diff options
Diffstat (limited to '30658-0.txt')
| -rw-r--r-- | 30658-0.txt | 14956 |
1 files changed, 14956 insertions, 0 deletions
diff --git a/30658-0.txt b/30658-0.txt new file mode 100644 index 0000000..57fe756 --- /dev/null +++ b/30658-0.txt @@ -0,0 +1,14956 @@ +The Project Gutenberg eBook of Kamerplanten, by Max Hesdörffer + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: Kamerplanten + Handboek tot het kweeken van planten in de kamer + +Author: Max Hesdörffer + +Editor: E. Th. Witte + +Release Date: December 12, 2009 [eBook #30658] +[Most recently updated: December 10, 2022] + +Language: Dutch + +Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KAMERPLANTEN *** + + + + + Kamerplanten. + + Handboek + tot het kweeken van planten in de kamer, + vrij bewerkt naar het Duitsch + + + Door + + E. Th. Witte, + + Hortulanus te Leiden. + + Tweede druk. + + + + Leiden. + + A. W. Sijthoff's Uitgevers-Maatschappij. + + + + + + + +VOORWOORD. + + +"Wanneer twee hetzelfde doen, is het daarom nog niet hetzelfde."--Ook +wanneer beiden zich goed van hun taak kwijten, kan er toch in de +uitkomst zulk een groot verschil zijn, dat een vergelijking nog maar +juist mogelijk is.-- + +Door denzelfden vertaler werden, met een tusschenruimte van slechts +zeven jaren, twee boeken uit het Hoogduitsch in onze taal overgebracht, +of liever voor Nederland bewerkt, die vrij wel over dezelfde +materie handelen; die beide degelijk, zeer bruikbaar en aan het doel +beantwoordend en dus aanbevelenswaardig zijn, maar die hemelsbreed in +opvatting, veel in uitgebreidheid en in uitvoering tevens verschillen. + +Ik heb indertijd niet geaarzeld om aan de Nederlandsche bewerking +van Riese's Wohnungsgärtnerei een aanbevelend woord mede te geven, +en ik behoef daarvan niets terug te nemen, wanneer ik hetzelfde doe, +nu het een dubbel zoo uitgebreid werk betreft, maar dat toch geheel +dezelfde strekking heeft. + +Toen de uitgever van dit werk mij de eerste afleveringen liet zien van +Hesdörffer's Handbuch der praktischen Zimmergärtnerei, en mij vroeg, +wat ik van de vertaling daarvan dacht, kon ik niet anders dan hem mijn +groote ingenomenheid doen blijken met dat keurige boek, en aarzelde +ik niet als mijn meening te kennen te geven, dat, zoo hij meende dat, +naast het reeds bestaande, de uitgave van dit meer uitvoerige en dus +uit den aard der zaak kostbaarder boek mogelijk was, deze zeer zeker +ten volle gerechtvaardigd kon geacht worden. + +Beide boeken toch verschillen zoozeer in opvatting en bewerking, +dat een liefhebber ze gerust beide kan bezitten, en toch zoowel het +een als het andere met vrucht zal raadplegen. + +Deze Nederlandsche uitgave is genoegzaam gelijktijdig verschenen +met de Duitsche. Kon ik aanvankelijk nog slechts oordeelen over het +begin, mijn ingenomenheid met dit boek klom met het verschijnen van +elke aflevering. De Schrijver blijkt een doorkundig kweeker te zijn, +en hij verklaart de verschillende manipulaties zóó duidelijk en licht +ze met zulke sprekende figuren toe, dat ieder, die er lust, aanleg en +gelegenheid toe heeft, naar aanleiding hiervan, de kamerplantencultuur, +ook zonder nadere hulp, op de breedste schaal kan toepassen. + +Dat dit boek er alweer iets toe zal bedragen om het kweeken van +planten in de kamer hier te lande meer toepassing te doen vinden, +mag wel aangenomen worden. + +Ik twijfel er niet aan of dit boek zal door de lectuur aan velen +menig aangenaam oogenblik en, wat wel het voornaamste is, door de +toepassing van de daarin gegeven wenken en raadgevingen veel voldoening +verschaffen. De liefde voor planten en bloemen moge er bij velen door +opgewekt en verlevendigd worden. + + +Leiden, Januari 1897. H. WITTE. + + + + + +VOORWOORD BIJ DEN TWEEDEN DRUK. + + +De wensch, dien mijn Vader bij het verschijnen van den eersten druk +van dit Handboek uitsprak, is eerder in vervulling getreden, dan ik +zelf had durven denken. De Uitgever verzocht mij toch de verzorging +van een tweeden druk op mij te willen nemen, en aangezien hij daarbij +den wensch uitsprak het boek door een lageren prijs in grooter getale +te kunnen verspreiden, heb ik gemeend hier en daar eenige bekortingen +te moeten aanbrengen, zonder dat deze aan de practische waarde eenige +directe schade hebben berokkend. + +Moge ook deze tweede druk er toe bijdragen de liefhebberij voor +Kamerplanten aan te wakkeren. + + +Leiden, 1909. E. Th. WITTE. + + + + + + + +INHOUD. + + +Voorwoord. + +Inleiding + +I. Algemeene wenken. + + De inrichting van den kamertuin + De gereedschappen + De aarde + Het zaaien en uitplanten + De kunstmatige of ongeslachtelijke voortkweeking van kamerplanten + Het oppotten en verplanten + De behandeling van pas opgepotte of verpotte planten + Het gieten + De bemesting der potplanten + Het snoeien der potplanten + Het opbinden der potplanten + Zindelijkheid bij het kweeken van planten + De vijanden der kamerplanten + Zieke kamerplanten + Het verwarmen der vertrekken + Het luchten der vertrekken + Het overwinteren en aan den groei brengen van bollen en knollen + De kamerplanten gedurende den zomer + + A. In den tuin + B. Op het balkon en in de vensterbank + + Plantenbakjes en hun beplanting + Het binnenbrengen der gedurende den zomer buiten gekweekte planten + De kelder als overwinteringsplaats voor harde planten + +II. De beste kamerplanten. + + Inleiding + Struikachtige bloemplanten voor koele vertrekken, het balkon en de + vensterbank + Struikachtige bloemplanten voor warme vertrekken + Kruidachtige bloemplanten voor koele vertrekken + Kruidachtige bloemplanten voor warme vertrekken + Bol- en Knolgewassen + Aroideeën of Aäronskelkachtige planten + Bromeliaceeën of Ananasachtige planten + Gesneriaceeën + Orchideeën + Klimplanten + Hang- of Ampelplanten + Zomerbloemen + Cacteeën + Succulenten of Vetplanten + Bladplanten + Struik- en boomachtige bladplanten voor koele vertrekken + Struik- en boomachtige bladplanten voor warme vertrekken + Kruidachtige bladplanten voor koele vertrekken + Kruidachtige bladplanten voor warme vertrekken + Palmen + Cordyline en Dracæna + Potplanten met fraaie vruchten + Coniferen + Varens + Mossen of Lycopodiaceeën + Het aquarium + Practische aquariums voor de cultuur van waterplanten + De beplanting van het aquarium + De versiering van het aquarium + De verzorging van het beplante aquarium + Inheemsche en uitheemsche waterplanten + De beste planten voor het kamer-aquarium (Onder water groeiende + planten) + + a. Uitheemsche soorten + b. Inlandsche soorten + + Waterplanten met drijvende bladeren + + a. Uitheemsche soorten + b. Inlandsche soorten + + Drijvende waterplanten + + a. Uitheemsche soorten + b. Inlandsche soorten + + Het terrarium + +III. Het Forceeren. + + Inleiding + Algemeene regels voor het forceeren + Bolgewassen + De beste bolgewassen om te forceeren + +IV. Kalender der Maandelijksche werkzaamheden. + + Januari + Februari + Maart + April + Mei + Juni + Juli + Augustus + September + October + November + December + +Alphabetisch Register + + + + + + + +INLEIDING. + + +Ieder onverdorven mensch kan beschouwd worden als een vriend der natuur +en in het bijzonder als een vriend der bloemen- en plantenwereld. Het +goed beschouwen der plantenwereld en vooral het verzorgen der planten, +verschaft niet alleen een waar genot, maar geeft ook een aangename +afwisseling, vooral voor die menschen, die, als broodwinners hunner +families, den ganschen dag hard moeten arbeiden. + +In den tegenwoordigen tijd, waarin de strijd om het bestaan, +niet alleen den man, maar vaak zelfs ook de vrouw en het kind tot +onophoudelijk werken aanspoort, waardoor bijna alle aanraking met +de natuur verloren gaat, vormen somtijds enkele planten den eenigen +zwakken band tusschen den mensch en de natuur. + +De tuin, waarover helaas in onze tegenwoordige steden slechts enkele +bevoorrechten kunnen beschikken, het balkon of ook maar de eenvoudige +vensterbank, waartoe slechts enkele uren van den dag een zwakke +zonnestraal kan doordringen, zij alle geven gelegenheid om zich met +bloemen en planten bezig te houden. Hij, die slechts gedurende den +morgen en den avond eenigen tijd aan planten kan wijden, vindt in de +cultuur van kamerplanten ruimschoots vergoeding voor het gemis van +een tuin. + +Reeds van oude tijden her, is het kweeken van planten nauw verbonden +met ons familieleven. Zoowel in de vorstelijke paleizen als in de +vensterbanken van de armste arbeiderswoningen vinden wij bloemen; +overal vervroolijken zij de kamers en overal zijn zij de bron van +veel genot voor de eigenaars, wier geringe zorgen zij ruimschoots +door haren bloei en groei beloonen. + +Wanneer het buiten met de bloemenpracht gedaan, wanneer de oogsttijd +voorbij is en de laatste dorre bladeren door de lucht fladderen, +wanneer regenbuien en daarna harde vorst ons tot thuisblijven nopen, +dan krijgt ook hij behoefte aan bloemen in de kamer, die gedurende den +zomer zijn vrijen tijd, hetzij buiten de stad, hetzij in zijn eigen +tuin kan doorbrengen. Wanneer een wit sneeuwkleed de dor geworden +weiden bedekt, wanneer de takken der boomen zich neerbuigen onder +den last der sneeuw, wanneer de vorst ijsbloemen op de vensterruiten +teekent, dan is het een onschatbaar genot in de verwarmde kamer +planten te zien groeien, die aan het geheele vertrek een buitengewone +gezelligheid geven. + +Niet overal echter verschaffen de bloemen in de kamer een even groot +genot; maar al te dikwijls toch willen zij niet groeien. Zij komen +dan slechts zeer langzaam vooruit, of, wat nog erger is, zij laten +de bladeren, vallen om dan na korter of langer tijd te sterven. + +Het kweeken van planten toch, en vooral de verzorging van planten, +die in verschillende landstreken thuis behooren, is een wetenschap, +en om op de hoogte dier wetenschap te komen, moet men een goed geleider +hebben, die raad weet voor de talrijke moeilijkheden, waar de beginner +aanvankelijk elken dag op stuit. + +Dit boek stelt zich voor, zulk een geleider te zijn; het zal antwoord +geven op al de vragen, die zich bij het kweeken van planten voordoen, +en het zal de lezers bekendmaken met die planten, welke gebleken zijn +voor de cultuur op het balkon, in de kamer, en op de vensterbank +het best geschikt te wezen. Bij het gebruik van dit boek zal de +plantenliefhebber, die in de plant een levend wezen ziet, waarin +de sapbeweging even zoo goed aan natuurwetten gebonden is, als de +bloedbeweging bij de menschen, een goed leidsman vinden. Hij, die het +kiemen der zaden en het doorgroeien der zaailingen met genoegen volgt; +die zich het eigenaardige doorzicht weet toe te eigenen, dat iedere +tuinbouwkundige bezit, en dat dezen in staat stelt direct te zien of +een plant de juiste grondsoort, vochtigheidsgraad of standplaats heeft, +zal spoedig veel genoegen van zijn plantencultuur smaken. + +Het is overbekend, dat er bij het kweeken van planten in de kamer +tal van moeilijkheden voorkomen, welke eenen handelskweeker, die de +buitenlandsche planten in moderne kassen kweekt, onbekend zijn. + +In de kamer heeft men met ongelijkmatige temperatuur, met gebrek aan +licht, met droge, stoffige en bijna altijd slechte lucht te kampen, +welke lucht men echter veel verbeteren kan. + +Vele wegen staan den plantenliefhebber open, om de schadelijke +invloeden, die in de woonvertrekken voor het kweeken van planten +aanwezig zijn, te verminderen, zoo niet geheel op te heffen; hij zal +zich door den tijd geheel vertrouwd maken met de eischen van zijn +lievelingen en eindelijk iedere plant haar juiste plaats en goede +behandeling geven. Wanneer dan de planten ten laatste goed groeien +en bloeien; wanneer zij des zomers het balkon en de vensters, des +winters de woonkamers versieren, dan is het genot van de, onder zulke +moeilijke omstandigheden verkregen, resultaten zóó groot, dat men ten +laatste het kweeken van planten niet meer kan laten en de liefhebberij +daartoe steeds grooter wordt. + + + + + + + +I. ALGEMEENE WENKEN. + + +De inrichting van den kamertuin. + +Bij het kweeken van planten in de kamer moet men rekening houden +met tal van moeilijkheden, welke voor den plantenliefhebber, die +zijn planten slechts buiten kweekt, niet bestaan. Het moeilijkste +is zeker wel de juiste plaatsing. Het is zeer gemakkelijk planten +te koopen, maar heel wat moeilijker ze zóó te plaatsen, dat zij, +bij een goede behandeling, ook in de kamer gezond kunnen gehouden +worden. Er bestaan echter tal van voorwerpen, die dienen, om er +kamerplanten op of in te plaatsen en die dan ook vrij algemeen gebruikt +worden. Het meest bekende en verspreide dezer voorwerpen is zeker wel +de bloemtafel. Bloemtafels zijn steeds een zeer gewaardeerd geschenk, +reden waarom ze in bijna alle vormen worden vervaardigd en tot alle +prijzen verkrijgbaar zijn. Het meest worden zij vervaardigd uit +ijzer-, hout-, draad- of mandenvlechtwerk. Al deze tafels bevatten +een blikken bak, waardoor de zindelijkheid bevorderd wordt. Er +moet op gelet worden, dat deze bak een afvoerbuisje heeft, waardoor +het overvloedige water kan afgetapt worden. De gewone vorm voor de +bloemtafels is de ronde. Het kan niet ontkend worden, dat een fraaie, +ronde bloemtafel, met mooie planten gevuld, een inderdaad zeer schoon +kamersieraad is. Jammer is het daarom, dat de ronde bloemtafel grove +gebreken heeft, zoodat zij, voor het kweeken van kamerplanten, zoo +ongeschikt mogelijk is. Verondersteld dat men deze tafel de eenige +goede plaats, namelijk zoo dicht mogelijk bij het venster, geeft, dan +zijn het toch slechts de weinige, naar het venster gekeerde planten, +die de zoo hoog noodige directe inwerking van het licht genieten. De +van het venster afgekeerd staande planten leiden, door gebrek aan +licht en zon, veel meer dan men wel denken zou. Wel zijn er enkele +bladplanten, met stevige bladeren, zooals bijv. enkele Palmen en de +Aspidistra, die onder zulke ongunstige omstandigheden goed blijven, +doch van een weelderigen groei kan ook bij deze geen sprake zijn. Om +aan het genoemde bezwaar te gemoet te komen, heeft men bloemtafels +in den handel gebracht met beweegbaar bovenstel. Deze tafels kunnen, +zonder verplaatsing, dagelijks een weinig gedraaid worden, zoodat +alle planten eenigen tijd een weinig van het licht kunnen genieten; +maar de tijd, dien deze planten in het volle licht staan, is ook in +dit geval betrekkelijk kort. Het feit nog in het midden latende, +dat er verscheidene planten zijn, die niet gaarne dikwijls van +plaats veranderen, komen deze bloemtafels dus slechts gedeeltelijk +aan het bedoelde bezwaar te gemoet. Een direct gevolg der ronde +bloemtafels is dan ook, dat alle daarin staande planten na verloop +van betrekkelijk korten tijd éénzijdig worden. Zulke éénzijdige +planten maken, zoolang zij met anderen te zamen gerangschikt staan, +nog wel een tamelijk goeden indruk, maar zoodra men ze alleen plaatst, +is deze allertreurigst. Ronde bloemtafels kunnen dan ook slechts +gebruikt worden, wanneer de daarin geplaatste planten geen hoofdzaak +zijn. Dit is bijv. het geval met een soort ronde tafel, wier centrum +gevormd wordt door een aardig aquarium met of zonder fontein. Deze, +uit fraai gietijzer vervaardigde, tafels hebben rondom het aquarium +slechts plaats voor een, hoogstens twee rijen kleine planten, +terwijl het aquarium zelf met zeer goed gevolg benut kan worden +voor de cultuur van moeras- en andere waterplanten. In het algemeen +genomen, kan de ronde bloemtafel dus slechts gebruikt worden als +fraai meubelstuk in het salon, en hoewel voor de cultuur van fraaie +planten ten eenen male ongeschikt, kan ze dienstbaar zijn om planten, +die men gedurende den zomer in de vensterbank, op het balkon of in +den tuin gekweekt heeft, des winters aan de versiering der vertrekken +dienstbaar te maken. Fig. 2 toont aan, op welke wijze de planten op +zulk een bloemtafel gerangschikt kunnen worden worden. Als middenplant +gebruikt men een fraaien, naar alle zijden goed ontwikkelden Palm, +waaromheen Dracæna's, Varens en kleinere bloemplanten geschikt worden, +terwijl verschillende hangplanten aan het geheel een los voorkomen +kunnen geven. + +Fig. 1 toont twee ongevulde bloemtafels, uit gietijzer vervaardigd, en +wel ter rechterzijde een gewone, maar zeer elegant gevormde tafel en +ter linkerzijde een eenvoudigere, waaraan echter een bloemstandaard +verbonden is, zeer geschikt om er een flink ontwikkelden Palm op +te zetten. + +Beter dan de ronde, is de ovale bloemtafel voor het kweeken van +planten geschikt. Indien zulk een tafel goed is, moet zij op twee +stevige pooten staan, de lengte van het venster hebben, waar zij vóór +gezet wordt en niet te breed zijn, zoodat er slechts één rij planten +in gezet kan worden. Zulk een tafel wordt het best vervaardigd uit +besneden hout, waarin een blikken bak wordt geplaatst. De geheele +bak moet zóó diep zijn, dat de potten, waar de planten in staan, +aan het gezicht worden onttrokken. Dergelijke bloemtafels zijn zeer +practisch en zijn zij netjes bewerkt, dan strekken zij ieder vertrek +tot een waar sieraad. + +Een zeer doelmatig meubelstuk om planten op te kweeken is ook de +bloemstandaard. De meest gebruikelijke standaards, van geïmiteerd +ebbenhout, waarop meestal een fraaie porseleinen vaas staat, kunnen +slechts dienen om een enkele plant op te plaatsen (Fig. 3). Het +spreekt vanzelf, dat men op zulk een standaard steeds een Palm of +andere fraaie plant moet zetten, die geen gebreken heeft en die naar +alle zijden goed ontwikkeld is. + +Voor het plaatsen van alleenstaande planten heeft men ook nog andere +vazen, zooals die in Fig. 4 zijn afgebeeld. Dit zijn groote porseleinen +vazen, die op gesmeed of gietijzeren piedestals staan. De standaards, +die rechts in het midden zijn afgebeeld, zijn vervaardigd uit gedraaid +smeedijzer, terwijl de linksche van het goedkooper gietijzer is +gemaakt, dat men door bronzen of nikkelen een fraai voorkomen geeft. + +Veel beter, dan de ronde bloemtafels, zijn ook de rustieke +bloemstandaards met verschillende etages, die ieder op zichzelf dienen +om er een alleenstaande plant op te plaatsen (Fig. 5). + +Al de tot nu toe besproken voorwerpen, waarbij nog gevoegd moeten +worden de één- of meerarmige consoles, die meestal aan den wand worden +bevestigd, vinden een plaats in de kamer. Met deze hulpmiddelen +is men echter niet in staat de beste plaats voor het kweeken der +planten, namelijk de vensterbank, te gebruiken. Een goed gebruik van de +vensterbank kan men echter slechts dán maken, wanneer de vensters niet +van overgordijnen voorzien zijn, daar deze anders de daar geplaatste +planten aan het gezicht zouden onttrekken. + +In de meeste moderne huizen is de vensterbank echter zóó smal, dat er +slechts één rij kleinere planten op geplaatst kan worden. In huizen +echter, waar de vensterbank iets breeder is en men slechts een klein +aantal planten, hoofdzakelijk voor vensterdecoratie, wil kweeken, +kan men er een houten bakje op laten maken om de planten in te +plaatsen. Dit bakje kan zeer goed zoo ingericht worden, dat het de +kamer volstrekt niet ontsiert. In dit bakje, hetwelk zoo diep moet +wezen, dat de potten geheel aan het gezicht worden onttrokken, zet +men dan eenige werkelijk fraaie blad- of bloemplanten. De liefhebber, +die er pleizier in heeft, zijn planten werkelijk zelf te kweeken, +ze door zaden of stekken te vermeerderen en dan de jonge plantjes +op te kweeken, heeft aan de beperkte ruimte van de vensterbank niet +genoeg. Toch weet zoo iemand wel raad te schaffen om meer ruimte +te verkrijgen. Het eenvoudigste middel hiertoe is, dat men aan de +vensterbank een tweede plank laat aanbrengen, die al naar de ruimte +in de kamer en het aantal te kweeken planten, breeder of smaller kan +wezen. Men kan deze plank zoo laten maken, dat zij aan het kozijn met +een paar scharnieren bevestigd wordt en door een paar pootjes wordt +ondersteund, zoodat zij naar verkiezing opgesteld of neergeslagen +kan worden. Op de ruimte, die men op deze wijze verkregen heeft, +is voor een tamelijke hoeveelheid planten plaats, en deze kunnen +alle genoegzaam van het invallende licht profiteeren, wanneer zij +op een doelmatige wijze worden gerangschikt. Men plaatst de planten +namelijk zóó, dat de kleinste in de eerste rij, d.w.z. het dichtst bij +het venster staan, terwijl de grooteren, al naar de afmeting, in de +volgende rijen worden gezet. Is men in de gelegenheid de kamerplanten +des zomers buiten te zetten, zoo wordt de plank eenvoudig neergeslagen, +zoodat zij dan niet hinderlijk is. Een groot bezwaar is echter aan deze +inrichting verbonden, namelijk, dat het venster, waar de planten vóór +staan, niet geopend kan worden. Gewoonlijk echter heeft het vertrek, +waar men planten kweekt, meer dan één venster, zoodat dat, waar de +planten vóór staan, wel gesloten zal kunnen blijven. Het luchten door +het venster, waar de planten vóór staan, mag echter in geen geval +des winters geschieden, daar de planten volstrekt niet aan een kouden +luchtstroom blootgesteld mogen worden. + +Ook dan, wanneer slechts één rij planten in de vensterbank staat, mag +men het raam niet openen of men moet eerst de planten wegnemen. Dit nu +is niet aan te raden, daar het veel last veroorzaakt en het veelvuldig +verplaatsen voor teedere planten licht schadelijk zou kunnen zijn. + +Ook in dit geval doet men dus beter het venster gesloten te laten. + +Heeft men echter vertrekken, waar het venster, waarvoor de +planten staan, toch geopend moet worden, dan is het beste, dat men +gebruik maakt van de "Patent-Blumenbretter" van Meier en Michael +te Leipzig. Deze bestaan uit twee deelen, vervaardigd uit draad- of +smeedijzer en zijn zóó ingericht, dat aan ieder vensterkozijn er een +bevestigd wordt, welke met een scharnier kan draaien. De bakjes hebben +ongeveer de breedte van een gewone vensterbank, zij rusten daar echter +niet op, maar hangen aan ijzeren kettinkjes, die aan de ramen met een +haakje bevestigd zijn. Moet men nu het venster openen, dan worden de +kettinkjes losgemaakt en de bakjes naar binnen gedraaid. De planten +zijn dan niet aan den directen luchtstroom blootgesteld. Zeer raadzaam +is het ook een houten raam te laten maken, bespannen met ijzer- +of kopergaas en dit tusschen het geopende raam en de vensterbank te +plaatsen. De koude lucht, die dan door het gaas moet heendringen, +zal niet zulk een ongunstigen invloed op de planten uitoefenen. + +Al de tot nu toe besproken voorwerpen, die dienen kunnen om planten in +de kamer te kweeken, hebben een zeer groot nadeel; namelijk, dat zij de +planten niet beschermen tegen de droge, stoffige kamerlucht. Wanneer +men met hardere planten te doen heeft, is dit euvel niet zoo heel +groot, en door herhaald besproeien en wasschen der planten, nog +wel te verhelpen, vele teerdere planten kunnen echter onmogelijk +vrij in een kamer verzorgd worden. Wil een liefhebber dus fijnere +planten in de kamer kweeken, dan moet hij zich bedienen van een +kamerkasje. In zulk een kasje, dat meestal niet kostbaar, maar ook +betrekkelijk klein is, heeft men natuurlijk voor grootere planten +geen plaats. Het aanbevelenswaardigste is, in zoo'n kasje Varens, +Orchideeën en bontbladerige plantjes te kweeken. + +Zeer samengesteld zijn de kamerkasjes met een verwarmingstoestelletje, +maar daar deze zeer veel zorg vereischen, wordt men ze meestal +spoedig moede. Meestal zullen kamerkasjes een fraai voorkomen hebben +en bijgevolg in een verwarmd woonvertrek gezet worden, zoodat extra +verwarming dan onnoodig is. Het kasje moet zoo mogelijk op een goed +voetstuk staan en kan, al naar keuze, zeer eenvoudig van hout en +gewoon glas, of fraaier en dan van ijzer en spiegelglas gemaakt +worden. Het kamerkasje bestaat uit een meer of minder groot met +glas bedekt raamwerk, waarin aan de achterzijde een deur is, die +dient voor het inzetten en verdere verzorgen der planten, of wel, +men maakt er in plaats van een deur een losse ruit in, die zoo noodig +uit- of ingeschoven kan worden. Indien de temperatuur in het kasje +te hoog wordt, moet er gelucht worden en de inrichting moet zoo zijn, +dat men dit kan doen door uit den bovenkant een ruit weg te nemen. De +kamerkasjes worden zoo gemaakt, dat men òf er slechts planten in +potten in kan zetten, òf wel de planten er in kan uitplanten. In het +laatste geval moet er aan de onderzijde een bak worden aangebracht ter +opneming van de aarde. Vooral moet er zorg voor worden gedragen, dat +deze bak voorzien is van een afvoerbuisje om het overvloedige water te +kunnen verwijderen. Dit buisje moet aan het laagste punt van het bakje +bevestigd worden. Indien men de planten in het kasje uitplant, moet +men zorgen vooraf een goede drainage in den bak aan te brengen. Hiertoe +legge men eerst een laag potscherven, of, bij gebrek daarvan, stukjes +houtskool of cokes op den bodem, en bedekke deze hetzij met een laagje +moerasmos (sphagnum) of wel met wat groven turfmolm. Op deze drainage +brengt men dan de aarde aan, waar de plantjes in gezet worden; deze +aarde moet bij voorkeur licht, los en niet te vochtig zijn. Het +kamerkasje geeft niet alleen het voordeel, dat de planten beschut +zijn tegen de droge, meestal stoffige en onzuivere kamerlucht, maar +dat zij ook kunnen begoten en bespoten worden, zonder dat de meubelen +daar iets van te lijden hebben, of ook het tapijt vochtig wordt. + +In plaats van het kamerkasje, worden ook wel glazen stolpen gebruikt, +die nu eens over een enkele plant, dan weder over verscheidene planten, +die men te zamen in een bakje zet, worden geplaatst. In het laatste +geval is het raadzaam zaadtesten te gebruiken, zooals die in de +kweekerijen voor het uitzaaien van fijnere zaden worden gebruikt. + +Zeer geschikt voor het kweeken van kamerplanten is de ruimte +tusschen z.g.n. dubbele vensters, die echter hier te lande slechts +betrekkelijk schaars worden aangetroffen. De architecten denken +meestal het allerminst aan de bloemenliefhebberij van de aanstaande +bewoners, die de door hen gebouwde huizen moeten betrekken. De dubbele +vensters zijn meestal zóó gemaakt, dat er slechts even ruimte is om +Hyacintglazen tusschen te zetten. Om hieraan te gemoet te komen, +heeft men lange, smalle potten vervaardigd; deze zijn echter niet +alleen zeer leelijk, maar ook zeer onpractisch. Beter doet men dan +nog, vierkante of langwerpig vierkante potten te gebruiken (Fig. 6), +die echter niet in den handel zijn, doch aan den pottenbakker besteld +moeten worden. Dit model potten is echter overbodig, wanneer men iedere +plant op een klein stekpotje zet. De pot, waar de plant in staat, komt +dan niet tusschen de ramen, doch tusschen de vensterruiten te staan, +waar natuurlijk de ruimte aanmerkelijk breeder is; dit heeft echter +weer tegen, dat de grootere potten dan geheel in het gezicht komen, +wat niet erg mooi staat. + +Veel aanbevelenswaardiger dan de dubbele vensters zijn de +vensterkasjes. Te Weenen zijn de vensterkasjes lang geen zeldzaamheid; +er bestaat daar zelfs een Vereeniging, waarvan de leden hun planten +uitsluitend in vensterkasjes moeten kweeken. Het kasje moet zóó +ingericht zijn, dat men het des zomers buiten en des winters binnen +aan het venster kan hangen. In het kasje is een deur aangebracht, +waardoor men des winters bij de planten kan komen, des zomers doet +deze geen dienst, daar men dan slechts het venster behoeft te openen, +om de planten te kunnen verzorgen. Het spreekt natuurlijk vanzelf, +dat het kasje zoo moet ingericht worden, dat er geen water op de +stoep of op het tapijt kan druipen; ook moet het voorzien zijn van +zonneschermpjes, die men in de kamer moet kunnen behandelen. Het best +is daartoe een groen gekleurde rouleau, die over koorden loopt. Het +kweeken van planten tusschen de dubbele vensters of in het vensterkasje +is in ieder geval veel loonender, dan het kweeken in de kamer, daar +de planten, bij die kweekwijze, volop van het licht kunnen genieten, +wat een eerste levensvereischte voor haar is. + +De beste van alle inrichtingen is wel de wintertuin, dien men van +uit de kamer door een deur kan bereiken. Zulk een wintertuin heeft +bijna al de voordeelen van een plantenkas. De inrichting van een +goeden wintertuin, die door alle fabrieken kan bezorgd worden, is +echter tamelijk kostbaar. Ook het onderhoud en vooral de verwarming +sleepen groote kosten met zich, waarom de wintertuinen dan ook lang +niet algemeen zijn. + +Een liefhebber, die er prijs op stelt door middel van planten een +fraai voorkomen te geven aan zijn vertrekken, balkon of waranda, +mag de ampels niet vergeten. Onder een ampel verstaat men een +voorwerp, dat er op ingericht is met hangplanten bezet en zoo +opgehangen te worden. Zulke hangplanten moet men niet verwarren met +klimplanten. Terwijl toch de klimplanten in haar vaderland tegen +boomen opklimmen en somtijds tot in de hoogste kronen toe doordringen +of wel tegen de steilste rotsen opgroeien, ontwikkelen hangplanten +zich heel anders. Hangplanten kruipen in haar natuurlijken toestand +in de meeste gevallen over den bodem of hangen van rotsblokken naar +beneden, overal wortels slaande, die voor de voeding der stengels +zorgen. Deze kruipende planten, die niet, zooals de struikachtige +gewassen, met hare stengels rechtop groeien, zijn het, die in de +eerste plaats voor ampels in aanmerking komen. + +Een goede ampel moet er bevallig uitzien en toch practisch zijn. De +meeste potten-, draad- en houtwerkfabrieken brengen ampels in den +handel van de meest verschillende prijzen en vormen, maar, hoe fraai +deze er veelal ook uitzien, zijn zij gewoonlijk toch niet voor het +kweeken van planten geschikt. De bruikbaarste is en blijft altijd de +steenen ampel, bij voorkeur die, welke van hetzelfde materiaal gemaakt +is, waaruit de gewone bloempotten worden vervaardigd. De grootste +fout bij de ampels is gelegen in het gebrek aan een waterloozing. De +spits, waarin een ampel meestal uitloopt, moet, evenals de bodem +van een bloempot, doorboord zijn, zoodat het overvloedige gietwater +dadelijk kan wegloopen. Om nu het bevuilen van den vloer te voorkomen, +is het raadzaam onder het drainagegaatje een bakje van steen of blik +te hangen, dat korten tijd na het gieten verwijderd kan worden. Een +tweede fout der ampels en wel hoofdzakelijk der steenen ampels, is, +dat zij te ondiep zijn. Zet men in zoo'n ondiepe ampel een hangplant, +die in den pot blijft staan, dan ziet men een groot gedeelte van den +pot, wat niet erg mooi is; neemt men de plant uit den pot, om haar +direct in de ampel te planten, dan blijkt het, dat de aardkluit veel +te groot is en ze er niet in geplant kan worden, zonder er een groot +gedeelte af te snijden. De ampels mogen dus niet te ondiep zijn; +als regel moet gelden, dat zij evenals een bloempot, net zoo diep +als wijd moeten zijn. Een derde fout bij de ampels uit den handel is +daarin gelegen, dat zij veel te mooi zijn, zoodat maar al te dikwijls +het fraaie voorkomen daarvan hoofdzaak en de daarin groeiende plant +nevenzaak wordt. Het uiterlijke van de ampel doet echter niets ter +zake, omdat het bij een goede beplanting door de hangplanten zoo +niet geheel, dan toch voor het grootste gedeelte bedekt wordt. Een +zoo eenvoudig mogelijk steenen ampel, die niet te hard gebakken, +maar zoo poreus mogelijk is, die uitwendig noch verglaasd, noch +beschilderd is, die ten slotte naast de hoognoodige diepte, ook een +gelegenheid tot waterafvoer heeft, is en zal wel altijd blijven het +meest aanbevelenswaardige voorwerp om hangplanten in te kweeken, Fig. 7 +toont drie zulke ampels. Links is afgebeeld een zeer eenvoudige, doch +inderdaad practische ampel; in het midden een, die geheel ongeschikt +is, omdat zij èn te ondiep èn te fraai bewerkt is; rechts eindelijk +is een uit een zeehoorn vervaardigd; deze is wel niet zeer practisch, +maar zeer eenvoudig en gemakkelijk te maken en juist daarom wellicht +aanbevelenswaardig. + +In de tweede plaats komen in aanmerking de ampels, vervaardigd +van hout of vlechtwerk. Het kan niet ontkend worden, dat een +z.g.n. rustieke ampel inderdaad wel fraai kan zijn. Zulke ampels +kunnen op verschillende wijzen vervaardigd worden. Men kan, evenals +voor orchideeën-mandjes, geschilde of ongeschilde stukjes hout tegen +elkander aanleggen, en deze met koperdraad onderling verbinden. Een +tweede, veel voorkomende wijze is, dat een geraamte uit ruw hout +wordt vervaardigd, hetwelk dan met boom- of kurkschors bekleed +wordt; deze kan men dan nog met dennenappels of dergelijke vruchten +versieren. Zulk een ampel moet natuurlijk ook van een gelegenheid +tot waterafvoer voorzien zijn. Wil men er echter voor zorgen, dat het +hout niet spoedig gaat rotten en dan een minder fraai voorkomen heeft, +daargelaten nog de onaangename geur, dan moet er een blikken bakje in +geplaatst worden. Wordt nu de plant met den pot in de ampel geplaatst, +dan zal dit bakje niet hinderen; plant men haar daarentegen er in uit, +dan zal men zien, dat zij na korten tijd gaan kwijnen. Het blik toch +laat geen lucht tot de aarde doordringen, en als gevolg daarvan zal, +wanneer men niet zeer voorzichtig is met gieten, de aarde verzuren. + +Veel minder geschikt dan de houten ampels zijn die van vlechtwerk +wanneer er niet voor gezorgd wordt, dat zij een stevig geraamte van +ijzerdraad bevatten. Bij het beplanten toch verliest zoo'n ampel, +door het gewicht der aarde, in betrekkelijk zeer korten tijd haar vorm. + +De ampels, vervaardigd uit gevlochten tienden, hebben een groote fout, +welke ook die, uit draadvlechtwerk, hoe fraai deze ook mogen zijn, +aankleeft: namelijk de moeilijkheid met het gieten. Wanneer de aarde +in zoo'n ampel wat heel erg opgedroogd is, kan men de daarin staande +plant niet anders begieten, dan door het geheel eenigen tijd in een +grooten emmer met water onder te dompelen. Begiet men de planten niet +op deze wijze, dan zal het gietwater door de mazen wegloopen, zonder +in de aarde te dringen, terwijl de meegevoerde aarde niet alleen de +ampel zelf, maar ook alles wat er omheen staat, zal verontreinigen. Het +ongeregelde afloopen van het gietwater, waartegen bij de gevlochten +ampels geen middel bestaat, zal bij deze soorten altijd een groot +bezwaar blijken te zijn, en ze in de meeste gevallen onbruikbaar +maken. Heeft men echter zulk een gevlochten ampel, dan doet men +het beste, die in de waranda of op het balkon te gebruiken; het +doorloopende water zal daar de minste schade berokkenen. In dit geval +is de voorkeur te geven aan die, welke van gegalvaniseerd draad gemaakt +zijn, daar die niet roesten. Alvorens zulk een ampel te beplanten, +wordt zij inwendig met tinblad bekleed, ten einde te voorkomen, dat +de aarde tusschen de mazen wegvalt en daardoor de wortels bloot komen +te liggen. + +De eenvoudigste, beste en goedkoopste ampel is zeker wel die, +welke men verkrijgt, door een gewonen bloempot in een ijzeren ring +te plaatsen en aan dien ring de draden te bevestigen, waar hij aan +opgehangen wordt. (Fig. 8). Deze ampel voldoet aan alle daaraan te +stellen eischen. + +De beste plaats, die men den ampels geven kan, is aan het balkon +of de waranda; ook zijn zij zeer geschikt voor den wintertuin. In +de kamer kunnen zij wel gebruikt worden, mits zij dicht voor het +venster worden opgehangen. In de meeste gevallen zijn aan iedere +ampel, op gelijke afstanden, drie metalen ringen bevestigd. Aan deze +ringen worden koorden of kettinkjes vastgemaakt, welker sterkte moet +geëvenredigd zijn aan de grootte en zwaarte van de ampel. Deze drie +koorden of kettinkjes moeten weder in een ring te zamen komen. Hangt +de ampel zóó hoog, dat men haar niet gemakkelijk kan bereiken, dan +moet aan laatstbedoelden ring weder een koord bevestigd worden, dat +over een in den zolder aangebrachte katrol loopt, zoodat men haar, +zoo noodig, zonder beschadigen kan laten zakken. + +Zeer kleine ampels, waarin slechts ruimte is voor één plant, +hetzij met den pot er in geplaatst, hetzij er in uitgeplant, +kan men zeer gemakkelijk zelf vervaardigen uit een pompoen- +of kokosnoot-schaal. Zulke ampeltjes zijn heel aardig om in het +vertrek vóór het venster te hangen, daar zij het licht niet te +veel onderscheppen. Wanneer men er nu één moerasplant, zooals +bijv. Tradescantia of Isolepis gracilis in plant, dan kan men de +overblijvende ruimte met stukjes spons aanvullen. Deze zuigen het +water op en zorgen dus, dat de aarde behoorlijk vochtig blijft, +terwijl de fijne worteltjes er gemakkelijk in kunnen doordringen. + +Zeer gemakkelijk zijn de ampels te vullen, waarin men de planten +met den pot plaatst; deze mogen niet te groot zijn en er moet voor +gezorgd worden, dat zij een gladden bodem hebben, opdat de potten +goed vaststaan. Als regel zal men er slechts één plant in plaatsen +of wel een grootere, waar eenige kleinere omheen worden gezet. + +De ampels, waarin de planten uitgeplant worden, moeten als volgt +behandeld worden. Op de drainage-opening legt men een omgekeerde +scherf, de holle zijde naar de opening gekeerd; hierop worden nog +enkele scherven gelegd, en deze worden met een laagje ruwen turfmolm +gedekt. Hierop brengt men dan eerst de aarde. Deze aarde moet, om +een te spoedig uitdrogen te voorkomen, niet al te licht zijn. In +het midden van zeer groote ampels zet men dan een fraaie opgroeiende +plant, zooals een Palm of iets dergelijks. Hieromheen kunnen enkele +lagere opgroeiende blad- of bloemplanten gezet worden, bijv.: Cyperus, +Pelargonium, Fuchsia of Heliotroop; de eigenlijke hangplanten worden +dan rondom deze laatsten geplant. Bij een dergelijke beplanting moet +men er op letten, dat de gebruikte bloemplanten niet te veel in de +hoogte groeien; beter is het, wanneer zij zich vertakken, hetgeen +men gemakkelijk kan bevorderen, door den hoofdstengel tijdig in te +snijden. De ampel mag vooral niet overvuld worden. Men moet aan de +planten gelegenheid geven zich behoorlijk te ontwikkelen, terwijl ook +de kluiten er in geplant moeten kunnen worden, zonder dat het noodig +is, die veel te beschadigen. + + + + +De gereedschappen. + +Een liefhebber, die zijn planten in de kamer kweekt, bedient zich van +betrekkelijk zeer weinig gereedschappen; laten wij die, welke bij het +bespreken van het zaaien, stekken en verplanten vermeld zullen worden, +zooals de verplantstok, het repikeerhoutje en het pincet voorloopig +rusten, dan blijft ons als het belangrijkste stuk gereedschap de +gieter over. + +Wanneer men grootere planten te gieten heeft, die in den wintertuin, +onder de waranda, of op het balkon staan, dan doet men het beste +zich een gewonen gieter aan te schaffen, zooals die in de kweekerijen +gebruikt wordt. De gieter, dien men gebruikt om de bloemtafel en de +andere in de kamer gekweekte planten te gieten, kan veel kleiner +en sierlijker zijn. In de meeste gevallen is hij groot genoeg, +wanneer hij 3-5 liter water kan bevatten. Het handvat moet aan zulk +een kamergietertje goed groot en gebogen zijn, terwijl er vooral op +moet gelet worden, dat de tuit vrij lang is; opdat men, wanneer de +planten wat ver uit elkander staan, de verst weg staanden toch goed +kan bereiken (Fig. 9). Bij een zoodanigen gieter behoort een broes +te zijn met kleine gaatjes, die men in verschillende vormen heeft; +namelijk nu eens met een rond en gebogen, dan weder met een ovaal en +plat bovenvlak. + +Het duurzaamste, doch ook verreweg het duurste zijn de koperen +gieters. De broes dient tot het aangieten van zaden, stekken en pas +verpotte planten, alsook om des zomers de buitenstaande planten te +besproeien. Een zeer bijzonderen gieter, met een lange tuit en een +slechts aan de bovenzijde met gaatjes voorziene broes, toont ons +fig. 10. Deze gieter is zeer geschikt om buitenstaande planten +te begieten. Daar men met den gieter de planten slechts aan de +bovenzijde der bladeren kan bevochtigen en ook het besproeien van de +achterzijde dringend noodig is, al was het slechts ter bestrijding van +het ongedierte, dat daar bij voorkeur huist, moet een liefhebber ook +beschikken over een kleine handspuit (Fig. 11). Deze handspuitjes zijn +in iederen winkel, waar men tuingereedschappen verkoopt, te verkrijgen. + +Ze moeten, willen zij goed zijn, uit geel koper vervaardigd en aan het +uiteinde van een fijne broes voorzien zijn. Daar het kleinste model +dier spuitjes voldoende is, behoeven ze niet kostbaar te wezen. Voor +het gebruik in de kamer zijn de handspuitjes minder aan te bevelen, +omdat bij gebruik daarvan het nat worden van het tapijt en der +meubelen moeilijk te voorkomen is. Voor de kamer beveelt zich het +meest de z.g.n. rafraichisseur aan. Deze toestelletjes heeft men in +velerlei soorten en zeer verschillende prijzen. + +De eenvoudigste rafraichisseurs spuiten, door in het daartoe bestemde +mondstuk met kracht te blazen, wat zeker nogal vermoeiend voor de +longen is. Om hieraan te gemoet te komen, heeft men rafraichisseurs +gemaakt, voorzien van een elastieken bal. Door den bal in te drukken +begint het toestel te spuiten. Ook heeft men er in de laatste +jaren in den handel gebracht, waar men slechts aan een handvatsel +behoeft te pompen, of wel op een knop te drukken, om ze in werking te +stellen. Deze toestelletjes zijn voor de kamer zeer geschikt, daar zij +het water zóó fijn verdeelen, dat dit als stof op de bladeren valt, +en ze voldoende bevochtigt, terwijl zij de meubelen geenszins bederven. + +Rafraichisseurs, zooals deze in Fig. 12 zijn afgebeeld, worden vooral +door dames veel gebruikt om eau de cologne en andere odeurs in een +kamer te verspreiden. + +Als andere gereedschappen heeft men nog noodig een spuitje om +insectenpoeder op de bladeren te spuiten; verder een zachte spons om +deze af te wasschen en een kwastje om de bladoksels, waar men met de +spons niet bij kan, schoon te maken. Als laatste gereedschappen moet +men voorzien zijn van een goede rozenschaar en een scherp mes. + + + + +De aarde. + +Bij het kweeken van planten in de kamer, speelt natuurlijk de aarde +ook een zeer gewichtige rol. Ieder liefhebber moet trachten zich +op de hoogte te stellen van de verschillende aardsoorten en hare +toepassing. Ook zij, die zich niet bezighouden met het zaaien en +vermenigvuldigen van planten en die, hetgeen zij noodig hebben, +eenvoudig in een kweekerij koopen, komen toch dikwijls in de +noodzakelijkheid verschillende grondsoorten te moeten gebruiken. Als +regel kan men aannemen, dat de planten, die men koopt, in een +goed aardmengsel staan; maar vroeger of later komt men toch in de +noodzakelijkheid dit te moeten vernieuwen, hetzij, doordat de planten +goed gegroeid zijn en een grooteren pot moeten hebben; hetzij, dat +zij ziek zijn geworden en daarom de aarde moet ververscht worden. Wil +men nu van dit verplanten een goed resultaat verwachten, dan is het +niet alleen noodzakelijk, dat deze bewerking goed wordt uitgevoerd, +maar nog veel noodiger, dat men het juiste grondmengsel kiest. + +Voor gewone kamerplanten, waarvan men spreekwoordelijk zegt, dat zij +als onkruid groeien, is het voldoende gewone bladaarde te gebruiken, +waarin het meerendeel dezer planten zeer goed groeit. Veel beter doet +men echter, aan iedere plant dat grondmengsel te geven, hetwelk zij +noodig heeft. In de meeste gevallen toch kan men niet volstaan met +de planten in een enkele grondsoort te kweeken, doch moet men een +mengsel van verschillende grondsoorten samenstellen. Deze mengsels +moeten met eenig overleg worden gemaakt. Is de aarde te zwaar, dan +lijden de planten, doordat zij er niet goed in kunnen wortelen en is +zij te licht, dan werkt het snelle uitdrogen zeer nadeelig. + +Een eenvoudige, maar voor vele planten zeer geschikte grondsoort is +de compostaarde. Men verkrijgt dezen grond door allerhanden afval, +zooals het tuinonkruid, het in het najaar afgevallen blad, het des +zomers gemaaide gras en verder allen keukenafval in een afgelegen +hoekje van den tuin op een hoop te laten werpen. Dergelijke hoopen +moeten van boven vlak zijn, zoodat men ze met het vuile huishoudwater, +vatenwater, dierlijken afval, bloed, enz. kan laten overgieten. Laat +men nu een zoodanigen hoop om de twee maanden met een mestvork flink +omzetten, dan zijn de zoo opgehoopte stoffen na verloop van een paar +jaar volmaakt verteerd en in aarde veranderd. Deze aarde wordt door +een niet al te nauwe zeef gehord, opdat alle grovere deelen, zooals +niet-verteerde takjes, scherven, enz. verwijderd kunnen worden en dan +op een hoop gezet, dien men hoogstens slechts eens per jaar behoeft +om te werken. + +Een lichtere grondsoort is de bladaarde. Wanneer het in den herfst +afgevallen blad afzonderlijk op een hoop wordt gezet en men er +voor zorgt, dezen hoop ook voldoende om te werken, dan verteert +het blad langzamerhand en is na 1 1/2 of 2 jaar overgegaan in een +donker gekleurde lichte aarde. Veel beter, dan de op deze wijze +verkregen aarde, is de zoogenaamde boschgrond, die in beuken- of +eikenbosschen gevonden wordt. Een liefhebber, die slechts weinig van +dezen grond noodig heeft, kan dien, met toestemming van den eigenaar, +zeer gemakkelijk in het een of andere bosch opzoeken. Men begeeft +zich daartoe eenigszins diep in het eigenlijke bosch, verwijdert de +bovenste bladlaag, die den bodem bedekt en waaronder dan een laag, +meer of minder dik, van een zeer lichte, zachte grondsoort gevonden +wordt. Deze aardlaag is de zoogenaamde boschgrond. + +Een voor vele planten zeer geschikte grondsoort is de heidegrond. Deze +aarde is, wanneer men ze door een fijne zeef gehord heeft, uitstekend +geschikt om op te zaaien of om in te stekken. Ongehord is het een +zeer ruwe grond, die, hetzij onvermengd, hetzij met toevoeging +van andere grondsoorten, veel gebruikt wordt. De heidegrond vindt +men op de heide of in bosschen, waar veel heidekruid, boschbessen +en dergelijke planten groeien. Men vindt hem gewoonlijk in slechts +enkele centimeters dikke lagen. Daar de bedoelde plantensoorten in +hoofdzaak slechts op zandgronden groeien, is de heidegrond in de +meeste gevallen met meer of minder zand vermengd. + +Arm aan zand is een andere grondsoort, die men ook tamelijk veel +aantreft, namelijk de veengrond. Deze grond wordt gevonden in +veenachtige weiden en daar hij nogal dikwijls zuurachtig is, doet +men wijs hem vóór het gebruik een paar jaar aan de lucht bloot +te stellen. Zeer raadzaam is het vooral, een hoop veengrond des +winters enkele malen goed te laten omzetten, opdat de vorst er goed +op kan inwerken. Sommige plantensoorten als Alpen-rozen, Azalea's, +Erica's groeien in met zand vermengden veengrond beter dan in iedere +andere aarde. + +Een zeer goede en lichte grondsoort is ook nog de houtaarde. Deze +kan men slechts zelden in groote hoeveelheden verkrijgen. In de +meeste gevallen wordt zij aangetroffen in holle boomen, vooral +Wilgen. In grootere hoeveelheden wordt deze ook wel gevonden bij +groote houtzaagmolens. Wanneer men daar op plekken, waar de boomen +van de schors ontdaan worden, de ruwe oppervlakte wegruimt, dan treft +men er een zwarte zachte aarde onderaan. Deze kan men, wanneer zij +uitgehord is, direct gebruiken. Hetzelfde ontstaat, wanneer zaagsel +enkele jaren op een hoop gezet en omgewerkt wordt. Hoewel deze grond +voor enkele planten zeer goed is, zal het altijd eenigszins lastig +zijn, hem in voldoende hoeveelheden te verkrijgen. + +Belangrijker, dan de genoemde lichte grondsoorten, is voor den +liefhebber, de zeer voedzame broeiaarde. De broeiaarde wordt verkregen +door den paardemest, die in het najaar uit afgekoelde warme bakken +wordt gestoken en die reeds grootendeels verrot is, op een hoop te +zetten. Wordt deze hoop in den loop van den winter en der lente een +keer of drie-, viermaal goed omgezet, dan verandert de oude mest +in den loop van het jaar in zwarte aarde. In dezen grond, die zeer +voedzaam is, groeien snel ontwikkelende planten uitstekend. + +Nog voedzamer is een soort van mestaarde, die men verkrijgt door +stroovrijen koe- en schapemest op een hoop te zetten en zoo te laten +verteren. + +Broei- en mestaarde kan men beschouwen als middelmatig zware +grondsoorten. Bij het kweeken van planten heeft men echter ook zwaren +grond noodig, en daarvoor komt in de eerste plaats de kleigrond +in aanmerking. Hiertoe neemt men de klei, die onder de graszoden +van weilanden gevonden wordt, zet die los op een hoop en laat ze +des winters, wanneer de vorst het eenigszins toelaat, enkele malen +flink omzetten, zoodat zij goed kan doorvriezen. Is deze grond goed +doorgevroren en wil men, in het voorjaar, een der grootere stukken +in de hand nemen, dan valt dat uit elkander, zoo los is het geworden. + +Hetzelfde doel, dat men met den kleigrond bereikt, bereikt men ook +met graszodengrond. Om graszodengrond te maken, neemt men zoden van +goed beweid weiland, en zet die met het gras naar onderen op een +hoop. Zulk een hoop laat men een jaar staan, om hem in het voorjaar +van het volgend jaar flink om te zetten. Deze bewerking herhaalt men +des zomers en in het najaar nog eens. Vriest de hoop dan in den daarop +volgenden winter goed door, dan is hij in het voorjaar voor gebruik +geschikt. Is men niet zeker graszoden van weilanden te verkrijgen, +die goed beweid zijn, dan doet men het beste een laag zoden neer te +leggen van ± 10 cM. dikte, hierop een laag koemest van ongeveer 5 à 6 +cM. dikte, dan weder een laag zoden en zoo doorgaande tot de hoop klaar +is. De bewerking is dezelfde als die zoo juist genoemd. Is deze grond +gereed, dan heeft men niet alleen een zeer zwaren, doch ook een zeer +voedzamen grond. Een zeer goede aarde van hetzelfde gehalte verkrijgt +men ook, door in weilanden de mollenhoopen te verzamelen. Deze grond +is meestal zeer goed en vrij van ongedierte en dergelijke plagen. + +In den laatsten tijd wordt ook veel gebruik gemaakt van +turfstrooisel. Turfstrooisel, goed fijn gemaakt, is zeer geschikt +om in te kweeken en kan ook dienen, om te zwaren grond lichter +te maken. Beter daartoe geschikt is echter de aarde, die men +verkrijgt, door turfstrooiselmest langen tijd op een hoop te laten +staan. Turfstrooisel komt tegenwoordig bij wijze van groote balen in +den handel voor, en is niet duur. + +Een zeer belangrijk bestanddeel der grondmengsels is ook het +zand. Nooit is een grondmengsel goed om planten in te verpotten, +wanneer het niet minstens 1/6-1/12 zand bevat. Het zand houdt de aarde +rul en frisch, terwijl het ook een goede afwatering bevordert. Het +beste zand, dat men gebruiken kan, is grof rivierzand, ook wel bekend +onder den naam van scherpzand. Minder geschikt is z.g.n. duinzand, +daar dit te fijn is, waardoor de aarde, na lang gieten, zich te veel +sluit en een goede waterafvoer dan niet meer mogelijk is. + +De liefhebber, die slechts enkele planten in de kamer kweekt, en +niet over een tuin beschikt, waar hij een hoekje, goed aan alle +weersinvloeden blootgesteld, kan afzonderen voor bergplaats van +aardsoorten, doet het beste deze, wanneer hij ze noodig heeft, bij +een goeden kweeker te koopen. Hij, die er echter een bergplaats voor +aarde op na kan houden, behoeft geen moeite te doen zich alle, hier +behandelde, aardsoorten aan te schaffen. Voldoende is het, wanneer men +een lichte grondsoort, broeiaarde en klei- of graszodengrond heeft, +waarbij het zand zeker niet vergeten mag worden. + +Wat nu de verschillende grondmengsels betreft, kan men als algemeenen +regel tamelijk wel aannemen, dat planten met zeer zwak ontwikkeld +wortelgestel, of die met zeer fijne wortels, een lichten grond +moeten hebben. Tot deze planten behooren o.m. de Varens en al die +teere plantjes, welke in het kamerkasje worden gekweekt. Een weinig +zwaarderen en ook voedzameren grond, een mengsel dus van ongeveer +gelijke deelen, blad-, broei- en graszodengrond, verkiezen de niet +zeer zwaar bewortelde, maar snel groeiende zomerbloemplanten, waartoe +o.a. de Fuchsia's, Heliotropen en Pelargonium's behooren. In zwaren +grond, derhalve in een mengsel van 1/2 tot 2/3 graszodengrond, +groeien voor het meerendeel alle planten met vleezige wortels, +die somtijds zeer omvangrijk kunnen worden, zooals bij voorbeeld de +Palmen en Bolgewassen. Bij het kiezen der grondsoort moet men ook +nog letten op den leeftijd der planten. Aan een jongen Palm geeft men +een tamelijk lichten grond, maar wanneer hij grooter wordt en verpot +moet worden, zorgt men er voor, de aarde telkenmale wat zwaarder te +nemen. Bij het gebruik van zwaren grond moet men er ten slotte nog +op letten, dat hij niet te veel pakt. Is dit het geval, dan moet hij +met wat lichteren grond en een weinig zand vermengd worden. Ook is +het zaak, dat de aarde bij het gebruik niet te vochtig is. Beter +doet men iets te droge, dan iets te vochtige aarde te gebruiken, +terwijl deze altijd de temperatuur moet hebben van het vertrek, +waarin de planten zich bevinden. Het gebruik van te vochtige en te +koude aarde is allernadeeligst voor den groei der planten. + + + + +Het zaaien en uitplanten. + +Het aangenaamste en meest loonende werk, waarmede de plantenliefhebber +zich kan bezighouden, is ongetwijfeld wel het vermenigvuldigen van +zijn lievelingen en het interessantste is dan zeker wel, dit te +doen langs den natuurlijken of geslachtelijken weg, namelijk door +zaaien. Deze wijze van vermenigvuldigen is zeker wel de dankbaarste; +want, indien men haar goed kan volvoeren, geeft zij een duidelijk +overzicht van het zoo belangrijke gebied der tuinbouwkunde. + +Om met succes planten door middel van zaad te vermenigvuldigen, heeft +men in de eerste plaats goed, kiemkrachtig zaad noodig en een der +eerste zorgen moet dus zijn, zich dit aan te schaffen. Weinige zaken +zijn op zulk een volkomen vertrouwen gebaseerd als een zaadhandel, +want niet alleen kan men aan de meeste zaadsoorten met het bloote oog +onmogelijk zien, of zij al dan niet kiemkrachtig zijn; maar van de +meeste soorten kan men zelfs niet met zekerheid zeggen of het wel +die zijn, welke men heeft besteld. De zaden van de verschillende +soorten en variëteiten van één geslacht zijn dikwerf niet uit +elkander te kennen. Het is daarom zaak, de zaden steeds van een der +meest betrouwbare firma's te betrekken; in welk geval men omtrent +kiemkracht en juistheid der verlangde soort tamelijk wel verzekerd is. + +Van groot belang is in de eerste plaats de keuze van den juisten +tijd om te zaaien. Uitgezonderd voor die zaden, welke zeer langzaam +kiemen en welke men het beste doet in de maanden Januari tot Maart in +een warme kamer te zaaien, zijn de maanden April en Mei daartoe het +meest geschikt. Zaait men te vroeg, dan zal het vrij sterke vallen +der temperatuur gedurende den nacht een zeer ongunstigen invloed +op de kieming uitoefenen, terwijl ook de jonge kiemplantjes zullen +lijden door de onvermijdelijke temperatuurswisselingen. Het te laat +zaaien is ook niet aan te bevelen, daar de zaadplanten dan vóór den +herfst zich niet meer volkomen kunnen ontwikkelen. + +Een goede kiemkrachtige zaadkorrel heeft voor haar eerste ontwikkeling +behoefte aan warmte en vochtigheid, terwijl het kiemingsproces +veel zekerder zal plaats hebben, wanneer dit in volkomen donker kan +geschieden. Om aan dit eerste vereischte der kieming te voldoen, brengt +men de zaadkorrels in den grond en bedekt men ze ook in den regel +met een laagje aarde. Op deze wijze uitgezaaid, ligt de zaadkorrel +vochtig en warm en is tegelijkertijd van het licht afgesloten. + +Voor het zaaien in de kamer bedient men zich van kleine zaadpotjes, +van platte schalen, of ook wel van houten kistjes. Welke van deze +voorwerpen men ook gebruikt, steeds moet er op gelet worden, dat zich +in den bodem de noodige drainagegaatjes bevinden. + +Heeft men zeer platte schalen, dan is het voldoende op ieder gaatje één +scherf te leggen met de holle zijde naar onder; bij hoogere schalen +of potten is dit echter lang niet voldoende, men moet deze minstens +l/3 der hoogte met scherven vullen. Ook stukjes houtkool, cokes en ook +wel steentjes kunnen hiervoor gebruikt worden. Deze schervenlaag heeft +ten doel een geregelden waterafvoer te verzekeren. Het overvloedige +water kan dan gemakkelijk wegzakken. Waar de drainage niet voldoende +verzekerd is, daar wordt de aarde in korten tijd zuur en het beste +zaad kan dan geen goede, gezonde zaadplantjes geven. + +Van evenveel belang als het is voor een goeden pot te zorgen, is +het ook, de juiste soort van aarde te kiezen, waarin men zaait. De +ondervinding heeft geleerd, dat men te dien opzichte voorzichtig +moet zijn, daar vele teere planten uitsluitend in lichte aarde +willen kiemen. Dit ligt ook eenigszins voor de hand. Zware grond is +voor warmte moeilijk toegankelijk, hij neemt te veel water in zich +op en biedt aan het jonge kiemplantje te veel weerstand, zoodat die +moeilijk of in het geheel niet aan het daglicht zou kunnen treden. De +beste grond, om in te zaaien, is in de meeste gevallen zeer zuivere, +goed verteerde bladgrond, die door een fijne zeef is gewreven; +ook heidegrond is zeer goed bruikbaar. Deze grondsoorten moeten, +vóór ze gebruikt worden, met 1/3 tot 1/4 zand vermengd worden. In +den laatsten tijd wordt ook met goed succes zeer fijn turfstrooisel +gebruikt. Turfstrooisel is zeer poreus, het wordt niet vast en +blijft vochtig. Het heeft tegen, dat het een grond is, zeer arm aan +voedende bestanddeelen, zoodat de jonge plantjes er spoedig uitgenomen +moeten worden. Moeten, hetzelfde door welke omstandigheid, de jonge +kiemplantjes eenigszins lang in den zaadpot blijven staan, dan is +turfstrooisel niet aan te bevelen. Vóór alles moet men er op letten, +dat de aarde, waarin men zaait, een voldoenden vochtigheidsgraad bezit; +zij mag noch te droog, noch te vochtig zijn. De zaadpotten worden +nu met de klaargemaakte aarde gevuld; hierop worden zij gladgemaakt +en met een plankje of de palm van de hand zacht aangedrukt. Naar de +grootte der zaden, moet men het zoo inrichten, dat er tusschen het +bovenvlak der aangedrukte aarde en den rand van den pot een ruimte +van 1 tot 4 cM. overblijft. Zijn de zaadpannen of -potten op deze +wijze geheel klaargemaakt, dan gaat men tot het eigenlijke zaaien +over. Het gemakkelijkste is het zaaien van groote zaden: deze worden +eenvoudig, maar vooral niet te dicht, over de oppervlakte van den +pot verdeeld. Onder de kamerplanten, die grootere zaden bezitten, +zijn er vele, waarvan de zaden pas na een voorafgaande bewerking +gezaaid kunnen worden. Het zijn vooral die zaden, welke zeer harde +schillen hebben, die men, indien zij eenigszins spoedig moeten kiemen, +niet maar zoo zaaien kan. Dikwijls wordt dan die harde buitenschaal +een weinig losgemaakt; deze bewerking is echter niet aan te bevelen, +omdat daardoor maar al te vaak de kiem beschadigd wordt. Beter doet +men, zulke zaden vooraf 2 of 3 dagen in lauw water te weeken. De +harde schaal wordt door het weeken zacht, de vochtigheid kan +gemakkelijker tot aan de kiem doordringen en als gevolg kiemt het +zaad veel spoediger. Een hoofdzaak is het echter, dat men er op let, +vooral niet te dicht te zaaien; slechts zeer groote zaden, zooals die +van Palmen en Bananen, kunnen tegen elkander worden gelegd. Dikwijls +is het echter in zulke gevallen beter, de zaden ieder afzonderlijk +in een klein potje te zaaien. Fig. 13 toont een Banaan-korrel vóór +en na de kieming en een ontwikkelde kiemplant in een zaadpotje. + +Zijn de groote zaden uitgestrooid, dan moeten zij met een beetje +overleg met aarde bedekt worden. De zaadkorrel moet ongeveer zoo +hoog gedekt worden als zij dik is. Na het dekken wordt de aarde weer +gelijkmatig aangedrukt. Nog moet opgemerkt worden, dat de zaadkorrels +met zwaren grond minder gedekt moeten worden dan met lichten. Aangezien +wij er echter reeds op gewezen hebben, dat men voor het zaaien in de +kamer beter lichte aarde dan zware gebruikt, zoo zal men het beste +doen als regel aan te nemen het zaad juist zoo diep te zaaien als het +dik is. Bij te zware bedekking, wil de kiem wel eens rotten, voor zij +aan het daglicht is kunnen treden; bij te lichte bedekking echter, +heft het jonge worteltje de zaadkorrel uit den grond, wat ook niet +wenschelijk is, daar de kiemplantjes dan te spoedig moeten verplant +worden. Palmen en planten, die dadelijk een zwaren wortel maken, +worden veelal te ondiep gezaaid, zij kunnen gerust eenige centimeters +onder de oppervlakte der aarde gelegd worden. + +Het moeielijkste is het uitzaaien van stoffijne zaden, zooals die van +vele onzer meest geliefde kamerplanten o.a. Gloxinia's, Begonia's, +enz. Deze fijne, meestal dure zaden, worden in kleine zakjes verkocht, +die door de zaadhandelaren veelal weder in een grooter zakje worden +gevouwen. De kleine zakjes moeten zeer voorzichtig geopend worden. Het +gevouwen papier vormt dan een zoogenaamd schuifje. Dit schuifje +neemt men zoo tusschen duim en middelsten vinger der rechterhand, +dat men het papier met den wijsvinger van elkander verwijderd kan +houden. (Fig. 14). Men beweegt nu het zoo vastgehouden papiertje van +den éénen kant van den zaadpot naar den anderen en doet het zoo, dat +de zaden langzaam van het schuifje glijden en zoo mogelijk gelijkmatig +over de aardoppervlakte verdeeld worden. Het geldt als gewoonte, dat +stoffijne zaden niet met aarde bedekt, maar slechts zeer voorzichtig +aangedrukt worden, waardoor zij voldoende in de aarde komen te liggen. + +Iedere zaadpot wordt nu voorzien van een etiquette, waarop de naam +staat van het gezaaide zaad. Is men zoo ver gereed, dan worden de +potten dadelijk aangegoten. Slechts voor die potten, waarin grootere +zaden liggen, gebruikt men, bij het aangieten, een broesgieter; +voor die, welke zeer fijne onbedekte zaden bevatten, gebruikt men den +rafraichisseur. Dezen moet men echter nog zeer voorzichtig behandelen, +en er vooral op letten, dat de zaden niet naar één zijde van den pot +gespoeld worden. Heeft men de zaadpotten aangegoten, dan zet men ze +op de bestemde plaats. + +Voor zaden, die vroeg in het voorjaar moeten ontkiemen, is het +voorzichtig de potten met een glasplaat te bedekken (Fig. 15). Deze +glasplaat wordt dagelijks éénmaal van den pot afgenomen, en dan met +een spons of doek goed droog afgeveegd. Deze zaadpotten zet men zoo +warm mogelijk, bij voorkeur in een geregeld gestookte kamer, niet te +ver van de kachel. Heeft men echter zaden, die minder warmte noodig +hebben, dan is het beter, ze voor het venster te zetten. Zij behoeven +dan niet met een glasplaat bedekt te worden, maar het is voorzichtig, +wanneer de zon ze beschijnt, er een stukje papier op te leggen, +ten einde het te sterke uitdrogen te voorkomen. + +Indien men bij het zaaien de noodige voorzichtigheid in acht genomen +heeft, dan behoeft men aanvankelijk niets te doen, dan de aarde +behoorlijk vochtig te houden. Is men zeker, kiemkrachtige zaden +gebruikt te hebben, dan kan, mits men bij het begieten de noodige +voorzichtigheid betracht, het resultaat niet uitblijven. Bij het +gieten der zaden, moet men er op letten, dat dit steeds geschiedt, +voordat de oppervlakte zeer uitgedroogd is. Door het opdrogen, +wordt het kiemingsproces gestoord, en één enkelen keer uitdrogen, +op den tijd, dat het jonge worteltje zich ontwikkelt, kan het ten +gronde gaan der kiemplanten veroorzaken. + +Om een goed resultaat te verkrijgen, moet men zich met een goede +dosis geduld wapenen. Hij, die het afwachten nog niet geleerd heeft, +leert het zeker, bij het behandelen van zaadpotten. Het is toch een +groote fout om in de zaadpotten te wroeten, ten einde te zien of het +zaad nog niet kiemt. Men moet de potten onaangeroerd laten staan, +om het spoedigste tot het doel te geraken. Eenige soorten zaad +zijn er, die een of ook wel twee jaar noodig hebben om te kiemen, +deze zijn echter gelukkig zeldzaam. Slechts enkele zaden en wel +hoofdzakelijk die van Palmen, hebben verscheidene maanden noodig om +te kiemen, de meeste kamerplanten echter doen dit reeds binnen een +of twee weken en verscheidene zelfs al na enkele dagen. Tusschen +het verschijnen der eerste en der laatste kiemplant in één pot, +kan somtijds een aanmerkelijke tijd verloopen. Bij eenige soorten +is deze onregelmatigheid in de kieming zeer opmerkenswaardig, zoo +bij voorbeeld bij Musa Ensete, de reeds vermelde Banaan, een zeer +bekende sierplant. Bij deze soort kan het voorkomen, dat de eerste +kiemplant reeds na veertien dagen verschijnt, terwijl andere van vier +tot zes maanden op zich laten wachten. Hetzelfde is het geval met de +zaden van een, tot de Winde behoorende, klimplant, de Mina lobata. De +eerste kiemplanten van deze soort verschenen acht en veertig uren na +het uitzaaien, terwijl er acht maanden later nog opkwamen. + +Bij de Japansche Hop, Humulus japonicus, heeft men ondervonden, dat +de meeste zaden binnen één maand kiemen, maar dat sommige meer dan +een jaar blijven slapen, om dan pas te verschijnen. De aangevoerde +voorbeelden zullen wel voldoende zijn om te toonen, dat de liefhebber, +die zich met zaaien bezighoudt, geduld, zelfs veel geduld, moet +bezitten en ook, dat hij vooral niet te vlug moet zijn met een +oordeel over het gekochte zaad. Hoeveel zaadpotten, met zeer goede +zaden bezaaid, worden niet weggeworpen, alleen, omdat de bezitter +geen geduld genoeg heeft om op de kieming te wachten. + +Er zijn slechts zeer weinige zaadplanten, die men in den pot, waarin +zij gezaaid zijn, kan laten staan, om daarin tot volkomen ontwikkeling +te komen. De meeste kiemplantjes moeten spoedig, nadat zij opgekomen +zijn, wijder uit elkander geplant worden; een bewerking, welke men +aanduidt door het woord repikeeren of verspenen. Heeft men niet zóó +dicht gezaaid, dat de jonge plantjes elkander dadelijk raken, dan +behoeft dat repikeeren niet direct na het opkomen te geschieden. Heeft +men echter te dicht gezaaid, dan kan men, indien het geen zeldzame +planten zijn, de zwakste voorzichtig uittrekken en wegwerpen, om +zoodoende den sterkeren meer ruimte te geven, of wel, men moet zoo +spoedig mogelijk uitplanten. + +Zeer lastig is het uitplanten der zaailingen, die uit zeer fijne +zaden ontspruiten, daar deze dikwijls, met het ongewapend oog, +nauwelijks te zien zijn. Voor deze kiemplantjes, die verscheidene +malen gerepikeerd moeten worden, voordat zij sterk genoeg zijn om +afzonderlijk in een potje te worden geplant, gebruikt men potten van +ongeveer 10 cM. wijdte, of wel platte schalen of kistjes. Deze potten +of schalen worden ter halver hoogte met scherven gevuld, hierop legt +men een laagje ruw turfstrooisel en daarbovenop de aarde. Als aarde +gebruikt men fijn gezeefden lichten grond, vermengd met zand. Alvorens +te planten, wordt de aarde gelijkgemaakt en zacht aangedrukt. Voor +het uitplanten van zaailingen heeft men twee hulpmiddelen noodig, +die men echter zelf kan maken; te weten: een klein stokje, dat men +aan de ééne zijde spits en aan de andere zijde vlak afsnijdt, het +repikeer-stokje, en ten tweede een pincet (Fig. 16 van onder). Om +een pincet te maken, neemt men een dun stokje, dat men aan de eene +zijde, met een lange punt, afsnijdt; hierop splijt men de spits +met een scherp mesje en steekt in het einde der spleet een klein +dwarshoutje. Dit pincet neemt men in de linkerhand, tusschen duim +en wijsvinger, waarmede men het spleetje open en toe kan drukken; +in de rechterhand neemt men het repikeer-stokje. + +Met de punt van het repikeer-stokje maakt men het jonge zaadplantje +los, waarop men het voorzichtig met het pincet opneemt. Heeft men het +plantje tusschen het pincet, dan maakt men in den gereedstaanden pot, +met de punt van het repikeer-stokje, een klein gaatje, dat vooral niet +te diep mag zijn. In dit gaatje houdt men nu het plantje, zoodanig, +dat de kiemblaadjes op de aarde komen te liggen, waarop men het gaatje +met de platte zijde van het repikeer-stokje dichtdrukt, waardoor het +plantje vast komt te staan (Fig. 16). Men moet de jonge plantjes nooit +al te wijd uit elkander planten en ze, wat men met een technischen +term noemt, in het verband zetten; d.w.z. dat het eerste plantje in de +tweede rij tusschen de beide eerste in de eerste rij komt te staan, +zooals de hiernevens staande puntjes aanduiden : . : . : . : Deze +plantwijze heeft het voordeel, dat alle plantjes even wijd uit elkander +komen te staan en de ruimte in den pot geheel gebruikt kan worden. +Fig. 17 stelt een pot met goed opgekomen en daarnaast een pot met +uitgeplante of gerepikeerde plantjes voor. Heeft men een pot op deze +wijze vol geplant, dan worden de plantjes met den rafraichisseur +voorzichtig aangegoten, en wanneer het warme planten zijn, met een +glasplaat bedekt. Wil men dit laatste doen, dan moet er voor gezorgd +worden, dat de pot niet tot aan den rand met aarde wordt gevuld; daar +de jonge plantjes de glasplaat niet mogen aanraken. Zijn de zaailingen +boven den rand van den pot uitgegroeid, en moeten zij nog met glas +bedekt blijven, dan steekt men eenige stokjes op gelijke hoogte in den +pot en legt daarop de glasplaat. (Fig. 18). + +Heeft men gewone éénjarige zomerbloemen gezaaid, dan kan men die +dadelijk repikeeren in den pot, waarin zij moeten bloeien, alleen +moet men er dan op letten, ze niet te dicht op elkander te planten; +niet te veel plantjes in één pot te zetten en in plaats van lichten +grond wat zwaarderen en voedzameren te nemen. + +De kiemplanten, die uit grootere zaden ontspruiten, worden niet +eerst gerepikeerd, maar direct in kleine potjes geplant. Indien men +zaailingen van kruidachtige planten heeft, kort men den penwortel een +weinig in. Hierna vult men het potje met aarde (in de meeste gevallen +met zand gemengde broeiaarde) en neemt daarna den zaailing dicht onder +de zaadlobben in de linkerhand. Met den wijsvinger van de rechterhand +maakt men nu een flink gaatje midden in de aarde van het gevulde potje; +hierin houdt men het plantje zoodanig, dat de worteltjes de aarde +raken, en de zaadlobben zoo dicht mogelijk op de oppervlakte van de +aarde komen te liggen. Met den duim en wijsvinger van de rechterhand +wordt dan het gaatje dichtgemaakt en de aarde matig vast aangedrukt +(Fig. 19). + +Zaailingen, met zeer veel worteltjes, moeten direct verplant +worden. Hiertoe doet men, na de noodige drainage, slechts een weinig +aarde in den pot. Men houdt dan den zaailing in den pot, dien men +hierop met aarde vult en daarna, niet te vast, aandrukt. De verplante +zaailingen moeten zoo spoedig mogelijk, in elk geval voordat zij gaan +slap hangen, aangegoten worden en wel zoo, dat het gietwater al de +aarde in den pot behoorlijk vochtig maakt. + +Als jonge plantjes verlangen de zaailingen natuurlijk de noodige +zorg. Na het verplanten moeten zij tegen de directe inwerking van +de zon en ook tegen tocht beschermd worden, en vooral op het gieten +moet zeer goed gelet worden, daar de kleine potjes, gevuld met lichten +grond, natuurlijk tamelijk spoedig uitdrogen. Na betrekkelijk korten +tijd maken de jonge plantjes, indien zij goed verzorgd worden, nieuwe +worteltjes; zij gaan dan doorgroeien en het duurt niet lang of men +moet aan het repikeeren voor de tweede maal, of aan het oppotten +gaan denken. + +Hij, die zijn kamerplanten, maar vooral zijn zomerplanten, voor het +balkon en de waranda bestemd, op boven aangegeven wijze uitzaait en +verpleegt, zal flinke, stevige, rijk bloeiende planten verkrijgen, +die de vergelijking met de dadelijk op haar plaats uitgezaaide planten +schitterend zullen doorstaan. + + + + +De kunstmatige of ongeslachtelijke voortkweeking van kamerplanten. + +Talrijke kamerplanten kunnen veel beter, spoediger en zekerder langs +ongeslachtelijken weg voortgekweekt worden, dan door zaaien. Hierbij +moet ook niet uit het oog verloren worden, dat vele en vooral de +teedere kamerplanten, hier te lande geen zaden voortbrengen; dat van +uit het vaderland van velen geen kiemkrachtige zaden kunnen ontvangen +worden en ten laatste, dat zeer vele der in de kweekerijen gewonnen +hybriden, zich niet constant uit zaden laten voortkweeken. Wanneer men +bij voorbeeld van een fraaie Pelargonium, Fuchsia of Anjelier zaden +oogst en die uitzaait, dan behoeft men in de meeste gevallen er niet +aan te denken, dat de jonge zaailingen weder de goede eigenschappen +der moederplant zullen bezitten. Deze zaailingen slaan terug, +d.w.z. zij toonen neiging om weder tot hun oorspronkelijken vorm +terug te gaan. Onder de kamerplanten, met dubbele bloemen, zijn er +daarenboven niet weinig die onvruchtbaar zijn. Daar het dubbel worden +der bloemen gewoonlijk ten koste der geslachtsorganen plaats heeft, +ziet men niet zelden, dat bij de dubbele bloemen de meeldraden geheel +zijn verdwenen, terwijl er maar al te vaak ook van den stamper niet +veel meer te vinden is, aangezien ook deze vergroeide. + +Het voortkweeken van planten is voor iederen liefhebber zeer +belangwekkend. Het wekt niet weinig de belangstelling op, om de kieming +der zaadkorrel en het zich ontwikkelen van den zaailing te volgen; +om te zien, hoe de pas kort geleden gesneden stek wortels maakt en in +betrekkelijk korten tijd tot een zeer schoone plant doorgroeit. Het +voortkweeken en vooral het voortkweeken langs kunstmatigen weg, +is ook lang geen gemakkelijk werk, dat, wil men goede resultaten +verkrijgen, vaak veel tijd vereischt. Ook moet de liefhebber bij +deze bewerking zeer veel zorg en oplettendheid voor zijn plantjes +overhebben. Lastiger, dan de geslachtelijke voortkweeking, is voor +een liefhebber zeker de ongeslachtelijke. De bloemkweeker, die in de +modern ingerichte kassen, onder het genot van warmte en vochtige lucht, +duizenden stekken goed aan het wortelen brengt, heeft veel minder +moeilijkheden te overwinnen dan de liefhebber, die de technische +hulpmiddelen, waarover een kweeker van beroep thans beschikt, niet +tot zijn beschikking heeft. Zich dikwijls met de meest primitieve +hulpmiddelen behelpende, zoekt de liefhebber zijn doel te bereiken en +in zeer veel gevallen gelukt het hem, zeer goed bewortelde planten +te verkrijgen. Maar wanneer men een bewortelde stekplant heeft, +dan is men pas halverwege, want zulk een plantje verlangt nog een +zeer zorgvuldige verpleging, om tot een goed gezond exemplaar door +te groeien. Al de inrichtingen, waarover zelfs de kleinste kweeker +beschikt, zooals lage kweekkasjes en broeibakken, die men al, +naar de behoeften, meer of minder warm kan aanleggen, ontbreken den +liefhebber. Met deze hulpmiddelen is een goed resultaat tamelijk zeker; +ook al heeft de kweeker niet die zorg voor zijn planten, welke de +liefhebber er aan wijdt. Deze is aangewezen zijn planten in de kamer +of voor het venster te kweeken; hij kan aan zijn stekplantjes noch +bodemwarmte, noch vochtige lucht geven. Hoe dikwijls komt het voor, +dat een liefhebber, zelfs aan zijn jonge plantjes geen geregelde +temperatuur, of zelfs gunstig licht kan geven; zoodat hij dus met +mindere resultaten tevreden moet zijn, dan de kweekers verkrijgen. + +Uit al het medegedeelde kan men bemerken, dat het kunstmatig +voortkweeken van planten in de kamer slechts een liefhebberij kan zijn +voor hem, die gaarne interessante zaken wil leeren kennen, waarvan +hij veel genoegen kan beleven, doch die hem ook teleurstellingen +bereiden. Indien men dus in een kamer planten wil voortkweeken, +moet men er zich op voorbereiden pas na langere cultuur, zulke goede +resultaten te verkrijgen, als een kweeker van beroep in betrekkelijk +korten tijd bereikt. + +De beste wijze om planten in een kamer voort te kweeken, is zeker +door middel van stekken. Een kort twijgje, dat men in de meeste +gevallen met een scherp mesje, vlak onder een oog afsnijdt (Fig. 20) +en daarna in den grond steekt, wortelt na korteren of langeren tijd +en is dan een zelfstandige plant geworden. Gewoonlijk snijdt men een +stek dicht onder een oog af, omdat de ervaring geleerd heeft, dat op +deze wijze afgesneden stekken, vooral bij kruidachtige planten, het +gemakkelijkste wortel slaan. Er zijn echter ook uitzonderingen. Fig. 21 +toont een Pelargonium-stek, die vlak onder het oog is afgesneden, +en een Ficus-stek, die tusschen twee oogen is afgesneden. De laatste +bestaat slechts uit één blad, met het daarbij behoorende stengeldeel, +en wordt zóó geplant, dat zij tot aan den bladvoet in de aarde +komt te staan. Fig. 22 toont stekken van Anjelieren, waarbij in het +snijvlak nog een kruissnede wordt gemaakt. De ondervinding toch heeft +geleerd, dat dusdanig gekruiste stekken, veel sneller groeien dan +oningesnedene. Fig. 23 toont verschillende soorten van stekken en wel: +1 bladstek van een Ficus, 2 stek van een klimopbladerige Pelargonium, +3 bewortelde bladstek van een Peperomia, 4 Rozestek en 5 stek van +een Anjelier. De verschillende wijzen van snijden zijn op de gravure +duidelijk te zien; terwijl ook de Fig. 21 en 22 goed aantoonen op +welke wijze de stekken moeten gesneden worden. Het beste groeien de +stekken van kruidachtige gewassen, en wel in het bijzonder van die +soorten, welke des winters haar blad verliezen. Deze plantensoorten, +die men in een koudere kamer, ja zelfs in den kelder kan overwinteren, +brengt men in Februari aan den groei; zij worden dan goed gesnoeid, +regelmatig gegoten en op een goed lichte plaats gezet. Het resultaat +zal zijn, dat zij spoedig overal gaan uitgroeien. Van deze planten +willen wij slechts vermelden de Fuchsia's, Heliotropen en Hortensia's. + +Onder den invloed van meer warmte en licht, ontwaken deze planten uit +haar winterslaap en beginnen overal uit te botten. De scheuten die dan +ontstaan, laat men doorgroeien, tot zij drie of vier bladeren hebben, +waarop zij worden afgesneden en als stekken behandeld. Het afsnijden +der stek doet men dan, zooals reeds gezegd is met een scherp mesje, +vlak onder een blad. Ten einde de stek beter te kunnen planten, is het +nuttig het onderste blad, of de twee onderste bladeren, af te snijden, +en, om het inrotten te voorkomen, is het bij stekken van zeer zachte +stengels raadzaam, ze te laten opdrogen, waartoe men ze eenigen tijd +op een plek, waar de zon ze niet kan bereiken, laat liggen. Is de +snijvlakte geheel opgedroogd, dan kan de stek geplant worden. + +Om nu een goed wortelen der stekken te bevorderen, moeten zij +besloten staan. Het beste doet men, een houten bakje, ter grootte +van een sigarenkistje, te maken. In den bodem van het kistje moeten +enkele drainagegaten geboord worden, waarop scherven, met de holle +zijden naar onder; worden gelegd. Hierop legt men nog een laagje +scherven en daaroverheen een dun laagje turfmolm. Op de turfmolmlaag +wordt nu de aarde, waarin de stekken gestoken worden, gebracht. Als +aarde gebruikt men goed gezeefden blad- of heidegrond. Voor stekken, +die spoedig uitgeplant kunnen worden, is het nog beter, in plaats van +aarde, zuiver zand te gebruiken. De stekken wortelen in zand zeer goed +en kunnen er, bij het uitplanten, zeer gemakkelijk uitgenomen worden, +terwijl de wortels dan zuiver blijven. Lang kan men bewortelde stekken +echter niet in zand laten staan, daar dit geen voedingsstoffen bevat en +de jonge plantjes er dus in zouden verarmen. De grond, of het zand, +wordt, na in het kistje gebracht te zijn, gelijkgemaakt en zacht +aangedrukt. In het zoo klaargemaakte kistje worden nu de stekken, +tamelijk dicht bij elkander, geplaatst. Hiertoe bedient men zich van +een puntig stokje, waarmede putjes in de aarde worden gestoken. Men +neemt dan de stek tusschen duim, wijs- en middelvinger der rechterhand, +houdt haar in het gaatje en drukt ze daarna flink aan, zoodat zij +stevig vaststaat. Het is nogal van belang, dat een stek niet te diep in +de aarde, maar toch goed vast staat. Is het geheele kistje met stekken +gevuld, dan wordt het met een broesgietertje goed aangegoten, op een +lichte plaats gezet en met een stolp of glasplaat bedekt (Fig. 24). De +verzorging bestaat nu hoofdzakelijk in het gelijkmatig vochtig houden +der aarde, wat men bereikt, door de stekken geregeld met water, dat +de temperatuur van het vertrek heeft, te besproeien. Al naar het weer +is, geschiedt dit besproeien een tot driemaal per dag. Aangezien de +aarde water uitdampt, dat zich als droppels aan de stolp of glasplaat +afzet, moet deze minstens twee keer per dag met een spons of drogen +doek afgeveegd worden; de koude waterdruppels vallen anders op de +stekken en veroorzaken daar licht rottende plekken, wat zeer slecht +is. Vooral moet, zoolang de stekken niet beworteld zijn, opgepast +worden, dat de zon er niet op schijnt. Schijnt de zon door het +venster, op de stolp of de glasplaat, dan worden deze laatsten met +een stuk papier gedekt. Beginnen de stekken te groeien, wat men vrij +wel als een teeken mag beschouwen dat zij wortel geslagen hebben, +dan begint men met gedurig een weinig meer te luchten, totdat de +stolp of glasplaat geheel verwijderd kan worden. Ook het voor de zon +schermen kan langzamerhand nagelaten worden. + +In plaats van houten kistjes kan men ook gewone bloempotten, van 10 +cM. middellijn, tot het steken van stekken gebruiken. De ondervinding +heeft geleerd, dat van in potten gestoken stekken, die het snelste +groeien, welke het dichtst bij den potrand staan; reden waarom +de stekken dan ook in de potten, die zeer goed van drainage moeten +voorzien zijn, zoo dicht mogelijk bij den rand worden gestoken (Fig. 25 +en 26). De gesloten warme lucht krijgt men, wanneer potten gebruikt +worden, door die met een stolp te bedekken. Het aanbevelenswaardigste +is een stolp in den vorm van een kaasstolp, maar wat hooger en wijder, +daar men er dan verscheidene potten te gelijk onder kan zetten. Ook +wanneer men in potten stekt, moeten natuurlijk de daarover staande +stolpen geregeld afgedroogd worden. Kleinere en ook hangplanten, +die gemakkelijk wortelen, kunnen direct in den pot worden gestekt, +waarin zij tot ontwikkeling moeten komen, en liefst verscheidene +stekken te zamen, opdat de pot goed volgroeit. Fig. 26 stelt een pot +met Tradescantia-stekken voor, een der meest verspreide en geliefde +hangplanten. + +Het bewortelen geschiedt ook zeer ongelijk. Tradescantia's slaan +meestal reeds na drie of vier dagen wortel; andere kruidachtige +planten, eerst na acht of tien dagen. Er zijn echter ook planten, +waarbij dit langer duurt en die, in de kamer gestoken, pas na +een of twee maanden wortel maken. Enkele planten wortelen zeer +goed, wanneer de stekken in water worden gezet; zoo kan men onder +anderen kopstekken,--dit zijn de bovenste stekken van een plant, +met de hartbladeren er nog aan--van den Oleander en van den Ficus, +zeer goed aan den groei krijgen, door iedere stek in een met water +gevuld fleschje te zetten, en de halsopening met warme was dicht te +maken. Deze wijze van behandelen is bij de genoemde planten wel zoo +zeker, als de gewone manier van stekken. Wanneer men stekken in water +steekt, dan moeten deze echter zooveel mogelijk in de zon staan, om +te voorkomen dat zij beginnen te rotten. Er zijn nog verscheidene +andere wijzen om stekken te steken, zooals door bladstekken. Van +verscheidene planten en vooral van vetplanten, is het voldoende, +een blad in den bodem te zetten, om een plant te verkrijgen. Een +zich aan den bladvoet bevindende knop gaat dan ontwikkelen, en men +ziet aan den voet jonge wortels en een plantje te voorschijn komen, +terwijl het oude blad langzaam afsterft. Zeer gemakkelijk gaat het +voortkweeken van bladstekken bij de Bladbegonia's. Van een goed +ontwikkeld Begonia-blad snijdt men de hoofdnerven met een mesje +door, hierop legt men het op den daartoe gereedgemaakten pot en +wel zoo, dat de dikke nerven alle in den grond komen te liggen; +dan legt men eenige steentjes op het blad, ten einde te voorkomen, +dat het opwipt. Geeft men nu de noodige warmte en verzorgt men het +goed, door er op te passen, dat de grond matig vochtig blijft en +geen zon het treft, dan zal het blad niet alleen aan den bladsteel, +maar overal, waar men het heeft ingesneden, kleine plantjes vormen, +die, zoodra zij wortel hebben, afgesneden en opgepot kunnen worden. + +Een juist tijdstip, waarop de stekken moeten gestoken worden, laat +zich niet aangeven. De gewone planten, met kruidachtige stengels, +groeien het best in Februari en Maart; verscheidene andere planten +echter, vooral die, met hardere, houtachtige stengels, laten zich +beter in Augustus stekken. Zoodra de stekken beworteld zijn, neemt +men ze uit den pot, waarin zij gestoken zijn. Dit moet echter zeer +voorzichtig geschieden, opdat de jonge worteltjes zoo weinig mogelijk +beschadigd worden. Kan men het zóó doen, dat zij kluit houden, +d.w.z. dat de aarde tusschen de worteltjes in blijft zitten, dan is +dit nog veel beter. De jonge plantjes worden ieder afzonderlijk in een +potje gezet. Na op het drainage-gaatje een scherf gelegd te hebben, +doet men in het potje een weinig aarde; met de linkerhand houdt men +dan het bewortelde stekje in het midden van het potje en wel zóó, +dat het niet te diep komt te staan, vult het hierop verder met aarde +aan en drukt het met de rechterhand matig vast. + +Nog gemakkelijker gaat het oppotten van weinig bewortelde stekken; +men kan dan het potje dadelijk geheel met aarde vullen, waarna men +in het midden met den wijsvinger een juist diep genoeg gaatje maakt; +met de linkerhand wordt het stekje daarin gehouden, en hierop het +gaatje dichtgemaakt en matig aangedrukt. Heeft men de stekken op +deze wijze opgepot, dan moeten zij direct, met een broesgietertje, +flink aangegoten worden, opdat de aarde goed doorvochtig wordt. Totdat +de stekken zich tot volwassen planten hebben ontwikkeld, moeten zij +natuurlijk nog verscheidene malen verplant worden. Na dit verplanten +moeten zij, evenals toen zij pas opgepot werden, den eersten tijd +voor de zon beschermd worden, om het slaphangen, waarmede men licht +bladeren verliest, te voorkomen. + +Een andere wijze, om planten kunstmatig te vermenigvuldigen, is door +middel van afleggers. Deze bewerking wordt hoofdzakelijk toegepast +op fijne Anjelieren, en wanneer men een weinig zorgzaam is, zijn de +kansen op goede resultaten zeer groot. De Anjelieren ontwikkelen des +zomers, nevens de bloeibare stengels, nog een aantal met blad bezette +scheuten, die in het tweede jaar pas bloeibaar worden. Deze scheuten +leveren gedurende en na den bloeitijd, de afleggers. Allereerst +moet men zorgen voldoende potruimte voor het afleggen te hebben, +waarom men de Anjelier eerst in een grooteren pot verplant, wat men +zoo doet, dat de oppervlakte der aarde eenigszins losblijft. Men +neemt nu de sterkste van de af te leggen scheuten, en maakt onder +een blad een overlangsche insnede, zoodanig, dat deze eindigt onder +het inplantingspunt van het volgende bladpaar, en de scheut ongeveer +tot de helft is ingesneden. Men buigt nu dezen scheut naar beneden en +legt hem met de insnijding in de aarde. Om te zorgen, dat hij zich +niet weer opricht, bevestigt men hem in den grond met een houten +haakje. Van iedere plant kan men zooveel afleggers maken, als er +goede scheuten aan zijn en als er ruimte in den pot is. Na verloop +van vier à zes weken is de aflegger, d.w.z. het ingesneden gedeelte +van den scheut, beworteld. Men neemt nu den scheut, die nog steeds +gedeeltelijk door de moederplant wordt gevoed, voorzichtig uit den +grond, snijdt het bewortelde stengeldeel van de moederplant af en +plant het, als zelfstandige plant, in een potje. Fig. 27 stelt de +vermenigvuldiging van een buiten uitgeplante Anjelier voor. Natuurlijk +moeten pas opgepotte afleggers niet minder voorzichtig behandeld +worden dan pas opgepotte stekken. + +Een andere wijze van voortkweeken, die met het afleggen wel eenige +overeenkomst heeft, wordt dikwijls toegepast bij bladplanten, in +hoofdzaak bij Dracaena's, die haar onderste bladeren verloren hebben, +en daardoor leelijk zijn geworden. Deze bewerking wordt het ringen +genoemd. Een eindje van het onderste blad verwijderd, maakt men +een schuin oploopende snede in den stam tot ongeveer halverwege de +dikte. Door in de snede een stokje te steken, houdt men de snijvlakken +een eindje van elkander verwijderd. Om de insnede brengt men nu +een goede hoeveelheid mos, dat er stevig omheen gebonden wordt; +of, wat nog beter is, men vervaardigt een soort blikken bloempot, +die in twee overlangsche helften uit elkander genomen kan worden; +deze twee helften brengt men ter plaatse van de snede om den stam, +bindt ze te zamen en vult daarna den pot met aarde op (Fig. 28). + +Een andere wijze van insnijden is, dat men rondom den geheelen stam +een snede maakt, tot ongeveer een derde der stamdikte; men snijdt er +dus als het ware een ring omheen. Bij zeer groote planten snijdt men +om den geheelen stam heen een wigvormigen ring uit. Na op eenige, +onverschillig welke wijze, ingesneden te zijn, wordt de stam steeds +op de boven omschreven manier omwoeld. In de meeste gevallen zijn +de kronen van dergelijke planten te groot, om als stekken te worden +behandeld; past men echter het ringen toe, dan is men vrij zeker, +dat ze wortel slaan. Men moet er na het insnijden goed voor zorgen, +dat het mos om de wonde behoorlijk vochtig blijft en ook de plant +zelf moet dikwijls bespoten en vooral uit de zon gehouden worden, +om te voorkomen, dat zij bladeren verliest. Is de kroon beworteld, +dan kan zij afgesneden en afzonderlijk opgepot worden. De eerste dagen, +na het afsnijden, moet de jonge plant vooral dikwijls bespoten worden, +zoodat de bladeren als het ware constant vochtig blijven. Doet men +dit niet, dan zullen de onderste bladeren dadelijk geel worden en +zal de plant een gedeelte van haar schoon voorkomen verliezen. + +De stam, die nu zijn kroon kwijt is, moet men niet wegwerpen, maar +aanvankelijk een weinig droger houden. Spoedig zal men dan zien, +dat hij van boven een jonge scheut maakt, die, als hij een viertal +blaadjes heeft, afgesneden en als stek behandeld kan worden. Ook kan +men den stam eener Dracæna even onder iederen knoop afsnijden en de +zoo verkregen stukjes in vochtig zand leggen. Bij vele soorten levert +ieder stukje een scheut op, die wortel slaat en een afzonderlijke +plant vormt. In de kamer zal dit echter wel niet al te best gaan, +bij gebrek aan warmte. + +Van de verschillende wijzen van voortkweeken is voor de kamercultuur +ook het scheuren zeer geschikt. Veel kruidachtige planten ontwikkelen +haar bladeren of scheuten uit een wortelstok en kunnen dan, als de +bekende Cyperus en Plectogyne, een tamelijke afmeting bereiken. Deze +planten zijn zeer geschikt om te scheuren. Hiertoe neemt men ze, bij +voorkeur in het voorjaar, uit den pot en verdeelt ze, d.w.z. snijdt ze, +in zooveel stukken als men planten verlangt te hebben (Fig. 29). Bij +grassoorten en ook bij het bekende Venushaar (Adiantum) gaat dit +verdeelen zeer gemakkelijk; bij andere planten echter, zooals de +reeds genoemde Plectogyne, die een meer of minder harden wortelstek +bezitten, gaat dit zoo gemakkelijk niet; men moet hierbij een stevig +mes gebruiken, om den wortelstok door te snijden. + +Ook knollen kan men op dezelfde wijze, namelijk door ze in stukken te +snijden, vermeerderen; men moet er dan echter op letten, dat ieder stuk +een of meer oogen houdt; zoodat het kan doorgroeien (Fig. 30). Het wil +wel eens voorkomen, dat de snijvlakken, zoodra het afgesneden stuk in +den grond wordt gebracht, beginnen in te rotten; om dit te voorkomen, +bestrooit men ze vóór het opplanten goed met houtskoolpoeder. Vóór +het verdeelen worden de knollen eerst in goeden lichten grond aan +den groei gebracht, zij maken dan scheuten en wortels; het is dan +pas mogelijk met juistheid de plant te verdeelen. De beste tijd om +knollen te verdeelen is het voorjaar. Verschillende knolgewassen voor +de warme kas, zooals b.v. Caladiums kan men op deze wijze behandelen. + +Veel planten laten zich ook door wortelscheuten vermenigvuldigen. Deze +ontstaan in den pot, en kunnen bij het verplanten afgesneden en +afzonderlijk opgepot worden. Het is geraden zulke scheuten altijd +zóó af te snijden, dat zij voldoende wortel behouden om door te +groeien. Fig. 31 stelt een zeer bekende kamerplant voor, Curculigo +recurvata, die men uit den pot heeft genomen om de wortelscheuten er +af te snijden. + +Een der interessantste en meest voldoening gevende wijzen van +voortkweeken is het veredelen. Er zijn echter niet heel veel planten, +die zich met succes in een kamer laten veredelen, en de meeste +liefhebbers, die het veredelen willen toepassen, doen dat dan ook +op hun Rozen. Om dit te kunnen doen, moet men echter in zijn tuin +of wel in potten rozenwildelingen gekweekt hebben. Deze wildelingen +kan men het beste veredelen gedurende den zomer, door de meestal +toegepaste wijze, het oculeeren. De te gebruiken wildelingen kan +men als z.g.n. wildstammetjes bij iederen kweeker voor betrekkelijk +weinig geld koopen. Deze worden opgeplant en dienen dan voor het +kweeken van stamrozen. Wil men struikrozen kweeken, dan gebruikt men +wildstammetjes, niet dikker dan een potlood, die op den wortelhals, +dus zoo dicht mogelijk bij den wortel, worden veredeld. + +Men kan op tweeërlei wijzen veredelen, namelijk met een doorgroeiend +of met een slapend oog. Bij een vroege oculatie, dat is van Juni tot +Augustus, groeien de oogen in hetzelfde jaar nog uit, terwijl zij bij +de September-oculatie wèl voor het begin van den winter vastgroeien, +doch pas in het voorjaar van het volgend jaar uitgroeien. Het is +voorzichtig, op ieder wildstammetje, naar verschillende kanten twee +of drie oogen te oculeeren. De wildstam is geschikt om gebruikt te +worden, zoodra hij zooveel sap heeft, dat bast en hout zich gemakkelijk +laten scheiden. Met een scherp geslepen, zoogenaamd oculeermesje +geeft men dan twee sneden in den vorm van een T, en wel zóó, dat +de bast tot op het hout doorgesneden is. De bast wordt nu met de +rugzijde van het hiertoe ingerichte mes, of nog beter met het heft, +dat daartoe in den vorm van een vouwbeen toeloopt, opgelicht en het +oog tusschen hout en bast ingeschoven. De oogen neemt men van voldoend +volgroeide scheuten. Aan den voet van iederen bladsteel bevindt zich +een oog, dat, onder gunstige omstandigheden, zich tot een twijg kan +ontwikkelen. Nadat men het blad, tot op een stukje van den steel na, +heeft weggenomen, wordt het oog in den vorm van een driehoekig schildje +uit den tak gesneden. Heeft men het oog klaar, dan wordt, met het +reeds vermelde heft van het mes, de T-vormige insnede in den wildstam +een weinig opengebogen en het oog daarin geschoven. Is men hiermede +klaar, dan neemt men een eindje bindbast en bindt de oculatie goed +stevig vast, waarbij vooral moet gezorgd worden, dat het ingeschoven +oog vrijblijft. Is men zoover klaar, dan worden de meeste takjes van +den wildstam weggesneden, opdat deze niet te veel sappen tot zich +zouden trekken. Beginnen de oculaties zich goed te ontwikkelen, dan +wordt de omgelegde band weggenomen en ook de wildstam tot even boven +de oculatie afgesneden. Bij Fig. 32 kan men duidelijk zien, op welke +wijze een oculatie moet volvoerd worden; ook een afzonderlijk oog +staat er bij; bij Fig. 33 ziet men dan een veredeld wildstammetje, +waarbij de wijze van omwinden duidelijk zichtbaar is. Geheel op +dezelfde wijze; veredelt men in de kamer de kleine Oranjeboompjes, +die zeer gemakkelijk uit gezaaide pitten opkomen (Fig. 34). Bij +Oranjeboompjes moeten echter de oculaties met een stolp bedekt en +zeer warm gehouden worden; daar zij anders heel moeielijk uitgroeien. + +Voor de kamer is ook het veredelen van Cacteeën heel aardig. Om +Cactussen in de kamer te veredelen, moet men natuurlijk soorten +bezitten, die men zoodoende voortkweeken wil, en ook daartoe +geschikte wildstammetjes. Als wildstammetjes gebruikt men meestal +snel groeiende Zuilencactussen, vertegenwoordigers van het geslacht +Cereus. Goede wildstammetjes, die bij kweekers wel te verkrijgen +zijn, zijn o.m. Cereus Spachianus, C. peruvianus, C. macrogonus, +C. rostratus; verder verschillende soorten van het geslacht Opuntia +en ten laatste Pereskia aculeata en P. calandrinifolia. De beide +laatstgenoemde Cactussen zijn groenbladerige, dunstelige plantjes, die +eerder aan koffieboompjes dan aan Cactussen zouden doen denken. Deze +beide soorten zijn vooral geschikt om Bladcactussen (Epiphyllum) op +te veredelen, De Epiphyllums vormen hierop zeer fraaie kroontjes, die +tegen Kerstmis met de bekende purperen bloemen zeer rijk bloeien. De +Pereskia, wordt om als onderstam voor Epiphyllums te dienen, door +sommige kweekers in grooten getale aangekweekt. Deze veredeling +wordt verricht door zoogenaamd spleetgriffelen. Nadat men den kop +van een krachtige Pereskia op de verlangde hoogte heeft afgesneden, +wordt dit snijvlak van dit ingesneden boompje, ongeveer 1 cM. diep, +met een scherp mesje gespleten. Men neemt dan een gezonde, uit +twee of drie bladeren bestaande, Epiphyllum-twijg en snijdt deze +door twee schuine sneden, één links en één rechts, platpuntig toe, +zoodat de kern de punt vormt. De zoo puntig toegesneden twijg, zet +men dan met de punt in de spleet van den wildstam. Gewoonlijk zet +men op een Pereskia-stammetje verscheidene twijgen te gelijk, om op +die wijze spoedig grootere boompjes te verkrijgen. In het stammetje +van de Pereskia kan men ook nog eenige twijgen griffelen. Hiertoe +maakt men op de bestemde plaats tot in het hart van het stammetje een +schuine snede, neemt dan een Epiphyllum-twijg, op de aangegeven wijze +afgesneden, en zet deze in de gemaakte snede. Natuurlijk moeten ook +bij deze veredeling de wonden goed met bast dicht gebonden worden. Bij +Pereskia en Epiphyllum duurt het aangroeien gewoonlijk niet zeer lang, +soms is dit slechts een zaak van enkele dagen. + +Een zeer weinig bekende wijze van veredelen is die van kogelvormige +Cactussen op Pereskia-stammetjes. Deze worden daartoe aan een klein +stokje gebonden, daarna eerst afgesneden en dan een weinig spits +toegesneden. De Cactus, die men hierop enten wil, wordt voorzichtig +van de moederplant afgesneden. Met een scherp, puntig mesje snijdt men +nu een gaatje onder in deze spruit en wel zoo, dat dit niet grooter is +dan het spitsje van den onderstam. Beide stukken worden nu op elkander +gezet en de ontstane spleet met entwas dichtgesmeerd. Natuurlijk +moet deze veredeling tot samengroeiing goed verbonden worden. Het +beste doet men dit, door boven op de kogelvormige Cactus een kluitje +watten te leggen en dan door middel van bindbast een stevig verband +te maken. Het bindsel wordt onder den pot doorgehaald, over de Cactus +heengelegd en dan vastgebonden. Men moet er vooral om denken, dat, +past men deze veredeling toe, de Pereskia steeds aan een stevig stokje +moet gebonden worden. + +De groei van de kogelvormige Cactus is toch veel sneller, dan die, +van den onderstam, zoodat deze laatste zijn zwaren last ten langen +leste niet meer zou kunnen dragen, en dus zou moeten afbreken. + +Beter dan op Pereskia veredelt men zware Cactus-soorten op Cereus. De +afbeelding stelt een op Cereus veredelde Cactus voor (Fig. 36). Met +een scherp mes snijdt men de, als onderstam dienende, Zuilencactus +den kop af en van de daarop te plaatsen kogelvormige Cactus snijdt +men de onderzijde zóó af, dat, zet men de laatste op de eerste, de +beide snijvlakken elkander volkomen bedekken en de middelpunten van +beide juist op elkander sluiten. De geheele bewerking bestaat dus +uit het met zekerheid uitvoeren van twee sneden. + +Na beide soorten op elkander gezet te hebben, legt men het verband. + +Het aangroeien heeft bij Cactussen zeer snel, meestal in weinige +dagen plaats. + +Een bekend Cactusliefhebber, de heer Walter Mundt, te Pankow, bij +Berlijn, zegt over het veredelen van Cactussen het volgende: "als +onderstam gebruik ik bij voorkeur twee- of driejarige zaailingen +of ook wel stekplanten van groene Cereus-soorten; de blauwachtige +Cereus-soorten, zooals Cer. azureus, C. Seidelii en andere, gebruik +ik bij voorkeur niet, daar deze niet goed aangroeien en dikwijls na +eenigen tijd den entkop weder afwerpen. Zaailingen, van in het eind +van Maart of begin April gezaaide zaden, kunnen hoewel dan heel weinig +gedoornd, reeds in Juli tot veredeling dienen [1]. Zijn onderstam +en entkop beide zeer jong, dan is het resultaat tamelijk zeker, +de plantensappen schijnen zich dan goed te vermengen. Men neemt den +entkop tusschen duim en wijsvinger en drukt dien, terwijl men een +eenigszins draaiende beweging maakt, nogal stevig met de snijvlakte +op die van den onderstam, waarop men de plant goed verbindt". + +Het verbinden is, bij het veredelen van kogelvormige Cactussen op +zuilenvormige, het moeilijkste werk en bij kleine entkopjes, niet +grooter dan de kop van een lucifer, is het zelfs een kunststuk; +doch ook hier geldt het spreekwoord: "Al doende leert men". Nadat +ik den uit den zaadpot genomen entkop, op de bovenvermelde wijze, +op het onderstammetje heb geplaatst, neem ik een wollen draad, +dien ik aan twee einden strak aantrek, zoo doende, dat ik tusschen +beide handen een ruimte van twee tot drie duim heb. Ik leg nu dezen +draad voorzichtig in horizontale richting over het entkopje, dat +toch reeds door zijn eigen sappen vastgekleefd zit. Beide uiteinden +van den draad haal ik nu voorzichtig naar beneden, er voor zorgende, +dat de druk aan beide zijden juist gelijk is. Bij den potrand gekomen, +trek ik den draad voorzichtig een weinig aan, leg hem dan eerst langs +den pot heen, trek hem er vervolgens voorzichtig onderdoor, en knoop +dan de beide einden aan elkander vast. De druk van den draad moet aan +beide zijden juist dezelfde zijn. Er moet nog opgepast worden, dat +de snijvlakken niet rond zijn, waarom het mes, waarmede men snijdt, +zoo dun mogelijk moet wezen. + +Zijn de entkoppen van de grootte van een boon, of nog grooter, dan +gebruik ik een tweeden draad overkruis en ook bij plantjes, die ten +gevolge van haar naar onder gerichte doorns, gemakkelijk van het +onderstammetje worden afgetild, dan verdrogen en niet aangroeien, +zijn kruisdraden zeer aan te bevelen. Om geheel zeker te zijn en +afstooten met opdrogen te voorkomen, bezwaar ik de draden met een +metalen ring. Hiertoe schuif ik het ringetje van boven over de plant en +haal het zoover naar beneden, totdat de draden sterk genoeg aangehaald +zijn. Den volgenden dag leg ik, al naar de zwaarte van den ring er +nog een tweeden bovenop. Fig. 37 verduidelijkt deze handelwijze. + +De jonge zaailingen, die als onderstam dienst doen en dus bij het +aanbinden licht ombuigen, moeten eenigszins versterkt worden, door +er twee of drie kleine stokjes omheen te zetten en deze aan elkander +te binden. + +De veredelde plantjes zet ik in een gesloten, beschaduwde, maar toch +warme ruimte, de kleinere plantjes in een groote schaal of in een +kistje, dat, met een door middel van krijt en water witgemaakte ruit, +wordt gedekt. + +Wanneer de kleine patiënten acht dagen in zulk een kastje staan, is dit +meestal voldoende. Gedurende dien tijd mogen zij in het geheel niet +gegoten en gespoten, en moet elk vochtig worden der wond zorgvuldig +vermeden worden. + +Als voorbeeld van een goed resultaat, wil ik het volgende vermelden. In +het voorjaar entte ik den geheel vlak afgesneden nog gezonden kop +van een zeer zeldzame Echinocactus-soort op een zaailing van Cereus +peruvianus als onderstam. Het kopje zou zeker verloren geweest zijn, +daar het van den moederstam afgestooten was. Het entkopje, dat niet +grooter was dan een kleine erwt, had in het najaar de grootte van +een walnoot gekregen, zóó sterk was het gegroeid. Voor halfverloren +planten is enten nog dikwijls een vrij zeker redmiddel. + + + + +Het oppotten en verplanten. + +Wanneer wij de planten in de kamer kweeken, dan moet er al spoedig +na het zaaien of na het langs ongeslachtelijken weg voortkweeken aan +het oppotten der zaailingen of stekken gedacht worden. + +Deze bewerking is zeker gemakkelijker uit te voeren, dan het +verplanten. + +Dit laatste behoeft alleen die liefhebber te doen, die zich niet +met het voortkweeken van planten bezighoudt, maar die de door hem +gekochte planten, zoo mogelijk, in goeden staat wil onderhouden. Over +de verschillende aardsoorten, die bij het oppotten en het verplanten +dienst moeten doen, hebben wij reeds vroeger gesproken. Van veel +belang is echter ook het gebruik van goede bloempotten. Een goede +bloempot moet van gebakken klei zijn; hij mag niet te zwaar wezen, +zoodat dunne wanden een vereischte zijn; ook niet te hard gebakken, +daar hij poreus moet zijn. Wat nu den vorm aangaat, is men teruggekomen +van het hooge, smalle model, dat vroeger gebruikt werd; toch mag hij +ook niet te plat wezen. De beste afmeting is, dat een pot even hoog +is, als hij op zijn grootste wijdte middellijn heeft. Zeer platte +potten, die meer van schalen of schotels hebben, zijn slechts in +enkele gevallen, voor planten met weinig wortels aan te bevelen. In +den bodem van iederen pot, moet zich een drainagegaatje bevinden en +al naarmate de potten grooter worden, moeten er drie of vijf zulke +gaatjes in zijn. Gewoonlijk maken de pottenbakkers deze gaatjes van +buiten naar binnen in den pot. Dit is zeer verkeerd, daar dan om het +gaatje zich een eenigszins verhoogde rand bevindt, die het afloopen +van het water belet. Ieder, die dan ook potten koopt, moet daar +zeer op letten en er bij den pottenbakker op aandringen, dat hij het +gaatje van binnen naar buiten in den pot steekt. In de kamers treft +men dikwijls verglaasde potten aan, of ook wel min of meer fraaie +porseleinen potten, ja zelfs ziet men ze wel eens van metaal. In +dergelijke potten is het onmogelijk dat een plant goed kan groeien, +omdat zij niet poreus zijn. De lucht kan door dergelijke potten niet +heendringen, waardoor het opdrogen der aarde bemoeilijkt, zoo niet +geheel onmogelijk gemaakt wordt, hetgeen natuurlijk tot gevolg heeft, +dat deze verzuurt, waardoor dan ziekte in de wortels ontstaat. Wil +men dergelijke fraaie potten toch gebruiken, dan gaat dit zeer goed, +wanneer men de plant in haar oorspronkelijken pot laat staan en ze +daarmede in den fraaieren zet. Het is echter zaak, dan eerst een paar +steentjes of stukjes hout in den buiten pot te leggen, om daar de plant +op te zetten, daar deze anders licht in het doorgeloopen gietwater komt +te staan. Goede potten moeten dus zoo eenvoudig mogelijk zijn. Heeft +men echter grootere planten, die in kuipjes moeten gezet worden, dan +kan men deze zoo fraai en elegant maken als men wil. Voor grootere +planten, die in kuipjes gekweekt moeten worden, is het zelfs geraden, +die wat fraaier te laten vervaardigen, of wel, de eenvoudige kuipjes +met kurk of boomschors te doen bekleeden. Fig. 38 stelt twee zulke +kuipjes voor, die in den handel voor matigen prijs te verkrijgen +zijn. De rechtsche kuip is zeer eenvoudig, de linksche daarentegen +fraaier afgewerkt; deze laatste is ook practischer, omdat door den +uitgestoken rand van den bodem, de lucht beter kan toetreden, terwijl +het overvloedige gietwater beter kan wegloopen. + +Men doet het beste, bij het verplanten steeds nieuwe potten te +gebruiken; deze moeten echter vóór het gebruik eerst gewaterd worden, +d.w.z. men moet ze tien à twintig minuten in het water leggen, +opdat de poriën van het steen met water voltrekken. Vergeet men +dit, dan zal na eenigen tijd de aardkluit zich zóó vast met den pot +verbinden, dat bij het verplanten de plant onmogelijk uit den pot te +krijgen is, zonder haar te beschadigen of den pot stuk te slaan. Dit +laatste is natuurlijk schade voor de hand. De oude gebruikte potten +moet men natuurlijk niet wegwerpen, daar deze nog zeer goed gebruikt +kunnen worden. In de meeste gevallen zijn deze potten vuil; aan den +buitenkant zit mos of zwarte aanslag, wat de poreusiteit tegengaat en +aan de binnenzijde zit meestal oude aarde. Deze oude potten kunnen +dus slechts gebruikt worden, wanneer zij eerst goed schoongemaakt +zijn. Hiertoe worden zij, met een harden boenborstel, aan den binnen- +en buitenkant goed afgeschrobd, waartoe men bij voorkeur warm water +gebruikt. Hierna laat men ze goed opdrogen. Zijn de potten sterk +met mos bezet geweest, dan is het raadzaam, ze vóór het gebruik +eenigen tijd in kokend water te leggen, ten einde zoodoende alle +kiemen en mossporen te dooden. Gebruikte kuipjes moeten vóór het +weder in gebruik nemen ook goed met warm water uitgeschrobd worden, +om ze volkomen schoon te maken. + +Vóórdat men met het planten of verplanten begint, moet op een tafel +de noodige aarde klaargemaakt worden. Behalve aarde heeft men ook +drainage-materiaal noodig. Wanneer bij het verplanten een pot breekt, +dan behoeft men dien niet weg te werpen. Hij wordt in kleine stukjes +geslagen, die, als drainage in de potten, gebruikt kunnen worden, +mits men ze van te voren goed afwascht. Op het drainage-gaatje, dat +zich, zooals wij gezien hebben, in iederen goeden pot bevindt; legt +men een scherf, en wel zóó, dat de holle zijde naar onder en de bolle +dus naar boven gekeerd is. Heeft men kleine potjes te draineeren, +dan is het voldoende op deze grootere scherf nog enkele kleinere te +leggen. Moet men grootere potten gebruiken, dan is verstopping der +drainage gevaarlijker. De aarde hierin droogt natuurlijk veel langzamer +uit en heeft dus meer kans om te verzuren; terwijl grootere planten +in den regel veel kostbaarder zijn en het verlies er van dus grooter +is. Op ieder drainage-gaatje legt men dan een potscherf en hierboven +een flinke laag kleinere scherven. Heeft men zooveel kleinere scherven +niet voorhanden, dan kan men ook stukjes baksteen, cokes of houtskool +gebruiken. De aarde zal natuurlijk, door het gieten, zeer gemakkelijk +tusschen de drainage-scherven of steentjes indringen en dit moet +zoo mogelijk voorkomen worden. Hiertoe legt men boven de scherven +een laagje moerasmos (sphagnum) of wel zeer grof turfstrooisel. In +den regel is de drainage slechts gedurende betrekkelijk korten tijd +werkzaam. De wortels toch dringen spoedig in de versche aarde en +dan door het moslaagje tusschen de scherven. Wanneer men bij het +verplanten de plant uit den pot neemt, dan zal men meestal zien, dat +haar wortels langs den pot een dicht netwerk hebben gevormd, waarin +de geheele drainage besloten is. Bij sterk groeiende planten dringen +de wortels zelfs in het drainage-gaatje en staan de planten op een +vochtigen bodem of op aarde, dan dringen zij daar zelfs doorheen. Het +is maar goed, dat in bovengenoemd geval de plant meestal veel water +noodig heeft en dus al het gietwater spoedig verbruikt en ook, dat +het overvloedige water tusschen de wortels door, gemakkelijk wegzakt, +wanneer men maar zorgt, dat het gaatje goed geopend blijft. Is het +gaatje toevallig door aarde of wortels verstopt, dan moet men dit, +door er een stokje in te steken, weer vrijmaken. + +Gemakkelijk om te leeren en te doen is het oppotten van planten. Men +heeft hierbij meestal te doen met kleine zaad- of stekplantjes, +die tot nu toe in een pan te zamen stonden, en die, voor een beteren +groei, ieder afzonderlijk in een potje moeten gezet worden. Hiertoe +bedient men zich van het kleinste model potjes, die onder den naam +stekpotjes voorkomen. Bij het opplanten in zulke kleine potjes, +waarin de planten natuurlijk slechts korten tijd staan, behoeft men +niet zoo heel veel werk van de drainage te maken; één scherf op het +drainage-gaatje is voldoende. + +Het oppotten geschiedt op de volgende wijze. Men vult het potje +geheel met aarde, maakt daar, in het midden, met den wijsvinger van de +rechterhand een vrij ruim putje in, waarin men het op te potten plantje +met de linkerhand houdt. Met duim en wijsvinger van de rechterhand, +wordt nu de aarde rondom de wortels goed vastgedrukt, zoodat het +plantje stevig vaststaat. Is men zoover gevorderd, dan wordt de aarde +in het potje nog een weinig aangedrukt, terwijl er zoo noodig, nog +wat aarde bijgevoegd wordt. (Fig. 19). Wat het plantje zelf betreft, +dit wordt van te voren zeer voorzichtig uit de pan of den pot, waarin +het gerepikeerd stond, genomen en indien de wortels wat lang zijn, +worden deze ingekort. Dit inkorten is voor de ontwikkeling van talrijke +haarworteltjes zeer bevorderlijk. + +Omslachtiger en ook veel moeilijker dan het oppotten is het +verplanten. De beste tijd om te verplanten is voor de meeste planten +zeker wel het voorjaar, wanneer zij weder tot ontwikkeling beginnen te +komen. Planten, die in het voorjaar bloeien, moeten pas na den bloei +verplant worden, omdat zij dan in haar ontwikkeling niet gestoord +mogen worden. Snel groeiende en dus veel voedsel behoevende planten, +moeten in den loop van den zomer nogmaals verplant worden. Fijne +bladplanten en andere, die zich minder snel ontwikkelen, behoeven +slechts eens per jaar verplant te worden, terwijl grootere kuipplanten +daaraan geen behoefte hebben in perioden, afwisselende tusschen vier +en tien jaar; vooral wanneer men niet te spaarzaam is met vloeibaren +mest. (Zie het hoofdstuk "De bemesting"). Vóór men nu een plant in een +grooteren pot zet, moet men onderzoeken of de pot, waarin zij staat, +goed volgeworteld is; daar een gezonde plant niet verplant behoeft te +worden, voordat dit het geval is. Het onderzoek, naar den toestand der +wortels geschiedt door het uit den pot slaan. Men neemt de plant in +de linkerhand en wel zoo, dat de stam zich tusschen den wijs- en den +middelvinger of tusschen den middel- en den ringvinger bevindt. Men +keert nu plant met pot ten ondersteboven, neemt de onderzijde van +den pot in de rechterhand en slaat daarop zijn rand een paar keer +flink op dien van de verplanttafel. Men zal zien, dat de aardkluit +nu van den pot loslaat, welke laatste daarop gemakkelijk van de +eerste kan afgenomen worden (Fig. 39). Men heeft nu de plant met +haar geheel wortelgestel vóór zich, zoodat men het laatste op zijn +gemak kan bekijken. Zijn de wortels overal goed om den pot gegroeid, +of hebben zij zich zóó sterk ontwikkeld, dat zij een viltachtig +netvormig weefsel om de geheele kluit heen vormen, dan is de tijd om te +verplanten daar. Men kiest nu den pot uit, dien men wil gebruiken. In +de eerste plaats moet er op gelet worden, dat de te gebruiken pot niet +te groot is, wijl de aarde daarin dikwijls reeds zuur wordt, vóórdat +de jonge wortels er in hebben kunnen doordringen. De pot, dien men +wil gebruiken, moet zóó groot zijn, dat de kluit der plant er in past +en er dan rondom haar, al naar de grootte der plant, een ruimte van +één tot drie centimeter overblijft. Voordat men tot het verplanten +overgaat, moet nu de kluit losgemaakt worden. Met een spits stokje, +waartoe men het beste een puntig toegesneden plantenstokje gebruikt, +wordt dit werk verricht. Eerst wordt de aarde om den rand van de kluit +een weinig afgebroken en daarna worden de in elkander gegroeide wortels +voorzichtig losgemaakt. Het beste geschiedt dit door met de punt van +het stokje van boven naar beneden--d.w.z. van den onderrand der kluit +naar de plant toe--voorzichtig langs den buitenkant van de kluit te +steken. Dit moet echter zeer voorzichtig geschieden, daar men anders +te diep in haar steekt, waardoor de wortels beschadigd zouden worden +en zij te veel aarde zou verliezen (Fig. 40). De losgemaakte wortels +hangen nu langs de kluit. + +Zeer doelmatig is het voor alle planten met een sterk ontwikkeld +wortelgestel, en vooral voor die met veel haarwortels, de afhangende +wortels, met een scherp mesje, behoorlijk in te snijden (Fig. 41 +en 42). Heeft men echter Palmen, Bol- of Knolgewassen te verplanten +en in het algemeen gewassen met sterk ontwikkelde hoofd- en weinig +haarwortels, dan moet er aan de gezonde wortels in het geheel niet +gesneden worden; alleen de zieke of beschadigde wortels snijdt men dan +met een scherp mesje af. Ook aan de planten met weinig of zeer zwakke +wortels mag niet gesneden worden; het losmaken van de kluit moet echter +steeds geschieden. Opgemerkt moet nog worden, dat er enkele planten +zijn, die van nature slechts zeer zwak ontwikkelde wortels hebben, +zoodat zij, wat men noemt, geen kluit houden, d.w.z. dat de aarde na +het verwijderen van den pot van de wortels afvalt. Bij dergelijke +planten behoeft men zich daar echter niet ongerust over te maken, +het heeft geen nadeelige gevolgen. + +Heeft men de kluit losgemaakt en de wortels behoorlijk ingesneden, +dan kan het verplanten beginnen. In den gekozen pot wordt nu eerst +op de voorgeschreven wijze de drainage aangebracht. Op deze drainage +wordt dan een laag aarde gelegd en deze aarde een weinig aangedrukt +met den rug van de rechterhand. Op deze aarde zet men nu de kluit +en let er op, of die diep genoeg staat. De kluit toch mag niet te +ondiep staan, omdat dan de wortels boven den pot zouden uitsteken of +met te weinig aarde bedekt zouden worden. Zet men de kluit echter +te diep, dan komt een gedeelte van den stam onder de aarde, en dit +is in verscheidene gevallen ook zeer nadeelig, omdat daar wel eens +rotting van stam of stengel het gevolg van kan zijn. Er moet dus +goed toegezien worden, dat de bovenkant der kluit één, hoogsten +twee vingerbreedte diep onder den rand van den pot komt te staan, +zoodat zij behoorlijk met aarde kan worden bedekt. Men zet de kluit +zóó in den pot, dat de stam of stengel juist in het midden komt te +staan. Met de linkerhand wordt nu de plant op haar plaats gehouden, +terwijl men met de rechterhand den pot verder met aarde aanvult. Om +nu de aarde behoorlijk onder in den pot aan te drukken, gebruikt men +een verplantstok. Dit is een plat stokje, dat men aan één zijde dun +afsnijdt, zoodat het den vorm van een lange wig verkrijgt. Met het +verplantstokje wordt de aarde nu voorzichtig tusschen de kluit en den +wand van den pot aangedrukt. Hierbij moet men vooral oppassen niet +met het verplantstokje in de kluit te stooten, daar dan de wortels +gekneusd zouden worden; het beste is zooveel mogelijk langs den rand +van den pot te drukken (Fig. 43). + +De aarde moet zeer gelijkmatig worden aangedrukt. Is de ruimte +tusschen kluit en pot tot aan den bovenrand gevuld, dan stoot +men den pot eenige malen flink op de tafel om het geheel nog een +weinig te doen inzakken. Hierna wordt een laagje aarde op de kluit +gebracht, dat men met de vingers matig aandrukt, er voor zorgende, +dat het bovenvlak steeds goed losblijft. Heeft men kleine plantjes +te verplanten, dan behoeft men geen verplantstokje te gebruiken; de +aarde kan dan met den wijsvinger aangedrukt worden. Het is lang zoo +gemakkelijk niet als het wel schijnt, een plant zóó te verplanten, +dat zij goed in het midden van den pot staat en de aarde overal om de +kluit goed aangedrukt is. Om dit goed te doen, moet men er zich veel +in oefenen, maar ieder liefhebber, die het met ware liefhebberij +doet, zal het spoedig genoeg leeren. Van veel belang is het, dat +men bij het aandrukken van de aarde geen holen doet ontstaan, ze +niet te vast en ook niet te los aandrukt. Laat men holen tusschen de +aarde, of drukt men te los aan, dan loopt het gietwater dadelijk weg, +zonder de kluit behoorlijk te bevochtigen. Heeft men te vast geplant, +dan kunnen de wortels van vele planten slechts moeielijk in de aarde +doordringen. Zeer weinige teerdere planten, zooals Selaginella's en +enkele Varen-soorten, willen los opgepot worden. + +Er doen zich wel eens gevallen voor, waarin niet goed van wortels +voorziene planten toch verplant moeten worden. Dit kan gebeuren, +wanneer uit den slechten reuk der aarde blijkt, dat deze zuur is, +of wel, wanneer men uit het slecht groeien der planten opmaakt +dat de wortels ziek zijn. Wortelziekte is in de meeste gevallen +het gevolg van ondoordacht gieten, van het gebruik van te koud of +slecht water, of van het gebruik, voor zwak bewortelde planten, van +een te grooten pot. Wortelzieke planten worden uit den pot genomen +en al de aarde tusschen de wortels uitgeschud. De wortels worden +hierna goed afgewasschen en alle zieke deelen met een scherp mes +afgesneden. Verkrijgt men zoodoende groote snijvlakken, dan worden +deze met houtskoolpoeder bestrooid. Om planten, die erg wortelziek +zijn, nog te redden, doet men het beste, ze in een zoo klein mogelijke +pot te zetten, een pot, die dikwijls veel kleiner moet zijn dan die, +waar zij uitkwam. Een vereischte bij het oppotten van zulk een plant +is dan, dat men voor een zeer goede drainage zorgt, zoo mogelijk +lichten grond gebruikt, en dezen rijkelijk met zand en in enkele +gevallen met fijne houtskool vermengt. + + + + +De behandeling van pas opgepotte of verpotte planten. + +Na het oppotten of verpotten worden de planten dadelijk aangegoten; +vooral bij teedere en grootbladerige planten, die neiging hebben om +spoedig slap te hangen, moet dit zoo gauw mogelijk geschieden. Palmen +en eenige andere plantensoorten, waaronder ook Vetplanten, kunnen, +wanneer men bij het verpotten donker weer heeft, daarentegen enkele +dagen onaangegoten blijven staan. Of men echter dadelijk aangiet, +dan wel, daarmede nog wat wacht, wanneer men het doet, moet men het +goed doen. Bij het verplanten, heeft men er natuurlijk voor gezorgd +een behoorlijken gietrand te houden, d.w.z. dat men niet den geheelen +pot met aarde heeft gevuld, maar er voor zorgde, dat het bovenvlak +der aarde een weinig onder den rand van den pot bleef. Deze ruimte, +die noodzakelijk is om te beletten, dat bij het gieten het water +dadelijk van den pot afloopt, noemt men den gietrand. Bij het gewone +gieten, is het voldoende, dezen gietrand eens met water te vullen, +bij het aangieten gaat men echter anders te werk. Men neemt een fijnen +broes-gieter en besproeit daarmede de aarde, er voor zorgende, dat er +geen water op blijft staan. Deze bewerking herhaalt men, al naar de +grootte van den pot, drie-, vier- of vijfmaal, ten einde te zorgen, +dat de geheele kluit behoorlijk vochtig wordt. Door op deze wijze aan +te gieten, blijft het oppervlak der aarde los en poreus, terwijl dit +zich anders direct zou sluiten en er dan een harde korst ontstaat, +die het zoo noodige doordringen der lucht in de aarde verhindert. In +den beginne zijn de pas opgepotte of verpotte planten zeer gevoelig +voor te veel water, daar zij veel minder snel opdrogen, dan goed +doorwortelde planten. De versche grond blijft toch vochtig, zoolang +daar geen jonge worteltjes in doorgedrongen zijn. Het beste is dan +ook deze planten eerder iets te droog dan te vochtig te houden; men +voorkomt daardoor, dat de versche aarde zuur wordt en prikkelt de plant +tot vernieuwde wortelvorming. Zijn de jonge worteltjes eenmaal goed in +den nieuwen grond doorgedrongen, dan is deze voorzichtigheidsmaatregel +niet meer noodig. Om te voorkomen dat bij het gieten te veel water in +den verschen, nog niet met wortels doordrongen, grond dringt, hoogt +men bij het verplanten de aarde een weinig naar den rand van den pot +op. Er ontstaat hierdoor rondom den stengel een soort kom, waar het +water naar toe zakt, dat zoodoende in de oude kluit dringt. Vooral +moet er op gelet worden, dat de kluit, bij het verplanten, behoorlijk +vochtig is, daar deze anders moeilijk water opneemt, terwijl bij +het aangieten het water door de versche aarde wegzakt, waardoor de +kluit zou verdrogen en de wortels ziek zouden worden. Pas geplante +gewassen moeten den eersten tijd steeds met een broesgietertje en +nooit met een pijpgieter gegoten worden, door den laatste wordt de +nog losse aarde van haar plaats gespoeld; er ontstaan dan kuiltjes in +de oppervlakte der aarde, waardoor zeer licht wortels komen bloot te +liggen. Zijn de planten na het verpotten goed doorgegroeid, zoodat +men kan veronderstellen dat zij talrijke wortels langs den potwand +hebben gemaakt, dan brengt men om den stam heen een weinig aarde, +waardoor nu het bovenvlak eenigszins naar buiten toe afhelt. Dit is +noodig, omdat nu de buitenkant van de kluit het meeste uitdroogt en +het gietwater zoodoende daarheen geleid wordt. Zeer dikwijls lijden de +planten door het verpotten; de wortels toch worden er door gestoord en +nu en dan nogal beschadigd. De kweeker heeft hier tegen verschillende +hulpmiddelen, hetzij dat hij de planten in de gesloten, warme, vochtige +lucht van een kas brengt, hetzij dat hij ze een warmen voet geeft, +door ze met de potten in een broeibak te graven. Dergelijke middelen +staan den liefhebber echter niet ten dienste; deze moet dan ook zijn +planten, gedurende dezen overgangstijd, meer of min als patiënten +beschouwen. Warme planten vooral moeten op een zoo licht en warm +mogelijke plaats gezet worden; tegen de zon moet zorgvuldig geschermd +worden en vooral moet men de planten dikwijls spuiten. Het voorkomen +van tocht en van sterke schommelingen in de temperatuur zal aan de +planten, vooral in dit critieke tijdperk, zeer ten goede komen. + + + + +Het gieten. + +Een van de moeilijkste werken, zoo niet het moeilijkste werk, is +voor den liefhebber zeker wel het gieten der potgewassen. Hij, die +hiermede goed overweg kan, mag zich gerust een eenigszins ervaren +plantenkweeker noemen. In de meeste gevallen worden de kamerplanten +ziek, door de lichtvaardigheid waarmede ze gegoten worden. In plaats +dat de liefhebber dan pleizier heeft van zijn planten, ze ziet groeien, +in omvang toenemen en ten slotte ziet bloeien, gebeurt juist het +tegenovergestelde. Hij ziet het ééne blad na het andere verwelken en +afvallen; hij ziet de twijgjes verdrogen en de wortels ziek worden, +totdat ten laatste zijn kweekelingen sterven en de eigenlijke oorzaak +daarvan kan hij maar niet bevroeden. + +Den minsten last heeft men, wat gieten betreft, met die planten, +welke het minst in de kamer gekweekt worden; namelijk met de water +en moerasplanten. Bij de waterplanten vervallen alle moeilijkheden +dienaangaande; daar men slechts behoeft te zorgen, dat zij voldoende +diep in het water staan en dus nu en dan voor het verdampte water +versch behoeft bij te vullen. Moerasplanten, die niet direct in +water, doch in een moerassigen en dus zeer waterrijken bodem groeien, +behoeft men slechts in schaaltjes of schoteltjes te zetten en er voor +te zorgen, dat deze steeds voldoende met water gevuld blijven. + +Voor alle overige planten is het gieten lang zoo eenvoudig niet. + +Men moet hierbij rekening houden met het jaargetijde, zoowel als +met den gezondheidstoestand en den groei der planten. Ook moet de +grootte der potten of kuipjes in het oog gehouden worden en ook, of +men met pas verpotte gewassen te doen heeft, of niet. In de eerste +plaats moet men er op rekenen, dat bij alle planten op een periode +van flinken groei een periode van rust volgt; tijdperken, welke niet +sterk begrensd zijn, maar langzaam in elkander overgaan. + +Talrijke planten zijn er, die gedurende haar groeitijd bijna niet +genoeg water kunnen krijgen, terwijl diezelfde planten in den rusttijd +zeer gevoelig voor te veel water zijn. In de groeiperiode komt het +vaak voor, dat planten, die des morgens flink gegoten zijn, des +avonds weder behoefte hebben aan water. Dit wil nu niet zeggen, dat +de planten gedurende dezen korten tijd al dit water verbruikt hebben, +doch men moet niet vergeten, dat vooral gedurende den zomer, de zon en +de heerschende droge lucht de aarde der potten ook niet weinig doet +uitdrogen. Voordat men een plant giet, moet men zich overtuigen of +zij wel water noodig heeft. Er zijn verscheidene kenteekenen waaraan +een leek de behoefte aan water kan waarnemen. + +Planten, die teer van bouw zijn, laten, zoodra zij gebrek aan +water krijgen, al spoedig de bladeren hangen, maar ook planten van +krachtiger bouw, krijgen, wanneer zij gebrek aan water hebben, een +matte tint en gaan daarop slap hangen. Een plant, die slap hangt, +moet natuurlijk dadelijk gegoten worden. Het is echter zeer gewenscht, +dat men niet wacht met gieten, totdat de planten slap gaan hangen, +zoodat het kennen van andere kenmerken zeer noodig is. Een eenvoudig +kenteeken is de eigenschap die allen aardsoorten, ook den zwarten, +eigen is, namelijk om in drogen toestand lichter gekleurd te zijn +dan in vochtigen. Zware leemachtige aardsoorten bersten ook nog, als +ze droog zijn. Zeer dikwijls komt het echter voor, dat de bovenlaag +der aarde er droog uitziet, terwijl het inwendige, waar zich juist +de wortels bevinden, nog voldoende vochtig is. In zulke gevallen kan +men echter toch ook tamelijk gemakkelijk weten of men al dan niet +gieten moet. Een zeer juist kenteeken heeft men, in zulke gevallen, +in het gewicht der plant. Terwijl toch vochtige planten eenigszins +zwaar aanvoelen, kenmerken droge planten van dezelfde afmeting zich +door een veel lichter gewicht. + +Natuurlijk behoort er eenige oefening toe, om aan het gewicht te +onderscheiden of een plant behoefte heeft aan water. Bij een weinig +practijk krijgt men deze echter spoedig. + +Gedurende den groeitijd, dus midden in den zomer, heeft het niet +veel te beteekenen of men al een keer te veel giet; gedurende den +winter is dit echter iets anders; één fout, in het gieten begaan, +kan dan voor de plant noodlottig worden. Dikwijls verloopen er weken, +voordat een in haar rusttijd te veel gegoten plant weer opdroogt. + +Voor in kleine potjes staande planten is te veel gieten ook niet zoo +nadeelig als voor die, welke in grootere potten of kuipjes worden +gekweekt. Bij het gieten van grootere pot- en kuipplanten, moet +men dus met bijzondere voorzichtigheid te werk gaan; men kan zich +hier niet meer verlaten op de kleur der aardoppervlakte, maar men +moet door kloppen tegen den pot- of kuipwand den vochtigheidsgraad +bepalen. Verkrijgt men door te kloppen een doffen toon, dan is de +aarde droog. + +Het is een merkwaardig verschijnsel, dat de eigenlijke water- en +moerasplanten slechts betrekkelijk weinig vocht in haar weefsel +opzamelen, terwijl de in droge landstreken groeiende planten veel +meer water bevatten. Juist dààrdoor zijn deze laatste dan ook in +staat langen tijd droogte te verdragen. Inderdaad hebben de wortels +slechts zeer weinig behoefte aan water en zijn het hoofdzakelijk de +in het water opgeloste voedingsstoffen, die de plant opneemt. Uit +dit oogpunt beschouwd, moet het dus wel schadelijk werken, wanneer de +aarde met water oververzadigd is. De aarde moet los en poreus zijn, +zoodat het water gemakkelijk kan doorzakken. Heeft men staand water, +dan ontstaat er rotting in den bodem, de lucht wordt daaraan en ook aan +de wortels onttrokken, en het is zoodoende de onmiddellijke oorzaak +van den dood van alle landplanten. Deze hoogst ongunstige werking is +de reden, waarom de schaaltjes of schoteltjes, die uit zindelijkheid +dikwijls onder de planten gezet worden, zooveel mogelijk moeten +vermeden worden. Wil men ze toch gebruiken, dan moeten zij, zoodra +het doorgeloopen gietwater zich er in verzameld heeft, leeggegoten +worden. Alleen wanneer men planten heeft, die in een zeer lichte, +doorlatende aarde staan, mag men ze een half uur na het gieten pas +leegmaken, daar in dit geval het water dikwijls wegloopt zonder de +aarde voldoende bevochtigd te hebben. Een groote fout zou dit echter +wezen, er met het gieten op te rekenen, dat het water niet door den +pot loopt. + +Wanneer men giet, dan moet dit, onverschillig welk jaargetijde het is, +goed geschieden, zoodat het water de geheele kluit doortrekt en ten +slotte door het drainage-gaatje in den bodem wegloopt. Fig. 44 toont +naast het gewone plantenschoteltje een tweetal, die sinds eenigen tijd +in den handel gebracht zijn. Deze laatste zijn voor den liefhebber zeer +gemakkelijk, daar zij niet dadelijk na het gieten leeggemaakt behoeven +te worden. Een tweede voordeel is het ook nog, dat, blijft het water +er in staan, dit langzaam verdampt, en zoodoende de planten met een +vochtige atmosfeer omringt, terwijl deze toch niet met den pot in het +water staan. Iedere pottenbakker kan, wanneer hij deze schoteltjes +niet heeft, ze gemakkelijk naar de afbeelding vervaardigen. Vaste +regels kunnen voor het gieten onmogelijk gegeven worden; dit hangt, +zooals wij reeds opmerkten, veel af van het jaargetijde, van den +gezondheidstoestand der planten en de afmeting der potten waarin +zij staan. + +Naast de hoeveelheid water, die men geeft, is het ook van belang met +welk water er gegoten wordt. Het meest geschikt is zeker wel vijver- of +regenwater. Rivierwater is meestal ook zeer goed te gebruiken, mits men +zeker is, dat dit niet door loozingswater van fabrieken verontreinigd +is. Leidingwater is ook niet schadelijk, doch dit is in de meeste +gevallen zeer arm aan voedende bestanddeelen. Het minst geschikt is +bron- of welwater, daar dit in den regel te hard is en daarbij maar +al te dikwijls kalk en andere minerale stoffen bevat, die vaak zeer +schadelijk kunnen werken op de ontwikkeling der planten. Water, +dat te veel kalk bevat, moet men in geen geval gebruiken; is het +gebruik daarvan echter niet te vermijden, dan laat men het een paar +dagen vóór het gebruik in een kuip zetten en voegt men er een weinig +koolzure kali of potasch aan toe, die dan de kalk neerslaat. + +Een factor, die ook niet uit het oog verloren mag worden, is +de temperatuur van het water. Vele mooie, sterke planten worden +wortelziek, doordat zij met te koud water werden begoten. Niet alleen +voor teedere planten is het koude water nadeelig, maar zelfs de hardste +planten hebben daarvan te lijden. In ieder jaargetijde, hetzij zomer +of winter, moet men voor het gieten geen ander water gebruiken, dan dat +minstens twaalf uren in hetzelfde vertrek heeft gestaan als de planten, +en zoodoende de temperatuur van dit vertrek heeft aangenomen. Een +voorname rol speelt ook het tijdstip waarop gegoten wordt. Des zomers +giet men het beste 's avonds, 's winters daarentegen des morgens. + +Indien het eenigszins mogelijk is, moet het gieten van in de zon +staande planten vermeden worden. Is het niet voldoende, gedurende +het warme seizoen uitsluitend des avonds te gieten, dan doet men dit +'s morgens voor den tweeden keer, terwijl men dan in den namiddag de +planten verfrisschen kan, door ze licht te besproeien. Gewoonlijk +houdt zware kleiachtige grond het water lang vast en planten, die +daarin staan, behoeven dus niet zoo dikwijls gegoten te worden. Het +is echter onmogelijk om alle kamerplanten in zware aarde te kweeken; +de teerste verlangen daarentegen juist lichten grond, zooals blad- +of boschgrond. Deze aardsoorten hebben niet alleen de eigenschap bij +warm weer sterk uit te drogen, maar, en hier moet vooràl op gelet +worden, zijn zij eenmaal goed uitgedroogd, dan nemen zij niet zoo +heel gemakkelijk het water op. Is een in deze aarde geplaatste plant +eens goed droog en giet men haar, dan loopt het water tusschen de +kluit en den potwand weg, zonder de kluit, waarin de wortels zich +bevinden, te bevochtigen. Hoogstens de oppervlakte wordt dan even +nat. Hetzelfde gebeurt ook, wanneer, door te sterk uitdrogen, de +kluit van den potwand heeft losgelaten en men haar, vóór het gieten, +niet eerst goed aangedrukt heeft. + +Niet weinig kamerplanten gaan door dit uitdrogen ten gronde. Een +plant, waarvan de kluit inwendig droog is, begint te kwijnen; zij +verdort, zonder dat de onervaren liefhebber er achter kan komen, +wat de ware oorzaak daarvan is. Een meer geoefend liefhebber behoeft +den pot slechts even op te lichten, om aan het gewicht te bemerken, +waar de fout schuilt. In twijfelachtige gevallen zal men wijs doen, +de plant voorzichtig uit den pot te nemen, om te onderzoeken of zij +ook uitgedroogd kan zijn. Is de plant werkelijk geheel uitgedroogd, +dan bestaat er slechts een radicaal middel, namelijk haar in een +emmer met water te zetten. Het kan voorkomen, dat zij zóó licht is +geworden, dat zij op het water blijft drijven. Meestal heeft een plant +meer dan een half uur noodig om zoodoende tot haar vocht te komen; +het wil echter wel gebeuren, dat daar vijf à zes uren voor noodig zijn. + +Het ligt vóór de hand, dat het te weinig gieten ook zeer schadelijk +voor den groei der planten is. Maar dit is niet de groote fout van +de meeste liefhebbers; de meesten gaan aan het euvel mank, dat ze +den planten te veel van het goede geven en daardoor veel te rijkelijk +gieten. Wij hebben reeds gezegd, waardoor het te veel gieten schadelijk +is voor de planten en het is nog zeer de vraag, wat noodlottiger is, +het te veel of te weinig gieten. Als zeker kan men aannemen, dat het te +weinig gieten minder gevaarlijk is, daar men dit den planten, die aan +droogte lijden, direct kan aanzien en ook, omdat deze, wanneer men ze +gegoten heeft, zich tamelijk snel weder herstellen. Een plant echter, +dien men te veel water geeft, toont aanvankelijk geen verandering; +begint zij eindelijk ziekelijk te worden, dan kan men met tamelijke +zekerheid aannemen, dat de wortels ziek zijn, en in de meeste gevallen +zullen zij dan wel reeds tot verrotting zijn overgegaan. + +Een groote fout begaan vele liefhebbers, vooral bij de buitenstaande +planten, doordat zij te wild met het water omgaan en in plaats van +de tuit des gieters op den rand van den pot te leggen en dan langzaam +het water op de plant te gieten (Fig. 45), die er ver van verwijderd +houden en er het water op laten stroomen, zoodat de aarde met het +opspringende water medegevoerd wordt. Door deze wijze van gieten, +ontstaan er gaten in de kluit en worden er wortels bloot gelegd, +wat natuurlijk moet voorkomen worden (Fig. 46). In woonkamers, waar +men alle morsing zooveel mogelijk tracht te voorkomen, wordt meestal +voorzichtiger gegoten. In Fig. 47 geven wij nog een afbeelding van een +door J. C. Heinemann, te Erfurt, in den handel gebracht kamergietertje, +dat het bemorsen der woonvertrekken zooveel mogelijk voorkomt. In +plaats van een tuit is er aan dezen gieter een gutta-percha slangetje +verbonden met een glazen mondstukje. Bij het gieten, neemt men het +einde der slang in de hand, houdt het glazen mondstukje op den pot +en regelt door in de slang te knijpen den toevoer van het water. Na +afloop van het gieten, wordt het slangetje in den gieter gelegd. + +Let men bij het gieten goed op, dan is dit niet zoo moeilijk als het +zich wel laat aanzien. Een liefhebber, die werkelijk hart voor zijn +planten heeft, zal spoedig den rechten weg vinden, indien hij niet +slechts oogen heeft, maar daar ook goed mede kan zien. Uit kleine +veranderingen, die zijn planten ondergaan en welke een gewoon mensch +niet ziet, zal hij al heel spoedig de behoeften van zijn kweekelingen +leeren kennen en zal hij al gauw raad weten, hoe daarin te voorzien. + + + + +De bemesting der potplanten. + +Bij het kweeken van planten geldt het tamelijk wel als regel, dat +men verplanten moet, wanneer de pot met wortels volgegroeid is en +de aarde dus geen voldoend voedsel meer bevat. Het verplanten is +echter niet ten allen tijde even raadzaam. Heeft men teere planten, +dan is het, door het verre seizoen, dikwijls onmogelijk geworden; bij +grootere planten, vooral kuipplanten, is het vaak te kostbaar en te +lastig en bij de, in het voorjaar, met bloemplanten bezette waranda- +en balkonbakjes is het meestal onmogelijk. Groeien de planten in al +deze gevallen goed en wil men ze gaarne wat goed doen, dan is het +raadzaam om mest te gebruiken. + +Wil men van de bemesting een goede werking verwachten, dan moet men +er voorzichtig mede zijn en haar slechts toepassen bij gezonde, goed +bewortelde planten. Zieke planten of gewassen, die in haar rusttijd +zijn, mogen nooit bemest worden. Fraai bloeiende planten mogen pas dán +bemest worden, wanneer de bloemknoppen zich beginnen te ontwikkelen; +doet men dit vroeger, dan zal men wel een sterke bladontwikkeling, +doch geen bloemen krijgen. Gewoonlijk begint men met de bemesting in +de maanden Mei en Juni, en, al naar den aard der te behandelen planten +en van den te gebruiken mest, herhaalt men dit met tusschenruimten +van vier tot veertien dagen. Bij potgewassen gebruikt men in den +regel slechts vloeibaren mest, die dadelijk na de toediening begint +te werken. De bemesting doet men het best op donkere dagen of tegen +den avond. De mest heeft slechts dán invloed, wanneer geen ongunstige +omstandigheden den groei der plant beletten en er geen fouten in de +behandeling worden begaan. Ook moet men niet vergeten, dat door de +bemesting het verplanten slechts verdaagd wordt, daar deze bewerking, +vroeger of later, toch moet geschieden, indien men niet wil, dat de +elkander verdringende wortels tot rotting overgaan. + +In den laatsten tijd worden de chemische hulpmeststoffen zeer +aanbevolen. Deze zijn uit verschillende zouten en minerale +bestanddeelen samengesteld. Wij durven echter deze meststoffen den +liefhebber niet aanraden. Hij toch kan moeilijk, of in het geheel niet +nagaan, welke bouwstoffen een plant noodig heeft, en de meeste dezer +chemische meststoffen zijn bij verkeerde aanwending zeer gevaarlijk, +terwijl bij juiste aanwending de resultaten toch altijd bij vele +plantengeslachten zeer twijfelachtig zijn. + +Een liefhebber doet verreweg het beste, meststoffen te gebruiken, +bestaande uit plantaardigen en dierlijken afval; deze bevatten evenals +goede aardsoorten al die voedingsstoffen, welke de planten voor een +goeden groei noodig hebben. + +Een der beste meststoffen is zeker wel de koemest. Op een afgelegen +plek van het huis of den tuin zet men een vaatje neer, dat men met +water laat vullen. Door dit water wordt zooveel koemest geroerd, +dat het een donker troebel voorkomen krijgt. Op dezelfde wijze +behandelt men den zeer goed bruikbaren schapenmest. Het mengsel, +dat men met deze mestsoorten laat bereiden, is bekend onder den +naam van gier. Door den minder aangenamen reuk laat deze gier zich +natuurlijk niet best in een kamer gebruiken. Voor in den tuin of de +waranda staande planten is zij echter zeer aan te bevelen. + +Voor bemesting in de kamer gebruikt men Peru of Vischguano, kippen- +of duivenmest. Deze mestsoorten vermengt men met koud water, welk +mengsel dan voor het gebruik een paar dagen moet staan, of wel, +men lost het in kokend water op; in dit geval kan men het na het +koud worden toedienen. Het is niet raadzaam de oplossingen van deze +droge meststoffen te sterk te nemen, 2 à 3 gram op een Liter water +is voldoende. Op dezelfde wijze wordt ook beender- en hoornmeel +aangewend, beide zijn zeer stikstofrijke en goede meststoffen. Ook +Salmiak kan als een stikstofhoudende meststof gebruikt worden, mits men +er voorzichtig mede is en niet meer gebruikt, dan enkele druppels op +een gieter water. Bij het gebruik van vloeibare meststoffen moet men +er op letten nooit te bemesten, wanneer de planten droog zijn. Is dit +het geval, dan worden de potten eerst met gewoon water gegoten, daarna +bemest en is men wellicht bang, te sterk gemest te hebben, dan kan men +met water nog eens nagieten. Bij het verplanten van sterk groeiende +planten kan men ook enkele hoornspanen (afval van hoorndraaierijen +en kammenfabrieken) door de aarde heenmengen. Deze meststof werkt +zeer langzaam, daar zij pas na enkele maanden verteert. Bij den, op +genoemde wijzen bereiden vloeibaren mest, kan men nog wat houtasch +of schoorsteenroet voegen, wat de werking nog een weinig verhoogt. + +Daar de meeste meststoffen eenigszins scherp werken en daar de meeste +planten haar voedsel slechts in zeer zwakke oplossingen opnemen, +moet men er zeer voorzichtig mede wezen. De vloeibare mest dringt +zeer snel door de geheele kluit tot aan de fijnste haarworteltjes, +en bij een te sterke dosis kan dit zeer gevaarlijk worden. Het beste +is dus, slechts zeer zwakke oplossingen te gebruiken en dan enkele +keeren meer toe te dienen. Midden in den zomer, wanneer de planten +in vollen groei zijn, gebruiken zij de meeste voedingsstoffen; van +het begin van den rusttijd echter tot den hernieuwden groei in het +volgend voorjaar, hebben zij weinig of geen voedsel noodig en de +bemesting moet dàn ook geheel achterwege blijven. + +In den handel komen enkele soorten bloemenmest voor, meest in een nette +verpakking, welke bij de meeste zaadhandelaars verkrijgbaar zijn. Deze +meststoffen hebben somtijds een zeer goede werking en bevelen zich +ook aan, wijl zij in het geheel niet rieken. Bij ondervinding weten +wij, dat er door enkele vertrouwde handelaren in hulpmeststoffen +tegenwoordig zeer goede mengsels in den handel worden gebracht. Van +deze meststoffen geeft men, met tusschenpoozen van enkele weken, +al naar de grootte der planten, een grootere of kleinere hoeveelheid +droog op iederen pot. Op dezelfde wijze kan ook Guano of hoornmeel +toegediend worden. Men verwijdert daartoe om den potrand een weinig +aarde, strooit in het gemaakte gleufje den mest en bedekt dat weder +met aarde, waarna de plant flink gegoten wordt. + +Maar al te dikwijls wordt door onze dames koffiedik als meststof +gebruikt, terwijl talrijke heeren een zwak hebben, daarvoor sigarenasch +te doen dienen. Beide stoffen zijn wel onschadelijk, maar hebben niet +den minsten invloed op de ontwikkeling der planten. Men doet dus beter, +beide stoffen maar niet op de potten te brengen, daar zij deze slechts +verontreinigen. + +Vatten wij de hoofdregelen voor de bemesting nog eens in het kort +samen, dan zien wij, dat men steeds zwak, maar liever enkele keeren +meer moet bemesten. Men diene nooit mest toe aan zieke of pas +verplante gewassen, maar doe dit slechts, wanneer zij goed gezond +en doorgeworteld zijn. De toediening moge nooit geschieden, wanneer +de plant droog is of in de zon staat, maar men doe dit uitsluitend +des avonds of op donkere dagen. Zeer langzaam groeiende of teere +planten bemeste men bij voorkeur nooit, of, zoo dit al noodig is, +dan in geen geval met sterke, veel stikstof bevattende meststoffen. + + + + +Het snoeien der potplanten. + +Maar al te vaak vindt men in de kamers en voor de vensters planten, +hetzij groenblijvende of bloemplanten, die een zeer treurigen indruk +maken. Dit is niet altijd het gevolg van een slechte behandeling, +maar van het feit, dat de onkundige bezitter ze niet behoorlijk +snoeide. Terwijl tuinman zoowel als liefhebber, door onverstandig +snoeien van vruchtboomen en bloemheesters, dikwijls meer bederven dan +zij goedmaken, wordt bij kamerplanten de meeste schade aangericht, +doordat in het geheel niet gesnoeid wordt. Men vergete niet, dat de +potplanten eenigszins als gevangenen kunnen beschouwd worden. De +wortels zijn tot den pot beperkt, en kunnen hun natuurlijke +ontwikkeling niet verkrijgen, en daar vele planten uit een gunstiger +klimaat stammen, kunnen zij natuurlijk niet zulke forsche scheuten +ontwikkelen, als zij dit in de vrije natuur van haar moederland +doen. De betrekkelijk zwakke scheuten der potplanten groeien, wanneer +zij niet gesnoeid worden, gewoonlijk slechts aan de toppen der twijgjes +uit; van onder blijven zij dus kaal. Door het gewicht der, in het +tweede jaar, ontstane twijgen worden de eersten nu zoo bezwaard, dat +zij gaan overbuigen en in de plaats van fraai rechtgroeiende planten, +verkrijgt men dan kromme, vergroeide exemplaren. De potplanten moeten +dus gesnoeid worden, en wanneer men ze in een bepaalden vorm wil +kweeken, moet dit zelfs zeer goed geschieden. De struikvorm is de meest +natuurlijke vorm voor het met bloemplanten beoogde doel. De kroon-, +pyramide, zuil- of kogelvorm, waarin men zeer veel planten ziet, kunnen +slechts door snoeiing verkregen worden. Wij willen het aankweeken +van dergelijke kunstmatige vormen niet in de hand werken, want zonder +twijfel zijn de stijve pyramide- en kogelvormen even onnatuurlijk als +leelijk. Over het juiste snoeien der kamerplanten moeten wij echter +nog het een en ander zeggen. Men moet met snoeien reeds beginnen +bij de jonge, pas opgepotte stekken. Reeds dadelijk moeten wij met +zulke jonge plantjes weten of wij ze in struik- of stamvorm willen +voortkweeken. In het eerste geval moet men dadelijk beginnen met de +koppen uit de stekken te snijden. Een jonge stek, die in een warmen +bak aan alle kanten uitgroeit en dus uit ieder bladoksel een twijg +ontwikkelt, doet dit, in de kamer gekweekt, meestal niet; hier groeit +zij slechts recht naar boven. Het uitsnijden van den kop is dus noodig, +om zoodoende de nog slapende oogen tot uitgroeien te nopen. Wil men +daarentegen van een stek een stamboompje kweeken, dan mag de kop er +in het geheel niet uitgesneden worden. Voor dit doel moet men steeds +goed groeiende stekken gebruiken. Bij deze worden dan stokjes gezet en +de stekken, naarmate zij groeien, daaraan gebonden, terwijl men alle +zijscheuten, die zich ontwikkelen, zoo spoedig mogelijk, vóórdat zij +kunnen doorgroeien, wegneemt. Heeft de plant eindelijk de verlangde +hoogte bereikt, dan wordt de kop eruit gesneden. Spoedig zullen zich +nu zijtakjes ontwikkelen, van welke men er drie tot vijf laat staan, +die ook weder, zoodra zij eenige bladeren verkregen hebben, worden +ingesneden. Het insnijden der zich achtereenvolgens ontwikkelende +scheuten wordt zoo lang voortgezet, totdat de kroon een voldoenden +vorm verkregen heeft. Ook de jonge struikplanten moeten, zoolang zij +nog in haar groeiperiode zijn, ingesneden worden, en wel zoo vaak, +totdat zij een mooien, goed gevulden, doch niet stijven vorm aangenomen +hebben. Zeer dikwijls moet dit insnijden geschieden met opoffering +van den bloei. Hierdoor late men zich echter niet van streek brengen, +daar men veel beter doet de jonge planten nog niet te laten bloeien, +wijl dit haar veel te veel verzwakt. + +Het spreekt van zelf, dat niet alle planten op dezelfde wijze en even +dikwijls gesnoeid moeten worden. Er zijn zeer veel planten, die, +wanneer men, toen zij jong waren, voor een goede vertakking heeft +gezorgd, van zelf een gedrongen vorm behouden, zonder dat het later +noodig is, ze meer in te snijden. Andere planten echter, waaronder de +meeste groenblijvende, die men slechts als decoratieplanten kweekt, +zooals: Evonymus, Eugenia, Viburnum Tinus, Laurus nobillis en Myrtus, +nemen het lang niet kwalijk, wanneer men in den loop van den zomer +haar jonge scheuten een paar keeren insnijdt. Dit insnijden behoeft +men niet met een mesje te doen, men knijpt het kopje eenvoudig met +de nagels van duim en wijsvinger der rechterhand af. In alle gevallen +heeft dit dikwerf insnijden een gevulden groei ten gevolge. + +Andere soorten van bloemplanten, die haar blad des winters verliezen, +zooals: Fuchsia's, Hortensia's, Rozen, Heliotropen, Pelargoniums +en meer dergelijke, worden in den regel slechts één keer 's jaars +gesnoeid, en wel in het voorjaar bij het begin van den nieuwen groei, +of wel kort vóór of na het verpotten (Fig. 48 en 49). Bij de meeste +dezer planten gaat men volgenderwijze te werk. Eerst verwijdert +men de doode en zeer zwakke twijgjes, door ze bij de hoofdtakken +af te snijden. Hierna worden die twijgjes geheel verwijderd, welke +merkbaar te veel zijn en waardoor de plant te dicht zou worden. De +overblijvende takken worden nu gemiddeld met een derde hunner +lengte ingekort, waarbij men er op moet letten, dat het uiterste, +dus het dichtst bij de snede staande oog, zoo mogelijk naar buiten of +tenminste zijwaarts gericht is; nooit mag dit oog echter naar binnen +staan. Uit het uiterste oog ontwikkelt zich toch de krachtigste twijg +en men moet voorkomen, dat deze naar binnen groeit, daar de kroon +anders niet voldoende in omvang toeneemt. Het spreekt wel vanzelf, +dat niet alle planten op dezelfde wijze behandeld kunnen en mogen +worden. Met het snoeien moet er dan ook vooral op gelet worden, +of de planten bloeien op de jonge scheuten dan wel op die, welke +in den vorigen zomer ontwikkeld zijn. Een voorbeeld van dit laatste +levert ons de Hortensia, welke bloeit uit de scheuten, die zich uit de +eindknoppen der voorjarige krachtige twijgen ontwikkelen. Snijdt men +nu deze twijgen in het voorjaar terug, dan ligt vóór de hand, dat zij +des zomers niet zal bloeien. De Hortensia is dus een voorbeeld van die +planten, waarvan de krachtige scheuten in het voorjaar in het geheel +niet gesnoeid mogen worden; men bepaalt zich tot het verwijderen der +doode en te dichtstaande twijgen. Worden zulke heesters te wild, dan +moeten zij, zoodra ze uitgebloeid zijn, teruggesneden worden. Ook de +Sering levert hiervan een duidelijk voorbeeld. De Roos behoort ook tot +de planten, die niet juist als een Fuchsia gesnoeid mogen worden. Onder +de Rozen bevinden zich eenige soorten, zooals de bekende Maréchal Niel, +waarvan de krachtige scheuten in het geheel niet gesnoeid mogen worden; +men verwijdert slechts het doode en te zwakke hout. Gewoonlijk snoeit +men naar den groei der bepaalde soorten. Thee- en andere zwak groeiende +rozensoorten, moeten diep ingesneden worden d.w.z. zoodanig, dat aan de +sterkste scheuten slechts 3-5 oogen blijven. De sterk groeiende soorten +worden tot op 6-8 oogen ingesneden. Snoeit men een Roos te kort, +dan wordt te diep in het rijpe hout gesneden, en het gevolg is een +arme bloei; snoeit men ze echter te lang, dan komen de onderste oogen +der te lang gesnoeide twijgen niet tot ontwikkeling en de struiken of +kroonboompjes blijven dan van onderen geheel kaal, wat niet erg mooi +is. In de meeste gevallen zal een opmerkzaam, plantenliefhebber zeer +spoedig zien, hoe hij zijn planten moet snoeien. Aan de ontwikkeling +laat zich spoedig waarnemen of men een plant te lang of wel te kort +gesnoeid heeft en men zal dan zeker niet nalaten, in het volgende jaar, +rekening te houden met de opgedane ondervinding. + +Men gebruikt voor het snoeien, wanneer men kleine, dunne of zachte +takjes moet afsnijden, een scherp mesje; moet echter een plant +met dikkere houtachtige stengels gesnoeid worden, dan is het beter +van een zoogenaamde Rozenschaar, van klein model, gebruik te maken +(Fig. 50). Om er voor te zorgen, dat de schaar niet knijpt, lette men +er op, dat de scherpe schaar steeds naar boven gericht is. De snede +moet zoo dicht mogelijk bij een oog plaats vinden, daar er anders +een eind dood hout ontstaat, dat de plant zeer ontsiert. Dikwijls +zal ook zulk een dood eind inkankeren en het ziek worden der plant +ten gevolge hebben. + + + + +Het opbinden der potplanten. + +Onder de planten, die in een kamer gekweekt worden, bevinden zich +verscheidene, die een stevigen steun behoeven, welken men haar in +den vorm van een plantenstokje geeft. Zonder zulk een steunsel laten +zich b.v. de Palmen kweeken, daar deze in de kamer wel nooit een stam +zullen vormen; ook de planten met een stevigen houtachtigen stengel, +de lage kruidachtige planten en de meeste Cactussen en vele vetplanten +zullen wel geen steun behoeven. Bij zeer veel planten moet men met +het aanbinden al zeer spoedig beginnen, bij andere kan men zoolang +wachten, totdat de kroon een bepaalden omvang verkregen heeft. Voor +het opbinden gebruikt men gewoonlijk uit vurenhout vervaardigde +stokjes. Deze stokjes worden tegenwoordig fabriekmatig gemaakt, en zijn +in iedere kweekerij voor matigen prijs in alle verlangde afmetingen +te verkregen. Daar het niet mooi staat, wanneer het stokje te veel in +'t oog loopt, is het geraden, dit voor het gebruik groen te laten +verven. Het gebruik van mooie, gedraaide stokjes met bont gekleurde +knoppen is niet aan te bevelen, omdat deze stokken meestal veel te dik +zijn. Het opbinden moet zóó geschieden, dat de plant zoo min mogelijk +haar natuurlijk voorkomen verliest, zoodat dan ook de takken niet dicht +in elkander gebonden mogen worden. Het opbinden aan waaier-, ballon- of +pyramidevormige ijzerdraadfiguren moet daarom zooveel mogelijk vermeden +worden, slechts met klimplanten kan men hierop een uitzondering +maken. Een plant, in een kunstmatigen vorm gebonden, ziet er altijd +onnatuurlijk en bijgevolg ook leelijk uit. Het stokje wordt op de +meest geschikte plaats, bij voorkeur aan die zijde der plant, welke +het minst ontwikkeld is, kaarsrecht in de aarde gestoken. Men moet er +ook op letten, dat het zoo dicht mogelijk bij den hoofdstam staat. Men +bindt nu dezen van onderen stevig aan het stokje vast, en doet dit +nog enkele keeren op gelijke afstanden. Eerst wanneer de hoofdstam +goed aangebonden is, kan men de kleinere takjes gaan binden. Het komt +vaak voor, dat één enkel stokje voor een plant voldoende is, doch ook +wel, dat men er meerderen gebruiken moet. Hortensia's bijvoorbeeld, +die dikwijls zes tot tien krachtige scheuten ontwikkelen, die elk +een groot bloemscherm te dragen krijgen, moeten aan meerdere stokjes +gebonden worden, wil de plant er natuurlijk en los uitzien. Toch is +het raadzaam, zoo min mogelijk stokjes te gebruiken. Een liefhebber, +die goed toeziet, zal echter spoedig genoeg begrijpen op welke wijze +zijn planten opgebonden moeten worden. Kan men het zonder stokje doen, +dan is dit steeds het raadzaamste. De meeste moeite veroorzaken zeker +wel de klimplanten, die ter versiering van balkons en waranda's worden +aangewend. Wanneer de gelegenheden, waar zij tegen op moeten klimmen, +niet eenigszins met de natuur der planten overeenstemmen--en dit +is meestal het geval--, dan moet iedere tak op zichzelf aangebonden +worden. Laat men de takken of scheuten van klimplanten, die zonder +hulp geen steun vinden, neerhangen, dan ontstaat er vaak stremming +in den sappenloop en een langzame groei is daar het gevolg van. Fraai +bloeiende klimplanten bloeien evenwel, wanneer men ze aanbindt, zeer +ondankbaar, terwijl de afhangende takken juist door de sapstremming +rijk gaan bloeien. + +Het opbinden geschiedt door het aanleggen van een gewonen band +of wel, men kruist het band eerst, zooals Fig. 51 aantoont. De +liefhebbers gebruiken voor het opbinden niet zelden draden, bandjes of +touwtjes. Al dit bindmateriaal is niet aanbevelenswaardig, eerstens +wijl het leelijk staat, ten tweede omdat het vaak, door de scherpte, +de weeke twijgjes beschadigt en ten derde omdat het meestal spoedig +verteert. Het beste materiaal, om planten op te binden, is zeker +wel het zoogenaamde bind- of moscovischbast, dat in den vorm van +matten wordt verkocht. Dit bast is zacht en zeer duurzaam. Jammer +daarom, dat het niet overal even gemakkelijk te verkrijgen is. Door +verscheidene kweekers en zaadhandelaars wordt in groote vlechten het +zoogenaamde Raffiabast verkocht. Dit heeft vele goede eigenschappen; +het is zacht, bindt gemakkelijk, is sterk en ziet er netjes uit, +doch het is niet duurzaam, vooral niet, wanneer het buiten of +op vochtige plaatsen gebruikt moet worden. De duurzaamheid van +bindbast wordt aanmerkelijk verhoogd en de band minder zichtbaar, +wanneer men dezen, vóór het gebruik, een weinig draait, zoodat hij +het voorkomen van een touwtje krijgt. Naar de zwaarte der plant +moet men ook de zwaarte van den band nemen. Bindbast laat zich zeer +gemakkelijk in de lengte splijten, en voor kleine planten heeft +men slechts een dun bandje noodig. Het opbinden der planten moet +eenige malen 's jaars geschieden. In de eerste plaats moet men het +doen direct na de verplanting. Dit moet gebeuren, omdat het stokje, +in de meeste gevallen, bij de verplanting losraakt en dan natuurlijk +geen voldoenden steun meer voor de plant biedt. Daar de in den handel +zijnde stokjes steeds uit z.g.n. vurenhout zijn vervaardigd, rotten +zij spoedig aan de punt weg; alvorens dus oude stokjes te gebruiken, +moet men zich overtuigen of zij nog wel voldoende gaaf zijn. Langer +dan negen maanden of een jaar houdt een stokje het meestal niet uit, +en natuurlijk moet dan de plant opnieuw aangebonden worden. Aangezien +ook het bast niet zeer lang duurt, kan men als regel aannemen twee +of drie keer per jaar de planten te moeten opbinden. + +Er zijn nog talrijke zaken, waar men bij het opbinden op te letten +heeft. Bij het opbinden van een kroonboompje mag de stok niet in +de kroon steken, zoodat hij in geen geval langer dan de stam mag +wezen. Als regel moet ook aangenomen worden, dat het stokje nooit +boven de plant mag uitsteken. Er zijn enkele planten met zeer zware +kronen, waarvan de takken zouden afbreken, wanneer zij niet gesteund +werden; onder deze planten behoort o.a. de reeds vermelde Epiphyllum, +een Cactussoort, die vaak op stam gekweekt wordt. In zulke gevallen +gebruikt men een ring van ijzerdraad, die onder de takken aangebracht +wordt en die door een drie- of een vijftal stokjes in positie wordt +gehouden. Bij het opbinden moet men ook acht geven, dat de band niet +te sterk om de plant wordt aangehaald. Door het groeien toch neemt +de stengel in dikte toe, heeft men den band te sterk aangehaald, dan +kan dit uitzetten daar plaatselijk niet gebeuren, waardoor de band +in den stengel groeit. Dit is zeer nadeelig, daar de sapbeweging er +door gestremd wordt: ook ontstaat er een inkerving, die nooit meer +verdwijnt. Lage, kruidachtige planten staan vaak zeer los, doordat de +wortelhals te zwak is, bij Chineesche Primula's komt dit o.a. veel +voor. Zulke planten worden niet opgebonden, doch er worden twee of +drie zeer kleine stokjes als steun langs den wortelhals geplaatst. + + + + +Zindelijkheid bij het kweeken van planten. + +Menige veeboer verklaart, dat zindelijkheid het halve voedsel voor +zijn vee is, en met evenveel recht kan een plantenkweeker beweren, +dat zindelijkheid de halve cultuur uitmaakt. Vuile potplanten zien +er niet alleen onsmakelijk uit, doch zij kunnen ook onmogelijk goed +groeien. De zindelijkheid bij het kweeken van planten moet reeds met +den pot aanvangen. Wij hebben reeds gezien, dat vuile potten bij het +verplanten niet gebruikt mogen worden. De geheel nieuwe en schoone +pot verliest echter ook spoedig zijn zindelijk voorkomen; na eenige +weken of maanden wordt hij vuil, want door het vocht ontwikkelen +er zich spoedig mossen en andere lagere planten op. Een zoodanig +begroeide pot verliest zijn poreusiteit; het doordringen der lucht +tot de aarde heeft niet meer in voldoende mate plaats en deze wordt +zuur. Om dit te voorkomen is het noodig, dat men de potten minstens +twee keer per jaar, in het voorjaar en in het najaar, met een stijven +boenborstel afschropt. De oppervlakte van de aarde wordt ook meestal +onzindelijk. Door de vochtigheid ontwikkelt zich daar ook mos op; bevat +het gietwater kalk, dan wordt de oppervlakte langzamerhand wit. Ook +dit moet minstens twee keer per jaar verwijderd worden. Men bedient +zich hiertoe van een etiquetje, dat men dun afsnijdt en waarmede het +bovenlaagje der aarde zoo zuinig mogelijk afgeschrapt wordt. + +Naast het mos ontwikkelen zich in de aarde dikwijls verschillende +onkruiden, waarvan de zaden in het grondmengsel aanwezig waren. Deze +onkruiden groeien sneller dan de gekweekte planten en zuigen den +bodem uit; reden waarom zij, zoodra men ze kan vatten, uitgetrokken +moeten worden. + +De planten zelf en in hoofdzaak de bladeren en takken, tracht men, +door ze des zomers te bespuiten, schoon te houden. Het spuiten is +echter niet voldoende, daar het gebruikte water, al ziet het ook nog +zoo helder, nooit geheel zuiver is, waardoor het altijd, al is het +ook nog zoo weinig, vuil achterlaat. Slechts voor planten met kleine +blaadjes of wel voor kruidachtige planten, wier bladeren slechts +van korten duur zijn, is het spuiten voldoende. Fraaie bladplanten, +zooals Palmen, Ficus, Philodendron Aspidistra en anderen, die bij +een goede behandeling jaren haar bladeren behouden, moeten anders +gereinigd worden. De bladeren zijn, zooals bekend is, de longen der +planten, en zij kunnen dus onmogelijk gezond groeien, wanneer zij +geen schoone bladeren bezitten. + +Een blad heeft voor de plant zeer veel functies waar te nemen, en wordt +het niet goed schoongehouden, dan kan het die onmogelijk vervullen. Een +blad waarvan de poriën verstopt zijn, kan zijn natuurlijke werking +niet verrichten. Bij de cultuur van alle bladplanten in de kamer is het +dan ook van het grootste belang, dat de bladeren minstens één keer per +week aan de boven- en onderzijde goed afgewasschen worden. Men bedient +zich hiertoe van zuiver, slechts even warm water, en een zachte spons +(Fig. 52). + +Dit afwasschen moet bedaard en voorzichtig geschieden, omdat vele +bladeren zeer teêr zijn en door deze behandeling spoedig gewond +zouden worden. Hebben wij met planten te doen, waarvan de bladeren +door nalatigheid met een dikke, hard geworden laag vuil geheel of +gedeeltelijk bedekt zijn, dan is het gebruik van zuiver water niet +meer voldoende. In zulke gevallen moet men iets warmer water nemen, +waarin een weinig groene zeep is opgelost. Dit zeepsop heeft ook +het voordeel, dat talrijke jonge insecten, die men niet ziet, er +door gedood worden. Lastig om te wasschen zijn de gegolfde bladeren +van Waaier- en Vederpalmen. Tegen de nerven dezer bladeren hoopt +zich toch al te dikwerf vuil op, dat niet gemakkelijk te verwijderen +is. Het beste gelukt dit met een zacht kwastje, dat men telkens in het +water uitspoelt (Fig. 53). Zijn de planten door de onder te vermelden +ongedierten bezocht, dan is een zorgvuldige behandeling met de op te +geven middelen noodwendig. + +Op de schors van oudere houtachtige planten, die reeds verscheidene +jaren in de kamer gekweekt worden, vormen zich dikwijls langzaam en +onbemerkt een dikke laag vuil. De op deze wijze vuil geworden takken +reinigt men het best met een hard kwastje. + +Ook Cactussen, die men door hare stekels niet met een spons kan +schoonmaken, worden het best met een zachten kwast gereinigd. + +Wil men de planten goed zuiver houden, dan moeten ook de gele, +verdorde of zieke bladeren verwijderd worden, alsmede de doode +twijgen en takjes. Dergelijke afgestorven of zieke plantendeelen, +evenals de uitgebloeide bloemen, moet men op tijd verwijderen, waartoe +men zich van een scherp mesje bedient. Veel te weinig wordt gelet op +het tijdig wegsnijden der verwelkte bloemen of oude bloemstelen. Is +men niet voornemens zaden der planten te verzamelen, dan moeten de +uitgebloeide bloemen zoo spoedig mogelijk verwijderd worden, daar +zij anders onnoodig voedingsstoffen aan de plant onttrekken. + + + + +De vijanden der kamerplanten. + +De strijd om het bestaan, dien alle schepselen moeten strijden, blijft +ook aan de in de kamer gekweekte planten niet gespaard. De vijanden, +die het plantenleven in de vrije natuur in gevaar brengen, en die, +wanneer zij nu en dan zeer talrijk optreden, geheele plantengeslachten +kunnen ten gronde richten, treden echter lang niet allen bij de +gekweekte planten op. De vijanden der planten, die zich onder de +zoogdieren en vogels bevinden, kunnen natuurlijk tot de in de kamer +gekweekte planten niet doordringen, en van niet weinig schadelijke +insecten, die buiten in den grond leven en de wortels aanvreten en +vernielen, bleven zij hier verschoond. Toch blijven er nog vijanden +genoeg over, die onze kamerplanten beschadigen en den liefhebber +vrij wat moeite kunnen veroorzaken. Het zijn hoofdzakelijk insecten, +die zich op onze kamerplanten nestelen, en het is merkwaardig, dat, +hoe zieker de planten zijn, hoe ondoelmatiger de behandeling is, die +wij haar geven, hoe droger en stoffiger de atmosfeer is, waarin wij +ze kweeken, deze plagen zich des te sterker vermenigvuldigen. Bij +de kamerplanten zijn juist de kleinste insecten de gevaarlijkste +vijanden. Zij treden vaak in zoo grooten getale op, en gelijken in +kleur dikwijls zoo sterk op de bezochte planten, dat de liefhebber, +die niet scherp toeziet, ze eerst dán bemerkt, wanneer een niet +onaanzienlijke schade is toegebracht. + +Een der veelvuldigst voorkomende en gevaarlijkste vijanden van de +kamerplanten is zeker wel de Thrips (Thrips hæmorrhoidalis). Dit is +een zeer klein, zwart, gevleugeld diertje van langwerpigen vorm. Het +blijft gewoonlijk voor het oog verborgen, daar het zich steeds aan +de onderzijde van het blad ophoudt, waar het heen en weer loopt. Meer +nog dan het in vele soorten optredende diertje, vallen kleine zwarte +vlekjes in het oog; dit zijn de uitwerpselen dezer diertjes. De Thrips +beschadigt de planten, doordat zij met haar scherpe monddeelen de +opperhuid der bladeren afschaaft en dan haar voedsel uit het blad +zuigt. Veel last van dit insect hebben Aralia's, Azalea's, Varens, +Palmen en Ficussen. De aangetaste bladeren krijgen eerst zwarte +vlekken aan de onderzijden, worden daarna geel en vallen ten slotte af. + +Een andere, niet minder gevaarlijke vijand is de Roode-spin +(Tetranychus telarius). Dit kleine spinachtige diertje is ook zóó +klein, dat men het nauwelijks kan zien. In jongen toestand is dit +diertje grijs, later rood van kleur. Het beweegt zich vooral des +nachts zeer snel over een fijn webachtig spinsel, op de onderzijde +van het blad. Naast de Thrips is de Roode-spin een der gevaarlijkste +plantenvijanden, omdat zij aan de bladeren het bladgroen onttrekt +en zoodoende de directe oorzaak van hun afsterven is. Fig. 54 toont +duidelijk hoe een door Roode-spin aangetast blad er aan de achterzijde +uitziet. Dergelijke sterk aangetaste bladeren worden spoedig geel en +sterven af; bij vele planten rollen zij zich op, om dan te verdorren. + +Minder gevaarlijk, maar toch altijd nog zeer schadelijk zijn de +verschillende soorten van schildluizen. Deze treden bij voorkeur op +het oude hout op; dikwijls echter vindt men ze ook op de bladeren, +en dan wel aan beide zijden; ook op de jonge scheuten komen zij wel +voor. De schildluis heeft den vorm van ronde of langwerpige schildjes, +die als kleine verhevenheden op de bladeren voorkomen en maar al te +dikwijls de kleur bezitten der aangetaste organen. Zeer veel last +van schildluizen hebben de Oleander en Laurus (Laurier), waarvan de +bladeren dikwijls aan de onderzijden met witachtige schildluizen +als bezaaid zijn. De schildluizen, waarvan de beide geslachten in +voorkomen en levenswijze zeer sterk verschillen, zuigen zich op een +bepaalde plaats vast en sterven daar ook. Zij bevatten bij haar dood +een zeer groot aantal eieren, die door het doode diertje als met een +hard schild gedekt worden. Uit deze eieren ontwikkelen zich later de +larven. Op verschillende cultuurplanten vindt men verschillende soorten +van schildluizen. De wetenschappelijke namen van al deze soorten op te +geven, achten wij nutteloos, daar zij alle direct als schildluizen +zijn te herkennen en dan ook op dezelfde wijze moeten bestreden +worden. Fig. 55 toont een jong blad van een Palm, dat zich juist aan +het ontplooien is, en dat sterk door schildluizen is aangetast. + +De insecten, waarvan men bij kamerplanten wel het meeste last heeft, +zijn ongetwijfeld de verschillende soorten van Bladluizen. Zij komen +meestal voor op jonge scheuten, waaraan zij de sappen onttrekken en +die zij door haar honigachtige, kleverige uitwerpselen daarenboven +zeer benadeelen. Deze uitwerpselen toch verstoppen de microscopische +openingetjes, die zich in de bladopperhuid bevinden en beletten +daardoor de ademhaling der planten. + +Treft men vaak de bladluis aan, niet minder is dit het geval met de +Wolluis, een door een wit, wolachtig voorkomen zich onderscheidende +bladluis, die zich veel in de bladoksels ophoudt. Fig. 56 toont +het blad eener Sagittaria (Pijlkruid), sterk met bladluizen bezet, +en Fig. 57 een gedeelte van een Cactus (Echinopsis), waarop talrijke +wolluizen voorkomen. + +Tegen al deze vijanden worden wel maatregelen genomen, doch het wijste +is zeker, hun optreden te voorkomen. Het beste doet men dit door den +planten een goede standplaats te geven. Den harden, kouden planten +geeft men de noodige frissche lucht, en men zorgt er des winters vooral +voor, dat zij niet in een vertrek staan, dat hooger verwarmd wordt dan +noodzakelijk is. De teerdere warme planten, die het meeste te lijden +hebben van de aanvallen van insecten, moet men beschermen tegen te +groote schommelingen in de temperatuur, tegen tocht en vooral tegen +te droge lucht. Dit alleen is echter niet voldoende, maar men zorge +er ook voor, dat deze planten op warme, lichte dagen minstens een +paar keer met de handspuit of den rafraîchisseur bespoten worden, +zoowel aan de boven- als aan de onderzijde der bladeren, terwijl +zij ook minstens één keer per week met lauw warm water moeten worden +afgewasschen. Het beste doet men, in dit water zooveel groene zeep +op te lossen, dat het melkwit gekleurd wordt. Het gebruik van zulk +zeepsop is reeds aan te bevelen, om de jonge, bijna onzichtbare +insecten te dooden. Een paar uur na het gebruik moeten de planten, +die er mede gewasschen zijn, echter met zuiver water afgespoten worden. + +Wanneer men bemerkt, dat de insecten de overhand beginnen te krijgen, +dan moeten krachtiger maatregelen genomen worden. Vele middelen vindt +men hiervoor aanbevolen; de meeste gaan echter aan één groot gebrek +mank, namelijk: dat zij niet alleen de insecten vernielen, doch ook +zeer veel schade aan de planten berokkenen, waardoor al te vaak het +geneesmiddel erger is dan de kwaal. Het meest aanbevelenswaardig +is wel een aftreksel van tabaksbladeren, dat men zelf gemakkelijk +kan maken en dat ook in den handel verkrijgbaar is. Men maakt zulk +een tabaksextract van de zwaarste Kentucky- of Virginia-tabak; zulk +extract heeft een nicotine-gehalte van 7-8% en is vrij van minerale +vergiften. Om bijna alle planten-parasieten te dooden is het voldoende +de planten een of twee keer goed te bespuiten met dit extract, vermengd +met 60 tot 100 keer de hoeveelheid water. Heeft men zeer teere planten, +dan moet men het nog meer verdunnen; wil men het op planten met dikke, +lederachtige bladeren toepassen, dan kan het iets minder verdund +worden. Moet men grootbladige planten er mede behandelen, dan is het +beter ze er niet mede te bespuiten, maar de bladeren met een zachte +spons er mede af te wasschen. Heeft men kleinbladige planten met niet +al te groote kronen, dan is het eenvoudigste, deze met de kronen in +een emmer met zulk een oplossing te dompelen. + +Heeft men een kleine, goed sluitende, leegstaande ruimte tot zijn +beschikking, bijv. een klein kamertje, dan kan men door middel van +tabak het ongedierte nog op een andere wijze verdelgen. + +Men zet de planten des avonds in het kamertje; hierin brengt men +een komfoor met gloeiende kolen, waarop men, al naar de grootte der +kamer, een handvol of meer van de ordinairste tabaksbladeren legt, +die eerst een weinig vochtig gemaakt zijn. + +De vochtige tabaksbladeren zullen nu gaan smeulen en een +dichten tabaksrook ontwikkelen, die al de insecten op de planten +doodt. Dezelfde uitwerking verkrijgt men door een aftreksel van +tabaksbladeren op een schaal te gieten en het in de kamer boven +een spiritusvlam te laten verdampen. Wij moeten echter opmerken, +dat verscheidene zachtere planten, vooral Palmen en Gesneriaceeën, +zeer sterk lijden van den tabaksrook, zoodat dit middel in geen geval +op deze planten mag worden toegepast. Hebben de planten een nacht in +het volgerookte vertrek gestaan, dan moet men ze den volgenden morgen +dadelijk weder in de versche lucht brengen en ze direct hierna goed +afspuiten. Was de berooking niet zwaar genoeg, dan liggen de luizen +bedwelmd en met opgezwollen lichamen op de aarde en den vloer; men +moet ze in dit geval verzamelen en verbranden. Tallooze proeven hebben +wij genomen met verschillende soorten insectenpoeders, die voor het +verdrijven van ongedierte op planten worden aanbevolen. Deze proeven +leverden steeds de ongunstigste resultaten. De in Fig. 54 en Fig. 56 +afgebeelde bladeren zijn afkomstig van planten, die gedurende één zomer +zeker wel twintig keer met echt Zächerlin zijn bepoederd. Grootere +insecten zooals, pissebedden en kakkerlakken, worden door dergelijke +insectenpoeders vernield, de kleinere ongedierten, die op planten +leven, echter niet. + +Het beste middel om dergelijke insecten te verdelgen is tabak in +iederen vorm. Tabakspoeder is ook met goed succes aan te wenden; +men strooit het op de achterzijde der van te voren vochtig gemaakte +bladeren. Kan men de bladluizen niet met de vingers verwijderen, dan +is tabak verreweg het beste middel. Grootbladige planten, die door +Roode-spin of Thrips geteisterd worden, wascht men het beste met niet +te sterk zeepsop af. Wil men zekerheid hebben ze te vernietigen, +dan worden de bladeren met zeepsop ingesmeerd en den volgenden +dag met zuiver water afgewasschen. Heeft men kleinbladige planten, +zooals Azalea's en Myrten, die aan deze kwaal lijden, dan bestaat er +ook een afdoend middel. Men maakt een zeepsop van water, dat tot 100° +Fahr. verwarmd is. In dit mengsel worden de kronen der planten enkele +seconden goed ondergedompeld; de kroon wordt hierna naar beneden +gehouden en goed afgeschud, opdat het zeepsop niet op de aarde zal +loopen. Zoo laat men de planten een dag staan en spuit ze den volgenden +dag met zuiver water goed af. Zoo noodig moet deze behandeling twee- +of driemaal met tusschenruimten van 8 dagen herhaald worden. Schild- en +wolluizen worden eerst voorzichtig met een kwastje verwijderd, waarop +men de planten op de aangegeven wijze met tabak of zeepsop behandelt. + +Naast de opgegeven plantenvijanden zijn er nog vele andere, die +schade kunnen berokkenen, zoo bijv. de Smeerluis, die slechts zelden +en dan op weeke bladeren optreedt. Heeft men last van deze diertjes, +dan wordt het blad, waar zij op huizen, afgesneden en verbrand. + +Verder heeft men nog larven, die in het inwendige van het blad leven. + +Deze treft men veel aan bij Chrysanthemums, die in een te warme droge +lucht gekweekt worden. Ook heeft men nog larven, die het merg van +Rozescheuten uitvreten. Op deze komen wij later, bij het bespreken +der Rozen, nog nader terug. + +Verscheidene vijanden der planten leven ook in de aarde. Het +menigvuldigst treedt de Regenworm op, hoewel deze niet als eigenlijke +plantenvijand mag beschouwd worden. De regenworm toch voedt zich +niet, zooals algemeen geloofd wordt, met levende plantenwortels, doch +slechts met rottende stoffen. Gewoonlijk wijst het aanwezig zijn van +regenwormen op een verzuurden grond en men doet het best de planten in +dit geval te verpotten in versche aarde. Is de aarde echter nog goed, +dan kan men toch den regenworm niet dulden, daar hij, door de gangen, +die hij in de aarde boort, de wortels beschadigt en daardoor schade +veroorzaakt. Ook wil het vaak voorkomen, dat het gietwater door +deze gangen wegloopt, voordat het de aarde behoorlijk heeft kunnen +bevochtigen. Men kan de regenwormen zeer gemakkelijk verdrijven, +door de planten een- of tweemaal met goed warm water--echter geen +heet water--te begieten. + +Een nog onschuldiger middel is de planten een paar maal met een +aftreksel van notebladeren of wilde kastanjes te begieten. Bij de +aanwending van deze drie middelen kruipt de regenworm uit de aarde +en kan gemakkelijk verwijderd worden. + +Veel schadelijker, maar gelukkig niet zoo vaak in de potten voorkomend, +is de zoogenaamde Draadworm, de larf van den hoornkever, waarvan +verscheidene soorten bekend zijn. De draadworm leeft drie à vier +jaren als larf; hij heeft oppervlakkig bezien het voorkomen van een +meelworm en doet veel schade door het afvreten der wortels. Men vangt +de draadwormen door des avonds saladestronken met de snijvlakte op +den pot te leggen; hierdoor worden de wormen gelokt en des morgens +kan men ze dan onder deze stronken vinden en verwijderen. + +Zeer schadelijk zijn ook de Wortelluizen. Deze heb ik tot heden slechts +aangetroffen bij grassoorten en ook bij de Adiantum. Zij zien er wit +en wollig uit, verspreiden zich snel over het geheele wortelnet en +richten daar veel schade aan. Zijn het minder kostbare planten, die er +door aangetast zijn, dan doet men verreweg het beste, die eenvoudig +op te ruimen. Heeft men er last van bij kostbaarder planten, dan kan +men beproeven ze door het begieten met goed warm water te vernietigen. + +Als groote vijanden van kamerplanten moeten wij ten slotte nog de +Pissebedden en Melkslakken vermelden. Deze algemeen bekende diertjes +doen het meeste schade aan de planten, welke des zomers buiten in +de schaduw worden gekweekt. In de kamer zal men er weinig last van +hebben, tenzij zij er door gekochte planten ingebracht worden. De +pissebedden, die vooral in jonge en zachte bladeren gaten vreten, +worden gemakkelijk gevangen met doorgesneden rauwe en uitgeholde +bieten of aardappels. Deze stukken worden tusschen de planten gelegd, +de diertjes kruipen daar bij voorkeur des nachts onder, zoodat zij +den volgenden morgen gemakkelijk te vangen zijn. De melkslakken, +die gedurende vochtige zomers bij voorkeur in tuinen met zwaren grond +leven, richten door het stukvreten van alle teere bladeren zeer veel +schade aan. Het beste doet men, ze des avonds met een lantaarn op +te zoeken, wat men gemakkelijk doet door slabladeren neer te leggen +op de plekken, waar zij optreden. Ziet men deze des avonds laat na, +dan zal men er verscheidene van deze ongenoode gasten op vinden. + +De kamerplanten hebben ook vijanden in het plantenrijk. Het optreden +van deze woekerplanten zou men kryptogamische ziekte kunnen noemen. Een +der lastigste is wel een draadalg, die hoofdzakelijk in stekpotten +optreedt, alsook de Honigdauw. De Honigdauw is zèker een der lastigste +vijanden van potplanten. Zij treedt, afgezien van den Wijnstok, +hoofdzakelijk bij Rozen en Chrysanthemums op. Het ontstaan van +den Honigdauw wordt zeer begunstigd en dikwijls zelfs veroorzaakt +door tocht en sterke temperatuur-schommelingen. De Honigdauw is +gemakkelijk waarneembaar door de witte stof, waarmede hij de bladeren +en jonge scheuten bedekt; deze groeien dan krom en krijgen een leelijk +voorkomen. Meer nog dan iedere dierlijke vijand kan de Honigdauw de +aangetaste planten beschadigen. Er worden talrijke middelen tegen +Honigdauw aanbevolen; het eenvoudigste en beste blijft toch zeker de +bloem van zwavel. De aangetaste planten worden bij helder, zonnig weer +goed bevochtigd en daarna flink bepoederd met bloem van zwavel. Het +is niet de bloem van zwavel zelf, die den Honigdauw doodt, maar het +is het zwavelzuur, dat daaruit door de inwerking van de zon en het +water ontstaat. + +Een zeer kwaadaardige ziekte, die bij verschillende planten voorkomt +is de Roest. De Roestalg kenmerkt zich door een zeer gecompliceerde +ontwikkeling; zij heeft in de verschillende stadiën daarvan een zoo +verschillend voorkomen, dat men vroeger de Roest op rozen bij voorbeeld +in haar ontwikkeling voor verschillende algen heeft aangezien. Dikwijls +kan men op een blad de ontwikkeling zeer goed waarnemen. De Roest +treedt bij verscheidene planten op, o.a. bij Rozen, Camellia's, Palmen, +Anjelieren, enz. Het eenige middel tegen dezen vijand is: de aangetaste +bladeren zoo spoedig mogelijk af te snijden en te verbranden; de +geheele plant moet dan verder met bloem van zwavel behandeld worden, +op dezelfde wijze als wij tegen den Honigdauw opgaven. + +De Honigdauw en de Roest kunnen als de voornaamste vijanden der Rozen +beschouwd worden. Deze lievelingsbloemen worden echter ook door tal +van dierlijke vijanden bezocht. Onder deze vijanden, die ook wel in +de kamer optreden, behooren ook de Rupsen. De vlinder dezer rups legt +haar eieren tegen de rozetakjes en wel bij voorkeur tegen de droge of +gestorven twijgjes; reden waarom men deze in den herfst moet afsnijden +en verbranden. Uit deze eieren komen reeds vroegtijdig rupsjes, die +groen of grijs gekleurd zijn. Deze rupsjes omspinnen de bladeren, +zoodat deze zich oprollen; zij vreten dan de opgerolde bladeren +en de jonge twijgjes op. Ook de bloemknop valt dikwijls als offer +dezer rups. Waar deze rups verschijnt, moeten de planten dagelijks +nagezien, de omgekrulde bladeren afgeplukt en verbrand en de overige +rupsen verwijderd worden. Zeer schadelijk is ook de Ringrups, de +rups van de Ringspin, die haar eieren ringvormig om de scheuten legt +(Fig. 58). Deze rups is ook zeer schadelijk voor vruchtboomen. In +Mei ontwikkelen zich uit de eieren kleine rupsen, die zich direct +in de bladeren inspinnen. Deze rupsen zijn zóó vraatzuchtig, dat +zij in enkele dagen een geheele bladkroon kunnen vernielen. Beter +nog dan het zoeken naar de rupsen, is het op tijd verwijderen der +eieren. Gevaarlijke vijanden der Rozen hebben wij ten slotte nog in de +Rozebladwespen. Deze volvoeren haar werk geheel in het verborgene. Zij +boren een gaatje in den onderkant der scheuten en leggen daar tusschen +de veertig en vijftig eieren in. De aangestoken scheuten krommen zich +om, in welk geval zij direct afgesneden en verbrand moeten worden. De +larf van deze wesp tast het merg der rozetwijgen aan. + + + + +Zieke kamerplanten. + +Welke bloemenliefhebber heeft niet eens met groote spijt een zijner +planten ziek zien worden en ten laatste zien doodgaan? Evenals +onder de menschen en dieren, heerschen er ook onder de planten +verschillende ziekten, welke dikwijls in het begin slechts voor +vakmannen waarneembaar zijn, door leeken meestal pas bemerkt worden, +wanneer het voor genezing te laat is. + +De zoogenaamde één- en tweejarige planten, die regelmatig na de +vruchtdraging afsterven, buiten rekening gelaten, sterven wel de meeste +planten door ziekten en invloeden van buiten, zooals vorst, droogte, +storm, enz. Sterven, zooals bij menschen en dieren, door ouderdom, komt +waarschijnlijk bij planten niet voor. Het kan bijvoorbeeld gebeuren, +dat een bliksemstraal, die een tak uit een eeuwenouden boom slaat, +te gelijk de indirecte oorzaak van zijn dood is. Het hout begint aan +de wonde te rotten, de stam wordt aangestoken en na verloop van eenige +tientallen van jaren geheel uitgehold en ten slotte is er slechts een +krachtige windstoot noodig om den trotschen reus, die zoovele eeuwen +over zijn kruin zag gaan, tegen den grond te werpen. + +De planten, die in een kamer gekweekt worden, zijn voor dergelijke +invloeden, waaraan de planten in de vrije natuur zijn blootgesteld, +beschut; ook zijn zij verzekerd tegen de dikwijls noodlottige +aanvallen van grootere dieren, maar toch worden zij door de meest +verschillende ziekten overvallen. De kamerplanten kan men als +gevangenen beschouwen; evenals de vogel in een kooi, zitten zij met +haar wortels in den pot gevangen en deze belet maar al te dikwijls haar +krachtigen groei. Evenals de wortel in den pot, is dus ook de plant +in de kamer gevangen. Hoe dikwijls is het vertrek gevuld met droge, +stoffige lucht; hoe vaak wordt het toetreden van behoorlijk licht niet +verhinderd? Onze kamerplanten zijn echter niet alleen gevangenen, +het zijn ook bannelingen uit de meest verschillende landen, en wij +moeten ze niet alleen goed verzorgen, maar ook haar vaderlandsche +toestanden trachten na te bootsen en haar zoo mogelijk datgene geven, +wat zij in haar land van herkomst kunnen vinden. + +Heel veel liefhebbers, die met een plant van de markt komen of er +een in de kweekerij gekocht hebben, vermoeden weinig, dat die plant +reeds de kiem des doods bevat. Het zou onjuist zijn, te beweren, +dat vele kweekers opzettelijk zieke planten verkoopen, maar er zijn +er toch wel, die in warme kassen opgekweekte planten zoo aan de markt +brengen, of die vergeten, wanneer een liefhebber een plant wil koopen, +die als kamerplant ongeschikt is, hem daarop opmerkzaam te maken. + +Afgezien van die planten, welke des winters door kunstmatige warmte +in bloei worden getrokken, maar die toch zoo hard zijn, dat zij +onze winters zonder nadeeligen invloed buiten kunnen verdragen, +hetzij gedekt of ongedekt, leveren ons de tropische streken de beste +kamerplanten. Onder deze vindt men het meerendeel der bladplanten, +zooals alle Palmen, die onze kamers versieren. Een handelskweeker moet +deze planten in een warme kas, dikwijls ook in een verwarmden bodem +kweeken, want het is er hem om te doen in den kortst mogelijken tijd +fraaie exemplaren te verkrijgen. De zoo opgekweekte planten echter zijn +verwend, en het is een liefhebber niet geraden ze zoo uit de warme +kas in zijn woonvertrekken te plaatsen. Zeer raadzaam is het, zulke +planten nog een dag of veertien bij den kweeker te laten, die ze dan +langzaam aan een minder warme temperatuur kan doen gewennen. De planten +worden zoodoende gehard en zullen veel gezonder in de kamer blijven. + +Het meeste nadeel ondervinden de bladplanten van de droge lucht, +die in de kamers heerscht; hoe meer er gestookt wordt en hoe hooger +de temperatuur stijgt, des te meer lijden de planten. Onder de +inwerking der droge lucht verdorren de spitsen der Palm- en andere +bladeren. Men snijdt deze dorre punten dan af, doch daarmede is het +kwaad niet gestuit, want de bladranden drogen weer in en ten slotte +blijft er van het geheele fraaie Palmblad weinig meer over dan de +steel, die natuurlijk ook afgesneden moet worden. Een gevolg van de +droge lucht is bij tropische planten ook het optreden der, in het +vorige hoofdstuk besproken, insecten. Deze vestigen zich meestal op de +onderzijde van het blad. In den beginne zijn zij voor het ongewapende +oog bijna onzichtbaar, maar hoe zieker de aangetaste plant wordt, +des te meer nemen zij in aantal toe. + +Evengoed als zich de dorre bladpunten laten afsnijden, kan men ook +het ongedierte verwijderen; een geheele genezing der planten wordt +daarmede echter niet bereikt; deze verkrijgt men slechts door de +oorzaak der ziekte weg te nemen, en dus in dit geval door te trachten +een eenigszins vochtige lucht in het vertrek, waar men zijn planten +heeft, te verwekken. Zeer droog en derhalve ook zeer schadelijk voor +de planten is de kamerlucht gedurende den winter, wanneer de kachels +worden gestookt. Dit kwaad is tamelijk gemakkelijk te voorkomen, door +een vlakke schaal, met water gevuld, op de kachel zetten; ook kan men +een paar van zulke schalen tusschen de planten zetten. Het water zal +langzaam verdampen en zoodoende de lucht vochtig maken. Een nog beter +middel is, een zelfwerkend fonteintje in de kamer te plaatsen. Ik wil +er hier tegelijkertijd de aandacht op vestigen, dat een eenigszins +vochtige lucht niet alleen voor de planten, doch ook voor de menschen +zeer nuttig en gezond is, daar zij veel zuiverder en stofvrijer blijft. + +Men moet vooral ook niet verzuimen de bladeren der bladplanten +minstens een keer per week met een zachte spons en lauw water af te +wasschen, daar zich op de groote bladvlakten licht stof en ander vuil +afzet. De bladeren vervullen met hunne talrijke, voor het ongewapende +oog onzichtbare openingetjes, dezelfde functie als de longen bij de +menschen; reden waarom men dus moet zorgen, dat deze openingetjes +niet verstopt geraken, afgezien nog van het feit, dat een stoffige +en vuile plant nooit een aangenamen indruk kan maken. + +Zeer vele der teedere kamerplanten sterven, om het juist uit te +drukken, aan gevatte koude. Men moet er vooral voor zorgen, dat de +planten niet op de tocht staan, daar zij dit evenmin kunnen verdragen +als de vogels. Zeer veel schade veroorzaken ook de schommelingen in +de temperatuur; men moet er dus op letten, dat deze zoo gelijkmatig +mogelijk is, wat niet wegneemt, dat de temperatuur des nachts altijd +eenige graden lager moet wezen dan overdag, iets wat in de natuur +ook altijd het geval is. Wanneer een kamer schoongemaakt moet worden, +en daarom alle vensters worden geopend, zet men de planten tijdelijk +in een ander verwarmd vertrek; men brengt ze vooral niet eerder op +haar plaats, vóórdat het vertrek geheel gereed is en weder de gewone +temperatuur heeft verkregen. + +Bij veel planten treedt dikwijls rotting van den stam in, hetgeen men +bemerkt aan het rot worden van den bast en later van het hout. Deze +ziekte ontstaat door te diep planten en zeer vaak ook bij houtachtige +planten door het gieten met te koud water. Ook bij kruidachtige +planten komt deze ziekte voor, meestal vergezeld met schimmel; dit +is dan het gevolg, behalve van de genoemde oorzaken, van te koude, +vochtige lucht. Planten, die aan stamrotting en schimmel lijden, +moeten zoo spoedig mogelijk, uiterst voorzichtig, verplant worden, +waarop men ze een zoo gunstig mogelijke standplaats moet geven. + +Zeer dikwijls lijden de warme planten aan wortelziekte, die op +verschillende wijzen, doch zeer dikwijls des winters door begieting +met te koud water ontstaat. Iedere kamerplant moet, zooals trouwens +reeds in het hoofdstuk over het gieten is gezegd, begoten worden met +water, dat minstens vier en twintig uur in het vertrek heeft gestaan, +waarin de planten staan en dat daardoor de temperatuur van dit vertrek +heeft verkregen. Zeer veel liefhebbers hebben de onvoorzichtigheid hun +planten met ijskoud water te begieten; de slechte gevolgen blijven +dan echter niet lang uit, daar de wortels ziek worden, afsterven +en de dood der geheele plant daarvan het gewone gevolg is. Naast de +ziekten, door het gieten met koud water ontstaan, treft men die aan, +welke door het te overvloedig gieten worden veroorzaakt. Ook hierdoor +ontstaat wortelziekte. Men moet bij alle plantencultuur den groeitijd +van den rusttijd onderscheiden. Gedurende den groeitijd heeft een +plant overvloedig water noodig, gedurende den rusttijd daarentegen +moet men zeer spaarzaam met gieten zijn. + +Gedurende den rusttijd geeft men veel planten, in plaats van +betrekkelijk weinig, maar al te vaak toch geregeld water. Deze +waterhoeveelheid kunnen zij dan natuurlijk niet verwerken, en daar des +winters de zon geen kracht genoeg heeft om de plant te doen opdrogen, +en zij ook onmogelijk in de vrije lucht kunnen gezet worden, heeft dit +ten gevolge, dat de aarde slikachtig en ten laatste zuur wordt. In +zulk een zure aarde worden natuurlijk de wortels ziek en beginnen +te rotten. Wordt de fout niet vroegtijdig opgemerkt en tegengegaan, +dan zijn de planten reddeloos verloren. + +Wortelzieke potplanten moeten steeds zoo spoedig mogelijk verpot +worden; men wascht de zure aarde zorgvuldig weg, en snijdt vervolgens +alle zieke wortels met een scherp mesje zorgvuldig af. Er moet nu voor +gezorgd worden, dat de zieke plant in den kleinst mogelijken pot wordt +gezet. De pot moet rijkelijk gedraineerd worden, zoodat het water goed +kan wegloopen en de te gebruiken aarde moet zeer licht zijn. Raadzaam +is het de aarde, vóór het gebruik, goed met scherp zand en stukjes +houtskool te vermengen. Op deze wijze behandeld, heeft men kans, +dat een zieke plant weder nieuwe wortels krijgt en daardoor weder +aanvangt te groeien. Men moet echter zeer voorzichtig zijn met gieten +en er op letten, dat de plant, zoodra zij daaraan behoefte krijgt, +weder in een grooteren pot wordt verplant. + +Gemakkelijker dan planten, die door te veel gieten wortelziek zijn +geworden, laten zich die behandelen, welke door te weinig gieten ziek +werden en dan een verwelkt aanzien hebben gekregen. Het gieten toch +mag vooral niet te gemakkelijk worden opgevat; het is een handigheid, +welke door practische ervaring is te leeren. Het grootste gedeelte +der zoogenaamde ringwortels bevindt zich onder in den pot; wordt er nu +niet genoeg gegoten, dan worden wel de bovenste aardlagen bevochtigd, +doch de kluit blijft inwendig droog en na korten tijd zal die van +binnen geheel uitgedroogd zijn, de wortels verdrogen en ten slotte +gaat de plant ten gronde. + +De voor den kweeker en liefhebber onontbeerlijkste grondsoort is +zeker wel de boschgrond. Zooals wij reeds in het hoofdstuk over het +gieten opgemerkt hebben, bezit deze aarde de eigenschap, dat zij, +eenmaal uitgedroogd, slechts zeer moeielijk weder water opneemt. Deze +eigenschap bezitten ook alle aardmengsels in meerdere of mindere +maten, die met boschgrond vermengd zijn. Is nu een plant, in een dier +mengsels geplant, geheel uitgedroogd, dan loopt het water bij het +gieten tusschen de kluit en den pot naar het drainagegaatje, zonder +de kluit ook maar in het minst te bevochtigen. Deze bijzonderheid +merkt de onkundige plantenkweeker niet op, en hij komt ook niet op de +gedachte, dat zijn planten droog zijn, wijl hij toch geregeld goot en +de aardoppervlakte zijner planten ook behoorlijk vochtig is. Om deze +reden is het nuttig zieke planten even uit den pot te nemen, teneinde +de aarde en wortels te onderzoeken. Zijn de wortels aangestoken of is +de aarde zuur, dan wordt de plant, zooals wij reeds gezegd hebben, +verplant. Is de aarde echter uitgedroogd, dan legt men de plant +zoolang in een emmer met water, totdat de kluit geheel nat geworden +is, iets wat somtijds heel lang kan duren. + +Gewoonlijk maakt een liefhebber weinig onderscheid tusschen de +planten, die in warme en die in gematigde streken groeien; hij kweekt +ze alle in de warme kamer en dat is toch zeer verkeerd. Een bekwaam +en practisch kweeker kan aan een plant, die hij nog niet behandeld +heeft en die hij zelf niet kent, veelal zien welke aarde en welke +temperatuur zij verlangt, en mocht hij zich al eens vergissen, dan +zal het niet lang duren, of hij zal zijn fout aan het voorkomen +der plant kunnen bemerken. Een zoodanigen practischen blik bezit +een leek meestal niet, en wil hij met het kweeken van planten in de +kamer succes hebben, dan moet hij van tijd tot tijd beproeven zich +daaromtrent op de hoogte te stellen. Niet weinig planten uit gematigde +streken hebben een zoo vreemd voorkomen, dat zij de leeken licht +doen denken, dat het tropische planten zijn en dus behoefte hebben +aan een hooge temperatuur. Van de hiertoe behoorende planten wil ik +er slechts een drietal noemen, namelijk de Aspidistra, de Aralia en +de Ficus. De Aspidistra is de algemeen bekende, ijzersterke plant, +waarvan de groote, groene of bonte bladeren direct uit de aarde +ontspringen. Deze plant behoort in China en Japan thuis en verlangt +des winters slechts een lage, mits vorstvrije temperatuur en toch +wordt zij meestal in een warme kamer gekweekt. Wij hebben nu in de +Aspidistra een dier weinige planten, die zelfs bij de slechtste en +meest ondoordachte cultuur gezond blijft en waarschijnlijk ook daarom +zoo algemeen verspreid is. De Aralia, die uit Japan afkomstig is en de +Ficus, die uit Australië stamt, zijn daarentegen zeer gevoelig voor +een verkeerde behandeling. Deze beide planten verlangen des zomers +een zonnige standplaats in den tuin of vóór het geopende venster, +terwijl men ze 's winters moet plaatsen in een kamer, waarvan de +gemiddelde temperatuur niet meer dan 45° à 50° Fahr. bedraagt. De +meeste plantenliefhebbers weten dit echter niet en zij meenen dezen +planten al een zeer goeden dienst te bewijzen, wanneer zij ze een +plaats in een warme kamer geven. De planten echter nemen dezen dienst +al zeer ongunstig op en toonen dit duidelijk door haar bladeren eerst +slap te laten hangen, waarna zij geel worden en eindelijk afvallen. De +liefhebber echter verstaat deze plantenspraak niet; verdrietig snijdt +hij de geel geworden bladeren af en wanneer dan ten laatste de plant +kaler en kaler geworden is en zich eindelijk aan den kop een jong +blaadje ontwikkelt, dan wordt dit teeken, al is het ook nog zoo zwak, +als een bewijs van goede behandeling beschouwd, terwijl toch maar al +te dikwijls juist het tegenovergestelde het geval is. + +Te groote warmte toch is voor alle planten, die zich gedurende den +winter in haar rustperiode bevinden en die niet tot de tropische +gewassen behooren, ten zeerste nadeelig. Vele onzer meest in trek +zijnde decoratie- en bloemplanten overwinteren uitstekend in een +vorstvrijen kelder of een ongestookt, doch vorstvrij vertrek. Brengt +men nu deze planten in een warme kamer, dan wordt de zoo hoognoodige +rustperiode verstoord; zij groeien dan door, en wijl het haar aan +kracht en vooral aan lucht, licht en zon ontbreekt, kunnen de zich +dan ontwikkelende scheuten niet anders dan zeer zwak zijn. Een +onkundig liefhebber verheugt zich nu in dit bewijs van leven, +en hij vermoedt weinig, dat deze scheuten zich ontwikkelen ten +koste van de reservestoffen der plant, en dat zij deze daardoor +zeer verzwakken. Dezelfde planten, die des winters in een warme +kamer lijden, worden er ook des zomers ziek. Dit zijn alle planten, +afkomstig uit de omstreken der Middellandsche zee, van de Kaap, +van Nieuw Holland, van China en Japan, en van alle landstreken met +een klimaat als het genoemde. Wij moeten dan ook wel verschil maken +tusschen kamer- en vensterplanten. De eerstgenoemde hebben behoefte +aan warmte en moeten het geheele jaar door in de kamer gekweekt +worden; de laatste daarentegen moet men des zomers in den tuin of op +de vensterbank buiten het raam kweeken, terwijl zij des winters in +een koele kamer of in een kelder bewaard worden. De vensterbloemen +hebben dus voor een goeden groei veel versche lucht noodig; in de +kamer worden zij slap, laten zij de bladeren en bloemen hangen en +spoedig verschijnen jonge scheuten, die dan echter dadelijk met +bladluizen overdekt zijn. Deze laatste kunnen ons alle liefhebberij +voor planten benemen; het zijn vieze diertjes, die de planten vaak +geheel ten gronde richten. Het beste middel tegen ongedierte vindt +men in een goed beredeneerde cultuur, waarvan het twee keer daags +besproeien der planten, eens des morgens en eens des avonds, een +onderdeel uitmaakt. Zijn de ongenoode gasten echter eenmaal verschenen, +dan moet men die op de reeds aangegeven wijze weder trachten kwijt +te raken en wel bij voorkeur zoo spoedig mogelijk. + +Vele lezers zullen zich moeilijk kunnen voorstellen, dat ook de +zon, zonder welke geen plantenleven mogelijk is, de oorzaak van +plantenziekten kan zijn, en toch is dit inderdaad zoo. Er zijn toch +zeer vele schaduwminnende planten en verscheidene van deze zullen, +wanneer men ze slechts korten tijd aan de zon blootstelt, spoedig +geheel en al bederven. Onder deze planten behooren al de Selaginella's +en fijnere Varens. Alle tropische blad- en bloemplanten verlangen +des zomers een meer of minder beschaduwde standplaats; zij krijgen, +in de zon geplaatst, brandvlekken, worden daardoor leelijk, ja, +sterven er dikwijls geheel door. Behalve de z.g.n. vetplanten, waartoe +b.v. de Cactussen behooren, zijn er niet veel planten, die des zomers +ongeschermd achter een op het zuiden gelegen venster kunnen gekweekt +worden. Door de sterke zonnestralen ontstaan namelijk bruine vlekken +op de bladeren, die niet meer verdwijnen. Vooral is dit het geval, +wanneer de planten, in de volle zon staande, bespoten worden. Vensters, +die op het Zuiden gelegen zijn, moeten dan ook voorzien zijn van +een inrichting, waarmede men de planten tegen de te scherpe zon kan +beschermen, maar niettegenstaande zulk een inrichting, zullen zij +toch nog zeer lijden, wanneer aan de vensterbank geen gelegenheid +is gemaakt, in den vorm van een bak, waarin ook de potten tegen de +zon beschermd staan. Wanneer die toch met volle kracht op de potten +schijnt, worden ze zoo warm, dat al de zich aan de zonzijde bevindende +wortels verbranden. Niet alleen hierdoor, doch ook nog door het veel +te sterk uitdrogen, hebben de planten in dit geval veel te lijden. + +Een der grootste gevaren voor onze kamerplanten is zeker wel het +gebrek aan voedingsstoffen. De langzaam groeiende planten moeten eens +per jaar, bij voorkeur in het voorjaar, verplant worden; met de snel +groeiende moet dit in den loop van den zomer meermalen geschieden. De +meeste onzer plantenliefhebbers weten dit echter niet; zij laten hun +planten jarenlang in denzelfden pot staan en zelfs bij de zorgvuldigste +behandeling moet dan een plant ten laatste sterven. Door aanwending +van mest kan het verplanten wel tijdelijk uitgesteld worden, in geen +geval echter is dit dan, zooals velen denken, onnoodig geworden. Is de +aarde slecht en zuur geworden of is de plant zóó beworteld, dat het +vormen van nieuwe wortels onmogelijk is, dan moet zij noodzakelijk +verplant worden. Mest, van welke hoedanigheid ook, zal in zulke +gevallen meer kwaad dan goed doen. + +Ten laatste kunnen ook nog ziekten ontstaan door het bevriezen der +planten. Zijn zij aan een lichte vorst blootgesteld geweest, dan moet +men vóór alles het spoedig ontdooien voorkomen. Een zeer goed middel +is, de planten dan zoo spoedig mogelijk met koud water te bespuiten +en ze twee of drie dagen in een koele kamer te laten staan. Bevroren +planten mogen in geen geval in een verwarmd vertrek of in de zon +worden gezet. + +Zooals wij gezien hebben, komen de ziekten van kamerplanten uit zeer +verschillende oorzaken voort en wij zijn niet in het bezit van pillen +of drankjes, waarmede zij weder te genezen zijn. De verschillende +oorzaken hebben wij zoo uitvoerig mogelijk beschreven, opdat de lezer +zou begrijpen, dat hij zijn planten slechts door een zeer oplettende +behandeling gezond kan houden, en dat zieke planten alleen met zeer +veel moeite weer genezen kunnen worden. + + + + +Het verwarmen der vertrekken. + +Een kweeker bewaart zijn planten in vier, door de temperatuur van +elkander onderscheiden kassen, namelijk in warme, gematigde en koude +kassen, benevens in een oranjerie. De gemiddelde wintertemperaturen +bedragen voor de warme kas van 60°-65° Fahr., voor de gematigde kas +van 50°-55° Fahr., voor de koude kas van 40°-45° Fahr. en voor de +oranjerie van 35°-40° Fahr. De warme kas van een kweeker komt overeen +met de woonkamer van een liefhebber, de gematigde kas met een suite +of slaapkamer, waarin slechts weinig gestookt wordt, de koude kas +met een vertrek, waarin slechts bij strengere vorst gestookt wordt +en de oranjerie met den vorstvrijen kelder. + +Een liefhebber moet echter niet vergeten, dat hij met een hooge +temperatuur nooit die resultaten zal bereiken als een kweeker en +hij moet er ook voor zorgen, dat hij de tropische planten gedurende +den winter altijd in een lagere temperatuur bewaart dan die, welke +de kweeker ze in zijn kassen geeft. De vochtige wanden, de altijd +vochtig gehouden paden der warme kassen, de meestal daarin gebruikte +warmwatertoestellen, de steeds water uitwasemende planten zijn alle +oorzaak, dat in de kassen de vochtigheidsgraad geëvenredigd blijft met +den warmtegraad. Een groot voordeel leveren de warme kassen ook nog op, +namelijk, dat de temperatuur, doordat er dag en nacht gestookt wordt, +steeds vrij gelijkmatig blijft. + +Hoe slecht zijn, daarmede vergeleken, de toestanden in onze +woonvertrekken! Hoe meer wij overdag stoken, des te droger wordt +de lucht en des te ongunstiger wordt zij voor het leven der +planten. Daarbij komt nog, dat in sterk verwarmde vertrekken het +verschil tusschen dag- en nachttemperatuur meestal zeer groot is. De +planten, die overdag in een warmtegraad van ruim 65° Fahr. staan, +moeten na een kouden nacht zich des morgens dikwijls met 35° +tevreden stellen. Des morgens begint men dan weder te stoken; de +temperatuur rijst nu snel, om in den daarop volgenden nacht weder +even snel te dalen. Om deze reden groeien tropische planten vaak +beter in een vertrek, dat niet zoo warm gestookt wordt. Gedurende +koude winternachten doet de buitentemperatuur zich nabij de vensters +natuurlijk sterker gevoelen dan meer midden in de vertrekken; reden +waarom het zeer geraden is de planten des avonds van het venster +te verwijderen. Het beste doet men, de planten des avonds midden +in het vertrek te zetten en zoo mogelijk op een verhevenheid, daar +de temperatuur boven in het vertrek altijd warmer blijft dan nabij +den vloer. + +Hij, die het verwarmen zijner vertrekken regelen kan naar de daarin +staande planten, doet het best een reguleerkachel te gebruiken. Deze +kachels geven geen rook en stof, branden zeer gelijkmatig, kunnen +het vertrek op iedere verlangde temperatuur houden en branden, wat +een zeer groot voordeel is, ook des nachts door. De droge lucht in +het vertrek laat zich eenigszins temperen door achter op de kachel, +waarvoor meestal een inrichting is, een ketel met water te zetten, +dat dan langzaam verdampt. + +Het gebruik van z.g.n. calorifères is in kamers, waar men planten +heeft, zeer te ontraden, wijl zij een zeer ongelijkmatige warmte geven, +en veel schadelijke dampen verwekken. + +In de moderne groote huizen worden vaak alle vertrekken door een +centraal toestel verwarmd, dat zóó is ingericht, dat men ieder vertrek +de verlangde temperatuur kan geven. Gebruikt men voor deze verwarming +heete lucht, dan zullen noch de menschen, noch de planten zich daar wel +bij bevinden; wordt echter stoom of warm water gebruikt, dan worden +de toestanden veel beter. De vrij omslachtige stoomverwarming wordt +betrekkelijk weinig, de warmwaterverwarming daarentegen tamelijk veel +aangetroffen. Ook bij deze verwarming moet men den vochtigheidsgraad +in de vertrekken verhoogen, door, indien het eenigszins mogelijk is, +schotels met water op de buizen te zetten. In koudere vertrekken, +die slechts zeldzaam verwarmd worden, is het niet noodig de lucht +vochtiger te maken. + +Ten slotte willen wij nog opmerken, dat ook in vertrekken, waarin niet +gestookt kan worden, zeer harde planten goed kunnen overwinteren. Wordt +het zóó koud, dat het in de vertrekken zou kunnen vriezen, dan kan men +in zoo'n kamer een veelvoudig gebruikt wordend petroleumkooktoestel, +of, zoo men daarover kan beschikken, nog beter een petroleumkacheltje +zetten. Bij zeer strenge vorst is het geraden, het toestel of kacheltje +ook des nachts, al is het niet hoog, te laten branden. + + + + +Het luchten der vertrekken. + +Een plant heeft voor haar goede ontwikkeling lucht, licht, +warmte, vochtigheid en voedsel noodig, en wel alles in de juiste +verhouding. Wij hebben reeds gezien, hoe men zijn planten behoorlijk +licht moet verschaffen, hoe men ze moet begieten en bemesten, ook op +welke wijze men ze de noodige warmte moet geven; wij willen nu nog even +nagaan, hoe men ze aan de noodige frissche lucht moet helpen. Iedere +plant neemt uit de lucht bepaalde voedingsstoffen op, zij heeft voor +haar onderhoud dus wel degelijk behoefte aan goede lucht. + +Des zomers, wanneer de hardere planten in den tuin staan en +de zachtere door de desnoods dag en nacht geopende vensters de +noodige frissche lucht toegevoerd krijgen, is het gebrek aan lucht +niet zeer voelbaar. In oude, slecht gebouwde huizen, enge straten +en ingebouwde tuinen zal men dan echter, zooals trouwens altijd, +gebrek aan de noodige lucht hebben. In zulk een geval is daar echter +niet veel aan te verhelpen. Maar gedurende den winter worden de +vertrekken weinig of in het geheel niet gelucht, en mensch en dier +hebben daaronder te lijden. De minste frissche lucht behoeven de +tropische, in warme vertrekken gekweekte planten, zooals Palmen en +andere bladplanten. Staan deze, zooals het behoort, dicht bij het +venster, dan krijgen zij genoegzaam versche lucht, door de kieren +daarvan. Worden de vertrekken door meerdere personen bewoond, +dan moeten zij natuurlijk dagelijks zeer goed gelucht worden. Dit +luchten nu moet zoodanig geschieden, dat de planten daar niet door +lijden. Heeft men een suite, dan doet men het beste de vensters van +dat vertrek, waar geen planten staan, te openen en de tusschendeuren +geopend te houden. Heeft men geen suite, dan moet men de planten +van de vensters verwijderen, deze openen en in de opening een hor, +met dicht ijzergaas bespannen, zetten, ten einde op die wijze tocht +te voorkomen. Wil men zulke horren niet gebruiken, dan worden de +planten tijdelijk zoo ver mogelijk van de vensters verwijderd en +met een lichten doek bedekt, zoodat de koude luchtstroom haar niet +direct kan bereiken. Bij het luchten moet men steeds oppassen, dat er +geen trekking ontstaat en dus nooit vensters of deuren over elkander +openzetten; ook mag, bij koud weder, de temperatuur niet te veel dalen, +wat men voorkomen kan door tijdens het luchten flink te stoken. + +Bij het luchten van vertrekken, waarin harde planten overwinterd +worden, behoeft men niet zoo voorzichtig te zijn. Deze kamers, +waarin slechts in hoog noodige gevallen gestookt wordt, kan men altijd +luchten, zoolang de buitentemperatuur meer dan 35° Fahr. bedraagt. Bij +een dergelijke temperatuur is het beter dezen planten zooveel mogelijk +frissche lucht te geven. Des nachts moeten de vensters echter steeds +gesloten worden, om te voorkomen, dat onverwacht intredende vorst de +planten beschadigt. + +In het voorjaar moet zeer veel gelucht worden, niet alleen wijl +dan door den invloed van de zon de temperatuur zeer stijgt, maar ook +omdat men er voor moet zorgen, de planten, die 's zomers buiten moeten +verblijven, behoorlijk aan de lucht te gewennen en te harden. + +In onvoldoende of in het geheel niet geluchte vertrekken ontwikkelen +vele planten zich ontijdig; zij krijgen dan kleurlooze, zwakke scheuten +en bladeren. Bij vele treedt in zulk geval stamrotting en schimmel +op, terwijl zij spoedig door ongedierte zullen worden aangetast. Om +deze ongemakken te voorkomen, moet men ook des winters iedere goede +gelegenheid aangrijpen, ten einde aan de planten behoorlijk frissche +lucht te verschaffen. + + + + +Het overwinteren en aan den groei brengen van bollen en knollen. + +Onder de kamerplanten bevinden zich verscheidene bol- en knolgewassen, +die door zeer schoone bloemen uitmunten. Deze ontwikkelen zich des +zomers meestal tot flinke planten, die zeer rijk en prachtig kunnen +bloeien. In het najaar beginnen ze langzaam te verdorren, zij worden +kleiner en kleiner en sterven ten laatste geheel af. De onervaren +liefhebber, die wellicht zulk een plant in haar volle ontwikkeling ten +geschenke bekwam, ziet haar tot zijn spijt langzaam achteruitgaan, +en kan maar niet begrijpen wat de oorzaak daarvan is; hij is in de +behandeling der plant toch zoo voorzichtig mogelijk geweest. Ten +slotte wordt dan de groote fout begaan, haar weg te werpen. + +Bol en knolgewassen, die een volmaakten rusttijd behoeven, toonen al +de eigenschappen, die wij hier hebben opgesomd. De liefhebber, die dit +weet, houdt bij de behandeling dier planten daarmede rekening. Met het +begin van den herfst, wanneer de nachten koeler beginnen te worden, +zullen de in vensterbank gekweekte bol- en knolgewassen langzamerhand +hun schoonheid gaan verliezen. Men moet nu deze planten haar rusttijd +laten intreden, door langzamerhand minder te gaan gieten. De potten +worden dus zuiniger begoten dan des zomers en al naar de planten +stengels en bladeren verliezen, geeft men minder water, totdat +men ten slotte, wanneer zij geheel afgestorven zijn, met gieten +ophoudt. Men neemt nu de planten uit de vensterbank en zet ze in +een hoek van een koeler vertrek. Na eenigen tijd zal de aarde in de +potten geheel uitdrogen, waarop de bollen of knollen er uit genomen +worden. De droge aarde laat zich gemakkelijk uit de wortels schudden; +deze worden dicht bij den knol afgesneden en zoo er zich nog stengels +aan bevinden, worden deze diep ingesneden of geheel verwijderd. De +aldus schoongemaakte bollen en knollen worden nu in een bakje met +droog zand gelegd en zoo in een vorstvrije kamer bewaard. Op deze +wijze behandelt men de knollen van Begonia's, Gloxinia's en de meeste +Gesneriaceeën, alsook de bollen van Ismene (Pancratium), Sprekelia +(Goudlelie) en verscheidene andere. De knollen van Dahlia's en +Canna's, de bollen der Lilium's en verscheidene Amaryllissen laten +zich bij voorkeur niet geheel droog overwinteren; zij krimpen dan +geheel in, en worden ten slotte waardeloos. Deze planten behandelt +men aanvankelijk juist zooals wij daareven vermeld hebben. Zijn zij +uit de aarde genomen en schoongemaakt, dan doet men het beste ze +gedurende haar rusttijd in een vorstvrijen kelder op slechts even +vochtig zand te leggen en gedurende strenge vorst met een oud tapijt +of leege zakken te bedekken. Dergelijke bollen en knollen, die niet +geheel droog overwinteren willen, maken het den liefhebber zeker het +lastigste; zij rotten gemakkelijk, waarom zij gedurende den winter +voortdurend nagezien moeten worden. Het is dus zaak, ze dan eenige +malen stuk voor stuk na te zien; vindt men aan den een of ander een +rotachtige plek, dan wordt die met een scherp mesje weggesneden, +en het snijvlak goed met houtskoolpoeder bestrooid. + +Bij vele rustende bolgewassen zal men kunnen waarnemen, dat de +dikke wortels afsterven; dit is het geval bij de Lilium's (Lelies) +en eenige Amaryllis-soorten. Deze bollen, waarvan men de Lilium's zoo +koel mogelijk en de Amaryllissen iets warmer moet laten overwinteren, +laat men in de potten staan, of wel, men neemt ze er uit, om ze +met de wortels in droog zand te graven. Een andere wijze om bol- +en knolgewassen te laten overwinteren is, ze na het afsterven en +opdrogen in de potten te laten staan en ze pas in het voorjaar uit +te schudden en schoon te maken. Dit heeft het voordeel, dat men den +wortels meer tijd geeft tot rustig afsterven; het heeft echter dit +tegen, dat men niet kan nagaan of er ook rotplekken zijn ontstaan, +zoodat men dikwijls in het voorjaar tot de onaangename ontdekking komt, +dat de knol geheel is verrot. Past men deze wijze van overwinteren toe, +dan is het voldoende die bol- en knolgewassen, welke niet geheel willen +opdrogen, eenige malen per winter met een broesgietertje te besproeien. + +Hebben de rustende bollen en knollen met succes overwinterd, dan komt +de groote vraag, om deze schijnbaar doode voorwerpen weder tot het +leven terug te roepen. Zij moeten dus ter rechtertijd weder opgeplant +en aan den groei gebracht worden. Al naar den tijd, waarop men de +planten in bloei wil hebben, begint men vroeger of later met het +opplanten. Als vroegste datum geldt wel de maand Januari, als beste +zeker de maand Maart. Iedere bol of knol wordt nu afzonderlijk in +een kleinen pot geplant, waartoe men bij voorkeur zeer zandige aarde +gebruikt. Al naar de soorten meer of minder warmte noodig hebben, +zet men ze dan op de vensterbank, in een warmere of koudere kamer. + +Bij het behandelen van bol- en knolgewassen moet men er in de eerste +plaats om denken, dat zij, in tegenstelling met alle andere planten, +niet direct na het opplanten aangegoten mogen worden. Men moet hier +enkele dagen mede wachten, totdat de aarde, waarin men ze geplant +heeft, behoorlijk is opgedroogd. Het begieten moet ook gedurende den +eersten tijd zeer voorzichtig geschieden, daar men moet toezien, +dat de knollen niet direct met het water in aanraking komen. Men +giet dus langs den rand van den pot en met het oog hierop zal men +wel doen zóó te planten, dat de aarde naar het midden toe een weinig +oploopt. Wanneer de bollen en knollen eenmaal flink aan het groeien +zijn, en men veronderstellen kan, dat de wortels goed in de aarde +zijn doorgedrongen, dan kan men meer en ook geregelder gieten. + +Doordat vele liefhebbers met den rusttijd dezer gewassen onbekend +zijn en zoodoende vele bol- en knolgewassen òf in het najaar worden +weggeworpen, òf in het voorjaar verkeerd behandeld, worden zeer +veel fraaie planten geheel ten gronde gericht. Veel schade wordt ook +aangericht door het ongeduld van vele liefhebbers. Een bol of knol, +dien men vandaag geplant heeft, begint niet direct morgen te groeien; +vele liggen verscheidene weken, sommige wel twee maanden, voordat +er werking in komt. Men moet daarom geduld hebben, en mag hoogstens +door een laagje aarde te verwijderen en voorzichtig met den vinger +te voelen, zich overtuigen of de bol of knol niet tot rotting is +overgegaan. Dit rotten heeft meestal plaats, wanneer men de knollen +of bollen te veel begiet, te diep in de aarde geplant heeft en ook, +wanneer een ongeduldige ze telkens weder uit de aarde neemt om te +zien of ze nog geen wortels maken of uitgroeien. Wil men ook in dit +opzicht zijn pogingen met succes bekroond zien, dan moet men in de +eerste plaats geduld oefenen. + + + + +De kamerplanten gedurende den zomer. + + +A. In den Tuin. + +Wanneer het ongestadige voorjaarsweer voorbij is en voor een meer +geregelde zomerwarmte heeft plaats gemaakt, waardoor de tuin zich +weder in zijn fraaiste blader- en bloemenkleed heeft gestoken, dan is +het niet geraden alle kamerplanten, die men des winters binnenhield, +nog steeds binnen te doen blijven. De meeste kamerplanten houden er +van des zomers in de frissche, vrije lucht te staan en versche lucht +kan men den planten, zelfs met de beste ventilatie-inrichting, in de +kamers slechts weinig geven. Betrekkelijk weinige, zeer gevoelige +planten moeten ook des zomers in gesloten kamers gekweekt worden; +verreweg het meerendeel doet men beter andere plaatsen te geven. De +beste plaats voor alle, niet te teere, gewassen is zeker wel in den +tuin. Een liefhebber zal zeker aanmoedigende resultaten verkrijgen, +wanneer hij een zonnig en beschut stukje grond bij zijn huis heeft, +dat hij des zomers niet alleen met eigenlijke tuinplanten, maar ook +met zijn kamerplanten kan versieren. De veelvuldige vormen, die de +uit zeer verschillende streken stammende kamerplanten bezitten, kunnen +aan een tuintje een zeer eigenaardig en aantrekkelijk voorkomen geven. + +Al naar den aard van de buiten te brengen potplanten moet de +plaats bepaald worden, waar men ze zetten zal. Terwijl bijna alle +Cactussen en Vetplanten bij voorkeur in de volle zon staan, moeten +de meeste bloemplanten een eenigszins meer beschaduwde standplaats +bekomen. Palmen, en andere tropische bladplanten, verkiezen bij +voorkeur een plaats in halfschaduw, terwijl Varens op een zeer +schaduwrijke plek moeten gezet worden. Wat de hardere decoratie-planten +betreft, zooals: Laurus (Laurier), Citrus (Oranjeboom), Laurus-Tinus, +Rhododendron (Alpenroos), Evonymus en vele andere, deze zijn wat de +plaats betreft niet zoo heel erg kieskeurig. Zij groeien in de volle +zon even goed als in een niet te dichte schaduw. In ieder geval moet +er echter op gelet worden, dat men de planten zóó plaatst, dat zij +beveiligd zijn tegen tocht of harden wind. Tocht is zeer schadelijk +voor alle planten en harde wind kan groote schade aanrichten, door +het uit den pot rukken der planten, het breken van takken en het +scheuren der grootere bladeren. + +Indien men de planten boven op den grond plaatste, dan zouden zij +bij warm zomerweer zeer snel en bijna geheel uitdrogen, wat voor +de ontwikkeling zeer schadelijk is. Een tweede bezwaar zou zijn, +dat de grootere planten bij den minsten wind zouden omwaaien. Beide +bezwaren kan men gemakkelijk voorkomen, door de potten in te graven. De +plaats, waar men zijn planten wil ingraven, moet eerst omgespit en +gelijk geharkt worden. Het zou nu zeker het gemakkelijkst zijn met +een kleine spade de gaten te maken, waar men zijn planten in wil +zetten. Toch doet men beter dit met een ander werktuig en wel met +een puntigen dikken paal te doen. Eerst rangschikt men de planten op +de bepaalde plaats, waarbij men er op moet letten, dat iedere plant +de noodige ruimte heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen, waarom +zij dus niet te dicht op elkander mogen staan. In de tweede plaats +moet men zorgen, dat al de planten te zamen een goede groep vormen, +die een aangenamen indruk maakt. Heeft men de planten gerangschikt, +dan neemt men ze een voor een van haar plaats en maakt op de plek, +waar zij stonden, een diep gat. Men doet dit door den paal midden op +de plek, waar de pot stond, flink diep in den grond te drukken en +hem dan, al naar de grootte van den pot, in meer of minder schuine +houding eenige malen rond te draaien. Heeft men op deze wijze het +gat zóó wijd gemaakt, dat de pot er gemakkelijk in kan, dan wordt de +plant er in gezet en de aarde rondom den pot aangedrukt. Deze wijze +van ingraven heeft zeer veel voordeelen. Onder den pot toch blijft een +vrij diep spits toeloopend gat, dat goede diensten zal bewijzen om het +overvloedige water, dat, hetzij door het gieten, hetzij door zwaren +regen, op den pot komt, gemakkelijk door het drainagegaatje te doen +wegloopen. Een tweede voordeel is, dat door het geheel vrij liggen +van het drainagegaatje, regenwormen en ander ongedierte verhinderd +worden, daardoor in den pot te dringen. Bij het ingraven moet men er +ook op letten, dat niet de rand van den pot gelijk met de aarde komt te +staan; deze moet er minstens één of twee centimeter uit steken, daar +anders bij zware regens de tuinaarde op de potaarde wordt gespoeld, +wat minder wenschelijk is. Grootere planten, die in kuipen staan, +graaft men niet in, daar dan de kuipen gemakkelijk rotten. Men zet +de kuip echter op drie baksteenen, er op lettende, dat zij in alle +richtingen waterpas staat, en slaat dan door de ooren een paar stevige +stokken, ten einde het omwaaien te voorkomen. + +Wanneer dit eenigszins mogelijk is, moet men er voor zorgen, dat de +kamerplanten, vóórdat zij buiten gezet worden, tijdig verplant zijn, +zoodat zij eenigen tijd rustig kunnen blijven staan op de plaats, +waar men ze ingegraven heeft. + +Niet weinig kamerplanten hebben gedurende den winter in de +woonvertrekken armoede geleden; zij zien er dan in het voorjaar +ziekelijk uit en gaan zeker dood, wanneer geen bijzondere maatregelen +genomen worden. Gewoonlijk behooren deze patiënten tot de hardere +planten, en deze knapt men het beste op, door ze uit den pot te nemen, +de kluit wat los te maken, de zieke wortels weg te snijden en ze dan +vrij in den tuin uit te planten. Wanneer dit uitplanten moet dienen +om zieke planten weder gezond te doen worden, dan moet men ze niet +alleen op een gunstige plaats zetten, doch ook in een goed bereiden +grond planten. Het beste doet men door op de bepaalde plaats de +aarde een goeden steek diep uit te graven en die te vervangen door +goede compostaarde. Is dit niet mogelijk, dan spit men den grond om, +na er een flinke hoeveelheid zand en ouden koemest op gebracht te +hebben. Het gebruik van verschen mest is voor dit doel niet raadzaam; +het geschiktst is koemest, die een jaar oud is. Kan men niet over +ouden koemest beschikken, dan spit men de aarde alleen met zand om en +zoodra de uitgeplante gewassen krachtig beginnen door te groeien, giet +men enkele malen met verdunden koemest. De zoogenaamde harde planten, +die het uitplanten verdragen, ontwikkelen zich daarna prachtig. Het +beste voorbeeld daarvan levert de Musa Ensete (Abessinische Banaan), +die dikwijls in het voorjaar, zelfs bij de kweekers, geen enkel +blad meer bezit en uitgeplant, in den herfst somtijds vijftien +tot twintig reusachtige bladeren gemaakt heeft, die niet zelden +een lengte bereiken van 2 of 3 meter. Afgezien van de Palmen, die +nooit in den tuin uitgeplant mogen worden, is het uitplanten van de +meeste kamerplanten, mits geen absoluut warme planten, zeer aan te +bevelen. Willen wij bij het uitplanten van die gewassen, welke des +winters in de warme kamer moeten staan, een zeer goed succes hebben, +dan moet men ze een z.g.n. warmen voet geven. Hiertoe wordt een gat +gegraven van ongeveer een Meter diep; hierin brengt men, op dezelfde +wijze als een kweeker dat in zijn warmen bak doet, een laag van 80 +cM. verschen paardenmest, die er in lagen wordt ingebracht d.w.z. de +mest wordt er bij gedeelten in geworpen, goed gelijk gemaakt en +stevig vastgetrapt. Op deze laag mest brengt men de aarde, die zóó +hoog opgewerkt wordt, dat er een flink verhoogd, doch van boven vlak +vak ontstaat. De aardlaag op den mest moet, al naar de grootte der +planten, 30-60 cM. dik zijn en moet minstens 20 cM. boven den beganen +grond uitsteken. Deze verhooging is zeer noodig. Te gelijk met het +verteren, zakt toch de paardenmest en natuurlijk dus ook de aardlaag +met de planten. Heeft men nu de opgebrachte aarde niet behoorlijk +boven den beganen grond doen uitsteken, dan zal in het najaar de +plant in een kuil komen te staan, die uit den aard der zaak koud en +vochtig is. Wanneer men het niet te veel moeite acht, dan kan men +op dezelfde wijze ook aan die planten, die niet uitgeplant worden, +een warmen voet geven, door op de mestlaag een zoo dikke laag aarde +te brengen als de potten hoog zijn en deze daarin te graven. Ook in +dit geval moet men zorgen, dat de potten minstens 20 cM. boven den +beganen grond staan. Een warme voet bevordert sterk de wortelvorming, +en heeft daarom zulk een gunstigen invloed op den groei. De in den tuin +uitgeplante of ingegraven gewassen veroorzaken den liefhebber niet zeer +veel moeite. Een hoofdzaak is, dat men de planten 's morgens vroeg, +wanneer de zon nog niet brandt, en des avonds direct na het gieten, +met de handspuit goed besproeit, of wel men giet de bladeren en twijgen +met een broesgietertje goed nat. Het gieten doet men steeds des avonds +en mocht dit wegens de groote zomer warmte, gepaard met droogte, +niet voldoende zijn, dan giet men 's morgens vroeg nog eens over. + +Wat nu het verplanten en bemesten betreft, gelden voor de buiten +ingegraven planten dezelfde regels, die wij reeds vermeld hebben. Wat +de uitgeplante kamerplanten betreft, moeten wij er op letten, dat deze +tijdig weder in de potten worden gezet. De lastigste onder haar, die +moeilijk aan den groei gaan, moeten in de laatste helft van Augustus, +de andere in de eerste helft van September opgenomen worden. Wanneer +men al de voordeelen, die met het uitplanten bereikt zijn, niet +weder met het in de potten zetten wil verliezen, dan moet dit zeer +voorzichtig geschieden. Men doet dit op een donkeren, regenachtigen +dag, neemt de planten voorzichtig op, zoodat zij zoo weinig mogelijk +wortels verliezen en zet ze in goed passende potten. Zijn de planten +voorzichtig opgepot, dan worden zij op een beschutte, schaduwrijke +plek gezet en goed aangegoten. Op deze plek laat men ze nog een dag +of veertien staan, er voor zorgende, dat bladeren en takken, zoowel +als de kluit, goed vochtig blijven. Gedurende deze veertien dagen +en ook gedurende de eerste dagen, nadat zij weer in de kamer staan, +zorgt men er voor, dat de planten niet door de zon beschenen worden, +ten einde het afvallen van bladeren te voorkomen. + + + + +B. De kamerplanten op het balkon en in de vensterbank. + +Er zijn helaas slechts weinig liefhebbers, die over een tuin kunnen +beschikken, om er des zomers hun planten in te kweeken. In de grootere +steden heeft men slechts te beschikken over kamers, vensterbanken en +in het gunstigste geval over een balkon, en met deze hulpmiddelen +moet men dan zijn planten kweeken. Die liefhebbers, die maar een +beperkte ruimte hebben, kweeken in den regel slechts planten, van +kleine afmetingen. Wanneer tegen het einde van Mei meer bestendig weer +gaat heerschen, moet men ook de planten buiten brengen, die dan op het +balkon of op de buitenvensterbank worden gezet. Een fraaie versiering +der balkons en vensterbanken zal den waren liefhebber, die over geen +tuin kan beschikken, altijd zeer veel genot verschaffen. Wel is waar +staan nu de bloemen boven de straten en zijn zij daardoor voortdurend +aan den wind blootgesteld, terwijl het van de straten opwaaiende stof +ze bevuilt, waardoor zij lang niet zoo gunstig staan als in den tuin, +maar bij een oplettende behandeling kan men toch met het balkon en +de vensterbank zeer aardige resultaten verkrijgen. Afgezien van de +bakjes, waarop wij later terugkomen, is het balkon het best geschikt +om de grootere potgewassen te herbergen, aangenomen natuurlijk, dat de +ligging eenigszins gunstig is en dat het nu en dan wat zon heeft. Voor +het plaatsen der planten in de vensterbank heeft de liefhebber meestal +een betere keus, daar veelal de vensters in verschillende hemelstreken +liggen. Voor planten, die veel zon verlangen, gebruikt men de vensters +op het zuiden; voor de andere planten kan men de verschillende vensters +gebruiken, doch bij voorkeur die, welke morgenzon hebben. De vrij in +het venster staande planten hebben echter, vooral bij groote hitte +midden in den zomer, veel te lijden van de zon, wanneer daartegen +geen maatregelen genomen worden. Zeer goede beschermers tegen de zon +zijn buitenjaloezieën, die men met een paar ijzeren haken zóó geleidt, +dat zij over de planten neergelaten kunnen worden, zonder die aan te +raken. Door meer of minder opentrekken der jaloezieën, kan men den +planten juist zooveel zon geven, als wordt noodig geacht. + +De plantenrekjes, die meestal in de vensterbanken worden aangebracht, +zien er wel heel aardig uit, maar zijn voor het doel, waarvoor zij +moeten dienen, meestal geheel ongeschikt. Deze bloemenrekjes bestaan +gewoonlijk uit een paar plankjes om er de potten op te zetten en +een hekje, dat moet dienen, om het naar beneden vallen der potten te +voorkomen. Dat hekwerk nu is zoo onpractisch mogelijk. Wel wordt het +naar beneden vallen der potten er door verhinderd, doch het beschermt +deze geenszins tegen de zon. In den zomer brandt de middagzon met volle +kracht op de steenen potten, waardoor deze overmatig verhit worden. Het +gevolg daarvan is niet alleen, dat de aarde snel en volkomen uitdroogt, +maar ook, dat de tegen den potwand liggende wortels verbranden en +natuurlijk dood gaan. Hier heeft men met gevallen te doen, waarover +wij vroeger reeds spraken. De kluiten worden toch geheel droog en +nemen ten laatste geen water meer op. Als gevolg hiervan, en van +het verbranden der wortels, gaan de planten merkbaar achteruit en +tevergeefs gist de liefhebber naar de oorzaak van den slechten groei +zijner lievelingen. Fig. 63 toont ons een zoodanig bloemenrekje en +tegelijkertijd, hoe slecht de planten er daarin kunnen uitzien. Een +goed bruikbaar plantenrekje moet geheel van hout zijn en het voorkomen +van een bakje hebben, waardoor de potten doelmatig tegen het inwerken +der zon beschut worden. Toch kan zoo'n gesloten plantenrekje er zeer +elegant uitzien, wanneer men het uit besneden hout laat vervaardigen, +of wel het met kurkschors of andere ornamenten laat bekleeden. Maar +zelfs het eenvoudigste groen geverfde bloemenrekje voldoet uitstekend, +wanneer men slechts zorgt, dat het gesloten is. Ook kan zulk een +eenvoudig rekje er zeer mooi uitzien, wanneer men de planten zóó +schikt, dat de buitenwand geheel met hangplanten wordt bedekt. Voordat +de planten in het rekje gezet worden, vult men het voor twee derden met +zaagsel of nog beter met fijnen turfmolm; hierin worden de planten tot +op 2 à 3 cM. onder den rand ingegraven. De pot kan, daar hij poreus +is, een goede hoeveelheid water opnemen; en staat hij nu ingegraven, +dan blijft hij steeds vochtig, wat den tegen den binnenwand groeiende +wortels ten goede komt. De op deze wijze ingegraven potten zijn geheel +tegen den schadelijken invloed der zon beschermd. Een groot voordeel +heeft het ingraven in turfstrooisel ook nog. Dit neemt veel water +op en door de verdamping hiervan wordt de lucht rondom de planten +altijd eenigszins vochtig gehouden, terwijl men ook niet behoeft te +vreezen, dat het gietwater, wanneer het bakje niet waterdicht is of +geen afvoerbuisje heeft, den vloer zal beschadigen. Dit water wordt +toch door het turfstrooisel openomen (Fig. 64). + +In veel gevallen moeten echter de planten voor het venster gezet +worden, zonder dat men een plantenrekje kan aanbrengen, zij worden +dan door een ijzeren stang voor afvallen behoed. Dan beschut men +den pot tegen de te felle zonnestralen, door hem in een grooteren te +zetten, en de tusschenruimte met mos of turfstrooisel op te vullen +(Fig. 65). Dit mos kan men gemakkelijk voldoende vochtig houden. + +De planten, die op het balkon of voor het venster staan, veroorzaken +heel wat meer moeite dan die, welke in den tuin staan. Vooreerst moeten +wij er op rekenen, dat de planten, die in de kamer gestaan hebben, +verwend zijn en gewoonlijk is het de zon, die in den beginne het meeste +kwaad doet. De bladeren krijgen, wanneer men ze ondoordacht buiten zet, +brandvlekken; en zelfs vetplanten, die van veel zon houden, kunnen in +den beginne daarvan lijden. Het is niet alleen raadzaam de planten, +die men buiten wil zetten, eerst langzamerhand door meer luchten te +harden, maar men moet ze ook, wanneer men ze buiten heeft gebracht, +in den beginne tegen de zon beschermen. Langzamerhand schermt men +wat minder, totdat de planten ten laatste aan de zon gewend zijn. Dit +geldt niet alleen voor planten, die op het balkon of in de vensterbank +worden gekweekt, doch ook voor die, welke men des zomers in den tuin +zet. Het bespuiten moet zoowel des avonds als des morgens geschieden, +en vooral op het gieten moet goed acht gegeven worden. Bij het +rangschikken der planten moet men er niet alleen op letten of zij, +van uit de straat gezien, een mooi effect maken, doch men zie toe of +zij wel goed ruim en luchtig staan, zoodat zij zich naar alle zijden +goed kunnen ontwikkelen. + + + + +Plantenbakjes en hun Beplanting. + +De balkons en waranda's zijn in de steden slechts zelden zóó ingericht, +dat men ze met overblijvende klimplanten kan laten begroeien. Deze +moeten dicht tegen het huis in den vollen grond geplant worden, en +kunnen dan in betrekkelijk korten tijd een groot gedeelte van het huis +zeer fraai bekleeden. Een liefhebber zou nu wel deze klimplanten in +potten kunnen kweeken, doch dat gaat niet heel best. De potten moeten, +zooals wij reeds gezien hebben, tegen de zonnestralen beschermd worden, +iets, dat in de vensterbank tamelijk gemakkelijk gaat, doch dat op +het balkon meestal tamelijk lastig te bewerkstelligen is. Daarbij +komt nog, dat dergelijke planten zich in potten lang niet zoo goed +ontwikkelen als die, welke voldoende ruimte hebben om haar wortels +naar alle zijden uit te spreiden. Voor dergelijke doeleinden worden +dan de plantenbakjes gebruikt. + +Deze bakjes worden vervaardigd uit grenen- of eikenhout en uitwendig +geolied. Het hout is een slechte warmtegeleider; het wordt in de zon +lang niet zoo warm als metaal of steen, en de wortels van in dergelijke +bakjes geplante gewassen loopen dan ook geen gevaar te verbranden. De +lengte der bakjes moet natuurlijk overeenkomen met die van het balkon; +zij moeten minstens 30 cM. diep zijn en in geen geval smaller wezen +dan 20 cM. Natuurlijk moeten zij stevig in elkander getimmerd worden, +daar zij anders door den invloed van vochtigheid en warmte licht uit +elkaar zouden trekken; ook moet men er voor zorgen, dat zich in den +bodem voldoende drainagegaten bevinden. Deze drainagegaten kunnen er +met een groote boor in geboord worden. + +Heeft men de bakjes enkele malen goed met olie laten verven en zijn +zij goed droog, dan kan men ze gaan gebruiken. Het beplanten doet men +het beste ter plaatse, waar men ze wil gebruiken, dus op het balkon of +in de veranda. Daar de voor de beplanting gebruikte gewassen meestal +in kweekerijen gekocht worden, en daar vaak onder glas zijn gekweekt, +waardoor zij niet tegen koude bestand zijn, doet men wijs het beplanten +niet te vroeg te verrichten. Het best is daartoe de laatste helft van +Mei geschikt. Willen wij nu de bakjes beplanten, dan moeten wij in de +eerste plaats daartoe goede aarde hebben en in de tweede plaats goede +planten. Een zeer goede aarde voor dergelijke bakjes bestaat uit 3 +deelen broeiaarde, 1 deel graszodengrond en 1/2 deel scherpzand. Aan +deze aarde voegt men voor een bakje van middelbare grootte een kleine +handvol hoornspaanders toe, een voor zulke inrichtingen uitnemende +meststof, daar zij slechts langzaam verteert en dus den geheelen zomer +door werkt. Ligt het balkon zoodanig op de zon, dat er kans bestaat +voor spoedig en geheel uitdrogen der aarde, dan is het voorzichtig bij +het opgegeven aardmengsel nog 1/3 deel turfstrooisel te voegen. De +ondervinding heeft mij geleerd, dat turfstrooisel en ook turfmolm +uitstekende hulpmiddelen bij de plantencultuur zijn. Turf bestaat uit +plantaardige stoffen, en heeft de eigenschap om, zonder te rotten of +zuur te worden, het overvloedige water uit de aarde op te nemen en +vast te houden. Door deze eigenschap is ze dus zeer goed geschikt om +planten, die niet al te onhandig gegoten worden, voor sterk uitdrogen +te behoeden. Wanneer men goed oplet, dan zal men bemerken, dat de +wortels van talrijke planten dikwijls in de stukjes turf doordringen +en zich daar rijkelijk in vertakken. + +Heeft men de aarde voor het bakje klaargemaakt en vooral goed gemengd, +dan wordt de drainage er in gebracht. Op ieder drainagegaatje wordt +een potscherf gelegd en de bodem verder met scherven bedekt. Hierna +wordt het bakje met aarde gevuld en deze gelijk gemaakt. Wil men het +doorlekken van het gietwater geheel of zoo goed als geheel voorkomen, +dan wordt op de scherflaag nog een laag grove turfstrooisel gelegd +van een paar vingers dikte. Indien men niet al te onbedachtzaam giet, +dan is deze laag voldoende om het overvloedige water op te zuigen, +dat zij dan langzamerhand eerst aan de aarde en later weder aan +de wortels teruggeeft. Wanneer men het bakje goed, dat wil zeggen, +tot een paar vingers beneden den rand, met aarde gevuld heeft, dan +kan met het beplanten aangevangen worden. In de eerste plaats moet +men daarbij in het oog houden, dat men wijd moet planten; er moeten +dus slechts weinig planten in ieder bakje gezet worden, opdat zij +voldoende ruimte hebben om zich goed te ontwikkelen. In den regel +toch wordt veel te dicht geplant; de bakjes zien er dan wel is waar +direct mooi gevuld uit, doch de planten hebben geen ruimte om goed +door te groeien en kunnen dus haar natuurlijke schoonheid niet ten +toon spreiden. Gebruikt men voor het beplanten potplantjes, dan neemt +men ze uit den pot, maakt de wortels met een houtje een weinig los, +zooals dit ook bij het verplanten geschiedt, snijdt deze wat in en +plant ze hierna zóó in het bakje, dat zij even diep, of hoogstens een +weinig dieper komen te staan, dan zij in haar pot stonden. Beplant men +de bakjes met éénjarige zomerbloemen, die men in de kamer in schotels +of kistjes uit zaad heeft gekweekt, of die in een kweekerij in een half +warmen bak zijn ontwikkeld, dan moet men den hoofdwortel een weinig +inkorten, ten einde de plantjes te nopen rijkelijk haarworteltjes te +maken. Het planten van deze zaailingen geschiedt met behulp van een +stevig, aan de punt een weinig toegespitst verplantstokje. Met dit +stokje steekt men daar, waar de zaailing moet komen te staan, een +voldoend diep en wijd gaatje in de aarde. Het plantje wordt nu met +de linkerhand zóó daarin gehouden, dat het worteltje loodrecht naar +beneden hangt, en de beide onderste blaadjes op de aarde rusten. Met +het stokje wordt dan het gaatje toegedrukt, zoodat de aarde goed om +het worteltje sluit en het plantje stevig vaststaat. + +Bij het beplanten der bakjes moet men met het kiezen der planten +natuurlijk rekening houden met het doel, dat men er mede wil +bereiken. Wil men een balkon laten begroeien, zoodat het hekwerk +daarvan geheel met bladeren bedekt wordt, dan is het verkieselijkste +klimplanten te gebruiken. In dit geval moet men, wanneer aan het +balkon of de warande geen bijzondere inrichtingen daartoe zijn, een +hekje van hout of ijzer aan ieder bakje laten bevestigen, opdat de +jonge plantjes daar in den beginne tegenop kunnen klimmen. Wil men +het geheele balkon in een priëel veranderen, dan moet men niet te +wijd uit elkander ijzerdraden spannen van een bepaalde hoogte van het +huis naar de balustrade der veranda. Hoe rechter deze draden loopen, +des te sneller zal men het gewenschte doel bereiken. + +Wanneer men klimplanten wil gebruiken, die weinig moeite veroorzaken +en een ongunstige ligging van het balkon, hetzij door gebrek aan zon, +hetzij doordat het veel aan den wind is blootgesteld, voor lief nemen, +dan neemt men Vitis quinquefolia (Wilde Wingerd) of Hedera Helix +(Klimop). De grootere kweekerijen zijn meestal goed voorzien van deze +planten, waarvan men ook verschillende variëteiten heeft gewonnen. Een +met Klimop of Wilde Wingerd beplant bakje vereischt in de eerste jaren +niet bijzonder veel zorg. Wanneer men niet verzuimt deze planten, +wanneer zij zich in haar krachtigsten groei bevinden, een paar keeren +te gieren, dan kunnen zij vier à vijf jaar in dezelfde aarde blijven +staan. Men vervangt dan hoogstens in het voorjaar de bovenlaag der +aarde door wat verschen grond. Bij gewone winters is het voldoende +de bakjes met wat blad of stroo te bedekken, teneinde het geheel +bevriezen der aarde te voorkomen; is de winter buitengewoon streng, +dan doet men voorzichtiger de bakjes binnenshuis, b.v. in den kelder, +te laten overwinteren. De Klimop behoeft in het geheel niet gesnoeid +te worden, de Wilde Wingerd echter doet men beter in het voorjaar +goed te snoeien; men snijdt daartoe de voorjarige gezonde scheuten, +al naar gelang der sterkte, op 2 tot 5 oogen terug. + +Meer moeite, maar zeker ook meer genot, verschaffen de met éénjarige +klimplanten beplante bakjes. Een dergelijk pas beplant bakje toont +ons Fig. 66. Onder de éénjarige planten zijn er vele, die dadelijk na +het uitplanten in Mei flink gaan doorgroeien. In Juli kan het balkon, +wanneer men deze planten gebruikt, reeds volgegroeid zijn. In deze +maand beginnen de éénjarige planten te bloeien, en vele gaan dan +tot aan de intredende vorst daarmede door. De bewonderenswaardig +snelle groei van deze éénjarige klimplanten wijst er natuurlijk +reeds op, dat zij zeer veel voedsel noodig hebben. Wanneer wij kunnen +veronderstellen, dat de wortels het bakje goed gevuld hebben, dan moet +men beginnen den grond te gieren; men kan de planten dan wekelijks een +paar keer met gier begieten. Laat men dit gieren na, dan houden de +planten op met groeien, zij krijgen een matte, gele kleur en worden +daardoor veel minder fraai. Heeft men een bakje van een paar Meter +lengte, dan moet men daarin niet meer dan drie klimplanten zetten, +wanneer dit sterk groeiende soorten zijn. Heeft men minder snel +groeiende soorten, dan kan dat aantal verdubbeld worden. Het is niet +raadzaam, het bakje met andere planten dan klimplanten te vullen. Deze +toch laten, wanneer zij in vollen groei zijn, ook verscheidene scheuten +naar beneden hangen, zoodat zij het bakje volkomen bedekken; voor +andere planten is hier dus geen plaats. Zeer geschikt om in bakjes +geplant te worden zijn de volgende éénjarige of wel als éénjarig +beschouwd wordende klimplanten, namelijk: Humulus japonicus en +Humulus japonicus fol. var. (groene en bontbladerige Japansche Hop), +de Melothria abyssinica, een zeer schoone Pompoensoort met fraaie +bladeren, kleine stervormige bloemen en aan bosjes samenhangende +mooie oranjeroode vruchten; de Lophospermum scandens met donkere, +karmijnroode, trompetvormige bloemen, die in vorm veel overeenkomst +hebben met die van een Gloxinia, en de Cobæa scandens met gevinde in +een rank eindigende bladeren en groote, klokvormige, lilakleurige +bloemen. Van de hoofdzakelijk om haar fraaie bladeren gekweekte +éénjarige planten willen wij naast de reeds genoemde Humulus nog +vermelden de Micania scandens met bladeren als die van een Klimop +en de Pilogyne suavis, een zeer fraaie Pompoensoort, wier bladeren +dikwijls een zeer aangenamen geur verspreiden. Zeer veel worden ook +gebruikt de Phaseolus multiflorus (Pronkboonen) en Ipomæa purpurea +(Winde). Van de fraaie klimplanten, die zeer geschikt zijn om +gebruikt te worden, wanneer alleen de balustrade van het balkon +bekleed moet worden, noemen wij slechts de zich met schoone roode +bloemen tooiende Maurandia, alsook enkele lage soorten Tropæolum +(Oost-Indische kers). Voor ditzelfde doel laten zich ook zeer goed +enkele dunstengelige gewassen gebruiken, die toch eigenlijk geen +klimplanten zijn. Onder deze noemen wij de Pelargonium peltatum +(Klimopbladerige Pelargonium) en enkel bloeiende Petunia's. Voor +meerdere soorten raadplege men het hoofdstuk "Klimplanten". + +Moeten de bakjes dienen om op de balustraden der balkons te worden +geplaatst, en deze met een bloemenrand te sieren, zonder ten doel +te hebben schaduw te geven, terwijl zij ook het uitzicht niet mogen +belemmeren, dan worden zij met fraai bloeiende potplanten bezet. In +dit geval kan men met goed gevolg verschillende soorten Pelargoniums, +de lekker riekende, blauw bloeiende Heliotropium en de lief met rood en +zwarte bloempjes bloeiende Cuphea platycentra gebruiken. Ook enkelen +gevuldbloemige Petunia's, alsmede blauwe en witte Lobelia's zijn hier +zeer op haar plaats. Deze planten, die veel voor bloembedden worden +gebruikt, kan men in het voorjaar in iedere kweekerij koopen. Wanneer +men de bakjes met dergelijke planten beplant, moet men vooral niet +vergeten langs den rand eenige hangplanten te zetten, bij voorbeeld +de bonte en groene Tradescantia, die zeer welig groeien en een schoon +effect teweegbrengen. + +De zoogenaamde zomerbloemen,--dit zijn de éénjarige planten, +die zeer goedkoop zijn en die men zelf gemakkelijk uit zaad kan +kweeken--, worden slechts zelden voor het beplanten der bakjes +gebruikt. Men schenkt, zeer ten onrechte, slechts dan zijn aandacht +aan dergelijke planten, wanneer men een uiterst goedkoope beplanting +wil bewerkstelligen. Nadere mededeelingen hierover kan men in het +hoofdstuk "Zomerbloemen" vinden. + + + + +Het binnenbrengen der gedurende den zomer buiten gekweekte planten. + +Wanneer in de tweede helft van September koude regens beginnen te +vallen en dikwijls op warme dagen zeer koude nachten volgen, moet men +aanvangen met de teedere planten, die men gedurende den zomer buiten +kweekte, weder binnen te brengen. + +De teerste planten dus, waaronder Palmen, Varens en zachte blad- +en bloemplanten, blijven niet langer dan tot de tweede helft van +September buiten staan. Alle hardere planten, namelijk die, welke des +winters in koudere, slechts even vorstvrije vertrekken staan, en die +gedeeltelijk zelfs enkele graden vorst zonder schade kunnen verdragen, +kan men langer buiten houden; de uiterste termijn is echter half +October. Als regel moet men aannemen na 15 October geen kamerplanten +meer buiten te hebben staan, hoewel het zaak is er op te passen, dat +de hardere planten niet te vroeg binnen gezet worden. Een bezwaar +is het, dat ook de hardere planten in den nazomer veel te lijden +hebben van koude regenvlagen, die de aarde doorweeken en afkoelen, +terwijl de planten reeds in rust zijn. Om dit bezwaar te voorkomen, +is het voorzichtig deze planten van af half September in een prieel te +plaatsen of een op palen rustend dak te laten maken en ze daaronder +te zetten. Deze laatste maatregel heeft nog een groot voordeel; +wanneer men, voordat de planten buiten gebracht zijn, voor onverwachte +nachtvorsten vreest, kan men tegen dit dak rietmatten zetten of er iets +aan hangen, waardoor de planten dan voldoende beschermd staan. Kan +men niet over een prieel beschikken en heeft ook het maken van een +tijdelijk dak bezwaar, dan doet men voorzichtig de planten bij een muur +of schutting te verzamelen. Gaat het zwaar regenen, dan kan men door +ze om te leggen, voorkomen, dat te veel water in de kluiten dringt, +terwijl zij zoo staande met geringe moeite tegen onverwachte vorst +beschermd kunnen worden. + +De allerhardste planten zooals Hydrangea's, Fuchsia's, Granaten, +Laurieren, Oranjeboomen, Evonymussen en andere worden, al naar +gelang van het weer, tusschen 15 October en 't begin van November +binnengebracht. Dikwijls kunnen zij nog langer buiten blijven staan, +daar zij best eenige graden vorst kunnen verdragen; men vergete +echter niet, dat de potten licht kunnen springen, wanneer de kluiten +bevriezen. + +Vóór het binnenbrengen worden al de potten en kuipen met een +stijven boenborstel, die wel in elke huishouding voorradig is, goed +afgeboend. Is men hiermede klaar, dan wordt de aarde der potten +gereinigd, door alle mos en onkruid te verwijderen; hierna worden +de dorre bladeren en doode twijgjes afgesneden. De door ongedierte +aangetaste planten worden op de genoemde wijze gewasschen en de +met aarde volgespatte bladeren goed schoongemaakt. Is men met deze +werkzaamheden gereed, dan ziet men na of de planten ook opgebonden +moeten worden en vernieuwt men zoo noodig de banden, stokjes en +etiquetten. Planten, die ziek zijn, of door de een of andere oorzaak +geleden hebben, werpt men eenvoudig op den mesthoop. Zieke planten +zien er in de eerste plaats allesbehalve fraai uit, en kunnen dus +niet als kamerversiering dienen; brengt men ze daarenboven in het +najaar ziek binnen, dan is de kans zeer groot, dat zij gedurende den +winter gaandeweg afsterven. + +Heeft men de planten geheel klaargemaakt om binnengebracht te worden, +dan moet men letten op de eischen, die zij stellen aan temperatuur en +licht. De warmere planten, die reeds in September zijn binnengebracht, +verlangen over het algemeen een zeer lichte standplaats, dus zoo +dicht mogelijk bij het venster. Van de hardere planten, stellen die, +welke des winters bloeien, ook nogal hooge eischen wat licht betreft; +de niet-bloeiende zijn des winters minder veeleischend. Ten laatste +moet men niet vergeten, dat alle kruidachtige planten, onverschillig +welke temperatuur zij verlangen, steeds zeer licht willen staan, +daar zij bij gebrek aan licht gemakkelijk gaan rotten en schimmelen. + +Wanneer men de planten, die des zomers in den tuin, op het balkon of +de vensterbank hebben gestaan, binnen gaat brengen, dan komt men vaak +tot de ontdekking, gebrek aan ruimte te hebben. Zij moeten dan dicht +op elkander gezet worden, hoewel het veel beter is, dat zij zóó wijd +staan, dat zij elkander niet raken. Om dit laatste te bereiken, is het +dus noodig, vóór men planten binnenbrengt, alle zieke of overcomplete +exemplaren op te ruimen, waardoor vaak een aanmerkelijke ruimte +gewonnen wordt. Vele planten laten zich ook, zooals uit het volgende +hoofdstuk zal blijken, zeer goed in den kelder overwinteren. Heeft +men de planten op tijd en met de noodige voorzorgsmaatregelen +binnengebracht, dan zijn zij tegen regen, wind en vorst beveiligd, +maar zij missen dan de frissche lucht, waarvan zij gedurende den zomer +zoo ruimschoots genoten hebben. Men moet nu in den overgangstijd de +planten hierin zooveel mogelijk te gemoet komen, door de vertrekken, +zoolang het weer dit toestaat, op de vroeger reeds beschreven wijze te +luchten. De vertrekken waarin men de warmere planten laat overwinteren, +worden natuurlijk slechts bij fraai weer eenigen tijd midden op den +dag gelucht; die, waarin de hardere planten staan, kan men op schoone +herfstdagen gerust tot aan den avond openlaten. + + + + +De kelder als overwinteringsplaats voor harde planten. + +Wij hebben reeds gezegd, dat men, wanneer men in den herfst de +hardere planten wil gaan binnenbrengen, maar al te dikwijls bemerkt +geen ruimte genoeg te hebben. Om hieraan te gemoet te komen, om veel +planten, die gedurende den winter een minder fraai aanzien krijgen, +aan het oog te onttrekken en ze toch goed te laten overwinteren, +wordt vaak de kelder gebruikt. + +Een kelder, dien men voor het overwinteren van planten wil gebruiken, +moet in de eerste plaats goed luchtig zijn, daar anders de planten +licht schimmelen. Wanneer men niet in de gelegenheid is hem te +verwarmen--en dit is maar hoogst zelden het geval--dan moet hij door +zijn inrichting vorstvrij zijn. Ook moet men goede gelegenheid hebben +om te luchten en mag er vooral des winters geen water in komen. + +Voor overwintering in den kelder komen in de eerste plaats in +aanmerking alle grootere kuipplanten, die men des zomers gebruikt om +den tuin, het balkon of de waranda te versieren, en die men, om groote +kosten te vermijden, niet in een kweekerij ter bewaring wil geven. Tot +deze planten behooren o.a. de Laurieren, Granaten, Oleanders, +Coniferen, enz. Verder kan men hierin laten overwinteren alle kleinere +groenblijvende harde planten, de bladverliezende bloemstruiken, +zooals Fuchsia's, Hortensia's en Rozen en ten laatste alle tot op den +wortelstok afstervende vaste planten. Van de bladverliezende struiken +plukt men, alvorens ze in den kelder te brengen, alle bladeren af, +aangezien die anders licht tot bederf overgaan, dan schimmelen en +zoodoende rotting in de stengels kunnen veroorzaken. De overige +planten moet men geregeld nazien en alle bladeren met schimmel +direct verwijderen. Van de vaste-planten snijdt men de stengels tot +10 cM. boven den pot af, alvorens ze binnen te brengen. + +De planten, die men in den kelder laat overwinteren, moeten daar pas +laat ingebracht en er weer zoo vroeg mogelijk uit genomen worden. Men +geeft ze zooveel mogelijk frissche lucht, door het keldervenster, +indien dit kan, open te laten staan. Daalt de buitentemperatuur onder +35° Fahr., dan is het voorzichtig, het te sluiten. De planten, die in +den kelder staan, veroorzaken weinig moeite; men heeft er slechts voor +te zorgen, dat zij schoon blijven, dat er geen rotting in ontstaat en +dat er zich geen muizen in nestelen. Vinden deze laatste geen ander +voedsel, dan kunnen zij, door het afknagen van takjes en knollen, +aanmerkelijk schade veroorzaken. + +Daar de in den kelder overwinterende planten meestal volkomen rusten, +is het natuurlijk onnoodig ze veel, ja dikwijls goed ze in het +geheel niet te begieten. In het hoofdstuk over het gieten hebben +wij hieromtrent reeds de noodige wenken gegeven; alleen willen wij +er hier nog op wijzen, dat men er, bij de bladverliezende planten, +op moet letten, of de bast door te groote droogte niet gaat rimpelen. + +De in het najaar in den kelder geplaatste planten kunnen reeds vroeg, +gewoonlijk tusschen 15 Maart en 15 April buiten gebracht worden, +aangezien zij van de nachtvorsten niet lijden. Men doet dit bij +voorkeur op een donkeren, regenachtigen, zachten dag. Veel planten, +zooals Rozen, Fuchsia's, Hortensia's, enz., die men gedurende den +winter wil forceeren, brengt men in Januari of Februari uit den +kelder in de woonvertrekken. Najaarsbloeisters, zooals Bouvardia's +en Chrysanthemums, die na den bloei leelijk worden en dan volkomen +rusten, kunnen dan in den kelder gezet worden en daar tot aan het +intreden van haar groeitijd blijven. + + + + + + + +II. DE BESTE KAMERPLANTEN. + + +Inleiding. + +In het nu volgende gedeelte worden de beste kamerplanten behandeld, +practisch gerangschikt in verschillende groepen. Ik heb mij hierbij +bepaald niet alleen tot die planten, welke dankbaar en gemakkelijk +te kweeken, maar ook tot die, welke gemakkelijk verkrijgbaar zijn +en die in iedere goede kweekerij gevonden worden. Van verscheidene +soorten, die ik graag behandeld had, heb ik afgezien, wetende, +dat de aanschaffing zeer veel moeite zou veroorzaken. Het is toch +doelloos den liefhebber planten aan te bevelen, die hij zich òf in het +geheel niet, òf slechts met veel moeite en opoffering van veel geld, +kan aanschaffen. + +Wat de namen der planten aangaat, was het onmogelijk de +wetenschappelijke namen te vermijden; ten eerste, wijl talrijke planten +geen Nederlandsche namen bezitten, en in de tweede plaats, wijl deze +namen dikwijls in verscheidene deelen des lands verschillen. Waar +dit mogelijk was, zijn achter de wetenschappelijke namen ook de +Nederlandsche gevoegd. + +De verschillende planten worden gedeeltelijk zoo practisch mogelijk +in groepen verdeeld. Eenige grootere geslachten en familiën echter, +waarvan de soorten ongeveer een gelijke behandeling verlangen, +worden afzonderlijk behandeld. Bij de behandeling der verschillende +groepen--niet bij die der geslachten of familiën--zijn de planten naar +de wetenschappelijke namen alphabetisch gerangschikt. Bij het inkoopen +toch, moet men den kweeker steeds den wetenschappelijken naam opgeven, +aangezien deze niet altijd met de Nederlandsche namen bekend is. + + + + +Struikachtige bloemplanten voor koele vertrekken, het balkon en +de vensterbank. + +Abutilon. De Abutilon behoort tot de dankbaarste en rijk bloeiendste +kamerplanten. De plant op zichzelf is zeer elegant en licht gebouwd, +de bladeren zijn meestal lichtgroen, fraai ingesneden en gewoonlijk +nogal groot. De bloemen hangen aan een dun steeltje naar beneden; +het is uitzondering, wanneer men er twee of drie vereenigd ziet. De +kleur der bloemen is wit, geel of rood, met talrijke gele meeldraden; +ze zijn klokvormig. De oudere Abutilon-soorten zijn sterke, in de kamer +niet zeer dankbaar bloeiende struiken; zij groeien erg in de lengte +en worden spoedig onhandig, wanneer men ze in het voorjaar niet diep +terugsnijdt, welke bewerking zij zeer goed verdragen. Deze zijn dan ook +beter geschikt om op het balkon of in de waranda gebruikt te worden, +waar zij in bakjes geplant, zeer rijk bloeien. Zeer geschikt zijn deze +soorten ook om in den tuin uitgeplant te worden; zij ontwikkelen zich +daar vaak tot struiken van 2 à 3 Meter hoogte. + +Als kamerplanten zijn de nieuwere dwergvariëteiten veel meer aan te +bevelen, ook om haar rijken bloei. Deze variëteiten komen in den +handel voor onder den naam Abutilon hybridum nanum compactum en +de bloemen zijn zeer verschillend van kleur: wit, geel, oranje en +vuurrood. Een bijzonder fraaie variëteit, die zeer laag blijft en +rijk bloeit met donker vuurroode bloemen, is de Abutilon Boule de +feu. Een mooie bontbladerige variëteit is de Abutilon Thompsonii, +die lichtgroene met geel gemarmerde bladeren heeft en met lichtoranje +bloemen bloeit. Van deze soort bestaat ook een variëteit met gevulde +bloemen, de eenige gevulde Abutilon, die bekend is; zij is echter +niet zeer aanbevelenswaardig. + +De nieuwste variëteiten zijn die met witbonte bladeren, die echter +uitsluitend als fraaie bladplanten waarde hebben. Twee daarvan zijn het +meest bekend geworden, namelijk: de Souvenir de Bonn met lichtgroene, +wit omzoomde bladeren, en de Sawitzers Ruhm met lichtgele bladeren, +die een groen hart hebben. + +Alle soorten van Abutilon, die in Brazilië thuis behooren, moeten +des zomers buiten voor het venster gekweekt worden. Eenmaal 's jaars, +bij voorkeur in het voorjaar, moeten zij verplant worden in broei- of +compostaarde, vermengd met wat graszodengrond; des zomers kan men ze +enkele malen flink gieren. In den winter zet men ze achter een zonnig +venster in een koele kamer. Wanneer men ze in een lichte kamer zet, +met een gemiddelde temperatuur van 50° Fahr., dan is er veel kans, +dat zij den geheelen winter doorbloeien. Zijn de Abutilons in haar +sterksten groei, dan moet men niet verzuimen ze flink te begieten. De +vermenigvuldiging geschiedt door zaden. Wil men een bepaalde variëteit +vermeerderen, zonder dat men bang behoeft te zijn, dat die terugslaat, +dan moet men haar van stek kweeken. De jonge, van bloemknoppen ontdane +twijgtopjes, groeien vooral in het voorjaar zeer gemakkelijk. + +Acacia. De Acacia en vooral de in Nieuw-Holland thuis behoorende +soorten, zijn zeer dankbare bloemheesters, die door veelvormigheid +hunner bladeren ten zeerste onze aandacht waardig zijn. Men +onderscheidt soorten met gevederde bladeren, die ook daarom interessant +zijn, wijl de zijblaadjes zich des avonds tegen elkander leggen, om +zich des morgens weder op te richten en uit te gaan staan. Als tweede +groep onderscheidt men bladlooze soorten. Deze laatste hebben alleen +als zeer jonge plantjes gevederde bladeren; daarna vormen zij slechts +verbreede bladstelen, zoogenaamde phyllodieën, die daarbij nog dikwijls +spiraalvormig gedraaid, of door andere vormen belangwekkend zijn. + +Bijna alle Acacia-soorten behooren tot die heestergewassen, +welke tegen het einde van den winter en in het vroege voorjaar +bloeien. De gewoonlijk gele, zelden witte, bloemen zijn vaak tot +kleine balletjes vereenigd, die aan dunne steeltjes hangen, en +alleen, òf paarsgewijze òf aan trosjes vereenigd in de bladoksels +voorkomen. Bij de bladerlooze soorten staan zij ook wel aan aartjes +vereenigd, die dan een cylinderachtigen vorm hebben. + +Als kamerplant heeft tot heden slechts één soort, de Acacia lophanta, +burgerrecht verkregen. Deze sterk groeiende, met groote, vedervormige +bladeren prijkende soort bloeit niet alleen zeer ondankbaar, maar ook +niet schoon; zij verdraagt echter de gesloten kamerlucht uitstekend +en is daardoor waarschijnlijk een zeer gezochte kamerplant geworden. + +Een veel dankbaarder en ook fraaiere soort is de Acacia dealbata. Ook +dit is een soort met gevederde bladeren, die met groote trossen +gele bloemen bloeit. Deze soort wordt tegenwoordig veelvuldig in +Zuid-Frankrijk en Italië aangekweekt, ten einde de bloemen voor +den uitvoerhandel te gebruiken. Vroeg in het voorjaar kan men de +welriekende bloemen in grooten getale in de bloemenmagazijnen vinden. + +De sierlijkste en voor kamercultuur meest geschikte soort is zeker wel +de Acacia pulchella, die het best als kroonboompje wordt gekweekt en +dan knievormig gebogen takjes heeft. Haar donkergroene vedervormige +blaadjes zijn zeer sierlijk. In iederen bladoksel bevindt zich een +stekel, bijna dubbel zoo lang als het blad, en van midden April tot +einde Mei ook een bloemknopje, hetwelk prijkt met het schoonste geel. + +Onder de bladerlooze soorten, die verbreede bladstelen hebben, is +in de eerste plaats de Acacia lineata zeer aanbevelenswaardig. De +schijnblaadjes van deze soort zijn slechts 1 cM. lang. De bloemen, +die meestal reeds in de tweede helft van den winter verschijnen, zijn +citroengeel en zeer welriekend. Andere soorten van deze groep, die +wij gerust durven aanbevelen, zijn Acacia myrtifolia, A. argyrophylla, +A. armata en A. longifolia. + +De handelskweekers, die de vroeger zoozeer in trek zijnde +Nieuw-Hollandsche bloemplanten tegenwoordig al zeer stiefmoederlijk +behandelen, kunnen verscheidene Acacia-soorten niet altijd +leveren. Gelukkig bieden de grootere zaadhandelaars van talrijke +soorten zaden aan. Uit stek laten de Acacia's zich zeer slecht +voortkweeken; gewoonlijk willen zij geen wortel maken en slaagt +men er al in een stek aan den groei te krijgen, dan groeit zij in +den regel zeer slecht door. Men doet dus beter zaden te koopen, die +zeer goedkoop zijn. Deze zaden zijn zeer hard, waarom het goed is ze +een dag of acht in dagelijks te ververschen, lauw water te leggen, +ten einde ze een weinig te weeken; hierna worden zij tusschen een +doek afgedroogd en daarna uitgezaaid. Geeft men den zaden een warme +standplaats, dan kiemen zij wel vrij zeker, maar zeer ongelijk; +gewoonlijk tusschen 12-30 dagen. Het wil wel voorkomen, dat het +omhulsel taai is, en de jonge kiemplantjes moeite hebben dit af +te werpen; is dit zoo, dan moet men ze met den vinger een weinig +helpen. De krachtige kiemplantjes van Acacia's worden niet gerepikeerd, +maar direct in zaadpotjes geplant. Groeien zij goed door, dan kunnen +zij in hetzelfde voorjaar nog eens verpot worden en gedurende den +zomer kan men ze dan buitenzetten. De maand Februari is de meest +geschikte om Acacia's te zaaien. + +Men kweekt de Acacia's in heidegrond, die met 1/4 klei- +of graszodengrond en rijkelijk scherpzand vermengd wordt. Oudere +planten houdt men tot na den bloei in een koel, vorstvrij vertrek; +hierna worden zij ingesneden, verpot en eindelijk tegen Pinksteren +buiten gezet. Des zomers verlangt de Acacia een zonnige standplaats, +rijke begieting en af en toe een begieting met gier. + +Agathæa amelloides. Dit is een sierlijke struik, met kleine, ovale +blaadjes en lieve, reukelooze bloempjes, die het gansche jaar door, +doch bij voorkeur gedurende den winter verschijnen. De Agathæa +behoort tot de asterachtige samengesteldbloemige planten. De +op lange stelen steeds alleen staande bloemen bestaan uit gele +schijf- en blauwe straalbloempjes, wat een zeer fraaie vereeniging +van kleuren vormt. Daarbij komt nog, dat dit een van de weinige +blauwe winterbloeiers is. De voortkweeking geschiedt in het voorjaar +gemakkelijk door zaden, stekken en ook door verdeeling der kluit. Zij +verlangt een goeden, lichten grond, bijv.: 1/2 deel broeiaarde en +1/2 deel blad- of heideaarde, vermengd met zand. Des zomers moet de +Agathæa buiten gekweekt worden en gedurende den winter verlangt zij +een koele, zeer lichte standplaats. Het is zaak, des winters zeer +voorzichtig te zijn met het gieten. + +Boronia. De Boronia's zijn sierlijke Nieuw-Hollandsche planten, met +kleine bladeren en allerliefste, klokvormige, afhangende roode en +blauwe bloempjes. De bloeitijd valt tusschen de maanden Maart en April +en de bloempjes op zichzelf blijven van 6 tot 8 weken goed. Tegen dat +zij gaan verwelken, krijgen de bloempjes een donkerroode kleur. De +Boronia's behooren tot de fraaiste bloemplanten van Australië; zij +zijn echter niet heel gemakkelijk te houden. De fraaiste soort is wel +de Boronia alata met bleek rozeroode bloempjes. De vermenigvuldiging +geschiedt meestal door veredeling op Correa, een bewerking, die +slechts door een kweeker uitgevoerd kan worden. Men kweekt ze in +zandigen heidegrond; zij verlangen des winters een koele doch lichte +standplaats, en des zomers een zonnige plaats, bij voorkeur buiten. + +Bouvardia. Onder de kamerplanten, die ons door haar ongemeen +rijken bloei gedurende het laatste gedeelte van den herfst en den +vóórwinter het meest verheugen, behooren zeker de Bouvardia's. Deze +aardige, gewoonlijk niet meer dan 1/2 Meter hoog wordende struikjes +van Centraal-Amerika hebben ovale bladeren. De bloemen zijn wit, +rose, rood en geel; bij enkele soorten geheel reukeloos, bij andere +echter een aangenamen jasmijngeur verspreidende. Gewoonlijk staan de +bloemen, in den vorm van schermpjes, aan de spitsen der takjes. Zeer +schoone soorten, waaronder ook met gevulde bloemen, die echter niet +zoo gemakkelijk bloeien, zijn vooral in Amerikaansche kweekerijen +gewonnen. Van die met enkele bloemen durf ik gerust aanbevelen: +B. corymbiflora met lange, witte (Fig. 67), B. flavescens met gele, +B. President Cleveland met scharlakenroode en B. leyantha met oranje +bloemen. Van de dubbelbloemige soorten zijn de fraaiste: B. albo-plena +(B. Alfred Neuner) met witte bloemen, B. roseo-plena (President +Garfield) met zacht roode en B. Hägarthi flore pleno met roode bloemen. + +De cultuur der Bouvardia's is tamelijk eenvoudig. Nadat de planten +uitgebloeid zijn, gaan zij haar rusttijd in; de uitgebloeide bloemen +en de bladeren kunnen afgesneden worden, en planten, die nu zeer +droog gehouden moeten worden, kunnen ter overwintering in een koele +achterkamer of een volstrekt vorstvrijen kelder worden gezet. In Maart +worden de planten weder voor den dag gehaald, en in goede broeiaarde +verpot. Het is de zaak, er bij het verpotten op te letten, dat de +oude aarde zooveel mogelijk tusschen de wortels uitgeschud wordt. De +planten worden nu voor het venster van een matig warm vertrek gezet, +waar zij weldra beginnen uit te groeien. In de tweede helft van +Mei kan men de Bouvardia's in den tuin, of buiten voor het venster +zetten. Laat men nu de planten ongestoord doorgroeien, dan zullen +zij zonder twijfel alle in den zomer bloeien. Daar men ze echter +als najaars- en winterbloeisters wil kweeken, moeten de scheuten tot +Augustus geregeld getopt worden, ten einde den bloei te beletten. Zeer +nuttig is het Bouvardia's in Juni nog eens te verplanten. Tegen de +tweede helft van September zet men de planten in een vertrek, dat +voorloopig nog geregeld gelucht, doch bij het intreden van kouder +weer matig verwarmd wordt. Slechts dàn zullen de bloemen zich goed +ontwikkelen, wanneer men den planten een goede, lichte standplaats +geeft. Bloeiende Bouvardia's mogen in geen geval bespoten worden, +daar de bloemen dit niet verdragen. De voortkweeking geschiedt het +beste door wortelstekken. Bij het verplanten, in het voorjaar, snijdt +men eenige sterke wortels van de planten af; deze worden daarna in 4-5 +cM. lange stukjes gesneden, en deze stukjes pot men in lichte zandige +aarde op. Zet men de potjes met zulke wortelstekken op een warme +plaats, dan zullen zich daar jonge plantjes uit ontwikkelen. Stekken +die men in het voorjaar van de jonge, weeke twijgen snijdt, wortelen +zonder bodemwarmte niet gemakkelijk. + +Calceolaria rugosa. De Calceolaria vormt een aardig, ongeveer 60 +cM. hoog wordend struikje, met ovale, ruwe bladeren en lieve in +bundeltjes vereenigde bloempjes. De bloeitijd duurt van de maand Mei +tot aan den herfst. Er bestaan tegenwoordig talrijke variëteiten van +met gele, bruine en roode bloemen, terwijl ook enkele verscheidenheden +fraai gevlekte bloemen voortbrengen. Des zomers kweekt men deze planten +buiten; zij worden geplant in een grondmengsel, bestaande uit gelijke +deelen broei-, blad- en graszodenaarde. Wil men mooie planten kweeken, +dan is een herhaald verpotten noodig, waarbij vooral de kluit niet +beschadigd mag worden. De overwintering geschiedt in een koud vertrek +of wel in een lichten kelder. + +De vermenigvuldiging van deze lieve, rijk bloeiende plant geschiedt +door stekken, die in Augustus gesneden en niet te warm gehouden mogen +worden. De stekken worden, zes à acht te zamen, langs den rand van +een 10 cM. wijden pot gestoken. Totdat zij geworteld zijn, bedekt +men ze met een stolp en houdt men ze in de schaduw. In het volgende +voorjaar worden de stekken pas afzonderlijk opgepot. De Calceolaria +leent zich ook uitstekend om in de bakjes voor balkonversiering +gebruikt te worden. + +Callistemon. De Callistemons zijn harde, groenblijvende +Nieuw-Hollandsche planten, die tot de Myrtachtige gewassen behooren. De +bloemen danken haar schoonheid aan de talrijke, lange, meestal roode +meeldraden, die aan de geheele bloeiwijze het voorkomen der bekende +lampeglazenborstels geven. Zij vormen zich in het voorjaar aan de +twijgen en zijn aarvormig; uit den top van de aar groeit dan de twijg +verder door. De vruchten vormen zich op het hout van de scheuten, waar +zij juist als de eieren van de ringspin omheen zitten. Somtijds blijven +zij zoo verscheidene tientallen van jaren zitten, zonder dat de zaden +haar kiemkracht verliezen. De lange, spitse, somtijds naaldvormige +bladeren, zijn, vooral wanneer men ze wrijft, dikwijls zeer aromatisch. + +Men kweekt de Callistemons in heideaarde, vermengd met een weinig +kleigrond. Des zomers moeten zij op het balkon of in den tuin +staan. Houdt men ze voortdurend in de kamer, dan zijn zij zeer +ondankbaar. De overwintering moet geschieden in een koel, luchtig en +licht vertrek. De voortkweeking geschiedt het best door zaden. + +Camellia japonica. De uit Japan afkomstige Camellia is een der meest +bekende en geliefde sierplanten, waarvan de oorspronkelijke soort +reeds 150 jaar geleden gekweekt werd. + +De hoofdculturen van deze plant bevinden zich tegenwoordig rondom +Gent en Dresden, waar zij in talrijke prachtige variëteiten gekweekt +worden. De niet onaardige enkelbloeiende soorten worden niet veel +meer aangetroffen; de gevuldbloemige (Fig. 68) worden echter in +zeer veel verscheidenheid van kleur en vorm gekweekt. De kleur der +bloemen doorloopt alle tinten tusschen het zuiverste wit en het +donkerste rood. Vaak zijn de bloemen ook wit, gevlekt, gestreept of +gespikkeld met rood. Ook in den vorm vindt men vele afwijkingen. De +oorspronkelijke vorm heeft slechts kleine bloemen en wordt niet veel +meer in de tuinen gevonden. + +De Camellia behoort tot die planten, welke het liefst in veengrond +gekweekt worden; bij gebrek daaraan kan men echter ook heide- of +bladaarde gebruiken. De Camellia, die reeds door haar prachtige donker +glanzend groene bladeren een ware sierplant is, is niet gemakkelijk +in de cultuur. Gewoonlijk snoeit men haar niet en is het voorzichtig +ze slechts om de twee jaar te verplanten, welke bewerking geschiedt, +nadat zij uitgebloeid is. Terwijl de andere harde planten reeds tegen +Pinksteren buiten worden gebracht, moet men met de Camellia's daarmede +wachten, totdat de jonge scheuten volwassen zijn, wat niet vóór Juni +of Juli het geval is. Eerst dan worden de planten buiten gezet en op +een schaduwrijke plek geplaatst. Zoolang de planten binnen stonden, +moesten zij rijkelijk begoten worden; nu zij buiten staan, geeft +men echter pas water, wanneer de jonge scheuten een weinig slap +beginnen te hangen. Door dit betrekkelijk weinig gieten, wordt de +bladvorming tegengegaan en het maken van bloemknoppen bevorderd. Deze +ontwikkelen zich aan de punten der twijgen of in de bladoksels der +laatste bladeren; zij staan alleen of met twee en drie te zamen. Zij +onderscheiden zich door hun dikken ronden vorm en zijn gemakkelijk van +de bladknoppen te onderscheiden, die dun en spits zijn. De bladknoppen +zitten gewoonlijk naast de bloemknoppen, maar moeten eerst in het +volgende voorjaar uitgroeien. Hebben de laatste zich eenmaal gevormd, +dan kan men weder geregeld gieten, omdat dan voor een doorgroeien +der bladknoppen niet meer te vreezen is. + +Tegen het einde van September zet men de Camellia's, die, zoolang +zij buiten stonden, 's morgens en 's avonds licht bespoten werden, +in een vertrek, dat voorloopig nog geregeld gelucht wordt. Zij +moeten zoo dicht mogelijk bij het venster geplaatst worden. De reeds +sterk ontwikkelde knoppen zijn nu zeer gevoelig; zij vallen zeer +gemakkelijk af, wanneer de aarde, waarin de planten staan, te droog +wordt, wanneer men de planten voortdurend verplaatst en ook, wanneer +de temperatuur van het vertrek, waarin zij staan, zeer ongelijkmatig +is. De Camellia kan zelfs een paar graden vorst verdragen, en, +hoewel verscheidene soorten zich in een warme kas laten forceeren, +doet men toch het beste ze in een koel, doch vorstvrij vertrek te +laten overwinteren. Hier zullen zich enkele bloemen reeds in den +herfst of den voorwinter ontwikkelen; de meeste verschijnen echter +in de maanden Februari tot April. De zeer teere, steeds reukelooze, +maar edele bloemen mogen niet bespoten of aangeraakt worden, daar +zij dan vlekken krijgen en haar schoonheid inboeten. + +Houdt men de Camellia's vochtig, dan krijgen zij leelijke gele en geel +gevlekte bladeren of er ontwikkelt zich een fungus op, de zoogenaamde +"roestdauw", waardoor de bladeren aan de achterzijde bruinvlekkig +worden. + +Het voortkweeken door stekken of veredelen moet den kweeker overgelaten +worden, aangezien men daarmede in de kamer geen goede resultaten +bereiken kan. + +Cestrum. Deze plant wordt door liefhebbers gekweekt om den +eigenaardigen geur, die sommige soorten ontwikkelen. Een der schoonste +soorten is zeker wel de Cestrum roseum, met fraaie, rozeroode bloemen, +die in trosjes aan het einde der takken verschijnen. Een groenbloemige +soort, de Cestrum nocturnum, geurt des avonds overheerlijk. + +De Cestrum groeit goed in elken voedzamen grond. Des zomers moet zij +buiten en des winters in een koel vertrek staan. De vermenigvuldiging +geschiedt gemakkelijk door stekken. + +Choisya ternata. Dit is een Mexicaansche heester, die in het voorjaar +bloeit en een hoogte kan bereiken van 1--1 1/2 Meter. De witte bloemen +verspreiden den geur van Anjelieren en worden door de Indianen van +Mexico in groote getale verzameld, om ze op de markten te verkoopen. De +bloemen, die tamelijk klein zijn, zitten tot trosjes vereenigd, in +de bladoksels der twijgspitsjes. Des zomers moet deze plant buiten +gekweekt worden, gedurende den winter verlangt zij een licht vertrek +met een temperatuur van 40-45° Fahr. De plant moet gekweekt worden in +een zwaren, goeden grond. Men doet wijs, zich direct bloeibare planten +aan te schaffen, daar de voortkweeking uit zaden, voor kamercultuur, +zeer weinig loonend is. + +Chrysanthemum frutescens (Margariete). De bekende Margariete, +de lievelingsbloem van de Koningin-Moeder van Italië, bloeit bij +een oplettende cultuur bijna het gansche jaar door. Zij vormt een +kleinen struik met fijne, sappig groene bladeren en heeft witte of +gele bloemen. Zij hoort thuis op de Canarische eilanden. Des zomers +moet men haar op het balkon of buiten op de vensterbank kweeken in +bakjes of groote potten; ook kan men haar in den tuin uitplanten, +wat een uitstekend resultaat geeft, wanneer men er een vrije, +zonnige standplaats voor uitkiest. Des winters verlangt zij in een +lichte, koele, doch vorstvrije kamer te staan. Om een goeden groei +te bevorderen, moet men ze dikwijls verpotten in niet te lichten, +voedzamen grond; ook dikwijls bemesten verdragen zij zeer goed. Oude +exemplaren worden in het voorjaar flink ingesneden. De bloemen, die +gedurende den ganschen winter een belangrijk handelsartikel vormen, +volgen elkaar bij een goede behandeling bijna het geheele jaar door +op. Men moet voorzichtig zijn de Chrysanthemum niet te warm en te +droog te zetten; er verschijnt dan een made, die in het inwendige +van het blad leeft en het bladmoes vernielt. Men kent tegenwoordig +verscheidene grootbloemige soorten. Een nieuwe verscheidenheid, pas +kortelings ingevoerd, is de Leucanthemum Queen Alexandra. Deze zeer +lieve, nieuwe plant heeft mooie, geheel of half gevulde bloemen. De +voortplanting van de Chrysanthemums geschiedt door stekken, die òf +in het voorjaar òf in Augustus gestoken worden; de stekken moeten +onder glas geplaatst, doch mogen niet warm gehouden worden. De +voortkweeking door zaden gaat ook zeer goed, wanneer men in het +voorjaar zaait. De jonge zaadplantjes moeten vrij spoedig in kleine +potjes, met voedzamen grond opgepot worden; zij worden gedurende +het voorjaar nog eenige keeren verpot en tot aan het einde van den +bloeitijd buiten op een zonnige plek gezet. De bloeitijd duurt bij +deze behandeling, wanneer zij in October worden binnen gezet, door +tot diep in den winter toe. De bloemen bestaan uit gele schijf- en +witte straalbloempjes. Een bezwaar is het, dat de bloemen bij donker +weer wel eens minder goed willen openkomen. + +Clerodendron. Een der aanbevelenswaardigste soorten is de Clerodendron +fragans (Volkameria fragrans), een Japansche struik met groote +bladeren, die bij wrijving een onaangenamen geur verspreiden. De +bloemen verschijnen gedurende den zomer en den herfst; zij zijn zuiver +wit, zeer welriekend en meestal gevuld. (De enkelbloemige soort treft +men slechts zelden aan). De bloemen staan vereenigd aan de uiteinden +der twijgen. Men kweekt ze gedurende den zomer buiten of ook wel het +geheele jaar door in de kamer. De Clerodendron verlangt een goeden +voedzamen grond en in den zomer nu en dan wat gier. De voortplanting +geschiedt door stekken. + +Clianthus. Dit zijn prachtige halfheesters, afkomstig uit +Zuid-Australië en Nieuw-Zeeland. Zij hebben fraaie, gevederde bladeren +en vurig roode, reukelooze bloemen, die in trosjes uit de bladoksels +ontspringen en naar beneden hangen. De bloeitijd valt in de lente en +den voorzomer. De meest verspreide soort is de Clianthus puniceus, +de schoonste zeker wel de Clianthus Dampieri; deze draagt groote, +scharlakenroode bloemen met een zwart purpere vlek op de vlag. De beste +wijze om deze laatste soort te kweeken is ze, als jonge zaailing, op de +veel sneller groeiende Colutea arborescens te veredelen. De Clianthus +wil des zomers buiten staan; zij verlangt met wat kleigrond vermengde +heideaarde. Des winters geeft men ze een lichte standplaats in een +vertrek met een gemiddelde temperatuur van 40°-50° Fahr. Men moet +dan zeer voorzichtig zijn met het gieten. De voortkweeking geschiedt +gemakkelijk door zaden en stekken; overigens zijn deze planten nogal +lastig in de cultuur. + +Correa. De Correa's zijn kleine, groenblijvende, Australische +struikjes, die als dankbare winterbloeiers voor de kamercultuur wel +geschikt zijn. De beste bloeier is de Correa speciosa met pijpvormige, +donkerroode, aan de punten groene bloemen. De schoonste soort is +de scharlakenroode Correa cardinalis, met zeer lange bloemen. De +fijnere soorten worden alle veredeld op de Correa alba, die ook een +rijk bloeiende, doch zeer kleinbloemige soort is. De bloemen van +alle Correa's zijn reukeloos. Men kweekt deze planten in heideaarde, +vermengd met wat klei- of graszodengrond, terwijl er, zooals bij de +aarde voor alle Australische planten, een goede hoeveelheid scherpzand +door moet gemengd worden. Des zomers moet men de Correa's buiten +zetten, op een eenigszins beschutte plaats; des winters verlangen +zij een licht vertrek met een gemiddelden warmtegraad van 45° Fahr. + +Cuphea. Dit zijn sierlijke, doch tamelijk kleine Mexicaansche +struikjes, die zeer rijk, vaak ook gedurende den winter bloeien. De +bloemen zijn klein en pijpvormig. De meest verspreide soort, die ook +dikwijls in mozaïek-vakken wordt gebruikt, is de Cuphea platycentra, +met roode, zwart omrande bloempjes. Kweekt men deze plant op een +stammetje, dan is zij, wanneer zij des winters bloeit, lang niet +onaardig; kweekt men haar in struikvorm, dan doet men beter ze in +de bakjes te planten. Men plant ze in een rijke broeiaarde en zet ze +bij voorkeur des zomers buiten. De in een koel vertrek overwinterde +planten moeten in het voorjaar ingesneden en verpot worden. + +De voortkweeking geschiedt gemakkelijk door stekken of door zaden. + +Cytisus. Dit zijn lage, fijn bebladerde struiken, die zich in den +nawinter en het voorjaar rijk met gele, welriekende, vlindervormige +bloemen tooien. In België wordt de Cytisus veel als kroonboompje +gekweekt, en dan op de Goudenregen veredeld. De Cytisus komt zeer nabij +de Genista canariensis, die ook gele, welriekende bloemen draagt. Nadat +deze planten uitgebloeid zijn, snijdt men ze flink terug, verplant ze +in goeden voedzamen grond en zet ze tegen het midden van Mei buiten, +waar zij gaarne een zonnige standplaats hebben. De overwintering +geschiedt in een koel, vorstvrij vertrek. + +De vermenigvuldiging heeft in Augustus plaats door stekken of ook +wel in het voorjaar uit zaden. + +Datura arborea. Deze Peruaansche plant draagt ook nog den +wetenschappelijken naam van Brugmansia suaveolens; zij behoort tot +de zeer vergiftige familie der Nachtschaden. Zij kan 3 à 4 Meter +hoog worden en maakt, wanneer zij jong is, dikke, vleeschachtige +stengels, waaraan groote, lichtgroene, zeer fraaie bladeren zich +ontwikkelen. Van den zomer tot diep in den winter ontspruiten uit die +stengels zeer groote, witte, trompetvormige bloemen, die vooral des +avonds een heerlijken geur verspreiden. Er bestaat een andere soort, +de Datura Knightii, die gevulde bloemen heeft. Al deze boomachtige +Datura's dragen in de kweekerijen dezen naam, doch behooren eigenlijk +tot het geslacht Brugmansia. + +Wordt deze plant goed behandeld, dan is zij spoedig voor de kamer +ongeschikt, daar zij zeer snel groeit, zoodat in het voorjaar gestoken +stekken in den herfst vaak planten vormen van een Meter hoogte. Als +balkonplant kan de Datura, die in den winter haar meeste bladeren +verliest, zeer goede diensten bewijzen. Des winters moet zij tamelijk +koud en droog worden gehouden. In het voorjaar worden de overwinterde +planten flink teruggesneden en in zeer voedzamen grond verpot. + +De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door stekken, genomen +uit de jonge scheuten, die dan in juist zooveel stukken gesneden +kunnen worden, als zij oogen hebben. Ieder oog wordt dan met het +daarbij behoorende stengeldeel afzonderlijk in een potje geplant, de +stek moet daarna een tamelijk warme plaats hebben. De stengeldeeltjes +slaan zeer spoedig wortels en het oog groeit dan verder door. + +Diosma alba. Deze dankbare, zeer aromatisch riekende plant is afkomstig +van de Kaap de Goede Hoop. Door haar fijne bladeren doet zij denken aan +de voor kamercultuur ten eenenmale ongeschikte Erica's. De bloempjes, +die in het voorjaar verschijnen, zijn wit en gelijken veel op kleine +Myrtebloempjes. + +De Diosma groeit slechts langzaam; zij verlangt een mengsel van blad- +en heideaarde, waarbij een weinig kleigrond wordt gevoegd. Om goede +bossige planten te vormen, moet zij herhaalde malen worden ingesneden; +daarbij moet zij dan des zomers een goede, vrije standplaats hebben +en vooral goed begoten worden. Droge, warme kamerlucht is voor deze +plant zeer ongeschikt. De voortkweeking geschiedt midden in den zomer +door middel van stekjes. + +Erythrina crista-galli. Dit is een prachtig bloeiende Braziliaansche +struik met drietallige bladeren, die zij, evenals de jonge scheuten, +gedurende den herfst verliest. Iedere sterke scheut eindigt, in den +zomer, in een langen tros vlindervormige bloemen, die prachtig rood +en geheel reukeloos zijn. De oude planten bestaan uit korte, dikke +knoesten, waaruit ieder voorjaar nieuwe scheuten ontspruiten. Het +beste doet men de Erythrina, des zomers op een warme, zonnige plaats +in den tuin of anders op het balkon te zetten. De jonge planten +moeten ieder voorjaar in goeden, voedzamen, zwaren grond verpot +worden. Des zomers moeten zij rijkelijk begoten en verscheidene malen +gegierd worden. Gedurende den herfst giet men langzamerhand minder +om eindelijk de rustende planten, geheel droog, in een kelder of +vorstvrije achterkamer te laten overwinteren. + +In het voorjaar kan men de oude planten in de kamer aan den groei +brengen, en dan de jonge scheuten, ter vermenigvuldiging, als stekken +gebruiken. Jonge exemplaren, die nog geen stam gevormd hebben, mag +men niet zoo koud en droog laten overwinteren, als de oudere. Er +zijn verscheidene fraaie variëteiten van bekend. Om in de kamer en +des zomers buiten voor het venster gekweekt te worden, is het meest +aanbevelenswaardig de Erythrina crista-galli compacta; deze blijft +steeds klein, doch bloeit zeer rijk met groote, roode bloemen. + +Fuchsia. Onder de meest geliefde potplanten, die men overal voor +het venster, op de vensterbank, op het balkon en in den tuin vindt +staan, die door rijk en arm worden gekweekt, neemt de Fuchsia zeker +wel een eerste plaats in. Wie kent dezen lieven bloemstruik niet, +wiens sierlijke, hoewel reukelooze, roode, paarse of witte bloemen, +hetzij alleen, hetzij in trosjes, naar beneden hangen en somtijds +bij honderdtallen aan één plant gevonden worden? De roode of witte +kelkbladeren staan horizontaal, of zijn om het vruchtbeginsel +teruggeslagen. De bloembladeren vormen meestal een trechtervormige +kroon. Somtijds krijgt de bloem ook door den pijpvormigen kelk een +meer buisvormig voorkomen. Hierbij geven de ver uit de bloem stekende +meeldraden en de nog verder uitstekende stamper aan de enkelbloemige +soorten een zeer eigenaardig voorkomen. De eerste Fuchsia werd in 1696, +dus ruim 200 jaar geleden, door Plumier in Amerika ontdekt en onder +den naam Fuchsia triphylla flore coccineo beschreven. Hoewel in den +loop der tijden honderden variëteiten, door het kruisen van soorten +onderling en van soorten met variëteiten gewonnen zijn, worden er +nog altijd veel echte soorten om haar fraai voorkomen gekweekt. Zoo +is de lang vergeten Fuchsia triphylla (Fig. 70) tegenwoordig weer +in de mode gekomen; zij wordt in den laatsten tijd met bijzondere +voorliefde gekweekt, en men heeft er ook reeds verbeterde variëteiten +van gewonnen. Een van de meest verspreide echte soorten is zeker wel +de Fuchsia gracilis, waarvan jonge plantjes dikwijls met honderden +kleine, roode bloempjes bedekt zijn (Fig. 71, bovenste twijg). Een +zeer schoone soort is ook nog de Fuchsia fulgens met fraaie, lange, +pijpvormige bloemen en zeer groote bladeren; ook de Fuchsia coccinea +verdient aanbeveling. + +Zoowel de groot- als kleinbloemige soorten, de enkele of gevulde, +alle Fuchsia's zijn, wanneer zij rijk bloeien, zeer fraai. De Fuchsia's +rusten des winters volkomen; zij verliezen dan haar blad en men kan ze +in een vorstvrijen kelder laten overwinteren. Tijdig in het voorjaar +haalt men ze voor den dag; zij worden dan ingesneden, uit den pot +genomen en, nadat de kluit voorzichtig losgemaakt is, verplant in matig +groote potten. Voor het verplanten gebruikt men goede broeiaarde. Deze +bewerking is geraden wanneer men een op het zuiden gelegen venster +heeft, waar zij aan den groei gebracht kunnen worden; heeft men dit +niet, dan doet men wijzer de planten tot het begin van Mei in den +kelder te laten staan, om ze dan direct buiten te zetten. Geeft men den +versch verpotten Fuchsia's een lichte standplaats, en vergeet men niet +ze bij zonnig weer te bespuiten, dan gaan zij spoedig aan den groei +en de jonge scheuten zullen weldra in bloei komen. Zeer bruikbaar +zijn de jonge, bossige planten, die men, door van de jonge twijgen +stekken te nemen, zeer gemakkelijk kan kweeken. Gewoonlijk wortelen +deze stekken, wanneer men ze onder een stolp zet, na 8 of 10 dagen, +en spoedig daarop kunnen de jonge plantjes in potjes worden uitgeplant. + +Zoodra er geregeld warm weer begint te heerschen, verdragen de +Fuchsia's de kamerlucht niet meer. Het liefst staan zij op een +eenigszins beschaduwde plek in den tuin of op een balkon of bloemrekje, +waarop de morgenzon schijnt. Wanneer men de Fuchsia's nog eens verpot +en men zorgt goed voor de begieting, terwijl het toedienen van gier +niet vergeten wordt, dan ontwikkelen zij gedurende den zomer een waren +bloemenrijkdom. Men moet ze dan echter op haar plaats laten staan, +en niet van de eene naar de andere dragen, wijl zij daar niet tegen +kunnen en direct daarop haar bloemen en knoppen laten vallen. Het +rijkste bloeien de kleinbloemige soorten. + +Voor het bloemenrekje kan men slechts jonge planten gebruiken, +die van onder tot boven met blad bezet zijn. Oudere, overwinterde +planten kan men met goed succes in bakjes aanwenden, waarin zij dan +uitgeplant kunnen worden. Als alleen staande planten in den tuin of op +het balkon gebruikt men het beste oudere Fuchsia's, die in kroonvorm +zijn gekweekt. Deze kroonboompjes plant men in kuipjes of groote +potten, waarin zij, wanneer men ze nu en dan giert, jarenlang kunnen +staan. Zulke kroonboompjes kunnen inderdaad prachtig bloeien. Voor +dezen kroonvorm leent zich bij uitnemendheid de Fuchsia gracilis. + +Enkele Fuchsia's zijn door haar groeiwijze zeer goed geschikt voor +ampelplanten. De sierlijkste van deze hangende Fuchsia's is de Fuchsia +procumbens, een kruipende soort uit Australië, met kleine bladeren, +vurig purperroode bloempjes en betrekkelijk groote vruchten. + +Van de lente tot den herfst zijn alle gekweekte Fuchsia's met bloemen +overdekt, die tot de uiterste twijgspitsjes ontspruiten. De aanhoudende +koude najaarsregens maken aan den bloei pas een einde. Indien men oude +Fuchsia's zoo lang mogelijk in den kelder laat rusten, ze gedurende +den zomer herhaaldelijk insnijdt, zoodat zij niet tot bloeien kunnen +komen, dan maakt men er najaarsbloeiers van, die gedurende den herfst +en den voorwinter veel genot kunnen verschaffen. Bij de gewone +behandeling giet men in het najaar langzamerhand minder en brengt +men ze in November, nadat men er vooraf al de bladeren afgeplukt +heeft, ter overwintering in den kelder, waar zij droog kunnen blijven +staan. Er moet echter op gelet worden, dat men ze niet zoodanig laat +uitdrogen, dat de bast gaat rimpelen, aangezien dit minder goed voor +de planten is. + +Men heeft verscheidene soorten (Fuchsia gracilis, F. coccinea, +e.a.) winterhard genoemd; ook zijn er eenige soorten als buitengewoon +winterhard in den handel gebracht. Inderdaad zijn de meeste Fuchsia's +zóó hard, dat zij best wat vorst kunnen verdragen en dan ook, onder +een droge bedekking, zeer goed buiten overwinteren. + +Het zou geen zin hebben hier enkele variëteiten der Fuchsia's aan te +bevelen. Zij worden in iedere kweekerij in groote keuze gekweekt en men +doet het beste die uit te zoeken, welke men zelf het fraaiste vindt. + +Habrothamnus elegans. Deze plant komt zeer nabij de reeds besproken +Cestrum. Zij is uit Mexico afkomstig, heeft lancetvormige bladeren +en pijpvormige, purperroode bloemen, die in losse trossen aan het +einde der scheuten hangen. + +Deze fraaie struik ontwikkelt zich het best, wanneer men hem in +Mei flink terugsnijdt, dan zoo mogelijk in den tuin uitplant op een +zonnige plaats en in September weder in potten zet. Totdat kouder +weer begint te heerschen, laat men hem buiten staan, waarop men hem +in een vertrek met een temperatuur van 45°-50° Fahr. plaatst. Hij is +een zeer schoone winterbloeier, waarvan men veel pleizier kan hebben. + +De voortkweeking geschiedt door middel van stekken. + +Heliotropium peruvianum (Heliotroop). Dit is zeker wel een der meest +geliefde planten. Zij is uit Peru afkomstig, heeft eivormige, ruwe +bladeren en wordt om de kleine, in dichte bundeltjes te zamen staande +bloemen gekweekt (Fig. 72). Deze min of meer intensief blauwe bloemen, +die bij sommige minder gezochte soorten ook bijna wit zijn, kenmerken +zich door een overheerlijken, zachten vanille-geur. De Heliotroop stelt +ongeveer dezelfde eischen als de Fuchsia. Ook zij verlangt een goeden, +voedzamen grond, die met wat graszodengrond vermengd kan worden. Voor +het verpotten, in het voorjaar, wordt zij flink ingesneden en des +zomers op een eenigszins beschaduwde plek buiten gekweekt. Zij +verdraagt niet de minste vorst, en moet daarom in een vorstvrij +vertrek, met een temperatuur van 40°-45° Fahr. overwinteren. Indien +zij haar bladeren niet afgeworpen heeft, moet men haar op een lichte +standplaats zetten. In struikvorm gekweekt, heeft men alleen genot +van jonge planten, daar zij, ouder geworden, haar onderste bladeren +laten vallen en dan een minder mooi voorkomen verkrijgen. Kweekt men er +stamboompjes van, dan is zij vele jaren een dankbare bloeister. Uit de, +in het voorjaar, gestoken stekken laten zich het eerste jaar reeds +aardige kroonboompjes kweeken. Om dit doel te bereiken, zoekt men +de sterkste stekplanten uit, zet er 80-100 cM. lange stokjes bij en +bindt de jonge plantjes, vooral niet te stijf, daaraan vast. Geeft men +deze stekplantjes een zonnige, lichte plaats, dan groeien zij spoedig +flink door. Men laat nu de bladeren onaangeroerd, doch verwijdert, +zoo spoedig mogelijk, de jonge zijscheuten, terwijl ook de bloemen, +zoo spoedig men ze kan vatten, weggesneden moeten worden. Al naar de +plantjes hooger worden, bindt men ze aan stokjes, totdat zij daareven +bovenuit gegroeid zijn. Hebben de plantjes op deze wijze de verlangde +hoogte bereikt, dan worden de koppen er uit gesneden. Er zullen zich +dan spoedig bovenaan jonge zijscheuten ontwikkelen, die men laat staan, +omdat zij de kronen moeten vormen. Om goede kronen te krijgen, moeten +deze zijscheuten ook herhaaldelijk ingesneden worden, zoo lang totdat +de kroontjes dicht genoeg geworden zijn. Snijdt men bij zoo gevormde +kroonboompjes de bloemen geregeld des zomers weg en zet men ze des +winters op een lichte plaats, dan zullen zij den ganschen winter door +bloemen geven. Geheel op dezelfde wijze kan men ook van Fuchsia's in +den zomer kroonboompjes kweeken. + +Kweekt men de Heliotroop in de kamer, dan moet men haar een zeer +lichte standplaats geven, daar zij anders zwakke, dunne scheuten +en onbeduidende, bleeke bloemen ontwikkelt. Om in de bakjes uit te +planten, zijn de Heliotropen uitstekend geschikt. + +Er zijn slechts betrekkelijk weinig Heliotroop-soorten, waarvan, +zooals wij reeds zeiden, de donkerblauwe verreweg de schoonste zijn. + +Hydrangea (Hortensia). Dit is een algemeen bekende Japansche +bloemstruik, die om zijn, wel reukelooze, maar fraaie groote schermen +vormende bloemen zeer gezocht wordt. + +De gewone Hortensia (Hydrangea Hortensia), waarvan Fig. 73 een +paar bloemschermen toont, komt in talrijke soorten en variëteiten +voor en behoort tot een van de meest verspreide potplanten. Al +de variëteiten kenmerken zich door deels geslachtelooze bloemen, +aangezien die bloemen, waarin meeldraden en stampers voorkomen, als +sierbloemen geen waarde hebben. Dergelijke bloemen treft men nogal +eens bij een bontbladerige variëteit aan, die echter zeer zwak groeit +en dus in alle opzichten niet zeer aan te bevelen is. De kleur der +Hortensia-bloemen is wit, of ook wel lichtrood. Plant men ze echter +in ijzerhoudende aarde, of wel, begiet men ze met water, waarin men +roestige ijzeren voorwerpen eenigen tijd laat liggen, dan verkrijgen +de bloemen een meer of minder intensief blauwe kleur. + +De Hortensia kan best enkele graden vorst verdragen. In het +najaar plukt men er de bladeren af, om haar in den kelder te laten +overwinteren. Zij behoort tot die bloemplanten, die in Januari of +Februari, voor een zonnig venster in een warm vertrek geplaatst, +zich zeer goed in bloei laten trekken. Om dit te doen, moeten de +planten eerst verpot worden, waartoe men een mengsel gebruikt +van heide- en veengrond, benevens een weinig klei en een goede +hoeveelheid zand. Staan de twijgen te dicht, dan kunnen de zwakste +geheel weggesneden worden; aan de krachtige twijgen echter, die moeten +bloeien, mag in het geheel niet gesneden worden, omdat de bloemen zich +uit de eindknoppen ontwikkelen. Begiet men de aan den groei gebrachte +planten rijkelijk, dan zullen zij spoedig krachtig doorgroeien en +zullen uit den wortel een aantal jonge scheuten ontspruiten. Op drie +of vijf na moeten deze scheuten echter alle weggesneden worden. Die, +welke men laat staan, dienen om enkele uitgebloeide scheuten, die +leelijk zijn geworden, te vervangen. De uitgesneden jonge scheuten zijn +zeer goed als stekken te gebruiken en wortelen gemakkelijk. Tijdig +aan den groei gebrachte Hortensia's kunnen reeds in April of Mei +bloeien. Wil men de Hortensia's niet in bloei trekken, dan laat men +ze tot het begin van April in den kelder staan, waarop men ze in +den tuin of op het balkon zet; zij bloeien dan van het midden van +den zomer tot aan den herfst. De Hortensia houdt niet van de volle +zon; men moet haar dus een beschaduwde standplaats geven, of anders +tegen de felle middagzon beschermen. Dezen planten, die des winters +volkomen droog moeten blijven, kan men des zomers bijna geen water +genoeg geven. Verzuimt men ze tijdig te begieten, dan hangen zij maar +al spoedig te slap, en herstellen zich in den loop van den zomer niet +gemakkelijk. Houdt men de Hortensia's gedurende den winter te vochtig, +dan worden zij wortelziek en het gevolg zal zijn, dat zij den volgenden +zomer slechts zwakke scheuten en gele bladeren zullen voortbrengen. + +Naast de gewone Hydrangea Hortensia wordt tegenwoordig de Hydrangea +paniculata (Trosvormige Hortensia) ook veel aangetroffen. Deze soort +stamt ook uit Japan en draagt groote, witte bloemen. Deze zeer harde +plant is, als kroonboompje gekweekt (Fig. 74), zeer fraai en uitstekend +geschikt ter versiering van het balkon of den tuin. Deze winterharde +soort laat zich minder goed in bloei trekken; voor het overige kan +zij als de gewone Hortensia behandeld worden. + +Oude, in kuipjes staande, goed behandelde Hortensia's zijn gedurende +haar langen bloeitijd ware prachtplanten, waarvan iedere liefhebber +zeer veel genot kan hebben. + +Lantana hybrida. De Lantana met haar kegelvormige, gele of roode +bloemhoofdjes, die snel ontluiken, doch even spoedig afvallen, wordt +tegenwoordig niet veel gekweekt. Onze tuinvariëteiten stammen alle +van enkele Zuid-Amerikaansche soorten af, en kenmerken zich daardoor, +dat de bloemen, al naar zij ouder worden, van kleur veranderen. Dit +heeft ten gevolge, dat de bloemtuiltjes meestal verschillend gekleurde +bloemen dragen. Wrijft men de bladeren tusschen de vingers, dan +verspreiden zij een onaangenamen geur. + +De Lantana verlangt een goeden, weinig zwaren grond, niet te kleine +potten, een zonnige plaats voor het venster en overwintering in een +temperatuur van 40°-45° Fahr. In het voorjaar worden de overwinterde +planten ingesneden, verpot en aan den groei gebracht. + +De voortkweeking gaat gemakkelijk uit stekken, die men van de, zich +in de kamer ontwikkelende, scheuten snijdt en die zeer vlug wortelen. + +Libonia floribunda. Deze zeer klein blijvende, bossige, somtijds +kogelrond groeiende struik is uit Brazilië afkomstig. De bladeren +zijn langwerpig en klein; de bloemen zijn ook niet groot, buisvormig, +half rood, half geel en reukeloos. + +De Libonia houdt van zandige broeiaarde; zij wordt in den zomer buiten +voor het venster, in den winter op de vensterbank van een koel vertrek, +of, nog beter, tusschen de dubbele vensters van het woonvertrek +gekweekt. Jammer is het, dat de Libonia, die tegenwoordig niet veel +meer aangetroffen wordt, in den winter dikwerf veel blad verliest. Het +is anders een echte bloemplant voor den winter. In den laatsten tijd +wordt de Libonia penrhosiensis, een in Engeland gewonnen variëteit, +als winterbloemplant zeer aanbevolen. Deze verliest wel is waar niet +zoo gemakkelijk haar blad, maar zij is ook niet bijzonder mooi. + +De Libonia laat zich in het voorjaar gemakkelijk voortkweeken uit +stekken, of ook wel door het verdeelen der oude planten. + +Myrtus communis (Mirt). De verschillende kleinbladerige vormen +van den in Zuid-Europa algemeen voorkomenden Mirt behooren tot de +lievelingsplanten van vele dames, die zich met het verzorgen van +planten bezighouden. Vooral in Duitschland is deze plant bij de +dames zeer in trek; het komt daar niet zelden voor, dat een jong +meisje zelf haar Mirte-boompje kweekt, uit welks jonge twijgjes zij +later haar bruidskrans windt, om als getrouwde vrouw de zorgvuldige +verpleegster van dit boompje te blijven. + +De Mirt is een plant voor het koele, vorstvrije vertrek, die des zomers +wel in een goed geluchte kamer doorgroeit, doch zich dan buiten beter +houdt. Hij wordt hoofdzakelijk als kroonboompje gekweekt, in welk geval +hij een klein, kogelvormig kroontje krijgt; men ziet hem echter ook +in struik- en pyramide-vorm. Kleine struik- en pyramideboompjes kunnen +zich uit stekken reeds gedurende één zomer ontwikkelen; wil men echter +kroonboompjes kweeken, dan duurt dit verscheidene jaren. Laat men een +jonge, krachtige stekplant, nadat men haar aan een stokje gebonden +heeft, rustig doorgroeien, zonder de zijscheuten weg te snijden, +dan ontwikkelt zij zich vanzelf tot een pyramide; snijdt men uit een +dergelijke stekplant direct den kop, dan zal zij tot een struikje +opgroeien. Stamboompjes worden gekweekt aan een stokje van 50-60 +cM. hoogte; men bindt den hoofdscheut daaraan geregeld vast, snijdt de +sterke zijscheuten geheel weg en laat de zwakke zoo lang doorgroeien, +totdat het stammetje de noodige sterkte verkregen heeft. Snijdt men +steeds álle zijscheuten weg, dan wordt het stammetje te zwak. + +De Mirten moeten in goede broeiaarde gekweekt worden en bij het +oppotten gebruikt men bij voorkeur kleine potten. Moeten zij verplant +worden, dan past men op, niet te diep te planten; komt toch een +gedeelte van den stam in de aarde, dan wordt dit spoedig door rotting +aangetast. Houdt men deze plantjes te vochtig, dan krijgen zij in +plaats van fraai groene, dof gele bladeren, en zet men ze te warm of te +donker, dan maken zij lange, zwakke scheuten, die door thrips worden +aangetast. Op deze wijzen kan men gezonde exemplaren in korten tijd +ziek maken. De witte bloempjes, die zeer snel uitbloeien, verschijnen +bij den Mirt slechts zelden, daar men door het insnijden, ter wille van +den vorm, de bloem wegsnijdt. Een kleine vorm, de Myrtus nana compacta +multiflora, bloeit geregeld iederen zomer. Een variëteit van dezen +vorm is de Myrtus Jenny Reitenbach, ook wel Koningsberger Bruidsmirt +genaamd, die uitstekend geschikt is om als kroonboompje gekweekt te +worden en in dien vorm des zomers met duizenden bloemen prijkt. + +De vermenigvuldiging van den Mirt geschiedt het beste door middel +van stekken, die, koud en beschaduwd geplaatst, in 4-6 weken wortelen. + +Nerium Oleander (Oleander). De Oleander, wiens eigenlijk vaderland +Klein-Azië is, wordt tegenwoordig in Zuid-Europa overal in het +wild groeiend aangetroffen. Deze, ook bij ons zeer in trek zijnde +sierstruik komt daar langs de oevers der beken en rivieren voor, +die daardoor een zeer aantrekkelijk voorkomen verkrijgen. De Heer +C. Sprenger, te Napels, schrijft in het tijdschrift "Natur und Haus" +het volgende over den Oleander: "De wilde Oleander-struik wordt zelden +hooger dan vier Meter; in de meeste gevallen blijft hij lager, daar hij +als oeverstruik zich hoofdzakelijk in de breedte ontwikkelt. Op deze +wijze vormt hij dichte boschjes, die, wanneer zij met bloemen overdekt +zijn, een prachtigen aanblik opleveren en de lucht met heerlijke +geuren vervullen. Met verwondering volgt het oog deze roode banden, +hoe zij tegen de bergen oploopen om van daar af, de beken volgend, +in gebogen lijnen terug te keeren." + +Bij ons ziet men den Oleander wel vaak als sterke pot- of kuipplant, +doch slechts zelden ziet men hem in zijn ware bloemenpracht. Dikwijls +is dit niet-bloeien het gevolg van gebrek aan zon, waardoor de bloemen +niet tot ontwikkeling kunnen komen. De knoppen blijven dan des winters +aan de takken zitten, om in een volgenden zomer, bij gunstig weer, +open te komen. Dikwijls ook is het gevolg van gebrek aan voedsel en +water, en bij oudere exemplaren wordt het weer veroorzaakt door het +niet-tijdige insnijden. Wanneer oude Oleanders niet goed meer groeien +en bloeien, dan moet men ze flink insnijden, desnoods zóó diep, dat +er slechts een paar takken met bladeren overblijven. Op dit insnijden +laat men dan een verplanten volgen. Bij voorkeur moeten zij geplant +worden in ouden, verteerden koemest, die met wat kleiaarde en zand +vermengd wordt. Goed bewortelde Oleanders moet men niet verzuimen +des zomers flink te gieren. Plant men ze in te armen grond of wel, +houdt men ze des winters te warm, dan worden zij aangetast door de +Oleander-schildluis, die zich vaak op beide zijden der bladeren zet, +en die zeer lastig te verwijderen is. + +Zooals uit zijn groeiplaats, aan de oevers van rivieren en beken, reeds +voortvloeit, moet men den Oleander des zomers volop begieten, waarbij +hij een standplaats op de volle zon in den tuin of op het balkon +verlangt. De Oleander laat zich overwinteren in een koel vertrek, ook +wel in een lichten, doch vorstvrijen kelder; want, hoewel eenige graden +vorst hem niet deren, moet men daarmede toch voorzichtig zijn. Het +meest treft men den enkel- of gevuldbloemigen, rooden Oleander aan; +er bestaan echter ook witte en gele variëteiten. Van deze laatste durf +ik gerust aanbevelen de Madoni grandiflorum fl. pl., met groote, half +gevulde witte bloemen en de luteum plenum met groote, gele bloemen. + +De voortkweeking slaagt het best des zomers, door de stekken in een met +water gevuld medicijnfleschje te zetten. In ieder fleschje zet men een +stekje, waarvan de halsopening met warme was wordt toegestreken. Zet +men de stekken zóó in de volle zon, dan zullen zij na weinige weken +geworteld zijn. Men moet ze echter eerst dán in potjes zetten, +wanneer zij overvloedig wortels gemaakt hebben. + +De liefhebber moet met den Oleander eenigszins voorzichtig zijn, +aangezien hij vergiftig is. Zoogdieren en vogels, die van de bladeren +gegeten hadden, stierven in betrekkelijk korten tijd, en het is ook +reeds waargenomen, dat menschen, die door de een of andere oorzaak +het sap in de oogen kregen, daarvan blind werden. Men neme zich dus +eenigszins voor hem in acht. + +Pelargonium (Ooievaarsbek). Deze planten komen heel dikwijls +voor onder den verkeerden naam Geranium, welke naam echter aan +een ander geslacht derzelfde familie behoort. Naast de Fuchsia +is zeker wel de Pelargonium een der meest verspreide en geliefde +planten. De ontelbare, in de tuinen gekweekte, variëteiten stammen +van verschillende soorten af; de meeste waarde heeft echter voor de +cultuur in de kamer de Pelargonium zonale en haar variëteiten. Deze +hebben alle een kogelvormig bloemscherm, dat uit enkele of gevulde +bloemen bestaat, benevens fraaie groene bladeren, meestal met een +donkeren band geteekend. + +Onder deze Pelargoniums treft men er aan met zeer fraaie, bonte +bladeren, nú eens zijn zij met geel of wit geteekend, dàn weder +wit gerand, of wel, zij hebben geheel een bronsachtige kleur. De +bontbladerige Pelargoniums geven echter over het algemeen tamelijk +kleine bloemen. De grootste waarde van de groenbladerige is +gelegen in de schitterende kleur der bloemen. Het fraaiste zijn +zeker wel de vuurroode, de zuiver paarse, de vleeschkleurige en +de witte variëteiten. Over het algemeen zijn de enkelbloemigen +te verkiezen boven de gevulde, daar de eerste veel fraaiere en +dichtere bloemschermen vormen en ook lang zoo gevoelig niet zijn +voor regen. Bij donker, regenachtig weer komen de bloemen der +gevuldbloemige variëteiten zeer slecht open. De Pelargonium peltatum +(Klimop-Pelargonium) kenmerkt zich door dikke, klimopvormige bladeren +en lange slappe stengels, waarom zij uitstekend geschikt is ter +versiering van balkonhekken. Ook als ampelplant is deze soort zeer +aan te bevelen. De bloemen der Klimop-Pelargonium zijn meestal rose, +de donkerroode en witte variëteiten worden veel zeldzamer aangetroffen. + +Terwijl de beide, thans besproken groepen niet alleen geschikt zijn om +voor het venster of in de balkonbakjes gekweekt te worden, doch zich +ook uitstekend leenen om er des zomers bloemperken mede te beplanten, +zijn de grootbloemige Engelsche of Odier-Pelargoniums slechts voor +venstercultuur te gebruiken. Deze soort heeft eigenaardig gevouwen +groene bladeren, niet zeer bloemrijke schermen, maar zeer groote, +buitengewoon fraai geteekende bloemen. Zij zijn echter vaak ondankbare +bloeisters en worden het spoedigst van alle door ongedierte aangetast. + +Van de verschillende Pelargonium-soorten, waarvan sommige een zeer +aangenamen, aromatischen reuk hebben, vindt men er hier of daar +nog enkele in verzamelingen. Het meest wordt nog aangetroffen de +Pelargonium radulum roseum, die een sterken rozengeur heeft. Deze +soort heeft kleine bloempjes, maar fraaie, fijn verdeelde bladeren. + +Wanneer men des zomers buiten wandelt, dan treft men overal de +Pelargoniums aan, in talrijke vensters en veranda's, op balkons en +bloemvakken in den tuin; waar men gaat, ziet men ze, en zelfs des +winters bemerkt men ze nog vaak achter de vensters. De aromatische +geur, die de tusschen de vingers gewreven bladeren verspreiden, +bezitten de bloemen niet; zij munten slechts uit door haar elegante +vormen, schitterende kleuren en groote bloemrijkheid. + +De Pelargoniums worden vooral des zomers zeer veel aangewend. Heeft +men vensters of balkons, die op de volle zon liggen, dan zijn het +verreweg de beste sierplanten daarvoor. Van zeer vroeg in het voorjaar +af, tot diep in den herfst, zullen de bloemen ontluiken, wanneer deze +planten maar een zonnige plaats hebben. In den oksel van ieder nieuw +verschijnend blad bevindt zich de in den aanvang knikkende bloemsteel, +die zich weldra krachtig opheft; ook de bloemknoppen hebben eerst een +hangende houding; zoodra echter de bloem zich opent, richt zij zich +op. De duur van ieder bloemscherm is zeer lang, want, niettegenstaande +er vaak zooveel bloemen te gelijk open zijn, dat het scherm op een +bol gelijkt, is dit aantal toch slechts gering in vergelijking met +het aantal knoppen, dat iedere bloemstengel draagt. Zeer fraai is in +dit opzicht de Pelargonium "Meteor", een nieuwe enkel roode variëteit, +die zeer groote bloemschermen vormt. + +Het dankbaarste bloeien de Pelargoniums, wanneer men ze in betrekkelijk +kleine potten kweekt. Plant men ze in groote potten, of wel in bakjes, +dan groeien zij zeer sterk, maken prachtige bladeren, doch bloeien +niet rijk. Wil men de bakjes toch met Pelargoniums beplanten, dan +doet men het beste ze niet uit den pot te nemen, doch met den pot in +de aarde van het bakje te graven. Op deze wijze behandeld, zullen er +wel wortels door het drainagegaatje en over den rand van den pot in +de aarde van het bakje dringen, maar de voornaamste wortels blijven +toch in den pot besloten; hierdoor is de groei niet zoo welig, doch +de bloei veel rijker. + +Tegen Pinksteren kan men de Pelargoniums buiten zetten; in Maart of +April zijn zij dan reeds ingesneden en in voedzame, met wat kleigrond +vermengde broeiaarde verplant. De oude, overwinterde planten verdragen +het insnijden zeer goed; men kan ze zoo snoeien, dat er van 2-5 oogen +op iederen scheut blijven zitten. Zoo behandeld, zal men mooie gevulde +planten verkrijgen, die zeer rijk bloeien. In den beginne moet men +na het insnijden en verplanten zeer voorzichtig zijn met het gieten +en ze vooral niet bespuiten, aangezien oude Pelargoniums gemakkelijk +tot rotting overgaan. Het vroegst bloeien in de kamer de stekken, +die men in Augustus stekt. Van deze stekken zet men er dan 4 of 6 om +den rand van een 8-10 cM. wijden pot. Deze stekken wortelen na 2 of +3 weken, wanneer men ze vrij voor een zonnig venster zet en eerder +te droog dan te vochtig houdt. Het lastigst wortelen de stekken van +Odier-Pelargoniums. De Augustusstekken laat men den winter door rustig +in de stekpotten staan; in het voorjaar neemt men ze er voorzichtig +uit en plant ze ieder in een 8-10 cM. wijden pot. Deze stekplanten moet +men geheel ongesnoeid laten, daar zij anders veel later bloeien en zij +zich toch wel voldoende vertakken. De Pelargoniums laten zich ook zeer +gemakkelijk uit zaad voortkweeken; toch is dit voor een liefhebber niet +aan te raden. De zaailingen immers bloeien hoogst zelden in het eerste +jaar, terwijl dit met stekken steeds het geval is. Er zijn echter nog +meer zwarigheden. Wanneer men een fraaie variëteit bezit en men wil die +uit zaad voortkweeken, dan is men lang niet zeker, dat de zaailingen +de goede eigenschappen van de moederplant bezitten, daar zij zeer +dikwijls terugslaan. Van de zaailingen zal dan nog de ééne plant zeer +goed, de andere daarentegen slecht bloeien, zoodat de liefhebber wijs +doet, deze wijze van vermenigvuldiging aan de kweekers over te laten, +die het doen met het uitzicht nieuwe variëteiten te winnen. + +Zoo gemakkelijk en dankbaar als de Pelargoniums des zomers zijn, +wanneer men ze in betrekkelijk kleine potten houdt, regelmatig begiet, +en voldoende giert, zoo lastig zijn zij gedurende den winter. Een +troost is het voor den liefhebber, dat de overwintering in een droge +kamer vaak nog veel beter gelukt dan in een vochtige kas. + +Daar de Pelargonium gevoelig is voor nachtvorsten, moet men +haar reeds begin October binnenbrengen. De vensterbank van een +op het zuiden gelegen vertrek, dat een gemiddelde temperatuur +van 45°-50° Fahr. heeft, is een uitstekende plaats om ze te doen +overwinteren. Zeer lastig is gedurende den winter het afrotten. De +planten moeten dus zoo droog mogelijk gehouden worden, en moet men +ze begieten, dan moet dit hoogst voorzichtig geschieden en wel zóó, +dat de stengels en bladeren niet vochtig worden. Gele bladeren worden +met een scherp mesje afgesneden, en wel zoodanig, dat een gedeelte +van den bladsteel aan de plant blijft zitten; dit verdroogt langzaam +en valt eindelijk af. Snijdt of breekt men de bladeren te kort bij +den stengel af, dan ontstaat er licht een wond, die gemakkelijk +rotting kan veroorzaken. Geeft een stengel bewijzen van rotting, +of toont hij rotte plekken, dan snijdt men het zieke gedeelte, of +den geheelen stengel, met een scherp mesje af en bestrooit de wond +met houtskoolpoeder. Gedurende den winter moet echter elk noodeloos +snijden vermeden worden. + +Gewoonlijk zijn de Pelargonium zonale en P. peltatum in het het +eerste jaar, d.w.z. het jaar, nadat zij gestoken zijn, het schoonst; +bij een goede behandeling kan men er echter 2 of 3 jaar ruimschoots +pleizier van hebben; langer echter is het niet raadzaam ze te bewaren, +omdat zij, zeer oud geworden, niet meer bloeien. + +De veel teerdere Odier-Pelargoniums moet men in bladaarde, vermengd +met een weinig graszodengrond, kweeken. Houdt men deze soort voor het +venster van een goed gelucht vertrek, waar zij tegen regen beschermd +staat, dan zal zij in het tweede en derde jaar het rijkst bloeien. Deze +soort moet zoo min mogelijk ingesneden worden, daar zij dan veel +beter bloeit. Hebben de Odier-Pelargoniums gebrek aan licht en zon, +dan worden zij heel spoedig door luis aangetast. + +Punica Granatum (Granaatboom). Tegenwoordig wordt de Granaatboom, +die oorspronkelijk uit Noord-Afrika afkomstig is, doch in Italië en +Griekenland verwilderde, nog maar weinig gekweekt. Wanneer men dezen +boom echter in goed gekweekte kuipplanten heeft, dan vormt hij, met +zijn kleine, op die van Mirten gelijkende bladeren en schitterend +roode bloemen een werkelijk prachtige sierplant. Er bestaan twee +soorten van: die met enkele en die met gevulde bloemen. De groote, +met een kelk gekroonde roode vruchten, zijn zeer schoon. + +De Granaat wordt over het algemeen slecht behandeld; hij is wel +een harde plant en kan dus veel verdragen, maar dan gaat dit ten +koste van den bloei. Zoo noodig moet de Granaat in het voorjaar +verplant worden in zeer goeden, voedzamen grond. Wanneer hij nog +geen bladeren gemaakt heeft, dus op zijn laatst tegen het einde van +April, wordt hij buiten op een zeer zonnige plek gezet. Des zomers +moet hij rijkelijk begoten worden en is hij doorgeworteld, dan kan +het gieren om geregelde tijden geen kwaad. De snoeiing moet tot het +uiterste beperkt worden en mag slechts bestaan in het verwijderen der +overvloedige twijgen. De overwintering kan in den kelder geschieden; +de Granaat moet echter niet te vroeg in huis gebracht worden, +niet voor in de tweede helft van November. Men kan dit gerust doen, +omdat hij zeer goed enkele graden vorst kan verdragen. De bloemen, +ontwikkelen zich op de krachtige, rechtop staande twijgen. Kan men +de Granaten in een serre of wintertuin wat aan den groei brengen, +dan is dit zeer goed, mits men ze dan niet vóór Pinksteren buiten zet +en zij ook niet direct een zonnige plaats verkrijgen. Van dergelijke +planten kan men de jonge scheuten als stekken gebruiken. + +Als oude, in kuip gekweekte, plant is de Granaat een zeer dankbare +bloeier. Hij wordt in stam- of struikvorm gekweekt. De zoogenaamde +Dwerggranaat (Punica Granatum nanum) bloeit reeds als zeer jonge plant, +maar de bloemen zijn veel kleiner, dan die van het type. + +Rosa (Roos). Onder de planten, die tegenwoordig veel in de kamers of +buiten voor de vensters worden gekweekt, vindt men de aan ieder bekende +Roos betrekkelijk weinig. De reden hiervan is, dat men twijfelt aan +haar waarde als kamerplant en ook, omdat zij niet erg gemakkelijk +in de cultuur is. Een waar liefhebber echter schept weinig behagen +in planten, die, zonder goede verzorging, goed groeien; hij stelt +er juist een eer in, zijn moeite en zorgen met een goeden uitslag +bekroond te zien. Zulke liefhebbers zullen de Roos met waar genoegen +kweeken. De liefhebbers echter, die planten in vertrekken hebben, +omdat dit tegenwoordig mode is, en die de verzorging dier planten +moeilijk en lastig vinden, zullen in de cultuur der Roos zeer weinig +behagen scheppen. + +Vele Rozenvrienden zullen licht de vraag stellen: Is dan de Roos +werkelijk een goede kamerplant? + +Deze vraag moet ontkennend beantwoord worden, wanneer wij onder het +woord kamerplant een plant verstaan, die jaar in, jaar uit in een +gesloten vertrek kan staan; zij kan echter toestemmend beantwoord +worden, wanneer wij ook die planten tot de kamerplanten rekenen, +die niet altijd in een gesloten vertrek willen staan, maar op het +rekje voor het raam of in den tuin een gedeelte van het jaar willen +doorbrengen. + +Het zal wel niet noodig zijn er op te wijzen, dat wij de laatste +groep van planten, waartoe zeer vele onzer meest geliefde gewassen +behooren, wel degelijk als kamerplanten beschouwen en doen wij dit, +dan moet ook de Roos daartoe gerekend worden. + +Het is waar, dat lang niet de meeste Rozen zich voor alle doeleinden +laten gebruiken, zoo zijn er Rozen, die volstrekt niet deugen, +om geforceerd te worden en zoo zijn er ook, die voor kamerplanten +ongeschikt zijn. Klimrozen, sterk groeiende Rozen en die, welke +wel fraai, doch niet rijk, bloeien, zijn om in de kamer en voor het +venster te kweeken geheel ongeschikt. De Roos is slechts dan waard een +plaats naast andere planten in te nemen, wanneer zij rijk met bloemen +bezet is, want deze en niet de doorns of de bladeren vormen haar +pracht. Omdat de Rozen, die men voor kamerplanten gebruikt, altijd +met bloemen getooid moeten zijn, worden de Maandrozen daarvoor zeer +veel gebruikt. Wel zijn de bloemen van de Maandroos snel verwelkt, wel +kunnen zij, wat schoonheid van vorm en kleur betreft, niet vergeleken +worden met de Thee- en Remontantrozen, zij is echter verkieselijk om +haar zeer rijken, voortdurenden bloei. + +Met succes kan men de Roos slechts van het einde van Februari tot +het intreden van warmer weer in de kamer kweeken, en dan heeft deze +cultuur uitsluitend ten doel den groei aan te wakkeren, te vervroegen +en daardoor de plant in bloei te krijgen op een tijdstip, dat de buiten +uitgeplante Rozen pas weer aan den groei beginnen te komen. Om dit doel +te bereiken, moet men de Roos dicht voor het raam van een zeer zonnig +vertrek zetten, dat, zoodra het weer het toelaat, rijkelijk gelucht +moet worden. Treedt kouder weer in, dan moet dit vertrek zoodanig +verwarmd kunnen worden, dat men zeker is, dat het er niet in vriest. + +Kweekt men van Februari tot April in de kamer slechts Struikrozen, +d.w.z. wortelechte of op den wortelhals veredelde Rozen, dan biedt de +vensterbank ruimte genoeg om ze te plaatsen. Beter dan de Struikrozen +zijn echter voor kamercultuur Halfstamrozen geschikt; dit zijn Rozen +met een stammetje van 30-40 cM. hoogte. Daar deze Halfstamrozen, +wanneer wij ze evenals de Struikrozen, in de vensterbank zetten, +veel te weinig licht zouden krijgen, moet men ze plaatsen zooals +Fig. 78 dit aantoont. + +Men zet ze daartoe op een onder de vensterbank aangebracht plankje +of op een lagen standaard zoodanig, dat de kroon slechts daarboven +uitsteekt en in hoogte gelijk komt met de op de vensterbank geplaatste +Struikroos. Worden de Rozen van Februari af langzaam aan den groei +gebracht, dan kan men ze reeds tegen Pinksteren, wanneer zij door goed +luchten gehard zijn, als fraai ontwikkelde planten ter versiering van +het balkon gebruiken, of wel in het buiten aan het venster aangebrachte +bloemenrekje plaatsen. + +Een goed bezet bloemenrekje voor het venster is zonder twijfel een +sieraad voor ieder huis; zeer mooi is het echter, wanneer er ook +Rozen tusschen de andere planten staan. + +De Rozen in potten zullen het beste groeien, wanneer men ze zet +voor een venster, waar zij volop morgenzon hebben; natuurlijk +wordt verondersteld, dat men ze goed behandelt. In de eerste +plaats moet men er zorg voor dragen, dat de potten beschut staan, +en moeten zij dus in een gesloten plantenrekje geplaatst worden, +zooals door Fig. 64 is afgebeeld, opdat de wortels tegen te groote +warmte beschermd worden. Een groote factor bij de Rozencultuur is +ook het besproeien. Worden de planten op warme dagen voorzichtig +besproeid of bespoten, dan voorkomt men voor een groot gedeelte de +aanvallen van insecten; terwijl ook de planten opfrisschen, doordat +zij van alle stof en vuil gereinigd worden, waardoor de huidmondjes +open blijven. Het besproeien is bij donker, vochtig weer onnoodig; +onvoorzichtig is het echter, wanneer men het doet, als de zon op de +planten schijnt, daar de bladeren dan zeer licht verbranden. Een +uitstekende uitwerking heeft het echter, wanneer men het doet des +avonds na een warmen dag. Het besproeien des avonds moet het gieten +voorafgaan. Het gieten is natuurlijk van het grootste belang en vooral +bij potrozen moet dit met groote voorzichtigheid geschieden. Deze +moeten begoten worden, vóórdat de aarde geheel is opgedroogd, en +men moet er op letten, dat de geheele aardkluit behoorlijk vochtig +wordt. Zijn er warme dagen voorafgegaan, dan is het gieten des avonds +alleen niet voldoende, en men moet dan den volgenden morgen nog eens +gieten; dit moet echter steeds zóó vroeg geschieden; dat de zon de +planten niet direct na het begieten beschijnt. + +Van groot belang is bij het kweeken van Rozen ook de aarde, waarin men +ze plant. De meeningen zijn over dit punt zeer verschillend; onder +de bekwame kweekers is er echter niet een, die beweren zal, dat een +Potroos in lichte of in gewone tuinaarde goed groeien zal. Een Roos +groeit zeer goed in een kleinen pot, maar daaruit volgt natuurlijk, +dat zij ook vette, goed voedzame aarde verlangt. Als aardmengsel voor +Rozen bevelen wij aan: twee deelen broeiaarde, twee deelen klei- +of graszodengrond en een deel zand. Bij dit aardmengsel worden dan +nog eenige hoornspaanders gevoegd. De ondervinding heeft ons geleerd, +dat Rozen in zulk een grondmengsel uitstekend groeien. + +De beste tijd om Rozen te verplanten is, mits het voorzichtig +geschiedt, in de maand Augustus. De planten maken dan vóór den winter +nog nieuwe wortels en groeien in het volgende jaar direct goed door, +wat niet het geval zal zijn, wanneer men ze kort vóór den groeitijd, +dus in het voorjaar, verplant. + +Uit het voorgaande blijkt, dat het kweeken van Potrozen niet weinig +moeite veroorzaakt; het biedt echter talrijke voordeelen, welke aan de +cultuur in den tuin niet verbonden zijn. De Potrozen hebben wij steeds +in onze macht; wij kunnen ze van alle zijden goed beschouwen en dus ook +gemakkelijk aan schadelijke invloeden onttrekken. Worden de planten +aangetast door honingdauw of ongedierte, dan kunnen wij deze kwalen +bij Potrozen grondig en dus meestal met goed succes bestrijden. Een +ander groot voordeel biedt de cultuur in potten ons nog. Wanneer de +eerste sterke nachtvorsten de bloemen der uitgeplante Rozen dreigen te +vernietigen, dan behoeven wij onze Potrozen slechts binnen te zetten, +om nog lang pleizier van haar bloemen te kunnen hebben; zelfs nog, +wanneer de buitenstaande Rozen reeds lang ontbladerd en tegen de +winterkoude gedekt zijn. Veel strenge winters hebben ons geleerd, dat +de Rozen, al zijn zij nog zoo goed gedekt, toch lang niet tegen den +schadelijken invloed van de vorst beveiligd zijn. Met de Potrozen is +men echter van het weer geheel onafhankelijk. Deze behoeft men slechts +in een luchtigen kelder of in een achterkamer te laten overwinteren, +en men heeft het geheel in zijn hand, ze vroeger of later aan den +groei te brengen. + +Veel genoegen verschaft het, in het vroege voorjaar, d.w.z. tusschen de +maanden Februari en April, Rozen in bloei te trekken. De Rozen, die men +wil forceeren, vereischen een zeer zorgvuldige behandeling. Afgezien +van de keuze der soorten, waarop wij later terugkomen, moeten de +Rozen, die men in bloei wil trekken, reeds een jaar te voren in +potten gekweekt zijn, zoodat zij goed vaststaan. Men plant deze +Rozen, waartoe men krachtige struiken of halfstamboompjes gebruikt, +in het voorjaar, of nog beter in den herfst, in potten. In de meeste +gevallen zijn potten van 15 cM. hoogte en 12-15 cM. wijdte groot +genoeg. De opgepotte Rozen moeten nu eerst gesnoeid worden. Bij dit +snoeien moet men er op letten of men met zwak of met sterk groeiende +soorten te doen heeft. Bij zwak groeiende soorten worden de twijgen +op 3 of 4, bij sterk groeiende op 5 of 6 oogen teruggesneden, +terwijl de zwakste twijgjes bij den stam worden afgesneden. Heeft +men de Rozen in den herfst opgepot, dan worden zij in een luchtigen +kelder gezet en slechts weinig begoten, zoodat de aarde maar even +vochtig blijft. In het voorjaar worden de zóó overwinterde Rozen +in een luchtige kamer gezet, en zoodra er geen nachtvorsten meer +te vreezen zijn, zet men ze buiten. De in het voorjaar opgepotte +Rozen graaft men, indien dit doenlijk is, geheel onder den grond, +zoodat ook de twijgen zich onder de aarde bevinden. Zoo laat men ze +staan, totdat zij goed wortel gemaakt hebben, hetgeen ongeveer 3 à +4 weken duurt. Men moet ze echter vooral niet te lang ondergegraven +laten staan, omdat zij dan gaan uitgroeien en gele scheuten zouden +maken. Heeft men geen gelegenheid, de planten in de aarde te +graven, dan zet men ze in een vertrek, dat in den aanvang weinig, +langzamerhand echter meer gelucht wordt. Er moet voor gezorgd worden, +dat de planten den eersten tijd niet in de zon staan; ook mogen +zij slechts matig begoten worden. Het nu en dan bevochtigen der +twijgen met den rafraichisseur zal zeer heilzaam werken. Het komt +bij de in het voorjaar opgepotte Rozen wel eens voor, dat zij niet +willen uitgroeien, en bij droog weer, niettegenstaande herhaaldelijk +besproeien, beginnen te verdrogen. Dergelijke planten moet men tegen +de zon beschermen, door de kroon in papier, bijv. courantenpapier, +te wikkelen (Fig. 79). Een dergelijke bescherming, die het licht niet +geheel en al onderschept en na 2 of 3 weken verwijderd kan worden, +zal steeds blijken zeer heilzaam te werken. + +Gedurende den zomer behandelt men de pas opgepotte Rozen zeer +voorzichtig. Zij worden tot aan den rand van den pot op een half +beschaduwde plek ingegraven, regelmatig begoten en bij warm weder +des morgens en des avonds besproeid. Zeer nuttig is het ook, om te +voorkomen, dat de aarde te veel uitdroogt, de potten met korten mest +te bedekken. Zijn de Rozen goed geworteld en groeien zij krachtig door, +dan kunnen zij tweemaal per week gegierd worden. In den herfst, op zijn +allerlaatst half September, worden de planten opgenomen en omgelegd; +slechts in de noodzakelijkste gevallen, wanneer de bladeren slap +gaan hangen en men dus moet gieten, worden zij rechtop gezet. Deze +behandeling is noodig, om er voor te zorgen, dat het blad vroegtijdig +afvalt en de plant dus in rust komt. Het is toch hoognoodig, dat een +Roos, die vroeg in het voorjaar moet bloeien, ook in den herfst vroeg +tot rust wordt gebracht. Hebben de planten haar bladeren verloren, +dan zet men ze in een luchtigen vorstvrijen kelder, waarin zij tot +Januari blijven. Na Januari worden zij in de kamer gebracht, om ze +te forceeren. + +Voordat men de Rozen in de kamer zet, moeten zij nog eens goed +nagezien worden. De door den pot gegroeide wortels worden afgesneden, +de bovenste aardlaag wordt voorzichtig uit den pot genomen en door +versche aarde vervangen; ook de potten worden goed afgeborsteld, +of nog beter afgeschrobd. Na deze voorbereidende werkzaamheden wordt +de Roos gesnoeid. Men begint met alle zwakke twijgen af te snijden, +zoodat er niet meer dan 4 of 5 sterke, goed rijpe twijgen aan iedere +plant overblijven. Deze twijgen worden nu, al naar de soort en naar +haar sterkte, op 3 tot 6 oogen teruggesneden, waarbij men er op moet +letten, dat het bovenste oog steeds naar buiten is gericht; dit is +hoognoodig om te voorkomen, dat de jonge scheuten in elkander groeien, +doch een goed gevormde kroon maken. (Zie ook het hoofdstuk over "Het +snoeien"). De zoo behandelde Rozen zet men nu in een vertrek, waarvan +de gemiddelde temperatuur niet meer dan 50° Fahr. bedraagt. Deze +temperatuur mag niet hooger zijn, om te beletten dat de scheuten +zich te snel ontwikkelen. Binnen veertien dagen toch mag dit niet +geschieden. Beginnen na dien tijd de eerste blaadjes zich te vertoonen, +dan moeten de Rozen voor het venster van een zonnig, geregeld verwarmd +vertrek geplaatst worden. Het is nu een voorname zaak, goed op het +gieten te letten; de planten mogen toch volstrekt niet uitdrogen, +waarom tamelijk veel gegoten moet worden, echter zoo, dat de aarde niet +te overdadig nat wordt. Het te gebruiken gietwater moet een temperatuur +van ongeveer 65° Fahr. hebben. De scheuten beginnen zich nu krachtig te +ontwikkelen en spoedig worden de eerste bloemknoppen zichtbaar. Zoodra +het laatste het geval is, kan men de planten eens per week gieren, ten +einde den groei nog wat te bevorderen en zoodoende groote, volkomen +gaaf ontwikkelde bloemen te verkrijgen. Veel meer dan bij de cultuur +buiten, zal men nu met ongedierte te kampen hebben. Men moet deze +plaag voortdurend krachtig bestrijden en haar steeds meester trachten +te blijven, daar zij anders al de genomen moeite kan verijdelen. + +De uitgebloeide Rozen worden in een koel, doch vorstvrij vertrek gezet +en slechts matig begoten; wordt het warmer, dan moet het vertrek flink +gelucht worden, en is het weer bestendig geworden, dan kunnen zij +buiten gezet en juist zoo behandeld worden als voor de pas opgepotte +Rozen is vermeld. Voordat men de uitgebloeide Rozen in den tuin zet, is +het echter zaak, ze te verplanten. Dit verplanten moet zeer voorzichtig +geschieden: van de oude aarde wordt slechts weinig afgenomen en men +moet er op passen, dat de kluit niet uit elkander valt. De potten, +die men gebruikt, moeten slechts weinig grooter zijn, daar zij in +groote potten zeer slecht groeien. Nadat deze Rozen verplant zijn, +moeten zij ook gesnoeid worden, geheel op dezelfde wijze als men niet +geforceerde Rozen na den bloei snoeit (Fig. 79). + +Bij dezen tweeden zomersnoei verwijdert men ook de zwakke, niet +bloeibare twijgjes, terwijl de sterkere en uitgebloeide twijgen +voldoende worden ingesneden. De zich in den bladoksel bevindende +oogen beginnen nu uit te loopen en spoedig verkrijgt men een tweeden, +niet minder fraaien bloei. + +De Rozen worden op verschillende wijzen gegroepeerd. Al deze groepen +hier nader te beschrijven zou veel te ver voeren, wij zouden dan te +uitgebreid worden. Wij geven hierbij, uit de verschillende groepen, +eenige der fraaiste soorten op, die voor Potrozen geschikt zijn en +ook voor kamer- en venstercultuur kunnen dienen. + + + Maand- of Bengaalrozen, (Rosa indica semperflorens). + + Cramoisi supérieur, een kleine plant met schitterend + karmijnroode bloemen. + Hermosa, een zeer geliefde Maandroos, met rose bloemen. + Louis Philippe (Fig. 81), laag blijvende soort, + met karmijnroode bloemen. + Mme Eugène Résal (Fig. 82), met roode bloemen. + Mlle Laurette de Messimy, met koperkleurige bloemen. + viridiflora, de Roos met groene bloemen, niet zeer + schoon, maar zeer interessant. + + Lilliputrozen, (Rosa indica Lawrenceana). + + Gloire de Laurentia, een slechts 20 cM. hoog wordend + miniatuur-Roosje, met donkerroode bloemen. + + Kleinbloemige Rozen, (Rosa polyantha). + + Clotilde Soupert, met tamelijk groote, rose bloemen. + polyantha multiflora, een enkel- en gevuldbloemig + dwergroosje, met witte of rose bloemen, dat interessant + is, omdat in de kamer, in enkele maanden bloeibare + planten uit zaden kunnen worden gekweekt. + Paquerette, zeer rijk bloeiend met witte bloempjes. + Perle d'or (Fig. 83), met nankingele bloemen. + Theerozen, (Rosa indica fragans). + Cathérine Mermet, met vleeschkleurige bloemen. + Elise Fugier (Fig. 84), met witte, inwendig gele + bloemen. + Etoile de Lyon, met gele bloemen. + Gloire de Dijon, met lichtgele bloemen. + Mme. Falcot, met nankingele bloemen. + Maman Cochet (Fig. 85), met vleeschkleurige bloemen. + Niphetos, met prachtige knoppen en witte bloemen. + Safrano, met oranje bloemen. + Sunset, met saffraankleurige bloemen. + The Bride, witte bloemen met gelen weerschijn. + + Noisetrozen (Rosa indica Noisettiana). + + Céline Forestier, met lichtgele bloemen. + Mme. Pierre Cochet (Fig. 86), met gele bloemen. + + Theehybriden (Rosa thea hybrida.) + + Augustine Guinoisseau, met witte bloemen. + Camoëns (Fig. 87), rose bloemen met gelen grond. + Caroline Testout, met prachtige vleeschkleurig-rose + bloemen. + Kaiserin Augusta Victoria (Fig. 88), met prachtige + bloemen, uitwendig wit, inwendig lichtgeel. + La France, prachtige lichtroode bloemen. + William Francis Bennet, met karmijnroode bloemen. + + Remontantrozen (Rosa hybrida bifera). + + Alfred Colomb, met vuurroode bloemen. + Foliis tricoloribus (Fig. 90), met donkerroode bloemen + en fraaie geel-wit-bonte bladeren. + Baronne de Rothschild, met rose bloemen. + Frau Karl Druschki, met groote sneeuwwitte bloemen. + Général Baron Berge (Fig. 91), met granaatroode + bloemen. + Jean Lambert, met hoogroode bloemen. + Jules Margottin, met kersroode bloemen. + Paul Neyron, met donkerroode, zeer groote bloemen. + Pierre Notting, met zwartachtig roode bloemen. + Van Houtte, met vuurroode bloemen. + Victor Verdier, met schitterend karmijnroode bloemen. + + +Rosmarinus officinalis (Rozemarijn). De Rozemarijn werd vroeger bijna +overal aangetroffen, tegenwoordig echter veel minder, en alleen hier +en daar in dorpen kan men haar nog wel eens vinden. Het is een klein +struikje, met glimmende, naaldvormige blaadjes en kleine lilakleurige +bloempjes. Haar vaderland is Zuid-Europa en de Levant. Er bestaan twee +variëteiten van: een met wit- en een met geelbonte blaadjes. In haar +vaderland groeit de Rozemarijn in een drogen bodem. Dit sierplantje +moet in goede, zware aarde geplant; het kan des zomers buiten staan +en ook buiten uitgeplant worden; des winters verlangt het een koel +vertrek. De Rozemarijn is wel een zeer bescheiden, tevens een zeer +harde, maar zeker ook een uitnemende kamerplant. + +De voortkweeking geschiedt door stekken, die zeer gemakkelijk wortelen. + +Salvia. Van dit geslacht zijn vele soorten bekend, die zich alle +onderscheiden door den aromatischen geur harer bladeren, en vele ook +door de fraaie kleur van haar bloemen. Voor venster- en balkon-cultuur +moeten wij er in de eerste plaats twee aanbevelen. De Salvia patens, +uit Mexico, vormt een kleinen Meter hoogen half-heester, met hoekige +bladeren en groote aren van prachtig blauwe bloemen. De bloeitijd van +iedere bloem afzonderlijk is slechts zeer kort, wat niet wegneemt, +dat de plant bijna den geheelen zomer onafgebroken doorbloeit, daar +de knoppen zich pas na elkander openen en de bloemstelen zeer rijk +met knoppen bezet zijn. Een nog dankbaarder bloeiende soort met roode +bloemen is de Salvia splendens, uit Brazilië. Beide soorten, waarvan de +eerste een knolvormigen wortelstok heeft, rusten des winters volkomen: +zij laten dan al haar bladeren vallen en kunnen in een luchtigen kelder +of een koele achterkamer bijna geheel droog overwinteren. Wanneer +men de planten vroeg in het voorjaar diep insnijdt, in goede voedzame +aarde verplant en voor een zonnig venster in een warm vertrek plaatst, +dan groeien zij zeer spoedig uit. Van de jonge scheuten kan men +er nu enkele als stekken gebruiken, die zeer spoedig en gemakkelijk +wortelen; ook de vermenigvuldiging uit zaden gaat zeer goed. Gedurende +den zomer verlangen deze Salvia's zeer rijkelijk begoten te worden, en +kweekt men ze in potten, dan moeten zij meermalen verplant en gegierd +worden. Een heel aardige, doch zeer onbeduidend bloeiende soort is +de bonte variëteit van de Salvia officinalis. Deze heeft gele, witte +en groene bladeren. Zij moet in een zeer koude kamer overwinteren, +daar zij dan haar fraai gekleurde bladeren behoudt. + +Sparmannia africana. De Sparmannia is een Kaapsche plant, die tot +de familie der Lindeboomen behoort. Zij heeft groote, viltachtige, +eenigszins hartvormige bladeren van lichtgroene kleur en vrij groote, +gedurende den winter en het vroege voorjaar verschijnende bloemen. Deze +bezitten witte bloembladeren en verkrijgen door de purperkleurige +helmknopjes een zeer eigenaardig aanzien. Er is ook een variëteit met +gevulde bloemen van bekend. De Sparmannia neemt, zonder twijfel, een +eerste plaats onder de kamerplanten in. Deze plant, die, des zomers +in den tuin uitgeplant, zich tot een grooten struik ontwikkelt, +kan ook het geheele jaar door in de kamer gekweekt worden. Daar +wordt zij natuurlijk lang zoo sterk niet; zjj krijgt dan echter +zeer groote en fraaie bladeren, waardoor zij geheel het voorkomen +van een prachtige bladplant heeft. Heeft men, om deze plant buiten +te kweeken, geen beschutte plek in den tuin of een zonnig gelegen +balkon, dan houdt men ze beter in de kamer, bij voorkeur voor een +geopend venster. De Sparmannia verlangt een grooten pot en goede, zware +aarde; een grondmengsel, bestaande uit broeiaarde en graszodengrond, +waarbij eenige hoornspaanders of wat schapenmest gevoegd worden, zal +haar zeker wel aanstaan. Gedurende den zomer moet men haar zeer veel +begieten en, wanneer zij in vollen wasdom is, rijkelijk gieren. Goed +onderhouden exemplaren moeten twee keer per jaar verpot worden. + +Des winters kan men de Sparmannia, al naar verkiezing, in een koud +of warm vertrek kweeken. Doet men het in een warme kamer, dan zal +zij weinig of niet rusten. Plaatst men haar des winters in een +kamer met een temperatuur van 55° Fahr., geeft men haar daarbij een +lichte standplaats en wordt zij op zonnige dagen nu en dan bespoten, +dan zullen zich enkele bloemtrossen ontwikkelen. Kweekt men deze +plant in een warm vertrek, dan moet men haar zeer goed in het oog +houden en vooral op ongedierte letten, waardoor zij zeer licht wordt +aangetast. Pas gekochte planten hebben meestal eenigen tijd noodig, +voordat zij aan de kamer gewend zijn. + +De vermenigvuldiging geschiedt door stekken, die men van de +twijgspitsen of van korte zijscheuten snijdt. De groote bladeren, +die aan de stekken zitten, worden op de helft ingekort, waarna men +iedere stek afzonderlijk in een klein, met zandige heide- of bladaarde +gevuld potje zet. Onder glas geplaatst, wortelen deze stekken in zeer +korten tijd. De bewortelde stekken kunnen dadelijk in potten van 10 +à 14 cM. wijdte worden geplant. + +Veronica (Eereprijs). Van het geslacht Veronica, waartoe ook enkele +hier te lande inheemsche soorten behooren, hebben die, welke op de +Australische eilanden gevonden worden, als harde kamer-, decoratie- +of bloemplanten een niet onbelangrijke waarde. De bladeren van deze +groenblijvende planten zijn meestal glimmend en lederachtig, zij zijn +òf groot en dan lancetvormig òf klein, in welk laatste geval de plant +wel eenige overeenkomst heeft met een Mirt. + +De kleinbladerige, laag groeiende soorten bloeien slechts zelden, en +hebben kleine, onaanzienlijke bloemen; de grootbladerige daarentegen +hebben tamelijk groote, uit de bladoksels ontspruitende aren, uit +talrijke, blauwe of witte reukelooze bloempjes bestaande. Bijna +in ieder jaargetijde verschijnen die bloemaren; nu eens zijn zij +rijkelijk, dan weder spaarzaam aan de plant te vinden; zonder bloemen +zijn zij echter slechts bij uitzondering. + +De struikachtige Veronica is zeer hard en kan dan ook in een +vorstvrijen kelder of achterkamer overwinteren. In het voorjaar +wordt zij flink ingesneden, en daarna voorzichtig in voedzame aarde +verplant. Bij dit verplanten moet men voorzichtig zijn, de weeke +viltachtige wortels, die langs den binnenkant van den pot groeien, +niet te veel te beschadigen. Deze planten stellen geen bijzonder hooge +eischen; zij groeien in de volle zon en ook in halfschaduw, voor het +venster, op het balkon of in den tuin. Zij worden slechts zelden door +ongedierte aangetast. Des zomers, wanneer zij in haar groeiperiode +zijn, verlangen zij volop water en nu en dan een weinig gier. + +De voortkweeking geschiedt door stekken; deze worden van de +toppen der scheuten gesneden en wortelen in enkele dagen. De jonge +stekplantjes worden herhaaldelijk verpot, terwijl men ze zóó dikwijls +de kopjes innijpt, totdat zij goed vertakt zijn. Hierdoor wordt in den +beginne de bladontwikkeling wel een weinig vertraagd. Uit de talrijke +grootbladerige soorten hebben de kweekers fraaie bastaarden gewonnen, +die zeer rijk bloeien en als veelgezochte kamerplanten in vrij grooten +getale voorkomen. + +Viburnum Tinus. Deze heester behoort in Zuid-Europa thuis en is +onder den naam Laurus Tinus vrij algemeen bekend. Hij is na verwant +aan onzen gewonen Sneeuwbal en onderscheidt zich door donkergroene, +langwerpig-ovale bladeren en fraaie, kleine, witte bloemen. Deze +bloempjes zijn in schermpjes vereenigd en verschijnen in het +voorjaar. Geeft men hem echter een warme standplaats, dan zullen de +twijgspitsen zich reeds in den winter met bloemen tooien en dikwijls +zullen zij dan zóó rijk bloeien, dat de bladeren door de bloemen aan +het gezicht onttrokken worden. Deze Viburnum wordt meestal als struik +gekweekt, in welk geval hij in het voorjaar of den zomer door middel +van stekken wordt vermenigvuldigd, welke stekken men òf in de aarde +steekt, òf, juist als de Oleander, in een fleschje met water. Kweekt +men hem echter als kroonboompje, dan moet hij op den gewonen Sneeuwbal +veredeld worden, wat men het beste in een kweekerij laat doen. + +De meest geschikte grond is goede bladaarde, waardoor een derde +klei- of graszodengrond wordt gemengd. Na den bloei worden de +planten gesnoeid, waarbij men vooral op den vorm moet letten; +hierna worden zij in betrekkelijk kleine potten verplant en met +Mei, op een tamelijk zonnige plek, buiten gezet. Tot midden in den +zomer wordt rijkelijk gegoten; hierna begint men minder te gieten, +ook al hangen de jonge blaadjes in den beginne wat slap. Door deze +behandeling wordt de te sterke bladvorming gestremd, en begint de +bloemknopvorming, waarom het toch eigenlijk te doen is. Tegen den +herfst zijn de bloemknoppen reeds duidelijk te zien. Heeft men zieke +exemplaren, dan is het raadzaam ze een zomer in den tuin te planten; +zij zullen zich dan weder flink ontwikkelen, doch den eersten daarop +volgenden winter zal men weinig of geen bloemen hebben. Viburnums, +zonder bloemknoppen kan men zeer goed in een luchtigen kelder laten +overwinteren; zijn zij echter goed geknopt, dan moet men ze in een +koele, lichte kamer zetten. Hoewel men den bloei kan bespoedigen, +door ze in een warm vertrek te houden, is dit minder raadzaam, omdat +de planten daar zeer licht door thrips worden aangetast. + +Des winters moet men met gieten zeer voorzichtig zijn, omdat de +Viburnum, hoe hard zij ook is, vooral als oudere plant, in haar +rusttijd zeer gevoelig is voor te veel water. Zij wordt dan niet +alleen gauw ziek, maar gaat ook gemakkelijk dood. + + + + +Struikachtige bloemplanten voor warme vertrekken. + +Aphelandra. Onder de fraaie, kleine bloemplanten voor warme vertrekken +nemen de Aphelandra's, naast de verderop te behandelen Justicia's, +een belangrijke plaats in. Deze kleine, tropisch-Amerikaansche +struikjes groeien in de kamer zeer goed. Zij munten niet alleen uit +door hun dikwijls fraai gekleurde of geteekende bladeren, maar ook +door de fraaie uit de toppen der takjes ontspruitende bloemaren. Deze +bloemaren bestaan uit schitterend roode, dakpansgewijze over elkander +liggende schutbladeren, waartusschen zich de pijpvormige, gele of +roode lipbloempjes ontwikkelen. + +Een zeer mooie soort is de Aphelandra aurantiaca, waarvan vooral +een, uit Mexico afkomstige, variëteit, de A. aurantiaca Roezlii +veel gekweekt wordt. De bladeren van dit fraaie plantje hebben een +grijsgroene kleur en worden door zilverkleurige aderen doorsneden. De +bloemen zijn fraai oranjerood. Andere soorten van dit geslacht zijn +in den handel moeilijk of in het geheel niet te verkrijgen. + +De Aphelandra's moeten des winters in een vertrek staan, dat een +temperatuur heeft van 55°-65° Fahr. Des zomers mag de warmtegraad wel +10° hooger zijn. Het dankbaarste zijn jonge planten, die in goede, +niet te lichte aarde moeten gekweekt worden. De potten mogen niet +wijder zijn dan 10 à 12 cM. In den groeitijd moet men ze veel water +en ook nu en dan wat gier geven. + +Na den bloei ontstaan er ter weerszijden van de bloemaar jonge +scheuten, die gemakkelijk doorgroeien en ook wel weer tot bloei +komen. Deze tweede bloemen zijn echter lang zoo mooi niet als de +eerste; ook verliest de plant haar fraai voorkomen, zoodat men wijzer +doet de oude planten, nadat het zaad rijp geworden is, weg te werpen. + +De voortkweeking geschiedt het gemakkelijkst door zaden, die ook in +de kamer rijp worden. Ook door middel van stekken laten zij zich +vermenigvuldigen. De zaad- en stekpotten moeten, totdat men jonge +plantjes heeft, gesloten en warm gehouden worden. + +Franciscea. De Franciscea dankt haar naam aan keizer Frans II, +onder wiens regeeringstijd zij in Brazilië gevonden werd. De enkele +soorten van dit geslacht hebben langwerpige, lederachtige, lichtgroene +bladeren en blauwe of violette bloemen, die tamelijk groot zijn, +vlak uitstaan en een vreemden geur verspreiden. Hoewel deze fraaie +struiken gedurende den winter bloeien, zijn zij toch maar weinig +bekend en worden zij slechts zelden in kamers gekweekt. + +De Franciscea moet het geheele jaar door in de kamer gekweekt +worden. Des winters verlangt zij een temperatuur van 60°-65° Fahr., +des zomers moet zij flink geschermd en het vertrek, waarin zij staat, +ruimschoots gelucht worden. Evenals talrijke warme bloemplanten, +houden de Franciscea's er veel van bespoten te worden. Groeien zij +goed, dan kunnen zij een paar keer per jaar in goede nogal zware +aarde verplant worden. Vertoont zich ongedierte, dan moet dit dadelijk +verwijderd worden. + +De vermenigvuldiging geschiedt door stekken. Dit is echter den +liefhebber niet aan te raden, daar zij wel op een warme standplaats +wortelen, doch zich in de kamer niet tot bloeibare planten laten +opkweeken. + +Gardenia. Onder de bloemplanten, bekend om haar fraaie, zeer +welriekende bloemen, nemen de Gardenia's zeker wel een eerste plaats +in. Ter wille van de fraaie, schoon gevormde, schitterend witte, +zeer welriekende bloemen, maken wij van deze plant melding, hoewel +zij voor kamercultuur verre van dankbaar is. De Gardenia's vormen +kleine struiken, met vrij groote, glanzend groene, ei-lancetvormige +bladeren. De eigenlijke bloeitijd valt in den herfst; toch verschijnen +de bloemen, bij een goede cultuur, hoewel niet zoo talrijk, het +gansche jaar door. Bij zonnig weer opent de Gardenia-bloem zich zeer +gemakkelijk, bij donker weer echter slecht. Hoofdzakelijk worden de +gevuldbloemige variëteiten van twee soorten gekweekt, namelijk van +de Gardenia florida en de Gardenia radicans. + +Eigenlijk is de cultuur der Gardenia's zoo erg moeilijk niet; +zij worden het geheele jaar door in het vertrek gehouden, dat des +zomers rijkelijk gelucht en des winters op een temperatuur van 60° +Fahr. verwarmd wordt. Gedurende den zomer willen zij rijkelijk begoten +en bespoten en bij scherpe zon beschermd worden; des winters geeft men +haar minder water en spuit men slechts bij helder weer. Men lette er +vooral op, voor het spuiten en gieten kalkvrij water te gebruiken. De +verplanting geschiedt in het voorjaar, in zandigen bladgrond, waar +men een weinig ouden graszodengrond doorheen kan mengen. + +Jammer is het, dat de Gardenia sterk door insecten, bij voorkeur +thrips en wolluis wordt aangetast; deze zijn het, die de cultuur zoo +ondankbaar maken, daar zij juist in de droge kamerlucht bijna niet +met goed gevolg te bestrijden zijn. + +Gezonde, bloeiende exemplaren zijn prachtig, doch ook niet-bloeiend, +is de Gardenia een zeer mooie plant. De voortkweeking geschiedt in +het voorjaar door stekken, die warm gehouden moeten worden. + +Hibiscus rosa chinensis. Deze Hibiscus vormt een middelmatig grooten +struik, die waarschijnhjk uit Zuid-China en Noordelijk Indië afkomstig +is. Tegenwoordig wordt zij daar overal gekweekt aangetroffen, in +het wild vindt men haar er echter niet meer. Zij vormt een fraaie +plant met vrij groote, glanzend groene bladeren en schoone enkele +bloemen, waarvan de kleuren afwisselen tusschen het zachtste rose +en het vurigste rood. In vorm en grootte komen deze bloemen veel +overeen met die van onze enkelbloemige stokrozen, tot welker familie +de plant dan ook behoort. De bloeitijd valt in de zomermaanden, +en deze Hibiscus biedt, wanneer zij met haar fraaie bloemen prijkt, +een prachtigen aanblik. + +Lastig om te kweeken is de Hibiscus niet, maar om haar stuggen groei is +de plant toch niet zoo aanbevelenswaardig als de bloemen wel verdienen. + +In het voorjaar verplant men de Hibiscus in zeer voedzamen met +eenige hoornspaanders doormengden grond; zij wordt dan tegelijkertijd +flink ingesneden. Men kan ze den geheelen zomer door in een zonnig +gelegen vertrek kweeken, wanneer men er voor zorgt het rijkelijk te +luchten. Dikwijls spuiten zal den groei zeer bevorderen en ook het +optreden van schild- en groene luis, waardoor deze plant gemakkelijk +wordt aangetast, voorkomen. Gedurende den groeitijd verlangt de +Hibiscus rijkelijk water; ook kan men haar gerust enkele malen goed +gieren. Wil men ze in den herfst in bloei hebben, dan wordt zij in +Mei verplant, waarop men door matig gieten den groei zooveel mogelijk +tracht tegen te houden. Zoodra men meer gaat gieten, begint zij zich +krachtig te ontwikkelen; in Juli worden de scheuten weer ingesneden, +waarop in October en November de bloemen zullen verschijnen. In dezen +aan bloemen armen tijd zijn zij dan natuurlijk dubbel welkom. Des +winters moet de Hibiscus slechts matig begoten en niet te warm +gehouden worden. + +De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door stekken, die men +van de jonge scheuten snijdt. In het kamerkasje of onder een stolp +groeien deze stekken zeer gemakkelijk. + +Jasminum. Deze plant mag niet verward worden met een zeer veel in de +tuinen gekweekten fraaien bloemheester, die zeer ten onrechte onder +den naam Jasmijn bekend is. + +Van de vele echte Jasminum-soorten, die zich door meestal kleine, +witte of gele, doch zeer sterk riekende bloemen onderscheiden, zijn +slechts twee soorten zóó fraai, dat zij waard zijn in de kamer gekweekt +te worden. Dit zijn de Jasminum grandiflorum en de Jasminum Sambac. De +eerste is een zeer slanke, ijle, groen blijvende struik met gedeelde +bladeren en groote stervormige bloemen, zij komt in geheel tropisch +en subtropisch Azië voor. De tweede soort, de Jasminum Sambac is, +vooral bij hen, die Indië bezochten, meer algemeen bekend onder den +naam "Melatti". Het is een struik met glanzend groene, eivormige +bladeren en zeer welriekende, witte bloemen. Van deze soort wordt +tegenwoordig meestal de gevuldbloemige variëteit gekweekt. + +De Jasminums zijn oorspronkelijk klimplanten, en hoewel de bloemen +betrekkelijk klein zijn, brengen zij door haar fijnen geur bijna +iedereen in verrukking. In potten gekweekt, ontwikkelen zij zich +slechts tot kleine struikjes, die men aan een stokje opbindt. Zij +moeten geplant worden in lichten grond; heidegrond, veengrond of +bladaarde passen haar goed. Des zomers zet men ze in een lichte, +luchtige kamer, des winters in een matig warm vertrek. + +De voortkweeking geschiedt door stekken of afleggers. + +Justicia. Het naar den Schotschen kweeker James Justice genoemd +plantengeslacht omvat verscheidene fraaie soorten, die alle op dezelfde +wijze behandeld moeten worden. Zij vormen aardige struikjes, met +gesteelde, langwerpige bladeren en lieve, aan de spitsen verschijnende +bloemaren. Deze bloemaren worden door fraai gevormde, met groote +schutbladeren omgeven, lipbloempjes gevormd. + +De nevenstaande gravure, Fig. 93, is die der Justicia coccinea uit +Suriname, met fraaie, scharlakenroode bloemen, die gewoonlijk in het +voorjaar, in de maanden April en Mei, verschijnen. De Justicia carnea, +met vleeschkleurige bloemen, is uit Brazilië afkomstig; deze soort +bloeit gewoonlijk in het midden van den zomer, terwijl de Justicia +speciosa, uit Bengalen, met haar rozeroode bloemen een zeer schoone +herfstbloeister is. + +De Justicia's zijn zeer dankbare kamerplanten, die het geheele jaar +door in de kamer kunnen gekweekt worden. Zij verlangen een lichte +standplaats en een temperatuur van 60°-65° Fahr. Wanneer de planten +uitgebloeid zijn, ontwikkelen zich onder de bloemaar, dus uit de oksels +der bovenste bladeren, jonge scheuten, die vroeger of later weder +bloeibaar worden. Voor deze jonge scheuten geldt hetzelfde, wat wij +gezegd hebben omtrent die, welke zich bij de Aphelandra's ontwikkelen. + +De Justicia's worden gedurende het voorjaar in goede broeiaarde +verplant. Ten einde fraaie, bossige planten te verkrijgen, die rijk +bloeien, moet men ze na het verpotten flink insnijden, zoodat er op +iedere twijg niet meer dan twee paar bladeren blijven staan. Zijn +de planten flink aan het doorgroeien, dan kan men ze vrij geregeld +gieren; worden zij zorgvuldig begoten, bij helder weer bespoten en +bij te scherpe zon geschermd, dan blijven zij vrij van ongedierte en +zullen zich spoedig tot fraaie planten ontwikkelen. + +De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door kleine stekjes, +die zeer gemakkelijk wortelen. + +Poinsettia pulcherrima. De Poinsettia is een echte winterbloeister, +daar de bloeitijd in December begint en pas in Januari eindigt. Deze +zeer fraaie, gewoonlijk slechts ½ à ¾ Meter hoog wordende struik is +afkomstig uit Mexico, Guatemala en Costa-Rica. De weinig houtachtige +twijgen zijn hol en scheiden bij de minste verwonding een wit melksap +af. Hiermede moet men zeer voorzichtig zijn, daar dit melksap een +vrij sterk bloedvergif is, en, in wonden komende, een gevaarlijke +ontsteking kan veroorzaken. De bladeren zijn vaak verschillend +gevormd, meest echter ovaal. In de laatste helft van den herfst +ontstaan aan de spitsen der twijgen eigenaardig gevormde knopjes, +die steeds duidelijker worden. Deze groene knopjes worden de weinig +beteekenende bloemen, die echter door een aantal spiraalsgewijze +ingeplante schutbladeren omgeven zijn. In de donkere najaarsdagen +groeien deze schutbladeren langzaam door; spoedig beginnen zij zich +te kleuren en tegen Kerstmis zijn de dicht bijeen zittende groene +bloempjes omringd door een grooten krans van prachtige, vuurroode +bladeren, die aan de plant een groote waarde geven en door de meeste +leeken voor bloembladeren worden aangezien. Hebben de bloemen haar +vollen wasdom bereikt, dan beginnen deze schutbladeren langzaam +te verwelken; zij vallen te gelijk met de gewone bladeren af en de +Poinsettia treedt haar rustperiode in. + +De rustende Poinsettia kan op iedere plaats in een matig warme kamer +overwinteren. In Maart zet men de planten voor een zonnig venster van +een warme kamer, nadat men de kale stengels flink heeft ingesneden, +waarop men weder geregeld begint te gieten. Aanvankelijk moet dit +gieten zeer voorzichtig geschieden; beginnen zich echter de jonge +scheuten te ontwikkelen, dan kan men rijkelijk water geven. De weder +bebladerde Poinsettia wordt nu zeer voorzichtig verplant in bladaarde, +vermengd met wat kleigrond en zand. Men moet ze nu langzamerhand aan +frissche lucht gewennen en in Juni voor een druk gelucht wordend +venster zetten. Om een goeden groei te bevorderen, moet men ze +gedurende den zomer zooveel mogelijk zon geven en overvloedig +begieten. In September worden de planten voor het zonnige venster +van een warme kamer gezet en hier worden zij, indien men wil dat de +schutbladeren zich goed zullen ontwikkelen, minstens één keer per +week gegierd. + +In het voorjaar steekt men stekken van de jonge scheuten, die, wanneer +zij op een warme plaats onder glas staan, in 2 à 3 weken beworteld +zijn. Snijdt men de planten niet in, dan zullen zij op één scheut +doorgroeien en zeer mooie exemplaren vormen. + +Thyrsacanthus rutilans. De Thyrsacanthus is een krachtige halfheester +uit Zuid-Amerika, die in één zomer ½ à ¾ Meter hoog kan worden. Een +goed ontwikkelde plant maakt van het einde van den zomer tot het +begin van den winter fraaie, afhangende bloemtrossen, die onstaan +uit de bladoksels der lancetvormige bladeren. Iedere tros is 20-30 +cM. lang en bestaat uit 12-16 donker-karmijnroode bloemen. + +Deze plant moet gekweekt worden in met heide- of bladaarde vermengden +graszodengrond; men zet haar in een warme kamer en beschermt haar +tegen te felle zon. Een rijkelijk begieten en geregeld gieren zal +den groei zeer bevorderen, zoodat de planten spoedig een krachtig +voorkomen krijgen. Na den bloei rust de Thyrsacanthus geruimen tijd, +zoodat zij dan slechts matig begoten mag worden, niettemin moet men +haar steeds op een lichte plaats laten staan. + +De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door middel van stekken. + + + + +Kruidachtige bloemplanten voor koele vertrekken. + +Agapanthus umbellatus. De Agapanthus, waaraan wij een groote gravure +wijden, is een zeer schoone bloemplant, afkomstig van de Kaap de +Goede Hoop. Deze prachtige plant vormt uit den wortelstok een groot +aantal scheuten met lange, riemvormige, zachte bladeren, waaruit +in den zomer krachtige bloemstelen te voorschijn komen, die groote +schermen van lichtblauwe bloemen dragen. Een minder schoone variëteit +heeft witte bloemen. + +Een dankbare plant is de Agapanthus eerst, wanneer men haar in een +kuipje kweekt. Zij eigent zich dan bijzonder voor zonnige balkons +of veranda's; ook kan men haar dan als alleen staande plant in den +tuin gebruiken. Des winters is zij uitstekend geschikt om de gang te +versieren, hoewel zij ook in een luchtigen kelder kan overwinteren. + +Gewoonlijk wordt de Agapanthus geheel verkeerd behandeld; men gelooft +toch algemeen, dat zij slechts dán bloeit, wanneer men haar gebrek +laat lijden, waarom zij meestal eerst verplant wordt, als de dikke +vleeschachtige wortels den pot hebben doen barsten of de kuip geheel +gevuld hebben. Bij een dergelijke behandeling zien de planten er +echter steeds armoedig uit; zij geven slechts kleine schermpjes met +15 à 20 bloemen; terwijl de ondervinding leerde, dat zij bij een goede +behandeling schermen kunnen maken met 180-220 bloemen, welke schermen +dan een trotschen aanblik opleveren. Om een dergelijk resultaat te +verkrijgen, moet de Agapanthus minstens om het andere jaar verpot +worden in den meest voedzamen grond; gedurende den zomer moet zij veel +begoten en gegierd worden, terwijl zij een zonnige standplaats moet +hebben. De afbeelding toont een plant, die reeds twee jaar buiten is +uitgeplant; in den winter wordt zij met een doorgezaagde ton bedekt, +die bij intredende vorst geheel met mest wordt omgeven. Een plant, +die zich op deze wijze buiten laat overwinteren, kan natuurlijk den +winter ook zeer goed in den kelder doorbrengen. Zij verliest dan, +evenals buiten overwinterd, al haar bladeren, wat echter volstrekt +niet schaadt. + +Gedurende den winter moet zij zeer spaarzaam begoten worden. + +Het is den liefhebber niet geraden oude planten door deeling +te vermenigvuldigen, omdat juist groote planten het dankbaarste +bloeien. De voortkweeking uit zaden gaat zeer langzaam. + +Calceolaria hybrida. De Calceolaria's zijn zoogenaamde tweejarige +planten; zij worden in den zomer uit zaden gekweekt, groeien den +winter door, bloeien in het voorjaar en sterven na zaad gemaakt +te hebben af. Deze algemeen bekende bloemplanten hebben groote, +lichtgroene bladeren, die grootendeels op den pot blijven liggen. Op +sterke stelen verheffen zich de bloemen, die zeer talrijk zijn, boven +de bladrozet; zij hebben een ballonachtig, opgeblazen voorkomen en +zijn geheel reukeloos. Men onderscheidt hooge, middelmatige en lage +variëteiten en naar de kleur der bloemen getijgerde en gevlekte. + +De zeer fijne zaden worden in Juli en Augustus gezaaid op gezifte, +zandige heide- of bladaarde; de zaden worden niet gedekt, matig vochtig +gehouden, beschaduwd en koel gezet. De zeer kleine zaailingen moeten +een paar keer gerepikeerd worden, totdat zij groot genoeg zijn om +in afzonderlijke potjes geplant te worden. Al naar den groei der +plantjes zal het noodig zijn ze nog een- of tweemaal te verpotten, +waarvoor een mengsel van gelijke deelen heide-, blad- en broeiaarde, +benevens zand uitstekend geschikt is. + +De cultuur is niet zeer gemakkelijk, wat veroorzaakt wordt door het +meermalen repikeeren en verplanten en ook, doordat de planten zeer +koel en toch vorstvrij gehouden moeten worden, daar zij anders door +insecten worden aangetast en daardoor zeer lijden. Voorzichtiger doet +de liefhebber, zich in het voorjaar de tamelijk goedkoope Calceolaria's +in bloeibaren toestand aan te schaffen; zij verlangen dan rijkelijk +water benevens een lichte en luchtige standplaats. + +Een in vollen bloei zijnde Calceolaria levert een prachtig gezicht op. + +Campanula (Klokjesbloem). Onder de vele één- en tweejarige Campanula's, +die zeer veel tot tuinversiering gebruikt worden, bevinden zich ook +eenige soorten, die uitstekend geschikt zijn voor kamercultuur. De +fraaiste hiervan is zeker wel de Campanula pyramidalis, een tweejarige +plant, die des zomers een pyramidevormige bloeiwijze ontwikkelt, welke +1 à 1 1/2 M. hoog kan worden, en die uit fraaie, groote, witte of +blauwe bloemen bestaat. De zaden, die de plant rijkelijk voortbrengt, +worden tegen het einde van Augustus of begin September in potten +gezaaid. Deze zaadpotten moeten koud overwinterd worden; men kan ze +zelfs des winters buiten houden. In de lente worden de zaailingen +gerepikeerd, om ze daarna afzonderlijk in potjes uit te planten. + +Wanneer men deze plantjes in goede aarde geplant heeft, en men geeft +ze een goede, zonnige standplaats voor het venster, dan zullen eenige, +er van reeds in het najaar bloeien, de meeste, echter in den daarop +volgenden zomer. + +Een zeer fraaie ampelplant is de Campanula fragilis, die den geheelen +zomer door talrijke platte, lichtblauwe, stervormige bloemen geeft; +ook de C. garganica van het Garganusgebergte in Apulië is voor dit doel +uitstekend geschikt. Deze beide hangende soorten hebben rondachtige +bladeren. Zij laten zich beide zeer gemakkelijk door wortelspruiten +vermenigvuldigen. In enkele streken worden deze drie Campanula-soorten +zeer veel gekweekt, en hij, die eenmaal met haar cultuur begonnen is, +zal deze niet gemakkelijk meer opgeven. + +Cheiranthus Cheiri (Muurbloem). De, om den heerlijken geur harer +bloemen, algemeen in trek zijnde Muurbloem komt op zeer enkele plaatsen +van ons land in het wild voor, o.a. op de ruïne van Brederode. Men +onderscheidt stam- en struik-Muurbloemen. Van beide soorten, waarvan +de eerste slank, de laatste bossig groeit, heeft men weder hooge en +lage, enkele en gevulde variëteiten. + +De Cheiranthus wordt in het voorjaar gezaaid in een pot, die buiten +voor het venster wordt geplaatst, of wel, men zaait ze direct in den +tuin uit. De jonge plantjes worden, wanneer zij een paar centimeters +hoog zijn, gerepikeerd op een afstand van 25-35 cM., bij voorkeur op +een goed toebereid vakje in den tuin. Hier worden zij, zoo noodig, +rijkelijk begoten en in het najaar zeer voorzichtig in behoorlijk +groote potten gezet. Voor dit opplanten wordt broeiaarde of goede +bladgrond gebruikt. De overwintering geschiedt nu in een kouden +kelder of achterkamer. Krachtige planten kunnen dan van Februari af +voor een zonnig venster in bloei getrokken worden. De Muurbloem stelt +zeer weinig eischen; zij is zeer hard en uitstekend geschikt voor de +voorjaarsbeplanting van balkonbakjes en bloemvakken. + +Chrysanthemum indicum. De Chrysanthemums zijn overal bekende en bijna +door iedereen beminde bloemplanten, en kunnen tegenwoordig met alle +recht als echte modeplanten beschouwd worden. De bekwame kweekers +hebben ze tot op een zeer hoogen trap van volmaaktheid weten te +brengen, en de bloei, die in den laten herfst en den vóórwinter valt, +heeft deze planten zeer bemind gemaakt. Wij willen hier niet ingaan +op de tegenwoordig ontelbare variëteiten, die, al naar de vorm der +bloemen, in verschillende groepen worden verdeeld, daar het beter is, +dat ieder liefhebber ze naar zijn eigen smaak in de verschillende +kweekerijen uitkiest. Wij zullen ons dus uitsluitend met de cultuur +bezighouden. Als een echte vaste-plant sterft de Chrysanthemum na +den bloei tot op den wortelstok in. De uitgebloeide scheuten worden +dan tot op den pot toe afgesneden en slechts de jonge scheuten, die +dan dikwijls reeds zijn te voorschijn gekomen, laat men staan. Deze +jonge scheuten moeten in het volgend jaar de bloeiende planten leveren, +terwijl de uitgebloeide moederplant dan naar den mesthoop verhuist. Er +zijn twee wegen om de Chrysanthemums te vermenigvuldigen: òf wij +werpen de oude planten dadelijk weg, na de jonge scheuten afgesneden +te hebben, die als stekken gedurende den winter zeer goed wortelen; +òf wij kweeken de oude planten tot Februari in het venster van een +koude kamer, om dan eerst met het snijden der stekken te beginnen. + +De liefhebber doet het beste met het stekken tot de eerste dagen van +Februari te wachten. Men gebruikt daartoe uitsluitend de scheuten, +die uit den pot zijn ontsproten; die, welke zich aan de nog voorhanden +zijnde oude stengels hebben ontwikkeld, worden bij voorkeur niet +gebruikt. De stekjes worden met een scherp mesje gesneden en 6 à 8 +te zamen rondom den rand van een 10 cM. wijden pot gestekt. De beste +aarde om in te stekken is zandige broei- of bladaarde. De beworteling +geschiedt zeer goed voor het venster van een koele kamer, maar steeds +in gesloten lucht, zoodat iedere pot met een stolp moet bedekt worden. + +Het is niet raadzaam de stekken te warm te houden, daar zij dan minder +krachtige planten vormen. Nadat zij geworteld zijn, kan men de stolpen +er af nemen en de jonge plantjes zoo koel mogelijk houden. Tegen +het einde van Maart worden de stekken uit de stekpotten genomen en +ieder afzonderlijk in een potje van 6-7 cM. wijdte geplant. De jonge +Chrysanthemums worden nu voor het venster van een dikwijls geluchte, +koele kamer gezet, waar zij spoedig flink zullen doorgroeien. + +Jonge planten, moeten zoodra zij drie volkomen ontwikkelde bladeren +gevormd hebben, daarboven ingenepen worden. Gewoonlijk zullen zich +dan drie scheuten ontwikkelen, die men laat doorgroeien, totdat +zij weder drie volgroeide bladeren hebben, waarna zij nogmaals +ingenepen worden. Op deze wijze verkrijgt men mooie planten met 8 +à 9 scheuten. Eenige er van kan men echter laten doorgroeien, om er +kroonboompjes van te maken (Fig. 96). + +In het begin van Mei, wanneer er geen nachtvorsten meer te vreezen +zijn, graaft men de jonge planten op een vak in den tuin in. Dit +vak moet goed op de zon liggen. Om de vier à zes weken moeten de +planten nu geregeld verpot worden; dit moet zoo voorzichtig mogelijk +geschieden, daar de wortels niet beschadigd mogen worden. Iederen keer +gebruikt men potten, die slechts weinig grooter zijn dan die, waarin +zij stonden. De aarde, die men gebruikt, moet zoo voedzaam mogelijk +wezen, het beste is een mengsel van broeiaarde, graszodengrond en +verteerden koemest, waarbij rijkelijk zand en wat hoornspaanders +of beendermeel wordt gevoegd. Heerscht er warm weer, dan moeten de +Chrysanthemums 's morgens en 's avond begoten en bespoten worden; +en 2 à 3 weken na het verpotten moet men ze weder minstens één keer +per week gieren. Een plant, die zoo sterk groeit, mag het, vóór alles, +niet aan voedsel ontbreken. + +Kweekt men struikvormige Chrysanthemums, dan behoeft men er niet +anders aan te snijden, dan hiervoor vermeld is. Wanneer men dit mooi +vindt, kunnen de Chrysanthemums ook in waaier-, scherm- of kogelvorm +gekweekt worden, door er een aantal stokjes bij te steken en hier de +takken aan te binden. Dit veroorzaakt echter veel moeite, het eischt +veel handigheid en het kan niet werkelijk mooi genoemd worden. Het +gemakkelijkst kweekt men nog kleine kroonboompjes (Fig. 96). Hiertoe +gebruikt men de stekplantjes van krachtige soorten, die toonen flink +te willen doorgroeien. Bij deze stekplantjes zet men stokjes, die juist +zoo lang moeten zijn, als men het stammetje hoog wil laten worden. Aan +deze stokjes worden de jonge plantjes gebonden; men zorgt er nu voor, +alle zijscheuten, zoodra die ontstaan, geregeld weg te breken. Zijn +de plantjes eindelijk zóó lang geworden, dat zij even boven de stokjes +uitsteken, dan snijdt men hun de koppen af. Er zullen zich dan spoedig +een aantal zijscheuten ontwikkelen. Van deze zijscheuten behoudt men +de bovenste, die het kroontje moeten vormen; de overige worden weer +weggesneden. Uit deze zijscheuten worden, wanneer zij lang genoeg +zijn, weder de koppen gesneden, ten einde mooie dichte kroontjes +te verkrijgen. Wenscht men groote bloemen te hebben, dan moeten, +zoodra de knopvorming begint, steeds al de zijknoppen weggebroken +worden, zoodat men op iederen scheut slechts één knop behoudt en al +het voedsel der plant ten gunste dezer knoppen komt. Deze bewerking +past men zoowel op de kroonboompjes als op de struiken toe. Van +grootbloemige soorten kan men op de volgende wijze reusachtige bloemen +verkrijgen. In Maart of April snijdt men van sterke scheuten stekken, +die, zoodra zij beworteld zijn, in potten van 10 cM. wijdte worden +gezet. Deze zomerstekken laat men op één scheut doorgroeien, door alle +zijscheuten tijdig te verwijderen; aan dezen éénen scheut laat men, +zoodra de knoppen goed zichtbaar zijn, slechts den sterksten zitten; +al de andere worden weggebroken. Behandelt men de plant goed en laat +men het haar aan niets ontbreken, dan zal die ééne knop zich tot een +bloem van buitengewone afmeting en pracht ontwikkelen. + +De Chrysanthemum heeft zeer veel vijanden, waaronder luizen, larven +en meeldauw wel de ergste zijn. Deze vijanden tasten haar echter +dàn alleen aan, wanneer zij, door een fout in de kweekwijze, niet +goed groeit. + +Zoodra er in het najaar nachtvorsten komen, moet men de Chrysanthemums +in een zonnige, doch koele kamer zetten; en wordt er bij vorstvrij +weer voor goed luchten gezorgd, dan zullen de bloemen zich spoedig +gaan ontwikkelen. Geeft men ze echter te veel warmte, of lijden zij +gebrek aan frissche lucht of water, dan gaan zij in de kamer zeer snel +achteruit en de bloemen zullen niet goed openkomen. Ook de afgesneden +bloemen duren in een warm vertrek slechts kort; in een koude kamer +kan men ze echter tamelijk lang goed houden. + +Cineraria hybrida. De Cineraria behoort tot de familie der +samengesteld-bloemigen en de meeste thans gekweekte soorten stammen van +de Cineraria cruenta, een op de Canarische eilanden te huis behoorende +soort af. Het is een tweejarige, dankbare bloemplant, met groote, +zeer ruwe bladeren. De op krachtige stelen verschijnende bloemen +kenmerken zich door de prachtige kleuren der straalbloempjes, die +nú eens rood, blauw of violet, dán weder zuiver wit zijn, terwijl +ook meerdere kleuren in een bloem kunnen voorkomen. De bloemen +zijn meestal reukeloos; soms echter onderscheiden zij zich door +een aangenamen geur. Men kweekt tegenwoordig lage, middelmatige en +hooge variëteiten. De fraaiste zijn zeker wel de middelmatig hooge +verscheidenheden zooals er een in Fig. 98 is afgebeeld. + +De cultuur der Cineraria is juist dezelfde, die wij vermeld +hebben voor de Calceolaria. Zij is echter in sommige opzichten +gemakkelijker, daar de zaden grooter zijn, zoodat men die wijder +uit elkander kan zaaien. De kiemplantjes zijn ook grooter dan bij de +Calceolaria's, zoodat zij heel wat gemakkelijker te repikeeren zijn; +ook is één keer repikeeren meestal voldoende, omdat men ze hierna +wel in afzonderlijke potjes kan uitplanten. Het best kweekt men de +Cineraria in goede broeiaarde. Zij wordt in September gezaaid, en +groeit den geheelen winter flink door, wanneer men haar een lichte, +koele, doch vorstvrije standplaats geeft en het haar niet aan water en +gier laat ontbreken. Somtijds begint zij in Januari reeds te bloeien; +de normale bloeitijd valt echter in de maanden Maart en April. Sterke +exemplaren moeten enkele malen verpot worden, totdat zij in potten +staan van ongeveer 16 cM. wijdte. Houdt men de Cineraria's te warm en +geeft men ze geen frissche lucht genoeg, dan worden zij weldra door +insecten aangetast, die dikwijls de fraaiste en schoonste exemplaren +ten gronde richten; zelfs treden dan wel larven op, die in de bladeren +leven en deze geheel verwoesten. Vorst verdraagt de Cineraria in het +geheel niet. Een liefhebber zal verstandig doen deze planten eerst +tegen het einde van September te zaaien, ze in kleine potten te laten +overwinteren en vroeg in het voorjaar te verplanten; zij kunnen dan, +wanneer de nachtvorsten voorbij zijn, ter versiering van het balkon +gebruikt worden. De beste plaats voor bloeiende Cineraria's is in +een breede vensterbank; voor een bloemtafel zijn zij minder geschikt, +omdat zij, daarin geplaatst, te weinig licht en lucht verkrijgen. + +Dianthus (Anjelier). Door haar heerlijken geur, haar prachtige kleuren +en het fraaie voorkomen der geheele plant, is de Anjelier langen tijd +de lieveling van alle plantenliefhebbers geweest; te meer, omdat zij +zich ook gemakkelijk laat kweeken. Zij moge tijdelijk door de mode +verdrongen, zijn, telkens wordt zij weder in eere hersteld. + +Dianthus Caryophyllus (Grasanjelier). Deze is zeker wel de oudste der +Anjelieren, die voor venstercultuur gebruikt worden. Het vaderland van +deze soort, die nu en dan ook in het wild groeiend wordt aangetroffen, +en dan kleine, donker-lilakleurige bloemen heeft, is zuidelijk +Europa. In de cultuur hebben zich talrijke variëteiten gevormd, die +door fraaie kleuren en gevulde bloemen uitmunten. De gevulde Anjelieren +geven gemakkelijk zaad; men kan ze dus uit zaad voortkweeken, doch +de zaailingen zijn niet constant, d.w.z. dat zij lang niet altijd de +eigenschappen bezitten, die de moederplant kenmerken. Wel verkrijgt +men uit een zaaisel planten met fraai gevulde of gekleurde bloemen, +doch er zijn er ook vele onder, die enkel zijn en haar schitterende +kleuren verloren hebben. Een liefhebber, die zijn Anjelieren wil +voortkweeken en zeker wil zijn, bepaalde variëteiten te behouden, +moet dit doen door middel van afleggers (Zie Fig. 27). Deze wijze +van voortkweeken doet men gedurende of na den bloei, men gebruikt +er jonge scheuten voor, die niet meer zullen bloeien. De afleggers +wortelen gewoonlijk na 5 of 6 weken; zij worden dan van de moederplant +afgesneden, en afzonderlijk in kleine potjes opgepot. In deze potjes +laat men de jonge afstammelingen overwinteren, waartoe men ze niet vóór +November in een luchtigen kelder of een koele achterkamer zet. Reeds +vroeg in het voorjaar moeten deze jonge Anjelieren verpot worden. Men +gebruikt hiertoe potten van 13 cM. wijdte en plant ze in een mengel +van 2/3 broeiaarde, 1/3 klei- of graszodengrond en een weinig scherp +zand. Dadelijk na het verplanten worden zij buiten voor het venster of +op het balkon geplaatst. Ook de oudere planten moeten tijdig verpot +en buiten gezet worden. De door afleggers verkregen planten geven +gewoonlijk in het eerste jaar slechts zeer weinig bloemen; in het +tweede jaar bloeien zij echter volop. De bloemstelen zijn zeer dun +en kunnen veelal de zware, gevulde bloemen niet dragen; ook breken +zij zeer gemakkelijk, waarom het voorzichtig is ze aan dunne stokjes +te binden. De Grasanjelier is ook uitstekend geschikt, om in bakjes +uitgeplant te worden. Heeft men soorten met sterk gevulde bloemen, +dan wil het wel voorkomen, dat de kelk berst; de bloemen worden +dan eenzijdig en verliezen veel van haar net voorkomen. Men kan dit +kwaad gemakkelijk keeren, door om iederen knop een guttapercha bandje +te leggen. + +De Grasanjelieren, die door vele kweekers aan de markt gebracht +worden, zijn vaak in haar volle kracht uit den vrijen grond opgestoken +planten. Deze zijn wel in den beginne zeer fraai, doch verwelken +spoedig; reden waarom een liefhebber wijs doet, zijn Anjelieren zelf +langs kunstmatigen weg te kweeken; hij is dan zeker, in het tweede +jaar prachtig bloeiende planten te hebben. + +Dianthus Caryophyllus semperflorens. (Remontant Anjelier.) Deze +variëteit, ongeveer 40 jaar bekend, is waarschijnlijk in Frankrijk +gewonnen. Zij is tegenwoordig zeer in trek en wordt in zuidelijk +Europa in het groot gekweekt, ten einde de bloemen des winters op de +markten der groote noordelijke steden te brengen. Deze worden hier te +lande bij duizenden ingevoerd, en spelen een zeer voorname rol bij de +bloemenbinderij. Ook als potplant wordt deze Anjelier veel gekweekt; +zij is dan een zeer in trek zijnde winterbloeister. + +Ofschoon de Remontant-Anjelier in de laatste jaren door verschillende +kweekers zeer verbeterd is, hebben haar bloemen toch niet die schoone +kleuren en fraaie teekening, welke der Grasanjelier eigen is; zij +heeft echter de zeer goede eigenschap, dat zij bijna het geheele jaar +door bloeit en juist in het laatste gedeelte van den herfst en het +eerste gedeelte van den winter het rijkst, een tijd, waarin bloemen +steeds zeer welkom zijn. + +De Remontant-Anjelier wordt in Januari of Februari uit stekken +voortgekweekt, die men snijden moet zooals Fig. 22 aantoont. Deze +stekken zet men vlak aan den rand van een met zandige aarde gevulden +pot; de stekpot wordt op een lichte, warme plaats gezet en slechts even +vochtig gehouden. Nog zekerder is men van het wortelen der stekken, +wanneer men op de volgende wijze te werk gaat. Men neemt een pot +van 10 cM. en een tweeden van 7 cM. wijdte, van welken tweeden het +drainagegaatje met een kurkje, of beter nog met een weinig cement, +waterdicht toegemaakt wordt. Is het cement goed opgedroogd, dan +legt men in den grooten pot een laagje scherven en brengt men er +zooveel aarde in, dat de kleinere pot, er ingezet, juist met den +rand gelijk komt. De ruimte tusschen de twee potten wordt dan met +aarde gevuld, waarin de stekken gestoken worden. Is dit geschied, dan +wordt de binnenpot met water gevuld en, wanneer dit noodig blijkt, +water bijgegoten. Door de poriën van den binnenpot dringt nu juist +zooveel water als de stekken noodig hebben, zoodat deze in het geheel +niet behoeven begoten te worden (Fig. 100). Op deze wijze behandeld, +wortelen de stekken vrij zeker binnen 4 à 6 weken. + +De cultuur van de Remontant-Anjelier is juist dezelfde als die van de +Grasanjelier: zij wordt in dezelfde aarde geplant, ook in het voorjaar +verpot en daarna buitengezet. Om te voorkomen, dat de stekplanten +reeds in den zomer bloeien, snijdt men er den kop uit; zij maken +dan zijscheuten, die pas in het najaar in bloei zullen komen. De +Remontant-Anjelier moet natuurlijk niet in den kelder overwinteren +daar zij des winters bloeit, maar voor een zonnig venster van een +matig warme kamer. + +Dianthus Margaritæ. Dit is een nog betrekkelijk nieuwe variëteit, +met zeer fraaie bloemen. Deze laat zich zeer goed door zaad +vermenigvuldigen daar een zaaisel bijna uitsluitend planten met +gevulde bloemen oplevert. De Dianthus Margaritæ wordt in de maand +Maart gezaaid in potten, die men voor het venster zet; de opkomende +zaailingen worden gerepikeerd, in kleine potjes geplant en gedurende +den zomer nogmaals verpot. Kweekt men ze tot aan het intreden van +nachtvorsten buiten, dan zullen deze Anjelieren zich in 8 à 9 maanden +tot bloeibare planten ontwikkelen. De eerste bloemen vertoonen zich +gewoonlijk laat in den herfst; de eigenlijke bloei begint echter pas +in de maanden Maart, April of Mei. De overwintering moet op een lichte, +vorstvrije plaats geschieden. + +Men onderscheidt lage, halfhooge en hooge Dianthus Margaritæ; die +alle tamelijk kleinbloemig zijn, en dus slechts door den bloei van +elkander verschillen; anders is dit met de Malmaison-variëteiten, +die zich door zeer groote bloemen onderscheiden. + +Ten laatste moeten wij nog melding maken van Dianthus fruticosus +(Boom-Anjelier). Deze vormt een houtachtigen stengel, en wordt in de +kamer het best tegen hekjes gekweekt; zij blijft verscheidene jaren +goed, wordt ongeveer één Meter hoog en bloeit in alle jaargetijden. + +Alle Anjelieren worden gemakkelijk door ongedierte en andere ziekten +aangetast, wanneer men ze des winters te veel begiet, of in dit +jaargetijde de bladeren vochtig maakt en ook, wanneer men ze een te +warme, besloten standplaats geeft. Des zomers moeten zij alle buiten +gekweekt en rijkelijk begoten en gegierd worden. + +Mimulus moschatus (Muskusplant.) Dit is een tamelijk onbeduidend +plantje, met kleine, gele bloempjes, maar om zijn sterken muskusgeur +wordt het dikwijls gezocht. Behalve de oorspronkelijke soort, worden +twee variëteiten gekweekt; een zeer gedrongene, de M. moschatus +compactus, en een met groote bladeren, de M. moschatus Harrisonii. + +De Muskusplant is winterhard; zij wordt echter steeds in potten +gekweekt en wel in veen- of broeiaarde. De voortkweeking geschiedt +zeer gemakkelijk door zaden, stekken of deeling der oude plant. In het +najaar sterft zij bijna geheel af en de overblijvende wortelstok wordt +dan droog in den kelder bewaard. In het voorjaar wordt zij verplant +en voor het venster aan den groei gebracht; gedurende den zomer zet +men haar buiten voor het venster. De muskusplant wil gedurende haar +groeitijd gaarne op een half beschaduwde plek staan en dan rijkelijk +begoten worden. + +Myosotis (Vergeet-mij-niet). Als winterbloeister heeft vooral veel +waarde de Myosotis oblongata vera, een plantje met lichtblauwe +bloemen. Men zet haar gedurende den winter, zoo mogelijk, zonnig, +koel en geheel vorstvrij, daar zij zeer gemakkelijk bevriest, de +bloemen zullen dan in Februari zeer talrijk verschijnen. + +Zijn de oude planten in het voorjaar uitgebloeid, dan worden +zij teruggesneden, waarop zij gemakkelijk zullen uitloopen. Deze +uitloopers worden als stekken gebruikt en zijn ze beworteld, dan kan +men de moederplanten wegwerpen. De stekken wortelen op een koele, +schaduwrijke plaats zeer gemakkelijk; zij worden in den loop van den +zomer herhaaldelijk in voedzamen grond geplant, rijkelijk gegierd en +voortdurend tamelijk zonnig gehouden. + +Een niet minder fraaie soort is de Myosotis azorica. Deze kweekt +men met haar variëteiten uit zaad en pot ze op in 10-12 cM. wijde +potten. De bloemen verschijnen in de lente en toonen het schoonste +blauw van alle Vergeet-mij-niet-soorten. + +Primula (Sleutelbloem). De Primula's zijn prachtige, zeer dankbare +planten, die ons voor een gedeelte in het voorjaar in den tuin, voor +een ander gedeelte gedurende den herfst en den winter, in de kamer +door haar fraaie bloemen veel genot verschaffen. + +De belangrijkste Primula, voor het kweeken in de kamer, is de Primula +chinensis (Fig. 101). Iedere liefhebber kent zeker deze fraaie +bloemplant, met haar mooi ingesneden groote bladeren, die altijd zeer +fijn en dicht behaard zijn. Van deze Primula worden vele variëteiten +gekweekt, die zich òf door den vorm en de insnijdingen der bladeren, +òf door de bloemen, òf door de kleuren onderscheiden. Zoo heeft men +verscheidenheden met gaafrandige en gefranjede bloemen; andere met +witte, gele, verschillende tinten van roode, blauwe en gestreepte +bloemen, terwijl weer andere variëteiten zich onderscheiden door +enkele of gevulde bloemen. + +Deze Primula is een overblijvende plant; zij wordt echter meestal als +éénjarig behandeld, omdat zij het eerste jaar het mooist bloeit. Hoe +grooter en talrijker de bloemen en hoe beter ontwikkeld de bladeren +zijn, des te mooier is de plant. De liefhebber doet verreweg het +wijst de Primula's in het najaar te koopen; alle bloemisten kweeken +ze in grooten getale, waardoor zij steeds goedkoop te verkrijgen +zijn. Wenscht men ze zelf te kweeken, dan moet men onderscheid maken +tusschen enkele, half gevulde en geheel gevulde Primula's. De laatste +toch kunnen niet uit zaad, maar moeten door stekken voortgekweekt +worden. + +Wil men de Primula chinensis uit zaad kweeken, dan moet men zich goed +versch zaad aanschaffen en dit in potten met goede zandige heideaarde +uitzaaien. Bedekt men deze zaadpotten met een glasplaat, en zet men ze +op een beschaduwde plek van de vensterbank, dan zullen de zaden in 2 +à 3 weken kiemen. De jonge kiemplantjes worden gerepikeerd, later in +kleine potjes uitgeplant en in den loop van den zomer in potten van 10 +cM. wijdte geplant, waarin zij dan bloeien. De beste aarde, die men +voor het oppotten en verpotten gebruiken kan, is zandige broeiaarde, +en wil men goed groeiende Primula's bemesten, dan gebruikt men daartoe +Peru guano. Een weinig van deze meststof wordt gelijkmatig over den +pot verdeeld en met wat aarde gedekt. De Primula's moeten voor het +venster van een goed gelucht vertrek gekweekt worden en bij scherpe +zon mag men vooral niet vergeten, ze behoorlijk te schermen. + +De voortkweeking der gevulde Primula's gaat lang zoo gemakkelijk +niet. Zijn de planten in het voorjaar uitgebloeid, dan worden zij +goed schoongemaakt en voor het venster van een niet-verwarmde kamer +gezet. Hier ontspruiten dan zijscheuten, die men afsnijdt en als +stekken gebruikt. De stekken zet men in een schotel, die 6 à 7 cM. hoog +is, geen drainagegaatjes heeft en tot op de helft met goed gewasschen +zand is gevuld. Is men hiermede gereed, dan giet men zooveel water in +de schaal, dat de stekken ongeveer een centimeter diep er in staan. De +stekken mogen nu niet gedekt, maar moeten zoo zonnig mogelijk geplaatst +worden; en past men goed op, door tijdig alle rottende bladeren te +verwijderen, dan is men vrij zeker, dat zij wortel zullen maken. De +goed bewortelde stekken moeten uiterst voorzichtig in potjes gezet +worden, waarna men ze evenals de jonge zaailingen kan behandelen. + +De Primula chinensis is een zeer schoone winterbloeister, die van +November tot diep in den winter onafgebroken haar bloemstengels +tusschen de bladeren ontwikkelt. Des winters houdt men de planten +slechts matig vochtig; bij het gieten moet er dan vooral op gelet +worden, dat nòch het hart der plant, nòch haar bladeren vochtig worden. + +Zij moet voor een zonnig venster van een koele kamer geplaatst +worden en de gemiddelde temperatuur mag hier in geen geval hooger +zijn dan 45° à 46° Fahr. Geeft men te veel warmte, dan verzwakken de +planten en worden de bloemen kleiner. Zonder veel schade te lijden, +kan een Primula hoogstens een paar graden vorst verdragen, waarom +zij een uitstekende plant is om tusschen dubbele vensters gekweekt +te worden, waar men ze tusschen uit neemt, wanneer er een koude +nacht te verwachten is. Hebben ze een weinig van de vorst geleden, +dan mogen zij nòch warm, nòch in de zon gezet worden. Daar de ruimte +tusschen de dubbele vensters meestal niet groot genoeg is, worden de +Primula's dikwijls in pijpvormige potten (Fig. 102) gezet, die niet +alleen zeer leelijk, maar ook vaak van porselein vervaardigd zijn, +waardoor het toetreden van lucht tot de wortels verhinderd wordt. In +plaats van deze pijpvormige potten doet men veel beter, hoekige potten +(Fig. 6) te nemen, en deze, zoo noodig, nog op een stekpotje te zetten, +zoodat de potten dan niet tusschen het raamwerk, maar tusschen de +ruiten komen te staan, waar zij natuurlijk meer ruimte hebben. + +Zeer dikwijls wordt de Primula chinensis wankelend en zakt zij naar +één zijde over; het gevolg hiervan, dat de wortelhals zeer dun is. Dit +bezwaar kan men gemakkelijk verhelpen, door een paar dunne stokjes, +6 à 7 cM. lang, rechts en links, vlak langs de plant in de aarde te +steken, waardoor zij den noodigen steun verkrijgt. + +Primula obconica. Deze Primula, die in 1883 uit China werd ingevoerd, +is ook een zeer dankbare winterbloeister. Zij laat zich zeer +gemakkelijk uit zaad vermenigvuldigen, wat men echter ook kan doen, +door de oude plant te verdeelen. Des zomers moet de Primula obconica +buiten gekweekt worden, des winters in een koel vertrek. De bloemen +van deze soort zijn wit of zacht lila; er zijn in den laatsten +tijd echter mooie grootbloemige verscheidenheden in verschillende +kleuren van gewonnen, wier bloemen in grooten getale op dunne slanke +stoeltjes staan. Jammer is het, dat enkele menschen er last van hebben, +dat deze plant een huidonsteking bij hen veroorzaakt. Zij, die dit +bemerken, moeten haar zonder handschoenen niet aanraken. Bemerkt men +de ontsteking, dan wrijve men de aangedane plek goed in met een watje +met alcohol van 96° (spiritus fortior) en wassche daarna de plek met +zeep goed af. + +Behalve de genoemde, zijn bijna alle Primula's voor potcultuur +geschikt. Ook de Primula acaulis (Gewone Sleutelbloem) en Primula +Auricula (Aurikel) laten zich, in potten gekweekt, zeer goed in een +koel vertrek tot bloei brengen. + +Soldanella alpina. Deze allerliefste, tot de familie der Primula's +behoorende Alpenplant, heeft niervormige blaadjes, waarboven de +sierlijke bloemstengeltjes zich verheffen, waaraan in April en Mei +kleine purper-violette klokvormige bloempjes hangen, die met een rand +van franje versierd zijn. + +In goede tuinaarde geplant, groeit de Soldanella ook zeer goed in +potten, die des zomers buiten, des winters voor het venster van een +koudere kamer moeten gezet worden. Hier bloeit zij dan gewoonlijk +reeds vroeg in het voorjaar. De vermenigvuldiging geschiedt gemakkelijk +uit zaden of door scheuren der oude planten. + + + + +Kruidachtige bloemplanten voor warme vertrekken. + +Begonia. De Begonia's, die hier besproken worden, behooren tot +die groep, die, in tegenstelling met de algemeen bekende soorten, +geen knollen vormen. Ook deze Begonia's nemen een eerste plaats in +onder de talrijke fraaie bloemplanten, die voor kamercultuur geschikt +zijn. Het aan soorten zeer rijke geslacht Begonia's vormt een familie +op zichzelf, die der Begoniaceeën. Van de ongeveer 350 bekende +Begonia-soorten behooren ongeveer twee derden in tropisch-Amerika +thuis; de andere zijn uit Oost-Indië, Madagascar en ook uit China en +Japan afkomstig. Alle Begonia's hebben, afgezien van de meer of minder +fraaie bloemen, één algemeen kenmerk, namelijk: dat het blad scheef +hartvormig is, waaraan zij den in Duitschland algemeen bekenden naam +"Schiefblatt" te danken hebben. De soorten onderling verschillen +echter zeer. + +De kweekers verdeelen de Begonia's in drie zeer groote groepen, +namelijk de Knolbegonia's, de stengelachtige Begonia's en de +Bladbegonia's. Op dit oogenblik willen wij ons slechts bezighouden met +stengelachtige Begonia's, terwijl wij de beide andere groepen in de +hoofdstukken "Bol- en Knolgewassen" en "Bladplanten" meer uitvoerig +zullen behandelen. De stengelachtige Begonia's vormen dikwijls +krachtige, zeer groote planten, die zich in de kamer vaak zeer fraai +ontwikkelen. Zijn zij uitstekende planten om in de vensterbank te +kweeken, wanneer zij tegen te scherpe zon geschermd worden, nog meer +waarde hebben die soorten, welke, in de kamer gekweekt, des winters +bloeien. Het zijn dan ook deze, waarmede wij ons op dit oogenblik +zullen bezighouden. + +In vergelijking met de Knolbegonia's hebben de stengelachtige Begonia's +gewoonlijk slechts betrekkelijk kleine bloemen. + +Hoewel de bloemen dezer soorten door kruisbevruchting in afmeting en +kleur zeer zijn verbeterd, zijn zij toch nog altijd niet groot. Als +vergoeding daarvoor mag zeker wel de buitengewone bloemrijkheid +gelden. Het is toch geen zeldzaamheid, dat er 30 à 40 bloemen aan +één stengel voorkomen. Enkele der stengelachtige Begonia's worden +tamelijk hoog; snijdt men ze echter dikwijls in, dan vormen zij fraaie +halfkogelvormige planten, die reeds door de dikwijls fraai gekleurde +of geteekende bladeren een zeer schoon gezicht opleveren. Terwijl +de meeste Knolbegonia's met zeer weinig warmte tevreden zijn en +in een gesloten vertrek niet best willen groeien, zijn de meeste +stengelachtige Begonia's juist zeer goede kamerplanten. Een zonnig +gelegen woonvertrek met een wintertemperatuur van 60°-65° Fahr. is +uitstekend geschikt voor de cultuur dezer planten, mits men ze een +lichte plaats op de vensterbank of anders in de nabijheid van een +raam kan geven. + +De voortkweeking geschiedt het best en snelst door middel van stekken, +die meestal zeer gemakkelijk wortelen; doch ook door zaad kan men ze +in de kamer voortkweeken. Dit moet juist op dezelfde wijze behandeld +worden als dat der Knolbegonia's. Wanneer men de zaden vroegtijdig +in Februari of Maart uitzaait, dan is deze cultuur zeer aangenaam, +daar de zaailingen snel groeien en meestal, eens gerepikeerd, groot +genoeg zijn om afzonderlijk in potjes te worden gekweekt. + +De stengelachtige Begonia's worden gewoonlijk in het voorjaar een +weinig ingesneden en daarna verplant, terwijl zij dan midden in den +zomer nog eenmaal verplant moeten worden. Het beste grondmengsel is +zeker: gelijke deelen broei-, heide- of bladaarde, waarbij 1/10 scherp +zand wordt gevoegd. Gedurende den groeitijd moet overvloedig gegoten +worden. Tot de fraaiste winterbloeisters onder de stengelachtige +Begonia's behooren: Beg. albo-picta met wit gevlekte bladeren en zuiver +witte bloemen; Beg. fuchsioïdes, een zeer bekende soort, met fraaie, +donkergroene bladeren en donker-karmijnroode bloemen; Beg. Schmidtii, +een sierlijke plant met donkergroene, aan de achterzijde roodachtige +bladeren en rose bloemen; Beg. Erfordia, een nieuwe hybride, met +karmijnroode bloemen en zwak behaarde bladeren en bladstelen. Al +de hier opgenoemde soorten kenmerken zich door tamelijk kleine +bladeren. Schoone soorten met grootere bladeren zijn: Beg. Credneri, +een ongeveer 1 M. hoog wordende nieuwe hybride met metaalachtig +glanzende bladeren, die getoond heeft uitstekend te zijn voor +kamercultuur; Beg. hybr. President Carnot met saprijke dikke bladeren, +die, volgroeid, zilverwitte vlekken hebben en rosekleurige bloemen; +Beg. incarnata superba, een ongeveer 40 cM. hoog wordende plant, +met bronsachtige, behaarde bladeren en witte bloemen; Beg. metallica, +een zeer bekende soort met groote metaalachtig glanzende bladeren (de +bloemen zijn rose, met een donkerroode sterk behaarde achterzijde); +Beg. Scharffiana, een soort, die 30 cM. hoog wordt, met groote dikke +fluweelachtige bladeren, waarvan de bovenzijde smaragdgroen en de +onderzijde purperbruin is. De vrijstaande bloemen zijn groot en zuiver +wit. Tot deze Begonia's behoort ook nog de Begonia semperflorens +met haar verschillende variëteiten. Deze Begonia heeft kleine, uit +de bladoksels ontspringende witte en rose bloemen, waarmede de plant +somtijds rijk getooid is. Zij wordt zeer veel in den tuin gebruikt, +doch ook voor potcultuur is zij uitstekend geschikt. Van deze soort +zijn in de laatste jaren een paar zeer goede variëteiten in den +handel gebracht en wel de Beg. semperflorens Lambertus met witte, +eenigszins grootere bloemen en de Beg. semperflorens atropurpurea +(Vernon) met fraaie, roode bladeren en schitterend roode bloemen. + +Een geheel nieuwe variëteit is de Beg. semperflorens Teppichkönigin; +deze wordt slechts weinige centimeters hoog, draagt fraaie, rose +bloemen en is een zeer sierlijk bloemplantje. De Beg. semperflorens +hebben gewoonlijk een knolvormig verdikten wortelstok; dikwijls sterven +zij na den bloei, in het najaar, bijna geheel af; zij moeten dan +droog en wat koeler gehouden worden. Verplant men ze in het voorjaar +en snijdt men ze, wanneer de stengels niet afgestorven zijn, daarna +goed in, dan groeien zij spoedig weer uit en dragen binnenkort weder +bladeren en bloemen. Op dezelfde wijze moet ook de Beg. Weltoniensis +behandeld worden; dit is een oude, zeer geliefde plant met tamelijk +kleine bladeren en zacht rose bloemen. + +Clivia (Imantophyllum.) De familie van de Amaryllideeën, waartoe ook de +Clivia behoort, bevat een zeer groot aantal fraaie bloemplanten. Onder +al deze gewassen neemt de Clivia, een kruidachtige plant, een der +eerste plaatsen in; zij is een duurzame en zeer dankbare plant, +die ook in de kamer zeer goed tot bloei komt. Er komen in den +handel twee soorten voor, namelijk de Clivia nobilis een soort, die, +niettegenstaande haar naam, niet zeer aanbevelenswaardig is en ook niet +veel meer wordt aangetroffen, en de algemeen verspreide Clivia miniata. + +De laatstgenoemde, uit Port-Natal afkomstig, is een pracht-plant +van den eersten rang. Bij deze plant ontspruiten de scheuten met +riemvormige, ongeveer 5 cM. breede, donkergroene, elegant gebogen +bladeren direct uit de dikke, vleeschachtige wortels. Alleen reeds om +haar schoone bladeren is zij een aanbevelenswaardige kamerplant. Maar +ook is zij een dankbare bloeister, die in den winter of de lente, en +dan dikwijls weder midden in den zomer, haar bloemen ontwikkelt. Op +een, tusschen de bladeren ontspruitenden bloemsteel van ongeveer +35 à 40 cM. hoogte, ontwikkelt zich een groot bloemscherm, dat uit +minstens 12 à 15 groote, menieroode bloemen bestaat. In de laatste +jaren zijn er zeer schoone variëteiten van gewonnen, met meer of +minder donkerrood gekleurde bloemen, waarvan er vaak 30 tot 40 op +één bloemsteel vereenigd zijn. Daar de bloemen zich op één scherm +niet alle te gelijk openen, maar dit na elkander doen, duurt den bloei +verscheidene weken. Bevruchten wij de bloemen, door met een penseeltje, +gedurende de middaguren, wat stuifmeel op den stempel te brengen, +dan zullen zich groote roode bessen ontwikkelen, die zeer lang duren +en een fraai voorkomen aan de plant geven. + +De Clivia is een zeer harde plant, die men desnoods gedurende den +zomer buiten kan kweeken, doch het gansche jaar door in de kamer +gehouden, groeit zij ook zeer goed, mits men er voor zorgt, dat zij +noch in de volle zon, noch te warm staat; daar zij in het eerste +geval brandvlekken krijgt, en in het tweede geval door insecten +wordt aangetast. + +De dikke vleezige wortels der plant toonen reeds aan, dat zij een +zwaren, voedzamen grond verlangt. De jonge planten moeten jaarlijks, +de oudere om de twee jaar in zulke aarde verplant worden. Houdt men +haar gelijkmatig vochtig en vooral zindelijk, dan ontwikkelt de Clivia +van 4-6 bladeren per jaar. + +Des winters behoeft men haar geen hoogere temperatuur te geven dan, +45° Fahr., hoewel de Clivia's ook zeer goed voor het venster van +een verwarmde kamer groeien. In elk geval is het voorzichtig de koud +gehouden planten wat warmer te zetten, zoodra men bemerkt, dat zich +tusschen de bladeren een jonge bloemsteng bevindt. Warm gehouden, +bloeien deze planten vaak reeds tegen Kerstmis of Nieuwjaar. + +De vermenigvuldiging der Clivia geschiedt door middel van uitloopers, +die men, bij het verpotten, zóó afsnijdt, dat er eenige wortels +aan zitten. Deze scheuten worden dan in betrekkelijk kleine potten +opgepot. Ook kan men oude planten zeer goed scheuren, wanneer men +zorgt, de beschadigde wortels met een scherp mesje weg te snijden. Ook +uit zaden kan men zeer goed jonge planten kweeken, welke echter pas +na verloop van enkele jaren bloeibaar worden. + +Hedychium. De Hedychiums zijn fraaie, Indische planten, met knolvormige +wortelstokken, waaruit zeer sterke, met ongeveer 12 cM. lange bladeren +bezette stengels ontspruiten. Iedere krachtig ontwikkelde stengel +vormt, nadat hij volwassen is, aan den top een mooie, dikwijls uit +zeer welriekende bloemen bestaande aar. De meest verspreide soort is +de Hedychium Gardnerianum, met citroengele bloemen. + +De Hedychiums verlangen een zeer voedzame, zware aarde; zij moeten +gedurende haar groeitijd rijkelijk begoten worden, terwijl zij des +winters betrekkelijk, doch niet geheel, droog gehouden moeten worden, +wijl zij dan wel rusten, doch niet afsterven. Des zomers kan men +deze plant ook wel buiten kweeken; des winters moet zij echter op +een lichte plaats in de warme kamer worden gezet. + +De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door scheuren der oude +plant. + +Impatiens Sultani. Deze Impatiens is een der fraaiste soorten voor +de kamer; zij behoort op Zanzibar en in tropisch Afrika thuis. De +gemakkelijke groei en de onophoudelijke ontwikkeling der schitterend +roode bloempjes maken haar tot een der sierlijkste bloemplanten. De +bloemen staan vrij boven de bladeren uit, wat een aanmerkelijk voordeel +van deze soort boven vele andere Balsaminen is, welker bloemen onder +de bladeren verborgen liggen. + +Beter nog dan in een kas groeit de Impatiens Sultani, wanneer +zij voorzichtig behandeld wordt, vóór een op de morgenzon gelegen +venster. Zij groeit en bloeit daar onophoudelijk, winter en zomer door, +waardoor zij zeer veel genoegen verschaft. Zij moet in zeer voedzamen +grond gekweekt worden, terwijl men haar des zomers zeer rijkelijk en +des winters spaarzaam moet begieten. + +Eenige jaren geleden is een nieuwe soort, de Impatiens Holstii in den +handel gebracht, waarvan fraaie verscheidenheden zijn gewonnen. Ook +deze zijn voor kamercultuur zeer goed geschikt. + +De vermenigvuldiging geschiedt door zaaien en stekken. De stekken maken +zeer gemakkelijk wortel en de algemeene opinie is, dat stekplanten +beter bloeien dan zaadplanten. + +Mimosa pudica (Kruidje-roer-mij-niet.) Deze Mimosa is een overblijvend +plantje uit Brazilië, dat echter meestal als éénjarig wordt +behandeld. De lichtpaarse, kogelvormige bloemhoofdjes onderscheiden +zich slechts door de kleur van die der Acacia's, aan welk geslacht zij +dan ook zeer nauw verwant is. De fraaie, dubbel gevederde bladeren zijn +lichtgroen van kleur. Zeer interessant is het Kruidje-roer-mij-niet +door de gevoeligheid der bladeren. Het geringste tochtje en de minste +aanraking veroorzaken het te-zamen-buigen en neerhangen der blaadjes en +bladstelen. De snel op elkander volgende bewegingen zijn drievoudig; +de kleine zijblaadjes buigen zich naar elkander toe, en richten zich +tegelijkertijd naar voren, zoodat zij elkander gedeeltelijk bedekken, +daarna buigen zich de vederblaadjes dragende bladstelen naar beneden +en ten slotte gaat het geheele blad langs de plant hangen. Na een +korten tijd nemen de bladeren hun gewonen stand weder in. Op welk +punt men het blad ook aanraakt, de gevoeligheid plant zich over het +geheele blad voort. Gedurende den nacht hangen de blaadjes dezer +Mimosa slap bij de plant neer; een toestand, dien men met slapen zou +kunnen vergelijken. Oude bladeren verliezen hun gevoeligheid en ook +de jonge blaadjes doen dit, wanneer men ze te veel aanraakt. + +Het Kruidje-roer-mij-niet verlangt veel vochtigheid en ook een vochtige +lucht, zoodat het bijna uitsluitend in het kamerkasje moet gekweekt +worden. In Februari of Maart worden de zaden, nadat zij een paar dagen +in lauw water geweekt zijn, gezaaid. Zij hebben dan een temperatuur van +ongeveer 65° noodig om te kiemen. De jonge zaadplantjes kunnen spoedig +afzonderlijk opgepot, en moeten later in potjes van 10 cM. wijdte +gezet worden. Men moet zorgen voor een voedzamen grond en voor een +rijke begieting. Het is een zeer ondankbaar werk, deze plantjes te +laten overwinteren, waarom men beter doet jaarlijks jonge plantjes +uit zaad te kweeken. + +Peperomia resedæflora. Deze Peperomia is een kleine, maar zeer +dankbare plant, met lichtgroene, wortelstandige, bijna geheel ronde +bladeren. Boven deze bladeren verheffen zich des zomers lange, +bebladerde bloemstengels, die kleine, witte bloemaartjes dragen, +welke bij oppervlakkige beschouwing aan de bloemtrosjes van Reseda +doen denken. + +Deze Peperomia moet in zandige broeiaarde gekweekt worden, terwijl +men haar des winters warm en tamelijk droog moet houden. Des zomers +groeit en bloeit zij uitstekend voor het venster, hoewel men haar, +mits op een beschaduwde plek, ook buiten kan zetten. + +De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door stekken, die bestaan +uit één blad met een stukje van den stengel. Deze stekken zet men +ieder afzonderlijk in een potje en plaatst ze daarna in het kamerkasje. + +De tusschen het blad en den stengel gezeten knop zal spoedig gaan +doorgroeien, wortel schieten en een jonge plant vormen. Ook door de +verdeeling der oude plant kan men haar vermenigvuldigen. + +Pilea muscosa (Kanonnierplantje.) De kanonnierplantjes zijn +schijnbaar onbeduidende, tot de brandnetels behoorende plantjes. Zij +zijn aanbevelenswaardig door haar gemakkelijke cultuur en door een +interessante eigenschap. Dompelt men een, met haar bijna onzichtbare +bloemknopjes dicht bezette plant in koud water, en haalt men haar +direct weder daaruit, dan breken weldra de meeldraden uit de knoppen; +de helmknopjes springen met een ruk open en werpen het zeer fijne +stuifmeel uit, dat dan als een plotseling verschijnend rookwolkje +uit het plantje schiet. Dit kan zóó sterk geschieden, dat de plant +als het ware in een rookwolk is gehuld. + +In goede aarde geplant, groeit de Pilea, die des winters slechts matig +vochtig moet gehouden worden, zeer gemakkelijk voor het venster. De +voortkweeking kan op iederen tijd van het jaar geschieden door stekken, +die vlug wortelen. + +Torenia. Door de pracht van haar zeer sierlijk gekleurde bloemen heeft +de uit Azië afkomstige Torenia een groote waarde als bloemplant. De +bloemen zijn trechtervormig en aan de voorzijde wijd uitgespreid; +zij zijn schitterend blauw met een witte vlek in de keel. De kleine +plantjes, die ovale blaadjes bezitten, hebben echter nogal behoefte +aan veel warmte. + +De voortkweeking geschiedt door stekken, doch de liefhebber doet veel +wijzer, deze planten in het voorjaar uit zaad te kweeken en ze in het +najaar weg te werpen, daar de overwintering in een kamer niet altijd +gelukt. Enkele soorten der Torenia o.a. de Torenia asiatica heeft +hangende stengels, en kan dus zeer goed als ampelplant gebruikt worden. + +Men moet de Torenia dikwijls verpotten in goede broeiaarde en haar +en lichte plaats voor een zonnig venster geven. + +De aanbevelenswaardigste soort is Torenia Fournieri. Men kan deze +soort direct zaaien in de potten, waarin zij moeten bloeien. Deze +potten moeten niet wijder zijn dan 10 cM.; men vult ze tot op 3 +cM. onder den rand met aarde, waarop dan gezaaid wordt. Van de +opkomende zaailingen laat men de drie sterkste in den pot staan en +trekt de andere er uit. Zijn de plantjes groot genoeg geworden, +dan vult men den pot tot op een gewonen gietrand met aarde aan, +om zoodoende de plantjes goed vast te zetten. + +Vinca rosea. Deze sierlijke plant, die ook wel voorkomt onder den +naam Lochnera rosea, wordt ongeveer 30 à 40 cM. hoog. Zij is uit +Zuid-Afrika afkomstig. De bladeren zijn glad en glanzend groen, de +bloemen schitterend rood of wit; deze ontwikkelen zich van het begin +van den zomer tot diep in October. + +De Vinca rosea is een zeer dankbare kamerplant: zij heeft des zomers +gaarne volop water, een zonnige standplaats en goeden, voedzamen grond. + +De voortkweeking geschiedt door stekken. Ook als éénjarige plant kan +men haar zeer goed behandelen, in welk geval zij in het voorjaar uit +zaden moet gekweekt worden. + + + + +Bol- en Knolgewassen. + +Amaryllis. Het geslacht Amaryllis behoort tot de groote familie der +Amaryllideeën, die zeer schoone bloemplanten bevat. Vroeger omvatte +dit geslacht veel meer soorten dan tegenwoordig, nu de meeste tot +andere geslachten gebracht zijn. Het tegenwoordige geslacht Amaryllis +omvat nog slechts de Amaryllis Belladonna met haar variëteiten. + +De Amaryllis Belladonna is wel niet een onzer fraaiste kamerplanten, +maar als herfstbloeister is zij toch lang niet verwerpelijk. Zij +is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. De ontwikkelde bol, die des +zomers in volmaakten rusttoestand verkeert, is vrij groot en eenigszins +peervormig. Op een bloemsteng van 50 à 60 cM. hoogte ontwikkelt zich +een bloeiwijze van 4 tot 8, gewoonlijk zacht riekende bloemen. Deze +bloemen komen, wat den vorm betreft, volmaakt overeen met de gewone +Lelie; zij zijn echter niet zoo groot. Bij de oorspronkelijke soort +is de kleur zacht rose, maar men heeft thans ook variëteiten met +vuurroode, purperkleurige en witte bloemen. De groote, donkergroene +bladeren der Amaryllis ontwikkelen zich te gelijk met of na den +bloei; zij zijn tamelijk talrijk en groeien den geheelen winter en +de geheele lente door, sterven dan langzaam af, waarna de bol weder +zijn rustperiode intreedt. + +De cultuur dezer plant moet zich natuurlijk naar de hier beschreven +levenswijze regelen. De bollen worden tegen het einde van den +rusttijd, in Augustus, alleen of met meerdere te zamen, in niet te +groote potten gezet. Men gebruikt daartoe zandigen, niet te lichten +grond. Na opgepot te zijn, zet men ze voor het zonnige venster van +een goed gelucht vertrek, en begiet ze slechts matig, zoo lang, +totdat de bloemsteng zich vertoont. De uitgebloeide planten laat +men in een koude, doch vorstvrije kamer overwinteren, zij worden +matig vochtig gehouden. Zoodra de bladeren beginnen af te sterven, +houdt men met gieten op; zijn zij geheel verdord, dan wordt de bol +uit den pot genomen, goed schoongemaakt en tot aan den planttijd, +half Augustus, droog bewaard. + +Zeer groote waarde als kamerplanten hebben de nieuwere variëteiten +van de reeds zeer lang in trek zijnde Amaryllis-soorten, die +zich door roode of rood met wit gestreepte reusachtige bloemen +onderscheiden. Deze soorten sterven niet geheel af, hoewel zij +ook tot de bolgewassen behooren. Deze zeer fraaie bloemplanten, +die in den winter en de lente haar bloemen ontwikkelen, dragen in +de kweekerijen den naam van Amaryllis, hoewel zij eigenlijk tot het +geslacht Hippeastrum behooren. + +De zeer schoone variëteiten stammen van verschillende soorten, waarvan +tegenwoordig nog slechts de Hippeastrum vittatum gekweekt wordt. Al de +variëteiten hebben zeer groote, trechtervormige bloemen, die uit zes +bloembladeren bestaan. De kleuren varieeren in alle tinten tusschen +het zachtste en het vurigste rood. + +De schoonste en schitterendste Hippeastrum-variëteiten, die groote, +rechtop staande bloemen dragen, zijn gewoonlijk niet gemakkelijk +te kweeken, en hebben veel warmte noodig. Eenige meer bescheiden +variëteiten zijn echter niet zoo moeilijk. + +Bij de cultuur van alle Hippeastrums moet men er op rekenen, dat +zij een goede, zware aarde verlangen, samengesteld uit 1/3 blad-, +1/3 broei- en 1/3 graszoden- of kleigrond, vermengd met een goede +hoeveelheid zand, terwijl zij in haar rusttijd nooit geheel haar +wortels verliezen. Des zomers kweekt men haar voor het geopende +venster of in het bloemenrekje; zij verlangen dan rijkelijk water en +bescherming tegen de te scherpe zon; zij ontwikkelen dan een aantal +riemvormige bladeren. Zoodra zij in het najaar ophouden met groeien, +moet men beginnen minder te gieten. Vóórdat de koudere nachten +beginnen, zet men de planten in een vertrek met een gemiddelde +temperatuur van 50° Fahr. Een bijzondere plaats hebben zij niet +noodig. Zooals wij reeds gezegd hebben, rusten de Hippeastrums niet +volmaakt, daar de wortels niet afsterven; men moet ze dus des winters +ook een weinig begieten. Veel water mogen zij echter niet hebben, en +de aarde moet altijd meer droog dan vochtig zijn. Soorten, waarvan +de bladeren afsterven, worden minder, die, welke ze behouden, iets +ruimer begoten. De potten met kleine, nog niet bloeibare bollen, +kunnen tot aan de lente in een koele achterkamer blijven staan, de +bloeibare planten kunnen echter, na eenigen tijd gerust te hebben, +in een warmer vertrek gezet worden. Het ligt in de hand van den +liefhebber om den bloei te bespoedigen of te vertragen. Zet men de +bollen warm, zonder ze te begieten, dan zullen de bloemstengen zich +weldra vertoonen. Een spoedige bloei wordt zeer zeker bereikt, wanneer +men de warm staande bollen zóó lang droog houdt, totdat de bloemsteng +geheel voor den dag getreden is en aan den top de door een schutblad +omgeven knoppen toont. Van nu af aan moet geregeld gegoten worden, +natuurlijk met water, dat de temperatuur van het vertrek heeft. De +bloemsteng zal zich dan flink gaan ontwikkelen, en, al naar de soort, +zullen de bladeren gelijktijdig of pas na den bloei verschenen. Het +is geraden, wanneer men op kamercultuur aangewezen is, de bollen niet +vóór Maart warm te zetten, ten einde den bloei tot die maand tegen +te houden. + +Nadat de bloei geëindigd is, begint het tweede gedeelte der cultuur. De +bollen moeten nu verplant worden. Men neemt ze uit de potten, schudt +al de oude aarde tusschen de vleezige wortels uit en snijdt met een +scherp mesje alle zieke wortels weg. De nieuwe pot moet zoo groot zijn, +dat de wortels er gemakkelijk in passen, doch meer niet; ook moet hij, +vóór het gebruik, goed schoongemaakt worden. + +Bij het planten moet men er op letten, dat slechts de wortelhals van +den bol onder de aarde komt, hij zelf moet er bovenuit steken. + +De zoo verplante Hippeastrum wordt goed aangegoten en totdat zij +doorgeworteld is voor het gesloten venster van een warme kamer +gezet. Van Juni af kunnen zij, wanneer men ze langzaam aan de lucht +gewend heeft, buiten gezet worden. + +Een groote fout in de cultuur bestaat daarin, dat de liefhebbers +hun bollen geen rust geven, en ze van het begin van den winter af +te warm en te vochtig houden. Deze behandeling zullen zij één winter +verdragen; doet men het een tweeden winter weer, dan worden de bollen +zwak, zij ontwikkelen zieke bladeren en bloeien niet meer. + +Wil men de Hippeastrum in de kamer vermenigvuldigen, dan kan men +daartoe de kleine bolletjes nemen, die zich tegen den ouden bol aan +ontwikkelen. Deze worden steeds bij het verplanten van de moederbol +afgenomen. Er gaan echter verscheidene jaren mede weg, eer men van +een kweekbol een bloeibaren bol verkrijgt. + +Begonia. Hebben wij in een voorgaand hoofdstuk de stengel-Begonia's +behandeld, thans zullen wij het een en ander mededeelen over de +Knolbegonia's. + +De Knolbegonia's hebben zich in de laatste jaren, door haar uitstekende +eigenschappen als bloemplanten een eerste plaats veroverd, zoowel +onder de pot- als onder de tuinplanten. De oorspronkelijke, uit Amerika +afkomstige soorten bezaten geen zeer hooge waarde; zij hadden lange, +kruidachtige stengels, kleine, spitse bladeren en weinig beteekenende, +uit vier smalle bloemblaadjes bestaande, hangende bloemen. Uit deze +weinig fraaie soorten zijn, door de volharding der kweekers, de thans +algemeen verspreide rassen ontstaan, met groote flinke bladeren en +prachtige, rechtop staande, schitterende bloemen. + +De tegenwoordige Knolbegonia is in al haar vormen het product der +kweekerskunst. Engelsche, Fransche, Belgische en Hollandsche kweekers +hebben haar tot haar tegenwoordigen trap van volmaaktheid gebracht. De +uit haar vaderland ingevoerde Knolbegonia kenmerkte zich wel door een +zeer dankbaren bloei, maar haar bloemen waren, zoals wij reeds gezegd +hebben, klein. Door kruising der verschillende soorten en variëteiten +onder elkander trachtte men daarvan grootbloemige verscheidenheden +te verkregen. Van het jaar 1870 af zijn de op deze wijze verkregen +variëteiten zeer snel op elkander gevolgd. In het jaar 1882 kwam de +te St.-Louis de Potosi gevonden Begonia Martiana gracilis in den +handel. Deze rechtop groeiende soort met ronde knollen, vleezige, +glanzende, metaalachtige bladeren en rose bloemen, die gedrongen in +de bladoksels zitten, is zeker wel een der schoonste oorspronkelijke +soorten en heeft dan ook niet weinig tot het winnen der nieuwere +variëteiten bijgedragen. + +In de laatste 6 à 8 jaar zijn de Knolbegonia's bijna tot den hoogsten +trap van volmaaktheid gebracht; de stoutste verwachtingen der kweekers +zijn overtroffen, want geen ander plantengeslacht heeft in zoo'n +betrekkelijk korten tijd zulk een groote verandering ondergaan. Wanneer +men de uit haar vaderland ingevoerde soorten met de tegenwoordige +hybriden vergelijkt, dan houdt men het bijna voor onmogelijk, dat +de meest beredeneerde kruisingsmethode en de zorgvuldigste keuze der +hybriden een plantengeslacht in korten tijd zoo geheel hebben kunnen +wijzigen. In haar tegenwoordigen vorm is de Knolbegonia zoo'n schoone +plant en heeft zij zooveel waarde, dat zij zonder twijfel een door +de liefhebbers meest gezochte plant zal blijven. De bloemstelen, die +uit de bladoksels spruiten, dragen verscheidene bloemen en zoowel +mannelijke als vrouwelijke, want de bloemen zijn éénslachtig. De +mannelijke bloemen verschijnen het talrijkst en zijn ook het +schoonst. De kleur der bloemen doorloopt alle tinten tusschen het +zachtste rose en het donkerste rood; ook gele en witte bloemen worden +aangetroffen, doch niet zoo talrijk. De fraai gevormde bloemen kunnen, +bij een goede behandeling, een doorsnede bereiken van 16-18 cM. Ook de +gevuldbloemigen zijn in de laatste jaren veel verbeterd, en vooral die +zijn zeer schoon, welke regelmatig gevormd zijn en goed rechtop staan. + +Zooals bekend is, wordt een gevulde bloem gevormd door de vergroeiing +van de meeldraden, zoodat slechts de mannelijke bloemen tot gevulde +kunnen overgaan, terwijl de vrouwelijke steeds enkel blijven; er +komen echter wel planten voor, die uitsluitend gevulde mannelijke +bloemen dragen. + +Alle Begonia's hadden een gebrek, dat aan zeer vele fraai gevormde of +gekleurde bloemen eigen is: zij waren geheel reukeloos. De nieuwste +gebeurtenis op het gebied der Begonia-cultuur is het vinden van een +welriekende Begonia. De nu bestaande welriekende Begonia's hebben +alle een stammoeder in de Begonia Baumannii. Volgens een bericht in de +Revue horticole werd deze soort gevonden door Dr. Sell in Cochabamba +(Bolivia), die er in 1886 de eerste zaden van zond aan den heer +Baumann, te Bollweiler in den Elzas. Ter eere van dezen heer draagt +de Begonia dan ook zijn naam. In haar moederland moet deze soort zeer +groote knollen vormen, ongeveer ter grootte van een meloen, met een +gewicht van 375 gram. De bladeren zijn slechts zeer weinig scheef, +eerder niervormig; de bloemen zijn, wat erg jammer is, niet zeer +groot, rose, zij verspreiden een zeer aangenamen geur. Door deze +soort met grootbloemige Knolbegonia's te kruisen, heeft men in den +laatsten tijd variëteiten gewonnen met betrekkelijk groote bloemen, +die zeer aangenaam rieken en waarvan de bloemen evenals bij de Begonia +Baumannii hoog boven de bladeren uitsteken. + +Niet alleen in het verkrijgen van goede soorten, maar ook in de +cultuur is men veel vooruitgegaan. Terwijl men vroeger aannam, dat +een Knolbegonia, om goed te groeien, steeds in eene warme kas moest +staan, maar daarmede natuurlijk weinig resultaten verkreeg, kweekt +men ze tegenwoordig met uitstekende resultaten des zomers buiten. + +Wanneer een mooie plant algemeen verspreid zal raken, dan moet zij +eenvoudig en gemakkelijk te kweeken zijn, veelzijdig gebruikt kunnen +worden en zich kenmerken door een langen en rijken bloei. Aan al deze +eigenschappen voldoet de Knolbegonia. Daargelaten nog, dat zij in den +tuin veelvuldig gebruikt kan worden tot het beplanten van bloemvakken +en rabatten, zoowel op een zonnige als op een half beschaduwde plek, +is zij een uitnemende plant voor de beplanting van bakjes en voor +potcultuur. In potten gekweekt, wil de Knolbegonia des zomers gaarne +buiten voor het venster staan, en daar zij voor haar snellen groei +en rijken bloei veel voedsel noodig heeft, moet men haar meermalen +verpotten in voedzame met wat zand vermengde broeiaarde, terwijl zij +dan ook veelvuldig begoten en gegierd moet worden. + +In het laatste gedeelte van den herfst, wanneer de Knolbegonia haar +volle ontwikkeling heeft bereikt, houdt zij op met groeien; zij begint +zich dan voor te bereiden voor haar rusttijd. Zoodra men bemerkt, +dat zij ophoudt met groeien, geeft men haar minder water, en wanneer +de bladeren en stengels beginnen af te vallen, laat men haar geheel +opdrogen. Is de aarde geheel opgedroogd, dan neemt men de knollen uit +de potten, om ze op een vorstvrije plaats te laten overwinteren. Het +is raadzaam, de knollen, nadat men ze uit de potten genomen heeft, +in kistjes met droog zand te leggen; zij overwinteren dan beter. Toch +gebeurt het nog wel eens, dat er knollen gedurende den winter verloren +gaan; dit is niet altijd te voorkomen, maar het is daarom raadzaam +ze gedurende den winter nu en dan na te zien om de rottende tijdig +te kunnen verwijderen. Een Begonia-knol kan zeer lang, tot in Mei, +bewaard worden. Wij kunnen hem echter reeds in Januari aan den groei +brengen, al naardat men hem vroeger of later in bloei wenscht te +zien. De knollen, die men aan den groei brengt, worden zoodanig in +met zandige heideaarde gevulde potten gezet, dat zij niet geheel met +aarde bedekt zijn, daar zij dan gemakkelijker uitgroeien. Later, bij +het verplanten, kan men ze geheel onder de aarde brengen. De potten +moeten in den beginne gelijkmatig vochtig gehouden, voor het venster +van het woonvertrek gezet en tegen te felle zon geschermd worden. De +opgepotte Begonia-knollen groeien gewoonlijk pas na eenigen tijd +uit; eerst vormen zich wortelspitsjes, daarna knoppen, waaruit dan +ten laatste de bladeren verschijnen. Zijn zij eenmaal uitgegroeid, +dan gaat de groei zeer snel, het eene blad volgt op het andere, en na +enkele weken draagt zelfs het kleinste knolletje krachtige scheuten +en fraaie bloemen. Zoolang een opgepotte Begonia-knol hard blijft, +kan men zeker zijn, dat hij nog gezond is, ook al wacht hij tamelijk +lang met uitgroeien. + +Zeer interessant en dankbaar is de cultuur van Knolbegonia's uit +zaad. De stoffijne zaden moeten zeer voorzichtig gezaaid worden, +wat men het best doet in schotels, die goed gedraineerd en met een +zeer fijn gezeefd grondmengsel gevuld zijn. Voor aarde gebruikt men +het best bladgrond, vermengd met veel zand. Ook kan men de zaden +uitzaaien op een stukje vezelgrond of een schijfje losse turf, dat +men in een schotel legt. Voor het gieten behoeft men dan slechts +wat water in den schotel te gieten, dat dan door den turf wordt +opgezogen. De beste tijd om te zaaien is einde Februari of begin +Maart. Na de zaden gezaaid te hebben, worden de schotels met een +glasschijf gedekt, voor het venster van het woonvertrek gezet en +tegen te felle zon beschermd. Bij een gemiddelde temperatuur van 60° +Fahr. kiemt het zaad in hoogstens 14 dagen. De nu opkomende zaailingen +zijn zeer fijn en vooral moet men dus, wanneer zij dicht op elkander +staan, zeer voorzichtig zijn met gieten, daar zij zeer gemakkelijk +wegrotten. Om dit te voorkomen, is het voorzichtig niet te lang +met repikeeren te wachten. Dit moet uiterst voorzichtig geschieden, +aangezien de zaailingen, zooals gezegd is, zeer klein, maar ook zeer +broos zijn. Men repikeert de plantjes in dezelfde aarde, waarop men +gezaaid heeft, en plant ze op een onderlingen afstand van ongeveer 1 +cM. uit. Zoodra zij zóó groot geworden zijn, dat zij elkander raken, +moet men weder repikeeren; zij kunnen nu in iets grovere aarde geplant +en op een onderlingen afstand van 3 cM. gezet worden. Raken de bladeren +elkander nu weer aan, dan worden de plantjes afzonderlijk in kleine +potjes geplant. Bij een goede behandeling beginnen de in Februari +gezaaide Begonia's reeds in Juni of Juli te bloeien, zij vormen dan +vóór den rusttijd nog vrij flinke knollen. + +De enkelbloemige Begonia's laten zich, wanneer de zaden van goede +bloemen gewonnen zijn, tamelijk constant uit zaad voortkweeken. Met de +gevuldbloemige variëteiten gaat dit echter niet zoo gemakkelijk. Zaait +men deze uit, dan zal zich onder de zaailingen een groot aantal +enkele of half gevulde verscheidenheden bevinden. Constant kan men de +gevuldbloemige dan ook alleen door stekken vermenigvuldigen, die wel +zeer goed wortelen en bloeien, doch gewoonlijk geen knol, maar slechts +een verdikking van den stengel vormen, welke zeer slecht overwintert. + +Canna. De oude Canna-soorten en variëteiten zijn algemeen bekende +planten, die voor groepen zeer veel gebruikt worden. Zij hebben een +dikken, knolvormigen wortelstok, waaruit zich in de lengte kruidachtige +stengels ontwikkelen, die somtijds 2 1/2 à 3 M. hoog kunnen worden, +en die groote, ovale, groene, roode of gestreepte bladeren dragen. Uit +deze stengels ontwikkelt zich ten laatste een tros onbeteekenende +roode of gele bloemen, die zeer onregelmatig gevormd zijn. In de +laatste jaren heeft men echter gedrongen groeiende, zeer schoon en +rijk bloeiende variëteiten gewonnen, waardoor de Canna's ook voor pot- +en venstercultuur waarde hebben verkregen. Er zijn twee groepen fraai +bloeiende Canna's, namelijk de variëteiten van Canna gladioliflora en +de Crozy Canna's, welke laatste het eerst door den Franschen kweeker +Crozy zijn gewonnen, en die uitmunten door haar schitterend gekleurde +bloemen. De bloemen der Canna gladioliflora hebben in haar voorkomen +wel wat van Gladiolus-bloemen; zij zijn echter onregelmatiger gevormd; +de Crozy Canna's daarentegen kenmerken zich door veel regelmatiger +gevormde bloemen. De kleuren der grootbloemige Canna-soorten doorloopen +alle schakeeringen tusschen geel en donkerrood, en deze soorten +kenmerken zich vaak door fraai gevlekte of gestreepte bloemen. + +De cultuur van deze schoone zomerbloeisters, die gelijke waarde +hebben als blad en als bloemplanten, is zeer eenvoudig. Al naar +wij ze vroeger of later in bloei willen hebben, worden de rustende +knollen in Februari-April opgepot. Vóór het oppotten en ook nog later, +wanneer de knollen reeds goede oogen ontwikkeld hebben, kan men ze, +door ze in stukken te snijden, vermenigvuldigen, waarbij men er op +moet letten, dat ieder gedeelte minstens één oog moet behouden. Het +snijvlak, dat een dikke, kleverige vloeistof afscheidt, wordt dan +met houtskoolpoeder bestrooid. Voor het oppotten moet tamelijk +zware en goed voedzame, rijkelijk met zand vermengde grond gebruikt +worden. Het beste grondmengsel is 2/3 broeiaarde en 1/3 klei- of +graszodengrond. De potten, die men gebruikt, moeten zóó groot zijn, +dat de knol er juist goed in past. Zij worden nu zoo warm mogelijk +gezet en in den beginne matig met lauw warm water begoten; zoodra +de scheuten zich krachtig beginnen te ontwikkelen, kan men meer +water geven. Tegen het midden van de lente worden de Canna's, door +de vertrekken, waarin zij staan, meer en meer te luchten, langzaam +gehard, zoodat zij in de eerste dagen van Juni in het bloemenrekje, +buiten voor het venster, kunnen gezet worden; of wel, men plant ze +tegen dien tijd in de balkonbakjes, waarin zij zich zeer goed zullen +ontwikkelen. De in potten gekweekte Canna's moeten gedurende den +zomer rijkelijk gegierd en verscheidene malen verpot worden. Zet +men de planten in het najaar voor het venster van het woonvertrek, +dan zullen zij dikwijls tot diep in den winter doorbloeien. + +Is de Canna uitgebloeid, dan geeft men haar langzamerhand minder +water, neemt ze, na het afsterven der bladeren, uit den pot, snijdt +alle scheuten eenige centimeters boven den knol af, kort de wortels +diep in en laat de zoo schoongemaakte knollen op matig vochtig zand in +een vorstvrijen kelder of in een koele achterkamer overwinteren. Hoe +vroeger een Canna afsterft, des te vroeger kan zij weder aan den +groei worden gebracht. + +Behalve op de boven aangegeven wijze door deeling, laten de Canna's +zich ook door zaden voortkweeken. De groote, harde zaden legt +men eenige dagen in lauw warm water te weeken, waarop zij ieder +afzonderlijk in een potje worden gezaaid. Geeft men ze voldoende +warmte en vochtigheid, dan zullen zij vrij spoedig kiemen. + +Colchicum (Herfsttijdeloos). Een schoone vorm van de in sommige streken +van ons land wild voorkomende Herfsttijdeloos is de Colchicum autumnale +speciosum. Deze variëteit wordt tegenwoordig door vele bollenkweekers +in het groot gekweekt en komt dan ook iederen herfst aan de markt. De +mooie, goed gekweekte knollen, die tot 300 gram zwaar kunnen worden, +en door de zaadhandelaars ieder najaar worden aangeboden, hebben al de +stoffen, die zij tot de ontwikkeling van haar bloemen noodig hebben, +in het voorjaar in zich opgenomen. De knollen kunnen in iederen grond +worden geplant; men kan ze op met vochtig zand gevulde schotels zetten +of ook wel droog op een vensterbank of étagère. Wanneer men ze zoo +heeft staan, is het zeer aardig om te zien, hoe zich snel na elkander +van 10 tot 30 fraaie licht violette bloemen uit den knol ontwikkelen, +zonder dat deze één enkel blad draagt. Onze afbeelding (Fig. 118) +toont een drogen knol, prijkende met zijn bloemen. + +Evenals bij al de Colchicums verschijnen ook bij deze de bladeren +eerst in het voorjaar, zij moet daartoe echter opgepot worden. De +droge knol ziet er natuurlijk na den bloei verschrompeld uit. Tijdig +opgepot, kan hij ook het tweede jaar weder bloeien, mits hij, tot +aan het begin van zijn rusttijd, koel en vochtig gehouden wordt. + +Crinum. Onder de fraaie bloemplanten, die voor de kamer geschikt zijn, +nemen ook de Crinums een voorname plaats in. Deze fraaie bolgewassen, +die tot de familie der Amaryllideeën behooren, hebben geen absoluten +rusttijd; zij blijven dus steeds groen. De verschillende soorten +behooren thuis aan de Kaap de Goede Hoop. In tropisch Azië, in Amerika +en Nieuw-Holland. Zij dragen fraaie breede of ook wel riemvormige +bladeren en groote bloemschermen. + +Zeer schoone soorten zijn: Crinum Yemense, met atlas-witte zeer +welriekende bloemen en Crinum Kirkii met groote, witte, purper +gestreepte bloemen. + +De Crinums hebben zeer groote, dikke bollen, met talrijke vleezige +wortels; zij moeten dus in behoorlijk groote potten gekweekt +worden. Als grondmengsel gebruikt men 1/2 deel bladaarde en 1/2 deel +vetten graszodengrond, vermengd met veel zand. Oudere exemplaren +behoeven slechts om de twee jaar verpot te worden. + +De cultuur is zeer eenvoudig. Gedurende den winter worden de planten +betrekkelijk, doch niet geheel, droog gehouden; des zomers verlangen +zij echter veel water, en het beste doet men dan ze in den tuin, +liefst op een beschaduwde plek, of anders op het balkon, te zetten. Een +bloeiende Crinum levert een prachtig gezicht op. + +De voortkweeking geschiedt door kweekbolletjes, die van de oude plant, +bij het verpotten, afgenomen worden. + +Cyclamen (Alpenviooltje). Wie kent niet het lieve Alpenviooltje, +met zijn mooie niervormige, veelal fraai geteekende bladeren en +zijn zacht gekleurde, dikwijls welriekende bloemen? Nòch het in het +voorjaar bloeiende Europeesche Alpenviooltje, Cyclamen europæum, +nòch de andere harde Alpensoorten hebben als kamerplanten waarde. Een +zeer gewaardeerde kamerplant is echter de Cyclamen persicum, waarvan +gedurende den langen tijd, dat zij gekweekt wordt, talrijke schoone +variëteiten zijn gewonnen. Hoewel de naam op Perzië duidt, behoort deze +soort daar toch feitelijk niet thuis, daar zij van het eiland Cyprus +afkomstig is. Waar men des winters bloemen kweekt, is ongetwijfeld ook +de Cyclamen te vinden, daar zij naast de Primula een der dankbaarste +winterbloeisters is. Hoewel de Cyclamen voor den leek niet de minste +overeenkomst met de Primula vertoont, behoort zij toch tot dezelfde +familie, namelijk die der Primulaceeën. + +Uit een vlakken, schijfvormigen knol, die op de aarde rust, ontspringen +de lang gesteelde, bijna altijd fraai geteekende bladeren, die zich +bij vrijstaande planten gelijkmatig naar alle zijden uitspreiden, +zoodat dan de plant den vorm van een halven kogel verkrijgt. Gedurende +den zomer ontwikkelen zich tusschen de bladstelen de bloemknoppen, +dikwijls bij tientallen te gelijk. Zij groeien gewoonlijk van +September af langzaam door, verheffen zich boven de bladeren en +ontplooien dan haar fraaie bloemen, die door de naar boven geslagen, +vaak spiraalsgewijze gewonden bloembladeren, een zeer interessant +voorkomen hebben. Hoe zuiverder en schitterender de bloembladeren zijn, +des te schooner is de bloem. Naast de zuiver witte kleur, die echter +niet dikwijls voorkomt, doorloopen de bloemen alle tinten tusschen het +zachte rose en het vurigste rood. Ook komen er witte bloemen voor met +roode strepen of vlekken en omgekeerd; zelfs gevulde variëteiten worden +aangetroffen, doch deze laatsten zijn in schoonheid en sierlijkheid +niet te vergelijken met de enkelbloemige. De oorspronkelijke Cyclamen +kenmerkt zich door een wel wat scherpen doch overigens aangenamen +geur; maar de kweekers der nieuwere variëteiten hebben er zich, +jammer genoeg, nog niet op toegelegd welriekende te kweeken. + +De fraaie Cyclamen persicum wordt tegenwoordig in bijna alle +kweekerijen in groote getale gekweekt. De liefhebber koopt ze meestal +tegen het najaar en de prijzen loopen daarbij sterk uiteen, al naar +de variëteit en de grootte der plant, die men verlangt. Bij het +koopen moet men er op letten steeds exemplaren te nemen, waarvan +de knol zich boven de aarde bevindt en niet die, waarvan hij in +de aarde geplant is; vervolgens moet men toezien, dat men goed +bewortelde planten verkrijgt, die in den pot gekweekt zijn en ook, +dat de bladeren van de te koopen planten niet waggelen of hangen, +niet met stokjes en bast zijn opgebonden, maar stevig aan den knol +bevestigd zijn. Ook moet men nooit in Augustus bloeiende Cyclamen +koopen, daar deze spoedig met bloeien ophouden. De beste tijd om ze +te koopen is in October; men moet dan planten nemen, die goed beknopt +zijn en waarvan de eerste bloemen beginnen te ontluiken. + +Gewoonlijk sterven de gekochte planten na korteren tijd, ook al zijn +zij nog zoo krachtig, af, wijl zij verkeerd behandeld worden. Hoewel de +Cyclamen den geheelen winter bloeit, wil zij, evenmin als de Primula, +warm staan; zij is geen plant voor de woonkamer en gewoonlijk is zij te +breed om tusschen dubbele vensters geplaatst te worden. Ook vorst kan +zij niet verdragen, zoodat de beste plaats, die men haar geven kan, +een lichte plek op de vensterbank van een kamer met een gemiddelde +temperatuur van 45°-55° Fahr. is. Op zulk een plaats gezet, zullen de +bloemen zich na elkander ontwikkelen en niet zelden zullen er 20 à 30 +tegelijkertijd open zijn. De planten moeten af en toe met slappe gier +begoten en matig vochtig gehouden worden. Bij het begieten moet men +goed oppassen, dat er geen water tusschen de bladeren en op den knol +blijft staan; hierdoor toch zouden niet alleen de bloemknoppen, doch +ook de knollen zeer gemakkelijk gaan rotten, in welk laatste geval +de plant zeker verloren is. Uitgebloeide bloemen en geel geworden +bladeren moeten voorzichtig bij den knol worden afgesneden. + +Nadat de bloei geëindigd is, begint de Cyclamen te rusten. Hoewel +de kweeker meestal de uitgebloeide planten, als ze wat oud worden, +wegwerpt en de oude knollen niet meer waard acht verder te kweeken, +kunnen de liefhebbers ze verscheidene jaren bewaren en tot bloei +brengen. Om dit te bereiken moet men ze op de volgende wijze +behandelen: De uitgebloeide Cyclamen worden langzamerhand minder +begoten, waardoor zij gaandeweg afsterven. In Juni zijn de knollen +ontbladerd en men doet het best ze dan op een beschaduwde plek in +den tuin te zetten. Hier laat men ze rustig staan; doch, wijl de +wortels niet geheel afsterven, maar in leven blijven, moet men ze +af en toe een weinig begieten, ten einde te voorkomen, dat de aarde +geheel uitdroogt. Tegen het begin van den regentijd, in September, +beginnen de knollen weder teekenen van leven te geven; zij worden +dan voor den dag gehaald en in een mengsel van gelijke deelen broei- +en blad- of heideaarde, goed met zand vermengd, opgeplant, voor een +venster met morgenzon gezet en gelijkmatig begoten. + +De voortkweeking van de Cyclamen geschiedt door zaden. Men kan zelf +zeer goed zaden verkrijgen van in het voorjaar bloeiende bloemen, +mits men deze bevrucht. Daar men niet gemakkelijk met een penseel +bij de meeldraden kan komen, moet men de bevruchting op een andere +wijze volvoeren. Op een zonnigen dag stoot men tegen den middag met +duim en middelsten vinger krachtig tegen de bloem, zoodat deze flink +heen en weer geschud wordt; het stuifmeel komt dan als een wolkje +te voorschijn, wat voldoende is, om de bevruchting te doen plaats +hebben. De bevruchte bloem bloeit snel uit, haar steel buigt zich +over den potrand heen en na verloop van eenige weken rijpen in een +bolvormige vrucht de tamelijk harde zaadkorrels. In Augustus worden +de versche zaden in potten of schalen gezaaid; zij worden warm en +gelijkmatig vochtig gehouden, waarop de kieming binnen 4-6 weken +volgt. De zaailingen, die al heel spoedig een knolletje vormen, worden +op de vensterbank gezet, tegen felle zon geschermd en, zoodra zij het +tweede of derde blad vormen, gerepikeerd. Gedurende den winter worden +de jonge plantjes nogmaals gerepikeerd en in het voorjaar kunnen zij +dan afzonderlijk in kleine potjes worden opgepot. De kweeker houdt +zijn Cyclamen van den beginne af aan in een bak dicht onder het glas, +totdat zij volgroeid zijn; de liefhebber moet zich echter met de +vensterbank behelpen. De jonge Cyclamen, die niet, zooals de oude +knollen, des zomers rusten, doch steeds doorgroeien, moeten in den +loop van den zomer nog een paar keeren verpot worden; ook moet men +bij zonnig weer voor behoorlijk schermen en spuiten zorgen. Hoewel men +zoodoende vrij goede planten kan kweeken, zullen zij zich toch nooit +zoo fraai ontwikkelen als in een bak, zoodat wij den liefhebbers, +die niet zeer veel zorg aan hun planten kunnen besteden, aanraden +liever jaarlijks eenige planten bij een vertrouwd kweeker te koopen. + +Eucharis. Tot de fierste en te gelijk fraaiste winterbloeisters +moet zeker wel de Eucharis gerekend worden. De verschillende +soorten van het geslacht Eucharis behooren in tropisch Amerika +thuis en wetenschappelijk vertoonen haar bloemen slechts een +zeer gering verschil. In de kweekerijen treft men meestal vijf +verschillende soorten aan; namelijk: Eucharis candida, Eu. grandiflora, +Eu. Sanderiana, Eu. Mastersii en Eu. amazonica. De laatste soort wordt +verreweg het meest gekweekt, waarom wij dan ook door Fig. 120 een +zeer schoon exemplaar er van afbeelden. De Eucharis is een bolgewas, +en haar bloemen toonen eenige overeenkomst met de Tazette, wat niet +te verwonderen is, daar zij tot dezelfde familie behoort, namelijk +tot die der Amaryllideeën; een familie, waaruit we reeds vele fraaie +winterbloeisters vermeld hebben. + +Onze fraaie afbeelding zal menig liefhebber den wensch doen koesteren +zulk een schoone plant te bezitten. De vervulling van dezen wensch +behoort wel tot de mogelijkheden, want zij zijn nòch moeilijk +te verkrijgen, nòch duur; toch meenen wij tegen een overijlde +aanschaffing er van te moeten waarschuwen. De Eucharis wordt wel +algemeen als kamerplant aanbevolen, maar wij durven deze aanbeveling +niet zonder voorbehoud onderschrijven. Slechts dien liefhebbers, die +zeer veel ondervinding op het gebied van kamercultuur hebben, durven +wij aanraden deze plant te kweeken. Hij, die lastige Amaryllissen en +Orchideeën met succes in een kamer kweekt, kan zonder twijfel zijn +krachten ook wel eens aan deze planten beproeven, andere liefhebbers +moeten wij haar echter, met het oog op haar lastige cultuur, ontraden. + +De Eucharis behoort tot die bolgewassen, welke niet geheel afsterven, +zij moet dus ook gedurende haar rusttijd begoten worden. Veel water +mag zij dan echter niet hebben; slechts genoeg om te voorkomen, dat +de wortels en de bladeren verdrogen. Gedurende dezen rusttijd moeten +zij ook luchtiger en koeler gehouden worden dan anders. Wenscht men +des winters bloeiende Eucharissen te hebben, dan moet men het zoo +trachten in te richten, dat de groeiperiode tegen Augustus eindigt. De +Eucharissen groeien liefst gezellig, het kweeken van iederen bol +afzonderlijk is dus zeer ondankbaar, zij bloeien dan zelden, of in +het geheel niet. Het is daarom ook niet geraden om, zooals men bij de +meeste bolgewassen doet, de kweekbolletjes spoedig te verwijderen; +doet men dit bij de Eucharis, dan zal men weinig pleizier van haar +beleven. Bij het aanschaffen tracht men flinke, groote exemplaren, +dus echte bolkolonies te verkrijgen, en deze laat men, zonder ze te +scheuren, doorgroeien, al worden zij ook nog zoo breed. Zulke groote +planten bloeien zeer dankbaar en meestal wel twee keeren per jaar, +eens in den voorzomer en eens in den winter. + +Voor de cultuur van de Eucharis moet men geen gewone potten, doch +zoogenaamde schalen gebruiken, die veel breeder zijn dan diep, +natuurlijk mogen zij niet al te ondiep zijn, en ook moeten zich +talrijke drainage-gaatjes in den bodem bevinden. Oudere exemplaren +behoeven niet jaarlijks verpot te worden; is dit echter noodig, dan +moet het na het einde der rustperiode geschieden. Wil men verpotten, +dan wordt de plant uit den pot genomen, en worden de vleezige wortels +voorzichtig losgemaakt, waardoor een deel der oude aarde er tusschen +uitvalt. Aan de gezonde wortels mag nooit gesneden worden. Als aarde +gebruikt men een voedzamen, doch zeer groven grond, het best is een +mengel van twee deelen half verteerde bladaarde, waar de fijne aarde +door zeven uit verwijderd is, één deel brokkeligen graszodengrond, +één deel ouden koemest (in de meeste kweekerijen wel te verkrijgen) en +één deel scherp zand. Wil men succes met zijn Eucharissen hebben, dan +moeten zij op een lichte plaats staan met een gemiddelde temperatuur +van 55°-65° Fahr. Tegen te felle zon moet geschermd worden, terwijl +men, door herhaaldelijk te spuiten, de lucht voldoende vochtig moet +houden. Heeft men gezonde exemplaren, dan moet men niet vergeten, die +van tijd tot tijd te bemesten. Het best zal de Eucharis steeds in een +kamerkasje groeien, waarin zij tegen tocht en droge lucht beschermd is. + +Hæmanthus. De Hæmanthussen zijn sierlijke Amaryllideeën, afkomstig van +de Kaap de Goede Hoop. Zij hebben dikke bollen en betrekkelijk korte, +zeer breede, stevige bladeren. In het voorjaar ontspruit tusschen deze +bladeren de tamelijk korte, vleezige bloemsteng, die een, uit dicht +op elkander geplaatste witte of roode bloempjes bestaand bloemscherm +draagt. Door de ver uitstekende meeldraden hebben deze bloemen een +zeer eigenaardig voorkomen. Zeer in trek zijn de Hæmanthus coccineus, +met scharlakenroode bloemen; de Hæmanthus albiflos, die zeer op de +voorgaande gelijkt, doch er van verschilt, doordat de bloemen wit +en de meeldraden, geel zijn en de Hæmanthus Kalbreyeri, met fraaie, +lichtroode bloemen. + +De behandeling van de Hæmanthus is zeer eenvoudig. Des zomers kweekt +men ze in het op de zon gelegen bloemenrekje buiten voor het venster, +des winters daarentegen in een matig warme kamer. De verplanting +moet geschieden na den bloei en in tamelijk zwaren grond. Bij het +verplanten moet men de wortels zeer ontzien. Men moet er op passen +gedurende den winter niet te veel water te geven. De vermenigvuldiging +geschiedt door kweekbolletjes. + +Hymenocallis (Pancratium). De Pancratiums staan zeer dicht bij de +Eucharis en behooren ook tot de familie der Amaryllideeën. Het zijn +bolgewassen met groote bollen, lange, tamelijk breede, riemvormige +bladeren en op krachtige bloemstengen staande, schermvormige +bloeiwijzen. De zachte vanieljegeur, dien zij verspreiden, is zeer +aangenaam. De bloemen zijn pijpvormig, boven op dit pijpje zit een +verbinding van meeldraden en vormt daar als het ware een trechter, +ongeveer gelijk als die der Tazette; om dezen trechter staan stervormig +de lange, witte, lijnvormige, teruggeslagen bloembladeren, die aan +het geheele bloemscherm een los voorkomen geven. + +De Pancratiums hebben, evenals verscheidene andere bolgewassen, geen +absolute rustperiode, wat niet wegneemt, dat zij toch wel degelijk +rusten. Zij behouden echter gedurende haar rusttijd de bladeren. De +bollen worden gekweekt in een mengsel van blad- en broeiaarde, ouden +graszodengrond en zand. Men behoeft ze niet alle jaar te verplanten, +wanneer men ze in haar groeitijd nu en dan giert. Bij het verplanten, +dat met het begin van den groeitijd moet gebeuren, schudt men al de +oude aarde tusschen de dikke wortels weg, en snijdt de zieke wortels +met een scherp mes af. Gedurende den rusttijd wordt weinig gegoten, +ook behoeft men haar dan geen lichte plaats te geven. Bij het begin +van den groeitijd zet men de planten voor het venster van een vertrek, +dat op 60°-65° Fahr. verwarmd wordt. Des zomers heeft zij zooveel +water noodig, dat men den pot in een schotel met water kan zetten. + +Een zeer goede soort om in de kamer gekweekt te worden is de Pancratium +caribæum van de Canarische eilanden; ook de Pancratium speciosum van +de Antillen is een zeer dankbare en fraaie plant. + +De voortkweeking van deze planten geschiedt het best door +kweekbolletjes, die bij het verplanten van de moederplant worden +afgenomen en afzonderlijk in potjes worden geplant. + +Lilium (Lelie). De Lelies, de overal bekend en in trek zijnde +bolgewassen, behooren tot de familie der Liliaceeën. Deze prachtige +bloemplanten, die vooral voor den tuin groote waarde hebben, worden in +Japan met groote voorliefde gekweekt en van daar in grooten getale +in Europa ingevoerd. Zij ontwikkelen somtijds stengels van een +aanmerkelijke lengte, die met lancetvormige bladeren bezet zijn en +die dikwijls door tal van rijke, groote, zeer fraai gekleurde bloemen +gekroond worden. De zes bloemdekbladeren, die de bloem vormen, geven +haar nu eens het voorkomen van een pijpvormigen trechter, dan weer +zijn zij elegant teruggeslagen en de stamper en meeldraden steken +dan boven de fraai gevormde bloem uit. + +Van de meer dan vijftig bekende Leliesoorten worden er slechts eenige +in potten gekweekt. Fraaie potplanten vormen de Lilium Harrisii, +met groote, trechtervormige, witte bloemen; de Lilium tigrinum, +met donkeroranje, van binnen met scharlakenrood gespikkelde bloemen; +de talrijke variëteiten der Lilium speciosum, met witte, vaak rose en +rood gespikkelde bloemen, welke soort ook wel voorkomt onder den naam +Lilium lancifolium, en eindelijk de fraaiste van alle Leliesoorten, de +Lilium auratum, met zeer groote witte bloemen, waarvan de bloembladeren +met purperroode stippels en gele strepen geteekend zijn. Deze soort, +waarvan ook enkele variëteiten bestaan, is zeer welriekend. + +De bollen van deze Leliesoorten zijn ieder voorjaar bij goede +zaadhandelaars verkrijgbaar. In Japan worden talrijke Leliesoorten +niet alleen als sierplanten, doch ook als voedingsgewassen gekweekt, +waarvan de bollen gegeten worden. + +De potcultuur der Lelies is zeer eenvoudig. Daar deze planten slechts +voor versiering van het balkon, de veranda of den tuin kunnen dienen +en in den zomer bloeien, begint zij pas in het voorjaar. Wij schaffen +ons dus sterke en vooral goed gezonde bollen aan, en planten die, +waartoe men potten gebruikt, die, al naar de grootte der bollen, +een doorsnede moeten hebben van 15 à 18 cM. Als aarde gebruikt men +een goed met zand vermengden, voedzamen grond. Een mengsel van goede +bladaarde met veel ouden, verteerden koemest is zeer geschikt. Bij +het oppotten der Leliebollen moeten wij met een eigenaardigheid +er van rekening houden; zij toch onderscheiden zich van de andere +bolgewassen daardoor, dat er zich uit de schijf slechts zeer weinig +duurzame wortels ontwikkelen; het meerendeel der wortels, die voor +de voeding der plant zorgen, ontspruit onder aan den stengel, dien +de bol voortbrengt. Deze wortels vormen als het ware een krans boven +den bol en sterven te gelijk met den stengel af. Om nu te zorgen, +dat de stengels deze wortels in voldoende mate voortbrengen, moeten +de bollen zóó diep geplant worden, dat later hun voeten diep genoeg +in de aarde komen te staan. + +Nadat wij in den ledigen pot de drainage gelegd hebben, brengen wij +er een aardlaagje in van ongeveer 3 cM. dikte in. Op dit aardlaagje +strooit men een laagje goed zuiver zand van ongeveer 1 cM. dikte. De +vrij groote bol wordt nu zóó op dit zandlaagje gezet, dat de wortels, +die er zich aan bevinden, gelijkmatig in de rondte verdeeld zijn. Zijn +wij zoover, dan wordt de pot, tot op die hoogte, verder aangevuld, +zoodat de bol ongeveer ter halver hoogte in de aarde komt te staan +(Fig. 123). De zoo opgeplante bollen, die dus in slechts half gevulde +potten staan, worden matig vochtig gehouden en het best gezet op de +vensterbank van een niet al te warme kamer. Bij het intreden van +meer gestadig warm weer, worden zij op het balkon gezet. Spoedig +komt er nu groei in de bollen en beginnen zij een flinken scheut +voort te brengen. Is deze scheut zoover gegroeid, dat hij boven den +potrand uitsteekt, dan vult men den pot van lieverlede met aarde aan, +zoodat ten laatste slechts de gewone gietrand overblijft. Na zulk +een planting staan de voeten van de stengels in de aarde en kunnen +daarin rijkelijk wortel schieten. + +Wil men zijn Lelies des zomers goed doen groeien, dan moet men +ze een zonnige standplaats geven in den tuin of op het balkon; +ook flink begieten en nu en dan gieren, is voor de ontwikkeling +zeer bevorderlijk; verplanten des zomers moet daarentegen vermeden +worden. Na het uitbloeien beginnen de Lelies langzamerhand af te +sterven; men giet dan ook steeds wat minder. Zijn de stengels geheel +afgestorven, dan worden de bollen uit de potten genomen en de doode +scheuten dichtbij den bol afgesneden. De bollen overwinteren het best +in een vorstvrijen kelder op een laag maar even vochtig wit zand, +daar zij niet goed verdragen geheel droog te overwinteren. + +Heeft men zeer voedzame aarde gebruikt, dan kunnen de Leliebollen +er wel twee zomers in blijven staan. De stengels worden dan, zoodra +zij afgestorven zijn, gelijk met de aarde afgesneden. De potten laat +men daarna op een vorstvrije plaats overwinteren, en worden juist +zóó vaak begoten, dat de aarde niet geheel uitdroogt. Beginnen in +het voorjaar de jonge scheuten zich te ontwikkelen, dan zet men de +potten dadelijk buiten en geeft ze meer water. Later, wanneer de +stengels in vollen groei zijn, worden zij nu en dan gegierd. Sommige +Leliesoorten ondergaan deze behandeling liever, dan jaarlijks uit de +potten te worden genomen. + +Enkele Lelies en daaronder ook de Lilium Harrisii, kan men, om ze reeds +vroeg in het voorjaar in bloei te hebben, reeds in den herfst oppotten; +zij groeien dan op een lichte koele standplaats den geheelen winter +door en zullen reeds in April of Mei bloeien. Toch is deze wijze van +behandelen voor den liefhebber, die zijn planten in de kamer kweekt, +niet aan te bevelen, omdat zij daar sterk van luis te lijden hebben. + +De vermenigvuldiging der Lelies geschiedt door kweekbolletjes, +die zich bij enkele soorten o.a. bij de Lilium tigrinum ook in de +bladoksels ontwikkelen. In een tuin is de voortkweeking wel mogelijk, +omdat de bollen daar den winter door onder bedekking overblijven, +in een kamer is zij echter onuitvoerbaar. + +Polyanthes tuberosa (Tuberoos). Onder de zeer gezochte zomer- en +herfstbloeisters neemt de Tuberoos zeker een voorname plaats in. De +Polyanthes behoort in Amerika en Afrika tehuis. Het is een bolgewas, +met lange, smalle, groene bladeren. Uit het midden der bladerrozet +verheft zich een bebladerde bloemsteng, die wel 75 cM. hoog kan +worden en die een dichte aar van witte, zeer welriekende bloemen +draagt. Bij den stamvorm zijn deze bloemen enkel en niet zoo heel +fraai. In Zuid-Frankrijk wordt deze enkelbloemige soort in het groot +voor de parfumerie-fabrieken gekweekt en van daar worden zij ook in den +naherfst in grooten getale naar de bloemenmarkten der groote steden +verzonden. Voor potcultuur wordt uitsluitend de gevulde variëteit +gebruikt. De schoonste en rijkst bloeiende variëteit draagt den naam +"The Pearl"; zij is van Amerikaanschen oorsprong en wordt van daar +zeer veel naar Europa verzonden. + +De cultuur der Tuberoos is niet lastig. De bollen komen van den +naherfst tot het voorjaar in den handel voor, en worden tegen het +begin der lente opgepot. Men gebruikt voor het opplanten een met +veel zand vermengden goeden blad- of boschgrond, waar een weinig +graszodengrond aan toegevoegd kan worden; de te gebruiken potten +moeten ongeveer 12 cM. wijd zijn. In deze potten kan men een of twee +bollen planten, die zóó opgepot moeten worden, dat de hals van den bol +uit de aarde steekt. De bollen, die niet dadelijk, maar meestal pas +na eenige weken beginnen te groeien, moeten in den beginne slechts +zeer matig begoten worden, terwijl men ze een warme standplaats +voor het venster eener gestookte kamer moet geven. Zijn de bollen +eenmaal flink aan het uitgroeien, dan kunnen zij rijkelijk begoten +worden; zij behoeven dan geen warme standplaats meer te hebben, +en kunnen van Juni af in een zonnig plantenrekje voor het venster, +of op het balkon geplaatst worden. Nu en dan gieren met zeer slappe +koegier is zeer bevorderlijk voor den bloei. Het komt wel eens voor, +dat de hoofdscheut niet doorgroeit, terwijl zich een groot aantal +secondaire scheuten ontwikkelen. In zulke gevallen moeten de jonge, +kweekbolletjes direct weggebroken worden. + +In Juli of Augustus, somtijds zelfs pas in September, is de groei +zoover gevorderd, dat de bloemknoppen, die in den beginne groen zijn +en later pas wit worden, sterk beginnen te zwellen. Tegen dezen tijd +moeten de stengels aan stokjes gebonden worden, ten einde te voorkomen, +dat zij buigen of afknakken. Plant men de bollen, die zeer lang droog +kunnen liggen, te laat in het voorjaar op, dan mislukt de cultuur, +wijl dan de ontwikkeling der knoppen in de sombere maand October valt, +en deze bij voortdurend donker weer niet open komen, doch beginnen +te rotten. Daar de bladeren der Tuberoos zeer gemakkelijk breken, +waardoor de plant minder mooi wordt, moet men zeer voorzichtig met haar +omgaan. De uitgebloeide Tuberoos heeft geen waarde meer, daar de bol, +na gebloeid te hebben afsterft. Men kan ze dus niet voortkweeken, +maar moet ieder jaar bloeibare bollen aankoopen. + +Sternbergia. Dit lieve, tot de Amaryllideeën behoorende bolgewas +behoort in Zuid-Europa te huis. De Sternbergia's zijn planten, waarvan +de bloemen in den herfst vóór de bladeren verschijnen. De meest +bekende soorten zijn Sternbergia lutea en Sternbergia dalmatica. In +het begin van September worden de, gedurende den zomer rustende, +vrij groote bollen in betrekkelijk kleine potten geplant en reeds +tegen het einde van dezelfde maand vertoonen zich de eerste, gele +bloemen, waarvan iedere knol er van drie tot vijf voortbrengt. In +den vorm gelijken de bloemen op die van den Crocus. Geeft men den +Sternbergia's een koele, doch vorstvrije standplaats, dan zal de bloei +tot Januari toe duren, Nadat zij gebloeid hebben, moet men doorgaan met +de planten te begieten, daar zich dan pas de smalle bladeren beginnen +te ontwikkelen. Zijn de planten tegen den zomer afgestorven, dan worden +de bollen uit de potten genomen, in de lucht gedroogd, schoongemaakt +en bewaard tot September, wanneer zij opnieuw opgeplant moeten worden. + +Vallota purpurea. De Vallota is weer een dier schitterende geslachten, +waaraan de familie van de Amaryllideeën zoo rijk is. Deze werkelijk +dankbare bloeister is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Uit een +niet zeer zwaren bol ontwikkelen zich, lange, stevige donkergroene +bladeren, uit welker midden in Augustus of September, de ongeveer 20 +cM. lange, krachtige bloemsteng ontspruit, die talrijke, zeer fraaie, +roode bloemen draagt. Er zijn verscheidene variëteiten van bekend, +ook een met witte bloemen. + +De cultuur is zeer eenvoudig. In de eerste plaats moeten wij er op +letten, dat de Vallota niet absoluut rust. Wel heeft zij gedurende +den winter haar rusttijd, doch zij verliest dan nòch geheel haar +wortels, nòch al haar bladeren, zoodat zij ook gedurende dezen tijd +niet geheel droog mag gehouden worden, hoewel zij dan met een minder +lichte standplaats in een koel vertrek tevreden is. Begint de Vallota +in het voorjaar uit te groeien, dan moet zij voorzichtig verplant +en daarna op een lichte plaats gezet worden. Hoewel een jaarlijks +verplanten wel wenschelijk is, is het voor de plant toch niet streng +noodzakelijk. Vele liefhebbers houden hun Vallota's jarenlang in +denzelfden pot, bemesten ze des zomers niet en verkregen toch zeer +bevredigende resultaten. Tegen het einde van Mei zet men de Vallota +op een eenigszins beschaduwde plek van het bloemenrekje buiten voor +het venster; hier zal zij dan ook later haar bloemen ontwikkelen. + +De bollen der Vallota hebben een sterke neiging tot het vormen +van kweekbolletjes. Wil men sterke bollen hebben, dan moet +men die kweekbolletjes niet laten doorgroeien, maar ze tijdig +verwijderen. Breekt men de kweekbolletjes voorzichtig weg en plant +men ze gezamenlijk in een pot of schaal, dan kan men, wanneer zij +het tweede jaar in afzonderlijke potjes worden geplant, er voor het +venster zeer goed bloeibare bollen van kweeken. + +In de laatste jaren wordt de Vallota meer en meer op waarde geschat +en de bollen worden zelfs in grooten getale ingevoerd. Aangezien deze +ingevoerde bollen echter droog en zonder wortels in den handel komen, +moet men, tot zij uitgroeien, zeer voorzichtig met de behandeling zijn. + +Veltheimia viridifolia. De Kaap de Goede Hoop, het vaderland van +zoovele schoone bolgewassen, is het ook van deze Veltheimia. De plant +is reeds zeer lang bekend, en ook een zeer dankbare winterbloeister; +toch is zij lang niet zoo algemeen verspreid als zij verdient. Uit den +bol ontspruiten lange, breede, gootvormige bladeren, die aan den rand +licht gegolfd zijn. Tusschen deze bladeren verheft zich de bloemsteng, +die van 25-40 cM. hoog kan worden. De bloemsteng heeft een lichtbruine +kleur met groene vlekken, terwijl zij met een blauwachtig was overtogen +is. Deze bloemsteng draagt een dichte aar van pijpvormige, hangende, +zalmkleurige bloemen, die een lengte hebben van 5-7 cM. en geheel +reukeloos zijn. De bloeitijd, die zeer lang duurt, valt gewoonlijk +in den winter. + +De cultuur der Veltheimia is zeer dankbaar. Van af Juli tot in +September zijn de bollen in volmaakte rust, men neemt ze niet uit +de potten, hoewel zij in het geheel niet gegoten mogen worden. In +September worden de bollen in behoorlijk groote potten verplant, +waartoe men bij voorkeur zandige compostaarde gebruikt. Bij het +verplanten neemt men den bol uit den ouden pot, schudt de aarde +tusschen de wortels weg, snijdt de doode wortels af en plant hem weder +zoodanig op, dat hij half boven de aarde uitsteekt. Tot laat in den +herfst houdt men de verplante bollen buiten; daarna worden zij in een +vertrek gezet, liefst voor het raam, met een gemiddelde temperatuur +van 50° Fahr. Hier komt de Veltheimia in bloei en wel gewoonlijk op +een tijd, dat de andere bolgewassen nog pas in knop zijn. + +Na afloop van den bloei moet men doorgaan met haar te begieten, +daar de eigenlijke rusttijd pas in den zomer begint. + +De vermenigvuldiging geschiedt door kweekbollen, die de plant zeer +gewillig voortbrengt. + +Wil men fraaie planten kweeken, dan laat men de jonge bollen aan de +moederplant zitten. Zij zijn dan binnen een paar jaar bloeibaar en +men krijgt zoodoende exemplaren, die met zes en meer bloemstengen +kunnen bloeien. + + + + +Aroideeën of Aäronskelkachtige planten. + +De familie der Aroideeën is een zeer interessante, die meer dan 500 +bekende soorten telt en die tot de groote groep der Eénzaadlobbige +planten behoort. De Aroideeën zijn over de geheele aarde verspreid; +de fraaiste soorten vindt men echter in de tropische streken der +Oude en Nieuwe Wereld. Het zijn gewoonlijk kruidachtige planten met +knolvormige, klimmende of kruipende wortelstokken, of met zeer weeke +stammen, en ze behooren meestal in de tropische wouden thuis. De +meeste soorten worden in haar vaderland aangetroffen op moerasachtige +bodems, waarboven zij zich vaak door haar luchtwortels verheffen, om +zich zoodoende aan andere planten vast te hechten of tegen stammen van +boomen op te klimmen. Eenige soorten, met een knolvormigen wortelstok, +groeien bij voorkeur in drogere streken. Enkele van deze laatsten zijn +in de tropen zeer nuttig; men verbouwt ze er als voedingsgewassen en +de knollen zijn, gekookt of geroosterd, een zeer goed voedsel. + +De bloemen van alle Aroideeën zijn klein en onbeduidend; zij zitten +op een vleezige, onverdeelde kolf, die in de meeste gevallen door een +scheedevormig schutblad omgeven wordt. Dit schutblad, dat de bloemkolf +in den beginne omgeeft, maar later terugslaat of zich oprolt, verleent +aan de planten haar groote waarde. Al die soorten, welke in de kamer +of de plantenkas rijk bloeien en zich onderscheiden door fraaie +witte, rose, roode, donkerbruine of gele bloemscheeden, worden tot +de bloem-Aroideeën gerekend. Naast deze fraai bloeiende staan andere, +waarvan de bloemscheeden een onbeteekenende, somtijds leelijke, groen- +of geelachtige kleur hebben, maar die dan door de trotsche houding of +groote afmeting der bladeren een hooge waarde bezitten. Zoowel onder +de schoon bloeiende als onder de schoonbladerige Aroideeën zijn er, +jammer genoeg, slechts weinige, die als kamerplanten een burgerrecht +verkregen hebben. Onder de bekendste schoon bloeiende soorten behoort +zeker wel de Calla (Richardia) æthiopica, algemeen bekend onder den +naam van Aäronskelk. + +Deze plant, afkomstig van de Kaap de Goede Hoop, heeft lang gesteelde, +pijlvormige, glanzend groene bladeren, waartusschen zich de vaak een +Meter hoog wordende bloemstelen verheffen, die de bloemkolven dragen, +welke van groote, witte, welriekende, peperhuisvormige bloemscheeden +omgeven zijn. De bloeitijd valt in de lente of den zomer, doch kan +door een goede cultuur ook naar den winter verplaatst worden. Wanneer +men de Calla goeden voedzamen grond geeft, dan is zij een flinke +groeister. Het best kweekt men haar in een mengsel van gelijke deelen +broeiaarde en veengrond, waar natuurlijk een voldoende hoeveelheid +zand aan moet worden toegevoegd. In het voorjaar, zoodra zij nieuwe +bladeren begint te maken, moet zij verpot worden. De pas verplante +Calla geeft men een lichte standplaats in een matig verwarmd vertrek; +zij maakt dan spoedig wortels in de nieuwe aarde, en verlangt +dan zeer veel water. Des zomers eischt zij zooveel water, dat het +geraden is de potten in gewone schoteltjes te zetten en deze steeds +met water gevuld te houden. Zoolang men de Calla in de kamer kweekt, +moet zeer gelet worden op de bladluizen, waardoor zij vaak aangetast +wordt. Zoodra eenigszins vast warm weer intreedt, zet men haar in het +bloemenrekje voor het venster, op het balkon of in den tuin. Behalve +op behoorlijke begieting en bemesting moet men des zomers ook letten +op tijdige verwijdering der kweekknollen, die in grooten getale zich +ontwikkelen en de moederplant aanmerkelijk verzwakken. Uit deze +kweekknollen kunnen weder jonge planten opgekweekt worden. In den +herfst begint de rusttijd der Calla; zij wordt dan minder begoten en +overwintert in een koele, doch vorstvrije kamer. Het is niet geraden +haar des winters zóó droog te houden, dat zij haar bladeren verliest en +tot op den knol afsterft. Heeft men goed gekweekte en sterke planten, +dan ontwikkelen zich vaak reeds in Januari en Februari de eerste +bloemknoppen tusschen de bladeren. Deze planten zet men warmer, +waardoor een vervroegde bloei verkregen wordt. Gewoonlijk wordt de +Calla te warm gehouden; zij vormt dan lange bladstelen, die meestal +te zwak zijn om de bladeren te dragen en dus omknikken. Ook zullen +zulke planten zeer zwak of in het geheel niet bloeien. + +Men heeft in den laatsten tijd verschillende variëteiten van de +Calla gewonnen, waaronder wel het meest uitmunt de "Little Gem," +een laag blijvende, doch zeer rijk bloeiende variëteit. Ook de Calla +Childsiana, een uit Amerika stammende soort, is in korten tijd zeer +populair geworden. Haar bloemscheede is schitterend wit, groot en mooi +naar buiten omgeslagen. Een andere, die ook zeer veel aangetroffen +wordt, is de Calla æthiopica albo-maculata, die wit gevlekte bladeren +heeft. Deze in al haar afmetingen kleinere, doch veel stevigere plant, +is reeds lang bekend. De pijlvormige bladeren zijn geelachtig groen +met talrijke witte vlekken; de bloemscheeden zijn aan de buitenzijde +evenzoo licht geelgroen, aan de binnenzijde echter wit. Deze variëteit +sterft in het najaar, dus tegen den rusttijd, geheel af. De vlakke, +zware knollen laat men droog en vorstvrij overwinteren; zij worden in +Februari of Maart in zeer voedzamen grond opgepot en voor het venster +gezet, waar zij weder spoedig zullen uitgroeien. Bij het oppotten +moet men er op letten, dat de knollen geheel onder de aarde komen +te liggen. De cultuur is overigens geheel dezelfde als die van den +stamvorm. Beide planten zijn ook voor het aquarium te gebruiken. + +Evenals de Calla's behandelt men ook de in de laatste tijden ingevoerde +Arum-soorten met fraaie bloemen, die een zeer donkerbruine, ja somtijds +zelfs een bijna zwarte bloemscheede hebben. De meest bekende van +deze soorten is de uit Palestina afkomstige Arum sanctum, ook wel +Arum palæstinum genaamd. Hoewel deze geen moerasplant is, moet zij +gedurende haar groeitijd zeer veel begoten worden. De Arum sanctum +rust in den zomer; de knollen worden in den herfst opgepot en in een +matig warme kamer gekweekt. De zeer fraaie bloemen verschijnen dan +gewoonlijk in April of Mei. + +Terwijl de thans behandelde Aroideeën alle des zomers buiten willen +staan, zijn er bij de Anthuriums planten, die zeer schoon bloeien, +doch het geheele jaar door in de kamer moeten gekweekt worden. De +Anthuriums zijn kruidachtige planten, waarvan de bloemen door het +zachte rose of het vurige rood der bloemscheeden groote waarde +bezitten. Eenige soorten, die, jammer genoeg, uitsluitend in kassen +moeten gekweekt worden, munten ook uit door prachtig gevormde of +geteekende bladeren. Voor kamercultuur is zeer aanbevelenswaardig de +Anthurium Scherzerianum, een plant, die een niet te grooten omvang +krijgt, hard is en dankbaar bloeit. Fig. 132 vertoont een oud fraai +specimen van deze soort. + +De Anthurium Scherzerianum, is afkomstig uit Guatemala en is kenbaar +aan haar lange, zeer donkergroene, lederachtige bladeren. De bloemen +verheffen zich op lange stelen boven de bladeren. De bloemkolf is +in verschillende bochten gewonden en de teruggeslagen, dikwijls +aan de spits eenigszins opgerolde bloemscheede prijkt met het +schoonst denkbare rood. De oorspronkelijke soort is door de kweekers +aanmerkelijk verbeterd. Men heeft variëteiten gewonnen, waarvan de +bloemscheeden alle tinten, van het zachtste rose tot het donkerste +rood, doorloopen; ook zijn er met geheel witte bloemscheeden en +met rood en wit gevlekte. Al deze variëteiten zijn echter tamelijk +zeldzaam en dan ook zeer duur. + +Daarentegen is de zoogenaamde grootbloemige variëteit, de Anthurium +Scherzerianum grandiflorum, met een zeer groote, fraai roode +bloemscheede, vrij algemeen verspreid. + +Men kweekt deze planten het best in vlakke potten of schalen. Bij +het verplanten moet men zeer voorzichtig zijn met de dikke, vleezige +wortels, daar die zeer broos zijn en dus gemakkelijk afbreken. De +potten moeten goed gedraineerd zijn. Voor het verplanten gebruikt +men zeer grove, vezelige heiaarde of boschgrond, gehakt sphagnum en +kleine stukjes graszodengrond. Bij dit grondmengsel voegt men een +goede hoeveelheid scherp zand, benevens stukjes houtskool. Deze aarde +moet niet te vast aangedrukt worden. Bij het verplanten moet men er +ook nog voor zorgen, dat de Anthurium flink boven den pot uitgeplant +wordt. Goed bewortelde planten verlangen veel water, des zomers moeten +zij vaak bespoten worden, terwijl men ze tegen te felle zon moet +schermen; des winters moeten zij in een gemiddelde temperatuur van +65°-70° Fahr. staan. De bloemen verschijnen het geheele jaar door, +en, kan men de Anthurium in een kamerkasje zetten, dan zal zij bij +voorkeur in den nawinter bloeien. + +De vermenigvuldiging geschiedt door deeling van de oude plant; het +zaaien der in de roode bessen zittende zaden is voor kamercultuur +niet aan te bevelen. + +Een plant, die men in de handelscatalogi vaak vindt opgegeven, +is de Anthurium Dechardii of juister Spathiphyllum Dechardii. Deze +heeft vrij groote, vlakke groene bladeren, die op stelen van 20 à +25 cM. lengte staan. De bloemen zijn aan de buitenzijde groenachtig, +aan de binnenzijde daarentegen porseleinwit. Het is een voor de kamer +zeer aanbevelenswaardige plant, die op dezelfde wijze als de vorige +Anthurium moet gekweekt worden. + +Eenige overeenkomst met deze plant heeft de Spathiphyllum cannæfolium; +zij verschilt van haar door de iets langere bladeren en bladstelen, +terwijl de bloemen aan binnen- en buitenzijden wit, en zeer welriekend +zijn. Zij groeit zeer goed op een lichte standplaats in een warme +kamer. + +Onder de Aroideeën, die veel voor de schoone bladeren gekweekt worden, +nemen de verschillende soorten van het geslacht Philodendron een +voorname plaats in. Deze soorten onderscheiden zich door een groot +verschil in groei en in bladvorm. Dikwijls hebben zij een zeer fraaie +groeiwijze, vaak zijn het echter snel groeiende lianen, die tegen +de vochtige muren der kassen opklimmen, waaraan zij zich met haar +dikke luchtwortels vasthechten. Van het eenvoudigste, gaafrandige, +lancetvormige tot het fraaiste dubbel gevinde blad vindt men in het +geslacht Philodendron vertegenwoordigd. De geschiktste soort voor de +kamer is de Philodendron pertusum, een plant, waarvan de juiste naam +Monstera deliciosa is, doch die onder eerstgenoemden naam het meest +wordt aangetroffen. + +Onze figuur 134 toont een bloeiende plant, die als zoodanig echter +uitsluitend in kassen voorkomt, wijl zij in bloeienden staat voor +de kamer te groot is. Figuur 135 toont een jonge, uit stek gekweekte +plant, zooals men ze in de kamer nu en dan wel aantreft. De vruchten +van deze Monstera's zijn zeer geurig en worden in de tropen veel +gegeten. De Monstera met haar glanzend, donkergroene, fraai verdeelde +bladeren, die haar de grootste waarde verleenen, behoort wel tot een +der beste kamerplanten. Zij heeft niet zeer veel licht noodig en kan +vooral des winters op een tamelijk donkere plaats staan, terwijl zij +zich ook niet erg gevoelig betoont voor stof en droge kamerlucht, +zoodat zij al de eigenschappen van een goede kamerplant bezit. + +De Monstera moet jaarlijks verpot worden in zeer voedzame, doch niet +te zware aarde, terwijl zij het geheele jaar door in de kamer moet +worden gehouden. + +De voortkweeking, die in de kamer maar zelden zal gelukken, wordt in +de kweekerijen bewerkstelligd door den kop van de plant af te snijden +en dien als te steken. De oude stam zal dan eenige zijscheuten maken, +die, zoodra zij sterk genoeg zijn, ook weer als stekken kunnen gebruikt +worden. Vaak komt het voor, dat de stekken, voordat ze gesneden worden, +reeds beworteld zijn, daar ieder blad bij zijn ontwikkeling gewoonlijk +een luchtwortel medebrengt. Het snijvlak der stekken maakt geen wortels +en groeit ook niet dicht, maar sterft zeer langzaam in, wat niet belet, +dat de stekplanten zeer goed groeien. Een zeer fraaie kamerplant is +ook de Monstera (Philodendron) bipinnatifida uit Brazilië, met groote, +diep ingesneden en doorboorde bladeren. + +Een andere zeer goede kamerplant, tot de familie der Aroideeën +behoorende, is de Colocasia odora. Deze, die uit Oost-Indië afkomstig +is, kan somtijds zeer groote, lang gesteelde bladeren dragen. Haar +cultuur is eenvoudig, daar zij in de zon zoowel als in de schaduw goed +groeit en zelfs midden in den zomer buiten kan staan. Zij verlangt +een goeden, doch vooral niet te zwaren grond en des zomers zeer veel +water. Van belang is het, dat men haar bladeren vrij van stof houdt, +en er voor zorgt, dat zij in een eenigszins gelijkmatige temperatuur +Staat. + +Zeer schoone bladplanten, die veel gekweekt worden, en vooral als +jonge planten, uitstekend voor de bloemtafel geschikt zijn, zijn de +Dieffenbachia's. De bloem van deze Zuid-Amerikaansche plant is zeer +onbeduidend; zij is geelachtig groen en komt niet voor, waarom men dan +ook meestal de knoppen niet tot ontwikkeling laat komen, maar ze uit +de plant breekt, voordat zij opengaan. De waarde der Dieffenbachia's, +die in veel soorten gekweekt worden, is gelegen in de fraaie, meestal +zeer mooi gekleurde of gevlekte bladeren. Zeer schoon zijn vooral +die soorten, welke gevlekte bladeren dragen, wijl deze vlekken vaak +ook op de bladstelen voorkomen. De figuren 136 en 137 toonen twee +jonge Dieffenbachia's, namelijk de Dieffenbachia Baumannii en de +zeer schoone Dieffenbachia magnifica. In de kweekerijen worden deze +planten door stekken en ook door stamstukjes voortgekweekt. Voor deze +laatste methode snijdt men den stam in juist zooveel stukjes als er +zich oogen op bevinden en legt deze bij voorkeur in verwarmd zand; +ieder oog zal dan uitgroeien en een jonge plant vormen. In de kamer +gaat het voortkweeken, zoowel op de eene als op de andere wijze, echter +niet best en is daarom niet aan te raden. Het best doet een liefhebber +met zich in het najaar jonge Dieffenbachia's aan te schaffen en ze +een lichte plaats in het woonvertrek te geven. Des winters worden ze +matig begoten en de teere bladeren vaak afgewasschen. Het verplanten +geschiedt in het voorjaar in zeer voedzamen, doch niet te zwaren +grond. Ook des zomers moeten de Dieffenbachia's in de kamer gekweekt +worden; zij verlangen dan rijkelijk water en moeten dikwijls bespoten +worden, terwijl men ze tegen felle zon moet schermen. Alleen als jonge +planten verdienen de Dieffenbachia's aanbeveling; worden zij ouder, +dan vormen zij een dikken, vleezigen stam en maken kleinere bladeren; +zij zijn dan niet mooi meer, daar zij ook vaak krom groeien. + +De fraaiste en allersierlijkste geteekende planten onder de Aroideeën +zijn zeker wel de Caladiums. Daargelaten enkele groenbladerige soorten, +zijn de Caladiums alle, zeer fijne, uiterst teere planten. Deze +bewonderenswaardige planten, uit tropisch Amerika, behooren tot de +knolgewassen: haar bloemen zijn onbeduidend en moeten dan ook tijdig +weggebroken worden. De bladeren, die meer of minder breed, maar steeds +pijlvormig zijn, prijken bijna altijd met de fraaiste kleuren. De +groene kleur der bladeren gaat somtijds geheel verloren en daarvoor +treden dan in de plaats wit, karmijn, purper, rose of geel. Somtijds +zijn de bladeren éénkleurig, dan weder gevlekt of gestippeld, of +wel tegen de grondkleur der bladeren vertoonen de nerven zich in een +geheel andere kleur en leveren zoo een interessant gezicht op. + +Des winters rusten de Caladiums; de knollen moeten dan droog en +warm bewaard worden. In het voorjaar plant men ze op in met zand +vermengden turfmolm. Houdt men ze daarop warm, en in den beginne +slechts matig vochtig, dan zal het niet lang duren of ze beginnen +uit te groeien. Zoodra zij goed teekenen van leven gaan geven, +neemt men de knollen uit den turfmolm en plant ze in niet te groote +potten in een mengsel van ruwen boschgrond, vermengd, zoo mogelijk, +met wat turfstrooiselmest, gehakt sphagnum en stukjes houtskool. Voor +een goede ontwikkeling is het zeer raadzaam, dat ze des zomers vaak +worden verpot, terwijl ook goed gezorgd moet worden voor scherming +tegen de zon. + +Beginnen de knollen pas uit te loopen, dan kan men ze vermenigvuldigen +door ze in zooveel stukken te snijden als er oogen op zitten. De +snijvlakken moeten dan goed met fijne houtskool bepoeierd +worden. Jammer is het, dat de Caladiums een gesloten, vochtig warme +lucht verlangen, zoodat zij moeilijk voor kamerdecoratie gebruikt +kunnen worden. Haar cultuur is slechts mogelijk in een kamerkasje, +mits dit niet te klein zij, daar verscheidene soorten ruim 60 cM. hoog +en zeer breed worden. Men heeft er, vooral in de laatste jaren, +werkelijk prachtige variëteiten van gewonnen, met bijna transparante +bladeren. Een zeer lieve miniatuursoort is de Caladium argyrites met +groene, wit gevlekte bladeren. Een andere witbonte variëteit is onlangs +in den handel gebracht onder den naam Caladium liliputense, terwijl nog +enkele andere kleine variëteiten in de kassen der kweekers voorkomen. + + + + +Bromeliaceeën of Ananasachtige planten. + +De familie der Bromeliaceeën staat in schoonheid en eigenaardigheid +zeker niet veel achter bij die der Orchideeën. Zij komen in dezelfde +streken voor, leven onder gelijke omstandigheden en worden niet +zelden tezamen op dezelfde boomen aangetroffen. Terwijl men vroeger +de Bromeliaceeën uitsluitend aantrof in Botanische Tuinen, vindt men +ze tegenwoordig reeds in de kassen van veel kweekers en liefhebbers, +en sinds het bekend geworden is, dat het zeer dankbare en sterke +kamerplanten zijn, begint men ze hier en daar reeds in de vertrekken +te zien. In Parijs worden enkele Bromeliaceeën-soorten reeds op de +markten verkocht, waartoe zij te Versailles in grooten getale worden +gekweekt. Ook in België en Engeland beginnen zij meer en meer veld +te winnen, en wij hopen van harte, dat het niet lang meer zal duren, +dat zij ook hier naar waarde worden geschat. Algemeen bekend is zeker +wel de vrucht van de gewone Ananas. Deze soort, die in West-Indië en +Centraal Amerika thuis behoort, wordt al naar den vorm en de grootte +der vrucht, in talrijke variëteiten gekweekt. Ook een bontbladerige +vorm van deze soort wordt als sierplant aangetroffen; deze is echter +te gevoelig en ook te duur om haar als kamerplant aan te bevelen. + +De Bromeliaceeën behooren, evenals de Cactussen, uitsluitend in +tropisch en sub-tropisch Amerika tehuis. Volgens Prof. Witmack +worden zij het meest aangetroffen in Zuid-Amerika en wel speciaal in +Brazilië en Columbië, dus in het Amazone-gebied; doch ook West-Indië, +Guyana, Peru, Chili en Argentinië zijn rijk aan soorten. De meeste +Bromeliaceeën zijn zoogen. epiphyten, d.w.z. planten, die op andere +levende gewassen leven, doch nooit met haar wortels daarin doordringen +om er voedsel aan te onttrekken. Sommige soorten groeien in de diepe +schaduw der oerwouden, andere vindt men in de kronen van groote +boomen, of boven op hooge bergen, zoo o.a. boven op de Itatiaia in +Brazilië (3000-3300 M.) en op de Andes van Peru, tot een hoogte van +4300 M. Andere soorten leven weder in den bodem of op rotsen en deze +hebben het liefst een lichte, droge standplaats; het zijn in hoofdzaak +die van de Mexicaansche hoogvlakten. Zoo bij voorbeeld is de Guzmannia +tricolor een der soorten, die volgens André in een droge, dorre streek +wonen en zeer goed in de brandend heete lucht bloeien. Het is een +ongeveer 30 cM. hoog wordende kamerplant met zeer interessante bloemen. + +De wortels van de Bromeliaceeën zijn over het algemeen zeer weinig +ontwikkeld, en vooral is dit het geval bij de op boomen groeiende +soorten; vele hebben slechts als zaadplantjes enkele worteltjes +en leven verder geheel wortelloos, haar voedsel geheel opnemende +uit de vochtige lucht. In de Botanische Tuinen ziet men deze hoogst +interessante, maar uit een tuinbouwkundig oogpunt waardelooze planten, +vaak jarenlang tegen een stukje kurkschors gehecht, uitstekend +groeien. De meeste Bromeliaceeën hebben riem- of lijnvormige, +ongesteelde bladeren, die aan den voet meestal verbreed zijn. Bij +enkele soorten zijn zij zeer fraai geteekend. Tusschen de bladeren en +in het hart der plant verzamelt zich water, dat er zelfs in het droge +jaargetijde nog te vinden is. De bloemen der Bromeliaceeën zijn zeer +interessant en de bloeiwijze is vaak prachtig, door de schoon gekleurde +schutbladeren, die de bloemen omgeven, terwijl ook vaak, wanneer zij +gaan bloeien, de hartbladeren een zeer schoone kleur aannemen. + +Jammer is het, dat bij enkele soorten de bloemen maar zeer kort, +vaak niet langer dan enkele uren, duren, maar daar staat tegenover, +dat meestal de bloemen aan een zelfde bloeiwijze na elkander openkomen, +zoodat de bloei dan toch vrij lang duurt. Bij enkele soorten hebben ook +de vruchten een zeer fraai voorkomen. Talrijke Bromeliaceeën zijn reeds +zonder bloemen waard om gekweekt te worden zoowel om haar houding, +als om den vorm en de kleur harer bladeren, en haar geheele voorkomen, +waarin het eigenaardige karakter dezer familie zich afspiegelt. De +Bromeliaceeën kunnen een zeer aardige afwisseling geven aan de in de +kamer gekweekte planten. De grootere soorten maken een zeer fraaie +figuur op een bloemstandaard of op een bloemtafel, terwijl de kleinere +op de vensterbank en de kleinste in het kamerkasje of het terrarium +aangename verschijningen zijn, die zeer goed kunnen wedijveren met +de fraaiste bladplanten, en dikwijls bloeien in een jaargetijde, +dat zeer arm aan bloemen is. + +Uit de hiervoor beschreven levenswijzen en groeiplaatsen zal al wel +gebleken zijn, dat niet alle Bromeliaceeën op gelijke wijze behandeld +moeten worden. De zeer harde, veel ruimte eischende Ananas-soorten +zijn evenmin als kamerplanten aanbevelenswaardig als de uiterst +teere soorten, die men er onder vindt en het zou dus nutteloos zijn +te beproeven, die in de kamer te kweeken. Die soorten echter, welke +voor kamercultuur geschikt zijn, kunnen bijna alle op dezelfde wijze +behandeld worden. Het lastigste gedeelte der cultuur van Bromeliaceeën +is de behandeling der zaden en zaadplantjes, maar men doet het best +dit aan een kweeker van beroep over te laten. Een liefhebber moet +goed bewortelde planten koopen, die dan, voorzichtig behandeld, +hem veel genot kunnen verschaffen, daar zij zich tot fraaie planten +zullen ontwikkelen. + +Voor het kweeken van Bromeliaceeën kan men slechts een kamer +gebruiken, die des winters geregeld verwarmd wordt en een gemiddelde +temperatuur heeft van 60°-65° Fahr. Het best plaatst men ze hier op +standaards, die voor verscheidene planten zijn ingericht of anders +op de vensterbank, doch dan zóó, dat zij de ruiten niet aanraken. In +den winter moet er op gelet worden, dat zij vooral niet aan tocht- +of temperatuurschommelingen zijn blootgesteld, daar de Bromeliaceeën +dit evenmin verdragen als andere tropische planten. Moeten dus voor +het schoonmaken der kamer de vensters geopend worden, dan zorgt +men de planten tijdelijk te verwijderen. De Bromeliaceeën zijn zeer +zindelijke planten, die bij een goede behandeling, absoluut vrij van +ongedierte blijven. Daar droge lucht voor veel soorten verderfelijk +kan zijn, moet men ze niet slechts des zomers, maar ook op heldere +dagen des winters met den rafraichisseur herhaaldelijk spuiten, of +wel ze met een spons aan de onder- en bovenzijde der bladeren nu en +dan afwasschen. Zaak is het te zorgen, dat zij van het voorjaar tot +aan den herfst niet aan de volle zon zijn blootgesteld, waarom er +voor behoorlijke scherming moet gezorgd worden. Veel soorten rusten +gedurende den winter en moeten dan natuurlijk veel minder begoten +worden; andere daarentegen groeien en bloeien juist in dien tijd en +deze moeten natuurlijk behoorlijk vochtig gehouden worden. Bij een +beetje oplettendheid kan men al heel spoedig bemerken, welke soorten +rusten en welke doorgroeien. + +De beste tijd om de meeste Bromeliaceeën te verplanten is vroeg in het +voorjaar. Daar het planten zijn, die zeer weinig wortels bezitten, +moet men met het verpotten voorzichtig zijn, slechts kleine potten +gebruiken en, moet men ze in grootere potten zetten dan moge deze +slechts weinig grooter zijn dan die, waarin ze gestaan hebben. Daar +de meeste soorten in haar natuurlijken toestand op boomen en andere +planten groeien, moet men ze een zeer lichte grondsoort geven. Het +best zet men ze in zeer ruwen bosch- of vezelgrond, vermengd met +gehakt sphagnum en stukjes houtskool. Door zeven verwijdert men alle +fijnere deelen uit deze aarde, waarna men er nog wat zand doorheen +mengt. Zeer goed doet men ook door, wanneer men het voorhanden heeft, +enkele stukjes half verteerd hout bij het grondmengsel te voegen; +men moet er echter op letten, dat deze niet beschimmeld zijn. Bij +het verplanten moet men zooveel mogelijk van de oude aarde uit +de wortelkluit verwijderen, waarbij vooral opgepast moet worden, +dat men de jonge gezonde wortels niet beschadigt. Heeft men de te +gebruiken potten gereinigd, dan worden die van een zeer goede drainage +voorzien, waarop men er een laagje aarde in brengt, dat met de hand +goed vastgedrukt wordt. In de zoo klaargemaakte potten houdt men dan de +planten met de linkerhand en wel zóó, dat zij slechts iets dieper komen +te staan, dan zij oorspronkelijk stonden; met de rechterhand vult men +dan den pot verder aan, er voor zorgende, dat de aarde goed tusschen +de wortels wordt verdeeld en dat zij behoorlijk wordt aangedrukt. Na +het verpotten worden de planten flink aangegoten, waarbij men zorgt, +dat het water goed door de aarde trekt. + +Van de talrijke geslachten, die de familie der Bromeliaceeën rijk is, +zijn het vooral de geslachten Vriesea en Tillandsia, die ons fraaie +kamerplanten leveren. De meest bekende is zeker wel de Vriesea +splendens, met fraaie bladeren, die een groene grondkleur hebben, +waarover donkerbruine dwarsstrepen loopen. Midden uit de bladerrozet +ontspringt de bloeiwijze, die een lange spitse aar vormt, bestaande +uit menieroode schutbladeren, welke dakpansgewijze over elkander +liggen, en waartusschen de gele bloemen verschijnen, die echter van +zeer korten duur zijn. + +Deze bloeiwijze ontwikkelt zich gewoonlijk in December, en duurt zeer +lang. Een andere, eveneens in den winter bloeiende soort, die veel +gekweekt wordt, is de Vriesea brachystachys. Deze vormt slechts een +kleine bladerrozet van licht geelgroene bladeren, uit welker midden +de bloeiwijze verschijnt, die ook uit dicht op elkander geplaatste +schutbladeren bestaat, welke aan den steel donker vermiljoenrood en aan +de uiteinden goudgeel zijn. De geheele bloeiwijze heeft den vorm van +een platten, driehoekigen kam; zij is ongeveer 5 à 6 cM. hoog en staat +op een bloemsteng van 15 à 20 cM. lengte. In de laatste jaren is een +zeer groote soort in den handel gekomen, de Vriesea hieroglyphica. Deze +vormt een bladroset, die wel een hoogte kan bereiken van 1 Meter. De +bladeren zijn licht geelgroen en met bruine vlekken geteekend. Deze +vlekken herinneren sterk aan de karakters van het oud Egyptische +schrift. Een zeer fraaie plant is ook de Vriesea fenestralis, waar +op een lichtgroenen ondergrond een aantal donkergroene in elkander +loopende vierkantjes zichtbaar is. Zeldzamer dan deze soort is de +V. Saundersii. Deze soort heeft blauwgroene bladeren, die eenigszins +dof en aan den voet en de onderzijde met donkere vlekken geteekend +zijn. De op een flinke bloemsteng staande bloemen zijn door gele +schutbladeren omgeven. + +In de laatste jaren zijn door verscheidene kweekers, vooral te +Versailles en te Luik, prachtige hybriden gewonnen. Een der fraaisten +is zeker wel de Vriesea fulgida, met een donkerroode, groote bloeiwijze +en de Vriesea leodiensis, met een fraaie, scharlakenroode en gele +bloeiwijze. + +Al de Vriesea's hebben gootvormige bladeren, die elkander aan den +voet omgeven. Tusschen deze bladeren en in het hart verzamelt zich, +door het spuiten en gieten, een hoeveelheid water, dat men, zoolang +het niet te vuil wordt, er rustig in moet laten staan, daar de planten +dit zeer gaarne schijnen te willen. + +Onder de Tillandsia's, die geschikt zijn voor kamercultuur, komt +in de eerste plaats de fraaie Tillandsia Lindenii in aanmerking. De +donkergroene bladeren van deze plant zijn door roodachtige overlangsche +nerven geteekend. De bloemen, die prachtig blauw zijn met een wit +hart, duren niet lang, doch verschijnen na korte tusschenpoozen, +zoodat de plant toch zeer lang bloeit. + +Een andere zeer sierlijke soort, die uitstekend voor het kamerkasje +geschikt is, is de Tillandsia dianthoïdea. Deze kan men in een houten +mandje met wat sphagnum of anders op een stukje kurkschors kweeken. Zij +heeft lichtgroene, wit bepoederde bladeren, en haar kleine, blauwe +bloemen worden door prachtige, lichtrose schutbladeren omgeven. + +Als kamerplanten zijn onder de Bromeliaceeën nog zeer dankbaar de +Æchmea fulgens, de Billbergia amoena en de Billbergia nutans. Deze +laatste plant bloeit zeer elegant en is een uitstekende kamerplant, te +meer, daar de bloeitijd tegen Kerstmis valt. De lichtblauwe bloemen, +met donkerblauwe randen, worden door fraaie, roode schutbladeren +gedeeltelijk omgeven. + +Een andere zeer schoone soort, die uitstekend voor de kamer geschikt +is, is de Caraguata cardinalis. Deze vormt een fraaie, lichtgroene +bladerrozet. Uit het hart ontspringt de bloeiwijze, die, wanneer +zij geheel volwassen is, een zuiveren stervorm heeft, en prachtig +vermiljoenrood is, waartusschen de goudgele bloemen een fraai effect +maken. Een andere soort, zeer goed geschikt voor terrariums, is +Cryptanthus zonatus, met bruinachtige bladeren, waarover zilverwitte +strepen loopen, of Cryptanthus bivittatus, met lichte en donkerroode +overlangsche strepen. + +De familie der Bromeliaceeën is zóó rijk aan soorten, dat het +onmogelijk is hier de voornaamste er van te vermelden. + +Alle soorten, die voor kamercultuur in aanmerking komen, zijn zonder +stengel. De bloeiwijzen ontspringen midden uit de rozet, die door +de bladeren wordt gevormd. Na den bloei kan de moederplant dus niet +langer meer doorgroeien, en na verloop van eenigen tijd gaat zij dan +ook dood. Aan haar voet of tusschen haar bladeren ontstaan echter +één of meer zijspruiten, waardoor men de plant kan voortkweeken. Men +laat daartoe de zijscheuten, zoolang dit noodig is, aan de moederplant +zitten, en snijdt ze eerst af, wanneer zij behoorlijk wortels gemaakt +hebben, waarop men ze afzonderlijk kan oppotten. Hebben zich echter +meerdere scheuten ontwikkeld, dan kan men, door deze voorzichtig van +elkander te nemen, enkele planten meer verkrijgen. De vermenigvuldiging +door zaden kan den liefhebber niet aangeraden worden. + + + + +Gesneriaceeën. + +Zonder twijfel behooren onder de schoonst bloeiende kamerplanten ook +tal van Gesneriaceeën. Deze familie is tamelijk groot; zij omvat +ruim 30 geslachten en eenige van die geslachten kan men in iedere +kweekerij vertegenwoordigd vinden. + +Voor zoover deze planten voor kamercultuur geschikt zijn, zijn het +allen kruidachtige gewassen, meest met knollen (Fig. 145) of met +schubachtige wortelstokken (Fig. 146). De bladeren zijn veelal sterk +behaard en fraai van vorm, en bij eenige geslachten zijn zij zóó fraai +geteekend, dat ook de niet bloeiende plant als een fraaie sierplant +kan gelden. De grootste waarde hebben de Gesneriaceeën echter om +haar bloemen, die bijna altijd pijpvormig zijn met trompetvormige +opening; zij munten vooral uit door haar schoone kleuren, die vaak +door groote vlekken en strepen afgewisseld worden en zeer terecht +elks bewondering wekken. + +Al de Gesneriaceeën, die in hoofdzaak gekweekt worden, zijn +sierlijke gewassen. Jammer is het, dat deze planten, die allen +in de tropen thuis behooren, niet best bestand zijn tegen droge +lucht, temperatuurswisselingen en tocht. Zij behooren dus niet tot +die planten, welke een pas beginnend liefhebber aanbevolen kunnen +worden. Toch kunnen zij, wanneer men ze van een kweeker in bloei koopt +en deze ze eerst een weinig hardt, het vrij lang onder de ongunstigste +omstandigheden van een kamer uithouden, wat niet wegneemt, dat het +voortkweeken uit zaden, of het aan den groei brengen van wortelstokjes +in de kamer vrij wel tot de onmogelijkheden behoort. In een kamerkasje +van niet te kleine afmeting geplaatst, behooren de Gesneriaceeën tot +de dankbaarste planten. + +Alle Gesneriaceeën laten zich betrekkelijk gemakkelijk uit zaden +voortkweeken. Wij verschaffen ons daartoe, in een vertrouwbaren +zaadhandel, de zaden, die in ons land evengoed verkrijgbaar zijn als +in het buitenland. Deze zaden worden meestal verkocht in zeer kleine +hoeveelheden, in dubbel papier verpakt. Zij zijn daarbij als stof +zoo fijn, zoodat een pakje schijnbaar niet heel veel bevat. Het beste +zaait men in Februari op potten, die daartoe met zeer fijn gezeefde +heide- of bladaarde vooruit zijn klaargemaakt. Bij het zaaien moet +men er op letten, dat de zaden gelijkmatig uitgestrooid en, zooals +alle fijne zaden, niet met aarde bedekt worden. De zaadpotten dekt +men met een glasplaat, plaatst ze in het kamerkasje, terwijl zij met +den rafraîchisseur zoodanig worden bespoten, dat de aarde gelijkmatig +vochtig blijft. Zorgt men er voor, dat zij niet door de zon worden +beschenen, dan volgt de kieming meestal na 2 of 3 weken. Zooals +alle uit kleine zaden gekiemde plantjes, zijn de zaailingen van +Gesneriaceeën in den aanvang zóó klein, dat men ze nauwelijks met het +ongewapende oog kan zien. Het opkweeken van zulke kleine plantjes is +altijd zeer moeilijk, daar het eerste repikeeren zeer veel geduld en +geoefendheid vereischt. Nadat men ze verscheidene malen gerepikeerd +heeft, zijn de zaadplantjes eindelijk groot genoeg om afzonderlijk in +potjes te worden gezet. Zijn zij eenmaal zóó ver, dan gaat de cultuur +meestal sneller en voorspoediger en na nog eenige keeren verpot te +zijn, beginnen zij meestal in het midden van den zomer te bloeien. + +Ook langs kunstmatigen weg laten de Gesneriaceeën zich gemakkelijk +voortkweeken. Het eenvoudigst gaat dit, door bladeren af te snijden en +die als stekken te behandelen. De soorten, die een kruidachtigen stam +hebben, vermenigvuldigt men door stekken, en ten laatste laten die, +welke schubachtige wortelstokjes hebben, zich ook zeer gemakkelijk +voortkweeken, doordat men deze in stukjes snijdt en ieder stukje op +zichzelf als plant behandelt. + +De knollen en wortelstokjes, die wel niet alle, doch zeer vele +Gesneriaceeën bezitten, moet men in een warm vertrek droog laten +overwinteren. De knollen moeten geheel droog bewaard worden, de +wortelstokjes daarentegen legt men in potten met zand, dat nu en +dan een weinig begoten wordt, om het slap worden te voorkomen. Al +naardat men de planten vroeger of later in bloei wil hebben, moeten +zij tusschen de maanden Februari en April opgepot worden. In iederen +pot, van 8 cM. doorsnede, worden één knol of enkele wortelstokjes +geplant. De potten moeten goed gedraineerd en met losse, zandige +heiaarde gevuld worden, waar men de knollen voorzichtig indrukt, +zoodat zij geheel onder de aarde komen te liggen. Bij het oppotten +der rhizomen handelt men op de volgende wijze: De pot wordt niet +geheel met aarde gevuld, men legt er de wortelstokjes in, vult +hem verder aan en drukt de aarde daarna matig vast. De opgepotte +knollen en wortelstokjes worden in den beginne gesloten gehouden +en slechts matig begoten; zoodra zij zich beginnen te ontwikkelen, +kan men iets meer gieten, en zijn zij eenmaal uitgegroeid, dan is een +rijkelijke begieting noodig. Voor een goeden groei is het geraden de +planten later nog in potten van 12 cM. wijdte te verplanten. Voor dit +verplanten gebruikt men een goeden, voedzamen grond, o.a. 2 deelen +hei-, één deel bladaarde en 1/2 deel, bestaande uit broeiaarde, +kleigrond en zand. In een kamerkasje, waarin een vochtige lucht +is, dat bij warm weer gelucht en bij zonneschijn geschermd wordt, +zullen de Gesneriaceeën, wanneer men ze gelijkmatig vochtig houdt, +zeer goed groeien. Worden zij direct aan de zon blootgesteld, dan +verbranden zij zeer gemakkelijk; staan zij in te droge lucht, dan +worden zij door ongedierte aangetast, dat zich van de sterk behaarde +bladeren, die ook zeer slecht tabaksrook verdragen, moeilijk laat +verwijderen. Beginnen de Gesneriaceeën in het najaar af te sterven, +dan gaat men ze langzamerhand minder water geven. + +Aan een practischen, ervaren liefhebber kan de cultuur dezer planten +zeer aanbevolen worden, en er zijn er dan ook velen, die ze jaarlijks +uit zaad opkweeken en zeer goede resultaten verkrijgen. + +De bekende en meest verspreide Gesneriaceeën zijn zeker wel de +Gloxinia's, ware prachtplanten, die des zomers onder de rijkst +bloeiende kamerplanten kunnen gerekend worden. Oorspronkelijk waren het +niet zulke schoone planten; de bloemen stonden steil rechtop of hingen +naar beneden en waren zeer ongelijk van vorm. Uit deze minder fraaie +soorten heeft men de tegenwoordige prachtvariëteiten gewonnen. De, +op flinke stelen staande, bloemen treft men aan in alle kleuren +tusschen zuiver wit, het vurigste rood of het diepste paars. Men heeft +variëteiten met éénkleurige bloemen en ook met bloemen, die gestippeld, +gestreept, getijgerd of geaderd zijn. Onder de éénkleurige bloemen +zijn de zuiver witte en de vurigst roode verreweg de schoonste. + +Naast de Gloxinia's zijn de Tydæa's vrij algemeen verspreid. De +knikkende bloemen staan in de bladoksels op dunne bloemsteeltjes. Zij +danken haar groote waarde aan de prachtig geteekende, omgeslagen +bloemkroon, waarop werkelijk schoone kleuren gevonden worden. Slechts +weinig schooner zijn de in de laatste jaren meer en meer verspreid +rakende Gesneria's, die nu eens knollen, dan weder wortelstokjes +bezitten, zoo mede de Achimenes uit Centraal-Amerika, met opvallend +grooten en fraai ontwikkelden bloemzoom en de dichtbehaarde Isoloma +hirsuta, waarvan men ook rijk bloeiende hybriden gewonnen heeft. Men +kan deze laatste, een zeer harde en niet veel warmte behoevende plant, +het geheele jaar door aan den groei houden en zeer gemakkelijk door +stekken of verdeeling der wortelstokjes voortkweeken. + +Zeer interessante en in de laatste jaren zeer in trek gekomen +Gesneriaceeën zijn de Streptocarpussoorten. Eenige dezer bijv. de +Streptocarpus Wendlandii, bezitten slechts één enkel blad, dat op een +zeer kort vleezig stengeltje staat, over den potrand heen hangt en een +lengte van 60 cM. bij een breedte van 40 cM. kan bereiken. Dit aan de +bovenzijde matgroen en aan de onderzijde violetpurper gekleurd blad, +wordt over zijn volle lengte door de forsch ontwikkelde middennerf +doorsneden. Jammer is het, dat de punt van het blad nooit geheel gaaf, +doch altijd min of meer afstervende is. Aan den voet van het blad +ontspruiten talrijke bloemstelen, die een groot aantal middelmatig +groote, lichtblauwe met rose of wit geteekende bloemen dragen. De +plant ontleent haar geslachtsnaam aan de vrucht, die lang, dun en +spiraalsgewijze gedraaid is. + +Een geheel ander voorkomen hebben de veelbladige Streptocarpus, waarvan +tegenwoordig zeer schoone hybriden gewonnen zijn en die daardoor +zeer gezocht worden. De bloemen zijn 4-5 cM. lang en prijken in alle +kleuren, tusschen wit, donkerrood en paars, terwijl zij zeer dikwijls +fraai gestreept zijn. De stand der bloemen, die zeer lang duren, +is aan ééne plant nu eens horizontaal, dan weder geheel verticaal. + +Een zeer interessante invoering van den lateren tijd is de +Saintpaulia ionantha: dit is een kruidachtig plantje, doch zonder +knol of wortelstok. De bladeren van deze uit Afrika afkomstige +plant gelijken op die van de Gloxinia, doch zijn veel kleiner. De +bloemen zijn niet, zooals bij de meeste Gesneriaceeën, pijpvormig, +doch daarentegen vlak. Bij een oppervlakkige beschouwing gelijken +zij sterk op die van het gewone welriekende Viooltje en zij trekken, +door haar fraaie blauwe kleur, direct de aandacht. Hoewel eerst +sedert betrekkelijk korten tijd bekend, is de Saintpaulia ionantha +reeds in alle voorname kweekerijen voorhanden; men ziet haar op bijna +alle Tuinbouwtentoonstellingen en overal wordt zij om haar liefelijke +verschijning en haar fraaien bloei ten zeerste bewonderd. Een bijzonder +groote waarde als kamerplant heeft zij slechts dán, wanneer men haar +in een kamerkasje of onder een stolp kan kweeken. Hoewel de Saintpaulia +betrekkelijk gemakkelijk in de cultuur is, verdraagt zij toch de droge +kamerlucht niet. Behandelt men haar echter op deze wijze, dan zal +men er een zeer dankbare plant in vinden, die niet te veel warmte +vereischt en winter en zomer steeds doorbloeit. De voortkweeking +geschiedt zeer gemakkelijk door bladstekken en ook door zaden. Men +moet er om denken, dat de Saintpaulia geen bepaalden rusttijd heeft, +en dus niet droog mag gehouden worden. + +Als fraaie en dankbare Gesneriaceeën moeten ten laatste de Nægalia's +nog aanbevolen worden. De tot dit geslacht behoorende planten hebben +schubachtige wortelstokjes. De bloemen zijn eenigszins uitgerekt +klokvormig; zij gelijken min of meer op die van een Gesneria, maar +staan in rechtopstaande trossen boven de plant uit. In schoonheid +kunnen deze bloemen niet met die van de Tydæa's wedijveren, wat +niet wegneemt, dat een bloeiende Nægelia een zeer fraaien aanblik +oplevert. Niet alleen echter door de bloemen, maar ook door de bladeren +munten de Nægelia's uit. Deze zijn hartvormig, dicht behaard, dikwijls +zeer fraai rood en met een opvallende nervatuur, waardoor de plant +reeds als bladplant waarde heeft. Onder de Nægelia's zijn de Nægelia +zebrina en de Nægelia cinnabarina wel de schoonsten. Er zijn in den +laatsten tijd ook veel schoone variëteiten van gewonnen. De Nægelia's +zijn zeer geschikt voor wintercultuur. Wil men gedurende den winter +bloeiende planten er van hebben, dan moeten de wortelstokjes tot Juli +droog gehouden en dan eerst opgeplant worden. Wil men de Nægelia's +echter des zomers in bloei hebben, dan moeten zij, te gelijk met de +andere Gesneriaceeën in de maanden Februari tot April aan den groei +gebracht worden. + + + + +Orchideeën. + +De tropische en subtropische Orchideeën behooren tot die fraaie +planten, welke in betrekkelijk korten tijd, om zoo te zeggen, de +geheele beschaafde wereld veroverd hebben. Wij behoeven slechts den +naam uit te spreken, en de meeste liefhebbers halen zich tooverachtig +fraaie planten voor den geest. De familie der Orchideeën is zeer groot, +zij omvat meer dan 400 geslachten, waarvan er verscheidenen weder in +ondergeslachten verdeeld worden. Tot deze geslachten behooren ongeveer +10.000 soorten, waarvan er 80 procent in de tropen tehuis behooren, +terwijl er in Europa slechts een 400-tal wordt gevonden. Op de Alpen +groeit de kleine Chamæorchis alpina, en de noordelijkste is de lieve +Calypso borealis. Ook in ons land komen enkele fraaie Orchideeën voor, +hoewel deze in pracht door de tropische soorten verre overtroffen +worden. + +De geschiedenis van de tropische Orchideeën, namelijk de wijze, +waarop zij zich in alle Europeesche tuinen verspreid hebben, omvat +zeker eenige der belangrijkste bladzijden uit het geschiedboek van den +Tuinbouw. Er zijn niet veel meer dan honderd jaar verloopen, sedert de +eerste tropische Orchidee levend in Europa werd ingevoerd en dat was +nog niet eens een schoone soort. Eenige jaren later werden in Engeland +nog een paar soorten ingevoerd, maar, aangezien deze planten in den +beginne door de kweekers geheel verkeerd behandeld werden, leverde +de cultuur niets dan teleurstelling op. Eerst in het vierde tiental +jaren van de 19e eeuw werden de Orchideeën langzamerhand meer naar +haar eisch behandeld; in 1840 nam het tijdperk een aanvang, waarin +onverschrokken verzamelaars de fraai bloeiende soorten begonnen op +te zoeken en naar Europa te zenden. + +Het is dus pas ongeveer vijftig jaar geleden, dat slechts weinigen +dezer planten bekend waren, en thans worden over de 2000 verschillende +soorten in de kassen gekweekt. + +De Orchideeën behooren tot die planten, welke de kweekers nòch langs +natuurlijken, nòch langs kunstmatigen weg in voldoenden getale kunnen +voortkweeken. Daar nu de aanvrage van jaar tot jaar grooter werd, en +er ook thans een zeer groote vraag naar is, zijn de speciaalkweekers +dezer planten genoodzaakt jonge tuinbouwkundigen naar de tropen +te zenden, ten einde ze daar te verzamelen. Wanneer men bedenkt, +hoeveel kosten daarmede gepaard gaan, en welke groote gevaren aan dit +verzamelen verbonden zijn, dan zal men het zeer begrijpelijk vinden, +dat zeldzame of moeilijk te verkrijgen soorten dikwijls met zeer groote +sommen moeten betaald worden. Niet weinig soorten echter zijn in zulk +een aantal ingevoerd, dat zij in haar vaderland zeldzaam beginnen +te worden, terwijl zij in Europa algemeen verspreid zijn. Dergelijke +soorten zijn niet hoog in prijs; voor een bloeiend exemplaar er van +behoeft men vaak slechts eenige guldens te geven. Verscheidene van +deze soorten zijn dan ook voor kamercultuur geschikt. + +Slechts weinige plantenliefhebbers, die in de gelegenheid geweest zijn +schoone Orchideeën in haar bloemenpracht te bewonderen, zullen den +wensch hebben kunnen onderdrukken, om ook te beproeven enkele dezer +fraaie planten te kweeken. Gaarne getroost zulk een liefhebber zich +een niet onbeduidend geldoffer, wanneer hij maar zekerheid heeft, +dat dit offer niet tevergeefs gebracht wordt. Wanneer men toch +van plantenliefhebberij genoegen wil smaken, dan moet zij ook goede +resultaten opleveren. De gekochte plant moet niet slechts eenige dagen +of weken gezond blijven, maar zij moet verder groeien en bij herhaling +bloeien; zij moet voldoende levenskracht bevatten. Voldoet zij aan +deze eischen, dan zal zij de liefhebberij steeds aanwakkeren. De meeste +liefhebbers denken van de Orchideeën, dat het zeer slechte kamerplanten +zijn en dat zij slechts onder een hooge temperatuur groeien. Deze +gedachte nu is, zooals wij hopen te kunnen bewijzen, geheel verkeerd. + +De Orchideeën zijn over den geheelen aardbodem verspreid; de fraaiste +soorten worden echter aangetroffen in de niet buitengewoon warme +streken van Amerika; in streken, waar de temperatuur zelden boven 85° +Fahr. stijgt en niet onder 55° Fahr. daalt. + +Natuurlijk moeten de prachtige tropische en subtropische Orchideeën +onder toestanden gekweekt worden, welke eenigszins overeenkomen +met, die, onder welke zij in haar vaderland groeien, en men moet +voor kamercultuur dan ook die kiezen, welke een temperatuur kunnen +verdragen van 60°-65° Fahr. Toch zullen de meeste Orchideeën zich op +de bloemtafel of de vensterbank niet te huis voelen; en dat wel om +verschillende redenen. Het verderfelijkst voor deze teere planten is +de droge kamerlucht, en dit wordt ons terstond duidelijk, wanneer +wij bedenken, dat de meeste soorten voorkomen in de oerwouden, +waar zij eensdeels groeien tegen de met mos bedekte stammen +der boomen, anderdeels in den humusrijken grond, onder de dichte +bladerkronen. Evenals voor droge lucht, zijn de Orchideeën ook zeer +gevoelig voor tocht en temperatuurswisselingen. Om al deze redenen +doet men het best ze in een kamerkasje te kweeken. (Zie Fig. 152), +voorstellende een dergelijk kasje, gevuld met Orchideeën. Welke +plantenliefhebber zal geen genoegen hebben in een dergelijk +miniatuur-kasje, gevuld met fraaie, zeldzame planten. Zulk een kasje +behoeft niet verwarmd te worden, daar men de planten er in zet, om +ze een voldoend vochtige atmosfeer te geven, en ze tegen schadelijke +invloeden te beschermen en niet om ze een hoogere temperatuur te +verschaffen. Het kasje, zooals het is afgebeeld, heeft aan den bezitter +uitstekende diensten bewezen. Het is zeer eenvoudig doch netjes, +heeft een eenzijdig dak en de voorste ruiten kunnen er uit geschoven +worden. De bodem bestaat uit een blikken bak, die gevuld wordt met +vochtigen turfmolm of gruis van cokes, waar de potten ingegraven +kunnen worden. Aangezien de turfmolm of cokes steeds water uitdampt, +is de atmosfeer in het kasje voortdurend voldoende vochtig. Men +kan zulk een kasje op de bloemtafel zetten, maar beter is het er +een afzonderlijken standaard voor te laten vervaardigen. Behalve +Orchideeën kan men in zulk een kasje, aangenomen dat zij behoorlijk +verzorgd worden, met het meeste succes fijne bonte bladplanten en +sierlijke tropische Varens kweeken. Is het warm en helder weer, dan +moeten de bladeren en schijnknollen der Orchideeën dagelijks een paar +keeren bevochtigd worden. Hiertoe gebruikt men een handspuitje met +fijne broes of een goeden rafraîchisseur. Houdt men op deze wijze de +lucht voldoende vochtig, dan zal men ook weinig of geen last hebben +van ongedierte. Heeft men bloeiende planten, of zulke, welke jonge +scheuten hebben, dan moet men met dit spuiten uiterst voorzichtig +zijn. Komt er toch water op de bloemen, dan krijgen deze licht vlekken +en worden leelijk en komt er water in de jonge scheuten, dan gaan deze +zeer spoedig tot rotting over, waardoor de planten veel lijden. Het +spreekt vanzelf, dat men voor het gieten en spuiten slechts water +mag gebruiken, dat minstens de temperatuur heeft van het vertrek, +waarin de planten staan. + +Het gieten, dat reeds bij gewone planten uiterst voorzichtig moet +geschieden, vereischt bij de Orchideeën bijzondere zorg. Zijn zij +in haar groeitijd, dan moeten zij rijkelijk water hebben; zijn zij +daarentegen in haar rustperiode, dan moeten zij zeer matig of in het +geheel niet begoten worden. De groeitijd begint met het maken van jonge +scheuten, waaruit zich de bladeren en schijnknollen ontwikkelen, of +met het vormen van bloemknoppen. Van een voldoenden groei der bladeren +en schijnknollen hangt de bloei voor het volgende jaar af. De groei- +en rusttijd zijn voor verschillende geslachten verschillend, daar men +het geheele jaar door bloeiende Orchideeën heeft; natuurlijk zijn die +soorten het meeste waard, welke zich midden in den winter met bloemen +tooien. Zijn de jonge bladeren volgroeid, dan krijgen zij in de meeste +gevallen een eenigszins donkerder kleur; de schijnknollen, wanneer de +plant deze vormt, nemen in omvang toe en eindelijk houden ook zij op +met groeien; langzamerhand ziet men den geheelen groei verminderen en +de plant treedt haar rusttijd in. Deze rusttijd is slechts bij enkele +soorten een volmaakte; de in de kamer gekweekte soorten behouden haar +bladeren en wortels, zoodat zij, hoewel uiterst voorzichtig, toch nu +en dan gegoten moeten worden. Vóór alles moet men zorgen, rustende +Orchideeën niet door te veel warmte en vochtigheid tot een ontijdigen +groei aan te zetten; een dergelijke handeling is tegen de natuur der +plant en heeft meestal zeer noodlottige gevolgen. Een voorname zaak +is ook het op den juisten tijd schermen van het kasje tegen de zon, +waarvoor men dun, niet te licht gekleurd doek gebruikt. De meeste +Orchideeën kunnen de volle zon niet verdragen; maar evenmin kunnen +zij voldoende licht missen; daarom moet men er op letten ze nòch te +vroeg, nòch te laat tegen de zon te schermen. + +De Orchideeën worden in twee hoofdgroepen verdeeld: de epiphytische +en de terrestische. De eersten groeien als schijn-woekerplanten +tegen de stammen van boomen, de laatsten als gewone planten in de +aarde. Wanneer de haar omgevende lucht voldoende vochtig is, behoeft +men zich voor de eerste groep niet bijzonder veel moeite te geven. Men +bevestigt ze met koperdraad tegen een stukje hout of kurkschors; +zij hechten zich daar dan met haar dikke, vleezige, broze wortels +tegen vast en groeien zoo jaar in, jaar uit, dat het een lust is. Ik +heb veel vertegenwoordigsters van het geslacht Oncidium op stukjes +eikenhout zien kweeken; zij groeien er uitstekend tegen, ontwikkelen +somtijds meterlange bloemstengels, dicht bezet met veelal kleine, +op insecten gelijkende bloempjes en wekken de verwondering op van +vaklieden en leeken. Zeer veel worden de epiphytische Orchideeën +ook gekweekt in potten, voorzien van gaten, meer nog in mandjes +van draad of kurkschors en zeer dikwijls in vierkante mandjes, die +van even dikke houten stokjes gemaakt worden. (Fig. 157 en 159.) De +openingen in deze mandjes worden met sphagnum dichtgestopt, waarna +men de planten er in zet. Het aardmengsel, waarin men ze plant, moet +zeer licht en vezelachtig wezen. Het best doet een liefhebber zich bij +een vertrouwbaren kweeker bereiden Orchideeën-grond aan te schaffen; +kan hij die niet verkrijgen, dan zoekt hij in een bosch plekken +met inlandsche Varens op, steekt die met de wortels uit den grond, +en trekt die wortels met de er tusschen zittende aarde in stukjes, +hierdoorheen mengt hij gehakt sphagnum en half verteerde bladaarde, +waar alle fijne deelen uitgezeefd zijn, alles in gelijke deelen; +wordt hierbij voldoende scherp zand en stukjes houtskool gevoegd, +dan heeft men een zeer goede aarde voor Orchideeën. Vroeger werden +onder dit grondmengsel nog stukjes turf en potscherven gemengd; de +ondervinding heeft echter geleerd, dat dit ondoelmatig was, waarom +men er van is teruggekomen. + +De Aard-Orchideeën worden gewoonlijk in meer vlakke dan hooge potten +gekweekt (Fig. 153). Voor deze soorten gebruikt men een grondmengsel, +bestaande uit grove blad- of heideaarde, met wat verteerden kleigrond +en scherp zand vermengd. De meeste Orchideeën kan men enkele jaren +in denzelfden pot laten staan, mits men ze in haar groeiperiode nu +en dan met een zeer slappe gier begiet; moeten zij echter verpot +worden, dan moet dit zeer voorzichtig geschieden, daar de stijve, +broze wortels volstrekt niet beschadigd mogen worden. + +Moet een Orchidee verplant worden, dan neemt men haar tegen het +einde van den rusttijd uit den pot, maakt met een houtje de kluit +een weinig los, waarbij meestal de oude aarde grootendeels tusschen +de wortels uitvalt. Men plant haar nu zóó op, dat zij niet te vast +komt te staan, d.w.z. dat het grondmengsel niet te vast om de plant +aangedrukt wordt. Is men met het verplanten gereed, dan wordt de plant +voorzichtig aangegoten, waarop men de aarde met de groeispitsjes van +levend sphagnum bedekt. Deze spitsjes zullen in zeer veel gevallen +doorgroeien, zoodoende aan de plant een frisch voorkomen geven en +het te snelle uitdrogen verhinderen. + +Daar het aantal bekende Orchideeën tegenwoordig zoo ontzettend +groot is, gaat het natuurlijk niet, om een eenigszins uitvoerige +beschrijving der beste soorten te geven; wij bepalen ons dus tot de +opgave van die soorten, welke als kamerplanten aan te bevelen zijn. + +Onder de voor kamercultuur geschikte Orchideeën nemen de Cypripediums +een eerste plaats in. De bloemen van dit geslacht kenmerken zich allen +door het eigenaardig gevormde lipje, dat den vorm van een muiltje +heeft. Zeer vele soorten van dit geslacht zijn voor kamercultuur +goed geschikt, met uitzondering echter van die, welke in Europa en +Noord-Amerika te huis behooren. Al deze soorten moeten in den tuin +uitgeplant worden, waar zij een fraai effect kunnen maken. + +Wij hebben drie soorten van Cypripediums afgebeeld; ten eerste de +Cypr. insigne (Fig. 154), die zeker wel de meest verspreide mag +genoemd worden; dan de Cypr. barbatum, met zeer fraai geteekende +bladeren en bloemen (Fig. 155) en de Cypr. Siebertianum (Fig. 156), +een in België gewonnen hybride, die genoemd is naar den heer Siebert, +directeur van den Palmengarten te Frankfurt. Er zijn meer dan 30 +Cypripediumsoorten bekend, die te huis behooren in tropisch Amerika +en Azië. Bij deze soorten moet nog gevoegd worden een groot aantal +variëteiten en een nog grooter aantal zeer fraaie bastaarden, die in +de kweekerijen gewonnen zijn. Deze laatsten zijn meestal zeer kostbaar. + +De Cypripediums behooren tot de terrestische Orchideeën. Het zijn +kleine planten, zonder schijnknollen, doch met mooi geteekende +bladeren, en zeer fraaie, reukelooze, meestal op een stevigen steel +alleen staande bloemen. Deze verschijnen gewoonlijk gedurende +den winter en haar waarde wordt nog verhoogd, door haren langen +bloei. Iedere bloem blijft gemiddeld twee maanden en nog langer +goed. De hardere soorten, die zeer geschikt zijn voor kamercultuur, +stellen zich meestal tevreden met een wintertemperatuur van 50°-55° +Fahr., en daar het geen hooge planten zijn, zijn zij zeer goed +geschikt voor het kamerkasje. De Cypripediums moeten in niet te diepe +potten, die goed gedraineerd zijn, geplant worden; als aarde gebruikt +men heideaarde, die met wat kleigrond en gehakt sphagnum vermengd +wordt. Zij willen geregeld bespoten en tamelijk goed vochtig gehouden +worden, terwijl het zeer goed is ze, wanneer zij in vollen groei zijn, +nu en dan slap te gieren. Voor licht en lucht moet goed gezorgd worden, +en men moet er op letten, dat zij in haar rusttijd wel minder begoten, +doch niet geheel droog gehouden mogen worden. + +Zeer sierlijke en schoone, ja somtijds prachtige kamerplanten levert +ook het geslacht Odontoglossum. De meeste soorten van dit geslacht +behooren te huis in de koele en vochtige bergstreken der Cordilleras, +in Mexico, Nieuw-Granada, Peru en Guatemala. Er zijn thans meer dan +100 soorten bekend, die op een hoogte tusschen 1000 en 2000 Meter, +hetzij op boomen, hetzij op met humus bedekte rotsen voorkomen. De +meest verspreide Odontoglossum is zeker wel de O. crispum, die ook wel, +ter eere van de prinses van Wales, O. Alexandræ wordt genoemd. Van +deze fraaie soort bestaan zeer veel variëteiten, welker bloemen in +grootte en kleur sterk afwisselen. Gewoonlijk zijn zij zuiver wit, met +onregelmatige bruinroode vlekken; tegen het einde van haar bloeitijd +krijgen zij een roseachtigen tint. De bloeitijd valt in den winter en +het voorjaar. Een lieve, voor het kamerkasje zeer geschikte soort is +de Odontoglossum Rossii majus, met haar variëteiten. Dit is een lief +plantje, dat zijn vrij groote bloemen alleen of bij paren op dunne +steeltjes draagt. Een derde, voor de kamercultuur zeer geschikte, +soort is de Odontoglossum grande, met groote, gele met kastanjebruin +gestreepte of gevlekte bloemen. + +Een derde aanbevelenswaardig geslacht is de Oncidium, dat uit ruim 300 +soorten bestaat, welke bijna alle epiphytisch leven. Dit geslacht +behoort te huis in de bergstreken van Zuid- en Midden-Amerika, +West-Indië en Mexico, waar het tot op een hoogte van 4000 Meter wordt +gevonden. De verschillende soorten vertoonen onderling een verschil, +zooals slechts bij weinig geslachten wordt aangetroffen. De sierlijke, +bontgekleurde, somtijds welriekende en vaak op insecten gelijkende +bloemen verschijnen aan lange bloemtrossen, en trekken door haar +liefelijk voorkomen de algemeene aandacht. Een der beste soorten is +zeker wel de Oncidium incurvum, ook wel bekend als O. albo-violaceum; +zij draagt talrijke, wit met lichtpaarse bloemen, die zeer welriekend +zijn en somtijds aan een Meter langen bloemsteel verschijnen. + +De Odontoglossums en Oncidiums verlangen dezelfde behandeling; zij +hebben geen van beiden behoefte aan veel warmte, doch verlangen een +vochtige en zeer frissche lucht. De kleinere soorten kweekt men het +best tegen stukjes hout of kurkschors, en anderen in uit houten stokjes +vervaardigde mandjes; ook kan men ze in potten kweeken, mits deze goed +van drainage voorzien worden en de planten hoog boven de potten uit +worden geplant. Deze geslachten willen tamelijk veel bespoten worden. + +Prachtige bloeisters, met groote, meest fraai paarse bloemen, zijn +de Cattleya's; zij hebben groote schijnknollen en dikke, stijve +bladeren, waartusschen de veel op bladeren gelijkende bloemscheeden +verschijnen, waaruit later de bloemen zich ontwikkelen. De afbeelding +(zie Fig. 160) vertegenwoordigt Cattleya Harryana, waarschijnlijk een +natuurlijke hybride uit Nieuw-Granada. Het geslacht Lælia sluit zich +bij het voorgaande aan. Beide geslachten behooren zeker wel onder +de schoonsten van de familie der Orchideeën; beiden verlangen echter +nogal warmte en kunnen niet gekweekt worden in een lagere temperatuur +dan 60° Fahr. Zij zijn overigens niet zeer lastig en groeien uitnemend +op stukken schors, of in mandjes. Een ander geslacht, dat in dezelfde +temperatuur moet gekweekt worden, is Vanda. Dit geslacht bestaat uit +niet veel soorten, die met uitzondering van een Australische, allen +in den Maleischen Archipel te huis behooren. Zij vormen vaak tamelijk +hooge stammen, die rijkelijk luchtwortels maken. Zij worden gekweekt +in mandjes of potten met gaten en moeten uitsluitend in sphagnum +geplant worden. Een der sierlijkste soorten is Vanda coerulea, met +schoone hemelsblauwe bloemen. + +Een eenigszins gematigde temperatuur verlangt de op boomen groeiende +Anguloa Clowesii, met welriekende, tulpvormige, citroengele bloemen, +die in het voorjaar verschijnen. Een uitstekende winterbloeister is de +Lycaste Skinneri, uit Guatemala. Deze soort is zeer gemakkelijk in de +cultuur en bloeit uiterst dankbaar. Zij heeft groote bloemen, die, al +naar de variëteit, lichter of donkerder rood zijn. Nog vindt men goede +kamerplanten onder de geslachten Coelogyne, Cymbidium, Dendrobium, +Epidendrum, Miltonia, Rodriguezia, Stanhopea en Zygopetalum. + + + + +Klimplanten. + +De klimplanten, waarvan prachtige soorten in de tropen voorkomen, mogen +ook in de kamer niet ontbreken. In haar vaderland klimmen haar dunne, +slanke stengels met de meest verschillende organen tegen de boomen op; +zij slingeren zich van stam tot stam tot zelfs boven in de kronen der +hoogste boomen. Jammer is het, dat een liefhebber de fraaist groeiende +soorten niet kan kweeken. Hij moet toch rekening houden met de ruimte +en vooral met de hoogte der vertrekken, en het gedempte licht in de +kamers is voor deze planten zeer noodlottig. Hij moet zijn wenschen +beperken tot enkele minder welig groeiende soorten. Zeer goed laten +zich klimplanten gebruiken om de gevels der huizen te versieren; +neemt men daartoe snel groeiende soorten, dan zijn die weldra met +het weligste groen bedekt. Vooral voor landhuizen is dit zeer aan te +bevelen. In de kamer echter mag een liefhebber niet te veel van de +klimplanten vergen; zij vervullen hier een tamelijk bescheiden rol en +mislukken dan ook nog wel eens; reden waarom men er voor moet zorgen, +dat zij desnoods gemist kunnen worden, zonder daardoor een stoornis +in het arrangement te veroorzaken. Gewoonlijk worden de klimplanten, +die men in een kamer kweekt, tegen hout of draadfiguren geleid. Hoe +samengestelder de daarvoor gebruikte voorwerpen, des te meer moet +men de slanke stengels heen en weer buigen, des te slechter groeit de +plant en des te minder fraai is haar voorkomen. De beste plaats voor +klimplanten is de vensterbank en plaatst men ze daar, dan behoeft men +langs het venster slechts draden te spannen, waartegen de stengels dan +in de meeste gevallen vanzelf opklimmen. Heeft men diepe vensterbanken, +dan kan men het geheele vensterkozijn met een hekwerk van draad of +bamboe doen bekleeden en de klimplanten zullen daar dan zeer welig +tegen op groeien. Onze gravure (Fig. 161) toont een venster waartegen +op deze wijze een der meest geliefde klimplanten, de Passiebloem, +is opgeleid en deze levert een inderdaad prachtig gezicht op. Wanneer +de klimplanten niet ter versiering van het venster gebruikt worden, +leidt men ze meestal tegen rekjes op, die aan haakjes bevestigd worden; +deze rekjes kunnen uit ijzeren staafjes of uit gekruist ijzerdraad +bestaan (Fig. 162-163), of ook wel uit plantenstokjes, die men, +zooals Fig. 164 aangeeft, waaiervormig aan elkander bevestigt. De +verschillend gevormde rekjes, die wel in den handel verkrijgbaar zijn, +zijn om de reeds genoemde redenen niet genoeg af te keuren. + +Onder de klimplanten voor de warme kamer komt het allereerst in +aanmerking de Clerodendron Balfourii (Thomsonii). Deze fraaie +plant draagt frisch groene bladeren en trossen bloedroode bloemen, +die omgeven zijn door groote, eenigszins opgeblazen, zuiver witte +kelken. De kelken blijven nog aan de plant hangen, wanneer de bloem +reeds lang uitgebloeid en afgevallen is. Deze Clerodendron is een zeer +dankbare bloeister. In den herfst laat zij haar bladeren vallen, en +men moet haar dan, in een slechts matig warm vertrek, vrij droog laten +overwinteren. Reeds vroeg in het voorjaar kan men haar insnijden en +verplanten, waarop zij weder op een zoo licht mogelijke plaats wordt +gebracht. Spoedig begint zij nu uit te groeien en weldra verschijnen, +na de eerste bladeren, ook de bloemen. + +Een van de meest in trek zijnde klimplanten is zeker wel de Hoya +carnosa (Wasbloem). Deze plant is afkomstig uit Indië; zij heeft +een vleezigen en sappigen stengel, eivormige, dikke, glanzend-groene +bladeren en zeer licht rose, welriekende bloemen, die het voorkomen +hebben, alsof zij uit was geboetseerd zijn. Vandaar ook haar naam. + +De bloemen vormen schermen en scheiden rijkelijk honig af, die dan als +druppels aan de bloemen hangt. Na den bloei moet men de steeltjes, +waaraan de bloemschermpjes zaten, niet afsnijden, daar deze de +eigenschap bezitten, ieder jaar nieuwe schermen voort te brengen. + +De Wasbloem wordt zeer veel, vooral op het platteland, aangetroffen, +en, hoewel haar scheuten tot 6 Meter lang kunnen worden, kweekt +men ze toch meestal tegen waaiervormige houten rekjes. Deze moeten +echter voldoende sterk gemaakt worden, daar een groote plant met haar +dikke bladeren en stengels tamelijk zwaar is. Hoewel de Hoya pas als +oudere plant bloeit, is zij toch ook jong een aanbevelenswaardige +kamerplant; immers zij heeft een zeer eigenaardig voorkomen, en is in +alle opzichten bestand tegen droge lucht, stof en andere ongunstige +invloeden, waarvan de meeste kamerplanten zoozeer te lijden hebben. + +De fraaiste bloeisters onder de klimplanten zijn zeker wel de +Passiflora's (Passiebloemen). Zij behooren te huis in de tropen en +haar bladeren hebben eenige overeenkomst met die van de klimop. Door +de schoone kleurschakeeringen harer bloemen, die wel is waar snel +uitbloeien, door de elegante bladeren en door het geheele voorkomen +der plant, zijn zij een zeer fraai sieraad voor de kamer. De +naam Passiflora wordt afgeleid van de woorden passio, het lijden, +en flos, de bloem. De in het jaar 1654 te Sienna overleden pater +J.B. Ferari, vergeleek toch de verschillende bloemdeelen der gewone +blauwe Passiebloem (Passiflora coerulea) met de werktuigen, waarmede +Christus gemarteld werd. + +De Passiebloem moet gekweekt worden in een krachtigen, voedzamen +grond. Eenige soorten, zooals de Passiflora coerulea en de Passiflora +hybr. Constance Elliot, zijn zeer hard en kunnen des zomers zelfs +ter versiering van de veranda of het balkon gebruikt worden. Staan +zij op een zeer beschutte plek en worden zij goed gedekt, dan kan +men ze zelfs buiten laten overwinteren. Een der schoonste soorten, +die het gansche jaar in de kamer goed groeit, is de Passiflora +hybr. Impératrice Eugénie, die groote, lichtblauwe bloemen heeft. + +Onder de klimplanten voor de warme kamer zijn er ook enkele, die +uitsluitend ter wille van haar bladeren gekweekt worden, en hieronder +behooren de tegenwoordig zeer gezochte Asparagus-soorten. Deze kan men +zeker wel tot de sierlijkste planten rekenen. Zij hebben fijn loof, dat +uit zeer kleine naaldjes bestaat, die een frisch groene kleur hebben, +terwijl zij zich nu en dan met kleine, zwak welriekende bloempjes +tooien. Hoewel de Asparagus het best groeit, wanneer zij in een kas +wordt uitgeplant, houdt zij zich toch in een kamer met slechts lage +winter-temperatuur zeer goed, en zijn er onder de klimplanten maar +weinigen, die, in een pot voor het venster geplaatst, een fraaier +effect maken. De meest aanbevelenswaardige soorten zijn de Asparagus +plumosus en Asparagus plumosus nanus. De laatste groeit als jonge plant +zeer gedrongen, doch vormt ouder geworden flinke lange ranken. Zeer +goed groeit ook in een vertrek de Asparagus Sprengeri. + +Een met de Asparagus zeer na verwante klimplant, die echter veel +grootere bladeren, doch even dunne twijgjes heeft, is de Medeola +(Myrsiphyllum) asparagoïdes. Sinds eenige jaren is deze plant zeer +verspreid geraakt, en haar stengels worden vooral veel gebruikt +voor tafelversiering. In een gesloten vertrek groeit de Medeola +vooral des zomers niet best. Voor het venster van een kamer, dat +veel gelucht wordt, groeit ze echter uitstekend; vooral, wanneer men +loodrechte draden van uit den pot spant; waar zij dan snel tegen op +zal klimmen. De Medeola heeft een knolvormigen wortelstok en is dus +een overblijvende plant; toch doet men beter ieder jaar jonge planten +uit zaad te kweeken. De harde zaden worden in Februari gezaaid. In +een warme kamer geplaatst, zullen ze in een paar weken kiemen. + +Zoodra zij groot genoeg zijn, worden de jonge plantjes in kleine +potjes gezet en in den loop van het voorjaar verplant in potjes, die +een wijdte hebben van 10-12 cM. De beste grondsoort is een mengsel +van gelijke deelen blad- en heidegrond, waarbij een weinig scherpzand +wordt gevoegd. + +Veel klimplanten voor de koelere kamers, die des zomers veel gelucht +worden, kunnen ook voor de bekleeding van veranda's en balkons +gebruikt worden. + +Bijzondere aanbeveling verdient de Cobæa scandens. Deze plant is +afkomstig uit Mexico; zij heeft gevinde, in een rank eindigende +bladeren en groote, klokvormige bloemen, die, wanneer zij ontluiken, +lichtgroen, later echter fraai donkerpaars zijn. De afbeelding +(Fig. 170) toont een jonge plant, die nog geen bloemen draagt en die +in horizontale richting is geleid. Deze wijze van leiden is beter +dan verticaal, de groei is dan niet zoo welig, doch de bloei veel +rijker. Zeer sierlijke bloeisters met kleine pijpvormige bloemen +zijn de Maurandia's, die ook in Mexico te huis behooren. Verder zijn +als klimplanten zeer aan te bevelen de Lophospermum scandens, met +mooie bladeren en zeer fraairoode, pijpvormige bloemen; de Thunbergia +alata, met gele of witte bloemen, die een zwart hartje hebben; verder +verschillende soorten van Ipomæa (Winde) met groote, verschillend +gekleurde bloemen en de Phaseolus multiflorus (Pronkboonen), met +trosjes donkervermiljoenroode bloemen. Tot de éénjarige klimplanten +behoort ook nog de Lathyrus odoratus, waarvan vooral de zoogenaamde +Eckfordsche variëteiten met groote witte, gele, roode en blauwe +bloemen, die zeer welriekend zijn, aanbeveling verdienen. Deze +Lathyrus wordt niet zeer hoog, hoogstens 1 1/2 Meter, en zij is +dus zeer geschikt om hekjes en balustraden te bekleeden. De harde, +erwtvormige zaden worden in April direct in de bakjes gezaaid. Voor +het bekleeden van vensters is zeer aan te bevelen de Tropæolum +(Oost-Indische kers), die met zeer groote, donkerroode bloemen +bloeit. Een zeer aanbevelenswaardige soort is vooral de Tropæolum +Lobbianum, daar dit ook een uitnemende winterbloeister is. Deze soort +laat zich uitsluitend door stekken voortkweeken. Een zeer schoone, +houtachtige klimplant, voor koude, doch zeer zonnig gelegen vertrekken, +is de Solanum jasminiflorum, waarvan de in trossen verschijnende +witte, inwendig gele bloemen zeer veel overeenkomst hebben met die +van den Aardappel. Deze plant verlangt voedzame aarde en in haar +groeiperiode rijkelijk water, terwijl zij in den zomer ook nu en dan +gegierd kan worden. + +Onder de, slechts om haar bladeren gekweekt wordende klimplanten +mag zeker de Hedera (Klimop) niet vergeten worden. De verschillende +Klimopsoorten zijn uitstekende kamerplanten en vooral de groenbladige +komt daarvoor in aanmerking. In Duitschland vindt men op het platteland +dikwijls Klimop in de kamers gekweekt, waarvan de takken niet alleen de +vensters omlijsten, maar zelfs den geheelen zolder met een groen kleed +bedekken. Hieruit kan men wel opmaken, dat deze plant, die ook vaak +in de bosschen voorkomt, geen groote behoefte heeft aan licht. Hoewel +de Klimop een plant is, die onze winters uitstekend verdraagt, en dan +ook veel voor het bekleeden van buitenmuren wordt gebruikt, gewent +zij zich toch zeer goed aan de kamer; alleen moet zij des winters +niet staan in een vertrek, dat gesloten gehouden en verwarmd wordt. + +Zeer fraai zijn de kleinbladige en bontbladige Klimopsoorten, waarvan +sommigen zeer veel wit en geel in de bladeren hebben. Een dergelijke +soort, wellicht de schoonste van alle bontbladige Klimopsoorten, is +de Hedera maderensis fol. var. Wil men met het kweeken van Klimop +succes hebben, dan moeten de planten zeer zuiver gehouden worden; +door onophoudelijk afwasschen moet men stof en ongedierte geregeld +verwijderen. + +Naast de Klimop is de Ampelopsis quinquefolia (Wilde Wingerd) de +meest gebruikte plant, om in de steden de veranda's en balkons te +bekleeden. Wil men Klimop of Wilde Wingerd voor dit doel gebruiken, +dan worden zij in bakjes geplant, waarin zij verscheidene jaren kunnen +blijven staan. De Ampelopsis moet ieder voorjaar flink ingesneden +worden. Gedurende den winter bedekt men de bakjes met een oud kleed of +met droog blad, of wel, men zet ze tot het voorjaar in een luchtigen +kelder. + +Een, om haar bladeren, zeer lieve klimplant is de Pilogyne suavis, +een plant, die tot de familie der Pompoenen behoort. Zij is afkomstig +van de Kaap de Goede Hoop, heeft fraaie bladeren en onbeteekenende, +witachtige bloempjes, die zeer aangenaam rieken. Deze plant, die zich +gemakkelijk door stekken laat voortkweeken, verlangt een voedzame +aarde. Zij groeit voor het zonnige venster van een gesloten kamer +evengoed als buiten, en zij is een van de weinige klimplanten, die +ook des winters doorgroeien. + +Zeer veel gelijkenis met de Pilogyne, die zich slechts door +stekken laat voortkweeken, wijl zij geen zaden geeft, heeft de +Melothria abyssinica, die zeer gemakkelijk uit zaad kweekt. Dit is +een betrekkelijk nieuwe klimplant, die ter wille van haar schoone +bladeren gekweekt wordt. Zij bloeit zeer rijk met kleine, stervormige +bloempjes, die later door oranje vruchtjes worden gevolgd. + +Een, om haar bladeren, zeer fraaie klimplant is ook de Mikania +scandens; zij heeft Klimopvormige bladeren en laat zich zeer +gemakkelijk uit stek voortkweeken. Er bestaat een variëteit van +met wit- en roodbonte bladeren; deze is zeer fraai, maar zeer zwak +en gevoelig. Voor het bekleeden van veranda's en balkons kunnen wij +ten slotte nog zeer aanbevelen de Humulus japonicus en haar witbonte +variëteit. De eerste groeit zeer snel en is veel sterker dan de tweede, +die echter met haar bonte bladeren een zeer fraai effect maakt. Beiden, +de Humulus japonicus en haar variëteit, laten zich zeer gemakkelijk +uit zaden voortkweeken, die in de tweede helft van Maart bij voorkeur +warm moeten gezaaid worden. + +De overblijvende, houtachtige klimplanten worden, evenals de +kruidachtige, door stekken voortgekweekt; de éénjarige of als zoodanig +behandelden daarentegen, zooals de Cobæ, Lophospermum, Maurandia, +Melothria, Humulus en Lathyrus, doet men het best ieder jaar uit zaden +te kweeken. De zaden worden in Februari of Maart gezaaid en voor het +venster gezet; zoodra zij opgekomen zijn, worden zij gerepikeerd, of, +zoo de zaailingen sterk genoeg zijn, direct in potjes gezet. Is het +noodig, dan worden zij nog eens verpot, voordat men ze in het begin +van Mei buiten zet. Tegen het einde van Mei kunnen de zoo opgekweekte +klimplanten in de bakjes worden uitgeplant, waarin zij dan spoedig +flink zullen doorgroeien. Heeft men gemakkelijk groeiende klimplanten +zooals Ipomæa, Phaseolus of Tropæolum, dan kunnen de zaden tegen half +April, direct in de bakjes worden gezaaid. + + + + +Hang- of Ampelplanten. + +Tusschen de, in het vorige hoofdstuk besproken klimplanten en +die, welke wij hang- of ampelplanten noemen, bestaat een werkelijk +verschil. Zeer veel liefhebbers kennen het verschil niet tusschen klim- +en hangplanten; zij meenen, dat de klimplanten ook als hangplanten +kunnen dienst doen, dat men ze niet alleen voor het bekleeden van +een veranda of balkon, maar ook voor het beplanten van een ampel kan +gebruiken. Deze opvatting is echter geheel verkeerd. Een klimplant +toont altijd de neiging ergens tegen op te willen klimmen en hoe +steiler dit voorwerp is, des te sterker is haar groei. Worden toch de +scheuten van een klimplant in horizontale richting geleid, dan wordt +de groei veel minder en laat men ze hangen, dan groeien zij bijna +in het geheel niet meer. Enkele klimplanten kunnen echter wel als +hangplanten gebruikt worden, zooals enkele Vitis-soorten en de Ficus +repens, welke laatste slechts in warme kassen tegen vochtige stammen +of muren opklimt, in een pot gekweekt, echter geheel het voorkomen +van een hangplant aanneemt. Het is echter niet te weerleggen, dat +een als hangplant gekweekte klimplant tegen haar natuur in wordt +behandeld en dat zij nooit een volmaakte ontwikkeling zal bereiken. + +De eigenlijke hangplanten toonen nooit neiging om te klimmen; het +zijn meestal kruidachtige planten, die naar haar voorkomen in drie +groepen kunnen ingedeeld worden. De eerste groep bezit grasachtige, +direct uit den wortelstok spruitende halmen, die niet sterk genoeg +zijn, om zichzelf rechtop te houden en dus naar beneden hangen. Bij de +tweede groep kruipen de stengels in haar natuurstaat over den grond +en de derde groep vormt, evenals de aardbeien, ranken, waaraan op +bepaalde afstanden jonge planten ontstaan. + +Al deze drie soorten van hangplanten kunnen in een kamer op dezelfde +wijze gebruikt worden. In een voor het venster hangenden ampel maken +alle hangplanten een schoon effect; maar men kan ze ook gebruiken +langs de kanten van bloemtafels, bloemrekjes en bakjes, die door haar +een schilderachtig voorkomen verkrijgen. + +De eerste der bovengenoemde groep van hangplanten wordt in de kamer +vertegenwoordigd door het geslacht Isolepis. Er zijn twee soorten, +de Isolepis pygmæa en de Isolepis gracilis. Beide soorten, die +veel op elkander gelijken, komen zeer veel voor; het zijn, met +haar aan het eind van den halm zittende onbeduidende bloempjes, +dankbare kamerplanten. Daarbij stellen zij geen zeer hooge eischen; +zij verlangen een lichte plaats, in den zomer veel lucht en in den +winter slechts matig warmte, en, daar zij tot moerasgewassen behooren, +moeten zij in haar groeitijd volop water hebben. Het best doet men +deze planten steeds in bakjes met water te zetten. Zeer fraai groeien +zij in een zoogenaamd goudvisschenglas. Dergelijke glazen zijn voor +de goudvisschen werkelijke martelwerktuigen, en moesten in beschaafde +gezinnen niet meer voor het houden van dieren gebruikt worden. Een +dergelijk glas vult men met water en zet dan in den nauwen hals een +pot met Isolepis, waaruit men den bodem geslagen heeft. De wortels +groeien in het glas en de planten zullen vooral dan weelderig groeien, +wanneer men om de twee of drie weken een zeer kleine hoeveelheid +chemischen kunstmest in het water doet. Iedere pot met Isolepis +bevat een zeer groot aantal dicht te zamen groeiende grasplanten, +waarvan de middelste geel worden, wanneer men haar niet ieder jaar +uit den pot neemt en in vier, vijf of zes stukken verdeelt. Nadat +men dan de halmen teruggesneden heeft, wordt ieder deel in een +ongeveer 10 cM. wijden pot, in goede, zandige broeiaarde, niet te +vast, opgepot. Zeer spoedig zullen de zoo behandelde planten jonge +wortels maken en welig doorgroeien. + +Van vele der tot de tweede groep behoorende ampelplanten hebben wij +reeds vroeger melding gemaakt, zoo o.a. van de Pelargonium peltatum en +van twee soorten Campanula's. De meest bekende der hiertoe behoorende +ampelplanten zijn de uit Amerika stammende Tradescantia's. Deze zeer +bekende hangplanten worden overal gekweekt en zijn in alle kweekerijen +te verkrijgen. De bekendste soort is de Tradescantia guianensis, +met groene bladeren, waarvan ook variëteiten met geel- en witbonte +bladeren bestaan. Zeer aanbevelenswaardig zijn de Tradescantia zebrina +en de Tradescantia multicolor, beiden met zeer fraaie bont gestreepte +bladeren. De Tradescantia's groeien in de kamer zeer goed, hoewel men +ze ook des zomers buiten kan houden. Men plant ze in goede broeiaarde +en geeft ze, als moerasplanten, volop water. Hangt men ze in de zon, +dan verkrijgen de bladeren een fraaien glans. Het best doet men de +Tradescantia's jaarlijks uit stekken te kweeken, waarvan men er +verscheidene in een 10 cM. wijden pot kan steken. Zij groeien in +ieder jaargetijde zeer gemakkelijk en maken reeds na weinige dagen +volop wortels. + +Meer warmte dan de Tradescantia verlangt de Oplismenus (Panicum) +variegatus met groene, wit gestreepte bladeren. Het best groeit +deze plant in het kamerkasje, wanneer men haar jaarlijks uit stekken +kweekt, waarvan er meerdere in een 10 cM. wijden pot kunnen gestoken +worden. Ook de Oplismenus bemint zeer veel vocht en wil herhaaldelijk +bespoten worden. Eene hardere, eveneens bontbladige, grassoort is de +Stenotaphrum glabrum. Zij is uit Amerika afkomstig, heeft smalle, +wit en groen gestreepte bladeren en groeit in de warme en koude +kamer. Zij verdraagt uitstekend de volle zon en laat zich gemakkelijk +door stekken voortkweeken. + +Een minder bekende, zeer schoon bloeiende ampelplant is de Lotus +peliorhynchus, een vlinderbloemige plant, afkomstig van Teneriffe. Zij +heeft grijsgroene, somtijds bijna zilverwitte twijgen en zeer +dunne blaadjes, die eenigszins op Asperge-blaadjes gelijken. De +fijne bladeren, die slechts zeer weinig water uitdampen en de +dichte beharing, die den dauw vasthoudt, zijn oorzaak, dat deze +plant op bijna naakte rotsen kan leven, in een land, waar somtijds +verscheidene maanden achtereen geen regen valt en waar de dauw de +eenige verfrissching voor de planten is. De inlanders noemen deze +plant Pico de Paloma, d.w.z. Duivensnavel. De onderste einden van de +twijgen tooien zich des zomers met scharlakenroode vlinderbloemen, +die in dichte bosjes bij elkander staan. Deze schoone ampelplant groeit +in bijna iedere aardsoort; zij verlangt 's winters slechts zeer weinig +warmte en staat des zomers het liefst buiten in het plantenrekje, mits +dit beschaduwd is. De voortkweeking geschiedt door stekken of zaden. + +Een zeer schoone hangplant, is de Asparagus Sprengeri. De gravure +(Fig. 175) toont duidelijk aan welk een fraaie plant zij vormt. Deze +Asparagus moet men koud overwinteren, zij wil des zomers buiten +gekweekt worden; ook houdt zij er van, in groote potten met zeer +voedzamen grond te staan, en verlangt des zomers veel water. De +voortkweeking geschiedt door zaden. + +Een zeer lief hangplantje is de Fuchsia procumbens, die in het najaar +haar bladeren laat vallen en die men in een vorstvrijen kelder +kan laten overwinteren. Zij heeft kleine blaadjes en zeer kleine, +aardig gekleurde bloempjes, waarop vrij groote, gedeeltelijk door +de bladeren bedekte roode bessen volgen. Deze plant laat zich uit +zaden voortkweeken. + +Een zeer sierlijke hangplant vinden wij onder de Selaginella's en +wel: de Selaginella cæsia. Deze heeft zeer dunne stengels, die overal +luchtwortels maken, en door kleine, staalblauwe, glanzende blaadjes +als met schubben bedekt zijn. Zij wil in de schaduw en zeer vochtig +staan. Men moet haar planten in groven heidegrond, en een plaats +geven in het kamerkasje. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk +door stekken. + +Twee vrij algemeen voorkomende planten, die ook wel in het wild worden +aangetroffen, zijn zeer geschikte ampelplanten; namelijk: de Lysimachia +nummularia (Penningkruid), waarvan vooral de geelbladige variëteit zeer +in trek is, en de Galeobdolon luteum, waarvan een bontbladige variëteit +in sommige streken veel als ampelplant wordt aangetroffen. Beide +planten groeien ook goed in de kamer; zij stellen bijna geen eischen +en laten zich gemakkelijk door stekken voortkweeken. Eerstgenoemde +plant kan men ook door deeling van den wortelstok vermenigvuldigen. + +Twee andere, veel verspreide ampelplanten zijn de Vinca minor en de +Vinca major (Maagdepalm), waarvan ook bonte variëteiten bestaan. Hoewel +deze planten veel in potten gekweekt voorkomen, hebben zij toch +grooter waarde ter versiering van den tuin. + +Onder de verschillende Succulenten (Vetplanten) worden ook eenige +zeer lieve ampelplanten aangetroffen o.a. de Othonna crassifolia, +die zich door dunne, neerhangende stengeltjes, die dicht met kleine +cylindervormige bladeren bedekt zijn, kenmerkt; ook de buiten +overblijvende Sedum Sieboldii en haar bonte variëteit zijn als +hangplanten zeer in trek. Deze laatsten sterven in het najaar tot +aan den grond af, en kunnen dan in den kelder overwinteren. + +Beide soorten staan gaarne in de zon; zij groeien zelfs in mageren +grond en moeten des winters, evenals alle andere Vetplanten, droog +gehouden worden. Men kan beide soorten zeer gemakkelijk door stekken +voortkweeken. + +Onder de hangplanten, die tot de derde groep behooren, en die, +evenals de aardbeien ranken maken, is wel het meest bekend de Fragaria +indica. Deze plant houdt het bij ons des winters buiten uit; zij vormt +lange ranken, die met jonge plantjes bezet zijn, en bloeit zeer rijk +met kleine, gele bloempjes. Op de bloemen volgen aardige besjes, die +het voorkomen hebben van kleine aardbeien, doch geheel smakeloos zijn. + +Een zeer verspreide plant is ook de Saxifraga sarmentosa, afkomstig uit +China en Japan. Zij heeft sterk behaarde, sierlijk geaderde bladeren +en maakt talrijke, roodachtige ranken. In het voorjaar brengt deze +plant groote, rechtop staande bloemtrossen voort, met kleine, witte of +rose bloempjes. Een bonte vorm, de Saxifraga sarmentosa var. tricolor +heeft zeer fraaie, wit, groen of geelbonte bladeren, doch is zeer +zwak en groeit slecht. De Saxifraga groeit in bijna iedere aardsoort +en houdt niet van veel warmte. Als derde rankenvormende ampelplant +kan aanbevolen worden de Chlorophytum Sternbergianum. Deze plant, +die tot de familie der Liliaceeën behoort, groeit in een gesloten +kamer zeer goed. + +Al de rankenvormende hangplanten laten zich gemakkelijk voortkweeken; +men neemt eenvoudig de aan de ranken hangende plantjes, die meestal +reeds beworteld zijn, en plant ze afzonderlijk in potjes, waarin zij +dadelijk zullen doorgroeien. + +Van de klimplanten, die ook als hangplanten gebruikt kunnen worden, +kan gerust de Ficus repens worden aanbevolen, waarvan ook een zeer +kleinbladige variëteit de Ficus minima bestaat. Beide behooren in +Japan thuis; zij groeien zeer gemakkelijk in de kamer, doch laten +zich zonder kamerkasje niet licht uit stekken voortkweeken. + + + + +Zomerbloemen. + +Onder den naam Zomerbloemen verstaan de meeste liefhebbers die planten, +welke binnen den tijd van één jaar, eigenlijk tusschen de Lente en den +Herfst, haar volkomen ontwikkeling bereiken. In dezen betrekkelijk +korten tijd worden zij gezaaid, bloeien zij, geven zij zaad om ten +slotte te sterven. Tot de Zomerbloemen worden ook wel eenige tweejarige +planten gerekend, die zeer vroeg in het voorjaar gezaaid, in den loop +van den zomer nog bloeien en ook wel eenige kruidachtige gewassen, +die dan als éénjarig worden behandeld, daar zij de overwintering in +de kamer niet loonen. + +Bijna al de tot deze categorie behoorende planten zijn voor +kamerplanten minder geschikt, daar deze gedeeltelijk lieve, +gedeeltelijk prachtige of met kleurrijke bloemen bloeiende planten +veel lucht en zon moeten hebben, waardoor zij dus in een gesloten +vertrek niet best willen groeien. Het zijn echter bij uitstek geschikte +tuinplanten. + +Enkele soorten van Zomerbloemen, waarvan prachtige variëteiten +gewonnen zijn, die echter niet altijd uit zaad constant blijken, +worden in potten gekweekt en buiten in het bloemenrekje voor het +venster geplaatst. + +Hiertoe behooren o.a. de gevuldbloemige Petunia's en Verbena's, +die, wil men ze zuiver houden, door stekken moeten worden +voortgekweekt. Deze soorten zijn ook zeer goed om er de bakjes mede +te beplanten. In deze bakjes kan men de Zomerbloemen alleen gebruiken, +of wel te zamen met Pelargoniums, Fuchsia's, Heliotropen, enz. + +Enkele Zomerbloemen vormen als zaailingen reeds dadelijk penwortels; +deze laten zich zeer slecht verplanten, en moeten dus direct in +de bakjes gezaaid worden. Van deze planten is er slechts één met +succes voor potten of bakjes te gebruiken, namelijk de Reseda odorata +(Reseda), een plant, die meer om den aangenamen geur, dan wel om het +fraaie voorkomen der bloemen gekweekt wordt. + +Met uitzondering van deze moeten de voor de bakjes bestemde +Zomerbloemen vroegtijdig gezaaid worden; de zaailingen worden dan een- +of tweemaal gerepikeerd en tegen het einde van Mei in de voor haar +bestemde bakjes geplant. Daar men de Zomerbloemen, om ze tijdig in +bloei te hebben, zeer vroeg moet uitzaaien, en ze meestal uit warmere +landen afkomstig zijn, dus ons voorjaarsklimaat niet kunnen verdragen, +moeten zij in een warmen bak uitgezaaid worden. + +Het opkweeken van dergelijke jonge planten is eigenlijk meer het +werk van den kweeker, die aan al haar eischen kan voldoen en in +het voorjaar, tegen billijken prijs, sterke, jonge planten kan +leveren. Aangezien echter menig liefhebber er pleizier in heeft, +zelf zijn Zomerbloemen te kweeken, willen wij in het kort mededeelen, +hoe dit moet geschieden. + +In Januari of Februari, wanneer de groote zaadhandelaars hun +catalogi hebben uitgegeven, moet de liefhebber zijn benoodigde zaden +bestellen. Met het zaaien begint men in Maart. Dit zaaien doet men +op de wijze, zooals in het daarover handelende hoofdstuk is aangegeven. + +Gewoonlijk zaait men op gezeefde, zandige broeiaarde, in vlakke +schalen of houten kistjes. Men moet er voor zorgen, dat iedere soort +afzonderlijk blijft. Dit gaat gemakkelijk, door grootere kistjes met +stokjes in vakken te verdeelen. De stokjes worden daartoe eenvoudig op +de van te voren vlak gemaakte en matig aangedrukte aarde gelegd. Zeer +fijne zaden, zooals bijv. Lobelia, die in het geheel niet gedekt +worden, zaait men het best in afzonderlijke potten. De zaadpannen +worden, nadat men gezaaid heeft, voor een venster van een niet te +warm vertrek gezet. De aarde wordt met den rafraîchisseur of een +fijnen broesgieter zóó aangegoten, dat zij matig vochtig blijft +en men bedekt ze, zoolang de zaden niet opgekomen zijn, wanneer +de zon schijnt, met een vel papier. Heeft men te dicht gezaaid, +zoodat de opkomende kiemplantjes elkander dadelijk raken, dan moet +men ze onverwijld uitdunnen, door de zwakste plant voorzichtig uit +te trekken. Lang kan men de opkomende zaailingen niet laten staan; +zij moeten spoedig in andere potten of bakjes gerepikeerd worden, wat +ook tot de vorming van haarworteltjes bijdraagt. Dit repikeeren is +bij zeer kleine kiemplantjes tamelijk moeilijk; bij grootere echter +gemakkelijk. Langzamerhand moeten de zaailingen aan de lucht en zon +gewend worden, om te voorkomen, dat zij uit haar kracht, doch stevig +en gedrongen groeien en tegen Pinksteren kan men ze dan in de voor +haar bestemde bakjes uitplanten. + +De bakjes, die van een goede drainage moeten voorzien worden, vult +men met voedzamen grond, die matig aangedrukt wordt; zij worden zóó +hoog gevuld, dat er niet meer dan een gietrand vrij blijft. Het +best geschikt is een mengsel van vier deelen broeiaarde met één +deel graszodengrond en 1/2 deel zand, waaraan wat duivenmest of +hoornspaanders worden toegevoegd. Heeft men de bakjes klaargemaakt, +dan worden de zaadplanten voorzichtig uit de schalen genomen, waarbij +men er voor zorgt, dat de aarde tusschen de worteltjes blijft zitten, +waarna zij in de bakjes worden geplant. Voor ieder plantje maakt men +met het repikeerhoutje een gaatje, houdt het daar met de linkerhand zóó +diep in, dat het met de onderste bladeren op de aarde komt te rusten, +en drukt daarna met de rechterhand de aarde goed om de wortels aan. Op +deze wijze plant men den eenen zaailing na den anderen, totdat het +bakje gevuld is, waarna de plantjes goed aangegoten worden, waartoe +men natuurlijk een fijnen broesgieter moet gebruiken. + +Men moet de jonge plantjes vooral niet te dicht planten. Heeft men een +bakje van 1 Meter lengte, dan zijn 15 plantjes ruim voldoende om het +te vullen. Staan de bakjes vrij, zoodat de planten over de randen heen +kunnen hangen, dan kan men iets dichter planten; staan zij echter tegen +een hekje of balustrade, dan doet men het best klimplanten te gebruiken +en er blijft dan voor de Zomerbloemen geen voldoende ruimte over. + +Als zomerbloemen, die uitstekend voor bakjes geschikt zijn, kunnen +aanbevolen worden de witte en de blauwe variëteiten van Ageratum; +de Callistephus (Aster) chinensis, waarvan talrijke variëteiten met +prachtig gevulde bloemen bestaan; ook zijn er in den laatsten tijd +schoone enkele vormen van gewonnen. Men moet de Asters niet te vroeg, +pas in Mei, zaaien, daar het echte najaarsbloemen zijn. Verder kunnen +aanbevolen worden: Lobelia Erinus, lieve gedrongen plantjes, die met +witte of blauwe bloempjes als overdekt kunnen zijn; Matthiola annua +(Zomerviolieren), waarvan veel schoone, enkele en gevulde variëteiten +bestaan; Mimulus hybridus, met geel en bruin gestippelde of gevlekte +bloemen; Petunia hybrida, voornamelijk de variëteiten met groote, +gevulde en gefranjede bloemen; Phlox Drummondii (Vlambloem), met vurig +gekleurde bloemen; Verbena hybrida, zeer rijkbloeiende planten, met +blauwe, witte en roode bloemschermen; Zinnia hybrida, bij voorkeur +de gevuldbloemige variëteiten. + +De Zomerbloemen groeien alleen goed op een zonnige, luchtige +standplaats. Plant men ze in goede, voedzame aarde, en zorgt men voor +een regelmatige begieting, dan zijn het zeer dankbare bloeisters, +vooral wanneer men er om denkt ze des zomers ook nu en dan te +gieren. Veel zorg vereischen zij dan overigens niet. De bakjes +moeten vrij van onkruid gehouden worden; des zomers na een warmen, +zonnigen dag, besproeit men ze met een gieter; de hoog opgroeiende +bloemstengels moeten aan stokjes gebonden, de slechte bladeren en +uitgebloeide bloemen tijdig afgesneden worden. De Zomerbloemen bloeien +even dankbaar als de Fuchsia's, Pelargoniums en Begonia's, en eerst een +sterke vorst maakt een einde aan haar bloei. Zijn zij eenmaal bevroren, +dan maakt men de bakjes leeg, droogt ze en laat ze zoo noodig verven, +waarop zij tot de tweede helft van Mei van het volgende jaar worden +bewaard, ten einde ze dan weder met jonge plantjes te vullen. + + + + +Cacteeën. + +Tot de interessantste gewassen van het plantenrijk behooren +ongetwijfeld de vertegenwoordigers van de, aan soorten zoo rijke +familie der Cacteeën, er zijn dan ook niet weinig liefhebbers, die +deze planten met voorliefde kweeken. Tusschen de jaren 1830-1850 +namen de Cactussen een voorname plaats onder de kamerplanten in. + +In de Botanische Tuinen en de plantencollecties van voorname +liefhebbers vond men toen ter tijde zeer uitgebreide verzamelingen +dier planten. + +Op dezen bloeitijd volgde een tijd, waarin zij geheel veronachtzaamd +werden; de slechts om haar interessant voorkomen belangwekkende +soorten verdwenen geheel, en slechts eenige fraai bloeiende konden +zich eenigszins handhaven. In de laatste jaren begint echter de +liefhebberij voor deze planten weder aanmerkelijk te herleven. + +De Cactussen behooren tot die planten, welke er zich uitstekend +toe leenen om in de kamer voor het venster gekweekt te worden, en, +groeien zij ook langzaam, de liefhebber kan er verscheidene tientallen +van jaren genoegen van hebben, daar zij, bij een eenigszins juiste +behandeling, een zeer langen levensduur hebben. Het is bekend, +dat de Cacteeën, die in haar vaderland op een zeer onvruchtbaren, +zandigen bodem groeien, slechts zeer weinig eischen stellen. Bij het +verplanten en bij de geheele behandeling dier planten moet men zeer +voorzichtig zijn, daar veel soorten scherpe dorens bezitten, waaraan +men zich licht kan verwonden; vooral moet men voorzichtig zijn, dat +er geen dorens onder de nagels of in een der handgewrichten komen, +daar ze dan pijnlijke verzweringen kunnen veroorzaken. Behandelt men +Cactussen, dan is het voorzichtig steeds een pincet bij de hand te +hebben, ten einde de in de huid geraakte dorens dadelijk te kunnen +verwijderen. Er zijn echter ook veel soorten, die geheel zonder of met +zeer onschuldige dorens gewapend zijn, en die men dus zonder gevaar +met de bloote hand kan aanraken. Moet men sterk gedoornde soorten +behandelen, dan doet men het wijst òf een goeden leeren handschoen +aan te trekken òf zich van een stuk leer te bedienen, waarmede men +de plant vasthoudt (Fig. 184). + +In het begin van Mei, wanneer de groeiperiode der Cactussen begint, +is het de beste tijd om ze te verplanten; met die soorten echter, +welke dan juist knoppen of bloemen hebben, moet men wachten, +tot zij uitgebloeid zijn. Het is nòch noodig, nòch geraden de +Cactussen jaarlijks te verpotten; slechts voor jonge planten van +snel groeiende soorten kan dit wenschelijk zijn. Gewoonlijk is het +voldoende jonge planten om de twee en oudere om de drie of vier +jaar te verplanten. Beginnen zij er echter slecht uit te zien en +heeft men reden om dit aan de aarde toe te schrijven, dan mag met het +verplanten niet gedraald worden. De meest geschikte aarde bestaat uit +3 deelen ouden heidegrond, 2 deelen goed verteerden graszodengrond +en 1 deel scherp zand. Natuurlijk zijn er kweekers, die met een +ander grondmengsel ook zeer goede resultaten verkrijgen, wat niet te +verwonderen is, daar Cactussen in dit opzicht zeer gemakkelijk zijn, +en ieder, mits niet te licht, grondmengsel haar past. Vóór dat men ze +verplant, laat men de Cactussen goed opdrogen, opdat de oude aarde +gemakkelijk tusschen de wortels te verwijderen zij. De Cactussen +behooren tot die planten, welke niet veel wortels hebben, en dus +moeten alle gezonde wortels zooveel mogelijk gespaard worden. Wanneer +men de wortels verwondt of er aan snijdt, dan gaan zij licht tot +rotting over; derhalve moet het mes alleen gebruikt worden om zieke, +verdroogde of beschadigde wortels te verwijderen. Nadat men de oude +aarde zooveel mogelijk tusschen de wortels heeft uitgeschud, zoekt men +een pot om haar in te planten. Gezond en krachtig groeiende planten +kan men potten geven, 3-4 cM. wijder dan die, waarin zij stonden; +zwakke en wortelzieke worden echter gezet in hetzij even groote, +hetzij kleinere potten. Heeft men Cactussen, die zeer breed worden, +dan doet men het best ze in schalen te planten. Door het gebruik van +te groote potten heeft reeds menig liefhebber zijn planten ten gronde +gericht. Juist voor Cactussen met haar, in vergelijking met andere +planten, zwak wortelgestel, zijn te groote potten nadeelig; de wortels +kunnen niet in alle richtingen door de aarde heen, die daardoor niet +opdroogt, verzuurt en zoodoende ziekte van de plant veroorzaakt. De +potten moeten van een goede drainage voorzien worden; hierop legt men +wat grof sphagnum en daarop een laagje aarde. De plant wordt nu zóó +in den pot gehouden, dat zij een juiste houding heeft, waarop de pot +verder met aarde wordt aangevuld, die matig moet worden aangedrukt. Men +mag de Cactussen slechts zóó diep planten, dat de wortels juist met +aarde bedekt zijn. In tegenstelling met andere planten, mogen de +verpotte Cacteeën niet direct worden aangegoten; men laat ze eenige +dagen staan, om ze eerst daarna water te geven. Verplante Cactussen +moeten toch, voordat zij bewijzen van groei beginnen te geven, uiterst +matig begoten worden, dat men bij voorkeur op goed zonnige dagen doet. + +De voortkweeking der Cactussen kan langs natuurlijken weg door zaaien +en langs kunstmatigen door stekken of veredelen geschieden. Over +het veredelen van deze planten is zeer uitvoerig in het hoofdstuk: +"De kunstmatige voortkweeking der kamerplanten" gesproken, waarnaar wij +meenen dan ook nu te kunnen verwijzen. De beste maand voor het kweeken +uit zaad is Maart of April. Men neemt potten van 8-10 cM. wijdte, +of, nog beter, kleine vlakke schalen; deze worden tot over de helft +met potscherven en stukjes houtskool gevuld. De beste aarde om er de +fijne, meestal zwarte zaden in te zaaien, is heideaarde, die vrij is +van rottende bestanddeelen, waarbij minstens een vijfde gedeelte fijn, +wit zand wordt gevoegd. Men vult den pot zóó ver met dit aardmengsel, +dat het 1 cM. beneden den rand blijft. De aarde wordt nu gelijkmatig, +doch niet te vast aangedrukt, waarop de zaden niet al te dik worden +uitgestrooid. Zeer kleine zaden worden natuurlijk niet, grootere +met een dun laagje zeer fijne aarde gedekt, daar de teere zaailingen +anders niet door de aardlaag kunnen heendringen en daardoor zouden +verstikken. De zaadpotten worden nu met den rafraîchisseur behoorlijk +bevochtigd, waarbij men er op moet passen, dat zij niet op hoopjes +spoelen, wat zeer gemakkelijk kan gebeuren. De aldus behandelde +zaadpotten worden nu met een glasplaat bedekt en voor een zonnig +venster gezet, daar de zonnewarmte een goeden invloed op de kieming +heeft. Om echter te sterk uitdrogen te voorkomen, legt men, zoolang de +zaden nog niet gekiemd zijn, een vel papier over de potten. Evenals bij +andere zaadpotten worden ook nu de glasplaten er dagelijks afgenomen +om afgedroogd te worden, waarbij men dan zoo noodig de aarde ook +een weinig kan bevochtigen. Jonge kiemplantjes vormen eerst twee +kiemblaadjes, waartusschen dan het kopje of bij blad-Cactussen het +blaadje zich ontwikkelt. Daar er tusschen de plantjes gemakkelijk mos +ontstaat, hetwelk het indringen van de lucht in de aarde belet en den +groei der zaailingen stuit, is het noodig, deze laatsten zoo spoedig +mogelijk te repikeeren. Voor dit repikeeren neemt men potten, die op +dezelfde wijze met aarde zijn gevuld als die, welke voor het zaaien +werden gebruikt. Daar de jonge kiemplantjes zeer teer en daardoor +lastig met de vingers te hanteeren zijn, gebruikt men, om ze uit +den pot te lichten, twee dunne, puntige houten stokjes, die men als +een schaar aan elkander gebonden heeft. Met een ander stokje wordt +een gaatje in de aarde gestoken, waarin het jonge plantje tot aan de +kiemblaadjes gelegd wordt. Bij deze bewerking moet men er op letten, +dat al de wortels rechtstandig in het gaatje komen. De onderlinge +afstand tusschen de gerepikeerde plantjes moet 2-2 1/2 cM. bedragen. De +zoo behandelde plantjes kunnen ongeveer 1 1/2 jaar rustig blijven +staan, waarna zij ieder afzonderlijk in kleine potjes worden opgepot. + +Fig. 185 toont een bakje met gerepikeerde Cactus-zaailingen, die sterk +genoeg zijn om afzonderlijk te worden opgepot. Het voortkweeken uit +zaden is tamelijk omslachtig en vereischt zeer veel zorg; besteedt +men er echter de noodige zorg aan, dan kan men steeds van een gunstig +resultaat zeker zijn. De jonge zaailingen worden in de vensterbank +verder gekweekt, waar zij in den beginne tegen te felle zon moeten +geschermd worden. In den zomer moet men ze rijkelijk begieten en +des winters mogen zij niet zoo droog gehouden worden als de oudere +planten, daar zij nog zeer teer zijn en gemakkelijk verschrompelen. Om +de jonge plantjes en ook zeer zwakke soorten te laten overwinteren, +zijn de kamerkasjes voor Cacteeën zeer aan te bevelen. Deze kasjes +zijn van losse plankjes voorzien, die men er, met de planten er op, +uit kan nemen. Naar onze afbeelding (Fig. 186) is zulk een kasje +gemakkelijk te maken, zij worden op een voetstuk voor het venster of, +wanneer zij zeer smal zijn, in de vensterbank gezet. + +Een aardigheid, die nogal interessant is, is het zaaien van kleine, +fijne Cactussen in een medicijn-fleschje. In zulk een fleschje +brengt men een weinig aarde, maakt het voldoende vochtig, waarna +men er eenige zaadkorrels in werpt. Hierna doet men de kurk op het +fleschje, waarna het voor het venster gezet wordt. Daar geen vocht +uit het fleschje verdampen kan, kiemen de zaden er gemakkelijk in en +groeien zoo lang verder, totdat de aarde, waarin zij staan, volkomen +uitgeteerd is. Fig. 187 toont Cactussen, die in zulk een fleschje +gekweekt en ruim anderhalf jaar oud zijn. + +De voortkweeking door stekken gaat veel gemakkelijker en veel +sneller. Het stekken van Cactussen gaat gemakkelijker dan bij andere +planten, omdat men zoo min aan de grootte als aan de snede der +stekken gebonden is. Heeft men kogelvormige Cactussen, die meestal +jonge scheutjes maken, dan worden deze eenvoudig van de oude plant +afgebroken. Bij de blad-Cactussen, neemt men enkele samenhangende +bladgeledingen. Men kan er echter ook één nemen en zelfs een stuk +van zulk een geleding zal nog goed groeien. Zuil-cactussen worden +eenvoudig in zooveel stukjes gesneden als men planten verlangt te +verkrijgen. De pas gesneden stekken mogen in geen geval direct in +den grond gezet worden, daar zij dan zeker gaan rotten; men moet er +dus voor zorgen, dit niet te doen, voordat de wond goed opgedroogd +is. Hiertoe legt men de stekken eenige dagen in de vensterbank, zoodat +de zon er op schijnen kan, en al liggen zij een paar dagen langer, +dan zal dit haar geen kwaad doen; ja, men kan zelfs Cactus-stekken, +die maanden droog gelegen hebben, nog met een vrij zeker resultaat +opplanten. Het best wortelen de stekken in goed uitgewasschen scherp +zand. Een schaal of plat kistje wordt, na van behoorlijke drainage +voorzien te zijn, met dit zand, wat niet te vochtig mag wezen, gevuld, +waarop men de stekken er in steekt. Men zorgt er voor, dat zij niet te +diep en ongeveer een vinger breedte van elkander verwijderd komen te +staan. Evenals bij de zaadpotten, is het voorzichtig, ook de stekpotten +met een stolp te bedekken, doch men behoeft ze niet voor de zon te +schermen; die mag er gerust op schijnen. Het zand in de stekpotten +moet tamelijk droog gehouden worden; geheel opdrogen mag het echter +niet. De stekken moeten niet te dikwijls bespoten worden en dan slechts +uitsluitend bij helder weer. Al naar het jaargetijde en de soorten, +gaat de beworteling sneller of langzamer; gewoonlijk duurt deze van +14 dagen tot 6 weken. De goed bewortelde stekken worden voorzichtig +uit de stekpotten genomen en in evenredig groote potten geplant, +waarop zij, nadat zij vast zijn gaan staan, als de andere Cacteeën +behandeld kunnen worden. + +Wil men Cactussen met succes kweeken, dan moet men over een zeer +zonnig gelegen venster kunnen beschikken. Deze planten vormen, met +de overige Succulenten, die wij ook later nog zullen bespreken, +een hoogst interessante groep; het zijn bijna de eenige planten, +die zonder eenige bescherming voor een op het Zuiden gelegen venster +goed groeien en bloeien; er zijn toch slechts weinige soorten, die +geschermd willen worden. De hardste kunnen, zoodra er geen nachtvorst +meer te vreezen is, op een naar het Zuiden openliggende plek in den +tuin gebracht worden. Men kan hier de potten tot bijna aan den rand +ingraven, of wel, men gebruikt ze tot het versieren van rotsgroepjes. + +Cactussen, die meer warmte noodig hebben en over het algemeen +teerder zijn, moeten het geheele jaar door in de kamer gekweekt +worden. Hiertoe behooren onder andere de Cereus grandiflorus en enkele +andere Cereus-soorten, de Echinocactus Echinocereus-, Pilocereus- +en Mamillaria-soorten. Wie over een warmen bak kan beschikken, zal +zeer goed doen ze des zomers, wanneer het niet al te warm meer is, +daarin uit te planten, waarvan een zeer snelle groei het gevolg zal +zijn. Tot dit doel wordt de bak tijdig in het voorjaar met mest of +met blad aangelegd, en er, al naar de grootte der planten, een laag +aarde van 12-20 cM. dikte opgebracht. Daar de planten niet te ver van +de ramen mogen staan, gaat het niet aan, groote en kleine plantjes +onder hetzelfde raam uit te planten. Is de bak op een temperatuur +gekomen van 75°-80° Fahr. en dampt hij niet meer, dan kan men met het +uitplanten beginnen. Is het weer heel warm, dan kan men de uitgeplante +Cactussen een- of tweemaal besproeien en de ramen op lucht zetten; +slechts de schaduwminnende soorten moeten dan geschermd worden. Men +moet er op letten, dat de aarde niet te veel uitdroogt. Tegen half +September worden de uitgeplante Cactussen weer in potten gezet, en +spoedig daarop kunnen zij haar winterkwartier betrekken. Een bezwaar +is het, dat de planten in het najaar moeten gestoord worden, om ze in +potten te zetten, daar het wel wil voorkomen, dat zij dan niet meer aan +den groei gaan. Dit is de oorzaak, dat veel kweekers hun Cactussen in +de potten laten staan en ze zoo, in den bak ingraven. Zij groeien dan +wel niet zoo snel, doch behoeven in het najaar niet gestoord te worden. + +Het gewichtigste bij het kweeken van Cactussen is het juiste +gieten. Hier hangt het gieten toch niet uitsluitend van het jaargetijde +en de groeiperiode af, doch men moet ook rekening houden met de +levensvoorwaarden en den gezondheidstoestand der planten. Is het donker +en kil weer, dan mag men in het geheel niet gieten, terwijl bij helder, +warm weder regelmatig gieten een vereischte is. Van groot belang is +bij de Cactus-cultuur ook het besproeien, dat men zeer goed kan doen +met een zeer fijnen broesgieter. Op avonden na heete dagen moet men +ze ook matig besproeien. + +Tegen het einde van September, en bij ongunstig weder nog vroeger, moet +men de Cactussen in de winterkwartieren brengen. De overwintering is, +vooral wanneer zij des zomers buiten gehard zijn, niet zeer lastig. De +teerdere soorten zet men in de woonkamer, de hardere daarentegen in een +achterkamer, die slechts bij intredende vorst gestookt wordt; in geval +van nood kan men echter zelfs de teerste soorten in een vertrek met +een temperatuur van 45°-50° Fahr. laten overwinteren. Het is bijna, +ongelooflijk wat Cactussen, die des zomers goed behandeld zijn, des +winters kunnen verdragen, en met welk een lage temperatuur zelfs de +tropische soorten zich tevreden stellen. Heeft men slechts een koude +kamer voor de overwintering beschikbaar, dan is het voorzichtig de +planten zoo hoog mogelijk te plaatsen, daar de bovenste luchtlagen in +zoo'n vertrek altijd iets warmer zijn de onderste. De fijnere soorten +zet men voor het venster, terwijl men de grovere gerust op een kast +of ergens anders kan laten overwinteren. Heeft een liefhebber des +winters slechts zeer weinig ruimte te zijner beschikking, dan kan hij +de sterkere soorten uit de potten nemen en ze dicht tegen elkander +in een kistje met zandige aarde zetten. Wanneer men de planten in +zulk een kistje slechts den ganschen winter droog laat staan, dan +veroorzaken zij niet de minste moeite. Ik ken een liefhebber, die op +deze wijze in een ongebruikte keuken een zeer groot aantal Cactussen +laat overwinteren. Tegen de wanden heeft hij houten rekken laten +aanbrengen, waar de met zijn Cactussen beplante kistjes des winters +op gezet worden. De ergste vijand gedurende den winter is vocht; +geeft men ze echter een droge standplaats, dan verdragen zij zeer veel. + +Hoewel de meeste Cacteeën, evenals bijna alle Succulenten, het best +groeien in de volle zon, zijn zij daarvoor in het voorjaar, wanneer +men ze uit donkere plaatsen haalt, toch zeer gevoelig. Om deze reden +moet men ze dan in den beginne tegen de zon beschermen; langzamerhand +gewent men ze daaraan, zoodat zij die na een week of drie weder +goed kunnen verdragen. Verzuimt men deze voorzichtigheidsmaatregel, +dan zullen zij licht brandvlekken krijgen, die niet alleen de planten +zeer ontsieren, doch ook vaak de oorzaak van ziekte kunnen worden. Deze +ziekte, die roest genaamd wordt, is een der ergste, die bij Cactussen +voorkomt. De groote, bruine of gele vlekken, die zij veroorzaakt, +dringen hoe langer hoe dieper in het weefsel door, en zijn oorzaak, +dat de plant ten laatste sterft. Een andere, nog meer voorkomende +ziekte is de rotting, die echter maar al te dikwijls, vooral des +winters, door onvoorzichtig gieten veroorzaakt wordt. Men onderscheidt +wortel- en stengelrotting. De wortelrotting is niet zoo gevaarlijk; +bemerkt men deze, dan neemt men de aangetaste planten uit de potten, +snijdt de rotte wortels weg, plant ze in versche aarde op, en houdt ze +aanvankelijk droog. Heeft men stengelrotting, dan worden de aangetaste +plekken met een scherp mes weggesneden. Des winters, wanneer zulke +wonden slechts langzaam genezen, zet men de planten daarna zoo droog +mogelijk, om de wond te doen opdrogen; in den zomer is het voldoende +de wond met fijn houtskoolpoeder te bestrooien. Gevaarlijk is het, +wanneer de plant over haar geheel neiging tot rotting toont. Deze +ziekte ontstaat meestal aan den voet der plant, en breidt zich dan +naar boven uit, of zij ontstaat,--wat echter minder voorkomt--, in +den kop en trekt dan naar beneden. In het eerste geval kan men den +kop nog op een behoorlijken afstand van de aangetaste plek afsnijden +en dien als stek behandelen, gewoonlijk echter bemerkt men de ziekte +eerst wanneer het geheele weefsel aangetast en de plant dus verloren +is. Een andere ziekte bij Cactussen is de geelziekte; zij komt slechts +bij enkele geslachten voor (Epiphyllum, Cereus en Phyllocactus) en wel +hoofdzakelijk in den winter. Plotseling worden eenige deelen der plant +geel en sterven spoedig daarna af. Gewoonlijk treedt de geelziekte op +bij planten, die gebrek aan voedsel hebben of die in slechte aarde +staan; het beste middel er tegen is, de plant zoo spoedig mogelijk +in goede aarde te verpotten. + +De Cactussen hebben ook talrijke vijanden onder de insecten en +wel hoofdzakelijk in de blad- en schildluizen. Gewoonlijk zijn het +de laatsten, die zeer veel schade kunnen berokkenen. Een der beste +middelen om deze plagen te voorkomen, is het bij helder weder spuiten +en een zoo goed mogelijke behandeling der planten. Zijn deze eenmaal +door insecten aangetast, dan tracht men ze met een kwastje en lauw warm +zeepsop te verwijderen. Een nog zekerder middel tegen deze insecten is +een slappe oplossing van Nicotine-extract, dat in enkele apotheken wel +te verkrijgen is. Zijn de Cactussen door zoogenaamde witte smeerluis +aangetast, dan kan men die door spuiten gemakkelijk verwijderen. Zij +worden daartoe op een helderen dag buiten gezet en met het handspuitje +spuit men met kracht lauw water tusschen de dorens. De diertjes zullen +daardoor weggespoeld worden. Vallen zij op de aarde van den pot, +dan kunnen zij daar gemakkelijk van verwijderd worden. Een minder +schadelijke vijand der Cactussen is de Cactus- of Cochenille-luis +(Coccus cacti). Deze luis komt gewoonlijk voor op een Opuntia-soort +en wordt slechts zelden op andere geslachten aangetroffen. De roode +verfstof, onder den naam Cochenille bekend, bestaat uit niets anders +dan de fijn gewreven lichamen van deze luizen. In ons klimaat teelt +de Cochenille-luis zich slechts zeer langzaam voort, zoodat zij niet +tot de eigenlijke Cactus-vijanden kan gerekend worden. Deze en gene +liefhebber kweekt ze zelf wel als curiositeit op zijn planten. + +Van het standpunt eens liefhebbers kunnen de Cacteeën in twee +groote groepen verdeeld worden, namelijk die, welke hoofdzakelijk +om haar fraaie bloemen gekweekt worden, en die, welke men om haar +interessanten vorm of om de dorens verzamelt. Een absolute grens laat +zich echter tusschen beide groepen niet trekken, daar er veel fraai +bloeiende soorten zijn, die een zeer interessant voorkomen hebben, +terwijl enkele, wier vorm hoogst belangwekkend is, somtijds zeer +schoone bloemen voortbrengen. Het is aan geen twijfel onderhevig, +dat er in de familie der Cacteeën prachtig bloeiende soorten zijn; +zij hebben echter allen een gebrek, namelijk den korten duur. Door +elkander genomen, blijven de bloemen niet langer dan 2 à 3 dagen goed, +zelfs bij soorten, waar de knoppen maanden lang tijd hebben om zich +te ontwikkelen. Toch zijn er Cactussen met een zeer langen bloeitijd, +die veroorzaakt wordt doordat zij talrijke knoppen voortbrengen, +die na elkander tot ontwikkeling komen. + +Epiphyllum truncatum (Fig. 188) is zeker wel een der meest +voorkomende en dankbaarste uit de groep der fraai bloeiende +Cactussen. Een bijzondere waarde heeft deze plant nog, wijl ze een +echte winterbloeister is. Haar fraai vermiljoenroode bloemen, met +purperen weerschijn, ontwikkelen zich gewoonlijk van Kerstmis af tot +aan de tweede helft van Februari. De Epiphyllum behoort in Brazilië +te huis, waar zij als een onechte parasiet tegen de boomen groeit, +dikwijls in gezelschap van Orchideeën. Zij groeit daar onder de +dichte bladerkroon en tusschen rottende plantenstoffen zeer welig; +bij wijze van uitzondering wordt zij ook wel tegen vochtige wanden +aangetroffen. De in den handel voorkomende Epiphyllums zijn voor +het meerendeel kroonboompjes; die door veredeling op kleine, slanke +stammetjes van andere Cactus-soorten meestal Peireskia's staan. Deze +stamboompjes bieden, met de afhangende twijgen, een fraaien aanblik, +vooral in den bloeitijd, wanneer de laatste stengelgeledingen met +bloemen of knoppen prijken. De uit stek gekweekte Epiphyllums zijn +fraaie, zeer dankbaar bloeiende hangplanten. In de kweekerijen vindt +men, tegenwoordig talrijke variëteiten, die verschillen door de kleur +der bloemen. + +De Epiphyllums behooren tot die Cactussen, welke, in tegenstelling +met de meeste andere vertegenwoordigers van deze familie, een +humusrijke aarde, scherming tegen brandende zon, en vochtige lucht +verlangen. Gedurende den groei- en bloeitijd verlangen zij veel water; +ook kan men ze gedurende dien tijd nu en dan gieren. + +De rusttijd begint bij de Epiphyllums na den bloei; hij duurt +gewoonlijk tot Mei en men moet dan zeer spaarzaam gieten. Heeft +men veredelde stamboompjes, dan kan zeer dikwijls de dunne stam de +zooveel zwaardere kroon niet dragen, waarom men moet zorgen, dat +hij behoorlijk ondersteund wordt. Een zeer goede wijze daartoe is de +volgende: Men steekt drie of vier stokjes in den pot, onder de kroon +brengt men een ring van dik ijzerdraad, die aan deze stokjes wordt +vastgebonden en waarop de twijgen van de kroon rusten, waardoor hij +voldoende steun verkrijgt en de stam geheel vrij kan blijven. + +De Phyllocactussen doen als dankbare bloeisters voor de Epiphyllums +niet onder. Twee der hiertoe behoorende soorten, de Phyllocactus +Russellianus en de Ph. Gærtneri (Fig. 189), gelijken in voorkomen zeer +sterk op de Epiphyllums, maar de bloemen zijn regelmatiger gevormd. De +beide genoemde soorten bloeien eerst tegen het voorjaar, met roode +trechtervormige bloemen. De andere, tot dit geslacht behoorende +soorten hebben zeer groote bladachtige stengels en schoone bloemen; +deze laatste zijn wit, bieden verschillende nuanceeringen van rood of +zijn geelachtig. Somtijds bloeien deze bloemen slechts één nacht, dan +weder vier en twintig uur, terwijl zij bij andere soorten eenige dagen +duren. De middelmatig groote, welsmakende vruchten zijn besvormig en +karmijn- of steenrood. Deze bessen rijpen gewoonlijk na tien of twaalf +maanden en bevatten zwarte, talrijke zaden. De Phyllocactussen worden +nooit door veredeling voortgekweekt, daar de zaden zeer gemakkelijk +opkomen en in korten tijd tot mooie bloeibare planten opgroeien. Ook +het voortkweeken van stek gaat zeer gemakkelijk, zoodat men dan +ook bij de liefhebbers steeds zelfgekweekte planten aantreft. De +Phyllocactussen groeien onder geheel dezelfde omstandigheden als de +Epiphyllums, zoodat zij op geheel dezelfde wijze moeten behandeld +worden. Er zijn zeer veel schoone soorten bekend en de kweekers +hebben door onderlinge kruising nog een aantal zeer fraaie hybriden +gewonnen. Een dergelijke hybride stelt Fig. 190 voor. + +Het geslacht Cereus (Zuilcactus) is wellicht het interessantste +geslacht van de familie der Cacteeën. Zeer dikwijls toonen de soorten +onderling veel overeenkomst, dan weder een zeer groot verschil; +zij zijn geribd en vier- of meerhoekig; nu eens kruipend, dan weder +kogelvormig. De ribben of kanten zijn steeds nu eens met zwaardere, +dan weder met zwakkere dorens bezet. De bloemen verschijnen meestal +aan de oudere stengels, en slechts bij uitzondering aan de uiterste +spitsen. Zeer veel Cereus-soorten bloeien eerst op hoogen leeftijd, +anderen echter reeds als jonge planten. De nu eens witte, gele of +roode bloemen kunnen een lengte van 20 cM. bij een doorsnede van 30 +cM. bereiken; zij behooren tot de fraaiste, maar, jammer genoeg, +ook tot de vergankelijkste bloemen in het plantenrijk. Van vele +Cereus-soorten ontluiken de bloemen des avonds, om den volgenden +morgen weder te verwelken; andere soorten houden het tot den middag +uit en de bloemen der soorten, die het langst bloeien, duren nooit +langer dan hoogstens drie dagen. De fraaie, eetbare vrucht bereikt +bij enkele soorten de afmeting van een appel; zij rijpt nu eens +na vijf of zes maanden, dikwijls echter pas in het jaar, volgende +op den bloei. De Cereus behoort in West-Indië, Mexico en Brazilië +te huis, waar zij aan de dorre landschappen een zeer eigenaardig +voorkomen geeft. De schoonste soort van dit geslacht is de Cereus +grandiflorus (Koningin van den nacht), Fig. 191. Haar bloemen kunnen +een doorsnede van ruim 25 cM. bereiken, en behooren met haar zuiver +witte bloembladeren, goudgele kelkbladeren en zeer fijnen vanielje-geur +tot de fraaiste aller bloemen; zelfs de schoonste Roos wordt door +dit prachtig natuurgewrocht in de schaduw gesteld. Jammer is het, +dat deze soort nogal behoefte heeft aan warmte, en al groeit zij bij +een goede behandeling ook in een kamer, in bloei komen zal zij daar +zelden of nooit. Van grooter waarde is voor den liefhebber de Cereus +nycticalus, die niet veel minder schoon bloeit dan de voorgaande soort, +doch met een reukelooze bloem. Deze soort is harder dan de voorgaande, +haar witte bloemen zijn grooter en verschijnen bij sterke planten +geregeld iederen zomer. + +In den laatsten tijd zijn ook door kruising van beide genoemde soorten +met andere Cereussen schoone hybriden gewonnen, waaronder er zich +bevinden met groote, roode bloemen. + +Een andere, onder de liefhebbers zeer verspreide soort, is de Cereus +speciosissimus, die reeds meer dan 100 jaar bekend is. Het is een zeer +fraai bloeiende soort. Zij heeft drie- of vierkantige, vrij sterk +gedoornde stengels, die men het best tegen een waaiervormig hekje +bindt. De werkelijk fraaie, schitterend roode bloemen verschijnen +gewoonlijk in vrij grooten getale gedurende den zomer en duren drie +of vier dagen. Hoe minder men deze soort verplant, hoe beter zij +bloeit; plant men haar in een grooten pot, dan groeit zij wel sterk, +doch bloeit weinig of niet. In den handel zijn veel variëteiten dezer +Cereus verspreid. + +De Cereus flagelliformis (Slang-Cactus) is een mooie, reeds +verscheidene tientallen van jaren onder de Cactus-liefhebbers +verspreide soort, met kruipende of hangende stengels, die bezet zijn +met in stervormige bundeltjes vereenigde, bruingele dorens. De tot +8 cM. lange bloemen zijn purper-rozerood en de pas na een jaar rijp +wordende vruchten hebben eenigszins een pruimensmaak. De afbeelding +192 toont een monstrueuzenvorm dezer soort, de Cereus flagelliformis +cristatus, geënt op een Opuntia. + +Onder de Zuilcactussen zijn er ook talrijke, die om haar eigenaardige, +fraaie gestalten of wel om de interessante kleur harer dorens +gekweekt worden; deze soorten bloeien echter slechts zelden. Eén +dezer, die dikwijls nogal van vorm verschilt, doch steeds een fraaie, +blauwachtige kleur heeft, de Cereus cyaneus, is voor liefhebbers wel +de meest aanbevelenswaardige. + +Onder de Cactus-geslachten, waarbij zeer fraai bloeiende soorten worden +gevonden, kunnen wij nog aanbevelen het geslacht Echinopsis. De hiertoe +behoorende soorten hebben gewoonlijk een kogelvorm, die zich slechts +zelden verlengt; de planten nemen alsdan een eivormige gestalte aan. In +alle gevallen zijn zij veelzijdig en vaak zeer sterk met groote fraaie +dorens bezet. De lichtgroene zijscheuten, die bij oudere planten zeer +talrijk voorkomen, en ook de jonge zaailingen hebben in den beginne +een heel ander aanzien dan de gekarakteriseerde planten. De witte, +rose of roode bloemen verspreiden een heerlijken geur: zij hebben een +lange, trechtervormige bloemkroon. Bij enkele soorten blijven de fraaie +bloemen slechts één nacht, bij andere daarentegen verscheidene dagen +open. Daar de hiertoe behoorende soorten in den voorzomer bloeien, +dan zeer talrijke bloemen voortbrengen en de bloemknoppen dikwijls +vijf à zes maanden noodig hebben om tot ontwikkeling te komen, +gebeurt het vaak, dat men reeds in October of November de knoppen +ziet verschijnen. De snel rijp wordende vrucht is eivormig of rond +en heeft eenigszins het voorkomen van een walnoot. Van de vele, +tot dit geslacht behoorende soorten, zijn er twee hier afgebeeld, de +Echinopsis oxygona in Fig. 184 en de Echinopsis Eyriesii in Fig. 193. + +Zeer dankbare, niet onaardig bloeiende planten levert ons het geslacht +Rhipsalis (Roede-Cactus) met vaak zeer dunne, ronde stengels. De +hiertoe behoorende soorten groeien in tropisch Amerika als onechte +parasieten op boomen, en zij houden dus van een tamelijk vochtige +lucht en een humusrijke aarde. Een soort met breedere stengels, die +des winters met licht-stroogele, welriekende bloemen bloeit, is de +Rhipsalis Houlletiana (Fig. 195), terwijl de Rhipsalis dissimilis +(Fig. 196), die ook des winters bloeit, roedevormige stengels heeft. + +Onder de vertegenwoordigers der andere Cactus-geslachten worden +nog zeer schoon bloeiende soorten aangetroffen, maar aangezien deze +slechts zeldzaam bloeien, worden zij uitsluitend óf om haar interessant +uiterlijk, óf om haar fraaie dorens gekweekt. + +Van deze verschillende Cactussen kunnen wij den liefhebbers zeer +aanbevelen de Echinocereus-soorten, waaronder fraai gedoornde en schoon +bloeiende en de Pilocereus-soorten, die somtijds lange haarvormige +dorens bezitten, zooals bijv. de Pilocereus senilis (Grijsaard), die +geheel met lange, witte dorens bedekt is en daardoor een eigenaardig +voorkomen heeft; ook de Pilocereus Houlleti is zeer fraai. Door haar +sterk gedoornd voorkomen munten uit de Echinocactus-soorten, waaronder +ook fraaie bloeisters worden aangetroffen. Door haar gele dorens is +vooral aanbevelenswaardig de Echinocactus Grusonii, waarvan Fig. 197 +een jonge plant vertoont. Een zeer weinig gedoornde, doch met gele +bloemen zeer rijk bloeiende soort is de Echinocactus capricornis, +die met witte puntjes is overdekt. + +De Optunia-soorten vormen vaak groote planten met zware, platte +stengelleden; zij bloeien wel fraai, doch tamelijk weinig en brengen +na den bloei eetbare, naar kruisbeien smakende vruchten voort. Op +onze plaat zijn drie soorten afgebeeld: de Opuntia maxima, de +O. senilis en de O. vaginosa. Zeer sierlijke, dikwijls gedrongen +groeiende soorten behooren tot het geslacht Mamillaria, waarvan +de meeste winterbloeisters zijn; enkele hebben eenigszins groote, +de meeste echter slechts kleine bloemen. Verschillende soorten van +dit geslacht zijn hier afgebeeld, namelijk: Mamillaria Celsiana, +M. Schiedeana en M. plumosa (Fig. 199), M. gracilis (Fig. 200) en +M. fuscata, deze laatste als jonge plant veredeld op een Cereus. + +Zeer interessante Cactus-geslachten zijn nog Malococarpus, Astrophytum, +Anhalonium en Pelecyphora. + +Deze laatste geslachten zijn echter slechts hun aan te bevelen, +die goed met plantencultuur vertrouwd zijn, daar zij lastig in de +cultuur zijn en maar al te vaak, vooral des winters, dood gaan. + + + + +Succulenten of Vetplanten. + +(Uitgezonderd de Cactussen.) + +De Vetplanten, zoowel de inheemsche als de tropische, behooren +tot de hardste en daardoor tot de meest geschikte planten voor +kamercultuur. De bladeren van de meeste tot deze groep behoorende +planten hebben een dikken cylindervorm, en slechts weinige +uitwasemingsorganen; zij zijn vaak bedekt met een wasachtige +afscheiding, en krijgen daardoor dikwijls in plaats van een groene +een blauwachtige, grijze of witte kleur. De geheele bouw van deze +dikbladige planten is er op ingericht, dat zij het hoofd kunnen bieden +aan een langdurige droogte, terwijl zij door overvloedig vocht zeer +gemakkelijk ten gronde gaan. Deze bouw is geheel in overeenstemming +met de dorre, meestal zandige streken, waar zij gevonden worden. + +In de cultuur komen de uitheemsche Succulenten tamelijk wel met de +Cactussen overeen; over het algemeen zijn de eersten zelfs nog harder +en hebben zij nog minder behoefte aan warmte. Wil men Succulenten +met succes kweeken, dan heeft men een op het zuiden gelegen luchtige +kamer noodig, daar deze planten des zomers de volle zon en des winters +een zeer lichte standplaats verlangen; hebben zij zulk een standplaats +niet, dan worden zij gemakkelijk door rotziekte aangetast, waardoor zij +zeer licht verloren gaan. Gedurende den zomer moet men den Succulenten +een plaats geven in het bloemrekje voor het venster, op een zonnig +balkon of in den tuin, waar zij voor de beplanting van rotspartijen +en ook voor mozaïekvakken uitstekend gebruikt kunnen worden. + +Gedurende den rusttijd, in den herfst en den winter, is het +noodzakelijk, dat de aarde zoo droog mogelijk gehouden wordt, mits men +er slechts voor zorgt, dat zij niet verdrogen en als gevolg daarvan +ineenschrompelen. In haar groeitijd echter moeten zij geregeld begoten +worden; men zorgt er dan voor, dat de aarde niet te droog wordt en +op bijzonder warme dagen is een besproeiing der bladeren des avonds +zeer bevorderlijk voor den groei. + +Alle Succulenten moeten in een niet te vetten, kleiachtigen grond +geplant worden; deze grond moet geheel vrij zijn van rottende +bestanddeelen; het best groeien zij in een mengsel van gelijke deelen +oude heide- en broeiaarde, kleiaarde en scherp zand; beter is nog +de kleiachtige grond, die ontstaat bij het afbreken van oude huizen, +door het uit elkander vallen der verweerde steenen. Heeft men jonge +planten, dan moeten zij elk voorjaar verpot worden; oudere exemplaren +daarentegen kan men gerust twee of drie jaar in denzelfden pot laten +staan. De potten, die men gebruikt, moeten in verhouding tot de +plant tamelijk klein zijn, daar de Vetplanten slechts zeer zelden +veel wortels maken en bijna altijd langzaam groeien. Dit is ook de +reden, waarom men de potten van een zeer goede drainage moet voorzien, +opdat het overvloedige water gemakkelijk kan wegloopen, daar anders de +aarde zeer licht zou verzuren en de wortels daardoor zouden afsterven. + +De Succulenten laten zich zeer gemakkelijk voortkweeken. Heeft +men soorten, die een wortelstok vormen, dan doet men dit bij het +verplanten door verdeeling daarvan; anderen kweeken bijna vanzelf +voort door wortelscheuten, die men slechts behoeft af te snijden en +op te planten; weer anderen laten zich door stekken vermenigvuldigen, +die juist als Cactus-stekken moeten behandeld worden. Eenige soorten +der Vetplanten, zooals bijv. de Echeveria's, laten zich gemakkelijk +voortkweeken door bladstekken. Hiertoe scheurt men voorzichtig een +blad van de plant en pot dit op, na verloop van korten tijd zal zich +dan een jong plantje aan de basis ontwikkelen. + +Onder de Succulenten zijn als zeer harde en mooie kamerplanten enkele +Aloë-soorten zeer in trek. In sommige streken komen deze soorten onder +den naam van "Eksteroogen-planten" voor. Er wordt namelijk beweerd, +dat het bittere sap, dat uit enkele soorten gewonnen wordt, als een +uitnemend middel tegen eksteroogen wordt gebruikt. De tot dit geslacht +behoorende planten zijn meest zeer saprijk en week. De zeer fraai +gedoornde bladeren zijn nu eens éénkleurig, dan weder fraai bont of +ook wel dicht bezet met kleine getinte wratjes. Zeer fraai zijn ook +de meestal op lange bloemstengen verschijnende pijpvormige bloempjes, +die meestal rood of geel, nu en dan groenachtig zijn. Die soorten, +welke stengels vormen, laten zich des zomers gemakkelijk door stekken +voortkweeken; bij de overige geschiedt dit door wortelscheuten. Een +zeer schoone rozet-vormige soort is de Aloë longearistata met groene, +op de achterzijde en langs de randen met mooie dorens bezette +bladeren. De breedbladerige Aloë latifolia groeit struikachtig. De +breede bladeren, die aan de randen gedoornd zijn, zijn omgebogen, +hebben een groene grondkleur, die door talrijke lichte vlekken en +punten wordt afgewisseld. Goed gekweekte planten van deze soort bloeien +geregeld elken zomer. De bloemsteng wordt ongeveer 1/2 Meter lang, +groeit dagelijks ongeveer 4 cM. en is met mooie, geelachtige bloemen +rijk bezet. Een zeer mooie, kleine kamerplant is de Aloë variegata, met +spiraalvormige, rechtop staande, bonte bladeren. Ook de op onze plaat +afgebeelde Aloë arborescens is een mooie, dankbare kamerplant evenals +de Aloë saponaria, met lichtgroene, geelachtige, wit gevlekte bladeren. + +Zeer schoone planten bevat ook het geslacht Gasteria. Deze soorten +kenmerken zich meestal door mooi gevlekte bladeren en roode of +groenachtige bloemen. De Gasteria acinacifolia heeft donkergroene +bladeren, waarvan de nerven met paarlachtige wratjes dicht bezet zijn; +ook de Gasteria pulchra, die men nogal eens aantreft, heeft witgevlekte +bladeren en heel aardige pijpvormige bloempjes. + +Fraaie Succulenten zijn ook de verschillende in Mexico te huis +behoorende Echeveria's. De planten zijn voor het meerendeel zeer +sierlijk; zij hebben dikke, vleezige bladeren, die rozetvormig +gerangschikt zijn. + +Tegenwoordig worden vele soorten van dit geslacht gekweekt om +gebruikt te worden bij het beplanten van rotspartijen en van +mozaïekvakken. Plant men ze echter in kleine potjes, dan maken zij +ook in de vensterbank een zeer aardig figuur. Van de verschillende +soorten van dit geslacht is de Echeveria Desmetiana, met haar +blauwgroene bladeren wel een van de fraaiste. Een zeer mooie +grootbladige soort is de Echeveria metallica, met betrekkelijk +dunne, naar boven omgebogen bladeren, die een metaalachtigen glans +hebben. Streng genomen is dit slechts een variëteit van de Echeveria +gibbiflora; zij vormt vrij groote rozetten en is in jongen toestand +het fraaist; van oudere, leelijk geworden planten snijdt men den kop +af, die daarna als stek wordt behandeld. De Echeveria discolor heeft +donkergroene bladeren en ontwikkelt gedurende den zomer talrijke, +wijd openstaande, oranje bloemen. De Echeveria agavoïdes vormt kleine, +witachtig groene bladrozetten en de Echeveria Scheideckeri is ook +een lieve, mooi bebladerde soort. Verscheidene Echeveria's zijn +uitstekende winterbloeisters zooals de Echeveria fulgens, met vuurroode +bloemen, de Echeveria mucronata, met schitterend roode bloemen en de +Echeveria rosea, met rozeroode bloemen. Ook de Echeveria retusa is een +winterbloeister bij uitnemendheid. Deze soorten hebben een vleezigen +stengel, met betrekkelijk kleine bladeren bezet die in een bloeiwijze +eindigt. Alle Echeveria's moeten vorstvrij en droog overwinteren; +die, welke gedurende den winter bloeien, verlangen gedurende dit +jaargetijde een lichte standplaats, zoo mogelijk voor een op het +Zuiden gelegen raam. + +De vermenigvuldiging geschiedt zeer gemakkelijk door kleine +zijscheuten, die, in een potje gestoken, zeer vlug wortel maken, +wanneer men ze een zonnige plaats voor het venster geeft. Men kan ook, +zooals reeds gezegd, is, de bladeren voorzichtig afbreken en die als +stekken behandelen; er ontwikkelt zich dan aan den voet een knop, +die spoedig doorgroeit en een lief plantje vormt. + +Veel gelijkenis met enkele Echeveria's hebben de Sempervivums +(Huislook), vooral in de groeiwijze. De saprijke bladeren der +Sempervivum-soorten zijn dun en groen, enkele soorten zijn voorzien +van zwarte spitsen, terwijl bij anderen de geheele plant met een wit +spinnewebachtig weefsel is overtrokken. Verscheidene Huislook-soorten +houden het hier te lande des winters buiten uit; deze worden dan ook +veel voor het begroeien van rotsen en het beplanten van mozaïek-vakken +gebruikt; ook zijn zij zeer geschikt voor de cultuur in kleine +potten. Het gewone Huislook wordt veel aangetroffen op oude muren +en daken. De oude Grieken noemden deze plant Aizoon, de Romeinen +sempervivum, welke beide namen beteekenen: "altijd levend" en welke +slaan op de eigenschap van deze planten, dat zij de grootste droogte +uitstekend kunnen verdragen. Bij de oude Germanen werd het Huislook +"Donnerbart" genoemd, wijl de rozeroode bloemen herinnerden aan den +baard van den Dondergod "Donar". + +In de bloemen van deze plant zag men een bliksemafleider en daarom +vaardigde Karel de Groote een bevel uit, dat iedere boer het Huislook +op zijn erf moest hebben. Slechts goed volwassen Sempervivums zijn +bloeibaar; de bloemsteng ontwikkelt zich uit het hart der bladerrozet +en aan haar uiteinde vertakt zij zich meestal, welke zijtakjes dicht +bezet zijn met stervormige bloemen, die bij verschillende soorten +verschillende kleuren hebben. De uitgebloeide plant sterft; zij vormt +echter, voordat zij doodgaat, een groot aantal jonge uitloopers, die +spoedig tot gezonde planten doorgroeien. Een zeer interessante plant +is de Sempervivum arboreum; deze vormt een tot 2 Meter hoogen stam, +die spadelvormige bladeren draagt, welke boven aan den stam fraaie +rozetten vormen. De bloemen zijn zeer sierlijk en geheel geel. Van +deze soort bestaan vele variëteiten met geelbonte, rood gerande +en purperroode bladeren. Laatstgenoemde variëteit, de Sempervivum +atropurpureum, is op onze plaat afgebeeld. + +Mooie Succulenten worden ook gevonden in het geslacht Sedum, waarvan +er ook eenigen hier te lande inheemsch zijn. + +Reeds bij de Ouden waren deze planten bekend: zij gebruikten de fijn +gestampte, slijmige bladeren als geneesmiddel tegen wonden. + +Zoo zou Telephos, de zoon van Hercules, van de wond, welke de speer +van Achilles hem toebracht, genezen zijn door de toepassing van de +gekneusde bladeren eener Sedum, die men later, naar een leiding +daarvan, den wetenschappelijken naam van Sedum Telephium heeft +gegeven. Een zeer fraaie soort is de grootbladige Sedum spectabile, +die volkomen winterhard is, en in den herfst tot aan den grond +afsterft. In de lente vertoonen zich dan kleine bladrozetten boven de +aarde, die spoedig doorgroeien en dan scheuten vormen met heldergroene +bladeren. Deze scheuten worden in den herfst gekroond met schermen van +kleine, rozeroode bloemen. Als bloeiende plant is de Sedum spectabile +zeer fraai en zij is dan ook uitstekend voor potcultuur. + +Een zeer schoone soort van den lateren tijd is de Sedum sempervivoides, +afkomstig uit den Kaukasus. Deze soort is tweejarig en wordt uit zaden +voortgekweekt, die in het voorjaar in pannen met zandige aarde gezaaid +en in de kamer tot ontkiemen gebracht worden. De jonge plantjes moeten +spoedig in andere potten gerepikeerd en daarna afzonderlijk in potjes +uitgeplant worden. + +Des zomers worden zij in het bloemenrekje gekweekt; daarna laat men +ze in een koele kamer overwinteren en den tweeden zomer zet men ze +weder buiten. Tegen het einde van dezen zomer zullen zij dan met +honderden rozeroode bloemen prijken. + +Een half houtachtige, veel om haar bloemen gekweekt wordende Vetplant +is de Kalosanthes coccinea, ook wel Crassula coccinea genoemd. Deze +plant vormt des zomers aan de uiteinden van alle twijgen groote +schermen scharlakenroode bloemen, die, door de zon beschenen, +een schitterend effect maken. Niet minder schoone bloeisters zijn +de Rochea-soorten. Een dezer, de Rochea (Crassula) falcata, heeft +dikke, groote, sikkelvormige bladeren en vormt fraaie schermen van +vuurroode bloemen. Beide laatstgenoemde planten worden tegenwoordig +als marktplanten in grooten getale gekweekt. + +Zeer fraaie Succulenten treft men ook aan in het geslacht Crassula +en eenige der hiertoe behoorende kunnen met zeer goed gevolg als +ampelplanten worden gebruikt o.a. de Crassula Cooperi en de Crassula +spathulata, die beiden zeer schoone bloemen voortbrengen. Een zeer +lief miniatuurplantje is de Crassula Bolusii, met, in den winter +verschijnende, zeer kleine, witachtige bloempjes en heel aardige, +bruin gevlekte bladeren. + +Planten met zeer interessante en schoone, doch zeer onaangenaam +riekende bloemen zijn de Stapelia's. Er zijn zeer veel soorten van +bekend, met grootere of kleinere, meer of minder interessant gevormde +of geteekende bloemen. Onze afbeelding toont de Stapelia variegata, +die het meest wordt aangetroffen; zij heeft een zwavelgele, met fraaie, +bruine vlekken geteekende bloemkroon. + +Interessante soorten omvat ook het geslacht Euphorbia (Wolfsmelk). De +familie der Euphorbiaceeën bevat ruim 3600 soorten van het meest +verschillende voorkomen. Veel meer dan tegenwoordig het geval is, +verdient o.m. de Euphorbia splendens gekweekt te worden. Deze, +en nog eenige andere soorten, bloeien een gedeelte van den winter; +zij verlangen een wintertemperatuur van 60° Fahr. + +Interessante Vetplanten zijn ook nog de Kleinia's, waarvan een +fraaie soort, de Kleinia canescens, door Fig. 207 is afgebeeld; +de Mesembryanthemums, waaronder vele fraai bloeiende soorten, en +o.a. de IJsplant; de Mesembryanthemum cristallinum; de Haworthia's +met fraai geteekende bladeren en de Kalanchoë's, die, jammer genoeg, +in deze streken niet zeer dankbaar bloeien. + +Wij voegen hieraan nu nog enkele planten toe, die gewoonlijk tot +de Vetplanten worden gerekend, hoewel zij, streng genomen, daartoe +niet behooren, maar toch bijna op dezelfde wijze gekweekt moeten +worden. Van de schoonste en interessantste dier planten noemen +wij in de eerste plaats de Agave's. Dit geslacht bevat meer dan +honderd verschillende soorten en variëteiten, die bijna alle een +verschillend voorkomen hebben. Haar vaderland is hoofdzakelijk Midden- +en Zuid-Amerika. Daar zijn de Agave's nutplanten van groot gewicht: +zij worden er gebruikt voor het maken van ondoordringbare heggen, +de gedroogde bladeren voor dakbedekking, de bladvezels worden tot +touw gesponnen en de punten der bladeren dienen als pennen. Het merg +van deze planten wordt gegeten, terwijl er ook een soort zeep uit +wordt bereid. Door het uitsneden der bloemsteng verzamelt zich in +de ontstane holte een groote hoeveelheid sap, dat, na gisting, een +bedwelmenden nationalen drank oplevert, de zoogenaamde "pulque". De +Agave's zijn stengellooze planten; de in scherpe punten uitloopende +bladeren zijn òf breed en dik en dan meestal langs de randen gewapend, +òf lang en smal, met ongewapende bladranden; steeds vormen zij echter +een rozet. Gewoonlijk worden de Agave's bestempeld met den naam van +"Honderdjarige Aloë". Deze dwaling as hierdoor ontstaan, omdat enkele +soorten sterk op Aloë's gelijken, en wijl het in den volksmond heet, +dat de plant slechts eens in de honderd jaar bloeit. Het zal wel +onnoodig zijn er op te wijzen, dat dit een dwaling is. Gewoonlijk +bloeien de Agave's pas als zij verscheidene jaren oud zijn, en in de +cultuur kan het voorkomen, dat een Agave americana 30 à 40 jaar oud is, +voordat zij bloeibaar wordt. Is de plant eenmaal bloeibaar geworden, +dan verheft zich uit haar hart de krachtige, houtachtige bloemsteng, +die een imposanten indruk maakt. Deze wordt toch ruim 6 Meter hoog +en neemt bij haar ontwikkeling, binnen 24 uren, 30-35 cM. in lengte +toe. Door haar vertakkingen, die horizontaal uitgespreid staan, +waarop weder de bloemen verticaal zijn geplaatst, gelijkt zij op +een reusachtige candelaber. Bij andere soorten is de bloemsteng niet +vertakt; hier heeft zij het voorkomen van een zeer groote bloemaar, +waarvan de bloemen dicht op elkander zitten. Zijn de vruchten eenmaal +tot rijpheid gekomen, dan sterft niet alleen de bloemsteng, maar ook de +geheele plant; er ontwikkelen zich dan echter tal van wortelscheuten, +die, afgesneden, weder tot nieuwe planten opgekweekt kunnen worden. + +De Agave's leenen zich bij uitstek voor het beplanten van groote vazen, +die gedurende den zomer op balkons, hekingangen of zuilen worden gezet, +mits deze vazen van talrijke drainage-gaatjes zijn voorzien. Des +winters moeten zij in huis gezet, en kunnen dan gebruikt worden ter +versiering van vestibules. Ook als middenplanten voor mozaïek-vakken +of ter beplanting van rotspartijen zijn zij zeer geschikt. + +Van de bekende Agave americana komen eenige bontbladige variëteiten +voor, die wel niet zoo groot worden als de typische soort, doch zeer +fraaie sierplanten zijn. Een zoodanige variëteit toont Fig. 208 in +de Agave americana aureo-marginata. Deze vorm heeft groene bladeren, +omzoomd met een breeden, gelen rand. Een zeer schoone soort is ook +de Agave Verschaffeltii; deze heeft een zeer gedrongen voorkomen en +betrekkelijk breede, sterk bewapende bladeren, die een blauw-grijze +kleur hebben. Een geheel andere groeiwijze heeft de Agave stricta, +met smalle, groene, zeer talrijke bladeren. Een der schoonste en +opmerkenswaardigste soorten is zeker wel de Agave Victoria-Reginæ. De +donkergroene, naar binnen omgebogen bladeren zijn met zuiver witte, +draadvormige strepen geteekend. Deze soort, die nog betrekkelijk +nieuw is, wordt niet groot, daar zij geen grooter diameter dan ± +50 cM. bereikt. De onvertakte bloemsteng daarentegen, die, wanneer de +plant goed doorgroeit, reeds na 6 à 8 jaar kan verschijnen, bereikt een +lengte van 3-4 Meter. Jammer is het, dat deze soort tamelijk duur is, +daar zij geen scheuten maakt en dus steeds uit zaden of ingevoerde +planten moet voortgekweekt worden. Bijna al de bekende Agave-soorten +moeten gedurende den winter zoo goed als geheel droog gehouden worden; +daarbij verlangen zij een zeer lichte plaats, in een vertrek met een +temperatuur van 40°-45° Fahr. Even weinig moeite vereischen ook de +soorten, die tot de geslachten Dyckia en Yucca behooren, welke planten +eenigszins de groeiwijze van een Dracæna hebben. De meest bekende +soort van het eerste geslacht is de Dyckia sulphurea; deze heeft +geelachtige bladeren en des zomers geeft zij chromaatgele bloemen, +die op lange bloemstengen verschijnen. Van het tweede geslacht +wordt vaak aangetroffen de Yucca aloëfolia fol. var., een plant +met lichtgroene bladeren, die geel en rood gerand zijn en die een +eigenaardig voorkomen aan de plant geven. Verscheidene Yucca-soorten, +zooals bijv. de Yucca gloriosa, munten ook uit door haar sierlijke, +groote, witte, klokvormige bloemen, die, op forsche bloemstengen, +midden in het hart der plant verschijnen. De Dyckia's en Yucca's +moeten des winters koel, doch niet geheel droog gehouden worden. + + + + +Bladplanten. + +Onder bladplanten verstaat men die gewassen, welke hoofdzakelijk ter +wille van hun fraaie bladeren gekweekt worden. Natuurlijk geven ook de +bladplanten, eenige hiertoe gerekende Cryptogamen uitgesloten, min of +meer fraaie bloemen; eenige echter, zooals bijv. de Palmen, bloeien +hier te lande slechts uiterst zeldzaam of in het geheel niet, en bij +allen worden de bloemen door den fraaien bladertooi overschaduwd. + + + + +Struik- en boomachtige bladplanten voor koele vertrekken. + +Aralia. De Aralia is een zeer dankbare en fraaie bladplant, die men +vaak in de kamer gekweekt aantreft. Het is vooral de Aralia (Fatsia) +japonica uit Japan, met groote, handvormige, glanzend groene bladeren, +die veelvuldig als kamerplant wordt gekweekt. Van deze soort bestaan +ook fraaie bontbladige variëteiten, die wel schooner, doch ook veel +duurder zijn, daar zij zich slechts door stekken laten voortkweeken, +die niet zeer gemakkelijk wortelen. Een andere zeer schoone soort, +die, jammer genoeg, tegenwoordig niet veel meer wordt aangetroffen, is +de Aralia papyrifera, met aan de onderzijde zilverwitte bladeren. Uit +het merg dezer plant wordt in China een soort papier vervaardigd. Er +bestaan nog verscheidene andere soorten van dit geslacht, die zeer +schoone kamerplanten zijn; zoo de Aralia Veitchii, met zeer smalle, +aan de randen gegolfde bladeren, en de Aralia Chabrieri, een zeer +elegante plant met fijne smalle bladeren. [2] Hoewel de Aralia's +veel gekweekt worden, treft men er toch slechts zelden werkelijk +schoone planten van aan. Over het algemeen worden zij veel te warm +gehouden; dit heeft tot gevolg, dat de oudste, dus onderste, bladeren +geel worden en afvallen, terwijl de andere bladeren slap neerhangen, +niettegenstaande zij horizontaal tegen den stengel moeten staan. Al de +genoemde soorten verlangen gedurende den winter een lichte standplaats +in een vertrek met een gemiddelde warmte van 40°-50° Fahr.; alleen de +beide laatstgenoemde soorten verdragen een hoogere temperatuur. De +bladeren moeten stofvrij en zindelijk gehouden en de planten mogen +gedurende den rusttijd slechts weinig begoten worden. Begint in het +voorjaar de nieuwe groeiperiode, dan moeten de Aralia's in goeden +grond, bestaande uit gelijke deelen blad- en broeiaarde, waaraan een +weinig graszodengrond wordt toegevoegd, verpot worden. Gedurende den +zomer worden de planten rijkelijk begoten en wortelen zij door, dan +kunnen zij nu en dan gegierd worden, terwijl zij, wanneer dit noodig +blijkt, nog eens verpot moeten worden. Van Mei tot tegen het einde +van September doet men het best de Aralia's op een half beschaduwde +plek in den tuin of op het balkon te zetten. + +De Aralia japonica en Aralia papyrifera laten zich zeer gemakkelijk uit +zaden voortkweeken, die in zaagsel zeer goed kiemen. De bontbladige +soorten en die, waarvan geen zaden te verkrijgen zijn, worden in +de kweekerijen steeds door stekken vermenigvuldigd, die, zooals wij +reeds gezegd hebben, lang niet gemakkelijk wortelen. + +Aucuba japonica. De Aucuba japonica is een zeer harde bladplant, +met ovale, groen met geel gevlekte bladeren. Deze plant is reeds +een paar eeuwen bekend; daar zij echter tweehuizig is en alleen de +vrouwelijke plant was ingevoerd, bracht zij eertijds geen vruchten +voort. Sinds de invoering, enkele tientallen van jaren geleden, +van een mannelijke plant, is men er pas in geslaagd haar met fraaie, +koraalroode bessen te kweeken. De Aucuba wordt echter hoofdzakelijk +om haar fraaie bladeren gekweekt, die, in de talrijke variëteiten, +telkens anders geteekend zijn. Zij is een zeer harde sierplant, die, +op niet te koude plaatsen, het hier te lande, in den vollen grond +uitgeplant, zeer goed uithoudt en dan ook geen hooge eischen stelt. Men +kan haar gedurende den winter in den kelder laten overwinteren, +hoewel zij gedurende dit jaargetijde ook zeer goed gebruikt kan +worden ter versiering van vestibules, trappenhuizen en onverwarmde +kamers. Des zomers verlangt zij een zonnige standplaats in den tuin +of op het balkon. Jonge planten moeten jaarlijks, oudere om de twee +of drie jaar verplant worden. Dit verplanten moet zeer voorzichtig +geschieden, daar de vleezige wortels zoo min mogelijk beschadigd +moeten worden; men gebruikt daartoe goede, middelmatig zware aarde +of veengrond, waaraan een weinig graszodengrond wordt toegevoegd. De +voortkweeking geschiedt in het voor- of het najaar door stekken, +die zeer gemakkelijk wortelen. Wordt de Aucuba in een gesloten +vertrek of wel te warm gehouden, dan wordt zij licht door insecten +(hoofdzakelijk schildluizen) aangetast; deze zijn door goed afwasschen +wel te verwijderen, maar zij richten toch altijd belangrijke schade +aan. Tot het verkrijgen van een flinke vertakking moeten de plantjes +herhaaldelijk ingesneden worden. Giert men de Aucuba's gedurende den +zomer enkele keeren, dan geven zij groote, fraai geteekende bladeren. + +Coprosma Baueriana. Dit is een lieve halfheester, afkomstig uit +Nieuw-Zeeland, met rondachtige, glanzend witte of gele bladeren, +die aan de randen groen zijn, waardoor zij geheel het voorkomen van +een sierlijke bladplant verkrijgt. De Coprosma is zeer dankbaar; +zij stelt zich gedurende den winter tevreden met een temperatuur van +40°-50° Fahr.; zij groeit des zomers buiten in het bloemenrekje en +laat zich zeer gemakkelijk door stekken voortkweeken. + +Heeft men krachtig groeiende planten, dan moeten zij in 't voorjaar +en in den zomer nogmaals verplant worden in goede broeiaarde, waaraan +een weinig graszodengrond wordt toegevoegd. + +Eucalyptus. De Eucalyptussen zijn karakteristieke planten van +Nieuw-Holland; zij worden echter ook in Zuidelijk Europa, vooral in +moerassige streken aangekweekt, die zij door haar snellen groei en +sterke verdamping, na enkele jaren aanmerkelijk verbeteren. In haar +vaderland treft men de Eucalyptussen als ware reuzenboomen aan, die een +hoogte van meer dan 100 Meter kunnen bereiken. In haar jeugd hebben +deze planten blauwgroene, zittende of stengelomvattende bladeren, en +eerst later ontwikkelen zich de gesteelde afhangende bladeren. Voor +potcultuur zijn slechts jonge, één-, hoogstens tweejarige planten +geschikt, wanneer zij een goeden pyramidalen vorm hebben. Des winters +moeten zij in koelere vertrekken en des zomers steeds in de open lucht +staan. Gedurende den zomer kunnen zij rijkelijk begoten en moeten zij +eenige keeren in een zeer vetten grond verplant worden. Plant men de +Eucalyptussen des zomers op een gunstige plaats in den tuin uit, dan +kunnen zij in één zomer een hoogte van 4 à 6 Meter bereiken. Stekken +groeien slecht of in het geheel niet, waarom de voortkweeking steeds +uit zaden geschiedt. De bekendste soort is de Eucalyptus Globulus, +met blauwgroene bladeren. De Eucalyptussen behooren tot de familie +der Myrten, en wanneer men de bladeren tusschen de vingers kneust, +verspreiden zij een sterk aromatischen geur. Het aangenaamst is deze +geur bij de Eucalyptus citriodorus, die, in de eerste plaats, voor +potcultuur kan aanbevolen worden. + +Eugenia australis. Dit is een harde plant, die mede tot de familie +der Myrten behoort. Zij draagt ovale bladeren, welke niet zoo groot +worden als die der grootbladerige Myrtus en aardige witte bloemen, +die zeer talrijk bij oudere exemplaren, welke niet te dikwijls +ingesneden worden, verschijnen. De jonge bladeren en scheuten hebben +een interessante roodachtige kleur. + +De Eugenia australis groeit gemakkelijk en is zeer dankbaar; zij +verdraagt het insnijden zeer goed, zoodat men er gemakkelijk mooie +pyramide- of zuilvormige boompjes van kweeken kan; zij is echter ook +zeer schoon, wanneer men haar vrij laat doorgroeien. Evenals alle +Nieuw-Hollandsche decoratieplanten, verlangen ook de Eugenia's +een mengsel van blad- en heide-aarde, vermengd met een weinig +graszodengrond. In elk voorjaar moeten zij verpot worden, waarbij men +moet oppassen, dat de stam niet in de aarde komt, daar het veeleer +beter is, dat de bovenste wortels vrij liggen. Des zomers moeten zij +nogal rijkelijk des winters echter minder begoten worden, waarbij men +er op moet letten, dat de kluit niet geheel uitdroogt, daar men haar +dan niet gemakkelijk weder vochtig krijgt. Een wintertemperatuur van +40°-45° Fahr. is voldoende. De vermenigvuldiging geschiedt gewoonlijk +door stekken, die in Augustus van het rijpe hout gesneden worden, +en die, gewoonlijk pas na een week of zes, wortel maken. + +Evonymus (Kardinaalshoed). Als harde decoratieplant is vooral +de Evonymus japonicus zeer verspreid. Zij heeft ovale, gezaagde, +lederachtige, groene bladeren; ook zijn er een aantal bontbladige +variëteiten bekend. Van nature vormen deze tamelijk kleinbladige +planten magere struikjes; door ze echter in het voorjaar en den zomer +herhaaldelijk in te snijden, verkrijgt men fraaie, bossige planten. De +cultuur, voortkweeking en aanwending is geheel dezelfde als die van +de Aucuba. De Evonymus radicans is een soort met ovaal-elliptische +blaadjes. Haar op den bodem liggende takken maken zeer gemakkelijk +wortel; ook van deze soort is een bontbladige vorm bekend. + +Ficus. De Ficussen behooren zeker wel tot de meest geliefde +kamerplanten, en bijna overal treft men de Ficus elastica met haar +groote, lederachtige, glanzend groene bladeren aan. + +Heeft deze plant ook al niet direct een zeer elegant voorkomen, zoo +maakt zij toch op een bloemenstandaard, als alleen-staande plant, +een goed figuur, en zij wordt overal met voorliefde gekweekt, daar +zij bij een weinig nauwkeurige behandeling, zich in de kamer flink +ontwikkelt. Daar de Ficus elastica niet vrijwillig zijtakken maakt, +moet men haar, wanneer zij een hoogte van 1 1/2 à 2 Meter bereikt +heeft, den kop afsnijden; zij vormt dan een kroontje en ziet er, +vooral wanneer zij haar bladeren aan den stam heeft laten vallen, +niet onaardig uit. Na verloop van eenige jaren doet men goed de takken +der kroon nogmaals in te snijden. De afgesneden koppen kunnen dan, +voorzien van drie bladeren, weder als stekken dienen. Men steekt +ze, wanneer de wond een weinig opgedroogd is, in een met water +gevuld medicijnfleschje, waarin zij, wanneer men ze voor een zonnig +venster zet, na vier weken geworteld zullen zijn. Ook stengelstukjes, +van één blad voorzien, laten zich zeer goed als stekken gebruiken +(Fig. 23). Deze worden in kleine potjes gezet, matig warm, vochtig +en beschaduwd gehouden. Na eenigen tijd zal het stengeldeel wortel +schieten, het in den bladoksel slapende oog doorgroeien en een nieuwe +plant vormen. + +Gewoonlijk gaat het met de Ficussen in de kamer juist als met de +Aralia's; de bladeren staan niet horizontaal tegen den stam, doch +zij hangen er slap bij, wijl men haar te veel begiet en te warm +houdt. De Ficus elastica is volstrekt geen plant voor de warme kamer +als hoedanig zij meestal aanbevolen wordt, doch een wintertemperatuur +van 40°-50° Fahr. is haar voldoende; terwijl zij des zomers in den +tuin of op het balkon kan staan. De kweekers, die in één zomer uit +stekken zeer fraaie planten kweeken, houden de Ficussen gedurende +een groot gedeelte van den zomer buiten, en wel bij voorkeur in de +volle zon. Meestal steken zij de stekken in een warmen bak, harden +ze door veelvuldig luchten, en nemen in het begin van Juni de ramen +er van af. Bij een goede cultuur kan een Ficus vanaf de lente tot den +herfst alle acht dagen een nieuw blad vormen, terwijl de oude bladeren +dan niet geel worden en afvallen. Worden de jonge bladeren kleiner, +hangen de oude slap langs de plant, en worden zij spoedig geel, dan +kan men zeker zijn, dat de plant gebrek heeft aan voedsel en lucht, +of wel dat zij in een te droge of warme lucht staat. + +De Ficus moet jaarlijks in de lente in goede, zandige broeiaarde +verplant, gedurende den zomer eenige malen gegierd en zeer dikwijls +bespoten worden, terwijl men haar des winters een paar keer per week +met een zachte spons geheel afwascht, om zeker te zijn, dat zij +goed schoon blijft. Op de bovenvlakte der bladeren toch komt zeer +gemakkelijk stof en aan de onderzijde huist maar al te vaak schadelijk +ongedierte. Koopt men een Ficus, dan is het zaak er vooral goed op te +letten, of aan de onderzijden der bladeren geen ongedierte voorkomt, +wat nog wel eens gebeuren wil. + +Een kleinbladerige, minder schoone, maar zeer harde soort is de Ficus +australis, voor welke een wintertemperatuur van 31-45 Fahr. ruimschoots +voldoende is. Deze soort is echter niet gemakkelijk in den handel +te verkrijgen. + +Grevillea robusta. Onder de bladplanten voor koudere kamers zijn er +slechts weinigen, die zoo elegant zijn als deze sinds lang bekende, +doch tegenwoordig zeer veronachtzaamde Australische Grevillea. Deze +plant vormt een slanken stam, die dubbel gevinde bladeren draagt, +welke zóó fijn ingesneden zijn, dat zij bijna aan varenbladeren +doen denken. Deze bladeren zijn groot en fraai donkergroen. De jonge +Grevillea groeit onvertakt door; eerst op ouderen leeftijd vertakt +zij zich, zonder echter daardoor aan schoonheid te verliezen. Deze +zeer sierlijke plant, die tegenwoordig dreigt vergeten te worden, is +zeer waard, dat men meer de aandacht aan haar gaat schenken, vooral +ook, omdat zij zich zoo gemakkelijk uit zaden laat voortkweeken. De +cultuur is zeer eenvoudig: des winters verlangt zij een lichte, +koele, des zomers een zonnige standplaats, dan echter bij voorkeur +buiten. Geregeld alle jaar moet zij verplant worden in zandigen +bladgrond vermengd met een weinig graszodengrond; de potten, die men +gebruikt, moeten iets grooter zijn dan die, waarin zij stond. Vooral +des winters moet men met gieten nogal voorzichtig zijn. + +Ilex (Hulst). De gewone groene Hulst (Ilex Aquifolium) is een plant, +die het hier te lande zeer goed buiten uithoudt en dan ook zeer +verspreid is. Er bestaan talrijke, zeer fraaie variëteiten van, +met zeer afwijkende en bonte bladeren. Hoewel de typische soort, des +winters buiten gehouden, weinig of niet lijdt, zijn de bontbladerige +variëteiten zwakker, waarom men voorzichtig doet, die in potten of +kuipen te kweeken, ten einde ze des winters binnenshuis te kunnen +zetten. Deze fraaie heesters, waarvan de bladeren zeer stekelig +zijn, verdragen het insnijden heel goed, waardoor er fraai gevormde +exemplaren van kunnen gekweekt worden. Des winters verschijnen aan het +tweejarige hout een aantal roode bessen, die een aardig effect maken +tusschen de bonte bladeren. De zaden kiemen niet gemakkelijk en de +voortkweeking der bonte soorten gaat ook veel beter door veredeling +op de gewone groene Hulst. De Ilex-soorten verlangen een goede, zware +aarde en gedurende den zomer een eenigszins beschaduwde plaats buiten. + +Laurus nobilis (Laurier). De Laurier vormt in haar Zuid-Europeesch +vaderland lang niet zoo'n mooien heester als men zich in de noordelijke +streken wel voorstelt. Hier te lande is zij een zeer belangrijke +handelsplant. Meestal wordt zij in pyramide- of kroonvorm gekweekt, +en in kuipen staande is zij dan een zeer sierlijke decoratieplant, +hetzij als koppel- ter versiering van het ingangshek, het terras of het +balkon, hetzij als alleen-staande gazon-plant. Vooral hier te lande +en in België worden de Laurieren in zeer groot aantal gekweekt. Een +liefhebber doet het best zich jonge, goed gevormde pyramide- of +kroonboompjes aan te schaffen; men behoeft er dan slechts voor te +zorgen, de planten door een goede behandeling gezond te houden. + +Daar de Laurier een zeer harde plant is, die best enkele graden vorst +kan verdragen, behoort zij onder de eersten, die in het begin van +April buiten worden gezet. Om te beletten dat de kuipen van onderen +rotten, te zorgen dat er geen regenwormen in de kluit dringen en de +toevoer van lucht in de aarde mogelijk te maken, worden de kuipen op +drie of vier baksteenen gezet. Wil men voorkomen, dat de planten bij +zwaren wind omwaaien, dan slaat men drie stevige stokken vlak langs +de kuip, er voor zorgende, dat zij er niet boven uitsteken. Het is +nu een voorname zaak er op te letten, dat de kuipplanten goed begoten +worden. Als regel giet men eens per dag, bij voorkeur des avonds; is +het weer echter zeer warm, dan moet men des morgens nog eens gieten; +ook moet men van tijd tot tijd gieren. Van veel belang is het ook, +dat men dagelijks, na het gieten, de kronen goed natspuit. Verzuimt +men dit spuiten, dan worden de bladeren zeer spoedig door schild- +en bladluizen aangetast, die in zoo grooten getale kunnen optreden, +dat de plant doodgaat. + +Zorgt men voor geregeld gieren, dan kunnen de Laurieren zeer lang +in dezelfde kuip blijven staan; gewoonlijk verplant men ze eerst, +wanneer de kuip verrot is, of wanneer de kluit zóó zwaar beworteld +is, dat het water er niet meer in doordringt. Zeer moet men er ook +op letten, dat kroon of pyramide haar vorm behouden, waarom men ze +elken zomer behoorlijk moet insnijden; dit geschiedt het best tegen +het einde van Augustus, wanneer de scheuten volgroeid zijn. + +Na het insnijden hebben de oogen nog volop tijd om zich goed te vormen, +zoodat zij in het voorjaar direct gaan doorgroeien. De overwintering +van de Laurier geschiedt het best in een half vorstvrijen kelder of +schuur. Bij strenge vorst moet men er op letten of zij niet àl te +koud staan. Veel licht hebben zij des winters niet noodig. + +Melaleuca. De Melaleuca-soorten, die in grooten getale in Australië +worden gevonden, behooren tot de familie der Mirten en kenmerken zich +alle door lancetvormige blaadjes, die des winters aanblijven. De +bloemen, die pas aan oudere planten verschijnen, gelijken zeer op +die van de Callistemon; zij zijn echter lang zoo schoon niet en bij +sommige soorten zelfs tamelijk onbeduidend. De Melaleuca's hebben +dan ook slechts waarde als harde decoratieplanten, geschikt voor +versiering van koelere kamers. De behandeling is juist dezelfde als +die van de Eugenia's. + +Het ook tot de familie der Mirten behoorende geslacht Leptospermum, +waarvan de soorten ook in Australië te huis behooren, heeft evenals +de Melaleuca's lancetvormige blaadjes, maar kenmerkt zich door witte +bloemen. Deze planten laten zich op dezelfde wijze kweeken en zijn +voor hetzelfde doel geschikt. De voortkweeking geschiedt, evenals +bij de Melaleuca's, uit stekken in de maand Augustus. + +Pittosporum. Verscheidene der in China en Japan thuis behoorende +Pittosporum-soorten zijn fraaie decoratie-planten. Men zou deze +heesters ook onder de bloemplanten kunnen rekenen, want zij brengen +lieve bloemschermpjes voort, bestaande uit witte bloempjes, die een +heerlijken oranje-geur verspreiden; doch zij bloeien pas op tamelijk +hoogen leeftijd, wanneer de planten veel te groot geworden zijn +voor de kamer. De Pittosporum is een harde plant; zij moet gekweekt +worden in heide-aarde, vermengd met een weinig graszodengrond. Des +winters wordt zij in een koud, doch vorstvrij vertrek gezet, en +des zomers houdt men haar bij voorkeur buiten. De meest voorkomende +soort is de Pittosporum Tobira, met glanzend groene, lederachtige +omgekeerd-eironde bladeren. In de Europeesche tuinen wordt slechts één +variëteit gevonden, met geelachtige bloemen; er moet echter in Japan +een veel mooiere voorkomen, met zuiver witte bloemen. De voortkweeking +geschiedt in Augustus door middel van stekken. + + + + +Struik- en boomachtige bladplanten voor warme vertrekken. + +Acalypha. De tot dit geslacht behoorende planten, die zich door de +fraaie teekening van haar bladeren kenmerken, zijn half heesters, die +in Nieuw-Caledonië en op de Fidji-eilanden worden aangetroffen. Zij +hebben gezaagde, ovale en hartvormige bladeren. + +De bekendste en zeker ook wel de schoonste soort is Acalypha musaica +met gele bladeren, die zeer fraai met rood gemarmerd zijn; bij andere +soorten zijn de bladeren rose of donkerrood. Deze planten, die niet +zeer gevoelig zijn en midden in den zomer ook wel buiten gekweekt +kunnen worden, ontwikkelen zich vooral zeer fraai, wanneer men ze in +het kamerkasje kweekt. Zij groeien zeer goed in broeiaarde, houden +van veel spuiten en over het algemeen van een vochtige lucht. Plaatst +men ze in te droge lucht, dan worden de bladeren spoedig door thrips +en roode spin aangetast. De voortkweeking geschiedt in het voorjaar +door kruidachtige stekken, die zeer gemakkelijk wortelen. + +Coffea arabica (Koffieboom). Deze tropische nutplant is een uitstekende +kamerbladplant; zij wordt echter, jammer genoeg, niet veel daartoe +gebruikt. De Koffieboom, die feitelijk slechts een heester vormt, +welke zelden hooger dan 3 à 4 Meter wordt, is in jongen toestand een +zeer fraaie kamerplant; zij vormt dan meestal een stammetje, waarvan +horizontale takjes afstaan, zoodat zij een zuiveren pyramide-vorm +heeft. De bladeren zijn ovaal, aan de punt toegespitst en glanzend +groen. Is de plant eenmaal vrij groot, en goed ontwikkeld, dan +geeft zij in den zomer kleine, witte bloempjes, die een jasmijngeur +verspreiden. Op deze bloempjes volgen eerst groene, later roode bessen, +die ieder twee zaadkorrels bevatten. Deze vruchten worden ook in de +kamer rijp. Uit de zaden, die ook in den handel verkrijgbaar zijn, +kan men zeer gemakkelijk jonge plantjes kweeken. Zoodra de zaden goed +rijp zijn, moeten zij gezaaid worden in potten, die gelijkmatig warm +en vochtig gehouden worden. De kieming heeft dan pas na vier à zes +weken plaats. + +Fig. 214 vertoont een jonge Coffea arabica en het opmerkenswaardigst +daaraan zijn de kiembladeren, die buitengewoon groot worden en geheel +het voorkomen van gewone bladeren verkrijgen. Wil men Koffieboompjes +uit zaden kweeken, dan moet men die in een zaadhandel koopen, +aangezien de gewone ongebrande koffieboonen in de meeste gevallen niet +kiemkrachtig meer zijn. Een Koffieboom verlangt een lichte, tamelijk +warme standplaats; gedurende den zomer heeft hij echter veel frissche +lucht noodig. De bladeren moeten dikwijls bespoten en afgesponsd +worden, opdat de plant niet aangetast wordt door ongedierte, iets wat +anders zeer gemakkelijk gebeurt. Des zomers kan men rijkelijk gieten; +des winters daarentegen moet men veel spaarzamer met water zijn. Zeer +nuttig is het, de planten des zomers eenige malen met een aftreksel +van hoornspaanders te begieten. Een andere goede Coffea-soort voor +de kamer is de Coffea liberica, die veel grooter bladeren heeft. Ook +van deze soort kan men in een goeden zaadhandel zaden verkrijgen. + +Cycas revoluta (Sagopalm). Niettegenstaande haar Hollandschen naam +heeft deze plant niets gemeen met de echte Palmen. De Cycas levert +de bladeren, als Palmtakken bekend, die tegenwoordig zeer veel +bij begrafenisplechtigheden worden gebruikt. Juist om die bladeren +wordt deze plant tegenwoordig in zeer grooten getale gekweekt. Deze +bladeren hebben eenigszins het voorkomen van die van een Vederpalm; +zij zijn glanzend groen, stijf en daardoor tamelijk broos. Een Cycas +groeit slechts één keer per jaar uit; zeer dikwijls echter rust zij +daarna één, somtijds zelfs twee jaar. Gewoonlijk begint zij in den +voorzomer uit te groeien. Uit het hart der plant ontwikkelt zich dan +een groot aantal bladeren, soms wel veertig te gelijk; deze ontrollen +zich juist als varenbladeren; in den beginne zijn zij lichtgroen en +week, later worden zij donkergroen en vrij stevig. Een Cycas zal haar +nieuwe kroon niet licht in een kamer ontwikkelen; zij heeft daartoe de +warme, vochtige kaslucht noodig; reden waarom zij voor kamercultuur +feitelijk niet geschikt is. Is zij eenmaal uitgegroeid, dan heeft +zij nòch zeer vochtige lucht, nòch veel warmte noodig, zoodat zij +dán aan alle eischen van een gemakkelijke kamerplant voldoet, en er +dan ook zeer geschikt voor is. Zoodra de kroon geheel ontwikkeld is, +heeft zij niet veel water meer noodig en vooral des winters moet men +met gieten uiterst voorzichtig zijn. + +Pandanus (Schroefpalm). Evenals de Cycas heeft ook de Pandanus niets +met de eigenlijke Palmen gemeen, en het is slechts de volksmond, welke +deze plant dien naam gegeven heeft. De Pandanussen zijn fraaie, zeer +aanbevelenswaardige kamerplanten, met schroefvormig ingeplante, lange, +elegant gebogen bladeren. Aan de bladranden en aan de onderzijde van +den middennerf hebben verscheidene soorten groote, scherpe dorens. De +in den handel het veelvuldigst voorkomende soort is de Pandanus utilis, +afkomstig van Madagascar. Deze soort heeft lange, groene bladeren, +die zeer smalle, roode randen hebben; zij vertakt zich, in een kamer +gekweekt, niet, maar kan er een fraaie bladerkroon vormen. Een zeer +schoone bont-bladerige soort is de Pandanus Veitchii met witbonte +bladeren; ook de Pandanus javanicus heeft bonte bladeren, die echter +veel sterker gedoornd zijn. De beide laatstgenoemde soorten worden +door de zijscheuten, die zich veelvuldig vormen en die als stekken +behandeld worden, voortgekweekt; eerstgenoemde soort vermenigvuldigt +men door ingevoerde zaden. De voortkweeking van Pandanussen in de +kamer is echter niet geraden, daar zij bijna altijd mislukt. + +Een gezonde, goed ontwikkelde Pandanus, die men het best tegen het +najaar koopt, is een zeer fraaie plant om vrij op een bloemstandaard +geplaatst te worden. Gedurende den winter heeft zij geen behoefte aan +veel licht en men kan haar het geheele jaar door in de kamer houden. De +bladeren moeten elke week met een sponsje afgewasschen worden. Men +begint daartoe aan den bladvoet en wascht naar de spits toe, daar +men anders kans heeft zich aan de dorens te verwonden. Veel spuiten +behoeft men den Schroefpalm niet te doen, daar het niet wenschelijk +is, dat zich water in den kop verzamelt, waardoor deze zou kunnen +verrotten. De aarde moet matig vochtig gehouden worden; des zomers +kan men wat meer gieten dan 's winters, mits men er voor zorgt, +dat er geen water in het plantenschoteltje blijft staan, wat hoogst +nadeelig is. Is het noodig haar te verpotten, dan doet men dit bij +voorkeur in het voorjaar, en gebruikt men daartoe goede broeiaarde, +vermengd met graszodengrond. Men moet er voor zorgen, haar niet al +te diep te planten, wat men, met het oog op de luchtwortels, die +zich aan den stam vormen, al zeer licht zou doen. Daar de bladeren +gemakkelijk brandvlekken krijgen, moet men haar des zomers goed tegen +de zon schermen. + +Pogostemon Patchouli. De Patchouli is een kleine, tamelijk onbeduidende +halfheester, welks bladeren een sterk aromatischen reuk hebben, +door den één meer bemind dan door den ander. In de parfumerie spelen +deze bladeren een zeer groote rol, en in gedroogden toestand vormen +zij, als middel tegen mot, een niet onbelangrijk handelsartikel. De +bladeren zijn, vooral wanneer zij jong zijn, niet onaardig en daar +zij in een warm vertrek groeit, vindt men ze hier en daar nog wel als +kamerplant. Zij verlangt een voedzame aarde, doch stelt verder geen +bijzondere eischen en laat zich zeer gemakkelijk uit stek voortkweeken. + + + + +Kruidachtige bladplanten voor koele vertrekken. + +Carex japonica fol. var. Deze plant, die tot de familie van de +Rietgrassen toehoort, is pas betrekkelijk korten tijd in den handel, +en daardoor nog lang niet algemeen verspreid; zij bezit echter +zooveel goede eigenschappen, dat zij niet warm genoeg kan aanbevolen +worden. De ongeveer 4 m.M. breede bladeren van dit bonte plantje +kunnen 75 cM. lang worden, en hangen dan elegant gebogen over den +pot heen. Zij ontspruiten uit den wortelstok en zijn helder groen met +een lichtgelen rand. Een eigenaardige schoonheid verleenen ook nog de +bloemaren aan deze plant, hetgeen op de gravure duidelijk zichtbaar is. + +De bonte Carex is een ijzersterke kamerplant, die uitstekend voor +de bloemtafel geschikt is. Over het algemeen ziet men haar voor een +warme kasplant aan, en kweekt men haar dus in een vochtig warme lucht; +dit is echter geenszins noodig, daar zij zelfs zonder bedekking eenige +graden vorst kan verdragen en dan ook beter voor de koelere vertrekken +geschikt is. De Carex verlangt in goede broeiaarde geplant te worden, +en verdraagt des zomers zeer veel water. Door verdeeling en ook uit +zaden laat zij zich zeer gemakkelijk voortkweeken. + +Farfugium grande. Een der allerbeste en hardste kamerplanten is zeker +wel de uit China afkomstige Farfugium. De bladeren ontspruiten direct +uit den wortelstok en staan op lange, sappige stelen; zij zijn tamelijk +groot, onregelmatig van vorm, en met gele vlekken bezet. Deze plant +is zeer geschikt voor den beginnenden liefhebber, die nog niet op de +hoogte is van al de eischen, door de planten gesteld. Daar zij flink +groeit, moet men haar in tamelijk groote potten zetten, bij voorkeur +in zeer voedzame broeiaarde, vermengd met een goede hoeveelheid +graszodengrond. Voor het begieten behoeft men niet bevreesd te zijn, +daar zij tamelijk veel water kan verdragen. Des zomers verlangt +de Farfugium een luchtige, tegen te scherpe zon beschermde plaats; +het best doet men, haar in den tuin of op het balkon te plaatsen. + +Des winters stelt zij geen hooge eischen, daar men haar in een koude, +doch ook in een matig warme kamer kan laten overwinteren, terwijl zij +ook met een minder lichte standplaats tevreden is. Oude exemplaren kan +men in het voorjaar bij het verplanten door scheuring vermenigvuldigen. + +Gynura aurantiaca. De Gynura is een sierlijke, kruidachtige +Oost-indische bladplant, met ovale, dicht behaarde bladeren, die in +jeugdigen toestand door haar blauw-violetten glans de opmerkzaamheid +trekken. Door haar fraaie kleur heeft men gemeend deze plant voor +mozaïek-vakken te kunnen gebruiken; zij bleek daarvoor echter +ongeschikt te zijn en is thans bijna geheel uit de cultures verdwenen. + +Toch is de Gynura als kamerplant zeer aan te bevelen; zij groeit +in bijna iederen voedzamen grond zeer goed, krijgt vooral in de zon +een zeer fraaie kleur en kan des zomers voor het venster staan. De +kruidachtige stengelspitsen groeien als stekken zeer goed en leveren +spoedig jonge plantjes. + +Ophiopogon. Verschillende Japansche Ophiopogon-soorten zijn harde +potplanten, die in de kamer zeer duurzaam zijn. Zij zijn door haar +elegante grasachtige, nú eens groene, dán weder bonte bladeren +uitstekend geschikt voor bloemtafels, kamerkasjes en terrariums. De +schoonste en meest bekende soort is zeker wel de uit Japan ingevoerde +Ophiopogon Jaburan fol. var., door Fig. 216 afgebeeld. Deze plant, +met fraaie, groen met geel gestreepte bladeren en niet onaardige +blauwe bloempjes, is werkelijk hard, en kan jaar in, jaar uit in een +warm vertrek gehouden worden. Het liefst overwintert zij echter in +een koel vertrek, een eigenschap van bijna alle Japansche planten; +des zomers geeft men haar dan een plaatsje in het bloemenrekje +voor het venster. Hoewel men de Ophiopogon veelal als kleine plant +aantreft, laat zij zich toch, wanneer men haar jaarlijks in goede +aarde verplant, tot een werkelijk schoon exemplaar aankweeken. De +voortkweeking geschiedt door verdeeling der oude planten, waarbij de +dikke wortelstok met een, scherp mesje doorgesneden moet worden. + +Plectogyne (Aspidistra) elatior. Wanneer men den naam van deze plant +hoort en de gravure er van ziet, dan zal men haar direct als een +oude bekende herkennen. Wie toch kent deze kruidachtige plant niet; +wie heeft haar nooit in de kamer gekweekt? De uit China en Japan +afkomstige Aspidistra [3] is goed ontwikkeld, een werkelijk schoone +plant. De bladeren, die bij de typische soort groen, bij de ééne +variëteit groen met gele of witte strepen en bij de andere groen met +witte vlekken zijn, ontspruiten uit een wortelstok, die zich even onder +de oppervlakte van de aarde bevindt. Een zich ontwikkelend blad is met +een steunblad omgeven, waaruit het langzaam te voorschijn komt. De nu +en dan verschijnende bloemen zijn onbeduidend; zij zitten vlak tegen de +aarde aan den wortelstok en hebben een lichtgroene kleur. Deze plant +schijnt geheel ongevoelig te zijn voor een donkere standplaats, droge +kamerlucht en stof; ook schijnt te veel warmte haar niet te hinderen; +dit neemt evenwel niet weg, dat men beter doet haar goed te behandelen, +geregeld te begieten, de bladeren schoon te houden en ze op een lichte +plaats te zetten. Het is voldoende, wanneer men haar eens om de twee +jaren verpot, waartoe men een mengsel gebruikt van blad- en broeiaarde; +heeft men dit niet, dan kan men ook lichten tuingrond gebruiken. Het +best overwintert zij in een vertrek met een temperatuur van 45°-50° +Fahr. De voortkweeking geschiedt door verdeeling der planten. + +Phormium tenax (Nieuw-Zeelandsch Vlas). De Phormium is een zeer +fraaie plant, met lange, zwaardvormige, groene bladeren, die voor +een gedeelte uit een zeer taaie vezelstof bestaan, welke voor het +vervaardigen van touw wordt gebruikt. Het is een harde plant, die, +in een kuip gekweekt, zeer geschikt voor decoratie is. + +Er bestaan talrijke variëteiten van met fraaie bont gestreepte +bladeren. Zeer goed laat zich de Phormium des winters gebruiken tot het +versieren van vestibules en trappen, terwijl zij des zomers buiten wil +staan. Een eigenlijke kamerplant is zij dus niet. Voor het verplanten, +dat bij oude exemplaren slechts weinig noodig is, wordt goede, zware +grond gebruikt. De vermenigvuldiging geschiedt bij de groene soort +door zaden en verdeeling, maar bij de bonte variëteiten uitsluitend +door deeling. + +Reineckia carnea. Dit is een sierlijke, in China inheemsche, +kruidachtige bladplant, die zeer hard is en zich daardoor uitstekend in +de kamer laat kweeken. Zeer mooi vooral is de witbonte variëteit. De +Reineckia heeft vleeschkleurige bloempjes, die, zooals ook de gravure +aantoont, in aartjes vereenigd zijn en haar waarde nog verhoogen. Wij +durven gerust het kweeken van dit lieve plantje, dat de kweekers +veel tot het beplanten van jardinières gebruiken, aanbevelen. Plant +men haar in goede aarde, in potten van 10-12 cM. wijdte, dan zal +zij zich spoedig zeer fraai ontwikkelen. Des winters verlangt zij +een temperatuur van 45°-50° Fahr.; zij verdraagt echter zeer goed +de temperatuur van een niet te warm woonvertrek, en wordt liefst op +een eenigszins beschaduwde plek gezet. De voortkweeking geschiedt +gemakkelijk door verdeeling der moederplant. Staat zij op een vochtige +plaats, dan maken de scheuten reeds wortel, wanneer zij nog aan de +moederplant zitten. + + + + +Kruidachtige bladplanten voor warme vertrekken. + +Begonia Rex (Bladbegonia). Behooren de Knol- en Heesterachtige +Begonia's tot de schoonste en dankbaarste bloemplanten, de +z.g.n. Bladbegonia's moeten zeker tot de allerfraaiste bladplanten +gerekend worden, die voor kamercultuur geschikt zijn. Hoewel ook de +Bladbegonia's bloemen voortbrengen, worden zij toch uitsluitend ter +wille van haar schoone bladeren gekweekt. Deze Begonia's behooren tot +de fraaiste en duurzaamste planten, waarmede men de kamer gedurende den +herfst en den winter versieren kan. Het was ongeveer in het jaar 1850, +dat de Bladbegonia's haar glanspunt bereikten, evenals dit nu met de +Knolbegonia's het geval is. Geheel uit de mode geraakt zijn zij echter +niet. Ook tegenwoordig is het nog steeds een zeer gezochte marktplant; +daar men echter in de fabrieken van kunstbloemen de Bladbegonia's beter +dan eenig andere plant kan namaken, vindt men nu meer nagemaakte dan +echte Begonia's in de kamers. Natuurlijk is dit zeer te betreuren, +te meer, daar die metalen planten, die nooit veranderen, juist niet +geschikt zijn, om den smaak van het publiek te verbeteren. Er bestaat +een zeer groot aantal prachtige variëteiten, die zeer groote bladeren +maken, welke met de fraaiste kleuren geteekend zijn. Tegenwoordig +heeft men ook een éénkleurige variëteit, de Begonia "Perle de Paris", +een zeer teere soort met zilverwitte bladeren. Een zeer interessante +soort is ook de Begonia Comtesse Louise Erdody, waarvan de bladeren +aan den voet spiraalsgewijze gewonden zijn. In tegenstelling met de +Knolbegonia's groeien de Bladbegonia's het gansche jaar door. Zij +verlangen zandige heideaarde, een warme standplaats en een niet te +droge lucht; verder moet men ze tegen te scherpe zon beschermen en +ze vooral niet bespuiten. Zeer interessant is de voortkweeking dezer +planten, hetgeen door de bladeren geschiedt. Men snijdt daartoe een +goed volwassen blad met een stukje steel af, en geeft dit met een +scherp mesje aan de ondervlakte eenige insnijdingen in de hoofdnerf, +bij voorkeur daar, waar deze zich vertakt. Het op deze wijze ingesneden +blad wordt nu zoodanig in een, met een glasplaat bedekten, schotel +gelegd, dat de steel in de aarde staat en de ingesneden hoofdnerf op de +aarde komt te liggen. Om het oplichten te voorkomen, legt men kleine +steentjes of scherven op de bovenzijde van het blad. Na eenige weken +zullen zich aan al de insnijdingen en ook aan den bladvoet knoppen +vormen, die zich spoedig ontwikkelen en dan heel aardige jonge plantjes +worden. Jammer genoeg slaagt deze wijze van voortkweeken meestal in +een kamer niet al te best, daar den liefhebber de daartoe zeer noodige +bodemwarmte ontbreekt. Toch is het wel waard, er de proef eens mede te +nemen. Schijnt de zon, dan moet het op de beschreven wijze neergelegde +blad daartegen geschermd worden. Het gieten mag alleen maar langs +den potrand gebeuren, opdat de bladvlakte niet vochtig wordt. + +De Bladbegonia's zijn kruidachtige planten met een dikken, vleezigen +wortelstok. Men kan ze zeer lang goed houden, wanneer zij in het +voorjaar verplant worden in een mengsel van heide- en broei-aarde, +waaraan wat hoornspaanders zijn toegevoegd. Des winters moet men ze +slechts matig begieten. Heeft men hardere variëteiten, dan groeien zij +ook zeer goed buiten, mits men ze op een beschaduwde plek zet. Naast +de Begonia Rex zijn er nog verscheidene kruidachtige Begonia's, die om +de bladeren gekweekt worden. Eenige daarvan groeien tamelijk hoog op, +en hebben fraai geteekende of gevlekte bladeren, van andere hardere +soorten daarentegen zijn deze groot en groenachtig. Tot deze laatste +behoort de Begonia rubella, (Fig. 221.) + +Coleus. Van de Coleus behooren verscheidene soorten op Java thuis, +en van deze stammen al de prachtige variëteiten, die tegenwoordig +gekweekt worden, af. De hardere soorten spelen een voorname rol +bij het aanleggen van mozaïek-vakken; de teerderen, waarvan vele +zich door werkelijk prachtige kleuren onderscheiden, vormen zeer +schoone potplanten, die des zomers zeer goed achter een zonnig, +gesloten venster groeien. Terwijl de Coleus des zomers op een warme +standplaats zeer goed groeit, vooral, wanneer men ze verscheidene +malen in goede broeiaarde verpot, ze rijkelijk giert en begiet, +is zij in den winter zeer gevoelig, zoodat zij moet overwinteren in +een vertrek met een gemiddelde temperatuur van 65° Fahr. Is men nu +zeer voorzichtig met gieten en let men goed op het ongedierte, dan +zullen zij wellicht goed den winter doorkomen; zeker is dit echter +niet. Het best doet men in het voorjaar jonge planten te koopen, die +zeer goedkoop zijn. Het schoonst is de Coleus met roode bladeren, +die bij eenige grootbladerige soorten bijna de afmeting van een +Ficus-blad kunnen bereiken. De bloemen zijn zeer onbeduidend en +verschijnen slechts bij zeer groote planten of bij die, welke gebrek +aan voedsel hebben. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door +stekken, die binnen enkele dagen wortel maken. + +Curculigo recurvata. De Curculigo is een der fraaiste kruidachtige +planten voor warme vertrekken. Op lange, grootvormige bladstelen +draagt zij bladeren, die tot een Meter lengte kunnen bereiken, met +een gegolfde oppervlakte en van een frisch groene kleur, die bij +een teerdere soort met gele strepen wordt afgewisseld. Door deze +elegant omgebogen bladeren is de Curculigo uitstekend geschikt voor +vrijstaande plant op een standaard. Op de bloemtafel kan men haar als +middenplant gebruiken, doch men moet er dan voorzichtig mede zijn; +door het gieten toch, wordt licht tegen de bladeren gestooten, die +dan zeer gemakkelijk knakken. Een natuurlijk verschijnsel is het, +ook bij gezonde planten, dat de bladspitsen dor en zwart worden; zij +mogen daarom echter niet afgesneden worden. Dicht aan den wortelhals +verschijnen, half tusschen schutbladeren verborgen en tot een dichten +bundel vereenigd, de gele bloemen, die volstrekt geen waarde aan de +plant geven. + +De Curculigo is niet zeer teer; zij verdraagt de droge kamerlucht heel +goed en ontwikkelt in één zomer drie tot vier fraaie, groote bladeren, +wanneer men ze in het voorjaar behoorlijk verpot heeft in met wat +graszodengrond vermengde heide-aarde. Bij het verplanten kunnen de +talrijke worteluitloopers afgesneden en in een afzonderlijk potje +opgeplant worden. Zorgt men er niet voor, dat de bladeren goed zuiver +gehouden worden, en vergeet men ze bij warm weder aan beide zijden te +bespuiten, dan warden zij spoedig door ongedierte aangetast. Wanneer +men te veel giet, wordt de Curculigo wortelziek; de frisch groene +bladeren verkrijgen dan een geelachtige, ongezonde kleur. + +Fittonia. De Fittonia's zijn sierlijke, kruidachtige, bont geaderde +bladplanten, welke ieder, die haar ziet, direct bevallen. Evenals +zooveel andere fraaie bonte bladplanten zijn ook de Fittonia's zeer +gevoelig; zij houden van schaduw, warmte en vochtige lucht, waarom +men ze het best kan kweeken in het kamerkasje of het terrarium. Plant +men ze in het terrarium uit, dan ontwikkelen deze over den bodem +kruipende planten, die niet veel hooger dan 10 cM. worden, zich +zeer fraai; wil men ze in potten houden, dan groeien zij het best +in platte schalen. De grond, dien men ze geeft, moet vooral poreus +wezen; het best gebruikt men grove stukjes heide-aarde, waar de +fijne bestanddeelen uit gezeefd zijn, vermengd met stukjes turf en +een weinig zand. De potten moeten van een goede drainage, bestaande +uit scherven en stukjes houtskool, voorzien worden. Staan zij in +een vochtig warme lucht, dan hebben de Fittonia's geen behoefte aan +veel licht. Des zomers moeten zij rijkelijk, des winters spaarzamer +begoten worden. In den handel treft men twee soorten aan, namelijk +Fittonia argyroneura, een tamelijk teere soort, met zeer fraaie, wit +geaderde bladeren, en Fittonia Verschaffeltii, een hardere soort, +met grootere, rood geaderde bladeren. Van beide soorten zijn de +bloemen onbeduidend. De voortkweeking geschiedt door stekken, die, +in het kamerkasje, gemakkelijk wortel maken. + +Maranta. De Maranta's zijn prachtige bladplanten, afkomstig uit +tropisch Amerika; het is echter jammer, dat zij zoo gevoelig zijn +voor droge kamerlucht. Van de talrijke soorten, waaronder er zijn +met zeer schoon geteekende bladeren, die in de kassen der groote +liefhebbers worden gekweekt, zijn slechts zeer weinigen voor +kamercultuur geschikt. Deze planten verlangen een zeer vochtige +lucht en een beschaduwde standplaats. Staan zij in de zon, of is de +aarde een weinig te droog, dan rollen de bladeren zich direct op; en +staan zij in een te koud vertrek, dan worden zij wortelziek. De beste +soorten, voor kamercultuur zijn Maranta Lietzeï, die tamelijk hoog +opgroeit en kleine, groene, mooi geteekende bladeren draagt, alsook +de laag blijvende Maranta Kerchovei. Beide soorten laten zich door +verdeeling zeer gemakkelijk voortkweeken. Een der schoonste soorten, +die het bij een zorgzame behandeling eenigen tijd in de kamer uithoudt, +is de in Fig. 225 afgebeelde Maranta zebrina. + +De Maranta's moeten geplant worden in grove broeiaarde, vermengd met +wat graszodengrond, zand en stukjes houtskool. Het meest durf ik de +Maranta Kerchovei aanbevelen, die zich, door haar gedrongen groei, +uitstekend leent voor het kamerkasje. + +Musa (Banaan). De Musa's zijn kruidachtige gewassen, met zulke +groote bladeren, dat zij slechts als jonge plantjes voor kamercultuur +geschikt zijn; worden zij grooter, dan deugen zij er niet meer voor, +ook omdat de bladeren zeer gemakkelijk inscheuren, en de plant dan +haar sierlijk voorkomen verliest. Lastig in de cultuur zijn de meeste +Musa's niet. Zij verlangen een zeer vette aarde, moeten des zomers +veel begoten en gegierd worden, terwijl er voor moet worden gezorgd, +dat zij een luchtige standplaats hebben. Des winters moeten zij +tamelijk warm gezet en vooral droog gehouden worden. Geeft men ze te +veel water, dan worden dadelijk de wortels ziek. De bekendste soort is +zeker wel de Musa Ensete (Abessinische Banaan). Deze soort wordt veel +gebruikt om des zomers in parken te worden uitgeplant. Geeft men ze +een goeden bodem en standplaats, dan kunnen zij, zoo behandeld, in één +zomer reusachtige afmetingen verkrijgen. Des winters kan zij slechts +dàn binnenshuis gebruikt worden, wanneer men over zeer groote salons +te beschikken heeft. Andere schoone soorten zijn: Musa Cavendishii +(M. chinensis), M. paradisiaca en M. zebrina. + +Panicum plicatum. Dit is een heel aardige, kruidachtige plant, die +tot de familie der Grassen behoort en welker bladeren wel eenigszins +doen denken aan die van een Curculigo, doch van kleinere afmeting +zijn. Deze soort laat zich zeer gemakkelijk uit zaad voortkweeken, +dat ook in de kamer rijpt. Ongeveer veertien dagen na het uitzaaien +kiemt het zaad, en de jonge plantjes groeien gewoonlijk zóó snel, dat +men ze al zeer spoedig in potjes met broeiaarde kan uitplanten. Deze +Panicum is een zeer elegante plant voor de bloemtafel, daar zij zich +rijkelijk uit den wortelstok vertakt. De geheele verzorging bestaat +in het meermalen verpotten in zeer voedzamen grond, het gelijkmatig +begieten en het geven van een goede, lichte standplaats. + +Peperomia. De Peperomia, waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben, +was een mooie bloemplant; er zijn echter verscheidene soorten, +die als bladplanten in aanmerking komen, en die bijzonder geschikt +zijn voor het kamerkasje of het terrarium. De Peperomia's, die meest +gestreepte bladeren hebben, moeten op dezelfde wijze behandeld worden +als de Fittonia's; alleen zijn zij veel minder gevoelig. + +Een zeer lieve soort is Peperomia Verschaffeltii, die tamelijk +gemakkelijk groeit. + +Andere fraaie soorten zijn nog Peperomia marmorata, met gemarmerde +bladeren, en Peperomia metallica, waarvan de bladeren een metaalglans +bezitten. De wijze van voortkweeken is reeds vroeger vermeld. + +Phrynium variegatum. Deze plant is in den laatsten tijd zeer verspreid +geworden. Zij heeft groen-, wit- en geelbonte bladeren en is een der +fraaiste kruidachtige bladplanten voor warmere vertrekken. Zij kan +zeer gevoeglijk tot de Maranta's gerekend worden en is slechts op +streng wetenschappelijke gronden van dit geslacht gescheiden. Men +behandelt deze Phrynium, die zich tamelijk goed in de kamer houdt, +op dezelfde wijze als de Maranta's. De voortkweeking geschiedt door +de verdeeling der oude planten. + +Sanchezia nobilis. Wanneer men plezier heeft in bladplanten met +geelbonte bladeren, dan moet men niet verzuimen zich de Sanchezia +nobilis aan te schaffen. Zij heeft tamelijk groote, eironde, groen +met geel gestreepte bladeren. Zeer mooi is deze plant vooral in +jongen toestand, wanneer zij nog tot op den pot toe met bladeren +bezet is. Oude planten ruimt men liefst op, na ze den kop te hebben +afgesneden, die, als stek behandeld, zeer gemakkelijk wortel maakt. De +bloemen gelijken eenigszins op die van de naverwante Justicia, +doch bij goed gekweekte planten krijgt men ze niet te zien. De jonge +Sanchezia's moeten herhaaldelijk ingesneden worden, om goede, bossige +exemplaren te verkrijgen; overigens is de behandeling dezelfde als +die van de Justicia. + +Strobilanthes Dyeriana. Deze Strobilanthes is een nog tamelijk nieuwe +plant; zij heeft ongeveer 15 cM. lange bladeren, die grof gezaagd +zijn en een blauwpaarsachtige kleur hebben. + +De kleur der bladeren is het, die haar tot een prachtige bladplant +maakt; de slechts zelden verschijnende bloemen zijn violetkleurig +en trechtervormig. + +Plaatst men de Strobilanthes voor een zonnig venster, dan groeit zij +zeer gemakkelijk; men kan haar echter ook met succes in den tuin, +vooral in mozaïek-vakken, gebruiken. Zij wil gekweekt worden in +zandige broeiaarde en laat zich goed door stekken voortkweeken. + + + + +Palmen. + +De Palmen zijn de "Koningen van het plantenrijk"; zij zijn de +edelste vertegenwoordigers der tropische planten en tegelijkertijd +de elegantste en meest trotsche bladplanten voor de kamer. Langen +tijd heeft men de bruikbaarheid der Palmen voor de kamer bestreden; +langzaam maar zeker hebben zij zich echter een der eerste plaatsen +onder de kamerplanten weten te veroveren. De Palm is het zinnebeeld +van kracht en schoonheid, en de meeste der meer dan duizend bekende +soorten, die bij voorkeur in keerkringslanden gevonden worden, +ontwikkelen een buitengewone pracht. + +Er zijn toch soorten onder, waarvan een enkel blad een breedte kan +bereiken van twee Meter, bij een lengte van acht à tien Meter. In +de cultuur ontwikkelen de Palmen zich natuurlijk niet tot zulke +reusachtige afmetingen; in de kamer worden zij slechts zelden zóó +groot, dat zij lastig worden, doch in de groote palmenkassen der +Botanische Tuinen kan men exemplaren vinden met hooge, slanke stammen, +gekroond door een reusachtige bladermassa, die ons dan ook eenigszins +het idee geven van de grootsche pracht, die deze planten op haar +natuurlijke groeiplaats ten toon spreiden. + +Hoewel het aantal tegenwoordig in cultuur zijnde Palmen niet +gering is, zijn er toch niet veel van die soorten, welke meestal in +Botanische Tuinen gekweekt worden, welke voor kamerplanten geschikt +zijn. Met slechts enkele is dit het geval, maar die enkele kan men zich +gemakkelijk aanschaffen; zij worden tegenwoordig in zeer grooten getale +gekweekt, men kan ze in alle afmetingen verkrijgen en de prijzen zijn +niet meer buitensporig hoog. + +De Palmen, voor kamercultuur geschikt, hebben lang niet zulk +een behoefte aan warmte, als men algemeen gelooft; enkele soorten +overwinteren zeer goed in een temperatuur van 40°-45° Fahr., en het +is zelfs mogelijk een enkele soort onder zeer goede bedekking des +winters buiten uitgeplant te laten staan. Wanneer een Palm in de kamer +niet groeien wil, en ten slotte doodgaat, dan gelooft men gewoonlijk, +de schuld in de te lage temperatuur te moeten zoeken; meestal echter +schuilt die in te veel warmte. Deze hoogere temperatuur zal op zichzelf +de plant weinig kwaad doen, maar zooals die heerscht in een kamer met +een droge, stoffige lucht, is zij voor Palmen steeds zeer verderfelijk. + +Slechts een goed onderhouden, ongeschonden Palm, die zóó schoon +ontwikkeld is, dat hij als middenplant voor de bloemtafel of als +alleenstaande plant op een bloemenstandaard kan gebruikt worden, is +werkelijk schoon; is hij echter onregelmatig ontwikkeld en heeft hij +half verdorde bladeren, dan ontsiert hij een kamer meer dan elke andere +plant. Wil men zijn kamers met fraaie Palmen versieren, en wil men er +pleizier van hebben, dan moet men reeds met het koopen voorzichtig +zijn. De beste tijd om Palmen te koopen is de herfst, daar men dan +in de kweekerijen goed geharde planten vindt. Men kiest bij voorkeur +die soorten, welke aan het einde van dit hoofdstuk worden opgegeven +en die voor de kamer geschikt zijn. Vooral moet men er op letten, +dat de planten in niet te kleine, doch in goed geëvenredigde potten +staan, en ook, dat zij niet doorgeworteld zijn, daar men ze anders +dadelijk, of korten tijd na het koopen moet verplanten, terwijl dit +pas noodig moet wezen, wanneer zij goed aan de kamer gewend zijn. De +bladeren der Palmen moeten geheel gaaf zijn, d.w.z. zij moeten geen +dorre punten hebben, of de punten moeten niet bijgesneden zijn; ook +moeten zij vrij van ongedierte wezen, dat zich bij voorkeur achter +op de bladeren of op de bladstelen nestelt. + +Werden de gekochte planten in een warme kas of bak gekweekt, dan moet +men ze nog eenige weken in de kweekerij laten, opdat de kweeker ze +langzamerhand kan afharden. + +Heeft men eenmaal een Palm gekocht, en dien goed ingepakt aan huis +laten bezorgen, dan wil men hem niet alleen goedhouden, doch ook gaarne +zien, dat hij doorgroeit. De zorg, die men er dan aan moet besteden, +is tamelijk eenvoudig. Men zet de plant op een lichte plaats, zoo dicht +mogelijk voor het venster van een vertrek, dat over dag een temperatuur +heeft, van 55°-60° Fahr., welke des nachts kan vallen op 45°-50° Fahr.; +terwijl zij voor enkele soorten nog lager kan zijn. Men moet er nu voor +zorgen, dat zij nòch aan tocht, nòch aan stof wordt blootgesteld, +waartoe men haar, o.a. wanneer het vertrek schoongemaakt wordt, +tijdelijk in een andere kamer moet zetten, die voldoende verwarmd is, +terwijl zij eerst dàn weder op haar oorspronkelijke plaats mag gebracht +worden, wanneer het vertrek weer op temperatuur is gekomen. Eenmaal in +de week wascht men haar met een spons en lauw warm water voorzichtig +af, er voor zorgende, dat de bladeren niet scheuren; ook moet men +des winters de bladeren één keer per dag met den rafraîchisseur van +onder en van boven bespuiten. Wordt zij aangetast door ongedierte, +dan wordt dit met de middelen, vermeld in het hoofdstuk over deze +plagen, bestreden. Het verdorren der bladspitsen heeft bij de Palmen +een natuurlijk verloop, maar gewoonlijk gebeurt dit in de kamer +veel meer dan in de kas. Dit vindt waarschijnlijk zijn oorzaak in +den veel langzameren groei in de kamers en ook in de droge lucht, +waaraan de planten zijn blootgesteld. De meest afdoende middelen, +om dit dor-worden zooveel mogelijk te voorkomen, zijn: de planten +niet te warm te zetten, de bladeren wekelijks af te wasschen en ze +dagelijks te besproeien. Verdorren de punten zóó sterk, dat de plant +er een minder fraai voorkomen door verkrijgt, dan neemt men een schaar +en knipt ze zoodanig af, dat het blad zoo weinig mogelijk van zijn +vorm verliest. Slechte bladeren worden met een scherp mes onder bij +den bladsteel afgesneden. + +De Palmen groeien in den winter slechts zeer weinig; in Maart beginnen +zij weder langzaam aan den groei te komen. Niettegenstaande zij dus +een werkelijken rusttijd hebben, mag men de aarde in de potten nooit +droog laten worden. De groote bladeren verdampen toch heel wat water, +dat door wortels moet aangevoerd worden. Gedurende den winter moet +men ze steeds begieten met water, dat minstens de temperatuur heeft +van het vertrek, waarin zij staan, daar te koud water zeer licht +wortelziekte kan veroorzaken. + +Des zomers is de behandeling der hardere soorten zeer eenvoudig, +wanneer men over een tuin kan beschikken, waarin zij ter versiering +goed gebruikt kunnen worden. Van Juni tot September groeien de +hardere soorten zeer goed buiten, als men ze op een beschutte, +half beschaduwde, plek zet. De Palmen, die ook des zomers in de +kamer blijven, moeten tegen scherpe zon geschermd worden, daar de +bladeren anders licht brandvlekken bekomen, en daardoor hun schoonheid +verliezen. Verder moeten zij dagelijks, al naar het weer donker of +helder is, een, twee of drie keer flink bespoten worden, terwijl men +ze ook rijkelijk moet begieten. Bij het gieten moet men er vooral op +letten, dat de, er onderstaande bakjes niet vol water blijven staan, +zooals maar al te vaak gebeurt. Direct, wanneer de planten na het +gieten uitgezakt zijn, moeten de bakjes geledigd worden. + +Goed gezonde en bewortelde Palmen kan men des zomers minstens één keer +per week gieren. Verdunde koemest is hiertoe zeker het meest geschikt; +levert het gebruik hiervan in de kamers bezwaar op, dan moet men zich +met kunstmeststoffen behelpen. + +Terwijl jongere Palmen ieder voorjaar moeten verpot worden, kunnen de +oude exemplaren, wanneer zij voldoende bemest worden, drie tot vier +jaren in denzelfden pot of kuip blijven staan. Bij het verplanten moet +men zeer voorzichtig zijn. De Palmen toch bezitten een zeer sterk +wortelgestel, lange zware hoofdwortels, die soms tien of vijftien +maal in den pot rondgegroeid zijn, zij hebben daarbij betrekkelijk +zeer weinig haarwortels. Nadat men den te verplanten Palm uit den pot +genomen heeft, wordt de kluit voorzichtig losgemaakt; men mag echter +aan de gezonde wortels in het geheel niet snijden, daar de ingesneden +Palmwortels zich meestal niet vertakken, doch geheel afsterven. Daar +deze lange hoofdwortels zich altijd onder aan de kluit ophoopen, +en er zich in het midden slechts weinig wortels bevinden, wordt het +gebruik van potten, die hooger zijn dan wijd, wel eens noodig. Men +vermijde het gebruik van zulke potten echter zooveel mogelijk, en +gebruike in geen geval de leelijke buisvormige potten, die wel in +den handel voorkomen. Sommige Palmsoorten ontwikkelen wortels uit +den stam, die dezen ten laatste uit de kluit tillen, zoodat zij dan +geheel vrij in de lucht staan. Zulke wortels behoeft men bij het +verplanten niet onder de aarde te brengen, daar zij zich na korten +tijd met een kurkhuid bedekken; wil men ze toch voedsel doen opnemen, +dan bedekt men ze met een laagje mos, dat goed vochtig gehouden wordt. + +Voor het bevestigen van dit mos gebruikt men het best dun koper- of +looddraad. Van veel belang is de grondsoort, die men bij het verplanten +gebruikt, daar deze geregeld moet worden naar den gezondheidstoestand, +den leeftijd en de sterkte der plant. Heeft men jongere of zieke +Palmen, dan wordt lichtere, heeft men oudere en gezonde planten, +dan wordt zwaardere aarde gebruikt. + +Drie- à vierjarige Palmen worden geplant in een mengsel van twee +deelen blad- of heide-aarde en één deel broeiaarde. Is de plant ouder, +dan gebruikt men meer broeiaarde en voegt, al naar de grootte van het +exemplaar, meer of minder graszodengrond aan het aardmengsel toe. Heeft +men planten in kuipen, dan kan dit mengsel bestaan uit gelijke deelen +bladaarde, broeiaarde en graszodengrond. Aan het grondmengsel worden +nog een hoeveelheid zand en eenige hoornspaanders toegevoegd. Daar de +Palmen in de kamer slechts langzaam groeien, moet men niet te groote +potten gebruiken. Bij het verplanten moet de aarde tamelijk vast +aangedrukt worden. Na het verplanten worden ze goed aangegoten en +voorloopig gesloten gehouden, d.w.z. volstrekt niet voor een geopend +venster gezet. Totdat zij beginnen door te groeien, moet men matig +zijn met gieten, doch des te meer spuiten. + +De meeste Palmen zijn boomachtig; zij vertakken zich niet, men kan +ze dus niet door stekken, maar slechts langs den natuurlijken weg, +door middel van zaden, voortkweeken. Daar de Palmen in de grootere +kassen slechts zeer zeldzaam bloeien, en deze nog lang niet altijd +vrucht dragen, moeten de zaden dus uit het land van oorsprong worden +ingevoerd. Gewoonlijk ontvangt men de zaden nog omgeven met het +verdroogde vruchtvleesch. Daar de Palmzaden tamelijk spoedig hun +kiemkracht verliezen, moeten zij dadelijk na ontvangst in den grond +gebracht worden. Wil men ze in de kamer zaaien, dan doet men het best +een platten schotel of anders een 10 cM. wijden pot te nemen. Nadat +men den pot goed van drainage voorzien heeft, wordt het te gebruiken +grondmengsel niet te vast daarop gelegd en de pot daarmede bijna tot +den rand toe gevuld. In plaats van aarde, die niet erg voor warmte +toegankelijk is, gebruikt men bij voorkeur turfmolm, zaagsel of +kokos-vezel om in te zaaien, welk materiaal vóór het gebruik goed +vochtig moet gemaakt worden. + +Heeft men de zaden van het hen omgevende vruchtvleesch ontdaan, +dan worden zij één voor één, dicht tegen elkaar in den grond gelegd, +daarna nog met een laagje gedekt en ten slotte flink aangedrukt. De +zaadpotten worden nu steeds matig vochtig en zeer warm gehouden; +het best zet men ze in het kamerkasje; heeft men een warmere plaats +dan daar, ook al is die minder licht, wat geen bezwaar is, daar de +zaden toch tamelijk lang werk hebben voordat zij kiemen, dan is dit +nog veel beter. Fig. 227 vertoont een enkelen pot met goed opgekomen +Palmzaden, alsook twee opgenomen zaailingen. Hebben de zaailingen de +grootte, zooals op de gravure staat, bereikt, dan worden zij uit den +pot genomen en afzonderlijk in kleine potjes opgepot. Voor dit eerste +oppotten gebruikt men zandige blad- of heide-aarde. Men moet nu vooral +voorzichtig zijn, dat de zaadkorrel niet afbreekt, daar deze de jonge +plant gedurende den eersten tijd nog gedeeltelijk voedt. Men neemt een +niet te klein stekpotje, brengt daarin drainage, doet er wat aarde +in en houdt dan den zaailing er zóó in, dat de zaadkorrel onder den +rand komt te liggen. Het potje wordt nu geheel met aarde aangevuld, +die goed aangedrukt moet worden, waarna de opgepotte zaailing goed +wordt aangegoten. + +Het kweeken van Palmen uit zaden is, wanneer men het in de kamer +moet doen, wel zeer interessant, maar niet erg loonend. Afgezien +nog daarvan, dat onder de betrekkelijk ongunstige omstandigheden +de kieming zeer lang duurt of wel geheel mislukt, moeten de jonge +zaailingen noodzakelijk in het kamerkasje worden gezet, waarin zij +zich nog zeer langzaam ontwikkelen. Bij slechts zeer weinig soorten +brengen de Palmzaailingen direct hun gekarakteriseerde bladeren voort; +de meeste maken de eerste twee, drie jaren lange smalle bladeren, +zooals op onze gravure zijn te zien, en die, al naar de soorten, +wat smaller of wat breeder zijn. Men moet bij in de kamer gekweekte +zaailingen veel langer op het eerste goed ontwikkelde blad wachten +dan bij in de kas gekweekte. + +De Palmen worden in twee groepen verdeeld: die met vedervormige en die +met waaiervormige bladeren. Uit beide groepen willen wij slechts die +soorten vermelden, welke voor de kamer geschikt zijn en die men overal +goedkoop kan verkrijgen. De schoonste en dankbaarste Vederpalmen voor +de kamer behooren tot het geslacht Kentia. + +De Kentia's behooren in Nieuw-Holland te huis. Ongeveer vijftig +jaar geleden werden zij nog tot de duurste soorten gerekend; sedert +dien tijd zijn er echter groote massa's goede zaden van ingevoerd, +waardoor zij veel goedkooper zijn geworden. Een der meest bekende en +gezochte soorten is de Kentia Balmoreana, (Fig. 228). Men kan op de +gravure de meest kenmerkende eigenschappen van het gansche geslacht +zien, namelijk de fraaie, licht gebogen bladeren, met de naar beide +zijden afhangende zijblaadjes en het flinke, krachtige voorkomen der +geheele plant. Naast deze soort wordt de Kentia Forsteriana het meest +aangetroffen, en zij verdient deze onderscheiding ten volle, daar zij +door haar lange bladstelen een zeer elegante verschijning is. Veel +gelijkenis met de Kentia's hebben de Areca's. Is de kleur der bladeren +bij de eerstgenoemde soorten eenigszins geelachtig, bij de laatste is +die donkergroen. De slanke bladeren zijn over het algemeen grooter; +de bladstelen en ook de vederblaadjes zijn eenigszins wit bestoven, +wat men zoo mogelijk niet moet afwasschen. + +De schoonste en beste soort voor kamercultuur is de Areca Baueri. Uit +Fig. 229 kan men duidelijk zien, dat ook dit een zeer schoone soort +is. Deze van het eiland Norfolk afkomstige soort is tegenwoordig +zeer gezocht. + +Een Areca Baueri, op een standaard geheel vrij staande, is een +prachtige kamerversiering, en, wat hoofdzaak is, zij is dit niet voor +eenige dagen, maar voor zeer langen tijd, wanneer men haar voorzichtig +en met overleg behandelt. Ook de stijvere Areca sapida (Fig. 230) +is een mooie en zeer dankbare kamerplant. + +Zeer dicht aan het geslacht Areca sluit zich het geslacht Hyophorbe +aan. Een der hiertoe behoorende soorten, de Hyophorbe indica, in +den handel ook wel als Areca lutescens bekend, is een zeer goede +kamerplant. Deze soort groeit eenigszins bossig, wijl zij verscheidene +stengels vormt. + +De voor kamercultuur meest bekende Vederpalmen behooren zeker wel tot +het geslacht Phoenix, waarvan zeer veel soorten in cultuur zijn. Het +zijn alle zeer elegante Palmen, met gootvormig gevouwen vederblaadjes +en aan den voet gedoornde bladstelen. Aan deze dorens kan men, +wanneer men niet voorzichtig is, zich vrij erg bezeeren. + +De echte Dadelpalm, Phoenix dactilifera, laat zich gemakkelijk kweeken +uit de pitten der in den handel voorkomende dadels. + +Deze zaden hebben voor hun kieming geen behoefte aan veel warmte; +des zomers kiemen zij zelfs wel buiten. De schoonste soorten +van het geslacht zijn Phoenix tenuis, met zeer fijne bladeren; +Phoenix rupicola, een zeer elegante soort, en Phoenix leonensis, +die niettegenstaande haar groote vederblaadjes, toch zeer sierlijk is. + +Ook onder de Cocos-soorten treft men zeer fraaie kamerplanten +aan. Terwijl de echte Kokospalm, de Cocos nucifera, in de kamer in +het geheel niet en in een kas uiterst moeilijk te kweeken is, zijn +er andere soorten, die zeer dankbaar zijn. De Cocos Weddeliana, +afkomstig uit Brazilië, is zeker wel een der beste en te gelijk +een der mooiste Palmen voor de kamer. De fraaie, elegante bladeren +van deze soort zijn aan de bovenzijde glanzend groen en aan de +onderzijde zilverwit. Zij verkiest een kleiachtige aarde, voorzichtige +begieting en een eenigszins koele standplaats, daar zij anders spoedig +wortelziek wordt. In de laatste jaren wordt de Cocos Weddeliana in +zeer grooten getale gekweekt en overal voor kamercultuur aanbevolen, +zoodat men er jonge planten van vindt in bijna iedere uitstalling der +grootere bloemenwinkels. Een zeer dankbare kamerplant is ook de Cocos +Romanzoffiana; deze is afkomstig uit de gematigde streken van Brazilië +en vormt zeer lange bladeren, met elegant afhangende vederblaadjes. + +Zeer sierlijke Palmen zijn ook eenige soorten van Chamædorea, van +wier slanke stammen wandelstokken worden gemaakt. Zij worden nog +betrekkelijk weinig gekweekt, hoewel zij in de kassen gemakkelijk +bloeien en zaad geven. De meest bekende soorten zijn de Chamædorea +Ernesti-Augusti en de Chamædorea elegans. + +Ten laatste willen wij van de Vederpalmen nog de Caryota's +vermelden. De bladeren, der soorten, die hiertoe behooren, zijn +dubbel gevederd, d.w.z. de bladsteel vertakt zich en aan deze +zijtakjes zijn de bladeren bevestigd. De vederblaadjes op zichzelf +zijn tamelijk breed, scheef, driekantig en sterk ingesneden, vooral +de groote eindbladeren hebben veel overeenkomst met de staartvin +van een visch. Interessant zijn de Caryota urens en de Caryota +sobolifera. De Caryota's, die niet veel aangetroffen worden, zijn zeer +goede kamerplanten gebleken; omdat zij niet al te groot worden. Hoewel +zij, in de kamer gekweekt, volstrekt geen stam vormen, zijn het in +haar vaderland imposante boomen, met slanke, gladde stammen. + +Niet zoo groot als bij de Vederpalmen is de keuze bij de +Waaierpalmen. De meest bekende en wellicht ook de fraaiste der +hiertoe behoorende soorten is de Livistona chinensis (Latania +borbonica). Iedere plantenliefhebber kent deze fraaien Palm, die in +elke kweekerij aangetroffen wordt. Zij houdt zich in de kamer vrij +goed, doch vormt niet zulke lange bladstelen, waardoor zij spoedig +haar elegant voorkomen verliest. Dit is vooral het geval, wanneer +men planten koopt, die in de kweekerijen zeer warm hebben gestaan. De +hartbladeren blijven dan in den kop steken, zij groeien niet goed door +en de plant verliest veel van haar schoonheid. Een veel zeldzamere, +doch ook zeer fraaie soort is de Livistona rotundifolia. Beide soorten +bezitten gedoornde bladstelen. Zeer hard is de Livistona australis; +ook deze soort heeft gedoornde bladstelen en bijna cirkelronde, fijn +ingesneden bladeren. Als jonge plant is zij echter wel een beetje +stijf. De hardste Waaierpalmen zijn de Chamærops. Twee soorten komen +van dit geslacht veel voor: de Chamærops excelsa en de Chamærops +humilis. De eerste, die ongedoornde bladstelen heeft en hooger +opgroeit dan de tweede, is ook veel fraaier. Beide soorten groeien +des zomers zeer goed buiten en stellen zich des winters tevreden met +een temperatuur van 40°-50° Fahr. + +Ten laatste willen wij nog vermelden de Rhapis flabelliformis. Dit +is een struikachtige harde Palm, die bossig groeit en vrij lange +stengels vormt. De bladeren zijn donkergroen, handvormig ingesneden +en worden door zeer dunne bladstelen gedragen. De stengels zijn met +een stugge vezelstof omgeven. + +Een zeer sierlijke soort is ook de laag blijvende Rhapis humilis. Deze +is, evenals de voorgaande, voor koelere vertrekken bestemd. Men kan +ze gemakkelijk voortkweeken door scheuring; ook worden er talrijke +exemplaren van ingevoerd, die, na in de kweekerijen aan den groei te +zijn gebracht, door de kweekers worden aangeboden. + + + + +Cordyline en Dracæna. + +De Cordyline's en Dracæna's vormen twee geslachten uit de familie der +Liliaceeën. De hiertoe behoorende soorten komen meest alle voor onder +den naam Dracæna, eenige ook onder den naam Aletris. Het voornaamste, +ook voor leeken, waarneembare verschil tusschen de beide geslachten +bestaat hierin, dat de soorten, die tot het geslacht Cordyline +behooren, een soort van wortelstok vormen, waaruit jonge scheuten zich +kunnen ontwikkelen, en ook witte wortels hebben, terwijl de soorten +van het geslacht Dracæna zulk een rhizoom niet bezitten en geelachtige +wortels vormen. Wat het uiterlijk betreft, komen de beide geslachten +anders tamelijk wel overeen, en ook in de behandeling stellen zij +dezelfde eischen, waarom wij hen te zamen willen bespreken. + +Wanneer de lezer de hierbij gevoegde gravuren slechts even beziet, +dan zal hij er wel dadelijk oude bekenden in herkennen. Deze, dikwijls +met zeer fraaie bladeren prijkende bladplanten zijn een zeer belangrijk +handelsartikel. Men vindt ze tegenwoordig in bijna iedere kweekerij, +waar zij door te veel leeken nog steeds voor Palmen worden aangezien, +waarmede zij echter niets gemeen hebben. De betrekkelijk kleine bloemen +der Cordyline's en Dracæna's verschijnen in groote trossen. Zij zijn +tamelijk onbeteekenend, en komen alleen voor bij zeer oude exemplaren, +of bij planten, die gebrek aan voedsel hebben. + +Gedeeltelijk zijn de tot deze geslachten behoorende gewassen harde +decoratieplanten, die men des zomers ter versiering van den tuin en het +balkon kan gebruiken, terwijl men ze des winters in een tamelijk koude +kamer kan laten overwinteren. Het zijn in hoofdzaak de groenbladerige +variëteiten, die zich daartoe bij uitstek leenen. Andere groene en +vooral gekleurde variëteiten zijn meer bepaald kamerplanten, die een +zeer zorgvuldige behandeling verlangen. Deze teerdere soorten kweekt +men het best, ook des zomers, in de kamer; men geeft ze dan een lichte +standplaats, waar zij tegen te scherpe zon moeten geschermd worden. De +winterverpleging der Cordyline's en Dracæna's is het lastigst van de +geheele cultuur. Het gevoeligst zijn de bontbladerigen; de aarde moet +tamelijk droog, in ieder geval meer droog dan vochtig gehouden worden, +daar anders de wortels en onderaardsche stengeldeelen afsterven, +waardoor de geheele plant kan verloren gaan. Bij de meeste Cordyline's +zijn de wortels slechts éénjarig; tegen het voorjaar sterven zij af, +gelijktijdig ontspringen echter uit de onderaardsche stengels jonge, +witte wortels, die spoedig den geheelen pot vullen. De tijd, waarop +dit wisselen geschiedt, is verreweg de kritiekste en men moet dan zeer +voorzichtig zijn met het gieten. De Dracæna's behouden des winters +hun wortels en kunnen dan ook wat rijkelijker begoten worden. + +De Cordyline's en Dracæna's worden niet te vroeg in het voorjaar +verplant. Heeft men jongere, in potten staande planten, dan geschiedt +dit eens per jaar. Oudere, in kuipen staande exemplaren daarentegen +behoeft men slechts om de 2 à 4 jaren te verplanten. Bij het verplanten +gebruikt men steeds betrekkelijk kleine potten, zoodat er tusschen +den nieuwen pot en de kluit niet al te veel ruimte over is. Nadat +men ze uit de potten heeft genomen, worden de kluiten losgemaakt en +de doode wortels weggesneden; waarbij men echter voorzichtig moet +zijn, niet in de gezonde wortels te snijden. Totdat de planten aan +den groei zijn, moet men slechts matig gieten. Oudere, niet verplante +exemplaren kunnen des zomers enkele malen met een niet te sterke gier +begoten worden. Op warme dagen moeten de bladeren des morgens en des +avonds bespoten en ook af en toe met een spons afgewasschen worden, +opdat zij zuiver blijven en niet door ongedierte worden aangetast. De +tot deze geslachten behoorende planten hebben steeds sterk te lijden +van gevaarlijk ongedierte, zooals thrips en roode spin, dat altijd, +wanneer zij in een warm vertrek staan en niet voldoende gewasschen +en bespoten worden, vrij hevig optreedt. + +Het voortkweeken der Cordyline's en Dracæna's geschiedt in de +kweekerijen op verschillende manieren. Verscheidene soorten +worden uit zaden gekweekt; gewoonlijk echter geschiedt dit langs +ongeslachtelijken weg door middel van stekken. De kroon der plant, +die men voor vermenigvuldiging wil laten dienen, wordt afgesneden en +als stek behandeld; daarna snijdt men den stam, zoo lang hij nog niet +houtachtig, d.w.z. zeer hard geworden is, in eenige een centimeter +lange stukjes. Nadat men de snijvlakken wat heeft laten opdrogen of ze +met houtskoolpoeder heeft bestrooid, worden de stukjes op bodemwarmte +gelegd in zeer lichte aarde of turfmolm. Spoedig ontwikkelen zich nu +aan deze stamstukjes jonge scheuten, die ook wortels vormen. Zijn +de stamstukjes te groot, dan snijdt men ze aan beide zijden in; +de snijvlakken worden dan vóór het oppotten nogmaals met houtskool +bepoederd. In de kamer is echter het voortkweeken dezer planten +bijna ondoenlijk, daar men niet over een constante bodemwarmte kan +beschikken. Heeft men planten van deze geslachten, die een schoone +kroon hebben, doch van onderen kaal en daardoor leelijk geworden zijn, +dan kan men die in de kamer toch zeer goed verjongen, door haar te +ringen, op de wijze op bladz. 37 uitvoerig besproken. + +Onder de Cordyline's vinden wij, zooals reeds gezegd is, talrijke +hardere soorten, die als decoratieplanten zeer goed dienst kunnen +doen. Tot deze soorten behoort de Cordyline indivisa, waarvan talrijke +variëteiten bekend zijn en ook de Cordyline australis, met fraaie, +breede bladeren. Onder de hardere soorten, die geschikt zijn om +steeds in een kamer gekweekt te worden, zijn vermeldingswaardig +de groenbladerige Cordyline congesta, en ook de Cordyline rubra, +met breedere, roodachtig getinte bladeren. Deze beide soorten treft +men tamelijk veel in woonvertrekken aan. Groenbladerige soorten +van den lateren tijd zijn de Cordyline Bruantii en de Cordyline +Danellii, waarvan vooral de eerste een uitnemende kamerplant is. In +veel kweekerijen worden groote collecties rood-, wit- en geelbonte +variëteiten van de Cordyline gekweekt, die, zooals wij reeds gezegd +hebben, lang niet gemakkelijk te behandelen zijn, en zich in de kamer, +vooral des winters, zeer gevoelig toonen. Fig. 234 toont een zeer +fraaie, hiertoe behoorende soort, de Cordyline terminalis rosea. + +Onder de Dracæna's zijn ook talrijke harde soorten, waartoe ook +de Dracæna Draco (Drakenbloedboom) behoort. Deze soort is slechts +schoon als grootere plant en wordt daarom niet zeer veel in de kamer +gekweekt. Zeer mooie groenbladerige soorten zijn de Dracæna fragans +en de Dracæna Rothiana; schoone, flink groeiende, bontbladerige +soorten zijn de Dracæna Lindenii (Fig. 236) en de Dracæna Massangeana +(Fig. 237); beide hebben groen met geel genuanceerde bladeren en vormen +fraaie planten. Een heel aardige kamerbladplant is ook de Dracæna +marginata, met smalle, rood gerande bladeren, terwijl een tamelijk +nieuwe, ook zeer goede kamerplant, de Dracæna Sanderiana (Fig. 238) is. + + + + +Potplanten met fraaie vruchten. + +Van deze groep komt in de eerste plaats in aanmerking de Ardisia +crenulata. Deze, van de Antillen afkomstige plant, is zeker wel +de schoonste der groenblijvende kamerplanten, die fraaie vruchten +voortbrengen. Zij kenmerkt zich door een pyramidalen groei. De +twijgjes zijn dicht bezet met frisch groene, sterk gezaagde, ovale, +lederachtige bladeren. In het voorjaar groeit de Ardisia sterk uit; +de jonge scheuten bedekken zich rijkelijk met kleine witte bloempjes, +terwijl de overjarige scheuten bezet zijn met fraaie, koraalroode +bessen. + +De Ardisia is een inderdaad lieve kamerplant, die vroeger zeer +veelvuldig gekweekt werd, doch tegenwoordig veel zeldzamer +is geworden. Jammer is het, dat zij zich niet gemakkelijk in de +kamer laat houden, daar zij warmte en vochtige lucht verlangt. Een +hoofdvereischte is, haar goed schoon te houden, daar zij gemakkelijk +vuil wordt en dan door schildluizen wordt aangetast. Oudere planten, +die de onderste twijgen verloren hebben, zijn bepaald leelijk. De +Ardisia's verlangen een lichte standplaats; zij willen dikwijls +bespoten en zeer gelijkmatig begoten worden, terwijl men ze tegen +de scherpe zon moet schermen. Ieder jaar moeten zij in het voorjaar +verplant worden, waarvoor men een goede zandige broeiaarde moet +gebruiken. Zeer nuttig is het, ze des zomers af en toe te gieren. + +De voortkweeking geschiedt door zaden, die in vochtige lucht vaak +reeds kiemen, wanneer zij nog aan de moederplant zitten en dan +een interessant gezicht opleveren; ook kan men kopstekken nemen, +waartoe de kroontjes van leelijk geworden planten zeer goed kunnen +dienen. In de kamer gelukt het kweeken, door middel van stekken, +uiterst zelden, terwijl het ook zeer moeilijk is er uit zaden goede +planten van Ardisia's te kweeken. Een liefhebber doet dus het wijst, +zich goede, jonge planten aan te schaffen. + +Een zeer aardige, éénjarige potplant, die zeer schoone vruchten vormt, +is ook de Capsicum annuum (Spaansche peper). In landen met een warmer +klimaat groeit deze plant zeer welig buiten; zij brengt dan in grooten +getale haar vruchten voort, die, gedroogd, een lang niet onbeduidend +handelsartikel vormen. Er zijn talrijke soorten en variëteiten van +bekend, die zich onderscheiden door de grootte, den vorm en de kleur +der vruchten, door de grootere of kleinere bladeren en ook wel door +de kleur der bloemen. Deze zijn geelachtig wit en gelijken in vorm +eenigszins op die van den Aardappel, waaraan deze plant verwant is. De +snel kiemende zaden worden in Maart gezaaid in een pot, die voor het +venster wordt gezet. De kiemplantjes moeten spoedig gerepikeerd en, +na de ontwikkeling der eerste blaadjes, afzonderlijk in potjes geplant +worden. In den loop van den zomer zal het noodig wezen ze eens of +tweemaal te verpotten. Voor het verpotten moet men zeer goede, met zand +gemengde, broeiaarde gebruiken. De jonge plantjes, die in den beginne +vrij warm moeten gehouden worden, gewent men langzamerhand aan de +lucht, om ze in het begin van Juni in een zonnig gelegen plantenrekje +te kunnen zetten. In Juni verschijnen meestal de bloemen. Zoodra +deze vrucht gezet hebben, moet men al de twijgen toppen, ten einde +het verder groeien te beletten, zoodat de plant al haar kracht voor +de vruchtvorming kan gebruiken. Heeft men grootvruchtige planten, +dan moet men er niet meer dan 2-4 vruchten tot ontwikkeling laten +komen, daar zij dan veel mooier worden. Heeft de plant vrucht gezet, +dan moet men haar aanbinden om misvorming te voorkomen; ook is dan +een rijkelijk begieten en gieren zeer noodig. Tegen het midden van den +herfst zet men de planten achter het venster van een matig warme kamer, +waar de vruchten zeer goed rijp worden. Zijn deze volkomen rijp, dan +kan men ze afsnijden en ter versiering van vazen gebruiken, of wel, +men geeft ze in de keuken, waar zij wel haar weg zullen vinden. + +Onder de fraaiste groen blijvende potplanten, die, jammer genoeg, maar +weinig en dan nog meestal niet fraai worden aangetroffen, behooren +zeker wel de Citrussen (Oranjeboompjes). Een miniatuur Oranjeboompje +of een klein struikje, dat rijkelijk met vruchten beladen is, biedt +inderdaad een fraaien aanblik. Tegen de sappig groene bladeren komen +de oranje vruchten, die meer dan negen maanden het boompje versieren, +zeer fraai uit. Ook een bloeiend exemplaar met de welriekende, witte +bloemen is zeer aantrekkelijk. + +Hoewel de Oranjeboom in Italië zeer welig groeit, behoort hij +tot die planten, die nòch in de kas, nòch in de kamer veel warmte +willen hebben. Wel kweekt een bloemist de jonge oranjeboompjes in +een warmen bak, doch hij doet dit slechts om ze wat snel te laten +doorgroeien, daar hij ze slechts in den beginne onder glas houdt; +gedurende den winter zet hij ze echter in een kas, die slechts +even vorstvrij gehouden wordt. Een liefhebber doet het best zijn +Oranjeboompjes des winters voor het vensters van een zonnig, dan +slechts hoognoodig verwarmd, doch rijkelijk gelucht wordende kamer te +zetten. Wel groeit de plant hier des winters niet, maar zij vormt, met +haar blijvende bladeren en fraaie vruchten, een mooi en interessant +kamersieraad. Eetbaar worden de vruchten niet, daar zij steeds een +sterk zuur-bitteren smaak behouden, doch nog groene, zeer onrijpe +vruchten zijn voor het maken van een bowl zeer geschikt. + +Naast een koele, doch vorstvrije standplaats is het voorzichtige +gieten des winters een hoofdvereischte. De meeste Oranjeboomen sterven +door te groote warmte en te veel vocht. Men moet des winters slechts +zeer zelden gieten, en eerst dan, wanneer de aarde meer droog dan +vochtig is. In het voorjaar worden de boompjes, wanneer dit noodig +blijkt, ingesneden en zoodra zij beginnen te groeien, moet men ze +verplanten. Bij dit verplanten gebruikt men steeds betrekkelijk kleine +potten, en een grondmengsel van 2 deelen broeiaarde, 1 deel blad-, +en 1 deel graszodengrond, waaraan 1/2 deel grof zand wordt toegevoegd. + +Heeft men wortelzieke planten, dan is het nuttig aan dit mengsel nog +wat grof gestooten houtskool toe te voegen. Totdat de plant begint te +groeien, moet men met het gieten zeer voorzichtig zijn. Des zomers +d.w.z. van het laatst van Mei af, geeft men den Oranjeboompjes een +plaats op een zonnig balkon of op een zonnige plek in den tuin; +in den herfst moet men ze echter tegen zwaren regen kunnen beschermen. + +De voortkweeking geschiedt door zaden en ook door stekken, die slechts +in een kweekkas, bij een gelijkmatige bodemwarmte, na een week of zes +wortel maken. De zaden kiemen ook in de kamer vrij goed, maar leveren +slechts gedoornde, wilde planten, die veredeld moeten worden, wat men +het best door middel van oculatie doet (Fig. 32). In het tweede jaar +zijn de zaailingen sterk genoeg om op den wortelhals of dicht boven +de aarde geoculeerd te kunnen worden. De veredelingen groeien voor +het raam, na eenige weken, zeer goed aan, wanneer men ze onder glas +houdt, door er bijv. een stolp of inmaakglas overheen te zetten. Is +de veredeling sterk genoeg geworden, dan moet men het wildstammetje, +dat toch reeds ingesneden was, tot aan de oculatie afsnijden. + +Voor kamercultuur zijn het meest geschikt de vormen van de Citrus +Aurantium, een soort met gevleugelde bladstelen. De dankbaarste is +de Citrus japonica (Citrus chinensis), een zeer gedrongen groeiende +variëteit. Een nog sierlijker vorm, waarvan de bladeren gelijken +op groote Mirtebladeren, is de Citrus myrtifolia. Deze beide +Oranjeboompjes hebben slechts kleine, doch zeer sierlijke vruchtjes. + +De Nertera depressa is een maar weinige centimeters hoog wordend +plantje, afkomstig van Nieuw-Zeeland, met zeer kleine blaadjes en +groene bloempjes, die gevolgd worden door aardige oranjekleurige +besjes, welke tot diep in den winter goed blijven en de bladeren ten +laatste geheel bedekken. Dit sierlijke plantje moet gekweekt worden +in platte schalen, die goed gedraineerd zijn. Als aarde gebruikt +men zandigen veen- of heidegrond. De voortkweeking geschiedt in +het voorjaar, bij het verplanten, door middel van scheuren. De +Nertera depressa verlangt tamelijk veel water; men moet haar koel, +doch vorstvrij laten overwinteren en des zomers buiten zetten. Zeer +geschikt is zij, om, wanneer men in een terrarium een rotsje heeft +van tufsteen, dit er mede te beplanten. + +Een zeer aardig struikje voor de kamer is ook de uit Amerika afkomstige +Rivina humilis. De bladeren hiervan gelijken in vorm eenigszins op die +van een Fuchsia, doch zijn, in plaats van glad, donsachtig behaard. Des +zomers ontwikkelen zich aan dunne steeltjes onbeduidende bloempjes, +waarop zeer sierlijke, koraalroode bessen volgen. De Rivina groeit +zeer gemakkelijk; het is echter een warmte-minnende plant, zoodat zij +het geheele jaar door in de kamer moet gekweekt worden. Voor flink +ontwikkelde planten zijn potten van 10 cM. wijdte groot genoeg. Het +best groeit zij in lichten, zandigen bladgrond. + +De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door zaden en ook +door stekken. Wanneer men van de Rivina pleizier wil hebben, dan +moet men geregeld jonge planten aankweeken, daar de oudere haar +bladeren verliezen, gemakkelijk door insecten worden aangetast en +dan allesbehalve sierlijk zijn. + +Onder de planten, die zeer fraaie vruchten voortbrengen, behooren zeker +ook de Solanums (Nachtschaden). Een zeer goede, hiertoe behoorende +soort is de Solanum Pseudo-Capsicum, die sierlijke, ronde, schitterend +roode bessen draagt. Zeer fraaie, groote, wit- of blauwachtige vruchten +geeft de Solanum Melongena (Eierplant). Dit is ook een nuttige plant, +die hier te lande echter niet gebruikt wordt. + +De Solanum Melongena is éénjarig, terwijl men het best doet, ook de +Solanum Pseudo-Capsicum als zoodanig te behandelen [4]; zij worden in +het voorjaar gezaaid en juist zóó behandeld als wij vermeldden voor +de Spaansche peper, die zeer nauw aan haar verwant is. Ook aan de +Eierplant laat men slechts twee tot vier vruchten zich ontwikkelen; +bij de Solanum Pseudo-Capsicum houdt men echter de vruchtzetting niet +tegen, daar die zich zeer fraai met roode bessen kan bedekken. + + + + +Coniferen. + +De Coniferen worden vaak als decoratieplanten in kuipen gekweekt. Voor +deze cultuur zijn talrijke soorten geschikt, die door haar fraai +voorkomen uitstekende diensten bewijzen bij de versiering van +balkons en terrassen. Men zoekt daartoe fraaie planten uit en laat +ze met een flinke kluit in een kuip zetten, of, wat nog beter is, +men koopt direct in kuipen gekweekte planten. Des zomers moet men ze +'s morgens en 's avonds besproeien en ook zeer rijkelijk begieten. De +overwintering geschiedt zeer goed in een vestibule of in een luchtigen +kelder. Het zal om de paar jaar noodig zijn ze te verplanten, waartoe +men een mengsel neemt, bestaande uit gelijke deelen compost-, broei- +en graszodengrond. In den laatsten tijd worden verscheidene soorten +Coniferen, meest Juniperus- en Thuja-soorten, in potten gekweekt als +kamerplanten aanbevolen, en hoewel dit heel aardige plantjes zijn, +zijn zij voor dit doel toch minder geschikt; slechts des winters kan +men ze met succes in een koude kamer kweeken. + +Werkelijk goede kamerplanten levert het geslacht Araucaria, dat dien +naam te danken heeft aan Arauca, een landstreek in Zuidelijk Chili. De +bekendste en meest aanbevelenswaardige soort is de Araucaria excelsa +(Fig. 242). Wanneer de lezer de gravure slechts even vluchtig bekijkt, +dan zal deze plant hem zeker bekend voorkomen. Niettegenstaande haar +zeer regelmatigen vorm, bestaande uit verschillende verdiepingen, +is deze Araucaria toch een zeer elegante plant, bij uitstek geschikt +ter versiering der kamers. Deze fraaie Conifeer hoort op het eiland +Norfolk te huis. In den handel zijn vele, jammer genoeg ook zeer dure, +variëteiten der Araucaria excelsa te verkrijgen, waarvan de Araucaria +excelsa glauca, met blauwgroene naalden, nog het meest voorkomt. Ook +andere soorten van dit geslacht, die echter meerendeels zeer kostbaar +zijn, kunnen als salonplanten uitstekend dienst doen. + +Al de Araucaria's verlangen dezelfde behandeling. Gewoonlijk beleven +de liefhebbers van deze plant er niet zeer veel pleizier van, daar +haar vreemd voorkomen er al zeer licht toe leidt haar in een warm +vertrek te kweeken. Zij houdt echter volstrekt niet van warmte; +des zomers wil zij buiten of voor een veel geopend venster staan, +waarbij zij niet alleen regelmatig begoten, maar ook des morgens en +des avonds besproeid moet worden. De overwintering geschiedt op een +lichte standplaats in een koel, doch vorstvrij vertrek. Des winters +mag zij slechts matig begoten worden, hoewel de aarde niet geheel mag +uitdrogen. Het gemakkelijkst kan men deze planten bederven door ze +een te warme standplaats te geven; zij hebben dan des winters geen +voldoende rust, de scheuten worden zwak, de twijgen der onderste +verdiepingen gaan slap hangen en verdorren ten slotte geheel. Is +er slechts in één etage een gat gekomen of is zij in haar geheel +afgevallen, dan is het mooie voorkomen der plant bedorven. + +De Araucaria's verlangen over het algemeen een lichten grond; het +best is een mengsel van blad- en veengrond, waaraan rijkelijk zand is +toegevoegd. Jaarlijks verplanten is onnoodig, het is voldoende dit +om het andere jaar te doen; men moet er zeer op letten, dat bij het +verplanten de stam geheel vrijblijft. Komt toch door onvoorzichtigheid +de stam slechts één centimeter in de aarde, dan zal de plant daardoor +zeer lijden, omdat de Coniferen diep planten geenszins verdragen. + +Na het verplanten moet men de Coniferen half beschaduwd zetten +en ze dikwijls bespuiten; kan men ze gedurende den geheelen zomer +een goede plaats buiten geven, dan zullen zij zich daarbij zeker +zeer wel bevinden. De voortkweeking der Araucaria's geschiedt door +kopstekken en door zaden, doch in de kamer kan men dat niet doen, +waarom een liefhebber het best doet, jonge, krachtig ontwikkelde +planten te koopen. + +Voor hen, die de Araucaria's te kostbaar vinden en toch gaarne een +Conifeer in de kamer hebben, durven wij met gerustheid aanbevelen +de Cryptomeria japonica, die in de tuinen als jonge plant ook +wel Cryptomeria elegans genoemd wordt. Deze geelgroene plant vormt +sierlijke boompjes met bijna horizontale takken. De cultuur is dezelfde +als die van de Araucaria. + + + + +Varens. + +De Varens behooren door de groote verscheidenheid van haar loof zeker +wel tot de fraaiste planten, die bekend zijn. Zelfs in onze bosschen +kan men reeds den rijkdom van vormen dezer planten waarnemen; zij +groeien hier en daar op vochtige plekken zeer welig in de schaduw +der groote boomen. Zeer rijk aan Varens zijn echter de tropische +wouden. De vochtige warmte van het tropische woud, waarin zulke schoone +Orchideeën en bladplanten groeien, is ook de oorzaak van de zeer +groote verscheidenheid, aan Varens die hier worden aangetroffen. Daar +groeien zij niet alleen in den humusrijken bodem, of op de stammen +der boomen, maar talrijke soorten vormen er op zichzelf statige +kronen. Deze boomachtige Varens hebben slechts een betrekkelijk +zwakke kern; de tronk wordt voor het grootste gedeelte gevormd door +talrijke luchtwortels, die over elkander heen liggen. Het loof kan +somtijds zeer zware kronen vormen. Bij de tropische Varens treft +men het fijnste loof aan, dat bij sommige ook zeer fraai gekleurd of +geteekend is. Bij onderscheidene soorten zijn ook de bladstelen en +is de achterzijde van het loof dicht bepoeierd, alsof zij met goud- +of zilverstof waren bedekt. De fraaie vormen van het Varenloof stellen +ons in alle opzichten schadeloos voor haar geheel gemis aan bloemen. + +Wanneer een liefhebber eens in de kassen van een kweeker goed +gekweekte Varens heeft gezien, dan zal hij direct van deze planten +gaan houden. Jammer is het daarom, dat zij in de kamer niet al te +best willen groeien. In de vochtige warmte van een kas houden zij zich +uitstekend, en vestigen zich wel als gansche kolonies op de vochtige +muren, maar in de droge kamerlucht gaan zij meestal achteruit; het +loof verdroogt en ten slotte sterven zij. + +Deze mislukking is het directe gevolg van de levensvoorwaarden der +Varens. Zij verlangen toch, in de eerste plaats, geheele scherming +tegen de zon en, in de tweede plaats, een zeer met vocht bezwangerde +atmosfeer. Het eerste kan men ze in een kamer vrij goed geven, het +laatste gaat echter veel moeilijker, en dit is dan ook de oorzaak, +dat de meeste Varens het in de kamer niet zeer lang uithouden. + +Voor de bloemtafel of de vensterbank zijn de Varens over het algemeen +niet aan te bevelen; zij zijn daarentegen zeer goed geschikt ter +beplanting van het kamerkasje of het terrarium. + +Een klein, voor het venster staand kamerkasje, dat met verschillende +Varens goed beplant is, kan voor een zeer fraaie kamerversiering +doorgaan. Hoewel de Varens schaduwplanten zijn, hebben zij toch, +evenals alle fijnbladerige planten, behoefte aan tamelijk veel +licht, waarom het kasje of terrarium dan ook dicht bij het venster +moet staan. Het best doet men een venster te kiezen, dat morgen- +of avondzon heeft en het kasje, zoodra de zon er op schijnt, met dun +linnen te schermen. + +Van groot belang is voor deze planten ook het tijdig gieten en +spuiten. Zij groeien slechts in zeer lichte aarde, die gemakkelijk +geheel uitdroogt, en dan zeer moeilijk weder water opneemt. Daarbij +verdragen zij in het geheel geen droog-worden. Het loof verdort, +wanneer de plant droog wordt of in de zon staat, zeer spoedig of wel +het krijgt dorre punten, en aan herstellen is in dit geval niet meer +te denken, zoodat een plant, die men eens veronachtzaamd heeft, voor +langen tijd bedorven is. Om dit te voorkomen moet men geregeld, zoo +mogelijk met kalkvrij water gieten. Er moet echter op gelet worden, +dat de aarde niet overdadig nat is, wat niet wegneemt, dat zij des +zomers vochtiger mag zijn dan 's winters. De zoo noodige vochtige lucht +verkrijgt men in het kasje door voortdurend spuiten. Er zijn slechts +enkele soorten, die het spuiten niet verdragen, en die zijn dan ook ten +eenenmale voor kamercultuur ongeschikt. Tot deze soorten behooren, +jammer genoeg, ook de Goud- en Zilver-Varens (Gymnogramme). Bij +donker weer spuit men natuurlijk niet of hoogstens slechts één keer, +bij helder weer daarentegen moet het 3-5 keer per dag geschieden. + +Voor het spuiten moet men bij voorkeur gebruik maken van den +rafraîchisseur. Naast vochtigheid hebben de Varens ook behoefte aan +versche lucht en het kamerkasje moet dan ook, op heldere dagen, wanneer +behoorlijk gespoten wordt, meer of minder gelucht worden. Vergeet men +dit luchten, dan bestaat er veel kans, dat op het jong ontwikkelde loof +schimmel voorkomt, wat het afsterven daarvan ten gevolge heeft. Dit +kwaad kan men, wanneer het eenmaal opgetreden is, slechts bestrijden, +door de plant eenigen tijd in een droge lucht te kweeken, doch het +geneesmiddel is dan al niet veel minder erg dan de kwaal. De Varens, +die voor kamercultuur geschikt zijn, kunnen ook voor een groot +gedeelte des zomers buiten gekweekt worden, bij voorkeur op een +beschutte plaats, in de schaduw van groote boomen. Bij warm weer +moeten dan niet slechts de planten herhaaldelijk bespoten worden, +doch ook de bodem er omheen moet enkele keeren worden nat gegoten, +ten einde een vochtige lucht te verwekken. + +De Varens houden over het algemeen van een lichte, poreuze en zandige +aarde. Jonge planten kweekt men bij voorkeur in groven boschgrond, +heide- of bladaarde, waaraan voldoende zand is toegevoegd. Ook een +mengsel van deze grondsoorten is zeer geschikt. Heeft men sterk +ontwikkelde planten, dan kan men aan dit grondmengsel wat ruwen +graszodengrond toevoegen. Hoe sterker de planten zijn, hoe grooter +potten men gebruikt en hoe grover de aarde kan zijn. Het verplanten +geschiedt in het voorjaar; sterk groeiende planten worden in den zomer +nogmaals verpot. De Varens hebben fijne, teere wortels, waaraan niet +gesneden mag worden, zoodat men slechts met een houtje de kluit een +weinig losmaakt. De potten, die men gebruikt, moeten niet te groot +zijn en ook moet de aarde niet te vast worden aangedrukt. Men moet +er ook op letten goed poreuze, dunwandige, niet te hard gebakken +potten te gebruiken. Dadelijk na het verpotten worden de planten +eenige malen aangegoten. + +Vergeet men dit aangieten, dan wordt het jonge loof direct dor en +de plant verliest veel van haar waarde. Het bemesten der Varens is +onnoodig. Heeft men echter sterk bewortelde planten, die om de een +of andere reden niet verpot kunnen worden, dan is het raadzaam ze met +dunne koegier te begieten; chemische meststoffen zijn echter in geen +geval aan te raden. + +Het voortkweeken der Varens geschiedt op verschillende wijzen. + +De gemakkelijkste manier is: ze bij het verplanten te scheuren. + +Eenige soorten, o.a. sommige Aspleniums, vormen op het loof jonge +plantjes. Deze plantjes worden voorzichtig van de moederplant +afgenomen, in lichte aarde geplant en als jonge zaadplantjes +behandeld. De voornaamste voortkweeking geschiedt echter door +middel van sporen. Deze vormen zich aan de achterzijden van het +sporenloof, dat zich dikwijls reeds door den vorm van het gewone loof +onderscheidt. Is dit sporenloof geheel rijp geworden, dan wordt het +afgesneden en op wit papier in de zon gelegd. De sporangieën, die de +sporen bevatten, vallen nu af en worden in kleine zakjes of doosjes +verzameld. Bij eenige soorten verliezen de sporen vrij snel haar +kiemkracht; andere daarentegen blijven zeer lang, somtijds tientallen +van jaren, goed. Het zaaien van Varens is zeer interessant, maar in +de kamer niet zeer dankbaar; daarbij eischt het zeer veel geduld. + +Het best bedient men zich hiertoe van glad afgesneden stukjes turf, +die goed natgemaakt, vierkant afgesneden en in nogal diepe schoteltjes +gelegd worden. Kan men over geen turf beschikken, dan kan men ook +goede, zandige heide-aarde gebruiken. Op deze stukjes turf worden de +sporen gezaaid. Het is nu zaak, de schoteltjes warm en zeer vochtig +te zetten. Van boven mag men niet gieten, ten einde het optreden van +schimmel en het wegspoelen der sporen te voorkomen. Het vierkant +toegesneden stukje turf vult natuurlijk het ronde schoteltje niet +geheel; er blijft aan de kanten ruimte over, en hier heeft men dan +gelegenheid om te gieten. Laat men steeds wat water in het schoteltje +staan, dan zuigt de turf het vanzelf op. Daar de turf gewoonlijk +sporen bevat van inlandsche mossen en varens, die veel eerder dan +de gezaaide zouden kiemen, doet men voorzichtig de stukjes vóór +het gebruik eenigen tijd in kokend water te leggen, ten einde alle +kiemkrachtige sporen er in te dooden. De schotels behoeven, wanneer +men gezaaid heeft, niet op een lichte plaats gezet te worden; eerst +wanneer de stukjes turf groen beginnen te worden, een bewijs, dat het +kiemingsproces is aangevangen, moet men ze meer licht geven. In geen +geval mogen de sporen met aarde bedekt worden; nuttig is het echter +de schotels of potten met een glasplaat te bedekken, die 's morgens en +'s avonds met een doek goed afgedroogd moet worden. + +Spoedig na het uitzaaien ontwikkelen zich kleine, groene lichaampjes, +zoogenaamde voorkiemen, die een groene laag over de turf of aarde +vormen. Aan de onderzijden ontwikkelen deze teere lichaampjes +microscopisch kleine mannelijke en vrouwelijke organen, Antheridieën +en Archegonieën genaamd. De vrouwelijke organen of Archegonieën +worden door, uit de mannelijke organen spruitende, zwermsporen of +Spermatozoïden bevrucht. Deze Spermatozoïden vertegenwoordigen bij de +Varens het stuifmeel der zichtbaar bloeiende planten. Spoedig na de +bevruchting ontstaat uit de voorkiemen het eerste, nog niet volkomen +ontwikkelde varenloof. Zoodra dit het geval is, is de tijd daar, +om de kiemplantjes te repikeeren. Men gebruikt daartoe weder vlakke +schotels, die, na van een behoorlijke drainage voorzien te zijn, +met fijn gezeefden heide- of boschgrond gevuld worden. Men neemt nu +de geheele groene laag, die de voorkiemen gevormd hebben, uit den +zaadschotel, scheurt haar zeer voorzichtig in kleine stukjes, die dan +met de noodige voorzorgen geplant worden. Daar ieder klein stukje nog +uit talrijke voorkiemen bestaat, en zich in de aarde spoedig mossen +ontwikkelen, die de jonge Varenplantjes dreigen te verstikken, moet +men verscheidene malen repikeeren, waarbij men de voorkiemen telkens +verdeelt, tot men ten slotte ieder plantje afzonderlijk heeft staan. + +Zaait men fijne Varens, dan duurt de kieming dikwijls 2-4 maanden, +terwijl er dan weder verscheidene maanden verloopen eer de plantjes in +afzonderlijke potjes gezet kunnen worden. Gedurende dezen geheelen tijd +moet men de plantjes zeer zorgvuldig behandelen; zij moeten gelijkmatig +begoten worden, opdat de aarde niet uitdroogt; daarbij moeten zij +van tijd tot tijd besproeid en tegen de zon geschermd worden. + +Alleen volledigheidshalve hebben wij de lastige voortkweeking der +Varens meer uitvoerig medegedeeld; den liefhebber deze bewerking +aanbevelen, mogen wij echter niet; immers slechts zij, die veel +ondervinding met plantencultuur hebben opgedaan en hiervoor veel tijd +beschikbaar kunnen stellen, zullen eenige kans van slagen hebben. + +De familie der Varens is zeer rijk aan geslachten en soorten. Het is +ons onmogelijk, alle op te noemen, die bij een zorgvuldige behandeling +als kamerplanten te gebruiken zijn. Wij bepalen ons tot enkele bekende; +geen hooge temperatuur verlangende soorten, en merken er bij op, dat +deze alle dezelfde, reeds vermelde, behandeling verlangen. De fraaiste +en meest bekende Varensoorten zijn de Adiantums. Deze Varens vindt +men in alle kweekerijen door talrijke soorten vertegenwoordigd. De +meest bekende is de Adiantum cuneatum (Fig. 243); een andere, +zeer schoone, hooger groeiende soort is de Adiantum fragrantissimum +(Fig. 244), terwijl de Adiantum gracillimum door zeer fijn loof en +groote sierlijkheid uitmunt. Al deze soorten worden tegenwoordig zeer +veel gebruikt voor het opvullen van bloemenmandjes. + +Zeer goede kamerplanten bevat ook het geslacht Asplenium. Als uiterst +dankbaar willen wij vermelden de Asplenium Belangeri (Fig. 245). Deze +soort is ook daardoor interessant, omdat zich op het loof steeds jonge +plantjes ontwikkelen, die later, ter voortkweeking kunnen dienen. Een +aardige, kleine boomachtige Varen voor de kamer is de Lomaria gibba, +een boschvaren uit Australië, met zeer hard loof en een donker slank +stammetje, dat steeds vochtig gehouden, dus dikwijls bespoten moet +worden. Zeer elegant loof hebben de Nephrolepis-soorten uit Mexico +en Brazilië, welke ook zeer vaak het karakter van ampelplanten +aannemen. Een fraaie, zeer bekende soort is de Nephrolepis exaltata +(Fig. 246), alsmede de talrijke, vooral in den laatsten tijd uit +Amerika ingevoerde verscheidenheden. + +Ten laatste willen wij nog het geslacht Pteris vermelden, waarvan +tegenwoordig veel soorten gekweekt worden. Een der meest voorkomende +soorten is de Pteris cretica albo-lineata (Fig. 247) met fraai wit +omzoomd loof. Andere mooie soorten zijn de Pteris serrulata, Pteris +tremula en Pteris argyræa, welke laatste een der schoonste bonte +Varens is. + + + + +Mossen of Lycopodiaceeën. + +De z.g. Mossen of Lycopodiaceeën behooren, evenals de Varens, tot de +Cryptogamen of bedekt-bloeiende planten. Zijn de Varens reeds zeer +gevoelig en teer, in nog meerdere mate is dit met deze planten het +geval. Zij zijn echter, eenige klimmende soorten uitgezonderd, zóó +sierlijk, dat zij als uitnemende planten voor het terrarium en het +kleine kamerkasje kunnen beschouwd worden; ook voor de cultuur onder +een stolp zijn zij niet ongeschikt. De Lycopodiaceeën hebben meestal +zeer fijn ingesneden loof; somtijds groeien zij met behulp van stevige +luchtwortels tamelijk op, of wel, zij klimmen door middel van deze +worteltjes tegen kurkschors in de hoogte. De kleur van het loof is +meestal heldergroen, enkele kenmerken zich door een blauwachtigen +gloed, wat, vooral wanneer de zon er op schijnt, een prachtigen +metaalglans aan de plant verleent; eenige in de cultuur ontstane +soorten zijn geel- of witbont. Hoewel enkele der hardere zich op een +niet-zonnig staande bloemtafel somtijds enkele maanden goed houden, +zijn zij toch hoofdzakelijk aan te bevelen voor het kamerkasje of +voor een vochtig warm terrarium. + +De kweekwijze der Lycopodiaceeën komt bijna geheel met die der Varens +overeen; evenals deze planten beminnen zij schaduw, vochtigheid en +warmte. Het best kweekt men ze in zandigen, groven boschgrond. Daar +de zeer fijne worteltjes niet diep in de aarde dringen, doet men +het best ze niet in potten, doch in vlakke schalen of schotels te +planten. Is men genoodzaakt potten te gebruiken, dan is het zaak, die +tot over de helft met scherven en stukjes houtskool te vullen. Op deze +drainage brengt men dan de aarde. De grond, waarin men ze plant, moet +zeer los zijn, zoodat aandrukken bij het verplanten geen vereischte +is; beter doet men, wanneer zij geplant zijn, de schaal of den pot +enkele keeren goed op de tafel neer te zetten, ten einde zoodoende de +aarde een weinig te laten inzakken. Nog beter dan in potten groeien +de Lycopodiaceeën, als ze in het kamerkasje of het terrarium vrij +uitgeplant zijn. In de eerste plaats moet men zorgen voor het matig +vochtig houden der aarde, verder voor schermen tegen de zon en voor +een herhaald besproeien met den rafraîchisseur. Een liefhebber van +deze planten, die geen kasje of terrarium tot zijn beschikking heeft, +kan ze ook met succes onder stolpen kweeken, die dan in de vensterbank +gezet moeten worden. De vermenigvuldiging der Lycopodiaceeën is veel +eenvoudiger dan die der aanverwante Varens. Slechts zeer zelden kweekt +men ze door het uitzaaien der sporen, daar dit veel sneller en zekerder +geschiedt door stekken, die gemakkelijk groeien, al naar de scheuten, +waarvan men ze neemt, rijker met luchtwortels bezet zijn. Deze +luchtwortels brengt men bij het planten der stekken voorzichtig in +de aarde, waar zij dan spoedig in gewone wortels veranderen. + +De laag blijvende soorten kan men bij het verplanten zeer gemakkelijk +verdeelen, en ze dus op die wijze vermenigvuldigen. Enkele opgroeiende +soorten, zooals bijv. de Selaginella Emmeliana, worden op de volgende +wijze voortgekweekt: men snijdt volkomen rijpe twijgjes af en legt +deze met de onderzijde op schotels, die men daartoe van te voren heeft +klaargemaakt. Deze schotels worden van een zeer goede drainage voorzien +en bijna tot aan den rand gevuld met lichte, zandige heide-aarde. De +schotels worden dicht met de twijgjes der Selaginella's belegd, die men +door scherfjes naar beneden drukt. Bedekt men nu de schotels met een +glasplaat, houdt men ze warm en vochtig en besproeit men ze dagelijks +een paar keeren, dan ontwikkelen zij na verscheidene weken worteltjes +en jonge plantjes, die men afsnijdt en voorzichtig repikeert. Er +verloopt echter minstens een vol jaar, voordat deze plantjes, nadat +zij verscheidene malen verplant werden, sterk genoeg geworden zijn, +om afzonderlijk in potjes te worden gezet. + +Van de tot deze groep behoorende planten komen voor de kamer eenige +vertegenwoordigers van het geslacht Selaginella in aanmerking, die +nu en dan in de kweekerijen ook wel gevonden worden onder den naam +Lycopodium. Een der sierlijkste, die een gesloten mostapijt vormt, +is de Selaginella apoda. Een andere soort, die wel wat hooger groeit, +doch ook een grasachtig voorkomen heeft, is de Selaginella denticulata +(Fig. 248); men vindt deze soort veel gebruikt in bloemenmandjes, +om er de aarde mede te bedekken. Door een blauwachtigen +metaalglans onderscheiden zich Selaginella amoena en S. cæsia +(Fig. 176). Laatstgenoemde soort klimt tegen vochtige stammen op, +doch is ook zeer goed als hangplant te gebruiken, waarom zij in het +desbetreffende hoofdstuk is afgebeeld. Onder de opgroeiende, die voor +de kamer zeer geschikt zijn, komt in de eerste plaats in aanmerking +de fraaie Selaginella Emmeliana (Fig. 249). Onder de struikachtige +wordt het meest aangetroffen de Selaginella Martensii, waarvan ook +een bonte variëteit bekend is. Zeer fraai, hoewel zeldzamer, is de +Selaginella inæqualifolia (Fig. 250). + + + + +Het aquarium. + +Naast de talrijke potplanten, die wij tot hiertoe hebben leeren +kennen, zijn er ook veel inlandsche en vreemde waterplanten, die +voor kamercultuur geschikt zijn. Jammer genoeg wordt de waarde der +waterplanten tot heden nog niet genoeg erkend, en er zijn slechts +enkele handelskweekerijen, die er een grootere of kleinere verzameling +van op na houden. Dit is een der redenen, waarom de liefhebber van de +cultuur dezer planten moet afzien, vooral ook, wanneer hem de hiertoe +behoorende soorten der inlandsche flora vreemd zijn. Iedere vaart +of sloot herbergt, wel is waar, zeer talrijke planten, doch alles, +wat daarin groeit, is niet voor de kamer te gebruiken. + +Voor den waren liefhebber moeten de waterplanten zeer interessant zijn, +daar vele zich kenmerken door een uiterst merkwaardige leefwijze, +die men lang niet altijd kan waarnemen, daar de echte waterplanten +meestal buiten ons direct bereik in het wild voorkomen. De voorwerpen, +waarin men in de kamer waterplanten wil kweeken, moeten natuurlijk +in overeenstemming zijn met het karakter dier planten. Dergelijke +voorwerpen worden aquariums genoemd. Een liefhebber, die een aquarium +in de kamer heeft en zijn planten daarin goed verzorgt, kan er zeer +veel genoegen van smaken. Een goed ingericht kamer-aquarium is +een vijver en moeras te gelijk. Men kan er niet alleen zeer veel +planten met succes in kweeken, maar er ook verschillende dieren, +zooals visschen, amphibieën en de interessantste waterinsecten in +verzamelen. Terwijl echter de cultuur van waterplanten eenvoudig +en dankbaar is, en veel minder bekwaamheid eischt dan die van alle +andere gewassen, is met het verzorgen van waterdieren juist het +tegenovergestelde het geval. Kunnen wij reeds op het land waarnemen, +dat er tusschen de verschillende schepselen vaak een harde strijd om +het bestaan gestreden wordt, dan zullen wij bij de behandeling der in +het water levende dieren weldra bemerken, dat deze strijd hier nog veel +sterker is, en bijna nooit tot een einde komt. In het water heerscht +het recht van den sterkste op de meest brutale wijze; hier is het +een voortdurend verslinden en verslonden worden, en niet alleen onder +de hoogere dieren, doch ook onder de insecten vinden wij roofdieren +van de ergste soort. Dit voortdurend vervolgen en vervolgd worden, +maakt het noodzakelijk, dat men in een betrekkelijk klein aquarium +slechts die dieren kan houden, welke elkander niet bestrijden. Men moet +onderscheid maken tusschen het gewone aquarium en een, speciaal voor +roofdieren. In het eerste kan men onschuldige visschen en insecten, +in het tweede roofvisschen en rooftorren houden. In betrekkelijken +zin zijn ook het onschuldigste vischje en de kikvorsen roofdieren, +daar zij zich in vrijen staat geheel of gedeeltelijk met levende +insecten voeden, en desnoods hun eigen jongen niet ontzien. + +Al kan men in een planten-aquarium ook waterdieren kweeken, +toch moet er een streng onderscheid gemaakt worden tusschen een +dergelijke inrichting speciaal voor planten en een voor dieren. Bij +een planten-aquarium wordt de zwaartekracht gelegd op de eischen der +planten, bij een dieren-aquarium daarentegen op die der dieren. Lang +niet altijd laten die beide eischen zich vereenigen, daar talrijke +waterinsecten de planten vernielen, zeer veel visschen in hun verlangen +naar plantaardig voedsel de teere waterplanten stukvreten en andere +visschen, door hun woelen in den bodem, den plantengroei onmogelijk +maken. De liefhebber, die zeer veel dieren in zijn aquarium wil houden, +moet daarvoor meer tijd en kosten beschikbaar stellen, dan voor planten +noodig is. Zoodra het aantal dieren dat der planten overtreft, zijn +de laatsten niet meer in staat voldoende zuurstof voor de eersten +af te scheiden. Zooals bekend is, ademen de visschen zuurstof in, +die in hoofdzaak door de planten, bij helderen zonneschijn, wordt +afgescheiden. Ontbreekt deze zuurstof aan het water, dan lijden de +visschen gebrek aan lucht, zij zijn niet tierig meer en zij zwemmen +steeds aan de oppervlakte van het water rond, angstig naar versche +lucht happend. Eertijds kon men een dergelijk treurig beeld dikwijls +waarnemen bij de goudvisschen, die in de ongelukkige, nu bijna geheel +verdwenen, goudvisschen-glazen rondzwommen. Houdt men dus in hoofdzaak +dieren in het aquarium, dan moet men langs kunstmatige wegen zuurstof +aan het water toevoegen; dit geschiedt tamelijk gemakkelijk door +kamerfonteintjes. + +De plantenliefhebber, die in de eerste plaats zijn aquarium +inricht voor het kweeken van planten, zal ook pleizier hebben in +waterdieren, daar niet weinige er van even belangwekkend zijn. De +visschen, de stomme waterbewoners, die vaak een zeer hoogen graad +van intelligentie vertoonen, dikwijls een fraai voorkomen met +prachtige kleuren vereenigen, en in vele gevallen zich door talrijke +interessante eigenschappen kenmerken, zijn de aanbevelenswaardigste +aquarium-bewoners. Wij willen slechts even herinneren aan de fraaie +inlandsche en vreemde baarzen, die zelfs in het kleinste aquarium hun +nestjes bouwen. In deze nestjes legt het wijfje haar eieren, die door +het mannetje bevrucht worden. Vooraf kan men dan een alleraardigste +minnekoozerij bemerken, terwijl zij dan met de schoonste kleuren +prijken. Niet alleen hierin, maar in talrijke andere opzichten kan men +de belangwekkendste opmerkingen bij de visschen maken. Terwijl men in +het dierenrijk meestal ziet, dat het mannetje geen huiselijke plichten +kent en zich om zijn nageslacht in het geheel niet bekommert, kan men +waarnemen, dat dit bij de nest-bouwende roofvisschen juist andersom is; +de verzorging der jongen geschiedt uitsluitend door het mannetje. Dag +en nacht bewaakt hij het nest, het naar zijn krachten tegen iederen +vijand verdedigend, terwijl hij, door het water steeds in beweging +te houden, voor een geregelde verversching daarvan zorgt. Verlaten de +jongen eenmaal het nest, dan houdt het mannetje ze weder bij elkander +en verwijdert er een zich te ver, dan brengt hij het in zijn bek weder +naar het nest terug. Lang duurt deze zorg echter niet; spoedig krijgt +de roofdieraard van den vader weder de bovenhand en hij verslindt +dan zijn gansche nakomelingschap, wanneer men hem niet tijdig uit het +aquarium verwijdert. Het houden van visschen, ook al maken zij geen +nest, is zeer interessant, daar reeds de vrij snelle ontwikkeling +der diertjes den natuurliefhebbers veel genoegen verschaft. + +Vooral in Duitschland begint de liefhebberij om er een aquarium op na +te houden, steeds grooter te worden, wat zeer wordt aangemoedigd door +een vereeniging van aquarium-liefhebbers. Deze vereeniging bevordert +het bekend worden van nieuwere waterplanten en haar cultuur, alsook +den invoer van fraaie visschen, vooral uit Azië en Amerika. Wij zouden +het doel van dit boekje voorbijloopen, wanneer wij ons met de geheele +aquarium-liefhebberij wilden bezighouden. Wij kunnen ons bepalen tot +inrichting van het planten-aquarium, de cultuur van waterplanten en +de bespreking der meest aanbevelenswaardige soorten voor dit doel. + +In deze inleiding willen wij nog even wijzen op den gunstigen invloed, +dien een kamer-aquarium op de gezondheid der bewoners en der planten +uitoefent. Het is, jammer genoeg, een algemeen aangenomen en toch +geheel verkeerde meening, dat de dampen van het aquarium schadelijk +zouden zijn. Deze uitwasemingen zijn op zichzelf tamelijk onbeduidend; +zij worden echter door een fonteintje aanmerkelijk verhoogd. Het +aquarium is juist zeer geschikt om voor menschen en planten de droge +kamerlucht een weinig vochtiger en dus stofvrijer te maken en reeds +met het oog hierop is de aanschaffing er van zeer aan te bevelen. + + + + +Practische aquariums voor de cultuur van waterplanten. + +De toenemende liefhebberij voor aquariums is oorzaak geworden, dat +men ze tegenwoordig in de meest verscheidene vormen in den handel +kan verkregen. Wij willen ons slechts met de verschillende vormen +bezighouden, niet met de wijze, waarop zij worden vervaardigd, daar men +hiertoe een handigheid moet hebben, die den gewonen liefhebber slechts +zelden eigen is, en zij fabriekmatig gemaakt, tegen geringen prijs +verkrijgbaar zijn. Vroeger zag men voor het kweeken van waterplanten +of het verzorgen van visschen geen ander voorwerp dan het gewone +goudvisschenglas. Iedereen kent deze glazen, die door hun vorm en +vooral door hun nauwe halzen, ware martelinrichtingen voor dieren, en +tot het beplanten geheel ongeschikt zijn. Het best doet men dan ook, +van het gebruik dezer glazen geheel af te zien, te meer, daar goede +glazen aquariums bijna overal te verkrijgen zijn. Zulke aquariums +zijn in de eerste plaats de ronde glazen, die boven en beneden even +wijd zijn en eenigszins den vorm van een kaasstolp hebben. Deze glazen +moeten tamelijk dikke wanden hebben, niet te klein zijn, maar toch ook +niet grooter dan 50 cM. Het groote nadeel van deze glazen is gelegen +in hun breekbaarheid; zij springen gemakkelijk en kunnen dan niet +meer gebruikt worden, daar repareeren natuurlijk uitgesloten is. + +Het geheel uit glas vervaardigde aquarium heeft tegenover het houten +of ijzeren met glas bezette zeer groote voordeelen, daar het niet lek +wordt, zich gemakkelijk laat schoonmaken en het licht overal toegang +verleent, wat bij de cultuur van veel licht verlangende planten van +groot belang is. Onder deze glazen aquariums zijn de hoekige weder +aanbevelenswaardiger dan de ronde, daar zij sterker zijn, men er +de planten en dieren beter in kan waarnemen en zij minder plaats +innemen, waardoor men ze in een beperkte ruimte gemakkelijker kan +houden. Deze hoekige, uit één stuk glas vervaardigde aquariums komen +bij de liefhebbers van waterplanten hoe langer hoe meer in den smaak +en zijn tamelijk goedkoop in den handel verkrijgbaar. + +Zeer geschikt zijn ook de elementglazen, die voor electrische +batterijen gebruikt worden, en in de glasfabrieken bij duizenden in +vierkanten of langwerpigen vorm worden vervaardigd. Verscheidene der +gravuren stellen waterplanten voor, in dergelijke glazen gekweekt. De +kleinste dezer langwerpige glazen, die een diepte van 12-15 cM. en een +lengte van 20-25 cM. hebben, zijn uitstekend geschikt voor de cultuur +van een enkele waterplant, daar zij gemakkelijk op de vensterbank een +plaatsje kunnen vinden. Voor onder water groeiende planten moeten +deze glazen minstens 25 cM. diep zijn; voor kleine uit het water +groeiende kan men ook met een geringere diepte volstaan. Wil men +grootere elementglazen gebruiken, dan zet men ze op een flinke plank, +waarvan de randen gepolitoerd of geverfd worden, zekerheidshalve +kan men dan den bovenrand ook nog met een houten raampje omgeven; +zij gelijken dan veel op een aquarium uit den handel. Te groot +moet men echter de elementglazen ook niet nemen, daar de wanden +niet erg dik zijn en zij op den duur aan den druk van het water +geen weerstand kunnen bieden. Wil men een vertrouwbaar glas hebben, +dan moet dit niet langer dan 45 cM. en niet breeder en dieper dan +30 cM. zijn. Een dergelijke grootte is ruimschoots voldoende voor de +cultuur van verscheidene grootere moeras- en waterplanten. + +In den handel zijn voorts nog aquariums van den meest verschillenden +vorm verkrijgbaar, vervaardigd uit een raam, waarin ruiten met stopverf +bevestigd zijn. Gewoonlijk zijn deze langwerpig vierkant; men treft +ook zes- en achthoekige aan. Een hoofdzaak is hier een zorgvuldige +stopping met daarvoor geprepareerde stopverf. De bodem bestaat meestal +uit blik en men moet er op letten, dat deze eenige keeren geverfd is +en op een flinken, houten voet rust. Heeft men kleine aquariums, dan +bestaat het raam meestal uit blik, voor grootere moet het echter uit +smeedijzer of wel uit sterk hout vervaardigd zijn; voor nog grootere +moeten ook de ruiten bestaan uit flink spiegelglas. + +Het doelmatigst zijn de meest eenvoudige aquariums; in ieder geval +moeten te veel versieringen sterk vermeden worden, daar hierdoor het +oog van de hoofdzaak, de planten en dieren, wordt afgeleid. De grootte +van het aquarium kiest men naar de beschikbare ruimte; de diepte moet +echter niet meer zijn dan 45 cM., daar een dergelijke diepte voldoende +is, om alle onder water groeiende planten te kweeken. Een liefhebber, +die bij het kweeken een weinig redeneert, zal in een diep aquarium +niets anders kweeken dan onder water groeiende of met drijvende +bladeren voorziene planten. Voor het kweeken van waterplanten, die met +haar bladeren boven het water uitsteken, gebruikt men er een van 25 +cM. diepte; voor moerasplanten, met kruipende wortelstokken, die wel +een vrij dikke aardlaag, doch slechts zeer weinig water verlangen, en +ook voor drijvende planten is een diepte van 15 cM. voldoende. Neemt +men een aquarium van middelmatige hoogte, dan kunnen daarin, zooals +verderop zal blijken, planten van verschillenden aard gekweekt worden. + +Het fraaist voor de kamer zijn de niet te hooge aquariums, die met +mooie, zich boven den waterspiegel verheffende planten bezet zijn. Onze +plaat "Aquarium, beplant met moerasplanten" toont een dergelijke, bezet +met planten, die door den schrijver zelf in een kamer gekweekt zijn. + +Deze moerasplanten hebben veel meer behoefte aan licht dan de onder +water groeiende planten. Daar er in de modern gemeubileerde vertrekken, +dank zij de zware overgordijnen en vitrages, steeds een gedempt licht +heerscht, doet men beter, daar onder water groeiende planten in plaats +van moerasplanten te kweeken. Een gebrek van deze gewassen is echter, +dat zij aan het aquarium geen schilderachtig voorkomen geven. Voor +fraai gemeubileerde vertrekken zin tegenwoordig z.g.n. salon-aquariums +in den handel; deze bestaan uit een eleganten gietijzeren, veelal +gebronsden standaard, die een stevige metalen plaat draagt. Op deze +plaat staat het meestal achtzijdige aquarium, zooveel ruimte vrij +latende, dat men er een rand planten omheen kan zetten. Een door +luchtdruk gedreven fonteintje verhoogt de waarde er van. + +Onze plaat "Beplant aquarium met fonteintje" toont een dergelijk +aquarium, dat men nog versieren kan met een, met mooie planten +bezet tufsteenen rotsje. De ruimte, die er rondom open blijft, mag +slechts met fraaie, laag blijvende planten bezet worden. Daar deze +aquariums meestal achthoekig zijn, is het geraden op de vrijblijvende +ruimten acht blikken busjes voor hangplanten te laten soldeeren. Op +het door ons afgebeelde aquarium zijn zulke busjes aangebracht, +die met de voor dit doel uitstekend geschikte Ficus repens beplant +zijn. Het geheel, zooals het is afgebeeld, is in het bezit van den +Rijksbouwkundige Brzozowski, te Charlottenburg; het heeft van boven +nog een fijn netwerk. Een dergelijk net heeft voor een salon-aquarium +groote waarde, daar het de geheele vulling met water mogelijk maakt, +zonder dat de visschen er uit kunnen springen. Gewoonlijk ontstaat +er aan den waterrand tegen het glas een groene streep, die, wanneer +zij eenigen tijd veronachtzaamd wordt, bijna niet meer verwijderd kan +worden; is men echter in de gelegenheid het aquarium geheel te vullen, +dan ontstaat zulk een streep niet. + +Maar al te vaak willen in een kamer-aquarium de drijvende planten, +of die met drijvende bladeren, niet groeien, daar de droge lucht +haar niet aanstaat. Dit bezwaar wordt overwonnen door een gesloten +aquarium, d.w.z. door een, dat van een glazen dakje voorzien is. Zulke +aquariums zijn ook uitstekend geschikt, wanneer men visschen of andere +waterdieren wil houden. Deze toch springen of klauteren uit het water, +vallen op den grond en sterven daar meestal een allertreurigsten +dood. De plaat "Gesloten aquarium met onder water groeiende planten" +geeft dit idee duidelijk weer. Het bakje moet zóó ingericht wezen, +dat men het gemakkelijk openen en zoo noodig geheel verwijderen kan; +ook moet men er een ruit kunnen uitnemen en die door een horretje +vervangen, ten einde bij warm weder de lucht voldoende te kunnen +ververschen. + + + + +De beplanting van het aquarium. + +De aquariums of andere voorwerpen, die dienen voor het kweeken +van waterplanten, kunnen bijna gedurende het gansche jaar beplant +worden; wat niet wegneemt, dat de beste tijd daarvoor het voorjaar +is. Inlandsche waterplanten, die niet gevoelig zijn voor een lage +watertemperatuur, die bijna den ganschen winter rusten, d.w.z. dan +tot op den knol of wortelstok insterven, worden het best in Maart of +April geplant. Dit is ook de beste tijd om de éénjarige waterplanten, +hoewel die niet zeer aanbevelenswaardig zijn, te zaaien. Omstreeks +dezen tijd, wanneer het ijs overal verdwenen is en de zon reeds kracht +begint te krijgen, ontwikkelen deze planten zich buitengewoon snel. + +Uitheemsche waterplanten zijn zoo vroeg in het jaar slechts moeilijk en +meestal alleen tegen verhoogde prijzen te verkrijgen, waarom men beter +doet te wachten met ze te planten tot Mei, zoo noodig tot het begin +van Juni. Kan men echter de verlangde planten vroeg genoeg krijgen +of heeft men ze zelf laten overwinteren en kan men het aquarium een +plaats in de verwarmde kamer geven, dan is het veel raadzamer de +beplanting reeds in April te doen. + +Alvorens met het beplanten te beginnen zijn talrijke voorbereidingen +noodig. Het aquarium moet een paar dagen van te voren met water gevuld +worden, ten einde zekerheid te hebben, dat het goed dicht is. Voor +het beplanten giet men er het water uit en droogt de ruiten goed +af. Ook de aarde moet voorhanden en goed bij vocht zijn, d.w.z. nòch +te droog, nòch te nat. De beste grond om waterplanten in te kweeken, +is bagger uit breede, liefst stroomende vaarten. Met deze bagger +moet men echter voorzichtig zijn, daar zij zeer licht de sporen van +uiterst lastige lagere waterplanten bevat, die maar al te vaak voor de +gekweekte planten hoogst verderfelijk zijn. Men moet de bagger buiten +dun uitspreiden, om die zoodoende in de zon te drogen; is zij matig +droog, dan legt men den grond op een goed verwarmde ovenplaat, ten +einde hem onder groote hitte geheel uit te laten uitdrogen. Na deze +bewerking zal de dan ontstane aarde geen kiemen meer bevatten. Deze +aarde wordt nu vermengd met ongeveer 1/10 scherp zand, matig vochtig +gemaakt en hierna gebruikt. Zeer bruikbaar is ook, wanneer men haar +dezelfde bewerking heeft laten ondergaan, de zwarte veenaarde van +laag gelegen weiden. Kan men over deze aardsoorten niet beschikken, +dan is ook zeer goed bruikbaar fijn turfstrooisel. + +Dit turfstrooisel vormt tegenwoordig, in balen geperst, een zeer +belangrijk handelsartikel; het wordt veel in stallen gebruikt in plaats +van stroo en is daardoor gemakkelijk te verkrijgen. Het turfstrooisel +wordt eerst in stukjes ter grootte van een noot gebroken en daar het +kurkdroog is, waardoor het op het water drijft, moet men het eerst +24 uur weeken, daarna tusschen de handen uitwringen en dan met droog +zand vermengen. Iedere grondsoort moet met minstens 1/10 zand vermengd +worden. Hoewel bagger, veenaarde en turfstrooisel ieder op zichzelf +bijna alle bestanddeelen bevatten, die waterplanten noodig hebben, doet +men toch voorzichtig er, wanneer er sterk groeiende gewassen in geplant +moeten worden, ongeveer 1/10 goede klei of graszodengrond aan toe +te voegen. Van groote waarde is het ook, wanneer men de te gebruiken +aarde in het najaar reeds gereed kan maken, om die dan buiten te laten +liggen. Zij bevriest dan des winters, wat op de samenstelling er van +een zeer gunstigen invloed heeft, daar zij er veel muller door wordt. + +De onder water groeiende planten, die slechts betrekkelijk weinig +voedsel noodig hebben, worden hier en daar wel in enkel zand +geplant. Aanbevelenswaardig is dit echter niet en men doet wèl, ook +haar een grondmengsel te geven. Zand is echter voor alle aquariums en +vooral voor die, waarin men aarde gebruikt, hoognoodig, daar de dieren, +welke men er in houdt, steeds de aarde een weinig loswoelen en daardoor +niet alleen de planten beschadigen, doch ook het water troebel maken. + +Na het beplanten bedekt men daarom de aarde met een laagje zand, +dat men op de hieronder opgegeven wijze bereidt, alvorens het te +gebruiken. Het best daartoe is zeer fijn kiezelzand; heeft men dit +niet, dan is zeer fijn zilverzand beter dan scherp zand. Het zand +of kiezel moet zeer goed gewasschen worden. Onder krachtig omroeren +wascht men het 10-20-maal goed uit, zoodat het waschwater ten laatste +in het geheel niet troebel meer wordt. Voor het gebruik moet men +het dan eerst drogen en uitgloeien. Men moet ook zorgen, dat de +voor de beplanting noodige gewassen voor de hand liggen. Zij worden +òf uit een oud aquarium genomen, òf men gebruikt nieuw aangeschafte +planten. Eerst worden zij goed uitgewasschen, waartoe men begint met +ze in lauw water flink af te spoelen, waarna de bladeren van alle +onreinheden worden gezuiverd. Daar de waterplanten niet lang droog +mogen liggen, legt men ze vóór het gebruik in een schotel met water. + +Heeft men de hier opgegeven voorbereidingen gemaakt, dan wordt de +aarde in het aquarium gebracht, waarbij men moet oppassen de ruiten +niet vuil te maken. Voor de weinig eischende, onder water groeiende +planten moet het aardlaagje minstens 5 cM. dik zijn; beter is echter +een aardlaag van ongeveer 10 cM. dikte. Voor sterk wortelende, +boven het water uitgroeiende en voor van groote drijvende bladeren +voorziene planten moet de aardlaag minstens 20 cM. bedragen. Men kan +nu de aarde gelijkmatig over den bodem verdeelen; beter is het echter +ze aan de kanten wat op te hoogen en naar het midden te laten vallen, +of ze aan de eene zijde hooger te leggen dan aan de andere, zooals +dit op de plaat "Gesloten aquarium met onder water groeiende planten" +zichtbaar is. Deze ongelijk liggende bodem is oorzaak, dat alle vuil +zich op het diepste punt verzamelt, van waar men het betrekkelijk +gemakkelijk kan verwijderen. Heeft men een groot aquarium, dan stelt +de ongelijke bodem den liefhebber in de gelegenheid er planten +met verschillende eischen in te kweeken. Hebben wij er bijv. een +van 100 cM. lengte tegen 40 cM. diepte, dan kunnen wij daarin zeer +verschillende moeras- en waterplanten kweeken, wanneer wij aan de +eene smalle zijde de aardlaag 30 cM. dik maken en die langzaam laten +minderen, zoodat zij aan de tegenoverliggende smalle zijde nog slechts +een dikte van 8 à 10 cM. heeft. Op het hoogste punt, waar zich de +dikste aardlaag en bij gevolg het minste water bevindt, zet men de +sterk groeiende moerasplanten, in het midden de planten met drijvende +bladeren en op het laagste punt vinden de onder water groeiende +planten een plaatsje. Heeft men de aarde op deze wijze verdeeld en +is zij matig vastgedrukt, dan begint de beplanting. Bij het planten, +moet men er op letten, dat de wortels gelijkmatig in de aarde worden +verdeeld. Men moet er dus de planten maar niet eenvoudig instoppen, +zooals dit maar al te vaak gebeurt, omdat de wortelspitsen dan meestal +naar boven in plaats van naar beneden gericht zijn, wat allicht het +afsterven ten gevolge heeft. + +Maken veel waterplanten in dit geval toch jonge wortels, en groeien zij +bijgevolg door, dan is dit wel een bewijs voor haar taaiheid, doch niet +voor de geschiktheid der wijze van planten. Knollen, wortelstokken en +planten met stijf opstaande bladeren worden zonder eenige voorbereiding +geplant; onder water groeiende planten en die met drijvende bladeren +worden echter, vóór het planten, tot aan den wortelhals in papier +gewikkeld, opdat de bladeren door de aanraking met de aarde niet vuil +worden. Het planten moet zóó diep geschieden, dat de wortelhals juist +in het water komt te staan. Gewoonlijk wordt een groote fout begaan, +doordat men te dicht plant. Deze fout moet men vooral vermijden, +en de planten zóó wijd uit elkander zetten, dat ieder op zichzelf +ruimte genoeg heeft om zich flink te ontwikkelen. Is men met planten +gereed, dan wordt de aarde goed gelijkgemaakt, behoorlijk aangedrukt +en daarna met het klaarliggende zand bedekt. De zandlaag moet overal +ongeveer 3-5 cM. dik zijn; komt zij te hoog te liggen, dan moet men +vooral de kruidachtige planten voorzichtig een weinig optrekken, +ten einde te zorgen, dat zij niet te diep onder het zand komen te +staan. Dadelijk na het opbrengen van het zand wordt het papier van +de bladeren verwijderd. Al deze bewerkingen moeten vlug op elkander +volgen, opdat de planten niet te lang buiten het water blijven, +en daardoor lijden; reden waarom alles vooraf klaargemaakt moet worden. + +Voor het vullen van het aquarium gebruikt men het best zuiver regen-, +bron- of leidingwater; vóór het gebruik moet het eenigen tijd in +het vertrek gestaan hebben, ten einde behoorlijk op temperatuur te +komen. Het gebruik van kalk- of ijzerhoudend bronwater moet vermeden +worden, daar dit voor planten noch dieren gezond is. Het ingieten +van het water moet zeer voorzichtig geschieden, omdat nòch het zand, +nòch de planten losgespoeld mogen worden. Men gebruikt voor het vullen +een fijnen broesgieter of wel men giet op een schoteltje, dat van te +voren op het zand wordt gezet; is de waterstand wat hooger geworden, +dan giet men in de onder water gehouden vlakke hand. Heeft het water de +verlangde hoogte, dan laat men het aquarium eenige dagen onaangeroerd +staan. Is het water niet volkomen helder geworden, dan moet men het +voorzichtig afscheppen of afhevelen en door ander vervangen; is het +echter helder, dan kan men er de visschen en andere dieren in brengen. + + + + +De versiering van het aquarium. + +Zooals wij reeds opgemerkt hebben, moet het aquarium zelf zoo eenvoudig +mogelijk gemaakt zijn, omdat de waarde er van niet gelegen moet zijn +in de aangebrachte versieringen, doch wel in de planten en dieren, +die men er in houdt. Evenals het uitwendig moet het ook inwendig zeer +eenvoudig zijn, en in de meeste gevallen moet de versiering met het +beplanten en het ingebrachte zand eindigen. + +Een versiering, die door den eenen liefhebber zeer hoog word geschat +en door den anderen geheel verworpen, is een rotsje van tufsteen. Wil +men een dergelijk rotsje in het aquarium aanbrengen, dan moet dit +vóór de beplanting geschieden. Is het rotsje niet te groot, heeft +het niet het gekunstelde voorkomen van een ruïne, steekt het slechts +weinig boven water uit en is het van holten voorzien, die zich ter +beplanting zeer goed leenen, dan verhoogt het zeer zeker de waarde +van het aquarium. Wel is waar heeft een dergelijk rotsje ook zijn +schaduwzijden; het neemt nogal veel ruimte in, ontneemt aan veel +planten het licht en daar het zich door zijn ruwheid niet behoorlijk +laat reinigen, wordt het spoedig een broeinest voor de wel niet +schadelijke, doch lastige algen. + +Het rotsje mag in geen geval meer ruimte innemen dan de helft van het +aquarium; ook moet het onder water eenigszins gelijken op een brug, +opdat de visschen een gang hebben om door te zwemmen. Men kan òf +een rotsje kant en klaar koopen, òf wel men koopt een aantal stukken +tufsteen van verschillende afmetingen, die men met cement aan elkander +metselt. Wil men het rotsje met grootere waterplanten beplanten, dan +kan men er kleine potjes inmetselen, die echter geheel met tufsteen +moeten bedekt worden, zoodat zij niet zichtbaar zijn. Is het rotsje +klaar en goed droog, dan moet men het met een stijven borstel goed +afschrobben, zoodat alle vuil en losse cementdeelen er van verwijderd +zijn; hierna wordt het beplant en in het aquarium gezet. Voor de +beplanting van grootere spleten en der ingemetselde potjes leenen +zich het best Cyperus-, Carex- en Juncus-soorten; voor het gedeelte, +dat boven het water uitsteekt, zijn Varens zeer geschikt, terwijl +Selaginella's en Bladmossen er zeer goed op groeien. De Varens +en Mossen moeten echter geheel boven water blijven. Is het rotsje +beplant, dan wordt het met een broesgieter goed aangegoten en daarna +in het aquarium gezet. Is men hiermede gereed, dan kan men de aarde +in het aquarium brengen en dit verder beplanten. Veel liefhebbers +houden er van den bodem van het aquarium met goed gewasschen schelpen +of steenen te versieren, waartegen geen bezwaren bestaan. Anderen +versieren het met kleine molentjes, drijvende eilandjes of eenden +en visschen van porselein. Dit is natuurlijk geheel onnut speelgoed, +hetwelk het natuurlijke karakter van het aquarium wegneemt, dit moet +dus in ieder geval vermeden worden. + + + + +De verzorging van het beplante aquarium. + +Is het aquarium geheel klaar en beplant en blijft het water volkomen +helder, zoodat het niet meer behoeft afgegoten en ververscht te +worden, dan veroorzaakt de verzorging betrekkelijk weinig moeite. In +de eerste plaats moet men het een goede, lichte plaats geven, zoodat +het nu en dan ook door de zon beschenen wordt. Heeft men er niet +alleen planten, maar ook dieren in, dan moet men er veel meer moeite +aan besteden. De dieren worden toch dikwijls door ziekten aangetast, +waarom men steeds op hen letten moet, terwijl ook voor een geregelde +voedering moet gezorgd worden. Des winters, wanneer het aquarium op een +koude plaats staat, is het voldoende twee keer in de week te voederen; +des zomers moet men dit echter dagelijks en bij zeer warm weer zelfs +twee keer per dag doen. Men moet er op letten niet meer voedsel te +geven dan direct opgegeten wordt, daar overblijfselen er van het water +verontreinigen. Het beste vischvoeder zijn lagere waterdiertjes, die +men met een gazen netje in stilstaand water kan vangen; ook stukjes +gesneden regenwormen of fijn gesneden mager vleesch. Des zomers kan +men ook met succes versche mierenpoppen gebruiken. + +De waterplanten, die door haar snellen en interessanten groei den +liefhebber dagelijks nieuwe verrassingen bereiden, vereischen niet +zeer veel verzorging. Het voornaamste werk toch bij de plantencultuur, +het gieten, vervalt vanzelf. Het gemakkelijkst zijn de onder water +groeiende planten, die zich ook zonder zon zeer goed ontwikkelen; bij +deze behoeft men slechts nu en dan de rotte bladeren te verwijderen. + +Zeer veel last veroorzaken, wanneer men deze planten kweekt, de +algen en lagere mossen, die niet zelden de andere planten volkomen +overgroeien. Men moet ze met de vingers zorgvuldig verwijderen, en +wordt het water daardoor troebel, dan giet men het af en vervangt +het door versch. Heeft men drijvende planten, planten met drijvende +bladeren, of die boven het water uitgroeien, dan moet men er ook voor +zorgen de rottende deelen tijdig te verwijderen. Het meest lijden +vooral de inlandsche planten, in een gesloten kamer, door gebrek aan +licht en lucht; zij groeien dikwijls slap op en worden door zeer +verschillend ongedierte aangetast. Een herhaalde bewassching met +zeepsop of tabaksextract moet dan toegepast worden om deze plaag te +bestrijden. Met dit afwasschen moet men zeer voorzichtig zijn, daar +niets van het giftige extract in het water mag komen. Het best doet +men het met een zachte, niet te vochtige spons. Wanneer men niet van +plan is zaden te verzamelen, dan moeten de uitgebloeide bloemstengels +zoo spoedig mogelijk weggesneden worden. In het najaar moet men goed +toezien op de afstervende éénjarige planten; deze worden met wortel +en al uitgetrokken en weggeworpen. Terzelfder tijd let men ook op de +planten met knollen of wortelstokken; zij beginnen dan langzaam af +te sterven en de doode gedeelten moeten dadelijk verwijderd worden. + +Eenige waterplanten hebben de eigenaardigheid zich door kweekknolletjes +en uitloopers zóó sterk te vermenigvuldigen, dat zonder tusschenkomst +het water na eenige maanden geheel met stengels en bladeren gevuld zou +zijn. Deze overgroote vermenigvuldiging moeten wij tijdig voorkomen, +door de jonge plantjes dadelijk dáár te verwijderen, waar zij merkbaar +te veel zijn. + +Lastig is het dikwijls de ruiten inwendig goed schoon te houden. Er +vormt zich op de waterlijn een vuile streep, en ook zetten zich +groene algen af, die wel niet schadelijk, ja eerder nuttig zijn, +daar zij, evenals de grootere planten, zuurstof afscheiden en het +water dus gezond houden, doch het glas ondoorzichtig maken. Men kan +dan het inwendige van het aquarium niet meer zien, waardoor het veel +van zijn aantrekkelijkheid verliest. Om een en ander te voorkomen, +moet men de ruiten een paar keeren per week met een tandenborstel of +met een met laken omwoeld latje afborstelen. Dikwijls verschijnt ook +een vlies op het water, dat schijnbaar door stof veroorzaakt wordt, +doch dat bij microscopisch onderzoek bijna uitsluitend uit bacterieën +blijkt te bestaan. Zulk een vlies ontwikkelt zich alleen op voortdurend +stilstaand water; dus bij aquariums, waarin men dieren houdt, of +waarin men voor een geregelden toevloed en afvoer van water zorgt, +heeft men er geen last van. Schadelijk zijn deze bacterieën niet. De +excrementen der visschen en ander vuil zakken op den bodem van het +water. Men kan deze gemakkelijk door een soort hevel verwijderen. Zulk +een hevel bestaat uit een glazen buisje, aan de onderzijde iets verwijd +en in het midden voorzien van een ballonachtige verwijding. Men plaatst +het wijdste gedeelte der buis boven het vuil en zuigt daarna de lucht +uit den hevel. Dit zal nu door den luchtdruk op het buitenwater in +de buis opstijgen en zich in het ballonnetje verzamelen. Door het +buisje van boven met den duim te sluiten, kan men het zoodoende uit +het water verwijderen. + +Het is een tamelijk verspreid en toch geheel verkeerd denkbeeld, +dat het water van een aquarium wekelijks, ja zelfs dagelijks moet +ververscht worden. Heeft men het goed ingericht en beplant, en niet +met visschen overbevolkt, dan blijft het water langen tijd helder, en +behoeft niet ververscht te worden. Men moet echter den waterspiegel, +op een zelfde hoogte houden, en dus nu en dan, voor het verdampte, +wat versch water bijvullen. Is het aquarium uitsluitend met onder +water groeiende planten en gewassen met op het water drijvende +bladeren beplant, dan behoeft men dikwijls in één jaar tijd het water +niet te vernieuwen. Heeft men het met sterk groeiende moerasplanten +bezet, die de aarde uitputten en zich boven het water verheffen, +dan is het raadzaam het ieder voorjaar goed onder handen te nemen, +flink te reinigen, er nieuwe aarde in te brengen en het opnieuw +te beplanten. Indien men prijs stelt op een net voorkomen van +het aquarium, dan is dit verplanten niet te voorkomen, daar veel +moerasplanten een kruipenden wortelstok hebben, dus niet op haar +plaats blijven staan, doch zich vrij spoedig op plaatsen bevinden, +waar men ze niet gebruiken kan. + + + + +Inheemsche en uitheemsche waterplanten. + +De liefhebber, die geen ondervinding heeft met betrekking tot het +aquarium en zich waterplanten wil aanschaffen, staat al dadelijk +voor de vraag of hij uitheemsche gewassen zal koopen of wel uit de +naburige vaarten of slooten die planten voorzichtig zal opnemen en in +zijn aquarium planten, welke hem het meest aanstaan. Deze vraag is +niet zoo heel gemakkelijk te beantwoorden. Langjarige ondervinding +op het gebied der cultuur van waterplanten heeft geleerd, dat +voor het beplanten van vijver en bassins in tuinen de inlandsche +waterplanten verre de voorkeur verdienen; voor het kweeken in de +kamer komen echter in de eerste plaats de uitheemsche gewassen in +aanmerking. Het gaat hiermede juist als met de potplanten: Palmen en +andere uitheemsche planten groeien in de kamer zeer goed, inheemsche +echter worden er slap en gaan er dood. De tropische waterplant, die +een hoogere temperatuur verlangt, groeit jaar in, jaar uit zeer goed +in een kamer; de inlandsche echter, die frissche, vrije lucht noodig +heeft, groeit meestal slap, trekt naar het licht en wordt geregeld +door lastig te verdreven ongedierte aangetast. Voor kamercultuur +zijn van onze inlandsche Flora het meest geschikt de onder water +groeiende planten; minder goed zijn, op enkele uitzonderingen na, +de planten met drijvende bladeren of de geheel drijvende planten, +en het minst deugen de inlandsche moerasplanten, vooral die, welke +met haar bladeren en stengels boven het water uitsteken. De inlandsche +waterplanten staan echter ook nog in ander opzicht bij de uitheemsche +ten achter. Deze laatste toch, die zich bij ons ingeburgerd hebben, +hebben bijna alle geen volmaakte rustperiode; zij blijven dus het +geheele jaar door groen. Met de inlandsche planten is dit echter heel +wat anders. Onze slooten en vaarten bevriezen des winters nu en dan tot +bijna op den bodem; elk actief plantenleven houdt daarbij op, waarom +dan ook bijna alle tegen den winter afsterven. Veel onzer inlandsche +waterplanten zijn overjarig; zij sterven tot op den wortelstok of +den knol in, die dan bij het intreden der lente weder begint uit te +groeien. Veel andere soorten zijn éénjarig; zij ontwikkelen vóór het +afsterven zaden, sporen en kweekknolletjes; slechts zeer weinig soorten +echter blijven ook gedurende den winter groen. Een liefhebber, die +des winters weinig genot van zijn tuin kan hebben, en daarom gaarne +zijn vertrekken met groene planten versiert, wil ook des winters +zijn aquarium groen zien, en moet daartoe, door den nood gedrongen, +zijn toevlucht wel nemen tot uitheemsche waterplanten. Dat niet alle +uitheemsche dezelfde waarde hebben, spreekt wel vanzelf. In de tropen +komt een waterflora voor, waarvan de bloemen, wat houding, afmeting +en kleur aangaat, tot de fraaiste in het geheele plantenrijk moeten +gerekend worden. Het zijn echter voor het meerendeel reusachtige +planten, die zulke bloemen voortbrengen, zooals de Victoria regia, +tropische Nymphæa's, de Nelumbium, enz. Deze planten stellen meestal +zeer hooge eischen aan de temperatuur van het water, zoodat dit ook +des zomers moet verwarmd worden, en daarbij hebben zij vaak zulk een +omvang, dat men reusachtige bassins moet bezitten om ze te kunnen +bevatten. Zulke planten zijn natuurlijk voor het kamer-aquarium geheel +ongeschikt. Al kan men echter de fraaiste tropische waterplanten +niet in het aquarium kweeken, toch blijven er nog zeer veel soorten +over, die door schoonen bloei en kleurenpracht bijna alle inlandsche +overtreffen. Het zou ons veel te ver voeren, indien wij een juist beeld +wilden geven der geheele waterflora; wij kunnen de lezers slechts met +de belangrijkste der hiertoe behoorende planten doen kennis maken. De +afbeeldingen zullen onze beschrijvingen nog verduidelijken. + + + + +De beste planten voor het kamer-aquarium. + +Onder water groeiende planten. + +De onder water groeiende planten mogen in geen enkel kamer-aquarium +ontbreken; zij verwekken veel zuurstof en maken daardoor het water +zeer gezond voor de dieren, die men er in heeft. Ook geven zij +een eigenaardig voorkomen aan het aquarium. De uitheemsche soorten +zijn alle ook des winters groen, met de inlandsche is dit niet het +geval. De behandeling der onder water groeiende planten is al hoogst +eenvoudig. Zij worden niet door insecten aangetast en hebben alleen +te lijden van algen, die zich op de bladeren vertoonen. De door algen +bezette bladeren reinigt men met de vingers, waarop het troebele water +ververscht wordt; een zeer afdoend middel daartegen zijn de larven +van kikvorschen; brengt men deze in het aquarium, dan zijn de algen +spoedig opgeruimd. De onder water groeiende planten hebben voor een +goede ontwikkeling een hoogen waterstand noodig. De vermenigvuldiging +door zaden is in de kamer niet aan te raden; veel soorten kweeken +zichzelf echter gemakkelijk voort door uitloopers en broedknolletjes; +langs kunstmatigen weg kan men ze vermenigvuldigen door stekken. De +broedknolletjes doet men het best in het najaar te verzamelen en in +inmaakflesschen, waarin op den bodem een weinig aarde is gebracht, +te laten overwinteren, daar zij anders wellicht door de visschen +opgegeten worden. Het best geschiedt de overwintering in een koel +vertrek; zet men de glazen in het voorjaar op een zonnige plaats, +dan ontwikkelen de knolletjes zich zeer snel. + + + + +a. Uitheemsche soorten. + +Drie plantengeslachten leveren ons zeer fraaie, uitheemsche, +onder water groeiende planten, namelijk de geslachten Cabomba, +Myriophyllum en Vallisneria. Nieuwere Amerikaansche, ingevoerde +soorten zijn de Cabomba's met drijvende stengels en fraai gedeelde +bladeren. De bekendste soort is Cabomba caroliniana (Fig. 252). Zeer +veel gelijkt op deze soort de zeldzamere Cabomba rosæfolia met zacht +rozerood gekleurde bladeren en stengels; zij is veel mooier maar +ook gevoeliger en teerder. Hoewel zij een geheel ander voorkomen +hebben, behooren de Cabomba's toch tot de familie der Nymphæa's. Onze +afbeelding toont een jonge plant; later in haar bloeitijd ontwikkelen +zich ook kleine, drijvende blaadjes. De plant draagt kleine, witte +bloempjes. Van de Myriophyllum-soorten waren tot voor korten tijd geen +onder water groeiende bekend; in den laatsten tijd zijn er echter twee +uit Amerika ingevoerd. Een dezer soorten is de Myriophyllum prismatum +(Fig. 253). De tweede, nog niet bestemde, soort heeft een krachtiger +en voller aanzien, ook zijn haar smalle blaadjes veel langer. De +beste en meest verspreide der uitheemsche onder water groeiende +planten is de Vallisneria spiralis, die ook wel in Zuid-Europa wordt +aangetroffen. Deze plant heeft lange, smalle bladeren. Fig. 254 +toont een mannelijk en een vrouwelijk exemplaar van deze beste aller +aquariumplanten. De bloei van deze planten en vooral het overbrengen +van het stuifmeel geschiedt op een zeer interessante wijze. Het zou +ons te ver voeren, die geheel te beschreven; voor hen, die er belang +in stellen, verwezen wij naar ieder boek over botanie. Al de genoemde +soorten hebben geen behoefte aan warmte; hoewel zij in een verwarmde +kamer goed groeien, kunnen zij in een onverwarmd, doch vorstvrij +vertrek zeer goed overwinteren; zelfs de Cabomba heeft reeds met +succes buiten overwinterd. + + + + +b. Inlandsche soorten. + +Bij de inlandsche onder water groeiende gewassen treft men +voortreffelijke aquarium-planten aan. De Batrachium fluitans +(Ranunculus aquatilis) heeft zeer fijn verdeelde bladeren en daardoor +wel eenige overeenkomst met de Cabomba. De Callitriche heeft een zeer +fraai bebladerden stengel, die daardoor nog aan schoonheid wint, +wijl de bovenste blaadjes dikwijls dicht opeenzitten en zoodoende +een aardige rozet vormen. + +Fig. 255 toont de Callitriche verna. Zeer goed groeit in het aquarium +de Ceratophyllum met fijn verdeelde blaadjes. In het water worden +meestal twee zeer op elkander gelijkende soorten aangetroffen, +namelijk de Ceratophyllum demersum en de Ceratophyllum submersum. + +Een bekende in het aquarium even dankbare, als in de slooten lastige +waterplant is de Elodea canadensis of Waterpest. Zooals de naam +aanduidt, is deze plant afkomstig uit Canada. Tegenwoordig wordt zij +echter bijna overal aangetroffen. Zeer fraaie planten voor het aquarium +zijn de Fontinalis-soorten. Het zijn wortellooze bladmossen, met lange +stengels en zeer sierlijke blaadjes. Zij worden veel in stroomend +water gevonden. Fig. 256 toont de Fontinalis antipyretica. Deze plant +houdt het jarenlang in een aquarium uit. Men bindt ze door middel van +looddraad aan elkander, de zwaarte van het lood houdt ze dan in den +juisten stand. Zoo samengebonden, kunnen ze geplant of ook los in het +water geworpen worden. Op deze wijze behandeld, groeien zij jarenlang, +wanneer men ieder voorjaar de bosjes uit elkander neemt, onderaan van +de scheuten een stukje afsnijdt en ze daarna weder te zamen bindt +en in het water brengt. Een zeer sierlijke inlandsche, onder water +groeiende plant is de Hottonia palustris. Fig. 257 toont deze fraaie +maar lastige plant, gekweekt in elementglas. Zij draagt sierlijk, +kamvormig verdeelde bladeren. De bloemen, welke veel overeenkomst +hebben met die van de Primula, zijn wit en staan op krachtige stelen +boven het water uit. De bloeitijd valt in de maand Juni. + +Zeer schoon voor het aquarium is ook de in Duitschland inheemsche +Isoëtes lacustris. Deze plant komt voor in de bergmeren van +het Schwarzwald, Böhmerwald en het Reuzengebergte. Zij vormt een +knolachtigen stengel en heeft grasachtige bladeren. Zij is zeer sterk +en vereischt weinig zorg. Veel schooner zijn enkele uitheemsche +soorten, die, jammer genoeg, slechts in enkele Botanische Tuinen +worden aangetroffen. Niet vergeten mogen worden de Myriophyllums, +waarvan enkele soorten haar bloemaartjes boven het water uitsteken. Als +zeer geschikt voor het aquarium kunnen wij aanbevelen de Myriophyllum +verticillatum en de Myriophyllum spicatum. + + + + +Waterplanten met drijvende bladeren. + +Naast de in het vorige hoofdstuk behandelde planten, die onder water +groeien, staan, wat betreft de geringe zorgen, die met drijvende +bladeren. Deze planten vormen meestal zeer lange bladstelen, die +tot aan het wateroppervlak groeien, waarna zij de vlak op het water +drijvende bladeren ontwikkelen. De bijna altijd schoone, dikwijls +zelfs imposante bloemen drijven ook op het watervlak of heffen zich +daar slechts een weinig bovenuit. Veel dezer planten zijn echter +gevoelig voor de droge kamerlucht; staan zij daarin, dan worden de +bladeren spoedig door bladluizen aangetast. De beste wijze om deze +ongenoode gasten te verwijderen is het blad voorzichtig uit het +water te nemen en het met verdund tabaksextract in te smeren. De +meeste waterplanten met drijvende bladeren vermenigvuldigen zich, +evenals de onder water groeiende, door uitloopers, terwijl andere zich +gemakkelijk uit zaad laten kweeken. Des winters sterven de hiertoe +behoorende planten meer of minder terug, veel sterven zelfs geheel +in. In het voorjaar groeien zij echter, bij een weinig warmte, weder +zeer spoedig uit. Staan deze planten in een stoffige kamer, dan moet +men niet vergeten de bovenzijden der bladeren nu en dan met een sponsje +af te vegen. Bespuiten der bladeren is dàn slechts wenschelijk, wanneer +het goed helder weer is; bij donker weer doet men er meer kwaad dan +goed mee, wijl er dan gemakkelijk rotplekken in de bladeren ontstaan. + + + + +a. Uitheemsche soorten. + +Een der beste aquarium-planten met drijvende bladeren is de Aponogeton +distachyon; deze is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop en heeft een +knolachtigen wortelstok. De Aponogeton is een dankbare bloeister en +ontwikkelt haar bloemen zeer geregeld in de kamer. De + +bloemen zijn tweerijig, zuiver wit en welriekend; daarbij duren +zij zeer lang. De bloei duurt bijna het geheele jaar door, en +de harde zaden rijpen niet alleen zeer goed in de kamer, maar +kiemen er meestal zonder eenige hulp, somtijds zelfs reeds aan den +bloemstengel. De langwerpige, drijvende bladeren kunnen vrij groot +worden. Indien men wil, dat de Aponogeton zich goed ontwikkelt, +dan moet men haar planten in een ruim aquarium, en daarbij goeden +graszodengrond gebruiken. Bijzondere eischen, wat warmte aangaat, +stelt deze plant niet; zelfs kan zij bij een niet al te strenge vorst +ons winterklimaat verdragen. In den laatsten tijd heeft een Fransch +kweeker van de typische soort een variëteit, de Aponogeton distachyon +Lagrangeï gewonnen, die zich kenmerkt door een krachtigen groei en +rose bloemen. In Oost-Indië komt nog een andere soort met slechts +één bloemaar, de Aponogeton monostachyon, voor. Een zeer interessante +hiertoe behoorende plant is ook de Aponogeton fenestralis, afkomstig +uit Madagascar. Haar bladeren bevatten geen bladmoes en bestaan slechts +uit de nerven en aders; daarbij komen zij nooit boven water. Jammer +is het, dat zij behoefte heeft aan warm water, en daarbij zóó lastig +in de cultuur is, dat men haar slechts zeer zelden aantreft. Een +heel aardige aquarium-plant is de Limnocharis Humboldtii, ook wel +Hydrocleis nympheoides genaamd; zij is afkomstig uit Caracas en +heeft veel overeenkomst met een kleine Nymph. Midden in den zomer +ontwikkelt zij een groot aantal alleen staande, citroengele bloemen, +die uit drie bloemblaadjes bestaan. Zij vormt een aantal drijvende +stengels, die aan de knoopen wortels maken; deze kunnen afgesneden +worden en vormen dan zelfstandige planten. Een goede plant is ook de +Limnanthemum indicum of Villarsia Humboldtiana. Deze éénjarige plant +komt voor in de wateren van Azië, Australië en Afrika. Zij vormt +boschachtige stengels, die in het najaar zinken; hieruit ontwikkelen +zich dan in de lente, wanneer de moederplant reeds afgestorven is, +een aantal jonge plantjes. De bladeren zijn rond-hartvormig, de bloemen +wit, ongeveer 2 cM. in doorsnede; de bloembladeren zijn aan de randen +fijn gefranjed. Er zijn nog verscheidene soorten van bekend, waarvan +de Limnanthemum crenatum, afkomstig uit Australië, de meest bekende +is. Deze soort heeft rondachtige, onregelmatig ingesneden bladeren +en een weinig grootere, gele, eveneens gefranjede bloemen. + +De Limnanthemums houden van een goeden grond en voldoende warmte, +verder stellen zij geen eischen. Lastig is de voortkweeking uit zaden, +die direct na het rijpen moeten gezaaid worden, doch meestal eerst in +de volgende lente kiemen. Voor grootere aquariums zijn ook Nymphæa's +aan te bevelen. De schoonste tropische soorten, die zich kenmerken +door prachtig gekleurde bloemen, zijn voor kamercultuur niet geschikt, +daar zij veel te groot worden en ook een zeer vochtige lucht en warm +water verlangen. De schoonste uitheemsche Nymph voor kleinere aquariums +is de Nymphæa pygmæa, afkomstig uit Oost-Siberië en China. Deze soort +heeft bladeren, die slechts 4-5 cM. doorsnede hebben en bijna gevulde, +witte bloemen met een diameter van ongeveer 4 cM. + +Een aardige Nymph, die echter reeds vrij omvangrijk wordt, is de uit +Noord-Amerika afkomstige en bij ons winterharde Nymphæa odorata, met +zeer welriekende, witte bloemen. Een variëteit van den lateren tijd, +de Nymphæa odorata rosea, heeft zacht roode bloemen. Er bestaat van +deze soort ook een witte variëteit met zeer kleine bloemen, de Nymphæa +odorata minor. Een zeer fraaie, geel bloeiende Nymph is de Nymphæa +Marliacea chromatella (Fig. 260). Deze mooie plant is beter geschikt +voor grootere tuin-bassins dan voor een kamer-aquarium. De Nymphæa's +verlangen een zwaren, zeer voedzamen grond; het best is baggergrond, +vermengd met graszodengrond en zand. Den grooteren soorten moet men +een aardlaag van minstens 20 cM. dikte geven. Des winters zijn deze +planten bijna of geheel bladerloos; in het voorjaar beginnen zij +echter reeds vroegtijdig uit te groeien. De voortkweeking geschiedt +door verdeeling van den wortelstok, beter echter door zaden, die +van hun rijping tot het uitzaaien in gesloten, met water gevulde +fleschjes moeten bewaard worden. De kiembladeren der Nymphæa's hebben +een anderen vorm dan de volwassen bladeren, en blijven steeds onder +water. Als een zeer sierlijke plant met drijvende bladeren moet +nog vermeld worden de Sagittaria natans (Fig. 261), die naast de +Vallisneria als een der beste waterplanten is te beschouwen. De jonge +bladeren van deze soort gelijken sprekend op die van de Vallisneria; +een goed groeiende plant vormt echter spoedig draadvormige bladstelen, +die drijvende, ovale bladeren dragen; na korten tijd verschijnen nu +ook de op het water drijvende, lieve, driebladerige, witte bloempjes, +waarvan steeds enkele te zamen vereenigd zijn. De Sagittaria natans +stelt geen bijzondere eischen en kweekt uit zichzelf door uitloopers +gemakkelijk voort. Een zeer interessante soort, die in Polen wordt +aangetroffen, doch daar blijkbaar aan het uitsterven is, is de Trapa +natans. Dit is een éénjarige plant, die drijvende rozetten vormt, +welke door een in den bodem gewortelden, draadvormigen stengel worden +vastgehouden. De bladeren hebben een zeer eigenaardigen, vierhoekigen +vorm. De bloemen zijn onbeduidend, de zaden, waaruit eertijds de +arme landbewoners een soort meel bereidden, zijn tamelijk groot, +vreemd gevormd en van twee of drie groote horens voorzien. Nadat de +zaden rijp geworden zijn, drijven zij eenigen tijd op het water. Tot +het voorjaar bewaart men ze in water op een koele plaats; zij worden +dan in het aquarium geworpen, waarna de kieming spoedig volgt. + + + + +b. Inlandsche soorten. + +Een der dankbaarste inlandsche aquarium-planten is zeker wel de Alisma +natans, die in jongen toestand lange, onder water groeiende bladeren +heeft. De plant brengt stengels voort, die tot aan de oppervlakte +van het water doorgroeien en in een knop eindigen; uit dezen knop +ontspruiten de ovale, drijvende bladeren en ook de lieve, op het water +drijvende, witte bloemen. In een kamer-aquarium beginnen deze bloemen +reeds vroeg in het voorjaar, omstreeks Maart of April, te ontluiken. De +voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk langs kunstmatigen weg. Men +snijdt den aan de oppervlakte drijvenden stengel onder den knop af en +plant dezen afzonderlijk op. Na korten tijd zal hij wortel hebben en +doorgroeien. Naast de reeds genoemde uitheemsche Limnanthemum komt +ook de inlandsche, de Limnanthemum nymphæoïdes (Fig. 262), als een +fraaie aquariumplant in aanmerking. Zij wordt het meest aangetroffen in +stilstaande of zacht stroomende waters en bloeit daar meestal omstreeks +Juli en Augustus. De vorm der bladeren is juist zooals de gravure +dien aantoont; de bloemen zijn helder geel. Deze fraaie, zeer weinig +eischende plant, kweekt zeer gemakkelijk voort door uitloopers, die +door te weinig ruimte vaak in den bodem verstikken. Deze Limnanthemum +sterft, des winters in een kamer gehouden, niet geheel af. Door vele +liefhebbers van waterplanten, worden ook jonge inlandsche Nymphæa's +in hun kamer-aquariums gekweekt. Zij blijven er wel goed, doch komen +er uiterst zelden tot bloei. Plant men deze Nymphen echter in groote +middendoor gezaagde vaten, die half met goede, vette aarde en half met +water gevuld zijn, dan groeien en bloeien zij uitstekend. Men moet er +op letten, goede gave wortelstokken te planten. De meest voorkomende +soort is de Nymphæa alba, een onzer schoonste inlandsche waterplanten, +die men overal in stilstaand water aantreft. + +Een zeer schoone variëteit is de Nymphæa alba rosea, met karmijnroode +bloemen, roode knoppen en roode blad- en bloemstelen. Deze variëteit +is in een Zweedsch meer gevonden. Jammer is het echter, dat zij nog +betrekkelijk weinig voorkomt en daarbij zeer duur is. Een andere +schoone soort is de Nymphæa candida. Deze heeft kleinere bloemen, +die echter bijna geheel gevuld zijn. + +Als kleine plant wordt ook wel in de aquariums gekweekt de Nuphar +luteum, evenals de kleinere en zeldzamere Nuphar pumilum. De Nuphars +groeien echter beter buiten in tonnen; in een betrekkelijk klein +aquarium zullen zij nooit haar goudgele bloemen kunnen ontwikkelen. De +behandeling der inlandsche Nymphæa-soorten is juist dezelfde als die, +welke in het vorige hoofdstuk voor de uitheemsche is opgegeven. Een +aardige plant met drijvende bladeren is ook de Potamogeton natans met +een langen drijvenden stengel en lancetvormige bladeren. De tamelijk +onbeduidende bloemaartjes steken boven het water uit. Deze is een zeer +veel voorkomende plant, die men veel in greppels vindt en drogen die +uit, dan verandert zij in een landplant. De voortkweeking geschiedt +door stekken, van den stengel gesneden. + + + + +Drijvende waterplanten. + +Tot de drijvende waterplanten behooren al die gewassen, welke niet +in de aarde wortelen, doch op het wateroppervlak drijven en waarvan +de vaak lange wortels vrij in het water hangen. + +De drijvende waterplanten dragen veel bij tot de versiering der +oppervlakte van het water; zij laten zich echter niet zeer gemakkelijk +kweeken, daar de droge, stoffige kamerlucht zeer nadeelig voor +haar is. Zeer goed groeien eenige inlandsche soorten, de overige +zal men beter in een gesloten aquarium kweeken, of wel, in een met +een glasplaat bedekten schotel. Deze schotels moeten bij warm weder +behoorlijk gelucht en de glasplaat moet dagelijks goed met een doek +afgeveegd worden. Verscheidene onzer inlandsche drijvende waterplanten +zijn éénjarig; zij vormen voor het afsterven winterknoppen of sporen +die men in vlakke schotels met een weinig aarde op den bodem, +zoo mogelijk vorstvrij moet laten overwinteren. In het voorjaar +ontwikkelen deze plantjes zich eerst onder water, spoedig komen zij +echter aan de oppervlakte, en blijven daarop drijven met behulp van +haar met lucht gevulde bladeren of bladstelen. + +De uitheemsche drijvende planten zijn voor het meerendeel meerjarig; +tegen den herfst worden zij echter zeer gevoelig, zij moeten dan uit +het aquarium genomen en voorzichtig in potten met gehakt sphagnum +opgeplant worden. De opgepotte planten moet men vochtig en warm, +het best in een woonvertrek onder glas, laten overwinteren. + +Vele drijvende planten laten zich zeer gemakkelijk, door haar dikwijls +zeer talrijke uitloopers, voortkweeken. + +Het dikwijls slechte groeien der drijvende waterplanten is te wijten +aan het te heldere water in het aquarium, wijl dit te arm aan voedende +bestanddeelen is. Het fraaist ontwikkelen de drijvende planten zich +in vlakke schotels met een weinig aarde op den bodem. De wortels +dringen in deze aarde door en vinden daar rijkelijk voedsel voor een +goeden groei. + + + + +a. Uitheemsche soorten. + +Een zeer lief drijvend waterplantje is de Azolla caroliniana, afkomstig +uit Noord-Amerika en dat blijkt hier te lande winterhard te wezen. Deze +plant, ook wel bekend onder den naam van "Rood Kroos," is in sommige +slooten zóó sterk ontwikkeld, dat zij er last veroorzaakt. Zij heeft +de eigenaardigheid, binnen gehouden, levendig groen, doch buiten, +vooral in de zon, donkerrood van kleur te worden. Zoowel buiten als +in een kas groeit de Azolla zeer snel en bedekt het water in korten +tijd met een levendig groene laag. In droge kamerlucht daarentegen +groeit zij slecht. Ook wordt zij veel door de visschen opgegeten. In +den herfst ontwikkelt de Azolla zeer kleine sporenhoopjes, die naar +den bodem zakken. + +Een andere, zeer fraaie plant is de Pistia Stratiotes (Fig. 263). Deze +plant is een ware cosmopoliet, daar zij overal in stilstaand water +der warmere landen wordt aangetroffen. Dit geelgroene plantje, dat +met zijn aan den voet sterk verdikte bladeren een rozet vormt, behoort +tot de familie der Aroïdeeën, de bloemen zijn echter zeer onbeduidend. + +Een eigenaardig verschijnsel is het, dat deze plant, onder water +gedompeld, als met zilver overtogen schijnt, terwijl zij dan weder +bovenkomende, geheel droog blijkt te zijn. Dit wordt veroorzaakt door +zeer talrijke kleine haartjes, die het blad bedekken. De lucht blijft +tusschen deze haartjes hangen, waardoor de zilveren tint ontstaat, +terwijl het water dadelijk van de haartjes afloopt. De voortkweeking +geschiedt zeer gemakkelijk door middel van uitloopers. Des zomers, +wanneer het zeer warm is, groeit de Pistia ook goed buiten, in het +najaar moet men haar echter uit het water nemen, in mos opplanten en +zoo warm laten overwinteren. Een zeer fraaie rozetvormige plant met +niervormige bladeren, dik opgezwollen bladstelen en blauwe bloemen is +de Pontederia of Eichhornia crassipes, afkomstig uit Brazilië. Deze +plant is een uiterst dankbare bloeister. Zij laat zich gemakkelijk door +uitloopers voortkweeken. De overwintering moet warm geschieden en op +dezelfde wijze als met de Pistia. Een eveneens mooie waterplant is de +Salvinia elegans (Fig. 264), afkomstig uit Mexico. Zij behoort onder +de fraaiste waterplantjes. In den herfst sterft zij af, doch vormt +dan talrijke sporenhoopjes; zet men ze echter in vlakke schalen met +de wortels in goede, vochtige veenaarde, dan is zij overblijvend +en blijft, wanneer men haar op een warme plek zet, den geheelen +winter door groen. Als laatste drijvende waterplant willen wij nog de +Trianea bogotensis (Fig. 265), afkomstig uit Columbia, vermelden. De +Trianea groeit goed in een kamer, zij laat zich zeer gemakkelijk door +uitloopers voortkweeken en vormt aardige rozetten, die, wanneer men ze +in een ondiepen schotel met wat aarde op den bodem kweekt, zich zeer +goed ontwikkelen. Onze gravure vertoont een plantje in zijn geheel en +de achterzijde van een der sponsachtige bladeren. De overwintering +geschiedt in vlakke schotels, die met een glasplaat moeten bedekt +en goed warm gezet worden. Ook des winters moet de aarde, waarin zij +met haar wortels staan, goed vochtig gehouden worden. + + + + +b. Inlandsche soorten. + +Een veel in stilstaand of langzaam vlietend water voorkomende drijvende +waterplant is de Hydrocharis Morsus-ranæ, die aardige, cirkelronde +blaadjes en witte bloempjes draagt. De voortkweeking geschiedt door +zaden, meer echter nog door uitloopers, die sterke exemplaren naar +alle zijden ontwikkelen. Met het begin van den winter sterven deze +planten af, zij vormen echter eerst winterknoppen, die tot de lente op +den bodem blijven rusten. De Hydrocharis verdraagt de kamerlucht zeer +goed en is daardoor een zeer aanbevelenswaardige aquarium-plant. De +meest bekende der inlandsche waterplanten is zeker wel de Lemna +(Eendenkroos), een klein plantje, dat in de stilstaande wateren zeer +algemeen in meerdere soorten voorkomt en dikwijls geheele slooten +met een groene laag overdekt. De voortkweeking geschiedt door de +knopvorming zóó snel, dat de Lemna in korten tijd alle andere planten +overgroeit, wanneer men er niet voor zorgt nu en dan eens wat te +verwijderen. Dit plantje, dat zich ook in de kamer zeer goed houdt, +wordt door talrijke visschen gaarne gegeten. De fraaiste drijvende +waterplant is de in ons land slechts zeldzaam voorkomende Salvinia +natans. Op een paar plaatsen van ons land wordt zij in stilstaand +water aangetroffen. Deze plant komt in een open aquarium niet al te +best vooruit, daar zij de droge kamerlucht niet kan verdragen. Het +best groeit zij in een met een glasplaat bedekte vlakke schaal, +die voldoende gelucht wordt. In den herfst vormt deze Salvinia +sporenhoopjes, waarna zij afsterft. Fig. 266 toont een Salvinia, +aan de bovenzijde gezien, en Fig. 267 dezelfde aan de onderzijde. Op +deze laatste zijn de sporenhoopjes duidelijk zichtbaar. + +Een veelvuldig voorkomende inlandsche waterplant is de Stratiotes +aloïdes (Wateraloë); zij vormt in stilstaand water groote bossen, +die door de lange, gezaagde bladeren een zeer eigenaardig voorkomen +hebben. De voortkweeking geschiedt hoofdzakelijk door uitloopers. In +haar bloeitijd verheffen deze planten zich boven het water uit. Laat +in den herfst zinkt de Stratiotes op den bodem en blijft daarin dan +met haar wortels vastzitten. In de kamer ontwikkelt deze plant zich +even goed, doch verkrijgt niet die fraai groene kleur, welke zij +buiten heeft. Zij verdraagt de kamerlucht overigens goed en blijft +ook des winters groen. Een aardig éénjarig plantje, dat vóór het +afsterven winterknoppen vormt, is de Utricularia. Zij behoort tot +de insecten-etende planten en is geheel wortelloos. De bladeren zijn +schubachtig en de zich boven het water verheffende bloemen geel. Deze +plant wordt vooral in veenachtige streken aangetroffen. Als laatste +inlandsche waterplant willen wij nog vermelden de Riccia; deze is +éénjarig, ziet er mosachtig uit en behoort tot de levermossen. Op +zichzelf onbeteekenend, vormt deze plant lange, te zamen hangende, +op het water drijvende bossen, die ook als zuurstofverwekkers groote +waarde hebben. + + + + +Het terrarium. + +Een der schoonste inrichtingen voor het kweeken van planten hebben +wij in het terrarium. Het terrarium, dat hoofdzakelijk tot het +kweeken van planten moet dienen, gelijkt uiterlijk volkomen op een +kamerkasje. Terwijl men daarin echter slechts in potten staande planten +kweekt, tracht men in het terrarium een stukje landschap na te bootsen, +doordat men de planten er vrij in uitplant, rotspartijtjes of ook wel +met klimplanten omwonden boomstammetjes er in zet en er een kleinen +vijver, een bassintje, niet in laat ontbreken, in welken laatste dan +weder water- en moerasplanten kunnen gekweekt worden. Wil men een +betrekkelijk groote inrichting maken, dan kan het terrarium met het +aquarium vereenigd worden, in welk geval men van een terra-aquarium +spreekt. Zulke terra-aquariums hebben vooral groote waarde voor +dierenliefhebbers, die er niet alleen visschen, doch ook amphibieën +in willen houden. + +Al naar de planten of dieren, die men er in wil houden, onderscheidt +men vochtige en droge aquariums, die weder in vochtig-warme +en vochtig-koude, dus ook in droog-warme en droog-koude worden +verdeeld. Het vochtig-warme terrarium dient om er uitheemsche Varens, +bladplanten en Palmen in te kweeken, het droog-warme daarentegen +om er weinig vocht verlangende Cactussen en andere Vetplanten in +te kweeken. In het koude terrarium kweekt men inlandsche of uit +sub-tropische streken afkomstige gewassen. Onze plaat toont een klein, +vochtig-warm, beplant terrarium. Gewoonlijk staan deze terrariums op +elegante ijzeren voetstukken of op een behoorlijk sterke tafel. Al +naar de grootte wordt het geraamte van het terrarium vervaardigd uit +sterk blik, hout of smeedijzer. De ruiten moeten er bij voorkeur +niet met stopverf in vastgezet worden, doch moeten er ingeschoven +of met kleine haakjes aan kunnen bevestigd worden. Het eenzijdige +dak moet zóó gemaakt zijn, dat men het openen kan en aan één zijde +moet zich een deur bevinden, waardoor men, zoo noodig, den planten +frissche lucht kan geven. Houdt men dieren in het terrarium, zoodat +men het niet openen kan, dan moet het zóó gemaakt zijn, dat men er +des zomers een ruit kan uitnemen, die dan door een met gaas bespannen +raampje wordt vervangen. De bodem van het terrarium wordt uit metaal +vervaardigd en mag niet vlak, doch moet een weinig hellend zijn; +op het laagste punt bevindt zich dan een afvoerbuisje, waardoor het +overvloedige water kan wegloopen. De terrariums worden tegenwoordig in +alle soorten vervaardigd en zijn in bijna alle grootere luxe-winkels +verkrijgbaar. Het duurst zijn zeker die, welke verwarmd kunnen worden, +hetgeen door een aangebrachte warmwaterinrichting kan geschieden. Een +dergelijk terrarium heeft echter niet iedere liefhebber noodig; +slechts een dierenliefhebber, die de teerste reptiliën en amphibieën +wil houden, moet zich zulk een aanschaffen. Hij, die zeer fijne +planten in zijn terrarium wil kweeken, kan het zóó laten inrichten, +dat hij op den bodem een platte, van een toe en afvoerbuisje voorziene +warm-waterbus kan inschuiven, welke bus dagelijks enkele malen met +heet water moet gevuld worden. Fig. 268 toont zulk een inrichting ter +verwarming van een terrarium, Fig. 269 een zeer eenvoudig, uit een kist +vervaardigd terrarium, dat door warm water verwarmd kan worden. Hierin +staat reeds de verwarmingsinrichting, die uit sterk zink gemaakt wordt +en juist passen moet. Daar deze waterbus voortdurend onder den druk +van de aarde zou lijden en men haar er ook niet zou kunnen uitnemen, +wordt er een houten rooster op aangebracht, waarop een metalen plaat +wordt gelegd. Fig. 271 toont een dergelijk, uit een kist vervaardigd +terrarium, nadat het beplant en met dieren bevolkt is. Dergelijke +terrariums zijn het eerst door den Heer H. Lachmann in het tijdschrift +"Natur und Haus" aanbevolen. + +De beste tijd om het terrarium te beplanten is in de maanden April +en Mei. Op den bodem, die, zooals reeds gezegd is, den vorm van +een bak moet hebben, zet men eerst het schaaltje met water. Hierna +bedekt men de vrijgebleven ruimte met een laag scherven en stukjes +turf, ten einde een goede drainage te verkrijgen. In den omtrek van +het waterafvoerbuisje moet de drainage zóó aangebracht worden, dat +dit niet verstoppen kan. Op de drainage brengt men dan de aarde. De +samenstelling der aarde moet men wijzigen naar den aard der planten, +die men er in kweeken wil; het best doet men echter er een grof, +goed met scherp zand vermengd mengsel voor te gebruiken. Heeft men +een warm, droog terrarium, dan kan men er dien grond inbrengen, +welke is opgegeven in de hoofdstukken, handelende over Cactussen en +Vetplanten. Zulke droge terrariums kan men met rotsjes van tufsteen +heel aardig versieren; in de gaten van deze steensoort groeien de +Succulenten zeer goed. In het vochtig, warme terrarium plant men +een jongen Palm of een struikachtige bladplant en verscheidene der +soorten, die in de hoofdstukken "Kruidachtige Bladplanten voor warme +vertrekken", "Varens" en "Mossen" zijn opgegeven en afgebeeld. Een +zeer mooi effect verkrijgt men nog, wanneer men den bodem van het +terrarium belegt met versche sphagnum-kopjes. Deze kopjes groeien +er zeer goed in door; zij vormen ten laatste een groen tapijt en +voorkomen het uitdrogen der aarde. + +Bij het beplanten van het terrarium moet men vooral oppassen er niet +te veel in te zetten; beter is het, de planten zeer wijd uiteen te +planten, opdat zij zich goed kunnen ontwikkelen. Langer dan één jaar +kan men het beplante, warme terrarium niet laten staan, daar de planten +dan te wild dooreengroeien. Elk voorjaar moet men ze er uitnemen en het +geheel opnieuw beplanten; de aarde kan dan tegelijkertijd vernieuwd, +en te groot of leelijk geworden planten kunnen door andere vervangen +worden. De verzorging van het terrarium is zeer eenvoudig. Dadelijk +na de beplanting wordt de aarde zóó aangegoten, dat het overvloedige +water door het afvoerbuisje wegloopt, waaruit men kan opmaken, dat +de aarde in haar geheel goed vochtig is. Voor het vervolg bestaat de +verzorging in hoofdzaak hierin, dat men het vochtige terrarium bij +warm weder enkele keeren per dag bespuit. Ten gevolge van dit spuiten +droogt de aarde zeer weinig uit, zoodat gieten slechts hoogst zelden +noodig is. Ook het droge terrarium mag bij warm weer een enkelen +keer bespoten worden; men moet er echter voor zorgen, dat de aarde +slechts matig vochtig blijft en dat zij des winters geheel opdroogt. De +verdere zorg bestaat in het behoorlijk zindelijk houden der planten en +ruiten, in op tijd luchten en schermen. In den regel behoeven slechts +de vochtige terrariums geschermd te worden; het best doet men dit, +door een raam te laten maken, dat er precies op past, dit met linnen +te laten bespijkeren en het er, zoo noodig, op te leggen. + +Wanneer men de planten werkelijk mooi in een terrarium wil zien +ontwikkelen, dan moet men er geen dieren in houden. De reptiliën en +amphibieën, die men in het terrarium kan houden, brengen er wel een +eigenaardig leven aan en maken het interessanter, maar zij beschadigen +den plantengroei eendeels door het afvreten der jonge scheuten, en +anderdeels door hun wroeten in den bodem; ook kan het gewicht van +hun lichaam veel kwaad doen, wanneer zij over bladeren of takken +kruipen. Heeft men een droog terrarium met Cactussen beplant, dan +kan men daarin gerust ook dieren houden, daar de dorens haar voor +afvreten voldoende beschermen. + + + + + + + +III. HET FORCEEREN. + + +Inleiding. + +Tot een der belangwekkendste bezigheden voor bloemen- en +plantenliefhebbers behoort het forceeren gedurende den winter der +hiervoor geschikte gewassen. + +Wanneer de winter ingetreden is, en buiten zoo goed als alle groei +opgehouden is, dan moet men door het forceeren van bloemen de lente +weder in de kamer te voorschijn roepen. + +Onder het forceeren van planten verstaat men planten, welke zich in +haar rustperiode bevinden, door verhoogde temperatuur tot groeien +brengen en ze gedurende den winter haar bloemen doen ontplooien, +terwijl zij dit onder natuurlijke omstandigheden eerst in de lente +of in den zomer doen. Dat een dergelijke behandeling der planten, hoe +belangwekkend en aangenaam ook, tegennatuurlijk is, spreekt vanzelf, +en het ligt dan ook voor de hand, dat er betrekkelijk slechts weinige +zijn, waarmede men het met goed gevolg kan doen. + +Van de planten, die voor het forceeren geschikt zijn, verdragen +enkele deze bewerking zeer goed, en laten zich iederen winter, zonder +er merkbaar van te lijden, opnieuw in bloei trekken, verondersteld +natuurlijk, dat zij goed behandeld worden. Andere planten daarentegen +verdragen het forceeren minder goed; zij verzwakken er zeer door, en +komen pas weer na korteren of langeren tijd volmaakt tot haar kracht, +zonder welke zij niet met succes in bloei getrokken kunnen worden. Een +zeer groot aantal, en, jammer genoeg, lang niet de slechtste soorten, +worden na den bloei totaal waardeloos, daar zij door het forceeren +zoodanig verzwakken, dat verder kweeken niet meer loonend of mogelijk +schijnt. + +Onder de fraaie planten, voor forceeren geschikt, zijn er enkele, +die slechts door bloemkweekers in hun kassen in bloei getrokken +kunnen worden en, wil hij zijn moeiten en zorgen met een succes +bekroond zien, dan moet hij niet alleen volkomen op de hoogte zijn +van de levensvoorwaarden der planten, maar hij moet ze ook met de +grootste zorgvuldigheid verzorgen. Hoe nader toch het tijdstip komt, +waarop hij loon voor zijn werk zal krijgen, des te noodlottiger kan +het kleinste verzuim worden, en een kleine vergissing kan opeens aan +alle verwachtingen den bodem inslaan. Naast deze planten, waarvan het +in bloei trekken als het ware een monopolie der kweekers is, staan een +aantal andere, die zich gedurende den winter, door elken verstandigen +plantenliefhebber laten forceeren. Is er iemand, die er aan zou willen +twijfelen, dat het forceeren een der aardigste liefhebberijen voor den +bloemenliefhebber gedurende de donkere wintermaanden is? Het is voor +den welgestelde zeer gemakkelijk gedurende den winter, wanneer sneeuw +en ijs ons in huis houden, zijn vertrekken met allerhande gekochte +bloemplanten te versieren, maar de zelf in bloei getrokken planten +zullen toch veel meer waarde voor hem hebben. Het forceeren begint dan +ook in alle standen hoe langer hoe meer aanhangers te verkrijgen. Het +is vooral het in bloei trekken der bolgewassen, dat zeer populair +is geworden, terwijl de vaste-planten en de bloemheesters, die voor +dit doel geschikt zijn, er slechts zelden door de liefhebbers voor +gebruikt worden. Wat ook het forceeren zoo interessant maakt, is niet +alleen, dat men er des winters de bloemenpracht van den zomer door +kan genieten, maar het is ook de buitengewoon snellen groei, dien men +kan waarnemen en die ons dag in dag uit nieuwe verrassingen bereidt. + + + + +Algemeene regels voor het forceeren. + +Het forceeren kan door iederen liefhebber in de kamer geschieden, +mits hij slechts een verwarmd vertrek tot zijn beschikking heeft. De +ligging van het vertrek is van minder belang; zij mag zelfs noordelijk +zijn. Hoe groot ook de rol is, die de zon bij het kweeken van planten +speelt, bij het forceeren is haar invloed slechts zeer gering en kan +men haar zelfs dikwijls geheel missen. De natuurlijke bloeitijd der +meeste voor het forceeren gebruikte gewassen valt, wanneer zij in de +vrije natuur gekweekt worden, in het voorjaar, dus een tijd, waarin de +zon nog geen heel grooten invloed uitoefent, en maar al te dikwijls +is het woud de natuurlijke groeiplaats van deze voorjaarsbloemen, +waardoor zij dus zelfs aan helder licht niet gewend zijn. + +Een plant, die, om in bloei getrokken te worden, directe behoefte +heeft aan zon, is de Roos; slechts weinig zon daarentegen verlangen +de meeste bolgewassen, de kruidachtige planten en de groenblijvende +gewassen; in het geheel geen zon is noodig bij het in bloei trekken +der blad-afwerpende bloemstruiken; zoo forceert men o.a. de Sering +het schoonst, wanneer men ze geheel in donker plaatst. Licht, lucht, +vochtigheid en warmte, alles in juiste mate, zijn de hoofdvoorwaarden, +om met succes planten in bloei te kunnen trekken. + +Koude tocht, sterke afwisseling van temperatuur en droogte zijn +nadeelig voor alle planten, die men forceeren wil. Voor de meeste +planten, die men in bloei wil trekken, is de gewone kamerwarmte +voldoende, dus een temperatuur van 60°-65° Fahr. overdag en van +55°-60° Fahr. des nachts. Zijn de vensters van het vertrek, waar men +zijn bloemen wil forceeren, zóó ingericht, dat zij van boven geopend +kunnen worden, dan is dit zeer nuttig, daar men dan overdag luchten +kan, zonder dat de planten aan de directe luchtstroomingen zijn +blootgesteld. Heeft men dubbele vensters, dan zijn die uitstekend +geschikt tot het in bloei trekken van verschillende planten, want +al is de ruimte daartusschen niet zóó groot, dat er een pot tusschen +kan staan, voor een met water gevuld Hyacint-glas is er toch altijd +wel ruimte genoeg. Tusschen de dubbele vensters gaat de groei niet +zoo snel, wijl er een lagere temperatuur heerscht dan in de kamer, +maar de bloemen ontwikkelen er fraaier. + +Het is voor de meeste te forceeren planten zeer goed, wanneer men +ze, zoo mogelijk, een lichte plaats voor het venster geeft. Naast +de ruimte tusschen de dubbele vensters is voor kleinere planten een +plaats op de vensterbank het meest geschikt. Zeer goed bruikbaar +zijn ook de veelal aangetroffen trapvormige eenzijdige stellages, +die dan zóó moeten opgesteld worden, dat de planten naar het venster +gericht staan. De naar de kamer gekeerde zijde biedt dan wel geen +heel schoonen aanblik, doch men kan ze gemakkelijk met klimop of +hardere groen blijvende planten bedekken. + +Ten gevolge van den snellen groei hebben alle planten, die men +forceert, veel behoefte aan water. Men lette er vooral op, dat de aarde +niet geheel uitdroogt, want daarmede zou alle kans op succes verdwenen +zijn. Juist aangeven, wanneer men moet gieten, is onmogelijk, daar +het steeds moet gebeuren, wanneer de aarde neiging toont tot opdrogen +en hoewel men weder niet te veel moet gieten, is in dit geval te +groote vochtigheid toch niet zoo nadeelig als te groote droogte. Het +water, waarmede men giet, moet minstens de temperatuur hebben van +het vertrek, waarin de planten staan; vele zijn echter zeer dankbaar, +wanneer zij begoten en bespoten worden met water van 75°-85° Fahr. Bij +het spuiten moet men zich van een goeden rafraîchisseur bedienen en +het zóó doen, dat de bladeren aan de onder- en bovenzijde goed nat +zijn. Voordat het vertrek, waarin de planten staan, goed verwarmd is, +mag men niet spuiten; is dit echter eenmaal het geval, dan spuit men +bij helder weer twee à driemaal, bij donker weer daarentegen een à +twee keer per dag. Bolgewassen echter mogen niet bespoten worden; +zij zouden dan gaan rotten; ook wanneer de planten in bloei staan, +moet men het laten, daar er anders zwarte vlekjes op de bloemen komen. + +Slechts enkele planten kunnen zonder voorafgaande maatregelen +geforceerd worden; zij moeten daartoe voorbereid worden en +ook alleen goed gezonde planten zijn er met uitzicht op succes +voor te gebruiken. Ook laat lang niet iedere plant zich op elk +willekeurig tijdstip van den winter in bloei trekken. Verscheidene +plantengeslachten laten zich vroeg, andere laat forceeren, maar +ook tusschen de verschillende soorten van ieder geslacht bestaat +er dienaangaande verschil; vandaar dat men, om met succes te kunnen +forceeren, een uitgebreide kennis der soorten moet bezitten. + +Geforceerde planten, die in bloei zijn, worden in een koeler vertrek +gezet, omdat de bloemen daar veel langer duren en men er dus meer +genot van heeft. + + + + +Bolgewassen. + +De Bolgewassen, die voor forceeren geschikt zijn, behooren voor +het meerendeel tot die soorten, welke het vroegst in het voorjaar +bloeien; reden, waarom zij ook veel ter versiering van tuinen worden +gebruikt. Met het aankweeken van bolgewassen kan een liefhebber zich +niet bezighouden, want ten eerste kan men het niet overal doen en +ten tweede is het een zeer moeilijke cultuur; dit is trouwens geen +bezwaar, daar er tusschen de steden Haarlem en Leiden tal van goede +bollenkweekers zijn, die tegen niet al te hooge prijzen uitstekende +bollen leveren. Men lette er echter op, de bloembollen slechts te +koopen bij een goed, solied kweeker, en make men nooit gebruik van de +z.g.n. goedkoope aanbiedingen, die dikwijls in de groote dagbladen +worden geadverteerd. Maar al te dikwijls is het mislukken toch aan +den bol en niet aan het forceeren zelf te wijten. + +Van alle planten, die zich in bloei laten trekken, zijn de bolgewassen +voor den liefhebber zeker het aanbevelenswaardigst. In de eerste +plaats stellen zij weinig eischen en laten zij zich gemakkelijk +in bloei trekken, en in de tweede plaats brengen zij meerendeels +zeer schoone bloemen voort. Van het bescheiden Sneeuwklokje tot de +trotsche geurige Hyacint, steeds zijn het schoone verschijningen. De +talrijke variëteiten der verschillende soorten bieden daarbij zulk +een kleurenrijkdom, dat ieder er de kleur in kan vinden, welke hem +het best past. + +Zooals bij alle bolgewassen, onderscheidt men ook bij deze een rusttijd +en een groeitijd. Nadat de bollen hun bladeren ontwikkeld, gebloeid +en in sommige gevallen zaad gegeven hebben, verdrogen de wortels; de +bladeren en stengels sterven langzaam af en, zijn zij afgestorven, +dan is de rusttijd aangevangen. Bij de meeste bolgewassen treedt +de rusttijd omstreeks Juli in; zij worden dan uit den grond genomen, +gedroogd en schoongemaakt, zoodat omstreeks einde Augustus en September +de tijd aanbreekt, waarin de liefhebber zijn inkoopen moet doen. + +Voor het in bloei trekken kan men slechts zeer goede bollen gebruiken; +mindere qualiteit kan men wellicht nog in den tuin planten. Een goede +bol moet een groote hoeveelheid reserve-voedsel opgehoopt hebben, +en dit is steeds het geval, wanneer hij goed vast is en een met zijn +grootte overeenstemmend gewicht heeft. Aan de grootte zelf kan men +geen bijzondere waarde hechten, daar er talrijke soorten zijn, die +slechts een kleinen bol vormen, en een kleine, vaste en zware bol +zal steeds beter zijn dan een groote, die zacht en licht is. + +Ieder bolgewas moet een bepaalden rusttijd gehad hebben, maar zoo +goed als men dien verlengen kan, door den bol droog te laten liggen, +zoo goed kan men hem verkorten, door den tijd van opplanten in te +korten. Deze tijd is van groot belang voor het tijdstip, waarop de bol +zal bloeien. De vroege bolgewassen moeten ook vroeg geplant worden, wil +men vroegtijdig bloemen er aan hebben. Men moet er wel om denken, dat, +met enkele uitzonderingen, geen bol direct na het oppotten geforceerd +mag worden, doch dat men pas met het in bloei trekken moet beginnen, +wanneer hij een flinken scheut en krachtige wortels heeft gemaakt. Het +succes hangt dus niet alleen van de gekochte bollen, maar ook van +de allereerste behandeling af. Deze eerste behandeling is tamelijk +eenvoudig. Gewoonlijk wordt de opgeplante bol flink diep, ± 25 c.M., +onder de aarde gegraven, of wel, men zet hem op een donkere plek +in den kelder. In het laatste geval moet men er voor zorgen, dat de +aarde in de potten steeds matig vochtig blijft. Wanneer men over een +stukje grond kan beschikken, doet men steeds wijzer de potten onder te +graven. Men bereikt hiermede een tweeledig doel: in de eerste plaats +behoeft men niet te gieten, aangezien de aarde in de potten steeds +behoorlijk vochtig blijft; en in de tweede plaats behoeft men niet +bevreesd te zijn, dat de bollen door het maken der wortels uit den +pot gelicht worden. Dit laatste is bij in den kelder staande bollen +niet altijd te voorkomen. + +Voor het ingraven der potten doet men het best een leeg groentenbed of +een gedeelte van een rabat te gebruiken. Dit stukje grond graaft men, +al naar de grootte der potten, een of anderhalve spa diepte uit, +men maakt den bodem van het gat gelijk en zet dan de potten er, +dicht tegen elkander aan, in. Bij het plaatsen der potten moet men +er op letten, dat de vroegste soorten bij elkander staan, om zoo +langzamerhand naar de latere af te dalen. Op deze wijze geplaatst, +kan men de potten des winters van de rij af in de kamer brengen. Heeft +men al de potten in het gat gezet, dan worden zij duchtig aangegoten, +en nadat het water goed in de aarde is getrokken, worden zij met den +uitgegraven grond bedekt. + +Hiermede moet men voorzichtig te werk gaan, en er op letten, dat +uitsluitend fijne aarde over de potten wordt gebracht. De plek, +waar de potten staan, is nu aan de verhooging kenbaar; men kan er +voor zekerheid nog een etiquette bij steken, die dan dáár geplaatst +moet worden, waar de eerste pot staat en die goed boven de aarde moet +uitsteken. Doet men dit, dan loopt men geen gevaar des winters bij het +uitgraven een of meer potten te breken. Van den tijd van oppotten af, +totdat men begint te forceeren, verloopen twee à drie maanden, zoodat +een op 1 September opgepotte vroege bol niet vóór 1 November warm +gezet mag worden. Hoewel het meerendeel der bollen wel zonder hinder +een enkelen graad vorst kan verdragen, moet men er toch voor zorgen, +dat de potten niet in de aarde bevriezen, daar dit minder goed voor +de bollen is, en men ze des winters dan slechts met groote moeite +kan opgraven. Om deze reden moet men de plek, waarin de potten staan, +vóór het intreden van harde vorst met riet of blad goed bedekken. De, +in den winter opgegraven potten, mogen niet direct in de warme kamer +gezet worden; maar moeten eerst enkele dagen in een koele, vorstvrije +kamer staan, ten einde zoodoende aan de warmte te wennen. Ook moet +men er op letten, dat vroege bolgewassen niet te lang ingegraven +blijven staan. Alle bloembollen moeten goed vast opgepot worden, +d.w.z.: dat de aarde flink moet worden aangedrukt. Hoe men iedere +soort moet planten, wordt verderop besproken. + + + + +De beste bolgewassen om te forceeren. + +Hyacinthus orientalis (Hyacint). De Hyacint is zonder twijfel een +der beste en schoonste bolgewassen, geschikt om te forceeren. Het +eigenlijke vaderland van de Hyacint ligt in het Oosten en van daar +is zij naar deze Westersche streken gevoerd. In de zestiende eeuw zal +zij van uit Bagdad over Konstantinopel naar Italië gebracht zijn, van +waar zij naar deze streken is gebracht. Tegenwoordig wordt de Hyacint +op reusachtige schaal gekweekt tusschen Haarlem en Leiden; in den +loop der tijden zijn ontelbare enkel- en dubbelbloemige variëteiten +gewonnen, en nog steeds worden nieuwe en betere vormen in den handel +gebracht. De bloemen der Hyacinten prijken met de schitterendste +kleuren en zij verspreiden een heerlijken geur, die echter voor de +kamer wel eens wat al te sterk kan zijn. Men onderscheidt vroege, +middelmatige en late Hyacinten. De allervroegste soort is de niet +zeer fraaie Romeinsche Hyacint (Fig. 272), ook wel Romaine blanche +geheeten. Deze heeft kleine, witte bollen en brengt witte bloemen +voort; zij ontwikkelt meerdere bloemstengen, die echter slechts +betrekkelijk weinige kleine bloemen dragen. Deze soort kan men reeds +in November in bloei hebben. De andere vroege soorten brengen reeds +fraaie bloemtrossen voort; men kan echter blijde zijn, wanneer die +tegen Kerstmis in de kamer bloeien. Van deze soorten achten wij +de beste: Homerus en Emilius, beide enkel rood; Willem de Eerste, +enkel donkerblauw, La tour d'Auvergne, dubbel wit, en Norma, zacht +rozerood. Meerdere soorten behoeven wij niet op te geven, aangezien de +catalogi der handelskweekers en zaadhandelaars niet alleen de beste +soorten vermelden met opgave der kleur, doch ook de noodige wenken +omtrent het forceeren geven. + +Voor het forceeren gebruikt men slechts, zooals reeds gezegd is, +de beste bollen, die vast en zwaar moeten zijn (Fig. 273); ook moet +de wortelhals geheel onbeschadigd zijn. De qualiteit van den bol kan +men onmogelijk uit de afmeting opmaken, daar er veel soorten zijn, +die werkelijk prachtige bloemtrossen ontwikkelen en toch slechts kleine +bollen vormen. In den regel zijn de bollen der dubbelbloemige Hyacinten +niet zeer groot. De bloemtrossen der enkele Hyacinten zijn over het +algemeen eleganter en voor het forceeren in de kamer beter geschikt. + +Het forceeren van Hyacinten in potten. Voor het forceeren van Hyacinten +in potten moet men als regel slechts zeer fraaie soorten gebruiken, +die ieder afzonderlijk in potten van 10 cM. wijdte worden geplant. Van +de kleinbollige Romeinsche Hyacint, die, alleenstaande, weinig indruk +maakt, plant men er in den regel 3 tot 6 in een weinig grooteren pot +(Fig. 272). Voor het forceeren van Hyacinten, die later in bloei moeten +zijn, gebruikt men de zoogenaamde "rommel-bollen"; dit zijn minder +sterke, vroeg bloeiende soorten zonder namen, die slechts volgens +de kleuren gesorteerd zijn. Van dezen "rommel" kan men gewoonlijk +drie bollen in een wat grooteren pot planten. Plant men er meer in +één pot, dan moet die zóó groot zijn, dat zij elkander nóch raken, +nóch drukken. Daar de Hyacinten slechts lange, witte wortels en +geen haarwortels maken, plant men ze wel eens in hooge pijpvormige +potten (Fig. 102). Dergelijke potten zijn echter zeer leelijk en +doen volstrekt geen dienst. De aarde, die men voor de Hyacinten en +ook voor de andere bolgewassen gebruikt, moet zandig en niet al te +vet zijn. Daar de bollen het voedsel, dat zij voor den bloei noodig +hebben, zelf reeds grootendeels verzamelden, is een goede, zandige +tuingrond voor hen voldoende. Gewoonlijk gebruikt men een mengsel van +twee deelen kleivrije tuinaarde, één deel oude broei- of compostaarde +en een half deel zand. Daar de bollen slechts betrekkelijk korten tijd +in den pot blijven, behoeft men van drainage niet heel veel werk te +maken; enkele scherven onder in den pot zijn voldoende. Men vult bij +het oppotten den pot tot over den rand los met aarde, zet den bol +daar zóó op, dat hij midden in den pot staat, en drukt hem dan met +beide handen in de aarde (Fig. 274) [5]. De aarde moet goed vast om +den bol heengedrukt worden, zoodat men, na het indrukken van den bol, +hieraan meestal nog wat moet toevoegen. Is men met het oppotten klaar, +dan moet de bol zóó geplant zijn, dat zijn z.g.n. neus niet boven den +potrand uitsteekt. Plant men hem te hoog, dan is dat wel niet direct +schadelijk, maar het ziet er niet netjes uit. Fig. 275 toont een +drogen Hyacinten-bol, een goed opgepotten en een te hoog opgepotten +bol. Het oppotten van de vroegste soorten begint in de tweede helft +van Augustus; het begin van September is echter nog vroeg genoeg. De +middelmatige soorten kunnen nog in October, op zijn allerlaatst zelfs +in het begin van November opgepot worden. Is men hiermede gereed en +heeft men de potten van etiquetten voorzien, die de namen der soorten +dragen, dan worden zij verscheidene keeren goed aangegoten. Hierna +graaft men de potten, op de medegedeelde wijze onder den grond, of +men zet ze op een donkere plek in den kelder. Doet men het laatste, +dan brengt men over de tegen elkander gezette potten een handdikte +aarde of wel, men zet over iederen beplanten een kleineren ledigen pot +(Fig. 276); in het eerste geval moet men de aardbedekking nu en dan +aangieten, opdat zij matig vochtig blijft; in het laatste geval moet +nu en dan gegoten worden. Aan de bedekking met aarde is de voorkeur +te geven, daar door den druk hiervan voorkomen wordt, dat de zich +ontwikkelende wortels den bol uit de aarde lichten. In ieder geval +moeten de opgepotte bollen donker en gelijkmatig vochtig staan. + +De opgepotte vroege soorten laat men nu twee à drie maanden op deze +donkere plaats staan, de latere soorten blijven daar nog aanmerkelijk +langer. Men kan eerst dan met het forceeren beginnen, wanneer de +Hyacint een vier à vijf centimeter langen scheut gevormd heeft en zij +rijkelijk wortels heeft gemaakt; wat men, door en paar voorzichtig uit +den pot te kloppen, gemakkelijk kan waarnemen. Het eigenlijke forceeren +der Hyacinten gaat gemakkelijk en zonder veel moeite. Men graaft +de potten op of haalt ze uit den kelder, waarna zij, na behoorlijk +afgewasschen te zijn, een paar dagen in een koel vertrek worden gezet; +eerst dan zet men ze op de vensterbank van de warme kamer. Men moet +er nu op letten, dat de aarde steeds behoorlijk vochtig blijft en dat +zij niet aan tocht of koude buitenlucht worden blootgesteld. In den +beginne zet men de uit het donker gehaalde potten niet dadelijk in +het volle daglicht, maar men bedekt ze met papieren peperhuisjes of +leege potten (Fig. 276) en neemt deze bedekking er na 6 of 8 dagen +af. De eerst gele, aangesloten bladeren krijgen, in het licht gezet, +reeds na 24 uren een lichtgroene kleur, wijken van elkander af en de +bloemtros komt te voorschijn. Zet men de bollen niet te vroeg warm, +en doet men dit pas na een voldoende voorbereiding, dan zullen de +bloemen en bladeren zich in de juiste verhouding ontwikkelen. Deze +ontwikkeling gaat bij de vroege soorten zeer snel. Drie of vijf weken, +nadat zij warm gezet zijn, ontluiken de eerste knoppen en de bloemtros +moet dan geheel vrij boven de gootvormige bladeren uitsteken. Afgezien +van de Romeinsche Hyacinten, die men reeds in November warm kan zetten, +moet men met het forceeren der vroegste soorten niet vóór den eersten +December beginnen. Daar de kale potten op de vensterbank niet erg mooi +staan, en het tapijt door het veelvuldige gieten licht bemorst wordt, +doet men beter de Hyacinten in daarvoor vervaardigde bakjes te zetten +(Fig. 277). In deze bakjes moet zich een zinken bak bevinden, voorzien +van een afvoerbuisje, waardoor men het overvloedige gietwater, zoo +noodig kan aftappen. De bloeiende Hyacinten maken, met andere in bloei +getrokken planten voor het venster gezet, een prachtig figuur. Zet men +de Hyacinten te vroeg warm, voordat zij voldoende beworteld zijn en +een goeden scheut gemaakt hebben, dan krijgt men in den regel een zeer +treurig resultaat. In veel gevallen begint het hart te rotten en krijgt +men in het geheel geen bloem of wel de bladeren groeien buitengewoon +krachtig door en de bloemtros blijft, door gebrek aan voedsel, +achter en komt niet boven de bladeren uit; de knoppen verdrogen of +ontwikkelen zich slechts onvoldoende, zoodat in beide gevallen de +plant haar waarde heeft verloren. Nu en dan komt het ook wel voor, +dat oogenschijnlijk gezonde bollen een slechten, kleurloozen scheut +ontwikkelen of wel, dat de bloem niet wil doorgroeien. In dit geval +heeft de verzorger, wanneer hij onze wenken in acht genomen heeft, +er geen schuld aan. De fout schuilt dan in den bol en zulke gevallen +zijn zelfs door den knapsten vakman lang niet altijd te voorzien. + +Forceert men late Hyacinten, dan mogen die niet te warm gezet worden, +daar dan de bloemen en bladeren te zwak worden. Het schoonst is +gewoonlijk de vroeg geforceerde Hyacint, die haar bloemsteng zonder +steun flink rechtop draagt. Dit laatste is echter niet altijd het +geval en dan moet deze aangebonden worden. Hiertoe bedient men zich +het best van een metalen staafje, zooals in Fig. 278 is afgebeeld, +dat zóó ingericht is, dat men het bij den bol kan steken zonder dien +te beschadigen. Dit staafje bestaat uit dubbel gedraaid koperdraad, +dat van onder zóó gebogen is, dat het tegen den potrand bevestigd +kan worden. Ieder bekwaam koperslager kan deze staafjes vervaardigen. + +Een bloeiende Hyacint is, in de warme kamer geplaatst, slechts +betrekkelijk kort van duur. Wil men lang genot van zijn planten hebben, +dan moet men ze, nadat de eerste bloemen ontloken zijn, in een koele +kamer zetten; de bloei duurt dan veel langer. Men moet er echter voor +zorgen, dat de bloeiende Hyacinten niet in een kamer gezet worden, +waar het kan vriezen, aangezien zij daarvoor zeer gevoelig zijn. + +Uitgebloeide Hyacinten hebben haar waarde verloren; zij geven echter +het volgend jaar nog een bescheiden bloempje, wanneer men ze na den +bloei langzaam laat afsterven, dan uit de potten neemt, ze schoonmaakt +en tot het begin van den planttijd droog en luchtig bewaart. + +Het forceeren van Hyacinthen op water. Een liefhebberij, die om +haar zindelijkheid en eenvoud zeer in trek is, is het forceeren van +Hyacinthen op water. Om dit te doen bedient men zich van zoogenaamde +Hyacintenglazen. Deze glazen zijn in verschillende vormen en prijzen +te verkrijgen. Enkele van onze gravures toonen eenvoudige glazen, +die in verschillende kleuren overal te koop zijn. Men heeft in den +laatsten tijd ook andere glazen vervaardigd, die het bijvullen van +het water gemakkelijk maken. Ook het ververschen van het water, +hoewel niet dikwijls noodig, kan met deze glazen zeer gemakkelijk +geschieden. Het nieuwste en doelmatigste Hyacintenglas is door +J. C. Schmidt, te Erfurt, in den handel gebracht. Over de geheele +lengte van dit glas loopen gootjes (Fig. 279). Door deze kan, zooals +onze gravure aantoont, het eventueele vuile water zeer gemakkelijk +afgegoten worden, daar men den bol met zijn wortels niet uit het glas +behoeft te nemen; hij wordt zelfs, wanneer men het water voorzichtig +afgiet, niet eens vochtig. Dicht onder den hals van dit glas bevindt +zich tusschen iedere twee gootjes een glazen uitsteeksel. Deze +uitsteeksels maken het mogelijk bollen van iedere grootte er op +te zetten, terwijl de bollen er ook luchtig door staan, waardoor +het ontstaan van rotting wordt voorkomen. Het gewone Hyacintenglas +echter is ook in alle opzichten voldoende, daar men, om er water af +of bij te gieten, slechts den bol even behoeft op te lichten. Wij +moeten nog opmerken, dat men in den laatsten tijd ook zeer fraaie, +elegante glazen in den handel heeft gebracht. + +De Hyacinten, die men op glazen forceert, komen lang niet zoo vroeg +in bloei als die, welke in potten geplant zijn. Men moet, wil men +voorkomen dat de bollen rotten, ze niet vóór October op de glazen +zetten. Daar de wortels in het water zoo goed als geen voedingstoffen +vinden, kan men voor het forceeren op glazen slechts bollen van eerste +qualiteit gebruiken. Enkelbloemige soorten zijn veel beter voor dit +doel geschikt dan dubbele. Bij het aankoopen moet men uitdrukkelijk +te kennen geven, dat men bollen verlangt, die op glazen moeten gezet +worden. Wanneer in October de tijd voor het op glazen zetten gekomen +is, dan worden deze, na eerst zeer goed schoongemaakt te zijn, tot +vrij dicht onder den hals met helder regen- of leidingwater gevuld. Op +ieder glas kan men zooveel keukenzout toevoegen, als op de punt van +een ontbijtmes liggen kan; dat moet dienen om het water eenigszins vrij +van groene Wieren te houden. Heeft men de glazen gevuld, dan kunnen de +bollen er op gezet worden; zij moeten goed in den hals passen en dus +vastzitten. De wortelhals van den bol moet dicht boven het water zijn, +doch mag dit niet aanraken, daar hij dan begint te rotten. Fig. 280 +toont een pas opgezetten bol; men kan daaraan duidelijk zien, hoe hoog +het water staan mag. Den waterstand moet men natuurlijk, regelen na +het opzetten van den bol. Op ieder glas plakt men een etiquetje met +den naam van den opgezetten bol. + +Evenals de in potten geplante Hyacinten, moeten ook de op glazen +gezette minstens een paar maanden in donker staan. Het best zet +men ze in den kelder of in een niet te warme kast. Kan men geen +van beide doen, dan zet men ze op de donkerste plek van de kamer +en bedekt iederen bol met een papieren peperhuis. In den loop +van een paar maanden zullen de meeste bollen rijkelijk wortel +gemaakt en een krachtige spruit gevormd hebben. Binnen dezen tijd +zal een paar keer bijvullen der glazen noodig zijn. De wortels +nemen water op en ook verdampt er een weinig, zoodat men telkens, +wanneer het een paar centimeters gezakt is, de glazen opnieuw moet +bijvullen. Fig. 280 toont, hoe een Hyacint er vier weken na het +op water staan uitziet. Natuurlijk ontwikkelen niet alle bollen +zich even goed, enkele rotten en hebben dan hun waarde verloren, +weer andere werken volstrekt niet, hoewel de bol gezond blijft. Men +doet het best deze laatste van de glazen te nemen en ze in potten +te planten, waarin zij dan meestal spoedig wortelen en nog goed +terechtkomen. Hebben de wortels den bodem van de glazen bereikt, +dan zet men ze voor het venster; de scheuten mogen dan echter nog +niet direct aan het licht blootgesteld worden, maar men bedekt die +nog enkele dagen met een peperhuis. + +Daar de Hyacinten op glazen langzaam groeien en meestal pas in Maart +bloeien, moet men ze niet dadelijk aan een te hooge temperatuur +blootstellen. De beste plaats voor Hyacinten op glazen is tusschen de +dubbele vensters van een verwarmd woonvertrek; zij staan daar zeer goed +en ontwikkelen er zich langzaam maar zeker. Zijn de scheuten ongeveer +zoover uitgegroeid als Fig. 281 aanduidt, dan kan men ze in het volle +licht zetten, en neemt men dus de peperhuizen weg. De verzorging is +zeer eenvoudig, en bepaalt zich tot het bijvullen van het verbruikte +water. Geheel ververschen van het water is slechts noodig, wanneer de +bollen wortelziek zijn geworden, daar gezonde wortels ook het water +tamelijk zuiver houden. Heeft men zeer koude nachten, waarin het water +in de glazen voor het venster zou kunnen bevriezen, dan neemt men ze +des avonds weg en zet ze midden in de kamer. Enkele bollen ontwikkelen +kweekbolletjes, die men tijdig moet wegsnijden. Begint met de lente +de zon meer en meer krachtig te schijnen, dan groeien de bloemen +der Hyacinten zeer welig door. Daar de bollen, door het gewicht van +den bloemtros, dan niet erg vast meer staan en de bloemtrossen zelf +gaan overhangen, gebruikt men het in Fig. 278 afgebeelde staafje om +ze hieraan op te binden. Fig. 282 toont aan, hoe men dit staafje aan +het glas kan bevestigen. Wanneer de Hyacinten zich op de glazen niet +goed ontwikkelen, wanneer zij te lange bladeren vormen en de bloemen +blijven steken, dan is dit meestal een gevolg van het te vroeg in +het licht zetten, of van een te warme standplaats. + +Zijn de bollen op glazen uitgebloeid, dan zijn zij ook geheel +uitgeput. Men kan ze wel langzaam laten afsterven, droog bewaren en +in het najaar in potten of in den tuin planten, maar een voldoenden +bloei zullen zij in geen geval meer geven, zoodat men beter doet ze +direct na den bloei weg te werpen. + +Het kweeken van Hyacinten op dubbele glazen. Zeer interessant is het +kweeken van Hyacinten op de in Fig. 283 afgebeelde dubbele glazen. Zulk +een glas bestaat uit twee deelen: het onderste fleschvormige gedeelte, +dat een voet heeft, en het bovenste tulpvormige gedeelte, dat los +op het eerste past. Tot het beplanten van zulk een glas behooren +twee bollen; gewoonlijk neemt men een roode en een witte of blauwe +variëteit die te gelijk bloeien. Nadat men het bovenste gedeelte +van het onderste heeft afgenomen, zet men de roode Hyacint met de +spruit naar onder in den hals ervan, waarin de bol goed moet passen, +zoodat er geen openingen blijven. Hierop wordt het geheele bovenste +gedeelte met het reeds vermelde grondmengsel gevuld, en daarin de +blauw bloeiende soort met de spruit naar boven geplant. Heeft men dit +gedaan, dan zet men het bovenste gedeelte weder op het onderste, zet +het geheel donker en zorgt er voor, dat de aarde gelijkmatig vochtig +blijft. Beginnen de bollen goed te wortelen, dan zet men de glazen op +een lichte standplaats in de kamer en vult het onderste fleschvormige +gedeelte met helder water. + +De onderste Hyacint blijft nu naar beneden groeien en bloeit +in het water, terwijl de bovenste zich als iedere andere Hyacint +ontwikkelt. Altijd gelukt het niet, beide te gelijk in bloei te hebben; +het wil wel voorkomen, dat de bovenste bol te vroeg bloeit; dit bezwaar +is echter te voorkomen door den uitgebloeiden bol door een anderen te +vervangen. Erger is het, wanneer de onderste bol begint te rotten, +in welk geval het geheel verloren is, daar deze niet door een ander +vervangen kan worden. Het geheel maakt, wanneer het goed gelukt, +een alleraardigsten indruk. + +Tulipa (Tulp). Naast de Hyacint is de Tulp ontegenzeglijk het meest +gezochte bolgewas, en daar de meeste soorten òf reukeloos zijn, +òf slechts zeer zacht geuren, wordt zij door vele liefhebbers boven +eerstgenoemde verkozen, daar deze hun veel te sterk riekt. + +In de vijftiende eeuw kwam de Tulp uit Perzië in Turkije, waar +zij spoedig zeer bemind werd, zóó zelfs, dat men jaarlijks ter +harer eere een groot feest vierde. Nog heden ten dage bestaat deze +gewoonte en de Sultan beschouwt het als een groot blijk van liefde +wanneer de bewoonsters van den harem jaarlijks dit feest voor hem +bereiden. In 1559 kwamen de Tulpen in Duitschland, en in het begin der +zeventiende eeuw werden ze hier te lande ingevoerd. Nergens heeft de +Tulp zoo'n opgang gemaakt als in ons land, en nergens heeft zij tot +zulke dolzinnige speculaties aanleiding gegeven. Van af 1634-1637 +waren het de meest in trek zijnde handelsartikelen op de markten +van Amsterdam, Utrecht, Leiden, Rotterdam, enz. Als geboren koopman +maakte men toen ter tijd de Tulp tot een gewild handelsartikel. Het +volk werd als het ware met een Tulpenkoorts besmet en de werkelijke +handel veranderde in de grootste zwendelarij. Iedereen hield er een +grootere of kleinere Tulpenkweekerij op na, in de hoop spoedig rijk +te worden. De voornaamste zwendelarij bestond in het verkoopen van +Tulpen, die in het geheel niet bestonden. Door de groote vraag werden +de prijzen buitengewoon opgedreven en voor zeldzame soorten werden +fabelachtige sommen besteed. Zoo werd o.a. voor één enkelen bol van +de "Semper Augustus" de som van 14.600 gulden besteed; een openbare +verkoop van 120 Tulpen bracht in 1637 op de markt te Alkmaar 90.000 +gulden op, en te Amsterdam werd in één week voor 10 millioen gulden aan +Tulpenbollen verkocht. Op den duur was deze zwendelarij onhoudbaar, +zoodat de Staten Generaal er den 27sten April 1637 een wet tegen +uitvaardigden. Ten gevolge hiervan geraakte de Tulpenhandel spoedig +weder in zijn natuurlijk spoor, en de zwendelaars verlieten met gevulde +zakken het tooneel hunner speculaties. Hoewel de Tulpenzwendelarij +verdwenen is, bestaat er hier te lande tusschen den Nieuwen Waterweg +en het Amsterdamsche Noordzee-kanaal toch nog een zeer uitgebreide +Tulpencultuur. + +Van af einde Augustus tot aan November kan men de Tulpen, die men wil +forceeren, opplanten. Soorten echter, die men vroegtijdig in bloei +wil hebben, moeten ook tijdig opgepot worden. Het beste plant men +de Tulpen in een grondmengsel, dat bestaat uit gelijke deelen broei- +en tuinaarde, waarbij men rijkelijk zand voegt; ieder ander zandig, +doch niet te kleiachtig of vet grondmengsel kan men echter ook voor +het oppotten van Tulpen gebruiken. Het best doet men drie bollen +in een pot te planten, die maar juist zóó groot mag zijn, dat zij +elkander niet raken. Nadat men den pot met aarde gevuld heeft, worden +de bollen er in gedrukt (Fig. 286) en wel zóó diep, dat hun neuzen in +één lijn liggen met den rand van den pot of er slechts even bovenuit +steken. Het best doet men de beplante potten met Tulpen in den kelder +te zetten en ze een centimeter of drie met aarde te bedekken. Men +moet echter goed op deze bollen letten, daar zij bij voorkeur door +muizen worden afgeknaagd. Graaft men de potten in den tuin onder, +dan mag men vooral de vroegere soorten niet te lang zoo laten staan, +daar de scheuten dan na een paar maanden reeds een buitengewone +lengte hebben bereikt, waardoor de bloemen zich later niet mooi +zouden ontwikkelen. Hierbij komt nog, dat de langstengelige Tulpen +dan niet rechtop blijven staan en daardoor veel van haar schoonheid +verliezen. Bij het forceeren in de kamer stelt de Tulp even weinig +eischen als de Hyacint; de vroege soorten verdragen ook, wanneer zij +vroeg geforceerd worden, tamelijk veel warmte. De vroegste soorten +zijn de enkele Duc-van-Thol. De vroegste en kleinste van deze soort +is de rood met gele, dan volgen de scharlaken, rose, gele, goudbonte, +maximus en vermiljoen-variëteiten. De meeste van deze verspreiden +een zachten geur. Ook onder de talrijke niet-riekende Tulpen bevinden +zich verscheidene vroegere soorten. De eerste Duc-van-Thol's kunnen +omstreeks St. Nicolaas bloeien. Fig. 287 toont een pot met enkele, +Fig. 288 een met de minder aanbevelenswaardige, dubbele Tulpen. De +vroege Tulpen moeten ook vroeg in December en Januari geforceerd +worden, daar bij een later in bloei trekken de bladeren zich +buitengewoon ontwikkelen en de bloemknoppen verdorren. Bij het +forceeren van vroege Tulpen wil het wel voorkomen, dat de bladeren +zóó stijf in elkander gerold zitten, dat de knop er niet door kan +breken; is dit het geval, dan moet men de bladeren voorzichtig uit +elkander rollen. + +Late Tulpen zijn voor het forceeren minder geschikt, daar zij tegen +het voorjaar haar waarde voor de kamer verliezen. De Tulpen zijn het +fraaist, wanneer de bloemen gesloten zijn; des winters blijven zij +dit in een koel vertrek zeer lang en duren dan ook geruimen tijd; +in het voorjaar gaan zij, onder den invloed van de zon, openstaan en +bloeien daardoor zeer snel uit. Iedere Tulpen-bol brengt als regel één, +slechts zelden twee bloemen voort. + +Narcissus (Narcis). Door de kweekers worden de hiertoe behoorende +soorten, met meestal zeer welriekende bloemen, verdeeld in drie +groepen: Narcissen, Tazetten en Jonquilles. De Narcissen dragen slechts +één of twee, de Tazetten daarentegen een aantal bloemen op één steng; +zij hebben smalle, grasachtige bladeren en sterke bollen. De Jonquilles +dragen minstens twee of drie, meestal echter meer bloemen op één +steng; zij hebben smalle, grijsachtige bladeren en kleine bollen +(Fig. 289); het zijn over het algemeen zeer sierlijke plantjes. De +Narcissen behooren te huis in Spanje, Portugal, Italië en Griekenland, +doch blijven hier te lande des winters onder bedekking zeer goed +buiten over. + +Al de hiertoe behoorende bollen worden tegen het einde van Augustus +in potten geplant. Men gebruikt hiertoe zandige broeiaarde, waaraan +een weinig tuingrond kan worden toegevoegd. In iederen pot worden +gewoonlijk drie bollen geplant en daar zij elkander niet mogen +aanraken, moet men voor Narcissen en Tazetten potten gebruiken van +ongeveer 15 cM. wijdte, terwijl voor Jonquilles, die kleinere bollen +hebben, potten van 10 cM. groot genoeg zijn. De bollen worden geheel +in de aarde geplant; slechts de lange neus mag er een eindje bovenuit +steken en mag zelfs iets boven den potrand uitkomen. Men kan nu de +beplante potten, hetzij ondergraven, hetzij op een schaduwrijke plek +in den tuin zetten, totdat de vorst begint in te treden; zij moeten +dan voorloopig in den kelder worden geplaatst. In het eerste geval mag +men de potten hoogstens tot midden Januari ondergegraven laten staan, +opdat de bladeren, door het te vroeg warm zetten niet te lang worden; +in het tweede geval moet men niet vergeten de potten gelijkmatig +vochtig te houden. Van het begin van het forceeren tot den bloei +verloopen 4-6 weken. + +Al de verschillende soorten Narcissen laten zich zeer goed in bloei +trekken, wanneer men daarmede niet vóór half Januari begint; zij zijn +dan in dien tijd goed beworteld en hebben zich flink ontwikkeld. Het +in bloei trekken moet niet al te snel gaan. Men brengt deze planten +eerst in een vertrek, waarin niet gestookt wordt, doch dat vorstvrij +is; acht à tien dagen later zet men ze dan in een temperatuur van +50° à 55° Fahr. Zooals steeds bij het in bloei trekken, moet men +er ook bij deze planten op letten, dat de aarde nooit uitdroogt, +doch gelijkmatig vochtig blijft. Fig. 289 toont de bollen van +een paar Jonquillen-soorten; Fig. 290 die van twee verschillende +Narcissen-soorten, en Fig. 291 die van drie Tazetten-soorten, terwijl +Fig. 292 een pot met een bloeiende Narcis vertoont. Bij het inkoopen +van deze bollen moet men ze goed bekijken; zij worden toch door +de larven van twee verschillende vliegen bewoond, toonen dan ronde +gaten en komen niet tot bloei. Niet al de tot het geslacht Narcissus +behoorende planten laten zich forceeren, verscheidene soorten hebben +slechts waarde ter versiering van den tuin. De vroegste soort om in +bloei te trekken is de niet zeer schoone Marseiller Tazette, die reeds +in December warm gezet kan worden en zeer goed een hooge temperatuur +verdraagt. Andere Narcissen moet men voor het zonnige venster van een +warme kamer langzamerhand tot ontwikkeling laten komen. De Jonquilles +mogen niet vóór Maart in de kamer worden gezet. + +Scilla. De Scilla-soorten zijn allerliefste, kleine plantjes, +met stervormige kleine blauwe bloempjes, die reukeloos zijn en met +meerdere te zamen aan kleine steeltjes zitten. Iedere bol brengt drie, +vier of meer van deze bloemtrosjes voort. + +Men plant de bolletjes (Fig. 293), vier à vijf te zamen, in een potje +van 10 cM. wijdte, in het grondmengsel, dat ook voor Hyacinten gebruikt +wordt. De potten kunnen, totdat het begint te vriezen, op een beschutte +plek in den tuin blijven en dan in den kelder gezet worden; men kan ze +echter ook, evenals de Hyacinten, ondergraven; zij moeten dan echter +in de eerste helft van Januari opgenomen worden, om ze, wanneer men +ze nog niet warm wil zetten, verder in den kelder of een koude kamer +te plaatsen, daar de scheuten anders te lang en geel worden. + +De soort, die het meest voor forceeren gebruikt wordt, is de Scilla +sibirica met fraaie, donker blauwe bloemen. Wanneer zij op tijd wordt +geplant, kan men midden December reeds beginnen haar te forceeren en +zij bloeit dan in Januari. Aanvankelijk zet men ze in een matig warme +kamer; zoodra zij dan teeken van leven begint te geven, wordt zij +voor het venster van een warmere kamer gezet. Heeft men een kamer, +die op het Zuiden ligt en waarin de zon nu en dan eens schijnt, dan +is dit voor een goede ontwikkeling zeer voordeelig. Gewoonlijk willen +bij het forceeren de vast aaneengesloten blaadjes niet loslaten en +de bloem heeft niet de noodige kracht, ze van elkander te wringen, +en zou dus bederven, wanneer men haar niet een weinig hielp. Om dit te +doen, maakt men voorzichtig de bladeren aan de spitsen een weinig los; +zij gaan dan, wanneer het goed gedaan is, vanzelf verder uit elkander. + +Wil men de Scilla later in bloei hebben, dan is daarvoor beter geschikt +de Scilla bifolia, een lieve, in Duitschland en Frankrijk te huis +behoorende voorjaarsbloeister, met blauwe bloemen. Van deze soort +zijn ook witte, vleeschkleurige, roode en lichtblauwe variëteiten +bekend. Ook de Scilla campanulata uit Spanje en Portugal is voor +dit doel zeer goed geschikt. Van deze soort is ook een wit bloeiende +variëteit in den handel. + +Naast de besproken bolgewassen komen er nog één knol- en één +wortelgewas meer in het bijzonder voor het forceeren in aanmerking +n.l.: + +Crocus vernus (Krokus). Onder de planten, geschikt tot forceeren, nemen +de Krokussen een voorname plaats in. Buiten uitgeplant, bloeien zij +slechts even later dan de Sneeuwklokjes. De tamelijk groote bloemen +prijken in alle kleurnuancen tusschen wit, blauw en geel; dikwijls +zijn zij ook fraai gestreept of anders geteekend. Zeer duidelijk +toont Fig. 294 het voorkomen van den gewonen Krokus. + +Een mooie soort is ook nog de Crocus Imperati (Fig. 295), met fraai +geaderde bloemen. De kleine knolletjes (Fig. 296), die met een taai, +droog omhulsel zijn omgeven, gelijken in voorkomen zeer veel op +Gladiolus-knollen en evenals bij deze kan men ook bij de Krokus-knollen +de eigenaardigheid waarnemen, dat zij nooit ouder worden dan één jaar. + +De oude knol droogt in den loop van den groeitijd geheel in, +maar onder aan de jonge scheuten, die zich uit hem ontwikkelden, +vormen zich de dadelijk bloeibaar zijnde jonge knollen. Neemt men een +afgestorven Krokus uit den grond, dan vindt men één tot drie krachtige +jonge knolletjes en aan hun voet den ouden, ingedroogden knol. In de +catalogi der kweekers worden tegenwoordig talrijke fraaie variëteiten +vermeld, die ieder op zichzelf toch nog te klein zijn om afzonderlijk +te worden opgepot. Van de Krokus worden zooveel mogelijk knolletjes +in den pot of de schaal geplant, zonder dat zij elkander aanraken; +zij moeten 2-3 cM. diep onder de aarde geplant worden. Zeer geschikt +om ze in te planten is zandige compost- of tuinaarde. Heeft men de +potten of schalen beplant, dan worden zij aangegoten en in den tuin +ingegraven of in den kelder gezet. Met het in bloei trekken moet +men niet vóór Februari beginnen en dit doen voor een zonnig gelegen +venster van een koude kamer. Door kunstmatige warmte kan men bij deze +planten niets bereiken, vooral niet, wanneer men gebrek heeft aan +zon. In dit geval groeien de Krokussen krachtig door en vormen groote +lange bladeren, de bloemen verdwijnen echter, zonder tot ontwikkeling +te komen. Kweekt men deze planten voorzichtig, dan zorgt men, dat de +temperatuur bij zonnig weer een weinig stijgt en daarentegen bij donker +weer daalt. Brengt men goed bewortelde Krokussen voor een venster, +dan zullen, bij zonnig weer, de bloemen zich reeds na enkele dagen +ontplooien. Iedere knol vormt meerdere scheuten en uit iederen scheut +ontspruiten weer verscheidene bloemen. De bloemen zijn in gesloten +toestand verreweg het mooist. Geregeld sluiten zij zich des avonds, +maar blijven ook bij donker weer overdag gesloten; geheel openen doen +zij zich slechts onder helderen zonneschijn. Heeft men ze op een koele +standplaats staan, dan laten de bloeiende Krokussen zich van 4 tot 6 +weken lang goedhouden; zet men ze daarentegen op een warme plaats, +dan zijn zij reeds na 8 of 10 dagen uitgebloeid. De Krokus, die in +een pot is uitgebloeid, heeft meestal nog slechts zeer weinig waarde, +omdat de jonge scheuten zich dan zwak ontwikkelden. Wil men er nog +plezier van hebben, dan plant men ze na den bloei in den tuin uit, +waar zij dan het volgend jaar weder zullen bloeien. + +Convallaria majalis (Lelietje der dalen). Er wordt wellicht geen +enkele plant in zóó grooten getale in bloei getrokken als deze, en +te verwonderen is dit zeker niet. Zoowel om haar lief voorkomen als +om haar heerlijken geur is het Lelietje algemeen bemind; men vindt +het in de bruidsbouquet en in den grafkrans, en een pot met bloeiende +Convallaria's is, vooral des winters, overal een aangenaam geschenk. + +Het is niet zeker of de in het wild voorkomende Convallaria het type +is van de zooveel gekweekte soort. Deze laatste overtreft de eerste +verreweg in schoonheid, zij heeft breedere bladeren, een krachtiger +bloeiwijs en grootere bloemen; ook is zij zeer geschikt om in bloei +te trekken, wat de eerste niet is. De natuurlijke bloeitijd van +het Lelietje valt in de maanden Mei en Juni; in bloei getrokken, +bloeit zij reeds in November en men kan den ganschen winter door +bloeiende planten er van hebben. Tot het in bloei trekken worden +meestal driejarige kiemen gebruikt (Fig. 298), met een weinig oefening +kan men aan de grootte en den vorm van de kiem dadelijk zien of zij +bloeibaar is of niet. Snijdt men een bloeibare kiem door, dan vindt +men er niet alleen de bladeren, maar in het hart ook den aanleg van +de bloem in. In enkele streken van Holland worden de Convallaria's +bij millioenen gekweekt en vooral die zijn aan te bevelen, welke door +haar blanke wortels toonen op zandgrond gekweekt te zijn. + +Voor het in bloei trekken der Lelietjes moet men, wil men ze vroeg +hebben, over een temperatuur kunnen beschikken van minstens 80° Fahr., +in de meeste gevallen geven de kweekers ze een bodemwarmte van 85°-90° +Fahr. Daar men in de kamer gewoonlijk over een dergelijke warmte niet +kan beschikken, doet men beter het zeer vroeg in bloei trekken niet +te beproeven en er niet vóór midden Januari mede te beginnen. De +Convallaria heeft, bij het in bloei trekken, een zeer bijzondere +eigenschap; zij vormt toch geen nieuwe wortels, maar neemt door haar +oude wortels de noodige vochtigheid op. Warmte en vocht zijn bij het +forceeren dezer planten de voornaamste factoren. De kiemen, die men +noodig heeft, moet men zich in October of November aanschaffen; men kan +ze dan in den tuin ingraven of dadelijk opplanten. Voor het oppotten +kan men iedere grondsoort, zelfs zuiver zand gebruiken; het best +gebruikt men er potten voor van 10-12 cM. wijdte. In iederen pot plant +men, al naar de grootte, van 8-12 kiemen, waarvan de wortels voor het +planten op ongeveer 10 cM. lengte teruggesneden moeten worden. Hierop +neemt men den pot, legt enkele scherven op den bodem, waarna er een +laagje aarde op wordt gebracht, dat een weinig wordt aangedrukt. Is men +zoover klaar, dan neemt men het aantal kiemen, dat men planten wil, +zóó in de hand, dat de neuzen op gelijke hoogte liggen en houdt ze +dan zóó in den pot, dat zij juist even boven den potrand uitsteken; +de overblijvende ruimte wordt dan niet verder met aarde opgevuld. Nu +drukt men de kiemen uit elkander, zoodat zij even ver van elkander +verwijderd zijn, waarop de openingen met aarde worden aangevuld, +waarbij men er op moet letten, dat de aarde goed tusschen de wortels +in komt, en dat zij stevig genoeg wordt aangedrukt. Geraken enkele +neuzen hierdoor onder de aarde, dan moet men die weder een weinig +oplichten. De hoofdzaak bij het opplanten is, dat de kiemen geheel +vrij liggen, dat de aarde goed tusschen de wortels wordt aangedrukt, +en dat de neuzen niet onder de aarde komen te liggen. Fig. 297 toont +opgepotte kiemen in verschillende stadiën van ontwikkeling. + +In plaats van ze in potten te planten, kan men ook van negen tot +vijftien kiemen zoodanig in gewoon mos wikkelen, dat de neuzen +vrijblijven, doch de wortels alle in het mos komen te liggen. Het +geheel wordt ten slotte met een flinken band tot een bundel stevig +samengebonden. Nadat men de kiemen opgepot of ingewikkeld heeft, +worden zij goed aangegoten en, totdat met het forceeren begonnen wordt, +in den kelder bewaard. + +Heel aardig is het in bloei trekken in zoogenaamde piramiden. Deze +piramiden (Fig. 299) zijn steenen potten, die veel overeenkomst hebben +met de potten, die men wel eens gebruikt ziet om Pieterselie-wortels +te laten overwinteren; alleen zijn zij wat kleiner en van meer gaten +voorzien; iedere pottenbakker kan ze vervaardigen. Het planten der +kiemen in de piramide is zeer eenvoudig. De wortels der te planten +kiemen worden op 10 cM. lengte teruggesneden. Men doet dan, tot aan +de onderste gaatjes, aarde in de piramide en legt door ieder gaatje +op die hoogte, een kiem en wel zoodanig, dat de neus geheel uit het +gaatje steekt. Zijn op deze wijze al de onderste gaatjes gevuld, +dan brengt men er een laagje aarde op tot aan de tweede rij. Nadat +de aarde met de hand behoorlijk is vastgedrukt, wordt de tweede rij +gaatjes gevuld en zoo gaat men door tot zij alle van kiemen voorzien +zijn, waarop men er bovenop ook nog eenige plant. Is men met beplanten +klaar, dan wordt het geheel zóó lang onder water gedompeld, totdat +er geen luchtblaasjes meer aan ontsnappen; ook later moet het gieten +geheel op dezelfde wijze geschieden. Wordt de beplante piramide in +bloei getrokken, dan richten al de uitgroeiende kiemen zich naar +boven, zoodat het geheel er ten slotte uitziet, zooals in Fig. 299 +is afgebeeld. + +Het in bloei trekken der Lelietjes doet men, in een kamer, het best +op de volgende manier. De potten of bundeltjes Convallaria's worden +in een tamelijk hoog kistje met mos ingegraven, zoodanig, dat de +neuzen ook eenige centimeters met mos bedekt zijn. Het mos wordt +nu met een broesgieter met lauw warm water behoorlijk aangegoten, +waarop het kistje met een paar glasruiten bedekt en dicht bij de +kachel gezet wordt. Men moet er op letten, dat zij niet al te warm +staan en dat de kachel, zoo mogelijk, gelijkmatig warm blijft. De +kiemen worden nu dagelijks met lauw water begoten, waarbij dan +tegelijkertijd de ruiten met een drogen doek worden afgeveegd. Zijn +de kiemen zóó ver uitgegroeid, dat zij de ruiten raken, dan worden +deze er afgenomen. Voordat de bloemen openkomen, neemt men de potten +uit het kistje, verwijdert het mos en zet ze voor het venster of +op de bloemtafel. Het geheele in bloei trekken der kiemen vordert +ongeveer van 20-25 dagen. Heeft men de kiemen zeer vroeg geforceerd, +dan zullen zij wel bloemen, maar geen bladeren ontwikkelen. Om dan aan +het geheel wat meer leven te geven, en de witte bloempjes wat beter +te doen uitkomen, legt men tusschen de bloemtrosjes levend sphagnum, +of wel, men plant er kleine Varens tusschen. Het mooiste resultaat +verkrijgt men, door in de eerste helft van Februari te forceeren, +daar dan de bladeren en bloemen zich ongeveer te gelijk ontwikkelen +(Fig. 300). Hoe verder wij nu het voorjaar ingaan, des te sterker +worden bij het forceeren de bladeren; ten laatste verdringen zij +geheel de bloemen, die dan niet meer tot ontwikkeling komen. Men kan +dit bezwaar eenigszins voorkomen, wanneer men bij iedere kiem slechts +één blad laat doorgroeien en de andere tijdig, in ieder geval vóór +zij zich ontrollen, met een scherp mesje wegsnijdt. Bij het in bloei +trekken der Lelietjes hangt alles èn van voldoende warmte èn van een +behoorlijk vochtige lucht af, zoodat er zeer op het gieten en het +spuiten moet gelet worden. Men doet het best, steeds lauw water te +gebruiken. De grootste vijand van getrokken Convallaria's is de zon; +laat men ze in de zon staan, dan hangen zij binnen korten tijd slap +en zij richten zich niet weder op. Wil men van de bloeiende Lelietjes +veel genoegen hebben en ze langen tijd goedhouden, dan moet men ze +in een frissche, koele kamer zetten. De uitgebloeide kiemen sterven +af en hebben alle waarde verloren. + +Met het in bloei trekken van vaste-planten en bloemheestertjes in de +kamer hebben wij vaak proeven zien nemen, die gewoonlijk mislukten. Wij +raden ieder plantenliefhebber dan ook aan zijn tijd hiermede niet te +verspillen; hij voorkomt op deze wijze tevens teleurstellingen. + + + + + + + +IV. KALENDER DER MAANDELIJKSCHE WERKZAAMHEDEN. + + +Januari. + +De maand Januari is voor de Kamerplanten nog een zeer slechte +maand. Wel beginnen de dagen reeds een weinig langer te worden en +breekt de zon reeds nu en dan door de wolken, maar het kan nog zeer +koud zijn en wij moeten er dus op letten, dat de vertrekken, waarin +wij planten kweeken, behoorlijk verwarmd worden. Is het zeer koud, +dan moet men, wanneer in de kamers geen vulreguleerkachels staan, +de kachels des avonds laat nog eens goed laten doorbranden, daar +de temperatuur des nachts wel wat lager mag zijn dan overdag, maar +dit verschil toch niet al te groot moet wezen. Ook moet men des +avonds de planten van het venster verwijderen en ze verder in de +kamer zetten. In koude nachten heerscht er bij de vensters altijd +een zeer lage temperatuur; de warmtegraad daalt er aanmerkelijk, +somtijds zóó sterk, dat de aarde in de potten bevriest en de teere +planten doodgaan. De Primula's, die op de vensterbank of tusschen de +dubbele ramen staan, kunnen, wanneer zij overdag niet in de zon staan, +wel eenige graden vorst verdragen, maar men doet toch beter ze in de +kamer te zetten, daar door het bevriezen de potten wel eens kunnen +springen. Heeft men in Januari zachte dagen, dan moeten de kamers +gelucht worden, waartoe men de teere planten eerst in een ander +vertrek zet. Bijzonder voorzichtig moet men gedurende deze maand met +het gieten zijn. Met uitzondering van eenige winterbloeisters en de +in bloei getrokken planten, bevinden zich alle kamerplanten nog in +haar rustperiode. De rustende planten moeten eer droog dan vochtig +gehouden worden, maar men mag ze niet geheel laten uitdrogen, met +uitzondering van de Cactussen en andere vetplanten, die men kurkdroog +kan laten worden. Er wordt dus in het algemeen slechts weinig gegoten; +wanneer men echter giet, moet men goed gieten, d.w.z. zóó dat het +water goed door de geheele kluit heendringt en ten slotte door het +drainage-gaatje wegloopt. Men moet nooit met versch, koud water, +doch altijd met lauw water gieten. De potplanten moet men goed +zindelijk houden, doode twijgjes en verrotte of verdroogde bladeren +moeten steeds tijdig afgesneden worden. Zeer licht ontwikkelen zich, +wanneer men daarop niet let, verschillende ongedierten, of wel, er zet +zich op de bladplanten een laagje stof af. Beide moet men voorkomen, +door iedere week de bladeren aan de boven- en onderzijde met een +spons en lauw water goed af te wasschen. Krijgt het ongedierte toch de +overhand, dan moet men die middelen toepassen, welke in het hoofdstuk +"De vijanden der Kamerplanten" zijn opgegeven, ten einde ze zoodoende +met vrucht te kunnen bestreden. Men moet gedurende deze maand de +hardere planten, die in den kelder overwinteren, niet vergeten, en er +op letten, dat zij nòch verdrogen, nòch bevriezen. Heerscht er zacht +weer, dan moet de kelder, door het openzetten van het keldervenster, +gelucht worden. Heeft men rustende bollen of knollen, dan ziet men +die van tijd tot tijd na en vertoonen zij rotplekken, zoo worden die +dadelijk weggesneden en de wonden met houtskoolpoeder bestrooid. + +Het forceeren der planten is nu in vollen gang. In de warme kamer +trekt men Hyacinten, Tulpen, Lelietjes der dalen. Al deze planten +moeten gelijkmatig vochtig gehouden en slechts met lauw water begoten +worden. Ook moet men goed letten op de tusschen de dubbele vensters +staande Hyacinten op glazen; heerscht er langdurige vorst, dan doet +men beter ze in een verwarmde kamer te zetten, daar zij anders licht +zouden bevriezen en daardoor bederven. + + + + +Februari. + +Gedurende deze maand kunnen de kamerplanten voor het meerendeel nog +behandeld worden zooals voor Januari is opgegeven. Meestal heerscht er +ook nu nog strenge vorst, de tuin ligt nog onder de sneeuw bedolven +en de ruiten zijn vaak nog met ijsbloemen beschilderd. De zon begint +echter langzamerhand meer te schijnen, zij krijgt meer kracht en de +temperatuur stijgt dan ook gedurende de middaguren aanmerkelijk. Bij +de kamerplanten begint het langzamerhand reeds lente te worden, +voor het venster bloeien talrijke geforceerde bolgewassen en in de +bladplanten begint wat leven te komen. Vooral moet men letten op de +harde planten, die in een koude kamer overwinteren. Deze hebben toch +neiging om zwakke, kleurlooze scheuten te vormen en daarom moet de +groei zooveel mogelijk tegengehouden worden. Het vertrek, waarin zij +staan, moet zeer koel, doch vorstvrij gehouden en van nu af aan zoo +dikwijls en zoo rijkelijk mogelijk gelucht worden. De bladplanten, +die in de woonkamer staan, kunnen in deze maand langzamerhand aan den +groei gebracht worden, waartoe men ze wat meer begiet, en bij helder, +zonnig weer nu en dan bespuit. Palmen, grootbladerige bladplanten en +Varens kunnen tegen het eind van deze maand reeds verplant worden, +doch men moet dan, totdat zij weder vaststaan, zeer voorzichtig met +het begieten zijn. Verscheidene bol- en knolgewassen, zooals Liliums, +Canna's en Gesneriaceeën, kunnen reeds opgepot en langzaam aan den +groei gebracht worden. Met het voortkweeken kan men langzamerhand +beginnen. Men zaait nu de zaden van Palmen en Bananen, verder die, +welke langzaam kiemen, zooals die van Acacia's, Canna's, Mimosa's en +ook de zeer fijne zaden waaruit zich slechts langzaam groote planten +ontwikkelen, zooals die van Gesneriaceeën en Begonia's. Ook wordt +het tijd de sporen van Varens uit te zaaien. De noodige aanwijzingen +daartoe vindt men in de hoofdstukken "Het zaaien en uitplanten" en "De +kunstmatige of ongeslachtelijke voortkweeking van Kamerplanten." Over +het vrij moeilijke uitzaaien der Varensporen vindt men de noodige +gegevens in het hoofdstuk "De Varens." De potten met uitgebloeide +bolgewassen worden koel gezet, men geeft dezen laatsten allengs +minder water, ten einde ze te laten opdrogen. De bollen, die reeds +geheel rusten, worden uit de potten genomen, schoongemaakt en droog +weggeborgen. Uitgebloeide Cineraria's, Primula's en Convallaria's +hebben geen waarde meer en kunnen dus weggeworpen worden. De +geforceerde planten staan nu in vollen bloei. Alle, besproken planten +kunnen in deze maand geforceerd worden; men moet er echter om denken, +die, welke geen hooge temperatuur kunnen verdragen, slechts voor het +zonnige venster van een koel vertrek te zetten. + + + + +Maart. + +De maand Maart is voor hem, die planten in de kamer kweekt, een echte +lentemaand, welke voortdurend werk geeft. Het verplanten, waarmede +men in de vorige maand begonnen is, wordt geregeld voortgezet en +zoo mogelijk beëindigd, zoodat nog in deze maand alle planten, +die er behoefte aan hadden, versche aarde verkrijgen. De zon, die +nu meer en meer kracht begint te krijgen, maakt een geregeld en zeer +oplettend gieten noodzakelijk; ook moeten, bij helder weer, de in warme +vertrekken staande planten een paar keer per dag met den rafraîchisseur +bespoten worden. De koele vertrekken moeten van nu af, bijna dagelijks, +gelucht worden, ten einde de daarin staande harde planten zooveel +mogelijk terug te houden. Wanneer deze, om een regelmatiger vorm te +verkrijgen, ingesneden moeten worden, moet men dit nu doen, voordat +de nieuwe groei begint. Een uitzondering hierop maken de Acacia's en +andere bloemplanten, die nu met knoppen bezet zijn; deze toch mogen +eerst na den bloei ingesneden worden. De potplanten, die haar blad +laten vallen en die men in den herfst in den kelder heeft gezet, +zooals Hortensia's, Fuchsia's, Rozen, enz. worden in de eerste dagen +van deze maand voor den dag gehaald, verplant, ingesneden en voor +het zonnige venster aan den groei gebracht. Zooals reeds gezegd is, +mogen de Hortensia's, wil men mooie bloemschermen verkrijgen, niet +ingesneden worden. Deze planten moeten meermalen bespoten worden, +ten einde te voorkomen, dat er zich ongedierte op nestelt. De jonge +scheuten, die nu verschijnen, kan men ook zeer goed als stekken +gebruiken. Alle gedurende den herfst rustende bol- en knolgewassen, +die nog niet opgeplant zijn, moeten thans aan den groei gebracht +worden. De uitgebloeide Cyclamen gaat men droger houden, opdat zij +langzamerhand haar bladeren verliezen. De rusttijd van dit knolgewas +duurt tot midden in den zomer; het is echter geen volmaakte rusttijd, +daar de wortels in het leven blijven; vandaar dat men de knollen niet +uit den pot moet nemen en ze ook niet geheel moet laten uitdrogen. De +reeds aan den groei gebrachte bol- en knolgewassen worden, zoo noodig, +verplant en de bewortelde stekken opgepot, terwijl de zaailingen +gerepikeerd worden. Deze maand is ook nog zeer geschikt om zaden te +zaaien of stekken te steken. De planten, die warm en licht staan, +niet verplant zijn, en sterk groeien, kan men reeds nu en dan een +weinig gieren. Heeft men in bloei getrokken planten, die uitgebloeid +zijn, dan behandelt men die op de wijze, welke in het desbetreffende +hoofdstuk is opgegeven. Al de vermelde bol- en knolgewassen, staan +thans in bloei; men moet er echter op letten, dat zij tijdig geschermd +worden, daar zij anders veel te snel uitbloeien. Tusschen de dubbele +vensters bloeien nu ook de Hyacinten op glazen, die bij zonnig weer +zooveel water noodig hebben, dat zij wekelijks bijgevuld moeten worden. + + + + +April. + +Daar de zon in deze maand reeds veel meer kracht begint te krijgen, +moet men er door flink luchten op passen, dat de temperatuur in de +kamers, waarin, wanneer het donker weer is, nu en dan nog gestookt +moet woeden, niet al te veel stijgt. Wanneer de zon helder schijnt, +moeten de planten in het kamerkasje, en ook die, welke voor het venster +staan, geschermd worden. Door de enkele warme dagen mag men zich +niet laten verleiden, de potplanten reeds buiten te zetten. Het weer +toch is in deze maand nog zeer ongestadig en de planten, in gesloten +vertrekken eenigszins gevoelig geworden, kunnen zeer licht het offer +worden van plotseling invallende koude. Anders is het met de harde +planten, die eenige graden vorst kunnen verdragen en in den kelder +werden overwinterd. Deze, zooals Granaten, Laurieren, Oranjeboomen, +Phormiums en anderen, kunnen tegen het midden van de maand op het +balkon of in den tuin gezet worden. De planten, welke in een koude +kamer hebben overwinterd, worden door herhaaldelijk luchten zoodanig +gehard, dat zij tegen het eind van deze maand naar buiten kunnen +gebracht worden. Wordt het weer nog plotseling koud, dan kan men +ze op zij leggen en met een tapijt of eenige doeken overdekken. Het +voortkweeken langs geslachtelijken en ongeslachtelijken weg kan ook +nog in deze maand geschieden. De plantjes, die de vorige maand gezaaid +zijn, zullen wel reeds zóó groot wezen, dat zij afzonderlijk in potjes +kunnen worden uitgeplant. Heeft men zaailingen of stekplantjes van +bossig groeiende planten, en willen zij zich niet vertakken, dan moet +men ze in deze maand den kop afsnijden. Kweekt men voor de versiering +van het balkon klimplanten of éénjarige bloemplanten, zoo moet men die +in het begin van deze maand zaaien; de snelgroeiende zaailingen worden +dan gerepikeerd, of ook wel dadelijk in potjes uitgeplant. Deze jonge +plantjes moeten zonnig gehouden en tijdig aan de buitenlucht gewend +worden, opdat men ze reeds in de volgende maand voor de beplanting der +bakjes moet kunnen gebruiken. In deze maand kan men ook beginnen met +het in orde brengen der aquariums of terrariums. Daar nu in den tuin +reeds vele voorjaarsbloemen bloeien, scheidt men met het forceeren +uit. De uitgebloeide bollen en knollen worden na het afsterven uit +den grond genomen, in de lucht gedroogd en goed droog opgeborgen. + + + + +Mei. + +Pas in deze maand begint men meer gestadig warm weer te krijgen, maar +niet zelden heeft men in de eerste helft nog last van nachtvorsten, +zoodat alleen de hardere planten buiten mogen gezet worden. Men +behandelt deze op de wijze zooals aangegeven is in het hoofdstuk: +"De Kamerplanten gedurende den zomer." De teedere potgewassen, die +nòch nachtvorst, nòch kouden regen kunnen verdragen, mogen niet vóór +de tweede helft van deze maand buiten gezet worden. Fijnere Palmen, +teere Varens, en warme bladplanten blijven gedurende den geheelen +zomer in de kamer; men moet ze nu echter in een vertrek zetten, +dat veel gelucht kan worden en waar men ze behoorlijk tegen de zon +kan beschermen. Als regel kan men aannemen, dat vóór Pinksteren de +bloemrekjes buiten voor het venster in orde gemaakt en de beplanting +der balkonbakjes uitgevoerd moet worden. In de eerste afdeeling van +dit boek wordt uitvoerig beschreven, hoe een en ander moet worden +uitgevoerd. Wanneer men Primula chinensis voor winterbloei wil kweeken, +dan moeten die nu gezaaid worden. Heeft men bloeiende potplanten, +dan bindt men die behoorlijk op; uitgebloeide moeten, wanneer dit +noodig blijkt, ingesneden worden. De potten moeten steeds zindelijk +gehouden en het opkomende onkruid er tijdig van verwijderd worden. Al +de potplanten moeten gedurende deze maand geregeld begoten worden +en heerscht er zeer warm weer, dan moet men dit twee keer per dag, +des morgens en des avonds, doen. Een herhaald bespuiten der planten +is dan ook hoog noodig. + + + + +Juni. + +In deze maand is de kamer, waarin men de planten kweekt, betrekkelijk +leeg, de meeste hebben een plaats gevonden op de plantenrekjes +of op de balkons. Van de talrijke teedere planten, die men tot nu +toe in de kamer hield, zooals Palmen en Varens, kunnen er in deze +maand nog verscheidene buiten gezet worden. Den Palmen moet men, +na ze behoorlijk gehard te hebben, een half beschaduwde plaats in +den tuin geven, en de Varens houden het, wanneer men ze onder boomen +zet en herhaaldelijk bespuit, buiten zeer goed uit. Kan men niet over +een tuin beschikken, dan doet men beter deze planten in de kamer te +houden, daar plaatsing op een plantenrekje of balkon minder wenschelijk +is. De meeste Cactussen en Succulenten staan in dezen tijd ook beter +buiten dan in de kamer, men kan ze gerust in de volle zon zetten; +vooral voor de versiering van rotspartijtjes laten zij zich zeer goed +gebruiken. Heeft men goed bewortelde potplanten, dan behoeft men in +deze maand niet zuinig te zijn met gier. Snel groeiende planten, die +men in Maart verpot heeft, zullen nu reeds weder doorgeworteld zijn +en is dit het geval, dan kan men ze nog eens verpotten. Heeft men nog +geen Primula's gezaaid, dan kan men het in het begin van deze maand +nog doen; ook met het uitzaaien van Cineraria's en Muurbloemen moet +men niet langer wachten. Het wordt in Juni ook tijd om de stekken te +snijden van de harde planten, die men wil vermenigvuldigen. + + + + +Juli. + +In deze maand kan men wel aannemen, dat de meeste bloemtafels leeg +zijn, daar de kamerplanten, zooveel mogelijk, buiten zijn gezet. De +plantjes, die men in de vorige maanden door zaden of stekken +vermenigvuldigd heeft, en die men goed op tijd moet repikeeren +en oppotten, zet men nu het best op de vensterbank, waar men ze, +zoo noodig, tegen de zon moet kunnen schermen. In het begin van deze +maand kan men de zomerstekken snijden van Pelargoniums, die dan zonder +veel moeite wortel maken en nog rijk kunnen bloeien. Voor het stekken +van Rozen is het ook nu de beste tijd. Deze stekken wortelen pas na +vier tot zes weken; men moet ze onder glas steken, in de volle zon +zetten en zeer dikwijls bespuiten. Pelargonium-stekken daarentegen +worden niet gesloten gehouden, zij moeten echter ook een zonnige +plaats hebben, maar mogen slechts weinig bespoten worden. Wil men des +winters Reseda hebben, dan moet die nu gezaaid worden. De hoofdzaak, +waarop men gedurende deze maand te letten heeft, is het herhaaldelijk +begieten en het, zoo noodig, bespuiten der planten. + + + + +Augustus. + +Ook in deze maand heeft men in de kamer nog niet veel aan de planten +te doen, daar zij voor het meerendeel nog buiten staan. Vooral +moet gelet worden op de zaailingen van Primula's, Cineraria's en +Cyclamen, die herhaaldelijk verplant moeten worden. De in het voorjaar +gezaaide Gesneriaceeën en Begonia's beginnen nu ook langzamerhand te +bloeien. Heeft men oude knollen van Cyclamen, wier rusttijd nu over +is, dan moet men die verplanten en op de vensterbank zetten. Sterk +groeiende planten, zooals Chrysanthemums, moeten in deze maand voor de +laatste maal verpot worden. Ook wordt het nu tijd om Pelargoniums te +stekken, die vrij snel wortel maken, doch niet uitgeplant worden. Men +laat de stekken in de potten, waarin zij gestoken zijn, overwinteren, +om ze in het voorjaar uit te planten. Zoo behandeld, zullen zij reeds +vroeg in de lente bloeien. Van harde planten kan men deze maand nog +stekken sneden; heeft men er stekken van, die in de vorige maand +gestoken en nu beworteld zijn, dan kunnen deze in kleine potjes +uitgeplant worden. Kweekt men klimplanten, dan moet men zorgen, +dat zij geregeld aangebonden worden. Reeds beginnen er hier en daar +zaden te rijpen; deze worden afgeplukt, op een vel papier gedroogd, +in grauw-papieren zakken bewaard en in den winter schoongemaakt. Men +moet er om denken bij iedere zaadsoort den naam te voegen, daar men +ze later niet meer kan onderscheiden. Veel acht moet nog geslagen +worden op het gieten en spuiten, daar deze werkzaamheden ten zeerste +samenhangen met het weer. In deze maand ontvangt men de catalogi van +bolgewassen. Zoodra men die ontvangen heeft, doet men de bestelling, +om in de tweede helft der maand, op de opgegeven wijze, de vroegste +bol- en knolgewassen op te planten. + + + + +September. + +Langzamerhand beginnen de planten weder in de kamer terug te komen. In +de eerste helft dezer maand toch worden de teerste potplanten, zooals +Palmen, Varens en andere bladplanten, die buiten stonden, weder in de +kamer gebracht. Voordat men ze binnenbrengt, moet de aarde van alle +onkruid gezuiverd, moeten de planten goed gewasschen en de potten +met een boenborstel goed afgeschrobd worden. De planten, die men +nog voorloopig buiten laat staan en die gevoelig zijn voor vocht, +moet men zóó plaatsen, dat zij tegen de overvloedige regens beschut +zijn. Heeft men potgewassen in den vollen grond uitgeplant gehad, dan +moeten die tijdig en voorzichtig weder in potten gezet worden. Bol- +en knolgewassen, die volgroeid zijn en beginnen af te sterven, +moeten langzamerhand minder begoten worden, en ook Camellia's en +Azalea's, die knop gezet hebben, moet men wat minder water geven. In +de kweekerijen vindt men om dezen tijd een grooten voorraad van +kamerplanten voorhanden, zoodat men nu zeer goed de noodige soorten, +vooral de winterbloeisters, kan koopen. De maand September is ook +de meest geschikte om bol- en knolgewassen, die men forceeren wil, +op te planten. + + + + +October. + +In de maand October krijgt men weer heel wat te doen. Reeds in de +eerste dagen van deze maand moeten alle planten, die nog buiten +staan, met uitzondering van enkele zeer harde, haar winterkwartieren +betrekken. Alvorens dit te doen moeten de planten en potten goed +schoongemaakt en de eersten behoorlijk opgebonden worden. Heeft +men planten, die gedurende den zomer ziek geworden zijn, dan doet +men het best die weg te werpen, daar zij toch den winter niet +goed doorkomen. Zoolang het weer nog niet koud wordt, moet men de +vertrekken, waarin de planten staan, behoorlijk luchten. Bij het +binnenzetten der planten moet men er vooral op letten, dat zij licht +staan en elkander niet, of zoo weinig mogelijk, raken. De planten, +die weinig warmte behoeven, worden in een koele kamer gebracht, waar +slechts in uitersten nood gestookt wordt. Heeft men grootere harde +planten, die zonder schade een paar graden vorst kunnen verdragen, +in kuipen staan, dan laat men die tot het eind van deze maand buiten, +waarna zij in de gang of in een luchtigen kelder gezet worden. Heeft +men geen ruimte genoeg om deze planten behoorlijk te bergen, dan geeft +men ze aan een vertrouwden kweeker om te bewaren. Bol- en knolgewassen, +die afgestorven zijn, worden uit de potten genomen en schoongemaakt, +om ze droog te bewaren. Indien de Fuchsia's, Hortensia's en Rozen +haar bladeren reeds verloren hebben, dan kunnen zij in een vorstvrijen +kelder opgeborgen worden. Kleinere Cactussen en Succulenten, waarvoor +men geen voldoende ruimte heeft, kunnen met de potten in kistjes met +droog zand worden ingegraven, welke men dan ter overwintering boven +op een kast kan zetten in een koele, doch vorstvrije kamer. Planten, +die om dezen tijd bloeien, moeten zoo licht en zonnig mogelijk gezet +worden. Ook bol- of knolgewassen, die men forceeren wil, kunnen nog +geplant worden. Voor het op glazen zetten van Hyacinten is October +ook een zeer geschikte maand. + + + + +November. + +Het sombere weer, dat meestal gedurende deze maand heerscht, is voor +de kamerplanten niet zeer gunstig, daar het licht rotting veroorzaakt, +wanneer men met gieten niet zeer oppast. Vooral met de knollen der +Cyclamen moet men zeer voorzichtig zijn en er voor zorgen, dat geen +gietwater in het hart der plant komt. De lucht wordt in de kamers, +waarin nu reeds geregeld gestookt wordt, zeer droog; het is daarom +nuttig de Palmen en andere bladplanten herhaaldelijk met een sponsje +en lauw water af te wasschen. Treedt er ongedierte op, dan moet men +dat zoo krachtig mogelijk bestrijden. De vertrekken, waarin de harde +planten staan, moeten met zacht weer gelucht worden. Het is zaak +zeer voorzichtig te zijn met gieten; men gebruikt daartoe slechts +water, dat de temperatuur heeft van het vertrek, waarin de planten +staan, en den planten, die rusten, mag men vooral niet te veel water +geven. Herfstbloeisters, die uitgebloeid zijn, zooals Bouvardia's en +Chrysanthemums, moeten ingesneden en in den kelder gezet worden. De +bolgewassen, die men buiten heeft ondergegraven, bedekt men met flinke +laag blad, ten einde ze voor de vorst te beschermen. Met het forceeren +kan men beginnen, waartoe de Romeinsche Hyacint en de roode en gele +Duc-van-Thol het eerst aan de beurt zijn. Heeft men Hyacinten op +glazen tusschen de dubbele vensters staan, dan moet men die, bij het +intreden van strengere vorst, in de kamer zetten. + + + + +December. + +Ook voor deze maand gelden de bovenstaande raadgevingen. Men moet er +op letten, dat de planten in de warmere kamer, zoo ver mogelijk van +de kachel verwijderd en zoo dicht mogelijk bij de vensters staan. De +planten, in de koude kamers, veroorzaken al heel weinig moeite; +toch moet in die kamers nu en dan gestookt worden, eerstens om het +indringen van de vorst te beletten en ten tweede om de lucht een weinig +te laten opdrogen. Die, welke in den kelder overwinteren, moeten ook +nu en dan nagezien en begoten worden, ten einde te beletten, dat zij +uitdrogen, waardoor de bast rimpelig wordt, en de plant doodgaat. Bijna +al de potgewassen bevinden zich thans in hun rustperiode. De bol- +en knolgewassen, die men buiten heeft ondergegraven, kunnen licht te +ver uitgroeien; zij moeten op een zachten dag uit den grond genomen +en in de kamer gezet worden, mits men ze nog niet direct in bloei +wil trekken, in welk geval men ze voorloopig in den kelder zet. + + + + + + + +AANTEKENINGEN + + +[1] Dit schijnt mij wel wat haastig. Denkelijk wordt hier Juli van +het volgend jaar bedoeld. Vert. + +[2] Eigenlijk is dit geen Aralia, maar in den handel komt deze plant +toch steeds onder dien naam voor. Vert. + +[3] Hoewel de naam Plectogyne wetenschappelijk juister is, gebruik +ik bij voorkeur den naam Aspidistra, waaronder deze plant algemeen +bekend is. Vert. + +[4] De Schr. bedoelt hier blijkbaar de Solanum Capsicastrum. De +S. Pseudo-Capsicum toch (het ouderwetsche Capsicum-boompje) wordt +beter van stek gekweekt; het duurt toch te lang, eer men van zaden +vruchtdragende heestertjes heeft. Vert. + +[5] Zonder iets af te dingen op deze vermoedelijk in Duitschland +gevolgde handelwijze, moet hier toch opgemerkt worden, dat ze bij +ons weinig toepassing vindt, daar men allicht kans loopt, dat de bol +spoedig uit den pot zal oprijzen. Hier vult men dien half met aarde, +drukt die een weinig aan en zet er den bol op, om daarna den pot +verder geheel met aarde te vullen. Vert. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Kamerplanten, by Max Hesdörffer + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KAMERPLANTEN *** + +***** This file should be named 30658-8.txt or 30658-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/0/6/5/30658/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
