summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/30735-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '30735-0.txt')
-rw-r--r--30735-0.txt11498
1 files changed, 11498 insertions, 0 deletions
diff --git a/30735-0.txt b/30735-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..94149ba
--- /dev/null
+++ b/30735-0.txt
@@ -0,0 +1,11498 @@
+The Project Gutenberg eBook of Bedenkingen tegen de Leer van Darwin, by
+Antoine Charles Reuther
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: Bedenkingen tegen de Leer van Darwin
+ Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen.
+
+Author: Antoine Charles Reuther
+
+Release Date: December 22, 2009 [eBook #30735]
+[Most recently updated: December 10, 2022]
+
+Language: Dutch
+
+Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ from scans made
+available by the University of Groningen.
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEDENKINGEN TEGEN DE LEER ***
+
+
+
+
+ BEDENKINGEN TEGEN DE LEER VAN DARWIN,
+
+ Gevolgd door
+
+ Beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen.
+
+
+ Door den schrijver van het werk,
+
+ Getiteld:
+
+ Over de werking der natuurwetten op zedelijk gebied enz.
+
+ En van
+
+ Het vervolg op dit werk.
+
+
+
+ Amsterdam,
+
+ J. C. Loman Jr.
+
+ 1871.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ BLADZ.
+
+ 1o. Bedenkingen tegen de leer van Darwin. 3.
+ 2o. Beschouwingen over de oorzaak van het kwaad en over het doel
+ van het leven. 64.
+ 3o. Beschouwingen over eenige onderwerpen op buitenzinnelijk
+ gebied. 143.
+ 4o. Beschouwingen over de geestelijke ontwikkeling van
+ den mensch. 205.
+ 5o. Beschouwingen over de drie algemeene natuurwetten en eenige
+ andere hiermede in verband zijnde zaken. 231.
+
+
+
+
+
+
+BEDENKINGEN TEGEN DE LEER VAN DARWIN.
+
+
+Onze bedenkingen tegen de thans bij het beschaafde publiek vrij
+bekende leer van Darwin zijn de volgende:
+
+1o. Dat de splitsing van diersoorten in andere soorten, van deze weder
+in nieuwe enz. slechts bij uitzondering kan plaats hebben; namelijk,
+wanneer de natuur aan eenige diersoort een grooter aantal wijzen
+van bestaan aanbiedt dan vroeger en anders belet wordt, door dat
+de voortplanting door paring van mannetjes en wijfjes van diezelfde
+soort geschiedt.
+
+2o. Dat het uitsterven van diersoorten slechts bij uitzondering kan
+plaats hebben, omdat, naarmate van zulk eene soort, binnen dezelfde
+uitgestrektheid grond, het aantal exemplaren vermindert, elk dezer
+onder levensomstandigheden komt, waarin het beter dan vroeger aan de
+oorzaken, deszelfs soort trachtende te vernietigen, kan wederstaan.
+
+3o. Dat het geschikter worden der organisatie van diersoorten, voor
+de omstandigheden waarin zij verkeeren, onmogelijk door de natuurkeus
+(anders gezegd door de werking van het toeval) kan geschieden.
+
+4o. Dat, zelfs aangenomen, dat de natuurkeus die geschiktwording
+kon voortbrengen, hierdoor nog niet verklaard zou worden, hoe
+lagere diersoorten van lieverlede hoogere organisatien verkrijgen,
+zoodat de leer van Darwin de vraag wat was eerder de kip of het ei,
+onbeantwoord laat.
+
+Een wel is waar niet volledig, maar desniettemin vrij voldoend
+antwoord op die vraag wordt toch slechts gegeven, wanneer men kan
+aantoonen, dat al de thans bestaande diersoorten ontsproten zijn
+uit een aantal anderen, elk op den allerlaagsten trap van dierlijke
+organisatie staande.
+
+Deze hypothese heeft reeds, voordat de onderzoekingen
+der versteeningen, binnen de sedimentaire lagen bevat hare
+waarschijnlijkheid aangetoond hadden, den bijval van denkers
+genoten. Ten allen tijden hebben deze toch aangenomen, dat het
+bijzondere, uit het meer algemeene, het zamengestelde (mits die
+zamengesteldheid in eene meer kunstige inrigting bestond), uit het
+meer eenvoudige en het hoogere uit het lagere (zoo dit een even
+bijzonder karakter als dit hoogere bezat), moest voortspruiten.
+
+De ervaring toonde toch aan, dat in het maatschappelijke en op
+het gebied van kunst en wetenschap dit steeds het geval was en
+vandaar, dat men stelde, dat die schoone regels ook op het gebied
+van het buitenzinnelijke moesten gelden. Raadpleegt men zelfs de Oude
+Cosmogonien, zoo ontwaart men daarin eene veelal op kinderlijke, wijze
+ontvouwde grondgedachte, dat er, wel is waar, niet een begin van alles,
+maar wel van het bijzondere bestaan heeft, namelijk dat de wereld met
+al derzelver verscheidenheden zich uit een eenvormigen chaos ontwikkeld
+heeft en dat uit een nevelachtigen en een karakter van algemeenheid
+bezittende Oergod, de menschen en bijzondere goden voortgesproten zijn.
+
+Men kan gemakkelijk opmerken dat het hoogere, mits dit een even sterk
+karakter van bijzonderheid als het lagere bezit, dit laatste noodig
+heeft om te bestaan; terwijl het omgekeerde niet doorgaat.
+
+De vleeschetende dieren verslinden bijv. de gemiddeld minder geestelijk
+ontwikkeld dan zij zijnde plantetende dieren; terwijl deze zeer
+gevoegelijk eerstgemelde kunnen ontberen. De kleine vogels voeden zich
+met de lager dan hen staande insecten, deze weder met microscopische
+diertjes en zelfs de planten zouden niet kunnen bestaan, zoo er geene
+microscopische plantjes en diertjes aanwezig waren, terwijl daarentegen
+deze de hoogere planten wel kunnen missen. Zoo toch het regenwater
+geene organische bestanddeelen bevatte, zouden er door zouten uit den
+bodem gevoerd, maar geene nieuwe zouten door ontbinding dier organische
+bestanddeelen, er ingebragt worden. Deze laatste worden nu geleverd
+door de microscopische plantjes en diertjes, welke de zouten van den
+Oceaan binnen hunne ligchamen opnemen, tijdens het waaijen, door de
+beroering der lucht, hoog in den dampkring gevoerd en aldaar binnen
+de waterblaasjes en de zich vormende regendruppeltjes opgenomen worden.
+
+Ook op maatschappelijk gebied dient het lagere het hoogere,
+als onmisbaar hiervoor, vooraf te gaan. Een leger bijv. zonder
+hoofd vormt wel een ordeloozen troep, maar kan niettemin bestaan,
+terwijl een officier zonder soldaten onmogelijk zijne functiën kan
+uitoefenen. Kinderen kunnen des noods van zelf leeren, maar een
+onderwijzer zonder scholieren onmogelijk als schoolmeester werkzaam
+zijn.
+
+Tusschen dieren van dezelfde soort en die van naburige soorten bestaat,
+naar ons inzien, dit onderscheid, dat mannetjes en wijfjes van naburige
+soorten geene en die van dezelfde soort wel neiging tot geslachtparing
+bezitten. Hierdoor ontstaan er scherpe kloven tusschen de soorten,
+omdat bijv. mannetjes, zekere afwijkingen vertoonende van die, welke
+het beste de eigenaardigheden hunner soort vertoonen en alsware
+in het midden dier soort staan, in de meeste gevallen met wijfjes,
+gelijksoortige afwijkingen dier eigenaardigheden niet vertoonende,
+zullen paren, maar door de organisatie der jongen alsware naar die
+der exemplaren, zoo als zoo even gezegd is, in het midden der soort
+staande, teruggebragt zullen worden.
+
+Dit kan vergeleken worden met het rollen van voorwerpen naar de eene
+of andere teen van een dijk, zoo deze geene kruin bezit en men er die
+voorwerpen boven laat vallen. De klove tusschen de naburige diersoorten
+wordt dan bij die vergelijking voorgesteld door de breedte van den
+grondslag van den dijk.
+
+Bestaat de helft der bevolking van een eiland uit blanken en de
+andere helft uit negers en is het voor elk hunner onverschillig,
+of zij al dan niet met kleurgenooten huwen, zoo zal de eerstvolgende
+generatie gemiddeld bestaan uit een kwart blanken, de helft mulatten
+en een kwart negers. Dit aantal mulatten bij die generatie kan, wel
+is waar, minder, maar even goed meer dan die helft bedragen, en bij
+die generatie is voor elken blanken de kans, om met een kleurgenoot
+te huwen ¼. Klaarblijkelijk zal dus bij de daarop volgende generatie
+het aantal zuiver blanken gemiddeld maar ¼ × ¼ = 1/16 van het geheel
+bedragen. Dezelfde redenering, door ons voor de eerste generatie
+gedaan, voor de tweede doende, zoo zal men bevinden, dat bij de derde
+generatie het aantal zuiver blanken maar gemiddeld 1/16 × 1/16 =
+1/256 van het geheel zal bedragen.
+
+Dit ook doorgaande voor de negers en voor de kleurlingen, hetzij naar
+de blanken hetzij naar de negers overhellende, zoo zal men ontwaren,
+dat na slechts weinig generatien op zulk een eiland enkel mulatten
+gevonden zullen worden [1].
+
+De gevolgen der accidentele oorzaken, waardoor de kinderen eenigzins
+van hunne ouders en onderling verschillen, worden aldus door eene
+constante oorzaak tegengewerkt, zoodat die gevolgen (namelijk de
+afwijkingen van het gemiddelde type) aldus zekere sterkte niet kunnen
+overschrijden. Bestaat er bij kleurgenooten zekere voorkeur voor
+elkander, zoo zal het gemengde ras niet zoo snel, maar niettemin bij
+de achtereenvolgende generatie steeds meer gaan predomineren, (hetgeen
+bijv. in Brazilië thans schijnt te geschieden). Slechts, wanneer de
+personen van elke kleur onmogelijk bij die eener andere kleur kinderen
+kunnen verwekken, zal de onderlinge betrekking der blanken, negers,
+mulatten enz. bij de achtervolgende generatien dezelfde blijven.
+
+Zoo men aanneemt, dat voor een mannetje eener diersoort, hoe weinig
+ook, de mogelijkheid bestaat, om neiging tot paring met een wijfje
+eener naburige soort te bezitten, en om bij dit wijfje vruchtbare
+jongen te verkrijgen, zullen de bastaarden, ofschoon zeer langzaam,
+in aantal toenemen, en eindelijk, al is het ook na zeer langen tijd,
+alleen bestaan. Elk dier beide soorten bezit echter nog andere
+naburen, waarmede iets dergelijks geschieden kan, zoodat bijv. n
+diersoorten in n - 1 tusschensoorten zullen veranderen. Deze zullen
+op dergelijke wijze in n - 2 nieuwe tusschensoorten omgezet worden,
+en zoo voortgaande, er na een uiterst langen, maar eindigen tijd,
+slechts eene resulterende diersoort bestaan, hoe ver ook de beide
+uiterste soorten der primitieve reeks van elkander stonden.
+
+Deze werking (de tegengestelde van die door Darwin aangenomen) wordt
+echter tegengewerkt, doordat er eene constante oorzaak bestaat, deels
+door tusschenkomst van den wil der dieren (de stelling van Lamarck),
+doch grootendeels buiten die tusschenkomst, gedurende het leven de
+organisatie der dieren, voor de omstandigheden waarin deze verkeeren,
+geschikt trachtende te doen worden.
+
+Gesteld bijv. dat bij het op blz. 6 aangegeven voorbeeld de kinderen
+steeds de levenswijze hunner vaders volgen en dat hierdoor gedurende
+hun leven hunne kleur, trekken enz. tot die dier vaders naderen
+(hetgeen overeenkomt met de nadering der bastaarden gedurende hun leven
+tot die der twee stamdiersoorten wier levenswijze zij kiezen), zoo zal
+bij de eerstvolgende generatie de helft der mulatten, gedurende den
+tijd tusschen hunne eigen geboorte en die hunner kinderen verloopen,
+de blanke en de andere helft de negertype wat naderen. Hetzelfde
+bij de volgende generatie plaats hebbende, zoo zal er eindelijk eene
+generatie ontstaan, waarvan de beide helften in uitzigt zoo weinig van
+elkander verschillen, dat de zoo even gemelde neiging der kinderen
+om gedurende hun leven tot den type hunner vaders te naderen, even
+sterk is als die om, (door voor hunne geboorte wat van de type hunner
+moeders over te nemen), alsdan van die hunner vaders af te wijken.
+
+Klaarblijkelijk zal, wanneer de zucht tot paren van individuen,
+tot verschillende rassen behoorende, zwakker is, dan bij individuen
+van hetzelfde ras, dit tegen elkander opwegen van zooeven gemelde
+constante oorzaak en die op blz. 6 aangegeven, vroeger en bij
+grootere verschillen tusschen de na eenige generatiën bestaande rassen
+bestaan. Olie tracht bijv. steeds boven water te drijven, en roert
+men beide die vochten, zoo zal eindelijk de vermengende werking dier
+beroering gebalanceerd worden door de neiging der olie om op- en die
+van het water om nederwaarts te gaan. Hoe zwakker nu die beroering
+(vergelijkbaar met de werking der paring tusschen individuen van
+verschillend ras) is, hoe zuiverder de olie in het bovenste en het
+water in het onderste deel van het vat zullen zijn.
+
+Met de kloven tusschen de diersoorten kunnen vergeleken worden, die
+tusschen de volken en die tusschen de belijders der verschillende
+godsdiensten bestaande.
+
+Het geriefelijke voor menschen, om de eigenaardigheden van een of ander
+volk aan te nemen, of om eenige bestaande godsdienst te belijden en
+aldus niet, zoo als bij het geïsoleerd staan tusschen twee volken,
+of twee godsdiensten, voor een ieder een vreemdeling te zijn, is
+toch met de voorkeur der mannetjes voor de wijfjes van de meest op
+hen gelijkende soort te vergelijken.
+
+Naarmate zekere verschillen in organisatie de neiging tot
+geslachtparing sterker verzwakken, zullen er kleinere maar meer
+diersoorten bestaan en, naarmate, bij minder beschaving, het verkeer
+tusschen de menschen en hun geest van zamenwerking geringer is,
+er meer natiën bestaan.
+
+Volken ontstaan, doordat niet ieder mensch zijne afzonderlijke
+wetten kan bezitten en, zonder aansluiting aan anderen, voor
+zijne veiligheid kan zorgen; godsdienstige gezindheden, wegens de
+behoefte om gemeenschappelijk de eerdienst te verrigten; diersoorten,
+doordat de neiging tot paring niet reeds door de minste verschillen in
+organisatie (de sexuele niet in aanmerking genomen), uitgedoofd wordt
+en, doordat de voortplanting niet door hermaphroditen plaats heeft;
+doch, terwijl tot eene natie, of eene religie menschen kunnen behooren
+van zeer verschillende geestelijke, ontwikkeling en overigens onder
+verschillende levensomstandigheden verkeerende, is zoo iets bij de
+dieren eener zelfde soort veel minder mogelijk.
+
+Voor de verdeeling eener diersoort in verschillende rassen dienen
+deelen er van onder andere levensomstandigheden te gaan verkeeren
+(hetgeen met het ontstaan van zelfstandige koloniën bij de volken
+te vergelijken is). De neiging der organisatiën der dieren, om voor
+de levensomstandigheden, waarin deze dieren verkeeren, geschikt
+te worden, kan dan maken dat die rassen zooveel van elkander gaan
+verschillen, dat de neiging tot paring tusschen hen wordt uitgebluscht,
+even als bijv. tusschen de Engelsche en Amerikanen het gevoel van
+gemeenschappelijke nationaliteit.
+
+Gaan echter die kortelings ontstane diersoorten later weder onder
+dezelfde omstandigheden verkeeren, en met elkander vermengd leven,
+zoo zal noodwendig het omgekeerde van zooeven moeten plaats hebben.
+
+Noodigt de aardoppervlakte de dieren steeds tot evenveel verschillende
+wijzen van bestaan uit, zoo zullen wel is waar accidentele oorzaken
+splitsing van soorten teweeg kunnen brengen, doch zamensmelting
+hier van gemiddeld even menigvuldig plaats hebben, doch, wanneer
+die mogelijke wijze van bestaan menigvuldiger worden, de soorten dit
+insgelijks doen.
+
+Dit laatste schijnt nu het geval geweest te zijn. Primitief was
+toch de aardbodem overal met water van even groote diepte en even
+hooge temperatuur bedekt en hield de met dikke vochtblaasjes vervulde
+lucht de aarde in de schaduw gedompeld. Later ontstonden droog land,
+stranden, moerassen, bosschen en meer of minder diep en heet water,
+nog later de bloemen ontluikende zonneschijn, groote hoogten, diepe
+valleijen, uitgestrekte landen, groot verschil in gewassen en in
+temperatuur enz.
+
+Men denke voorts niet, dat enkele exemplaren eener diersoort,
+in een ander land en klimaat overgebragt, zich aldaar steeds sterk
+vermenigvuldigen. Dit is somtijds het geval geweest, zoo als bijv. met
+de paarden en runderen in Z. Amerika, omdat deze dieren aldaar in zeer
+gunstige omstandigheden verkeerden en de beschermende hand van den
+mensch zich niet terstond van hen aftrok, doch in veel andere gevallen
+zijn de per scheepsgelegenheid naar vreemde gewesten overgebragte
+tamme dieren aldaar uitgestorven.
+
+Terwijl geheel gemis aan neiging tot paring maakt, dat, ofschoon
+op verschillende wijze levende dieren van verschillende soorten,
+met elkander vermengd, dezelfde landstreek kunnen bewonen, zonder
+dat die soorten te zamen smelten, is dit niet zoo goed mogelijk bij
+dieren van aangrenzende rassen, omdat tusschen deze er nog eenige
+neiging tot paring bestaat.
+
+Bij die rassen zal dan iets plaats hebben overeenkomende met hetgeen op
+blz. 8 aangevoerd is, namelijk, er zal na een aantal generatiën twee
+verscheidenheden, minder dan de twee rassen, toen deze met elkander
+vermengd gingen leven, van elkander verschillende, ontstaan.
+
+Zoo men het aantal der tusschen die beide verscheidenheden gelegen
+kruislingen vermenigvuldigt met derzelver afwijkingen van de eene of
+andere verscheidenheid, zal eenmaal dit product niet meer vergrooten,
+door het geboren worden van nieuwe kruislingen, als verminderen,
+doordat gedurende hun leven al die kruislingen, deels tot de type
+der eene, deels tot die der andere verscheidenheid naderen.
+
+Laatstgemelde terugbrenging ontstaat, doordat de dieren, het zuivere
+type der verscheidenheden m bezittende voor de levensomstandigheden
+waarin zij verkeeren (niet meer zijnde die der beide primitieve rassen)
+beter georganiseerd zullen zijn dan die kruislingen.
+
+De dieren schikken niet alleen hunne organisatie naar de
+levensomstandigheden waarin zij verkeeren, maar zoeken tevens naar
+levensomstandigheden voor hunne organisatie geschikt (even als
+bijv. een plotseling verrijkt mensch, niet slechts zijne behoeften
+grooter doet worden, maar tevens door werkeloosheid en zorgeloosheid
+zijne voor hem te aanzienlijke inkomsten vermindert).
+
+De kruislingen, door paring dier beide primitieve rassen n ontstaan,
+zullen dit ook eenigzins doen en aldus wel is waar, zich niet geheel
+in voor hunne organisatie geschikte levensomstandigheden bevinden,
+maar ook niet meer geheel in die der uiterste van hen het meeste
+afwijkende leden van een dier beide primitieve rassen verkeeren.
+
+Voor zooverre nu die kruislingen door achtervolgende paringen
+de organisatie dier uiterste leden dier beide rassen meer tot
+elkander doen naderen, moet klaarblijkelijk, het opzoeken van
+levensomstandigheden voor de veranderde organisatie meer geschikt,
+de levensomstandigheden dier uiterste leden der beide rassen n
+meer tot elkander doen naderen en deze alsdan in de bovengemelde
+verscheidenheden m veranderen.
+
+Hiermede kan vergeleken worden, hetgeen bij twee volken, in karakter,
+geest, beschaving enz. van elkander verschillende en elk voor
+die qualiteiten geschikte instellingen bezittende, plaats heeft,
+wanneer zij met elkander in aanraking komen. Alsdan nemen zij wat
+van elkanders zeden en qualiteiten over, beginnen aldus wat meer op
+elkander te gelijken en schikken tegelijk hunne instellingen naar
+hunne nieuwe qualiteiten.
+
+Even als echter zulk een verkeer tusschen twee volken, hen slechts
+tot zekeren graad meer op elkander doet gelijken, zoo zal van
+de bovengemelde verscheidenheden m de gelijkenis zekeren grens,
+bepaald door de sterkte hunner onderlinge paring, niet kunnen
+overschrijden. Niet alleen zoeken, wanneer eene diersoort door eene
+andere teruggedrongen wordt en zij in aantal individuen vermindert,
+deze (zie blz. 11) plaatsen op, waar zij beter dan vroeger het
+bestaan hunner soort kunnen verdedigen, maar bij de door overmaat
+van geboorten boven sterfgevallen in aantal toenemende indringers
+heeft het tegenovergestelde plaats. Hoe verder deze aldus dringen,
+hoe moeijelijker dit geschiedt, zoodat er eindelijk een toestand van
+evenwigt zal ontstaan waarbij aanval en verdediging tegen elkander
+opwegen. Het is bijv. mogelijk, dat de Indianen der Vereenigde Staten,
+in aantal zeer verminderd, zich eindelijk binnen voor den landbouw van
+onwaarde en weinig genaakbare streken als jagers en visschers zullen
+kunnen staande houden, en dat de olm en andere grotdieren vroeger
+buiten de holen leefden, maar in deze alsware teruggetrokken zijn,
+eigenschappen, hen geschikt makende, om die duistere verblijfplaatsen
+te bewonen, verkregen hebben, en dat thans bij die diersoorten het
+aantal geboorten tegen dat der sterfgevallen opweegt.
+
+Niettegenstaande sedert eenige eeuwen binnen het beschaafde Europa
+het schadelijke wild met vuurwapens bestreden wordt, weet het zich,
+in aantal verminderd, binnen weinig genaakbare plaatsen vrij wel
+staande te houden.
+
+Dat, wanneer hoogere rassen met lagere in aanraking komen,
+laatstgemelde uitsterven, is onjuist. Het ongedierte bijv. volhardt
+met onze ligchamen in aanraking te komen en sterft niet uit. Somtijds
+worden de bewoners van eenig land door veroveraars hiervan aan zich
+dienstbaar gemaakt en sterven zij, zooals bijv. de Heloten in het Oude
+Lacedemon, niet uit. Het lot der plantetende dieren, na de optreding
+onder hen der carnivoren, kan hiermede vergeleken worden.
+
+Tijdens den inval der Anglo Saxen in Groot-Brittanje zijn de Celten
+door hen teruggedrongen, maar niet uitgeroeid, en die laatste
+volkstam neemt thans in Wallis in aantal individuen niet af, maar
+integendeel toe.
+
+Een deel der Indianen van Mexico heeft zekeren graad van beschaving
+verkregen en, in plaats van uit te sterven, neemt het in invloed toe
+en heeft zelfs iemand uit zijn midden den presidentszetel beklommen.
+
+Door opneming in andere stammen, door vermenging hiermede, door
+verandering van naam en gewoonten kunnen buitendien volkstammen
+schijnbaar van den aardbodem verdwenen zijn en wegens het verkrijgen
+van andere organisatien dit met de diersoorten der voorwereld
+insgelijks het geval geweest zijn.
+
+Uitsterving van diersoorten en menschenstammen kan naar ons inzien
+slechts bij uitzondering en wel voornamelijk, daar waar geschikte
+ruimten om er binnen terug te trekken en verschil in localiteiten
+gemist worden, plaats hebben.
+
+Wordt ergens het klimaat kouder, zooals bijv. dat van Europa gedurende
+en na het tertiaire tijdperk, zoo zal de vegetatie er minder weelderig
+worden en aldus minder voedsel aan de plantetende dieren aanbieden. Een
+deel hiervan zal zich alsdan terugtrekken naar warmere oorden en
+van de overblijvende de organisatie voor het koudere klimaat van
+lieverlede geschikt gemaakt worden.
+
+Voor de vleeschetende dieren zal dit eveneens doorgaan, aangezien
+de veelvuldigheid van derzelver voorkoming van die der plantetende
+afhangt, en zoo iets is nu vergelijkbaar met hetgeen in eenig door een
+vreemden stam veroverd land plaats heeft, wanneer voor een deel der
+inwoners émigratie mogelijk is. Dit deel gaat alsdan in een vreemd land
+hetzelfde vrije leven van vroeger voeren; terwijl de achterblijvers
+zich onderwerpen en voor den slavenstaat geschikt worden.
+
+Zoo bij elke generatie een ieder slechts wist hetgeen hij van de
+vorige generatie leerde en er niets van zijne eigen vinding bijvoegde,
+zou de wetenschap gedurende de achtereenvolgende generatien steeds
+achteruit gaan, daar toch de onderwijzers slechts een deel hunner
+kennis in den geest hunner leerlingen kunnen doen overgaan.
+
+Nu verkeert misschien de overdragt der deugd der organisatie van
+ouders op hunne kinderen, gedurende het vruchtleven dezer, in een
+geval met dat van het onderwijs vergelijkbaar. Deugd veronderstelt
+toch iets dat verstoorbaar is en dat aldus eene neiging bezit om
+te verminderen, wanneer er toevallige veranderingen bij ontstaan,
+zooals bijv. bij de bijna goed gerangschikte letters van een woord,
+zoo men eenige dier letters blindelings verzet. De kans, dat van de
+juiste rangschikking verder afgeweken wordt, is alsdan veel grooter,
+dan die dat er toe genaderd wordt.
+
+Om zelfs op eene zeer gebrekkig wijze te bestaan, moeten de dieren
+eene organisatie bezitten, zoo weinig van die het beste voor de
+omstandigheden, waarin zij verkeeren, geschikt, afwijkende, dat
+men toevallige afwijkingen er bij naar de eene of andere zijde,
+kan vergelijken met de blindelingsche verzettingen der bijna goed
+gerangschikte letters van eenig woord. Iets waarvoor grootere
+kans bestaat heeft nu op den langen duur zoo goed als zeker het
+veelvuldigste plaats, zoodat, zoo geene constante oorzaak zulks
+tegenging, de herhaalde toevallige afwijkingen der jongen van hunne
+ouders na eene reeks van generatien de organisatie der dieren zoo
+slecht zou maken, dat zij onmogelijk meer zouden kunnen bestaan.
+
+Kan die constante oorzaak nu deze zijn, dat de zeer enkele toevallig
+wat beter dan hunne ouders georganiseerde jongen, gemiddeld meer
+nakomelingen dan de andere verkrijgen en zulks bij de volgende
+generatien insgelijks liet geval is (de zoogenaamde Darwinsche
+natuurkeus). [2]
+
+Naar ons inzien niet. Wat zou bijv. Darwin zeggen, zoo men voorstelde
+de Engelsche wetten voor den veranderenden maatschappelijken toestand
+van Engeland geschikt te maken door de volgende politieke keus? De
+ministers stellen in den blinde gedane wijzigingen der wetten
+voor en het parlement neemt onder die geheel ondoordacht en dus
+natuurlijk slechte wijzigingen betrekkelijk betere aan, naarmate eene
+grootere meerderheid er zich voor verklaart. Die meerderheid bij die
+politieke keus zou dan overeenkomen met bovengemelden overheerschenden
+invloed op de nakomelingschap der betrekkelijk beter georganiseerde
+dieren. Klaarblijkelijk zou zulk eene politieke keus van de Engelsche
+wetten weldra louter onzin maken.
+
+Hoe volmaakter de organisatie van een dier is, hoe meer gemiddeld
+die zijner jongen voor de zijne zal onderdoen, want waar het meeste
+te bederven valt, zal de blinde werking van het toeval gemiddeld het
+meeste bederven. Na eenige generatien zal aldus, hetgeen bij sommige
+individuen der eerste generatie eene deugdzame eigenaardigheid was,
+van lieverlede verbasteren en eindelijk niet meer deugdzaam zijn. Bij
+de generatie, waarbij dit laatste het geval is, bezitten de die
+eigenaardigheid vertoonende individuen aldus niets meer voor boven
+hunne soort en tevens tijdgenooten en zullen zij aldus gemiddeld
+niet meer jongen dan deze verkrijgen. Om dit te vergelijken met
+een voorbeeld op zedelijk gebied, zoo merken wij op, dat iemands
+zuinigheid, door zijne nakomelingen op eene onberedeneerde wijze
+nagevolgd, bij hen zal ontaarden in eene soort van gierigheid, in
+benarde omstandigheden niets voor hebbende boven gemis van zuinigheid.
+
+Gaat eenige diersoort een kouder klimaat bewonen, zoo zullen de
+individuen er van, met eene dikkere vacht dan de anderen voorzien,
+met betrekking tot de nieuwe omstandigheden, waarin zij verkeren,
+volmaakter dan deze zijn, zoo hunne gansche organisatie in harmonie is
+met die dikkere vacht. Zoo echter bij hunne nakomelingen die harmonie
+van lieverlede verdwijnt, kan het zijn, dat het nut dier overgeërfde
+dikkere vacht zulks ook doet.
+
+Wordt bijv. een zwaarder pantser bij een oorlogschip aangebragt,
+zonder dat de constructie en bevrachting er van met dit zwaardere
+pantser in harmonie gebragt worden, zoo zal zulk een vaartuig te diep
+in het water zinken, een tragen gang bezitten, door de geschutpoorten
+water ontvangen en in het gevecht ten slotte welligt minder goed
+voldoen dan toen het nog ligter gepantserd was.
+
+Darwin gewaagt van de accumulatie van gelijksoortige wijzigingen
+gedurende achtereenvolgende generatiën. Zoo echter de deugd
+dier wijzigingen niet gepaard is met eene constante oorzaak,
+waardoor die accumulatie plaats heeft, wordt deze toevallig en
+onwaarschijnlijk. Ziet men bijv. de nakomelingen van twee blonde
+menschen gedurende achtervolgende generatiën steeds blonder
+worden? Neen het tegendeel heeft eerder plaats, want, zelfs zoo
+de voortplanting door hermafroditen geschiedde, zou die toevallige
+accumulatie, evenmin plaats hebben, als het blindelings achtereen
+trekken van witte ballen uit eene bus, evenveel ballen van die kleur
+als zwarte ballen bevattende.
+
+Bloedverwanten zullen dikwijls gelijksoortige eigenaardigheden
+bij hunne organisatie bezitten, en ware het nu dat uit een de
+opeenstapeling hiervan bij de latere generatiën voor het menschdom uit
+een physiologisch oogpunt niet nadeelig ware, zoo zouden huwelijken
+tusschen bloedverwanten onmogelijk eene ligchamelijke verbastering
+van het nageslacht kunnen voortbrengen. Dit wordt echter beweerd het
+geval te zijn en zou gedeeltelijk ontstaan kunnen, doordat alsdan
+niet, zooals bij huwelijken tusschen geheel vreemden, man en vrouw
+nog al vaak tegenovergestelde vicieuse afwijkingen van eene goede
+organisatie bezitten, en bij hunne kinderen die tegenovergestelde
+gebreken elkander alsware opheffen.
+
+Dit kan ook de reden zijn der deugd der organisatie van kruislingen
+van twee tamme rassen. Het paren bijv. van langbekkige en kortbekkige
+duiven kan goedbekkige jongen in het leven roepen.
+
+In den wilden staat zijn het alleen accidentele oorzaken, welke de
+organisatie der dieren minder geschikt voor de levensomstandigheden
+dezer maken.
+
+In den tammen staat daarentegen leidt hiertoe eene constante
+oorzaak, namelijk de kunstkeus. Terwijl aldus in den wilden staat
+twee rassen van elkander onderscheiden zijn, omdat zij niet in
+dezelfde omstandigheden verkeeren, zijn in den tammen staat twee
+door dwang gevormde verscheidenheden aan dezelfde omstandigheden
+blootgesteld. Deze kunnen nu voor den tammen kruisling nog gunstig
+zijn, terwijl de wilde kruisling geene voor zijne organisatie geschikte
+levensomstandigheden kan vinden.
+
+Op blz. 16 hebben wij aangegeven, hoe eene gunstige wijziging,
+gedurende de overerving er van, bij de achtervolgende generatiën door
+de werking van het toeval hare deugd kan verliezen. Bij de kunstkeus is
+dit bij eene opeenstapeling van gelijksoortige wijzigingen insgelijks
+het geval voor de dieren zelf, doch niet voor het gebruik, welke wij
+van deze wenschen te maken.
+
+Wenscht men bijv. het op blz. 16 gemelde met een zwaarder pantser
+voorziene oorlogschip als drijvende batterij slechts binnengaats te
+gebruiken, zoo kan die onberedeneerde verzwaring van het pantser
+nuttig zijn, doch zij is dit dan slechts, omdat men aan het schip
+eene bestemming geeft in strijd met zijne primitieve.
+
+Een vleezig en zelfs nog al vet beest kan zeer gezond zijn, terwijl
+zijne nakomelingen, waarbij die eigenaardigheid voortgeplant is,
+zulks niet meer zijn, en zelfs zoo deze nog vleeziger en vetter dan
+hun voorzaat worden, het ware wanstaltigheden worden. Daar echter,
+zie blz. 7, eene constante oorzaak gedurende het leven der dieren
+die wanstaltigheden tracht te verminderen, en aldus verwilderde tamme
+rassen de organisatie hunner wilde voorouders tracht terug te geven,
+kan de uit ons oogpunt beschouwde veredeling der rassen, door middel
+der kunstkeus, slechts tot zekere hoogte gedreven worden.
+
+Die grens ligt echter verder zoo men de levenswijze dier dieren
+geschikt tracht te maken voor de eigenaardige organisatie, welke zij
+verkregen hebben, of zoo men deze door zeker régime te voorschijn
+tracht te roepen. De Engelschen noemen dit laatste entrainement en
+passen dit niet alleen op de tamme dieren, maar ook op menschen toe,
+die zij tot jockeys, boxers enz. bestemmen.
+
+De kunstkeus alleen is even onmagtig om dieren voor de hen door ons
+menschen opgelegde levensomstandigheden geschikter te maken, als de
+natuurkeus om hen geschikter te doen worden voor de omstandigheden
+van het vrije natuurleven.
+
+De sexuele keus, waardoor de best georganiseerde mannetjes, vaders
+van meer jongen worden dan de anderen, kan voor de verbetering
+der organisatie der latere generatiën geen ander gevolg hebben,
+dan hetgeen eigenlijk (zie de noot dier blz.) op blz. 15 gesteld is,
+namelijk dat de best georganiseerde hermaphroditen meer nakomelingen
+dan de anderen bekomen.
+
+Gewis zou dit van elke opvolgende generatie de gemiddelde organisatie
+der exemplaren iets beter doen worden, dan die der voorgaande en
+zoo voort, totdat (bij niet verandering der levensvoorwaarden),
+de volmaaktheid bereikt zou zijn, zoo de jongen (behoudens het
+onderscheid wegens verschil in leeftijd) volmaakt naauwkeurige copijen
+hunner ouders waren. Alsdan zou echter bij elke generatie het eene
+individu geene betere organisatie dan het andere kunnen bezitten dan
+door omstandigheden na de geboorte er van plaats hebbende en wel door
+omstandigheden de vrucht van eene constante oorzaak, de organisatie
+der dieren trachtende te verbeteren, daar, even goed na de geboorte als
+gedurende het vruchtleven, afwijkingen, door het toeval teweeg gebragt,
+(zie blz. 15) gemiddeld ten nadeele dier organisatiën zullen strekken.
+
+Het schijnt dat, naarmate dieren jongen kunnen verwekken, beter
+georganiseerd voor de levensomstandigheden hunner ouders, de
+vruchtbaarheid dezer laatste gemiddeld wat grooter is. Van daar dat
+gekruist wordende soorten en bastaarden in het algemeen onvruchtbaar
+zijn en gekruist wordende tamme rassen en tamme kruislingen in het
+algemeen in vruchtbaarheid uitmunten (zie blz. 17). Dit zou maken, dat
+bij de opvolgende generatiën, de op blz. 15 gemelde overheerschende
+werking der goed georganiseerde individuen, wat grooter werd,
+doch desniettemin zal de natuurkeus evenzeer onvoldoende blijven,
+om de organisatie der diersoorten voor hunne levensomstandigheden
+geschikter te maken, als bij de politieke keus, op blz. 15 gemeld,
+het bestaan eener wat sterkere meerderheid om de verbastering der
+wetten te verhinderen.
+
+Ook op zedelijk en maatschappelijk gebied tracht eene constante
+oorzaak het een voor het ander geschikt te maken.
+
+Verarmde menschen trachten bijv. hunne behoeften te verminderen,
+plotseling rijk gewordene, om zich de beschaving der vermogenden te
+geven, handwerkslieden om hun ambacht beter uit te oefenen, gehuwden,
+wier huisgezin vergroot, om ruimer te wonen, volken, betrekkelijk
+hunne regering in beschaving gestegen, om eene vertegenwoordiging te
+verkrijgen enz.
+
+Gebrek aan goeden wil en traagheid kunnen de neiging der menschen, om
+alles ten beste voor zich te schikken, om zich naar de omstandigheden
+te voegen en voordeelige omstandigheden op te zoeken, gering maken,
+doch, zoolang de menschen zich niet geheel blindelings aan hunne
+hartstogten overgeven, bestaat die neiging bij hen. Zou deze nu,
+zelfs bij zeer groot gebrek aan doorzigt der menschen, ten gevolge
+hebben, dat deze zich werkelijk voor hunner levensomstandigheden
+geschikt maken? Naar ons inzien wel, zoo de werking der accidentele
+omstandigheden en de verandering der omstandigheden vroeger opgedane
+ondervinding niet somtijds grootendeels nutteloos maakten en aanleiding
+tot dwalingen gaven. Bleven die omstandigheden steeds dezelfde, zoo
+zou zelfs de domste mensch, hoe langzaam ook, juist te weten komen,
+wat voor hem nuttig en wat voor hem schadelijk is, en het begrijpen
+hiervan, kort na verandering dier omstandigheden, stelt dan ook daar,
+hetgeen men doorzigt noemt.
+
+Zelfs tracht in het maatschappelijke het eene voor het andere geschikt
+te worden door de collectieve werking der menschen, en zonder dat
+deze zulk een doel voor oogen hebben. Dit is bijv. het geval met
+het verdwijnen van primitief onregtvaardige toestanden, zoo de
+omstandigheden niet zoodanig veranderen, dat, bij het niet bestaan
+dier neiging tot geschiktwording, die onregtvaardigheden sterker
+worden. Wordt bijv. een volk in slavernij gedompeld en verdierlijkt
+het hierdoor zoodanig, dat zelfs de minste vrijheid tot ledigheid
+en losbandigheid aanleiding geeft, zoo is die toestand van slavernij
+niet langer iets onregtvaardig.
+
+Neemt echter daarna de graad van beschaving tegelijk bij de meesters
+en slaven toe, zoo wordt die slavernij weder een kwaad, omdat
+willekeurige behandeling dit bij een hoogeren graad van beschaving
+is. De heerschappij, door de meer geestelijk ontwikkelden over de
+betrekkelijk hen minder beschaafde menschen uitgeoefend, dient alsdan
+niet in sterkte, maar wel in karakter te veranderen.
+
+Zoo thans eene patentbelasting ingevoerd werd, zouden de winkeliers
+en industriëlen onregtvaardig behandeld worden, doch later de tijd
+die onregtvaardigheid van lieverlede doen verdwijnen, daar alsdan het
+aantal winkeliers en industriëlen zoo lang zou verminderen, totdat elk
+derzelve, betrekkelijk den bloei van het gansche land, evenveel zou
+verdienen als voor den invoer dier belasting. Wij zeggen betrekkelijk
+den bloei van het gansche land, omdat die patentbelasting handel en
+industrie zou doen inkrimpen en aldus dien bloei tot zekeren grens
+zou doen verminderen. Dit echter niet in aanmerking nemende, zoo zou
+alsdan, bij overname eener zaak, de kooper er zooveel minder voor
+betalen, dan voor den invoer dier patentbelasting, als ten bedrage
+dezer belasting gekapitaliseerd, en het oprigten eener nieuwe zaak,
+slechts dan plaats hebben wanneer, bij gelijke kosten van oprigting,
+de winsten, na aftrek der patentbelasting, even groot als de winsten
+voor den invoer dier belasting zouden worden.
+
+Wanneer eene partij, hoe zwak ook, gegronde grieven bezit, zal
+zij trachten deze te doen verdwijnen, en er hiervoor aldus eene
+constante oorzaak bestaan. De veroordeelen der meerderheid, waardoor
+deze de schade aan het publiek belang door het bestaan dier grieven
+teweeggebragt, over het hoofd ziet, worden daarentegen door den
+tijd verminderd.
+
+Ook bij de dieren, ofschoon minder dan bij ons menschen, en minder
+bij de laag dan bij de hoog ontwikkelde dieren, maakt de werking der
+accidentele omstandigheden en de verandering der omstandigheden, dat
+de op blz. 7 gemelde poging tot geschiktwording hunner organisatiën
+gedurig tegengewerkt wordt, en aldus slechts tot zekeren grens
+haar doel kan bereiken. Hoe digter toch bij de volmaaktheid de
+organisatie van een dier is, hoe zwakker zooeven gemelde poging
+tot verdere volmaking er van zal zijn, (even als bijv. iemand, die
+bijna het noodige bezit, minder ijverig zal zijn om het alsdan nog
+ontbrekende te bekomen), en hoe meer die variatien der omstandigheden
+die organisatien onvolmaakter zullen trachten te doen worden.
+
+Er zal aldus zekere nadering tot den volmaakten toestand zijn, waarbij
+die twee tegengesteld werkende oorzaken even krachtig zullen werken.
+
+Bij dien toestand van evenwigt zal de nadering tot de volmaaktheid der
+organisatie der dieren minder zijn, wegens het niet steeds op aarde
+voortleven derzelfde individuen. Op blz. 15 hebben wij toch gezegd,
+dat de jongen slechts gedeeltelijk de deugdzame eigenschappen der
+organisatie hunner ouders erven, hetgeen beschouwd kan worden te
+ontstaan door de werking van accidentele omstandigheden gedurende
+het vruchtleven.
+
+De organisatien der dieren en planten trachten ook voor periodiek
+veranderende omstandigheden geschikt te worden. De dieren hebben
+bijv. hun slaaptijd geregeld naar de lengte der nachten en de op
+hooge breedten groeijende planten, kunnen de winterrust niet ontberen.
+
+De geschiktwording dier organisatie geschiedt echter traag, zoodat
+eerst langen tijd, nadat de nieuwe levensomstandigheden ontstaan zijn,
+zij den hierboven gemelden niet te overtreffen graad van geschiktheid
+kan voortbrengen. De planten bijv. zijn ontstaan, terwijl op alle
+breedten er eene vochtige en eene hooge temperatuur bezittende lucht,
+ofschoon welligt weinig of geen zonneschijn bestond, en welligt is
+de sedert verloopen tijd nog te kort geweest om die planten in koude
+klimaten weelderig te doen groeijen.
+
+Accidentele oorzaken kunnen iets kenmerkend bij de organisatie
+van vele individuen eener diersoort voortbrengen en door overerving
+zullen zulke meestal vicieuse eigenaardigheden zich bij de opvolgende
+generatiën voortplanten. De op blz. 7 gemelde geschiktmakende oorzaak
+zal dan wel is waar zulke toevallige eigenaardigheden van lieverlede
+doen verdwijnen; doch tevens sneller hen voor die dieren nuttiger
+maken en alsware eene primaire en tegelijk eener snellere secundaire
+verbetering van de organisatie dezer dieren voortbrengen.
+
+De wapens der dieren bestaan bijv. in klaauwen, hoeven, horens,
+schilden enz. en voor de gemiddelde levensomstandigheden van
+elke diersoort kan eene zekere verhouding tusschen den graad van
+ontwikkeling van elk dier wapens de voordeeligste voor haar zijn. De
+verschillen der levensomstandigheden der diersoorten wettigen echter
+niet zulke verschillen in bewapening en in het algemeen in uitzigt,
+als men bij die soorten opmerkt. Die groote verschillen moeten
+aldus de vruchten van accidentele omstandigheden zijn, doch terwijl
+de oorzaak, waardoor de organisatien dier soorten voor derzelver
+levensomstandigheden geschikt worden, bovengemelde verhoudingen tracht
+daar te stellen, verbetert zij tevens elk dier wapens en plooit zij
+er na de levenswijze van derzelver dragers.
+
+Op maatschappelijk gebied is dit eveneens het geval. Thans en
+bij toekomstige hoogere trappen van beschaving nog meer, zal
+bijv. gelijkheid van munt in alle beschaafde staten iets zeer
+wenschelijk zijn. In sommige Europesche staten is men dan ook reeds
+begonnen hier werk van te maken, doch, waar men nog ter naauwernood
+aan zoo iets denkt, tracht men de munt tiendeelig te maken en aldus
+eene secundaire verbetering daar te stellen.
+
+Als zulk eene secundaire verbetering kan thans gelden, het oprigten
+van goede bewaarscholen en als primaire verbetering het onderwijs
+der kleine kinderen door hunne moeders.
+
+Hoe grooter de gemeenschap tusschen de volken zal worden en hoe hooger
+de wetenschap zal staan, hoe meer de behoefte aan eene universele
+wetenschappelijke taal gevoeld zal worden. Die primaire verbetering
+zal, hoe langzaam ook ontstaande, niet uitblijven, doch als eene
+secundaire verbetering kan de beschaving der verschillende volkstalen
+en het geschikt maken dezer voor de uitdrukking van abstracte en
+wetenschappelijke denkbeelden aangemerkt worden. Dit toch is bij den
+thans bestaanden toestand het eenige middel om de wetenschap en de
+bellettri in elk rijk binnen een uitgestrekten kring te verbreiden.
+
+Gedurende de middeleeuwen diende het Latijn als wetenschappelijke
+taal, omdat de moderne talen toen nog in staat van kindschheid
+verkeerden. Thans zou het eerste door zoo even gemelde secundaire
+verbetering tegengewerkt worden, terwijl zulk eene aanwending van
+het Latijn, voor het voortbrengen der primaire verbetering van gering
+nut zou zijn, omdat het nationale gevoel der volken nog te sterk is,
+om hen die laatste verbetering sterk te doen wenschen en om hen de
+volkstalen tot ondergeschikte rollen te doen bestemmen [3].
+
+Dat toevallig de Europesche volken gedurende de middeleeuwen het
+Latijn konden aanwenden om wetenschappelijke denkbeelden uit te
+drukken, heeft echter het hier voor geschiktmaken der moderne talen
+vertraagd. Hiermede kan nu vergeleken worden de hulp door den wind en
+de insecten aan de planten, ter overbrenging van het stuifmeel van de
+meeldraden der mannelijke bloemen naar de stampers, verleend. Deze
+hulp maakt dat de oorzaak, de organisatie der planten verbeterende,
+slechts weinig tracht om de onderlinge plaatsing der meeldraden en
+stampers doelmatiger te doen worden.
+
+Voor het eten van elk der onderscheidene soorten van organische
+stof, zooals bladeren, vruchten, dood en levend vleesch enz. zijn er
+diersoorten geschikt geworden. Bestonden er alleen plantetende dieren,
+zoo zou het totale aantal dieren veel geringer dan thans zijn, evenals
+bijv. Engeland minder bevolkt zou zijn, zoo van deszelfs rijkdom
+aan delfstoffen geen gebruik gemaakt werd. Onwaar is het echter dat,
+bij gemis van carnivoren, de plantetende dieren steeds menigvuldiger
+zouden worden.
+
+Hoe hooger de stand van beschaving der menschen zal worden, hoe minder
+het klimaat op hunne organisatie van invloed zal zijn en dus hoe
+meer zij in alle landen op elkander zullen gaan gelijken. Wanneer in
+de verre toekomst dit in hooge mate het geval zal zijn, zal welligt
+gelijkheid in geestontwikkeling grootendeels de keuze bij huwelijken
+bepalen.
+
+Het kan zijn dat de neiging, om voor de bestaande omstandigheden
+eene geschikte organisatie te verkrijgen, ook bestaat bij organische
+wezens andere hemelbollen bewonende, hoe of de natuur dier bollen
+ook zijn moge, en dus welke omstandigheden die wezens er ook
+mogen aantreffen. Naarmate die omstandigheden op zulk een bol meer
+verscheiden en veranderlijk zijn, zullen de er op wonende wezens,
+naar aanleiding van hetgeen op blz. 20 en 22 gezegd is, minder geschikt
+voor die omstandigheden zijn en aldus meer lijden, maar tevens (zooals
+later verklaard zal worden), meer in geestontwikkeling toenemen.
+
+Onze aarde kan nu misschien, wegens de ongelijkheid in verhitting
+welke zij, wegens hare betrekkelijke nabijheid van de zon ondervindt
+en, wegens de verschillen in aantrekking door zon en maan op de
+onderscheidene deelen van hare gesmolten kern uitgeoefend, betrekkelijk
+andere hemelbollen eene sterke verscheidenheid en veranderlijkheid
+van omstandigheden voortbrengen. Dat de zon bestemd is, om haar licht
+en warmte mede te deelen is evenmin juist, alsdat de menschen voor
+het hun bloed opzuigend ongedierte bestemd zijn, en het is zelfs de
+vraag, of het bezit der planeten van zwak elliptische banen en van
+eene betrekkelijk digte groepering om de zon, van geen accidentelen
+en tijdelijken aard is, en, of die planeten zich niet eenmaal zullen
+verspreiden en in derzelver normalen toestand zeer lange en zeer
+sterk elliptische banen om elkander, of om andere hemelligchamen
+bezitten. Alsdan dienen, derzelver bewoners zich naar geheel andere
+omstandigheden, dan de thans er bij-bestaande (waaronder behoort
+de gemiddelde uitwerking van de gesmolten aardkern op de aardkorst)
+te schikken.
+
+Tegelijk met de oorzaak, de organisatie der dieren, voor de
+levensomstandigheden, waarin deze verkeeren (hetzij daardoor die
+organisatie hoog of laag, ingewikkeld of eenvoudig wordt) geschikt,
+of anders gezegd die dieren betrekkelijk volmaakter trachtende te doen
+worden, poogt eene tweede constante oorzaak die organisatiën hooger op
+te voeren, dat is hen passende voor de stijgende geestontwikkeling der
+hen bezittende wezens te doen worden. Die tweede oorzaak vermindert
+meer de betrekkelijke volmaaktheid dier organisatiën, naarmate zij
+sterker gedrongen wordt, te werken, evenals bijv. het sterker groeijen
+van jongelieden deze teringachtiger doet worden.
+
+Zoo bijv. een dier hoogere levenstoestanden opzoekt verheft zich
+zijn geest en dien ten gevolge ook zijn ligchaam, maar, wegens
+de werking der traagheid, kan die verheffing (evenmin als de
+geschiktwording voor veranderde omstandigheden) in korten tijd in
+genoegzame mate geschieden. Vrij geschikt zijnde voor zijne vroegere
+levensomstandigheden, wordt het dier aldus ongeschikter voor de
+nieuwe omstandigheden en aldus betrekkelijk onvolmaakter. Gaat
+het even snel voort met naar hoogere levensomstandigheden te
+zoeken, zoo zal zijne organisatie zich eindelijk wel even sterk
+als die omstandigheden verhoogen, maar steeds evenveel hierbij ten
+achteren blijven en dit in sterkere mate doen, naarmate die zucht
+naar hoogere levensomstandigheden sterker is. Die achterblijving kan
+bijv. vergeleken worden met de spanning der lijn, waarmede een paard
+eene schuit voorttrekt, hoe harder het paard loopt, hoe grooter
+de spanning dier lijn wordt. Vandaar dat, van de op deze aarde
+levende wezens, die het traagste opwaarts zijn gestegen, zooals de
+infusiediertjes en dergelijken, de volmaaktste en wij menschen de
+betrekkelijk onvolmaaktste zijn.
+
+De verhooging der organisatie der dieren geschiedt naar ons inzien,
+evenals, (zie blz. 7), de geschiktwording er van voor de bestaande
+omstandigheden, deels door den wil (of anders gezegd door zekere
+soort van eigen denking der dieren) deels zonder, maar wel op
+aansporing hiervan, eene wijze van verhooging dier organisatie door den
+schrijver der Natuurlijke geschiedenis der Schepping de geheimzinnige
+inwendige aandrift genaamd [4]. Een paard alleen kan geen spoortrein
+voorttrekken, hierin moet het door de stoomkracht geholpen worden,
+doch geschiedt dit laatste slechts in zulk eene mate, dat de trein
+iets trager zou bewegen dan het paard zulks verlangt, zoo zal dit
+niet alleen tot die beweging bijdragen, maar zelfs de impulsie
+er toe geven. De beweegkracht, alsdan door het paard uitgeoefent,
+kan vergeleken worden met de verhooging der organisatie der dieren,
+ten gevolge van de werking van hun wil, alsmede met de genezing van
+patiënten ten gevolge der geneeskundige behandeling. De beweegkracht,
+in zulk een geval door den locomotief geleverd, is daarentegen
+vergelijkbaar met de verhooging der organisatie der dieren en met de
+genezing der patiënten buiten hun toedoen door de Natuur.
+
+Hoe lager, bij gelijkheid van geestelijken aanleg, de geestontwikkeling
+en dus gemiddeld ook de ligchamelijke organisatie van eenig dier is,
+hoe geringer de invloed van zijn wil betrekkelijk die der Natuur op
+de veranderingen zijner organisatie zal zijn; terwijl bij de planten
+uitsluitend de Natuur, zoo voor derzelver geschiktwording, als voor
+de verhooging van derzelver organisatie zorgt.
+
+De zucht naar het hoogere werkt bij de menschen als een harstogt,
+de leiding der rede behoevende, omdat de vooruitgang anders niet
+steeds in de goede rigting, of wel te snel geschiedt, zoodat de
+geschiktwording voor meer nederige levensomstandigheden er te veel
+aan opgeofferd wordt. Hoe menigmalen wordt toch aan de menschen niet
+gezegd, dat aanzien, magt, rijkdom en zelfs kennis hen niet gelukkiger
+kunnen maken, dat zij met een bescheiden lot tevreden moeten zijn, en
+toch trachten zij opwaarts te gaan, en hebben zij in zooverre gelijk,
+dat zij betrekkelijke volmaaktheid en geluk niet met volstrekten
+stilstand willen koopen.
+
+Een geoefende timmermansknecht zal baas worden, maar hiervoor de
+noodige kennis en kapitaal missende, in zijne nieuwe positie meer
+bekrompen moeten leven dan in de vorige en misschien zelfs van het
+huwelijk moeten afzien. Stelt men nu, dat al de kinderen van zulk soort
+bazen insgelijks bazen worden en dat de kinderen van hen, die knecht
+gebleven zijn, knechten worden, hoe kunnen dan bij gene de geboorten
+de sterfgevallen en bij deze laatste de sterfgevallen de geboorten
+overtreffen? Zoo iets zou niettemin noodig zijn, om uit eene generatie,
+uit enkel knechten bestaande, andere generatiën te doen voortspruiten
+steeds en meer en meer en eindelijk uitsluitend uit bazen zamengesteld,
+zoo er geen drang naar het hooge bij de menschen bestond.
+
+Evenmin zal nu een zeehond, de levenswijze van een otter trachtende aan
+te nemen en in organisatie wat tot die van zulk een dier naderende,
+het beter hebben en meer jongen verkrijgen dan zijne makkers, welke
+bij hunne oude gewoonten gebleven zijn. De verhooging der organisatie
+der dieren door de Natuurkeus veronderstelt echter zoo iets en kan
+aldus niet bestaan.
+
+Naar ons inzien heeft die verhooging plaats gehad, op eene wijze,
+in hoofdzaak overeenkomende met de hypothese door den schrijver der
+Natuurlijke geschiedenis der schepping op blz. 62 en volgende van
+het vervolg van zijn werk voorgesteld.
+
+Gesteld dat de hoogten van organisatie der verschillende thans
+bestaande diersoorten aangeduid worden door de lengten der loodlijnen
+onder de horizontale lijn a van vorenstaande figuur, en dat, voor
+de aanduiding dier hoogte, elke diersoort hare bepaalde loodlijn
+bezit en wel eene meer naar den linkerkant, naarmate op hetzelfde
+oogenblik die diersoort eene hoogere organisatie bezit, betrekkelijk
+die der anderen. Zoo nu, tijdens het geologische tijdvak, waarin
+het organische leven op deze aarde begonnen is noemenswaardig te
+worden, al de diersoorten, zoo ligchamelijk als geestelijk, uiterst,
+weinig ontwikkeld waren, maar in geestelijken aanleg verschilden,
+zullen die van grooteren aanleg, zoowel ligchamelijk als geestelijk,
+sneller dan die van minderen aanleg voorwaarts gegaan zijn en aldus
+de loodlijnen, derzelver ligchamelijke ontwikkeling bij vorenstaande
+fig. aanduidende, meer links dan die van die diersoorten van lageren
+aanleg gelegen zijn. De loodlijnen, begrepen tusschen de horizontale
+a en de schuine lijn b, zullen dan de hoogten, welke de ontwikkeling
+der organisatie der verschillende diersoorten op een gegeven tijdstip
+bereikt hebben, aangeven.
+
+Zij, welke zich dan het meeste ontwikkeld hebben, zullen
+klaarblijkelijk achtervolgens de meeste veranderingen hebben ondergaan
+en het meeste aantal keeren schijnbaar uitgestorven zijn.
+
+Op blz. 22 hebben wij gezegd dat, naarmate die soorten sneller in
+organisatie veranderen, deze gemiddeld minder geschikt voor de
+omstandigheden, waarin die diersoorten verkeeren, zal zijn. Van
+daar dat, gedurende zulke snelle veranderingen, diersoorten, of
+somtijds werkelijk uitsterven, of althans minder individuen tellen
+dan wanneer de verandering van derzelver organisatie trager is. Van
+daar welligt het gemis aan overgangsvormen tusschen de gedurende den
+voorhistorischen tijd bestaande diersoorten, waarvan de schaarsche
+overblijfselen voor den dag gekomen zijn. Van elk dezer soorten is
+de stamboom te vergelijken met eene rivier, een snelleren stroom
+bezittende, naarmate derzelver bedding kleiner is. De grootte dezer
+komt dan overeen met het aantal individuen eener diersoort en de
+stroomsnelheid met de snelheid waarmede de organisatie te dier soort
+verandert.
+
+Op een later tijdstip dan het bovengemelde zullen de loodlijnen,
+tusschen de horizontaal a en de schuine lijn b' begrepen, de hoogten,
+welke de organisatie der verschillende alsdan bestaande diersoorten
+bereikt hebben, aanduiden, en, wanneer eenmaal de aard en beperktheid
+onzer planeet de verdere verhooging der alsdan aanzienlijk geworden
+ontwikkeling der diersoorten steeds sterker zal tegenwerken, de
+tijdvakken, gedurende welke eene soort een zeker bedrag in organisatie
+en geestontwikkeling klimt, al grooter en grooter worden.
+
+Veronderstellende dat bij het punt b' de meest beschaafde hedendaagsche
+Europeanen staan, zoo zullen zeer digt links van het snijpunt der
+lijnen b' en a de thans bestaande infusiediertjes staan en al de
+andere diersoorten, gerangschikt naar hare hoogte, van geestelijke
+ontwikkeling, tusschen dit snijpunt en het punt b' verondersteld
+moeten worden te staan.
+
+Een dier diersoorten zal nu staan bij het punt waar eene horizontale
+lijn, uit het punt b getrokken, de schuine lijn b' snijdt en deze
+soort bij minderen geestelijken aanleg, thans even sterk ligchamelijk
+en geestelijk ontwikkeld zijn als de bij het punt b staande voorouders
+der beschaafde volken van Europa in een uiterst ver verleden.
+
+Klaarblijkelijk heeft de ontwikkeling der diersoorten op eene meer
+zamengestelde wijze plaats gehad dan hierboven aangegeven is. Zoo
+kunnen bijv. accidentele oorzaken gemaakt hebben, dat eene diersoort
+tijdelijk trager in ontwikkeling is toegenomen dan eene andere van
+wat minderen aanleg, en alzoo tijdelijk lager dan deze in geestelijke
+ontwikkeling heeft gestaan. Iets dergelijks ontwaart men ook in de
+geschiedenis der volken. De Chinezen bijv. bezitten klaarblijkelijk
+minder aanleg dan de Duitschers, en niettemin waren zij voor achttien
+eeuwen beschaafder dan de Germanen. Deze hebben echter de Chinezen
+veel meer dan ingehaald, en het schijnt dat de geestelijke aanleg
+dezer laatste hunne beschaving thans weinig verder vermag te voeren,
+iets dat in de verre toekomst ook voor de Europeanen het geval zal
+worden, wegens de op blz. 31 gemelde die vergrooting in beschaving
+tegenstrevende invloed der woonplaats der menschelijke ligchamen.
+
+Buitendien zullen de bij de diersoorten van hoogeren aanleg als ware
+sterker gegroeide stamboomen, door de bovengemelde loodlijnen van
+fig. blz. 29 aangeduid, zich vertakt hebben en wel in meer takken,
+naarmate het verschil in ontwikkeling tusschen de gelijktijdig
+bestaande diersoorten grooter werd, omdat toen de verscheidenheid
+der door de aardkorst opgeleverde levensomstandigheden zulks ook werd.
+
+Somtijds zelfs zullen de stam, of eenige der takken uitgestorven
+zijn, somtijds de naburige takken van stamboomen meer of minder
+te zamen gegroeid zijn. Iets dergelijks ontwaart men ook bij
+menschenrassen. Deze zenden vertakkingen uit, zooals bijv. de
+Engelschen, waaruit de Amerikanen, de Nederlanders, waaruit de
+Kaapsche boeren voortgesproten zijn, en ook vermengen zij zich
+geheel, of gedeeltelijk met elkander, zooals bijv. de Angelsaxen
+met de Celtische Schotten, de Franken met de Galliërs enz. De lage
+stand der geestontwikkeling der dieren betrekkelijk die der menschen,
+maakt echter dat, bij gene naburige soorten slechts door onderlinge
+paring eigenaardigheden van elkander kunnen overnemen, terwijl bij
+de menschenrassen dit ook door het maatschappelijke verkeer kan
+geschieden.
+
+Slechts indirect en wel door strijd kan de eene diersoort de andere
+in geestontwikkeling doen toenemen, terwijl, wegens de zamenwerking
+der menschen en van deze en de tamme dieren, dit ook bij hen door
+onderwijs kan geschieden. Voorts bezitten de dieren niet zoo als
+de menschen de middelen, om door kunst voor zich de verschillen
+in klimaat, bodemgesteldheid enz. minder te doen worden, en (zie
+blz. 26) ten gevolge hiervan, hier en elders meer op elkander te gaan
+gelijken. Naarmate echter de geestontwikkeling eener diersoort hooger
+staat, is derzelver organisatie minder gevoelig voor verschillen
+in levensomstandigheden, of liever geschikter voor eene grootere
+verscheidenheid hiervan en is, evenals bij volken van hoogere
+beschaving, het leven bij zulk eene diersoort meer gevarieerd.
+
+De op blz. 30 gemelde hypothese wordt door de paleontologie bevestigd,
+daar deze toch leert, dat, hoe ouder de sedimentaire lagen zijn,
+hoe lager de hoogst ontwikkelde dieren zijn wier overblijfselen zij
+bevatten, alsmede dat van twee opvolgende sedimentaire lagen de lagere
+dier vormen in ontwikkeling minder dan de hoogere verschillen. Bij
+fig. blz. 29 wordt dit laatste aangeduid door het kleiner zijn der
+verticale distantiën tusschen de schuine lijnen b en b', naarmate
+men de snijpunten dier lijnen met de horizontaal a nadert.
+
+Het is mogelijk, dat thans bestaande diersoorten in enkele gevallen
+toevallig zoo gelijken op er mede in ontwikkeling gelijkstaande
+fossile soorten van hoogere en aldus individuen van meer aanleg
+bezittende stamboomen, dat men hen voor dieren van zeer naverwante
+soorten aanziet. Evenzoo waande eene Engelsche touriste, bij het
+zien der Fellahs van Opper-Egypte, zich in de tijden der aartsvaders
+verplaatst en aldus de voorouders der thans, wegens hun grooten aanleg,
+zoo beschaafde Israëlieten te ontmoeten. Even als de thans bestaande
+diersoorten eene reeks vormen van af de laagst staande infusiediertjes
+tot de Frankrijk, Duitschland en Engeland bewonende menschen, zoo
+ontwaart men thans op onze aarde volken op allerlei trappen van
+beschaving staande en in geestelijken aanleg nog al verschillende,
+zooals de wilden van Zuid-Australië, de Maories, de Ashantijnen,
+de Kabijlen, de Japanezen, de Columbianen, de Russen en eindelijk
+de Franschen.
+
+Eene eeuw geleden stonden deze laatste minder hoog in beschaving dan
+thans en evenaarden zij hierin de Russen van heden. Even als thans
+in Rusland, was toen in Frankrijk de lage volksklasse in onwetendheid
+gedompeld, de burgerij in snelle opkomst en de adel nog bevoorregt.
+
+Tijdens de bloedige burgeroorlogen der Ligue waren de Franschen
+nog minder beschaafd dan gedurende de vorige eeuw en in beschaving
+evenaarde zij de thans bestaande en in bloedige twisten gedompelde
+Columbianen.
+
+Tijdens den bloei van het leenstelsel en de zamenspanningen der
+leenmannen tegen de koningen was de beschaving der Franschen nog
+lager dan tijdens de Ligue en kon zij met die der Japanezen van heden
+gelijkgesteld worden.
+
+Ten tijde van Cesar was de beschaving der Galliërs niet hooger dan die
+der hedendaagsche Arabieren van Algerië en vervulde Vincengetorix,
+de kampioen der nationaliteit in den krijg tegen de beschaving,
+eene rol, veel op die door Abdelkader gespeeld, gelijkende. Bij de
+oudere Galliërs deden de Druïden ter eere der Goden binnen teenenpoppen
+menschen verbranden, en thans ziet men de Ashantijnen menschen offeren
+ter eere hunner goden en overleden vorsten.
+
+Gaat men nog verder terug, zoo ontmoet men digt bij Frankrijk de ruïnen
+der meerdorpen, namelijk die der woningen van een volk dat, even als
+thans de Maories, sterkten bouwde, stoffen weefde en onbekend was met
+het gebruik der metalen, even als thans de Maories nog zouden zijn,
+zoo er geen Europeanen op hunne eilanden geland waren.
+
+Eindelijk in Frankrijk een laatsten terugtred doende, zoo ontmoet
+men aldaar de tijdgenoten van den mammouth en van den holenbeer,
+namelijk een volk wiens beschaving wel niet hooger dan die der thans
+minst ontwikkelde stammen van Australië gesteld kan worden.
+
+Bij volken van minder geestelijken aanleg ontbreekt de toename
+in beschaving door eigen ontwikkeling niet. Toen bijv. de hooger
+in aanleg dan de oude Mexicanen zijnde Spanjaarden onder Cortes in
+Mexico kwamen, waren zij gedurende de toen laatst verloopen eeuwen
+meer in beschaving dan de Mexicanen toegenomen, doch de oorkonden
+dezer laatste maakten melding van hervormers en van het ontstaan van
+vrij groote rijken aldus van toename in beschaving.
+
+Constante oorzaken van verschil in zeden, godsdienst wetenschap,
+moraal en uitzigt der menschen zijn den trap van geestontwikkeling of
+beschaving, de grond en luchtgesteldheid en den volksaard. Accidentele
+omstandigheden maken echter, dat, even als bij de diersoorten, (zie
+blz. 22), die onderscheidene zaken bij de volken meer uiteenloopen,
+dan ten gevolge dier verschillende constante oorzaken, even als
+bijv. bij personen van denzelfden leeftijd, beroep en woonplaats,
+de wijze waarop zij gekleed gaan, zoo zij zich niet op de voor hen
+doelmatigste wijze kleeden, maar onafhankelijk van elkander ook hunne
+grillen en individuele opvattingen van schoonheid raadplegen. [5] Wel
+tracht de op blz. 20 gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak,
+die onderscheidene zaken zoo doelmatig mogelijk voor de volken,
+met inachtneming van derzelver stand van beschaving, karakter en
+landsklimaat te doen worden, doch gedurig worden zij hierin door
+op nieuw ontstaande accidentele omstandigheden gestoord. Dit een en
+ander maakt nu, dat er tusschen eenig thans bestaand volk, en de op
+een even hoogen trap van ontwikkeling als dit staande voorzaten van
+een thans beschaafder volk zekere gelijkenis, maar tegelijk ook zeker
+verschil bestaat, waarvoor men bijv. de Galliërs met de Kabijlen van
+heden kan vergelijken. Evenzoo zullen de thans bestaande grootste
+apensoorten tegelijk gelijken op en verschillen met de voorouders
+der Europeanen, toen deze op den trap van geestontwikkeling dier
+hedendaagsche apen stonden.
+
+In elke maatschappij bestaan er voor menschen, op dezelfde hoogte
+van geestontwikkeling staande, verschillende geschikte werkkringen,
+terwijl er beroepen bestaan voor de meest en anderen voor de minst
+beschaafde leden van een zelfde volk geschikt.
+
+Gesteld nu dat leden van een zeer onbeschaafd volk beroepen kiezen,
+dat de meest ontwikkelde onder hen krijgsman en priester en de
+minst ontwikkelde landbouwer en lastdrager worden: voorts, dat die
+beroepen erfelijk zijn en eindelijk, dat zulk een volk van lieverlede
+in beschaving klimt tot die thans in Nederland bestaande, wat zal er
+dan plaats hebben?
+
+De met dierenvellen omhangen en met knods en werpspies gewapende
+krijgslieden van voorheen verkrijgen tot nakomelingen soldaten in
+laken gekleed en met achterladers gewapend. De met amuletten omhangen
+priesters herkennen hun toga en bef dragende nakomelingen niet. Van den
+in eene uit boomtakken zamengestelde hut wonende en met een ruw steenen
+werktuig den bodem omwroetende landbouwer van voorheen, bewonen de
+nazaten hofsteden en wordt door hen de voor den ploeg gespannen paarden
+gemend, terwijl van den naakten lastdrager de nakomelingen gekleed
+zijn, handwagens voortduwen, of wel als koetsier fungeren. Buitendien
+zijn de beroepen in aantal vermeerderd, de onbeschaafde krijgsman van
+voorheen bezit tot nakomelingen infanteristen, artilleristen, mineurs
+enz.; van de fetische priesters stammen af professoren in de theologie,
+aalmoezeniers en monniken, de primitieve landman bezit tot nazaten
+wijngaardeniers, bouw- en weiboeren en de lastdrager van voorheen,
+koetsiers, fabriekarbeiders, matrozen enz. Een hiermede vergelijkbaar,
+maar veel grooter verschil bestaat er nu tusschen de thans bestaande
+diersoorten en de alleroudste uiterst weinig ontwikkelde stichters
+hunner stamboomen. De wijzen waarop de dieren hun voedsel magtig
+worden, kunnen namelijk met de beroepen der menschen vergeleken worden.
+
+Zeer verschillende wijzen van voeding kunnen van dieren evenveel
+geestontwikkeling vorderen, doch dit is volstrekt niet altijd het
+geval. Meer geestontwikkeling wordt er bijv. vereischt bij dieren,
+welke moeten klauteren, om vruchten en noten te plukken, dan bij die
+zich met gras en kruiden voedende, meer, wanneer zij vleesch moeten
+eten en aldus vlugtende en zich verbergende prooijen moeten vangen,
+dan wanneer zij slechts naar plantenvoedsel te zoeken hebben, meer,
+wanneer hunne prooijen grooter zijn en dus schaarser voorkomen,
+dan, wanneer deze uit overal fladderende insecten bestaan, meer,
+wanneer zij, vleeschetende zijnde, het land, dan wanneer zij de zee
+bewonen enz.
+
+De primitieve op blz. 30 gemelde uiterst weinig ontwikkelde diersoorten
+kunnen nu verschillende wijzen van voeding en alzoo ook van leven
+(natuurlijk veel minder van elkander verschillende, dan die der
+heden bestaande diersoorten) aangenomen hebben. Van die primitieve
+diersoorten kunnen er nu twee zeer weinig in aanleg verschild hebben
+en de eene plant- en de tweede vleeschetende geworden zijn, echter
+met dien verstande, dat de laatste slechts gemakkelijk te vangen
+prooijen te bemagtigen had.
+
+Van elk tijdperk moeten echter de hoogst ontwikkelde diersoorten
+doorgaans de krachtigste en best gewapende diersoorten van dit tijdperk
+geweest zijn.
+
+Zoo nu elk dier primitieve diersoorten derzelver wijze van voeding op
+hare nakomelingen overgedragen heeft, deze weder op de hare enz. tot
+op heden, zoo is het gemakkelijk te begrijpen, dat hare zoo veel meer
+dan zij ontwikkelde nazaten, een veel minder dan voorheen uniformen
+bodem bewonende, veel meer dan zij van elkander in organisatie en
+wijze van leven moeten verschillen.
+
+Aan de thans bestaande roofdiersoorten staan die van het katten en
+hondengeslacht hooger dan de insectenetende zoogdiersoorten alsmede
+dan de gras en kruidenetende diersoorten, doch dat zij hooger staan
+dan de verschillende op boomen klauterende en noten bolsterende
+apensoorten is zeer twijfelachtig.
+
+Dieren, in gedaante en levenswijze veel verschillende, kunnen in aanleg
+en geestelijke ontwikkeling zulks veel minder doen dan met andere
+dieren, waarmede zij in uitzigt meer overeenkomen. Olifanten moeten
+bijv. in geestontwikkeling minder met honden dan met rinocerossen
+verschillen. Die laatste dieren leven toch niet zooals de eerste
+gezellig bij elkander, en buitendien zijn zij ontembaar en bezitten
+zij niet de geestontwikkeling voor het gebruik maken van een langen
+snuit gevorderd wordende.
+
+Voor de diersoorten van hetzelfde geslacht kunnen de voorouders hun
+bloed eenigzins met elkander vermengd hebben, en, zoo zij van eene
+enkele soort afstammen, moet deze nog al lager dan hen gestaan en
+betrekkelijk zeer veel vroeger dan hen bestaan hebben.
+
+Zoo bijv. de verschillende soorten van het kattengeslacht afgestamd
+zijn van eene enkele soort van katachtige dieren, moeten deze,
+in eene even ontwikkelde en verscheiden natuur als hunne nazaten,
+geleefd hebben. Het is aldus moeijelijk te verklaren, hoe voor de
+verschillende groepen dezer, de levensomstandigheden zoo zeer met
+elkander zijn gaan verschillen, dat, naar aanleiding van hetgeen
+op blz. 9 gezegd is, elk dier groepen zoo in soortkenmerken van de
+andere moest gaan verschillen, dat de lust tot paring met deze verdween
+[6]. Zoo echter die gemeenschappelijke stamvaders der katachtige dieren
+ver achterwaarts van hen staande zeedieren geweest zijn, laat zoo iets
+zich beter verklaren, doch het is de vraag, of de geslachtkenmerken
+eener diersoort niet geheel onafhankelijk van den invloed der andere
+soorten van ditzelfde geslacht, door de op blz. 7 gemelde neiging
+tot geschiktwording voor gelijksoortige levensomstandigheden, in
+verschillende landen kunnen ontstaan.
+
+De noodzakelijkheid om bijv. in streken, sterk door groote plantetende
+dieren bewoond en aldus in het bezit eener weelderige vegetatie zijnde,
+hunne prooijen in eene hinderlaag af te wachten en hen te bespringen,
+kan dezelfde geslachtkenmerken gegeven hebben aan de leeuwen in
+Afrika, aan de gestreepte tijgers in Azië, en aan de jaguars in
+Z.-Amerika. Dezelfde strijdwijze heeft bijv. aan de tirailleurs der
+verschillende legers vrij gelijksoortige uitrusting en bewapening
+doen geven, zonder dat het eene leger daarvoor het voorbeeld van
+het andere noodig had. De ondervinding, door elk leger opgedaan,
+was hiervoor voldoende.
+
+De onjuistheid onzer laatste stelling zou alleen aangetoond worden, zoo
+bijv. onder de geslachtkenmerken der katachtige diersoorten er gebreken
+voorkwamen, door accidentele oorzaken ontstaan, door overerving
+voortgeplant en door de meergemelde oorzaak van geschiktwording
+van lieverlede uitgeroeid wordende. Zulke gebreken kunnen aan elke
+diersoort van een geslacht moeielijk anders dan bij het bestaan van
+bloedverwantschap tusschen hen medegedeeld zijn, even als bijv. het
+bezit van beerenmutsen door tirailleurs van verschillende legers
+moeijelijk anders dan door navolging te verklaren is.
+
+Zoo daarentegen de diersoorten van een geslacht, door in ontwikkeling
+toe te nemen, eene gemeenschappelijke vroegere wijze van leven voor
+eene nieuwe vaarwel gezegd hebben, kunnen zij, wegens de werking
+der traagheid, allen nog eene zelfde eigenaardigheid, goed voor
+die vorige, maar ondoelmatig voor die nieuwe wijze van bestaan,
+bezitten. Zulke veranderde eigenaardigheden (zooals bijv. de
+zwemvliezen der pooten der nimmer zwemmende fregatvogels) vormen
+alsdan gebreken, welke echter veel minder zeker dan de hierboven
+gemelde op bloedverwantschap tusschen die verschillende diersoorten
+wijzen. Evenzoo vindt men bijv. in vele legers heden nog kurassiers,
+ofschoon de thans bestaande vuurwapenen het nut der kurassen hebben
+doen verdwijnen. Deze bestaan echter, niet doordat de departementen
+van oorlog van verschillende staten eene gril eener hunner nagevolgd
+hebben, maar wel, doordat allen te traag geweest zijn, om het vroeger
+wel, maar thans niet meer doelmatige bij tijds afteschaffen.
+
+Om de op blz. 30 ontwikkelde hypothese te bewijzen, zouden de geraamten
+van althans eenige leden van elk der vroegere generatien van elken
+stamboom opgedolven moeten worden en men, bij die stamboomen steeds
+achterwaarts gaande, gemiddeld tot steeds lagere, maar in wijze van
+voeding eenigzins met elkander overeenkomende diervormen moeten
+komen. [7] Om het onmogelijke, vooral voor de overblijfselen van
+landdieren, hiervan na te gaan, behoeft men slechts te bedenken,
+dat van die dieren het verrotten der beenderen slechts kan worden
+belet, wanneer hunne lijken overdekt worden met veen, vulcanische
+asch, opgestoven zand, of in holen nederploffende kalk en wanneer
+zij door beken of rivieren naar opslibbende, of verzandende meeren,
+of zeevakken gevoerd worden.
+
+Wij hebben zooeven gesproken van gemiddelde verlaging, daar bij
+uitzondering de latere generatien eener diersoort eene lagere
+organisatie dan derzelver voorouders kunnen verkrijgen. De Schrijver
+der Sporen der Natuurlijke geschiedenis der schepping, stelt bijv. dat
+de nazaten van althans sommige der groote landhagedissen van het
+secundaire tijdvak gedurende het tertiaire tijdvak de slangenvorm
+aangenomen hebben.
+
+Nu kan het zijn dat, toen de magtige landzoogdieren en landvogels
+in groote hoeveelheden optraden, het land als ware door twee legers
+veroverd geworden is en dat hierdoor die landhagedissen tot binnen
+holen en digt struikgewas terug gedrongen en in aantal vermindert zijn.
+
+De drang tot geschikt wording voor nieuwe en lagere
+levensomstandigheden kan toen laatstgemelde dieren sterker achter,
+dan die tot het hoogere voorwaarts hebben doen gaan, zoodat eene
+resulterende verlaging en voor de nieuwe levenswijze der dieren
+betrekkelijke verbetering hunner organisatie later op die terugdringing
+gevolgd is en het cijfer der geboorte weder op dat der sterfgevallen
+gebragt heeft, zie blz. 12.
+
+Iets hiermede vergelijkbaar wordt ook bij den strijd tusschen de
+volken waargenomen.
+
+Verovert bijv. een dezer het grondgebied van eenig ander volk en dringt
+het dit terug tot binnen woeste bergstreken, zoo zal laatstgemeld
+volk, om zich in zijne nieuwe positie beter te handhaven en er
+voor geschikt te worden, op een lager standpunt van beschaving dan
+vroeger moeten gaan staan, en, in plaats van te leven van landbouw
+en handel, zulks grootendeels van stroopen moeten gaan doen. In zulk
+een geval kunnen bijv. de Montenegrijnen, na den inval der Turken in
+het Illyrische schiereiland, verkeerd hebben. Thans echter kan die
+drang tot geschiktworden voor zekeren toestand bij hen weder zwakker
+dan die tot verhooging geworden zijn en zij aldus, na een tijdelijke
+achteruitgang, thans weder in beschaving stijgen.
+
+Wanneer een volk een ander, of leden daarvan, op gelijken trap
+van beschaving als dit eerste volk staande, gaat overheerschen,
+zooals bijv. plaats heeft bij volken, hunne krijgsgevangenen tot
+slavernij veroordeelende, zal de neiging tot geschikt wording voor
+nieuwe toestanden dit eerste volk in beschaving vooruit en het tweede
+achteruit doen gaan.
+
+Bij beiden te zamen genomen kan dan die dwang tot geschiktwording
+den graad van beschaving even groot laten. Staat het eerste volk in
+beschaving hooger dan het tweede, iets dat gemiddeld plaats zal hebben,
+zoo zullen die voor en achteruitgang beide kleiner worden en zelfs
+kunnen omkeeren, omdat bijv. het contact met zijne meer beschaafde
+meesters, de levensomstandigheden van het in dienstbaarheid gebragte
+volk sterker kan verhoogen, dan die dienstbaarheid, op zich zelf
+genomen, het verlaagt. Dit bijv. was het geval met de uit Afrika naar
+N. Amerika gevoerde en aldaar tot slavernij veroordeelde negers.
+
+Heeft daarentegen het omgekeerde plaats, zoo zal de verhooging in
+beschaving van het overheerschende volk en die in barbaarschheid van
+het dienstbare sterker zijn dan in het eerste geval.
+
+Zoo iets heeft plaats gehad na den inval der barbaren in de wingewesten
+van het Romeinsche rijk, en zoo men nu zamen voegt de beschaving der
+barbaren en die der onderdanen van Rome voor dien inval, en die som
+vergelijkt met die na den inval, is het de vraag of de eerste som
+veel kleiner dan de tweede geweest is, tengevolge dat accidentele
+omstandigheden de verlaging der eene natie grooter dan de verhooging
+der andere hebben doen worden. Buitendien bedenke men wel, dat de
+beschaving, niet enkel uit intellectueele, maar tevens uit morele
+ontwikkeling bestaat. Beide trachten nu op eene overeenkomstige hoogte
+te gaan staan, zoodat de intellectuele ontwikkeling, door onderwijs
+bevorderd wordende, de zedelijke ontwikkeling absoluut grooter zal
+doen worden, ofschoon het de vraag is, of de eischen der maatschappij
+dan niet eveneens gestegen zijnde, de menschen alsdan beter hier aan
+zullen voldoen en betrekkelijk deugdzamer en volmaakter dan vroeger
+zullen zijn. [8]
+
+Verhooging, zoowel in zedelijke als in intellectuele ontwikkeling,
+vereischt zekere inspanning, en zelfs wordt zekere inspanning,
+waaraan wij allen gewoonlijk behoefte hebben, vereischt, om de
+geestontwikkeling niet te doen dalen. Ontstaat er nu door zekere
+verzadiging van rijkdom en magt, gebrek aan veerkracht en matheid,
+zoodat men zich zelf die inspanning niet gunt, zoo daalt eerst
+de zedelijke ontwikkeling en sleept zij de intellectuele in haren
+val mede.
+
+Dit bijv. was het geval in de Romeinsche wingewesten ten tijde van
+den inval der barbaren.
+
+In morele ontwikkeling stonden deze welligt hooger dan de door hen
+overwonnen volken, even als tijdens het begin der Romeinsche republiek
+zulks bij de zegevierende Romeinen het geval was. Bij deze stond
+toen de morele ontwikkeling hooger dan de intellectuele. Dat voorts
+toeneming in beschaving en dus ook in absolute welvaart en rijkdom
+met zedebederf gepaard zou gaan, is geheel bezijden de waarheid. De
+beschaving toch versterkt de maatschappelijke banden en dus ook het
+onderling hulpbetoon en de beredeneerde opoffering voor de publieke
+zaak. Zij maakt dat men meer om de toekomst geeft en aldus minder aan
+de neigingen van het oogenblik toegeeft, zij verhoogt de werkzaamheid
+en vervangt den blinden moed door eene uit plichtbesef ontstaande
+dapperheid.
+
+De hooger geestelijk ontwikkelde menschen overheerschen de minder dan
+zij geestelijk ontwikkelden, hetgeen bewezen wordt door de betrekking
+tusschen meesters en dienstboden, door die tusschen de hooger standen
+en de lagere volksklassen, door het kiezen van hoofden onder de meer
+beschaafden door het gepeupel en door de betrekkingen tusschen de
+Europeanen en de inboorlingen hunner kolonien.
+
+Dit heeft eveneens plaats bij de dieren, doch bij deze bestaat er
+geene zamenwerking tusschen de heeren en de onderdanen, maar slechts
+een leven der eersten ten koste der laatsten.
+
+Zoo bijv. verslinden de roofvogels de lager dan zij in
+geestontwikkeling staande granen etende vogels, vele kleine vogels
+verslinden insecten, zeevogels visschen, deze weder weekdieren;
+terwijl, wanneer de lager staande dieren eene grootere ruwe kracht
+bezitten dan de hooger staande waarmede zij in contact komen, deze
+laatste middelen bezitten om, of gene te ontwijken, of zoodanig aan
+te vallen dat hunne kracht nutteloos wordt.
+
+Even als eene gansche kudde schapen eene grootere totale ruwe kracht
+bezit dan een wolf en niettemin deze eenige van de schapen rooft,
+zonder dat deze makkers door collectieve handeling zich hiertegen
+weten te verzetten, zoo overheerscht een betrekkelijk klein aantal
+Europeanen millioenen Hindoes of Javanen en in beide gevallen
+heeft de duur van die en de berusting in die overheersching haar
+gerechtvaardigd. Klaarblijkelijk zouden toch de schapen, zoo zij
+vonden op eene voor hunne eigene geestontwikkeling door de wolven te
+vernederen de wijze behandeld te worden, zie blz. 43, hunne positie
+omhoog trekken, even als bijv. de Israëlieten zulks gedurende en na
+de middeleeuwen, de meest beschaafde Galliers (onder anderen die tot
+geestelijken stand behoorende), zulks na den vermeestering van Gallie
+door de Franken en zooveel tot groot aanzien gekomen vrijgelaten
+slaven, zulks onder de Romeinsche keizers gedaan hebben.
+
+Dat de roofdieren beter gewapend zijn dan de dieren welke zij
+bemagtigen, spruit althans in de meeste gevallen voort uit hunne
+meerderheid in geestontwikkeling, want op blz. 28 hebben wij
+aangegeven, hoe de impulsie tot verhooging der organisatie door
+den eigen wil der dieren ontstaat. Buitendien zouden de wapens der
+roofdieren hen van weinig nut zijn, zoo eene hoogere geestelijke
+ontwikkeling dan die van de door hen bemagtigde dieren, hen niet in
+staat stelde er een doelmatig gebruik van te maken.
+
+Een rund met de tanden en klaauwen van een leeuw, en zich alleen met
+vleesch kunnende voeden, zou van honger sterven, zoo hij niet even als
+dit roofdier prooijen wist op te sporen, zijn sprong wist te meten,
+en de opvoeding zijner jongen zoover wist te drijven, als dit bij de
+roofdieren het geval is.
+
+Beschaafde volken overwinnen wilde stammen, door tegenover de pijlen en
+lanzen en onzamenhangende werking dezer stammen, te stellen vuurwapens
+en zamenwerking. Voor dit laatste wordt er eene hoogere geestelijke
+ontwikkeling gevorderd dan die der wilden, en eigenlijk is zulks voor
+het gebruik van vuurwapens ook het geval, wegens de noodzakelijkheid
+om het geschut te transporteren, de vuurwapens te repareren, buskruid
+te vervaardigen enz.
+
+Waren de dieren ligchamelijk onsterfelijk, stoorde geene
+accidentele oorzaken van de op blz. 22 gemelde constante oorzaak
+tot geschiktwording gedurig de werking en bestond er geen drang
+tot verhooging der geestelijke ontwikkeling, zoo zou eindelijk elke
+diersoort, over anderen in ontwikkeling lager dan zij staande soorten,
+eene heerschappij, geevenredigd met derzelver overmaat van geestelijke
+ontwikkeling, uitoefenen, en zij daarentegen door anderen, hooger
+dan zij staande diersoorten, op hare beurt in reden van het verschil
+tusschen hare geestontwikkeling en die dezer hooger staande soorten
+overheerscht worden.
+
+Geen dier zou dus alsdan eenige reden bezitten om over zijn toestand
+ontevreden te zijn en de aarde worden een eentoonig paradijs, waarin
+van vooruitgang geene sprake meer zou zijn.
+
+De drang tot vooruitgang maakt echter, dat, bij eene volgens de
+opgegeven wijze bepaalden graad van overheersching, de overheerschte
+soorten de over haar uitgeoefende heerschappij gemiddeld even sterk
+zullen trachten te verzwakken (zooals bijv. door het beter ontvlugten
+van roofdieren) als de heerschappij voerende soorten haar nog sterker
+zullen trachten te doen worden (zooals bijv. door het behendiger vangen
+van prooijen door roofdieren). Hierdoor zal er tusschen die heerschers
+en beheerschter een strijd ontstaan, van beide zijden met gemiddeld
+evenveel kracht gevoerd wordende en waarin aldus gemiddeld aan beide
+zijden evenveel voordeel behaald zal worden, zoodat de verschillen
+in geestontwikkeling tusschen beide soorten even groot blijvende,
+de heerschappij der eene over de andere zulks gemiddeld ook zal doen.
+
+De inspanning, door zulk een strijd gevorderd, bij beide partijen
+alsdan even groot zijnde, zal beider geestontwikkeling even veel doen
+stijgen en aldus bovengemelde verschillen hierin even groot laten. De
+overheerschte soort wordt door zulk een strijd in geestontwikkeling
+en dus ook in positie verhoogd, maar daarom niet gelukkiger. De
+handwerksman, die niet alleen voor zijn gezin moet zorgen, maar
+ook zijne geldelijke belangen tegenover zijne bazen of werkgevers
+moet verdedigen, zal bijv. niet gelukkiger zijn dan den onbezorgden
+minder ontwikkelden slaaf, en het roofdier, dat beter dan vroeger
+prooijen kan vangen, het niet ruimer en rustiger dan toen hebben,
+zoo (zie blz. 38) die prooijen moeijelijker te vangen geworden zijn.
+
+De verhouding tusschen de geboorten en de sterfgevallen zal aldus
+na zulk eene verhooging bij die roofdieren niet gunstiger voor
+eerstgemelde worden.
+
+Daar echter door zulk een strijd gebrek aan geschiktheid voor de
+omstandigheden, waarin de dieren verkeeren, levendiger dan anders
+gevoeld zal worden, zoo zal hij tevens strekken om de organisatie
+dier dieren sterker dan anders voor die omstandigheden geschikt te
+doen worden.
+
+Zoo van de overheerschte soort, tijdens zulk een strijd, de positie te
+laag voor de geestontwikkeling is, zal dit te laag zijn dier positie
+die ontwikkeling trachten te verminderen, terwijl de strijd ze tracht
+te vergrooten. Bij de overheerschende soort de positie te hoog voor
+de geestontwikkeling zijnde, zoo zal gene lager en deze ontwikkeling
+hooger worden en beiden trachten zich naar elkander te schikken. De
+strijd nog in het bijzonder die geestontwikkeling trachtende te
+verhoogen, zoo zal dit dan bij die diersoort wegens twee oorzaken
+geschieden. Bij beide die soorten te zamen genomen zal aldus, even
+als in het vorige geval, de strijd de geestontwikkeling en dus ook
+de positie verhoogd hebben.
+
+Na de nederzetting der Germanen in de vroegere Romeinsche wingewesten
+zijn bijv. de eerste meer in beschaving gestegen dan de vroegere
+onderdanen van Rome er in gedaald zijn.
+
+Zelfs wanneer twee diersoorten even hoog staan en even magtig zijn,
+zullen zij strijden om elkander te overvleugelen en, wegens de hiervoor
+gevorderde inspanning, beiden in geestontwikkeling verhoogen.
+
+Iets dergelijks bestaat ook op maatschappelijk gebied, zooals bij de
+concurrentie der verschillende industriën, der arbeiders en bazen,
+der politieke en religieuse partijen, der spelers, legers en zelfs
+der regeringen en volksvertegenwoordigers, want, al handelen geen
+dezer beiden in strijd met de wet, zoo trachten zij niettemin op
+elkanders gebied te dringen en, bij gelijke inspanning van beide
+zijden, zal de verhouding van beider magt gemiddeld constant blijven,
+maar beiden in talent toenemen.
+
+Hoe digter opeengehoopt de dieren binnen zekere streek zijn, hoe
+moeilijker elk derzelve het noodige voedsel zal kunnen bekomen, en
+daar dit integendeel gemakkelijker zal geschieden, wanneer hunne
+organisatie beter voor de omstandigheden, waarin zij verkeeren,
+geschikt is, zoo zal, naarmate dit laatste meer het geval is, bij den
+toestand, waarbij elk dier gemiddeld het noodige heeft, (namelijk die
+waarbij er niet meer dieren geboren worden dan sterven), deze binnen
+zulk eene streek meer opeengehoopt zijn.
+
+De eene helft der dieren van elke soort zal, bij het bestaan van
+dien toestand, wat meer en de andere helft er van wat minder dan dit
+noodige bezitten, en bleven zij dan steeds op deze aarde voortleven,
+zoodat er geen nieuwe zouden geboren worden en waren zij niet gedurig
+aan de werking van storende accidentele oorzaken blootgesteld, zoo
+zou elk dier dieren in een standvastigen toestand komen, waarbij het
+juist het noodige zou bezitten. Alsdan toch zouden de in overvloed
+levende, wat minder goed voor hunne middelen van bestaan gaan zorgen
+en tegelijk hunne organisatie zich naar dien overvloed schikken,
+zoodat deze er van lieverlede minder misbaar voor zou worden, totdat
+zij eindelijk met een gemiddelde zorg voor hun bestaan, niet meer
+dan het noodige zouden hebben.
+
+Evenzoo zal een arm geworden mensch harder gaan werken, ten einde
+minder te kort te komen, maar tegelijk zijne behoeften verminderen. Hoe
+minder hij nu te kort komt, hoe geringer die overmaat van arbeid
+zal worden, om geheel te verdwijnen, wanneer hij geen gebrek meer
+heeft, althans zoo die meerdere werkzaamheid niet eene behoefte voor
+hem wordt.
+
+Hoe zamengestelder de levensomstandigheden van dieren zijn, hoe meer
+tijd de op blz. 7 gemelde constante oorzaak noodig heeft, om hunne
+organisatie voor hunne levensomstandigheden geschikt te maken. Van
+daar, dat er reeds voor het leven in den Oceaan goed georganiseerde
+visschen bestonden, tijdens dat er nog slechts gebrekkig georganiseerde
+landdieren aanwezig waren.
+
+De ten gevolge der snelheid, waarmede (zie blz. 27) derzelver
+ontwikkeling stijgt, ontstaande ongeschiktheid der organisatie der
+diersoorten voor de omstandigheden waarin deze verkeeren, maakt dat
+alsdan accidentele oorzaken gemakkelijker, even als op blz. 23 gezegd
+is, verschillen tusschen de soorten kunnen daarstellen. Naarmate toch
+verschillende diersoorten, in dezelfde omstandigheden verkeerende,
+allen hiervoor minder geschikte organisatien bezitten, kunnen deze
+bij grootere onderlinge verschillen allen even goed voldoen.
+
+Wordt daarentegen de ongeschiktheid der organisatie van elk dier
+diersoorten uiterst gering, zoo zullen zij uiterst weinig van elkander
+moeten verschillen en aldus, wanneer eenmaal de organisatien der
+diersoorten opgehouden zullen zijn met in ontwikkeling te stijgen, er
+kleinere verschillen tusschen de nabij in dezelfde levensomstandigheden
+verkeerende dieren bestaan dan thans.
+
+Het zoo evengemelde bestaat ook op maatschappelijk gebied, want toch
+iets, bijv. een werktuig, tot zeker doel dienende, kan slechts op eene
+wijze geconstrueerd zijn en tegelijk volmaakt voldoen; terwijl er eene
+grootere verscheidenheid van allen even goed voldoende constructien
+mogelijk is, naarmate deze allen minder voldoen. Het is dan zelfs
+wenschelijk zulk een verscheidenheid toe te laten, daar men dan, door
+na te gaan waarin elk derzelver uitmunt, gemakkelijker meer volmaakte
+constructien kan vinden. Op de instellingen, de manieren van leven
+en zelfs op de karaktertrekken der menschen is dit ook van toepassing.
+
+De wederkeerige versterking van het geschikt worden voor zekere daden
+van eenig deel der organisatie der dieren en het verrigten van zulke
+daden beslist het pleit tusschen de beweringen, dat bijv. vogels
+vliegen, omdat zij vleugels hebben, of wel deze bezitten om te kunnen
+vliegen. Beide beweringen zijn waar. De allereerste pogingen om zich
+van den bodem te verheffen, ten gevolge van den op blz. 27 gemelden
+drang, leiden namelijk tot vorming der eerste rudimenten van vleugels
+en, wegens de zeer trage toeneming der poging om te vliegen gedurende
+eene reeks van generatien, bleven bij elk dezer de werktuigen, voor
+het in zulk eene mate vliegen, als door elk dier generatien gewenscht
+werd, zeer weinig in gebreke.
+
+Iets hiermede vergelijkbaar heeft ook op maatschappelijk gebied
+plaats. Zoo zou men bijv. kunnen vragen: genieten de studenten hooger
+onderwijs (wel te verstaan in de gezonde beteekenis van dit woord)
+omdat er universiteiten bestaan? of wel: bestaan er universiteiten om
+studenten hooger onderwijs te doen genieten? Klaarblijkelijk konden
+de Batavieren geene universiteiten stichten, al gevoelden zij de
+noodzakelijkheid om hunne jeugd eenig onderwijs te doen genieten.
+
+De pogingen hiertoe door onze onbeschaafde voorouders aangewend,
+kunnen nu vergeleken worden met die, welke de vetganzen of manchots
+tot vliegen doen.
+
+Evenmin als bij de organisatie eener diersoort, staan in de
+Maatschappij, wegens de werking van accidentele oorzaken, de
+verschillende zaken op dezelfde hoogte. Ten gevolge van den drang
+tot geschiktwording van het een voor het ander, trekt hetgeen het
+hoogste staat het tegelijk lager staande omhoog en omgekeerd, terwijl,
+wegens den op blz. 27 gemelden drang tot verhooging, het gemiddelde
+van beiden verhoogt.
+
+De kop en vooral de hersens der dolphijnen schijnen ons bijv. op
+een hoogeren trap van ontwikkeling te staan dan het achterlijf dier
+zeezoogdieren, en eveneens staan in de Maatschappij de inrigtingen
+van liefdadigheid op een hooger standpunt dan het tweegevecht. Wat
+houdt echter dit voor onze Maatschappij achterlijke gebruik in
+stand? Eenvoudig het door de werking der traagheid bestaande gemis aan
+zamenwerking bij het publiek, waardoor dit de zaak der beleedigden niet
+genoegzaam opneemt en de beleedigers door verachting niet genoegzaam
+straft, om gene te ontslaan van het zich verschaffen van eigen regt.
+
+Evenzoo staat thans bij de volken van Middel-Europa (in tegenstelling
+van gedurende het begin der middeleeuwen) de godsdienst te laag
+betrekkelijk de wetenschap, en tracht deze thans hier te lande op
+de gemengde scholen gene op te heffen, terwijl op de sectescholen de
+godsdienst de wetenschap omlaag tracht te brengen.
+
+Bij uitzondering kunnen sommige zaken te hoog staan voor de eischen der
+omstandigheden, ofschoon gemiddeld, wegens de werking der traagheid,
+het tegenovergestelde plaats heeft. Die uitzondering bestaat bijv. bij
+nieuwe kinderkleederen, welke op den groei gemaakt worden; terwijl
+groeijende kinderen gemiddeld voor hen te kleine, of als ware
+achterlijke kleederen dragen.
+
+Zulk een tijdelijk te hoogen stand van iets, kan ontstaan, doordat zulk
+eene zaak vroeger, door te laag voor de eischen dier omstandigheden te
+staan, groote rampen heeft te weeg gebragt, en dat sommige menschen,
+sterk met de zucht bezield om dit te verhelpen, wegens de werking der
+traagheid (waardoor men iets doende, niet op het gepaste oogenblik
+weet uit te scheiden) zulk eene zaak te hoog opvoeren.
+
+Dit is bijv. het geval met het toekennen van het kiesregt aan de
+onbeschaafde klassen onzer Maatschappij, met het gemis der doodstraf
+in Saxen, en met het bestaan der republiek in Frankrijk tijdens de
+revolutie van 1789. De republiek is een geschikte vorm van regering,
+daar waar er een sterken geest van zamenwerking tusschen en eerbied
+voor de wet bij de burgers bestaat. Waar echter deze hiervoor te
+onbeschaafd zijn, kunnen zij echter met eene lager staande deugd dan
+de eerbied voor de wet, namelijk met trouw bezield zijn, en het is nu
+op deze, bij sommige dieren, zooals bijv. de hond, bestaande deugd,
+dat de monarchie en het feodale stelsel gebouwd zijn.
+
+Neemt de Maatschappij met zekere snelheid in beschaving toe, zoo wordt
+zij hierdoor betrekkelijk onvolmaakter, omdat de inertie der menschen
+maakt, dat al de maatschappelijke inrigtingen niet bij tijds voor de
+nieuwere en hoogere behoeften geschikt gemaakt worden.
+
+Zoo bijv. binnen een staat het absolute stelsel goed werkt en de
+bevolking neemt sterker in gemasseerde en zamenwerkende geestelijke
+ontwikkeling toe dan de regering, zal zij over het bestuur ontevreden
+worden.
+
+Maakt de vergrooting der bevolking en dien tengevolge gemiddeld die
+der beschaving, dat steden zich uitbreiden, zoo neemt de drukte op
+straat toe, en vroeger genoegzaam breede straten worden later te
+smal gevonden.
+
+Het Noord-Hollandsch Kanaal voldeed 40 jaren geleden goed aan de
+behoeften van den Amsterdamschen zeehandel, en thans hebben de
+toegenomen behoeften van dien zeehandel dit kanaal te bekrompen
+hiervoor gemaakt.
+
+Wegens gebrek aan geest van zamenwerking bij de leden der Maatschappij,
+moet deze, als geheel werkende, in sommige gevallen aan hare leden
+dwang opleggen. De hiertoe strekkende instellingen zijn thans, nu die
+geest van zamenwerking bij de individuen toegenomen is, veelvuldiger
+dan wenschelijk is.
+
+Wanneer eenige instelling van hoogeren aard wordt en aldus met zekere
+snelheid verandert, zullen er ware en ingebeelde belangen gekwetst
+worden, en, wegens de werking der traagheid, des te meer, hoe sneller
+de opwaartsstreving dier instelling geschiedt. Laatstgemelde grieven
+moeten door de slijtende werking van den tijd verdwijnen terwijl,
+eene slechts, wegens het effect der traagheid, na zekeren tijd
+mogelijke betere inrigting dier tot hooger gestreven instelling aan
+de eerstgemelde grieven te gemoet kan komen.
+
+Wegens dit effect der traagheid zullen bijv. vroeger in het water
+levende dieren, tot landdieren opgeklommen zijnde, in hunne organisatie
+deelen bezitten, door dit leven op het land op eene ongunstige wijze
+aangedaan wordende en somtijds eerst na een reeks van generatien de
+op blz. 7 gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak dien euvel
+wegnemen.
+
+Wegens de werking der traagheid zullen eerst, lang nadat het drooge
+voor landdieren bewoonbaar geworden was, in het water levende
+diersoorten noemenswaardig tot landdieren opgeklommen zijn en dit
+bij die soorten bij een lageren trap van organisatie geschieden,
+naarmate van derzelver thans bestaande nazaten de organisatie lager is.
+
+Goed voor het leven op het land georganiseerde dieren verdrinken
+in het water en in overeenkomst hiermede zou een bijna perpetuelen
+oorlogstoestand, zoo als bij de wilden, beschaafde volken ten gronde
+rigten.
+
+Als een verouderd deel der organisatie van eenig tot eene hoogere
+levenswijze opgeklommen diersoort kunnen de in ingekrompen toestand nog
+bestaande zwemvliezen van den fregatvogel beschouwd worden. Hiermede
+kan nu vergeleken worden den hinderlijken en verouderden band tusschen
+staat en kerk thans in Engeland bestaande, doch, even als voor de
+lager dan hen staande en nog zwemmende voorouders der fregatvogels die
+zwemvliezen nuttig waren, zoo was, tijdens de regering van Elizabeth,
+bij het toen allerwege bestaande verband tusschen de godsdienstige
+voorschriften en de burgerlijke wetten, de koppeling van kerk en
+staat noodig voor het weren van vreemden staatkundigen invloed.
+
+Even als voorts thans voor de lager dan de fregatvogels staande eenden
+de zwemvliezen zeer nuttig zijn, kan bijv. thans in het lager dan
+Engeland staande Abyssinië, voor de aldaar bestaande christelijke
+kerk het schild van den staat vereischt worden.
+
+De graad van zamenwerking tusschen de individuen, bij de dieren slechts
+zeer gering, wijst den stand aan der maatschappelijke beschaving. Die
+zamenwerking nu verhoogt den aard van den strijd noodig voor de
+vergrooting der geestelijke ontwikkeling der individuen. In plaats van
+strijd, slechts het persoonlijk eigenbelang tot motief bezittende,
+wordt het strijd door het publiek belang uitgelokt, zooals bij het
+oorlogvoeren van natiën, bij den aanleg van groote werken, bij de
+bestrijding van (naarmate de mensch zich meer van den natuurstaat
+verwijderd, de bevolking digter wordt en het verkeer toeneemt)
+hinderlijker wordende maatschappelijke kwalen enz. [9]
+
+Den strijd, het eigenbelang tot motief bezittende, ondergaat ook,
+naarmate de maatschappij beschaafder wordt, verandering, daar in
+plaats dat er dan bloed bij gestort, er geld bij omgewisseld wordt,
+zoodat de een te veel en de ander te weinig geld voor zijne behoeften
+bekomt, een kwaad, wel minder in het oogvallende dan het vergieten
+van bloed, maar dat niettemin bestaat.
+
+Wegens de werking der traagheid, voert de betrekkelijk snel in
+beschaving toegenomen maatschappij eene voor haar stand van beschaving
+gemiddeld te lage soort strijd. Echter moeit men vermijden om de voor
+de thans bestaande maatschappij in sommige gevallen noodzakelijken
+en nuttigen oorlog te willen afschaffen, omdat men hem voor eene
+hoogere denkbeeldige maatschappij in alle omstandigheden te barbaarsch
+vindt. Zoolang toch de internationale zamenwerking tusschen de staten
+niet zoo groot is, dat sommige hunner, in het belang van allen te zamen
+en van de menschheid, afstand doen van deelen van hun grondgebied,
+zonder door nederlagen hiertoe gedwongen te worden, zoo lang zal
+de oorlog noodzakelijk blijven ter verbetering der verdeeling van
+den aardbodem in rijken, zonder nog te gewagen van het regt tot
+defensieven oorlog.
+
+Bij de dieren van dezelfde soort bestaat er te weinig zamenwerking
+om hen te leiden, om zich te vereenigen tot groote met elkander
+strijdende groepen en slechts ziet men hen somtijds elkander prooijen
+betwisten. Bij onbeschaafde volken is de geest van zamenwerking te
+gering om te vormen groote groepen in wier boezem er niet gevochten
+wordt, zoodat bij hen de politie en de regtbanken in een rudimentairen
+toestand verkeeren. Een ieder behoort bij hen maar te strijden om
+zich regt te verschaffen en buiten de mogelijkheid zijnde om dit te
+beletten, of iets verhevener er voor in de plaats te stellen, hebben
+de regeringen van zulke volken gewis gelijk zoo zij het tweegevecht
+aan zekere regels binden.
+
+De dieven voeren voorzeker binnen onze maatschappij een voor de
+belangen dezer veel te lage soort van strijd, die buitendien den meer
+verheven strijd, welke tot verhooging der beschaving leidt en door
+de met elkander zamenwerkende leden der maatschappij gevoerd wordt,
+belemmert. Desniettemin toonen de kunstgrepen, welke die dieven
+moeten verzinnen en de behendigheid, welke zij moeten bezitten aan,
+dat hun bedrijf strekt tot vergrooting van die lagere soort van
+geestontwikkeling, welke men in Sparta trachtte te bevorderen,
+doch met het oogmerk om er slechts in den oorlog partij van te
+trekken. Bij meer verhevene wijzen van oorlogvoeren mag dit laatste
+zelfs niet gedaan worden en zijn de antagonisten, als leden der
+de gansche menschheid bevattende maatschappij gehouden, terwijl
+zij tegen elkander strijden, met elkander zamen te werken in den
+meer verheven strijd door die gansche maatschappij tegen ziekten,
+vijandige elementen enz. gevoerd. [10]
+
+Klassen der maatschappij kunnen met elkander zamenwerken, zooals
+bijv. de bazen en werklieden, bij het uitvoeren van publieke werken,
+het fabriceren van voorwerpen en, zonder derzelven gemeenschappelijke
+belangen te benadeelen, te zamen strijden, zoo dit bestaat in wettig
+concureren bij het opdrijven der loonen van de eene en het laag houden
+dezer van de andere zijde.
+
+Dat de werklieden thans trachten zamen te werken is een teeken
+dat hunne intellectuele ontwikkeling en tegelijk hunne behoeften
+gestegen zijn en moet, voor zoo verre die zamenwerking tot geene
+daden van geweld aanleiding geeft, gunstig werken op de toename
+in geestontwikkeling van al de klassen der maatschappij. Deze toch
+derzelver onderlinge distantie willende behouden, zoo moet een stoot
+voorwaarts bij de eene, dergelijke stooten bij de andere klassen tot
+gevolg hebben.
+
+Dat men niet alleen de menschen iets nuttig, of anders gezegd, iets ten
+bate der geschiktheid der Maatschappij voor de omstandigheden waarin
+deze verkeert, gesticht hebbende, hoogschat, maar insgelijks hen in
+eere houdt, die de geestontwikkeling van eene menigte individuen sterk
+hebben doen toenemen, bewijst de betooverende werking van roemrijke
+daden. Deze toch strekken meestal meer om de individuen te doen
+vooruitgaan door strijd van lagere of hoogere soort, door inspanning
+van hunne vermogens, dan om de maatschappij gelukkiger te maken.
+
+Even als strijd tusschen twee diersoorten en zelfs tusschen dieren
+van dezelfde soort, leidt tot verbetering hunner organisatie, zoo
+leidt de strijd tusschen de fabrieken tot verbetering der wijze
+van fabricering, zonder dat de fabrieken uitgebreid worden, of dat
+er in nieuwe wijze van bewerking (voortbrengselen van een hoogeren
+trap van beschaving) in praktijk gebragt worden, of, anders gezegd,
+dat de fabrieken passende voor een hoogeren trap van beschaving
+gemaakt worden. Die verheffing der industrie is wel is waar evenzeer
+een gevolg van industrielen strijd als de boven gemelde wijze van
+verbetering der fabricering, doch leidt niet voor de fabrikanten tot
+dezelfde uitkomsten als deze, want, terwijl die enkele verbetering
+zonder verheffing, wegens de geringe er voor gevorderde uitgaven en
+de zekerheid waarmede de fabriekanten te werk kunnen gaan voor deze
+voordeelig is, strekt de verheffing hunner fabrieken, wegens de groote
+er voor gevorderde uitgaven en de onbekendheid van den weg, waarop
+de fabrikanten zich begeven, deze dikwijls tot schade. Eerst later,
+wanneer alles meer in overeenstemming gebragt is met die op grootere
+schalen aangelegde en procedes, van hoogeren trap van beschaving
+getuigende, aanwendende fabrieken gebragt is, wanneer die procedés,
+zonder verdere verhooging er van, verbeterd zijn en dat het publiek
+zich op de hoogte dier bij hoogeren trap van beschaving passende
+fabrieken gesteld heeft, ontstaat er voordeel voor de fabriekanten.
+
+Alsdan dringen zulke fabrieken, die bij lageren stand van beschaving
+passende, tot op zekere distantie terug en onderwerpen hen in zekeren
+zin aan zich. Die minder hoog opgevoerde fabrieken kunnen dan wel is
+waar nog bestaan, doch moeten een meer bescheiden en anderen rol dan
+vroeger vervullen, om bij dien hoogeren trap van beschaving van het
+publiek nog te passen.
+
+Dit laatste vergelijkende met het inkrimpen der moerassen, zoo komen
+die lager staande fabrieken overeen met de in die moerassen levende
+kruipende dieren en de tot op een hoogeren trap geklommen fabrieken met
+de tot zoogdieren verheven dieren, nadat deze het drooge land in bezit
+genomen hadden, zie blz. 42. De bewerking van het ijzer in het groot
+en door middel van door stoom bewogen werktuigen, heeft wel is waar
+het smeden uit de hand van voorwerpen tot een geringer aantal hiervan
+beperkt, doch slechts tot zekeren grens teruggedrongen en buitendien
+worden er in de groote ijzerfabrieken ook voorwerpen, waarbij dit
+moeijelijk anders kan geschieden, uit de hand gesmeed en bewerkt.
+
+De ijzerindustrie staat bijv. hooger dan de houtindustrie, doch
+kan deze slechts tot zekeren grens terugdringen, daar, naarmate die
+houtindustrie vermindert, zij zich hoe langer hoe meer bepaalt tot
+het leveren van voorwerpen, niet slechts geschikter van hout dan
+van ijzer gemaakt kunnende worden, maar zelfs in het eerste geval in
+het gebruik beter voldoende. Men verkeert dus hierbij in een geval
+overeenkomende met dat op blz. 13 aangegeven. De gansche vernietiging
+van soorten van industrie behoort evenzeer tot de uitzondering, als,
+naar ons inzien, het uitsterven van soorten van dieren of planten.
+
+Evenmin als men, hetgeen op het gebied van vrijen handel en industrie
+gebeurt, kan opmaken uit hetgeen, waar de staat den eenigen industrieel
+en handelaar is, plaats heeft, dat evenmin kan men, uit hetgeen bij
+de tamme soorten plaats heeft, afleiden hetgeen bij de wilde geschiedt.
+
+Zoo bijv. het verbod om varkensvleesch te eten uit den Koran geschrapt
+werd, zouden de Muzelmannen meer varkens en minder schapen gaan houden
+en zou men nu hieruit mogen besluiten, dat in den strijd des levens
+de varkens eene belangrijke overwinning op de schapen behaald hebben?
+
+Hetgeen op blz. 21 gezegd is, dat met belastingen bezwaarde neringen,
+eindelijk in handen geraken van lieden, er zooveel minder voor gegeven
+hebbende, als de belasting gekapitaliseerd bedraagt, zou waar zijn,
+zoo die neringen in het geval verkeerden van met grondbelasting
+bezwaard wordende landerijen, of met huurwaarde bezwaard wordende
+huizen, (onverschillig of die belasting door de eigenaars of huurders
+betaald wordt), edoch zij doen dit slechts gedeeltelijk. Neemt de
+bevolking eener stad niet toe, zoo zal, na den invoer eener belasting
+op de huizen, deze allen ter bewoning aangeboden worden, en, daar de
+huurders er van wat bekrompener gaan wonen, het bod van huizen de vraag
+er naar zoo lang overtreffen, totdat de waarde er van tot bovengemeld
+bedrag gedaald is, de huurders weder even ruim als voor den invoer
+der belasting wonen en bod en vraag weder even sterk geworden zijn.
+
+Het aantal der bovengemelde neringen zal daarentegen na den invoer
+der belasting verminderen en buitendien de waarde er van gedeeltelijk
+bestaan uit die van zaken door arbeid gedurig op nieuw voortgebragt
+moetende worden. Van zulke zaken stijgt nu, door meerdere vraag
+dan bod de prijs na den invoer der belasting in zulk eene mate, dat
+deze niet alleen door de met patent belaste neringdoenden, maar in
+werkelijkheid door de gansche maatschappij (ter wier bate de opbrengst
+er van eindelijk komt) en wel gemiddeld in reden, van het vermogen
+van elk lid er van opgebragt wordt. [11]
+
+De onregtvaardigheid eener belasting op den arbeid, verdwijnt aldus
+door dat de arbeiders er eindelijk niet meer in deelen dan het
+gansche publiek, die van eene belasting op het geene vaste renten
+gevende kapitaal door den dood der bezitters dier kapitalen, en door
+de gewoonte hunner erven aan het bezit van minder fortuin. Zelfs
+al bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zou dit
+het geval blijven, omdat de menschen zich kunnen voegen naar het
+bezit van minder inkomen, mits hun werkkring tegelijk die wordt van
+personen van minder beschaving. De opvolgers, zoo van intellectuelen,
+als van handenarbeiders kunnen zich daarentegen niet voegen naar het
+bezit van minder verdiensten dan hunne voorgangers, zoo zij dezelfde
+soort van werk als deze willen blijven uitoefenen. Van daar, dat,
+wanneer zulk een arbeider en een kapitalist zich dezelfde moeite
+geven om niet te verarmen onder steeds toenemende druk, de eerste
+kan maken dat zijn loon niet beneden zeker bedrag gevoerd wordt en
+de tweede slechts dat zijn kapitaal niet al te snel wegslinkt.
+
+Bovengemelde neringdoenden verkeeren nu daaromtrent in tusschengelegen
+gevallen; deels wordt belast hun arbeid, of wel dien der fabriekanten,
+waarbij zij gestadig inkoopen doen, deels hunne bedrijfskapitalen,
+zooals werktuigen, uitstallingen enz. en daar beide zaken naauw
+verbonden zijn die arbeid te zamen, met de inkrimping der neringen,
+die bedrijfskapitalen beletten tot op het op blz. 21 aangegeven
+bedrag te dalen. Verteringsbelastingen kunnen aldus door de belaste
+personen slechts gedeeltelijk, door het grooter worden van het bod
+dan de vraag, en door tijdelijk eene meer bekrompen levenswijze te
+voeren, geladen worden op de bedrijfskapitalen van hunne leveranciers
+en van hen die hun woning, vervoer enz. verschaffen. Wordt nu dit
+slechts tijdelijk voelbare verlies over een groot aantal en eene
+groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen geladen, zoo zal,
+daar de behoeften van den Staat en die der ambtenaren ook door de
+bezitters van eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen
+voldaan worden en deze trachten te verhoogen, zelfs de tijdelijke
+onregtvaardigheid, na den invoer van zulke belastingen ontstaande,
+veel verminderd worden. Er bestaat eene oorzaak trachtende een ieder
+van het maatschappelijke kapitaal een deel te verschaffen, evenredig
+met van zijn stand van beschaving afhangende behoeften. Bezit hij
+minder dan dit voor hem geschikte deel, zoo zal hij (zie blz. 49)
+duurder dan gemiddeld zijn arbeid en producten trachten te verkoopen,
+en goedkooper dan gemiddeld trachten te koopen, terwijl, zoo hij meer
+dan zijn geschikt deel bezit, het omgekeerde zal plaats hebben. [12]
+
+Alle onregt is een gevolg der variatie der wereldsche zaken, ook bij
+den door belastingen teweeg gebragten druk. Bestond toch die variatie
+niet, zoo zou het slechtste stelsel van belasting eindigen met geen
+onregt te baren, omdat een ieder een vermogen zou verkrijgen dat,
+na aftrek der gekapitaliseerde belasting, die hij werkelijk zou
+opbrengen, het voor hem geschikte deel van het maatschappelijke
+kapitaal zou vormen.
+
+
+
+
+
+
+BESCHOUWINGEN OVER DE OORZAAK VAN HET KWAAD EN OVER HET DOEL VAN
+HET LEVEN.
+
+
+Het kwaad, zoowel het zedelijke als het stoffelijke, bestaat
+in ongeschiktheid van het eene voor het andere en het is even
+eigen aan het veranderlijke, als de volmaaktheid zulks is aan het
+onveranderlijke.
+
+Wegens de werking der traagheid, anders gezegd de neiging van alles
+om, zooals het geworden is, in stand te blijven, moet toch de op
+blz. 7 gemelde oorzaak van geschiktwording tijd noodig hebben, om
+haar doel te bereiken, maar zullen daarentegen volmaakte toestanden
+bestendigd worden.
+
+Het zedelijke kwaad, dat wij menschen verrigten en de inspanning
+en opoffering die deugdsbetrachting ons kost, ontstaan doordat onze
+geest niet op de hoogte is van de sedert de wording der maatschappij
+verhoogde eischen van ons zedelijk bestaan. Deze eischen vorderen
+opoffering van het genot in het heden ten bate, van het welzijn, zoo
+van andere menschen als van onze eigen toekomst. De eischen van het
+heil der onbeschaafde maatschappijen vorderen zoo iets veel minder,
+en die van den dierenstaat bijna niet. De dieren hebben toch bijna
+geen besef van hunne toekomst en kunnen zeer weinig zoo hiervoor,
+als voor elkander doen, en zoo elk hunner slechts zorgt voor zijne
+oogenblikkelijke behoeften, schiet hij bijna niet te kort in de
+vervulling der eischen van zijn zedelijk bestaan.
+
+De, betrekkelijk de toeneming in beschaving der maatschappij,
+zeer langzaam opwaarts gestegen dierenstaat, maakt dat, wegens het
+effect der traagheid, niet alleen de dieren minder ten achteren
+zijn met betrekking tot de eischen van hun zedelijk bestaan en
+aldus betrekkelijk minder zedelijk kwaad doen dan de menschen,
+maar ook dat bij hen het lichaam betrekkelijk den geest minder ten
+achteren is dan bij ons menschen. Ons lichaam tracht ons toch naar
+het dierlijke en aldus achterwaarts te trekken, ten einde den geest
+voor zich geschikt te maken, terwijl omgekeerd onze geest het lichaam
+opwaarts moet trachten te halen, hetgeen, zoo de geest niet ophoudt
+met in ontwikkeling toe te nemen, steeds aanhoudt en, wel is waar
+door de hulpmiddelen der geneeskunde wat gemakkelijker gemaakt wordt,
+maar niettemin het trage lichaam steeds achterlijk zal doen blijven.
+
+Ook de hartstogten kunnen hoog of laag zijn (het woord laag dan niet
+in den alsdan gebruikelijken zin bezigende). Wegens zooeven gemelde
+werking der traagheid, bezitten wij bijv. hartstogten, waaraan de
+dieren zich geheel kunnen overgeven, zonder aan de eischen, van hun
+zedelijk bestaan te kort te doen, doch die wij menschen sterk moeten
+bedwingen, omdat zij te laag voor de eischen van onze maatschappij
+zijn, te meer dewijl zij, wegens de hoogte waarop die maatschappij
+gestegen is, op eene meer uitgebreide schaal kunnen werken. Zie noot
+blz. 57.
+
+Zelfs de menschen staan daarin op verre na niet gelijk. De toegeving
+aan hartstogten doet bijv. de wilden minder kwaad dan ons beschaafde,
+en zelfs bij ons is dit kwaad geringer bij de lage dan bij de hooge
+standen. Zoo bijv. zal grootspraak van een ijverigen en bekwamen
+werkman weinig ergeren en dit daarentegen in de hoogste mate doen in
+den mond van een beschaafd mensch.
+
+Het op straat vechten van vischvrouwen maakt niet dezelfde indruk
+als dat van dames, en, dat wij daaromtrent aan beschaafde en niet
+beschaafde menschen verschillende eischen stellen, moet blijkbaar
+gegrond zijn op een verschil in de eischen van beider maatschappelijk
+en zedelijk bestaan.
+
+Het ligchaam der vrouwen, van dat der mannen verschillende, moet, daar
+het den geest der eerste voor zich geschikt tracht te doen worden,
+deze van die der mannen doen verschillen, zoo anders beider geesten
+niet onderscheiden zouden zijn.
+
+Voorts neme men in aanmerking; dat, terwijl het ligchaam, door met
+betrekking tot den geest te laag te staan, op eene directe wijze de
+vergrooting der geestelijke ontwikkeling belemmert, het deze op eene
+indirecte wijze, namelijk bij het gebruik der zintuigorganen en der
+ledematen, bevordert.
+
+Voor soorten van geestontwikkeling, welke als de verhevenste
+binnen eenige onbeschaafde maatschappij beschouwd worden, (bijv. die
+betreffende den oorlog en de jagt) kan nu die indirecte werking van het
+ligchaam der mannen gunstiger zijn dan van het ligchaam der vrouwen,
+en vorderen nu de eischen eener maatschappij, dat de sexe, welke minder
+aan huis gebonden is, meer leert, zoo zal bij die sexe de intellectuele
+ontwikkeling verder dan bij de andere gedreven worden, en de opvoeding
+bij beide sexen niet van denzelfden invloed op de hartstogten zijn.
+
+Die eischen kunnen nu langzaam in het voordeel der vrouwen, veranderen
+naarmate de maatschappij beschaafder wordt, doch zullen, wegens de
+werking der traagheid, gedurende die met zekere snelheid toenemende
+beschaving, steeds wat te veel in het voordeel der mannen gehouden
+worden. Van daar welligt dat de eischen van het welzijn der thans
+bestaande maatschappij vorderen, dat tusschen het de vergrooting
+der intellectuele ontwikkeling bevorderende onderwijs aan jongens en
+meisjes gegeven, het verschil geringer zij dan werkelijk het geval
+is. Neemt echter eenmaal de beschaving zeer weinig toe, zoo zal
+klaarblijkelijk dit verschil zoo groot worden als noodig en nuttig is.
+
+Ter opheldering van het hierboven en op blz. 56 gemelde, moeten wij
+opmerken, dat er op de verschillende trappen van beschaving tusschen
+de geestontwikkeling niet slechts een verschil in quantiteit, maar
+tevens ook in qualiteit bestaat. Op lagen trap van beschaving bevat
+toch de geest veel denkbeelden over strijd, zoo met natuurlijke als
+met kunstwapens, want men wane niet dat er geene andere denkbeelden
+bestaan, dan die in woorden uitgedrukt kunnen worden. Integendeel
+worden er vele door oefening in de eene of andere zaak verkregen,
+waarbij dit het geval niet is en de dieren moeten slechts zulk eene
+soort van denkbeelden bezitten.
+
+Het talent van een koorddanser zit bijv. niet in zijne beenen, maar in
+zijn geest. Hij bezit voor de spraak onuitdrukbare denkbeelden over de
+bewaring van het evenwigt door middel van zekere snelle bewegingen van
+het ligchaam, die een ander mensch, slechts van goede beenen voorzien,
+niet bezit.
+
+Zoo echter zulk een koorddanser het koord niet meer beklimt en zich
+bijv. op de wetenschappen gaat toeleggen, zullen zijne denkbeelden over
+de middelen ter bewaring van het evenwigt, zich steeds in den latenten
+toestand, of, zooals men zegt, uit zijn hooft bevinden, zij in dien
+toestand van lieverlede door ook deels voor de spraak niet uitdrukbare
+denkbeelden over de wetenschappen verdrongen worden, en de kunstenaar
+van lieverlede voor het loopen op het koord onbekwamer worden.
+
+Denkt men hierover na, zoo zal men gewaar worden, dat de waarde der
+wereld bestaat in den geest, anders genaamd de veropenbaring der
+zelfstandigheid door denking. Men bedenke bijv. dat, wanneer een
+zuigeling voor de eerste keer de aardsche voorwerpen ziet, wel is
+waar die aanschouwing tot het domein zijner denking behoort, maar nog
+geene beteekenis voor hem bezit. Die gezigtsvoorstellingen zijn voor
+hem even onverstaanbaar als voor een volwassen mensch, de woorden
+eener in eene hem onbekende taal uitgesproken redevoering. Door
+oefening, door met inspanning denken onder bezit van denkbeelden,
+in den niet latenten toestand verkeerende, moet het kind zich de
+beteekenis dier gezigtsvoorstellingen eigen maken, en, wanneer dit
+heeft plaats gegrepen, het ook met betrekking tot dit zien rijker in
+denkbeelden geworden zijn.
+
+Waren zelfs de ligchamen der dieren en menschen onsterfelijk, zoo
+zouden zij niettemin, aan allerlei uiterst onregelmatig voorkomende
+accidentele omstandigheden blootgesteld zijnde, wegens gedurig
+gebrek aan geschiktheid lijden. Zulk een gebrek leidt echter tot
+geestinspanning en als gevolg hiervan tot vergrooting der geestelijke
+ontwikkeling. Het gemis van zulke accidentele afwijkingen van een
+gemiddelden standvastigen toestand zou aldus, zie blz. 47, leiden tot
+een toestand, waarin er, wel is waar, noch lijden, noch ongeschiktheid
+van het een voor het ander meer zou bestaan, maar tegelijk de prikkel
+tot verderen vooruitgang gemist zou worden.
+
+De verhooging der geestelijke ontwikkeling der levende wezens door die
+hen lijden berokkende accidentele afwijkingen, sluit niet in dat elk
+dezer, (zooals bijv. die van den gemiddelden toestand der gesmolten
+stoffen binnen den aardkern, tijdens het bestaan van aardbevingen),
+zulk eene verhooging in geestontwikkeling teweeg brengt, dat er
+hierdoor eene vergoeding voor het er door teweeg gebragte nadeel
+ontstaat, noch zelfs dat zij elk, op zich zelve beschouwd, tot
+verhooging dier geestontwikkelingen zouden bestemd zijn [13].
+
+Dit zou eene kinderlijke en bekrompene wijze van natuurbeschouwing
+zijn. Slechts in zooverre men zulke accidentele of toevallige
+afwijkingen collectief met andere dergelijke afwijkingen beschouwt,
+valt in zekere mate zoo iets er van te zeggen, en wel in sterkere mate,
+naar gelang men hen collectief met meer andere soorten van accidentele
+afwijkingen beschouwt, en, slechts op een volstrekte wijze, wanneer
+alle mogelijke accidentele afwijkingen van gemiddelde toestanden te
+zamen beschouwd worden. Aldus, slechts in ruimte en tijd collectief
+beschouwd, vormen die afwijkingen iets algemeen en aanhoudend en,
+naarmate nu de natuurverschijnsels een meer algemeen en voortdurend
+karakter bezitten, komt het ons voor dat alles er bij meer voor
+elkander bestemd is [14].
+
+De eenvoudigheid der natuurwetten maakt bovendien dat tusschen oorzaken
+en gevolgen er zekere gelijkslachtigheid moet bestaan, zoodat van
+accidentele afwijkingen, zooals bijv. aardbevingen, stormen enz. bij
+het bestaan van zulke natuurwetten, aard niet kan bepaald worden
+door doelmatige wijzen om der menschen geestelijke ontwikkeling te
+verhoogen, aangezien dit laatste op geestelijk gebied behoort. Die
+eenvoudigheid dier wetten maakt, dat men kan leeren, terwijl de er door
+teweeg gebragte verscheidenheid en afwijkingen dit leeren bevorderen.
+
+Was het verband tusschen oorzaken en gevolgen, zoo als de
+supranaturalisten beweren, dan zouden de natuurwetten zoo uiterst
+zamengesteld zijn, dat de gevolgen van zekere gebeurtenissen onmogelijk
+zouden te gissen zijn en de ervaring geen leiddraad voor het handelen
+meer zou opleveren.
+
+Van daar dat er in het practische leven evenmin zuivere
+supranaturalisten als zuivere fatalisten bestaan. De onwetenste
+schipper, nimmer van natuurwetten en eene daardoor teweeg gebragte
+gelijkslachtigheid van oorzaken en gevolgen gehoord hebbende, maakt
+bijv. uit den staat van den atmospheer op, welk weder er te verwachten
+is en rigt zich hiernaar in.
+
+Even als Molieres bourgeois gentilhomme in proza sprak zonder dit te
+weten, zoo gedraagt zich aldus die schipper, zonder hiervan bewust te
+zijn, in strijd met zijne supranaturalistische religieuse beginselen,
+als naturalist, en neemt hij bijv. niet aan, dat voor of tegenwind
+van de zedelijke gehalte zijner passagiers afhangen, daar hij dan
+hun certificaat van goed gedrag zou moeten inzien, in plaats van op
+wolken en windwijzer te letten.
+
+Hoe minder intellectueel ontwikkeld de menschen zijn, hoe meer
+onmiddelijk de verschijnsels uit elkander voortvloeijen, waarvan
+het verwachten der eene uit het voorkomen der andere opgemaakt dient
+te worden; en met hoe minder kennis der werking der Natuurwetten op
+stoffelijk en geestelijk gebied zij aldus kunnen volstaan. Hieromtrent
+gemaakte dwalingen zullen aldus door zulke menschen minder dan door
+meer beschaafde opgemerkt worden, en buitendien heeft het bijgeloof
+minder invloed op de handelingen, dan men wel denkt. In plaats van
+deze te doen afhangen van goede of slechte voorteekens, waardoor het
+toeval de wijze van handelen zou bepalen, vallen, naarmate, wegens
+naturalistische oorzaken, zekere handelingen al of niet geraden
+geoordeeld worden, die voorteekens goed of slecht uit. Vaak toch
+bedriegen de menschen zich zelf en zien zij hetgeen zij raadzaam
+achten te zien.
+
+Wij hebben hierboven de directe en niet de indirecte gevolgen der
+verschijnsels in het oog gehad. Zoo is bijv. zeeziekte een direct
+gevolg der schommelingen van schepen ten gevolge der deining, maar
+de door deze teweeg gebragte bewondering en vrees, moet niet als een
+direct gevolg der golving der zee, maar als dat van zekere zinnelijke
+indrukken in verband met eene bestaande gemoedsgesteldheid beschouwd
+worden. Men heeft hierbij als ware eene andere reeks van oorzaken en
+daarmede gelijkslachtige gevolgen.
+
+Behalve de gemiddelde plaats hebbende vergrooting der geestontwikkeling
+der soorten bestaat die der wisselende individuen dier soorten.
+
+Deze, zeer gering bij de geboorte, klimt gedurende een beperkt
+aantal jaren tot de hoogte welke die der soort gedurende een veel
+grooter aantal eeuwen bereikt heeft; en daar die snelle verhooging
+der geestontwikkeling der individuen het gevolg moet zijn van eene
+snelle verhooging der levensomstandigheden, zoodat die individuen
+gedurig aan hoogere eischen moeten voldoen, zoo zal, wegens de
+werking der traagheid, bij elk individu die geestontwikkeling meer
+te kort schieten, dan bij de soort, zoo deze bijv. uit steeds op
+aarde voortlevende individuen bestond. In dit geval zou gewis de
+toename in geestontwikkeling der soort sneller zijn dan thans,
+daar bijv. eene generatie, op zeker tijdstip op den graad van
+geestontwikkeling harer soort staande, na bijv. 30 à 40 jaren een
+hooger standpunt van geestontwikkeling zal bereikt hebben, dan zoo
+op dit eerste tijdstip die generatie van ongeveer nul af aan alles
+moet leeren. In dit laatste geval zal zij echter gedurende zekeren
+tijd sneller in geestontwikkeling toenemen dan in het eerste, omdat
+in dit eerste geval er geen prikkel bestaat om zich op de hoogte der
+kennis van voorgangers te stellen. Dit geldt ook voor individuen van
+volgende generatiën met betrekking tot individuen van voorgaande,
+en vandaar dat bijv. menschen van hunne geboorte tot hun dertigste
+jaar meer leeren dan van af dien leeftijd tot hun zestigste jaar.
+
+Van af den achttienden tot den dertigjarigen leeftijd is de verhooging
+der eischen der levensomstandigheden op het sterkste en vandaar
+dat alsdan de geestontwikkeling, wegens de werking der traagheid,
+het meeste te kort schiet, de menschen uit gebrek aan ondervinding
+de meeste dwaasheden en euveldaden verrigten en zich daardoor het
+meeste benadeelen. Zelfs de uitmuntendste opvoeding kan dit kwaad
+slechts gebrekkig wegnemen, daar de menschen veel minder van andere
+menschen dan door eigen ondervinding kunnen leeren.
+
+Niet slechts dat, de snelle verhooging der menschen
+levensomstandigheden, de voor de vervulling der eischen dier
+omstandigheden gevorderde wijsheid meer te kort doet schieten, maar
+ook de accidentele veranderingen dier omstandigheden zullen, al wordt
+er hierdoor geene verhooging dier eischen daargesteld, wijsheid en
+ondervinding (wegens de op blz. 63 gemelde werking der traagheid)
+in gebreke doen zijn, wanneer er door, alsware nieuwe en onbekende
+toestanden daargesteld worden. Dit nu zal veel meer het geval zijn
+bij vrij kort, dan bij zeer lang op deze aarde vertoefd hebbende
+wezens, en aldus reeds wegens twee oorzaken de sterfelijkheid der
+individuen voor hen eene bron zijn van te kortschieten in wijsheid en
+ondervinding en dus ook van ramp, maar tevens van sterkere toeneming
+in geestontwikkeling gedurende een bepaalden tijd.
+
+Evenzoo als des menschen geest ten achteren blijft betrekkelijk de
+eischen der levensomstandigheden, doet het ligchaam zulks betrekkelijk
+den geest. Dit vooruit-zijn van deze laatsten, waardoor op het
+ligchaam eene vooruittrekkende werking uitgeoefend wordt, doet dit
+lijden en kan het zelfs ongeschikt maken om tegelijk met eene juiste
+werkdadige denking te bestaan. Vandaar het somtijds idioot worden
+van geleerde kinderen.
+
+Buitendien kan men op eene gebrekkige wijze op de hoogte zijn van
+hoogere levensomstandigheden dan die waarin men verkeert. Een kind
+kan bijv. in sommige opzigten te wijs zijn voor het kinderleven,
+zonder zelfs in dit opzigt, aan de eischen der levensomstandigheid
+van meervolwassenen te kunnen voldoen, niet wegens eene te lage,
+maar wegens eene scheve opvatting dier eischen. Zoo zal bijv. de
+republikeinsche regeringsvorm voor de Fransche natie, wanneer bij
+deze de eerbied voor de wet grooter en de bekoorlijkheid van het
+prestige van naam en roem geringer geworden zal zijn, geschikt worden,
+doch de alsdan vigerende republikeinsche constitutie waarschijnlijk
+beter zijn dan die gedurende het laatst der voorgaande eeuw en
+aldus in Frankrijk te vroeg ingevoerd [15]. Thans noemen zich
+de materialistische pantheïsten eene zeer geavanceerde partij
+op godsdienstig gebied, doch, wanneer het gros van het publiek op
+hunne hoogte gekomen zal zijn, zal dit geene hooger staande en minder
+kinderlijke, maar wel betere en minder eenzijdige godsdienstbegrippen
+dan zij aankleven. Krankzinnigheid, vaak ontstaande door het onvervuld
+blijven van wenschen, en waarbij het denken niet in overeenstemming
+is met de eischen der werkelijkheid, gaat, zooals bijv. bij sommige
+asceten, dikwijls gepaard met valsche voorstellingen van hoogere
+toestanden. Vandaar dat de geestelijke ontwikkeling van krankzinnigen
+gemiddeld niet lager is dan die van andere menschen en bijv. door
+Cervantes, bij Don Quichotte, zonder dezen onmogelijk te maken,
+vooral in het zedelijke op een hoog standpunt gesteld kon worden [16].
+
+Het achterlijk zijn van het eene met betrekking tot het andere,
+ontstaat alleen doordat de vooruitgang van het laatste dit alsware ten
+deele vernieuwd heeft, en is aldus een bijzonder geval der uitwerking
+der traagheid waardoor, wanneer iets verandert, iets anders, er mede
+in verband zijnde, niet terstond eene overeenkomstige verandering
+ondergaat.
+
+Wat doen nu de geavanceerde beginselen bezittende menschen en partijen?
+
+Zij ontwerpen instellingen, geschikt behoorende te zijn niet voor
+den bestaanden, maar voor toekomstige toestanden, en neemt men nu in
+aanmerking, hoe, door veranderingen in het verledene, de bestaande
+toestand nog min of meer nieuw is, zoo zal men beseffen, hoe veel
+meer nieuws veronderstelde toekomstige toestanden zullen opleveren,
+en hoeveel moeijelijker het wordt, om de eischen en aard hiervan dan
+van een bestaanden toestand te bepalen. Door menschen van evenveel
+talent en doorzigt ontworpen, zoo zullen ontwerpen van geavanceerde
+instellingen noodwendiger gebrekkiger zijn dan die van instellingen
+voor bestaande toestanden bestemd.
+
+Door de ondervinding ingelicht, zullen daarentegen de ontwerpers
+van instellingen voor verleden toestanden bestemd, deze volmaakter
+maken dan de instellingen werkelijk gedurende die verleden toestanden
+bestaan hebbende, mits de aard dezer niet te zeer onbekend geworden is.
+
+Zoo weten de menschen gemiddeld beter wat zij vroeger hadden behooren
+te doen, dan zij zulks vroeger geweten hebben en weten zij minder
+goed wat zij later zullen moeten verrigten, dan zij zulks later
+zullen weten.
+
+De miskenning der eischen van dezen thans bestaanden toestand, het
+zonder zulks te weten, voor oogen houden van hoogere toestanden dan den
+thans bestaanden, benevens de zeer gebrekkige kennis van den aard en
+eischen er van, hebben aanleiding gegeven tot het ontwerpen en zelfs
+tot het voor een deel in praktijk brengen van allerlei wel is waar
+buitensporige instellingen, wetten en gebruiken, maar waarbij de meeste
+der ontwerpers, deze in dit opzigt, gene in eenig ander opzigt, iets
+voorgesteld hebben werkelijk voor hoogere maatschappelijke toestanden
+geschikt. Die ontwerpers zijn te vergelijken met de pionniers, welke
+in Amerika en Australie de ontginners van den bodem in de wildernis
+voorafgaan, dikwerf verdwalen zij, doch niettemin wijzen zij aan het
+hen achterna komende gros van het menschdom den te volgen weg.
+
+Op wetenschappelijk en godsdienstig gebied is dit nu evenzeer het
+geval. De hierop geavanceerde stellingen en hypothesen, hoe eenzijdig,
+gebrekkig en somtijds zelfs buitensporig, bevatten meestal eenige
+vroeger onbekende waarheden, die wel vaak lang onbegrepen blijven,
+maar, telkens op nieuw verkondigt, eindelijk wortel schieten; terwijl,
+de tegelijk met hen voorgedragen dwalingen, van lieverlede in de
+vergetelheid geraken. Daar echter de wetenschap gemiddeld steeds
+voorwaarts gaat, houdt het opwerpen van geavanceerde stellingen niet
+op. Zekere dosis dwalingen, en wel gemiddeld eene grootere, naarmate
+de voortschrijding der wetenschap sterker is, blijft aldus steeds
+in omloop.
+
+Nemen wij bijv. de stelling van Bouddha, dat alle bestaan een kwaad
+is, zoodat de mensch, door onderdrukking zijner begeerten en door
+zedelijke veredeling, moet trachten op te gaan in het Nirwana en zich
+te onttrekken aan eene wedergeboorte. Vooreerst verstonden Bouddha
+en zijne aanhangers onder Nirwana het niet, of wel de oplossing in
+de oneindige onveranderlijke denking onder verlies der eigenaardige
+menschelijke natuur, en verstonden zij onder bestaan alle zijn hoe
+ook, of wel gevarieerde op die van ons menschen gelijkende wijzen van
+bestaan. De tweede onderstelling komt ons de aannemelijkste voor,
+daar de stelling, dat men zich door veredeling moet voorbereiden
+voor het niet ongerijmd is, en omdat daarop, zelfs bij de traagste
+Oosterlingen, geen godsdienst te bouwen is.
+
+In zooverre had echter Bouddha gelijk, dat veranderlijkheid bij het
+bestaan, wegens de werking der inertie-wet, ramp te weeg brengt,
+zoodat slechts eene, met onze geestelijke natuur niet overeenkomende
+onveranderlijke wijze van bestaan, met volmaakte zaligheid te
+vereenigen is en ook had hij gelijk door te stellen dat onderdrukking
+der begeerten, tot geluk leidt, doch hij had er bij moeten voegen,
+ook tot stilstand.
+
+Was toch die tweede stelling van Bouddha aanbevelingswaardig,
+zoo zouden de menschen, even als Diogenes, hunne stoffelijke en
+geestelijke behoeften moeten trachten te verminderen, en in zooverre
+als de ontwikkeling van handel, industrie en wetenschap meer dient om
+nieuwe stoffelijke en geestelijke behoeften te scheppen, dan om aan
+reeds bestaande behoeften te voldoen, zij gebreideld moeten worden. Bij
+het onderwijs zou dan alles wat kan strekken om de leerlingen een
+hoogeren graad van beelding, dan voor den maatschappelijken toestand
+hunner ouders past, te doen geven, zorgvuldig geweerd moeten worden.
+
+De indeeling der maatschappij in kasten behoorde alsdan weder te
+worden ingevoerd. Schadelijk voor den vooruitgang dier maatschappij,
+omdat de geest van routine er door opgewekt wordt en rijk begaafde
+individuen uit de lagere standen er door belet worden om op de
+maatschappij eene opheffende werking uit te oefenen, zoo bevordert
+daarentegen zulk eene indeeling de rust en tevredenheid, wanneer de
+kinderen van jongs af opgeleid worden voor de bekwame vervulling van
+den ouderlijken werkkring.
+
+De gilden en het staatstoezigt over handel en industrie zouden alsdan
+weder ingevoerd en vrije handel afgeschaft moeten worden. De vrije
+concurrentie gaat toch gepaard met een strijd, waarin de knapste
+industrielen de andere ten gronde trachten te rigten, waarin zij op
+middelen peinzen, om in het bedriegen van het publiek elkander de loef
+af te winnen en waarin een ieder dus maar, ten bate der verhooging
+zijner geestontwikkeling, maar moet zorgen om niet de verliezende
+partij te zijn.
+
+Wilden zou men slechts moeten trachten in den wilden toestand in
+gunstige omstandigheden te doen leven, maar zich overigens wel
+hoeden moeten om hen te beschaven, kortom men zou enkel aan de
+zucht tot geschiktmaking gehoor moeten geven. Dit echter wordt door
+de instinctmatige zucht tot vooruitgang, den mensch in veel hoogere
+mate dan de dieren deelachtig, onmogelijk gemaakt, maar tevens wordt,
+door het gehoorgeven aan die zucht, verklaard hoe de mensch, getooid
+met eene schoone, maar met distelen doorvlochte kroon, tegelijk is
+het verhevenste en het betrekkelijk onvolmaaktste, het edelst en het
+ongelukkigste wezen der aarde.
+
+Even als bij snellen gang troepen niet meer opgesloten blijven, maar
+zich verdeelen op den weg, doet de betrekkelijke snelle toeneming in
+geestontwikkeling van den mensen een groot verschil in verhevenheid
+ontstaan tusschen zijne denkbeelden betreffende de eene en de andere
+zaak. Van daar zekere disharmonie, zekere tegenstrijdigheid bij zijn
+wezen, die gevoegd bij de uitwerking der met elkander strijdende
+neigingen naar geluk en naar vooruitgang, hem in zijn eigen oog,
+zooals Pascal zeide, tot een onbegrijpelijk monster maken [17].
+
+Des menschen geest neemt te snel in ontwikkeling toe, om voor
+blijvende aardsche ligchamen geschikt te zijn, daar de aarde zelve
+het streven dier ligchamen naar hoogere ontwikkeling (volstrekt niet
+in vergrooting der gezondheid bestaande) belemmert. Het is dan ook
+verkeerd te beweren, dat de waarde van den geest hand aan hand gaat
+met die van het ligchaam uit het oogpunt van gezondheid en goede
+werking der verschillende organen.
+
+De menschen bijv. bezitten meer wijsheid, kennis en zelfs in het
+algemeen eene grootere geestelijke ontwikkeling, wanneer op hoogen
+leeftijd hun ligchaam gebrekkig geworden is, dan toen dit in vollen
+bloei verkeerde. Wanneer echter de zintuigen beginnen te begeven en
+alle bewegingen moeijelijker en vermoeijender worden, let men minder
+op hetgeen in de omgeving geschiedt en gezegd wordt. Geestelijk
+leeft men dan minder in het heden en op de plaats zelve waar men
+zich bevindt, en van daar het schijnbare gemis aan geheugen en die
+schijnbare botheid van geest welke de grijsaards met afgetrokken en
+diepzinnige personen gemeen hebben. [18] Bij de kinderen heeft het
+tegenovergestelde plaats, hunne denkvormen gelijken meer op die der
+dieren dan die der volwassenen. Geheel vervuld met het heden en de
+omgeving, ontgaat er weinig aan hunne opmerkzaamheid, doch worden
+hunne vroeger gemaakte denkbeelden snel uitgewischt door andere,
+ten gevolge van nieuwe zintuigelijke indrukken ontstaan.
+
+Ofschoon aan het leven gehecht, zouden de meeste menschen niet
+andermaal hun levensloop willen herhalen. Wel zouden zij wenschen hun,
+door inspanning en wegens gebrek aan ondervinding, onder betaling van
+leergeld, vooruitgeganen geest, aan een verjongd ligchaam te koppelen,
+doch niet in geestontwikkeling tot den kinderlijken toestand terug
+te keeren.
+
+De geest kan overigens bij alle graden van ontwikkeling jong of oud
+zijn, daar zulks afhangt, of dat hij zekere toestanden en omgeving
+sedert kort begonnen is met bewustheid te aanschouwen, of dat hij
+hieraan reeds lang gewoon geworden is, of, met andere woorden, van het
+verkrijgen van nieuwe denkbeelden, of van het behouden der vroegere.
+
+Werkte, bij de op eenigen hemelbol aanwezige ligchamen van wezens
+slechts de oorzaken hen voor de omstandigheden, door den aard van dien
+hemelbol opgeleverd, geschikt trachtende te maken, zoo zou zulk eene
+beschadiging dier ligchamen, dat het organische leven er niet meer
+bij mogelijk is, bij elke volgende generatie moeijelijker dan bij de
+voorgaande plaats hebben. Gemiddeld zou aldus elke generatie langer
+leven dan de haar voorgaande en van de, na een oneindig langen tijd
+bestaande, de ligchamen onsterfelijk zijn; terwijl reeds thans dit
+het geval zou zijn, zoo die constante oorzaak reeds gedurende eene
+eeuwigheid alleen gewerkt had.
+
+Tegelijk er mede heeft echter de oorzaak, de organisatie dier
+ligchamen trachtende te verhoogen, gewerkt, en daar nu de snelheid
+waarmede zulks geschiedt, zoo als op blz. 72 verklaard is, juist
+het tegengestelde effect der voorgaande oorzaak te weeg brengt,
+beide oorzaken, vereenigt werkende, de organische ligchamen uit de
+stoffen van zekere hemelbollen gevormd, wel meer zamengesteld van
+bouw en hooger ontwikkelt, doch tegelijk meer teer en vernielbaar
+dan bij het gemis dier laatste oorzaak doen zijn.
+
+Hoe geringer de toeneming in geestontwikkeling en aldus ook
+de verhooging der organisatie der ligchamen van wezens is, hoe
+zwakker de werking van de tweede der boven gemelde oorzaken wordt,
+en hoe bezwaarlijker aldus het leven der ligchamen van zulke wezens
+uitgebluscht moet kunnen worden. Van daar de taaiheid van het leven
+en den meer onbeperkten groei der lagere dieren. Het optreden van hen
+overheerschende namelijk bestrijdende hoogere dieren heeft echter voor
+die lagere dieren veranderde levensomstandigheden daargesteld, waarvoor
+eerstgemelde constante oorzaak, wegens de binnen geen beperkten
+tijd te overwinnen werking der traagheid, hen niet geheel geschikt
+kon maken. Hunne ligchamen moeten aldus voor die hoogere dieren
+verslindbaar zijn, en, korteren tijd bestaande, door groeijen niet
+zulk een omvang verkrijgen, als die der mede in ontwikkeling gelijk
+staande dieren, aan zulk eene overheersching niet blootgesteld. Van
+daar dat welligt de (zie blz. 30) binnen de sedimentaire lagen gevonden
+fossile weekdieren, levende voor dat de visschen optraden, grooter
+waren dan de heden bestaande weekdieren en dat de kruipende dieren
+van het secundaire tijdperk grooter waren dan de heden bestaande door
+vogels en zoogdieren overheerschte kruipende dieren.
+
+Naar ons inzien kan aldus gesteld worden, dat kortere duur van het
+leven van ligchamen gemiddeld een teeken is van snelle toename in
+ontwikkeling en tevens van betrekkelijke onvolmaaktheid van geest
+en ligchaam.
+
+Neemt een volk in beschaving af, zoo zullen na zekeren tijd, deszelfs
+instellingen en geestelijke ontwikkeling op de hoogte der eischen van
+den verminderden graad van beschaving zijn, een maximum bereikt hebben,
+na dien dalen, en voor de eischen der afnemende beschaving, wegens de
+werking der traagheid, te hoog blijven (zie Noot blz. 72). Al bleven
+echter de individuen steeds voortleven, zoo zou zulk een volk geruimen
+tijd in beschaving moeten achteruitgaan, voordat de nog stijgende
+geestelijke ontwikkeling dier individuen in elk opzigt op zulk eene
+hoogte zou gekomen zijn, dat zij aan de eischen der omstandigheden,
+door den trap van beschaving daargesteld, zou voldoen.
+
+Nu kunnen zulke afnamen in beschaving slechts bij uitzondering,
+gedurende betrekkelijk korten tijd en gedurende den leeftijd der
+individuen slechts in geringe mate plaats hebben. Voor deze blijven
+aldus de eischen der levensomstandigheden gedurende hun leven toenemen,
+zoodat hunne geestelijke ontwikkeling er beneden en buitendien, wegens
+andere soorten van verandering dier omstandigheden (zie blz. 71),
+onvoldoende zal blijven. [19]
+
+Hoe, wanneer de beschaving toeneemt, de zedelijke ontwikkeling der
+volken absoluut kan toenemen en nogthans even onvoldoende blijven,
+blijkt bijv. uit het gemis aan eerlijkheid, waarover men thans niet
+minder dan vroeger klaagt. Welligt zijn wij in geldzaken eerlijker dan
+onze voorouders vier à vijf eeuwen geleden, doch hoe uitgebreider is
+het finantieel verkeer geworden, hoe noodzakelijker het is geworden,
+dat men op de eerlijkheid van anderen staat kan maken.
+
+De opvoeding van een timmerman duurt bijv. korter dan die van een
+staatsman, en niettemin levert gene gemiddeld beter werk dan deze
+en zullen er over de kunsten van koorddansers gemiddeld minder
+aanmerkingen dan over de verzen van dichters te maken zijn. Slechts
+in zooverre de lagere klasse aan dezelfde eischen als de hoogere moet
+voldoen, vertoont zij zich betrekkelijk onvolmaakter dan deze, terwijl,
+wanneer die eischen evenredig zijn met de graden van beschaving van
+beide klassen, de lage het in betrekkelijke zedelijke volmaaktheid van
+de hooge wint. Dit zou echter het geval niet zijn, zoo de menschen
+tot hoogere klasse behoorende, langer en alsware langzamer leefden
+dan die van lagere klassen, zoodat zij niet sneller dan deze in
+geestontwikkeling moesten toenemen.
+
+De graad van beschaving of geestelijke ontwikkeling der menschen zal,
+na gedurende zeker tijdvak vertragende gestegen te zijn, dit op deze
+aarde eenmaal niet meer noemenswaardig moeten doen.
+
+De beperktheid der zintuigelijke aanschouwing is toch onvereenigbaar
+niet eene onbepaalde geestontwikkeling en, naarmate de drang
+tot vergrooting hiervan zwakker is, zal die grens, waarboven de
+geestontwikkeling niet meer noemenswaardig stijgt, lager gelegen zijn,
+even als, naarmate een steeds aanhoudende wind zwakker is, de er door
+voortgebragte toenemende, maar eindelijk in sterkte circa standvastig
+wordende golving, geringer is.
+
+Dit laatste nu ziet op de hoogere en lagere dieren, want ook deze
+bezitten, ofschoon in veel zwakkere mate dan de mensch, bewuste
+aanschouwing en zucht tot uitbreiding hiervan.
+
+Zoo elk mensch steeds op deze aarde bleef voortleven zou hij, nadat
+zulk een eindtoestand der beschaving bereikt is, alles weten wat
+hij maar eenigzins in zijn stand wenschelijk zou achten te weten,
+omdat hij een onbepaalden tijd ter zijner beschikking zou hebben om
+een bij de maatschappij niet noemenswaardig meer toenemende dosis
+kennis op te doen. Hoe langer de individuen leven, hoe sneller het
+gansche menschengeslacht bij gelijken aanleg in kennis zal toenemen,
+omdat elke generatie alsdan meer tijd zal hebben om hare verkregene
+kennis aan het opkomende geslacht mede te deelen.
+
+Hoe hooger de beschaving is, hoe meer elke generatie zal moeten
+leeren, en hoe betrekkelijk gebrekkiger de opvoeding zal worden,
+al is het dat alsdan, wegens de grootere zamenwerking en onderlinge
+gemeenschap der menschen, de mededeeling van wetenschap aan de jeugd
+gemakkelijker geschiedt.
+
+Elke generatie zal aldus op lateren leeftijd meer in kennis moeten
+toenemen, om zich op de hoogte te stellen der kennis door het vorige
+geslacht bereikt. Dit zal nu gemiddeld wel geschieden en zelfs iets
+meer dan dat, zoolang de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing
+die vergrooting der wetenschap der aardbewoners niet belet, maar de
+zoo even gemelde oorzaak de vergrooting der kennis van het menschdom
+trager doen toenemen.
+
+Van deze kennis zal alsdan elk individu een kleiner deel zich eigen
+kunnen maken dan tijdens het bestaan van een minder gevorderden trap
+van beschaving, elk individu alsdan, met betrekking tot het dan zoo
+zamengesteld geworden maatschappelijk leven, meer in ondervinding
+te kort schieten; zij alsdan gedurende hun leven wel sterker in
+geestontwikkeling dan thans toenemen, doch tevens meer teleurstellingen
+ondervinden; met betrekking tot hetgeen zij wenschen te leeren en te
+doen, minder en gebrekkiger leeren en doen, in een woord betrekkelijk
+onvolmaakter zijn dan tijdens het bestaan van lagere trappen van
+beschaving.
+
+Zij die de individuen geschikt voor het leven op deze aarde
+wenschen te zien, zullen aldus door de toeneming der beschaving niet
+bevredigd worden. Wel integendeel zij, die de toename der geestelijke
+ontwikkeling der individuen, al zij het dat hierdoor hunne ligchamen
+gesloopt en hun leven verkort wordt, als het doel hiervan beschouwen.
+
+De aanhangers van eerstgemelde levensbeschouwing (die der geschiktheid
+voor het aardsche), waartoe behooren de epicuristen, voegen den mensch
+toe: gedenk te leven, in den zin van gedenk op eene oordeelkundige
+wijze te genieten, tracht uwe gezondheid en welvaart te bevorderen,
+in vrede met andere menschen te verkeeren, bedenk dat slechts
+in een gezond ligchaam eene gezonde ziel kan huizen en weet dat
+onnieuwsgierigheid een zacht hoofdkussen voor een welgevormd hoofd is.
+
+De aanhangers der tweede levensbeschouwing (die van den vooruitgang),
+waartoe de rationele stoïcijnen behooren, roepen daarentegen de
+menschen toe: gedenk te sterven, namelijk leef zoodat uwe geestelijke
+ontwikkeling op het oogenblik van het verscheiden hoog opgevoerd zij,
+offer hieraan op gezondheid en welvaart, schroom niet in strijd met
+anderen te komen en oneenigheid te stichten, wanneer het beginselen
+geldt het menschdom naar hooger leidende en tracht zoover mogelijk,
+door peinzen en denken, op het gebied van het buitenzinnelijke door
+te dringen.
+
+Een gemiddelde tusschen beide soorten van levensbeschouwing komt ons
+voor de voorkeur te verdienen.
+
+Dat onze geest ons ligchaam noodig heeft om werkdadig te denken en
+om indrukken van de buitenwereld te verkrijgen en dat de bloeijende
+toestand van het ligchaam, bij gelijke hoogte der organisatie hiervan,
+maakt dat het de streving opwaarts van den geest gemakkelijker kan
+volgen, en die streving aldus dan minder tegenwerkt, maakt het noodig,
+dat men in zekere mate een geschikt ligchaamsleven leidt en dat onze
+geest zich bezig houdt met het verkrijgen van hetgeen noodig is voor
+de behoeften van het ligchaam en aldus de wetenschap beoefent met het
+oog op het materiele en praktische nut. Dit een en ander maakt tevens
+dat wij aan den bloei van het ligchaamsleven en aan de welvaart van
+anderen zorgen moeten wijden, terwijl het leven in vrede met deze
+zamenwerking met hen gemakkelijker maakt, hetgeen weder strekt ter
+bevordering der vergrooting der geestelijke ontwikkeling. Eindelijk
+moet de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing grenzen stellen aan
+het doordringen van den geest op buitenzinnelijk gebied (zie later).
+
+Van den anderen kant moet het ligchaam dienstbaar gemaakt worden
+aan de toename der geestontwikkeling om aldus de machine, slechts
+in zooverre in goeden staat gehouden worden, als de eischen van
+het gebruik er van zulks toelaten. Zelfs behoort men, om aan die
+eischen te voldoen, niet te schromen om de machine te verslijten en
+aan gevaar voor vernieling bloot te stellen. Ook moet de wetenschap,
+met het oog op die toename der geestontwikkeling, zelfs ten koste
+van stoffelijke welvaart beoefent worden.
+
+Voorts behoort men zich jegens anderen zoo te gedragen, dat men
+hunne materiele welvaart in zekere mate ondergeschikt maakt aan de
+toename hunner geestontwikkelingen moet de deze bevorderende strijd
+van denkbeelden en beginselen niet aan eene te ver gedreven zucht naar
+eensgezindheid en vrede opgeofferd worden [20]. De liefde voor anderen
+moet niet alleen ten doel hebben om hen van lijden te bevrijden, of
+anders gezegd om hen geschikt te maken voor de omstandigheden waarin
+zij verkeeren, maar tevens om de zedelijke ontwikkeling, zoowel van hem
+die liefde betoont als van hem aan wie zij betoond wordt, te verhoogen,
+en zij aldus ook ten bate van den vooruitgang der individuen strekken.
+
+Slechts, wanneer de liefde op deze wijze beschouwd wordt, kan het
+verstandig geacht worden zich groote offers op te leggen, ten einde op
+eene onzekere wijze het lijden van anderen een weinig te verminderen.
+
+Het is waar dat, hoe hooger de geestelijke ontwikkeling der menschheid
+is, hoe meer de menschen zich om hunne natuurgenooten en om de belangen
+hunner eigen toekomst bekreunen en dit kunnen doen, doch het is er
+verre van af, dat het directe nut dat men, zoo voor anderen als voor
+zich zelf, op deze aarde sticht, de hiervoor genomen inspanning loont.
+
+Ook nemen de menschen (tenzij oppervlakkig op gezag) niet gaarne
+onderrigt en teregtwijzing van anderen aan, zij leeren liever zelf
+en nemen hierdoor wel is waar trager in kennis toe, doch deze wordt
+alsdan dieper, inniger en minder vergeetbaar, terwijl hunne grootere
+en meer langdurige inspanning ten gunste van hun intellectuelen aanleg
+en van hunne geestontwikkeling in het algemeen werkt. Om een anders
+ideën goed te begrijpen, dient men zelfs (al zij het meer onbepaald
+en minder naauwkeurig) van zelf op die ideën gekomen te zijn.
+
+Hoe moeten nu de aanhangers der epicuristische levensbeschouwing zich
+gevoelen op het gezigt eener omgeving weerbarstig in het aannemen
+van onderrigt, en wel is waar grif in het aannemen van materiele
+hulpmiddelen, doch slechts wanneer zij hierover naar goedvinden kunnen
+beschikken; op het gezigt van min of meer direct ten gevolge van hun
+individuelen vooruitgang lijdende menschen en dieren, waarvoor zij
+slechts zeer weinig kunnen doen? Zij die zulk eene levensbeschouwing
+aanhangen, het doel van het lijden aldus niet begrijpen en aan
+de liefde geene hoogere beteekenis geven dan om dit lijden te
+verzachten en, zoo der naasten als hunne eigen geestontwikkeling,
+elk oogenblik met vernietiging bedreigd achten, moeten geleid worden
+tot moedeloosheid, tot minachting van zich zelf en van anderen, tot
+gemis aan zedelijke kracht en moed om zich offers te getroosten ten
+behoeve van anderen of van eigen toekomst; tot het zich verdooven in
+de beslommeringen en genietingen van het heden; tot het ontvlugten
+van het lijden van anderen en zelfs tot ontkenning er van, omdat dit
+lijden een protest is tegen die slechts geschiktheid bij een aardsch
+bestaan noodig achtende levensbeschouwing.
+
+Wanneer deze dan ook door de massas in praktijk wordt gebragt,
+moet zedelijk verval het gevolg zijn, zooals bijv. bij de Grieken en
+Romeinen tijdens het begin onzer jaartelling. De natuurwet, dat van
+een verschijnsel oorzaak en gevolg aan elkander tegengesteld zijn, deed
+echter toen hare werking gevoelen, namelijk dit zedelijke verval deed
+eene tegengestelde levensbeschouwing een kerkelijk gewaad aantrekken
+en, aldus geschikt geworden voor de massas, tot binnen deze dringen
+[21].
+
+Te weinig wijsgeerig om te weten, dat het lijden een gevolg is der
+werking der traagheid bij het veranderlijke en aldus ook bij het
+zich verheffende (zie blz. 63), zoo hebben de menschen niettemin een
+zeker besef, dat er geleden moet worden om opwaarts te streven en dit
+besef nu werd levendig in de levensbeschouwing van het Christendom,
+dat het lijden heiligt, op den weg ter heerlijkheid plaatst en door
+het zich omhoog heffende kruis zinnebeeldig voorstelt.
+
+De aanhangers der épicuristische levensbeschouwing verdiepen zich
+ongaarne in de beschouwing der individuen, maar liever in die der
+in beschaving toenemende maatschappij, in die harer kunstgewrochten,
+in die der schoone en jaarlijks herlevende natuur. Doch is de duur van
+dit alles zoo zeker, kunnen betrekkelijk snelle en groote veranderingen
+bij de aardkorst en het gasvormige omkleedsel onzer planeet dit alles
+niet vernietigen? Buitendien die schoone organische natuur maskert een
+slagveld, een strijdperk waarop dieren en planten al strijdende hoogere
+organisatiën verkrijgen en zich individueel trachten te verheffen en
+buitendien, waartoe leidt die toenemende beschaving? Naar aanleiding
+van het op blz. 83 gemelde, tot sterkeren vooruitgang der individuen
+gedurende hun leven, maar volstrekt niet tot hun geluk of geschiktheid
+voor de omstandigheden waarin zij verkeeren.
+
+De maatschappij wordt gevormd door zamenwerkende individuen, en in het
+belang van beider vooruitgang is het noodig dat die individuen zekere
+zelfstandigheid behouden, en dat zij aldus geene levensbeschouwing,
+de individualiteit in minachting brengende, aanhangen.
+
+Om te begrijpen, hoe het zedelijke verval eener maatschappij, derzelver
+beschaving achteruit moet doen gaan, behoeft men slechts te bedenken,
+welk een nadeeligen invloed vermindering van arbeid en vertrouwen op
+handel en industrie uitoefent. Zoo bijv. de menschen slechts werken om
+geld te winnen, zal hun arbeid geene vruchten opleveren van zulk eene
+gehalte, als wanneer men hem tevens ter vergrooting der geestelijke
+ontwikkeling, zoo van anderen als van zich zelf, doet strekken. Dit
+verschil, niet noemenswaardig bij grof handenarbeid, zal grooter
+worden, naarmate die arbeid van meer verheven aard wordt. Verder zal,
+zoo de winsten geringer worden, de productie van den arbeid insgelijks
+verminderen, en ook weder in sterkere mate, naarmate de aard hiervan
+meer verheven is [22].
+
+De vergrooting der hulpmiddelen der wetenschap maakt dat de vruchten
+van den arbeid grooter worden, terwijl de vergrooting der digtheid
+der bevolking eene tegenovergestelde werking uitoefent. Gedurende de
+toeneming der beschaving en der volkrijkheid komt ons de toeneming der
+hulpmiddelen der wetenschap eerst en die der digtheid van bevolking
+later de overhand te moeten hebben.
+
+Volstrekte overbevolking, wegens gebrek aan te bebouwen bodem, kan
+wel is waar niet gezegd worden te bestaan, zoolang die bodem nog een
+mud graan, of het voedsel voor een rund meer kan opbrengen, iets wat
+overal het geval is, doch dit belet niet, dat, het digter worden
+der bevolking, den arbeid, noodig om bijv. een mud graan voort te
+brengen, grooter doet worden. Minder arbeid zal er dus, naarmate (bij
+denzelfden trap van beschaving) die digtheid der bevolking grooter
+wordt, besteed kunnen worden aan de vervaardiging van voorwerpen
+niet volstrekt onmisbaar voor de menschen onderhoud, minder van
+zulke voorwerpen zullen er aldus dan te verkrijgen zijn voor hen,
+die hen dan met de winsten, door hun arbeid opgeleverd, willen koopen.
+
+Wel is waar zullen de meer beschaafde menschen steeds meer
+behoeften hebben dan de andere en grootere rijkdom aldus voor hen
+eene noodzakelijkheid blijven, doch dit overwigt in geestelijke
+ontwikkeling zich (wanneer de digtheid der bevolking grooter is met
+betrekking tot de beschaving) meer door hare innerlijke waarde en
+minder door uiterlijk vertoon veropenbaren.
+
+De kleinere verschillen in rijkdom, bij het kleiner zijn der winsten
+van den arbeid, kan men vergelijken met het meer opgesloten zijn
+der op blz. 77 gemelde manschappen, naarmate deze gemiddeld trager
+loopen. Het verschil in snelheid tusschen de verschillende manschappen
+zal hierdoor evenzoo verminderen, als dat der gemaakte overwinsten
+door het mindere gemak om overwinsten te verkrijgen. De neiging der
+manschappen tot opsluiting komt bij deze gelijkenis overeen met de
+uitwerking der verdeeling der rijkdommen bij het erven, met die der
+giften aan behoeftigen en met het effect van den grooteren prikkel
+voor armen dan voor rijken om geld te winnen, zie blz. 49.
+
+Tegen hetgeen op blz. 86 gezegd is, zal men welligt aanvoeren, dat
+het kwaad, in ongeschiktheid van het een voor het ander bestaande,
+het zedelijke kwaad eerder moet af- dan toenemen, wanneer de menschen
+zich geschikter voor hun aardsch leven trachten te maken. Men dient
+hierbij echter te onderscheiden de eischen van het maatschappelijke
+en zedelijke leven van den mensch en die van zijn zinnelijk of
+ligchaamsleven.
+
+De drang tot vooruitgang maakt dat de menschen die eerste eischen
+zoodanig verhoogen, dat, wegens de werking der traagheid, hunne
+geestontwikkeling er bij te kort schiet. Verlagende op deze werken nu
+de eischen van het zinnelijke leven en verlagende op de organisatie van
+het ligchaam de onbewerktuigde aardt. Deze vier zaken, waarvan nu de
+laatste onveranderlijk is, trachten op gelijke hoogte te komen en aldus
+voor elkander geschikt te worden, en, zoo nu de eerste verlaagd wordt,
+namelijk zoo de menschen trachten de maatschappij meer barbaarsch te
+doen worden en naar het dierlijke terug te brengen, zullen zij tot
+elkander naderen en de menschen werkelijk betrekkelijk beter worden.
+
+Zoo bijv. eene generatie in geestontwikkeling minder toeneemt
+dan de vorige, zal de werking, de toeneming in ontwikkeling van
+het ligchaam bevorderende, hierbij ook eenigzins kleiner dan bij
+de vorige generatie zijn. De laatste generatie zal aldus aan hare
+kinderen wat minder hoog ontwikkelde ligchamen achter laten dan zij
+van hare ouders ontvangen heeft, en de ligchamen dier kinderen zullen,
+door de werking van den geest, wat moeijelijker dan die hunner ouders
+in ontwikkeling kunnen toenemen. Bij die derde generatie zal aldus
+de toeneming der geestontwikkeling nog wat zwakker zijn dan bij de
+tweede, zoo zij zich, betrekkelijk haar standpunt van ontwikkeling,
+niet meer dan deze inspant, en dit zoo voortgaan; zoodat de mensch
+dan langs den op blz. 30 gemelden stamboom, alsware terug zal gaan,
+en, aangezien de geest der dieren ook opheffende en de onbewerktuigde
+aarde verlagende op hunne ligchamen werkt, die teruggang niet ophouden,
+voordat het punt van aanvang van dien stamboom weder bereikt is [23].
+
+Wanneer de menschen hunne geestelijke ontwikkeling, onder tegenwerking
+der eischen der zinnelijkheid, bijzonder verhoogen, zal zij, wel is
+waar, steeds in het een of ander ten achteren staan bij de eischen
+van het zedelijke en maatschappelijke leven, doch die eischen en
+die ontwikkeling digter bij elkander komen en gene sneller opwaarts
+gedreven worden.
+
+Het tegengestelde zal daarentegen plaats hebben, zoo, wegens den drang
+tot vooruitgang, men die eischen wel tracht te verhoogen, maar de
+geestelijke en vooral de zedelijke ontwikkeling, door het toegeven aan
+de eischen de zinnelijkheid, daalt. Dit laatste dan kan in zulk eene
+mate geschieden, dat de eischen van het zedelijke en maatschappelijke
+leven en aldus ook de beschaving er sterker door omlaag getrokken, dan
+door den drang tot vooruitgang omhoog gedrongen worden. Zulk een geval,
+op blz. 86 bedoeld, is vergelijkbaar bij eene schuit, die een paard
+stroomopwaarts tracht te trekken, maar daartoe onvermogend is, zoodat
+dit paard (met die eischen der beschaving vergelijkbaar) achterwaarts
+moet stappen, omdat de spanning der treklijn (met de betrekkelijke
+zedelijke slechtheid der menschen vergelijkbaar) groot is.
+
+De groote afstand tusschen de beschaving der menschen en de organisatie
+van hun ligchaam maakt dat de beschaving middelen aanbiedt om zinnelijk
+te genieten en tevens dit ligchaam te benadeelen, iets dat bij dieren
+slechts in veel zwakkere mate bestaat, en bijv. het geval is bij hen,
+welke de epicuristische levensbeschouwing op eene verbasterde wijze in
+praktijk brengen, namelijk bij hen die zich aan grove zinnelijke lusten
+overgeven en onverschillig worden voor de geestelijke ontwikkeling
+zoo van anderen, als van zich zelf, zie blz. 87.
+
+De verbasterde opvatting der tegenovergestelde levensbeschouwing
+ontmoet men bij de asceten, die, om alle zinnelijkheid te vernietigen,
+hun ligchaam martelen, dit alzoo minder bekwaam maken, om op eene
+indirecte wijze de vergrooting der geestelijke ontwikkeling te
+bevorderen en deze laatste zooals zij die opvatten, zoodanig ter
+harte nemen, dat zij andersdenkenden vervolgen [24].
+
+Vele menschen zijn in het eene punt de eene en in tegengestelde
+het andere de levensbeschouwing toegedaan, doch steeds zullen die
+onderdeelen hunner levensbeschouwing zich in harmonie met elkander
+trachten te stellen.
+
+Een gemiddelde tusschen beide dient echter in innigheid en
+wetenschappelijkheid toe te nemen, naarmate de beschaving zulks
+doet, en aldus de instinctmatige aandrang en tot geschiktheid en tot
+vooruitgang, bij de dieren, zie blz. 64, voldoende, alsdan meer te
+kort schieten om de menschen in de school van het leven te leiden.
+
+Het humanisme, zooals de aanhangers der epicuristische
+levensbeschouwing dit opvatten, zou slechts kunnen bestaan, zoo de
+menschen steeds op aarde bleven voortleven, de onbewerktuigde natuur
+niet de op blz. 91 gemelde terugtrekkende werking op der menschen
+ligchamen uitoefenende en de beschaving niet meer toenam. Wegens
+de neiging der dingen om, wanneer geene oorzaken dit tegengaan,
+harmonisch met elkander te worden, zouden dan de eischen van zedelijke
+en maatschappelijke leven, de geestontwikkeling, de eischen van het
+zinnelijke leven en de organisatie der menschelijke ligchamen zich
+op dezelfde hoogte stellen, en de betrachting van het goede geene
+opoffering meer kosten en niet meer in strijd zijn met het genieten
+in het heden.
+
+Die toestand zou echter, zelfs bij zulk eene aardsche onsterfelijkheid
+deelachtige wezens, niet mogelijk zijn, zoo de onbewerktuigde aarde
+de organisatie hunner ligchamen omlaag trok, daar dit tegengegaan
+zou moeten worden door eene even sterke hen omhoog trekkende werking
+en deze niet zou kunnen bestaan, zoo der menschen geestontwikkeling
+niet hooger dan die hunner ligchamelijke ontwikkeling stond, en
+door hoogere eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven,
+die geestelijke ontwikkeling niet, tegen omlaagtrekking er van door
+de eischen van het zinnelijke leven, behoed werd [25].
+
+Een trap van beschaving, wegens de terugtrekkende werking der
+onbewerktuigde aarde voor geene verdere verhooging vatbaar, zal,
+wegens de op blz. 71 gemelde oorzaak, bij sterfelijke wezens niet zulk
+eene hoogte kunnen bereiken als bij ligchamelijk onsterfelijke. Die
+beschaving, door den eenen mensch in dit en door den anderen in
+andere opzigten opgedreven, zal eischen stellen voor het zedelijke
+en maatschappelijke leven, waaraan de menschen, wegens den korten
+duur van hun leven, nog minder zullen voldoen, dan zoo zij steeds
+op deze aarde bleven voortleven, aan den eenigzins hoogeren trap van
+beschaving, die dan bereikbaar zou worden.
+
+In dit laatste geval zou toch die beschaving het werk zijn van de
+alsdan levende menschen, terwijl tot de werkelijk op deze aarde
+bestaande beschaving de vroegere generatiën bijgedragen hebben,
+zoodat zij voor elke volgende iets nieuws is.
+
+De korte duur van ons leven maakt aldus dat wij in denzelfden tijd,
+om even goed te voldoen, in geestontwikkeling sneller moeten toenemen,
+dat wij dit wel eenigzins sneller doen, doch niet in zulk eene mate
+dat wij even goed voldoen als bij langer leven, dat onze taak zwaarder
+dan in dit laatste geval is en dat, wegens dien gevorderden snelleren
+aanwas in geestontwikkeling, de eischen van het zinnelijke leven meer
+ten achteren staan bij die van het maatschappelijke en zedelijke leven,
+zie blz. 71.
+
+Het maatschappelijke verkeer maakt niet slechts, door die beschaving
+een hoogeren trap te doen bereiken en aldus het doel verder te
+stellen, dat wij onze geestontwikkeling sterker moeten vergrooten,
+maar tevens door het onderwijs, dat wij geholpen worden om nog sterker
+in geestontwikkeling toe te nemen.
+
+Deze zou men kunnen vergelijken met een kapitaal, dat gedurende zekeren
+tijd van af circa nul gemiddeld vertragende toeneemt en alsdan renten
+afwerpt. Het totale bedrag hiervan is vergelijkbaar met de baten die
+iemands geestontwikkeling aan anderen verschaft, en zal, betrekkelijk
+het kapitaal, op het oogenblik dat dit ophoudt met renten af te werpen,
+meer bedragen naar gelang die renteafwerping langer duurt. Men kan
+zich nu voorstellen dat de inspanning, gevorderd voor de vergrooting
+van zulk een kapitaal, grooter is dan het nut door het totaal die
+renten voortgebragt.
+
+Zoo echter dit totaal minder misbaar is, naar gelang die rente kleiner
+is, zal, na zekere vertraging bij de vergrooting van het kapitaal,
+het nut, door het totaal der kleinere renten voortgebragt, gelijk
+worden aan de inspanning gevorderd voor die mindere vergrooting
+van het kapitaal. Dit nu is vergelijkbaar met de grootere behoefte
+voor de leden eener maatschappij, wier zedelijke eischen tot zekere
+hoogte opgedreven zijn, om van de geestelijke ontwikkeling hunner
+medeleden te profiteren, naarmate zij zulks minder doen, of anders
+gezegd met de grootere behoefte aan het goede, naarmate het gebrek
+hiervan grooter is.
+
+Wordt daarentegen het totaal der renten niet minder misbaar, naarmate
+het minder bedraagt, hetgeen te vergelijken is met het op blz. 90
+gemelde geval, dat de eischen der beschaving van de maatschappij
+tegelijk met geestelijke ontwikkeling van derzelver leden verminderen,
+zoo is er geene reden waarom, na het ophouden der renteafwerping,
+gedurig zulke kapitalen verloren moeten gaan, en gedurig nieuwe van
+meet af aan vergaard moeten worden, zie blz. 85.
+
+Schoonheid bestaat evenzeer als deugd in geschiktheid, doch, terwijl
+men iets deugdelijk noemt, wanneer het zekere geschiktheid bezit voor
+de omstandigheden waarin het verkeert, zoo noemt men daarentegen iets
+schoon, wanneer deszelfs deelen voor elkander geschikt zijn. Voor
+volmaakte deugdelijkheid wordt wel is waar dit laatste ook gevorderd,
+doch bij zekeren graad er van, kan van iets de geschiktheid der deelen
+voor elkander nog al te wenschen overlaten.
+
+Verschillende typen van diervormen vinden wij bijv., wegens de juiste
+harmonie der deelen, schoon, maar daar onder behoort niet de vorm der
+miereneters, niettegenstaande de organisatie dezer dieren geschikt
+is voor het vangen en opslurpen van mieren.
+
+Dit is evenzeer het geval op zedelijk gebied. Men zegt bijv. dat
+een deugdzaam mensch eene schoone ziel bezit, doch het komt ons
+voor dat het beter is te stellen dat eene schoone ziel zulk eene is,
+wier eigenschappen goed met elkander overeenstemmen en voor elkander
+geschikt zijn. De geniüs van het kwaad, zooals Milton die geschilderd
+heeft, kan bijv. kwalijk de bewondering opwekken als door zekere
+harmonie bij zijn zedelijken aard, die wij vermeenen morele schoonheid
+te moeten noemen.
+
+De werking der traagheid bij veranderlijke en dus ook bij naar de
+hoogte strevende wezens, moet, zooals op blz. 53 gezegd is, de harmonie
+en geschiktheid voor elkander bij de deelen dier wezens verbreken en
+deze noodwendig leelijk maken. De aap, naar het ligchaam half mensch
+half dier, het vogelbekdier, van vogel tot zoogdier opklimmende, een
+wilde met vederen op het hoofd, een knods in de hand en een pantalon
+met souspieds aan de beenen, kwetsen evenzeer het schoonheidsgevoel
+als iemand, binnen eene beschaafde maatschappij handelende, zooals
+dit bij de wilde stammen gebruikelijk is, het zedelijk gevoel kwetst.
+
+Men dient wel onderscheid te maken tusschen het schoone, of de
+innerlijke harmonie van iets, het goede, of de geschiktheid van iets
+voor hetgeen waarmede het in verband is, en de verhevenheid, of het
+behooren van iets bij hoogere phasen van bestaan.
+
+Zoo noemen wij bijv. eene uitmuntende geteekende mestvaalt, waarin
+een varken wroet, eene goede, maar geene schoone en nog veel minder
+eene teekening van verheven genre. De getrouwheid der afbeelding
+geeft deze zekere geschiktheid voor ons en maakt haar aldus goed,
+doch eene verzameling van allerlei vuil en heterogene vodden kan
+kwalijk gezegd worden innerlijk harmonisch te zijn, terwijl het
+wroetende varken naar het grove dierlijke terugtrekt.
+
+Wegens op blz. 64 gemelde de werking der traagheid binnen onze
+veranderlijke wereld, kan evenmin iets innerlijk volmaakt harmonisch
+zijn als precies passen voor alles waarmede het in verband komt. Bij
+het eene kan het eerste en bij iets anders het laatste meer het geval
+zijn en volmaakter zal iets zijn naarmate deugd en schoonheid beide
+in hoogere mate er in vereenigd zijn.
+
+Het streven naar de hoogte van Natuur en Maatschappij maakt verder
+dat het schoone en goede in hoogere phasen van bestaan komen. Zoo
+staat bijv. de schoonheid van een insect lager dan die van een
+vogel, die van eene mosplant lager dan die van eene roos, die van een
+vogel lager dan die van een mensch, die van de kleeding en hut eener
+negerin lager dan die van het gewaad en woning eener beschaafde dame,
+niettegenstaande in elk dier gevallen de betrekkelijke schoonheid even
+groot kan zijn. Evenzoo is het met de deugd van zaken gelegen. Die
+van een spoorweg staat bijv. hooger dan die van een straatweg,
+die van een schietgeweer hooger dan die van een boog, die van ons
+burgerlijk wetboek hooger dan de burgerlijke gebruiken der Maories,
+die van eene fotografie hooger dan die eener silhouette, die van een
+gekleurd en met haren en nagemaakte oogen voorzien wassen beeld, hooger
+die van een bronzen beeld, niettegenstaande met betrekking tot hetgeen
+waarmede zij in verband zijn, elk dier zaken even goed kan voldoen.
+
+Dit zal daarentegen, wegens de werking der traagheid, minder het geval
+zijn bij iets, naarmate men sneller van een lageren tot een hoogeren
+trap van deugd tracht te komen en van daar dat bijv. wassen poppen
+minder voldoen dan bronzen beelden. De betrekkelijke schoonheid van
+zaken zal ook door de sterkte van zulk eene opklimming vermindert
+worden, doch ook hierbij de gevolgen dier opklimming zich nog
+doen gevoelen, nadat deze geëindigd is, omdat alsdan de werking
+der traagheid, waardoor het eene met betrekking tot het andere
+achterblijft, door de werking, alles wel met elkander in verband is,
+voor elkander geschikt trachtende te doen worden, nog niet geheel
+overwonnen is. Zoo zal bijv. wanneer een troep soldaten verspreid
+wordt, ten gevolge van zijn snellen gang, eerst zekeren tijd,
+nadat de voorste man stilhoudt, de troep weder opgesloten zijn,
+en een wilde, in eene op dezelfde hoogte van vrij groote beschaving
+blijvende maatschappij gebragt, nog lang te laag ontwikkeld, voor
+de omstandigheden waarin hij verkeert, kunnen blijven. Stelt men bij
+nevenstaande fig. in plaats der bovenste letter a, a', zoo zullen de
+ordinaten der kromme ab voorstellen de graden van beschaving van dien
+wilde, zoo hij bij zijne landgenooten bleef en die der kromme a'b'
+de graden van beschaving van den kring waarin hij gebragt wordt. De
+kromme ab', in dit geval de opklimming in beschaving van dien wilde
+voorstellende, zal nu de lijn a'b' eerst eenigzins regts van aa' raken.
+
+Zoo de menschen zich direct voorgesteld hadden om het menschelijke
+gelaat volledig af te beelden, dan zou gewis de silhouette hen nimmer
+zoo goed voldaan hebben als thans de fotografie ons voldoet, terwijl,
+zoo zij zich tot taak stellen om zeer naauwkeurige afbeeldingen
+van schoone voorwerpen te maken, deze dezelfde blijvende, hunne
+afbeeldingen schooner moeten worden, naarmate die menschen in
+kunstvaardigheid toenemen.
+
+Wij vermeenen hiermede aangetoond te hebben, dat de volmaakte
+schoonheid en deugd niet in eene veranderlijke wereld en bij
+veranderlijke wezens gevonden kunnen worden en voorts dat schoonheid
+en deugd, onafhankelijk van derzelver betrekkelijke grootte, op zeer
+verschillende standpunten van alsware volstrekte grootte kunnen staan.
+
+Op deze aarde kan de volstrekte grootte, van schoonheid en deugd,
+even als die der kennis der waarheid, slechts eene beperkte hoogte
+bereiken, en nu kunnen wij ons wel wezens voorstellen, waarbij die
+volstrekte grootte van schoonheid en deugd, die van al de werkelijk
+bestaande menschen overtreft, doch dit is slechts binnen zekere grenzen
+mogelijk, willen zulke wezens voor ons te begrijpen blijven. De oude
+Grieken stelden zich hunne goden voor als wezens, niet slechts van
+groote ligchamelijke, maar ook van groote morele schoonheid in den
+zin als op blz. 97. Dier goden absolute grootte van zedelijkheid
+was, toen de Grieken nog barbaarsch waren, nog vrij wel boven die
+dezer laatste verheven, doch later toen die Grieken, ofschoon niet
+zedelijker met betrekking tot de intusschen verhoogde eischen van hun
+zedelijk en maatschappelijk leven geworden, desniettemin in zedelijke
+ontwikkeling geklommen waren, konden hunne goden, als voorbeelden
+van het goede en verhevene, hen niet meer voldoen. Hunne godsdienst
+strekte toen niet langer ter opheffing hunner zedelijke ontwikkeling en
+daar zij voortgingen met de eischen van hun maatschappelijk bestaan
+te verhoogen, moesten zij deze op eene meer gebrekkige wijze gaan
+vervullen.
+
+Buitendien moet (zie blz. 77) bij denkbeeldige goddelijke wezens,
+wier geestelijke ontwikkeling men niet beneden die van menschen stelt,
+er, evenals bij ons menschen, disharmonie tusschen geest en ligchaam
+bestaan, zoo de ligchamen, die goden toegekend, innerlijk harmonisch
+gemaakte, of anders gezegd, verfraaide copijen van onze ligchamen
+zijn, en aldus, zie blz. 97, wel betrekkelijk, maar weinig of niet
+absoluut schooner en verhevener zijn als deze.
+
+Dit hebben de stichters van den Islam begrepen en vandaar hun verbod
+om Allah, ofschoon zij dezen menschelijke denkvormen toeschreven,
+onder menschelijke gedaante af te beelden. Omdat het ligchaam der
+menschen lager staat dan hun geest, voldoet men zooveel mogelijk in
+het geheim aan de ligchaamsbehoeften en tracht men voor het gezigt
+beider disharmonie te verminderen door het ligchaam gedeeltelijk te
+bedekken en wel, naarmate de geest verhevener geacht wordt, door de
+ligchaamsvormen meer masquerende gewaden [26].
+
+De absolute grootte van deugd en schoonheid wordt niet alleen
+vermeerderd door de hulpmiddelen van hoogere beschaving, zie blz. 97,
+maar ook door het passen er van in meer verhevene spheren, in spheren
+waarin eene grootere geestelijke ontwikkeling als in het dagelijksche
+leven te huis behoort. Het er in ontmoeten der schoonheid, maakt het
+treden binnen zulke spheren aantrekkelijker en in zooverre kan men
+zeggen dat de schoonheid de menschen naar hooger opvoert. Dat zij
+dit steeds van zelf direct doet en afgezien van hetgeen waarbij zij
+opgemerkt wordt, vermeenen wij daarentegen te moeten ontkennen.
+
+De harmonie tusschen de verschillende deelen eener zaak wordt
+toch teweeg gebragt doordat (zie ons werk get. Over de werking der
+Natuurwetten, enz., blz. 501, en het vervolg hierop, blz. 207 en
+414), elk dier deelen het gemiddelde is van de overeenkomstige deelen
+van overeenkomstige zaken, omdat bij die gemiddelden accidentele en
+grillige afwijkingen gemist worden.
+
+Wanneer er nu bij zaken sprake kan zijn van hoogere en lagere vormen,
+zullen die bemiddelden evenmin naar de laatste als naar de eerste
+hellen. Zal bijv. een menschelijk ligchaam, wiens deelen, indirect
+dienende tot verhooging der geestelijke ontwikkeling van zijn bezitter,
+sterk en wiens deelen, meer bestemd voor dierlijke verrigtingen,
+weinig ontwikkeld zijn, schoon gevonden worden? Naar ons inzien neen.
+
+Zijn de talen der meest beschaafde volken de zuiverste en van de
+regelmatigste constructie? Eigent zich fraaije stijl het beste
+voor het uitdrukken van diepzinnige denkbeelden, van verhevene
+wetenschap? Wordt de aanschouwing van den sterrenhemel, van een tal
+van lichtende werelden (gedurende den spreekwoordelijk leelijken
+nacht), bij uitnemendheid schoon gevonden? Worden de Gothische kerken
+schooner gevonden dan de met de weinig verhevene godsdienst der oude
+Grieken zoo in harmonie zijnde tempels van het oude Hellas? Op dit
+alles vermeenen wij dat ontkennend geantwoord moet worden. [27]
+
+Dat de harmonie der deelen van tafereelen ontstaat doordat die deelen
+in den gemiddelden toestand verkeeren van die bij andere dergelijke
+tafereelen, wordt bijv. aangetoond bij die van stormen. Om het tafereel
+hiervan schoon te doen zijn moet toch eene bewolkte en driftige en
+geene heldere lucht zich boven eene onstuimige zee bevinden.
+
+Het daarstellen van schoone gewrochten is aldus eene bijzondere soort
+van geschiktmaken van het een voor het ander. De kleêrmaker, die een
+rok voor iemand pas maakt, de staatsman, de constitutie van een staat
+zamenstellende en Phidias toen hij de majesteit van den Dondergod door
+een marmeren blok trachtte uit te drukken, zij allen doen dit; terwijl
+de burgerman, die den edelman nabootst en zich hierdoor belagchelijk
+en ongelukkig maakt, even goed aan den drang vooruitgang gehoorzaamt,
+als Columbus toen deze de Spanjaarden naar Amerika leidde en dien
+ten gevolge Spanje van de noodige inwoners beroofde en als iemand,
+die het voorvaderlijk geloof verzaakt en zijn geest te gelijk met
+twijfel en met philosophische bespiegelingen vult.
+
+Dat er nu in elk dier tweede soort van gevallen een tijdelijk kwaad
+geboren wordt, ontstaat, zooals reeds op blz. 68 gezegd is, ten
+gevolge der werking der traagheid bij overgangen.
+
+Hoe, ten gevolge hiervan, vooruitgang het schoone benadeelt,
+bemerkt men bijv. aan de klagten geheven over het bederven van
+landschappen door fabrieken, over het gemis aan schoonheid der
+Protestantsche eerdienst, over het ondichterlijke dat er in gelegen
+is om bijv. per spoorweg te Athene te komen enz. Zoo echter deze
+stad eenmaal de bloeijende hoofdplaats van een bedrijvig volk wordt,
+zal een spoorwegstation er evenmin misstaan als in vele oude en thans
+bedrijvige steden van Europa.
+
+De neiging tot het geschikt maken van het een voor het ander kan
+zich veropenbaren, als teedere liefde voor bloedverwanten, die men,
+met opoffering van vooruitzigten, niet wil verlaten; als practisch
+gezond verstand, dat doelmatigheid boven theoretische volkomenheid
+en verhevenheid verkiest; als huisbakken bekrompenheid slechts kleine
+belangen trachtende te bevredigen; als lage zelfzucht slechts zoekende
+eigengenot in het heden te verkrijgen.
+
+De neiging tot vooruitgang kan zich daarentegen veropenbaren,
+als opofferende liefde voor menschheid, wetenschap en geloof; als
+verstandelijke bespiegeling over verhevene en duistere onderwerpen;
+als onpractische plannenmakerij; als dwaze naäperij van maatschappelijk
+hooger verheven personen. [28]
+
+Het is er aldus (zie blz. 83) verre van af, dat aan den drang
+tot geschiktmaken en aan dien tot vooruitgang steeds op eene wijze
+toegegeven wordt in het welbegrepen en aldus ruim opgevatte heil der
+maatschappij zijnde.
+
+Achteruitgaan en tevens het een voor het ander ongeschikt maken,
+doen de menschen nimmer tegen beter weten in; en, wanneer dit door
+hun toedoen gebeurt, vermeenen zij dat, men, door te sterk en op
+verkeerde wijze vooruitgegaan te zijn, de geschiktheid van het een
+voor het ander geschaad heeft.
+
+Geschikt houden is in het algemeen, ofschoon niet geheel teregt, het
+doel der conservatieven, de vooruitgang het doel der liberalen. (Zie
+blz. 73.)
+
+Tusschen het toegeven aan beiderlei soorten van drang moet eene
+behoorlijke en van de omstandigheden afhangende verdeeling gemaakt
+worden, bij het voorschrijven van zedelijke beginselen, zie blz. 83,
+bij het onderwijzen, zie, blz. 76, bij het voeren van strijd en het
+bestaan van bescherming en regeling op verschillend gebied enz. [29]
+
+De drang tot geschiktwording van het een voor het andere veroorzaakt
+bijv. dat de aan wilde volken gepredikte Christelijke godsdienst bij
+hen van lieverlede verbastert, dat is wel, door hooger als deze te
+zijn, de beelding van zulke volken wat verhoogt, maar zich te gelijk,
+door te dalen, op de hoogte hiervan stelt. Wel zal dan die invoering
+der Christelijke godsdienst bij zulke volken hunne beschaving wat
+verhoogen, doch die verhooging er niet alleen aan te danken zijn,
+dewijl er bij de rest hunner beelding (zie blz. 47) eene eigen impulsie
+tot verhooging bestaat. [30]
+
+Bij de menschen wordt de aard hunner godsdienst bepaald door hun
+graad van intellectuele ontwikkeling, door de eigenaardigheden van
+hun karakter, den aard van het land dat zij bewonen, hunne omgeving,
+benevens door accidentele omstandigheden.
+
+Van elk dezer laatste kan de invloed niet blijvende zijn, doch daar er
+gedurig nieuwe accidentele omstandigheden, van invloed op der menschen
+godsdienstbegrippen, ontstaan, zoo zal er hierbij op den duur een
+zeker van aard veranderend deel het gevolg van het toeval zijn.
+
+Het in zulke deelen bevatte zal echter, even als de op blz. 22 gemelde
+door het toeval ontstaande afwijkingen bij de organisatie der dieren,
+gemiddeld ten nadeele werken, en aldus het geheel der godsdienstige
+begrippen van elk mensch, noch voor dezen, met betrekking tot zijne
+beelding gemiddeld geschikter maken, noch gemiddeld nader tot de kennis
+van hetgeen werkelijk op buitenzinnelijk gebied bestaat, brengen.
+
+De invloed der omgeving baart zekere ofschoon vaak geringe gelijkenis
+tusschen de godsdienstige begrippen van met elkander verkeerende
+menschen, en op blz. 9 hebben wij aangetoond hoe deze zich in groepen
+splitsen, waarvan elk gezegd wordt tot zekere secte te behooren. De
+grootte dezer wordt, even als die der rijken, door de geographische
+gesteldheid der landen, het verkeer en den aard der menschen, den
+aard der godsdiensten benevens door accidentele oorzaken (zooals
+bijv. accidentele grootere of kleinere gelijkvormigheid in opinie)
+bepaald. In het algemeen nemen zij, even als de rijken, in grootte
+toe naarmate de beschaving zulks doet.
+
+Overigens brengen veranderingen bij dien invloed der omgeving der
+volwassen menschen, bij de godsdienstige begrippen dezer accidentele
+afwijkingen naar alle kanten van de godsdienstige begrippen, welke
+zij, zonder het bestaan dier invloeden, zouden bezitten. Deze zijn
+te vergelijken met die op onze daden ten gevolge der raadgevingen
+der menschen, waarmede wij achtervolgens te doen krijgen.
+
+Die onderscheidene oorzaken, de accidentele uitgezonderd, bepalen
+de religieuze begrippen der menschen geheel onafhankelijk van
+de leering en daden der stichters der godsdiensten. Zoo belijden
+bijv. voornamelijk de Germaansche volken de Protestantsche godsdienst,
+wegens de hoogte waartoe hunne beelding op het einde der middeleeuwen
+gestegen was, benevens wegens hunnen grooteren ernst en minder
+zinnelijk karakter dan de Latijnsche en Slavische volken. Het deel
+hunner godsdienstige begrippen niet het gevolg hiervan, maar van
+hetgeen er buitendien van de leer der hervormers overgeleverd is, kan
+als iets toevallig beschouwd worden en moet van lieverlede verdwijnen.
+
+Men bedenke toch dat, wanneer zoo iets door eene constante oorzaak
+wordt voortgebragt, niet enkele, maar zeer vele menschen in dien
+geest werkzaam zijn, zoodat, bij gemis dier enkele voorgangers, de
+menigte het werk verrigt, voor zooveel die arbeid levert hetgeen die
+constante oorzaken tot gevolg kunnen hebben.
+
+Die arbeid der achtervolgende generatien is grooter dan men denkt
+en zou bijv., al hadden de stichters van het Christendom nimmer
+bestaan, de meer verheven begrippen betreffende de betrekking van
+God tot de menschen, de pligten en roeping dezer enz., waardoor het
+Nieuwe Testament zich van het Oude Testament en van het Neoplatonisme
+enz. onderscheid en hooger dan deze staat, stellig voortgebragt hebben,
+omdat de aard en toename in geestontwikkeling der bewoners van het
+Romeinsche rijk tijdens het verval der Romeinsche staatsgodsdienst
+hiertoe leidde, maar dat die menigte tot de bijzonderheden der
+Christelijke dogmas, bij onstentenis der vinders dezer, zou gekomen
+zijn, is daarentegen zeer onwaarschijnlijk. [31]
+
+Die bijzonderheden zijn aldus gewrochten van het toeval, zooals
+alles wat in iemands geest opkomt, gelijkslachtig is met hetgeen tot
+vergrooting der kennis van het menschdom kan strekken, en later niet
+opkomt in den geest van eene menigte andere menschen te zamen genomen,
+zoo al deze in dezelfde omstandigheden als hij gaan verkeeren.
+
+De geniën, welke, door een toevalligen loop der omstandigheden, in de
+zending, welke zij zich opgelegd hebben, zeer goed slagen, (voorzeker
+de minderheid hunner) vervullen dan ook de noodzakelijke behoeften der
+menschheid iets eerder, maar op eene meer gebrekkige wijze, dan dit bij
+hun gemis later gebeurd, en het lot dier nakomelingschap hangt alzoo
+niet af van het broze bestaan dier enkele. Van daar ook dat zij, welke
+dit anders begrijpen, zulke geniën als door God speciaal bestemd en
+bewaard achten voor zulke zendingen, een begrip onvereenigbaar met de
+eenvoudigheid der Natuurwetten en aldus van supranaturalistischen aard.
+
+De bij de menschen bestaande godsdienstige begrippen, bepaald wordende
+deels door accidentele oorzaken, deels door dier menschen aanleg,
+karakter en woonplaats, aldus door dergelijke oorzaken als die der
+beschaving, zoo dienen die godsdienstige begrippen bij de volken van
+grooteren aanleg gedurende denzelfden tijd meer dan bij die van minder
+aanleg in ontwikkeling en verhevenheid gestegen te zijn, er op aarde
+te gelijk religieuse begrippen op allerlei graden van ontwikkeling
+te bestaan, en in het verleden ook het geval geweest zijn, maar,
+naarmate men in dit verleden verder achterwaarts gaat, de hoogst
+ontwikkelde der religieuse begrippen, gedurende elk tijdstip omhelsd,
+gemiddeld in verhevenheid lager te staan.
+
+Dit is dan ook het geval, want bijv. zijn bij de Europeanen gedurende
+de laatste achttien eeuwen de religieuse begrippen in verhevenheid
+veel meer gestegen dan bij de Hottentotten en zelfs dan bij de
+Bedouinen, ofschoon deze gedurende dien tijd van het heidendom tot
+den Islam geklommen zijn. Voorts bestaan thans op aarde de geheel
+op wijsgeerigen grondslag berustende godsdienst-begrippen bezittende
+vrije Duitsche gemeenten, wilde stammen, wier godsdienst het plengen
+van menschenbloed voorschrijft, en volken met godsdiensten op allerlei
+trappen tusschen die beide ingelegen.
+
+Gaat men in het verledene achterwaarts, zoo ontwaart men een paar
+eeuwen geleden als hoogste godsdienstbegrippen die van het orthodoxe
+protestantisme, vier eeuwen geleden, die van het catholicisme,
+negentien eeuwen geleden, die van het mozaïsme en van het wordende
+neoplatonicisme.
+
+Toen het gansche menschdom op den laagsten trap van beschaving stond,
+was het verdeeld in eene menigte in geestelijken aanleg verschillende
+kleine stammen. Bij uitzondering zijn er van die stammen uitgestorven,
+doch meestal hebben zich, naarmate, bij verhooging hunner beelding,
+er meer geest van zamenwerking tusschen de menschen ontstond, zich
+eerst tot kleine en later tot grootere, volken gegroepeerd. Elk dier
+volken vormde niet altijd een staat of eene politieke eenheid, maar
+deszelfs leden waren door taal, zeden, wetten, godsdienst, benevens
+door veelvuldiger onder elkander dan met leden van andere volken
+gesloten huwelijken, met elkander verwant, en splitste zich somtijds,
+zooals bij het vormen van kolonien, in verschillende van lieverlede
+zich van elkander vervreemende deelen. Het bovenstaande, kan nu
+(zie blz. 33) voorgesteld worden door eene menigte stamboomen,
+sneller groeijende naarmate de aanleg der stammen of volken
+grooter was (somtijds zal deze, zoo als bij vermenging van hoogere
+met lagere rassen, den gemiddelden van die van beide geworden
+zijn) en dan zamengroeijende en dan zich in verschillende takken
+splitsende. [32] De bovenste einden dier takken en stammen zullen
+dan de thans bestaande volken (wel te onderscheiden van staten) en
+de distantie dier verschillende uiteinden tot den bodem, de graden
+van beschaving dier volken aanduiden. Zoo nu van elk dezer de leden
+dezelfde godsdienstige begrippen aankleefden, zouden die takken en
+stammen tevens den groei dezer begrippen voorstellen. Het Britsche
+rijk en deszelfs koloniën zou bijv. bevatten catholieke Ieren,
+angelicaansche Engelschen, presbyteriaansche Schotten, mozaïsche
+Israëlieten, mohamedaansche Maleijers, brahmmaansche Hindoes,
+boedhisthische Singalezen, zonvereerende Parsen enz.
+
+Het bezit van dezelfde godsdienst door verschillende dier volken
+zou dan niet als eene zamensmelting van derzelver stamboomen moeten
+beschouwd, maar meer met het bezitten van dezelfde wetten moeten
+vergeleken worden en de bekeering van een volk tot eene andere
+godsdienst, onder behoud van sporen der vorige, met het enten van
+buiten aangebragte wetten op oude vergelijkbaar zijn en aldus niet
+als eene verandering van stamboom aangemerkt moeten worden.
+
+Die onderscheidene religieuse begrippen van volken zullen nu,
+even als de diersoorten, onder den invloed zijn van een drang tot
+geschiktwording, een drang tot vooruitgang en de werking van het
+toeval.
+
+Het geschikt worden der organisatie der dieren voor hunne
+levensomstandigheden, benevens het geschikt worden der verschillende
+deelen dier organisatie voor elkander, wordt bij die religieuse
+begrippen der volken vervangen door het harmonisch worden derzelve
+met de beschaving en aard dier volken en met het goed bij elkander
+passen der verschillende deelen dier begrippen, zoodat zij te zamen
+een harmonisch geheel vormen. Die geschiktheid of betrekkelijke
+volmaaktheid der godsdienstige begrippen neemt aldus volstrekt niet
+toe met derzelver wetenschappelijke waarheid van voorstelling van
+hetgeen in tijd en ruimte op buitenzinnelijk gebied bestaat. Bij
+onbeschaafde volken moeten zij bijv. eenvoudig en zinnelijk zijn om
+voor hen geschikt te zijn en dit maakt bijv. dat men niet in elke
+omstandigheid welke ook dwalingen moet bestrijden. Hierdoor zou
+meer dan wenschelijk is den vooruitgang ten koste der geschiktheid
+begunstigd worden.
+
+Even als bij de organisatie der dieren, bestaat er ook bij
+die begrippen een drang tot vooruitgang waardoor zij echter in
+het algemeen niet te hoog voor den graad van beschaving der volken
+worden, omdat hierbij ook een dergelijken eigen drang tot vooruitgang
+bestaat, waardoor zij dan trager en dan sneller dan die begrippen
+zal klimmen en die godsdienstbegrippen aldus dan voor en dan achter
+zich zal laten. Daar echter in het eerste geval die begrippen de
+beschaving voor- en deze die begrippen achterwaarts tracht te trekken
+en omgekeerd in het tweede geval, kan beider ongelijke snelheid van
+vooruitgang door geene constante oorzaak in stand gehouden worden. Bij
+vooruitgang dier begrippen zullen echter derzelver verschillende deelen
+dit nimmer even sterk doen en van daar dat, naarmate zij sneller
+vooruitgaan, de harmonie en consequentie bij het geheel verbroken
+wordt. Die verandering moet dan noodwendig twist over en twijfel aan
+de verschillende deelen der begrippen benevens splitsing van derzelver
+aanhangers in verschillende rigtingen doen ontstaan. In een woord er
+ontstaat dan bij hen iets gebrekkigs, dat met gemis aan opsluiting
+en rigting van met den looppas gaande soldaten vergelijkbaar is,
+maar dat bij trageren voortgang dier begrippen van lieverlede moet
+verminderen, daar de drang tot geschiktwording van het een voor het
+ander, die begrippen evenzoo op gelijke hoogte tracht te stellen
+en voor elkander passende maakt, als het bevel tot opsluiting die
+soldaten bij elkander brengt.
+
+Ook zijn die begrippen, even als de organisatie der dieren, aan
+de werking van accidentele oorzaken onderhevig en, terwijl bij de
+ligchamen der dieren die toevallige bijzonderheden, zoo als bijv. de
+bogchels der kameelen, door geslachtsvoortplanting van generatie tot
+generatie overgaan, geschiedt dit bij de toevallige bijzonderheden
+dier begrippen, door het onderwijs der jeugd.
+
+Hierboven hebben wij reeds gezegd, hoe bij zeker geheel van
+godsdienstige begrippen de onderscheidene deelen, even als bij de
+organisatie dier diersoorten, op ongelijke hoogte kunnen staan, doch
+ook kunnen deelen der organisatie van diersoorten, zonder hooger
+of lager dan de rest te staan, buitengemeen ontwikkeld, vervormd
+of gereduceerd zijn. Somtijds maakt zoo iets zulke diersoorten
+geschikter voor hunne levensomstandigheden, doch somtijds is het
+deels eene toevallige en aldus door den drang tot geschiktwording
+voor die levensomstandigheden van lieverlede weggenomen wordende
+wanstaltigheid. Evenzoo bij de godsdienstige begrippen. Zoo vindt men
+bijv. bij die van het oude Israel het bestaan van een volksgod zeer
+sterk en dat der zielsonsterfelijkheid zeer zwak uitgedrukt. In zekere
+mate kan dit geschikt zijn geweest voor een volk, waarbij het individu
+zoo sterk in het volksbestaan opging als bij de oude Israelieten,
+doch deels was het ook eene door het toeval ontstane wanstaltigheid,
+die, wel is waar, door het geloof aan eene regtvaardige vergelding der
+daden en geschikte rolsverdeeling gedurende dit aardsche leven, wel min
+of meer bedekt bleef, doch bij de latere Israelieten desniettemin van
+lieverlede verminderd werd. Evenzoo kan men zeggen dat het fatalisme
+wel min of meer eigenaardig is bij een volk van een passief en het
+begrip van een volstrekte wilsvrijheid bij dat van een actief karakter,
+doch beide stellingen zijn niettemin accidentele afwijkingen van
+het juiste.
+
+De stelling, dat, wat men ook denkt of doet, eene zaak zal uitvallen
+zoo als dit vastgesteld is, leidt tot moedeloosheid, die, dat men
+eene zaak goed of slecht kan doen uitvallen, naarmate men zus of zoo
+verkiest te denken, tot overmoed. [33] De aanhangers der absolute
+wilsvrijheid stellen eigenlijk dat de loop der verschijnselen oneindig
+zamengesteld is, zoodat zij met geene mogelijkheid te ontwarren en te
+voorzien is; de fatalisten daarentegen, dat de loop dier verschijnselen
+eenvoudiger is dan in waarheid. Zij maken van de menschen alsware
+inerte blokken wier aaneenschakeling van denkbeelden van geen invloed
+is op hetgeen bij hun ligchaam door anderen waargenomen wordt plaats
+te hebben.
+
+Evenals de dieren zoo handelen, dat zij van de gebreken hunner
+organisatie zoo min mogelijk hinder hebben, zoo verzaken de aanhangers
+van dergelijke eenzijdige begrippen deze grootendeels in het practische
+leven.
+
+Dit is zelfs het geval bij hetgeen wel eens door de godsdienst als
+maatschappelijken plicht voorgesteld is. De christenleeraars vermanen
+bijv. niet hunne gemeenteleden aan om zich te laten vertrappen, of
+om te zorgen dat ieder hunner even rijk blijft. Voor de toeneming
+der ontwikkeling van het menschdom is het toch noodig, dat men tracht
+door arbeid in vermogen toe te nemen en dat men voor zelfverdediging
+zorg draagt. Er bestaan dan trouwens ook maar weinig christenen welke
+dit niet aldus opvatten en de slagtoffers worden van de naauwgezette
+opvatting hunner godsdienstleer.
+
+De anatomisten hebben bevonden dat de hoofddeelen der ligchamen der
+dieren volgens een grondtype, bij de hoofddeelen van al de andere
+diersoorten terug gevonden wordende, gevormd zijn. In dergelijke
+gevallen verkeeren bijv. het hoofd, het hart, het zenuwstelsel,
+de ledematen enz. Naarmate de organisatie der diersoorten lager
+is, bevinden die deelen zich in een meer rudimentairen toestand en
+buitendien verschillen die volgens denzelfden grondtype gevormde
+deelen ook als derzelver organisatie ongeveer even hoog is, zooals
+bijv. de voorpooten van honden en de vleugels van vleermuizen.
+
+Iets hiermede overeenkomende ontwaart men bij de verschillende
+godsdienstbegrippen der volken. Bij elk dezer kunnen toch die begrippen
+in drie deelen verdeeld worden, namelijk: 1º. die over God met of
+zonder ondergoden en hooger dan den mensch zijnde wezens, 2º. die
+over de zielsonsterfelijkheid, 3º. die over het werelddoel.
+
+Elk dezer deelen vindt men bij de godsdienstbegrippen van alle volken
+in meer rudimentairen toestand, naarmate die begrippen bij eene lagere
+geestontwikkeling passen en buitendien met elkander verschillende,
+wanneer zij, over het geheel genomen, op gelijke hoogte staan. Zoo
+staat bijv. het christelijke godsbegrip hooger dan dat der Israelieten
+van voor 3000 jaren, doch of het hooger staat dan het werkelijke der
+thans bestaande Israelieten is de vraag. In sommige opzigten misschien
+wel, doch in andere opzigten zal welligt het Israelitiesche godsbegrip,
+wegens deszelfs strenger monotheïstisch karakter en het stellen dat
+God niet onder menschelijke gedaante kan afgebeeld worden, het in
+verhevenheid winnen.
+
+In zooverre zij door het karakter, den graad van beschaving en den aard
+der woonplaats der volkeren bepaald worden, zullen zulke verschillen
+bij die godsdienst begrippen door eene constante oorzaak in stand
+gehouden worden, doch voor de rest zijn zij accidenteel en zullen zij,
+door de op blz. 20 gemelde constante oorzaak van geschiktwording van
+lieverlede weggenomen worden.
+
+Naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is, worden die
+godsdienstbegrippen gemiddeld niet slechts meer verheven, maar moeten
+zij, naar ons inzien, ook meer bevatten van hetgeen op buitenzinnelijk
+gebied werkelijk bestaat, zonder evenwel, wegens de beperking welke
+de aard hunner woonplaats aan de vergrooting der geestontwikkeling
+der aardsche menschen stelt, die waarheid op dit gebied ooit geheel
+en zuiver te kunnen bevatten.
+
+Zelfs bij de minst ontwikkelde menschen overtreft de bewuste
+aanschouwing der dingen ver die der dieren. Zij zien niet slechts dat
+de lucht schijnbaar een gewelf vormt, dat zon en maan daarop groote
+lichtende plekken en de sterren kleinere plekken vormen, dat het licht
+van de zon komt, dat de aardbodem, bergen en dalen niet in achtgenomen,
+plat voorkomt, dat zon en maan het uitspansel doorloopen van horizon
+tot horizon, maar zien dit met bewustheid, dat is zij merken het op en
+prenten het in hun geest. Hoe is het nu mogelijk dat zulke door hunne
+zintuigen bedrogen menschen niet stellen dat de aarde plat is, dat zon
+en maan bewegen, dat de sterren zijn lichtende punten, vastgehecht
+aan het uitspansel enz.? Kunnen zij reeds dadelijk opmerken, dat de
+voorwerpen bij den horizon duiken, dat, naarmate voorwerpen hooger
+gelegen zijn, zij, wanneer men zich verplaatst, meer mede gaan, zoodat
+de hemelligchamen, dit in de hoogste mate doende, uiterst ver moeten
+liggen, neen zoo naauwkeurig kunnen zij eerst later opmerken.
+
+Kunnen zulke menschen denken, wij zijn onbekwaam om door opmerking en
+redenering over den aard der hemelligchamen iets vast te stellen,
+wij schorten ons oordeel op? Neen zoo iets kan slechts gedaan
+worden, wanneer de ondervinding aangetoond heeft, dat vroeger
+gedane waarnemingen en daarop gebouwde begrippen onjuist zijn. De
+naauwkeurigheid der opmerkingen en die der daarop gebouwde redeneringen
+en stellingen staat tot bewuste aanschouwing der dingen in dezelfde
+verhouding als de organisatie der diersoorten tot de omstandigheden
+waarin deze verkeeren. Hoe sneller deze verhoogd zijn, hoe meer zie
+blz. 31 die organisatie te wenschen zal overlaten en eveneens, hoe
+sneller de bewuste aanschouwing der dingen zich uitbreidt, hoe meer
+dwaling der menschen begrippen zullen bevatten. De veranderlijkheid is
+aldus, wegens de werking der traagheid, bij gebrek aan tijd, evenzeer
+de moeder der dwaling als die der betrekkelijke onvolmaaktheid.
+
+Zoo aldus de bewuste aanschouwing van menschen bijna steeds op eene
+zelfde zeer beperkte hoogte bleef, zou eindelijk dit effect der
+traagheid bijna vernietigd moeten worden en de menschen bijv. wel
+van den aard en den loop der hemelligchamen zeer weinig afweten,
+maar daaromtrent bijna geene dwalingen aankleven. Hunne dan door
+geene noemenswaardige overmaat van bewuste aanschouwing alsware
+omhoog getrokken en alzoo bijna niet meer toenemende sterrekundige
+kennis zou tot die onzer hedendaagsche astronomen bijv. staan
+als de organisatie van een laagstaand, maar vroeger zeer traag
+in ontwikkeling gestegen dier, bijv. een oester, tot die van een
+veel hooger staand, maar sneller in ontwikkeling toegenomen dier,
+bijv. een paard. Even als nu, wegens die snellere ontwikkeling, de
+organisatie van dit dier betrekkelijk onvolmaakter is dan die van
+den oester, zoo zou de astronomische kennis van bovengemelde bijna
+niet in geestontwikkeling stijgende menschen minder dwaling dan die
+der hedendaagsche sterrekundigen moeten bevatten [34].
+
+Dit zal daarentegen het geval niet zijn met de kinderlijke
+astronomische begrippen der werkelijk bestaande of bestaan hebbende
+zeer onbeschaafde volken, omdat de bewuste aanschouwing der dingen
+bij hen niet in elk geval trager toeneemt dan bij de beschaafde volken.
+
+In het naauwste verband met de bewuste aanschouwing staat de
+verbeelding. Deze rigt in der menschengeest gebouwen op, en het
+verstand komt later deze verbeteren, wijzigen en zelfs gedeeltelijk
+afbreken [35]. Hoe grooter de verbeeldingskracht eener natie is, hoe
+sterker derzelver bewuste aanschouwing der dingen in uitgebreidheid zal
+toenemen, hoe meer dwalingen zulk eene natie zal aanhangen, maar ook
+hoe sneller die toename der bewuste aanschouwing de wetenschappelijke
+kennis zal verhoogen [36]. Gebrek aan verbeeldingskracht is bijv. de
+oorzaak dat de wetenschappelijke kennis der Chinezen zoo langzaam
+stijgt en tevens dat deze zoo arm aan mythen en zoo weinig bijgeloovig
+zijn.
+
+Omgekeerd zal gebrek aan oordeel en kritiserend verstand maken, dat
+de wetenschappelijke kennis moeijelijker voortgaat, en dit de toename
+in uitgebreidheid der bewuste aanschouwing vertragen. Waar dit nu
+het geval is, zal de vooruitgang, zoo in bewuste aanschouwing als in
+kennis, even als in het vorige geval, traag zijn, maar, in plaats
+dat de laatste weinig bij de eerste ten achteren zal zijn, zoo als
+in het eerste geval, zal zij zulks veel zijn. Zulke volken paren een
+bijna stationnairen intellectuelen toestand aan rijkdom van mythen;
+terwijl daarentegen volken van scherp verstand en tevens van veel
+verbeeldingskracht, (zooals bijv. de oude Grieken) snel voorwaarts
+gaan in kennis en tevens rijk aan mythen zijn.
+
+Was de bewering der Atheïsten, dat alle begrippen omtrent
+de zielsonsterfelijkheid, het werelddoel en den oneindigen
+onveranderlijken geest, buiten der menschen en dieren geesten
+bestaande, geheel het werk der verbeelding en valsch waren, juist zoo
+zou der menschen verstand deze niet gebaat hebben om, bouwende op de
+ervaring op zielkundig en ander gebied, het werk hunner verbeelding
+te achtervolgen en alsware te verbeteren. De middelste der drie
+bovengemelde gevallen zou alsdan in zeer geprononceerde mate bestaan
+en aldus die begrippen als werk der verbeelding slechts een lagen
+trap van ontwikkeling hebben kunnen bereiken, even als bijv. de
+organisatie van dieren, zoo deze zich hoegenaamd niet naar hoogere
+levensomstandigheden kunnen schikken.
+
+Welk een verschil neemt men daarentegen waar tusschen de godsdienstige
+begrippen der fetischdienaars en der menschen van het steenen
+tijdperk en die van sommige wijsgeeren en in den jongsten tijd ook
+van vrijzinnige godsdienstleeraars.
+
+Uit het voorgaande volgt, dat, naarmate de godsdienstige begrippen
+in verhevenheid klimmen, zij niet altijd minder dwaling zullen
+bevatten. Wanneer de bewuste aanschouwing het sterkste toeneemt,
+zullen die dwalingen gemiddeld op een maximum zijn, en, zoowel in
+het verledene als in de toekomst, verminderen, even als bijv. bij
+zeer kleine kinderen het vallen voor en na zekeren leeftijd zulks
+doet, en wij vermeenen dat de protestanten dit keerpunt reeds achter
+zich hebben.
+
+Bleef de geestontwikkeling van een volk steeds op dezelfde hoogte
+en bestonden er (zie blz. 68) geene storende en verandering
+aanbrengende accidentele oorzaken, zoo zouden eindelijk zijne
+godsdienstige begrippen, door de volledige achterhaling van het werk
+der verbeelding door dat van het kritiserende verstand, niet alleen van
+(zie blz. 104) door het toeval, maar ook van door constante oorzaken,
+zooals zinnelijkheid, bekrompenheid enz. ontstaande dwalingen gezuiverd
+worden. In plaats van met dwalingen vermengde en op eene gebrekkige
+wijze uitgewerkte waarheden te bevatten, zouden zij slechts uit zuivere
+waarheden bestaan, maar deze, even als, zie blz. 115, de astronomische
+begrippen van zulk een volk zeer rudimentair kunnen zijn [37].
+
+Bij het voorgaande moeten bij de dwalingen, door de verbeelding bij
+bewuste aanschouwing der dingen voortgebragt, gevoegd worden, die
+geboren door onzuivere redeneringen, waarmede men meent den aard der
+dingen op eene wetenschappelijke wijze te verklaren. Vandaar dat het
+maximum der dwalingen, dan niet alleen, uit wat men mythen kan noemen,
+bestaande, eigenlijk eenigzins later zal bestaan dan tijdens dat de
+bewuste aanschouwing op het sterkste toeneemt, en dat eindelijk ook de
+uitbreiding van het veld van bespiegeling minder nieuwe dwalingen ten
+gevolge zal hebben, dan er oude door de kritiek weggenomen worden [38].
+
+Onder die dwalingen, door constante oorzaken bij de godsdienstbegrippen
+teweeggebragt, behoort de speciale en directe goddelijke
+veropenbaring. Deze dwaling zal in kracht afnemen, naarmate de
+voorstellingen van den aard en de werking van het Opperwezen minder
+gebrekkig worden. Integendeel doet de met de beschaving toenemende
+behoefte aan godsdienst haar in kracht toenemen. Beneden zeker
+standpunt van ontwikkeling der godsdienstbegrippen schijnt het laatste
+en na dien het eerste de overhand te hebben. Hunne bewuste aanschouwing
+van hetgeen in de natuur voorvalt buiten de ten gevolge hunner eigen
+denking ontstaande handelingen en arbeid, moest de op lagen trap
+van geestontwikkeling staande menschen leiden om zulke voorvallen,
+even als hunne eigen handelingen, te stellen, het gevolg te zijn
+van denking, maar van denking van magtige, onsterfelijke ofschoon
+menschelijke denkvormen bezittende wezens zie blz. 4.
+
+Dat die Goden der wilden ons zoo weinig zedelijk voorkomen spruit
+hieruit voort, dat bij volken, waarbij den maatschappelijken band
+zeer zwak is, wat wij onregt, willekeur en wreedheid noemen, veel
+minder schaadt dan bij ons. De vergrooting der geestontwikkeling
+der individuen kan bij wilden slechts door lagere soorten van strijd
+geschieden en het is klaar dat zulke wilden niet hunne goden kunnen
+modelleren naar de behoeften van maatschappelijke toestanden ver
+boven de hunne verheven.
+
+Tot het begrip van een eenigen God kunnen door eigen ontwikkeling
+wilden zich niet verheffen, deels omdat zij de verschillende
+natuurverschijnsels niet genoegzaam met elkander in verband weten
+te brengen, om zich een eenigen regelaar er van te denken, deels
+omdat zij geen eenige wijze van denking slechts Gode waardig weten
+te keuren. Zoodra dit laatste plaats heeft vervalt het polijtheisme,
+omdat het ongerijmd is om zich verscheidene wezens alle precies op
+dezelfde wijze denkende en handelende en aldus als volmaakt identiek
+voor te stellen.
+
+Wegens die losheid der maatschappelijke banden en de slechts
+vijandelijke gevoelens welke wilden van verschillende stammen
+voor elkander koesteren, kunnen menschenoffers niet als voor hen
+schandelijke en zeer schadelijke gebruiken gerekend worden. Evenals
+toch de zijne jongen zorgvuldig opvoedende arend, andere dieren
+die hij magtig kan worden, rooft en moordt, zonder zijne zedelijke
+verpligtingen te kort te doen, evenzoo kan de wilde deze vrij wel
+vervullen, terwijl hij steeds vijandig optreedt tegen andere stammen
+en zelfs tegen andere huisgezinnen. Op hoogeren trap van beschaving en
+aldus van gevoel en deelneming voor de menschen in het algemeen staan
+bijv. gewis de protestantsche Kaapsche boeren en niettemin achten
+deze zich jegens de Kaffers aan bijna niets gebonden en ontzeggen
+zij zelfs deze den naam van mensch.
+
+Ofschoon nu de wilde, wegens de bovengemelde rede, andere waarden dan
+wij aan de zedelijke daden toekent, wenscht hij echter eene vergelding
+dier daden bepaald door de hem er aan toegekende waarde, dat is hij
+wenscht dat er billijkheid heersche. De menschen komen hem daartoe
+onvermogend voor, de goden moeten te hulp komen en wel, wegens zijne
+beperkt inzigt in den tijd, binnen korten tijd, of wel zij laten het
+onregt met het oog op een voor de menschen verborgen doel, toe.
+
+In tweederlei opzigten werkt aldus zijn godsbegrip gunstig voor hem,
+primo als drijfveer tot het goede, zooals hij dit, met het oog op de
+eischen van zijn lagen maatschappelijke toestand, opvat, en secundo
+als een drang tot het hoogere, omdat hij zich zijne goden, ofschoon,
+wegens zijne beperkte opvatting, naar zijn model geschoeid, als hooger
+geestelijk ontwikkelde wezens voorstelt.
+
+In zulk een godsbegrip bestaat er, naar ons inzien, een grond van
+waarheid. De billijkheid heerscht, maar niet gedurende een beperkt,
+maar slechts gedurende grootst eindig aantal jaren, (zie ons werk get:
+Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 131.)
+
+Hij die het goede betracht verheft zijne zedelijke ontwikkeling en
+maakt zich geschikter voor hoogere levens toestanden, terwijl hij,
+die zich aan het kwaad overgeeft, naar lagere toestanden neigt. Het
+onregt bestaat, deels wegens de betrekkelijke snelle verhooging der
+eischen van den maatschappelijken toestand, deels wegens de werking
+van accidentele oorzaken en beide oorzaken strekken, zie blz. 67, ter
+verheffing van de geestelijke ontwikkeling der menschen, ofschoon,
+zooals op blz. 68 gezegd is, slechts, in zooverre zulke onregt
+teweegbrengende accidentele omstandigheden vereenigt met andere
+accidentele omstandigheden beschouwd worden, zij voor zulk een
+doel als die geestelijke verheffing kunnen geacht worden bestemd
+te zijn. Desniettemin is hij, die de werking der Natuurwetten op
+geestelijk gebied niet nagegaan heeft, geregtigd om te zeggen, dat het
+bestaan van het onregt zamenhangt met een voor hem verborgen doel. Dat
+het opzien naar en het zich wenden tot een hooger wezen geestopheffende
+is, zal wel niet ontkend worden, maar bekrompen zijn de begrippen, dat
+zulk een wezen qualitatief niet van wijze menschen verschilt, dezelfde
+denkvormen als deze bezit, dat zijne werking op de menschen gelijkt
+op die van deze op elkander en dat men zich met hem in gemeenschap
+kan stellen zoo als de menschen dit onderling doen. Naar ons inzien is
+de gemeenschap van ons menschen met het oneindige oerwezen wel in het
+duister verborgen, maar veropenbaart zij zich echter hierdoor, dat de
+beschouwing van de stoffelijke en geestelijke wereld onzen in het bezit
+van zekeren aanleg zijnde geest vraagstukken ter oplossing voorstelt
+en ons aldus alsware vragender wijze doet leeren en ten gevolge
+hiervan in geestontwikkeling doet toenemen. Geheel de beschaving
+en wetenschap van ons geslacht en de toeneming in geestontwikkeling
+der menschen gedurende hun leven is hiervan het gevolg. Op blz. 56
+hebben wij aangetoond, dat de verhooging der geestelijke ontwikkeling
+der wezens door geestinspannenden strijd geschiedt. Nu zijn hulp en
+bescherming zaken voorkomende bij strijd met collectieve handeling
+met onderlinge zamenwerking der menschen gepaard gaande en waarvan
+dus slechts tusschen de medestrijders onderling sprake kan zijn. Ja
+zelfs bij de aldus strijdende maatschappij, wordt, in het belang der
+toeneming van hare geestelijke ontwikkeling, bescherming en hulpbetoon
+beperkt. Dit zoeken van hulp en bescherming bij volksgoden, bij
+sommige der goden en, bij hoogeren trap van beschaving, bij het eenige
+Opperwezen is een gevolg van het op blz. 117 gemelde vooruitloopen
+der werking der verbeelding. Hoe sterker de maatschappelijke banden
+worden, hoe sterker bij den mensch het denkbeeld van hulpbetoon,
+wordt, doch hij blijft ten achteren om, door middel van beredeneerde
+beschouwing en doorgronding der dingen, te bepalen bij wie hij hulp
+bij arbeid en strijd mag ondervinden om haar vruchtbaar voor zijne
+geestelijke ontwikkeling te doen zijn zie blz. 55 [39].
+
+Tot een noemenswaardig begrip der onsterfelijkheid der ziel is de
+mensch eerst op een hoogeren trap van geestelijke ontwikkeling en
+aldus later gekomen dan tot een godsbegrip. Eerstgemeld begrip is
+toch niet in zulk direct verband met zijn heden als dit laatste
+en de onbeschaafde mensch houdt zich zeer weinig met de toekomst
+op. Buitendien was het gemakkelijker om zon, maan enz. bezield
+te achten, dan te stellen dat van den mensch iets anders dan een
+bewegingloos lijk kan overschieten.
+
+Bij de wilden, die wijsheid bij verzwakte en oude en daarentegen minder
+geestontwikkeling bij krachtige ligchamen bezittende menschen vermeenen
+te vinden, onder anderen bij onze voorouders de Germanen, verkregen de
+dapperste en krijgshaftigste, dat is in zeker opzigt de (zie blz. 65)
+meest geestelijk ontwikkelde onder hen eene eereplaats in den Walhalla.
+
+Reeds dit rudimentaire begrip der onsterfelijkheid der ziel is
+een bewijs hoe vroeg de mensch tot het bewustzijn komt, dat wij
+in dit aardsche leven wel in zekeren zin ons ligchaam verslijten,
+zoodat dit na volbragte taak geene reden van bestaan meer heeft,
+maar dat wij in geestelijk opzigt, door werken, strijden en leeren,
+iets voor ons eigen ik bekomen, zoodat dit niet behouden blijvende,
+dit leven grootendeels zijn doel zou missen.
+
+De onbeschaafde mensch is echter te beperkt van opvatting om zich
+een leven hier namaals voor te stellen, waarin men niet ligchamen
+bezit op de aardsche gelijkende en met dezelfde zintuigen als deze
+begiftigd, waarin niet perpetueel de menschelijke denkvormen en
+de menschelijke geestelijke natuur, al zij het in verhevener vorm,
+behouden blijven en dat elders dan boven de wolken, of in de diepte
+der aarde gesleten wordt.
+
+Trouwens het bestaan van een onnoemelijk aantal werelden buiten
+onze aarde, waarvan de meeste tot woonplaatsen kunnen dienen van ver
+boven ons verheven wezens, is betrekkelijk kort geleden ontdekt en de
+meest gevorderde godsdiensten hebben zich nog niet op de hoogte der
+astronomie kunnen stellen. Evenmin hebben zij zich kunnen verheffen
+tot het bij sommige wijsgeeren wortelgeschoten hebbende begrip
+van eene reeks van toekomstige levens, waarin de gewonnen schat
+(namelijk de geestontwikkeling) niet alleen voor roesten bewaard of
+behouden, maar ook door arbeid en strijd vergroot moet worden; van eene
+reeks van levens, waarin van lieverlede de denkvormen van het wezen
+veranderen en meer gelijkslachtig met die van het oerwezen worden,
+totdat na een grootst eindigen tijd en grootst eindige vergrooting
+der geestontwikkeling, er eene volmaakte oplossing in dit oerwezen
+plaats grijpt.
+
+Slechts bij het Boeddhisme wordt die eindelijke oplossing op eene
+twijfelachtige en gebrekkige wijze, (omdat zij plotseling geacht
+wordt te kunnen geschieden) aangenomen.
+
+Bij de godsdienst der Brachmanen vindt men het zinrijke denkbeeld,
+dat hij, die zijne zedelijke ontwikkeling vermindert, zich voor
+lagere levensvormen geschikt maakt en deze deelachtig wordt, en
+aldus een verband tusschen menschen en dieren, alsmede het begrip
+van preexistentie (zie later). In sommige opzigten zijn aldus die
+godsdiensten de christelijke vooruitgestreefd, evenals dieren, over
+het geheel eene lagere organisatie dan andere bezittende, in sommige
+opzigten hooger dan deze staan.
+
+De mensch hecht aan het leven, zelfs dan wanneer zijn door ouderdom
+uitgeput ligchaam zijn naderend einde verkondigt en desniettemin
+voldoet het leven hem niet, terwijl noch het een noch het ander zou
+moeten plaats hebben, zoo het, in plaats van eene leerschool, die men
+op allerlei leeftijden en door allerlei toevallen kan verlaten, een
+goed voltooiden loopbaan, waarvan al de vruchten achterbleven, vormde.
+
+Hoe minder dit laatste, naar aanleiding van het op blz. 83 gemelde,
+het geval is, naarmate bij de maatschappij de geestontwikkeling
+en dus ook de beschaving grooter is, hoe meer behoefte men dan
+aan duurzaamheid heeft, hoe meer men dan om de toekomst denkt en
+hiervoor leeft, in hoe scherper tegenstelling dan met die behoefte
+de broosheid van het leven van het ligchaam wordt en hoe inniger het
+bewustzijn, dat met dit ligchaam onze geestelijke ontwikkeling niet
+kan ten ondergaan, moet zijn. Zoo toch bij hoogere beschaving de kunst
+meer hulpmiddelen verschaft om het ligchaam te behoeden, is men dan
+ook meer verpligt om in den strijd des levens, in het streven naar
+hooger, op de onmetelijke vlakte der zee, in de ingewanden der aarde,
+bij werktuigen, bij het minste ongeval verwoesting veroorzakende,
+het bestaan van dit ligchaam te wagen, terwijl van den dan gedurende
+zijn leven meer leerende mensch de grootere geestinspanning zie bl. 72
+en 84 ook vernielender op zijn ligchaam werkt. Ook met betrekking
+tot het werelddoel vormt de onbeschaafde mensch zich bekrompen,
+maar kiemen van waarheid bevattende begrippen. Zoo bijv. acht hij
+dieren en planten voor hem geschapen. Dit nu is (zie bl. 18) niet
+juist, maar, wegens de uitwerking der oorzaak de mensch geschikt
+trachtende te maken voor de levensomstandigheden waarin hij verkeert,
+en de wijzigingen die hij ook, tengevolge dier oorzaak, bij sommige
+dier en plantensoorten heeft teweeggebragt bestaat er wel een zeker
+verband tusschen zijne behoeften en den aard der dieren en planten.
+
+Ook het nederdalen van Goden op deze aarde om het menschdom in
+moeijelijke omstandigheden te helpen is een bekrompen denkbeeld,
+doch dat de waarheid bevat, dat in zulke omstandigheden er werkelijk
+redding komt, maar van de menschheid zelve die, geprikkeld door het
+ongeluk, onder inspanning en vergrooting harer geestontwikkeling de
+vereischte hulpmiddelen vindt en in toepassing brengt. Ook behoort tot
+de begrippen over het werelddoel die, dat eene opvolging van generatien
+elk een leven leidende, zoo rijk aan ramp en teleurstelling als het
+menschelijke leven, niet steeds heeft plaats gehad, noch immer zal
+voortduren, maar gevolgd is op een zeer gelukkigen primitieven toestand
+en, na de totale nederlaag van het genie van het kwaad, eindelijk
+zal opgevolgd worden door een niet minder gelukkigen eindtoestand.
+
+Bij dit begrip heeft men dan het oog gehad op een volk, dat eindelijk
+de anderen zal overheerschen, dan op eene godsdienst, die eindelijk het
+gansche menschdom onder hare banier zal brengen, dan op de menschheid,
+die eindelijk het godsrijk zal binnentreden [40].
+
+Laat ons thans zien in hoeverre die begrippen waarheid bevatten.
+
+Op bl. 64 en 67 hebben wij aangegeven dat de veranderlijkheid, de
+voorwaarde van allen vooruitgang, wegens de werking der traagheid,
+de bron is van alle kwaad, dwaling en onvolmaaktheid, terwijl die
+zelfde traagheid de voorwaarde is van alle bestendigheid. Is er nu
+in de wereld voor een grootst eindigen tijd eene uiterst kleine
+verandering ontstaan, zoo kan eerst toen er op het kwaad in eene
+noemenswaardige mate ontstaan en aldus het rijk van Ahriman geboren
+zijn. Zoolang echter die veranderingen zeer luttel waren, moest dit
+kwaad zulks ook zijn, omdat, even als een zeer traag groeijend kind
+gemiddeld steeds weinig uit zijne kleederen zal gegroeid zijn, de
+trage verandering van het eene, waarna zich het andere moet schikken,
+dit laatste veroorlooft om weinig achterna te komen. Toen echter die
+verandering sneller plaats had moesten onvolmaaktheid en kwaad grooter
+en aldus Ahriman magtiger worden, doch tegelijk, naar aanleiding van
+het op bl. 13 gezegde, de organische Natuur in ontwikkeling sneller
+dan vroeger toenemen. Stelt men echter dat, wanneer deze ontwikkeling
+eene zeer groote hoogte zal bereikt hebben, de veranderingen weder
+trager gaan geschieden, zoo zal alsdan het kwaad weder afnemen, om
+bijna niet meer te bestaan wanneer na een uiterst langen tijd die
+verandering weder uiterst luttel geworden is.
+
+Na eene eeuwigheid moet dan Ormuzd weder alleen heerschen, doch
+er dit verschil met den toestand in het eeuwig verleden aanwezig
+bestaan, dat toen die ontwikkeling nul en nu oneindig groot is. Op
+deze aarde is echter zoo iets onmogelijk, wegens de gedurige
+verandering van in geestontwikkeling toenemende individuen, zie
+bl. 82. Dit systema vindt men bij het Parsisme op eene wel is waar
+gebrekkige en kinderlijke wijze ontwikkeld, doch het doet dit in zoo
+verre staan boven het christendom, dat met eeuwige straffen in de
+hel dreigt, niettegenstaande de oorzaak, het eene voor het andere
+geschikt trachtende te maken, bij een constanten toestand der hel,
+onmogelijk de verdoemden gedurende eene eeuwigheid onvoldaan kan laten.
+
+Een slecht mensch is iemand sterk ten achteren zijnde betrekkelijk
+de zedelijke eischen van zijn bestaan, (zoodat slechtheid niet de
+tegenstelling van deugdzaamheid in het algemeen, maar slechts van die
+met offers gepaard gaande, is). Deze eischen trekken hem opwaarts en,
+ofschoon zoo iemand gedrongen wordt naar wijzen van bestaan waarbij
+die eischen lager zijn, zoo gaan gemiddeld toch die lagere eischen ook
+opwaarts. Zoo zal b.v. een verspilziek beschaafd man wel matroos of
+soldaat kunnen worden, betrekkingen waarin men met weinig zorg voor
+de toekomst kan volstaan, doch ook de matrozen en soldaten moeten,
+naarmate de beschaving klimt, aan hoogere maatschappelijke eischen
+voldoen. Stijgen nu deze eischen zeer weinig, zoo moet klaarblijkelijk
+een slecht mensch minder betrekkelijk die eischen ten achteren
+geraken en aldus betrekkelijk minder slecht worden, en, wanneer die
+eischen gedurende uiterst langen tijd bijna niet vooruitgegaan zijn,
+niet meer noemenswaardig slecht zijn. Hiertegen zal men aanvoeren dat
+zijne finale trap van oneindige ontwikkeling dan kleiner moet zijn dan
+bijv. die van een steeds braaf mensch, doch een ieder, in de hoogere
+wiskunde ervaren, weet dat oneindige grootheden zelfs oneindig veel
+met elkander kunnen verschillen, en dat eene kromme lijn steeds minder
+en minder boven de abcissen as kan stijgen en niettemin bij oneindig
+groote abcissen er oneindig hoog boven verheven kan zijn.
+
+Naarmate de beschaving stijgt, hechten de menschen meer aan hunne
+godsdienstbegrippen, doch begrijpen zij tevens beter dat die begrippen
+hen niet direct op goddelijke wijze geopenbaard zijn. Heeft nu,
+gedurende de toeneming in ontwikkeling dier begrippen, eerst het
+eerste en later het tweede de overhand, zoo zal bij zekere graad van
+ontwikkeling dier begrippen, (evenwel nog al veel uiteen loopende,
+naarmate van den aard dezer) het toekennen van goddelijk gezag aan
+de godsdienstbegrippen op een maximum van sterkte zijn.
+
+Bij elk volk vindt men individuen, zoo wegens opvoeding als wegens
+ouderdom, op zeer verschillende trappen van geestontwikkeling
+staande. Ofschoon nu hierin de lage klassen en de kinderen bij
+beschaafde volken op gelijke hoogte als de volwassenen onder de hooge
+standen bij minder beschaafde volken kunnen gerekend worden te staan,
+is dit niet het geval voor elk deel dier geestontwikkeling. Bij sommige
+deelen hiervan zullen die hooge standen bij minder beschaafde volken,
+omdat zij de andere standen moeten overheerschen, hooger dan bij ons
+de lage standen en bij andere deelen dier geestontwikkeling, omdat
+zij het onderrigt van meer beschaafde menschen dan zij missen, lager
+dan deze staan. Men kan echter niet zeggen dat hierdoor, zoo bij de
+hooge standen der minder beschaafde als bij de lage standen der meer
+beschaafde volken, het harmonische verband tusschen de deelen hunner
+geestontwikkeling verbroken is. Zij verkeeren toch in verschillende
+omstandigheden, even als bijv. de groote gras en kruidenetende en de
+kleine vleeschetende zoogdieren, die insgelijks niet quantitatief maar
+wel qualitatief met elkander in geestontwikkeling verschillen. Zie
+blz. 38.
+
+Desniettemin moet bijv. de volksklasse lagere en meer kinderlijke
+godsdienstige begrippen dan de meer beschaafde klasse bezitten, zonder
+dat zij daarom bij gene meer dan bij deze, met die, zooals op blz. 104
+gezegd is, door het toeval ontstane begrippen vermengd zijn. De
+geschiedenis leert dan ook dat bij sommige volken hiervoor welligt
+(in tegenoverstelling van bij ons) zelfs in te sterke mate gezorgd
+werd, doch men moet niet hieruit besluiten dat het oningewijd blijven
+der volksklassen in de mysteriën der godsdienst niet voornamelijk
+tot oorzaak had de onvatbaarheid dier volksklassen om die mysteriën
+te begrijpen.
+
+Wanneer menschen betrekkelijk anderen in kennis van iets toenemen,
+oefenen zij te weinig gezag uit en willen zij anderen te veel van
+hunne verkregen kennis mededeelen, en, wanneer hunne superioriteit
+vermindert, heeft het omgekeerde plaats.
+
+Bij het harmonisch zijn der verschillende takken van het weten,
+gelooft men met betrekking tot het godsdienstige aan hetgeen men,
+krachtens de ervaring (die op zielkundig gebied er onder begrijpende)
+krachtens op die ervaring gebouwde redeneringen en krachten historische
+gronden en inspiratie, zeker vermeent te weten. Wanneer echter de
+harmonie tusschen de verschillends takken van het weten verbroken is,
+ontdekt men bij het licht der verst gevorderde wetenschap, dat de
+juistheid der minder gevorderde geen onderzoek meer kan verdragen,
+en wordt niettemin het geloof aan die juistheid als iets noodzakelijk
+voor den mensch beschouwd, zoo wordt er een anderen grondslag dan eene
+vermeende indirect op ervaring gegronde overtuiging aan gegeven. Dit
+gebrek aan harmonie tusschen de verschillende takken van wetenschap,
+wegens derzelver ongelijken vooruitgang zie blz. 133, benadeelt den
+phylosophischen geest, leidende om die verschillende wetenschappen
+in verband met elkander te beschouwen en maakt thans dat velen in
+hun geest eene scheiding maken tusschen wetenschap en godsdienstig
+geloof en dezelfde scheiding bij het onderwijs der jeugd verlangen.
+
+De primaire verbetering van zulk een vicieusen toestand, kan slechts
+geschieden door het achterhalen, of althans door het meer nabij
+achtervolgen der meest gevorderde takken van weten door de minder
+gevorderde, doch als secundaire verbetering is het welligt het beste,
+zoo men teregt het onderwijs der jeugd de wereld en levensbeschouwing
+niet verbannen wil, er zeer bescheiden mede te zijn en de zaak zoo te
+middelen, dat de gematigden, namelijk het gros, wanneer zij die levens
+en wereldbeschouwing der school niet te veel op den keper beschouwen,
+er mede kunnen instemmen. Van de uiterste partijen, namelijk de
+sterkste, maar in scheve rigting geavanceerde, die der materialistische
+pantheisten en de achterlijkste, die der stijf orthodoxen, moeten de
+godsdienstige overtuigingen dan maar ongeëerbiedigd blijven. Trouwens
+zij, welke tot de uiterste politieke partijen behooren, moeten bij
+gemeenschappelijke handeling van een gemengd publiek zich evenzeer
+gekwetst gevoelen. Dit gebrek is (zie bl. 73) het gevolg der sterkte
+der toeneming der maatschappelijke ontwikkeling en zal even goed
+verminderen als deze toeneming geringer wordt, als dat een troep
+soldaten bij vertraagden gang beter opgesloten zal raken.
+
+Zoolang de voorste verwisseld wordende manschappen van den troep
+sneller loopen dan het gros, zullen zij meer verspreid en verder
+van dit gros verwijderd zijn dan de achterste manschappen, doch
+het omgekeerde plaats hebben, wanneer zij naderhand trager dan deze
+loopen. Evenzoo zullen, zoolang van de beschaafde klasse, zij die
+geavanceerde begrippen koesteren, sneller vooruitgaan dan het gros
+dier klasse zij slechts, enkelen zijn betrekkelijk ver van dit gros
+verwijderd (zooals bijv. de wijsgeeren) doch kunnen zij eenmaal hier
+op aarde weinig verder voorwaarts gaan, het gros bij hen komen en de
+achterblijvende uit enkele verspreide personen bestaan. Het voorwaarts
+gaan bij nevenst. fig. van a naar d gerekend wordende te geschieden,
+zoo zal de digtheid van groepering bij de gelijktijdig bestaande
+trappen van vooruitgang in het eerste geval door de ordinaten der
+kromme abd en in het laatste geval door de ordinaten der kromme
+acd aangegeven worden. Onderdrukking der uiting van denkbeelden,
+van die van het gros verschillende, ter bevordering van eenheid
+en aldus ter daarstelling van geschiktheid in zekeren zin, zal
+(behoudens de vertraging van den vooruitgang door het onderdrukken
+van den intellectuelen strijd) in het eerste geval bij gemiddeld al
+de individuen van bovengemelde beschaafde klasse tot trageren en in
+het tweede (zooals bijv. bij het opdringen van het christendom aan
+verschillende heidensche stammen door Karel den Grooten) tot snelleren
+vooruitgang leiden.
+
+Het gros kleeft de het meeste prestige bezittende denkbeelden
+aan. Dit prestige van iets is gemiddeld het gevolg van deszelfs
+voortreffelijkheid met betrekking tot de behoeften der menschen
+gedurende zeker tijdvak, doch, wegens de werking der traagheid,
+is het op het grootste wanneer die voortreffelijkheid reeds aan het
+verminderen is. Het belemmert aldus den vooruitgang, maar bevorderd de
+geschiktheid, daar het wel eenigzins verouderde, maar niettemin nog
+veel goeds bezittende zaken sterker in de maatschappij doet wortelen
+en deze als ware, zie blz. 72 op een beteren weg trager voorwaarts
+doet schrijden.
+
+Even als dwang gaat het prestige den intellectuelen strijd tegen en
+maakt, door dien dwang aan zich dienstbaar te doen worden, dat deze
+gemiddeld meer de uiting der geavanceerde dan die der verachterde
+denkbeelden onderdrukt. Zelfs in het geval dat (zie bl. 83) de
+maatschappij bij de achtervolgende generatien niet meer in beschaving
+toeneemt, zal bij de individuen er verschil in opinie bestaan en
+den hierdoor verwekten intellectuelen strijd den vooruitgang dier
+individuen gedurende hun leven bevorderen. Deze zal daarentegen, ten
+bate der geschiktheid, door geen leed teweeg brengende dwang tegen
+gegaan worden, want alle soort van dwang schept evenmin geschiktere
+levensomstandigheden voor de individuen, als (zie bl. 56) alle soort
+van strijd ten beste van hun vooruitgang strekt.
+
+Bestaat er eene oorzaak, waardoor in een staat eene meerderheid en
+eene minderheid tegenstrijdige belangen hebben, zoo zal, wanneer elk
+hunner toegeeft in omgekeerde reden van derzelver sterkte, de drang
+van beide zijden even sterk zijn, er als ware een evenwigtstoestand
+ontstaan en de oorzaak, het een voor het ander geschikt makende, zoowel
+de grieven der minderheid als die der meerderheid van lieverlede doen
+verdwijnen. Veranderingen van omstandigheden, waardoor er nieuwen
+strijd tusschen de belangen ontstaat en de trage werking dier oorzaak
+van geschiktmaking zijn hierbij de oorzaken van grieven en tweespalt.
+
+De oorzaak, waardoor gemiddeld de godsdienstbegrippen der volken
+eenigzins ten achteren zijn betrekkelijk hunne andere wetenschappelijke
+kennis, ontstaat doordat het verstand moeijelijk in het gebied van
+het buitenzinnelijke kan dringen, en de godsdienstbegrippen voor een
+grooter deel op buitenzinnelijke zaken betrekking hebben dan bijv. de
+begrippen over de scheikunde, geologie enz.
+
+Dit is echter het gevolg der toeneming onzer geestelijke ontwikkeling
+en is vergelijkbaar met de afstanden tusschen de op bl. 131 gemelde
+soldaten ontstaande, zoo sommige hunner op moeijelijker paden dan
+de andere loopen. Hoe harder zulk een troep dan gemiddeld loopt,
+hoe verder die soldaten uiteen zullen geraken, niettegenstaande
+het bevel tot opsluiting, dat te vergelijken is met de neiging der
+verschillende takken van weten om zich op dezelfde hoogte te stellen
+en aldus voor elkander geschikt te worden.
+
+Zoo echter de voorste manschappen van lieverlede langzamer gaan loopen,
+zullen de achterblijvende hen steeds meer naderen en eindelijk,
+wanneer alles stilstaan, de troep volmaakt opgesloten zijn. Evenzoo
+zou dit met der menschen verschillende takken van weten moeten gaan
+bij wezens slechts voor eene eindige ontwikkeling vatbaar. Hunne meest
+gevorderde tak van weten zou zich eindelijk niet verder ontwikkelen
+en de andere van lieverlede zich op eene zelfde lijn er mede stellen,
+omdat, waar de vooruitgang opgehouden is, de disharmonie eindelijk
+ook verdwijnen moet.
+
+Zoo echter het pad voor de achterblijvende manschappen voorbij zekere
+plaats van den weg wat gemakkelijker wordt, ofschoon nog steeds
+moeijelijker blijvende dan voor de voorste manschappen, zal hunne
+distantie verminderen en dit eveneens het geval kunnen zijn met der
+geesten verschillende takken van weten gedurende toekomstige wijze
+van bestaan.
+
+De practische hulpmiddelen der wetenschap zijn bij de eischen van
+het in ontwikkeling toenemende maatschappelijke leven gemiddeld ten
+achteren. Toen bijv. Columbus naar de West-Indië toog, liet zijne
+kennis van het aardmagnetismus hem in den steek, de mijnwerkers
+zouden wel wat meer van den geologischen toestand der aardkorst
+en de schippers van de meteorologie wenschen te weten. Trouwens
+de vooruitgang van het practische deel der wetenschappen ontstaat
+gemiddeld ten gevolge der behoefte hieraan en slechts bij uitzondering
+zullen practische hulpmiddelen der wetenschap te verheven voor de
+maatschappelijke behoefte zijn, want het tijdelijk verzuimen van
+kortelings verkregen hulpmiddelen der wetenschap, wegens de ongewoonte
+hieraan, mag niet als het werkelijk er voor te laag zijn dier behoeften
+aangemerkt worden. Zulke verkregen hulpmiddelen komen overeen met die
+te laat voor de maatschappelijke behoeften ingevoerde instellingen,
+waaraan men zich moet gewennen, zoodat in een opzigt men hierbij eene
+zaak reeds vroeger noodig zou gehad hebben en in een ander opzigt
+nog niet op hare hoogte gekomen is.
+
+Eigen vooruitgang bij de practische hulpmiddelen der wetenschap noopt
+de eischen van het maatschappelijke leven, voor zoo verre zij met die
+hulpmiddelen in verband staan, hooger te worden. Zoo bijv. heeft de
+uitvinding van het kompas gemaakt dat men wat eerder verre zeereizen is
+gaan ondernemen, en zal bijv. de vergrooting der vleugels van vogels
+deze hooger doen vliegen. Dit maakt echter slechts dat hetgeen men,
+om aan de eischen van iets te voldoen noodig heeft, hierbij minder
+ten achteren blijft, terwijl beide evensnel en wat sneller, dan bij
+het gemis van den eigen vooruitgang, van het eerstgemelde, voorwaarts
+gaan. Dit bijv. voorstellende door eene schuit, zoo zal die eigen
+voortgang vergelijkbaar zijn met roeijen, waardoor die schuit, bij
+wat snelleren gang dan anders, minder ver achter het jaagpaard zal
+liggen, zoo het hiermede verbonden is door eene elastieke treklijn. Dit
+jaagpaard komt dan in de plaats van dit iets aan wiens eischen behoort
+voldaan te worden en de zamentrekkende werking bij de elastieke
+treklijn met den drang tot geschiktwording van het een voor het ander.
+
+In dezelfde verhouding als zulke hulpmiddelen, betrekkelijk de eischen
+van het een of ander bedrijf, staan de godsdiensten betrekkelijk
+de eischen van het geestelijke leven van den mensch. Deze vorderen
+verklaringen betreffende het werelddoel, de bestemming van den mensch
+en het Opperwezen, verklaringen bij elke hoogte dier eischen met
+betrekking tot deze in geene voldoende mate te geven.
+
+Nu kan het wel zijn dat, evenmin als een schipper inziet, dat
+bijv. de bemesting der akkers niet aan de eischen van den landbouw
+voldoet, menschen van geringe geestontwikkeling met betrekking
+tot de maatschappij waarin zij verkeeren, dit onvoldoende der
+godsdienstbegrippen dier maatschappij niet bemerken. Dit echter
+bewijst slechts dat zij een oppervlakkigen blik in het leven slaan,
+of wel met sterke veroordeelen behebt zijn, en van hen is dan ook
+geene bevordering van den vooruitgang dier begrippen te verwachten.
+
+Zoo eenmaal de eischen der beschaving niet meer toenemen moeten de
+hulpmiddelen der wetenschap op de hoogte der behoefte er aan komen,
+doch ook dan zullen zij er slechts gebrekkig aan voldoen. Veel komt
+het toch aan op de aanwending dier hulpmiddelen, en deze zal door de,
+wegens hun kortstondig en veranderlijk leven, slechts gebrekkig iets
+leerende menschen nimmer volmaakt goed geschieden.
+
+Welke hulpmiddelen men bijv. verzint om schipbreuken bij de zeevaart
+te beletten, de niet volkomene ervarenheid der bemanningen zal maken,
+dat er steeds op zee ongelukken zullen plaats hebben.
+
+De groote verschillen bij en den accidentelen aard der omstandigheden,
+waarin er behoefte aan het aanwenden van zulke hulpmiddelen bestaat,
+verhindert ook het steeds voldoen hiervan. Dit gaat ook door voor
+menschen, zoodat, om deze in zekeren werkkring beter te doen voldoen,
+men hen in zoo min mogelijk variërende omstandigheden moet plaatsen,
+iets dat bijv. gedaan wordt bij de verdeeling van den arbeid. Ten
+bate der geschiktheid wordt door die verdeeling den vooruitgang der
+individuen geschaad, want hoe nadeelig hiervoor is het veroordeelen
+van menschen tot steeds denzelfden arbeid is gemakkelijk na te gaan.
+
+Hoe hooger de graad van beschaving is, hoe meer, naar aanleiding van
+het op bl. 83 gemelde, het individu in kennis in den algemeensten zin
+en dus ook in die van ambachten ten achteren zal staan betrekkelijk
+de gansche Maatschappij en zulk een toenemende euvel zal slechts door
+versterking der werkverdeeling kunnen getemperd worden.
+
+Die verdeeling van den arbeid is, naarmate de staten grooter werden,
+ook bij de legers en regeringen meer ingevoerd. Zij baart verschil
+in rangen, autoriteit en discipline en strekt ter verhooging der
+maatschappelijke beschaving, voor zooverre deze door de zamenwerking
+der individuen bevorderd wordt, doch belemmert daarentegen die
+verhooging, voor zooverre deze de vrucht der vrije en veelzijdige
+werking der individuen is. Vandaar dat bij toeneming der beschaving
+wel de willekeur vermindert, maar, noch de vrijheid, noch de gelijkheid
+der individuen grooter worden.
+
+Leeren veronderstelt iets nieuws doen op eene gebrekkige wijze,
+terwijl men op de beste wijze iets zal doen en aldus op het meeste
+practisch nuttig zijn, wanneer men iets, waarmede men bekend is,
+verrigt. Vandaar dat de menschen het meeste practisch nuttig zouden
+zijn, zoo zij steeds op deze aarde voortleefden en niet door leeren in
+geestontwikkeling toenamen, zoodat zij zonder vermoeijende inspanning
+werkzaam en, voor de eischen van hun bestaan en de omstandigheden
+waarin zij verkeerden, volmaakt geschikt waren.
+
+Op bl. 134 hebben wij gezegd, dat der menschen kennis niet op de
+hoogte is der behoeften der maatschappij en toch zullen de menschen
+meer kennis moeten trachten te bekomen dan die, waarvan zij in de
+praktijk voordeel kunnen trekken. Dit nu is het geval, omdat de
+wetenschap, zoo lang zij in ontwikkeling toeneemt, bij elken graad
+hiervan slechts gedeeltelijk voor practische toepassing vatbaar is,
+en alzoo hiertusschen en de ontwikkeling der wetenschap dezelfde
+verhouding en wederkeerige neiging tot gelijkwording bestaat als op
+bl. 64 voor den geest en het ligchaam is aangegeven.
+
+Evenzoo is het gelegen met de intellectuele ontwikkeling der menschen
+in het algemeen, benevens met hunne zedelijke ontwikkeling. Bij
+het gebruik dat zij hiervan in de praktijk maken, vervullen zij
+slechts gebrekkig de eischen van het maatschappelijke leven,
+en desniettemin kunnen zij, noch hunne intellectuele, noch hunne
+zedelijke ontwikkeling hier op aarde geheel ten nutte van anderen als
+van zich zelf benuttigen. Men treft hierbij aldus tegelijk aan gebrek
+en overvloed, even als bij de kinderen, welke niet genoeg weten voor
+de eischen van het leven als kind en desniettemin met zaken bekend
+zijn, waarvan zij als kind nog geen partij kunnen trekken.
+
+Bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zoo zouden
+zij, door in geestelijke ontwikkeling niet meer toe te nemen, die
+ontwikkeling door de practisch nuttige aanwending er van doen inhalen
+(iets dat gedurende hun beperkt leven in geestontwikkeling veranderende
+wezens daarentegen niet kunnen doen) en de stilstand dier ontwikkeling
+bij een hoogeren graad er van invallen, naarmate zij later besloten
+enkel voor het practisch nuttige te leven.
+
+Dit zou eveneens het geval zijn bij elke generatie, zoo deze geen
+onderwijs van de vorige generatie verkreeg en niet in geestontwikkeling
+toenam en aldus zoo elk harer van de geboorte af enkel voor het
+practisch nuttige geleefd had, er op deze aarde geen hoogere wezens
+dan infusiediertjes bestaan, zie blz. 30.
+
+Bij het wel bestaan van zulk een onderwijs, zou de stelregel, om zich
+tot het practisch nuttige te bepalen, de opvolgende generatien in
+geestontwikkeling trapsgewijze doen dalen. Zoo toch een dezer het
+onderwijs der volgende enkel tot het practisch nuttige bepaalde,
+zou deze in geestontwikkeling en beschaving voor hare voorgangster
+wat onder doen en hierdoor het veld van het practisch nuttige bij
+haar wat kleiner dan bij gene zijn.
+
+Men zal toch toegeven, dat de grootte van het veld van het practisch
+nuttige afhangt van den graad van geestontwikkeling en beschaving,
+zoodat bijv. een wilde onze industriële kennis, onzen eerbied voor
+wetten en voorschriften even gevoegelijk kan missen als de zonderling
+Diogenes een nap om uit te drinken.
+
+Die volgende generatie zou nu, door zich, bij het onderwijs van het
+op haar volgende geslacht, tot het voor haar zelf practisch nuttig
+geoordeelde te willen bepalen, deze minder leeren dan zij zelf geleerd
+zou hebben en dit bij elke nieuwe generatie zoo voortgaan.
+
+Zoo iets is wel is waar in strijd met de geestelijke natuur van
+den mensch, doch niet onmogelijk is het dat elke generatie, bij
+het onderwijzen der volgende, zoo weinig buiten de grenzen van het
+practisch nuttige treedt, dat elke generatie aan de volgende niet meer
+leert dan zij geleerd heeft, iets dat bijv. thans in China het geval
+is en zamenhangt met den eerbied der Chinezen voor de voorvaderlijke
+overleveringen. Hoe meer de beschaving bij de opvolgende generatiën
+toeneemt, hoe meer het onderwijs van elk dezer de grenzen van het
+practisch nuttige zal overschrijden, terwijl dit insgelijks het geval
+moet zijn, bij het even groot blijven dier beschaving, naarmate,
+deze grooter is, omdat als dan die individuen van elke generatie, op
+zich zelve beschouwd, gedurende hun leven sneller in geestontwikkeling
+toenemen. [41]
+
+De menschen trachten steeds hulpmiddelen uit te vinden om den arbeid
+te verrigten, anders met weêrzin door menschen verrigt moetende
+worden. Daar echter, naarmate de beschaving stijgt, elk individu
+meer arbeid vereischende producten verbruikt, zoo zullen, wegens
+de werking der traagheid, die hulpmiddelen, menschelijken arbeid
+uitsparende, steeds wat te kort schieten. Van den anderen kant zouden
+onbeschaafden weinig arbeid vereischende producten consumerende volken
+te veel ledigen tijd hebben, zoo het mogelijk was, dat zij over de
+hulpmiddelen van beschaafde volken ter besparing van menschelijken
+arbeid konden beschikken. Bij de beschaafde standen gebruikt men zelfs
+somtijds ter beschikking staande hulpmiddelen, bestemd ter verkrijging
+van het gewenschte met minder menschelijken arbeid, niet en geeft men
+aan in zeker opzigt meer primitieve middelen de voorkeur, ten einde
+gemis aan ligchaamsbeweging en aan vaardigheid in den wapenhandel
+te voorkomen. Dit is bijv. het geval bij het verkrijgen van wild
+door middel der jagt, terwijl de fokkerijen met veel minder arbeid
+evenveel wildbraad kunnen opleveren.
+
+Onze geperfectionneerde wapens zouden bijv. ongeschikt en alsware te
+machinaal voor wilden zijn. Naar gelang toch wapens meer primitief
+zijn, vereischen zij meer kracht en behendigheid, aldus eene grootere
+mate van hetgeen wij op bl. 66 eene lage soort van geestontwikkeling
+genoemd hebben om goed behandeld te worden, waarvoor men slechts
+het gebruik van een slinger met dat van een revolver te vergelijken
+heeft. Eenvoudige wapens, ofschoon zie blz. 134 wat minder primitief
+dan die welke zij zelf hebben uitgevonden, zijn aldus geschikter voor
+wilden, die veel tijd aan ligchaamsoefeningen en aan den wapenhandel
+kunnen wijden en bij wie het oorlogen op eene kleine schaal geschiedt,
+maar veel tijd mag wegnemen.
+
+Bleef in het beschaafde deel van Europa de beschaving van heden af
+stationnair, zoo zou men er zoo lang voortgaan met het verbeteren
+der middelen van communicatie, als men meenen zou te veel tijd
+en inspanning voor het reizen te besteden, maar na dien niet
+meer. De menschen zullen hunne woonplaatsen zoo verleggen, dat, waar
+bijv. wegens den aard van het terrein, die uitbreiding en volmaking der
+middelen van communicatie, kosten zouden veroorzaken overtreffende de
+baten door het meerdere gemak en den meerderen spoed bij het reizen
+opgeleverd, zij minder en met minder spoed behoeven te reizen en
+aldus meer primitieve middelen van communicatie voldoende zijn.
+
+Van daar, dat het onraadzame van den aanleg van eenig middel van
+communicatie, zoo de directe en indirecte baten niet tegen de kosten
+opwegen, slechts een tijdelijk verschijnsel zal zijn, omdat de menschen
+aldaar van lieverlede meer zullen gaan wonen en die baten doen stijgen.
+
+Hierbij moet men echter stellen, dat er van lieverlede een nadien niet
+meer veranderenden toestand ontstaat, want blijft deze veranderlijk,
+zoo zal, zooals wij meermalen gezegd hebben, het een nimmer steeds
+voor het ander geschikt kunnen blijven.
+
+De meer primitieve middelen van vervoer vereischen meer
+bedrevenheid bij de reizigers dan de meer geperfectionneerde. Zij
+die bijv. hun talent in de stuurmanskunst willen toonen, maken niet
+van stoom- maar van zeiljagten gebruik. Buitendien zijn zij voor de
+reizigers leerzamer, meer herinneringen opleverend en minder enkel
+verplaatsend. Weet men aldus van den tijd en van het geld, die, bij het
+gebruik van (zie blz. 97) meer verheven middelen van vervoer gespaard
+blijven, geen gebruik te maken, zoo verdient eene meer primitieve
+wijze van reizen de voorkeur. Dit een en ander is niet in strijd met
+hetgeen wij op blz. 46 gezegd hebben, dat namelijk bij de dieren het
+bezit van meer geperfectionneerde wapens meer geestontwikkeling bij
+hen vereischt, want dit laatste is bij de (hetgeen de dieren niet
+doen) in de maatschappij zamenwerkende menschen evenzeer het geval,
+edoch bij de vervaardigers en niet bij de gebruikers dier wapens. Het
+bestaan dezer vordert bij de maatschappij en somtijds ook bij die hen
+behandelen, in mindere mate, zie blz. 66 lagere, doch in sterkere
+mate hoogere soorten van geestontwikkeling (namelijk zulke welke
+minder het ligchaam vaardig maken) dan de meer primitieve wapens.
+
+
+
+
+
+
+BESCHOUWINGEN OVER EENIGE ONDERWERPEN OP BUITENZINNELIJK GEBIED.
+
+
+Hoe ontstaat het vermogen der organisatie der dieren, om,
+grootendeels buiten de bijzondere soort van eigen denking der dieren
+wil genaamd, geschikt te worden voor de omstandigheden waarin de
+dieren verkeeren. Naar ons inzien, door het aan de ligchamen dezer
+annex zijn van moleculaire bewegingen der zelfstandigheid, geene
+zintuigelijke indrukken te weeg brengende, en alzoo niet makende dat
+die zelfstandigheid zich voor ons als ligchaam veropenbaart. Een
+deel dier geene zintuigelijke indrukken voortbrengende bewegingen
+vormen een geheel en worden bepaald door en bepalen de eigen denking
+van het dier, waartoe ook het zien, het voelen, enz. behoort, en die
+aldus evenmin door de hersens (namelijk zintuigelijke indrukken te
+weeg brengende ligchamen) als de in de denking van het dier begrepen
+gezigtsindrukken, door de oogen, plaats heeft.
+
+De overige dier geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende
+bewegingen, worden naar ons inzien bepaald door en bepalen eindige
+deelen eener oneindig groote eenheid van denking, behalve de
+geesten of eenheden van denking van menschen en dieren en hiermede
+verwante wezens op andere hemelbollen, in de totale veropenbaring der
+zelfstandigheid door denking bevat. Die eindige deelen dier oneindige
+denking werken nu, door dat zij door bewegingen der zelfstandigheid
+bepaald worden, mechanisch op de deelen der ligchamen der dieren en
+zijn wederkeerig aan den invloed hiervan blootgesteld. Stel bijv. dat
+iemand, ten gevolge van eenige tot hem gerigte woorden, gaat zitten,
+wat heeft er dan plaats. 1o Geluidsgolven planten zich in de lucht
+voort, 2o de trommelvliezen van dien persoon geraken in trilling,
+3o onbekende moleculaire bewegingen ontstaan in zijne gehoorzenuwen,
+4o in zijne denking ontstaat een gehoorindruk, 5o hij denkt over de
+woorden na, 6o in zijne denking ontstaat een wilsindruk, 7o onbekende
+moleculaire bewegingen ontstaan binnen eenige zijner bewegingszenuwen,
+8o insgelijks onbekende bewegingen ontstaan binnen de met die zenuwen
+in verband zijnde spieren, 9o beweging der ledematen heeft plaats.
+
+Bij No. 1, 2 en 3 zijn elkander mechanisch bepalende bewegingen
+aangegeven, insgelijks bij No. 7, 8 en 9, terwijl bij No. 4, 5
+en 6 er elkander bepalende denkingen zijn aangeduid. De keten van
+elkander bepalende bewegingen kan echter kwalijk na No. 3 afgebroken
+zijn en bij No. 7 weder beginnen, want denking en beweging zijn
+geheel ongelijkslachtige zaken. Er schiet aldus niets anders over
+dan te stellen, dat de denkingen, bij No. 4, 5 en 6 aangeduid,
+geene zintuigelijke indrukken teweeg brengende bewegingen der
+zelfstandigheid bepalen. Van den anderen kant zou men ook kunnen vragen
+of, zoo de ons bekende denking van bewegingen vergezeld moeten gaat,
+alle bewegingen welke ook der zelfstandigheid (ofschoon volstrekt
+niet in reden van derzelver sterkte) niet mede bepalen en bepaald
+worden door denking, behalve de eenheden van denking der eindige
+levende wezens eene oneindige eenheid van denking vormende [42]. De
+denking bij No. 4 aangeduid, zou dan door die denking buiten ons
+bepaald worden en die bij No. 6 aangegeven er bepalende op werken,
+zoodat de keten der denking evenmin als die der beweging, afgebroken
+zou zijn. De fatalisten stellen eigenlijk dat de aaneenschakeling
+onzer denkbeelden van geen invloed is op die denking buiten ons,
+de aanhangers der absolute wilsvrijheid, dat deze van geen invloed
+is op de aaneenschakeling onzer denkbeelden, terwijl daarentegen die
+invloed wederkeerig is.
+
+Veranderen de omstandigheden waarin een dier verkeert, zoo wordt dit
+er eerst min of meer aan gewoon en verandert aldus zijn toestand,
+zonder dat er eene noemenswaardige verandering bij de organisatie van
+zijn ligchaam bespeurd kan worden. Verandering dient er dan evenwel
+ergens plaats gegrepen te hebben, en zou deze dan niet kunnen bestaan
+bij die geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende bewegingen, het
+eigenlijke leven daarstellende, en wier er door bepaalde denking, het
+ligchaam voor die nieuwe levenstoestanden geschikt zoekt te maken? Deze
+bewegingen werken toch mechanisch op de wel zintuigelijke indrukken
+voortbrengende moleculaire en andere bewegingen van het ligchaam en
+kunnen hierbij alsware eene verandering te weeg brengen in gelijken
+geest als die bij haar zelve tijdens het wennen plaats had, ofschoon,
+wegens de werking der traagheid, later, zoodat de wijzigingen der
+geene zintuigelijke indrukken teweeg brengende bewegingen, die der
+organisatie van het ligchaam alsware achter zich voortslepen. [43]
+
+Zonder de aanhoudende werking der op blz. 7 gemelde oorzaak van
+geschikthouding, zouden de ligchamen der dieren onmogelijk aan vele
+de deugd hunner organisatie verstorende invloeden kunnen wederstaan,
+en er bestaat hierdoor eene ondempbare kloof tusschen de levende
+organismen aan de eene en de anorganische en doode organische stof aan
+de andere zijde. Gene toch zijn actief, deze passief, van gene kan
+men zeggen, dat zij voor zich zelf beter of slechter zijn ingerigt,
+terwijl het ongerijmd is te zeggen, dat een stuk goud voor deszelfs
+eigen ik meer of minder deugdzaam is.
+
+De denking buiten de eigen denking der menschen en dieren, de
+organisatie dezer voor de bestaande omstandigheden geschikt trachtende
+te maken, moet niet veronderstelt worden te grijpen naar middelen,
+slechts in indirect verband met de gebreken dier organisatie zijnde,
+tevens ook niet door redenering het bekende uit het bekende af te
+leiden, of tusschen verschillende in te slane wegen eene keus te doen.
+
+De dieren komen slechts van het eene tot het andere, wanneer dit
+laatste in direct verband met het eerste staat, en zijn hierdoor
+veel minder dan de menschen aan dwaling onderhevig. Bij deze ontstaat
+eerst het begrip van het doen van daden, geschikt bij het verkeeren in
+zekere omstandigheden en later worden die daden verrigt. Bij de dieren
+gaat dit eerste dit laatste minder vooraf, zij vormen zich meer al
+handelende het begrip van hetgeen zij behooren te doen. Zij bezitten
+andere denkvormen dan wij, en van daar dat de fabeldichters onder
+den naam van dieren eigenlijk menschen van verschillende karakters
+doen optreden. Overleg en handeling ten gevolge van eigene opmerking,
+en aldus rede kan aan de dieren niet ontzegt worden, zamenwerking met
+en opoffering voor andere wezens evenmin, doch wel de bewustheid, dat
+hunne daden strekken ter vergrooting hunner geestelijke ontwikkeling,
+alsmede abstracte en op het gebied van het buitenzinnelijke treden
+de denkbeelden. Zij missen geheel de bij vele menschen zoo flaauw
+ontwikkelde godsdienstige wijsbegeerte, hunne levensbeschouwing is
+gegrond op de directe ervaring, op de eischen van het practische nut,
+en dweepen en droomen is hen even vreemd als aan middelmatige menschen
+de dwalingen en exentriciteiten van het genie.
+
+Evenals de op blz. 143 gemelde denking, moet de eigen denking van
+dieren, wegens de werking der traagheid, blijven beneden de eischen
+van zekere levensomstandigheden, wanneer zij hieraan niet geheel
+gewoon is, en niet aan die eischen zonder vermoeijende inspanning
+kan voldoen. Om bij gelijken aanleg en even hoogen graad van
+geestontwikkeling tijdens de geboorte, gedurende het leven sterk in
+geestontwikkeling toe te nemen, moet 1o. van het voorgeslacht veel te
+leeren vallen, 2o. de middelen van gemeenschap met dit voorgeslacht,
+namelijk het spraakvermogen enz. op een hoogen trap staan, 3o. de
+levensomstandigheden, waarvoor men zijne geestontwikkeling geschikt
+tracht te maken, insgelijks op een hoogen trap staan, en 4o. het
+ligchaam op de vergrooting der geestontwikkeling slechts eene kleine
+directe tegenhoudende werking uitoefenen.
+
+Met betrekking tot het eerste en derde zijn wij Nederlanders
+bevoordeeld boven onze voorouders de Batavieren enz. en deze waren,
+met betrekking tot al die zaken bevoordeeld boven hunne op de
+boomen klauterende en, bij hoogeren aanleg, de geestontwikkeling der
+hedendaagsche apen bezittende voorouders en deze op hunne beurt boven
+hunne millioenen jaren vroeger in zee levende en de geestontwikkeling
+der hedendaagsche visschen bezittende voorzaten, zie blz. 31. Wel kan
+men door zijn vrijen wil, of anders gezegd door daden het gevolg zijnde
+van uit elkander voortvloeijende en elkander bepalende redeningen, de
+omstandigheden, op wier hoogte men zich tracht te stellen, eenigzins
+hooger of lager stellen, en dit ook door het toeval plaats hebben,
+doch hiervoor bestaan er grenzen, en, evenmin als Napoleon I in gewone
+tijden keizer had kunnen worden, kan een wezen zelfs van grooten
+aanleg, met een laag bewerktuigd ligchaam voorzien, en beroofd van
+de middelen om uitgebreide waarnemingen te doen en om met andere
+wezens denkbeelden te wisselen, gedurende zijn leven belangrijk in
+geestontwikkeling klimmen.
+
+Op bladz. 143 hebben wij aangegeven, hoe op onze denking eigenlijk niet
+eene wel of geen zintuigelijke indrukken te weeg brengende moleculaire
+beweging bij ons ligchaam en de daarbuiten gelegen voorwerpen, maar
+eene hierdoor gedeeltelijk bepaalde denking (buiten de onze en die
+van andere eindige wezens bestaande) van invloed kan zijn. Om meer
+bij het gewone spraakgebruik te blijven, gewagende van den invloed
+door ons ligchaam op onzen geest uitgeoefend, zoo herinneren wij
+dat, naar aanleiding van het op blz. 91 gemelde, die invloed op eene
+directe wijze onzen geest tracht te verlagen. Op eene indirecte wijze
+tracht hij echter, door ons te veroorloven waarnemingen te doen en
+met de buitenwereld en andere wezens in contact te treden en onder
+zekere inspanning denkbeelden in werkdadigen toestand te bezitten,
+hem te verhoogen. Sprekende, om bij het gewone spraakgebruik te
+blijven, van wederkeerige werking tusschen ligchaam en geest, zoo is
+het klaar, dat elke verandering bij onze denking gepaard zal moeten
+gaan met zekere verandering bij de verschillende ligchaamsdeelen en
+omgekeerd. Zijn nu die veranderingen bij een dier deelen merkbaar,
+en worden zij door andere invloeden niet zoodanig gestoord, dat zij
+onherkenbaar worden, zoo moet elke toestand van den geest overeenkomen
+met zekeren toestand van zulk een ligchaamsdeel, en zelfs met dien
+der kleederen welke men draagt.
+
+In zekere mate kan dit nu het geval zijn met de hersens, doch hieruit
+mag men volstrekt niet afleiden dat de hersens denken en aldus boven
+alle andere organische levende stofmassa's het voorregt bezitten,
+om te denken en dus ook te voelen, te ruiken, te zien enz. Bijna
+even goed kan men bijv. aan eenig ingezegend voorwerp boven andere
+dergelijke, maar niet ingezegende voorwerpen het voorregt toekennen
+om zekere geheime kracht uit te oefenen.
+
+Waarom buitendien aan de hersens boven de andere zenuwknoopmassa's het
+vermogen om denken toe te kennen, en, zoo men dit min of meer als een
+vermogen van al de zenuwknoopmassa's beschouwd, waarom kan men, zooals
+bij afzetting van ledematen, van die zenuwknoopmassa's verliezen,
+terwijl de denkbeelden in hun geheel behouden blijven? Waarom kan
+men zelfs bij lagere dieren de hersens wegnemen en zij nogthans,
+waarschijnlijk ten gevolge van bewuste denking, hunne ledematen
+bewegen. Het komt ons integendeel waarschijnlijk voor, dat de
+op blz. 143 gemelde eenheid van geene zintuigelijke indrukken
+veroorzakende beweging aan onze ligchamen annex, wanneer de beleediging
+van dit ligchaam zekere grenzen overschrijdt, hier niet meer annex
+mede kan blijven, en, even als de op blz. 145 gemelde denking
+(buiten de onze bestaande en onze organisatie geschikt voor de
+levensomstandigheden trachtende te maken) alsware vrij komt en dan
+(zie later) geene werkdadige denking kan bepalen.
+
+Dat voorts organische stof onder den invloed dier geene zintuigelijke
+indrukken te weeg brengende beweging ontstaat en tegelijkertijd uit
+anorganische stoffen zamengesteld kan worden, behoeft niet meer te
+verwonderen, als dat bijv. waterstof door electrische ontleding van
+water en tegelijk op zuiver chemische wijze te vormen is.
+
+Op blz. 146 hebben wij gezegd dat de geest der dieren niet slechts
+quantitatief, maar tevens ook qualitatief met den onzen verschilt. Een
+zoodanig verschil bestaat er echter ook tusschen den geest der
+kinderen en die der volwassenen en bij den op blz. 31 gemelden
+stamboom van het menschelijke geslacht moet de qualitatieve verandering
+evenzeer geleidelijk als de quantitatieve plaats gegrepen hebben. Het
+bestaan van gelijkslachtigheid tusschen de ziel der dieren en die der
+menschen kan echter niet ontkend worden en, zoo men aan de onze eene
+toekomstige steeds voortdurende gemiddelde vergrooting toeschrijft,
+moet eene tragere vergrooting aan die der dieren toegekend worden.
+
+Men verhoogt zich dan trouwens ook niet door anderen te verlagen, en
+passende met een hoogeren trap van geestontwikkeling, dan de thans bij
+de menschen bestaande, zal het welligt zijn, om, wanneer men van dieren
+gewaagt, niet slechts te denken aan ponden vleesch en vet, of zelfs
+aan een kunstig physiologisch zamenstel, maar tevens ook aan iets dat
+aan den kogel van den jager en aan het mes van den slagter ontsnapt.
+
+Het verschil in uitzigt en levenswijze van wezens, elkander als
+niet meer vreemd beschouwende, wordt grooter naarmate de beschaving
+stijgt, en, terwijl bij zeer lagen trap van beschaving de leden der
+verschillende stammen elkander vreemd of vijandig blijven en wreedheid
+en onverschilligheid jegens de dieren, gemis aan beschaving aanduidt,
+zoo moeten, naarmate de beschaving stijgt, de menschen minder exclusief
+en meer cosmopoliet worden.
+
+Hetgeen op blz. 148 gezegd is, dat elk verschil in zielstoestand,
+wegens de wederkeerige werking tusschen ziel en ligchaam, gepaard moet
+gaan met eene ofschoon volstrekt niet er mede geëvenredigde verandering
+bij het ligchaam (evenmin als de veranderingen van uit zintuigelijke
+indrukken bestaande denkbeelden met er aan geëvenredigde veranderingen
+bij de ligchamen die zintuigelijke indrukken opwekkende), moet niet
+aldus verstaan worden, dat de ontwikkeling en eigenschappen der ziel
+geheel door het ligchaam (de op blz. 143 gemelde moleculaire beweging,
+de eigen denking bepalende, hier niet bij gerekend) bepaald worden. De
+ziel zou zich dan tegenover de invloeden, door het ligchaam er op
+uitgeoefend, geheel lijdelijk moeten gedragen, iets dat wel bij
+de dieren en vooral bij de lagere meer dan bij de menschen, maar
+volstrekt niet volkomen het geval is.
+
+De waarde van een wezen wordt niet alleen bepaald door hetgeen het
+is, maar tevens door hetgeen het kan worden, zoodat bijv. een wezen,
+in gedaante en geestontwikkeling met een visch gelijk staande, maar
+met menschelijken aanleg begiftigd, uit een geestelijk oogpunt meer
+waarde dan een werkelijken visch zou bezitten.
+
+De geestelijke aanleg, die, door grooter te zijn, de toename
+in geestontwikkeling bevordert, is voorts bij elk individu niet
+onveranderlijk, maar kan door inspanning van den geest (waaronder
+eigenlijk alle inspanning begrepen is, omdat bijv. het gevoel van
+spierinspanning tot het rijk der denking behoort) vergroot worden. Die
+inspanning aldus beide de geestelijke ontwikkeling en den aanleg
+vergrootende, ofschoon deze laatste minder snel, zoo moet, bij het
+niet bestaan van de vergrooting dier geestontwikkeling tegengaande
+oorzaken, zooals bijv. de moeijelijkheid om de bewuste aanschouwing
+uit te breiden, die vergrooting versnellende geschieden.
+
+De aanleg, waardoor onder geestinspanning de zedelijke ontwikkeling
+van den mensch toeneemt, bestaat naar ons inzien in den graad van
+verhevenheid van het karakter. Zoo bijv. iemand zich veel moeite geeft
+om beter te handelen, vergroot hij zijne zedelijke ontwikkeling, maar
+tevens verbetert hij zijn karakter, waardoor later dezelfde toename in
+geestontwikkeling hem ligter zal vallen, en dus bij gelijke inspanning
+als vroeger, zij grooter dan toen zal worden.
+
+De graad van zedelijke ontwikkeling hangt veel meer van de opvoeding
+en van de maatschappij af waar binnen men op deze aarde treedt,
+dan van het karakter. Hedendaagsche menschen, geen verhevener
+karakter bezittende dan oude Romeinen, dompelen bijv. niet als zij de
+krijgsgevangenen in slavernij, verstooten niet zoo ligt als zij hunne
+echtgenooten, hakken in schijnbaar wanhopende omstandigheden niet zoo
+ligt als zij, door middel van zelfmoord, den gordiaansche knoop door,
+in plaats van te trachten hem te ontwarren, kortom zij staan hooger
+in zedelijke ontwikkeling als die oude Romeinen.
+
+Bij de intellectuele ontwikkeling staat de aanleg vooral in verband
+met de op blz. 67 gemelde door oefening verkregen en niet door middel
+van de spraak uitdrukbare denkbeelden. Men zal bijv. ontwaren dat
+binnen zekere grenzen, hoe langer men zich in iets geoefend heeft,
+hoe gemakkelijker het valt om er zich verder in te bekwamen, zoodat de
+bekwaamheid versnellende toeneemt. Vandaar de verwonderlijke hoogte
+waarin menschen het brengen in zaken, waarin zij zich bijzonder
+oefenen, doch hierbij werken de beperktheid der bewuste aanschouwing,
+de levensomstandigheden en zeker besef van genoegzaamheid, die anders
+versnellende toename der intellectuele ontwikkeling in het een of
+ander tegen.
+
+Die inspanning, waardoor de geestontwikkeling en te gelijk, maar
+in mindere mate den aanleg vergroot, is echter steeds eene overmaat
+van inspanning boven die noodig om die geestelijke ontwikkeling op
+dezelfde hoogte te houden.
+
+Voor zooveel de inspanning hiertoe werkt, komt het ons voor dat zij ons
+aangenaam moet zijn. Trouwens zij zou bestaan bij een veranderlijken
+toestand van onzen geest en hierbij moet, zooals op blz. 47 en 64
+gezegd is het een geheel voor het ander geschikt zijn. Deze slechts
+voor de bestendiging der verkregen geestontwikkeling gevorderde
+inspanning is naar ons inzien tijdens het waken grooter dan gedurende
+den slaap, bij hooge geestontwikkeling grooter dan bij kleine, aldus
+bij de menschen grooter dan bij de dieren en grooter bij eene natuur
+van den geest waarbij deze sterk gedreven wordt naar verhooging zijner
+ontwikkeling [44].
+
+Slechts voor zooverre de vergrooting in aanleg en geestontwikkeling
+eener generatie door eigen toedoen op de ligchamen van derzelver leden
+en op de opvoeding der volgende generatie van invloed is, zal deze
+er partij van trekken. Dit bedrag vormt echter eene kleinere breuk
+dier vergrooting, voor zooverre deze den aanleg dan voor zooverre die
+vergrooting de geestelijke ontwikkeling betreft. In wetenschappelijke
+ontwikkeling zijn de volken gedurende de toeneming der beschaving
+het meeste toegenomen, in de kunsten veel minder, omdat hetgeen
+men daaromtrent weet moeijelijker medetedeelen is dan in zaken van
+wetenschap, en in aanleg voor de kunsten nog veel minder.
+
+Op blz. 146 hebben wij gezegd, dat bij de anorganische ligchamen
+er van geene deugd of geschiktheid voor het verkeeren in zekere
+omstandigheden en van verhooging van organisatie sprake kan zijn. Het
+is er echter verre van af dat hierbij de uitwerking der Natuurwetten
+naar geen doel zou streven. Beschouwt men bijv. de anorganische
+ligchamen niet afzonderlijk, maar tot hemelbollen gemasseerd, zoo
+kan bij deze zeer wel sprake zijn van deugd in eigen belang, welke
+bijv. zou bestaan in het vermogen om een afzonderlijk bestaan te
+perpetueren, om niet steeds in snelheid af te nemen, om korsten en
+gasvormige omhulsels te bezitten, om bij een en ander verscheidenheid
+van aard en van temperatuur in stand te houden enz. Ook kan het zijn
+dat de hemelbollen, door zamenpakking van den ether of algemeene
+enkelvoudige oerstof, binnen en om hun oppervlak gelegen, er bij
+chemische verbindingen te weeg brengen, de natuur van hun eigen
+bestanddeelen aan dien ether geven en aldus in massa toenemen, hetgeen
+met de vergrooting der geesten te vergelijken zou zijn, terwijl de
+neiging dier bollen om in massa toe te nemen met den aanleg dier
+geesten zou overeenkomen.
+
+Hoe grooter afwijkingen er van de geschikste organisatie der planten en
+dieren ten gevolge van zekere accidentele oorzaak bestaat, hoe sterker
+de oorzaak, des geschikste organisatie trachtende voort te brengen,
+de verdere vergrooting dier afwijking tegengaat en deze, wanneer die
+accidentele oorzaak niet meer bestaat, tracht te vernietigen. Hiervan,
+kan de algemeene reden zijn, dat, wanneer natuurwerkingen zekere
+afwijking van een toestand voortbrengen, de verdere vergrooting
+dier afwijking steeds bezwaarlijker voor hen wordt en andere
+natuurwerkingen een teruggang sterker trachten voort te brengen. De
+ongelijkheid in snelheid van naast elkander bewegende ligchamen doet
+bijv. gewone snelheden door middel der wrijving in warmtebeweegkracht
+overgaan, doch de ongelijke druk, bij warme ligchamen bestaande, doet
+weder warmte in gewone snelheden veranderen. Hoe meer er nu van die
+snelheden en hoe minder warmte er bestaat, hoe sterker die uitwerking
+der wrijving en hoe zwakker die dezer ongelijkheid in drukking zal
+zijn. Bij ongelijkheid van temperatuur verspreidt zich de warmte van
+de warmste naar de koudste plaatsen en wordt de temperatuur overal
+meer egaal, doch waar er electrische scheiding plaats heeft, wordt er
+warmte ergens opgenomen en deze bij electrische verbinding in warmte,
+van hooge temperatuur omgezet, zoodat aldaar de temperatuur veel hooger
+dan elders wordt en aldus de ongelijkheid er van op de verschillende
+plaatsen hersteld wordt [45]. Was de aarde van binnen vast, zoo zou
+het rivier- en beekwater de grondspecie naar zee voeren, de golving
+der zee deze stoffen op derzelver bodem egaliseren en eindelijk de
+aardkorst volmaakt vlak en overal met eene even diepe zee overdekt
+raken. De aarde is echter van binnen met (zie hierboven) in beweging
+gehouden gesmolten lava gevuld en daar deze specifiek wat ligter dan de
+aardkorst is, zoo zal, waar die lava deze korst van onderen afschuurt,
+deze dunner en aldus, ter bewaring van het hydrostatische evenwigt,
+opgeligt worden. Elders het tegenovergestelde plaats hebbende, zoo
+zullen hierdoor de ongelijkheden van den bodem hersteld worden [46].
+
+Ook op maatschappelijk gebied ontbreken niet die dit grooter worden
+der accidentele afwijkingen en, naarmate die afwijkingen zulks zijn,
+sterker, tegengaande werkingen. Wordt er bijv. wegens het bestaan
+eener accidentele oorzaak, minder goed en meer kwaad gedaan, zoo
+lijdt de maatschappij hieronder en tracht zij dit te keer te gaan
+door meer moeite ter zedelijke verbetering der menschen aan te wenden,
+benevens door de belooningen en straffen te vergrooten [47].
+
+Zoo de hemelbollen, door de werking der wrijving der vloeistoffen
+dier bollen tegen die van andere bollen waartegen zij botsen (want,
+voordat zulk eene botsing mogelijk wordt, zullen, wegens derzelver
+onderlinge aantrekking, hemelbollen zoo sterk uitgezet en dus kouder
+worden en zooveel warmte uit den omringenden ether opnemen en binden
+dat derzelver bestanddeelen tot den gasvorm overgaan) veel kleinere
+banen verkrijgen, zal eene andere werking die banen sterker trachten
+te vergrooten [48].
+
+Stel bijv. dat eene groep betrekkelijk kleine hemelbollen langs
+eene elliptischen baan om een anderen bol, in het eene brandpunt van
+die ellips gelegen, beweegt, zoo zullen de kleine bollen der groep
+buitendien gedurig naar elkander toe, digt achter elkander heen en,
+wegens de werking der traagheid, weder van elkander afgaan; zij zullen
+aldus gemiddeld grootere resulterende snelheden bezitten, dan zoo
+zij slechts een enkelen bol vormden, waar echter hunne resulterende
+elliptische baan krom is, zooals bijv. digt bij het perihelium, zullen
+zij, wegens het bezit dier bijzondere snelheden meest grootere banen
+erlangen welke echter voor elk dier kleine bollen niet dezelfde als
+van de andere zal zijn. Verder gekomen zal echter derzelver onderlinge
+aantrekking hen weder naar elkander toe doen gaan, doch daar zij meest
+eene grootere baan verkregen hebben, de resulterende baan, waar langs
+nu die groep van kleine bollen beweegt, grooter dan vroeger geworden
+zijn. Dit nu zal insgelijks het geval zijn, zoo die groep vervangen
+wordt door een enkelen vloeibaren bol waarbinnen er stroomen bestaan,
+zoodat de vloeistofmassa's van dien bol, behalve derzelver snelheid
+langs eene elliptische baan nog bijzondere snelheden bezitten.
+
+Het uiteenloopen der zooeven gemelde grooter geworden banen zal zulk
+een vloeibaren bol sterk uitzetten en vervormen, doch de onderlinge
+aantrekking dier massas (nu in tegenstelling van bij het voorgaande
+geval door de drukking dier massas tegen elkander wederstaan) die
+vervorming, wanneer die bol voorbij het perihelium gekomen is, met
+behulp der wrijving van lieverlede te loor doen gaan, zonder evenwel de
+baanvergrooting van het zwaartepunt van den bol te kunnen vernietigen.
+
+Stelt men nu dat wanneer die bollen grooter zijn, bij het bestaan van
+grootere onzuivere en zeer sterk elliptische banen om elkander, de baan
+vergrootende en verkleinende werkingen tegen elkander opwegen, zoo zal,
+wanneer van eene groep hemelbollen de leden grooter worden door, zooals
+op blz. 154 gezegd is, ether tot hunne zelfstandigheid te vervormen, de
+banen, welke zij om elkander beschrijven, ook grooter worden en aldus
+de groep in omvang toenemen en de gemiddelde positie dier bollen, bij
+derzelver aphelium gelegen, verder van het middelpunt der groep komen.
+
+Zelfs zou zoo iets plaats hebben, wanneer die bollen langs eene schil
+verspreid waren daar, ten gevolge van derzelver onderlinge aantrekking,
+terwijl sommige dier bollen ver van anderen gelegen, zeer nabij stil
+zullen staan, andere digter bij elkander gekomen, zekere snelheden en
+ook ontbondene snelheden rakende aan het oppervlak dier schil zullen
+bezitten. Elke bol zal nu binnen betrekkelijk korte tijden zulke
+ontbondene snelheden bezitten, zoodat, zoo de aantrekkingskracht
+plotseling verdween, de bollen dier schil gemiddeld buitenwaarts
+zouden bewegen en zich verspreiden. Daarentegen zal de resulterende
+aantrekking van al de overige bollen, langs het oppervlak dier schil
+verspreid, de tegen gestelde uitwerking doen. Bij vergrooting dier
+bollen moet dan alsware de schaal van het geheel grooter worden en
+aldus slechts bij een grooteren diameter dier schil die centrifugale
+werking aan die resulterende aantrekking gelijk zijn. Zulke bollen
+zullen niet met elkander kunnen zamensmelten, wegens de tegengestelde
+snelheden welke zij bezitten, wanneer zij tegen elkander botsen, en,
+bij het aphelium gelegen, dan onder de overheerschende aantrekking
+van deszelfs eenen en dan onder die van deszelfs anderen buur komen
+en alzoo dan naar den een en dan naar den ander gaan, er achter om
+heen trekken en, door de werking der traagheid, vertragende ongeveer
+naar derzelver vorige plaatsen terugkeeren.
+
+Ontstaan er nu bij het midden van bovengemelde groepen nieuwe
+bollen, door zamenpakking van den omringenden ether van af eene
+kleinst eindige massa zich verder vergrootende, en gaan de andere
+bollen dier groep door zamenpakking en omzetting van den omringenden
+ether in hunne zelfstandigheid voort met in massa toe te nemen, zoo
+zal zulk eene groep steeds meer omvang verkrijgen en de buitenste
+bollen er van de oudste, grootste en gemiddeld snelst bewegende
+zijn. Waren al die bollen regelmatig gegroepeerd en in rust, zoo
+zou zulk eene groep door de werking der aantrekkingskracht kleiner
+worden, maar de elkander naderende bollen in snelheid toenemen,
+digt achter elkander, en nadien door de werking der traagheid weder
+buitenwaarts gaan; de groep weder grooter worden, terwijl deze
+bollen in snelheid afnemen en zij weder voor een oogenblik in den
+primitieven toestand komen. Bij onregelmatige groepering bestaan in
+zeker opzigt al de toestanden, zooals zooeven gezegd is achtervolgens
+bij de regelmatige groepering plaats hebbende, tegelijk. Hier komen
+er bollen ver van elkander en circa in rust, elders zijn zij digt tot
+elkander genaderd en bezitten zij groote snelheden dan in deze en dan
+in ongeveer tegengestelde rigting, zoodat het oppervlak der groep wel
+hier zich naar buiten en elders zich wat naar binnen kan verplaatsen,
+maar onmogelijk in grootte sterk kan varieren. De vergrooting der
+snelheden der in massa toegenomen bollen, zal hierbij ontstaan door
+de vergrooting der aantrekkende massa's, die van derzelver banen,
+zie blz. 157, door vermindering der snelheden waarmede de vloeibare
+massas van elk dier bollen zich betrekkelijk derzelver zwaartepunten
+verplaatsen en die laatste snelheden, zie blz. 155, door ongelijke
+drukking binnen die vloeibare massas onder omzetting in snelheden van
+warmte ontstaan door omzetting van ether in de zelfstandigheid dier
+bollen, daar dit onder scheikundige verbinding plaats heeft. Bij die
+vergrootende hemelbollen kan er nu een strijd bestaan tusschen twee
+tegengestelde werkingen, namelijk die der warmte van den er binnen
+en buiten tegen gecomprimeerden onomgezetten ether, uitzetting dier
+bollen en onder warmteopneming chemische ontleding van derzelver
+bestanddeelen trachtende te veroorzaken en die der zamenpersende
+werking der zwaartekracht en welligt ook der beroering der hemelbollen
+bestanddeelen deze onder warmteafgeving chemisch zamengestelder
+pogende te doen worden. Heeft nu laatst gemelde werking eerst de
+overhand boven die der warmte en moet zij nadien hiervoor onderdoen,
+zoo zullen de bollen eerst in digtheid toenemen en qualitatief meer
+van den ether gaan verschillen en nadien, wanneer zij tot op zekere
+distantie van het middelpunt der groep gekomen zijn, het omgekeerde
+gaan plaats hebben en dit steeds aanhouden, terwijl zij, meer en meer
+in massa toenemende, verder van dit middelpunt komen. Die toeneming in
+massa dier bollen, door omzetting van den ether er binnen en er omheen,
+zal wel op het sterkste zijn, wanneer derzelver bestanddeelen op het
+meeste met die van den ether verschillen en derzelver digtheid op een
+maximum is; doch later, wanneer zij meer etherachtig geworden zijn,
+niet geheel verdwijnen. Er bestaat aldus geen eindigen grens voor
+de vergrooting dier bollen, doch zij kunnen geene oneindige grootte
+bereiken en tevens in natuur hoe weinig ook met den ether verschillen
+en hiermede niet geheel eenzelvig zijn. Binnen die eene grootere dan
+elke eindige ruimte beslaande sterrengroep, zal er nu eene bolvormige
+schil bestaan, waar binnen van de middelpuntszijde er gedurig bollen
+intreden, aan de andere zijde er bollen uitgaan en waarbinnen de
+bollen eene grootere digtheid en chemische zamengesteldheid dan
+ter wederzijde er van bezitten. Alsdan moeten naar ons inzien de
+electrieke verbindingen gestolde, gecondenseerde of gasvormige
+stoffen bij die bollen op zulk eene hooge temperatuur brengen, dat
+zij voor ons waarneembaar licht uitstralen, want toch wanneer die
+hemelbollen zeer etherachtig zijn moeten zij in temperatuur weinig
+boven de gemiddelde van den ether verheven zijn en kunnen zij aldus
+dan kwalijk als vurige nevels voor ons zigtbaar zijn.
+
+Slechts de sterren binnen die schil gelegen en dan nog slechts een
+deel er van, omdat vele geen voor ons waarneembaar licht uitstralen,
+of door andere voor ons donkere bollen gemasqueerd zijn, moeten
+zich voor ons als zonnen vertoonen. Al de sterren in dit geval
+zijnde moeten, zoo deze hypothese juist is, wegens de kromte van
+bovengemelde schil, alsmede omdat men slechts het licht der sterren
+binnen een segment dier schil kan zien, ons op geen grooten cirkel
+omspannenden en aldus den hemel in twee wat in grootte verschillende
+deelen splitsenden onregelmatigen ring (den Melkweg) op het digtste
+gegroepeerd voorkomen. De bewoners van elk dier bollen binnen die schil
+gelegen, zullen aldus hun eigen melkweg aanschouwen, even als iemand,
+op eenige plaats staande, zijn eigen horizon bezit, en, evenmin als
+voor menschen, op verschillende plaatsen staande, langs den horizon
+dezelfde voorwerpen zich verheffen, evenmin de melkwegen der bewoners
+der verschillende bollen dier schil dezelfde zonnen bevatten. Met
+den blik naar het middelpunt van het kleinste cirkelvlak, door hun
+Melkweg gevormd, gerigt, zullen echter allen naar het middelpunt van
+de sterrenwereld zien, en voor ons dit middelpunt in de rigting van
+het sterrenbeeld, het Hoofdhaar van Berenice zijn.
+
+Evenmin als de hemelbollen, wegens de tegengestelde snelheden, welke
+zij, tegen elkander botsende, bezitten, die (bij het alsdan zijn
+dampvormig van minstens den kleinsten dier beide bollen) wegens het
+bestaan van veerkracht niet zullen verdwijnen, kunnen zamensmelten,
+evenmin kunnen zij zich naar ons inzien in verschillende hemelbollen
+splitsen [49].
+
+Het planetenstelsel is naar ons inzien het gevolg eener accidentele
+wenteling der zon om derzelver as, en deszelfs toevallig bestaan
+heeft naar ons inzien den volgenden oorsprong gehad. Zoo eene
+groep van hemelbollen (bijv. ontstaan, door dat bij die bollen de
+baanverkleinende werking de baanvergrootende werking tijdelijk
+heeft overtroffen) door een er buiten gelegen hemelbol a wordt
+aangetrokken en dat in die groep zich een hemelbol b bevindt zooals
+zon, veel grooter zijnde dan de andere bollen c van die groep, later
+de planeten, zoo zal de bol b bij a gekomen, (even als de kometen bij
+derzelver perihelium) gasvormig en uiterst sterk uitgezet zijn. Botsen
+nu die beide bollen a en b scheef tegen elkander, zoo zullen zij
+aswentelingen verkrijgen, in stand blijvende, nadat zij zich weder
+van elkander verwijderd hebben. De bollen c zullen dan betrekkelijk
+den bol b zeer komeetachtige banen bezitten, en tegen b botsende door
+de aswenteling van dien bol snelheden ongeveer loodregt op die banen
+kunnen erlangen. Tegelijk door de werking der wrijving in lengte
+afnemende, zullen die banen, door de impulsie der aswenteling van b
+aan de bollen c gegeven, breeder worden, en krimpt nu die bol b in,
+doordat hij zich van den bol a verwijdert, nadat de bollen c er aldus
+herhaaldelijk tegen gebotst zijn, zoo kan eene anders onvermijdelijk
+nieuwe botsing der bollen b en c vermeden worden. Wel is waar zal,
+wanneer de aswentelingssnelheid bij den evenaar van den bol b kleiner
+is dan de snelheden der bollen c bij hun perihelium digt bij het
+oppervlak van den uitgezetten bol b, de banen dezer nog vrij sterk
+uitmiddelpuntig moeten zijn, doch die uitmiddelpuntigheid, terwijl
+die banen en tegelijk de bol b kleiner worden, kunnen verminderen.
+
+Hoe sneller de hemelbol b, waartegen die botsingen van c geschieden,
+om deszelfs as wentelt, hoe geringer de uitmiddelpuntigheid dier banen
+van c zal worden en zij is nu bij de binnenkometen kleiner dan bij de
+buitenkometen, bij de coplaneten weder kleiner dan bij eerstgemelden
+kometen, en bij de planeten Venus en Neptunus weder merkelijk kleiner
+dan bij de coplaneten. De kometen en planeten voor geheel verschillende
+hemelligchamen te houden, komt ons even ongegrond voor als het stellen
+dat de inwoners van twee steden op verschillende wijzen gekleed gaan,
+zoo men de eene stad slechts over dag en de tweede slechts des nachts
+bezoekt. Wij zien toch de kometen slechts wanneer zij betrekkelijk
+digt bij de zon gekomen, zoo als op bl. 155 gezegd is, uitgerekt,
+misvormd en tot den dampvorm overgegaan zijn. Het bewegen der meeste
+kometen in dezelfde rigting als die waarin de zon om derzelver as
+wentelt, maakt buitendien waarschijnlijk dat vele er van, even als
+de planeten, tegen het wentelende zonsoppervlak gebotst hebben.
+
+Op blz. 158 hebben wij gezegd dat, naarmate hemelbollen grooter zijn,
+bij grootere banen de deze verkleinende en vergrootende werkingen aan
+elkander gelijk zijn. Van daar welligt, dat de grootste planeten
+gemiddeld het verste van de zon gelegen zijn. Bij groepen van
+betrekkelijk kleine bollen, om eene ster zooals de zon primitief een
+sterk uitmiddelpuntige baan beschrijvende en later, wanneer die baan
+meer cirkelvormig en kleiner geworden is, langs de gansche lengte
+derzelve verspreid rakende, moet bij deze stelling de totale massa
+der bollen dier groep in rekening gebragt worden.
+
+De coplaneten, de ligchamen van het zodiakaallicht en de ringen van
+Saturnus hebben welligt primitief zulke groepen van betrekkelijk kleine
+bollen gevormd. Wanneer bij zulke langs eene weinig uitmiddelpuntige
+baan verspreide bollen van zulk eene zich dan niet meer bij het
+aphelium weder vormende groep, een derzelver de andere in massa ver
+overtreft en eene snelle aswenteling bezit, moeten de kleinere bollen
+dier voormalige groep er tegen botsende evenzoo weinig uitmiddelpuntige
+banen er om verkrijgen als op blz. 161 voor de planeten aangegeven
+is. Van daar den oorsprong der satelliten.
+
+Waarschijnlijk zijn echter, tijdens de vorming van het
+planeten-stelsel, de baanverkortende werkingen slechts wegens
+accidentele omstandigheden grooter dan de baanverlengende geweest,
+zoodat nu die oorzaak met meer bestaande, evenmin als eene oorzaak van
+instandhouding der aswenteling der zon en planeten, bij deze laatste,
+alsmede bij de manen de baanverlengende werkingen de overhand boven
+de tegenovergestelde kunnen bezitten en in de uiterst verre toekomst
+het gansche planeten-stelsel uit elkander rukken, zoodat derzelver,
+alsdan uiterst lange komeetachtige banen verkrijgende leden niet meer,
+of althans niet meer uitsluitend om de zon zullen wentelen, maar elk
+hunner op zich zelf zal staan.
+
+Eene afscheiding van ringvormige massa's langs den evenaar der om
+derzelver as wentelende zon, komt ons onmogelijk voor, daar bij dien
+evenaar de snelheid van omwenteling nimmer zoo groot kan geweest
+zijn, dat de zonsaantrekking niet in sterke mate de overhand boven de
+centrifugale kracht bezat. Wanneer men eene zeer vervormbare massa
+met zekere snelheid duwt over een wrijvend vlak, zullen derzelver
+hier langs verschuivende deelen eene kleinere snelheid verkrijgen,
+dan die hooger boven dit vlak bewegende, doch, wegens de gemakkelijke
+vervormbaarheid dier massa, deze, door de ongelijke verplaatsing van
+derzelver deelen, sterk uitgerekt worden en niet gaan kantelen. Dit
+laatste zal daarentegen wel geschieden, zoo die massa door zekere
+inwendige, kracht bolvormig poogt te blijven en aldus die uitrekking
+er van tegengegaan wordt. Bij de op blz. 161 gemelde scheve botsing
+der sterk uitgezette en geheel dampvormig geworden zon, bestaat nu
+zoodanig een geval, daar de eigen aantrekking der zon die onbepaalde
+vervorming hiervan bij derzelver oppervlak tegengaat. De roterende,
+beweging der zon b, tengevolge van derzelver scheve botsing tegen
+een ander hemelligchaam a, is aldus slechts mogelijk, wanneer de
+aantrekking der zon bij het oppervlak hiervan meester blijft. Wel is
+waar zal de dampvormige zon, zich verwijderende van den hemelbol a,
+weder kleiner worden, en hierdoor de kromming en dientengevolge ook
+de centrifugale kracht bij derzelver evenaar toenemen, doch men houde
+in het oog dat dit verkleinen en krommer worden van den zonsevenaar
+door de er bij bestaande centrifugale kracht tegengewerkt wordt en,
+wanneer die kracht zeer nabij gelijk wordt aan de zonsaantrekking,
+bijna geheel verhindert wordt, zoodat alsdan de verkleining van
+het zonneligchaam onder warmte afgeving meer door toeneming der
+afplatting zal geschieden. Buitendien zal de aswenteling der zon
+stroomen binnen de gasvormige massa dier zon doen ontstaan, en de
+hierbij onstaande wrijving die aswenteling zoodanig verkleinen, dat
+de centrifugale kracht, tijdens het krommer worden van dien evenaar,
+hierbij wel niet belangrijk zal toenemen. [50]
+
+Naar ons inzien bezit de ether zekere aantrekkingstrillingen, welke om
+lichamen, grooter specifiek dan dien ether bezittende, zonder dat de er
+bij bestaande, beweegkracht verandert, zulk eene wijziging ondergaan,
+dat zij op concentrieke boloppervlakken aantrekkingen naar die
+ligchamen voortbrengen. Gaat er nu hier naar toe eenig ander ligchaam,
+zoo kan het zijn dat dit op zijn weg die aantrekkingstrillingen in
+gewone snelheden bij deszelfs massa omzet, en wel in sterkere mate,
+naar gelang het digter bij het aantrekkende ligchaam komt. Volgens deze
+hypothese zou de beweegkracht of levendige kracht steeds eene snelheid,
+of liever het quadraat hiervan zijn, zoodat, wanneer men zegt snelheden
+gaan verloren door overwinning van afstooting over zekeren weg, zij
+werkelijk in andere niet direct waarneembare snelheden omgezet worden.
+
+Elk der atomen van een homogeen ligchaam (bij hetzelfde ligchaam
+niet dezelfde behoevende te blijven en die men, wanneer men ze
+oneindig digt bij elkander stelt te zijn, oneindig klein moet
+veronderstellen), draagt bij tot vorming van al deszelfs eigenschappen
+bij de veropenbaring van deszelfs zelfstandigheid door beweging, en in
+overeenkomst hiermede moet bij de veropenbaring der zelfstandigheid
+door denking, die van elken atoom tot elk denkbeeld van een geest
+bijdragen, en dus een deel der denking van elk dier atomen tot het
+eene denkbeeld, een ander deel tot eenig ander denkbeeld enz. De
+eigenschappen der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging
+zijn in vele opzigten met die der veropenbaring dier zelfstandigheid
+door denking te vergelijken, zoo men de hemelbollen met de eindige
+geesten en de eene oneindigmaal grootere massa dan al die bollen te
+zamen bezittende ether met het oerwezen vergelijkt. Op blz. 145 hebben
+bijv. gezegd, dat de denkbeelden van den oergeest invloed uitoefenen
+en geinfluenceerd worden door de denkbeelden der afgescheidene
+geesten en bij den ether heeft, met betrekking tot de hemelbollen,
+iets dergelijks plaats. Het digt bijeen liggen dier bollen kan men
+bijv. vergelijken met het met elkander in contact zijn van geesten
+(iets dat in het algemeen niet het digtbij elkander zijn der er
+aan annex zijnde levende ligchamen vordert), derzelver onderlinge
+aantrekking wordt bij de geesten vervangen door de neiging dezer
+om met elkander in contact te komen, derzelver snelheid en in het
+algemeen de er bij bestaande beweegkracht met de werkdadige denking
+van geesten en, terwijl bij de bollen die snelheden op het grootste
+zijn, wanneer zij elkander op het meeste genaderd zijn, zoo is de
+werkdadigheid van geesten op het grootste, wanneer zij met andere
+geesten op het sterkste in contact zijn.
+
+Even als twee hemelbollen van ongelijke massa evenveel beweegkracht
+kunnen bezitten, zoo kunnen geesten van ongelijke grootte, of anders
+gezegd in het bezit van een ongelijk aantal denkbeelden (de sterkte en
+diepte dezer hierbij in acht nemende) in even sterke mate werkdadig
+zijn, en bij die geesten wordt die werkdadigheid grooter of kleiner,
+naar mate zij met grootere of kleinere geesten in contact zijn,
+even als de hemelbollen trager of sneller bewegen, naarmate zij door
+kleinere of grootere andere bollen aangetrokken worden.
+
+De overheerschende werking door grootere geesten over kleinere,
+waarmede zij in contact zijn, uitgeoefend, kan vergeleken worden met
+die van groote bollen op de banen van kleinere en het verstrooid
+liggen dezer laatste met het gemis van collectieve werking bij
+overheerscht wordende wezens. Die hemelbollen oefenen (zie blz. 165)
+door tusschenkomst van den ether invloed op elkander uit, de geesten,
+volgens het op blz. 145 gemelde, door tusschenkomst der denkbeelden
+van den oergeest en, even als gene, wanneer zij elkander naderen
+(zie blz. 165 door omzetting van ethertrillingen in snelheden bij
+hunne massa's) beweegkracht uit den ether opnemen, zoo kan men stellen
+dat de geesten, bij het sterker in contact komen met andere geesten,
+om hunne latente denkbeelden werkdadig te maken, denkkracht van den
+oergeest ontleenen.
+
+De door de nadering der bollen ontstane snelheden heeft tot gevolg
+dat zij zich weder van elkander verwijderen, en die verwijdering dat
+derzelver snelheden kleiner worden. Bij de geesten moet evenzeer (zie
+blz. 87) het voortgebragte uitputtende werken op het voortbrengende,
+en aldus de werkdadigheid van geesten derzelver contact (waarvan de
+wijzigingen met de veranderingen in rigting der snelheden der bollen
+vergelijkbaar zijn) verzwakken en die laatste verzwakking wederom
+leiden om die werkdadigheid te verminderen.
+
+Op blz. 73 en 84 hebben wij dan ook aangegeven, hoe de werkdadigheid
+der geesten de er annex aan zijnde ligchamen, met wier behulp zij
+in contact met andere geesten zijn, vernield en op blz. 73 en 78 hoe
+die vernieling de werkdadigheid dier geesten vermindert.
+
+Een eindelijk volslagen gemis hiervan bij den dood dient echter
+krachtens bovengemelde wet te leiden tot de vergrooting van het
+contact met andere wezens en alzoo tot het ontstaan van de hiervoor
+gevorderde hulpmiddelen. De denking, behoorende bij de levende
+organische wereld van hemelbollen, zou men tot deze kunnen stellen in
+dezelfde verhouding te staan, als de ligchamen bij die denking annex,
+(en zie blz. 143 wel te onderscheiden van de moleculaire beweging deze
+bepalende) tot die denking zelve. Gedurig verwisselen die ligchamen
+van deelen, en evenzoo kunnen die organische werelden van denkende
+wezens verwisselen, terwijl, even als die ligchamen ontstaan, groeijen
+en vergaan, en dit laatste, zooals op blz. 73 gezegd is, een gevolg
+is der sterke werkdadigheid van de er aan annex zijnde geesten,
+die organische werelden kunnen ontstaan, bloeijen en, tengevolge
+van aanraking der bollen waarop zij aanwezig zijn met andere, (het
+op blz. 161 gemelde tengevolge hebbende) weder vergaan. Op blz. 7
+hebben wij wel is waar gezegd dat organische naturen zich geschikt
+maken voor de omstandigheden door elken hemelbol opgeleverd en aldus
+van allerlei aard kunnen zijn, doch, wanneer die omstandigheden snel
+veranderen, zal, wegens de op blz. 68 gemelde werking der traagheid,
+er zulk eene ongeschiktheid bij zulke naturen kunnen ontstaan, dat zij
+er onder te niet moeten gaan. Die vernietigende oorzaak, bestaande in
+het zeer sterk uitgezet en gasvormig zijn van zulke betrekkelijk zeer
+digt bij elkander gekomen hemelbollen, op het grootste kort nadat zij
+op het snelste bewegen, zal (zie blz. 167) vroeger moeten invallen
+dan het gevolg er van, namelijk het vernietigd zijn der organische
+naturen, en evenzoo volgt de dood van het ligchaam eenigen tijd na
+dat de werkdadigheid van den geest een maximum bereikt heeft.
+
+Op blz. 159 hebben wij gezegd, dat de hemelbollen, onder vergrooting
+van derzelver massas, door vervorming tot derzelver bestanddeelen
+van den omringenden ether (iets dat misschien door het bezit van
+snelheden door die bollen bevorderd wordt) eerst tot zekeren grens
+minder etherachtig worden en in massa versnellende toenemen, en,
+nadat zij dien grens bereikt hebben, weder meer etherachtig worden en
+vertragende in massa toenemen, zonder echter weder volmaakt etherachtig
+te zijn, voor dat derzelver massa oneindig groot geworden en hunne
+zijde gekeerd naar het op blz. 161 gemelde middelpunt van het Heelal,
+oneindig ver hiervan afgelegen is. Hoe minder etherachtig die bollen
+zijn, hoe grooter betrekkelijk hunne massas hunne snelheden gemiddeld
+zullen zijn, doch tevens hoe minder latente warmte beweegkracht die
+massas zullen bevatten.
+
+Zou men nu bij de in geestontwikkeling, of anders gezegd in grootte
+toenemende geesten ook niet kunnen stellen, dat hunne denkvormen eerst
+tot zekeren grens van die van den oergeest gaan verschillen en die
+toeneming alsdan versnellende is, terwijl later het tegenovergestelde
+plaats heeft. Die toeneming zou aldus voorgesteld kunnen worden door
+het onbepaald hoog oploopen van eene ojiefvormige kromme lijn, wier
+buigpunt oneindig ver van het punt waar die kromme de abcissen as
+raakt, maar op zekere distantie boven die as gelegen is. [51]
+
+Bij dien grens, waarbij zij qualitatief het meeste van den oergeest
+verschillen, zullen die geesten het veranderlijkste en aldus zie
+blz. 64 het betrekkelijk onvolmaaktste zijn, hunne invidualiteit
+(wel van zelfbewustheid te onderscheiden) op een maximum zijn, en zij
+betrekkelijk hunne grootte op het meeste op eene wijze, vergelijkbaar
+met het bezit van snelheden, doch daarentegen op het minste op eene
+wijze, vergelijkbaar met het bezit van warmtebeweegkracht, werkdadig
+zijn. Het bezit dier laatste soort van werkdadigheid, achten wij te
+zijn de mogelijkheid om denkbeelden, door aanschouwing verkregen,
+voor den geest te houden, en het bezit der eerste om, zooals bij ons
+menschen, denkbeelden onder inspanning en met verstandswerking voor
+den geest te houden, en aldus te oordeelen, te zoeken, te kiezen enz.
+
+Van de oneindige massa van den ether is slechts een deel, gelijk
+aan de grootst eindige grootheid en betrekkelijk volstrekt nietig,
+onder den invloed der uit van den ether onderscheiden stof gevormde,
+hemelbollen. Slechts bij dit laatste deel van den ether, oneindig
+maal overtroffen wordende door deszelfs gansche massa, verkeert
+aldus die oerstof in geen onveranderlijken toestand en is aldus
+de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging niet steeds
+onveranderlijk dezelfde. Des te minder zal dit het geval zijn bij de
+massas van gemeld deel van den ether, naarmate zij digter liggen bij
+hemelbollen en vooral bij die minder etherachtig van aard zijnde. In
+overeenstemming hiermede moet het oneindig aantal denkbeelden van den
+oergeest op een grootst eindig en aldus betrekkelijk volstrekt nietig
+deel na onveranderlijk dezelfde en zie blz. 64 derhalve volmaakt zijn,
+terwijl van dit uiterst groote, maar nog eindig aantal veranderlijke
+denkbeelden deze het sterkste veranderlijk moeten zijn, welke het
+meeste met de denkbeelden der afgescheiden geesten (en voornamelijk
+met die qualitatief het meeste met den oergeest verschillende) in
+contact zijn.
+
+Op blz. 143 hebben wij daarvan reeds gewag gemaakt en tevens gemeld
+dat de beweging der zelfstandigheid de denking moet bepalen en
+omgekeerd. Slechts bij de hemelbollen en, zooals hierboven gezegd is,
+bij een grootst eindig deel van den ether bestaan er nu veranderlijke
+bewegingen (ofschoon te zamen met onveranderlijke) en daar slechts
+zij veranderlijke denking kunnen bepalen en hierdoor bepaald worden,
+zoo volgt ook hieruit, dat slechts een grootst eindig maar betrekkelijk
+volstrekt nietig deel der denkbeelden van den oergeest veranderlijk en
+aan den op blz. 64 gemelden invloed der traagheid onderworpen kan zijn.
+
+Men dient hierbij wel te onderscheiden de wederkeerige bepaling der
+beweging en denking der zelfstandigheid van de overeenkomst tusschen
+hetgeen op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door
+beweging en door denking bestaat. Een zich als iets onderscheiden
+veropenbarende op dit laatste gebied, is vergelijkbaar met een evenzoo
+onderscheiden iets op het andere gebied, maar wordt niet door zulk een
+onderscheiden iets hierop bepaald. De denking van eenig wezen wordt
+bijv. niet door iets onderscheiden op het gebied der veropenbaring
+door beweging bepaald, maar kan vergeleken worden met de bewegingen
+(de moleculaire ingesloten) van een hemelbol, terwijl omgekeerd de
+bewegingen hiervan niet door een onderscheiden iets op het gebied
+der denking bepaald worden. Zoo hebben wij bijv. het oerwezen met den
+ether vergeleken, terwijl ook bewegingen bij de massas der hemelbollen
+bijdragen om de veranderlijke denkbeelden van den oergeest te bepalen,
+en daarentegen veranderlijke bewegingen bij den ether voor een deel
+de denking der afgescheiden geesten kunnen bepalen.
+
+De enkelvoudige etheratomen zullen misschien oneindig klein zijn,
+oneindig digt bij elkander zijn gelegen, en in een oneindig kleine
+tijden trillingen maken, voor zooverre deze niet ontstaan door den
+invloed van hetgeen op de hemelbollen plaats heeft, zooals bijv. wel
+het geval is bij de ethertrillingen der stralende warmte. Zulke
+binnen een oneindig kleinen tijd zich herhalende bewegingen kunnen
+nu in zekeren zin als een onveranderlijke bewegingstoestand beschouwd
+worden en onveranderlijke denkbeelden bepalen. Elk der moleculen der
+ligchamen, een oneindig aantal etherdeelen bevattende, zal voorts op
+een eindige distantie van andere moleculen gelegen zijn.
+
+De op blz. 159 gemelde bollen, zullen, naarmate zij trager gemiddeld
+naar buiten dringen, in grooter aantal op concentrieke boloppervlakken,
+het middelpunt, van blz. 161 tot middelpunt bezittende, gelegen zijn,
+en bij al die boloppervlakken de naar buiten dringende massa gemiddeld
+even groot moetende zijn, zoo zullen aldus de uiterst groote bijna
+etherachtige bollen met zeer kleine gemiddeld buitenwaarts gerigte
+snelheden kunnen volstaan. Voorts zal de ether, ter vergrooting
+der massa dier bollen strekkende, naar binnen stroomen en met de
+landwaarts zich verplaatsende dampen te vergelijken zijn, zoo men die
+zich vergrootende bollen met de rivieren, en de ether met den Oceaan
+en het dampkringswater vergelijkt.
+
+Elk verschijnsel ondervindt den invloed van eene reeks van verledene
+en oefent invloed uit op eene reeks van toekomstige verschijnsels,
+doch doet zulks minder, naarmate deze verschijnsels verder in het
+verleden en in de toekomst gelegen zijn. Zoo nu een bestanddeel van een
+zamengesteld verschijnsel in het heden min of meer verflaauwd bevat is
+in zamengestelde verledene of toekomstige verschijnsels, kan men zeggen
+dat wat van het verleden nog en wat van de toekomst reeds in het heden
+bevat is, en dit zal in sterkere mate het geval zijn, naarmate zulke
+bestanddeelen van verschijnselen in het heden minder veranderlijk en
+tevens meer algemeen zijn. Zoo bijv. een volk eene ingewortelde liefde
+voor een vorstenhuis bezit, moet die liefde, ofschoon in flaauwere
+mate, zoo zij door de daden dier vorsten later niet opgewekt wordt,
+in de toekomst nog bestaan en alsdan op den toestand van dit volk,
+waaraan inmiddels eene andere dynastie opgedrongen kan zijn, van
+invloed zijn. Van de toekomstige omstandigheden van dit volk is aldus
+reeds een deel in het heden bevat. De aard van zulk een volk, een
+minder veranderlijk en meer algemeen verschijnsel als de populariteit
+van eene dynastie, zal aldus in de toekomst minder verzwakken dan die
+populariteit en veel langer dan deze van noemenswaardigen invloed zijn
+op de lotgevallen van zulk een volk. Als zulk een verschijnsel kan ook
+beschouwd worden de gunstige ligging eener stad voor den zeehandel,
+waardoor die stad, terwijl de beschaving toeneemt, zulks in rijkdom
+en uitgestrektheid moet doen. De verheffing van zulk eene stad in de
+toekomst, zoo accidentele oorzaken dit niet tegengaan en in dit geval
+zekeren wederstand aan accidentele oorzaken van verval, is aldus een
+feit reeds in het heden begrepen, doch, evenmin als het karakter eener
+natie, is de gunstige ligging eener stad voor den zeehandel iets dat
+door eene volstrekt constante oorzaak steeds in stand gehouden wordt.
+
+Die van Amsterdam is bijv., door het ondieper worden der Zuiderzee en
+het vergrooten van het charter der schepen, na gedurende de opkomst
+der zeevaart tijdens de middeleeuwen in waarde gestegen te zijn,
+na de zestiende eeuw van lieverlede vermindert, en evenzoo zal
+het toenemende verkeer tusschen de volken de eigenaardigheden van
+den Nederlandschen volksaard van lieverlede uitwisschen. Kenden
+wij uitmuntend den aard onzer ziel, zoo zouden wij welligt door
+aanschouwing er bij gewaar worden eene constante oorzaak, haar in
+ontwikkeling trachtende te doen toenemen. Die oorzaak zou aldus een
+verschijnsel zijn van een onveranderlijk en algemeen karakter, en
+het gemiddeld minder ontwikkeld zijn eener ziel, naarmate men hoever
+ook in derzelver verleden teruggaat en het gemiddeld meer ontwikkeld
+zijn er van, aan hoe verder afgelegen toekomstige tijden men denkt,
+iets zijn in den huidigen toestand dier ziel bevat.
+
+Het is aldus klaar dat, naarmate verschijnsels in het heden, door
+meer onveranderlijk en algemeen te zijn, de verledene en toekomstige
+toestanden meer bepalen, zij absoluut belangrijker worden en eene
+ruimere plaats in de denking van eenig wezen zouden innemen, zoo diens
+inzigt in den tijd niet beperkt ware. Bij den oergeest dit laatste het
+geval niet zijnde, zoo moet bij dit wezen het denken aan de volstrekt
+algemeene en onveranderlijke verschijnsels oneindig maal sterker
+zijn, dan dat over de veranderlijke en niet volstrekt algemeene,
+welke slechts bij en door den invloed van eindige wezens en eindige
+hemelbollen ontstaan. Het denken betreft steeds min of meer direct
+de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, doch, naarmate
+de geestontwikkeling grooter is, is de kennis dier veropenbaring der
+zelfstandigheid door beweging rijker en van meer beteekenis en wordt
+zij algemeener en dieper opgevat (zooals bijv. bij sterker onderzoek
+der oorzaken der verschijnselen en der werking der Natuurwetten). In
+den allerhoogsten graad behoort men zoo iets te veronderstellen bij de
+denking van het oerwezen, doch men hierbij geene kennis ontstaan door
+het afleiden van het onbekende uit het bekende door oordeelen en raden,
+maar slechts eene, door directe aanschouwing van het tegenwoordige
+verkregen, moeten veronderstellen. De ether niet onder den invloed der
+er van onderscheiden hemelbollen zijnde, maar waarmede deze, na het
+bereiken eener oneindige grootte zamensmelten, vormt eene oneindige
+massa en deszelfs bewegingen moeten aldus bepalen de oneindige en
+onveranderlijke denkbeelden van den oergeest (de geesten, nadat deze
+eene oneindige grootte bereikt hebben en er mede qualitatief gelijk
+geworden zijn in zich bevattende). Daar nu die denkbeelden moeten
+betreffen dienzelfden ether, beschouwd als eene oneindig rijke en
+diepe veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en oneindige
+en onveranderlijke verschijnsels te weeg brengende, zoo moet het
+gezegde, dat het oerwezen verzonken is in de contemplatie van zich
+zelf en er voor al het algemeenste van het verledene en toekomende
+door het huidige bepaald is, waar zijn.
+
+De zelfstandigheid, wier veropenbaring door beweging al de
+veranderlijke verschijnselen bij de eindige hemelbollen en die bij
+den ether, voor zoo verre deze den invloed van die bollen ondervindt,
+vormt, kan kwalijk zich door denking veropenbarende, bij het oerwezen
+anders dan eindige en veranderlijke denkbeelden te weeg brengen. Zoo
+deze echter slechts de kennis van het thans bestaande bevatten,
+voor zoo verre dit voor volmaakte aanschouwing vatbaar is, en die van
+het verledene en toekomstige, voor zooverre deze in het tegenwoordige
+vervat zijn, zal die kennis volmaakt juist zijn. Van eene kennis zooals
+wij menschen bezitten, waarbij uit de beschouwing van verschijnselen
+afgeleid is het bestaan van zekere natuurwetten en, door het bestaan
+zulke wetten te stellen, tot het aanwezig zijn van andere verschijnsels
+besloten wordt, moet zij aldus onderscheiden zijn. De wetenschap
+van wetten dient bij de kennis van het oerwezen bevat te zijn in de
+aanschouwing van al de er door te weeggebragte verschijnsels, want
+slechts dan kan zij geheel zeker zijn. Die veranderlijke denkbeelden
+van den oergeest (door zijne onveranderlijke denkbeelden oneindig maal
+in sterkte overtroffen wordende) moeten niet als deze laatste slechts
+betreffen de bewegingsveropenbaring van het geheel van bewegingen
+m welke die denkbeelden bepalen en er door bepaald worden, evenmin
+als zulks bij ons menschen het geval is. Het geheel van beweging,
+onze denking bepalende, vormt toch geen verschijnsel op het gebied der
+veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, waarmede onze denking
+zich alleen bezig houdt, ja zij is zelfs onnaspeurlijk voor onze
+zintuigen. Die bewegingen m moeten echter van invloed zijn op andere
+bewegingen, bijv. die waardoor de organisatie der planten en dieren
+gevormd wordt en deze omhoog drijven en voor de levensomstandigheden
+waarin zij verkeeren geschikt maken. Minder naauwkeurig, aangezien
+denking slechts op denking en niet direct op bewegingen van invloed is,
+zou men kunnen zeggen, dat door de denkbeelden van den oergeest door
+de bewegingen m bepaald, die organisatien op eene wijze, direct uit de
+bestaande gebreken voortvloeijende, voor derzelver levensomstandigheden
+geschikt gemaakt worden. Wegens de kracht waarmede het bestaande, of
+dit al of niet moge voldoen, onveranderd tracht te blijven, of anders
+gezegd wegens de werking der traagheid, zullen die verbeteringen te
+laat plaats hebben, doch zij kunnen niet ten gevolge van zulk eene
+onzekere en indirecte aanschouwing der gebreken en niet in zulk een
+indirect verband hiermede aangebragt worden als de verbeteringen van
+ons menschen voortspruitende. Het oordeelen of deze of gene verbetering
+te verkiezen is, zal er aldus niet bij kunnen plaats hebben. Het
+aannemen van die bewegingen zonder er door bepaalde denking heeft
+sommige menschen geleid tot het ontkennen van doel in de natuur,
+terwijl het niet aannemen van zulke bewegingen, maar wel van die
+denking, andere menschen geleid heeft tot de miskenning van het
+noodwendig uit elkander voortvloeijen der stoffelijke verschijnsels.
+
+Elk verschijnsel bevat iets bijzonder, tot alleen eigen, voorts iets
+meer algemeen en minder veranderlijk, dat het met meer soortgelijke
+verschijnsels gemeen heeft, iets nog meer algemeen en nog minder
+veranderlijk, dat het met eene grootere verscheidenheid van
+verschijnsels gemeen heeft enz.
+
+Een verschijnsel is het bijv. dat een dier des winters eene
+zwaardere vacht verkrijgt. Het meest bijzondere hiervan bestaat in de
+eigenaardigheden dier vachtverzwaring bij dit eene dier verscheiden
+van die in het algemeen bij de dieren dierzelfde soort bestaande, het
+minder bijzondere, in het eigenaardige der verzwaring der vacht bij de
+gansche soort, het meer algemeene, in het eigenaardige der natuurlijke
+beschutting van al de diersoorten tegen koude, het nog meer algemeene,
+in dat van derzelver beschutting tegen schadelijke invloeden in het
+algemeen en het meest algemeene, in dat der beschutting der levende
+organisme op al de wereldbollen tegen schadelijke invloeden in het
+algemeen. Bij elk verschijnsel, bij elk in vachtverzwaard dier kan
+het meer bijzondere niet bestaan, zonder het meer algemeene, doch wel
+omgekeerd, en kan de zorg voor het meer bijzondere niet bestaan zonder
+die voor het meer algemeene en is dit laatste iets van meer gewigt dan
+het eerste. Men kan die geschiktmaking der organisatiën der dieren
+voor derzelver levensomstandigheden vergelijken met het in goeden
+gang houden van machines van verschillend maaksel, tot verschillende
+einden dienende en aan allerlei storende oorzaken blootgesteld. De
+hiervoor te nemen maatregelen zullen dan, deels voor elk dier machines
+verschillende, doch deels ook voor alle dezelfde worden.
+
+Behalve die gedurige verbetering van zulke machines kan men eene
+beschouwing van derzelver goede werking aannemen. Wij menschen zouden,
+niet alleen wegens den aard onzer zintuigelijke waarneming, maar
+tevens ook wegens die onzer denkvormen, zulke machines achtervolgens
+bezigtigen, en, van de eene naar eene andere gaande, de denkbeelden
+betreffende de eerste latent maken. Men kan zich echter ook voorstellen
+dat, even als men het bespelen van al de instrumenten van een orkest
+tegelijk en niet achtereenvolgens hoort, al zulke machines te gelijk
+bezigtigd worden. Geschiedt zulks en verandert de werking van elk dier
+machines, zoo is de denking van den toeschouwer niet veranderlijker
+dan de taferelen die hij aanschouwt; terwijl dit daarentegen wel het
+geval is, zoo hij die veranderlijke werking dan bij de eene en dan
+bij de andere machine beschouwt. Dit kan met op blz. 182 gemelde in
+verband gebragt worden.
+
+De bewuste aanschouwing der verschijnselen leidt niet alleen, zooals op
+blz. 119 gezegd is, tot onderzoek en verklaring er van, maar ook tot
+verificatie der waarde onzer begrippen over die verschijnselen. De
+eerste soort van bewuste aanschouwing betreft meer verschijnselen
+dan die waarvan den aard verklaard wordt, terwijl de tweede soort van
+aanschouwing der dingen (dieper en grondiger dan de eerste zijnde en
+waaronder bijv. behoort die van de telescopische planeet Neptunus),
+slechts van eenige dier verklaringen de waarde aantoont. Zoo nu
+die eerste soort van aanschouwing niet grooter werd, zou de kennis
+der verschijnselen en de controle hiervan door de tweede soort van
+aanschouwing zich van lieverlede, op derzelver hoogte stellen, die
+kennis aldus eindelijk volmaakt juist worden, en die tweede soort van
+aanschouwing alsdan direct den aard en het verband der verschijnselen
+aantoonen, zoodat men naar geene verklaringen er van zou te zoeken
+hebben. Zulk een eind toestand kan bij in geestontwikkeling toenemende
+en deze aarde tot standplaats bezittende wezens niet bestaan;
+doch, naarmate bij aardsche wezens de geestelijke ontwikkeling en
+eerstgemelde soort van bewuste aanschouwing minder toenemen, zal
+de controlerende aanschouwing minder ten achteren blijven, en de
+afwijkingen van dien eindtoestand geringer zijn. Dit bijv. kan bij
+de dieren het geval zijn, niettegenstaande bij hen de eerste soort
+van bewuste aanschouwing geringer dan bij ons menschen is. De werking
+der traagheid, waardoor bij ons menschen de sterkte der controlerende
+aanschouwing der verschijnselen ten achteren is betrekkelijk onze
+denkbeelden over den aard en de toedragt dier verschijnselen, maakt
+dat vele verschijnselen ons toevallig voorkomen. Kon men bijv. uiterst
+goed waarnemen op welk eene wijze een witte of zwarte bal blindelings
+uit eene bus (evenveel witte als zwarte ballen bevattende) getrokken
+wordt, zoo zou het trekken van een witten bal ons niet meer toevallig
+voorkomen.
+
+Dat ons ligchaam en onze zintuigen van dien aard zijn, dat zij bij
+de verst verwijderde generatiën nimmer zoodanig kunnen worden, dat de
+controlerende aanschouwing van elk verschijnsel der aard hiervan zoo
+sterk aantoont, dat geene onzekere veronderstellingen daaromtrent
+kunnen gevormd worden, is slechts een bewijs dat op deze aarde de
+harmonie tusschen die aanschouwing en de redeneering bij der menschen
+geest onmogelijk kan ontstaan en dat deze aldus geen product dezer
+aarde is.
+
+Hierbij dient echter onkunde, waarvan men bewust is, als kennis
+aangemerkt te worden, daar zij vordert het bezit van denkbeelden over
+verschillende wijzen waarop eene zaak zich kan toedragen, doch waar
+tusschen men, wegens de onvolkomenheid der waarneming, geene keus weet
+te doen. Zoo iemand, in eene foul staarde, bijv. door den bliksem
+wordt getroffen, zal een naturalist zeggen, de vochtigheid van het
+ligchaam en de aard van den bodem waarop de getroffen persoon stond,
+de verplaatsing van de donderwolk kunnen hiertoe geleid hebben,
+en hij blijft in het onzekere. Niet alzoo de supre-naturalist,
+zoo deze dit verschijnsel wijdt aan het opwekken van den toorn
+Gods door den getroffen persoon. Hij die zulk eene verklaring geeft
+bewijst slechts dat hij van zijne onkunde weinig bewust is. Zoo nu
+de inrigting van het Heelal zoodanig was, dat die supre-naturalist
+gelijk had, zouden de Natuurwetten zoo uiterst zamengesteld zijn,
+dat verstandige redenering over den aard der verschijnselen tot geene
+uitkomst zou leiden, en dat slechts de directe aanschouwing van elk
+derzelve ons er mede bekend zou maken [52].
+
+Met zulke wetten kunnen eenigzins vergeleken worden die voor de
+uitspraak der Engelsche taal. Het is circa even gemakkelijk om van
+die taal woord voor woord door nazegging goed te leeren uitspreken,
+dan om de regels dier uitspraak te leeren en toe te passen.
+
+Voor zooverre de menschen schijnbaar vrijwillig handelen, zijn
+hunne handelingen geheel toevallig, of anders gezegd, de vruchten van
+accidentele oorzaken, en kan men evenmin uit de omstandigheden, waarin
+die menschen verkeeren, opmaken, welke schakels van redeneringen uit
+die omstandigheden zullen voortvloeijen en tot welke handelingen die
+redeneringen zullen leiden, als dat men uit de houding der hand, welke
+men in eene met ballen van verschillende kleur gevulde bus zal steken,
+benevens uit de kennis van de kleur dier ballen, kan opmaken, van
+welke kleur een blindelings getrokken bal zal zijn. Er bestaat echter
+onderscheid tusschen handelen ten gevolge van inwendigen dwang bij
+het doen van aaneengeschakelde redeneringen, en handelen ten gevolge
+van uitwendigen dwang. Zoo overigens wij en anderen steeds in den
+letterlijken zin schijnbaar vrijwillig handelden, zouden, zoowel onze
+daden als die van anderen, ons steeds raadselachtig voorkomen. Wordt
+toch iemand niet door bekende beweegredenen gedwongen tot zekere
+handeling, zoo is deze toevallig, dat is zoo iemand weet zich volstrekt
+niet te verklaren waarom hij zoo handelt. Zulke beweegredenen bestaan
+nu ook bij het doen eener keus, zoodat, wanneer deze schijnbaar
+vrijwillig geschiedt, het is alsof zij door dobbelen bepaald wordt.
+
+Dat der menschen daden afhangen van constante oorzaken zooals bijv. den
+aard van hun geest, is voor hen een waarborg, om, althans niet binnen
+zeer korten tijd, daden, geheel met den huidigen toestand hunner ziel
+in strijd, te verrigten. Overigens moet die inwendige dwang slechts bij
+den geest verondersteld worden te bestaan en die dwang hierop door het
+ligchaam uitgeoefend, slechts als een meer nabijzijnden uitwendigen
+dwang als dien der omgeving aangemerkt worden. Zedelijke daden, ten
+gevolge van innerlijken dwang gedaan, gaan van het individu zelf uit
+(van daar het gevoel der toerekenbaarheid) en toonen op welken trap van
+zedelijke ontwikkeling het, met betrekking tot de maatschappij waarin
+het verkeert, staat, en voor welke behandeling het aldus geschikt
+is. Doet een individu, zonder uitwendig hiertoe gedwongen te worden,
+kwaad, zoo is het niet voldoende zijne omgeving zoodanig te maken,
+dat het geen kwaad meer kan doen, en aldus den uitwendigen dwang
+hiertoe weg te nemen, maar het moet ook gestraft, dat is als een lager
+ontwikkeld wezen behandeld worden. Is de intellectuele ontwikkeling van
+dit individu even groot als die van het gros der menschen, zoo moet
+klaarblijkelijke die behandeling anders zijn, dan zoo zij even laag
+als de zedelijke ontwikkeling staat, hiervoor bestaat er even goed
+reden als om bijv. een hond anders te behandelen dan een schaap. In
+het eerste geval heeft men te doen met een disharmonisch wezen, dat in
+zijn eigen oog behoort vernederd te worden, in het tweede met een meer
+harmonisch wezen, dat naar lagere rangen behoort te worden verbannen.
+
+Ongerijmd is het echter zoo bijv. een zedeloos mensch zegt:
+"ik kan mijn gedrag niet verbeteren, want mijne denkbeelden zijn
+gedetermineerd, dat is uit een dezer kunnen niet zus of zoo andere
+volgen." Zoo iemand stelt toch zijne keus, om zijn gedrag niet te
+verbeteren, ongedetermineerd, en niet voor een deel zijn later
+gedrag noodwendig te moeten bepalen. De menschen handelen onder
+den gezamentlijken invloed van bekende oorzaken (zooals bijv. hun
+karakter) en van onbekende accidentele oorzaken, welke de gevolgen
+van eerstgemelde oorzaken kunnen vergrooten, maar ook verkleinen
+en zelfs opheffen. Van daar hunne bewustheid dat hunne daden anders
+kunnen zijn, dan zoo deze enkel de gevolgen van eerstgemelde oorzaken
+waren. Waar dit niet het geval is, hebben wij dan ook het bewustzijn
+dat onze denking niet vrij is, bijv. dat wij de tastbaarste waarheden
+niet in gemoede kunnen ontkennen. Door accidentele redeneringen kan
+men echter constante oorzaken bijv. zijn karakter en een graad van
+verlichting, waardoor het onmogelijk wordt om aan bijgeloovigheden te
+hechten, veranderen. De indeterminist, die den drang dier constante
+oorzaken ontkent, maakt (zie blz. 112) van de wereld een warboel,
+de determinist, die de werking der accidentele redeneringen niet
+telt, vervalt tot fatalisme, voor beiden zal echter in de praktijk
+de illusie dat hun wil vrij is sterker zijn, naar gelang hunne kennis
+van hetgeen er met hen voorvalt de op blz. 178 gemelde controlerende
+aanschouwing meer overtreft.
+
+Op blz. 67 hebben wij gezegd, dat denkbeelden, uit het hoofd gebragt
+zijnde, tijdens het verkrijgen van nieuwe denkbeelden, van lieverlede
+uitgewischt worden. Moeijelijker echter geschiedt dit, naarmate die
+latente denkbeelden dieper in den geest gegrifd zijn, moeijelijker
+aldus wanneer zij, al of niet door middel van de spraak uitdrukbaar,
+betreffen iets, dat men met inspanning geleerd heeft, dan wanneer zij
+slechts door vlugtige zintuigelijke indrukken ontstaan. Wanneer men
+bijv. zich in eenige wetenschap geoefend heeft en er gedurende eenigen
+tijd niet meer aan doet, zal men wel van die wetenschap het een en
+ander en wel voornamelijk datgene, wat meer bepaaldelijk geheugenwerk
+is, vergeten, doch andermaal de beoefening dierzelfde wetenschap
+weder opvattende, zij gemakkelijker als vroeger zijn. Die eerste
+leering is aldus niet te vergeefs geworden. Dit bestaan van latente
+denkbeelden is een gevolg van de veranderlijkheid van ons bestaan,
+zoodat, bij het komen in nieuwe toestanden, nieuwe denkbeelden sterk
+in het hoofd gebragt of werkdadig worden. Ware dit niet het geval,
+kon men al zijne denkbeelden in ligte mate in het hoofd houden, geen
+dezer zou dan vergeten worden, doch de som der denkbeelden, de diepte
+dezer ook in acht nemende, niet vergrooten, terwijl daarentegen
+dit opdagen van nieuwe toestanden de belangstelling opwekt, tot
+grootere inspanning leidt en maakt, dat men (zie blz. 151) meer nieuwe
+denkbeelden verkrijgt dan oude vergeet. Die invloed der veranderingen
+van toestand doet zich in sterke mate gevoelen bij de denkbeelden
+betreffende der menschen eigen geschiedenis, en wel in veel sterkere
+mate bij kinderen dan bij bejaarden. Men kan het er dus voor houden,
+dat die invloed sterker is, naarmate de geestelijke ontwikkeling en de
+zelfbewustheid geringer zijn, ofschoon dan niet steeds de betrekking
+der kennis van verleden en heden eene kleinere breuk zal zijn. Het laat
+zich toch denken, dat, wanneer de bewuste aanschouwing van het heden
+zwakker is bij eenig wezen van zwakkere zelfbewustheid dan bij een
+ander, die breuk bij dit eerste wezen grooter dan bij het tweede kan
+zijn, niettegenstaande, dat het zich absoluut minder dan dit tweede
+van zijn verleden herinnert. In elk geval zal bij een in geestelijke
+ontwikkeling en zelfbewustheid toenemend wezen de herinnering van
+feiten, naarmate deze langer verleden zijn, niet slechts kleiner zijn,
+wegens den langeren tijd sedert verloopen, maar tevens omdat, toen
+zij pas verleden werden, de zelfbewustheid van het wezen geringer was.
+
+De zelfbewustheid van dit wezen constant zijnde, zoo zou zijne
+herinnering van feiten, bij het begin der achtervolgende veelvouden van
+zekere tijdseenheid geschiedt, vertragende verzwakken, naarmate die
+veelvouden grooter zijn en aldus nimmer volmaakt nul zijn, hoe groot
+die eindige veelvoud ook zijn moge. Aldus zal bijv. de herinnering
+van een feit, voor 2n jaren plaats gegrepen, minder met die van een
+dergelijk feit, voor n jaren geschiedt, verschillen dan die laatste
+herinnering met die van een dergelijk feit, zoo dit gisteren heeft
+plaats gehad.
+
+Wegens bovengemeld effect van het zwakker zijn der zelfbewustheid
+van de waarnemers van feiten, naarmate deze tijdens het begin van
+grootere veelvouden van zekeren tijd plaats gehad hebben, zullen
+de herinneringen dier feiten bij in zelfbewustheid toenemende
+wezens, kleinere onderdeelen dezer herinneringen zijn, (in de
+veronderstelling, dat die zelfbewustheid steeds even groot als in het
+heden geweest was), naarmate die feiten tijdens het begin van grootere
+veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt zijn. Aldus zullen bij
+elk wezen, zekeren graad van zelfbewustheid verkregen hebbende,
+die herinneringen geheel nietig zijn, zoo zij feiten betreffen
+geschiedt toen zijne zelfbewustheid nog betrekkelijk gering was, en
+de som der herinneringen van al die feiten zelfs geheel nietig zijn,
+al is dit aantal feiten grooter dan de grootst mogelijke eindige
+grootheid [53]. Dit betrekkelijk kleiner worden der herinnering
+van feiten, naarmate deze waargenomen zijn door wezens van kleinere
+zelfbewustheid, bestaat bijv. bij de geschiedenis der menschheid,
+omdat, naarmate volken op een lager standpunt van beschaving staan,
+hunne geschiedenis meer verloren raakt. Van hetgeen bijv. vroeger dan
+1000 jaren voor het begin onzer jaartelling geschiedt is, weten wij
+zeer weinig en de kennis hiervan kan vergeleken worden met hetgeen
+een bijv. 34jarig mensch weet van de geschiedenis van zijn eigen leven
+voor bijv. zijn zesde jaar. De kennis van zijn verleden gedurende een
+acht-en-twintigjarig tijdvak vormt aldus zeer nabij zijne gansche
+kennis van zijn verleden, even als de kennis der geschiedenis van
+het menschdom gedurende de jongste acht-en-twintig verloopen eeuwen
+bijna onze gansche kennis vormt der geschiedenis van de voorouders van
+het thans bestaande menschelijke geslacht, sedert dat het organische
+leven op deze aarde begonnen is te ontluiken zie blz. 30. Sommige
+geologen stellen nu dat dit voor meer dan tienduizend millioen eeuwen
+geschied is, zoodat, stellende, dat bij een imaginair menschelijk
+wezen de toeneming in geestontwikkeling honderdmaal sterker is dan
+bij het menschdom en deszelfs stamboom vormende voorouders, zulk een
+imaginair mensch, voor tienduizend millioen plus acht-en-twintig jaren
+geboren, gedurende dit eerste aantal jaren het maar tot den staat
+van een zesjarig kind zou gebragt hebben, en geen noemenswaardige
+herinnering van zulk een ontzettend lang bestaan zou bezitten.
+
+Dit in de geschiedenis onbekende ontzaggelijk lange verleden van
+het menschelijke geslacht, voor dat dit eene noemenswaardige mate
+van beschaving verkregen had, heeft echter er voor eene werkelijke
+waarde. Op blz. 31 hebben wij toch aangegeven, hoe, wegens de werking
+der traagheid, naarmate een organisch wezen sneller verandert,
+deszelfs organisatie slechter wordt. Die trage opklimming der
+organisatie der voorouders van het menschelijk geslacht heeft aldus
+gemaakt, dat dit voor de levensomstandigheden waarin het verkeert,
+geschiktere ligchamen bezit.
+
+Vooral moet dit het geval zijn bij de eigenaardigheden dier organisatie
+vroeger bij de achtervolgende generatiën van den stamboom van het
+menschelijke geslacht bestaan hebbende, en die aldus in sterkere
+mate als de grondslagen er van kunnen beschouwd worden. Hetgeen der
+menschen organisatie, met die van al de gewervelde dieren gemeen
+heeft, behoort toch meer tot de grondslagen hunner organisatie dan
+de bijzonderheden hiervan, bij geen viervoetig en dus nog minder bij
+visschen aangetroffen wordende, en, hetgeen de organisatien van al
+de dieren gemeen hebben, vormt nog in sterkere mate den grondslag
+der organisatie der gewervelde dieren dan hunne geraamten en
+ledematen. Daar nu de sterkte van opklimming der organisatie bij de
+achtervolgende generatiën van bovengemelden stamboom zwakker geweest
+is, naarmate die generatien vroeger geleefd hebben en eene lagere
+organisatie bezaten, zoo moeten de eigenaardigheden der organisatie der
+menschen volmaakter zijn, naarmate zij in sterkere mate de grondslagen
+er van vormen.
+
+Evenzoo zou dit het geval zijn met de geestelijke ontwikkeling van
+den op blz. 185 gemelden imaginaire mensch na tienduizend millioen
+levensjaren slechts den graad van ontwikkeling van een zesjarig kind
+bereikt hebbende. Eene zeer zwakke toeneming in geestontwikkeling
+gepaard gaande met zeer geringe verandering en vernieuwing van
+denkbeelden, moet deze zie blz. 115 en 178 eene zeer groote mate
+van juistheid geven, en van daar misschien, dat de dieren binnen
+een zeer beperkten kring zoo oordeelkundig te werk gaan [54]. Nu
+zijn het juist de denkbeelden, welke een wezen bezit, voor snel in
+ontwikkeling toe te nemen, welke den grondslag vormen der later te
+verkrijgen denkbeelden, en waarvan de deugd dier latere vergrooting
+in geestontwikkeling voornamelijk afhangt.
+
+Een mensch, ofschoon zich zijne lotgevallen voor zijn zesde jaar niet
+meer herinnerende, bezit op dien leeftijd eene geestontwikkeling,
+wel is waar betrekkelijk die van later gering, doch uithoofde van
+het zooeven gemelde, van eene betrekkelijke belangrijke waarde, zie
+voorgaande noot. Het is nu echter de vraag of een kind, van af het
+oogenblik, dat het begint te zien en te hooren, betrekkelijk snel in
+geestontwikkeling zou kunnen toenemen, zoo er op dit oogenblik geen
+grondslag aanwezig was voor dit op te trekken gebouw van denkbeelden
+dat is zoo dit kind alsdan niet reeds eene voor ons onwaarneembare
+geestontwikkeling bezat. Deze achten wij nu niet te bestaan uit
+zoogenaamde aangeboren denkbeelden, maar wel uit die, gedurende
+vroegere zielenlevens, door tusschenkomst van met de aardsche
+verschillende zintuigelijke indrukken, verkregen. De verschillen
+hierin vergelijkende met die tusschen de behandeling van buksen en
+van bogen, zoo zou men zulk een kind, op het oogenblik der geboorte
+reeds zekere geringe geestontwikkeling bezittende, kunnen vergelijken
+met iemand, nooit eene buks in handen gehad hebbende, maar geoefend
+in de behandeling van den boog.
+
+Wel zijn de tot het domein der denking behoorende zintuigelijke
+indrukken in zekeren zin de bouwstoffen der denkbeelden, doch, even
+goed, als men deze eerst in eene en later in eene andere taal uitdrukt,
+kan men hen eerst uit deze en later uit andere zintuigelijke indrukken
+zamenstellen.
+
+Op blz. 174 hebben wij gezegd, dat werkdadige denking onbestaanbaar
+is zonder aanschouwing der veropenbaring der zelfstandigheid door
+beweging, zoodat, deze bij het heelal niet bestaande, alle denking
+zou vervallen. Van den anderen kant drukt het woord veropenbaring
+uit het bestaan van iets waaraan zij geschiedt, dat niet anders dan
+bewuste denking, onder welke vorm ook, kan zijn, zoodat, zonder deze,
+er wel van zelfstandigheid, doch van geene veropenbaring hiervan
+sprake kan zijn.
+
+Bij dit woord van zelfstandigheid mag dan niet eens aan massa en
+beweging gedacht worden, omdat dit begrippen onafscheidelijk van
+denking zijn. Op verschillende plaatsen hebben wij op blz. 144 gezegd,
+dat de denking bepaald wordt door atomistische beweging, ofschoon
+zij volstrekt niet in reden der sterkte hiervan is; naauwkeuriger
+is het echter om te zeggen, dat de zelfstandigheid, in den toestand
+zijnde waarin zij zich veropenbaart, eenige denking bepaalt, omdat
+die toestanden niet aanschouwd wordende, de zelfstandigheid zich
+op geenerlei wijze zou veropenbaren. Men kan echter niet zeggen,
+dat die veropenbaring verloren gaat, wanneer ligchamen niet het
+voorwerp der aanschouwing van menschen zijn, evenmin als men kan
+zeggen, dat de denking dezer onbestaanbaar is, wanneer bij derzelver
+aanschouwing de aardsche zintuigelijke indrukken niet meer worden
+opgewekt. Dat menschen kunnen stellen, dat die onbestaanbaarheid
+niet bestaat, bewijst de juistheid dier stelling. Elke met ernst
+geopperde stelling moet toch, hoe weinig ook, zekeren grond van
+waarheid bevatten. Zegt men bijv. van een schurk, dat hij een braaf
+mensch is, zoo moet braafheid met betrekking tot dien persoon niet
+iets volstrekt onbestaanbaar zijn, evenals bijv. met betrekking tot
+een spiegel. Zoo nu het bestaan van eenigen grond van waarheid bij
+eene stelling vereischt, dat deze geheel waar is, moet zulks het geval
+zijn en aldus iets niet onbestaanbaar zijn, zoo er eenigen grond voor
+de bestaanbaarheid er van bestaat. Bespiegelingen over hetgeen op
+buitenzinnelijk gebied bestaat, zijn voor ons menschen mogelijk en
+kunnen aldus, hoeveel dwalingen ook inhoudende, niet in alle deelen
+ongerijmd zijn.
+
+Hebben de menschen immer gedacht eenige wetenschap te beoefenen,
+terwijl deze, geheel op het gebied van het ongerijmde verkeerde? Naar
+ons inzien neen. Zoo bijv. zochten de alchimisten goud in waardelooze
+stoffen en uit klei is het aluminium voor den dag gekomen. De
+astrologen veronderstelden dat de hemelligchamen allerlei invloeden
+op deze aarde uitoefenen, en meer en meer invloeden schrijft men
+thans aan het zonnelicht toe. Buitendien dient men wel onderscheid
+te maken tusschen hetgeen de astrologen zelf voor wetenschappelijk
+waar hielden, en hetgeen zij oningewijden zochten wijs te maken.
+
+Bij het op blz. 185 gemelde hebben wij het oog gehad op eene
+preëxistentie der zielen van menschen en dieren, gedurende welke zij,
+annex zijnde aan ligchamen op andere wereldbollen, wel zie blz. 169
+gemiddeld in geestontwikkeling versnellende zijn toegenomen, doch
+hierin nog steeds te laag stonden, om, betreffende verledene feiten,
+denkbeelden in den latenten toestand, niet uiterst nabij geheel door
+nieuw opgekomen denkbeelden verdrongen en uitgewischt, te behouden.
+
+Er bestaan naar ons inzien voor die hypothese even veel gronden
+als voor die van het niet ophouden van het bestaan der ziel na
+den dood van het ligchaam. Men dient toch aan te nemen, dat, even
+als de wereldbollen in massa toenemen, door etherdeelen den aard
+hunner bestanddeelen te geven en aan zich te voegen, de zielen in
+grootte toenemen, door denkbeelden van den oergeest te verflaauwen
+ten bate hunner eigen hoeveelheid denkbeelden, want anders bestaat
+er op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking
+niet iets overeenkomende met de onveranderlijkheid van het totaal
+der massa op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door
+beweging. Op blz. 158 hebben wij gezegd, dat de hemelbollen voor den
+grootst eindigen tijd reeds eene eindige grootte bezaten en aldus
+gedurende geen eindigen tijd van af nul eene eindige grootte bereikt
+hebben. Ware dit het geval wel, zoo zouden zij gedurende een eindig
+tijdvak in massa betrekkelijk oneindig maal vergroot zijn, hetgeen,
+bij een zelfstandig en door eigen vermogen en impulsie zich vergrootend
+iets, niet aanneembaar is.
+
+De zaken, bij hun ontstaan oogenblikkelijk eene eindige grootte
+verkrijgende, zijn afgescheiden en vervormde deelen van andere er
+mede gelijkslachtige zaken, en is bijv. de dierlijke vrucht eene
+afscheiding van de uitgegroeide ligchamen der ouders.
+
+Stelt men nu, dat geene reeds vroeger bestaande denking aan de
+vrucht annex wordt, maar dat er zich eene denking van nul af er bij
+ontwikkelt, zoo weten wij niet waarom men deze voor geene afscheiding
+der denking der ouders zou houden. Terwijl echter het ligchaam in
+grootte toeneemt door afscheidingen uit massa's voedsel, wier aard
+op die van het ligchaam van invloed is en waarvan, door die er bij
+gedane afscheidingen, de quantiteit vermindert, waarmede vergroot
+zich de, bij het aanhouden der werkdadigheid, tot aan den dood in
+ontwikkeling toenemenden geest? Tegen de ontkenning der preëxistentie
+bestaat buitendien ook dit bezwaar, dat alsdan op eenige bollen zooals
+bijv. de aarde er bij ligchamen denking van niet af zou ontstaan,
+terwijl er slechts vroeger bestaande denking annex zou worden aan de
+ligchamen op andere bollen aanwezig, een onderscheid, waarvoor geene
+reden van bestaan is. Wezens kunnen naar ons inzien niet binnen een
+eindigen tijd van nul af zekeren graad van aanleg verkrijgen, en deze
+dient zie blz. 151, tijdens dezelfde toeneming in geestontwikkeling,
+meer te vergrooten, naarmate die toeneming der geestontwikkeling
+gedurende meer tijd heeft plaats gehad [55]. Daar, na het komen
+van wezens onder geheel andere omstandigheden, de door eene nieuwe
+aanschouwing opgewekte denkbeelden meer zullen verschillen van die in
+vroegere omstandigheden verkregen, naar gelang zij meer het bijzondere
+betreffen, en er aldus van de vroeger verkregen denkbeelden in den
+latenten toestand minder uitgewischt zullen worden, naarmate deze
+het meer algemeene betreffen, zoo zal, naarmate van eenig wezen de
+denkbeelden meer van laatstgemelden aard zijn, het zich onder geheel
+nieuwe omstandigheden in sterkere mate herkennen. Dit houden wij
+voor het ware deel van het dogma der zielsonsterfelijkheid verkregen
+door het geloof, omdat dit geloof gewaand werd in te houden begrippen
+verheven boven de denkbeelden verkregen door de indrukken der omgeving
+en van het heden, bijv. de denkbeelden over der menschen handel,
+bedrijf en vermaken, welke allen het zeer bijzondere betreffen.
+
+De physica leert, dat zekere geheelen van moleculaire bewegingen
+van stofdeelen, als zoodanig niet waar te nemen, maar zekeren
+zintuigelijken indruk, bijv. het beeld van eenig voorwerp te weeg
+brengende, zich bij eene middenstof onbegrijpelijk snel golfvorming
+in de eene of andere rigting voortplanten en aldus onbegrijpelijk
+snel van stofdeelen verwisselen. In uiterst korten tijd breiden
+zij zich uit over stofdeelen binnen verbazende inhouden bevat, en
+ongehinderd doorkruisen zij andere dergelijke zich in andere rigtingen
+golfvorming voortplantende geheelen van moleculaire bewegingen. De
+electriciteit, van eene in den grond gegraven zinkplaat uitgaande,
+bestaat hoogstwaarschijnlijk uit zulke binnen de vochtige aardkorst
+zich golfvorming voortplantende moleculaire bewegingen, en deze
+breiden zich van af die zinkplaat uiterst snel over de omringende
+ruimte alsware tastende uit; doch, zoodra een deel er van eene
+honderde mijlen verwijderde ingegraven koperen plaat bereikt heeft
+(iets dat, uiterst kort nadat die golfvormige voortplanting begonnen
+is, geschiedt) dringen zij alsware hier naar toe en verzamelen zij
+zich er bij.
+
+Men verbeelde zich eene lange goot, uitgezonderd bij de beide einden,
+waar zich afgesloten vakken bevinden, met water en aldaar met eenig
+ander vocht van even groot specifiek gewigt als water gevuld. Zoo
+nu dit vocht binnen een dier vakken in golving is, en men verbreekt
+de afsluiting, wordt die golving voortgaande, plant zij zich voort
+tot binnen het water, dat vroeger in rust was, doorloopt zij,
+navolgbaar dezelfde blijvende, al verandert zij van gedaante, de
+goot en komt zij eindelijk binnen het tegenovergestelde vak, zoo dit
+open is. Wordt dit laatste vak alsdan direct gesloten, zoo blijft
+die golving hier binnen en het vocht binnen het eerste vak is dan
+op het oog in rust [56]. Even als nu het wezen van ligchamen in het
+algemeen, waartoe ook zulke, golvingen behooren, (omdat ligchamen
+zijn de veropenbaringen der zelfstandigheid door beweging) zich in
+sommige omstandigheden onbegrijpelijk snel verplaatsen kan, om op
+uiterst verren afstand van de primitieve plaats, wegens den aard
+der localiteit daar ginds, weder stil te staan, zoo kan dit, naar
+ons inzien, ook doen het niet zintuigelijk aanschouwbare geheel van
+bewegingen het denken van eenig wezen bepalende, en omgekeerd door
+die denking bepaald wordende. Wel is waar is de moleculaire beweging
+bij den ether, tusschen en binnen de hemelbollen gelegen en deze,
+zie blz. 165 en 171 in verbinding met elkander brengende, anders dan
+bij het cellenweefsel der zenuwknoopmassa, doch op blz. 144 is reeds
+gezegd, dat het niet de zintuigelijke aanschouwing te weeg brengende
+moleculaire bewegingen der zenuwknoopmassa behoeven te zijn, welke
+de denking der menschen bepalen. Bij het bovengemelde voorbeeld zijn
+het toch niet de moleculaire bewegingen van het vocht, waardoor dit
+bijv. spiegelend, blaauw en vloeibaar voorkomt, welke de golving te
+weeg brengen.
+
+Wegens de talrijkheid der bevolking dezer aarde (en nog in veel
+sterkere mate van die van het uiterst groote aantal hemelbollen na hun
+vertrek van het op blz. 161 gemelde middelpunt, tot een gelijksoortigen
+graad van ontwikkeling gestegen zijnde) zullen de oorzaken, tot veel en
+weinig sterfte bijdragende, door gelijktijdig te bestaan, te zamen eene
+resulterende gemiddelde sterfte te weeg brengen en dit eveneens plaats
+hebben met de oorzaken welke de geboorten bevorderen en verhinderen.
+
+Op die, wegens gelijktijdigheid van ontstaan in zekere zin
+gelijksoortige hemelbollen, te zamen beschouwd, zullen gedurende
+korte tijdperken er aldus evenveel vruchten bestaan, waarbij eene
+zelfstandige denking annex wordt, en dit constante aantal door zeer
+algemeene oorzaken bepaald worden.
+
+Diezelfde algemeene oorzaken kunnen nu tegelijkertijd bepalen de
+sterfte gedurende even groote tijdvakken plaats hebbende op de
+verzameling bollen m, aan de middelpuntszijde van gene gelegen,
+en die tot op den voorafgaanden trap van ontwikkeling van die der
+bollenverzameling n, waartoe onze aarde behoort, gestegen is. Die
+algemeene oorzaak is te vergelijken met de verhouding tusschen de
+witte en zwarte ballen binnen eene bus, waaruit blindelings een
+uiterst groot aantal ballen getrokken worden. Doen nu twee personen,
+onafhankelijk van elkander, even veel trekkingen, zoo zal de kans,
+dat beide even veel witte ballen trekken, uiterst groot zijn, en,
+zoo er eene oorzaak bestaat hen hiertoe dwingende, het bestaan
+hiervan geheel onmerkbaar kunnen zijn, daar, zoo beide personen
+geheel vrij en onafhankelijk van elkander te werk gaan, er uiterst
+groote kans bestaat, dat zij tot dezelfde uitkomst zullen geraken,
+als onder den dwang dier oorzaak. Een zoo kan het annex worden van
+zelfstandige denking bij de vruchten op de verzameling van bollen n,
+gedurende korte tijdvakken even menigvuldig zijn, als het ophouden van
+het annex zijn van zelfstandige denking bij stervende ligchamen op de
+verzameling van bollen m, niettegenstaande het eene schijnbaar geheel
+onafhankelijk van het andere plaats heeft. Wat meer is gedurende
+uiterst korte tijden kan dit het geval zijn, daar bijv. hier op
+aarde het juiste oogenblik van het sterven niet aan te geven is,
+zoodat men bijv. onmogelijk kan opmaken, hoeveel personen er gedurende
+achtervolgende secunden werkelijk sterven, terwijl er geene questie
+van is om het juiste tijdstip, waarop de vruchten beginnen te denken,
+aan te geven. Wij moeten hier zelfs de hypothese opperen, of niet
+alle ontstaan van organisch leven op de verzameling bollen n gepaard
+gaat met vernietiging van dit leven op de verzameling bollen m, zoodat
+de bollen hiervan alsware levensstroomen (in den zin van electrische
+stroomen opgevat zie blz. 192) naar de bollen der verzameling n zenden
+[57].
+
+De geene zintuigelijke indrukken teweegbrengende moleculaire bewegingen
+bij die stroomen, zouden alsdan bepalen de denking, de organisatie der
+er aan annex zijnde levende bewerktuigde natuur trachtende, zooals
+op blz. 143 gezegd is, geschikt voor levensomstandigheden te maken,
+en tegelijk die organisatie eene hoogere ontwikkeling trachtende te
+geven. Binnen die uit zich golfvormige voortplantende moleculaire of
+liever atomistische bewegingen zouden zich dan evenzoo voortplanten
+de geheelen van moleculaire beweging, de denking der afzonderlijke
+wezens bepalende, wanneer deze van er aan annex zijnde ligchamen
+veranderen. Die bijzondere stroomen zouden dan bij de plaatsen van
+aankomst van den algemeenen levenstroom van een bol uitgaande, naar
+speciale punten leiden, namelijk naar die waar vruchtbeginsels in
+een sterk stadium van groei, den algemeenen stroom sterker zien naar
+toetrekken [58].
+
+Tot het sterven der ligchamen van dieren moet, naar ons inzien, ook
+bijdragen de drang tot verhooging der ontwikkeling dier ligchamen door
+de er aan annex zijnde denking buiten die eigen denking der dieren,
+en eerstgemelde denking alleen, door te trachten de organisatie der
+gewassen eene hoogere ontwikkeling te geven, deze doen sterven. Hiervan
+zijn toch de accidentele variatiën der omstandigheden, waarin die
+gewassen verkeeren, niet, de eenigste oorzaak, zelfs voor de gemiddelde
+dier omstandigheden zijn de organisatien dier gewassen niet geschikt,
+iets dat daarentegen wel het geval zou zijn, zoo zij niet sneller in
+ontwikkeling toenamen, dan op blz. 157 gezegd is door onze gansche
+planeet te geschieden. Van daar ook, dat de laagst ontwikkelde planeten
+een taaijer leven dan de hooger ontwikkelde bezitten. De oorzaak van
+het sterven der planten en der ligchamen der dieren (bij deze laatste,
+voor zooverre de toename in ontwikkeling hunner eigen denking dit zie
+blz. 143 niet bevordert) hebben aldus volgens deze hypothese plaats
+wegens de toename in ontwikkeling der bijzondere denkbeelden van den
+Oergeest aan die levende planten en dierenligchamen annex, iets dat,
+naar ons inzien, slechts dan bijna niet bestaat, als die ligchamen
+bijna niet onderscheiden zijn van de overige massa van de hemelbollen,
+dat weder slechts mogelijk is, als deze bijna etherachtig van aard
+zijn. Slechts dan zullen die bollen bijna in geen staat van groei,
+van verandering verkeeren, bij derzelver organische natuur geboorten
+en sterfgevallen betrekkelijk niet noemenswaardig in aantal zijn
+en die aan die natuur annex zijnde bijzondere denkbeelden bijna
+niet naar hooger streven. Al het bijzondere en wel in sterkere mate,
+naarmate het meer van het algemeenste op het gebied der veropenbaring
+der zelfstandigheid door denking (de algemeenste en onveranderlijke
+denkbeelden van den Oergeest) en opdat der veropenbaring dier
+zelfstandigheid door beweging (de ether buiten invloed der hemelbollen)
+afwijkt, moet, naar ons inzien, in ontwikkeling toenemen, om reden
+van bestaan te hebben. Men kan zich wel iets bijzonder denken, dat,
+even als alles aan wiens invloed het blootgesteld is, in geen opzigt,
+of wel er tegelijk regelmatig periodiek mede verandert (zoo als
+bijv. het openen en sluiten der bloemen met de afwisseling van dag en
+nacht) en dat aldus volmaakt geschikt is voor de omstandigheden waarin
+het verkeert, doch, door naar geen einddoel te streven, zou het niet
+absoluut volmaakt zijn. De op blz. 194 gemelde levensstroom, bepalende
+de bijzondere denking annex geweest aan de pas gestorven planten en
+dieren, moet naar ons inzien uitkomen daar waar die bijzondere denking
+weder annex kan worden aan stofmassas er voor geschiktheid bezittende,
+en die zij op een hongeren trap van organisatie kan voeren, dan die
+welke zij verlaten heeft. Gesteld, dat iemand ter zijner beschikking
+heeft eenige stukken stof, in grootte verschillende, en, naarmate
+zij zulks meer doen in aard, meer onderscheiden zijnde, uit welk
+stuk zal dan die persoon een nieuwen rok laten maken, zoo hij die,
+gemaakt van een stuk waarvan de qualiteit hem het beste paste, door
+te groeijen verscheurd heeft? Klaarblijkelijk uit het stuk stof, in
+grootte en in qualiteit het digtste grenzende aan dat waaruit zijn
+vernielde rok gesneden geweest is, en zelfs, zoo hij nog een dergelijk
+stuk stof ter zijner dispositie had, zou hij dit niet kiezen, omdat
+de alsdan er uit te snijden rok te klein voor hem zou zijn.
+
+Wegens dezelfde reden moet de bovengemelde levensstroom uitkomen
+bij eene verzameling van hemelbollen een trap in ontwikkeling
+verschillende en van buiten (namelijk aan de van het middelpunt van
+blz. 161 afgekeerde zijde), grenzende aan de bollenverzameling waarvan
+hij uitgaat.
+
+Zooals bekend is ontstaat de geslachtsvoortplanting door het ophouden
+van den groei der ligchamen der ouders, en die groei moet, dunkt
+ons, het gevolg zijn van de toeneming in ontwikkeling der bijzondere
+denking aan het groeijende ligchaam annex (zie blz. 143 wel van de
+eigen denking van een persoon te onderscheiden) zonder toeneming in
+geestontwikkeling onderscheiden. Bij onveranderlijke wezens, zonder
+toeneming in geestontwikkeling, voor hunne levensomstandigheden
+volmaakt geschikt en volmaakt in harmonie met hunne niet groeijende
+ligchamen, zou er aldus ook geene reproductie bestaan, zoodat die
+toeneming in geestontwikkeling zoowel die reproductie, door de
+ligchamen te doen groeijen, als, door deze als ware geweld aan te
+doen, het sterven te weeg brengt [59]. Welvaren der ligchamen moet
+zoowel de reproductie als derzelver groei gemakkelijker maken en
+aldus den op blz. 194 gemelden levensstroom er naar toe trekken,
+terwijl sterkere drang van dien stroom de reproductie ten koste van
+den groei der ligchamen moet bevorderen.
+
+Zooals bekend is, is de organisatie der dierlijke vrucht bij het begin
+van derzelver ontstaan uiterst laag en, evenmin als (zie blz. 30)
+bij de laagste soort van dieren (zooals bijv. de infusoria) behoeft
+er dan eigen denking bij die vrucht annex te zijn, en zal dit welligt
+eerst plaats hebben, wanneer de organisatie er van zekeren trap (iets
+hooger voor de bolverzameling n van blz. 193 dan voor die m genaamd)
+overschreden heeft. Ook kan de invloed der ligchamen der ouders
+de toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht bevorderen,
+doch, even als de op blz. 28 gemelde locomotief het paard helpt
+om den trein voort te trekken, zoodat de impulsie tot die toename
+in ontwikkeling der organisatie der vrucht ontstaat door het er
+aan annex en min of meer werkdadig worden der door den op blz. 194
+gemelden levensstroom aangebragte bijzondere denking. De invloed der
+ligchamen der ouders op de organisatie der vrucht is vergelijkbaar
+met die van het onderwijs op leerlingen. Deze behooren de zucht naar
+onderwijs niet van hunne leeraren te bekomen, en zulk een onderwijs
+hen slechts in staat te stellen om sneller te leeren, dan zoo zij
+dit uit hun eigen moesten doen, benevens om de vakken te bepalen,
+welke geleerd moeten worden. Men kan zich hierbij voorstellen, dat
+dit onderwijs in zulk eene sterke mate gegeven wordt, als de leerling
+poogt vorderingen te maken, en dit vergelijkbaar zijn met het zich
+afmeten van den opheffenden invloed der ligchamen der ouders op de
+vrucht naar de werkdadigheid der hieraan annex zijnde bijzondere
+denking. Met de oorzaak der gelijkenis der jongen op hunne ouders
+is alsdan de aard der leervakken vergelijkbaar. Even weinig kan men
+zeggen, dat de individuen dienen om de eigenaardigheid der soort te
+perpetueren, alsdat leerlingen van gymnasia dienen om de kennis der
+oude talen in stand te houden.
+
+De aan de vrucht annex zijnde bijzondere denking zou, door de
+organisatie er van vooruit te zijn, hierdoor alsware achterwaarts
+getrokken worden en aldus in geestontwikkeling verkleinen, zoo zij
+niet een eigen drang tot uitbreiding en verhooging van haar veld van
+aanschouwing en dientengevolge tot vergrooting dier geestontwikkeling
+bezat. Bovengemelde werking van de ligchamen der ouders op de vrucht
+zal maken, dat de organisatie hiervan minder bij de ontwikkeling
+dier bijzondere denking ten achteren blijft en, naarmate hierbij
+den geestelijken aanleg, die, zooals op blz. 150 gezegd is, met de
+geestontwikkeling toeneemt, grooter is, men kunnen stellen, dat die
+bijzondere denking annex wordt aan eene vrucht van ouders eene hoogere
+organisatie bezittende, en die aldus de ontwikkeling der organisatie
+dier vrucht krachtiger vergrooten. Dit zou vergeleken kunnen worden
+met het zenden van vlugge kinderen naar scholen, waarop het onderwijs
+sneller opklimt en, de vorming tot eene hoogere maatschappelijke
+betrekking ten doel heeft.
+
+Dat de reproductie bij eenige diersoort grooter wordt, wanneer,
+ten gevolge der vervolging door nieuwe vijanden, de sterfgevallen
+er bij menigvuldiger worden, kan misschien ontstaan, doordat het
+aantal individuen zulk eener soort verminderende, terwijl het aantal
+sterfgevallen betrekkelijk grooter dan vroeger blijft, die individuen
+wegens overvloediger voeding sneller dan vroeger zullen groeijen.
+
+Het omgekeerde zal daarentegen plaats hebben, zoo wegens overbevolking
+de voeding schaarscher wordt, en aldus dan de gestalte der menschen
+verkleinen en het betrekkelijke aantal geboorten zooveel verminderen,
+tot dat deze weder even menigvuldig als de sterfgevallen zijn [60].
+
+Naarmate de hemelbollen in aard minder met den ether verschillen,
+zullen zij, zooals op blz. 160 gezegd is, betrekkelijk trager bewegen
+en in massa toenemen en, in harmonie hiermede, de er op wonende wezens
+in zeker opzigt qualitatief minder met den Oergeest verschillen, trager
+in geestontwikkeling toenemen, op elk dier bollen gemiddeld langer
+leven. Hunne verwisseling van ligchaam zal meer geleidelijk geschieden
+en bij de denking dier wezens eene minder scherpe verandering te
+weeg brengen, terwijl de op blz. 94 gemelde terugtrekkende werkingen
+geringer zullen zijn bij hen dan bij ons. Zoo lang de denking van
+wezens annex wordt aan ligchamen achtervolgens in aard meer met
+den ether verschillende, moeten die denkingen qualitatief meer met
+die van den Oergeest in natuur gaan verschillen en (zie blz. 169)
+in grootte of ontwikkeling gemiddeld versnellende toenemen.
+
+Dat de toeneming op deze aarde van het aantal menschen eenmaal niet
+noemenswaardig zal worden, blijkt ook uit het volgende. Hetgeen de
+menschen jaarlijks aan voedsel, kleeding, woning, huisraad en andere
+kunstwerken benevens aan brandstof verteren, kan toch beschouwd worden
+als de rente van een kapitaal bestaande uit: 1o. de voor de weide,
+bouw- en boschgronden benoodigde zouten; 2o. het voor de gewassen
+gevorderde koolzuur; 3o. de den bodem bedekkende nuttige gewassen;
+4o. het vee en 5o. de voor voedsel en mestspecie gebruikt wordende
+waterdieren en planten. Daar nu de drie laatste deelen van dit kapitaal
+in reden zijn met de hoeveelheden zouten en koolzuur, ter vorming er
+van benoodigd, zoo kan met dit kapitaal in zeker opzigt stellen geheel
+te bestaan uit zulke zouten, benevens uit koolzuur. Neemt men nu de
+vermeerdering van dit gas, door de verbranding der fossile brandstof,
+benevens door de vulcanische werkingen, niet in aanmerking, zoo wordt
+dit kapitaal constant, maar vergrooten, naarmate de beschaving en het
+aantal aardbewoners stijgen, de deelen No. 3 en 4 er van ten koste
+van de deelen No. 1, 2 en 5. Buitendien wordt alsdan de omzetting
+van dit kapitaal en dus ook de jaarlijksche rente er van grooter;
+doch, zoowel dit als die vormverandering van dit kapitaal, moeten
+noodwendig begrensd zijn.
+
+Naarmate de landbouw volkomener is, draagt elke oppervlakte grond
+gemiddeld meer planten en wordt er meer en zwaarder vee gehouden, doch,
+wegens het alsdan meer opvangen der mestspecien, zullen er minder
+zouten hiervan door het grondwater en de rivieren naar zee gevoerd
+worden, en aldus al het water alsmede de dampkring (op de op blz. 5
+verklaarde wijze) minder van die zouten inhouden. Zoo wegens deze
+oorzaak, waardoor het voedsel der zeedieren vermindert als, wegens het
+verjagen, zullen deze dan minder in aantal worden. Neemt de beschaving
+toe, zoo vindt men middelen om het vee sneller vet te doen worden, om
+de nuttige gewassen sneller te doen groeijen, om de bosschen jaarlijks
+meer brandhout te doen leveren en om de vischvangst te verbeteren,
+hetgeen de hierboven gemelde rentevergrooting uitmaakt. Zoowel dit
+als de vermindering der hoeveelheden vrij koolzuur en vrije voor den
+landbouw benoodigde zouten zal echter steeds bezwaarlijker worden,
+naarmate men beide verder doordrijft, en aldus de middelen van bestaan
+van het menschdom, tegelijk met de totale massa der menschelijke
+ligchamen, vertragende en eindelijk niet meer noemenswaardig toenemen
+[61].
+
+Op blz. 9 en 18 hebben wij gezegd, dat de verschillen tusschen
+de op natuurlijke wijze ontstane rassen, waaronder ook de
+menschenrassen behooren, bepaald worden door de verschillen
+hunner levensomstandigheden in verband met die tusschen de grond
+en luchtgesteldheid, en op blz. 26, dat de verschillen in lucht
+en grondgesteldheid, naarmate de beschaving klimt, van minder
+invloed zijn op de menschen, zoodat, zie blz. 9, de verschillen
+tusschen de thans bestaande menschenrassen geringer moeten zijn
+dan tusschen die aanwezig, toen het menschdom ontstaan is. De thans
+bestaande verschillen zijn echter grooter dan door de verschillen
+in lucht en grondgesteldheid der woonplaatsen der onderscheidene
+menschenrassen gewettigd wordt. Zoo kan men bijv. kwalijk aannemen,
+dat de organisatie van menschen, zich geschikt hebbende naar
+het tropische klimaat van Afrika, de neger en die van menschen,
+zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van Amerika, de
+roodhuidentype heeft voortgebracht. De verschillen tusschen de thans
+bestaande menschenrassen moeten aldus, zie blz. 24 voor een deel
+de gevolgen zijn van accidentele oorzaken, of wel zij moeten, (zie
+blz. 30) voor het ontstaan van het menschdom, door de verschillen in
+levensomstandigheden der voorouders der menschen in de verschillende
+werelddeelen teweeggebragt, ten gevolge der werking der traagheid,
+zie blz. 41 later, te groot gebleven zijn, en dus gedeeltelijk als
+iets verouderd beschouwd moeten worden.
+
+Naar ons inzien mag men niet stellen, dat primitief elk der
+zoogenaamde menschenrassen een volk heeft gevormd, eene enkele taal
+sprekende en later in verschillende natiën gesplitst, daar toch de
+toeneming der beschaving (zie blz. 26) juist het tegenovergestelde
+namelijk aglomeratie en eenheid te weeg brengt. Elk der zoogenaamde
+menschenrassen moet integendeel in een groot aantal onzamenhangende en
+verschillende talen sprekende stammen verdeeld zijn geweest en eene
+primitieve taal van het zoogenaamde Arische menschenras, naar ons
+inzien, evenmin beslaan hebben, als thans eene enkele Australische
+Indianentaal. Zoodra echter wilde stammen niet volstrekt vreemd
+aan elkander blijven, door bijv. door zeeën, woestijnen, enz. van
+elkander gescheiden te zijn, zullen zij bij die plaatsen van onderlinge
+aanraking, gebruiken, woorden, enz. van elkander overnemen en zelfs hun
+bloed vermengen, en die kruisingen zich alsware van af die plaatsen
+van aanraking naar het midden de woonplaatsen van elk der stammen,
+zie blz. 12, voortgeplant hebben. Volksverhuizingen hebben er steeds
+plaats gehad, stammen hebben, (zie blz. 12) stammen teruggedrongen,
+of onder deze hunne woonplaatsen gevestigd en met hen hun bloed,
+zeden, taal, enz. vermengd, (zooals bijv. de Normandiërs met de
+Anglo-Saxen). Wegens de met de toename der beschaving plaats hebbende
+aanwas in bevolking, zal het indringen meer dan het terugdringen
+(zooals dat der Mooren uit Spanje) plaats gehad hebben; doch men mag,
+naar ons inzien, niet stellen, dat wilde stammen na hunne verhuizing
+zeer veel uitgestrekter jagtvelden en weidegronden hebben ingenomen dan
+voor die verhuizing. Hetgeen thans in Amerika en Australië plaats heeft
+kan toch niet vergeleken worden met hetgeen heeft plaats gehad tijdens
+de nederzetting der Germanen in Duitsland en Scandinavië. De Engelschen
+en Duitschers leven, wegens hunne hooge mate van beschaving, in hun
+vaderland digt opeengehoopt, en vinden aldus in Amerika en Australië
+voor hunne behoeften zeer uitgestrekte akkers en vermenigvuldigen
+aldaar sterk. Zoo echter, in plaats dat er Engelschen zich in Australië
+vestigen, men er Sioux en andere Indiaansche stammen bragt, zou dit
+geenszins het geval zijn, en niet veel uitgebreider streken als die
+welke deze stammen in de Vereenigde Staten innemen, zouden door de
+inboorlingen van Australië op dit eiland, al zij het zelf gedwongen,
+(zie blz. 13) aan die Amerikaansche wilden afgestaan kunnen worden.
+
+
+
+
+
+
+BESCHOUWINGEN OVER DE GEESTELIJKE ONTWIKKELING VAN DEN MENSCH.
+
+
+Er bestaat in des menschen geest een strijd tusschen de zucht naar
+toestanden, waarvoor hunne natuur, zooals zij thans is, zekere
+geschiktheid bezit en waaraan zij gewoon zijn, hetgeen eene soort
+van geschiktheid is, en de zucht naar hoogere, maar hun onbekende
+toestanden. Van daar dat bijv. menschen, geruimen tijd in de gevangenis
+vertoefd hebbende, aan hunne enge cel hechten, en er somtijds tegen
+op zien, om weder in de wijde en hun vreemd geworden maatschappij
+te treden [62]. Vandaar ook de liefde der menschen niet slechts voor
+bestaan in het algemeen, maar tevens voor het aardsche leven, dat wel
+is waar hun veel leed oplevert, maar met wiens aard zij bekend zijn,
+en waarvoor zij zekere geschiktheid verkregen hebben. Hoe lager des
+menschen trap van geestontwikkeling is, en aldus hoe zinnelijker zij
+en hoe meer bekrompen hunne denkbeelden zijn, hoe sterker (althans
+zoo men het zwakker zijn hunner zelfbewustheid niet in aanmerking
+neemt) hunne gehechtheid aan bekende levenstoestanden, en tegelijk hoe
+sterker hun afkeer voor door hen veronderstelde vreemde toestanden zal
+zijn. Dit kan nu de oorzaak zijn, dat de oude Grieken het verblijf in
+den Hades zoo weinig aanlokkend voorstelden, en dat de menschen zekere
+neiging bezitten om den zielstoestand na den dood wel verhevener,
+maar overigens gelijkende op die hier op aarde te stellen. Kan
+bijv. de meest philosophische mensch vurig verlangen naar een leven,
+waarin hij een veel hoogere ontwikkeling, maar tegelijk geheel andere
+denkvormen dan hier op aarde bezit, en dat hij aldus wel kan stellen
+te zullen bestaan, maar voor zich niet begrijpelijk kan maken? Naar
+ons inzien neen, maar zulk een philosoof zal zeggen, dat de aardsche
+levenstoestanden thans voor hem niet eene grootere absolute, maar
+slechts eene grootere relatieve waarde bezitten dan alle andere wier
+bestaan hij kan stellen, en dat die voorkeur voor het aardsche bestaat
+door zijne bekendheid er mede, aldus door eene oorzaak, die, wanneer
+hij eenmaal vertrouwd zal zijn met andere levenstoestanden, hem voor
+deze dezelfde voorkeur zal inboezemen, al thans voor de aardsche.
+
+Wel zal hij, naar ons inzien, een oneindig, onveranderlijk en dus
+volmaakt, maar hem geheel vreemde denkvormen en denkbeelden bezittend
+en aldus hem onbegrijpelijk wezen, in waarde onvergelijkbaar hooger
+schatten dan de menschen, die hij liefheeft, maar toch, wegens de
+onmogelijkheid om het te kunnen begrijpen, dit wezen niet kunnen
+beminnen op de wijze als hij menschen bemint. Hiervoor zou hij dit
+Oerwezen moeten vermenschelijken en aldus een karakter moeten geven,
+dat zijne rede en wetenschap hem zegt, dat het niet bezitten kan. Die
+voor hem onbegrijpelijke aard van het Oerwezen zal die wijsgeer
+achten volmaakt geschikt te zijn voor het Heelal en zelfs voor zijn
+eigen geestelijken loopbaan, gedurende de eeuwigheid als een geheel
+beschouwt, maar voor zijn gemoedsgevoel, zooals dit thans is en zelfs,
+zoolang zijn geest binnen de palen der eindigheid besloten is, zijn
+zal, moet die onbegrijpelijke aard als iets ongeschikt voorkomen [63].
+
+Slechts wanneer de wezens, na eene oneindige groote geestontwikkeling
+bereikt te hebben, geheel met den Oergeest vereenigd zijn, moeten zij,
+naar ons inzien, zijne natuur door deze volkomen te deelen, volkomen
+begrijpen, en dan ook eene volmaakte wetenschap van hunne eigene
+bestemming en van het werelddoel bezitten. Voor dien tijd, terwijl
+die geestontwikkeling uiterst groot, maar nog eindig is en, ofschoon
+uiterst weinig, nog toeneemt zie blz. 200, kan dit begrijpen wel
+reeds uiterst goed, maar nog niet volkomen goed zijn, evenmin als eene
+kromme lijn ac (zie onderstaande fig.), een assymptoot lg bezittende,
+deze op uiterst groote eindige distantiën volkomen kan raken. Zoo nu,
+na het bereiken van zekere eindige grootte, de geestontwikkeling,
+na steeds verzwakkende vergrooting er van, niet meer toenam, zou
+na een uiterst langen tijd er (zie blz. 178) geene noemenswaardige
+dwaling en disharmonie bij onze denkbeelden meer moeten bestaan. Daar
+dan echter het begrijpen van het oneindige zeer onvolkomen zou zijn,
+zou het stellen er van in 's menschen geest niet meer moeten plaats
+hebben, want anders zou de disharmonie zelfs niet zeer nabij weggenomen
+zijn. Van den anderen kant kan een niet in grootte van ontwikkeling
+afnemende geest, het stellen van het oneindige niet verleeren, en
+dit toont dunkt ons aan, dat dit stellen (door de wijsgeeren slechts
+bepaalder en naauwkeuriger dan door andere menschen geschiedende, en
+waarvan bij alle metaphysische godsdienstbegrippen zelfs de laagste,
+er reeds eene kiem bestaat) bewijst, dat de natuur van onzen geest
+zoodanig is, dat bij geen trap van eindige ontwikkeling er tusschen
+zijne denkbeelden eene volmaakte harmonie kan bestaan, en dat aldus
+binnen geen eindigen tijd hij in een volmaakt bevredigenden toestand
+kan geraken.
+
+Het zich bevinden der stelling van het eeuwige, onveranderlijke
+en oneindige binnen de hierdoor nimmer derzelver aanhangers
+geheel bevredigende godsdienstbegrippen, heeft gemaakt, dat de
+vermogensvergelijking der goden slechts tot zekeren graad mogelijk
+werd. Bij den Oergod, tijdens het begin der tijden begonnen zijnde
+den chaos te ontwarren, ging dit het minste goed, bij de ondergoden en
+middelaars beter, en uit zucht, om voor zich zooveel mogelijk geschikte
+godsdienstbegrippen te verkrijgen, hebben de menschen dan ook niet
+verzuimd om zulke middelaars, wier bijna menschelijke natuur hen
+goed begrijpelijk, en ten gevolge van dien vrij beminnenswaardig en
+geschikt om gebeden te verhooren maakte, te scheppen. Somtijds geen,
+somtijds eenigen, maar steeds een grootendeels toevalligen historische
+oorsprong bezittende, zoo waren die middelaars vaak zinnebeelden van
+zaken op geestelijk of stoffelijk gebied binnen de bewuste aanschouwing
+vervat, en verhevener was hunne natuur, naarmate hunne voorstelling
+deel uitmaakte van hooger staande godsdienstbegrippen.
+
+De disharmonie van hetgeen wij op het buitenzinnelijk gebied stellen
+met wat wij hiervan begrijpen, is, naar ons inzien, de oorzaak
+waardoor de arbeid der eigenlijke wijsgeeren voor de verhooging der
+godsdienstbegrippen der massas zoo weinig vruchtbaar geweest is en
+waarom men aan de juistheid, van hetgeen men op buitenzinnelijk gebied
+gelooft met de waarheid ongeveer over een te komen, te kort moet doen
+bij het mededeelen van godsdienstbegrippen aan kinderen en onbeschaafde
+menschen. Terwijl de wiskundige kennis bij de achtervolgende generatiën
+door juxtaposa aangroeit, zoodat het nieuwe zich naast het oude vleit,
+zonder aan de waarheid hiervan te kort te doen, groeit de kennis van
+het buitenzinnelijke door interposa, namelijk elk deel ontwikkelt zich
+en nadert gemiddeld meer tot de waarheid. Tracht men aldus bij het
+onderwijs der jeugd die deelen in hun vorigen verachterden toestand
+alleen te verbeteren en te zuiveren, zonder hen tegelijk te verhoogen,
+zoo zal men gebrekkig werk leveren. Zie blz. 130.
+
+Zelfs menschen, welke zich boven de voorstelling van middelaars
+verheven hebben, zijn niet vrij van het toeschrijven van menschelijke
+denkvormen aan het Opperwezen.
+
+Zij zeggen, wij zijn geene loondienaars, doch de hartekenner volgt onze
+schakel van denkbeelden en, naarmate deze goed of slecht zijn, keurt
+hij die goed of af, en daarvoor is het dat wij gevoelig zijn. Men zou
+nu aan zulke menschen kunnen vragen, of die opvatting der denking van
+God niet insluit, dat zij voor een deel even als Godsvoorwetenschap van
+al het toekomstige bijzondere (en derhalve ook van hetgeen door al de
+menschen in de toekomst gedacht zal worden) eene overbodige duplicata
+is van het geestelijke leven der menschen, en tevens dezelfde vorm
+als de denkbeelden dezer laatste bezit, zie blz. 175. Die goed of
+afkeuring kan ook kwalijk zonder het bezit der menschelijke denkvormen
+geschieden, en zou buitendien niets beteekenen, zoo zij aan God geene
+vreugde of verdriet verschafte, hetgeen de toekenning van menschelijke
+hartstogten aan hem noodzakelijk maakt [64].
+
+Wijsgeeriger is het naar ons inzien te zeggen, dat, door goed te doen,
+men zijne zedelijke ontwikkeling, en wel te meer hoe verhevener door
+onbaatzuchtigheid de gehalte van die goede daden is bevordert, en zich
+hierdoor een blijvenden schat verwerft, zoo het geestelijke leven niet
+met vernietiging bedreigd wordt, en men zorgt die verkregen vergrooting
+van zedelijke ontwikkeling in stand te houden. Zie blz. 153. Even
+als toch eene nietige oorzaak, gedurende zeer langen tijd werkzaam,
+groote kwalen kan doen verdwijnen en eene groote ommekeer van zaken te
+weeg kan brengen (reden waarom ongelukkige en door de omstandigheden
+magteloos gemaakte, maar met wijsheid en wilskracht begiftigde menschen
+vertrouwen in de toekomst kunnen stellen), zoo moet een verworven goed,
+niet onderhouden wordende gedurende een lang tijdsverloop tot op een
+niet noemenswaardig deel wegslijten.
+
+Op blz. 122 hebben wij aangegeven wat ons noopt om onze
+geestontwikkeling naar de hoogte te werken, en op blz. 207 wat het
+einddoel dier vergrooting is. Die vergrooting onzer geestontwikkeling
+is aldus onafscheidelijk van de denking van den Oergeest, en zonder
+deze zou ons bestaan zelfs onmogelijk zijn, zoodat de gedachte aan hem
+onafscheidelijk is van die dat de vergrooting onzer geestontwikkeling
+onze roeping is.
+
+De zooveel mogelijk regtvaardige vergelding der daden, of anders gezegd
+het beloonen en straffen, dit is de taak der met elkander verkeerende
+eindige wezens. Dit moet dunkt ons niet alleen hier op aarde, maar
+ook op de hemelbollen, waar er hooger ontwikkelde levende wezens met
+elkander in contact komen, het geval zijn. Wegens de gelijkslachtigheid
+tusschen oorzaken en gevolgen (zie blz. 70) moet de behandeling van
+andere wezens door deze laatste, of, wanneer op hoogeren trap van
+geestesontwikkeling zij met andere wezens zamenwerken, door die welke
+hunne partij opnemen, beantwoord worden. Slechts omdat dit het geval
+is, kunnen wij onderzoeken hoe die beantwoording moet zijn om tot heil
+van de geheele maatschappij te strekken, of anders gezegd om onregt
+te weren. Dit onderzoek, die pogingen vereischen geestinspanning en
+leiden aldus tot de vergrooting zoo van eigen geestontwikkeling, als
+tot de verheffing der maatschappij. Zoo er eene supranaturalistische
+vergelding bestond, zouden wij de handen in den schoot kunnen leggen,
+zoo zulk eene vergelding kort na het begaan der daden op een goed
+merkbare wijze plaats had. Het is waar, dat, wegens het bestaan
+van allerlei accidentele omstandigheden en wegens de kortheid van
+het aardsche leven, het voor de menschen zelfs met den besten wil
+onmogelijk is om elk hunner voor zijn dood zijn geregeld deel te geven;
+doch beide die oorzaken, en aldus ook het er door teweeggebragte kwaad,
+zijn zie blz. 84 onafscheidelijk verbonden aan levenstoestanden waarin
+toename der geestontwikkeling mogelijk is.
+
+Het voorschrift, dat men andere menschen even sterk als zich zelf moet
+beminnen, en aldus in de wederwaardigheden van vreemdelingen evenveel
+belang stellen als in zijn eigen lot, kan, naar ons inzien, eerst een
+vereischte worden voor wezens, na eene oneindige vergrooting hunner
+geestontwikkeling, zie blz. 169 volmaakt met elkander samengesmolten
+zijnde. Uit het feit, dat wij thans individueel bestaan, volgt direct,
+dat wij voor ons zelf moeten zorgen en een levensdoel met betrekking
+tot ons eigen persoon moeten bezitten, terwijl uit het feit, dat
+wij met andere wezens behooren zamen te werken, volgt, dat wij ons
+het lot dier anderen behooren aan te trekken. Wij behooren hen te
+helpen voor zooverre zij onze strijdmakkers zijn, en wel niet slechts
+in den strijd van partijen van het menschdom tegen elkander, maar
+zie blz. 55 tevens in de hoogere soort van strijd door het gansche
+menschdom vereenigd gevoerd. Slechts in zooverre de menschen aldus
+behooren zamen te werken, moet elk hunner voor de maatschappij leven,
+en dit kan nu hun levensdoel met betrekking hun eigen persoon hooger
+en edeler doen worden.
+
+Wanneer begrippen over levens- en wereldbeschouwing te laag staan met
+betrekking tot de wetenschap en de behoeften der maatschappij, zijn
+zij voor deze laatste wel in het algemeen, maar niet in allen deele
+ongeschikt geworden, en zijn dien ten gevolge de hoogere begrippen
+over wereld- en levensbeschouwing ongeschikt voor bijzonderheden der
+maatschappelijke behoeften. Om dit op te helderen stellen wij bijv. dat
+iemand te klein gehuisd is. Vooreerst zal hij, wegens de werking der
+traagheid, later verhuizen dan op het oogenblik, dat hij ondervindt te
+eng gehuisd te zijn, al kon dit verhuizen zonder de minste zwarigheid
+geschieden, maar buitendien wordt hij terug gehouden, omdat zijne
+vloerkleederen en gordijnen zoo goed in het oude huis passen, omdat
+hij geen meubels genoeg bezit voor eene ruimere woning enz. [65].
+
+Precies in dezelfde verhouding staan nu de massas iets bezittende,
+dat in het algemeen te laag voor hen staat tegenover novateurs,
+welke zulk eene zaak op een hooger standpunt willen brengen, al
+is het dat hierdoor aan eene werkelijke behoefte voldaan wordt,
+en aldus nog zooveel te meer zoo die behoefte nog maar flaauw is,
+en het nieuwe, dat wordt aanbevolen, voor die massas nog te verheven
+is. De geschiktheid van het oude voor bijzonderheden van den bestaanden
+toestand en de ongeschiktheid van het nieuwe hiervoor, verklaren de
+inertie dier massas, en ten gevolge hiervan worden die hervormers,
+meestal bekwame personen, maar die weinig te verliezen hebben, gehouden
+voor lastige menschen en onpraktische warhoofden, goed om te worden
+verwaarloosd. Komen deze nu in aanraking met magthebbende personen,
+wier positie aan den ouden stand van zaken verbonden is, zoo wordt
+de zaak erger voor hen, althans zoo men vervolging erger kan noemen
+dan voor anderen vruchteloos te arbeiden. Al komen zulke magthebbenden
+niet tegen beter weten in veel te kort in de vervulling der eischen van
+hunne positie, al zijn het dus geen slechte menschen, zoo zullen zij,
+door overdrijving der bezwaren der verandering, door gehechtheid aan
+hunne wijze van zien, door gekwetste ijdelheid, al ligt er toe komen om
+die hervormers voor monsters en vijanden van het heil der maatschappij
+te houden, en hen, wanneer de stand van beschaving en de wetten dit
+veroorloven, naar het schavot zenden. Dit in aanmerking nemende, zoo is
+het gemakkelijk te verklaren hoe de Atheners, zonder te meenen onregt
+te plegen, Socrates konden ter dood veroordeelen, omdat hij beticht
+werd de jeugd tot ongeloof en zedeloosheid te verleiden. [66] Wat nu is
+de oorzaak dier verkeerde oordeelvellingen en van het verwonderlijke
+verschil in appreciatie der waarde van zaken door de menschen? Niets
+anders dan de verandering der wereldsche zaken, waardoor, wegens
+de werking der traagheid, bij verandering van eene zaak, niet al de
+andere direct eene overeenkomstige verandering ondergaan en zich er
+naar schikken, maar op verschillende hoogten staan, zie Noot blz. 69,
+en voorts het verschil in werking der traagheid niet alleen bij
+onderscheidene menschen, naar gelang van hun karakter, beelding,
+antecedenten en positie, maar ook bij denzelfden mensch bij de
+verschillende zaken, waarmede hij zich bezig houdt.
+
+Zoo zal bijv. een geleerde, de vader der nieuwste ontdekkingen op
+het gebied van eenige wetenschap, in zijne kleeding de mode van voor
+twintig jaren volgen, ofschoon hij volstrekt niet overtuigd is, dat
+deze doelmatiger dan de thans bestaande is, en eenig ander mensch
+hevig liberaal, maar tevens voorstander zijn van classieke studiën
+voor regtsgeleerden en sterrekundigen zijn, omdat het toeval hem
+rector gemaakt heeft.
+
+Eene constante oorzaak (bij het voorbeeld van blz. 132 de doorloopende
+orde tot opsluiting zijnde) tracht echter, wanneer bij iemand, of bij
+eenige maatschappij verschillende zaken op ongelijke hoogte staan,
+deze in hoogtestand naar elkander te trekken. Zoo is het bijv. niet
+aan het toeval te wijten, dat thans de geestelijken eene ouderwetsche
+kleeding dragen en gehecht zijn aan de klassieke studiën.
+
+Bij zwakke verandering der maatschappelijke toestanden, meeningen
+en behoeften zal men daarentegen bij instellingen geene groote
+ongeschiktheid van het een voor het ander en evenmin groote verschillen
+in opinie bij de menschen, ten gevolge van bovengemelde werking der
+traagheid, waardoor zie blz. 119 de kritiek met betrekking tot de
+vorming van nieuwe opiniën ten achteren blijft, bespeuren.
+
+Tusschen den mensch van genie van heden en den gewonen mensch
+van lateren hoogeren trap van beschaving, wiens toename in
+geestontwikkeling door uitgebreider onderwijs en zelfs zie blz. 199
+door den ligchamelijken invloed zijner ouders meer begunstigd is dan
+die zijner voorzaten, bestaat het verschil, dat gene betrekkelijk zijne
+tijdgenooten in eene soort van geestontwikkeling kan uitmunten, waarvan
+later weinig werk wordt gemaakt zie blz. 67, en waarin dus zijne
+niet geniale nakomelingen hem niet evenaren, ofschoon deze in andere
+soorten van geestontwikkeling hem zullen overtreffen. Desniettemin
+kan men zeggen, dat in zeker opzigt, vooral de in het algemeen geniale
+mensch van heden, vertoont wat de gewone mensch in de verre toekomst
+zal zijn, en dat hetgeen hij voor zich (niet voor zijne tijdgenooten)
+op maatschappelijk en religieus gebied geschikt acht, in de toekomst
+bij hoogeren trap van beschaving eenmaal zal bestaan. Beide zullen zie
+blz. 84 gebrekkiger dan den gewonen mensch van heden aan de door hen
+gestelde levenseischen voldoen, sneller dan dezen voorwaarts schrijden
+op de baan der geestontwikkeling, en beter dan dezen begrijpen hoeveel
+er voor den individuelen mensch te leeren valt, en welke kennis hunne
+nakomelingschap zal kunnen opdoen. Van den in kennis boven zijne
+tijdgenooten verheven mensch, wordt vaak de leering, van den hen
+zedelijk overtreffenden mensch, de beweegredenen zijner handelingen
+gebrekkig begrepen. Beide nu moeten binnen zekere grenzen trachten zich
+geschikt te maken voor hunne omgeving, de eerste door zich door deze te
+doen begrijpen, de tweede door de verdediging zijner regten minder aan
+de hoede der maatschappij over te laten en haar meer op zich te nemen.
+
+Hiervoor behoeft men echter zijne toeneming in intellectuele
+en zedelijke ontwikkeling slechts te wijzigen, zonder haar te
+verzwakken. Zoo men toch minder tijd wijdt aan het opdoen van kennis,
+ten einde pligten jegens anderen te vervullen, zal men zijne zedelijke
+ontwikkeling bevorderen, en zoo men zich sterk tracht te maken, ten
+einde zijne belangen beter te verdedigen en geene vergevingsgezindheid
+en onbaatzuchtigheid betoont waar misbruik van gemaakt zou worden,
+zijne intellectuele ontwikkeling begunstigen.
+
+Verder mag men evenwel naar ons inzien niet gaan, en aldus niet
+zeggen, ik zal die kennis niet opdoen, omdat ik haar niet ten volle
+aan anderen kan mededeelen, ik zal mij niet meer zedelijk veredelen,
+omdat anderen hierdoor slechts weinig gebaat zouden worden. Zulk eene
+nuttigheidsleer zou slechts kunnen opgaan zoo de menschen uiterst
+innig met elkander verbonden en alsware geestelijk zamengesmolten
+waren, zoo er een geestelijk communisme bestond.
+
+Even als de door de regtbanken opgelegde en tot afschrikking
+dienende straffen, zooveel mogelijk aan de zedelijke verheffing der
+veroordeelden dienstbaar gemaakt worden, zoo moet een ieder, zooals
+hierboven gezegd is, de verhooging zijner geestelijke ontwikkeling
+zooveel mogelijk dienstbaar trachten te maken aan het heil zijner
+medemenschen. Dit nu wordt door hen, welke zich aan het zoogenaamde
+comtemplatieve leven wijden, verzuimd, doch dit leven kan voor die
+personen zelve even heilzaam zijn als eene de veroordeelden niet
+zedelijk opheffende straf voor de maatschappij.
+
+Het verzuimen van lagere soorten van geestontwikkeling, ten einde
+zijn leven toe te wijden aan vergrooting van meer verhevene soorten
+er van, was primitief het doel van het kloosterleven, en zoo iets
+kan niet ten allen tijde geschieden, zonder zich van de maatschappij
+af te zonderen. De vergrooting der geestelijke ontwikkeling dier
+maatschappij, zijn eigen persoon hier in begrepen, zooveel mogelijk
+bevorderen, behoort een ieders streven te zijn, doch om (zooals op
+blz. 85 gezegd is) de geschiktheid dier maatschappij voor het aardsche
+te paren aan haren geestelijken vooruitgang, dient die vergrooting
+niet alleen bij de hoogste ons bekende soort, maar ook bij lagere
+soorten van geestontwikkeling (waarvan op blz. 67 gesproken is)
+plaats te hebben. Alles komt toch neder op gedachten.
+
+Onjuist komt ons voor Göthes epicuristische stelling, dat men gedurende
+zijn leven de som der aangename en verstandige gedachten zoo groot
+mogelijk moet trachten te maken. Deze stelling zou passen voor wezens,
+individueel in geen phase van vooruitgang zijnde. De eischen hiervan
+maken (zie blz. 84) dat men zich dikwijls onaangename en bezwarende
+gedachten moet opleggen.
+
+Wanneer bij eenig wezen de zedelijke ontwikkeling hooger staat dan
+de intellectuele, zal gene verlagen door onwetendheid en gebrek
+aan kracht, terwijl in het omgekeerde geval, de intellectuele
+ontwikkeling door toegeving aan hartstogten zal verlaagd worden. Op
+den langen duur kunnen beide soorten van geestontwikkeling niet op
+verschillende hoogten blijven staan, en van daar dat de genius van
+het kwaad, bestendig eene hooge intellectuele aan eene zeer lage
+morele ontwikkeling parende, niet slechts een niet bestaand, maar
+zelfs een onbestaanbaar wezen is. Het kwaad bezit steeds het karakter
+van dierlijkheid, zwakheid of bekrompenheid. Hij die bijv. zelfs ter
+bereiking van een goed en groot doel (zooals bijv. het daarstellen van
+een deels meer geschikten, deels meer geavanceerden maatschappelijken
+toestand) slechte middelen aanwendt, handelt bekrompen, daar hij weinig
+vertrouwen in zijn talent schijnt te stellen en een gebouw op zwakke
+grondslagen sticht. Even als het afbreken veel gemakkelijker dan het
+opbouwen is, zoo is het benadeelen en bedriegen van een ander veel
+gemakkelijker dan het met hem zamenwerken ter bevordering van zijn
+heil. Hiervoor wordt meer menschenkennis en overleg gevorderd dan voor
+het bedriegen, waarbij men met eene lage soort van geestontwikkeling,
+ook bij de roofdieren bestaande, kan volstaan. Deze kunnen toch
+goed onderscheiden welk dier zij aan en welk zij niet aan kunnen,
+zich in hinderlagen leggen en hunne prooi onverwachts bespringen,
+doch wat zij slechts op eene zeer beperkte schaal kunnen doen is met
+elkander zamenwerken. Zoo iemand door kwaad te doen, zijne zedelijke
+ontwikkeling betrekkelijk die der andere menschen verlaagt, trachten
+de door deze opgelegde straffen hem te verlagen, en omgekeerd, na
+het plegen van goede daden, de ontvangen loonen hem in eene hoogere
+positie te plaatsen. De menschelijke vergelding strekt dus niet alleen,
+om door afschrikking en aanmoediging de zedelijke ontwikkeling der
+menschen te verhoogen, maar tevens om deze in voor hen geschiktere
+toestanden te brengen, door een ieder digter bij de plaats te brengen,
+waarop de hoogte zijner geestelijke ontwikkeling hem aanspraak geeft.
+
+Overigens loonen en straffen de menschen slechts voor zoo verre hen
+door iemand goed of kwaad gedaan wordt. De verhooging of verlaging der
+zedelijke ontwikkeling van een persoon, gevolgen zijner daden, bestaan
+naast die loonen en straffen, zijner niet steeds mede evenredig,
+worden er meer of minder door geinfluenceerd en zijn sterker en
+duurzamer, naarmate de zelfbewustheid der menschen grooter is. Tegelijk
+hiermede moet het bewustzijn der morele verhooging of verlaging, bij
+de menschen sterker wordende, deze meer wéérhouden om anderen kwaad
+of te kort en meer dringen om anderen goed te doen. Werden de eischen
+van het maatschappelijke en zedelijke bestaan der menschen alsdan
+niet hooger, zoo zouden de menschen zeldzamer door anderen te kort
+gedaan en menigvuldiger goed bejegend worden, dit kwaad en dit goed
+minder geteld en menschelijke straf en loon zwakker worden [67]. Men
+ziet aldus hoe wenschelijk het is, dat de menschen hunne zedelijke
+verlaging of verhooging ten gevolge hunner slechte of goede daden,
+groot en duurzaam voorstellen, en hoe is dit nu mogelijk, zoo zij
+haar bij het einde van hun aardsche leven stellen op te houden? De
+voorstelling der zedelijke verhooging of verlaging van den mensch
+na den dood is thans bij de massas nog kinderlijk, daar zij is die
+van opgelegd menschelijk loon of straf, doch verdween zij bij die
+massas, zoo zouden deze betrekkelijk wat slechter worden, hierdoor
+de eischen van hun maatschappelijk en zedelijk bestaan verlagen, en
+dit successivelijk voort gaan, tot dat het menschdom zou dalen tot
+op het standpunt dier wilde volken wier zelfbewustheid zoo gering en
+wier zinnelijkheid zoo groot is, dat zij zich nog hoegenaamd geene
+voorstelling van een toekomstig leven kunnen vormen. De atheïsten
+door redenering zouden aldus van lieverlede atheïsten uit onwetendheid
+zijn geworden, of is het niet waar, dat bij den mensch alles zich op
+dezelfde hoogte tracht te stellen, en dat, zoo aldus iets bij hem op
+een zeer laag standpunt te houden was, al het ander van lieverlede op
+een even laag standpunt zou komen? Hij die zoo iets ontkent, kent de
+natuurwet der geschiktwording van het een voor het ander niet. Of zou
+men denken, dat, zoo het mogelijk ware dat de menschen steeds naakt
+gingen loopen, en hunne dierlijke lusten in het publiek dan met deze en
+dan met gene gingen voldoen, kunsten en wetenschappen nog lang zonden
+bloeijen? Apen zouden zulke menschen worden, apen in ligchaamsvorm,
+in intellectuele en zedelijke ontwikkeling, in levenswijze.
+
+Dit onverzettelijk zeer laag houden van een factor der ontwikkeling
+van eenig wezen, betrekkelijk de andere factoren, is echter op den
+duur onmogelijk, daar niet slechts alles in hoogte elkander tracht
+te naderen, maar bij dit alles een drang tot vooruitgang bestaat.
+
+Door dien vooruitgang worden de wezens magtiger, en streven zij sterker
+dan hunne gelijken voorwaarts, zoo worden zij magtiger dan deze.
+
+De menschen bezitten eene zucht hiernaar, doch trachten zij macht te
+verkrijgen, niet door vergrooting hunner intellectuele en morele
+ontwikkeling onder gestadige inspanning, maar ten koste dezer
+laatste soort van geestontwikkeling, zoo worden zij eene prooi hunner
+hartstogten en zinnelijkheid, en het gebouw hunner magt valt weldra
+ineen. Zinnebeeldig heeft men zoo iets voorgesteld door verbonden van
+naar magt en grootheid hunkerende menschen met den booze, en het geloof
+aan tooverij heeft geen anderen oorsprong. De toovenaars toch werden
+beschouwd magt verkregen te hebben door onwettige middelen, terwijl
+godsdienst en vroomheid als de wettige middelen beschouwd werden, en de
+maatschappij, zich door de toovenaars benadeeld achtende, strafte deze.
+
+De toovenaars zijn verdwenen, doch waarop berust thans veler ephemere
+grootheid? Op intrigue, op bedrog en opligterij, en hunne weelde
+en saturnaliën duiden genoegzaam den onwettigen oorsprong dier magt
+aan. Hoogere intellectuele ontwikkeling maakt, dat men meer bespeurt,
+welke voordeelen in het heden misdaden te weeg kunnen brengen,
+en beter de middelen weet te vinden om deze te volvoeren. Vandaar
+dat, ofschoon de menschen gedurende hun leven gemiddeld absoluut
+in zedelijke ontwikkeling toenemen, in het oog loopende misdaden,
+zie blz. 72 niet meer door jonge lieden dan door oudere van dagen
+gepleegd worden.
+
+Dat menschen in beschaving toenemen en absoluut moreel slechter worden,
+gebeurt somtijds en naar ons inzien door dat zij dan aan qualitatief
+lagere eischen van zedelijkheid minder gaan voldoen, en zulks nog
+vrij slecht aan qualitatief hoogere doen. Dit kan vergeleken worden
+met het slecht schieten door een wilde, die afgeleerd heeft om met
+den boog om te gaan, maar nog niet goed met vuurwapens overweg kan,
+alsmede met het ongeloof van hen die hunne voorvaderlijke godsdienst
+ontgroeit, maar nog slechts gebrekkig eene meer verhevene godsdienst
+aangenomen hebben. Dit verschijnsel is echter bij de menschen in
+beschaving toenemende slechts tijdelijk.
+
+Bij vergrooting zijner intellectuele ontwikkeling verkrijgt de mensch
+een dieperen blik in verschijnselen op stoffelijk en geestelijk
+gebied meer vreemd zijnde aan die onder het directe bereik zijner
+waarneming gelegen, zoo wegens derzelver aard als wegens het plaats
+hebben er van in verder verleden of toekomst. Hij verkrijgt aldus dan
+kennis van alsware sterker buitenzinnelijke zaken, van zaken welke
+een meer algemeen karakter bezitten, dan de het gevolg er van zijnde
+bijzonderheden die hij direct waarneemt; in een woord een wijderen
+blik in tijd en ruimte, zoo men die laatste uitdrukking niet slechts
+volgens de letter, maar tevens in figuurlijken zin opneemt. Bij
+vergrooting der zedelijke ontwikkeling verkrijgt de mensen liefde
+(uit met zekere eigenschappen begiftigde denkbeelden bestaande)
+voor wezens sterker van hem onderscheiden, en dus in figuurlijken
+zin in de ruimte verder van hem verwijderd, voor belangen dier wezens
+verder in de toekomst verscholen, en van een meer verborgen en meer
+algemeenen aard zijnde dan die welke direct onder het bereik zijner
+waarneming vallen. Zijne liefde dringt aldus dan door tot meer
+buitenzinnelijke zaken, tot verder in ruimte en tijd. Naarmate de
+zedelijke ontwikkeling grooter wordt, veranderen de er bij behoorende
+denkbeelden, door verhevener en dieper te worden, op dezelfde wijze van
+karakter als die der intellectuele ontwikkeling. [68] Er moet aldus
+eene constante oorzaak bestaan beide soorten van geestontwikkeling,
+door te trachten hen op gelijke hoogte te stellen, een overeenkomstig
+karakter trachtende te geven.
+
+Aldus bestaat bij een hoog intellectueel ontwikkeld mensch, een ver
+en diep ziende geest parende aan groote wijsgeerige kennis, en zich
+verheffende boven het heden en de omgeving, een drang om opofferingen
+in het heden ligt te tellen, om niet een alles aan zijn eigen en
+oogenblikkelijk belang opofferend bekrompen egoïst te blijven en om
+door de ruimte van zijn blik, tot regtvaardigheid geleid te worden. Hij
+die daarentegen zeer van hem onderscheiden wezens en ver in de toekomst
+verscholen belangen met zijne liefde bereikt, moet daarentegen
+klaarblijkelijk geleid worden om zich bekend te maken met den aard
+van hetgeen in tijd en ruimte (ook in figuurlijken zin opgevat) ver
+van hem gelegen is. Kan men bijv. deelneming in vreemdelingen stellen
+en onverschillig blijven voor hun ganschen zijn en alles wat daarop
+betrekking heeft, en moet omgekeerd de kennis hiervan niet leiden
+tot deelneming voor zulke personen. Het spreekwoord zegt "onbekend
+maakt onbemind," maar evenzeer moet onbemind onbekend houden.
+
+De godsdienstbegrippen moeten van die vergrooting der intellectuele
+en zedelijke ontwikkeling de gevolgen en het doel aangeven, tevens
+deel uitmaken dier intellectuele ontwikkeling, en op dezelfde wijze
+als derzelver andere deelen verkregen worden. Onze voorstellingen der
+daden van andere menschen vergelijken wij bijv. met de voorstellingen
+onzer eigen daden en uit de overeenkomst van beide, leiden wij
+af dat zij gelijkslachtige oorzaken moeten bezitten, en dat aldus
+andere menschen even als wij denken. Die denking van andere wezens
+behoort echter reeds met alles wat ligt buiten de voorstellingen
+door de zintuigelijke indrukken teweeggebragt, tot het gebied van
+het buitenzinnelijke, en niettemin verkeeren wij daaromtrent niet
+in onzekerheid. Bij hoogeren graad van geestontwikkeling gaat men
+echter vragen of een oester denkt, iets dat insgelijks uit de door
+dit dier verrigt wordende daden moet opgemaakt worden. Zekerheid
+bestaat hierbij niet, doch het is vrij waarschijnlijk, dat de oesters
+wel denken, maar andere denkvormen bezitten als de menschen. Moet nu
+uit hetgeen wij opmerken, dat in de stoffelijke en zedelijke wereld
+plaats heeft, zonder dat de eigen denking van menschen of dieren
+daarvan de oorzaak kan zijn, de menschen niet evenzoo leiden om na te
+gaan of die verschijnselen al dan niet denking tot oorzaak hebben,
+of hiermede vergezeld gaan, een vraagstuk waarbij men, door middel
+van op zinnelijke waarnemingen gebouwde redeneringen, komt tot de
+vaststelling van iets dieper op buitenzinnelijk gebied gelegen dan
+de denking van andere menschen. Bestaat er een anderen weg om tot de
+kennis van het Oerwezen te komen? Naar ons inzien neen, en dat die
+kennis zoo gebrekkig is, spruit naar ons inzien alleen voort uit de
+disharmonie tusschen onze denkbeelden over buitenzinnelijke zaken
+en die door de zintuigelijke indrukken teweeggebragt. Wanneer de
+geestontwikkeling van wezens sedert lang slechts zeer langzaam aan
+het toenemen is, moet de laatste soort van denkbeelden zeer nabij
+in hoogte gelijk staan met de eerste, even als, bij eenigen dwang
+tot opsluiting, een mensch, zeer ver voor een ander uitgaande, na
+sedert zeer lang zeer langzaam geloopen te hebben, door deze bijna
+ingehaald moet worden. Op blz. 80 hebben wij aangegeven hoe, wanneer
+de geestontwikkeling van een wezen toeneemt, deszelfs ligchaam in
+figuurlijken zin omhoog getrokken wordt; en aldus hierbij, hetzij door
+eigen, of wel door kunstmatige hulpmiddelen, het veld der zintuigelijke
+waarneming vergroot. Dat er hiervoor op deze aarde een grens bestaat,
+bewijst dat wezens, welke zelfs rudimentaire denkbeelden over het
+buitenzinnelijke en oneindige verkregen hebben, omdat die denkbeelden
+door middel van zintuigelijke waarneming en directe ervaring op deze
+aarde niet tot volle zekerheid en klaarheid kunnen komen, van eene
+natuur zijn, dat zij er slechts tijdelijk op kunnen wonen.
+
+Een hersenschimmige, ongevallen en ligchamelijk onsterfelijk gebleven
+Adam zou, sedert uiterst langen tijd in geestontwikkeling niet
+toegenomen zijnde, slechts denkbeelden kunnen bezitten door directe
+ervaring en zintuigelijke waarneming zeer nabij ten volle bevestigd,
+en zijn geest alsware een aardsch product zijn. In sommige opzigten
+zou hij aldus lager dan de laagst ontwikkelde onzer, en niettemin
+hooger staan dan een slechts kortstondig op deze aarde levend, maar
+overigens zijne geestelijke natuur bezittend wezen. Zoo bijv. een
+leerling al zijne denkbeelden van zijn onderwijzer bekomt, zal hij,
+uiterst lang onderwijs genietende, eindelijk bijna even bekwaam als
+dien onderwijzer en klaarblijkelijk bekwamer dan na het kortstondig
+genieten van zulk onderwijs zijn. Ook in dit laatste geval zou aldus
+de leerling een product zijn van zijn onderwijzer, even als onze geest
+een der aarde, zoo hij zich niet, even als de vogels boven den bodem,
+boven de aardsche ervaring wist te verheffen.
+
+Ons gemis aan volmaakte juiste en klare bevatting, van hetgeen wij op
+buitenzinnelijk gebied en betreffende het oneindige stellen, is echter
+niet oneindig groot, want alsdan zouden wij, evenmin als de dieren,
+zulke stellingen kunnen maken, en veler onzer niet kunnen wanen,
+dat bij hen dit gemis niet noemenswaardig bestaat. De grootte hiervan
+kan aldus bij ons menschen, zie fig. blz. 207 niet door de oneindige
+hoogte der assijmptoot al der kromme a b c uitgedrukt worden. Zij
+zal dit integendeel voor onbeschaafde, bewoners dezer aarde door de
+ordinaat i h en voor beschaafde door de ordinaat f b gedaan worden;
+terwijl de kromme a b c, voorbij c uiterst ver verlengd gedacht,
+aldaar uiterst kleine ordinaten bezitten zal.
+
+Het op blz. 223 gemelde geldt ook voor het verkrijgen der kennis van
+het werelddoel en van 's menschen bestemming. Zoo wij ons bijv. een
+vroeger leven, op een anderen hemelbol doorgebragt, konden herinneren,
+zouden wij slechts door directe ervaring weten, dat de ziel het leven
+van ééne soort van er aan annex geweest zijnde ligchaam kan overleven,
+maar volstrekt niet dat die ziel gedurende eene eeuwigheid voor eene
+steeds gemiddeld vergrootende ontwikkeling bestemd is. Dit laatste
+zou eene stelling op buitenzinnelijk gebied blijven, en buitendien
+bedenke men, dat de graad van wetenschap, door middel van directe
+ervaring te bekomen, geheel afhangt van den graad der intellectuele
+geestontwikkeling.
+
+De stelling der oneindigheid en onveranderlijkheid van het Opperwezen,
+benevens het voorschrift, dat men voor ieder mensch evenveel liefde als
+voor zich zelf moet gevoelen, iets (eerst geschikt wordende tijdens de
+op blz. 211 gemelde volkomene zamensmelting der wezens) zijn, wegens
+derzelver ongeschiktheid voor ons veranderlijke, betrekkelijk laag
+geestelijk ontwikkelde en weinig met elkander zamenwerkende menschen,
+bijna geheel doode letters gebleven [69]. Het Opperwezen heeft men
+vermenschelijkt en tot eene Voorzienigheid en liefderijken Vader
+gemaakt, en als leiddraad voor liet practische leven zooeven gemeld
+voorschrift vervangen door het overal bekende, dat men een ander
+niet mag doen, hetgeen men wenscht dat ons niet gedaan worde. Dit
+laatste voorschrift heeft het voordeel, dat het voor alle trappen
+van geestontwikkeling geschikt is, zoodat bijv. een Indiaan, zeer
+weinig medelijden van een overwinnaar vorderende, er weinig aan te
+kort zal doen, wanneer hij door hem verslagen vijanden op eene wreede
+wijze behandelt.
+
+Met de hierboven gemelde stellingen kan vergeleken worden die op
+politiek gebied, dat eene de gansche menschheid omvattende republiek
+de eenigste absoluut zuiver rationele regeringsvorm is. Als men nu
+nagaat hoe, bij toeneming der beschaving, de staten steeds grootere
+groepen gaan vormen en in aantal verminderen, en de menschen meer
+cosmopolietisch worden, meer eerbied verkrijgen voor krachtens de wet
+uitgeoefend gezag en meer gezind worden om met elkander zamentewerken,
+zoo zullen zij, die begrijpen welke ontzettende veranderingen geringe
+constante oorzaken, gedurende eene reeks van eeuwen werkzaam, kunnen
+voortbrengen, moeten toegeven, dat, zoo de aardkorst lang genoeg voor
+wezens van eene geestontwikkeling, hooger dan die wij thans menschen
+bezitten, bewoonbaar blijft; de thans voor de behoeften van het
+menschdom geheel ongeschikte, of anders gezegd alle praktische waarde
+missende universele republiek eenmaal eene werkelijkheid zal worden.
+
+Uit hetgeen op blz. 223 gezegd is, blijkt, dat der menschen stellingen
+op buitenzinnelijk gebied, waarin hunne godsdienstbegrippen (voor
+zoo verre deze niet, zie blz. 108 de vruchten van het toeval,
+of der op de verbeelding werkende hartstogten zijn) bevat zijn,
+de uitkomsten van redeneringen, van de ervaring uitgaande, moeten
+zijn. Zij hebben dit gemeen met al onze wetenschappelijke kennis,
+en slechts kunnen zij minder dan vele der uitkomsten op het gebied
+van wetenschappen, zooals de zoölogie, chemie, astronomie, enz. door
+de ervaring gecontroleerd worden. Wij zeggen dan vele, want bijv. wie
+kan door zintuigelijke waarnemingen bewijzen, dat de ether de eenige
+absoluut enkelvoudige stof is, dat de aarde eene voorbij de maan
+reikende dampmassa geweest is, dat dieren van af de laagst ontwikkelde
+tot menschen opgeklommen zijn? Deze laatste hypothese, althans voor
+dat zij door de jongste onderzoekingen der fossilen eene nog zeer
+onzekere bevestiging verkregen had, tot het gebied van het weten en
+de stelling, dat de ziel gedurende den grootst eindigende lijd voor
+eene gemiddelde toename in ontwikkeling bestemd is, tot het gebied
+van iets, dat men geloof noemt, te rangschikken, achten wij ongerijmd.
+
+Men is echter hiertoe gekomen, omdat men voor de zedelijkheid en
+het geluk der menschen het voor waar houden dier laatste stelling
+noodzakelijk achtte en die der eerste, ofschoon ten onregte, voor
+verderfelijk achtte, zie blz. 150 [70].
+
+Die noodzakelijkheid dient echter in iets haren grond te hebben, en
+waarin anders kan dit zijn, dan in den aard en werking of denking
+onzer ziel, zooals wij die gedurende dit leven waarnemen, en die
+wij tot voorwerp van bespiegelingen kunnen maken, namelijk van
+wetenschappelijke bespiegelingen, waarin de werking der natuurwetten
+op stoffelijk en geestelijk gebied nagegaan wordt, en welke aldus aan
+'s menschen ontwikkeld verstand gerigt zijn.
+
+De kennis, welke wij op lateren leeftijd bezitten, is de vrucht
+van hetgeen wij tijdens onze jeugd en later geleerd hebben, en de
+toepassing er van verklaart het doel van dit leeren. Evenzoo moeten
+de godsdienstbegrippen de vruchten zijn der toename in intellectuele
+ontwikkeling en in wijsbegeerte, en tevens verklaren het doel waartoe
+de verhooging onzer geestelijke ontwikkeling dient. Zij behooren aldus
+een voornaam deel uit te maken van der menschen wijsgeerige kennis,
+en in verband gebragt te worden met de overige deelen hiervan. Onder
+wijsgeerige kennis verstaan wij die der werkingen der natuurwetten
+op stoffelijk en geestelijk gebied, dat is op het gebied van het
+absolute Al, waaronder het oneindige en onveranderlijke Oerwezen ook
+begrepen is. Dit boven die wetten te stellen, zou slechts zijn het te
+stellen te zijn onder andere meer primitieve natuurwetten, waarvan
+die wij trachten op te sporen, (aldus dan eigenlijk niet de ware
+onveranderlijke wetten van het Al), de producten zouden zijn. Stelt
+men bijv. de zwaartekrachtswet is eenmaal ingesteld, zoo kan men
+vragen, volgens welke wetten bewogen zich vroeger de ligchamen,
+en hebben die bewegingen zich tijdens die instelling zoo gewijzigd,
+dat zij thans juist geschieden als volgens de vermeende natuurwet der
+algemeene aantrekking plaats moet hebben. Ware die stelling juist,
+zoo zouden er aldus niettemin nimmer ingestelde natuurwetten bestaan,
+maar deze slechts zamengestelder zijn dan de naturalisten met grond
+vermeenen, dat zij zijn. Men kan aan niets hoegenaamd zekere natuur
+toeschrijven, of men bepaalt tevens, zonder hiervan bewust te zijn,
+dat die natuur het product der werking van zekere onveranderlijke
+wetten is, en zegt men dit wezen, aan wie ik die natuur toeschrijf,
+kan in strijd hiermede en met die wetten handelen, zoo bekent men
+tegelijk, dat dit wezen eene andere meer zamengestelde natuur; door
+andere meer primitieve wetten beheerscht, dan die men gesteld heeft,
+bezit. Met de noodwendige aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen
+verkeert men precies in hetzelfde geval. Steeds moet men ze aannemen,
+doch van zekere feiten kan de eene mensch dit en de ander iets anders
+de noodzakelijke oorzaak stellen te zijn.
+
+Het is aldus klaar, dat de godsdienstbegrippen niet alleen niet in
+strijd met de wetenschap, maar tevens in harmonisch verband met het
+wijsgeerige deel daarvan moeten zijn, iets dat thans bij die van vele
+onzer het geval niet is, en maakt dat hunne godsdienstbegrippen uit de
+plaatsen, waar de wetenschap moet heerschen, als belemmerend verbannen
+worden. Dit gebrek aan overeenstemming moet noodwendig ontstaan, zoo
+men tracht met die begrippen slechts op eene pietistische wijze te
+voldoen aan het gemoedsgevoel, de zucht naar regt, de menschelijke
+kortzigtigheid, in een woord aan eenige hartstogten en te bevreesd
+en te traag is om hen te zuiveren en opwaarts te drijven.
+
+Het gevolg daarvan is, dat (zie blz. 74) de geest van ontkenning
+het hoofd opsteekt, omdat verscheidene (zooals bijv. de
+zoogenaamde materialisten) ziende dien verwarden toestand van
+den Gordiaansche knoop, dezen liever doorhakken dan ontwarren,
+en, wars van de kinderlijke oplossingen van het vraagstuk van het
+werelddoel, het bestaan hiervan ontkennen. Zij doen dit bezield
+met eene overtuiging, waarachter hen onbewust veel moedeloosheid,
+beperktheid en eenzijdigheid van opvatting schuilt, en zijn nuttig als
+critisie. Terwijl de Deïsten van het gehalte van Martinet en Uilkens
+alles in het Heelal goed vinden, en slechts der menschengeest en
+diens werken onvolmaakt en gebrekkig achten, houden de Materialisten
+er voor, dat er nergens doel bestaat dan in het menschelijke brein
+en bij de menschelijke werken, zoodat en voor gemelde Deïsten en voor
+de Materialisten de menschen en in zwakkere mate ook de dieren (want
+ook deze toch dwalen en houden zeker doel voor oogen), voor zoo verre
+hunne denking en hetgeen daaruit voortspruit betreft, wanklanken en
+raadsels in de Natuur zijn, voor gene wegens hunne onvolmaaktheid,
+voor de Materialisten, omdat, volgens deze, bij hen alléén denking
+en doel bestaat.
+
+
+
+
+
+
+BESCHOUWINGEN OVER DE DRIE ALGEMEENE NATUURWETTEN EN EENIGE ANDERE
+HIERMEDE IN VERBAND ZIJNDE ZAKEN.
+
+
+Men kan zich voorstellen, dat bij een onveranderlijken toestand van
+zaken iets volmaakt geschikt is voor eenig zamengesteld doel, doch
+onmogelijk kan iets bij een veranderlijken toestand van zaken tegelijk
+volmaakt geschikt voor twee of meer in verschillende omstandigheden
+voorkomende doelen. Zoo kan bijv. geen geweer met bajonet tegelijk zeer
+geschikt zijn om dan te schieten en dan te steken. In het eerste geval
+zal het bij de lans en in het tweede bij het geweer zonder bajonet ten
+achteren staan. Bij verandering van omstandigheden maakt de werking
+der traagheid dat dergelijke zaken niet genoegzaam snel en sterk
+gewijzigd worden, om hen dan voor het eene en dan voor het andere doel
+zeer geschikt te maken. Bestond er toch geene traagheid, zoo zouden
+in een oogwenk de grootste metamorphosen mogelijk worden. Wegens haar
+bestaan kan bijv. de Natuur geen dierlijk ligchaam zeer geschikt maken,
+om dan op de vaste aarde te leven en dan te vliegen, en daar nu op den
+vasten bodem er meer zamengestelde wijzen van leven kunnen bestaan dan
+in de lucht, zoo zijn het niet de vogels welke de hoogst ontwikkelde
+wezens dezer aarde zijn. Hiermede stemt overeen, dat in het algemeen
+communicatie middelen over land, welke de reizenden steeds in contact
+met de woonplaatsen der menschen doen blijven, en aldus bij hoogere
+standen van beschaving, waarbij de behoefte aan gedurig contact van
+veel menschen grooter wordt, meer gezocht zullen zijn dan die over
+water, alsware hooger dan deze staan. Het vervoer op een kunstweg
+met wagens staat bijv. hooger dan dat met schuiten op eene rivier.
+
+Zoo de levensomstandigheden van eenig dier gedurende deszelfs leven
+veranderen, zal er bij deszelfs organisatie en zeker vermogen ontstaan
+om ook wat te veranderen en wel door inwendigen drang, te vergelijken
+met den op blz. 28 gemelden locomotief, zoo de uitwendige drang,
+door de levensomstandigheden teweeggebragt, met het aldaar gemelde
+paard vergeleken wordt. Zoo bezitten wij bijv. een inwendigen drang
+om achtervolgens gedurende eenige uren te slapen en dan gedurende
+eenige uren te waken. Die drang is gewis ontstaan ten gevolge der
+impulsie der verandering der uitwendige omstandigheden gedurende
+het etmaal. Men kan bijv. geen mensch van zijne geboorte af wennen
+om achtervolgens eene maand lang te slapen en dan eene maand lang
+te waken, en evenmin om het een en ander om de minuut te doen, en
+veranderden die omstandigheden gedurende elk etmaal niet, zoo zouden
+welligt onze hersenen en ledematen, evenmin als thans ons hart, een
+alternatieven toestand van inspanning en rust noodig hebben. Kan echter
+dit vermogen tot periodieke verandering onzer organisatie deze, zooals
+wij op blz. 23 en 196 beweerd hebben, even goed dan voor werkzaamheid
+en dan voor rust geschikt maken, als de oorzaak van geschiktwording
+van blz. 7 zulks voor onveranderlijke omstandigheden kan doen? Naar
+ons inzien neen, omdat het niet uit gebrek aan tijd bij alle deelen
+van het ligchaam de werking der traagheid hiervoor genoegzaam kan
+overwinnen. Bij de werking van hart en maag geschiedt die periodieke
+verandering bijv. slechts in zwakke mate, en de rust gedurende
+den slaap moet hierdoor minder volkomen worden. Trouwens, wanneer
+dit vermogen meer tijd heeft, om de neiging der ligchaamsdeelen,
+om in beweging te zijn, te overwinnen, doet het zulks ook, zooals
+bijv. bij den winterslaap van sommige dieren. De op blz. 7 gemelde
+oorzaak van geschiktmaking neemt in die gevallen een middenweg. Zoo
+zij dit vermogen tot verandering der organisatie van het ligchaam
+te groot maakte, zoo zij dit laatste ongeschikt voor het leven
+maken, en deed zij dit vermogen te klein blijven, zoo zou zij het
+ligchaam te onvatbaar maken om anders te zijn, wanneer de uitwendige
+omstandigheden tot werkzaamheid, dan wanneer zij tot rust nopen. Een
+inwendigen drang om binnen elk jaar eenmaal dikker en eenmaal dunner
+haar te verkrijgen bezit de organisatie der zoogdieren niet. Worden
+deze bijv. verplaatst naar klimaten, alwaar het des winters warm is,
+zoo verkrijgen zij aldaar geen winterhaar; terwijl, naar de poolstreken
+verplaatst, zij wel gedurende den aldaar maanden langen dag in slaap
+vallen. Met betrekking tot die voorziening der dieren tegen de koude,
+maakt de werking der traagheid dat de oorzaak van geschiktwording
+hierbij in gebreke blijft. [71] Muizen en vogels lijden bijv. van
+de winterkoude, terwijl het ijskoude water, waarin zij zich steeds
+bewegen, de walvisschen waarschijnlijk niet hindert. Hunne organisatie
+is hiervoor welligt nog beter ingerigt dan de levenswijze en woningen
+der Javanen voor de warmte, waarvoor wij, omdat deze hier te lande
+slechts kort aanhoudt, ons slechts vrij gebrekkig inrigten.
+
+Bij de organisatie van dieren bestaat er ook een inwendigen drang
+om te veranderen met den ouderdom dezer dieren. Veranderingen bij
+de uitwendige omstandigheden dier dieren gedurende hun leven hebben
+welligt tot impulsie gediend voor het ontstaan van dien inwendigen
+drang. Hiertoe behoort het groeijen, het sterker worden der dieren,
+omdat dit gebeurt, al blijft de moeder het jong even zoo beschermen
+en koesteren als vlak na de geboorte. Dit groeijen doet in zeker
+opzigt de dieren geschikter worden voor de omstandigheden waarin zij
+achtervolgens komen, doch brengt met zekere snelheid veranderingen
+teweeg in derzelver organisatie, waarnaar deze, wegens de werking
+der traagheid, zich niet in andere opzigten even snel kan voegen,
+en kan hierdoor zelfs somtijds het ligchaam ongeschikter voor het
+leven maken. De uit hunne krachten groeijende jongelieden strekken
+tot voorbeeld hiervan.
+
+Onder de groote veranderingen der organisatie van dieren
+gedurende hun leven, ten gevolge van innerlijken drang, behooren de
+gedaante-verwisselingen van vele der lagere dieren. Veranderingen der
+levensomstandigheden dier dieren gedurende de achtervolgende tijdperken
+van hun leven zullen wel primitief de op blz. 7 gemelde oorzaak van
+geschiktmaking geleid hebben om de organisatie dier dieren met dit
+vermogen tot gedaante-verwisseling te begiftigen. Wèl kan, wanneer
+eenige accidentele oorzaak de organisatie van eenig dier veranderd
+heeft, dit zijne levenswijze hiernaar wat voegen, doch men heeft
+bij die gedaante-verwisseling met een te algemeen verschijnsel te
+doen, om aan te nemen, dat het de vrucht is van een toeval. Kinderen
+kruipen en klauteren meer dan volwassen menschen, en denkt men zich
+nu het menschelijke ligchaam op ongeveer het vijftiende jaar door
+innerlijken drang eene verandering te ondergaan, waardoor het voor
+kruipen en klauteren minder geschikt wordt, zoo heeft men iets dat te
+vergelijken is met de gedaante-verwisseling der insecten, die, wegens
+de werking der traagheid, bij latere generatien in verzwakkende mate
+kan blijven bestaan, wanneer de veranderingen der levensomstandigheden
+bij die generatien er niet meer de impulsie toegeven. Waarom moeten
+nu de levensomstandigheden van vele der lagere dieren gedurende
+derzelver jeugd anders zijn dan op lateren leeftijd? Wegens eene
+overeenkomstige reden waarom de levensomstandigheden van kinderen,
+niet slechts om zoo te zeggen quantitatief, maar tevens ook qualitatief
+anders dan die der volwassenen gehouden worden, en dit niet enkel uit
+een hygienisch oogpunt, maar tevens, omdat het doelmatig is, om zie
+blz. 67 eerst lagere en later hoogere soorten van geestontwikkeling
+te vergrooten. [72] Meestal veranderen de levensomstandigheden der
+aan gedaante-verwisseling onderworpen dieren in verheffenden en
+slechts bij uitzondering in verlagenden zin. In dit laatste geval
+kunnen zulke dieren, even als op blz. 42 gezegd is, naar lagere
+levensomstandigheden teruggedrongen zijn en de op blz. 7 gemelde
+oorzaak hebben getracht hen hiervoor geschikt te maken. Het is echter
+de vraag of die teruggang gedurende het leven van elk individu niet
+meer schijnbaar dan wezenlijk is.
+
+Ten gevolge van den op blz. 231 gemelden innerlijken drang, groeijen
+de hersens, onder omzetting in derzelver zelfstandigheid van het door
+het ligchaam opgenomen voedsel. Was nu het denken eene functie der
+hersens, zoo zou eten en groeijen hierbij de geestelijke ontwikkeling
+even goed moeten doen toenemen, als de vorming en afleiding van zekere
+stoffen bij andere ligchaamsdeelen zie blz. 197. De op blz. 7 gemelde
+oorzaak van geschiktmaking der organisatie der levende wezens voor de
+levensomstandigheden dezer laatste, heeft de pasgeboren kinderen veel
+hulpeloozer dan de jongen der dieren gelaten, omdat de ouderlijke
+hulp natuurlijke hulpmiddelen, voor die jongen noodzakelijk, voor
+de kinderen overbodig, en dus in andere opzigten hinderlijk voor
+deze heeft doen worden. Onze levensomstandigheden vorderen dat ons
+ligchaam geschikt is voor zekere beweging, zoodat te groote inertie
+er ongeschikt voor is. Van den anderen kant is eene inspanning,
+waardoor het ligchaam veranderd wordt en bijv. de spierkracht toeneemt,
+dit insgelijks, omdat, wegens de werking der traagheid, de bate der
+voeding betrekkelijk die grooter wordende werkzaamheid ten achteren
+blijft. Hoe langzaam men nu ook de vermeerdering der werkzaamheid van
+kinderen maakt, steeds zullen deze aan zekere uitputting lijden, omdat
+het vermogen voor die werkzaamheid dan ook wel toeneemt, maar steeds
+wat te klein hiervoor blijft. Kon dit nu geweerd worden, door tegelijk
+met de werkzaamheid de voeding te vergrooten, zoo zou de verandering
+van het ligchaam, wegens de werking der traagheid, desniettemin op
+de eene of andere wijze ongeschiktheid er bij baren. Wordt de voeding
+versterkt, zoo zal, wegens de werking der traagheid, het profijt er van
+voor het ligchaam er bij ten achteren blijven en dit door die voeding
+lijden, en natuurlijk meer, zoo geene vergrooting der werkzaamheid
+het profijt van het genomen voedsel betrekkelijk grooter doet worden.
+
+Uitputting moet van teruggang van spiersterkte onderscheiden worden,
+het gelijkt hier evenmin op, als breken op wegsmelten, en als het
+ligchaam van een grijsaard op dat van een nog zwak kind.
+
+Uniformiteit van omstandigheden leidt tot geschiktheid bij de in
+die omstandigheden verkeerende wezens, omdat de op blz. 64 gemelde
+ongeschiktheid barende werking der traagheid, dan weer weggenomen
+wordt. Verscheidenheid van omstandigheden leidt daarentegen bij
+zulke wezens tot ongeschiktheid, maar tevens tot vooruitgang. Het is
+toch klaar dat wezens, dan in deze en dan in andere omstandigheden
+verkeerende, al zijn deze van even verheven aard, door zich gedurig
+voor een nieuwen toestand van zaken geschikt te willen maken en
+hierin te willen dringen, tot grootere geestinspanning en aldus tot
+eene grootere toeneming in geestontwikeling geleid zullen worden, dan
+wezens, wie een veel meer beperkt veld van leering ten dienste staat,
+door dat zij steeds in dezelfde omstandigheden verkeeren. Iemand
+die reist, al zij het zelfs bij minder beschaafde natien, dan die
+waartoe hij behoort, zal bijv. meer leeren dan een ander die te huis
+blijft, mits beide zich met even gewigtige zaken bezighouden. Volken,
+op denzelfden trap van beschaving staande, maar in aard, zeden
+en behoeften verschillende, zullen zich sneller ontwikkelen zoo
+zij met elkander verkeeren, dan zoo zij dit niet doen. Bewoners
+van een hemelbol, waarbij de onderscheidene deelen in lucht- en
+grondgesteldheid verschillen, en elk dier deelen slechts geschikt
+is om eenige der voor die bewoners noodzakelijke producten voort
+te brengen, zullen sneller in ontwikkeling toenemen dan de bewoners
+van een hemelbol, waarbij elk plekje alles oplevert waaraan deszelfs
+bewoners behoefte hebben, zoodat er geene aanleiding tot handel en
+vervoer bestaat. Wie zullen echter de gelukkigste zijn, zoo althans de
+drang tot vooruitgang een eentoonig leven niet vervelend maakte? Gewis
+zij die in elk dier gevallen het minste kunnen leeren. Geschiktheid
+verzwakt den drang tot vooruitgang, want men zal toch moeijelijker
+zekeren toestand verlaten, om in een hoogeren te komen, naargelang men
+zich in eerstgemelden toestand beter bevindt. Vandaar dat de toevallige
+afwijkingen der jongen van hunne ouders, zooals op blz. 15 gezegd is,
+gene in organisatie gemiddeld ongeschikter dan die ouders makende de
+verhooging der organisatien bij de achtervolgende generatien zullen
+bevorderen.
+
+De toestand onzer aarde is zeer verscheiden en wel voornamelijk wegens
+hare nabijheid van de zon, zie blz. 26. Hierdoor ontstaan er toch bij
+de afwisseling van licht en duisternis, van koude en warmte, sterke
+verandering van luchtstroomen en welligt ook eene sterke werking van
+de gesmolten kern op de schors. Hieruit volgt dat de toestand onzer
+aarde zeer geschikt is voor den vooruitgang der er oplevende wezens,
+maar niet voor derzelver geschiktheid voor de omstandigheden waarin
+zij verkeeren, en dat die wezens er op snel in geestontwikkeling
+zullen toenemen, maar kort zullen leven en aan allerlei oorzaken van
+vernietiging zullen blootstaan. Dit nu moet in het algemeen het geval
+zijn bij hemelbollen in de nabijheid van anderen zijnde, en alzoo zich
+snel verplaatsende en een sterken en wederkeerigen invloed op elkander
+uitoefenende. Wegens eene constante oorzaak zullen bij het op blz. 160
+gemelde wereldsterrenstelsel er steeds een zeker aantal bollen in zulk
+een geval verkeeren, doch dat onze aarde er thans in verkeert en eene
+weinig elliptische baan om de zon beschrijft, moet zie blz. 69 als een
+toevallig gevolg der uiterst zamengestelde werking der natuurwetten
+bij het wereldsterrenstelsel beschouwd worden. Het is aldus verkeerd
+te zeggen, dat de zon onze planeet bewoonbaar maakt. Maakt de zon eene
+komeet meer bewoonbaar, wanneer deze, er digt bij gekomen, aanzienlijk
+vervormd en uitgezet wordt? Men zal dit ontkennen, en waarom zou de zon
+op de aarde, met betrekking tot de hier op bestaande organische natuur,
+eene tegenovergestelde uitwerking uitoefenen als op eene komeet?
+
+De sporen van het ontstaan der organische natuur op onze aarde zijn
+nog niet uitgewischt, een bewijs dat dit ontstaan betrekkelijk
+kort geleden heeft plaats gehad, en dat de tijd, dat eene zelfde
+organische natuur zich op deze aarde heeft kunnen staande houden,
+omdat de toestand dezer, met betrekking tot andere hemelligchamen
+zie blz. 168, niet snel sterk veranderd is, betrekkelijk kort is.
+
+De op blz. 200 gemelde zeer etherachtige hemelbollen binnen- en
+buitenwaarts van de bolvormige schil den Melkweg gelegen, deze zijn
+het, naar ons inzien, die aan derzelver bewoners bijna onveranderlijke
+levensomstandigheden kunnen aanbieden, en daardoor die bewoners
+veroorloven om zeer geschikt voor die omstandigheden te worden,
+en om een zeer geringen drang tot vooruitgang te bezitten.
+
+Het niet beseffen, dat de veranderlijkheid, voor den vooruitgang
+noodig, de geschiktheid vermindert, heeft tot de meest bekrompene en
+scheve opvattingen van het werelddoel bij sommigen, en tot ontkenning
+van eenig werelddoel bij anderen aanleiding gegeven. De eerste hebben
+overal geschiktheid gezocht, zonder deze steeds te kunnen vinden,
+en de tweede hebben geschiktheid ontkend, waar zij in zekere mate
+bestaat. Dat bijv. het zeewater zout is, kan als een gevolg van het
+toeval beschouwd worden, doch de op blz. 7 gemelde oorzaak heeft de
+organisatie der zeevisschen voor het leven in dit zoute water geschikt
+gemaakt, omdat die schepselen, niet ten gevolge hunner eigen denking,
+de zee zijn gaan bewonen. Wij menschen verkeeren daarentegen in
+een ander geval. Ten gevolge onzer eigen denking hebben wij schepen
+gebouwd en ons op den Oceaan begeven; onze eigen denking moet aldus
+de hulpmiddelen voortbrengen om het zout zijn van het zeewater voor
+de zeevaarders niet hinderlijk te maken, hetgeen tot geestinspanning
+en aldus tot vooruitgang aanleiding geeft. Dit is eveneens het geval
+met andere zaken. De kunstwarmte is bijv. voor de menschen noodig
+geworden, ten gevolge van hun kunstmatigen toestand, een gevolg hunner
+eigen denking. Deze moet aldus ook de hulpmiddelen weten te vinden
+om die kunstwarmte daar te stellen, en dat de menschen daarvoor nog
+gedurende eenige eeuwen van de fossile brandstoffen gebruik zullen
+kunnen maken, moet slechts als een gelukkig toeval beschouwd worden,
+even als bijv. het bezit van natuurlijke havens. Zulke toevallen maken
+de toeneming in beschaving gemakkelijker, doch is deze, ondanks hen,
+op de hoogte gekomen, dat men hetzelfde als met hun hulp wil bekomen,
+zoo maakt hun gemis, dat men zich dan sterker inspant om dit gemis te
+vergoeden, en die grootere inspanning leidt dan tot sterkere toeneming
+der geestontwikkeling zie Noot blz. 89.
+
+Het toeval is het product van eene reeks van oorzaken en gevolgen
+die wij niet kunnen naoogen, en bestaat aldus bij zeer samengestelde
+verschijnsels noodzakelijk voor de verscheidenheid, op hare beurt
+weder noodzakelijk voor den vooruitgang der wezens. Waarom spreken
+wij van het blinde toeval? Omdat het gemiddeld niet leidt tot
+geschiktheid voor ons menschen, en omdat het grillige der toevallige
+accidentele verschijnselen het ons menschen moeijelijk maakt, om ze
+onschadelijk of voordeelig voor ons te maken, wegens de werking der
+traagheid zie blz. 64, doch, zooals op blz. 236 gezegd is, strekt
+juist dit veranderlijke, mits op blz. 68 gemelde wijze beschouwd,
+ter bevordering van den vooruitgang der levende wezens.
+
+Eene accidentele oorzaak is een beloop van zaken, deel uitmakende
+van een zeer zamengesteld verschijnsel, en die tot een waargenomen
+wordenden toestand van zaken aanleiding geeft, die, zoo hij gedurende
+voor ons menschen lange tijdvakken onveranderd blijft, eene constante
+oorzaak van secundaire verschijnselen is.
+
+De helling der aardas is bijv. het gevolg van zulk eene accidentele
+oorzaak, en is tevens de constante oorzaak der regelmatige afwisseling
+der saizoenen. Deze is aldus evenzeer het gevolg van het toeval
+als het blindelings trekken van een hoogen prijs uit eene loterij,
+doch daar die regelmatige afwisseling der jaargetijden gedurende
+voor de menschheid zeer langen tijd onveranderd aanhoudt, zoo heeft
+deze in zekere mate er zich naar geschikt, terwijl de trekker van
+het goede nummer geen tijd gehad heeft om zich te schikken naar het
+bezit van zijne zoo plotseling ontvangen geldsom. Behoudt hij echter
+deze, zoo zal hij zijne behoeften zoo vergrooten, dat, al was dit
+primitief hoegenaamd niet het geval, het bezit dier som zie blz. 50
+van lieverlede noodzakelijker voor hem zal worden.
+
+Het is niet denkbaar dat, bij het bestaan van slechts eenvoudige
+verschijnsels, witte en zwarte ballen binnen eene bus onregelmatig
+gegroepeerd kunnen raken, en hierdoor wordt aangetoond dat toevallige
+groepering dier ballen onafscheidelijk is van een zeer zamengesteld
+verschijnsel.
+
+Men moet voorts wel onderscheid maken tusschen langer of korter
+durende en een meer uitgestrekt, of meer beperkt veld van werking
+bezittende standvastige oorzaken, zelve verschijnsels zijnde en andere
+verschijnsels tot gevolg bezittende, en de wetten der Natuur, eigenlijk
+wel absoluut constante oorzaken, die alle verschijnsels regelen, maar
+zelf geen objectief bestaan bezittende. Deze zijn in zeker opzigt
+te vergelijken met de Staatswetten, zoo deze noch te verwaarlozen,
+noch te overtreden, noch te ontduiken, noch te veranderen waren, en
+al de verschijnsels op maatschappelijk gebied bepaalden. De doodstraf
+bijv. is geen verschijnsel, maar zij bepaalt het verschijnsel der
+executien en dit is eene verschijnsel-oorzaak tot gevolg afschrikking
+voor het moorden hebbende. Er bestaan absoluut constante verschijnsels,
+zooals bijv. de gemiddelde vergrooting der hemelbollen, die weder
+andere verschijnsels tot gevolg hebben, en aldus, ofschoon volgens
+het gewone spraakgebruik, absoluut constante oorzaken, desniettemin
+geene natuurregels zijn, maar, even als derzelver gevolgen, door
+die natuurwetten bepaald worden. Het komt ons nu verkieselijk voor
+om onder oorzaken steeds te verstaan verschijnseloorzaken, bepaalt
+door de vereenigde en in elkander grijpende werking der natuurregels,
+en waarbij de werking van sommige dier regels meer kunnen predomineren
+en die van anderen nietiger zijn. Geheel ontbreken zullen die laatste
+werkingen nimmer doen, want toch wordt zie blz. 144 alle denking
+bepaald door beweging, zoodat bijv. op onze denkingsverschijnselen
+de deze hoegenaamd niet bepalende bewegingen middelijk van invloed
+zijn, daar toch deze influenceren op de onze denking bepalende
+niet zintuigelijk waarneembare atomistische bewegingen. Van elk
+der natuurwetten heeft de werking steeds dezelfde strekking, maar
+vertoont zich gedurig onder andere gedaanten, en, met betrekking tot
+die gedaanten, verkeeren zij in hetzelfde geval als de accidentele
+en betrekkelijk constante oorzaken, zij zijn namelijk even als deze
+de vruchten van accidentele omstandigheden, en min of meer beperkt
+van duur. Zulk een natuurregel is bijv. de geschiktwording van
+levende wezens voor de omstandigheden waarin zij verkeeren. Waar
+de werking van dien regel zich nu vertoont als geschiktwording der
+organisatie der zeevisschen voor het zoute water van een Meer, is
+deze bijzondere gedaante dier werking een gevolg van het toevallig
+zout zijn van zulk een Meer, en zal zij ophouden, wanneer, door het
+verkrijgen van afvoer langs den bodem, dit meerwater deszelfs zoutheid
+verliest. Iemand wandelt op straat, eene wolk bedekt toevallig de zon,
+en die wandelaar knoopt zijne jas digt, ten einde zich te hoeden tegen
+koude. Die gedaante der werking der wet van geschiktwording duurt in
+dit geval al zeer kortstondig, en is het gevolg van een zeer vlugtig
+en toevallig verschijnsel. De reeksen van achtervolgende verschijnsels,
+hoe zamengesteld ook, ontstaan door de vereenigde in elkander grijpende
+werking van al de Natuurregels, doch onnaspeurlijk is het voor ons hoe
+dit geschiedt, welk aandeel elk dier regels in die vereenigde werking
+heeft, en hoe deze de achtervolgende verschijnsels uit elkander doen
+voortvloeijen. Tot voorbeeld hiervan strekken de uiterst zamengestelde
+banen door verschillende bollen, onder de vereenigde werking der
+zwaartekracht en der traagheid beschreven. Die banen zullen ons meest
+als toevallig voorkomen, doch wanneer zij hoofdzakelijk ontstaan
+door de aantrekking van slechts een bol op een anderen, men kunnen
+nagaan hoe of de vereenigde werking dier beide natuurwetten plaats
+heeft. Evenzoo op het gebied der geschiedenis. De vereenigde werking
+der natuurwetten brengt op dit gebied zulke zamengestelde verschijnsels
+te weeg, dat van deelen er van het ondoenlijk is om na te gaan, hoe
+die vereenigde werking heeft plaats gehad bij de achtervolgende uit
+elkander voortspruitende accidentele oorzaken, waarvan de laatste tot
+dit feit aanleiding gegeven heeft. Dit bijv. is niet te doen voor het
+feit dat de Zwitsers eene zelfstandige natie vormen. [73] Wel weten wij
+dat hierbij in het spel is de werking der wet van geschiktwording, die
+gescheiden tracht te houden wat niet bij andere zaken past, doch die
+wetenschap staat gelijk met die, dat de zwaartekracht in het spel is
+bij de meest onregelmatige bewegingen der hemelbollen. Even als echter,
+zooals bijv. bij ons zonnenstelsel, die zeer zamengestelde bewegingen
+weinig, ofschoon op zeer zamengestelde wijze gestoorde meer eenvoudige
+bewegingen worden, waarbij wel nagegaan kan worden hoe deze door de
+werking der zwaartekracht en der traagheid ontstaan, zoo ontmoet
+men in de geschiedenis dikwerf eene toedragt van gebeurtenissen,
+wel is waar, op eene zeer zamengestelde wijze gestoord wordende, maar
+niettemin in hoofdzaak genoegzaam eenvoudig, om er bij de werking der
+natuurwetten op maatschappelijk gebied na te gaan. Men moet voorts
+niet denken wanneer, wegens de zeer samengestelde wijze waarop zij
+ontstaan zijn, zaken ons toevallig voorkomen, zij daarom steeds minder
+geschikt zijn. Bij eene eenvoudige toedragt van zaken kan dit ook het
+geval zijn. Onder de standvastige oorzaken behoort bijv. de werking
+der inertie, waardoor bijv. menschen, wanneer zij vrees of afkeer
+voor iets gevoelen, dit wegens de werking der traagheid blijven doen,
+nadat de aanleidende oorzaak er voor verdwenen is, zooals bijv. volken
+doen, wanneer deze, uit een anarchistischen toestand gerakende,
+onder een despotisch juk vallen, om later, nadat zij hunne despoten
+verjaagd hebben, weder tot anarchie te vervallen. Ons geheel toevallig
+voorkomende storingen kunnen nu zulke eenvoudige schommelingen
+van den politieken toestand van een volk vernietigen, even als een
+toevallige stoot de verflaauwende schommelingen van een slinger, en
+zulk een volk hierdoor in een meer geschikten toestand geraken. Nu
+zal men zeggen, wanneer de toedragt van zaken op geschiedkundig
+gebied eenvoudiger is, kan men beter nagaan wat er gebeuren zal,
+en, door de oorzaak der geschiktwording te doen werken, tot een meer
+bevredigenden toestand geraken. Dit is zoo, doch daartegenover staat,
+dat die zeer zamengestelde toedragt van zaken, waarbij ons zoo dikwerf
+het toeval overvalt, zoo als op blz. 240 gezegd is, den vooruitgang
+der individuen bevordert, en met betrekking tot den geestelijken
+vooruitgang dier op- en aftredende individuen moet de geschiedenis
+beschouwd worden. Om na te gaan, hetgeen eene school bewerkt heeft,
+moet men niet vragen, wat is er van die school geworden, maar wat
+heeft zij van de haar bezocht hebbende leerlingen gemaakt.
+
+Er bestaat een groot onderscheid tusschen de zeer zamengestelde werking
+van een klein getal natuurwetten, en die van uiterst zamengestelde
+natuurwetten. Bijv. op eene hoe gecompliceerde wijze hemelbollen
+ook betrekkelijk elkander bewegen, zoo slechts de zwaartekracht en
+de traagheid hierbij in het spel zijn, zal een sterrekundige direct
+zeggen, dat een dier bollen, versnellende in zekere rigting bewegende,
+niet plotseling eene andere rigting, een niet afgeronden regten hoek
+met eerstgemelde vormende, kan gaan volgen. Drie of meer van die bollen
+digt bij elkander zijnde, zoo kan een astronoom vrij wel aangeven,
+hoe zij althans, voor eerst zullen bewegen, hetgeen onmogelijk voor hem
+zou zijn, zoo de verplaatsing dier bollen geschiedde door de vereenigde
+werking van een onnoemelijk aantal natuurwetten. Ware dit het geval,
+zoo zou naar ons inzien de meest volkomene controlerende aanschouwing,
+zie bl. 178, den zamenhang en de oorzaken van al de verschijnselen
+aan geen wezen, welk ook, kunnen aangeven.
+
+Evenzoo in andere zaken. Tusschen twee plaatsen bestaat er bijv. een
+groot verschil in luchtdrukking, zonder dat men weet door welke
+aaneenschakeling van oorzaken dit ontstaan is. Het ontstaan van
+harden wind in zekere rigting is echter alsdan te voorspellen, omdat
+in zulk een geval de beweging der luchtdeelen niet van de vereenigde
+werking van een uiterst groot aantal oorzaken, maar slechts van drie
+afhankelijk is, namelijk het verschil in drukking, de traagheid der
+luchtdeelen, waardoor zij, op hoogere breedten komende, den aardbodem
+van west naar oost vooruitloopen en ten derde de wrijving. Een sterke
+wind blaast tegen een beschot, zonder dat men de aaneenschakeling van
+oorzaken kent, waardoor die wind ontstaan is en dit beschot aldaar
+staat. Zoo een onnoemelijk aantal vereenigt werkende en in elkander
+grijpende oorzaken in zulk een geval van invloed waren op de drukking
+van den wind met betrekking tot het beschot, zou men niet kunnen
+weten, dat men dit aan de benedenwindzijde moet stutten, om het voor
+vallen te behoeden. Weet men echter, dat men hierbij slechts te doen
+heeft met de werking der wet der botsing eener bewegende veerkrachtige
+vloeistof, en dat deze het beschot wil medeslepen zoo, dit al de hierop
+uitgeoefende drukking niet op den bodem kan overbrengen, zoo verkrijgt
+men de wetenschap van hetgeen er te doen valt, om het beschot staande
+te houden. Onwetende menschen weten dit uit ervaring, doch, zoo een
+uiterst groot aantal oorzaken bij zulk een geval in het spel waren,
+zou die ervaring niet dezelfde zijn, en zou zij zelfs in het geheel
+niet bestaan, voor zulke onwetende menschen zou hetgeen dan gebeurt
+een warboel zijn. Iemand voelt zich kleinmoedig en bevreesd, zonder
+dat hij weet hoe dit ontstaan is. Wat hiertegen te doen? De oorzaak
+van geschiktmaking laten werken, door zich voor den geest te brengen
+de geestelijke en stoffelijke hulpmiddelen, waarover men beschikt,
+door hiermede den aard der bezwaren te vergelijken, door in zijn geest
+het denkbeeld van krachtige en doelmatige handeling en van vertrouwen
+overheerschende te maken. Verkiest men nu zulks te doen in den vorm
+van een gebed, het is wel, doch men zal dit doen, door de oorzaak van
+geschiktmaking niet onder dezelfde gedaante als in het vorige geval
+te doen werken, omdat men weet dat nu niet in het spel is de wet van
+botsing van bewegende vloeistoffen. Door de beenen wijd van een op
+den bodem te plaatsen zal men aldus geen gevoel van kleinmoedigheid
+weren, evenmin als men, door zich aan te moedigen zonder meer, zich
+zal behoeden tegen omverwaaijing. Zeer eenvoudige opmerkingen en
+waarvan desniettemin de supra-naturalisten geen helder begrip hebben.
+
+Dat de totale hoeveelheid der zelfstandigheid onveranderlijk is, moet
+naar ons inzien, ontstaan doordat haar bestaan traagheid bezit. Anders
+toch zou eene oorzaak, kleiner dan eenige te geven grootheid, gedurende
+een eindigen tijd het bestaan van een eindig deel dier zelfstandigheid
+kunnen vernietigen, terwijl, zoo de traagheid niet het ontstaan van
+zelfstandigheid tegenging, eene dergelijke oorzaak als zoo even de
+absolute quantiteit dier zelfstandigheid zou kunnen vergrooten. Terwijl
+de traagheid een oneindig sterken wederstand schijnt te bieden aan
+eindige oorzaken de hoeveelheid dier zelfstandigheid trachtende te
+veranderen, biedt zij slechts een eindigen wederstand aan de oorzaken,
+leidende tot veranderingen der veropenbaring dier zelfstandigheid
+door beweging, (namelijk de bewegingen der ligchamen, alsmede
+derzelver eigenschappen, welke zie bl. 165, ook door bewegingen
+worden bepaald) en der veropenbaring dier zelfstandigheid door
+denking (namelijk de denkbeelden en de door den aard der denkbeelden
+bepaalde karaktertrekken der geesten.) De traagheid biedt niet slechts
+wederstand aan de veranderingen in sterkte, maar ook aan die in aard
+dier veropenbaringen, aldus niet alleen aan het werkdadig maken van
+latente denkbeelden, zie blz. 167, maar tevens aan de verwisseling
+en vervanging dezer laatste door andere denkbeelden, niet alleen aan
+het ontstaan van beweegkracht, van welken aard ook, bij de ligchamen,
+maar tevens aan de verandering van den aard der zeer zwakke met de
+structuur der ligchamen verbonden atomistische bewegingen, waardoor
+den aard der eigenschappen dier ligchamen bepaald worden.
+
+Bij die eigenschappen bestaat er onderscheid tusschen derzelver
+intensiteit en derzelver uitbreiding, (dat is of zij tot een grooter of
+kleiner ligchaam behooren) en bij de veropenbaring der zelfstandigheid
+door denking bestaat er eveneens onderscheid tusschen de intensiteit
+van latente denkbeelden en derzelver uitbreiding. Deze laatste
+is bijv. grooter, wanneer zij bij veel dan wanneer zij bij weinig
+personen bestaan, en zelfs bij een enkel wezen kunnen, bij gelijke
+intensiteit der denkbeelden, deze in uitbreiding verschillen. Om aldus
+bij de denkbeelden van wezens groote veranderingen te weeg te brengen,
+dient er, wegens de werking der traagheid, eene oorzaak te bestaan,
+die, zoo deze slechts gedurende korten tijd werkt, met betrekking tot
+de intensiteit en uitbreiding dier denkbeelden groot is. Vandaar dat
+bijv. op het gebied der geschiedenis groote verschijnselen slechts
+kleine oorzaken kunnen bezitten, wanneer deze gedurende zeer langen
+tijd werkzaam zijn. Integendeel, kan bijv. wanneer in eenig land
+de individuen sterk voor den vrede geneigd zijn, een oorlogzuchtig
+pamflet hen evenmin eene noemenswaardige zucht tot oorlogvoeren geven,
+alsdat de aantrekking eener komeet van geringe massa de snelheden en
+banen der planeten noemenswaardig kan wijzigen [74]. De uitwerking van
+zulk een pamflet zal van lieverlede verdwijnen, dat is de traagheid
+dier uitwerking zal met den tijd geheel overwonnen worden, zoo de
+inhoud van het pamflet de drijfveeren, tot oorzaak dier vredelievende
+neiging strekkende, onveranderd laat. Eveneens zal eene accidentele
+snelheid gegeven aan waterdeelen, wier snelheid door het verhang
+en de wrijving bepaald worden, van lieverlede verdwijnen, zoo de
+kortstondige oorzaak dier accidentele snelheid noch op het verhang,
+noch op de wrijving van het water van invloed is.
+
+Bij de (zie blz. 174) onveranderlijke ofschoon zeer zamengestelde
+veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en denking, doet
+de traagheid, door telkens den bestaande alsdan steeds volmaakt
+geschikten toestand in stand te willen houden, het effect van eene
+alleenheerschende oorzaak van geschikthouding. Bij de veranderlijke
+veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en door denking is dit
+integendeel anders, en wel te meer hoe grooter die veranderlijkheid
+is. De traagheid tracht alsdan slechts gebrekkig geschikte toestanden,
+en zoowel het kwade als het goede hierin bevat, in stand te houden,
+met betrekking tot het geschikte en ongeschikte is zij neutraal.
+
+Bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid bestaan
+er naar ons inzien eigenlijk slechts drie natuurwetten, namelijk
+1o. de traagheid, 2o. de drang tot geschiktwording en 3o. die tot
+veranderlijkheid.
+
+De door de wetenschap gestelde natuurregels zijn slechts de
+bijzondere ofschoon onveranderlijke regels, waardoor bepaald
+worden de verschillende gedaanten, welke de werkingen dier drie
+algemeene natuurwetten aannemen. De wet der traagheid der met gewone
+snelheden begiftigde ligchamen, de wetten volgens welke afstooting en
+aantrekking, zie blz. 171, onveranderlijke doch zeer zamengestelde
+atomistische trillingen regelen, en de daarmede vergelijkbare
+natuurwetten, waardoor de aard onzer denkbeelden onveranderd tracht
+te blijven, bepalen toch de gedaanten waaronder zich vertoont de
+werking der algemeene wet der traagheid, in het eerste geval op
+astronomisch gebied, in het tweede op bijv. scheikundig gebied,
+omdat die trillingen de chemische eigenschappen der ligchamen kunnen
+bepalen en in het derde op zielkundig gebied.
+
+Bij elke verandering van verschijnsels, bij alle opvolging van
+verschijnsels door er mede in verband zijnde andere verschijnsels,
+ontmoet men steeds de zich onder de eene of andere gedaante vertoonende
+werkingen van die drie algemeene natuurwetten.
+
+Die der geschiktmaking zal trachten den bijzonderen aard der dingen
+meer algemeen te maken, omdat hier door dien aard nadert tot die
+van het onveranderlijke en aldus volmaakte deel van het Heelal,
+zie blz. 174. Door de werking dier algemeene natuurwet zal aldus
+het bijzondere bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking
+verzwakken, die denking naderen tot de algemeenste denkbeelden van den
+oergeest, en het bijzondere bij de veropenbaring der zelfstandigheid
+door beweging verzwakken, en die bewegingen naderen tot de algemeenste
+en onveranderlijke van den ether. In beide gevallen zal echter de
+werking dier natuurwet slechts eene qualitatieve en niet, zie blz. 169,
+eene quantitatieve verandering te weeg brengen.
+
+Bestond de wet der veranderlijkheid niet, zoo zou het bijzondere
+en verscheidene bij de veropenbaring der zelfstandigheid ook niet
+bestaan, terwijl, zoo de wet van geschiktmaking niet bestond, de
+ontwikkeling van de bijzondere en veranderlijke hemelbollen en wezens
+niet zou strekken om deze, wanneer derzelver ontwikkeling de palen
+der eindigheid bereikt, de natuur van het onveranderlijke en aldus
+volmaakte te geven, maar eerder om de afwijking hier van steeds grooter
+te doen worden. Gedurende het gemiddeld gaan dier hemelbollen en der
+er op verblijvende wezens van het op blz. 161 gemelde middelpunt naar
+het midden der dikte van den Melkweg, moet er bij naar ons inzien de
+werking der natuurwet van de veranderlijkheid en tegelijk die der wet
+van geschiktmaking grooter worden, zoo bij dit midden der dikte van
+den Melkweg de aard der hemelbollen het meeste van die van den ether
+verschilt, en dit ook het geval is met de op die bollen bestaande
+ligchamen, waarmede de geene zintuigelijke indrukken voortbrengende
+atomistische beweging, de denking der wezens bepalende, in contact
+komen. Gedurende derzelver gemiddelde verwijdering van die plaats
+naar buiten, bij die bollen de werking van beide die wetten geringer
+wordende, zoo zal alsdan de aard dier bollen en der daarop wonende
+wezens van lieverlede minder bijzonder en verscheiden worden. Gedurende
+deze laatste periode zal de werking der natuurwet der geschiktmaking
+die der wet der onveranderlijkheid overtreffen, en gedurende de eerste
+periode het tegenovergestelde plaats hebben. Door die eerste werking
+zullen zie blz. 155 de gewone snelheden of overgaan in warmtetrillingen
+of, wanneer gedurende derzelver verzwakking de aantrekking overwonnen
+wordt, veranderen in de op blz. 165, gemelde aantrekkingstrillingen,
+de warmte zal er door verspreid worden, de elektrische trillingen in
+warmtetrillingen overgaan, de chemische zamenstellingen meer gaan
+gelijken op die der absoluut enkelvoudige stof den ether enz. De
+werking der wet der veranderlijkheid moet daarentegen, bij het
+grooter maken der afwijkingen van den toestand der zaken van den
+toestand van der ether, voor zooverre deze niet aan den invloed
+der hemelbollen blootgesteld is, juist het tegenovergestelde doen,
+zoodat de werkingen der bijzondere natuurwetten der zwaartekracht,
+der warmte, der electriciteit, van het chemismus enz. begrepen zullen
+zijn deels in de werking der algemeene natuurwet der geschiktmaking en
+deels in die der natuurwet der verscheidenheid, zoodat zij in dezelfde
+verhouding tot deze algemeene wetten staan als de op blz. 269 gemelde
+bijzondere natuurwetten tot de algemeene wet der traagheid.
+
+Uit het bovenstaande volgt dat de op blz. 243, gemelde, hetgeen
+wij toeval noemen, barende verschijnsels de vruchten zijn der
+werking der wet van de verscheidenheid. De snelheden, waarmede de
+hemelbollen volgens allerhande rigtingen den ether doorklieven,
+zijn bijv. het werk er van, de ongelijke verspreiding der warmte
+en de hierdoor ontstaande ongelijke drukkingen eveneens, het alsdan
+veranderen van warmtetrillingen in gewone snelheden bij vloeistoffen
+evenzoo. De werking der wet der geschiktmaking tracht, zie blz. 169, de
+werkdadigheid van den geest, waarbij er geoordeeld, afgeleid en onder
+vooruitloopen der ervaring gedwaald wordt, te vernietigen, of liever
+om te zetten in de algemeene werkdadigheid van den Oergeest, hetgeen
+met de omzetting van gewone snelheden der ligchamen in de algemeenste
+atomistische bewegingen van den ether vergelijkbaar is. Van den anderen
+kant zal die werking bij de wezens eene werkdadigheid trachtten op
+te wekken als bij het voor den geest houden van denkbeelden door
+directe aanschouwing verkregen, namelijk eene zuivere contemplatieve
+ervaringsdenking, hetgeen zie blz. 159 met de opneming van warmte
+door de hemelbollen te vergelijken is. De werking der wet van de
+verscheidenheid tracht daarentegen het tegenovergestelde te doen,
+namelijk ons niet te doen denken aan hetgeen wij door aanschouwing
+zeker weten dan voor zooverre dit strekt om te oordeelen, te kiezen,
+af te leiden enz.
+
+Dat het bestaan van verscheidenheid, annex aan dat van het bijzondere,
+de ontwikkeling bevordert, blijkt niet slechts uit het effect er van op
+onzen geest, maar tevens ook hieruit, dat de organisatie der planten en
+dieren, aan de meeste verscheidenheid van omstandigheden blootgesteld,
+gedurende derzelver leven in ontwikkeling het sterkste toeneemt. Stelt
+men water te loopen langs eene ojiefvormige, flaauwe en wrijvende
+helling, zoo zal, ongeveer waar het verval op het grootste is, de
+snelheid van het water zulks ook zijn, en dit het meeste slibstoffen
+opgeheven houden. Het verval hierbij is te vergelijken met de werking
+der wet der veranderlijkheid, de wrijving met de werking der wet van
+geschiktmaking, de snelheid met de intensiteit van het bijzondere
+en der verscheidenheid en het bezwangerd zijn van het water met
+slibstoffen met den vooruitgang. Even als de beide op blz. 250,
+gemelde werkingen waar de meeste verscheidenheid bestaat, zijn bij
+het zoo even gemelde geval, waar de snelheid op het grootste is,
+de werkingen van verval en wrijving op het grootste en even groot.
+
+Bij de aanschouwing van het verscheidene en aldus bijzondere
+trachten wij, zooals bij de classificatie en het zoeken van het
+verband tusschen oorzaken en gevolgen, eene kennis te verkrijgen met
+meer algemeene begrippen en aldus van meer algemeenen aard dan die
+aanschouwing. De kennis, direct door aanschouwing van het bijzondere
+verkregen, voldoet ons aldus niet, doch juist daarom strekt die
+aanschouwing van het bijzondere om zie bl. 237 ons zoodanig in te
+spannen dat onze geestontwikkeling toeneemt. Dit aldus niet kunnende
+geschieden, zonder dat het oordeelen en besluiten de kennis, door
+controlerende aanschouwing verkregen, anders gezegd de ervaringskennis,
+vooruitloopen, waardoor deze laatste alsware omhooggetrokken en
+uitgebreid wordt, zoo moet noodwendig de wijze van verkrijging van
+kennis, waardoor de geestontwikkeling kan vergrooten, aanleiding geven
+tot dwaalbegrippen. Loopen nu in geestelijken aanleg en intellectuele
+ontwikkeling uitstekende menschen die ervaringskennis meer dan het gros
+der menschen vooruit, zoo zullen zij niet minder dan dit in dwalingen
+vervallen. Een pasgeboren kind kan niet denken "ik schort mijn oordeel
+op over alles wat de ervaring mij niet als zekerheid aangeeft." Zulk
+een kind zou van niets de juistheid te verifieren hebben en niets
+leeren. Denkt het dat een verwijderd voorwerp te grijpen is, zoo loopt
+het evenzoo de ervaring, door het gezigt verkregen, vooruit, als een
+wijsgeer, die zich op het gebied van het buitenzinnelijke begeeft,
+de ervaring door al de zintuigen aan de menschen verschaft.
+
+Door de werking der wet van geschiktmaking zullen de gewone snelheden
+van ligchamen, al zijn deze zelfs door geene wrijvende vloeistof
+omgeven, in warmte beweegkracht overgaan. Geen ligchaam is toch
+volmaakt vast, en bij geen ligchaam zullen alle punten precies dezelfde
+evenwijdige snelheden bezitten, bij alle zal dus hetgeen, op bl. 154
+en in Noot bl. 156, gezegd is, met de snelheden te gebeuren, plaats
+hebben. Dit is insgelijks het geval, wanneer zulke ligchamen om eene
+as wentelen, daar alsdan, zie Noot blz. 165 moleculen, digter bij den
+equator gelegen, zullen komen naast andere, er wat verder van gelegen,
+en die aldus eene kleinere absolute wentelingssnelheid dan gene
+bezitten. De op blz. 154 gemelde egaliserende en de verscheidenheid
+bij de aardkorst wegnemende werking van het water is eene werking der
+wet van geschiktmaking, ofschoon zij de aarde voor ons menschen, maar
+niet voor de lage en een uniform leven leidende zeedieren onbewoonbaar
+tracht te maken. De op diezelfde bl. gemelde werking der lava van
+den aardkern is daarentegen eene werking der wet der veranderlijkheid.
+
+De wet van geschiktmaking oefent, bij de overwinning der traagheid van
+het bijzondere eene werking uit, die wij in ons het: Over de werking
+der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 660 slijtende werking
+genaamd hebben. Zoo in zooeven gemeld werk als in het vervolg er op,
+hebben wij vele voorbeelden dier slijtende werking aangehaald en
+aangetoont hoe hierdoor de periodieke schommelingen (zie later), van
+lieverlede verzwakken en de toeneming in intensiteit van verschijnsels,
+waarbij er elkander wederkeerig versterkende oorzaken in het spel zijn
+(zie later) tegengewerkt wordt. Deze wet tracht dan geschiktheid uit
+een en dan uit een ander oogpunt beschouwd voort te brengen, zoodat
+zij in het eene geval somtijds, in zeker opzigt, in strijd werkt als
+in andere gevallen. Zoo tracht een harer werkingen menschen, die met
+elkander op den voet van gelijkheid en in dezelfde omstandigheden
+verkeeren, even deugdzaam en kundig te maken als het gros van hen,
+en aldus een kundig en braaf mensch, door zijn omgang (zie blz. 48)
+op den voet van gelijkheid met menschen, die zulks minder zijn, in
+geestontwikkeling te doen afnemen. Is daarentegen, de geestontwikkeling
+van menschen te laag voor de eischen der omstandigheden waarin zij
+verkeeren, zoo zal eene andere werking dierzelfde wet beide tot
+elkander doen naderen en aldus die menschen deugdzamer en kundiger
+maken, althans zoo zij daarin niet tegengewerkt wordt door een andere
+van hare werkingen, waardoor de geesten van menschen geschikt worden
+voor de ligchamen waaraan zij annex zijn en aldus meer naar het
+dierlijke neigen. In dit geval zullen de werkingen dier wet drie
+zaken, namelijk de ligchamen, de geesten en de eischen van den
+maatschappelijken toestand op dezelfde hoogte trachten te stellen.
+
+Eenvormigheid bij menschen, op denzelfden voet met elkander
+verkeerende, is gewis op zich zelf beschouwd, eene geschiktheid, en dit
+is ook het geval bij andere zaken, zoodat de wet van geschiktmaking
+er toe zal leiden om alle afwijkingen van gemiddelde toestanden weg
+te nemen. Zij maakt door eene secundaire werking dat individuen van
+dezelfde soort elkander opzoeken, edoch bestaat er voor het bestaan
+dier verschillende soorten geene andere oorzaak dan de traagheid, zoo
+zal zij, (zie blz. 7) al die soorten tot eene gemiddelde soort ineen
+doen smelten, en daar, zooals op blz. 90 gezegd is, de aarde hierop
+eene terugtrekkende werking uitoefent, die zich vormende middelsoort
+omlaag trekken.
+
+Een ander voorbeeld van met elkander in strijd zijnde werkingen
+der wet van geschiktmaking, wanneer deze bij iets geschiktheid
+voor verschillende belangen tracht voort te brengen, is de strijd
+tusschen de pogingen tot zamensmelting van verschillende volkstammen
+van een zelfden staat, en die waardoor die stammen hunne nationale
+eigenaardigheden trachten te behouden. De zamensmelting is voor de
+sterkte van den staat wenschelijk, de pogingen er toe kunnen aldus als
+werkingen der wet van geschiktmaking beschouwd worden. Blijft nu de
+regering de sterkste, zoo zullen de volkstammen wel, met betrekking tot
+hunne nationale eigenaardigheden, in een ongeschikten toestand komen,
+maar de werking der wet van geschiktmaking hen daaraan ontwennen,
+zooals zij zulks bijv. bij de Elzassers gedaan heeft. Zijn daarentegen
+de nationaliteiten de sterkste, en is het mogelijk dat zij, door
+niet door elkander vermengd te wonen, afzonderlijke staten vormen,
+zoo zullen zij zich hierop inrigten.
+
+Tracht een waanzinnige zijne neiging tot vernieling bot te vieren, zoo
+tracht hij, tengevolge der werking der wet van geschiktmaking, hetgeen,
+hem voor het oogenblik genoegen geeft, te doen. Hierdoor schaadt
+hij zoowel zijne eigen toekomstige belangen als andere menschen,
+doch deze sluiten hem, tengevolge der werking van diezelfde wet, op
+in een lokaal waar hij anderen niet hinderlijk is, niets vernielen
+kan en zich niet kan bezeren. Die waanzinnige plooit, zich naar het
+leven in zulk een vertrek en zijne vroegere betrekking wordt door
+anderen waargenomen. Dit een en ander toont aan, dat zoo bij elken
+gegeven toestand er geene andere oorzaken van verandering werken
+dan die van geschiktmaking, er ten laatste een onveranderlijken
+toestand zal ontstaan, waarbij alles voor elkander geschikt is, en
+geschiktheid in het eene oogpunt geene ongeschiktheid in eenig ander
+oogpunt meer zal baren. Zoo lang echter die onveranderlijkheid niet
+volmaakt is, zal de geschiktheid zulks evenmin zijn. Van een staat,
+voortdurend burgers bevattende die onder dezelfde wetten, instellingen,
+en regering wenschen te leven, zullen die burgers in één opzigt in
+een onveranderlijken, maar dan ook slechts in een opzigt in een voor
+hen geschikten toestand verkeeren. Om in eenig ander opzigt in een
+geschikten toestand te zijn (bijv. niet meer of minder te bezitten
+dan zij noodig hebben) zouden zij ook in een ander opzigt in een
+onveranderlijken toestand moeten komen en zoo voort. Volmaakte
+geschiktheid in alle opzigten vordert aldus onveranderlijkheid, of
+gemis van alle verscheidenheid in tijd, doch, daar de ervaring leert
+dat verscheidenheid in ruimte steeds gepaard gaat met verscheidenheid
+in tijd, zoo zal het gemis hiervan met dat der verscheidenheid in de
+ruimte moeten gepaard gaan, en aldus de volmaakte geschiktheid slechts
+bij den onveranderlijken Ether en de onveranderlijke denkbeelden van
+den Oergeest te vinden zijn [75].
+
+De wet der veranderlijkheid werkt echter het ontstaan van zulk
+een toestand onophoudelijk tegen en wel sterker bij de hemelbollen
+qualitatief meer van den onveranderlijken Ether, en bij de geesten
+evenzoo meer van den onveranderlijken Oergeest verschillende. Deze
+wet werkt op verschillende wijzen. Zij doet bijv. uit verschijnsels
+andere verschijnsels voortspruiten waardoor de eerste tegengewerkt of
+bevordert worden. In het eerste geval is echter dit tweede verschijnsel
+traag, zoodat het nog bestaat, wanneer het eerste zulks niet meer doet,
+en dan een verschijnsel tegengesteld aan het eerste te voorschijn
+brengt. Dit alsware negatieve eerste verschijnsel vernietigt wel
+het tweede, doch zelf traag zijnde, zoo bestaat het nog, wanneer
+dit tweede verschijnsel zulks niet meer doet, en brengt dan een
+verschijnsel tegengesteld aan dit tweede voort. Deze vernietiging
+van verschijnsels hebben wij op blz. 660 van ons werk get: Over
+de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. de uitputtende
+werking genaamd. Zoo in dat werk, als in het vervolg er op, hebben
+wij eene menigte voorbeelden aangegeven van schommelingen door die
+werking der wet der veranderlijkheid bij verschijnsels van zeer
+verschillenden aard te weeg gebragt. Een voorbeeld er van is het
+volgende. Iemand gedraagt zich slecht, men begint hem te straffen,
+en, op het oogenblik dat hij zich het slechtste gedraagt, neemt het
+bestraffen het sterkste toe, om een maximum te worden, wanneer die
+persoon zich even goed als gemiddeld de menschen gedraagt. Daarna
+begint hij zich beter dan deze te gedragen, en, op het oogenblik dat
+hij zich het beste gedraagt, neemt het bestraffen het sterkste af
+en gaat het over in beloonen. Hierdoor wordt die persoon bedorven,
+hij begint zich minder goed te gedragen, en, op het oogenblik dat
+hij zich weder even goed als gemiddeld de menschen gedraagt, is het
+beloonen op een maximum geklommen enz.
+
+Zulke schommelingen zouden nu slechts kunnen ontstaan door de
+gecombineerde werkingen der natuurwetten der traagheid en der
+veranderlijkheid. Bij dit voorbeeld toch trachten, zoowel zij die
+straffen en loonen, als hij die gestraft en beloond wordt, zoo zeer
+geene afwijkingen, te vernietigen, dan, tengevolge van bestaande
+afwijkingen van handelingen te veranderen. Wanneer bij deze de
+afwijking op het grootste is, veranderen gene op het meeste hunne
+manier van handelen, omdat alsdan de wet der veranderlijkheid hen
+daartoe dringt; terwijl, wanneer de afwijkingen bij de handelingen
+van gene op het grootste zijn, de gestraft of beloond wordende,
+eveneens wegens dezelfde oorzaak, zijne wijze van doen op het meeste
+wijzigt. Zulke schommelingen zullen echter zoo sterk niet plaats
+kunnen hebben, omdat de wet der geschiktmaking vereenigt met de
+beide bovengemelde natuurwetten werkt. Werkte zij alleen met de wet
+der traagheid, zoo zou de intensiteit der straffen steeds evenredig
+blijven met die van het wangedrag, die straffen aldus ophouden,
+wanneer hij, die deze straffen ondergaan heeft, zich weder gedraagt
+als gemiddeld de menschen, en er geene schommelingen ontstaan.
+
+Evenzoo zal dit met het loonen plaats hebben, zoo de werking der wet
+van geschiktmaking alleen het vernietigen van afwijkingen tot doel
+heeft, en aldus het loonen een bedervenden invloed uitoefent. Heeft
+daarentegen de werking dier wet tot doel om de menschen, accidenteel
+beter geworden, aldus te houden, zoo zal zij hen hoogere eischen
+dan vroeger stellen, en hen in eene hoogere omgeving dan vroeger
+plaatsen. Deze laatste werking der wet van geschiktmaking niet
+in aanmerking nemende, zoo zal, bij de vereenigde werking der
+drie natuurwetten, in het begin het straffen sneller toenemen dan
+bij het geval op blz. 258 behandeld, het reeds trager dan vroeger
+toenemen, wanneer het wangedrag op een maximum is, en het reeds weder
+verminderd zijn, wanneer de gestraft wordende persoon zich weder als
+gemiddeld de andere menschen gedraagt. Op dit oogenblik geschiedt het
+straffen aldus minder streng dan in het vorige geval, en zal aldus
+die persoon, tengevolge der werking der wet der veranderlijkheid,
+minder in gedrag boven de andere menschen gaan uitsteken. De werking
+der wet der geschiktwording zal hem leiden om ook, zonder dat hij
+gestraft of beloond wordt, in zedelijkheid met gemiddeld de andere
+menschen gelijk te worden, eene reden waardoor de schommelingen
+bij de afwijkingen van zijn gedrag zwakker zullen worden, hetgeen
+wederom de schommelingen bij de wijzen, waarop hij behandeld wordt,
+verzwakt. Het gaat hierbij als bij een slinger, hoe minder deze van
+den verticaal afwijkt, met hoe minder snelheid hij den verticaal
+zal voorbijgaan, en met hoe minder snelheid hij dit laatste doet,
+hoe kleiner die afwijkingen zullen worden.
+
+Bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door denking
+en door beweging baren zie blz. 240 bijzondere verschijnsels;,
+andere verschijnsels, deze weder andere verschijnsels, terwijl
+tevens verschijnsels, noch oorzaak noch gevolg van elkander zijnde,
+op elkander kunnen werken. In dit laatste geval kan het zijn, dat
+het eene dier verschijnsels het andere tracht te verzwakken en dit
+het eerste te versterken, of dat zij beide in aard aan elkander gelijk
+trachten te worden. In dit geval zal de wet der geschiktmaking trachten
+hen in het eerste geval quantitatief en in het tweede qualitatief
+aan elkander gelijk te doen worden, maar de wet der veranderlijkheid
+hen alsdan gevolgen geven, op dezelfde wijze op hen werkende als de
+snelheden van een slinger op de afwijkingen van den verticalen stand
+van dezen, zoodat zij met betrekking tot elkander schommelingen
+zullen ondergaan. Het verkeer van een arm met een rijk mensch zal
+bijv. genen meer behoeften geven, en dit behendigheid en vlijt,
+maar tevens oneerlijkheid bij hem kunnen opwekken, terwijl door dit
+verkeer de rijke zekere verzadiging zal ondervinden, waardoor hij
+zorgeloos en lui, maar tevens grootmoedig zal worden. Wanneer nu,
+tengevolge dier bij hen door dit verkeer opgewekte eigenschappen,
+beide dier personen even rijk geworden zijn, zullen, zoo van de wet
+van geschiktmaking de op blz. 259 gemelde werking niet bestond, die
+eigenschappen op een maximum zijn en de vroeger arme rijker worden,
+dan den vroeger rijken [76].
+
+Verschijnsels kunnen tot gevolg hebben andere verschijnsels wier
+grootte zij tengevolge der werking der veranderlijkheid trachten
+te doen toenemen, terwijl die gevolgen van geen noemenswaardigen
+invloed zijn op derzelver oorzaak. Door de nabijheid der aarde
+van de zon zou bijv. gene steeds warmer worden, zoo de op blz. 249
+gemelde werking der wet van geschiktmaking, zich in dit geval als
+warmteuitstraling veropenbarende, er aan geen grens stelde. Die
+verwarming der aarde zal echter derzelver afstand van de zon niet
+veranderen; doch op blz. 156 gemelde werking hierbij die der wet
+van geschiktmaking zijn, in zooverre zij maakt dat snelheden, zie
+blz. 165 in aantrekkingstrillingen overgaan. In zoo verre die werking
+warmtetrillingen bij de hemelbollen in gewone snelheden doet overgaan,
+is zij daarentegen eene werking der wet der veranderlijkheid. Trouwens,
+zoo zij, door de hemelbollen zeer ver van elkander te brengen,
+tegengaat dat deze met groote snelheden betrekkelijk elkander bewegen
+en invloeden op elkander uitoefenen, zooals bijv. de zon op de
+aarde, belet zij dat die hemelbollen zich blijvend vereenigen tot een
+eenigen bol, die, door het opnemen der wrijvingswarmte door overgang
+voor uiterst vele en groote gewone snelheden in warmtetrillingen,
+voortgebragt, uiterst ijl en uitgezet zou worden, en aldus een zeer
+algemeen karakter zou verkrijgen.
+
+Ook kan het zijn dat twee verschijnsels, noch oorzaak noch gevolg van
+elkander zijnde, op elkander gaan werken, en dat het eene hierdoor
+niet noemenswaardig verandert, terwijl het andere versterkt of
+verzwakt wordt. Het onderwijs, door een schoolmeester gegeven, komt
+bijv. in aanraking met den geest van een leerling, en tracht diens
+kennis te vergrooten. Door de werking der wet der veranderlijkheid
+zou die schoolmeester dien leerling gansche bibliotheken van buiten
+kunnen doen leeren maar, onder de gedaante van vergeten, beperkt de
+werking der wet van geschiktmaking de toename der geleerdheid van
+den leerling. Neemt men den geest opheffende werking der inspanning,
+welke zich de schoolmeester geeft, niet in aanmerking, zoo zal deze
+door den directen invloed op hem van dit door hem gegeven onderwijs,
+niet meer of minder geleerd worden, en de op blz. 255 gemelde werking
+der wet van geschiktmaking hem niet even kundig als zijn leerling
+trachten te maken, omdat hij zich niet op eene lijn met dezen stelt,
+en niet vermeent aan dezelfde voorwaarden als dezen te moeten voldoen.
+
+Ook kan het zijn dat een verschijnsel een ander tot gevolg heeft
+en de intensiteit hiervan tracht te vergrooten, terwijl dit gevolg
+iets dergelijks bij deszelfs oorzaak tracht te weeg te brengen,
+of dat twee verschijnsels zulke invloeden op elkander uitoefenen,
+dat zij elkander wederkeerig versterken of verzwakken. Op blz. 309
+van het Vervolg van ons werk get.: Over de werking der Natuurwetten
+op zedelijk gebied enz. hebben wij daarvan verscheidene voorbeelden
+gegeven. De werking der wet van geschiktmaking werkt dan echter de
+vergrooting van elk dier verschijnsels tegen, zoodat zij eindelijk, na
+zekeren trap van grootte bereikt te hebben, niet meer noemenswaardig
+veranderen. Zoo zal wel het vliegen der vogels de vergrooting van
+derzelver vleugels bevorderen, en het bezit van grootere vleugels die
+vogels sterker doen vliegen, edoch, zoowel eene bovenmatige grootte
+hunner vleugels, als het uiterst snel doorklieven der lucht, voor de
+vogels iets ongeschikt moeten worden.
+
+Zoo versterken moedeloosheid en geledene verliezen elkander wel,
+doch de werking der wet van geschiktmaking zal den ontmoedigden tot
+bezinning doen komen, en hem tevens zijn werkkring doen beperken,
+waardoor deze zie blz. 42 meer in harmonie met de overgeschotene
+hulpmiddelen komt, en het lijden van nog meer verliezen moeijelijker
+wordt, ofschoon de moedeloosheid dan nog als gevoel van zwakte kan
+blijven bestaan.
+
+Op blz. 152 hebben wij gesproken van eene wederkeerige versterking
+van den aanleg voor iets en den graad waarin men het er in brengt. De
+werking der wet van geschiktmaking schijnt echter de vergrooting
+van zulk een aanleg, naarmate deze graad grooter is, sterker te
+bemoeijelijken, terwijl de werking dier wet, waardoor de verschillende
+soorten van geestontwikkeling zich bij den mensch op dezelfde hoogte
+trachten te stellen, voor zooverre de levensomstandigheden dit niet
+tegengaan, benevens de terugtrekkende werking van het ligchaam
+en der beperktheid der controlerende zintuigelijke aanschouwing,
+de vergrooting van eene soort van geestontwikkeling bij den mensch
+tegengaan. Wanneer echter die wederkeerige versterking van aanleg en
+graad van geestontwikkeling in iets zwakker is, zal de werking der wet
+van geschiktmaking eerst later beide beletten verder noemenswaardig
+in grootte toe te nemen. Die geestontwikkeling zal dan toch meer
+tijd gehad hebben om zich geschikt voor andere zaken te maken, om de
+bovengemelde haar alsware achteruittrekkende zaken te ontvlieden,
+en bijv. met een hooger georganiseerd ligchaam en eene ruimere
+controlerende aanschouwing in aanraking te komen.
+
+Bij die wederkeerige versterking komt het ons voor dat de aanleg
+zwakker toenemen moet, naarmate hij van meer algemeenen aard en meer
+met de op blz. 185 gemelde grondslagen van de ligchaamsorganisatie
+vergelijkbaar is. Vooral voor de vergrooting van deze soort van
+aanleg (evenals de meer bijzondere soorten er van in eigenschappen
+van denkbeelden bestaande) zal langere duur der toeneming der
+geestontwikkeling gunstiger werken dan de sterkte dier toeneming,
+hetgeen ook doorgaat voor de verandering der algemeene karaktertrekken
+bij wederkeerige versterking dier verandering en van zekere rigting
+van denkbeelden. Wederkeerige versterking tusschen een eindigen aanleg
+en eene geestontwikkeling gelijk nul kan binnen geen eindigen tijd
+bestaan, ten eerste omdat, zonder geestontwikkeling, dat is zonder
+denkbeelden, er geen aanleg kan bestaan zie blz. 247, ten andere
+omdat nul, met alle eindige grootheden vermenigvuldigd, steeds nul tot
+product geeft. Buitendien zal er eene opheffende werking noodig zijn om
+de geestontwikkeling te vergrooten. Aanleg is hiervoor niet voldoende,
+deze maakt slechts de taak dier opheffende werking gemakkelijker. Deze
+is zelfs ook noodig om de vogels te leiden om te vliegen, want men
+kan het bezit van vleugels door de vogels eenigzins vergelijken met
+die van zintuigsorganen door de menschen. De vergelijking van het
+edelere gebruik dat wij, met het lagere gebruik dat de dieren van
+die organen maken, toont aan dat voor het waarnemen en opmerken het
+bezit van zulke organen niet voldoende is.
+
+Deze beide voorbeelden zijn dan ook niet die van eenvoudige
+wederkeerige versterking van twee verschijnsels, maar van zoo iets
+gepaard met de versterking van het eene dier verschijnsels door een
+ander dat er niet door aangedaan wordt (zie later). De werking der
+wet van geschiktmaking zou de versterking van dit eerste verschijnsel
+namelijk die van de geestontwikkeling zeer beperken, zoo die werking
+steeds gevormd werd door de terugtrekkende werking van de ligchamen en
+de beperktheid der aardsche zintuigelijke indrukken. Verplaatst zich
+echter het peil, waarnaar de terugtrekking geschiedt, naar hooger,
+zoo vervalt de beperking der toeneming der geestontwikkeling door de
+werking der wet van geschiktmaking. De bijzondere verschijnsels met
+betrekking tot de gemiddelde toestanden, brengen voort bijzondere
+verschijnsels met betrekking tot iets van een anderen algemeenen
+aard, of afwijkingen van eene andere soort van gemiddelde, (zooals
+bijv. de afwijkingen van een gemiddeld gedrag, afwijkingen van
+eene gemiddelde behandeling). Deze doen op hunne beurt hetzelfde,
+en zoo ontstaan er eene menigte van bijzondere verschijnsels of
+afwijkingen van gemiddelden van verschillenden aard, die elkander
+versterken of verzwakken. Doordat bij dit laatste er echter,
+zooals blz. 258 gezegd is, eene versterking in tegenovergestelden
+zin plaats heeft, wanneer het gevolgverschijnsel verzwakt, terwijl
+wederkeerige verzwakking niet kan plaats hebben, wanneer een der
+verschijnsels opgewekt wordt, zoo zal het ontstaan van bijzondere
+verschijnsels en afwijkingen, door andere bijzondere verschijnsels
+en afwijkingen van iets anders voortgebragt, als ware het totale
+bedrag der bijzondere verschijnsels en afwijkingen van verschillenden
+aard vergrooten. Wel zal nu de werking der wet van geschiktmaking
+de bijzondere verschijnsels en afwijkingen trachten te vernietigen
+en dit in zekere mate doen, doch daar andere bestaande bijzondere
+verschijnsels en afwijkingen als gevolgen baren nieuwe bijzondere
+verschijnsels en afwijkingen van de soort der vroeger, door de
+werking der wet van geschiktmaking grootendeels vernietigd, de werking
+dier wet tegengewerkt worden door die der wet der veranderlijkheid
+en in den ganschen veranderlijken wereld dan de eene en dan de
+andere werking de overhand bekomen. Ofschoon die der wet der
+veranderlijkheid verschijnselen in aard hier mede verschillende
+gevolgen doet voortbrengen, zoo hebben oorzaken steeds er mede
+gelijkslachtige hetzij hen verzwakkende, hetzij hen versterkende
+gevolgen. Iets dergelijks ontwaart men ook bij de werking der
+wet van geschiktmaking. Bij de verschijnsels geschiedt deze op er
+mede gelijkslachtige wijze, zooals vernietiging van snelheden door
+omzetting dezer in trillingen, die van het hinderlijke der slavernij
+door verdierlijking der slaven enz. Dit ontstaat doordat, zooals op
+blz. 249 gezegd is, vaste, maar alsware meer bijzondere wetten bepalen
+in welke verhouding de aard der werkingen der beide algemeene wetten
+staat tot de verschijnsels waarbij zij plaats hebben. Vandaar dat al
+de wetenschappen, die de oorzaken en het verband der verschijnselen
+nagaan, zooals de Natuurkunde, de Staathuishoudkunde, de Ethica, de
+Wijsgeerige geschiedenis, de Volkenkunde enz., ten doel hebben om te
+vinden, welke bijzondere natuurwetten uitsluitend op ieders gebied
+heerschen zouden, zoo er geen verband tusschen de verschijnsels, tot
+het gebied dier verschillende wetenschappen behoorende, bestond [77].
+
+Der menschen handelingen kunnen slechts dan geheel werkingen der wet
+van geschiktmaking zijn, wanneer zij de directe gevolgen zijn van
+ongeschikte toestanden van zaken, en dit nu is niet het geval, wanneer
+die handelingen de gevolgen van redeneringen zijn. Zoo bijv. iemand,
+met losbollen verkeerende, er ook een wordt, geschiedt dit door de
+besmettelijke, zie blz. 255, afwijkingen wegnemende werking van zijne
+omgeving en niet door redenering, evenmin zoo iemand met de oogen
+knipt, wanneer hierop te sterk licht valt.
+
+Wanneer de menschen op eene beredeneerde wijze ongeschiktheden
+(bijv. ziekten) trachten te doen verdwijnen, zijn de daarvoor
+door hen aangewende middelen steeds de zeer indirecte gevolgen
+dier ongeschiktheden. Was dit anders, wees bijv. maagpijn op eene
+instinctieve en directe wijze de daartegen aan te wenden middelen
+aan, zoo zouden deze zeker doelmatig zijn, want het zich aldus
+genezende wezen zou zich daarvoor niet boven de zintuigelijke ervaring
+behoeven te verheffen, en geene andere verandering in het ligchaam
+dan het wegnemen der kwaal zou plaats hebben. Bij de behandeling
+van zieken door artsen geschiedt dit nu ook wel zoo in zekere mate,
+doch buitendien worden er, deels door dwalingen, veranderingen bij
+de ligchamen der patienten te weeg gebragt. Die behandeling bestaat
+aldus uit de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en van
+die der veranderlijkheid.
+
+In andere gevallen is hetgeen de menschen tengevolge van redenering
+doen in betrekkelijk sterkere mate ofschoon niet geheel de werking
+der wet van geschiktmaking. Het kleeden bijv. verkeert in dit geval,
+want de gewaarwordingen van onze ligchamen duiden ons aan, dat wij
+bijv. geen lappen laken onder onze voeten moeten bevestigen en geen
+rok van zoolleer maken, terwijl ook de vorm der kleederen door die
+van onze ligchamen in zekere mate direct aangegeven wordt.
+
+Bij al ons redeneren hebben wij steeds ten doel bij iets geschiktheid
+voort te brengen, al zij het dat er door zie blz. 256, te gelijk
+ongeschiktheid bij andere zaken ontstaat, zoodat dit redeneren evenmin
+alleen eene werking der wet der veranderlijkheid als, wegens de reden
+van blz. 260, eene der wet der geschiktmaking is. Omdat het echter
+deels eene werking van eerstgemelde wet is, zal het slechts in eene
+veranderlijke wereld, dat is in zulk eene waarin er een drang tot
+vooruitgang kan bestaan, kunnen plaats hebben. Het verkeer in eene
+veranderlijke wereld is echter niet voldoende om vooruitgang bij
+de wezens voort te brengen, hiervoor moet bij deze een drang er toe
+bestaan, even als zie blz. 263, voor de toeneming der intellectuele
+ontwikkeling bij wezens in het bezit van zekeren aanleg.
+
+Een wezen kan een lager en gebrekkiger georganiseerd ligchaam dan
+zijns gelijken bezitten en hierdoor zie blz. 90, aan eene grootere
+terugtrekkende werking dan dezen blootgesteld zijn. Het kan zich
+echter ook eene grootere geestinspanning dan de andere wezens geven,
+ten einde in dit gebrek te voorzien, en die grootere geestinspanning
+de vergrooting zijner geestelijke ontwikkeling bevorderen. Wanneer
+dit wezen aan die bevordering groote behoefte gevoeld, zal het in
+dit laatste geval verkeeren, en dit vergelijkbaar zijn met het op
+blz. 240, gemelde geval, waarin een volk door kunstmiddelen moet
+voorzien in hetgeen de natuur elders zelve geeft.
+
+Het is naar ons inzien het duistere besef van die onbepaalde
+vergrooting der geestontwikkeling der menschen, dat doet zeggen dat
+hun leven onschatbaar is, niettegenstaande de waarde van het aardsche
+leven van enkele menschen negatief is, en van de meeste hunner niet
+boven die eener matige geldsom gaat.
+
+De statistiek leert toch hoe, door het verzuimen van zekere
+veiligheidsmaatregelen, er gemiddeld jaarlijks een zeker aantal
+menschen omkomen, en toch kan men die maatregelen niet invoeren
+wanneer zij te veel geld kosten. Bij al zijn werken en drijven stelt
+de mensch zijn ligchaam aan meer of minder gevaren bloot. Productie
+van welken aard ook kost aldus bloed, zelfs wanneer die productie
+dient tot het verschaffen van middelen ter beveiliging van der
+menschen leven. Het bewerkte hout en ijzer dat bijv. op de schepen
+hiervoor dient, kost aan een aantal houthakkers en mijnwerkers het
+leven. Men zou aldus moeten oplossen het vraagstuk "van welken aard
+de productie moet zijn om een minimum van menschenlevens te kosten,"
+een vraagstuk dat, wegens de gedurige variatien der omstandigheden,
+slechts zeer in het ruwe op te lossen is, en waarbij men de productie
+door te groote voorzigtigheid niet moet verminderen, omdat hierdoor,
+ten bate der geschiktheid met betrekking tot de veiligheid, de van
+de productie afhangende beschaving te veel benadeeld zou worden. [78]
+
+Terwijl bij met den onveranderlijken oergeest volmaakt zamengesmolten
+wezens, wat geschikt is in het eene opzigt ook geschikt moet zijn in
+een ander opzigt, wat voor den een geschikt is, ook voor den ander
+geschikt moet zijn, en wat gewenscht is voor het heden ook in de
+toekomst gewenscht moet zijn, is dit bij veranderlijke wezens geenszins
+het geval. Deze kunnen dan ook slechts trachten de bij hen bestaande
+totale ongeschiktheid, waaronder zoowel die voor toekomstige hoogere
+toestanden, als die voor het heden, zoowel die met betrekking tot
+hunne zamenwerking met anderen, als die met betrekking tot hun eigen,
+tot een minimum te maken, iets dat zij, zoo zij aan de eischen van
+hun maatschappelijken toestand voldeden, gemiddeld zouden trachten
+te doen, doch welke pogingen door allerlei veranderingen van toestand
+te weeg brengende accidentele oorzaken aanhoudend tegengewerkt zouden
+worden. Van zulk een minimum van ongeschiktheid in allerlei opzigten,
+dus ook voor de toekomst, verwijdert men zich echter wanneer men de
+geschiktheid voor het een geheel opoffert ten bate van die voor het
+ander. Die eerste soort van ongeschiktheid wordt alsdan meer vermindert
+dan de tweede vergroot, omdat, naarmate er geschiktheid bij iets meer
+vermindert, de verdere vermindering er van bezwaarlijker wordt, omdat
+zij zich alsware dan bepaalt tot hetgeen waarbij zij moeijelijker
+uitteroeijen is.
+
+Dit kan vergeleken worden met de uitwerking der geregtelijke
+straffen. Deze gaan in zekere mate de misdaden tegen, maar straft men
+zelfs de ligtste diefstallen met den marteldood, zoo zouden er nog
+in voor de dieven zeer aanlokkende gevallen er nu en dan diefstallen
+gepleegd worden, en de maatschappij minder winnen door de vermindering
+der diefstallen, dan verliezen door de pijnlijke uitwerking dier
+verschrikkelijke straffen.
+
+Wij menschen trachten wel in zekere mate de ongeschiktheid bij
+ons genoegen in het heden, die bij ons toekomstig bestaan, die
+bij andere menschen en die bij het toekomstige bestaan van andere
+menschen weg te nemen, doch doen dit niet bij elk dier soorten van
+ongeschiktheid in zulk eene verhouding als behoort, om bij allen
+te zamen de ongeschiktheid tot een minimum te maken, en wel, omdat
+de toestand daaromtrent niet alleen bij de in beschaving gestegene
+menschheid veranderd is, maar tevens bij elk individu gedurende
+zijn leven verandert. Bij de dieren toch lijdt de geschiktheid voor
+de toekomst en die van andere individuen veel minder dan bij ons
+menschen door de verwaarlozing er van ten bate der geschiktheid van
+het individu in het heden, en daar, sedert dat wij maatschappelijke
+pligten te vervullen hebben, onze verheffing boven den staat der
+dieren niet sedert zeer langen tijd uiterst langzaam heeft plaats
+gegrepen, handelen wij, tengevolge der werking der traagheid en
+van de in de Noot van blz. 139 gemelde terugtrekkende werking,
+met betrekking tot het te keer gaan der ongeschiktheid bij elk dier
+zaken, te veel als dieren, dat is wij voldoen niet aan de eischen
+van ons maatschappelijk bestaan. Desniettemin verzuimen wij niet
+geheel om bij elk dier zaken de ongeschiktheid tegen te gaan, en
+zelfs niet bij ons en anderen toekomstig buiten aardsch bestaan. Dit
+wordt bewezen, doordat der menschen ideaal hooger reikt dan om de
+hen bewuste kwalen der menschheid weg te nemen, en om deze in den
+geschiktsten toestand met betrekking tot het aardsche leven in de tot
+den thans bestaanden stand van beschaving gestegene maatschappij te
+stellen. Om dit laatste in voldoende mate te doen, hiervoor zijn de
+menschen, wegens bovengemelde oorzaak, te zinnelijk, te egoïstisch
+en te zorgeloos, kunnen zij gedurende hun kortstondig aardsch bestaan
+te weinig de behoeften hunner medemenschen leeren kennen, en mangelt
+het hen aldus zoowel aan intellectuele als aan morele ontwikkeling,
+doch dit neemt niet weg, dat de (zie blz. 78), zoo onharmonische
+mensch somtijds zorgt om geschiktheid te vergrooten voor iets hooger
+dan het genoegen der aardsche maatschappij in het heden, en dat hij
+hiervoor dit genoegen vermindert, en zich zelf lijden oplegt. Dit
+is bijv. het geval zoo iemand zooals Beijling, om zijn gegeven woord
+niet te breken, niet slechts zijn eigen leven opoffert, maar tevens
+zijne vrienden in droefheid dompelt. Dit is het geval zoo iemand,
+overstelpt door rampen of behebt met ongeneeselijke en smartelijke
+kwalen, zich liever in de harde maar leerrijke school van den
+tegenspoed laat, dan zich van den last van het leven te bevrijden,
+en vooral is dit het geval bij uitingen van het godsdienstig gevoel,
+en maakt dat zij, die zich offers opleggen om anderen in het heden
+genoegen te doen, ons niet voorkomen aan de roeping van den mensch ten
+volle te voldoen. Dergelijke daden maken het de menschheid evenmin
+in het heden genoegelijker als de bekende raad van Aristides in het
+belang van Athene was, en toch kan het doel hierbij niet slechts
+zijn om goede voorbeelden te geven, daar dit geheel van de middelen
+der publiciteit afhangt, en buitendien verzinsels daar even goed als
+werkelijk bedreven daden voor kunnen dienen.
+
+Die vergrooting der zedelijke ontwikkeling kan somtijds geschieden door
+het bedrijven van daden, de maatschappij geen voordeel verschaffende,
+zooals bijv. bij het bedwingen van de neiging voor genot in het heden
+door het nakomen van een verbod van iets dat werkelijk schadeloos
+is. De waarde van zulk eene daad, met betrekking tot den bedrijver er
+van, zal dan echter verminderen, zoo deze geen ijver genoeg betoont
+om de doelmatigheid er van te onderzoeken.
+
+De nakomelingschap heeft aan Napoleon I de terdoodbrenging van den
+hertog van Enghien, benevens zijn trouweloosheid jegens het Spaansche
+hof meer euvel geduid, dan al de door hem geprovoceerde oorlogen. Dit
+nu kan slechts geschied zijn, omdat die nakomelingschap het voorbeeld
+van moord en trouwbreuk voor latere heerschers verderfelijker achtte
+dan dat van oorlog voeren, niettegenstaande, wanneer die oorlogen
+stroomen bloed doen vloeijen en duizende huisgezinnen in rouw dompelen,
+zij ontegenzeggelijk het genoegen der maatschappij meer schaden,
+dan enkele moorden zulks doen. Deze strekken echter tot zedelijke
+verlaging, de oorlogen daarentegen in verscheidene opzigten tot
+geestelijke verhooging der strijders en van de navolgers dezer.
+
+Zoo wij ons buitendien geen hooger ideaal voorstelden dan het genoegen
+der maatschappij in het heden, zou bij het niet voldoen aan de eischen
+van dit ideaal, dit omlaag getrokken worden, dat is de beschaving zou
+afnemen, en dit genoegen der maatschappij meer op het dierlijke gaan
+gelijken. Zoo, wegens de in de Noot blz. 139 gemelde terugtrekkende
+werking, als wegens den zeer geringen graad der geestontwikkeling
+der menschen tijdens derzelver geboorte, zouden deze, wanneer zij
+volwassen zijn, wegens het kleiner zijn van het hunne geestontwikkeling
+optrekkenden ideaal, op een lageren trap van geestontwikkeling komen,
+en aldus de graad van ontwikkeling van het genoegen der maatschappij
+steeds teruggaan [79]. Het is hiermede gelegen als met de grootte van
+wandelingen, zoo deze, hoe klein ook, inspanning vorderen, en zij noch
+voor de gezondheid, noch voor het genoegen gedaan worden. Al heeft
+iemand door dwang de gewoonte verkregen om eene wandeling van zekere
+grootte te maken, die grootte zal van lieverlede verminderen, nadat
+die dwang opgeheven is. Is aldus ons ideaal het publieke genoegen
+bij de thans bestaande beschaving der maatschappij, zoo hangt het
+in de lucht, en zal de noodzakelijkheid dier beschaving voor ons
+deze evenmin voor teruggang beveiligen, als de gewoonte aan het
+doen van eene groote wandeling, deze zal behoeden voor verkleining,
+zoo geene andere oorzaak dit tegen gaat. Slechts zal die verkleining
+alsdan trager zijn. Wel is waar bezitten wij zie blz. 28 een drang tot
+vooruitgang, en misschien leidt deze de dieren, om zich (zie blz. 152)
+eene inspanning te geven grooter dan hun aangenaam is, maar bij ons
+menschen, die bewustheid hebben van de toekomst en van hoogere trappen
+van bestaan, is deze instinctive drang hiervoor niet voldoende, wij
+behooren hiertoe hetzij door anderen gedwongen te worden, of wel een
+door onze zucht tot gemak niet omlaag trekbaar doel voor oogen te
+houden. Is dit doel bij de menschheid geheel aardsch, zoo moet het,
+wil de trap van beschaving niet verminderen, minstens zijn om dezen
+trap te verhoogen. Is echter de trap van beschaving op aarde zoo
+hoog geklommen als de in de Noot van blz. 139 gemelde terugtrekkende
+werking benevens de traagheid der op een zeer laag standpunt van
+geestelijke ontwikkeling geboren wordende menschen gedoogt, welk
+ideaal moeten deze zich dan ter bereiking voorstellen, om op dit
+maximum van op deze aarde mogelijke beschaving te blijven? [80] Een
+aardsch ideaal kan dit klaarblijkelijk niet zijn, en ook voor ons,
+die dit maximum niet bereikt hebben, kan die optrekkende werking
+niet geheel gevonden worden, zoo men de oogen slechts op de aarde
+gevestigd houdt. Wij achten ons te weinig in de menschheid op te gaan,
+(iets dat wel van zamenwerking met medemenschen onderscheiden moet
+worden) en ons gevoel van zelfstandigheid is te sterk, om ons ideaal
+vast te knoopen aan het lot der aan allerlei wisselvalligheden
+overgeleverde nakomelingschap. Wij bezitten eene meer of minder
+gebrekkige voorstelling, dat voor een deel ons ideaal zoodanig moet
+zijn, dat het op heffende werkt, hoe hoog ook men binnen de palen
+der eindigheid gestegen zij, en aldus slechts bij den oneindigen
+onveranderlijken en aldus volmaakten Oergeest kan bestaan.
+
+De idealen van zelfs leden van onbeschaafde maatschappijen bevatten
+dan ook bestanddeelen in sommige opzigten ongelijkslachtig zijnde met,
+ofschoon niet minder verheven dan hetgeen tot het genoegen strekt
+der wisselende leden van beschaafde maatschappijen.
+
+Reeds de onbeschaafde mensch begeeft zich met zijne verbeelding en ook
+eenigzins met zijne rede op buitenzinnelijk gebied, en vervalt alsdan
+in dwalingen. Dit is een noodwendig gevolg van het ver vooruitloopen
+der controlerende zintuigelijke aanschouwing tengevolge der natuurwet
+van de veranderlijkheid, doch even noodwendig is het dat die dwalingen
+verkeerde opvattingen zijn van iets dat werkelijk bestaat. De natuurwet
+der geschiktmaking verbiedt toch dat wij menschen een vermogen behouden
+om bespiegelingen te maken over het niet, evenals zij niet zou gedogen
+dat de vogels vleugels behielden, zoo er geene lucht bestond om er in
+te vliegen. Hetzelfde kan gezegd worden van de zucht der menschen om
+zich in eene hoogere en naauwere betrekking met het buitenzinnelijke
+en verhevene op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door
+denking te stellen. Die zucht is de oorzaak der zoogenaamde inspiratie,
+die der veronderstelde persoonlijke tegenwoordigheid van God op gewijde
+plaatsen, die der gewaande lichamelijke vereenzelviging met hem. De
+menschen hebben, onder de vereenigde werking der wet van geschiktmaking
+en die der veranderlijkheid, die zucht naar het hooge op eene voor
+hunne bekrompenheid van begrip geschikte wijze trachten te bevredigen,
+en zijn hierdoor tot dwaalbegrippen tot bijgeloovigheden vervallen,
+doch het bestaan dier zucht bij hen bewijst dat deze eenmaal bij elk
+hunner op eene objectief ware wijze bevredigd zal worden.
+
+Het is aldus niet de zucht naar het hoogere op buitenzinnelijk gebied,
+of het godsdienstig gevoel in het algemeen, waardoor de toeneming
+der menschelijke kennis vertraagd wordt, maar het is de zinnelijke
+bevrediging dier zucht die zulks doet. Vandaar, dat, voorbij het
+standpunt van beschaving waarop de mensen en wijsgeerig beginnen te
+worden, zie blz. 118, er eene botsing ontstaat tusschen de verlichten
+der natien, namelijk de wijsgeeren en de voorgangers van het gros
+dier natiën in de zinnelijke bevrediging van het godsdienstig gevoel,
+en dat de eerste op de laatste eene opheffende werking uitoefenen. Die
+disharmonie, moge in het eene tijdvak sterker, in het andere zwakker
+zijn, overal zal zij bestaan waar, tengevolge der werking der wet van
+geschiktmaking, zinnelijke wezens zich door zinnelijke voorstellingen
+trachten te bevredigen, en te gelijk, tengevolge der werking der wet
+der veranderlijkheid, door middel hunner rede zich tot het abstracte
+verheffen. Het wegens welk motief ook niet dringen in het abstracte
+maakt niet alleen dat de menschen bijgeloovig, maar tevens dat zij
+ongeloovig zijn. Op het eene oogenblik vormt de mensch verheven
+bespiegelingen, en zweeft hij boven de wolken in de wereld van het
+abstracte, op het andere oogenblik trekt zijne zinnelijkheid hem naar
+den bodem terug, en laat in zijn boezem een grond van wantrouwen voor
+zijne naar hij meent voor de rede onwederlegbare bespiegelingen.
+
+Is het aldus te verwonderen, dat zij die gezeten zijn in het vaartuig
+hunner kerk, wiens deelen zij de planken der behoudenis wanen te zijn,
+omdat zij er tusschen op min of meer zinnelijke wijze het edelste
+hunner gevoelens voldoen, dit vaartuig niet durven te verlaten en te
+wandelen op de baren van het abstracte, uit vrees van te zinken naar
+de diepte van het ongeloof? Uit vrees van mismaakte dwergen te worden,
+blijven zij liever kinderen.
+
+De werking der traagheid moet de wezens beletten eensklaps van
+natuur te veranderen en hunne persoonlijke eigenaardigheden te
+verliezen, zoodat zij niet op de wijze zooals Bouddha gesteld
+beeft, maar zelfs, slechts na eene verzwakking van hun karakter van
+bijzonderheid en veranderlijkheid gedurende de grootst eindige tijden,
+in het onveranderlijke oerwezen, door met dit qualitatief identiek
+te worden, opgenomen kunnen worden. De wet der geschiktmaking, welke
+dit tracht te doen, zal zwakker werken, naarmate er aan die volmaakte
+eenzelvigheid minder ontbreekt, zoodat er evenmin een eindigen tijd zal
+bestaan, waarin die werking alle te kort komingen aan die eenzelvigheid
+opgeheven zal hebben, alsdat er eene eindige abcis zal bestaan, waarbij
+bij eene kromme alle verwijdering van den assymptoot dezer verdwenen
+is. Dat de drang tot verandering van zaken, naarmate zij den toestand,
+waarin die drang hen wil brengen, meer genaderd zijn, kleiner wordt,
+is een gevolg der werking der wet der traagheid, die zulk een drang
+slechts veroorlooft binnen een eindigen tijd in grootte te veranderen,
+en aldus ook te verdwijnen. Er zullen aldus zeer korte, maar toch nog
+eindig groote tijden bestaan, dat die drang uiterst gering zijnde,
+voor het voortbrengen eener nadering der eene zaak tot de andere,
+die vroeger binnen korten tijd geschiedde, uiterst langen tijd noodig
+zal hebben. Bij bovengemelde kromme is de grootte der hoeken, welke
+de tangenten met de as der abcissen maken, met de grootte van dien
+drang te vergelijken. Is de vergelijking dier kromme nu zoodanig, dat
+die hoeken wel naar nul streven, maar niet negatief kunnen worden,
+en beneden zekere grootte alle soorten van grootte bezitten, zoo
+moet zulk eene kromme een assymptoot paralel met de as der abcissen
+bezitten. Evenmin als een veranderlijk wezen binnen een eindigen
+tijd het karakter der onveranderlijkheid kan verkrijgen, kan het,
+een zelfstandig iets zijnde, binnen zulk een tijd volmaakt vernietigd
+worden. Ware eene vernietiging er van mogelijk zoo zou hierbij juist
+het omgekeerde als bij de op blz. 184 gemelde aangroeijing van zulk
+een wezen van af nul tot een eindig bedrag gedurende eene eeuwigheid
+moeten plaats hebben. Een wezen, in dit laatste geval verkeerende,
+moet eene eeuwigheid nadat het eene eindigen grootte bereikt heeft,
+oneindig groot zijn, en de stelling der preëxistentie tot noodwendig
+gevolg hebben, dat de geestontwikkeling der wezens de palen der
+eindigheid moet overschreden hebben, wanneer zij met den Oergeest
+volmaakt zamensmelten. De wet van geschiktmaking werkt, door de wezens
+een onveranderlijken aard te willen geven, de vergrooting dier wezens
+tegen. De wet der veranderlijkheid werkt op eene tegenovergestelde
+wijze, en moet gedurende het laatste oneindig lange tijdvak, dat de
+eindige wezens, voor met den Oergeest zamen te smelten, in grootte
+toenemen, in werking betrekkelijk de wet van geschiktmaking verzwakken.
+
+Bij eene eindige betrekking tusschen de werkingen dier beide
+wetten in het voordeel der eerstgemelde, voor zooverre deze zie
+blz. 284 geene terugtrekkende werking uitoefent, zullen, bij den
+aanvang reeds bestaande wezens gedurende een eindigen tijd eene
+eindige betrekkelijke, vergrooting ondergaan. Alsdan zal echter die
+betrekkelijke vergrooting dier wezens gedurende eene eeuwigheid,
+van af een eindig getal tot nul afnemende zulks te traag doen om
+binnen die eeuwigheid slechts eene eindige absolute vergrooting
+voort te brengen. Hiervoor zou die verhouding, op het oogenblik
+van den aanvang dier eeuwigheid, oneindig groot moeten zijn en bij
+een wezen in grootte nul bestaan. Die grootte is vergelijkbaar
+met die der ordinaat nul bij den top van assymptoten bezittende
+kromme lijnen. Van dergelijke krommen moeten de met bovengemelde
+betrekkelijke vergrooting vergelijkbare tangenten der hoeken der
+raaklijnen van oneindig tot op nul afnemen.
+
+De op blz. 276 gemelde zucht tot opheffing van den geest naar
+den onveranderlijken oneindigen Oergeest, vereischt dat diens
+onveranderlijke denkbeelden een invloed hoe indirect ook op onze
+veranderlijke denkbeelden uitoefenen, want anders zou het zijn,
+of dit onveranderlijke wezen voor ons geen objectief bestaan had,
+en aldus, zooals op blz. 275 gezegd is, die zucht bij de menschen
+niet kunnen bestaan. Die onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest
+kunnen echter niet direct op de onze van invloed zijn, omdat deze
+dan ook een directen invloed op die onveranderlijke denkbeelden
+zonden uitoefenen, en hen niet volmaakt onveranderlijk zouden kunnen
+laten. Die invloed moet aldus geschieden door eene grootst eindige
+reeks van zie blz. 175, veranderlijke denkbeelden van den Oergeest,
+en wel zoo dat de leden dier reeks naar de zijde waar deze zich aan
+de onveranderlijke denkbeelden hecht, meer en meer hun karakter van
+veranderlijkheid verliezen en in uitgebreidheid toenemen [81].
+
+Die uitgebreidheid bij die onveranderlijke denkbeelden oneindig zijnde,
+zoo kan hun invloed op onze denkbeelden vergeleken worden met dien van
+een oneindig grooten hemelbol op een eindig grooten bol, waarvan hij
+oneindig ver verwijderd, en aldus, zie blz. 165, door eene oneindige
+massa van aantrekkingstrillingen bezittenden ether gescheiden is. De
+invloed dier reeks van denkbeelden van den Oergeest op onze denkbeelden
+moet echter niet beschouwd worden als inspiratie, maar zie blz. 122 als
+de oorzaak waardoor wij ons door middel der rede en verbeelding boven
+zintuigelijke indrukken verheffen. De veranderlijke denkbeelden van den
+Oergeest, bepaalt door de atomistische bewegingen der aarde, oefenen,
+door tusschenkomst van dergelijke veranderlijke denkbeelden, bepaalt
+door atomistische bewegingen der deelen van ons ligchaam, geestelijke
+invloeden uit op door de zintuigelijk onwaarneembare atomistische
+bewegingen bepaalde denking van onzen geest [82]. Gedroeg deze zich
+hier tegenover geheel passief, zoo zou hij een aardsch product zijn,
+en werkelijk tracht die invloed hem daartoe door eene werking der
+wet van geschiktmaking te verlagen. Onze geest gedraagt zich echter
+ook actief, ofschoon niet steeds even sterk, het minste in den slaap,
+in staat van dronkenschap, van waanzin, enz., wanneer hij zich weinig
+inspant; het meeste bij het denken over abstracte onderwerpen, over
+het algemeene en bij het in den niet latenten toestand. houden van
+denkbeelden, zoo dit sterke inspanning vereischt. Voor het bezit dier
+activiteit heeft echter onze geest noodig primo om eene menigte van
+verscheiden en veranderlijke indrukken te ontvangen, zonder welke
+hij niet werkdadig kan zijn, zie blz. 93, en secundo om invloed te
+kunnen uitoefenen op voorwerpen, die zich alsdan tegenover hem passief
+gedragen. Zoo gedragen zich de beenen passief, wanneer wij tengevolge
+van onzen wil (eene soort van denking) gaan, en zouden zij zich slechts
+actief gedragen, zoo zij ons konden dwingen om te loopen [83]. Onze
+geest zou slechts aan de op blz. 94 gemelde werking, trachtende hem
+een aardsch product te doen worden, blootgesteld zijnde, dit werkelijk
+naar ons inzien worden, zoo de werking der wet der veranderlijkheid
+hem niet binnen de wereldsche verscheidenheid en veranderlijkheid door
+de op blz. 279 gemelde reeks aan eene opheffende werking blootstelde,
+en daardoor tevens maakte dat die eerste werking haar doel niet kan
+bereiken, en aldus verlagende op den geest blijft werken.
+
+Men kan zich voorts voorstellen wezens zich niet verheffende boven
+de zintuigelijke indrukken, die zij op een hemelbol verkrijgen,
+en die, in zeker opzigt qualitatief niet van elkander verschillende,
+dit quantitatief wel doen. Zoo zouden bijv. op deze aarde waterdieren,
+zich niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffende, niet slechts
+minder hoog in geestontwikkeling staan dan de werkelijk bestaande
+waterdieren, maar tevens als imaginaire landdieren, welke zich ook
+niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffen.
+
+Om te beseffen hoe de aardsche zintuigelijke aanschouwing, door
+beneden de denking der aardbewoners te blijven, de vergrooting
+der geestontwikkeling dier wezens belemmert, en, zoo onze planeet
+(zie blz. 154) niet zelve in eene phase van vooruitgang was, hij de
+nakomelingschap slechts tot een zeker maximum zou veroorloven te gaan,
+neme men in acht, dat al der menschen wetenschappelijke kennis bestaat
+uit zintuigelijke waarnemingen, wiskunde en logica. Van het eerste
+is natuurlijk het maximum op deze aarde beperkt, en met de wiskunde
+en logica is dit, door eene indirecte uitwerking van dit te laag
+staan der zintuiglijke aanschouwing met betrekking tot onze denking,
+insgelijks het geval.
+
+Zoowel bij de logica als bij de wiskunde wordt den aard en grootte
+van het onbekende, uit het bekende afgeleid, zoodat, waar zie
+blz. 174 de rijkdom en volkomenheid der aanschouwing de geesten ten
+volle verzadigen, wiskunde en logica overbodig zijn. Zoowel bij de
+logische als bij de wiskundige redenering (wier juistheid eigenlijk
+onafhankelijk is van de objectieve waarheid van de stellingen
+waarvan men uitgaat) gebruikt men beelden en voorstellingen aan de
+zintuigelijke aanschouwing ontleend. De beperktheid hiervan moet nu de
+vlugt van onze voorstellingen beperken door hierop eene terugtrekkende
+werking uit te oefenen, en hierdoor aan de intellectuele ontwikkeling
+der aardbewoners met betrekking tot de wiskunde en logica grenzen
+stellen, zelfs al waren die bewoners in het bezit eener aardsche
+onsterfelijkheid en aldus van een onbepaald langen tijd om te leeren,
+zonder dat hun geest een aardsch product was, twee zaken die, zie
+blz. 224, naar ons inzien, onvereenigbaar zijn.
+
+Men zij voorts indachtig dat de werktuigen, zooals telescopen,
+microscopen, passers, barometers enz. waardoor onze aardsche
+zintuigelijke aanschouwing uitgebreider geworden is, niet zouden
+bestaan, zoo het vooruitloopen er hiervan door onze denking er
+zie blz. 178 niet opheffende opgewerkt had, doch die uitbreiding
+is begrensd.
+
+Bij de theorie snelt men door middel van wiskundige en logische
+redeneringen de zintuigelijke aanschouwing meer vooruit, dan bij de
+praktijk. Meer dan hierbij komt men bij de theorie tot resultaten
+van een meer algemeenen aard. Bij haar staat meer dan bij de praktijk
+vooruitgang en minder dan bij deze geschiktheid op den voorgrond.
+
+Wanneer een ligchaam valt, bestaat er een verschijnsel, namelijk de
+aantrekking waaraan dit ligchaam is blootgesteld, dat opwekt een ander
+aldus in grootte toenemend verschijnsel, namelijk de nadering van dit
+ligchaam tot andere ligchamen. Wederkeerige versterking tusschen die
+aantrekking en die sterkte van nadering heeft er hierbij (evenals
+in zeker opzigt zie blz. 12 tusschen den aanleg en de toeneming
+der geestelijke ontwikkeling) slechts zeer weinig plaats, omdat, in
+tegenstelling van bij onderlinge nadering van twee hemelligchamen,
+de aantrekking bij aardsche ligchamen gedurende den val van deze
+zeer weinig vergroot. Die nadering van dit ligchaam tot andere, een
+gevolg der aantrekking, brengt voort elastieke botsing, dat is een
+overgang dier aantrekking in afstooting, en aldus eene vernietiging
+en omkeering van deszelfs oorzaak voort. Op het oogenblik dat die
+afstooting begint, zal de nadering op een maximum zijn; terwijl, op
+het oogenblik dat de afstooting op een maximum is, de nadering nul
+geworden zal zijn. Deze wordt daarna negatief, dat is zij gaat over
+in verwijdering, die op het grootste wordt op het oogenblik dat de
+afstooting weder in aantrekking overgaat. Afneming hierbij dier heen
+en teruggaande snelheden door wrijving of onveerkrachtige botsing,
+is eene werking der wet van geschiktmaking, omdat er dan zie blz. 251
+snelheden in warmtetrillingen overgaan. Bestaat die verwijdering
+bij hemelligchamen, zoo zal er na de botsing tusschen de sterkte der
+verwijdering en de aantrekking eene wederkeerige verzwakking bestaan.
+
+Zoo die hemelligchamen, in plaats van tegen elkander te botsen, zeer
+langwerpige ellipsen om een gemeenschappelijk brandpunt beschrijven,
+zullen de naderingen op eene andere wijze de hen voortbrengende
+aantrekkingen vernietigen. Zij keeren in dit geval de rigting waarin
+de aantrekking geschiedt om, zoodat alsdan de aantrekkingen niet
+negatief worden, door in afstootingen over te gaan, maar door in
+tegenovergestelde rigting te geschieden. In dien laatsten zin zijn
+die aantrekkingen bij de perihelia op het sterkste negatief, en aldaar
+is de sterkte der nadering nul geworden, om later negatief te worden,
+dat is in verwijdering over te gaan. Bij de aphelia zijn bij dit geval
+de positieve aantrekkingen gering wegens bovengemelde wederkeerige
+verzwakking tijdens de verwijdering der beide ligchamen. Bij het
+eerste voorbeeld is daarentegen de aantrekking der aarde minus de
+afstooting der beide ligchamen op het grootste, wanneer het botsende
+ligchaam weder begint terugtevallen, en aldus de sterkte der nadering
+er bij nul is.
+
+Wanneer de werking der wet der veranderlijkheid zoodanig is, dat het
+gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te vernietigen en
+negatief te maken, is die werking in denzelfden geest als de werking
+der wet van geschiktmaking terwijl, wanneer het gevolg deszelfs
+voortbrengend verschijnsel tracht te versterken, de werking der
+wet der veranderlijkheid in tegengestelden geest als die der wet
+van geschiktmaking is. In het eerste geval bestaat er echter dit
+verschil tusschen de werking der wet der veranderlijkheid en die
+der wet van geschiktmaking, dat de werking dier laatste wet alsware
+een nevenverschijnsel te weeg brengt, in sterkte toe en afnemende
+met het verschijnsel waarop die werking vernietigende werkt, zooals
+bijv. de met wrijving gepaard gaande snelheden; terwijl daarentegen
+bij de werking der wet der veranderlijkheid, zooals in het eerste
+geval, het vernietigd wordende verschijnsel door zijne grootte het
+vernietigende opwekt. Deze laatste werking, gepaard met die der wet
+van geschiktmaking, waardoor, bijv. zooals op blz. 259 aangegeven is,
+de gewijzigde werking van blz. 257 ontstaat, zou op maatschappelijk
+gebied steeds iets heilzaams wrochten, zoo de maatschappij in geen
+staat van vooruitgang verkeerde, en zal aldus iets heilzaam teweeg
+brengen in de gevallen waarmede de vooruitgang niet te maken heeft,
+zooals bijv. het vernietigen van afwijkingen ten eene of andere
+zijde van een welgemaakt ligchaam. In zulke gevallen is toch de
+gemiddelde toestand den besten, de vernietiging van afwijkingen
+hiervan wenschelijk en het ontstaan van zulke afwijkingen door
+de wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking
+tusschen oorzaak en gevolg plaats heeft, schadelijk. Bij zaken
+in staat van vooruitgang is daarentegen, wegens de werking der
+traagheid zie blz. 52, die gemiddelde toestand niet den besten, het
+ontstaan van afwijkingen er van naar boven is aldus wenschelijk en
+de vernietiging dier afwijkingen schadelijk. Zoo aldus die werking
+der wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking
+tusschen oorzaak en gevolg ontstaat alsdan dergelijke afwijkingen
+te weeg brengt, zal de werking er van heilzaam en de tegengestelde
+werking der wet der veranderlijkheid schadelijk zijn, daar in het
+eerste geval men iets goeds met betrekking tot wat ook, tracht te
+vergrooten en in het laatste dit goede tracht te vernietigen. Zoo
+is het bijv. goed dat de belooningen, zij die zich goed gedragen,
+tot nog beter aansporen. De begrenzing van dergelijke afwijkingen,
+tengevolge der op blz. 261 gemelde werking der wet der geschiktmaking,
+is dan echter en wel meer, naarmate zij digter bij zekere grootte is,
+iets heilzaams. Zoo is het bijv. goed om door belooningen de vlijt van
+leerlingen op te wekken, edoch de toeneming dier vlijt moet gematigd
+worden, omdat zij anders de gezondheid dier leerlingen zou schaden,
+en evenzeer moet de vergrooting der belooningen gematigd worden,
+omdat deze anders onregtvaardig zouden worden.
+
+Het ontstaan van alsware beneden of achterwaartsche afwijkingen
+van achterlijke gemiddelde toestanden door de werking der wet der
+veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking plaats heeft,
+is daarentegen schadelijk omdat alsdan iets kwaads vergroot wordt;
+terwijl de omgekeerde werking dier wet, waardoor dergelijke afwijkingen
+naar achteren tegengegaan worden, heilzaam is. Schadelijk is het
+bijv. wanneer men slechte menschen zoo bejegent en plaagt, dat zij
+uit wrok nog slechter worden, goed, wanneer men dit zoo doet, dat
+hunne zedelijkheid digter bij die van het gros der menschen komt.
+
+Deze de afwijkingen uitputtende werking der wet der veranderlijkheid
+gepaard met de werking der wet van geschiktmaking, tracht de
+verschillende bestanddeelen van zaken met elkander in harmonisch
+verband en op dezelfde hoogte van ontwikkeling te brengen. Zijn nu
+bij die zaken, door dat zij in een staat van vooruitgang zijn zooals
+op blz. 78 gezegd is, die bestanddeelen op zeer ongelijke hoogte,
+zoo zullen die beide zoo even gemelde werkingen, door de trachten
+de hoogst staande bestanddeelen dier zaken te verlagen, ofschoon
+niet met betrekking tot de geschiktheid er van zie blz. 255, iets
+schadelijk, te weeg brengen, en daarentegen, door de laagst staande
+bestanddeelen er van omhoog te trekken, iets goeds wrochten. Omgekeerd
+zal de werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg
+elkander wederkeerig versterken, iets, ofschoon ook weder niet met
+betrekking tot de geschiktheid, heilzaams voortbrengen, wanneer zij
+zaken onharmonisch maakt door enkele bestanddeelen er van te verhoogen,
+en daarentegen schadelijk werken, wanneer zij eene disharmonie te
+weeg brengt door andere bestanddeelen dier zaak te verlagen. Dit
+laatste was bijv. het geval bij het ontstaan van den aflaathandel
+in het begin der zestiende eeuw. De vernietiging er van door de
+hervormers was aldus eene werking der wet der veranderlijkheid, wanneer
+hierdoor afwijkingen uitgeput worden en te gelijk ook eene werking
+der wet der geschiktmaking. Toen zij echter eene nieuwe godsdienst
+verhevener dan de toen bestaande stichtten, waren de handelingen der
+hervormers werkingen der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en
+gevolg elkander wederkeerig versterken, begrensd door de op blz. 261
+gemelde werking der wet der geschiktmaking. Hunne handelingen strekten
+toen toch volstrekt niet meer om de verschillende bestanddeelen der
+toen bestaande godsdienst meer harmonisch met elkander en met de
+zinnelijkheid der menschen te maken. Ware dit het geval geweest, zoo
+zouden de hervormers de hoogste bestanddeelen der catholijke godsdienst
+zie blz. 255 hebben moeten verlagen. Niet de drang tot geschiktmaking,
+maar die tot vooruitgang was de drijfveer dier hervormers. Eveneens
+was dit het geval bij Galileus, toen deze als vertegenwoordiger der
+wel op waarnemingen gebaseerde, maar desniettemin abstracte wetenschap
+verscheen voor de vierschaar der vertegenwoordigers der zinnelijkheid,
+der zie blz. 178 niet controlerende getuigenis der zintuigen. Hierbij
+toch past de stelling, dat de aarde om de zon wentelt, zoo weinig,
+dat niemand, tenzij hij beter ingelicht is, haar geloof zal willen
+schenken.
+
+Ook op staatkundig gebied bestaat er, wegens den vooruitgang der
+maatschappij, disharmonie bij verschillende zaken. Ingezetenen van
+rijken wenschen zich bijv. te vereenigen met ingezetenen van andere
+rijken, met wie zij zich verwant gevoelen, en willen tevens zeer locale
+belangen overheerschende maken. De werking der wet der geschiktmaking
+en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid
+zullen klaarblijkelijk trachten eerstgemelde zucht te verzwakken en
+te gelijk te geven eene ruimere opvatting van locale belangen. Bij
+eene verdeeling der menschheid in staten, enkel tengevolge van die
+beide werkingen, zou aldus die zucht der inwoners van staten om
+staatkundig zamen te smelten met hen verwante inwoners van andere
+staten onbevredigd moeten blijven, en zie blz. 256 later verdwijnen.
+
+Wegens den vooruitgang der menschheid zullen de staten door
+zamenvoeging gemiddeld steeds grooter worden, doch dit wegens
+de werking der traagheid gemiddeld zie noot blz. 78 wat te laat
+geschieden, en de staatkundige indeeling aldus zoo zijn, dat zoo
+even gemelde zucht tot zamensmelting, minder bevredigd wordt dan
+het particularisme.
+
+De werking der wet van geschiktmaking en de in denzelfden geest
+zijnde werking der wet der veranderlijkheid, zouden bij eene niet
+vooruitgaande maatschappij de staatkundige indeeling der menschheid
+zoo goed mogelijk trachten te maken, en wel volgens nationaliteiten,
+waarbij de particuliere en locale belangen weinig uiteenloopen, want
+zulk een toestand zou dan evenzeer den gemiddelden politieken toestand
+zijn, als de welgemaakte toestand van het ligchaam den gemiddelden
+van allerlei mismaakte toestanden, zie blz. 102. Oorlogen zouden
+het ontstaan van zulk een gemiddelden politieken toestand kunnen
+bevorderen, door tot beide zoo even gemelde werkingen te behooren, of
+kunnen tegengaan, door werkingen te zijn der wet der veranderlijkheid,
+die in strijd zijn met die der wet van geschiktmaking. Meer zullen zij
+echter in eerst dan in laatstgemelden geest werken, omdat gemiddeld
+de morele kracht alsmede de ondersteuning van andere staten zijn voor
+den oorlogvoerenden staat, die eene geschikte staatkundige verdeeling
+wenscht. De werking van den oorlog kan men vergelijken met die van het
+trekken van ballen uit eene bus, witte en zwarte ballen bevattende,
+met zekere voorliefde voor de witte. Het kan dan echter zijn,
+dat die bus zoo weinig witte en zooveel zwarte ballen bevat, dat,
+niettegenstaande die voorliefde voor de witte ballen, er meer zwarte
+dan witte ballen getrokken worden, en evenzoo zou de staatkundige
+indeeling zoo nabij de beste kunnen zijn, dat, niettegenstaande de
+gemiddeld grootere kans voor zege der partij, die de staatkundige
+indeeling nog beter tracht te doen worden, de oorlogen deze eerder
+trachten te verslimmeren dan nog beter te doen worden.
+
+De gemiddelde toestanden, op zich zelve beschouwd, geschikte
+toestanden, en somtijds afwijkingen van gemiddelde toestanden van meer
+algemeenen aard, kunnen veranderen, en zullen dit, bij het bestaan
+van blijvende afwijkingen naar de eene zijde er van, doen zoodat
+men dan alsware een anderen gemiddelden toestand zonder afwijking
+zal verkrijgen. Zoo kan de verzwakking van een staat iets worden,
+waarnaar deszelfs bevolking zich voegt, en die deze niet meer als
+eene door groote inspanning te vernietigen afwijking beschouwd.
+
+De werking der wet der geschiktmaking tracht namelijk te gelijk
+afwijkingen te vernietigen, en den gemiddelden toestand alsware naar
+de zijde dier afwijkingen te verschuiven. De werkelijke afwijkingen
+zijn aldus steeds van tijdelijken aard, en, wanneer de werking
+der wet der veranderlijkheid wederkeerige versterking tusschen een
+verschijnsel en deszelfs gevolg te weeg brengt, zal niet alleen zie
+blz. 261 de werking der wet van geschiktmaking de vergrooting van
+zulk een verschijnsel en van deszelfs gevolg eens doen ophouden, maar,
+zoo de gemiddelden toestand zich niet verplaatst, door de op blz. 258
+gemelde werking der wet der veranderlijkheid, die door wederkeerige
+versterking voortgebragte afwijking later weder vernietigd worden. Zoo
+zal bijv. magtsvergrooting, voortgebragt door wederkeerige versterking
+van succes en aanmoediging, later door verslapping en overmoed
+weder vernietigd en zelfs negatief kunnen gemaakt worden, beide
+echter slechts zoo die grootere magt, door geschiktmaking er voor,
+geene werkelijke behoefte wordt. De wederkeerige versterking bestaat,
+alsdan tusschen het voortbrengend verschijnsel en eenig ander, doch
+zij kan ook bestaan, tusschen het voortgebragte verschijnsel, dat het
+eerstgemelde tracht te vernietigen en zelfs omgekeerd te doen worden,
+en eenig ander verschijnsel [84]. Hoe zwakker de werking der wet van
+geschiktmaking is, in hoe meer tijd zij aldus het beoogde doel bereikt,
+hoe minder ongeschiktheid in andere opzigten er bij andere zaken er
+door teweeg gebragt zal worden. Vandaar dat men een goed doel kan
+bereiken zonder slechte middelen er toe te bezigen, zoo men slechts
+geduld heeft, en een op minder vaste gronden steunende geschikten
+toestand, binnen korten tijd ontstaande niet verkiest boven een op
+vastere gronden steunende geschikten toestand meer in de toekomst.
+
+Stelt men het verbod om aan anderen te doen, hetgeen zij wenschen
+dat hun niet gedaan wordt, niet in strijd met het werkelijke belang
+der individuen, zoo kan in elken staat het belang der deelen in
+overeenstemming met dat van het totaal dier deelen zijn. Dit zal
+insgelijks het geval bij het statenstelsel kunnen zijn, want het is
+hiervoor wenschelijk, dat er geene onderdrukte nationaliteiten bestaan,
+en dit zal niet in strijd zijn met de belangen van elk dier staten,
+omdat de meerderheid der inwoners van elk dezer toch een afkeer moet
+hebben van het denkbeeld dat zijne nationaliteit onderdrukt wordt.
+
+Hierbij, zooals steeds op maatschappelijk gebied, moet echter in acht
+genomen worden, dat het verkeerd is bestaande afwijkingen van den
+toestand, die het beste voor het algemeen welzijn is, plotseling te
+willen vernietigen, omdat door den tijd zij, bij wie die afwijkingen
+bestaan, zich in zekere mate er naar zullen geschikt hebben. Dit
+is bijv. het geval bij zoogenaamde door den tijd verkregen en met
+het algemeen belang in strijd zijnde regten, zooals bijv. die van
+het houden van slaven, te hoog geestelijk ontwikkeld met betrekking
+tot hunne meesters om zie blz. 47 eene heerschappij, als die over
+slaven uitgeoefent, niet nadeelig te doen worden. Zulke regten
+behoeven evenmin plotseling, althans zonder schadevergoeding (eene
+soort van geschiktmaking voor den bezitter dier regten) afgeschaft,
+als onbepaald bestendigd te worden.
+
+Wanneer een voortbrengend verschijnsel of oorzaak eene afwijking is
+van een gemiddelde, dat zich niet tracht te verplaatsen, zal het
+voortgebragte of gevolg, verschijnsel die oorzaak trachten uit te
+putten, en deze daarentegen versterken, wanneer dit gemiddelde zich wel
+tracht te verplaatsen. Zoo zal bijv. succes in den krijg, tengevolge
+van tijdelijke grootere eenheid, deze trachten te verminderen, of
+wel te vergrooten, al naar gelang die grootere eenheid elders niet
+aangetroffen wordt, of wel eene toenadering is tot die welke elders
+bestaat, of die men noodig voor zich acht. In het eerste geval schijnt
+die grootere eenheid iets, dat na de zege overbodig geworden is, en
+in het tweede iets waarvan de heilzame vruchten met betrekking tot de
+toekomst gebleken zijn. Inspanning brengt verhooging in positie te
+weeg, en deze zal, wegens den drang tot vooruitgang, gemiddeld die
+inspanning niet trachten te vernietigen, ofschoon de op blz. 261
+gemelde werking der wet van geschiktmaking, de vergrooting dier
+inspanning tengevolge van wederkeerige versterking, weldra zal doen
+ophouden. Dat voorts die vergrooting in positie geschiedt onder strijd
+(zie. blz. 55) in den algemeensten zin genomen, ontstaat doordat
+magten zooals individuen, staten enz. in contact komen met andere
+niet met hen in alle deelen zamenwerkende magten of zaken, hetgeen
+een gevolg is der verscheidenheid, die zie blz. 237 eene voorwaarde
+is van den vooruitgang.
+
+De werking van elken hartstogt is die van een der beide op blz. 284
+gemelde werkingen der wet der veranderlijkheid, in het eene geval
+zooals op blz. 259 en in het andere, zooals op blz. 261 gezegd
+is, gepaard met de werking der wet van geschiktmaking. Lijden wekt
+bijv. medegevoel op, dat dit lijden tracht te vernietigen. De sterkte
+van dit medegevoel klimt en daalt nu niet, wegens de werking der
+traagheid, te gelijk met die van dit lijden, en vooral niet zoo de
+bekendheid hier van snel toeneemt, en evenmin is dit medegevoel op
+een maximum wanneer dit lijden ophoudt met te bestaan. Met betrekking
+hiertoe verkeert het in een overeenkomstig geval als doelmatige
+straf met betrekking tot slecht gedrag, en als met oordeel toegeven
+met betrekking tot gegronde grieven. Is het daarentegen iemands
+geluk dat medegevoel opwekt zoo heeft er tusschen beiden, even als
+tusschen eischen en toegeving met zwakheid, wederkeerige versterking
+plaats. De werking der wet van geschiktmaking tracht echter dan de
+toeneming van beiden tegen te gaan, daar zij iemands positie, en te
+gelijk de gevoelens die men hem toedraagt, tot zekere gemiddelden
+tracht te brengen.
+
+Met betrekking tot derzelver oorzaken staan de werkingen der
+hartstogten zie blz. 267 in dezelfde verhouding als de daden gedaan
+tengevolge van redeneringen. Trouwens bij hartstogtelijke handeling
+worden er redeneringen van eenvoudigen en oppervlakkigen aard gemaakt,
+die, zooals bij woede en vrees, in der menschen geest overheerschende
+worden. Het zijn de hartstogten die de menschen doen handelen, de goede
+op eene niet, de slechte op eene wel te lage wijze voor de eischen
+van der menschen zedelijk leven en onderlinge zamenwerking, en het
+verkeerde van zich blindelings aan goede hartstogten over te geven,
+bestaat juist in het alsdan niet maken van genoegzaam diepzinnige
+redeneringen. Of de intellectuele ontwikkeling is dan in gebreke
+met betrekking tot de morele ontwikkeling, of men weet haar dan niet
+genoegzaam te doen gelden.
+
+Dit in gebreke zijn der intellectuele ontwikkeling, of het niet gebruik
+er van kan in het algemeen leiden om zich van het goede en insgelijks
+van het kwade te onthouden, en aldus de neiging tot het eene en tot het
+andere verminderen. Naar aanleiding van hetgeen op blz. 217 gezegd is,
+zal, omdat kennis noodig is om begrip en waardering van het goede te
+geven, en niet alleen evenals bij het kwaad strekt, om het op eene
+meer doelmatige wijze te doen, ontbering er van gemiddeld meer tot
+kwaad dan tot goed strekken, en aldus, naar aanleiding van blz. 152,
+de neiging tot het goede meer verminderen dan die tot het kwaad
+[85]. Men bedenke hierbij dat de werking der wet van geschiktmaking de
+verschillende soorten van kennis (althans zie blz. 67) die van even
+hooge soort, met elkander in harmonisch verband tracht te brengen,
+zoodat vermindering der wijsgeerige kennis ook die der andere kennis
+tengevolge heeft. Iemand, die zich nu steeds er op toelegt om met
+overleg kwaad te plegen, moet noodwendig de wijsgeerige kennis, die
+betrekking heeft op de maatschappelijke behoeften en vooruitgang,
+verwaarloozen en dit, wegens de zooeven gemelde reden, daling van
+andere takken van kennis ten gevolge hebben.
+
+Zoo de geestelijke aanleg der individuen der verschillende diersoorten
+en menschenrassen bij de geboorte dier individuen slechts bepaald werd
+door den aard van hunne ligchamen, zou het onverklaarbaar blijven hoe
+zulke groote verschillen in den dezen geestelijken aanleg bepalenden
+aard der ligchamen ontstaan zijn, of liever in stand gehouden worden,
+want bestond er geene constante oorzaak voor dit laatste, zoo zouden
+die verschillen, slechts door de werking der traagheid in stand
+gehouden, van lieverlede verminderd zijn, en slechts accidentele
+omstandigheden (anders gezegd het toeval) die den geestelijken aanleg
+bepalenden aard der ligchamen wat doen variëren. De verschillen
+in levensomstandigheden kunnen althans bij de menschenrassen die
+constante oorzaak niet zijn, omdat de verschillen in hoogte der
+levensomstandigheden bij de menschen kunstmatig zijn, en niet door de
+aarde aangeboden worden. De verschillen in den bovengemelden aard der
+dierlijke en menschelijke ligchamen, moeten in overeenstemming met de
+stelling van blz. 92, dat die ligchamen aan eene opwaarts drijvende
+werking buiten hen blootgesteld zijn, naar ons inzien, ook in stand
+gehouden worden door eene oorzaak buiten hen, namelijk zie blz. 196
+door de verschillen in aanleg der geesten op de aarde met levende
+ligchamen in contact willende komen. De geslachtsvoortplanting en het
+verkeer zullen voorts klaarblijkelijk strekken om bovengemelden aard
+dier ligchamen bij dezelfde soorten of dezelfde volken gelijk aan
+elkander te doen worden. Dit zelfde verschil in aanleg der geesten
+houdt, naar ons inzien, bij een zelfde volk het verschil in stand,
+voor zooverre dit niet door het toeval ontstaat, in stand. Wel heeft
+de maatschappij zich naar die verschillen in beschaving geschikt,
+doch die verschillen kunnen naar ons inzien geene noodzakelijke
+behoefte zijn van welke maatschappij ook, bijv. niet van eene wier
+leden in geestelijken aanleg tijdens hunne geboorte alle gelijk zijn,
+en niet, tengevolge der werking van het toeval, ongelijk in beelding
+en rijkdom worden. Verschil in magt zou in zulk eene maatschappij
+enkel door verschil in ancieniteit bepaald worden.
+
+De werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg
+elkander wederkeerig versterken, veroorzaakt vaak eene overdrevene
+schatting van zekere hartstogten, zooals vreugde, smart, bewondering,
+verachting, opwekkende gebeurtenissen. Tusschen de opvatting dezer
+laatste in den geest dier hartstogten en deze bestaat er dan eene
+wederkeerige versterking, door de werking der wet van geschiktmaking,
+waardoor de hartstogt en de overdrevene voorstelling gematigd
+worden, begrensd. De aanschouwing der werkelijke gevolgen van zulk
+eene gebeurtenis wekt dan echter het denkbeeld op, dat men zich aan
+overdrijving heeft schuldig gemaakt, en dit denkbeeld nu is, wegens
+de werking der traagheid, niet verdwenen, wanneer, tengevolge er van,
+die overdrijving niet meer bestaat. Vandaar dat deze naar aanleiding
+van hetgeen op blz. 258 gezegd is, negatief zal worden, en er aldus,
+met betrekking tot de juiste schatting, verflaauwende schommelingen
+zullen ontstaan. Was dit niet het geval, zoo zou men, na het vernemen
+dat eene heugelijke tijding valsch is, direct weder in dezelfde
+gemoedsstemming als voor het ontvangen dier tijding moeten komen,
+want op het oogenblik dat de ongegronde vreugde verdwenen zou zijn,
+zou zulks ook zijn het denkbeeld dat men zich ten onregte verheugd
+heeft. Dit is echter in werkelijkheid het geval niet, en vandaar,
+dat men daar na gedurende zekeren tijd treurig wordt.
+
+Hierbij komt echter nog dat de wet van geschiktmaking de menschen
+ras gewoon maakt aan het denkbeeld van voorspoed, en aldus, zooals
+op blz. 289 gezegd is, althans met betrekking tot de bestaande
+afwijking, in gevoel van vreugde bestaande, het gemiddelde verzet,
+zoo dat hierdoor, wanneer de valschheid der goede tijding ruchtbaar
+wordt, de vreugde reeds veel vermindert zal zijn.
+
+Een zelfde verschijnsel kan te gelijk bestaan bij verschillende
+groepen van verschijnsels, elk, wegens de vereenigde werking der
+zamenstellende verschijnsels, opwekkende een gevolg onderscheiden
+van de gevolgen dier andere groepen. Zoo kan bijv. eene slechte daad,
+vereenigd werkende met de vriendschappelijke stemming der beoordeelaars
+dier daad, jegens derzelver bedrijver tot gevolg medelijden hebben;
+terwijl diezelfde daad, vereenigd werkende met de vijandelijke stemming
+van andere beoordeelaars, jegens derzelver bedrijver verachting en
+haat tengevolge heeft.
+
+Het gretig eten van gewijde kuikens kan, vereenigd werkende met
+de bijgeloovige gevoelens van een leger, aanmoediging hiervan tot
+gevolg hebben; terwijl, vereenigd werkende met de functie van de keel
+dier kuikens, dit gretig eten dezer de vulling van derzelver magen
+tot gevolg heeft. In elk dier gevallen zal elk gevolg zie blz. 71,
+gelijkslachtig zijn met een of meer der verschijnsels door wier
+vereenigde werking het opgewekt wordt. Zoo is bijv. aanmoediging
+gelijkslachtig met bijgeloovige stemming, en vulling van magen met
+eten. Evenzoo is uitdrooging der lucht gelijkslachtig met derzelver
+oorzaak, namelijk de met storm vergezeld gaande betrekkelijk sterke
+luchtrijzing, terwijl het reven van zeilen gelijkslachtig is met het
+besturen van vaartuigen, dat vereenigd werkende met storm, dit reven
+tengevolge heeft [86]. Gelijkslachtig zijn oorzaken en gevolg, wanneer
+deze op gene kunnen terugwerken en hen, zooals op blz. 284 gezegd is,
+kunnen uitputten en omkeeren, of versterken, en ongelijkslachtig zijn
+oorzaken en gevolgen, wanneer dit niet mogelijk is. Zoo zal bijv. de
+aan- of ontmoediging van een leger kunnen terugwerken op deszelfs
+bijgeloovige stemming, maar niet op het eten van gewijde kuikens,
+terwijl de met dit eten gelijkslachtige vulling der magen dier kuikens
+dit daarentegen wel kan doen.
+
+Evenzoo zal de uitdrooging der lucht de luchtrijzing en aldus ook de
+horizontale toeschieting der lucht of den wind verzwakken, terwijl
+het reven van zeilen op de sterkte van den wind niet, maar op het
+besturen van zeilvaartuigen wel terugwerken kan.
+
+Hoe komt het nu dat, zooals bij deze voorbeelden, geheel
+ongelijkslachtige verschijnsels vereenigd werkende gevolgen kunnen
+opwekken, die aldus onmogelijk met elk van derzelver oorzaken
+gelijkslachtig kunnen zijn? Naar ons inzien, doordat hier op aarde niet
+alles in harmonisch verband is, doordat, zooals op blz. 195 gezegd is,
+de gewassen en de ligchamen der dieren hooger dan de onbewerktuigde
+natuur, en de geesten der menschen hooger dan de door derzelver
+ligchamen bepaalde denking, en zie blz. 91 en 280 nog hooger dan de
+door de onbewerktuigde aardsche natuur bepaalde denking staan. Zoo is
+het rijp worden van vruchten, een gevolg der vereenigde werking der
+organische zamenstelling dier vruchten en der warmte, met deze laatst
+geheel ongelijkslachtig. Het met die warmte gelijkslachtige gevolg
+is daarentegen de grootere uitstraling en de mindere vatbaarheid voor
+warmteopslurping der verhitte voorwerpen. Wegens de op de verhitting
+terugwerkende eigenschap van dit gevolg, moet het in de warmteleer
+beschouwd worden, hetgeen aldaar daarentegen weinig meer met het
+rijpen van vruchten, als met het bezoeken van zomer-theaters behoeft
+te geschieden.
+
+Hoe grooter de disharmonie is tusschen met elkander in verband gebragte
+zaken, hoe ongelijkslachtiger de gevolgen en sommige van derzelver
+oorzaken kunnen worden. Dit is bijv. in sterke mate het geval, zoo het
+eten van gewijde kuikens, of zie blz. 145 en 171 juister gezegd, de
+hierdoor bepaald wordende denking, in verband komt met de menschelijke
+denking over geheel andere zaken. Die disharmonie is nu enkel het
+gevolg hiervan, dat de verbeelding opwekkende bewuste aanschouwing
+sterk vooruitloopt de op blz. 178 gemelde aanschouwing, waardoor de
+menschen met den waren aard der zaken bekend worden, en zoo nu die
+disharmonie werkelijk maakt dat gevolgen geheel ongelijkslachtig met
+sommige van derzelver oorzaken worden, zoo is het klaar, dat de door de
+wijsbegeerte zie blz. 117 niet ingelichte menschen het mogelijk kunnen
+achten, dat gevolgen er mede gelijkslachtige oorzaken geheel kunnen
+missen, of met andere woorden dat er wonderen bestaan. Kon bijv. het
+gezigt van een klein stuk beschreven papier de eenigste oorzaak zijn,
+dat iemands bloed sneller gaat loopen, en dat zijne spijsvertering
+belemmerd wordt, zoo zou dit verschijnsel van denzelfden aard zijn
+alsdat iemands woorden een dooden kunnen opwekken. Wat maakt echter
+het eerste verschijnsel mogelijk en het tweede onmogelijk? Het bestaan
+van eene oorzaak gelijkslachtig met de physiologische werkingen binnen
+het ligchaam, en vereenigde werkende met de inzage van het kleine stuk
+beschreven papier, het gemis van eene oorzaak gelijkslachtig met de
+organische en chemische werkingen bij lijken en vereenigd werkende
+met de woorden van den zoogenaamden doodenopwekker.
+
+Niet slechts moet eene der oorzaken van elk verschijnsel hier
+qualitatief op gelijken, ook dient zij dit quantitatief te doen. Zoo
+bijv. een voorwerp breekt tengevolge van een zachten tik, zoo dient
+te gelijk hiermede, de broosheid van dit voorwerp de oorzaak van
+dat breken te zijn, omdat dit een veel sterker verschijnsel dan dien
+ligten tik is. Broosheid bestaat voorts ook op maatschappelijk gebied,
+bijv. bij legers wier nederlaag het gevolg kan zijn van een verkeerd
+kommando. Op dit gebied bestaat de vastheid in ongevoeligheid voor
+storende oorzaken, en de taaiheid in de sterkte der werking der
+wet van geschiktmaking waardoor de storingen verdwijnen Die eene
+oorzaak, wier sterkte die van het gevolg evenaart, kan somtijds voor
+oppervlakkige of oningewijde menschen onbekend blijven, en somtijds
+vereenigd werken met andere bekende belangrijke oorzaken, waardoor
+het bekende gevolg van deze zeer belangrijk gewijzigd kan worden.
+
+Hetgeen op blz. 176 gezegd is, dat elk verschijnsel bevat zekere
+bijzonderheden bijv. het bijzondere van eenige daad van een persoon,
+voorts te gelijk iets meer algemeen, zooals bijv. de uiting van
+het karakter van dien persoon, in alle dergelijke daden die hij
+verrigt bevat, voorts nog iets meer algemeen, bijv. de algemeene
+uiting van den menschelijken aard enz., kan alsware naar beide zijden
+voortgezet worden, zoodat men naar de eene zijde steeds korter durende
+eigenaardigheden der verschijnsels ontmoet, terwijl naar de andere
+zijde, men steeds meer algemeene en langer aanhoudende eigenaardigheden
+er van te beschouwen heeft, totdat men eindelijk, zie blz. 171, bij het
+algemeenste, wat op het gebied van denking en beweging bestaat, zou
+teregt komen. Bij alles wat gebeurd kan men aldus stellen te bestaan
+bijzonderheden uiterst kort durende, gedurende dien tijd slechts
+in grootte, maar niet in aard veranderende, en die, voorafgegaan
+en gevolgd door andere dergelijke bijzonderheden, elk bezitten
+eene oorzaak die hen voortbrengt en een gevolg dat hen vernietigt,
+tengevolge der op blz. 257 gemelde werking der wet der veranderlijkheid
+gepaard met eene zoodanige werking der wet der geschiktmaking, dat
+de op blz. 259 gemelde schommelingen niet noemenswaardig ontstaan. [87]
+
+Zoo toch dit gevolg die bijzonderheid niet zeer snel na zijn ontstaan
+vernietigde, maar onveranderd liet of versterkte, zou deze in aard
+gedurende langeren tijd onveranderd blijvende, en eerst door een
+ander en trager ontstaand gevolg vernietigd wordende, iets meer
+algemeen zijn. Dit meer algemeene is nu geen verschijnsel naast
+een ander meer bijzonder verschijnsel bestaande, maar slechts eene
+minder veranderlijke eigenaardigheid van hetzelfde verschijnsel,
+dat te gelijk meer veranderlijke eigenaardigheden bezit. Men kan
+bijv. niet zeggen dat loopen een verschijnsel is, en dan in deze dan
+in gene rigting loopen er een ander is, niettegenstaande men van het
+loopen in elke rigting, hoe kort men dit ook moge doen, de oorzaken
+en de gevolgen kan nagaan, en deze verschillen van de oorzaken
+en de gevolgen van het loopen in het algemeen. Dit bijv. kan het
+gevolg zijn van gemoedsaandoening door ligchaamsbeweging versterkt
+wordende, zoodat hierbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig
+versterken, totdat een ander gevolg dier ligchaamsbeweging namelijk
+de vermoeijenis hier vernietigende opwerkt. Die gedurende zekere tijd
+heftiger wordende ligchaamsbewegingen veranderen echter gedurig van
+vorm, en, wanneer elk dier verschillende soorten van vorm, op een
+maximum van intensiteit zijn, zullen de er door opgewekte gevolgen
+nog in intensiteit toenemen, en, wanneer het aantal dier gevolgen
+in eenig geval meer dan een bedraagt, slechts het met die soort van
+eigenaardigheid gelijkslachtige gevolg die eigenaardigheid kunnen
+vernietigen. Ligchaamsbewegingen kunnen bijv. wegens derzelver aard
+twee gevolgen opwekken een van physiologischen en een van geestelijken
+aard, en nu wel het eerste gevolg van het tweede kunnen afhangen, maar
+het niettemin alleen in staat zijn om den bijzonderen vorm van zulk
+eene beweging uit te putten, en als oorzaak werkende een anderen vorm
+van beweging op te wekken. De denking van een lam mensch is bijv. even
+onvermogend om den vorm zijner ligchaamsbewegingen te wijzigen, als het
+waarnemen van een zoogenaamd slecht teeken voor het ondernemen eener
+zaak, om een niet bijgeloovig mensch van zulk eene onderneming te doen
+afzien. Het verlies van zekere soort van bijzondere eigenaardigheden
+bij eenig verschijnsel komt op hetzelfde neder als het er steeds
+bij bestaan van het gemiddelde dier bijzondere eigenaardigheden. Van
+eenig voorwerp kan het bijv. eene veranderlijke bijzonderheid zijn,
+dat het in kleur varieert, zonder dat het gemiddeld de eene kleur
+van den regenboog meer dan eene der andere vertoont. Het gemiddelde
+dier kleuren zal grijs zijn, en klaarblijkelijk een voorwerp, dat die
+bijzondere eigenaardigheid van dan zus en dan zoo gekleurd te zijn
+verliest, zich steeds grijs moeten vertoonen. Op blz. 255 hebben
+wij gezegd, dat de werking der wet van geschiktmaking afwijkingen
+van gemiddelden tracht te vernietigen, en op blz. 256 dat zij het
+veranderlijke van toestanden tracht te doen verdwijnen. Waar nu komt
+dit laatste op neder: Op het vernietigen van veranderlijke bijzondere
+eigenaardigheden bij zaken, zoodat hierbij slechts meer algemeene en
+te gelijk minder veranderlijke eigenaardigheden overschieten. Zulke
+gemiddelden, afwijkingen zijnde van andere meer algemeene en
+nog minder veranderlijke gemiddelden, zoo zal de werking der wet
+van geschiktmaking ook deze afwijkingen trachten te vernietigen,
+hetgeen hierop neder komt, dat zij meer algemeene eigenaardigheden van
+verschijnsels tracht weg te nemen, om deze slechts nog algemeener en
+nog minder veranderlijke eigenaardigheden over te laten enz. totdat,
+bij het niet bestaan der werkingen der wet der veranderlijkheid,
+zooals op blz. 257 gezegd is, eerstgemelde werking eindelijk zou
+leiden tot het slechts laten bij de verschijnsels van het absoluut
+onveranderlijke en algemeenste bij de veropenbaring der zelfstandigheid
+door denking en door beweging. Die werking der wet van geschiktmaking
+tracht bijv. zie blz. 255 de menschen op een gemiddelden trap van
+zedelijkheid te brengen, en aldus zoodanig te doen worden, dat er van
+hunne moraliteit niets bijzonders te zeggen valt, en dat, ofschoon te
+veel aan te lage hartstogten toegevende en beneden de eischen van hun
+leven blijvende, zij niettemin noch gierig, noch mild, noch hoogmoedig,
+noch nederig, noch geduldig, noch ongeduldig, noch vlijtig, noch lui
+kunnen genaamd worden, en aldus bijzondere eigenaardigheden verliezen.
+
+Een beschonken mensch, van eene naar eenige andere plaats willende
+gaan, wijkt, door te zwaaijen, dan aan deze dan aan gene zijde af
+van zekeren weg tusschen die twee plaatsen, en de werking der wet
+der geschiktmaking en de werking der wet der veranderlijkheid op
+blz. 258 gemeld, trachten gedurig die afwijkingen te vernietigen,
+en dien persoon brengen op den gemiddelden van al de verschillende
+wegen, die hij herhaalde keeren in staat van dronkenschap tusschen
+beide gemelde plaatsen zal volgen. Die gemiddelde weg is nu echter
+ook die welke een niet beschonken mensch tusschen die twee plaatsen
+zal volgen, en het gaan langs dien gemiddelden weg is aldus iets
+meer algemeen, dan het regts en links afwijken er van in staat van
+dronkenschap. Die wandeling van dien beschonken mensch is aldus
+een verschijnsel, waarvan het meer algemeene is dat beoogt wordt om
+haar te maken langs dien gemiddelden weg en het meer bijzondere in de
+afwijkingen hiervan bestaat. Van de gemiddelde toestanden, waarvan af
+deze afwijkingen, welke de werking der wet van geschiktmaking en de
+werking der wet der veranderlijkheid, op blz. 257 gemeld, trachten
+te vernietigen, bestaan, wordt trouwens den aard steeds door iets
+meer algemeen en minder veranderlijk bepaalt dan hetgeen den aard
+dier afwijkingen bepaalt. Het verschil tusschen het gemiddelde
+mannen en het gemiddelde vrouwenkarakter wordt bijv. bepaalt door
+de verschillen in ligchaamsorganisatie en werkkring der mannen en
+vrouwen in het algemeen, doch dat sommige vrouwen een vrij mannelijk
+karakter verkrijgen, van eene dergelijke afwijking kan de oorzaak van
+zulk een algemeenen aard niet zijn. Dit is eveneens het geval met de
+afwijkingen uit het oogpunt der gezondheid der ligchamen der menschen
+van het gemiddelde menschelijke ligchaam. Zooals op blz. 78 gezegd is,
+kan, wegens de optrekkende werking van den geest en de terugtrekkende
+werking der aarde, dit gemiddelde menschelijke ligchaam niet volmaakt
+gezond zijn, doch van den ziekelijken toestand er van zal niet anders
+te zeggen zijn, dan dat geen zijner organen volmaakt goed werken. Zoo
+de menschelijke ligchamen in geen staat van ontwikkeling verkeerden,
+zou daarentegen het volmaakt gezonde ligchaam het gemiddelde zijn,
+zoodat het, bij het wel bestaan dier ontwikkeling, niet de uiterste
+afwijking ter eene zijde kan zijn, en wel te minder hoe zwakker die
+ontwikkeling is. Men kan zich aldus bij sterkere afwijkingen aan
+die zijde alsware te bloeijende ligchamen voorstellen, evenals men
+zich zie blz. 215 menschen kan denken in alles aan hoogere eischen
+voldoende dan die voor de behoeften der thans bestaande maatschappij
+nuttig en noodig zijn. In de werkelijkheid ontmoet men echter evenmin
+zulke ligchamen als zulke karakters, omdat bij geen van beide de
+verschillende deelen met elkander in harmonie zijn.
+
+Ditzelfde gebrek aan harmonie neemt men waar bij de voorstellingen
+der menschen van hoogere maatschappelijke toestanden en wereld
+en levensdoelen. Niet alleen zijn, zooals op blz. 73 gezegd is,
+die voorstellingen scheef, maar men vindt er tevens bij hoogere
+en lagere voorstellingen dooreengemengd, en de laatste betreffen
+dan zaken, waarvan de hoogere voorstellingen het meeste met de
+zinnelijkheid en met de zucht om in zeker opzigt voor het heden
+geschikte toestanden daar te stellen, in strijd zijn. Het socialisme,
+het pantheisme enz. leveren voorbeelden op van dergelijke mengsels
+van op verschillende trappen staande voorstellingen.
+
+Menschelijke ligchamen zie blz. 78 even hoog boven die der dieren
+verheven, kunnen in gezondheidstoestand verschillen, doch, zoo
+men althans de ligchamelijke ontwikkeling van het menschelijke
+geslacht (wel van de bovengemelde der individuen te onderscheiden)
+niet noemenswaardig stelt te zijn, zullen die ligchamen, op de
+gemiddelde hoogte van verheffing boven de ligchamen der dieren,
+staande, gemiddeld de gezondste zijn, ten gevolge van den op blz. 234
+gemelden inwendigen drang.
+
+Gevolgen van verschijnsels worden door deze, zie blz. 258 vergroot
+zoolang deze zie blz. 297 door andere er mede gelijkslachtige
+gevolgen en door de werking der wet van geschiktmaking niet vernietigd
+zijn. Geschiedde dit niet, zoo zou de werking van laatstgemelde wet,
+benevens gevolgen dier gevolgen en hiermede gelijkslachtig zijnde,
+deze beletten zeker maximum te overschrijden zie blz. 261. Geschiedt
+dit daarentegen wel, zoo zullen beide laatstgemelde werkingen,
+die eerste gevolgen in intensiteit reeds wat hebben doen afnemen,
+wanneer de hen opwekkende verschijnsels, wegens bovengemelde reden,
+opgehouden hebben te bestaan. De pijn, door een slag teweeg gebracht,
+en die in intensiteit afneemt, na het ophouden van het slaan,
+vernietigt dit niet, doch dit geschiedt door andere gevolgen van
+den slag, namelijk door den wederstand door de slaande hand ontmoet,
+door physiologische werkingen binnen het ligchaam van hem die slaat,
+tengevolge van zijn wil teweeg gebragt enz.
+
+Goede daden doen de zedelijke ontwikkeling van hen die ze bedrijft
+toenemen, doch, nadat die daden, tengevolge der uitputtende werking
+van met hen gelijkslachtige gevolgen opgehouden hebben te bestaan,
+zooals bijv. die van het redden van iemand door het feit dat hij
+buiten gevaar is, zal de werking der wet van geschiktmaking die
+verkregen vergrooting in zedelijke ontwikkeling, zie blz. 124,
+alsware trachten weg te slijten. De voldoening over het bedrijf van
+zulk eene daad is nu niet, zooals sommigen beweren, de belooning er
+van, maar de blijde bewustheid, dat men eene aanwinst in zedelijke
+ontwikkeling verkregen heeft, eene bewustheid, die eene verkeerde
+rigting nemende, denzelfden verslappenden invloed als zie blz. 259
+ondoelmatige belooningen kan hebben.
+
+De werking der wet van geschiktmaking tracht de positie der menschen
+in alle opzigten in harmonie te brengen met hunne omgeving, en aldus
+bijv. menschen hunne vrijheid te ontnemen, zoo zij, met betrekking
+tot de maatschappij waarin wij verkeeren, vrijwillig niet genoegzaam
+arbeiden. Diezelfde werking tracht bijv. ook, wanneer den grond
+ter vermenigvuldiging van het aantal eigenaars te veel versnipperd
+wordt, de hierdoor ontstaande nadeelen te doen verdwijnen. Men
+heeft in dergelijke gevallen toch niet te doen met zie blz. 231 een
+veranderlijk, maar met een zamengesteld doel, en hierbij zou, zoo
+de werking der wet der veranderlijkheid niet bestond, er eindelijk
+geschiktheid in alle opzigten ontstaan. Dit zou eveneens het geval
+zijn met de verdeeling van het menschdom in uit bij elkander passende
+personen bestaande deelen, zie blz. 128 en 255, zoo de werking der
+wet der veranderlijkheid de menschen in aard niet veranderde, en niet
+menschen deed geboren worden in kringen, waarin zij, zie blz. 294,
+wegens hun geestelijken aanleg niet passen.
+
+Mislukkingen hebben plaats, doordat, tengevolge eener werking van
+laatstgemelde wet, handelingen gevolgen baren, die hen niet slechts
+vernietigen, maar zie blz. 258 somtijds een tegenovergestelden toestand
+als die, door die handelingen daargesteld, teweeg brengen. Men poogt
+bijv. door eene omwenteling een staat in een geavanceerden toestand,
+waarvoor hij nog niet rijp is, te brengen, ondervindt tegenstand, en
+er ontstaat tijdelijk eene reactie. Men valt, door getal of beleid
+overmagtige vijanden aan, wekt het strijden dezer op, en wordt van
+aanvallers aangevallenen, tenzij de slijtende werking der wet van
+geschiktmaking de vijanden, nadat den aanval afgeslagen is, zijn
+strijden doet staken zie Noot blz. 300. Zoo daarentegen zulk een
+aanval gelukt, bestaat er tusschen hem en den strijd wederkeerige
+versterking, en worden beiden vernietigd door het er door opgewekte
+gevolg, in de vlugt van den vijand bestaande. Dit gevolg is nu wel de
+op blz. 258 gemelde werking der wet der veranderlijkheid, maar verkeert
+in hetzelfde geval als het gevolg in Noot blz. 300 gemeld, namelijk
+het tracht deszelfs oorzaak niet negatief te doen worden. Dergelijke
+gevolgverschijnsels, waarover wij op blz. 660 van ons werk get. Over
+de werking der natuurwetten op zedelijk gebied enz. gehandeld hebben,
+kunnen aangemerkt worden als de tegenhangers van die welke hunne
+oorzaken onveranderd laten, in plaats van deze, zooals bij de andere
+op blz. 261 gemelde werking der wet der veranderlijkheid gezegd is,
+te versterken. Deze laatste gevolgen zijn daarentegen de tegenhangers
+van die welke hunne oorzaken negatief doen worden, en het zie blz. 258
+weder positief opwekken van die oorzaak door het negatief geworden
+gevolg, kan als den tegenhanger der wederkeerige verzwakking van twee
+zie blz. 265 op elkander werkende verschijnsels beschouwd worden.
+
+Naarmate zaken eene fijnere nuance eener eigenschap gemeen hebben, zal
+de kans, dat al hunne andere eigenschappen dezelfde zijn, grooter zijn.
+
+Wij leeren gebruik te maken van ons ligchaam met betrekking tot
+hetgeen er buiten gelegen is. Verandert nu die betrekking, tusschen
+ons ligchaam en hetgeen er buiten ligt, plotseling, zoo wordt
+het gebruik van het ligchaam verkeerd, edoch slechts tijdelijk,
+omdat de werking der wet van geschiktmaking leert het ligchaam
+in deszelfs nieuwen toestand van lieverlede goed te gebruiken. De
+veranderlijkheid is aldus ook in dit geval eene oorzaak van dwaling
+zie blz. 231. Niet minder is zulks het vooruitloopen van de rede
+door de verbeelding, en zoo dit in sterke mate het geval is, waar de
+werking van het verstand zie blz. 178 de controlerende aanschouwing
+weinig vooruitloopt, en aldus die werking steeds vrij juist kan zijn,
+ontstaan er krankzinnigheid. Wanneer daarentegen de verbeelding die
+controlerende aanschouwing slechts sterk vooruitloopt in de gevallen
+waarin de werking van het verstand zulks ook moet doen, ontstaat er
+bijgeloof zie blz. 117.
+
+De werking der wet van geschiktmaking beperkt zie blz. 302 bij
+gelijksoortige gevallen afwijkingen in onregelmatigheid van de
+onregelmatigste gemiddelden dier gevallen. Bij de regelmatige gevallen,
+voortbrengsels van oorzaken, ontstaat er toch als ware zekeren toestand
+van onvast evenwigt, die allerhande accidentele omstandigheden, in die
+oorzaken begrepen, zullen trachten te verstoren. Die onregelmatigste
+gemiddelde gevallen behoeven aan minder voorwaarden dan de meer
+regelmatige te voldoen, zoodat derzelver kans van voorkoming grooter
+dan die van deze zal zijn. De werking der wet van geschiktmaking zal
+aldus het ontstaan van gevallen van eenige soort moeijelijker maken,
+naarmate de kans van voorkoming er van kleiner wordt, doordat het
+karakter van regelmatigheid er bij grooter wordt. Dergelijke gevallen,
+wier kans van voorkoming zeer klein zou zijn, zoo boven gemelde
+werking der wet van geschiktmaking niet bestond, zullen aldus door
+deze werking onmogelijk gemaakt worden. De eenigzins minder regelmatige
+gevallen, waarvan anders de kans van voorkoming wat grooter zou zijn,
+zullen, tengevolge dier die regelmatigheid storende werking der wet
+van geschiktmaking, slechts uiterst zeldzaam kunnen plaats hebben,
+omdat, zoo zij meer plaats hadden, de kans er van anders beneden
+tot zooeven gemeld minimum zou dalen door kleiner te worden, zooals
+bijv. het bij herhaling trekken van een zeer groot aantal witte ballen
+uit eene bus evenveel witte als zwarte ballen bevattende.
+
+Gevallen, waarbij de werking der wet van geschiktmaking aldus
+is, dienen echter uit eene aaneenschakeling van verschijnsels
+(bijv. trekkingen uit gemelde bus) te bestaan, welke op elkander
+van invloed zijn (bijv. door het onbewust niet voor het gevoel
+identiek zijn dier witte en zwarte ballen) en aldus niet van elkander
+onafhankelijke verschijnsels te zijn. Zie verder hierover blz. 579
+van ons werk get. Vervolg op het werk get.: Over de werking der
+Natuurwetten op zedelijk gebied enz.
+
+De accidentele omstandigheden, waarvan hierboven gesproken is, zijn
+werkingen der wet der veranderlijkheid zie blz. 251, doch de werking
+der wet van geschiktmaking tracht die omstandigheden te doen bestaan
+uit de gezamentlijke werking van vele veranderlijke omstandigheden, en
+hen hierdoor een meer algemeen karakter te geven. Zijn er daarentegen
+enkele omstandigheden overheerschende, zoo kan men meer bijzondere en
+regelmatige gevallen, namelijk die, waarbij eene al of niet periodieke
+herhaling van hetzelfde plaats heeft, verkrijgen. Dit is bijv. het
+geval bij het achtervolgens trekken van witte ballen uit bovengemelde
+bus, zoo dit met de ballen in het gezigt geschiedt, en de trekker
+eene blijvende voorkeur voor de witte ballen bezit, en even eens,
+wanneer de regelmatige vorm van ligchamen bij schudding dezer, tot
+eene regelmatige wijze van groepering er van leidt.
+
+Zijn wij onbekend met zulke overheerschende bijzondere omstandigheden,
+zoo spreken wij van toeval, doch, voor het voortbrengen van regelmatige
+gevallen, moeten zij desniettemin bestaan. Alleen kan men zeggen, dat
+dezelfde overheerschende omstandigheden alsdan minder steeds dezelfde
+soort van regelmatigheid zullen voortbrengen, dat dit zal afhangen
+van hun verband met andere omstandigheden, en dat die wisselingen van
+regelmatigheid eene resulterende onregelmatigheid zullen voortbrengen.
+
+Heeft men nu uit bovengemelde bus achtervolgens slechts witte ballen
+getrokken, zoo zullen de nog niet uitgewischte ons onbewuste indrukken
+dier vorige trekkingen opgehoopt zijn, en er aldus bestaan een
+regelmatigheidsverschijnsel in den tijd, waarvan de regelmatigheid
+bij de volgende trekkingen slechts tot zekeren grens kan vergroot
+worden. Het moet dunkt ons alsdan wat moeijelijker worden om, onder
+de voor ons menschen onbewuste invloeden der vorige trekkingen,
+nogmaals een witten dan een zwarten bal te trekken. Men bedenke dat,
+daar beide soorten van ballen onderscheiden zijn, bij het trekken van
+witte, er iets anders dan bij het trekken van zwarte ballen moet plaats
+hebben, en dat de vorige trekkingen een materieel spoor achtergelaten
+hebben. Bestaat er nu bij dit spoor zekere regelmatigheid, zoo zal bij
+eene volgende trekking deze regelmatigheid gemakkelijker verzwakt dan
+versterkt worden, en het eerste door het trekken van een zwarten en
+het laatste, door het nogmaals uit de bus halen van een witten bal,
+plaats hebben.
+
+Hoe meer witte ballen men achtervolgens getrokken heeft, hoe
+ligter toch geheel verstoorbaar de dan meer geprononceerde oorzaak
+er van, namelijk een van bovengemelde accidentele overheerschende
+omstandigheden, zal worden. De kansrekening, waarbij er geen door de
+werking der wet der geschiktmaking niet geheel uitgewischten invloed
+der vorige rekkingen op de volgende aangenomen wordt, toont aan dat,
+naarmate er meer trekkingen gedaan worden, de kans, dat men evenveel
+zwarte als witte ballen zal trekken, grooter wordt. Dit ontstaat
+doordat bij dit geval een grooter aantal verschikkingen tusschen de
+witte en zwarte ballen mogelijk is dan bij de andere gevallen, en in
+zooverre zal dit geval elk dier andere in onregelmatigheid overtreffen,
+en wel te meer hoe grooter het aantal trekkingen is. Behoudens de
+voorwaarde, dat de periodieke afwisseling der getrokken witte en zwarte
+ballen er niet onregelmatiger bij is, zal elk dier andere gevallen zich
+aldus niet zoo dikwijls als het eerste, zie blz. 308, kunnen herhalen.
+
+De regelmatige groepering van witte en zwarte ballen binnen eene bus,
+zal, bij het schudden onder den invloed van allerlei veranderlijke
+omstandigheden, verstoord worden, terwijl hierdoor eene primitieve
+onregelmatige groepering derzelver karakter van onregelmatigheid
+niet tot buiten zekeren grens kan verliezen, mits die witte
+en zwarte ballen niet voor die schuddende bewegingen identiek
+zijn. Regelmatige groepering der ballen binnen de bus oefent nu op
+het schudden dezer een dergelijken invloed uit als de overschietende
+sporen van vorige regelmatige trekkingen op de volgende, en terwijl
+bij zulke regelmatigheden in den tijd langer geleden voorvallen van
+minder invloed zijn op de regelmatigheid bij de volgende, zoo zal bij
+regelmatigheid in de ruimte, die bij verder gelegen plaatsen minder
+beletten ergens regelmatigheid te doen ontstaan, naarmate die plaatsen
+hier verder van verwijderd zijn. Binnen eene bus, er zekere verhouding
+tusschen het aantal er in bevatte witte en zwarte ballen bestaande,
+zoo zal binnen vakken dier bus, een groot aantal ballen bevattende,
+bij eene zeer regelmatige wijze van groepering dezer, desniettemin
+ongeveer dezelfde verhouding tusschen de witte en zwarte ballen bestaan
+dan binnen de gansche bus. Wegens het groote aantal der ballen binnen
+elk dier vakken, zal toch regelmatigheid bij een derzelve alsware in
+de ruimte ver van die binnen de aangrenzende vakken verwijderd zijn,
+en er aldus weinig invloed op uitoefenen [88].
+
+Buitendien zullen bij onregelmatige schudding der bus, uit zulke
+vakken, waar binnen de verhouding voor de witte ballen gunstiger is
+dan binnen de aangrenzende vakken, er meer witte ballen uitgaan dan
+er weder binnen komen.
+
+Om dit anders te doen uitvallen, zouden meer dezelfde witte ballen,
+uit zulk een vak door schudding gegaan zijnde, er weder door schudding
+in terug moeten komen, en aldus deze, onder den invloed van vele
+omstandigheden zijnde, eene regelmatigheid teweeg brengen veel
+grooter zijnde dan die teweeggebragt door het bestaan van ongeveer
+dezelfde verhouding tusschen de witte en zwarte ballen binnen elk
+dier vakken. Zoo deze integendeel weinig ballen bevatten, zal het
+omgekeerde het geval zijn, zoodat binnen die betrekkelijk kleine
+vakken de verhoudingen tusschen de witte en zwarte ballen op eene zeer
+onregelmatige wijze zullen varieren. Binnen veel ballen bevattende
+bussen zullen voorts die betrekkelijk kleine vakken, waarbij de
+verhouding tusschen de witte en zwarte ballen zeer varieert, iets
+grooter zijn dan binnen kleine minder ballen inhoudende bussen.
+
+Geschud wordende verschillende vochten bevattende vaten kunnen met
+bussen, ontzettend veel uiterst kleine ballen van verschillende kleur
+bevattende, vergeleken worden. Elk der nog te onderscheiden kubieke
+ruimten binnen zulk een mengsel zal een uiterst groot aantal moleculen
+van die verschillende vochten bevatten, en aldus binnen elk dier zoo
+kleine ruimten de verhouding tusschen de verschillende vochten uiterst
+nabij dezelfde moeten blijven als binnen het gansche vat, zoo hier
+binnen de vermenging de verschillende vakken zoo onregelmatig mogelijk
+is. Binnen ruimten, betrekkelijk weinig vochtdeelen bevattende,
+zal alsdan wel is waar die verhouding varieren, edoch die ruimten,
+zoo klein zijn, dat zij zelfs met het sterkst gewapende oog niet te
+onderscheiden zijn.
+
+Stelt men dat zekere beslotene ruimte, een uiterst groot aantal
+poeijerdeelen met allerlei onregelmatige snelheden begiftigd, bevat,
+zoo zal elk onderdeel dier ruimte, dat gemiddeld een zeer groot
+aantal dier poeijerdeelen zou inhouden, er steeds nabij evenveel
+en evenveel als de andere even groote onderdeelen bevatten. Om
+dit toch anders te doen worden, en bijv. binnen een dier deelen
+betrekkelijk belangrijk meer poeijerdeelen te doen komen, zouden
+deze om de grenzen van dit deel gelijktijdig hier naar toe gerigte
+snelheden moeten verkrijgen, hetgeen iets zeer regelmatigs zou zijn,
+en onmogelijk wordt, zoo die snelheden onder den invloed zijn van een
+menigte van omstandigheden. Zoo daarentegen binnen zulk een onderdeel
+er belangrijk meer van die poeijerdeelen dan binnen omliggende gelegen
+zijn, zal de overmaat dier poeijerdeelen door allerlei snelheden, door
+die in de eene rigting eerder, door die in andere rigtingen later,
+uit zulk een onderdeel gebragt worden [89].
+
+Worden aan zulke poeijerdeelen snelheden medegedeeld onder den invloed
+eener enkele overheerschende omstandigheid, dan kan daarentegen
+derzelver digtheid van groepering binnen elk dier onderdeelen zeer
+gaan verschillen. Dit heeft bijv. plaats, zoo men met de hand strijkt
+over een deel eener laag poeijer. Alsdan komen zeer vele digt bij
+en onder elkander gelegen poeijerdeelen onder den invloed dier bij
+alle op dezelfde wijze werkende omstandigheid, die klaarblijkelijk
+voor die poeijerdeeltjes niet als de gezamentlijke werking van
+uiterst vele omstandigheden gelden kan, daar in dit geval deze bij
+elk der poeijerdeelen op eene andere wijze werken zou. Dit laatste
+is bijv. het geval, zoo elk dier deeltjes beweegt tengevolge der
+gezamentlijke aantrekking van al de overigen.
+
+De gezamentlijke werking van al de omstandigheden is alsdan voor elk
+der poeijerdeelen verschillend en bezit dientengevolge een karakter
+van algemeenheid. Dit is insgelijks het geval bij het op blz. 158
+gemelde sterrenstelsel. Voor de hemelbollen hiervan bestaat er zekere
+kans om digt bij elkander bij hun perihelium, en ver van elkander
+bij hun aphelium te liggen, zullende die eerste kans veel kleiner
+dan de tweede zijn. Hieruit volgt dat bij ruimten, zeer veel van
+die sterren bevattende, de verhouding tusschen de sterren, digt bij
+hun perihelium en digt bij hun aphelium gelegen, wegens den invloed
+van eene menigte van omstandigheden, op het meeste slechts weinig
+zal kunnen varieren, doch dat bij verzamelingen van slechts weinig
+sterren, die verhoudingen sterk zullen verschillen, zoo de ligging
+dier hemelbollen met betrekking tot elkander zeer onregelmatig is. Het
+aanzienlijk verschillen dier verhouding bij die elk zeer veel sterren
+bevattende ruimten zou vereischen, of dat binnen deze meer sterren
+dan gemiddeld bij hun perihelium, of bij hun aphelium gelegen zijn,
+doch in beide gevallen zou er iets bijzonders moeten plaats hebben,
+in het eerste, dat veel sterren bij paren bijna tegelijk in hun
+perihelium komen, in het tweede, dat zij bij hun aphelium tegelijk
+van alle kanten even sterk aangetrokken worden, eene onmogelijke
+regelmatigheid wegens de veranderlijke aantrekking van elk dier
+sterren door eene ontzaggelijke menigte van andere.
+
+Hoe sterker nu bij verschijnsels de werking van zeer vele variërende
+omstandigheden blijft, hoe moeijelijker enkele omstandigheden
+overheerschende zullen werken, en dit zou bij het gemelde
+sterrenstelsel steeds in hooge mate het geval zijn, zoo niet de
+hemelbollen zie blz. 161, tengevolge der wrijving tegen elkander bij
+botsing, zulke korte banen konden verkrijgen, dat zij onder de zeer
+overheerschende aantrekking van een hunner gedurende langen tijd
+kunnen blijven.
+
+Zoo de op blz. 313 gemelde poeijerdeelen langs flaauw gebogene kromme
+lijnen bewegen, zal er iets regelmatigs bij hunne snelheden bestaan. Op
+het meeste onregelmatig zullen deze zijn, zoo zij over betrekkelijk
+de grootte dier poeijerdeeltjes zeer kleine distantien allerlei
+rigtingen verkrijgen, of anders gezegd, zoo die poeijerdeeltjes
+in uiterst onregelmatige trillende beweging zijn, en elk derzelve
+dezelfde buren, met betrekking waarvan het op de onregelmatigste
+wijze dan nadert dan zich verwijdert, behoudt, dat is wanneer die
+poeijerdeeltjes moleculen zijn van eene vloeistof, waarbij overmaten
+van afstooting het digt bij een en overmaten van aantrekking het ver
+van een komen der moleculen tegengaande, deze, nadat zij zeer kort
+zich in eene rigting bewogen hebben, geheel van rigting veranderen.
+
+Stelt men verder dat die deelen oneindig klein en oneindig digt
+bij elkander gelegen zijn, zoodat elke kleinst eindige ruimte een
+oneindig aantal er van bevat, zoo zal, zoo binnen elk dier ruimten
+de toestand dier gasdeelen volmaakt identiek is met die binnen de
+andere gelijk en gelijkvormige ruimten, de onregelmatige toestand dier
+gasdeelen niet minder worden, omdat, naar aanleiding van blz. 311,
+de regelmatigheid van iets niet vergroot door gelijkvormigheid met
+iets anders betrekkelijk oneindig ver er van gelegen, of anders gezegd,
+dat tusschen beiden een oneindig aantal zaken, hier gasdeelen, gelegen
+zijn. In zulk een toestand moet nu naar ons inzien zie blz. 171 de
+ether, voor zooverre deze niet onder den invloed der hemelbollen is,
+verkeeren, en aldus die toestand niet slechts zie blz. 174 uiterst
+zamengesteld en onveranderlijk, maar tevens onregelmatig zijn, zoodat
+de werking der wet van geschiktmaking, door de veropenbaringen der
+zelfstandigheid door beweging zie blz. 257 meer tot de natuur van
+den ether te doen naderen, hen niet slechts minder veranderlijk,
+maar tevens minder regelmatig doet worden. Bij verdamping, overgang
+van gewone snelheden in zie blz. 251 gedurig geheel van rigting
+veranderende warmtetrillingen, bij verbrekingen van toestanden
+van onvast moleculair evenwigt (zooals bijv. bij vochten beneden
+het vriespunt afgekoeld) bij de scheiding van vaste ligchamen in
+verstuivende poeijerdeelen heeft dit insgelijks plaats.
+
+Het bestaan binnen den ether van hemelbollen, waarbij de digtheid
+van groepering der atomen veel grooter is dan bij den ether, is
+eene regelmatigheid ontstaan door de overheerschende werking der
+aantrekkingskracht dier bollen zie blz. 159 in begin van vorming,
+en waarbij er dan eene werking der wet der veranderlijkheid, waarbij
+oorzaak en gevolg zich wederkeerig versterken, bestaat.
+
+Die aantrekkingskracht is hierbij geweest eene op zeer veel stofdeelen
+op dezelfde wijze werkende omstandigheid, en op dergelijke wijze is
+al het regelmatige en aldus bijzondere, dat bij de veropenbaring
+der zelfstandigheid door beweging bestaat, ontstaan. De werking
+der wet der veranderlijkheid begint dit te doen, doch heeft zij dit
+regelmatige en bijzondere voortgebragt, zoo kan de werking der wet van
+geschiktmaking verschillende bijzondere en regelmatige zaken zoodanig
+wijzigen, dat zij in harmonie met elkander worden, of anders gezegd
+bij elkander passen. Accidentele omstandigheden, werkingen zijnde der
+wet der veranderlijkheid, storen nu gedurig de door overheerschende
+en gedurende zekeren tijd in werking niet veranderende omstandigheden
+in stand gehouden regelmatige zaken, doch bestaat hier harmonie bij,
+zoo zal de werking der wet van geschiktmaking die alsdan afwijkingen
+voortbrengende storingen trachten te verzwakken. Buitendien tracht
+zij deze op eene onregelmatige wijze te doen voorkomen, zoodat, als
+die afwijkingen in grootte verschillen, en voor elk dier afwijkingen
+van verschillende grootte zekere kans tot ontstaan bestaat, bij zeer
+veel van die afwijkingen de werking der wet van geschiktmaking de
+afwijkingen van elke grootte tracht te doen voorkomen in verhouding
+van dergelijke kans van voorkoming. In harmonie met de lengte der
+beenen van menschen verkrijgen deze bijv. op egaal terrein eene voor
+hen gemakkelijkste lengte van pas. Accidentele afwijkingen zullen
+echter maken, dat onwillekeurig, dat is zonder dat eene overheerschende
+omstandigheid tengevolge van zeker voornemen hiertoe leidt, die passen
+naar beide zijden van dien gemakkelijksten pas afwijken. Hoe grooter
+nu die afwijkingen ter eene of andere zijde zijn, hoe moeijelijker
+zij zullen voorkomen, en nu zal de werking der wet van geschiktmaking
+maken, dat bij zeer veel passen de groote en kleine passen niet
+regelmatig, maar onregelmatig afwisselen. en dat de passen, het minste
+in grootte met den gemakkelijksten verschillende, meer dan die,
+er meer mede verschillen, zullen voorkomen [90]. Buitendien tracht
+de werking der wet van geschiktmaking, zonder de harmonie tusschen
+bijzondere en regelmatige zaken te schaden, hen meer algemeen,
+onveranderlijk en onregelmatig te doen worden.
+
+Hoe onveranderlijkheid en onregelmatigheid zamen kunnen gaan blijkt wel
+bij mengsels van vochten. Giet men bijv. voorzigtig wat wijn binnen
+water, zoo kan men maken dat beide vochten zich niet dadelijk egaal
+vermengen, en gedurende de verspreiding van den wijn binnen het water,
+wordt dan de aanblik van het gevulde glas gedurig anders. Schudt men
+dit echter op eene onregelmatige wijze, zoo wordt het mengsel overal
+egaal en de aanblik er van blijft steeds denzelfden.
+
+Het is voorts onjuist dat onregelmatigheid steeds gemis aan doel
+of geschiktheid zou aantoonen. Dat dit voor ons vaak het geval is,
+komt hier vandaan, dat wij het onregelmatige beschouwen uit een
+bijzonder en beperkt oogpunt, evenals bijv. een denkbeeldig wezen zeer
+onregelmatige vermenging van vochtdeelen van verschillende soort binnen
+ruimten slechts betrekkelijk weinig vochtdeelen bevattende. Zoo wij
+daarentegen het onregelmatige konden beschouwen uit een zeer algemeen
+oogpunt, bijv. op eene wijze, te vergelijken met die waarop wij de
+egale mengsels van verschillende vochten beschouwen, zoo zou dit
+begrip van wanorde en doelloosheid, door het onregelmatige verwekt,
+geheel bij ons verdwijnen.
+
+Wij hebben ons naar vele regelmatige toestanden, door gedurende voor
+ons lange tijden standvastige omstandigheden overheerscht, geschikt,
+en daarom schijnt ons het onregelmatige, dat bij de opvolgende
+gebeurtenissen op allerlei onvoorziene wijzen variatien teweeg brengt,
+ongeschikt. Dit echter verandert geheel, wanneer men groepen, elk
+uit zeer veel gelijksoortige gebeurtenissen bestaande, beschouwt,
+en aldus de gebeurtenissen uit een alsware in tijd en ruimte meer
+verheven standpunt waarneemt. Regelmatigheid doet alsdan die groepen
+verschillen en onregelmatigheid hen gelijk worden.
+
+Al onze statistieke berekeningen, waarbij men gebeurtenissen
+zooals geboorten, misdaden, ziekten enz. bij groepen van millioenen
+individuen beschouwt, zijn dan ook gegrond op de standvastigheid,
+welke de uiterst onregelmatige opvolging van zulke gebeurtenissen
+bij groote groepen er van teweeg brengt.
+
+Was dit niet het geval, zoo namelijk de werking der wet van
+geschiktmaking het voorkomen van dergelijke gebeurtenissen niet onder
+den invloed bragt van zeer vele accidentele omstandigheden, maar zij
+daarentegen steeds onder den invloed van enkele omstandigheden stonden,
+en de uitwerking hiervan, wegens derzelver verband dan met deze dan met
+gene andere omstandigheid, sterk veranderde, zoo zou het dan meer en
+dan minder voorkomen van dergelijke gebeurtenissen bij groote groepen
+van individuen, ons even onverklaarbaar voorkomen als het zich bevinden
+van eene groote overmaat van witte ballen bij veel blindelingsche
+trekkingen uit eene bus evenveel witte als zwarte ballen bevattende. Is
+daarentegen binnen die bus de overmaat der er in bevatte witte ballen
+even groot als bij de reeks van trekkingen, zoo zullen deze onder den
+invloed van velerlei accidentele omstandigheden kunnen zijn, en bij
+die achtereenvolgende trekkingen de onregelmatigheid aldus zeer groot
+kunnen zijn. Nu bestaat er verschil tusschen de omstandigheid dat
+die bus eene groote menigte van witte ballen bevat, en die waardoor
+uit eerstgemelde bus bij eene reeks van trekkingen er veel meer
+witte ballen dan zwarte uit de bus te voorschijn komen. Die eerste
+omstandigheid, bekend of niet, werkt namelijk steeds op dezelfde wijze,
+terwijl de tweede, naarmate zij zus of zoo met andere omstandigheden
+in verband staat, op geheel andere wijzen werkt. Zij is vergelijkbaar
+met de voorkeur die men, bij het ziende trekken, kan bezitten voor de
+eene of andere regelmatige afwisseling der witte en zwarte ballen bij
+de trekkingen. Die voorkeur kan zus of zoo zijn, tengevolge van eene
+onnaspeurlijke aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen. Nu kan de
+aanbieding der bus, eene overmaat van witte ballen bevattende, ook
+wel aldus ontstaan, maar zal, hoe ook ontstaan zijnde, desniettemin
+steeds eene omstandigheid zijn, leidende tot het blindelings trekken
+van meer witte dan zwarte ballen. Hoe velerlei omstandigheden bij de
+blindelingsche trekking van ballen er ook van invloed zijn, zij blijft
+steeds denzelfden invloed uitoefenen, terwijl daarentegen onbewuste
+voorkeur voor de eene of andere regelmatige wijze van trekking onder
+den invloed van allerlei omstandigheden, evenzeer moet veranderen als
+de gedragingen van menschen, welke de speelballen zijn van allerlei
+inblazingen [91].
+
+Bij ons menschen kunnen het karakter, het verstand, de positie
+enz. vergeleken worden met die verhoudingen tusschen de witte
+en zwarte ballen binnen gemelde bus, en de onder den invloed van
+velerlei accidentele omstandigheden zijnde reeks van denkbeelden met
+de aan allerlei invloeden blootgestelde bewegingen der handen bij de
+blindelingsche trekkingen.
+
+Ook epidemische ziekten zijn van die steeds denzelfden invloed
+uitoefenende omstandigheden. Zij kunnen toch niet, zus of zoo met
+andere omstandigheden in verband zijnde, het aantal sterfgevallen
+bij een groot getal individuen vergrooten of verkleinen.
+
+Hoe grooter het aantal veranderlijke omstandigheden, op eenig
+verschijnsel van invloed, is, hoe kleiner de kans voor regelmatigheid
+bij dit verschijnsel zal zijn. Het aantal dier veranderlijke
+omstandigheden steeds grooter blijvende dan de grootst eindige
+grootheid, zoo zou, zoo de invloed van elk die omstandigheden even
+groot was, die regelmatigheid bij het verschijnsel (dat uit eene reeks
+van met elkander in verband zijnde gelijksoortige gebeurtenissen
+kan bestaan) nul zijn. Dit is nu het geval niet, want op zulk een
+verschijnsel kunnen van invloed zijn vooreerst enkele omstandigheden,
+voorts een grooter aantal op eene zwakkere wijze, nog een grooter
+aantal op eene nog zwakkere wijze enz., zoodat die invloeden van
+al de veranderlijke omstandigheden kunnen uitgedrukt worden door
+zekere breedte bezittende bundels van ordinaten eener kromme lijn
+met de bolle zijde naar de abcissen as gekeerd, deze op eene grootst
+eindige distantie rakende, en met die as der abcissen en een ordinaat
+een eindigen inhoud omsluitende. Die inhoud stelt dan voor het totaal
+der invloeden van al die omstandigheden op het verschijnsel, en het is
+nu klaar dat voor zooverre die invloeden uiterst groot in aantal, maar
+uiterst gering zijn (bij dien inhoud voorgesteld door het uiterst lage,
+maar uiterst lange deel er van, het effect er van zal trachten het
+verschijnsel zoo onregelmatig mogelijk te doen zijn. Nu kunnen wel de
+sterkere invloeden der overige eindig in aantal zijnde omstandigheden
+(voorgesteld door het kortere maar hooge deel van gemelden inhoud) dit
+verschijnsel regelmatig trachten te doen worden, maar klaarblijkelijk
+die regelmatigheid min of meer gestoord worden. Zoo zullen bijv. de
+zuiver elliptische banen der planeten om de zon niet slechts door
+de werkingen der andere planeten, maar tevens, en dat wel op eene
+voor ons onwaarneembare, maar uiterst onregelmatige wijze, door het
+onnoemelijk getal der zich verplaatsende sterren gestoord worden.
+
+Die storing der regelmatigheid zal bijv. ook bestaan wanneer men
+blindelings maar te gelijk eene menigte van ballen uit de op blz. 308
+gemelde bus trekt, en zij dan maken dat de gelijktijdig getrokken
+ballen niet boven zeker aantal tot de witte ballen der bus zullen
+behooren.
+
+Bij het achtereenvolgens trekken van die ballen, zou men bij elke
+trekking iets dergelijks als in het zoo even gemelde geval verkrijgen,
+zoo de indrukken van een aantal vroegere trekkingen, gelijk aan dat
+van de ballen die men bij dit vorige geval tegelijk uit de bus trekt,
+onverflaauwd bleef bestaan. Dit is nu wel is waar niet het geval,
+edoch de verflaauwde indrukken der vorige trekkingen, gepaard met
+de volgende, zullen een geval vormen, gelegen tusschen het vorige
+en dat waarbij de vorige trekkingen van geen invloed op de volgende
+zijn, zoodat het zekere minimum van storing der regelmatigheid er bij
+kleiner dan in het eerste geval en grooter dan in het laatste, waarin
+dit minimum nul is, zal worden voor zooverre men de verschijnselen
+beschouwt met betrekking tot derzelver sterkte, kan men hen verdeelen
+in verschillende categorien, zoodat van die tot elk dezer categorien
+behoorende, het eene of andere dier verschijnsels in ruimte en tijd
+en plaats heeft. Zoo kan bijv. een dier categorien bevatten winden
+van verschillende sterkte. Overal in den atmospheer en gedurende
+al den tijd van het bestaan dezes zal de lucht circa in rust, of
+in meer of minder heftige beweging zijn. Ter wederzijde van meest
+voorkomende windsnelheden, door vrij standvastige omstandigheden
+voor elke plaats bepaald, bestaan er nu afwijkingen, met betrekking
+tot wier opvolging op eene zelfde, of wel gelijktijdige voorkoming op
+verschillende plaatsen, hetzelfde te zeggen valt als zie blz. 317 voor
+de afwijkingen van eene gemakkelijkste lengte van pas. De nagelaten
+sporen der snelheden van den wind gedurende de vorige tijden op
+eenige plaats en de menigte der omstandigheden op de windsnelheden
+van invloed zijnde, moeten bijv. regelmatige afwisseling van zwakke
+en sterke winden storen.
+
+Het lang na elkander voorkomen van hetzij zeer zwakke, hetzij zeer
+sterke winden, wordt reeds tegengegaan door de hunne oorzaken
+vernietigende gevolgen er van. In het eerste geval zal toch de
+dampkring door verdamping meer vochtig worden dan opdroogen door de
+condensatie van omhoog gevoerde dampen, daar waar de met den wind
+gepaarde rijzingen van lucht bestaan, en die meerdere vochtigheid der
+lucht aanleiding gevende tot een grooter verschil in vochtigheid er
+van op de eene en andere plaats, en aldus tot een grooter verschil
+in ijlheid der lucht, de rijzingen en dalingen der lucht en aldus
+ook den wind bevorderen [92].
+
+In het andere geval heeft het omgekeerde plaats, doch die gevolgen
+kunnen niet beletten, dat bijv. stormen in den winter om de dertig
+dagen voorvallen in plaats van dit meer ongelijk te doen. Die
+regelmatigheid kan slechts belet worden door de op blz. 321 gemelde
+invloeden van eene overgroote menigte van veranderende omstandigheden.
+
+Eene andere dier op blz. 323 gemelde categorien bevat de gedragingen
+der menschen jegens anderen. Deze kunnen toch weldadig, welwillend,
+onverschillig, onwelwillend en misdadig zijn. Eene derde categorie
+bevat de toestanden van gebouwen met betrekking tot brand, en men heeft
+hierbij, hevig branden, flaauw branden, de nabijheid van brandende
+gebouwen, of het bevatten van brand veroorzakende voorwerpen. Ook
+hierbij zullen de afwijkingen van den gemiddelden toestand, naarmate
+zij grooter zijn, in toeneming sterker belet worden door de werking der
+wet van geschiktmaking en door de op blz. 258 en 300 gemelde werking
+der wet der veranderlijkheid, zooals bijv. bij de meer afdoende
+pogingen tot blussching van hevige dan van flaauwe branden.
+
+De werking dier beide wetten bestaat ook bij de positieve en negatieve
+afwijkingen in menigvuldigheid van verschijnsels van zekere gemiddelde
+menigvuldigheid van voorkoming. Bij al deze gevallen zal niet slechts
+de op blz. 321 gemelde werking het regelmatig er van voorkomen, maar
+tevens, zooals zoo even gezegd is, het veel of weinig voorkomen er
+van tegengewerkt worden, en dit laatste met alsware grootere kracht
+dan het eerste geschieden. De werking van de wet van geschiktmaking
+gaat bijv. sterker tegen het zeer rijk worden van meer menschen dan
+gewoonlijk, dan het herhaald door hen trekken van hooge prijzen uit
+eene loterij, want er bestaan vele verschijnsels wier menigvuldigheid
+van voorkoming, enkel wegens de er door teweeg gebragte regelmatigheid,
+door de op blz. 321 gemelde werking der wet van geschiktmaking
+tegengaan wordt, en dit is bijv. met de zooeven gemelde herhaalde
+trekking van prijzen het geval. Periodiciteit, bijv. het achtervolgens
+dan dikwijls en dan zeldzaam voorkomen van verschijnsels wordt, als
+zijnde eene soort van regelmatigheid, door accidentele overheerschende
+omstandigheden voortgebragt, doch, wanneer de op blz. 267 gemelde
+werking der wet der veranderlijkheid dit dikwijls voorkomen tegengaat,
+door het, zooals op blz. 258 gezegd is, negatief worden van het eerste
+verschijnsel, zal op dien overvloed schaarste, daarna weder overvloed
+enz. volgen, en er aldus van lieverlede verzwakkende schommelingen en
+periodiciteit ontstaat. Deze zal alsdan door de op blz. 321 gemelde
+werking evenzeer gestoord worden als de uitwerking der zie blz. 309 de
+herhaling derzelfde zaak voortbrengende overheerschende omstandigheden.
+
+Bij het schieten naar eene schijf, zullen bijv. de sterkste afwijkingen
+ter regterzijde slechts, wegens de alsdan niet onregelmatige
+afwisseling er van met gemiddeld veelvuldiger voorkomende kleinere
+regtsche afwijkingen, belet worden in aantal veel grooter dan gemiddeld
+voor te komen, zoo de schutter niet het denkbeeld verkrijgt, dat hij
+dikwijls zoo sterk mis schietende als voor hem mogelijk is, zich gaat
+inspannen om juister te schieten. In dit geval beperkt de werking der
+wet van geschiktmaking niet slechts het misschieten bij elk schot,
+maar tevens de herhaling er van.
+
+Dit is insgelijks het geval bij de meeste feiten waarmede de statistiek
+zich bezig houdt, zooals bijv. misdaden, sterfgevallen enz. doch
+dit is niet de eenigste reden waarom onder zeer veel individuen
+die voorvallen binnen even groote tijden circa even veelvuldig
+voorkomen. Daartoe draagt ook bij een ons onbewust verband waarin
+zij, door tusschenkomst eener menigte van verschijnsels, tot elkander
+staan, waardoor zij, wegens de op blz. 321 gemelde reden in tijd en
+ruimte onregelmatig moeten voorkomen, omdat er anders, hetzij bij
+gelijktijdig voorvallende verschijnsels, hetzij bij de achtergeblevene
+sporen van vroegere verschijnsels met betrekking tot de huidige,
+te veel regelmatigheid zou ontstaan.
+
+Vandaar dat er niet, althans niet buiten zekere grenzen, gelijktijdig
+in eenig land, zooals men zegt bij toeval, zeer veel meer diefstallen
+dan gemiddeld gepleegd worden, en dat evenmin kort nadien dit
+aantal veel kleiner dan gemiddeld wordt, zonder dat de justitie en
+particulieren intusschen waakzamer geworden zijn en het straffen der
+diefstallen verscherpt is. Die diefstallen zijn te vergelijken met
+het trekken van bijv. gele ballen uit eene bus, ballen van allerlei
+andere kleuren bevattende, op eene onbewuste wijze voor het gevoel
+onderscheiden, en wier trekking met het voorvallen van de verschillende
+andere feiten, welke in de plaats van diefstallen kunnen plaats
+hebben, vergelijkbaar is; terwijl de verspreiding en de verhouding dier
+ballen van verschillende kleur binnen de bus, vergelijkbaar is met den
+stand van zaken aanleiding gevende tot die gelijktijdig voorvallende
+feiten van verschillende soort. Bij elke trekking, een groot aantal
+ballen bevattende, zullen de getrokken gele ballen niet buiten zekere
+grenzen in verhouding tot al die gelijktijdig getrokken wordende
+ballen kunnen afwijken van derzelver verhouding tot het totale aantal
+ballen binnen de bus, omdat er anders bij elk dier trekkingen eene te
+groote regelmatigheid zou ontstaan. Evenzoo bij de gelijktijdig maar
+op verschillende plaatsen gepleegde diefstallen. Niet slechts heeft de
+stand van zaken op elke plaats invloed op de aldaar gepleegde daden,
+maar tevens in zwakkere mate ook die op andere plaatsen. Niet alleen
+hebben de andere daden, ter plaatse waar de diefstal geschiedt tegelijk
+hiermede plaats hebbende, maar tevens die en aldus ook de diefstallen
+op andere plaatsen gepleegd, invloed op eerstgemelden diefstal [93].
+
+Op blz. 311 hebben wij gezegd dat, wanneer in de ruimte alsware
+tusschen gelijksoortige gebeurtenissen er eene menigte andere gelegen
+zijn, zij, door met betrekking tot elkander regelmatig of onregelmatig
+in te vallen, zeer weinig bijbrengen tot de regelmatigheid van
+het geheel, en als onafhankelijk van elkander ontstaan beschouwd
+kunnen worden. Men behoeft aldus het gelijktijdig voorvallen van
+bijv. diefstallen slechts te beschouwen over zulk een ruimte, dat er
+aldaar gemiddeld zeer veel ongeveer gelijktijdig geschieden. Is nu
+dit aantal buitengewoon veel grooter dan gemiddeld, zoo bestaat er
+eene regelmatigheid welke de vrucht moet zijn van eenige accidentele
+overheerschende omstandigheden tegelijk bij al die plaatsen, waar die
+diefstallen begaan worden, van invloed zijnde. Die regelmatigheid
+moet toch eene oorzaak bezitten, daar op blz. 321 aangetoond, is,
+dat die oorzaak niet in het totaal der zeer geringe invloeden van
+een uiterst groot aantal omstandigheden kan bestaan, wordt aldus het
+bestaan dier eerste oorzaak ontkent door iemand die regelmatigheid aan
+het toeval toeschrijft, zoo bekent hij tevens dat de laatste oorzaak
+alleen bestaat, en deze kan slechts, zooals op blz. 321 gezegd is,
+onregelmatigheid en geene zoogenaamde toevallige regelmatigheid
+voortbrengen.
+
+Hieruit blijkt tevens dat bijv. diefstallen op verschillende plaatsen,
+zooals men zegt, onafhankelijk van elkander gepleegd, invloeden op
+elkander uitoefenen, die te zamen met velerlei andere even weinig
+waarneembare invloeden niet verwaarloosd mogen worden, want zij
+behooren, of tot die menigte van zeer geringe invloeden waardoor,
+zooals op blz. 321 gezegd is, onregelmatigheid ontstaat, of zij
+worden teweeg gebragt door de enkele overheerschende omstandigheden
+bij die verschillende plaatsen tegelijk werkende, waardoor er bij het
+voorkomen dier diefstallen regelmatigheid kan ontstaan. Alsdan kan
+men niet met juistheid zeggen, dat de diefstallen onafhankelijk van
+elkander gepleegd worden, zoodat, wanneer bijv., bij gemis aan afspraak
+van dieven op velerlei plaatsen, of van dergelijke omstandigheden,
+men bij de gewone wijze van spreken mag zeggen, dat die diefstallen
+niet anders dan onafhankelijk van elkander kunnen gepleegd zijn,
+zoo zij onder den invloed derzelfde enkele op verschillende plaatsen
+tegelijk werkende overheerschende omstandigheden ontstaan zijn, deze al
+zeer zwak moeten zijn, en de er door teweeg gebragte regelmatigheid,
+door de op blz. 321 gemelde werking, noodzakelijk zeer sterk gestoord
+moet worden.
+
+Wanneer de omstandigheden, van invloed op gelijksoortige verschijnsels,
+wier wijze van herhaling in tijd of ruimte men wenscht na te gaan,
+ook onderling meer op elkander van invloed zijn, zal de regelmatigheid
+bij die voorkoming dier verschijnsels binnen naauwere grenzen besloten
+blijven. Enkele dier omstandigheden zullen dan toch moeijelijker
+een eenigen tijd aanhoudenden overheerschenden invloed in denzelfden
+geest kunnen blijven uitoefenen, omdat alsdan de grootere invloed van
+andere omstandigheden er op dit gedurig meer verhindert. [94] Dit zal
+insgelijks het geval zijn, zoo die invloed van eenvoudigen aard is,
+omdat dan elk dier omstandigheden meer geinfluenceerd wordt door elk
+der andere op eene wijze in verhouding der aanraking tusschen beide,
+en eerstgemelde omstandigheden gedurig met andere, of op eene andere
+wijze met dezelfde omstandigheid in aanraking komen. Zijn daarentegen
+die invloeden van meer zamengestelden aard, zoo kan eene omstandigheid
+meer ongevoelig blijven voor vele andere waarmede zij in directe
+aanraking komt, en daarentegen sterk den invloed ondervinden van enkele
+omstandigheden, in tijd of ruimte er betrekkelijk ver van verwijderd.
+
+Dit is in sterke mate het geval bij de omstandigheden daargesteld door
+de wijze van denking die men willen noemt. Iemand wil, tengevolge
+eener voor geheele wijziging zeer vatbare gril, bijv. witte ballen
+uit eene bus nemen, en, ofschoon dan zwarte ballen meer bij de
+hand kunnen liggen, neemt hij toch moeijelijker te bereiken witte
+ballen. Zoo zullen, wanneer de dieven nemen wat het gemakkelijkste
+en met het minste gevaar te stelen is, de gedurende elke week
+gepleegde diefstallen onder eene groote bevolking, wegens gebrekkige
+onregelmatigheid van voorkoming minder veranderen, dan zoo die
+diefstallen gepleegd worden nadat derzelver daders berekeningen
+gemaakt hebben. Tusschen twee havens varende stoomschepen, wier
+machines steeds met evenveel kracht werken, en die aan allerlei
+winden en accidentele stroomen blootgesteld zijn, zullen langs de
+distantie tusschen die twee havens steeds op eene vrij onregelmatige
+wijze verspreid moeten zijn. Hangt daarentegen de kracht waarmede de
+machines dier vaartuigen werken af van den wil hunner gezagvoerders,
+zoo zal die verspreiding regelmatiger kunnen zijn, al bestaat er
+geene dit bevorderende afspraak tusschen die gezagvoerders.
+
+Gesteld dat de werking van den wil dier gezagvoerders niet bestaat,
+zoo zullen bij gemelde vaartuigen, bij zekere regelmatige verspreiding
+van sommige hunner, de winden, de stroomen, golven enz. invloeden,
+waarbij de indruk dier regelmatigheid bestaat, op de andere vaartuigen
+overbrengen. [95] Gezamentlijk met de voorgaande, bestaan nu bij
+die overige vaartuigen een uiterst groot aantal andere invloeden
+van water en lucht, welke, zooals op blz. 321 gezegd is, door hun
+aantal en hunne veranderlijkheid iets onregelmatigs zullen trachten
+teweeg te brengen. Zoo aldus de min of meer regelmatige ligging dier
+overige vaartuigen, in verband met die der eerstgemelde beschouwd,
+eene sterkere regelmatigheid, dan door de ligging van eerstgemelde
+vaartuigen wordt voortgebragt, daarstelt, dienen de van deze op die
+andere vaartuigen overgebragte regelmatige invloeden sterker te zijn,
+en zich hierbij te paren aan dergelijke invloeden bij die overige
+vaartuigen. Dit kan naar ons inzien, niet anders geschieden, dan zoo
+die min of meer regelmatige invloeden bij elk vaartuig aanwezig en van
+de andere er naar toe overgebragt, door enkele voor al de vaartuigen
+in denzelfden geest werkende omstandigheden worden voortgebragt.
+
+Onder de omstandigheden, op de ligging dier vaartuigen van invloed
+zijnde, behoort echter ook de behandeling er van door derzelver
+bemanning. Al wordt nu die behandeling geheel bepaald door de
+betrekking dier vaartuigen met de winden, golven en stroomen,
+zoo zal veel hiervan op die bepaling dier behandeling van zeer
+weinig en enkele zaken, hier en nu anders dan elders en later, van
+veel invloed kunnen zijn. Die behandeling kan aldus staan onder den
+overheerschenden invloed van enkele, volstrekt niet steeds op dezelfde
+wijze van invloed zijnde, accidentele omstandigheden, en daar zij
+sterken invloed uitoefent op de ligging dier vaartuigen, deze alsdan
+gemiddeld meer onder den invloed van enkele en gemiddeld minder onder
+den invloed van zeer vele veranderlijke omstandigheden komen. Dit
+nu is wel is waar geene bestendige oorzaak van meer regelmatige
+onderlinge ligging dier vaartuigen, maar wel eene oorzaak, waardoor
+de invloeden van zeer vele veranderlijke omstandigheden er op zwakker
+kunnen worden. Het is aldus mogelijk dat alsdan de op blz. 321 gemelde
+werking, waardoor de regelmatigheid tegengegaan wordt, zwakker wordt.
+
+Eene overheerschende omstandigheid kan ergens, zooals op blz. 309
+gezegd is, regelmatigheid voortbrengen, en eene andere overheerschende
+omstandigheid elders eene andere regelmatigheid veroorzaken, zonder
+dat beide soorten van regelmatigheid, wegens het verband waarin zij
+tot elkander staan, iets regelmatigs vormen. Is dit daarentegen wel het
+geval, en zelfs zoo op beide plaatsen er geene regelmatigheid bestaat,
+maar onregelmatigheden, welke, door bijv. min of meer identiek te zijn,
+wegens derzelver onderling verband eene regelmatigheid daarstellen, zoo
+moet deze door voor beide plaatsen gemeenschappelijke overheerschende
+omstandigheden teweeg gebragt worden. Anders toch zou de wegens dit
+onderlinge verband ontstaande regelmatigheid zonder oorzaak zijn, en
+aldus de ook met betrekking tot dit onderlinge verband onregelmatigheid
+voortbrengende werking der wet van geschiktmaking alleen heerschen.
+
+Naar mate echter die twee plaatsen in de ruimte, of wanneer
+het tijdstippen geldt waarop die, wegens hun onderling verband,
+regelmatigheid voortbrengende gebeurtenissen plaats hebben, deze
+in den tijd verder van elkander gelegen zijn, dat is, wanneer
+er tusschenbeide alsware meer gebeurtenissen liggen, zullen de
+omstandigheden, regelmatigheid wegens onderling verband voortbrengende,
+bij dezelfde sterkte dier regelmatigheid, zwakker kunnen zijn. De
+werking der wet van geschiktmaking zal dan toch, door tusschenkomst
+der invloeden van eene zeer groote menigte van omstandigheden, bij
+de tweede plaats de regelmatigheid met betrekking tot hetgeen, op
+de eerste plaats geschied is, slechts kunnen storen, voor zoo verre
+hetgeen aldaar geschied is, bij die tweede plaats van invloed is. Is
+nu die verzwakking, bij grootere betrekkelijke verwijdering in tijd of
+ruimte, sterker dan die der omstandigheden, bij beide plaatsen, of op
+beide tijdstippen, eene, zooals hierboven gezegd is, door onderling
+verband ontstaande regelmatigheid voortbrengende, zoo zal deze bij
+groote verwijdering in ruimte of tijd grooter kunnen worden [96].
+
+Zoo bijv. thans ergens in Europa iemand, de kleur der ballen
+onderscheidende, eene reeks hiervan uit eene bus trekt, en over eene
+eeuw iemand anders in Amerika dit ook doet, zal de eerste reeks van
+trekkingen zekere invloeden hoe gering ook op de andere uitoefenen,
+en de regelmatigheid bij de verhouding tusschen beide reeksen van
+trekkingen tot zekeren graad hoe gering ook door op blz. 321 gemelde
+werking der wet van geschiktmaking verstoord worden.
+
+Zoo er nu slechts in beide gevallen sprake kan zijn om de witte of
+zwarte ballen, met betrekking tot derzelver afwisseling, slechts op
+een bepaald aantal verschillende wijzen uit die bus te trekken, kan de
+zucht naar varieteit maken, dat in beide gevallen de trekkers dit op
+al die wijzen doen, en dat aldus in beide gevallen, in tijd en ruimte
+zoover van elkander gelegen, er identieke reeksen van trekkingen plaats
+hebben. De omstandigheid, welke dan in die beide gevallen tegelijk
+werkt, is de zucht om uit bussen, witte en zwarte ballen bevattende,
+met onderscheiding der kleuren, deze bij de getrokken ballen op een
+zeker aantal verschillende wijzen te doen afwisselen.
+
+Zoo daarentegen in beide gevallen slechts eene reeks van trekkingen
+en wel blindelings gedaan wordt, en dat in beide gevallen de witte
+en zwarte ballen op de onregelmatigste, maar in elk dier gevallen
+op volmaakt dezelfde wijze afwisselen, zoo dient de invloed van
+eene voor beide gevallen gemeenschappelijke omstandigheid hiervan
+de oorzaak te zijn, en zal deze die overeenstemming tusschen de
+beide reeksen van trekkingen moeijelijker te weeg kunnen brengen,
+naarmate die reeksen elk uit meer trekkingen bestaan. Die voor beide
+reeksen gemeenschappelijke omstandigheid kan in dit geval niet in
+eene voorbedachtelijke imitatie in het tweede geval van hetgeen in
+het eerste heeft plaats gehad bestaan, en dient dan wel derzelver
+invloed van de trekking in Europa, tot die eene eeuw later in Amerika
+op eene gelijksoortige wijze overgebragt te hebben als de sporen dier
+geheele eerste trekking. De oorzaak, die overeenstemming tusschen
+beide reeksen van trekkingen voortbrengende en die deze verstorende,
+moeten aldus beide in dit geval uiterst zwak zijn, en zullen dit nog
+meer worden, zoo tusschen de reeksen van trekkingen in beide gevallen
+er nog meer liggen, omdat de invloeden der eerste trekking hierdoor
+meer verloren gaan dan door andere zaken.
+
+De werking der wet van geschiktmaking wischt namelijk vooral zaken
+uit door andere er mede gelijksoortige later voorvallende zaken,
+zie blz. 182, want die uitwissching of liever omzetting geschiedt
+niet van zelf, hiertegen verzet zich de werking der wet der traagheid.
+
+Men moet echter zeer voorzichtig zijn bij de ontkenning dat bij
+gevallen, in tijd en ruimte ver van elkander gelegen, er geene
+onderlinge regelmatigheid tusschen hen kan ontstaan dan op dezelfde
+wijze waarop die gevallen zelve van invloed op elkander zijn. Die
+regelmatigheid tusschen twee gevallen kan toch, even als de absolute
+regelmatigheid bij een geval, dikwijls ontstaan op wijzen wel in
+zekeren zin gelijksoortig met die wij kennen en aldus niet door het
+toeval, maar op wijzen buiten onzen kring van kennis of, wegens hare
+zwakte, buiten onzen kring van waarneming gelegen.
+
+De invloeden der daden der bewoners dezer aarde op die der bewoners
+van de planeet Venus moeten bijv. uiterst gering zijn, en toch zouden
+al de bewoners der dagzijde dezer aarde onbewust bijna te gelijk iets
+gelijksoortigs kunnen doen, en, zoo de bewoners der dagzijde van Venus,
+tengevolge der op blz. 232 gemelde werking der wet van geschiktmaking,
+gevoelig zijn voor de warmte der zon, ook zij iets dergelijks doen. Een
+onwaarneembare vermindering der warmte der zon, tengevolge van het
+ontstaan eener zonnevlek, zou toch de oorzaak hiervan kunnen zijn.
+
+Bij het geval van blz. 312 bestaat er voor al de waarneembare
+ruimtedeelen van het mengsel eene omstandigheid, welke zekere
+onderlinge regelmatigheid tusschen hetgeen bij die ruimtedeelen
+bestaat, namelijk de gelijkheid tusschen de verhouding
+der verschillende vochten, bij elk hunner teweeg brengt. Die
+omstandigheid is namelijk dat door roering voor alle de quantiteit
+van het bijgeschonken vocht dezelfde wordt gemaakt.
+
+Wij besluiten uit dit een en ander, dat de regelmatigheid bij gevallen
+en de onderlinge regelmatigheid tusschen verschillende gevallen binnen
+enge grenzen beperkt is, tenzij bijzondere oorzaken, kennelijk van
+anderen aard dan de invloeden tusschen de deelen dier gevallen, of
+tusschen deze laatste onderling, haar voortbrengen, en dat voorts
+de uitwerkingen en het belangrijke van zulke regelmatigheden niet
+buiten zekere grenzen kunnen afwijken van de sterkte dier bijzondere
+oorzaken. Deze werking der wet van geschiktmaking komt ons menschen
+zeer te pas, want, omringd van min of minder regelmatige bijzondere
+zaken, is het voor ons noodig de oorzaken er van te kennen en hierop
+te kunnen rekenen, en desniettemin doet onze fantaisie ons somtijds
+gelooven dat er regelmatige zaken bestaan, waar wij weten dat de
+oorzaken er van niet aanwezig kunnen zijn.
+
+Dat regelmatigheid in tijd of ruimte door enkele op verschillende
+tijdstippen, of op verschillende plaatsen overheerschende
+omstandigheden voortgebragt moet worden, volgt alsware uit het bestaan
+van regelmatigheid in de herhaling of periodieke herhaling derzelfde
+zaken. Voorts kan eene gebrekkige regelmatigheid zamengesteld worden
+uit eene volmaakte regelmatigheid on eene volslagene onregelmatigheid.
+
+Bij het voorbeeld der op blz. 327 gemelde diefstallen heeft men,
+al vallen deze in tijd of ruimte zoo onregelmatig mogelijk voor,
+wel is waar eene herhaling derzelfde zaak, doch hiervoor te gelijk
+eene in tijd en ruimte overheerschende omstandigheid, namelijk die in
+eene maatschappij tot diefstallen aanleiding gevende. Bestaat er nu
+buiten deze regelmatigheid eene tweede, namelijk die, welke met een
+volstrekt onregelmatig voorkomen dier diefstallen zamengesteld, vormt
+eene gebrekkige regelmatigheid van voorkoming er van, zoo bestaat die
+tweede regelmatigheid in eene periodieke herhaling derzelfde zaak, en
+moet zij de vrucht van andere overheerschende omstandigheden zijn. [97]
+
+Trouwens verschijnsels, onder den invloed staande van verschillende
+omstandigheden, tracht men, ten einde de invloeden elk dezer te vinden,
+alsware te ontleden in verschillende regelmatige verschijnsels, en wel
+in meer, naarmate die omstandigheden meer in aantal zijn. Dan echter
+wordt de regelmatigheid van het resulterende verschijnsel van meer
+zamengestelden aard en meer onregelmatig, en moet het zulks volstrekt
+worden als die er op van invloed zijnde veranderlijke omstandigheden
+in aantal onnoemelijk zijn, en dat geene derzelver overheerscht, want
+in dit laatste geval kan het verschijnsel eene op uiterst zamengestelde
+wijze gestoorde eenvoudige regelmatigheid vertoonen, zie Noot blz. 328.
+
+Op blz. 278 hebben wij aangetoond dat zaken geene plotselinge
+veranderingen er van in grootte kunnen ondergaan, zoodat veranderingen
+er van in grootte aangeduid zullen kunnen worden door de ordinaten
+van nergens niet afgeronde hoeken bezittende kromme lijnen. Zoo
+aldus zaken, aan een steeds grooter wordenden drang tot vergrooting
+onderworpen raken, zal derzelver grootte gedurende de achtervolgende
+tijdstippen door de ordinaten eener van af zeker punt oploopende en met
+de bolle zijde naar de abcissenas gekeerde kromme voorgesteld kunnen
+worden. Vergroot die drang later niet meer, en wordt hij daarna steeds
+kleiner, om eindelijk nul te worden, zoo zal die kromme een buigpunt
+verkrijgen, vervolgens steeds flaauwer oploopen en met de holle zijde
+naar de abcissenas gekeerd zijn, en eindelijk hiermede paralel loopen.
+
+Wanneer oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, en
+aldus de drang tot vergrooting bij het gevolg steeds versnellende
+grooter zou worden, zoo de werking der wet van geschiktmaking zie
+blz. 262 de vergrooting der oorzaak niet tegenging, zal dit gevolg
+wel is waar aan een na zekeren tijd steeds trager, maar nog steeds
+toenemenden drang tot vergrooting blootgesteld zijn, maar, daar de
+werking der wet van geschiktmaking ook de vergrooting van dit gevolg
+tracht tegen te gaan, en, even als bij de oorzaak, in sterkere mate,
+naarmate het grooter is, het zijn, of er bij beide eene eerst toe en
+later afnemende vergrootende werking bestaat. De werking der wet van
+geschiktmaking kan nu wel de vergrooting van eenig verschijnsel zeer
+moeijelijk maar niet onmogelijk maken, en verkeert daaromtrent steeds
+in het geval van als bij eene van derzelver werkingen, namelijk den
+tegenstand van het water tegen drijvende vaartuigen. [98] Hoe snel ook
+deze bewegen, de vergrooting der voortstuwende kracht kan desniettemin
+eene ofschoon uiterst geringe vergrooting der snelheid van het vaartuig
+teweeg brengen. Vandaar dat alsdan de op blz. 336 gemelde ojiefvormige
+kromme, wier ordinaten de achtervolgende grootten van het bovengemelde
+gevolg verschijnsel aangeven, eerst bij eene oneindig groote abcis en
+eene eindig groote ordinaat met de abcissenas paralel zal loopen. [99]
+Gesteld dat nu de stoommachine van dit vaartuig sterker gestookt wordt,
+naarmate de snelheid hiervan meer bedraagt, zoo zal de werking der
+wet van geschiktmaking de versterking van het vuur steeds meer gaan
+belemmeren, en klaarblijkelijk zulk een vaartuig eerst versnellende,
+maar later vertragende in snelheid toenemen, zonder dat ooit de aanwas
+in snelheid geheel ophoudt.
+
+Dit zal insgelijks het geval zijn, zoo het gevolg, hierbij de snelheid
+van het vaartuig, de oorzaak, hierbij het stoken der machine, niet
+versterkt. Ook dan zal het gevolg, ofschoon niet noemenswaardig nimmer
+geheel ophouden met in grootte toe te nemen, doch dit wel bij de
+oorzaak het geval zijn. Deze zal eerst versnellende daarna vertragende
+en na zekeren eindigen tijd in het geheel niet meer toenemen aldus
+even als de ordinaten der op blz. 336 gemelde ojiefvormige kromme.
+
+Op blz. 307 hebben wij gezegd, dat een gevolg, door zekere oorzaak
+opgewekt, deze kan versterken, onveranderd laten, vernietigen en daarna
+zelfs negatief maken [100]. Een ongeschikte toestand van zaken kan
+bijv. opwekken, het er over oordeelen en dien ten gevolge handelingen
+van menschen. Zijn alsdan die handelingen oordeelkundig, zoo zullen zij
+het derde te weeg brengen, of wel het vierde, wanneer zie blz. 259 en
+267 die ongeschikte toestand gerekend wordt te bestaan met betrekking
+tot een gemiddelden toestand en een uitslag naar de andere zijde
+hiervan een nog wenschelijker toestand te weeg kan brengen.
+
+Handelingen, ten gevolge van slecht oordeelen begaan brengen
+daarentegen het eerste of tweede voort, namelijk zij laten den
+ongeschikten toestand onveranderd, of versterken dien.
+
+Dit geschiedt daarentegen door handelingen, ten gevolge van goed
+oordeelen begaan, zoo die toestand geschikt is, en geperpetueerd dient
+te worden, terwijl in dit geval handelingen, ten gevolge van slecht
+oordeelen begaan, het derde, of somtijds ook het vierde voortbrengen.
+
+Wanneer er twee partijen tegen elkander strijden, kan elk dezer
+een voor haar al of niet werkelijken ongeschikten toestand trachten
+weg te nemen, en het gevolg namelijk den strijd voor de overwonnene
+partij bij dien ongeschikten toestand het eerste of tweede en voor
+de overwinnende partij het derde of vierde voortbrengen. Die door
+die ongeschikte toestanden opgewekten strijd wordt op zijne beurt
+door uitputting van een of van de beide partijen vernietigd, en de
+partij, die de ongeschiktheid van hare toestand het beste beoordeelt,
+zal gemiddeld de zege behalen, zie blz. 288 [101]. Dit is ook van
+toepassing op den strijd tusschen het hoogere en lagere, zooals
+bijv. tusschen beschaafde en onbeschaafde volken, tusschen aanhangers
+van lagere en hoogere godsdiensten, zie blz. 287. Neemt men hierbij
+den gemiddelden vooruitgang van het menschdom niet in aanmerking,
+zoo zal de meerdere geschiktheid van dit hoogere of van dit lagere
+gemiddeld aan dit of gene de zege verschaffen.
+
+Het ten gevolge van den drang tot vooruitgang zich verwijderen van het
+lagere, zie blz. 287, is eene werking van de wet der veranderlijkheid,
+waarbij het gevolg deszelfs oorzaak min of meer versterkt; doch de
+pogingen om zich tegen de achterwaarts trekkende werking van het lagere
+te verzetten, en om het verkregen hoogere te behouden, zijn werkingen
+der wet van geschiktmaking en van de wet der veranderlijkheid,
+waarbij het gevolg deszelfs oorzaak (in dit geval de afwijking van
+het lagere van het verkregen hoogere) te vernietigen. De werking der
+wet van geschiktmaking tracht steeds ook, zonder dat er strijd in den
+algemeensten zin plaats heeft, van lieverlede ongeschiktheden te doen
+verdwijnen bijv. door bij de partij, wier uiterlijke magt derzelver
+hulpbronnen overtreft, zijnde die gemiddeld aangevallen wordt, die
+ongelijkheid weg te nemen, zie blz. 289.
+
+De gevolgen van verschijnsels zullen op deze de beide eerste,
+of de beide laatste der op blz. 338 gemelde uitwerkingen hebben,
+al naar gelang zij, zie blz. 296 in contact komen en den invloed
+ondervinden van andere verschijnsels, zoo of tegengesteld zijnde,
+zooals bijv. het komen der op blz. 338 gemelde handelingen onder den
+invloed van personen met of zonder oordeel en overleg. De op blz. 307
+gemelde gevolgen, dient men, zie blz. 70, steeds met derzelver oorzaken
+gelijkslachtig te stellen, en aldus in de stoffelijke en geestelijke
+wereld alsware een uiterst groot aantal zich somtijds vertakkende,
+somtijds ophoudende reeksen van gelijkslachtige, uit elkander
+voortspruitende verschijnsels aan te nemen. Van ongelijkslachtige
+oorzaken en gevolgen kan er eigenlijk geen sprake zijn, doch wel kan
+het contact met andere er niet gelijkslachtig mede zijnde zaken, deze
+laatste wijzigen, waardoor de gelijkslachtige gevolgen hiervan anders
+worden, zie blz. 296 en 299. Vandaar is het op blz. 302 gezegde, dat
+ligchaamsbewegingen gevolgen van geestelijken aard kunnen opwekken,
+niet naauwkeurig. Van die bewegingen wijzigt het contact geestelijke
+werkingen, waardoor deze andere gevolgen, er mede gelijkslachtig en
+aldus insgelijks van geestelijken aard, opwekken. Zoo zal bijv. van
+de menschelijke daad, bestaande in het werpen van brandstof in eenen
+vuurhaard, het contact met de mededeeling der gloeijing van deelen
+brandstof aan andere deelen, deze mededeeling wijzigen, en hierdoor het
+hiervan gelijkslachtige gevolg, namelijk de vrijmaking van de latente
+warmte binnen de zuurstof der lucht bevat door gloeijende brandstof,
+anders namelijk sterker worden.
+
+De warmteontwikkeling bij het vuur is een gevolg van die vrijmaking
+dier zuurstofwarmte door gloeijende deelen brandstof, en zou steeds in
+sterkte toenemen, zoo de werking der wet van geschiktmaking, in reden
+der sterkte der warmte bij het vuur, die warmte er niet van afvoerde.
+
+De er mede gelijkslachtige oorzaak van het vrijmaken der zuurstofwarmte
+door gloeijende brandstof, is de mededeeling dier gloeijing van
+het eene stuk brandstof aan het andere, en deze oorzaak wordt door
+derzelver gevolg versterkt, zoodat dit in sterkte versnellende
+zou toenemen, ware het niet, dat zekere werking der wet van
+geschiktmaking, in de uitbranding der brandstof bestaande, zelfs bij
+eene onbeperkte hoeveelheid hiervan, die sterkte eindelijk vertragende
+deed toenemen. De werking der wet der veranderlijkheid doet echter de
+mededeeling der gloeijing der brandstof als gevolg opwekken het niet
+meer voorhanden zijn hiervan, terwijl de vrijmaking der zuurstofwarmte
+door de gloeijende deelen brandstof als gevolg opwekt het blusschen
+van het vuur, en beide die gevolgen zullen nu werken, zooals in noot
+blz. 300 gezegd is, namelijk derzelver oorzaken vernietigen [102].
+
+Het werpen van brandstof in het vuur behoort daarentegen tot eene
+andere reeks van gelijkslachtige oorzaken en gevolgen. Tot oorzaak
+heeft dit werpen voorafgaande handelingen van den stoker, en tot gevolg
+zekere het stoken opvolgende handelingen, en wel zal op het stoken het
+contact van het vuur van invloed kunnen zijn, maar enkel als eene er
+mede ongelijkslachtige zaak. Die hevigheid van het vuur moet toch niet
+noodwendig het stoken sterker of zwakker doen worden, zie blz. 297.
+
+De werkingen der wet van geschiktmaking hebben wij niet onder de
+gevolgen van hiermede gelijkslachtige oorzaken begrepen, omdat
+die werkingen steeds evenredig blijven met de sterkte der zaken,
+waardoor zij opgewekt worden, terwijl daarentegen de in werkingen
+der wet der veranderlijkheid bestaande gevolgen door de er mede
+gelijkslachtige oorzaken versterkt worden. Eveneens tracht het
+contact, tusschen ongelijkslachtige, of (zie het voorbeeld van 260)
+tusschen gelijkslachtige verschijnsels, als oorzaak de er door
+teweeg gebragte wijzigingen bij die verschijnsels door zijn duur
+te versterken. Deze somtijds niet ontstaande wijzigingen, werkingen
+der wet der veranderlijkheid, kunnen beschouwd worden als gevolgen
+van dit contact en door terugwerking kunnen zij dit verzwakken of
+versterken. Zoo kan bijv. de verwarming van het ligchaam, door het
+contact met een vuur, tot gevolg hebben, dat dit ligchaam tot het
+vuur nadert, of er zich van verwijdert, en aldus dat dit contact
+grooter of kleiner wordt. De vergrooting dier wijzigingen, ten
+gevolge, der opwekkende werking van het contact, wordt, even als
+op blz. 262 gezegd is, vertragende gemaakt door de werking der wet
+van geschiktmaking. Dit is bijv. het geval, wanneer het gezigt van
+eenig voorwerp het denken er over versterkt. Allerlei andere opkomende
+gedachten maken dan, dat zie blz. 117 en 183 die over dit voorwerp na
+zekeren tijd in sterkte slechts vertragende kan toenemen. Voorts kan
+de werking der wet der veranderlijkheid maken, dat zulk een gewijzigd
+wordend verschijnsel in contact komt met een ander, en dat dit laatste
+contact eene tegengestelde wijziging er bij opwekt, zooals bijv. bij
+het voorbeeld, zie blz. 341, van het contact van het vuur met iemand,
+die dit tracht te blusschen. Somtijds kan dan zulk een verschijnsel
+wijzigingen dan in deze en dan in tegenovergestelde rigting ondergaan,
+doordat die eerste positieve wijziging alsware het contact noopt
+negatief te worden, zie blz. 258.
+
+Accidentele omstandigheden ten gevolge van wijzigingen, tot oorzaken
+het contact van allerlei andere zaken hebbende, zullen echter
+dergelijke verflaauwende schommelingen verstoren.
+
+Wanneer gevolgen derzelver oorzaken onveranderd laten, of wel
+versterken, kunnen zij zelve door een gevolg van henzelve vernietigd
+worden, zonder dat hierdoor die oorzaak aangedaan wordt. Dit is
+bijv. het geval, wanneer eenige blijvende zaak de menschen leidt
+tot handelingen, waarmede zij na zekeren tijd wegens eenige rede
+ophouden. Zoo een gevolg deszelfs oorzaak vernietigt, zonder deze
+negatief te doen worden, zal, zoo bij dit gevolg de slijtende
+werking der wet van geschiktmaking niet bestaat, het in grootte
+steeds vertragende toenemen. Wederkeerige verzwakking, zie blz. 261,
+kan ontstaan tusschen twee verschijnsels, waarvan het eene tijdens
+het begin dier wederkeerige verzwakking bestaat en negatief of
+tegenovergesteld zijnde, als gevolg door het andere zou opgewekt
+worden onder wederkeerige versterking van gevolg en oorzaak.
+
+Het verschijnsel, dat bij die wederkeerige versterking de oorzaak is,
+ontstaat bij de wederkeerige verzwakking later dan het andere, en wel
+op eene wijze tegengesteld aan die, waarop het bij de wederkeerige
+versterking vernietigd wordt. Dit bijv. geschiedt bij nadering en
+botsing van twee hemelligchamen bij derzelver aantrekking door de
+opgewekte afstooting, zie blz. 283, terwijl bij de wederverwijdering
+dier beide hemelligchamen de aantrekking weder ontstaat door de
+verdwijning der afstooting. Dit is nu wel is waar een gevolg der
+sterkte van verwijdering dier beide ligchamen, doch het is klaar, dat
+deze niet op dezelfde wijze die aantrekking opwekt als verzwakt. Bij
+wederkeerige versterking eene oorzaak, door derzelver gevolg versterkt,
+en door eene andere werking van dit gevolg, onder medewerking hiervan
+met iets anders, vernietigd wordende, zoo zal bij de wederkeerige
+verzwakking eerstgemeld gevolg negatief zijnde en als verschijnsel
+bestaande, slechts door medewerking met iets anders die oorzaak
+opwekken. [103]
+
+De werking der wet van geschiktmaking zal bij zulk eene wederkeerige
+verzwakking het bovengemelde bestaande verschijnsel en het later
+opgewekte sneller doen verzwakken, zoo die zelfde werking in het
+omgekeerde geval de vergrooting, zoo van de oorzaak als van het deze
+versterkende gevolg verzwakt.
+
+Eene goede omgeving, waakzaamheid en voorzigtigheid kunnen iemands
+gedrag beter doen worden, en de goede uitkomsten van zulke maatregelen
+nopen hen te versterken. Later kan echter dit verbeterde gedrag,
+zamenwerkende met bijv. slechte raadgevingen, die maatregelen overbodig
+doen achten, en tot vernietiging er van leiden. Het tegenovergestelde
+verschijnsel van het gevolg dier maatregelen is nu slecht gedrag, en
+dit als verschijnsel bestaande, kan gepaard met goede raadgevingen,
+opwekken waakzaamheid, voorzigtige behandeling, het brengen in goede
+omgeving, enz. Deze zullen klaarblijkelijk op dit slechte gedrag (ook
+buitendien door de slijtende werking der wet van geschiktmaking van
+lieverlede vernietigd wordende) eene verzwakkende werking uitoefenen,
+edoch ook die maatregelen kunnen door den duur van dit slecht gedrag,
+door eene wegens niet genoegzaam resultaat ontstane moedeloosheid,
+verzwakt worden, terwijl zij buitendien als iets bijzonders aan zekere
+slijting onderhevig zijn.
+
+De op blz. 165 gemelde wijzigingen der onregelmatige
+aantrekkingstrillingen van den ether door het bestaan binnen deze van
+bijzondere ligchamen, zullen die aantrekkingstrillingen regelmatig
+doen worden.
+
+Bij de onregelmatige afstootings- of warmtetrillingen van den ether
+heeft dit insgelijks plaats door het bestaan van bijzondere ligchamen,
+omdat die trillingen op de van deze ligchamen uitgaande stralen zulk
+eene wijziging ondergaan, dat zij deels worden transversale trillingen,
+waarbij het aantal trillingen per seconde even groot is als bij dat
+der warmtetrillingen dier bijzondere ligchamen. Wanneer die stralen
+tusschen twee ligchamen, waarvan het eene warmte opslurpt, loopen,
+zal het aantal dier transversale ethertrillingen gelegen zijn tusschen
+die bij de warmtetrillingen dier beide ligchamen bestaande. [104]
+Ook bij deze laatste soort van trillingen bestaat er in zooverre
+regelmatigheid, dat de temperaturen, gemeten door het aantal der
+trillingen per seconde, van het eene punt naar het andere min of
+meer egaal af of toenemen. Dit belet echter niet dat het overgaan
+in dergelijke warmtetrillingen van bijv. geluidsgolven eene de
+onregelmatigheid bevorderende werking der wet van geschiktmaking is. De
+aantrekking van massas digter dan en onderscheiden van den ether,
+aldus van iets bijzonders, perst om zich heen gassen te zamen, doet
+deze condenseren, onder vermindering der banen der warmtetrillingen
+en verhooging van het aantal dezer per seconde, of anders gezegd
+onder overgang van latente warmte in vrije warmte. Bij nog sterkere
+zamenpersing, waarbij de afgifte van vrij geworden warmte voortgaat,
+kunnen die vochten stollen, en daar nu de onregelmatigheid bevorderende
+werking der wet van geschiktmaking vochten en ook vaste ligchamen
+(voor zooverre deze niet verrotten) doet verdampen, en aldus een
+omgekeerden overgang der stof te weeg brengt, moeten de vochten in
+het algemeen in een meer bijzonderen toestand dan de gassen en in
+minder bijzonderen toestand dan de vaste ligchamen verkeeren.
+
+Terwijl dan ook bij de vloeistoffen, wier deelen zeer verschuifbaar
+zijn, binnen gelijke kubieke ruimten, betrekkelijk weinig moleculen
+bevattende, het aantal dezer zeer zal verschillen, en daarentegen
+binnen gelijke kubieke ruimten, zeer veel moleculen bevattende, dit
+aantal betrekkelijk zeer weinig verschilt, zie blz. 311, moet bij
+de vaste ligchamen en vooral bij de elastieke, het tegenovergestelde
+plaats hebben.
+
+Wordt bijv. een elastiek vast ligchaam verticaal ingedrukt, zoo zet
+het zich in horizontale rigting uit, en moeten in die rigting de
+aantrekkingen tusschen de zich van elkander verwijderende moleculen
+grooter dan derzelver afstootingen worden, en het omgekeerde in
+de verticale rigting plaats hebben. Anders toch zou het ligchaam,
+na het ophouden der indrukking, deszelfs primitieve gedaante niet
+weder kunnen hernemen.
+
+Dit nu zal slechts mogelijk zijn, zoo er tijdens de indrukking geene
+blijvende verschuiving van moleculen plaats heeft, dat weder slechts
+mogelijk is, zoo de aan elkander grenzende uiterst kleine kubieke
+ruimten, elk niet veel moleculen bevattende, er ongeveer evenveel
+inhouden. Dat de kubieke ruimten, elk zeer veel moleculen bevattende,
+er bij de vaste ligchamen niet evenveel inhouden, hetgeen vooral bij
+de zeer merkbaar poreuse onder hen het geval is, belet daarentegen
+dit niet blijvende zijn der onderlinge verschuiving der moleculen
+niet, mits de moleculen massas, tusschen die porien gelegen, dik
+genoeg zijn om niet te breken. Bij de stolling van vochten moet
+er aldus iets plaats hebben, als op blz. 313 gezegd is, namelijk,
+door het gelijktijdig dringen van veel moleculen naar eene plaats
+en het zich gelijktijdig verwijderen van andere plaatsen, er eene
+grootere regelmatigheid ontstaat [105]. Eene soort van veerkracht
+als die der vaste ligchamen bezitten de vloeistoffen niet, dan voor
+zooverre zij kleverig zijn, en derzelver moleculen aldus niet volmaakt
+verschuifbaar zijn. Het niet bevatten van evenveel moleculen door
+evengroote ruimten, er elk niet veel van inhoudende, moet voorts bij de
+vochten in verband gebragt worden met de moleculaire warmtetrillingen,
+bij hen, wegens het bevatten van meer latente warmte, grooter zijnde
+dan bij de vaste ligchamen.
+
+Bij chemische verbinding heeft er, even als bij stolling en
+condensatie, overgang van gebondene in vrije warmte plaats, terwijl bij
+chemische verbinding gemiddeld, ofschoon niet steeds, de stoffen van
+den gasvorm tot den toestand van vochten of vaste ligchamen gebragt
+worden. In het algemeen kan dus chemische verbinding beschouwd
+worden als eene werking der wet der veranderlijkheid in strijd met
+de onregelmatigheid verwekkende werking der wet der geschiktmaking,
+zie blz. 251. Het is echter eene primaire werking dier laatste wet,
+welke, door de stoffen chemisch te ontleden, de ontbondene meer dan
+de verbinding op de natuur van den ether doet gelijken. Waar er toch
+chemische verbindingen bestaan, kunnen, terwijl die primaire werking
+hen tracht te ontleden, secondaire werkingen dier wet, zie blz. 24,
+er andere stoffen mede in harmonie brengen, door deze chemisch met
+elkander te verbinden. Een dergelijke secundaire werking is bijv. de
+verbinding der metalen met de zuurstof, waardoor er met de natuur
+van de aardkern en van de anorganische aardkorst, alsware in harmonie
+zijnde chemische verbindingen ontstaan. De scheikundige verwantschap
+tusschen stoffen is toch niet zoo zeer iets aan deze eigen, dan
+wel het gevolg der omstandigheden waarin zij zich bevinden. De
+vochtigheid, de warmte enz. hebben er grooten invloed op, en men
+kan zich even goed zie blz. 159 een hemelbol van meer etherachtige
+en chemisch minder zamengestelde natuur dan onze aarde denken,
+alwaar ijzeroxyde zonder kunstmiddelen, door opneming en binding der
+warmte van omgevende ligchamen en verbreking der moleculen door de
+vergrootende warmteafstooting, in ijzer en zuurstof overgaat, alsdat op
+deze aarde bijv. de planten in water en koolzuur ontleed worden. [106]
+
+Zoo kan het weren van bederf, eene tertiaire werking der wet van
+geschiktmaking, namelijk eene met betrekking tot de organische stoffen
+zelve zijn; terwijl dit bederf zelf eene secondaire werking dier wet
+is, wegens de disharmonie tusschen de levende organismen en de aarde,
+zie blz. 94. Tusschen die twee werkingen der wet van geschiktmaking
+bestaat er nu een strijd, maar waarbij zoo, zie blz. 195, geene
+werking der wet der veranderlijkheid gedurig nieuwe levende organismen
+vormde, de tertiaire werking even goed het onderspit zou delven,
+als de verdediging van een staat, noch op de nationaliteit, noch
+op de behoeften der ingezetenen gebaseerd, of zie blz. 256 later
+geschikt kunnende worden, voor de ondermijning van het bestaan van
+zulk een staat. De drang der vaste stoffen en vochten om te verdampen,
+zie blz. 316, ontstaat ten gevolge eener primaire werking der wet
+van geschiktmaking, en secundaire werkingen hiervan met betrekking
+tot de aarde kunnen een tegenovergesteld effect uitoefenen. Die
+secundaire werkingen kunnen bijv. gerekend worden hier op aarde
+alles in harmonie te brengen met den toestand van hare kern en korst,
+zoo de aarde zeer ver van de zon gelegen was, en tot zulke werkingen
+behooren dan de gedurige uitstraling door de aarde van opgeslurpte
+zonnewarmte, het vervoer van warmte van den evenaar naar de polen,
+enz. De nabijheid der aarde van de zon is toch, zie blz. 161, eene
+bijzonderheid, die de werking van blz. 163 zal trachten op te heffen,
+doch er bestaan tertiaire werkingen der wet van geschiktmaking
+trachtende alles op deze aarde te brengen in harmonie met haren
+gemiddelden toestand met betrekking tot de zon. Alle afwijkingen
+hiervan, zoo periodieke als accidentele, zal die tertiaire werking
+der wet van geschiktmaking trachten te vernietigen. Hierdoor wordt
+er bijv. van de dag- en zomerzijde der aarde warmte gevoerd naar de
+nacht- en winterzijde, en hierdoor zullen, wanneer de zonnewarmte
+veel water heeft doen verdampen, die dampen later condenseren, iets
+dat niet zou plaats hebben, zoo de aantrekkingskracht der aarde die
+dampen niet zamenperste, en hen daardoor belette ten gevolge der op
+blz. 345 gemelde primaire werking der wet van geschiktmaking steeds
+meer uit te zetten [107].
+
+Electriciteit kan kwalijk als in harmonie met de verdeeling der warmte
+beschouwd worden, omdat de beide electriciteiten neiging bezitten om
+elkander te vernietigen onder overgang der elektrieke beweegkracht in
+warmte zie blz. 251, welke laatste zich dan evenzoo, ten gevolge der
+werking der wet van geschiktmaking, verspreid, als zekere hoeveelheid
+wijn, binnen water gestort, zulks doet.
+
+Eene primaire werking van gemelde wet put de snelheid van den wind
+uit, doch, met betrekking tot de wentelende en aan de zonnewarmte
+blootgestelde aarde, zal eene secundaire werking dier wet slechts alle
+afwijkingen van zekere constante hoofdwinden trachten te vernietigen
+[108]. Evenzoo is het met de zeestroomen gelegen, en men kan aannemen,
+dat eene tertiaire werking der wet van geschiktmaking alle afwijkingen
+van constante stroomen met betrekking tot door vaste landen en
+eilanden afgebroken en ongelijk diepe zeeen vernietigt, terwijl zie
+blz. 254 eene secundaire werking dier wet, zooals bijv. het afvallen
+en afschuiven van aardsche voorwerpen, de aardkorst overal met eene
+zee van gelijke diepte tracht te bedekken.
+
+Dat de werking der wet van geschiktmaking zaken in harmonie met
+volgens zekere regels veranderende toestanden tracht te brengen,
+ofschoon alsdan die harmonie steeds onvolmaakt blijft, hiervan is
+reeds op blz. 233 gesproken. Meer primaire werkingen dier wet zullen
+echter die regelmatige veranderingen trachten te vernietigen.
+
+Het kenteeken van harmonie bij zaken is het gemis er bij van oorzaken
+van verandering anders dan die, wegens het zijn dier zaken binnen de
+veranderlijke wereld, voortspruiten, en onder laatstgemelde oorzaken
+moeten ook geteld worden die welke de zaken, waarmede gene in verband
+staan, wijzigen. Gesteld toch, dat er harmonie bij eene zaak bestaat,
+zoo zal, bij verandering van het verband er van met andere zaken,
+die harmonie verbroken worden, zooals bijv. die bij de constante
+zeestroomen bij verandering der kusten.
+
+Men kan zich voorts ook voorstellen, dat er harmonie bestaat bij
+eene bijzondere zaak afhangende van eene meer algemeene. Verandering
+bij deze laatste kan dan zelfs maken, dat er van die bijzondere
+zaak later geene questie meer kan zijn, zooals bijv. van het goed
+verdeelen van levensmiddelen binnen ingeslotene vestingen na het
+ontzet dezer. In de werkelijkheid bestaat er slechts een volmaakt
+harmonischen toestand, namelijk de onveranderlijke en algemeenste
+veropenbaring der zelfstandigheid door denking en beweging. Bij alle
+andere meer of minder bijzondere zaken bestaan er echter alsware
+door het zijn er van geboren werkingen, welke die zaken zoodanig
+trachten te wijzigen, dat deze in een nieuwen, wegens de gedurige
+werking van allerlei accidentele oorzaken, nimmer volmaakt bereikt
+wordenden toestand gekomen zijnde, die er uit voortgesproten werkingen
+zouden ophouden te bestaan. Deze zijn nu die wij de werkingen der
+wet van geschiktmaking genaamd hebben. Toestanden, uit met elkander
+in verband zijnde zaken bestaande, worden er door meer harmonisch
+gemaakt door wijziging dier verschillende zaken, en wel zoo, dat die
+het moeijelijkste kunnen gewijzigd worden, of wel het meeste op die
+toestanden van invloed zijn, door de werking der wet van geschiktmaking
+het minste gewijzigd worden, zie blz. 265 en 289.
+
+Wanneer oorzaken gevolgen verwekken, welke hen vernietigen, moeten
+die gevolgen de toestanden, waarvan die oorzaken eenige der met
+elkander in verband zijnde zaken vormen, meer harmonisch maken, zoo
+tevens die gevolgen door het bestaan dier toestanden geboren worden,
+omdat alsdan die oorzaken het karakter van afwijking bezitten. Zoo
+bijv. omdat het peil der moraliteit bij eene maatschappij grooter is
+dan die van een slecht mensch, er deel van uitmakende, deze zoodanig
+wordt behandeld, dat de slechtheid van zijn karakter vernietigd wordt,
+zal die maatschappij in zedelijkheid meer harmonisch worden, daar
+dan toch derzelver leden elkander minder door omgang en voorbeeld in
+moraliteit zullen doen veranderen.
+
+Zoo echter derzelver oorzaken vernietigende gevolgen niet tevens
+door de zoo even gemelde toestanden geboren worden, behoeven zij de
+harmonie bij het een of ander niet te bevorderen, en zelfs kunnen
+dergelijke gevolgen, door in het algemeen verandering te weeg
+te brengen, de harmonie bij met elkander in verband zijnde zaken
+verstoren. Terwijl toch die oorzaken hier als ware buiten liggen,
+kunnen derzelver gevolgen er in grijpen, zie blz. 342. Hetzelfde valt
+op te merken omtrent gevolgen derzelver oorzaken versterkende, doch,
+wegens eene bijzondere rede, zullen dergelijke gevolgen de harmonie bij
+toestanden verstoren, wanneer zij zaken, die, met andere in verband,
+zulke toestanden vormen, op eene wijze tegengesteld aan die, welke uit
+dien toestand voortspruit, wijzigen, namelijk wanneer afwijkingen er
+door versterkt worden. Zoo men bijv. iemand, boven zijne medemenschen
+in deugd uitstekende, zoodanig beloont, dat hij nog meer boven deze
+gaat uitsteken, is dit niet tevens het gevolg van de betrekking,
+waarin zijne zedelijkheid staat tot die zijner medemenschen, maar
+wel van het niet voldoen dezer aan de eischen van hun zedelijk en
+maatschappelijk bestaan. Door zulke verheffingen van individuen wordt
+echter niet de harmonie bij een toestand van zaken bevordert, want op
+blz. 277 hebben wij gezegd, dat door dit meer harmonisch worden van
+zulk een toestand, de door het wezen er van geboren werkingen, door
+zwakker te worden, hen minder zullen trachten te wijzigen. Nu is wel
+is waar de zedelijkheid der menschen in verband met de eischen van hun
+zedelijk bestaan, maar tevens met de werking der zinnelijkheid, en de
+terugtrekkende werking hiervan zal sterker zijn, naarmate de menschen
+meer aan de eischen van hun zedelijk bestaan voldoen. Eene uit hun
+wezen, en hetgeen hiermede in verband staat, voortspruitende werking
+tracht alsdan, in plaats van eene flaauwere, eene sterkere wijziging
+tot stand te brengen. Op blz. 270 hebben wij wel is waar gezegd, dat
+bij menschen, aan de eischen van hun maatschappelijk bestaan voldoende,
+de bij hun geest bestaande ongeschiktheid op een minimum zou zijn, doch
+hierbij is hun verband met de zinnelijkheid, met het dierlijke egoïsme,
+zie noot blz. 139, niet in aanmerking genomen. Bij toestanden van met
+elkander in verband zijnde zaken, waarbij de eene dezer dien toestand
+zus en andere hem op eene tegengestelde wijze tracht te wijzigen,
+en waarbij aldus het gemis aan eene er uit voortspruitende werking,
+hem trachtende te wijzigen, ontstaat, doordat dergelijke werkingen
+elkander opheffen, bestaat er buitendien slechts in zeker opzigt
+harmonie. Voor harmonie in alle opzigten zoude geen dier zaken zulk
+eene den toestand wijzigende werking moeten trachten uit te oefenen.
+
+Men dient wel het goede van het harmonische te onderscheiden. Het kan
+bijv. gebeuren, dat iets goeds, in zamenwerking met andere oorzaken,
+een gevolg verwekt dat het vernietigt, doch daar zie blz. 351 het
+harmonische iets is, dat uit zich zelf geene aanleiding tot verandering
+er van geeft, kan het een dergelijk gevolg niet verwekken. Goede
+zaken kunnen, zie blz. 338, bestendigd worden door de uitwerking van
+er door opgewekte gevolgen, terwijl daarentegen harmonische zaken,
+door de werking der traagheid in stand gehouden wordende, zoo zij
+geene storing door er niet uit voortspruitende zaken ondervinden,
+dergelijke gevolgen niet kunnen opwekken.
+
+Bij het harmonisch maken van met elkander in verband zijnde zaken,
+kan er slechts sprake zijn van hetgeen die harmonie verstoort te
+vernietigen, en zoo nu die storing bestaat in gemis aan iets, zal dit
+gemis, als oorzaak werkende, een gevolg opwekken, dat het vernietigt en
+aldus aanvult. Zoo nu dit gemis opwekt een gevolg dat deszelfs oorzaak
+niet vernietigt, zal dit gevolg niet tevens door de afwijkingen van
+den harmonischen toestand bij zoo even gemelde zaken geboren worden.
+
+Het schoone, dat wij op blz. 97 gezegd hebben te zijn de innerlijke
+harmonie bij zaken, moet meer uit zich zelf geene aanleiding geven
+tot veranderingen er bij dan het goede, of de geschiktheid van iets
+voor hetgeen waarmede het in verband komt, zie blz. 271. In ons werk
+getiteld: "Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.",
+blz. 501, hebben wij de stelling ontwikkeld, dat het schoone bij
+den gemiddelden toestanden van zaken bestaat, en nu zijn het juist
+de afwijkingen van zulke gemiddelde toestanden, zooals die der juist
+geproportioneerde menschelijke gestalte, die uit zich zelf natuur en
+kunst nopen om hen te doen verdwijnen.
+
+Geschiktheid van iets voor verschillende, bijv. zie blz. 231, ten
+gevolge van ongelijke verandering, op verschillende hoogten gekomen,
+en aldus met betrekking tot elkander onharmonische zaken, kan binnen
+eene in tijd en ruimte veranderlijke wereld slechts onvolkomen
+zijn, en uit dien hoofde zullen de toestanden, waarbij dergelijke
+geschiktheid bestaat, uit zich zelve aanleiding tot verandering er
+van geven. Wetten kunnen bijv. gewijzigd worden, ten einde er dan
+deze en dan gene belangen mede te bevredigen, al zijn zij zoo goed
+mogelijk. Moet het wetboek verbeterd worden, zoo wijst het zich niet
+van zelf aan hoe slechts de afwijkingen van dit wetboek van een dat
+goed is, behoeven vernietigd te worden, en leemten er in wijzen niet
+even bepaald de aanvulling aan, als bij eenig menschenligchaam het
+gemis der neus aanwijst, dat er eene neus bij zou behooren, om het op
+het door geene afwijkingen mismaakte menschelijke ligchaam te doen
+gelijken. Zulk eene leemte in een wetboek kan zeer wel, als oorzaak
+werkende, als gevolg handelingen bij wetgevers hebben, welke, na
+vergelijking der voor- en nadeelen er van, haar laten bestaan en zelfs
+versterken. Om aan reeds bestaande eischen bij het oude wetboek, aldus,
+zonder dat de behoeften der maatschappij veranderd zijn, te voldoen,
+kan men oude wetten in zekeren zin beginnen te wijzigen, en het gevolg
+of de bearbeiding dier wetten leiden tot versterking der wijziging.
+
+Veranderen de eischen der omstandigheden, zoo verandert ook het
+goede, terwijl het harmonische zulks blijft, al verliest het ook
+zijn objectief bestaan. In dit laatste geval verkeert bijv. eene
+despotieke regeering met een tal van verspieders, een huurleger,
+geheime regtspleging enz. in de beschaafde wereld, alwaar vooral
+de middelpartijen, ten koste van harmonie en consequentie, goede
+regeringen wenschen daar te stellen.
+
+Men make voorts onderscheid tusschen disharmonie, wegens door
+accidentele oorzaken ontstane afwijkingen bij eene zaak, terwijl deze
+overigens gelijksoortig blijft met die zaak, zoo die afwijkingen
+niet bestaan, en disharmonie, wegens het met elkander in verband
+zijn van ongelijksoortige zaken. De eerste soort van disharmonie
+wordt bijv. voortgebragt door de ongelijkheden van de aardkorst,
+door de ongelijke verdeeling der warmte, de ongelijkheid in rijkdom
+der menschen, enz. De tweede soort van disharmonie bestaat bijv. bij
+het verband tusschen de planten en de onbewerktuigde aarde, bij
+dat tusschen ziel en ligchaam, en verschilt hierin met de eerste,
+dat, terwijl hierbij de vernietiging der afwijkingen, ter vorming
+van een geschikten toestand, slechts van eene zijde geschiedt,
+zij bij die tweede soort van twee zijden en alsware zie blz. 348
+tegen elkander in plaats heeft. De planten, waarbij er, tusschen
+derzelver contact met andere zaken als oorzaak en derzelver grootte
+als gevolg, wederkeerige versterking plaats heeft, trachten, ten
+bate van haren toestand, de onbewerktuigde stof organisch te maken,
+terwijl de aarde, ter bevordering van derzelver harmonischen toestand,
+het tegenovergestelde poogt te doen, en hierdoor onder anderen de
+vergrooting der planten, zie blz. 336, limiteert. Nu moge bij beide die
+met elkander in strijd zijnde geschiktmakende werkingen gedeeltelijk
+uit dezelfde soorten van veropenbaring der zelfstandigheid door
+beweging, zooals aantrekking, warmte, electriciteit enz. bestaan,
+ofschoon er wel bij de organische werkingen zullen bestaan, die bij
+de onbewerktuigde aarde gemist worden, het blijft niettemin waar, dat
+men hier niet met eene de planten voortbrengende aarde te doen heeft,
+omdat alsdan dier planten bestaan in den harmonischen toestand dier
+aarde in derzelver betrekking tot de zon alsware bevat zou zijn.
+
+Wel is waar schikken de planten zich hiernaar, maar slechts ten
+bate van haar eigen toestand, even als vijanden zich naar elkander
+schikken, ten einde elk voor zich op de doeltreffendste wijze voordeel
+te verschaffen. [109], zie blz. 339. In wereld der verscheidenheid gaat
+dit een en ander ook door voor andere met elkander in verband zijnde
+zaken, elk strevende naar een eigen harmonischen toestand, doch die
+wereld der verscheidenheid moet tevens die der veranderlijkheid zijn,
+zoodat de streving naar al die verschillende harmonische toestanden
+van meer of minder algemeenen aard gedurig tegengewerkt wordt. Onder
+die veranderingen, en wel zie blz. 69, als gevolg van de accidentele
+veranderingen in het algemeen beschouwd, bevindt zich nu ook die,
+waarbij de ontwikkeling van het op blz. 194 gemelde eigenlijke wezen,
+dier naar eene eigene harmonie strevende zaken, vergroot wordt, totdat
+die kernen, wanneer derzelver ontwikkeling de palen der eindigheid
+bereikt heeft, volkomen zamensmelten en harmonisch worden met de
+onveranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en
+door denking.
+
+Wanneer de handelingen van wezens een doel hebben, strekken zij om
+bij het een of ander geschiktheid te weeg te brengen, al zij het
+dat hierdoor bij andere zaken, zelfs die van meer verheven aard,
+de ongeschiktheid vergroot wordt, en daar de wezens die doelen,
+zie blz. 267 niet op de meest directe wijze trachten te bereiken,
+kan het gebeuren, dat zij daarvoor niet den juisten weg inslaan. De
+rest hunner handelingen zijn, of zooals men zegt toevallig, of wel
+gedwongen, waarin men hen alsware als verbonden aan de handelingen
+van anderen kan rekenen. Voor de handelingen, niet uit de denking
+der eindige wezens voortvloeijende, geldt hetzelfde, uitgezonderd
+het bereiken van doelen op niet volstrekt directe wijze, en aldus
+de mogelijkheid om niet op den juisten weg te zijn om die doelen
+te bereiken. [110] Zoowel de handelingen, die niet, als die wel
+voortvloeijen uit de denking der zie blz. 144 afgescheidene wezens,
+zijn aldus deels toevallig, en ware dit het geval niet, zoo zou
+de verscheidenheid, het gedurig ontstaan van nieuwe toestanden,
+waarvoor geschiktheid moet gevormd worden en de hierdoor ontstaande
+ontwikkeling der wezens gemist worden. Op blz. 299 hebben wij gezegd,
+dat de verschijnsels bevatten bijzonderheden, deze bijzonderheden
+andere nog sterker dan de voorgaande van het algemeene afwijkende
+enz. Elk dezer verschijnsels bestaat nu uit met elkander in contact
+zijnde, elkander wijzigende en gevolgen opwekkende handelingen van
+de afgescheiden eindige wezens, of wel van het Oerwezen, voor zoo
+verre dit zie blz. 170 eene veranderlijke natuur bezit. Elke oorzaak
+is een verschijnsel, elk gevolg insgelijks, elke werking der wet van
+geschiktmaking vormt, hetzij afzonderlijk, hetzij, zooals bij het geval
+van blz. 259, vereenigt met derzelver oorzaken uitputtende gevolgen,
+verschijnsels, het in stand blijven van zaken, ten gevolge der wet
+der traagheid, doet dit insgelijks. Elk dier verschijnsels bevat nu
+meer bijzondere verschijnsels, in elk dier gevallen kunnende vormen
+oorzaken, gevolgen werkingen der wet van geschiktmaking en werkingen
+der wet der traagheid, hiervoor gaat weder hetzelfde door enz., totdat
+men komt tot de meest bijzondere verschijnsels op blz. 300 aangegeven.
+
+Iemands goed gedrag, eene oorzaak het beloonen tot gevolg hebbende,
+kan bijv. beschouwd worden als een verschijnsel bevattende bijzondere
+daden, zijnde oorzaken of gevolgen van andere daden, of wel, even als
+op blz. 342 gezegd is, wijzigingen voortbrengende contacten tusschen
+toestanden, of het wennen dan aan deze dan aan gene toestanden, of
+het gedurende eenigen tijd blijven in toestanden, niet alleen wegens
+geschiktheid er voor, maar tevens omdat men er verkeert.
+
+Het zich voegen van een landverhuizer naar een vreemd klimaat en een
+vreemden maatschappelijken toestand, kan ook beschouwd worden als een
+verschijnsel, een menigte meer bijzondere verschijnsels bevattende,
+en hierbij weder al de gevallen bij de bijzondere verschijnsels van
+het voorgaande geval voorkomen. Het volhouden bij eenmaal aangenomen
+meeningen, waardoor nieuwe en grootere wetenschappelijke gehalte
+bezittende denkbeelden, vaak zoo traag bij het publiek ingang vinden,
+zie blz. 212, deels eene werking der traagheid, kan alsmede aangemerkt
+worden als een verschijnsel bevattende vele bijzondere verschijnsels
+zijnde oorzaken of gevolgen van andere dergelijke verschijnsels,
+benevens werkingen der wet der geschiktmaking en der traagheid.
+
+De werkingen der anorganische aarde, der levende organische natuur en
+der kunst oefenen invloeden op elkander uit, even als dit bijv. doen
+de daden der verschillende soorten van werklieden, zooals smeden,
+metselaars en timmerlieden. Evenzeer als nu deze allen bijv. een last
+kunnen ophalen, en nogthans elkanders werk niet kunnen doen, evenzeer
+kunnen de anorganische aarde, de organische natuur en de kunst,
+eene zelfde werking verrigten, (bijv. eene van osmotischen aard)
+en desniettemin niet dezelfde producten leveren. Zoo kan bijv. de
+kunst evenmin een boomblad daarstellen, als de levende organische
+natuur een uurwerk kan maken zie blz. 195.
+
+De werking der wet der traagheid, benevens de standvastigheid te weeg
+brengende werking der wet van geschiktmaking moeten de indrukken van
+dezelfde zaken bij de wezens dezelfde houden, tenzij zie blz. 333
+oorzaken, van den aard als die men kan leeren kennen, die indrukken
+veranderen, zooals bijv. het anders zien der voorwerpen bij het scheel
+zien enz. [111]
+
+De werking der wet van geschiktmaking leidt de wezens om door opmerking
+en oordeel met juistheid te leeren kennen wat waar, schoon, goed en
+verheven is, omdat zij zie blz. 178 het vooruitloopen der controlerende
+aanschouwing en der kritiek door de meeningen der menschen tracht te
+verminderen, en de beoordeeling van veranderde of nieuwe toestanden
+van zaken van lieverlede juist tracht te doen worden.
+
+Die werking overwint van lieverlede de traagheid, zoowel bij gewoonten
+als bij meeningen, die geen grond van bestaan meer bezitten, zoodat
+haar bestaan het sceptieke gezegde, dat de menschen geene gronden
+voor hunne handelingen kunnen bezitten, en veroordeeld zijn om de
+gewoonten te volgen, valsch maakt.
+
+Overdrijving van deugden bestaat zie blz. 271 in het te veel
+verzuimen van het eigenbelang in het heden ten bate van toekomstige
+en vreemde belangen. Verbastering van deugden daarentegen in het
+tegenovergestelde, of wel in het gemis aan paring van intellectuele
+ontwikkeling met zedelijke ontwikkeling zie blz. 293. Men bedenke
+hierbij dat, wegens de invloeden van ligchaam en omgeving op den
+geest der wezens (bij de menschen kleiner dan bij de dieren) zij in
+de opvatting van hun genoegen in het heden zeer verschillen; de een
+doet bijv. dat genoegen in veiligheid en rust, de ander in het begaan
+van roekelooze daden, de derde in verkwisting, de vierde in doellooze
+verzameling van goederen bestaan.
+
+Somtijds ontstaan er evenwigtstoestanden, wanneer eene blijvende
+oorzaak een gevolg opwekt, en dit weder een ander gevolg, dat het
+vorige tracht te vernietigen en negatief te maken. Is toch dit eerste
+gevolg nul geworden, zoo zal het tweede niet meer versterkt worden,
+en het eerste even sterk negatief trachten te doen worden, als de
+oorzaak het in de positieve rigting tracht te vergrooten.
+
+Zoo zal bijv. de aantrekking der aarde een bij twee punten
+ondersteunden zwaren balk met toenemende sterkte trachten te vervormen;
+terwijl de overmaten van moleculaire aantrekking en afstooting binnen
+dien balk, hiervan de doorbuiging zullen trachten te vernietigen, en
+ten gevolge der veerkracht negatief te doen worden. Bij zekere sterkte
+van doorbuiging kan nu de drang tot vergrooting hiervan door deszelfs
+oorzaak, de aantrekking der aarde, opgewogen worden door den drang tot
+verkleining er van door het gevolg dier doorbuiging. Bestendig meer
+vraag naar eenige waar, heeft tot gevolg verhooging van den prijs er
+van, terwijl deze vergrooting van het bod opwekt. Zijn nu de prijzen
+weder even hoog als vroeger geworden, zoo zal dan die meerdere vraag
+hen evenzeer trachten op te voeren, als dit tweede gevolg hen tracht
+te verlagen.
+
+Bij dergelijke gevallen bestaan er twee in tegengestelde rigting
+werkende verschijnsels, welke uit zich zelf aanleiding tot verandering
+zou kunnen geven. Men heeft aldus dan wel zie blz. 12 een toestand van
+evenwigt, maar niet van harmonie. De steunpunten van bovengemelden balk
+kunnen bijv. zijn menschen, die zulk een zwaren last slechts gedurende
+korten tijd kunnen torschen, en zooeven gemelde vraag behoeft niet
+steeds door een voortdurend grooter verbruik van eene waar te ontstaan.
+
+Wij hebben op blz. 352 gezegd dat, naarmate afwijkingen van harmonische
+toestanden kleiner worden, de werking der wet van geschiktmaking hen
+trager zal vernietigen. Dit geschiedt bijv. wanneer al de deelen
+van brandstoffen tegelijk branden, daar alsdan de omvang van het
+vuur gaandeweg zal verminderen. Zooals op blz. 358 gezegd is,
+kan echter zulk eene werking bevatten bijzondere verschijnsels,
+zijnde werkingen der wet der veranderlijkheid, waarbij de gevolgen
+de oorzaken versterken of vernietigen. Zoo kan bijv. bij het in het
+algemeen verbranden van organische stoffen, derzelver reductie tot
+anorganische stoffen versterkt worden door mededeeling der gloeijing,
+zie blz. 341, doch ook verzwakt worden door ontstaand gebrek aan
+nabij gelegen brandstof.
+
+Een zamengesteld doel, zie blz. 257, een gevolg zijnde der
+verscheidenheid in de ruimte, zoo kan bij zaken, er voor bestemd, zie
+blz. 306, geene volmaakte geschiktheid ontstaan, doch de geschiktheid
+bij die zaken kan dan verder gedreven worden, dan zoo het doel
+veranderlijk is, en die zaken, zie blz. 230, niet voor verandering
+vatbaar zijn.
+
+Een zamengesteld doel bestaat bijv. bij het zie blz. 305 te gelijk
+trachten te voldoen aan den welstand der menschen op deze aarde en
+aan derzelver geestelijke ontwikkeling zie blz. 270. Hoe het eerste
+geschaad wordt ten bate van het laatste, blijkt bijv. somtijds bij
+het strijden en niet toegeven ter wille der eer.
+
+Accidentele afwijkingen van een bijzonderen harmonischen toestand
+wekken, terwijl de werking der wet van geschiktmaking hen tracht
+te vernietigen, als gevolgen, zie blz. 265, afwijkingen van een
+anderen aard bij dien toestand op; de laatste afwijkingen weder andere
+enz. Het bijzondere van zulk een toestand maakt namelijk het opwekken
+van dergelijke gevolgen mogelijk, zoodat, hoe algemeener karakter
+die toestand bezit, hoe zwakker die reeks van uit elkander volgende
+afwijkingen zal zijn.
+
+Bestond er geene slijtende werking der wet van geschiktmaking,
+zoo zouden, wanneer de gevolgen derzelver oorzaken trachten te
+vernietigen, die vernietiging gemiddeld opwegen tegen de opwekkende
+werking dier oorzaken bij derzelver gevolgen, en aldus de leden van
+bovengemelde reeks gemiddeld gelijk aan elkander zijn zie blz. 265. De
+latere moeten daarentegen grooter worden, zoo de gevolgen derzelver
+oorzaken onveranderd laten of versterken, zoodat, wanneer het een en
+het ander plaats heeft, en zooeven gemelde slijtende werking bestaat,
+de latere leden der reeks noch steeds grooter, noch steeds kleiner dan
+de vorige zullen worden. Nu bestaan er op elk oogenblik eene menigte
+van afwijkingen van zulk een bijzonderen harmonischen toestand, en
+elk dier afwijkingen brengt eene dergelijke reeks voort. Daar echter
+van elk dezer de leden van invloed zijn op die der andere reeksen, zoo
+zullen bij de latere leden dier reeksen die invloeden van lieverlede
+in de plaats treden van de invloeden der eerste leden dier reeksen, en
+die laatste invloeden aldus zwakker worden, hoe verder de latere leden
+dier reeksen van de eerste gelegen zijn. De uitwissching dier invloeden
+kan ook als eene werking der wet van geschiktmaking beschouwd worden.
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Wiskundigen zouden zeggen, dat het aantal zuiver blanken bij de
+nde generatie gemiddeld het 1/(22n)de of 1/(22n)de deel der individuen
+dier generatie zal bevatten.
+
+[2] Hierbij is eigenlijk verondersteld, dat de voortplanting door
+hermafroditen geschiedt, want anders zal een toevallig niet slechter
+dan hare ouders georganiseerd wijfje, meestal paren met een door
+de werking van het toeval slechter dan zijne ouders georganiseerd
+mannetje.
+
+[3] Als secundaire verbetering kan aangemerkt worden, het krachtig
+verdedigen van een privilegie, wanneer vroegere bezitters er van
+hetzelve uit zwakheid in minachting gebragt hebben; als primaire
+verbetering het niet beleid opgeven van zulk een privilegie, zoo dit
+in strijd is met het publieke welzijn.
+
+[4] Zie blz. 64 van het vervolg van het hierboven gemelde werk.
+
+[5] Even als bij het voorbeeld van blz. 15, voor het verstoren der
+juiste rangschikking, bestaat er hier meer kans dat die accidentele
+oorzaken het uiteenloopen grooter, dan dat zij het minder zullen
+doen worden.
+
+[6] Uit het feit, dat uit eene diersoort er vele tamme rassen
+voortspruiten, kan geen gevolg getrokken worden voor hetgeen in den
+wilden staat plaats heeft. Wanneer toch eene diersoort getemd wordt,
+ondergaat zij eene soort van revolutie en hervormen de menschen haar
+door kunstkeus en entrainement in zooveel verschillende tamme rassen,
+als zij noodig hebben, om, nadat hun doel bereikt is, hiermede op
+te houden.
+
+[7] Zoo kunnen bijv. de thans bestaande leeuwen van de grootste
+en meest ontwikkelde tijgers van het tertiaire tijdvak en de thans
+bestaande tijgers van wat lager staande katachtige dieren van dit
+tijdvak afstammen.
+
+[8] Hierop moet vooral gelet worden, wanneer men, om de vruchten van
+het onderwijs na te gaan, deze bij bewoners van groote steden met
+die bij bewoners van achterafhoeken vergelijkt.
+
+[9] Hiertoe behooren de nadeelen door de stormen aan de scheepvaart
+toegebragt, het verwoesten van steenen gebouwen door aardbevingen,
+het woeden van besmettelijke ziekten in groote steden, de verspreiding
+der smetstoffen door het verkeer enz.
+
+[10] Dit maakt ook dat middelen, ter eigen bevoordeeling, of ter
+bereiking van eenig doel, geoorloofd bij lageren stand van beschaving,
+bij hoogeren stand hiervan onzedelijk worden.
+
+[11] Dit is ook het geval, wanneer er bijv. eene gemaalbelasting
+op de arbeiders gelegd wordt. Hun drang tot loonverhooging zal dan
+eerst bij een verhoogd loon gelijk zijn aan die tot loonverlaging
+der werkgevers. Worden nu de belastingen dezer laatste verligt
+ten bedrage dier gemaalbelasting, zoo zullen zij evenveel werk als
+vroeger verschaffen en laatstgemelde belasting de arbeiders met kleine
+huishoudens in een evenveel ruimeren, als die met zware huishoudens
+in een bekrompener toestand brengen.
+
+[12] Accidentele omstandigheden zooals bijv. het ongelijk aantal
+kinderen bij elk huisgezin, verstoren gedurig die juiste verdeeling
+van het kapitaal, doch voor elk der groote klassen der maatschappij
+moet zij ongeveer de geschikste zijn, tenzij er groote gebeurtenissen
+op industrieel gebied hebben plaats gehad. Ten gevolge hiervan bezit
+bijv. thans de handenarbeid verrigtende klasse een wat te klein deel
+van het maatschappelijke kapitaal, maar haren drang tot loonverhooging
+is dan ook grooter dan dien tot verlaging der werkgevers. Zij tracht
+buiten deze om werk te vinden, arbeidersvereenigingen daartestellen
+enz.
+
+[13] Het kwaad, door zulke kortstondige accidentele veranderingen
+teweeg gebragt, kan vergeleken worden met de zwarigheden
+ondervonden door een fabriekant, wiens klandisie onregelmatig toe- en
+afneemt. Wegens de werking der traagheid, zal hij toch zijne fabriek
+niet steeds bij tijds daarna kunnen inrigten. Al het kwaad, zoowel
+het zedelijke als het stoffelijke, heeft nu denzelfden oorsprong als
+de zwarigheden in tijden van overgang ondervonden wordende.
+
+[14] Zoo kan iemand, ter bevordering zijner gezondheid, veel beweging
+nemen, zonder dat daarvan elk dier bewegingen met andere zaken in
+verband, de bevordering der gezondheid tot doel heeft en hierdoor
+geregtvaardigd wordt.
+
+[15] Gemiddeld zullen (zie blz. 52) de regeringsvormen wat ten
+achteren zijn met betrekking tot de eischen der maatschappij,
+en desniettemin de individuen, omdat deze, wegens de werking der
+traagheid, gebrekkig aan de maatschappelijke eischen voldoen, zelfs
+aan die hunner regeringsvormen niet geheel voldoen.
+
+[16] Krankzinnigheid is aldus eene zijwaartsche afwijking der gewone
+geestelijke ontwikkeling; terwijl slechtheid eene achterwaartsche
+afwijking der zedelijke ontwikkeling is.
+
+[17] Die wijsgeer verklaarde dit echter door ongelijke daling van de
+verschillende deelen der menschennatuur na Adams val.
+
+[18] Wij ontkennen echter niet, dat daar, wegens de, (zie blz. 72),
+de geestontwikkeling verlagende werking van het ligchaam, zekere
+inspanning noodig is, om de geestelijke ontwikkeling niet te doen
+verminderen, gebrek aan oefening, deels door den toestand van hun
+ligchaam te weeg gebragt, zulk eene vermindering, ofschoon, minder
+dan men waant, bij grijsaards te weeg kan brengen.
+
+[19] Daar de directe werking van het ligchaam op den geest de
+ontwikkeling hiervan tracht te verminderen, zoo kan het zelfs zijn,
+dat, zelfs bij afnemende eischen der beschaving, die werking van dat
+ligchaam de geestontwikkeling nog te laag voor die eischen tracht
+te houden.
+
+[20] Men spreekt veel van onzalige twisten over eenige belangrijke
+zaak. Is onverschilligheid er voor dan beter? Het kwaad bestaat in
+de verkeerde wijze waarop men twist, namelijk dat men de ooren sluit
+voor de argumenten der tegenpartij, en aldus van den strijd weinig
+partij trekt.
+
+[21] Over de werking dier Natuurwet is in de beide op het titelblad
+van dit geschrift gemelde werken in het breede gehandeld.
+
+[22] Van daar dat, bij gelijke beschaving en behoeften de productie
+in vruchtbare, warme landen grooter is dan in koude streken. In deze
+stijgt de beschaving eerst trager dan in gene, omdat het verspreid
+zijn der bewoners der koude landen, derzelver zamenwerking tegengaat,
+doch later heeft het omgekeerde plaats, omdat in die koude landen de
+behoeften grooter zijn.
+
+[23] Naar gelang de geestontwikkeling grooter is, zal er absoluut meer
+inspanning gevorderd worden, om haar bij de achtervolgende generatiën
+constant te houden, zie hierover blz. 83.
+
+[24] Die indirecte werking van het ligchaam op den geest, zooals
+bijv. door het spraakvermogen, bestaat slechts dan wanneer de graad
+van ontwikkeling van den geest hooger dan die van het ligchaam is, en
+wel in sterkere mate, naar gelang beide meer in hoogte verschillen. Zij
+maakt die verheffing van den geest boven het ligchaam gemakkelijker en
+daar zij afneemt, wanneer gene dit ligchaam in graad van ontwikkeling
+nadert, belet zij niet dit den geest (zoo hierbij geene verheffende
+werking bestaat), naar zich toe te halen.
+
+Die indirecte werking van het ligchaam kan vergeleken worden met iets
+bij de derde winding van de in noot blz. 94 gemelde veer, waardoor
+naarmate de windingen verder van elkander gelegen zijn, de persoon,
+die de veer spant, meer kracht kan uitoefenen.
+
+Ook de onbewerktuigde aarde oefent eene dergelijke indirecte werking
+uit door het veld van bewuste aanschouwing en door de hulpmiddelen,
+ten bate van kunst en wetenschap, er door opgeleverd.
+
+[25] Deze verschillende zaken kan men vergelijken met massa bezittende
+windingen van eene met de as horizontaal gestelde spiraalveer. Is deze
+ontspannen, zoo liggen al de windingen tegen elkander, maar trekt
+men aan de voorste winding (met de eischen van het maatschappelijke
+en zedelijke leven vergelijkbaar), zoo zullen de andere windingen,
+wegens de werking der traagheid bij derzelver massas, betrekkelijk
+de voorste eenigzins ten achteren zijn. Bevestigt men daarentegen
+de achterste winding (vergelijkbaar met de onbewerktuigde aarde)
+ergens aan vast, zoo zullen de windingen verder van elkander komen,
+naarmate men sterker aan de voorste trekt en veroorlooft men deze om
+wat achterwaarts te gaan, de windingen digter bij elkander komen om
+dezelfde volgorde te behouden, zie blz. 91.
+
+[26] Een leeuw, eene prooi verslindende, kan bijv. een schoon tafereel
+opleveren, doch niet een mensch met vraatzucht etende, omdat dit in
+disharmonie is met zijne zielswerking.
+
+[27] Ons zoo veranderlijk bestaan doet ons behagen scheppen in
+verscheidenheid, mits deze de innerlijke harmonie niet verstoort,
+hetgeen bijv. wel het geval zou zijn, zoo men bij eene kolonnade de
+kolommen om de andere van de Dorische en van de Ionische orde maakte.
+
+[28]
+
+[29] In die gevallen maakt men zich niet voor alles geschikter, of
+gaat men niet in elk opzigt vooruit, maar slechts voor of in hetgeen
+in elk dier gevallen een overheerschende invloed uitoefent. In het
+laatste bestaat er bijv. vooruitgang in oppervlakkige beschaving,
+maar niet in zedelijke ontwikkeling.
+
+[30] De drang tot vooruitgang baart emancipatie, die tot geschiktmaking
+het kinderlijk en ondergeschikt houden.
+
+[31] Men houde hierbij in het oog, dat bij zekeren trap van
+geestontwikkeling der massas, de begrippen dezer omtrent de denking
+op buitenzinnelijk gebied zoo bekrompen is, dat zij hunne Goden
+niet alleen menschelijke denkvormen toeschrijven, maar zelfs
+onder menschelijke gedaante, ter vervulling van missien, hier op
+aarde doen verkeeren. Het meer algemeene van zulke begrippen wordt
+door constante oorzaken, maar de bijzonderheden er van door het
+toeval teweeg gebragt. Eene constante oorzaak maakt dat, naarmate de
+geestontwikkeling der menschen grooter is, aan zulke missien een meer
+verheven aard wordt toegekend.
+
+[32] Wegens de vroeger gemelde oorzaak zal het eerste, vooral bij de
+hoog boven den bodem verheven deelen der stammen de overhand hebben.
+
+[33] Die laatste stelling paart zich toch aan die, dat ons willen
+niet door den bestaanden toestand bepaald wordt, zie blz. 69.
+
+[34] Later zullen wij aantoonen, dat zulke menschen ook naar den
+geest aardsche producten zouden moeten zijn, daar zij slechts in zulk
+een geval gedwongen zouden worden om hunne wetenschap te bepalen tot
+hetgeen waarvan de juistheid hier op aarde volkomen te verifieren is.
+
+[35] De poëzy wordt alsdan door de phylosophie vervangen. Gene is naar
+ons inzien de vrucht der beschouwing door middel der verbeelding van
+het betrekkelijke verhevene en tevens schoone bij wezens en zaken,
+en, zoowel wanneer men deze van hunne vulgaire zijde beschouwd,
+als wanneer bij die beschouwing de verbeelding door de redenering
+vervangen wordt, is het met de poëzy gedaan.
+
+Waar slechts de verbeelding op het gebied van het buitenzinnelijke
+treedt, moeten godsdienst en poëzij innig met elkander verbonden zijn,
+doch men behoeft het niet te betreuren dat, nadat later de redenering
+zich op dit gebied begeven heeft, de schoone en geurige bloem door
+de saprijke vrucht wordt vervangen.
+
+[36] Zie over de werking der traagheid bij het voorwaarts getrokkene,
+wanneer het voorwaarts trekkende stationnair geworden is, blz. 89
+en 93.
+
+[37] Zoo iets zou echter slechts bij de in de Noot van blz. 116
+gemelde wezens mogelijk zijn.
+
+[38] Zie hierover blz. 233 van ons werk get: Vervolg op het werk get.:
+door de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.
+
+[39] Naarmate dit besef van hulpbetoon sneller toeneemt, zal (zie
+blz. 89 en 118) dit ten achterblijven sterker zijn.
+
+[40] Hoe weinig grond het met het Joodsche Messiasrijk verwante
+aardsche idéaal der humanisten, namelijk de menschheid op den hoogsten
+trap van beschaving, heeft, is op blz. 83 aangetoond.
+
+[41] Bij ons menschen dient, zie blz. 138, de geestelijke ontwikkeling
+de practisch nuttige aanwending ervan te overtreffen, ten einde hierop
+uit te oefenen eene opwaarts trekkende werking, opwegende tegen de
+tegengestelde werking er op door de aarde door tusschenkomst onzer
+ligchamen uitgeoefend. Deze laatste werking tracht, zie blz. 90,
+onze met die practisch nuttige aanwending zamenhangende behoeften
+die der dieren te doen naderen.
+
+[42] Hierbij moet men volstrekt niet aannemen, dat die bewegingen,
+naar gelang hunner plaats, een of ander denkbeeld bepalen, maar
+eerder, dat door elke beweging elk der denkbeelden meer of minder en
+dus gedeeltelijk bepaald wordt omgekeerd.
+
+[43] Er bestaat voorts naar ons inzien een groot onderscheid tusschen
+gewoonte en instinct. Men is bijv. gewoon om eene daad te doen,
+wanneer de primitief door redenering verkregen denkbeelden, het
+verrigten dier daad moetende vergezellen, zoo diep ingeworteld zijn,
+dat zij met weinig inspanning voor den geest, of buiten den latenten
+toestand kunnen gehouden worden; terwijl men iets uit instinkt verrigt,
+wanneer men door de denking buiten de onze, of die van andere menschen
+of dieren, er toe gedreven wordt.
+
+[44] Zie blz. 69 van ons werk get. Over de werking der Natuurwetten
+op zedelijk gebied enz.
+
+[45] Zie hierover ons geschrift get: Over den aard en de toekomst
+der beweegkracht blz. 4 en 16.
+
+[46] Zie hierboven ons werk get: "Vervolg van het werk get: Over de
+werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 123 en 524.
+
+[47] Zie hierover het in de voorgaande noot gemelde werk, blz. 322.
+
+[48] Deze baanverkleining zal ook ontstaan, doordat van een
+uitzettenden bol de verschillende deelen door een anderen bol niet even
+sterk aangetrokken wordende en aldus ongelijke snelheden bezittende,
+tegen elkander zullen wrijven zie blz. 154.
+
+[49] De kleinste dier beide bollen zal alsdan, wegens de ongelijke
+snelheid van derzelver verschillende deelen, betrekkelijk meer
+uitzetten en warmte binden dan den grootsten, zie noot blz. 156.
+
+[50] Vooral op lage breedten ontstaat er namenlijk door de werking
+der verticale ontbondene der centrifugale krachten eene circulatie
+overeenkomende met die der passaatwinden en anders vooral op hooge
+breedten door de werking der horizontale ontbondene der centrifugale
+kracht eene tegengestelde circulatie. De oorzaak hiervan is door ons
+elders verklaard.
+
+[51] Even als de hemelbollen vergrooten door omzetting van deelen
+der algemeene oerstof in hunne eigen soorten van bijzondere stof,
+zoo vergrooten geesten door omzetting van bijdragen tot de algemeene
+denkbeelden bij deelen van den oergeest in bijdragen tot hunne eigen
+bijzondere denkbeelden, zie blz. 144.
+
+[52] Dit zou ook het geval zijn, zoo menschen zoodanig aan zeker lot
+verbonden waren, dat bijv. de accidentele weêrverschijnselen zich er
+naar zouden regelen.
+
+[53] De beoefenaars der wiskunde is het bekend, dat de ruimte
+besloten tusschen eene kromme, derzelver assijmptoot en eene zekere
+ordinaat dier kromme eindig kan zijn, ofschoon de lengte dier ruimte
+oneindig is.
+
+[54] Ook zal, naarmate die toeneming in geestontwikkeling trager
+is, de aanleg gedurende een zelfde aanwas in ontwikkeling sterker
+toegenomen zijn.
+
+[55] Op dién aanleg kan de praeëxistentie een invloed uitoefenen,
+vergelijkbaar met den op blz. 185 gemelden invloed van het
+ligchaamsleven der reeks onzer antiduliviaansche voorouders op de deugd
+van de type van ons ligchaam. Hetgeen op blz. 186 gezegd is van het
+algemeene van dit type gaat door voor den aanleg voor het verkrijgen
+van denkbeelden, innig in veel andere bevat, vooral voor deze
+gronddenkbeelden moet de praeëxistentie den aanleg bevorderd hebben.
+
+[56] Men denke hierbij aan de geluidsgolven, binnen vloeistoffen of
+vaste ligchamen, de in onze monden gevormde phrasen, getrouw naar
+een anders ooren overbrengende.
+
+[57] Zie ons geschrift get.: Over den aard en toekomst der
+beweegkracht, blz. 43.
+
+[58] Men denke hier aan de ligchamen waarop de electriciteit bij
+verkiezing overspringt.
+
+[59] Dit is te vergelijken met de uitwerking van overspanning der
+spieren. Deze worden er door onbruikbaar, niettegenstaande zij door
+het gebruik zich ontwikkelen, zie blz. 168.
+
+[60] De oorzaak van geschiktmaking moet de stofwisseling bij de
+ligchamen der individuen in het eerste geval versterken en in het
+tweede verzwakken, zie blz. 49.
+
+[61] De oppervlakte van het land zal een en ander slechts begrenzen,
+zoo de vulcanische werkingen de voor de gewassen benoodigde zouten
+uit de vloeibare aardkern brengen.
+
+[62] Van daar het hechten van grijsaards aan oude gebruiken, en dat
+het ten bate hunner vooruitgang noodig is, dat de menschen gedwongen
+in nieuwe toestanden worden gebragt.
+
+[63] Dat men iemand dient te begrijpen om hem lief te hebben, blijkt
+hieruit, dat het bezit van kleine zwakheden, waardoor zij voor anderen
+begrijpelijker worden, menschen beminnenswaardiger maakt, en dat men
+bij onbekende weldoeners deelneming voor zich moet veronderstellen,
+om hen te kunnen beminnen.
+
+[64] Die vreugde zou vergelijkbaar zijn met die van een vader, zich
+verheugende, dat zijn zoon zich zoo gedraagt als diens welbegrepen en
+ruim opgevat belang zulks vordert, en zij zal gewis zeer matig zijn,
+zoo die zoon zuinig is met eene geldsom bestemd om toch binnenkort
+verloren te raken. Wel is waar kan die vaderlijke vreugde den
+zoon aanmoedigen om zich goed te gedragen, doch hetzelfde resultaat
+verkregen worden, zoo die zoon inniger het belang van goede gedragingen
+gaan beseffen.
+
+[65] Zoo kunnen de behoeften van het vervoer den aanleg van een
+groot werk vereischen, maar deze te bezwarend zijn voor de financien,
+omdat deze, wegens de werking der traagheid, niet op de hoogte der
+eischen van den tijd zijn. Aldus kunnen de bestaande vervoermiddelen
+ten achteren zijn betrekkelijk de eischen van het vervoer, en de
+financien dit zijn betrekkelijk die vervoermiddelen.
+
+[66] Zouden niet velen onder ons, die, wegens het gevestigde prestige
+van den naam van Socrates, diens gedragingen thans verheerlijken, zoo
+zij zijne tijdgenooten geweest waren, dien wijze naar het vaderlijke
+atelier hebben verwezen?
+
+[67] Zie ons werk, get. Vervolg van het werk, get. Over de werking
+der Natuurwetten op zedelijk gebied, enz. blz. 322.
+
+[68] De zedelijke ontwikkeling, noodig om wezens geschikt te maken voor
+den strijd, staat bijv. lager dan die noodig om hen voor zamenwerking
+geschikt te doen zijn. Bij overigens gelijke omstandigheden zal een
+zedelijk mensch meer denkbeelden bezitten over hetgeen hij aan zijne
+medemenschen en aan zijn eigen toekomst verschuldigd is, dan een
+onzedelijk mensch.
+
+[69] Wij willen hiermede niets afdingen op de absolute waarde
+dier beide stellingen, welke, door waarheden op het gebied van
+het volstrekt hoogste ideaal te bevatten, de hoogste eertitels der
+menschheid zijn. Tusschen de absolute deugd en de geschiktheid of
+betrekkelijke deugd moet, zie blz. 82, onderscheid gemaakt worden.
+
+[70] Men neme in acht dat zoo (zie blz. 187) de ziel een zelfstandig
+iets is, wij slechts naar het ligchaam op deze aarde voorouders hebben.
+
+[71] Die werking dier oorzaak is bijv. vergelijkbaar met de
+elasticiteit van eenig kleed. Zoo dit een kind goed gepast heeft,
+zal het een volwassen mensch knellen, zoo deze het niet zoo lang
+gedragen heeft, dat het al den tijd tot uitrekking gehad heeft.
+
+[72] Zie hierover ons geschrift get.: Vervolg van het werk Over de
+werking der Natuurwetten enz., blz. 500.
+
+[73] Het is klaar, dat het kennen der geschiedenis, dat met de op
+blz. 178 gemelde eerste soort van bewuste aanschouwing te vergelijken
+is, daarvoor niet voldoende is.
+
+[74] Bij de planeten zal de invloed der aantrekking der komeet niet
+uitgewischt worden, omdat zie blz. 154, geene oorzaak anders dan de
+traagheid het planetenstelsel in stand tracht te houden, zie blz. 163.
+
+[75] Verscheidenheid in ruimte moet ontstaan zijn door verandering der
+zaken ten gevolge van accidentele oorzaken. Komen deze nu niet meer
+voor, zoo zal de werking der wet van geschiktmaking (zie blz. 270 en
+275), die verscheidenheid in ruimte doen verdwijnen
+
+[76] De zedelijke waarde van armen zal gemiddeld in zooverre absoluut
+minder zijn dan die van rijken als zij in geestelijke ontwikkeling
+voor deze onderdoen. Overigens kan men evenmin zeggen, dat in alle
+opzigten armoede de oorzaak als het gevolg van slecht gedrag is.
+
+[77] Op blz. 61 hebben wij verschillende voorbeelden der werking
+der wet van geschiktmaking op economisch gebied gegeven. Hiernevens
+nog eenige. Zoo omstandigheden het uitoefenen van eenig beroep
+onvoordeeliger maken, zal, door het verlaten er van, of door
+overmaat van sterften boven geboorten, (zie begin blz. 50) het
+aantal beoefenaars er van verminderen, en dit de overblijvende in
+gunstiger omstandigheden stellen, dan zoo hun aantal grooter is. Die
+overblijvende beoefenaars zullen aldus even veel geld kunnen verdienen
+na het ontstaan dier voor dit beroep ongunstige omstandigheden,
+dan het grootere aantal beoefenaars er van voor het ontstaan dier
+omstandigheden. Men kan hieruit nagaan, hoe de werking der wet
+van geschiktmaking beroepen, bij derzelver beoefenaars evenveel
+beelding vorderende, even winstgevend, en die winsten bij beroepen,
+bij derzelver beoefenaars niet evenveel beelding vorderende, in reden
+der behoeften dier beoefenaars tracht te doen worden.
+
+Voorts zal de werking der wet van geschiktmaking bij vergroote
+productie de behoeften en de voeding der arbeiders zoodanig vergrooten,
+dat deze het eindelijk betrekkelijk niet ruimer dan vroeger bij minder
+verdiensten zullen hebben. Eene werking dier wet is ook de beperking
+der prijsverhooging van iets tengevolge van grootere vraag dan bod. Die
+prijsverhooging zal toch de koopers moeijelijker en de verkoopers
+gemakkelijker maken, en hierdoor het weder gelijk worden van vraag
+en bod en aldus ook het tot staan komen van den prijs bevorderd worden.
+
+Werkingen der wet der veranderlijkheid op economisch gebied zijn
+alle die welke die bovengemelde werkingen verstoren; voorts alle
+toevallige winsten of verliezen, handelscrisissen, beurspanieken
+enz. Werkingen dier wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige
+versterking plaats heeft, zijn de bankroeten veroorzaakt door vorige
+bankroeten; het overleggen van meer geld door handelaars, naarmate
+hun bedrijfskapitaal grooter is; het op schadelijke wijze leenen van
+geld naarmate de schuld grooter is enz.
+
+[78] Te gelijk hiermede zou ook de behoefte aan veiligheid, alsmede
+de kennis om zich deze te verschaffen afnemen. Bij elken stand van
+beschaving trachten al de gevolgen hiervan harmonisch met elkander
+te worden. Zoo zullen bijv. volken in het bezit van spoorwegen en van
+langdurige tijdperken van vrede, zich mijnongelukken en het bekostigen
+van moorddadige vuurwapens moeten getroosten.
+
+[79] Hieruit volgt dat moraal onafhankelijk van een ideaal
+langzamerhand tot dierenmoraal zou dalen.
+
+[80] Het ideaal, dat beoogt het door den graad van beschaving bepaalde
+genoegen der maatschappij, is te vergelijken met eene zware maar
+niet wrijvende massa, die slechts hierdoor aan eene zie blz. 138,
+achterwaarts trekkende kracht wederstaat. Het ideaal, dat daarentegen
+den geestelijken vooruitgang der individuen beoogt, is te vergelijken
+met zulk eene massa, maar waarop tevens eene kracht werkt, die aan
+de zooeven gemelde achterwaarts trekkende wederstaat. Voor zoo verre
+der menschen ideaal niet het eerste der beide gemelde is, strekt
+betrachting van deugd niet om gemiddeld het gelukkigste te zijn, en
+om gemiddeld het beste in zijn doen te gelukken, en hangt de waarde
+der zedelijke daden niet af van het voordeel dat de maatschappij er
+van trekt, zie blz. 218.
+
+[81] Iets dergelijks moet ook plaats hebben bij den invloed door de
+onveranderlijke atomistische bewegingen van den ether op hemelbollen
+uitgeoefend zie blz. 170.
+
+[82] De kinderlijke voorstelling van dit een en ander is die der
+hemel en aardgeesten.
+
+[83] Met de hersens is dit eveneens het geval. Wanneer de directe
+werking der indrukken, door de hersens bij den geest voortgebragt,
+bij de denking van dezen (zie blz. 144 bepaalt door een geheel van
+zintuigelijke onwaarneembare atomistische bewegingen) overheerschende
+is; is de geest min of meer passief. Tot dien toestand, waarbij de
+denking van eene lagere gehalte is, trachten de hersens den geest nu
+te brengen, en niet het minste wanneer het ligchaam gezond is, omdat
+dit dan in een gemiddelden toestand verkeert, en aldus zie bl. 78 en
+102 niet in dien waarbij het de minste terugtrekkende werking op den
+geest uitoefent zie Noot blz. 79.
+
+[84] In dit geval verkeeren bijv. de door ongeschikt geworden
+instellingen voortgebragte en deze slopende revolutien. In den aanvang
+geschiedt dit op eene meer schroomvallige wijze dan later, omdat er
+tusschen de intensiteit dier revolutien en de bedoelingen, die men er
+mede heeft, alsmede den bijval die zij vinden, wederkeerige versterking
+plaats heeft. Voor zooverre zulke revolutien nieuwe zaken daarstellen
+moeten zij, zooals op blz. 287 met betrekking tot de hervorming gezegd
+is, beschouwd worden.
+
+[85] Hierbij stellen wij dat in elk dier gevallen de zedelijke eischen
+van het leven even groot zijn, zoodat zie blz. 82 de absolute graad
+van deugd gelijk aan den betrekkelijk graad hiervan is. Van de voor
+die eischen te groote zelfzucht en zucht tot genot in het heden,
+zijn de slechte hartstogten wel verschillende uitingen, edoch bij
+veel lagere trappen van beschaving kunnen de zelfzucht en de zucht
+tot genot in het heden zich of in het geheel niet op de wijze van
+sommige dier slechte hartstogten, of slechts gebrekkig op de wijze
+van andere derzelve uiten.
+
+[86] Zie hierover ons werk get. Over de werking der wet Natuurwetten
+op zedelijk gebied enz. blz. 361 en het vervolg van dit werk blz. 74.
+
+[87] Een gevolg kan een verschijnsel vernietigen, op het oogenblik
+dat dit geschiedt is, zelf door de werking der wet van geschiktmaking
+vernietigd zijn, en intusschen een nieuw verschijnsel van den aard
+als het eerste opgewekt hebben. Dit bijv. is het geval bij het gaan
+dan in deze en dan in gene rigting, twee verschijnsels welke door
+een tusschenliggend verbonden zijn.
+
+[88] Liggen er n × 2n ballen binnen die bus en n ballen binnen elk
+deel er van, waar binnen die verhoudingen op allerlei wijze varieren,
+zoo zal, bij het voorkomen van al de gevallen, slechts eene dier 2n
+deelen enkel witte en een ander enkel zwarte ballen bevatten. Nu zal
+de grootheid n niet aanzienlijk behoeven te zijn, om het aantal deelen
+2n uiterst groot en de betrekkelijke grootte dier deelen aldus zeer
+gering te doen worden.
+
+[89] Die ongelijkheid in digtheid van groepering binnen eene rij
+van zulke aan elkander grenzende deelen kan echter in stand gehouden
+worden, zoo binnen het deel, bij het eene einde der rij, er nieuwe
+poeijerdeelen in gebragt en, bij het deel bij het andere einde,
+er poeijerdeelen weggenomen worden. De digtheid van groepering
+der poeijerdeelen zal alsdan langs dien weg van het eene naar het
+andere einde afnemen, en, onder het bezit van allerlei onregelmatige
+snelheden, die poeijerdeelen zich langzaam van het eene naar het
+andere einde dier rij verplaatsen. Iets hiermede overeenstemmende
+heeft bijv. plaats bij de in de poolzeeën drijvende ijsbergen. De
+gletschers voeren er nieuwe in zee aan, zij smelten onder weg, en
+de accidentele en onregelmatige stroomen binnen de poolzeeën, het
+effect van hierboven gemelde snelheden doende, zullen die ijsbergen
+gemiddeld naar lagere breedten voeren, zoo hier naar toe de digtheid
+van groepering der ijsbergen afneemt.
+
+De zwaarte der stof of slibbedeelen, door wind of stroomend water
+opgeheven, zal hetzelfde effect uitoefenen als die aan en afvoer van
+bovengemelde poeijerdeelen. Stroomende vloeistoffen zijn steeds in
+beroering en, bij zekere afneming der sterkte van groepering dier
+stofjes of slibbedeelen naar boven, kan de werking dier beroering
+er overal gemiddeld even veel meer op dan nederwaarts voeren als de
+zwaartekracht er nederwaarts voert.
+
+Niet alleen zal bij sterke stroomen die digtheid van groepering
+naar boven minder afnemen, maar zij zal dan tevens bij den bodem
+grooter zijn, zoo hierop eene onbepaald aantal ophefbare stofjes of
+slibbedeelen gelegen is.
+
+[90] Die verschillende kansen van voorkoming bezittende afwijkingen
+zijn te vergelijken met de trekkingen uit bussen, ballen van
+verschillende kleur bevattende. De onregelmatigheid bij eene reeks van
+trekkingen zal alsdan minder worden, zoo niet enkele keeren ballen van
+eene kleur, in de bus schaars voorkomende, getrokken worden. Zie ons
+werk get. Vervolg op het werk get.: Over de werking der Natuurwetten
+op zedelijk gebied enz. blz. 453.
+
+[91] Merken wij hier op dat bij het geval van blz. 3 van ons werk get.:
+Vervolg op het werk get. Over de werking der Natuurwetten op zedelijk
+gebied enz., zoo de drang tot onregelmatigheid, op blz. 309 gemeld,
+niet bestond, hoe lang ook schuddende, de groepering n binnen geen
+eindigen tijd zou ontstaan moeten, evenmin als bij het werpen met
+eene dobbelsteen, waarvan het eene vlak met lood bezwaard is (hetgeen
+overeenstemt met de meerdere kans van voorkoming der groepering
+n.) Door zachter te gaan schudden, wanneer de groepering n zich vormt,
+ontstaat er nu iets overeenkomende met het minder in aantal worden
+der vlakken dier dobbelsteen.
+
+[92] Zie ons werk get. Vervolg van het werk get. Over de werking der
+Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 73 en 536.
+
+[93] Dit is met inachtneming van den tijd noodig voor eene ons
+onbewuste voortplanting van het effect der handelingen der menschen
+met de golvingen binnen vloeistoffen vergelijkbaar.
+
+[94] Dit zou bijv. het geval bij ons zonnestelsel zijn, zoo de vaste
+sterren er veel digter bij gelegen waren.
+
+[95] Men denke hierbij aan de voortplanting van toonen.
+
+[96] Dit niet te verwarren met gelijksoortige absolute
+regelmatigheden. Hoe verder deze toch in tijd of ruimte van elkander
+gelegen zijn, hoe minder groote totale regelmatigheid zij, in verband
+met elkander beschouwd, zullen teweegbrengen zie blz. 311.
+
+[97] In plaats van op de onregelmatigste wijze dan te winnen en
+dan te verliezen, kan een speler verliezen, door het krijgen van
+slechte spellen, door onoplettendheid en door onkunde. In alle drie
+gevallen zal dit steeds na een verliezen door den overheerschenden
+invloed van enkele omstandigheden geschieden, doch in het eerste deze
+omstandigheden ieder oogenblik kunnen verdwijnen en dit eindelijk
+moeten doen, terwijl zij sterker zullen bestaan, naar gelang dit
+krijgen van slechte spellen langer aanhoudt. Het tweede geval ligt
+alsware tusschen de beide andere in, en kan dan meer op het eerste
+dan meer op het derde geval gelijken.
+
+[98] De door de wet der veranderlijkheid opgewekte gevolgen bij
+dergelijke verschijnsels, welke, even als in de Noot van blz. 300
+gezegd is, werken, kunnen die verschijnsels echter uitputten. De
+beweging van zulk een vaartuig, heeft bijv. tot gevolg het loopen er
+van tegen den een of anderen oever.
+
+[99] Dit is het geval omdat, zoo het gevolg eenparig kon toenemen,
+de werking der wet van geschiktmaking, trachtende de vergrooting der
+oorzaak tegen te gaan, versnellende zou toenemen, en aldus eenmaal die
+tegenstand veel grooter dan de opwekkende werking van het gevolg zou
+worden. Bij den aanvang van zulk eene wederkeerige versterking, bezit
+de oorzaak zekere grootte, en neemt het gevolg van af nul toe. Wil
+dit aldus de oorzaak vergrooten, zoo dient hierbij de tegenstand der
+werking der wet van geschiktmaking in het eerst trager dan de die
+oorzaak vergrootende werking van het gevolg toe te nemen.
+
+[100] Zoo kan bij het voorbeeld van blz. 258 opgelegde straf somtijds
+geene uitwerking doen, of wel zie noot blz. 300 de straf verminderd
+worden, naarmate de gestrafte het peil van gemiddelde zedelijkheid
+nadert, en zij, wanneer dit peil bereikt is, ophouden.
+
+[101] Die uitputting werkt als gevolg van den strijd, zooals in noot
+blz. 300 gezegd is.
+
+[102] Zie verder hierover ons werk, get. Vervolg op het werk, get. Over
+de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz., zie blz. 152. De
+werking der wet van geschiktmaking bij de gloeijing der brandstof
+bestaat in de afkoeling hiervan, zooals deze in het luchtledige zou
+plaats hebben, en neemt, zie 2e Noot blz. 337, meer versnellende,
+dat is, eerst minder en later sterker dan de chemische verbinding en
+uitbranding toe.
+
+[103] Dit verschijnsel na verzwakking nul en daarna negatief wordende,
+zoo zal alsdan die steeds positief blijvende oorzaak weder grooter
+worden, en de wederkeerige verzwakking overgaan in wederkeerige
+versterking. Even als bij het geval van blz. 258 verkrijgt men aldus
+ook hierbij schommelingen.
+
+[104] Vandaar dat naar ons inzien de hemelruimte geene eigene
+temperatuur bezit, maar allerhande temperaturen op de stralen,
+tusschen de ligchamen gelegen, er aan gegeven, zoodat een etherdeel,
+op verscheidene van zulke stralen gelegen, ook verschillende
+temperaturen bezit, zie ons werk get.: Over den aard en de toekomst
+der beweegkracht, zie blz. 18.
+
+[105] De kristallisatie toont dit ook aan.
+
+[106] Hoe kleiner de zwaartekracht bij het oppervlak van eenigen
+hemelbol, en hoe grooter de temperatuur hiervan is, hoe eerder eenige
+anorganische stof er op in den gasvorm en niet chemisch met andere
+stoffen verbonden, zal voorkomen.
+
+[107] Men zij hierbij indachtig dat, voor zoo verre de afwijkingen
+van den harmonischen toestand niet vernietigd worden in reden der
+sterkte dier afwijkingen, de op blz. 259 en 300 gemelde werking der
+wet der veranderlijkheid zich aan die der wet van geschiktmaking paart.
+
+[108] Op hooge noorderbreedte zou die constante benedenwind, zie Noot
+blz. 165, zuidwest zijn, zie hierover ons werk, het "Vervolg op het
+werk get.: Over de werkingen der Natuurwetten op zedelijk gebied"
+enz. blz. 104.
+
+[109] Voor zooverre bij het harmonische ongeschiktheid bestaat voor
+hetgeen waarmede het in verband komt, bestaat er een drang om het
+te wijzigen ten bate van het goede, zie blz. 353, edoch er bestaat
+tevens een drang om dit verband zoodanig te wijzigen, dat het goede
+harmonisch wordt.
+
+[110] Het toeval kan, zie blz. 334, wel regelmatigheid, maar
+geene harmonie teweeg brengen. De assimilatie der stoffen met de
+bestanddeelen der aarde is bijv. niet het product van het toeval,
+zie Noot blz. 169. Ook kan dit onregelmatigheid voortbrengen, doch
+het behoeft het niet steeds te doen, zooals de werking van blz. 321.
+
+[111] Slechts op die voorwaarde kunnen toch die indrukken geschiktheid
+baren in den tijd bij een individu, of in de ruimte bij vele
+zamenlevende individuen. Vandaar dat, wanneer die indrukken valsch
+worden, zooals bij het ijlen, er een ongeschikten toestand ontstaat.
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEDENKINGEN TEGEN DE LEER ***
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg-tm electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
+Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
+on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
+phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
+Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
+other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg-tm website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
+Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
+provided that:
+
+* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation."
+
+* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
+ works.
+
+* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+* You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.