel gedurende eene eeuwigheid voor eene +steeds gemiddeld vergrootende ontwikkeling bestemd is. Dit laatste +zou eene stelling op buitenzinnelijk gebied blijven, en buitendien +bedenke men, dat de graad van wetenschap, door middel van directe +ervaring te bekomen, geheel afhangt van den graad der intellectuele +geestontwikkeling. + +De stelling der oneindigheid en onveranderlijkheid van het Opperwezen, +benevens het voorschrift, dat men voor ieder mensch evenveel liefde als +voor zich zelf moet gevoelen, iets (eerst geschikt wordende tijdens de +op blz. 211 gemelde volkomene zamensmelting der wezens) zijn, wegens +derzelver ongeschiktheid voor ons veranderlijke, betrekkelijk laag +geestelijk ontwikkelde en weinig met elkander zamenwerkende menschen, +bijna geheel doode letters gebleven [69]. Het Opperwezen heeft men +vermenschelijkt en tot eene Voorzienigheid en liefderijken Vader +gemaakt, en als leiddraad voor liet practische leven zooeven gemeld +voorschrift vervangen door het overal bekende, dat men een ander +niet mag doen, hetgeen men wenscht dat ons niet gedaan worde. Dit +laatste voorschrift heeft het voordeel, dat het voor alle trappen +van geestontwikkeling geschikt is, zoodat bijv. een Indiaan, zeer +weinig medelijden van een overwinnaar vorderende, er weinig aan te +kort zal doen, wanneer hij door hem verslagen vijanden op eene wreede +wijze behandelt. + +Met de hierboven gemelde stellingen kan vergeleken worden die op +politiek gebied, dat eene de gansche menschheid omvattende republiek +de eenigste absoluut zuiver rationele regeringsvorm is. Als men nu +nagaat hoe, bij toeneming der beschaving, de staten steeds grootere +groepen gaan vormen en in aantal verminderen, en de menschen meer +cosmopolietisch worden, meer eerbied verkrijgen voor krachtens de wet +uitgeoefend gezag en meer gezind worden om met elkander zamentewerken, +zoo zullen zij, die begrijpen welke ontzettende veranderingen geringe +constante oorzaken, gedurende eene reeks van eeuwen werkzaam, kunnen +voortbrengen, moeten toegeven, dat, zoo de aardkorst lang genoeg voor +wezens van eene geestontwikkeling, hooger dan die wij thans menschen +bezitten, bewoonbaar blijft; de thans voor de behoeften van het +menschdom geheel ongeschikte, of anders gezegd alle praktische waarde +missende universele republiek eenmaal eene werkelijkheid zal worden. + +Uit hetgeen op blz. 223 gezegd is, blijkt, dat der menschen stellingen +op buitenzinnelijk gebied, waarin hunne godsdienstbegrippen (voor +zoo verre deze niet, zie blz. 108 de vruchten van het toeval, +of der op de verbeelding werkende hartstogten zijn) bevat zijn, +de uitkomsten van redeneringen, van de ervaring uitgaande, moeten +zijn. Zij hebben dit gemeen met al onze wetenschappelijke kennis, +en slechts kunnen zij minder dan vele der uitkomsten op het gebied +van wetenschappen, zooals de zoölogie, chemie, astronomie, enz. door +de ervaring gecontroleerd worden. Wij zeggen dan vele, want bijv. wie +kan door zintuigelijke waarnemingen bewijzen, dat de ether de eenige +absoluut enkelvoudige stof is, dat de aarde eene voorbij de maan +reikende dampmassa geweest is, dat dieren van af de laagst ontwikkelde +tot menschen opgeklommen zijn? Deze laatste hypothese, althans voor +dat zij door de jongste onderzoekingen der fossilen eene nog zeer +onzekere bevestiging verkregen had, tot het gebied van het weten en +de stelling, dat de ziel gedurende den grootst eindigende lijd voor +eene gemiddelde toename in ontwikkeling bestemd is, tot het gebied +van iets, dat men geloof noemt, te rangschikken, achten wij ongerijmd. + +Men is echter hiertoe gekomen, omdat men voor de zedelijkheid en +het geluk der menschen het voor waar houden dier laatste stelling +noodzakelijk achtte en die der eerste, ofschoon ten onregte, voor +verderfelijk achtte, zie blz. 150 [70]. + +Die noodzakelijkheid dient echter in iets haren grond te hebben, en +waarin anders kan dit zijn, dan in den aard en werking of denking +onzer ziel, zooals wij die gedurende dit leven waarnemen, en die +wij tot voorwerp van bespiegelingen kunnen maken, namelijk van +wetenschappelijke bespiegelingen, waarin de werking der natuurwetten +op stoffelijk en geestelijk gebied nagegaan wordt, en welke aldus aan +'s menschen ontwikkeld verstand gerigt zijn. + +De kennis, welke wij op lateren leeftijd bezitten, is de vrucht +van hetgeen wij tijdens onze jeugd en later geleerd hebben, en de +toepassing er van verklaart het doel van dit leeren. Evenzoo moeten +de godsdienstbegrippen de vruchten zijn der toename in intellectuele +ontwikkeling en in wijsbegeerte, en tevens verklaren het doel waartoe +de verhooging onzer geestelijke ontwikkeling dient. Zij behooren aldus +een voornaam deel uit te maken van der menschen wijsgeerige kennis, +en in verband gebragt te worden met de overige deelen hiervan. Onder +wijsgeerige kennis verstaan wij die der werkingen der natuurwetten +op stoffelijk en geestelijk gebied, dat is op het gebied van het +absolute Al, waaronder het oneindige en onveranderlijke Oerwezen ook +begrepen is. Dit boven die wetten te stellen, zou slechts zijn het te +stellen te zijn onder andere meer primitieve natuurwetten, waarvan +die wij trachten op te sporen, (aldus dan eigenlijk niet de ware +onveranderlijke wetten van het Al), de producten zouden zijn. Stelt +men bijv. de zwaartekrachtswet is eenmaal ingesteld, zoo kan men +vragen, volgens welke wetten bewogen zich vroeger de ligchamen, +en hebben die bewegingen zich tijdens die instelling zoo gewijzigd, +dat zij thans juist geschieden als volgens de vermeende natuurwet der +algemeene aantrekking plaats moet hebben. Ware die stelling juist, +zoo zouden er aldus niettemin nimmer ingestelde natuurwetten bestaan, +maar deze slechts zamengestelder zijn dan de naturalisten met grond +vermeenen, dat zij zijn. Men kan aan niets hoegenaamd zekere natuur +toeschrijven, of men bepaalt tevens, zonder hiervan bewust te zijn, +dat die natuur het product der werking van zekere onveranderlijke +wetten is, en zegt men dit wezen, aan wie ik die natuur toeschrijf, +kan in strijd hiermede en met die wetten handelen, zoo bekent men +tegelijk, dat dit wezen eene andere meer zamengestelde natuur; door +andere meer primitieve wetten beheerscht, dan die men gesteld heeft, +bezit. Met de noodwendige aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen +verkeert men precies in hetzelfde geval. Steeds moet men ze aannemen, +doch van zekere feiten kan de eene mensch dit en de ander iets anders +de noodzakelijke oorzaak stellen te zijn. + +Het is aldus klaar, dat de godsdienstbegrippen niet alleen niet in +strijd met de wetenschap, maar tevens in harmonisch verband met het +wijsgeerige deel daarvan moeten zijn, iets dat thans bij die van vele +onzer het geval niet is, en maakt dat hunne godsdienstbegrippen uit de +plaatsen, waar de wetenschap moet heerschen, als belemmerend verbannen +worden. Dit gebrek aan overeenstemming moet noodwendig ontstaan, zoo +men tracht met die begrippen slechts op eene pietistische wijze te +voldoen aan het gemoedsgevoel, de zucht naar regt, de menschelijke +kortzigtigheid, in een woord aan eenige hartstogten en te bevreesd +en te traag is om hen te zuiveren en opwaarts te drijven. + +Het gevolg daarvan is, dat (zie blz. 74) de geest van ontkenning +het hoofd opsteekt, omdat verscheidene (zooals bijv. de +zoogenaamde materialisten) ziende dien verwarden toestand van +den Gordiaansche knoop, dezen liever doorhakken dan ontwarren, +en, wars van de kinderlijke oplossingen van het vraagstuk van het +werelddoel, het bestaan hiervan ontkennen. Zij doen dit bezield +met eene overtuiging, waarachter hen onbewust veel moedeloosheid, +beperktheid en eenzijdigheid van opvatting schuilt, en zijn nuttig als +critisie. Terwijl de Deïsten van het gehalte van Martinet en Uilkens +alles in het Heelal goed vinden, en slechts der menschengeest en +diens werken onvolmaakt en gebrekkig achten, houden de Materialisten +er voor, dat er nergens doel bestaat dan in het menschelijke brein +en bij de menschelijke werken, zoodat en voor gemelde Deïsten en voor +de Materialisten de menschen en in zwakkere mate ook de dieren (want +ook deze toch dwalen en houden zeker doel voor oogen), voor zoo verre +hunne denking en hetgeen daaruit voortspruit betreft, wanklanken en +raadsels in de Natuur zijn, voor gene wegens hunne onvolmaaktheid, +voor de Materialisten, omdat, volgens deze, bij hen alléén denking +en doel bestaat. + + + + + + +BESCHOUWINGEN OVER DE DRIE ALGEMEENE NATUURWETTEN EN EENIGE ANDERE +HIERMEDE IN VERBAND ZIJNDE ZAKEN. + + +Men kan zich voorstellen, dat bij een onveranderlijken toestand van +zaken iets volmaakt geschikt is voor eenig zamengesteld doel, doch +onmogelijk kan iets bij een veranderlijken toestand van zaken tegelijk +volmaakt geschikt voor twee of meer in verschillende omstandigheden +voorkomende doelen. Zoo kan bijv. geen geweer met bajonet tegelijk zeer +geschikt zijn om dan te schieten en dan te steken. In het eerste geval +zal het bij de lans en in het tweede bij het geweer zonder bajonet ten +achteren staan. Bij verandering van omstandigheden maakt de werking +der traagheid dat dergelijke zaken niet genoegzaam snel en sterk +gewijzigd worden, om hen dan voor het eene en dan voor het andere doel +zeer geschikt te maken. Bestond er toch geene traagheid, zoo zouden +in een oogwenk de grootste metamorphosen mogelijk worden. Wegens haar +bestaan kan bijv. de Natuur geen dierlijk ligchaam zeer geschikt maken, +om dan op de vaste aarde te leven en dan te vliegen, en daar nu op den +vasten bodem er meer zamengestelde wijzen van leven kunnen bestaan dan +in de lucht, zoo zijn het niet de vogels welke de hoogst ontwikkelde +wezens dezer aarde zijn. Hiermede stemt overeen, dat in het algemeen +communicatie middelen over land, welke de reizenden steeds in contact +met de woonplaatsen der menschen doen blijven, en aldus bij hoogere +standen van beschaving, waarbij de behoefte aan gedurig contact van +veel menschen grooter wordt, meer gezocht zullen zijn dan die over +water, alsware hooger dan deze staan. Het vervoer op een kunstweg +met wagens staat bijv. hooger dan dat met schuiten op eene rivier. + +Zoo de levensomstandigheden van eenig dier gedurende deszelfs leven +veranderen, zal er bij deszelfs organisatie en zeker vermogen ontstaan +om ook wat te veranderen en wel door inwendigen drang, te vergelijken +met den op blz. 28 gemelden locomotief, zoo de uitwendige drang, +door de levensomstandigheden teweeggebragt, met het aldaar gemelde +paard vergeleken wordt. Zoo bezitten wij bijv. een inwendigen drang +om achtervolgens gedurende eenige uren te slapen en dan gedurende +eenige uren te waken. Die drang is gewis ontstaan ten gevolge der +impulsie der verandering der uitwendige omstandigheden gedurende +het etmaal. Men kan bijv. geen mensch van zijne geboorte af wennen +om achtervolgens eene maand lang te slapen en dan eene maand lang +te waken, en evenmin om het een en ander om de minuut te doen, en +veranderden die omstandigheden gedurende elk etmaal niet, zoo zouden +welligt onze hersenen en ledematen, evenmin als thans ons hart, een +alternatieven toestand van inspanning en rust noodig hebben. Kan echter +dit vermogen tot periodieke verandering onzer organisatie deze, zooals +wij op blz. 23 en 196 beweerd hebben, even goed dan voor werkzaamheid +en dan voor rust geschikt maken, als de oorzaak van geschiktwording +van blz. 7 zulks voor onveranderlijke omstandigheden kan doen? Naar +ons inzien neen, omdat het niet uit gebrek aan tijd bij alle deelen +van het ligchaam de werking der traagheid hiervoor genoegzaam kan +overwinnen. Bij de werking van hart en maag geschiedt die periodieke +verandering bijv. slechts in zwakke mate, en de rust gedurende +den slaap moet hierdoor minder volkomen worden. Trouwens, wanneer +dit vermogen meer tijd heeft, om de neiging der ligchaamsdeelen, +om in beweging te zijn, te overwinnen, doet het zulks ook, zooals +bijv. bij den winterslaap van sommige dieren. De op blz. 7 gemelde +oorzaak van geschiktmaking neemt in die gevallen een middenweg. Zoo +zij dit vermogen tot verandering der organisatie van het ligchaam +te groot maakte, zoo zij dit laatste ongeschikt voor het leven +maken, en deed zij dit vermogen te klein blijven, zoo zou zij het +ligchaam te onvatbaar maken om anders te zijn, wanneer de uitwendige +omstandigheden tot werkzaamheid, dan wanneer zij tot rust nopen. Een +inwendigen drang om binnen elk jaar eenmaal dikker en eenmaal dunner +haar te verkrijgen bezit de organisatie der zoogdieren niet. Worden +deze bijv. verplaatst naar klimaten, alwaar het des winters warm is, +zoo verkrijgen zij aldaar geen winterhaar; terwijl, naar de poolstreken +verplaatst, zij wel gedurende den aldaar maanden langen dag in slaap +vallen. Met betrekking tot die voorziening der dieren tegen de koude, +maakt de werking der traagheid dat de oorzaak van geschiktwording +hierbij in gebreke blijft. [71] Muizen en vogels lijden bijv. van +de winterkoude, terwijl het ijskoude water, waarin zij zich steeds +bewegen, de walvisschen waarschijnlijk niet hindert. Hunne organisatie +is hiervoor welligt nog beter ingerigt dan de levenswijze en woningen +der Javanen voor de warmte, waarvoor wij, omdat deze hier te lande +slechts kort aanhoudt, ons slechts vrij gebrekkig inrigten. + +Bij de organisatie van dieren bestaat er ook een inwendigen drang +om te veranderen met den ouderdom dezer dieren. Veranderingen bij +de uitwendige omstandigheden dier dieren gedurende hun leven hebben +welligt tot impulsie gediend voor het ontstaan van dien inwendigen +drang. Hiertoe behoort het groeijen, het sterker worden der dieren, +omdat dit gebeurt, al blijft de moeder het jong even zoo beschermen +en koesteren als vlak na de geboorte. Dit groeijen doet in zeker +opzigt de dieren geschikter worden voor de omstandigheden waarin zij +achtervolgens komen, doch brengt met zekere snelheid veranderingen +teweeg in derzelver organisatie, waarnaar deze, wegens de werking +der traagheid, zich niet in andere opzigten even snel kan voegen, +en kan hierdoor zelfs somtijds het ligchaam ongeschikter voor het +leven maken. De uit hunne krachten groeijende jongelieden strekken +tot voorbeeld hiervan. + +Onder de groote veranderingen der organisatie van dieren +gedurende hun leven, ten gevolge van innerlijken drang, behooren de +gedaante-verwisselingen van vele der lagere dieren. Veranderingen der +levensomstandigheden dier dieren gedurende de achtervolgende tijdperken +van hun leven zullen wel primitief de op blz. 7 gemelde oorzaak van +geschiktmaking geleid hebben om de organisatie dier dieren met dit +vermogen tot gedaante-verwisseling te begiftigen. Wèl kan, wanneer +eenige accidentele oorzaak de organisatie van eenig dier veranderd +heeft, dit zijne levenswijze hiernaar wat voegen, doch men heeft +bij die gedaante-verwisseling met een te algemeen verschijnsel te +doen, om aan te nemen, dat het de vrucht is van een toeval. Kinderen +kruipen en klauteren meer dan volwassen menschen, en denkt men zich +nu het menschelijke ligchaam op ongeveer het vijftiende jaar door +innerlijken drang eene verandering te ondergaan, waardoor het voor +kruipen en klauteren minder geschikt wordt, zoo heeft men iets dat te +vergelijken is met de gedaante-verwisseling der insecten, die, wegens +de werking der traagheid, bij latere generatien in verzwakkende mate +kan blijven bestaan, wanneer de veranderingen der levensomstandigheden +bij die generatien er niet meer de impulsie toegeven. Waarom moeten +nu de levensomstandigheden van vele der lagere dieren gedurende +derzelver jeugd anders zijn dan op lateren leeftijd? Wegens eene +overeenkomstige reden waarom de levensomstandigheden van kinderen, +niet slechts om zoo te zeggen quantitatief, maar tevens ook qualitatief +anders dan die der volwassenen gehouden worden, en dit niet enkel uit +een hygienisch oogpunt, maar tevens, omdat het doelmatig is, om zie +blz. 67 eerst lagere en later hoogere soorten van geestontwikkeling +te vergrooten. [72] Meestal veranderen de levensomstandigheden der +aan gedaante-verwisseling onderworpen dieren in verheffenden en +slechts bij uitzondering in verlagenden zin. In dit laatste geval +kunnen zulke dieren, even als op blz. 42 gezegd is, naar lagere +levensomstandigheden teruggedrongen zijn en de op blz. 7 gemelde +oorzaak hebben getracht hen hiervoor geschikt te maken. Het is echter +de vraag of die teruggang gedurende het leven van elk individu niet +meer schijnbaar dan wezenlijk is. + +Ten gevolge van den op blz. 231 gemelden innerlijken drang, groeijen +de hersens, onder omzetting in derzelver zelfstandigheid van het door +het ligchaam opgenomen voedsel. Was nu het denken eene functie der +hersens, zoo zou eten en groeijen hierbij de geestelijke ontwikkeling +even goed moeten doen toenemen, als de vorming en afleiding van zekere +stoffen bij andere ligchaamsdeelen zie blz. 197. De op blz. 7 gemelde +oorzaak van geschiktmaking der organisatie der levende wezens voor de +levensomstandigheden dezer laatste, heeft de pasgeboren kinderen veel +hulpeloozer dan de jongen der dieren gelaten, omdat de ouderlijke +hulp natuurlijke hulpmiddelen, voor die jongen noodzakelijk, voor +de kinderen overbodig, en dus in andere opzigten hinderlijk voor +deze heeft doen worden. Onze levensomstandigheden vorderen dat ons +ligchaam geschikt is voor zekere beweging, zoodat te groote inertie +er ongeschikt voor is. Van den anderen kant is eene inspanning, +waardoor het ligchaam veranderd wordt en bijv. de spierkracht toeneemt, +dit insgelijks, omdat, wegens de werking der traagheid, de bate der +voeding betrekkelijk die grooter wordende werkzaamheid ten achteren +blijft. Hoe langzaam men nu ook de vermeerdering der werkzaamheid van +kinderen maakt, steeds zullen deze aan zekere uitputting lijden, omdat +het vermogen voor die werkzaamheid dan ook wel toeneemt, maar steeds +wat te klein hiervoor blijft. Kon dit nu geweerd worden, door tegelijk +met de werkzaamheid de voeding te vergrooten, zoo zou de verandering +van het ligchaam, wegens de werking der traagheid, desniettemin op +de eene of andere wijze ongeschiktheid er bij baren. Wordt de voeding +versterkt, zoo zal, wegens de werking der traagheid, het profijt er van +voor het ligchaam er bij ten achteren blijven en dit door die voeding +lijden, en natuurlijk meer, zoo geene vergrooting der werkzaamheid +het profijt van het genomen voedsel betrekkelijk grooter doet worden. + +Uitputting moet van teruggang van spiersterkte onderscheiden worden, +het gelijkt hier evenmin op, als breken op wegsmelten, en als het +ligchaam van een grijsaard op dat van een nog zwak kind. + +Uniformiteit van omstandigheden leidt tot geschiktheid bij de in +die omstandigheden verkeerende wezens, omdat de op blz. 64 gemelde +ongeschiktheid barende werking der traagheid, dan weer weggenomen +wordt. Verscheidenheid van omstandigheden leidt daarentegen bij +zulke wezens tot ongeschiktheid, maar tevens tot vooruitgang. Het is +toch klaar dat wezens, dan in deze en dan in andere omstandigheden +verkeerende, al zijn deze van even verheven aard, door zich gedurig +voor een nieuwen toestand van zaken geschikt te willen maken en +hierin te willen dringen, tot grootere geestinspanning en aldus tot +eene grootere toeneming in geestontwikeling geleid zullen worden, dan +wezens, wie een veel meer beperkt veld van leering ten dienste staat, +door dat zij steeds in dezelfde omstandigheden verkeeren. Iemand +die reist, al zij het zelfs bij minder beschaafde natien, dan die +waartoe hij behoort, zal bijv. meer leeren dan een ander die te huis +blijft, mits beide zich met even gewigtige zaken bezighouden. Volken, +op denzelfden trap van beschaving staande, maar in aard, zeden +en behoeften verschillende, zullen zich sneller ontwikkelen zoo +zij met elkander verkeeren, dan zoo zij dit niet doen. Bewoners +van een hemelbol, waarbij de onderscheidene deelen in lucht- en +grondgesteldheid verschillen, en elk dier deelen slechts geschikt +is om eenige der voor die bewoners noodzakelijke producten voort +te brengen, zullen sneller in ontwikkeling toenemen dan de bewoners +van een hemelbol, waarbij elk plekje alles oplevert waaraan deszelfs +bewoners behoefte hebben, zoodat er geene aanleiding tot handel en +vervoer bestaat. Wie zullen echter de gelukkigste zijn, zoo althans de +drang tot vooruitgang een eentoonig leven niet vervelend maakte? Gewis +zij die in elk dier gevallen het minste kunnen leeren. Geschiktheid +verzwakt den drang tot vooruitgang, want men zal toch moeijelijker +zekeren toestand verlaten, om in een hoogeren te komen, naargelang men +zich in eerstgemelden toestand beter bevindt. Vandaar dat de toevallige +afwijkingen der jongen van hunne ouders, zooals op blz. 15 gezegd is, +gene in organisatie gemiddeld ongeschikter dan die ouders makende de +verhooging der organisatien bij de achtervolgende generatien zullen +bevorderen. + +De toestand onzer aarde is zeer verscheiden en wel voornamelijk wegens +hare nabijheid van de zon, zie blz. 26. Hierdoor ontstaan er toch bij +de afwisseling van licht en duisternis, van koude en warmte, sterke +verandering van luchtstroomen en welligt ook eene sterke werking van +de gesmolten kern op de schors. Hieruit volgt dat de toestand onzer +aarde zeer geschikt is voor den vooruitgang der er oplevende wezens, +maar niet voor derzelver geschiktheid voor de omstandigheden waarin +zij verkeeren, en dat die wezens er op snel in geestontwikkeling +zullen toenemen, maar kort zullen leven en aan allerlei oorzaken van +vernietiging zullen blootstaan. Dit nu moet in het algemeen het geval +zijn bij hemelbollen in de nabijheid van anderen zijnde, en alzoo zich +snel verplaatsende en een sterken en wederkeerigen invloed op elkander +uitoefenende. Wegens eene constante oorzaak zullen bij het op blz. 160 +gemelde wereldsterrenstelsel er steeds een zeker aantal bollen in zulk +een geval verkeeren, doch dat onze aarde er thans in verkeert en eene +weinig elliptische baan om de zon beschrijft, moet zie blz. 69 als een +toevallig gevolg der uiterst zamengestelde werking der natuurwetten +bij het wereldsterrenstelsel beschouwd worden. Het is aldus verkeerd +te zeggen, dat de zon onze planeet bewoonbaar maakt. Maakt de zon eene +komeet meer bewoonbaar, wanneer deze, er digt bij gekomen, aanzienlijk +vervormd en uitgezet wordt? Men zal dit ontkennen, en waarom zou de zon +op de aarde, met betrekking tot de hier op bestaande organische natuur, +eene tegenovergestelde uitwerking uitoefenen als op eene komeet? + +De sporen van het ontstaan der organische natuur op onze aarde zijn +nog niet uitgewischt, een bewijs dat dit ontstaan betrekkelijk +kort geleden heeft plaats gehad, en dat de tijd, dat eene zelfde +organische natuur zich op deze aarde heeft kunnen staande houden, +omdat de toestand dezer, met betrekking tot andere hemelligchamen +zie blz. 168, niet snel sterk veranderd is, betrekkelijk kort is. + +De op blz. 200 gemelde zeer etherachtige hemelbollen binnen- en +buitenwaarts van de bolvormige schil den Melkweg gelegen, deze zijn +het, naar ons inzien, die aan derzelver bewoners bijna onveranderlijke +levensomstandigheden kunnen aanbieden, en daardoor die bewoners +veroorloven om zeer geschikt voor die omstandigheden te worden, +en om een zeer geringen drang tot vooruitgang te bezitten. + +Het niet beseffen, dat de veranderlijkheid, voor den vooruitgang +noodig, de geschiktheid vermindert, heeft tot de meest bekrompene en +scheve opvattingen van het werelddoel bij sommigen, en tot ontkenning +van eenig werelddoel bij anderen aanleiding gegeven. De eerste hebben +overal geschiktheid gezocht, zonder deze steeds te kunnen vinden, +en de tweede hebben geschiktheid ontkend, waar zij in zekere mate +bestaat. Dat bijv. het zeewater zout is, kan als een gevolg van het +toeval beschouwd worden, doch de op blz. 7 gemelde oorzaak heeft de +organisatie der zeevisschen voor het leven in dit zoute water geschikt +gemaakt, omdat die schepselen, niet ten gevolge hunner eigen denking, +de zee zijn gaan bewonen. Wij menschen verkeeren daarentegen in +een ander geval. Ten gevolge onzer eigen denking hebben wij schepen +gebouwd en ons op den Oceaan begeven; onze eigen denking moet aldus +de hulpmiddelen voortbrengen om het zout zijn van het zeewater voor +de zeevaarders niet hinderlijk te maken, hetgeen tot geestinspanning +en aldus tot vooruitgang aanleiding geeft. Dit is eveneens het geval +met andere zaken. De kunstwarmte is bijv. voor de menschen noodig +geworden, ten gevolge van hun kunstmatigen toestand, een gevolg hunner +eigen denking. Deze moet aldus ook de hulpmiddelen weten te vinden +om die kunstwarmte daar te stellen, en dat de menschen daarvoor nog +gedurende eenige eeuwen van de fossile brandstoffen gebruik zullen +kunnen maken, moet slechts als een gelukkig toeval beschouwd worden, +even als bijv. het bezit van natuurlijke havens. Zulke toevallen maken +de toeneming in beschaving gemakkelijker, doch is deze, ondanks hen, +op de hoogte gekomen, dat men hetzelfde als met hun hulp wil bekomen, +zoo maakt hun gemis, dat men zich dan sterker inspant om dit gemis te +vergoeden, en die grootere inspanning leidt dan tot sterkere toeneming +der geestontwikkeling zie Noot blz. 89. + +Het toeval is het product van eene reeks van oorzaken en gevolgen +die wij niet kunnen naoogen, en bestaat aldus bij zeer samengestelde +verschijnsels noodzakelijk voor de verscheidenheid, op hare beurt +weder noodzakelijk voor den vooruitgang der wezens. Waarom spreken +wij van het blinde toeval? Omdat het gemiddeld niet leidt tot +geschiktheid voor ons menschen, en omdat het grillige der toevallige +accidentele verschijnselen het ons menschen moeijelijk maakt, om ze +onschadelijk of voordeelig voor ons te maken, wegens de werking der +traagheid zie blz. 64, doch, zooals op blz. 236 gezegd is, strekt +juist dit veranderlijke, mits op blz. 68 gemelde wijze beschouwd, +ter bevordering van den vooruitgang der levende wezens. + +Eene accidentele oorzaak is een beloop van zaken, deel uitmakende +van een zeer zamengesteld verschijnsel, en die tot een waargenomen +wordenden toestand van zaken aanleiding geeft, die, zoo hij gedurende +voor ons menschen lange tijdvakken onveranderd blijft, eene constante +oorzaak van secundaire verschijnselen is. + +De helling der aardas is bijv. het gevolg van zulk eene accidentele +oorzaak, en is tevens de constante oorzaak der regelmatige afwisseling +der saizoenen. Deze is aldus evenzeer het gevolg van het toeval +als het blindelings trekken van een hoogen prijs uit eene loterij, +doch daar die regelmatige afwisseling der jaargetijden gedurende +voor de menschheid zeer langen tijd onveranderd aanhoudt, zoo heeft +deze in zekere mate er zich naar geschikt, terwijl de trekker van +het goede nummer geen tijd gehad heeft om zich te schikken naar het +bezit van zijne zoo plotseling ontvangen geldsom. Behoudt hij echter +deze, zoo zal hij zijne behoeften zoo vergrooten, dat, al was dit +primitief hoegenaamd niet het geval, het bezit dier som zie blz. 50 +van lieverlede noodzakelijker voor hem zal worden. + +Het is niet denkbaar dat, bij het bestaan van slechts eenvoudige +verschijnsels, witte en zwarte ballen binnen eene bus onregelmatig +gegroepeerd kunnen raken, en hierdoor wordt aangetoond dat toevallige +groepering dier ballen onafscheidelijk is van een zeer zamengesteld +verschijnsel. + +Men moet voorts wel onderscheid maken tusschen langer of korter +durende en een meer uitgestrekt, of meer beperkt veld van werking +bezittende standvastige oorzaken, zelve verschijnsels zijnde en andere +verschijnsels tot gevolg bezittende, en de wetten der Natuur, eigenlijk +wel absoluut constante oorzaken, die alle verschijnsels regelen, maar +zelf geen objectief bestaan bezittende. Deze zijn in zeker opzigt +te vergelijken met de Staatswetten, zoo deze noch te verwaarlozen, +noch te overtreden, noch te ontduiken, noch te veranderen waren, en +al de verschijnsels op maatschappelijk gebied bepaalden. De doodstraf +bijv. is geen verschijnsel, maar zij bepaalt het verschijnsel der +executien en dit is eene verschijnsel-oorzaak tot gevolg afschrikking +voor het moorden hebbende. Er bestaan absoluut constante verschijnsels, +zooals bijv. de gemiddelde vergrooting der hemelbollen, die weder +andere verschijnsels tot gevolg hebben, en aldus, ofschoon volgens +het gewone spraakgebruik, absoluut constante oorzaken, desniettemin +geene natuurregels zijn, maar, even als derzelver gevolgen, door +die natuurwetten bepaald worden. Het komt ons nu verkieselijk voor +om onder oorzaken steeds te verstaan verschijnseloorzaken, bepaalt +door de vereenigde en in elkander grijpende werking der natuurregels, +en waarbij de werking van sommige dier regels meer kunnen predomineren +en die van anderen nietiger zijn. Geheel ontbreken zullen die laatste +werkingen nimmer doen, want toch wordt zie blz. 144 alle denking +bepaald door beweging, zoodat bijv. op onze denkingsverschijnselen +de deze hoegenaamd niet bepalende bewegingen middelijk van invloed +zijn, daar toch deze influenceren op de onze denking bepalende +niet zintuigelijk waarneembare atomistische bewegingen. Van elk +der natuurwetten heeft de werking steeds dezelfde strekking, maar +vertoont zich gedurig onder andere gedaanten, en, met betrekking tot +die gedaanten, verkeeren zij in hetzelfde geval als de accidentele +en betrekkelijk constante oorzaken, zij zijn namelijk even als deze +de vruchten van accidentele omstandigheden, en min of meer beperkt +van duur. Zulk een natuurregel is bijv. de geschiktwording van +levende wezens voor de omstandigheden waarin zij verkeeren. Waar +de werking van dien regel zich nu vertoont als geschiktwording der +organisatie der zeevisschen voor het zoute water van een Meer, is +deze bijzondere gedaante dier werking een gevolg van het toevallig +zout zijn van zulk een Meer, en zal zij ophouden, wanneer, door het +verkrijgen van afvoer langs den bodem, dit meerwater deszelfs zoutheid +verliest. Iemand wandelt op straat, eene wolk bedekt toevallig de zon, +en die wandelaar knoopt zijne jas digt, ten einde zich te hoeden tegen +koude. Die gedaante der werking der wet van geschiktwording duurt in +dit geval al zeer kortstondig, en is het gevolg van een zeer vlugtig +en toevallig verschijnsel. De reeksen van achtervolgende verschijnsels, +hoe zamengesteld ook, ontstaan door de vereenigde in elkander grijpende +werking van al de Natuurregels, doch onnaspeurlijk is het voor ons hoe +dit geschiedt, welk aandeel elk dier regels in die vereenigde werking +heeft, en hoe deze de achtervolgende verschijnsels uit elkander doen +voortvloeijen. Tot voorbeeld hiervan strekken de uiterst zamengestelde +banen door verschillende bollen, onder de vereenigde werking der +zwaartekracht en der traagheid beschreven. Die banen zullen ons meest +als toevallig voorkomen, doch wanneer zij hoofdzakelijk ontstaan +door de aantrekking van slechts een bol op een anderen, men kunnen +nagaan hoe of de vereenigde werking dier beide natuurwetten plaats +heeft. Evenzoo op het gebied der geschiedenis. De vereenigde werking +der natuurwetten brengt op dit gebied zulke zamengestelde verschijnsels +te weeg, dat van deelen er van het ondoenlijk is om na te gaan, hoe +die vereenigde werking heeft plaats gehad bij de achtervolgende uit +elkander voortspruitende accidentele oorzaken, waarvan de laatste tot +dit feit aanleiding gegeven heeft. Dit bijv. is niet te doen voor het +feit dat de Zwitsers eene zelfstandige natie vormen. [73] Wel weten wij +dat hierbij in het spel is de werking der wet van geschiktwording, die +gescheiden tracht te houden wat niet bij andere zaken past, doch die +wetenschap staat gelijk met die, dat de zwaartekracht in het spel is +bij de meest onregelmatige bewegingen der hemelbollen. Even als echter, +zooals bijv. bij ons zonnenstelsel, die zeer zamengestelde bewegingen +weinig, ofschoon op zeer zamengestelde wijze gestoorde meer eenvoudige +bewegingen worden, waarbij wel nagegaan kan worden hoe deze door de +werking der zwaartekracht en der traagheid ontstaan, zoo ontmoet +men in de geschiedenis dikwerf eene toedragt van gebeurtenissen, +wel is waar, op eene zeer zamengestelde wijze gestoord wordende, maar +niettemin in hoofdzaak genoegzaam eenvoudig, om er bij de werking der +natuurwetten op maatschappelijk gebied na te gaan. Men moet voorts +niet denken wanneer, wegens de zeer samengestelde wijze waarop zij +ontstaan zijn, zaken ons toevallig voorkomen, zij daarom steeds minder +geschikt zijn. Bij eene eenvoudige toedragt van zaken kan dit ook het +geval zijn. Onder de standvastige oorzaken behoort bijv. de werking +der inertie, waardoor bijv. menschen, wanneer zij vrees of afkeer +voor iets gevoelen, dit wegens de werking der traagheid blijven doen, +nadat de aanleidende oorzaak er voor verdwenen is, zooals bijv. volken +doen, wanneer deze, uit een anarchistischen toestand gerakende, +onder een despotisch juk vallen, om later, nadat zij hunne despoten +verjaagd hebben, weder tot anarchie te vervallen. Ons geheel toevallig +voorkomende storingen kunnen nu zulke eenvoudige schommelingen +van den politieken toestand van een volk vernietigen, even als een +toevallige stoot de verflaauwende schommelingen van een slinger, en +zulk een volk hierdoor in een meer geschikten toestand geraken. Nu +zal men zeggen, wanneer de toedragt van zaken op geschiedkundig +gebied eenvoudiger is, kan men beter nagaan wat er gebeuren zal, +en, door de oorzaak der geschiktwording te doen werken, tot een meer +bevredigenden toestand geraken. Dit is zoo, doch daartegenover staat, +dat die zeer zamengestelde toedragt van zaken, waarbij ons zoo dikwerf +het toeval overvalt, zoo als op blz. 240 gezegd is, den vooruitgang +der individuen bevordert, en met betrekking tot den geestelijken +vooruitgang dier op- en aftredende individuen moet de geschiedenis +beschouwd worden. Om na te gaan, hetgeen eene school bewerkt heeft, +moet men niet vragen, wat is er van die school geworden, maar wat +heeft zij van de haar bezocht hebbende leerlingen gemaakt. + +Er bestaat een groot onderscheid tusschen de zeer zamengestelde werking +van een klein getal natuurwetten, en die van uiterst zamengestelde +natuurwetten. Bijv. op eene hoe gecompliceerde wijze hemelbollen +ook betrekkelijk elkander bewegen, zoo slechts de zwaartekracht en +de traagheid hierbij in het spel zijn, zal een sterrekundige direct +zeggen, dat een dier bollen, versnellende in zekere rigting bewegende, +niet plotseling eene andere rigting, een niet afgeronden regten hoek +met eerstgemelde vormende, kan gaan volgen. Drie of meer van die bollen +digt bij elkander zijnde, zoo kan een astronoom vrij wel aangeven, +hoe zij althans, voor eerst zullen bewegen, hetgeen onmogelijk voor hem +zou zijn, zoo de verplaatsing dier bollen geschiedde door de vereenigde +werking van een onnoemelijk aantal natuurwetten. Ware dit het geval, +zoo zou naar ons inzien de meest volkomene controlerende aanschouwing, +zie bl. 178, den zamenhang en de oorzaken van al de verschijnselen +aan geen wezen, welk ook, kunnen aangeven. + +Evenzoo in andere zaken. Tusschen twee plaatsen bestaat er bijv. een +groot verschil in luchtdrukking, zonder dat men weet door welke +aaneenschakeling van oorzaken dit ontstaan is. Het ontstaan van +harden wind in zekere rigting is echter alsdan te voorspellen, omdat +in zulk een geval de beweging der luchtdeelen niet van de vereenigde +werking van een uiterst groot aantal oorzaken, maar slechts van drie +afhankelijk is, namelijk het verschil in drukking, de traagheid der +luchtdeelen, waardoor zij, op hoogere breedten komende, den aardbodem +van west naar oost vooruitloopen en ten derde de wrijving. Een sterke +wind blaast tegen een beschot, zonder dat men de aaneenschakeling van +oorzaken kent, waardoor die wind ontstaan is en dit beschot aldaar +staat. Zoo een onnoemelijk aantal vereenigt werkende en in elkander +grijpende oorzaken in zulk een geval van invloed waren op de drukking +van den wind met betrekking tot het beschot, zou men niet kunnen +weten, dat men dit aan de benedenwindzijde moet stutten, om het voor +vallen te behoeden. Weet men echter, dat men hierbij slechts te doen +heeft met de werking der wet der botsing eener bewegende veerkrachtige +vloeistof, en dat deze het beschot wil medeslepen zoo, dit al de hierop +uitgeoefende drukking niet op den bodem kan overbrengen, zoo verkrijgt +men de wetenschap van hetgeen er te doen valt, om het beschot staande +te houden. Onwetende menschen weten dit uit ervaring, doch, zoo een +uiterst groot aantal oorzaken bij zulk een geval in het spel waren, +zou die ervaring niet dezelfde zijn, en zou zij zelfs in het geheel +niet bestaan, voor zulke onwetende menschen zou hetgeen dan gebeurt +een warboel zijn. Iemand voelt zich kleinmoedig en bevreesd, zonder +dat hij weet hoe dit ontstaan is. Wat hiertegen te doen? De oorzaak +van geschiktmaking laten werken, door zich voor den geest te brengen +de geestelijke en stoffelijke hulpmiddelen, waarover men beschikt, +door hiermede den aard der bezwaren te vergelijken, door in zijn geest +het denkbeeld van krachtige en doelmatige handeling en van vertrouwen +overheerschende te maken. Verkiest men nu zulks te doen in den vorm +van een gebed, het is wel, doch men zal dit doen, door de oorzaak van +geschiktmaking niet onder dezelfde gedaante als in het vorige geval +te doen werken, omdat men weet dat nu niet in het spel is de wet van +botsing van bewegende vloeistoffen. Door de beenen wijd van een op +den bodem te plaatsen zal men aldus geen gevoel van kleinmoedigheid +weren, evenmin als men, door zich aan te moedigen zonder meer, zich +zal behoeden tegen omverwaaijing. Zeer eenvoudige opmerkingen en +waarvan desniettemin de supra-naturalisten geen helder begrip hebben. + +Dat de totale hoeveelheid der zelfstandigheid onveranderlijk is, moet +naar ons inzien, ontstaan doordat haar bestaan traagheid bezit. Anders +toch zou eene oorzaak, kleiner dan eenige te geven grootheid, gedurende +een eindigen tijd het bestaan van een eindig deel dier zelfstandigheid +kunnen vernietigen, terwijl, zoo de traagheid niet het ontstaan van +zelfstandigheid tegenging, eene dergelijke oorzaak als zoo even de +absolute quantiteit dier zelfstandigheid zou kunnen vergrooten. Terwijl +de traagheid een oneindig sterken wederstand schijnt te bieden aan +eindige oorzaken de hoeveelheid dier zelfstandigheid trachtende te +veranderen, biedt zij slechts een eindigen wederstand aan de oorzaken, +leidende tot veranderingen der veropenbaring dier zelfstandigheid +door beweging, (namelijk de bewegingen der ligchamen, alsmede +derzelver eigenschappen, welke zie bl. 165, ook door bewegingen +worden bepaald) en der veropenbaring dier zelfstandigheid door +denking (namelijk de denkbeelden en de door den aard der denkbeelden +bepaalde karaktertrekken der geesten.) De traagheid biedt niet slechts +wederstand aan de veranderingen in sterkte, maar ook aan die in aard +dier veropenbaringen, aldus niet alleen aan het werkdadig maken van +latente denkbeelden, zie blz. 167, maar tevens aan de verwisseling +en vervanging dezer laatste door andere denkbeelden, niet alleen aan +het ontstaan van beweegkracht, van welken aard ook, bij de ligchamen, +maar tevens aan de verandering van den aard der zeer zwakke met de +structuur der ligchamen verbonden atomistische bewegingen, waardoor +den aard der eigenschappen dier ligchamen bepaald worden. + +Bij die eigenschappen bestaat er onderscheid tusschen derzelver +intensiteit en derzelver uitbreiding, (dat is of zij tot een grooter of +kleiner ligchaam behooren) en bij de veropenbaring der zelfstandigheid +door denking bestaat er eveneens onderscheid tusschen de intensiteit +van latente denkbeelden en derzelver uitbreiding. Deze laatste +is bijv. grooter, wanneer zij bij veel dan wanneer zij bij weinig +personen bestaan, en zelfs bij een enkel wezen kunnen, bij gelijke +intensiteit der denkbeelden, deze in uitbreiding verschillen. Om aldus +bij de denkbeelden van wezens groote veranderingen te weeg te brengen, +dient er, wegens de werking der traagheid, eene oorzaak te bestaan, +die, zoo deze slechts gedurende korten tijd werkt, met betrekking tot +de intensiteit en uitbreiding dier denkbeelden groot is. Vandaar dat +bijv. op het gebied der geschiedenis groote verschijnselen slechts +kleine oorzaken kunnen bezitten, wanneer deze gedurende zeer langen +tijd werkzaam zijn. Integendeel, kan bijv. wanneer in eenig land +de individuen sterk voor den vrede geneigd zijn, een oorlogzuchtig +pamflet hen evenmin eene noemenswaardige zucht tot oorlogvoeren geven, +alsdat de aantrekking eener komeet van geringe massa de snelheden en +banen der planeten noemenswaardig kan wijzigen [74]. De uitwerking van +zulk een pamflet zal van lieverlede verdwijnen, dat is de traagheid +dier uitwerking zal met den tijd geheel overwonnen worden, zoo de +inhoud van het pamflet de drijfveeren, tot oorzaak dier vredelievende +neiging strekkende, onveranderd laat. Eveneens zal eene accidentele +snelheid gegeven aan waterdeelen, wier snelheid door het verhang +en de wrijving bepaald worden, van lieverlede verdwijnen, zoo de +kortstondige oorzaak dier accidentele snelheid noch op het verhang, +noch op de wrijving van het water van invloed is. + +Bij de (zie blz. 174) onveranderlijke ofschoon zeer zamengestelde +veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en denking, doet +de traagheid, door telkens den bestaande alsdan steeds volmaakt +geschikten toestand in stand te willen houden, het effect van eene +alleenheerschende oorzaak van geschikthouding. Bij de veranderlijke +veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en door denking is dit +integendeel anders, en wel te meer hoe grooter die veranderlijkheid +is. De traagheid tracht alsdan slechts gebrekkig geschikte toestanden, +en zoowel het kwade als het goede hierin bevat, in stand te houden, +met betrekking tot het geschikte en ongeschikte is zij neutraal. + +Bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid bestaan +er naar ons inzien eigenlijk slechts drie natuurwetten, namelijk +1o. de traagheid, 2o. de drang tot geschiktwording en 3o. die tot +veranderlijkheid. + +De door de wetenschap gestelde natuurregels zijn slechts de +bijzondere ofschoon onveranderlijke regels, waardoor bepaald +worden de verschillende gedaanten, welke de werkingen dier drie +algemeene natuurwetten aannemen. De wet der traagheid der met gewone +snelheden begiftigde ligchamen, de wetten volgens welke afstooting en +aantrekking, zie blz. 171, onveranderlijke doch zeer zamengestelde +atomistische trillingen regelen, en de daarmede vergelijkbare +natuurwetten, waardoor de aard onzer denkbeelden onveranderd tracht +te blijven, bepalen toch de gedaanten waaronder zich vertoont de +werking der algemeene wet der traagheid, in het eerste geval op +astronomisch gebied, in het tweede op bijv. scheikundig gebied, +omdat die trillingen de chemische eigenschappen der ligchamen kunnen +bepalen en in het derde op zielkundig gebied. + +Bij elke verandering van verschijnsels, bij alle opvolging van +verschijnsels door er mede in verband zijnde andere verschijnsels, +ontmoet men steeds de zich onder de eene of andere gedaante vertoonende +werkingen van die drie algemeene natuurwetten. + +Die der geschiktmaking zal trachten den bijzonderen aard der dingen +meer algemeen te maken, omdat hier door dien aard nadert tot die +van het onveranderlijke en aldus volmaakte deel van het Heelal, +zie blz. 174. Door de werking dier algemeene natuurwet zal aldus +het bijzondere bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking +verzwakken, die denking naderen tot de algemeenste denkbeelden van den +oergeest, en het bijzondere bij de veropenbaring der zelfstandigheid +door beweging verzwakken, en die bewegingen naderen tot de algemeenste +en onveranderlijke van den ether. In beide gevallen zal echter de +werking dier natuurwet slechts eene qualitatieve en niet, zie blz. 169, +eene quantitatieve verandering te weeg brengen. + +Bestond de wet der veranderlijkheid niet, zoo zou het bijzondere +en verscheidene bij de veropenbaring der zelfstandigheid ook niet +bestaan, terwijl, zoo de wet van geschiktmaking niet bestond, de +ontwikkeling van de bijzondere en veranderlijke hemelbollen en wezens +niet zou strekken om deze, wanneer derzelver ontwikkeling de palen +der eindigheid bereikt, de natuur van het onveranderlijke en aldus +volmaakte te geven, maar eerder om de afwijking hier van steeds grooter +te doen worden. Gedurende het gemiddeld gaan dier hemelbollen en der +er op verblijvende wezens van het op blz. 161 gemelde middelpunt naar +het midden der dikte van den Melkweg, moet er bij naar ons inzien de +werking der natuurwet van de veranderlijkheid en tegelijk die der wet +van geschiktmaking grooter worden, zoo bij dit midden der dikte van +den Melkweg de aard der hemelbollen het meeste van die van den ether +verschilt, en dit ook het geval is met de op die bollen bestaande +ligchamen, waarmede de geene zintuigelijke indrukken voortbrengende +atomistische beweging, de denking der wezens bepalende, in contact +komen. Gedurende derzelver gemiddelde verwijdering van die plaats +naar buiten, bij die bollen de werking van beide die wetten geringer +wordende, zoo zal alsdan de aard dier bollen en der daarop wonende +wezens van lieverlede minder bijzonder en verscheiden worden. Gedurende +deze laatste periode zal de werking der natuurwet der geschiktmaking +die der wet der onveranderlijkheid overtreffen, en gedurende de eerste +periode het tegenovergestelde plaats hebben. Door die eerste werking +zullen zie blz. 155 de gewone snelheden of overgaan in warmtetrillingen +of, wanneer gedurende derzelver verzwakking de aantrekking overwonnen +wordt, veranderen in de op blz. 165, gemelde aantrekkingstrillingen, +de warmte zal er door verspreid worden, de elektrische trillingen in +warmtetrillingen overgaan, de chemische zamenstellingen meer gaan +gelijken op die der absoluut enkelvoudige stof den ether enz. De +werking der wet der veranderlijkheid moet daarentegen, bij het +grooter maken der afwijkingen van den toestand der zaken van den +toestand van der ether, voor zooverre deze niet aan den invloed +der hemelbollen blootgesteld is, juist het tegenovergestelde doen, +zoodat de werkingen der bijzondere natuurwetten der zwaartekracht, +der warmte, der electriciteit, van het chemismus enz. begrepen zullen +zijn deels in de werking der algemeene natuurwet der geschiktmaking en +deels in die der natuurwet der verscheidenheid, zoodat zij in dezelfde +verhouding tot deze algemeene wetten staan als de op blz. 269 gemelde +bijzondere natuurwetten tot de algemeene wet der traagheid. + +Uit het bovenstaande volgt dat de op blz. 243, gemelde, hetgeen +wij toeval noemen, barende verschijnsels de vruchten zijn der +werking der wet van de verscheidenheid. De snelheden, waarmede de +hemelbollen volgens allerhande rigtingen den ether doorklieven, +zijn bijv. het werk er van, de ongelijke verspreiding der warmte +en de hierdoor ontstaande ongelijke drukkingen eveneens, het alsdan +veranderen van warmtetrillingen in gewone snelheden bij vloeistoffen +evenzoo. De werking der wet der geschiktmaking tracht, zie blz. 169, de +werkdadigheid van den geest, waarbij er geoordeeld, afgeleid en onder +vooruitloopen der ervaring gedwaald wordt, te vernietigen, of liever +om te zetten in de algemeene werkdadigheid van den Oergeest, hetgeen +met de omzetting van gewone snelheden der ligchamen in de algemeenste +atomistische bewegingen van den ether vergelijkbaar is. Van den anderen +kant zal die werking bij de wezens eene werkdadigheid trachtten op +te wekken als bij het voor den geest houden van denkbeelden door +directe aanschouwing verkregen, namelijk eene zuivere contemplatieve +ervaringsdenking, hetgeen zie blz. 159 met de opneming van warmte +door de hemelbollen te vergelijken is. De werking der wet van de +verscheidenheid tracht daarentegen het tegenovergestelde te doen, +namelijk ons niet te doen denken aan hetgeen wij door aanschouwing +zeker weten dan voor zooverre dit strekt om te oordeelen, te kiezen, +af te leiden enz. + +Dat het bestaan van verscheidenheid, annex aan dat van het bijzondere, +de ontwikkeling bevordert, blijkt niet slechts uit het effect er van op +onzen geest, maar tevens ook hieruit, dat de organisatie der planten en +dieren, aan de meeste verscheidenheid van omstandigheden blootgesteld, +gedurende derzelver leven in ontwikkeling het sterkste toeneemt. Stelt +men water te loopen langs eene ojiefvormige, flaauwe en wrijvende +helling, zoo zal, ongeveer waar het verval op het grootste is, de +snelheid van het water zulks ook zijn, en dit het meeste slibstoffen +opgeheven houden. Het verval hierbij is te vergelijken met de werking +der wet der veranderlijkheid, de wrijving met de werking der wet van +geschiktmaking, de snelheid met de intensiteit van het bijzondere +en der verscheidenheid en het bezwangerd zijn van het water met +slibstoffen met den vooruitgang. Even als de beide op blz. 250, +gemelde werkingen waar de meeste verscheidenheid bestaat, zijn bij +het zoo even gemelde geval, waar de snelheid op het grootste is, +de werkingen van verval en wrijving op het grootste en even groot. + +Bij de aanschouwing van het verscheidene en aldus bijzondere +trachten wij, zooals bij de classificatie en het zoeken van het +verband tusschen oorzaken en gevolgen, eene kennis te verkrijgen met +meer algemeene begrippen en aldus van meer algemeenen aard dan die +aanschouwing. De kennis, direct door aanschouwing van het bijzondere +verkregen, voldoet ons aldus niet, doch juist daarom strekt die +aanschouwing van het bijzondere om zie bl. 237 ons zoodanig in te +spannen dat onze geestontwikkeling toeneemt. Dit aldus niet kunnende +geschieden, zonder dat het oordeelen en besluiten de kennis, door +controlerende aanschouwing verkregen, anders gezegd de ervaringskennis, +vooruitloopen, waardoor deze laatste alsware omhooggetrokken en +uitgebreid wordt, zoo moet noodwendig de wijze van verkrijging van +kennis, waardoor de geestontwikkeling kan vergrooten, aanleiding geven +tot dwaalbegrippen. Loopen nu in geestelijken aanleg en intellectuele +ontwikkeling uitstekende menschen die ervaringskennis meer dan het gros +der menschen vooruit, zoo zullen zij niet minder dan dit in dwalingen +vervallen. Een pasgeboren kind kan niet denken "ik schort mijn oordeel +op over alles wat de ervaring mij niet als zekerheid aangeeft." Zulk +een kind zou van niets de juistheid te verifieren hebben en niets +leeren. Denkt het dat een verwijderd voorwerp te grijpen is, zoo loopt +het evenzoo de ervaring, door het gezigt verkregen, vooruit, als een +wijsgeer, die zich op het gebied van het buitenzinnelijke begeeft, +de ervaring door al de zintuigen aan de menschen verschaft. + +Door de werking der wet van geschiktmaking zullen de gewone snelheden +van ligchamen, al zijn deze zelfs door geene wrijvende vloeistof +omgeven, in warmte beweegkracht overgaan. Geen ligchaam is toch +volmaakt vast, en bij geen ligchaam zullen alle punten precies dezelfde +evenwijdige snelheden bezitten, bij alle zal dus hetgeen, op bl. 154 +en in Noot bl. 156, gezegd is, met de snelheden te gebeuren, plaats +hebben. Dit is insgelijks het geval, wanneer zulke ligchamen om eene +as wentelen, daar alsdan, zie Noot blz. 165 moleculen, digter bij den +equator gelegen, zullen komen naast andere, er wat verder van gelegen, +en die aldus eene kleinere absolute wentelingssnelheid dan gene +bezitten. De op blz. 154 gemelde egaliserende en de verscheidenheid +bij de aardkorst wegnemende werking van het water is eene werking der +wet van geschiktmaking, ofschoon zij de aarde voor ons menschen, maar +niet voor de lage en een uniform leven leidende zeedieren onbewoonbaar +tracht te maken. De op diezelfde bl. gemelde werking der lava van +den aardkern is daarentegen eene werking der wet der veranderlijkheid. + +De wet van geschiktmaking oefent, bij de overwinning der traagheid van +het bijzondere eene werking uit, die wij in ons het: Over de werking +der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 660 slijtende werking +genaamd hebben. Zoo in zooeven gemeld werk als in het vervolg er op, +hebben wij vele voorbeelden dier slijtende werking aangehaald en +aangetoont hoe hierdoor de periodieke schommelingen (zie later), van +lieverlede verzwakken en de toeneming in intensiteit van verschijnsels, +waarbij er elkander wederkeerig versterkende oorzaken in het spel zijn +(zie later) tegengewerkt wordt. Deze wet tracht dan geschiktheid uit +een en dan uit een ander oogpunt beschouwd voort te brengen, zoodat +zij in het eene geval somtijds, in zeker opzigt, in strijd werkt als +in andere gevallen. Zoo tracht een harer werkingen menschen, die met +elkander op den voet van gelijkheid en in dezelfde omstandigheden +verkeeren, even deugdzaam en kundig te maken als het gros van hen, +en aldus een kundig en braaf mensch, door zijn omgang (zie blz. 48) +op den voet van gelijkheid met menschen, die zulks minder zijn, in +geestontwikkeling te doen afnemen. Is daarentegen, de geestontwikkeling +van menschen te laag voor de eischen der omstandigheden waarin zij +verkeeren, zoo zal eene andere werking dierzelfde wet beide tot +elkander doen naderen en aldus die menschen deugdzamer en kundiger +maken, althans zoo zij daarin niet tegengewerkt wordt door een andere +van hare werkingen, waardoor de geesten van menschen geschikt worden +voor de ligchamen waaraan zij annex zijn en aldus meer naar het +dierlijke neigen. In dit geval zullen de werkingen dier wet drie +zaken, namelijk de ligchamen, de geesten en de eischen van den +maatschappelijken toestand op dezelfde hoogte trachten te stellen. + +Eenvormigheid bij menschen, op denzelfden voet met elkander +verkeerende, is gewis op zich zelf beschouwd, eene geschiktheid, en dit +is ook het geval bij andere zaken, zoodat de wet van geschiktmaking +er toe zal leiden om alle afwijkingen van gemiddelde toestanden weg +te nemen. Zij maakt door eene secundaire werking dat individuen van +dezelfde soort elkander opzoeken, edoch bestaat er voor het bestaan +dier verschillende soorten geene andere oorzaak dan de traagheid, zoo +zal zij, (zie blz. 7) al die soorten tot eene gemiddelde soort ineen +doen smelten, en daar, zooals op blz. 90 gezegd is, de aarde hierop +eene terugtrekkende werking uitoefent, die zich vormende middelsoort +omlaag trekken. + +Een ander voorbeeld van met elkander in strijd zijnde werkingen +der wet van geschiktmaking, wanneer deze bij iets geschiktheid +voor verschillende belangen tracht voort te brengen, is de strijd +tusschen de pogingen tot zamensmelting van verschillende volkstammen +van een zelfden staat, en die waardoor die stammen hunne nationale +eigenaardigheden trachten te behouden. De zamensmelting is voor de +sterkte van den staat wenschelijk, de pogingen er toe kunnen aldus als +werkingen der wet van geschiktmaking beschouwd worden. Blijft nu de +regering de sterkste, zoo zullen de volkstammen wel, met betrekking tot +hunne nationale eigenaardigheden, in een ongeschikten toestand komen, +maar de werking der wet van geschiktmaking hen daaraan ontwennen, +zooals zij zulks bijv. bij de Elzassers gedaan heeft. Zijn daarentegen +de nationaliteiten de sterkste, en is het mogelijk dat zij, door +niet door elkander vermengd te wonen, afzonderlijke staten vormen, +zoo zullen zij zich hierop inrigten. + +Tracht een waanzinnige zijne neiging tot vernieling bot te vieren, zoo +tracht hij, tengevolge der werking der wet van geschiktmaking, hetgeen, +hem voor het oogenblik genoegen geeft, te doen. Hierdoor schaadt +hij zoowel zijne eigen toekomstige belangen als andere menschen, +doch deze sluiten hem, tengevolge der werking van diezelfde wet, op +in een lokaal waar hij anderen niet hinderlijk is, niets vernielen +kan en zich niet kan bezeren. Die waanzinnige plooit, zich naar het +leven in zulk een vertrek en zijne vroegere betrekking wordt door +anderen waargenomen. Dit een en ander toont aan, dat zoo bij elken +gegeven toestand er geene andere oorzaken van verandering werken +dan die van geschiktmaking, er ten laatste een onveranderlijken +toestand zal ontstaan, waarbij alles voor elkander geschikt is, en +geschiktheid in het eene oogpunt geene ongeschiktheid in eenig ander +oogpunt meer zal baren. Zoo lang echter die onveranderlijkheid niet +volmaakt is, zal de geschiktheid zulks evenmin zijn. Van een staat, +voortdurend burgers bevattende die onder dezelfde wetten, instellingen, +en regering wenschen te leven, zullen die burgers in één opzigt in +een onveranderlijken, maar dan ook slechts in een opzigt in een voor +hen geschikten toestand verkeeren. Om in eenig ander opzigt in een +geschikten toestand te zijn (bijv. niet meer of minder te bezitten +dan zij noodig hebben) zouden zij ook in een ander opzigt in een +onveranderlijken toestand moeten komen en zoo voort. Volmaakte +geschiktheid in alle opzigten vordert aldus onveranderlijkheid, of +gemis van alle verscheidenheid in tijd, doch, daar de ervaring leert +dat verscheidenheid in ruimte steeds gepaard gaat met verscheidenheid +in tijd, zoo zal het gemis hiervan met dat der verscheidenheid in de +ruimte moeten gepaard gaan, en aldus de volmaakte geschiktheid slechts +bij den onveranderlijken Ether en de onveranderlijke denkbeelden van +den Oergeest te vinden zijn [75]. + +De wet der veranderlijkheid werkt echter het ontstaan van zulk +een toestand onophoudelijk tegen en wel sterker bij de hemelbollen +qualitatief meer van den onveranderlijken Ether, en bij de geesten +evenzoo meer van den onveranderlijken Oergeest verschillende. Deze +wet werkt op verschillende wijzen. Zij doet bijv. uit verschijnsels +andere verschijnsels voortspruiten waardoor de eerste tegengewerkt of +bevordert worden. In het eerste geval is echter dit tweede verschijnsel +traag, zoodat het nog bestaat, wanneer het eerste zulks niet meer doet, +en dan een verschijnsel tegengesteld aan het eerste te voorschijn +brengt. Dit alsware negatieve eerste verschijnsel vernietigt wel +het tweede, doch zelf traag zijnde, zoo bestaat het nog, wanneer +dit tweede verschijnsel zulks niet meer doet, en brengt dan een +verschijnsel tegengesteld aan dit tweede voort. Deze vernietiging +van verschijnsels hebben wij op blz. 660 van ons werk get: Over +de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. de uitputtende +werking genaamd. Zoo in dat werk, als in het vervolg er op, hebben +wij eene menigte voorbeelden aangegeven van schommelingen door die +werking der wet der veranderlijkheid bij verschijnsels van zeer +verschillenden aard te weeg gebragt. Een voorbeeld er van is het +volgende. Iemand gedraagt zich slecht, men begint hem te straffen, +en, op het oogenblik dat hij zich het slechtste gedraagt, neemt het +bestraffen het sterkste toe, om een maximum te worden, wanneer die +persoon zich even goed als gemiddeld de menschen gedraagt. Daarna +begint hij zich beter dan deze te gedragen, en, op het oogenblik dat +hij zich het beste gedraagt, neemt het bestraffen het sterkste af +en gaat het over in beloonen. Hierdoor wordt die persoon bedorven, +hij begint zich minder goed te gedragen, en, op het oogenblik dat +hij zich weder even goed als gemiddeld de menschen gedraagt, is het +beloonen op een maximum geklommen enz. + +Zulke schommelingen zouden nu slechts kunnen ontstaan door de +gecombineerde werkingen der natuurwetten der traagheid en der +veranderlijkheid. Bij dit voorbeeld toch trachten, zoowel zij die +straffen en loonen, als hij die gestraft en beloond wordt, zoo zeer +geene afwijkingen, te vernietigen, dan, tengevolge van bestaande +afwijkingen van handelingen te veranderen. Wanneer bij deze de +afwijking op het grootste is, veranderen gene op het meeste hunne +manier van handelen, omdat alsdan de wet der veranderlijkheid hen +daartoe dringt; terwijl, wanneer de afwijkingen bij de handelingen +van gene op het grootste zijn, de gestraft of beloond wordende, +eveneens wegens dezelfde oorzaak, zijne wijze van doen op het meeste +wijzigt. Zulke schommelingen zullen echter zoo sterk niet plaats +kunnen hebben, omdat de wet der geschiktmaking vereenigt met de +beide bovengemelde natuurwetten werkt. Werkte zij alleen met de wet +der traagheid, zoo zou de intensiteit der straffen steeds evenredig +blijven met die van het wangedrag, die straffen aldus ophouden, +wanneer hij, die deze straffen ondergaan heeft, zich weder gedraagt +als gemiddeld de menschen, en er geene schommelingen ontstaan. + +Evenzoo zal dit met het loonen plaats hebben, zoo de werking der wet +van geschiktmaking alleen het vernietigen van afwijkingen tot doel +heeft, en aldus het loonen een bedervenden invloed uitoefent. Heeft +daarentegen de werking dier wet tot doel om de menschen, accidenteel +beter geworden, aldus te houden, zoo zal zij hen hoogere eischen +dan vroeger stellen, en hen in eene hoogere omgeving dan vroeger +plaatsen. Deze laatste werking der wet van geschiktmaking niet +in aanmerking nemende, zoo zal, bij de vereenigde werking der +drie natuurwetten, in het begin het straffen sneller toenemen dan +bij het geval op blz. 258 behandeld, het reeds trager dan vroeger +toenemen, wanneer het wangedrag op een maximum is, en het reeds weder +verminderd zijn, wanneer de gestraft wordende persoon zich weder als +gemiddeld de andere menschen gedraagt. Op dit oogenblik geschiedt het +straffen aldus minder streng dan in het vorige geval, en zal aldus +die persoon, tengevolge der werking der wet der veranderlijkheid, +minder in gedrag boven de andere menschen gaan uitsteken. De werking +der wet der geschiktwording zal hem leiden om ook, zonder dat hij +gestraft of beloond wordt, in zedelijkheid met gemiddeld de andere +menschen gelijk te worden, eene reden waardoor de schommelingen +bij de afwijkingen van zijn gedrag zwakker zullen worden, hetgeen +wederom de schommelingen bij de wijzen, waarop hij behandeld wordt, +verzwakt. Het gaat hierbij als bij een slinger, hoe minder deze van +den verticaal afwijkt, met hoe minder snelheid hij den verticaal +zal voorbijgaan, en met hoe minder snelheid hij dit laatste doet, +hoe kleiner die afwijkingen zullen worden. + +Bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door denking +en door beweging baren zie blz. 240 bijzondere verschijnsels;, +andere verschijnsels, deze weder andere verschijnsels, terwijl +tevens verschijnsels, noch oorzaak noch gevolg van elkander zijnde, +op elkander kunnen werken. In dit laatste geval kan het zijn, dat +het eene dier verschijnsels het andere tracht te verzwakken en dit +het eerste te versterken, of dat zij beide in aard aan elkander gelijk +trachten te worden. In dit geval zal de wet der geschiktmaking trachten +hen in het eerste geval quantitatief en in het tweede qualitatief +aan elkander gelijk te doen worden, maar de wet der veranderlijkheid +hen alsdan gevolgen geven, op dezelfde wijze op hen werkende als de +snelheden van een slinger op de afwijkingen van den verticalen stand +van dezen, zoodat zij met betrekking tot elkander schommelingen +zullen ondergaan. Het verkeer van een arm met een rijk mensch zal +bijv. genen meer behoeften geven, en dit behendigheid en vlijt, +maar tevens oneerlijkheid bij hem kunnen opwekken, terwijl door dit +verkeer de rijke zekere verzadiging zal ondervinden, waardoor hij +zorgeloos en lui, maar tevens grootmoedig zal worden. Wanneer nu, +tengevolge dier bij hen door dit verkeer opgewekte eigenschappen, +beide dier personen even rijk geworden zijn, zullen, zoo van de wet +van geschiktmaking de op blz. 259 gemelde werking niet bestond, die +eigenschappen op een maximum zijn en de vroeger arme rijker worden, +dan den vroeger rijken [76]. + +Verschijnsels kunnen tot gevolg hebben andere verschijnsels wier +grootte zij tengevolge der werking der veranderlijkheid trachten +te doen toenemen, terwijl die gevolgen van geen noemenswaardigen +invloed zijn op derzelver oorzaak. Door de nabijheid der aarde +van de zon zou bijv. gene steeds warmer worden, zoo de op blz. 249 +gemelde werking der wet van geschiktmaking, zich in dit geval als +warmteuitstraling veropenbarende, er aan geen grens stelde. Die +verwarming der aarde zal echter derzelver afstand van de zon niet +veranderen; doch op blz. 156 gemelde werking hierbij die der wet +van geschiktmaking zijn, in zooverre zij maakt dat snelheden, zie +blz. 165 in aantrekkingstrillingen overgaan. In zoo verre die werking +warmtetrillingen bij de hemelbollen in gewone snelheden doet overgaan, +is zij daarentegen eene werking der wet der veranderlijkheid. Trouwens, +zoo zij, door de hemelbollen zeer ver van elkander te brengen, +tegengaat dat deze met groote snelheden betrekkelijk elkander bewegen +en invloeden op elkander uitoefenen, zooals bijv. de zon op de +aarde, belet zij dat die hemelbollen zich blijvend vereenigen tot een +eenigen bol, die, door het opnemen der wrijvingswarmte door overgang +voor uiterst vele en groote gewone snelheden in warmtetrillingen, +voortgebragt, uiterst ijl en uitgezet zou worden, en aldus een zeer +algemeen karakter zou verkrijgen. + +Ook kan het zijn dat twee verschijnsels, noch oorzaak noch gevolg van +elkander zijnde, op elkander gaan werken, en dat het eene hierdoor +niet noemenswaardig verandert, terwijl het andere versterkt of +verzwakt wordt. Het onderwijs, door een schoolmeester gegeven, komt +bijv. in aanraking met den geest van een leerling, en tracht diens +kennis te vergrooten. Door de werking der wet der veranderlijkheid +zou die schoolmeester dien leerling gansche bibliotheken van buiten +kunnen doen leeren maar, onder de gedaante van vergeten, beperkt de +werking der wet van geschiktmaking de toename der geleerdheid van +den leerling. Neemt men den geest opheffende werking der inspanning, +welke zich de schoolmeester geeft, niet in aanmerking, zoo zal deze +door den directen invloed op hem van dit door hem gegeven onderwijs, +niet meer of minder geleerd worden, en de op blz. 255 gemelde werking +der wet van geschiktmaking hem niet even kundig als zijn leerling +trachten te maken, omdat hij zich niet op eene lijn met dezen stelt, +en niet vermeent aan dezelfde voorwaarden als dezen te moeten voldoen. + +Ook kan het zijn dat een verschijnsel een ander tot gevolg heeft +en de intensiteit hiervan tracht te vergrooten, terwijl dit gevolg +iets dergelijks bij deszelfs oorzaak tracht te weeg te brengen, +of dat twee verschijnsels zulke invloeden op elkander uitoefenen, +dat zij elkander wederkeerig versterken of verzwakken. Op blz. 309 +van het Vervolg van ons werk get.: Over de werking der Natuurwetten +op zedelijk gebied enz. hebben wij daarvan verscheidene voorbeelden +gegeven. De werking der wet van geschiktmaking werkt dan echter de +vergrooting van elk dier verschijnsels tegen, zoodat zij eindelijk, na +zekeren trap van grootte bereikt te hebben, niet meer noemenswaardig +veranderen. Zoo zal wel het vliegen der vogels de vergrooting van +derzelver vleugels bevorderen, en het bezit van grootere vleugels die +vogels sterker doen vliegen, edoch, zoowel eene bovenmatige grootte +hunner vleugels, als het uiterst snel doorklieven der lucht, voor de +vogels iets ongeschikt moeten worden. + +Zoo versterken moedeloosheid en geledene verliezen elkander wel, +doch de werking der wet van geschiktmaking zal den ontmoedigden tot +bezinning doen komen, en hem tevens zijn werkkring doen beperken, +waardoor deze zie blz. 42 meer in harmonie met de overgeschotene +hulpmiddelen komt, en het lijden van nog meer verliezen moeijelijker +wordt, ofschoon de moedeloosheid dan nog als gevoel van zwakte kan +blijven bestaan. + +Op blz. 152 hebben wij gesproken van eene wederkeerige versterking +van den aanleg voor iets en den graad waarin men het er in brengt. De +werking der wet van geschiktmaking schijnt echter de vergrooting +van zulk een aanleg, naarmate deze graad grooter is, sterker te +bemoeijelijken, terwijl de werking dier wet, waardoor de verschillende +soorten van geestontwikkeling zich bij den mensch op dezelfde hoogte +trachten te stellen, voor zooverre de levensomstandigheden dit niet +tegengaan, benevens de terugtrekkende werking van het ligchaam +en der beperktheid der controlerende zintuigelijke aanschouwing, +de vergrooting van eene soort van geestontwikkeling bij den mensch +tegengaan. Wanneer echter die wederkeerige versterking van aanleg en +graad van geestontwikkeling in iets zwakker is, zal de werking der wet +van geschiktmaking eerst later beide beletten verder noemenswaardig +in grootte toe te nemen. Die geestontwikkeling zal dan toch meer +tijd gehad hebben om zich geschikt voor andere zaken te maken, om de +bovengemelde haar alsware achteruittrekkende zaken te ontvlieden, +en bijv. met een hooger georganiseerd ligchaam en eene ruimere +controlerende aanschouwing in aanraking te komen. + +Bij die wederkeerige versterking komt het ons voor dat de aanleg +zwakker toenemen moet, naarmate hij van meer algemeenen aard en meer +met de op blz. 185 gemelde grondslagen van de ligchaamsorganisatie +vergelijkbaar is. Vooral voor de vergrooting van deze soort van +aanleg (evenals de meer bijzondere soorten er van in eigenschappen +van denkbeelden bestaande) zal langere duur der toeneming der +geestontwikkeling gunstiger werken dan de sterkte dier toeneming, +hetgeen ook doorgaat voor de verandering der algemeene karaktertrekken +bij wederkeerige versterking dier verandering en van zekere rigting +van denkbeelden. Wederkeerige versterking tusschen een eindigen aanleg +en eene geestontwikkeling gelijk nul kan binnen geen eindigen tijd +bestaan, ten eerste omdat, zonder geestontwikkeling, dat is zonder +denkbeelden, er geen aanleg kan bestaan zie blz. 247, ten andere +omdat nul, met alle eindige grootheden vermenigvuldigd, steeds nul tot +product geeft. Buitendien zal er eene opheffende werking noodig zijn om +de geestontwikkeling te vergrooten. Aanleg is hiervoor niet voldoende, +deze maakt slechts de taak dier opheffende werking gemakkelijker. Deze +is zelfs ook noodig om de vogels te leiden om te vliegen, want men +kan het bezit van vleugels door de vogels eenigzins vergelijken met +die van zintuigsorganen door de menschen. De vergelijking van het +edelere gebruik dat wij, met het lagere gebruik dat de dieren van +die organen maken, toont aan dat voor het waarnemen en opmerken het +bezit van zulke organen niet voldoende is. + +Deze beide voorbeelden zijn dan ook niet die van eenvoudige +wederkeerige versterking van twee verschijnsels, maar van zoo iets +gepaard met de versterking van het eene dier verschijnsels door een +ander dat er niet door aangedaan wordt (zie later). De werking der +wet van geschiktmaking zou de versterking van dit eerste verschijnsel +namelijk die van de geestontwikkeling zeer beperken, zoo die werking +steeds gevormd werd door de terugtrekkende werking van de ligchamen en +de beperktheid der aardsche zintuigelijke indrukken. Verplaatst zich +echter het peil, waarnaar de terugtrekking geschiedt, naar hooger, +zoo vervalt de beperking der toeneming der geestontwikkeling door de +werking der wet van geschiktmaking. De bijzondere verschijnsels met +betrekking tot de gemiddelde toestanden, brengen voort bijzondere +verschijnsels met betrekking tot iets van een anderen algemeenen +aard, of afwijkingen van eene andere soort van gemiddelde, (zooals +bijv. de afwijkingen van een gemiddeld gedrag, afwijkingen van +eene gemiddelde behandeling). Deze doen op hunne beurt hetzelfde, +en zoo ontstaan er eene menigte van bijzondere verschijnsels of +afwijkingen van gemiddelden van verschillenden aard, die elkander +versterken of verzwakken. Doordat bij dit laatste er echter, +zooals blz. 258 gezegd is, eene versterking in tegenovergestelden +zin plaats heeft, wanneer het gevolgverschijnsel verzwakt, terwijl +wederkeerige verzwakking niet kan plaats hebben, wanneer een der +verschijnsels opgewekt wordt, zoo zal het ontstaan van bijzondere +verschijnsels en afwijkingen, door andere bijzondere verschijnsels +en afwijkingen van iets anders voortgebragt, als ware het totale +bedrag der bijzondere verschijnsels en afwijkingen van verschillenden +aard vergrooten. Wel zal nu de werking der wet van geschiktmaking +de bijzondere verschijnsels en afwijkingen trachten te vernietigen +en dit in zekere mate doen, doch daar andere bestaande bijzondere +verschijnsels en afwijkingen als gevolgen baren nieuwe bijzondere +verschijnsels en afwijkingen van de soort der vroeger, door de +werking der wet van geschiktmaking grootendeels vernietigd, de werking +dier wet tegengewerkt worden door die der wet der veranderlijkheid +en in den ganschen veranderlijken wereld dan de eene en dan de +andere werking de overhand bekomen. Ofschoon die der wet der +veranderlijkheid verschijnselen in aard hier mede verschillende +gevolgen doet voortbrengen, zoo hebben oorzaken steeds er mede +gelijkslachtige hetzij hen verzwakkende, hetzij hen versterkende +gevolgen. Iets dergelijks ontwaart men ook bij de werking der +wet van geschiktmaking. Bij de verschijnsels geschiedt deze op er +mede gelijkslachtige wijze, zooals vernietiging van snelheden door +omzetting dezer in trillingen, die van het hinderlijke der slavernij +door verdierlijking der slaven enz. Dit ontstaat doordat, zooals op +blz. 249 gezegd is, vaste, maar alsware meer bijzondere wetten bepalen +in welke verhouding de aard der werkingen der beide algemeene wetten +staat tot de verschijnsels waarbij zij plaats hebben. Vandaar dat al +de wetenschappen, die de oorzaken en het verband der verschijnselen +nagaan, zooals de Natuurkunde, de Staathuishoudkunde, de Ethica, de +Wijsgeerige geschiedenis, de Volkenkunde enz., ten doel hebben om te +vinden, welke bijzondere natuurwetten uitsluitend op ieders gebied +heerschen zouden, zoo er geen verband tusschen de verschijnsels, tot +het gebied dier verschillende wetenschappen behoorende, bestond [77]. + +Der menschen handelingen kunnen slechts dan geheel werkingen der wet +van geschiktmaking zijn, wanneer zij de directe gevolgen zijn van +ongeschikte toestanden van zaken, en dit nu is niet het geval, wanneer +die handelingen de gevolgen van redeneringen zijn. Zoo bijv. iemand, +met losbollen verkeerende, er ook een wordt, geschiedt dit door de +besmettelijke, zie blz. 255, afwijkingen wegnemende werking van zijne +omgeving en niet door redenering, evenmin zoo iemand met de oogen +knipt, wanneer hierop te sterk licht valt. + +Wanneer de menschen op eene beredeneerde wijze ongeschiktheden +(bijv. ziekten) trachten te doen verdwijnen, zijn de daarvoor +door hen aangewende middelen steeds de zeer indirecte gevolgen +dier ongeschiktheden. Was dit anders, wees bijv. maagpijn op eene +instinctieve en directe wijze de daartegen aan te wenden middelen +aan, zoo zouden deze zeker doelmatig zijn, want het zich aldus +genezende wezen zou zich daarvoor niet boven de zintuigelijke ervaring +behoeven te verheffen, en geene andere verandering in het ligchaam +dan het wegnemen der kwaal zou plaats hebben. Bij de behandeling +van zieken door artsen geschiedt dit nu ook wel zoo in zekere mate, +doch buitendien worden er, deels door dwalingen, veranderingen bij +de ligchamen der patienten te weeg gebragt. Die behandeling bestaat +aldus uit de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en van +die der veranderlijkheid. + +In andere gevallen is hetgeen de menschen tengevolge van redenering +doen in betrekkelijk sterkere mate ofschoon niet geheel de werking +der wet van geschiktmaking. Het kleeden bijv. verkeert in dit geval, +want de gewaarwordingen van onze ligchamen duiden ons aan, dat wij +bijv. geen lappen laken onder onze voeten moeten bevestigen en geen +rok van zoolleer maken, terwijl ook de vorm der kleederen door die +van onze ligchamen in zekere mate direct aangegeven wordt. + +Bij al ons redeneren hebben wij steeds ten doel bij iets geschiktheid +voort te brengen, al zij het dat er door zie blz. 256, te gelijk +ongeschiktheid bij andere zaken ontstaat, zoodat dit redeneren evenmin +alleen eene werking der wet der veranderlijkheid als, wegens de reden +van blz. 260, eene der wet der geschiktmaking is. Omdat het echter +deels eene werking van eerstgemelde wet is, zal het slechts in eene +veranderlijke wereld, dat is in zulk eene waarin er een drang tot +vooruitgang kan bestaan, kunnen plaats hebben. Het verkeer in eene +veranderlijke wereld is echter niet voldoende om vooruitgang bij +de wezens voort te brengen, hiervoor moet bij deze een drang er toe +bestaan, even als zie blz. 263, voor de toeneming der intellectuele +ontwikkeling bij wezens in het bezit van zekeren aanleg. + +Een wezen kan een lager en gebrekkiger georganiseerd ligchaam dan +zijns gelijken bezitten en hierdoor zie blz. 90, aan eene grootere +terugtrekkende werking dan dezen blootgesteld zijn. Het kan zich +echter ook eene grootere geestinspanning dan de andere wezens geven, +ten einde in dit gebrek te voorzien, en die grootere geestinspanning +de vergrooting zijner geestelijke ontwikkeling bevorderen. Wanneer +dit wezen aan die bevordering groote behoefte gevoeld, zal het in +dit laatste geval verkeeren, en dit vergelijkbaar zijn met het op +blz. 240, gemelde geval, waarin een volk door kunstmiddelen moet +voorzien in hetgeen de natuur elders zelve geeft. + +Het is naar ons inzien het duistere besef van die onbepaalde +vergrooting der geestontwikkeling der menschen, dat doet zeggen dat +hun leven onschatbaar is, niettegenstaande de waarde van het aardsche +leven van enkele menschen negatief is, en van de meeste hunner niet +boven die eener matige geldsom gaat. + +De statistiek leert toch hoe, door het verzuimen van zekere +veiligheidsmaatregelen, er gemiddeld jaarlijks een zeker aantal +menschen omkomen, en toch kan men die maatregelen niet invoeren +wanneer zij te veel geld kosten. Bij al zijn werken en drijven stelt +de mensch zijn ligchaam aan meer of minder gevaren bloot. Productie +van welken aard ook kost aldus bloed, zelfs wanneer die productie +dient tot het verschaffen van middelen ter beveiliging van der +menschen leven. Het bewerkte hout en ijzer dat bijv. op de schepen +hiervoor dient, kost aan een aantal houthakkers en mijnwerkers het +leven. Men zou aldus moeten oplossen het vraagstuk "van welken aard +de productie moet zijn om een minimum van menschenlevens te kosten," +een vraagstuk dat, wegens de gedurige variatien der omstandigheden, +slechts zeer in het ruwe op te lossen is, en waarbij men de productie +door te groote voorzigtigheid niet moet verminderen, omdat hierdoor, +ten bate der geschiktheid met betrekking tot de veiligheid, de van +de productie afhangende beschaving te veel benadeeld zou worden. [78] + +Terwijl bij met den onveranderlijken oergeest volmaakt zamengesmolten +wezens, wat geschikt is in het eene opzigt ook geschikt moet zijn in +een ander opzigt, wat voor den een geschikt is, ook voor den ander +geschikt moet zijn, en wat gewenscht is voor het heden ook in de +toekomst gewenscht moet zijn, is dit bij veranderlijke wezens geenszins +het geval. Deze kunnen dan ook slechts trachten de bij hen bestaande +totale ongeschiktheid, waaronder zoowel die voor toekomstige hoogere +toestanden, als die voor het heden, zoowel die met betrekking tot +hunne zamenwerking met anderen, als die met betrekking tot hun eigen, +tot een minimum te maken, iets dat zij, zoo zij aan de eischen van +hun maatschappelijken toestand voldeden, gemiddeld zouden trachten +te doen, doch welke pogingen door allerlei veranderingen van toestand +te weeg brengende accidentele oorzaken aanhoudend tegengewerkt zouden +worden. Van zulk een minimum van ongeschiktheid in allerlei opzigten, +dus ook voor de toekomst, verwijdert men zich echter wanneer men de +geschiktheid voor het een geheel opoffert ten bate van die voor het +ander. Die eerste soort van ongeschiktheid wordt alsdan meer vermindert +dan de tweede vergroot, omdat, naarmate er geschiktheid bij iets meer +vermindert, de verdere vermindering er van bezwaarlijker wordt, omdat +zij zich alsware dan bepaalt tot hetgeen waarbij zij moeijelijker +uitteroeijen is. + +Dit kan vergeleken worden met de uitwerking der geregtelijke +straffen. Deze gaan in zekere mate de misdaden tegen, maar straft men +zelfs de ligtste diefstallen met den marteldood, zoo zouden er nog +in voor de dieven zeer aanlokkende gevallen er nu en dan diefstallen +gepleegd worden, en de maatschappij minder winnen door de vermindering +der diefstallen, dan verliezen door de pijnlijke uitwerking dier +verschrikkelijke straffen. + +Wij menschen trachten wel in zekere mate de ongeschiktheid bij +ons genoegen in het heden, die bij ons toekomstig bestaan, die +bij andere menschen en die bij het toekomstige bestaan van andere +menschen weg te nemen, doch doen dit niet bij elk dier soorten van +ongeschiktheid in zulk eene verhouding als behoort, om bij allen +te zamen de ongeschiktheid tot een minimum te maken, en wel, omdat +de toestand daaromtrent niet alleen bij de in beschaving gestegene +menschheid veranderd is, maar tevens bij elk individu gedurende +zijn leven verandert. Bij de dieren toch lijdt de geschiktheid voor +de toekomst en die van andere individuen veel minder dan bij ons +menschen door de verwaarlozing er van ten bate der geschiktheid van +het individu in het heden, en daar, sedert dat wij maatschappelijke +pligten te vervullen hebben, onze verheffing boven den staat der +dieren niet sedert zeer langen tijd uiterst langzaam heeft plaats +gegrepen, handelen wij, tengevolge der werking der traagheid en +van de in de Noot van blz. 139 gemelde terugtrekkende werking, +met betrekking tot het te keer gaan der ongeschiktheid bij elk dier +zaken, te veel als dieren, dat is wij voldoen niet aan de eischen +van ons maatschappelijk bestaan. Desniettemin verzuimen wij niet +geheel om bij elk dier zaken de ongeschiktheid tegen te gaan, en +zelfs niet bij ons en anderen toekomstig buiten aardsch bestaan. Dit +wordt bewezen, doordat der menschen ideaal hooger reikt dan om de +hen bewuste kwalen der menschheid weg te nemen, en om deze in den +geschiktsten toestand met betrekking tot het aardsche leven in de tot +den thans bestaanden stand van beschaving gestegene maatschappij te +stellen. Om dit laatste in voldoende mate te doen, hiervoor zijn de +menschen, wegens bovengemelde oorzaak, te zinnelijk, te egoïstisch +en te zorgeloos, kunnen zij gedurende hun kortstondig aardsch bestaan +te weinig de behoeften hunner medemenschen leeren kennen, en mangelt +het hen aldus zoowel aan intellectuele als aan morele ontwikkeling, +doch dit neemt niet weg, dat de (zie blz. 78), zoo onharmonische +mensch somtijds zorgt om geschiktheid te vergrooten voor iets hooger +dan het genoegen der aardsche maatschappij in het heden, en dat hij +hiervoor dit genoegen vermindert, en zich zelf lijden oplegt. Dit +is bijv. het geval zoo iemand zooals Beijling, om zijn gegeven woord +niet te breken, niet slechts zijn eigen leven opoffert, maar tevens +zijne vrienden in droefheid dompelt. Dit is het geval zoo iemand, +overstelpt door rampen of behebt met ongeneeselijke en smartelijke +kwalen, zich liever in de harde maar leerrijke school van den +tegenspoed laat, dan zich van den last van het leven te bevrijden, +en vooral is dit het geval bij uitingen van het godsdienstig gevoel, +en maakt dat zij, die zich offers opleggen om anderen in het heden +genoegen te doen, ons niet voorkomen aan de roeping van den mensch ten +volle te voldoen. Dergelijke daden maken het de menschheid evenmin +in het heden genoegelijker als de bekende raad van Aristides in het +belang van Athene was, en toch kan het doel hierbij niet slechts +zijn om goede voorbeelden te geven, daar dit geheel van de middelen +der publiciteit afhangt, en buitendien verzinsels daar even goed als +werkelijk bedreven daden voor kunnen dienen. + +Die vergrooting der zedelijke ontwikkeling kan somtijds geschieden door +het bedrijven van daden, de maatschappij geen voordeel verschaffende, +zooals bijv. bij het bedwingen van de neiging voor genot in het heden +door het nakomen van een verbod van iets dat werkelijk schadeloos +is. De waarde van zulk eene daad, met betrekking tot den bedrijver er +van, zal dan echter verminderen, zoo deze geen ijver genoeg betoont +om de doelmatigheid er van te onderzoeken. + +De nakomelingschap heeft aan Napoleon I de terdoodbrenging van den +hertog van Enghien, benevens zijn trouweloosheid jegens het Spaansche +hof meer euvel geduid, dan al de door hem geprovoceerde oorlogen. Dit +nu kan slechts geschied zijn, omdat die nakomelingschap het voorbeeld +van moord en trouwbreuk voor latere heerschers verderfelijker achtte +dan dat van oorlog voeren, niettegenstaande, wanneer die oorlogen +stroomen bloed doen vloeijen en duizende huisgezinnen in rouw dompelen, +zij ontegenzeggelijk het genoegen der maatschappij meer schaden, +dan enkele moorden zulks doen. Deze strekken echter tot zedelijke +verlaging, de oorlogen daarentegen in verscheidene opzigten tot +geestelijke verhooging der strijders en van de navolgers dezer. + +Zoo wij ons buitendien geen hooger ideaal voorstelden dan het genoegen +der maatschappij in het heden, zou bij het niet voldoen aan de eischen +van dit ideaal, dit omlaag getrokken worden, dat is de beschaving zou +afnemen, en dit genoegen der maatschappij meer op het dierlijke gaan +gelijken. Zoo, wegens de in de Noot blz. 139 gemelde terugtrekkende +werking, als wegens den zeer geringen graad der geestontwikkeling +der menschen tijdens derzelver geboorte, zouden deze, wanneer zij +volwassen zijn, wegens het kleiner zijn van het hunne geestontwikkeling +optrekkenden ideaal, op een lageren trap van geestontwikkeling komen, +en aldus de graad van ontwikkeling van het genoegen der maatschappij +steeds teruggaan [79]. Het is hiermede gelegen als met de grootte van +wandelingen, zoo deze, hoe klein ook, inspanning vorderen, en zij noch +voor de gezondheid, noch voor het genoegen gedaan worden. Al heeft +iemand door dwang de gewoonte verkregen om eene wandeling van zekere +grootte te maken, die grootte zal van lieverlede verminderen, nadat +die dwang opgeheven is. Is aldus ons ideaal het publieke genoegen +bij de thans bestaande beschaving der maatschappij, zoo hangt het +in de lucht, en zal de noodzakelijkheid dier beschaving voor ons +deze evenmin voor teruggang beveiligen, als de gewoonte aan het +doen van eene groote wandeling, deze zal behoeden voor verkleining, +zoo geene andere oorzaak dit tegen gaat. Slechts zal die verkleining +alsdan trager zijn. Wel is waar bezitten wij zie blz. 28 een drang tot +vooruitgang, en misschien leidt deze de dieren, om zich (zie blz. 152) +eene inspanning te geven grooter dan hun aangenaam is, maar bij ons +menschen, die bewustheid hebben van de toekomst en van hoogere trappen +van bestaan, is deze instinctive drang hiervoor niet voldoende, wij +behooren hiertoe hetzij door anderen gedwongen te worden, of wel een +door onze zucht tot gemak niet omlaag trekbaar doel voor oogen te +houden. Is dit doel bij de menschheid geheel aardsch, zoo moet het, +wil de trap van beschaving niet verminderen, minstens zijn om dezen +trap te verhoogen. Is echter de trap van beschaving op aarde zoo +hoog geklommen als de in de Noot van blz. 139 gemelde terugtrekkende +werking benevens de traagheid der op een zeer laag standpunt van +geestelijke ontwikkeling geboren wordende menschen gedoogt, welk +ideaal moeten deze zich dan ter bereiking voorstellen, om op dit +maximum van op deze aarde mogelijke beschaving te blijven? [80] Een +aardsch ideaal kan dit klaarblijkelijk niet zijn, en ook voor ons, +die dit maximum niet bereikt hebben, kan die optrekkende werking +niet geheel gevonden worden, zoo men de oogen slechts op de aarde +gevestigd houdt. Wij achten ons te weinig in de menschheid op te gaan, +(iets dat wel van zamenwerking met medemenschen onderscheiden moet +worden) en ons gevoel van zelfstandigheid is te sterk, om ons ideaal +vast te knoopen aan het lot der aan allerlei wisselvalligheden +overgeleverde nakomelingschap. Wij bezitten eene meer of minder +gebrekkige voorstelling, dat voor een deel ons ideaal zoodanig moet +zijn, dat het op heffende werkt, hoe hoog ook men binnen de palen +der eindigheid gestegen zij, en aldus slechts bij den oneindigen +onveranderlijken en aldus volmaakten Oergeest kan bestaan. + +De idealen van zelfs leden van onbeschaafde maatschappijen bevatten +dan ook bestanddeelen in sommige opzigten ongelijkslachtig zijnde met, +ofschoon niet minder verheven dan hetgeen tot het genoegen strekt +der wisselende leden van beschaafde maatschappijen. + +Reeds de onbeschaafde mensch begeeft zich met zijne verbeelding en ook +eenigzins met zijne rede op buitenzinnelijk gebied, en vervalt alsdan +in dwalingen. Dit is een noodwendig gevolg van het ver vooruitloopen +der controlerende zintuigelijke aanschouwing tengevolge der natuurwet +van de veranderlijkheid, doch even noodwendig is het dat die dwalingen +verkeerde opvattingen zijn van iets dat werkelijk bestaat. De natuurwet +der geschiktmaking verbiedt toch dat wij menschen een vermogen behouden +om bespiegelingen te maken over het niet, evenals zij niet zou gedogen +dat de vogels vleugels behielden, zoo er geene lucht bestond om er in +te vliegen. Hetzelfde kan gezegd worden van de zucht der menschen om +zich in eene hoogere en naauwere betrekking met het buitenzinnelijke +en verhevene op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door +denking te stellen. Die zucht is de oorzaak der zoogenaamde inspiratie, +die der veronderstelde persoonlijke tegenwoordigheid van God op gewijde +plaatsen, die der gewaande lichamelijke vereenzelviging met hem. De +menschen hebben, onder de vereenigde werking der wet van geschiktmaking +en die der veranderlijkheid, die zucht naar het hooge op eene voor +hunne bekrompenheid van begrip geschikte wijze trachten te bevredigen, +en zijn hierdoor tot dwaalbegrippen tot bijgeloovigheden vervallen, +doch het bestaan dier zucht bij hen bewijst dat deze eenmaal bij elk +hunner op eene objectief ware wijze bevredigd zal worden. + +Het is aldus niet de zucht naar het hoogere op buitenzinnelijk gebied, +of het godsdienstig gevoel in het algemeen, waardoor de toeneming +der menschelijke kennis vertraagd wordt, maar het is de zinnelijke +bevrediging dier zucht die zulks doet. Vandaar, dat, voorbij het +standpunt van beschaving waarop de mensen en wijsgeerig beginnen te +worden, zie blz. 118, er eene botsing ontstaat tusschen de verlichten +der natien, namelijk de wijsgeeren en de voorgangers van het gros +dier natiën in de zinnelijke bevrediging van het godsdienstig gevoel, +en dat de eerste op de laatste eene opheffende werking uitoefenen. Die +disharmonie, moge in het eene tijdvak sterker, in het andere zwakker +zijn, overal zal zij bestaan waar, tengevolge der werking der wet van +geschiktmaking, zinnelijke wezens zich door zinnelijke voorstellingen +trachten te bevredigen, en te gelijk, tengevolge der werking der wet +der veranderlijkheid, door middel hunner rede zich tot het abstracte +verheffen. Het wegens welk motief ook niet dringen in het abstracte +maakt niet alleen dat de menschen bijgeloovig, maar tevens dat zij +ongeloovig zijn. Op het eene oogenblik vormt de mensch verheven +bespiegelingen, en zweeft hij boven de wolken in de wereld van het +abstracte, op het andere oogenblik trekt zijne zinnelijkheid hem naar +den bodem terug, en laat in zijn boezem een grond van wantrouwen voor +zijne naar hij meent voor de rede onwederlegbare bespiegelingen. + +Is het aldus te verwonderen, dat zij die gezeten zijn in het vaartuig +hunner kerk, wiens deelen zij de planken der behoudenis wanen te zijn, +omdat zij er tusschen op min of meer zinnelijke wijze het edelste +hunner gevoelens voldoen, dit vaartuig niet durven te verlaten en te +wandelen op de baren van het abstracte, uit vrees van te zinken naar +de diepte van het ongeloof? Uit vrees van mismaakte dwergen te worden, +blijven zij liever kinderen. + +De werking der traagheid moet de wezens beletten eensklaps van +natuur te veranderen en hunne persoonlijke eigenaardigheden te +verliezen, zoodat zij niet op de wijze zooals Bouddha gesteld +beeft, maar zelfs, slechts na eene verzwakking van hun karakter van +bijzonderheid en veranderlijkheid gedurende de grootst eindige tijden, +in het onveranderlijke oerwezen, door met dit qualitatief identiek +te worden, opgenomen kunnen worden. De wet der geschiktmaking, welke +dit tracht te doen, zal zwakker werken, naarmate er aan die volmaakte +eenzelvigheid minder ontbreekt, zoodat er evenmin een eindigen tijd zal +bestaan, waarin die werking alle te kort komingen aan die eenzelvigheid +opgeheven zal hebben, alsdat er eene eindige abcis zal bestaan, waarbij +bij eene kromme alle verwijdering van den assymptoot dezer verdwenen +is. Dat de drang tot verandering van zaken, naarmate zij den toestand, +waarin die drang hen wil brengen, meer genaderd zijn, kleiner wordt, +is een gevolg der werking der wet der traagheid, die zulk een drang +slechts veroorlooft binnen een eindigen tijd in grootte te veranderen, +en aldus ook te verdwijnen. Er zullen aldus zeer korte, maar toch nog +eindig groote tijden bestaan, dat die drang uiterst gering zijnde, +voor het voortbrengen eener nadering der eene zaak tot de andere, +die vroeger binnen korten tijd geschiedde, uiterst langen tijd noodig +zal hebben. Bij bovengemelde kromme is de grootte der hoeken, welke +de tangenten met de as der abcissen maken, met de grootte van dien +drang te vergelijken. Is de vergelijking dier kromme nu zoodanig, dat +die hoeken wel naar nul streven, maar niet negatief kunnen worden, +en beneden zekere grootte alle soorten van grootte bezitten, zoo +moet zulk eene kromme een assymptoot paralel met de as der abcissen +bezitten. Evenmin als een veranderlijk wezen binnen een eindigen +tijd het karakter der onveranderlijkheid kan verkrijgen, kan het, +een zelfstandig iets zijnde, binnen zulk een tijd volmaakt vernietigd +worden. Ware eene vernietiging er van mogelijk zoo zou hierbij juist +het omgekeerde als bij de op blz. 184 gemelde aangroeijing van zulk +een wezen van af nul tot een eindig bedrag gedurende eene eeuwigheid +moeten plaats hebben. Een wezen, in dit laatste geval verkeerende, +moet eene eeuwigheid nadat het eene eindigen grootte bereikt heeft, +oneindig groot zijn, en de stelling der preëxistentie tot noodwendig +gevolg hebben, dat de geestontwikkeling der wezens de palen der +eindigheid moet overschreden hebben, wanneer zij met den Oergeest +volmaakt zamensmelten. De wet van geschiktmaking werkt, door de wezens +een onveranderlijken aard te willen geven, de vergrooting dier wezens +tegen. De wet der veranderlijkheid werkt op eene tegenovergestelde +wijze, en moet gedurende het laatste oneindig lange tijdvak, dat de +eindige wezens, voor met den Oergeest zamen te smelten, in grootte +toenemen, in werking betrekkelijk de wet van geschiktmaking verzwakken. + +Bij eene eindige betrekking tusschen de werkingen dier beide +wetten in het voordeel der eerstgemelde, voor zooverre deze zie +blz. 284 geene terugtrekkende werking uitoefent, zullen, bij den +aanvang reeds bestaande wezens gedurende een eindigen tijd eene +eindige betrekkelijke, vergrooting ondergaan. Alsdan zal echter die +betrekkelijke vergrooting dier wezens gedurende eene eeuwigheid, +van af een eindig getal tot nul afnemende zulks te traag doen om +binnen die eeuwigheid slechts eene eindige absolute vergrooting +voort te brengen. Hiervoor zou die verhouding, op het oogenblik +van den aanvang dier eeuwigheid, oneindig groot moeten zijn en bij +een wezen in grootte nul bestaan. Die grootte is vergelijkbaar +met die der ordinaat nul bij den top van assymptoten bezittende +kromme lijnen. Van dergelijke krommen moeten de met bovengemelde +betrekkelijke vergrooting vergelijkbare tangenten der hoeken der +raaklijnen van oneindig tot op nul afnemen. + +De op blz. 276 gemelde zucht tot opheffing van den geest naar +den onveranderlijken oneindigen Oergeest, vereischt dat diens +onveranderlijke denkbeelden een invloed hoe indirect ook op onze +veranderlijke denkbeelden uitoefenen, want anders zou het zijn, +of dit onveranderlijke wezen voor ons geen objectief bestaan had, +en aldus, zooals op blz. 275 gezegd is, die zucht bij de menschen +niet kunnen bestaan. Die onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest +kunnen echter niet direct op de onze van invloed zijn, omdat deze +dan ook een directen invloed op die onveranderlijke denkbeelden +zonden uitoefenen, en hen niet volmaakt onveranderlijk zouden kunnen +laten. Die invloed moet aldus geschieden door eene grootst eindige +reeks van zie blz. 175, veranderlijke denkbeelden van den Oergeest, +en wel zoo dat de leden dier reeks naar de zijde waar deze zich aan +de onveranderlijke denkbeelden hecht, meer en meer hun karakter van +veranderlijkheid verliezen en in uitgebreidheid toenemen [81]. + +Die uitgebreidheid bij die onveranderlijke denkbeelden oneindig zijnde, +zoo kan hun invloed op onze denkbeelden vergeleken worden met dien van +een oneindig grooten hemelbol op een eindig grooten bol, waarvan hij +oneindig ver verwijderd, en aldus, zie blz. 165, door eene oneindige +massa van aantrekkingstrillingen bezittenden ether gescheiden is. De +invloed dier reeks van denkbeelden van den Oergeest op onze denkbeelden +moet echter niet beschouwd worden als inspiratie, maar zie blz. 122 als +de oorzaak waardoor wij ons door middel der rede en verbeelding boven +zintuigelijke indrukken verheffen. De veranderlijke denkbeelden van den +Oergeest, bepaalt door de atomistische bewegingen der aarde, oefenen, +door tusschenkomst van dergelijke veranderlijke denkbeelden, bepaalt +door atomistische bewegingen der deelen van ons ligchaam, geestelijke +invloeden uit op door de zintuigelijk onwaarneembare atomistische +bewegingen bepaalde denking van onzen geest [82]. Gedroeg deze zich +hier tegenover geheel passief, zoo zou hij een aardsch product zijn, +en werkelijk tracht die invloed hem daartoe door eene werking der +wet van geschiktmaking te verlagen. Onze geest gedraagt zich echter +ook actief, ofschoon niet steeds even sterk, het minste in den slaap, +in staat van dronkenschap, van waanzin, enz., wanneer hij zich weinig +inspant; het meeste bij het denken over abstracte onderwerpen, over +het algemeene en bij het in den niet latenten toestand. houden van +denkbeelden, zoo dit sterke inspanning vereischt. Voor het bezit dier +activiteit heeft echter onze geest noodig primo om eene menigte van +verscheiden en veranderlijke indrukken te ontvangen, zonder welke +hij niet werkdadig kan zijn, zie blz. 93, en secundo om invloed te +kunnen uitoefenen op voorwerpen, die zich alsdan tegenover hem passief +gedragen. Zoo gedragen zich de beenen passief, wanneer wij tengevolge +van onzen wil (eene soort van denking) gaan, en zouden zij zich slechts +actief gedragen, zoo zij ons konden dwingen om te loopen [83]. Onze +geest zou slechts aan de op blz. 94 gemelde werking, trachtende hem +een aardsch product te doen worden, blootgesteld zijnde, dit werkelijk +naar ons inzien worden, zoo de werking der wet der veranderlijkheid +hem niet binnen de wereldsche verscheidenheid en veranderlijkheid door +de op blz. 279 gemelde reeks aan eene opheffende werking blootstelde, +en daardoor tevens maakte dat die eerste werking haar doel niet kan +bereiken, en aldus verlagende op den geest blijft werken. + +Men kan zich voorts voorstellen wezens zich niet verheffende boven +de zintuigelijke indrukken, die zij op een hemelbol verkrijgen, +en die, in zeker opzigt qualitatief niet van elkander verschillende, +dit quantitatief wel doen. Zoo zouden bijv. op deze aarde waterdieren, +zich niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffende, niet slechts +minder hoog in geestontwikkeling staan dan de werkelijk bestaande +waterdieren, maar tevens als imaginaire landdieren, welke zich ook +niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffen. + +Om te beseffen hoe de aardsche zintuigelijke aanschouwing, door +beneden de denking der aardbewoners te blijven, de vergrooting +der geestontwikkeling dier wezens belemmert, en, zoo onze planeet +(zie blz. 154) niet zelve in eene phase van vooruitgang was, hij de +nakomelingschap slechts tot een zeker maximum zou veroorloven te gaan, +neme men in acht, dat al der menschen wetenschappelijke kennis bestaat +uit zintuigelijke waarnemingen, wiskunde en logica. Van het eerste +is natuurlijk het maximum op deze aarde beperkt, en met de wiskunde +en logica is dit, door eene indirecte uitwerking van dit te laag +staan der zintuiglijke aanschouwing met betrekking tot onze denking, +insgelijks het geval. + +Zoowel bij de logica als bij de wiskunde wordt den aard en grootte +van het onbekende, uit het bekende afgeleid, zoodat, waar zie +blz. 174 de rijkdom en volkomenheid der aanschouwing de geesten ten +volle verzadigen, wiskunde en logica overbodig zijn. Zoowel bij de +logische als bij de wiskundige redenering (wier juistheid eigenlijk +onafhankelijk is van de objectieve waarheid van de stellingen +waarvan men uitgaat) gebruikt men beelden en voorstellingen aan de +zintuigelijke aanschouwing ontleend. De beperktheid hiervan moet nu de +vlugt van onze voorstellingen beperken door hierop eene terugtrekkende +werking uit te oefenen, en hierdoor aan de intellectuele ontwikkeling +der aardbewoners met betrekking tot de wiskunde en logica grenzen +stellen, zelfs al waren die bewoners in het bezit eener aardsche +onsterfelijkheid en aldus van een onbepaald langen tijd om te leeren, +zonder dat hun geest een aardsch product was, twee zaken die, zie +blz. 224, naar ons inzien, onvereenigbaar zijn. + +Men zij voorts indachtig dat de werktuigen, zooals telescopen, +microscopen, passers, barometers enz. waardoor onze aardsche +zintuigelijke aanschouwing uitgebreider geworden is, niet zouden +bestaan, zoo het vooruitloopen er hiervan door onze denking er +zie blz. 178 niet opheffende opgewerkt had, doch die uitbreiding +is begrensd. + +Bij de theorie snelt men door middel van wiskundige en logische +redeneringen de zintuigelijke aanschouwing meer vooruit, dan bij de +praktijk. Meer dan hierbij komt men bij de theorie tot resultaten +van een meer algemeenen aard. Bij haar staat meer dan bij de praktijk +vooruitgang en minder dan bij deze geschiktheid op den voorgrond. + +Wanneer een ligchaam valt, bestaat er een verschijnsel, namelijk de +aantrekking waaraan dit ligchaam is blootgesteld, dat opwekt een ander +aldus in grootte toenemend verschijnsel, namelijk de nadering van dit +ligchaam tot andere ligchamen. Wederkeerige versterking tusschen die +aantrekking en die sterkte van nadering heeft er hierbij (evenals +in zeker opzigt zie blz. 12 tusschen den aanleg en de toeneming +der geestelijke ontwikkeling) slechts zeer weinig plaats, omdat, in +tegenstelling van bij onderlinge nadering van twee hemelligchamen, +de aantrekking bij aardsche ligchamen gedurende den val van deze +zeer weinig vergroot. Die nadering van dit ligchaam tot andere, een +gevolg der aantrekking, brengt voort elastieke botsing, dat is een +overgang dier aantrekking in afstooting, en aldus eene vernietiging +en omkeering van deszelfs oorzaak voort. Op het oogenblik dat die +afstooting begint, zal de nadering op een maximum zijn; terwijl, op +het oogenblik dat de afstooting op een maximum is, de nadering nul +geworden zal zijn. Deze wordt daarna negatief, dat is zij gaat over +in verwijdering, die op het grootste wordt op het oogenblik dat de +afstooting weder in aantrekking overgaat. Afneming hierbij dier heen +en teruggaande snelheden door wrijving of onveerkrachtige botsing, +is eene werking der wet van geschiktmaking, omdat er dan zie blz. 251 +snelheden in warmtetrillingen overgaan. Bestaat die verwijdering +bij hemelligchamen, zoo zal er na de botsing tusschen de sterkte der +verwijdering en de aantrekking eene wederkeerige verzwakking bestaan. + +Zoo die hemelligchamen, in plaats van tegen elkander te botsen, zeer +langwerpige ellipsen om een gemeenschappelijk brandpunt beschrijven, +zullen de naderingen op eene andere wijze de hen voortbrengende +aantrekkingen vernietigen. Zij keeren in dit geval de rigting waarin +de aantrekking geschiedt om, zoodat alsdan de aantrekkingen niet +negatief worden, door in afstootingen over te gaan, maar door in +tegenovergestelde rigting te geschieden. In dien laatsten zin zijn +die aantrekkingen bij de perihelia op het sterkste negatief, en aldaar +is de sterkte der nadering nul geworden, om later negatief te worden, +dat is in verwijdering over te gaan. Bij de aphelia zijn bij dit geval +de positieve aantrekkingen gering wegens bovengemelde wederkeerige +verzwakking tijdens de verwijdering der beide ligchamen. Bij het +eerste voorbeeld is daarentegen de aantrekking der aarde minus de +afstooting der beide ligchamen op het grootste, wanneer het botsende +ligchaam weder begint terugtevallen, en aldus de sterkte der nadering +er bij nul is. + +Wanneer de werking der wet der veranderlijkheid zoodanig is, dat het +gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te vernietigen en +negatief te maken, is die werking in denzelfden geest als de werking +der wet van geschiktmaking terwijl, wanneer het gevolg deszelfs +voortbrengend verschijnsel tracht te versterken, de werking der +wet der veranderlijkheid in tegengestelden geest als die der wet +van geschiktmaking is. In het eerste geval bestaat er echter dit +verschil tusschen de werking der wet der veranderlijkheid en die +der wet van geschiktmaking, dat de werking dier laatste wet alsware +een nevenverschijnsel te weeg brengt, in sterkte toe en afnemende +met het verschijnsel waarop die werking vernietigende werkt, zooals +bijv. de met wrijving gepaard gaande snelheden; terwijl daarentegen +bij de werking der wet der veranderlijkheid, zooals in het eerste +geval, het vernietigd wordende verschijnsel door zijne grootte het +vernietigende opwekt. Deze laatste werking, gepaard met die der wet +van geschiktmaking, waardoor, bijv. zooals op blz. 259 aangegeven is, +de gewijzigde werking van blz. 257 ontstaat, zou op maatschappelijk +gebied steeds iets heilzaams wrochten, zoo de maatschappij in geen +staat van vooruitgang verkeerde, en zal aldus iets heilzaam teweeg +brengen in de gevallen waarmede de vooruitgang niet te maken heeft, +zooals bijv. het vernietigen van afwijkingen ten eene of andere +zijde van een welgemaakt ligchaam. In zulke gevallen is toch de +gemiddelde toestand den besten, de vernietiging van afwijkingen +hiervan wenschelijk en het ontstaan van zulke afwijkingen door +de wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking +tusschen oorzaak en gevolg plaats heeft, schadelijk. Bij zaken +in staat van vooruitgang is daarentegen, wegens de werking der +traagheid zie blz. 52, die gemiddelde toestand niet den besten, het +ontstaan van afwijkingen er van naar boven is aldus wenschelijk en +de vernietiging dier afwijkingen schadelijk. Zoo aldus die werking +der wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking +tusschen oorzaak en gevolg ontstaat alsdan dergelijke afwijkingen +te weeg brengt, zal de werking er van heilzaam en de tegengestelde +werking der wet der veranderlijkheid schadelijk zijn, daar in het +eerste geval men iets goeds met betrekking tot wat ook, tracht te +vergrooten en in het laatste dit goede tracht te vernietigen. Zoo +is het bijv. goed dat de belooningen, zij die zich goed gedragen, +tot nog beter aansporen. De begrenzing van dergelijke afwijkingen, +tengevolge der op blz. 261 gemelde werking der wet der geschiktmaking, +is dan echter en wel meer, naarmate zij digter bij zekere grootte is, +iets heilzaams. Zoo is het bijv. goed om door belooningen de vlijt van +leerlingen op te wekken, edoch de toeneming dier vlijt moet gematigd +worden, omdat zij anders de gezondheid dier leerlingen zou schaden, +en evenzeer moet de vergrooting der belooningen gematigd worden, +omdat deze anders onregtvaardig zouden worden. + +Het ontstaan van alsware beneden of achterwaartsche afwijkingen +van achterlijke gemiddelde toestanden door de werking der wet der +veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking plaats heeft, +is daarentegen schadelijk omdat alsdan iets kwaads vergroot wordt; +terwijl de omgekeerde werking dier wet, waardoor dergelijke afwijkingen +naar achteren tegengegaan worden, heilzaam is. Schadelijk is het +bijv. wanneer men slechte menschen zoo bejegent en plaagt, dat zij +uit wrok nog slechter worden, goed, wanneer men dit zoo doet, dat +hunne zedelijkheid digter bij die van het gros der menschen komt. + +Deze de afwijkingen uitputtende werking der wet der veranderlijkheid +gepaard met de werking der wet van geschiktmaking, tracht de +verschillende bestanddeelen van zaken met elkander in harmonisch +verband en op dezelfde hoogte van ontwikkeling te brengen. Zijn nu +bij die zaken, door dat zij in een staat van vooruitgang zijn zooals +op blz. 78 gezegd is, die bestanddeelen op zeer ongelijke hoogte, +zoo zullen die beide zoo even gemelde werkingen, door de trachten +de hoogst staande bestanddeelen dier zaken te verlagen, ofschoon +niet met betrekking tot de geschiktheid er van zie blz. 255, iets +schadelijk, te weeg brengen, en daarentegen, door de laagst staande +bestanddeelen er van omhoog te trekken, iets goeds wrochten. Omgekeerd +zal de werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg +elkander wederkeerig versterken, iets, ofschoon ook weder niet met +betrekking tot de geschiktheid, heilzaams voortbrengen, wanneer zij +zaken onharmonisch maakt door enkele bestanddeelen er van te verhoogen, +en daarentegen schadelijk werken, wanneer zij eene disharmonie te +weeg brengt door andere bestanddeelen dier zaak te verlagen. Dit +laatste was bijv. het geval bij het ontstaan van den aflaathandel +in het begin der zestiende eeuw. De vernietiging er van door de +hervormers was aldus eene werking der wet der veranderlijkheid, wanneer +hierdoor afwijkingen uitgeput worden en te gelijk ook eene werking +der wet der geschiktmaking. Toen zij echter eene nieuwe godsdienst +verhevener dan de toen bestaande stichtten, waren de handelingen der +hervormers werkingen der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en +gevolg elkander wederkeerig versterken, begrensd door de op blz. 261 +gemelde werking der wet der geschiktmaking. Hunne handelingen strekten +toen toch volstrekt niet meer om de verschillende bestanddeelen der +toen bestaande godsdienst meer harmonisch met elkander en met de +zinnelijkheid der menschen te maken. Ware dit het geval geweest, zoo +zouden de hervormers de hoogste bestanddeelen der catholijke godsdienst +zie blz. 255 hebben moeten verlagen. Niet de drang tot geschiktmaking, +maar die tot vooruitgang was de drijfveer dier hervormers. Eveneens +was dit het geval bij Galileus, toen deze als vertegenwoordiger der +wel op waarnemingen gebaseerde, maar desniettemin abstracte wetenschap +verscheen voor de vierschaar der vertegenwoordigers der zinnelijkheid, +der zie blz. 178 niet controlerende getuigenis der zintuigen. Hierbij +toch past de stelling, dat de aarde om de zon wentelt, zoo weinig, +dat niemand, tenzij hij beter ingelicht is, haar geloof zal willen +schenken. + +Ook op staatkundig gebied bestaat er, wegens den vooruitgang der +maatschappij, disharmonie bij verschillende zaken. Ingezetenen van +rijken wenschen zich bijv. te vereenigen met ingezetenen van andere +rijken, met wie zij zich verwant gevoelen, en willen tevens zeer locale +belangen overheerschende maken. De werking der wet der geschiktmaking +en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid +zullen klaarblijkelijk trachten eerstgemelde zucht te verzwakken en +te gelijk te geven eene ruimere opvatting van locale belangen. Bij +eene verdeeling der menschheid in staten, enkel tengevolge van die +beide werkingen, zou aldus die zucht der inwoners van staten om +staatkundig zamen te smelten met hen verwante inwoners van andere +staten onbevredigd moeten blijven, en zie blz. 256 later verdwijnen. + +Wegens den vooruitgang der menschheid zullen de staten door +zamenvoeging gemiddeld steeds grooter worden, doch dit wegens +de werking der traagheid gemiddeld zie noot blz. 78 wat te laat +geschieden, en de staatkundige indeeling aldus zoo zijn, dat zoo +even gemelde zucht tot zamensmelting, minder bevredigd wordt dan +het particularisme. + +De werking der wet van geschiktmaking en de in denzelfden geest +zijnde werking der wet der veranderlijkheid, zouden bij eene niet +vooruitgaande maatschappij de staatkundige indeeling der menschheid +zoo goed mogelijk trachten te maken, en wel volgens nationaliteiten, +waarbij de particuliere en locale belangen weinig uiteenloopen, want +zulk een toestand zou dan evenzeer den gemiddelden politieken toestand +zijn, als de welgemaakte toestand van het ligchaam den gemiddelden +van allerlei mismaakte toestanden, zie blz. 102. Oorlogen zouden +het ontstaan van zulk een gemiddelden politieken toestand kunnen +bevorderen, door tot beide zoo even gemelde werkingen te behooren, of +kunnen tegengaan, door werkingen te zijn der wet der veranderlijkheid, +die in strijd zijn met die der wet van geschiktmaking. Meer zullen zij +echter in eerst dan in laatstgemelden geest werken, omdat gemiddeld +de morele kracht alsmede de ondersteuning van andere staten zijn voor +den oorlogvoerenden staat, die eene geschikte staatkundige verdeeling +wenscht. De werking van den oorlog kan men vergelijken met die van het +trekken van ballen uit eene bus, witte en zwarte ballen bevattende, +met zekere voorliefde voor de witte. Het kan dan echter zijn, +dat die bus zoo weinig witte en zooveel zwarte ballen bevat, dat, +niettegenstaande die voorliefde voor de witte ballen, er meer zwarte +dan witte ballen getrokken worden, en evenzoo zou de staatkundige +indeeling zoo nabij de beste kunnen zijn, dat, niettegenstaande de +gemiddeld grootere kans voor zege der partij, die de staatkundige +indeeling nog beter tracht te doen worden, de oorlogen deze eerder +trachten te verslimmeren dan nog beter te doen worden. + +De gemiddelde toestanden, op zich zelve beschouwd, geschikte +toestanden, en somtijds afwijkingen van gemiddelde toestanden van meer +algemeenen aard, kunnen veranderen, en zullen dit, bij het bestaan +van blijvende afwijkingen naar de eene zijde er van, doen zoodat +men dan alsware een anderen gemiddelden toestand zonder afwijking +zal verkrijgen. Zoo kan de verzwakking van een staat iets worden, +waarnaar deszelfs bevolking zich voegt, en die deze niet meer als +eene door groote inspanning te vernietigen afwijking beschouwd. + +De werking der wet der geschiktmaking tracht namelijk te gelijk +afwijkingen te vernietigen, en den gemiddelden toestand alsware naar +de zijde dier afwijkingen te verschuiven. De werkelijke afwijkingen +zijn aldus steeds van tijdelijken aard, en, wanneer de werking +der wet der veranderlijkheid wederkeerige versterking tusschen een +verschijnsel en deszelfs gevolg te weeg brengt, zal niet alleen zie +blz. 261 de werking der wet van geschiktmaking de vergrooting van +zulk een verschijnsel en van deszelfs gevolg eens doen ophouden, maar, +zoo de gemiddelden toestand zich niet verplaatst, door de op blz. 258 +gemelde werking der wet der veranderlijkheid, die door wederkeerige +versterking voortgebragte afwijking later weder vernietigd worden. Zoo +zal bijv. magtsvergrooting, voortgebragt door wederkeerige versterking +van succes en aanmoediging, later door verslapping en overmoed +weder vernietigd en zelfs negatief kunnen gemaakt worden, beide +echter slechts zoo die grootere magt, door geschiktmaking er voor, +geene werkelijke behoefte wordt. De wederkeerige versterking bestaat, +alsdan tusschen het voortbrengend verschijnsel en eenig ander, doch +zij kan ook bestaan, tusschen het voortgebragte verschijnsel, dat het +eerstgemelde tracht te vernietigen en zelfs omgekeerd te doen worden, +en eenig ander verschijnsel [84]. Hoe zwakker de werking der wet van +geschiktmaking is, in hoe meer tijd zij aldus het beoogde doel bereikt, +hoe minder ongeschiktheid in andere opzigten er bij andere zaken er +door teweeg gebragt zal worden. Vandaar dat men een goed doel kan +bereiken zonder slechte middelen er toe te bezigen, zoo men slechts +geduld heeft, en een op minder vaste gronden steunende geschikten +toestand, binnen korten tijd ontstaande niet verkiest boven een op +vastere gronden steunende geschikten toestand meer in de toekomst. + +Stelt men het verbod om aan anderen te doen, hetgeen zij wenschen +dat hun niet gedaan wordt, niet in strijd met het werkelijke belang +der individuen, zoo kan in elken staat het belang der deelen in +overeenstemming met dat van het totaal dier deelen zijn. Dit zal +insgelijks het geval bij het statenstelsel kunnen zijn, want het is +hiervoor wenschelijk, dat er geene onderdrukte nationaliteiten bestaan, +en dit zal niet in strijd zijn met de belangen van elk dier staten, +omdat de meerderheid der inwoners van elk dezer toch een afkeer moet +hebben van het denkbeeld dat zijne nationaliteit onderdrukt wordt. + +Hierbij, zooals steeds op maatschappelijk gebied, moet echter in acht +genomen worden, dat het verkeerd is bestaande afwijkingen van den +toestand, die het beste voor het algemeen welzijn is, plotseling te +willen vernietigen, omdat door den tijd zij, bij wie die afwijkingen +bestaan, zich in zekere mate er naar zullen geschikt hebben. Dit +is bijv. het geval bij zoogenaamde door den tijd verkregen en met +het algemeen belang in strijd zijnde regten, zooals bijv. die van +het houden van slaven, te hoog geestelijk ontwikkeld met betrekking +tot hunne meesters om zie blz. 47 eene heerschappij, als die over +slaven uitgeoefent, niet nadeelig te doen worden. Zulke regten +behoeven evenmin plotseling, althans zonder schadevergoeding (eene +soort van geschiktmaking voor den bezitter dier regten) afgeschaft, +als onbepaald bestendigd te worden. + +Wanneer een voortbrengend verschijnsel of oorzaak eene afwijking is +van een gemiddelde, dat zich niet tracht te verplaatsen, zal het +voortgebragte of gevolg, verschijnsel die oorzaak trachten uit te +putten, en deze daarentegen versterken, wanneer dit gemiddelde zich wel +tracht te verplaatsen. Zoo zal bijv. succes in den krijg, tengevolge +van tijdelijke grootere eenheid, deze trachten te verminderen, of +wel te vergrooten, al naar gelang die grootere eenheid elders niet +aangetroffen wordt, of wel eene toenadering is tot die welke elders +bestaat, of die men noodig voor zich acht. In het eerste geval schijnt +die grootere eenheid iets, dat na de zege overbodig geworden is, en +in het tweede iets waarvan de heilzame vruchten met betrekking tot de +toekomst gebleken zijn. Inspanning brengt verhooging in positie te +weeg, en deze zal, wegens den drang tot vooruitgang, gemiddeld die +inspanning niet trachten te vernietigen, ofschoon de op blz. 261 +gemelde werking der wet van geschiktmaking, de vergrooting dier +inspanning tengevolge van wederkeerige versterking, weldra zal doen +ophouden. Dat voorts die vergrooting in positie geschiedt onder strijd +(zie. blz. 55) in den algemeensten zin genomen, ontstaat doordat +magten zooals individuen, staten enz. in contact komen met andere +niet met hen in alle deelen zamenwerkende magten of zaken, hetgeen +een gevolg is der verscheidenheid, die zie blz. 237 eene voorwaarde +is van den vooruitgang. + +De werking van elken hartstogt is die van een der beide op blz. 284 +gemelde werkingen der wet der veranderlijkheid, in het eene geval +zooals op blz. 259 en in het andere, zooals op blz. 261 gezegd +is, gepaard met de werking der wet van geschiktmaking. Lijden wekt +bijv. medegevoel op, dat dit lijden tracht te vernietigen. De sterkte +van dit medegevoel klimt en daalt nu niet, wegens de werking der +traagheid, te gelijk met die van dit lijden, en vooral niet zoo de +bekendheid hier van snel toeneemt, en evenmin is dit medegevoel op +een maximum wanneer dit lijden ophoudt met te bestaan. Met betrekking +hiertoe verkeert het in een overeenkomstig geval als doelmatige +straf met betrekking tot slecht gedrag, en als met oordeel toegeven +met betrekking tot gegronde grieven. Is het daarentegen iemands +geluk dat medegevoel opwekt zoo heeft er tusschen beiden, even als +tusschen eischen en toegeving met zwakheid, wederkeerige versterking +plaats. De werking der wet van geschiktmaking tracht echter dan de +toeneming van beiden tegen te gaan, daar zij iemands positie, en te +gelijk de gevoelens die men hem toedraagt, tot zekere gemiddelden +tracht te brengen. + +Met betrekking tot derzelver oorzaken staan de werkingen der +hartstogten zie blz. 267 in dezelfde verhouding als de daden gedaan +tengevolge van redeneringen. Trouwens bij hartstogtelijke handeling +worden er redeneringen van eenvoudigen en oppervlakkigen aard gemaakt, +die, zooals bij woede en vrees, in der menschen geest overheerschende +worden. Het zijn de hartstogten die de menschen doen handelen, de goede +op eene niet, de slechte op eene wel te lage wijze voor de eischen +van der menschen zedelijk leven en onderlinge zamenwerking, en het +verkeerde van zich blindelings aan goede hartstogten over te geven, +bestaat juist in het alsdan niet maken van genoegzaam diepzinnige +redeneringen. Of de intellectuele ontwikkeling is dan in gebreke +met betrekking tot de morele ontwikkeling, of men weet haar dan niet +genoegzaam te doen gelden. + +Dit in gebreke zijn der intellectuele ontwikkeling, of het niet gebruik +er van kan in het algemeen leiden om zich van het goede en insgelijks +van het kwade te onthouden, en aldus de neiging tot het eene en tot het +andere verminderen. Naar aanleiding van hetgeen op blz. 217 gezegd is, +zal, omdat kennis noodig is om begrip en waardering van het goede te +geven, en niet alleen evenals bij het kwaad strekt, om het op eene +meer doelmatige wijze te doen, ontbering er van gemiddeld meer tot +kwaad dan tot goed strekken, en aldus, naar aanleiding van blz. 152, +de neiging tot het goede meer verminderen dan die tot het kwaad +[85]. Men bedenke hierbij dat de werking der wet van geschiktmaking de +verschillende soorten van kennis (althans zie blz. 67) die van even +hooge soort, met elkander in harmonisch verband tracht te brengen, +zoodat vermindering der wijsgeerige kennis ook die der andere kennis +tengevolge heeft. Iemand, die zich nu steeds er op toelegt om met +overleg kwaad te plegen, moet noodwendig de wijsgeerige kennis, die +betrekking heeft op de maatschappelijke behoeften en vooruitgang, +verwaarloozen en dit, wegens de zooeven gemelde reden, daling van +andere takken van kennis ten gevolge hebben. + +Zoo de geestelijke aanleg der individuen der verschillende diersoorten +en menschenrassen bij de geboorte dier individuen slechts bepaald werd +door den aard van hunne ligchamen, zou het onverklaarbaar blijven hoe +zulke groote verschillen in den dezen geestelijken aanleg bepalenden +aard der ligchamen ontstaan zijn, of liever in stand gehouden worden, +want bestond er geene constante oorzaak voor dit laatste, zoo zouden +die verschillen, slechts door de werking der traagheid in stand +gehouden, van lieverlede verminderd zijn, en slechts accidentele +omstandigheden (anders gezegd het toeval) die den geestelijken aanleg +bepalenden aard der ligchamen wat doen variëren. De verschillen +in levensomstandigheden kunnen althans bij de menschenrassen die +constante oorzaak niet zijn, omdat de verschillen in hoogte der +levensomstandigheden bij de menschen kunstmatig zijn, en niet door de +aarde aangeboden worden. De verschillen in den bovengemelden aard der +dierlijke en menschelijke ligchamen, moeten in overeenstemming met de +stelling van blz. 92, dat die ligchamen aan eene opwaarts drijvende +werking buiten hen blootgesteld zijn, naar ons inzien, ook in stand +gehouden worden door eene oorzaak buiten hen, namelijk zie blz. 196 +door de verschillen in aanleg der geesten op de aarde met levende +ligchamen in contact willende komen. De geslachtsvoortplanting en het +verkeer zullen voorts klaarblijkelijk strekken om bovengemelden aard +dier ligchamen bij dezelfde soorten of dezelfde volken gelijk aan +elkander te doen worden. Dit zelfde verschil in aanleg der geesten +houdt, naar ons inzien, bij een zelfde volk het verschil in stand, +voor zooverre dit niet door het toeval ontstaat, in stand. Wel heeft +de maatschappij zich naar die verschillen in beschaving geschikt, +doch die verschillen kunnen naar ons inzien geene noodzakelijke +behoefte zijn van welke maatschappij ook, bijv. niet van eene wier +leden in geestelijken aanleg tijdens hunne geboorte alle gelijk zijn, +en niet, tengevolge der werking van het toeval, ongelijk in beelding +en rijkdom worden. Verschil in magt zou in zulk eene maatschappij +enkel door verschil in ancieniteit bepaald worden. + +De werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg +elkander wederkeerig versterken, veroorzaakt vaak eene overdrevene +schatting van zekere hartstogten, zooals vreugde, smart, bewondering, +verachting, opwekkende gebeurtenissen. Tusschen de opvatting dezer +laatste in den geest dier hartstogten en deze bestaat er dan eene +wederkeerige versterking, door de werking der wet van geschiktmaking, +waardoor de hartstogt en de overdrevene voorstelling gematigd +worden, begrensd. De aanschouwing der werkelijke gevolgen van zulk +eene gebeurtenis wekt dan echter het denkbeeld op, dat men zich aan +overdrijving heeft schuldig gemaakt, en dit denkbeeld nu is, wegens +de werking der traagheid, niet verdwenen, wanneer, tengevolge er van, +die overdrijving niet meer bestaat. Vandaar dat deze naar aanleiding +van hetgeen op blz. 258 gezegd is, negatief zal worden, en er aldus, +met betrekking tot de juiste schatting, verflaauwende schommelingen +zullen ontstaan. Was dit niet het geval, zoo zou men, na het vernemen +dat eene heugelijke tijding valsch is, direct weder in dezelfde +gemoedsstemming als voor het ontvangen dier tijding moeten komen, +want op het oogenblik dat de ongegronde vreugde verdwenen zou zijn, +zou zulks ook zijn het denkbeeld dat men zich ten onregte verheugd +heeft. Dit is echter in werkelijkheid het geval niet, en vandaar, +dat men daar na gedurende zekeren tijd treurig wordt. + +Hierbij komt echter nog dat de wet van geschiktmaking de menschen +ras gewoon maakt aan het denkbeeld van voorspoed, en aldus, zooals +op blz. 289 gezegd is, althans met betrekking tot de bestaande +afwijking, in gevoel van vreugde bestaande, het gemiddelde verzet, +zoo dat hierdoor, wanneer de valschheid der goede tijding ruchtbaar +wordt, de vreugde reeds veel vermindert zal zijn. + +Een zelfde verschijnsel kan te gelijk bestaan bij verschillende +groepen van verschijnsels, elk, wegens de vereenigde werking der +zamenstellende verschijnsels, opwekkende een gevolg onderscheiden +van de gevolgen dier andere groepen. Zoo kan bijv. eene slechte daad, +vereenigd werkende met de vriendschappelijke stemming der beoordeelaars +dier daad, jegens derzelver bedrijver tot gevolg medelijden hebben; +terwijl diezelfde daad, vereenigd werkende met de vijandelijke stemming +van andere beoordeelaars, jegens derzelver bedrijver verachting en +haat tengevolge heeft. + +Het gretig eten van gewijde kuikens kan, vereenigd werkende met +de bijgeloovige gevoelens van een leger, aanmoediging hiervan tot +gevolg hebben; terwijl, vereenigd werkende met de functie van de keel +dier kuikens, dit gretig eten dezer de vulling van derzelver magen +tot gevolg heeft. In elk dier gevallen zal elk gevolg zie blz. 71, +gelijkslachtig zijn met een of meer der verschijnsels door wier +vereenigde werking het opgewekt wordt. Zoo is bijv. aanmoediging +gelijkslachtig met bijgeloovige stemming, en vulling van magen met +eten. Evenzoo is uitdrooging der lucht gelijkslachtig met derzelver +oorzaak, namelijk de met storm vergezeld gaande betrekkelijk sterke +luchtrijzing, terwijl het reven van zeilen gelijkslachtig is met het +besturen van vaartuigen, dat vereenigd werkende met storm, dit reven +tengevolge heeft [86]. Gelijkslachtig zijn oorzaken en gevolg, wanneer +deze op gene kunnen terugwerken en hen, zooals op blz. 284 gezegd is, +kunnen uitputten en omkeeren, of versterken, en ongelijkslachtig zijn +oorzaken en gevolgen, wanneer dit niet mogelijk is. Zoo zal bijv. de +aan- of ontmoediging van een leger kunnen terugwerken op deszelfs +bijgeloovige stemming, maar niet op het eten van gewijde kuikens, +terwijl de met dit eten gelijkslachtige vulling der magen dier kuikens +dit daarentegen wel kan doen. + +Evenzoo zal de uitdrooging der lucht de luchtrijzing en aldus ook de +horizontale toeschieting der lucht of den wind verzwakken, terwijl +het reven van zeilen op de sterkte van den wind niet, maar op het +besturen van zeilvaartuigen wel terugwerken kan. + +Hoe komt het nu dat, zooals bij deze voorbeelden, geheel +ongelijkslachtige verschijnsels vereenigd werkende gevolgen kunnen +opwekken, die aldus onmogelijk met elk van derzelver oorzaken +gelijkslachtig kunnen zijn? Naar ons inzien, doordat hier op aarde niet +alles in harmonisch verband is, doordat, zooals op blz. 195 gezegd is, +de gewassen en de ligchamen der dieren hooger dan de onbewerktuigde +natuur, en de geesten der menschen hooger dan de door derzelver +ligchamen bepaalde denking, en zie blz. 91 en 280 nog hooger dan de +door de onbewerktuigde aardsche natuur bepaalde denking staan. Zoo is +het rijp worden van vruchten, een gevolg der vereenigde werking der +organische zamenstelling dier vruchten en der warmte, met deze laatst +geheel ongelijkslachtig. Het met die warmte gelijkslachtige gevolg +is daarentegen de grootere uitstraling en de mindere vatbaarheid voor +warmteopslurping der verhitte voorwerpen. Wegens de op de verhitting +terugwerkende eigenschap van dit gevolg, moet het in de warmteleer +beschouwd worden, hetgeen aldaar daarentegen weinig meer met het +rijpen van vruchten, als met het bezoeken van zomer-theaters behoeft +te geschieden. + +Hoe grooter de disharmonie is tusschen met elkander in verband gebragte +zaken, hoe ongelijkslachtiger de gevolgen en sommige van derzelver +oorzaken kunnen worden. Dit is bijv. in sterke mate het geval, zoo het +eten van gewijde kuikens, of zie blz. 145 en 171 juister gezegd, de +hierdoor bepaald wordende denking, in verband komt met de menschelijke +denking over geheel andere zaken. Die disharmonie is nu enkel het +gevolg hiervan, dat de verbeelding opwekkende bewuste aanschouwing +sterk vooruitloopt de op blz. 178 gemelde aanschouwing, waardoor de +menschen met den waren aard der zaken bekend worden, en zoo nu die +disharmonie werkelijk maakt dat gevolgen geheel ongelijkslachtig met +sommige van derzelver oorzaken worden, zoo is het klaar, dat de door de +wijsbegeerte zie blz. 117 niet ingelichte menschen het mogelijk kunnen +achten, dat gevolgen er mede gelijkslachtige oorzaken geheel kunnen +missen, of met andere woorden dat er wonderen bestaan. Kon bijv. het +gezigt van een klein stuk beschreven papier de eenigste oorzaak zijn, +dat iemands bloed sneller gaat loopen, en dat zijne spijsvertering +belemmerd wordt, zoo zou dit verschijnsel van denzelfden aard zijn +alsdat iemands woorden een dooden kunnen opwekken. Wat maakt echter +het eerste verschijnsel mogelijk en het tweede onmogelijk? Het bestaan +van eene oorzaak gelijkslachtig met de physiologische werkingen binnen +het ligchaam, en vereenigde werkende met de inzage van het kleine stuk +beschreven papier, het gemis van eene oorzaak gelijkslachtig met de +organische en chemische werkingen bij lijken en vereenigd werkende +met de woorden van den zoogenaamden doodenopwekker. + +Niet slechts moet eene der oorzaken van elk verschijnsel hier +qualitatief op gelijken, ook dient zij dit quantitatief te doen. Zoo +bijv. een voorwerp breekt tengevolge van een zachten tik, zoo dient +te gelijk hiermede, de broosheid van dit voorwerp de oorzaak van +dat breken te zijn, omdat dit een veel sterker verschijnsel dan dien +ligten tik is. Broosheid bestaat voorts ook op maatschappelijk gebied, +bijv. bij legers wier nederlaag het gevolg kan zijn van een verkeerd +kommando. Op dit gebied bestaat de vastheid in ongevoeligheid voor +storende oorzaken, en de taaiheid in de sterkte der werking der +wet van geschiktmaking waardoor de storingen verdwijnen Die eene +oorzaak, wier sterkte die van het gevolg evenaart, kan somtijds voor +oppervlakkige of oningewijde menschen onbekend blijven, en somtijds +vereenigd werken met andere bekende belangrijke oorzaken, waardoor +het bekende gevolg van deze zeer belangrijk gewijzigd kan worden. + +Hetgeen op blz. 176 gezegd is, dat elk verschijnsel bevat zekere +bijzonderheden bijv. het bijzondere van eenige daad van een persoon, +voorts te gelijk iets meer algemeen, zooals bijv. de uiting van +het karakter van dien persoon, in alle dergelijke daden die hij +verrigt bevat, voorts nog iets meer algemeen, bijv. de algemeene +uiting van den menschelijken aard enz., kan alsware naar beide zijden +voortgezet worden, zoodat men naar de eene zijde steeds korter durende +eigenaardigheden der verschijnsels ontmoet, terwijl naar de andere +zijde, men steeds meer algemeene en langer aanhoudende eigenaardigheden +er van te beschouwen heeft, totdat men eindelijk, zie blz. 171, bij het +algemeenste, wat op het gebied van denking en beweging bestaat, zou +teregt komen. Bij alles wat gebeurd kan men aldus stellen te bestaan +bijzonderheden uiterst kort durende, gedurende dien tijd slechts +in grootte, maar niet in aard veranderende, en die, voorafgegaan +en gevolgd door andere dergelijke bijzonderheden, elk bezitten +eene oorzaak die hen voortbrengt en een gevolg dat hen vernietigt, +tengevolge der op blz. 257 gemelde werking der wet der veranderlijkheid +gepaard met eene zoodanige werking der wet der geschiktmaking, dat +de op blz. 259 gemelde schommelingen niet noemenswaardig ontstaan. [87] + +Zoo toch dit gevolg die bijzonderheid niet zeer snel na zijn ontstaan +vernietigde, maar onveranderd liet of versterkte, zou deze in aard +gedurende langeren tijd onveranderd blijvende, en eerst door een +ander en trager ontstaand gevolg vernietigd wordende, iets meer +algemeen zijn. Dit meer algemeene is nu geen verschijnsel naast +een ander meer bijzonder verschijnsel bestaande, maar slechts eene +minder veranderlijke eigenaardigheid van hetzelfde verschijnsel, +dat te gelijk meer veranderlijke eigenaardigheden bezit. Men kan +bijv. niet zeggen dat loopen een verschijnsel is, en dan in deze dan +in gene rigting loopen er een ander is, niettegenstaande men van het +loopen in elke rigting, hoe kort men dit ook moge doen, de oorzaken +en de gevolgen kan nagaan, en deze verschillen van de oorzaken +en de gevolgen van het loopen in het algemeen. Dit bijv. kan het +gevolg zijn van gemoedsaandoening door ligchaamsbeweging versterkt +wordende, zoodat hierbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig +versterken, totdat een ander gevolg dier ligchaamsbeweging namelijk +de vermoeijenis hier vernietigende opwerkt. Die gedurende zekere tijd +heftiger wordende ligchaamsbewegingen veranderen echter gedurig van +vorm, en, wanneer elk dier verschillende soorten van vorm, op een +maximum van intensiteit zijn, zullen de er door opgewekte gevolgen +nog in intensiteit toenemen, en, wanneer het aantal dier gevolgen +in eenig geval meer dan een bedraagt, slechts het met die soort van +eigenaardigheid gelijkslachtige gevolg die eigenaardigheid kunnen +vernietigen. Ligchaamsbewegingen kunnen bijv. wegens derzelver aard +twee gevolgen opwekken een van physiologischen en een van geestelijken +aard, en nu wel het eerste gevolg van het tweede kunnen afhangen, maar +het niettemin alleen in staat zijn om den bijzonderen vorm van zulk +eene beweging uit te putten, en als oorzaak werkende een anderen vorm +van beweging op te wekken. De denking van een lam mensch is bijv. even +onvermogend om den vorm zijner ligchaamsbewegingen te wijzigen, als het +waarnemen van een zoogenaamd slecht teeken voor het ondernemen eener +zaak, om een niet bijgeloovig mensch van zulk eene onderneming te doen +afzien. Het verlies van zekere soort van bijzondere eigenaardigheden +bij eenig verschijnsel komt op hetzelfde neder als het er steeds +bij bestaan van het gemiddelde dier bijzondere eigenaardigheden. Van +eenig voorwerp kan het bijv. eene veranderlijke bijzonderheid zijn, +dat het in kleur varieert, zonder dat het gemiddeld de eene kleur +van den regenboog meer dan eene der andere vertoont. Het gemiddelde +dier kleuren zal grijs zijn, en klaarblijkelijk een voorwerp, dat die +bijzondere eigenaardigheid van dan zus en dan zoo gekleurd te zijn +verliest, zich steeds grijs moeten vertoonen. Op blz. 255 hebben +wij gezegd, dat de werking der wet van geschiktmaking afwijkingen +van gemiddelden tracht te vernietigen, en op blz. 256 dat zij het +veranderlijke van toestanden tracht te doen verdwijnen. Waar nu komt +dit laatste op neder: Op het vernietigen van veranderlijke bijzondere +eigenaardigheden bij zaken, zoodat hierbij slechts meer algemeene en +te gelijk minder veranderlijke eigenaardigheden overschieten. Zulke +gemiddelden, afwijkingen zijnde van andere meer algemeene en +nog minder veranderlijke gemiddelden, zoo zal de werking der wet +van geschiktmaking ook deze afwijkingen trachten te vernietigen, +hetgeen hierop neder komt, dat zij meer algemeene eigenaardigheden van +verschijnsels tracht weg te nemen, om deze slechts nog algemeener en +nog minder veranderlijke eigenaardigheden over te laten enz. totdat, +bij het niet bestaan der werkingen der wet der veranderlijkheid, +zooals op blz. 257 gezegd is, eerstgemelde werking eindelijk zou +leiden tot het slechts laten bij de verschijnsels van het absoluut +onveranderlijke en algemeenste bij de veropenbaring der zelfstandigheid +door denking en door beweging. Die werking der wet van geschiktmaking +tracht bijv. zie blz. 255 de menschen op een gemiddelden trap van +zedelijkheid te brengen, en aldus zoodanig te doen worden, dat er van +hunne moraliteit niets bijzonders te zeggen valt, en dat, ofschoon te +veel aan te lage hartstogten toegevende en beneden de eischen van hun +leven blijvende, zij niettemin noch gierig, noch mild, noch hoogmoedig, +noch nederig, noch geduldig, noch ongeduldig, noch vlijtig, noch lui +kunnen genaamd worden, en aldus bijzondere eigenaardigheden verliezen. + +Een beschonken mensch, van eene naar eenige andere plaats willende +gaan, wijkt, door te zwaaijen, dan aan deze dan aan gene zijde af +van zekeren weg tusschen die twee plaatsen, en de werking der wet +der geschiktmaking en de werking der wet der veranderlijkheid op +blz. 258 gemeld, trachten gedurig die afwijkingen te vernietigen, +en dien persoon brengen op den gemiddelden van al de verschillende +wegen, die hij herhaalde keeren in staat van dronkenschap tusschen +beide gemelde plaatsen zal volgen. Die gemiddelde weg is nu echter +ook die welke een niet beschonken mensch tusschen die twee plaatsen +zal volgen, en het gaan langs dien gemiddelden weg is aldus iets +meer algemeen, dan het regts en links afwijken er van in staat van +dronkenschap. Die wandeling van dien beschonken mensch is aldus +een verschijnsel, waarvan het meer algemeene is dat beoogt wordt om +haar te maken langs dien gemiddelden weg en het meer bijzondere in de +afwijkingen hiervan bestaat. Van de gemiddelde toestanden, waarvan af +deze afwijkingen, welke de werking der wet van geschiktmaking en de +werking der wet der veranderlijkheid, op blz. 257 gemeld, trachten +te vernietigen, bestaan, wordt trouwens den aard steeds door iets +meer algemeen en minder veranderlijk bepaalt dan hetgeen den aard +dier afwijkingen bepaalt. Het verschil tusschen het gemiddelde +mannen en het gemiddelde vrouwenkarakter wordt bijv. bepaalt door +de verschillen in ligchaamsorganisatie en werkkring der mannen en +vrouwen in het algemeen, doch dat sommige vrouwen een vrij mannelijk +karakter verkrijgen, van eene dergelijke afwijking kan de oorzaak van +zulk een algemeenen aard niet zijn. Dit is eveneens het geval met de +afwijkingen uit het oogpunt der gezondheid der ligchamen der menschen +van het gemiddelde menschelijke ligchaam. Zooals op blz. 78 gezegd is, +kan, wegens de optrekkende werking van den geest en de terugtrekkende +werking der aarde, dit gemiddelde menschelijke ligchaam niet volmaakt +gezond zijn, doch van den ziekelijken toestand er van zal niet anders +te zeggen zijn, dan dat geen zijner organen volmaakt goed werken. Zoo +de menschelijke ligchamen in geen staat van ontwikkeling verkeerden, +zou daarentegen het volmaakt gezonde ligchaam het gemiddelde zijn, +zoodat het, bij het wel bestaan dier ontwikkeling, niet de uiterste +afwijking ter eene zijde kan zijn, en wel te minder hoe zwakker die +ontwikkeling is. Men kan zich aldus bij sterkere afwijkingen aan +die zijde alsware te bloeijende ligchamen voorstellen, evenals men +zich zie blz. 215 menschen kan denken in alles aan hoogere eischen +voldoende dan die voor de behoeften der thans bestaande maatschappij +nuttig en noodig zijn. In de werkelijkheid ontmoet men echter evenmin +zulke ligchamen als zulke karakters, omdat bij geen van beide de +verschillende deelen met elkander in harmonie zijn. + +Ditzelfde gebrek aan harmonie neemt men waar bij de voorstellingen +der menschen van hoogere maatschappelijke toestanden en wereld +en levensdoelen. Niet alleen zijn, zooals op blz. 73 gezegd is, +die voorstellingen scheef, maar men vindt er tevens bij hoogere +en lagere voorstellingen dooreengemengd, en de laatste betreffen +dan zaken, waarvan de hoogere voorstellingen het meeste met de +zinnelijkheid en met de zucht om in zeker opzigt voor het heden +geschikte toestanden daar te stellen, in strijd zijn. Het socialisme, +het pantheisme enz. leveren voorbeelden op van dergelijke mengsels +van op verschillende trappen staande voorstellingen. + +Menschelijke ligchamen zie blz. 78 even hoog boven die der dieren +verheven, kunnen in gezondheidstoestand verschillen, doch, zoo +men althans de ligchamelijke ontwikkeling van het menschelijke +geslacht (wel van de bovengemelde der individuen te onderscheiden) +niet noemenswaardig stelt te zijn, zullen die ligchamen, op de +gemiddelde hoogte van verheffing boven de ligchamen der dieren, +staande, gemiddeld de gezondste zijn, ten gevolge van den op blz. 234 +gemelden inwendigen drang. + +Gevolgen van verschijnsels worden door deze, zie blz. 258 vergroot +zoolang deze zie blz. 297 door andere er mede gelijkslachtige +gevolgen en door de werking der wet van geschiktmaking niet vernietigd +zijn. Geschiedde dit niet, zoo zou de werking van laatstgemelde wet, +benevens gevolgen dier gevolgen en hiermede gelijkslachtig zijnde, +deze beletten zeker maximum te overschrijden zie blz. 261. Geschiedt +dit daarentegen wel, zoo zullen beide laatstgemelde werkingen, +die eerste gevolgen in intensiteit reeds wat hebben doen afnemen, +wanneer de hen opwekkende verschijnsels, wegens bovengemelde reden, +opgehouden hebben te bestaan. De pijn, door een slag teweeg gebracht, +en die in intensiteit afneemt, na het ophouden van het slaan, +vernietigt dit niet, doch dit geschiedt door andere gevolgen van +den slag, namelijk door den wederstand door de slaande hand ontmoet, +door physiologische werkingen binnen het ligchaam van hem die slaat, +tengevolge van zijn wil teweeg gebragt enz. + +Goede daden doen de zedelijke ontwikkeling van hen die ze bedrijft +toenemen, doch, nadat die daden, tengevolge der uitputtende werking +van met hen gelijkslachtige gevolgen opgehouden hebben te bestaan, +zooals bijv. die van het redden van iemand door het feit dat hij +buiten gevaar is, zal de werking der wet van geschiktmaking die +verkregen vergrooting in zedelijke ontwikkeling, zie blz. 124, +alsware trachten weg te slijten. De voldoening over het bedrijf van +zulk eene daad is nu niet, zooals sommigen beweren, de belooning er +van, maar de blijde bewustheid, dat men eene aanwinst in zedelijke +ontwikkeling verkregen heeft, eene bewustheid, die eene verkeerde +rigting nemende, denzelfden verslappenden invloed als zie blz. 259 +ondoelmatige belooningen kan hebben. + +De werking der wet van geschiktmaking tracht de positie der menschen +in alle opzigten in harmonie te brengen met hunne omgeving, en aldus +bijv. menschen hunne vrijheid te ontnemen, zoo zij, met betrekking +tot de maatschappij waarin wij verkeeren, vrijwillig niet genoegzaam +arbeiden. Diezelfde werking tracht bijv. ook, wanneer den grond +ter vermenigvuldiging van het aantal eigenaars te veel versnipperd +wordt, de hierdoor ontstaande nadeelen te doen verdwijnen. Men +heeft in dergelijke gevallen toch niet te doen met zie blz. 231 een +veranderlijk, maar met een zamengesteld doel, en hierbij zou, zoo +de werking der wet der veranderlijkheid niet bestond, er eindelijk +geschiktheid in alle opzigten ontstaan. Dit zou eveneens het geval +zijn met de verdeeling van het menschdom in uit bij elkander passende +personen bestaande deelen, zie blz. 128 en 255, zoo de werking der +wet der veranderlijkheid de menschen in aard niet veranderde, en niet +menschen deed geboren worden in kringen, waarin zij, zie blz. 294, +wegens hun geestelijken aanleg niet passen. + +Mislukkingen hebben plaats, doordat, tengevolge eener werking van +laatstgemelde wet, handelingen gevolgen baren, die hen niet slechts +vernietigen, maar zie blz. 258 somtijds een tegenovergestelden toestand +als die, door die handelingen daargesteld, teweeg brengen. Men poogt +bijv. door eene omwenteling een staat in een geavanceerden toestand, +waarvoor hij nog niet rijp is, te brengen, ondervindt tegenstand, en +er ontstaat tijdelijk eene reactie. Men valt, door getal of beleid +overmagtige vijanden aan, wekt het strijden dezer op, en wordt van +aanvallers aangevallenen, tenzij de slijtende werking der wet van +geschiktmaking de vijanden, nadat den aanval afgeslagen is, zijn +strijden doet staken zie Noot blz. 300. Zoo daarentegen zulk een +aanval gelukt, bestaat er tusschen hem en den strijd wederkeerige +versterking, en worden beiden vernietigd door het er door opgewekte +gevolg, in de vlugt van den vijand bestaande. Dit gevolg is nu wel de +op blz. 258 gemelde werking der wet der veranderlijkheid, maar verkeert +in hetzelfde geval als het gevolg in Noot blz. 300 gemeld, namelijk +het tracht deszelfs oorzaak niet negatief te doen worden. Dergelijke +gevolgverschijnsels, waarover wij op blz. 660 van ons werk get. Over +de werking der natuurwetten op zedelijk gebied enz. gehandeld hebben, +kunnen aangemerkt worden als de tegenhangers van die welke hunne +oorzaken onveranderd laten, in plaats van deze, zooals bij de andere +op blz. 261 gemelde werking der wet der veranderlijkheid gezegd is, +te versterken. Deze laatste gevolgen zijn daarentegen de tegenhangers +van die welke hunne oorzaken negatief doen worden, en het zie blz. 258 +weder positief opwekken van die oorzaak door het negatief geworden +gevolg, kan als den tegenhanger der wederkeerige verzwakking van twee +zie blz. 265 op elkander werkende verschijnsels beschouwd worden. + +Naarmate zaken eene fijnere nuance eener eigenschap gemeen hebben, zal +de kans, dat al hunne andere eigenschappen dezelfde zijn, grooter zijn. + +Wij leeren gebruik te maken van ons ligchaam met betrekking tot +hetgeen er buiten gelegen is. Verandert nu die betrekking, tusschen +ons ligchaam en hetgeen er buiten ligt, plotseling, zoo wordt +het gebruik van het ligchaam verkeerd, edoch slechts tijdelijk, +omdat de werking der wet van geschiktmaking leert het ligchaam +in deszelfs nieuwen toestand van lieverlede goed te gebruiken. De +veranderlijkheid is aldus ook in dit geval eene oorzaak van dwaling +zie blz. 231. Niet minder is zulks het vooruitloopen van de rede +door de verbeelding, en zoo dit in sterke mate het geval is, waar de +werking van het verstand zie blz. 178 de controlerende aanschouwing +weinig vooruitloopt, en aldus die werking steeds vrij juist kan zijn, +ontstaan er krankzinnigheid. Wanneer daarentegen de verbeelding die +controlerende aanschouwing slechts sterk vooruitloopt in de gevallen +waarin de werking van het verstand zulks ook moet doen, ontstaat er +bijgeloof zie blz. 117. + +De werking der wet van geschiktmaking beperkt zie blz. 302 bij +gelijksoortige gevallen afwijkingen in onregelmatigheid van de +onregelmatigste gemiddelden dier gevallen. Bij de regelmatige gevallen, +voortbrengsels van oorzaken, ontstaat er toch als ware zekeren toestand +van onvast evenwigt, die allerhande accidentele omstandigheden, in die +oorzaken begrepen, zullen trachten te verstoren. Die onregelmatigste +gemiddelde gevallen behoeven aan minder voorwaarden dan de meer +regelmatige te voldoen, zoodat derzelver kans van voorkoming grooter +dan die van deze zal zijn. De werking der wet van geschiktmaking zal +aldus het ontstaan van gevallen van eenige soort moeijelijker maken, +naarmate de kans van voorkoming er van kleiner wordt, doordat het +karakter van regelmatigheid er bij grooter wordt. Dergelijke gevallen, +wier kans van voorkoming zeer klein zou zijn, zoo boven gemelde +werking der wet van geschiktmaking niet bestond, zullen aldus door +deze werking onmogelijk gemaakt worden. De eenigzins minder regelmatige +gevallen, waarvan anders de kans van voorkoming wat grooter zou zijn, +zullen, tengevolge dier die regelmatigheid storende werking der wet +van geschiktmaking, slechts uiterst zeldzaam kunnen plaats hebben, +omdat, zoo zij meer plaats hadden, de kans er van anders beneden +tot zooeven gemeld minimum zou dalen door kleiner te worden, zooals +bijv. het bij herhaling trekken van een zeer groot aantal witte ballen +uit eene bus evenveel witte als zwarte ballen bevattende. + +Gevallen, waarbij de werking der wet van geschiktmaking aldus +is, dienen echter uit eene aaneenschakeling van verschijnsels +(bijv. trekkingen uit gemelde bus) te bestaan, welke op elkander +van invloed zijn (bijv. door het onbewust niet voor het gevoel +identiek zijn dier witte en zwarte ballen) en aldus niet van elkander +onafhankelijke verschijnsels te zijn. Zie verder hierover blz. 579 +van ons werk get. Vervolg op het werk get.: Over de werking der +Natuurwetten op zedelijk gebied enz. + +De accidentele omstandigheden, waarvan hierboven gesproken is, zijn +werkingen der wet der veranderlijkheid zie blz. 251, doch de werking +der wet van geschiktmaking tracht die omstandigheden te doen bestaan +uit de gezamentlijke werking van vele veranderlijke omstandigheden, en +hen hierdoor een meer algemeen karakter te geven. Zijn er daarentegen +enkele omstandigheden overheerschende, zoo kan men meer bijzondere en +regelmatige gevallen, namelijk die, waarbij eene al of niet periodieke +herhaling van hetzelfde plaats heeft, verkrijgen. Dit is bijv. het +geval bij het achtervolgens trekken van witte ballen uit bovengemelde +bus, zoo dit met de ballen in het gezigt geschiedt, en de trekker +eene blijvende voorkeur voor de witte ballen bezit, en even eens, +wanneer de regelmatige vorm van ligchamen bij schudding dezer, tot +eene regelmatige wijze van groepering er van leidt. + +Zijn wij onbekend met zulke overheerschende bijzondere omstandigheden, +zoo spreken wij van toeval, doch, voor het voortbrengen van regelmatige +gevallen, moeten zij desniettemin bestaan. Alleen kan men zeggen, dat +dezelfde overheerschende omstandigheden alsdan minder steeds dezelfde +soort van regelmatigheid zullen voortbrengen, dat dit zal afhangen +van hun verband met andere omstandigheden, en dat die wisselingen van +regelmatigheid eene resulterende onregelmatigheid zullen voortbrengen. + +Heeft men nu uit bovengemelde bus achtervolgens slechts witte ballen +getrokken, zoo zullen de nog niet uitgewischte ons onbewuste indrukken +dier vorige trekkingen opgehoopt zijn, en er aldus bestaan een +regelmatigheidsverschijnsel in den tijd, waarvan de regelmatigheid +bij de volgende trekkingen slechts tot zekeren grens kan vergroot +worden. Het moet dunkt ons alsdan wat moeijelijker worden om, onder +de voor ons menschen onbewuste invloeden der vorige trekkingen, +nogmaals een witten dan een zwarten bal te trekken. Men bedenke dat, +daar beide soorten van ballen onderscheiden zijn, bij het trekken van +witte, er iets anders dan bij het trekken van zwarte ballen moet plaats +hebben, en dat de vorige trekkingen een materieel spoor achtergelaten +hebben. Bestaat er nu bij dit spoor zekere regelmatigheid, zoo zal bij +eene volgende trekking deze regelmatigheid gemakkelijker verzwakt dan +versterkt worden, en het eerste door het trekken van een zwarten en +het laatste, door het nogmaals uit de bus halen van een witten bal, +plaats hebben. + +Hoe meer witte ballen men achtervolgens getrokken heeft, hoe +ligter toch geheel verstoorbaar de dan meer geprononceerde oorzaak +er van, namelijk een van bovengemelde accidentele overheerschende +omstandigheden, zal worden. De kansrekening, waarbij er geen door de +werking der wet der geschiktmaking niet geheel uitgewischten invloed +der vorige rekkingen op de volgende aangenomen wordt, toont aan dat, +naarmate er meer trekkingen gedaan worden, de kans, dat men evenveel +zwarte als witte ballen zal trekken, grooter wordt. Dit ontstaat +doordat bij dit geval een grooter aantal verschikkingen tusschen de +witte en zwarte ballen mogelijk is dan bij de andere gevallen, en in +zooverre zal dit geval elk dier andere in onregelmatigheid overtreffen, +en wel te meer hoe grooter het aantal trekkingen is. Behoudens de +voorwaarde, dat de periodieke afwisseling der getrokken witte en zwarte +ballen er niet onregelmatiger bij is, zal elk dier andere gevallen zich +aldus niet zoo dikwijls als het eerste, zie blz. 308, kunnen herhalen. + +De regelmatige groepering van witte en zwarte ballen binnen eene bus, +zal, bij het schudden onder den invloed van allerlei veranderlijke +omstandigheden, verstoord worden, terwijl hierdoor eene primitieve +onregelmatige groepering derzelver karakter van onregelmatigheid +niet tot buiten zekeren grens kan verliezen, mits die witte +en zwarte ballen niet voor die schuddende bewegingen identiek +zijn. Regelmatige groepering der ballen binnen de bus oefent nu op +het schudden dezer een dergelijken invloed uit als de overschietende +sporen van vorige regelmatige trekkingen op de volgende, en terwijl +bij zulke regelmatigheden in den tijd langer geleden voorvallen van +minder invloed zijn op de regelmatigheid bij de volgende, zoo zal bij +regelmatigheid in de ruimte, die bij verder gelegen plaatsen minder +beletten ergens regelmatigheid te doen ontstaan, naarmate die plaatsen +hier verder van verwijderd zijn. Binnen eene bus, er zekere verhouding +tusschen het aantal er in bevatte witte en zwarte ballen bestaande, +zoo zal binnen vakken dier bus, een groot aantal ballen bevattende, +bij eene zeer regelmatige wijze van groepering dezer, desniettemin +ongeveer dezelfde verhouding tusschen de witte en zwarte ballen bestaan +dan binnen de gansche bus. Wegens het groote aantal der ballen binnen +elk dier vakken, zal toch regelmatigheid bij een derzelve alsware in +de ruimte ver van die binnen de aangrenzende vakken verwijderd zijn, +en er aldus weinig invloed op uitoefenen [88]. + +Buitendien zullen bij onregelmatige schudding der bus, uit zulke +vakken, waar binnen de verhouding voor de witte ballen gunstiger is +dan binnen de aangrenzende vakken, er meer witte ballen uitgaan dan +er weder binnen komen. + +Om dit anders te doen uitvallen, zouden meer dezelfde witte ballen, +uit zulk een vak door schudding gegaan zijnde, er weder door schudding +in terug moeten komen, en aldus deze, onder den invloed van vele +omstandigheden zijnde, eene regelmatigheid teweeg brengen veel +grooter zijnde dan die teweeggebragt door het bestaan van ongeveer +dezelfde verhouding tusschen de witte en zwarte ballen binnen elk +dier vakken. Zoo deze integendeel weinig ballen bevatten, zal het +omgekeerde het geval zijn, zoodat binnen die betrekkelijk kleine +vakken de verhoudingen tusschen de witte en zwarte ballen op eene zeer +onregelmatige wijze zullen varieren. Binnen veel ballen bevattende +bussen zullen voorts die betrekkelijk kleine vakken, waarbij de +verhouding tusschen de witte en zwarte ballen zeer varieert, iets +grooter zijn dan binnen kleine minder ballen inhoudende bussen. + +Geschud wordende verschillende vochten bevattende vaten kunnen met +bussen, ontzettend veel uiterst kleine ballen van verschillende kleur +bevattende, vergeleken worden. Elk der nog te onderscheiden kubieke +ruimten binnen zulk een mengsel zal een uiterst groot aantal moleculen +van die verschillende vochten bevatten, en aldus binnen elk dier zoo +kleine ruimten de verhouding tusschen de verschillende vochten uiterst +nabij dezelfde moeten blijven als binnen het gansche vat, zoo hier +binnen de vermenging de verschillende vakken zoo onregelmatig mogelijk +is. Binnen ruimten, betrekkelijk weinig vochtdeelen bevattende, +zal alsdan wel is waar die verhouding varieren, edoch die ruimten, +zoo klein zijn, dat zij zelfs met het sterkst gewapende oog niet te +onderscheiden zijn. + +Stelt men dat zekere beslotene ruimte, een uiterst groot aantal +poeijerdeelen met allerlei onregelmatige snelheden begiftigd, bevat, +zoo zal elk onderdeel dier ruimte, dat gemiddeld een zeer groot +aantal dier poeijerdeelen zou inhouden, er steeds nabij evenveel +en evenveel als de andere even groote onderdeelen bevatten. Om +dit toch anders te doen worden, en bijv. binnen een dier deelen +betrekkelijk belangrijk meer poeijerdeelen te doen komen, zouden +deze om de grenzen van dit deel gelijktijdig hier naar toe gerigte +snelheden moeten verkrijgen, hetgeen iets zeer regelmatigs zou zijn, +en onmogelijk wordt, zoo die snelheden onder den invloed zijn van een +menigte van omstandigheden. Zoo daarentegen binnen zulk een onderdeel +er belangrijk meer van die poeijerdeelen dan binnen omliggende gelegen +zijn, zal de overmaat dier poeijerdeelen door allerlei snelheden, door +die in de eene rigting eerder, door die in andere rigtingen later, +uit zulk een onderdeel gebragt worden [89]. + +Worden aan zulke poeijerdeelen snelheden medegedeeld onder den invloed +eener enkele overheerschende omstandigheid, dan kan daarentegen +derzelver digtheid van groepering binnen elk dier onderdeelen zeer +gaan verschillen. Dit heeft bijv. plaats, zoo men met de hand strijkt +over een deel eener laag poeijer. Alsdan komen zeer vele digt bij +en onder elkander gelegen poeijerdeelen onder den invloed dier bij +alle op dezelfde wijze werkende omstandigheid, die klaarblijkelijk +voor die poeijerdeeltjes niet als de gezamentlijke werking van +uiterst vele omstandigheden gelden kan, daar in dit geval deze bij +elk der poeijerdeelen op eene andere wijze werken zou. Dit laatste +is bijv. het geval, zoo elk dier deeltjes beweegt tengevolge der +gezamentlijke aantrekking van al de overigen. + +De gezamentlijke werking van al de omstandigheden is alsdan voor elk +der poeijerdeelen verschillend en bezit dientengevolge een karakter +van algemeenheid. Dit is insgelijks het geval bij het op blz. 158 +gemelde sterrenstelsel. Voor de hemelbollen hiervan bestaat er zekere +kans om digt bij elkander bij hun perihelium, en ver van elkander +bij hun aphelium te liggen, zullende die eerste kans veel kleiner +dan de tweede zijn. Hieruit volgt dat bij ruimten, zeer veel van +die sterren bevattende, de verhouding tusschen de sterren, digt bij +hun perihelium en digt bij hun aphelium gelegen, wegens den invloed +van eene menigte van omstandigheden, op het meeste slechts weinig +zal kunnen varieren, doch dat bij verzamelingen van slechts weinig +sterren, die verhoudingen sterk zullen verschillen, zoo de ligging +dier hemelbollen met betrekking tot elkander zeer onregelmatig is. Het +aanzienlijk verschillen dier verhouding bij die elk zeer veel sterren +bevattende ruimten zou vereischen, of dat binnen deze meer sterren +dan gemiddeld bij hun perihelium, of bij hun aphelium gelegen zijn, +doch in beide gevallen zou er iets bijzonders moeten plaats hebben, +in het eerste, dat veel sterren bij paren bijna tegelijk in hun +perihelium komen, in het tweede, dat zij bij hun aphelium tegelijk +van alle kanten even sterk aangetrokken worden, eene onmogelijke +regelmatigheid wegens de veranderlijke aantrekking van elk dier +sterren door eene ontzaggelijke menigte van andere. + +Hoe sterker nu bij verschijnsels de werking van zeer vele variërende +omstandigheden blijft, hoe moeijelijker enkele omstandigheden +overheerschende zullen werken, en dit zou bij het gemelde +sterrenstelsel steeds in hooge mate het geval zijn, zoo niet de +hemelbollen zie blz. 161, tengevolge der wrijving tegen elkander bij +botsing, zulke korte banen konden verkrijgen, dat zij onder de zeer +overheerschende aantrekking van een hunner gedurende langen tijd +kunnen blijven. + +Zoo de op blz. 313 gemelde poeijerdeelen langs flaauw gebogene kromme +lijnen bewegen, zal er iets regelmatigs bij hunne snelheden bestaan. Op +het meeste onregelmatig zullen deze zijn, zoo zij over betrekkelijk +de grootte dier poeijerdeeltjes zeer kleine distantien allerlei +rigtingen verkrijgen, of anders gezegd, zoo die poeijerdeeltjes +in uiterst onregelmatige trillende beweging zijn, en elk derzelve +dezelfde buren, met betrekking waarvan het op de onregelmatigste +wijze dan nadert dan zich verwijdert, behoudt, dat is wanneer die +poeijerdeeltjes moleculen zijn van eene vloeistof, waarbij overmaten +van afstooting het digt bij een en overmaten van aantrekking het ver +van een komen der moleculen tegengaande, deze, nadat zij zeer kort +zich in eene rigting bewogen hebben, geheel van rigting veranderen. + +Stelt men verder dat die deelen oneindig klein en oneindig digt +bij elkander gelegen zijn, zoodat elke kleinst eindige ruimte een +oneindig aantal er van bevat, zoo zal, zoo binnen elk dier ruimten +de toestand dier gasdeelen volmaakt identiek is met die binnen de +andere gelijk en gelijkvormige ruimten, de onregelmatige toestand dier +gasdeelen niet minder worden, omdat, naar aanleiding van blz. 311, +de regelmatigheid van iets niet vergroot door gelijkvormigheid met +iets anders betrekkelijk oneindig ver er van gelegen, of anders gezegd, +dat tusschen beiden een oneindig aantal zaken, hier gasdeelen, gelegen +zijn. In zulk een toestand moet nu naar ons inzien zie blz. 171 de +ether, voor zooverre deze niet onder den invloed der hemelbollen is, +verkeeren, en aldus die toestand niet slechts zie blz. 174 uiterst +zamengesteld en onveranderlijk, maar tevens onregelmatig zijn, zoodat +de werking der wet van geschiktmaking, door de veropenbaringen der +zelfstandigheid door beweging zie blz. 257 meer tot de natuur van +den ether te doen naderen, hen niet slechts minder veranderlijk, +maar tevens minder regelmatig doet worden. Bij verdamping, overgang +van gewone snelheden in zie blz. 251 gedurig geheel van rigting +veranderende warmtetrillingen, bij verbrekingen van toestanden +van onvast moleculair evenwigt (zooals bijv. bij vochten beneden +het vriespunt afgekoeld) bij de scheiding van vaste ligchamen in +verstuivende poeijerdeelen heeft dit insgelijks plaats. + +Het bestaan binnen den ether van hemelbollen, waarbij de digtheid +van groepering der atomen veel grooter is dan bij den ether, is +eene regelmatigheid ontstaan door de overheerschende werking der +aantrekkingskracht dier bollen zie blz. 159 in begin van vorming, +en waarbij er dan eene werking der wet der veranderlijkheid, waarbij +oorzaak en gevolg zich wederkeerig versterken, bestaat. + +Die aantrekkingskracht is hierbij geweest eene op zeer veel stofdeelen +op dezelfde wijze werkende omstandigheid, en op dergelijke wijze is +al het regelmatige en aldus bijzondere, dat bij de veropenbaring +der zelfstandigheid door beweging bestaat, ontstaan. De werking +der wet der veranderlijkheid begint dit te doen, doch heeft zij dit +regelmatige en bijzondere voortgebragt, zoo kan de werking der wet van +geschiktmaking verschillende bijzondere en regelmatige zaken zoodanig +wijzigen, dat zij in harmonie met elkander worden, of anders gezegd +bij elkander passen. Accidentele omstandigheden, werkingen zijnde der +wet der veranderlijkheid, storen nu gedurig de door overheerschende +en gedurende zekeren tijd in werking niet veranderende omstandigheden +in stand gehouden regelmatige zaken, doch bestaat hier harmonie bij, +zoo zal de werking der wet van geschiktmaking die alsdan afwijkingen +voortbrengende storingen trachten te verzwakken. Buitendien tracht +zij deze op eene onregelmatige wijze te doen voorkomen, zoodat, als +die afwijkingen in grootte verschillen, en voor elk dier afwijkingen +van verschillende grootte zekere kans tot ontstaan bestaat, bij zeer +veel van die afwijkingen de werking der wet van geschiktmaking de +afwijkingen van elke grootte tracht te doen voorkomen in verhouding +van dergelijke kans van voorkoming. In harmonie met de lengte der +beenen van menschen verkrijgen deze bijv. op egaal terrein eene voor +hen gemakkelijkste lengte van pas. Accidentele afwijkingen zullen +echter maken, dat onwillekeurig, dat is zonder dat eene overheerschende +omstandigheid tengevolge van zeker voornemen hiertoe leidt, die passen +naar beide zijden van dien gemakkelijksten pas afwijken. Hoe grooter +nu die afwijkingen ter eene of andere zijde zijn, hoe moeijelijker +zij zullen voorkomen, en nu zal de werking der wet van geschiktmaking +maken, dat bij zeer veel passen de groote en kleine passen niet +regelmatig, maar onregelmatig afwisselen. en dat de passen, het minste +in grootte met den gemakkelijksten verschillende, meer dan die, +er meer mede verschillen, zullen voorkomen [90]. Buitendien tracht +de werking der wet van geschiktmaking, zonder de harmonie tusschen +bijzondere en regelmatige zaken te schaden, hen meer algemeen, +onveranderlijk en onregelmatig te doen worden. + +Hoe onveranderlijkheid en onregelmatigheid zamen kunnen gaan blijkt wel +bij mengsels van vochten. Giet men bijv. voorzigtig wat wijn binnen +water, zoo kan men maken dat beide vochten zich niet dadelijk egaal +vermengen, en gedurende de verspreiding van den wijn binnen het water, +wordt dan de aanblik van het gevulde glas gedurig anders. Schudt men +dit echter op eene onregelmatige wijze, zoo wordt het mengsel overal +egaal en de aanblik er van blijft steeds denzelfden. + +Het is voorts onjuist dat onregelmatigheid steeds gemis aan doel +of geschiktheid zou aantoonen. Dat dit voor ons vaak het geval is, +komt hier vandaan, dat wij het onregelmatige beschouwen uit een +bijzonder en beperkt oogpunt, evenals bijv. een denkbeeldig wezen zeer +onregelmatige vermenging van vochtdeelen van verschillende soort binnen +ruimten slechts betrekkelijk weinig vochtdeelen bevattende. Zoo wij +daarentegen het onregelmatige konden beschouwen uit een zeer algemeen +oogpunt, bijv. op eene wijze, te vergelijken met die waarop wij de +egale mengsels van verschillende vochten beschouwen, zoo zou dit +begrip van wanorde en doelloosheid, door het onregelmatige verwekt, +geheel bij ons verdwijnen. + +Wij hebben ons naar vele regelmatige toestanden, door gedurende voor +ons lange tijden standvastige omstandigheden overheerscht, geschikt, +en daarom schijnt ons het onregelmatige, dat bij de opvolgende +gebeurtenissen op allerlei onvoorziene wijzen variatien teweeg brengt, +ongeschikt. Dit echter verandert geheel, wanneer men groepen, elk +uit zeer veel gelijksoortige gebeurtenissen bestaande, beschouwt, +en aldus de gebeurtenissen uit een alsware in tijd en ruimte meer +verheven standpunt waarneemt. Regelmatigheid doet alsdan die groepen +verschillen en onregelmatigheid hen gelijk worden. + +Al onze statistieke berekeningen, waarbij men gebeurtenissen +zooals geboorten, misdaden, ziekten enz. bij groepen van millioenen +individuen beschouwt, zijn dan ook gegrond op de standvastigheid, +welke de uiterst onregelmatige opvolging van zulke gebeurtenissen +bij groote groepen er van teweeg brengt. + +Was dit niet het geval, zoo namelijk de werking der wet van +geschiktmaking het voorkomen van dergelijke gebeurtenissen niet onder +den invloed bragt van zeer vele accidentele omstandigheden, maar zij +daarentegen steeds onder den invloed van enkele omstandigheden stonden, +en de uitwerking hiervan, wegens derzelver verband dan met deze dan met +gene andere omstandigheid, sterk veranderde, zoo zou het dan meer en +dan minder voorkomen van dergelijke gebeurtenissen bij groote groepen +van individuen, ons even onverklaarbaar voorkomen als het zich bevinden +van eene groote overmaat van witte ballen bij veel blindelingsche +trekkingen uit eene bus evenveel witte als zwarte ballen bevattende. Is +daarentegen binnen die bus de overmaat der er in bevatte witte ballen +even groot als bij de reeks van trekkingen, zoo zullen deze onder den +invloed van velerlei accidentele omstandigheden kunnen zijn, en bij +die achtereenvolgende trekkingen de onregelmatigheid aldus zeer groot +kunnen zijn. Nu bestaat er verschil tusschen de omstandigheid dat +die bus eene groote menigte van witte ballen bevat, en die waardoor +uit eerstgemelde bus bij eene reeks van trekkingen er veel meer +witte ballen dan zwarte uit de bus te voorschijn komen. Die eerste +omstandigheid, bekend of niet, werkt namelijk steeds op dezelfde wijze, +terwijl de tweede, naarmate zij zus of zoo met andere omstandigheden +in verband staat, op geheel andere wijzen werkt. Zij is vergelijkbaar +met de voorkeur die men, bij het ziende trekken, kan bezitten voor de +eene of andere regelmatige afwisseling der witte en zwarte ballen bij +de trekkingen. Die voorkeur kan zus of zoo zijn, tengevolge van eene +onnaspeurlijke aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen. Nu kan de +aanbieding der bus, eene overmaat van witte ballen bevattende, ook +wel aldus ontstaan, maar zal, hoe ook ontstaan zijnde, desniettemin +steeds eene omstandigheid zijn, leidende tot het blindelings trekken +van meer witte dan zwarte ballen. Hoe velerlei omstandigheden bij de +blindelingsche trekking van ballen er ook van invloed zijn, zij blijft +steeds denzelfden invloed uitoefenen, terwijl daarentegen onbewuste +voorkeur voor de eene of andere regelmatige wijze van trekking onder +den invloed van allerlei omstandigheden, evenzeer moet veranderen als +de gedragingen van menschen, welke de speelballen zijn van allerlei +inblazingen [91]. + +Bij ons menschen kunnen het karakter, het verstand, de positie +enz. vergeleken worden met die verhoudingen tusschen de witte +en zwarte ballen binnen gemelde bus, en de onder den invloed van +velerlei accidentele omstandigheden zijnde reeks van denkbeelden met +de aan allerlei invloeden blootgestelde bewegingen der handen bij de +blindelingsche trekkingen. + +Ook epidemische ziekten zijn van die steeds denzelfden invloed +uitoefenende omstandigheden. Zij kunnen toch niet, zus of zoo met +andere omstandigheden in verband zijnde, het aantal sterfgevallen +bij een groot getal individuen vergrooten of verkleinen. + +Hoe grooter het aantal veranderlijke omstandigheden, op eenig +verschijnsel van invloed, is, hoe kleiner de kans voor regelmatigheid +bij dit verschijnsel zal zijn. Het aantal dier veranderlijke +omstandigheden steeds grooter blijvende dan de grootst eindige +grootheid, zoo zou, zoo de invloed van elk die omstandigheden even +groot was, die regelmatigheid bij het verschijnsel (dat uit eene reeks +van met elkander in verband zijnde gelijksoortige gebeurtenissen +kan bestaan) nul zijn. Dit is nu het geval niet, want op zulk een +verschijnsel kunnen van invloed zijn vooreerst enkele omstandigheden, +voorts een grooter aantal op eene zwakkere wijze, nog een grooter +aantal op eene nog zwakkere wijze enz., zoodat die invloeden van +al de veranderlijke omstandigheden kunnen uitgedrukt worden door +zekere breedte bezittende bundels van ordinaten eener kromme lijn +met de bolle zijde naar de abcissen as gekeerd, deze op eene grootst +eindige distantie rakende, en met die as der abcissen en een ordinaat +een eindigen inhoud omsluitende. Die inhoud stelt dan voor het totaal +der invloeden van al die omstandigheden op het verschijnsel, en het is +nu klaar dat voor zooverre die invloeden uiterst groot in aantal, maar +uiterst gering zijn (bij dien inhoud voorgesteld door het uiterst lage, +maar uiterst lange deel er van, het effect er van zal trachten het +verschijnsel zoo onregelmatig mogelijk te doen zijn. Nu kunnen wel de +sterkere invloeden der overige eindig in aantal zijnde omstandigheden +(voorgesteld door het kortere maar hooge deel van gemelden inhoud) dit +verschijnsel regelmatig trachten te doen worden, maar klaarblijkelijk +die regelmatigheid min of meer gestoord worden. Zoo zullen bijv. de +zuiver elliptische banen der planeten om de zon niet slechts door +de werkingen der andere planeten, maar tevens, en dat wel op eene +voor ons onwaarneembare, maar uiterst onregelmatige wijze, door het +onnoemelijk getal der zich verplaatsende sterren gestoord worden. + +Die storing der regelmatigheid zal bijv. ook bestaan wanneer men +blindelings maar te gelijk eene menigte van ballen uit de op blz. 308 +gemelde bus trekt, en zij dan maken dat de gelijktijdig getrokken +ballen niet boven zeker aantal tot de witte ballen der bus zullen +behooren. + +Bij het achtereenvolgens trekken van die ballen, zou men bij elke +trekking iets dergelijks als in het zoo even gemelde geval verkrijgen, +zoo de indrukken van een aantal vroegere trekkingen, gelijk aan dat +van de ballen die men bij dit vorige geval tegelijk uit de bus trekt, +onverflaauwd bleef bestaan. Dit is nu wel is waar niet het geval, +edoch de verflaauwde indrukken der vorige trekkingen, gepaard met +de volgende, zullen een geval vormen, gelegen tusschen het vorige +en dat waarbij de vorige trekkingen van geen invloed op de volgende +zijn, zoodat het zekere minimum van storing der regelmatigheid er bij +kleiner dan in het eerste geval en grooter dan in het laatste, waarin +dit minimum nul is, zal worden voor zooverre men de verschijnselen +beschouwt met betrekking tot derzelver sterkte, kan men hen verdeelen +in verschillende categorien, zoodat van die tot elk dezer categorien +behoorende, het eene of andere dier verschijnsels in ruimte en tijd +en plaats heeft. Zoo kan bijv. een dier categorien bevatten winden +van verschillende sterkte. Overal in den atmospheer en gedurende +al den tijd van het bestaan dezes zal de lucht circa in rust, of +in meer of minder heftige beweging zijn. Ter wederzijde van meest +voorkomende windsnelheden, door vrij standvastige omstandigheden +voor elke plaats bepaald, bestaan er nu afwijkingen, met betrekking +tot wier opvolging op eene zelfde, of wel gelijktijdige voorkoming op +verschillende plaatsen, hetzelfde te zeggen valt als zie blz. 317 voor +de afwijkingen van eene gemakkelijkste lengte van pas. De nagelaten +sporen der snelheden van den wind gedurende de vorige tijden op +eenige plaats en de menigte der omstandigheden op de windsnelheden +van invloed zijnde, moeten bijv. regelmatige afwisseling van zwakke +en sterke winden storen. + +Het lang na elkander voorkomen van hetzij zeer zwakke, hetzij zeer +sterke winden, wordt reeds tegengegaan door de hunne oorzaken +vernietigende gevolgen er van. In het eerste geval zal toch de +dampkring door verdamping meer vochtig worden dan opdroogen door de +condensatie van omhoog gevoerde dampen, daar waar de met den wind +gepaarde rijzingen van lucht bestaan, en die meerdere vochtigheid der +lucht aanleiding gevende tot een grooter verschil in vochtigheid er +van op de eene en andere plaats, en aldus tot een grooter verschil +in ijlheid der lucht, de rijzingen en dalingen der lucht en aldus +ook den wind bevorderen [92]. + +In het andere geval heeft het omgekeerde plaats, doch die gevolgen +kunnen niet beletten, dat bijv. stormen in den winter om de dertig +dagen voorvallen in plaats van dit meer ongelijk te doen. Die +regelmatigheid kan slechts belet worden door de op blz. 321 gemelde +invloeden van eene overgroote menigte van veranderende omstandigheden. + +Eene andere dier op blz. 323 gemelde categorien bevat de gedragingen +der menschen jegens anderen. Deze kunnen toch weldadig, welwillend, +onverschillig, onwelwillend en misdadig zijn. Eene derde categorie +bevat de toestanden van gebouwen met betrekking tot brand, en men heeft +hierbij, hevig branden, flaauw branden, de nabijheid van brandende +gebouwen, of het bevatten van brand veroorzakende voorwerpen. Ook +hierbij zullen de afwijkingen van den gemiddelden toestand, naarmate +zij grooter zijn, in toeneming sterker belet worden door de werking der +wet van geschiktmaking en door de op blz. 258 en 300 gemelde werking +der wet der veranderlijkheid, zooals bijv. bij de meer afdoende +pogingen tot blussching van hevige dan van flaauwe branden. + +De werking dier beide wetten bestaat ook bij de positieve en negatieve +afwijkingen in menigvuldigheid van verschijnsels van zekere gemiddelde +menigvuldigheid van voorkoming. Bij al deze gevallen zal niet slechts +de op blz. 321 gemelde werking het regelmatig er van voorkomen, maar +tevens, zooals zoo even gezegd is, het veel of weinig voorkomen er +van tegengewerkt worden, en dit laatste met alsware grootere kracht +dan het eerste geschieden. De werking van de wet van geschiktmaking +gaat bijv. sterker tegen het zeer rijk worden van meer menschen dan +gewoonlijk, dan het herhaald door hen trekken van hooge prijzen uit +eene loterij, want er bestaan vele verschijnsels wier menigvuldigheid +van voorkoming, enkel wegens de er door teweeg gebragte regelmatigheid, +door de op blz. 321 gemelde werking der wet van geschiktmaking +tegengaan wordt, en dit is bijv. met de zooeven gemelde herhaalde +trekking van prijzen het geval. Periodiciteit, bijv. het achtervolgens +dan dikwijls en dan zeldzaam voorkomen van verschijnsels wordt, als +zijnde eene soort van regelmatigheid, door accidentele overheerschende +omstandigheden voortgebragt, doch, wanneer de op blz. 267 gemelde +werking der wet der veranderlijkheid dit dikwijls voorkomen tegengaat, +door het, zooals op blz. 258 gezegd is, negatief worden van het eerste +verschijnsel, zal op dien overvloed schaarste, daarna weder overvloed +enz. volgen, en er aldus van lieverlede verzwakkende schommelingen en +periodiciteit ontstaat. Deze zal alsdan door de op blz. 321 gemelde +werking evenzeer gestoord worden als de uitwerking der zie blz. 309 de +herhaling derzelfde zaak voortbrengende overheerschende omstandigheden. + +Bij het schieten naar eene schijf, zullen bijv. de sterkste afwijkingen +ter regterzijde slechts, wegens de alsdan niet onregelmatige +afwisseling er van met gemiddeld veelvuldiger voorkomende kleinere +regtsche afwijkingen, belet worden in aantal veel grooter dan gemiddeld +voor te komen, zoo de schutter niet het denkbeeld verkrijgt, dat hij +dikwijls zoo sterk mis schietende als voor hem mogelijk is, zich gaat +inspannen om juister te schieten. In dit geval beperkt de werking der +wet van geschiktmaking niet slechts het misschieten bij elk schot, +maar tevens de herhaling er van. + +Dit is insgelijks het geval bij de meeste feiten waarmede de statistiek +zich bezig houdt, zooals bijv. misdaden, sterfgevallen enz. doch +dit is niet de eenigste reden waarom onder zeer veel individuen +die voorvallen binnen even groote tijden circa even veelvuldig +voorkomen. Daartoe draagt ook bij een ons onbewust verband waarin +zij, door tusschenkomst eener menigte van verschijnsels, tot elkander +staan, waardoor zij, wegens de op blz. 321 gemelde reden in tijd en +ruimte onregelmatig moeten voorkomen, omdat er anders, hetzij bij +gelijktijdig voorvallende verschijnsels, hetzij bij de achtergeblevene +sporen van vroegere verschijnsels met betrekking tot de huidige, +te veel regelmatigheid zou ontstaan. + +Vandaar dat er niet, althans niet buiten zekere grenzen, gelijktijdig +in eenig land, zooals men zegt bij toeval, zeer veel meer diefstallen +dan gemiddeld gepleegd worden, en dat evenmin kort nadien dit +aantal veel kleiner dan gemiddeld wordt, zonder dat de justitie en +particulieren intusschen waakzamer geworden zijn en het straffen der +diefstallen verscherpt is. Die diefstallen zijn te vergelijken met +het trekken van bijv. gele ballen uit eene bus, ballen van allerlei +andere kleuren bevattende, op eene onbewuste wijze voor het gevoel +onderscheiden, en wier trekking met het voorvallen van de verschillende +andere feiten, welke in de plaats van diefstallen kunnen plaats +hebben, vergelijkbaar is; terwijl de verspreiding en de verhouding dier +ballen van verschillende kleur binnen de bus, vergelijkbaar is met den +stand van zaken aanleiding gevende tot die gelijktijdig voorvallende +feiten van verschillende soort. Bij elke trekking, een groot aantal +ballen bevattende, zullen de getrokken gele ballen niet buiten zekere +grenzen in verhouding tot al die gelijktijdig getrokken wordende +ballen kunnen afwijken van derzelver verhouding tot het totale aantal +ballen binnen de bus, omdat er anders bij elk dier trekkingen eene te +groote regelmatigheid zou ontstaan. Evenzoo bij de gelijktijdig maar +op verschillende plaatsen gepleegde diefstallen. Niet slechts heeft de +stand van zaken op elke plaats invloed op de aldaar gepleegde daden, +maar tevens in zwakkere mate ook die op andere plaatsen. Niet alleen +hebben de andere daden, ter plaatse waar de diefstal geschiedt tegelijk +hiermede plaats hebbende, maar tevens die en aldus ook de diefstallen +op andere plaatsen gepleegd, invloed op eerstgemelden diefstal [93]. + +Op blz. 311 hebben wij gezegd dat, wanneer in de ruimte alsware +tusschen gelijksoortige gebeurtenissen er eene menigte andere gelegen +zijn, zij, door met betrekking tot elkander regelmatig of onregelmatig +in te vallen, zeer weinig bijbrengen tot de regelmatigheid van +het geheel, en als onafhankelijk van elkander ontstaan beschouwd +kunnen worden. Men behoeft aldus het gelijktijdig voorvallen van +bijv. diefstallen slechts te beschouwen over zulk een ruimte, dat er +aldaar gemiddeld zeer veel ongeveer gelijktijdig geschieden. Is nu +dit aantal buitengewoon veel grooter dan gemiddeld, zoo bestaat er +eene regelmatigheid welke de vrucht moet zijn van eenige accidentele +overheerschende omstandigheden tegelijk bij al die plaatsen, waar die +diefstallen begaan worden, van invloed zijnde. Die regelmatigheid +moet toch eene oorzaak bezitten, daar op blz. 321 aangetoond, is, +dat die oorzaak niet in het totaal der zeer geringe invloeden van +een uiterst groot aantal omstandigheden kan bestaan, wordt aldus het +bestaan dier eerste oorzaak ontkent door iemand die regelmatigheid aan +het toeval toeschrijft, zoo bekent hij tevens dat de laatste oorzaak +alleen bestaat, en deze kan slechts, zooals op blz. 321 gezegd is, +onregelmatigheid en geene zoogenaamde toevallige regelmatigheid +voortbrengen. + +Hieruit blijkt tevens dat bijv. diefstallen op verschillende plaatsen, +zooals men zegt, onafhankelijk van elkander gepleegd, invloeden op +elkander uitoefenen, die te zamen met velerlei andere even weinig +waarneembare invloeden niet verwaarloosd mogen worden, want zij +behooren, of tot die menigte van zeer geringe invloeden waardoor, +zooals op blz. 321 gezegd is, onregelmatigheid ontstaat, of zij +worden teweeg gebragt door de enkele overheerschende omstandigheden +bij die verschillende plaatsen tegelijk werkende, waardoor er bij het +voorkomen dier diefstallen regelmatigheid kan ontstaan. Alsdan kan +men niet met juistheid zeggen, dat de diefstallen onafhankelijk van +elkander gepleegd worden, zoodat, wanneer bijv., bij gemis aan afspraak +van dieven op velerlei plaatsen, of van dergelijke omstandigheden, +men bij de gewone wijze van spreken mag zeggen, dat die diefstallen +niet anders dan onafhankelijk van elkander kunnen gepleegd zijn, +zoo zij onder den invloed derzelfde enkele op verschillende plaatsen +tegelijk werkende overheerschende omstandigheden ontstaan zijn, deze al +zeer zwak moeten zijn, en de er door teweeg gebragte regelmatigheid, +door de op blz. 321 gemelde werking, noodzakelijk zeer sterk gestoord +moet worden. + +Wanneer de omstandigheden, van invloed op gelijksoortige verschijnsels, +wier wijze van herhaling in tijd of ruimte men wenscht na te gaan, +ook onderling meer op elkander van invloed zijn, zal de regelmatigheid +bij die voorkoming dier verschijnsels binnen naauwere grenzen besloten +blijven. Enkele dier omstandigheden zullen dan toch moeijelijker +een eenigen tijd aanhoudenden overheerschenden invloed in denzelfden +geest kunnen blijven uitoefenen, omdat alsdan de grootere invloed van +andere omstandigheden er op dit gedurig meer verhindert. [94] Dit zal +insgelijks het geval zijn, zoo die invloed van eenvoudigen aard is, +omdat dan elk dier omstandigheden meer geinfluenceerd wordt door elk +der andere op eene wijze in verhouding der aanraking tusschen beide, +en eerstgemelde omstandigheden gedurig met andere, of op eene andere +wijze met dezelfde omstandigheid in aanraking komen. Zijn daarentegen +die invloeden van meer zamengestelden aard, zoo kan eene omstandigheid +meer ongevoelig blijven voor vele andere waarmede zij in directe +aanraking komt, en daarentegen sterk den invloed ondervinden van enkele +omstandigheden, in tijd of ruimte er betrekkelijk ver van verwijderd. + +Dit is in sterke mate het geval bij de omstandigheden daargesteld door +de wijze van denking die men willen noemt. Iemand wil, tengevolge +eener voor geheele wijziging zeer vatbare gril, bijv. witte ballen +uit eene bus nemen, en, ofschoon dan zwarte ballen meer bij de +hand kunnen liggen, neemt hij toch moeijelijker te bereiken witte +ballen. Zoo zullen, wanneer de dieven nemen wat het gemakkelijkste +en met het minste gevaar te stelen is, de gedurende elke week +gepleegde diefstallen onder eene groote bevolking, wegens gebrekkige +onregelmatigheid van voorkoming minder veranderen, dan zoo die +diefstallen gepleegd worden nadat derzelver daders berekeningen +gemaakt hebben. Tusschen twee havens varende stoomschepen, wier +machines steeds met evenveel kracht werken, en die aan allerlei +winden en accidentele stroomen blootgesteld zijn, zullen langs de +distantie tusschen die twee havens steeds op eene vrij onregelmatige +wijze verspreid moeten zijn. Hangt daarentegen de kracht waarmede de +machines dier vaartuigen werken af van den wil hunner gezagvoerders, +zoo zal die verspreiding regelmatiger kunnen zijn, al bestaat er +geene dit bevorderende afspraak tusschen die gezagvoerders. + +Gesteld dat de werking van den wil dier gezagvoerders niet bestaat, +zoo zullen bij gemelde vaartuigen, bij zekere regelmatige verspreiding +van sommige hunner, de winden, de stroomen, golven enz. invloeden, +waarbij de indruk dier regelmatigheid bestaat, op de andere vaartuigen +overbrengen. [95] Gezamentlijk met de voorgaande, bestaan nu bij +die overige vaartuigen een uiterst groot aantal andere invloeden +van water en lucht, welke, zooals op blz. 321 gezegd is, door hun +aantal en hunne veranderlijkheid iets onregelmatigs zullen trachten +teweeg te brengen. Zoo aldus de min of meer regelmatige ligging dier +overige vaartuigen, in verband met die der eerstgemelde beschouwd, +eene sterkere regelmatigheid, dan door de ligging van eerstgemelde +vaartuigen wordt voortgebragt, daarstelt, dienen de van deze op die +andere vaartuigen overgebragte regelmatige invloeden sterker te zijn, +en zich hierbij te paren aan dergelijke invloeden bij die overige +vaartuigen. Dit kan naar ons inzien, niet anders geschieden, dan zoo +die min of meer regelmatige invloeden bij elk vaartuig aanwezig en van +de andere er naar toe overgebragt, door enkele voor al de vaartuigen +in denzelfden geest werkende omstandigheden worden voortgebragt. + +Onder de omstandigheden, op de ligging dier vaartuigen van invloed +zijnde, behoort echter ook de behandeling er van door derzelver +bemanning. Al wordt nu die behandeling geheel bepaald door de +betrekking dier vaartuigen met de winden, golven en stroomen, +zoo zal veel hiervan op die bepaling dier behandeling van zeer +weinig en enkele zaken, hier en nu anders dan elders en later, van +veel invloed kunnen zijn. Die behandeling kan aldus staan onder den +overheerschenden invloed van enkele, volstrekt niet steeds op dezelfde +wijze van invloed zijnde, accidentele omstandigheden, en daar zij +sterken invloed uitoefent op de ligging dier vaartuigen, deze alsdan +gemiddeld meer onder den invloed van enkele en gemiddeld minder onder +den invloed van zeer vele veranderlijke omstandigheden komen. Dit +nu is wel is waar geene bestendige oorzaak van meer regelmatige +onderlinge ligging dier vaartuigen, maar wel eene oorzaak, waardoor +de invloeden van zeer vele veranderlijke omstandigheden er op zwakker +kunnen worden. Het is aldus mogelijk dat alsdan de op blz. 321 gemelde +werking, waardoor de regelmatigheid tegengegaan wordt, zwakker wordt. + +Eene overheerschende omstandigheid kan ergens, zooals op blz. 309 +gezegd is, regelmatigheid voortbrengen, en eene andere overheerschende +omstandigheid elders eene andere regelmatigheid veroorzaken, zonder +dat beide soorten van regelmatigheid, wegens het verband waarin zij +tot elkander staan, iets regelmatigs vormen. Is dit daarentegen wel het +geval, en zelfs zoo op beide plaatsen er geene regelmatigheid bestaat, +maar onregelmatigheden, welke, door bijv. min of meer identiek te zijn, +wegens derzelver onderling verband eene regelmatigheid daarstellen, zoo +moet deze door voor beide plaatsen gemeenschappelijke overheerschende +omstandigheden teweeg gebragt worden. Anders toch zou de wegens dit +onderlinge verband ontstaande regelmatigheid zonder oorzaak zijn, en +aldus de ook met betrekking tot dit onderlinge verband onregelmatigheid +voortbrengende werking der wet van geschiktmaking alleen heerschen. + +Naar mate echter die twee plaatsen in de ruimte, of wanneer +het tijdstippen geldt waarop die, wegens hun onderling verband, +regelmatigheid voortbrengende gebeurtenissen plaats hebben, deze +in den tijd verder van elkander gelegen zijn, dat is, wanneer +er tusschenbeide alsware meer gebeurtenissen liggen, zullen de +omstandigheden, regelmatigheid wegens onderling verband voortbrengende, +bij dezelfde sterkte dier regelmatigheid, zwakker kunnen zijn. De +werking der wet van geschiktmaking zal dan toch, door tusschenkomst +der invloeden van eene zeer groote menigte van omstandigheden, bij +de tweede plaats de regelmatigheid met betrekking tot hetgeen, op +de eerste plaats geschied is, slechts kunnen storen, voor zoo verre +hetgeen aldaar geschied is, bij die tweede plaats van invloed is. Is +nu die verzwakking, bij grootere betrekkelijke verwijdering in tijd of +ruimte, sterker dan die der omstandigheden, bij beide plaatsen, of op +beide tijdstippen, eene, zooals hierboven gezegd is, door onderling +verband ontstaande regelmatigheid voortbrengende, zoo zal deze bij +groote verwijdering in ruimte of tijd grooter kunnen worden [96]. + +Zoo bijv. thans ergens in Europa iemand, de kleur der ballen +onderscheidende, eene reeks hiervan uit eene bus trekt, en over eene +eeuw iemand anders in Amerika dit ook doet, zal de eerste reeks van +trekkingen zekere invloeden hoe gering ook op de andere uitoefenen, +en de regelmatigheid bij de verhouding tusschen beide reeksen van +trekkingen tot zekeren graad hoe gering ook door op blz. 321 gemelde +werking der wet van geschiktmaking verstoord worden. + +Zoo er nu slechts in beide gevallen sprake kan zijn om de witte of +zwarte ballen, met betrekking tot derzelver afwisseling, slechts op +een bepaald aantal verschillende wijzen uit die bus te trekken, kan de +zucht naar varieteit maken, dat in beide gevallen de trekkers dit op +al die wijzen doen, en dat aldus in beide gevallen, in tijd en ruimte +zoover van elkander gelegen, er identieke reeksen van trekkingen plaats +hebben. De omstandigheid, welke dan in die beide gevallen tegelijk +werkt, is de zucht om uit bussen, witte en zwarte ballen bevattende, +met onderscheiding der kleuren, deze bij de getrokken ballen op een +zeker aantal verschillende wijzen te doen afwisselen. + +Zoo daarentegen in beide gevallen slechts eene reeks van trekkingen +en wel blindelings gedaan wordt, en dat in beide gevallen de witte +en zwarte ballen op de onregelmatigste, maar in elk dier gevallen +op volmaakt dezelfde wijze afwisselen, zoo dient de invloed van +eene voor beide gevallen gemeenschappelijke omstandigheid hiervan +de oorzaak te zijn, en zal deze die overeenstemming tusschen de +beide reeksen van trekkingen moeijelijker te weeg kunnen brengen, +naarmate die reeksen elk uit meer trekkingen bestaan. Die voor beide +reeksen gemeenschappelijke omstandigheid kan in dit geval niet in +eene voorbedachtelijke imitatie in het tweede geval van hetgeen in +het eerste heeft plaats gehad bestaan, en dient dan wel derzelver +invloed van de trekking in Europa, tot die eene eeuw later in Amerika +op eene gelijksoortige wijze overgebragt te hebben als de sporen dier +geheele eerste trekking. De oorzaak, die overeenstemming tusschen +beide reeksen van trekkingen voortbrengende en die deze verstorende, +moeten aldus beide in dit geval uiterst zwak zijn, en zullen dit nog +meer worden, zoo tusschen de reeksen van trekkingen in beide gevallen +er nog meer liggen, omdat de invloeden der eerste trekking hierdoor +meer verloren gaan dan door andere zaken. + +De werking der wet van geschiktmaking wischt namelijk vooral zaken +uit door andere er mede gelijksoortige later voorvallende zaken, +zie blz. 182, want die uitwissching of liever omzetting geschiedt +niet van zelf, hiertegen verzet zich de werking der wet der traagheid. + +Men moet echter zeer voorzichtig zijn bij de ontkenning dat bij +gevallen, in tijd en ruimte ver van elkander gelegen, er geene +onderlinge regelmatigheid tusschen hen kan ontstaan dan op dezelfde +wijze waarop die gevallen zelve van invloed op elkander zijn. Die +regelmatigheid tusschen twee gevallen kan toch, even als de absolute +regelmatigheid bij een geval, dikwijls ontstaan op wijzen wel in +zekeren zin gelijksoortig met die wij kennen en aldus niet door het +toeval, maar op wijzen buiten onzen kring van kennis of, wegens hare +zwakte, buiten onzen kring van waarneming gelegen. + +De invloeden der daden der bewoners dezer aarde op die der bewoners +van de planeet Venus moeten bijv. uiterst gering zijn, en toch zouden +al de bewoners der dagzijde dezer aarde onbewust bijna te gelijk iets +gelijksoortigs kunnen doen, en, zoo de bewoners der dagzijde van Venus, +tengevolge der op blz. 232 gemelde werking der wet van geschiktmaking, +gevoelig zijn voor de warmte der zon, ook zij iets dergelijks doen. Een +onwaarneembare vermindering der warmte der zon, tengevolge van het +ontstaan eener zonnevlek, zou toch de oorzaak hiervan kunnen zijn. + +Bij het geval van blz. 312 bestaat er voor al de waarneembare +ruimtedeelen van het mengsel eene omstandigheid, welke zekere +onderlinge regelmatigheid tusschen hetgeen bij die ruimtedeelen +bestaat, namelijk de gelijkheid tusschen de verhouding +der verschillende vochten, bij elk hunner teweeg brengt. Die +omstandigheid is namelijk dat door roering voor alle de quantiteit +van het bijgeschonken vocht dezelfde wordt gemaakt. + +Wij besluiten uit dit een en ander, dat de regelmatigheid bij gevallen +en de onderlinge regelmatigheid tusschen verschillende gevallen binnen +enge grenzen beperkt is, tenzij bijzondere oorzaken, kennelijk van +anderen aard dan de invloeden tusschen de deelen dier gevallen, of +tusschen deze laatste onderling, haar voortbrengen, en dat voorts +de uitwerkingen en het belangrijke van zulke regelmatigheden niet +buiten zekere grenzen kunnen afwijken van de sterkte dier bijzondere +oorzaken. Deze werking der wet van geschiktmaking komt ons menschen +zeer te pas, want, omringd van min of minder regelmatige bijzondere +zaken, is het voor ons noodig de oorzaken er van te kennen en hierop +te kunnen rekenen, en desniettemin doet onze fantaisie ons somtijds +gelooven dat er regelmatige zaken bestaan, waar wij weten dat de +oorzaken er van niet aanwezig kunnen zijn. + +Dat regelmatigheid in tijd of ruimte door enkele op verschillende +tijdstippen, of op verschillende plaatsen overheerschende +omstandigheden voortgebragt moet worden, volgt alsware uit het bestaan +van regelmatigheid in de herhaling of periodieke herhaling derzelfde +zaken. Voorts kan eene gebrekkige regelmatigheid zamengesteld worden +uit eene volmaakte regelmatigheid on eene volslagene onregelmatigheid. + +Bij het voorbeeld der op blz. 327 gemelde diefstallen heeft men, +al vallen deze in tijd of ruimte zoo onregelmatig mogelijk voor, +wel is waar eene herhaling derzelfde zaak, doch hiervoor te gelijk +eene in tijd en ruimte overheerschende omstandigheid, namelijk die in +eene maatschappij tot diefstallen aanleiding gevende. Bestaat er nu +buiten deze regelmatigheid eene tweede, namelijk die, welke met een +volstrekt onregelmatig voorkomen dier diefstallen zamengesteld, vormt +eene gebrekkige regelmatigheid van voorkoming er van, zoo bestaat die +tweede regelmatigheid in eene periodieke herhaling derzelfde zaak, en +moet zij de vrucht van andere overheerschende omstandigheden zijn. [97] + +Trouwens verschijnsels, onder den invloed staande van verschillende +omstandigheden, tracht men, ten einde de invloeden elk dezer te vinden, +alsware te ontleden in verschillende regelmatige verschijnsels, en wel +in meer, naarmate die omstandigheden meer in aantal zijn. Dan echter +wordt de regelmatigheid van het resulterende verschijnsel van meer +zamengestelden aard en meer onregelmatig, en moet het zulks volstrekt +worden als die er op van invloed zijnde veranderlijke omstandigheden +in aantal onnoemelijk zijn, en dat geene derzelver overheerscht, want +in dit laatste geval kan het verschijnsel eene op uiterst zamengestelde +wijze gestoorde eenvoudige regelmatigheid vertoonen, zie Noot blz. 328. + +Op blz. 278 hebben wij aangetoond dat zaken geene plotselinge +veranderingen er van in grootte kunnen ondergaan, zoodat veranderingen +er van in grootte aangeduid zullen kunnen worden door de ordinaten +van nergens niet afgeronde hoeken bezittende kromme lijnen. Zoo +aldus zaken, aan een steeds grooter wordenden drang tot vergrooting +onderworpen raken, zal derzelver grootte gedurende de achtervolgende +tijdstippen door de ordinaten eener van af zeker punt oploopende en met +de bolle zijde naar de abcissenas gekeerde kromme voorgesteld kunnen +worden. Vergroot die drang later niet meer, en wordt hij daarna steeds +kleiner, om eindelijk nul te worden, zoo zal die kromme een buigpunt +verkrijgen, vervolgens steeds flaauwer oploopen en met de holle zijde +naar de abcissenas gekeerd zijn, en eindelijk hiermede paralel loopen. + +Wanneer oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, en +aldus de drang tot vergrooting bij het gevolg steeds versnellende +grooter zou worden, zoo de werking der wet van geschiktmaking zie +blz. 262 de vergrooting der oorzaak niet tegenging, zal dit gevolg +wel is waar aan een na zekeren tijd steeds trager, maar nog steeds +toenemenden drang tot vergrooting blootgesteld zijn, maar, daar de +werking der wet van geschiktmaking ook de vergrooting van dit gevolg +tracht tegen te gaan, en, even als bij de oorzaak, in sterkere mate, +naarmate het grooter is, het zijn, of er bij beide eene eerst toe en +later afnemende vergrootende werking bestaat. De werking der wet van +geschiktmaking kan nu wel de vergrooting van eenig verschijnsel zeer +moeijelijk maar niet onmogelijk maken, en verkeert daaromtrent steeds +in het geval van als bij eene van derzelver werkingen, namelijk den +tegenstand van het water tegen drijvende vaartuigen. [98] Hoe snel ook +deze bewegen, de vergrooting der voortstuwende kracht kan desniettemin +eene ofschoon uiterst geringe vergrooting der snelheid van het vaartuig +teweeg brengen. Vandaar dat alsdan de op blz. 336 gemelde ojiefvormige +kromme, wier ordinaten de achtervolgende grootten van het bovengemelde +gevolg verschijnsel aangeven, eerst bij eene oneindig groote abcis en +eene eindig groote ordinaat met de abcissenas paralel zal loopen. [99] +Gesteld dat nu de stoommachine van dit vaartuig sterker gestookt wordt, +naarmate de snelheid hiervan meer bedraagt, zoo zal de werking der +wet van geschiktmaking de versterking van het vuur steeds meer gaan +belemmeren, en klaarblijkelijk zulk een vaartuig eerst versnellende, +maar later vertragende in snelheid toenemen, zonder dat ooit de aanwas +in snelheid geheel ophoudt. + +Dit zal insgelijks het geval zijn, zoo het gevolg, hierbij de snelheid +van het vaartuig, de oorzaak, hierbij het stoken der machine, niet +versterkt. Ook dan zal het gevolg, ofschoon niet noemenswaardig nimmer +geheel ophouden met in grootte toe te nemen, doch dit wel bij de +oorzaak het geval zijn. Deze zal eerst versnellende daarna vertragende +en na zekeren eindigen tijd in het geheel niet meer toenemen aldus +even als de ordinaten der op blz. 336 gemelde ojiefvormige kromme. + +Op blz. 307 hebben wij gezegd, dat een gevolg, door zekere oorzaak +opgewekt, deze kan versterken, onveranderd laten, vernietigen en daarna +zelfs negatief maken [100]. Een ongeschikte toestand van zaken kan +bijv. opwekken, het er over oordeelen en dien ten gevolge handelingen +van menschen. Zijn alsdan die handelingen oordeelkundig, zoo zullen zij +het derde te weeg brengen, of wel het vierde, wanneer zie blz. 259 en +267 die ongeschikte toestand gerekend wordt te bestaan met betrekking +tot een gemiddelden toestand en een uitslag naar de andere zijde +hiervan een nog wenschelijker toestand te weeg kan brengen. + +Handelingen, ten gevolge van slecht oordeelen begaan brengen +daarentegen het eerste of tweede voort, namelijk zij laten den +ongeschikten toestand onveranderd, of versterken dien. + +Dit geschiedt daarentegen door handelingen, ten gevolge van goed +oordeelen begaan, zoo die toestand geschikt is, en geperpetueerd dient +te worden, terwijl in dit geval handelingen, ten gevolge van slecht +oordeelen begaan, het derde, of somtijds ook het vierde voortbrengen. + +Wanneer er twee partijen tegen elkander strijden, kan elk dezer +een voor haar al of niet werkelijken ongeschikten toestand trachten +weg te nemen, en het gevolg namelijk den strijd voor de overwonnene +partij bij dien ongeschikten toestand het eerste of tweede en voor +de overwinnende partij het derde of vierde voortbrengen. Die door +die ongeschikte toestanden opgewekten strijd wordt op zijne beurt +door uitputting van een of van de beide partijen vernietigd, en de +partij, die de ongeschiktheid van hare toestand het beste beoordeelt, +zal gemiddeld de zege behalen, zie blz. 288 [101]. Dit is ook van +toepassing op den strijd tusschen het hoogere en lagere, zooals +bijv. tusschen beschaafde en onbeschaafde volken, tusschen aanhangers +van lagere en hoogere godsdiensten, zie blz. 287. Neemt men hierbij +den gemiddelden vooruitgang van het menschdom niet in aanmerking, +zoo zal de meerdere geschiktheid van dit hoogere of van dit lagere +gemiddeld aan dit of gene de zege verschaffen. + +Het ten gevolge van den drang tot vooruitgang zich verwijderen van het +lagere, zie blz. 287, is eene werking van de wet der veranderlijkheid, +waarbij het gevolg deszelfs oorzaak min of meer versterkt; doch de +pogingen om zich tegen de achterwaarts trekkende werking van het lagere +te verzetten, en om het verkregen hoogere te behouden, zijn werkingen +der wet van geschiktmaking en van de wet der veranderlijkheid, +waarbij het gevolg deszelfs oorzaak (in dit geval de afwijking van +het lagere van het verkregen hoogere) te vernietigen. De werking der +wet van geschiktmaking tracht steeds ook, zonder dat er strijd in den +algemeensten zin plaats heeft, van lieverlede ongeschiktheden te doen +verdwijnen bijv. door bij de partij, wier uiterlijke magt derzelver +hulpbronnen overtreft, zijnde die gemiddeld aangevallen wordt, die +ongelijkheid weg te nemen, zie blz. 289. + +De gevolgen van verschijnsels zullen op deze de beide eerste, +of de beide laatste der op blz. 338 gemelde uitwerkingen hebben, +al naar gelang zij, zie blz. 296 in contact komen en den invloed +ondervinden van andere verschijnsels, zoo of tegengesteld zijnde, +zooals bijv. het komen der op blz. 338 gemelde handelingen onder den +invloed van personen met of zonder oordeel en overleg. De op blz. 307 +gemelde gevolgen, dient men, zie blz. 70, steeds met derzelver oorzaken +gelijkslachtig te stellen, en aldus in de stoffelijke en geestelijke +wereld alsware een uiterst groot aantal zich somtijds vertakkende, +somtijds ophoudende reeksen van gelijkslachtige, uit elkander +voortspruitende verschijnsels aan te nemen. Van ongelijkslachtige +oorzaken en gevolgen kan er eigenlijk geen sprake zijn, doch wel kan +het contact met andere er niet gelijkslachtig mede zijnde zaken, deze +laatste wijzigen, waardoor de gelijkslachtige gevolgen hiervan anders +worden, zie blz. 296 en 299. Vandaar is het op blz. 302 gezegde, dat +ligchaamsbewegingen gevolgen van geestelijken aard kunnen opwekken, +niet naauwkeurig. Van die bewegingen wijzigt het contact geestelijke +werkingen, waardoor deze andere gevolgen, er mede gelijkslachtig en +aldus insgelijks van geestelijken aard, opwekken. Zoo zal bijv. van +de menschelijke daad, bestaande in het werpen van brandstof in eenen +vuurhaard, het contact met de mededeeling der gloeijing van deelen +brandstof aan andere deelen, deze mededeeling wijzigen, en hierdoor het +hiervan gelijkslachtige gevolg, namelijk de vrijmaking van de latente +warmte binnen de zuurstof der lucht bevat door gloeijende brandstof, +anders namelijk sterker worden. + +De warmteontwikkeling bij het vuur is een gevolg van die vrijmaking +dier zuurstofwarmte door gloeijende deelen brandstof, en zou steeds in +sterkte toenemen, zoo de werking der wet van geschiktmaking, in reden +der sterkte der warmte bij het vuur, die warmte er niet van afvoerde. + +De er mede gelijkslachtige oorzaak van het vrijmaken der zuurstofwarmte +door gloeijende brandstof, is de mededeeling dier gloeijing van +het eene stuk brandstof aan het andere, en deze oorzaak wordt door +derzelver gevolg versterkt, zoodat dit in sterkte versnellende +zou toenemen, ware het niet, dat zekere werking der wet van +geschiktmaking, in de uitbranding der brandstof bestaande, zelfs bij +eene onbeperkte hoeveelheid hiervan, die sterkte eindelijk vertragende +deed toenemen. De werking der wet der veranderlijkheid doet echter de +mededeeling der gloeijing der brandstof als gevolg opwekken het niet +meer voorhanden zijn hiervan, terwijl de vrijmaking der zuurstofwarmte +door de gloeijende deelen brandstof als gevolg opwekt het blusschen +van het vuur, en beide die gevolgen zullen nu werken, zooals in noot +blz. 300 gezegd is, namelijk derzelver oorzaken vernietigen [102]. + +Het werpen van brandstof in het vuur behoort daarentegen tot eene +andere reeks van gelijkslachtige oorzaken en gevolgen. Tot oorzaak +heeft dit werpen voorafgaande handelingen van den stoker, en tot gevolg +zekere het stoken opvolgende handelingen, en wel zal op het stoken het +contact van het vuur van invloed kunnen zijn, maar enkel als eene er +mede ongelijkslachtige zaak. Die hevigheid van het vuur moet toch niet +noodwendig het stoken sterker of zwakker doen worden, zie blz. 297. + +De werkingen der wet van geschiktmaking hebben wij niet onder de +gevolgen van hiermede gelijkslachtige oorzaken begrepen, omdat +die werkingen steeds evenredig blijven met de sterkte der zaken, +waardoor zij opgewekt worden, terwijl daarentegen de in werkingen +der wet der veranderlijkheid bestaande gevolgen door de er mede +gelijkslachtige oorzaken versterkt worden. Eveneens tracht het +contact, tusschen ongelijkslachtige, of (zie het voorbeeld van 260) +tusschen gelijkslachtige verschijnsels, als oorzaak de er door +teweeg gebragte wijzigingen bij die verschijnsels door zijn duur +te versterken. Deze somtijds niet ontstaande wijzigingen, werkingen +der wet der veranderlijkheid, kunnen beschouwd worden als gevolgen +van dit contact en door terugwerking kunnen zij dit verzwakken of +versterken. Zoo kan bijv. de verwarming van het ligchaam, door het +contact met een vuur, tot gevolg hebben, dat dit ligchaam tot het +vuur nadert, of er zich van verwijdert, en aldus dat dit contact +grooter of kleiner wordt. De vergrooting dier wijzigingen, ten +gevolge, der opwekkende werking van het contact, wordt, even als +op blz. 262 gezegd is, vertragende gemaakt door de werking der wet +van geschiktmaking. Dit is bijv. het geval, wanneer het gezigt van +eenig voorwerp het denken er over versterkt. Allerlei andere opkomende +gedachten maken dan, dat zie blz. 117 en 183 die over dit voorwerp na +zekeren tijd in sterkte slechts vertragende kan toenemen. Voorts kan +de werking der wet der veranderlijkheid maken, dat zulk een gewijzigd +wordend verschijnsel in contact komt met een ander, en dat dit laatste +contact eene tegengestelde wijziging er bij opwekt, zooals bijv. bij +het voorbeeld, zie blz. 341, van het contact van het vuur met iemand, +die dit tracht te blusschen. Somtijds kan dan zulk een verschijnsel +wijzigingen dan in deze en dan in tegenovergestelde rigting ondergaan, +doordat die eerste positieve wijziging alsware het contact noopt +negatief te worden, zie blz. 258. + +Accidentele omstandigheden ten gevolge van wijzigingen, tot oorzaken +het contact van allerlei andere zaken hebbende, zullen echter +dergelijke verflaauwende schommelingen verstoren. + +Wanneer gevolgen derzelver oorzaken onveranderd laten, of wel +versterken, kunnen zij zelve door een gevolg van henzelve vernietigd +worden, zonder dat hierdoor die oorzaak aangedaan wordt. Dit is +bijv. het geval, wanneer eenige blijvende zaak de menschen leidt +tot handelingen, waarmede zij na zekeren tijd wegens eenige rede +ophouden. Zoo een gevolg deszelfs oorzaak vernietigt, zonder deze +negatief te doen worden, zal, zoo bij dit gevolg de slijtende +werking der wet van geschiktmaking niet bestaat, het in grootte +steeds vertragende toenemen. Wederkeerige verzwakking, zie blz. 261, +kan ontstaan tusschen twee verschijnsels, waarvan het eene tijdens +het begin dier wederkeerige verzwakking bestaat en negatief of +tegenovergesteld zijnde, als gevolg door het andere zou opgewekt +worden onder wederkeerige versterking van gevolg en oorzaak. + +Het verschijnsel, dat bij die wederkeerige versterking de oorzaak is, +ontstaat bij de wederkeerige verzwakking later dan het andere, en wel +op eene wijze tegengesteld aan die, waarop het bij de wederkeerige +versterking vernietigd wordt. Dit bijv. geschiedt bij nadering en +botsing van twee hemelligchamen bij derzelver aantrekking door de +opgewekte afstooting, zie blz. 283, terwijl bij de wederverwijdering +dier beide hemelligchamen de aantrekking weder ontstaat door de +verdwijning der afstooting. Dit is nu wel is waar een gevolg der +sterkte van verwijdering dier beide ligchamen, doch het is klaar, dat +deze niet op dezelfde wijze die aantrekking opwekt als verzwakt. Bij +wederkeerige versterking eene oorzaak, door derzelver gevolg versterkt, +en door eene andere werking van dit gevolg, onder medewerking hiervan +met iets anders, vernietigd wordende, zoo zal bij de wederkeerige +verzwakking eerstgemeld gevolg negatief zijnde en als verschijnsel +bestaande, slechts door medewerking met iets anders die oorzaak +opwekken. [103] + +De werking der wet van geschiktmaking zal bij zulk eene wederkeerige +verzwakking het bovengemelde bestaande verschijnsel en het later +opgewekte sneller doen verzwakken, zoo die zelfde werking in het +omgekeerde geval de vergrooting, zoo van de oorzaak als van het deze +versterkende gevolg verzwakt. + +Eene goede omgeving, waakzaamheid en voorzigtigheid kunnen iemands +gedrag beter doen worden, en de goede uitkomsten van zulke maatregelen +nopen hen te versterken. Later kan echter dit verbeterde gedrag, +zamenwerkende met bijv. slechte raadgevingen, die maatregelen overbodig +doen achten, en tot vernietiging er van leiden. Het tegenovergestelde +verschijnsel van het gevolg dier maatregelen is nu slecht gedrag, en +dit als verschijnsel bestaande, kan gepaard met goede raadgevingen, +opwekken waakzaamheid, voorzigtige behandeling, het brengen in goede +omgeving, enz. Deze zullen klaarblijkelijk op dit slechte gedrag (ook +buitendien door de slijtende werking der wet van geschiktmaking van +lieverlede vernietigd wordende) eene verzwakkende werking uitoefenen, +edoch ook die maatregelen kunnen door den duur van dit slecht gedrag, +door eene wegens niet genoegzaam resultaat ontstane moedeloosheid, +verzwakt worden, terwijl zij buitendien als iets bijzonders aan zekere +slijting onderhevig zijn. + +De op blz. 165 gemelde wijzigingen der onregelmatige +aantrekkingstrillingen van den ether door het bestaan binnen deze van +bijzondere ligchamen, zullen die aantrekkingstrillingen regelmatig +doen worden. + +Bij de onregelmatige afstootings- of warmtetrillingen van den ether +heeft dit insgelijks plaats door het bestaan van bijzondere ligchamen, +omdat die trillingen op de van deze ligchamen uitgaande stralen zulk +eene wijziging ondergaan, dat zij deels worden transversale trillingen, +waarbij het aantal trillingen per seconde even groot is als bij dat +der warmtetrillingen dier bijzondere ligchamen. Wanneer die stralen +tusschen twee ligchamen, waarvan het eene warmte opslurpt, loopen, +zal het aantal dier transversale ethertrillingen gelegen zijn tusschen +die bij de warmtetrillingen dier beide ligchamen bestaande. [104] +Ook bij deze laatste soort van trillingen bestaat er in zooverre +regelmatigheid, dat de temperaturen, gemeten door het aantal der +trillingen per seconde, van het eene punt naar het andere min of +meer egaal af of toenemen. Dit belet echter niet dat het overgaan +in dergelijke warmtetrillingen van bijv. geluidsgolven eene de +onregelmatigheid bevorderende werking der wet van geschiktmaking is. De +aantrekking van massas digter dan en onderscheiden van den ether, +aldus van iets bijzonders, perst om zich heen gassen te zamen, doet +deze condenseren, onder vermindering der banen der warmtetrillingen +en verhooging van het aantal dezer per seconde, of anders gezegd +onder overgang van latente warmte in vrije warmte. Bij nog sterkere +zamenpersing, waarbij de afgifte van vrij geworden warmte voortgaat, +kunnen die vochten stollen, en daar nu de onregelmatigheid bevorderende +werking der wet van geschiktmaking vochten en ook vaste ligchamen +(voor zooverre deze niet verrotten) doet verdampen, en aldus een +omgekeerden overgang der stof te weeg brengt, moeten de vochten in +het algemeen in een meer bijzonderen toestand dan de gassen en in +minder bijzonderen toestand dan de vaste ligchamen verkeeren. + +Terwijl dan ook bij de vloeistoffen, wier deelen zeer verschuifbaar +zijn, binnen gelijke kubieke ruimten, betrekkelijk weinig moleculen +bevattende, het aantal dezer zeer zal verschillen, en daarentegen +binnen gelijke kubieke ruimten, zeer veel moleculen bevattende, dit +aantal betrekkelijk zeer weinig verschilt, zie blz. 311, moet bij +de vaste ligchamen en vooral bij de elastieke, het tegenovergestelde +plaats hebben. + +Wordt bijv. een elastiek vast ligchaam verticaal ingedrukt, zoo zet +het zich in horizontale rigting uit, en moeten in die rigting de +aantrekkingen tusschen de zich van elkander verwijderende moleculen +grooter dan derzelver afstootingen worden, en het omgekeerde in +de verticale rigting plaats hebben. Anders toch zou het ligchaam, +na het ophouden der indrukking, deszelfs primitieve gedaante niet +weder kunnen hernemen. + +Dit nu zal slechts mogelijk zijn, zoo er tijdens de indrukking geene +blijvende verschuiving van moleculen plaats heeft, dat weder slechts +mogelijk is, zoo de aan elkander grenzende uiterst kleine kubieke +ruimten, elk niet veel moleculen bevattende, er ongeveer evenveel +inhouden. Dat de kubieke ruimten, elk zeer veel moleculen bevattende, +er bij de vaste ligchamen niet evenveel inhouden, hetgeen vooral bij +de zeer merkbaar poreuse onder hen het geval is, belet daarentegen +dit niet blijvende zijn der onderlinge verschuiving der moleculen +niet, mits de moleculen massas, tusschen die porien gelegen, dik +genoeg zijn om niet te breken. Bij de stolling van vochten moet +er aldus iets plaats hebben, als op blz. 313 gezegd is, namelijk, +door het gelijktijdig dringen van veel moleculen naar eene plaats +en het zich gelijktijdig verwijderen van andere plaatsen, er eene +grootere regelmatigheid ontstaat [105]. Eene soort van veerkracht +als die der vaste ligchamen bezitten de vloeistoffen niet, dan voor +zooverre zij kleverig zijn, en derzelver moleculen aldus niet volmaakt +verschuifbaar zijn. Het niet bevatten van evenveel moleculen door +evengroote ruimten, er elk niet veel van inhoudende, moet voorts bij de +vochten in verband gebragt worden met de moleculaire warmtetrillingen, +bij hen, wegens het bevatten van meer latente warmte, grooter zijnde +dan bij de vaste ligchamen. + +Bij chemische verbinding heeft er, even als bij stolling en +condensatie, overgang van gebondene in vrije warmte plaats, terwijl bij +chemische verbinding gemiddeld, ofschoon niet steeds, de stoffen van +den gasvorm tot den toestand van vochten of vaste ligchamen gebragt +worden. In het algemeen kan dus chemische verbinding beschouwd +worden als eene werking der wet der veranderlijkheid in strijd met +de onregelmatigheid verwekkende werking der wet der geschiktmaking, +zie blz. 251. Het is echter eene primaire werking dier laatste wet, +welke, door de stoffen chemisch te ontleden, de ontbondene meer dan +de verbinding op de natuur van den ether doet gelijken. Waar er toch +chemische verbindingen bestaan, kunnen, terwijl die primaire werking +hen tracht te ontleden, secondaire werkingen dier wet, zie blz. 24, +er andere stoffen mede in harmonie brengen, door deze chemisch met +elkander te verbinden. Een dergelijke secundaire werking is bijv. de +verbinding der metalen met de zuurstof, waardoor er met de natuur +van de aardkern en van de anorganische aardkorst, alsware in harmonie +zijnde chemische verbindingen ontstaan. De scheikundige verwantschap +tusschen stoffen is toch niet zoo zeer iets aan deze eigen, dan +wel het gevolg der omstandigheden waarin zij zich bevinden. De +vochtigheid, de warmte enz. hebben er grooten invloed op, en men +kan zich even goed zie blz. 159 een hemelbol van meer etherachtige +en chemisch minder zamengestelde natuur dan onze aarde denken, +alwaar ijzeroxyde zonder kunstmiddelen, door opneming en binding der +warmte van omgevende ligchamen en verbreking der moleculen door de +vergrootende warmteafstooting, in ijzer en zuurstof overgaat, alsdat op +deze aarde bijv. de planten in water en koolzuur ontleed worden. [106] + +Zoo kan het weren van bederf, eene tertiaire werking der wet van +geschiktmaking, namelijk eene met betrekking tot de organische stoffen +zelve zijn; terwijl dit bederf zelf eene secondaire werking dier wet +is, wegens de disharmonie tusschen de levende organismen en de aarde, +zie blz. 94. Tusschen die twee werkingen der wet van geschiktmaking +bestaat er nu een strijd, maar waarbij zoo, zie blz. 195, geene +werking der wet der veranderlijkheid gedurig nieuwe levende organismen +vormde, de tertiaire werking even goed het onderspit zou delven, +als de verdediging van een staat, noch op de nationaliteit, noch +op de behoeften der ingezetenen gebaseerd, of zie blz. 256 later +geschikt kunnende worden, voor de ondermijning van het bestaan van +zulk een staat. De drang der vaste stoffen en vochten om te verdampen, +zie blz. 316, ontstaat ten gevolge eener primaire werking der wet +van geschiktmaking, en secundaire werkingen hiervan met betrekking +tot de aarde kunnen een tegenovergesteld effect uitoefenen. Die +secundaire werkingen kunnen bijv. gerekend worden hier op aarde +alles in harmonie te brengen met den toestand van hare kern en korst, +zoo de aarde zeer ver van de zon gelegen was, en tot zulke werkingen +behooren dan de gedurige uitstraling door de aarde van opgeslurpte +zonnewarmte, het vervoer van warmte van den evenaar naar de polen, +enz. De nabijheid der aarde van de zon is toch, zie blz. 161, eene +bijzonderheid, die de werking van blz. 163 zal trachten op te heffen, +doch er bestaan tertiaire werkingen der wet van geschiktmaking +trachtende alles op deze aarde te brengen in harmonie met haren +gemiddelden toestand met betrekking tot de zon. Alle afwijkingen +hiervan, zoo periodieke als accidentele, zal die tertiaire werking +der wet van geschiktmaking trachten te vernietigen. Hierdoor wordt +er bijv. van de dag- en zomerzijde der aarde warmte gevoerd naar de +nacht- en winterzijde, en hierdoor zullen, wanneer de zonnewarmte +veel water heeft doen verdampen, die dampen later condenseren, iets +dat niet zou plaats hebben, zoo de aantrekkingskracht der aarde die +dampen niet zamenperste, en hen daardoor belette ten gevolge der op +blz. 345 gemelde primaire werking der wet van geschiktmaking steeds +meer uit te zetten [107]. + +Electriciteit kan kwalijk als in harmonie met de verdeeling der warmte +beschouwd worden, omdat de beide electriciteiten neiging bezitten om +elkander te vernietigen onder overgang der elektrieke beweegkracht in +warmte zie blz. 251, welke laatste zich dan evenzoo, ten gevolge der +werking der wet van geschiktmaking, verspreid, als zekere hoeveelheid +wijn, binnen water gestort, zulks doet. + +Eene primaire werking van gemelde wet put de snelheid van den wind +uit, doch, met betrekking tot de wentelende en aan de zonnewarmte +blootgestelde aarde, zal eene secundaire werking dier wet slechts alle +afwijkingen van zekere constante hoofdwinden trachten te vernietigen +[108]. Evenzoo is het met de zeestroomen gelegen, en men kan aannemen, +dat eene tertiaire werking der wet van geschiktmaking alle afwijkingen +van constante stroomen met betrekking tot door vaste landen en +eilanden afgebroken en ongelijk diepe zeeen vernietigt, terwijl zie +blz. 254 eene secundaire werking dier wet, zooals bijv. het afvallen +en afschuiven van aardsche voorwerpen, de aardkorst overal met eene +zee van gelijke diepte tracht te bedekken. + +Dat de werking der wet van geschiktmaking zaken in harmonie met +volgens zekere regels veranderende toestanden tracht te brengen, +ofschoon alsdan die harmonie steeds onvolmaakt blijft, hiervan is +reeds op blz. 233 gesproken. Meer primaire werkingen dier wet zullen +echter die regelmatige veranderingen trachten te vernietigen. + +Het kenteeken van harmonie bij zaken is het gemis er bij van oorzaken +van verandering anders dan die, wegens het zijn dier zaken binnen de +veranderlijke wereld, voortspruiten, en onder laatstgemelde oorzaken +moeten ook geteld worden die welke de zaken, waarmede gene in verband +staan, wijzigen. Gesteld toch, dat er harmonie bij eene zaak bestaat, +zoo zal, bij verandering van het verband er van met andere zaken, +die harmonie verbroken worden, zooals bijv. die bij de constante +zeestroomen bij verandering der kusten. + +Men kan zich voorts ook voorstellen, dat er harmonie bestaat bij +eene bijzondere zaak afhangende van eene meer algemeene. Verandering +bij deze laatste kan dan zelfs maken, dat er van die bijzondere +zaak later geene questie meer kan zijn, zooals bijv. van het goed +verdeelen van levensmiddelen binnen ingeslotene vestingen na het +ontzet dezer. In de werkelijkheid bestaat er slechts een volmaakt +harmonischen toestand, namelijk de onveranderlijke en algemeenste +veropenbaring der zelfstandigheid door denking en beweging. Bij alle +andere meer of minder bijzondere zaken bestaan er echter alsware +door het zijn er van geboren werkingen, welke die zaken zoodanig +trachten te wijzigen, dat deze in een nieuwen, wegens de gedurige +werking van allerlei accidentele oorzaken, nimmer volmaakt bereikt +wordenden toestand gekomen zijnde, die er uit voortgesproten werkingen +zouden ophouden te bestaan. Deze zijn nu die wij de werkingen der +wet van geschiktmaking genaamd hebben. Toestanden, uit met elkander +in verband zijnde zaken bestaande, worden er door meer harmonisch +gemaakt door wijziging dier verschillende zaken, en wel zoo, dat die +het moeijelijkste kunnen gewijzigd worden, of wel het meeste op die +toestanden van invloed zijn, door de werking der wet van geschiktmaking +het minste gewijzigd worden, zie blz. 265 en 289. + +Wanneer oorzaken gevolgen verwekken, welke hen vernietigen, moeten +die gevolgen de toestanden, waarvan die oorzaken eenige der met +elkander in verband zijnde zaken vormen, meer harmonisch maken, zoo +tevens die gevolgen door het bestaan dier toestanden geboren worden, +omdat alsdan die oorzaken het karakter van afwijking bezitten. Zoo +bijv. omdat het peil der moraliteit bij eene maatschappij grooter is +dan die van een slecht mensch, er deel van uitmakende, deze zoodanig +wordt behandeld, dat de slechtheid van zijn karakter vernietigd wordt, +zal die maatschappij in zedelijkheid meer harmonisch worden, daar +dan toch derzelver leden elkander minder door omgang en voorbeeld in +moraliteit zullen doen veranderen. + +Zoo echter derzelver oorzaken vernietigende gevolgen niet tevens +door de zoo even gemelde toestanden geboren worden, behoeven zij de +harmonie bij het een of ander niet te bevorderen, en zelfs kunnen +dergelijke gevolgen, door in het algemeen verandering te weeg +te brengen, de harmonie bij met elkander in verband zijnde zaken +verstoren. Terwijl toch die oorzaken hier als ware buiten liggen, +kunnen derzelver gevolgen er in grijpen, zie blz. 342. Hetzelfde valt +op te merken omtrent gevolgen derzelver oorzaken versterkende, doch, +wegens eene bijzondere rede, zullen dergelijke gevolgen de harmonie bij +toestanden verstoren, wanneer zij zaken, die, met andere in verband, +zulke toestanden vormen, op eene wijze tegengesteld aan die, welke uit +dien toestand voortspruit, wijzigen, namelijk wanneer afwijkingen er +door versterkt worden. Zoo men bijv. iemand, boven zijne medemenschen +in deugd uitstekende, zoodanig beloont, dat hij nog meer boven deze +gaat uitsteken, is dit niet tevens het gevolg van de betrekking, +waarin zijne zedelijkheid staat tot die zijner medemenschen, maar +wel van het niet voldoen dezer aan de eischen van hun zedelijk en +maatschappelijk bestaan. Door zulke verheffingen van individuen wordt +echter niet de harmonie bij een toestand van zaken bevordert, want op +blz. 277 hebben wij gezegd, dat door dit meer harmonisch worden van +zulk een toestand, de door het wezen er van geboren werkingen, door +zwakker te worden, hen minder zullen trachten te wijzigen. Nu is wel +is waar de zedelijkheid der menschen in verband met de eischen van hun +zedelijk bestaan, maar tevens met de werking der zinnelijkheid, en de +terugtrekkende werking hiervan zal sterker zijn, naarmate de menschen +meer aan de eischen van hun zedelijk bestaan voldoen. Eene uit hun +wezen, en hetgeen hiermede in verband staat, voortspruitende werking +tracht alsdan, in plaats van eene flaauwere, eene sterkere wijziging +tot stand te brengen. Op blz. 270 hebben wij wel is waar gezegd, dat +bij menschen, aan de eischen van hun maatschappelijk bestaan voldoende, +de bij hun geest bestaande ongeschiktheid op een minimum zou zijn, doch +hierbij is hun verband met de zinnelijkheid, met het dierlijke egoïsme, +zie noot blz. 139, niet in aanmerking genomen. Bij toestanden van met +elkander in verband zijnde zaken, waarbij de eene dezer dien toestand +zus en andere hem op eene tegengestelde wijze tracht te wijzigen, +en waarbij aldus het gemis aan eene er uit voortspruitende werking, +hem trachtende te wijzigen, ontstaat, doordat dergelijke werkingen +elkander opheffen, bestaat er buitendien slechts in zeker opzigt +harmonie. Voor harmonie in alle opzigten zoude geen dier zaken zulk +eene den toestand wijzigende werking moeten trachten uit te oefenen. + +Men dient wel het goede van het harmonische te onderscheiden. Het kan +bijv. gebeuren, dat iets goeds, in zamenwerking met andere oorzaken, +een gevolg verwekt dat het vernietigt, doch daar zie blz. 351 het +harmonische iets is, dat uit zich zelf geene aanleiding tot verandering +er van geeft, kan het een dergelijk gevolg niet verwekken. Goede +zaken kunnen, zie blz. 338, bestendigd worden door de uitwerking van +er door opgewekte gevolgen, terwijl daarentegen harmonische zaken, +door de werking der traagheid in stand gehouden wordende, zoo zij +geene storing door er niet uit voortspruitende zaken ondervinden, +dergelijke gevolgen niet kunnen opwekken. + +Bij het harmonisch maken van met elkander in verband zijnde zaken, +kan er slechts sprake zijn van hetgeen die harmonie verstoort te +vernietigen, en zoo nu die storing bestaat in gemis aan iets, zal dit +gemis, als oorzaak werkende, een gevolg opwekken, dat het vernietigt en +aldus aanvult. Zoo nu dit gemis opwekt een gevolg dat deszelfs oorzaak +niet vernietigt, zal dit gevolg niet tevens door de afwijkingen van +den harmonischen toestand bij zoo even gemelde zaken geboren worden. + +Het schoone, dat wij op blz. 97 gezegd hebben te zijn de innerlijke +harmonie bij zaken, moet meer uit zich zelf geene aanleiding geven +tot veranderingen er bij dan het goede, of de geschiktheid van iets +voor hetgeen waarmede het in verband komt, zie blz. 271. In ons werk +getiteld: "Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.", +blz. 501, hebben wij de stelling ontwikkeld, dat het schoone bij +den gemiddelden toestanden van zaken bestaat, en nu zijn het juist +de afwijkingen van zulke gemiddelde toestanden, zooals die der juist +geproportioneerde menschelijke gestalte, die uit zich zelf natuur en +kunst nopen om hen te doen verdwijnen. + +Geschiktheid van iets voor verschillende, bijv. zie blz. 231, ten +gevolge van ongelijke verandering, op verschillende hoogten gekomen, +en aldus met betrekking tot elkander onharmonische zaken, kan binnen +eene in tijd en ruimte veranderlijke wereld slechts onvolkomen +zijn, en uit dien hoofde zullen de toestanden, waarbij dergelijke +geschiktheid bestaat, uit zich zelve aanleiding tot verandering er +van geven. Wetten kunnen bijv. gewijzigd worden, ten einde er dan +deze en dan gene belangen mede te bevredigen, al zijn zij zoo goed +mogelijk. Moet het wetboek verbeterd worden, zoo wijst het zich niet +van zelf aan hoe slechts de afwijkingen van dit wetboek van een dat +goed is, behoeven vernietigd te worden, en leemten er in wijzen niet +even bepaald de aanvulling aan, als bij eenig menschenligchaam het +gemis der neus aanwijst, dat er eene neus bij zou behooren, om het op +het door geene afwijkingen mismaakte menschelijke ligchaam te doen +gelijken. Zulk eene leemte in een wetboek kan zeer wel, als oorzaak +werkende, als gevolg handelingen bij wetgevers hebben, welke, na +vergelijking der voor- en nadeelen er van, haar laten bestaan en zelfs +versterken. Om aan reeds bestaande eischen bij het oude wetboek, aldus, +zonder dat de behoeften der maatschappij veranderd zijn, te voldoen, +kan men oude wetten in zekeren zin beginnen te wijzigen, en het gevolg +of de bearbeiding dier wetten leiden tot versterking der wijziging. + +Veranderen de eischen der omstandigheden, zoo verandert ook het +goede, terwijl het harmonische zulks blijft, al verliest het ook +zijn objectief bestaan. In dit laatste geval verkeert bijv. eene +despotieke regeering met een tal van verspieders, een huurleger, +geheime regtspleging enz. in de beschaafde wereld, alwaar vooral +de middelpartijen, ten koste van harmonie en consequentie, goede +regeringen wenschen daar te stellen. + +Men make voorts onderscheid tusschen disharmonie, wegens door +accidentele oorzaken ontstane afwijkingen bij eene zaak, terwijl deze +overigens gelijksoortig blijft met die zaak, zoo die afwijkingen +niet bestaan, en disharmonie, wegens het met elkander in verband +zijn van ongelijksoortige zaken. De eerste soort van disharmonie +wordt bijv. voortgebragt door de ongelijkheden van de aardkorst, +door de ongelijke verdeeling der warmte, de ongelijkheid in rijkdom +der menschen, enz. De tweede soort van disharmonie bestaat bijv. bij +het verband tusschen de planten en de onbewerktuigde aarde, bij +dat tusschen ziel en ligchaam, en verschilt hierin met de eerste, +dat, terwijl hierbij de vernietiging der afwijkingen, ter vorming +van een geschikten toestand, slechts van eene zijde geschiedt, +zij bij die tweede soort van twee zijden en alsware zie blz. 348 +tegen elkander in plaats heeft. De planten, waarbij er, tusschen +derzelver contact met andere zaken als oorzaak en derzelver grootte +als gevolg, wederkeerige versterking plaats heeft, trachten, ten +bate van haren toestand, de onbewerktuigde stof organisch te maken, +terwijl de aarde, ter bevordering van derzelver harmonischen toestand, +het tegenovergestelde poogt te doen, en hierdoor onder anderen de +vergrooting der planten, zie blz. 336, limiteert. Nu moge bij beide die +met elkander in strijd zijnde geschiktmakende werkingen gedeeltelijk +uit dezelfde soorten van veropenbaring der zelfstandigheid door +beweging, zooals aantrekking, warmte, electriciteit enz. bestaan, +ofschoon er wel bij de organische werkingen zullen bestaan, die bij +de onbewerktuigde aarde gemist worden, het blijft niettemin waar, dat +men hier niet met eene de planten voortbrengende aarde te doen heeft, +omdat alsdan dier planten bestaan in den harmonischen toestand dier +aarde in derzelver betrekking tot de zon alsware bevat zou zijn. + +Wel is waar schikken de planten zich hiernaar, maar slechts ten +bate van haar eigen toestand, even als vijanden zich naar elkander +schikken, ten einde elk voor zich op de doeltreffendste wijze voordeel +te verschaffen. [109], zie blz. 339. In wereld der verscheidenheid gaat +dit een en ander ook door voor andere met elkander in verband zijnde +zaken, elk strevende naar een eigen harmonischen toestand, doch die +wereld der verscheidenheid moet tevens die der veranderlijkheid zijn, +zoodat de streving naar al die verschillende harmonische toestanden +van meer of minder algemeenen aard gedurig tegengewerkt wordt. Onder +die veranderingen, en wel zie blz. 69, als gevolg van de accidentele +veranderingen in het algemeen beschouwd, bevindt zich nu ook die, +waarbij de ontwikkeling van het op blz. 194 gemelde eigenlijke wezen, +dier naar eene eigene harmonie strevende zaken, vergroot wordt, totdat +die kernen, wanneer derzelver ontwikkeling de palen der eindigheid +bereikt heeft, volkomen zamensmelten en harmonisch worden met de +onveranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en +door denking. + +Wanneer de handelingen van wezens een doel hebben, strekken zij om +bij het een of ander geschiktheid te weeg te brengen, al zij het +dat hierdoor bij andere zaken, zelfs die van meer verheven aard, +de ongeschiktheid vergroot wordt, en daar de wezens die doelen, +zie blz. 267 niet op de meest directe wijze trachten te bereiken, +kan het gebeuren, dat zij daarvoor niet den juisten weg inslaan. De +rest hunner handelingen zijn, of zooals men zegt toevallig, of wel +gedwongen, waarin men hen alsware als verbonden aan de handelingen +van anderen kan rekenen. Voor de handelingen, niet uit de denking +der eindige wezens voortvloeijende, geldt hetzelfde, uitgezonderd +het bereiken van doelen op niet volstrekt directe wijze, en aldus +de mogelijkheid om niet op den juisten weg te zijn om die doelen +te bereiken. [110] Zoowel de handelingen, die niet, als die wel +voortvloeijen uit de denking der zie blz. 144 afgescheidene wezens, +zijn aldus deels toevallig, en ware dit het geval niet, zoo zou +de verscheidenheid, het gedurig ontstaan van nieuwe toestanden, +waarvoor geschiktheid moet gevormd worden en de hierdoor ontstaande +ontwikkeling der wezens gemist worden. Op blz. 299 hebben wij gezegd, +dat de verschijnsels bevatten bijzonderheden, deze bijzonderheden +andere nog sterker dan de voorgaande van het algemeene afwijkende +enz. Elk dezer verschijnsels bestaat nu uit met elkander in contact +zijnde, elkander wijzigende en gevolgen opwekkende handelingen van +de afgescheiden eindige wezens, of wel van het Oerwezen, voor zoo +verre dit zie blz. 170 eene veranderlijke natuur bezit. Elke oorzaak +is een verschijnsel, elk gevolg insgelijks, elke werking der wet van +geschiktmaking vormt, hetzij afzonderlijk, hetzij, zooals bij het geval +van blz. 259, vereenigt met derzelver oorzaken uitputtende gevolgen, +verschijnsels, het in stand blijven van zaken, ten gevolge der wet +der traagheid, doet dit insgelijks. Elk dier verschijnsels bevat nu +meer bijzondere verschijnsels, in elk dier gevallen kunnende vormen +oorzaken, gevolgen werkingen der wet van geschiktmaking en werkingen +der wet der traagheid, hiervoor gaat weder hetzelfde door enz., totdat +men komt tot de meest bijzondere verschijnsels op blz. 300 aangegeven. + +Iemands goed gedrag, eene oorzaak het beloonen tot gevolg hebbende, +kan bijv. beschouwd worden als een verschijnsel bevattende bijzondere +daden, zijnde oorzaken of gevolgen van andere daden, of wel, even als +op blz. 342 gezegd is, wijzigingen voortbrengende contacten tusschen +toestanden, of het wennen dan aan deze dan aan gene toestanden, of +het gedurende eenigen tijd blijven in toestanden, niet alleen wegens +geschiktheid er voor, maar tevens omdat men er verkeert. + +Het zich voegen van een landverhuizer naar een vreemd klimaat en een +vreemden maatschappelijken toestand, kan ook beschouwd worden als een +verschijnsel, een menigte meer bijzondere verschijnsels bevattende, +en hierbij weder al de gevallen bij de bijzondere verschijnsels van +het voorgaande geval voorkomen. Het volhouden bij eenmaal aangenomen +meeningen, waardoor nieuwe en grootere wetenschappelijke gehalte +bezittende denkbeelden, vaak zoo traag bij het publiek ingang vinden, +zie blz. 212, deels eene werking der traagheid, kan alsmede aangemerkt +worden als een verschijnsel bevattende vele bijzondere verschijnsels +zijnde oorzaken of gevolgen van andere dergelijke verschijnsels, +benevens werkingen der wet der geschiktmaking en der traagheid. + +De werkingen der anorganische aarde, der levende organische natuur en +der kunst oefenen invloeden op elkander uit, even als dit bijv. doen +de daden der verschillende soorten van werklieden, zooals smeden, +metselaars en timmerlieden. Evenzeer als nu deze allen bijv. een last +kunnen ophalen, en nogthans elkanders werk niet kunnen doen, evenzeer +kunnen de anorganische aarde, de organische natuur en de kunst, +eene zelfde werking verrigten, (bijv. eene van osmotischen aard) +en desniettemin niet dezelfde producten leveren. Zoo kan bijv. de +kunst evenmin een boomblad daarstellen, als de levende organische +natuur een uurwerk kan maken zie blz. 195. + +De werking der wet der traagheid, benevens de standvastigheid te weeg +brengende werking der wet van geschiktmaking moeten de indrukken van +dezelfde zaken bij de wezens dezelfde houden, tenzij zie blz. 333 +oorzaken, van den aard als die men kan leeren kennen, die indrukken +veranderen, zooals bijv. het anders zien der voorwerpen bij het scheel +zien enz. [111] + +De werking der wet van geschiktmaking leidt de wezens om door opmerking +en oordeel met juistheid te leeren kennen wat waar, schoon, goed en +verheven is, omdat zij zie blz. 178 het vooruitloopen der controlerende +aanschouwing en der kritiek door de meeningen der menschen tracht te +verminderen, en de beoordeeling van veranderde of nieuwe toestanden +van zaken van lieverlede juist tracht te doen worden. + +Die werking overwint van lieverlede de traagheid, zoowel bij gewoonten +als bij meeningen, die geen grond van bestaan meer bezitten, zoodat +haar bestaan het sceptieke gezegde, dat de menschen geene gronden +voor hunne handelingen kunnen bezitten, en veroordeeld zijn om de +gewoonten te volgen, valsch maakt. + +Overdrijving van deugden bestaat zie blz. 271 in het te veel +verzuimen van het eigenbelang in het heden ten bate van toekomstige +en vreemde belangen. Verbastering van deugden daarentegen in het +tegenovergestelde, of wel in het gemis aan paring van intellectuele +ontwikkeling met zedelijke ontwikkeling zie blz. 293. Men bedenke +hierbij dat, wegens de invloeden van ligchaam en omgeving op den +geest der wezens (bij de menschen kleiner dan bij de dieren) zij in +de opvatting van hun genoegen in het heden zeer verschillen; de een +doet bijv. dat genoegen in veiligheid en rust, de ander in het begaan +van roekelooze daden, de derde in verkwisting, de vierde in doellooze +verzameling van goederen bestaan. + +Somtijds ontstaan er evenwigtstoestanden, wanneer eene blijvende +oorzaak een gevolg opwekt, en dit weder een ander gevolg, dat het +vorige tracht te vernietigen en negatief te maken. Is toch dit eerste +gevolg nul geworden, zoo zal het tweede niet meer versterkt worden, +en het eerste even sterk negatief trachten te doen worden, als de +oorzaak het in de positieve rigting tracht te vergrooten. + +Zoo zal bijv. de aantrekking der aarde een bij twee punten +ondersteunden zwaren balk met toenemende sterkte trachten te vervormen; +terwijl de overmaten van moleculaire aantrekking en afstooting binnen +dien balk, hiervan de doorbuiging zullen trachten te vernietigen, en +ten gevolge der veerkracht negatief te doen worden. Bij zekere sterkte +van doorbuiging kan nu de drang tot vergrooting hiervan door deszelfs +oorzaak, de aantrekking der aarde, opgewogen worden door den drang tot +verkleining er van door het gevolg dier doorbuiging. Bestendig meer +vraag naar eenige waar, heeft tot gevolg verhooging van den prijs er +van, terwijl deze vergrooting van het bod opwekt. Zijn nu de prijzen +weder even hoog als vroeger geworden, zoo zal dan die meerdere vraag +hen evenzeer trachten op te voeren, als dit tweede gevolg hen tracht +te verlagen. + +Bij dergelijke gevallen bestaan er twee in tegengestelde rigting +werkende verschijnsels, welke uit zich zelf aanleiding tot verandering +zou kunnen geven. Men heeft aldus dan wel zie blz. 12 een toestand van +evenwigt, maar niet van harmonie. De steunpunten van bovengemelden balk +kunnen bijv. zijn menschen, die zulk een zwaren last slechts gedurende +korten tijd kunnen torschen, en zooeven gemelde vraag behoeft niet +steeds door een voortdurend grooter verbruik van eene waar te ontstaan. + +Wij hebben op blz. 352 gezegd dat, naarmate afwijkingen van harmonische +toestanden kleiner worden, de werking der wet van geschiktmaking hen +trager zal vernietigen. Dit geschiedt bijv. wanneer al de deelen +van brandstoffen tegelijk branden, daar alsdan de omvang van het +vuur gaandeweg zal verminderen. Zooals op blz. 358 gezegd is, +kan echter zulk eene werking bevatten bijzondere verschijnsels, +zijnde werkingen der wet der veranderlijkheid, waarbij de gevolgen +de oorzaken versterken of vernietigen. Zoo kan bijv. bij het in het +algemeen verbranden van organische stoffen, derzelver reductie tot +anorganische stoffen versterkt worden door mededeeling der gloeijing, +zie blz. 341, doch ook verzwakt worden door ontstaand gebrek aan +nabij gelegen brandstof. + +Een zamengesteld doel, zie blz. 257, een gevolg zijnde der +verscheidenheid in de ruimte, zoo kan bij zaken, er voor bestemd, zie +blz. 306, geene volmaakte geschiktheid ontstaan, doch de geschiktheid +bij die zaken kan dan verder gedreven worden, dan zoo het doel +veranderlijk is, en die zaken, zie blz. 230, niet voor verandering +vatbaar zijn. + +Een zamengesteld doel bestaat bijv. bij het zie blz. 305 te gelijk +trachten te voldoen aan den welstand der menschen op deze aarde en +aan derzelver geestelijke ontwikkeling zie blz. 270. Hoe het eerste +geschaad wordt ten bate van het laatste, blijkt bijv. somtijds bij +het strijden en niet toegeven ter wille der eer. + +Accidentele afwijkingen van een bijzonderen harmonischen toestand +wekken, terwijl de werking der wet van geschiktmaking hen tracht +te vernietigen, als gevolgen, zie blz. 265, afwijkingen van een +anderen aard bij dien toestand op; de laatste afwijkingen weder andere +enz. Het bijzondere van zulk een toestand maakt namelijk het opwekken +van dergelijke gevolgen mogelijk, zoodat, hoe algemeener karakter +die toestand bezit, hoe zwakker die reeks van uit elkander volgende +afwijkingen zal zijn. + +Bestond er geene slijtende werking der wet van geschiktmaking, +zoo zouden, wanneer de gevolgen derzelver oorzaken trachten te +vernietigen, die vernietiging gemiddeld opwegen tegen de opwekkende +werking dier oorzaken bij derzelver gevolgen, en aldus de leden van +bovengemelde reeks gemiddeld gelijk aan elkander zijn zie blz. 265. De +latere moeten daarentegen grooter worden, zoo de gevolgen derzelver +oorzaken onveranderd laten of versterken, zoodat, wanneer het een en +het ander plaats heeft, en zooeven gemelde slijtende werking bestaat, +de latere leden der reeks noch steeds grooter, noch steeds kleiner dan +de vorige zullen worden. Nu bestaan er op elk oogenblik eene menigte +van afwijkingen van zulk een bijzonderen harmonischen toestand, en +elk dier afwijkingen brengt eene dergelijke reeks voort. Daar echter +van elk dezer de leden van invloed zijn op die der andere reeksen, zoo +zullen bij de latere leden dier reeksen die invloeden van lieverlede +in de plaats treden van de invloeden der eerste leden dier reeksen, en +die laatste invloeden aldus zwakker worden, hoe verder de latere leden +dier reeksen van de eerste gelegen zijn. De uitwissching dier invloeden +kan ook als eene werking der wet van geschiktmaking beschouwd worden. + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Wiskundigen zouden zeggen, dat het aantal zuiver blanken bij de +nde generatie gemiddeld het 1/(22n)de of 1/(22n)de deel der individuen +dier generatie zal bevatten. + +[2] Hierbij is eigenlijk verondersteld, dat de voortplanting door +hermafroditen geschiedt, want anders zal een toevallig niet slechter +dan hare ouders georganiseerd wijfje, meestal paren met een door +de werking van het toeval slechter dan zijne ouders georganiseerd +mannetje. + +[3] Als secundaire verbetering kan aangemerkt worden, het krachtig +verdedigen van een privilegie, wanneer vroegere bezitters er van +hetzelve uit zwakheid in minachting gebragt hebben; als primaire +verbetering het niet beleid opgeven van zulk een privilegie, zoo dit +in strijd is met het publieke welzijn. + +[4] Zie blz. 64 van het vervolg van het hierboven gemelde werk. + +[5] Even als bij het voorbeeld van blz. 15, voor het verstoren der +juiste rangschikking, bestaat er hier meer kans dat die accidentele +oorzaken het uiteenloopen grooter, dan dat zij het minder zullen +doen worden. + +[6] Uit het feit, dat uit eene diersoort er vele tamme rassen +voortspruiten, kan geen gevolg getrokken worden voor hetgeen in den +wilden staat plaats heeft. Wanneer toch eene diersoort getemd wordt, +ondergaat zij eene soort van revolutie en hervormen de menschen haar +door kunstkeus en entrainement in zooveel verschillende tamme rassen, +als zij noodig hebben, om, nadat hun doel bereikt is, hiermede op +te houden. + +[7] Zoo kunnen bijv. de thans bestaande leeuwen van de grootste +en meest ontwikkelde tijgers van het tertiaire tijdvak en de thans +bestaande tijgers van wat lager staande katachtige dieren van dit +tijdvak afstammen. + +[8] Hierop moet vooral gelet worden, wanneer men, om de vruchten van +het onderwijs na te gaan, deze bij bewoners van groote steden met +die bij bewoners van achterafhoeken vergelijkt. + +[9] Hiertoe behooren de nadeelen door de stormen aan de scheepvaart +toegebragt, het verwoesten van steenen gebouwen door aardbevingen, +het woeden van besmettelijke ziekten in groote steden, de verspreiding +der smetstoffen door het verkeer enz. + +[10] Dit maakt ook dat middelen, ter eigen bevoordeeling, of ter +bereiking van eenig doel, geoorloofd bij lageren stand van beschaving, +bij hoogeren stand hiervan onzedelijk worden. + +[11] Dit is ook het geval, wanneer er bijv. eene gemaalbelasting +op de arbeiders gelegd wordt. Hun drang tot loonverhooging zal dan +eerst bij een verhoogd loon gelijk zijn aan die tot loonverlaging +der werkgevers. Worden nu de belastingen dezer laatste verligt +ten bedrage dier gemaalbelasting, zoo zullen zij evenveel werk als +vroeger verschaffen en laatstgemelde belasting de arbeiders met kleine +huishoudens in een evenveel ruimeren, als die met zware huishoudens +in een bekrompener toestand brengen. + +[12] Accidentele omstandigheden zooals bijv. het ongelijk aantal +kinderen bij elk huisgezin, verstoren gedurig die juiste verdeeling +van het kapitaal, doch voor elk der groote klassen der maatschappij +moet zij ongeveer de geschikste zijn, tenzij er groote gebeurtenissen +op industrieel gebied hebben plaats gehad. Ten gevolge hiervan bezit +bijv. thans de handenarbeid verrigtende klasse een wat te klein deel +van het maatschappelijke kapitaal, maar haren drang tot loonverhooging +is dan ook grooter dan dien tot verlaging der werkgevers. Zij tracht +buiten deze om werk te vinden, arbeidersvereenigingen daartestellen +enz. + +[13] Het kwaad, door zulke kortstondige accidentele veranderingen +teweeg gebragt, kan vergeleken worden met de zwarigheden +ondervonden door een fabriekant, wiens klandisie onregelmatig toe- en +afneemt. Wegens de werking der traagheid, zal hij toch zijne fabriek +niet steeds bij tijds daarna kunnen inrigten. Al het kwaad, zoowel +het zedelijke als het stoffelijke, heeft nu denzelfden oorsprong als +de zwarigheden in tijden van overgang ondervonden wordende. + +[14] Zoo kan iemand, ter bevordering zijner gezondheid, veel beweging +nemen, zonder dat daarvan elk dier bewegingen met andere zaken in +verband, de bevordering der gezondheid tot doel heeft en hierdoor +geregtvaardigd wordt. + +[15] Gemiddeld zullen (zie blz. 52) de regeringsvormen wat ten +achteren zijn met betrekking tot de eischen der maatschappij, +en desniettemin de individuen, omdat deze, wegens de werking der +traagheid, gebrekkig aan de maatschappelijke eischen voldoen, zelfs +aan die hunner regeringsvormen niet geheel voldoen. + +[16] Krankzinnigheid is aldus eene zijwaartsche afwijking der gewone +geestelijke ontwikkeling; terwijl slechtheid eene achterwaartsche +afwijking der zedelijke ontwikkeling is. + +[17] Die wijsgeer verklaarde dit echter door ongelijke daling van de +verschillende deelen der menschennatuur na Adams val. + +[18] Wij ontkennen echter niet, dat daar, wegens de, (zie blz. 72), +de geestontwikkeling verlagende werking van het ligchaam, zekere +inspanning noodig is, om de geestelijke ontwikkeling niet te doen +verminderen, gebrek aan oefening, deels door den toestand van hun +ligchaam te weeg gebragt, zulk eene vermindering, ofschoon, minder +dan men waant, bij grijsaards te weeg kan brengen. + +[19] Daar de directe werking van het ligchaam op den geest de +ontwikkeling hiervan tracht te verminderen, zoo kan het zelfs zijn, +dat, zelfs bij afnemende eischen der beschaving, die werking van dat +ligchaam de geestontwikkeling nog te laag voor die eischen tracht +te houden. + +[20] Men spreekt veel van onzalige twisten over eenige belangrijke +zaak. Is onverschilligheid er voor dan beter? Het kwaad bestaat in +de verkeerde wijze waarop men twist, namelijk dat men de ooren sluit +voor de argumenten der tegenpartij, en aldus van den strijd weinig +partij trekt. + +[21] Over de werking dier Natuurwet is in de beide op het titelblad +van dit geschrift gemelde werken in het breede gehandeld. + +[22] Van daar dat, bij gelijke beschaving en behoeften de productie +in vruchtbare, warme landen grooter is dan in koude streken. In deze +stijgt de beschaving eerst trager dan in gene, omdat het verspreid +zijn der bewoners der koude landen, derzelver zamenwerking tegengaat, +doch later heeft het omgekeerde plaats, omdat in die koude landen de +behoeften grooter zijn. + +[23] Naar gelang de geestontwikkeling grooter is, zal er absoluut meer +inspanning gevorderd worden, om haar bij de achtervolgende generatiën +constant te houden, zie hierover blz. 83. + +[24] Die indirecte werking van het ligchaam op den geest, zooals +bijv. door het spraakvermogen, bestaat slechts dan wanneer de graad +van ontwikkeling van den geest hooger dan die van het ligchaam is, en +wel in sterkere mate, naar gelang beide meer in hoogte verschillen. Zij +maakt die verheffing van den geest boven het ligchaam gemakkelijker en +daar zij afneemt, wanneer gene dit ligchaam in graad van ontwikkeling +nadert, belet zij niet dit den geest (zoo hierbij geene verheffende +werking bestaat), naar zich toe te halen. + +Die indirecte werking van het ligchaam kan vergeleken worden met iets +bij de derde winding van de in noot blz. 94 gemelde veer, waardoor +naarmate de windingen verder van elkander gelegen zijn, de persoon, +die de veer spant, meer kracht kan uitoefenen. + +Ook de onbewerktuigde aarde oefent eene dergelijke indirecte werking +uit door het veld van bewuste aanschouwing en door de hulpmiddelen, +ten bate van kunst en wetenschap, er door opgeleverd. + +[25] Deze verschillende zaken kan men vergelijken met massa bezittende +windingen van eene met de as horizontaal gestelde spiraalveer. Is deze +ontspannen, zoo liggen al de windingen tegen elkander, maar trekt +men aan de voorste winding (met de eischen van het maatschappelijke +en zedelijke leven vergelijkbaar), zoo zullen de andere windingen, +wegens de werking der traagheid bij derzelver massas, betrekkelijk +de voorste eenigzins ten achteren zijn. Bevestigt men daarentegen +de achterste winding (vergelijkbaar met de onbewerktuigde aarde) +ergens aan vast, zoo zullen de windingen verder van elkander komen, +naarmate men sterker aan de voorste trekt en veroorlooft men deze om +wat achterwaarts te gaan, de windingen digter bij elkander komen om +dezelfde volgorde te behouden, zie blz. 91. + +[26] Een leeuw, eene prooi verslindende, kan bijv. een schoon tafereel +opleveren, doch niet een mensch met vraatzucht etende, omdat dit in +disharmonie is met zijne zielswerking. + +[27] Ons zoo veranderlijk bestaan doet ons behagen scheppen in +verscheidenheid, mits deze de innerlijke harmonie niet verstoort, +hetgeen bijv. wel het geval zou zijn, zoo men bij eene kolonnade de +kolommen om de andere van de Dorische en van de Ionische orde maakte. + +[28] + +[29] In die gevallen maakt men zich niet voor alles geschikter, of +gaat men niet in elk opzigt vooruit, maar slechts voor of in hetgeen +in elk dier gevallen een overheerschende invloed uitoefent. In het +laatste bestaat er bijv. vooruitgang in oppervlakkige beschaving, +maar niet in zedelijke ontwikkeling. + +[30] De drang tot vooruitgang baart emancipatie, die tot geschiktmaking +het kinderlijk en ondergeschikt houden. + +[31] Men houde hierbij in het oog, dat bij zekeren trap van +geestontwikkeling der massas, de begrippen dezer omtrent de denking +op buitenzinnelijk gebied zoo bekrompen is, dat zij hunne Goden +niet alleen menschelijke denkvormen toeschrijven, maar zelfs +onder menschelijke gedaante, ter vervulling van missien, hier op +aarde doen verkeeren. Het meer algemeene van zulke begrippen wordt +door constante oorzaken, maar de bijzonderheden er van door het +toeval teweeg gebragt. Eene constante oorzaak maakt dat, naarmate de +geestontwikkeling der menschen grooter is, aan zulke missien een meer +verheven aard wordt toegekend. + +[32] Wegens de vroeger gemelde oorzaak zal het eerste, vooral bij de +hoog boven den bodem verheven deelen der stammen de overhand hebben. + +[33] Die laatste stelling paart zich toch aan die, dat ons willen +niet door den bestaanden toestand bepaald wordt, zie blz. 69. + +[34] Later zullen wij aantoonen, dat zulke menschen ook naar den +geest aardsche producten zouden moeten zijn, daar zij slechts in zulk +een geval gedwongen zouden worden om hunne wetenschap te bepalen tot +hetgeen waarvan de juistheid hier op aarde volkomen te verifieren is. + +[35] De poëzy wordt alsdan door de phylosophie vervangen. Gene is naar +ons inzien de vrucht der beschouwing door middel der verbeelding van +het betrekkelijke verhevene en tevens schoone bij wezens en zaken, +en, zoowel wanneer men deze van hunne vulgaire zijde beschouwd, +als wanneer bij die beschouwing de verbeelding door de redenering +vervangen wordt, is het met de poëzy gedaan. + +Waar slechts de verbeelding op het gebied van het buitenzinnelijke +treedt, moeten godsdienst en poëzij innig met elkander verbonden zijn, +doch men behoeft het niet te betreuren dat, nadat later de redenering +zich op dit gebied begeven heeft, de schoone en geurige bloem door +de saprijke vrucht wordt vervangen. + +[36] Zie over de werking der traagheid bij het voorwaarts getrokkene, +wanneer het voorwaarts trekkende stationnair geworden is, blz. 89 +en 93. + +[37] Zoo iets zou echter slechts bij de in de Noot van blz. 116 +gemelde wezens mogelijk zijn. + +[38] Zie hierover blz. 233 van ons werk get: Vervolg op het werk get.: +door de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. + +[39] Naarmate dit besef van hulpbetoon sneller toeneemt, zal (zie +blz. 89 en 118) dit ten achterblijven sterker zijn. + +[40] Hoe weinig grond het met het Joodsche Messiasrijk verwante +aardsche idéaal der humanisten, namelijk de menschheid op den hoogsten +trap van beschaving, heeft, is op blz. 83 aangetoond. + +[41] Bij ons menschen dient, zie blz. 138, de geestelijke ontwikkeling +de practisch nuttige aanwending ervan te overtreffen, ten einde hierop +uit te oefenen eene opwaarts trekkende werking, opwegende tegen de +tegengestelde werking er op door de aarde door tusschenkomst onzer +ligchamen uitgeoefend. Deze laatste werking tracht, zie blz. 90, +onze met die practisch nuttige aanwending zamenhangende behoeften +die der dieren te doen naderen. + +[42] Hierbij moet men volstrekt niet aannemen, dat die bewegingen, +naar gelang hunner plaats, een of ander denkbeeld bepalen, maar +eerder, dat door elke beweging elk der denkbeelden meer of minder en +dus gedeeltelijk bepaald wordt omgekeerd. + +[43] Er bestaat voorts naar ons inzien een groot onderscheid tusschen +gewoonte en instinct. Men is bijv. gewoon om eene daad te doen, +wanneer de primitief door redenering verkregen denkbeelden, het +verrigten dier daad moetende vergezellen, zoo diep ingeworteld zijn, +dat zij met weinig inspanning voor den geest, of buiten den latenten +toestand kunnen gehouden worden; terwijl men iets uit instinkt verrigt, +wanneer men door de denking buiten de onze, of die van andere menschen +of dieren, er toe gedreven wordt. + +[44] Zie blz. 69 van ons werk get. Over de werking der Natuurwetten +op zedelijk gebied enz. + +[45] Zie hierover ons geschrift get: Over den aard en de toekomst +der beweegkracht blz. 4 en 16. + +[46] Zie hierboven ons werk get: "Vervolg van het werk get: Over de +werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 123 en 524. + +[47] Zie hierover het in de voorgaande noot gemelde werk, blz. 322. + +[48] Deze baanverkleining zal ook ontstaan, doordat van een +uitzettenden bol de verschillende deelen door een anderen bol niet even +sterk aangetrokken wordende en aldus ongelijke snelheden bezittende, +tegen elkander zullen wrijven zie blz. 154. + +[49] De kleinste dier beide bollen zal alsdan, wegens de ongelijke +snelheid van derzelver verschillende deelen, betrekkelijk meer +uitzetten en warmte binden dan den grootsten, zie noot blz. 156. + +[50] Vooral op lage breedten ontstaat er namenlijk door de werking +der verticale ontbondene der centrifugale krachten eene circulatie +overeenkomende met die der passaatwinden en anders vooral op hooge +breedten door de werking der horizontale ontbondene der centrifugale +kracht eene tegengestelde circulatie. De oorzaak hiervan is door ons +elders verklaard. + +[51] Even als de hemelbollen vergrooten door omzetting van deelen +der algemeene oerstof in hunne eigen soorten van bijzondere stof, +zoo vergrooten geesten door omzetting van bijdragen tot de algemeene +denkbeelden bij deelen van den oergeest in bijdragen tot hunne eigen +bijzondere denkbeelden, zie blz. 144. + +[52] Dit zou ook het geval zijn, zoo menschen zoodanig aan zeker lot +verbonden waren, dat bijv. de accidentele weêrverschijnselen zich er +naar zouden regelen. + +[53] De beoefenaars der wiskunde is het bekend, dat de ruimte +besloten tusschen eene kromme, derzelver assijmptoot en eene zekere +ordinaat dier kromme eindig kan zijn, ofschoon de lengte dier ruimte +oneindig is. + +[54] Ook zal, naarmate die toeneming in geestontwikkeling trager +is, de aanleg gedurende een zelfde aanwas in ontwikkeling sterker +toegenomen zijn. + +[55] Op dién aanleg kan de praeëxistentie een invloed uitoefenen, +vergelijkbaar met den op blz. 185 gemelden invloed van het +ligchaamsleven der reeks onzer antiduliviaansche voorouders op de deugd +van de type van ons ligchaam. Hetgeen op blz. 186 gezegd is van het +algemeene van dit type gaat door voor den aanleg voor het verkrijgen +van denkbeelden, innig in veel andere bevat, vooral voor deze +gronddenkbeelden moet de praeëxistentie den aanleg bevorderd hebben. + +[56] Men denke hierbij aan de geluidsgolven, binnen vloeistoffen of +vaste ligchamen, de in onze monden gevormde phrasen, getrouw naar +een anders ooren overbrengende. + +[57] Zie ons geschrift get.: Over den aard en toekomst der +beweegkracht, blz. 43. + +[58] Men denke hier aan de ligchamen waarop de electriciteit bij +verkiezing overspringt. + +[59] Dit is te vergelijken met de uitwerking van overspanning der +spieren. Deze worden er door onbruikbaar, niettegenstaande zij door +het gebruik zich ontwikkelen, zie blz. 168. + +[60] De oorzaak van geschiktmaking moet de stofwisseling bij de +ligchamen der individuen in het eerste geval versterken en in het +tweede verzwakken, zie blz. 49. + +[61] De oppervlakte van het land zal een en ander slechts begrenzen, +zoo de vulcanische werkingen de voor de gewassen benoodigde zouten +uit de vloeibare aardkern brengen. + +[62] Van daar het hechten van grijsaards aan oude gebruiken, en dat +het ten bate hunner vooruitgang noodig is, dat de menschen gedwongen +in nieuwe toestanden worden gebragt. + +[63] Dat men iemand dient te begrijpen om hem lief te hebben, blijkt +hieruit, dat het bezit van kleine zwakheden, waardoor zij voor anderen +begrijpelijker worden, menschen beminnenswaardiger maakt, en dat men +bij onbekende weldoeners deelneming voor zich moet veronderstellen, +om hen te kunnen beminnen. + +[64] Die vreugde zou vergelijkbaar zijn met die van een vader, zich +verheugende, dat zijn zoon zich zoo gedraagt als diens welbegrepen en +ruim opgevat belang zulks vordert, en zij zal gewis zeer matig zijn, +zoo die zoon zuinig is met eene geldsom bestemd om toch binnenkort +verloren te raken. Wel is waar kan die vaderlijke vreugde den +zoon aanmoedigen om zich goed te gedragen, doch hetzelfde resultaat +verkregen worden, zoo die zoon inniger het belang van goede gedragingen +gaan beseffen. + +[65] Zoo kunnen de behoeften van het vervoer den aanleg van een +groot werk vereischen, maar deze te bezwarend zijn voor de financien, +omdat deze, wegens de werking der traagheid, niet op de hoogte der +eischen van den tijd zijn. Aldus kunnen de bestaande vervoermiddelen +ten achteren zijn betrekkelijk de eischen van het vervoer, en de +financien dit zijn betrekkelijk die vervoermiddelen. + +[66] Zouden niet velen onder ons, die, wegens het gevestigde prestige +van den naam van Socrates, diens gedragingen thans verheerlijken, zoo +zij zijne tijdgenooten geweest waren, dien wijze naar het vaderlijke +atelier hebben verwezen? + +[67] Zie ons werk, get. Vervolg van het werk, get. Over de werking +der Natuurwetten op zedelijk gebied, enz. blz. 322. + +[68] De zedelijke ontwikkeling, noodig om wezens geschikt te maken voor +den strijd, staat bijv. lager dan die noodig om hen voor zamenwerking +geschikt te doen zijn. Bij overigens gelijke omstandigheden zal een +zedelijk mensch meer denkbeelden bezitten over hetgeen hij aan zijne +medemenschen en aan zijn eigen toekomst verschuldigd is, dan een +onzedelijk mensch. + +[69] Wij willen hiermede niets afdingen op de absolute waarde +dier beide stellingen, welke, door waarheden op het gebied van +het volstrekt hoogste ideaal te bevatten, de hoogste eertitels der +menschheid zijn. Tusschen de absolute deugd en de geschiktheid of +betrekkelijke deugd moet, zie blz. 82, onderscheid gemaakt worden. + +[70] Men neme in acht dat zoo (zie blz. 187) de ziel een zelfstandig +iets is, wij slechts naar het ligchaam op deze aarde voorouders hebben. + +[71] Die werking dier oorzaak is bijv. vergelijkbaar met de +elasticiteit van eenig kleed. Zoo dit een kind goed gepast heeft, +zal het een volwassen mensch knellen, zoo deze het niet zoo lang +gedragen heeft, dat het al den tijd tot uitrekking gehad heeft. + +[72] Zie hierover ons geschrift get.: Vervolg van het werk Over de +werking der Natuurwetten enz., blz. 500. + +[73] Het is klaar, dat het kennen der geschiedenis, dat met de op +blz. 178 gemelde eerste soort van bewuste aanschouwing te vergelijken +is, daarvoor niet voldoende is. + +[74] Bij de planeten zal de invloed der aantrekking der komeet niet +uitgewischt worden, omdat zie blz. 154, geene oorzaak anders dan de +traagheid het planetenstelsel in stand tracht te houden, zie blz. 163. + +[75] Verscheidenheid in ruimte moet ontstaan zijn door verandering der +zaken ten gevolge van accidentele oorzaken. Komen deze nu niet meer +voor, zoo zal de werking der wet van geschiktmaking (zie blz. 270 en +275), die verscheidenheid in ruimte doen verdwijnen + +[76] De zedelijke waarde van armen zal gemiddeld in zooverre absoluut +minder zijn dan die van rijken als zij in geestelijke ontwikkeling +voor deze onderdoen. Overigens kan men evenmin zeggen, dat in alle +opzigten armoede de oorzaak als het gevolg van slecht gedrag is. + +[77] Op blz. 61 hebben wij verschillende voorbeelden der werking +der wet van geschiktmaking op economisch gebied gegeven. Hiernevens +nog eenige. Zoo omstandigheden het uitoefenen van eenig beroep +onvoordeeliger maken, zal, door het verlaten er van, of door +overmaat van sterften boven geboorten, (zie begin blz. 50) het +aantal beoefenaars er van verminderen, en dit de overblijvende in +gunstiger omstandigheden stellen, dan zoo hun aantal grooter is. Die +overblijvende beoefenaars zullen aldus even veel geld kunnen verdienen +na het ontstaan dier voor dit beroep ongunstige omstandigheden, +dan het grootere aantal beoefenaars er van voor het ontstaan dier +omstandigheden. Men kan hieruit nagaan, hoe de werking der wet +van geschiktmaking beroepen, bij derzelver beoefenaars evenveel +beelding vorderende, even winstgevend, en die winsten bij beroepen, +bij derzelver beoefenaars niet evenveel beelding vorderende, in reden +der behoeften dier beoefenaars tracht te doen worden. + +Voorts zal de werking der wet van geschiktmaking bij vergroote +productie de behoeften en de voeding der arbeiders zoodanig vergrooten, +dat deze het eindelijk betrekkelijk niet ruimer dan vroeger bij minder +verdiensten zullen hebben. Eene werking dier wet is ook de beperking +der prijsverhooging van iets tengevolge van grootere vraag dan bod. Die +prijsverhooging zal toch de koopers moeijelijker en de verkoopers +gemakkelijker maken, en hierdoor het weder gelijk worden van vraag +en bod en aldus ook het tot staan komen van den prijs bevorderd worden. + +Werkingen der wet der veranderlijkheid op economisch gebied zijn +alle die welke die bovengemelde werkingen verstoren; voorts alle +toevallige winsten of verliezen, handelscrisissen, beurspanieken +enz. Werkingen dier wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige +versterking plaats heeft, zijn de bankroeten veroorzaakt door vorige +bankroeten; het overleggen van meer geld door handelaars, naarmate +hun bedrijfskapitaal grooter is; het op schadelijke wijze leenen van +geld naarmate de schuld grooter is enz. + +[78] Te gelijk hiermede zou ook de behoefte aan veiligheid, alsmede +de kennis om zich deze te verschaffen afnemen. Bij elken stand van +beschaving trachten al de gevolgen hiervan harmonisch met elkander +te worden. Zoo zullen bijv. volken in het bezit van spoorwegen en van +langdurige tijdperken van vrede, zich mijnongelukken en het bekostigen +van moorddadige vuurwapens moeten getroosten. + +[79] Hieruit volgt dat moraal onafhankelijk van een ideaal +langzamerhand tot dierenmoraal zou dalen. + +[80] Het ideaal, dat beoogt het door den graad van beschaving bepaalde +genoegen der maatschappij, is te vergelijken met eene zware maar +niet wrijvende massa, die slechts hierdoor aan eene zie blz. 138, +achterwaarts trekkende kracht wederstaat. Het ideaal, dat daarentegen +den geestelijken vooruitgang der individuen beoogt, is te vergelijken +met zulk eene massa, maar waarop tevens eene kracht werkt, die aan +de zooeven gemelde achterwaarts trekkende wederstaat. Voor zoo verre +der menschen ideaal niet het eerste der beide gemelde is, strekt +betrachting van deugd niet om gemiddeld het gelukkigste te zijn, en +om gemiddeld het beste in zijn doen te gelukken, en hangt de waarde +der zedelijke daden niet af van het voordeel dat de maatschappij er +van trekt, zie blz. 218. + +[81] Iets dergelijks moet ook plaats hebben bij den invloed door de +onveranderlijke atomistische bewegingen van den ether op hemelbollen +uitgeoefend zie blz. 170. + +[82] De kinderlijke voorstelling van dit een en ander is die der +hemel en aardgeesten. + +[83] Met de hersens is dit eveneens het geval. Wanneer de directe +werking der indrukken, door de hersens bij den geest voortgebragt, +bij de denking van dezen (zie blz. 144 bepaalt door een geheel van +zintuigelijke onwaarneembare atomistische bewegingen) overheerschende +is; is de geest min of meer passief. Tot dien toestand, waarbij de +denking van eene lagere gehalte is, trachten de hersens den geest nu +te brengen, en niet het minste wanneer het ligchaam gezond is, omdat +dit dan in een gemiddelden toestand verkeert, en aldus zie bl. 78 en +102 niet in dien waarbij het de minste terugtrekkende werking op den +geest uitoefent zie Noot blz. 79. + +[84] In dit geval verkeeren bijv. de door ongeschikt geworden +instellingen voortgebragte en deze slopende revolutien. In den aanvang +geschiedt dit op eene meer schroomvallige wijze dan later, omdat er +tusschen de intensiteit dier revolutien en de bedoelingen, die men er +mede heeft, alsmede den bijval die zij vinden, wederkeerige versterking +plaats heeft. Voor zooverre zulke revolutien nieuwe zaken daarstellen +moeten zij, zooals op blz. 287 met betrekking tot de hervorming gezegd +is, beschouwd worden. + +[85] Hierbij stellen wij dat in elk dier gevallen de zedelijke eischen +van het leven even groot zijn, zoodat zie blz. 82 de absolute graad +van deugd gelijk aan den betrekkelijk graad hiervan is. Van de voor +die eischen te groote zelfzucht en zucht tot genot in het heden, +zijn de slechte hartstogten wel verschillende uitingen, edoch bij +veel lagere trappen van beschaving kunnen de zelfzucht en de zucht +tot genot in het heden zich of in het geheel niet op de wijze van +sommige dier slechte hartstogten, of slechts gebrekkig op de wijze +van andere derzelve uiten. + +[86] Zie hierover ons werk get. Over de werking der wet Natuurwetten +op zedelijk gebied enz. blz. 361 en het vervolg van dit werk blz. 74. + +[87] Een gevolg kan een verschijnsel vernietigen, op het oogenblik +dat dit geschiedt is, zelf door de werking der wet van geschiktmaking +vernietigd zijn, en intusschen een nieuw verschijnsel van den aard +als het eerste opgewekt hebben. Dit bijv. is het geval bij het gaan +dan in deze en dan in gene rigting, twee verschijnsels welke door +een tusschenliggend verbonden zijn. + +[88] Liggen er n × 2n ballen binnen die bus en n ballen binnen elk +deel er van, waar binnen die verhoudingen op allerlei wijze varieren, +zoo zal, bij het voorkomen van al de gevallen, slechts eene dier 2n +deelen enkel witte en een ander enkel zwarte ballen bevatten. Nu zal +de grootheid n niet aanzienlijk behoeven te zijn, om het aantal deelen +2n uiterst groot en de betrekkelijke grootte dier deelen aldus zeer +gering te doen worden. + +[89] Die ongelijkheid in digtheid van groepering binnen eene rij +van zulke aan elkander grenzende deelen kan echter in stand gehouden +worden, zoo binnen het deel, bij het eene einde der rij, er nieuwe +poeijerdeelen in gebragt en, bij het deel bij het andere einde, +er poeijerdeelen weggenomen worden. De digtheid van groepering +der poeijerdeelen zal alsdan langs dien weg van het eene naar het +andere einde afnemen, en, onder het bezit van allerlei onregelmatige +snelheden, die poeijerdeelen zich langzaam van het eene naar het +andere einde dier rij verplaatsen. Iets hiermede overeenstemmende +heeft bijv. plaats bij de in de poolzeeën drijvende ijsbergen. De +gletschers voeren er nieuwe in zee aan, zij smelten onder weg, en +de accidentele en onregelmatige stroomen binnen de poolzeeën, het +effect van hierboven gemelde snelheden doende, zullen die ijsbergen +gemiddeld naar lagere breedten voeren, zoo hier naar toe de digtheid +van groepering der ijsbergen afneemt. + +De zwaarte der stof of slibbedeelen, door wind of stroomend water +opgeheven, zal hetzelfde effect uitoefenen als die aan en afvoer van +bovengemelde poeijerdeelen. Stroomende vloeistoffen zijn steeds in +beroering en, bij zekere afneming der sterkte van groepering dier +stofjes of slibbedeelen naar boven, kan de werking dier beroering +er overal gemiddeld even veel meer op dan nederwaarts voeren als de +zwaartekracht er nederwaarts voert. + +Niet alleen zal bij sterke stroomen die digtheid van groepering +naar boven minder afnemen, maar zij zal dan tevens bij den bodem +grooter zijn, zoo hierop eene onbepaald aantal ophefbare stofjes of +slibbedeelen gelegen is. + +[90] Die verschillende kansen van voorkoming bezittende afwijkingen +zijn te vergelijken met de trekkingen uit bussen, ballen van +verschillende kleur bevattende. De onregelmatigheid bij eene reeks van +trekkingen zal alsdan minder worden, zoo niet enkele keeren ballen van +eene kleur, in de bus schaars voorkomende, getrokken worden. Zie ons +werk get. Vervolg op het werk get.: Over de werking der Natuurwetten +op zedelijk gebied enz. blz. 453. + +[91] Merken wij hier op dat bij het geval van blz. 3 van ons werk get.: +Vervolg op het werk get. Over de werking der Natuurwetten op zedelijk +gebied enz., zoo de drang tot onregelmatigheid, op blz. 309 gemeld, +niet bestond, hoe lang ook schuddende, de groepering n binnen geen +eindigen tijd zou ontstaan moeten, evenmin als bij het werpen met +eene dobbelsteen, waarvan het eene vlak met lood bezwaard is (hetgeen +overeenstemt met de meerdere kans van voorkoming der groepering +n.) Door zachter te gaan schudden, wanneer de groepering n zich vormt, +ontstaat er nu iets overeenkomende met het minder in aantal worden +der vlakken dier dobbelsteen. + +[92] Zie ons werk get. Vervolg van het werk get. Over de werking der +Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 73 en 536. + +[93] Dit is met inachtneming van den tijd noodig voor eene ons +onbewuste voortplanting van het effect der handelingen der menschen +met de golvingen binnen vloeistoffen vergelijkbaar. + +[94] Dit zou bijv. het geval bij ons zonnestelsel zijn, zoo de vaste +sterren er veel digter bij gelegen waren. + +[95] Men denke hierbij aan de voortplanting van toonen. + +[96] Dit niet te verwarren met gelijksoortige absolute +regelmatigheden. Hoe verder deze toch in tijd of ruimte van elkander +gelegen zijn, hoe minder groote totale regelmatigheid zij, in verband +met elkander beschouwd, zullen teweegbrengen zie blz. 311. + +[97] In plaats van op de onregelmatigste wijze dan te winnen en +dan te verliezen, kan een speler verliezen, door het krijgen van +slechte spellen, door onoplettendheid en door onkunde. In alle drie +gevallen zal dit steeds na een verliezen door den overheerschenden +invloed van enkele omstandigheden geschieden, doch in het eerste deze +omstandigheden ieder oogenblik kunnen verdwijnen en dit eindelijk +moeten doen, terwijl zij sterker zullen bestaan, naar gelang dit +krijgen van slechte spellen langer aanhoudt. Het tweede geval ligt +alsware tusschen de beide andere in, en kan dan meer op het eerste +dan meer op het derde geval gelijken. + +[98] De door de wet der veranderlijkheid opgewekte gevolgen bij +dergelijke verschijnsels, welke, even als in de Noot van blz. 300 +gezegd is, werken, kunnen die verschijnsels echter uitputten. De +beweging van zulk een vaartuig, heeft bijv. tot gevolg het loopen er +van tegen den een of anderen oever. + +[99] Dit is het geval omdat, zoo het gevolg eenparig kon toenemen, +de werking der wet van geschiktmaking, trachtende de vergrooting der +oorzaak tegen te gaan, versnellende zou toenemen, en aldus eenmaal die +tegenstand veel grooter dan de opwekkende werking van het gevolg zou +worden. Bij den aanvang van zulk eene wederkeerige versterking, bezit +de oorzaak zekere grootte, en neemt het gevolg van af nul toe. Wil +dit aldus de oorzaak vergrooten, zoo dient hierbij de tegenstand der +werking der wet van geschiktmaking in het eerst trager dan de die +oorzaak vergrootende werking van het gevolg toe te nemen. + +[100] Zoo kan bij het voorbeeld van blz. 258 opgelegde straf somtijds +geene uitwerking doen, of wel zie noot blz. 300 de straf verminderd +worden, naarmate de gestrafte het peil van gemiddelde zedelijkheid +nadert, en zij, wanneer dit peil bereikt is, ophouden. + +[101] Die uitputting werkt als gevolg van den strijd, zooals in noot +blz. 300 gezegd is. + +[102] Zie verder hierover ons werk, get. Vervolg op het werk, get. Over +de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz., zie blz. 152. De +werking der wet van geschiktmaking bij de gloeijing der brandstof +bestaat in de afkoeling hiervan, zooals deze in het luchtledige zou +plaats hebben, en neemt, zie 2e Noot blz. 337, meer versnellende, +dat is, eerst minder en later sterker dan de chemische verbinding en +uitbranding toe. + +[103] Dit verschijnsel na verzwakking nul en daarna negatief wordende, +zoo zal alsdan die steeds positief blijvende oorzaak weder grooter +worden, en de wederkeerige verzwakking overgaan in wederkeerige +versterking. Even als bij het geval van blz. 258 verkrijgt men aldus +ook hierbij schommelingen. + +[104] Vandaar dat naar ons inzien de hemelruimte geene eigene +temperatuur bezit, maar allerhande temperaturen op de stralen, +tusschen de ligchamen gelegen, er aan gegeven, zoodat een etherdeel, +op verscheidene van zulke stralen gelegen, ook verschillende +temperaturen bezit, zie ons werk get.: Over den aard en de toekomst +der beweegkracht, zie blz. 18. + +[105] De kristallisatie toont dit ook aan. + +[106] Hoe kleiner de zwaartekracht bij het oppervlak van eenigen +hemelbol, en hoe grooter de temperatuur hiervan is, hoe eerder eenige +anorganische stof er op in den gasvorm en niet chemisch met andere +stoffen verbonden, zal voorkomen. + +[107] Men zij hierbij indachtig dat, voor zoo verre de afwijkingen +van den harmonischen toestand niet vernietigd worden in reden der +sterkte dier afwijkingen, de op blz. 259 en 300 gemelde werking der +wet der veranderlijkheid zich aan die der wet van geschiktmaking paart. + +[108] Op hooge noorderbreedte zou die constante benedenwind, zie Noot +blz. 165, zuidwest zijn, zie hierover ons werk, het "Vervolg op het +werk get.: Over de werkingen der Natuurwetten op zedelijk gebied" +enz. blz. 104. + +[109] Voor zooverre bij het harmonische ongeschiktheid bestaat voor +hetgeen waarmede het in verband komt, bestaat er een drang om het +te wijzigen ten bate van het goede, zie blz. 353, edoch er bestaat +tevens een drang om dit verband zoodanig te wijzigen, dat het goede +harmonisch wordt. + +[110] Het toeval kan, zie blz. 334, wel regelmatigheid, maar +geene harmonie teweeg brengen. De assimilatie der stoffen met de +bestanddeelen der aarde is bijv. niet het product van het toeval, +zie Noot blz. 169. Ook kan dit onregelmatigheid voortbrengen, doch +het behoeft het niet steeds te doen, zooals de werking van blz. 321. + +[111] Slechts op die voorwaarde kunnen toch die indrukken geschiktheid +baren in den tijd bij een individu, of in de ruimte bij vele +zamenlevende individuen. Vandaar dat, wanneer die indrukken valsch +worden, zooals bij het ijlen, er een ongeschikten toestand ontstaat. + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEDENKINGEN TEGEN DE LEER *** + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that: + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
