summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/30658-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '30658-0.txt')
-rw-r--r--30658-0.txt14956
1 files changed, 14956 insertions, 0 deletions
diff --git a/30658-0.txt b/30658-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..57fe756
--- /dev/null
+++ b/30658-0.txt
@@ -0,0 +1,14956 @@
+The Project Gutenberg eBook of Kamerplanten, by Max Hesdörffer
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: Kamerplanten
+ Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
+
+Author: Max Hesdörffer
+
+Editor: E. Th. Witte
+
+Release Date: December 12, 2009 [eBook #30658]
+[Most recently updated: December 10, 2022]
+
+Language: Dutch
+
+Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KAMERPLANTEN ***
+
+
+
+
+ Kamerplanten.
+
+ Handboek
+ tot het kweeken van planten in de kamer,
+ vrij bewerkt naar het Duitsch
+
+
+ Door
+
+ E. Th. Witte,
+
+ Hortulanus te Leiden.
+
+ Tweede druk.
+
+
+
+ Leiden.
+
+ A. W. Sijthoff's Uitgevers-Maatschappij.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORWOORD.
+
+
+"Wanneer twee hetzelfde doen, is het daarom nog niet hetzelfde."--Ook
+wanneer beiden zich goed van hun taak kwijten, kan er toch in de
+uitkomst zulk een groot verschil zijn, dat een vergelijking nog maar
+juist mogelijk is.--
+
+Door denzelfden vertaler werden, met een tusschenruimte van slechts
+zeven jaren, twee boeken uit het Hoogduitsch in onze taal overgebracht,
+of liever voor Nederland bewerkt, die vrij wel over dezelfde
+materie handelen; die beide degelijk, zeer bruikbaar en aan het doel
+beantwoordend en dus aanbevelenswaardig zijn, maar die hemelsbreed in
+opvatting, veel in uitgebreidheid en in uitvoering tevens verschillen.
+
+Ik heb indertijd niet geaarzeld om aan de Nederlandsche bewerking
+van Riese's Wohnungsgärtnerei een aanbevelend woord mede te geven,
+en ik behoef daarvan niets terug te nemen, wanneer ik hetzelfde doe,
+nu het een dubbel zoo uitgebreid werk betreft, maar dat toch geheel
+dezelfde strekking heeft.
+
+Toen de uitgever van dit werk mij de eerste afleveringen liet zien van
+Hesdörffer's Handbuch der praktischen Zimmergärtnerei, en mij vroeg,
+wat ik van de vertaling daarvan dacht, kon ik niet anders dan hem mijn
+groote ingenomenheid doen blijken met dat keurige boek, en aarzelde
+ik niet als mijn meening te kennen te geven, dat, zoo hij meende dat,
+naast het reeds bestaande, de uitgave van dit meer uitvoerige en dus
+uit den aard der zaak kostbaarder boek mogelijk was, deze zeer zeker
+ten volle gerechtvaardigd kon geacht worden.
+
+Beide boeken toch verschillen zoozeer in opvatting en bewerking,
+dat een liefhebber ze gerust beide kan bezitten, en toch zoowel het
+een als het andere met vrucht zal raadplegen.
+
+Deze Nederlandsche uitgave is genoegzaam gelijktijdig verschenen
+met de Duitsche. Kon ik aanvankelijk nog slechts oordeelen over het
+begin, mijn ingenomenheid met dit boek klom met het verschijnen van
+elke aflevering. De Schrijver blijkt een doorkundig kweeker te zijn,
+en hij verklaart de verschillende manipulaties zóó duidelijk en licht
+ze met zulke sprekende figuren toe, dat ieder, die er lust, aanleg en
+gelegenheid toe heeft, naar aanleiding hiervan, de kamerplantencultuur,
+ook zonder nadere hulp, op de breedste schaal kan toepassen.
+
+Dat dit boek er alweer iets toe zal bedragen om het kweeken van
+planten in de kamer hier te lande meer toepassing te doen vinden,
+mag wel aangenomen worden.
+
+Ik twijfel er niet aan of dit boek zal door de lectuur aan velen
+menig aangenaam oogenblik en, wat wel het voornaamste is, door de
+toepassing van de daarin gegeven wenken en raadgevingen veel voldoening
+verschaffen. De liefde voor planten en bloemen moge er bij velen door
+opgewekt en verlevendigd worden.
+
+
+Leiden, Januari 1897. H. WITTE.
+
+
+
+
+
+VOORWOORD BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
+
+
+De wensch, dien mijn Vader bij het verschijnen van den eersten druk
+van dit Handboek uitsprak, is eerder in vervulling getreden, dan ik
+zelf had durven denken. De Uitgever verzocht mij toch de verzorging
+van een tweeden druk op mij te willen nemen, en aangezien hij daarbij
+den wensch uitsprak het boek door een lageren prijs in grooter getale
+te kunnen verspreiden, heb ik gemeend hier en daar eenige bekortingen
+te moeten aanbrengen, zonder dat deze aan de practische waarde eenige
+directe schade hebben berokkend.
+
+Moge ook deze tweede druk er toe bijdragen de liefhebberij voor
+Kamerplanten aan te wakkeren.
+
+
+Leiden, 1909. E. Th. WITTE.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+Voorwoord.
+
+Inleiding
+
+I. Algemeene wenken.
+
+ De inrichting van den kamertuin
+ De gereedschappen
+ De aarde
+ Het zaaien en uitplanten
+ De kunstmatige of ongeslachtelijke voortkweeking van kamerplanten
+ Het oppotten en verplanten
+ De behandeling van pas opgepotte of verpotte planten
+ Het gieten
+ De bemesting der potplanten
+ Het snoeien der potplanten
+ Het opbinden der potplanten
+ Zindelijkheid bij het kweeken van planten
+ De vijanden der kamerplanten
+ Zieke kamerplanten
+ Het verwarmen der vertrekken
+ Het luchten der vertrekken
+ Het overwinteren en aan den groei brengen van bollen en knollen
+ De kamerplanten gedurende den zomer
+
+ A. In den tuin
+ B. Op het balkon en in de vensterbank
+
+ Plantenbakjes en hun beplanting
+ Het binnenbrengen der gedurende den zomer buiten gekweekte planten
+ De kelder als overwinteringsplaats voor harde planten
+
+II. De beste kamerplanten.
+
+ Inleiding
+ Struikachtige bloemplanten voor koele vertrekken, het balkon en de
+ vensterbank
+ Struikachtige bloemplanten voor warme vertrekken
+ Kruidachtige bloemplanten voor koele vertrekken
+ Kruidachtige bloemplanten voor warme vertrekken
+ Bol- en Knolgewassen
+ Aroideeën of Aäronskelkachtige planten
+ Bromeliaceeën of Ananasachtige planten
+ Gesneriaceeën
+ Orchideeën
+ Klimplanten
+ Hang- of Ampelplanten
+ Zomerbloemen
+ Cacteeën
+ Succulenten of Vetplanten
+ Bladplanten
+ Struik- en boomachtige bladplanten voor koele vertrekken
+ Struik- en boomachtige bladplanten voor warme vertrekken
+ Kruidachtige bladplanten voor koele vertrekken
+ Kruidachtige bladplanten voor warme vertrekken
+ Palmen
+ Cordyline en Dracæna
+ Potplanten met fraaie vruchten
+ Coniferen
+ Varens
+ Mossen of Lycopodiaceeën
+ Het aquarium
+ Practische aquariums voor de cultuur van waterplanten
+ De beplanting van het aquarium
+ De versiering van het aquarium
+ De verzorging van het beplante aquarium
+ Inheemsche en uitheemsche waterplanten
+ De beste planten voor het kamer-aquarium (Onder water groeiende
+ planten)
+
+ a. Uitheemsche soorten
+ b. Inlandsche soorten
+
+ Waterplanten met drijvende bladeren
+
+ a. Uitheemsche soorten
+ b. Inlandsche soorten
+
+ Drijvende waterplanten
+
+ a. Uitheemsche soorten
+ b. Inlandsche soorten
+
+ Het terrarium
+
+III. Het Forceeren.
+
+ Inleiding
+ Algemeene regels voor het forceeren
+ Bolgewassen
+ De beste bolgewassen om te forceeren
+
+IV. Kalender der Maandelijksche werkzaamheden.
+
+ Januari
+ Februari
+ Maart
+ April
+ Mei
+ Juni
+ Juli
+ Augustus
+ September
+ October
+ November
+ December
+
+Alphabetisch Register
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+Ieder onverdorven mensch kan beschouwd worden als een vriend der natuur
+en in het bijzonder als een vriend der bloemen- en plantenwereld. Het
+goed beschouwen der plantenwereld en vooral het verzorgen der planten,
+verschaft niet alleen een waar genot, maar geeft ook een aangename
+afwisseling, vooral voor die menschen, die, als broodwinners hunner
+families, den ganschen dag hard moeten arbeiden.
+
+In den tegenwoordigen tijd, waarin de strijd om het bestaan,
+niet alleen den man, maar vaak zelfs ook de vrouw en het kind tot
+onophoudelijk werken aanspoort, waardoor bijna alle aanraking met
+de natuur verloren gaat, vormen somtijds enkele planten den eenigen
+zwakken band tusschen den mensch en de natuur.
+
+De tuin, waarover helaas in onze tegenwoordige steden slechts enkele
+bevoorrechten kunnen beschikken, het balkon of ook maar de eenvoudige
+vensterbank, waartoe slechts enkele uren van den dag een zwakke
+zonnestraal kan doordringen, zij alle geven gelegenheid om zich met
+bloemen en planten bezig te houden. Hij, die slechts gedurende den
+morgen en den avond eenigen tijd aan planten kan wijden, vindt in de
+cultuur van kamerplanten ruimschoots vergoeding voor het gemis van
+een tuin.
+
+Reeds van oude tijden her, is het kweeken van planten nauw verbonden
+met ons familieleven. Zoowel in de vorstelijke paleizen als in de
+vensterbanken van de armste arbeiderswoningen vinden wij bloemen;
+overal vervroolijken zij de kamers en overal zijn zij de bron van
+veel genot voor de eigenaars, wier geringe zorgen zij ruimschoots
+door haren bloei en groei beloonen.
+
+Wanneer het buiten met de bloemenpracht gedaan, wanneer de oogsttijd
+voorbij is en de laatste dorre bladeren door de lucht fladderen,
+wanneer regenbuien en daarna harde vorst ons tot thuisblijven nopen,
+dan krijgt ook hij behoefte aan bloemen in de kamer, die gedurende den
+zomer zijn vrijen tijd, hetzij buiten de stad, hetzij in zijn eigen
+tuin kan doorbrengen. Wanneer een wit sneeuwkleed de dor geworden
+weiden bedekt, wanneer de takken der boomen zich neerbuigen onder
+den last der sneeuw, wanneer de vorst ijsbloemen op de vensterruiten
+teekent, dan is het een onschatbaar genot in de verwarmde kamer
+planten te zien groeien, die aan het geheele vertrek een buitengewone
+gezelligheid geven.
+
+Niet overal echter verschaffen de bloemen in de kamer een even groot
+genot; maar al te dikwijls toch willen zij niet groeien. Zij komen
+dan slechts zeer langzaam vooruit, of, wat nog erger is, zij laten
+de bladeren, vallen om dan na korter of langer tijd te sterven.
+
+Het kweeken van planten toch, en vooral de verzorging van planten,
+die in verschillende landstreken thuis behooren, is een wetenschap,
+en om op de hoogte dier wetenschap te komen, moet men een goed geleider
+hebben, die raad weet voor de talrijke moeilijkheden, waar de beginner
+aanvankelijk elken dag op stuit.
+
+Dit boek stelt zich voor, zulk een geleider te zijn; het zal antwoord
+geven op al de vragen, die zich bij het kweeken van planten voordoen,
+en het zal de lezers bekendmaken met die planten, welke gebleken zijn
+voor de cultuur op het balkon, in de kamer, en op de vensterbank
+het best geschikt te wezen. Bij het gebruik van dit boek zal de
+plantenliefhebber, die in de plant een levend wezen ziet, waarin
+de sapbeweging even zoo goed aan natuurwetten gebonden is, als de
+bloedbeweging bij de menschen, een goed leidsman vinden. Hij, die het
+kiemen der zaden en het doorgroeien der zaailingen met genoegen volgt;
+die zich het eigenaardige doorzicht weet toe te eigenen, dat iedere
+tuinbouwkundige bezit, en dat dezen in staat stelt direct te zien of
+een plant de juiste grondsoort, vochtigheidsgraad of standplaats heeft,
+zal spoedig veel genoegen van zijn plantencultuur smaken.
+
+Het is overbekend, dat er bij het kweeken van planten in de kamer
+tal van moeilijkheden voorkomen, welke eenen handelskweeker, die de
+buitenlandsche planten in moderne kassen kweekt, onbekend zijn.
+
+In de kamer heeft men met ongelijkmatige temperatuur, met gebrek aan
+licht, met droge, stoffige en bijna altijd slechte lucht te kampen,
+welke lucht men echter veel verbeteren kan.
+
+Vele wegen staan den plantenliefhebber open, om de schadelijke
+invloeden, die in de woonvertrekken voor het kweeken van planten
+aanwezig zijn, te verminderen, zoo niet geheel op te heffen; hij zal
+zich door den tijd geheel vertrouwd maken met de eischen van zijn
+lievelingen en eindelijk iedere plant haar juiste plaats en goede
+behandeling geven. Wanneer dan de planten ten laatste goed groeien
+en bloeien; wanneer zij des zomers het balkon en de vensters, des
+winters de woonkamers versieren, dan is het genot van de, onder zulke
+moeilijke omstandigheden verkregen, resultaten zóó groot, dat men ten
+laatste het kweeken van planten niet meer kan laten en de liefhebberij
+daartoe steeds grooter wordt.
+
+
+
+
+
+
+
+I. ALGEMEENE WENKEN.
+
+
+De inrichting van den kamertuin.
+
+Bij het kweeken van planten in de kamer moet men rekening houden
+met tal van moeilijkheden, welke voor den plantenliefhebber, die
+zijn planten slechts buiten kweekt, niet bestaan. Het moeilijkste
+is zeker wel de juiste plaatsing. Het is zeer gemakkelijk planten
+te koopen, maar heel wat moeilijker ze zóó te plaatsen, dat zij,
+bij een goede behandeling, ook in de kamer gezond kunnen gehouden
+worden. Er bestaan echter tal van voorwerpen, die dienen, om er
+kamerplanten op of in te plaatsen en die dan ook vrij algemeen gebruikt
+worden. Het meest bekende en verspreide dezer voorwerpen is zeker wel
+de bloemtafel. Bloemtafels zijn steeds een zeer gewaardeerd geschenk,
+reden waarom ze in bijna alle vormen worden vervaardigd en tot alle
+prijzen verkrijgbaar zijn. Het meest worden zij vervaardigd uit
+ijzer-, hout-, draad- of mandenvlechtwerk. Al deze tafels bevatten
+een blikken bak, waardoor de zindelijkheid bevorderd wordt. Er
+moet op gelet worden, dat deze bak een afvoerbuisje heeft, waardoor
+het overvloedige water kan afgetapt worden. De gewone vorm voor de
+bloemtafels is de ronde. Het kan niet ontkend worden, dat een fraaie,
+ronde bloemtafel, met mooie planten gevuld, een inderdaad zeer schoon
+kamersieraad is. Jammer is het daarom, dat de ronde bloemtafel grove
+gebreken heeft, zoodat zij, voor het kweeken van kamerplanten, zoo
+ongeschikt mogelijk is. Verondersteld dat men deze tafel de eenige
+goede plaats, namelijk zoo dicht mogelijk bij het venster, geeft, dan
+zijn het toch slechts de weinige, naar het venster gekeerde planten,
+die de zoo hoog noodige directe inwerking van het licht genieten. De
+van het venster afgekeerd staande planten leiden, door gebrek aan
+licht en zon, veel meer dan men wel denken zou. Wel zijn er enkele
+bladplanten, met stevige bladeren, zooals bijv. enkele Palmen en de
+Aspidistra, die onder zulke ongunstige omstandigheden goed blijven,
+doch van een weelderigen groei kan ook bij deze geen sprake zijn. Om
+aan het genoemde bezwaar te gemoet te komen, heeft men bloemtafels
+in den handel gebracht met beweegbaar bovenstel. Deze tafels kunnen,
+zonder verplaatsing, dagelijks een weinig gedraaid worden, zoodat
+alle planten eenigen tijd een weinig van het licht kunnen genieten;
+maar de tijd, dien deze planten in het volle licht staan, is ook in
+dit geval betrekkelijk kort. Het feit nog in het midden latende,
+dat er verscheidene planten zijn, die niet gaarne dikwijls van
+plaats veranderen, komen deze bloemtafels dus slechts gedeeltelijk
+aan het bedoelde bezwaar te gemoet. Een direct gevolg der ronde
+bloemtafels is dan ook, dat alle daarin staande planten na verloop
+van betrekkelijk korten tijd éénzijdig worden. Zulke éénzijdige
+planten maken, zoolang zij met anderen te zamen gerangschikt staan,
+nog wel een tamelijk goeden indruk, maar zoodra men ze alleen plaatst,
+is deze allertreurigst. Ronde bloemtafels kunnen dan ook slechts
+gebruikt worden, wanneer de daarin geplaatste planten geen hoofdzaak
+zijn. Dit is bijv. het geval met een soort ronde tafel, wier centrum
+gevormd wordt door een aardig aquarium met of zonder fontein. Deze,
+uit fraai gietijzer vervaardigde, tafels hebben rondom het aquarium
+slechts plaats voor een, hoogstens twee rijen kleine planten,
+terwijl het aquarium zelf met zeer goed gevolg benut kan worden
+voor de cultuur van moeras- en andere waterplanten. In het algemeen
+genomen, kan de ronde bloemtafel dus slechts gebruikt worden als
+fraai meubelstuk in het salon, en hoewel voor de cultuur van fraaie
+planten ten eenen male ongeschikt, kan ze dienstbaar zijn om planten,
+die men gedurende den zomer in de vensterbank, op het balkon of in
+den tuin gekweekt heeft, des winters aan de versiering der vertrekken
+dienstbaar te maken. Fig. 2 toont aan, op welke wijze de planten op
+zulk een bloemtafel gerangschikt kunnen worden worden. Als middenplant
+gebruikt men een fraaien, naar alle zijden goed ontwikkelden Palm,
+waaromheen Dracæna's, Varens en kleinere bloemplanten geschikt worden,
+terwijl verschillende hangplanten aan het geheel een los voorkomen
+kunnen geven.
+
+Fig. 1 toont twee ongevulde bloemtafels, uit gietijzer vervaardigd, en
+wel ter rechterzijde een gewone, maar zeer elegant gevormde tafel en
+ter linkerzijde een eenvoudigere, waaraan echter een bloemstandaard
+verbonden is, zeer geschikt om er een flink ontwikkelden Palm op
+te zetten.
+
+Beter dan de ronde, is de ovale bloemtafel voor het kweeken van
+planten geschikt. Indien zulk een tafel goed is, moet zij op twee
+stevige pooten staan, de lengte van het venster hebben, waar zij vóór
+gezet wordt en niet te breed zijn, zoodat er slechts één rij planten
+in gezet kan worden. Zulk een tafel wordt het best vervaardigd uit
+besneden hout, waarin een blikken bak wordt geplaatst. De geheele
+bak moet zóó diep zijn, dat de potten, waar de planten in staan,
+aan het gezicht worden onttrokken. Dergelijke bloemtafels zijn zeer
+practisch en zijn zij netjes bewerkt, dan strekken zij ieder vertrek
+tot een waar sieraad.
+
+Een zeer doelmatig meubelstuk om planten op te kweeken is ook de
+bloemstandaard. De meest gebruikelijke standaards, van geïmiteerd
+ebbenhout, waarop meestal een fraaie porseleinen vaas staat, kunnen
+slechts dienen om een enkele plant op te plaatsen (Fig. 3). Het
+spreekt vanzelf, dat men op zulk een standaard steeds een Palm of
+andere fraaie plant moet zetten, die geen gebreken heeft en die naar
+alle zijden goed ontwikkeld is.
+
+Voor het plaatsen van alleenstaande planten heeft men ook nog andere
+vazen, zooals die in Fig. 4 zijn afgebeeld. Dit zijn groote porseleinen
+vazen, die op gesmeed of gietijzeren piedestals staan. De standaards,
+die rechts in het midden zijn afgebeeld, zijn vervaardigd uit gedraaid
+smeedijzer, terwijl de linksche van het goedkooper gietijzer is
+gemaakt, dat men door bronzen of nikkelen een fraai voorkomen geeft.
+
+Veel beter, dan de ronde bloemtafels, zijn ook de rustieke
+bloemstandaards met verschillende etages, die ieder op zichzelf dienen
+om er een alleenstaande plant op te plaatsen (Fig. 5).
+
+Al de tot nu toe besproken voorwerpen, waarbij nog gevoegd moeten
+worden de één- of meerarmige consoles, die meestal aan den wand worden
+bevestigd, vinden een plaats in de kamer. Met deze hulpmiddelen
+is men echter niet in staat de beste plaats voor het kweeken der
+planten, namelijk de vensterbank, te gebruiken. Een goed gebruik van de
+vensterbank kan men echter slechts dán maken, wanneer de vensters niet
+van overgordijnen voorzien zijn, daar deze anders de daar geplaatste
+planten aan het gezicht zouden onttrekken.
+
+In de meeste moderne huizen is de vensterbank echter zóó smal, dat er
+slechts één rij kleinere planten op geplaatst kan worden. In huizen
+echter, waar de vensterbank iets breeder is en men slechts een klein
+aantal planten, hoofdzakelijk voor vensterdecoratie, wil kweeken,
+kan men er een houten bakje op laten maken om de planten in te
+plaatsen. Dit bakje kan zeer goed zoo ingericht worden, dat het de
+kamer volstrekt niet ontsiert. In dit bakje, hetwelk zoo diep moet
+wezen, dat de potten geheel aan het gezicht worden onttrokken, zet
+men dan eenige werkelijk fraaie blad- of bloemplanten. De liefhebber,
+die er pleizier in heeft, zijn planten werkelijk zelf te kweeken,
+ze door zaden of stekken te vermeerderen en dan de jonge plantjes
+op te kweeken, heeft aan de beperkte ruimte van de vensterbank niet
+genoeg. Toch weet zoo iemand wel raad te schaffen om meer ruimte
+te verkrijgen. Het eenvoudigste middel hiertoe is, dat men aan de
+vensterbank een tweede plank laat aanbrengen, die al naar de ruimte
+in de kamer en het aantal te kweeken planten, breeder of smaller kan
+wezen. Men kan deze plank zoo laten maken, dat zij aan het kozijn met
+een paar scharnieren bevestigd wordt en door een paar pootjes wordt
+ondersteund, zoodat zij naar verkiezing opgesteld of neergeslagen
+kan worden. Op de ruimte, die men op deze wijze verkregen heeft,
+is voor een tamelijke hoeveelheid planten plaats, en deze kunnen
+alle genoegzaam van het invallende licht profiteeren, wanneer zij
+op een doelmatige wijze worden gerangschikt. Men plaatst de planten
+namelijk zóó, dat de kleinste in de eerste rij, d.w.z. het dichtst bij
+het venster staan, terwijl de grooteren, al naar de afmeting, in de
+volgende rijen worden gezet. Is men in de gelegenheid de kamerplanten
+des zomers buiten te zetten, zoo wordt de plank eenvoudig neergeslagen,
+zoodat zij dan niet hinderlijk is. Een groot bezwaar is echter aan deze
+inrichting verbonden, namelijk, dat het venster, waar de planten vóór
+staan, niet geopend kan worden. Gewoonlijk echter heeft het vertrek,
+waar men planten kweekt, meer dan één venster, zoodat dat, waar de
+planten vóór staan, wel gesloten zal kunnen blijven. Het luchten door
+het venster, waar de planten vóór staan, mag echter in geen geval
+des winters geschieden, daar de planten volstrekt niet aan een kouden
+luchtstroom blootgesteld mogen worden.
+
+Ook dan, wanneer slechts één rij planten in de vensterbank staat, mag
+men het raam niet openen of men moet eerst de planten wegnemen. Dit nu
+is niet aan te raden, daar het veel last veroorzaakt en het veelvuldig
+verplaatsen voor teedere planten licht schadelijk zou kunnen zijn.
+
+Ook in dit geval doet men dus beter het venster gesloten te laten.
+
+Heeft men echter vertrekken, waar het venster, waarvoor de
+planten staan, toch geopend moet worden, dan is het beste, dat men
+gebruik maakt van de "Patent-Blumenbretter" van Meier en Michael
+te Leipzig. Deze bestaan uit twee deelen, vervaardigd uit draad- of
+smeedijzer en zijn zóó ingericht, dat aan ieder vensterkozijn er een
+bevestigd wordt, welke met een scharnier kan draaien. De bakjes hebben
+ongeveer de breedte van een gewone vensterbank, zij rusten daar echter
+niet op, maar hangen aan ijzeren kettinkjes, die aan de ramen met een
+haakje bevestigd zijn. Moet men nu het venster openen, dan worden de
+kettinkjes losgemaakt en de bakjes naar binnen gedraaid. De planten
+zijn dan niet aan den directen luchtstroom blootgesteld. Zeer raadzaam
+is het ook een houten raam te laten maken, bespannen met ijzer-
+of kopergaas en dit tusschen het geopende raam en de vensterbank te
+plaatsen. De koude lucht, die dan door het gaas moet heendringen,
+zal niet zulk een ongunstigen invloed op de planten uitoefenen.
+
+Al de tot nu toe besproken voorwerpen, die dienen kunnen om planten in
+de kamer te kweeken, hebben een zeer groot nadeel; namelijk, dat zij de
+planten niet beschermen tegen de droge, stoffige kamerlucht. Wanneer
+men met hardere planten te doen heeft, is dit euvel niet zoo heel
+groot, en door herhaald besproeien en wasschen der planten, nog
+wel te verhelpen, vele teerdere planten kunnen echter onmogelijk
+vrij in een kamer verzorgd worden. Wil een liefhebber dus fijnere
+planten in de kamer kweeken, dan moet hij zich bedienen van een
+kamerkasje. In zulk een kasje, dat meestal niet kostbaar, maar ook
+betrekkelijk klein is, heeft men natuurlijk voor grootere planten
+geen plaats. Het aanbevelenswaardigste is, in zoo'n kasje Varens,
+Orchideeën en bontbladerige plantjes te kweeken.
+
+Zeer samengesteld zijn de kamerkasjes met een verwarmingstoestelletje,
+maar daar deze zeer veel zorg vereischen, wordt men ze meestal
+spoedig moede. Meestal zullen kamerkasjes een fraai voorkomen hebben
+en bijgevolg in een verwarmd woonvertrek gezet worden, zoodat extra
+verwarming dan onnoodig is. Het kasje moet zoo mogelijk op een goed
+voetstuk staan en kan, al naar keuze, zeer eenvoudig van hout en
+gewoon glas, of fraaier en dan van ijzer en spiegelglas gemaakt
+worden. Het kamerkasje bestaat uit een meer of minder groot met
+glas bedekt raamwerk, waarin aan de achterzijde een deur is, die
+dient voor het inzetten en verdere verzorgen der planten, of wel,
+men maakt er in plaats van een deur een losse ruit in, die zoo noodig
+uit- of ingeschoven kan worden. Indien de temperatuur in het kasje
+te hoog wordt, moet er gelucht worden en de inrichting moet zoo zijn,
+dat men dit kan doen door uit den bovenkant een ruit weg te nemen. De
+kamerkasjes worden zoo gemaakt, dat men òf er slechts planten in
+potten in kan zetten, òf wel de planten er in kan uitplanten. In het
+laatste geval moet er aan de onderzijde een bak worden aangebracht ter
+opneming van de aarde. Vooral moet er zorg voor worden gedragen, dat
+deze bak voorzien is van een afvoerbuisje om het overvloedige water te
+kunnen verwijderen. Dit buisje moet aan het laagste punt van het bakje
+bevestigd worden. Indien men de planten in het kasje uitplant, moet
+men zorgen vooraf een goede drainage in den bak aan te brengen. Hiertoe
+legge men eerst een laag potscherven, of, bij gebrek daarvan, stukjes
+houtskool of cokes op den bodem, en bedekke deze hetzij met een laagje
+moerasmos (sphagnum) of wel met wat groven turfmolm. Op deze drainage
+brengt men dan de aarde aan, waar de plantjes in gezet worden; deze
+aarde moet bij voorkeur licht, los en niet te vochtig zijn. Het
+kamerkasje geeft niet alleen het voordeel, dat de planten beschut
+zijn tegen de droge, meestal stoffige en onzuivere kamerlucht, maar
+dat zij ook kunnen begoten en bespoten worden, zonder dat de meubelen
+daar iets van te lijden hebben, of ook het tapijt vochtig wordt.
+
+In plaats van het kamerkasje, worden ook wel glazen stolpen gebruikt,
+die nu eens over een enkele plant, dan weder over verscheidene planten,
+die men te zamen in een bakje zet, worden geplaatst. In het laatste
+geval is het raadzaam zaadtesten te gebruiken, zooals die in de
+kweekerijen voor het uitzaaien van fijnere zaden worden gebruikt.
+
+Zeer geschikt voor het kweeken van kamerplanten is de ruimte
+tusschen z.g.n. dubbele vensters, die echter hier te lande slechts
+betrekkelijk schaars worden aangetroffen. De architecten denken
+meestal het allerminst aan de bloemenliefhebberij van de aanstaande
+bewoners, die de door hen gebouwde huizen moeten betrekken. De dubbele
+vensters zijn meestal zóó gemaakt, dat er slechts even ruimte is om
+Hyacintglazen tusschen te zetten. Om hieraan te gemoet te komen,
+heeft men lange, smalle potten vervaardigd; deze zijn echter niet
+alleen zeer leelijk, maar ook zeer onpractisch. Beter doet men dan
+nog, vierkante of langwerpig vierkante potten te gebruiken (Fig. 6),
+die echter niet in den handel zijn, doch aan den pottenbakker besteld
+moeten worden. Dit model potten is echter overbodig, wanneer men iedere
+plant op een klein stekpotje zet. De pot, waar de plant in staat, komt
+dan niet tusschen de ramen, doch tusschen de vensterruiten te staan,
+waar natuurlijk de ruimte aanmerkelijk breeder is; dit heeft echter
+weer tegen, dat de grootere potten dan geheel in het gezicht komen,
+wat niet erg mooi staat.
+
+Veel aanbevelenswaardiger dan de dubbele vensters zijn de
+vensterkasjes. Te Weenen zijn de vensterkasjes lang geen zeldzaamheid;
+er bestaat daar zelfs een Vereeniging, waarvan de leden hun planten
+uitsluitend in vensterkasjes moeten kweeken. Het kasje moet zóó
+ingericht zijn, dat men het des zomers buiten en des winters binnen
+aan het venster kan hangen. In het kasje is een deur aangebracht,
+waardoor men des winters bij de planten kan komen, des zomers doet
+deze geen dienst, daar men dan slechts het venster behoeft te openen,
+om de planten te kunnen verzorgen. Het spreekt natuurlijk vanzelf,
+dat het kasje zoo moet ingericht worden, dat er geen water op de
+stoep of op het tapijt kan druipen; ook moet het voorzien zijn van
+zonneschermpjes, die men in de kamer moet kunnen behandelen. Het best
+is daartoe een groen gekleurde rouleau, die over koorden loopt. Het
+kweeken van planten tusschen de dubbele vensters of in het vensterkasje
+is in ieder geval veel loonender, dan het kweeken in de kamer, daar
+de planten, bij die kweekwijze, volop van het licht kunnen genieten,
+wat een eerste levensvereischte voor haar is.
+
+De beste van alle inrichtingen is wel de wintertuin, dien men van
+uit de kamer door een deur kan bereiken. Zulk een wintertuin heeft
+bijna al de voordeelen van een plantenkas. De inrichting van een
+goeden wintertuin, die door alle fabrieken kan bezorgd worden, is
+echter tamelijk kostbaar. Ook het onderhoud en vooral de verwarming
+sleepen groote kosten met zich, waarom de wintertuinen dan ook lang
+niet algemeen zijn.
+
+Een liefhebber, die er prijs op stelt door middel van planten een
+fraai voorkomen te geven aan zijn vertrekken, balkon of waranda,
+mag de ampels niet vergeten. Onder een ampel verstaat men een
+voorwerp, dat er op ingericht is met hangplanten bezet en zoo
+opgehangen te worden. Zulke hangplanten moet men niet verwarren met
+klimplanten. Terwijl toch de klimplanten in haar vaderland tegen
+boomen opklimmen en somtijds tot in de hoogste kronen toe doordringen
+of wel tegen de steilste rotsen opgroeien, ontwikkelen hangplanten
+zich heel anders. Hangplanten kruipen in haar natuurlijken toestand
+in de meeste gevallen over den bodem of hangen van rotsblokken naar
+beneden, overal wortels slaande, die voor de voeding der stengels
+zorgen. Deze kruipende planten, die niet, zooals de struikachtige
+gewassen, met hare stengels rechtop groeien, zijn het, die in de
+eerste plaats voor ampels in aanmerking komen.
+
+Een goede ampel moet er bevallig uitzien en toch practisch zijn. De
+meeste potten-, draad- en houtwerkfabrieken brengen ampels in den
+handel van de meest verschillende prijzen en vormen, maar, hoe fraai
+deze er veelal ook uitzien, zijn zij gewoonlijk toch niet voor het
+kweeken van planten geschikt. De bruikbaarste is en blijft altijd de
+steenen ampel, bij voorkeur die, welke van hetzelfde materiaal gemaakt
+is, waaruit de gewone bloempotten worden vervaardigd. De grootste
+fout bij de ampels is gelegen in het gebrek aan een waterloozing. De
+spits, waarin een ampel meestal uitloopt, moet, evenals de bodem
+van een bloempot, doorboord zijn, zoodat het overvloedige gietwater
+dadelijk kan wegloopen. Om nu het bevuilen van den vloer te voorkomen,
+is het raadzaam onder het drainagegaatje een bakje van steen of blik
+te hangen, dat korten tijd na het gieten verwijderd kan worden. Een
+tweede fout der ampels en wel hoofdzakelijk der steenen ampels, is,
+dat zij te ondiep zijn. Zet men in zoo'n ondiepe ampel een hangplant,
+die in den pot blijft staan, dan ziet men een groot gedeelte van den
+pot, wat niet erg mooi is; neemt men de plant uit den pot, om haar
+direct in de ampel te planten, dan blijkt het, dat de aardkluit veel
+te groot is en ze er niet in geplant kan worden, zonder er een groot
+gedeelte af te snijden. De ampels mogen dus niet te ondiep zijn;
+als regel moet gelden, dat zij evenals een bloempot, net zoo diep
+als wijd moeten zijn. Een derde fout bij de ampels uit den handel is
+daarin gelegen, dat zij veel te mooi zijn, zoodat maar al te dikwijls
+het fraaie voorkomen daarvan hoofdzaak en de daarin groeiende plant
+nevenzaak wordt. Het uiterlijke van de ampel doet echter niets ter
+zake, omdat het bij een goede beplanting door de hangplanten zoo
+niet geheel, dan toch voor het grootste gedeelte bedekt wordt. Een
+zoo eenvoudig mogelijk steenen ampel, die niet te hard gebakken,
+maar zoo poreus mogelijk is, die uitwendig noch verglaasd, noch
+beschilderd is, die ten slotte naast de hoognoodige diepte, ook een
+gelegenheid tot waterafvoer heeft, is en zal wel altijd blijven het
+meest aanbevelenswaardige voorwerp om hangplanten in te kweeken, Fig. 7
+toont drie zulke ampels. Links is afgebeeld een zeer eenvoudige, doch
+inderdaad practische ampel; in het midden een, die geheel ongeschikt
+is, omdat zij èn te ondiep èn te fraai bewerkt is; rechts eindelijk
+is een uit een zeehoorn vervaardigd; deze is wel niet zeer practisch,
+maar zeer eenvoudig en gemakkelijk te maken en juist daarom wellicht
+aanbevelenswaardig.
+
+In de tweede plaats komen in aanmerking de ampels, vervaardigd
+van hout of vlechtwerk. Het kan niet ontkend worden, dat een
+z.g.n. rustieke ampel inderdaad wel fraai kan zijn. Zulke ampels
+kunnen op verschillende wijzen vervaardigd worden. Men kan, evenals
+voor orchideeën-mandjes, geschilde of ongeschilde stukjes hout tegen
+elkander aanleggen, en deze met koperdraad onderling verbinden. Een
+tweede, veel voorkomende wijze is, dat een geraamte uit ruw hout
+wordt vervaardigd, hetwelk dan met boom- of kurkschors bekleed
+wordt; deze kan men dan nog met dennenappels of dergelijke vruchten
+versieren. Zulk een ampel moet natuurlijk ook van een gelegenheid
+tot waterafvoer voorzien zijn. Wil men er echter voor zorgen, dat het
+hout niet spoedig gaat rotten en dan een minder fraai voorkomen heeft,
+daargelaten nog de onaangename geur, dan moet er een blikken bakje in
+geplaatst worden. Wordt nu de plant met den pot in de ampel geplaatst,
+dan zal dit bakje niet hinderen; plant men haar daarentegen er in uit,
+dan zal men zien, dat zij na korten tijd gaan kwijnen. Het blik toch
+laat geen lucht tot de aarde doordringen, en als gevolg daarvan zal,
+wanneer men niet zeer voorzichtig is met gieten, de aarde verzuren.
+
+Veel minder geschikt dan de houten ampels zijn die van vlechtwerk
+wanneer er niet voor gezorgd wordt, dat zij een stevig geraamte van
+ijzerdraad bevatten. Bij het beplanten toch verliest zoo'n ampel,
+door het gewicht der aarde, in betrekkelijk zeer korten tijd haar vorm.
+
+De ampels, vervaardigd uit gevlochten tienden, hebben een groote fout,
+welke ook die, uit draadvlechtwerk, hoe fraai deze ook mogen zijn,
+aankleeft: namelijk de moeilijkheid met het gieten. Wanneer de aarde
+in zoo'n ampel wat heel erg opgedroogd is, kan men de daarin staande
+plant niet anders begieten, dan door het geheel eenigen tijd in een
+grooten emmer met water onder te dompelen. Begiet men de planten niet
+op deze wijze, dan zal het gietwater door de mazen wegloopen, zonder
+in de aarde te dringen, terwijl de meegevoerde aarde niet alleen de
+ampel zelf, maar ook alles wat er omheen staat, zal verontreinigen. Het
+ongeregelde afloopen van het gietwater, waartegen bij de gevlochten
+ampels geen middel bestaat, zal bij deze soorten altijd een groot
+bezwaar blijken te zijn, en ze in de meeste gevallen onbruikbaar
+maken. Heeft men echter zulk een gevlochten ampel, dan doet men
+het beste, die in de waranda of op het balkon te gebruiken; het
+doorloopende water zal daar de minste schade berokkenen. In dit geval
+is de voorkeur te geven aan die, welke van gegalvaniseerd draad gemaakt
+zijn, daar die niet roesten. Alvorens zulk een ampel te beplanten,
+wordt zij inwendig met tinblad bekleed, ten einde te voorkomen, dat
+de aarde tusschen de mazen wegvalt en daardoor de wortels bloot komen
+te liggen.
+
+De eenvoudigste, beste en goedkoopste ampel is zeker wel die,
+welke men verkrijgt, door een gewonen bloempot in een ijzeren ring
+te plaatsen en aan dien ring de draden te bevestigen, waar hij aan
+opgehangen wordt. (Fig. 8). Deze ampel voldoet aan alle daaraan te
+stellen eischen.
+
+De beste plaats, die men den ampels geven kan, is aan het balkon
+of de waranda; ook zijn zij zeer geschikt voor den wintertuin. In
+de kamer kunnen zij wel gebruikt worden, mits zij dicht voor het
+venster worden opgehangen. In de meeste gevallen zijn aan iedere
+ampel, op gelijke afstanden, drie metalen ringen bevestigd. Aan deze
+ringen worden koorden of kettinkjes vastgemaakt, welker sterkte moet
+geëvenredigd zijn aan de grootte en zwaarte van de ampel. Deze drie
+koorden of kettinkjes moeten weder in een ring te zamen komen. Hangt
+de ampel zóó hoog, dat men haar niet gemakkelijk kan bereiken, dan
+moet aan laatstbedoelden ring weder een koord bevestigd worden, dat
+over een in den zolder aangebrachte katrol loopt, zoodat men haar,
+zoo noodig, zonder beschadigen kan laten zakken.
+
+Zeer kleine ampels, waarin slechts ruimte is voor één plant,
+hetzij met den pot er in geplaatst, hetzij er in uitgeplant,
+kan men zeer gemakkelijk zelf vervaardigen uit een pompoen-
+of kokosnoot-schaal. Zulke ampeltjes zijn heel aardig om in het
+vertrek vóór het venster te hangen, daar zij het licht niet te
+veel onderscheppen. Wanneer men er nu één moerasplant, zooals
+bijv. Tradescantia of Isolepis gracilis in plant, dan kan men de
+overblijvende ruimte met stukjes spons aanvullen. Deze zuigen het
+water op en zorgen dus, dat de aarde behoorlijk vochtig blijft,
+terwijl de fijne worteltjes er gemakkelijk in kunnen doordringen.
+
+Zeer gemakkelijk zijn de ampels te vullen, waarin men de planten
+met den pot plaatst; deze mogen niet te groot zijn en er moet voor
+gezorgd worden, dat zij een gladden bodem hebben, opdat de potten
+goed vaststaan. Als regel zal men er slechts één plant in plaatsen
+of wel een grootere, waar eenige kleinere omheen worden gezet.
+
+De ampels, waarin de planten uitgeplant worden, moeten als volgt
+behandeld worden. Op de drainage-opening legt men een omgekeerde
+scherf, de holle zijde naar de opening gekeerd; hierop worden nog
+enkele scherven gelegd, en deze worden met een laagje ruwen turfmolm
+gedekt. Hierop brengt men dan eerst de aarde. Deze aarde moet, om
+een te spoedig uitdrogen te voorkomen, niet al te licht zijn. In
+het midden van zeer groote ampels zet men dan een fraaie opgroeiende
+plant, zooals een Palm of iets dergelijks. Hieromheen kunnen enkele
+lagere opgroeiende blad- of bloemplanten gezet worden, bijv.: Cyperus,
+Pelargonium, Fuchsia of Heliotroop; de eigenlijke hangplanten worden
+dan rondom deze laatsten geplant. Bij een dergelijke beplanting moet
+men er op letten, dat de gebruikte bloemplanten niet te veel in de
+hoogte groeien; beter is het, wanneer zij zich vertakken, hetgeen
+men gemakkelijk kan bevorderen, door den hoofdstengel tijdig in te
+snijden. De ampel mag vooral niet overvuld worden. Men moet aan de
+planten gelegenheid geven zich behoorlijk te ontwikkelen, terwijl ook
+de kluiten er in geplant moeten kunnen worden, zonder dat het noodig
+is, die veel te beschadigen.
+
+
+
+
+De gereedschappen.
+
+Een liefhebber, die zijn planten in de kamer kweekt, bedient zich van
+betrekkelijk zeer weinig gereedschappen; laten wij die, welke bij het
+bespreken van het zaaien, stekken en verplanten vermeld zullen worden,
+zooals de verplantstok, het repikeerhoutje en het pincet voorloopig
+rusten, dan blijft ons als het belangrijkste stuk gereedschap de
+gieter over.
+
+Wanneer men grootere planten te gieten heeft, die in den wintertuin,
+onder de waranda, of op het balkon staan, dan doet men het beste
+zich een gewonen gieter aan te schaffen, zooals die in de kweekerijen
+gebruikt wordt. De gieter, dien men gebruikt om de bloemtafel en de
+andere in de kamer gekweekte planten te gieten, kan veel kleiner
+en sierlijker zijn. In de meeste gevallen is hij groot genoeg,
+wanneer hij 3-5 liter water kan bevatten. Het handvat moet aan zulk
+een kamergietertje goed groot en gebogen zijn, terwijl er vooral op
+moet gelet worden, dat de tuit vrij lang is; opdat men, wanneer de
+planten wat ver uit elkander staan, de verst weg staanden toch goed
+kan bereiken (Fig. 9). Bij een zoodanigen gieter behoort een broes
+te zijn met kleine gaatjes, die men in verschillende vormen heeft;
+namelijk nu eens met een rond en gebogen, dan weder met een ovaal en
+plat bovenvlak.
+
+Het duurzaamste, doch ook verreweg het duurste zijn de koperen
+gieters. De broes dient tot het aangieten van zaden, stekken en pas
+verpotte planten, alsook om des zomers de buitenstaande planten te
+besproeien. Een zeer bijzonderen gieter, met een lange tuit en een
+slechts aan de bovenzijde met gaatjes voorziene broes, toont ons
+fig. 10. Deze gieter is zeer geschikt om buitenstaande planten
+te begieten. Daar men met den gieter de planten slechts aan de
+bovenzijde der bladeren kan bevochtigen en ook het besproeien van de
+achterzijde dringend noodig is, al was het slechts ter bestrijding van
+het ongedierte, dat daar bij voorkeur huist, moet een liefhebber ook
+beschikken over een kleine handspuit (Fig. 11). Deze handspuitjes zijn
+in iederen winkel, waar men tuingereedschappen verkoopt, te verkrijgen.
+
+Ze moeten, willen zij goed zijn, uit geel koper vervaardigd en aan het
+uiteinde van een fijne broes voorzien zijn. Daar het kleinste model
+dier spuitjes voldoende is, behoeven ze niet kostbaar te wezen. Voor
+het gebruik in de kamer zijn de handspuitjes minder aan te bevelen,
+omdat bij gebruik daarvan het nat worden van het tapijt en der
+meubelen moeilijk te voorkomen is. Voor de kamer beveelt zich het
+meest de z.g.n. rafraichisseur aan. Deze toestelletjes heeft men in
+velerlei soorten en zeer verschillende prijzen.
+
+De eenvoudigste rafraichisseurs spuiten, door in het daartoe bestemde
+mondstuk met kracht te blazen, wat zeker nogal vermoeiend voor de
+longen is. Om hieraan te gemoet te komen, heeft men rafraichisseurs
+gemaakt, voorzien van een elastieken bal. Door den bal in te drukken
+begint het toestel te spuiten. Ook heeft men er in de laatste
+jaren in den handel gebracht, waar men slechts aan een handvatsel
+behoeft te pompen, of wel op een knop te drukken, om ze in werking te
+stellen. Deze toestelletjes zijn voor de kamer zeer geschikt, daar zij
+het water zóó fijn verdeelen, dat dit als stof op de bladeren valt,
+en ze voldoende bevochtigt, terwijl zij de meubelen geenszins bederven.
+
+Rafraichisseurs, zooals deze in Fig. 12 zijn afgebeeld, worden vooral
+door dames veel gebruikt om eau de cologne en andere odeurs in een
+kamer te verspreiden.
+
+Als andere gereedschappen heeft men nog noodig een spuitje om
+insectenpoeder op de bladeren te spuiten; verder een zachte spons om
+deze af te wasschen en een kwastje om de bladoksels, waar men met de
+spons niet bij kan, schoon te maken. Als laatste gereedschappen moet
+men voorzien zijn van een goede rozenschaar en een scherp mes.
+
+
+
+
+De aarde.
+
+Bij het kweeken van planten in de kamer, speelt natuurlijk de aarde
+ook een zeer gewichtige rol. Ieder liefhebber moet trachten zich
+op de hoogte te stellen van de verschillende aardsoorten en hare
+toepassing. Ook zij, die zich niet bezighouden met het zaaien en
+vermenigvuldigen van planten en die, hetgeen zij noodig hebben,
+eenvoudig in een kweekerij koopen, komen toch dikwijls in de
+noodzakelijkheid verschillende grondsoorten te moeten gebruiken. Als
+regel kan men aannemen, dat de planten, die men koopt, in een
+goed aardmengsel staan; maar vroeger of later komt men toch in de
+noodzakelijkheid dit te moeten vernieuwen, hetzij, doordat de planten
+goed gegroeid zijn en een grooteren pot moeten hebben; hetzij, dat
+zij ziek zijn geworden en daarom de aarde moet ververscht worden. Wil
+men nu van dit verplanten een goed resultaat verwachten, dan is het
+niet alleen noodzakelijk, dat deze bewerking goed wordt uitgevoerd,
+maar nog veel noodiger, dat men het juiste grondmengsel kiest.
+
+Voor gewone kamerplanten, waarvan men spreekwoordelijk zegt, dat zij
+als onkruid groeien, is het voldoende gewone bladaarde te gebruiken,
+waarin het meerendeel dezer planten zeer goed groeit. Veel beter doet
+men echter, aan iedere plant dat grondmengsel te geven, hetwelk zij
+noodig heeft. In de meeste gevallen toch kan men niet volstaan met
+de planten in een enkele grondsoort te kweeken, doch moet men een
+mengsel van verschillende grondsoorten samenstellen. Deze mengsels
+moeten met eenig overleg worden gemaakt. Is de aarde te zwaar, dan
+lijden de planten, doordat zij er niet goed in kunnen wortelen en is
+zij te licht, dan werkt het snelle uitdrogen zeer nadeelig.
+
+Een eenvoudige, maar voor vele planten zeer geschikte grondsoort is
+de compostaarde. Men verkrijgt dezen grond door allerhanden afval,
+zooals het tuinonkruid, het in het najaar afgevallen blad, het des
+zomers gemaaide gras en verder allen keukenafval in een afgelegen
+hoekje van den tuin op een hoop te laten werpen. Dergelijke hoopen
+moeten van boven vlak zijn, zoodat men ze met het vuile huishoudwater,
+vatenwater, dierlijken afval, bloed, enz. kan laten overgieten. Laat
+men nu een zoodanigen hoop om de twee maanden met een mestvork flink
+omzetten, dan zijn de zoo opgehoopte stoffen na verloop van een paar
+jaar volmaakt verteerd en in aarde veranderd. Deze aarde wordt door
+een niet al te nauwe zeef gehord, opdat alle grovere deelen, zooals
+niet-verteerde takjes, scherven, enz. verwijderd kunnen worden en dan
+op een hoop gezet, dien men hoogstens slechts eens per jaar behoeft
+om te werken.
+
+Een lichtere grondsoort is de bladaarde. Wanneer het in den herfst
+afgevallen blad afzonderlijk op een hoop wordt gezet en men er
+voor zorgt, dezen hoop ook voldoende om te werken, dan verteert
+het blad langzamerhand en is na 1 1/2 of 2 jaar overgegaan in een
+donker gekleurde lichte aarde. Veel beter, dan de op deze wijze
+verkregen aarde, is de zoogenaamde boschgrond, die in beuken- of
+eikenbosschen gevonden wordt. Een liefhebber, die slechts weinig van
+dezen grond noodig heeft, kan dien, met toestemming van den eigenaar,
+zeer gemakkelijk in het een of andere bosch opzoeken. Men begeeft
+zich daartoe eenigszins diep in het eigenlijke bosch, verwijdert de
+bovenste bladlaag, die den bodem bedekt en waaronder dan een laag,
+meer of minder dik, van een zeer lichte, zachte grondsoort gevonden
+wordt. Deze aardlaag is de zoogenaamde boschgrond.
+
+Een voor vele planten zeer geschikte grondsoort is de heidegrond. Deze
+aarde is, wanneer men ze door een fijne zeef gehord heeft, uitstekend
+geschikt om op te zaaien of om in te stekken. Ongehord is het een
+zeer ruwe grond, die, hetzij onvermengd, hetzij met toevoeging
+van andere grondsoorten, veel gebruikt wordt. De heidegrond vindt
+men op de heide of in bosschen, waar veel heidekruid, boschbessen
+en dergelijke planten groeien. Men vindt hem gewoonlijk in slechts
+enkele centimeters dikke lagen. Daar de bedoelde plantensoorten in
+hoofdzaak slechts op zandgronden groeien, is de heidegrond in de
+meeste gevallen met meer of minder zand vermengd.
+
+Arm aan zand is een andere grondsoort, die men ook tamelijk veel
+aantreft, namelijk de veengrond. Deze grond wordt gevonden in
+veenachtige weiden en daar hij nogal dikwijls zuurachtig is, doet
+men wijs hem vóór het gebruik een paar jaar aan de lucht bloot
+te stellen. Zeer raadzaam is het vooral, een hoop veengrond des
+winters enkele malen goed te laten omzetten, opdat de vorst er goed
+op kan inwerken. Sommige plantensoorten als Alpen-rozen, Azalea's,
+Erica's groeien in met zand vermengden veengrond beter dan in iedere
+andere aarde.
+
+Een zeer goede en lichte grondsoort is ook nog de houtaarde. Deze
+kan men slechts zelden in groote hoeveelheden verkrijgen. In de
+meeste gevallen wordt zij aangetroffen in holle boomen, vooral
+Wilgen. In grootere hoeveelheden wordt deze ook wel gevonden bij
+groote houtzaagmolens. Wanneer men daar op plekken, waar de boomen
+van de schors ontdaan worden, de ruwe oppervlakte wegruimt, dan treft
+men er een zwarte zachte aarde onderaan. Deze kan men, wanneer zij
+uitgehord is, direct gebruiken. Hetzelfde ontstaat, wanneer zaagsel
+enkele jaren op een hoop gezet en omgewerkt wordt. Hoewel deze grond
+voor enkele planten zeer goed is, zal het altijd eenigszins lastig
+zijn, hem in voldoende hoeveelheden te verkrijgen.
+
+Belangrijker, dan de genoemde lichte grondsoorten, is voor den
+liefhebber, de zeer voedzame broeiaarde. De broeiaarde wordt verkregen
+door den paardemest, die in het najaar uit afgekoelde warme bakken
+wordt gestoken en die reeds grootendeels verrot is, op een hoop te
+zetten. Wordt deze hoop in den loop van den winter en der lente een
+keer of drie-, viermaal goed omgezet, dan verandert de oude mest
+in den loop van het jaar in zwarte aarde. In dezen grond, die zeer
+voedzaam is, groeien snel ontwikkelende planten uitstekend.
+
+Nog voedzamer is een soort van mestaarde, die men verkrijgt door
+stroovrijen koe- en schapemest op een hoop te zetten en zoo te laten
+verteren.
+
+Broei- en mestaarde kan men beschouwen als middelmatig zware
+grondsoorten. Bij het kweeken van planten heeft men echter ook zwaren
+grond noodig, en daarvoor komt in de eerste plaats de kleigrond
+in aanmerking. Hiertoe neemt men de klei, die onder de graszoden
+van weilanden gevonden wordt, zet die los op een hoop en laat ze
+des winters, wanneer de vorst het eenigszins toelaat, enkele malen
+flink omzetten, zoodat zij goed kan doorvriezen. Is deze grond goed
+doorgevroren en wil men, in het voorjaar, een der grootere stukken
+in de hand nemen, dan valt dat uit elkander, zoo los is het geworden.
+
+Hetzelfde doel, dat men met den kleigrond bereikt, bereikt men ook
+met graszodengrond. Om graszodengrond te maken, neemt men zoden van
+goed beweid weiland, en zet die met het gras naar onderen op een
+hoop. Zulk een hoop laat men een jaar staan, om hem in het voorjaar
+van het volgend jaar flink om te zetten. Deze bewerking herhaalt men
+des zomers en in het najaar nog eens. Vriest de hoop dan in den daarop
+volgenden winter goed door, dan is hij in het voorjaar voor gebruik
+geschikt. Is men niet zeker graszoden van weilanden te verkrijgen,
+die goed beweid zijn, dan doet men het beste een laag zoden neer te
+leggen van ± 10 cM. dikte, hierop een laag koemest van ongeveer 5 à 6
+cM. dikte, dan weder een laag zoden en zoo doorgaande tot de hoop klaar
+is. De bewerking is dezelfde als die zoo juist genoemd. Is deze grond
+gereed, dan heeft men niet alleen een zeer zwaren, doch ook een zeer
+voedzamen grond. Een zeer goede aarde van hetzelfde gehalte verkrijgt
+men ook, door in weilanden de mollenhoopen te verzamelen. Deze grond
+is meestal zeer goed en vrij van ongedierte en dergelijke plagen.
+
+In den laatsten tijd wordt ook veel gebruik gemaakt van
+turfstrooisel. Turfstrooisel, goed fijn gemaakt, is zeer geschikt
+om in te kweeken en kan ook dienen, om te zwaren grond lichter
+te maken. Beter daartoe geschikt is echter de aarde, die men
+verkrijgt, door turfstrooiselmest langen tijd op een hoop te laten
+staan. Turfstrooisel komt tegenwoordig bij wijze van groote balen in
+den handel voor, en is niet duur.
+
+Een zeer belangrijk bestanddeel der grondmengsels is ook het
+zand. Nooit is een grondmengsel goed om planten in te verpotten,
+wanneer het niet minstens 1/6-1/12 zand bevat. Het zand houdt de aarde
+rul en frisch, terwijl het ook een goede afwatering bevordert. Het
+beste zand, dat men gebruiken kan, is grof rivierzand, ook wel bekend
+onder den naam van scherpzand. Minder geschikt is z.g.n. duinzand,
+daar dit te fijn is, waardoor de aarde, na lang gieten, zich te veel
+sluit en een goede waterafvoer dan niet meer mogelijk is.
+
+De liefhebber, die slechts enkele planten in de kamer kweekt, en
+niet over een tuin beschikt, waar hij een hoekje, goed aan alle
+weersinvloeden blootgesteld, kan afzonderen voor bergplaats van
+aardsoorten, doet het beste deze, wanneer hij ze noodig heeft, bij
+een goeden kweeker te koopen. Hij, die er echter een bergplaats voor
+aarde op na kan houden, behoeft geen moeite te doen zich alle, hier
+behandelde, aardsoorten aan te schaffen. Voldoende is het, wanneer men
+een lichte grondsoort, broeiaarde en klei- of graszodengrond heeft,
+waarbij het zand zeker niet vergeten mag worden.
+
+Wat nu de verschillende grondmengsels betreft, kan men als algemeenen
+regel tamelijk wel aannemen, dat planten met zeer zwak ontwikkeld
+wortelgestel, of die met zeer fijne wortels, een lichten grond
+moeten hebben. Tot deze planten behooren o.m. de Varens en al die
+teere plantjes, welke in het kamerkasje worden gekweekt. Een weinig
+zwaarderen en ook voedzameren grond, een mengsel dus van ongeveer
+gelijke deelen, blad-, broei- en graszodengrond, verkiezen de niet
+zeer zwaar bewortelde, maar snel groeiende zomerbloemplanten, waartoe
+o.a. de Fuchsia's, Heliotropen en Pelargonium's behooren. In zwaren
+grond, derhalve in een mengsel van 1/2 tot 2/3 graszodengrond,
+groeien voor het meerendeel alle planten met vleezige wortels,
+die somtijds zeer omvangrijk kunnen worden, zooals bij voorbeeld de
+Palmen en Bolgewassen. Bij het kiezen der grondsoort moet men ook
+nog letten op den leeftijd der planten. Aan een jongen Palm geeft men
+een tamelijk lichten grond, maar wanneer hij grooter wordt en verpot
+moet worden, zorgt men er voor, de aarde telkenmale wat zwaarder te
+nemen. Bij het gebruik van zwaren grond moet men er ten slotte nog
+op letten, dat hij niet te veel pakt. Is dit het geval, dan moet hij
+met wat lichteren grond en een weinig zand vermengd worden. Ook is
+het zaak, dat de aarde bij het gebruik niet te vochtig is. Beter
+doet men iets te droge, dan iets te vochtige aarde te gebruiken,
+terwijl deze altijd de temperatuur moet hebben van het vertrek,
+waarin de planten zich bevinden. Het gebruik van te vochtige en te
+koude aarde is allernadeeligst voor den groei der planten.
+
+
+
+
+Het zaaien en uitplanten.
+
+Het aangenaamste en meest loonende werk, waarmede de plantenliefhebber
+zich kan bezighouden, is ongetwijfeld wel het vermenigvuldigen van
+zijn lievelingen en het interessantste is dan zeker wel, dit te
+doen langs den natuurlijken of geslachtelijken weg, namelijk door
+zaaien. Deze wijze van vermenigvuldigen is zeker wel de dankbaarste;
+want, indien men haar goed kan volvoeren, geeft zij een duidelijk
+overzicht van het zoo belangrijke gebied der tuinbouwkunde.
+
+Om met succes planten door middel van zaad te vermenigvuldigen, heeft
+men in de eerste plaats goed, kiemkrachtig zaad noodig en een der
+eerste zorgen moet dus zijn, zich dit aan te schaffen. Weinige zaken
+zijn op zulk een volkomen vertrouwen gebaseerd als een zaadhandel,
+want niet alleen kan men aan de meeste zaadsoorten met het bloote oog
+onmogelijk zien, of zij al dan niet kiemkrachtig zijn; maar van de
+meeste soorten kan men zelfs niet met zekerheid zeggen of het wel
+die zijn, welke men heeft besteld. De zaden van de verschillende
+soorten en variëteiten van één geslacht zijn dikwerf niet uit
+elkander te kennen. Het is daarom zaak, de zaden steeds van een der
+meest betrouwbare firma's te betrekken; in welk geval men omtrent
+kiemkracht en juistheid der verlangde soort tamelijk wel verzekerd is.
+
+Van groot belang is in de eerste plaats de keuze van den juisten
+tijd om te zaaien. Uitgezonderd voor die zaden, welke zeer langzaam
+kiemen en welke men het beste doet in de maanden Januari tot Maart in
+een warme kamer te zaaien, zijn de maanden April en Mei daartoe het
+meest geschikt. Zaait men te vroeg, dan zal het vrij sterke vallen
+der temperatuur gedurende den nacht een zeer ongunstigen invloed
+op de kieming uitoefenen, terwijl ook de jonge kiemplantjes zullen
+lijden door de onvermijdelijke temperatuurswisselingen. Het te laat
+zaaien is ook niet aan te bevelen, daar de zaadplanten dan vóór den
+herfst zich niet meer volkomen kunnen ontwikkelen.
+
+Een goede kiemkrachtige zaadkorrel heeft voor haar eerste ontwikkeling
+behoefte aan warmte en vochtigheid, terwijl het kiemingsproces
+veel zekerder zal plaats hebben, wanneer dit in volkomen donker kan
+geschieden. Om aan dit eerste vereischte der kieming te voldoen, brengt
+men de zaadkorrels in den grond en bedekt men ze ook in den regel
+met een laagje aarde. Op deze wijze uitgezaaid, ligt de zaadkorrel
+vochtig en warm en is tegelijkertijd van het licht afgesloten.
+
+Voor het zaaien in de kamer bedient men zich van kleine zaadpotjes,
+van platte schalen, of ook wel van houten kistjes. Welke van deze
+voorwerpen men ook gebruikt, steeds moet er op gelet worden, dat zich
+in den bodem de noodige drainagegaatjes bevinden.
+
+Heeft men zeer platte schalen, dan is het voldoende op ieder gaatje één
+scherf te leggen met de holle zijde naar onder; bij hoogere schalen
+of potten is dit echter lang niet voldoende, men moet deze minstens
+l/3 der hoogte met scherven vullen. Ook stukjes houtkool, cokes en ook
+wel steentjes kunnen hiervoor gebruikt worden. Deze schervenlaag heeft
+ten doel een geregelden waterafvoer te verzekeren. Het overvloedige
+water kan dan gemakkelijk wegzakken. Waar de drainage niet voldoende
+verzekerd is, daar wordt de aarde in korten tijd zuur en het beste
+zaad kan dan geen goede, gezonde zaadplantjes geven.
+
+Van evenveel belang als het is voor een goeden pot te zorgen, is
+het ook, de juiste soort van aarde te kiezen, waarin men zaait. De
+ondervinding heeft geleerd, dat men te dien opzichte voorzichtig
+moet zijn, daar vele teere planten uitsluitend in lichte aarde
+willen kiemen. Dit ligt ook eenigszins voor de hand. Zware grond is
+voor warmte moeilijk toegankelijk, hij neemt te veel water in zich
+op en biedt aan het jonge kiemplantje te veel weerstand, zoodat die
+moeilijk of in het geheel niet aan het daglicht zou kunnen treden. De
+beste grond, om in te zaaien, is in de meeste gevallen zeer zuivere,
+goed verteerde bladgrond, die door een fijne zeef is gewreven;
+ook heidegrond is zeer goed bruikbaar. Deze grondsoorten moeten,
+vóór ze gebruikt worden, met 1/3 tot 1/4 zand vermengd worden. In
+den laatsten tijd wordt ook met goed succes zeer fijn turfstrooisel
+gebruikt. Turfstrooisel is zeer poreus, het wordt niet vast en
+blijft vochtig. Het heeft tegen, dat het een grond is, zeer arm aan
+voedende bestanddeelen, zoodat de jonge plantjes er spoedig uitgenomen
+moeten worden. Moeten, hetzelfde door welke omstandigheid, de jonge
+kiemplantjes eenigszins lang in den zaadpot blijven staan, dan is
+turfstrooisel niet aan te bevelen. Vóór alles moet men er op letten,
+dat de aarde, waarin men zaait, een voldoenden vochtigheidsgraad bezit;
+zij mag noch te droog, noch te vochtig zijn. De zaadpotten worden
+nu met de klaargemaakte aarde gevuld; hierop worden zij gladgemaakt
+en met een plankje of de palm van de hand zacht aangedrukt. Naar de
+grootte der zaden, moet men het zoo inrichten, dat er tusschen het
+bovenvlak der aangedrukte aarde en den rand van den pot een ruimte
+van 1 tot 4 cM. overblijft. Zijn de zaadpannen of -potten op deze
+wijze geheel klaargemaakt, dan gaat men tot het eigenlijke zaaien
+over. Het gemakkelijkste is het zaaien van groote zaden: deze worden
+eenvoudig, maar vooral niet te dicht, over de oppervlakte van den
+pot verdeeld. Onder de kamerplanten, die grootere zaden bezitten,
+zijn er vele, waarvan de zaden pas na een voorafgaande bewerking
+gezaaid kunnen worden. Het zijn vooral die zaden, welke zeer harde
+schillen hebben, die men, indien zij eenigszins spoedig moeten kiemen,
+niet maar zoo zaaien kan. Dikwijls wordt dan die harde buitenschaal
+een weinig losgemaakt; deze bewerking is echter niet aan te bevelen,
+omdat daardoor maar al te vaak de kiem beschadigd wordt. Beter doet
+men, zulke zaden vooraf 2 of 3 dagen in lauw water te weeken. De
+harde schaal wordt door het weeken zacht, de vochtigheid kan
+gemakkelijker tot aan de kiem doordringen en als gevolg kiemt het
+zaad veel spoediger. Een hoofdzaak is het echter, dat men er op let,
+vooral niet te dicht te zaaien; slechts zeer groote zaden, zooals die
+van Palmen en Bananen, kunnen tegen elkander worden gelegd. Dikwijls
+is het echter in zulke gevallen beter, de zaden ieder afzonderlijk
+in een klein potje te zaaien. Fig. 13 toont een Banaan-korrel vóór
+en na de kieming en een ontwikkelde kiemplant in een zaadpotje.
+
+Zijn de groote zaden uitgestrooid, dan moeten zij met een beetje
+overleg met aarde bedekt worden. De zaadkorrel moet ongeveer zoo
+hoog gedekt worden als zij dik is. Na het dekken wordt de aarde weer
+gelijkmatig aangedrukt. Nog moet opgemerkt worden, dat de zaadkorrels
+met zwaren grond minder gedekt moeten worden dan met lichten. Aangezien
+wij er echter reeds op gewezen hebben, dat men voor het zaaien in de
+kamer beter lichte aarde dan zware gebruikt, zoo zal men het beste
+doen als regel aan te nemen het zaad juist zoo diep te zaaien als het
+dik is. Bij te zware bedekking, wil de kiem wel eens rotten, voor zij
+aan het daglicht is kunnen treden; bij te lichte bedekking echter,
+heft het jonge worteltje de zaadkorrel uit den grond, wat ook niet
+wenschelijk is, daar de kiemplantjes dan te spoedig moeten verplant
+worden. Palmen en planten, die dadelijk een zwaren wortel maken,
+worden veelal te ondiep gezaaid, zij kunnen gerust eenige centimeters
+onder de oppervlakte der aarde gelegd worden.
+
+Het moeielijkste is het uitzaaien van stoffijne zaden, zooals die van
+vele onzer meest geliefde kamerplanten o.a. Gloxinia's, Begonia's,
+enz. Deze fijne, meestal dure zaden, worden in kleine zakjes verkocht,
+die door de zaadhandelaren veelal weder in een grooter zakje worden
+gevouwen. De kleine zakjes moeten zeer voorzichtig geopend worden. Het
+gevouwen papier vormt dan een zoogenaamd schuifje. Dit schuifje
+neemt men zoo tusschen duim en middelsten vinger der rechterhand,
+dat men het papier met den wijsvinger van elkander verwijderd kan
+houden. (Fig. 14). Men beweegt nu het zoo vastgehouden papiertje van
+den éénen kant van den zaadpot naar den anderen en doet het zoo, dat
+de zaden langzaam van het schuifje glijden en zoo mogelijk gelijkmatig
+over de aardoppervlakte verdeeld worden. Het geldt als gewoonte, dat
+stoffijne zaden niet met aarde bedekt, maar slechts zeer voorzichtig
+aangedrukt worden, waardoor zij voldoende in de aarde komen te liggen.
+
+Iedere zaadpot wordt nu voorzien van een etiquette, waarop de naam
+staat van het gezaaide zaad. Is men zoo ver gereed, dan worden de
+potten dadelijk aangegoten. Slechts voor die potten, waarin grootere
+zaden liggen, gebruikt men, bij het aangieten, een broesgieter;
+voor die, welke zeer fijne onbedekte zaden bevatten, gebruikt men den
+rafraichisseur. Dezen moet men echter nog zeer voorzichtig behandelen,
+en er vooral op letten, dat de zaden niet naar één zijde van den pot
+gespoeld worden. Heeft men de zaadpotten aangegoten, dan zet men ze
+op de bestemde plaats.
+
+Voor zaden, die vroeg in het voorjaar moeten ontkiemen, is het
+voorzichtig de potten met een glasplaat te bedekken (Fig. 15). Deze
+glasplaat wordt dagelijks éénmaal van den pot afgenomen, en dan met
+een spons of doek goed droog afgeveegd. Deze zaadpotten zet men zoo
+warm mogelijk, bij voorkeur in een geregeld gestookte kamer, niet te
+ver van de kachel. Heeft men echter zaden, die minder warmte noodig
+hebben, dan is het beter, ze voor het venster te zetten. Zij behoeven
+dan niet met een glasplaat bedekt te worden, maar het is voorzichtig,
+wanneer de zon ze beschijnt, er een stukje papier op te leggen,
+ten einde het te sterke uitdrogen te voorkomen.
+
+Indien men bij het zaaien de noodige voorzichtigheid in acht genomen
+heeft, dan behoeft men aanvankelijk niets te doen, dan de aarde
+behoorlijk vochtig te houden. Is men zeker, kiemkrachtige zaden
+gebruikt te hebben, dan kan, mits men bij het begieten de noodige
+voorzichtigheid betracht, het resultaat niet uitblijven. Bij het
+gieten der zaden, moet men er op letten, dat dit steeds geschiedt,
+voordat de oppervlakte zeer uitgedroogd is. Door het opdrogen,
+wordt het kiemingsproces gestoord, en één enkelen keer uitdrogen,
+op den tijd, dat het jonge worteltje zich ontwikkelt, kan het ten
+gronde gaan der kiemplanten veroorzaken.
+
+Om een goed resultaat te verkrijgen, moet men zich met een goede
+dosis geduld wapenen. Hij, die het afwachten nog niet geleerd heeft,
+leert het zeker, bij het behandelen van zaadpotten. Het is toch een
+groote fout om in de zaadpotten te wroeten, ten einde te zien of het
+zaad nog niet kiemt. Men moet de potten onaangeroerd laten staan,
+om het spoedigste tot het doel te geraken. Eenige soorten zaad
+zijn er, die een of ook wel twee jaar noodig hebben om te kiemen,
+deze zijn echter gelukkig zeldzaam. Slechts enkele zaden en wel
+hoofdzakelijk die van Palmen, hebben verscheidene maanden noodig om
+te kiemen, de meeste kamerplanten echter doen dit reeds binnen een
+of twee weken en verscheidene zelfs al na enkele dagen. Tusschen
+het verschijnen der eerste en der laatste kiemplant in één pot,
+kan somtijds een aanmerkelijke tijd verloopen. Bij eenige soorten
+is deze onregelmatigheid in de kieming zeer opmerkenswaardig, zoo
+bij voorbeeld bij Musa Ensete, de reeds vermelde Banaan, een zeer
+bekende sierplant. Bij deze soort kan het voorkomen, dat de eerste
+kiemplant reeds na veertien dagen verschijnt, terwijl andere van vier
+tot zes maanden op zich laten wachten. Hetzelfde is het geval met de
+zaden van een, tot de Winde behoorende, klimplant, de Mina lobata. De
+eerste kiemplanten van deze soort verschenen acht en veertig uren na
+het uitzaaien, terwijl er acht maanden later nog opkwamen.
+
+Bij de Japansche Hop, Humulus japonicus, heeft men ondervonden, dat
+de meeste zaden binnen één maand kiemen, maar dat sommige meer dan
+een jaar blijven slapen, om dan pas te verschijnen. De aangevoerde
+voorbeelden zullen wel voldoende zijn om te toonen, dat de liefhebber,
+die zich met zaaien bezighoudt, geduld, zelfs veel geduld, moet
+bezitten en ook, dat hij vooral niet te vlug moet zijn met een
+oordeel over het gekochte zaad. Hoeveel zaadpotten, met zeer goede
+zaden bezaaid, worden niet weggeworpen, alleen, omdat de bezitter
+geen geduld genoeg heeft om op de kieming te wachten.
+
+Er zijn slechts zeer weinige zaadplanten, die men in den pot, waarin
+zij gezaaid zijn, kan laten staan, om daarin tot volkomen ontwikkeling
+te komen. De meeste kiemplantjes moeten spoedig, nadat zij opgekomen
+zijn, wijder uit elkander geplant worden; een bewerking, welke men
+aanduidt door het woord repikeeren of verspenen. Heeft men niet zóó
+dicht gezaaid, dat de jonge plantjes elkander dadelijk raken, dan
+behoeft dat repikeeren niet direct na het opkomen te geschieden. Heeft
+men echter te dicht gezaaid, dan kan men, indien het geen zeldzame
+planten zijn, de zwakste voorzichtig uittrekken en wegwerpen, om
+zoodoende den sterkeren meer ruimte te geven, of wel, men moet zoo
+spoedig mogelijk uitplanten.
+
+Zeer lastig is het uitplanten der zaailingen, die uit zeer fijne
+zaden ontspruiten, daar deze dikwijls, met het ongewapend oog,
+nauwelijks te zien zijn. Voor deze kiemplantjes, die verscheidene
+malen gerepikeerd moeten worden, voordat zij sterk genoeg zijn om
+afzonderlijk in een potje te worden geplant, gebruikt men potten van
+ongeveer 10 cM. wijdte, of wel platte schalen of kistjes. Deze potten
+of schalen worden ter halver hoogte met scherven gevuld, hierop legt
+men een laagje ruw turfstrooisel en daarbovenop de aarde. Als aarde
+gebruikt men fijn gezeefden lichten grond, vermengd met zand. Alvorens
+te planten, wordt de aarde gelijkgemaakt en zacht aangedrukt. Voor
+het uitplanten van zaailingen heeft men twee hulpmiddelen noodig,
+die men echter zelf kan maken; te weten: een klein stokje, dat men
+aan de ééne zijde spits en aan de andere zijde vlak afsnijdt, het
+repikeer-stokje, en ten tweede een pincet (Fig. 16 van onder). Om
+een pincet te maken, neemt men een dun stokje, dat men aan de eene
+zijde, met een lange punt, afsnijdt; hierop splijt men de spits
+met een scherp mesje en steekt in het einde der spleet een klein
+dwarshoutje. Dit pincet neemt men in de linkerhand, tusschen duim
+en wijsvinger, waarmede men het spleetje open en toe kan drukken;
+in de rechterhand neemt men het repikeer-stokje.
+
+Met de punt van het repikeer-stokje maakt men het jonge zaadplantje
+los, waarop men het voorzichtig met het pincet opneemt. Heeft men het
+plantje tusschen het pincet, dan maakt men in den gereedstaanden pot,
+met de punt van het repikeer-stokje, een klein gaatje, dat vooral niet
+te diep mag zijn. In dit gaatje houdt men nu het plantje, zoodanig,
+dat de kiemblaadjes op de aarde komen te liggen, waarop men het gaatje
+met de platte zijde van het repikeer-stokje dichtdrukt, waardoor het
+plantje vast komt te staan (Fig. 16). Men moet de jonge plantjes nooit
+al te wijd uit elkander planten en ze, wat men met een technischen
+term noemt, in het verband zetten; d.w.z. dat het eerste plantje in de
+tweede rij tusschen de beide eerste in de eerste rij komt te staan,
+zooals de hiernevens staande puntjes aanduiden : . : . : . : Deze
+plantwijze heeft het voordeel, dat alle plantjes even wijd uit elkander
+komen te staan en de ruimte in den pot geheel gebruikt kan worden.
+Fig. 17 stelt een pot met goed opgekomen en daarnaast een pot met
+uitgeplante of gerepikeerde plantjes voor. Heeft men een pot op deze
+wijze vol geplant, dan worden de plantjes met den rafraichisseur
+voorzichtig aangegoten, en wanneer het warme planten zijn, met een
+glasplaat bedekt. Wil men dit laatste doen, dan moet er voor gezorgd
+worden, dat de pot niet tot aan den rand met aarde wordt gevuld; daar
+de jonge plantjes de glasplaat niet mogen aanraken. Zijn de zaailingen
+boven den rand van den pot uitgegroeid, en moeten zij nog met glas
+bedekt blijven, dan steekt men eenige stokjes op gelijke hoogte in den
+pot en legt daarop de glasplaat. (Fig. 18).
+
+Heeft men gewone éénjarige zomerbloemen gezaaid, dan kan men die
+dadelijk repikeeren in den pot, waarin zij moeten bloeien, alleen
+moet men er dan op letten, ze niet te dicht op elkander te planten;
+niet te veel plantjes in één pot te zetten en in plaats van lichten
+grond wat zwaarderen en voedzameren te nemen.
+
+De kiemplanten, die uit grootere zaden ontspruiten, worden niet
+eerst gerepikeerd, maar direct in kleine potjes geplant. Indien men
+zaailingen van kruidachtige planten heeft, kort men den penwortel een
+weinig in. Hierna vult men het potje met aarde (in de meeste gevallen
+met zand gemengde broeiaarde) en neemt daarna den zaailing dicht onder
+de zaadlobben in de linkerhand. Met den wijsvinger van de rechterhand
+maakt men nu een flink gaatje midden in de aarde van het gevulde potje;
+hierin houdt men het plantje zoodanig, dat de worteltjes de aarde
+raken, en de zaadlobben zoo dicht mogelijk op de oppervlakte van de
+aarde komen te liggen. Met den duim en wijsvinger van de rechterhand
+wordt dan het gaatje dichtgemaakt en de aarde matig vast aangedrukt
+(Fig. 19).
+
+Zaailingen, met zeer veel worteltjes, moeten direct verplant
+worden. Hiertoe doet men, na de noodige drainage, slechts een weinig
+aarde in den pot. Men houdt dan den zaailing in den pot, dien men
+hierop met aarde vult en daarna, niet te vast, aandrukt. De verplante
+zaailingen moeten zoo spoedig mogelijk, in elk geval voordat zij gaan
+slap hangen, aangegoten worden en wel zoo, dat het gietwater al de
+aarde in den pot behoorlijk vochtig maakt.
+
+Als jonge plantjes verlangen de zaailingen natuurlijk de noodige
+zorg. Na het verplanten moeten zij tegen de directe inwerking van
+de zon en ook tegen tocht beschermd worden, en vooral op het gieten
+moet zeer goed gelet worden, daar de kleine potjes, gevuld met lichten
+grond, natuurlijk tamelijk spoedig uitdrogen. Na betrekkelijk korten
+tijd maken de jonge plantjes, indien zij goed verzorgd worden, nieuwe
+worteltjes; zij gaan dan doorgroeien en het duurt niet lang of men
+moet aan het repikeeren voor de tweede maal, of aan het oppotten
+gaan denken.
+
+Hij, die zijn kamerplanten, maar vooral zijn zomerplanten, voor het
+balkon en de waranda bestemd, op boven aangegeven wijze uitzaait en
+verpleegt, zal flinke, stevige, rijk bloeiende planten verkrijgen,
+die de vergelijking met de dadelijk op haar plaats uitgezaaide planten
+schitterend zullen doorstaan.
+
+
+
+
+De kunstmatige of ongeslachtelijke voortkweeking van kamerplanten.
+
+Talrijke kamerplanten kunnen veel beter, spoediger en zekerder langs
+ongeslachtelijken weg voortgekweekt worden, dan door zaaien. Hierbij
+moet ook niet uit het oog verloren worden, dat vele en vooral de
+teedere kamerplanten, hier te lande geen zaden voortbrengen; dat van
+uit het vaderland van velen geen kiemkrachtige zaden kunnen ontvangen
+worden en ten laatste, dat zeer vele der in de kweekerijen gewonnen
+hybriden, zich niet constant uit zaden laten voortkweeken. Wanneer men
+bij voorbeeld van een fraaie Pelargonium, Fuchsia of Anjelier zaden
+oogst en die uitzaait, dan behoeft men in de meeste gevallen er niet
+aan te denken, dat de jonge zaailingen weder de goede eigenschappen
+der moederplant zullen bezitten. Deze zaailingen slaan terug,
+d.w.z. zij toonen neiging om weder tot hun oorspronkelijken vorm
+terug te gaan. Onder de kamerplanten, met dubbele bloemen, zijn er
+daarenboven niet weinig die onvruchtbaar zijn. Daar het dubbel worden
+der bloemen gewoonlijk ten koste der geslachtsorganen plaats heeft,
+ziet men niet zelden, dat bij de dubbele bloemen de meeldraden geheel
+zijn verdwenen, terwijl er maar al te vaak ook van den stamper niet
+veel meer te vinden is, aangezien ook deze vergroeide.
+
+Het voortkweeken van planten is voor iederen liefhebber zeer
+belangwekkend. Het wekt niet weinig de belangstelling op, om de kieming
+der zaadkorrel en het zich ontwikkelen van den zaailing te volgen;
+om te zien, hoe de pas kort geleden gesneden stek wortels maakt en in
+betrekkelijk korten tijd tot een zeer schoone plant doorgroeit. Het
+voortkweeken en vooral het voortkweeken langs kunstmatigen weg,
+is ook lang geen gemakkelijk werk, dat, wil men goede resultaten
+verkrijgen, vaak veel tijd vereischt. Ook moet de liefhebber bij
+deze bewerking zeer veel zorg en oplettendheid voor zijn plantjes
+overhebben. Lastiger, dan de geslachtelijke voortkweeking, is voor
+een liefhebber zeker de ongeslachtelijke. De bloemkweeker, die in de
+modern ingerichte kassen, onder het genot van warmte en vochtige lucht,
+duizenden stekken goed aan het wortelen brengt, heeft veel minder
+moeilijkheden te overwinnen dan de liefhebber, die de technische
+hulpmiddelen, waarover een kweeker van beroep thans beschikt, niet
+tot zijn beschikking heeft. Zich dikwijls met de meest primitieve
+hulpmiddelen behelpende, zoekt de liefhebber zijn doel te bereiken en
+in zeer veel gevallen gelukt het hem, zeer goed bewortelde planten
+te verkrijgen. Maar wanneer men een bewortelde stekplant heeft,
+dan is men pas halverwege, want zulk een plantje verlangt nog een
+zeer zorgvuldige verpleging, om tot een goed gezond exemplaar door
+te groeien. Al de inrichtingen, waarover zelfs de kleinste kweeker
+beschikt, zooals lage kweekkasjes en broeibakken, die men al,
+naar de behoeften, meer of minder warm kan aanleggen, ontbreken den
+liefhebber. Met deze hulpmiddelen is een goed resultaat tamelijk zeker;
+ook al heeft de kweeker niet die zorg voor zijn planten, welke de
+liefhebber er aan wijdt. Deze is aangewezen zijn planten in de kamer
+of voor het venster te kweeken; hij kan aan zijn stekplantjes noch
+bodemwarmte, noch vochtige lucht geven. Hoe dikwijls komt het voor,
+dat een liefhebber, zelfs aan zijn jonge plantjes geen geregelde
+temperatuur, of zelfs gunstig licht kan geven; zoodat hij dus met
+mindere resultaten tevreden moet zijn, dan de kweekers verkrijgen.
+
+Uit al het medegedeelde kan men bemerken, dat het kunstmatig
+voortkweeken van planten in de kamer slechts een liefhebberij kan zijn
+voor hem, die gaarne interessante zaken wil leeren kennen, waarvan
+hij veel genoegen kan beleven, doch die hem ook teleurstellingen
+bereiden. Indien men dus in een kamer planten wil voortkweeken,
+moet men er zich op voorbereiden pas na langere cultuur, zulke goede
+resultaten te verkrijgen, als een kweeker van beroep in betrekkelijk
+korten tijd bereikt.
+
+De beste wijze om planten in een kamer voort te kweeken, is zeker
+door middel van stekken. Een kort twijgje, dat men in de meeste
+gevallen met een scherp mesje, vlak onder een oog afsnijdt (Fig. 20)
+en daarna in den grond steekt, wortelt na korteren of langeren tijd
+en is dan een zelfstandige plant geworden. Gewoonlijk snijdt men een
+stek dicht onder een oog af, omdat de ervaring geleerd heeft, dat op
+deze wijze afgesneden stekken, vooral bij kruidachtige planten, het
+gemakkelijkste wortel slaan. Er zijn echter ook uitzonderingen. Fig. 21
+toont een Pelargonium-stek, die vlak onder het oog is afgesneden,
+en een Ficus-stek, die tusschen twee oogen is afgesneden. De laatste
+bestaat slechts uit één blad, met het daarbij behoorende stengeldeel,
+en wordt zóó geplant, dat zij tot aan den bladvoet in de aarde
+komt te staan. Fig. 22 toont stekken van Anjelieren, waarbij in het
+snijvlak nog een kruissnede wordt gemaakt. De ondervinding toch heeft
+geleerd, dat dusdanig gekruiste stekken, veel sneller groeien dan
+oningesnedene. Fig. 23 toont verschillende soorten van stekken en wel:
+1 bladstek van een Ficus, 2 stek van een klimopbladerige Pelargonium,
+3 bewortelde bladstek van een Peperomia, 4 Rozestek en 5 stek van
+een Anjelier. De verschillende wijzen van snijden zijn op de gravure
+duidelijk te zien; terwijl ook de Fig. 21 en 22 goed aantoonen op
+welke wijze de stekken moeten gesneden worden. Het beste groeien de
+stekken van kruidachtige gewassen, en wel in het bijzonder van die
+soorten, welke des winters haar blad verliezen. Deze plantensoorten,
+die men in een koudere kamer, ja zelfs in den kelder kan overwinteren,
+brengt men in Februari aan den groei; zij worden dan goed gesnoeid,
+regelmatig gegoten en op een goed lichte plaats gezet. Het resultaat
+zal zijn, dat zij spoedig overal gaan uitgroeien. Van deze planten
+willen wij slechts vermelden de Fuchsia's, Heliotropen en Hortensia's.
+
+Onder den invloed van meer warmte en licht, ontwaken deze planten uit
+haar winterslaap en beginnen overal uit te botten. De scheuten die dan
+ontstaan, laat men doorgroeien, tot zij drie of vier bladeren hebben,
+waarop zij worden afgesneden en als stekken behandeld. Het afsnijden
+der stek doet men dan, zooals reeds gezegd is met een scherp mesje,
+vlak onder een blad. Ten einde de stek beter te kunnen planten, is het
+nuttig het onderste blad, of de twee onderste bladeren, af te snijden,
+en, om het inrotten te voorkomen, is het bij stekken van zeer zachte
+stengels raadzaam, ze te laten opdrogen, waartoe men ze eenigen tijd
+op een plek, waar de zon ze niet kan bereiken, laat liggen. Is de
+snijvlakte geheel opgedroogd, dan kan de stek geplant worden.
+
+Om nu een goed wortelen der stekken te bevorderen, moeten zij
+besloten staan. Het beste doet men, een houten bakje, ter grootte
+van een sigarenkistje, te maken. In den bodem van het kistje moeten
+enkele drainagegaten geboord worden, waarop scherven, met de holle
+zijden naar onder; worden gelegd. Hierop legt men nog een laagje
+scherven en daaroverheen een dun laagje turfmolm. Op de turfmolmlaag
+wordt nu de aarde, waarin de stekken gestoken worden, gebracht. Als
+aarde gebruikt men goed gezeefden blad- of heidegrond. Voor stekken,
+die spoedig uitgeplant kunnen worden, is het nog beter, in plaats van
+aarde, zuiver zand te gebruiken. De stekken wortelen in zand zeer goed
+en kunnen er, bij het uitplanten, zeer gemakkelijk uitgenomen worden,
+terwijl de wortels dan zuiver blijven. Lang kan men bewortelde stekken
+echter niet in zand laten staan, daar dit geen voedingsstoffen bevat en
+de jonge plantjes er dus in zouden verarmen. De grond, of het zand,
+wordt, na in het kistje gebracht te zijn, gelijkgemaakt en zacht
+aangedrukt. In het zoo klaargemaakte kistje worden nu de stekken,
+tamelijk dicht bij elkander, geplaatst. Hiertoe bedient men zich van
+een puntig stokje, waarmede putjes in de aarde worden gestoken. Men
+neemt dan de stek tusschen duim, wijs- en middelvinger der rechterhand,
+houdt haar in het gaatje en drukt ze daarna flink aan, zoodat zij
+stevig vaststaat. Het is nogal van belang, dat een stek niet te diep in
+de aarde, maar toch goed vast staat. Is het geheele kistje met stekken
+gevuld, dan wordt het met een broesgietertje goed aangegoten, op een
+lichte plaats gezet en met een stolp of glasplaat bedekt (Fig. 24). De
+verzorging bestaat nu hoofdzakelijk in het gelijkmatig vochtig houden
+der aarde, wat men bereikt, door de stekken geregeld met water, dat
+de temperatuur van het vertrek heeft, te besproeien. Al naar het weer
+is, geschiedt dit besproeien een tot driemaal per dag. Aangezien de
+aarde water uitdampt, dat zich als droppels aan de stolp of glasplaat
+afzet, moet deze minstens twee keer per dag met een spons of drogen
+doek afgeveegd worden; de koude waterdruppels vallen anders op de
+stekken en veroorzaken daar licht rottende plekken, wat zeer slecht
+is. Vooral moet, zoolang de stekken niet beworteld zijn, opgepast
+worden, dat de zon er niet op schijnt. Schijnt de zon door het
+venster, op de stolp of de glasplaat, dan worden deze laatsten met
+een stuk papier gedekt. Beginnen de stekken te groeien, wat men vrij
+wel als een teeken mag beschouwen dat zij wortel geslagen hebben,
+dan begint men met gedurig een weinig meer te luchten, totdat de
+stolp of glasplaat geheel verwijderd kan worden. Ook het voor de zon
+schermen kan langzamerhand nagelaten worden.
+
+In plaats van houten kistjes kan men ook gewone bloempotten, van 10
+cM. middellijn, tot het steken van stekken gebruiken. De ondervinding
+heeft geleerd, dat van in potten gestoken stekken, die het snelste
+groeien, welke het dichtst bij den potrand staan; reden waarom
+de stekken dan ook in de potten, die zeer goed van drainage moeten
+voorzien zijn, zoo dicht mogelijk bij den rand worden gestoken (Fig. 25
+en 26). De gesloten warme lucht krijgt men, wanneer potten gebruikt
+worden, door die met een stolp te bedekken. Het aanbevelenswaardigste
+is een stolp in den vorm van een kaasstolp, maar wat hooger en wijder,
+daar men er dan verscheidene potten te gelijk onder kan zetten. Ook
+wanneer men in potten stekt, moeten natuurlijk de daarover staande
+stolpen geregeld afgedroogd worden. Kleinere en ook hangplanten,
+die gemakkelijk wortelen, kunnen direct in den pot worden gestekt,
+waarin zij tot ontwikkeling moeten komen, en liefst verscheidene
+stekken te zamen, opdat de pot goed volgroeit. Fig. 26 stelt een pot
+met Tradescantia-stekken voor, een der meest verspreide en geliefde
+hangplanten.
+
+Het bewortelen geschiedt ook zeer ongelijk. Tradescantia's slaan
+meestal reeds na drie of vier dagen wortel; andere kruidachtige
+planten, eerst na acht of tien dagen. Er zijn echter ook planten,
+waarbij dit langer duurt en die, in de kamer gestoken, pas na
+een of twee maanden wortel maken. Enkele planten wortelen zeer
+goed, wanneer de stekken in water worden gezet; zoo kan men onder
+anderen kopstekken,--dit zijn de bovenste stekken van een plant,
+met de hartbladeren er nog aan--van den Oleander en van den Ficus,
+zeer goed aan den groei krijgen, door iedere stek in een met water
+gevuld fleschje te zetten, en de halsopening met warme was dicht te
+maken. Deze wijze van behandelen is bij de genoemde planten wel zoo
+zeker, als de gewone manier van stekken. Wanneer men stekken in water
+steekt, dan moeten deze echter zooveel mogelijk in de zon staan, om
+te voorkomen dat zij beginnen te rotten. Er zijn nog verscheidene
+andere wijzen om stekken te steken, zooals door bladstekken. Van
+verscheidene planten en vooral van vetplanten, is het voldoende,
+een blad in den bodem te zetten, om een plant te verkrijgen. Een
+zich aan den bladvoet bevindende knop gaat dan ontwikkelen, en men
+ziet aan den voet jonge wortels en een plantje te voorschijn komen,
+terwijl het oude blad langzaam afsterft. Zeer gemakkelijk gaat het
+voortkweeken van bladstekken bij de Bladbegonia's. Van een goed
+ontwikkeld Begonia-blad snijdt men de hoofdnerven met een mesje
+door, hierop legt men het op den daartoe gereedgemaakten pot en
+wel zoo, dat de dikke nerven alle in den grond komen te liggen;
+dan legt men eenige steentjes op het blad, ten einde te voorkomen,
+dat het opwipt. Geeft men nu de noodige warmte en verzorgt men het
+goed, door er op te passen, dat de grond matig vochtig blijft en
+geen zon het treft, dan zal het blad niet alleen aan den bladsteel,
+maar overal, waar men het heeft ingesneden, kleine plantjes vormen,
+die, zoodra zij wortel hebben, afgesneden en opgepot kunnen worden.
+
+Een juist tijdstip, waarop de stekken moeten gestoken worden, laat
+zich niet aangeven. De gewone planten, met kruidachtige stengels,
+groeien het best in Februari en Maart; verscheidene andere planten
+echter, vooral die, met hardere, houtachtige stengels, laten zich
+beter in Augustus stekken. Zoodra de stekken beworteld zijn, neemt
+men ze uit den pot, waarin zij gestoken zijn. Dit moet echter zeer
+voorzichtig geschieden, opdat de jonge worteltjes zoo weinig mogelijk
+beschadigd worden. Kan men het zóó doen, dat zij kluit houden,
+d.w.z. dat de aarde tusschen de worteltjes in blijft zitten, dan is
+dit nog veel beter. De jonge plantjes worden ieder afzonderlijk in een
+potje gezet. Na op het drainage-gaatje een scherf gelegd te hebben,
+doet men in het potje een weinig aarde; met de linkerhand houdt men
+dan het bewortelde stekje in het midden van het potje en wel zóó,
+dat het niet te diep komt te staan, vult het hierop verder met aarde
+aan en drukt het met de rechterhand matig vast.
+
+Nog gemakkelijker gaat het oppotten van weinig bewortelde stekken;
+men kan dan het potje dadelijk geheel met aarde vullen, waarna men
+in het midden met den wijsvinger een juist diep genoeg gaatje maakt;
+met de linkerhand wordt het stekje daarin gehouden, en hierop het
+gaatje dichtgemaakt en matig aangedrukt. Heeft men de stekken op
+deze wijze opgepot, dan moeten zij direct, met een broesgietertje,
+flink aangegoten worden, opdat de aarde goed doorvochtig wordt. Totdat
+de stekken zich tot volwassen planten hebben ontwikkeld, moeten zij
+natuurlijk nog verscheidene malen verplant worden. Na dit verplanten
+moeten zij, evenals toen zij pas opgepot werden, den eersten tijd
+voor de zon beschermd worden, om het slaphangen, waarmede men licht
+bladeren verliest, te voorkomen.
+
+Een andere wijze, om planten kunstmatig te vermenigvuldigen, is door
+middel van afleggers. Deze bewerking wordt hoofdzakelijk toegepast
+op fijne Anjelieren, en wanneer men een weinig zorgzaam is, zijn de
+kansen op goede resultaten zeer groot. De Anjelieren ontwikkelen des
+zomers, nevens de bloeibare stengels, nog een aantal met blad bezette
+scheuten, die in het tweede jaar pas bloeibaar worden. Deze scheuten
+leveren gedurende en na den bloeitijd, de afleggers. Allereerst
+moet men zorgen voldoende potruimte voor het afleggen te hebben,
+waarom men de Anjelier eerst in een grooteren pot verplant, wat men
+zoo doet, dat de oppervlakte der aarde eenigszins losblijft. Men
+neemt nu de sterkste van de af te leggen scheuten, en maakt onder
+een blad een overlangsche insnede, zoodanig, dat deze eindigt onder
+het inplantingspunt van het volgende bladpaar, en de scheut ongeveer
+tot de helft is ingesneden. Men buigt nu dezen scheut naar beneden en
+legt hem met de insnijding in de aarde. Om te zorgen, dat hij zich
+niet weer opricht, bevestigt men hem in den grond met een houten
+haakje. Van iedere plant kan men zooveel afleggers maken, als er
+goede scheuten aan zijn en als er ruimte in den pot is. Na verloop
+van vier à zes weken is de aflegger, d.w.z. het ingesneden gedeelte
+van den scheut, beworteld. Men neemt nu den scheut, die nog steeds
+gedeeltelijk door de moederplant wordt gevoed, voorzichtig uit den
+grond, snijdt het bewortelde stengeldeel van de moederplant af en
+plant het, als zelfstandige plant, in een potje. Fig. 27 stelt de
+vermenigvuldiging van een buiten uitgeplante Anjelier voor. Natuurlijk
+moeten pas opgepotte afleggers niet minder voorzichtig behandeld
+worden dan pas opgepotte stekken.
+
+Een andere wijze van voortkweeken, die met het afleggen wel eenige
+overeenkomst heeft, wordt dikwijls toegepast bij bladplanten, in
+hoofdzaak bij Dracaena's, die haar onderste bladeren verloren hebben,
+en daardoor leelijk zijn geworden. Deze bewerking wordt het ringen
+genoemd. Een eindje van het onderste blad verwijderd, maakt men
+een schuin oploopende snede in den stam tot ongeveer halverwege de
+dikte. Door in de snede een stokje te steken, houdt men de snijvlakken
+een eindje van elkander verwijderd. Om de insnede brengt men nu
+een goede hoeveelheid mos, dat er stevig omheen gebonden wordt;
+of, wat nog beter is, men vervaardigt een soort blikken bloempot,
+die in twee overlangsche helften uit elkander genomen kan worden;
+deze twee helften brengt men ter plaatse van de snede om den stam,
+bindt ze te zamen en vult daarna den pot met aarde op (Fig. 28).
+
+Een andere wijze van insnijden is, dat men rondom den geheelen stam
+een snede maakt, tot ongeveer een derde der stamdikte; men snijdt er
+dus als het ware een ring omheen. Bij zeer groote planten snijdt men
+om den geheelen stam heen een wigvormigen ring uit. Na op eenige,
+onverschillig welke wijze, ingesneden te zijn, wordt de stam steeds
+op de boven omschreven manier omwoeld. In de meeste gevallen zijn
+de kronen van dergelijke planten te groot, om als stekken te worden
+behandeld; past men echter het ringen toe, dan is men vrij zeker,
+dat ze wortel slaan. Men moet er na het insnijden goed voor zorgen,
+dat het mos om de wonde behoorlijk vochtig blijft en ook de plant
+zelf moet dikwijls bespoten en vooral uit de zon gehouden worden,
+om te voorkomen, dat zij bladeren verliest. Is de kroon beworteld,
+dan kan zij afgesneden en afzonderlijk opgepot worden. De eerste dagen,
+na het afsnijden, moet de jonge plant vooral dikwijls bespoten worden,
+zoodat de bladeren als het ware constant vochtig blijven. Doet men
+dit niet, dan zullen de onderste bladeren dadelijk geel worden en
+zal de plant een gedeelte van haar schoon voorkomen verliezen.
+
+De stam, die nu zijn kroon kwijt is, moet men niet wegwerpen, maar
+aanvankelijk een weinig droger houden. Spoedig zal men dan zien,
+dat hij van boven een jonge scheut maakt, die, als hij een viertal
+blaadjes heeft, afgesneden en als stek behandeld kan worden. Ook kan
+men den stam eener Dracæna even onder iederen knoop afsnijden en de
+zoo verkregen stukjes in vochtig zand leggen. Bij vele soorten levert
+ieder stukje een scheut op, die wortel slaat en een afzonderlijke
+plant vormt. In de kamer zal dit echter wel niet al te best gaan,
+bij gebrek aan warmte.
+
+Van de verschillende wijzen van voortkweeken is voor de kamercultuur
+ook het scheuren zeer geschikt. Veel kruidachtige planten ontwikkelen
+haar bladeren of scheuten uit een wortelstok en kunnen dan, als de
+bekende Cyperus en Plectogyne, een tamelijke afmeting bereiken. Deze
+planten zijn zeer geschikt om te scheuren. Hiertoe neemt men ze, bij
+voorkeur in het voorjaar, uit den pot en verdeelt ze, d.w.z. snijdt ze,
+in zooveel stukken als men planten verlangt te hebben (Fig. 29). Bij
+grassoorten en ook bij het bekende Venushaar (Adiantum) gaat dit
+verdeelen zeer gemakkelijk; bij andere planten echter, zooals de
+reeds genoemde Plectogyne, die een meer of minder harden wortelstek
+bezitten, gaat dit zoo gemakkelijk niet; men moet hierbij een stevig
+mes gebruiken, om den wortelstok door te snijden.
+
+Ook knollen kan men op dezelfde wijze, namelijk door ze in stukken te
+snijden, vermeerderen; men moet er dan echter op letten, dat ieder stuk
+een of meer oogen houdt; zoodat het kan doorgroeien (Fig. 30). Het wil
+wel eens voorkomen, dat de snijvlakken, zoodra het afgesneden stuk in
+den grond wordt gebracht, beginnen in te rotten; om dit te voorkomen,
+bestrooit men ze vóór het opplanten goed met houtskoolpoeder. Vóór
+het verdeelen worden de knollen eerst in goeden lichten grond aan
+den groei gebracht, zij maken dan scheuten en wortels; het is dan
+pas mogelijk met juistheid de plant te verdeelen. De beste tijd om
+knollen te verdeelen is het voorjaar. Verschillende knolgewassen voor
+de warme kas, zooals b.v. Caladiums kan men op deze wijze behandelen.
+
+Veel planten laten zich ook door wortelscheuten vermenigvuldigen. Deze
+ontstaan in den pot, en kunnen bij het verplanten afgesneden en
+afzonderlijk opgepot worden. Het is geraden zulke scheuten altijd
+zóó af te snijden, dat zij voldoende wortel behouden om door te
+groeien. Fig. 31 stelt een zeer bekende kamerplant voor, Curculigo
+recurvata, die men uit den pot heeft genomen om de wortelscheuten er
+af te snijden.
+
+Een der interessantste en meest voldoening gevende wijzen van
+voortkweeken is het veredelen. Er zijn echter niet heel veel planten,
+die zich met succes in een kamer laten veredelen, en de meeste
+liefhebbers, die het veredelen willen toepassen, doen dat dan ook
+op hun Rozen. Om dit te kunnen doen, moet men echter in zijn tuin
+of wel in potten rozenwildelingen gekweekt hebben. Deze wildelingen
+kan men het beste veredelen gedurende den zomer, door de meestal
+toegepaste wijze, het oculeeren. De te gebruiken wildelingen kan
+men als z.g.n. wildstammetjes bij iederen kweeker voor betrekkelijk
+weinig geld koopen. Deze worden opgeplant en dienen dan voor het
+kweeken van stamrozen. Wil men struikrozen kweeken, dan gebruikt men
+wildstammetjes, niet dikker dan een potlood, die op den wortelhals,
+dus zoo dicht mogelijk bij den wortel, worden veredeld.
+
+Men kan op tweeërlei wijzen veredelen, namelijk met een doorgroeiend
+of met een slapend oog. Bij een vroege oculatie, dat is van Juni tot
+Augustus, groeien de oogen in hetzelfde jaar nog uit, terwijl zij bij
+de September-oculatie wèl voor het begin van den winter vastgroeien,
+doch pas in het voorjaar van het volgend jaar uitgroeien. Het is
+voorzichtig, op ieder wildstammetje, naar verschillende kanten twee
+of drie oogen te oculeeren. De wildstam is geschikt om gebruikt te
+worden, zoodra hij zooveel sap heeft, dat bast en hout zich gemakkelijk
+laten scheiden. Met een scherp geslepen, zoogenaamd oculeermesje
+geeft men dan twee sneden in den vorm van een T, en wel zóó, dat
+de bast tot op het hout doorgesneden is. De bast wordt nu met de
+rugzijde van het hiertoe ingerichte mes, of nog beter met het heft,
+dat daartoe in den vorm van een vouwbeen toeloopt, opgelicht en het
+oog tusschen hout en bast ingeschoven. De oogen neemt men van voldoend
+volgroeide scheuten. Aan den voet van iederen bladsteel bevindt zich
+een oog, dat, onder gunstige omstandigheden, zich tot een twijg kan
+ontwikkelen. Nadat men het blad, tot op een stukje van den steel na,
+heeft weggenomen, wordt het oog in den vorm van een driehoekig schildje
+uit den tak gesneden. Heeft men het oog klaar, dan wordt, met het
+reeds vermelde heft van het mes, de T-vormige insnede in den wildstam
+een weinig opengebogen en het oog daarin geschoven. Is men hiermede
+klaar, dan neemt men een eindje bindbast en bindt de oculatie goed
+stevig vast, waarbij vooral moet gezorgd worden, dat het ingeschoven
+oog vrijblijft. Is men zoover klaar, dan worden de meeste takjes van
+den wildstam weggesneden, opdat deze niet te veel sappen tot zich
+zouden trekken. Beginnen de oculaties zich goed te ontwikkelen, dan
+wordt de omgelegde band weggenomen en ook de wildstam tot even boven
+de oculatie afgesneden. Bij Fig. 32 kan men duidelijk zien, op welke
+wijze een oculatie moet volvoerd worden; ook een afzonderlijk oog
+staat er bij; bij Fig. 33 ziet men dan een veredeld wildstammetje,
+waarbij de wijze van omwinden duidelijk zichtbaar is. Geheel op
+dezelfde wijze; veredelt men in de kamer de kleine Oranjeboompjes,
+die zeer gemakkelijk uit gezaaide pitten opkomen (Fig. 34). Bij
+Oranjeboompjes moeten echter de oculaties met een stolp bedekt en
+zeer warm gehouden worden; daar zij anders heel moeielijk uitgroeien.
+
+Voor de kamer is ook het veredelen van Cacteeën heel aardig. Om
+Cactussen in de kamer te veredelen, moet men natuurlijk soorten
+bezitten, die men zoodoende voortkweeken wil, en ook daartoe
+geschikte wildstammetjes. Als wildstammetjes gebruikt men meestal
+snel groeiende Zuilencactussen, vertegenwoordigers van het geslacht
+Cereus. Goede wildstammetjes, die bij kweekers wel te verkrijgen
+zijn, zijn o.m. Cereus Spachianus, C. peruvianus, C. macrogonus,
+C. rostratus; verder verschillende soorten van het geslacht Opuntia
+en ten laatste Pereskia aculeata en P. calandrinifolia. De beide
+laatstgenoemde Cactussen zijn groenbladerige, dunstelige plantjes, die
+eerder aan koffieboompjes dan aan Cactussen zouden doen denken. Deze
+beide soorten zijn vooral geschikt om Bladcactussen (Epiphyllum) op
+te veredelen, De Epiphyllums vormen hierop zeer fraaie kroontjes, die
+tegen Kerstmis met de bekende purperen bloemen zeer rijk bloeien. De
+Pereskia, wordt om als onderstam voor Epiphyllums te dienen, door
+sommige kweekers in grooten getale aangekweekt. Deze veredeling
+wordt verricht door zoogenaamd spleetgriffelen. Nadat men den kop
+van een krachtige Pereskia op de verlangde hoogte heeft afgesneden,
+wordt dit snijvlak van dit ingesneden boompje, ongeveer 1 cM. diep,
+met een scherp mesje gespleten. Men neemt dan een gezonde, uit
+twee of drie bladeren bestaande, Epiphyllum-twijg en snijdt deze
+door twee schuine sneden, één links en één rechts, platpuntig toe,
+zoodat de kern de punt vormt. De zoo puntig toegesneden twijg, zet
+men dan met de punt in de spleet van den wildstam. Gewoonlijk zet
+men op een Pereskia-stammetje verscheidene twijgen te gelijk, om op
+die wijze spoedig grootere boompjes te verkrijgen. In het stammetje
+van de Pereskia kan men ook nog eenige twijgen griffelen. Hiertoe
+maakt men op de bestemde plaats tot in het hart van het stammetje een
+schuine snede, neemt dan een Epiphyllum-twijg, op de aangegeven wijze
+afgesneden, en zet deze in de gemaakte snede. Natuurlijk moeten ook
+bij deze veredeling de wonden goed met bast dicht gebonden worden. Bij
+Pereskia en Epiphyllum duurt het aangroeien gewoonlijk niet zeer lang,
+soms is dit slechts een zaak van enkele dagen.
+
+Een zeer weinig bekende wijze van veredelen is die van kogelvormige
+Cactussen op Pereskia-stammetjes. Deze worden daartoe aan een klein
+stokje gebonden, daarna eerst afgesneden en dan een weinig spits
+toegesneden. De Cactus, die men hierop enten wil, wordt voorzichtig
+van de moederplant afgesneden. Met een scherp, puntig mesje snijdt men
+nu een gaatje onder in deze spruit en wel zoo, dat dit niet grooter is
+dan het spitsje van den onderstam. Beide stukken worden nu op elkander
+gezet en de ontstane spleet met entwas dichtgesmeerd. Natuurlijk
+moet deze veredeling tot samengroeiing goed verbonden worden. Het
+beste doet men dit, door boven op de kogelvormige Cactus een kluitje
+watten te leggen en dan door middel van bindbast een stevig verband
+te maken. Het bindsel wordt onder den pot doorgehaald, over de Cactus
+heengelegd en dan vastgebonden. Men moet er vooral om denken, dat,
+past men deze veredeling toe, de Pereskia steeds aan een stevig stokje
+moet gebonden worden.
+
+De groei van de kogelvormige Cactus is toch veel sneller, dan die,
+van den onderstam, zoodat deze laatste zijn zwaren last ten langen
+leste niet meer zou kunnen dragen, en dus zou moeten afbreken.
+
+Beter dan op Pereskia veredelt men zware Cactus-soorten op Cereus. De
+afbeelding stelt een op Cereus veredelde Cactus voor (Fig. 36). Met
+een scherp mes snijdt men de, als onderstam dienende, Zuilencactus
+den kop af en van de daarop te plaatsen kogelvormige Cactus snijdt
+men de onderzijde zóó af, dat, zet men de laatste op de eerste, de
+beide snijvlakken elkander volkomen bedekken en de middelpunten van
+beide juist op elkander sluiten. De geheele bewerking bestaat dus
+uit het met zekerheid uitvoeren van twee sneden.
+
+Na beide soorten op elkander gezet te hebben, legt men het verband.
+
+Het aangroeien heeft bij Cactussen zeer snel, meestal in weinige
+dagen plaats.
+
+Een bekend Cactusliefhebber, de heer Walter Mundt, te Pankow, bij
+Berlijn, zegt over het veredelen van Cactussen het volgende: "als
+onderstam gebruik ik bij voorkeur twee- of driejarige zaailingen
+of ook wel stekplanten van groene Cereus-soorten; de blauwachtige
+Cereus-soorten, zooals Cer. azureus, C. Seidelii en andere, gebruik
+ik bij voorkeur niet, daar deze niet goed aangroeien en dikwijls na
+eenigen tijd den entkop weder afwerpen. Zaailingen, van in het eind
+van Maart of begin April gezaaide zaden, kunnen hoewel dan heel weinig
+gedoornd, reeds in Juli tot veredeling dienen [1]. Zijn onderstam
+en entkop beide zeer jong, dan is het resultaat tamelijk zeker,
+de plantensappen schijnen zich dan goed te vermengen. Men neemt den
+entkop tusschen duim en wijsvinger en drukt dien, terwijl men een
+eenigszins draaiende beweging maakt, nogal stevig met de snijvlakte
+op die van den onderstam, waarop men de plant goed verbindt".
+
+Het verbinden is, bij het veredelen van kogelvormige Cactussen op
+zuilenvormige, het moeilijkste werk en bij kleine entkopjes, niet
+grooter dan de kop van een lucifer, is het zelfs een kunststuk;
+doch ook hier geldt het spreekwoord: "Al doende leert men". Nadat
+ik den uit den zaadpot genomen entkop, op de bovenvermelde wijze,
+op het onderstammetje heb geplaatst, neem ik een wollen draad,
+dien ik aan twee einden strak aantrek, zoo doende, dat ik tusschen
+beide handen een ruimte van twee tot drie duim heb. Ik leg nu dezen
+draad voorzichtig in horizontale richting over het entkopje, dat
+toch reeds door zijn eigen sappen vastgekleefd zit. Beide uiteinden
+van den draad haal ik nu voorzichtig naar beneden, er voor zorgende,
+dat de druk aan beide zijden juist gelijk is. Bij den potrand gekomen,
+trek ik den draad voorzichtig een weinig aan, leg hem dan eerst langs
+den pot heen, trek hem er vervolgens voorzichtig onderdoor, en knoop
+dan de beide einden aan elkander vast. De druk van den draad moet aan
+beide zijden juist dezelfde zijn. Er moet nog opgepast worden, dat
+de snijvlakken niet rond zijn, waarom het mes, waarmede men snijdt,
+zoo dun mogelijk moet wezen.
+
+Zijn de entkoppen van de grootte van een boon, of nog grooter, dan
+gebruik ik een tweeden draad overkruis en ook bij plantjes, die ten
+gevolge van haar naar onder gerichte doorns, gemakkelijk van het
+onderstammetje worden afgetild, dan verdrogen en niet aangroeien,
+zijn kruisdraden zeer aan te bevelen. Om geheel zeker te zijn en
+afstooten met opdrogen te voorkomen, bezwaar ik de draden met een
+metalen ring. Hiertoe schuif ik het ringetje van boven over de plant en
+haal het zoover naar beneden, totdat de draden sterk genoeg aangehaald
+zijn. Den volgenden dag leg ik, al naar de zwaarte van den ring er
+nog een tweeden bovenop. Fig. 37 verduidelijkt deze handelwijze.
+
+De jonge zaailingen, die als onderstam dienst doen en dus bij het
+aanbinden licht ombuigen, moeten eenigszins versterkt worden, door
+er twee of drie kleine stokjes omheen te zetten en deze aan elkander
+te binden.
+
+De veredelde plantjes zet ik in een gesloten, beschaduwde, maar toch
+warme ruimte, de kleinere plantjes in een groote schaal of in een
+kistje, dat, met een door middel van krijt en water witgemaakte ruit,
+wordt gedekt.
+
+Wanneer de kleine patiënten acht dagen in zulk een kastje staan, is dit
+meestal voldoende. Gedurende dien tijd mogen zij in het geheel niet
+gegoten en gespoten, en moet elk vochtig worden der wond zorgvuldig
+vermeden worden.
+
+Als voorbeeld van een goed resultaat, wil ik het volgende vermelden. In
+het voorjaar entte ik den geheel vlak afgesneden nog gezonden kop
+van een zeer zeldzame Echinocactus-soort op een zaailing van Cereus
+peruvianus als onderstam. Het kopje zou zeker verloren geweest zijn,
+daar het van den moederstam afgestooten was. Het entkopje, dat niet
+grooter was dan een kleine erwt, had in het najaar de grootte van
+een walnoot gekregen, zóó sterk was het gegroeid. Voor halfverloren
+planten is enten nog dikwijls een vrij zeker redmiddel.
+
+
+
+
+Het oppotten en verplanten.
+
+Wanneer wij de planten in de kamer kweeken, dan moet er al spoedig
+na het zaaien of na het langs ongeslachtelijken weg voortkweeken aan
+het oppotten der zaailingen of stekken gedacht worden.
+
+Deze bewerking is zeker gemakkelijker uit te voeren, dan het
+verplanten.
+
+Dit laatste behoeft alleen die liefhebber te doen, die zich niet
+met het voortkweeken van planten bezighoudt, maar die de door hem
+gekochte planten, zoo mogelijk, in goeden staat wil onderhouden. Over
+de verschillende aardsoorten, die bij het oppotten en het verplanten
+dienst moeten doen, hebben wij reeds vroeger gesproken. Van veel
+belang is echter ook het gebruik van goede bloempotten. Een goede
+bloempot moet van gebakken klei zijn; hij mag niet te zwaar wezen,
+zoodat dunne wanden een vereischte zijn; ook niet te hard gebakken,
+daar hij poreus moet zijn. Wat nu den vorm aangaat, is men teruggekomen
+van het hooge, smalle model, dat vroeger gebruikt werd; toch mag hij
+ook niet te plat wezen. De beste afmeting is, dat een pot even hoog
+is, als hij op zijn grootste wijdte middellijn heeft. Zeer platte
+potten, die meer van schalen of schotels hebben, zijn slechts in
+enkele gevallen, voor planten met weinig wortels aan te bevelen. In
+den bodem van iederen pot, moet zich een drainagegaatje bevinden en
+al naarmate de potten grooter worden, moeten er drie of vijf zulke
+gaatjes in zijn. Gewoonlijk maken de pottenbakkers deze gaatjes van
+buiten naar binnen in den pot. Dit is zeer verkeerd, daar dan om het
+gaatje zich een eenigszins verhoogde rand bevindt, die het afloopen
+van het water belet. Ieder, die dan ook potten koopt, moet daar
+zeer op letten en er bij den pottenbakker op aandringen, dat hij het
+gaatje van binnen naar buiten in den pot steekt. In de kamers treft
+men dikwijls verglaasde potten aan, of ook wel min of meer fraaie
+porseleinen potten, ja zelfs ziet men ze wel eens van metaal. In
+dergelijke potten is het onmogelijk dat een plant goed kan groeien,
+omdat zij niet poreus zijn. De lucht kan door dergelijke potten niet
+heendringen, waardoor het opdrogen der aarde bemoeilijkt, zoo niet
+geheel onmogelijk gemaakt wordt, hetgeen natuurlijk tot gevolg heeft,
+dat deze verzuurt, waardoor dan ziekte in de wortels ontstaat. Wil
+men dergelijke fraaie potten toch gebruiken, dan gaat dit zeer goed,
+wanneer men de plant in haar oorspronkelijken pot laat staan en ze
+daarmede in den fraaieren zet. Het is echter zaak, dan eerst een paar
+steentjes of stukjes hout in den buiten pot te leggen, om daar de plant
+op te zetten, daar deze anders licht in het doorgeloopen gietwater komt
+te staan. Goede potten moeten dus zoo eenvoudig mogelijk zijn. Heeft
+men echter grootere planten, die in kuipjes moeten gezet worden, dan
+kan men deze zoo fraai en elegant maken als men wil. Voor grootere
+planten, die in kuipjes gekweekt moeten worden, is het zelfs geraden,
+die wat fraaier te laten vervaardigen, of wel, de eenvoudige kuipjes
+met kurk of boomschors te doen bekleeden. Fig. 38 stelt twee zulke
+kuipjes voor, die in den handel voor matigen prijs te verkrijgen
+zijn. De rechtsche kuip is zeer eenvoudig, de linksche daarentegen
+fraaier afgewerkt; deze laatste is ook practischer, omdat door den
+uitgestoken rand van den bodem, de lucht beter kan toetreden, terwijl
+het overvloedige gietwater beter kan wegloopen.
+
+Men doet het beste, bij het verplanten steeds nieuwe potten te
+gebruiken; deze moeten echter vóór het gebruik eerst gewaterd worden,
+d.w.z. men moet ze tien à twintig minuten in het water leggen,
+opdat de poriën van het steen met water voltrekken. Vergeet men
+dit, dan zal na eenigen tijd de aardkluit zich zóó vast met den pot
+verbinden, dat bij het verplanten de plant onmogelijk uit den pot te
+krijgen is, zonder haar te beschadigen of den pot stuk te slaan. Dit
+laatste is natuurlijk schade voor de hand. De oude gebruikte potten
+moet men natuurlijk niet wegwerpen, daar deze nog zeer goed gebruikt
+kunnen worden. In de meeste gevallen zijn deze potten vuil; aan den
+buitenkant zit mos of zwarte aanslag, wat de poreusiteit tegengaat en
+aan de binnenzijde zit meestal oude aarde. Deze oude potten kunnen
+dus slechts gebruikt worden, wanneer zij eerst goed schoongemaakt
+zijn. Hiertoe worden zij, met een harden boenborstel, aan den binnen-
+en buitenkant goed afgeschrobd, waartoe men bij voorkeur warm water
+gebruikt. Hierna laat men ze goed opdrogen. Zijn de potten sterk
+met mos bezet geweest, dan is het raadzaam, ze vóór het gebruik
+eenigen tijd in kokend water te leggen, ten einde zoodoende alle
+kiemen en mossporen te dooden. Gebruikte kuipjes moeten vóór het
+weder in gebruik nemen ook goed met warm water uitgeschrobd worden,
+om ze volkomen schoon te maken.
+
+Vóórdat men met het planten of verplanten begint, moet op een tafel
+de noodige aarde klaargemaakt worden. Behalve aarde heeft men ook
+drainage-materiaal noodig. Wanneer bij het verplanten een pot breekt,
+dan behoeft men dien niet weg te werpen. Hij wordt in kleine stukjes
+geslagen, die, als drainage in de potten, gebruikt kunnen worden,
+mits men ze van te voren goed afwascht. Op het drainage-gaatje, dat
+zich, zooals wij gezien hebben, in iederen goeden pot bevindt; legt
+men een scherf, en wel zóó, dat de holle zijde naar onder en de bolle
+dus naar boven gekeerd is. Heeft men kleine potjes te draineeren,
+dan is het voldoende op deze grootere scherf nog enkele kleinere te
+leggen. Moet men grootere potten gebruiken, dan is verstopping der
+drainage gevaarlijker. De aarde hierin droogt natuurlijk veel langzamer
+uit en heeft dus meer kans om te verzuren; terwijl grootere planten
+in den regel veel kostbaarder zijn en het verlies er van dus grooter
+is. Op ieder drainage-gaatje legt men dan een potscherf en hierboven
+een flinke laag kleinere scherven. Heeft men zooveel kleinere scherven
+niet voorhanden, dan kan men ook stukjes baksteen, cokes of houtskool
+gebruiken. De aarde zal natuurlijk, door het gieten, zeer gemakkelijk
+tusschen de drainage-scherven of steentjes indringen en dit moet
+zoo mogelijk voorkomen worden. Hiertoe legt men boven de scherven
+een laagje moerasmos (sphagnum) of wel zeer grof turfstrooisel. In
+den regel is de drainage slechts gedurende betrekkelijk korten tijd
+werkzaam. De wortels toch dringen spoedig in de versche aarde en
+dan door het moslaagje tusschen de scherven. Wanneer men bij het
+verplanten de plant uit den pot neemt, dan zal men meestal zien, dat
+haar wortels langs den pot een dicht netwerk hebben gevormd, waarin
+de geheele drainage besloten is. Bij sterk groeiende planten dringen
+de wortels zelfs in het drainage-gaatje en staan de planten op een
+vochtigen bodem of op aarde, dan dringen zij daar zelfs doorheen. Het
+is maar goed, dat in bovengenoemd geval de plant meestal veel water
+noodig heeft en dus al het gietwater spoedig verbruikt en ook, dat
+het overvloedige water tusschen de wortels door, gemakkelijk wegzakt,
+wanneer men maar zorgt, dat het gaatje goed geopend blijft. Is het
+gaatje toevallig door aarde of wortels verstopt, dan moet men dit,
+door er een stokje in te steken, weer vrijmaken.
+
+Gemakkelijk om te leeren en te doen is het oppotten van planten. Men
+heeft hierbij meestal te doen met kleine zaad- of stekplantjes,
+die tot nu toe in een pan te zamen stonden, en die, voor een beteren
+groei, ieder afzonderlijk in een potje moeten gezet worden. Hiertoe
+bedient men zich van het kleinste model potjes, die onder den naam
+stekpotjes voorkomen. Bij het opplanten in zulke kleine potjes,
+waarin de planten natuurlijk slechts korten tijd staan, behoeft men
+niet zoo heel veel werk van de drainage te maken; één scherf op het
+drainage-gaatje is voldoende.
+
+Het oppotten geschiedt op de volgende wijze. Men vult het potje
+geheel met aarde, maakt daar, in het midden, met den wijsvinger van de
+rechterhand een vrij ruim putje in, waarin men het op te potten plantje
+met de linkerhand houdt. Met duim en wijsvinger van de rechterhand,
+wordt nu de aarde rondom de wortels goed vastgedrukt, zoodat het
+plantje stevig vaststaat. Is men zoover gevorderd, dan wordt de aarde
+in het potje nog een weinig aangedrukt, terwijl er zoo noodig, nog
+wat aarde bijgevoegd wordt. (Fig. 19). Wat het plantje zelf betreft,
+dit wordt van te voren zeer voorzichtig uit de pan of den pot, waarin
+het gerepikeerd stond, genomen en indien de wortels wat lang zijn,
+worden deze ingekort. Dit inkorten is voor de ontwikkeling van talrijke
+haarworteltjes zeer bevorderlijk.
+
+Omslachtiger en ook veel moeilijker dan het oppotten is het
+verplanten. De beste tijd om te verplanten is voor de meeste planten
+zeker wel het voorjaar, wanneer zij weder tot ontwikkeling beginnen te
+komen. Planten, die in het voorjaar bloeien, moeten pas na den bloei
+verplant worden, omdat zij dan in haar ontwikkeling niet gestoord
+mogen worden. Snel groeiende en dus veel voedsel behoevende planten,
+moeten in den loop van den zomer nogmaals verplant worden. Fijne
+bladplanten en andere, die zich minder snel ontwikkelen, behoeven
+slechts eens per jaar verplant te worden, terwijl grootere kuipplanten
+daaraan geen behoefte hebben in perioden, afwisselende tusschen vier
+en tien jaar; vooral wanneer men niet te spaarzaam is met vloeibaren
+mest. (Zie het hoofdstuk "De bemesting"). Vóór men nu een plant in een
+grooteren pot zet, moet men onderzoeken of de pot, waarin zij staat,
+goed volgeworteld is; daar een gezonde plant niet verplant behoeft te
+worden, voordat dit het geval is. Het onderzoek, naar den toestand der
+wortels geschiedt door het uit den pot slaan. Men neemt de plant in
+de linkerhand en wel zoo, dat de stam zich tusschen den wijs- en den
+middelvinger of tusschen den middel- en den ringvinger bevindt. Men
+keert nu plant met pot ten ondersteboven, neemt de onderzijde van
+den pot in de rechterhand en slaat daarop zijn rand een paar keer
+flink op dien van de verplanttafel. Men zal zien, dat de aardkluit
+nu van den pot loslaat, welke laatste daarop gemakkelijk van de
+eerste kan afgenomen worden (Fig. 39). Men heeft nu de plant met
+haar geheel wortelgestel vóór zich, zoodat men het laatste op zijn
+gemak kan bekijken. Zijn de wortels overal goed om den pot gegroeid,
+of hebben zij zich zóó sterk ontwikkeld, dat zij een viltachtig
+netvormig weefsel om de geheele kluit heen vormen, dan is de tijd om te
+verplanten daar. Men kiest nu den pot uit, dien men wil gebruiken. In
+de eerste plaats moet er op gelet worden, dat de te gebruiken pot niet
+te groot is, wijl de aarde daarin dikwijls reeds zuur wordt, vóórdat
+de jonge wortels er in hebben kunnen doordringen. De pot, dien men
+wil gebruiken, moet zóó groot zijn, dat de kluit der plant er in past
+en er dan rondom haar, al naar de grootte der plant, een ruimte van
+één tot drie centimeter overblijft. Voordat men tot het verplanten
+overgaat, moet nu de kluit losgemaakt worden. Met een spits stokje,
+waartoe men het beste een puntig toegesneden plantenstokje gebruikt,
+wordt dit werk verricht. Eerst wordt de aarde om den rand van de kluit
+een weinig afgebroken en daarna worden de in elkander gegroeide wortels
+voorzichtig losgemaakt. Het beste geschiedt dit door met de punt van
+het stokje van boven naar beneden--d.w.z. van den onderrand der kluit
+naar de plant toe--voorzichtig langs den buitenkant van de kluit te
+steken. Dit moet echter zeer voorzichtig geschieden, daar men anders
+te diep in haar steekt, waardoor de wortels beschadigd zouden worden
+en zij te veel aarde zou verliezen (Fig. 40). De losgemaakte wortels
+hangen nu langs de kluit.
+
+Zeer doelmatig is het voor alle planten met een sterk ontwikkeld
+wortelgestel, en vooral voor die met veel haarwortels, de afhangende
+wortels, met een scherp mesje, behoorlijk in te snijden (Fig. 41
+en 42). Heeft men echter Palmen, Bol- of Knolgewassen te verplanten
+en in het algemeen gewassen met sterk ontwikkelde hoofd- en weinig
+haarwortels, dan moet er aan de gezonde wortels in het geheel niet
+gesneden worden; alleen de zieke of beschadigde wortels snijdt men dan
+met een scherp mesje af. Ook aan de planten met weinig of zeer zwakke
+wortels mag niet gesneden worden; het losmaken van de kluit moet echter
+steeds geschieden. Opgemerkt moet nog worden, dat er enkele planten
+zijn, die van nature slechts zeer zwak ontwikkelde wortels hebben,
+zoodat zij, wat men noemt, geen kluit houden, d.w.z. dat de aarde na
+het verwijderen van den pot van de wortels afvalt. Bij dergelijke
+planten behoeft men zich daar echter niet ongerust over te maken,
+het heeft geen nadeelige gevolgen.
+
+Heeft men de kluit losgemaakt en de wortels behoorlijk ingesneden,
+dan kan het verplanten beginnen. In den gekozen pot wordt nu eerst
+op de voorgeschreven wijze de drainage aangebracht. Op deze drainage
+wordt dan een laag aarde gelegd en deze aarde een weinig aangedrukt
+met den rug van de rechterhand. Op deze aarde zet men nu de kluit
+en let er op, of die diep genoeg staat. De kluit toch mag niet te
+ondiep staan, omdat dan de wortels boven den pot zouden uitsteken of
+met te weinig aarde bedekt zouden worden. Zet men de kluit echter
+te diep, dan komt een gedeelte van den stam onder de aarde, en dit
+is in verscheidene gevallen ook zeer nadeelig, omdat daar wel eens
+rotting van stam of stengel het gevolg van kan zijn. Er moet dus
+goed toegezien worden, dat de bovenkant der kluit één, hoogsten
+twee vingerbreedte diep onder den rand van den pot komt te staan,
+zoodat zij behoorlijk met aarde kan worden bedekt. Men zet de kluit
+zóó in den pot, dat de stam of stengel juist in het midden komt te
+staan. Met de linkerhand wordt nu de plant op haar plaats gehouden,
+terwijl men met de rechterhand den pot verder met aarde aanvult. Om
+nu de aarde behoorlijk onder in den pot aan te drukken, gebruikt men
+een verplantstok. Dit is een plat stokje, dat men aan één zijde dun
+afsnijdt, zoodat het den vorm van een lange wig verkrijgt. Met het
+verplantstokje wordt de aarde nu voorzichtig tusschen de kluit en den
+wand van den pot aangedrukt. Hierbij moet men vooral oppassen niet
+met het verplantstokje in de kluit te stooten, daar dan de wortels
+gekneusd zouden worden; het beste is zooveel mogelijk langs den rand
+van den pot te drukken (Fig. 43).
+
+De aarde moet zeer gelijkmatig worden aangedrukt. Is de ruimte
+tusschen kluit en pot tot aan den bovenrand gevuld, dan stoot
+men den pot eenige malen flink op de tafel om het geheel nog een
+weinig te doen inzakken. Hierna wordt een laagje aarde op de kluit
+gebracht, dat men met de vingers matig aandrukt, er voor zorgende,
+dat het bovenvlak steeds goed losblijft. Heeft men kleine plantjes
+te verplanten, dan behoeft men geen verplantstokje te gebruiken; de
+aarde kan dan met den wijsvinger aangedrukt worden. Het is lang zoo
+gemakkelijk niet als het wel schijnt, een plant zóó te verplanten,
+dat zij goed in het midden van den pot staat en de aarde overal om de
+kluit goed aangedrukt is. Om dit goed te doen, moet men er zich veel
+in oefenen, maar ieder liefhebber, die het met ware liefhebberij
+doet, zal het spoedig genoeg leeren. Van veel belang is het, dat
+men bij het aandrukken van de aarde geen holen doet ontstaan, ze
+niet te vast en ook niet te los aandrukt. Laat men holen tusschen de
+aarde, of drukt men te los aan, dan loopt het gietwater dadelijk weg,
+zonder de kluit behoorlijk te bevochtigen. Heeft men te vast geplant,
+dan kunnen de wortels van vele planten slechts moeielijk in de aarde
+doordringen. Zeer weinige teerdere planten, zooals Selaginella's en
+enkele Varen-soorten, willen los opgepot worden.
+
+Er doen zich wel eens gevallen voor, waarin niet goed van wortels
+voorziene planten toch verplant moeten worden. Dit kan gebeuren,
+wanneer uit den slechten reuk der aarde blijkt, dat deze zuur is,
+of wel, wanneer men uit het slecht groeien der planten opmaakt
+dat de wortels ziek zijn. Wortelziekte is in de meeste gevallen
+het gevolg van ondoordacht gieten, van het gebruik van te koud of
+slecht water, of van het gebruik, voor zwak bewortelde planten, van
+een te grooten pot. Wortelzieke planten worden uit den pot genomen
+en al de aarde tusschen de wortels uitgeschud. De wortels worden
+hierna goed afgewasschen en alle zieke deelen met een scherp mes
+afgesneden. Verkrijgt men zoodoende groote snijvlakken, dan worden
+deze met houtskoolpoeder bestrooid. Om planten, die erg wortelziek
+zijn, nog te redden, doet men het beste, ze in een zoo klein mogelijke
+pot te zetten, een pot, die dikwijls veel kleiner moet zijn dan die,
+waar zij uitkwam. Een vereischte bij het oppotten van zulk een plant
+is dan, dat men voor een zeer goede drainage zorgt, zoo mogelijk
+lichten grond gebruikt, en dezen rijkelijk met zand en in enkele
+gevallen met fijne houtskool vermengt.
+
+
+
+
+De behandeling van pas opgepotte of verpotte planten.
+
+Na het oppotten of verpotten worden de planten dadelijk aangegoten;
+vooral bij teedere en grootbladerige planten, die neiging hebben om
+spoedig slap te hangen, moet dit zoo gauw mogelijk geschieden. Palmen
+en eenige andere plantensoorten, waaronder ook Vetplanten, kunnen,
+wanneer men bij het verpotten donker weer heeft, daarentegen enkele
+dagen onaangegoten blijven staan. Of men echter dadelijk aangiet,
+dan wel, daarmede nog wat wacht, wanneer men het doet, moet men het
+goed doen. Bij het verplanten, heeft men er natuurlijk voor gezorgd
+een behoorlijken gietrand te houden, d.w.z. dat men niet den geheelen
+pot met aarde heeft gevuld, maar er voor zorgde, dat het bovenvlak
+der aarde een weinig onder den rand van den pot bleef. Deze ruimte,
+die noodzakelijk is om te beletten, dat bij het gieten het water
+dadelijk van den pot afloopt, noemt men den gietrand. Bij het gewone
+gieten, is het voldoende, dezen gietrand eens met water te vullen,
+bij het aangieten gaat men echter anders te werk. Men neemt een fijnen
+broes-gieter en besproeit daarmede de aarde, er voor zorgende, dat er
+geen water op blijft staan. Deze bewerking herhaalt men, al naar de
+grootte van den pot, drie-, vier- of vijfmaal, ten einde te zorgen,
+dat de geheele kluit behoorlijk vochtig wordt. Door op deze wijze aan
+te gieten, blijft het oppervlak der aarde los en poreus, terwijl dit
+zich anders direct zou sluiten en er dan een harde korst ontstaat,
+die het zoo noodige doordringen der lucht in de aarde verhindert. In
+den beginne zijn de pas opgepotte of verpotte planten zeer gevoelig
+voor te veel water, daar zij veel minder snel opdrogen, dan goed
+doorwortelde planten. De versche grond blijft toch vochtig, zoolang
+daar geen jonge worteltjes in doorgedrongen zijn. Het beste is dan
+ook deze planten eerder iets te droog dan te vochtig te houden; men
+voorkomt daardoor, dat de versche aarde zuur wordt en prikkelt de plant
+tot vernieuwde wortelvorming. Zijn de jonge worteltjes eenmaal goed in
+den nieuwen grond doorgedrongen, dan is deze voorzichtigheidsmaatregel
+niet meer noodig. Om te voorkomen dat bij het gieten te veel water in
+den verschen, nog niet met wortels doordrongen, grond dringt, hoogt
+men bij het verplanten de aarde een weinig naar den rand van den pot
+op. Er ontstaat hierdoor rondom den stengel een soort kom, waar het
+water naar toe zakt, dat zoodoende in de oude kluit dringt. Vooral
+moet er op gelet worden, dat de kluit, bij het verplanten, behoorlijk
+vochtig is, daar deze anders moeilijk water opneemt, terwijl bij
+het aangieten het water door de versche aarde wegzakt, waardoor de
+kluit zou verdrogen en de wortels ziek zouden worden. Pas geplante
+gewassen moeten den eersten tijd steeds met een broesgietertje en
+nooit met een pijpgieter gegoten worden, door den laatste wordt de
+nog losse aarde van haar plaats gespoeld; er ontstaan dan kuiltjes in
+de oppervlakte der aarde, waardoor zeer licht wortels komen bloot te
+liggen. Zijn de planten na het verpotten goed doorgegroeid, zoodat
+men kan veronderstellen dat zij talrijke wortels langs den potwand
+hebben gemaakt, dan brengt men om den stam heen een weinig aarde,
+waardoor nu het bovenvlak eenigszins naar buiten toe afhelt. Dit is
+noodig, omdat nu de buitenkant van de kluit het meeste uitdroogt en
+het gietwater zoodoende daarheen geleid wordt. Zeer dikwijls lijden de
+planten door het verpotten; de wortels toch worden er door gestoord en
+nu en dan nogal beschadigd. De kweeker heeft hier tegen verschillende
+hulpmiddelen, hetzij dat hij de planten in de gesloten, warme, vochtige
+lucht van een kas brengt, hetzij dat hij ze een warmen voet geeft,
+door ze met de potten in een broeibak te graven. Dergelijke middelen
+staan den liefhebber echter niet ten dienste; deze moet dan ook zijn
+planten, gedurende dezen overgangstijd, meer of min als patiënten
+beschouwen. Warme planten vooral moeten op een zoo licht en warm
+mogelijke plaats gezet worden; tegen de zon moet zorgvuldig geschermd
+worden en vooral moet men de planten dikwijls spuiten. Het voorkomen
+van tocht en van sterke schommelingen in de temperatuur zal aan de
+planten, vooral in dit critieke tijdperk, zeer ten goede komen.
+
+
+
+
+Het gieten.
+
+Een van de moeilijkste werken, zoo niet het moeilijkste werk, is
+voor den liefhebber zeker wel het gieten der potgewassen. Hij, die
+hiermede goed overweg kan, mag zich gerust een eenigszins ervaren
+plantenkweeker noemen. In de meeste gevallen worden de kamerplanten
+ziek, door de lichtvaardigheid waarmede ze gegoten worden. In plaats
+dat de liefhebber dan pleizier heeft van zijn planten, ze ziet groeien,
+in omvang toenemen en ten slotte ziet bloeien, gebeurt juist het
+tegenovergestelde. Hij ziet het ééne blad na het andere verwelken en
+afvallen; hij ziet de twijgjes verdrogen en de wortels ziek worden,
+totdat ten laatste zijn kweekelingen sterven en de eigenlijke oorzaak
+daarvan kan hij maar niet bevroeden.
+
+Den minsten last heeft men, wat gieten betreft, met die planten,
+welke het minst in de kamer gekweekt worden; namelijk met de water
+en moerasplanten. Bij de waterplanten vervallen alle moeilijkheden
+dienaangaande; daar men slechts behoeft te zorgen, dat zij voldoende
+diep in het water staan en dus nu en dan voor het verdampte water
+versch behoeft bij te vullen. Moerasplanten, die niet direct in
+water, doch in een moerassigen en dus zeer waterrijken bodem groeien,
+behoeft men slechts in schaaltjes of schoteltjes te zetten en er voor
+te zorgen, dat deze steeds voldoende met water gevuld blijven.
+
+Voor alle overige planten is het gieten lang zoo eenvoudig niet.
+
+Men moet hierbij rekening houden met het jaargetijde, zoowel als
+met den gezondheidstoestand en den groei der planten. Ook moet de
+grootte der potten of kuipjes in het oog gehouden worden en ook, of
+men met pas verpotte gewassen te doen heeft, of niet. In de eerste
+plaats moet men er op rekenen, dat bij alle planten op een periode
+van flinken groei een periode van rust volgt; tijdperken, welke niet
+sterk begrensd zijn, maar langzaam in elkander overgaan.
+
+Talrijke planten zijn er, die gedurende haar groeitijd bijna niet
+genoeg water kunnen krijgen, terwijl diezelfde planten in den rusttijd
+zeer gevoelig voor te veel water zijn. In de groeiperiode komt het
+vaak voor, dat planten, die des morgens flink gegoten zijn, des
+avonds weder behoefte hebben aan water. Dit wil nu niet zeggen, dat
+de planten gedurende dezen korten tijd al dit water verbruikt hebben,
+doch men moet niet vergeten, dat vooral gedurende den zomer, de zon en
+de heerschende droge lucht de aarde der potten ook niet weinig doet
+uitdrogen. Voordat men een plant giet, moet men zich overtuigen of
+zij wel water noodig heeft. Er zijn verscheidene kenteekenen waaraan
+een leek de behoefte aan water kan waarnemen.
+
+Planten, die teer van bouw zijn, laten, zoodra zij gebrek aan
+water krijgen, al spoedig de bladeren hangen, maar ook planten van
+krachtiger bouw, krijgen, wanneer zij gebrek aan water hebben, een
+matte tint en gaan daarop slap hangen. Een plant, die slap hangt,
+moet natuurlijk dadelijk gegoten worden. Het is echter zeer gewenscht,
+dat men niet wacht met gieten, totdat de planten slap gaan hangen,
+zoodat het kennen van andere kenmerken zeer noodig is. Een eenvoudig
+kenteeken is de eigenschap die allen aardsoorten, ook den zwarten,
+eigen is, namelijk om in drogen toestand lichter gekleurd te zijn
+dan in vochtigen. Zware leemachtige aardsoorten bersten ook nog, als
+ze droog zijn. Zeer dikwijls komt het echter voor, dat de bovenlaag
+der aarde er droog uitziet, terwijl het inwendige, waar zich juist
+de wortels bevinden, nog voldoende vochtig is. In zulke gevallen kan
+men echter toch ook tamelijk gemakkelijk weten of men al dan niet
+gieten moet. Een zeer juist kenteeken heeft men, in zulke gevallen,
+in het gewicht der plant. Terwijl toch vochtige planten eenigszins
+zwaar aanvoelen, kenmerken droge planten van dezelfde afmeting zich
+door een veel lichter gewicht.
+
+Natuurlijk behoort er eenige oefening toe, om aan het gewicht te
+onderscheiden of een plant behoefte heeft aan water. Bij een weinig
+practijk krijgt men deze echter spoedig.
+
+Gedurende den groeitijd, dus midden in den zomer, heeft het niet
+veel te beteekenen of men al een keer te veel giet; gedurende den
+winter is dit echter iets anders; één fout, in het gieten begaan,
+kan dan voor de plant noodlottig worden. Dikwijls verloopen er weken,
+voordat een in haar rusttijd te veel gegoten plant weer opdroogt.
+
+Voor in kleine potjes staande planten is te veel gieten ook niet zoo
+nadeelig als voor die, welke in grootere potten of kuipjes worden
+gekweekt. Bij het gieten van grootere pot- en kuipplanten, moet
+men dus met bijzondere voorzichtigheid te werk gaan; men kan zich
+hier niet meer verlaten op de kleur der aardoppervlakte, maar men
+moet door kloppen tegen den pot- of kuipwand den vochtigheidsgraad
+bepalen. Verkrijgt men door te kloppen een doffen toon, dan is de
+aarde droog.
+
+Het is een merkwaardig verschijnsel, dat de eigenlijke water- en
+moerasplanten slechts betrekkelijk weinig vocht in haar weefsel
+opzamelen, terwijl de in droge landstreken groeiende planten veel
+meer water bevatten. Juist dààrdoor zijn deze laatste dan ook in
+staat langen tijd droogte te verdragen. Inderdaad hebben de wortels
+slechts zeer weinig behoefte aan water en zijn het hoofdzakelijk de
+in het water opgeloste voedingsstoffen, die de plant opneemt. Uit
+dit oogpunt beschouwd, moet het dus wel schadelijk werken, wanneer de
+aarde met water oververzadigd is. De aarde moet los en poreus zijn,
+zoodat het water gemakkelijk kan doorzakken. Heeft men staand water,
+dan ontstaat er rotting in den bodem, de lucht wordt daaraan en ook aan
+de wortels onttrokken, en het is zoodoende de onmiddellijke oorzaak
+van den dood van alle landplanten. Deze hoogst ongunstige werking is
+de reden, waarom de schaaltjes of schoteltjes, die uit zindelijkheid
+dikwijls onder de planten gezet worden, zooveel mogelijk moeten
+vermeden worden. Wil men ze toch gebruiken, dan moeten zij, zoodra
+het doorgeloopen gietwater zich er in verzameld heeft, leeggegoten
+worden. Alleen wanneer men planten heeft, die in een zeer lichte,
+doorlatende aarde staan, mag men ze een half uur na het gieten pas
+leegmaken, daar in dit geval het water dikwijls wegloopt zonder de
+aarde voldoende bevochtigd te hebben. Een groote fout zou dit echter
+wezen, er met het gieten op te rekenen, dat het water niet door den
+pot loopt.
+
+Wanneer men giet, dan moet dit, onverschillig welk jaargetijde het is,
+goed geschieden, zoodat het water de geheele kluit doortrekt en ten
+slotte door het drainage-gaatje in den bodem wegloopt. Fig. 44 toont
+naast het gewone plantenschoteltje een tweetal, die sinds eenigen tijd
+in den handel gebracht zijn. Deze laatste zijn voor den liefhebber zeer
+gemakkelijk, daar zij niet dadelijk na het gieten leeggemaakt behoeven
+te worden. Een tweede voordeel is het ook nog, dat, blijft het water
+er in staan, dit langzaam verdampt, en zoodoende de planten met een
+vochtige atmosfeer omringt, terwijl deze toch niet met den pot in het
+water staan. Iedere pottenbakker kan, wanneer hij deze schoteltjes
+niet heeft, ze gemakkelijk naar de afbeelding vervaardigen. Vaste
+regels kunnen voor het gieten onmogelijk gegeven worden; dit hangt,
+zooals wij reeds opmerkten, veel af van het jaargetijde, van den
+gezondheidstoestand der planten en de afmeting der potten waarin
+zij staan.
+
+Naast de hoeveelheid water, die men geeft, is het ook van belang met
+welk water er gegoten wordt. Het meest geschikt is zeker wel vijver- of
+regenwater. Rivierwater is meestal ook zeer goed te gebruiken, mits men
+zeker is, dat dit niet door loozingswater van fabrieken verontreinigd
+is. Leidingwater is ook niet schadelijk, doch dit is in de meeste
+gevallen zeer arm aan voedende bestanddeelen. Het minst geschikt is
+bron- of welwater, daar dit in den regel te hard is en daarbij maar
+al te dikwijls kalk en andere minerale stoffen bevat, die vaak zeer
+schadelijk kunnen werken op de ontwikkeling der planten. Water,
+dat te veel kalk bevat, moet men in geen geval gebruiken; is het
+gebruik daarvan echter niet te vermijden, dan laat men het een paar
+dagen vóór het gebruik in een kuip zetten en voegt men er een weinig
+koolzure kali of potasch aan toe, die dan de kalk neerslaat.
+
+Een factor, die ook niet uit het oog verloren mag worden, is
+de temperatuur van het water. Vele mooie, sterke planten worden
+wortelziek, doordat zij met te koud water werden begoten. Niet alleen
+voor teedere planten is het koude water nadeelig, maar zelfs de hardste
+planten hebben daarvan te lijden. In ieder jaargetijde, hetzij zomer
+of winter, moet men voor het gieten geen ander water gebruiken, dan dat
+minstens twaalf uren in hetzelfde vertrek heeft gestaan als de planten,
+en zoodoende de temperatuur van dit vertrek heeft aangenomen. Een
+voorname rol speelt ook het tijdstip waarop gegoten wordt. Des zomers
+giet men het beste 's avonds, 's winters daarentegen des morgens.
+
+Indien het eenigszins mogelijk is, moet het gieten van in de zon
+staande planten vermeden worden. Is het niet voldoende, gedurende
+het warme seizoen uitsluitend des avonds te gieten, dan doet men dit
+'s morgens voor den tweeden keer, terwijl men dan in den namiddag de
+planten verfrisschen kan, door ze licht te besproeien. Gewoonlijk
+houdt zware kleiachtige grond het water lang vast en planten, die
+daarin staan, behoeven dus niet zoo dikwijls gegoten te worden. Het
+is echter onmogelijk om alle kamerplanten in zware aarde te kweeken;
+de teerste verlangen daarentegen juist lichten grond, zooals blad-
+of boschgrond. Deze aardsoorten hebben niet alleen de eigenschap bij
+warm weer sterk uit te drogen, maar, en hier moet vooràl op gelet
+worden, zijn zij eenmaal goed uitgedroogd, dan nemen zij niet zoo
+heel gemakkelijk het water op. Is een in deze aarde geplaatste plant
+eens goed droog en giet men haar, dan loopt het water tusschen de
+kluit en den potwand weg, zonder de kluit, waarin de wortels zich
+bevinden, te bevochtigen. Hoogstens de oppervlakte wordt dan even
+nat. Hetzelfde gebeurt ook, wanneer, door te sterk uitdrogen, de
+kluit van den potwand heeft losgelaten en men haar, vóór het gieten,
+niet eerst goed aangedrukt heeft.
+
+Niet weinig kamerplanten gaan door dit uitdrogen ten gronde. Een
+plant, waarvan de kluit inwendig droog is, begint te kwijnen; zij
+verdort, zonder dat de onervaren liefhebber er achter kan komen,
+wat de ware oorzaak daarvan is. Een meer geoefend liefhebber behoeft
+den pot slechts even op te lichten, om aan het gewicht te bemerken,
+waar de fout schuilt. In twijfelachtige gevallen zal men wijs doen,
+de plant voorzichtig uit den pot te nemen, om te onderzoeken of zij
+ook uitgedroogd kan zijn. Is de plant werkelijk geheel uitgedroogd,
+dan bestaat er slechts een radicaal middel, namelijk haar in een
+emmer met water te zetten. Het kan voorkomen, dat zij zóó licht is
+geworden, dat zij op het water blijft drijven. Meestal heeft een plant
+meer dan een half uur noodig om zoodoende tot haar vocht te komen;
+het wil echter wel gebeuren, dat daar vijf à zes uren voor noodig zijn.
+
+Het ligt vóór de hand, dat het te weinig gieten ook zeer schadelijk
+voor den groei der planten is. Maar dit is niet de groote fout van
+de meeste liefhebbers; de meesten gaan aan het euvel mank, dat ze
+den planten te veel van het goede geven en daardoor veel te rijkelijk
+gieten. Wij hebben reeds gezegd, waardoor het te veel gieten schadelijk
+is voor de planten en het is nog zeer de vraag, wat noodlottiger is,
+het te veel of te weinig gieten. Als zeker kan men aannemen, dat het te
+weinig gieten minder gevaarlijk is, daar men dit den planten, die aan
+droogte lijden, direct kan aanzien en ook, omdat deze, wanneer men ze
+gegoten heeft, zich tamelijk snel weder herstellen. Een plant echter,
+dien men te veel water geeft, toont aanvankelijk geen verandering;
+begint zij eindelijk ziekelijk te worden, dan kan men met tamelijke
+zekerheid aannemen, dat de wortels ziek zijn, en in de meeste gevallen
+zullen zij dan wel reeds tot verrotting zijn overgegaan.
+
+Een groote fout begaan vele liefhebbers, vooral bij de buitenstaande
+planten, doordat zij te wild met het water omgaan en in plaats van
+de tuit des gieters op den rand van den pot te leggen en dan langzaam
+het water op de plant te gieten (Fig. 45), die er ver van verwijderd
+houden en er het water op laten stroomen, zoodat de aarde met het
+opspringende water medegevoerd wordt. Door deze wijze van gieten,
+ontstaan er gaten in de kluit en worden er wortels bloot gelegd,
+wat natuurlijk moet voorkomen worden (Fig. 46). In woonkamers, waar
+men alle morsing zooveel mogelijk tracht te voorkomen, wordt meestal
+voorzichtiger gegoten. In Fig. 47 geven wij nog een afbeelding van een
+door J. C. Heinemann, te Erfurt, in den handel gebracht kamergietertje,
+dat het bemorsen der woonvertrekken zooveel mogelijk voorkomt. In
+plaats van een tuit is er aan dezen gieter een gutta-percha slangetje
+verbonden met een glazen mondstukje. Bij het gieten, neemt men het
+einde der slang in de hand, houdt het glazen mondstukje op den pot
+en regelt door in de slang te knijpen den toevoer van het water. Na
+afloop van het gieten, wordt het slangetje in den gieter gelegd.
+
+Let men bij het gieten goed op, dan is dit niet zoo moeilijk als het
+zich wel laat aanzien. Een liefhebber, die werkelijk hart voor zijn
+planten heeft, zal spoedig den rechten weg vinden, indien hij niet
+slechts oogen heeft, maar daar ook goed mede kan zien. Uit kleine
+veranderingen, die zijn planten ondergaan en welke een gewoon mensch
+niet ziet, zal hij al heel spoedig de behoeften van zijn kweekelingen
+leeren kennen en zal hij al gauw raad weten, hoe daarin te voorzien.
+
+
+
+
+De bemesting der potplanten.
+
+Bij het kweeken van planten geldt het tamelijk wel als regel, dat
+men verplanten moet, wanneer de pot met wortels volgegroeid is en
+de aarde dus geen voldoend voedsel meer bevat. Het verplanten is
+echter niet ten allen tijde even raadzaam. Heeft men teere planten,
+dan is het, door het verre seizoen, dikwijls onmogelijk geworden; bij
+grootere planten, vooral kuipplanten, is het vaak te kostbaar en te
+lastig en bij de, in het voorjaar, met bloemplanten bezette waranda-
+en balkonbakjes is het meestal onmogelijk. Groeien de planten in al
+deze gevallen goed en wil men ze gaarne wat goed doen, dan is het
+raadzaam om mest te gebruiken.
+
+Wil men van de bemesting een goede werking verwachten, dan moet men
+er voorzichtig mede zijn en haar slechts toepassen bij gezonde, goed
+bewortelde planten. Zieke planten of gewassen, die in haar rusttijd
+zijn, mogen nooit bemest worden. Fraai bloeiende planten mogen pas dán
+bemest worden, wanneer de bloemknoppen zich beginnen te ontwikkelen;
+doet men dit vroeger, dan zal men wel een sterke bladontwikkeling,
+doch geen bloemen krijgen. Gewoonlijk begint men met de bemesting in
+de maanden Mei en Juni, en, al naar den aard der te behandelen planten
+en van den te gebruiken mest, herhaalt men dit met tusschenruimten
+van vier tot veertien dagen. Bij potgewassen gebruikt men in den
+regel slechts vloeibaren mest, die dadelijk na de toediening begint
+te werken. De bemesting doet men het best op donkere dagen of tegen
+den avond. De mest heeft slechts dán invloed, wanneer geen ongunstige
+omstandigheden den groei der plant beletten en er geen fouten in de
+behandeling worden begaan. Ook moet men niet vergeten, dat door de
+bemesting het verplanten slechts verdaagd wordt, daar deze bewerking,
+vroeger of later, toch moet geschieden, indien men niet wil, dat de
+elkander verdringende wortels tot rotting overgaan.
+
+In den laatsten tijd worden de chemische hulpmeststoffen zeer
+aanbevolen. Deze zijn uit verschillende zouten en minerale
+bestanddeelen samengesteld. Wij durven echter deze meststoffen den
+liefhebber niet aanraden. Hij toch kan moeilijk, of in het geheel niet
+nagaan, welke bouwstoffen een plant noodig heeft, en de meeste dezer
+chemische meststoffen zijn bij verkeerde aanwending zeer gevaarlijk,
+terwijl bij juiste aanwending de resultaten toch altijd bij vele
+plantengeslachten zeer twijfelachtig zijn.
+
+Een liefhebber doet verreweg het beste, meststoffen te gebruiken,
+bestaande uit plantaardigen en dierlijken afval; deze bevatten evenals
+goede aardsoorten al die voedingsstoffen, welke de planten voor een
+goeden groei noodig hebben.
+
+Een der beste meststoffen is zeker wel de koemest. Op een afgelegen
+plek van het huis of den tuin zet men een vaatje neer, dat men met
+water laat vullen. Door dit water wordt zooveel koemest geroerd,
+dat het een donker troebel voorkomen krijgt. Op dezelfde wijze
+behandelt men den zeer goed bruikbaren schapenmest. Het mengsel,
+dat men met deze mestsoorten laat bereiden, is bekend onder den
+naam van gier. Door den minder aangenamen reuk laat deze gier zich
+natuurlijk niet best in een kamer gebruiken. Voor in den tuin of de
+waranda staande planten is zij echter zeer aan te bevelen.
+
+Voor bemesting in de kamer gebruikt men Peru of Vischguano, kippen-
+of duivenmest. Deze mestsoorten vermengt men met koud water, welk
+mengsel dan voor het gebruik een paar dagen moet staan, of wel,
+men lost het in kokend water op; in dit geval kan men het na het
+koud worden toedienen. Het is niet raadzaam de oplossingen van deze
+droge meststoffen te sterk te nemen, 2 à 3 gram op een Liter water
+is voldoende. Op dezelfde wijze wordt ook beender- en hoornmeel
+aangewend, beide zijn zeer stikstofrijke en goede meststoffen. Ook
+Salmiak kan als een stikstofhoudende meststof gebruikt worden, mits men
+er voorzichtig mede is en niet meer gebruikt, dan enkele druppels op
+een gieter water. Bij het gebruik van vloeibare meststoffen moet men
+er op letten nooit te bemesten, wanneer de planten droog zijn. Is dit
+het geval, dan worden de potten eerst met gewoon water gegoten, daarna
+bemest en is men wellicht bang, te sterk gemest te hebben, dan kan men
+met water nog eens nagieten. Bij het verplanten van sterk groeiende
+planten kan men ook enkele hoornspanen (afval van hoorndraaierijen
+en kammenfabrieken) door de aarde heenmengen. Deze meststof werkt
+zeer langzaam, daar zij pas na enkele maanden verteert. Bij den, op
+genoemde wijzen bereiden vloeibaren mest, kan men nog wat houtasch
+of schoorsteenroet voegen, wat de werking nog een weinig verhoogt.
+
+Daar de meeste meststoffen eenigszins scherp werken en daar de meeste
+planten haar voedsel slechts in zeer zwakke oplossingen opnemen,
+moet men er zeer voorzichtig mede wezen. De vloeibare mest dringt
+zeer snel door de geheele kluit tot aan de fijnste haarworteltjes,
+en bij een te sterke dosis kan dit zeer gevaarlijk worden. Het beste
+is dus, slechts zeer zwakke oplossingen te gebruiken en dan enkele
+keeren meer toe te dienen. Midden in den zomer, wanneer de planten
+in vollen groei zijn, gebruiken zij de meeste voedingsstoffen; van
+het begin van den rusttijd echter tot den hernieuwden groei in het
+volgend voorjaar, hebben zij weinig of geen voedsel noodig en de
+bemesting moet dàn ook geheel achterwege blijven.
+
+In den handel komen enkele soorten bloemenmest voor, meest in een nette
+verpakking, welke bij de meeste zaadhandelaars verkrijgbaar zijn. Deze
+meststoffen hebben somtijds een zeer goede werking en bevelen zich
+ook aan, wijl zij in het geheel niet rieken. Bij ondervinding weten
+wij, dat er door enkele vertrouwde handelaren in hulpmeststoffen
+tegenwoordig zeer goede mengsels in den handel worden gebracht. Van
+deze meststoffen geeft men, met tusschenpoozen van enkele weken,
+al naar de grootte der planten, een grootere of kleinere hoeveelheid
+droog op iederen pot. Op dezelfde wijze kan ook Guano of hoornmeel
+toegediend worden. Men verwijdert daartoe om den potrand een weinig
+aarde, strooit in het gemaakte gleufje den mest en bedekt dat weder
+met aarde, waarna de plant flink gegoten wordt.
+
+Maar al te dikwijls wordt door onze dames koffiedik als meststof
+gebruikt, terwijl talrijke heeren een zwak hebben, daarvoor sigarenasch
+te doen dienen. Beide stoffen zijn wel onschadelijk, maar hebben niet
+den minsten invloed op de ontwikkeling der planten. Men doet dus beter,
+beide stoffen maar niet op de potten te brengen, daar zij deze slechts
+verontreinigen.
+
+Vatten wij de hoofdregelen voor de bemesting nog eens in het kort
+samen, dan zien wij, dat men steeds zwak, maar liever enkele keeren
+meer moet bemesten. Men diene nooit mest toe aan zieke of pas
+verplante gewassen, maar doe dit slechts, wanneer zij goed gezond
+en doorgeworteld zijn. De toediening moge nooit geschieden, wanneer
+de plant droog is of in de zon staat, maar men doe dit uitsluitend
+des avonds of op donkere dagen. Zeer langzaam groeiende of teere
+planten bemeste men bij voorkeur nooit, of, zoo dit al noodig is,
+dan in geen geval met sterke, veel stikstof bevattende meststoffen.
+
+
+
+
+Het snoeien der potplanten.
+
+Maar al te vaak vindt men in de kamers en voor de vensters planten,
+hetzij groenblijvende of bloemplanten, die een zeer treurigen indruk
+maken. Dit is niet altijd het gevolg van een slechte behandeling,
+maar van het feit, dat de onkundige bezitter ze niet behoorlijk
+snoeide. Terwijl tuinman zoowel als liefhebber, door onverstandig
+snoeien van vruchtboomen en bloemheesters, dikwijls meer bederven dan
+zij goedmaken, wordt bij kamerplanten de meeste schade aangericht,
+doordat in het geheel niet gesnoeid wordt. Men vergete niet, dat de
+potplanten eenigszins als gevangenen kunnen beschouwd worden. De
+wortels zijn tot den pot beperkt, en kunnen hun natuurlijke
+ontwikkeling niet verkrijgen, en daar vele planten uit een gunstiger
+klimaat stammen, kunnen zij natuurlijk niet zulke forsche scheuten
+ontwikkelen, als zij dit in de vrije natuur van haar moederland
+doen. De betrekkelijk zwakke scheuten der potplanten groeien, wanneer
+zij niet gesnoeid worden, gewoonlijk slechts aan de toppen der twijgjes
+uit; van onder blijven zij dus kaal. Door het gewicht der, in het
+tweede jaar, ontstane twijgen worden de eersten nu zoo bezwaard, dat
+zij gaan overbuigen en in de plaats van fraai rechtgroeiende planten,
+verkrijgt men dan kromme, vergroeide exemplaren. De potplanten moeten
+dus gesnoeid worden, en wanneer men ze in een bepaalden vorm wil
+kweeken, moet dit zelfs zeer goed geschieden. De struikvorm is de meest
+natuurlijke vorm voor het met bloemplanten beoogde doel. De kroon-,
+pyramide, zuil- of kogelvorm, waarin men zeer veel planten ziet, kunnen
+slechts door snoeiing verkregen worden. Wij willen het aankweeken
+van dergelijke kunstmatige vormen niet in de hand werken, want zonder
+twijfel zijn de stijve pyramide- en kogelvormen even onnatuurlijk als
+leelijk. Over het juiste snoeien der kamerplanten moeten wij echter
+nog het een en ander zeggen. Men moet met snoeien reeds beginnen
+bij de jonge, pas opgepotte stekken. Reeds dadelijk moeten wij met
+zulke jonge plantjes weten of wij ze in struik- of stamvorm willen
+voortkweeken. In het eerste geval moet men dadelijk beginnen met de
+koppen uit de stekken te snijden. Een jonge stek, die in een warmen
+bak aan alle kanten uitgroeit en dus uit ieder bladoksel een twijg
+ontwikkelt, doet dit, in de kamer gekweekt, meestal niet; hier groeit
+zij slechts recht naar boven. Het uitsnijden van den kop is dus noodig,
+om zoodoende de nog slapende oogen tot uitgroeien te nopen. Wil men
+daarentegen van een stek een stamboompje kweeken, dan mag de kop er
+in het geheel niet uitgesneden worden. Voor dit doel moet men steeds
+goed groeiende stekken gebruiken. Bij deze worden dan stokjes gezet en
+de stekken, naarmate zij groeien, daaraan gebonden, terwijl men alle
+zijscheuten, die zich ontwikkelen, zoo spoedig mogelijk, vóórdat zij
+kunnen doorgroeien, wegneemt. Heeft de plant eindelijk de verlangde
+hoogte bereikt, dan wordt de kop eruit gesneden. Spoedig zullen zich
+nu zijtakjes ontwikkelen, van welke men er drie tot vijf laat staan,
+die ook weder, zoodra zij eenige bladeren verkregen hebben, worden
+ingesneden. Het insnijden der zich achtereenvolgens ontwikkelende
+scheuten wordt zoo lang voortgezet, totdat de kroon een voldoenden
+vorm verkregen heeft. Ook de jonge struikplanten moeten, zoolang zij
+nog in haar groeiperiode zijn, ingesneden worden, en wel zoo vaak,
+totdat zij een mooien, goed gevulden, doch niet stijven vorm aangenomen
+hebben. Zeer dikwijls moet dit insnijden geschieden met opoffering
+van den bloei. Hierdoor late men zich echter niet van streek brengen,
+daar men veel beter doet de jonge planten nog niet te laten bloeien,
+wijl dit haar veel te veel verzwakt.
+
+Het spreekt van zelf, dat niet alle planten op dezelfde wijze en even
+dikwijls gesnoeid moeten worden. Er zijn zeer veel planten, die,
+wanneer men, toen zij jong waren, voor een goede vertakking heeft
+gezorgd, van zelf een gedrongen vorm behouden, zonder dat het later
+noodig is, ze meer in te snijden. Andere planten echter, waaronder de
+meeste groenblijvende, die men slechts als decoratieplanten kweekt,
+zooals: Evonymus, Eugenia, Viburnum Tinus, Laurus nobillis en Myrtus,
+nemen het lang niet kwalijk, wanneer men in den loop van den zomer
+haar jonge scheuten een paar keeren insnijdt. Dit insnijden behoeft
+men niet met een mesje te doen, men knijpt het kopje eenvoudig met
+de nagels van duim en wijsvinger der rechterhand af. In alle gevallen
+heeft dit dikwerf insnijden een gevulden groei ten gevolge.
+
+Andere soorten van bloemplanten, die haar blad des winters verliezen,
+zooals: Fuchsia's, Hortensia's, Rozen, Heliotropen, Pelargoniums
+en meer dergelijke, worden in den regel slechts één keer 's jaars
+gesnoeid, en wel in het voorjaar bij het begin van den nieuwen groei,
+of wel kort vóór of na het verpotten (Fig. 48 en 49). Bij de meeste
+dezer planten gaat men volgenderwijze te werk. Eerst verwijdert
+men de doode en zeer zwakke twijgjes, door ze bij de hoofdtakken
+af te snijden. Hierna worden die twijgjes geheel verwijderd, welke
+merkbaar te veel zijn en waardoor de plant te dicht zou worden. De
+overblijvende takken worden nu gemiddeld met een derde hunner
+lengte ingekort, waarbij men er op moet letten, dat het uiterste,
+dus het dichtst bij de snede staande oog, zoo mogelijk naar buiten of
+tenminste zijwaarts gericht is; nooit mag dit oog echter naar binnen
+staan. Uit het uiterste oog ontwikkelt zich toch de krachtigste twijg
+en men moet voorkomen, dat deze naar binnen groeit, daar de kroon
+anders niet voldoende in omvang toeneemt. Het spreekt wel vanzelf,
+dat niet alle planten op dezelfde wijze behandeld kunnen en mogen
+worden. Met het snoeien moet er dan ook vooral op gelet worden,
+of de planten bloeien op de jonge scheuten dan wel op die, welke
+in den vorigen zomer ontwikkeld zijn. Een voorbeeld van dit laatste
+levert ons de Hortensia, welke bloeit uit de scheuten, die zich uit de
+eindknoppen der voorjarige krachtige twijgen ontwikkelen. Snijdt men
+nu deze twijgen in het voorjaar terug, dan ligt vóór de hand, dat zij
+des zomers niet zal bloeien. De Hortensia is dus een voorbeeld van die
+planten, waarvan de krachtige scheuten in het voorjaar in het geheel
+niet gesnoeid mogen worden; men bepaalt zich tot het verwijderen der
+doode en te dichtstaande twijgen. Worden zulke heesters te wild, dan
+moeten zij, zoodra ze uitgebloeid zijn, teruggesneden worden. Ook de
+Sering levert hiervan een duidelijk voorbeeld. De Roos behoort ook tot
+de planten, die niet juist als een Fuchsia gesnoeid mogen worden. Onder
+de Rozen bevinden zich eenige soorten, zooals de bekende Maréchal Niel,
+waarvan de krachtige scheuten in het geheel niet gesnoeid mogen worden;
+men verwijdert slechts het doode en te zwakke hout. Gewoonlijk snoeit
+men naar den groei der bepaalde soorten. Thee- en andere zwak groeiende
+rozensoorten, moeten diep ingesneden worden d.w.z. zoodanig, dat aan de
+sterkste scheuten slechts 3-5 oogen blijven. De sterk groeiende soorten
+worden tot op 6-8 oogen ingesneden. Snoeit men een Roos te kort,
+dan wordt te diep in het rijpe hout gesneden, en het gevolg is een
+arme bloei; snoeit men ze echter te lang, dan komen de onderste oogen
+der te lang gesnoeide twijgen niet tot ontwikkeling en de struiken of
+kroonboompjes blijven dan van onderen geheel kaal, wat niet erg mooi
+is. In de meeste gevallen zal een opmerkzaam, plantenliefhebber zeer
+spoedig zien, hoe hij zijn planten moet snoeien. Aan de ontwikkeling
+laat zich spoedig waarnemen of men een plant te lang of wel te kort
+gesnoeid heeft en men zal dan zeker niet nalaten, in het volgende jaar,
+rekening te houden met de opgedane ondervinding.
+
+Men gebruikt voor het snoeien, wanneer men kleine, dunne of zachte
+takjes moet afsnijden, een scherp mesje; moet echter een plant
+met dikkere houtachtige stengels gesnoeid worden, dan is het beter
+van een zoogenaamde Rozenschaar, van klein model, gebruik te maken
+(Fig. 50). Om er voor te zorgen, dat de schaar niet knijpt, lette men
+er op, dat de scherpe schaar steeds naar boven gericht is. De snede
+moet zoo dicht mogelijk bij een oog plaats vinden, daar er anders
+een eind dood hout ontstaat, dat de plant zeer ontsiert. Dikwijls
+zal ook zulk een dood eind inkankeren en het ziek worden der plant
+ten gevolge hebben.
+
+
+
+
+Het opbinden der potplanten.
+
+Onder de planten, die in een kamer gekweekt worden, bevinden zich
+verscheidene, die een stevigen steun behoeven, welken men haar in
+den vorm van een plantenstokje geeft. Zonder zulk een steunsel laten
+zich b.v. de Palmen kweeken, daar deze in de kamer wel nooit een stam
+zullen vormen; ook de planten met een stevigen houtachtigen stengel,
+de lage kruidachtige planten en de meeste Cactussen en vele vetplanten
+zullen wel geen steun behoeven. Bij zeer veel planten moet men met
+het aanbinden al zeer spoedig beginnen, bij andere kan men zoolang
+wachten, totdat de kroon een bepaalden omvang verkregen heeft. Voor
+het opbinden gebruikt men gewoonlijk uit vurenhout vervaardigde
+stokjes. Deze stokjes worden tegenwoordig fabriekmatig gemaakt, en zijn
+in iedere kweekerij voor matigen prijs in alle verlangde afmetingen
+te verkregen. Daar het niet mooi staat, wanneer het stokje te veel in
+'t oog loopt, is het geraden, dit voor het gebruik groen te laten
+verven. Het gebruik van mooie, gedraaide stokjes met bont gekleurde
+knoppen is niet aan te bevelen, omdat deze stokken meestal veel te dik
+zijn. Het opbinden moet zóó geschieden, dat de plant zoo min mogelijk
+haar natuurlijk voorkomen verliest, zoodat dan ook de takken niet dicht
+in elkander gebonden mogen worden. Het opbinden aan waaier-, ballon- of
+pyramidevormige ijzerdraadfiguren moet daarom zooveel mogelijk vermeden
+worden, slechts met klimplanten kan men hierop een uitzondering
+maken. Een plant, in een kunstmatigen vorm gebonden, ziet er altijd
+onnatuurlijk en bijgevolg ook leelijk uit. Het stokje wordt op de
+meest geschikte plaats, bij voorkeur aan die zijde der plant, welke
+het minst ontwikkeld is, kaarsrecht in de aarde gestoken. Men moet er
+ook op letten, dat het zoo dicht mogelijk bij den hoofdstam staat. Men
+bindt nu dezen van onderen stevig aan het stokje vast, en doet dit
+nog enkele keeren op gelijke afstanden. Eerst wanneer de hoofdstam
+goed aangebonden is, kan men de kleinere takjes gaan binden. Het komt
+vaak voor, dat één enkel stokje voor een plant voldoende is, doch ook
+wel, dat men er meerderen gebruiken moet. Hortensia's bijvoorbeeld,
+die dikwijls zes tot tien krachtige scheuten ontwikkelen, die elk
+een groot bloemscherm te dragen krijgen, moeten aan meerdere stokjes
+gebonden worden, wil de plant er natuurlijk en los uitzien. Toch is
+het raadzaam, zoo min mogelijk stokjes te gebruiken. Een liefhebber,
+die goed toeziet, zal echter spoedig genoeg begrijpen op welke wijze
+zijn planten opgebonden moeten worden. Kan men het zonder stokje doen,
+dan is dit steeds het raadzaamste. De meeste moeite veroorzaken zeker
+wel de klimplanten, die ter versiering van balkons en waranda's worden
+aangewend. Wanneer de gelegenheden, waar zij tegen op moeten klimmen,
+niet eenigszins met de natuur der planten overeenstemmen--en dit
+is meestal het geval--, dan moet iedere tak op zichzelf aangebonden
+worden. Laat men de takken of scheuten van klimplanten, die zonder
+hulp geen steun vinden, neerhangen, dan ontstaat er vaak stremming
+in den sappenloop en een langzame groei is daar het gevolg van. Fraai
+bloeiende klimplanten bloeien evenwel, wanneer men ze aanbindt, zeer
+ondankbaar, terwijl de afhangende takken juist door de sapstremming
+rijk gaan bloeien.
+
+Het opbinden geschiedt door het aanleggen van een gewonen band
+of wel, men kruist het band eerst, zooals Fig. 51 aantoont. De
+liefhebbers gebruiken voor het opbinden niet zelden draden, bandjes of
+touwtjes. Al dit bindmateriaal is niet aanbevelenswaardig, eerstens
+wijl het leelijk staat, ten tweede omdat het vaak, door de scherpte,
+de weeke twijgjes beschadigt en ten derde omdat het meestal spoedig
+verteert. Het beste materiaal, om planten op te binden, is zeker
+wel het zoogenaamde bind- of moscovischbast, dat in den vorm van
+matten wordt verkocht. Dit bast is zacht en zeer duurzaam. Jammer
+daarom, dat het niet overal even gemakkelijk te verkrijgen is. Door
+verscheidene kweekers en zaadhandelaars wordt in groote vlechten het
+zoogenaamde Raffiabast verkocht. Dit heeft vele goede eigenschappen;
+het is zacht, bindt gemakkelijk, is sterk en ziet er netjes uit,
+doch het is niet duurzaam, vooral niet, wanneer het buiten of
+op vochtige plaatsen gebruikt moet worden. De duurzaamheid van
+bindbast wordt aanmerkelijk verhoogd en de band minder zichtbaar,
+wanneer men dezen, vóór het gebruik, een weinig draait, zoodat hij
+het voorkomen van een touwtje krijgt. Naar de zwaarte der plant
+moet men ook de zwaarte van den band nemen. Bindbast laat zich zeer
+gemakkelijk in de lengte splijten, en voor kleine planten heeft
+men slechts een dun bandje noodig. Het opbinden der planten moet
+eenige malen 's jaars geschieden. In de eerste plaats moet men het
+doen direct na de verplanting. Dit moet gebeuren, omdat het stokje,
+in de meeste gevallen, bij de verplanting losraakt en dan natuurlijk
+geen voldoenden steun meer voor de plant biedt. Daar de in den handel
+zijnde stokjes steeds uit z.g.n. vurenhout zijn vervaardigd, rotten
+zij spoedig aan de punt weg; alvorens dus oude stokjes te gebruiken,
+moet men zich overtuigen of zij nog wel voldoende gaaf zijn. Langer
+dan negen maanden of een jaar houdt een stokje het meestal niet uit,
+en natuurlijk moet dan de plant opnieuw aangebonden worden. Aangezien
+ook het bast niet zeer lang duurt, kan men als regel aannemen twee
+of drie keer per jaar de planten te moeten opbinden.
+
+Er zijn nog talrijke zaken, waar men bij het opbinden op te letten
+heeft. Bij het opbinden van een kroonboompje mag de stok niet in
+de kroon steken, zoodat hij in geen geval langer dan de stam mag
+wezen. Als regel moet ook aangenomen worden, dat het stokje nooit
+boven de plant mag uitsteken. Er zijn enkele planten met zeer zware
+kronen, waarvan de takken zouden afbreken, wanneer zij niet gesteund
+werden; onder deze planten behoort o.a. de reeds vermelde Epiphyllum,
+een Cactussoort, die vaak op stam gekweekt wordt. In zulke gevallen
+gebruikt men een ring van ijzerdraad, die onder de takken aangebracht
+wordt en die door een drie- of een vijftal stokjes in positie wordt
+gehouden. Bij het opbinden moet men ook acht geven, dat de band niet
+te sterk om de plant wordt aangehaald. Door het groeien toch neemt
+de stengel in dikte toe, heeft men den band te sterk aangehaald, dan
+kan dit uitzetten daar plaatselijk niet gebeuren, waardoor de band
+in den stengel groeit. Dit is zeer nadeelig, daar de sapbeweging er
+door gestremd wordt: ook ontstaat er een inkerving, die nooit meer
+verdwijnt. Lage, kruidachtige planten staan vaak zeer los, doordat de
+wortelhals te zwak is, bij Chineesche Primula's komt dit o.a. veel
+voor. Zulke planten worden niet opgebonden, doch er worden twee of
+drie zeer kleine stokjes als steun langs den wortelhals geplaatst.
+
+
+
+
+Zindelijkheid bij het kweeken van planten.
+
+Menige veeboer verklaart, dat zindelijkheid het halve voedsel voor
+zijn vee is, en met evenveel recht kan een plantenkweeker beweren,
+dat zindelijkheid de halve cultuur uitmaakt. Vuile potplanten zien
+er niet alleen onsmakelijk uit, doch zij kunnen ook onmogelijk goed
+groeien. De zindelijkheid bij het kweeken van planten moet reeds met
+den pot aanvangen. Wij hebben reeds gezien, dat vuile potten bij het
+verplanten niet gebruikt mogen worden. De geheel nieuwe en schoone
+pot verliest echter ook spoedig zijn zindelijk voorkomen; na eenige
+weken of maanden wordt hij vuil, want door het vocht ontwikkelen
+er zich spoedig mossen en andere lagere planten op. Een zoodanig
+begroeide pot verliest zijn poreusiteit; het doordringen der lucht
+tot de aarde heeft niet meer in voldoende mate plaats en deze wordt
+zuur. Om dit te voorkomen is het noodig, dat men de potten minstens
+twee keer per jaar, in het voorjaar en in het najaar, met een stijven
+boenborstel afschropt. De oppervlakte van de aarde wordt ook meestal
+onzindelijk. Door de vochtigheid ontwikkelt zich daar ook mos op; bevat
+het gietwater kalk, dan wordt de oppervlakte langzamerhand wit. Ook
+dit moet minstens twee keer per jaar verwijderd worden. Men bedient
+zich hiertoe van een etiquetje, dat men dun afsnijdt en waarmede het
+bovenlaagje der aarde zoo zuinig mogelijk afgeschrapt wordt.
+
+Naast het mos ontwikkelen zich in de aarde dikwijls verschillende
+onkruiden, waarvan de zaden in het grondmengsel aanwezig waren. Deze
+onkruiden groeien sneller dan de gekweekte planten en zuigen den
+bodem uit; reden waarom zij, zoodra men ze kan vatten, uitgetrokken
+moeten worden.
+
+De planten zelf en in hoofdzaak de bladeren en takken, tracht men,
+door ze des zomers te bespuiten, schoon te houden. Het spuiten is
+echter niet voldoende, daar het gebruikte water, al ziet het ook nog
+zoo helder, nooit geheel zuiver is, waardoor het altijd, al is het
+ook nog zoo weinig, vuil achterlaat. Slechts voor planten met kleine
+blaadjes of wel voor kruidachtige planten, wier bladeren slechts
+van korten duur zijn, is het spuiten voldoende. Fraaie bladplanten,
+zooals Palmen, Ficus, Philodendron Aspidistra en anderen, die bij
+een goede behandeling jaren haar bladeren behouden, moeten anders
+gereinigd worden. De bladeren zijn, zooals bekend is, de longen der
+planten, en zij kunnen dus onmogelijk gezond groeien, wanneer zij
+geen schoone bladeren bezitten.
+
+Een blad heeft voor de plant zeer veel functies waar te nemen, en wordt
+het niet goed schoongehouden, dan kan het die onmogelijk vervullen. Een
+blad waarvan de poriën verstopt zijn, kan zijn natuurlijke werking
+niet verrichten. Bij de cultuur van alle bladplanten in de kamer is het
+dan ook van het grootste belang, dat de bladeren minstens één keer per
+week aan de boven- en onderzijde goed afgewasschen worden. Men bedient
+zich hiertoe van zuiver, slechts even warm water, en een zachte spons
+(Fig. 52).
+
+Dit afwasschen moet bedaard en voorzichtig geschieden, omdat vele
+bladeren zeer teêr zijn en door deze behandeling spoedig gewond
+zouden worden. Hebben wij met planten te doen, waarvan de bladeren
+door nalatigheid met een dikke, hard geworden laag vuil geheel of
+gedeeltelijk bedekt zijn, dan is het gebruik van zuiver water niet
+meer voldoende. In zulke gevallen moet men iets warmer water nemen,
+waarin een weinig groene zeep is opgelost. Dit zeepsop heeft ook
+het voordeel, dat talrijke jonge insecten, die men niet ziet, er
+door gedood worden. Lastig om te wasschen zijn de gegolfde bladeren
+van Waaier- en Vederpalmen. Tegen de nerven dezer bladeren hoopt
+zich toch al te dikwerf vuil op, dat niet gemakkelijk te verwijderen
+is. Het beste gelukt dit met een zacht kwastje, dat men telkens in het
+water uitspoelt (Fig. 53). Zijn de planten door de onder te vermelden
+ongedierten bezocht, dan is een zorgvuldige behandeling met de op te
+geven middelen noodwendig.
+
+Op de schors van oudere houtachtige planten, die reeds verscheidene
+jaren in de kamer gekweekt worden, vormen zich dikwijls langzaam en
+onbemerkt een dikke laag vuil. De op deze wijze vuil geworden takken
+reinigt men het best met een hard kwastje.
+
+Ook Cactussen, die men door hare stekels niet met een spons kan
+schoonmaken, worden het best met een zachten kwast gereinigd.
+
+Wil men de planten goed zuiver houden, dan moeten ook de gele,
+verdorde of zieke bladeren verwijderd worden, alsmede de doode
+twijgen en takjes. Dergelijke afgestorven of zieke plantendeelen,
+evenals de uitgebloeide bloemen, moet men op tijd verwijderen, waartoe
+men zich van een scherp mesje bedient. Veel te weinig wordt gelet op
+het tijdig wegsnijden der verwelkte bloemen of oude bloemstelen. Is
+men niet voornemens zaden der planten te verzamelen, dan moeten de
+uitgebloeide bloemen zoo spoedig mogelijk verwijderd worden, daar
+zij anders onnoodig voedingsstoffen aan de plant onttrekken.
+
+
+
+
+De vijanden der kamerplanten.
+
+De strijd om het bestaan, dien alle schepselen moeten strijden, blijft
+ook aan de in de kamer gekweekte planten niet gespaard. De vijanden,
+die het plantenleven in de vrije natuur in gevaar brengen, en die,
+wanneer zij nu en dan zeer talrijk optreden, geheele plantengeslachten
+kunnen ten gronde richten, treden echter lang niet allen bij de
+gekweekte planten op. De vijanden der planten, die zich onder de
+zoogdieren en vogels bevinden, kunnen natuurlijk tot de in de kamer
+gekweekte planten niet doordringen, en van niet weinig schadelijke
+insecten, die buiten in den grond leven en de wortels aanvreten en
+vernielen, bleven zij hier verschoond. Toch blijven er nog vijanden
+genoeg over, die onze kamerplanten beschadigen en den liefhebber
+vrij wat moeite kunnen veroorzaken. Het zijn hoofdzakelijk insecten,
+die zich op onze kamerplanten nestelen, en het is merkwaardig, dat,
+hoe zieker de planten zijn, hoe ondoelmatiger de behandeling is, die
+wij haar geven, hoe droger en stoffiger de atmosfeer is, waarin wij
+ze kweeken, deze plagen zich des te sterker vermenigvuldigen. Bij
+de kamerplanten zijn juist de kleinste insecten de gevaarlijkste
+vijanden. Zij treden vaak in zoo grooten getale op, en gelijken in
+kleur dikwijls zoo sterk op de bezochte planten, dat de liefhebber,
+die niet scherp toeziet, ze eerst dán bemerkt, wanneer een niet
+onaanzienlijke schade is toegebracht.
+
+Een der veelvuldigst voorkomende en gevaarlijkste vijanden van de
+kamerplanten is zeker wel de Thrips (Thrips hæmorrhoidalis). Dit is
+een zeer klein, zwart, gevleugeld diertje van langwerpigen vorm. Het
+blijft gewoonlijk voor het oog verborgen, daar het zich steeds aan
+de onderzijde van het blad ophoudt, waar het heen en weer loopt. Meer
+nog dan het in vele soorten optredende diertje, vallen kleine zwarte
+vlekjes in het oog; dit zijn de uitwerpselen dezer diertjes. De Thrips
+beschadigt de planten, doordat zij met haar scherpe monddeelen de
+opperhuid der bladeren afschaaft en dan haar voedsel uit het blad
+zuigt. Veel last van dit insect hebben Aralia's, Azalea's, Varens,
+Palmen en Ficussen. De aangetaste bladeren krijgen eerst zwarte
+vlekken aan de onderzijden, worden daarna geel en vallen ten slotte af.
+
+Een andere, niet minder gevaarlijke vijand is de Roode-spin
+(Tetranychus telarius). Dit kleine spinachtige diertje is ook zóó
+klein, dat men het nauwelijks kan zien. In jongen toestand is dit
+diertje grijs, later rood van kleur. Het beweegt zich vooral des
+nachts zeer snel over een fijn webachtig spinsel, op de onderzijde
+van het blad. Naast de Thrips is de Roode-spin een der gevaarlijkste
+plantenvijanden, omdat zij aan de bladeren het bladgroen onttrekt
+en zoodoende de directe oorzaak van hun afsterven is. Fig. 54 toont
+duidelijk hoe een door Roode-spin aangetast blad er aan de achterzijde
+uitziet. Dergelijke sterk aangetaste bladeren worden spoedig geel en
+sterven af; bij vele planten rollen zij zich op, om dan te verdorren.
+
+Minder gevaarlijk, maar toch altijd nog zeer schadelijk zijn de
+verschillende soorten van schildluizen. Deze treden bij voorkeur op
+het oude hout op; dikwijls echter vindt men ze ook op de bladeren,
+en dan wel aan beide zijden; ook op de jonge scheuten komen zij wel
+voor. De schildluis heeft den vorm van ronde of langwerpige schildjes,
+die als kleine verhevenheden op de bladeren voorkomen en maar al te
+dikwijls de kleur bezitten der aangetaste organen. Zeer veel last
+van schildluizen hebben de Oleander en Laurus (Laurier), waarvan de
+bladeren dikwijls aan de onderzijden met witachtige schildluizen
+als bezaaid zijn. De schildluizen, waarvan de beide geslachten in
+voorkomen en levenswijze zeer sterk verschillen, zuigen zich op een
+bepaalde plaats vast en sterven daar ook. Zij bevatten bij haar dood
+een zeer groot aantal eieren, die door het doode diertje als met een
+hard schild gedekt worden. Uit deze eieren ontwikkelen zich later de
+larven. Op verschillende cultuurplanten vindt men verschillende soorten
+van schildluizen. De wetenschappelijke namen van al deze soorten op te
+geven, achten wij nutteloos, daar zij alle direct als schildluizen
+zijn te herkennen en dan ook op dezelfde wijze moeten bestreden
+worden. Fig. 55 toont een jong blad van een Palm, dat zich juist aan
+het ontplooien is, en dat sterk door schildluizen is aangetast.
+
+De insecten, waarvan men bij kamerplanten wel het meeste last heeft,
+zijn ongetwijfeld de verschillende soorten van Bladluizen. Zij komen
+meestal voor op jonge scheuten, waaraan zij de sappen onttrekken en
+die zij door haar honigachtige, kleverige uitwerpselen daarenboven
+zeer benadeelen. Deze uitwerpselen toch verstoppen de microscopische
+openingetjes, die zich in de bladopperhuid bevinden en beletten
+daardoor de ademhaling der planten.
+
+Treft men vaak de bladluis aan, niet minder is dit het geval met de
+Wolluis, een door een wit, wolachtig voorkomen zich onderscheidende
+bladluis, die zich veel in de bladoksels ophoudt. Fig. 56 toont
+het blad eener Sagittaria (Pijlkruid), sterk met bladluizen bezet,
+en Fig. 57 een gedeelte van een Cactus (Echinopsis), waarop talrijke
+wolluizen voorkomen.
+
+Tegen al deze vijanden worden wel maatregelen genomen, doch het wijste
+is zeker, hun optreden te voorkomen. Het beste doet men dit door den
+planten een goede standplaats te geven. Den harden, kouden planten
+geeft men de noodige frissche lucht, en men zorgt er des winters vooral
+voor, dat zij niet in een vertrek staan, dat hooger verwarmd wordt dan
+noodzakelijk is. De teerdere warme planten, die het meeste te lijden
+hebben van de aanvallen van insecten, moet men beschermen tegen te
+groote schommelingen in de temperatuur, tegen tocht en vooral tegen
+te droge lucht. Dit alleen is echter niet voldoende, maar men zorge
+er ook voor, dat deze planten op warme, lichte dagen minstens een
+paar keer met de handspuit of den rafraîchisseur bespoten worden,
+zoowel aan de boven- als aan de onderzijde der bladeren, terwijl
+zij ook minstens één keer per week met lauw warm water moeten worden
+afgewasschen. Het beste doet men, in dit water zooveel groene zeep
+op te lossen, dat het melkwit gekleurd wordt. Het gebruik van zulk
+zeepsop is reeds aan te bevelen, om de jonge, bijna onzichtbare
+insecten te dooden. Een paar uur na het gebruik moeten de planten,
+die er mede gewasschen zijn, echter met zuiver water afgespoten worden.
+
+Wanneer men bemerkt, dat de insecten de overhand beginnen te krijgen,
+dan moeten krachtiger maatregelen genomen worden. Vele middelen vindt
+men hiervoor aanbevolen; de meeste gaan echter aan één groot gebrek
+mank, namelijk: dat zij niet alleen de insecten vernielen, doch ook
+zeer veel schade aan de planten berokkenen, waardoor al te vaak het
+geneesmiddel erger is dan de kwaal. Het meest aanbevelenswaardig
+is wel een aftreksel van tabaksbladeren, dat men zelf gemakkelijk
+kan maken en dat ook in den handel verkrijgbaar is. Men maakt zulk
+een tabaksextract van de zwaarste Kentucky- of Virginia-tabak; zulk
+extract heeft een nicotine-gehalte van 7-8% en is vrij van minerale
+vergiften. Om bijna alle planten-parasieten te dooden is het voldoende
+de planten een of twee keer goed te bespuiten met dit extract, vermengd
+met 60 tot 100 keer de hoeveelheid water. Heeft men zeer teere planten,
+dan moet men het nog meer verdunnen; wil men het op planten met dikke,
+lederachtige bladeren toepassen, dan kan het iets minder verdund
+worden. Moet men grootbladige planten er mede behandelen, dan is het
+beter ze er niet mede te bespuiten, maar de bladeren met een zachte
+spons er mede af te wasschen. Heeft men kleinbladige planten met niet
+al te groote kronen, dan is het eenvoudigste, deze met de kronen in
+een emmer met zulk een oplossing te dompelen.
+
+Heeft men een kleine, goed sluitende, leegstaande ruimte tot zijn
+beschikking, bijv. een klein kamertje, dan kan men door middel van
+tabak het ongedierte nog op een andere wijze verdelgen.
+
+Men zet de planten des avonds in het kamertje; hierin brengt men
+een komfoor met gloeiende kolen, waarop men, al naar de grootte der
+kamer, een handvol of meer van de ordinairste tabaksbladeren legt,
+die eerst een weinig vochtig gemaakt zijn.
+
+De vochtige tabaksbladeren zullen nu gaan smeulen en een
+dichten tabaksrook ontwikkelen, die al de insecten op de planten
+doodt. Dezelfde uitwerking verkrijgt men door een aftreksel van
+tabaksbladeren op een schaal te gieten en het in de kamer boven
+een spiritusvlam te laten verdampen. Wij moeten echter opmerken,
+dat verscheidene zachtere planten, vooral Palmen en Gesneriaceeën,
+zeer sterk lijden van den tabaksrook, zoodat dit middel in geen geval
+op deze planten mag worden toegepast. Hebben de planten een nacht in
+het volgerookte vertrek gestaan, dan moet men ze den volgenden morgen
+dadelijk weder in de versche lucht brengen en ze direct hierna goed
+afspuiten. Was de berooking niet zwaar genoeg, dan liggen de luizen
+bedwelmd en met opgezwollen lichamen op de aarde en den vloer; men
+moet ze in dit geval verzamelen en verbranden. Tallooze proeven hebben
+wij genomen met verschillende soorten insectenpoeders, die voor het
+verdrijven van ongedierte op planten worden aanbevolen. Deze proeven
+leverden steeds de ongunstigste resultaten. De in Fig. 54 en Fig. 56
+afgebeelde bladeren zijn afkomstig van planten, die gedurende één zomer
+zeker wel twintig keer met echt Zächerlin zijn bepoederd. Grootere
+insecten zooals, pissebedden en kakkerlakken, worden door dergelijke
+insectenpoeders vernield, de kleinere ongedierten, die op planten
+leven, echter niet.
+
+Het beste middel om dergelijke insecten te verdelgen is tabak in
+iederen vorm. Tabakspoeder is ook met goed succes aan te wenden;
+men strooit het op de achterzijde der van te voren vochtig gemaakte
+bladeren. Kan men de bladluizen niet met de vingers verwijderen, dan
+is tabak verreweg het beste middel. Grootbladige planten, die door
+Roode-spin of Thrips geteisterd worden, wascht men het beste met niet
+te sterk zeepsop af. Wil men zekerheid hebben ze te vernietigen,
+dan worden de bladeren met zeepsop ingesmeerd en den volgenden
+dag met zuiver water afgewasschen. Heeft men kleinbladige planten,
+zooals Azalea's en Myrten, die aan deze kwaal lijden, dan bestaat er
+ook een afdoend middel. Men maakt een zeepsop van water, dat tot 100°
+Fahr. verwarmd is. In dit mengsel worden de kronen der planten enkele
+seconden goed ondergedompeld; de kroon wordt hierna naar beneden
+gehouden en goed afgeschud, opdat het zeepsop niet op de aarde zal
+loopen. Zoo laat men de planten een dag staan en spuit ze den volgenden
+dag met zuiver water goed af. Zoo noodig moet deze behandeling twee-
+of driemaal met tusschenruimten van 8 dagen herhaald worden. Schild- en
+wolluizen worden eerst voorzichtig met een kwastje verwijderd, waarop
+men de planten op de aangegeven wijze met tabak of zeepsop behandelt.
+
+Naast de opgegeven plantenvijanden zijn er nog vele andere, die
+schade kunnen berokkenen, zoo bijv. de Smeerluis, die slechts zelden
+en dan op weeke bladeren optreedt. Heeft men last van deze diertjes,
+dan wordt het blad, waar zij op huizen, afgesneden en verbrand.
+
+Verder heeft men nog larven, die in het inwendige van het blad leven.
+
+Deze treft men veel aan bij Chrysanthemums, die in een te warme droge
+lucht gekweekt worden. Ook heeft men nog larven, die het merg van
+Rozescheuten uitvreten. Op deze komen wij later, bij het bespreken
+der Rozen, nog nader terug.
+
+Verscheidene vijanden der planten leven ook in de aarde. Het
+menigvuldigst treedt de Regenworm op, hoewel deze niet als eigenlijke
+plantenvijand mag beschouwd worden. De regenworm toch voedt zich
+niet, zooals algemeen geloofd wordt, met levende plantenwortels, doch
+slechts met rottende stoffen. Gewoonlijk wijst het aanwezig zijn van
+regenwormen op een verzuurden grond en men doet het best de planten in
+dit geval te verpotten in versche aarde. Is de aarde echter nog goed,
+dan kan men toch den regenworm niet dulden, daar hij, door de gangen,
+die hij in de aarde boort, de wortels beschadigt en daardoor schade
+veroorzaakt. Ook wil het vaak voorkomen, dat het gietwater door
+deze gangen wegloopt, voordat het de aarde behoorlijk heeft kunnen
+bevochtigen. Men kan de regenwormen zeer gemakkelijk verdrijven,
+door de planten een- of tweemaal met goed warm water--echter geen
+heet water--te begieten.
+
+Een nog onschuldiger middel is de planten een paar maal met een
+aftreksel van notebladeren of wilde kastanjes te begieten. Bij de
+aanwending van deze drie middelen kruipt de regenworm uit de aarde
+en kan gemakkelijk verwijderd worden.
+
+Veel schadelijker, maar gelukkig niet zoo vaak in de potten voorkomend,
+is de zoogenaamde Draadworm, de larf van den hoornkever, waarvan
+verscheidene soorten bekend zijn. De draadworm leeft drie à vier
+jaren als larf; hij heeft oppervlakkig bezien het voorkomen van een
+meelworm en doet veel schade door het afvreten der wortels. Men vangt
+de draadwormen door des avonds saladestronken met de snijvlakte op
+den pot te leggen; hierdoor worden de wormen gelokt en des morgens
+kan men ze dan onder deze stronken vinden en verwijderen.
+
+Zeer schadelijk zijn ook de Wortelluizen. Deze heb ik tot heden slechts
+aangetroffen bij grassoorten en ook bij de Adiantum. Zij zien er wit
+en wollig uit, verspreiden zich snel over het geheele wortelnet en
+richten daar veel schade aan. Zijn het minder kostbare planten, die er
+door aangetast zijn, dan doet men verreweg het beste, die eenvoudig
+op te ruimen. Heeft men er last van bij kostbaarder planten, dan kan
+men beproeven ze door het begieten met goed warm water te vernietigen.
+
+Als groote vijanden van kamerplanten moeten wij ten slotte nog de
+Pissebedden en Melkslakken vermelden. Deze algemeen bekende diertjes
+doen het meeste schade aan de planten, welke des zomers buiten in
+de schaduw worden gekweekt. In de kamer zal men er weinig last van
+hebben, tenzij zij er door gekochte planten ingebracht worden. De
+pissebedden, die vooral in jonge en zachte bladeren gaten vreten,
+worden gemakkelijk gevangen met doorgesneden rauwe en uitgeholde
+bieten of aardappels. Deze stukken worden tusschen de planten gelegd,
+de diertjes kruipen daar bij voorkeur des nachts onder, zoodat zij
+den volgenden morgen gemakkelijk te vangen zijn. De melkslakken,
+die gedurende vochtige zomers bij voorkeur in tuinen met zwaren grond
+leven, richten door het stukvreten van alle teere bladeren zeer veel
+schade aan. Het beste doet men, ze des avonds met een lantaarn op
+te zoeken, wat men gemakkelijk doet door slabladeren neer te leggen
+op de plekken, waar zij optreden. Ziet men deze des avonds laat na,
+dan zal men er verscheidene van deze ongenoode gasten op vinden.
+
+De kamerplanten hebben ook vijanden in het plantenrijk. Het optreden
+van deze woekerplanten zou men kryptogamische ziekte kunnen noemen. Een
+der lastigste is wel een draadalg, die hoofdzakelijk in stekpotten
+optreedt, alsook de Honigdauw. De Honigdauw is zèker een der lastigste
+vijanden van potplanten. Zij treedt, afgezien van den Wijnstok,
+hoofdzakelijk bij Rozen en Chrysanthemums op. Het ontstaan van
+den Honigdauw wordt zeer begunstigd en dikwijls zelfs veroorzaakt
+door tocht en sterke temperatuur-schommelingen. De Honigdauw is
+gemakkelijk waarneembaar door de witte stof, waarmede hij de bladeren
+en jonge scheuten bedekt; deze groeien dan krom en krijgen een leelijk
+voorkomen. Meer nog dan iedere dierlijke vijand kan de Honigdauw de
+aangetaste planten beschadigen. Er worden talrijke middelen tegen
+Honigdauw aanbevolen; het eenvoudigste en beste blijft toch zeker de
+bloem van zwavel. De aangetaste planten worden bij helder, zonnig weer
+goed bevochtigd en daarna flink bepoederd met bloem van zwavel. Het
+is niet de bloem van zwavel zelf, die den Honigdauw doodt, maar het
+is het zwavelzuur, dat daaruit door de inwerking van de zon en het
+water ontstaat.
+
+Een zeer kwaadaardige ziekte, die bij verschillende planten voorkomt
+is de Roest. De Roestalg kenmerkt zich door een zeer gecompliceerde
+ontwikkeling; zij heeft in de verschillende stadiën daarvan een zoo
+verschillend voorkomen, dat men vroeger de Roest op rozen bij voorbeeld
+in haar ontwikkeling voor verschillende algen heeft aangezien. Dikwijls
+kan men op een blad de ontwikkeling zeer goed waarnemen. De Roest
+treedt bij verscheidene planten op, o.a. bij Rozen, Camellia's, Palmen,
+Anjelieren, enz. Het eenige middel tegen dezen vijand is: de aangetaste
+bladeren zoo spoedig mogelijk af te snijden en te verbranden; de
+geheele plant moet dan verder met bloem van zwavel behandeld worden,
+op dezelfde wijze als wij tegen den Honigdauw opgaven.
+
+De Honigdauw en de Roest kunnen als de voornaamste vijanden der Rozen
+beschouwd worden. Deze lievelingsbloemen worden echter ook door tal
+van dierlijke vijanden bezocht. Onder deze vijanden, die ook wel in
+de kamer optreden, behooren ook de Rupsen. De vlinder dezer rups legt
+haar eieren tegen de rozetakjes en wel bij voorkeur tegen de droge of
+gestorven twijgjes; reden waarom men deze in den herfst moet afsnijden
+en verbranden. Uit deze eieren komen reeds vroegtijdig rupsjes, die
+groen of grijs gekleurd zijn. Deze rupsjes omspinnen de bladeren,
+zoodat deze zich oprollen; zij vreten dan de opgerolde bladeren
+en de jonge twijgjes op. Ook de bloemknop valt dikwijls als offer
+dezer rups. Waar deze rups verschijnt, moeten de planten dagelijks
+nagezien, de omgekrulde bladeren afgeplukt en verbrand en de overige
+rupsen verwijderd worden. Zeer schadelijk is ook de Ringrups, de
+rups van de Ringspin, die haar eieren ringvormig om de scheuten legt
+(Fig. 58). Deze rups is ook zeer schadelijk voor vruchtboomen. In
+Mei ontwikkelen zich uit de eieren kleine rupsen, die zich direct
+in de bladeren inspinnen. Deze rupsen zijn zóó vraatzuchtig, dat
+zij in enkele dagen een geheele bladkroon kunnen vernielen. Beter
+nog dan het zoeken naar de rupsen, is het op tijd verwijderen der
+eieren. Gevaarlijke vijanden der Rozen hebben wij ten slotte nog in de
+Rozebladwespen. Deze volvoeren haar werk geheel in het verborgene. Zij
+boren een gaatje in den onderkant der scheuten en leggen daar tusschen
+de veertig en vijftig eieren in. De aangestoken scheuten krommen zich
+om, in welk geval zij direct afgesneden en verbrand moeten worden. De
+larf van deze wesp tast het merg der rozetwijgen aan.
+
+
+
+
+Zieke kamerplanten.
+
+Welke bloemenliefhebber heeft niet eens met groote spijt een zijner
+planten ziek zien worden en ten laatste zien doodgaan? Evenals
+onder de menschen en dieren, heerschen er ook onder de planten
+verschillende ziekten, welke dikwijls in het begin slechts voor
+vakmannen waarneembaar zijn, door leeken meestal pas bemerkt worden,
+wanneer het voor genezing te laat is.
+
+De zoogenaamde één- en tweejarige planten, die regelmatig na de
+vruchtdraging afsterven, buiten rekening gelaten, sterven wel de meeste
+planten door ziekten en invloeden van buiten, zooals vorst, droogte,
+storm, enz. Sterven, zooals bij menschen en dieren, door ouderdom, komt
+waarschijnlijk bij planten niet voor. Het kan bijvoorbeeld gebeuren,
+dat een bliksemstraal, die een tak uit een eeuwenouden boom slaat,
+te gelijk de indirecte oorzaak van zijn dood is. Het hout begint aan
+de wonde te rotten, de stam wordt aangestoken en na verloop van eenige
+tientallen van jaren geheel uitgehold en ten slotte is er slechts een
+krachtige windstoot noodig om den trotschen reus, die zoovele eeuwen
+over zijn kruin zag gaan, tegen den grond te werpen.
+
+De planten, die in een kamer gekweekt worden, zijn voor dergelijke
+invloeden, waaraan de planten in de vrije natuur zijn blootgesteld,
+beschut; ook zijn zij verzekerd tegen de dikwijls noodlottige
+aanvallen van grootere dieren, maar toch worden zij door de meest
+verschillende ziekten overvallen. De kamerplanten kan men als
+gevangenen beschouwen; evenals de vogel in een kooi, zitten zij met
+haar wortels in den pot gevangen en deze belet maar al te dikwijls haar
+krachtigen groei. Evenals de wortel in den pot, is dus ook de plant
+in de kamer gevangen. Hoe dikwijls is het vertrek gevuld met droge,
+stoffige lucht; hoe vaak wordt het toetreden van behoorlijk licht niet
+verhinderd? Onze kamerplanten zijn echter niet alleen gevangenen,
+het zijn ook bannelingen uit de meest verschillende landen, en wij
+moeten ze niet alleen goed verzorgen, maar ook haar vaderlandsche
+toestanden trachten na te bootsen en haar zoo mogelijk datgene geven,
+wat zij in haar land van herkomst kunnen vinden.
+
+Heel veel liefhebbers, die met een plant van de markt komen of er
+een in de kweekerij gekocht hebben, vermoeden weinig, dat die plant
+reeds de kiem des doods bevat. Het zou onjuist zijn, te beweren,
+dat vele kweekers opzettelijk zieke planten verkoopen, maar er zijn
+er toch wel, die in warme kassen opgekweekte planten zoo aan de markt
+brengen, of die vergeten, wanneer een liefhebber een plant wil koopen,
+die als kamerplant ongeschikt is, hem daarop opmerkzaam te maken.
+
+Afgezien van die planten, welke des winters door kunstmatige warmte
+in bloei worden getrokken, maar die toch zoo hard zijn, dat zij
+onze winters zonder nadeeligen invloed buiten kunnen verdragen,
+hetzij gedekt of ongedekt, leveren ons de tropische streken de beste
+kamerplanten. Onder deze vindt men het meerendeel der bladplanten,
+zooals alle Palmen, die onze kamers versieren. Een handelskweeker moet
+deze planten in een warme kas, dikwijls ook in een verwarmden bodem
+kweeken, want het is er hem om te doen in den kortst mogelijken tijd
+fraaie exemplaren te verkrijgen. De zoo opgekweekte planten echter zijn
+verwend, en het is een liefhebber niet geraden ze zoo uit de warme
+kas in zijn woonvertrekken te plaatsen. Zeer raadzaam is het, zulke
+planten nog een dag of veertien bij den kweeker te laten, die ze dan
+langzaam aan een minder warme temperatuur kan doen gewennen. De planten
+worden zoodoende gehard en zullen veel gezonder in de kamer blijven.
+
+Het meeste nadeel ondervinden de bladplanten van de droge lucht,
+die in de kamers heerscht; hoe meer er gestookt wordt en hoe hooger
+de temperatuur stijgt, des te meer lijden de planten. Onder de
+inwerking der droge lucht verdorren de spitsen der Palm- en andere
+bladeren. Men snijdt deze dorre punten dan af, doch daarmede is het
+kwaad niet gestuit, want de bladranden drogen weer in en ten slotte
+blijft er van het geheele fraaie Palmblad weinig meer over dan de
+steel, die natuurlijk ook afgesneden moet worden. Een gevolg van de
+droge lucht is bij tropische planten ook het optreden der, in het
+vorige hoofdstuk besproken, insecten. Deze vestigen zich meestal op de
+onderzijde van het blad. In den beginne zijn zij voor het ongewapende
+oog bijna onzichtbaar, maar hoe zieker de aangetaste plant wordt,
+des te meer nemen zij in aantal toe.
+
+Evengoed als zich de dorre bladpunten laten afsnijden, kan men ook
+het ongedierte verwijderen; een geheele genezing der planten wordt
+daarmede echter niet bereikt; deze verkrijgt men slechts door de
+oorzaak der ziekte weg te nemen, en dus in dit geval door te trachten
+een eenigszins vochtige lucht in het vertrek, waar men zijn planten
+heeft, te verwekken. Zeer droog en derhalve ook zeer schadelijk voor
+de planten is de kamerlucht gedurende den winter, wanneer de kachels
+worden gestookt. Dit kwaad is tamelijk gemakkelijk te voorkomen, door
+een vlakke schaal, met water gevuld, op de kachel zetten; ook kan men
+een paar van zulke schalen tusschen de planten zetten. Het water zal
+langzaam verdampen en zoodoende de lucht vochtig maken. Een nog beter
+middel is, een zelfwerkend fonteintje in de kamer te plaatsen. Ik wil
+er hier tegelijkertijd de aandacht op vestigen, dat een eenigszins
+vochtige lucht niet alleen voor de planten, doch ook voor de menschen
+zeer nuttig en gezond is, daar zij veel zuiverder en stofvrijer blijft.
+
+Men moet vooral ook niet verzuimen de bladeren der bladplanten
+minstens een keer per week met een zachte spons en lauw water af te
+wasschen, daar zich op de groote bladvlakten licht stof en ander vuil
+afzet. De bladeren vervullen met hunne talrijke, voor het ongewapende
+oog onzichtbare openingetjes, dezelfde functie als de longen bij de
+menschen; reden waarom men dus moet zorgen, dat deze openingetjes
+niet verstopt geraken, afgezien nog van het feit, dat een stoffige
+en vuile plant nooit een aangenamen indruk kan maken.
+
+Zeer vele der teedere kamerplanten sterven, om het juist uit te
+drukken, aan gevatte koude. Men moet er vooral voor zorgen, dat de
+planten niet op de tocht staan, daar zij dit evenmin kunnen verdragen
+als de vogels. Zeer veel schade veroorzaken ook de schommelingen in
+de temperatuur; men moet er dus op letten, dat deze zoo gelijkmatig
+mogelijk is, wat niet wegneemt, dat de temperatuur des nachts altijd
+eenige graden lager moet wezen dan overdag, iets wat in de natuur
+ook altijd het geval is. Wanneer een kamer schoongemaakt moet worden,
+en daarom alle vensters worden geopend, zet men de planten tijdelijk
+in een ander verwarmd vertrek; men brengt ze vooral niet eerder op
+haar plaats, vóórdat het vertrek geheel gereed is en weder de gewone
+temperatuur heeft verkregen.
+
+Bij veel planten treedt dikwijls rotting van den stam in, hetgeen men
+bemerkt aan het rot worden van den bast en later van het hout. Deze
+ziekte ontstaat door te diep planten en zeer vaak ook bij houtachtige
+planten door het gieten met te koud water. Ook bij kruidachtige
+planten komt deze ziekte voor, meestal vergezeld met schimmel; dit
+is dan het gevolg, behalve van de genoemde oorzaken, van te koude,
+vochtige lucht. Planten, die aan stamrotting en schimmel lijden,
+moeten zoo spoedig mogelijk, uiterst voorzichtig, verplant worden,
+waarop men ze een zoo gunstig mogelijke standplaats moet geven.
+
+Zeer dikwijls lijden de warme planten aan wortelziekte, die op
+verschillende wijzen, doch zeer dikwijls des winters door begieting
+met te koud water ontstaat. Iedere kamerplant moet, zooals trouwens
+reeds in het hoofdstuk over het gieten is gezegd, begoten worden met
+water, dat minstens vier en twintig uur in het vertrek heeft gestaan,
+waarin de planten staan en dat daardoor de temperatuur van dit vertrek
+heeft verkregen. Zeer veel liefhebbers hebben de onvoorzichtigheid hun
+planten met ijskoud water te begieten; de slechte gevolgen blijven
+dan echter niet lang uit, daar de wortels ziek worden, afsterven
+en de dood der geheele plant daarvan het gewone gevolg is. Naast de
+ziekten, door het gieten met koud water ontstaan, treft men die aan,
+welke door het te overvloedig gieten worden veroorzaakt. Ook hierdoor
+ontstaat wortelziekte. Men moet bij alle plantencultuur den groeitijd
+van den rusttijd onderscheiden. Gedurende den groeitijd heeft een
+plant overvloedig water noodig, gedurende den rusttijd daarentegen
+moet men zeer spaarzaam met gieten zijn.
+
+Gedurende den rusttijd geeft men veel planten, in plaats van
+betrekkelijk weinig, maar al te vaak toch geregeld water. Deze
+waterhoeveelheid kunnen zij dan natuurlijk niet verwerken, en daar des
+winters de zon geen kracht genoeg heeft om de plant te doen opdrogen,
+en zij ook onmogelijk in de vrije lucht kunnen gezet worden, heeft dit
+ten gevolge, dat de aarde slikachtig en ten laatste zuur wordt. In
+zulk een zure aarde worden natuurlijk de wortels ziek en beginnen
+te rotten. Wordt de fout niet vroegtijdig opgemerkt en tegengegaan,
+dan zijn de planten reddeloos verloren.
+
+Wortelzieke potplanten moeten steeds zoo spoedig mogelijk verpot
+worden; men wascht de zure aarde zorgvuldig weg, en snijdt vervolgens
+alle zieke wortels met een scherp mesje zorgvuldig af. Er moet nu voor
+gezorgd worden, dat de zieke plant in den kleinst mogelijken pot wordt
+gezet. De pot moet rijkelijk gedraineerd worden, zoodat het water goed
+kan wegloopen en de te gebruiken aarde moet zeer licht zijn. Raadzaam
+is het de aarde, vóór het gebruik, goed met scherp zand en stukjes
+houtskool te vermengen. Op deze wijze behandeld, heeft men kans,
+dat een zieke plant weder nieuwe wortels krijgt en daardoor weder
+aanvangt te groeien. Men moet echter zeer voorzichtig zijn met gieten
+en er op letten, dat de plant, zoodra zij daaraan behoefte krijgt,
+weder in een grooteren pot wordt verplant.
+
+Gemakkelijker dan planten, die door te veel gieten wortelziek zijn
+geworden, laten zich die behandelen, welke door te weinig gieten ziek
+werden en dan een verwelkt aanzien hebben gekregen. Het gieten toch
+mag vooral niet te gemakkelijk worden opgevat; het is een handigheid,
+welke door practische ervaring is te leeren. Het grootste gedeelte
+der zoogenaamde ringwortels bevindt zich onder in den pot; wordt er nu
+niet genoeg gegoten, dan worden wel de bovenste aardlagen bevochtigd,
+doch de kluit blijft inwendig droog en na korten tijd zal die van
+binnen geheel uitgedroogd zijn, de wortels verdrogen en ten slotte
+gaat de plant ten gronde.
+
+De voor den kweeker en liefhebber onontbeerlijkste grondsoort is
+zeker wel de boschgrond. Zooals wij reeds in het hoofdstuk over het
+gieten opgemerkt hebben, bezit deze aarde de eigenschap, dat zij,
+eenmaal uitgedroogd, slechts zeer moeielijk weder water opneemt. Deze
+eigenschap bezitten ook alle aardmengsels in meerdere of mindere
+maten, die met boschgrond vermengd zijn. Is nu een plant, in een dier
+mengsels geplant, geheel uitgedroogd, dan loopt het water bij het
+gieten tusschen de kluit en den pot naar het drainagegaatje, zonder
+de kluit ook maar in het minst te bevochtigen. Deze bijzonderheid
+merkt de onkundige plantenkweeker niet op, en hij komt ook niet op de
+gedachte, dat zijn planten droog zijn, wijl hij toch geregeld goot en
+de aardoppervlakte zijner planten ook behoorlijk vochtig is. Om deze
+reden is het nuttig zieke planten even uit den pot te nemen, teneinde
+de aarde en wortels te onderzoeken. Zijn de wortels aangestoken of is
+de aarde zuur, dan wordt de plant, zooals wij reeds gezegd hebben,
+verplant. Is de aarde echter uitgedroogd, dan legt men de plant
+zoolang in een emmer met water, totdat de kluit geheel nat geworden
+is, iets wat somtijds heel lang kan duren.
+
+Gewoonlijk maakt een liefhebber weinig onderscheid tusschen de
+planten, die in warme en die in gematigde streken groeien; hij kweekt
+ze alle in de warme kamer en dat is toch zeer verkeerd. Een bekwaam
+en practisch kweeker kan aan een plant, die hij nog niet behandeld
+heeft en die hij zelf niet kent, veelal zien welke aarde en welke
+temperatuur zij verlangt, en mocht hij zich al eens vergissen, dan
+zal het niet lang duren, of hij zal zijn fout aan het voorkomen
+der plant kunnen bemerken. Een zoodanigen practischen blik bezit
+een leek meestal niet, en wil hij met het kweeken van planten in de
+kamer succes hebben, dan moet hij van tijd tot tijd beproeven zich
+daaromtrent op de hoogte te stellen. Niet weinig planten uit gematigde
+streken hebben een zoo vreemd voorkomen, dat zij de leeken licht
+doen denken, dat het tropische planten zijn en dus behoefte hebben
+aan een hooge temperatuur. Van de hiertoe behoorende planten wil ik
+er slechts een drietal noemen, namelijk de Aspidistra, de Aralia en
+de Ficus. De Aspidistra is de algemeen bekende, ijzersterke plant,
+waarvan de groote, groene of bonte bladeren direct uit de aarde
+ontspringen. Deze plant behoort in China en Japan thuis en verlangt
+des winters slechts een lage, mits vorstvrije temperatuur en toch
+wordt zij meestal in een warme kamer gekweekt. Wij hebben nu in de
+Aspidistra een dier weinige planten, die zelfs bij de slechtste en
+meest ondoordachte cultuur gezond blijft en waarschijnlijk ook daarom
+zoo algemeen verspreid is. De Aralia, die uit Japan afkomstig is en de
+Ficus, die uit Australië stamt, zijn daarentegen zeer gevoelig voor
+een verkeerde behandeling. Deze beide planten verlangen des zomers
+een zonnige standplaats in den tuin of vóór het geopende venster,
+terwijl men ze 's winters moet plaatsen in een kamer, waarvan de
+gemiddelde temperatuur niet meer dan 45° à 50° Fahr. bedraagt. De
+meeste plantenliefhebbers weten dit echter niet en zij meenen dezen
+planten al een zeer goeden dienst te bewijzen, wanneer zij ze een
+plaats in een warme kamer geven. De planten echter nemen dezen dienst
+al zeer ongunstig op en toonen dit duidelijk door haar bladeren eerst
+slap te laten hangen, waarna zij geel worden en eindelijk afvallen. De
+liefhebber echter verstaat deze plantenspraak niet; verdrietig snijdt
+hij de geel geworden bladeren af en wanneer dan ten laatste de plant
+kaler en kaler geworden is en zich eindelijk aan den kop een jong
+blaadje ontwikkelt, dan wordt dit teeken, al is het ook nog zoo zwak,
+als een bewijs van goede behandeling beschouwd, terwijl toch maar al
+te dikwijls juist het tegenovergestelde het geval is.
+
+Te groote warmte toch is voor alle planten, die zich gedurende den
+winter in haar rustperiode bevinden en die niet tot de tropische
+gewassen behooren, ten zeerste nadeelig. Vele onzer meest in trek
+zijnde decoratie- en bloemplanten overwinteren uitstekend in een
+vorstvrijen kelder of een ongestookt, doch vorstvrij vertrek. Brengt
+men nu deze planten in een warme kamer, dan wordt de zoo hoognoodige
+rustperiode verstoord; zij groeien dan door, en wijl het haar aan
+kracht en vooral aan lucht, licht en zon ontbreekt, kunnen de zich
+dan ontwikkelende scheuten niet anders dan zeer zwak zijn. Een
+onkundig liefhebber verheugt zich nu in dit bewijs van leven,
+en hij vermoedt weinig, dat deze scheuten zich ontwikkelen ten
+koste van de reservestoffen der plant, en dat zij deze daardoor
+zeer verzwakken. Dezelfde planten, die des winters in een warme
+kamer lijden, worden er ook des zomers ziek. Dit zijn alle planten,
+afkomstig uit de omstreken der Middellandsche zee, van de Kaap,
+van Nieuw Holland, van China en Japan, en van alle landstreken met
+een klimaat als het genoemde. Wij moeten dan ook wel verschil maken
+tusschen kamer- en vensterplanten. De eerstgenoemde hebben behoefte
+aan warmte en moeten het geheele jaar door in de kamer gekweekt
+worden; de laatste daarentegen moet men des zomers in den tuin of op
+de vensterbank buiten het raam kweeken, terwijl zij des winters in
+een koele kamer of in een kelder bewaard worden. De vensterbloemen
+hebben dus voor een goeden groei veel versche lucht noodig; in de
+kamer worden zij slap, laten zij de bladeren en bloemen hangen en
+spoedig verschijnen jonge scheuten, die dan echter dadelijk met
+bladluizen overdekt zijn. Deze laatste kunnen ons alle liefhebberij
+voor planten benemen; het zijn vieze diertjes, die de planten vaak
+geheel ten gronde richten. Het beste middel tegen ongedierte vindt
+men in een goed beredeneerde cultuur, waarvan het twee keer daags
+besproeien der planten, eens des morgens en eens des avonds, een
+onderdeel uitmaakt. Zijn de ongenoode gasten echter eenmaal verschenen,
+dan moet men die op de reeds aangegeven wijze weder trachten kwijt
+te raken en wel bij voorkeur zoo spoedig mogelijk.
+
+Vele lezers zullen zich moeilijk kunnen voorstellen, dat ook de
+zon, zonder welke geen plantenleven mogelijk is, de oorzaak van
+plantenziekten kan zijn, en toch is dit inderdaad zoo. Er zijn toch
+zeer vele schaduwminnende planten en verscheidene van deze zullen,
+wanneer men ze slechts korten tijd aan de zon blootstelt, spoedig
+geheel en al bederven. Onder deze planten behooren al de Selaginella's
+en fijnere Varens. Alle tropische blad- en bloemplanten verlangen
+des zomers een meer of minder beschaduwde standplaats; zij krijgen,
+in de zon geplaatst, brandvlekken, worden daardoor leelijk, ja,
+sterven er dikwijls geheel door. Behalve de z.g.n. vetplanten, waartoe
+b.v. de Cactussen behooren, zijn er niet veel planten, die des zomers
+ongeschermd achter een op het zuiden gelegen venster kunnen gekweekt
+worden. Door de sterke zonnestralen ontstaan namelijk bruine vlekken
+op de bladeren, die niet meer verdwijnen. Vooral is dit het geval,
+wanneer de planten, in de volle zon staande, bespoten worden. Vensters,
+die op het Zuiden gelegen zijn, moeten dan ook voorzien zijn van
+een inrichting, waarmede men de planten tegen de te scherpe zon kan
+beschermen, maar niettegenstaande zulk een inrichting, zullen zij
+toch nog zeer lijden, wanneer aan de vensterbank geen gelegenheid
+is gemaakt, in den vorm van een bak, waarin ook de potten tegen de
+zon beschermd staan. Wanneer die toch met volle kracht op de potten
+schijnt, worden ze zoo warm, dat al de zich aan de zonzijde bevindende
+wortels verbranden. Niet alleen hierdoor, doch ook nog door het veel
+te sterk uitdrogen, hebben de planten in dit geval veel te lijden.
+
+Een der grootste gevaren voor onze kamerplanten is zeker wel het
+gebrek aan voedingsstoffen. De langzaam groeiende planten moeten eens
+per jaar, bij voorkeur in het voorjaar, verplant worden; met de snel
+groeiende moet dit in den loop van den zomer meermalen geschieden. De
+meeste onzer plantenliefhebbers weten dit echter niet; zij laten hun
+planten jarenlang in denzelfden pot staan en zelfs bij de zorgvuldigste
+behandeling moet dan een plant ten laatste sterven. Door aanwending
+van mest kan het verplanten wel tijdelijk uitgesteld worden, in geen
+geval echter is dit dan, zooals velen denken, onnoodig geworden. Is de
+aarde slecht en zuur geworden of is de plant zóó beworteld, dat het
+vormen van nieuwe wortels onmogelijk is, dan moet zij noodzakelijk
+verplant worden. Mest, van welke hoedanigheid ook, zal in zulke
+gevallen meer kwaad dan goed doen.
+
+Ten laatste kunnen ook nog ziekten ontstaan door het bevriezen der
+planten. Zijn zij aan een lichte vorst blootgesteld geweest, dan moet
+men vóór alles het spoedig ontdooien voorkomen. Een zeer goed middel
+is, de planten dan zoo spoedig mogelijk met koud water te bespuiten
+en ze twee of drie dagen in een koele kamer te laten staan. Bevroren
+planten mogen in geen geval in een verwarmd vertrek of in de zon
+worden gezet.
+
+Zooals wij gezien hebben, komen de ziekten van kamerplanten uit zeer
+verschillende oorzaken voort en wij zijn niet in het bezit van pillen
+of drankjes, waarmede zij weder te genezen zijn. De verschillende
+oorzaken hebben wij zoo uitvoerig mogelijk beschreven, opdat de lezer
+zou begrijpen, dat hij zijn planten slechts door een zeer oplettende
+behandeling gezond kan houden, en dat zieke planten alleen met zeer
+veel moeite weer genezen kunnen worden.
+
+
+
+
+Het verwarmen der vertrekken.
+
+Een kweeker bewaart zijn planten in vier, door de temperatuur van
+elkander onderscheiden kassen, namelijk in warme, gematigde en koude
+kassen, benevens in een oranjerie. De gemiddelde wintertemperaturen
+bedragen voor de warme kas van 60°-65° Fahr., voor de gematigde kas
+van 50°-55° Fahr., voor de koude kas van 40°-45° Fahr. en voor de
+oranjerie van 35°-40° Fahr. De warme kas van een kweeker komt overeen
+met de woonkamer van een liefhebber, de gematigde kas met een suite
+of slaapkamer, waarin slechts weinig gestookt wordt, de koude kas
+met een vertrek, waarin slechts bij strengere vorst gestookt wordt
+en de oranjerie met den vorstvrijen kelder.
+
+Een liefhebber moet echter niet vergeten, dat hij met een hooge
+temperatuur nooit die resultaten zal bereiken als een kweeker en
+hij moet er ook voor zorgen, dat hij de tropische planten gedurende
+den winter altijd in een lagere temperatuur bewaart dan die, welke
+de kweeker ze in zijn kassen geeft. De vochtige wanden, de altijd
+vochtig gehouden paden der warme kassen, de meestal daarin gebruikte
+warmwatertoestellen, de steeds water uitwasemende planten zijn alle
+oorzaak, dat in de kassen de vochtigheidsgraad geëvenredigd blijft met
+den warmtegraad. Een groot voordeel leveren de warme kassen ook nog op,
+namelijk, dat de temperatuur, doordat er dag en nacht gestookt wordt,
+steeds vrij gelijkmatig blijft.
+
+Hoe slecht zijn, daarmede vergeleken, de toestanden in onze
+woonvertrekken! Hoe meer wij overdag stoken, des te droger wordt
+de lucht en des te ongunstiger wordt zij voor het leven der
+planten. Daarbij komt nog, dat in sterk verwarmde vertrekken het
+verschil tusschen dag- en nachttemperatuur meestal zeer groot is. De
+planten, die overdag in een warmtegraad van ruim 65° Fahr. staan,
+moeten na een kouden nacht zich des morgens dikwijls met 35°
+tevreden stellen. Des morgens begint men dan weder te stoken; de
+temperatuur rijst nu snel, om in den daarop volgenden nacht weder
+even snel te dalen. Om deze reden groeien tropische planten vaak
+beter in een vertrek, dat niet zoo warm gestookt wordt. Gedurende
+koude winternachten doet de buitentemperatuur zich nabij de vensters
+natuurlijk sterker gevoelen dan meer midden in de vertrekken; reden
+waarom het zeer geraden is de planten des avonds van het venster
+te verwijderen. Het beste doet men, de planten des avonds midden
+in het vertrek te zetten en zoo mogelijk op een verhevenheid, daar
+de temperatuur boven in het vertrek altijd warmer blijft dan nabij
+den vloer.
+
+Hij, die het verwarmen zijner vertrekken regelen kan naar de daarin
+staande planten, doet het best een reguleerkachel te gebruiken. Deze
+kachels geven geen rook en stof, branden zeer gelijkmatig, kunnen
+het vertrek op iedere verlangde temperatuur houden en branden, wat
+een zeer groot voordeel is, ook des nachts door. De droge lucht in
+het vertrek laat zich eenigszins temperen door achter op de kachel,
+waarvoor meestal een inrichting is, een ketel met water te zetten,
+dat dan langzaam verdampt.
+
+Het gebruik van z.g.n. calorifères is in kamers, waar men planten
+heeft, zeer te ontraden, wijl zij een zeer ongelijkmatige warmte geven,
+en veel schadelijke dampen verwekken.
+
+In de moderne groote huizen worden vaak alle vertrekken door een
+centraal toestel verwarmd, dat zóó is ingericht, dat men ieder vertrek
+de verlangde temperatuur kan geven. Gebruikt men voor deze verwarming
+heete lucht, dan zullen noch de menschen, noch de planten zich daar wel
+bij bevinden; wordt echter stoom of warm water gebruikt, dan worden
+de toestanden veel beter. De vrij omslachtige stoomverwarming wordt
+betrekkelijk weinig, de warmwaterverwarming daarentegen tamelijk veel
+aangetroffen. Ook bij deze verwarming moet men den vochtigheidsgraad
+in de vertrekken verhoogen, door, indien het eenigszins mogelijk is,
+schotels met water op de buizen te zetten. In koudere vertrekken,
+die slechts zeldzaam verwarmd worden, is het niet noodig de lucht
+vochtiger te maken.
+
+Ten slotte willen wij nog opmerken, dat ook in vertrekken, waarin niet
+gestookt kan worden, zeer harde planten goed kunnen overwinteren. Wordt
+het zóó koud, dat het in de vertrekken zou kunnen vriezen, dan kan men
+in zoo'n kamer een veelvoudig gebruikt wordend petroleumkooktoestel,
+of, zoo men daarover kan beschikken, nog beter een petroleumkacheltje
+zetten. Bij zeer strenge vorst is het geraden, het toestel of kacheltje
+ook des nachts, al is het niet hoog, te laten branden.
+
+
+
+
+Het luchten der vertrekken.
+
+Een plant heeft voor haar goede ontwikkeling lucht, licht,
+warmte, vochtigheid en voedsel noodig, en wel alles in de juiste
+verhouding. Wij hebben reeds gezien, hoe men zijn planten behoorlijk
+licht moet verschaffen, hoe men ze moet begieten en bemesten, ook op
+welke wijze men ze de noodige warmte moet geven; wij willen nu nog even
+nagaan, hoe men ze aan de noodige frissche lucht moet helpen. Iedere
+plant neemt uit de lucht bepaalde voedingsstoffen op, zij heeft voor
+haar onderhoud dus wel degelijk behoefte aan goede lucht.
+
+Des zomers, wanneer de hardere planten in den tuin staan en
+de zachtere door de desnoods dag en nacht geopende vensters de
+noodige frissche lucht toegevoerd krijgen, is het gebrek aan lucht
+niet zeer voelbaar. In oude, slecht gebouwde huizen, enge straten
+en ingebouwde tuinen zal men dan echter, zooals trouwens altijd,
+gebrek aan de noodige lucht hebben. In zulk een geval is daar echter
+niet veel aan te verhelpen. Maar gedurende den winter worden de
+vertrekken weinig of in het geheel niet gelucht, en mensch en dier
+hebben daaronder te lijden. De minste frissche lucht behoeven de
+tropische, in warme vertrekken gekweekte planten, zooals Palmen en
+andere bladplanten. Staan deze, zooals het behoort, dicht bij het
+venster, dan krijgen zij genoegzaam versche lucht, door de kieren
+daarvan. Worden de vertrekken door meerdere personen bewoond,
+dan moeten zij natuurlijk dagelijks zeer goed gelucht worden. Dit
+luchten nu moet zoodanig geschieden, dat de planten daar niet door
+lijden. Heeft men een suite, dan doet men het beste de vensters van
+dat vertrek, waar geen planten staan, te openen en de tusschendeuren
+geopend te houden. Heeft men geen suite, dan moet men de planten
+van de vensters verwijderen, deze openen en in de opening een hor,
+met dicht ijzergaas bespannen, zetten, ten einde op die wijze tocht
+te voorkomen. Wil men zulke horren niet gebruiken, dan worden de
+planten tijdelijk zoo ver mogelijk van de vensters verwijderd en
+met een lichten doek bedekt, zoodat de koude luchtstroom haar niet
+direct kan bereiken. Bij het luchten moet men steeds oppassen, dat er
+geen trekking ontstaat en dus nooit vensters of deuren over elkander
+openzetten; ook mag, bij koud weder, de temperatuur niet te veel dalen,
+wat men voorkomen kan door tijdens het luchten flink te stoken.
+
+Bij het luchten van vertrekken, waarin harde planten overwinterd
+worden, behoeft men niet zoo voorzichtig te zijn. Deze kamers,
+waarin slechts in hoog noodige gevallen gestookt wordt, kan men altijd
+luchten, zoolang de buitentemperatuur meer dan 35° Fahr. bedraagt. Bij
+een dergelijke temperatuur is het beter dezen planten zooveel mogelijk
+frissche lucht te geven. Des nachts moeten de vensters echter steeds
+gesloten worden, om te voorkomen, dat onverwacht intredende vorst de
+planten beschadigt.
+
+In het voorjaar moet zeer veel gelucht worden, niet alleen wijl
+dan door den invloed van de zon de temperatuur zeer stijgt, maar ook
+omdat men er voor moet zorgen, de planten, die 's zomers buiten moeten
+verblijven, behoorlijk aan de lucht te gewennen en te harden.
+
+In onvoldoende of in het geheel niet geluchte vertrekken ontwikkelen
+vele planten zich ontijdig; zij krijgen dan kleurlooze, zwakke scheuten
+en bladeren. Bij vele treedt in zulk geval stamrotting en schimmel
+op, terwijl zij spoedig door ongedierte zullen worden aangetast. Om
+deze ongemakken te voorkomen, moet men ook des winters iedere goede
+gelegenheid aangrijpen, ten einde aan de planten behoorlijk frissche
+lucht te verschaffen.
+
+
+
+
+Het overwinteren en aan den groei brengen van bollen en knollen.
+
+Onder de kamerplanten bevinden zich verscheidene bol- en knolgewassen,
+die door zeer schoone bloemen uitmunten. Deze ontwikkelen zich des
+zomers meestal tot flinke planten, die zeer rijk en prachtig kunnen
+bloeien. In het najaar beginnen ze langzaam te verdorren, zij worden
+kleiner en kleiner en sterven ten laatste geheel af. De onervaren
+liefhebber, die wellicht zulk een plant in haar volle ontwikkeling ten
+geschenke bekwam, ziet haar tot zijn spijt langzaam achteruitgaan,
+en kan maar niet begrijpen wat de oorzaak daarvan is; hij is in de
+behandeling der plant toch zoo voorzichtig mogelijk geweest. Ten
+slotte wordt dan de groote fout begaan, haar weg te werpen.
+
+Bol en knolgewassen, die een volmaakten rusttijd behoeven, toonen al
+de eigenschappen, die wij hier hebben opgesomd. De liefhebber, die dit
+weet, houdt bij de behandeling dier planten daarmede rekening. Met het
+begin van den herfst, wanneer de nachten koeler beginnen te worden,
+zullen de in vensterbank gekweekte bol- en knolgewassen langzamerhand
+hun schoonheid gaan verliezen. Men moet nu deze planten haar rusttijd
+laten intreden, door langzamerhand minder te gaan gieten. De potten
+worden dus zuiniger begoten dan des zomers en al naar de planten
+stengels en bladeren verliezen, geeft men minder water, totdat
+men ten slotte, wanneer zij geheel afgestorven zijn, met gieten
+ophoudt. Men neemt nu de planten uit de vensterbank en zet ze in
+een hoek van een koeler vertrek. Na eenigen tijd zal de aarde in de
+potten geheel uitdrogen, waarop de bollen of knollen er uit genomen
+worden. De droge aarde laat zich gemakkelijk uit de wortels schudden;
+deze worden dicht bij den knol afgesneden en zoo er zich nog stengels
+aan bevinden, worden deze diep ingesneden of geheel verwijderd. De
+aldus schoongemaakte bollen en knollen worden nu in een bakje met
+droog zand gelegd en zoo in een vorstvrije kamer bewaard. Op deze
+wijze behandelt men de knollen van Begonia's, Gloxinia's en de meeste
+Gesneriaceeën, alsook de bollen van Ismene (Pancratium), Sprekelia
+(Goudlelie) en verscheidene andere. De knollen van Dahlia's en
+Canna's, de bollen der Lilium's en verscheidene Amaryllissen laten
+zich bij voorkeur niet geheel droog overwinteren; zij krimpen dan
+geheel in, en worden ten slotte waardeloos. Deze planten behandelt
+men aanvankelijk juist zooals wij daareven vermeld hebben. Zijn zij
+uit de aarde genomen en schoongemaakt, dan doet men het beste ze
+gedurende haar rusttijd in een vorstvrijen kelder op slechts even
+vochtig zand te leggen en gedurende strenge vorst met een oud tapijt
+of leege zakken te bedekken. Dergelijke bollen en knollen, die niet
+geheel droog overwinteren willen, maken het den liefhebber zeker het
+lastigste; zij rotten gemakkelijk, waarom zij gedurende den winter
+voortdurend nagezien moeten worden. Het is dus zaak, ze dan eenige
+malen stuk voor stuk na te zien; vindt men aan den een of ander een
+rotachtige plek, dan wordt die met een scherp mesje weggesneden,
+en het snijvlak goed met houtskoolpoeder bestrooid.
+
+Bij vele rustende bolgewassen zal men kunnen waarnemen, dat de
+dikke wortels afsterven; dit is het geval bij de Lilium's (Lelies)
+en eenige Amaryllis-soorten. Deze bollen, waarvan men de Lilium's zoo
+koel mogelijk en de Amaryllissen iets warmer moet laten overwinteren,
+laat men in de potten staan, of wel, men neemt ze er uit, om ze
+met de wortels in droog zand te graven. Een andere wijze om bol-
+en knolgewassen te laten overwinteren is, ze na het afsterven en
+opdrogen in de potten te laten staan en ze pas in het voorjaar uit
+te schudden en schoon te maken. Dit heeft het voordeel, dat men den
+wortels meer tijd geeft tot rustig afsterven; het heeft echter dit
+tegen, dat men niet kan nagaan of er ook rotplekken zijn ontstaan,
+zoodat men dikwijls in het voorjaar tot de onaangename ontdekking komt,
+dat de knol geheel is verrot. Past men deze wijze van overwinteren toe,
+dan is het voldoende die bol- en knolgewassen, welke niet geheel willen
+opdrogen, eenige malen per winter met een broesgietertje te besproeien.
+
+Hebben de rustende bollen en knollen met succes overwinterd, dan komt
+de groote vraag, om deze schijnbaar doode voorwerpen weder tot het
+leven terug te roepen. Zij moeten dus ter rechtertijd weder opgeplant
+en aan den groei gebracht worden. Al naar den tijd, waarop men de
+planten in bloei wil hebben, begint men vroeger of later met het
+opplanten. Als vroegste datum geldt wel de maand Januari, als beste
+zeker de maand Maart. Iedere bol of knol wordt nu afzonderlijk in
+een kleinen pot geplant, waartoe men bij voorkeur zeer zandige aarde
+gebruikt. Al naar de soorten meer of minder warmte noodig hebben,
+zet men ze dan op de vensterbank, in een warmere of koudere kamer.
+
+Bij het behandelen van bol- en knolgewassen moet men er in de eerste
+plaats om denken, dat zij, in tegenstelling met alle andere planten,
+niet direct na het opplanten aangegoten mogen worden. Men moet hier
+enkele dagen mede wachten, totdat de aarde, waarin men ze geplant
+heeft, behoorlijk is opgedroogd. Het begieten moet ook gedurende den
+eersten tijd zeer voorzichtig geschieden, daar men moet toezien,
+dat de knollen niet direct met het water in aanraking komen. Men
+giet dus langs den rand van den pot en met het oog hierop zal men
+wel doen zóó te planten, dat de aarde naar het midden toe een weinig
+oploopt. Wanneer de bollen en knollen eenmaal flink aan het groeien
+zijn, en men veronderstellen kan, dat de wortels goed in de aarde
+zijn doorgedrongen, dan kan men meer en ook geregelder gieten.
+
+Doordat vele liefhebbers met den rusttijd dezer gewassen onbekend
+zijn en zoodoende vele bol- en knolgewassen òf in het najaar worden
+weggeworpen, òf in het voorjaar verkeerd behandeld, worden zeer
+veel fraaie planten geheel ten gronde gericht. Veel schade wordt ook
+aangericht door het ongeduld van vele liefhebbers. Een bol of knol,
+dien men vandaag geplant heeft, begint niet direct morgen te groeien;
+vele liggen verscheidene weken, sommige wel twee maanden, voordat
+er werking in komt. Men moet daarom geduld hebben, en mag hoogstens
+door een laagje aarde te verwijderen en voorzichtig met den vinger
+te voelen, zich overtuigen of de bol of knol niet tot rotting is
+overgegaan. Dit rotten heeft meestal plaats, wanneer men de knollen
+of bollen te veel begiet, te diep in de aarde geplant heeft en ook,
+wanneer een ongeduldige ze telkens weder uit de aarde neemt om te
+zien of ze nog geen wortels maken of uitgroeien. Wil men ook in dit
+opzicht zijn pogingen met succes bekroond zien, dan moet men in de
+eerste plaats geduld oefenen.
+
+
+
+
+De kamerplanten gedurende den zomer.
+
+
+A. In den Tuin.
+
+Wanneer het ongestadige voorjaarsweer voorbij is en voor een meer
+geregelde zomerwarmte heeft plaats gemaakt, waardoor de tuin zich
+weder in zijn fraaiste blader- en bloemenkleed heeft gestoken, dan is
+het niet geraden alle kamerplanten, die men des winters binnenhield,
+nog steeds binnen te doen blijven. De meeste kamerplanten houden er
+van des zomers in de frissche, vrije lucht te staan en versche lucht
+kan men den planten, zelfs met de beste ventilatie-inrichting, in de
+kamers slechts weinig geven. Betrekkelijk weinige, zeer gevoelige
+planten moeten ook des zomers in gesloten kamers gekweekt worden;
+verreweg het meerendeel doet men beter andere plaatsen te geven. De
+beste plaats voor alle, niet te teere, gewassen is zeker wel in den
+tuin. Een liefhebber zal zeker aanmoedigende resultaten verkrijgen,
+wanneer hij een zonnig en beschut stukje grond bij zijn huis heeft,
+dat hij des zomers niet alleen met eigenlijke tuinplanten, maar ook
+met zijn kamerplanten kan versieren. De veelvuldige vormen, die de
+uit zeer verschillende streken stammende kamerplanten bezitten, kunnen
+aan een tuintje een zeer eigenaardig en aantrekkelijk voorkomen geven.
+
+Al naar den aard van de buiten te brengen potplanten moet de
+plaats bepaald worden, waar men ze zetten zal. Terwijl bijna alle
+Cactussen en Vetplanten bij voorkeur in de volle zon staan, moeten
+de meeste bloemplanten een eenigszins meer beschaduwde standplaats
+bekomen. Palmen, en andere tropische bladplanten, verkiezen bij
+voorkeur een plaats in halfschaduw, terwijl Varens op een zeer
+schaduwrijke plek moeten gezet worden. Wat de hardere decoratie-planten
+betreft, zooals: Laurus (Laurier), Citrus (Oranjeboom), Laurus-Tinus,
+Rhododendron (Alpenroos), Evonymus en vele andere, deze zijn wat de
+plaats betreft niet zoo heel erg kieskeurig. Zij groeien in de volle
+zon even goed als in een niet te dichte schaduw. In ieder geval moet
+er echter op gelet worden, dat men de planten zóó plaatst, dat zij
+beveiligd zijn tegen tocht of harden wind. Tocht is zeer schadelijk
+voor alle planten en harde wind kan groote schade aanrichten, door
+het uit den pot rukken der planten, het breken van takken en het
+scheuren der grootere bladeren.
+
+Indien men de planten boven op den grond plaatste, dan zouden zij
+bij warm zomerweer zeer snel en bijna geheel uitdrogen, wat voor
+de ontwikkeling zeer schadelijk is. Een tweede bezwaar zou zijn,
+dat de grootere planten bij den minsten wind zouden omwaaien. Beide
+bezwaren kan men gemakkelijk voorkomen, door de potten in te graven. De
+plaats, waar men zijn planten wil ingraven, moet eerst omgespit en
+gelijk geharkt worden. Het zou nu zeker het gemakkelijkst zijn met
+een kleine spade de gaten te maken, waar men zijn planten in wil
+zetten. Toch doet men beter dit met een ander werktuig en wel met
+een puntigen dikken paal te doen. Eerst rangschikt men de planten op
+de bepaalde plaats, waarbij men er op moet letten, dat iedere plant
+de noodige ruimte heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen, waarom
+zij dus niet te dicht op elkander mogen staan. In de tweede plaats
+moet men zorgen, dat al de planten te zamen een goede groep vormen,
+die een aangenamen indruk maakt. Heeft men de planten gerangschikt,
+dan neemt men ze een voor een van haar plaats en maakt op de plek,
+waar zij stonden, een diep gat. Men doet dit door den paal midden op
+de plek, waar de pot stond, flink diep in den grond te drukken en
+hem dan, al naar de grootte van den pot, in meer of minder schuine
+houding eenige malen rond te draaien. Heeft men op deze wijze het
+gat zóó wijd gemaakt, dat de pot er gemakkelijk in kan, dan wordt de
+plant er in gezet en de aarde rondom den pot aangedrukt. Deze wijze
+van ingraven heeft zeer veel voordeelen. Onder den pot toch blijft een
+vrij diep spits toeloopend gat, dat goede diensten zal bewijzen om het
+overvloedige water, dat, hetzij door het gieten, hetzij door zwaren
+regen, op den pot komt, gemakkelijk door het drainagegaatje te doen
+wegloopen. Een tweede voordeel is, dat door het geheel vrij liggen
+van het drainagegaatje, regenwormen en ander ongedierte verhinderd
+worden, daardoor in den pot te dringen. Bij het ingraven moet men er
+ook op letten, dat niet de rand van den pot gelijk met de aarde komt te
+staan; deze moet er minstens één of twee centimeter uit steken, daar
+anders bij zware regens de tuinaarde op de potaarde wordt gespoeld,
+wat minder wenschelijk is. Grootere planten, die in kuipen staan,
+graaft men niet in, daar dan de kuipen gemakkelijk rotten. Men zet
+de kuip echter op drie baksteenen, er op lettende, dat zij in alle
+richtingen waterpas staat, en slaat dan door de ooren een paar stevige
+stokken, ten einde het omwaaien te voorkomen.
+
+Wanneer dit eenigszins mogelijk is, moet men er voor zorgen, dat de
+kamerplanten, vóórdat zij buiten gezet worden, tijdig verplant zijn,
+zoodat zij eenigen tijd rustig kunnen blijven staan op de plaats,
+waar men ze ingegraven heeft.
+
+Niet weinig kamerplanten hebben gedurende den winter in de
+woonvertrekken armoede geleden; zij zien er dan in het voorjaar
+ziekelijk uit en gaan zeker dood, wanneer geen bijzondere maatregelen
+genomen worden. Gewoonlijk behooren deze patiënten tot de hardere
+planten, en deze knapt men het beste op, door ze uit den pot te nemen,
+de kluit wat los te maken, de zieke wortels weg te snijden en ze dan
+vrij in den tuin uit te planten. Wanneer dit uitplanten moet dienen
+om zieke planten weder gezond te doen worden, dan moet men ze niet
+alleen op een gunstige plaats zetten, doch ook in een goed bereiden
+grond planten. Het beste doet men door op de bepaalde plaats de
+aarde een goeden steek diep uit te graven en die te vervangen door
+goede compostaarde. Is dit niet mogelijk, dan spit men den grond om,
+na er een flinke hoeveelheid zand en ouden koemest op gebracht te
+hebben. Het gebruik van verschen mest is voor dit doel niet raadzaam;
+het geschiktst is koemest, die een jaar oud is. Kan men niet over
+ouden koemest beschikken, dan spit men de aarde alleen met zand om en
+zoodra de uitgeplante gewassen krachtig beginnen door te groeien, giet
+men enkele malen met verdunden koemest. De zoogenaamde harde planten,
+die het uitplanten verdragen, ontwikkelen zich daarna prachtig. Het
+beste voorbeeld daarvan levert de Musa Ensete (Abessinische Banaan),
+die dikwijls in het voorjaar, zelfs bij de kweekers, geen enkel
+blad meer bezit en uitgeplant, in den herfst somtijds vijftien
+tot twintig reusachtige bladeren gemaakt heeft, die niet zelden
+een lengte bereiken van 2 of 3 meter. Afgezien van de Palmen, die
+nooit in den tuin uitgeplant mogen worden, is het uitplanten van de
+meeste kamerplanten, mits geen absoluut warme planten, zeer aan te
+bevelen. Willen wij bij het uitplanten van die gewassen, welke des
+winters in de warme kamer moeten staan, een zeer goed succes hebben,
+dan moet men ze een z.g.n. warmen voet geven. Hiertoe wordt een gat
+gegraven van ongeveer een Meter diep; hierin brengt men, op dezelfde
+wijze als een kweeker dat in zijn warmen bak doet, een laag van 80
+cM. verschen paardenmest, die er in lagen wordt ingebracht d.w.z. de
+mest wordt er bij gedeelten in geworpen, goed gelijk gemaakt en
+stevig vastgetrapt. Op deze laag mest brengt men de aarde, die zóó
+hoog opgewerkt wordt, dat er een flink verhoogd, doch van boven vlak
+vak ontstaat. De aardlaag op den mest moet, al naar de grootte der
+planten, 30-60 cM. dik zijn en moet minstens 20 cM. boven den beganen
+grond uitsteken. Deze verhooging is zeer noodig. Te gelijk met het
+verteren, zakt toch de paardenmest en natuurlijk dus ook de aardlaag
+met de planten. Heeft men nu de opgebrachte aarde niet behoorlijk
+boven den beganen grond doen uitsteken, dan zal in het najaar de
+plant in een kuil komen te staan, die uit den aard der zaak koud en
+vochtig is. Wanneer men het niet te veel moeite acht, dan kan men
+op dezelfde wijze ook aan die planten, die niet uitgeplant worden,
+een warmen voet geven, door op de mestlaag een zoo dikke laag aarde
+te brengen als de potten hoog zijn en deze daarin te graven. Ook in
+dit geval moet men zorgen, dat de potten minstens 20 cM. boven den
+beganen grond staan. Een warme voet bevordert sterk de wortelvorming,
+en heeft daarom zulk een gunstigen invloed op den groei. De in den tuin
+uitgeplante of ingegraven gewassen veroorzaken den liefhebber niet zeer
+veel moeite. Een hoofdzaak is, dat men de planten 's morgens vroeg,
+wanneer de zon nog niet brandt, en des avonds direct na het gieten,
+met de handspuit goed besproeit, of wel men giet de bladeren en twijgen
+met een broesgietertje goed nat. Het gieten doet men steeds des avonds
+en mocht dit wegens de groote zomer warmte, gepaard met droogte,
+niet voldoende zijn, dan giet men 's morgens vroeg nog eens over.
+
+Wat nu het verplanten en bemesten betreft, gelden voor de buiten
+ingegraven planten dezelfde regels, die wij reeds vermeld hebben. Wat
+de uitgeplante kamerplanten betreft, moeten wij er op letten, dat deze
+tijdig weder in de potten worden gezet. De lastigste onder haar, die
+moeilijk aan den groei gaan, moeten in de laatste helft van Augustus,
+de andere in de eerste helft van September opgenomen worden. Wanneer
+men al de voordeelen, die met het uitplanten bereikt zijn, niet
+weder met het in de potten zetten wil verliezen, dan moet dit zeer
+voorzichtig geschieden. Men doet dit op een donkeren, regenachtigen
+dag, neemt de planten voorzichtig op, zoodat zij zoo weinig mogelijk
+wortels verliezen en zet ze in goed passende potten. Zijn de planten
+voorzichtig opgepot, dan worden zij op een beschutte, schaduwrijke
+plek gezet en goed aangegoten. Op deze plek laat men ze nog een dag
+of veertien staan, er voor zorgende, dat bladeren en takken, zoowel
+als de kluit, goed vochtig blijven. Gedurende deze veertien dagen
+en ook gedurende de eerste dagen, nadat zij weer in de kamer staan,
+zorgt men er voor, dat de planten niet door de zon beschenen worden,
+ten einde het afvallen van bladeren te voorkomen.
+
+
+
+
+B. De kamerplanten op het balkon en in de vensterbank.
+
+Er zijn helaas slechts weinig liefhebbers, die over een tuin kunnen
+beschikken, om er des zomers hun planten in te kweeken. In de grootere
+steden heeft men slechts te beschikken over kamers, vensterbanken en
+in het gunstigste geval over een balkon, en met deze hulpmiddelen
+moet men dan zijn planten kweeken. Die liefhebbers, die maar een
+beperkte ruimte hebben, kweeken in den regel slechts planten, van
+kleine afmetingen. Wanneer tegen het einde van Mei meer bestendig weer
+gaat heerschen, moet men ook de planten buiten brengen, die dan op het
+balkon of op de buitenvensterbank worden gezet. Een fraaie versiering
+der balkons en vensterbanken zal den waren liefhebber, die over geen
+tuin kan beschikken, altijd zeer veel genot verschaffen. Wel is waar
+staan nu de bloemen boven de straten en zijn zij daardoor voortdurend
+aan den wind blootgesteld, terwijl het van de straten opwaaiende stof
+ze bevuilt, waardoor zij lang niet zoo gunstig staan als in den tuin,
+maar bij een oplettende behandeling kan men toch met het balkon en
+de vensterbank zeer aardige resultaten verkrijgen. Afgezien van de
+bakjes, waarop wij later terugkomen, is het balkon het best geschikt
+om de grootere potgewassen te herbergen, aangenomen natuurlijk, dat de
+ligging eenigszins gunstig is en dat het nu en dan wat zon heeft. Voor
+het plaatsen der planten in de vensterbank heeft de liefhebber meestal
+een betere keus, daar veelal de vensters in verschillende hemelstreken
+liggen. Voor planten, die veel zon verlangen, gebruikt men de vensters
+op het zuiden; voor de andere planten kan men de verschillende vensters
+gebruiken, doch bij voorkeur die, welke morgenzon hebben. De vrij in
+het venster staande planten hebben echter, vooral bij groote hitte
+midden in den zomer, veel te lijden van de zon, wanneer daartegen
+geen maatregelen genomen worden. Zeer goede beschermers tegen de zon
+zijn buitenjaloezieën, die men met een paar ijzeren haken zóó geleidt,
+dat zij over de planten neergelaten kunnen worden, zonder die aan te
+raken. Door meer of minder opentrekken der jaloezieën, kan men den
+planten juist zooveel zon geven, als wordt noodig geacht.
+
+De plantenrekjes, die meestal in de vensterbanken worden aangebracht,
+zien er wel heel aardig uit, maar zijn voor het doel, waarvoor zij
+moeten dienen, meestal geheel ongeschikt. Deze bloemenrekjes bestaan
+gewoonlijk uit een paar plankjes om er de potten op te zetten en
+een hekje, dat moet dienen, om het naar beneden vallen der potten te
+voorkomen. Dat hekwerk nu is zoo onpractisch mogelijk. Wel wordt het
+naar beneden vallen der potten er door verhinderd, doch het beschermt
+deze geenszins tegen de zon. In den zomer brandt de middagzon met volle
+kracht op de steenen potten, waardoor deze overmatig verhit worden. Het
+gevolg daarvan is niet alleen, dat de aarde snel en volkomen uitdroogt,
+maar ook, dat de tegen den potwand liggende wortels verbranden en
+natuurlijk dood gaan. Hier heeft men met gevallen te doen, waarover
+wij vroeger reeds spraken. De kluiten worden toch geheel droog en
+nemen ten laatste geen water meer op. Als gevolg hiervan, en van
+het verbranden der wortels, gaan de planten merkbaar achteruit en
+tevergeefs gist de liefhebber naar de oorzaak van den slechten groei
+zijner lievelingen. Fig. 63 toont ons een zoodanig bloemenrekje en
+tegelijkertijd, hoe slecht de planten er daarin kunnen uitzien. Een
+goed bruikbaar plantenrekje moet geheel van hout zijn en het voorkomen
+van een bakje hebben, waardoor de potten doelmatig tegen het inwerken
+der zon beschut worden. Toch kan zoo'n gesloten plantenrekje er zeer
+elegant uitzien, wanneer men het uit besneden hout laat vervaardigen,
+of wel het met kurkschors of andere ornamenten laat bekleeden. Maar
+zelfs het eenvoudigste groen geverfde bloemenrekje voldoet uitstekend,
+wanneer men slechts zorgt, dat het gesloten is. Ook kan zulk een
+eenvoudig rekje er zeer mooi uitzien, wanneer men de planten zóó
+schikt, dat de buitenwand geheel met hangplanten wordt bedekt. Voordat
+de planten in het rekje gezet worden, vult men het voor twee derden met
+zaagsel of nog beter met fijnen turfmolm; hierin worden de planten tot
+op 2 à 3 cM. onder den rand ingegraven. De pot kan, daar hij poreus
+is, een goede hoeveelheid water opnemen; en staat hij nu ingegraven,
+dan blijft hij steeds vochtig, wat den tegen den binnenwand groeiende
+wortels ten goede komt. De op deze wijze ingegraven potten zijn geheel
+tegen den schadelijken invloed der zon beschermd. Een groot voordeel
+heeft het ingraven in turfstrooisel ook nog. Dit neemt veel water
+op en door de verdamping hiervan wordt de lucht rondom de planten
+altijd eenigszins vochtig gehouden, terwijl men ook niet behoeft te
+vreezen, dat het gietwater, wanneer het bakje niet waterdicht is of
+geen afvoerbuisje heeft, den vloer zal beschadigen. Dit water wordt
+toch door het turfstrooisel openomen (Fig. 64).
+
+In veel gevallen moeten echter de planten voor het venster gezet
+worden, zonder dat men een plantenrekje kan aanbrengen, zij worden
+dan door een ijzeren stang voor afvallen behoed. Dan beschut men
+den pot tegen de te felle zonnestralen, door hem in een grooteren te
+zetten, en de tusschenruimte met mos of turfstrooisel op te vullen
+(Fig. 65). Dit mos kan men gemakkelijk voldoende vochtig houden.
+
+De planten, die op het balkon of voor het venster staan, veroorzaken
+heel wat meer moeite dan die, welke in den tuin staan. Vooreerst moeten
+wij er op rekenen, dat de planten, die in de kamer gestaan hebben,
+verwend zijn en gewoonlijk is het de zon, die in den beginne het meeste
+kwaad doet. De bladeren krijgen, wanneer men ze ondoordacht buiten zet,
+brandvlekken; en zelfs vetplanten, die van veel zon houden, kunnen in
+den beginne daarvan lijden. Het is niet alleen raadzaam de planten,
+die men buiten wil zetten, eerst langzamerhand door meer luchten te
+harden, maar men moet ze ook, wanneer men ze buiten heeft gebracht,
+in den beginne tegen de zon beschermen. Langzamerhand schermt men
+wat minder, totdat de planten ten laatste aan de zon gewend zijn. Dit
+geldt niet alleen voor planten, die op het balkon of in de vensterbank
+worden gekweekt, doch ook voor die, welke men des zomers in den tuin
+zet. Het bespuiten moet zoowel des avonds als des morgens geschieden,
+en vooral op het gieten moet goed acht gegeven worden. Bij het
+rangschikken der planten moet men er niet alleen op letten of zij,
+van uit de straat gezien, een mooi effect maken, doch men zie toe of
+zij wel goed ruim en luchtig staan, zoodat zij zich naar alle zijden
+goed kunnen ontwikkelen.
+
+
+
+
+Plantenbakjes en hun Beplanting.
+
+De balkons en waranda's zijn in de steden slechts zelden zóó ingericht,
+dat men ze met overblijvende klimplanten kan laten begroeien. Deze
+moeten dicht tegen het huis in den vollen grond geplant worden, en
+kunnen dan in betrekkelijk korten tijd een groot gedeelte van het huis
+zeer fraai bekleeden. Een liefhebber zou nu wel deze klimplanten in
+potten kunnen kweeken, doch dat gaat niet heel best. De potten moeten,
+zooals wij reeds gezien hebben, tegen de zonnestralen beschermd worden,
+iets, dat in de vensterbank tamelijk gemakkelijk gaat, doch dat op
+het balkon meestal tamelijk lastig te bewerkstelligen is. Daarbij
+komt nog, dat dergelijke planten zich in potten lang niet zoo goed
+ontwikkelen als die, welke voldoende ruimte hebben om haar wortels
+naar alle zijden uit te spreiden. Voor dergelijke doeleinden worden
+dan de plantenbakjes gebruikt.
+
+Deze bakjes worden vervaardigd uit grenen- of eikenhout en uitwendig
+geolied. Het hout is een slechte warmtegeleider; het wordt in de zon
+lang niet zoo warm als metaal of steen, en de wortels van in dergelijke
+bakjes geplante gewassen loopen dan ook geen gevaar te verbranden. De
+lengte der bakjes moet natuurlijk overeenkomen met die van het balkon;
+zij moeten minstens 30 cM. diep zijn en in geen geval smaller wezen
+dan 20 cM. Natuurlijk moeten zij stevig in elkander getimmerd worden,
+daar zij anders door den invloed van vochtigheid en warmte licht uit
+elkaar zouden trekken; ook moet men er voor zorgen, dat zich in den
+bodem voldoende drainagegaten bevinden. Deze drainagegaten kunnen er
+met een groote boor in geboord worden.
+
+Heeft men de bakjes enkele malen goed met olie laten verven en zijn
+zij goed droog, dan kan men ze gaan gebruiken. Het beplanten doet men
+het beste ter plaatse, waar men ze wil gebruiken, dus op het balkon of
+in de veranda. Daar de voor de beplanting gebruikte gewassen meestal
+in kweekerijen gekocht worden, en daar vaak onder glas zijn gekweekt,
+waardoor zij niet tegen koude bestand zijn, doet men wijs het beplanten
+niet te vroeg te verrichten. Het best is daartoe de laatste helft van
+Mei geschikt. Willen wij nu de bakjes beplanten, dan moeten wij in de
+eerste plaats daartoe goede aarde hebben en in de tweede plaats goede
+planten. Een zeer goede aarde voor dergelijke bakjes bestaat uit 3
+deelen broeiaarde, 1 deel graszodengrond en 1/2 deel scherpzand. Aan
+deze aarde voegt men voor een bakje van middelbare grootte een kleine
+handvol hoornspaanders toe, een voor zulke inrichtingen uitnemende
+meststof, daar zij slechts langzaam verteert en dus den geheelen zomer
+door werkt. Ligt het balkon zoodanig op de zon, dat er kans bestaat
+voor spoedig en geheel uitdrogen der aarde, dan is het voorzichtig bij
+het opgegeven aardmengsel nog 1/3 deel turfstrooisel te voegen. De
+ondervinding heeft mij geleerd, dat turfstrooisel en ook turfmolm
+uitstekende hulpmiddelen bij de plantencultuur zijn. Turf bestaat uit
+plantaardige stoffen, en heeft de eigenschap om, zonder te rotten of
+zuur te worden, het overvloedige water uit de aarde op te nemen en
+vast te houden. Door deze eigenschap is ze dus zeer goed geschikt om
+planten, die niet al te onhandig gegoten worden, voor sterk uitdrogen
+te behoeden. Wanneer men goed oplet, dan zal men bemerken, dat de
+wortels van talrijke planten dikwijls in de stukjes turf doordringen
+en zich daar rijkelijk in vertakken.
+
+Heeft men de aarde voor het bakje klaargemaakt en vooral goed gemengd,
+dan wordt de drainage er in gebracht. Op ieder drainagegaatje wordt
+een potscherf gelegd en de bodem verder met scherven bedekt. Hierna
+wordt het bakje met aarde gevuld en deze gelijk gemaakt. Wil men het
+doorlekken van het gietwater geheel of zoo goed als geheel voorkomen,
+dan wordt op de scherflaag nog een laag grove turfstrooisel gelegd
+van een paar vingers dikte. Indien men niet al te onbedachtzaam giet,
+dan is deze laag voldoende om het overvloedige water op te zuigen,
+dat zij dan langzamerhand eerst aan de aarde en later weder aan
+de wortels teruggeeft. Wanneer men het bakje goed, dat wil zeggen,
+tot een paar vingers beneden den rand, met aarde gevuld heeft, dan
+kan met het beplanten aangevangen worden. In de eerste plaats moet
+men daarbij in het oog houden, dat men wijd moet planten; er moeten
+dus slechts weinig planten in ieder bakje gezet worden, opdat zij
+voldoende ruimte hebben om zich goed te ontwikkelen. In den regel
+toch wordt veel te dicht geplant; de bakjes zien er dan wel is waar
+direct mooi gevuld uit, doch de planten hebben geen ruimte om goed
+door te groeien en kunnen dus haar natuurlijke schoonheid niet ten
+toon spreiden. Gebruikt men voor het beplanten potplantjes, dan neemt
+men ze uit den pot, maakt de wortels met een houtje een weinig los,
+zooals dit ook bij het verplanten geschiedt, snijdt deze wat in en
+plant ze hierna zóó in het bakje, dat zij even diep, of hoogstens een
+weinig dieper komen te staan, dan zij in haar pot stonden. Beplant men
+de bakjes met éénjarige zomerbloemen, die men in de kamer in schotels
+of kistjes uit zaad heeft gekweekt, of die in een kweekerij in een half
+warmen bak zijn ontwikkeld, dan moet men den hoofdwortel een weinig
+inkorten, ten einde de plantjes te nopen rijkelijk haarworteltjes te
+maken. Het planten van deze zaailingen geschiedt met behulp van een
+stevig, aan de punt een weinig toegespitst verplantstokje. Met dit
+stokje steekt men daar, waar de zaailing moet komen te staan, een
+voldoend diep en wijd gaatje in de aarde. Het plantje wordt nu met
+de linkerhand zóó daarin gehouden, dat het worteltje loodrecht naar
+beneden hangt, en de beide onderste blaadjes op de aarde rusten. Met
+het stokje wordt dan het gaatje toegedrukt, zoodat de aarde goed om
+het worteltje sluit en het plantje stevig vaststaat.
+
+Bij het beplanten der bakjes moet men met het kiezen der planten
+natuurlijk rekening houden met het doel, dat men er mede wil
+bereiken. Wil men een balkon laten begroeien, zoodat het hekwerk
+daarvan geheel met bladeren bedekt wordt, dan is het verkieselijkste
+klimplanten te gebruiken. In dit geval moet men, wanneer aan het
+balkon of de warande geen bijzondere inrichtingen daartoe zijn, een
+hekje van hout of ijzer aan ieder bakje laten bevestigen, opdat de
+jonge plantjes daar in den beginne tegenop kunnen klimmen. Wil men
+het geheele balkon in een priëel veranderen, dan moet men niet te
+wijd uit elkander ijzerdraden spannen van een bepaalde hoogte van het
+huis naar de balustrade der veranda. Hoe rechter deze draden loopen,
+des te sneller zal men het gewenschte doel bereiken.
+
+Wanneer men klimplanten wil gebruiken, die weinig moeite veroorzaken
+en een ongunstige ligging van het balkon, hetzij door gebrek aan zon,
+hetzij doordat het veel aan den wind is blootgesteld, voor lief nemen,
+dan neemt men Vitis quinquefolia (Wilde Wingerd) of Hedera Helix
+(Klimop). De grootere kweekerijen zijn meestal goed voorzien van deze
+planten, waarvan men ook verschillende variëteiten heeft gewonnen. Een
+met Klimop of Wilde Wingerd beplant bakje vereischt in de eerste jaren
+niet bijzonder veel zorg. Wanneer men niet verzuimt deze planten,
+wanneer zij zich in haar krachtigsten groei bevinden, een paar keeren
+te gieren, dan kunnen zij vier à vijf jaar in dezelfde aarde blijven
+staan. Men vervangt dan hoogstens in het voorjaar de bovenlaag der
+aarde door wat verschen grond. Bij gewone winters is het voldoende
+de bakjes met wat blad of stroo te bedekken, teneinde het geheel
+bevriezen der aarde te voorkomen; is de winter buitengewoon streng,
+dan doet men voorzichtiger de bakjes binnenshuis, b.v. in den kelder,
+te laten overwinteren. De Klimop behoeft in het geheel niet gesnoeid
+te worden, de Wilde Wingerd echter doet men beter in het voorjaar
+goed te snoeien; men snijdt daartoe de voorjarige gezonde scheuten,
+al naar gelang der sterkte, op 2 tot 5 oogen terug.
+
+Meer moeite, maar zeker ook meer genot, verschaffen de met éénjarige
+klimplanten beplante bakjes. Een dergelijk pas beplant bakje toont
+ons Fig. 66. Onder de éénjarige planten zijn er vele, die dadelijk na
+het uitplanten in Mei flink gaan doorgroeien. In Juli kan het balkon,
+wanneer men deze planten gebruikt, reeds volgegroeid zijn. In deze
+maand beginnen de éénjarige planten te bloeien, en vele gaan dan
+tot aan de intredende vorst daarmede door. De bewonderenswaardig
+snelle groei van deze éénjarige klimplanten wijst er natuurlijk
+reeds op, dat zij zeer veel voedsel noodig hebben. Wanneer wij kunnen
+veronderstellen, dat de wortels het bakje goed gevuld hebben, dan moet
+men beginnen den grond te gieren; men kan de planten dan wekelijks een
+paar keer met gier begieten. Laat men dit gieren na, dan houden de
+planten op met groeien, zij krijgen een matte, gele kleur en worden
+daardoor veel minder fraai. Heeft men een bakje van een paar Meter
+lengte, dan moet men daarin niet meer dan drie klimplanten zetten,
+wanneer dit sterk groeiende soorten zijn. Heeft men minder snel
+groeiende soorten, dan kan dat aantal verdubbeld worden. Het is niet
+raadzaam, het bakje met andere planten dan klimplanten te vullen. Deze
+toch laten, wanneer zij in vollen groei zijn, ook verscheidene scheuten
+naar beneden hangen, zoodat zij het bakje volkomen bedekken; voor
+andere planten is hier dus geen plaats. Zeer geschikt om in bakjes
+geplant te worden zijn de volgende éénjarige of wel als éénjarig
+beschouwd wordende klimplanten, namelijk: Humulus japonicus en
+Humulus japonicus fol. var. (groene en bontbladerige Japansche Hop),
+de Melothria abyssinica, een zeer schoone Pompoensoort met fraaie
+bladeren, kleine stervormige bloemen en aan bosjes samenhangende
+mooie oranjeroode vruchten; de Lophospermum scandens met donkere,
+karmijnroode, trompetvormige bloemen, die in vorm veel overeenkomst
+hebben met die van een Gloxinia, en de Cobæa scandens met gevinde in
+een rank eindigende bladeren en groote, klokvormige, lilakleurige
+bloemen. Van de hoofdzakelijk om haar fraaie bladeren gekweekte
+éénjarige planten willen wij naast de reeds genoemde Humulus nog
+vermelden de Micania scandens met bladeren als die van een Klimop
+en de Pilogyne suavis, een zeer fraaie Pompoensoort, wier bladeren
+dikwijls een zeer aangenamen geur verspreiden. Zeer veel worden ook
+gebruikt de Phaseolus multiflorus (Pronkboonen) en Ipomæa purpurea
+(Winde). Van de fraaie klimplanten, die zeer geschikt zijn om
+gebruikt te worden, wanneer alleen de balustrade van het balkon
+bekleed moet worden, noemen wij slechts de zich met schoone roode
+bloemen tooiende Maurandia, alsook enkele lage soorten Tropæolum
+(Oost-Indische kers). Voor ditzelfde doel laten zich ook zeer goed
+enkele dunstengelige gewassen gebruiken, die toch eigenlijk geen
+klimplanten zijn. Onder deze noemen wij de Pelargonium peltatum
+(Klimopbladerige Pelargonium) en enkel bloeiende Petunia's. Voor
+meerdere soorten raadplege men het hoofdstuk "Klimplanten".
+
+Moeten de bakjes dienen om op de balustraden der balkons te worden
+geplaatst, en deze met een bloemenrand te sieren, zonder ten doel
+te hebben schaduw te geven, terwijl zij ook het uitzicht niet mogen
+belemmeren, dan worden zij met fraai bloeiende potplanten bezet. In
+dit geval kan men met goed gevolg verschillende soorten Pelargoniums,
+de lekker riekende, blauw bloeiende Heliotropium en de lief met rood en
+zwarte bloempjes bloeiende Cuphea platycentra gebruiken. Ook enkelen
+gevuldbloemige Petunia's, alsmede blauwe en witte Lobelia's zijn hier
+zeer op haar plaats. Deze planten, die veel voor bloembedden worden
+gebruikt, kan men in het voorjaar in iedere kweekerij koopen. Wanneer
+men de bakjes met dergelijke planten beplant, moet men vooral niet
+vergeten langs den rand eenige hangplanten te zetten, bij voorbeeld
+de bonte en groene Tradescantia, die zeer welig groeien en een schoon
+effect teweegbrengen.
+
+De zoogenaamde zomerbloemen,--dit zijn de éénjarige planten,
+die zeer goedkoop zijn en die men zelf gemakkelijk uit zaad kan
+kweeken--, worden slechts zelden voor het beplanten der bakjes
+gebruikt. Men schenkt, zeer ten onrechte, slechts dan zijn aandacht
+aan dergelijke planten, wanneer men een uiterst goedkoope beplanting
+wil bewerkstelligen. Nadere mededeelingen hierover kan men in het
+hoofdstuk "Zomerbloemen" vinden.
+
+
+
+
+Het binnenbrengen der gedurende den zomer buiten gekweekte planten.
+
+Wanneer in de tweede helft van September koude regens beginnen te
+vallen en dikwijls op warme dagen zeer koude nachten volgen, moet men
+aanvangen met de teedere planten, die men gedurende den zomer buiten
+kweekte, weder binnen te brengen.
+
+De teerste planten dus, waaronder Palmen, Varens en zachte blad-
+en bloemplanten, blijven niet langer dan tot de tweede helft van
+September buiten staan. Alle hardere planten, namelijk die, welke des
+winters in koudere, slechts even vorstvrije vertrekken staan, en die
+gedeeltelijk zelfs enkele graden vorst zonder schade kunnen verdragen,
+kan men langer buiten houden; de uiterste termijn is echter half
+October. Als regel moet men aannemen na 15 October geen kamerplanten
+meer buiten te hebben staan, hoewel het zaak is er op te passen, dat
+de hardere planten niet te vroeg binnen gezet worden. Een bezwaar
+is het, dat ook de hardere planten in den nazomer veel te lijden
+hebben van koude regenvlagen, die de aarde doorweeken en afkoelen,
+terwijl de planten reeds in rust zijn. Om dit bezwaar te voorkomen,
+is het voorzichtig deze planten van af half September in een prieel te
+plaatsen of een op palen rustend dak te laten maken en ze daaronder
+te zetten. Deze laatste maatregel heeft nog een groot voordeel;
+wanneer men, voordat de planten buiten gebracht zijn, voor onverwachte
+nachtvorsten vreest, kan men tegen dit dak rietmatten zetten of er iets
+aan hangen, waardoor de planten dan voldoende beschermd staan. Kan
+men niet over een prieel beschikken en heeft ook het maken van een
+tijdelijk dak bezwaar, dan doet men voorzichtig de planten bij een muur
+of schutting te verzamelen. Gaat het zwaar regenen, dan kan men door
+ze om te leggen, voorkomen, dat te veel water in de kluiten dringt,
+terwijl zij zoo staande met geringe moeite tegen onverwachte vorst
+beschermd kunnen worden.
+
+De allerhardste planten zooals Hydrangea's, Fuchsia's, Granaten,
+Laurieren, Oranjeboomen, Evonymussen en andere worden, al naar
+gelang van het weer, tusschen 15 October en 't begin van November
+binnengebracht. Dikwijls kunnen zij nog langer buiten blijven staan,
+daar zij best eenige graden vorst kunnen verdragen; men vergete
+echter niet, dat de potten licht kunnen springen, wanneer de kluiten
+bevriezen.
+
+Vóór het binnenbrengen worden al de potten en kuipen met een
+stijven boenborstel, die wel in elke huishouding voorradig is, goed
+afgeboend. Is men hiermede klaar, dan wordt de aarde der potten
+gereinigd, door alle mos en onkruid te verwijderen; hierna worden
+de dorre bladeren en doode twijgjes afgesneden. De door ongedierte
+aangetaste planten worden op de genoemde wijze gewasschen en de
+met aarde volgespatte bladeren goed schoongemaakt. Is men met deze
+werkzaamheden gereed, dan ziet men na of de planten ook opgebonden
+moeten worden en vernieuwt men zoo noodig de banden, stokjes en
+etiquetten. Planten, die ziek zijn, of door de een of andere oorzaak
+geleden hebben, werpt men eenvoudig op den mesthoop. Zieke planten
+zien er in de eerste plaats allesbehalve fraai uit, en kunnen dus
+niet als kamerversiering dienen; brengt men ze daarenboven in het
+najaar ziek binnen, dan is de kans zeer groot, dat zij gedurende den
+winter gaandeweg afsterven.
+
+Heeft men de planten geheel klaargemaakt om binnengebracht te worden,
+dan moet men letten op de eischen, die zij stellen aan temperatuur en
+licht. De warmere planten, die reeds in September zijn binnengebracht,
+verlangen over het algemeen een zeer lichte standplaats, dus zoo
+dicht mogelijk bij het venster. Van de hardere planten, stellen die,
+welke des winters bloeien, ook nogal hooge eischen wat licht betreft;
+de niet-bloeiende zijn des winters minder veeleischend. Ten laatste
+moet men niet vergeten, dat alle kruidachtige planten, onverschillig
+welke temperatuur zij verlangen, steeds zeer licht willen staan,
+daar zij bij gebrek aan licht gemakkelijk gaan rotten en schimmelen.
+
+Wanneer men de planten, die des zomers in den tuin, op het balkon of
+de vensterbank hebben gestaan, binnen gaat brengen, dan komt men vaak
+tot de ontdekking, gebrek aan ruimte te hebben. Zij moeten dan dicht
+op elkander gezet worden, hoewel het veel beter is, dat zij zóó wijd
+staan, dat zij elkander niet raken. Om dit laatste te bereiken, is het
+dus noodig, vóór men planten binnenbrengt, alle zieke of overcomplete
+exemplaren op te ruimen, waardoor vaak een aanmerkelijke ruimte
+gewonnen wordt. Vele planten laten zich ook, zooals uit het volgende
+hoofdstuk zal blijken, zeer goed in den kelder overwinteren. Heeft
+men de planten op tijd en met de noodige voorzorgsmaatregelen
+binnengebracht, dan zijn zij tegen regen, wind en vorst beveiligd,
+maar zij missen dan de frissche lucht, waarvan zij gedurende den zomer
+zoo ruimschoots genoten hebben. Men moet nu in den overgangstijd de
+planten hierin zooveel mogelijk te gemoet komen, door de vertrekken,
+zoolang het weer dit toestaat, op de vroeger reeds beschreven wijze te
+luchten. De vertrekken waarin men de warmere planten laat overwinteren,
+worden natuurlijk slechts bij fraai weer eenigen tijd midden op den
+dag gelucht; die, waarin de hardere planten staan, kan men op schoone
+herfstdagen gerust tot aan den avond openlaten.
+
+
+
+
+De kelder als overwinteringsplaats voor harde planten.
+
+Wij hebben reeds gezegd, dat men, wanneer men in den herfst de
+hardere planten wil gaan binnenbrengen, maar al te dikwijls bemerkt
+geen ruimte genoeg te hebben. Om hieraan te gemoet te komen, om veel
+planten, die gedurende den winter een minder fraai aanzien krijgen,
+aan het oog te onttrekken en ze toch goed te laten overwinteren,
+wordt vaak de kelder gebruikt.
+
+Een kelder, dien men voor het overwinteren van planten wil gebruiken,
+moet in de eerste plaats goed luchtig zijn, daar anders de planten
+licht schimmelen. Wanneer men niet in de gelegenheid is hem te
+verwarmen--en dit is maar hoogst zelden het geval--dan moet hij door
+zijn inrichting vorstvrij zijn. Ook moet men goede gelegenheid hebben
+om te luchten en mag er vooral des winters geen water in komen.
+
+Voor overwintering in den kelder komen in de eerste plaats in
+aanmerking alle grootere kuipplanten, die men des zomers gebruikt om
+den tuin, het balkon of de waranda te versieren, en die men, om groote
+kosten te vermijden, niet in een kweekerij ter bewaring wil geven. Tot
+deze planten behooren o.a. de Laurieren, Granaten, Oleanders,
+Coniferen, enz. Verder kan men hierin laten overwinteren alle kleinere
+groenblijvende harde planten, de bladverliezende bloemstruiken,
+zooals Fuchsia's, Hortensia's en Rozen en ten laatste alle tot op den
+wortelstok afstervende vaste planten. Van de bladverliezende struiken
+plukt men, alvorens ze in den kelder te brengen, alle bladeren af,
+aangezien die anders licht tot bederf overgaan, dan schimmelen en
+zoodoende rotting in de stengels kunnen veroorzaken. De overige
+planten moet men geregeld nazien en alle bladeren met schimmel
+direct verwijderen. Van de vaste-planten snijdt men de stengels tot
+10 cM. boven den pot af, alvorens ze binnen te brengen.
+
+De planten, die men in den kelder laat overwinteren, moeten daar pas
+laat ingebracht en er weer zoo vroeg mogelijk uit genomen worden. Men
+geeft ze zooveel mogelijk frissche lucht, door het keldervenster,
+indien dit kan, open te laten staan. Daalt de buitentemperatuur onder
+35° Fahr., dan is het voorzichtig, het te sluiten. De planten, die in
+den kelder staan, veroorzaken weinig moeite; men heeft er slechts voor
+te zorgen, dat zij schoon blijven, dat er geen rotting in ontstaat en
+dat er zich geen muizen in nestelen. Vinden deze laatste geen ander
+voedsel, dan kunnen zij, door het afknagen van takjes en knollen,
+aanmerkelijk schade veroorzaken.
+
+Daar de in den kelder overwinterende planten meestal volkomen rusten,
+is het natuurlijk onnoodig ze veel, ja dikwijls goed ze in het
+geheel niet te begieten. In het hoofdstuk over het gieten hebben
+wij hieromtrent reeds de noodige wenken gegeven; alleen willen wij
+er hier nog op wijzen, dat men er, bij de bladverliezende planten,
+op moet letten, of de bast door te groote droogte niet gaat rimpelen.
+
+De in het najaar in den kelder geplaatste planten kunnen reeds vroeg,
+gewoonlijk tusschen 15 Maart en 15 April buiten gebracht worden,
+aangezien zij van de nachtvorsten niet lijden. Men doet dit bij
+voorkeur op een donkeren, regenachtigen, zachten dag. Veel planten,
+zooals Rozen, Fuchsia's, Hortensia's, enz., die men gedurende den
+winter wil forceeren, brengt men in Januari of Februari uit den
+kelder in de woonvertrekken. Najaarsbloeisters, zooals Bouvardia's
+en Chrysanthemums, die na den bloei leelijk worden en dan volkomen
+rusten, kunnen dan in den kelder gezet worden en daar tot aan het
+intreden van haar groeitijd blijven.
+
+
+
+
+
+
+
+II. DE BESTE KAMERPLANTEN.
+
+
+Inleiding.
+
+In het nu volgende gedeelte worden de beste kamerplanten behandeld,
+practisch gerangschikt in verschillende groepen. Ik heb mij hierbij
+bepaald niet alleen tot die planten, welke dankbaar en gemakkelijk
+te kweeken, maar ook tot die, welke gemakkelijk verkrijgbaar zijn
+en die in iedere goede kweekerij gevonden worden. Van verscheidene
+soorten, die ik graag behandeld had, heb ik afgezien, wetende,
+dat de aanschaffing zeer veel moeite zou veroorzaken. Het is toch
+doelloos den liefhebber planten aan te bevelen, die hij zich òf in het
+geheel niet, òf slechts met veel moeite en opoffering van veel geld,
+kan aanschaffen.
+
+Wat de namen der planten aangaat, was het onmogelijk de
+wetenschappelijke namen te vermijden; ten eerste, wijl talrijke planten
+geen Nederlandsche namen bezitten, en in de tweede plaats, wijl deze
+namen dikwijls in verscheidene deelen des lands verschillen. Waar
+dit mogelijk was, zijn achter de wetenschappelijke namen ook de
+Nederlandsche gevoegd.
+
+De verschillende planten worden gedeeltelijk zoo practisch mogelijk
+in groepen verdeeld. Eenige grootere geslachten en familiën echter,
+waarvan de soorten ongeveer een gelijke behandeling verlangen,
+worden afzonderlijk behandeld. Bij de behandeling der verschillende
+groepen--niet bij die der geslachten of familiën--zijn de planten naar
+de wetenschappelijke namen alphabetisch gerangschikt. Bij het inkoopen
+toch, moet men den kweeker steeds den wetenschappelijken naam opgeven,
+aangezien deze niet altijd met de Nederlandsche namen bekend is.
+
+
+
+
+Struikachtige bloemplanten voor koele vertrekken, het balkon en
+de vensterbank.
+
+Abutilon. De Abutilon behoort tot de dankbaarste en rijk bloeiendste
+kamerplanten. De plant op zichzelf is zeer elegant en licht gebouwd,
+de bladeren zijn meestal lichtgroen, fraai ingesneden en gewoonlijk
+nogal groot. De bloemen hangen aan een dun steeltje naar beneden;
+het is uitzondering, wanneer men er twee of drie vereenigd ziet. De
+kleur der bloemen is wit, geel of rood, met talrijke gele meeldraden;
+ze zijn klokvormig. De oudere Abutilon-soorten zijn sterke, in de kamer
+niet zeer dankbaar bloeiende struiken; zij groeien erg in de lengte
+en worden spoedig onhandig, wanneer men ze in het voorjaar niet diep
+terugsnijdt, welke bewerking zij zeer goed verdragen. Deze zijn dan ook
+beter geschikt om op het balkon of in de waranda gebruikt te worden,
+waar zij in bakjes geplant, zeer rijk bloeien. Zeer geschikt zijn deze
+soorten ook om in den tuin uitgeplant te worden; zij ontwikkelen zich
+daar vaak tot struiken van 2 à 3 Meter hoogte.
+
+Als kamerplanten zijn de nieuwere dwergvariëteiten veel meer aan te
+bevelen, ook om haar rijken bloei. Deze variëteiten komen in den
+handel voor onder den naam Abutilon hybridum nanum compactum en
+de bloemen zijn zeer verschillend van kleur: wit, geel, oranje en
+vuurrood. Een bijzonder fraaie variëteit, die zeer laag blijft en
+rijk bloeit met donker vuurroode bloemen, is de Abutilon Boule de
+feu. Een mooie bontbladerige variëteit is de Abutilon Thompsonii,
+die lichtgroene met geel gemarmerde bladeren heeft en met lichtoranje
+bloemen bloeit. Van deze soort bestaat ook een variëteit met gevulde
+bloemen, de eenige gevulde Abutilon, die bekend is; zij is echter
+niet zeer aanbevelenswaardig.
+
+De nieuwste variëteiten zijn die met witbonte bladeren, die echter
+uitsluitend als fraaie bladplanten waarde hebben. Twee daarvan zijn het
+meest bekend geworden, namelijk: de Souvenir de Bonn met lichtgroene,
+wit omzoomde bladeren, en de Sawitzers Ruhm met lichtgele bladeren,
+die een groen hart hebben.
+
+Alle soorten van Abutilon, die in Brazilië thuis behooren, moeten
+des zomers buiten voor het venster gekweekt worden. Eenmaal 's jaars,
+bij voorkeur in het voorjaar, moeten zij verplant worden in broei- of
+compostaarde, vermengd met wat graszodengrond; des zomers kan men ze
+enkele malen flink gieren. In den winter zet men ze achter een zonnig
+venster in een koele kamer. Wanneer men ze in een lichte kamer zet,
+met een gemiddelde temperatuur van 50° Fahr., dan is er veel kans,
+dat zij den geheelen winter doorbloeien. Zijn de Abutilons in haar
+sterksten groei, dan moet men niet verzuimen ze flink te begieten. De
+vermenigvuldiging geschiedt door zaden. Wil men een bepaalde variëteit
+vermeerderen, zonder dat men bang behoeft te zijn, dat die terugslaat,
+dan moet men haar van stek kweeken. De jonge, van bloemknoppen ontdane
+twijgtopjes, groeien vooral in het voorjaar zeer gemakkelijk.
+
+Acacia. De Acacia en vooral de in Nieuw-Holland thuis behoorende
+soorten, zijn zeer dankbare bloemheesters, die door veelvormigheid
+hunner bladeren ten zeerste onze aandacht waardig zijn. Men
+onderscheidt soorten met gevederde bladeren, die ook daarom interessant
+zijn, wijl de zijblaadjes zich des avonds tegen elkander leggen, om
+zich des morgens weder op te richten en uit te gaan staan. Als tweede
+groep onderscheidt men bladlooze soorten. Deze laatste hebben alleen
+als zeer jonge plantjes gevederde bladeren; daarna vormen zij slechts
+verbreede bladstelen, zoogenaamde phyllodieën, die daarbij nog dikwijls
+spiraalvormig gedraaid, of door andere vormen belangwekkend zijn.
+
+Bijna alle Acacia-soorten behooren tot die heestergewassen,
+welke tegen het einde van den winter en in het vroege voorjaar
+bloeien. De gewoonlijk gele, zelden witte, bloemen zijn vaak tot
+kleine balletjes vereenigd, die aan dunne steeltjes hangen, en
+alleen, òf paarsgewijze òf aan trosjes vereenigd in de bladoksels
+voorkomen. Bij de bladerlooze soorten staan zij ook wel aan aartjes
+vereenigd, die dan een cylinderachtigen vorm hebben.
+
+Als kamerplant heeft tot heden slechts één soort, de Acacia lophanta,
+burgerrecht verkregen. Deze sterk groeiende, met groote, vedervormige
+bladeren prijkende soort bloeit niet alleen zeer ondankbaar, maar ook
+niet schoon; zij verdraagt echter de gesloten kamerlucht uitstekend
+en is daardoor waarschijnlijk een zeer gezochte kamerplant geworden.
+
+Een veel dankbaarder en ook fraaiere soort is de Acacia dealbata. Ook
+dit is een soort met gevederde bladeren, die met groote trossen
+gele bloemen bloeit. Deze soort wordt tegenwoordig veelvuldig in
+Zuid-Frankrijk en Italië aangekweekt, ten einde de bloemen voor
+den uitvoerhandel te gebruiken. Vroeg in het voorjaar kan men de
+welriekende bloemen in grooten getale in de bloemenmagazijnen vinden.
+
+De sierlijkste en voor kamercultuur meest geschikte soort is zeker wel
+de Acacia pulchella, die het best als kroonboompje wordt gekweekt en
+dan knievormig gebogen takjes heeft. Haar donkergroene vedervormige
+blaadjes zijn zeer sierlijk. In iederen bladoksel bevindt zich een
+stekel, bijna dubbel zoo lang als het blad, en van midden April tot
+einde Mei ook een bloemknopje, hetwelk prijkt met het schoonste geel.
+
+Onder de bladerlooze soorten, die verbreede bladstelen hebben, is
+in de eerste plaats de Acacia lineata zeer aanbevelenswaardig. De
+schijnblaadjes van deze soort zijn slechts 1 cM. lang. De bloemen,
+die meestal reeds in de tweede helft van den winter verschijnen, zijn
+citroengeel en zeer welriekend. Andere soorten van deze groep, die
+wij gerust durven aanbevelen, zijn Acacia myrtifolia, A. argyrophylla,
+A. armata en A. longifolia.
+
+De handelskweekers, die de vroeger zoozeer in trek zijnde
+Nieuw-Hollandsche bloemplanten tegenwoordig al zeer stiefmoederlijk
+behandelen, kunnen verscheidene Acacia-soorten niet altijd
+leveren. Gelukkig bieden de grootere zaadhandelaars van talrijke
+soorten zaden aan. Uit stek laten de Acacia's zich zeer slecht
+voortkweeken; gewoonlijk willen zij geen wortel maken en slaagt
+men er al in een stek aan den groei te krijgen, dan groeit zij in
+den regel zeer slecht door. Men doet dus beter zaden te koopen, die
+zeer goedkoop zijn. Deze zaden zijn zeer hard, waarom het goed is ze
+een dag of acht in dagelijks te ververschen, lauw water te leggen,
+ten einde ze een weinig te weeken; hierna worden zij tusschen een
+doek afgedroogd en daarna uitgezaaid. Geeft men den zaden een warme
+standplaats, dan kiemen zij wel vrij zeker, maar zeer ongelijk;
+gewoonlijk tusschen 12-30 dagen. Het wil wel voorkomen, dat het
+omhulsel taai is, en de jonge kiemplantjes moeite hebben dit af
+te werpen; is dit zoo, dan moet men ze met den vinger een weinig
+helpen. De krachtige kiemplantjes van Acacia's worden niet gerepikeerd,
+maar direct in zaadpotjes geplant. Groeien zij goed door, dan kunnen
+zij in hetzelfde voorjaar nog eens verpot worden en gedurende den
+zomer kan men ze dan buitenzetten. De maand Februari is de meest
+geschikte om Acacia's te zaaien.
+
+Men kweekt de Acacia's in heidegrond, die met 1/4 klei-
+of graszodengrond en rijkelijk scherpzand vermengd wordt. Oudere
+planten houdt men tot na den bloei in een koel, vorstvrij vertrek;
+hierna worden zij ingesneden, verpot en eindelijk tegen Pinksteren
+buiten gezet. Des zomers verlangt de Acacia een zonnige standplaats,
+rijke begieting en af en toe een begieting met gier.
+
+Agathæa amelloides. Dit is een sierlijke struik, met kleine, ovale
+blaadjes en lieve, reukelooze bloempjes, die het gansche jaar door,
+doch bij voorkeur gedurende den winter verschijnen. De Agathæa
+behoort tot de asterachtige samengesteldbloemige planten. De
+op lange stelen steeds alleen staande bloemen bestaan uit gele
+schijf- en blauwe straalbloempjes, wat een zeer fraaie vereeniging
+van kleuren vormt. Daarbij komt nog, dat dit een van de weinige
+blauwe winterbloeiers is. De voortkweeking geschiedt in het voorjaar
+gemakkelijk door zaden, stekken en ook door verdeeling der kluit. Zij
+verlangt een goeden, lichten grond, bijv.: 1/2 deel broeiaarde en
+1/2 deel blad- of heideaarde, vermengd met zand. Des zomers moet de
+Agathæa buiten gekweekt worden en gedurende den winter verlangt zij
+een koele, zeer lichte standplaats. Het is zaak, des winters zeer
+voorzichtig te zijn met het gieten.
+
+Boronia. De Boronia's zijn sierlijke Nieuw-Hollandsche planten, met
+kleine bladeren en allerliefste, klokvormige, afhangende roode en
+blauwe bloempjes. De bloeitijd valt tusschen de maanden Maart en April
+en de bloempjes op zichzelf blijven van 6 tot 8 weken goed. Tegen dat
+zij gaan verwelken, krijgen de bloempjes een donkerroode kleur. De
+Boronia's behooren tot de fraaiste bloemplanten van Australië; zij
+zijn echter niet heel gemakkelijk te houden. De fraaiste soort is wel
+de Boronia alata met bleek rozeroode bloempjes. De vermenigvuldiging
+geschiedt meestal door veredeling op Correa, een bewerking, die
+slechts door een kweeker uitgevoerd kan worden. Men kweekt ze in
+zandigen heidegrond; zij verlangen des winters een koele doch lichte
+standplaats, en des zomers een zonnige plaats, bij voorkeur buiten.
+
+Bouvardia. Onder de kamerplanten, die ons door haar ongemeen
+rijken bloei gedurende het laatste gedeelte van den herfst en den
+vóórwinter het meest verheugen, behooren zeker de Bouvardia's. Deze
+aardige, gewoonlijk niet meer dan 1/2 Meter hoog wordende struikjes
+van Centraal-Amerika hebben ovale bladeren. De bloemen zijn wit,
+rose, rood en geel; bij enkele soorten geheel reukeloos, bij andere
+echter een aangenamen jasmijngeur verspreidende. Gewoonlijk staan de
+bloemen, in den vorm van schermpjes, aan de spitsen der takjes. Zeer
+schoone soorten, waaronder ook met gevulde bloemen, die echter niet
+zoo gemakkelijk bloeien, zijn vooral in Amerikaansche kweekerijen
+gewonnen. Van die met enkele bloemen durf ik gerust aanbevelen:
+B. corymbiflora met lange, witte (Fig. 67), B. flavescens met gele,
+B. President Cleveland met scharlakenroode en B. leyantha met oranje
+bloemen. Van de dubbelbloemige soorten zijn de fraaiste: B. albo-plena
+(B. Alfred Neuner) met witte bloemen, B. roseo-plena (President
+Garfield) met zacht roode en B. Hägarthi flore pleno met roode bloemen.
+
+De cultuur der Bouvardia's is tamelijk eenvoudig. Nadat de planten
+uitgebloeid zijn, gaan zij haar rusttijd in; de uitgebloeide bloemen
+en de bladeren kunnen afgesneden worden, en planten, die nu zeer
+droog gehouden moeten worden, kunnen ter overwintering in een koele
+achterkamer of een volstrekt vorstvrijen kelder worden gezet. In Maart
+worden de planten weder voor den dag gehaald, en in goede broeiaarde
+verpot. Het is de zaak, er bij het verpotten op te letten, dat de
+oude aarde zooveel mogelijk tusschen de wortels uitgeschud wordt. De
+planten worden nu voor het venster van een matig warm vertrek gezet,
+waar zij weldra beginnen uit te groeien. In de tweede helft van
+Mei kan men de Bouvardia's in den tuin, of buiten voor het venster
+zetten. Laat men nu de planten ongestoord doorgroeien, dan zullen
+zij zonder twijfel alle in den zomer bloeien. Daar men ze echter
+als najaars- en winterbloeisters wil kweeken, moeten de scheuten tot
+Augustus geregeld getopt worden, ten einde den bloei te beletten. Zeer
+nuttig is het Bouvardia's in Juni nog eens te verplanten. Tegen de
+tweede helft van September zet men de planten in een vertrek, dat
+voorloopig nog geregeld gelucht, doch bij het intreden van kouder
+weer matig verwarmd wordt. Slechts dàn zullen de bloemen zich goed
+ontwikkelen, wanneer men den planten een goede, lichte standplaats
+geeft. Bloeiende Bouvardia's mogen in geen geval bespoten worden,
+daar de bloemen dit niet verdragen. De voortkweeking geschiedt het
+beste door wortelstekken. Bij het verplanten, in het voorjaar, snijdt
+men eenige sterke wortels van de planten af; deze worden daarna in 4-5
+cM. lange stukjes gesneden, en deze stukjes pot men in lichte zandige
+aarde op. Zet men de potjes met zulke wortelstekken op een warme
+plaats, dan zullen zich daar jonge plantjes uit ontwikkelen. Stekken
+die men in het voorjaar van de jonge, weeke twijgen snijdt, wortelen
+zonder bodemwarmte niet gemakkelijk.
+
+Calceolaria rugosa. De Calceolaria vormt een aardig, ongeveer 60
+cM. hoog wordend struikje, met ovale, ruwe bladeren en lieve in
+bundeltjes vereenigde bloempjes. De bloeitijd duurt van de maand Mei
+tot aan den herfst. Er bestaan tegenwoordig talrijke variëteiten van
+met gele, bruine en roode bloemen, terwijl ook enkele verscheidenheden
+fraai gevlekte bloemen voortbrengen. Des zomers kweekt men deze planten
+buiten; zij worden geplant in een grondmengsel, bestaande uit gelijke
+deelen broei-, blad- en graszodenaarde. Wil men mooie planten kweeken,
+dan is een herhaald verpotten noodig, waarbij vooral de kluit niet
+beschadigd mag worden. De overwintering geschiedt in een koud vertrek
+of wel in een lichten kelder.
+
+De vermenigvuldiging van deze lieve, rijk bloeiende plant geschiedt
+door stekken, die in Augustus gesneden en niet te warm gehouden mogen
+worden. De stekken worden, zes à acht te zamen, langs den rand van
+een 10 cM. wijden pot gestoken. Totdat zij geworteld zijn, bedekt
+men ze met een stolp en houdt men ze in de schaduw. In het volgende
+voorjaar worden de stekken pas afzonderlijk opgepot. De Calceolaria
+leent zich ook uitstekend om in de bakjes voor balkonversiering
+gebruikt te worden.
+
+Callistemon. De Callistemons zijn harde, groenblijvende
+Nieuw-Hollandsche planten, die tot de Myrtachtige gewassen behooren. De
+bloemen danken haar schoonheid aan de talrijke, lange, meestal roode
+meeldraden, die aan de geheele bloeiwijze het voorkomen der bekende
+lampeglazenborstels geven. Zij vormen zich in het voorjaar aan de
+twijgen en zijn aarvormig; uit den top van de aar groeit dan de twijg
+verder door. De vruchten vormen zich op het hout van de scheuten, waar
+zij juist als de eieren van de ringspin omheen zitten. Somtijds blijven
+zij zoo verscheidene tientallen van jaren zitten, zonder dat de zaden
+haar kiemkracht verliezen. De lange, spitse, somtijds naaldvormige
+bladeren, zijn, vooral wanneer men ze wrijft, dikwijls zeer aromatisch.
+
+Men kweekt de Callistemons in heideaarde, vermengd met een weinig
+kleigrond. Des zomers moeten zij op het balkon of in den tuin
+staan. Houdt men ze voortdurend in de kamer, dan zijn zij zeer
+ondankbaar. De overwintering moet geschieden in een koel, luchtig en
+licht vertrek. De voortkweeking geschiedt het best door zaden.
+
+Camellia japonica. De uit Japan afkomstige Camellia is een der meest
+bekende en geliefde sierplanten, waarvan de oorspronkelijke soort
+reeds 150 jaar geleden gekweekt werd.
+
+De hoofdculturen van deze plant bevinden zich tegenwoordig rondom
+Gent en Dresden, waar zij in talrijke prachtige variëteiten gekweekt
+worden. De niet onaardige enkelbloeiende soorten worden niet veel
+meer aangetroffen; de gevuldbloemige (Fig. 68) worden echter in
+zeer veel verscheidenheid van kleur en vorm gekweekt. De kleur der
+bloemen doorloopt alle tinten tusschen het zuiverste wit en het
+donkerste rood. Vaak zijn de bloemen ook wit, gevlekt, gestreept of
+gespikkeld met rood. Ook in den vorm vindt men vele afwijkingen. De
+oorspronkelijke vorm heeft slechts kleine bloemen en wordt niet veel
+meer in de tuinen gevonden.
+
+De Camellia behoort tot die planten, welke het liefst in veengrond
+gekweekt worden; bij gebrek daaraan kan men echter ook heide- of
+bladaarde gebruiken. De Camellia, die reeds door haar prachtige donker
+glanzend groene bladeren een ware sierplant is, is niet gemakkelijk
+in de cultuur. Gewoonlijk snoeit men haar niet en is het voorzichtig
+ze slechts om de twee jaar te verplanten, welke bewerking geschiedt,
+nadat zij uitgebloeid is. Terwijl de andere harde planten reeds tegen
+Pinksteren buiten worden gebracht, moet men met de Camellia's daarmede
+wachten, totdat de jonge scheuten volwassen zijn, wat niet vóór Juni
+of Juli het geval is. Eerst dan worden de planten buiten gezet en op
+een schaduwrijke plek geplaatst. Zoolang de planten binnen stonden,
+moesten zij rijkelijk begoten worden; nu zij buiten staan, geeft
+men echter pas water, wanneer de jonge scheuten een weinig slap
+beginnen te hangen. Door dit betrekkelijk weinig gieten, wordt de
+bladvorming tegengegaan en het maken van bloemknoppen bevorderd. Deze
+ontwikkelen zich aan de punten der twijgen of in de bladoksels der
+laatste bladeren; zij staan alleen of met twee en drie te zamen. Zij
+onderscheiden zich door hun dikken ronden vorm en zijn gemakkelijk van
+de bladknoppen te onderscheiden, die dun en spits zijn. De bladknoppen
+zitten gewoonlijk naast de bloemknoppen, maar moeten eerst in het
+volgende voorjaar uitgroeien. Hebben de laatste zich eenmaal gevormd,
+dan kan men weder geregeld gieten, omdat dan voor een doorgroeien
+der bladknoppen niet meer te vreezen is.
+
+Tegen het einde van September zet men de Camellia's, die, zoolang
+zij buiten stonden, 's morgens en 's avonds licht bespoten werden,
+in een vertrek, dat voorloopig nog geregeld gelucht wordt. Zij
+moeten zoo dicht mogelijk bij het venster geplaatst worden. De reeds
+sterk ontwikkelde knoppen zijn nu zeer gevoelig; zij vallen zeer
+gemakkelijk af, wanneer de aarde, waarin de planten staan, te droog
+wordt, wanneer men de planten voortdurend verplaatst en ook, wanneer
+de temperatuur van het vertrek, waarin zij staan, zeer ongelijkmatig
+is. De Camellia kan zelfs een paar graden vorst verdragen, en,
+hoewel verscheidene soorten zich in een warme kas laten forceeren,
+doet men toch het beste ze in een koel, doch vorstvrij vertrek te
+laten overwinteren. Hier zullen zich enkele bloemen reeds in den
+herfst of den voorwinter ontwikkelen; de meeste verschijnen echter
+in de maanden Februari tot April. De zeer teere, steeds reukelooze,
+maar edele bloemen mogen niet bespoten of aangeraakt worden, daar
+zij dan vlekken krijgen en haar schoonheid inboeten.
+
+Houdt men de Camellia's vochtig, dan krijgen zij leelijke gele en geel
+gevlekte bladeren of er ontwikkelt zich een fungus op, de zoogenaamde
+"roestdauw", waardoor de bladeren aan de achterzijde bruinvlekkig
+worden.
+
+Het voortkweeken door stekken of veredelen moet den kweeker overgelaten
+worden, aangezien men daarmede in de kamer geen goede resultaten
+bereiken kan.
+
+Cestrum. Deze plant wordt door liefhebbers gekweekt om den
+eigenaardigen geur, die sommige soorten ontwikkelen. Een der schoonste
+soorten is zeker wel de Cestrum roseum, met fraaie, rozeroode bloemen,
+die in trosjes aan het einde der takken verschijnen. Een groenbloemige
+soort, de Cestrum nocturnum, geurt des avonds overheerlijk.
+
+De Cestrum groeit goed in elken voedzamen grond. Des zomers moet zij
+buiten en des winters in een koel vertrek staan. De vermenigvuldiging
+geschiedt gemakkelijk door stekken.
+
+Choisya ternata. Dit is een Mexicaansche heester, die in het voorjaar
+bloeit en een hoogte kan bereiken van 1--1 1/2 Meter. De witte bloemen
+verspreiden den geur van Anjelieren en worden door de Indianen van
+Mexico in groote getale verzameld, om ze op de markten te verkoopen. De
+bloemen, die tamelijk klein zijn, zitten tot trosjes vereenigd, in
+de bladoksels der twijgspitsjes. Des zomers moet deze plant buiten
+gekweekt worden, gedurende den winter verlangt zij een licht vertrek
+met een temperatuur van 40-45° Fahr. De plant moet gekweekt worden in
+een zwaren, goeden grond. Men doet wijs, zich direct bloeibare planten
+aan te schaffen, daar de voortkweeking uit zaden, voor kamercultuur,
+zeer weinig loonend is.
+
+Chrysanthemum frutescens (Margariete). De bekende Margariete,
+de lievelingsbloem van de Koningin-Moeder van Italië, bloeit bij
+een oplettende cultuur bijna het gansche jaar door. Zij vormt een
+kleinen struik met fijne, sappig groene bladeren en heeft witte of
+gele bloemen. Zij hoort thuis op de Canarische eilanden. Des zomers
+moet men haar op het balkon of buiten op de vensterbank kweeken in
+bakjes of groote potten; ook kan men haar in den tuin uitplanten,
+wat een uitstekend resultaat geeft, wanneer men er een vrije,
+zonnige standplaats voor uitkiest. Des winters verlangt zij in een
+lichte, koele, doch vorstvrije kamer te staan. Om een goeden groei
+te bevorderen, moet men ze dikwijls verpotten in niet te lichten,
+voedzamen grond; ook dikwijls bemesten verdragen zij zeer goed. Oude
+exemplaren worden in het voorjaar flink ingesneden. De bloemen, die
+gedurende den ganschen winter een belangrijk handelsartikel vormen,
+volgen elkaar bij een goede behandeling bijna het geheele jaar door
+op. Men moet voorzichtig zijn de Chrysanthemum niet te warm en te
+droog te zetten; er verschijnt dan een made, die in het inwendige
+van het blad leeft en het bladmoes vernielt. Men kent tegenwoordig
+verscheidene grootbloemige soorten. Een nieuwe verscheidenheid, pas
+kortelings ingevoerd, is de Leucanthemum Queen Alexandra. Deze zeer
+lieve, nieuwe plant heeft mooie, geheel of half gevulde bloemen. De
+voortplanting van de Chrysanthemums geschiedt door stekken, die òf
+in het voorjaar òf in Augustus gestoken worden; de stekken moeten
+onder glas geplaatst, doch mogen niet warm gehouden worden. De
+voortkweeking door zaden gaat ook zeer goed, wanneer men in het
+voorjaar zaait. De jonge zaadplantjes moeten vrij spoedig in kleine
+potjes, met voedzamen grond opgepot worden; zij worden gedurende
+het voorjaar nog eenige keeren verpot en tot aan het einde van den
+bloeitijd buiten op een zonnige plek gezet. De bloeitijd duurt bij
+deze behandeling, wanneer zij in October worden binnen gezet, door
+tot diep in den winter toe. De bloemen bestaan uit gele schijf- en
+witte straalbloempjes. Een bezwaar is het, dat de bloemen bij donker
+weer wel eens minder goed willen openkomen.
+
+Clerodendron. Een der aanbevelenswaardigste soorten is de Clerodendron
+fragans (Volkameria fragrans), een Japansche struik met groote
+bladeren, die bij wrijving een onaangenamen geur verspreiden. De
+bloemen verschijnen gedurende den zomer en den herfst; zij zijn zuiver
+wit, zeer welriekend en meestal gevuld. (De enkelbloemige soort treft
+men slechts zelden aan). De bloemen staan vereenigd aan de uiteinden
+der twijgen. Men kweekt ze gedurende den zomer buiten of ook wel het
+geheele jaar door in de kamer. De Clerodendron verlangt een goeden
+voedzamen grond en in den zomer nu en dan wat gier. De voortplanting
+geschiedt door stekken.
+
+Clianthus. Dit zijn prachtige halfheesters, afkomstig uit
+Zuid-Australië en Nieuw-Zeeland. Zij hebben fraaie, gevederde bladeren
+en vurig roode, reukelooze bloemen, die in trosjes uit de bladoksels
+ontspringen en naar beneden hangen. De bloeitijd valt in de lente en
+den voorzomer. De meest verspreide soort is de Clianthus puniceus,
+de schoonste zeker wel de Clianthus Dampieri; deze draagt groote,
+scharlakenroode bloemen met een zwart purpere vlek op de vlag. De beste
+wijze om deze laatste soort te kweeken is ze, als jonge zaailing, op de
+veel sneller groeiende Colutea arborescens te veredelen. De Clianthus
+wil des zomers buiten staan; zij verlangt met wat kleigrond vermengde
+heideaarde. Des winters geeft men ze een lichte standplaats in een
+vertrek met een gemiddelde temperatuur van 40°-50° Fahr. Men moet
+dan zeer voorzichtig zijn met het gieten. De voortkweeking geschiedt
+gemakkelijk door zaden en stekken; overigens zijn deze planten nogal
+lastig in de cultuur.
+
+Correa. De Correa's zijn kleine, groenblijvende, Australische
+struikjes, die als dankbare winterbloeiers voor de kamercultuur wel
+geschikt zijn. De beste bloeier is de Correa speciosa met pijpvormige,
+donkerroode, aan de punten groene bloemen. De schoonste soort is
+de scharlakenroode Correa cardinalis, met zeer lange bloemen. De
+fijnere soorten worden alle veredeld op de Correa alba, die ook een
+rijk bloeiende, doch zeer kleinbloemige soort is. De bloemen van
+alle Correa's zijn reukeloos. Men kweekt deze planten in heideaarde,
+vermengd met wat klei- of graszodengrond, terwijl er, zooals bij de
+aarde voor alle Australische planten, een goede hoeveelheid scherpzand
+door moet gemengd worden. Des zomers moet men de Correa's buiten
+zetten, op een eenigszins beschutte plaats; des winters verlangen
+zij een licht vertrek met een gemiddelden warmtegraad van 45° Fahr.
+
+Cuphea. Dit zijn sierlijke, doch tamelijk kleine Mexicaansche
+struikjes, die zeer rijk, vaak ook gedurende den winter bloeien. De
+bloemen zijn klein en pijpvormig. De meest verspreide soort, die ook
+dikwijls in mozaïek-vakken wordt gebruikt, is de Cuphea platycentra,
+met roode, zwart omrande bloempjes. Kweekt men deze plant op een
+stammetje, dan is zij, wanneer zij des winters bloeit, lang niet
+onaardig; kweekt men haar in struikvorm, dan doet men beter ze in
+de bakjes te planten. Men plant ze in een rijke broeiaarde en zet ze
+bij voorkeur des zomers buiten. De in een koel vertrek overwinterde
+planten moeten in het voorjaar ingesneden en verpot worden.
+
+De voortkweeking geschiedt gemakkelijk door stekken of door zaden.
+
+Cytisus. Dit zijn lage, fijn bebladerde struiken, die zich in den
+nawinter en het voorjaar rijk met gele, welriekende, vlindervormige
+bloemen tooien. In België wordt de Cytisus veel als kroonboompje
+gekweekt, en dan op de Goudenregen veredeld. De Cytisus komt zeer nabij
+de Genista canariensis, die ook gele, welriekende bloemen draagt. Nadat
+deze planten uitgebloeid zijn, snijdt men ze flink terug, verplant ze
+in goeden voedzamen grond en zet ze tegen het midden van Mei buiten,
+waar zij gaarne een zonnige standplaats hebben. De overwintering
+geschiedt in een koel, vorstvrij vertrek.
+
+De vermenigvuldiging heeft in Augustus plaats door stekken of ook
+wel in het voorjaar uit zaden.
+
+Datura arborea. Deze Peruaansche plant draagt ook nog den
+wetenschappelijken naam van Brugmansia suaveolens; zij behoort tot
+de zeer vergiftige familie der Nachtschaden. Zij kan 3 à 4 Meter
+hoog worden en maakt, wanneer zij jong is, dikke, vleeschachtige
+stengels, waaraan groote, lichtgroene, zeer fraaie bladeren zich
+ontwikkelen. Van den zomer tot diep in den winter ontspruiten uit die
+stengels zeer groote, witte, trompetvormige bloemen, die vooral des
+avonds een heerlijken geur verspreiden. Er bestaat een andere soort,
+de Datura Knightii, die gevulde bloemen heeft. Al deze boomachtige
+Datura's dragen in de kweekerijen dezen naam, doch behooren eigenlijk
+tot het geslacht Brugmansia.
+
+Wordt deze plant goed behandeld, dan is zij spoedig voor de kamer
+ongeschikt, daar zij zeer snel groeit, zoodat in het voorjaar gestoken
+stekken in den herfst vaak planten vormen van een Meter hoogte. Als
+balkonplant kan de Datura, die in den winter haar meeste bladeren
+verliest, zeer goede diensten bewijzen. Des winters moet zij tamelijk
+koud en droog worden gehouden. In het voorjaar worden de overwinterde
+planten flink teruggesneden en in zeer voedzamen grond verpot.
+
+De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door stekken, genomen
+uit de jonge scheuten, die dan in juist zooveel stukken gesneden
+kunnen worden, als zij oogen hebben. Ieder oog wordt dan met het
+daarbij behoorende stengeldeel afzonderlijk in een potje geplant, de
+stek moet daarna een tamelijk warme plaats hebben. De stengeldeeltjes
+slaan zeer spoedig wortels en het oog groeit dan verder door.
+
+Diosma alba. Deze dankbare, zeer aromatisch riekende plant is afkomstig
+van de Kaap de Goede Hoop. Door haar fijne bladeren doet zij denken aan
+de voor kamercultuur ten eenenmale ongeschikte Erica's. De bloempjes,
+die in het voorjaar verschijnen, zijn wit en gelijken veel op kleine
+Myrtebloempjes.
+
+De Diosma groeit slechts langzaam; zij verlangt een mengsel van blad-
+en heideaarde, waarbij een weinig kleigrond wordt gevoegd. Om goede
+bossige planten te vormen, moet zij herhaalde malen worden ingesneden;
+daarbij moet zij dan des zomers een goede, vrije standplaats hebben
+en vooral goed begoten worden. Droge, warme kamerlucht is voor deze
+plant zeer ongeschikt. De voortkweeking geschiedt midden in den zomer
+door middel van stekjes.
+
+Erythrina crista-galli. Dit is een prachtig bloeiende Braziliaansche
+struik met drietallige bladeren, die zij, evenals de jonge scheuten,
+gedurende den herfst verliest. Iedere sterke scheut eindigt, in den
+zomer, in een langen tros vlindervormige bloemen, die prachtig rood
+en geheel reukeloos zijn. De oude planten bestaan uit korte, dikke
+knoesten, waaruit ieder voorjaar nieuwe scheuten ontspruiten. Het
+beste doet men de Erythrina, des zomers op een warme, zonnige plaats
+in den tuin of anders op het balkon te zetten. De jonge planten
+moeten ieder voorjaar in goeden, voedzamen, zwaren grond verpot
+worden. Des zomers moeten zij rijkelijk begoten en verscheidene malen
+gegierd worden. Gedurende den herfst giet men langzamerhand minder
+om eindelijk de rustende planten, geheel droog, in een kelder of
+vorstvrije achterkamer te laten overwinteren.
+
+In het voorjaar kan men de oude planten in de kamer aan den groei
+brengen, en dan de jonge scheuten, ter vermenigvuldiging, als stekken
+gebruiken. Jonge exemplaren, die nog geen stam gevormd hebben, mag
+men niet zoo koud en droog laten overwinteren, als de oudere. Er
+zijn verscheidene fraaie variëteiten van bekend. Om in de kamer en
+des zomers buiten voor het venster gekweekt te worden, is het meest
+aanbevelenswaardig de Erythrina crista-galli compacta; deze blijft
+steeds klein, doch bloeit zeer rijk met groote, roode bloemen.
+
+Fuchsia. Onder de meest geliefde potplanten, die men overal voor
+het venster, op de vensterbank, op het balkon en in den tuin vindt
+staan, die door rijk en arm worden gekweekt, neemt de Fuchsia zeker
+wel een eerste plaats in. Wie kent dezen lieven bloemstruik niet,
+wiens sierlijke, hoewel reukelooze, roode, paarse of witte bloemen,
+hetzij alleen, hetzij in trosjes, naar beneden hangen en somtijds
+bij honderdtallen aan één plant gevonden worden? De roode of witte
+kelkbladeren staan horizontaal, of zijn om het vruchtbeginsel
+teruggeslagen. De bloembladeren vormen meestal een trechtervormige
+kroon. Somtijds krijgt de bloem ook door den pijpvormigen kelk een
+meer buisvormig voorkomen. Hierbij geven de ver uit de bloem stekende
+meeldraden en de nog verder uitstekende stamper aan de enkelbloemige
+soorten een zeer eigenaardig voorkomen. De eerste Fuchsia werd in 1696,
+dus ruim 200 jaar geleden, door Plumier in Amerika ontdekt en onder
+den naam Fuchsia triphylla flore coccineo beschreven. Hoewel in den
+loop der tijden honderden variëteiten, door het kruisen van soorten
+onderling en van soorten met variëteiten gewonnen zijn, worden er
+nog altijd veel echte soorten om haar fraai voorkomen gekweekt. Zoo
+is de lang vergeten Fuchsia triphylla (Fig. 70) tegenwoordig weer
+in de mode gekomen; zij wordt in den laatsten tijd met bijzondere
+voorliefde gekweekt, en men heeft er ook reeds verbeterde variëteiten
+van gewonnen. Een van de meest verspreide echte soorten is zeker wel
+de Fuchsia gracilis, waarvan jonge plantjes dikwijls met honderden
+kleine, roode bloempjes bedekt zijn (Fig. 71, bovenste twijg). Een
+zeer schoone soort is ook nog de Fuchsia fulgens met fraaie, lange,
+pijpvormige bloemen en zeer groote bladeren; ook de Fuchsia coccinea
+verdient aanbeveling.
+
+Zoowel de groot- als kleinbloemige soorten, de enkele of gevulde,
+alle Fuchsia's zijn, wanneer zij rijk bloeien, zeer fraai. De Fuchsia's
+rusten des winters volkomen; zij verliezen dan haar blad en men kan ze
+in een vorstvrijen kelder laten overwinteren. Tijdig in het voorjaar
+haalt men ze voor den dag; zij worden dan ingesneden, uit den pot
+genomen en, nadat de kluit voorzichtig losgemaakt is, verplant in matig
+groote potten. Voor het verplanten gebruikt men goede broeiaarde. Deze
+bewerking is geraden wanneer men een op het zuiden gelegen venster
+heeft, waar zij aan den groei gebracht kunnen worden; heeft men dit
+niet, dan doet men wijzer de planten tot het begin van Mei in den
+kelder te laten staan, om ze dan direct buiten te zetten. Geeft men den
+versch verpotten Fuchsia's een lichte standplaats, en vergeet men niet
+ze bij zonnig weer te bespuiten, dan gaan zij spoedig aan den groei
+en de jonge scheuten zullen weldra in bloei komen. Zeer bruikbaar
+zijn de jonge, bossige planten, die men, door van de jonge twijgen
+stekken te nemen, zeer gemakkelijk kan kweeken. Gewoonlijk wortelen
+deze stekken, wanneer men ze onder een stolp zet, na 8 of 10 dagen,
+en spoedig daarop kunnen de jonge plantjes in potjes worden uitgeplant.
+
+Zoodra er geregeld warm weer begint te heerschen, verdragen de
+Fuchsia's de kamerlucht niet meer. Het liefst staan zij op een
+eenigszins beschaduwde plek in den tuin of op een balkon of bloemrekje,
+waarop de morgenzon schijnt. Wanneer men de Fuchsia's nog eens verpot
+en men zorgt goed voor de begieting, terwijl het toedienen van gier
+niet vergeten wordt, dan ontwikkelen zij gedurende den zomer een waren
+bloemenrijkdom. Men moet ze dan echter op haar plaats laten staan,
+en niet van de eene naar de andere dragen, wijl zij daar niet tegen
+kunnen en direct daarop haar bloemen en knoppen laten vallen. Het
+rijkste bloeien de kleinbloemige soorten.
+
+Voor het bloemenrekje kan men slechts jonge planten gebruiken,
+die van onder tot boven met blad bezet zijn. Oudere, overwinterde
+planten kan men met goed succes in bakjes aanwenden, waarin zij dan
+uitgeplant kunnen worden. Als alleen staande planten in den tuin of op
+het balkon gebruikt men het beste oudere Fuchsia's, die in kroonvorm
+zijn gekweekt. Deze kroonboompjes plant men in kuipjes of groote
+potten, waarin zij, wanneer men ze nu en dan giert, jarenlang kunnen
+staan. Zulke kroonboompjes kunnen inderdaad prachtig bloeien. Voor
+dezen kroonvorm leent zich bij uitnemendheid de Fuchsia gracilis.
+
+Enkele Fuchsia's zijn door haar groeiwijze zeer goed geschikt voor
+ampelplanten. De sierlijkste van deze hangende Fuchsia's is de Fuchsia
+procumbens, een kruipende soort uit Australië, met kleine bladeren,
+vurig purperroode bloempjes en betrekkelijk groote vruchten.
+
+Van de lente tot den herfst zijn alle gekweekte Fuchsia's met bloemen
+overdekt, die tot de uiterste twijgspitsjes ontspruiten. De aanhoudende
+koude najaarsregens maken aan den bloei pas een einde. Indien men oude
+Fuchsia's zoo lang mogelijk in den kelder laat rusten, ze gedurende
+den zomer herhaaldelijk insnijdt, zoodat zij niet tot bloeien kunnen
+komen, dan maakt men er najaarsbloeiers van, die gedurende den herfst
+en den voorwinter veel genot kunnen verschaffen. Bij de gewone
+behandeling giet men in het najaar langzamerhand minder en brengt
+men ze in November, nadat men er vooraf al de bladeren afgeplukt
+heeft, ter overwintering in den kelder, waar zij droog kunnen blijven
+staan. Er moet echter op gelet worden, dat men ze niet zoodanig laat
+uitdrogen, dat de bast gaat rimpelen, aangezien dit minder goed voor
+de planten is.
+
+Men heeft verscheidene soorten (Fuchsia gracilis, F. coccinea,
+e.a.) winterhard genoemd; ook zijn er eenige soorten als buitengewoon
+winterhard in den handel gebracht. Inderdaad zijn de meeste Fuchsia's
+zóó hard, dat zij best wat vorst kunnen verdragen en dan ook, onder
+een droge bedekking, zeer goed buiten overwinteren.
+
+Het zou geen zin hebben hier enkele variëteiten der Fuchsia's aan te
+bevelen. Zij worden in iedere kweekerij in groote keuze gekweekt en men
+doet het beste die uit te zoeken, welke men zelf het fraaiste vindt.
+
+Habrothamnus elegans. Deze plant komt zeer nabij de reeds besproken
+Cestrum. Zij is uit Mexico afkomstig, heeft lancetvormige bladeren
+en pijpvormige, purperroode bloemen, die in losse trossen aan het
+einde der scheuten hangen.
+
+Deze fraaie struik ontwikkelt zich het best, wanneer men hem in
+Mei flink terugsnijdt, dan zoo mogelijk in den tuin uitplant op een
+zonnige plaats en in September weder in potten zet. Totdat kouder
+weer begint te heerschen, laat men hem buiten staan, waarop men hem
+in een vertrek met een temperatuur van 45°-50° Fahr. plaatst. Hij is
+een zeer schoone winterbloeier, waarvan men veel pleizier kan hebben.
+
+De voortkweeking geschiedt door middel van stekken.
+
+Heliotropium peruvianum (Heliotroop). Dit is zeker wel een der meest
+geliefde planten. Zij is uit Peru afkomstig, heeft eivormige, ruwe
+bladeren en wordt om de kleine, in dichte bundeltjes te zamen staande
+bloemen gekweekt (Fig. 72). Deze min of meer intensief blauwe bloemen,
+die bij sommige minder gezochte soorten ook bijna wit zijn, kenmerken
+zich door een overheerlijken, zachten vanille-geur. De Heliotroop stelt
+ongeveer dezelfde eischen als de Fuchsia. Ook zij verlangt een goeden,
+voedzamen grond, die met wat graszodengrond vermengd kan worden. Voor
+het verpotten, in het voorjaar, wordt zij flink ingesneden en des
+zomers op een eenigszins beschaduwde plek buiten gekweekt. Zij
+verdraagt niet de minste vorst, en moet daarom in een vorstvrij
+vertrek, met een temperatuur van 40°-45° Fahr. overwinteren. Indien
+zij haar bladeren niet afgeworpen heeft, moet men haar op een lichte
+standplaats zetten. In struikvorm gekweekt, heeft men alleen genot
+van jonge planten, daar zij, ouder geworden, haar onderste bladeren
+laten vallen en dan een minder mooi voorkomen verkrijgen. Kweekt men er
+stamboompjes van, dan is zij vele jaren een dankbare bloeister. Uit de,
+in het voorjaar, gestoken stekken laten zich het eerste jaar reeds
+aardige kroonboompjes kweeken. Om dit doel te bereiken, zoekt men
+de sterkste stekplanten uit, zet er 80-100 cM. lange stokjes bij en
+bindt de jonge plantjes, vooral niet te stijf, daaraan vast. Geeft men
+deze stekplantjes een zonnige, lichte plaats, dan groeien zij spoedig
+flink door. Men laat nu de bladeren onaangeroerd, doch verwijdert,
+zoo spoedig mogelijk, de jonge zijscheuten, terwijl ook de bloemen,
+zoo spoedig men ze kan vatten, weggesneden moeten worden. Al naar de
+plantjes hooger worden, bindt men ze aan stokjes, totdat zij daareven
+bovenuit gegroeid zijn. Hebben de plantjes op deze wijze de verlangde
+hoogte bereikt, dan worden de koppen er uit gesneden. Er zullen zich
+dan spoedig bovenaan jonge zijscheuten ontwikkelen, die men laat staan,
+omdat zij de kronen moeten vormen. Om goede kronen te krijgen, moeten
+deze zijscheuten ook herhaaldelijk ingesneden worden, zoo lang totdat
+de kroontjes dicht genoeg geworden zijn. Snijdt men bij zoo gevormde
+kroonboompjes de bloemen geregeld des zomers weg en zet men ze des
+winters op een lichte plaats, dan zullen zij den ganschen winter door
+bloemen geven. Geheel op dezelfde wijze kan men ook van Fuchsia's in
+den zomer kroonboompjes kweeken.
+
+Kweekt men de Heliotroop in de kamer, dan moet men haar een zeer
+lichte standplaats geven, daar zij anders zwakke, dunne scheuten
+en onbeduidende, bleeke bloemen ontwikkelt. Om in de bakjes uit te
+planten, zijn de Heliotropen uitstekend geschikt.
+
+Er zijn slechts betrekkelijk weinig Heliotroop-soorten, waarvan,
+zooals wij reeds zeiden, de donkerblauwe verreweg de schoonste zijn.
+
+Hydrangea (Hortensia). Dit is een algemeen bekende Japansche
+bloemstruik, die om zijn, wel reukelooze, maar fraaie groote schermen
+vormende bloemen zeer gezocht wordt.
+
+De gewone Hortensia (Hydrangea Hortensia), waarvan Fig. 73 een
+paar bloemschermen toont, komt in talrijke soorten en variëteiten
+voor en behoort tot een van de meest verspreide potplanten. Al
+de variëteiten kenmerken zich door deels geslachtelooze bloemen,
+aangezien die bloemen, waarin meeldraden en stampers voorkomen, als
+sierbloemen geen waarde hebben. Dergelijke bloemen treft men nogal
+eens bij een bontbladerige variëteit aan, die echter zeer zwak groeit
+en dus in alle opzichten niet zeer aan te bevelen is. De kleur der
+Hortensia-bloemen is wit, of ook wel lichtrood. Plant men ze echter
+in ijzerhoudende aarde, of wel, begiet men ze met water, waarin men
+roestige ijzeren voorwerpen eenigen tijd laat liggen, dan verkrijgen
+de bloemen een meer of minder intensief blauwe kleur.
+
+De Hortensia kan best enkele graden vorst verdragen. In het
+najaar plukt men er de bladeren af, om haar in den kelder te laten
+overwinteren. Zij behoort tot die bloemplanten, die in Januari of
+Februari, voor een zonnig venster in een warm vertrek geplaatst,
+zich zeer goed in bloei laten trekken. Om dit te doen, moeten de
+planten eerst verpot worden, waartoe men een mengsel gebruikt
+van heide- en veengrond, benevens een weinig klei en een goede
+hoeveelheid zand. Staan de twijgen te dicht, dan kunnen de zwakste
+geheel weggesneden worden; aan de krachtige twijgen echter, die moeten
+bloeien, mag in het geheel niet gesneden worden, omdat de bloemen zich
+uit de eindknoppen ontwikkelen. Begiet men de aan den groei gebrachte
+planten rijkelijk, dan zullen zij spoedig krachtig doorgroeien en
+zullen uit den wortel een aantal jonge scheuten ontspruiten. Op drie
+of vijf na moeten deze scheuten echter alle weggesneden worden. Die,
+welke men laat staan, dienen om enkele uitgebloeide scheuten, die
+leelijk zijn geworden, te vervangen. De uitgesneden jonge scheuten zijn
+zeer goed als stekken te gebruiken en wortelen gemakkelijk. Tijdig
+aan den groei gebrachte Hortensia's kunnen reeds in April of Mei
+bloeien. Wil men de Hortensia's niet in bloei trekken, dan laat men
+ze tot het begin van April in den kelder staan, waarop men ze in
+den tuin of op het balkon zet; zij bloeien dan van het midden van
+den zomer tot aan den herfst. De Hortensia houdt niet van de volle
+zon; men moet haar dus een beschaduwde standplaats geven, of anders
+tegen de felle middagzon beschermen. Dezen planten, die des winters
+volkomen droog moeten blijven, kan men des zomers bijna geen water
+genoeg geven. Verzuimt men ze tijdig te begieten, dan hangen zij maar
+al spoedig te slap, en herstellen zich in den loop van den zomer niet
+gemakkelijk. Houdt men de Hortensia's gedurende den winter te vochtig,
+dan worden zij wortelziek en het gevolg zal zijn, dat zij den volgenden
+zomer slechts zwakke scheuten en gele bladeren zullen voortbrengen.
+
+Naast de gewone Hydrangea Hortensia wordt tegenwoordig de Hydrangea
+paniculata (Trosvormige Hortensia) ook veel aangetroffen. Deze soort
+stamt ook uit Japan en draagt groote, witte bloemen. Deze zeer harde
+plant is, als kroonboompje gekweekt (Fig. 74), zeer fraai en uitstekend
+geschikt ter versiering van het balkon of den tuin. Deze winterharde
+soort laat zich minder goed in bloei trekken; voor het overige kan
+zij als de gewone Hortensia behandeld worden.
+
+Oude, in kuipjes staande, goed behandelde Hortensia's zijn gedurende
+haar langen bloeitijd ware prachtplanten, waarvan iedere liefhebber
+zeer veel genot kan hebben.
+
+Lantana hybrida. De Lantana met haar kegelvormige, gele of roode
+bloemhoofdjes, die snel ontluiken, doch even spoedig afvallen, wordt
+tegenwoordig niet veel gekweekt. Onze tuinvariëteiten stammen alle
+van enkele Zuid-Amerikaansche soorten af, en kenmerken zich daardoor,
+dat de bloemen, al naar zij ouder worden, van kleur veranderen. Dit
+heeft ten gevolge, dat de bloemtuiltjes meestal verschillend gekleurde
+bloemen dragen. Wrijft men de bladeren tusschen de vingers, dan
+verspreiden zij een onaangenamen geur.
+
+De Lantana verlangt een goeden, weinig zwaren grond, niet te kleine
+potten, een zonnige plaats voor het venster en overwintering in een
+temperatuur van 40°-45° Fahr. In het voorjaar worden de overwinterde
+planten ingesneden, verpot en aan den groei gebracht.
+
+De voortkweeking gaat gemakkelijk uit stekken, die men van de, zich
+in de kamer ontwikkelende, scheuten snijdt en die zeer vlug wortelen.
+
+Libonia floribunda. Deze zeer klein blijvende, bossige, somtijds
+kogelrond groeiende struik is uit Brazilië afkomstig. De bladeren
+zijn langwerpig en klein; de bloemen zijn ook niet groot, buisvormig,
+half rood, half geel en reukeloos.
+
+De Libonia houdt van zandige broeiaarde; zij wordt in den zomer buiten
+voor het venster, in den winter op de vensterbank van een koel vertrek,
+of, nog beter, tusschen de dubbele vensters van het woonvertrek
+gekweekt. Jammer is het, dat de Libonia, die tegenwoordig niet veel
+meer aangetroffen wordt, in den winter dikwerf veel blad verliest. Het
+is anders een echte bloemplant voor den winter. In den laatsten tijd
+wordt de Libonia penrhosiensis, een in Engeland gewonnen variëteit,
+als winterbloemplant zeer aanbevolen. Deze verliest wel is waar niet
+zoo gemakkelijk haar blad, maar zij is ook niet bijzonder mooi.
+
+De Libonia laat zich in het voorjaar gemakkelijk voortkweeken uit
+stekken, of ook wel door het verdeelen der oude planten.
+
+Myrtus communis (Mirt). De verschillende kleinbladerige vormen
+van den in Zuid-Europa algemeen voorkomenden Mirt behooren tot de
+lievelingsplanten van vele dames, die zich met het verzorgen van
+planten bezighouden. Vooral in Duitschland is deze plant bij de
+dames zeer in trek; het komt daar niet zelden voor, dat een jong
+meisje zelf haar Mirte-boompje kweekt, uit welks jonge twijgjes zij
+later haar bruidskrans windt, om als getrouwde vrouw de zorgvuldige
+verpleegster van dit boompje te blijven.
+
+De Mirt is een plant voor het koele, vorstvrije vertrek, die des zomers
+wel in een goed geluchte kamer doorgroeit, doch zich dan buiten beter
+houdt. Hij wordt hoofdzakelijk als kroonboompje gekweekt, in welk geval
+hij een klein, kogelvormig kroontje krijgt; men ziet hem echter ook
+in struik- en pyramide-vorm. Kleine struik- en pyramideboompjes kunnen
+zich uit stekken reeds gedurende één zomer ontwikkelen; wil men echter
+kroonboompjes kweeken, dan duurt dit verscheidene jaren. Laat men een
+jonge, krachtige stekplant, nadat men haar aan een stokje gebonden
+heeft, rustig doorgroeien, zonder de zijscheuten weg te snijden,
+dan ontwikkelt zij zich vanzelf tot een pyramide; snijdt men uit een
+dergelijke stekplant direct den kop, dan zal zij tot een struikje
+opgroeien. Stamboompjes worden gekweekt aan een stokje van 50-60
+cM. hoogte; men bindt den hoofdscheut daaraan geregeld vast, snijdt de
+sterke zijscheuten geheel weg en laat de zwakke zoo lang doorgroeien,
+totdat het stammetje de noodige sterkte verkregen heeft. Snijdt men
+steeds álle zijscheuten weg, dan wordt het stammetje te zwak.
+
+De Mirten moeten in goede broeiaarde gekweekt worden en bij het
+oppotten gebruikt men bij voorkeur kleine potten. Moeten zij verplant
+worden, dan past men op, niet te diep te planten; komt toch een
+gedeelte van den stam in de aarde, dan wordt dit spoedig door rotting
+aangetast. Houdt men deze plantjes te vochtig, dan krijgen zij in
+plaats van fraai groene, dof gele bladeren, en zet men ze te warm of te
+donker, dan maken zij lange, zwakke scheuten, die door thrips worden
+aangetast. Op deze wijzen kan men gezonde exemplaren in korten tijd
+ziek maken. De witte bloempjes, die zeer snel uitbloeien, verschijnen
+bij den Mirt slechts zelden, daar men door het insnijden, ter wille van
+den vorm, de bloem wegsnijdt. Een kleine vorm, de Myrtus nana compacta
+multiflora, bloeit geregeld iederen zomer. Een variëteit van dezen
+vorm is de Myrtus Jenny Reitenbach, ook wel Koningsberger Bruidsmirt
+genaamd, die uitstekend geschikt is om als kroonboompje gekweekt te
+worden en in dien vorm des zomers met duizenden bloemen prijkt.
+
+De vermenigvuldiging van den Mirt geschiedt het beste door middel
+van stekken, die, koud en beschaduwd geplaatst, in 4-6 weken wortelen.
+
+Nerium Oleander (Oleander). De Oleander, wiens eigenlijk vaderland
+Klein-Azië is, wordt tegenwoordig in Zuid-Europa overal in het
+wild groeiend aangetroffen. Deze, ook bij ons zeer in trek zijnde
+sierstruik komt daar langs de oevers der beken en rivieren voor,
+die daardoor een zeer aantrekkelijk voorkomen verkrijgen. De Heer
+C. Sprenger, te Napels, schrijft in het tijdschrift "Natur und Haus"
+het volgende over den Oleander: "De wilde Oleander-struik wordt zelden
+hooger dan vier Meter; in de meeste gevallen blijft hij lager, daar hij
+als oeverstruik zich hoofdzakelijk in de breedte ontwikkelt. Op deze
+wijze vormt hij dichte boschjes, die, wanneer zij met bloemen overdekt
+zijn, een prachtigen aanblik opleveren en de lucht met heerlijke
+geuren vervullen. Met verwondering volgt het oog deze roode banden,
+hoe zij tegen de bergen oploopen om van daar af, de beken volgend,
+in gebogen lijnen terug te keeren."
+
+Bij ons ziet men den Oleander wel vaak als sterke pot- of kuipplant,
+doch slechts zelden ziet men hem in zijn ware bloemenpracht. Dikwijls
+is dit niet-bloeien het gevolg van gebrek aan zon, waardoor de bloemen
+niet tot ontwikkeling kunnen komen. De knoppen blijven dan des winters
+aan de takken zitten, om in een volgenden zomer, bij gunstig weer,
+open te komen. Dikwijls ook is het gevolg van gebrek aan voedsel en
+water, en bij oudere exemplaren wordt het weer veroorzaakt door het
+niet-tijdige insnijden. Wanneer oude Oleanders niet goed meer groeien
+en bloeien, dan moet men ze flink insnijden, desnoods zóó diep, dat
+er slechts een paar takken met bladeren overblijven. Op dit insnijden
+laat men dan een verplanten volgen. Bij voorkeur moeten zij geplant
+worden in ouden, verteerden koemest, die met wat kleiaarde en zand
+vermengd wordt. Goed bewortelde Oleanders moet men niet verzuimen
+des zomers flink te gieren. Plant men ze in te armen grond of wel,
+houdt men ze des winters te warm, dan worden zij aangetast door de
+Oleander-schildluis, die zich vaak op beide zijden der bladeren zet,
+en die zeer lastig te verwijderen is.
+
+Zooals uit zijn groeiplaats, aan de oevers van rivieren en beken, reeds
+voortvloeit, moet men den Oleander des zomers volop begieten, waarbij
+hij een standplaats op de volle zon in den tuin of op het balkon
+verlangt. De Oleander laat zich overwinteren in een koel vertrek, ook
+wel in een lichten, doch vorstvrijen kelder; want, hoewel eenige graden
+vorst hem niet deren, moet men daarmede toch voorzichtig zijn. Het
+meest treft men den enkel- of gevuldbloemigen, rooden Oleander aan;
+er bestaan echter ook witte en gele variëteiten. Van deze laatste durf
+ik gerust aanbevelen de Madoni grandiflorum fl. pl., met groote, half
+gevulde witte bloemen en de luteum plenum met groote, gele bloemen.
+
+De voortkweeking slaagt het best des zomers, door de stekken in een met
+water gevuld medicijnfleschje te zetten. In ieder fleschje zet men een
+stekje, waarvan de halsopening met warme was wordt toegestreken. Zet
+men de stekken zóó in de volle zon, dan zullen zij na weinige weken
+geworteld zijn. Men moet ze echter eerst dán in potjes zetten,
+wanneer zij overvloedig wortels gemaakt hebben.
+
+De liefhebber moet met den Oleander eenigszins voorzichtig zijn,
+aangezien hij vergiftig is. Zoogdieren en vogels, die van de bladeren
+gegeten hadden, stierven in betrekkelijk korten tijd, en het is ook
+reeds waargenomen, dat menschen, die door de een of andere oorzaak
+het sap in de oogen kregen, daarvan blind werden. Men neme zich dus
+eenigszins voor hem in acht.
+
+Pelargonium (Ooievaarsbek). Deze planten komen heel dikwijls
+voor onder den verkeerden naam Geranium, welke naam echter aan
+een ander geslacht derzelfde familie behoort. Naast de Fuchsia
+is zeker wel de Pelargonium een der meest verspreide en geliefde
+planten. De ontelbare, in de tuinen gekweekte, variëteiten stammen
+van verschillende soorten af; de meeste waarde heeft echter voor de
+cultuur in de kamer de Pelargonium zonale en haar variëteiten. Deze
+hebben alle een kogelvormig bloemscherm, dat uit enkele of gevulde
+bloemen bestaat, benevens fraaie groene bladeren, meestal met een
+donkeren band geteekend.
+
+Onder deze Pelargoniums treft men er aan met zeer fraaie, bonte
+bladeren, nú eens zijn zij met geel of wit geteekend, dàn weder
+wit gerand, of wel, zij hebben geheel een bronsachtige kleur. De
+bontbladerige Pelargoniums geven echter over het algemeen tamelijk
+kleine bloemen. De grootste waarde van de groenbladerige is
+gelegen in de schitterende kleur der bloemen. Het fraaiste zijn
+zeker wel de vuurroode, de zuiver paarse, de vleeschkleurige en
+de witte variëteiten. Over het algemeen zijn de enkelbloemigen
+te verkiezen boven de gevulde, daar de eerste veel fraaiere en
+dichtere bloemschermen vormen en ook lang zoo gevoelig niet zijn
+voor regen. Bij donker, regenachtig weer komen de bloemen der
+gevuldbloemige variëteiten zeer slecht open. De Pelargonium peltatum
+(Klimop-Pelargonium) kenmerkt zich door dikke, klimopvormige bladeren
+en lange slappe stengels, waarom zij uitstekend geschikt is ter
+versiering van balkonhekken. Ook als ampelplant is deze soort zeer
+aan te bevelen. De bloemen der Klimop-Pelargonium zijn meestal rose,
+de donkerroode en witte variëteiten worden veel zeldzamer aangetroffen.
+
+Terwijl de beide, thans besproken groepen niet alleen geschikt zijn om
+voor het venster of in de balkonbakjes gekweekt te worden, doch zich
+ook uitstekend leenen om er des zomers bloemperken mede te beplanten,
+zijn de grootbloemige Engelsche of Odier-Pelargoniums slechts voor
+venstercultuur te gebruiken. Deze soort heeft eigenaardig gevouwen
+groene bladeren, niet zeer bloemrijke schermen, maar zeer groote,
+buitengewoon fraai geteekende bloemen. Zij zijn echter vaak ondankbare
+bloeisters en worden het spoedigst van alle door ongedierte aangetast.
+
+Van de verschillende Pelargonium-soorten, waarvan sommige een zeer
+aangenamen, aromatischen reuk hebben, vindt men er hier of daar
+nog enkele in verzamelingen. Het meest wordt nog aangetroffen de
+Pelargonium radulum roseum, die een sterken rozengeur heeft. Deze
+soort heeft kleine bloempjes, maar fraaie, fijn verdeelde bladeren.
+
+Wanneer men des zomers buiten wandelt, dan treft men overal de
+Pelargoniums aan, in talrijke vensters en veranda's, op balkons en
+bloemvakken in den tuin; waar men gaat, ziet men ze, en zelfs des
+winters bemerkt men ze nog vaak achter de vensters. De aromatische
+geur, die de tusschen de vingers gewreven bladeren verspreiden,
+bezitten de bloemen niet; zij munten slechts uit door haar elegante
+vormen, schitterende kleuren en groote bloemrijkheid.
+
+De Pelargoniums worden vooral des zomers zeer veel aangewend. Heeft
+men vensters of balkons, die op de volle zon liggen, dan zijn het
+verreweg de beste sierplanten daarvoor. Van zeer vroeg in het voorjaar
+af, tot diep in den herfst, zullen de bloemen ontluiken, wanneer deze
+planten maar een zonnige plaats hebben. In den oksel van ieder nieuw
+verschijnend blad bevindt zich de in den aanvang knikkende bloemsteel,
+die zich weldra krachtig opheft; ook de bloemknoppen hebben eerst een
+hangende houding; zoodra echter de bloem zich opent, richt zij zich
+op. De duur van ieder bloemscherm is zeer lang, want, niettegenstaande
+er vaak zooveel bloemen te gelijk open zijn, dat het scherm op een
+bol gelijkt, is dit aantal toch slechts gering in vergelijking met
+het aantal knoppen, dat iedere bloemstengel draagt. Zeer fraai is in
+dit opzicht de Pelargonium "Meteor", een nieuwe enkel roode variëteit,
+die zeer groote bloemschermen vormt.
+
+Het dankbaarste bloeien de Pelargoniums, wanneer men ze in betrekkelijk
+kleine potten kweekt. Plant men ze in groote potten, of wel in bakjes,
+dan groeien zij zeer sterk, maken prachtige bladeren, doch bloeien
+niet rijk. Wil men de bakjes toch met Pelargoniums beplanten, dan
+doet men het beste ze niet uit den pot te nemen, doch met den pot in
+de aarde van het bakje te graven. Op deze wijze behandeld, zullen er
+wel wortels door het drainagegaatje en over den rand van den pot in
+de aarde van het bakje dringen, maar de voornaamste wortels blijven
+toch in den pot besloten; hierdoor is de groei niet zoo welig, doch
+de bloei veel rijker.
+
+Tegen Pinksteren kan men de Pelargoniums buiten zetten; in Maart of
+April zijn zij dan reeds ingesneden en in voedzame, met wat kleigrond
+vermengde broeiaarde verplant. De oude, overwinterde planten verdragen
+het insnijden zeer goed; men kan ze zoo snoeien, dat er van 2-5 oogen
+op iederen scheut blijven zitten. Zoo behandeld, zal men mooie gevulde
+planten verkrijgen, die zeer rijk bloeien. In den beginne moet men
+na het insnijden en verplanten zeer voorzichtig zijn met het gieten
+en ze vooral niet bespuiten, aangezien oude Pelargoniums gemakkelijk
+tot rotting overgaan. Het vroegst bloeien in de kamer de stekken,
+die men in Augustus stekt. Van deze stekken zet men er dan 4 of 6 om
+den rand van een 8-10 cM. wijden pot. Deze stekken wortelen na 2 of
+3 weken, wanneer men ze vrij voor een zonnig venster zet en eerder
+te droog dan te vochtig houdt. Het lastigst wortelen de stekken van
+Odier-Pelargoniums. De Augustusstekken laat men den winter door rustig
+in de stekpotten staan; in het voorjaar neemt men ze er voorzichtig
+uit en plant ze ieder in een 8-10 cM. wijden pot. Deze stekplanten moet
+men geheel ongesnoeid laten, daar zij anders veel later bloeien en zij
+zich toch wel voldoende vertakken. De Pelargoniums laten zich ook zeer
+gemakkelijk uit zaad voortkweeken; toch is dit voor een liefhebber niet
+aan te raden. De zaailingen immers bloeien hoogst zelden in het eerste
+jaar, terwijl dit met stekken steeds het geval is. Er zijn echter nog
+meer zwarigheden. Wanneer men een fraaie variëteit bezit en men wil die
+uit zaad voortkweeken, dan is men lang niet zeker, dat de zaailingen
+de goede eigenschappen van de moederplant bezitten, daar zij zeer
+dikwijls terugslaan. Van de zaailingen zal dan nog de ééne plant zeer
+goed, de andere daarentegen slecht bloeien, zoodat de liefhebber wijs
+doet, deze wijze van vermenigvuldiging aan de kweekers over te laten,
+die het doen met het uitzicht nieuwe variëteiten te winnen.
+
+Zoo gemakkelijk en dankbaar als de Pelargoniums des zomers zijn,
+wanneer men ze in betrekkelijk kleine potten houdt, regelmatig begiet,
+en voldoende giert, zoo lastig zijn zij gedurende den winter. Een
+troost is het voor den liefhebber, dat de overwintering in een droge
+kamer vaak nog veel beter gelukt dan in een vochtige kas.
+
+Daar de Pelargonium gevoelig is voor nachtvorsten, moet men
+haar reeds begin October binnenbrengen. De vensterbank van een
+op het zuiden gelegen vertrek, dat een gemiddelde temperatuur
+van 45°-50° Fahr. heeft, is een uitstekende plaats om ze te doen
+overwinteren. Zeer lastig is gedurende den winter het afrotten. De
+planten moeten dus zoo droog mogelijk gehouden worden, en moet men
+ze begieten, dan moet dit hoogst voorzichtig geschieden en wel zóó,
+dat de stengels en bladeren niet vochtig worden. Gele bladeren worden
+met een scherp mesje afgesneden, en wel zoodanig, dat een gedeelte
+van den bladsteel aan de plant blijft zitten; dit verdroogt langzaam
+en valt eindelijk af. Snijdt of breekt men de bladeren te kort bij
+den stengel af, dan ontstaat er licht een wond, die gemakkelijk
+rotting kan veroorzaken. Geeft een stengel bewijzen van rotting,
+of toont hij rotte plekken, dan snijdt men het zieke gedeelte, of
+den geheelen stengel, met een scherp mesje af en bestrooit de wond
+met houtskoolpoeder. Gedurende den winter moet echter elk noodeloos
+snijden vermeden worden.
+
+Gewoonlijk zijn de Pelargonium zonale en P. peltatum in het het
+eerste jaar, d.w.z. het jaar, nadat zij gestoken zijn, het schoonst;
+bij een goede behandeling kan men er echter 2 of 3 jaar ruimschoots
+pleizier van hebben; langer echter is het niet raadzaam ze te bewaren,
+omdat zij, zeer oud geworden, niet meer bloeien.
+
+De veel teerdere Odier-Pelargoniums moet men in bladaarde, vermengd
+met een weinig graszodengrond, kweeken. Houdt men deze soort voor het
+venster van een goed gelucht vertrek, waar zij tegen regen beschermd
+staat, dan zal zij in het tweede en derde jaar het rijkst bloeien. Deze
+soort moet zoo min mogelijk ingesneden worden, daar zij dan veel
+beter bloeit. Hebben de Odier-Pelargoniums gebrek aan licht en zon,
+dan worden zij heel spoedig door luis aangetast.
+
+Punica Granatum (Granaatboom). Tegenwoordig wordt de Granaatboom,
+die oorspronkelijk uit Noord-Afrika afkomstig is, doch in Italië en
+Griekenland verwilderde, nog maar weinig gekweekt. Wanneer men dezen
+boom echter in goed gekweekte kuipplanten heeft, dan vormt hij, met
+zijn kleine, op die van Mirten gelijkende bladeren en schitterend
+roode bloemen een werkelijk prachtige sierplant. Er bestaan twee
+soorten van: die met enkele en die met gevulde bloemen. De groote,
+met een kelk gekroonde roode vruchten, zijn zeer schoon.
+
+De Granaat wordt over het algemeen slecht behandeld; hij is wel
+een harde plant en kan dus veel verdragen, maar dan gaat dit ten
+koste van den bloei. Zoo noodig moet de Granaat in het voorjaar
+verplant worden in zeer goeden, voedzamen grond. Wanneer hij nog
+geen bladeren gemaakt heeft, dus op zijn laatst tegen het einde van
+April, wordt hij buiten op een zeer zonnige plek gezet. Des zomers
+moet hij rijkelijk begoten worden en is hij doorgeworteld, dan kan
+het gieren om geregelde tijden geen kwaad. De snoeiing moet tot het
+uiterste beperkt worden en mag slechts bestaan in het verwijderen der
+overvloedige twijgen. De overwintering kan in den kelder geschieden;
+de Granaat moet echter niet te vroeg in huis gebracht worden,
+niet voor in de tweede helft van November. Men kan dit gerust doen,
+omdat hij zeer goed enkele graden vorst kan verdragen. De bloemen,
+ontwikkelen zich op de krachtige, rechtop staande twijgen. Kan men
+de Granaten in een serre of wintertuin wat aan den groei brengen,
+dan is dit zeer goed, mits men ze dan niet vóór Pinksteren buiten zet
+en zij ook niet direct een zonnige plaats verkrijgen. Van dergelijke
+planten kan men de jonge scheuten als stekken gebruiken.
+
+Als oude, in kuip gekweekte, plant is de Granaat een zeer dankbare
+bloeier. Hij wordt in stam- of struikvorm gekweekt. De zoogenaamde
+Dwerggranaat (Punica Granatum nanum) bloeit reeds als zeer jonge plant,
+maar de bloemen zijn veel kleiner, dan die van het type.
+
+Rosa (Roos). Onder de planten, die tegenwoordig veel in de kamers of
+buiten voor de vensters worden gekweekt, vindt men de aan ieder bekende
+Roos betrekkelijk weinig. De reden hiervan is, dat men twijfelt aan
+haar waarde als kamerplant en ook, omdat zij niet erg gemakkelijk
+in de cultuur is. Een waar liefhebber echter schept weinig behagen
+in planten, die, zonder goede verzorging, goed groeien; hij stelt
+er juist een eer in, zijn moeite en zorgen met een goeden uitslag
+bekroond te zien. Zulke liefhebbers zullen de Roos met waar genoegen
+kweeken. De liefhebbers echter, die planten in vertrekken hebben,
+omdat dit tegenwoordig mode is, en die de verzorging dier planten
+moeilijk en lastig vinden, zullen in de cultuur der Roos zeer weinig
+behagen scheppen.
+
+Vele Rozenvrienden zullen licht de vraag stellen: Is dan de Roos
+werkelijk een goede kamerplant?
+
+Deze vraag moet ontkennend beantwoord worden, wanneer wij onder het
+woord kamerplant een plant verstaan, die jaar in, jaar uit in een
+gesloten vertrek kan staan; zij kan echter toestemmend beantwoord
+worden, wanneer wij ook die planten tot de kamerplanten rekenen,
+die niet altijd in een gesloten vertrek willen staan, maar op het
+rekje voor het raam of in den tuin een gedeelte van het jaar willen
+doorbrengen.
+
+Het zal wel niet noodig zijn er op te wijzen, dat wij de laatste
+groep van planten, waartoe zeer vele onzer meest geliefde gewassen
+behooren, wel degelijk als kamerplanten beschouwen en doen wij dit,
+dan moet ook de Roos daartoe gerekend worden.
+
+Het is waar, dat lang niet de meeste Rozen zich voor alle doeleinden
+laten gebruiken, zoo zijn er Rozen, die volstrekt niet deugen,
+om geforceerd te worden en zoo zijn er ook, die voor kamerplanten
+ongeschikt zijn. Klimrozen, sterk groeiende Rozen en die, welke
+wel fraai, doch niet rijk, bloeien, zijn om in de kamer en voor het
+venster te kweeken geheel ongeschikt. De Roos is slechts dan waard een
+plaats naast andere planten in te nemen, wanneer zij rijk met bloemen
+bezet is, want deze en niet de doorns of de bladeren vormen haar
+pracht. Omdat de Rozen, die men voor kamerplanten gebruikt, altijd
+met bloemen getooid moeten zijn, worden de Maandrozen daarvoor zeer
+veel gebruikt. Wel zijn de bloemen van de Maandroos snel verwelkt, wel
+kunnen zij, wat schoonheid van vorm en kleur betreft, niet vergeleken
+worden met de Thee- en Remontantrozen, zij is echter verkieselijk om
+haar zeer rijken, voortdurenden bloei.
+
+Met succes kan men de Roos slechts van het einde van Februari tot
+het intreden van warmer weer in de kamer kweeken, en dan heeft deze
+cultuur uitsluitend ten doel den groei aan te wakkeren, te vervroegen
+en daardoor de plant in bloei te krijgen op een tijdstip, dat de buiten
+uitgeplante Rozen pas weer aan den groei beginnen te komen. Om dit doel
+te bereiken, moet men de Roos dicht voor het raam van een zeer zonnig
+vertrek zetten, dat, zoodra het weer het toelaat, rijkelijk gelucht
+moet worden. Treedt kouder weer in, dan moet dit vertrek zoodanig
+verwarmd kunnen worden, dat men zeker is, dat het er niet in vriest.
+
+Kweekt men van Februari tot April in de kamer slechts Struikrozen,
+d.w.z. wortelechte of op den wortelhals veredelde Rozen, dan biedt de
+vensterbank ruimte genoeg om ze te plaatsen. Beter dan de Struikrozen
+zijn echter voor kamercultuur Halfstamrozen geschikt; dit zijn Rozen
+met een stammetje van 30-40 cM. hoogte. Daar deze Halfstamrozen,
+wanneer wij ze evenals de Struikrozen, in de vensterbank zetten,
+veel te weinig licht zouden krijgen, moet men ze plaatsen zooals
+Fig. 78 dit aantoont.
+
+Men zet ze daartoe op een onder de vensterbank aangebracht plankje
+of op een lagen standaard zoodanig, dat de kroon slechts daarboven
+uitsteekt en in hoogte gelijk komt met de op de vensterbank geplaatste
+Struikroos. Worden de Rozen van Februari af langzaam aan den groei
+gebracht, dan kan men ze reeds tegen Pinksteren, wanneer zij door goed
+luchten gehard zijn, als fraai ontwikkelde planten ter versiering van
+het balkon gebruiken, of wel in het buiten aan het venster aangebrachte
+bloemenrekje plaatsen.
+
+Een goed bezet bloemenrekje voor het venster is zonder twijfel een
+sieraad voor ieder huis; zeer mooi is het echter, wanneer er ook
+Rozen tusschen de andere planten staan.
+
+De Rozen in potten zullen het beste groeien, wanneer men ze zet
+voor een venster, waar zij volop morgenzon hebben; natuurlijk
+wordt verondersteld, dat men ze goed behandelt. In de eerste
+plaats moet men er zorg voor dragen, dat de potten beschut staan,
+en moeten zij dus in een gesloten plantenrekje geplaatst worden,
+zooals door Fig. 64 is afgebeeld, opdat de wortels tegen te groote
+warmte beschermd worden. Een groote factor bij de Rozencultuur is
+ook het besproeien. Worden de planten op warme dagen voorzichtig
+besproeid of bespoten, dan voorkomt men voor een groot gedeelte de
+aanvallen van insecten; terwijl ook de planten opfrisschen, doordat
+zij van alle stof en vuil gereinigd worden, waardoor de huidmondjes
+open blijven. Het besproeien is bij donker, vochtig weer onnoodig;
+onvoorzichtig is het echter, wanneer men het doet, als de zon op de
+planten schijnt, daar de bladeren dan zeer licht verbranden. Een
+uitstekende uitwerking heeft het echter, wanneer men het doet des
+avonds na een warmen dag. Het besproeien des avonds moet het gieten
+voorafgaan. Het gieten is natuurlijk van het grootste belang en vooral
+bij potrozen moet dit met groote voorzichtigheid geschieden. Deze
+moeten begoten worden, vóórdat de aarde geheel is opgedroogd, en
+men moet er op letten, dat de geheele aardkluit behoorlijk vochtig
+wordt. Zijn er warme dagen voorafgegaan, dan is het gieten des avonds
+alleen niet voldoende, en men moet dan den volgenden morgen nog eens
+gieten; dit moet echter steeds zóó vroeg geschieden; dat de zon de
+planten niet direct na het begieten beschijnt.
+
+Van groot belang is bij het kweeken van Rozen ook de aarde, waarin men
+ze plant. De meeningen zijn over dit punt zeer verschillend; onder
+de bekwame kweekers is er echter niet een, die beweren zal, dat een
+Potroos in lichte of in gewone tuinaarde goed groeien zal. Een Roos
+groeit zeer goed in een kleinen pot, maar daaruit volgt natuurlijk,
+dat zij ook vette, goed voedzame aarde verlangt. Als aardmengsel voor
+Rozen bevelen wij aan: twee deelen broeiaarde, twee deelen klei-
+of graszodengrond en een deel zand. Bij dit aardmengsel worden dan
+nog eenige hoornspaanders gevoegd. De ondervinding heeft ons geleerd,
+dat Rozen in zulk een grondmengsel uitstekend groeien.
+
+De beste tijd om Rozen te verplanten is, mits het voorzichtig
+geschiedt, in de maand Augustus. De planten maken dan vóór den winter
+nog nieuwe wortels en groeien in het volgende jaar direct goed door,
+wat niet het geval zal zijn, wanneer men ze kort vóór den groeitijd,
+dus in het voorjaar, verplant.
+
+Uit het voorgaande blijkt, dat het kweeken van Potrozen niet weinig
+moeite veroorzaakt; het biedt echter talrijke voordeelen, welke aan de
+cultuur in den tuin niet verbonden zijn. De Potrozen hebben wij steeds
+in onze macht; wij kunnen ze van alle zijden goed beschouwen en dus ook
+gemakkelijk aan schadelijke invloeden onttrekken. Worden de planten
+aangetast door honingdauw of ongedierte, dan kunnen wij deze kwalen
+bij Potrozen grondig en dus meestal met goed succes bestrijden. Een
+ander groot voordeel biedt de cultuur in potten ons nog. Wanneer de
+eerste sterke nachtvorsten de bloemen der uitgeplante Rozen dreigen te
+vernietigen, dan behoeven wij onze Potrozen slechts binnen te zetten,
+om nog lang pleizier van haar bloemen te kunnen hebben; zelfs nog,
+wanneer de buitenstaande Rozen reeds lang ontbladerd en tegen de
+winterkoude gedekt zijn. Veel strenge winters hebben ons geleerd, dat
+de Rozen, al zijn zij nog zoo goed gedekt, toch lang niet tegen den
+schadelijken invloed van de vorst beveiligd zijn. Met de Potrozen is
+men echter van het weer geheel onafhankelijk. Deze behoeft men slechts
+in een luchtigen kelder of in een achterkamer te laten overwinteren,
+en men heeft het geheel in zijn hand, ze vroeger of later aan den
+groei te brengen.
+
+Veel genoegen verschaft het, in het vroege voorjaar, d.w.z. tusschen de
+maanden Februari en April, Rozen in bloei te trekken. De Rozen, die men
+wil forceeren, vereischen een zeer zorgvuldige behandeling. Afgezien
+van de keuze der soorten, waarop wij later terugkomen, moeten de
+Rozen, die men in bloei wil trekken, reeds een jaar te voren in
+potten gekweekt zijn, zoodat zij goed vaststaan. Men plant deze
+Rozen, waartoe men krachtige struiken of halfstamboompjes gebruikt,
+in het voorjaar, of nog beter in den herfst, in potten. In de meeste
+gevallen zijn potten van 15 cM. hoogte en 12-15 cM. wijdte groot
+genoeg. De opgepotte Rozen moeten nu eerst gesnoeid worden. Bij dit
+snoeien moet men er op letten of men met zwak of met sterk groeiende
+soorten te doen heeft. Bij zwak groeiende soorten worden de twijgen
+op 3 of 4, bij sterk groeiende op 5 of 6 oogen teruggesneden,
+terwijl de zwakste twijgjes bij den stam worden afgesneden. Heeft
+men de Rozen in den herfst opgepot, dan worden zij in een luchtigen
+kelder gezet en slechts weinig begoten, zoodat de aarde maar even
+vochtig blijft. In het voorjaar worden de zóó overwinterde Rozen
+in een luchtige kamer gezet, en zoodra er geen nachtvorsten meer
+te vreezen zijn, zet men ze buiten. De in het voorjaar opgepotte
+Rozen graaft men, indien dit doenlijk is, geheel onder den grond,
+zoodat ook de twijgen zich onder de aarde bevinden. Zoo laat men ze
+staan, totdat zij goed wortel gemaakt hebben, hetgeen ongeveer 3 à
+4 weken duurt. Men moet ze echter vooral niet te lang ondergegraven
+laten staan, omdat zij dan gaan uitgroeien en gele scheuten zouden
+maken. Heeft men geen gelegenheid, de planten in de aarde te
+graven, dan zet men ze in een vertrek, dat in den aanvang weinig,
+langzamerhand echter meer gelucht wordt. Er moet voor gezorgd worden,
+dat de planten den eersten tijd niet in de zon staan; ook mogen
+zij slechts matig begoten worden. Het nu en dan bevochtigen der
+twijgen met den rafraichisseur zal zeer heilzaam werken. Het komt
+bij de in het voorjaar opgepotte Rozen wel eens voor, dat zij niet
+willen uitgroeien, en bij droog weer, niettegenstaande herhaaldelijk
+besproeien, beginnen te verdrogen. Dergelijke planten moet men tegen
+de zon beschermen, door de kroon in papier, bijv. courantenpapier,
+te wikkelen (Fig. 79). Een dergelijke bescherming, die het licht niet
+geheel en al onderschept en na 2 of 3 weken verwijderd kan worden,
+zal steeds blijken zeer heilzaam te werken.
+
+Gedurende den zomer behandelt men de pas opgepotte Rozen zeer
+voorzichtig. Zij worden tot aan den rand van den pot op een half
+beschaduwde plek ingegraven, regelmatig begoten en bij warm weder
+des morgens en des avonds besproeid. Zeer nuttig is het ook, om te
+voorkomen, dat de aarde te veel uitdroogt, de potten met korten mest
+te bedekken. Zijn de Rozen goed geworteld en groeien zij krachtig door,
+dan kunnen zij tweemaal per week gegierd worden. In den herfst, op zijn
+allerlaatst half September, worden de planten opgenomen en omgelegd;
+slechts in de noodzakelijkste gevallen, wanneer de bladeren slap
+gaan hangen en men dus moet gieten, worden zij rechtop gezet. Deze
+behandeling is noodig, om er voor te zorgen, dat het blad vroegtijdig
+afvalt en de plant dus in rust komt. Het is toch hoognoodig, dat een
+Roos, die vroeg in het voorjaar moet bloeien, ook in den herfst vroeg
+tot rust wordt gebracht. Hebben de planten haar bladeren verloren,
+dan zet men ze in een luchtigen vorstvrijen kelder, waarin zij tot
+Januari blijven. Na Januari worden zij in de kamer gebracht, om ze
+te forceeren.
+
+Voordat men de Rozen in de kamer zet, moeten zij nog eens goed
+nagezien worden. De door den pot gegroeide wortels worden afgesneden,
+de bovenste aardlaag wordt voorzichtig uit den pot genomen en door
+versche aarde vervangen; ook de potten worden goed afgeborsteld,
+of nog beter afgeschrobd. Na deze voorbereidende werkzaamheden wordt
+de Roos gesnoeid. Men begint met alle zwakke twijgen af te snijden,
+zoodat er niet meer dan 4 of 5 sterke, goed rijpe twijgen aan iedere
+plant overblijven. Deze twijgen worden nu, al naar de soort en naar
+haar sterkte, op 3 tot 6 oogen teruggesneden, waarbij men er op moet
+letten, dat het bovenste oog steeds naar buiten is gericht; dit is
+hoognoodig om te voorkomen, dat de jonge scheuten in elkander groeien,
+doch een goed gevormde kroon maken. (Zie ook het hoofdstuk over "Het
+snoeien"). De zoo behandelde Rozen zet men nu in een vertrek, waarvan
+de gemiddelde temperatuur niet meer dan 50° Fahr. bedraagt. Deze
+temperatuur mag niet hooger zijn, om te beletten dat de scheuten
+zich te snel ontwikkelen. Binnen veertien dagen toch mag dit niet
+geschieden. Beginnen na dien tijd de eerste blaadjes zich te vertoonen,
+dan moeten de Rozen voor het venster van een zonnig, geregeld verwarmd
+vertrek geplaatst worden. Het is nu een voorname zaak, goed op het
+gieten te letten; de planten mogen toch volstrekt niet uitdrogen,
+waarom tamelijk veel gegoten moet worden, echter zoo, dat de aarde niet
+te overdadig nat wordt. Het te gebruiken gietwater moet een temperatuur
+van ongeveer 65° Fahr. hebben. De scheuten beginnen zich nu krachtig te
+ontwikkelen en spoedig worden de eerste bloemknoppen zichtbaar. Zoodra
+het laatste het geval is, kan men de planten eens per week gieren, ten
+einde den groei nog wat te bevorderen en zoodoende groote, volkomen
+gaaf ontwikkelde bloemen te verkrijgen. Veel meer dan bij de cultuur
+buiten, zal men nu met ongedierte te kampen hebben. Men moet deze
+plaag voortdurend krachtig bestrijden en haar steeds meester trachten
+te blijven, daar zij anders al de genomen moeite kan verijdelen.
+
+De uitgebloeide Rozen worden in een koel, doch vorstvrij vertrek gezet
+en slechts matig begoten; wordt het warmer, dan moet het vertrek flink
+gelucht worden, en is het weer bestendig geworden, dan kunnen zij
+buiten gezet en juist zoo behandeld worden als voor de pas opgepotte
+Rozen is vermeld. Voordat men de uitgebloeide Rozen in den tuin zet, is
+het echter zaak, ze te verplanten. Dit verplanten moet zeer voorzichtig
+geschieden: van de oude aarde wordt slechts weinig afgenomen en men
+moet er op passen, dat de kluit niet uit elkander valt. De potten,
+die men gebruikt, moeten slechts weinig grooter zijn, daar zij in
+groote potten zeer slecht groeien. Nadat deze Rozen verplant zijn,
+moeten zij ook gesnoeid worden, geheel op dezelfde wijze als men niet
+geforceerde Rozen na den bloei snoeit (Fig. 79).
+
+Bij dezen tweeden zomersnoei verwijdert men ook de zwakke, niet
+bloeibare twijgjes, terwijl de sterkere en uitgebloeide twijgen
+voldoende worden ingesneden. De zich in den bladoksel bevindende
+oogen beginnen nu uit te loopen en spoedig verkrijgt men een tweeden,
+niet minder fraaien bloei.
+
+De Rozen worden op verschillende wijzen gegroepeerd. Al deze groepen
+hier nader te beschrijven zou veel te ver voeren, wij zouden dan te
+uitgebreid worden. Wij geven hierbij, uit de verschillende groepen,
+eenige der fraaiste soorten op, die voor Potrozen geschikt zijn en
+ook voor kamer- en venstercultuur kunnen dienen.
+
+
+ Maand- of Bengaalrozen, (Rosa indica semperflorens).
+
+ Cramoisi supérieur, een kleine plant met schitterend
+ karmijnroode bloemen.
+ Hermosa, een zeer geliefde Maandroos, met rose bloemen.
+ Louis Philippe (Fig. 81), laag blijvende soort,
+ met karmijnroode bloemen.
+ Mme Eugène Résal (Fig. 82), met roode bloemen.
+ Mlle Laurette de Messimy, met koperkleurige bloemen.
+ viridiflora, de Roos met groene bloemen, niet zeer
+ schoon, maar zeer interessant.
+
+ Lilliputrozen, (Rosa indica Lawrenceana).
+
+ Gloire de Laurentia, een slechts 20 cM. hoog wordend
+ miniatuur-Roosje, met donkerroode bloemen.
+
+ Kleinbloemige Rozen, (Rosa polyantha).
+
+ Clotilde Soupert, met tamelijk groote, rose bloemen.
+ polyantha multiflora, een enkel- en gevuldbloemig
+ dwergroosje, met witte of rose bloemen, dat interessant
+ is, omdat in de kamer, in enkele maanden bloeibare
+ planten uit zaden kunnen worden gekweekt.
+ Paquerette, zeer rijk bloeiend met witte bloempjes.
+ Perle d'or (Fig. 83), met nankingele bloemen.
+ Theerozen, (Rosa indica fragans).
+ Cathérine Mermet, met vleeschkleurige bloemen.
+ Elise Fugier (Fig. 84), met witte, inwendig gele
+ bloemen.
+ Etoile de Lyon, met gele bloemen.
+ Gloire de Dijon, met lichtgele bloemen.
+ Mme. Falcot, met nankingele bloemen.
+ Maman Cochet (Fig. 85), met vleeschkleurige bloemen.
+ Niphetos, met prachtige knoppen en witte bloemen.
+ Safrano, met oranje bloemen.
+ Sunset, met saffraankleurige bloemen.
+ The Bride, witte bloemen met gelen weerschijn.
+
+ Noisetrozen (Rosa indica Noisettiana).
+
+ Céline Forestier, met lichtgele bloemen.
+ Mme. Pierre Cochet (Fig. 86), met gele bloemen.
+
+ Theehybriden (Rosa thea hybrida.)
+
+ Augustine Guinoisseau, met witte bloemen.
+ Camoëns (Fig. 87), rose bloemen met gelen grond.
+ Caroline Testout, met prachtige vleeschkleurig-rose
+ bloemen.
+ Kaiserin Augusta Victoria (Fig. 88), met prachtige
+ bloemen, uitwendig wit, inwendig lichtgeel.
+ La France, prachtige lichtroode bloemen.
+ William Francis Bennet, met karmijnroode bloemen.
+
+ Remontantrozen (Rosa hybrida bifera).
+
+ Alfred Colomb, met vuurroode bloemen.
+ Foliis tricoloribus (Fig. 90), met donkerroode bloemen
+ en fraaie geel-wit-bonte bladeren.
+ Baronne de Rothschild, met rose bloemen.
+ Frau Karl Druschki, met groote sneeuwwitte bloemen.
+ Général Baron Berge (Fig. 91), met granaatroode
+ bloemen.
+ Jean Lambert, met hoogroode bloemen.
+ Jules Margottin, met kersroode bloemen.
+ Paul Neyron, met donkerroode, zeer groote bloemen.
+ Pierre Notting, met zwartachtig roode bloemen.
+ Van Houtte, met vuurroode bloemen.
+ Victor Verdier, met schitterend karmijnroode bloemen.
+
+
+Rosmarinus officinalis (Rozemarijn). De Rozemarijn werd vroeger bijna
+overal aangetroffen, tegenwoordig echter veel minder, en alleen hier
+en daar in dorpen kan men haar nog wel eens vinden. Het is een klein
+struikje, met glimmende, naaldvormige blaadjes en kleine lilakleurige
+bloempjes. Haar vaderland is Zuid-Europa en de Levant. Er bestaan twee
+variëteiten van: een met wit- en een met geelbonte blaadjes. In haar
+vaderland groeit de Rozemarijn in een drogen bodem. Dit sierplantje
+moet in goede, zware aarde geplant; het kan des zomers buiten staan
+en ook buiten uitgeplant worden; des winters verlangt het een koel
+vertrek. De Rozemarijn is wel een zeer bescheiden, tevens een zeer
+harde, maar zeker ook een uitnemende kamerplant.
+
+De voortkweeking geschiedt door stekken, die zeer gemakkelijk wortelen.
+
+Salvia. Van dit geslacht zijn vele soorten bekend, die zich alle
+onderscheiden door den aromatischen geur harer bladeren, en vele ook
+door de fraaie kleur van haar bloemen. Voor venster- en balkon-cultuur
+moeten wij er in de eerste plaats twee aanbevelen. De Salvia patens,
+uit Mexico, vormt een kleinen Meter hoogen half-heester, met hoekige
+bladeren en groote aren van prachtig blauwe bloemen. De bloeitijd van
+iedere bloem afzonderlijk is slechts zeer kort, wat niet wegneemt,
+dat de plant bijna den geheelen zomer onafgebroken doorbloeit, daar
+de knoppen zich pas na elkander openen en de bloemstelen zeer rijk
+met knoppen bezet zijn. Een nog dankbaarder bloeiende soort met roode
+bloemen is de Salvia splendens, uit Brazilië. Beide soorten, waarvan de
+eerste een knolvormigen wortelstok heeft, rusten des winters volkomen:
+zij laten dan al haar bladeren vallen en kunnen in een luchtigen kelder
+of een koele achterkamer bijna geheel droog overwinteren. Wanneer
+men de planten vroeg in het voorjaar diep insnijdt, in goede voedzame
+aarde verplant en voor een zonnig venster in een warm vertrek plaatst,
+dan groeien zij zeer spoedig uit. Van de jonge scheuten kan men
+er nu enkele als stekken gebruiken, die zeer spoedig en gemakkelijk
+wortelen; ook de vermenigvuldiging uit zaden gaat zeer goed. Gedurende
+den zomer verlangen deze Salvia's zeer rijkelijk begoten te worden, en
+kweekt men ze in potten, dan moeten zij meermalen verplant en gegierd
+worden. Een heel aardige, doch zeer onbeduidend bloeiende soort is
+de bonte variëteit van de Salvia officinalis. Deze heeft gele, witte
+en groene bladeren. Zij moet in een zeer koude kamer overwinteren,
+daar zij dan haar fraai gekleurde bladeren behoudt.
+
+Sparmannia africana. De Sparmannia is een Kaapsche plant, die tot
+de familie der Lindeboomen behoort. Zij heeft groote, viltachtige,
+eenigszins hartvormige bladeren van lichtgroene kleur en vrij groote,
+gedurende den winter en het vroege voorjaar verschijnende bloemen. Deze
+bezitten witte bloembladeren en verkrijgen door de purperkleurige
+helmknopjes een zeer eigenaardig aanzien. Er is ook een variëteit met
+gevulde bloemen van bekend. De Sparmannia neemt, zonder twijfel, een
+eerste plaats onder de kamerplanten in. Deze plant, die, des zomers
+in den tuin uitgeplant, zich tot een grooten struik ontwikkelt,
+kan ook het geheele jaar door in de kamer gekweekt worden. Daar
+wordt zij natuurlijk lang zoo sterk niet; zjj krijgt dan echter
+zeer groote en fraaie bladeren, waardoor zij geheel het voorkomen
+van een prachtige bladplant heeft. Heeft men, om deze plant buiten
+te kweeken, geen beschutte plek in den tuin of een zonnig gelegen
+balkon, dan houdt men ze beter in de kamer, bij voorkeur voor een
+geopend venster. De Sparmannia verlangt een grooten pot en goede, zware
+aarde; een grondmengsel, bestaande uit broeiaarde en graszodengrond,
+waarbij eenige hoornspaanders of wat schapenmest gevoegd worden, zal
+haar zeker wel aanstaan. Gedurende den zomer moet men haar zeer veel
+begieten en, wanneer zij in vollen wasdom is, rijkelijk gieren. Goed
+onderhouden exemplaren moeten twee keer per jaar verpot worden.
+
+Des winters kan men de Sparmannia, al naar verkiezing, in een koud
+of warm vertrek kweeken. Doet men het in een warme kamer, dan zal
+zij weinig of niet rusten. Plaatst men haar des winters in een
+kamer met een temperatuur van 55° Fahr., geeft men haar daarbij een
+lichte standplaats en wordt zij op zonnige dagen nu en dan bespoten,
+dan zullen zich enkele bloemtrossen ontwikkelen. Kweekt men deze
+plant in een warm vertrek, dan moet men haar zeer goed in het oog
+houden en vooral op ongedierte letten, waardoor zij zeer licht wordt
+aangetast. Pas gekochte planten hebben meestal eenigen tijd noodig,
+voordat zij aan de kamer gewend zijn.
+
+De vermenigvuldiging geschiedt door stekken, die men van de
+twijgspitsen of van korte zijscheuten snijdt. De groote bladeren,
+die aan de stekken zitten, worden op de helft ingekort, waarna men
+iedere stek afzonderlijk in een klein, met zandige heide- of bladaarde
+gevuld potje zet. Onder glas geplaatst, wortelen deze stekken in zeer
+korten tijd. De bewortelde stekken kunnen dadelijk in potten van 10
+à 14 cM. wijdte worden geplant.
+
+Veronica (Eereprijs). Van het geslacht Veronica, waartoe ook enkele
+hier te lande inheemsche soorten behooren, hebben die, welke op de
+Australische eilanden gevonden worden, als harde kamer-, decoratie-
+of bloemplanten een niet onbelangrijke waarde. De bladeren van deze
+groenblijvende planten zijn meestal glimmend en lederachtig, zij zijn
+òf groot en dan lancetvormig òf klein, in welk laatste geval de plant
+wel eenige overeenkomst heeft met een Mirt.
+
+De kleinbladerige, laag groeiende soorten bloeien slechts zelden, en
+hebben kleine, onaanzienlijke bloemen; de grootbladerige daarentegen
+hebben tamelijk groote, uit de bladoksels ontspruitende aren, uit
+talrijke, blauwe of witte reukelooze bloempjes bestaande. Bijna
+in ieder jaargetijde verschijnen die bloemaren; nu eens zijn zij
+rijkelijk, dan weder spaarzaam aan de plant te vinden; zonder bloemen
+zijn zij echter slechts bij uitzondering.
+
+De struikachtige Veronica is zeer hard en kan dan ook in een
+vorstvrijen kelder of achterkamer overwinteren. In het voorjaar
+wordt zij flink ingesneden, en daarna voorzichtig in voedzame aarde
+verplant. Bij dit verplanten moet men voorzichtig zijn, de weeke
+viltachtige wortels, die langs den binnenkant van den pot groeien,
+niet te veel te beschadigen. Deze planten stellen geen bijzonder hooge
+eischen; zij groeien in de volle zon en ook in halfschaduw, voor het
+venster, op het balkon of in den tuin. Zij worden slechts zelden door
+ongedierte aangetast. Des zomers, wanneer zij in haar groeiperiode
+zijn, verlangen zij volop water en nu en dan een weinig gier.
+
+De voortkweeking geschiedt door stekken; deze worden van de
+toppen der scheuten gesneden en wortelen in enkele dagen. De jonge
+stekplantjes worden herhaaldelijk verpot, terwijl men ze zóó dikwijls
+de kopjes innijpt, totdat zij goed vertakt zijn. Hierdoor wordt in den
+beginne de bladontwikkeling wel een weinig vertraagd. Uit de talrijke
+grootbladerige soorten hebben de kweekers fraaie bastaarden gewonnen,
+die zeer rijk bloeien en als veelgezochte kamerplanten in vrij grooten
+getale voorkomen.
+
+Viburnum Tinus. Deze heester behoort in Zuid-Europa thuis en is
+onder den naam Laurus Tinus vrij algemeen bekend. Hij is na verwant
+aan onzen gewonen Sneeuwbal en onderscheidt zich door donkergroene,
+langwerpig-ovale bladeren en fraaie, kleine, witte bloemen. Deze
+bloempjes zijn in schermpjes vereenigd en verschijnen in het
+voorjaar. Geeft men hem echter een warme standplaats, dan zullen de
+twijgspitsen zich reeds in den winter met bloemen tooien en dikwijls
+zullen zij dan zóó rijk bloeien, dat de bladeren door de bloemen aan
+het gezicht onttrokken worden. Deze Viburnum wordt meestal als struik
+gekweekt, in welk geval hij in het voorjaar of den zomer door middel
+van stekken wordt vermenigvuldigd, welke stekken men òf in de aarde
+steekt, òf, juist als de Oleander, in een fleschje met water. Kweekt
+men hem echter als kroonboompje, dan moet hij op den gewonen Sneeuwbal
+veredeld worden, wat men het beste in een kweekerij laat doen.
+
+De meest geschikte grond is goede bladaarde, waardoor een derde
+klei- of graszodengrond wordt gemengd. Na den bloei worden de
+planten gesnoeid, waarbij men vooral op den vorm moet letten;
+hierna worden zij in betrekkelijk kleine potten verplant en met
+Mei, op een tamelijk zonnige plek, buiten gezet. Tot midden in den
+zomer wordt rijkelijk gegoten; hierna begint men minder te gieten,
+ook al hangen de jonge blaadjes in den beginne wat slap. Door deze
+behandeling wordt de te sterke bladvorming gestremd, en begint de
+bloemknopvorming, waarom het toch eigenlijk te doen is. Tegen den
+herfst zijn de bloemknoppen reeds duidelijk te zien. Heeft men zieke
+exemplaren, dan is het raadzaam ze een zomer in den tuin te planten;
+zij zullen zich dan weder flink ontwikkelen, doch den eersten daarop
+volgenden winter zal men weinig of geen bloemen hebben. Viburnums,
+zonder bloemknoppen kan men zeer goed in een luchtigen kelder laten
+overwinteren; zijn zij echter goed geknopt, dan moet men ze in een
+koele, lichte kamer zetten. Hoewel men den bloei kan bespoedigen,
+door ze in een warm vertrek te houden, is dit minder raadzaam, omdat
+de planten daar zeer licht door thrips worden aangetast.
+
+Des winters moet men met gieten zeer voorzichtig zijn, omdat de
+Viburnum, hoe hard zij ook is, vooral als oudere plant, in haar
+rusttijd zeer gevoelig is voor te veel water. Zij wordt dan niet
+alleen gauw ziek, maar gaat ook gemakkelijk dood.
+
+
+
+
+Struikachtige bloemplanten voor warme vertrekken.
+
+Aphelandra. Onder de fraaie, kleine bloemplanten voor warme vertrekken
+nemen de Aphelandra's, naast de verderop te behandelen Justicia's,
+een belangrijke plaats in. Deze kleine, tropisch-Amerikaansche
+struikjes groeien in de kamer zeer goed. Zij munten niet alleen uit
+door hun dikwijls fraai gekleurde of geteekende bladeren, maar ook
+door de fraaie uit de toppen der takjes ontspruitende bloemaren. Deze
+bloemaren bestaan uit schitterend roode, dakpansgewijze over elkander
+liggende schutbladeren, waartusschen zich de pijpvormige, gele of
+roode lipbloempjes ontwikkelen.
+
+Een zeer mooie soort is de Aphelandra aurantiaca, waarvan vooral
+een, uit Mexico afkomstige, variëteit, de A. aurantiaca Roezlii
+veel gekweekt wordt. De bladeren van dit fraaie plantje hebben een
+grijsgroene kleur en worden door zilverkleurige aderen doorsneden. De
+bloemen zijn fraai oranjerood. Andere soorten van dit geslacht zijn
+in den handel moeilijk of in het geheel niet te verkrijgen.
+
+De Aphelandra's moeten des winters in een vertrek staan, dat een
+temperatuur heeft van 55°-65° Fahr. Des zomers mag de warmtegraad wel
+10° hooger zijn. Het dankbaarste zijn jonge planten, die in goede,
+niet te lichte aarde moeten gekweekt worden. De potten mogen niet
+wijder zijn dan 10 à 12 cM. In den groeitijd moet men ze veel water
+en ook nu en dan wat gier geven.
+
+Na den bloei ontstaan er ter weerszijden van de bloemaar jonge
+scheuten, die gemakkelijk doorgroeien en ook wel weer tot bloei
+komen. Deze tweede bloemen zijn echter lang zoo mooi niet als de
+eerste; ook verliest de plant haar fraai voorkomen, zoodat men wijzer
+doet de oude planten, nadat het zaad rijp geworden is, weg te werpen.
+
+De voortkweeking geschiedt het gemakkelijkst door zaden, die ook in
+de kamer rijp worden. Ook door middel van stekken laten zij zich
+vermenigvuldigen. De zaad- en stekpotten moeten, totdat men jonge
+plantjes heeft, gesloten en warm gehouden worden.
+
+Franciscea. De Franciscea dankt haar naam aan keizer Frans II,
+onder wiens regeeringstijd zij in Brazilië gevonden werd. De enkele
+soorten van dit geslacht hebben langwerpige, lederachtige, lichtgroene
+bladeren en blauwe of violette bloemen, die tamelijk groot zijn,
+vlak uitstaan en een vreemden geur verspreiden. Hoewel deze fraaie
+struiken gedurende den winter bloeien, zijn zij toch maar weinig
+bekend en worden zij slechts zelden in kamers gekweekt.
+
+De Franciscea moet het geheele jaar door in de kamer gekweekt
+worden. Des winters verlangt zij een temperatuur van 60°-65° Fahr.,
+des zomers moet zij flink geschermd en het vertrek, waarin zij staat,
+ruimschoots gelucht worden. Evenals talrijke warme bloemplanten,
+houden de Franciscea's er veel van bespoten te worden. Groeien zij
+goed, dan kunnen zij een paar keer per jaar in goede nogal zware
+aarde verplant worden. Vertoont zich ongedierte, dan moet dit dadelijk
+verwijderd worden.
+
+De vermenigvuldiging geschiedt door stekken. Dit is echter den
+liefhebber niet aan te raden, daar zij wel op een warme standplaats
+wortelen, doch zich in de kamer niet tot bloeibare planten laten
+opkweeken.
+
+Gardenia. Onder de bloemplanten, bekend om haar fraaie, zeer
+welriekende bloemen, nemen de Gardenia's zeker wel een eerste plaats
+in. Ter wille van de fraaie, schoon gevormde, schitterend witte,
+zeer welriekende bloemen, maken wij van deze plant melding, hoewel
+zij voor kamercultuur verre van dankbaar is. De Gardenia's vormen
+kleine struiken, met vrij groote, glanzend groene, ei-lancetvormige
+bladeren. De eigenlijke bloeitijd valt in den herfst; toch verschijnen
+de bloemen, bij een goede cultuur, hoewel niet zoo talrijk, het
+gansche jaar door. Bij zonnig weer opent de Gardenia-bloem zich zeer
+gemakkelijk, bij donker weer echter slecht. Hoofdzakelijk worden de
+gevuldbloemige variëteiten van twee soorten gekweekt, namelijk van
+de Gardenia florida en de Gardenia radicans.
+
+Eigenlijk is de cultuur der Gardenia's zoo erg moeilijk niet;
+zij worden het geheele jaar door in het vertrek gehouden, dat des
+zomers rijkelijk gelucht en des winters op een temperatuur van 60°
+Fahr. verwarmd wordt. Gedurende den zomer willen zij rijkelijk begoten
+en bespoten en bij scherpe zon beschermd worden; des winters geeft men
+haar minder water en spuit men slechts bij helder weer. Men lette er
+vooral op, voor het spuiten en gieten kalkvrij water te gebruiken. De
+verplanting geschiedt in het voorjaar, in zandigen bladgrond, waar
+men een weinig ouden graszodengrond doorheen kan mengen.
+
+Jammer is het, dat de Gardenia sterk door insecten, bij voorkeur
+thrips en wolluis wordt aangetast; deze zijn het, die de cultuur zoo
+ondankbaar maken, daar zij juist in de droge kamerlucht bijna niet
+met goed gevolg te bestrijden zijn.
+
+Gezonde, bloeiende exemplaren zijn prachtig, doch ook niet-bloeiend,
+is de Gardenia een zeer mooie plant. De voortkweeking geschiedt in
+het voorjaar door stekken, die warm gehouden moeten worden.
+
+Hibiscus rosa chinensis. Deze Hibiscus vormt een middelmatig grooten
+struik, die waarschijnhjk uit Zuid-China en Noordelijk Indië afkomstig
+is. Tegenwoordig wordt zij daar overal gekweekt aangetroffen, in
+het wild vindt men haar er echter niet meer. Zij vormt een fraaie
+plant met vrij groote, glanzend groene bladeren en schoone enkele
+bloemen, waarvan de kleuren afwisselen tusschen het zachtste rose
+en het vurigste rood. In vorm en grootte komen deze bloemen veel
+overeen met die van onze enkelbloemige stokrozen, tot welker familie
+de plant dan ook behoort. De bloeitijd valt in de zomermaanden,
+en deze Hibiscus biedt, wanneer zij met haar fraaie bloemen prijkt,
+een prachtigen aanblik.
+
+Lastig om te kweeken is de Hibiscus niet, maar om haar stuggen groei is
+de plant toch niet zoo aanbevelenswaardig als de bloemen wel verdienen.
+
+In het voorjaar verplant men de Hibiscus in zeer voedzamen met
+eenige hoornspaanders doormengden grond; zij wordt dan tegelijkertijd
+flink ingesneden. Men kan ze den geheelen zomer door in een zonnig
+gelegen vertrek kweeken, wanneer men er voor zorgt het rijkelijk te
+luchten. Dikwijls spuiten zal den groei zeer bevorderen en ook het
+optreden van schild- en groene luis, waardoor deze plant gemakkelijk
+wordt aangetast, voorkomen. Gedurende den groeitijd verlangt de
+Hibiscus rijkelijk water; ook kan men haar gerust enkele malen goed
+gieren. Wil men ze in den herfst in bloei hebben, dan wordt zij in
+Mei verplant, waarop men door matig gieten den groei zooveel mogelijk
+tracht tegen te houden. Zoodra men meer gaat gieten, begint zij zich
+krachtig te ontwikkelen; in Juli worden de scheuten weer ingesneden,
+waarop in October en November de bloemen zullen verschijnen. In dezen
+aan bloemen armen tijd zijn zij dan natuurlijk dubbel welkom. Des
+winters moet de Hibiscus slechts matig begoten en niet te warm
+gehouden worden.
+
+De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door stekken, die men
+van de jonge scheuten snijdt. In het kamerkasje of onder een stolp
+groeien deze stekken zeer gemakkelijk.
+
+Jasminum. Deze plant mag niet verward worden met een zeer veel in de
+tuinen gekweekten fraaien bloemheester, die zeer ten onrechte onder
+den naam Jasmijn bekend is.
+
+Van de vele echte Jasminum-soorten, die zich door meestal kleine,
+witte of gele, doch zeer sterk riekende bloemen onderscheiden, zijn
+slechts twee soorten zóó fraai, dat zij waard zijn in de kamer gekweekt
+te worden. Dit zijn de Jasminum grandiflorum en de Jasminum Sambac. De
+eerste is een zeer slanke, ijle, groen blijvende struik met gedeelde
+bladeren en groote stervormige bloemen, zij komt in geheel tropisch
+en subtropisch Azië voor. De tweede soort, de Jasminum Sambac is,
+vooral bij hen, die Indië bezochten, meer algemeen bekend onder den
+naam "Melatti". Het is een struik met glanzend groene, eivormige
+bladeren en zeer welriekende, witte bloemen. Van deze soort wordt
+tegenwoordig meestal de gevuldbloemige variëteit gekweekt.
+
+De Jasminums zijn oorspronkelijk klimplanten, en hoewel de bloemen
+betrekkelijk klein zijn, brengen zij door haar fijnen geur bijna
+iedereen in verrukking. In potten gekweekt, ontwikkelen zij zich
+slechts tot kleine struikjes, die men aan een stokje opbindt. Zij
+moeten geplant worden in lichten grond; heidegrond, veengrond of
+bladaarde passen haar goed. Des zomers zet men ze in een lichte,
+luchtige kamer, des winters in een matig warm vertrek.
+
+De voortkweeking geschiedt door stekken of afleggers.
+
+Justicia. Het naar den Schotschen kweeker James Justice genoemd
+plantengeslacht omvat verscheidene fraaie soorten, die alle op dezelfde
+wijze behandeld moeten worden. Zij vormen aardige struikjes, met
+gesteelde, langwerpige bladeren en lieve, aan de spitsen verschijnende
+bloemaren. Deze bloemaren worden door fraai gevormde, met groote
+schutbladeren omgeven, lipbloempjes gevormd.
+
+De nevenstaande gravure, Fig. 93, is die der Justicia coccinea uit
+Suriname, met fraaie, scharlakenroode bloemen, die gewoonlijk in het
+voorjaar, in de maanden April en Mei, verschijnen. De Justicia carnea,
+met vleeschkleurige bloemen, is uit Brazilië afkomstig; deze soort
+bloeit gewoonlijk in het midden van den zomer, terwijl de Justicia
+speciosa, uit Bengalen, met haar rozeroode bloemen een zeer schoone
+herfstbloeister is.
+
+De Justicia's zijn zeer dankbare kamerplanten, die het geheele jaar
+door in de kamer kunnen gekweekt worden. Zij verlangen een lichte
+standplaats en een temperatuur van 60°-65° Fahr. Wanneer de planten
+uitgebloeid zijn, ontwikkelen zich onder de bloemaar, dus uit de oksels
+der bovenste bladeren, jonge scheuten, die vroeger of later weder
+bloeibaar worden. Voor deze jonge scheuten geldt hetzelfde, wat wij
+gezegd hebben omtrent die, welke zich bij de Aphelandra's ontwikkelen.
+
+De Justicia's worden gedurende het voorjaar in goede broeiaarde
+verplant. Ten einde fraaie, bossige planten te verkrijgen, die rijk
+bloeien, moet men ze na het verpotten flink insnijden, zoodat er op
+iedere twijg niet meer dan twee paar bladeren blijven staan. Zijn
+de planten flink aan het doorgroeien, dan kan men ze vrij geregeld
+gieren; worden zij zorgvuldig begoten, bij helder weer bespoten en
+bij te scherpe zon geschermd, dan blijven zij vrij van ongedierte en
+zullen zich spoedig tot fraaie planten ontwikkelen.
+
+De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door kleine stekjes,
+die zeer gemakkelijk wortelen.
+
+Poinsettia pulcherrima. De Poinsettia is een echte winterbloeister,
+daar de bloeitijd in December begint en pas in Januari eindigt. Deze
+zeer fraaie, gewoonlijk slechts ½ à ¾ Meter hoog wordende struik is
+afkomstig uit Mexico, Guatemala en Costa-Rica. De weinig houtachtige
+twijgen zijn hol en scheiden bij de minste verwonding een wit melksap
+af. Hiermede moet men zeer voorzichtig zijn, daar dit melksap een
+vrij sterk bloedvergif is, en, in wonden komende, een gevaarlijke
+ontsteking kan veroorzaken. De bladeren zijn vaak verschillend
+gevormd, meest echter ovaal. In de laatste helft van den herfst
+ontstaan aan de spitsen der twijgen eigenaardig gevormde knopjes,
+die steeds duidelijker worden. Deze groene knopjes worden de weinig
+beteekenende bloemen, die echter door een aantal spiraalsgewijze
+ingeplante schutbladeren omgeven zijn. In de donkere najaarsdagen
+groeien deze schutbladeren langzaam door; spoedig beginnen zij zich
+te kleuren en tegen Kerstmis zijn de dicht bijeen zittende groene
+bloempjes omringd door een grooten krans van prachtige, vuurroode
+bladeren, die aan de plant een groote waarde geven en door de meeste
+leeken voor bloembladeren worden aangezien. Hebben de bloemen haar
+vollen wasdom bereikt, dan beginnen deze schutbladeren langzaam
+te verwelken; zij vallen te gelijk met de gewone bladeren af en de
+Poinsettia treedt haar rustperiode in.
+
+De rustende Poinsettia kan op iedere plaats in een matig warme kamer
+overwinteren. In Maart zet men de planten voor een zonnig venster van
+een warme kamer, nadat men de kale stengels flink heeft ingesneden,
+waarop men weder geregeld begint te gieten. Aanvankelijk moet dit
+gieten zeer voorzichtig geschieden; beginnen zich echter de jonge
+scheuten te ontwikkelen, dan kan men rijkelijk water geven. De weder
+bebladerde Poinsettia wordt nu zeer voorzichtig verplant in bladaarde,
+vermengd met wat kleigrond en zand. Men moet ze nu langzamerhand aan
+frissche lucht gewennen en in Juni voor een druk gelucht wordend
+venster zetten. Om een goeden groei te bevorderen, moet men ze
+gedurende den zomer zooveel mogelijk zon geven en overvloedig
+begieten. In September worden de planten voor het zonnige venster
+van een warme kamer gezet en hier worden zij, indien men wil dat de
+schutbladeren zich goed zullen ontwikkelen, minstens één keer per
+week gegierd.
+
+In het voorjaar steekt men stekken van de jonge scheuten, die, wanneer
+zij op een warme plaats onder glas staan, in 2 à 3 weken beworteld
+zijn. Snijdt men de planten niet in, dan zullen zij op één scheut
+doorgroeien en zeer mooie exemplaren vormen.
+
+Thyrsacanthus rutilans. De Thyrsacanthus is een krachtige halfheester
+uit Zuid-Amerika, die in één zomer ½ à ¾ Meter hoog kan worden. Een
+goed ontwikkelde plant maakt van het einde van den zomer tot het
+begin van den winter fraaie, afhangende bloemtrossen, die onstaan
+uit de bladoksels der lancetvormige bladeren. Iedere tros is 20-30
+cM. lang en bestaat uit 12-16 donker-karmijnroode bloemen.
+
+Deze plant moet gekweekt worden in met heide- of bladaarde vermengden
+graszodengrond; men zet haar in een warme kamer en beschermt haar
+tegen te felle zon. Een rijkelijk begieten en geregeld gieren zal
+den groei zeer bevorderen, zoodat de planten spoedig een krachtig
+voorkomen krijgen. Na den bloei rust de Thyrsacanthus geruimen tijd,
+zoodat zij dan slechts matig begoten mag worden, niettemin moet men
+haar steeds op een lichte plaats laten staan.
+
+De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door middel van stekken.
+
+
+
+
+Kruidachtige bloemplanten voor koele vertrekken.
+
+Agapanthus umbellatus. De Agapanthus, waaraan wij een groote gravure
+wijden, is een zeer schoone bloemplant, afkomstig van de Kaap de
+Goede Hoop. Deze prachtige plant vormt uit den wortelstok een groot
+aantal scheuten met lange, riemvormige, zachte bladeren, waaruit
+in den zomer krachtige bloemstelen te voorschijn komen, die groote
+schermen van lichtblauwe bloemen dragen. Een minder schoone variëteit
+heeft witte bloemen.
+
+Een dankbare plant is de Agapanthus eerst, wanneer men haar in een
+kuipje kweekt. Zij eigent zich dan bijzonder voor zonnige balkons
+of veranda's; ook kan men haar dan als alleen staande plant in den
+tuin gebruiken. Des winters is zij uitstekend geschikt om de gang te
+versieren, hoewel zij ook in een luchtigen kelder kan overwinteren.
+
+Gewoonlijk wordt de Agapanthus geheel verkeerd behandeld; men gelooft
+toch algemeen, dat zij slechts dán bloeit, wanneer men haar gebrek
+laat lijden, waarom zij meestal eerst verplant wordt, als de dikke
+vleeschachtige wortels den pot hebben doen barsten of de kuip geheel
+gevuld hebben. Bij een dergelijke behandeling zien de planten er
+echter steeds armoedig uit; zij geven slechts kleine schermpjes met
+15 à 20 bloemen; terwijl de ondervinding leerde, dat zij bij een goede
+behandeling schermen kunnen maken met 180-220 bloemen, welke schermen
+dan een trotschen aanblik opleveren. Om een dergelijk resultaat te
+verkrijgen, moet de Agapanthus minstens om het andere jaar verpot
+worden in den meest voedzamen grond; gedurende den zomer moet zij veel
+begoten en gegierd worden, terwijl zij een zonnige standplaats moet
+hebben. De afbeelding toont een plant, die reeds twee jaar buiten is
+uitgeplant; in den winter wordt zij met een doorgezaagde ton bedekt,
+die bij intredende vorst geheel met mest wordt omgeven. Een plant,
+die zich op deze wijze buiten laat overwinteren, kan natuurlijk den
+winter ook zeer goed in den kelder doorbrengen. Zij verliest dan,
+evenals buiten overwinterd, al haar bladeren, wat echter volstrekt
+niet schaadt.
+
+Gedurende den winter moet zij zeer spaarzaam begoten worden.
+
+Het is den liefhebber niet geraden oude planten door deeling
+te vermenigvuldigen, omdat juist groote planten het dankbaarste
+bloeien. De voortkweeking uit zaden gaat zeer langzaam.
+
+Calceolaria hybrida. De Calceolaria's zijn zoogenaamde tweejarige
+planten; zij worden in den zomer uit zaden gekweekt, groeien den
+winter door, bloeien in het voorjaar en sterven na zaad gemaakt
+te hebben af. Deze algemeen bekende bloemplanten hebben groote,
+lichtgroene bladeren, die grootendeels op den pot blijven liggen. Op
+sterke stelen verheffen zich de bloemen, die zeer talrijk zijn, boven
+de bladrozet; zij hebben een ballonachtig, opgeblazen voorkomen en
+zijn geheel reukeloos. Men onderscheidt hooge, middelmatige en lage
+variëteiten en naar de kleur der bloemen getijgerde en gevlekte.
+
+De zeer fijne zaden worden in Juli en Augustus gezaaid op gezifte,
+zandige heide- of bladaarde; de zaden worden niet gedekt, matig vochtig
+gehouden, beschaduwd en koel gezet. De zeer kleine zaailingen moeten
+een paar keer gerepikeerd worden, totdat zij groot genoeg zijn om
+in afzonderlijke potjes geplant te worden. Al naar den groei der
+plantjes zal het noodig zijn ze nog een- of tweemaal te verpotten,
+waarvoor een mengsel van gelijke deelen heide-, blad- en broeiaarde,
+benevens zand uitstekend geschikt is.
+
+De cultuur is niet zeer gemakkelijk, wat veroorzaakt wordt door het
+meermalen repikeeren en verplanten en ook, doordat de planten zeer
+koel en toch vorstvrij gehouden moeten worden, daar zij anders door
+insecten worden aangetast en daardoor zeer lijden. Voorzichtiger doet
+de liefhebber, zich in het voorjaar de tamelijk goedkoope Calceolaria's
+in bloeibaren toestand aan te schaffen; zij verlangen dan rijkelijk
+water benevens een lichte en luchtige standplaats.
+
+Een in vollen bloei zijnde Calceolaria levert een prachtig gezicht op.
+
+Campanula (Klokjesbloem). Onder de vele één- en tweejarige Campanula's,
+die zeer veel tot tuinversiering gebruikt worden, bevinden zich ook
+eenige soorten, die uitstekend geschikt zijn voor kamercultuur. De
+fraaiste hiervan is zeker wel de Campanula pyramidalis, een tweejarige
+plant, die des zomers een pyramidevormige bloeiwijze ontwikkelt, welke
+1 à 1 1/2 M. hoog kan worden, en die uit fraaie, groote, witte of
+blauwe bloemen bestaat. De zaden, die de plant rijkelijk voortbrengt,
+worden tegen het einde van Augustus of begin September in potten
+gezaaid. Deze zaadpotten moeten koud overwinterd worden; men kan ze
+zelfs des winters buiten houden. In de lente worden de zaailingen
+gerepikeerd, om ze daarna afzonderlijk in potjes uit te planten.
+
+Wanneer men deze plantjes in goede aarde geplant heeft, en men geeft
+ze een goede, zonnige standplaats voor het venster, dan zullen eenige,
+er van reeds in het najaar bloeien, de meeste, echter in den daarop
+volgenden zomer.
+
+Een zeer fraaie ampelplant is de Campanula fragilis, die den geheelen
+zomer door talrijke platte, lichtblauwe, stervormige bloemen geeft;
+ook de C. garganica van het Garganusgebergte in Apulië is voor dit doel
+uitstekend geschikt. Deze beide hangende soorten hebben rondachtige
+bladeren. Zij laten zich beide zeer gemakkelijk door wortelspruiten
+vermenigvuldigen. In enkele streken worden deze drie Campanula-soorten
+zeer veel gekweekt, en hij, die eenmaal met haar cultuur begonnen is,
+zal deze niet gemakkelijk meer opgeven.
+
+Cheiranthus Cheiri (Muurbloem). De, om den heerlijken geur harer
+bloemen, algemeen in trek zijnde Muurbloem komt op zeer enkele plaatsen
+van ons land in het wild voor, o.a. op de ruïne van Brederode. Men
+onderscheidt stam- en struik-Muurbloemen. Van beide soorten, waarvan
+de eerste slank, de laatste bossig groeit, heeft men weder hooge en
+lage, enkele en gevulde variëteiten.
+
+De Cheiranthus wordt in het voorjaar gezaaid in een pot, die buiten
+voor het venster wordt geplaatst, of wel, men zaait ze direct in den
+tuin uit. De jonge plantjes worden, wanneer zij een paar centimeters
+hoog zijn, gerepikeerd op een afstand van 25-35 cM., bij voorkeur op
+een goed toebereid vakje in den tuin. Hier worden zij, zoo noodig,
+rijkelijk begoten en in het najaar zeer voorzichtig in behoorlijk
+groote potten gezet. Voor dit opplanten wordt broeiaarde of goede
+bladgrond gebruikt. De overwintering geschiedt nu in een kouden
+kelder of achterkamer. Krachtige planten kunnen dan van Februari af
+voor een zonnig venster in bloei getrokken worden. De Muurbloem stelt
+zeer weinig eischen; zij is zeer hard en uitstekend geschikt voor de
+voorjaarsbeplanting van balkonbakjes en bloemvakken.
+
+Chrysanthemum indicum. De Chrysanthemums zijn overal bekende en bijna
+door iedereen beminde bloemplanten, en kunnen tegenwoordig met alle
+recht als echte modeplanten beschouwd worden. De bekwame kweekers
+hebben ze tot op een zeer hoogen trap van volmaaktheid weten te
+brengen, en de bloei, die in den laten herfst en den vóórwinter valt,
+heeft deze planten zeer bemind gemaakt. Wij willen hier niet ingaan
+op de tegenwoordig ontelbare variëteiten, die, al naar de vorm der
+bloemen, in verschillende groepen worden verdeeld, daar het beter is,
+dat ieder liefhebber ze naar zijn eigen smaak in de verschillende
+kweekerijen uitkiest. Wij zullen ons dus uitsluitend met de cultuur
+bezighouden. Als een echte vaste-plant sterft de Chrysanthemum na
+den bloei tot op den wortelstok in. De uitgebloeide scheuten worden
+dan tot op den pot toe afgesneden en slechts de jonge scheuten, die
+dan dikwijls reeds zijn te voorschijn gekomen, laat men staan. Deze
+jonge scheuten moeten in het volgend jaar de bloeiende planten leveren,
+terwijl de uitgebloeide moederplant dan naar den mesthoop verhuist. Er
+zijn twee wegen om de Chrysanthemums te vermenigvuldigen: òf wij
+werpen de oude planten dadelijk weg, na de jonge scheuten afgesneden
+te hebben, die als stekken gedurende den winter zeer goed wortelen;
+òf wij kweeken de oude planten tot Februari in het venster van een
+koude kamer, om dan eerst met het snijden der stekken te beginnen.
+
+De liefhebber doet het beste met het stekken tot de eerste dagen van
+Februari te wachten. Men gebruikt daartoe uitsluitend de scheuten,
+die uit den pot zijn ontsproten; die, welke zich aan de nog voorhanden
+zijnde oude stengels hebben ontwikkeld, worden bij voorkeur niet
+gebruikt. De stekjes worden met een scherp mesje gesneden en 6 à 8
+te zamen rondom den rand van een 10 cM. wijden pot gestekt. De beste
+aarde om in te stekken is zandige broei- of bladaarde. De beworteling
+geschiedt zeer goed voor het venster van een koele kamer, maar steeds
+in gesloten lucht, zoodat iedere pot met een stolp moet bedekt worden.
+
+Het is niet raadzaam de stekken te warm te houden, daar zij dan minder
+krachtige planten vormen. Nadat zij geworteld zijn, kan men de stolpen
+er af nemen en de jonge plantjes zoo koel mogelijk houden. Tegen
+het einde van Maart worden de stekken uit de stekpotten genomen en
+ieder afzonderlijk in een potje van 6-7 cM. wijdte geplant. De jonge
+Chrysanthemums worden nu voor het venster van een dikwijls geluchte,
+koele kamer gezet, waar zij spoedig flink zullen doorgroeien.
+
+Jonge planten, moeten zoodra zij drie volkomen ontwikkelde bladeren
+gevormd hebben, daarboven ingenepen worden. Gewoonlijk zullen zich
+dan drie scheuten ontwikkelen, die men laat doorgroeien, totdat
+zij weder drie volgroeide bladeren hebben, waarna zij nogmaals
+ingenepen worden. Op deze wijze verkrijgt men mooie planten met 8
+à 9 scheuten. Eenige er van kan men echter laten doorgroeien, om er
+kroonboompjes van te maken (Fig. 96).
+
+In het begin van Mei, wanneer er geen nachtvorsten meer te vreezen
+zijn, graaft men de jonge planten op een vak in den tuin in. Dit
+vak moet goed op de zon liggen. Om de vier à zes weken moeten de
+planten nu geregeld verpot worden; dit moet zoo voorzichtig mogelijk
+geschieden, daar de wortels niet beschadigd mogen worden. Iederen keer
+gebruikt men potten, die slechts weinig grooter zijn dan die, waarin
+zij stonden. De aarde, die men gebruikt, moet zoo voedzaam mogelijk
+wezen, het beste is een mengsel van broeiaarde, graszodengrond en
+verteerden koemest, waarbij rijkelijk zand en wat hoornspaanders
+of beendermeel wordt gevoegd. Heerscht er warm weer, dan moeten de
+Chrysanthemums 's morgens en 's avond begoten en bespoten worden;
+en 2 à 3 weken na het verpotten moet men ze weder minstens één keer
+per week gieren. Een plant, die zoo sterk groeit, mag het, vóór alles,
+niet aan voedsel ontbreken.
+
+Kweekt men struikvormige Chrysanthemums, dan behoeft men er niet
+anders aan te snijden, dan hiervoor vermeld is. Wanneer men dit mooi
+vindt, kunnen de Chrysanthemums ook in waaier-, scherm- of kogelvorm
+gekweekt worden, door er een aantal stokjes bij te steken en hier de
+takken aan te binden. Dit veroorzaakt echter veel moeite, het eischt
+veel handigheid en het kan niet werkelijk mooi genoemd worden. Het
+gemakkelijkst kweekt men nog kleine kroonboompjes (Fig. 96). Hiertoe
+gebruikt men de stekplantjes van krachtige soorten, die toonen flink
+te willen doorgroeien. Bij deze stekplantjes zet men stokjes, die juist
+zoo lang moeten zijn, als men het stammetje hoog wil laten worden. Aan
+deze stokjes worden de jonge plantjes gebonden; men zorgt er nu voor,
+alle zijscheuten, zoodra die ontstaan, geregeld weg te breken. Zijn
+de plantjes eindelijk zóó lang geworden, dat zij even boven de stokjes
+uitsteken, dan snijdt men hun de koppen af. Er zullen zich dan spoedig
+een aantal zijscheuten ontwikkelen. Van deze zijscheuten behoudt men
+de bovenste, die het kroontje moeten vormen; de overige worden weer
+weggesneden. Uit deze zijscheuten worden, wanneer zij lang genoeg
+zijn, weder de koppen gesneden, ten einde mooie dichte kroontjes
+te verkrijgen. Wenscht men groote bloemen te hebben, dan moeten,
+zoodra de knopvorming begint, steeds al de zijknoppen weggebroken
+worden, zoodat men op iederen scheut slechts één knop behoudt en al
+het voedsel der plant ten gunste dezer knoppen komt. Deze bewerking
+past men zoowel op de kroonboompjes als op de struiken toe. Van
+grootbloemige soorten kan men op de volgende wijze reusachtige bloemen
+verkrijgen. In Maart of April snijdt men van sterke scheuten stekken,
+die, zoodra zij beworteld zijn, in potten van 10 cM. wijdte worden
+gezet. Deze zomerstekken laat men op één scheut doorgroeien, door alle
+zijscheuten tijdig te verwijderen; aan dezen éénen scheut laat men,
+zoodra de knoppen goed zichtbaar zijn, slechts den sterksten zitten;
+al de andere worden weggebroken. Behandelt men de plant goed en laat
+men het haar aan niets ontbreken, dan zal die ééne knop zich tot een
+bloem van buitengewone afmeting en pracht ontwikkelen.
+
+De Chrysanthemum heeft zeer veel vijanden, waaronder luizen, larven
+en meeldauw wel de ergste zijn. Deze vijanden tasten haar echter
+dàn alleen aan, wanneer zij, door een fout in de kweekwijze, niet
+goed groeit.
+
+Zoodra er in het najaar nachtvorsten komen, moet men de Chrysanthemums
+in een zonnige, doch koele kamer zetten; en wordt er bij vorstvrij
+weer voor goed luchten gezorgd, dan zullen de bloemen zich spoedig
+gaan ontwikkelen. Geeft men ze echter te veel warmte, of lijden zij
+gebrek aan frissche lucht of water, dan gaan zij in de kamer zeer snel
+achteruit en de bloemen zullen niet goed openkomen. Ook de afgesneden
+bloemen duren in een warm vertrek slechts kort; in een koude kamer
+kan men ze echter tamelijk lang goed houden.
+
+Cineraria hybrida. De Cineraria behoort tot de familie der
+samengesteld-bloemigen en de meeste thans gekweekte soorten stammen van
+de Cineraria cruenta, een op de Canarische eilanden te huis behoorende
+soort af. Het is een tweejarige, dankbare bloemplant, met groote,
+zeer ruwe bladeren. De op krachtige stelen verschijnende bloemen
+kenmerken zich door de prachtige kleuren der straalbloempjes, die
+nú eens rood, blauw of violet, dán weder zuiver wit zijn, terwijl
+ook meerdere kleuren in een bloem kunnen voorkomen. De bloemen
+zijn meestal reukeloos; soms echter onderscheiden zij zich door
+een aangenamen geur. Men kweekt tegenwoordig lage, middelmatige en
+hooge variëteiten. De fraaiste zijn zeker wel de middelmatig hooge
+verscheidenheden zooals er een in Fig. 98 is afgebeeld.
+
+De cultuur der Cineraria is juist dezelfde, die wij vermeld
+hebben voor de Calceolaria. Zij is echter in sommige opzichten
+gemakkelijker, daar de zaden grooter zijn, zoodat men die wijder
+uit elkander kan zaaien. De kiemplantjes zijn ook grooter dan bij de
+Calceolaria's, zoodat zij heel wat gemakkelijker te repikeeren zijn;
+ook is één keer repikeeren meestal voldoende, omdat men ze hierna
+wel in afzonderlijke potjes kan uitplanten. Het best kweekt men de
+Cineraria in goede broeiaarde. Zij wordt in September gezaaid, en
+groeit den geheelen winter flink door, wanneer men haar een lichte,
+koele, doch vorstvrije standplaats geeft en het haar niet aan water en
+gier laat ontbreken. Somtijds begint zij in Januari reeds te bloeien;
+de normale bloeitijd valt echter in de maanden Maart en April. Sterke
+exemplaren moeten enkele malen verpot worden, totdat zij in potten
+staan van ongeveer 16 cM. wijdte. Houdt men de Cineraria's te warm en
+geeft men ze geen frissche lucht genoeg, dan worden zij weldra door
+insecten aangetast, die dikwijls de fraaiste en schoonste exemplaren
+ten gronde richten; zelfs treden dan wel larven op, die in de bladeren
+leven en deze geheel verwoesten. Vorst verdraagt de Cineraria in het
+geheel niet. Een liefhebber zal verstandig doen deze planten eerst
+tegen het einde van September te zaaien, ze in kleine potten te laten
+overwinteren en vroeg in het voorjaar te verplanten; zij kunnen dan,
+wanneer de nachtvorsten voorbij zijn, ter versiering van het balkon
+gebruikt worden. De beste plaats voor bloeiende Cineraria's is in
+een breede vensterbank; voor een bloemtafel zijn zij minder geschikt,
+omdat zij, daarin geplaatst, te weinig licht en lucht verkrijgen.
+
+Dianthus (Anjelier). Door haar heerlijken geur, haar prachtige kleuren
+en het fraaie voorkomen der geheele plant, is de Anjelier langen tijd
+de lieveling van alle plantenliefhebbers geweest; te meer, omdat zij
+zich ook gemakkelijk laat kweeken. Zij moge tijdelijk door de mode
+verdrongen, zijn, telkens wordt zij weder in eere hersteld.
+
+Dianthus Caryophyllus (Grasanjelier). Deze is zeker wel de oudste der
+Anjelieren, die voor venstercultuur gebruikt worden. Het vaderland van
+deze soort, die nu en dan ook in het wild groeiend wordt aangetroffen,
+en dan kleine, donker-lilakleurige bloemen heeft, is zuidelijk
+Europa. In de cultuur hebben zich talrijke variëteiten gevormd, die
+door fraaie kleuren en gevulde bloemen uitmunten. De gevulde Anjelieren
+geven gemakkelijk zaad; men kan ze dus uit zaad voortkweeken, doch
+de zaailingen zijn niet constant, d.w.z. dat zij lang niet altijd de
+eigenschappen bezitten, die de moederplant kenmerken. Wel verkrijgt
+men uit een zaaisel planten met fraai gevulde of gekleurde bloemen,
+doch er zijn er ook vele onder, die enkel zijn en haar schitterende
+kleuren verloren hebben. Een liefhebber, die zijn Anjelieren wil
+voortkweeken en zeker wil zijn, bepaalde variëteiten te behouden,
+moet dit doen door middel van afleggers (Zie Fig. 27). Deze wijze
+van voortkweeken doet men gedurende of na den bloei, men gebruikt
+er jonge scheuten voor, die niet meer zullen bloeien. De afleggers
+wortelen gewoonlijk na 5 of 6 weken; zij worden dan van de moederplant
+afgesneden, en afzonderlijk in kleine potjes opgepot. In deze potjes
+laat men de jonge afstammelingen overwinteren, waartoe men ze niet vóór
+November in een luchtigen kelder of een koele achterkamer zet. Reeds
+vroeg in het voorjaar moeten deze jonge Anjelieren verpot worden. Men
+gebruikt hiertoe potten van 13 cM. wijdte en plant ze in een mengel
+van 2/3 broeiaarde, 1/3 klei- of graszodengrond en een weinig scherp
+zand. Dadelijk na het verplanten worden zij buiten voor het venster of
+op het balkon geplaatst. Ook de oudere planten moeten tijdig verpot
+en buiten gezet worden. De door afleggers verkregen planten geven
+gewoonlijk in het eerste jaar slechts zeer weinig bloemen; in het
+tweede jaar bloeien zij echter volop. De bloemstelen zijn zeer dun
+en kunnen veelal de zware, gevulde bloemen niet dragen; ook breken
+zij zeer gemakkelijk, waarom het voorzichtig is ze aan dunne stokjes
+te binden. De Grasanjelier is ook uitstekend geschikt, om in bakjes
+uitgeplant te worden. Heeft men soorten met sterk gevulde bloemen,
+dan wil het wel voorkomen, dat de kelk berst; de bloemen worden
+dan eenzijdig en verliezen veel van haar net voorkomen. Men kan dit
+kwaad gemakkelijk keeren, door om iederen knop een guttapercha bandje
+te leggen.
+
+De Grasanjelieren, die door vele kweekers aan de markt gebracht
+worden, zijn vaak in haar volle kracht uit den vrijen grond opgestoken
+planten. Deze zijn wel in den beginne zeer fraai, doch verwelken
+spoedig; reden waarom een liefhebber wijs doet, zijn Anjelieren zelf
+langs kunstmatigen weg te kweeken; hij is dan zeker, in het tweede
+jaar prachtig bloeiende planten te hebben.
+
+Dianthus Caryophyllus semperflorens. (Remontant Anjelier.) Deze
+variëteit, ongeveer 40 jaar bekend, is waarschijnlijk in Frankrijk
+gewonnen. Zij is tegenwoordig zeer in trek en wordt in zuidelijk
+Europa in het groot gekweekt, ten einde de bloemen des winters op de
+markten der groote noordelijke steden te brengen. Deze worden hier te
+lande bij duizenden ingevoerd, en spelen een zeer voorname rol bij de
+bloemenbinderij. Ook als potplant wordt deze Anjelier veel gekweekt;
+zij is dan een zeer in trek zijnde winterbloeister.
+
+Ofschoon de Remontant-Anjelier in de laatste jaren door verschillende
+kweekers zeer verbeterd is, hebben haar bloemen toch niet die schoone
+kleuren en fraaie teekening, welke der Grasanjelier eigen is; zij
+heeft echter de zeer goede eigenschap, dat zij bijna het geheele jaar
+door bloeit en juist in het laatste gedeelte van den herfst en het
+eerste gedeelte van den winter het rijkst, een tijd, waarin bloemen
+steeds zeer welkom zijn.
+
+De Remontant-Anjelier wordt in Januari of Februari uit stekken
+voortgekweekt, die men snijden moet zooals Fig. 22 aantoont. Deze
+stekken zet men vlak aan den rand van een met zandige aarde gevulden
+pot; de stekpot wordt op een lichte, warme plaats gezet en slechts even
+vochtig gehouden. Nog zekerder is men van het wortelen der stekken,
+wanneer men op de volgende wijze te werk gaat. Men neemt een pot
+van 10 cM. en een tweeden van 7 cM. wijdte, van welken tweeden het
+drainagegaatje met een kurkje, of beter nog met een weinig cement,
+waterdicht toegemaakt wordt. Is het cement goed opgedroogd, dan
+legt men in den grooten pot een laagje scherven en brengt men er
+zooveel aarde in, dat de kleinere pot, er ingezet, juist met den
+rand gelijk komt. De ruimte tusschen de twee potten wordt dan met
+aarde gevuld, waarin de stekken gestoken worden. Is dit geschied, dan
+wordt de binnenpot met water gevuld en, wanneer dit noodig blijkt,
+water bijgegoten. Door de poriën van den binnenpot dringt nu juist
+zooveel water als de stekken noodig hebben, zoodat deze in het geheel
+niet behoeven begoten te worden (Fig. 100). Op deze wijze behandeld,
+wortelen de stekken vrij zeker binnen 4 à 6 weken.
+
+De cultuur van de Remontant-Anjelier is juist dezelfde als die van de
+Grasanjelier: zij wordt in dezelfde aarde geplant, ook in het voorjaar
+verpot en daarna buitengezet. Om te voorkomen, dat de stekplanten
+reeds in den zomer bloeien, snijdt men er den kop uit; zij maken
+dan zijscheuten, die pas in het najaar in bloei zullen komen. De
+Remontant-Anjelier moet natuurlijk niet in den kelder overwinteren
+daar zij des winters bloeit, maar voor een zonnig venster van een
+matig warme kamer.
+
+Dianthus Margaritæ. Dit is een nog betrekkelijk nieuwe variëteit,
+met zeer fraaie bloemen. Deze laat zich zeer goed door zaad
+vermenigvuldigen daar een zaaisel bijna uitsluitend planten met
+gevulde bloemen oplevert. De Dianthus Margaritæ wordt in de maand
+Maart gezaaid in potten, die men voor het venster zet; de opkomende
+zaailingen worden gerepikeerd, in kleine potjes geplant en gedurende
+den zomer nogmaals verpot. Kweekt men ze tot aan het intreden van
+nachtvorsten buiten, dan zullen deze Anjelieren zich in 8 à 9 maanden
+tot bloeibare planten ontwikkelen. De eerste bloemen vertoonen zich
+gewoonlijk laat in den herfst; de eigenlijke bloei begint echter pas
+in de maanden Maart, April of Mei. De overwintering moet op een lichte,
+vorstvrije plaats geschieden.
+
+Men onderscheidt lage, halfhooge en hooge Dianthus Margaritæ; die
+alle tamelijk kleinbloemig zijn, en dus slechts door den bloei van
+elkander verschillen; anders is dit met de Malmaison-variëteiten,
+die zich door zeer groote bloemen onderscheiden.
+
+Ten laatste moeten wij nog melding maken van Dianthus fruticosus
+(Boom-Anjelier). Deze vormt een houtachtigen stengel, en wordt in de
+kamer het best tegen hekjes gekweekt; zij blijft verscheidene jaren
+goed, wordt ongeveer één Meter hoog en bloeit in alle jaargetijden.
+
+Alle Anjelieren worden gemakkelijk door ongedierte en andere ziekten
+aangetast, wanneer men ze des winters te veel begiet, of in dit
+jaargetijde de bladeren vochtig maakt en ook, wanneer men ze een te
+warme, besloten standplaats geeft. Des zomers moeten zij alle buiten
+gekweekt en rijkelijk begoten en gegierd worden.
+
+Mimulus moschatus (Muskusplant.) Dit is een tamelijk onbeduidend
+plantje, met kleine, gele bloempjes, maar om zijn sterken muskusgeur
+wordt het dikwijls gezocht. Behalve de oorspronkelijke soort, worden
+twee variëteiten gekweekt; een zeer gedrongene, de M. moschatus
+compactus, en een met groote bladeren, de M. moschatus Harrisonii.
+
+De Muskusplant is winterhard; zij wordt echter steeds in potten
+gekweekt en wel in veen- of broeiaarde. De voortkweeking geschiedt
+zeer gemakkelijk door zaden, stekken of deeling der oude plant. In het
+najaar sterft zij bijna geheel af en de overblijvende wortelstok wordt
+dan droog in den kelder bewaard. In het voorjaar wordt zij verplant
+en voor het venster aan den groei gebracht; gedurende den zomer zet
+men haar buiten voor het venster. De muskusplant wil gedurende haar
+groeitijd gaarne op een half beschaduwde plek staan en dan rijkelijk
+begoten worden.
+
+Myosotis (Vergeet-mij-niet). Als winterbloeister heeft vooral veel
+waarde de Myosotis oblongata vera, een plantje met lichtblauwe
+bloemen. Men zet haar gedurende den winter, zoo mogelijk, zonnig,
+koel en geheel vorstvrij, daar zij zeer gemakkelijk bevriest, de
+bloemen zullen dan in Februari zeer talrijk verschijnen.
+
+Zijn de oude planten in het voorjaar uitgebloeid, dan worden
+zij teruggesneden, waarop zij gemakkelijk zullen uitloopen. Deze
+uitloopers worden als stekken gebruikt en zijn ze beworteld, dan kan
+men de moederplanten wegwerpen. De stekken wortelen op een koele,
+schaduwrijke plaats zeer gemakkelijk; zij worden in den loop van den
+zomer herhaaldelijk in voedzamen grond geplant, rijkelijk gegierd en
+voortdurend tamelijk zonnig gehouden.
+
+Een niet minder fraaie soort is de Myosotis azorica. Deze kweekt
+men met haar variëteiten uit zaad en pot ze op in 10-12 cM. wijde
+potten. De bloemen verschijnen in de lente en toonen het schoonste
+blauw van alle Vergeet-mij-niet-soorten.
+
+Primula (Sleutelbloem). De Primula's zijn prachtige, zeer dankbare
+planten, die ons voor een gedeelte in het voorjaar in den tuin, voor
+een ander gedeelte gedurende den herfst en den winter, in de kamer
+door haar fraaie bloemen veel genot verschaffen.
+
+De belangrijkste Primula, voor het kweeken in de kamer, is de Primula
+chinensis (Fig. 101). Iedere liefhebber kent zeker deze fraaie
+bloemplant, met haar mooi ingesneden groote bladeren, die altijd zeer
+fijn en dicht behaard zijn. Van deze Primula worden vele variëteiten
+gekweekt, die zich òf door den vorm en de insnijdingen der bladeren,
+òf door de bloemen, òf door de kleuren onderscheiden. Zoo heeft men
+verscheidenheden met gaafrandige en gefranjede bloemen; andere met
+witte, gele, verschillende tinten van roode, blauwe en gestreepte
+bloemen, terwijl weer andere variëteiten zich onderscheiden door
+enkele of gevulde bloemen.
+
+Deze Primula is een overblijvende plant; zij wordt echter meestal als
+éénjarig behandeld, omdat zij het eerste jaar het mooist bloeit. Hoe
+grooter en talrijker de bloemen en hoe beter ontwikkeld de bladeren
+zijn, des te mooier is de plant. De liefhebber doet verreweg het
+wijst de Primula's in het najaar te koopen; alle bloemisten kweeken
+ze in grooten getale, waardoor zij steeds goedkoop te verkrijgen
+zijn. Wenscht men ze zelf te kweeken, dan moet men onderscheid maken
+tusschen enkele, half gevulde en geheel gevulde Primula's. De laatste
+toch kunnen niet uit zaad, maar moeten door stekken voortgekweekt
+worden.
+
+Wil men de Primula chinensis uit zaad kweeken, dan moet men zich goed
+versch zaad aanschaffen en dit in potten met goede zandige heideaarde
+uitzaaien. Bedekt men deze zaadpotten met een glasplaat, en zet men ze
+op een beschaduwde plek van de vensterbank, dan zullen de zaden in 2
+à 3 weken kiemen. De jonge kiemplantjes worden gerepikeerd, later in
+kleine potjes uitgeplant en in den loop van den zomer in potten van 10
+cM. wijdte geplant, waarin zij dan bloeien. De beste aarde, die men
+voor het oppotten en verpotten gebruiken kan, is zandige broeiaarde,
+en wil men goed groeiende Primula's bemesten, dan gebruikt men daartoe
+Peru guano. Een weinig van deze meststof wordt gelijkmatig over den
+pot verdeeld en met wat aarde gedekt. De Primula's moeten voor het
+venster van een goed gelucht vertrek gekweekt worden en bij scherpe
+zon mag men vooral niet vergeten, ze behoorlijk te schermen.
+
+De voortkweeking der gevulde Primula's gaat lang zoo gemakkelijk
+niet. Zijn de planten in het voorjaar uitgebloeid, dan worden zij
+goed schoongemaakt en voor het venster van een niet-verwarmde kamer
+gezet. Hier ontspruiten dan zijscheuten, die men afsnijdt en als
+stekken gebruikt. De stekken zet men in een schotel, die 6 à 7 cM. hoog
+is, geen drainagegaatjes heeft en tot op de helft met goed gewasschen
+zand is gevuld. Is men hiermede gereed, dan giet men zooveel water in
+de schaal, dat de stekken ongeveer een centimeter diep er in staan. De
+stekken mogen nu niet gedekt, maar moeten zoo zonnig mogelijk geplaatst
+worden; en past men goed op, door tijdig alle rottende bladeren te
+verwijderen, dan is men vrij zeker, dat zij wortel zullen maken. De
+goed bewortelde stekken moeten uiterst voorzichtig in potjes gezet
+worden, waarna men ze evenals de jonge zaailingen kan behandelen.
+
+De Primula chinensis is een zeer schoone winterbloeister, die van
+November tot diep in den winter onafgebroken haar bloemstengels
+tusschen de bladeren ontwikkelt. Des winters houdt men de planten
+slechts matig vochtig; bij het gieten moet er dan vooral op gelet
+worden, dat nòch het hart der plant, nòch haar bladeren vochtig worden.
+
+Zij moet voor een zonnig venster van een koele kamer geplaatst
+worden en de gemiddelde temperatuur mag hier in geen geval hooger
+zijn dan 45° à 46° Fahr. Geeft men te veel warmte, dan verzwakken de
+planten en worden de bloemen kleiner. Zonder veel schade te lijden,
+kan een Primula hoogstens een paar graden vorst verdragen, waarom
+zij een uitstekende plant is om tusschen dubbele vensters gekweekt
+te worden, waar men ze tusschen uit neemt, wanneer er een koude
+nacht te verwachten is. Hebben ze een weinig van de vorst geleden,
+dan mogen zij nòch warm, nòch in de zon gezet worden. Daar de ruimte
+tusschen de dubbele vensters meestal niet groot genoeg is, worden de
+Primula's dikwijls in pijpvormige potten (Fig. 102) gezet, die niet
+alleen zeer leelijk, maar ook vaak van porselein vervaardigd zijn,
+waardoor het toetreden van lucht tot de wortels verhinderd wordt. In
+plaats van deze pijpvormige potten doet men veel beter, hoekige potten
+(Fig. 6) te nemen, en deze, zoo noodig, nog op een stekpotje te zetten,
+zoodat de potten dan niet tusschen het raamwerk, maar tusschen de
+ruiten komen te staan, waar zij natuurlijk meer ruimte hebben.
+
+Zeer dikwijls wordt de Primula chinensis wankelend en zakt zij naar
+één zijde over; het gevolg hiervan, dat de wortelhals zeer dun is. Dit
+bezwaar kan men gemakkelijk verhelpen, door een paar dunne stokjes,
+6 à 7 cM. lang, rechts en links, vlak langs de plant in de aarde te
+steken, waardoor zij den noodigen steun verkrijgt.
+
+Primula obconica. Deze Primula, die in 1883 uit China werd ingevoerd,
+is ook een zeer dankbare winterbloeister. Zij laat zich zeer
+gemakkelijk uit zaad vermenigvuldigen, wat men echter ook kan doen,
+door de oude plant te verdeelen. Des zomers moet de Primula obconica
+buiten gekweekt worden, des winters in een koel vertrek. De bloemen
+van deze soort zijn wit of zacht lila; er zijn in den laatsten
+tijd echter mooie grootbloemige verscheidenheden in verschillende
+kleuren van gewonnen, wier bloemen in grooten getale op dunne slanke
+stoeltjes staan. Jammer is het, dat enkele menschen er last van hebben,
+dat deze plant een huidonsteking bij hen veroorzaakt. Zij, die dit
+bemerken, moeten haar zonder handschoenen niet aanraken. Bemerkt men
+de ontsteking, dan wrijve men de aangedane plek goed in met een watje
+met alcohol van 96° (spiritus fortior) en wassche daarna de plek met
+zeep goed af.
+
+Behalve de genoemde, zijn bijna alle Primula's voor potcultuur
+geschikt. Ook de Primula acaulis (Gewone Sleutelbloem) en Primula
+Auricula (Aurikel) laten zich, in potten gekweekt, zeer goed in een
+koel vertrek tot bloei brengen.
+
+Soldanella alpina. Deze allerliefste, tot de familie der Primula's
+behoorende Alpenplant, heeft niervormige blaadjes, waarboven de
+sierlijke bloemstengeltjes zich verheffen, waaraan in April en Mei
+kleine purper-violette klokvormige bloempjes hangen, die met een rand
+van franje versierd zijn.
+
+In goede tuinaarde geplant, groeit de Soldanella ook zeer goed in
+potten, die des zomers buiten, des winters voor het venster van een
+koudere kamer moeten gezet worden. Hier bloeit zij dan gewoonlijk
+reeds vroeg in het voorjaar. De vermenigvuldiging geschiedt gemakkelijk
+uit zaden of door scheuren der oude planten.
+
+
+
+
+Kruidachtige bloemplanten voor warme vertrekken.
+
+Begonia. De Begonia's, die hier besproken worden, behooren tot
+die groep, die, in tegenstelling met de algemeen bekende soorten,
+geen knollen vormen. Ook deze Begonia's nemen een eerste plaats in
+onder de talrijke fraaie bloemplanten, die voor kamercultuur geschikt
+zijn. Het aan soorten zeer rijke geslacht Begonia's vormt een familie
+op zichzelf, die der Begoniaceeën. Van de ongeveer 350 bekende
+Begonia-soorten behooren ongeveer twee derden in tropisch-Amerika
+thuis; de andere zijn uit Oost-Indië, Madagascar en ook uit China en
+Japan afkomstig. Alle Begonia's hebben, afgezien van de meer of minder
+fraaie bloemen, één algemeen kenmerk, namelijk: dat het blad scheef
+hartvormig is, waaraan zij den in Duitschland algemeen bekenden naam
+"Schiefblatt" te danken hebben. De soorten onderling verschillen
+echter zeer.
+
+De kweekers verdeelen de Begonia's in drie zeer groote groepen,
+namelijk de Knolbegonia's, de stengelachtige Begonia's en de
+Bladbegonia's. Op dit oogenblik willen wij ons slechts bezighouden met
+stengelachtige Begonia's, terwijl wij de beide andere groepen in de
+hoofdstukken "Bol- en Knolgewassen" en "Bladplanten" meer uitvoerig
+zullen behandelen. De stengelachtige Begonia's vormen dikwijls
+krachtige, zeer groote planten, die zich in de kamer vaak zeer fraai
+ontwikkelen. Zijn zij uitstekende planten om in de vensterbank te
+kweeken, wanneer zij tegen te scherpe zon geschermd worden, nog meer
+waarde hebben die soorten, welke, in de kamer gekweekt, des winters
+bloeien. Het zijn dan ook deze, waarmede wij ons op dit oogenblik
+zullen bezighouden.
+
+In vergelijking met de Knolbegonia's hebben de stengelachtige Begonia's
+gewoonlijk slechts betrekkelijk kleine bloemen.
+
+Hoewel de bloemen dezer soorten door kruisbevruchting in afmeting en
+kleur zeer zijn verbeterd, zijn zij toch nog altijd niet groot. Als
+vergoeding daarvoor mag zeker wel de buitengewone bloemrijkheid
+gelden. Het is toch geen zeldzaamheid, dat er 30 à 40 bloemen aan
+één stengel voorkomen. Enkele der stengelachtige Begonia's worden
+tamelijk hoog; snijdt men ze echter dikwijls in, dan vormen zij fraaie
+halfkogelvormige planten, die reeds door de dikwijls fraai gekleurde
+of geteekende bladeren een zeer schoon gezicht opleveren. Terwijl
+de meeste Knolbegonia's met zeer weinig warmte tevreden zijn en
+in een gesloten vertrek niet best willen groeien, zijn de meeste
+stengelachtige Begonia's juist zeer goede kamerplanten. Een zonnig
+gelegen woonvertrek met een wintertemperatuur van 60°-65° Fahr. is
+uitstekend geschikt voor de cultuur dezer planten, mits men ze een
+lichte plaats op de vensterbank of anders in de nabijheid van een
+raam kan geven.
+
+De voortkweeking geschiedt het best en snelst door middel van stekken,
+die meestal zeer gemakkelijk wortelen; doch ook door zaad kan men ze
+in de kamer voortkweeken. Dit moet juist op dezelfde wijze behandeld
+worden als dat der Knolbegonia's. Wanneer men de zaden vroegtijdig
+in Februari of Maart uitzaait, dan is deze cultuur zeer aangenaam,
+daar de zaailingen snel groeien en meestal, eens gerepikeerd, groot
+genoeg zijn om afzonderlijk in potjes te worden gekweekt.
+
+De stengelachtige Begonia's worden gewoonlijk in het voorjaar een
+weinig ingesneden en daarna verplant, terwijl zij dan midden in den
+zomer nog eenmaal verplant moeten worden. Het beste grondmengsel is
+zeker: gelijke deelen broei-, heide- of bladaarde, waarbij 1/10 scherp
+zand wordt gevoegd. Gedurende den groeitijd moet overvloedig gegoten
+worden. Tot de fraaiste winterbloeisters onder de stengelachtige
+Begonia's behooren: Beg. albo-picta met wit gevlekte bladeren en zuiver
+witte bloemen; Beg. fuchsioïdes, een zeer bekende soort, met fraaie,
+donkergroene bladeren en donker-karmijnroode bloemen; Beg. Schmidtii,
+een sierlijke plant met donkergroene, aan de achterzijde roodachtige
+bladeren en rose bloemen; Beg. Erfordia, een nieuwe hybride, met
+karmijnroode bloemen en zwak behaarde bladeren en bladstelen. Al
+de hier opgenoemde soorten kenmerken zich door tamelijk kleine
+bladeren. Schoone soorten met grootere bladeren zijn: Beg. Credneri,
+een ongeveer 1 M. hoog wordende nieuwe hybride met metaalachtig
+glanzende bladeren, die getoond heeft uitstekend te zijn voor
+kamercultuur; Beg. hybr. President Carnot met saprijke dikke bladeren,
+die, volgroeid, zilverwitte vlekken hebben en rosekleurige bloemen;
+Beg. incarnata superba, een ongeveer 40 cM. hoog wordende plant,
+met bronsachtige, behaarde bladeren en witte bloemen; Beg. metallica,
+een zeer bekende soort met groote metaalachtig glanzende bladeren (de
+bloemen zijn rose, met een donkerroode sterk behaarde achterzijde);
+Beg. Scharffiana, een soort, die 30 cM. hoog wordt, met groote dikke
+fluweelachtige bladeren, waarvan de bovenzijde smaragdgroen en de
+onderzijde purperbruin is. De vrijstaande bloemen zijn groot en zuiver
+wit. Tot deze Begonia's behoort ook nog de Begonia semperflorens
+met haar verschillende variëteiten. Deze Begonia heeft kleine, uit
+de bladoksels ontspringende witte en rose bloemen, waarmede de plant
+somtijds rijk getooid is. Zij wordt zeer veel in den tuin gebruikt,
+doch ook voor potcultuur is zij uitstekend geschikt. Van deze soort
+zijn in de laatste jaren een paar zeer goede variëteiten in den
+handel gebracht en wel de Beg. semperflorens Lambertus met witte,
+eenigszins grootere bloemen en de Beg. semperflorens atropurpurea
+(Vernon) met fraaie, roode bladeren en schitterend roode bloemen.
+
+Een geheel nieuwe variëteit is de Beg. semperflorens Teppichkönigin;
+deze wordt slechts weinige centimeters hoog, draagt fraaie, rose
+bloemen en is een zeer sierlijk bloemplantje. De Beg. semperflorens
+hebben gewoonlijk een knolvormig verdikten wortelstok; dikwijls sterven
+zij na den bloei, in het najaar, bijna geheel af; zij moeten dan
+droog en wat koeler gehouden worden. Verplant men ze in het voorjaar
+en snijdt men ze, wanneer de stengels niet afgestorven zijn, daarna
+goed in, dan groeien zij spoedig weer uit en dragen binnenkort weder
+bladeren en bloemen. Op dezelfde wijze moet ook de Beg. Weltoniensis
+behandeld worden; dit is een oude, zeer geliefde plant met tamelijk
+kleine bladeren en zacht rose bloemen.
+
+Clivia (Imantophyllum.) De familie van de Amaryllideeën, waartoe ook de
+Clivia behoort, bevat een zeer groot aantal fraaie bloemplanten. Onder
+al deze gewassen neemt de Clivia, een kruidachtige plant, een der
+eerste plaatsen in; zij is een duurzame en zeer dankbare plant,
+die ook in de kamer zeer goed tot bloei komt. Er komen in den
+handel twee soorten voor, namelijk de Clivia nobilis een soort, die,
+niettegenstaande haar naam, niet zeer aanbevelenswaardig is en ook niet
+veel meer wordt aangetroffen, en de algemeen verspreide Clivia miniata.
+
+De laatstgenoemde, uit Port-Natal afkomstig, is een pracht-plant
+van den eersten rang. Bij deze plant ontspruiten de scheuten met
+riemvormige, ongeveer 5 cM. breede, donkergroene, elegant gebogen
+bladeren direct uit de dikke, vleeschachtige wortels. Alleen reeds om
+haar schoone bladeren is zij een aanbevelenswaardige kamerplant. Maar
+ook is zij een dankbare bloeister, die in den winter of de lente, en
+dan dikwijls weder midden in den zomer, haar bloemen ontwikkelt. Op
+een, tusschen de bladeren ontspruitenden bloemsteel van ongeveer
+35 à 40 cM. hoogte, ontwikkelt zich een groot bloemscherm, dat uit
+minstens 12 à 15 groote, menieroode bloemen bestaat. In de laatste
+jaren zijn er zeer schoone variëteiten van gewonnen, met meer of
+minder donkerrood gekleurde bloemen, waarvan er vaak 30 tot 40 op
+één bloemsteel vereenigd zijn. Daar de bloemen zich op één scherm
+niet alle te gelijk openen, maar dit na elkander doen, duurt den bloei
+verscheidene weken. Bevruchten wij de bloemen, door met een penseeltje,
+gedurende de middaguren, wat stuifmeel op den stempel te brengen,
+dan zullen zich groote roode bessen ontwikkelen, die zeer lang duren
+en een fraai voorkomen aan de plant geven.
+
+De Clivia is een zeer harde plant, die men desnoods gedurende den
+zomer buiten kan kweeken, doch het gansche jaar door in de kamer
+gehouden, groeit zij ook zeer goed, mits men er voor zorgt, dat zij
+noch in de volle zon, noch te warm staat; daar zij in het eerste
+geval brandvlekken krijgt, en in het tweede geval door insecten
+wordt aangetast.
+
+De dikke vleezige wortels der plant toonen reeds aan, dat zij een
+zwaren, voedzamen grond verlangt. De jonge planten moeten jaarlijks,
+de oudere om de twee jaar in zulke aarde verplant worden. Houdt men
+haar gelijkmatig vochtig en vooral zindelijk, dan ontwikkelt de Clivia
+van 4-6 bladeren per jaar.
+
+Des winters behoeft men haar geen hoogere temperatuur te geven dan,
+45° Fahr., hoewel de Clivia's ook zeer goed voor het venster van
+een verwarmde kamer groeien. In elk geval is het voorzichtig de koud
+gehouden planten wat warmer te zetten, zoodra men bemerkt, dat zich
+tusschen de bladeren een jonge bloemsteng bevindt. Warm gehouden,
+bloeien deze planten vaak reeds tegen Kerstmis of Nieuwjaar.
+
+De vermenigvuldiging der Clivia geschiedt door middel van uitloopers,
+die men, bij het verpotten, zóó afsnijdt, dat er eenige wortels
+aan zitten. Deze scheuten worden dan in betrekkelijk kleine potten
+opgepot. Ook kan men oude planten zeer goed scheuren, wanneer men
+zorgt, de beschadigde wortels met een scherp mesje weg te snijden. Ook
+uit zaden kan men zeer goed jonge planten kweeken, welke echter pas
+na verloop van enkele jaren bloeibaar worden.
+
+Hedychium. De Hedychiums zijn fraaie, Indische planten, met knolvormige
+wortelstokken, waaruit zeer sterke, met ongeveer 12 cM. lange bladeren
+bezette stengels ontspruiten. Iedere krachtig ontwikkelde stengel
+vormt, nadat hij volwassen is, aan den top een mooie, dikwijls uit
+zeer welriekende bloemen bestaande aar. De meest verspreide soort is
+de Hedychium Gardnerianum, met citroengele bloemen.
+
+De Hedychiums verlangen een zeer voedzame, zware aarde; zij moeten
+gedurende haar groeitijd rijkelijk begoten worden, terwijl zij des
+winters betrekkelijk, doch niet geheel, droog gehouden moeten worden,
+wijl zij dan wel rusten, doch niet afsterven. Des zomers kan men
+deze plant ook wel buiten kweeken; des winters moet zij echter op
+een lichte plaats in de warme kamer worden gezet.
+
+De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door scheuren der oude
+plant.
+
+Impatiens Sultani. Deze Impatiens is een der fraaiste soorten voor
+de kamer; zij behoort op Zanzibar en in tropisch Afrika thuis. De
+gemakkelijke groei en de onophoudelijke ontwikkeling der schitterend
+roode bloempjes maken haar tot een der sierlijkste bloemplanten. De
+bloemen staan vrij boven de bladeren uit, wat een aanmerkelijk voordeel
+van deze soort boven vele andere Balsaminen is, welker bloemen onder
+de bladeren verborgen liggen.
+
+Beter nog dan in een kas groeit de Impatiens Sultani, wanneer
+zij voorzichtig behandeld wordt, vóór een op de morgenzon gelegen
+venster. Zij groeit en bloeit daar onophoudelijk, winter en zomer door,
+waardoor zij zeer veel genoegen verschaft. Zij moet in zeer voedzamen
+grond gekweekt worden, terwijl men haar des zomers zeer rijkelijk en
+des winters spaarzaam moet begieten.
+
+Eenige jaren geleden is een nieuwe soort, de Impatiens Holstii in den
+handel gebracht, waarvan fraaie verscheidenheden zijn gewonnen. Ook
+deze zijn voor kamercultuur zeer goed geschikt.
+
+De vermenigvuldiging geschiedt door zaaien en stekken. De stekken maken
+zeer gemakkelijk wortel en de algemeene opinie is, dat stekplanten
+beter bloeien dan zaadplanten.
+
+Mimosa pudica (Kruidje-roer-mij-niet.) Deze Mimosa is een overblijvend
+plantje uit Brazilië, dat echter meestal als éénjarig wordt
+behandeld. De lichtpaarse, kogelvormige bloemhoofdjes onderscheiden
+zich slechts door de kleur van die der Acacia's, aan welk geslacht zij
+dan ook zeer nauw verwant is. De fraaie, dubbel gevederde bladeren zijn
+lichtgroen van kleur. Zeer interessant is het Kruidje-roer-mij-niet
+door de gevoeligheid der bladeren. Het geringste tochtje en de minste
+aanraking veroorzaken het te-zamen-buigen en neerhangen der blaadjes en
+bladstelen. De snel op elkander volgende bewegingen zijn drievoudig;
+de kleine zijblaadjes buigen zich naar elkander toe, en richten zich
+tegelijkertijd naar voren, zoodat zij elkander gedeeltelijk bedekken,
+daarna buigen zich de vederblaadjes dragende bladstelen naar beneden
+en ten slotte gaat het geheele blad langs de plant hangen. Na een
+korten tijd nemen de bladeren hun gewonen stand weder in. Op welk
+punt men het blad ook aanraakt, de gevoeligheid plant zich over het
+geheele blad voort. Gedurende den nacht hangen de blaadjes dezer
+Mimosa slap bij de plant neer; een toestand, dien men met slapen zou
+kunnen vergelijken. Oude bladeren verliezen hun gevoeligheid en ook
+de jonge blaadjes doen dit, wanneer men ze te veel aanraakt.
+
+Het Kruidje-roer-mij-niet verlangt veel vochtigheid en ook een vochtige
+lucht, zoodat het bijna uitsluitend in het kamerkasje moet gekweekt
+worden. In Februari of Maart worden de zaden, nadat zij een paar dagen
+in lauw water geweekt zijn, gezaaid. Zij hebben dan een temperatuur van
+ongeveer 65° noodig om te kiemen. De jonge zaadplantjes kunnen spoedig
+afzonderlijk opgepot, en moeten later in potjes van 10 cM. wijdte
+gezet worden. Men moet zorgen voor een voedzamen grond en voor een
+rijke begieting. Het is een zeer ondankbaar werk, deze plantjes te
+laten overwinteren, waarom men beter doet jaarlijks jonge plantjes
+uit zaad te kweeken.
+
+Peperomia resedæflora. Deze Peperomia is een kleine, maar zeer
+dankbare plant, met lichtgroene, wortelstandige, bijna geheel ronde
+bladeren. Boven deze bladeren verheffen zich des zomers lange,
+bebladerde bloemstengels, die kleine, witte bloemaartjes dragen,
+welke bij oppervlakkige beschouwing aan de bloemtrosjes van Reseda
+doen denken.
+
+Deze Peperomia moet in zandige broeiaarde gekweekt worden, terwijl
+men haar des winters warm en tamelijk droog moet houden. Des zomers
+groeit en bloeit zij uitstekend voor het venster, hoewel men haar,
+mits op een beschaduwde plek, ook buiten kan zetten.
+
+De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door stekken, die bestaan
+uit één blad met een stukje van den stengel. Deze stekken zet men
+ieder afzonderlijk in een potje en plaatst ze daarna in het kamerkasje.
+
+De tusschen het blad en den stengel gezeten knop zal spoedig gaan
+doorgroeien, wortel schieten en een jonge plant vormen. Ook door de
+verdeeling der oude plant kan men haar vermenigvuldigen.
+
+Pilea muscosa (Kanonnierplantje.) De kanonnierplantjes zijn
+schijnbaar onbeduidende, tot de brandnetels behoorende plantjes. Zij
+zijn aanbevelenswaardig door haar gemakkelijke cultuur en door een
+interessante eigenschap. Dompelt men een, met haar bijna onzichtbare
+bloemknopjes dicht bezette plant in koud water, en haalt men haar
+direct weder daaruit, dan breken weldra de meeldraden uit de knoppen;
+de helmknopjes springen met een ruk open en werpen het zeer fijne
+stuifmeel uit, dat dan als een plotseling verschijnend rookwolkje
+uit het plantje schiet. Dit kan zóó sterk geschieden, dat de plant
+als het ware in een rookwolk is gehuld.
+
+In goede aarde geplant, groeit de Pilea, die des winters slechts matig
+vochtig moet gehouden worden, zeer gemakkelijk voor het venster. De
+voortkweeking kan op iederen tijd van het jaar geschieden door stekken,
+die vlug wortelen.
+
+Torenia. Door de pracht van haar zeer sierlijk gekleurde bloemen heeft
+de uit Azië afkomstige Torenia een groote waarde als bloemplant. De
+bloemen zijn trechtervormig en aan de voorzijde wijd uitgespreid;
+zij zijn schitterend blauw met een witte vlek in de keel. De kleine
+plantjes, die ovale blaadjes bezitten, hebben echter nogal behoefte
+aan veel warmte.
+
+De voortkweeking geschiedt door stekken, doch de liefhebber doet veel
+wijzer, deze planten in het voorjaar uit zaad te kweeken en ze in het
+najaar weg te werpen, daar de overwintering in een kamer niet altijd
+gelukt. Enkele soorten der Torenia o.a. de Torenia asiatica heeft
+hangende stengels, en kan dus zeer goed als ampelplant gebruikt worden.
+
+Men moet de Torenia dikwijls verpotten in goede broeiaarde en haar
+en lichte plaats voor een zonnig venster geven.
+
+De aanbevelenswaardigste soort is Torenia Fournieri. Men kan deze
+soort direct zaaien in de potten, waarin zij moeten bloeien. Deze
+potten moeten niet wijder zijn dan 10 cM.; men vult ze tot op 3
+cM. onder den rand met aarde, waarop dan gezaaid wordt. Van de
+opkomende zaailingen laat men de drie sterkste in den pot staan en
+trekt de andere er uit. Zijn de plantjes groot genoeg geworden,
+dan vult men den pot tot op een gewonen gietrand met aarde aan,
+om zoodoende de plantjes goed vast te zetten.
+
+Vinca rosea. Deze sierlijke plant, die ook wel voorkomt onder den
+naam Lochnera rosea, wordt ongeveer 30 à 40 cM. hoog. Zij is uit
+Zuid-Afrika afkomstig. De bladeren zijn glad en glanzend groen, de
+bloemen schitterend rood of wit; deze ontwikkelen zich van het begin
+van den zomer tot diep in October.
+
+De Vinca rosea is een zeer dankbare kamerplant: zij heeft des zomers
+gaarne volop water, een zonnige standplaats en goeden, voedzamen grond.
+
+De voortkweeking geschiedt door stekken. Ook als éénjarige plant kan
+men haar zeer goed behandelen, in welk geval zij in het voorjaar uit
+zaden moet gekweekt worden.
+
+
+
+
+Bol- en Knolgewassen.
+
+Amaryllis. Het geslacht Amaryllis behoort tot de groote familie der
+Amaryllideeën, die zeer schoone bloemplanten bevat. Vroeger omvatte
+dit geslacht veel meer soorten dan tegenwoordig, nu de meeste tot
+andere geslachten gebracht zijn. Het tegenwoordige geslacht Amaryllis
+omvat nog slechts de Amaryllis Belladonna met haar variëteiten.
+
+De Amaryllis Belladonna is wel niet een onzer fraaiste kamerplanten,
+maar als herfstbloeister is zij toch lang niet verwerpelijk. Zij
+is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. De ontwikkelde bol, die des
+zomers in volmaakten rusttoestand verkeert, is vrij groot en eenigszins
+peervormig. Op een bloemsteng van 50 à 60 cM. hoogte ontwikkelt zich
+een bloeiwijze van 4 tot 8, gewoonlijk zacht riekende bloemen. Deze
+bloemen komen, wat den vorm betreft, volmaakt overeen met de gewone
+Lelie; zij zijn echter niet zoo groot. Bij de oorspronkelijke soort
+is de kleur zacht rose, maar men heeft thans ook variëteiten met
+vuurroode, purperkleurige en witte bloemen. De groote, donkergroene
+bladeren der Amaryllis ontwikkelen zich te gelijk met of na den
+bloei; zij zijn tamelijk talrijk en groeien den geheelen winter en
+de geheele lente door, sterven dan langzaam af, waarna de bol weder
+zijn rustperiode intreedt.
+
+De cultuur dezer plant moet zich natuurlijk naar de hier beschreven
+levenswijze regelen. De bollen worden tegen het einde van den
+rusttijd, in Augustus, alleen of met meerdere te zamen, in niet te
+groote potten gezet. Men gebruikt daartoe zandigen, niet te lichten
+grond. Na opgepot te zijn, zet men ze voor het zonnige venster van
+een goed gelucht vertrek, en begiet ze slechts matig, zoo lang,
+totdat de bloemsteng zich vertoont. De uitgebloeide planten laat
+men in een koude, doch vorstvrije kamer overwinteren, zij worden
+matig vochtig gehouden. Zoodra de bladeren beginnen af te sterven,
+houdt men met gieten op; zijn zij geheel verdord, dan wordt de bol
+uit den pot genomen, goed schoongemaakt en tot aan den planttijd,
+half Augustus, droog bewaard.
+
+Zeer groote waarde als kamerplanten hebben de nieuwere variëteiten
+van de reeds zeer lang in trek zijnde Amaryllis-soorten, die
+zich door roode of rood met wit gestreepte reusachtige bloemen
+onderscheiden. Deze soorten sterven niet geheel af, hoewel zij
+ook tot de bolgewassen behooren. Deze zeer fraaie bloemplanten,
+die in den winter en de lente haar bloemen ontwikkelen, dragen in
+de kweekerijen den naam van Amaryllis, hoewel zij eigenlijk tot het
+geslacht Hippeastrum behooren.
+
+De zeer schoone variëteiten stammen van verschillende soorten, waarvan
+tegenwoordig nog slechts de Hippeastrum vittatum gekweekt wordt. Al de
+variëteiten hebben zeer groote, trechtervormige bloemen, die uit zes
+bloembladeren bestaan. De kleuren varieeren in alle tinten tusschen
+het zachtste en het vurigste rood.
+
+De schoonste en schitterendste Hippeastrum-variëteiten, die groote,
+rechtop staande bloemen dragen, zijn gewoonlijk niet gemakkelijk
+te kweeken, en hebben veel warmte noodig. Eenige meer bescheiden
+variëteiten zijn echter niet zoo moeilijk.
+
+Bij de cultuur van alle Hippeastrums moet men er op rekenen, dat
+zij een goede, zware aarde verlangen, samengesteld uit 1/3 blad-,
+1/3 broei- en 1/3 graszoden- of kleigrond, vermengd met een goede
+hoeveelheid zand, terwijl zij in haar rusttijd nooit geheel haar
+wortels verliezen. Des zomers kweekt men haar voor het geopende
+venster of in het bloemenrekje; zij verlangen dan rijkelijk water en
+bescherming tegen de te scherpe zon; zij ontwikkelen dan een aantal
+riemvormige bladeren. Zoodra zij in het najaar ophouden met groeien,
+moet men beginnen minder te gieten. Vóórdat de koudere nachten
+beginnen, zet men de planten in een vertrek met een gemiddelde
+temperatuur van 50° Fahr. Een bijzondere plaats hebben zij niet
+noodig. Zooals wij reeds gezegd hebben, rusten de Hippeastrums niet
+volmaakt, daar de wortels niet afsterven; men moet ze dus des winters
+ook een weinig begieten. Veel water mogen zij echter niet hebben, en
+de aarde moet altijd meer droog dan vochtig zijn. Soorten, waarvan
+de bladeren afsterven, worden minder, die, welke ze behouden, iets
+ruimer begoten. De potten met kleine, nog niet bloeibare bollen,
+kunnen tot aan de lente in een koele achterkamer blijven staan, de
+bloeibare planten kunnen echter, na eenigen tijd gerust te hebben,
+in een warmer vertrek gezet worden. Het ligt in de hand van den
+liefhebber om den bloei te bespoedigen of te vertragen. Zet men de
+bollen warm, zonder ze te begieten, dan zullen de bloemstengen zich
+weldra vertoonen. Een spoedige bloei wordt zeer zeker bereikt, wanneer
+men de warm staande bollen zóó lang droog houdt, totdat de bloemsteng
+geheel voor den dag getreden is en aan den top de door een schutblad
+omgeven knoppen toont. Van nu af aan moet geregeld gegoten worden,
+natuurlijk met water, dat de temperatuur van het vertrek heeft. De
+bloemsteng zal zich dan flink gaan ontwikkelen, en, al naar de soort,
+zullen de bladeren gelijktijdig of pas na den bloei verschenen. Het
+is geraden, wanneer men op kamercultuur aangewezen is, de bollen niet
+vóór Maart warm te zetten, ten einde den bloei tot die maand tegen
+te houden.
+
+Nadat de bloei geëindigd is, begint het tweede gedeelte der cultuur. De
+bollen moeten nu verplant worden. Men neemt ze uit de potten, schudt
+al de oude aarde tusschen de vleezige wortels uit en snijdt met een
+scherp mesje alle zieke wortels weg. De nieuwe pot moet zoo groot zijn,
+dat de wortels er gemakkelijk in passen, doch meer niet; ook moet hij,
+vóór het gebruik, goed schoongemaakt worden.
+
+Bij het planten moet men er op letten, dat slechts de wortelhals van
+den bol onder de aarde komt, hij zelf moet er bovenuit steken.
+
+De zoo verplante Hippeastrum wordt goed aangegoten en totdat zij
+doorgeworteld is voor het gesloten venster van een warme kamer
+gezet. Van Juni af kunnen zij, wanneer men ze langzaam aan de lucht
+gewend heeft, buiten gezet worden.
+
+Een groote fout in de cultuur bestaat daarin, dat de liefhebbers
+hun bollen geen rust geven, en ze van het begin van den winter af
+te warm en te vochtig houden. Deze behandeling zullen zij één winter
+verdragen; doet men het een tweeden winter weer, dan worden de bollen
+zwak, zij ontwikkelen zieke bladeren en bloeien niet meer.
+
+Wil men de Hippeastrum in de kamer vermenigvuldigen, dan kan men
+daartoe de kleine bolletjes nemen, die zich tegen den ouden bol aan
+ontwikkelen. Deze worden steeds bij het verplanten van de moederbol
+afgenomen. Er gaan echter verscheidene jaren mede weg, eer men van
+een kweekbol een bloeibaren bol verkrijgt.
+
+Begonia. Hebben wij in een voorgaand hoofdstuk de stengel-Begonia's
+behandeld, thans zullen wij het een en ander mededeelen over de
+Knolbegonia's.
+
+De Knolbegonia's hebben zich in de laatste jaren, door haar uitstekende
+eigenschappen als bloemplanten een eerste plaats veroverd, zoowel
+onder de pot- als onder de tuinplanten. De oorspronkelijke, uit Amerika
+afkomstige soorten bezaten geen zeer hooge waarde; zij hadden lange,
+kruidachtige stengels, kleine, spitse bladeren en weinig beteekenende,
+uit vier smalle bloemblaadjes bestaande, hangende bloemen. Uit deze
+weinig fraaie soorten zijn, door de volharding der kweekers, de thans
+algemeen verspreide rassen ontstaan, met groote flinke bladeren en
+prachtige, rechtop staande, schitterende bloemen.
+
+De tegenwoordige Knolbegonia is in al haar vormen het product der
+kweekerskunst. Engelsche, Fransche, Belgische en Hollandsche kweekers
+hebben haar tot haar tegenwoordigen trap van volmaaktheid gebracht. De
+uit haar vaderland ingevoerde Knolbegonia kenmerkte zich wel door een
+zeer dankbaren bloei, maar haar bloemen waren, zoals wij reeds gezegd
+hebben, klein. Door kruising der verschillende soorten en variëteiten
+onder elkander trachtte men daarvan grootbloemige verscheidenheden
+te verkregen. Van het jaar 1870 af zijn de op deze wijze verkregen
+variëteiten zeer snel op elkander gevolgd. In het jaar 1882 kwam de
+te St.-Louis de Potosi gevonden Begonia Martiana gracilis in den
+handel. Deze rechtop groeiende soort met ronde knollen, vleezige,
+glanzende, metaalachtige bladeren en rose bloemen, die gedrongen in
+de bladoksels zitten, is zeker wel een der schoonste oorspronkelijke
+soorten en heeft dan ook niet weinig tot het winnen der nieuwere
+variëteiten bijgedragen.
+
+In de laatste 6 à 8 jaar zijn de Knolbegonia's bijna tot den hoogsten
+trap van volmaaktheid gebracht; de stoutste verwachtingen der kweekers
+zijn overtroffen, want geen ander plantengeslacht heeft in zoo'n
+betrekkelijk korten tijd zulk een groote verandering ondergaan. Wanneer
+men de uit haar vaderland ingevoerde soorten met de tegenwoordige
+hybriden vergelijkt, dan houdt men het bijna voor onmogelijk, dat
+de meest beredeneerde kruisingsmethode en de zorgvuldigste keuze der
+hybriden een plantengeslacht in korten tijd zoo geheel hebben kunnen
+wijzigen. In haar tegenwoordigen vorm is de Knolbegonia zoo'n schoone
+plant en heeft zij zooveel waarde, dat zij zonder twijfel een door
+de liefhebbers meest gezochte plant zal blijven. De bloemstelen, die
+uit de bladoksels spruiten, dragen verscheidene bloemen en zoowel
+mannelijke als vrouwelijke, want de bloemen zijn éénslachtig. De
+mannelijke bloemen verschijnen het talrijkst en zijn ook het
+schoonst. De kleur der bloemen doorloopt alle tinten tusschen het
+zachtste rose en het donkerste rood; ook gele en witte bloemen worden
+aangetroffen, doch niet zoo talrijk. De fraai gevormde bloemen kunnen,
+bij een goede behandeling, een doorsnede bereiken van 16-18 cM. Ook de
+gevuldbloemigen zijn in de laatste jaren veel verbeterd, en vooral die
+zijn zeer schoon, welke regelmatig gevormd zijn en goed rechtop staan.
+
+Zooals bekend is, wordt een gevulde bloem gevormd door de vergroeiing
+van de meeldraden, zoodat slechts de mannelijke bloemen tot gevulde
+kunnen overgaan, terwijl de vrouwelijke steeds enkel blijven; er
+komen echter wel planten voor, die uitsluitend gevulde mannelijke
+bloemen dragen.
+
+Alle Begonia's hadden een gebrek, dat aan zeer vele fraai gevormde of
+gekleurde bloemen eigen is: zij waren geheel reukeloos. De nieuwste
+gebeurtenis op het gebied der Begonia-cultuur is het vinden van een
+welriekende Begonia. De nu bestaande welriekende Begonia's hebben
+alle een stammoeder in de Begonia Baumannii. Volgens een bericht in de
+Revue horticole werd deze soort gevonden door Dr. Sell in Cochabamba
+(Bolivia), die er in 1886 de eerste zaden van zond aan den heer
+Baumann, te Bollweiler in den Elzas. Ter eere van dezen heer draagt
+de Begonia dan ook zijn naam. In haar moederland moet deze soort zeer
+groote knollen vormen, ongeveer ter grootte van een meloen, met een
+gewicht van 375 gram. De bladeren zijn slechts zeer weinig scheef,
+eerder niervormig; de bloemen zijn, wat erg jammer is, niet zeer
+groot, rose, zij verspreiden een zeer aangenamen geur. Door deze
+soort met grootbloemige Knolbegonia's te kruisen, heeft men in den
+laatsten tijd variëteiten gewonnen met betrekkelijk groote bloemen,
+die zeer aangenaam rieken en waarvan de bloemen evenals bij de Begonia
+Baumannii hoog boven de bladeren uitsteken.
+
+Niet alleen in het verkrijgen van goede soorten, maar ook in de
+cultuur is men veel vooruitgegaan. Terwijl men vroeger aannam, dat
+een Knolbegonia, om goed te groeien, steeds in eene warme kas moest
+staan, maar daarmede natuurlijk weinig resultaten verkreeg, kweekt
+men ze tegenwoordig met uitstekende resultaten des zomers buiten.
+
+Wanneer een mooie plant algemeen verspreid zal raken, dan moet zij
+eenvoudig en gemakkelijk te kweeken zijn, veelzijdig gebruikt kunnen
+worden en zich kenmerken door een langen en rijken bloei. Aan al deze
+eigenschappen voldoet de Knolbegonia. Daargelaten nog, dat zij in den
+tuin veelvuldig gebruikt kan worden tot het beplanten van bloemvakken
+en rabatten, zoowel op een zonnige als op een half beschaduwde plek,
+is zij een uitnemende plant voor de beplanting van bakjes en voor
+potcultuur. In potten gekweekt, wil de Knolbegonia des zomers gaarne
+buiten voor het venster staan, en daar zij voor haar snellen groei
+en rijken bloei veel voedsel noodig heeft, moet men haar meermalen
+verpotten in voedzame met wat zand vermengde broeiaarde, terwijl zij
+dan ook veelvuldig begoten en gegierd moet worden.
+
+In het laatste gedeelte van den herfst, wanneer de Knolbegonia haar
+volle ontwikkeling heeft bereikt, houdt zij op met groeien; zij begint
+zich dan voor te bereiden voor haar rusttijd. Zoodra men bemerkt,
+dat zij ophoudt met groeien, geeft men haar minder water, en wanneer
+de bladeren en stengels beginnen af te vallen, laat men haar geheel
+opdrogen. Is de aarde geheel opgedroogd, dan neemt men de knollen uit
+de potten, om ze op een vorstvrije plaats te laten overwinteren. Het
+is raadzaam, de knollen, nadat men ze uit de potten genomen heeft,
+in kistjes met droog zand te leggen; zij overwinteren dan beter. Toch
+gebeurt het nog wel eens, dat er knollen gedurende den winter verloren
+gaan; dit is niet altijd te voorkomen, maar het is daarom raadzaam
+ze gedurende den winter nu en dan na te zien om de rottende tijdig
+te kunnen verwijderen. Een Begonia-knol kan zeer lang, tot in Mei,
+bewaard worden. Wij kunnen hem echter reeds in Januari aan den groei
+brengen, al naardat men hem vroeger of later in bloei wenscht te
+zien. De knollen, die men aan den groei brengt, worden zoodanig in
+met zandige heideaarde gevulde potten gezet, dat zij niet geheel met
+aarde bedekt zijn, daar zij dan gemakkelijker uitgroeien. Later, bij
+het verplanten, kan men ze geheel onder de aarde brengen. De potten
+moeten in den beginne gelijkmatig vochtig gehouden, voor het venster
+van het woonvertrek gezet en tegen te felle zon geschermd worden. De
+opgepotte Begonia-knollen groeien gewoonlijk pas na eenigen tijd
+uit; eerst vormen zich wortelspitsjes, daarna knoppen, waaruit dan
+ten laatste de bladeren verschijnen. Zijn zij eenmaal uitgegroeid,
+dan gaat de groei zeer snel, het eene blad volgt op het andere, en na
+enkele weken draagt zelfs het kleinste knolletje krachtige scheuten
+en fraaie bloemen. Zoolang een opgepotte Begonia-knol hard blijft,
+kan men zeker zijn, dat hij nog gezond is, ook al wacht hij tamelijk
+lang met uitgroeien.
+
+Zeer interessant en dankbaar is de cultuur van Knolbegonia's uit
+zaad. De stoffijne zaden moeten zeer voorzichtig gezaaid worden,
+wat men het best doet in schotels, die goed gedraineerd en met een
+zeer fijn gezeefd grondmengsel gevuld zijn. Voor aarde gebruikt men
+het best bladgrond, vermengd met veel zand. Ook kan men de zaden
+uitzaaien op een stukje vezelgrond of een schijfje losse turf, dat
+men in een schotel legt. Voor het gieten behoeft men dan slechts
+wat water in den schotel te gieten, dat dan door den turf wordt
+opgezogen. De beste tijd om te zaaien is einde Februari of begin
+Maart. Na de zaden gezaaid te hebben, worden de schotels met een
+glasschijf gedekt, voor het venster van het woonvertrek gezet en
+tegen te felle zon beschermd. Bij een gemiddelde temperatuur van 60°
+Fahr. kiemt het zaad in hoogstens 14 dagen. De nu opkomende zaailingen
+zijn zeer fijn en vooral moet men dus, wanneer zij dicht op elkander
+staan, zeer voorzichtig zijn met gieten, daar zij zeer gemakkelijk
+wegrotten. Om dit te voorkomen, is het voorzichtig niet te lang
+met repikeeren te wachten. Dit moet uiterst voorzichtig geschieden,
+aangezien de zaailingen, zooals gezegd is, zeer klein, maar ook zeer
+broos zijn. Men repikeert de plantjes in dezelfde aarde, waarop men
+gezaaid heeft, en plant ze op een onderlingen afstand van ongeveer 1
+cM. uit. Zoodra zij zóó groot geworden zijn, dat zij elkander raken,
+moet men weder repikeeren; zij kunnen nu in iets grovere aarde geplant
+en op een onderlingen afstand van 3 cM. gezet worden. Raken de bladeren
+elkander nu weer aan, dan worden de plantjes afzonderlijk in kleine
+potjes geplant. Bij een goede behandeling beginnen de in Februari
+gezaaide Begonia's reeds in Juni of Juli te bloeien, zij vormen dan
+vóór den rusttijd nog vrij flinke knollen.
+
+De enkelbloemige Begonia's laten zich, wanneer de zaden van goede
+bloemen gewonnen zijn, tamelijk constant uit zaad voortkweeken. Met de
+gevuldbloemige variëteiten gaat dit echter niet zoo gemakkelijk. Zaait
+men deze uit, dan zal zich onder de zaailingen een groot aantal
+enkele of half gevulde verscheidenheden bevinden. Constant kan men de
+gevuldbloemige dan ook alleen door stekken vermenigvuldigen, die wel
+zeer goed wortelen en bloeien, doch gewoonlijk geen knol, maar slechts
+een verdikking van den stengel vormen, welke zeer slecht overwintert.
+
+Canna. De oude Canna-soorten en variëteiten zijn algemeen bekende
+planten, die voor groepen zeer veel gebruikt worden. Zij hebben een
+dikken, knolvormigen wortelstok, waaruit zich in de lengte kruidachtige
+stengels ontwikkelen, die somtijds 2 1/2 à 3 M. hoog kunnen worden,
+en die groote, ovale, groene, roode of gestreepte bladeren dragen. Uit
+deze stengels ontwikkelt zich ten laatste een tros onbeteekenende
+roode of gele bloemen, die zeer onregelmatig gevormd zijn. In de
+laatste jaren heeft men echter gedrongen groeiende, zeer schoon en
+rijk bloeiende variëteiten gewonnen, waardoor de Canna's ook voor pot-
+en venstercultuur waarde hebben verkregen. Er zijn twee groepen fraai
+bloeiende Canna's, namelijk de variëteiten van Canna gladioliflora en
+de Crozy Canna's, welke laatste het eerst door den Franschen kweeker
+Crozy zijn gewonnen, en die uitmunten door haar schitterend gekleurde
+bloemen. De bloemen der Canna gladioliflora hebben in haar voorkomen
+wel wat van Gladiolus-bloemen; zij zijn echter onregelmatiger gevormd;
+de Crozy Canna's daarentegen kenmerken zich door veel regelmatiger
+gevormde bloemen. De kleuren der grootbloemige Canna-soorten doorloopen
+alle schakeeringen tusschen geel en donkerrood, en deze soorten
+kenmerken zich vaak door fraai gevlekte of gestreepte bloemen.
+
+De cultuur van deze schoone zomerbloeisters, die gelijke waarde
+hebben als blad en als bloemplanten, is zeer eenvoudig. Al naar
+wij ze vroeger of later in bloei willen hebben, worden de rustende
+knollen in Februari-April opgepot. Vóór het oppotten en ook nog later,
+wanneer de knollen reeds goede oogen ontwikkeld hebben, kan men ze,
+door ze in stukken te snijden, vermenigvuldigen, waarbij men er op
+moet letten, dat ieder gedeelte minstens één oog moet behouden. Het
+snijvlak, dat een dikke, kleverige vloeistof afscheidt, wordt dan
+met houtskoolpoeder bestrooid. Voor het oppotten moet tamelijk
+zware en goed voedzame, rijkelijk met zand vermengde grond gebruikt
+worden. Het beste grondmengsel is 2/3 broeiaarde en 1/3 klei- of
+graszodengrond. De potten, die men gebruikt, moeten zóó groot zijn,
+dat de knol er juist goed in past. Zij worden nu zoo warm mogelijk
+gezet en in den beginne matig met lauw warm water begoten; zoodra
+de scheuten zich krachtig beginnen te ontwikkelen, kan men meer
+water geven. Tegen het midden van de lente worden de Canna's, door
+de vertrekken, waarin zij staan, meer en meer te luchten, langzaam
+gehard, zoodat zij in de eerste dagen van Juni in het bloemenrekje,
+buiten voor het venster, kunnen gezet worden; of wel, men plant ze
+tegen dien tijd in de balkonbakjes, waarin zij zich zeer goed zullen
+ontwikkelen. De in potten gekweekte Canna's moeten gedurende den
+zomer rijkelijk gegierd en verscheidene malen verpot worden. Zet
+men de planten in het najaar voor het venster van het woonvertrek,
+dan zullen zij dikwijls tot diep in den winter doorbloeien.
+
+Is de Canna uitgebloeid, dan geeft men haar langzamerhand minder
+water, neemt ze, na het afsterven der bladeren, uit den pot, snijdt
+alle scheuten eenige centimeters boven den knol af, kort de wortels
+diep in en laat de zoo schoongemaakte knollen op matig vochtig zand in
+een vorstvrijen kelder of in een koele achterkamer overwinteren. Hoe
+vroeger een Canna afsterft, des te vroeger kan zij weder aan den
+groei worden gebracht.
+
+Behalve op de boven aangegeven wijze door deeling, laten de Canna's
+zich ook door zaden voortkweeken. De groote, harde zaden legt
+men eenige dagen in lauw warm water te weeken, waarop zij ieder
+afzonderlijk in een potje worden gezaaid. Geeft men ze voldoende
+warmte en vochtigheid, dan zullen zij vrij spoedig kiemen.
+
+Colchicum (Herfsttijdeloos). Een schoone vorm van de in sommige streken
+van ons land wild voorkomende Herfsttijdeloos is de Colchicum autumnale
+speciosum. Deze variëteit wordt tegenwoordig door vele bollenkweekers
+in het groot gekweekt en komt dan ook iederen herfst aan de markt. De
+mooie, goed gekweekte knollen, die tot 300 gram zwaar kunnen worden,
+en door de zaadhandelaars ieder najaar worden aangeboden, hebben al de
+stoffen, die zij tot de ontwikkeling van haar bloemen noodig hebben,
+in het voorjaar in zich opgenomen. De knollen kunnen in iederen grond
+worden geplant; men kan ze op met vochtig zand gevulde schotels zetten
+of ook wel droog op een vensterbank of étagère. Wanneer men ze zoo
+heeft staan, is het zeer aardig om te zien, hoe zich snel na elkander
+van 10 tot 30 fraaie licht violette bloemen uit den knol ontwikkelen,
+zonder dat deze één enkel blad draagt. Onze afbeelding (Fig. 118)
+toont een drogen knol, prijkende met zijn bloemen.
+
+Evenals bij al de Colchicums verschijnen ook bij deze de bladeren
+eerst in het voorjaar, zij moet daartoe echter opgepot worden. De
+droge knol ziet er natuurlijk na den bloei verschrompeld uit. Tijdig
+opgepot, kan hij ook het tweede jaar weder bloeien, mits hij, tot
+aan het begin van zijn rusttijd, koel en vochtig gehouden wordt.
+
+Crinum. Onder de fraaie bloemplanten, die voor de kamer geschikt zijn,
+nemen ook de Crinums een voorname plaats in. Deze fraaie bolgewassen,
+die tot de familie der Amaryllideeën behooren, hebben geen absoluten
+rusttijd; zij blijven dus steeds groen. De verschillende soorten
+behooren thuis aan de Kaap de Goede Hoop. In tropisch Azië, in Amerika
+en Nieuw-Holland. Zij dragen fraaie breede of ook wel riemvormige
+bladeren en groote bloemschermen.
+
+Zeer schoone soorten zijn: Crinum Yemense, met atlas-witte zeer
+welriekende bloemen en Crinum Kirkii met groote, witte, purper
+gestreepte bloemen.
+
+De Crinums hebben zeer groote, dikke bollen, met talrijke vleezige
+wortels; zij moeten dus in behoorlijk groote potten gekweekt
+worden. Als grondmengsel gebruikt men 1/2 deel bladaarde en 1/2 deel
+vetten graszodengrond, vermengd met veel zand. Oudere exemplaren
+behoeven slechts om de twee jaar verpot te worden.
+
+De cultuur is zeer eenvoudig. Gedurende den winter worden de planten
+betrekkelijk, doch niet geheel, droog gehouden; des zomers verlangen
+zij echter veel water, en het beste doet men dan ze in den tuin,
+liefst op een beschaduwde plek, of anders op het balkon, te zetten. Een
+bloeiende Crinum levert een prachtig gezicht op.
+
+De voortkweeking geschiedt door kweekbolletjes, die van de oude plant,
+bij het verpotten, afgenomen worden.
+
+Cyclamen (Alpenviooltje). Wie kent niet het lieve Alpenviooltje,
+met zijn mooie niervormige, veelal fraai geteekende bladeren en
+zijn zacht gekleurde, dikwijls welriekende bloemen? Nòch het in het
+voorjaar bloeiende Europeesche Alpenviooltje, Cyclamen europæum,
+nòch de andere harde Alpensoorten hebben als kamerplanten waarde. Een
+zeer gewaardeerde kamerplant is echter de Cyclamen persicum, waarvan
+gedurende den langen tijd, dat zij gekweekt wordt, talrijke schoone
+variëteiten zijn gewonnen. Hoewel de naam op Perzië duidt, behoort deze
+soort daar toch feitelijk niet thuis, daar zij van het eiland Cyprus
+afkomstig is. Waar men des winters bloemen kweekt, is ongetwijfeld ook
+de Cyclamen te vinden, daar zij naast de Primula een der dankbaarste
+winterbloeisters is. Hoewel de Cyclamen voor den leek niet de minste
+overeenkomst met de Primula vertoont, behoort zij toch tot dezelfde
+familie, namelijk die der Primulaceeën.
+
+Uit een vlakken, schijfvormigen knol, die op de aarde rust, ontspringen
+de lang gesteelde, bijna altijd fraai geteekende bladeren, die zich
+bij vrijstaande planten gelijkmatig naar alle zijden uitspreiden,
+zoodat dan de plant den vorm van een halven kogel verkrijgt. Gedurende
+den zomer ontwikkelen zich tusschen de bladstelen de bloemknoppen,
+dikwijls bij tientallen te gelijk. Zij groeien gewoonlijk van
+September af langzaam door, verheffen zich boven de bladeren en
+ontplooien dan haar fraaie bloemen, die door de naar boven geslagen,
+vaak spiraalsgewijze gewonden bloembladeren, een zeer interessant
+voorkomen hebben. Hoe zuiverder en schitterender de bloembladeren zijn,
+des te schooner is de bloem. Naast de zuiver witte kleur, die echter
+niet dikwijls voorkomt, doorloopen de bloemen alle tinten tusschen het
+zachte rose en het vurigste rood. Ook komen er witte bloemen voor met
+roode strepen of vlekken en omgekeerd; zelfs gevulde variëteiten worden
+aangetroffen, doch deze laatsten zijn in schoonheid en sierlijkheid
+niet te vergelijken met de enkelbloemige. De oorspronkelijke Cyclamen
+kenmerkt zich door een wel wat scherpen doch overigens aangenamen
+geur; maar de kweekers der nieuwere variëteiten hebben er zich,
+jammer genoeg, nog niet op toegelegd welriekende te kweeken.
+
+De fraaie Cyclamen persicum wordt tegenwoordig in bijna alle
+kweekerijen in groote getale gekweekt. De liefhebber koopt ze meestal
+tegen het najaar en de prijzen loopen daarbij sterk uiteen, al naar
+de variëteit en de grootte der plant, die men verlangt. Bij het
+koopen moet men er op letten steeds exemplaren te nemen, waarvan
+de knol zich boven de aarde bevindt en niet die, waarvan hij in
+de aarde geplant is; vervolgens moet men toezien, dat men goed
+bewortelde planten verkrijgt, die in den pot gekweekt zijn en ook,
+dat de bladeren van de te koopen planten niet waggelen of hangen,
+niet met stokjes en bast zijn opgebonden, maar stevig aan den knol
+bevestigd zijn. Ook moet men nooit in Augustus bloeiende Cyclamen
+koopen, daar deze spoedig met bloeien ophouden. De beste tijd om ze
+te koopen is in October; men moet dan planten nemen, die goed beknopt
+zijn en waarvan de eerste bloemen beginnen te ontluiken.
+
+Gewoonlijk sterven de gekochte planten na korteren tijd, ook al zijn
+zij nog zoo krachtig, af, wijl zij verkeerd behandeld worden. Hoewel de
+Cyclamen den geheelen winter bloeit, wil zij, evenmin als de Primula,
+warm staan; zij is geen plant voor de woonkamer en gewoonlijk is zij te
+breed om tusschen dubbele vensters geplaatst te worden. Ook vorst kan
+zij niet verdragen, zoodat de beste plaats, die men haar geven kan,
+een lichte plek op de vensterbank van een kamer met een gemiddelde
+temperatuur van 45°-55° Fahr. is. Op zulk een plaats gezet, zullen de
+bloemen zich na elkander ontwikkelen en niet zelden zullen er 20 à 30
+tegelijkertijd open zijn. De planten moeten af en toe met slappe gier
+begoten en matig vochtig gehouden worden. Bij het begieten moet men
+goed oppassen, dat er geen water tusschen de bladeren en op den knol
+blijft staan; hierdoor toch zouden niet alleen de bloemknoppen, doch
+ook de knollen zeer gemakkelijk gaan rotten, in welk laatste geval
+de plant zeker verloren is. Uitgebloeide bloemen en geel geworden
+bladeren moeten voorzichtig bij den knol worden afgesneden.
+
+Nadat de bloei geëindigd is, begint de Cyclamen te rusten. Hoewel
+de kweeker meestal de uitgebloeide planten, als ze wat oud worden,
+wegwerpt en de oude knollen niet meer waard acht verder te kweeken,
+kunnen de liefhebbers ze verscheidene jaren bewaren en tot bloei
+brengen. Om dit te bereiken moet men ze op de volgende wijze
+behandelen: De uitgebloeide Cyclamen worden langzamerhand minder
+begoten, waardoor zij gaandeweg afsterven. In Juni zijn de knollen
+ontbladerd en men doet het best ze dan op een beschaduwde plek in
+den tuin te zetten. Hier laat men ze rustig staan; doch, wijl de
+wortels niet geheel afsterven, maar in leven blijven, moet men ze
+af en toe een weinig begieten, ten einde te voorkomen, dat de aarde
+geheel uitdroogt. Tegen het begin van den regentijd, in September,
+beginnen de knollen weder teekenen van leven te geven; zij worden
+dan voor den dag gehaald en in een mengsel van gelijke deelen broei-
+en blad- of heideaarde, goed met zand vermengd, opgeplant, voor een
+venster met morgenzon gezet en gelijkmatig begoten.
+
+De voortkweeking van de Cyclamen geschiedt door zaden. Men kan zelf
+zeer goed zaden verkrijgen van in het voorjaar bloeiende bloemen,
+mits men deze bevrucht. Daar men niet gemakkelijk met een penseel
+bij de meeldraden kan komen, moet men de bevruchting op een andere
+wijze volvoeren. Op een zonnigen dag stoot men tegen den middag met
+duim en middelsten vinger krachtig tegen de bloem, zoodat deze flink
+heen en weer geschud wordt; het stuifmeel komt dan als een wolkje
+te voorschijn, wat voldoende is, om de bevruchting te doen plaats
+hebben. De bevruchte bloem bloeit snel uit, haar steel buigt zich
+over den potrand heen en na verloop van eenige weken rijpen in een
+bolvormige vrucht de tamelijk harde zaadkorrels. In Augustus worden
+de versche zaden in potten of schalen gezaaid; zij worden warm en
+gelijkmatig vochtig gehouden, waarop de kieming binnen 4-6 weken
+volgt. De zaailingen, die al heel spoedig een knolletje vormen, worden
+op de vensterbank gezet, tegen felle zon geschermd en, zoodra zij het
+tweede of derde blad vormen, gerepikeerd. Gedurende den winter worden
+de jonge plantjes nogmaals gerepikeerd en in het voorjaar kunnen zij
+dan afzonderlijk in kleine potjes worden opgepot. De kweeker houdt
+zijn Cyclamen van den beginne af aan in een bak dicht onder het glas,
+totdat zij volgroeid zijn; de liefhebber moet zich echter met de
+vensterbank behelpen. De jonge Cyclamen, die niet, zooals de oude
+knollen, des zomers rusten, doch steeds doorgroeien, moeten in den
+loop van den zomer nog een paar keeren verpot worden; ook moet men
+bij zonnig weer voor behoorlijk schermen en spuiten zorgen. Hoewel men
+zoodoende vrij goede planten kan kweeken, zullen zij zich toch nooit
+zoo fraai ontwikkelen als in een bak, zoodat wij den liefhebbers,
+die niet zeer veel zorg aan hun planten kunnen besteden, aanraden
+liever jaarlijks eenige planten bij een vertrouwd kweeker te koopen.
+
+Eucharis. Tot de fierste en te gelijk fraaiste winterbloeisters
+moet zeker wel de Eucharis gerekend worden. De verschillende
+soorten van het geslacht Eucharis behooren in tropisch Amerika
+thuis en wetenschappelijk vertoonen haar bloemen slechts een
+zeer gering verschil. In de kweekerijen treft men meestal vijf
+verschillende soorten aan; namelijk: Eucharis candida, Eu. grandiflora,
+Eu. Sanderiana, Eu. Mastersii en Eu. amazonica. De laatste soort wordt
+verreweg het meest gekweekt, waarom wij dan ook door Fig. 120 een
+zeer schoon exemplaar er van afbeelden. De Eucharis is een bolgewas,
+en haar bloemen toonen eenige overeenkomst met de Tazette, wat niet
+te verwonderen is, daar zij tot dezelfde familie behoort, namelijk
+tot die der Amaryllideeën; een familie, waaruit we reeds vele fraaie
+winterbloeisters vermeld hebben.
+
+Onze fraaie afbeelding zal menig liefhebber den wensch doen koesteren
+zulk een schoone plant te bezitten. De vervulling van dezen wensch
+behoort wel tot de mogelijkheden, want zij zijn nòch moeilijk
+te verkrijgen, nòch duur; toch meenen wij tegen een overijlde
+aanschaffing er van te moeten waarschuwen. De Eucharis wordt wel
+algemeen als kamerplant aanbevolen, maar wij durven deze aanbeveling
+niet zonder voorbehoud onderschrijven. Slechts dien liefhebbers, die
+zeer veel ondervinding op het gebied van kamercultuur hebben, durven
+wij aanraden deze plant te kweeken. Hij, die lastige Amaryllissen en
+Orchideeën met succes in een kamer kweekt, kan zonder twijfel zijn
+krachten ook wel eens aan deze planten beproeven, andere liefhebbers
+moeten wij haar echter, met het oog op haar lastige cultuur, ontraden.
+
+De Eucharis behoort tot die bolgewassen, welke niet geheel afsterven,
+zij moet dus ook gedurende haar rusttijd begoten worden. Veel water
+mag zij dan echter niet hebben; slechts genoeg om te voorkomen, dat
+de wortels en de bladeren verdrogen. Gedurende dezen rusttijd moeten
+zij ook luchtiger en koeler gehouden worden dan anders. Wenscht men
+des winters bloeiende Eucharissen te hebben, dan moet men het zoo
+trachten in te richten, dat de groeiperiode tegen Augustus eindigt. De
+Eucharissen groeien liefst gezellig, het kweeken van iederen bol
+afzonderlijk is dus zeer ondankbaar, zij bloeien dan zelden, of in
+het geheel niet. Het is daarom ook niet geraden om, zooals men bij de
+meeste bolgewassen doet, de kweekbolletjes spoedig te verwijderen;
+doet men dit bij de Eucharis, dan zal men weinig pleizier van haar
+beleven. Bij het aanschaffen tracht men flinke, groote exemplaren,
+dus echte bolkolonies te verkrijgen, en deze laat men, zonder ze te
+scheuren, doorgroeien, al worden zij ook nog zoo breed. Zulke groote
+planten bloeien zeer dankbaar en meestal wel twee keeren per jaar,
+eens in den voorzomer en eens in den winter.
+
+Voor de cultuur van de Eucharis moet men geen gewone potten, doch
+zoogenaamde schalen gebruiken, die veel breeder zijn dan diep,
+natuurlijk mogen zij niet al te ondiep zijn, en ook moeten zich
+talrijke drainage-gaatjes in den bodem bevinden. Oudere exemplaren
+behoeven niet jaarlijks verpot te worden; is dit echter noodig, dan
+moet het na het einde der rustperiode geschieden. Wil men verpotten,
+dan wordt de plant uit den pot genomen, en worden de vleezige wortels
+voorzichtig losgemaakt, waardoor een deel der oude aarde er tusschen
+uitvalt. Aan de gezonde wortels mag nooit gesneden worden. Als aarde
+gebruikt men een voedzamen, doch zeer groven grond, het best is een
+mengel van twee deelen half verteerde bladaarde, waar de fijne aarde
+door zeven uit verwijderd is, één deel brokkeligen graszodengrond,
+één deel ouden koemest (in de meeste kweekerijen wel te verkrijgen) en
+één deel scherp zand. Wil men succes met zijn Eucharissen hebben, dan
+moeten zij op een lichte plaats staan met een gemiddelde temperatuur
+van 55°-65° Fahr. Tegen te felle zon moet geschermd worden, terwijl
+men, door herhaaldelijk te spuiten, de lucht voldoende vochtig moet
+houden. Heeft men gezonde exemplaren, dan moet men niet vergeten, die
+van tijd tot tijd te bemesten. Het best zal de Eucharis steeds in een
+kamerkasje groeien, waarin zij tegen tocht en droge lucht beschermd is.
+
+Hæmanthus. De Hæmanthussen zijn sierlijke Amaryllideeën, afkomstig van
+de Kaap de Goede Hoop. Zij hebben dikke bollen en betrekkelijk korte,
+zeer breede, stevige bladeren. In het voorjaar ontspruit tusschen deze
+bladeren de tamelijk korte, vleezige bloemsteng, die een, uit dicht
+op elkander geplaatste witte of roode bloempjes bestaand bloemscherm
+draagt. Door de ver uitstekende meeldraden hebben deze bloemen een
+zeer eigenaardig voorkomen. Zeer in trek zijn de Hæmanthus coccineus,
+met scharlakenroode bloemen; de Hæmanthus albiflos, die zeer op de
+voorgaande gelijkt, doch er van verschilt, doordat de bloemen wit
+en de meeldraden, geel zijn en de Hæmanthus Kalbreyeri, met fraaie,
+lichtroode bloemen.
+
+De behandeling van de Hæmanthus is zeer eenvoudig. Des zomers kweekt
+men ze in het op de zon gelegen bloemenrekje buiten voor het venster,
+des winters daarentegen in een matig warme kamer. De verplanting
+moet geschieden na den bloei en in tamelijk zwaren grond. Bij het
+verplanten moet men de wortels zeer ontzien. Men moet er op passen
+gedurende den winter niet te veel water te geven. De vermenigvuldiging
+geschiedt door kweekbolletjes.
+
+Hymenocallis (Pancratium). De Pancratiums staan zeer dicht bij de
+Eucharis en behooren ook tot de familie der Amaryllideeën. Het zijn
+bolgewassen met groote bollen, lange, tamelijk breede, riemvormige
+bladeren en op krachtige bloemstengen staande, schermvormige
+bloeiwijzen. De zachte vanieljegeur, dien zij verspreiden, is zeer
+aangenaam. De bloemen zijn pijpvormig, boven op dit pijpje zit een
+verbinding van meeldraden en vormt daar als het ware een trechter,
+ongeveer gelijk als die der Tazette; om dezen trechter staan stervormig
+de lange, witte, lijnvormige, teruggeslagen bloembladeren, die aan
+het geheele bloemscherm een los voorkomen geven.
+
+De Pancratiums hebben, evenals verscheidene andere bolgewassen, geen
+absolute rustperiode, wat niet wegneemt, dat zij toch wel degelijk
+rusten. Zij behouden echter gedurende haar rusttijd de bladeren. De
+bollen worden gekweekt in een mengsel van blad- en broeiaarde, ouden
+graszodengrond en zand. Men behoeft ze niet alle jaar te verplanten,
+wanneer men ze in haar groeitijd nu en dan giert. Bij het verplanten,
+dat met het begin van den groeitijd moet gebeuren, schudt men al de
+oude aarde tusschen de dikke wortels weg, en snijdt de zieke wortels
+met een scherp mes af. Gedurende den rusttijd wordt weinig gegoten,
+ook behoeft men haar dan geen lichte plaats te geven. Bij het begin
+van den groeitijd zet men de planten voor het venster van een vertrek,
+dat op 60°-65° Fahr. verwarmd wordt. Des zomers heeft zij zooveel
+water noodig, dat men den pot in een schotel met water kan zetten.
+
+Een zeer goede soort om in de kamer gekweekt te worden is de Pancratium
+caribæum van de Canarische eilanden; ook de Pancratium speciosum van
+de Antillen is een zeer dankbare en fraaie plant.
+
+De voortkweeking van deze planten geschiedt het best door
+kweekbolletjes, die bij het verplanten van de moederplant worden
+afgenomen en afzonderlijk in potjes worden geplant.
+
+Lilium (Lelie). De Lelies, de overal bekend en in trek zijnde
+bolgewassen, behooren tot de familie der Liliaceeën. Deze prachtige
+bloemplanten, die vooral voor den tuin groote waarde hebben, worden in
+Japan met groote voorliefde gekweekt en van daar in grooten getale
+in Europa ingevoerd. Zij ontwikkelen somtijds stengels van een
+aanmerkelijke lengte, die met lancetvormige bladeren bezet zijn en
+die dikwijls door tal van rijke, groote, zeer fraai gekleurde bloemen
+gekroond worden. De zes bloemdekbladeren, die de bloem vormen, geven
+haar nu eens het voorkomen van een pijpvormigen trechter, dan weer
+zijn zij elegant teruggeslagen en de stamper en meeldraden steken
+dan boven de fraai gevormde bloem uit.
+
+Van de meer dan vijftig bekende Leliesoorten worden er slechts eenige
+in potten gekweekt. Fraaie potplanten vormen de Lilium Harrisii,
+met groote, trechtervormige, witte bloemen; de Lilium tigrinum,
+met donkeroranje, van binnen met scharlakenrood gespikkelde bloemen;
+de talrijke variëteiten der Lilium speciosum, met witte, vaak rose en
+rood gespikkelde bloemen, welke soort ook wel voorkomt onder den naam
+Lilium lancifolium, en eindelijk de fraaiste van alle Leliesoorten, de
+Lilium auratum, met zeer groote witte bloemen, waarvan de bloembladeren
+met purperroode stippels en gele strepen geteekend zijn. Deze soort,
+waarvan ook enkele variëteiten bestaan, is zeer welriekend.
+
+De bollen van deze Leliesoorten zijn ieder voorjaar bij goede
+zaadhandelaars verkrijgbaar. In Japan worden talrijke Leliesoorten
+niet alleen als sierplanten, doch ook als voedingsgewassen gekweekt,
+waarvan de bollen gegeten worden.
+
+De potcultuur der Lelies is zeer eenvoudig. Daar deze planten slechts
+voor versiering van het balkon, de veranda of den tuin kunnen dienen
+en in den zomer bloeien, begint zij pas in het voorjaar. Wij schaffen
+ons dus sterke en vooral goed gezonde bollen aan, en planten die,
+waartoe men potten gebruikt, die, al naar de grootte der bollen,
+een doorsnede moeten hebben van 15 à 18 cM. Als aarde gebruikt men
+een goed met zand vermengden, voedzamen grond. Een mengsel van goede
+bladaarde met veel ouden, verteerden koemest is zeer geschikt. Bij
+het oppotten der Leliebollen moeten wij met een eigenaardigheid
+er van rekening houden; zij toch onderscheiden zich van de andere
+bolgewassen daardoor, dat er zich uit de schijf slechts zeer weinig
+duurzame wortels ontwikkelen; het meerendeel der wortels, die voor
+de voeding der plant zorgen, ontspruit onder aan den stengel, dien
+de bol voortbrengt. Deze wortels vormen als het ware een krans boven
+den bol en sterven te gelijk met den stengel af. Om nu te zorgen,
+dat de stengels deze wortels in voldoende mate voortbrengen, moeten
+de bollen zóó diep geplant worden, dat later hun voeten diep genoeg
+in de aarde komen te staan.
+
+Nadat wij in den ledigen pot de drainage gelegd hebben, brengen wij
+er een aardlaagje in van ongeveer 3 cM. dikte in. Op dit aardlaagje
+strooit men een laagje goed zuiver zand van ongeveer 1 cM. dikte. De
+vrij groote bol wordt nu zóó op dit zandlaagje gezet, dat de wortels,
+die er zich aan bevinden, gelijkmatig in de rondte verdeeld zijn. Zijn
+wij zoover, dan wordt de pot, tot op die hoogte, verder aangevuld,
+zoodat de bol ongeveer ter halver hoogte in de aarde komt te staan
+(Fig. 123). De zoo opgeplante bollen, die dus in slechts half gevulde
+potten staan, worden matig vochtig gehouden en het best gezet op de
+vensterbank van een niet al te warme kamer. Bij het intreden van
+meer gestadig warm weer, worden zij op het balkon gezet. Spoedig
+komt er nu groei in de bollen en beginnen zij een flinken scheut
+voort te brengen. Is deze scheut zoover gegroeid, dat hij boven den
+potrand uitsteekt, dan vult men den pot van lieverlede met aarde aan,
+zoodat ten laatste slechts de gewone gietrand overblijft. Na zulk
+een planting staan de voeten van de stengels in de aarde en kunnen
+daarin rijkelijk wortel schieten.
+
+Wil men zijn Lelies des zomers goed doen groeien, dan moet men
+ze een zonnige standplaats geven in den tuin of op het balkon;
+ook flink begieten en nu en dan gieren, is voor de ontwikkeling
+zeer bevorderlijk; verplanten des zomers moet daarentegen vermeden
+worden. Na het uitbloeien beginnen de Lelies langzamerhand af te
+sterven; men giet dan ook steeds wat minder. Zijn de stengels geheel
+afgestorven, dan worden de bollen uit de potten genomen en de doode
+scheuten dichtbij den bol afgesneden. De bollen overwinteren het best
+in een vorstvrijen kelder op een laag maar even vochtig wit zand,
+daar zij niet goed verdragen geheel droog te overwinteren.
+
+Heeft men zeer voedzame aarde gebruikt, dan kunnen de Leliebollen
+er wel twee zomers in blijven staan. De stengels worden dan, zoodra
+zij afgestorven zijn, gelijk met de aarde afgesneden. De potten laat
+men daarna op een vorstvrije plaats overwinteren, en worden juist
+zóó vaak begoten, dat de aarde niet geheel uitdroogt. Beginnen in
+het voorjaar de jonge scheuten zich te ontwikkelen, dan zet men de
+potten dadelijk buiten en geeft ze meer water. Later, wanneer de
+stengels in vollen groei zijn, worden zij nu en dan gegierd. Sommige
+Leliesoorten ondergaan deze behandeling liever, dan jaarlijks uit de
+potten te worden genomen.
+
+Enkele Lelies en daaronder ook de Lilium Harrisii, kan men, om ze reeds
+vroeg in het voorjaar in bloei te hebben, reeds in den herfst oppotten;
+zij groeien dan op een lichte koele standplaats den geheelen winter
+door en zullen reeds in April of Mei bloeien. Toch is deze wijze van
+behandelen voor den liefhebber, die zijn planten in de kamer kweekt,
+niet aan te bevelen, omdat zij daar sterk van luis te lijden hebben.
+
+De vermenigvuldiging der Lelies geschiedt door kweekbolletjes,
+die zich bij enkele soorten o.a. bij de Lilium tigrinum ook in de
+bladoksels ontwikkelen. In een tuin is de voortkweeking wel mogelijk,
+omdat de bollen daar den winter door onder bedekking overblijven,
+in een kamer is zij echter onuitvoerbaar.
+
+Polyanthes tuberosa (Tuberoos). Onder de zeer gezochte zomer- en
+herfstbloeisters neemt de Tuberoos zeker een voorname plaats in. De
+Polyanthes behoort in Amerika en Afrika tehuis. Het is een bolgewas,
+met lange, smalle, groene bladeren. Uit het midden der bladerrozet
+verheft zich een bebladerde bloemsteng, die wel 75 cM. hoog kan
+worden en die een dichte aar van witte, zeer welriekende bloemen
+draagt. Bij den stamvorm zijn deze bloemen enkel en niet zoo heel
+fraai. In Zuid-Frankrijk wordt deze enkelbloemige soort in het groot
+voor de parfumerie-fabrieken gekweekt en van daar worden zij ook in den
+naherfst in grooten getale naar de bloemenmarkten der groote steden
+verzonden. Voor potcultuur wordt uitsluitend de gevulde variëteit
+gebruikt. De schoonste en rijkst bloeiende variëteit draagt den naam
+"The Pearl"; zij is van Amerikaanschen oorsprong en wordt van daar
+zeer veel naar Europa verzonden.
+
+De cultuur der Tuberoos is niet lastig. De bollen komen van den
+naherfst tot het voorjaar in den handel voor, en worden tegen het
+begin der lente opgepot. Men gebruikt voor het opplanten een met
+veel zand vermengden goeden blad- of boschgrond, waar een weinig
+graszodengrond aan toegevoegd kan worden; de te gebruiken potten
+moeten ongeveer 12 cM. wijd zijn. In deze potten kan men een of twee
+bollen planten, die zóó opgepot moeten worden, dat de hals van den bol
+uit de aarde steekt. De bollen, die niet dadelijk, maar meestal pas
+na eenige weken beginnen te groeien, moeten in den beginne slechts
+zeer matig begoten worden, terwijl men ze een warme standplaats
+voor het venster eener gestookte kamer moet geven. Zijn de bollen
+eenmaal flink aan het uitgroeien, dan kunnen zij rijkelijk begoten
+worden; zij behoeven dan geen warme standplaats meer te hebben,
+en kunnen van Juni af in een zonnig plantenrekje voor het venster,
+of op het balkon geplaatst worden. Nu en dan gieren met zeer slappe
+koegier is zeer bevorderlijk voor den bloei. Het komt wel eens voor,
+dat de hoofdscheut niet doorgroeit, terwijl zich een groot aantal
+secondaire scheuten ontwikkelen. In zulke gevallen moeten de jonge,
+kweekbolletjes direct weggebroken worden.
+
+In Juli of Augustus, somtijds zelfs pas in September, is de groei
+zoover gevorderd, dat de bloemknoppen, die in den beginne groen zijn
+en later pas wit worden, sterk beginnen te zwellen. Tegen dezen tijd
+moeten de stengels aan stokjes gebonden worden, ten einde te voorkomen,
+dat zij buigen of afknakken. Plant men de bollen, die zeer lang droog
+kunnen liggen, te laat in het voorjaar op, dan mislukt de cultuur,
+wijl dan de ontwikkeling der knoppen in de sombere maand October valt,
+en deze bij voortdurend donker weer niet open komen, doch beginnen
+te rotten. Daar de bladeren der Tuberoos zeer gemakkelijk breken,
+waardoor de plant minder mooi wordt, moet men zeer voorzichtig met haar
+omgaan. De uitgebloeide Tuberoos heeft geen waarde meer, daar de bol,
+na gebloeid te hebben afsterft. Men kan ze dus niet voortkweeken,
+maar moet ieder jaar bloeibare bollen aankoopen.
+
+Sternbergia. Dit lieve, tot de Amaryllideeën behoorende bolgewas
+behoort in Zuid-Europa te huis. De Sternbergia's zijn planten, waarvan
+de bloemen in den herfst vóór de bladeren verschijnen. De meest
+bekende soorten zijn Sternbergia lutea en Sternbergia dalmatica. In
+het begin van September worden de, gedurende den zomer rustende,
+vrij groote bollen in betrekkelijk kleine potten geplant en reeds
+tegen het einde van dezelfde maand vertoonen zich de eerste, gele
+bloemen, waarvan iedere knol er van drie tot vijf voortbrengt. In
+den vorm gelijken de bloemen op die van den Crocus. Geeft men den
+Sternbergia's een koele, doch vorstvrije standplaats, dan zal de bloei
+tot Januari toe duren, Nadat zij gebloeid hebben, moet men doorgaan met
+de planten te begieten, daar zich dan pas de smalle bladeren beginnen
+te ontwikkelen. Zijn de planten tegen den zomer afgestorven, dan worden
+de bollen uit de potten genomen, in de lucht gedroogd, schoongemaakt
+en bewaard tot September, wanneer zij opnieuw opgeplant moeten worden.
+
+Vallota purpurea. De Vallota is weer een dier schitterende geslachten,
+waaraan de familie van de Amaryllideeën zoo rijk is. Deze werkelijk
+dankbare bloeister is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Uit een
+niet zeer zwaren bol ontwikkelen zich, lange, stevige donkergroene
+bladeren, uit welker midden in Augustus of September, de ongeveer 20
+cM. lange, krachtige bloemsteng ontspruit, die talrijke, zeer fraaie,
+roode bloemen draagt. Er zijn verscheidene variëteiten van bekend,
+ook een met witte bloemen.
+
+De cultuur is zeer eenvoudig. In de eerste plaats moeten wij er op
+letten, dat de Vallota niet absoluut rust. Wel heeft zij gedurende
+den winter haar rusttijd, doch zij verliest dan nòch geheel haar
+wortels, nòch al haar bladeren, zoodat zij ook gedurende dezen tijd
+niet geheel droog mag gehouden worden, hoewel zij dan met een minder
+lichte standplaats in een koel vertrek tevreden is. Begint de Vallota
+in het voorjaar uit te groeien, dan moet zij voorzichtig verplant
+en daarna op een lichte plaats gezet worden. Hoewel een jaarlijks
+verplanten wel wenschelijk is, is het voor de plant toch niet streng
+noodzakelijk. Vele liefhebbers houden hun Vallota's jarenlang in
+denzelfden pot, bemesten ze des zomers niet en verkregen toch zeer
+bevredigende resultaten. Tegen het einde van Mei zet men de Vallota
+op een eenigszins beschaduwde plek van het bloemenrekje buiten voor
+het venster; hier zal zij dan ook later haar bloemen ontwikkelen.
+
+De bollen der Vallota hebben een sterke neiging tot het vormen
+van kweekbolletjes. Wil men sterke bollen hebben, dan moet
+men die kweekbolletjes niet laten doorgroeien, maar ze tijdig
+verwijderen. Breekt men de kweekbolletjes voorzichtig weg en plant
+men ze gezamenlijk in een pot of schaal, dan kan men, wanneer zij
+het tweede jaar in afzonderlijke potjes worden geplant, er voor het
+venster zeer goed bloeibare bollen van kweeken.
+
+In de laatste jaren wordt de Vallota meer en meer op waarde geschat
+en de bollen worden zelfs in grooten getale ingevoerd. Aangezien deze
+ingevoerde bollen echter droog en zonder wortels in den handel komen,
+moet men, tot zij uitgroeien, zeer voorzichtig met de behandeling zijn.
+
+Veltheimia viridifolia. De Kaap de Goede Hoop, het vaderland van
+zoovele schoone bolgewassen, is het ook van deze Veltheimia. De plant
+is reeds zeer lang bekend, en ook een zeer dankbare winterbloeister;
+toch is zij lang niet zoo algemeen verspreid als zij verdient. Uit den
+bol ontspruiten lange, breede, gootvormige bladeren, die aan den rand
+licht gegolfd zijn. Tusschen deze bladeren verheft zich de bloemsteng,
+die van 25-40 cM. hoog kan worden. De bloemsteng heeft een lichtbruine
+kleur met groene vlekken, terwijl zij met een blauwachtig was overtogen
+is. Deze bloemsteng draagt een dichte aar van pijpvormige, hangende,
+zalmkleurige bloemen, die een lengte hebben van 5-7 cM. en geheel
+reukeloos zijn. De bloeitijd, die zeer lang duurt, valt gewoonlijk
+in den winter.
+
+De cultuur der Veltheimia is zeer dankbaar. Van af Juli tot in
+September zijn de bollen in volmaakte rust, men neemt ze niet uit
+de potten, hoewel zij in het geheel niet gegoten mogen worden. In
+September worden de bollen in behoorlijk groote potten verplant,
+waartoe men bij voorkeur zandige compostaarde gebruikt. Bij het
+verplanten neemt men den bol uit den ouden pot, schudt de aarde
+tusschen de wortels weg, snijdt de doode wortels af en plant hem weder
+zoodanig op, dat hij half boven de aarde uitsteekt. Tot laat in den
+herfst houdt men de verplante bollen buiten; daarna worden zij in een
+vertrek gezet, liefst voor het raam, met een gemiddelde temperatuur
+van 50° Fahr. Hier komt de Veltheimia in bloei en wel gewoonlijk op
+een tijd, dat de andere bolgewassen nog pas in knop zijn.
+
+Na afloop van den bloei moet men doorgaan met haar te begieten,
+daar de eigenlijke rusttijd pas in den zomer begint.
+
+De vermenigvuldiging geschiedt door kweekbollen, die de plant zeer
+gewillig voortbrengt.
+
+Wil men fraaie planten kweeken, dan laat men de jonge bollen aan de
+moederplant zitten. Zij zijn dan binnen een paar jaar bloeibaar en
+men krijgt zoodoende exemplaren, die met zes en meer bloemstengen
+kunnen bloeien.
+
+
+
+
+Aroideeën of Aäronskelkachtige planten.
+
+De familie der Aroideeën is een zeer interessante, die meer dan 500
+bekende soorten telt en die tot de groote groep der Eénzaadlobbige
+planten behoort. De Aroideeën zijn over de geheele aarde verspreid;
+de fraaiste soorten vindt men echter in de tropische streken der
+Oude en Nieuwe Wereld. Het zijn gewoonlijk kruidachtige planten met
+knolvormige, klimmende of kruipende wortelstokken, of met zeer weeke
+stammen, en ze behooren meestal in de tropische wouden thuis. De
+meeste soorten worden in haar vaderland aangetroffen op moerasachtige
+bodems, waarboven zij zich vaak door haar luchtwortels verheffen, om
+zich zoodoende aan andere planten vast te hechten of tegen stammen van
+boomen op te klimmen. Eenige soorten, met een knolvormigen wortelstok,
+groeien bij voorkeur in drogere streken. Enkele van deze laatsten zijn
+in de tropen zeer nuttig; men verbouwt ze er als voedingsgewassen en
+de knollen zijn, gekookt of geroosterd, een zeer goed voedsel.
+
+De bloemen van alle Aroideeën zijn klein en onbeduidend; zij zitten
+op een vleezige, onverdeelde kolf, die in de meeste gevallen door een
+scheedevormig schutblad omgeven wordt. Dit schutblad, dat de bloemkolf
+in den beginne omgeeft, maar later terugslaat of zich oprolt, verleent
+aan de planten haar groote waarde. Al die soorten, welke in de kamer
+of de plantenkas rijk bloeien en zich onderscheiden door fraaie
+witte, rose, roode, donkerbruine of gele bloemscheeden, worden tot
+de bloem-Aroideeën gerekend. Naast deze fraai bloeiende staan andere,
+waarvan de bloemscheeden een onbeteekenende, somtijds leelijke, groen-
+of geelachtige kleur hebben, maar die dan door de trotsche houding of
+groote afmeting der bladeren een hooge waarde bezitten. Zoowel onder
+de schoon bloeiende als onder de schoonbladerige Aroideeën zijn er,
+jammer genoeg, slechts weinige, die als kamerplanten een burgerrecht
+verkregen hebben. Onder de bekendste schoon bloeiende soorten behoort
+zeker wel de Calla (Richardia) æthiopica, algemeen bekend onder den
+naam van Aäronskelk.
+
+Deze plant, afkomstig van de Kaap de Goede Hoop, heeft lang gesteelde,
+pijlvormige, glanzend groene bladeren, waartusschen zich de vaak een
+Meter hoog wordende bloemstelen verheffen, die de bloemkolven dragen,
+welke van groote, witte, welriekende, peperhuisvormige bloemscheeden
+omgeven zijn. De bloeitijd valt in de lente of den zomer, doch kan
+door een goede cultuur ook naar den winter verplaatst worden. Wanneer
+men de Calla goeden voedzamen grond geeft, dan is zij een flinke
+groeister. Het best kweekt men haar in een mengsel van gelijke deelen
+broeiaarde en veengrond, waar natuurlijk een voldoende hoeveelheid
+zand aan moet worden toegevoegd. In het voorjaar, zoodra zij nieuwe
+bladeren begint te maken, moet zij verpot worden. De pas verplante
+Calla geeft men een lichte standplaats in een matig verwarmd vertrek;
+zij maakt dan spoedig wortels in de nieuwe aarde, en verlangt
+dan zeer veel water. Des zomers eischt zij zooveel water, dat het
+geraden is de potten in gewone schoteltjes te zetten en deze steeds
+met water gevuld te houden. Zoolang men de Calla in de kamer kweekt,
+moet zeer gelet worden op de bladluizen, waardoor zij vaak aangetast
+wordt. Zoodra eenigszins vast warm weer intreedt, zet men haar in het
+bloemenrekje voor het venster, op het balkon of in den tuin. Behalve
+op behoorlijke begieting en bemesting moet men des zomers ook letten
+op tijdige verwijdering der kweekknollen, die in grooten getale zich
+ontwikkelen en de moederplant aanmerkelijk verzwakken. Uit deze
+kweekknollen kunnen weder jonge planten opgekweekt worden. In den
+herfst begint de rusttijd der Calla; zij wordt dan minder begoten en
+overwintert in een koele, doch vorstvrije kamer. Het is niet geraden
+haar des winters zóó droog te houden, dat zij haar bladeren verliest en
+tot op den knol afsterft. Heeft men goed gekweekte en sterke planten,
+dan ontwikkelen zich vaak reeds in Januari en Februari de eerste
+bloemknoppen tusschen de bladeren. Deze planten zet men warmer,
+waardoor een vervroegde bloei verkregen wordt. Gewoonlijk wordt de
+Calla te warm gehouden; zij vormt dan lange bladstelen, die meestal
+te zwak zijn om de bladeren te dragen en dus omknikken. Ook zullen
+zulke planten zeer zwak of in het geheel niet bloeien.
+
+Men heeft in den laatsten tijd verschillende variëteiten van de
+Calla gewonnen, waaronder wel het meest uitmunt de "Little Gem,"
+een laag blijvende, doch zeer rijk bloeiende variëteit. Ook de Calla
+Childsiana, een uit Amerika stammende soort, is in korten tijd zeer
+populair geworden. Haar bloemscheede is schitterend wit, groot en mooi
+naar buiten omgeslagen. Een andere, die ook zeer veel aangetroffen
+wordt, is de Calla æthiopica albo-maculata, die wit gevlekte bladeren
+heeft. Deze in al haar afmetingen kleinere, doch veel stevigere plant,
+is reeds lang bekend. De pijlvormige bladeren zijn geelachtig groen
+met talrijke witte vlekken; de bloemscheeden zijn aan de buitenzijde
+evenzoo licht geelgroen, aan de binnenzijde echter wit. Deze variëteit
+sterft in het najaar, dus tegen den rusttijd, geheel af. De vlakke,
+zware knollen laat men droog en vorstvrij overwinteren; zij worden in
+Februari of Maart in zeer voedzamen grond opgepot en voor het venster
+gezet, waar zij weder spoedig zullen uitgroeien. Bij het oppotten
+moet men er op letten, dat de knollen geheel onder de aarde komen
+te liggen. De cultuur is overigens geheel dezelfde als die van den
+stamvorm. Beide planten zijn ook voor het aquarium te gebruiken.
+
+Evenals de Calla's behandelt men ook de in de laatste tijden ingevoerde
+Arum-soorten met fraaie bloemen, die een zeer donkerbruine, ja somtijds
+zelfs een bijna zwarte bloemscheede hebben. De meest bekende van
+deze soorten is de uit Palestina afkomstige Arum sanctum, ook wel
+Arum palæstinum genaamd. Hoewel deze geen moerasplant is, moet zij
+gedurende haar groeitijd zeer veel begoten worden. De Arum sanctum
+rust in den zomer; de knollen worden in den herfst opgepot en in een
+matig warme kamer gekweekt. De zeer fraaie bloemen verschijnen dan
+gewoonlijk in April of Mei.
+
+Terwijl de thans behandelde Aroideeën alle des zomers buiten willen
+staan, zijn er bij de Anthuriums planten, die zeer schoon bloeien,
+doch het geheele jaar door in de kamer moeten gekweekt worden. De
+Anthuriums zijn kruidachtige planten, waarvan de bloemen door het
+zachte rose of het vurige rood der bloemscheeden groote waarde
+bezitten. Eenige soorten, die, jammer genoeg, uitsluitend in kassen
+moeten gekweekt worden, munten ook uit door prachtig gevormde of
+geteekende bladeren. Voor kamercultuur is zeer aanbevelenswaardig de
+Anthurium Scherzerianum, een plant, die een niet te grooten omvang
+krijgt, hard is en dankbaar bloeit. Fig. 132 vertoont een oud fraai
+specimen van deze soort.
+
+De Anthurium Scherzerianum, is afkomstig uit Guatemala en is kenbaar
+aan haar lange, zeer donkergroene, lederachtige bladeren. De bloemen
+verheffen zich op lange stelen boven de bladeren. De bloemkolf is
+in verschillende bochten gewonden en de teruggeslagen, dikwijls
+aan de spits eenigszins opgerolde bloemscheede prijkt met het
+schoonst denkbare rood. De oorspronkelijke soort is door de kweekers
+aanmerkelijk verbeterd. Men heeft variëteiten gewonnen, waarvan de
+bloemscheeden alle tinten, van het zachtste rose tot het donkerste
+rood, doorloopen; ook zijn er met geheel witte bloemscheeden en
+met rood en wit gevlekte. Al deze variëteiten zijn echter tamelijk
+zeldzaam en dan ook zeer duur.
+
+Daarentegen is de zoogenaamde grootbloemige variëteit, de Anthurium
+Scherzerianum grandiflorum, met een zeer groote, fraai roode
+bloemscheede, vrij algemeen verspreid.
+
+Men kweekt deze planten het best in vlakke potten of schalen. Bij
+het verplanten moet men zeer voorzichtig zijn met de dikke, vleezige
+wortels, daar die zeer broos zijn en dus gemakkelijk afbreken. De
+potten moeten goed gedraineerd zijn. Voor het verplanten gebruikt
+men zeer grove, vezelige heiaarde of boschgrond, gehakt sphagnum en
+kleine stukjes graszodengrond. Bij dit grondmengsel voegt men een
+goede hoeveelheid scherp zand, benevens stukjes houtskool. Deze aarde
+moet niet te vast aangedrukt worden. Bij het verplanten moet men er
+ook nog voor zorgen, dat de Anthurium flink boven den pot uitgeplant
+wordt. Goed bewortelde planten verlangen veel water, des zomers moeten
+zij vaak bespoten worden, terwijl men ze tegen te felle zon moet
+schermen; des winters moeten zij in een gemiddelde temperatuur van
+65°-70° Fahr. staan. De bloemen verschijnen het geheele jaar door,
+en, kan men de Anthurium in een kamerkasje zetten, dan zal zij bij
+voorkeur in den nawinter bloeien.
+
+De vermenigvuldiging geschiedt door deeling van de oude plant; het
+zaaien der in de roode bessen zittende zaden is voor kamercultuur
+niet aan te bevelen.
+
+Een plant, die men in de handelscatalogi vaak vindt opgegeven,
+is de Anthurium Dechardii of juister Spathiphyllum Dechardii. Deze
+heeft vrij groote, vlakke groene bladeren, die op stelen van 20 à
+25 cM. lengte staan. De bloemen zijn aan de buitenzijde groenachtig,
+aan de binnenzijde daarentegen porseleinwit. Het is een voor de kamer
+zeer aanbevelenswaardige plant, die op dezelfde wijze als de vorige
+Anthurium moet gekweekt worden.
+
+Eenige overeenkomst met deze plant heeft de Spathiphyllum cannæfolium;
+zij verschilt van haar door de iets langere bladeren en bladstelen,
+terwijl de bloemen aan binnen- en buitenzijden wit, en zeer welriekend
+zijn. Zij groeit zeer goed op een lichte standplaats in een warme
+kamer.
+
+Onder de Aroideeën, die veel voor de schoone bladeren gekweekt worden,
+nemen de verschillende soorten van het geslacht Philodendron een
+voorname plaats in. Deze soorten onderscheiden zich door een groot
+verschil in groei en in bladvorm. Dikwijls hebben zij een zeer fraaie
+groeiwijze, vaak zijn het echter snel groeiende lianen, die tegen
+de vochtige muren der kassen opklimmen, waaraan zij zich met haar
+dikke luchtwortels vasthechten. Van het eenvoudigste, gaafrandige,
+lancetvormige tot het fraaiste dubbel gevinde blad vindt men in het
+geslacht Philodendron vertegenwoordigd. De geschiktste soort voor de
+kamer is de Philodendron pertusum, een plant, waarvan de juiste naam
+Monstera deliciosa is, doch die onder eerstgenoemden naam het meest
+wordt aangetroffen.
+
+Onze figuur 134 toont een bloeiende plant, die als zoodanig echter
+uitsluitend in kassen voorkomt, wijl zij in bloeienden staat voor
+de kamer te groot is. Figuur 135 toont een jonge, uit stek gekweekte
+plant, zooals men ze in de kamer nu en dan wel aantreft. De vruchten
+van deze Monstera's zijn zeer geurig en worden in de tropen veel
+gegeten. De Monstera met haar glanzend, donkergroene, fraai verdeelde
+bladeren, die haar de grootste waarde verleenen, behoort wel tot een
+der beste kamerplanten. Zij heeft niet zeer veel licht noodig en kan
+vooral des winters op een tamelijk donkere plaats staan, terwijl zij
+zich ook niet erg gevoelig betoont voor stof en droge kamerlucht,
+zoodat zij al de eigenschappen van een goede kamerplant bezit.
+
+De Monstera moet jaarlijks verpot worden in zeer voedzame, doch niet
+te zware aarde, terwijl zij het geheele jaar door in de kamer moet
+worden gehouden.
+
+De voortkweeking, die in de kamer maar zelden zal gelukken, wordt in
+de kweekerijen bewerkstelligd door den kop van de plant af te snijden
+en dien als te steken. De oude stam zal dan eenige zijscheuten maken,
+die, zoodra zij sterk genoeg zijn, ook weer als stekken kunnen gebruikt
+worden. Vaak komt het voor, dat de stekken, voordat ze gesneden worden,
+reeds beworteld zijn, daar ieder blad bij zijn ontwikkeling gewoonlijk
+een luchtwortel medebrengt. Het snijvlak der stekken maakt geen wortels
+en groeit ook niet dicht, maar sterft zeer langzaam in, wat niet belet,
+dat de stekplanten zeer goed groeien. Een zeer fraaie kamerplant is
+ook de Monstera (Philodendron) bipinnatifida uit Brazilië, met groote,
+diep ingesneden en doorboorde bladeren.
+
+Een andere zeer goede kamerplant, tot de familie der Aroideeën
+behoorende, is de Colocasia odora. Deze, die uit Oost-Indië afkomstig
+is, kan somtijds zeer groote, lang gesteelde bladeren dragen. Haar
+cultuur is eenvoudig, daar zij in de zon zoowel als in de schaduw goed
+groeit en zelfs midden in den zomer buiten kan staan. Zij verlangt
+een goeden, doch vooral niet te zwaren grond en des zomers zeer veel
+water. Van belang is het, dat men haar bladeren vrij van stof houdt,
+en er voor zorgt, dat zij in een eenigszins gelijkmatige temperatuur
+Staat.
+
+Zeer schoone bladplanten, die veel gekweekt worden, en vooral als
+jonge planten, uitstekend voor de bloemtafel geschikt zijn, zijn de
+Dieffenbachia's. De bloem van deze Zuid-Amerikaansche plant is zeer
+onbeduidend; zij is geelachtig groen en komt niet voor, waarom men dan
+ook meestal de knoppen niet tot ontwikkeling laat komen, maar ze uit
+de plant breekt, voordat zij opengaan. De waarde der Dieffenbachia's,
+die in veel soorten gekweekt worden, is gelegen in de fraaie, meestal
+zeer mooi gekleurde of gevlekte bladeren. Zeer schoon zijn vooral
+die soorten, welke gevlekte bladeren dragen, wijl deze vlekken vaak
+ook op de bladstelen voorkomen. De figuren 136 en 137 toonen twee
+jonge Dieffenbachia's, namelijk de Dieffenbachia Baumannii en de
+zeer schoone Dieffenbachia magnifica. In de kweekerijen worden deze
+planten door stekken en ook door stamstukjes voortgekweekt. Voor deze
+laatste methode snijdt men den stam in juist zooveel stukjes als er
+zich oogen op bevinden en legt deze bij voorkeur in verwarmd zand;
+ieder oog zal dan uitgroeien en een jonge plant vormen. In de kamer
+gaat het voortkweeken, zoowel op de eene als op de andere wijze, echter
+niet best en is daarom niet aan te raden. Het best doet een liefhebber
+met zich in het najaar jonge Dieffenbachia's aan te schaffen en ze
+een lichte plaats in het woonvertrek te geven. Des winters worden ze
+matig begoten en de teere bladeren vaak afgewasschen. Het verplanten
+geschiedt in het voorjaar in zeer voedzamen, doch niet te zwaren
+grond. Ook des zomers moeten de Dieffenbachia's in de kamer gekweekt
+worden; zij verlangen dan rijkelijk water en moeten dikwijls bespoten
+worden, terwijl men ze tegen felle zon moet schermen. Alleen als jonge
+planten verdienen de Dieffenbachia's aanbeveling; worden zij ouder,
+dan vormen zij een dikken, vleezigen stam en maken kleinere bladeren;
+zij zijn dan niet mooi meer, daar zij ook vaak krom groeien.
+
+De fraaiste en allersierlijkste geteekende planten onder de Aroideeën
+zijn zeker wel de Caladiums. Daargelaten enkele groenbladerige soorten,
+zijn de Caladiums alle, zeer fijne, uiterst teere planten. Deze
+bewonderenswaardige planten, uit tropisch Amerika, behooren tot de
+knolgewassen: haar bloemen zijn onbeduidend en moeten dan ook tijdig
+weggebroken worden. De bladeren, die meer of minder breed, maar steeds
+pijlvormig zijn, prijken bijna altijd met de fraaiste kleuren. De
+groene kleur der bladeren gaat somtijds geheel verloren en daarvoor
+treden dan in de plaats wit, karmijn, purper, rose of geel. Somtijds
+zijn de bladeren éénkleurig, dan weder gevlekt of gestippeld, of
+wel tegen de grondkleur der bladeren vertoonen de nerven zich in een
+geheel andere kleur en leveren zoo een interessant gezicht op.
+
+Des winters rusten de Caladiums; de knollen moeten dan droog en
+warm bewaard worden. In het voorjaar plant men ze op in met zand
+vermengden turfmolm. Houdt men ze daarop warm, en in den beginne
+slechts matig vochtig, dan zal het niet lang duren of ze beginnen
+uit te groeien. Zoodra zij goed teekenen van leven gaan geven,
+neemt men de knollen uit den turfmolm en plant ze in niet te groote
+potten in een mengsel van ruwen boschgrond, vermengd, zoo mogelijk,
+met wat turfstrooiselmest, gehakt sphagnum en stukjes houtskool. Voor
+een goede ontwikkeling is het zeer raadzaam, dat ze des zomers vaak
+worden verpot, terwijl ook goed gezorgd moet worden voor scherming
+tegen de zon.
+
+Beginnen de knollen pas uit te loopen, dan kan men ze vermenigvuldigen
+door ze in zooveel stukken te snijden als er oogen op zitten. De
+snijvlakken moeten dan goed met fijne houtskool bepoeierd
+worden. Jammer is het, dat de Caladiums een gesloten, vochtig warme
+lucht verlangen, zoodat zij moeilijk voor kamerdecoratie gebruikt
+kunnen worden. Haar cultuur is slechts mogelijk in een kamerkasje,
+mits dit niet te klein zij, daar verscheidene soorten ruim 60 cM. hoog
+en zeer breed worden. Men heeft er, vooral in de laatste jaren,
+werkelijk prachtige variëteiten van gewonnen, met bijna transparante
+bladeren. Een zeer lieve miniatuursoort is de Caladium argyrites met
+groene, wit gevlekte bladeren. Een andere witbonte variëteit is onlangs
+in den handel gebracht onder den naam Caladium liliputense, terwijl nog
+enkele andere kleine variëteiten in de kassen der kweekers voorkomen.
+
+
+
+
+Bromeliaceeën of Ananasachtige planten.
+
+De familie der Bromeliaceeën staat in schoonheid en eigenaardigheid
+zeker niet veel achter bij die der Orchideeën. Zij komen in dezelfde
+streken voor, leven onder gelijke omstandigheden en worden niet
+zelden tezamen op dezelfde boomen aangetroffen. Terwijl men vroeger
+de Bromeliaceeën uitsluitend aantrof in Botanische Tuinen, vindt men
+ze tegenwoordig reeds in de kassen van veel kweekers en liefhebbers,
+en sinds het bekend geworden is, dat het zeer dankbare en sterke
+kamerplanten zijn, begint men ze hier en daar reeds in de vertrekken
+te zien. In Parijs worden enkele Bromeliaceeën-soorten reeds op de
+markten verkocht, waartoe zij te Versailles in grooten getale worden
+gekweekt. Ook in België en Engeland beginnen zij meer en meer veld
+te winnen, en wij hopen van harte, dat het niet lang meer zal duren,
+dat zij ook hier naar waarde worden geschat. Algemeen bekend is zeker
+wel de vrucht van de gewone Ananas. Deze soort, die in West-Indië en
+Centraal Amerika thuis behoort, wordt al naar den vorm en de grootte
+der vrucht, in talrijke variëteiten gekweekt. Ook een bontbladerige
+vorm van deze soort wordt als sierplant aangetroffen; deze is echter
+te gevoelig en ook te duur om haar als kamerplant aan te bevelen.
+
+De Bromeliaceeën behooren, evenals de Cactussen, uitsluitend in
+tropisch en sub-tropisch Amerika tehuis. Volgens Prof. Witmack
+worden zij het meest aangetroffen in Zuid-Amerika en wel speciaal in
+Brazilië en Columbië, dus in het Amazone-gebied; doch ook West-Indië,
+Guyana, Peru, Chili en Argentinië zijn rijk aan soorten. De meeste
+Bromeliaceeën zijn zoogen. epiphyten, d.w.z. planten, die op andere
+levende gewassen leven, doch nooit met haar wortels daarin doordringen
+om er voedsel aan te onttrekken. Sommige soorten groeien in de diepe
+schaduw der oerwouden, andere vindt men in de kronen van groote
+boomen, of boven op hooge bergen, zoo o.a. boven op de Itatiaia in
+Brazilië (3000-3300 M.) en op de Andes van Peru, tot een hoogte van
+4300 M. Andere soorten leven weder in den bodem of op rotsen en deze
+hebben het liefst een lichte, droge standplaats; het zijn in hoofdzaak
+die van de Mexicaansche hoogvlakten. Zoo bij voorbeeld is de Guzmannia
+tricolor een der soorten, die volgens André in een droge, dorre streek
+wonen en zeer goed in de brandend heete lucht bloeien. Het is een
+ongeveer 30 cM. hoog wordende kamerplant met zeer interessante bloemen.
+
+De wortels van de Bromeliaceeën zijn over het algemeen zeer weinig
+ontwikkeld, en vooral is dit het geval bij de op boomen groeiende
+soorten; vele hebben slechts als zaadplantjes enkele worteltjes
+en leven verder geheel wortelloos, haar voedsel geheel opnemende
+uit de vochtige lucht. In de Botanische Tuinen ziet men deze hoogst
+interessante, maar uit een tuinbouwkundig oogpunt waardelooze planten,
+vaak jarenlang tegen een stukje kurkschors gehecht, uitstekend
+groeien. De meeste Bromeliaceeën hebben riem- of lijnvormige,
+ongesteelde bladeren, die aan den voet meestal verbreed zijn. Bij
+enkele soorten zijn zij zeer fraai geteekend. Tusschen de bladeren en
+in het hart der plant verzamelt zich water, dat er zelfs in het droge
+jaargetijde nog te vinden is. De bloemen der Bromeliaceeën zijn zeer
+interessant en de bloeiwijze is vaak prachtig, door de schoon gekleurde
+schutbladeren, die de bloemen omgeven, terwijl ook vaak, wanneer zij
+gaan bloeien, de hartbladeren een zeer schoone kleur aannemen.
+
+Jammer is het, dat bij enkele soorten de bloemen maar zeer kort,
+vaak niet langer dan enkele uren, duren, maar daar staat tegenover,
+dat meestal de bloemen aan een zelfde bloeiwijze na elkander openkomen,
+zoodat de bloei dan toch vrij lang duurt. Bij enkele soorten hebben ook
+de vruchten een zeer fraai voorkomen. Talrijke Bromeliaceeën zijn reeds
+zonder bloemen waard om gekweekt te worden zoowel om haar houding,
+als om den vorm en de kleur harer bladeren, en haar geheele voorkomen,
+waarin het eigenaardige karakter dezer familie zich afspiegelt. De
+Bromeliaceeën kunnen een zeer aardige afwisseling geven aan de in de
+kamer gekweekte planten. De grootere soorten maken een zeer fraaie
+figuur op een bloemstandaard of op een bloemtafel, terwijl de kleinere
+op de vensterbank en de kleinste in het kamerkasje of het terrarium
+aangename verschijningen zijn, die zeer goed kunnen wedijveren met
+de fraaiste bladplanten, en dikwijls bloeien in een jaargetijde,
+dat zeer arm aan bloemen is.
+
+Uit de hiervoor beschreven levenswijzen en groeiplaatsen zal al wel
+gebleken zijn, dat niet alle Bromeliaceeën op gelijke wijze behandeld
+moeten worden. De zeer harde, veel ruimte eischende Ananas-soorten
+zijn evenmin als kamerplanten aanbevelenswaardig als de uiterst
+teere soorten, die men er onder vindt en het zou dus nutteloos zijn
+te beproeven, die in de kamer te kweeken. Die soorten echter, welke
+voor kamercultuur geschikt zijn, kunnen bijna alle op dezelfde wijze
+behandeld worden. Het lastigste gedeelte der cultuur van Bromeliaceeën
+is de behandeling der zaden en zaadplantjes, maar men doet het best
+dit aan een kweeker van beroep over te laten. Een liefhebber moet
+goed bewortelde planten koopen, die dan, voorzichtig behandeld,
+hem veel genot kunnen verschaffen, daar zij zich tot fraaie planten
+zullen ontwikkelen.
+
+Voor het kweeken van Bromeliaceeën kan men slechts een kamer
+gebruiken, die des winters geregeld verwarmd wordt en een gemiddelde
+temperatuur heeft van 60°-65° Fahr. Het best plaatst men ze hier op
+standaards, die voor verscheidene planten zijn ingericht of anders
+op de vensterbank, doch dan zóó, dat zij de ruiten niet aanraken. In
+den winter moet er op gelet worden, dat zij vooral niet aan tocht-
+of temperatuurschommelingen zijn blootgesteld, daar de Bromeliaceeën
+dit evenmin verdragen als andere tropische planten. Moeten dus voor
+het schoonmaken der kamer de vensters geopend worden, dan zorgt
+men de planten tijdelijk te verwijderen. De Bromeliaceeën zijn zeer
+zindelijke planten, die bij een goede behandeling, absoluut vrij van
+ongedierte blijven. Daar droge lucht voor veel soorten verderfelijk
+kan zijn, moet men ze niet slechts des zomers, maar ook op heldere
+dagen des winters met den rafraichisseur herhaaldelijk spuiten, of
+wel ze met een spons aan de onder- en bovenzijde der bladeren nu en
+dan afwasschen. Zaak is het te zorgen, dat zij van het voorjaar tot
+aan den herfst niet aan de volle zon zijn blootgesteld, waarom er
+voor behoorlijke scherming moet gezorgd worden. Veel soorten rusten
+gedurende den winter en moeten dan natuurlijk veel minder begoten
+worden; andere daarentegen groeien en bloeien juist in dien tijd en
+deze moeten natuurlijk behoorlijk vochtig gehouden worden. Bij een
+beetje oplettendheid kan men al heel spoedig bemerken, welke soorten
+rusten en welke doorgroeien.
+
+De beste tijd om de meeste Bromeliaceeën te verplanten is vroeg in het
+voorjaar. Daar het planten zijn, die zeer weinig wortels bezitten,
+moet men met het verpotten voorzichtig zijn, slechts kleine potten
+gebruiken en, moet men ze in grootere potten zetten dan moge deze
+slechts weinig grooter zijn dan die, waarin ze gestaan hebben. Daar
+de meeste soorten in haar natuurlijken toestand op boomen en andere
+planten groeien, moet men ze een zeer lichte grondsoort geven. Het
+best zet men ze in zeer ruwen bosch- of vezelgrond, vermengd met
+gehakt sphagnum en stukjes houtskool. Door zeven verwijdert men alle
+fijnere deelen uit deze aarde, waarna men er nog wat zand doorheen
+mengt. Zeer goed doet men ook door, wanneer men het voorhanden heeft,
+enkele stukjes half verteerd hout bij het grondmengsel te voegen;
+men moet er echter op letten, dat deze niet beschimmeld zijn. Bij
+het verplanten moet men zooveel mogelijk van de oude aarde uit
+de wortelkluit verwijderen, waarbij vooral opgepast moet worden,
+dat men de jonge gezonde wortels niet beschadigt. Heeft men de te
+gebruiken potten gereinigd, dan worden die van een zeer goede drainage
+voorzien, waarop men er een laagje aarde in brengt, dat met de hand
+goed vastgedrukt wordt. In de zoo klaargemaakte potten houdt men dan de
+planten met de linkerhand en wel zóó, dat zij slechts iets dieper komen
+te staan, dan zij oorspronkelijk stonden; met de rechterhand vult men
+dan den pot verder aan, er voor zorgende, dat de aarde goed tusschen
+de wortels wordt verdeeld en dat zij behoorlijk wordt aangedrukt. Na
+het verpotten worden de planten flink aangegoten, waarbij men zorgt,
+dat het water goed door de aarde trekt.
+
+Van de talrijke geslachten, die de familie der Bromeliaceeën rijk is,
+zijn het vooral de geslachten Vriesea en Tillandsia, die ons fraaie
+kamerplanten leveren. De meest bekende is zeker wel de Vriesea
+splendens, met fraaie bladeren, die een groene grondkleur hebben,
+waarover donkerbruine dwarsstrepen loopen. Midden uit de bladerrozet
+ontspringt de bloeiwijze, die een lange spitse aar vormt, bestaande
+uit menieroode schutbladeren, welke dakpansgewijze over elkander
+liggen, en waartusschen de gele bloemen verschijnen, die echter van
+zeer korten duur zijn.
+
+Deze bloeiwijze ontwikkelt zich gewoonlijk in December, en duurt zeer
+lang. Een andere, eveneens in den winter bloeiende soort, die veel
+gekweekt wordt, is de Vriesea brachystachys. Deze vormt slechts een
+kleine bladerrozet van licht geelgroene bladeren, uit welker midden
+de bloeiwijze verschijnt, die ook uit dicht op elkander geplaatste
+schutbladeren bestaat, welke aan den steel donker vermiljoenrood en aan
+de uiteinden goudgeel zijn. De geheele bloeiwijze heeft den vorm van
+een platten, driehoekigen kam; zij is ongeveer 5 à 6 cM. hoog en staat
+op een bloemsteng van 15 à 20 cM. lengte. In de laatste jaren is een
+zeer groote soort in den handel gekomen, de Vriesea hieroglyphica. Deze
+vormt een bladroset, die wel een hoogte kan bereiken van 1 Meter. De
+bladeren zijn licht geelgroen en met bruine vlekken geteekend. Deze
+vlekken herinneren sterk aan de karakters van het oud Egyptische
+schrift. Een zeer fraaie plant is ook de Vriesea fenestralis, waar
+op een lichtgroenen ondergrond een aantal donkergroene in elkander
+loopende vierkantjes zichtbaar is. Zeldzamer dan deze soort is de
+V. Saundersii. Deze soort heeft blauwgroene bladeren, die eenigszins
+dof en aan den voet en de onderzijde met donkere vlekken geteekend
+zijn. De op een flinke bloemsteng staande bloemen zijn door gele
+schutbladeren omgeven.
+
+In de laatste jaren zijn door verscheidene kweekers, vooral te
+Versailles en te Luik, prachtige hybriden gewonnen. Een der fraaisten
+is zeker wel de Vriesea fulgida, met een donkerroode, groote bloeiwijze
+en de Vriesea leodiensis, met een fraaie, scharlakenroode en gele
+bloeiwijze.
+
+Al de Vriesea's hebben gootvormige bladeren, die elkander aan den
+voet omgeven. Tusschen deze bladeren en in het hart verzamelt zich,
+door het spuiten en gieten, een hoeveelheid water, dat men, zoolang
+het niet te vuil wordt, er rustig in moet laten staan, daar de planten
+dit zeer gaarne schijnen te willen.
+
+Onder de Tillandsia's, die geschikt zijn voor kamercultuur, komt
+in de eerste plaats de fraaie Tillandsia Lindenii in aanmerking. De
+donkergroene bladeren van deze plant zijn door roodachtige overlangsche
+nerven geteekend. De bloemen, die prachtig blauw zijn met een wit
+hart, duren niet lang, doch verschijnen na korte tusschenpoozen,
+zoodat de plant toch zeer lang bloeit.
+
+Een andere zeer sierlijke soort, die uitstekend voor het kamerkasje
+geschikt is, is de Tillandsia dianthoïdea. Deze kan men in een houten
+mandje met wat sphagnum of anders op een stukje kurkschors kweeken. Zij
+heeft lichtgroene, wit bepoederde bladeren, en haar kleine, blauwe
+bloemen worden door prachtige, lichtrose schutbladeren omgeven.
+
+Als kamerplanten zijn onder de Bromeliaceeën nog zeer dankbaar de
+Æchmea fulgens, de Billbergia amoena en de Billbergia nutans. Deze
+laatste plant bloeit zeer elegant en is een uitstekende kamerplant, te
+meer, daar de bloeitijd tegen Kerstmis valt. De lichtblauwe bloemen,
+met donkerblauwe randen, worden door fraaie, roode schutbladeren
+gedeeltelijk omgeven.
+
+Een andere zeer schoone soort, die uitstekend voor de kamer geschikt
+is, is de Caraguata cardinalis. Deze vormt een fraaie, lichtgroene
+bladerrozet. Uit het hart ontspringt de bloeiwijze, die, wanneer
+zij geheel volwassen is, een zuiveren stervorm heeft, en prachtig
+vermiljoenrood is, waartusschen de goudgele bloemen een fraai effect
+maken. Een andere soort, zeer goed geschikt voor terrariums, is
+Cryptanthus zonatus, met bruinachtige bladeren, waarover zilverwitte
+strepen loopen, of Cryptanthus bivittatus, met lichte en donkerroode
+overlangsche strepen.
+
+De familie der Bromeliaceeën is zóó rijk aan soorten, dat het
+onmogelijk is hier de voornaamste er van te vermelden.
+
+Alle soorten, die voor kamercultuur in aanmerking komen, zijn zonder
+stengel. De bloeiwijzen ontspringen midden uit de rozet, die door
+de bladeren wordt gevormd. Na den bloei kan de moederplant dus niet
+langer meer doorgroeien, en na verloop van eenigen tijd gaat zij dan
+ook dood. Aan haar voet of tusschen haar bladeren ontstaan echter
+één of meer zijspruiten, waardoor men de plant kan voortkweeken. Men
+laat daartoe de zijscheuten, zoolang dit noodig is, aan de moederplant
+zitten, en snijdt ze eerst af, wanneer zij behoorlijk wortels gemaakt
+hebben, waarop men ze afzonderlijk kan oppotten. Hebben zich echter
+meerdere scheuten ontwikkeld, dan kan men, door deze voorzichtig van
+elkander te nemen, enkele planten meer verkrijgen. De vermenigvuldiging
+door zaden kan den liefhebber niet aangeraden worden.
+
+
+
+
+Gesneriaceeën.
+
+Zonder twijfel behooren onder de schoonst bloeiende kamerplanten ook
+tal van Gesneriaceeën. Deze familie is tamelijk groot; zij omvat
+ruim 30 geslachten en eenige van die geslachten kan men in iedere
+kweekerij vertegenwoordigd vinden.
+
+Voor zoover deze planten voor kamercultuur geschikt zijn, zijn het
+allen kruidachtige gewassen, meest met knollen (Fig. 145) of met
+schubachtige wortelstokken (Fig. 146). De bladeren zijn veelal sterk
+behaard en fraai van vorm, en bij eenige geslachten zijn zij zóó fraai
+geteekend, dat ook de niet bloeiende plant als een fraaie sierplant
+kan gelden. De grootste waarde hebben de Gesneriaceeën echter om
+haar bloemen, die bijna altijd pijpvormig zijn met trompetvormige
+opening; zij munten vooral uit door haar schoone kleuren, die vaak
+door groote vlekken en strepen afgewisseld worden en zeer terecht
+elks bewondering wekken.
+
+Al de Gesneriaceeën, die in hoofdzaak gekweekt worden, zijn
+sierlijke gewassen. Jammer is het, dat deze planten, die allen
+in de tropen thuis behooren, niet best bestand zijn tegen droge
+lucht, temperatuurswisselingen en tocht. Zij behooren dus niet tot
+die planten, welke een pas beginnend liefhebber aanbevolen kunnen
+worden. Toch kunnen zij, wanneer men ze van een kweeker in bloei koopt
+en deze ze eerst een weinig hardt, het vrij lang onder de ongunstigste
+omstandigheden van een kamer uithouden, wat niet wegneemt, dat het
+voortkweeken uit zaden, of het aan den groei brengen van wortelstokjes
+in de kamer vrij wel tot de onmogelijkheden behoort. In een kamerkasje
+van niet te kleine afmeting geplaatst, behooren de Gesneriaceeën tot
+de dankbaarste planten.
+
+Alle Gesneriaceeën laten zich betrekkelijk gemakkelijk uit zaden
+voortkweeken. Wij verschaffen ons daartoe, in een vertrouwbaren
+zaadhandel, de zaden, die in ons land evengoed verkrijgbaar zijn als
+in het buitenland. Deze zaden worden meestal verkocht in zeer kleine
+hoeveelheden, in dubbel papier verpakt. Zij zijn daarbij als stof
+zoo fijn, zoodat een pakje schijnbaar niet heel veel bevat. Het beste
+zaait men in Februari op potten, die daartoe met zeer fijn gezeefde
+heide- of bladaarde vooruit zijn klaargemaakt. Bij het zaaien moet
+men er op letten, dat de zaden gelijkmatig uitgestrooid en, zooals
+alle fijne zaden, niet met aarde bedekt worden. De zaadpotten dekt
+men met een glasplaat, plaatst ze in het kamerkasje, terwijl zij met
+den rafraîchisseur zoodanig worden bespoten, dat de aarde gelijkmatig
+vochtig blijft. Zorgt men er voor, dat zij niet door de zon worden
+beschenen, dan volgt de kieming meestal na 2 of 3 weken. Zooals
+alle uit kleine zaden gekiemde plantjes, zijn de zaailingen van
+Gesneriaceeën in den aanvang zóó klein, dat men ze nauwelijks met het
+ongewapende oog kan zien. Het opkweeken van zulke kleine plantjes is
+altijd zeer moeilijk, daar het eerste repikeeren zeer veel geduld en
+geoefendheid vereischt. Nadat men ze verscheidene malen gerepikeerd
+heeft, zijn de zaadplantjes eindelijk groot genoeg om afzonderlijk in
+potjes te worden gezet. Zijn zij eenmaal zóó ver, dan gaat de cultuur
+meestal sneller en voorspoediger en na nog eenige keeren verpot te
+zijn, beginnen zij meestal in het midden van den zomer te bloeien.
+
+Ook langs kunstmatigen weg laten de Gesneriaceeën zich gemakkelijk
+voortkweeken. Het eenvoudigst gaat dit, door bladeren af te snijden en
+die als stekken te behandelen. De soorten, die een kruidachtigen stam
+hebben, vermenigvuldigt men door stekken, en ten laatste laten die,
+welke schubachtige wortelstokjes hebben, zich ook zeer gemakkelijk
+voortkweeken, doordat men deze in stukjes snijdt en ieder stukje op
+zichzelf als plant behandelt.
+
+De knollen en wortelstokjes, die wel niet alle, doch zeer vele
+Gesneriaceeën bezitten, moet men in een warm vertrek droog laten
+overwinteren. De knollen moeten geheel droog bewaard worden, de
+wortelstokjes daarentegen legt men in potten met zand, dat nu en
+dan een weinig begoten wordt, om het slap worden te voorkomen. Al
+naardat men de planten vroeger of later in bloei wil hebben, moeten
+zij tusschen de maanden Februari en April opgepot worden. In iederen
+pot, van 8 cM. doorsnede, worden één knol of enkele wortelstokjes
+geplant. De potten moeten goed gedraineerd en met losse, zandige
+heiaarde gevuld worden, waar men de knollen voorzichtig indrukt,
+zoodat zij geheel onder de aarde komen te liggen. Bij het oppotten
+der rhizomen handelt men op de volgende wijze: De pot wordt niet
+geheel met aarde gevuld, men legt er de wortelstokjes in, vult
+hem verder aan en drukt de aarde daarna matig vast. De opgepotte
+knollen en wortelstokjes worden in den beginne gesloten gehouden
+en slechts matig begoten; zoodra zij zich beginnen te ontwikkelen,
+kan men iets meer gieten, en zijn zij eenmaal uitgegroeid, dan is een
+rijkelijke begieting noodig. Voor een goeden groei is het geraden de
+planten later nog in potten van 12 cM. wijdte te verplanten. Voor dit
+verplanten gebruikt men een goeden, voedzamen grond, o.a. 2 deelen
+hei-, één deel bladaarde en 1/2 deel, bestaande uit broeiaarde,
+kleigrond en zand. In een kamerkasje, waarin een vochtige lucht
+is, dat bij warm weer gelucht en bij zonneschijn geschermd wordt,
+zullen de Gesneriaceeën, wanneer men ze gelijkmatig vochtig houdt,
+zeer goed groeien. Worden zij direct aan de zon blootgesteld, dan
+verbranden zij zeer gemakkelijk; staan zij in te droge lucht, dan
+worden zij door ongedierte aangetast, dat zich van de sterk behaarde
+bladeren, die ook zeer slecht tabaksrook verdragen, moeilijk laat
+verwijderen. Beginnen de Gesneriaceeën in het najaar af te sterven,
+dan gaat men ze langzamerhand minder water geven.
+
+Aan een practischen, ervaren liefhebber kan de cultuur dezer planten
+zeer aanbevolen worden, en er zijn er dan ook velen, die ze jaarlijks
+uit zaad opkweeken en zeer goede resultaten verkrijgen.
+
+De bekende en meest verspreide Gesneriaceeën zijn zeker wel de
+Gloxinia's, ware prachtplanten, die des zomers onder de rijkst
+bloeiende kamerplanten kunnen gerekend worden. Oorspronkelijk waren het
+niet zulke schoone planten; de bloemen stonden steil rechtop of hingen
+naar beneden en waren zeer ongelijk van vorm. Uit deze minder fraaie
+soorten heeft men de tegenwoordige prachtvariëteiten gewonnen. De,
+op flinke stelen staande, bloemen treft men aan in alle kleuren
+tusschen zuiver wit, het vurigste rood of het diepste paars. Men heeft
+variëteiten met éénkleurige bloemen en ook met bloemen, die gestippeld,
+gestreept, getijgerd of geaderd zijn. Onder de éénkleurige bloemen
+zijn de zuiver witte en de vurigst roode verreweg de schoonste.
+
+Naast de Gloxinia's zijn de Tydæa's vrij algemeen verspreid. De
+knikkende bloemen staan in de bladoksels op dunne bloemsteeltjes. Zij
+danken haar groote waarde aan de prachtig geteekende, omgeslagen
+bloemkroon, waarop werkelijk schoone kleuren gevonden worden. Slechts
+weinig schooner zijn de in de laatste jaren meer en meer verspreid
+rakende Gesneria's, die nu eens knollen, dan weder wortelstokjes
+bezitten, zoo mede de Achimenes uit Centraal-Amerika, met opvallend
+grooten en fraai ontwikkelden bloemzoom en de dichtbehaarde Isoloma
+hirsuta, waarvan men ook rijk bloeiende hybriden gewonnen heeft. Men
+kan deze laatste, een zeer harde en niet veel warmte behoevende plant,
+het geheele jaar door aan den groei houden en zeer gemakkelijk door
+stekken of verdeeling der wortelstokjes voortkweeken.
+
+Zeer interessante en in de laatste jaren zeer in trek gekomen
+Gesneriaceeën zijn de Streptocarpussoorten. Eenige dezer bijv. de
+Streptocarpus Wendlandii, bezitten slechts één enkel blad, dat op een
+zeer kort vleezig stengeltje staat, over den potrand heen hangt en een
+lengte van 60 cM. bij een breedte van 40 cM. kan bereiken. Dit aan de
+bovenzijde matgroen en aan de onderzijde violetpurper gekleurd blad,
+wordt over zijn volle lengte door de forsch ontwikkelde middennerf
+doorsneden. Jammer is het, dat de punt van het blad nooit geheel gaaf,
+doch altijd min of meer afstervende is. Aan den voet van het blad
+ontspruiten talrijke bloemstelen, die een groot aantal middelmatig
+groote, lichtblauwe met rose of wit geteekende bloemen dragen. De
+plant ontleent haar geslachtsnaam aan de vrucht, die lang, dun en
+spiraalsgewijze gedraaid is.
+
+Een geheel ander voorkomen hebben de veelbladige Streptocarpus, waarvan
+tegenwoordig zeer schoone hybriden gewonnen zijn en die daardoor
+zeer gezocht worden. De bloemen zijn 4-5 cM. lang en prijken in alle
+kleuren, tusschen wit, donkerrood en paars, terwijl zij zeer dikwijls
+fraai gestreept zijn. De stand der bloemen, die zeer lang duren,
+is aan ééne plant nu eens horizontaal, dan weder geheel verticaal.
+
+Een zeer interessante invoering van den lateren tijd is de
+Saintpaulia ionantha: dit is een kruidachtig plantje, doch zonder
+knol of wortelstok. De bladeren van deze uit Afrika afkomstige
+plant gelijken op die van de Gloxinia, doch zijn veel kleiner. De
+bloemen zijn niet, zooals bij de meeste Gesneriaceeën, pijpvormig,
+doch daarentegen vlak. Bij een oppervlakkige beschouwing gelijken
+zij sterk op die van het gewone welriekende Viooltje en zij trekken,
+door haar fraaie blauwe kleur, direct de aandacht. Hoewel eerst
+sedert betrekkelijk korten tijd bekend, is de Saintpaulia ionantha
+reeds in alle voorname kweekerijen voorhanden; men ziet haar op bijna
+alle Tuinbouwtentoonstellingen en overal wordt zij om haar liefelijke
+verschijning en haar fraaien bloei ten zeerste bewonderd. Een bijzonder
+groote waarde als kamerplant heeft zij slechts dán, wanneer men haar
+in een kamerkasje of onder een stolp kan kweeken. Hoewel de Saintpaulia
+betrekkelijk gemakkelijk in de cultuur is, verdraagt zij toch de droge
+kamerlucht niet. Behandelt men haar echter op deze wijze, dan zal
+men er een zeer dankbare plant in vinden, die niet te veel warmte
+vereischt en winter en zomer steeds doorbloeit. De voortkweeking
+geschiedt zeer gemakkelijk door bladstekken en ook door zaden. Men
+moet er om denken, dat de Saintpaulia geen bepaalden rusttijd heeft,
+en dus niet droog mag gehouden worden.
+
+Als fraaie en dankbare Gesneriaceeën moeten ten laatste de Nægalia's
+nog aanbevolen worden. De tot dit geslacht behoorende planten hebben
+schubachtige wortelstokjes. De bloemen zijn eenigszins uitgerekt
+klokvormig; zij gelijken min of meer op die van een Gesneria, maar
+staan in rechtopstaande trossen boven de plant uit. In schoonheid
+kunnen deze bloemen niet met die van de Tydæa's wedijveren, wat
+niet wegneemt, dat een bloeiende Nægelia een zeer fraaien aanblik
+oplevert. Niet alleen echter door de bloemen, maar ook door de bladeren
+munten de Nægelia's uit. Deze zijn hartvormig, dicht behaard, dikwijls
+zeer fraai rood en met een opvallende nervatuur, waardoor de plant
+reeds als bladplant waarde heeft. Onder de Nægelia's zijn de Nægelia
+zebrina en de Nægelia cinnabarina wel de schoonsten. Er zijn in den
+laatsten tijd ook veel schoone variëteiten van gewonnen. De Nægelia's
+zijn zeer geschikt voor wintercultuur. Wil men gedurende den winter
+bloeiende planten er van hebben, dan moeten de wortelstokjes tot Juli
+droog gehouden en dan eerst opgeplant worden. Wil men de Nægelia's
+echter des zomers in bloei hebben, dan moeten zij, te gelijk met de
+andere Gesneriaceeën in de maanden Februari tot April aan den groei
+gebracht worden.
+
+
+
+
+Orchideeën.
+
+De tropische en subtropische Orchideeën behooren tot die fraaie
+planten, welke in betrekkelijk korten tijd, om zoo te zeggen, de
+geheele beschaafde wereld veroverd hebben. Wij behoeven slechts den
+naam uit te spreken, en de meeste liefhebbers halen zich tooverachtig
+fraaie planten voor den geest. De familie der Orchideeën is zeer groot,
+zij omvat meer dan 400 geslachten, waarvan er verscheidenen weder in
+ondergeslachten verdeeld worden. Tot deze geslachten behooren ongeveer
+10.000 soorten, waarvan er 80 procent in de tropen tehuis behooren,
+terwijl er in Europa slechts een 400-tal wordt gevonden. Op de Alpen
+groeit de kleine Chamæorchis alpina, en de noordelijkste is de lieve
+Calypso borealis. Ook in ons land komen enkele fraaie Orchideeën voor,
+hoewel deze in pracht door de tropische soorten verre overtroffen
+worden.
+
+De geschiedenis van de tropische Orchideeën, namelijk de wijze,
+waarop zij zich in alle Europeesche tuinen verspreid hebben, omvat
+zeker eenige der belangrijkste bladzijden uit het geschiedboek van den
+Tuinbouw. Er zijn niet veel meer dan honderd jaar verloopen, sedert de
+eerste tropische Orchidee levend in Europa werd ingevoerd en dat was
+nog niet eens een schoone soort. Eenige jaren later werden in Engeland
+nog een paar soorten ingevoerd, maar, aangezien deze planten in den
+beginne door de kweekers geheel verkeerd behandeld werden, leverde
+de cultuur niets dan teleurstelling op. Eerst in het vierde tiental
+jaren van de 19e eeuw werden de Orchideeën langzamerhand meer naar
+haar eisch behandeld; in 1840 nam het tijdperk een aanvang, waarin
+onverschrokken verzamelaars de fraai bloeiende soorten begonnen op
+te zoeken en naar Europa te zenden.
+
+Het is dus pas ongeveer vijftig jaar geleden, dat slechts weinigen
+dezer planten bekend waren, en thans worden over de 2000 verschillende
+soorten in de kassen gekweekt.
+
+De Orchideeën behooren tot die planten, welke de kweekers nòch langs
+natuurlijken, nòch langs kunstmatigen weg in voldoenden getale kunnen
+voortkweeken. Daar nu de aanvrage van jaar tot jaar grooter werd, en
+er ook thans een zeer groote vraag naar is, zijn de speciaalkweekers
+dezer planten genoodzaakt jonge tuinbouwkundigen naar de tropen
+te zenden, ten einde ze daar te verzamelen. Wanneer men bedenkt,
+hoeveel kosten daarmede gepaard gaan, en welke groote gevaren aan dit
+verzamelen verbonden zijn, dan zal men het zeer begrijpelijk vinden,
+dat zeldzame of moeilijk te verkrijgen soorten dikwijls met zeer groote
+sommen moeten betaald worden. Niet weinig soorten echter zijn in zulk
+een aantal ingevoerd, dat zij in haar vaderland zeldzaam beginnen
+te worden, terwijl zij in Europa algemeen verspreid zijn. Dergelijke
+soorten zijn niet hoog in prijs; voor een bloeiend exemplaar er van
+behoeft men vaak slechts eenige guldens te geven. Verscheidene van
+deze soorten zijn dan ook voor kamercultuur geschikt.
+
+Slechts weinige plantenliefhebbers, die in de gelegenheid geweest zijn
+schoone Orchideeën in haar bloemenpracht te bewonderen, zullen den
+wensch hebben kunnen onderdrukken, om ook te beproeven enkele dezer
+fraaie planten te kweeken. Gaarne getroost zulk een liefhebber zich
+een niet onbeduidend geldoffer, wanneer hij maar zekerheid heeft,
+dat dit offer niet tevergeefs gebracht wordt. Wanneer men toch
+van plantenliefhebberij genoegen wil smaken, dan moet zij ook goede
+resultaten opleveren. De gekochte plant moet niet slechts eenige dagen
+of weken gezond blijven, maar zij moet verder groeien en bij herhaling
+bloeien; zij moet voldoende levenskracht bevatten. Voldoet zij aan
+deze eischen, dan zal zij de liefhebberij steeds aanwakkeren. De meeste
+liefhebbers denken van de Orchideeën, dat het zeer slechte kamerplanten
+zijn en dat zij slechts onder een hooge temperatuur groeien. Deze
+gedachte nu is, zooals wij hopen te kunnen bewijzen, geheel verkeerd.
+
+De Orchideeën zijn over den geheelen aardbodem verspreid; de fraaiste
+soorten worden echter aangetroffen in de niet buitengewoon warme
+streken van Amerika; in streken, waar de temperatuur zelden boven 85°
+Fahr. stijgt en niet onder 55° Fahr. daalt.
+
+Natuurlijk moeten de prachtige tropische en subtropische Orchideeën
+onder toestanden gekweekt worden, welke eenigszins overeenkomen
+met, die, onder welke zij in haar vaderland groeien, en men moet
+voor kamercultuur dan ook die kiezen, welke een temperatuur kunnen
+verdragen van 60°-65° Fahr. Toch zullen de meeste Orchideeën zich op
+de bloemtafel of de vensterbank niet te huis voelen; en dat wel om
+verschillende redenen. Het verderfelijkst voor deze teere planten is
+de droge kamerlucht, en dit wordt ons terstond duidelijk, wanneer
+wij bedenken, dat de meeste soorten voorkomen in de oerwouden,
+waar zij eensdeels groeien tegen de met mos bedekte stammen
+der boomen, anderdeels in den humusrijken grond, onder de dichte
+bladerkronen. Evenals voor droge lucht, zijn de Orchideeën ook zeer
+gevoelig voor tocht en temperatuurswisselingen. Om al deze redenen
+doet men het best ze in een kamerkasje te kweeken. (Zie Fig. 152),
+voorstellende een dergelijk kasje, gevuld met Orchideeën. Welke
+plantenliefhebber zal geen genoegen hebben in een dergelijk
+miniatuur-kasje, gevuld met fraaie, zeldzame planten. Zulk een kasje
+behoeft niet verwarmd te worden, daar men de planten er in zet, om
+ze een voldoend vochtige atmosfeer te geven, en ze tegen schadelijke
+invloeden te beschermen en niet om ze een hoogere temperatuur te
+verschaffen. Het kasje, zooals het is afgebeeld, heeft aan den bezitter
+uitstekende diensten bewezen. Het is zeer eenvoudig doch netjes,
+heeft een eenzijdig dak en de voorste ruiten kunnen er uit geschoven
+worden. De bodem bestaat uit een blikken bak, die gevuld wordt met
+vochtigen turfmolm of gruis van cokes, waar de potten ingegraven
+kunnen worden. Aangezien de turfmolm of cokes steeds water uitdampt,
+is de atmosfeer in het kasje voortdurend voldoende vochtig. Men
+kan zulk een kasje op de bloemtafel zetten, maar beter is het er
+een afzonderlijken standaard voor te laten vervaardigen. Behalve
+Orchideeën kan men in zulk een kasje, aangenomen dat zij behoorlijk
+verzorgd worden, met het meeste succes fijne bonte bladplanten en
+sierlijke tropische Varens kweeken. Is het warm en helder weer, dan
+moeten de bladeren en schijnknollen der Orchideeën dagelijks een paar
+keeren bevochtigd worden. Hiertoe gebruikt men een handspuitje met
+fijne broes of een goeden rafraîchisseur. Houdt men op deze wijze de
+lucht voldoende vochtig, dan zal men ook weinig of geen last hebben
+van ongedierte. Heeft men bloeiende planten, of zulke, welke jonge
+scheuten hebben, dan moet men met dit spuiten uiterst voorzichtig
+zijn. Komt er toch water op de bloemen, dan krijgen deze licht vlekken
+en worden leelijk en komt er water in de jonge scheuten, dan gaan deze
+zeer spoedig tot rotting over, waardoor de planten veel lijden. Het
+spreekt vanzelf, dat men voor het gieten en spuiten slechts water
+mag gebruiken, dat minstens de temperatuur heeft van het vertrek,
+waarin de planten staan.
+
+Het gieten, dat reeds bij gewone planten uiterst voorzichtig moet
+geschieden, vereischt bij de Orchideeën bijzondere zorg. Zijn zij
+in haar groeitijd, dan moeten zij rijkelijk water hebben; zijn zij
+daarentegen in haar rustperiode, dan moeten zij zeer matig of in het
+geheel niet begoten worden. De groeitijd begint met het maken van jonge
+scheuten, waaruit zich de bladeren en schijnknollen ontwikkelen, of
+met het vormen van bloemknoppen. Van een voldoenden groei der bladeren
+en schijnknollen hangt de bloei voor het volgende jaar af. De groei-
+en rusttijd zijn voor verschillende geslachten verschillend, daar men
+het geheele jaar door bloeiende Orchideeën heeft; natuurlijk zijn die
+soorten het meeste waard, welke zich midden in den winter met bloemen
+tooien. Zijn de jonge bladeren volgroeid, dan krijgen zij in de meeste
+gevallen een eenigszins donkerder kleur; de schijnknollen, wanneer de
+plant deze vormt, nemen in omvang toe en eindelijk houden ook zij op
+met groeien; langzamerhand ziet men den geheelen groei verminderen en
+de plant treedt haar rusttijd in. Deze rusttijd is slechts bij enkele
+soorten een volmaakte; de in de kamer gekweekte soorten behouden haar
+bladeren en wortels, zoodat zij, hoewel uiterst voorzichtig, toch nu
+en dan gegoten moeten worden. Vóór alles moet men zorgen, rustende
+Orchideeën niet door te veel warmte en vochtigheid tot een ontijdigen
+groei aan te zetten; een dergelijke handeling is tegen de natuur der
+plant en heeft meestal zeer noodlottige gevolgen. Een voorname zaak
+is ook het op den juisten tijd schermen van het kasje tegen de zon,
+waarvoor men dun, niet te licht gekleurd doek gebruikt. De meeste
+Orchideeën kunnen de volle zon niet verdragen; maar evenmin kunnen
+zij voldoende licht missen; daarom moet men er op letten ze nòch te
+vroeg, nòch te laat tegen de zon te schermen.
+
+De Orchideeën worden in twee hoofdgroepen verdeeld: de epiphytische
+en de terrestische. De eersten groeien als schijn-woekerplanten
+tegen de stammen van boomen, de laatsten als gewone planten in de
+aarde. Wanneer de haar omgevende lucht voldoende vochtig is, behoeft
+men zich voor de eerste groep niet bijzonder veel moeite te geven. Men
+bevestigt ze met koperdraad tegen een stukje hout of kurkschors;
+zij hechten zich daar dan met haar dikke, vleezige, broze wortels
+tegen vast en groeien zoo jaar in, jaar uit, dat het een lust is. Ik
+heb veel vertegenwoordigsters van het geslacht Oncidium op stukjes
+eikenhout zien kweeken; zij groeien er uitstekend tegen, ontwikkelen
+somtijds meterlange bloemstengels, dicht bezet met veelal kleine,
+op insecten gelijkende bloempjes en wekken de verwondering op van
+vaklieden en leeken. Zeer veel worden de epiphytische Orchideeën
+ook gekweekt in potten, voorzien van gaten, meer nog in mandjes
+van draad of kurkschors en zeer dikwijls in vierkante mandjes, die
+van even dikke houten stokjes gemaakt worden. (Fig. 157 en 159.) De
+openingen in deze mandjes worden met sphagnum dichtgestopt, waarna
+men de planten er in zet. Het aardmengsel, waarin men ze plant, moet
+zeer licht en vezelachtig wezen. Het best doet een liefhebber zich bij
+een vertrouwbaren kweeker bereiden Orchideeën-grond aan te schaffen;
+kan hij die niet verkrijgen, dan zoekt hij in een bosch plekken
+met inlandsche Varens op, steekt die met de wortels uit den grond,
+en trekt die wortels met de er tusschen zittende aarde in stukjes,
+hierdoorheen mengt hij gehakt sphagnum en half verteerde bladaarde,
+waar alle fijne deelen uitgezeefd zijn, alles in gelijke deelen;
+wordt hierbij voldoende scherp zand en stukjes houtskool gevoegd,
+dan heeft men een zeer goede aarde voor Orchideeën. Vroeger werden
+onder dit grondmengsel nog stukjes turf en potscherven gemengd; de
+ondervinding heeft echter geleerd, dat dit ondoelmatig was, waarom
+men er van is teruggekomen.
+
+De Aard-Orchideeën worden gewoonlijk in meer vlakke dan hooge potten
+gekweekt (Fig. 153). Voor deze soorten gebruikt men een grondmengsel,
+bestaande uit grove blad- of heideaarde, met wat verteerden kleigrond
+en scherp zand vermengd. De meeste Orchideeën kan men enkele jaren
+in denzelfden pot laten staan, mits men ze in haar groeiperiode nu
+en dan met een zeer slappe gier begiet; moeten zij echter verpot
+worden, dan moet dit zeer voorzichtig geschieden, daar de stijve,
+broze wortels volstrekt niet beschadigd mogen worden.
+
+Moet een Orchidee verplant worden, dan neemt men haar tegen het
+einde van den rusttijd uit den pot, maakt met een houtje de kluit
+een weinig los, waarbij meestal de oude aarde grootendeels tusschen
+de wortels uitvalt. Men plant haar nu zóó op, dat zij niet te vast
+komt te staan, d.w.z. dat het grondmengsel niet te vast om de plant
+aangedrukt wordt. Is men met het verplanten gereed, dan wordt de plant
+voorzichtig aangegoten, waarop men de aarde met de groeispitsjes van
+levend sphagnum bedekt. Deze spitsjes zullen in zeer veel gevallen
+doorgroeien, zoodoende aan de plant een frisch voorkomen geven en
+het te snelle uitdrogen verhinderen.
+
+Daar het aantal bekende Orchideeën tegenwoordig zoo ontzettend
+groot is, gaat het natuurlijk niet, om een eenigszins uitvoerige
+beschrijving der beste soorten te geven; wij bepalen ons dus tot de
+opgave van die soorten, welke als kamerplanten aan te bevelen zijn.
+
+Onder de voor kamercultuur geschikte Orchideeën nemen de Cypripediums
+een eerste plaats in. De bloemen van dit geslacht kenmerken zich allen
+door het eigenaardig gevormde lipje, dat den vorm van een muiltje
+heeft. Zeer vele soorten van dit geslacht zijn voor kamercultuur
+goed geschikt, met uitzondering echter van die, welke in Europa en
+Noord-Amerika te huis behooren. Al deze soorten moeten in den tuin
+uitgeplant worden, waar zij een fraai effect kunnen maken.
+
+Wij hebben drie soorten van Cypripediums afgebeeld; ten eerste de
+Cypr. insigne (Fig. 154), die zeker wel de meest verspreide mag
+genoemd worden; dan de Cypr. barbatum, met zeer fraai geteekende
+bladeren en bloemen (Fig. 155) en de Cypr. Siebertianum (Fig. 156),
+een in België gewonnen hybride, die genoemd is naar den heer Siebert,
+directeur van den Palmengarten te Frankfurt. Er zijn meer dan 30
+Cypripediumsoorten bekend, die te huis behooren in tropisch Amerika
+en Azië. Bij deze soorten moet nog gevoegd worden een groot aantal
+variëteiten en een nog grooter aantal zeer fraaie bastaarden, die in
+de kweekerijen gewonnen zijn. Deze laatsten zijn meestal zeer kostbaar.
+
+De Cypripediums behooren tot de terrestische Orchideeën. Het zijn
+kleine planten, zonder schijnknollen, doch met mooi geteekende
+bladeren, en zeer fraaie, reukelooze, meestal op een stevigen steel
+alleen staande bloemen. Deze verschijnen gewoonlijk gedurende
+den winter en haar waarde wordt nog verhoogd, door haren langen
+bloei. Iedere bloem blijft gemiddeld twee maanden en nog langer
+goed. De hardere soorten, die zeer geschikt zijn voor kamercultuur,
+stellen zich meestal tevreden met een wintertemperatuur van 50°-55°
+Fahr., en daar het geen hooge planten zijn, zijn zij zeer goed
+geschikt voor het kamerkasje. De Cypripediums moeten in niet te diepe
+potten, die goed gedraineerd zijn, geplant worden; als aarde gebruikt
+men heideaarde, die met wat kleigrond en gehakt sphagnum vermengd
+wordt. Zij willen geregeld bespoten en tamelijk goed vochtig gehouden
+worden, terwijl het zeer goed is ze, wanneer zij in vollen groei zijn,
+nu en dan slap te gieren. Voor licht en lucht moet goed gezorgd worden,
+en men moet er op letten, dat zij in haar rusttijd wel minder begoten,
+doch niet geheel droog gehouden mogen worden.
+
+Zeer sierlijke en schoone, ja somtijds prachtige kamerplanten levert
+ook het geslacht Odontoglossum. De meeste soorten van dit geslacht
+behooren te huis in de koele en vochtige bergstreken der Cordilleras,
+in Mexico, Nieuw-Granada, Peru en Guatemala. Er zijn thans meer dan
+100 soorten bekend, die op een hoogte tusschen 1000 en 2000 Meter,
+hetzij op boomen, hetzij op met humus bedekte rotsen voorkomen. De
+meest verspreide Odontoglossum is zeker wel de O. crispum, die ook wel,
+ter eere van de prinses van Wales, O. Alexandræ wordt genoemd. Van
+deze fraaie soort bestaan zeer veel variëteiten, welker bloemen in
+grootte en kleur sterk afwisselen. Gewoonlijk zijn zij zuiver wit, met
+onregelmatige bruinroode vlekken; tegen het einde van haar bloeitijd
+krijgen zij een roseachtigen tint. De bloeitijd valt in den winter en
+het voorjaar. Een lieve, voor het kamerkasje zeer geschikte soort is
+de Odontoglossum Rossii majus, met haar variëteiten. Dit is een lief
+plantje, dat zijn vrij groote bloemen alleen of bij paren op dunne
+steeltjes draagt. Een derde, voor de kamercultuur zeer geschikte,
+soort is de Odontoglossum grande, met groote, gele met kastanjebruin
+gestreepte of gevlekte bloemen.
+
+Een derde aanbevelenswaardig geslacht is de Oncidium, dat uit ruim 300
+soorten bestaat, welke bijna alle epiphytisch leven. Dit geslacht
+behoort te huis in de bergstreken van Zuid- en Midden-Amerika,
+West-Indië en Mexico, waar het tot op een hoogte van 4000 Meter wordt
+gevonden. De verschillende soorten vertoonen onderling een verschil,
+zooals slechts bij weinig geslachten wordt aangetroffen. De sierlijke,
+bontgekleurde, somtijds welriekende en vaak op insecten gelijkende
+bloemen verschijnen aan lange bloemtrossen, en trekken door haar
+liefelijk voorkomen de algemeene aandacht. Een der beste soorten is
+zeker wel de Oncidium incurvum, ook wel bekend als O. albo-violaceum;
+zij draagt talrijke, wit met lichtpaarse bloemen, die zeer welriekend
+zijn en somtijds aan een Meter langen bloemsteel verschijnen.
+
+De Odontoglossums en Oncidiums verlangen dezelfde behandeling; zij
+hebben geen van beiden behoefte aan veel warmte, doch verlangen een
+vochtige en zeer frissche lucht. De kleinere soorten kweekt men het
+best tegen stukjes hout of kurkschors, en anderen in uit houten stokjes
+vervaardigde mandjes; ook kan men ze in potten kweeken, mits deze goed
+van drainage voorzien worden en de planten hoog boven de potten uit
+worden geplant. Deze geslachten willen tamelijk veel bespoten worden.
+
+Prachtige bloeisters, met groote, meest fraai paarse bloemen, zijn
+de Cattleya's; zij hebben groote schijnknollen en dikke, stijve
+bladeren, waartusschen de veel op bladeren gelijkende bloemscheeden
+verschijnen, waaruit later de bloemen zich ontwikkelen. De afbeelding
+(zie Fig. 160) vertegenwoordigt Cattleya Harryana, waarschijnlijk een
+natuurlijke hybride uit Nieuw-Granada. Het geslacht Lælia sluit zich
+bij het voorgaande aan. Beide geslachten behooren zeker wel onder
+de schoonsten van de familie der Orchideeën; beiden verlangen echter
+nogal warmte en kunnen niet gekweekt worden in een lagere temperatuur
+dan 60° Fahr. Zij zijn overigens niet zeer lastig en groeien uitnemend
+op stukken schors, of in mandjes. Een ander geslacht, dat in dezelfde
+temperatuur moet gekweekt worden, is Vanda. Dit geslacht bestaat uit
+niet veel soorten, die met uitzondering van een Australische, allen
+in den Maleischen Archipel te huis behooren. Zij vormen vaak tamelijk
+hooge stammen, die rijkelijk luchtwortels maken. Zij worden gekweekt
+in mandjes of potten met gaten en moeten uitsluitend in sphagnum
+geplant worden. Een der sierlijkste soorten is Vanda coerulea, met
+schoone hemelsblauwe bloemen.
+
+Een eenigszins gematigde temperatuur verlangt de op boomen groeiende
+Anguloa Clowesii, met welriekende, tulpvormige, citroengele bloemen,
+die in het voorjaar verschijnen. Een uitstekende winterbloeister is de
+Lycaste Skinneri, uit Guatemala. Deze soort is zeer gemakkelijk in de
+cultuur en bloeit uiterst dankbaar. Zij heeft groote bloemen, die, al
+naar de variëteit, lichter of donkerder rood zijn. Nog vindt men goede
+kamerplanten onder de geslachten Coelogyne, Cymbidium, Dendrobium,
+Epidendrum, Miltonia, Rodriguezia, Stanhopea en Zygopetalum.
+
+
+
+
+Klimplanten.
+
+De klimplanten, waarvan prachtige soorten in de tropen voorkomen, mogen
+ook in de kamer niet ontbreken. In haar vaderland klimmen haar dunne,
+slanke stengels met de meest verschillende organen tegen de boomen op;
+zij slingeren zich van stam tot stam tot zelfs boven in de kronen der
+hoogste boomen. Jammer is het, dat een liefhebber de fraaist groeiende
+soorten niet kan kweeken. Hij moet toch rekening houden met de ruimte
+en vooral met de hoogte der vertrekken, en het gedempte licht in de
+kamers is voor deze planten zeer noodlottig. Hij moet zijn wenschen
+beperken tot enkele minder welig groeiende soorten. Zeer goed laten
+zich klimplanten gebruiken om de gevels der huizen te versieren;
+neemt men daartoe snel groeiende soorten, dan zijn die weldra met
+het weligste groen bedekt. Vooral voor landhuizen is dit zeer aan te
+bevelen. In de kamer echter mag een liefhebber niet te veel van de
+klimplanten vergen; zij vervullen hier een tamelijk bescheiden rol en
+mislukken dan ook nog wel eens; reden waarom men er voor moet zorgen,
+dat zij desnoods gemist kunnen worden, zonder daardoor een stoornis
+in het arrangement te veroorzaken. Gewoonlijk worden de klimplanten,
+die men in een kamer kweekt, tegen hout of draadfiguren geleid. Hoe
+samengestelder de daarvoor gebruikte voorwerpen, des te meer moet
+men de slanke stengels heen en weer buigen, des te slechter groeit de
+plant en des te minder fraai is haar voorkomen. De beste plaats voor
+klimplanten is de vensterbank en plaatst men ze daar, dan behoeft men
+langs het venster slechts draden te spannen, waartegen de stengels dan
+in de meeste gevallen vanzelf opklimmen. Heeft men diepe vensterbanken,
+dan kan men het geheele vensterkozijn met een hekwerk van draad of
+bamboe doen bekleeden en de klimplanten zullen daar dan zeer welig
+tegen op groeien. Onze gravure (Fig. 161) toont een venster waartegen
+op deze wijze een der meest geliefde klimplanten, de Passiebloem,
+is opgeleid en deze levert een inderdaad prachtig gezicht op. Wanneer
+de klimplanten niet ter versiering van het venster gebruikt worden,
+leidt men ze meestal tegen rekjes op, die aan haakjes bevestigd worden;
+deze rekjes kunnen uit ijzeren staafjes of uit gekruist ijzerdraad
+bestaan (Fig. 162-163), of ook wel uit plantenstokjes, die men,
+zooals Fig. 164 aangeeft, waaiervormig aan elkander bevestigt. De
+verschillend gevormde rekjes, die wel in den handel verkrijgbaar zijn,
+zijn om de reeds genoemde redenen niet genoeg af te keuren.
+
+Onder de klimplanten voor de warme kamer komt het allereerst in
+aanmerking de Clerodendron Balfourii (Thomsonii). Deze fraaie
+plant draagt frisch groene bladeren en trossen bloedroode bloemen,
+die omgeven zijn door groote, eenigszins opgeblazen, zuiver witte
+kelken. De kelken blijven nog aan de plant hangen, wanneer de bloem
+reeds lang uitgebloeid en afgevallen is. Deze Clerodendron is een zeer
+dankbare bloeister. In den herfst laat zij haar bladeren vallen, en
+men moet haar dan, in een slechts matig warm vertrek, vrij droog laten
+overwinteren. Reeds vroeg in het voorjaar kan men haar insnijden en
+verplanten, waarop zij weder op een zoo licht mogelijke plaats wordt
+gebracht. Spoedig begint zij nu uit te groeien en weldra verschijnen,
+na de eerste bladeren, ook de bloemen.
+
+Een van de meest in trek zijnde klimplanten is zeker wel de Hoya
+carnosa (Wasbloem). Deze plant is afkomstig uit Indië; zij heeft
+een vleezigen en sappigen stengel, eivormige, dikke, glanzend-groene
+bladeren en zeer licht rose, welriekende bloemen, die het voorkomen
+hebben, alsof zij uit was geboetseerd zijn. Vandaar ook haar naam.
+
+De bloemen vormen schermen en scheiden rijkelijk honig af, die dan als
+druppels aan de bloemen hangt. Na den bloei moet men de steeltjes,
+waaraan de bloemschermpjes zaten, niet afsnijden, daar deze de
+eigenschap bezitten, ieder jaar nieuwe schermen voort te brengen.
+
+De Wasbloem wordt zeer veel, vooral op het platteland, aangetroffen,
+en, hoewel haar scheuten tot 6 Meter lang kunnen worden, kweekt
+men ze toch meestal tegen waaiervormige houten rekjes. Deze moeten
+echter voldoende sterk gemaakt worden, daar een groote plant met haar
+dikke bladeren en stengels tamelijk zwaar is. Hoewel de Hoya pas als
+oudere plant bloeit, is zij toch ook jong een aanbevelenswaardige
+kamerplant; immers zij heeft een zeer eigenaardig voorkomen, en is in
+alle opzichten bestand tegen droge lucht, stof en andere ongunstige
+invloeden, waarvan de meeste kamerplanten zoozeer te lijden hebben.
+
+De fraaiste bloeisters onder de klimplanten zijn zeker wel de
+Passiflora's (Passiebloemen). Zij behooren te huis in de tropen en
+haar bladeren hebben eenige overeenkomst met die van de klimop. Door
+de schoone kleurschakeeringen harer bloemen, die wel is waar snel
+uitbloeien, door de elegante bladeren en door het geheele voorkomen
+der plant, zijn zij een zeer fraai sieraad voor de kamer. De
+naam Passiflora wordt afgeleid van de woorden passio, het lijden,
+en flos, de bloem. De in het jaar 1654 te Sienna overleden pater
+J.B. Ferari, vergeleek toch de verschillende bloemdeelen der gewone
+blauwe Passiebloem (Passiflora coerulea) met de werktuigen, waarmede
+Christus gemarteld werd.
+
+De Passiebloem moet gekweekt worden in een krachtigen, voedzamen
+grond. Eenige soorten, zooals de Passiflora coerulea en de Passiflora
+hybr. Constance Elliot, zijn zeer hard en kunnen des zomers zelfs
+ter versiering van de veranda of het balkon gebruikt worden. Staan
+zij op een zeer beschutte plek en worden zij goed gedekt, dan kan
+men ze zelfs buiten laten overwinteren. Een der schoonste soorten,
+die het gansche jaar in de kamer goed groeit, is de Passiflora
+hybr. Impératrice Eugénie, die groote, lichtblauwe bloemen heeft.
+
+Onder de klimplanten voor de warme kamer zijn er ook enkele, die
+uitsluitend ter wille van haar bladeren gekweekt worden, en hieronder
+behooren de tegenwoordig zeer gezochte Asparagus-soorten. Deze kan men
+zeker wel tot de sierlijkste planten rekenen. Zij hebben fijn loof, dat
+uit zeer kleine naaldjes bestaat, die een frisch groene kleur hebben,
+terwijl zij zich nu en dan met kleine, zwak welriekende bloempjes
+tooien. Hoewel de Asparagus het best groeit, wanneer zij in een kas
+wordt uitgeplant, houdt zij zich toch in een kamer met slechts lage
+winter-temperatuur zeer goed, en zijn er onder de klimplanten maar
+weinigen, die, in een pot voor het venster geplaatst, een fraaier
+effect maken. De meest aanbevelenswaardige soorten zijn de Asparagus
+plumosus en Asparagus plumosus nanus. De laatste groeit als jonge plant
+zeer gedrongen, doch vormt ouder geworden flinke lange ranken. Zeer
+goed groeit ook in een vertrek de Asparagus Sprengeri.
+
+Een met de Asparagus zeer na verwante klimplant, die echter veel
+grootere bladeren, doch even dunne twijgjes heeft, is de Medeola
+(Myrsiphyllum) asparagoïdes. Sinds eenige jaren is deze plant zeer
+verspreid geraakt, en haar stengels worden vooral veel gebruikt
+voor tafelversiering. In een gesloten vertrek groeit de Medeola
+vooral des zomers niet best. Voor het venster van een kamer, dat
+veel gelucht wordt, groeit ze echter uitstekend; vooral, wanneer men
+loodrechte draden van uit den pot spant; waar zij dan snel tegen op
+zal klimmen. De Medeola heeft een knolvormigen wortelstok en is dus
+een overblijvende plant; toch doet men beter ieder jaar jonge planten
+uit zaad te kweeken. De harde zaden worden in Februari gezaaid. In
+een warme kamer geplaatst, zullen ze in een paar weken kiemen.
+
+Zoodra zij groot genoeg zijn, worden de jonge plantjes in kleine
+potjes gezet en in den loop van het voorjaar verplant in potjes, die
+een wijdte hebben van 10-12 cM. De beste grondsoort is een mengsel
+van gelijke deelen blad- en heidegrond, waarbij een weinig scherpzand
+wordt gevoegd.
+
+Veel klimplanten voor de koelere kamers, die des zomers veel gelucht
+worden, kunnen ook voor de bekleeding van veranda's en balkons
+gebruikt worden.
+
+Bijzondere aanbeveling verdient de Cobæa scandens. Deze plant is
+afkomstig uit Mexico; zij heeft gevinde, in een rank eindigende
+bladeren en groote, klokvormige bloemen, die, wanneer zij ontluiken,
+lichtgroen, later echter fraai donkerpaars zijn. De afbeelding
+(Fig. 170) toont een jonge plant, die nog geen bloemen draagt en die
+in horizontale richting is geleid. Deze wijze van leiden is beter
+dan verticaal, de groei is dan niet zoo welig, doch de bloei veel
+rijker. Zeer sierlijke bloeisters met kleine pijpvormige bloemen
+zijn de Maurandia's, die ook in Mexico te huis behooren. Verder zijn
+als klimplanten zeer aan te bevelen de Lophospermum scandens, met
+mooie bladeren en zeer fraairoode, pijpvormige bloemen; de Thunbergia
+alata, met gele of witte bloemen, die een zwart hartje hebben; verder
+verschillende soorten van Ipomæa (Winde) met groote, verschillend
+gekleurde bloemen en de Phaseolus multiflorus (Pronkboonen), met
+trosjes donkervermiljoenroode bloemen. Tot de éénjarige klimplanten
+behoort ook nog de Lathyrus odoratus, waarvan vooral de zoogenaamde
+Eckfordsche variëteiten met groote witte, gele, roode en blauwe
+bloemen, die zeer welriekend zijn, aanbeveling verdienen. Deze
+Lathyrus wordt niet zeer hoog, hoogstens 1 1/2 Meter, en zij is
+dus zeer geschikt om hekjes en balustraden te bekleeden. De harde,
+erwtvormige zaden worden in April direct in de bakjes gezaaid. Voor
+het bekleeden van vensters is zeer aan te bevelen de Tropæolum
+(Oost-Indische kers), die met zeer groote, donkerroode bloemen
+bloeit. Een zeer aanbevelenswaardige soort is vooral de Tropæolum
+Lobbianum, daar dit ook een uitnemende winterbloeister is. Deze soort
+laat zich uitsluitend door stekken voortkweeken. Een zeer schoone,
+houtachtige klimplant, voor koude, doch zeer zonnig gelegen vertrekken,
+is de Solanum jasminiflorum, waarvan de in trossen verschijnende
+witte, inwendig gele bloemen zeer veel overeenkomst hebben met die
+van den Aardappel. Deze plant verlangt voedzame aarde en in haar
+groeiperiode rijkelijk water, terwijl zij in den zomer ook nu en dan
+gegierd kan worden.
+
+Onder de, slechts om haar bladeren gekweekt wordende klimplanten
+mag zeker de Hedera (Klimop) niet vergeten worden. De verschillende
+Klimopsoorten zijn uitstekende kamerplanten en vooral de groenbladige
+komt daarvoor in aanmerking. In Duitschland vindt men op het platteland
+dikwijls Klimop in de kamers gekweekt, waarvan de takken niet alleen de
+vensters omlijsten, maar zelfs den geheelen zolder met een groen kleed
+bedekken. Hieruit kan men wel opmaken, dat deze plant, die ook vaak
+in de bosschen voorkomt, geen groote behoefte heeft aan licht. Hoewel
+de Klimop een plant is, die onze winters uitstekend verdraagt, en dan
+ook veel voor het bekleeden van buitenmuren wordt gebruikt, gewent
+zij zich toch zeer goed aan de kamer; alleen moet zij des winters
+niet staan in een vertrek, dat gesloten gehouden en verwarmd wordt.
+
+Zeer fraai zijn de kleinbladige en bontbladige Klimopsoorten, waarvan
+sommigen zeer veel wit en geel in de bladeren hebben. Een dergelijke
+soort, wellicht de schoonste van alle bontbladige Klimopsoorten, is
+de Hedera maderensis fol. var. Wil men met het kweeken van Klimop
+succes hebben, dan moeten de planten zeer zuiver gehouden worden;
+door onophoudelijk afwasschen moet men stof en ongedierte geregeld
+verwijderen.
+
+Naast de Klimop is de Ampelopsis quinquefolia (Wilde Wingerd) de
+meest gebruikte plant, om in de steden de veranda's en balkons te
+bekleeden. Wil men Klimop of Wilde Wingerd voor dit doel gebruiken,
+dan worden zij in bakjes geplant, waarin zij verscheidene jaren kunnen
+blijven staan. De Ampelopsis moet ieder voorjaar flink ingesneden
+worden. Gedurende den winter bedekt men de bakjes met een oud kleed of
+met droog blad, of wel, men zet ze tot het voorjaar in een luchtigen
+kelder.
+
+Een, om haar bladeren, zeer lieve klimplant is de Pilogyne suavis,
+een plant, die tot de familie der Pompoenen behoort. Zij is afkomstig
+van de Kaap de Goede Hoop, heeft fraaie bladeren en onbeteekenende,
+witachtige bloempjes, die zeer aangenaam rieken. Deze plant, die zich
+gemakkelijk door stekken laat voortkweeken, verlangt een voedzame
+aarde. Zij groeit voor het zonnige venster van een gesloten kamer
+evengoed als buiten, en zij is een van de weinige klimplanten, die
+ook des winters doorgroeien.
+
+Zeer veel gelijkenis met de Pilogyne, die zich slechts door
+stekken laat voortkweeken, wijl zij geen zaden geeft, heeft de
+Melothria abyssinica, die zeer gemakkelijk uit zaad kweekt. Dit is
+een betrekkelijk nieuwe klimplant, die ter wille van haar schoone
+bladeren gekweekt wordt. Zij bloeit zeer rijk met kleine, stervormige
+bloempjes, die later door oranje vruchtjes worden gevolgd.
+
+Een, om haar bladeren, zeer fraaie klimplant is ook de Mikania
+scandens; zij heeft Klimopvormige bladeren en laat zich zeer
+gemakkelijk uit stek voortkweeken. Er bestaat een variëteit van
+met wit- en roodbonte bladeren; deze is zeer fraai, maar zeer zwak
+en gevoelig. Voor het bekleeden van veranda's en balkons kunnen wij
+ten slotte nog zeer aanbevelen de Humulus japonicus en haar witbonte
+variëteit. De eerste groeit zeer snel en is veel sterker dan de tweede,
+die echter met haar bonte bladeren een zeer fraai effect maakt. Beiden,
+de Humulus japonicus en haar variëteit, laten zich zeer gemakkelijk
+uit zaden voortkweeken, die in de tweede helft van Maart bij voorkeur
+warm moeten gezaaid worden.
+
+De overblijvende, houtachtige klimplanten worden, evenals de
+kruidachtige, door stekken voortgekweekt; de éénjarige of als zoodanig
+behandelden daarentegen, zooals de Cobæ, Lophospermum, Maurandia,
+Melothria, Humulus en Lathyrus, doet men het best ieder jaar uit zaden
+te kweeken. De zaden worden in Februari of Maart gezaaid en voor het
+venster gezet; zoodra zij opgekomen zijn, worden zij gerepikeerd, of,
+zoo de zaailingen sterk genoeg zijn, direct in potjes gezet. Is het
+noodig, dan worden zij nog eens verpot, voordat men ze in het begin
+van Mei buiten zet. Tegen het einde van Mei kunnen de zoo opgekweekte
+klimplanten in de bakjes worden uitgeplant, waarin zij dan spoedig
+flink zullen doorgroeien. Heeft men gemakkelijk groeiende klimplanten
+zooals Ipomæa, Phaseolus of Tropæolum, dan kunnen de zaden tegen half
+April, direct in de bakjes worden gezaaid.
+
+
+
+
+Hang- of Ampelplanten.
+
+Tusschen de, in het vorige hoofdstuk besproken klimplanten en
+die, welke wij hang- of ampelplanten noemen, bestaat een werkelijk
+verschil. Zeer veel liefhebbers kennen het verschil niet tusschen klim-
+en hangplanten; zij meenen, dat de klimplanten ook als hangplanten
+kunnen dienst doen, dat men ze niet alleen voor het bekleeden van
+een veranda of balkon, maar ook voor het beplanten van een ampel kan
+gebruiken. Deze opvatting is echter geheel verkeerd. Een klimplant
+toont altijd de neiging ergens tegen op te willen klimmen en hoe
+steiler dit voorwerp is, des te sterker is haar groei. Worden toch de
+scheuten van een klimplant in horizontale richting geleid, dan wordt
+de groei veel minder en laat men ze hangen, dan groeien zij bijna
+in het geheel niet meer. Enkele klimplanten kunnen echter wel als
+hangplanten gebruikt worden, zooals enkele Vitis-soorten en de Ficus
+repens, welke laatste slechts in warme kassen tegen vochtige stammen
+of muren opklimt, in een pot gekweekt, echter geheel het voorkomen
+van een hangplant aanneemt. Het is echter niet te weerleggen, dat
+een als hangplant gekweekte klimplant tegen haar natuur in wordt
+behandeld en dat zij nooit een volmaakte ontwikkeling zal bereiken.
+
+De eigenlijke hangplanten toonen nooit neiging om te klimmen; het
+zijn meestal kruidachtige planten, die naar haar voorkomen in drie
+groepen kunnen ingedeeld worden. De eerste groep bezit grasachtige,
+direct uit den wortelstok spruitende halmen, die niet sterk genoeg
+zijn, om zichzelf rechtop te houden en dus naar beneden hangen. Bij de
+tweede groep kruipen de stengels in haar natuurstaat over den grond
+en de derde groep vormt, evenals de aardbeien, ranken, waaraan op
+bepaalde afstanden jonge planten ontstaan.
+
+Al deze drie soorten van hangplanten kunnen in een kamer op dezelfde
+wijze gebruikt worden. In een voor het venster hangenden ampel maken
+alle hangplanten een schoon effect; maar men kan ze ook gebruiken
+langs de kanten van bloemtafels, bloemrekjes en bakjes, die door haar
+een schilderachtig voorkomen verkrijgen.
+
+De eerste der bovengenoemde groep van hangplanten wordt in de kamer
+vertegenwoordigd door het geslacht Isolepis. Er zijn twee soorten,
+de Isolepis pygmæa en de Isolepis gracilis. Beide soorten, die
+veel op elkander gelijken, komen zeer veel voor; het zijn, met
+haar aan het eind van den halm zittende onbeduidende bloempjes,
+dankbare kamerplanten. Daarbij stellen zij geen zeer hooge eischen;
+zij verlangen een lichte plaats, in den zomer veel lucht en in den
+winter slechts matig warmte, en, daar zij tot moerasgewassen behooren,
+moeten zij in haar groeitijd volop water hebben. Het best doet men
+deze planten steeds in bakjes met water te zetten. Zeer fraai groeien
+zij in een zoogenaamd goudvisschenglas. Dergelijke glazen zijn voor
+de goudvisschen werkelijke martelwerktuigen, en moesten in beschaafde
+gezinnen niet meer voor het houden van dieren gebruikt worden. Een
+dergelijk glas vult men met water en zet dan in den nauwen hals een
+pot met Isolepis, waaruit men den bodem geslagen heeft. De wortels
+groeien in het glas en de planten zullen vooral dan weelderig groeien,
+wanneer men om de twee of drie weken een zeer kleine hoeveelheid
+chemischen kunstmest in het water doet. Iedere pot met Isolepis
+bevat een zeer groot aantal dicht te zamen groeiende grasplanten,
+waarvan de middelste geel worden, wanneer men haar niet ieder jaar
+uit den pot neemt en in vier, vijf of zes stukken verdeelt. Nadat
+men dan de halmen teruggesneden heeft, wordt ieder deel in een
+ongeveer 10 cM. wijden pot, in goede, zandige broeiaarde, niet te
+vast, opgepot. Zeer spoedig zullen de zoo behandelde planten jonge
+wortels maken en welig doorgroeien.
+
+Van vele der tot de tweede groep behoorende ampelplanten hebben wij
+reeds vroeger melding gemaakt, zoo o.a. van de Pelargonium peltatum en
+van twee soorten Campanula's. De meest bekende der hiertoe behoorende
+ampelplanten zijn de uit Amerika stammende Tradescantia's. Deze zeer
+bekende hangplanten worden overal gekweekt en zijn in alle kweekerijen
+te verkrijgen. De bekendste soort is de Tradescantia guianensis,
+met groene bladeren, waarvan ook variëteiten met geel- en witbonte
+bladeren bestaan. Zeer aanbevelenswaardig zijn de Tradescantia zebrina
+en de Tradescantia multicolor, beiden met zeer fraaie bont gestreepte
+bladeren. De Tradescantia's groeien in de kamer zeer goed, hoewel men
+ze ook des zomers buiten kan houden. Men plant ze in goede broeiaarde
+en geeft ze, als moerasplanten, volop water. Hangt men ze in de zon,
+dan verkrijgen de bladeren een fraaien glans. Het best doet men de
+Tradescantia's jaarlijks uit stekken te kweeken, waarvan men er
+verscheidene in een 10 cM. wijden pot kan steken. Zij groeien in
+ieder jaargetijde zeer gemakkelijk en maken reeds na weinige dagen
+volop wortels.
+
+Meer warmte dan de Tradescantia verlangt de Oplismenus (Panicum)
+variegatus met groene, wit gestreepte bladeren. Het best groeit
+deze plant in het kamerkasje, wanneer men haar jaarlijks uit stekken
+kweekt, waarvan er meerdere in een 10 cM. wijden pot kunnen gestoken
+worden. Ook de Oplismenus bemint zeer veel vocht en wil herhaaldelijk
+bespoten worden. Eene hardere, eveneens bontbladige, grassoort is de
+Stenotaphrum glabrum. Zij is uit Amerika afkomstig, heeft smalle,
+wit en groen gestreepte bladeren en groeit in de warme en koude
+kamer. Zij verdraagt uitstekend de volle zon en laat zich gemakkelijk
+door stekken voortkweeken.
+
+Een minder bekende, zeer schoon bloeiende ampelplant is de Lotus
+peliorhynchus, een vlinderbloemige plant, afkomstig van Teneriffe. Zij
+heeft grijsgroene, somtijds bijna zilverwitte twijgen en zeer
+dunne blaadjes, die eenigszins op Asperge-blaadjes gelijken. De
+fijne bladeren, die slechts zeer weinig water uitdampen en de
+dichte beharing, die den dauw vasthoudt, zijn oorzaak, dat deze
+plant op bijna naakte rotsen kan leven, in een land, waar somtijds
+verscheidene maanden achtereen geen regen valt en waar de dauw de
+eenige verfrissching voor de planten is. De inlanders noemen deze
+plant Pico de Paloma, d.w.z. Duivensnavel. De onderste einden van de
+twijgen tooien zich des zomers met scharlakenroode vlinderbloemen,
+die in dichte bosjes bij elkander staan. Deze schoone ampelplant groeit
+in bijna iedere aardsoort; zij verlangt 's winters slechts zeer weinig
+warmte en staat des zomers het liefst buiten in het plantenrekje, mits
+dit beschaduwd is. De voortkweeking geschiedt door stekken of zaden.
+
+Een zeer schoone hangplant, is de Asparagus Sprengeri. De gravure
+(Fig. 175) toont duidelijk aan welk een fraaie plant zij vormt. Deze
+Asparagus moet men koud overwinteren, zij wil des zomers buiten
+gekweekt worden; ook houdt zij er van, in groote potten met zeer
+voedzamen grond te staan, en verlangt des zomers veel water. De
+voortkweeking geschiedt door zaden.
+
+Een zeer lief hangplantje is de Fuchsia procumbens, die in het najaar
+haar bladeren laat vallen en die men in een vorstvrijen kelder
+kan laten overwinteren. Zij heeft kleine blaadjes en zeer kleine,
+aardig gekleurde bloempjes, waarop vrij groote, gedeeltelijk door
+de bladeren bedekte roode bessen volgen. Deze plant laat zich uit
+zaden voortkweeken.
+
+Een zeer sierlijke hangplant vinden wij onder de Selaginella's en
+wel: de Selaginella cæsia. Deze heeft zeer dunne stengels, die overal
+luchtwortels maken, en door kleine, staalblauwe, glanzende blaadjes
+als met schubben bedekt zijn. Zij wil in de schaduw en zeer vochtig
+staan. Men moet haar planten in groven heidegrond, en een plaats
+geven in het kamerkasje. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk
+door stekken.
+
+Twee vrij algemeen voorkomende planten, die ook wel in het wild worden
+aangetroffen, zijn zeer geschikte ampelplanten; namelijk: de Lysimachia
+nummularia (Penningkruid), waarvan vooral de geelbladige variëteit zeer
+in trek is, en de Galeobdolon luteum, waarvan een bontbladige variëteit
+in sommige streken veel als ampelplant wordt aangetroffen. Beide
+planten groeien ook goed in de kamer; zij stellen bijna geen eischen
+en laten zich gemakkelijk door stekken voortkweeken. Eerstgenoemde
+plant kan men ook door deeling van den wortelstok vermenigvuldigen.
+
+Twee andere, veel verspreide ampelplanten zijn de Vinca minor en de
+Vinca major (Maagdepalm), waarvan ook bonte variëteiten bestaan. Hoewel
+deze planten veel in potten gekweekt voorkomen, hebben zij toch
+grooter waarde ter versiering van den tuin.
+
+Onder de verschillende Succulenten (Vetplanten) worden ook eenige
+zeer lieve ampelplanten aangetroffen o.a. de Othonna crassifolia,
+die zich door dunne, neerhangende stengeltjes, die dicht met kleine
+cylindervormige bladeren bedekt zijn, kenmerkt; ook de buiten
+overblijvende Sedum Sieboldii en haar bonte variëteit zijn als
+hangplanten zeer in trek. Deze laatsten sterven in het najaar tot
+aan den grond af, en kunnen dan in den kelder overwinteren.
+
+Beide soorten staan gaarne in de zon; zij groeien zelfs in mageren
+grond en moeten des winters, evenals alle andere Vetplanten, droog
+gehouden worden. Men kan beide soorten zeer gemakkelijk door stekken
+voortkweeken.
+
+Onder de hangplanten, die tot de derde groep behooren, en die,
+evenals de aardbeien ranken maken, is wel het meest bekend de Fragaria
+indica. Deze plant houdt het bij ons des winters buiten uit; zij vormt
+lange ranken, die met jonge plantjes bezet zijn, en bloeit zeer rijk
+met kleine, gele bloempjes. Op de bloemen volgen aardige besjes, die
+het voorkomen hebben van kleine aardbeien, doch geheel smakeloos zijn.
+
+Een zeer verspreide plant is ook de Saxifraga sarmentosa, afkomstig uit
+China en Japan. Zij heeft sterk behaarde, sierlijk geaderde bladeren
+en maakt talrijke, roodachtige ranken. In het voorjaar brengt deze
+plant groote, rechtop staande bloemtrossen voort, met kleine, witte of
+rose bloempjes. Een bonte vorm, de Saxifraga sarmentosa var. tricolor
+heeft zeer fraaie, wit, groen of geelbonte bladeren, doch is zeer
+zwak en groeit slecht. De Saxifraga groeit in bijna iedere aardsoort
+en houdt niet van veel warmte. Als derde rankenvormende ampelplant
+kan aanbevolen worden de Chlorophytum Sternbergianum. Deze plant,
+die tot de familie der Liliaceeën behoort, groeit in een gesloten
+kamer zeer goed.
+
+Al de rankenvormende hangplanten laten zich gemakkelijk voortkweeken;
+men neemt eenvoudig de aan de ranken hangende plantjes, die meestal
+reeds beworteld zijn, en plant ze afzonderlijk in potjes, waarin zij
+dadelijk zullen doorgroeien.
+
+Van de klimplanten, die ook als hangplanten gebruikt kunnen worden,
+kan gerust de Ficus repens worden aanbevolen, waarvan ook een zeer
+kleinbladige variëteit de Ficus minima bestaat. Beide behooren in
+Japan thuis; zij groeien zeer gemakkelijk in de kamer, doch laten
+zich zonder kamerkasje niet licht uit stekken voortkweeken.
+
+
+
+
+Zomerbloemen.
+
+Onder den naam Zomerbloemen verstaan de meeste liefhebbers die planten,
+welke binnen den tijd van één jaar, eigenlijk tusschen de Lente en den
+Herfst, haar volkomen ontwikkeling bereiken. In dezen betrekkelijk
+korten tijd worden zij gezaaid, bloeien zij, geven zij zaad om ten
+slotte te sterven. Tot de Zomerbloemen worden ook wel eenige tweejarige
+planten gerekend, die zeer vroeg in het voorjaar gezaaid, in den loop
+van den zomer nog bloeien en ook wel eenige kruidachtige gewassen,
+die dan als éénjarig worden behandeld, daar zij de overwintering in
+de kamer niet loonen.
+
+Bijna al de tot deze categorie behoorende planten zijn voor
+kamerplanten minder geschikt, daar deze gedeeltelijk lieve,
+gedeeltelijk prachtige of met kleurrijke bloemen bloeiende planten
+veel lucht en zon moeten hebben, waardoor zij dus in een gesloten
+vertrek niet best willen groeien. Het zijn echter bij uitstek geschikte
+tuinplanten.
+
+Enkele soorten van Zomerbloemen, waarvan prachtige variëteiten
+gewonnen zijn, die echter niet altijd uit zaad constant blijken,
+worden in potten gekweekt en buiten in het bloemenrekje voor het
+venster geplaatst.
+
+Hiertoe behooren o.a. de gevuldbloemige Petunia's en Verbena's,
+die, wil men ze zuiver houden, door stekken moeten worden
+voortgekweekt. Deze soorten zijn ook zeer goed om er de bakjes mede
+te beplanten. In deze bakjes kan men de Zomerbloemen alleen gebruiken,
+of wel te zamen met Pelargoniums, Fuchsia's, Heliotropen, enz.
+
+Enkele Zomerbloemen vormen als zaailingen reeds dadelijk penwortels;
+deze laten zich zeer slecht verplanten, en moeten dus direct in
+de bakjes gezaaid worden. Van deze planten is er slechts één met
+succes voor potten of bakjes te gebruiken, namelijk de Reseda odorata
+(Reseda), een plant, die meer om den aangenamen geur, dan wel om het
+fraaie voorkomen der bloemen gekweekt wordt.
+
+Met uitzondering van deze moeten de voor de bakjes bestemde
+Zomerbloemen vroegtijdig gezaaid worden; de zaailingen worden dan een-
+of tweemaal gerepikeerd en tegen het einde van Mei in de voor haar
+bestemde bakjes geplant. Daar men de Zomerbloemen, om ze tijdig in
+bloei te hebben, zeer vroeg moet uitzaaien, en ze meestal uit warmere
+landen afkomstig zijn, dus ons voorjaarsklimaat niet kunnen verdragen,
+moeten zij in een warmen bak uitgezaaid worden.
+
+Het opkweeken van dergelijke jonge planten is eigenlijk meer het
+werk van den kweeker, die aan al haar eischen kan voldoen en in
+het voorjaar, tegen billijken prijs, sterke, jonge planten kan
+leveren. Aangezien echter menig liefhebber er pleizier in heeft,
+zelf zijn Zomerbloemen te kweeken, willen wij in het kort mededeelen,
+hoe dit moet geschieden.
+
+In Januari of Februari, wanneer de groote zaadhandelaars hun
+catalogi hebben uitgegeven, moet de liefhebber zijn benoodigde zaden
+bestellen. Met het zaaien begint men in Maart. Dit zaaien doet men
+op de wijze, zooals in het daarover handelende hoofdstuk is aangegeven.
+
+Gewoonlijk zaait men op gezeefde, zandige broeiaarde, in vlakke
+schalen of houten kistjes. Men moet er voor zorgen, dat iedere soort
+afzonderlijk blijft. Dit gaat gemakkelijk, door grootere kistjes met
+stokjes in vakken te verdeelen. De stokjes worden daartoe eenvoudig op
+de van te voren vlak gemaakte en matig aangedrukte aarde gelegd. Zeer
+fijne zaden, zooals bijv. Lobelia, die in het geheel niet gedekt
+worden, zaait men het best in afzonderlijke potten. De zaadpannen
+worden, nadat men gezaaid heeft, voor een venster van een niet te
+warm vertrek gezet. De aarde wordt met den rafraîchisseur of een
+fijnen broesgieter zóó aangegoten, dat zij matig vochtig blijft
+en men bedekt ze, zoolang de zaden niet opgekomen zijn, wanneer
+de zon schijnt, met een vel papier. Heeft men te dicht gezaaid,
+zoodat de opkomende kiemplantjes elkander dadelijk raken, dan moet
+men ze onverwijld uitdunnen, door de zwakste plant voorzichtig uit
+te trekken. Lang kan men de opkomende zaailingen niet laten staan;
+zij moeten spoedig in andere potten of bakjes gerepikeerd worden, wat
+ook tot de vorming van haarworteltjes bijdraagt. Dit repikeeren is
+bij zeer kleine kiemplantjes tamelijk moeilijk; bij grootere echter
+gemakkelijk. Langzamerhand moeten de zaailingen aan de lucht en zon
+gewend worden, om te voorkomen, dat zij uit haar kracht, doch stevig
+en gedrongen groeien en tegen Pinksteren kan men ze dan in de voor
+haar bestemde bakjes uitplanten.
+
+De bakjes, die van een goede drainage moeten voorzien worden, vult
+men met voedzamen grond, die matig aangedrukt wordt; zij worden zóó
+hoog gevuld, dat er niet meer dan een gietrand vrij blijft. Het
+best geschikt is een mengsel van vier deelen broeiaarde met één
+deel graszodengrond en 1/2 deel zand, waaraan wat duivenmest of
+hoornspaanders worden toegevoegd. Heeft men de bakjes klaargemaakt,
+dan worden de zaadplanten voorzichtig uit de schalen genomen, waarbij
+men er voor zorgt, dat de aarde tusschen de worteltjes blijft zitten,
+waarna zij in de bakjes worden geplant. Voor ieder plantje maakt men
+met het repikeerhoutje een gaatje, houdt het daar met de linkerhand zóó
+diep in, dat het met de onderste bladeren op de aarde komt te rusten,
+en drukt daarna met de rechterhand de aarde goed om de wortels aan. Op
+deze wijze plant men den eenen zaailing na den anderen, totdat het
+bakje gevuld is, waarna de plantjes goed aangegoten worden, waartoe
+men natuurlijk een fijnen broesgieter moet gebruiken.
+
+Men moet de jonge plantjes vooral niet te dicht planten. Heeft men een
+bakje van 1 Meter lengte, dan zijn 15 plantjes ruim voldoende om het
+te vullen. Staan de bakjes vrij, zoodat de planten over de randen heen
+kunnen hangen, dan kan men iets dichter planten; staan zij echter tegen
+een hekje of balustrade, dan doet men het best klimplanten te gebruiken
+en er blijft dan voor de Zomerbloemen geen voldoende ruimte over.
+
+Als zomerbloemen, die uitstekend voor bakjes geschikt zijn, kunnen
+aanbevolen worden de witte en de blauwe variëteiten van Ageratum;
+de Callistephus (Aster) chinensis, waarvan talrijke variëteiten met
+prachtig gevulde bloemen bestaan; ook zijn er in den laatsten tijd
+schoone enkele vormen van gewonnen. Men moet de Asters niet te vroeg,
+pas in Mei, zaaien, daar het echte najaarsbloemen zijn. Verder kunnen
+aanbevolen worden: Lobelia Erinus, lieve gedrongen plantjes, die met
+witte of blauwe bloempjes als overdekt kunnen zijn; Matthiola annua
+(Zomerviolieren), waarvan veel schoone, enkele en gevulde variëteiten
+bestaan; Mimulus hybridus, met geel en bruin gestippelde of gevlekte
+bloemen; Petunia hybrida, voornamelijk de variëteiten met groote,
+gevulde en gefranjede bloemen; Phlox Drummondii (Vlambloem), met vurig
+gekleurde bloemen; Verbena hybrida, zeer rijkbloeiende planten, met
+blauwe, witte en roode bloemschermen; Zinnia hybrida, bij voorkeur
+de gevuldbloemige variëteiten.
+
+De Zomerbloemen groeien alleen goed op een zonnige, luchtige
+standplaats. Plant men ze in goede, voedzame aarde, en zorgt men voor
+een regelmatige begieting, dan zijn het zeer dankbare bloeisters,
+vooral wanneer men er om denkt ze des zomers ook nu en dan te
+gieren. Veel zorg vereischen zij dan overigens niet. De bakjes
+moeten vrij van onkruid gehouden worden; des zomers na een warmen,
+zonnigen dag, besproeit men ze met een gieter; de hoog opgroeiende
+bloemstengels moeten aan stokjes gebonden, de slechte bladeren en
+uitgebloeide bloemen tijdig afgesneden worden. De Zomerbloemen bloeien
+even dankbaar als de Fuchsia's, Pelargoniums en Begonia's, en eerst een
+sterke vorst maakt een einde aan haar bloei. Zijn zij eenmaal bevroren,
+dan maakt men de bakjes leeg, droogt ze en laat ze zoo noodig verven,
+waarop zij tot de tweede helft van Mei van het volgende jaar worden
+bewaard, ten einde ze dan weder met jonge plantjes te vullen.
+
+
+
+
+Cacteeën.
+
+Tot de interessantste gewassen van het plantenrijk behooren
+ongetwijfeld de vertegenwoordigers van de, aan soorten zoo rijke
+familie der Cacteeën, er zijn dan ook niet weinig liefhebbers, die
+deze planten met voorliefde kweeken. Tusschen de jaren 1830-1850
+namen de Cactussen een voorname plaats onder de kamerplanten in.
+
+In de Botanische Tuinen en de plantencollecties van voorname
+liefhebbers vond men toen ter tijde zeer uitgebreide verzamelingen
+dier planten.
+
+Op dezen bloeitijd volgde een tijd, waarin zij geheel veronachtzaamd
+werden; de slechts om haar interessant voorkomen belangwekkende
+soorten verdwenen geheel, en slechts eenige fraai bloeiende konden
+zich eenigszins handhaven. In de laatste jaren begint echter de
+liefhebberij voor deze planten weder aanmerkelijk te herleven.
+
+De Cactussen behooren tot die planten, welke er zich uitstekend
+toe leenen om in de kamer voor het venster gekweekt te worden, en,
+groeien zij ook langzaam, de liefhebber kan er verscheidene tientallen
+van jaren genoegen van hebben, daar zij, bij een eenigszins juiste
+behandeling, een zeer langen levensduur hebben. Het is bekend,
+dat de Cacteeën, die in haar vaderland op een zeer onvruchtbaren,
+zandigen bodem groeien, slechts zeer weinig eischen stellen. Bij het
+verplanten en bij de geheele behandeling dier planten moet men zeer
+voorzichtig zijn, daar veel soorten scherpe dorens bezitten, waaraan
+men zich licht kan verwonden; vooral moet men voorzichtig zijn, dat
+er geen dorens onder de nagels of in een der handgewrichten komen,
+daar ze dan pijnlijke verzweringen kunnen veroorzaken. Behandelt men
+Cactussen, dan is het voorzichtig steeds een pincet bij de hand te
+hebben, ten einde de in de huid geraakte dorens dadelijk te kunnen
+verwijderen. Er zijn echter ook veel soorten, die geheel zonder of met
+zeer onschuldige dorens gewapend zijn, en die men dus zonder gevaar
+met de bloote hand kan aanraken. Moet men sterk gedoornde soorten
+behandelen, dan doet men het wijst òf een goeden leeren handschoen
+aan te trekken òf zich van een stuk leer te bedienen, waarmede men
+de plant vasthoudt (Fig. 184).
+
+In het begin van Mei, wanneer de groeiperiode der Cactussen begint,
+is het de beste tijd om ze te verplanten; met die soorten echter,
+welke dan juist knoppen of bloemen hebben, moet men wachten,
+tot zij uitgebloeid zijn. Het is nòch noodig, nòch geraden de
+Cactussen jaarlijks te verpotten; slechts voor jonge planten van
+snel groeiende soorten kan dit wenschelijk zijn. Gewoonlijk is het
+voldoende jonge planten om de twee en oudere om de drie of vier
+jaar te verplanten. Beginnen zij er echter slecht uit te zien en
+heeft men reden om dit aan de aarde toe te schrijven, dan mag met het
+verplanten niet gedraald worden. De meest geschikte aarde bestaat uit
+3 deelen ouden heidegrond, 2 deelen goed verteerden graszodengrond
+en 1 deel scherp zand. Natuurlijk zijn er kweekers, die met een
+ander grondmengsel ook zeer goede resultaten verkrijgen, wat niet te
+verwonderen is, daar Cactussen in dit opzicht zeer gemakkelijk zijn,
+en ieder, mits niet te licht, grondmengsel haar past. Vóór dat men ze
+verplant, laat men de Cactussen goed opdrogen, opdat de oude aarde
+gemakkelijk tusschen de wortels te verwijderen zij. De Cactussen
+behooren tot die planten, welke niet veel wortels hebben, en dus
+moeten alle gezonde wortels zooveel mogelijk gespaard worden. Wanneer
+men de wortels verwondt of er aan snijdt, dan gaan zij licht tot
+rotting over; derhalve moet het mes alleen gebruikt worden om zieke,
+verdroogde of beschadigde wortels te verwijderen. Nadat men de oude
+aarde zooveel mogelijk tusschen de wortels heeft uitgeschud, zoekt men
+een pot om haar in te planten. Gezond en krachtig groeiende planten
+kan men potten geven, 3-4 cM. wijder dan die, waarin zij stonden;
+zwakke en wortelzieke worden echter gezet in hetzij even groote,
+hetzij kleinere potten. Heeft men Cactussen, die zeer breed worden,
+dan doet men het best ze in schalen te planten. Door het gebruik van
+te groote potten heeft reeds menig liefhebber zijn planten ten gronde
+gericht. Juist voor Cactussen met haar, in vergelijking met andere
+planten, zwak wortelgestel, zijn te groote potten nadeelig; de wortels
+kunnen niet in alle richtingen door de aarde heen, die daardoor niet
+opdroogt, verzuurt en zoodoende ziekte van de plant veroorzaakt. De
+potten moeten van een goede drainage voorzien worden; hierop legt men
+wat grof sphagnum en daarop een laagje aarde. De plant wordt nu zóó
+in den pot gehouden, dat zij een juiste houding heeft, waarop de pot
+verder met aarde wordt aangevuld, die matig moet worden aangedrukt. Men
+mag de Cactussen slechts zóó diep planten, dat de wortels juist met
+aarde bedekt zijn. In tegenstelling met andere planten, mogen de
+verpotte Cacteeën niet direct worden aangegoten; men laat ze eenige
+dagen staan, om ze eerst daarna water te geven. Verplante Cactussen
+moeten toch, voordat zij bewijzen van groei beginnen te geven, uiterst
+matig begoten worden, dat men bij voorkeur op goed zonnige dagen doet.
+
+De voortkweeking der Cactussen kan langs natuurlijken weg door zaaien
+en langs kunstmatigen door stekken of veredelen geschieden. Over
+het veredelen van deze planten is zeer uitvoerig in het hoofdstuk:
+"De kunstmatige voortkweeking der kamerplanten" gesproken, waarnaar wij
+meenen dan ook nu te kunnen verwijzen. De beste maand voor het kweeken
+uit zaad is Maart of April. Men neemt potten van 8-10 cM. wijdte,
+of, nog beter, kleine vlakke schalen; deze worden tot over de helft
+met potscherven en stukjes houtskool gevuld. De beste aarde om er de
+fijne, meestal zwarte zaden in te zaaien, is heideaarde, die vrij is
+van rottende bestanddeelen, waarbij minstens een vijfde gedeelte fijn,
+wit zand wordt gevoegd. Men vult den pot zóó ver met dit aardmengsel,
+dat het 1 cM. beneden den rand blijft. De aarde wordt nu gelijkmatig,
+doch niet te vast aangedrukt, waarop de zaden niet al te dik worden
+uitgestrooid. Zeer kleine zaden worden natuurlijk niet, grootere
+met een dun laagje zeer fijne aarde gedekt, daar de teere zaailingen
+anders niet door de aardlaag kunnen heendringen en daardoor zouden
+verstikken. De zaadpotten worden nu met den rafraîchisseur behoorlijk
+bevochtigd, waarbij men er op moet passen, dat zij niet op hoopjes
+spoelen, wat zeer gemakkelijk kan gebeuren. De aldus behandelde
+zaadpotten worden nu met een glasplaat bedekt en voor een zonnig
+venster gezet, daar de zonnewarmte een goeden invloed op de kieming
+heeft. Om echter te sterk uitdrogen te voorkomen, legt men, zoolang de
+zaden nog niet gekiemd zijn, een vel papier over de potten. Evenals bij
+andere zaadpotten worden ook nu de glasplaten er dagelijks afgenomen
+om afgedroogd te worden, waarbij men dan zoo noodig de aarde ook
+een weinig kan bevochtigen. Jonge kiemplantjes vormen eerst twee
+kiemblaadjes, waartusschen dan het kopje of bij blad-Cactussen het
+blaadje zich ontwikkelt. Daar er tusschen de plantjes gemakkelijk mos
+ontstaat, hetwelk het indringen van de lucht in de aarde belet en den
+groei der zaailingen stuit, is het noodig, deze laatsten zoo spoedig
+mogelijk te repikeeren. Voor dit repikeeren neemt men potten, die op
+dezelfde wijze met aarde zijn gevuld als die, welke voor het zaaien
+werden gebruikt. Daar de jonge kiemplantjes zeer teer en daardoor
+lastig met de vingers te hanteeren zijn, gebruikt men, om ze uit
+den pot te lichten, twee dunne, puntige houten stokjes, die men als
+een schaar aan elkander gebonden heeft. Met een ander stokje wordt
+een gaatje in de aarde gestoken, waarin het jonge plantje tot aan de
+kiemblaadjes gelegd wordt. Bij deze bewerking moet men er op letten,
+dat al de wortels rechtstandig in het gaatje komen. De onderlinge
+afstand tusschen de gerepikeerde plantjes moet 2-2 1/2 cM. bedragen. De
+zoo behandelde plantjes kunnen ongeveer 1 1/2 jaar rustig blijven
+staan, waarna zij ieder afzonderlijk in kleine potjes worden opgepot.
+
+Fig. 185 toont een bakje met gerepikeerde Cactus-zaailingen, die sterk
+genoeg zijn om afzonderlijk te worden opgepot. Het voortkweeken uit
+zaden is tamelijk omslachtig en vereischt zeer veel zorg; besteedt
+men er echter de noodige zorg aan, dan kan men steeds van een gunstig
+resultaat zeker zijn. De jonge zaailingen worden in de vensterbank
+verder gekweekt, waar zij in den beginne tegen te felle zon moeten
+geschermd worden. In den zomer moet men ze rijkelijk begieten en
+des winters mogen zij niet zoo droog gehouden worden als de oudere
+planten, daar zij nog zeer teer zijn en gemakkelijk verschrompelen. Om
+de jonge plantjes en ook zeer zwakke soorten te laten overwinteren,
+zijn de kamerkasjes voor Cacteeën zeer aan te bevelen. Deze kasjes
+zijn van losse plankjes voorzien, die men er, met de planten er op,
+uit kan nemen. Naar onze afbeelding (Fig. 186) is zulk een kasje
+gemakkelijk te maken, zij worden op een voetstuk voor het venster of,
+wanneer zij zeer smal zijn, in de vensterbank gezet.
+
+Een aardigheid, die nogal interessant is, is het zaaien van kleine,
+fijne Cactussen in een medicijn-fleschje. In zulk een fleschje
+brengt men een weinig aarde, maakt het voldoende vochtig, waarna
+men er eenige zaadkorrels in werpt. Hierna doet men de kurk op het
+fleschje, waarna het voor het venster gezet wordt. Daar geen vocht
+uit het fleschje verdampen kan, kiemen de zaden er gemakkelijk in en
+groeien zoo lang verder, totdat de aarde, waarin zij staan, volkomen
+uitgeteerd is. Fig. 187 toont Cactussen, die in zulk een fleschje
+gekweekt en ruim anderhalf jaar oud zijn.
+
+De voortkweeking door stekken gaat veel gemakkelijker en veel
+sneller. Het stekken van Cactussen gaat gemakkelijker dan bij andere
+planten, omdat men zoo min aan de grootte als aan de snede der
+stekken gebonden is. Heeft men kogelvormige Cactussen, die meestal
+jonge scheutjes maken, dan worden deze eenvoudig van de oude plant
+afgebroken. Bij de blad-Cactussen, neemt men enkele samenhangende
+bladgeledingen. Men kan er echter ook één nemen en zelfs een stuk
+van zulk een geleding zal nog goed groeien. Zuil-cactussen worden
+eenvoudig in zooveel stukjes gesneden als men planten verlangt te
+verkrijgen. De pas gesneden stekken mogen in geen geval direct in
+den grond gezet worden, daar zij dan zeker gaan rotten; men moet er
+dus voor zorgen, dit niet te doen, voordat de wond goed opgedroogd
+is. Hiertoe legt men de stekken eenige dagen in de vensterbank, zoodat
+de zon er op schijnen kan, en al liggen zij een paar dagen langer,
+dan zal dit haar geen kwaad doen; ja, men kan zelfs Cactus-stekken,
+die maanden droog gelegen hebben, nog met een vrij zeker resultaat
+opplanten. Het best wortelen de stekken in goed uitgewasschen scherp
+zand. Een schaal of plat kistje wordt, na van behoorlijke drainage
+voorzien te zijn, met dit zand, wat niet te vochtig mag wezen, gevuld,
+waarop men de stekken er in steekt. Men zorgt er voor, dat zij niet te
+diep en ongeveer een vinger breedte van elkander verwijderd komen te
+staan. Evenals bij de zaadpotten, is het voorzichtig, ook de stekpotten
+met een stolp te bedekken, doch men behoeft ze niet voor de zon te
+schermen; die mag er gerust op schijnen. Het zand in de stekpotten
+moet tamelijk droog gehouden worden; geheel opdrogen mag het echter
+niet. De stekken moeten niet te dikwijls bespoten worden en dan slechts
+uitsluitend bij helder weer. Al naar het jaargetijde en de soorten,
+gaat de beworteling sneller of langzamer; gewoonlijk duurt deze van
+14 dagen tot 6 weken. De goed bewortelde stekken worden voorzichtig
+uit de stekpotten genomen en in evenredig groote potten geplant,
+waarop zij, nadat zij vast zijn gaan staan, als de andere Cacteeën
+behandeld kunnen worden.
+
+Wil men Cactussen met succes kweeken, dan moet men over een zeer
+zonnig gelegen venster kunnen beschikken. Deze planten vormen, met
+de overige Succulenten, die wij ook later nog zullen bespreken,
+een hoogst interessante groep; het zijn bijna de eenige planten,
+die zonder eenige bescherming voor een op het Zuiden gelegen venster
+goed groeien en bloeien; er zijn toch slechts weinige soorten, die
+geschermd willen worden. De hardste kunnen, zoodra er geen nachtvorst
+meer te vreezen is, op een naar het Zuiden openliggende plek in den
+tuin gebracht worden. Men kan hier de potten tot bijna aan den rand
+ingraven, of wel, men gebruikt ze tot het versieren van rotsgroepjes.
+
+Cactussen, die meer warmte noodig hebben en over het algemeen
+teerder zijn, moeten het geheele jaar door in de kamer gekweekt
+worden. Hiertoe behooren onder andere de Cereus grandiflorus en enkele
+andere Cereus-soorten, de Echinocactus Echinocereus-, Pilocereus-
+en Mamillaria-soorten. Wie over een warmen bak kan beschikken, zal
+zeer goed doen ze des zomers, wanneer het niet al te warm meer is,
+daarin uit te planten, waarvan een zeer snelle groei het gevolg zal
+zijn. Tot dit doel wordt de bak tijdig in het voorjaar met mest of
+met blad aangelegd, en er, al naar de grootte der planten, een laag
+aarde van 12-20 cM. dikte opgebracht. Daar de planten niet te ver van
+de ramen mogen staan, gaat het niet aan, groote en kleine plantjes
+onder hetzelfde raam uit te planten. Is de bak op een temperatuur
+gekomen van 75°-80° Fahr. en dampt hij niet meer, dan kan men met het
+uitplanten beginnen. Is het weer heel warm, dan kan men de uitgeplante
+Cactussen een- of tweemaal besproeien en de ramen op lucht zetten;
+slechts de schaduwminnende soorten moeten dan geschermd worden. Men
+moet er op letten, dat de aarde niet te veel uitdroogt. Tegen half
+September worden de uitgeplante Cactussen weer in potten gezet, en
+spoedig daarop kunnen zij haar winterkwartier betrekken. Een bezwaar
+is het, dat de planten in het najaar moeten gestoord worden, om ze in
+potten te zetten, daar het wel wil voorkomen, dat zij dan niet meer aan
+den groei gaan. Dit is de oorzaak, dat veel kweekers hun Cactussen in
+de potten laten staan en ze zoo, in den bak ingraven. Zij groeien dan
+wel niet zoo snel, doch behoeven in het najaar niet gestoord te worden.
+
+Het gewichtigste bij het kweeken van Cactussen is het juiste
+gieten. Hier hangt het gieten toch niet uitsluitend van het jaargetijde
+en de groeiperiode af, doch men moet ook rekening houden met de
+levensvoorwaarden en den gezondheidstoestand der planten. Is het donker
+en kil weer, dan mag men in het geheel niet gieten, terwijl bij helder,
+warm weder regelmatig gieten een vereischte is. Van groot belang is
+bij de Cactus-cultuur ook het besproeien, dat men zeer goed kan doen
+met een zeer fijnen broesgieter. Op avonden na heete dagen moet men
+ze ook matig besproeien.
+
+Tegen het einde van September, en bij ongunstig weder nog vroeger, moet
+men de Cactussen in de winterkwartieren brengen. De overwintering is,
+vooral wanneer zij des zomers buiten gehard zijn, niet zeer lastig. De
+teerdere soorten zet men in de woonkamer, de hardere daarentegen in een
+achterkamer, die slechts bij intredende vorst gestookt wordt; in geval
+van nood kan men echter zelfs de teerste soorten in een vertrek met
+een temperatuur van 45°-50° Fahr. laten overwinteren. Het is bijna,
+ongelooflijk wat Cactussen, die des zomers goed behandeld zijn, des
+winters kunnen verdragen, en met welk een lage temperatuur zelfs de
+tropische soorten zich tevreden stellen. Heeft men slechts een koude
+kamer voor de overwintering beschikbaar, dan is het voorzichtig de
+planten zoo hoog mogelijk te plaatsen, daar de bovenste luchtlagen in
+zoo'n vertrek altijd iets warmer zijn de onderste. De fijnere soorten
+zet men voor het venster, terwijl men de grovere gerust op een kast
+of ergens anders kan laten overwinteren. Heeft een liefhebber des
+winters slechts zeer weinig ruimte te zijner beschikking, dan kan hij
+de sterkere soorten uit de potten nemen en ze dicht tegen elkander
+in een kistje met zandige aarde zetten. Wanneer men de planten in
+zulk een kistje slechts den ganschen winter droog laat staan, dan
+veroorzaken zij niet de minste moeite. Ik ken een liefhebber, die op
+deze wijze in een ongebruikte keuken een zeer groot aantal Cactussen
+laat overwinteren. Tegen de wanden heeft hij houten rekken laten
+aanbrengen, waar de met zijn Cactussen beplante kistjes des winters
+op gezet worden. De ergste vijand gedurende den winter is vocht;
+geeft men ze echter een droge standplaats, dan verdragen zij zeer veel.
+
+Hoewel de meeste Cacteeën, evenals bijna alle Succulenten, het best
+groeien in de volle zon, zijn zij daarvoor in het voorjaar, wanneer
+men ze uit donkere plaatsen haalt, toch zeer gevoelig. Om deze reden
+moet men ze dan in den beginne tegen de zon beschermen; langzamerhand
+gewent men ze daaraan, zoodat zij die na een week of drie weder
+goed kunnen verdragen. Verzuimt men deze voorzichtigheidsmaatregel,
+dan zullen zij licht brandvlekken krijgen, die niet alleen de planten
+zeer ontsieren, doch ook vaak de oorzaak van ziekte kunnen worden. Deze
+ziekte, die roest genaamd wordt, is een der ergste, die bij Cactussen
+voorkomt. De groote, bruine of gele vlekken, die zij veroorzaakt,
+dringen hoe langer hoe dieper in het weefsel door, en zijn oorzaak,
+dat de plant ten laatste sterft. Een andere, nog meer voorkomende
+ziekte is de rotting, die echter maar al te dikwijls, vooral des
+winters, door onvoorzichtig gieten veroorzaakt wordt. Men onderscheidt
+wortel- en stengelrotting. De wortelrotting is niet zoo gevaarlijk;
+bemerkt men deze, dan neemt men de aangetaste planten uit de potten,
+snijdt de rotte wortels weg, plant ze in versche aarde op, en houdt ze
+aanvankelijk droog. Heeft men stengelrotting, dan worden de aangetaste
+plekken met een scherp mes weggesneden. Des winters, wanneer zulke
+wonden slechts langzaam genezen, zet men de planten daarna zoo droog
+mogelijk, om de wond te doen opdrogen; in den zomer is het voldoende
+de wond met fijn houtskoolpoeder te bestrooien. Gevaarlijk is het,
+wanneer de plant over haar geheel neiging tot rotting toont. Deze
+ziekte ontstaat meestal aan den voet der plant, en breidt zich dan
+naar boven uit, of zij ontstaat,--wat echter minder voorkomt--, in
+den kop en trekt dan naar beneden. In het eerste geval kan men den
+kop nog op een behoorlijken afstand van de aangetaste plek afsnijden
+en dien als stek behandelen, gewoonlijk echter bemerkt men de ziekte
+eerst wanneer het geheele weefsel aangetast en de plant dus verloren
+is. Een andere ziekte bij Cactussen is de geelziekte; zij komt slechts
+bij enkele geslachten voor (Epiphyllum, Cereus en Phyllocactus) en wel
+hoofdzakelijk in den winter. Plotseling worden eenige deelen der plant
+geel en sterven spoedig daarna af. Gewoonlijk treedt de geelziekte op
+bij planten, die gebrek aan voedsel hebben of die in slechte aarde
+staan; het beste middel er tegen is, de plant zoo spoedig mogelijk
+in goede aarde te verpotten.
+
+De Cactussen hebben ook talrijke vijanden onder de insecten en
+wel hoofdzakelijk in de blad- en schildluizen. Gewoonlijk zijn het
+de laatsten, die zeer veel schade kunnen berokkenen. Een der beste
+middelen om deze plagen te voorkomen, is het bij helder weder spuiten
+en een zoo goed mogelijke behandeling der planten. Zijn deze eenmaal
+door insecten aangetast, dan tracht men ze met een kwastje en lauw warm
+zeepsop te verwijderen. Een nog zekerder middel tegen deze insecten is
+een slappe oplossing van Nicotine-extract, dat in enkele apotheken wel
+te verkrijgen is. Zijn de Cactussen door zoogenaamde witte smeerluis
+aangetast, dan kan men die door spuiten gemakkelijk verwijderen. Zij
+worden daartoe op een helderen dag buiten gezet en met het handspuitje
+spuit men met kracht lauw water tusschen de dorens. De diertjes zullen
+daardoor weggespoeld worden. Vallen zij op de aarde van den pot,
+dan kunnen zij daar gemakkelijk van verwijderd worden. Een minder
+schadelijke vijand der Cactussen is de Cactus- of Cochenille-luis
+(Coccus cacti). Deze luis komt gewoonlijk voor op een Opuntia-soort
+en wordt slechts zelden op andere geslachten aangetroffen. De roode
+verfstof, onder den naam Cochenille bekend, bestaat uit niets anders
+dan de fijn gewreven lichamen van deze luizen. In ons klimaat teelt
+de Cochenille-luis zich slechts zeer langzaam voort, zoodat zij niet
+tot de eigenlijke Cactus-vijanden kan gerekend worden. Deze en gene
+liefhebber kweekt ze zelf wel als curiositeit op zijn planten.
+
+Van het standpunt eens liefhebbers kunnen de Cacteeën in twee
+groote groepen verdeeld worden, namelijk die, welke hoofdzakelijk
+om haar fraaie bloemen gekweekt worden, en die, welke men om haar
+interessanten vorm of om de dorens verzamelt. Een absolute grens laat
+zich echter tusschen beide groepen niet trekken, daar er veel fraai
+bloeiende soorten zijn, die een zeer interessant voorkomen hebben,
+terwijl enkele, wier vorm hoogst belangwekkend is, somtijds zeer
+schoone bloemen voortbrengen. Het is aan geen twijfel onderhevig,
+dat er in de familie der Cacteeën prachtig bloeiende soorten zijn;
+zij hebben echter allen een gebrek, namelijk den korten duur. Door
+elkander genomen, blijven de bloemen niet langer dan 2 à 3 dagen goed,
+zelfs bij soorten, waar de knoppen maanden lang tijd hebben om zich
+te ontwikkelen. Toch zijn er Cactussen met een zeer langen bloeitijd,
+die veroorzaakt wordt doordat zij talrijke knoppen voortbrengen,
+die na elkander tot ontwikkeling komen.
+
+Epiphyllum truncatum (Fig. 188) is zeker wel een der meest
+voorkomende en dankbaarste uit de groep der fraai bloeiende
+Cactussen. Een bijzondere waarde heeft deze plant nog, wijl ze een
+echte winterbloeister is. Haar fraai vermiljoenroode bloemen, met
+purperen weerschijn, ontwikkelen zich gewoonlijk van Kerstmis af tot
+aan de tweede helft van Februari. De Epiphyllum behoort in Brazilië
+te huis, waar zij als een onechte parasiet tegen de boomen groeit,
+dikwijls in gezelschap van Orchideeën. Zij groeit daar onder de
+dichte bladerkroon en tusschen rottende plantenstoffen zeer welig;
+bij wijze van uitzondering wordt zij ook wel tegen vochtige wanden
+aangetroffen. De in den handel voorkomende Epiphyllums zijn voor
+het meerendeel kroonboompjes; die door veredeling op kleine, slanke
+stammetjes van andere Cactus-soorten meestal Peireskia's staan. Deze
+stamboompjes bieden, met de afhangende twijgen, een fraaien aanblik,
+vooral in den bloeitijd, wanneer de laatste stengelgeledingen met
+bloemen of knoppen prijken. De uit stek gekweekte Epiphyllums zijn
+fraaie, zeer dankbaar bloeiende hangplanten. In de kweekerijen vindt
+men, tegenwoordig talrijke variëteiten, die verschillen door de kleur
+der bloemen.
+
+De Epiphyllums behooren tot die Cactussen, welke, in tegenstelling
+met de meeste andere vertegenwoordigers van deze familie, een
+humusrijke aarde, scherming tegen brandende zon, en vochtige lucht
+verlangen. Gedurende den groei- en bloeitijd verlangen zij veel water;
+ook kan men ze gedurende dien tijd nu en dan gieren.
+
+De rusttijd begint bij de Epiphyllums na den bloei; hij duurt
+gewoonlijk tot Mei en men moet dan zeer spaarzaam gieten. Heeft
+men veredelde stamboompjes, dan kan zeer dikwijls de dunne stam de
+zooveel zwaardere kroon niet dragen, waarom men moet zorgen, dat
+hij behoorlijk ondersteund wordt. Een zeer goede wijze daartoe is de
+volgende: Men steekt drie of vier stokjes in den pot, onder de kroon
+brengt men een ring van dik ijzerdraad, die aan deze stokjes wordt
+vastgebonden en waarop de twijgen van de kroon rusten, waardoor hij
+voldoende steun verkrijgt en de stam geheel vrij kan blijven.
+
+De Phyllocactussen doen als dankbare bloeisters voor de Epiphyllums
+niet onder. Twee der hiertoe behoorende soorten, de Phyllocactus
+Russellianus en de Ph. Gærtneri (Fig. 189), gelijken in voorkomen zeer
+sterk op de Epiphyllums, maar de bloemen zijn regelmatiger gevormd. De
+beide genoemde soorten bloeien eerst tegen het voorjaar, met roode
+trechtervormige bloemen. De andere, tot dit geslacht behoorende
+soorten hebben zeer groote bladachtige stengels en schoone bloemen;
+deze laatste zijn wit, bieden verschillende nuanceeringen van rood of
+zijn geelachtig. Somtijds bloeien deze bloemen slechts één nacht, dan
+weder vier en twintig uur, terwijl zij bij andere soorten eenige dagen
+duren. De middelmatig groote, welsmakende vruchten zijn besvormig en
+karmijn- of steenrood. Deze bessen rijpen gewoonlijk na tien of twaalf
+maanden en bevatten zwarte, talrijke zaden. De Phyllocactussen worden
+nooit door veredeling voortgekweekt, daar de zaden zeer gemakkelijk
+opkomen en in korten tijd tot mooie bloeibare planten opgroeien. Ook
+het voortkweeken van stek gaat zeer gemakkelijk, zoodat men dan
+ook bij de liefhebbers steeds zelfgekweekte planten aantreft. De
+Phyllocactussen groeien onder geheel dezelfde omstandigheden als de
+Epiphyllums, zoodat zij op geheel dezelfde wijze moeten behandeld
+worden. Er zijn zeer veel schoone soorten bekend en de kweekers
+hebben door onderlinge kruising nog een aantal zeer fraaie hybriden
+gewonnen. Een dergelijke hybride stelt Fig. 190 voor.
+
+Het geslacht Cereus (Zuilcactus) is wellicht het interessantste
+geslacht van de familie der Cacteeën. Zeer dikwijls toonen de soorten
+onderling veel overeenkomst, dan weder een zeer groot verschil;
+zij zijn geribd en vier- of meerhoekig; nu eens kruipend, dan weder
+kogelvormig. De ribben of kanten zijn steeds nu eens met zwaardere,
+dan weder met zwakkere dorens bezet. De bloemen verschijnen meestal
+aan de oudere stengels, en slechts bij uitzondering aan de uiterste
+spitsen. Zeer veel Cereus-soorten bloeien eerst op hoogen leeftijd,
+anderen echter reeds als jonge planten. De nu eens witte, gele of
+roode bloemen kunnen een lengte van 20 cM. bij een doorsnede van 30
+cM. bereiken; zij behooren tot de fraaiste, maar, jammer genoeg,
+ook tot de vergankelijkste bloemen in het plantenrijk. Van vele
+Cereus-soorten ontluiken de bloemen des avonds, om den volgenden
+morgen weder te verwelken; andere soorten houden het tot den middag
+uit en de bloemen der soorten, die het langst bloeien, duren nooit
+langer dan hoogstens drie dagen. De fraaie, eetbare vrucht bereikt
+bij enkele soorten de afmeting van een appel; zij rijpt nu eens
+na vijf of zes maanden, dikwijls echter pas in het jaar, volgende
+op den bloei. De Cereus behoort in West-Indië, Mexico en Brazilië
+te huis, waar zij aan de dorre landschappen een zeer eigenaardig
+voorkomen geeft. De schoonste soort van dit geslacht is de Cereus
+grandiflorus (Koningin van den nacht), Fig. 191. Haar bloemen kunnen
+een doorsnede van ruim 25 cM. bereiken, en behooren met haar zuiver
+witte bloembladeren, goudgele kelkbladeren en zeer fijnen vanielje-geur
+tot de fraaiste aller bloemen; zelfs de schoonste Roos wordt door
+dit prachtig natuurgewrocht in de schaduw gesteld. Jammer is het,
+dat deze soort nogal behoefte heeft aan warmte, en al groeit zij bij
+een goede behandeling ook in een kamer, in bloei komen zal zij daar
+zelden of nooit. Van grooter waarde is voor den liefhebber de Cereus
+nycticalus, die niet veel minder schoon bloeit dan de voorgaande soort,
+doch met een reukelooze bloem. Deze soort is harder dan de voorgaande,
+haar witte bloemen zijn grooter en verschijnen bij sterke planten
+geregeld iederen zomer.
+
+In den laatsten tijd zijn ook door kruising van beide genoemde soorten
+met andere Cereussen schoone hybriden gewonnen, waaronder er zich
+bevinden met groote, roode bloemen.
+
+Een andere, onder de liefhebbers zeer verspreide soort, is de Cereus
+speciosissimus, die reeds meer dan 100 jaar bekend is. Het is een zeer
+fraai bloeiende soort. Zij heeft drie- of vierkantige, vrij sterk
+gedoornde stengels, die men het best tegen een waaiervormig hekje
+bindt. De werkelijk fraaie, schitterend roode bloemen verschijnen
+gewoonlijk in vrij grooten getale gedurende den zomer en duren drie
+of vier dagen. Hoe minder men deze soort verplant, hoe beter zij
+bloeit; plant men haar in een grooten pot, dan groeit zij wel sterk,
+doch bloeit weinig of niet. In den handel zijn veel variëteiten dezer
+Cereus verspreid.
+
+De Cereus flagelliformis (Slang-Cactus) is een mooie, reeds
+verscheidene tientallen van jaren onder de Cactus-liefhebbers
+verspreide soort, met kruipende of hangende stengels, die bezet zijn
+met in stervormige bundeltjes vereenigde, bruingele dorens. De tot
+8 cM. lange bloemen zijn purper-rozerood en de pas na een jaar rijp
+wordende vruchten hebben eenigszins een pruimensmaak. De afbeelding
+192 toont een monstrueuzenvorm dezer soort, de Cereus flagelliformis
+cristatus, geënt op een Opuntia.
+
+Onder de Zuilcactussen zijn er ook talrijke, die om haar eigenaardige,
+fraaie gestalten of wel om de interessante kleur harer dorens
+gekweekt worden; deze soorten bloeien echter slechts zelden. Eén
+dezer, die dikwijls nogal van vorm verschilt, doch steeds een fraaie,
+blauwachtige kleur heeft, de Cereus cyaneus, is voor liefhebbers wel
+de meest aanbevelenswaardige.
+
+Onder de Cactus-geslachten, waarbij zeer fraai bloeiende soorten worden
+gevonden, kunnen wij nog aanbevelen het geslacht Echinopsis. De hiertoe
+behoorende soorten hebben gewoonlijk een kogelvorm, die zich slechts
+zelden verlengt; de planten nemen alsdan een eivormige gestalte aan. In
+alle gevallen zijn zij veelzijdig en vaak zeer sterk met groote fraaie
+dorens bezet. De lichtgroene zijscheuten, die bij oudere planten zeer
+talrijk voorkomen, en ook de jonge zaailingen hebben in den beginne
+een heel ander aanzien dan de gekarakteriseerde planten. De witte,
+rose of roode bloemen verspreiden een heerlijken geur: zij hebben een
+lange, trechtervormige bloemkroon. Bij enkele soorten blijven de fraaie
+bloemen slechts één nacht, bij andere daarentegen verscheidene dagen
+open. Daar de hiertoe behoorende soorten in den voorzomer bloeien,
+dan zeer talrijke bloemen voortbrengen en de bloemknoppen dikwijls
+vijf à zes maanden noodig hebben om tot ontwikkeling te komen,
+gebeurt het vaak, dat men reeds in October of November de knoppen
+ziet verschijnen. De snel rijp wordende vrucht is eivormig of rond
+en heeft eenigszins het voorkomen van een walnoot. Van de vele,
+tot dit geslacht behoorende soorten, zijn er twee hier afgebeeld, de
+Echinopsis oxygona in Fig. 184 en de Echinopsis Eyriesii in Fig. 193.
+
+Zeer dankbare, niet onaardig bloeiende planten levert ons het geslacht
+Rhipsalis (Roede-Cactus) met vaak zeer dunne, ronde stengels. De
+hiertoe behoorende soorten groeien in tropisch Amerika als onechte
+parasieten op boomen, en zij houden dus van een tamelijk vochtige
+lucht en een humusrijke aarde. Een soort met breedere stengels, die
+des winters met licht-stroogele, welriekende bloemen bloeit, is de
+Rhipsalis Houlletiana (Fig. 195), terwijl de Rhipsalis dissimilis
+(Fig. 196), die ook des winters bloeit, roedevormige stengels heeft.
+
+Onder de vertegenwoordigers der andere Cactus-geslachten worden
+nog zeer schoon bloeiende soorten aangetroffen, maar aangezien deze
+slechts zeldzaam bloeien, worden zij uitsluitend óf om haar interessant
+uiterlijk, óf om haar fraaie dorens gekweekt.
+
+Van deze verschillende Cactussen kunnen wij den liefhebbers zeer
+aanbevelen de Echinocereus-soorten, waaronder fraai gedoornde en schoon
+bloeiende en de Pilocereus-soorten, die somtijds lange haarvormige
+dorens bezitten, zooals bijv. de Pilocereus senilis (Grijsaard), die
+geheel met lange, witte dorens bedekt is en daardoor een eigenaardig
+voorkomen heeft; ook de Pilocereus Houlleti is zeer fraai. Door haar
+sterk gedoornd voorkomen munten uit de Echinocactus-soorten, waaronder
+ook fraaie bloeisters worden aangetroffen. Door haar gele dorens is
+vooral aanbevelenswaardig de Echinocactus Grusonii, waarvan Fig. 197
+een jonge plant vertoont. Een zeer weinig gedoornde, doch met gele
+bloemen zeer rijk bloeiende soort is de Echinocactus capricornis,
+die met witte puntjes is overdekt.
+
+De Optunia-soorten vormen vaak groote planten met zware, platte
+stengelleden; zij bloeien wel fraai, doch tamelijk weinig en brengen
+na den bloei eetbare, naar kruisbeien smakende vruchten voort. Op
+onze plaat zijn drie soorten afgebeeld: de Opuntia maxima, de
+O. senilis en de O. vaginosa. Zeer sierlijke, dikwijls gedrongen
+groeiende soorten behooren tot het geslacht Mamillaria, waarvan
+de meeste winterbloeisters zijn; enkele hebben eenigszins groote,
+de meeste echter slechts kleine bloemen. Verschillende soorten van
+dit geslacht zijn hier afgebeeld, namelijk: Mamillaria Celsiana,
+M. Schiedeana en M. plumosa (Fig. 199), M. gracilis (Fig. 200) en
+M. fuscata, deze laatste als jonge plant veredeld op een Cereus.
+
+Zeer interessante Cactus-geslachten zijn nog Malococarpus, Astrophytum,
+Anhalonium en Pelecyphora.
+
+Deze laatste geslachten zijn echter slechts hun aan te bevelen,
+die goed met plantencultuur vertrouwd zijn, daar zij lastig in de
+cultuur zijn en maar al te vaak, vooral des winters, dood gaan.
+
+
+
+
+Succulenten of Vetplanten.
+
+(Uitgezonderd de Cactussen.)
+
+De Vetplanten, zoowel de inheemsche als de tropische, behooren
+tot de hardste en daardoor tot de meest geschikte planten voor
+kamercultuur. De bladeren van de meeste tot deze groep behoorende
+planten hebben een dikken cylindervorm, en slechts weinige
+uitwasemingsorganen; zij zijn vaak bedekt met een wasachtige
+afscheiding, en krijgen daardoor dikwijls in plaats van een groene
+een blauwachtige, grijze of witte kleur. De geheele bouw van deze
+dikbladige planten is er op ingericht, dat zij het hoofd kunnen bieden
+aan een langdurige droogte, terwijl zij door overvloedig vocht zeer
+gemakkelijk ten gronde gaan. Deze bouw is geheel in overeenstemming
+met de dorre, meestal zandige streken, waar zij gevonden worden.
+
+In de cultuur komen de uitheemsche Succulenten tamelijk wel met de
+Cactussen overeen; over het algemeen zijn de eersten zelfs nog harder
+en hebben zij nog minder behoefte aan warmte. Wil men Succulenten
+met succes kweeken, dan heeft men een op het zuiden gelegen luchtige
+kamer noodig, daar deze planten des zomers de volle zon en des winters
+een zeer lichte standplaats verlangen; hebben zij zulk een standplaats
+niet, dan worden zij gemakkelijk door rotziekte aangetast, waardoor zij
+zeer licht verloren gaan. Gedurende den zomer moet men den Succulenten
+een plaats geven in het bloemrekje voor het venster, op een zonnig
+balkon of in den tuin, waar zij voor de beplanting van rotspartijen
+en ook voor mozaïekvakken uitstekend gebruikt kunnen worden.
+
+Gedurende den rusttijd, in den herfst en den winter, is het
+noodzakelijk, dat de aarde zoo droog mogelijk gehouden wordt, mits men
+er slechts voor zorgt, dat zij niet verdrogen en als gevolg daarvan
+ineenschrompelen. In haar groeitijd echter moeten zij geregeld begoten
+worden; men zorgt er dan voor, dat de aarde niet te droog wordt en
+op bijzonder warme dagen is een besproeiing der bladeren des avonds
+zeer bevorderlijk voor den groei.
+
+Alle Succulenten moeten in een niet te vetten, kleiachtigen grond
+geplant worden; deze grond moet geheel vrij zijn van rottende
+bestanddeelen; het best groeien zij in een mengsel van gelijke deelen
+oude heide- en broeiaarde, kleiaarde en scherp zand; beter is nog
+de kleiachtige grond, die ontstaat bij het afbreken van oude huizen,
+door het uit elkander vallen der verweerde steenen. Heeft men jonge
+planten, dan moeten zij elk voorjaar verpot worden; oudere exemplaren
+daarentegen kan men gerust twee of drie jaar in denzelfden pot laten
+staan. De potten, die men gebruikt, moeten in verhouding tot de
+plant tamelijk klein zijn, daar de Vetplanten slechts zeer zelden
+veel wortels maken en bijna altijd langzaam groeien. Dit is ook de
+reden, waarom men de potten van een zeer goede drainage moet voorzien,
+opdat het overvloedige water gemakkelijk kan wegloopen, daar anders de
+aarde zeer licht zou verzuren en de wortels daardoor zouden afsterven.
+
+De Succulenten laten zich zeer gemakkelijk voortkweeken. Heeft
+men soorten, die een wortelstok vormen, dan doet men dit bij het
+verplanten door verdeeling daarvan; anderen kweeken bijna vanzelf
+voort door wortelscheuten, die men slechts behoeft af te snijden en
+op te planten; weer anderen laten zich door stekken vermenigvuldigen,
+die juist als Cactus-stekken moeten behandeld worden. Eenige soorten
+der Vetplanten, zooals bijv. de Echeveria's, laten zich gemakkelijk
+voortkweeken door bladstekken. Hiertoe scheurt men voorzichtig een
+blad van de plant en pot dit op, na verloop van korten tijd zal zich
+dan een jong plantje aan de basis ontwikkelen.
+
+Onder de Succulenten zijn als zeer harde en mooie kamerplanten enkele
+Aloë-soorten zeer in trek. In sommige streken komen deze soorten onder
+den naam van "Eksteroogen-planten" voor. Er wordt namelijk beweerd,
+dat het bittere sap, dat uit enkele soorten gewonnen wordt, als een
+uitnemend middel tegen eksteroogen wordt gebruikt. De tot dit geslacht
+behoorende planten zijn meest zeer saprijk en week. De zeer fraai
+gedoornde bladeren zijn nu eens éénkleurig, dan weder fraai bont of
+ook wel dicht bezet met kleine getinte wratjes. Zeer fraai zijn ook
+de meestal op lange bloemstengen verschijnende pijpvormige bloempjes,
+die meestal rood of geel, nu en dan groenachtig zijn. Die soorten,
+welke stengels vormen, laten zich des zomers gemakkelijk door stekken
+voortkweeken; bij de overige geschiedt dit door wortelscheuten. Een
+zeer schoone rozet-vormige soort is de Aloë longearistata met groene,
+op de achterzijde en langs de randen met mooie dorens bezette
+bladeren. De breedbladerige Aloë latifolia groeit struikachtig. De
+breede bladeren, die aan de randen gedoornd zijn, zijn omgebogen,
+hebben een groene grondkleur, die door talrijke lichte vlekken en
+punten wordt afgewisseld. Goed gekweekte planten van deze soort bloeien
+geregeld elken zomer. De bloemsteng wordt ongeveer 1/2 Meter lang,
+groeit dagelijks ongeveer 4 cM. en is met mooie, geelachtige bloemen
+rijk bezet. Een zeer mooie, kleine kamerplant is de Aloë variegata, met
+spiraalvormige, rechtop staande, bonte bladeren. Ook de op onze plaat
+afgebeelde Aloë arborescens is een mooie, dankbare kamerplant evenals
+de Aloë saponaria, met lichtgroene, geelachtige, wit gevlekte bladeren.
+
+Zeer schoone planten bevat ook het geslacht Gasteria. Deze soorten
+kenmerken zich meestal door mooi gevlekte bladeren en roode of
+groenachtige bloemen. De Gasteria acinacifolia heeft donkergroene
+bladeren, waarvan de nerven met paarlachtige wratjes dicht bezet zijn;
+ook de Gasteria pulchra, die men nogal eens aantreft, heeft witgevlekte
+bladeren en heel aardige pijpvormige bloempjes.
+
+Fraaie Succulenten zijn ook de verschillende in Mexico te huis
+behoorende Echeveria's. De planten zijn voor het meerendeel zeer
+sierlijk; zij hebben dikke, vleezige bladeren, die rozetvormig
+gerangschikt zijn.
+
+Tegenwoordig worden vele soorten van dit geslacht gekweekt om
+gebruikt te worden bij het beplanten van rotspartijen en van
+mozaïekvakken. Plant men ze echter in kleine potjes, dan maken zij
+ook in de vensterbank een zeer aardig figuur. Van de verschillende
+soorten van dit geslacht is de Echeveria Desmetiana, met haar
+blauwgroene bladeren wel een van de fraaiste. Een zeer mooie
+grootbladige soort is de Echeveria metallica, met betrekkelijk
+dunne, naar boven omgebogen bladeren, die een metaalachtigen glans
+hebben. Streng genomen is dit slechts een variëteit van de Echeveria
+gibbiflora; zij vormt vrij groote rozetten en is in jongen toestand
+het fraaist; van oudere, leelijk geworden planten snijdt men den kop
+af, die daarna als stek wordt behandeld. De Echeveria discolor heeft
+donkergroene bladeren en ontwikkelt gedurende den zomer talrijke,
+wijd openstaande, oranje bloemen. De Echeveria agavoïdes vormt kleine,
+witachtig groene bladrozetten en de Echeveria Scheideckeri is ook
+een lieve, mooi bebladerde soort. Verscheidene Echeveria's zijn
+uitstekende winterbloeisters zooals de Echeveria fulgens, met vuurroode
+bloemen, de Echeveria mucronata, met schitterend roode bloemen en de
+Echeveria rosea, met rozeroode bloemen. Ook de Echeveria retusa is een
+winterbloeister bij uitnemendheid. Deze soorten hebben een vleezigen
+stengel, met betrekkelijk kleine bladeren bezet die in een bloeiwijze
+eindigt. Alle Echeveria's moeten vorstvrij en droog overwinteren;
+die, welke gedurende den winter bloeien, verlangen gedurende dit
+jaargetijde een lichte standplaats, zoo mogelijk voor een op het
+Zuiden gelegen raam.
+
+De vermenigvuldiging geschiedt zeer gemakkelijk door kleine
+zijscheuten, die, in een potje gestoken, zeer vlug wortel maken,
+wanneer men ze een zonnige plaats voor het venster geeft. Men kan ook,
+zooals reeds gezegd, is, de bladeren voorzichtig afbreken en die als
+stekken behandelen; er ontwikkelt zich dan aan den voet een knop,
+die spoedig doorgroeit en een lief plantje vormt.
+
+Veel gelijkenis met enkele Echeveria's hebben de Sempervivums
+(Huislook), vooral in de groeiwijze. De saprijke bladeren der
+Sempervivum-soorten zijn dun en groen, enkele soorten zijn voorzien
+van zwarte spitsen, terwijl bij anderen de geheele plant met een wit
+spinnewebachtig weefsel is overtrokken. Verscheidene Huislook-soorten
+houden het hier te lande des winters buiten uit; deze worden dan ook
+veel voor het begroeien van rotsen en het beplanten van mozaïek-vakken
+gebruikt; ook zijn zij zeer geschikt voor de cultuur in kleine
+potten. Het gewone Huislook wordt veel aangetroffen op oude muren
+en daken. De oude Grieken noemden deze plant Aizoon, de Romeinen
+sempervivum, welke beide namen beteekenen: "altijd levend" en welke
+slaan op de eigenschap van deze planten, dat zij de grootste droogte
+uitstekend kunnen verdragen. Bij de oude Germanen werd het Huislook
+"Donnerbart" genoemd, wijl de rozeroode bloemen herinnerden aan den
+baard van den Dondergod "Donar".
+
+In de bloemen van deze plant zag men een bliksemafleider en daarom
+vaardigde Karel de Groote een bevel uit, dat iedere boer het Huislook
+op zijn erf moest hebben. Slechts goed volwassen Sempervivums zijn
+bloeibaar; de bloemsteng ontwikkelt zich uit het hart der bladerrozet
+en aan haar uiteinde vertakt zij zich meestal, welke zijtakjes dicht
+bezet zijn met stervormige bloemen, die bij verschillende soorten
+verschillende kleuren hebben. De uitgebloeide plant sterft; zij vormt
+echter, voordat zij doodgaat, een groot aantal jonge uitloopers, die
+spoedig tot gezonde planten doorgroeien. Een zeer interessante plant
+is de Sempervivum arboreum; deze vormt een tot 2 Meter hoogen stam,
+die spadelvormige bladeren draagt, welke boven aan den stam fraaie
+rozetten vormen. De bloemen zijn zeer sierlijk en geheel geel. Van
+deze soort bestaan vele variëteiten met geelbonte, rood gerande
+en purperroode bladeren. Laatstgenoemde variëteit, de Sempervivum
+atropurpureum, is op onze plaat afgebeeld.
+
+Mooie Succulenten worden ook gevonden in het geslacht Sedum, waarvan
+er ook eenigen hier te lande inheemsch zijn.
+
+Reeds bij de Ouden waren deze planten bekend: zij gebruikten de fijn
+gestampte, slijmige bladeren als geneesmiddel tegen wonden.
+
+Zoo zou Telephos, de zoon van Hercules, van de wond, welke de speer
+van Achilles hem toebracht, genezen zijn door de toepassing van de
+gekneusde bladeren eener Sedum, die men later, naar een leiding
+daarvan, den wetenschappelijken naam van Sedum Telephium heeft
+gegeven. Een zeer fraaie soort is de grootbladige Sedum spectabile,
+die volkomen winterhard is, en in den herfst tot aan den grond
+afsterft. In de lente vertoonen zich dan kleine bladrozetten boven de
+aarde, die spoedig doorgroeien en dan scheuten vormen met heldergroene
+bladeren. Deze scheuten worden in den herfst gekroond met schermen van
+kleine, rozeroode bloemen. Als bloeiende plant is de Sedum spectabile
+zeer fraai en zij is dan ook uitstekend voor potcultuur.
+
+Een zeer schoone soort van den lateren tijd is de Sedum sempervivoides,
+afkomstig uit den Kaukasus. Deze soort is tweejarig en wordt uit zaden
+voortgekweekt, die in het voorjaar in pannen met zandige aarde gezaaid
+en in de kamer tot ontkiemen gebracht worden. De jonge plantjes moeten
+spoedig in andere potten gerepikeerd en daarna afzonderlijk in potjes
+uitgeplant worden.
+
+Des zomers worden zij in het bloemenrekje gekweekt; daarna laat men
+ze in een koele kamer overwinteren en den tweeden zomer zet men ze
+weder buiten. Tegen het einde van dezen zomer zullen zij dan met
+honderden rozeroode bloemen prijken.
+
+Een half houtachtige, veel om haar bloemen gekweekt wordende Vetplant
+is de Kalosanthes coccinea, ook wel Crassula coccinea genoemd. Deze
+plant vormt des zomers aan de uiteinden van alle twijgen groote
+schermen scharlakenroode bloemen, die, door de zon beschenen,
+een schitterend effect maken. Niet minder schoone bloeisters zijn
+de Rochea-soorten. Een dezer, de Rochea (Crassula) falcata, heeft
+dikke, groote, sikkelvormige bladeren en vormt fraaie schermen van
+vuurroode bloemen. Beide laatstgenoemde planten worden tegenwoordig
+als marktplanten in grooten getale gekweekt.
+
+Zeer fraaie Succulenten treft men ook aan in het geslacht Crassula
+en eenige der hiertoe behoorende kunnen met zeer goed gevolg als
+ampelplanten worden gebruikt o.a. de Crassula Cooperi en de Crassula
+spathulata, die beiden zeer schoone bloemen voortbrengen. Een zeer
+lief miniatuurplantje is de Crassula Bolusii, met, in den winter
+verschijnende, zeer kleine, witachtige bloempjes en heel aardige,
+bruin gevlekte bladeren.
+
+Planten met zeer interessante en schoone, doch zeer onaangenaam
+riekende bloemen zijn de Stapelia's. Er zijn zeer veel soorten van
+bekend, met grootere of kleinere, meer of minder interessant gevormde
+of geteekende bloemen. Onze afbeelding toont de Stapelia variegata,
+die het meest wordt aangetroffen; zij heeft een zwavelgele, met fraaie,
+bruine vlekken geteekende bloemkroon.
+
+Interessante soorten omvat ook het geslacht Euphorbia (Wolfsmelk). De
+familie der Euphorbiaceeën bevat ruim 3600 soorten van het meest
+verschillende voorkomen. Veel meer dan tegenwoordig het geval is,
+verdient o.m. de Euphorbia splendens gekweekt te worden. Deze,
+en nog eenige andere soorten, bloeien een gedeelte van den winter;
+zij verlangen een wintertemperatuur van 60° Fahr.
+
+Interessante Vetplanten zijn ook nog de Kleinia's, waarvan een
+fraaie soort, de Kleinia canescens, door Fig. 207 is afgebeeld;
+de Mesembryanthemums, waaronder vele fraai bloeiende soorten, en
+o.a. de IJsplant; de Mesembryanthemum cristallinum; de Haworthia's
+met fraai geteekende bladeren en de Kalanchoë's, die, jammer genoeg,
+in deze streken niet zeer dankbaar bloeien.
+
+Wij voegen hieraan nu nog enkele planten toe, die gewoonlijk tot
+de Vetplanten worden gerekend, hoewel zij, streng genomen, daartoe
+niet behooren, maar toch bijna op dezelfde wijze gekweekt moeten
+worden. Van de schoonste en interessantste dier planten noemen
+wij in de eerste plaats de Agave's. Dit geslacht bevat meer dan
+honderd verschillende soorten en variëteiten, die bijna alle een
+verschillend voorkomen hebben. Haar vaderland is hoofdzakelijk Midden-
+en Zuid-Amerika. Daar zijn de Agave's nutplanten van groot gewicht:
+zij worden er gebruikt voor het maken van ondoordringbare heggen,
+de gedroogde bladeren voor dakbedekking, de bladvezels worden tot
+touw gesponnen en de punten der bladeren dienen als pennen. Het merg
+van deze planten wordt gegeten, terwijl er ook een soort zeep uit
+wordt bereid. Door het uitsneden der bloemsteng verzamelt zich in
+de ontstane holte een groote hoeveelheid sap, dat, na gisting, een
+bedwelmenden nationalen drank oplevert, de zoogenaamde "pulque". De
+Agave's zijn stengellooze planten; de in scherpe punten uitloopende
+bladeren zijn òf breed en dik en dan meestal langs de randen gewapend,
+òf lang en smal, met ongewapende bladranden; steeds vormen zij echter
+een rozet. Gewoonlijk worden de Agave's bestempeld met den naam van
+"Honderdjarige Aloë". Deze dwaling as hierdoor ontstaan, omdat enkele
+soorten sterk op Aloë's gelijken, en wijl het in den volksmond heet,
+dat de plant slechts eens in de honderd jaar bloeit. Het zal wel
+onnoodig zijn er op te wijzen, dat dit een dwaling is. Gewoonlijk
+bloeien de Agave's pas als zij verscheidene jaren oud zijn, en in de
+cultuur kan het voorkomen, dat een Agave americana 30 à 40 jaar oud is,
+voordat zij bloeibaar wordt. Is de plant eenmaal bloeibaar geworden,
+dan verheft zich uit haar hart de krachtige, houtachtige bloemsteng,
+die een imposanten indruk maakt. Deze wordt toch ruim 6 Meter hoog
+en neemt bij haar ontwikkeling, binnen 24 uren, 30-35 cM. in lengte
+toe. Door haar vertakkingen, die horizontaal uitgespreid staan,
+waarop weder de bloemen verticaal zijn geplaatst, gelijkt zij op
+een reusachtige candelaber. Bij andere soorten is de bloemsteng niet
+vertakt; hier heeft zij het voorkomen van een zeer groote bloemaar,
+waarvan de bloemen dicht op elkander zitten. Zijn de vruchten eenmaal
+tot rijpheid gekomen, dan sterft niet alleen de bloemsteng, maar ook de
+geheele plant; er ontwikkelen zich dan echter tal van wortelscheuten,
+die, afgesneden, weder tot nieuwe planten opgekweekt kunnen worden.
+
+De Agave's leenen zich bij uitstek voor het beplanten van groote vazen,
+die gedurende den zomer op balkons, hekingangen of zuilen worden gezet,
+mits deze vazen van talrijke drainage-gaatjes zijn voorzien. Des
+winters moeten zij in huis gezet, en kunnen dan gebruikt worden ter
+versiering van vestibules. Ook als middenplanten voor mozaïek-vakken
+of ter beplanting van rotspartijen zijn zij zeer geschikt.
+
+Van de bekende Agave americana komen eenige bontbladige variëteiten
+voor, die wel niet zoo groot worden als de typische soort, doch zeer
+fraaie sierplanten zijn. Een zoodanige variëteit toont Fig. 208 in
+de Agave americana aureo-marginata. Deze vorm heeft groene bladeren,
+omzoomd met een breeden, gelen rand. Een zeer schoone soort is ook
+de Agave Verschaffeltii; deze heeft een zeer gedrongen voorkomen en
+betrekkelijk breede, sterk bewapende bladeren, die een blauw-grijze
+kleur hebben. Een geheel andere groeiwijze heeft de Agave stricta,
+met smalle, groene, zeer talrijke bladeren. Een der schoonste en
+opmerkenswaardigste soorten is zeker wel de Agave Victoria-Reginæ. De
+donkergroene, naar binnen omgebogen bladeren zijn met zuiver witte,
+draadvormige strepen geteekend. Deze soort, die nog betrekkelijk
+nieuw is, wordt niet groot, daar zij geen grooter diameter dan ±
+50 cM. bereikt. De onvertakte bloemsteng daarentegen, die, wanneer de
+plant goed doorgroeit, reeds na 6 à 8 jaar kan verschijnen, bereikt een
+lengte van 3-4 Meter. Jammer is het, dat deze soort tamelijk duur is,
+daar zij geen scheuten maakt en dus steeds uit zaden of ingevoerde
+planten moet voortgekweekt worden. Bijna al de bekende Agave-soorten
+moeten gedurende den winter zoo goed als geheel droog gehouden worden;
+daarbij verlangen zij een zeer lichte plaats, in een vertrek met een
+temperatuur van 40°-45° Fahr. Even weinig moeite vereischen ook de
+soorten, die tot de geslachten Dyckia en Yucca behooren, welke planten
+eenigszins de groeiwijze van een Dracæna hebben. De meest bekende
+soort van het eerste geslacht is de Dyckia sulphurea; deze heeft
+geelachtige bladeren en des zomers geeft zij chromaatgele bloemen,
+die op lange bloemstengen verschijnen. Van het tweede geslacht
+wordt vaak aangetroffen de Yucca aloëfolia fol. var., een plant
+met lichtgroene bladeren, die geel en rood gerand zijn en die een
+eigenaardig voorkomen aan de plant geven. Verscheidene Yucca-soorten,
+zooals bijv. de Yucca gloriosa, munten ook uit door haar sierlijke,
+groote, witte, klokvormige bloemen, die, op forsche bloemstengen,
+midden in het hart der plant verschijnen. De Dyckia's en Yucca's
+moeten des winters koel, doch niet geheel droog gehouden worden.
+
+
+
+
+Bladplanten.
+
+Onder bladplanten verstaat men die gewassen, welke hoofdzakelijk ter
+wille van hun fraaie bladeren gekweekt worden. Natuurlijk geven ook de
+bladplanten, eenige hiertoe gerekende Cryptogamen uitgesloten, min of
+meer fraaie bloemen; eenige echter, zooals bijv. de Palmen, bloeien
+hier te lande slechts uiterst zeldzaam of in het geheel niet, en bij
+allen worden de bloemen door den fraaien bladertooi overschaduwd.
+
+
+
+
+Struik- en boomachtige bladplanten voor koele vertrekken.
+
+Aralia. De Aralia is een zeer dankbare en fraaie bladplant, die men
+vaak in de kamer gekweekt aantreft. Het is vooral de Aralia (Fatsia)
+japonica uit Japan, met groote, handvormige, glanzend groene bladeren,
+die veelvuldig als kamerplant wordt gekweekt. Van deze soort bestaan
+ook fraaie bontbladige variëteiten, die wel schooner, doch ook veel
+duurder zijn, daar zij zich slechts door stekken laten voortkweeken,
+die niet zeer gemakkelijk wortelen. Een andere zeer schoone soort,
+die, jammer genoeg, tegenwoordig niet veel meer wordt aangetroffen, is
+de Aralia papyrifera, met aan de onderzijde zilverwitte bladeren. Uit
+het merg dezer plant wordt in China een soort papier vervaardigd. Er
+bestaan nog verscheidene andere soorten van dit geslacht, die zeer
+schoone kamerplanten zijn; zoo de Aralia Veitchii, met zeer smalle,
+aan de randen gegolfde bladeren, en de Aralia Chabrieri, een zeer
+elegante plant met fijne smalle bladeren. [2] Hoewel de Aralia's
+veel gekweekt worden, treft men er toch slechts zelden werkelijk
+schoone planten van aan. Over het algemeen worden zij veel te warm
+gehouden; dit heeft tot gevolg, dat de oudste, dus onderste, bladeren
+geel worden en afvallen, terwijl de andere bladeren slap neerhangen,
+niettegenstaande zij horizontaal tegen den stengel moeten staan. Al de
+genoemde soorten verlangen gedurende den winter een lichte standplaats
+in een vertrek met een gemiddelde warmte van 40°-50° Fahr.; alleen de
+beide laatstgenoemde soorten verdragen een hoogere temperatuur. De
+bladeren moeten stofvrij en zindelijk gehouden en de planten mogen
+gedurende den rusttijd slechts weinig begoten worden. Begint in het
+voorjaar de nieuwe groeiperiode, dan moeten de Aralia's in goeden
+grond, bestaande uit gelijke deelen blad- en broeiaarde, waaraan een
+weinig graszodengrond wordt toegevoegd, verpot worden. Gedurende den
+zomer worden de planten rijkelijk begoten en wortelen zij door, dan
+kunnen zij nu en dan gegierd worden, terwijl zij, wanneer dit noodig
+blijkt, nog eens verpot moeten worden. Van Mei tot tegen het einde
+van September doet men het best de Aralia's op een half beschaduwde
+plek in den tuin of op het balkon te zetten.
+
+De Aralia japonica en Aralia papyrifera laten zich zeer gemakkelijk uit
+zaden voortkweeken, die in zaagsel zeer goed kiemen. De bontbladige
+soorten en die, waarvan geen zaden te verkrijgen zijn, worden in
+de kweekerijen steeds door stekken vermenigvuldigd, die, zooals wij
+reeds gezegd hebben, lang niet gemakkelijk wortelen.
+
+Aucuba japonica. De Aucuba japonica is een zeer harde bladplant,
+met ovale, groen met geel gevlekte bladeren. Deze plant is reeds
+een paar eeuwen bekend; daar zij echter tweehuizig is en alleen de
+vrouwelijke plant was ingevoerd, bracht zij eertijds geen vruchten
+voort. Sinds de invoering, enkele tientallen van jaren geleden,
+van een mannelijke plant, is men er pas in geslaagd haar met fraaie,
+koraalroode bessen te kweeken. De Aucuba wordt echter hoofdzakelijk
+om haar fraaie bladeren gekweekt, die, in de talrijke variëteiten,
+telkens anders geteekend zijn. Zij is een zeer harde sierplant, die,
+op niet te koude plaatsen, het hier te lande, in den vollen grond
+uitgeplant, zeer goed uithoudt en dan ook geen hooge eischen stelt. Men
+kan haar gedurende den winter in den kelder laten overwinteren,
+hoewel zij gedurende dit jaargetijde ook zeer goed gebruikt kan
+worden ter versiering van vestibules, trappenhuizen en onverwarmde
+kamers. Des zomers verlangt zij een zonnige standplaats in den tuin
+of op het balkon. Jonge planten moeten jaarlijks, oudere om de twee
+of drie jaar verplant worden. Dit verplanten moet zeer voorzichtig
+geschieden, daar de vleezige wortels zoo min mogelijk beschadigd
+moeten worden; men gebruikt daartoe goede, middelmatig zware aarde
+of veengrond, waaraan een weinig graszodengrond wordt toegevoegd. De
+voortkweeking geschiedt in het voor- of het najaar door stekken,
+die zeer gemakkelijk wortelen. Wordt de Aucuba in een gesloten
+vertrek of wel te warm gehouden, dan wordt zij licht door insecten
+(hoofdzakelijk schildluizen) aangetast; deze zijn door goed afwasschen
+wel te verwijderen, maar zij richten toch altijd belangrijke schade
+aan. Tot het verkrijgen van een flinke vertakking moeten de plantjes
+herhaaldelijk ingesneden worden. Giert men de Aucuba's gedurende den
+zomer enkele keeren, dan geven zij groote, fraai geteekende bladeren.
+
+Coprosma Baueriana. Dit is een lieve halfheester, afkomstig uit
+Nieuw-Zeeland, met rondachtige, glanzend witte of gele bladeren,
+die aan de randen groen zijn, waardoor zij geheel het voorkomen van
+een sierlijke bladplant verkrijgt. De Coprosma is zeer dankbaar;
+zij stelt zich gedurende den winter tevreden met een temperatuur van
+40°-50° Fahr.; zij groeit des zomers buiten in het bloemenrekje en
+laat zich zeer gemakkelijk door stekken voortkweeken.
+
+Heeft men krachtig groeiende planten, dan moeten zij in 't voorjaar
+en in den zomer nogmaals verplant worden in goede broeiaarde, waaraan
+een weinig graszodengrond wordt toegevoegd.
+
+Eucalyptus. De Eucalyptussen zijn karakteristieke planten van
+Nieuw-Holland; zij worden echter ook in Zuidelijk Europa, vooral in
+moerassige streken aangekweekt, die zij door haar snellen groei en
+sterke verdamping, na enkele jaren aanmerkelijk verbeteren. In haar
+vaderland treft men de Eucalyptussen als ware reuzenboomen aan, die een
+hoogte van meer dan 100 Meter kunnen bereiken. In haar jeugd hebben
+deze planten blauwgroene, zittende of stengelomvattende bladeren, en
+eerst later ontwikkelen zich de gesteelde afhangende bladeren. Voor
+potcultuur zijn slechts jonge, één-, hoogstens tweejarige planten
+geschikt, wanneer zij een goeden pyramidalen vorm hebben. Des winters
+moeten zij in koelere vertrekken en des zomers steeds in de open lucht
+staan. Gedurende den zomer kunnen zij rijkelijk begoten en moeten zij
+eenige keeren in een zeer vetten grond verplant worden. Plant men de
+Eucalyptussen des zomers op een gunstige plaats in den tuin uit, dan
+kunnen zij in één zomer een hoogte van 4 à 6 Meter bereiken. Stekken
+groeien slecht of in het geheel niet, waarom de voortkweeking steeds
+uit zaden geschiedt. De bekendste soort is de Eucalyptus Globulus,
+met blauwgroene bladeren. De Eucalyptussen behooren tot de familie
+der Myrten, en wanneer men de bladeren tusschen de vingers kneust,
+verspreiden zij een sterk aromatischen geur. Het aangenaamst is deze
+geur bij de Eucalyptus citriodorus, die, in de eerste plaats, voor
+potcultuur kan aanbevolen worden.
+
+Eugenia australis. Dit is een harde plant, die mede tot de familie
+der Myrten behoort. Zij draagt ovale bladeren, welke niet zoo groot
+worden als die der grootbladerige Myrtus en aardige witte bloemen,
+die zeer talrijk bij oudere exemplaren, welke niet te dikwijls
+ingesneden worden, verschijnen. De jonge bladeren en scheuten hebben
+een interessante roodachtige kleur.
+
+De Eugenia australis groeit gemakkelijk en is zeer dankbaar; zij
+verdraagt het insnijden zeer goed, zoodat men er gemakkelijk mooie
+pyramide- of zuilvormige boompjes van kweeken kan; zij is echter ook
+zeer schoon, wanneer men haar vrij laat doorgroeien. Evenals alle
+Nieuw-Hollandsche decoratieplanten, verlangen ook de Eugenia's
+een mengsel van blad- en heide-aarde, vermengd met een weinig
+graszodengrond. In elk voorjaar moeten zij verpot worden, waarbij men
+moet oppassen, dat de stam niet in de aarde komt, daar het veeleer
+beter is, dat de bovenste wortels vrij liggen. Des zomers moeten zij
+nogal rijkelijk des winters echter minder begoten worden, waarbij men
+er op moet letten, dat de kluit niet geheel uitdroogt, daar men haar
+dan niet gemakkelijk weder vochtig krijgt. Een wintertemperatuur van
+40°-45° Fahr. is voldoende. De vermenigvuldiging geschiedt gewoonlijk
+door stekken, die in Augustus van het rijpe hout gesneden worden,
+en die, gewoonlijk pas na een week of zes, wortel maken.
+
+Evonymus (Kardinaalshoed). Als harde decoratieplant is vooral
+de Evonymus japonicus zeer verspreid. Zij heeft ovale, gezaagde,
+lederachtige, groene bladeren; ook zijn er een aantal bontbladige
+variëteiten bekend. Van nature vormen deze tamelijk kleinbladige
+planten magere struikjes; door ze echter in het voorjaar en den zomer
+herhaaldelijk in te snijden, verkrijgt men fraaie, bossige planten. De
+cultuur, voortkweeking en aanwending is geheel dezelfde als die van
+de Aucuba. De Evonymus radicans is een soort met ovaal-elliptische
+blaadjes. Haar op den bodem liggende takken maken zeer gemakkelijk
+wortel; ook van deze soort is een bontbladige vorm bekend.
+
+Ficus. De Ficussen behooren zeker wel tot de meest geliefde
+kamerplanten, en bijna overal treft men de Ficus elastica met haar
+groote, lederachtige, glanzend groene bladeren aan.
+
+Heeft deze plant ook al niet direct een zeer elegant voorkomen, zoo
+maakt zij toch op een bloemenstandaard, als alleen-staande plant,
+een goed figuur, en zij wordt overal met voorliefde gekweekt, daar
+zij bij een weinig nauwkeurige behandeling, zich in de kamer flink
+ontwikkelt. Daar de Ficus elastica niet vrijwillig zijtakken maakt,
+moet men haar, wanneer zij een hoogte van 1 1/2 à 2 Meter bereikt
+heeft, den kop afsnijden; zij vormt dan een kroontje en ziet er,
+vooral wanneer zij haar bladeren aan den stam heeft laten vallen,
+niet onaardig uit. Na verloop van eenige jaren doet men goed de takken
+der kroon nogmaals in te snijden. De afgesneden koppen kunnen dan,
+voorzien van drie bladeren, weder als stekken dienen. Men steekt
+ze, wanneer de wond een weinig opgedroogd is, in een met water
+gevuld medicijnfleschje, waarin zij, wanneer men ze voor een zonnig
+venster zet, na vier weken geworteld zullen zijn. Ook stengelstukjes,
+van één blad voorzien, laten zich zeer goed als stekken gebruiken
+(Fig. 23). Deze worden in kleine potjes gezet, matig warm, vochtig
+en beschaduwd gehouden. Na eenigen tijd zal het stengeldeel wortel
+schieten, het in den bladoksel slapende oog doorgroeien en een nieuwe
+plant vormen.
+
+Gewoonlijk gaat het met de Ficussen in de kamer juist als met de
+Aralia's; de bladeren staan niet horizontaal tegen den stam, doch
+zij hangen er slap bij, wijl men haar te veel begiet en te warm
+houdt. De Ficus elastica is volstrekt geen plant voor de warme kamer
+als hoedanig zij meestal aanbevolen wordt, doch een wintertemperatuur
+van 40°-50° Fahr. is haar voldoende; terwijl zij des zomers in den
+tuin of op het balkon kan staan. De kweekers, die in één zomer uit
+stekken zeer fraaie planten kweeken, houden de Ficussen gedurende
+een groot gedeelte van den zomer buiten, en wel bij voorkeur in de
+volle zon. Meestal steken zij de stekken in een warmen bak, harden
+ze door veelvuldig luchten, en nemen in het begin van Juni de ramen
+er van af. Bij een goede cultuur kan een Ficus vanaf de lente tot den
+herfst alle acht dagen een nieuw blad vormen, terwijl de oude bladeren
+dan niet geel worden en afvallen. Worden de jonge bladeren kleiner,
+hangen de oude slap langs de plant, en worden zij spoedig geel, dan
+kan men zeker zijn, dat de plant gebrek heeft aan voedsel en lucht,
+of wel dat zij in een te droge of warme lucht staat.
+
+De Ficus moet jaarlijks in de lente in goede, zandige broeiaarde
+verplant, gedurende den zomer eenige malen gegierd en zeer dikwijls
+bespoten worden, terwijl men haar des winters een paar keer per week
+met een zachte spons geheel afwascht, om zeker te zijn, dat zij
+goed schoon blijft. Op de bovenvlakte der bladeren toch komt zeer
+gemakkelijk stof en aan de onderzijde huist maar al te vaak schadelijk
+ongedierte. Koopt men een Ficus, dan is het zaak er vooral goed op te
+letten, of aan de onderzijden der bladeren geen ongedierte voorkomt,
+wat nog wel eens gebeuren wil.
+
+Een kleinbladerige, minder schoone, maar zeer harde soort is de Ficus
+australis, voor welke een wintertemperatuur van 31-45 Fahr. ruimschoots
+voldoende is. Deze soort is echter niet gemakkelijk in den handel
+te verkrijgen.
+
+Grevillea robusta. Onder de bladplanten voor koudere kamers zijn er
+slechts weinigen, die zoo elegant zijn als deze sinds lang bekende,
+doch tegenwoordig zeer veronachtzaamde Australische Grevillea. Deze
+plant vormt een slanken stam, die dubbel gevinde bladeren draagt,
+welke zóó fijn ingesneden zijn, dat zij bijna aan varenbladeren
+doen denken. Deze bladeren zijn groot en fraai donkergroen. De jonge
+Grevillea groeit onvertakt door; eerst op ouderen leeftijd vertakt
+zij zich, zonder echter daardoor aan schoonheid te verliezen. Deze
+zeer sierlijke plant, die tegenwoordig dreigt vergeten te worden, is
+zeer waard, dat men meer de aandacht aan haar gaat schenken, vooral
+ook, omdat zij zich zoo gemakkelijk uit zaden laat voortkweeken. De
+cultuur is zeer eenvoudig: des winters verlangt zij een lichte,
+koele, des zomers een zonnige standplaats, dan echter bij voorkeur
+buiten. Geregeld alle jaar moet zij verplant worden in zandigen
+bladgrond vermengd met een weinig graszodengrond; de potten, die men
+gebruikt, moeten iets grooter zijn dan die, waarin zij stond. Vooral
+des winters moet men met gieten nogal voorzichtig zijn.
+
+Ilex (Hulst). De gewone groene Hulst (Ilex Aquifolium) is een plant,
+die het hier te lande zeer goed buiten uithoudt en dan ook zeer
+verspreid is. Er bestaan talrijke, zeer fraaie variëteiten van,
+met zeer afwijkende en bonte bladeren. Hoewel de typische soort, des
+winters buiten gehouden, weinig of niet lijdt, zijn de bontbladerige
+variëteiten zwakker, waarom men voorzichtig doet, die in potten of
+kuipen te kweeken, ten einde ze des winters binnenshuis te kunnen
+zetten. Deze fraaie heesters, waarvan de bladeren zeer stekelig
+zijn, verdragen het insnijden heel goed, waardoor er fraai gevormde
+exemplaren van kunnen gekweekt worden. Des winters verschijnen aan het
+tweejarige hout een aantal roode bessen, die een aardig effect maken
+tusschen de bonte bladeren. De zaden kiemen niet gemakkelijk en de
+voortkweeking der bonte soorten gaat ook veel beter door veredeling
+op de gewone groene Hulst. De Ilex-soorten verlangen een goede, zware
+aarde en gedurende den zomer een eenigszins beschaduwde plaats buiten.
+
+Laurus nobilis (Laurier). De Laurier vormt in haar Zuid-Europeesch
+vaderland lang niet zoo'n mooien heester als men zich in de noordelijke
+streken wel voorstelt. Hier te lande is zij een zeer belangrijke
+handelsplant. Meestal wordt zij in pyramide- of kroonvorm gekweekt,
+en in kuipen staande is zij dan een zeer sierlijke decoratieplant,
+hetzij als koppel- ter versiering van het ingangshek, het terras of het
+balkon, hetzij als alleen-staande gazon-plant. Vooral hier te lande
+en in België worden de Laurieren in zeer groot aantal gekweekt. Een
+liefhebber doet het best zich jonge, goed gevormde pyramide- of
+kroonboompjes aan te schaffen; men behoeft er dan slechts voor te
+zorgen, de planten door een goede behandeling gezond te houden.
+
+Daar de Laurier een zeer harde plant is, die best enkele graden vorst
+kan verdragen, behoort zij onder de eersten, die in het begin van
+April buiten worden gezet. Om te beletten dat de kuipen van onderen
+rotten, te zorgen dat er geen regenwormen in de kluit dringen en de
+toevoer van lucht in de aarde mogelijk te maken, worden de kuipen op
+drie of vier baksteenen gezet. Wil men voorkomen, dat de planten bij
+zwaren wind omwaaien, dan slaat men drie stevige stokken vlak langs
+de kuip, er voor zorgende, dat zij er niet boven uitsteken. Het is
+nu een voorname zaak er op te letten, dat de kuipplanten goed begoten
+worden. Als regel giet men eens per dag, bij voorkeur des avonds; is
+het weer echter zeer warm, dan moet men des morgens nog eens gieten;
+ook moet men van tijd tot tijd gieren. Van veel belang is het ook,
+dat men dagelijks, na het gieten, de kronen goed natspuit. Verzuimt
+men dit spuiten, dan worden de bladeren zeer spoedig door schild-
+en bladluizen aangetast, die in zoo grooten getale kunnen optreden,
+dat de plant doodgaat.
+
+Zorgt men voor geregeld gieren, dan kunnen de Laurieren zeer lang
+in dezelfde kuip blijven staan; gewoonlijk verplant men ze eerst,
+wanneer de kuip verrot is, of wanneer de kluit zóó zwaar beworteld
+is, dat het water er niet meer in doordringt. Zeer moet men er ook
+op letten, dat kroon of pyramide haar vorm behouden, waarom men ze
+elken zomer behoorlijk moet insnijden; dit geschiedt het best tegen
+het einde van Augustus, wanneer de scheuten volgroeid zijn.
+
+Na het insnijden hebben de oogen nog volop tijd om zich goed te vormen,
+zoodat zij in het voorjaar direct gaan doorgroeien. De overwintering
+van de Laurier geschiedt het best in een half vorstvrijen kelder of
+schuur. Bij strenge vorst moet men er op letten of zij niet àl te
+koud staan. Veel licht hebben zij des winters niet noodig.
+
+Melaleuca. De Melaleuca-soorten, die in grooten getale in Australië
+worden gevonden, behooren tot de familie der Mirten en kenmerken zich
+alle door lancetvormige blaadjes, die des winters aanblijven. De
+bloemen, die pas aan oudere planten verschijnen, gelijken zeer op
+die van de Callistemon; zij zijn echter lang zoo schoon niet en bij
+sommige soorten zelfs tamelijk onbeduidend. De Melaleuca's hebben
+dan ook slechts waarde als harde decoratieplanten, geschikt voor
+versiering van koelere kamers. De behandeling is juist dezelfde als
+die van de Eugenia's.
+
+Het ook tot de familie der Mirten behoorende geslacht Leptospermum,
+waarvan de soorten ook in Australië te huis behooren, heeft evenals
+de Melaleuca's lancetvormige blaadjes, maar kenmerkt zich door witte
+bloemen. Deze planten laten zich op dezelfde wijze kweeken en zijn
+voor hetzelfde doel geschikt. De voortkweeking geschiedt, evenals
+bij de Melaleuca's, uit stekken in de maand Augustus.
+
+Pittosporum. Verscheidene der in China en Japan thuis behoorende
+Pittosporum-soorten zijn fraaie decoratie-planten. Men zou deze
+heesters ook onder de bloemplanten kunnen rekenen, want zij brengen
+lieve bloemschermpjes voort, bestaande uit witte bloempjes, die een
+heerlijken oranje-geur verspreiden; doch zij bloeien pas op tamelijk
+hoogen leeftijd, wanneer de planten veel te groot geworden zijn
+voor de kamer. De Pittosporum is een harde plant; zij moet gekweekt
+worden in heide-aarde, vermengd met een weinig graszodengrond. Des
+winters wordt zij in een koud, doch vorstvrij vertrek gezet, en
+des zomers houdt men haar bij voorkeur buiten. De meest voorkomende
+soort is de Pittosporum Tobira, met glanzend groene, lederachtige
+omgekeerd-eironde bladeren. In de Europeesche tuinen wordt slechts één
+variëteit gevonden, met geelachtige bloemen; er moet echter in Japan
+een veel mooiere voorkomen, met zuiver witte bloemen. De voortkweeking
+geschiedt in Augustus door middel van stekken.
+
+
+
+
+Struik- en boomachtige bladplanten voor warme vertrekken.
+
+Acalypha. De tot dit geslacht behoorende planten, die zich door de
+fraaie teekening van haar bladeren kenmerken, zijn half heesters, die
+in Nieuw-Caledonië en op de Fidji-eilanden worden aangetroffen. Zij
+hebben gezaagde, ovale en hartvormige bladeren.
+
+De bekendste en zeker ook wel de schoonste soort is Acalypha musaica
+met gele bladeren, die zeer fraai met rood gemarmerd zijn; bij andere
+soorten zijn de bladeren rose of donkerrood. Deze planten, die niet
+zeer gevoelig zijn en midden in den zomer ook wel buiten gekweekt
+kunnen worden, ontwikkelen zich vooral zeer fraai, wanneer men ze in
+het kamerkasje kweekt. Zij groeien zeer goed in broeiaarde, houden
+van veel spuiten en over het algemeen van een vochtige lucht. Plaatst
+men ze in te droge lucht, dan worden de bladeren spoedig door thrips
+en roode spin aangetast. De voortkweeking geschiedt in het voorjaar
+door kruidachtige stekken, die zeer gemakkelijk wortelen.
+
+Coffea arabica (Koffieboom). Deze tropische nutplant is een uitstekende
+kamerbladplant; zij wordt echter, jammer genoeg, niet veel daartoe
+gebruikt. De Koffieboom, die feitelijk slechts een heester vormt,
+welke zelden hooger dan 3 à 4 Meter wordt, is in jongen toestand een
+zeer fraaie kamerplant; zij vormt dan meestal een stammetje, waarvan
+horizontale takjes afstaan, zoodat zij een zuiveren pyramide-vorm
+heeft. De bladeren zijn ovaal, aan de punt toegespitst en glanzend
+groen. Is de plant eenmaal vrij groot, en goed ontwikkeld, dan
+geeft zij in den zomer kleine, witte bloempjes, die een jasmijngeur
+verspreiden. Op deze bloempjes volgen eerst groene, later roode bessen,
+die ieder twee zaadkorrels bevatten. Deze vruchten worden ook in de
+kamer rijp. Uit de zaden, die ook in den handel verkrijgbaar zijn,
+kan men zeer gemakkelijk jonge plantjes kweeken. Zoodra de zaden goed
+rijp zijn, moeten zij gezaaid worden in potten, die gelijkmatig warm
+en vochtig gehouden worden. De kieming heeft dan pas na vier à zes
+weken plaats.
+
+Fig. 214 vertoont een jonge Coffea arabica en het opmerkenswaardigst
+daaraan zijn de kiembladeren, die buitengewoon groot worden en geheel
+het voorkomen van gewone bladeren verkrijgen. Wil men Koffieboompjes
+uit zaden kweeken, dan moet men die in een zaadhandel koopen,
+aangezien de gewone ongebrande koffieboonen in de meeste gevallen niet
+kiemkrachtig meer zijn. Een Koffieboom verlangt een lichte, tamelijk
+warme standplaats; gedurende den zomer heeft hij echter veel frissche
+lucht noodig. De bladeren moeten dikwijls bespoten en afgesponsd
+worden, opdat de plant niet aangetast wordt door ongedierte, iets wat
+anders zeer gemakkelijk gebeurt. Des zomers kan men rijkelijk gieten;
+des winters daarentegen moet men veel spaarzamer met water zijn. Zeer
+nuttig is het, de planten des zomers eenige malen met een aftreksel
+van hoornspaanders te begieten. Een andere goede Coffea-soort voor
+de kamer is de Coffea liberica, die veel grooter bladeren heeft. Ook
+van deze soort kan men in een goeden zaadhandel zaden verkrijgen.
+
+Cycas revoluta (Sagopalm). Niettegenstaande haar Hollandschen naam
+heeft deze plant niets gemeen met de echte Palmen. De Cycas levert
+de bladeren, als Palmtakken bekend, die tegenwoordig zeer veel
+bij begrafenisplechtigheden worden gebruikt. Juist om die bladeren
+wordt deze plant tegenwoordig in zeer grooten getale gekweekt. Deze
+bladeren hebben eenigszins het voorkomen van die van een Vederpalm;
+zij zijn glanzend groen, stijf en daardoor tamelijk broos. Een Cycas
+groeit slechts één keer per jaar uit; zeer dikwijls echter rust zij
+daarna één, somtijds zelfs twee jaar. Gewoonlijk begint zij in den
+voorzomer uit te groeien. Uit het hart der plant ontwikkelt zich dan
+een groot aantal bladeren, soms wel veertig te gelijk; deze ontrollen
+zich juist als varenbladeren; in den beginne zijn zij lichtgroen en
+week, later worden zij donkergroen en vrij stevig. Een Cycas zal haar
+nieuwe kroon niet licht in een kamer ontwikkelen; zij heeft daartoe de
+warme, vochtige kaslucht noodig; reden waarom zij voor kamercultuur
+feitelijk niet geschikt is. Is zij eenmaal uitgegroeid, dan heeft
+zij nòch zeer vochtige lucht, nòch veel warmte noodig, zoodat zij
+dán aan alle eischen van een gemakkelijke kamerplant voldoet, en er
+dan ook zeer geschikt voor is. Zoodra de kroon geheel ontwikkeld is,
+heeft zij niet veel water meer noodig en vooral des winters moet men
+met gieten uiterst voorzichtig zijn.
+
+Pandanus (Schroefpalm). Evenals de Cycas heeft ook de Pandanus niets
+met de eigenlijke Palmen gemeen, en het is slechts de volksmond, welke
+deze plant dien naam gegeven heeft. De Pandanussen zijn fraaie, zeer
+aanbevelenswaardige kamerplanten, met schroefvormig ingeplante, lange,
+elegant gebogen bladeren. Aan de bladranden en aan de onderzijde van
+den middennerf hebben verscheidene soorten groote, scherpe dorens. De
+in den handel het veelvuldigst voorkomende soort is de Pandanus utilis,
+afkomstig van Madagascar. Deze soort heeft lange, groene bladeren,
+die zeer smalle, roode randen hebben; zij vertakt zich, in een kamer
+gekweekt, niet, maar kan er een fraaie bladerkroon vormen. Een zeer
+schoone bont-bladerige soort is de Pandanus Veitchii met witbonte
+bladeren; ook de Pandanus javanicus heeft bonte bladeren, die echter
+veel sterker gedoornd zijn. De beide laatstgenoemde soorten worden
+door de zijscheuten, die zich veelvuldig vormen en die als stekken
+behandeld worden, voortgekweekt; eerstgenoemde soort vermenigvuldigt
+men door ingevoerde zaden. De voortkweeking van Pandanussen in de
+kamer is echter niet geraden, daar zij bijna altijd mislukt.
+
+Een gezonde, goed ontwikkelde Pandanus, die men het best tegen het
+najaar koopt, is een zeer fraaie plant om vrij op een bloemstandaard
+geplaatst te worden. Gedurende den winter heeft zij geen behoefte aan
+veel licht en men kan haar het geheele jaar door in de kamer houden. De
+bladeren moeten elke week met een sponsje afgewasschen worden. Men
+begint daartoe aan den bladvoet en wascht naar de spits toe, daar
+men anders kans heeft zich aan de dorens te verwonden. Veel spuiten
+behoeft men den Schroefpalm niet te doen, daar het niet wenschelijk
+is, dat zich water in den kop verzamelt, waardoor deze zou kunnen
+verrotten. De aarde moet matig vochtig gehouden worden; des zomers
+kan men wat meer gieten dan 's winters, mits men er voor zorgt,
+dat er geen water in het plantenschoteltje blijft staan, wat hoogst
+nadeelig is. Is het noodig haar te verpotten, dan doet men dit bij
+voorkeur in het voorjaar, en gebruikt men daartoe goede broeiaarde,
+vermengd met graszodengrond. Men moet er voor zorgen, haar niet al
+te diep te planten, wat men, met het oog op de luchtwortels, die
+zich aan den stam vormen, al zeer licht zou doen. Daar de bladeren
+gemakkelijk brandvlekken krijgen, moet men haar des zomers goed tegen
+de zon schermen.
+
+Pogostemon Patchouli. De Patchouli is een kleine, tamelijk onbeduidende
+halfheester, welks bladeren een sterk aromatischen reuk hebben,
+door den één meer bemind dan door den ander. In de parfumerie spelen
+deze bladeren een zeer groote rol, en in gedroogden toestand vormen
+zij, als middel tegen mot, een niet onbelangrijk handelsartikel. De
+bladeren zijn, vooral wanneer zij jong zijn, niet onaardig en daar
+zij in een warm vertrek groeit, vindt men ze hier en daar nog wel als
+kamerplant. Zij verlangt een voedzame aarde, doch stelt verder geen
+bijzondere eischen en laat zich zeer gemakkelijk uit stek voortkweeken.
+
+
+
+
+Kruidachtige bladplanten voor koele vertrekken.
+
+Carex japonica fol. var. Deze plant, die tot de familie van de
+Rietgrassen toehoort, is pas betrekkelijk korten tijd in den handel,
+en daardoor nog lang niet algemeen verspreid; zij bezit echter
+zooveel goede eigenschappen, dat zij niet warm genoeg kan aanbevolen
+worden. De ongeveer 4 m.M. breede bladeren van dit bonte plantje
+kunnen 75 cM. lang worden, en hangen dan elegant gebogen over den
+pot heen. Zij ontspruiten uit den wortelstok en zijn helder groen met
+een lichtgelen rand. Een eigenaardige schoonheid verleenen ook nog de
+bloemaren aan deze plant, hetgeen op de gravure duidelijk zichtbaar is.
+
+De bonte Carex is een ijzersterke kamerplant, die uitstekend voor
+de bloemtafel geschikt is. Over het algemeen ziet men haar voor een
+warme kasplant aan, en kweekt men haar dus in een vochtig warme lucht;
+dit is echter geenszins noodig, daar zij zelfs zonder bedekking eenige
+graden vorst kan verdragen en dan ook beter voor de koelere vertrekken
+geschikt is. De Carex verlangt in goede broeiaarde geplant te worden,
+en verdraagt des zomers zeer veel water. Door verdeeling en ook uit
+zaden laat zij zich zeer gemakkelijk voortkweeken.
+
+Farfugium grande. Een der allerbeste en hardste kamerplanten is zeker
+wel de uit China afkomstige Farfugium. De bladeren ontspruiten direct
+uit den wortelstok en staan op lange, sappige stelen; zij zijn tamelijk
+groot, onregelmatig van vorm, en met gele vlekken bezet. Deze plant
+is zeer geschikt voor den beginnenden liefhebber, die nog niet op de
+hoogte is van al de eischen, door de planten gesteld. Daar zij flink
+groeit, moet men haar in tamelijk groote potten zetten, bij voorkeur
+in zeer voedzame broeiaarde, vermengd met een goede hoeveelheid
+graszodengrond. Voor het begieten behoeft men niet bevreesd te zijn,
+daar zij tamelijk veel water kan verdragen. Des zomers verlangt
+de Farfugium een luchtige, tegen te scherpe zon beschermde plaats;
+het best doet men, haar in den tuin of op het balkon te plaatsen.
+
+Des winters stelt zij geen hooge eischen, daar men haar in een koude,
+doch ook in een matig warme kamer kan laten overwinteren, terwijl zij
+ook met een minder lichte standplaats tevreden is. Oude exemplaren kan
+men in het voorjaar bij het verplanten door scheuring vermenigvuldigen.
+
+Gynura aurantiaca. De Gynura is een sierlijke, kruidachtige
+Oost-indische bladplant, met ovale, dicht behaarde bladeren, die in
+jeugdigen toestand door haar blauw-violetten glans de opmerkzaamheid
+trekken. Door haar fraaie kleur heeft men gemeend deze plant voor
+mozaïek-vakken te kunnen gebruiken; zij bleek daarvoor echter
+ongeschikt te zijn en is thans bijna geheel uit de cultures verdwenen.
+
+Toch is de Gynura als kamerplant zeer aan te bevelen; zij groeit
+in bijna iederen voedzamen grond zeer goed, krijgt vooral in de zon
+een zeer fraaie kleur en kan des zomers voor het venster staan. De
+kruidachtige stengelspitsen groeien als stekken zeer goed en leveren
+spoedig jonge plantjes.
+
+Ophiopogon. Verschillende Japansche Ophiopogon-soorten zijn harde
+potplanten, die in de kamer zeer duurzaam zijn. Zij zijn door haar
+elegante grasachtige, nú eens groene, dán weder bonte bladeren
+uitstekend geschikt voor bloemtafels, kamerkasjes en terrariums. De
+schoonste en meest bekende soort is zeker wel de uit Japan ingevoerde
+Ophiopogon Jaburan fol. var., door Fig. 216 afgebeeld. Deze plant,
+met fraaie, groen met geel gestreepte bladeren en niet onaardige
+blauwe bloempjes, is werkelijk hard, en kan jaar in, jaar uit in een
+warm vertrek gehouden worden. Het liefst overwintert zij echter in
+een koel vertrek, een eigenschap van bijna alle Japansche planten;
+des zomers geeft men haar dan een plaatsje in het bloemenrekje
+voor het venster. Hoewel men de Ophiopogon veelal als kleine plant
+aantreft, laat zij zich toch, wanneer men haar jaarlijks in goede
+aarde verplant, tot een werkelijk schoon exemplaar aankweeken. De
+voortkweeking geschiedt door verdeeling der oude planten, waarbij de
+dikke wortelstok met een, scherp mesje doorgesneden moet worden.
+
+Plectogyne (Aspidistra) elatior. Wanneer men den naam van deze plant
+hoort en de gravure er van ziet, dan zal men haar direct als een
+oude bekende herkennen. Wie toch kent deze kruidachtige plant niet;
+wie heeft haar nooit in de kamer gekweekt? De uit China en Japan
+afkomstige Aspidistra [3] is goed ontwikkeld, een werkelijk schoone
+plant. De bladeren, die bij de typische soort groen, bij de ééne
+variëteit groen met gele of witte strepen en bij de andere groen met
+witte vlekken zijn, ontspruiten uit een wortelstok, die zich even onder
+de oppervlakte van de aarde bevindt. Een zich ontwikkelend blad is met
+een steunblad omgeven, waaruit het langzaam te voorschijn komt. De nu
+en dan verschijnende bloemen zijn onbeduidend; zij zitten vlak tegen de
+aarde aan den wortelstok en hebben een lichtgroene kleur. Deze plant
+schijnt geheel ongevoelig te zijn voor een donkere standplaats, droge
+kamerlucht en stof; ook schijnt te veel warmte haar niet te hinderen;
+dit neemt evenwel niet weg, dat men beter doet haar goed te behandelen,
+geregeld te begieten, de bladeren schoon te houden en ze op een lichte
+plaats te zetten. Het is voldoende, wanneer men haar eens om de twee
+jaren verpot, waartoe men een mengsel gebruikt van blad- en broeiaarde;
+heeft men dit niet, dan kan men ook lichten tuingrond gebruiken. Het
+best overwintert zij in een vertrek met een temperatuur van 45°-50°
+Fahr. De voortkweeking geschiedt door verdeeling der planten.
+
+Phormium tenax (Nieuw-Zeelandsch Vlas). De Phormium is een zeer
+fraaie plant, met lange, zwaardvormige, groene bladeren, die voor
+een gedeelte uit een zeer taaie vezelstof bestaan, welke voor het
+vervaardigen van touw wordt gebruikt. Het is een harde plant, die,
+in een kuip gekweekt, zeer geschikt voor decoratie is.
+
+Er bestaan talrijke variëteiten van met fraaie bont gestreepte
+bladeren. Zeer goed laat zich de Phormium des winters gebruiken tot het
+versieren van vestibules en trappen, terwijl zij des zomers buiten wil
+staan. Een eigenlijke kamerplant is zij dus niet. Voor het verplanten,
+dat bij oude exemplaren slechts weinig noodig is, wordt goede, zware
+grond gebruikt. De vermenigvuldiging geschiedt bij de groene soort
+door zaden en verdeeling, maar bij de bonte variëteiten uitsluitend
+door deeling.
+
+Reineckia carnea. Dit is een sierlijke, in China inheemsche,
+kruidachtige bladplant, die zeer hard is en zich daardoor uitstekend in
+de kamer laat kweeken. Zeer mooi vooral is de witbonte variëteit. De
+Reineckia heeft vleeschkleurige bloempjes, die, zooals ook de gravure
+aantoont, in aartjes vereenigd zijn en haar waarde nog verhoogen. Wij
+durven gerust het kweeken van dit lieve plantje, dat de kweekers
+veel tot het beplanten van jardinières gebruiken, aanbevelen. Plant
+men haar in goede aarde, in potten van 10-12 cM. wijdte, dan zal
+zij zich spoedig zeer fraai ontwikkelen. Des winters verlangt zij
+een temperatuur van 45°-50° Fahr.; zij verdraagt echter zeer goed
+de temperatuur van een niet te warm woonvertrek, en wordt liefst op
+een eenigszins beschaduwde plek gezet. De voortkweeking geschiedt
+gemakkelijk door verdeeling der moederplant. Staat zij op een vochtige
+plaats, dan maken de scheuten reeds wortel, wanneer zij nog aan de
+moederplant zitten.
+
+
+
+
+Kruidachtige bladplanten voor warme vertrekken.
+
+Begonia Rex (Bladbegonia). Behooren de Knol- en Heesterachtige
+Begonia's tot de schoonste en dankbaarste bloemplanten, de
+z.g.n. Bladbegonia's moeten zeker tot de allerfraaiste bladplanten
+gerekend worden, die voor kamercultuur geschikt zijn. Hoewel ook de
+Bladbegonia's bloemen voortbrengen, worden zij toch uitsluitend ter
+wille van haar schoone bladeren gekweekt. Deze Begonia's behooren tot
+de fraaiste en duurzaamste planten, waarmede men de kamer gedurende den
+herfst en den winter versieren kan. Het was ongeveer in het jaar 1850,
+dat de Bladbegonia's haar glanspunt bereikten, evenals dit nu met de
+Knolbegonia's het geval is. Geheel uit de mode geraakt zijn zij echter
+niet. Ook tegenwoordig is het nog steeds een zeer gezochte marktplant;
+daar men echter in de fabrieken van kunstbloemen de Bladbegonia's beter
+dan eenig andere plant kan namaken, vindt men nu meer nagemaakte dan
+echte Begonia's in de kamers. Natuurlijk is dit zeer te betreuren,
+te meer, daar die metalen planten, die nooit veranderen, juist niet
+geschikt zijn, om den smaak van het publiek te verbeteren. Er bestaat
+een zeer groot aantal prachtige variëteiten, die zeer groote bladeren
+maken, welke met de fraaiste kleuren geteekend zijn. Tegenwoordig
+heeft men ook een éénkleurige variëteit, de Begonia "Perle de Paris",
+een zeer teere soort met zilverwitte bladeren. Een zeer interessante
+soort is ook de Begonia Comtesse Louise Erdody, waarvan de bladeren
+aan den voet spiraalsgewijze gewonden zijn. In tegenstelling met de
+Knolbegonia's groeien de Bladbegonia's het gansche jaar door. Zij
+verlangen zandige heideaarde, een warme standplaats en een niet te
+droge lucht; verder moet men ze tegen te scherpe zon beschermen en
+ze vooral niet bespuiten. Zeer interessant is de voortkweeking dezer
+planten, hetgeen door de bladeren geschiedt. Men snijdt daartoe een
+goed volwassen blad met een stukje steel af, en geeft dit met een
+scherp mesje aan de ondervlakte eenige insnijdingen in de hoofdnerf,
+bij voorkeur daar, waar deze zich vertakt. Het op deze wijze ingesneden
+blad wordt nu zoodanig in een, met een glasplaat bedekten, schotel
+gelegd, dat de steel in de aarde staat en de ingesneden hoofdnerf op de
+aarde komt te liggen. Om het oplichten te voorkomen, legt men kleine
+steentjes of scherven op de bovenzijde van het blad. Na eenige weken
+zullen zich aan al de insnijdingen en ook aan den bladvoet knoppen
+vormen, die zich spoedig ontwikkelen en dan heel aardige jonge plantjes
+worden. Jammer genoeg slaagt deze wijze van voortkweeken meestal in
+een kamer niet al te best, daar den liefhebber de daartoe zeer noodige
+bodemwarmte ontbreekt. Toch is het wel waard, er de proef eens mede te
+nemen. Schijnt de zon, dan moet het op de beschreven wijze neergelegde
+blad daartegen geschermd worden. Het gieten mag alleen maar langs
+den potrand gebeuren, opdat de bladvlakte niet vochtig wordt.
+
+De Bladbegonia's zijn kruidachtige planten met een dikken, vleezigen
+wortelstok. Men kan ze zeer lang goed houden, wanneer zij in het
+voorjaar verplant worden in een mengsel van heide- en broei-aarde,
+waaraan wat hoornspaanders zijn toegevoegd. Des winters moet men ze
+slechts matig begieten. Heeft men hardere variëteiten, dan groeien zij
+ook zeer goed buiten, mits men ze op een beschaduwde plek zet. Naast
+de Begonia Rex zijn er nog verscheidene kruidachtige Begonia's, die om
+de bladeren gekweekt worden. Eenige daarvan groeien tamelijk hoog op,
+en hebben fraai geteekende of gevlekte bladeren, van andere hardere
+soorten daarentegen zijn deze groot en groenachtig. Tot deze laatste
+behoort de Begonia rubella, (Fig. 221.)
+
+Coleus. Van de Coleus behooren verscheidene soorten op Java thuis,
+en van deze stammen al de prachtige variëteiten, die tegenwoordig
+gekweekt worden, af. De hardere soorten spelen een voorname rol
+bij het aanleggen van mozaïek-vakken; de teerderen, waarvan vele
+zich door werkelijk prachtige kleuren onderscheiden, vormen zeer
+schoone potplanten, die des zomers zeer goed achter een zonnig,
+gesloten venster groeien. Terwijl de Coleus des zomers op een warme
+standplaats zeer goed groeit, vooral, wanneer men ze verscheidene
+malen in goede broeiaarde verpot, ze rijkelijk giert en begiet,
+is zij in den winter zeer gevoelig, zoodat zij moet overwinteren in
+een vertrek met een gemiddelde temperatuur van 65° Fahr. Is men nu
+zeer voorzichtig met gieten en let men goed op het ongedierte, dan
+zullen zij wellicht goed den winter doorkomen; zeker is dit echter
+niet. Het best doet men in het voorjaar jonge planten te koopen, die
+zeer goedkoop zijn. Het schoonst is de Coleus met roode bladeren,
+die bij eenige grootbladerige soorten bijna de afmeting van een
+Ficus-blad kunnen bereiken. De bloemen zijn zeer onbeduidend en
+verschijnen slechts bij zeer groote planten of bij die, welke gebrek
+aan voedsel hebben. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door
+stekken, die binnen enkele dagen wortel maken.
+
+Curculigo recurvata. De Curculigo is een der fraaiste kruidachtige
+planten voor warme vertrekken. Op lange, grootvormige bladstelen
+draagt zij bladeren, die tot een Meter lengte kunnen bereiken, met
+een gegolfde oppervlakte en van een frisch groene kleur, die bij
+een teerdere soort met gele strepen wordt afgewisseld. Door deze
+elegant omgebogen bladeren is de Curculigo uitstekend geschikt voor
+vrijstaande plant op een standaard. Op de bloemtafel kan men haar als
+middenplant gebruiken, doch men moet er dan voorzichtig mede zijn;
+door het gieten toch, wordt licht tegen de bladeren gestooten, die
+dan zeer gemakkelijk knakken. Een natuurlijk verschijnsel is het,
+ook bij gezonde planten, dat de bladspitsen dor en zwart worden; zij
+mogen daarom echter niet afgesneden worden. Dicht aan den wortelhals
+verschijnen, half tusschen schutbladeren verborgen en tot een dichten
+bundel vereenigd, de gele bloemen, die volstrekt geen waarde aan de
+plant geven.
+
+De Curculigo is niet zeer teer; zij verdraagt de droge kamerlucht heel
+goed en ontwikkelt in één zomer drie tot vier fraaie, groote bladeren,
+wanneer men ze in het voorjaar behoorlijk verpot heeft in met wat
+graszodengrond vermengde heide-aarde. Bij het verplanten kunnen de
+talrijke worteluitloopers afgesneden en in een afzonderlijk potje
+opgeplant worden. Zorgt men er niet voor, dat de bladeren goed zuiver
+gehouden worden, en vergeet men ze bij warm weder aan beide zijden te
+bespuiten, dan warden zij spoedig door ongedierte aangetast. Wanneer
+men te veel giet, wordt de Curculigo wortelziek; de frisch groene
+bladeren verkrijgen dan een geelachtige, ongezonde kleur.
+
+Fittonia. De Fittonia's zijn sierlijke, kruidachtige, bont geaderde
+bladplanten, welke ieder, die haar ziet, direct bevallen. Evenals
+zooveel andere fraaie bonte bladplanten zijn ook de Fittonia's zeer
+gevoelig; zij houden van schaduw, warmte en vochtige lucht, waarom
+men ze het best kan kweeken in het kamerkasje of het terrarium. Plant
+men ze in het terrarium uit, dan ontwikkelen deze over den bodem
+kruipende planten, die niet veel hooger dan 10 cM. worden, zich
+zeer fraai; wil men ze in potten houden, dan groeien zij het best
+in platte schalen. De grond, dien men ze geeft, moet vooral poreus
+wezen; het best gebruikt men grove stukjes heide-aarde, waar de
+fijne bestanddeelen uit gezeefd zijn, vermengd met stukjes turf en
+een weinig zand. De potten moeten van een goede drainage, bestaande
+uit scherven en stukjes houtskool, voorzien worden. Staan zij in
+een vochtig warme lucht, dan hebben de Fittonia's geen behoefte aan
+veel licht. Des zomers moeten zij rijkelijk, des winters spaarzamer
+begoten worden. In den handel treft men twee soorten aan, namelijk
+Fittonia argyroneura, een tamelijk teere soort, met zeer fraaie, wit
+geaderde bladeren, en Fittonia Verschaffeltii, een hardere soort,
+met grootere, rood geaderde bladeren. Van beide soorten zijn de
+bloemen onbeduidend. De voortkweeking geschiedt door stekken, die,
+in het kamerkasje, gemakkelijk wortel maken.
+
+Maranta. De Maranta's zijn prachtige bladplanten, afkomstig uit
+tropisch Amerika; het is echter jammer, dat zij zoo gevoelig zijn
+voor droge kamerlucht. Van de talrijke soorten, waaronder er zijn
+met zeer schoon geteekende bladeren, die in de kassen der groote
+liefhebbers worden gekweekt, zijn slechts zeer weinigen voor
+kamercultuur geschikt. Deze planten verlangen een zeer vochtige
+lucht en een beschaduwde standplaats. Staan zij in de zon, of is de
+aarde een weinig te droog, dan rollen de bladeren zich direct op; en
+staan zij in een te koud vertrek, dan worden zij wortelziek. De beste
+soorten, voor kamercultuur zijn Maranta Lietzeï, die tamelijk hoog
+opgroeit en kleine, groene, mooi geteekende bladeren draagt, alsook
+de laag blijvende Maranta Kerchovei. Beide soorten laten zich door
+verdeeling zeer gemakkelijk voortkweeken. Een der schoonste soorten,
+die het bij een zorgzame behandeling eenigen tijd in de kamer uithoudt,
+is de in Fig. 225 afgebeelde Maranta zebrina.
+
+De Maranta's moeten geplant worden in grove broeiaarde, vermengd met
+wat graszodengrond, zand en stukjes houtskool. Het meest durf ik de
+Maranta Kerchovei aanbevelen, die zich, door haar gedrongen groei,
+uitstekend leent voor het kamerkasje.
+
+Musa (Banaan). De Musa's zijn kruidachtige gewassen, met zulke
+groote bladeren, dat zij slechts als jonge plantjes voor kamercultuur
+geschikt zijn; worden zij grooter, dan deugen zij er niet meer voor,
+ook omdat de bladeren zeer gemakkelijk inscheuren, en de plant dan
+haar sierlijk voorkomen verliest. Lastig in de cultuur zijn de meeste
+Musa's niet. Zij verlangen een zeer vette aarde, moeten des zomers
+veel begoten en gegierd worden, terwijl er voor moet worden gezorgd,
+dat zij een luchtige standplaats hebben. Des winters moeten zij
+tamelijk warm gezet en vooral droog gehouden worden. Geeft men ze te
+veel water, dan worden dadelijk de wortels ziek. De bekendste soort is
+zeker wel de Musa Ensete (Abessinische Banaan). Deze soort wordt veel
+gebruikt om des zomers in parken te worden uitgeplant. Geeft men ze
+een goeden bodem en standplaats, dan kunnen zij, zoo behandeld, in één
+zomer reusachtige afmetingen verkrijgen. Des winters kan zij slechts
+dàn binnenshuis gebruikt worden, wanneer men over zeer groote salons
+te beschikken heeft. Andere schoone soorten zijn: Musa Cavendishii
+(M. chinensis), M. paradisiaca en M. zebrina.
+
+Panicum plicatum. Dit is een heel aardige, kruidachtige plant, die
+tot de familie der Grassen behoort en welker bladeren wel eenigszins
+doen denken aan die van een Curculigo, doch van kleinere afmeting
+zijn. Deze soort laat zich zeer gemakkelijk uit zaad voortkweeken,
+dat ook in de kamer rijpt. Ongeveer veertien dagen na het uitzaaien
+kiemt het zaad, en de jonge plantjes groeien gewoonlijk zóó snel, dat
+men ze al zeer spoedig in potjes met broeiaarde kan uitplanten. Deze
+Panicum is een zeer elegante plant voor de bloemtafel, daar zij zich
+rijkelijk uit den wortelstok vertakt. De geheele verzorging bestaat
+in het meermalen verpotten in zeer voedzamen grond, het gelijkmatig
+begieten en het geven van een goede, lichte standplaats.
+
+Peperomia. De Peperomia, waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben,
+was een mooie bloemplant; er zijn echter verscheidene soorten,
+die als bladplanten in aanmerking komen, en die bijzonder geschikt
+zijn voor het kamerkasje of het terrarium. De Peperomia's, die meest
+gestreepte bladeren hebben, moeten op dezelfde wijze behandeld worden
+als de Fittonia's; alleen zijn zij veel minder gevoelig.
+
+Een zeer lieve soort is Peperomia Verschaffeltii, die tamelijk
+gemakkelijk groeit.
+
+Andere fraaie soorten zijn nog Peperomia marmorata, met gemarmerde
+bladeren, en Peperomia metallica, waarvan de bladeren een metaalglans
+bezitten. De wijze van voortkweeken is reeds vroeger vermeld.
+
+Phrynium variegatum. Deze plant is in den laatsten tijd zeer verspreid
+geworden. Zij heeft groen-, wit- en geelbonte bladeren en is een der
+fraaiste kruidachtige bladplanten voor warmere vertrekken. Zij kan
+zeer gevoeglijk tot de Maranta's gerekend worden en is slechts op
+streng wetenschappelijke gronden van dit geslacht gescheiden. Men
+behandelt deze Phrynium, die zich tamelijk goed in de kamer houdt,
+op dezelfde wijze als de Maranta's. De voortkweeking geschiedt door
+de verdeeling der oude planten.
+
+Sanchezia nobilis. Wanneer men plezier heeft in bladplanten met
+geelbonte bladeren, dan moet men niet verzuimen zich de Sanchezia
+nobilis aan te schaffen. Zij heeft tamelijk groote, eironde, groen
+met geel gestreepte bladeren. Zeer mooi is deze plant vooral in
+jongen toestand, wanneer zij nog tot op den pot toe met bladeren
+bezet is. Oude planten ruimt men liefst op, na ze den kop te hebben
+afgesneden, die, als stek behandeld, zeer gemakkelijk wortel maakt. De
+bloemen gelijken eenigszins op die van de naverwante Justicia,
+doch bij goed gekweekte planten krijgt men ze niet te zien. De jonge
+Sanchezia's moeten herhaaldelijk ingesneden worden, om goede, bossige
+exemplaren te verkrijgen; overigens is de behandeling dezelfde als
+die van de Justicia.
+
+Strobilanthes Dyeriana. Deze Strobilanthes is een nog tamelijk nieuwe
+plant; zij heeft ongeveer 15 cM. lange bladeren, die grof gezaagd
+zijn en een blauwpaarsachtige kleur hebben.
+
+De kleur der bladeren is het, die haar tot een prachtige bladplant
+maakt; de slechts zelden verschijnende bloemen zijn violetkleurig
+en trechtervormig.
+
+Plaatst men de Strobilanthes voor een zonnig venster, dan groeit zij
+zeer gemakkelijk; men kan haar echter ook met succes in den tuin,
+vooral in mozaïek-vakken, gebruiken. Zij wil gekweekt worden in
+zandige broeiaarde en laat zich goed door stekken voortkweeken.
+
+
+
+
+Palmen.
+
+De Palmen zijn de "Koningen van het plantenrijk"; zij zijn de
+edelste vertegenwoordigers der tropische planten en tegelijkertijd
+de elegantste en meest trotsche bladplanten voor de kamer. Langen
+tijd heeft men de bruikbaarheid der Palmen voor de kamer bestreden;
+langzaam maar zeker hebben zij zich echter een der eerste plaatsen
+onder de kamerplanten weten te veroveren. De Palm is het zinnebeeld
+van kracht en schoonheid, en de meeste der meer dan duizend bekende
+soorten, die bij voorkeur in keerkringslanden gevonden worden,
+ontwikkelen een buitengewone pracht.
+
+Er zijn toch soorten onder, waarvan een enkel blad een breedte kan
+bereiken van twee Meter, bij een lengte van acht à tien Meter. In
+de cultuur ontwikkelen de Palmen zich natuurlijk niet tot zulke
+reusachtige afmetingen; in de kamer worden zij slechts zelden zóó
+groot, dat zij lastig worden, doch in de groote palmenkassen der
+Botanische Tuinen kan men exemplaren vinden met hooge, slanke stammen,
+gekroond door een reusachtige bladermassa, die ons dan ook eenigszins
+het idee geven van de grootsche pracht, die deze planten op haar
+natuurlijke groeiplaats ten toon spreiden.
+
+Hoewel het aantal tegenwoordig in cultuur zijnde Palmen niet
+gering is, zijn er toch niet veel van die soorten, welke meestal in
+Botanische Tuinen gekweekt worden, welke voor kamerplanten geschikt
+zijn. Met slechts enkele is dit het geval, maar die enkele kan men zich
+gemakkelijk aanschaffen; zij worden tegenwoordig in zeer grooten getale
+gekweekt, men kan ze in alle afmetingen verkrijgen en de prijzen zijn
+niet meer buitensporig hoog.
+
+De Palmen, voor kamercultuur geschikt, hebben lang niet zulk
+een behoefte aan warmte, als men algemeen gelooft; enkele soorten
+overwinteren zeer goed in een temperatuur van 40°-45° Fahr., en het
+is zelfs mogelijk een enkele soort onder zeer goede bedekking des
+winters buiten uitgeplant te laten staan. Wanneer een Palm in de kamer
+niet groeien wil, en ten slotte doodgaat, dan gelooft men gewoonlijk,
+de schuld in de te lage temperatuur te moeten zoeken; meestal echter
+schuilt die in te veel warmte. Deze hoogere temperatuur zal op zichzelf
+de plant weinig kwaad doen, maar zooals die heerscht in een kamer met
+een droge, stoffige lucht, is zij voor Palmen steeds zeer verderfelijk.
+
+Slechts een goed onderhouden, ongeschonden Palm, die zóó schoon
+ontwikkeld is, dat hij als middenplant voor de bloemtafel of als
+alleenstaande plant op een bloemenstandaard kan gebruikt worden, is
+werkelijk schoon; is hij echter onregelmatig ontwikkeld en heeft hij
+half verdorde bladeren, dan ontsiert hij een kamer meer dan elke andere
+plant. Wil men zijn kamers met fraaie Palmen versieren, en wil men er
+pleizier van hebben, dan moet men reeds met het koopen voorzichtig
+zijn. De beste tijd om Palmen te koopen is de herfst, daar men dan
+in de kweekerijen goed geharde planten vindt. Men kiest bij voorkeur
+die soorten, welke aan het einde van dit hoofdstuk worden opgegeven
+en die voor de kamer geschikt zijn. Vooral moet men er op letten,
+dat de planten in niet te kleine, doch in goed geëvenredigde potten
+staan, en ook, dat zij niet doorgeworteld zijn, daar men ze anders
+dadelijk, of korten tijd na het koopen moet verplanten, terwijl dit
+pas noodig moet wezen, wanneer zij goed aan de kamer gewend zijn. De
+bladeren der Palmen moeten geheel gaaf zijn, d.w.z. zij moeten geen
+dorre punten hebben, of de punten moeten niet bijgesneden zijn; ook
+moeten zij vrij van ongedierte wezen, dat zich bij voorkeur achter
+op de bladeren of op de bladstelen nestelt.
+
+Werden de gekochte planten in een warme kas of bak gekweekt, dan moet
+men ze nog eenige weken in de kweekerij laten, opdat de kweeker ze
+langzamerhand kan afharden.
+
+Heeft men eenmaal een Palm gekocht, en dien goed ingepakt aan huis
+laten bezorgen, dan wil men hem niet alleen goedhouden, doch ook gaarne
+zien, dat hij doorgroeit. De zorg, die men er dan aan moet besteden,
+is tamelijk eenvoudig. Men zet de plant op een lichte plaats, zoo dicht
+mogelijk voor het venster van een vertrek, dat over dag een temperatuur
+heeft, van 55°-60° Fahr., welke des nachts kan vallen op 45°-50° Fahr.;
+terwijl zij voor enkele soorten nog lager kan zijn. Men moet er nu voor
+zorgen, dat zij nòch aan tocht, nòch aan stof wordt blootgesteld,
+waartoe men haar, o.a. wanneer het vertrek schoongemaakt wordt,
+tijdelijk in een andere kamer moet zetten, die voldoende verwarmd is,
+terwijl zij eerst dàn weder op haar oorspronkelijke plaats mag gebracht
+worden, wanneer het vertrek weer op temperatuur is gekomen. Eenmaal in
+de week wascht men haar met een spons en lauw warm water voorzichtig
+af, er voor zorgende, dat de bladeren niet scheuren; ook moet men
+des winters de bladeren één keer per dag met den rafraîchisseur van
+onder en van boven bespuiten. Wordt zij aangetast door ongedierte,
+dan wordt dit met de middelen, vermeld in het hoofdstuk over deze
+plagen, bestreden. Het verdorren der bladspitsen heeft bij de Palmen
+een natuurlijk verloop, maar gewoonlijk gebeurt dit in de kamer
+veel meer dan in de kas. Dit vindt waarschijnlijk zijn oorzaak in
+den veel langzameren groei in de kamers en ook in de droge lucht,
+waaraan de planten zijn blootgesteld. De meest afdoende middelen,
+om dit dor-worden zooveel mogelijk te voorkomen, zijn: de planten
+niet te warm te zetten, de bladeren wekelijks af te wasschen en ze
+dagelijks te besproeien. Verdorren de punten zóó sterk, dat de plant
+er een minder fraai voorkomen door verkrijgt, dan neemt men een schaar
+en knipt ze zoodanig af, dat het blad zoo weinig mogelijk van zijn
+vorm verliest. Slechte bladeren worden met een scherp mes onder bij
+den bladsteel afgesneden.
+
+De Palmen groeien in den winter slechts zeer weinig; in Maart beginnen
+zij weder langzaam aan den groei te komen. Niettegenstaande zij dus
+een werkelijken rusttijd hebben, mag men de aarde in de potten nooit
+droog laten worden. De groote bladeren verdampen toch heel wat water,
+dat door wortels moet aangevoerd worden. Gedurende den winter moet
+men ze steeds begieten met water, dat minstens de temperatuur heeft
+van het vertrek, waarin zij staan, daar te koud water zeer licht
+wortelziekte kan veroorzaken.
+
+Des zomers is de behandeling der hardere soorten zeer eenvoudig,
+wanneer men over een tuin kan beschikken, waarin zij ter versiering
+goed gebruikt kunnen worden. Van Juni tot September groeien de
+hardere soorten zeer goed buiten, als men ze op een beschutte,
+half beschaduwde, plek zet. De Palmen, die ook des zomers in de
+kamer blijven, moeten tegen scherpe zon geschermd worden, daar de
+bladeren anders licht brandvlekken bekomen, en daardoor hun schoonheid
+verliezen. Verder moeten zij dagelijks, al naar het weer donker of
+helder is, een, twee of drie keer flink bespoten worden, terwijl men
+ze ook rijkelijk moet begieten. Bij het gieten moet men er vooral op
+letten, dat de, er onderstaande bakjes niet vol water blijven staan,
+zooals maar al te vaak gebeurt. Direct, wanneer de planten na het
+gieten uitgezakt zijn, moeten de bakjes geledigd worden.
+
+Goed gezonde en bewortelde Palmen kan men des zomers minstens één keer
+per week gieren. Verdunde koemest is hiertoe zeker het meest geschikt;
+levert het gebruik hiervan in de kamers bezwaar op, dan moet men zich
+met kunstmeststoffen behelpen.
+
+Terwijl jongere Palmen ieder voorjaar moeten verpot worden, kunnen de
+oude exemplaren, wanneer zij voldoende bemest worden, drie tot vier
+jaren in denzelfden pot of kuip blijven staan. Bij het verplanten moet
+men zeer voorzichtig zijn. De Palmen toch bezitten een zeer sterk
+wortelgestel, lange zware hoofdwortels, die soms tien of vijftien
+maal in den pot rondgegroeid zijn, zij hebben daarbij betrekkelijk
+zeer weinig haarwortels. Nadat men den te verplanten Palm uit den pot
+genomen heeft, wordt de kluit voorzichtig losgemaakt; men mag echter
+aan de gezonde wortels in het geheel niet snijden, daar de ingesneden
+Palmwortels zich meestal niet vertakken, doch geheel afsterven. Daar
+deze lange hoofdwortels zich altijd onder aan de kluit ophoopen,
+en er zich in het midden slechts weinig wortels bevinden, wordt het
+gebruik van potten, die hooger zijn dan wijd, wel eens noodig. Men
+vermijde het gebruik van zulke potten echter zooveel mogelijk, en
+gebruike in geen geval de leelijke buisvormige potten, die wel in
+den handel voorkomen. Sommige Palmsoorten ontwikkelen wortels uit
+den stam, die dezen ten laatste uit de kluit tillen, zoodat zij dan
+geheel vrij in de lucht staan. Zulke wortels behoeft men bij het
+verplanten niet onder de aarde te brengen, daar zij zich na korten
+tijd met een kurkhuid bedekken; wil men ze toch voedsel doen opnemen,
+dan bedekt men ze met een laagje mos, dat goed vochtig gehouden wordt.
+
+Voor het bevestigen van dit mos gebruikt men het best dun koper- of
+looddraad. Van veel belang is de grondsoort, die men bij het verplanten
+gebruikt, daar deze geregeld moet worden naar den gezondheidstoestand,
+den leeftijd en de sterkte der plant. Heeft men jongere of zieke
+Palmen, dan wordt lichtere, heeft men oudere en gezonde planten,
+dan wordt zwaardere aarde gebruikt.
+
+Drie- à vierjarige Palmen worden geplant in een mengsel van twee
+deelen blad- of heide-aarde en één deel broeiaarde. Is de plant ouder,
+dan gebruikt men meer broeiaarde en voegt, al naar de grootte van het
+exemplaar, meer of minder graszodengrond aan het aardmengsel toe. Heeft
+men planten in kuipen, dan kan dit mengsel bestaan uit gelijke deelen
+bladaarde, broeiaarde en graszodengrond. Aan het grondmengsel worden
+nog een hoeveelheid zand en eenige hoornspaanders toegevoegd. Daar de
+Palmen in de kamer slechts langzaam groeien, moet men niet te groote
+potten gebruiken. Bij het verplanten moet de aarde tamelijk vast
+aangedrukt worden. Na het verplanten worden ze goed aangegoten en
+voorloopig gesloten gehouden, d.w.z. volstrekt niet voor een geopend
+venster gezet. Totdat zij beginnen door te groeien, moet men matig
+zijn met gieten, doch des te meer spuiten.
+
+De meeste Palmen zijn boomachtig; zij vertakken zich niet, men kan
+ze dus niet door stekken, maar slechts langs den natuurlijken weg,
+door middel van zaden, voortkweeken. Daar de Palmen in de grootere
+kassen slechts zeer zeldzaam bloeien, en deze nog lang niet altijd
+vrucht dragen, moeten de zaden dus uit het land van oorsprong worden
+ingevoerd. Gewoonlijk ontvangt men de zaden nog omgeven met het
+verdroogde vruchtvleesch. Daar de Palmzaden tamelijk spoedig hun
+kiemkracht verliezen, moeten zij dadelijk na ontvangst in den grond
+gebracht worden. Wil men ze in de kamer zaaien, dan doet men het best
+een platten schotel of anders een 10 cM. wijden pot te nemen. Nadat
+men den pot goed van drainage voorzien heeft, wordt het te gebruiken
+grondmengsel niet te vast daarop gelegd en de pot daarmede bijna tot
+den rand toe gevuld. In plaats van aarde, die niet erg voor warmte
+toegankelijk is, gebruikt men bij voorkeur turfmolm, zaagsel of
+kokos-vezel om in te zaaien, welk materiaal vóór het gebruik goed
+vochtig moet gemaakt worden.
+
+Heeft men de zaden van het hen omgevende vruchtvleesch ontdaan,
+dan worden zij één voor één, dicht tegen elkaar in den grond gelegd,
+daarna nog met een laagje gedekt en ten slotte flink aangedrukt. De
+zaadpotten worden nu steeds matig vochtig en zeer warm gehouden;
+het best zet men ze in het kamerkasje; heeft men een warmere plaats
+dan daar, ook al is die minder licht, wat geen bezwaar is, daar de
+zaden toch tamelijk lang werk hebben voordat zij kiemen, dan is dit
+nog veel beter. Fig. 227 vertoont een enkelen pot met goed opgekomen
+Palmzaden, alsook twee opgenomen zaailingen. Hebben de zaailingen de
+grootte, zooals op de gravure staat, bereikt, dan worden zij uit den
+pot genomen en afzonderlijk in kleine potjes opgepot. Voor dit eerste
+oppotten gebruikt men zandige blad- of heide-aarde. Men moet nu vooral
+voorzichtig zijn, dat de zaadkorrel niet afbreekt, daar deze de jonge
+plant gedurende den eersten tijd nog gedeeltelijk voedt. Men neemt een
+niet te klein stekpotje, brengt daarin drainage, doet er wat aarde
+in en houdt dan den zaailing er zóó in, dat de zaadkorrel onder den
+rand komt te liggen. Het potje wordt nu geheel met aarde aangevuld,
+die goed aangedrukt moet worden, waarna de opgepotte zaailing goed
+wordt aangegoten.
+
+Het kweeken van Palmen uit zaden is, wanneer men het in de kamer
+moet doen, wel zeer interessant, maar niet erg loonend. Afgezien
+nog daarvan, dat onder de betrekkelijk ongunstige omstandigheden
+de kieming zeer lang duurt of wel geheel mislukt, moeten de jonge
+zaailingen noodzakelijk in het kamerkasje worden gezet, waarin zij
+zich nog zeer langzaam ontwikkelen. Bij slechts zeer weinig soorten
+brengen de Palmzaailingen direct hun gekarakteriseerde bladeren voort;
+de meeste maken de eerste twee, drie jaren lange smalle bladeren,
+zooals op onze gravure zijn te zien, en die, al naar de soorten,
+wat smaller of wat breeder zijn. Men moet bij in de kamer gekweekte
+zaailingen veel langer op het eerste goed ontwikkelde blad wachten
+dan bij in de kas gekweekte.
+
+De Palmen worden in twee groepen verdeeld: die met vedervormige en die
+met waaiervormige bladeren. Uit beide groepen willen wij slechts die
+soorten vermelden, welke voor de kamer geschikt zijn en die men overal
+goedkoop kan verkrijgen. De schoonste en dankbaarste Vederpalmen voor
+de kamer behooren tot het geslacht Kentia.
+
+De Kentia's behooren in Nieuw-Holland te huis. Ongeveer vijftig
+jaar geleden werden zij nog tot de duurste soorten gerekend; sedert
+dien tijd zijn er echter groote massa's goede zaden van ingevoerd,
+waardoor zij veel goedkooper zijn geworden. Een der meest bekende en
+gezochte soorten is de Kentia Balmoreana, (Fig. 228). Men kan op de
+gravure de meest kenmerkende eigenschappen van het gansche geslacht
+zien, namelijk de fraaie, licht gebogen bladeren, met de naar beide
+zijden afhangende zijblaadjes en het flinke, krachtige voorkomen der
+geheele plant. Naast deze soort wordt de Kentia Forsteriana het meest
+aangetroffen, en zij verdient deze onderscheiding ten volle, daar zij
+door haar lange bladstelen een zeer elegante verschijning is. Veel
+gelijkenis met de Kentia's hebben de Areca's. Is de kleur der bladeren
+bij de eerstgenoemde soorten eenigszins geelachtig, bij de laatste is
+die donkergroen. De slanke bladeren zijn over het algemeen grooter;
+de bladstelen en ook de vederblaadjes zijn eenigszins wit bestoven,
+wat men zoo mogelijk niet moet afwasschen.
+
+De schoonste en beste soort voor kamercultuur is de Areca Baueri. Uit
+Fig. 229 kan men duidelijk zien, dat ook dit een zeer schoone soort
+is. Deze van het eiland Norfolk afkomstige soort is tegenwoordig
+zeer gezocht.
+
+Een Areca Baueri, op een standaard geheel vrij staande, is een
+prachtige kamerversiering, en, wat hoofdzaak is, zij is dit niet voor
+eenige dagen, maar voor zeer langen tijd, wanneer men haar voorzichtig
+en met overleg behandelt. Ook de stijvere Areca sapida (Fig. 230)
+is een mooie en zeer dankbare kamerplant.
+
+Zeer dicht aan het geslacht Areca sluit zich het geslacht Hyophorbe
+aan. Een der hiertoe behoorende soorten, de Hyophorbe indica, in
+den handel ook wel als Areca lutescens bekend, is een zeer goede
+kamerplant. Deze soort groeit eenigszins bossig, wijl zij verscheidene
+stengels vormt.
+
+De voor kamercultuur meest bekende Vederpalmen behooren zeker wel tot
+het geslacht Phoenix, waarvan zeer veel soorten in cultuur zijn. Het
+zijn alle zeer elegante Palmen, met gootvormig gevouwen vederblaadjes
+en aan den voet gedoornde bladstelen. Aan deze dorens kan men,
+wanneer men niet voorzichtig is, zich vrij erg bezeeren.
+
+De echte Dadelpalm, Phoenix dactilifera, laat zich gemakkelijk kweeken
+uit de pitten der in den handel voorkomende dadels.
+
+Deze zaden hebben voor hun kieming geen behoefte aan veel warmte;
+des zomers kiemen zij zelfs wel buiten. De schoonste soorten
+van het geslacht zijn Phoenix tenuis, met zeer fijne bladeren;
+Phoenix rupicola, een zeer elegante soort, en Phoenix leonensis,
+die niettegenstaande haar groote vederblaadjes, toch zeer sierlijk is.
+
+Ook onder de Cocos-soorten treft men zeer fraaie kamerplanten
+aan. Terwijl de echte Kokospalm, de Cocos nucifera, in de kamer in
+het geheel niet en in een kas uiterst moeilijk te kweeken is, zijn
+er andere soorten, die zeer dankbaar zijn. De Cocos Weddeliana,
+afkomstig uit Brazilië, is zeker wel een der beste en te gelijk
+een der mooiste Palmen voor de kamer. De fraaie, elegante bladeren
+van deze soort zijn aan de bovenzijde glanzend groen en aan de
+onderzijde zilverwit. Zij verkiest een kleiachtige aarde, voorzichtige
+begieting en een eenigszins koele standplaats, daar zij anders spoedig
+wortelziek wordt. In de laatste jaren wordt de Cocos Weddeliana in
+zeer grooten getale gekweekt en overal voor kamercultuur aanbevolen,
+zoodat men er jonge planten van vindt in bijna iedere uitstalling der
+grootere bloemenwinkels. Een zeer dankbare kamerplant is ook de Cocos
+Romanzoffiana; deze is afkomstig uit de gematigde streken van Brazilië
+en vormt zeer lange bladeren, met elegant afhangende vederblaadjes.
+
+Zeer sierlijke Palmen zijn ook eenige soorten van Chamædorea, van
+wier slanke stammen wandelstokken worden gemaakt. Zij worden nog
+betrekkelijk weinig gekweekt, hoewel zij in de kassen gemakkelijk
+bloeien en zaad geven. De meest bekende soorten zijn de Chamædorea
+Ernesti-Augusti en de Chamædorea elegans.
+
+Ten laatste willen wij van de Vederpalmen nog de Caryota's
+vermelden. De bladeren, der soorten, die hiertoe behooren, zijn
+dubbel gevederd, d.w.z. de bladsteel vertakt zich en aan deze
+zijtakjes zijn de bladeren bevestigd. De vederblaadjes op zichzelf
+zijn tamelijk breed, scheef, driekantig en sterk ingesneden, vooral
+de groote eindbladeren hebben veel overeenkomst met de staartvin
+van een visch. Interessant zijn de Caryota urens en de Caryota
+sobolifera. De Caryota's, die niet veel aangetroffen worden, zijn zeer
+goede kamerplanten gebleken; omdat zij niet al te groot worden. Hoewel
+zij, in de kamer gekweekt, volstrekt geen stam vormen, zijn het in
+haar vaderland imposante boomen, met slanke, gladde stammen.
+
+Niet zoo groot als bij de Vederpalmen is de keuze bij de
+Waaierpalmen. De meest bekende en wellicht ook de fraaiste der
+hiertoe behoorende soorten is de Livistona chinensis (Latania
+borbonica). Iedere plantenliefhebber kent deze fraaien Palm, die in
+elke kweekerij aangetroffen wordt. Zij houdt zich in de kamer vrij
+goed, doch vormt niet zulke lange bladstelen, waardoor zij spoedig
+haar elegant voorkomen verliest. Dit is vooral het geval, wanneer
+men planten koopt, die in de kweekerijen zeer warm hebben gestaan. De
+hartbladeren blijven dan in den kop steken, zij groeien niet goed door
+en de plant verliest veel van haar schoonheid. Een veel zeldzamere,
+doch ook zeer fraaie soort is de Livistona rotundifolia. Beide soorten
+bezitten gedoornde bladstelen. Zeer hard is de Livistona australis;
+ook deze soort heeft gedoornde bladstelen en bijna cirkelronde, fijn
+ingesneden bladeren. Als jonge plant is zij echter wel een beetje
+stijf. De hardste Waaierpalmen zijn de Chamærops. Twee soorten komen
+van dit geslacht veel voor: de Chamærops excelsa en de Chamærops
+humilis. De eerste, die ongedoornde bladstelen heeft en hooger
+opgroeit dan de tweede, is ook veel fraaier. Beide soorten groeien
+des zomers zeer goed buiten en stellen zich des winters tevreden met
+een temperatuur van 40°-50° Fahr.
+
+Ten laatste willen wij nog vermelden de Rhapis flabelliformis. Dit
+is een struikachtige harde Palm, die bossig groeit en vrij lange
+stengels vormt. De bladeren zijn donkergroen, handvormig ingesneden
+en worden door zeer dunne bladstelen gedragen. De stengels zijn met
+een stugge vezelstof omgeven.
+
+Een zeer sierlijke soort is ook de laag blijvende Rhapis humilis. Deze
+is, evenals de voorgaande, voor koelere vertrekken bestemd. Men kan
+ze gemakkelijk voortkweeken door scheuring; ook worden er talrijke
+exemplaren van ingevoerd, die, na in de kweekerijen aan den groei te
+zijn gebracht, door de kweekers worden aangeboden.
+
+
+
+
+Cordyline en Dracæna.
+
+De Cordyline's en Dracæna's vormen twee geslachten uit de familie der
+Liliaceeën. De hiertoe behoorende soorten komen meest alle voor onder
+den naam Dracæna, eenige ook onder den naam Aletris. Het voornaamste,
+ook voor leeken, waarneembare verschil tusschen de beide geslachten
+bestaat hierin, dat de soorten, die tot het geslacht Cordyline
+behooren, een soort van wortelstok vormen, waaruit jonge scheuten zich
+kunnen ontwikkelen, en ook witte wortels hebben, terwijl de soorten
+van het geslacht Dracæna zulk een rhizoom niet bezitten en geelachtige
+wortels vormen. Wat het uiterlijk betreft, komen de beide geslachten
+anders tamelijk wel overeen, en ook in de behandeling stellen zij
+dezelfde eischen, waarom wij hen te zamen willen bespreken.
+
+Wanneer de lezer de hierbij gevoegde gravuren slechts even beziet,
+dan zal hij er wel dadelijk oude bekenden in herkennen. Deze, dikwijls
+met zeer fraaie bladeren prijkende bladplanten zijn een zeer belangrijk
+handelsartikel. Men vindt ze tegenwoordig in bijna iedere kweekerij,
+waar zij door te veel leeken nog steeds voor Palmen worden aangezien,
+waarmede zij echter niets gemeen hebben. De betrekkelijk kleine bloemen
+der Cordyline's en Dracæna's verschijnen in groote trossen. Zij zijn
+tamelijk onbeteekenend, en komen alleen voor bij zeer oude exemplaren,
+of bij planten, die gebrek aan voedsel hebben.
+
+Gedeeltelijk zijn de tot deze geslachten behoorende gewassen harde
+decoratieplanten, die men des zomers ter versiering van den tuin en het
+balkon kan gebruiken, terwijl men ze des winters in een tamelijk koude
+kamer kan laten overwinteren. Het zijn in hoofdzaak de groenbladerige
+variëteiten, die zich daartoe bij uitstek leenen. Andere groene en
+vooral gekleurde variëteiten zijn meer bepaald kamerplanten, die een
+zeer zorgvuldige behandeling verlangen. Deze teerdere soorten kweekt
+men het best, ook des zomers, in de kamer; men geeft ze dan een lichte
+standplaats, waar zij tegen te scherpe zon moeten geschermd worden. De
+winterverpleging der Cordyline's en Dracæna's is het lastigst van de
+geheele cultuur. Het gevoeligst zijn de bontbladerigen; de aarde moet
+tamelijk droog, in ieder geval meer droog dan vochtig gehouden worden,
+daar anders de wortels en onderaardsche stengeldeelen afsterven,
+waardoor de geheele plant kan verloren gaan. Bij de meeste Cordyline's
+zijn de wortels slechts éénjarig; tegen het voorjaar sterven zij af,
+gelijktijdig ontspringen echter uit de onderaardsche stengels jonge,
+witte wortels, die spoedig den geheelen pot vullen. De tijd, waarop
+dit wisselen geschiedt, is verreweg de kritiekste en men moet dan zeer
+voorzichtig zijn met het gieten. De Dracæna's behouden des winters
+hun wortels en kunnen dan ook wat rijkelijker begoten worden.
+
+De Cordyline's en Dracæna's worden niet te vroeg in het voorjaar
+verplant. Heeft men jongere, in potten staande planten, dan geschiedt
+dit eens per jaar. Oudere, in kuipen staande exemplaren daarentegen
+behoeft men slechts om de 2 à 4 jaren te verplanten. Bij het verplanten
+gebruikt men steeds betrekkelijk kleine potten, zoodat er tusschen
+den nieuwen pot en de kluit niet al te veel ruimte over is. Nadat
+men ze uit de potten heeft genomen, worden de kluiten losgemaakt en
+de doode wortels weggesneden; waarbij men echter voorzichtig moet
+zijn, niet in de gezonde wortels te snijden. Totdat de planten aan
+den groei zijn, moet men slechts matig gieten. Oudere, niet verplante
+exemplaren kunnen des zomers enkele malen met een niet te sterke gier
+begoten worden. Op warme dagen moeten de bladeren des morgens en des
+avonds bespoten en ook af en toe met een spons afgewasschen worden,
+opdat zij zuiver blijven en niet door ongedierte worden aangetast. De
+tot deze geslachten behoorende planten hebben steeds sterk te lijden
+van gevaarlijk ongedierte, zooals thrips en roode spin, dat altijd,
+wanneer zij in een warm vertrek staan en niet voldoende gewasschen
+en bespoten worden, vrij hevig optreedt.
+
+Het voortkweeken der Cordyline's en Dracæna's geschiedt in de
+kweekerijen op verschillende manieren. Verscheidene soorten
+worden uit zaden gekweekt; gewoonlijk echter geschiedt dit langs
+ongeslachtelijken weg door middel van stekken. De kroon der plant,
+die men voor vermenigvuldiging wil laten dienen, wordt afgesneden en
+als stek behandeld; daarna snijdt men den stam, zoo lang hij nog niet
+houtachtig, d.w.z. zeer hard geworden is, in eenige een centimeter
+lange stukjes. Nadat men de snijvlakken wat heeft laten opdrogen of ze
+met houtskoolpoeder heeft bestrooid, worden de stukjes op bodemwarmte
+gelegd in zeer lichte aarde of turfmolm. Spoedig ontwikkelen zich nu
+aan deze stamstukjes jonge scheuten, die ook wortels vormen. Zijn
+de stamstukjes te groot, dan snijdt men ze aan beide zijden in;
+de snijvlakken worden dan vóór het oppotten nogmaals met houtskool
+bepoederd. In de kamer is echter het voortkweeken dezer planten
+bijna ondoenlijk, daar men niet over een constante bodemwarmte kan
+beschikken. Heeft men planten van deze geslachten, die een schoone
+kroon hebben, doch van onderen kaal en daardoor leelijk geworden zijn,
+dan kan men die in de kamer toch zeer goed verjongen, door haar te
+ringen, op de wijze op bladz. 37 uitvoerig besproken.
+
+Onder de Cordyline's vinden wij, zooals reeds gezegd is, talrijke
+hardere soorten, die als decoratieplanten zeer goed dienst kunnen
+doen. Tot deze soorten behoort de Cordyline indivisa, waarvan talrijke
+variëteiten bekend zijn en ook de Cordyline australis, met fraaie,
+breede bladeren. Onder de hardere soorten, die geschikt zijn om
+steeds in een kamer gekweekt te worden, zijn vermeldingswaardig
+de groenbladerige Cordyline congesta, en ook de Cordyline rubra,
+met breedere, roodachtig getinte bladeren. Deze beide soorten treft
+men tamelijk veel in woonvertrekken aan. Groenbladerige soorten
+van den lateren tijd zijn de Cordyline Bruantii en de Cordyline
+Danellii, waarvan vooral de eerste een uitnemende kamerplant is. In
+veel kweekerijen worden groote collecties rood-, wit- en geelbonte
+variëteiten van de Cordyline gekweekt, die, zooals wij reeds gezegd
+hebben, lang niet gemakkelijk te behandelen zijn, en zich in de kamer,
+vooral des winters, zeer gevoelig toonen. Fig. 234 toont een zeer
+fraaie, hiertoe behoorende soort, de Cordyline terminalis rosea.
+
+Onder de Dracæna's zijn ook talrijke harde soorten, waartoe ook
+de Dracæna Draco (Drakenbloedboom) behoort. Deze soort is slechts
+schoon als grootere plant en wordt daarom niet zeer veel in de kamer
+gekweekt. Zeer mooie groenbladerige soorten zijn de Dracæna fragans
+en de Dracæna Rothiana; schoone, flink groeiende, bontbladerige
+soorten zijn de Dracæna Lindenii (Fig. 236) en de Dracæna Massangeana
+(Fig. 237); beide hebben groen met geel genuanceerde bladeren en vormen
+fraaie planten. Een heel aardige kamerbladplant is ook de Dracæna
+marginata, met smalle, rood gerande bladeren, terwijl een tamelijk
+nieuwe, ook zeer goede kamerplant, de Dracæna Sanderiana (Fig. 238) is.
+
+
+
+
+Potplanten met fraaie vruchten.
+
+Van deze groep komt in de eerste plaats in aanmerking de Ardisia
+crenulata. Deze, van de Antillen afkomstige plant, is zeker wel
+de schoonste der groenblijvende kamerplanten, die fraaie vruchten
+voortbrengen. Zij kenmerkt zich door een pyramidalen groei. De
+twijgjes zijn dicht bezet met frisch groene, sterk gezaagde, ovale,
+lederachtige bladeren. In het voorjaar groeit de Ardisia sterk uit;
+de jonge scheuten bedekken zich rijkelijk met kleine witte bloempjes,
+terwijl de overjarige scheuten bezet zijn met fraaie, koraalroode
+bessen.
+
+De Ardisia is een inderdaad lieve kamerplant, die vroeger zeer
+veelvuldig gekweekt werd, doch tegenwoordig veel zeldzamer
+is geworden. Jammer is het, dat zij zich niet gemakkelijk in de
+kamer laat houden, daar zij warmte en vochtige lucht verlangt. Een
+hoofdvereischte is, haar goed schoon te houden, daar zij gemakkelijk
+vuil wordt en dan door schildluizen wordt aangetast. Oudere planten,
+die de onderste twijgen verloren hebben, zijn bepaald leelijk. De
+Ardisia's verlangen een lichte standplaats; zij willen dikwijls
+bespoten en zeer gelijkmatig begoten worden, terwijl men ze tegen
+de scherpe zon moet schermen. Ieder jaar moeten zij in het voorjaar
+verplant worden, waarvoor men een goede zandige broeiaarde moet
+gebruiken. Zeer nuttig is het, ze des zomers af en toe te gieren.
+
+De voortkweeking geschiedt door zaden, die in vochtige lucht vaak
+reeds kiemen, wanneer zij nog aan de moederplant zitten en dan
+een interessant gezicht opleveren; ook kan men kopstekken nemen,
+waartoe de kroontjes van leelijk geworden planten zeer goed kunnen
+dienen. In de kamer gelukt het kweeken, door middel van stekken,
+uiterst zelden, terwijl het ook zeer moeilijk is er uit zaden goede
+planten van Ardisia's te kweeken. Een liefhebber doet dus het wijst,
+zich goede, jonge planten aan te schaffen.
+
+Een zeer aardige, éénjarige potplant, die zeer schoone vruchten vormt,
+is ook de Capsicum annuum (Spaansche peper). In landen met een warmer
+klimaat groeit deze plant zeer welig buiten; zij brengt dan in grooten
+getale haar vruchten voort, die, gedroogd, een lang niet onbeduidend
+handelsartikel vormen. Er zijn talrijke soorten en variëteiten van
+bekend, die zich onderscheiden door de grootte, den vorm en de kleur
+der vruchten, door de grootere of kleinere bladeren en ook wel door
+de kleur der bloemen. Deze zijn geelachtig wit en gelijken in vorm
+eenigszins op die van den Aardappel, waaraan deze plant verwant is. De
+snel kiemende zaden worden in Maart gezaaid in een pot, die voor het
+venster wordt gezet. De kiemplantjes moeten spoedig gerepikeerd en,
+na de ontwikkeling der eerste blaadjes, afzonderlijk in potjes geplant
+worden. In den loop van den zomer zal het noodig wezen ze eens of
+tweemaal te verpotten. Voor het verpotten moet men zeer goede, met zand
+gemengde, broeiaarde gebruiken. De jonge plantjes, die in den beginne
+vrij warm moeten gehouden worden, gewent men langzamerhand aan de
+lucht, om ze in het begin van Juni in een zonnig gelegen plantenrekje
+te kunnen zetten. In Juni verschijnen meestal de bloemen. Zoodra
+deze vrucht gezet hebben, moet men al de twijgen toppen, ten einde
+het verder groeien te beletten, zoodat de plant al haar kracht voor
+de vruchtvorming kan gebruiken. Heeft men grootvruchtige planten,
+dan moet men er niet meer dan 2-4 vruchten tot ontwikkeling laten
+komen, daar zij dan veel mooier worden. Heeft de plant vrucht gezet,
+dan moet men haar aanbinden om misvorming te voorkomen; ook is dan
+een rijkelijk begieten en gieren zeer noodig. Tegen het midden van den
+herfst zet men de planten achter het venster van een matig warme kamer,
+waar de vruchten zeer goed rijp worden. Zijn deze volkomen rijp, dan
+kan men ze afsnijden en ter versiering van vazen gebruiken, of wel,
+men geeft ze in de keuken, waar zij wel haar weg zullen vinden.
+
+Onder de fraaiste groen blijvende potplanten, die, jammer genoeg, maar
+weinig en dan nog meestal niet fraai worden aangetroffen, behooren
+zeker wel de Citrussen (Oranjeboompjes). Een miniatuur Oranjeboompje
+of een klein struikje, dat rijkelijk met vruchten beladen is, biedt
+inderdaad een fraaien aanblik. Tegen de sappig groene bladeren komen
+de oranje vruchten, die meer dan negen maanden het boompje versieren,
+zeer fraai uit. Ook een bloeiend exemplaar met de welriekende, witte
+bloemen is zeer aantrekkelijk.
+
+Hoewel de Oranjeboom in Italië zeer welig groeit, behoort hij
+tot die planten, die nòch in de kas, nòch in de kamer veel warmte
+willen hebben. Wel kweekt een bloemist de jonge oranjeboompjes in
+een warmen bak, doch hij doet dit slechts om ze wat snel te laten
+doorgroeien, daar hij ze slechts in den beginne onder glas houdt;
+gedurende den winter zet hij ze echter in een kas, die slechts
+even vorstvrij gehouden wordt. Een liefhebber doet het best zijn
+Oranjeboompjes des winters voor het vensters van een zonnig, dan
+slechts hoognoodig verwarmd, doch rijkelijk gelucht wordende kamer te
+zetten. Wel groeit de plant hier des winters niet, maar zij vormt, met
+haar blijvende bladeren en fraaie vruchten, een mooi en interessant
+kamersieraad. Eetbaar worden de vruchten niet, daar zij steeds een
+sterk zuur-bitteren smaak behouden, doch nog groene, zeer onrijpe
+vruchten zijn voor het maken van een bowl zeer geschikt.
+
+Naast een koele, doch vorstvrije standplaats is het voorzichtige
+gieten des winters een hoofdvereischte. De meeste Oranjeboomen sterven
+door te groote warmte en te veel vocht. Men moet des winters slechts
+zeer zelden gieten, en eerst dan, wanneer de aarde meer droog dan
+vochtig is. In het voorjaar worden de boompjes, wanneer dit noodig
+blijkt, ingesneden en zoodra zij beginnen te groeien, moet men ze
+verplanten. Bij dit verplanten gebruikt men steeds betrekkelijk kleine
+potten, en een grondmengsel van 2 deelen broeiaarde, 1 deel blad-,
+en 1 deel graszodengrond, waaraan 1/2 deel grof zand wordt toegevoegd.
+
+Heeft men wortelzieke planten, dan is het nuttig aan dit mengsel nog
+wat grof gestooten houtskool toe te voegen. Totdat de plant begint te
+groeien, moet men met het gieten zeer voorzichtig zijn. Des zomers
+d.w.z. van het laatst van Mei af, geeft men den Oranjeboompjes een
+plaats op een zonnig balkon of op een zonnige plek in den tuin;
+in den herfst moet men ze echter tegen zwaren regen kunnen beschermen.
+
+De voortkweeking geschiedt door zaden en ook door stekken, die slechts
+in een kweekkas, bij een gelijkmatige bodemwarmte, na een week of zes
+wortel maken. De zaden kiemen ook in de kamer vrij goed, maar leveren
+slechts gedoornde, wilde planten, die veredeld moeten worden, wat men
+het best door middel van oculatie doet (Fig. 32). In het tweede jaar
+zijn de zaailingen sterk genoeg om op den wortelhals of dicht boven
+de aarde geoculeerd te kunnen worden. De veredelingen groeien voor
+het raam, na eenige weken, zeer goed aan, wanneer men ze onder glas
+houdt, door er bijv. een stolp of inmaakglas overheen te zetten. Is
+de veredeling sterk genoeg geworden, dan moet men het wildstammetje,
+dat toch reeds ingesneden was, tot aan de oculatie afsnijden.
+
+Voor kamercultuur zijn het meest geschikt de vormen van de Citrus
+Aurantium, een soort met gevleugelde bladstelen. De dankbaarste is
+de Citrus japonica (Citrus chinensis), een zeer gedrongen groeiende
+variëteit. Een nog sierlijker vorm, waarvan de bladeren gelijken
+op groote Mirtebladeren, is de Citrus myrtifolia. Deze beide
+Oranjeboompjes hebben slechts kleine, doch zeer sierlijke vruchtjes.
+
+De Nertera depressa is een maar weinige centimeters hoog wordend
+plantje, afkomstig van Nieuw-Zeeland, met zeer kleine blaadjes en
+groene bloempjes, die gevolgd worden door aardige oranjekleurige
+besjes, welke tot diep in den winter goed blijven en de bladeren ten
+laatste geheel bedekken. Dit sierlijke plantje moet gekweekt worden
+in platte schalen, die goed gedraineerd zijn. Als aarde gebruikt
+men zandigen veen- of heidegrond. De voortkweeking geschiedt in
+het voorjaar, bij het verplanten, door middel van scheuren. De
+Nertera depressa verlangt tamelijk veel water; men moet haar koel,
+doch vorstvrij laten overwinteren en des zomers buiten zetten. Zeer
+geschikt is zij, om, wanneer men in een terrarium een rotsje heeft
+van tufsteen, dit er mede te beplanten.
+
+Een zeer aardig struikje voor de kamer is ook de uit Amerika afkomstige
+Rivina humilis. De bladeren hiervan gelijken in vorm eenigszins op die
+van een Fuchsia, doch zijn, in plaats van glad, donsachtig behaard. Des
+zomers ontwikkelen zich aan dunne steeltjes onbeduidende bloempjes,
+waarop zeer sierlijke, koraalroode bessen volgen. De Rivina groeit
+zeer gemakkelijk; het is echter een warmte-minnende plant, zoodat zij
+het geheele jaar door in de kamer moet gekweekt worden. Voor flink
+ontwikkelde planten zijn potten van 10 cM. wijdte groot genoeg. Het
+best groeit zij in lichten, zandigen bladgrond.
+
+De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door zaden en ook
+door stekken. Wanneer men van de Rivina pleizier wil hebben, dan
+moet men geregeld jonge planten aankweeken, daar de oudere haar
+bladeren verliezen, gemakkelijk door insecten worden aangetast en
+dan allesbehalve sierlijk zijn.
+
+Onder de planten, die zeer fraaie vruchten voortbrengen, behooren zeker
+ook de Solanums (Nachtschaden). Een zeer goede, hiertoe behoorende
+soort is de Solanum Pseudo-Capsicum, die sierlijke, ronde, schitterend
+roode bessen draagt. Zeer fraaie, groote, wit- of blauwachtige vruchten
+geeft de Solanum Melongena (Eierplant). Dit is ook een nuttige plant,
+die hier te lande echter niet gebruikt wordt.
+
+De Solanum Melongena is éénjarig, terwijl men het best doet, ook de
+Solanum Pseudo-Capsicum als zoodanig te behandelen [4]; zij worden in
+het voorjaar gezaaid en juist zóó behandeld als wij vermeldden voor
+de Spaansche peper, die zeer nauw aan haar verwant is. Ook aan de
+Eierplant laat men slechts twee tot vier vruchten zich ontwikkelen;
+bij de Solanum Pseudo-Capsicum houdt men echter de vruchtzetting niet
+tegen, daar die zich zeer fraai met roode bessen kan bedekken.
+
+
+
+
+Coniferen.
+
+De Coniferen worden vaak als decoratieplanten in kuipen gekweekt. Voor
+deze cultuur zijn talrijke soorten geschikt, die door haar fraai
+voorkomen uitstekende diensten bewijzen bij de versiering van
+balkons en terrassen. Men zoekt daartoe fraaie planten uit en laat
+ze met een flinke kluit in een kuip zetten, of, wat nog beter is,
+men koopt direct in kuipen gekweekte planten. Des zomers moet men ze
+'s morgens en 's avonds besproeien en ook zeer rijkelijk begieten. De
+overwintering geschiedt zeer goed in een vestibule of in een luchtigen
+kelder. Het zal om de paar jaar noodig zijn ze te verplanten, waartoe
+men een mengsel neemt, bestaande uit gelijke deelen compost-, broei-
+en graszodengrond. In den laatsten tijd worden verscheidene soorten
+Coniferen, meest Juniperus- en Thuja-soorten, in potten gekweekt als
+kamerplanten aanbevolen, en hoewel dit heel aardige plantjes zijn,
+zijn zij voor dit doel toch minder geschikt; slechts des winters kan
+men ze met succes in een koude kamer kweeken.
+
+Werkelijk goede kamerplanten levert het geslacht Araucaria, dat dien
+naam te danken heeft aan Arauca, een landstreek in Zuidelijk Chili. De
+bekendste en meest aanbevelenswaardige soort is de Araucaria excelsa
+(Fig. 242). Wanneer de lezer de gravure slechts even vluchtig bekijkt,
+dan zal deze plant hem zeker bekend voorkomen. Niettegenstaande haar
+zeer regelmatigen vorm, bestaande uit verschillende verdiepingen,
+is deze Araucaria toch een zeer elegante plant, bij uitstek geschikt
+ter versiering der kamers. Deze fraaie Conifeer hoort op het eiland
+Norfolk te huis. In den handel zijn vele, jammer genoeg ook zeer dure,
+variëteiten der Araucaria excelsa te verkrijgen, waarvan de Araucaria
+excelsa glauca, met blauwgroene naalden, nog het meest voorkomt. Ook
+andere soorten van dit geslacht, die echter meerendeels zeer kostbaar
+zijn, kunnen als salonplanten uitstekend dienst doen.
+
+Al de Araucaria's verlangen dezelfde behandeling. Gewoonlijk beleven
+de liefhebbers van deze plant er niet zeer veel pleizier van, daar
+haar vreemd voorkomen er al zeer licht toe leidt haar in een warm
+vertrek te kweeken. Zij houdt echter volstrekt niet van warmte;
+des zomers wil zij buiten of voor een veel geopend venster staan,
+waarbij zij niet alleen regelmatig begoten, maar ook des morgens en
+des avonds besproeid moet worden. De overwintering geschiedt op een
+lichte standplaats in een koel, doch vorstvrij vertrek. Des winters
+mag zij slechts matig begoten worden, hoewel de aarde niet geheel mag
+uitdrogen. Het gemakkelijkst kan men deze planten bederven door ze
+een te warme standplaats te geven; zij hebben dan des winters geen
+voldoende rust, de scheuten worden zwak, de twijgen der onderste
+verdiepingen gaan slap hangen en verdorren ten slotte geheel. Is
+er slechts in één etage een gat gekomen of is zij in haar geheel
+afgevallen, dan is het mooie voorkomen der plant bedorven.
+
+De Araucaria's verlangen over het algemeen een lichten grond; het
+best is een mengsel van blad- en veengrond, waaraan rijkelijk zand is
+toegevoegd. Jaarlijks verplanten is onnoodig, het is voldoende dit
+om het andere jaar te doen; men moet er zeer op letten, dat bij het
+verplanten de stam geheel vrijblijft. Komt toch door onvoorzichtigheid
+de stam slechts één centimeter in de aarde, dan zal de plant daardoor
+zeer lijden, omdat de Coniferen diep planten geenszins verdragen.
+
+Na het verplanten moet men de Coniferen half beschaduwd zetten
+en ze dikwijls bespuiten; kan men ze gedurende den geheelen zomer
+een goede plaats buiten geven, dan zullen zij zich daarbij zeker
+zeer wel bevinden. De voortkweeking der Araucaria's geschiedt door
+kopstekken en door zaden, doch in de kamer kan men dat niet doen,
+waarom een liefhebber het best doet, jonge, krachtig ontwikkelde
+planten te koopen.
+
+Voor hen, die de Araucaria's te kostbaar vinden en toch gaarne een
+Conifeer in de kamer hebben, durven wij met gerustheid aanbevelen
+de Cryptomeria japonica, die in de tuinen als jonge plant ook
+wel Cryptomeria elegans genoemd wordt. Deze geelgroene plant vormt
+sierlijke boompjes met bijna horizontale takken. De cultuur is dezelfde
+als die van de Araucaria.
+
+
+
+
+Varens.
+
+De Varens behooren door de groote verscheidenheid van haar loof zeker
+wel tot de fraaiste planten, die bekend zijn. Zelfs in onze bosschen
+kan men reeds den rijkdom van vormen dezer planten waarnemen; zij
+groeien hier en daar op vochtige plekken zeer welig in de schaduw
+der groote boomen. Zeer rijk aan Varens zijn echter de tropische
+wouden. De vochtige warmte van het tropische woud, waarin zulke schoone
+Orchideeën en bladplanten groeien, is ook de oorzaak van de zeer
+groote verscheidenheid, aan Varens die hier worden aangetroffen. Daar
+groeien zij niet alleen in den humusrijken bodem, of op de stammen
+der boomen, maar talrijke soorten vormen er op zichzelf statige
+kronen. Deze boomachtige Varens hebben slechts een betrekkelijk
+zwakke kern; de tronk wordt voor het grootste gedeelte gevormd door
+talrijke luchtwortels, die over elkander heen liggen. Het loof kan
+somtijds zeer zware kronen vormen. Bij de tropische Varens treft
+men het fijnste loof aan, dat bij sommige ook zeer fraai gekleurd of
+geteekend is. Bij onderscheidene soorten zijn ook de bladstelen en
+is de achterzijde van het loof dicht bepoeierd, alsof zij met goud-
+of zilverstof waren bedekt. De fraaie vormen van het Varenloof stellen
+ons in alle opzichten schadeloos voor haar geheel gemis aan bloemen.
+
+Wanneer een liefhebber eens in de kassen van een kweeker goed
+gekweekte Varens heeft gezien, dan zal hij direct van deze planten
+gaan houden. Jammer is het daarom, dat zij in de kamer niet al te
+best willen groeien. In de vochtige warmte van een kas houden zij zich
+uitstekend, en vestigen zich wel als gansche kolonies op de vochtige
+muren, maar in de droge kamerlucht gaan zij meestal achteruit; het
+loof verdroogt en ten slotte sterven zij.
+
+Deze mislukking is het directe gevolg van de levensvoorwaarden der
+Varens. Zij verlangen toch, in de eerste plaats, geheele scherming
+tegen de zon en, in de tweede plaats, een zeer met vocht bezwangerde
+atmosfeer. Het eerste kan men ze in een kamer vrij goed geven, het
+laatste gaat echter veel moeilijker, en dit is dan ook de oorzaak,
+dat de meeste Varens het in de kamer niet zeer lang uithouden.
+
+Voor de bloemtafel of de vensterbank zijn de Varens over het algemeen
+niet aan te bevelen; zij zijn daarentegen zeer goed geschikt ter
+beplanting van het kamerkasje of het terrarium.
+
+Een klein, voor het venster staand kamerkasje, dat met verschillende
+Varens goed beplant is, kan voor een zeer fraaie kamerversiering
+doorgaan. Hoewel de Varens schaduwplanten zijn, hebben zij toch,
+evenals alle fijnbladerige planten, behoefte aan tamelijk veel
+licht, waarom het kasje of terrarium dan ook dicht bij het venster
+moet staan. Het best doet men een venster te kiezen, dat morgen-
+of avondzon heeft en het kasje, zoodra de zon er op schijnt, met dun
+linnen te schermen.
+
+Van groot belang is voor deze planten ook het tijdig gieten en
+spuiten. Zij groeien slechts in zeer lichte aarde, die gemakkelijk
+geheel uitdroogt, en dan zeer moeilijk weder water opneemt. Daarbij
+verdragen zij in het geheel geen droog-worden. Het loof verdort,
+wanneer de plant droog wordt of in de zon staat, zeer spoedig of wel
+het krijgt dorre punten, en aan herstellen is in dit geval niet meer
+te denken, zoodat een plant, die men eens veronachtzaamd heeft, voor
+langen tijd bedorven is. Om dit te voorkomen moet men geregeld, zoo
+mogelijk met kalkvrij water gieten. Er moet echter op gelet worden,
+dat de aarde niet overdadig nat is, wat niet wegneemt, dat zij des
+zomers vochtiger mag zijn dan 's winters. De zoo noodige vochtige lucht
+verkrijgt men in het kasje door voortdurend spuiten. Er zijn slechts
+enkele soorten, die het spuiten niet verdragen, en die zijn dan ook ten
+eenenmale voor kamercultuur ongeschikt. Tot deze soorten behooren,
+jammer genoeg, ook de Goud- en Zilver-Varens (Gymnogramme). Bij
+donker weer spuit men natuurlijk niet of hoogstens slechts één keer,
+bij helder weer daarentegen moet het 3-5 keer per dag geschieden.
+
+Voor het spuiten moet men bij voorkeur gebruik maken van den
+rafraîchisseur. Naast vochtigheid hebben de Varens ook behoefte aan
+versche lucht en het kamerkasje moet dan ook, op heldere dagen, wanneer
+behoorlijk gespoten wordt, meer of minder gelucht worden. Vergeet men
+dit luchten, dan bestaat er veel kans, dat op het jong ontwikkelde loof
+schimmel voorkomt, wat het afsterven daarvan ten gevolge heeft. Dit
+kwaad kan men, wanneer het eenmaal opgetreden is, slechts bestrijden,
+door de plant eenigen tijd in een droge lucht te kweeken, doch het
+geneesmiddel is dan al niet veel minder erg dan de kwaal. De Varens,
+die voor kamercultuur geschikt zijn, kunnen ook voor een groot
+gedeelte des zomers buiten gekweekt worden, bij voorkeur op een
+beschutte plaats, in de schaduw van groote boomen. Bij warm weer
+moeten dan niet slechts de planten herhaaldelijk bespoten worden,
+doch ook de bodem er omheen moet enkele keeren worden nat gegoten,
+ten einde een vochtige lucht te verwekken.
+
+De Varens houden over het algemeen van een lichte, poreuze en zandige
+aarde. Jonge planten kweekt men bij voorkeur in groven boschgrond,
+heide- of bladaarde, waaraan voldoende zand is toegevoegd. Ook een
+mengsel van deze grondsoorten is zeer geschikt. Heeft men sterk
+ontwikkelde planten, dan kan men aan dit grondmengsel wat ruwen
+graszodengrond toevoegen. Hoe sterker de planten zijn, hoe grooter
+potten men gebruikt en hoe grover de aarde kan zijn. Het verplanten
+geschiedt in het voorjaar; sterk groeiende planten worden in den zomer
+nogmaals verpot. De Varens hebben fijne, teere wortels, waaraan niet
+gesneden mag worden, zoodat men slechts met een houtje de kluit een
+weinig losmaakt. De potten, die men gebruikt, moeten niet te groot
+zijn en ook moet de aarde niet te vast worden aangedrukt. Men moet
+er ook op letten goed poreuze, dunwandige, niet te hard gebakken
+potten te gebruiken. Dadelijk na het verpotten worden de planten
+eenige malen aangegoten.
+
+Vergeet men dit aangieten, dan wordt het jonge loof direct dor en
+de plant verliest veel van haar waarde. Het bemesten der Varens is
+onnoodig. Heeft men echter sterk bewortelde planten, die om de een
+of andere reden niet verpot kunnen worden, dan is het raadzaam ze met
+dunne koegier te begieten; chemische meststoffen zijn echter in geen
+geval aan te raden.
+
+Het voortkweeken der Varens geschiedt op verschillende wijzen.
+
+De gemakkelijkste manier is: ze bij het verplanten te scheuren.
+
+Eenige soorten, o.a. sommige Aspleniums, vormen op het loof jonge
+plantjes. Deze plantjes worden voorzichtig van de moederplant
+afgenomen, in lichte aarde geplant en als jonge zaadplantjes
+behandeld. De voornaamste voortkweeking geschiedt echter door
+middel van sporen. Deze vormen zich aan de achterzijden van het
+sporenloof, dat zich dikwijls reeds door den vorm van het gewone loof
+onderscheidt. Is dit sporenloof geheel rijp geworden, dan wordt het
+afgesneden en op wit papier in de zon gelegd. De sporangieën, die de
+sporen bevatten, vallen nu af en worden in kleine zakjes of doosjes
+verzameld. Bij eenige soorten verliezen de sporen vrij snel haar
+kiemkracht; andere daarentegen blijven zeer lang, somtijds tientallen
+van jaren, goed. Het zaaien van Varens is zeer interessant, maar in
+de kamer niet zeer dankbaar; daarbij eischt het zeer veel geduld.
+
+Het best bedient men zich hiertoe van glad afgesneden stukjes turf,
+die goed natgemaakt, vierkant afgesneden en in nogal diepe schoteltjes
+gelegd worden. Kan men over geen turf beschikken, dan kan men ook
+goede, zandige heide-aarde gebruiken. Op deze stukjes turf worden de
+sporen gezaaid. Het is nu zaak, de schoteltjes warm en zeer vochtig
+te zetten. Van boven mag men niet gieten, ten einde het optreden van
+schimmel en het wegspoelen der sporen te voorkomen. Het vierkant
+toegesneden stukje turf vult natuurlijk het ronde schoteltje niet
+geheel; er blijft aan de kanten ruimte over, en hier heeft men dan
+gelegenheid om te gieten. Laat men steeds wat water in het schoteltje
+staan, dan zuigt de turf het vanzelf op. Daar de turf gewoonlijk
+sporen bevat van inlandsche mossen en varens, die veel eerder dan
+de gezaaide zouden kiemen, doet men voorzichtig de stukjes vóór
+het gebruik eenigen tijd in kokend water te leggen, ten einde alle
+kiemkrachtige sporen er in te dooden. De schotels behoeven, wanneer
+men gezaaid heeft, niet op een lichte plaats gezet te worden; eerst
+wanneer de stukjes turf groen beginnen te worden, een bewijs, dat het
+kiemingsproces is aangevangen, moet men ze meer licht geven. In geen
+geval mogen de sporen met aarde bedekt worden; nuttig is het echter
+de schotels of potten met een glasplaat te bedekken, die 's morgens en
+'s avonds met een doek goed afgedroogd moet worden.
+
+Spoedig na het uitzaaien ontwikkelen zich kleine, groene lichaampjes,
+zoogenaamde voorkiemen, die een groene laag over de turf of aarde
+vormen. Aan de onderzijden ontwikkelen deze teere lichaampjes
+microscopisch kleine mannelijke en vrouwelijke organen, Antheridieën
+en Archegonieën genaamd. De vrouwelijke organen of Archegonieën
+worden door, uit de mannelijke organen spruitende, zwermsporen of
+Spermatozoïden bevrucht. Deze Spermatozoïden vertegenwoordigen bij de
+Varens het stuifmeel der zichtbaar bloeiende planten. Spoedig na de
+bevruchting ontstaat uit de voorkiemen het eerste, nog niet volkomen
+ontwikkelde varenloof. Zoodra dit het geval is, is de tijd daar,
+om de kiemplantjes te repikeeren. Men gebruikt daartoe weder vlakke
+schotels, die, na van een behoorlijke drainage voorzien te zijn,
+met fijn gezeefden heide- of boschgrond gevuld worden. Men neemt nu
+de geheele groene laag, die de voorkiemen gevormd hebben, uit den
+zaadschotel, scheurt haar zeer voorzichtig in kleine stukjes, die dan
+met de noodige voorzorgen geplant worden. Daar ieder klein stukje nog
+uit talrijke voorkiemen bestaat, en zich in de aarde spoedig mossen
+ontwikkelen, die de jonge Varenplantjes dreigen te verstikken, moet
+men verscheidene malen repikeeren, waarbij men de voorkiemen telkens
+verdeelt, tot men ten slotte ieder plantje afzonderlijk heeft staan.
+
+Zaait men fijne Varens, dan duurt de kieming dikwijls 2-4 maanden,
+terwijl er dan weder verscheidene maanden verloopen eer de plantjes in
+afzonderlijke potjes gezet kunnen worden. Gedurende dezen geheelen tijd
+moet men de plantjes zeer zorgvuldig behandelen; zij moeten gelijkmatig
+begoten worden, opdat de aarde niet uitdroogt; daarbij moeten zij
+van tijd tot tijd besproeid en tegen de zon geschermd worden.
+
+Alleen volledigheidshalve hebben wij de lastige voortkweeking der
+Varens meer uitvoerig medegedeeld; den liefhebber deze bewerking
+aanbevelen, mogen wij echter niet; immers slechts zij, die veel
+ondervinding met plantencultuur hebben opgedaan en hiervoor veel tijd
+beschikbaar kunnen stellen, zullen eenige kans van slagen hebben.
+
+De familie der Varens is zeer rijk aan geslachten en soorten. Het is
+ons onmogelijk, alle op te noemen, die bij een zorgvuldige behandeling
+als kamerplanten te gebruiken zijn. Wij bepalen ons tot enkele bekende;
+geen hooge temperatuur verlangende soorten, en merken er bij op, dat
+deze alle dezelfde, reeds vermelde, behandeling verlangen. De fraaiste
+en meest bekende Varensoorten zijn de Adiantums. Deze Varens vindt
+men in alle kweekerijen door talrijke soorten vertegenwoordigd. De
+meest bekende is de Adiantum cuneatum (Fig. 243); een andere,
+zeer schoone, hooger groeiende soort is de Adiantum fragrantissimum
+(Fig. 244), terwijl de Adiantum gracillimum door zeer fijn loof en
+groote sierlijkheid uitmunt. Al deze soorten worden tegenwoordig zeer
+veel gebruikt voor het opvullen van bloemenmandjes.
+
+Zeer goede kamerplanten bevat ook het geslacht Asplenium. Als uiterst
+dankbaar willen wij vermelden de Asplenium Belangeri (Fig. 245). Deze
+soort is ook daardoor interessant, omdat zich op het loof steeds jonge
+plantjes ontwikkelen, die later, ter voortkweeking kunnen dienen. Een
+aardige, kleine boomachtige Varen voor de kamer is de Lomaria gibba,
+een boschvaren uit Australië, met zeer hard loof en een donker slank
+stammetje, dat steeds vochtig gehouden, dus dikwijls bespoten moet
+worden. Zeer elegant loof hebben de Nephrolepis-soorten uit Mexico
+en Brazilië, welke ook zeer vaak het karakter van ampelplanten
+aannemen. Een fraaie, zeer bekende soort is de Nephrolepis exaltata
+(Fig. 246), alsmede de talrijke, vooral in den laatsten tijd uit
+Amerika ingevoerde verscheidenheden.
+
+Ten laatste willen wij nog het geslacht Pteris vermelden, waarvan
+tegenwoordig veel soorten gekweekt worden. Een der meest voorkomende
+soorten is de Pteris cretica albo-lineata (Fig. 247) met fraai wit
+omzoomd loof. Andere mooie soorten zijn de Pteris serrulata, Pteris
+tremula en Pteris argyræa, welke laatste een der schoonste bonte
+Varens is.
+
+
+
+
+Mossen of Lycopodiaceeën.
+
+De z.g. Mossen of Lycopodiaceeën behooren, evenals de Varens, tot de
+Cryptogamen of bedekt-bloeiende planten. Zijn de Varens reeds zeer
+gevoelig en teer, in nog meerdere mate is dit met deze planten het
+geval. Zij zijn echter, eenige klimmende soorten uitgezonderd, zóó
+sierlijk, dat zij als uitnemende planten voor het terrarium en het
+kleine kamerkasje kunnen beschouwd worden; ook voor de cultuur onder
+een stolp zijn zij niet ongeschikt. De Lycopodiaceeën hebben meestal
+zeer fijn ingesneden loof; somtijds groeien zij met behulp van stevige
+luchtwortels tamelijk op, of wel, zij klimmen door middel van deze
+worteltjes tegen kurkschors in de hoogte. De kleur van het loof is
+meestal heldergroen, enkele kenmerken zich door een blauwachtigen
+gloed, wat, vooral wanneer de zon er op schijnt, een prachtigen
+metaalglans aan de plant verleent; eenige in de cultuur ontstane
+soorten zijn geel- of witbont. Hoewel enkele der hardere zich op een
+niet-zonnig staande bloemtafel somtijds enkele maanden goed houden,
+zijn zij toch hoofdzakelijk aan te bevelen voor het kamerkasje of
+voor een vochtig warm terrarium.
+
+De kweekwijze der Lycopodiaceeën komt bijna geheel met die der Varens
+overeen; evenals deze planten beminnen zij schaduw, vochtigheid en
+warmte. Het best kweekt men ze in zandigen, groven boschgrond. Daar
+de zeer fijne worteltjes niet diep in de aarde dringen, doet men
+het best ze niet in potten, doch in vlakke schalen of schotels te
+planten. Is men genoodzaakt potten te gebruiken, dan is het zaak, die
+tot over de helft met scherven en stukjes houtskool te vullen. Op deze
+drainage brengt men dan de aarde. De grond, waarin men ze plant, moet
+zeer los zijn, zoodat aandrukken bij het verplanten geen vereischte
+is; beter doet men, wanneer zij geplant zijn, de schaal of den pot
+enkele keeren goed op de tafel neer te zetten, ten einde zoodoende de
+aarde een weinig te laten inzakken. Nog beter dan in potten groeien
+de Lycopodiaceeën, als ze in het kamerkasje of het terrarium vrij
+uitgeplant zijn. In de eerste plaats moet men zorgen voor het matig
+vochtig houden der aarde, verder voor schermen tegen de zon en voor
+een herhaald besproeien met den rafraîchisseur. Een liefhebber van
+deze planten, die geen kasje of terrarium tot zijn beschikking heeft,
+kan ze ook met succes onder stolpen kweeken, die dan in de vensterbank
+gezet moeten worden. De vermenigvuldiging der Lycopodiaceeën is veel
+eenvoudiger dan die der aanverwante Varens. Slechts zeer zelden kweekt
+men ze door het uitzaaien der sporen, daar dit veel sneller en zekerder
+geschiedt door stekken, die gemakkelijk groeien, al naar de scheuten,
+waarvan men ze neemt, rijker met luchtwortels bezet zijn. Deze
+luchtwortels brengt men bij het planten der stekken voorzichtig in
+de aarde, waar zij dan spoedig in gewone wortels veranderen.
+
+De laag blijvende soorten kan men bij het verplanten zeer gemakkelijk
+verdeelen, en ze dus op die wijze vermenigvuldigen. Enkele opgroeiende
+soorten, zooals bijv. de Selaginella Emmeliana, worden op de volgende
+wijze voortgekweekt: men snijdt volkomen rijpe twijgjes af en legt
+deze met de onderzijde op schotels, die men daartoe van te voren heeft
+klaargemaakt. Deze schotels worden van een zeer goede drainage voorzien
+en bijna tot aan den rand gevuld met lichte, zandige heide-aarde. De
+schotels worden dicht met de twijgjes der Selaginella's belegd, die men
+door scherfjes naar beneden drukt. Bedekt men nu de schotels met een
+glasplaat, houdt men ze warm en vochtig en besproeit men ze dagelijks
+een paar keeren, dan ontwikkelen zij na verscheidene weken worteltjes
+en jonge plantjes, die men afsnijdt en voorzichtig repikeert. Er
+verloopt echter minstens een vol jaar, voordat deze plantjes, nadat
+zij verscheidene malen verplant werden, sterk genoeg geworden zijn,
+om afzonderlijk in potjes te worden gezet.
+
+Van de tot deze groep behoorende planten komen voor de kamer eenige
+vertegenwoordigers van het geslacht Selaginella in aanmerking, die
+nu en dan in de kweekerijen ook wel gevonden worden onder den naam
+Lycopodium. Een der sierlijkste, die een gesloten mostapijt vormt,
+is de Selaginella apoda. Een andere soort, die wel wat hooger groeit,
+doch ook een grasachtig voorkomen heeft, is de Selaginella denticulata
+(Fig. 248); men vindt deze soort veel gebruikt in bloemenmandjes,
+om er de aarde mede te bedekken. Door een blauwachtigen
+metaalglans onderscheiden zich Selaginella amoena en S. cæsia
+(Fig. 176). Laatstgenoemde soort klimt tegen vochtige stammen op,
+doch is ook zeer goed als hangplant te gebruiken, waarom zij in het
+desbetreffende hoofdstuk is afgebeeld. Onder de opgroeiende, die voor
+de kamer zeer geschikt zijn, komt in de eerste plaats in aanmerking
+de fraaie Selaginella Emmeliana (Fig. 249). Onder de struikachtige
+wordt het meest aangetroffen de Selaginella Martensii, waarvan ook
+een bonte variëteit bekend is. Zeer fraai, hoewel zeldzamer, is de
+Selaginella inæqualifolia (Fig. 250).
+
+
+
+
+Het aquarium.
+
+Naast de talrijke potplanten, die wij tot hiertoe hebben leeren
+kennen, zijn er ook veel inlandsche en vreemde waterplanten, die
+voor kamercultuur geschikt zijn. Jammer genoeg wordt de waarde der
+waterplanten tot heden nog niet genoeg erkend, en er zijn slechts
+enkele handelskweekerijen, die er een grootere of kleinere verzameling
+van op na houden. Dit is een der redenen, waarom de liefhebber van de
+cultuur dezer planten moet afzien, vooral ook, wanneer hem de hiertoe
+behoorende soorten der inlandsche flora vreemd zijn. Iedere vaart
+of sloot herbergt, wel is waar, zeer talrijke planten, doch alles,
+wat daarin groeit, is niet voor de kamer te gebruiken.
+
+Voor den waren liefhebber moeten de waterplanten zeer interessant zijn,
+daar vele zich kenmerken door een uiterst merkwaardige leefwijze,
+die men lang niet altijd kan waarnemen, daar de echte waterplanten
+meestal buiten ons direct bereik in het wild voorkomen. De voorwerpen,
+waarin men in de kamer waterplanten wil kweeken, moeten natuurlijk
+in overeenstemming zijn met het karakter dier planten. Dergelijke
+voorwerpen worden aquariums genoemd. Een liefhebber, die een aquarium
+in de kamer heeft en zijn planten daarin goed verzorgt, kan er zeer
+veel genoegen van smaken. Een goed ingericht kamer-aquarium is
+een vijver en moeras te gelijk. Men kan er niet alleen zeer veel
+planten met succes in kweeken, maar er ook verschillende dieren,
+zooals visschen, amphibieën en de interessantste waterinsecten in
+verzamelen. Terwijl echter de cultuur van waterplanten eenvoudig
+en dankbaar is, en veel minder bekwaamheid eischt dan die van alle
+andere gewassen, is met het verzorgen van waterdieren juist het
+tegenovergestelde het geval. Kunnen wij reeds op het land waarnemen,
+dat er tusschen de verschillende schepselen vaak een harde strijd om
+het bestaan gestreden wordt, dan zullen wij bij de behandeling der in
+het water levende dieren weldra bemerken, dat deze strijd hier nog veel
+sterker is, en bijna nooit tot een einde komt. In het water heerscht
+het recht van den sterkste op de meest brutale wijze; hier is het
+een voortdurend verslinden en verslonden worden, en niet alleen onder
+de hoogere dieren, doch ook onder de insecten vinden wij roofdieren
+van de ergste soort. Dit voortdurend vervolgen en vervolgd worden,
+maakt het noodzakelijk, dat men in een betrekkelijk klein aquarium
+slechts die dieren kan houden, welke elkander niet bestrijden. Men moet
+onderscheid maken tusschen het gewone aquarium en een, speciaal voor
+roofdieren. In het eerste kan men onschuldige visschen en insecten,
+in het tweede roofvisschen en rooftorren houden. In betrekkelijken
+zin zijn ook het onschuldigste vischje en de kikvorsen roofdieren,
+daar zij zich in vrijen staat geheel of gedeeltelijk met levende
+insecten voeden, en desnoods hun eigen jongen niet ontzien.
+
+Al kan men in een planten-aquarium ook waterdieren kweeken,
+toch moet er een streng onderscheid gemaakt worden tusschen een
+dergelijke inrichting speciaal voor planten en een voor dieren. Bij
+een planten-aquarium wordt de zwaartekracht gelegd op de eischen der
+planten, bij een dieren-aquarium daarentegen op die der dieren. Lang
+niet altijd laten die beide eischen zich vereenigen, daar talrijke
+waterinsecten de planten vernielen, zeer veel visschen in hun verlangen
+naar plantaardig voedsel de teere waterplanten stukvreten en andere
+visschen, door hun woelen in den bodem, den plantengroei onmogelijk
+maken. De liefhebber, die zeer veel dieren in zijn aquarium wil houden,
+moet daarvoor meer tijd en kosten beschikbaar stellen, dan voor planten
+noodig is. Zoodra het aantal dieren dat der planten overtreft, zijn
+de laatsten niet meer in staat voldoende zuurstof voor de eersten
+af te scheiden. Zooals bekend is, ademen de visschen zuurstof in,
+die in hoofdzaak door de planten, bij helderen zonneschijn, wordt
+afgescheiden. Ontbreekt deze zuurstof aan het water, dan lijden de
+visschen gebrek aan lucht, zij zijn niet tierig meer en zij zwemmen
+steeds aan de oppervlakte van het water rond, angstig naar versche
+lucht happend. Eertijds kon men een dergelijk treurig beeld dikwijls
+waarnemen bij de goudvisschen, die in de ongelukkige, nu bijna geheel
+verdwenen, goudvisschen-glazen rondzwommen. Houdt men dus in hoofdzaak
+dieren in het aquarium, dan moet men langs kunstmatige wegen zuurstof
+aan het water toevoegen; dit geschiedt tamelijk gemakkelijk door
+kamerfonteintjes.
+
+De plantenliefhebber, die in de eerste plaats zijn aquarium
+inricht voor het kweeken van planten, zal ook pleizier hebben in
+waterdieren, daar niet weinige er van even belangwekkend zijn. De
+visschen, de stomme waterbewoners, die vaak een zeer hoogen graad
+van intelligentie vertoonen, dikwijls een fraai voorkomen met
+prachtige kleuren vereenigen, en in vele gevallen zich door talrijke
+interessante eigenschappen kenmerken, zijn de aanbevelenswaardigste
+aquarium-bewoners. Wij willen slechts even herinneren aan de fraaie
+inlandsche en vreemde baarzen, die zelfs in het kleinste aquarium hun
+nestjes bouwen. In deze nestjes legt het wijfje haar eieren, die door
+het mannetje bevrucht worden. Vooraf kan men dan een alleraardigste
+minnekoozerij bemerken, terwijl zij dan met de schoonste kleuren
+prijken. Niet alleen hierin, maar in talrijke andere opzichten kan men
+de belangwekkendste opmerkingen bij de visschen maken. Terwijl men in
+het dierenrijk meestal ziet, dat het mannetje geen huiselijke plichten
+kent en zich om zijn nageslacht in het geheel niet bekommert, kan men
+waarnemen, dat dit bij de nest-bouwende roofvisschen juist andersom is;
+de verzorging der jongen geschiedt uitsluitend door het mannetje. Dag
+en nacht bewaakt hij het nest, het naar zijn krachten tegen iederen
+vijand verdedigend, terwijl hij, door het water steeds in beweging
+te houden, voor een geregelde verversching daarvan zorgt. Verlaten de
+jongen eenmaal het nest, dan houdt het mannetje ze weder bij elkander
+en verwijdert er een zich te ver, dan brengt hij het in zijn bek weder
+naar het nest terug. Lang duurt deze zorg echter niet; spoedig krijgt
+de roofdieraard van den vader weder de bovenhand en hij verslindt
+dan zijn gansche nakomelingschap, wanneer men hem niet tijdig uit het
+aquarium verwijdert. Het houden van visschen, ook al maken zij geen
+nest, is zeer interessant, daar reeds de vrij snelle ontwikkeling
+der diertjes den natuurliefhebbers veel genoegen verschaft.
+
+Vooral in Duitschland begint de liefhebberij om er een aquarium op na
+te houden, steeds grooter te worden, wat zeer wordt aangemoedigd door
+een vereeniging van aquarium-liefhebbers. Deze vereeniging bevordert
+het bekend worden van nieuwere waterplanten en haar cultuur, alsook
+den invoer van fraaie visschen, vooral uit Azië en Amerika. Wij zouden
+het doel van dit boekje voorbijloopen, wanneer wij ons met de geheele
+aquarium-liefhebberij wilden bezighouden. Wij kunnen ons bepalen tot
+inrichting van het planten-aquarium, de cultuur van waterplanten en
+de bespreking der meest aanbevelenswaardige soorten voor dit doel.
+
+In deze inleiding willen wij nog even wijzen op den gunstigen invloed,
+dien een kamer-aquarium op de gezondheid der bewoners en der planten
+uitoefent. Het is, jammer genoeg, een algemeen aangenomen en toch
+geheel verkeerde meening, dat de dampen van het aquarium schadelijk
+zouden zijn. Deze uitwasemingen zijn op zichzelf tamelijk onbeduidend;
+zij worden echter door een fonteintje aanmerkelijk verhoogd. Het
+aquarium is juist zeer geschikt om voor menschen en planten de droge
+kamerlucht een weinig vochtiger en dus stofvrijer te maken en reeds
+met het oog hierop is de aanschaffing er van zeer aan te bevelen.
+
+
+
+
+Practische aquariums voor de cultuur van waterplanten.
+
+De toenemende liefhebberij voor aquariums is oorzaak geworden, dat
+men ze tegenwoordig in de meest verscheidene vormen in den handel
+kan verkregen. Wij willen ons slechts met de verschillende vormen
+bezighouden, niet met de wijze, waarop zij worden vervaardigd, daar men
+hiertoe een handigheid moet hebben, die den gewonen liefhebber slechts
+zelden eigen is, en zij fabriekmatig gemaakt, tegen geringen prijs
+verkrijgbaar zijn. Vroeger zag men voor het kweeken van waterplanten
+of het verzorgen van visschen geen ander voorwerp dan het gewone
+goudvisschenglas. Iedereen kent deze glazen, die door hun vorm en
+vooral door hun nauwe halzen, ware martelinrichtingen voor dieren, en
+tot het beplanten geheel ongeschikt zijn. Het best doet men dan ook,
+van het gebruik dezer glazen geheel af te zien, te meer, daar goede
+glazen aquariums bijna overal te verkrijgen zijn. Zulke aquariums
+zijn in de eerste plaats de ronde glazen, die boven en beneden even
+wijd zijn en eenigszins den vorm van een kaasstolp hebben. Deze glazen
+moeten tamelijk dikke wanden hebben, niet te klein zijn, maar toch ook
+niet grooter dan 50 cM. Het groote nadeel van deze glazen is gelegen
+in hun breekbaarheid; zij springen gemakkelijk en kunnen dan niet
+meer gebruikt worden, daar repareeren natuurlijk uitgesloten is.
+
+Het geheel uit glas vervaardigde aquarium heeft tegenover het houten
+of ijzeren met glas bezette zeer groote voordeelen, daar het niet lek
+wordt, zich gemakkelijk laat schoonmaken en het licht overal toegang
+verleent, wat bij de cultuur van veel licht verlangende planten van
+groot belang is. Onder deze glazen aquariums zijn de hoekige weder
+aanbevelenswaardiger dan de ronde, daar zij sterker zijn, men er
+de planten en dieren beter in kan waarnemen en zij minder plaats
+innemen, waardoor men ze in een beperkte ruimte gemakkelijker kan
+houden. Deze hoekige, uit één stuk glas vervaardigde aquariums komen
+bij de liefhebbers van waterplanten hoe langer hoe meer in den smaak
+en zijn tamelijk goedkoop in den handel verkrijgbaar.
+
+Zeer geschikt zijn ook de elementglazen, die voor electrische
+batterijen gebruikt worden, en in de glasfabrieken bij duizenden in
+vierkanten of langwerpigen vorm worden vervaardigd. Verscheidene der
+gravuren stellen waterplanten voor, in dergelijke glazen gekweekt. De
+kleinste dezer langwerpige glazen, die een diepte van 12-15 cM. en een
+lengte van 20-25 cM. hebben, zijn uitstekend geschikt voor de cultuur
+van een enkele waterplant, daar zij gemakkelijk op de vensterbank een
+plaatsje kunnen vinden. Voor onder water groeiende planten moeten
+deze glazen minstens 25 cM. diep zijn; voor kleine uit het water
+groeiende kan men ook met een geringere diepte volstaan. Wil men
+grootere elementglazen gebruiken, dan zet men ze op een flinke plank,
+waarvan de randen gepolitoerd of geverfd worden, zekerheidshalve
+kan men dan den bovenrand ook nog met een houten raampje omgeven;
+zij gelijken dan veel op een aquarium uit den handel. Te groot
+moet men echter de elementglazen ook niet nemen, daar de wanden
+niet erg dik zijn en zij op den duur aan den druk van het water
+geen weerstand kunnen bieden. Wil men een vertrouwbaar glas hebben,
+dan moet dit niet langer dan 45 cM. en niet breeder en dieper dan
+30 cM. zijn. Een dergelijke grootte is ruimschoots voldoende voor de
+cultuur van verscheidene grootere moeras- en waterplanten.
+
+In den handel zijn voorts nog aquariums van den meest verschillenden
+vorm verkrijgbaar, vervaardigd uit een raam, waarin ruiten met stopverf
+bevestigd zijn. Gewoonlijk zijn deze langwerpig vierkant; men treft
+ook zes- en achthoekige aan. Een hoofdzaak is hier een zorgvuldige
+stopping met daarvoor geprepareerde stopverf. De bodem bestaat meestal
+uit blik en men moet er op letten, dat deze eenige keeren geverfd is
+en op een flinken, houten voet rust. Heeft men kleine aquariums, dan
+bestaat het raam meestal uit blik, voor grootere moet het echter uit
+smeedijzer of wel uit sterk hout vervaardigd zijn; voor nog grootere
+moeten ook de ruiten bestaan uit flink spiegelglas.
+
+Het doelmatigst zijn de meest eenvoudige aquariums; in ieder geval
+moeten te veel versieringen sterk vermeden worden, daar hierdoor het
+oog van de hoofdzaak, de planten en dieren, wordt afgeleid. De grootte
+van het aquarium kiest men naar de beschikbare ruimte; de diepte moet
+echter niet meer zijn dan 45 cM., daar een dergelijke diepte voldoende
+is, om alle onder water groeiende planten te kweeken. Een liefhebber,
+die bij het kweeken een weinig redeneert, zal in een diep aquarium
+niets anders kweeken dan onder water groeiende of met drijvende
+bladeren voorziene planten. Voor het kweeken van waterplanten, die met
+haar bladeren boven het water uitsteken, gebruikt men er een van 25
+cM. diepte; voor moerasplanten, met kruipende wortelstokken, die wel
+een vrij dikke aardlaag, doch slechts zeer weinig water verlangen, en
+ook voor drijvende planten is een diepte van 15 cM. voldoende. Neemt
+men een aquarium van middelmatige hoogte, dan kunnen daarin, zooals
+verderop zal blijken, planten van verschillenden aard gekweekt worden.
+
+Het fraaist voor de kamer zijn de niet te hooge aquariums, die met
+mooie, zich boven den waterspiegel verheffende planten bezet zijn. Onze
+plaat "Aquarium, beplant met moerasplanten" toont een dergelijke, bezet
+met planten, die door den schrijver zelf in een kamer gekweekt zijn.
+
+Deze moerasplanten hebben veel meer behoefte aan licht dan de onder
+water groeiende planten. Daar er in de modern gemeubileerde vertrekken,
+dank zij de zware overgordijnen en vitrages, steeds een gedempt licht
+heerscht, doet men beter, daar onder water groeiende planten in plaats
+van moerasplanten te kweeken. Een gebrek van deze gewassen is echter,
+dat zij aan het aquarium geen schilderachtig voorkomen geven. Voor
+fraai gemeubileerde vertrekken zin tegenwoordig z.g.n. salon-aquariums
+in den handel; deze bestaan uit een eleganten gietijzeren, veelal
+gebronsden standaard, die een stevige metalen plaat draagt. Op deze
+plaat staat het meestal achtzijdige aquarium, zooveel ruimte vrij
+latende, dat men er een rand planten omheen kan zetten. Een door
+luchtdruk gedreven fonteintje verhoogt de waarde er van.
+
+Onze plaat "Beplant aquarium met fonteintje" toont een dergelijk
+aquarium, dat men nog versieren kan met een, met mooie planten
+bezet tufsteenen rotsje. De ruimte, die er rondom open blijft, mag
+slechts met fraaie, laag blijvende planten bezet worden. Daar deze
+aquariums meestal achthoekig zijn, is het geraden op de vrijblijvende
+ruimten acht blikken busjes voor hangplanten te laten soldeeren. Op
+het door ons afgebeelde aquarium zijn zulke busjes aangebracht,
+die met de voor dit doel uitstekend geschikte Ficus repens beplant
+zijn. Het geheel, zooals het is afgebeeld, is in het bezit van den
+Rijksbouwkundige Brzozowski, te Charlottenburg; het heeft van boven
+nog een fijn netwerk. Een dergelijk net heeft voor een salon-aquarium
+groote waarde, daar het de geheele vulling met water mogelijk maakt,
+zonder dat de visschen er uit kunnen springen. Gewoonlijk ontstaat
+er aan den waterrand tegen het glas een groene streep, die, wanneer
+zij eenigen tijd veronachtzaamd wordt, bijna niet meer verwijderd kan
+worden; is men echter in de gelegenheid het aquarium geheel te vullen,
+dan ontstaat zulk een streep niet.
+
+Maar al te vaak willen in een kamer-aquarium de drijvende planten,
+of die met drijvende bladeren, niet groeien, daar de droge lucht
+haar niet aanstaat. Dit bezwaar wordt overwonnen door een gesloten
+aquarium, d.w.z. door een, dat van een glazen dakje voorzien is. Zulke
+aquariums zijn ook uitstekend geschikt, wanneer men visschen of andere
+waterdieren wil houden. Deze toch springen of klauteren uit het water,
+vallen op den grond en sterven daar meestal een allertreurigsten
+dood. De plaat "Gesloten aquarium met onder water groeiende planten"
+geeft dit idee duidelijk weer. Het bakje moet zóó ingericht wezen,
+dat men het gemakkelijk openen en zoo noodig geheel verwijderen kan;
+ook moet men er een ruit kunnen uitnemen en die door een horretje
+vervangen, ten einde bij warm weder de lucht voldoende te kunnen
+ververschen.
+
+
+
+
+De beplanting van het aquarium.
+
+De aquariums of andere voorwerpen, die dienen voor het kweeken
+van waterplanten, kunnen bijna gedurende het gansche jaar beplant
+worden; wat niet wegneemt, dat de beste tijd daarvoor het voorjaar
+is. Inlandsche waterplanten, die niet gevoelig zijn voor een lage
+watertemperatuur, die bijna den ganschen winter rusten, d.w.z. dan
+tot op den knol of wortelstok insterven, worden het best in Maart of
+April geplant. Dit is ook de beste tijd om de éénjarige waterplanten,
+hoewel die niet zeer aanbevelenswaardig zijn, te zaaien. Omstreeks
+dezen tijd, wanneer het ijs overal verdwenen is en de zon reeds kracht
+begint te krijgen, ontwikkelen deze planten zich buitengewoon snel.
+
+Uitheemsche waterplanten zijn zoo vroeg in het jaar slechts moeilijk en
+meestal alleen tegen verhoogde prijzen te verkrijgen, waarom men beter
+doet te wachten met ze te planten tot Mei, zoo noodig tot het begin
+van Juni. Kan men echter de verlangde planten vroeg genoeg krijgen
+of heeft men ze zelf laten overwinteren en kan men het aquarium een
+plaats in de verwarmde kamer geven, dan is het veel raadzamer de
+beplanting reeds in April te doen.
+
+Alvorens met het beplanten te beginnen zijn talrijke voorbereidingen
+noodig. Het aquarium moet een paar dagen van te voren met water gevuld
+worden, ten einde zekerheid te hebben, dat het goed dicht is. Voor
+het beplanten giet men er het water uit en droogt de ruiten goed
+af. Ook de aarde moet voorhanden en goed bij vocht zijn, d.w.z. nòch
+te droog, nòch te nat. De beste grond om waterplanten in te kweeken,
+is bagger uit breede, liefst stroomende vaarten. Met deze bagger
+moet men echter voorzichtig zijn, daar zij zeer licht de sporen van
+uiterst lastige lagere waterplanten bevat, die maar al te vaak voor de
+gekweekte planten hoogst verderfelijk zijn. Men moet de bagger buiten
+dun uitspreiden, om die zoodoende in de zon te drogen; is zij matig
+droog, dan legt men den grond op een goed verwarmde ovenplaat, ten
+einde hem onder groote hitte geheel uit te laten uitdrogen. Na deze
+bewerking zal de dan ontstane aarde geen kiemen meer bevatten. Deze
+aarde wordt nu vermengd met ongeveer 1/10 scherp zand, matig vochtig
+gemaakt en hierna gebruikt. Zeer bruikbaar is ook, wanneer men haar
+dezelfde bewerking heeft laten ondergaan, de zwarte veenaarde van
+laag gelegen weiden. Kan men over deze aardsoorten niet beschikken,
+dan is ook zeer goed bruikbaar fijn turfstrooisel.
+
+Dit turfstrooisel vormt tegenwoordig, in balen geperst, een zeer
+belangrijk handelsartikel; het wordt veel in stallen gebruikt in plaats
+van stroo en is daardoor gemakkelijk te verkrijgen. Het turfstrooisel
+wordt eerst in stukjes ter grootte van een noot gebroken en daar het
+kurkdroog is, waardoor het op het water drijft, moet men het eerst
+24 uur weeken, daarna tusschen de handen uitwringen en dan met droog
+zand vermengen. Iedere grondsoort moet met minstens 1/10 zand vermengd
+worden. Hoewel bagger, veenaarde en turfstrooisel ieder op zichzelf
+bijna alle bestanddeelen bevatten, die waterplanten noodig hebben, doet
+men toch voorzichtig er, wanneer er sterk groeiende gewassen in geplant
+moeten worden, ongeveer 1/10 goede klei of graszodengrond aan toe
+te voegen. Van groote waarde is het ook, wanneer men de te gebruiken
+aarde in het najaar reeds gereed kan maken, om die dan buiten te laten
+liggen. Zij bevriest dan des winters, wat op de samenstelling er van
+een zeer gunstigen invloed heeft, daar zij er veel muller door wordt.
+
+De onder water groeiende planten, die slechts betrekkelijk weinig
+voedsel noodig hebben, worden hier en daar wel in enkel zand
+geplant. Aanbevelenswaardig is dit echter niet en men doet wèl, ook
+haar een grondmengsel te geven. Zand is echter voor alle aquariums en
+vooral voor die, waarin men aarde gebruikt, hoognoodig, daar de dieren,
+welke men er in houdt, steeds de aarde een weinig loswoelen en daardoor
+niet alleen de planten beschadigen, doch ook het water troebel maken.
+
+Na het beplanten bedekt men daarom de aarde met een laagje zand,
+dat men op de hieronder opgegeven wijze bereidt, alvorens het te
+gebruiken. Het best daartoe is zeer fijn kiezelzand; heeft men dit
+niet, dan is zeer fijn zilverzand beter dan scherp zand. Het zand
+of kiezel moet zeer goed gewasschen worden. Onder krachtig omroeren
+wascht men het 10-20-maal goed uit, zoodat het waschwater ten laatste
+in het geheel niet troebel meer wordt. Voor het gebruik moet men
+het dan eerst drogen en uitgloeien. Men moet ook zorgen, dat de
+voor de beplanting noodige gewassen voor de hand liggen. Zij worden
+òf uit een oud aquarium genomen, òf men gebruikt nieuw aangeschafte
+planten. Eerst worden zij goed uitgewasschen, waartoe men begint met
+ze in lauw water flink af te spoelen, waarna de bladeren van alle
+onreinheden worden gezuiverd. Daar de waterplanten niet lang droog
+mogen liggen, legt men ze vóór het gebruik in een schotel met water.
+
+Heeft men de hier opgegeven voorbereidingen gemaakt, dan wordt de
+aarde in het aquarium gebracht, waarbij men moet oppassen de ruiten
+niet vuil te maken. Voor de weinig eischende, onder water groeiende
+planten moet het aardlaagje minstens 5 cM. dik zijn; beter is echter
+een aardlaag van ongeveer 10 cM. dikte. Voor sterk wortelende,
+boven het water uitgroeiende en voor van groote drijvende bladeren
+voorziene planten moet de aardlaag minstens 20 cM. bedragen. Men kan
+nu de aarde gelijkmatig over den bodem verdeelen; beter is het echter
+ze aan de kanten wat op te hoogen en naar het midden te laten vallen,
+of ze aan de eene zijde hooger te leggen dan aan de andere, zooals
+dit op de plaat "Gesloten aquarium met onder water groeiende planten"
+zichtbaar is. Deze ongelijk liggende bodem is oorzaak, dat alle vuil
+zich op het diepste punt verzamelt, van waar men het betrekkelijk
+gemakkelijk kan verwijderen. Heeft men een groot aquarium, dan stelt
+de ongelijke bodem den liefhebber in de gelegenheid er planten
+met verschillende eischen in te kweeken. Hebben wij er bijv. een
+van 100 cM. lengte tegen 40 cM. diepte, dan kunnen wij daarin zeer
+verschillende moeras- en waterplanten kweeken, wanneer wij aan de
+eene smalle zijde de aardlaag 30 cM. dik maken en die langzaam laten
+minderen, zoodat zij aan de tegenoverliggende smalle zijde nog slechts
+een dikte van 8 à 10 cM. heeft. Op het hoogste punt, waar zich de
+dikste aardlaag en bij gevolg het minste water bevindt, zet men de
+sterk groeiende moerasplanten, in het midden de planten met drijvende
+bladeren en op het laagste punt vinden de onder water groeiende
+planten een plaatsje. Heeft men de aarde op deze wijze verdeeld en
+is zij matig vastgedrukt, dan begint de beplanting. Bij het planten,
+moet men er op letten, dat de wortels gelijkmatig in de aarde worden
+verdeeld. Men moet er dus de planten maar niet eenvoudig instoppen,
+zooals dit maar al te vaak gebeurt, omdat de wortelspitsen dan meestal
+naar boven in plaats van naar beneden gericht zijn, wat allicht het
+afsterven ten gevolge heeft.
+
+Maken veel waterplanten in dit geval toch jonge wortels, en groeien zij
+bijgevolg door, dan is dit wel een bewijs voor haar taaiheid, doch niet
+voor de geschiktheid der wijze van planten. Knollen, wortelstokken en
+planten met stijf opstaande bladeren worden zonder eenige voorbereiding
+geplant; onder water groeiende planten en die met drijvende bladeren
+worden echter, vóór het planten, tot aan den wortelhals in papier
+gewikkeld, opdat de bladeren door de aanraking met de aarde niet vuil
+worden. Het planten moet zóó diep geschieden, dat de wortelhals juist
+in het water komt te staan. Gewoonlijk wordt een groote fout begaan,
+doordat men te dicht plant. Deze fout moet men vooral vermijden,
+en de planten zóó wijd uit elkander zetten, dat ieder op zichzelf
+ruimte genoeg heeft om zich flink te ontwikkelen. Is men met planten
+gereed, dan wordt de aarde goed gelijkgemaakt, behoorlijk aangedrukt
+en daarna met het klaarliggende zand bedekt. De zandlaag moet overal
+ongeveer 3-5 cM. dik zijn; komt zij te hoog te liggen, dan moet men
+vooral de kruidachtige planten voorzichtig een weinig optrekken,
+ten einde te zorgen, dat zij niet te diep onder het zand komen te
+staan. Dadelijk na het opbrengen van het zand wordt het papier van
+de bladeren verwijderd. Al deze bewerkingen moeten vlug op elkander
+volgen, opdat de planten niet te lang buiten het water blijven,
+en daardoor lijden; reden waarom alles vooraf klaargemaakt moet worden.
+
+Voor het vullen van het aquarium gebruikt men het best zuiver regen-,
+bron- of leidingwater; vóór het gebruik moet het eenigen tijd in
+het vertrek gestaan hebben, ten einde behoorlijk op temperatuur te
+komen. Het gebruik van kalk- of ijzerhoudend bronwater moet vermeden
+worden, daar dit voor planten noch dieren gezond is. Het ingieten
+van het water moet zeer voorzichtig geschieden, omdat nòch het zand,
+nòch de planten losgespoeld mogen worden. Men gebruikt voor het vullen
+een fijnen broesgieter of wel men giet op een schoteltje, dat van te
+voren op het zand wordt gezet; is de waterstand wat hooger geworden,
+dan giet men in de onder water gehouden vlakke hand. Heeft het water de
+verlangde hoogte, dan laat men het aquarium eenige dagen onaangeroerd
+staan. Is het water niet volkomen helder geworden, dan moet men het
+voorzichtig afscheppen of afhevelen en door ander vervangen; is het
+echter helder, dan kan men er de visschen en andere dieren in brengen.
+
+
+
+
+De versiering van het aquarium.
+
+Zooals wij reeds opgemerkt hebben, moet het aquarium zelf zoo eenvoudig
+mogelijk gemaakt zijn, omdat de waarde er van niet gelegen moet zijn
+in de aangebrachte versieringen, doch wel in de planten en dieren,
+die men er in houdt. Evenals het uitwendig moet het ook inwendig zeer
+eenvoudig zijn, en in de meeste gevallen moet de versiering met het
+beplanten en het ingebrachte zand eindigen.
+
+Een versiering, die door den eenen liefhebber zeer hoog word geschat
+en door den anderen geheel verworpen, is een rotsje van tufsteen. Wil
+men een dergelijk rotsje in het aquarium aanbrengen, dan moet dit
+vóór de beplanting geschieden. Is het rotsje niet te groot, heeft
+het niet het gekunstelde voorkomen van een ruïne, steekt het slechts
+weinig boven water uit en is het van holten voorzien, die zich ter
+beplanting zeer goed leenen, dan verhoogt het zeer zeker de waarde
+van het aquarium. Wel is waar heeft een dergelijk rotsje ook zijn
+schaduwzijden; het neemt nogal veel ruimte in, ontneemt aan veel
+planten het licht en daar het zich door zijn ruwheid niet behoorlijk
+laat reinigen, wordt het spoedig een broeinest voor de wel niet
+schadelijke, doch lastige algen.
+
+Het rotsje mag in geen geval meer ruimte innemen dan de helft van het
+aquarium; ook moet het onder water eenigszins gelijken op een brug,
+opdat de visschen een gang hebben om door te zwemmen. Men kan òf
+een rotsje kant en klaar koopen, òf wel men koopt een aantal stukken
+tufsteen van verschillende afmetingen, die men met cement aan elkander
+metselt. Wil men het rotsje met grootere waterplanten beplanten, dan
+kan men er kleine potjes inmetselen, die echter geheel met tufsteen
+moeten bedekt worden, zoodat zij niet zichtbaar zijn. Is het rotsje
+klaar en goed droog, dan moet men het met een stijven borstel goed
+afschrobben, zoodat alle vuil en losse cementdeelen er van verwijderd
+zijn; hierna wordt het beplant en in het aquarium gezet. Voor de
+beplanting van grootere spleten en der ingemetselde potjes leenen
+zich het best Cyperus-, Carex- en Juncus-soorten; voor het gedeelte,
+dat boven het water uitsteekt, zijn Varens zeer geschikt, terwijl
+Selaginella's en Bladmossen er zeer goed op groeien. De Varens
+en Mossen moeten echter geheel boven water blijven. Is het rotsje
+beplant, dan wordt het met een broesgieter goed aangegoten en daarna
+in het aquarium gezet. Is men hiermede gereed, dan kan men de aarde
+in het aquarium brengen en dit verder beplanten. Veel liefhebbers
+houden er van den bodem van het aquarium met goed gewasschen schelpen
+of steenen te versieren, waartegen geen bezwaren bestaan. Anderen
+versieren het met kleine molentjes, drijvende eilandjes of eenden
+en visschen van porselein. Dit is natuurlijk geheel onnut speelgoed,
+hetwelk het natuurlijke karakter van het aquarium wegneemt, dit moet
+dus in ieder geval vermeden worden.
+
+
+
+
+De verzorging van het beplante aquarium.
+
+Is het aquarium geheel klaar en beplant en blijft het water volkomen
+helder, zoodat het niet meer behoeft afgegoten en ververscht te
+worden, dan veroorzaakt de verzorging betrekkelijk weinig moeite. In
+de eerste plaats moet men het een goede, lichte plaats geven, zoodat
+het nu en dan ook door de zon beschenen wordt. Heeft men er niet
+alleen planten, maar ook dieren in, dan moet men er veel meer moeite
+aan besteden. De dieren worden toch dikwijls door ziekten aangetast,
+waarom men steeds op hen letten moet, terwijl ook voor een geregelde
+voedering moet gezorgd worden. Des winters, wanneer het aquarium op een
+koude plaats staat, is het voldoende twee keer in de week te voederen;
+des zomers moet men dit echter dagelijks en bij zeer warm weer zelfs
+twee keer per dag doen. Men moet er op letten niet meer voedsel te
+geven dan direct opgegeten wordt, daar overblijfselen er van het water
+verontreinigen. Het beste vischvoeder zijn lagere waterdiertjes, die
+men met een gazen netje in stilstaand water kan vangen; ook stukjes
+gesneden regenwormen of fijn gesneden mager vleesch. Des zomers kan
+men ook met succes versche mierenpoppen gebruiken.
+
+De waterplanten, die door haar snellen en interessanten groei den
+liefhebber dagelijks nieuwe verrassingen bereiden, vereischen niet
+zeer veel verzorging. Het voornaamste werk toch bij de plantencultuur,
+het gieten, vervalt vanzelf. Het gemakkelijkst zijn de onder water
+groeiende planten, die zich ook zonder zon zeer goed ontwikkelen; bij
+deze behoeft men slechts nu en dan de rotte bladeren te verwijderen.
+
+Zeer veel last veroorzaken, wanneer men deze planten kweekt, de
+algen en lagere mossen, die niet zelden de andere planten volkomen
+overgroeien. Men moet ze met de vingers zorgvuldig verwijderen, en
+wordt het water daardoor troebel, dan giet men het af en vervangt
+het door versch. Heeft men drijvende planten, planten met drijvende
+bladeren, of die boven het water uitgroeien, dan moet men er ook voor
+zorgen de rottende deelen tijdig te verwijderen. Het meest lijden
+vooral de inlandsche planten, in een gesloten kamer, door gebrek aan
+licht en lucht; zij groeien dikwijls slap op en worden door zeer
+verschillend ongedierte aangetast. Een herhaalde bewassching met
+zeepsop of tabaksextract moet dan toegepast worden om deze plaag te
+bestrijden. Met dit afwasschen moet men zeer voorzichtig zijn, daar
+niets van het giftige extract in het water mag komen. Het best doet
+men het met een zachte, niet te vochtige spons. Wanneer men niet van
+plan is zaden te verzamelen, dan moeten de uitgebloeide bloemstengels
+zoo spoedig mogelijk weggesneden worden. In het najaar moet men goed
+toezien op de afstervende éénjarige planten; deze worden met wortel
+en al uitgetrokken en weggeworpen. Terzelfder tijd let men ook op de
+planten met knollen of wortelstokken; zij beginnen dan langzaam af
+te sterven en de doode gedeelten moeten dadelijk verwijderd worden.
+
+Eenige waterplanten hebben de eigenaardigheid zich door kweekknolletjes
+en uitloopers zóó sterk te vermenigvuldigen, dat zonder tusschenkomst
+het water na eenige maanden geheel met stengels en bladeren gevuld zou
+zijn. Deze overgroote vermenigvuldiging moeten wij tijdig voorkomen,
+door de jonge plantjes dadelijk dáár te verwijderen, waar zij merkbaar
+te veel zijn.
+
+Lastig is het dikwijls de ruiten inwendig goed schoon te houden. Er
+vormt zich op de waterlijn een vuile streep, en ook zetten zich
+groene algen af, die wel niet schadelijk, ja eerder nuttig zijn,
+daar zij, evenals de grootere planten, zuurstof afscheiden en het
+water dus gezond houden, doch het glas ondoorzichtig maken. Men kan
+dan het inwendige van het aquarium niet meer zien, waardoor het veel
+van zijn aantrekkelijkheid verliest. Om een en ander te voorkomen,
+moet men de ruiten een paar keeren per week met een tandenborstel of
+met een met laken omwoeld latje afborstelen. Dikwijls verschijnt ook
+een vlies op het water, dat schijnbaar door stof veroorzaakt wordt,
+doch dat bij microscopisch onderzoek bijna uitsluitend uit bacterieën
+blijkt te bestaan. Zulk een vlies ontwikkelt zich alleen op voortdurend
+stilstaand water; dus bij aquariums, waarin men dieren houdt, of
+waarin men voor een geregelden toevloed en afvoer van water zorgt,
+heeft men er geen last van. Schadelijk zijn deze bacterieën niet. De
+excrementen der visschen en ander vuil zakken op den bodem van het
+water. Men kan deze gemakkelijk door een soort hevel verwijderen. Zulk
+een hevel bestaat uit een glazen buisje, aan de onderzijde iets verwijd
+en in het midden voorzien van een ballonachtige verwijding. Men plaatst
+het wijdste gedeelte der buis boven het vuil en zuigt daarna de lucht
+uit den hevel. Dit zal nu door den luchtdruk op het buitenwater in
+de buis opstijgen en zich in het ballonnetje verzamelen. Door het
+buisje van boven met den duim te sluiten, kan men het zoodoende uit
+het water verwijderen.
+
+Het is een tamelijk verspreid en toch geheel verkeerd denkbeeld,
+dat het water van een aquarium wekelijks, ja zelfs dagelijks moet
+ververscht worden. Heeft men het goed ingericht en beplant, en niet
+met visschen overbevolkt, dan blijft het water langen tijd helder, en
+behoeft niet ververscht te worden. Men moet echter den waterspiegel,
+op een zelfde hoogte houden, en dus nu en dan, voor het verdampte,
+wat versch water bijvullen. Is het aquarium uitsluitend met onder
+water groeiende planten en gewassen met op het water drijvende
+bladeren beplant, dan behoeft men dikwijls in één jaar tijd het water
+niet te vernieuwen. Heeft men het met sterk groeiende moerasplanten
+bezet, die de aarde uitputten en zich boven het water verheffen,
+dan is het raadzaam het ieder voorjaar goed onder handen te nemen,
+flink te reinigen, er nieuwe aarde in te brengen en het opnieuw
+te beplanten. Indien men prijs stelt op een net voorkomen van
+het aquarium, dan is dit verplanten niet te voorkomen, daar veel
+moerasplanten een kruipenden wortelstok hebben, dus niet op haar
+plaats blijven staan, doch zich vrij spoedig op plaatsen bevinden,
+waar men ze niet gebruiken kan.
+
+
+
+
+Inheemsche en uitheemsche waterplanten.
+
+De liefhebber, die geen ondervinding heeft met betrekking tot het
+aquarium en zich waterplanten wil aanschaffen, staat al dadelijk
+voor de vraag of hij uitheemsche gewassen zal koopen of wel uit de
+naburige vaarten of slooten die planten voorzichtig zal opnemen en in
+zijn aquarium planten, welke hem het meest aanstaan. Deze vraag is
+niet zoo heel gemakkelijk te beantwoorden. Langjarige ondervinding
+op het gebied der cultuur van waterplanten heeft geleerd, dat
+voor het beplanten van vijver en bassins in tuinen de inlandsche
+waterplanten verre de voorkeur verdienen; voor het kweeken in de
+kamer komen echter in de eerste plaats de uitheemsche gewassen in
+aanmerking. Het gaat hiermede juist als met de potplanten: Palmen en
+andere uitheemsche planten groeien in de kamer zeer goed, inheemsche
+echter worden er slap en gaan er dood. De tropische waterplant, die
+een hoogere temperatuur verlangt, groeit jaar in, jaar uit zeer goed
+in een kamer; de inlandsche echter, die frissche, vrije lucht noodig
+heeft, groeit meestal slap, trekt naar het licht en wordt geregeld
+door lastig te verdreven ongedierte aangetast. Voor kamercultuur
+zijn van onze inlandsche Flora het meest geschikt de onder water
+groeiende planten; minder goed zijn, op enkele uitzonderingen na,
+de planten met drijvende bladeren of de geheel drijvende planten,
+en het minst deugen de inlandsche moerasplanten, vooral die, welke
+met haar bladeren en stengels boven het water uitsteken. De inlandsche
+waterplanten staan echter ook nog in ander opzicht bij de uitheemsche
+ten achter. Deze laatste toch, die zich bij ons ingeburgerd hebben,
+hebben bijna alle geen volmaakte rustperiode; zij blijven dus het
+geheele jaar door groen. Met de inlandsche planten is dit echter heel
+wat anders. Onze slooten en vaarten bevriezen des winters nu en dan tot
+bijna op den bodem; elk actief plantenleven houdt daarbij op, waarom
+dan ook bijna alle tegen den winter afsterven. Veel onzer inlandsche
+waterplanten zijn overjarig; zij sterven tot op den wortelstok of
+den knol in, die dan bij het intreden der lente weder begint uit te
+groeien. Veel andere soorten zijn éénjarig; zij ontwikkelen vóór het
+afsterven zaden, sporen en kweekknolletjes; slechts zeer weinig soorten
+echter blijven ook gedurende den winter groen. Een liefhebber, die
+des winters weinig genot van zijn tuin kan hebben, en daarom gaarne
+zijn vertrekken met groene planten versiert, wil ook des winters
+zijn aquarium groen zien, en moet daartoe, door den nood gedrongen,
+zijn toevlucht wel nemen tot uitheemsche waterplanten. Dat niet alle
+uitheemsche dezelfde waarde hebben, spreekt wel vanzelf. In de tropen
+komt een waterflora voor, waarvan de bloemen, wat houding, afmeting
+en kleur aangaat, tot de fraaiste in het geheele plantenrijk moeten
+gerekend worden. Het zijn echter voor het meerendeel reusachtige
+planten, die zulke bloemen voortbrengen, zooals de Victoria regia,
+tropische Nymphæa's, de Nelumbium, enz. Deze planten stellen meestal
+zeer hooge eischen aan de temperatuur van het water, zoodat dit ook
+des zomers moet verwarmd worden, en daarbij hebben zij vaak zulk een
+omvang, dat men reusachtige bassins moet bezitten om ze te kunnen
+bevatten. Zulke planten zijn natuurlijk voor het kamer-aquarium geheel
+ongeschikt. Al kan men echter de fraaiste tropische waterplanten
+niet in het aquarium kweeken, toch blijven er nog zeer veel soorten
+over, die door schoonen bloei en kleurenpracht bijna alle inlandsche
+overtreffen. Het zou ons veel te ver voeren, indien wij een juist beeld
+wilden geven der geheele waterflora; wij kunnen de lezers slechts met
+de belangrijkste der hiertoe behoorende planten doen kennis maken. De
+afbeeldingen zullen onze beschrijvingen nog verduidelijken.
+
+
+
+
+De beste planten voor het kamer-aquarium.
+
+Onder water groeiende planten.
+
+De onder water groeiende planten mogen in geen enkel kamer-aquarium
+ontbreken; zij verwekken veel zuurstof en maken daardoor het water
+zeer gezond voor de dieren, die men er in heeft. Ook geven zij
+een eigenaardig voorkomen aan het aquarium. De uitheemsche soorten
+zijn alle ook des winters groen, met de inlandsche is dit niet het
+geval. De behandeling der onder water groeiende planten is al hoogst
+eenvoudig. Zij worden niet door insecten aangetast en hebben alleen
+te lijden van algen, die zich op de bladeren vertoonen. De door algen
+bezette bladeren reinigt men met de vingers, waarop het troebele water
+ververscht wordt; een zeer afdoend middel daartegen zijn de larven
+van kikvorschen; brengt men deze in het aquarium, dan zijn de algen
+spoedig opgeruimd. De onder water groeiende planten hebben voor een
+goede ontwikkeling een hoogen waterstand noodig. De vermenigvuldiging
+door zaden is in de kamer niet aan te raden; veel soorten kweeken
+zichzelf echter gemakkelijk voort door uitloopers en broedknolletjes;
+langs kunstmatigen weg kan men ze vermenigvuldigen door stekken. De
+broedknolletjes doet men het best in het najaar te verzamelen en in
+inmaakflesschen, waarin op den bodem een weinig aarde is gebracht,
+te laten overwinteren, daar zij anders wellicht door de visschen
+opgegeten worden. Het best geschiedt de overwintering in een koel
+vertrek; zet men de glazen in het voorjaar op een zonnige plaats,
+dan ontwikkelen de knolletjes zich zeer snel.
+
+
+
+
+a. Uitheemsche soorten.
+
+Drie plantengeslachten leveren ons zeer fraaie, uitheemsche,
+onder water groeiende planten, namelijk de geslachten Cabomba,
+Myriophyllum en Vallisneria. Nieuwere Amerikaansche, ingevoerde
+soorten zijn de Cabomba's met drijvende stengels en fraai gedeelde
+bladeren. De bekendste soort is Cabomba caroliniana (Fig. 252). Zeer
+veel gelijkt op deze soort de zeldzamere Cabomba rosæfolia met zacht
+rozerood gekleurde bladeren en stengels; zij is veel mooier maar
+ook gevoeliger en teerder. Hoewel zij een geheel ander voorkomen
+hebben, behooren de Cabomba's toch tot de familie der Nymphæa's. Onze
+afbeelding toont een jonge plant; later in haar bloeitijd ontwikkelen
+zich ook kleine, drijvende blaadjes. De plant draagt kleine, witte
+bloempjes. Van de Myriophyllum-soorten waren tot voor korten tijd geen
+onder water groeiende bekend; in den laatsten tijd zijn er echter twee
+uit Amerika ingevoerd. Een dezer soorten is de Myriophyllum prismatum
+(Fig. 253). De tweede, nog niet bestemde, soort heeft een krachtiger
+en voller aanzien, ook zijn haar smalle blaadjes veel langer. De
+beste en meest verspreide der uitheemsche onder water groeiende
+planten is de Vallisneria spiralis, die ook wel in Zuid-Europa wordt
+aangetroffen. Deze plant heeft lange, smalle bladeren. Fig. 254
+toont een mannelijk en een vrouwelijk exemplaar van deze beste aller
+aquariumplanten. De bloei van deze planten en vooral het overbrengen
+van het stuifmeel geschiedt op een zeer interessante wijze. Het zou
+ons te ver voeren, die geheel te beschreven; voor hen, die er belang
+in stellen, verwezen wij naar ieder boek over botanie. Al de genoemde
+soorten hebben geen behoefte aan warmte; hoewel zij in een verwarmde
+kamer goed groeien, kunnen zij in een onverwarmd, doch vorstvrij
+vertrek zeer goed overwinteren; zelfs de Cabomba heeft reeds met
+succes buiten overwinterd.
+
+
+
+
+b. Inlandsche soorten.
+
+Bij de inlandsche onder water groeiende gewassen treft men
+voortreffelijke aquarium-planten aan. De Batrachium fluitans
+(Ranunculus aquatilis) heeft zeer fijn verdeelde bladeren en daardoor
+wel eenige overeenkomst met de Cabomba. De Callitriche heeft een zeer
+fraai bebladerden stengel, die daardoor nog aan schoonheid wint,
+wijl de bovenste blaadjes dikwijls dicht opeenzitten en zoodoende
+een aardige rozet vormen.
+
+Fig. 255 toont de Callitriche verna. Zeer goed groeit in het aquarium
+de Ceratophyllum met fijn verdeelde blaadjes. In het water worden
+meestal twee zeer op elkander gelijkende soorten aangetroffen,
+namelijk de Ceratophyllum demersum en de Ceratophyllum submersum.
+
+Een bekende in het aquarium even dankbare, als in de slooten lastige
+waterplant is de Elodea canadensis of Waterpest. Zooals de naam
+aanduidt, is deze plant afkomstig uit Canada. Tegenwoordig wordt zij
+echter bijna overal aangetroffen. Zeer fraaie planten voor het aquarium
+zijn de Fontinalis-soorten. Het zijn wortellooze bladmossen, met lange
+stengels en zeer sierlijke blaadjes. Zij worden veel in stroomend
+water gevonden. Fig. 256 toont de Fontinalis antipyretica. Deze plant
+houdt het jarenlang in een aquarium uit. Men bindt ze door middel van
+looddraad aan elkander, de zwaarte van het lood houdt ze dan in den
+juisten stand. Zoo samengebonden, kunnen ze geplant of ook los in het
+water geworpen worden. Op deze wijze behandeld, groeien zij jarenlang,
+wanneer men ieder voorjaar de bosjes uit elkander neemt, onderaan van
+de scheuten een stukje afsnijdt en ze daarna weder te zamen bindt
+en in het water brengt. Een zeer sierlijke inlandsche, onder water
+groeiende plant is de Hottonia palustris. Fig. 257 toont deze fraaie
+maar lastige plant, gekweekt in elementglas. Zij draagt sierlijk,
+kamvormig verdeelde bladeren. De bloemen, welke veel overeenkomst
+hebben met die van de Primula, zijn wit en staan op krachtige stelen
+boven het water uit. De bloeitijd valt in de maand Juni.
+
+Zeer schoon voor het aquarium is ook de in Duitschland inheemsche
+Isoëtes lacustris. Deze plant komt voor in de bergmeren van
+het Schwarzwald, Böhmerwald en het Reuzengebergte. Zij vormt een
+knolachtigen stengel en heeft grasachtige bladeren. Zij is zeer sterk
+en vereischt weinig zorg. Veel schooner zijn enkele uitheemsche
+soorten, die, jammer genoeg, slechts in enkele Botanische Tuinen
+worden aangetroffen. Niet vergeten mogen worden de Myriophyllums,
+waarvan enkele soorten haar bloemaartjes boven het water uitsteken. Als
+zeer geschikt voor het aquarium kunnen wij aanbevelen de Myriophyllum
+verticillatum en de Myriophyllum spicatum.
+
+
+
+
+Waterplanten met drijvende bladeren.
+
+Naast de in het vorige hoofdstuk behandelde planten, die onder water
+groeien, staan, wat betreft de geringe zorgen, die met drijvende
+bladeren. Deze planten vormen meestal zeer lange bladstelen, die
+tot aan het wateroppervlak groeien, waarna zij de vlak op het water
+drijvende bladeren ontwikkelen. De bijna altijd schoone, dikwijls
+zelfs imposante bloemen drijven ook op het watervlak of heffen zich
+daar slechts een weinig bovenuit. Veel dezer planten zijn echter
+gevoelig voor de droge kamerlucht; staan zij daarin, dan worden de
+bladeren spoedig door bladluizen aangetast. De beste wijze om deze
+ongenoode gasten te verwijderen is het blad voorzichtig uit het
+water te nemen en het met verdund tabaksextract in te smeren. De
+meeste waterplanten met drijvende bladeren vermenigvuldigen zich,
+evenals de onder water groeiende, door uitloopers, terwijl andere zich
+gemakkelijk uit zaad laten kweeken. Des winters sterven de hiertoe
+behoorende planten meer of minder terug, veel sterven zelfs geheel
+in. In het voorjaar groeien zij echter, bij een weinig warmte, weder
+zeer spoedig uit. Staan deze planten in een stoffige kamer, dan moet
+men niet vergeten de bovenzijden der bladeren nu en dan met een sponsje
+af te vegen. Bespuiten der bladeren is dàn slechts wenschelijk, wanneer
+het goed helder weer is; bij donker weer doet men er meer kwaad dan
+goed mee, wijl er dan gemakkelijk rotplekken in de bladeren ontstaan.
+
+
+
+
+a. Uitheemsche soorten.
+
+Een der beste aquarium-planten met drijvende bladeren is de Aponogeton
+distachyon; deze is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop en heeft een
+knolachtigen wortelstok. De Aponogeton is een dankbare bloeister en
+ontwikkelt haar bloemen zeer geregeld in de kamer. De
+
+bloemen zijn tweerijig, zuiver wit en welriekend; daarbij duren
+zij zeer lang. De bloei duurt bijna het geheele jaar door, en
+de harde zaden rijpen niet alleen zeer goed in de kamer, maar
+kiemen er meestal zonder eenige hulp, somtijds zelfs reeds aan den
+bloemstengel. De langwerpige, drijvende bladeren kunnen vrij groot
+worden. Indien men wil, dat de Aponogeton zich goed ontwikkelt,
+dan moet men haar planten in een ruim aquarium, en daarbij goeden
+graszodengrond gebruiken. Bijzondere eischen, wat warmte aangaat,
+stelt deze plant niet; zelfs kan zij bij een niet al te strenge vorst
+ons winterklimaat verdragen. In den laatsten tijd heeft een Fransch
+kweeker van de typische soort een variëteit, de Aponogeton distachyon
+Lagrangeï gewonnen, die zich kenmerkt door een krachtigen groei en
+rose bloemen. In Oost-Indië komt nog een andere soort met slechts
+één bloemaar, de Aponogeton monostachyon, voor. Een zeer interessante
+hiertoe behoorende plant is ook de Aponogeton fenestralis, afkomstig
+uit Madagascar. Haar bladeren bevatten geen bladmoes en bestaan slechts
+uit de nerven en aders; daarbij komen zij nooit boven water. Jammer
+is het, dat zij behoefte heeft aan warm water, en daarbij zóó lastig
+in de cultuur is, dat men haar slechts zeer zelden aantreft. Een
+heel aardige aquarium-plant is de Limnocharis Humboldtii, ook wel
+Hydrocleis nympheoides genaamd; zij is afkomstig uit Caracas en
+heeft veel overeenkomst met een kleine Nymph. Midden in den zomer
+ontwikkelt zij een groot aantal alleen staande, citroengele bloemen,
+die uit drie bloemblaadjes bestaan. Zij vormt een aantal drijvende
+stengels, die aan de knoopen wortels maken; deze kunnen afgesneden
+worden en vormen dan zelfstandige planten. Een goede plant is ook de
+Limnanthemum indicum of Villarsia Humboldtiana. Deze éénjarige plant
+komt voor in de wateren van Azië, Australië en Afrika. Zij vormt
+boschachtige stengels, die in het najaar zinken; hieruit ontwikkelen
+zich dan in de lente, wanneer de moederplant reeds afgestorven is,
+een aantal jonge plantjes. De bladeren zijn rond-hartvormig, de bloemen
+wit, ongeveer 2 cM. in doorsnede; de bloembladeren zijn aan de randen
+fijn gefranjed. Er zijn nog verscheidene soorten van bekend, waarvan
+de Limnanthemum crenatum, afkomstig uit Australië, de meest bekende
+is. Deze soort heeft rondachtige, onregelmatig ingesneden bladeren
+en een weinig grootere, gele, eveneens gefranjede bloemen.
+
+De Limnanthemums houden van een goeden grond en voldoende warmte,
+verder stellen zij geen eischen. Lastig is de voortkweeking uit zaden,
+die direct na het rijpen moeten gezaaid worden, doch meestal eerst in
+de volgende lente kiemen. Voor grootere aquariums zijn ook Nymphæa's
+aan te bevelen. De schoonste tropische soorten, die zich kenmerken
+door prachtig gekleurde bloemen, zijn voor kamercultuur niet geschikt,
+daar zij veel te groot worden en ook een zeer vochtige lucht en warm
+water verlangen. De schoonste uitheemsche Nymph voor kleinere aquariums
+is de Nymphæa pygmæa, afkomstig uit Oost-Siberië en China. Deze soort
+heeft bladeren, die slechts 4-5 cM. doorsnede hebben en bijna gevulde,
+witte bloemen met een diameter van ongeveer 4 cM.
+
+Een aardige Nymph, die echter reeds vrij omvangrijk wordt, is de uit
+Noord-Amerika afkomstige en bij ons winterharde Nymphæa odorata, met
+zeer welriekende, witte bloemen. Een variëteit van den lateren tijd,
+de Nymphæa odorata rosea, heeft zacht roode bloemen. Er bestaat van
+deze soort ook een witte variëteit met zeer kleine bloemen, de Nymphæa
+odorata minor. Een zeer fraaie, geel bloeiende Nymph is de Nymphæa
+Marliacea chromatella (Fig. 260). Deze mooie plant is beter geschikt
+voor grootere tuin-bassins dan voor een kamer-aquarium. De Nymphæa's
+verlangen een zwaren, zeer voedzamen grond; het best is baggergrond,
+vermengd met graszodengrond en zand. Den grooteren soorten moet men
+een aardlaag van minstens 20 cM. dikte geven. Des winters zijn deze
+planten bijna of geheel bladerloos; in het voorjaar beginnen zij
+echter reeds vroegtijdig uit te groeien. De voortkweeking geschiedt
+door verdeeling van den wortelstok, beter echter door zaden, die
+van hun rijping tot het uitzaaien in gesloten, met water gevulde
+fleschjes moeten bewaard worden. De kiembladeren der Nymphæa's hebben
+een anderen vorm dan de volwassen bladeren, en blijven steeds onder
+water. Als een zeer sierlijke plant met drijvende bladeren moet
+nog vermeld worden de Sagittaria natans (Fig. 261), die naast de
+Vallisneria als een der beste waterplanten is te beschouwen. De jonge
+bladeren van deze soort gelijken sprekend op die van de Vallisneria;
+een goed groeiende plant vormt echter spoedig draadvormige bladstelen,
+die drijvende, ovale bladeren dragen; na korten tijd verschijnen nu
+ook de op het water drijvende, lieve, driebladerige, witte bloempjes,
+waarvan steeds enkele te zamen vereenigd zijn. De Sagittaria natans
+stelt geen bijzondere eischen en kweekt uit zichzelf door uitloopers
+gemakkelijk voort. Een zeer interessante soort, die in Polen wordt
+aangetroffen, doch daar blijkbaar aan het uitsterven is, is de Trapa
+natans. Dit is een éénjarige plant, die drijvende rozetten vormt,
+welke door een in den bodem gewortelden, draadvormigen stengel worden
+vastgehouden. De bladeren hebben een zeer eigenaardigen, vierhoekigen
+vorm. De bloemen zijn onbeduidend, de zaden, waaruit eertijds de
+arme landbewoners een soort meel bereidden, zijn tamelijk groot,
+vreemd gevormd en van twee of drie groote horens voorzien. Nadat de
+zaden rijp geworden zijn, drijven zij eenigen tijd op het water. Tot
+het voorjaar bewaart men ze in water op een koele plaats; zij worden
+dan in het aquarium geworpen, waarna de kieming spoedig volgt.
+
+
+
+
+b. Inlandsche soorten.
+
+Een der dankbaarste inlandsche aquarium-planten is zeker wel de Alisma
+natans, die in jongen toestand lange, onder water groeiende bladeren
+heeft. De plant brengt stengels voort, die tot aan de oppervlakte
+van het water doorgroeien en in een knop eindigen; uit dezen knop
+ontspruiten de ovale, drijvende bladeren en ook de lieve, op het water
+drijvende, witte bloemen. In een kamer-aquarium beginnen deze bloemen
+reeds vroeg in het voorjaar, omstreeks Maart of April, te ontluiken. De
+voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk langs kunstmatigen weg. Men
+snijdt den aan de oppervlakte drijvenden stengel onder den knop af en
+plant dezen afzonderlijk op. Na korten tijd zal hij wortel hebben en
+doorgroeien. Naast de reeds genoemde uitheemsche Limnanthemum komt
+ook de inlandsche, de Limnanthemum nymphæoïdes (Fig. 262), als een
+fraaie aquariumplant in aanmerking. Zij wordt het meest aangetroffen in
+stilstaande of zacht stroomende waters en bloeit daar meestal omstreeks
+Juli en Augustus. De vorm der bladeren is juist zooals de gravure
+dien aantoont; de bloemen zijn helder geel. Deze fraaie, zeer weinig
+eischende plant, kweekt zeer gemakkelijk voort door uitloopers, die
+door te weinig ruimte vaak in den bodem verstikken. Deze Limnanthemum
+sterft, des winters in een kamer gehouden, niet geheel af. Door vele
+liefhebbers van waterplanten, worden ook jonge inlandsche Nymphæa's
+in hun kamer-aquariums gekweekt. Zij blijven er wel goed, doch komen
+er uiterst zelden tot bloei. Plant men deze Nymphen echter in groote
+middendoor gezaagde vaten, die half met goede, vette aarde en half met
+water gevuld zijn, dan groeien en bloeien zij uitstekend. Men moet er
+op letten, goede gave wortelstokken te planten. De meest voorkomende
+soort is de Nymphæa alba, een onzer schoonste inlandsche waterplanten,
+die men overal in stilstaand water aantreft.
+
+Een zeer schoone variëteit is de Nymphæa alba rosea, met karmijnroode
+bloemen, roode knoppen en roode blad- en bloemstelen. Deze variëteit
+is in een Zweedsch meer gevonden. Jammer is het echter, dat zij nog
+betrekkelijk weinig voorkomt en daarbij zeer duur is. Een andere
+schoone soort is de Nymphæa candida. Deze heeft kleinere bloemen,
+die echter bijna geheel gevuld zijn.
+
+Als kleine plant wordt ook wel in de aquariums gekweekt de Nuphar
+luteum, evenals de kleinere en zeldzamere Nuphar pumilum. De Nuphars
+groeien echter beter buiten in tonnen; in een betrekkelijk klein
+aquarium zullen zij nooit haar goudgele bloemen kunnen ontwikkelen. De
+behandeling der inlandsche Nymphæa-soorten is juist dezelfde als die,
+welke in het vorige hoofdstuk voor de uitheemsche is opgegeven. Een
+aardige plant met drijvende bladeren is ook de Potamogeton natans met
+een langen drijvenden stengel en lancetvormige bladeren. De tamelijk
+onbeduidende bloemaartjes steken boven het water uit. Deze is een zeer
+veel voorkomende plant, die men veel in greppels vindt en drogen die
+uit, dan verandert zij in een landplant. De voortkweeking geschiedt
+door stekken, van den stengel gesneden.
+
+
+
+
+Drijvende waterplanten.
+
+Tot de drijvende waterplanten behooren al die gewassen, welke niet
+in de aarde wortelen, doch op het wateroppervlak drijven en waarvan
+de vaak lange wortels vrij in het water hangen.
+
+De drijvende waterplanten dragen veel bij tot de versiering der
+oppervlakte van het water; zij laten zich echter niet zeer gemakkelijk
+kweeken, daar de droge, stoffige kamerlucht zeer nadeelig voor
+haar is. Zeer goed groeien eenige inlandsche soorten, de overige
+zal men beter in een gesloten aquarium kweeken, of wel, in een met
+een glasplaat bedekten schotel. Deze schotels moeten bij warm weder
+behoorlijk gelucht en de glasplaat moet dagelijks goed met een doek
+afgeveegd worden. Verscheidene onzer inlandsche drijvende waterplanten
+zijn éénjarig; zij vormen voor het afsterven winterknoppen of sporen
+die men in vlakke schotels met een weinig aarde op den bodem,
+zoo mogelijk vorstvrij moet laten overwinteren. In het voorjaar
+ontwikkelen deze plantjes zich eerst onder water, spoedig komen zij
+echter aan de oppervlakte, en blijven daarop drijven met behulp van
+haar met lucht gevulde bladeren of bladstelen.
+
+De uitheemsche drijvende planten zijn voor het meerendeel meerjarig;
+tegen den herfst worden zij echter zeer gevoelig, zij moeten dan uit
+het aquarium genomen en voorzichtig in potten met gehakt sphagnum
+opgeplant worden. De opgepotte planten moet men vochtig en warm,
+het best in een woonvertrek onder glas, laten overwinteren.
+
+Vele drijvende planten laten zich zeer gemakkelijk, door haar dikwijls
+zeer talrijke uitloopers, voortkweeken.
+
+Het dikwijls slechte groeien der drijvende waterplanten is te wijten
+aan het te heldere water in het aquarium, wijl dit te arm aan voedende
+bestanddeelen is. Het fraaist ontwikkelen de drijvende planten zich
+in vlakke schotels met een weinig aarde op den bodem. De wortels
+dringen in deze aarde door en vinden daar rijkelijk voedsel voor een
+goeden groei.
+
+
+
+
+a. Uitheemsche soorten.
+
+Een zeer lief drijvend waterplantje is de Azolla caroliniana, afkomstig
+uit Noord-Amerika en dat blijkt hier te lande winterhard te wezen. Deze
+plant, ook wel bekend onder den naam van "Rood Kroos," is in sommige
+slooten zóó sterk ontwikkeld, dat zij er last veroorzaakt. Zij heeft
+de eigenaardigheid, binnen gehouden, levendig groen, doch buiten,
+vooral in de zon, donkerrood van kleur te worden. Zoowel buiten als
+in een kas groeit de Azolla zeer snel en bedekt het water in korten
+tijd met een levendig groene laag. In droge kamerlucht daarentegen
+groeit zij slecht. Ook wordt zij veel door de visschen opgegeten. In
+den herfst ontwikkelt de Azolla zeer kleine sporenhoopjes, die naar
+den bodem zakken.
+
+Een andere, zeer fraaie plant is de Pistia Stratiotes (Fig. 263). Deze
+plant is een ware cosmopoliet, daar zij overal in stilstaand water
+der warmere landen wordt aangetroffen. Dit geelgroene plantje, dat
+met zijn aan den voet sterk verdikte bladeren een rozet vormt, behoort
+tot de familie der Aroïdeeën, de bloemen zijn echter zeer onbeduidend.
+
+Een eigenaardig verschijnsel is het, dat deze plant, onder water
+gedompeld, als met zilver overtogen schijnt, terwijl zij dan weder
+bovenkomende, geheel droog blijkt te zijn. Dit wordt veroorzaakt door
+zeer talrijke kleine haartjes, die het blad bedekken. De lucht blijft
+tusschen deze haartjes hangen, waardoor de zilveren tint ontstaat,
+terwijl het water dadelijk van de haartjes afloopt. De voortkweeking
+geschiedt zeer gemakkelijk door middel van uitloopers. Des zomers,
+wanneer het zeer warm is, groeit de Pistia ook goed buiten, in het
+najaar moet men haar echter uit het water nemen, in mos opplanten en
+zoo warm laten overwinteren. Een zeer fraaie rozetvormige plant met
+niervormige bladeren, dik opgezwollen bladstelen en blauwe bloemen is
+de Pontederia of Eichhornia crassipes, afkomstig uit Brazilië. Deze
+plant is een uiterst dankbare bloeister. Zij laat zich gemakkelijk door
+uitloopers voortkweeken. De overwintering moet warm geschieden en op
+dezelfde wijze als met de Pistia. Een eveneens mooie waterplant is de
+Salvinia elegans (Fig. 264), afkomstig uit Mexico. Zij behoort onder
+de fraaiste waterplantjes. In den herfst sterft zij af, doch vormt
+dan talrijke sporenhoopjes; zet men ze echter in vlakke schalen met
+de wortels in goede, vochtige veenaarde, dan is zij overblijvend
+en blijft, wanneer men haar op een warme plek zet, den geheelen
+winter door groen. Als laatste drijvende waterplant willen wij nog de
+Trianea bogotensis (Fig. 265), afkomstig uit Columbia, vermelden. De
+Trianea groeit goed in een kamer, zij laat zich zeer gemakkelijk door
+uitloopers voortkweeken en vormt aardige rozetten, die, wanneer men ze
+in een ondiepen schotel met wat aarde op den bodem kweekt, zich zeer
+goed ontwikkelen. Onze gravure vertoont een plantje in zijn geheel en
+de achterzijde van een der sponsachtige bladeren. De overwintering
+geschiedt in vlakke schotels, die met een glasplaat moeten bedekt
+en goed warm gezet worden. Ook des winters moet de aarde, waarin zij
+met haar wortels staan, goed vochtig gehouden worden.
+
+
+
+
+b. Inlandsche soorten.
+
+Een veel in stilstaand of langzaam vlietend water voorkomende drijvende
+waterplant is de Hydrocharis Morsus-ranæ, die aardige, cirkelronde
+blaadjes en witte bloempjes draagt. De voortkweeking geschiedt door
+zaden, meer echter nog door uitloopers, die sterke exemplaren naar
+alle zijden ontwikkelen. Met het begin van den winter sterven deze
+planten af, zij vormen echter eerst winterknoppen, die tot de lente op
+den bodem blijven rusten. De Hydrocharis verdraagt de kamerlucht zeer
+goed en is daardoor een zeer aanbevelenswaardige aquarium-plant. De
+meest bekende der inlandsche waterplanten is zeker wel de Lemna
+(Eendenkroos), een klein plantje, dat in de stilstaande wateren zeer
+algemeen in meerdere soorten voorkomt en dikwijls geheele slooten
+met een groene laag overdekt. De voortkweeking geschiedt door de
+knopvorming zóó snel, dat de Lemna in korten tijd alle andere planten
+overgroeit, wanneer men er niet voor zorgt nu en dan eens wat te
+verwijderen. Dit plantje, dat zich ook in de kamer zeer goed houdt,
+wordt door talrijke visschen gaarne gegeten. De fraaiste drijvende
+waterplant is de in ons land slechts zeldzaam voorkomende Salvinia
+natans. Op een paar plaatsen van ons land wordt zij in stilstaand
+water aangetroffen. Deze plant komt in een open aquarium niet al te
+best vooruit, daar zij de droge kamerlucht niet kan verdragen. Het
+best groeit zij in een met een glasplaat bedekte vlakke schaal,
+die voldoende gelucht wordt. In den herfst vormt deze Salvinia
+sporenhoopjes, waarna zij afsterft. Fig. 266 toont een Salvinia,
+aan de bovenzijde gezien, en Fig. 267 dezelfde aan de onderzijde. Op
+deze laatste zijn de sporenhoopjes duidelijk zichtbaar.
+
+Een veelvuldig voorkomende inlandsche waterplant is de Stratiotes
+aloïdes (Wateraloë); zij vormt in stilstaand water groote bossen,
+die door de lange, gezaagde bladeren een zeer eigenaardig voorkomen
+hebben. De voortkweeking geschiedt hoofdzakelijk door uitloopers. In
+haar bloeitijd verheffen deze planten zich boven het water uit. Laat
+in den herfst zinkt de Stratiotes op den bodem en blijft daarin dan
+met haar wortels vastzitten. In de kamer ontwikkelt deze plant zich
+even goed, doch verkrijgt niet die fraai groene kleur, welke zij
+buiten heeft. Zij verdraagt de kamerlucht overigens goed en blijft
+ook des winters groen. Een aardig éénjarig plantje, dat vóór het
+afsterven winterknoppen vormt, is de Utricularia. Zij behoort tot
+de insecten-etende planten en is geheel wortelloos. De bladeren zijn
+schubachtig en de zich boven het water verheffende bloemen geel. Deze
+plant wordt vooral in veenachtige streken aangetroffen. Als laatste
+inlandsche waterplant willen wij nog vermelden de Riccia; deze is
+éénjarig, ziet er mosachtig uit en behoort tot de levermossen. Op
+zichzelf onbeteekenend, vormt deze plant lange, te zamen hangende,
+op het water drijvende bossen, die ook als zuurstofverwekkers groote
+waarde hebben.
+
+
+
+
+Het terrarium.
+
+Een der schoonste inrichtingen voor het kweeken van planten hebben
+wij in het terrarium. Het terrarium, dat hoofdzakelijk tot het
+kweeken van planten moet dienen, gelijkt uiterlijk volkomen op een
+kamerkasje. Terwijl men daarin echter slechts in potten staande planten
+kweekt, tracht men in het terrarium een stukje landschap na te bootsen,
+doordat men de planten er vrij in uitplant, rotspartijtjes of ook wel
+met klimplanten omwonden boomstammetjes er in zet en er een kleinen
+vijver, een bassintje, niet in laat ontbreken, in welken laatste dan
+weder water- en moerasplanten kunnen gekweekt worden. Wil men een
+betrekkelijk groote inrichting maken, dan kan het terrarium met het
+aquarium vereenigd worden, in welk geval men van een terra-aquarium
+spreekt. Zulke terra-aquariums hebben vooral groote waarde voor
+dierenliefhebbers, die er niet alleen visschen, doch ook amphibieën
+in willen houden.
+
+Al naar de planten of dieren, die men er in wil houden, onderscheidt
+men vochtige en droge aquariums, die weder in vochtig-warme
+en vochtig-koude, dus ook in droog-warme en droog-koude worden
+verdeeld. Het vochtig-warme terrarium dient om er uitheemsche Varens,
+bladplanten en Palmen in te kweeken, het droog-warme daarentegen
+om er weinig vocht verlangende Cactussen en andere Vetplanten in
+te kweeken. In het koude terrarium kweekt men inlandsche of uit
+sub-tropische streken afkomstige gewassen. Onze plaat toont een klein,
+vochtig-warm, beplant terrarium. Gewoonlijk staan deze terrariums op
+elegante ijzeren voetstukken of op een behoorlijk sterke tafel. Al
+naar de grootte wordt het geraamte van het terrarium vervaardigd uit
+sterk blik, hout of smeedijzer. De ruiten moeten er bij voorkeur
+niet met stopverf in vastgezet worden, doch moeten er ingeschoven
+of met kleine haakjes aan kunnen bevestigd worden. Het eenzijdige
+dak moet zóó gemaakt zijn, dat men het openen kan en aan één zijde
+moet zich een deur bevinden, waardoor men, zoo noodig, den planten
+frissche lucht kan geven. Houdt men dieren in het terrarium, zoodat
+men het niet openen kan, dan moet het zóó gemaakt zijn, dat men er
+des zomers een ruit kan uitnemen, die dan door een met gaas bespannen
+raampje wordt vervangen. De bodem van het terrarium wordt uit metaal
+vervaardigd en mag niet vlak, doch moet een weinig hellend zijn;
+op het laagste punt bevindt zich dan een afvoerbuisje, waardoor het
+overvloedige water kan wegloopen. De terrariums worden tegenwoordig in
+alle soorten vervaardigd en zijn in bijna alle grootere luxe-winkels
+verkrijgbaar. Het duurst zijn zeker die, welke verwarmd kunnen worden,
+hetgeen door een aangebrachte warmwaterinrichting kan geschieden. Een
+dergelijk terrarium heeft echter niet iedere liefhebber noodig;
+slechts een dierenliefhebber, die de teerste reptiliën en amphibieën
+wil houden, moet zich zulk een aanschaffen. Hij, die zeer fijne
+planten in zijn terrarium wil kweeken, kan het zóó laten inrichten,
+dat hij op den bodem een platte, van een toe en afvoerbuisje voorziene
+warm-waterbus kan inschuiven, welke bus dagelijks enkele malen met
+heet water moet gevuld worden. Fig. 268 toont zulk een inrichting ter
+verwarming van een terrarium, Fig. 269 een zeer eenvoudig, uit een kist
+vervaardigd terrarium, dat door warm water verwarmd kan worden. Hierin
+staat reeds de verwarmingsinrichting, die uit sterk zink gemaakt wordt
+en juist passen moet. Daar deze waterbus voortdurend onder den druk
+van de aarde zou lijden en men haar er ook niet zou kunnen uitnemen,
+wordt er een houten rooster op aangebracht, waarop een metalen plaat
+wordt gelegd. Fig. 271 toont een dergelijk, uit een kist vervaardigd
+terrarium, nadat het beplant en met dieren bevolkt is. Dergelijke
+terrariums zijn het eerst door den Heer H. Lachmann in het tijdschrift
+"Natur und Haus" aanbevolen.
+
+De beste tijd om het terrarium te beplanten is in de maanden April
+en Mei. Op den bodem, die, zooals reeds gezegd is, den vorm van
+een bak moet hebben, zet men eerst het schaaltje met water. Hierna
+bedekt men de vrijgebleven ruimte met een laag scherven en stukjes
+turf, ten einde een goede drainage te verkrijgen. In den omtrek van
+het waterafvoerbuisje moet de drainage zóó aangebracht worden, dat
+dit niet verstoppen kan. Op de drainage brengt men dan de aarde. De
+samenstelling der aarde moet men wijzigen naar den aard der planten,
+die men er in kweeken wil; het best doet men echter er een grof,
+goed met scherp zand vermengd mengsel voor te gebruiken. Heeft men
+een warm, droog terrarium, dan kan men er dien grond inbrengen,
+welke is opgegeven in de hoofdstukken, handelende over Cactussen en
+Vetplanten. Zulke droge terrariums kan men met rotsjes van tufsteen
+heel aardig versieren; in de gaten van deze steensoort groeien de
+Succulenten zeer goed. In het vochtig, warme terrarium plant men
+een jongen Palm of een struikachtige bladplant en verscheidene der
+soorten, die in de hoofdstukken "Kruidachtige Bladplanten voor warme
+vertrekken", "Varens" en "Mossen" zijn opgegeven en afgebeeld. Een
+zeer mooi effect verkrijgt men nog, wanneer men den bodem van het
+terrarium belegt met versche sphagnum-kopjes. Deze kopjes groeien
+er zeer goed in door; zij vormen ten laatste een groen tapijt en
+voorkomen het uitdrogen der aarde.
+
+Bij het beplanten van het terrarium moet men vooral oppassen er niet
+te veel in te zetten; beter is het, de planten zeer wijd uiteen te
+planten, opdat zij zich goed kunnen ontwikkelen. Langer dan één jaar
+kan men het beplante, warme terrarium niet laten staan, daar de planten
+dan te wild dooreengroeien. Elk voorjaar moet men ze er uitnemen en het
+geheel opnieuw beplanten; de aarde kan dan tegelijkertijd vernieuwd,
+en te groot of leelijk geworden planten kunnen door andere vervangen
+worden. De verzorging van het terrarium is zeer eenvoudig. Dadelijk
+na de beplanting wordt de aarde zóó aangegoten, dat het overvloedige
+water door het afvoerbuisje wegloopt, waaruit men kan opmaken, dat
+de aarde in haar geheel goed vochtig is. Voor het vervolg bestaat de
+verzorging in hoofdzaak hierin, dat men het vochtige terrarium bij
+warm weder enkele keeren per dag bespuit. Ten gevolge van dit spuiten
+droogt de aarde zeer weinig uit, zoodat gieten slechts hoogst zelden
+noodig is. Ook het droge terrarium mag bij warm weer een enkelen
+keer bespoten worden; men moet er echter voor zorgen, dat de aarde
+slechts matig vochtig blijft en dat zij des winters geheel opdroogt. De
+verdere zorg bestaat in het behoorlijk zindelijk houden der planten en
+ruiten, in op tijd luchten en schermen. In den regel behoeven slechts
+de vochtige terrariums geschermd te worden; het best doet men dit,
+door een raam te laten maken, dat er precies op past, dit met linnen
+te laten bespijkeren en het er, zoo noodig, op te leggen.
+
+Wanneer men de planten werkelijk mooi in een terrarium wil zien
+ontwikkelen, dan moet men er geen dieren in houden. De reptiliën en
+amphibieën, die men in het terrarium kan houden, brengen er wel een
+eigenaardig leven aan en maken het interessanter, maar zij beschadigen
+den plantengroei eendeels door het afvreten der jonge scheuten, en
+anderdeels door hun wroeten in den bodem; ook kan het gewicht van
+hun lichaam veel kwaad doen, wanneer zij over bladeren of takken
+kruipen. Heeft men een droog terrarium met Cactussen beplant, dan
+kan men daarin gerust ook dieren houden, daar de dorens haar voor
+afvreten voldoende beschermen.
+
+
+
+
+
+
+
+III. HET FORCEEREN.
+
+
+Inleiding.
+
+Tot een der belangwekkendste bezigheden voor bloemen- en
+plantenliefhebbers behoort het forceeren gedurende den winter der
+hiervoor geschikte gewassen.
+
+Wanneer de winter ingetreden is, en buiten zoo goed als alle groei
+opgehouden is, dan moet men door het forceeren van bloemen de lente
+weder in de kamer te voorschijn roepen.
+
+Onder het forceeren van planten verstaat men planten, welke zich in
+haar rustperiode bevinden, door verhoogde temperatuur tot groeien
+brengen en ze gedurende den winter haar bloemen doen ontplooien,
+terwijl zij dit onder natuurlijke omstandigheden eerst in de lente
+of in den zomer doen. Dat een dergelijke behandeling der planten, hoe
+belangwekkend en aangenaam ook, tegennatuurlijk is, spreekt vanzelf,
+en het ligt dan ook voor de hand, dat er betrekkelijk slechts weinige
+zijn, waarmede men het met goed gevolg kan doen.
+
+Van de planten, die voor het forceeren geschikt zijn, verdragen
+enkele deze bewerking zeer goed, en laten zich iederen winter, zonder
+er merkbaar van te lijden, opnieuw in bloei trekken, verondersteld
+natuurlijk, dat zij goed behandeld worden. Andere planten daarentegen
+verdragen het forceeren minder goed; zij verzwakken er zeer door, en
+komen pas weer na korteren of langeren tijd volmaakt tot haar kracht,
+zonder welke zij niet met succes in bloei getrokken kunnen worden. Een
+zeer groot aantal, en, jammer genoeg, lang niet de slechtste soorten,
+worden na den bloei totaal waardeloos, daar zij door het forceeren
+zoodanig verzwakken, dat verder kweeken niet meer loonend of mogelijk
+schijnt.
+
+Onder de fraaie planten, voor forceeren geschikt, zijn er enkele,
+die slechts door bloemkweekers in hun kassen in bloei getrokken
+kunnen worden en, wil hij zijn moeiten en zorgen met een succes
+bekroond zien, dan moet hij niet alleen volkomen op de hoogte zijn
+van de levensvoorwaarden der planten, maar hij moet ze ook met de
+grootste zorgvuldigheid verzorgen. Hoe nader toch het tijdstip komt,
+waarop hij loon voor zijn werk zal krijgen, des te noodlottiger kan
+het kleinste verzuim worden, en een kleine vergissing kan opeens aan
+alle verwachtingen den bodem inslaan. Naast deze planten, waarvan het
+in bloei trekken als het ware een monopolie der kweekers is, staan een
+aantal andere, die zich gedurende den winter, door elken verstandigen
+plantenliefhebber laten forceeren. Is er iemand, die er aan zou willen
+twijfelen, dat het forceeren een der aardigste liefhebberijen voor den
+bloemenliefhebber gedurende de donkere wintermaanden is? Het is voor
+den welgestelde zeer gemakkelijk gedurende den winter, wanneer sneeuw
+en ijs ons in huis houden, zijn vertrekken met allerhande gekochte
+bloemplanten te versieren, maar de zelf in bloei getrokken planten
+zullen toch veel meer waarde voor hem hebben. Het forceeren begint dan
+ook in alle standen hoe langer hoe meer aanhangers te verkrijgen. Het
+is vooral het in bloei trekken der bolgewassen, dat zeer populair
+is geworden, terwijl de vaste-planten en de bloemheesters, die voor
+dit doel geschikt zijn, er slechts zelden door de liefhebbers voor
+gebruikt worden. Wat ook het forceeren zoo interessant maakt, is niet
+alleen, dat men er des winters de bloemenpracht van den zomer door
+kan genieten, maar het is ook de buitengewoon snellen groei, dien men
+kan waarnemen en die ons dag in dag uit nieuwe verrassingen bereidt.
+
+
+
+
+Algemeene regels voor het forceeren.
+
+Het forceeren kan door iederen liefhebber in de kamer geschieden,
+mits hij slechts een verwarmd vertrek tot zijn beschikking heeft. De
+ligging van het vertrek is van minder belang; zij mag zelfs noordelijk
+zijn. Hoe groot ook de rol is, die de zon bij het kweeken van planten
+speelt, bij het forceeren is haar invloed slechts zeer gering en kan
+men haar zelfs dikwijls geheel missen. De natuurlijke bloeitijd der
+meeste voor het forceeren gebruikte gewassen valt, wanneer zij in de
+vrije natuur gekweekt worden, in het voorjaar, dus een tijd, waarin de
+zon nog geen heel grooten invloed uitoefent, en maar al te dikwijls
+is het woud de natuurlijke groeiplaats van deze voorjaarsbloemen,
+waardoor zij dus zelfs aan helder licht niet gewend zijn.
+
+Een plant, die, om in bloei getrokken te worden, directe behoefte
+heeft aan zon, is de Roos; slechts weinig zon daarentegen verlangen
+de meeste bolgewassen, de kruidachtige planten en de groenblijvende
+gewassen; in het geheel geen zon is noodig bij het in bloei trekken
+der blad-afwerpende bloemstruiken; zoo forceert men o.a. de Sering
+het schoonst, wanneer men ze geheel in donker plaatst. Licht, lucht,
+vochtigheid en warmte, alles in juiste mate, zijn de hoofdvoorwaarden,
+om met succes planten in bloei te kunnen trekken.
+
+Koude tocht, sterke afwisseling van temperatuur en droogte zijn
+nadeelig voor alle planten, die men forceeren wil. Voor de meeste
+planten, die men in bloei wil trekken, is de gewone kamerwarmte
+voldoende, dus een temperatuur van 60°-65° Fahr. overdag en van
+55°-60° Fahr. des nachts. Zijn de vensters van het vertrek, waar men
+zijn bloemen wil forceeren, zóó ingericht, dat zij van boven geopend
+kunnen worden, dan is dit zeer nuttig, daar men dan overdag luchten
+kan, zonder dat de planten aan de directe luchtstroomingen zijn
+blootgesteld. Heeft men dubbele vensters, dan zijn die uitstekend
+geschikt tot het in bloei trekken van verschillende planten, want
+al is de ruimte daartusschen niet zóó groot, dat er een pot tusschen
+kan staan, voor een met water gevuld Hyacint-glas is er toch altijd
+wel ruimte genoeg. Tusschen de dubbele vensters gaat de groei niet
+zoo snel, wijl er een lagere temperatuur heerscht dan in de kamer,
+maar de bloemen ontwikkelen er fraaier.
+
+Het is voor de meeste te forceeren planten zeer goed, wanneer men
+ze, zoo mogelijk, een lichte plaats voor het venster geeft. Naast
+de ruimte tusschen de dubbele vensters is voor kleinere planten een
+plaats op de vensterbank het meest geschikt. Zeer goed bruikbaar
+zijn ook de veelal aangetroffen trapvormige eenzijdige stellages,
+die dan zóó moeten opgesteld worden, dat de planten naar het venster
+gericht staan. De naar de kamer gekeerde zijde biedt dan wel geen
+heel schoonen aanblik, doch men kan ze gemakkelijk met klimop of
+hardere groen blijvende planten bedekken.
+
+Ten gevolge van den snellen groei hebben alle planten, die men
+forceert, veel behoefte aan water. Men lette er vooral op, dat de aarde
+niet geheel uitdroogt, want daarmede zou alle kans op succes verdwenen
+zijn. Juist aangeven, wanneer men moet gieten, is onmogelijk, daar
+het steeds moet gebeuren, wanneer de aarde neiging toont tot opdrogen
+en hoewel men weder niet te veel moet gieten, is in dit geval te
+groote vochtigheid toch niet zoo nadeelig als te groote droogte. Het
+water, waarmede men giet, moet minstens de temperatuur hebben van
+het vertrek, waarin de planten staan; vele zijn echter zeer dankbaar,
+wanneer zij begoten en bespoten worden met water van 75°-85° Fahr. Bij
+het spuiten moet men zich van een goeden rafraîchisseur bedienen en
+het zóó doen, dat de bladeren aan de onder- en bovenzijde goed nat
+zijn. Voordat het vertrek, waarin de planten staan, goed verwarmd is,
+mag men niet spuiten; is dit echter eenmaal het geval, dan spuit men
+bij helder weer twee à driemaal, bij donker weer daarentegen een à
+twee keer per dag. Bolgewassen echter mogen niet bespoten worden;
+zij zouden dan gaan rotten; ook wanneer de planten in bloei staan,
+moet men het laten, daar er anders zwarte vlekjes op de bloemen komen.
+
+Slechts enkele planten kunnen zonder voorafgaande maatregelen
+geforceerd worden; zij moeten daartoe voorbereid worden en
+ook alleen goed gezonde planten zijn er met uitzicht op succes
+voor te gebruiken. Ook laat lang niet iedere plant zich op elk
+willekeurig tijdstip van den winter in bloei trekken. Verscheidene
+plantengeslachten laten zich vroeg, andere laat forceeren, maar
+ook tusschen de verschillende soorten van ieder geslacht bestaat
+er dienaangaande verschil; vandaar dat men, om met succes te kunnen
+forceeren, een uitgebreide kennis der soorten moet bezitten.
+
+Geforceerde planten, die in bloei zijn, worden in een koeler vertrek
+gezet, omdat de bloemen daar veel langer duren en men er dus meer
+genot van heeft.
+
+
+
+
+Bolgewassen.
+
+De Bolgewassen, die voor forceeren geschikt zijn, behooren voor
+het meerendeel tot die soorten, welke het vroegst in het voorjaar
+bloeien; reden, waarom zij ook veel ter versiering van tuinen worden
+gebruikt. Met het aankweeken van bolgewassen kan een liefhebber zich
+niet bezighouden, want ten eerste kan men het niet overal doen en
+ten tweede is het een zeer moeilijke cultuur; dit is trouwens geen
+bezwaar, daar er tusschen de steden Haarlem en Leiden tal van goede
+bollenkweekers zijn, die tegen niet al te hooge prijzen uitstekende
+bollen leveren. Men lette er echter op, de bloembollen slechts te
+koopen bij een goed, solied kweeker, en make men nooit gebruik van de
+z.g.n. goedkoope aanbiedingen, die dikwijls in de groote dagbladen
+worden geadverteerd. Maar al te dikwijls is het mislukken toch aan
+den bol en niet aan het forceeren zelf te wijten.
+
+Van alle planten, die zich in bloei laten trekken, zijn de bolgewassen
+voor den liefhebber zeker het aanbevelenswaardigst. In de eerste
+plaats stellen zij weinig eischen en laten zij zich gemakkelijk
+in bloei trekken, en in de tweede plaats brengen zij meerendeels
+zeer schoone bloemen voort. Van het bescheiden Sneeuwklokje tot de
+trotsche geurige Hyacint, steeds zijn het schoone verschijningen. De
+talrijke variëteiten der verschillende soorten bieden daarbij zulk
+een kleurenrijkdom, dat ieder er de kleur in kan vinden, welke hem
+het best past.
+
+Zooals bij alle bolgewassen, onderscheidt men ook bij deze een rusttijd
+en een groeitijd. Nadat de bollen hun bladeren ontwikkeld, gebloeid
+en in sommige gevallen zaad gegeven hebben, verdrogen de wortels; de
+bladeren en stengels sterven langzaam af en, zijn zij afgestorven,
+dan is de rusttijd aangevangen. Bij de meeste bolgewassen treedt
+de rusttijd omstreeks Juli in; zij worden dan uit den grond genomen,
+gedroogd en schoongemaakt, zoodat omstreeks einde Augustus en September
+de tijd aanbreekt, waarin de liefhebber zijn inkoopen moet doen.
+
+Voor het in bloei trekken kan men slechts zeer goede bollen gebruiken;
+mindere qualiteit kan men wellicht nog in den tuin planten. Een goede
+bol moet een groote hoeveelheid reserve-voedsel opgehoopt hebben,
+en dit is steeds het geval, wanneer hij goed vast is en een met zijn
+grootte overeenstemmend gewicht heeft. Aan de grootte zelf kan men
+geen bijzondere waarde hechten, daar er talrijke soorten zijn, die
+slechts een kleinen bol vormen, en een kleine, vaste en zware bol
+zal steeds beter zijn dan een groote, die zacht en licht is.
+
+Ieder bolgewas moet een bepaalden rusttijd gehad hebben, maar zoo
+goed als men dien verlengen kan, door den bol droog te laten liggen,
+zoo goed kan men hem verkorten, door den tijd van opplanten in te
+korten. Deze tijd is van groot belang voor het tijdstip, waarop de bol
+zal bloeien. De vroege bolgewassen moeten ook vroeg geplant worden, wil
+men vroegtijdig bloemen er aan hebben. Men moet er wel om denken, dat,
+met enkele uitzonderingen, geen bol direct na het oppotten geforceerd
+mag worden, doch dat men pas met het in bloei trekken moet beginnen,
+wanneer hij een flinken scheut en krachtige wortels heeft gemaakt. Het
+succes hangt dus niet alleen van de gekochte bollen, maar ook van
+de allereerste behandeling af. Deze eerste behandeling is tamelijk
+eenvoudig. Gewoonlijk wordt de opgeplante bol flink diep, ± 25 c.M.,
+onder de aarde gegraven, of wel, men zet hem op een donkere plek
+in den kelder. In het laatste geval moet men er voor zorgen, dat de
+aarde in de potten steeds matig vochtig blijft. Wanneer men over een
+stukje grond kan beschikken, doet men steeds wijzer de potten onder te
+graven. Men bereikt hiermede een tweeledig doel: in de eerste plaats
+behoeft men niet te gieten, aangezien de aarde in de potten steeds
+behoorlijk vochtig blijft; en in de tweede plaats behoeft men niet
+bevreesd te zijn, dat de bollen door het maken der wortels uit den
+pot gelicht worden. Dit laatste is bij in den kelder staande bollen
+niet altijd te voorkomen.
+
+Voor het ingraven der potten doet men het best een leeg groentenbed of
+een gedeelte van een rabat te gebruiken. Dit stukje grond graaft men,
+al naar de grootte der potten, een of anderhalve spa diepte uit,
+men maakt den bodem van het gat gelijk en zet dan de potten er,
+dicht tegen elkander aan, in. Bij het plaatsen der potten moet men
+er op letten, dat de vroegste soorten bij elkander staan, om zoo
+langzamerhand naar de latere af te dalen. Op deze wijze geplaatst,
+kan men de potten des winters van de rij af in de kamer brengen. Heeft
+men al de potten in het gat gezet, dan worden zij duchtig aangegoten,
+en nadat het water goed in de aarde is getrokken, worden zij met den
+uitgegraven grond bedekt.
+
+Hiermede moet men voorzichtig te werk gaan, en er op letten, dat
+uitsluitend fijne aarde over de potten wordt gebracht. De plek,
+waar de potten staan, is nu aan de verhooging kenbaar; men kan er
+voor zekerheid nog een etiquette bij steken, die dan dáár geplaatst
+moet worden, waar de eerste pot staat en die goed boven de aarde moet
+uitsteken. Doet men dit, dan loopt men geen gevaar des winters bij het
+uitgraven een of meer potten te breken. Van den tijd van oppotten af,
+totdat men begint te forceeren, verloopen twee à drie maanden, zoodat
+een op 1 September opgepotte vroege bol niet vóór 1 November warm
+gezet mag worden. Hoewel het meerendeel der bollen wel zonder hinder
+een enkelen graad vorst kan verdragen, moet men er toch voor zorgen,
+dat de potten niet in de aarde bevriezen, daar dit minder goed voor
+de bollen is, en men ze des winters dan slechts met groote moeite
+kan opgraven. Om deze reden moet men de plek, waarin de potten staan,
+vóór het intreden van harde vorst met riet of blad goed bedekken. De,
+in den winter opgegraven potten, mogen niet direct in de warme kamer
+gezet worden; maar moeten eerst enkele dagen in een koele, vorstvrije
+kamer staan, ten einde zoodoende aan de warmte te wennen. Ook moet
+men er op letten, dat vroege bolgewassen niet te lang ingegraven
+blijven staan. Alle bloembollen moeten goed vast opgepot worden,
+d.w.z.: dat de aarde flink moet worden aangedrukt. Hoe men iedere
+soort moet planten, wordt verderop besproken.
+
+
+
+
+De beste bolgewassen om te forceeren.
+
+Hyacinthus orientalis (Hyacint). De Hyacint is zonder twijfel een
+der beste en schoonste bolgewassen, geschikt om te forceeren. Het
+eigenlijke vaderland van de Hyacint ligt in het Oosten en van daar
+is zij naar deze Westersche streken gevoerd. In de zestiende eeuw zal
+zij van uit Bagdad over Konstantinopel naar Italië gebracht zijn, van
+waar zij naar deze streken is gebracht. Tegenwoordig wordt de Hyacint
+op reusachtige schaal gekweekt tusschen Haarlem en Leiden; in den
+loop der tijden zijn ontelbare enkel- en dubbelbloemige variëteiten
+gewonnen, en nog steeds worden nieuwe en betere vormen in den handel
+gebracht. De bloemen der Hyacinten prijken met de schitterendste
+kleuren en zij verspreiden een heerlijken geur, die echter voor de
+kamer wel eens wat al te sterk kan zijn. Men onderscheidt vroege,
+middelmatige en late Hyacinten. De allervroegste soort is de niet
+zeer fraaie Romeinsche Hyacint (Fig. 272), ook wel Romaine blanche
+geheeten. Deze heeft kleine, witte bollen en brengt witte bloemen
+voort; zij ontwikkelt meerdere bloemstengen, die echter slechts
+betrekkelijk weinige kleine bloemen dragen. Deze soort kan men reeds
+in November in bloei hebben. De andere vroege soorten brengen reeds
+fraaie bloemtrossen voort; men kan echter blijde zijn, wanneer die
+tegen Kerstmis in de kamer bloeien. Van deze soorten achten wij
+de beste: Homerus en Emilius, beide enkel rood; Willem de Eerste,
+enkel donkerblauw, La tour d'Auvergne, dubbel wit, en Norma, zacht
+rozerood. Meerdere soorten behoeven wij niet op te geven, aangezien de
+catalogi der handelskweekers en zaadhandelaars niet alleen de beste
+soorten vermelden met opgave der kleur, doch ook de noodige wenken
+omtrent het forceeren geven.
+
+Voor het forceeren gebruikt men slechts, zooals reeds gezegd is,
+de beste bollen, die vast en zwaar moeten zijn (Fig. 273); ook moet
+de wortelhals geheel onbeschadigd zijn. De qualiteit van den bol kan
+men onmogelijk uit de afmeting opmaken, daar er veel soorten zijn,
+die werkelijk prachtige bloemtrossen ontwikkelen en toch slechts kleine
+bollen vormen. In den regel zijn de bollen der dubbelbloemige Hyacinten
+niet zeer groot. De bloemtrossen der enkele Hyacinten zijn over het
+algemeen eleganter en voor het forceeren in de kamer beter geschikt.
+
+Het forceeren van Hyacinten in potten. Voor het forceeren van Hyacinten
+in potten moet men als regel slechts zeer fraaie soorten gebruiken,
+die ieder afzonderlijk in potten van 10 cM. wijdte worden geplant. Van
+de kleinbollige Romeinsche Hyacint, die, alleenstaande, weinig indruk
+maakt, plant men er in den regel 3 tot 6 in een weinig grooteren pot
+(Fig. 272). Voor het forceeren van Hyacinten, die later in bloei moeten
+zijn, gebruikt men de zoogenaamde "rommel-bollen"; dit zijn minder
+sterke, vroeg bloeiende soorten zonder namen, die slechts volgens
+de kleuren gesorteerd zijn. Van dezen "rommel" kan men gewoonlijk
+drie bollen in een wat grooteren pot planten. Plant men er meer in
+één pot, dan moet die zóó groot zijn, dat zij elkander nóch raken,
+nóch drukken. Daar de Hyacinten slechts lange, witte wortels en
+geen haarwortels maken, plant men ze wel eens in hooge pijpvormige
+potten (Fig. 102). Dergelijke potten zijn echter zeer leelijk en
+doen volstrekt geen dienst. De aarde, die men voor de Hyacinten en
+ook voor de andere bolgewassen gebruikt, moet zandig en niet al te
+vet zijn. Daar de bollen het voedsel, dat zij voor den bloei noodig
+hebben, zelf reeds grootendeels verzamelden, is een goede, zandige
+tuingrond voor hen voldoende. Gewoonlijk gebruikt men een mengsel van
+twee deelen kleivrije tuinaarde, één deel oude broei- of compostaarde
+en een half deel zand. Daar de bollen slechts betrekkelijk korten tijd
+in den pot blijven, behoeft men van drainage niet heel veel werk te
+maken; enkele scherven onder in den pot zijn voldoende. Men vult bij
+het oppotten den pot tot over den rand los met aarde, zet den bol
+daar zóó op, dat hij midden in den pot staat, en drukt hem dan met
+beide handen in de aarde (Fig. 274) [5]. De aarde moet goed vast om
+den bol heengedrukt worden, zoodat men, na het indrukken van den bol,
+hieraan meestal nog wat moet toevoegen. Is men met het oppotten klaar,
+dan moet de bol zóó geplant zijn, dat zijn z.g.n. neus niet boven den
+potrand uitsteekt. Plant men hem te hoog, dan is dat wel niet direct
+schadelijk, maar het ziet er niet netjes uit. Fig. 275 toont een
+drogen Hyacinten-bol, een goed opgepotten en een te hoog opgepotten
+bol. Het oppotten van de vroegste soorten begint in de tweede helft
+van Augustus; het begin van September is echter nog vroeg genoeg. De
+middelmatige soorten kunnen nog in October, op zijn allerlaatst zelfs
+in het begin van November opgepot worden. Is men hiermede gereed en
+heeft men de potten van etiquetten voorzien, die de namen der soorten
+dragen, dan worden zij verscheidene keeren goed aangegoten. Hierna
+graaft men de potten, op de medegedeelde wijze onder den grond, of
+men zet ze op een donkere plek in den kelder. Doet men het laatste,
+dan brengt men over de tegen elkander gezette potten een handdikte
+aarde of wel, men zet over iederen beplanten een kleineren ledigen pot
+(Fig. 276); in het eerste geval moet men de aardbedekking nu en dan
+aangieten, opdat zij matig vochtig blijft; in het laatste geval moet
+nu en dan gegoten worden. Aan de bedekking met aarde is de voorkeur
+te geven, daar door den druk hiervan voorkomen wordt, dat de zich
+ontwikkelende wortels den bol uit de aarde lichten. In ieder geval
+moeten de opgepotte bollen donker en gelijkmatig vochtig staan.
+
+De opgepotte vroege soorten laat men nu twee à drie maanden op deze
+donkere plaats staan, de latere soorten blijven daar nog aanmerkelijk
+langer. Men kan eerst dan met het forceeren beginnen, wanneer de
+Hyacint een vier à vijf centimeter langen scheut gevormd heeft en zij
+rijkelijk wortels heeft gemaakt; wat men, door en paar voorzichtig uit
+den pot te kloppen, gemakkelijk kan waarnemen. Het eigenlijke forceeren
+der Hyacinten gaat gemakkelijk en zonder veel moeite. Men graaft
+de potten op of haalt ze uit den kelder, waarna zij, na behoorlijk
+afgewasschen te zijn, een paar dagen in een koel vertrek worden gezet;
+eerst dan zet men ze op de vensterbank van de warme kamer. Men moet
+er nu op letten, dat de aarde steeds behoorlijk vochtig blijft en dat
+zij niet aan tocht of koude buitenlucht worden blootgesteld. In den
+beginne zet men de uit het donker gehaalde potten niet dadelijk in
+het volle daglicht, maar men bedekt ze met papieren peperhuisjes of
+leege potten (Fig. 276) en neemt deze bedekking er na 6 of 8 dagen
+af. De eerst gele, aangesloten bladeren krijgen, in het licht gezet,
+reeds na 24 uren een lichtgroene kleur, wijken van elkander af en de
+bloemtros komt te voorschijn. Zet men de bollen niet te vroeg warm,
+en doet men dit pas na een voldoende voorbereiding, dan zullen de
+bloemen en bladeren zich in de juiste verhouding ontwikkelen. Deze
+ontwikkeling gaat bij de vroege soorten zeer snel. Drie of vijf weken,
+nadat zij warm gezet zijn, ontluiken de eerste knoppen en de bloemtros
+moet dan geheel vrij boven de gootvormige bladeren uitsteken. Afgezien
+van de Romeinsche Hyacinten, die men reeds in November warm kan zetten,
+moet men met het forceeren der vroegste soorten niet vóór den eersten
+December beginnen. Daar de kale potten op de vensterbank niet erg mooi
+staan, en het tapijt door het veelvuldige gieten licht bemorst wordt,
+doet men beter de Hyacinten in daarvoor vervaardigde bakjes te zetten
+(Fig. 277). In deze bakjes moet zich een zinken bak bevinden, voorzien
+van een afvoerbuisje, waardoor men het overvloedige gietwater, zoo
+noodig kan aftappen. De bloeiende Hyacinten maken, met andere in bloei
+getrokken planten voor het venster gezet, een prachtig figuur. Zet men
+de Hyacinten te vroeg warm, voordat zij voldoende beworteld zijn en
+een goeden scheut gemaakt hebben, dan krijgt men in den regel een zeer
+treurig resultaat. In veel gevallen begint het hart te rotten en krijgt
+men in het geheel geen bloem of wel de bladeren groeien buitengewoon
+krachtig door en de bloemtros blijft, door gebrek aan voedsel,
+achter en komt niet boven de bladeren uit; de knoppen verdrogen of
+ontwikkelen zich slechts onvoldoende, zoodat in beide gevallen de
+plant haar waarde heeft verloren. Nu en dan komt het ook wel voor,
+dat oogenschijnlijk gezonde bollen een slechten, kleurloozen scheut
+ontwikkelen of wel, dat de bloem niet wil doorgroeien. In dit geval
+heeft de verzorger, wanneer hij onze wenken in acht genomen heeft,
+er geen schuld aan. De fout schuilt dan in den bol en zulke gevallen
+zijn zelfs door den knapsten vakman lang niet altijd te voorzien.
+
+Forceert men late Hyacinten, dan mogen die niet te warm gezet worden,
+daar dan de bloemen en bladeren te zwak worden. Het schoonst is
+gewoonlijk de vroeg geforceerde Hyacint, die haar bloemsteng zonder
+steun flink rechtop draagt. Dit laatste is echter niet altijd het
+geval en dan moet deze aangebonden worden. Hiertoe bedient men zich
+het best van een metalen staafje, zooals in Fig. 278 is afgebeeld,
+dat zóó ingericht is, dat men het bij den bol kan steken zonder dien
+te beschadigen. Dit staafje bestaat uit dubbel gedraaid koperdraad,
+dat van onder zóó gebogen is, dat het tegen den potrand bevestigd
+kan worden. Ieder bekwaam koperslager kan deze staafjes vervaardigen.
+
+Een bloeiende Hyacint is, in de warme kamer geplaatst, slechts
+betrekkelijk kort van duur. Wil men lang genot van zijn planten hebben,
+dan moet men ze, nadat de eerste bloemen ontloken zijn, in een koele
+kamer zetten; de bloei duurt dan veel langer. Men moet er echter voor
+zorgen, dat de bloeiende Hyacinten niet in een kamer gezet worden,
+waar het kan vriezen, aangezien zij daarvoor zeer gevoelig zijn.
+
+Uitgebloeide Hyacinten hebben haar waarde verloren; zij geven echter
+het volgend jaar nog een bescheiden bloempje, wanneer men ze na den
+bloei langzaam laat afsterven, dan uit de potten neemt, ze schoonmaakt
+en tot het begin van den planttijd droog en luchtig bewaart.
+
+Het forceeren van Hyacinthen op water. Een liefhebberij, die om
+haar zindelijkheid en eenvoud zeer in trek is, is het forceeren van
+Hyacinthen op water. Om dit te doen bedient men zich van zoogenaamde
+Hyacintenglazen. Deze glazen zijn in verschillende vormen en prijzen
+te verkrijgen. Enkele van onze gravures toonen eenvoudige glazen,
+die in verschillende kleuren overal te koop zijn. Men heeft in den
+laatsten tijd ook andere glazen vervaardigd, die het bijvullen van
+het water gemakkelijk maken. Ook het ververschen van het water,
+hoewel niet dikwijls noodig, kan met deze glazen zeer gemakkelijk
+geschieden. Het nieuwste en doelmatigste Hyacintenglas is door
+J. C. Schmidt, te Erfurt, in den handel gebracht. Over de geheele
+lengte van dit glas loopen gootjes (Fig. 279). Door deze kan, zooals
+onze gravure aantoont, het eventueele vuile water zeer gemakkelijk
+afgegoten worden, daar men den bol met zijn wortels niet uit het glas
+behoeft te nemen; hij wordt zelfs, wanneer men het water voorzichtig
+afgiet, niet eens vochtig. Dicht onder den hals van dit glas bevindt
+zich tusschen iedere twee gootjes een glazen uitsteeksel. Deze
+uitsteeksels maken het mogelijk bollen van iedere grootte er op
+te zetten, terwijl de bollen er ook luchtig door staan, waardoor
+het ontstaan van rotting wordt voorkomen. Het gewone Hyacintenglas
+echter is ook in alle opzichten voldoende, daar men, om er water af
+of bij te gieten, slechts den bol even behoeft op te lichten. Wij
+moeten nog opmerken, dat men in den laatsten tijd ook zeer fraaie,
+elegante glazen in den handel heeft gebracht.
+
+De Hyacinten, die men op glazen forceert, komen lang niet zoo vroeg
+in bloei als die, welke in potten geplant zijn. Men moet, wil men
+voorkomen dat de bollen rotten, ze niet vóór October op de glazen
+zetten. Daar de wortels in het water zoo goed als geen voedingstoffen
+vinden, kan men voor het forceeren op glazen slechts bollen van eerste
+qualiteit gebruiken. Enkelbloemige soorten zijn veel beter voor dit
+doel geschikt dan dubbele. Bij het aankoopen moet men uitdrukkelijk
+te kennen geven, dat men bollen verlangt, die op glazen moeten gezet
+worden. Wanneer in October de tijd voor het op glazen zetten gekomen
+is, dan worden deze, na eerst zeer goed schoongemaakt te zijn, tot
+vrij dicht onder den hals met helder regen- of leidingwater gevuld. Op
+ieder glas kan men zooveel keukenzout toevoegen, als op de punt van
+een ontbijtmes liggen kan; dat moet dienen om het water eenigszins vrij
+van groene Wieren te houden. Heeft men de glazen gevuld, dan kunnen de
+bollen er op gezet worden; zij moeten goed in den hals passen en dus
+vastzitten. De wortelhals van den bol moet dicht boven het water zijn,
+doch mag dit niet aanraken, daar hij dan begint te rotten. Fig. 280
+toont een pas opgezetten bol; men kan daaraan duidelijk zien, hoe hoog
+het water staan mag. Den waterstand moet men natuurlijk, regelen na
+het opzetten van den bol. Op ieder glas plakt men een etiquetje met
+den naam van den opgezetten bol.
+
+Evenals de in potten geplante Hyacinten, moeten ook de op glazen
+gezette minstens een paar maanden in donker staan. Het best zet
+men ze in den kelder of in een niet te warme kast. Kan men geen
+van beide doen, dan zet men ze op de donkerste plek van de kamer
+en bedekt iederen bol met een papieren peperhuis. In den loop
+van een paar maanden zullen de meeste bollen rijkelijk wortel
+gemaakt en een krachtige spruit gevormd hebben. Binnen dezen tijd
+zal een paar keer bijvullen der glazen noodig zijn. De wortels
+nemen water op en ook verdampt er een weinig, zoodat men telkens,
+wanneer het een paar centimeters gezakt is, de glazen opnieuw moet
+bijvullen. Fig. 280 toont, hoe een Hyacint er vier weken na het
+op water staan uitziet. Natuurlijk ontwikkelen niet alle bollen
+zich even goed, enkele rotten en hebben dan hun waarde verloren,
+weer andere werken volstrekt niet, hoewel de bol gezond blijft. Men
+doet het best deze laatste van de glazen te nemen en ze in potten
+te planten, waarin zij dan meestal spoedig wortelen en nog goed
+terechtkomen. Hebben de wortels den bodem van de glazen bereikt,
+dan zet men ze voor het venster; de scheuten mogen dan echter nog
+niet direct aan het licht blootgesteld worden, maar men bedekt die
+nog enkele dagen met een peperhuis.
+
+Daar de Hyacinten op glazen langzaam groeien en meestal pas in Maart
+bloeien, moet men ze niet dadelijk aan een te hooge temperatuur
+blootstellen. De beste plaats voor Hyacinten op glazen is tusschen de
+dubbele vensters van een verwarmd woonvertrek; zij staan daar zeer goed
+en ontwikkelen er zich langzaam maar zeker. Zijn de scheuten ongeveer
+zoover uitgegroeid als Fig. 281 aanduidt, dan kan men ze in het volle
+licht zetten, en neemt men dus de peperhuizen weg. De verzorging is
+zeer eenvoudig, en bepaalt zich tot het bijvullen van het verbruikte
+water. Geheel ververschen van het water is slechts noodig, wanneer de
+bollen wortelziek zijn geworden, daar gezonde wortels ook het water
+tamelijk zuiver houden. Heeft men zeer koude nachten, waarin het water
+in de glazen voor het venster zou kunnen bevriezen, dan neemt men ze
+des avonds weg en zet ze midden in de kamer. Enkele bollen ontwikkelen
+kweekbolletjes, die men tijdig moet wegsnijden. Begint met de lente
+de zon meer en meer krachtig te schijnen, dan groeien de bloemen
+der Hyacinten zeer welig door. Daar de bollen, door het gewicht van
+den bloemtros, dan niet erg vast meer staan en de bloemtrossen zelf
+gaan overhangen, gebruikt men het in Fig. 278 afgebeelde staafje om
+ze hieraan op te binden. Fig. 282 toont aan, hoe men dit staafje aan
+het glas kan bevestigen. Wanneer de Hyacinten zich op de glazen niet
+goed ontwikkelen, wanneer zij te lange bladeren vormen en de bloemen
+blijven steken, dan is dit meestal een gevolg van het te vroeg in
+het licht zetten, of van een te warme standplaats.
+
+Zijn de bollen op glazen uitgebloeid, dan zijn zij ook geheel
+uitgeput. Men kan ze wel langzaam laten afsterven, droog bewaren en
+in het najaar in potten of in den tuin planten, maar een voldoenden
+bloei zullen zij in geen geval meer geven, zoodat men beter doet ze
+direct na den bloei weg te werpen.
+
+Het kweeken van Hyacinten op dubbele glazen. Zeer interessant is het
+kweeken van Hyacinten op de in Fig. 283 afgebeelde dubbele glazen. Zulk
+een glas bestaat uit twee deelen: het onderste fleschvormige gedeelte,
+dat een voet heeft, en het bovenste tulpvormige gedeelte, dat los
+op het eerste past. Tot het beplanten van zulk een glas behooren
+twee bollen; gewoonlijk neemt men een roode en een witte of blauwe
+variëteit die te gelijk bloeien. Nadat men het bovenste gedeelte
+van het onderste heeft afgenomen, zet men de roode Hyacint met de
+spruit naar onder in den hals ervan, waarin de bol goed moet passen,
+zoodat er geen openingen blijven. Hierop wordt het geheele bovenste
+gedeelte met het reeds vermelde grondmengsel gevuld, en daarin de
+blauw bloeiende soort met de spruit naar boven geplant. Heeft men dit
+gedaan, dan zet men het bovenste gedeelte weder op het onderste, zet
+het geheel donker en zorgt er voor, dat de aarde gelijkmatig vochtig
+blijft. Beginnen de bollen goed te wortelen, dan zet men de glazen op
+een lichte standplaats in de kamer en vult het onderste fleschvormige
+gedeelte met helder water.
+
+De onderste Hyacint blijft nu naar beneden groeien en bloeit
+in het water, terwijl de bovenste zich als iedere andere Hyacint
+ontwikkelt. Altijd gelukt het niet, beide te gelijk in bloei te hebben;
+het wil wel voorkomen, dat de bovenste bol te vroeg bloeit; dit bezwaar
+is echter te voorkomen door den uitgebloeiden bol door een anderen te
+vervangen. Erger is het, wanneer de onderste bol begint te rotten,
+in welk geval het geheel verloren is, daar deze niet door een ander
+vervangen kan worden. Het geheel maakt, wanneer het goed gelukt,
+een alleraardigsten indruk.
+
+Tulipa (Tulp). Naast de Hyacint is de Tulp ontegenzeglijk het meest
+gezochte bolgewas, en daar de meeste soorten òf reukeloos zijn,
+òf slechts zeer zacht geuren, wordt zij door vele liefhebbers boven
+eerstgenoemde verkozen, daar deze hun veel te sterk riekt.
+
+In de vijftiende eeuw kwam de Tulp uit Perzië in Turkije, waar
+zij spoedig zeer bemind werd, zóó zelfs, dat men jaarlijks ter
+harer eere een groot feest vierde. Nog heden ten dage bestaat deze
+gewoonte en de Sultan beschouwt het als een groot blijk van liefde
+wanneer de bewoonsters van den harem jaarlijks dit feest voor hem
+bereiden. In 1559 kwamen de Tulpen in Duitschland, en in het begin der
+zeventiende eeuw werden ze hier te lande ingevoerd. Nergens heeft de
+Tulp zoo'n opgang gemaakt als in ons land, en nergens heeft zij tot
+zulke dolzinnige speculaties aanleiding gegeven. Van af 1634-1637
+waren het de meest in trek zijnde handelsartikelen op de markten
+van Amsterdam, Utrecht, Leiden, Rotterdam, enz. Als geboren koopman
+maakte men toen ter tijd de Tulp tot een gewild handelsartikel. Het
+volk werd als het ware met een Tulpenkoorts besmet en de werkelijke
+handel veranderde in de grootste zwendelarij. Iedereen hield er een
+grootere of kleinere Tulpenkweekerij op na, in de hoop spoedig rijk
+te worden. De voornaamste zwendelarij bestond in het verkoopen van
+Tulpen, die in het geheel niet bestonden. Door de groote vraag werden
+de prijzen buitengewoon opgedreven en voor zeldzame soorten werden
+fabelachtige sommen besteed. Zoo werd o.a. voor één enkelen bol van
+de "Semper Augustus" de som van 14.600 gulden besteed; een openbare
+verkoop van 120 Tulpen bracht in 1637 op de markt te Alkmaar 90.000
+gulden op, en te Amsterdam werd in één week voor 10 millioen gulden aan
+Tulpenbollen verkocht. Op den duur was deze zwendelarij onhoudbaar,
+zoodat de Staten Generaal er den 27sten April 1637 een wet tegen
+uitvaardigden. Ten gevolge hiervan geraakte de Tulpenhandel spoedig
+weder in zijn natuurlijk spoor, en de zwendelaars verlieten met gevulde
+zakken het tooneel hunner speculaties. Hoewel de Tulpenzwendelarij
+verdwenen is, bestaat er hier te lande tusschen den Nieuwen Waterweg
+en het Amsterdamsche Noordzee-kanaal toch nog een zeer uitgebreide
+Tulpencultuur.
+
+Van af einde Augustus tot aan November kan men de Tulpen, die men wil
+forceeren, opplanten. Soorten echter, die men vroegtijdig in bloei
+wil hebben, moeten ook tijdig opgepot worden. Het beste plant men
+de Tulpen in een grondmengsel, dat bestaat uit gelijke deelen broei-
+en tuinaarde, waarbij men rijkelijk zand voegt; ieder ander zandig,
+doch niet te kleiachtig of vet grondmengsel kan men echter ook voor
+het oppotten van Tulpen gebruiken. Het best doet men drie bollen
+in een pot te planten, die maar juist zóó groot mag zijn, dat zij
+elkander niet raken. Nadat men den pot met aarde gevuld heeft, worden
+de bollen er in gedrukt (Fig. 286) en wel zóó diep, dat hun neuzen in
+één lijn liggen met den rand van den pot of er slechts even bovenuit
+steken. Het best doet men de beplante potten met Tulpen in den kelder
+te zetten en ze een centimeter of drie met aarde te bedekken. Men
+moet echter goed op deze bollen letten, daar zij bij voorkeur door
+muizen worden afgeknaagd. Graaft men de potten in den tuin onder,
+dan mag men vooral de vroegere soorten niet te lang zoo laten staan,
+daar de scheuten dan na een paar maanden reeds een buitengewone
+lengte hebben bereikt, waardoor de bloemen zich later niet mooi
+zouden ontwikkelen. Hierbij komt nog, dat de langstengelige Tulpen
+dan niet rechtop blijven staan en daardoor veel van haar schoonheid
+verliezen. Bij het forceeren in de kamer stelt de Tulp even weinig
+eischen als de Hyacint; de vroege soorten verdragen ook, wanneer zij
+vroeg geforceerd worden, tamelijk veel warmte. De vroegste soorten
+zijn de enkele Duc-van-Thol. De vroegste en kleinste van deze soort
+is de rood met gele, dan volgen de scharlaken, rose, gele, goudbonte,
+maximus en vermiljoen-variëteiten. De meeste van deze verspreiden
+een zachten geur. Ook onder de talrijke niet-riekende Tulpen bevinden
+zich verscheidene vroegere soorten. De eerste Duc-van-Thol's kunnen
+omstreeks St. Nicolaas bloeien. Fig. 287 toont een pot met enkele,
+Fig. 288 een met de minder aanbevelenswaardige, dubbele Tulpen. De
+vroege Tulpen moeten ook vroeg in December en Januari geforceerd
+worden, daar bij een later in bloei trekken de bladeren zich
+buitengewoon ontwikkelen en de bloemknoppen verdorren. Bij het
+forceeren van vroege Tulpen wil het wel voorkomen, dat de bladeren
+zóó stijf in elkander gerold zitten, dat de knop er niet door kan
+breken; is dit het geval, dan moet men de bladeren voorzichtig uit
+elkander rollen.
+
+Late Tulpen zijn voor het forceeren minder geschikt, daar zij tegen
+het voorjaar haar waarde voor de kamer verliezen. De Tulpen zijn het
+fraaist, wanneer de bloemen gesloten zijn; des winters blijven zij
+dit in een koel vertrek zeer lang en duren dan ook geruimen tijd;
+in het voorjaar gaan zij, onder den invloed van de zon, openstaan en
+bloeien daardoor zeer snel uit. Iedere Tulpen-bol brengt als regel één,
+slechts zelden twee bloemen voort.
+
+Narcissus (Narcis). Door de kweekers worden de hiertoe behoorende
+soorten, met meestal zeer welriekende bloemen, verdeeld in drie
+groepen: Narcissen, Tazetten en Jonquilles. De Narcissen dragen slechts
+één of twee, de Tazetten daarentegen een aantal bloemen op één steng;
+zij hebben smalle, grasachtige bladeren en sterke bollen. De Jonquilles
+dragen minstens twee of drie, meestal echter meer bloemen op één
+steng; zij hebben smalle, grijsachtige bladeren en kleine bollen
+(Fig. 289); het zijn over het algemeen zeer sierlijke plantjes. De
+Narcissen behooren te huis in Spanje, Portugal, Italië en Griekenland,
+doch blijven hier te lande des winters onder bedekking zeer goed
+buiten over.
+
+Al de hiertoe behoorende bollen worden tegen het einde van Augustus
+in potten geplant. Men gebruikt hiertoe zandige broeiaarde, waaraan
+een weinig tuingrond kan worden toegevoegd. In iederen pot worden
+gewoonlijk drie bollen geplant en daar zij elkander niet mogen
+aanraken, moet men voor Narcissen en Tazetten potten gebruiken van
+ongeveer 15 cM. wijdte, terwijl voor Jonquilles, die kleinere bollen
+hebben, potten van 10 cM. groot genoeg zijn. De bollen worden geheel
+in de aarde geplant; slechts de lange neus mag er een eindje bovenuit
+steken en mag zelfs iets boven den potrand uitkomen. Men kan nu de
+beplante potten, hetzij ondergraven, hetzij op een schaduwrijke plek
+in den tuin zetten, totdat de vorst begint in te treden; zij moeten
+dan voorloopig in den kelder worden geplaatst. In het eerste geval mag
+men de potten hoogstens tot midden Januari ondergegraven laten staan,
+opdat de bladeren, door het te vroeg warm zetten niet te lang worden;
+in het tweede geval moet men niet vergeten de potten gelijkmatig
+vochtig te houden. Van het begin van het forceeren tot den bloei
+verloopen 4-6 weken.
+
+Al de verschillende soorten Narcissen laten zich zeer goed in bloei
+trekken, wanneer men daarmede niet vóór half Januari begint; zij zijn
+dan in dien tijd goed beworteld en hebben zich flink ontwikkeld. Het
+in bloei trekken moet niet al te snel gaan. Men brengt deze planten
+eerst in een vertrek, waarin niet gestookt wordt, doch dat vorstvrij
+is; acht à tien dagen later zet men ze dan in een temperatuur van
+50° à 55° Fahr. Zooals steeds bij het in bloei trekken, moet men
+er ook bij deze planten op letten, dat de aarde nooit uitdroogt,
+doch gelijkmatig vochtig blijft. Fig. 289 toont de bollen van
+een paar Jonquillen-soorten; Fig. 290 die van twee verschillende
+Narcissen-soorten, en Fig. 291 die van drie Tazetten-soorten, terwijl
+Fig. 292 een pot met een bloeiende Narcis vertoont. Bij het inkoopen
+van deze bollen moet men ze goed bekijken; zij worden toch door
+de larven van twee verschillende vliegen bewoond, toonen dan ronde
+gaten en komen niet tot bloei. Niet al de tot het geslacht Narcissus
+behoorende planten laten zich forceeren, verscheidene soorten hebben
+slechts waarde ter versiering van den tuin. De vroegste soort om in
+bloei te trekken is de niet zeer schoone Marseiller Tazette, die reeds
+in December warm gezet kan worden en zeer goed een hooge temperatuur
+verdraagt. Andere Narcissen moet men voor het zonnige venster van een
+warme kamer langzamerhand tot ontwikkeling laten komen. De Jonquilles
+mogen niet vóór Maart in de kamer worden gezet.
+
+Scilla. De Scilla-soorten zijn allerliefste, kleine plantjes,
+met stervormige kleine blauwe bloempjes, die reukeloos zijn en met
+meerdere te zamen aan kleine steeltjes zitten. Iedere bol brengt drie,
+vier of meer van deze bloemtrosjes voort.
+
+Men plant de bolletjes (Fig. 293), vier à vijf te zamen, in een potje
+van 10 cM. wijdte, in het grondmengsel, dat ook voor Hyacinten gebruikt
+wordt. De potten kunnen, totdat het begint te vriezen, op een beschutte
+plek in den tuin blijven en dan in den kelder gezet worden; men kan ze
+echter ook, evenals de Hyacinten, ondergraven; zij moeten dan echter
+in de eerste helft van Januari opgenomen worden, om ze, wanneer men
+ze nog niet warm wil zetten, verder in den kelder of een koude kamer
+te plaatsen, daar de scheuten anders te lang en geel worden.
+
+De soort, die het meest voor forceeren gebruikt wordt, is de Scilla
+sibirica met fraaie, donker blauwe bloemen. Wanneer zij op tijd wordt
+geplant, kan men midden December reeds beginnen haar te forceeren en
+zij bloeit dan in Januari. Aanvankelijk zet men ze in een matig warme
+kamer; zoodra zij dan teeken van leven begint te geven, wordt zij
+voor het venster van een warmere kamer gezet. Heeft men een kamer,
+die op het Zuiden ligt en waarin de zon nu en dan eens schijnt, dan
+is dit voor een goede ontwikkeling zeer voordeelig. Gewoonlijk willen
+bij het forceeren de vast aaneengesloten blaadjes niet loslaten en
+de bloem heeft niet de noodige kracht, ze van elkander te wringen,
+en zou dus bederven, wanneer men haar niet een weinig hielp. Om dit te
+doen, maakt men voorzichtig de bladeren aan de spitsen een weinig los;
+zij gaan dan, wanneer het goed gedaan is, vanzelf verder uit elkander.
+
+Wil men de Scilla later in bloei hebben, dan is daarvoor beter geschikt
+de Scilla bifolia, een lieve, in Duitschland en Frankrijk te huis
+behoorende voorjaarsbloeister, met blauwe bloemen. Van deze soort
+zijn ook witte, vleeschkleurige, roode en lichtblauwe variëteiten
+bekend. Ook de Scilla campanulata uit Spanje en Portugal is voor
+dit doel zeer goed geschikt. Van deze soort is ook een wit bloeiende
+variëteit in den handel.
+
+Naast de besproken bolgewassen komen er nog één knol- en één
+wortelgewas meer in het bijzonder voor het forceeren in aanmerking
+n.l.:
+
+Crocus vernus (Krokus). Onder de planten, geschikt tot forceeren, nemen
+de Krokussen een voorname plaats in. Buiten uitgeplant, bloeien zij
+slechts even later dan de Sneeuwklokjes. De tamelijk groote bloemen
+prijken in alle kleurnuancen tusschen wit, blauw en geel; dikwijls
+zijn zij ook fraai gestreept of anders geteekend. Zeer duidelijk
+toont Fig. 294 het voorkomen van den gewonen Krokus.
+
+Een mooie soort is ook nog de Crocus Imperati (Fig. 295), met fraai
+geaderde bloemen. De kleine knolletjes (Fig. 296), die met een taai,
+droog omhulsel zijn omgeven, gelijken in voorkomen zeer veel op
+Gladiolus-knollen en evenals bij deze kan men ook bij de Krokus-knollen
+de eigenaardigheid waarnemen, dat zij nooit ouder worden dan één jaar.
+
+De oude knol droogt in den loop van den groeitijd geheel in,
+maar onder aan de jonge scheuten, die zich uit hem ontwikkelden,
+vormen zich de dadelijk bloeibaar zijnde jonge knollen. Neemt men een
+afgestorven Krokus uit den grond, dan vindt men één tot drie krachtige
+jonge knolletjes en aan hun voet den ouden, ingedroogden knol. In de
+catalogi der kweekers worden tegenwoordig talrijke fraaie variëteiten
+vermeld, die ieder op zichzelf toch nog te klein zijn om afzonderlijk
+te worden opgepot. Van de Krokus worden zooveel mogelijk knolletjes
+in den pot of de schaal geplant, zonder dat zij elkander aanraken;
+zij moeten 2-3 cM. diep onder de aarde geplant worden. Zeer geschikt
+om ze in te planten is zandige compost- of tuinaarde. Heeft men de
+potten of schalen beplant, dan worden zij aangegoten en in den tuin
+ingegraven of in den kelder gezet. Met het in bloei trekken moet
+men niet vóór Februari beginnen en dit doen voor een zonnig gelegen
+venster van een koude kamer. Door kunstmatige warmte kan men bij deze
+planten niets bereiken, vooral niet, wanneer men gebrek heeft aan
+zon. In dit geval groeien de Krokussen krachtig door en vormen groote
+lange bladeren, de bloemen verdwijnen echter, zonder tot ontwikkeling
+te komen. Kweekt men deze planten voorzichtig, dan zorgt men, dat de
+temperatuur bij zonnig weer een weinig stijgt en daarentegen bij donker
+weer daalt. Brengt men goed bewortelde Krokussen voor een venster,
+dan zullen, bij zonnig weer, de bloemen zich reeds na enkele dagen
+ontplooien. Iedere knol vormt meerdere scheuten en uit iederen scheut
+ontspruiten weer verscheidene bloemen. De bloemen zijn in gesloten
+toestand verreweg het mooist. Geregeld sluiten zij zich des avonds,
+maar blijven ook bij donker weer overdag gesloten; geheel openen doen
+zij zich slechts onder helderen zonneschijn. Heeft men ze op een koele
+standplaats staan, dan laten de bloeiende Krokussen zich van 4 tot 6
+weken lang goedhouden; zet men ze daarentegen op een warme plaats,
+dan zijn zij reeds na 8 of 10 dagen uitgebloeid. De Krokus, die in
+een pot is uitgebloeid, heeft meestal nog slechts zeer weinig waarde,
+omdat de jonge scheuten zich dan zwak ontwikkelden. Wil men er nog
+plezier van hebben, dan plant men ze na den bloei in den tuin uit,
+waar zij dan het volgend jaar weder zullen bloeien.
+
+Convallaria majalis (Lelietje der dalen). Er wordt wellicht geen
+enkele plant in zóó grooten getale in bloei getrokken als deze, en
+te verwonderen is dit zeker niet. Zoowel om haar lief voorkomen als
+om haar heerlijken geur is het Lelietje algemeen bemind; men vindt
+het in de bruidsbouquet en in den grafkrans, en een pot met bloeiende
+Convallaria's is, vooral des winters, overal een aangenaam geschenk.
+
+Het is niet zeker of de in het wild voorkomende Convallaria het type
+is van de zooveel gekweekte soort. Deze laatste overtreft de eerste
+verreweg in schoonheid, zij heeft breedere bladeren, een krachtiger
+bloeiwijs en grootere bloemen; ook is zij zeer geschikt om in bloei
+te trekken, wat de eerste niet is. De natuurlijke bloeitijd van
+het Lelietje valt in de maanden Mei en Juni; in bloei getrokken,
+bloeit zij reeds in November en men kan den ganschen winter door
+bloeiende planten er van hebben. Tot het in bloei trekken worden
+meestal driejarige kiemen gebruikt (Fig. 298), met een weinig oefening
+kan men aan de grootte en den vorm van de kiem dadelijk zien of zij
+bloeibaar is of niet. Snijdt men een bloeibare kiem door, dan vindt
+men er niet alleen de bladeren, maar in het hart ook den aanleg van
+de bloem in. In enkele streken van Holland worden de Convallaria's
+bij millioenen gekweekt en vooral die zijn aan te bevelen, welke door
+haar blanke wortels toonen op zandgrond gekweekt te zijn.
+
+Voor het in bloei trekken der Lelietjes moet men, wil men ze vroeg
+hebben, over een temperatuur kunnen beschikken van minstens 80° Fahr.,
+in de meeste gevallen geven de kweekers ze een bodemwarmte van 85°-90°
+Fahr. Daar men in de kamer gewoonlijk over een dergelijke warmte niet
+kan beschikken, doet men beter het zeer vroeg in bloei trekken niet
+te beproeven en er niet vóór midden Januari mede te beginnen. De
+Convallaria heeft, bij het in bloei trekken, een zeer bijzondere
+eigenschap; zij vormt toch geen nieuwe wortels, maar neemt door haar
+oude wortels de noodige vochtigheid op. Warmte en vocht zijn bij het
+forceeren dezer planten de voornaamste factoren. De kiemen, die men
+noodig heeft, moet men zich in October of November aanschaffen; men kan
+ze dan in den tuin ingraven of dadelijk opplanten. Voor het oppotten
+kan men iedere grondsoort, zelfs zuiver zand gebruiken; het best
+gebruikt men er potten voor van 10-12 cM. wijdte. In iederen pot plant
+men, al naar de grootte, van 8-12 kiemen, waarvan de wortels voor het
+planten op ongeveer 10 cM. lengte teruggesneden moeten worden. Hierop
+neemt men den pot, legt enkele scherven op den bodem, waarna er een
+laagje aarde op wordt gebracht, dat een weinig wordt aangedrukt. Is men
+zoover klaar, dan neemt men het aantal kiemen, dat men planten wil,
+zóó in de hand, dat de neuzen op gelijke hoogte liggen en houdt ze
+dan zóó in den pot, dat zij juist even boven den potrand uitsteken;
+de overblijvende ruimte wordt dan niet verder met aarde opgevuld. Nu
+drukt men de kiemen uit elkander, zoodat zij even ver van elkander
+verwijderd zijn, waarop de openingen met aarde worden aangevuld,
+waarbij men er op moet letten, dat de aarde goed tusschen de wortels
+in komt, en dat zij stevig genoeg wordt aangedrukt. Geraken enkele
+neuzen hierdoor onder de aarde, dan moet men die weder een weinig
+oplichten. De hoofdzaak bij het opplanten is, dat de kiemen geheel
+vrij liggen, dat de aarde goed tusschen de wortels wordt aangedrukt,
+en dat de neuzen niet onder de aarde komen te liggen. Fig. 297 toont
+opgepotte kiemen in verschillende stadiën van ontwikkeling.
+
+In plaats van ze in potten te planten, kan men ook van negen tot
+vijftien kiemen zoodanig in gewoon mos wikkelen, dat de neuzen
+vrijblijven, doch de wortels alle in het mos komen te liggen. Het
+geheel wordt ten slotte met een flinken band tot een bundel stevig
+samengebonden. Nadat men de kiemen opgepot of ingewikkeld heeft,
+worden zij goed aangegoten en, totdat met het forceeren begonnen wordt,
+in den kelder bewaard.
+
+Heel aardig is het in bloei trekken in zoogenaamde piramiden. Deze
+piramiden (Fig. 299) zijn steenen potten, die veel overeenkomst hebben
+met de potten, die men wel eens gebruikt ziet om Pieterselie-wortels
+te laten overwinteren; alleen zijn zij wat kleiner en van meer gaten
+voorzien; iedere pottenbakker kan ze vervaardigen. Het planten der
+kiemen in de piramide is zeer eenvoudig. De wortels der te planten
+kiemen worden op 10 cM. lengte teruggesneden. Men doet dan, tot aan
+de onderste gaatjes, aarde in de piramide en legt door ieder gaatje
+op die hoogte, een kiem en wel zoodanig, dat de neus geheel uit het
+gaatje steekt. Zijn op deze wijze al de onderste gaatjes gevuld,
+dan brengt men er een laagje aarde op tot aan de tweede rij. Nadat
+de aarde met de hand behoorlijk is vastgedrukt, wordt de tweede rij
+gaatjes gevuld en zoo gaat men door tot zij alle van kiemen voorzien
+zijn, waarop men er bovenop ook nog eenige plant. Is men met beplanten
+klaar, dan wordt het geheel zóó lang onder water gedompeld, totdat
+er geen luchtblaasjes meer aan ontsnappen; ook later moet het gieten
+geheel op dezelfde wijze geschieden. Wordt de beplante piramide in
+bloei getrokken, dan richten al de uitgroeiende kiemen zich naar
+boven, zoodat het geheel er ten slotte uitziet, zooals in Fig. 299
+is afgebeeld.
+
+Het in bloei trekken der Lelietjes doet men, in een kamer, het best
+op de volgende manier. De potten of bundeltjes Convallaria's worden
+in een tamelijk hoog kistje met mos ingegraven, zoodanig, dat de
+neuzen ook eenige centimeters met mos bedekt zijn. Het mos wordt
+nu met een broesgieter met lauw warm water behoorlijk aangegoten,
+waarop het kistje met een paar glasruiten bedekt en dicht bij de
+kachel gezet wordt. Men moet er op letten, dat zij niet al te warm
+staan en dat de kachel, zoo mogelijk, gelijkmatig warm blijft. De
+kiemen worden nu dagelijks met lauw water begoten, waarbij dan
+tegelijkertijd de ruiten met een drogen doek worden afgeveegd. Zijn
+de kiemen zóó ver uitgegroeid, dat zij de ruiten raken, dan worden
+deze er afgenomen. Voordat de bloemen openkomen, neemt men de potten
+uit het kistje, verwijdert het mos en zet ze voor het venster of
+op de bloemtafel. Het geheele in bloei trekken der kiemen vordert
+ongeveer van 20-25 dagen. Heeft men de kiemen zeer vroeg geforceerd,
+dan zullen zij wel bloemen, maar geen bladeren ontwikkelen. Om dan aan
+het geheel wat meer leven te geven, en de witte bloempjes wat beter
+te doen uitkomen, legt men tusschen de bloemtrosjes levend sphagnum,
+of wel, men plant er kleine Varens tusschen. Het mooiste resultaat
+verkrijgt men, door in de eerste helft van Februari te forceeren,
+daar dan de bladeren en bloemen zich ongeveer te gelijk ontwikkelen
+(Fig. 300). Hoe verder wij nu het voorjaar ingaan, des te sterker
+worden bij het forceeren de bladeren; ten laatste verdringen zij
+geheel de bloemen, die dan niet meer tot ontwikkeling komen. Men kan
+dit bezwaar eenigszins voorkomen, wanneer men bij iedere kiem slechts
+één blad laat doorgroeien en de andere tijdig, in ieder geval vóór
+zij zich ontrollen, met een scherp mesje wegsnijdt. Bij het in bloei
+trekken der Lelietjes hangt alles èn van voldoende warmte èn van een
+behoorlijk vochtige lucht af, zoodat er zeer op het gieten en het
+spuiten moet gelet worden. Men doet het best, steeds lauw water te
+gebruiken. De grootste vijand van getrokken Convallaria's is de zon;
+laat men ze in de zon staan, dan hangen zij binnen korten tijd slap
+en zij richten zich niet weder op. Wil men van de bloeiende Lelietjes
+veel genoegen hebben en ze langen tijd goedhouden, dan moet men ze
+in een frissche, koele kamer zetten. De uitgebloeide kiemen sterven
+af en hebben alle waarde verloren.
+
+Met het in bloei trekken van vaste-planten en bloemheestertjes in de
+kamer hebben wij vaak proeven zien nemen, die gewoonlijk mislukten. Wij
+raden ieder plantenliefhebber dan ook aan zijn tijd hiermede niet te
+verspillen; hij voorkomt op deze wijze tevens teleurstellingen.
+
+
+
+
+
+
+
+IV. KALENDER DER MAANDELIJKSCHE WERKZAAMHEDEN.
+
+
+Januari.
+
+De maand Januari is voor de Kamerplanten nog een zeer slechte
+maand. Wel beginnen de dagen reeds een weinig langer te worden en
+breekt de zon reeds nu en dan door de wolken, maar het kan nog zeer
+koud zijn en wij moeten er dus op letten, dat de vertrekken, waarin
+wij planten kweeken, behoorlijk verwarmd worden. Is het zeer koud,
+dan moet men, wanneer in de kamers geen vulreguleerkachels staan,
+de kachels des avonds laat nog eens goed laten doorbranden, daar
+de temperatuur des nachts wel wat lager mag zijn dan overdag, maar
+dit verschil toch niet al te groot moet wezen. Ook moet men des
+avonds de planten van het venster verwijderen en ze verder in de
+kamer zetten. In koude nachten heerscht er bij de vensters altijd
+een zeer lage temperatuur; de warmtegraad daalt er aanmerkelijk,
+somtijds zóó sterk, dat de aarde in de potten bevriest en de teere
+planten doodgaan. De Primula's, die op de vensterbank of tusschen de
+dubbele ramen staan, kunnen, wanneer zij overdag niet in de zon staan,
+wel eenige graden vorst verdragen, maar men doet toch beter ze in de
+kamer te zetten, daar door het bevriezen de potten wel eens kunnen
+springen. Heeft men in Januari zachte dagen, dan moeten de kamers
+gelucht worden, waartoe men de teere planten eerst in een ander
+vertrek zet. Bijzonder voorzichtig moet men gedurende deze maand met
+het gieten zijn. Met uitzondering van eenige winterbloeisters en de
+in bloei getrokken planten, bevinden zich alle kamerplanten nog in
+haar rustperiode. De rustende planten moeten eer droog dan vochtig
+gehouden worden, maar men mag ze niet geheel laten uitdrogen, met
+uitzondering van de Cactussen en andere vetplanten, die men kurkdroog
+kan laten worden. Er wordt dus in het algemeen slechts weinig gegoten;
+wanneer men echter giet, moet men goed gieten, d.w.z. zóó dat het
+water goed door de geheele kluit heendringt en ten slotte door het
+drainage-gaatje wegloopt. Men moet nooit met versch, koud water,
+doch altijd met lauw water gieten. De potplanten moet men goed
+zindelijk houden, doode twijgjes en verrotte of verdroogde bladeren
+moeten steeds tijdig afgesneden worden. Zeer licht ontwikkelen zich,
+wanneer men daarop niet let, verschillende ongedierten, of wel, er zet
+zich op de bladplanten een laagje stof af. Beide moet men voorkomen,
+door iedere week de bladeren aan de boven- en onderzijde met een
+spons en lauw water goed af te wasschen. Krijgt het ongedierte toch de
+overhand, dan moet men die middelen toepassen, welke in het hoofdstuk
+"De vijanden der Kamerplanten" zijn opgegeven, ten einde ze zoodoende
+met vrucht te kunnen bestreden. Men moet gedurende deze maand de
+hardere planten, die in den kelder overwinteren, niet vergeten, en er
+op letten, dat zij nòch verdrogen, nòch bevriezen. Heerscht er zacht
+weer, dan moet de kelder, door het openzetten van het keldervenster,
+gelucht worden. Heeft men rustende bollen of knollen, dan ziet men
+die van tijd tot tijd na en vertoonen zij rotplekken, zoo worden die
+dadelijk weggesneden en de wonden met houtskoolpoeder bestrooid.
+
+Het forceeren der planten is nu in vollen gang. In de warme kamer
+trekt men Hyacinten, Tulpen, Lelietjes der dalen. Al deze planten
+moeten gelijkmatig vochtig gehouden en slechts met lauw water begoten
+worden. Ook moet men goed letten op de tusschen de dubbele vensters
+staande Hyacinten op glazen; heerscht er langdurige vorst, dan doet
+men beter ze in een verwarmde kamer te zetten, daar zij anders licht
+zouden bevriezen en daardoor bederven.
+
+
+
+
+Februari.
+
+Gedurende deze maand kunnen de kamerplanten voor het meerendeel nog
+behandeld worden zooals voor Januari is opgegeven. Meestal heerscht er
+ook nu nog strenge vorst, de tuin ligt nog onder de sneeuw bedolven
+en de ruiten zijn vaak nog met ijsbloemen beschilderd. De zon begint
+echter langzamerhand meer te schijnen, zij krijgt meer kracht en de
+temperatuur stijgt dan ook gedurende de middaguren aanmerkelijk. Bij
+de kamerplanten begint het langzamerhand reeds lente te worden,
+voor het venster bloeien talrijke geforceerde bolgewassen en in de
+bladplanten begint wat leven te komen. Vooral moet men letten op de
+harde planten, die in een koude kamer overwinteren. Deze hebben toch
+neiging om zwakke, kleurlooze scheuten te vormen en daarom moet de
+groei zooveel mogelijk tegengehouden worden. Het vertrek, waarin zij
+staan, moet zeer koel, doch vorstvrij gehouden en van nu af aan zoo
+dikwijls en zoo rijkelijk mogelijk gelucht worden. De bladplanten,
+die in de woonkamer staan, kunnen in deze maand langzamerhand aan den
+groei gebracht worden, waartoe men ze wat meer begiet, en bij helder,
+zonnig weer nu en dan bespuit. Palmen, grootbladerige bladplanten en
+Varens kunnen tegen het eind van deze maand reeds verplant worden,
+doch men moet dan, totdat zij weder vaststaan, zeer voorzichtig met
+het begieten zijn. Verscheidene bol- en knolgewassen, zooals Liliums,
+Canna's en Gesneriaceeën, kunnen reeds opgepot en langzaam aan den
+groei gebracht worden. Met het voortkweeken kan men langzamerhand
+beginnen. Men zaait nu de zaden van Palmen en Bananen, verder die,
+welke langzaam kiemen, zooals die van Acacia's, Canna's, Mimosa's en
+ook de zeer fijne zaden waaruit zich slechts langzaam groote planten
+ontwikkelen, zooals die van Gesneriaceeën en Begonia's. Ook wordt
+het tijd de sporen van Varens uit te zaaien. De noodige aanwijzingen
+daartoe vindt men in de hoofdstukken "Het zaaien en uitplanten" en "De
+kunstmatige of ongeslachtelijke voortkweeking van Kamerplanten." Over
+het vrij moeilijke uitzaaien der Varensporen vindt men de noodige
+gegevens in het hoofdstuk "De Varens." De potten met uitgebloeide
+bolgewassen worden koel gezet, men geeft dezen laatsten allengs
+minder water, ten einde ze te laten opdrogen. De bollen, die reeds
+geheel rusten, worden uit de potten genomen, schoongemaakt en droog
+weggeborgen. Uitgebloeide Cineraria's, Primula's en Convallaria's
+hebben geen waarde meer en kunnen dus weggeworpen worden. De
+geforceerde planten staan nu in vollen bloei. Alle, besproken planten
+kunnen in deze maand geforceerd worden; men moet er echter om denken,
+die, welke geen hooge temperatuur kunnen verdragen, slechts voor het
+zonnige venster van een koel vertrek te zetten.
+
+
+
+
+Maart.
+
+De maand Maart is voor hem, die planten in de kamer kweekt, een echte
+lentemaand, welke voortdurend werk geeft. Het verplanten, waarmede
+men in de vorige maand begonnen is, wordt geregeld voortgezet en
+zoo mogelijk beëindigd, zoodat nog in deze maand alle planten,
+die er behoefte aan hadden, versche aarde verkrijgen. De zon, die
+nu meer en meer kracht begint te krijgen, maakt een geregeld en zeer
+oplettend gieten noodzakelijk; ook moeten, bij helder weer, de in warme
+vertrekken staande planten een paar keer per dag met den rafraîchisseur
+bespoten worden. De koele vertrekken moeten van nu af, bijna dagelijks,
+gelucht worden, ten einde de daarin staande harde planten zooveel
+mogelijk terug te houden. Wanneer deze, om een regelmatiger vorm te
+verkrijgen, ingesneden moeten worden, moet men dit nu doen, voordat
+de nieuwe groei begint. Een uitzondering hierop maken de Acacia's en
+andere bloemplanten, die nu met knoppen bezet zijn; deze toch mogen
+eerst na den bloei ingesneden worden. De potplanten, die haar blad
+laten vallen en die men in den herfst in den kelder heeft gezet,
+zooals Hortensia's, Fuchsia's, Rozen, enz. worden in de eerste dagen
+van deze maand voor den dag gehaald, verplant, ingesneden en voor
+het zonnige venster aan den groei gebracht. Zooals reeds gezegd is,
+mogen de Hortensia's, wil men mooie bloemschermen verkrijgen, niet
+ingesneden worden. Deze planten moeten meermalen bespoten worden,
+ten einde te voorkomen, dat er zich ongedierte op nestelt. De jonge
+scheuten, die nu verschijnen, kan men ook zeer goed als stekken
+gebruiken. Alle gedurende den herfst rustende bol- en knolgewassen,
+die nog niet opgeplant zijn, moeten thans aan den groei gebracht
+worden. De uitgebloeide Cyclamen gaat men droger houden, opdat zij
+langzamerhand haar bladeren verliezen. De rusttijd van dit knolgewas
+duurt tot midden in den zomer; het is echter geen volmaakte rusttijd,
+daar de wortels in het leven blijven; vandaar dat men de knollen niet
+uit den pot moet nemen en ze ook niet geheel moet laten uitdrogen. De
+reeds aan den groei gebrachte bol- en knolgewassen worden, zoo noodig,
+verplant en de bewortelde stekken opgepot, terwijl de zaailingen
+gerepikeerd worden. Deze maand is ook nog zeer geschikt om zaden te
+zaaien of stekken te steken. De planten, die warm en licht staan,
+niet verplant zijn, en sterk groeien, kan men reeds nu en dan een
+weinig gieren. Heeft men in bloei getrokken planten, die uitgebloeid
+zijn, dan behandelt men die op de wijze, welke in het desbetreffende
+hoofdstuk is opgegeven. Al de vermelde bol- en knolgewassen, staan
+thans in bloei; men moet er echter op letten, dat zij tijdig geschermd
+worden, daar zij anders veel te snel uitbloeien. Tusschen de dubbele
+vensters bloeien nu ook de Hyacinten op glazen, die bij zonnig weer
+zooveel water noodig hebben, dat zij wekelijks bijgevuld moeten worden.
+
+
+
+
+April.
+
+Daar de zon in deze maand reeds veel meer kracht begint te krijgen,
+moet men er door flink luchten op passen, dat de temperatuur in de
+kamers, waarin, wanneer het donker weer is, nu en dan nog gestookt
+moet woeden, niet al te veel stijgt. Wanneer de zon helder schijnt,
+moeten de planten in het kamerkasje, en ook die, welke voor het venster
+staan, geschermd worden. Door de enkele warme dagen mag men zich
+niet laten verleiden, de potplanten reeds buiten te zetten. Het weer
+toch is in deze maand nog zeer ongestadig en de planten, in gesloten
+vertrekken eenigszins gevoelig geworden, kunnen zeer licht het offer
+worden van plotseling invallende koude. Anders is het met de harde
+planten, die eenige graden vorst kunnen verdragen en in den kelder
+werden overwinterd. Deze, zooals Granaten, Laurieren, Oranjeboomen,
+Phormiums en anderen, kunnen tegen het midden van de maand op het
+balkon of in den tuin gezet worden. De planten, welke in een koude
+kamer hebben overwinterd, worden door herhaaldelijk luchten zoodanig
+gehard, dat zij tegen het eind van deze maand naar buiten kunnen
+gebracht worden. Wordt het weer nog plotseling koud, dan kan men
+ze op zij leggen en met een tapijt of eenige doeken overdekken. Het
+voortkweeken langs geslachtelijken en ongeslachtelijken weg kan ook
+nog in deze maand geschieden. De plantjes, die de vorige maand gezaaid
+zijn, zullen wel reeds zóó groot wezen, dat zij afzonderlijk in potjes
+kunnen worden uitgeplant. Heeft men zaailingen of stekplantjes van
+bossig groeiende planten, en willen zij zich niet vertakken, dan moet
+men ze in deze maand den kop afsnijden. Kweekt men voor de versiering
+van het balkon klimplanten of éénjarige bloemplanten, zoo moet men die
+in het begin van deze maand zaaien; de snelgroeiende zaailingen worden
+dan gerepikeerd, of ook wel dadelijk in potjes uitgeplant. Deze jonge
+plantjes moeten zonnig gehouden en tijdig aan de buitenlucht gewend
+worden, opdat men ze reeds in de volgende maand voor de beplanting der
+bakjes moet kunnen gebruiken. In deze maand kan men ook beginnen met
+het in orde brengen der aquariums of terrariums. Daar nu in den tuin
+reeds vele voorjaarsbloemen bloeien, scheidt men met het forceeren
+uit. De uitgebloeide bollen en knollen worden na het afsterven uit
+den grond genomen, in de lucht gedroogd en goed droog opgeborgen.
+
+
+
+
+Mei.
+
+Pas in deze maand begint men meer gestadig warm weer te krijgen, maar
+niet zelden heeft men in de eerste helft nog last van nachtvorsten,
+zoodat alleen de hardere planten buiten mogen gezet worden. Men
+behandelt deze op de wijze zooals aangegeven is in het hoofdstuk:
+"De Kamerplanten gedurende den zomer." De teedere potgewassen, die
+nòch nachtvorst, nòch kouden regen kunnen verdragen, mogen niet vóór
+de tweede helft van deze maand buiten gezet worden. Fijnere Palmen,
+teere Varens, en warme bladplanten blijven gedurende den geheelen
+zomer in de kamer; men moet ze nu echter in een vertrek zetten,
+dat veel gelucht kan worden en waar men ze behoorlijk tegen de zon
+kan beschermen. Als regel kan men aannemen, dat vóór Pinksteren de
+bloemrekjes buiten voor het venster in orde gemaakt en de beplanting
+der balkonbakjes uitgevoerd moet worden. In de eerste afdeeling van
+dit boek wordt uitvoerig beschreven, hoe een en ander moet worden
+uitgevoerd. Wanneer men Primula chinensis voor winterbloei wil kweeken,
+dan moeten die nu gezaaid worden. Heeft men bloeiende potplanten,
+dan bindt men die behoorlijk op; uitgebloeide moeten, wanneer dit
+noodig blijkt, ingesneden worden. De potten moeten steeds zindelijk
+gehouden en het opkomende onkruid er tijdig van verwijderd worden. Al
+de potplanten moeten gedurende deze maand geregeld begoten worden
+en heerscht er zeer warm weer, dan moet men dit twee keer per dag,
+des morgens en des avonds, doen. Een herhaald bespuiten der planten
+is dan ook hoog noodig.
+
+
+
+
+Juni.
+
+In deze maand is de kamer, waarin men de planten kweekt, betrekkelijk
+leeg, de meeste hebben een plaats gevonden op de plantenrekjes
+of op de balkons. Van de talrijke teedere planten, die men tot nu
+toe in de kamer hield, zooals Palmen en Varens, kunnen er in deze
+maand nog verscheidene buiten gezet worden. Den Palmen moet men,
+na ze behoorlijk gehard te hebben, een half beschaduwde plaats in
+den tuin geven, en de Varens houden het, wanneer men ze onder boomen
+zet en herhaaldelijk bespuit, buiten zeer goed uit. Kan men niet over
+een tuin beschikken, dan doet men beter deze planten in de kamer te
+houden, daar plaatsing op een plantenrekje of balkon minder wenschelijk
+is. De meeste Cactussen en Succulenten staan in dezen tijd ook beter
+buiten dan in de kamer, men kan ze gerust in de volle zon zetten;
+vooral voor de versiering van rotspartijtjes laten zij zich zeer goed
+gebruiken. Heeft men goed bewortelde potplanten, dan behoeft men in
+deze maand niet zuinig te zijn met gier. Snel groeiende planten, die
+men in Maart verpot heeft, zullen nu reeds weder doorgeworteld zijn
+en is dit het geval, dan kan men ze nog eens verpotten. Heeft men nog
+geen Primula's gezaaid, dan kan men het in het begin van deze maand
+nog doen; ook met het uitzaaien van Cineraria's en Muurbloemen moet
+men niet langer wachten. Het wordt in Juni ook tijd om de stekken te
+snijden van de harde planten, die men wil vermenigvuldigen.
+
+
+
+
+Juli.
+
+In deze maand kan men wel aannemen, dat de meeste bloemtafels leeg
+zijn, daar de kamerplanten, zooveel mogelijk, buiten zijn gezet. De
+plantjes, die men in de vorige maanden door zaden of stekken
+vermenigvuldigd heeft, en die men goed op tijd moet repikeeren
+en oppotten, zet men nu het best op de vensterbank, waar men ze,
+zoo noodig, tegen de zon moet kunnen schermen. In het begin van deze
+maand kan men de zomerstekken snijden van Pelargoniums, die dan zonder
+veel moeite wortel maken en nog rijk kunnen bloeien. Voor het stekken
+van Rozen is het ook nu de beste tijd. Deze stekken wortelen pas na
+vier tot zes weken; men moet ze onder glas steken, in de volle zon
+zetten en zeer dikwijls bespuiten. Pelargonium-stekken daarentegen
+worden niet gesloten gehouden, zij moeten echter ook een zonnige
+plaats hebben, maar mogen slechts weinig bespoten worden. Wil men des
+winters Reseda hebben, dan moet die nu gezaaid worden. De hoofdzaak,
+waarop men gedurende deze maand te letten heeft, is het herhaaldelijk
+begieten en het, zoo noodig, bespuiten der planten.
+
+
+
+
+Augustus.
+
+Ook in deze maand heeft men in de kamer nog niet veel aan de planten
+te doen, daar zij voor het meerendeel nog buiten staan. Vooral
+moet gelet worden op de zaailingen van Primula's, Cineraria's en
+Cyclamen, die herhaaldelijk verplant moeten worden. De in het voorjaar
+gezaaide Gesneriaceeën en Begonia's beginnen nu ook langzamerhand te
+bloeien. Heeft men oude knollen van Cyclamen, wier rusttijd nu over
+is, dan moet men die verplanten en op de vensterbank zetten. Sterk
+groeiende planten, zooals Chrysanthemums, moeten in deze maand voor de
+laatste maal verpot worden. Ook wordt het nu tijd om Pelargoniums te
+stekken, die vrij snel wortel maken, doch niet uitgeplant worden. Men
+laat de stekken in de potten, waarin zij gestoken zijn, overwinteren,
+om ze in het voorjaar uit te planten. Zoo behandeld, zullen zij reeds
+vroeg in de lente bloeien. Van harde planten kan men deze maand nog
+stekken sneden; heeft men er stekken van, die in de vorige maand
+gestoken en nu beworteld zijn, dan kunnen deze in kleine potjes
+uitgeplant worden. Kweekt men klimplanten, dan moet men zorgen,
+dat zij geregeld aangebonden worden. Reeds beginnen er hier en daar
+zaden te rijpen; deze worden afgeplukt, op een vel papier gedroogd,
+in grauw-papieren zakken bewaard en in den winter schoongemaakt. Men
+moet er om denken bij iedere zaadsoort den naam te voegen, daar men
+ze later niet meer kan onderscheiden. Veel acht moet nog geslagen
+worden op het gieten en spuiten, daar deze werkzaamheden ten zeerste
+samenhangen met het weer. In deze maand ontvangt men de catalogi van
+bolgewassen. Zoodra men die ontvangen heeft, doet men de bestelling,
+om in de tweede helft der maand, op de opgegeven wijze, de vroegste
+bol- en knolgewassen op te planten.
+
+
+
+
+September.
+
+Langzamerhand beginnen de planten weder in de kamer terug te komen. In
+de eerste helft dezer maand toch worden de teerste potplanten, zooals
+Palmen, Varens en andere bladplanten, die buiten stonden, weder in de
+kamer gebracht. Voordat men ze binnenbrengt, moet de aarde van alle
+onkruid gezuiverd, moeten de planten goed gewasschen en de potten
+met een boenborstel goed afgeschrobd worden. De planten, die men
+nog voorloopig buiten laat staan en die gevoelig zijn voor vocht,
+moet men zóó plaatsen, dat zij tegen de overvloedige regens beschut
+zijn. Heeft men potgewassen in den vollen grond uitgeplant gehad, dan
+moeten die tijdig en voorzichtig weder in potten gezet worden. Bol-
+en knolgewassen, die volgroeid zijn en beginnen af te sterven,
+moeten langzamerhand minder begoten worden, en ook Camellia's en
+Azalea's, die knop gezet hebben, moet men wat minder water geven. In
+de kweekerijen vindt men om dezen tijd een grooten voorraad van
+kamerplanten voorhanden, zoodat men nu zeer goed de noodige soorten,
+vooral de winterbloeisters, kan koopen. De maand September is ook
+de meest geschikte om bol- en knolgewassen, die men forceeren wil,
+op te planten.
+
+
+
+
+October.
+
+In de maand October krijgt men weer heel wat te doen. Reeds in de
+eerste dagen van deze maand moeten alle planten, die nog buiten
+staan, met uitzondering van enkele zeer harde, haar winterkwartieren
+betrekken. Alvorens dit te doen moeten de planten en potten goed
+schoongemaakt en de eersten behoorlijk opgebonden worden. Heeft
+men planten, die gedurende den zomer ziek geworden zijn, dan doet
+men het best die weg te werpen, daar zij toch den winter niet
+goed doorkomen. Zoolang het weer nog niet koud wordt, moet men de
+vertrekken, waarin de planten staan, behoorlijk luchten. Bij het
+binnenzetten der planten moet men er vooral op letten, dat zij licht
+staan en elkander niet, of zoo weinig mogelijk, raken. De planten,
+die weinig warmte behoeven, worden in een koele kamer gebracht, waar
+slechts in uitersten nood gestookt wordt. Heeft men grootere harde
+planten, die zonder schade een paar graden vorst kunnen verdragen,
+in kuipen staan, dan laat men die tot het eind van deze maand buiten,
+waarna zij in de gang of in een luchtigen kelder gezet worden. Heeft
+men geen ruimte genoeg om deze planten behoorlijk te bergen, dan geeft
+men ze aan een vertrouwden kweeker om te bewaren. Bol- en knolgewassen,
+die afgestorven zijn, worden uit de potten genomen en schoongemaakt,
+om ze droog te bewaren. Indien de Fuchsia's, Hortensia's en Rozen
+haar bladeren reeds verloren hebben, dan kunnen zij in een vorstvrijen
+kelder opgeborgen worden. Kleinere Cactussen en Succulenten, waarvoor
+men geen voldoende ruimte heeft, kunnen met de potten in kistjes met
+droog zand worden ingegraven, welke men dan ter overwintering boven
+op een kast kan zetten in een koele, doch vorstvrije kamer. Planten,
+die om dezen tijd bloeien, moeten zoo licht en zonnig mogelijk gezet
+worden. Ook bol- of knolgewassen, die men forceeren wil, kunnen nog
+geplant worden. Voor het op glazen zetten van Hyacinten is October
+ook een zeer geschikte maand.
+
+
+
+
+November.
+
+Het sombere weer, dat meestal gedurende deze maand heerscht, is voor
+de kamerplanten niet zeer gunstig, daar het licht rotting veroorzaakt,
+wanneer men met gieten niet zeer oppast. Vooral met de knollen der
+Cyclamen moet men zeer voorzichtig zijn en er voor zorgen, dat geen
+gietwater in het hart der plant komt. De lucht wordt in de kamers,
+waarin nu reeds geregeld gestookt wordt, zeer droog; het is daarom
+nuttig de Palmen en andere bladplanten herhaaldelijk met een sponsje
+en lauw water af te wasschen. Treedt er ongedierte op, dan moet men
+dat zoo krachtig mogelijk bestrijden. De vertrekken, waarin de harde
+planten staan, moeten met zacht weer gelucht worden. Het is zaak
+zeer voorzichtig te zijn met gieten; men gebruikt daartoe slechts
+water, dat de temperatuur heeft van het vertrek, waarin de planten
+staan, en den planten, die rusten, mag men vooral niet te veel water
+geven. Herfstbloeisters, die uitgebloeid zijn, zooals Bouvardia's en
+Chrysanthemums, moeten ingesneden en in den kelder gezet worden. De
+bolgewassen, die men buiten heeft ondergegraven, bedekt men met flinke
+laag blad, ten einde ze voor de vorst te beschermen. Met het forceeren
+kan men beginnen, waartoe de Romeinsche Hyacint en de roode en gele
+Duc-van-Thol het eerst aan de beurt zijn. Heeft men Hyacinten op
+glazen tusschen de dubbele vensters staan, dan moet men die, bij het
+intreden van strengere vorst, in de kamer zetten.
+
+
+
+
+December.
+
+Ook voor deze maand gelden de bovenstaande raadgevingen. Men moet er
+op letten, dat de planten in de warmere kamer, zoo ver mogelijk van
+de kachel verwijderd en zoo dicht mogelijk bij de vensters staan. De
+planten, in de koude kamers, veroorzaken al heel weinig moeite;
+toch moet in die kamers nu en dan gestookt worden, eerstens om het
+indringen van de vorst te beletten en ten tweede om de lucht een weinig
+te laten opdrogen. Die, welke in den kelder overwinteren, moeten ook
+nu en dan nagezien en begoten worden, ten einde te beletten, dat zij
+uitdrogen, waardoor de bast rimpelig wordt, en de plant doodgaat. Bijna
+al de potgewassen bevinden zich thans in hun rustperiode. De bol-
+en knolgewassen, die men buiten heeft ondergegraven, kunnen licht te
+ver uitgroeien; zij moeten op een zachten dag uit den grond genomen
+en in de kamer gezet worden, mits men ze nog niet direct in bloei
+wil trekken, in welk geval men ze voorloopig in den kelder zet.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEKENINGEN
+
+
+[1] Dit schijnt mij wel wat haastig. Denkelijk wordt hier Juli van
+het volgend jaar bedoeld. Vert.
+
+[2] Eigenlijk is dit geen Aralia, maar in den handel komt deze plant
+toch steeds onder dien naam voor. Vert.
+
+[3] Hoewel de naam Plectogyne wetenschappelijk juister is, gebruik
+ik bij voorkeur den naam Aspidistra, waaronder deze plant algemeen
+bekend is. Vert.
+
+[4] De Schr. bedoelt hier blijkbaar de Solanum Capsicastrum. De
+S. Pseudo-Capsicum toch (het ouderwetsche Capsicum-boompje) wordt
+beter van stek gekweekt; het duurt toch te lang, eer men van zaden
+vruchtdragende heestertjes heeft. Vert.
+
+[5] Zonder iets af te dingen op deze vermoedelijk in Duitschland
+gevolgde handelwijze, moet hier toch opgemerkt worden, dat ze bij
+ons weinig toepassing vindt, daar men allicht kans loopt, dat de bol
+spoedig uit den pot zal oprijzen. Hier vult men dien half met aarde,
+drukt die een weinig aan en zet er den bol op, om daarna den pot
+verder geheel met aarde te vullen. Vert.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Kamerplanten, by Max Hesdörffer
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KAMERPLANTEN ***
+
+***** This file should be named 30658-8.txt or 30658-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/0/6/5/30658/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.