diff options
Diffstat (limited to '30473-0.txt')
| -rw-r--r-- | 30473-0.txt | 4602 |
1 files changed, 4602 insertions, 0 deletions
diff --git a/30473-0.txt b/30473-0.txt new file mode 100644 index 0000000..3e85560 --- /dev/null +++ b/30473-0.txt @@ -0,0 +1,4602 @@ +The Project Gutenberg EBook of De complete werken van Joost van Vondel, by +Joost van den Vondel + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De complete werken van Joost van Vondel + Het Pascha + +Author: Joost van den Vondel + +Editor: H.J. Allard + +Release Date: November 14, 2009 [EBook #30473] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WERKEN VAN JOOST VAN VONDEL *** + + + + +Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + + + +DE COMPLETE WERKEN + +VAN + +JOOST VAN VONDEL. + + + + +Het Pascha, + +of + +de Verlossing der kinderen Israëls uit Egypte; + + +TRAGICOMEDISCHER WIJZE, EEN IEDER TOT LEERING, OP 'T TOONEEL GESTELD. + + + + + De goede vind' mij goed, + De kwade straf en streng, + Wanneer ik d' een behoed', + En d' ander t' onderbreng'. + + + + +DE DICHTER WENSCHT DEN GOEDWILLIGEN LEZER HEIL EN ZALIGHEID. + + +De oude wijze Heidenen, aanmerkende den aard en de verdorvenheid des +menschen, en ziende hoe traag vast[1] een ieder was, om langs de trappen +der deugden op te klimmen, en omhoog te stijgen in al hetgene wat +loflijk en heerlijk bij hun mocht genaamd worden, als zijnde eenen al te +steilen berg; zoo hebben zij in alle manieren getracht, door zekere +middelen een ieder te brengen tot een goed, zedig, en natuurlijk +burgerlijk leven; hetzij door eenige poëtische fabelen en versierde[2] +gedichten, of door andere bekwame regelen en wetten. Dan[3] onder andere +hebben zij voor goed ingezien de manier van eenige oude historiën of +vergeten geschiedenissen wederom te ververschen, en vooral de wereld op +het tooneel te stellen: om alzoo door zekere aardig toegemaakte[4] +beelden en personen, levendig uit te drukken en na te bootsen hetgeen +tijd en oudheid, met veel verloopen eeuwen en afgemaaide jaren, bijkans +uit het geheugen gewischt hadden, in voegen alsof die eerst tegenwoordig +geschiedden. Waarin zij betoonden, hoe in 't einde alle goed zijn +belooning, en alle kwaad zijn eigen straf veroorzaakt, opdat zelfs +plompe, ruwe en ongeleerde menschen, die al hoorende doof en al ziende +blind waren, zonder bril mochten hun feilen als met den vinger +aangewezen, en door sprekende letteren van gesierde figuren getemd en +gezedigd werden, en alzoo volgens de spreuk Horatij[5] het profijt met +genoegen leeren. Want nademaal zij bevonden dat eenigen te kreupel[6] +waren, om te graven naar de kostelijke kleinodiën der leeringen en +geheimenissen, die onder de schors van gedroomde fabelen weggescholen en +verborgen lagen, en hun[7] van gretige zoekers en ijveraars gaarne +wilden laten vinden, en dat den eenen op deze, den anderen op een andere +wijze wilde geleerd en onderwezen zijn; zoo is het hun niet genoeg +geweest, ofschoon de boeken van schoone lessen al vervuld waren, en +geheel dik opgehoopt op malkanderen liggende eenen heerlijken winkel +maakten, en of veel gulden redenen in koperplaten en marmersteenen +kunstig gegraveerd alsins in het voorhoofd van treffelijke gebouwen, de +voorbijgangers al verbaasd ophielden; maar zij hebben ook daarbenevens, +in groote bijzondere schouwplaatsen willen in het openbaar de schatten +der filosofie in den schoot toewerpen dengenen die te achteloos waren om +daarna[8] te arbeiden en te streven: zij hebben met dit doen ook den +geheelen stand en de conditie der wereld willen afbeelden, en die een +iegelijk als een levende schoonverwige schilderij voor oogen stellen. +Want waarbij mag het geheele tafereel of theater dezer wereld beter +vergeleken worden, als[9] bij een groot openbaar tooneel, daar vast een +ieder gedurende den handwijlschen[10] tijd van zijn vliênde leven, zijn +eigen rol en personagië speelt. De een vertoogt[11] zich daarop als +koning, en neemt genoegen, met zijnen beparelden schepter of rijksstaf, +veel koninkrijken en landen te gebieden en te beheerschen, met een +gouden kroon zijn koninglijk hoofd om te drukken[12], en bekleed met een +glansig luisterende[13] purper zich te vertoonen op zijnen hoogen troon, +voor wiens majesteit de onderdanen met grooten eerbied buigen en +nedervallen. Een ander volgt den krijggod Mars, en al blaauw gehelmd +steekt zijn paard met sporen, hebbende in de eene hand een tweesnijdend +zwaard, in de andere een gevelde speer, rijdt alzoo midden onder de +vijanden, ontziende noch leven noch dood, om met tien duizend Trofeën +triumfelijk weder te keeren, of in het bestoven veld, onder de verslagen +helden, zijn graf al met groenen palm en lauwer bestrooid te hebben. +Dezen, met een verbleekt gelaat, kweelt van liefde, en doet met zijn +beweeglijke klachten alsins den schallenden echo in 't holle gewelf van +Veneris[14] tempel wedergalmen. Die berijdt den woesten Oceaan met een +gevleugeld paard, niet ontziende stormen, winden, zeevlagen, noch +Syrten[15], noch klippen, noch diepe afgronden, om van het Oosten in het +Westen te geraken. Een ander beploegt met een paar jok-ossen den rug van +onzer aller moeder, om te zijner tijd de godin Ceres de eerstelingen +zijner vruchten toe te wijden, enz. Terwijl dus den eenen in dit, den +anderen in een ander[16] bezig is, ontgaat hun den vluggen tijd, en eer +den eenen na den anderen den laatsten zucht geeft, moeten zij alle met +den wijzen man roepen, dat alles niet anders is dan "Al ijdelheid, Al +ijdelheid," en worden alzoo door onverwachte dood, eer zij hun zelven +hebben recht leeren kennen, van het tooneel des aardbodems achter de +gordijne weggerukt: daar is den rijken en den armen, den wijzen en den +zotten, den schoonen en den leelijken, den sterken en den zwakken, de +een den ander gelijk; zoodat met recht over deze onze ijdelheid +Heraclitus schreit, Democritus lacht, en Timon zich voor de menschen als +voor eenen vloek versteekt, op hooge bergen, in diepe holen, in duistere +wildernissen, en andere eenzame plaatsen. Dit aldus aangemerkt zijnde, +kunnen wij lichtelijk vonnissen, wat de oude wijze Heidenen met deze +manier van doen hebben willen te kennen geven, en dat zij daarin niet te +vergeefs zoo vlijtig en bezig geweest zijn. Ja, dat meer is, wie zal +durven ontkennen, dat de Wet met al heur ceremoniën en uiterlijke +diensten, als offeranden, reinigingen, Sabbatten, nieuwe maanden, en al +hetgene Aärons priesterschap en den tempel met alle zijn sieraden, +gereedschappen, en toerustingen aankleeft, zoo ook het regiment[17] van +het rijk Israëls;--wie zal (zegge ik) durven verloochenen, dat dit alles +iets anders geweest zij, als een voorspel van hetgene men in den +toekomenden Messias te verwachten hadde? Want toen dezen allerheiligsten +Hoogepriester en Koning aller koningen kwam, toen hadden alle wettelijke +letterlijke priesteren en koningen Judae hun rol volspeeld en +uitgediend: want in Christus houden alle beelden, schaduwen, en figuren +op. Ja, de bloote parabolen en gelijkenissen, die de Heere, onze +Zaligmaker in het Evangelie voorstelt, "van den mensch, die onder de +moordenaars gevallen was; van den verloren zoon, die al zijns vaders +goed onnuttelijk verkwist had; van den rijken man, die met purper en +kostelijk lijnwaad bekleed zijnde, lekker leefde en Lazarus vergat:" wat +zijn het anders, als naakte Comediën en Tragediën, om daarmede te leeren +die menschen, dewelke op geen andere manier de verborgen mysteriën van +het Rijk der Hemelen verstaan kunnen? Ik ga voorbij de Boeken der +Koningen: daar eenen hovaardigen woedenden Saul, al razende en +troosteloos, in zijn eigen zwaard valt; daar eenen vlugtigen David, +gedurende zijn ballingschap, hemel en aarde te naauw dunkt; daar eenen +verwonnen Zedekia gevankelijk naar Babyloniën gevoerd werd; daar eenen +tirannischen Nebukadnezar Jeruzalem en des Heeren tempel verwoest, en +tot eenen steenhoop maakt, enz. Alle welke personen ons van den H. Geest +tot leerachtige[18] voorbeelden (als op de _scena_[19]) voorgedragen +werden: zoo hebben wij voorhenen deze Tragi-Comedie voor eens ieders +oogen willen op de stellagië[20] openlijk vertoonen. En alzoo wij +bevonden hebben, dat vele daar smaak-lustig en begeerig naar geweest +zijn, om hetzelve nog eens te overlezen, niet vernoegd zijnde, dat zij +het gezicht en het gehoor daarvan genoten hebben, zoo heb ik, ten +ernstigen verzoeke van eenigen, geoorloofd hetzelve (hoewel het gering +is ten aanzien van hetgene ik daarin gedaan heb, nochtans groot en +gewichtig van stoffe) door openbaren druk een iegelijk gemeen te maken: +te meer, omdat het bij velen uit mijn origineel getogen zijnde, te zeer +gekrenkt, en van zijnen luister te zeer beroofd en ontsierd werd. +Wenschende, dat het met zoodanige vruchtbaarheid gelezen worde, dat het +gedije tot prijs van den heiligen en gebenedijden name Gods, en dat, +door het overdenken van deze Tragi-comedie of dit Blij-eindig-spel, de +droeve Tragedie of het droevig Treurspel van ons ellendig leven mag +nemen een vrolijk einde en gewenschten uitgang. Amen. + +In Amstelredam, 1612, den 29en Maart. + + + Den al uwen + J. VAN VONDELEN. + + + + +Epistre + + +A MONSEIGNEUR + +IEAN MICHIELS VAERLAER[21], + + + MON SINGULIER AMY. + + L'encensoir odoreux de l'Arabie heureuse, + L'Attique miel sucré, la mine precieuse + De la riche Peru, les perles, les tresors + Que l'Inde Orientale a sur ses riches bords, + Ne pouvant presenter à vostre Seigneurie, + Ie vien l'Avant-coureur de mienne Poësie + Sacrer à ton honneur, en toute humilité, + La printaniere fleur de mon aage doré. + Ma Muse rit desia, se voyant amiable + Dessoubs l'ombre d'vn tel Mecæne favorable, + Qui, fuyant le pavé des ruës, va les champs + Presser de ses talons: qui l'aage de son temps + Loing, loing hors l'emmuré d'vne Cité redouble, + Laissant des Citadins la peupuleuse trouble: + Qui pour les bords du Leck et son bord verdissant + Quitta le bleu Triton de l'Amstel ondoyant, + Et estant petit Roy de Iaersveldt, ne desire + Changer son libre estat pour vn plus grand Empire. + O trois fois bienheureux (a autre fois chanté + Horace et le Gascon Du Bartas renommé) + O mille fois heureux! qui voit tousiours Nature + Fleurir parmy les champs en eternel verdure! + Le maniement joyeux d'vn verd sion enté + Le lustre passe d'vn royal sceptre emperlé, + Les feuilles ombrageux d'vn florissant boscage, + Les doux tirelirants Rossignols en ramage, + Surpassent l'orgueilleux couronnement royal, + Et le chant mesuré des Chantres musical. + Si tost que le Soleil va peindre de dix milles + Couleurs le gay Printemps, par les pleines fertiles, + Le champestre Bourgeois voyt ores sur les fleurs + Aurore distiller les agreables pleurs, + Il voit les fleurs ployer soubs vn mignard Zephire, + Il oyt le doux Echo qui par le ciel souspire, + Il voyt les aime-fleurs d'Hymette bancquetter, + Le sueux Laboureur la terre cultiver, + Et richement semer la nouvelle semence, + Pour moissonner apres les fruicts en abondance. + Le chaleureux Esté (qui brusle tout vermeil) + Luy monstre les espics, la vertu du Soleil + Luy monstre le coral des cramoisins cerises, + Et l'Automne a couvert de mille friandises + Son table, riche en fruict, en bled, en grain, en vin, + Verssant le bon Bacchus dedans vn crystalin. + Or estant de tous biens richement couronnée + Il sent desia en l'air les aisles de Borée. + He Dieu! qu'est-ce vn plaisir ainsi en liberté + Parmy les champs feconds, en toute seureté, + De talonner les pas de nostres premiers Peres, + Loing, loing laissant à dos les passions severes, + Fuyant le bruict mondain l ô, doux et sainct repos! + Qui de cupiditez n'as point chargé le dos, + Qui ne crains le malheur d'vne gauche fortune, + Ni l'azur ondoyant du barbare Neptune, + Qui portes dans ton coeur ta richesse et thresor, + Et ton bien souverain: qui pour argent ni or + Ne passeras la mer, ne tendras tant de toiles, + Pour borner tes desirs soubs l'ombre de tes voiles, + Qui d'vn Balaine fier ne crains d'estre englouti, + Mais qui dans ton berceau veux estre enseveli. + Durant l'aage doré que nos premiers Ancestres + Faisoint profession des ouvrages champestres, + Astrée florissoit, et la terre à chascun + Estoit avec ses fruicts en partage commun, + Les fifres ni tambours n'esveillerent l'orage + D'vn sanglant eschaffaut, ne Mars aime-carnage + N'exhortoit ses Souldats, on ne trouva Citez, + Chasteaux, ni tours pierreux, ni Remparts terrassez, + Neptune n'eust le dos ni ses ondes salées + Chargées de cent vaisseaux, car du fruict des vallées + Chascun se contentoit, et vivoit à Cerès, + Laquelle abondamment leur provida assez. + O celeste labeur! qui dans ton front empraincte + Portez la saincte loy, la justice, et la craincte + Du grand Dieu Zebaoth, comme Abel vertueux, + Noë, Moyse, Abram, et celuy qui les Cieux + Semble oreillier au son de sa harpe dorée, + Et triomphant se voyt vainceur d'vn Briarée. + Combien d'années les Romains sont sagement + Gouvernez soubs ceux ci, qui du coutre trenchant + La terre ont cultivé, je laisse vn Tite Live + Historier dessus de Tyberique rive. + Ie ne veux, ni ne puis mettre en jeu tous les Roys, + Porte-sceptres dorez, Demy-dieux, Donne-loyx, + Qui ont abandonnez leur Couronne invincible, + Pour vivre bien contents parmy le champ paisible; + Loing, loing des vanitez et troubles de l'esprit, + Pour laquelle ses pleurs Heraclite espandit. + La plus part qui cerchoynt les immortelles vivres, + Et qui diligemment ont feuilletté les livres + Du trois-fois sainct Esprit, sout aussi retiré, + Laissant arriere loing l'humaine vanité. + Car le vray Helicon, et Pernasse des Muses + Se plaist d'entre le son des douces cornemuses + Du haubois pastoral, soubs l'arbres ombrageux + Lesquels tous-jours croissant vont menaçant les Cieux. + Toy qui d'vn mesme feu et d'vne mesme flame + Bruslez divinement, c'est vers toy que je rame + Avec mon foible esquif, puis qu'vn vif jugement + Accompaigne tous-jours ton hault entendement, + Souffrez que soubs ton nom je vien le vieil Theatre + Icy renouveller, et Pharon l'Idolatre + Presenter obstiné, qui ses derniers sanglots + Et derniers pleurs noya dedans les rouges flots: + Souffrez que je despein icy la delivrance + Des enfans d'Israël, d'Abram juste semence, + Afin que par Zoyle au visage effronté + Les fleurs de mon printemps ne soyent violé. + C'est la cause pourquoy, Mecene tres-fidelle! + Que ma Muse dessoubs l'ombrage de ton aisle + Se cache volontiers. Ma Muse qui s'en va, + Sur le sacre sommet de l'Arabe Sina, + Le front pousser au Ciel jusqu'aus bigarres nuës, + Soubs l'Echo de ton nom jusqu'aux astres cornuës: + Recevez doncq ces vers, ces vers qu'à ton honneur + Vrayment meritent bien vn plus docte Sonneur. + De vostre Seigneurie le tres-affectionné + I. V. V. + + + + +KORT BEGRIP VAN DE TRAGI-COMEDIE: + + +Terwijl Mozes de schapen (zijns zwagers Jethro) hoedt in Midian, bij den +berg Horeb of Sinaï, verschijnt hem de Heer in de gedaante eens Engels +uit het vlammende bosch, en stelt hem tot een leidsman, herder, en +verlosser over het Huis van Israël. Mozes ontschuldigt zich om zijne +onbekwame tong, dies verzelt hem[22] de Heer met zijnen broeder, den +schoontaligen en priesterlijken Aäron. Deze twee gebroeders, als +gezanten van Gods hooge Majesteit, verzoeken de verlossing Jakobs aan +den koning Farao, met bevesting[23] van het eerste wonderteeken, hun +slangwordende roede; maar de hoogmoedige koning, verstokt (zoo door het +ingeven en de goochelarijen van zijn droombeduiders en toovenaars, als +door zijns zelfs obstinaatheid) verdrukt de Hebreën meerder als voor +henen: waar op volgen de tien straffen Gods, als roeden en geeselen van +zijne regtvaardigheid, dies hij bedwongen is hun te verlaten[24]. Doch +de Heer verstokt hem tot uiterste straf van zijne hardnekkigheid, en tot +grootmaking van zijnen heiligen Naam, dat hij, met zijn heerleger, +ruiters, paarden en wagenen, de Israëlieten achterhaalt aan het Roode +meer, daar de Heer zijne uitverkorenen droogvoets door brengt uit het +geweld Farao's, die hun op het spoor navolgende, zijn droevig treurspel +eindigt, en alle hoogmoedige Godverachters zijnen ondergang als een +spiegel voor oogen stelt. De Israëlieten verlost loven (over hun +triumphante verlossing) den Heer met lofzangen en dankzeggingen. +Luistert toe, enz. + + + +BEELDEN VAN HET BLIJ-EINDIG SPEL. + + GOD DE HEERE + + MOZES, AARON, KORACH, } De Oudsten der Hebreën. + JOZUA en KALEB } + + FARAO, de Koning. + + TIFUS, } Droom-bedieders en Toovenaars. + SERAX, } + + ALBINUS, Veld-hoofdman met zijn Heir-leger. + + De Rei der Egyptenaren. + + De Rei der Israëlieten. + + FAMA, of 't vliegende Gerucht. + + KOOR, de leerlijkheid of moralisatie van 't Spel. + + + + +EERSTE DEEL. + + + MOZES, hoedende zijne schapen aan den berg Horeb, spreekt: + + Weidt hier, mijn beestiaal[25]! weidt hier, mijn tierig vee! + Golft hier om dit gebergt', mijn witgewolde zee! + Scheert hier 't groenhaar'ge loof, spaart kruid, noch bloemkens geurig, + 't Lacht hier doch altemaal, zoetrokig[26] en couleurig, + Nu wauwelt[27] zoo veel gras, zoo vet en graag bedijt[28], + Tot gij van Midian de schoonste kudde zijt: + Onnooz'le lammerkens, verstrooit u wijd noch verder, + Blijft al omtrent den staf van uwen trouwen herder, + De wolf (waar voor ik u zoo dikmaals heb beschermd) + Is d'onrust, die doch steeds naar u, mijn vliezen[29], zwermt; + Ontwijfelijk hij ligt hier al omtrent gedoken, + Want hij terstond den snof heeft van zijn aas geroken; + Dus blijft mij al omtrent, en loopt zoo niet verdeeld, + Terwijl de Echo hier met mijn gedachten speelt. + Och, of met dezen staf mijn jaren henen slipten! + Die staf mij waarder dan de scepter van Egypten; + Of ik mijn dagen sleet in deze weide schoon, + Veel heugelijker als 't gewelf van Memfis troon! + Veel liever wilde ik hier een zoeten bloemkrans plukken, + Als met de Nijlsche kroon mijn voorhoofd prat omdrukken, + Geen purper ruilde ik of koninklijk gesmijd[30], + Met mijn omgorden rok, mijn herderlijk habijt[31], + Geen wijnen liet ik in een gouden schale gieten, + Voor eenen koelen teug geschept uit deze vlieten, + Veel grager uit mijn maal smaakt deze spijze grof, + Als al de lekkernij van 't koninklijke hof: + Al schijnet 's konings hof te zwemmen in wellusten[32], + 't Is wederom vermengd met zorgen en onrusten, + Nu zal de koning zijn met purper schoon bekleed, + En morgen toegerust met wapens dol en wreed, + Nu zal zijn waardig hoofd de groote kroon bedwelmen, + En morgen 't harde staal en 't blaauw van eender helmen[33], + Drukt nu zijn sterke hand den scepter hoog en waard, + 't Verandert 's anderdaags ligt in een vlammig zwaard. + Zit nu zijn Majesteit in zijn gewelfde zalen, + Nu moet hij naar de grens en 't uiterst' van zijn palen. + Ik zie niet dan een zwaard aan eene zijden draad + Steeds hangen boven 't hoofd den Koninglijken staat. + Onz' Vaders hebben dus hun leven laten glijden, + En over 't Vee gezocht de zoetste heerschappijen: + Abel en Abraham, Izak en Jakob mild[34] + Zijn wel d' aanvangers van 't eenvoudig Herder-gild; + Geen van hun allen heeft gedreven ander woeker, + Als met de geiligheid van 't Vee, hoe langs hoe kloeker; + Hun Beesten waren meest hun werking en hun doen, + Ik volg hun stappen na, en langs de kusten groen, + Dus schuwe ik heel gerust 't gewoel van groote Heeren, + Doch meer dwingt mij de nood als[35] hertelijk begeeren. + 't Bloed is nog versch en lauw, waar met ik deze wijl[36] + Eens laafde 't dorstig zand bij 't stroomen van den Nijl: + Mocht ik den Farao zoo lichtelijk begraven, + En rukken Jakobs huis uit dit gedurig slaven! + Tiran! och, of gij eens begrijpen mocht in 't minst, + Dat herderlijk beroep den Koninglijken dienst + Beteekent[37] t' eenemaal, gij bleeft niet zoo versteenigd, + Zaagt gij den Scepter met den Herder-staf vereenigd: + Het Herder-ambt vereischt, dat hij zijn kudde hoedt, + De Koning, dat hij 't volk heerscht met een wijs gemoed; + De Herder moet zijn kudd' voor des wolfs tanden vrijen, + De Koning weren al d' uitheemsche tirannijen, + Dat d' Herder-staf geen Lam voor d' ander stoot noch sla, + En elk Inwoonder hoort den Scepter even na, + D' een vlies voor d' ander komt de weide niet ten goeden, + Zoo hoort 't Rijk op[38] te staan, om iegelijk te voeden: + Maar Israël, helaas! gaat op een dorre heid', + Daar den Egyptenaar in 't grazig groene weidt, + D' een is een droeve slaaf, en moet, och arm! ontbeeren, + Dat d' ander zal in weelde en overvloed verteeren: + De vloer, waarop zich den Egyptenaar verlust,[39] + Veel zachter is als 't bed van d' Isralietsche rust: + Farao's rijkstaf hun verstrekt maar eenen vlegel, + Zijn kroon een lastig juk, dat zonder maat of regel, + De Israëlieten drukt: zijn wedersnijdig[40] staal + Zal den Egyptenaar beschermen t' eenemaal, + En al hun vijanden verstrekken eenen prikkel, + Maar Jacobs vruchtbaarheid afmaayen als een sikkel. + Fy ongerechtigheid! Fy, koninglijke haaf! + Waarvan d' een burger is en d' ander eigen slaaf: + En of zij schoon[41] met graan al Memfis' zolders vullen + Het kaf is alden loon, die zij genieten zullen. + Mijn Isralieten, die zoo lange om vrijheid riept! + Gij graaft om elke stad een grondelooze diept, + Gij bouwt zijn muren op, en gaat den hemel tergen + Met torens, die hun kruin tot in 't gesternte bergen, + En hoe gij bouwt en slaaft, met truffel, spa, of ploeg, + En arbeidt in het zweet uws aanschijns, spade en vroeg, + Des morgens, eer de zon met zijne stralen luistert[42], + En 't manenzilver[43] met zijn gulden trots verduistert, + Tot dat de zwarte nacht beschaduwt berg en dal, + En dat 's doods zuster wiegt in slaap den grooten Al: + Noch razet[44] den tiran, Egypten leît[45] ten woesten, + En zal door ledigheid van dezen zwerm verroesten. + Heeft tijd en oudheid dus Josefs weldaden groot + Uit uw gemoed gewischt? denkt, hoe uit zijnen schoot + Egypten werd gespijst, toen over zijn limieten + Zijn horenen den Nijl maar jaarlijks twaalf cubieten + In zeven jaar verhief, en zelf de hemellocht + Die weigerden zoo lang haar tranen koel en vocht, + Toen u vrouw Ceres, laas! wat zij ook ploegde of zaaide, + Met geene zeissen krom in zeven oogsten maaide, + Toen t' elken in den oogst den droeven akkerman + Vervloekte ploeg, en zein[46], dorschvlegel, eg en wan, + Toen 't heele Ceresgild[47] schier niet dan stroo en stoppel + In schoven zamenbond, in bondels en gekoppel: + Toen loech[48] elk Josef toe, toen was hij 's Konings beeld, + Zoolang hij vaderlijk het graan heeft uitgedeeld, + Toen hij zoo vriendelijk de stralen van zijn oogen + Op iegelijken[49] wierp, en niemand heeft onttogen + De vrucht zijns overvloeds; toen zijne volheid plein, + Gelijk de zonneschijn, een ieder was gemein[50]. + O Josef! al te slecht hebt gij gevoed te veuren[51] + De wolven, die nu 't schaap van Israël verscheuren; + Uw mild weldadig hart, dat gij hun hebt betoond, + Wordt ons met tyrannie al t' onverdiend beloond: + Hadt gij ons vaders toch geweigerd deze gaven, + En langen tijd met hun vóór onzen tijd begraven! + Ofschoon Abrahams zaad in vruchtbarigheid tiert. + Als 's Hemels mantel blaauw met loovers is gecierd, + Ofschoon Isaaks geslacht in veelheid goederhandig + Beklijft, als[52] 't Roode Meer opwerpt zijn baren zandig, + Of Jacobs neven zich verspreyen in fatsoen, + Als loof groeit uit den schoot van dees valleyen groen: + Wat baat het, als hun dus verkeert met tirannije + t' Ondraaglijk eeuwig juk van droeve slavernije? + O, onzer vadren God! wanneer zal eens 't gesmook + Van onz' altaren, als een liefelijken rook, + Ten hemel stijgen op? werwaarts, en in wat landen + Zal u den wierook van ons heilige offeranden + Bevallen? och! gedenkt aan 't teeken des verbonds, + Bezegeld met het woord uws Goddelijken monds, + Dat gij den scepter nog zult paarlen in ons handen, + Die overheeren zal den trots van u vijanden; + Bevestigt uw beloft, onttrekt ons niet zoo licht + De heilge stralen van uw hemelsch aangezicht: + Of zijn wij dus gestraft om onze zwaar misdaden, + Wascht ons weer in de borne[53] en vloed uwer genaden! + Zoo wijd de morgenstond beschaamt het nachtzeil zwart, + Toont dat de gunste strekt van uw vaderlijk hart: + Treedt ons met uw gericht niet altijd op de hielen, + Werpt uwen bliksem niet op zoo veel duizend zielen: + Wij zijn Dijn handen werk..... + + +(GOD verschijnt Mozes in het vlammende bosch.) + + MOZES. + + Aanschouwt dat heerlijk licht! + Hoe blikt in 't sterflijk oog dit wonderlijk gezicht! + 't Bosch schijnt in vuur en vlam te sparken[54] en te gloeyen, + Nogtans in 's vuurs gegolf gebloemt en blad'ren bloeyen. + Ik wil mij derwaarts spoên. + + GOD. + + Zacht, Mozes! Mozes, beidt! + + MOZES. + + Hier ben ik. + + GOD. + + 't Is hier van mijn tegenwoordigheid + Een driemaal heilig land, dus wacht u mij t' ontmoeten, + Eert mij en deze plaats, ontschoeit terstond uw voeten. + 't Bosch, dat hier branden schijnt[55], en niet en wordt verteerd, + Daarmede is Israël naakt af gefigureerd: + 't Vuur is een beeldtenis van mijnen Geest, die leerlijk + De kwaaddoender verteert, de goede loutert heerlijk, + En, g'lijk men op den toets het edel dierbaar goud, + Nadat het is doorvuurd, veel waardiger beschouwt, + Zoo zullen ook in 't kruis de twalef Joodsche stammen + Groen blijven, als 't geboomt', in 't golven dezer vlammen. + Ik ben Abrahams God, de God die 't al bezielt, + Waarvoren zich[56]. + + MOZES. + + Amy! waar zal ik vliên, in klippen of in kuilen? + + GOD. + + Ik was, Ik ben, Ik blijf. + + MOZES. + + Waar zal ik mij verschuilen? + + GOD. + + Den hemel is mijn troon, d' aard mijner voeten bank, + En 't Helsche keizerrijk 't wit van mijn pijlen strank[57], + Dit wonderlijk geheel van hemel en van aarde, + Ja, tot mijn evenbeeld, den mensche hoog van waarde + Ik in zes dagen schiep; de zon is maar een vonk + Van mijne heerlijkheid, die voor veel eeuwen blonk: + De God, die Abrams zaad in Izak wilde noemen, + Zoo vele als 't zand des meers of als de Lentsche bloemen; + Ik ben dezelfde God, die Isrels troebelzee + En groot heerleger met mijn vleugelen bespreê[58], + Werpt slechts op mijn beloft den anker van uw hopen, + Want over Jakobs huis staan steeds mijn oogen open, + Mijn oor beluistert hun gebed van woord tot woord, + Ik heb hun leed gezien, en hun geschrei gehoord! + Mijn zeisen maait nu eens den draad van hun ellenden, + Ik zal nu 't wankel rad van mijn beproeving wenden, + Nu zult gij zien wiens hand den Farao ontrukt + Mijn lelie, die zoo lang de doornen heeft gedrukt! + Gij zult de leidsman zijn, en brengen hun persoonig[59], + Met uwen staf, in 't land dat vloeit in melk en honig; + In 't land, daar Abraham zoo dikwijls zag de maan + Heur hoornen spieglen in de glazige[60] Jordaan; + Daar zijn gehoorzaamheid mij over had gegeven + Zijn eenig liefste kind, den spiegel van zijn leven, + Daar hij niet en ontzag, op Salems hoogte trots, + Te storten 't bloed zijns zoons, tot eenen offer Gods; + Daar hij te buiten trad de vaderlijke palen, + En zag op 't altaar-plat alreê ten hemel stralen, + (Met oogen des geloofs, van wil en van gemoed) + 't Vuur van zijn offerand', en zijn verkoren bloed; + Daar hij, in asch en stof, op 't heilige gesteente, + Alreê begraven had zijn vleesch en zijn gebeente; + Daar hij zijn wandeling ten einde heeft gebrocht[61], + En 't hemelsch burgerschap hier boven heeft gekocht; + Daar zijnen zoon Izak en Jakob, beî te gader, + Zijn pelgerims geweest, met hunnen ouden vader; + In 't land, daar ik de kroon hun drukken zal om 't hoofd + Die Abraham, Izak, en Jakob is beloofd. + Gaat, boodschapt Farao, wie dat u is verschenen; + De weg is al bereid, dus trekt met vreden henen. + + MOZES. + + Ik ben een sterflijk mensch, ik ken mij veel te zwak. + + GOD. + + Hij maakt u machtig, die[62] nooit sterkheid en ontbrak; + En tot een teeken blij, na uw verlossing veilig, + Doet mij op dezen berg een offerande heilig + Van liefelijken reuk. + + MOZES. + + O God gebenedijd! + Hoe zal ik Jakob toch betuigen, wie gij zijt + Die mij gezonden hebt? + + GOD. + + Jehova, God almachtig, + Die hun met zijnen arm zal helpen sterk en krachtig: + Ik ben, die Ik zal zijn, die u de kroone biedt + Met uitgestrekte hand, en gij en grijpt ze niet: + Ik ben die 't al vermag, die uwen staf bepeerelt + Den dans-beleider wijs van d' een en d' ander wereld; + Ik ben de Heere zelf. + + MOZES. + + De vonk van hun geloof + Is zeer na uitgebluscht, in asschen bleek en doof. + + GOD. + + Met wonderdaden dan versterkt hun dwaasheid teder; + Wat hebt gij in uw hand? + + MOZES. + + Een staf. + + GOD. + + Wel, werpt hem neder. + + MOZES. + + Wat kronkelt hier alreê? hier wemelt, krolt[63] en drilt + Een slange, die mij in de hielen bijten wilt[64]: + O Heere, staat mij bij! + + GOD. + + Wel, grijpt den krommen worme. + + MOZES. + + Dit 's mijnen zelfden staf, weêr in zijn eerste vorme: + O, Heere wonderbaar! + + GOD. + + Opdat u niets ontbreekt, + Uw rechterhand nu eens in uwen boezem steekt, + En trekt ze weder uit. + + MOZES. + + Mijn hand is stijf en kromme, + Melaatsch, gelijk de sneeuw. + + GOD. + + Wel, drukt nu weder omme + Uw ongeloovig hart. + + MOZES. + + Ze is zuiver, rein en klaar. + + GOD. + + Gelooven zij dan niet dees teekens wonderbaar, + Met vochtig water sprengt de vloer die gij bewandert[65], + 't Wordt in roodverwig bloed door mijne kracht veranderd. + + MOZES. + + Om voor den Farao verschijnen ik mij schaam, + Want, Heer! mijn tonge lispt, mijn stem is onbekwaam; + Kiest elders een gezant. + + GOD. + + Zal mij dan iets ontbreken? + Die 't alles schiep uit Niet, in d' eerste week der weken, + Den Hemel, die om u met zijne lichten wielt[66], + En al wat in 't begrijp[67] van nat of drooge krielt, + 't Gevogelt' in de locht, dat op de winden zwieret, + En 't waterzuchtig aas, dat naar 't vlietwater gieret, + 't Viervoetig veldsch[68] gediert', 't geboomte, dat gekromd + Van zijne vruchten hangt, de dalen vol geblomt: + Wie heeft den mensch toch eerst 't gesuisel en 't gehoore + Van eenen zachten wind geblazen in zijn oore? + Wie heeft den appel klein van zijn gezicht bepaald, + Waarmede hij alsins mijn heerlijkheid bestraalt; + Wie heeft toch geconfijt zijn milde tong schoontalig? + Waar met den mond ontvloeit zijn rijpe woorden zalig; + En of ik schoon uw tong gebrekkelijken liet + Om uw hardnekkigheid;--wat dunkt u, kan ik niet + Gebruiken nevens u, voor Israël en Faron, + De zoetvloeyende taal van uwen broeder Aron? + + MOZES. + + Of[69] Farao blijft versteend, en drijft met ons den spot? + + GOD. + + Leeft met hem zoo gij wilt, tot eenen aardschen God + Zijt gij van mij gezalfd. + + MOZES. + + En blijft hij onbewogen? + + GOD. + + Zoo dreigt hem mijnen toorn, met mijn gespannen bogen; + Mijn pijlen hangen reê gescherpt in mijnen tros[70], + En naar mijn dreigement, zoo gaan mijn pezen los. + + MOZES. + + En of mijn haters mij nog in Egypte vonden? + + GOD. + De dood heeft lang vernield die naar uw leven stonden: + Dus spoedt u. + + MOZES. + + Op uw woord zal ik mij henenspoên, + Mijn vliezen zijn hier vast verstrooid, verspreid in 't groen, + Wel op, mijn geilig vee! loopt huiswaarts voor mij henen, + Dit 's voor de laatste maal; den tijd die is verschenen, + Dat ik een herder ben van Jakobs huis bescheerd[71]: + Wat schaadt het, dat ik 't aan dees schaapkens heb geleerd? + + + KORACH, JOZUA, EN KALEB. + + KORACH. + + Hoe lang zal Jakob nog betreden deze pleinen? + Daar hij zijn oogen maakt tot schreyende fonteinen? + Hoe lange zullen nog, in zijne dagen oud, + Dees groene velden met zijn tranen zijn bedauwd? + Hoe lange zullen nog zijn klagelijke lippen + Bewegen berg en dal, de rotsen en de klippen? + Hoe lange zal hij hier gelijken ongestild + Een sneeuwen beeld, dat in de zonneschijn versmilt[72]? + Hoe blijft hij dus van God verworpen, droef en smartig? + Wien heeft de Hemel ooit geweest zoo onbarmhartig? + O, Heere! niet om ons, maar om uw vast verbond + En driemaal heil'gen naam, verstopt den lastermond + Der Heidenen, die stout en schimpig durven spreken: + Is dit 't verkoren volk, 't welk voert het Godd'lijk teeken? + Gij zijt toch onze God, wij kennen anders geen, + Wij hebben toch nooit beeld van koper noch van steen, + Gesternte, zon noch maan, noch schepsels creatuurlijk, + Nog nooit gouden kolos noch zilverbeeld figuurlijk, + Afgodisch aangebeèn, noch zichtbaar beeldtenis; + In vuur noch in geboomt' wij nooit geheimenis + Verblind hebben gezocht, noch uw onsterflijk wezen. + Den glans benomen van uw heerlijkheid geprezen; + Wij hebben[73] nimmermeer voor Isis onbezield, + De Egypter afgodin, devotelijk geknield; + Wij kennen Osiris niet met een blinde zotheid + Voor iets byzonders, of een drievuldige Godheid. + Met uw straffende hand en drukt ons niet altoos, + Gij kent onz' zwakheid teêr, en onz' nature broos, + Wij zijn toch aarde en stof, wij hebben niet te roemen, + Wij zijn niet anders dan vergankelijke bloemen; + Als gij het stralig licht uws aanschijns van ons wendt, + Zoo zijn wij arm en zwak, vol kommer en ellend'. + Ziet, hoe ons Gozen, laas! van droefheid overvloeit[74], + Hoe ons Farao heeft geketent en geboeid[74], + Wij zijn 't rookende vlas, wij zijn 't gekrookte riet, + Een ander eenen vloek, ons zelven een verdriet! + Met dat de ronde zon de hemelsche gordijnen + Van zijne koetse schuift, en doet den nacht verdwijnen, + Met dat de dageraad treedt haar slaapkamer uit, + Die van den witten[75] dag den draaiboom open sluit, + Met dat zij hare vlucht[76] gaat in den wagen spannen, + Zoo spant terstond in 't juk de Israëlietsche mannen + De slaafsche arrebeid, met een gezichtel eep[77], + Die steeds ons onvernoegd voortklatert met zijn zweep, + Dat elke druppel haars schijnt eenen stroom te zweeten, + Wanneer het zoncompas den dag heeft overmeten. + Scheldwoorden is het loon van al onz' dienstbaarheid, + Ons wordt naauw spijze en drank om[78] leven bij geleid. + Och! of de bleeke dood onz' slavernije susten, + Wij hebben hier toch niet daar wij op mogen rusten: + Kom, aangename dood! en help ons uit dit krijt[79], + En overschrijdt het perk, het perk van onzen tijd: + Want onze slavernij schijnt eeuwig en gedurig, + Gelijk de zee de een' baar op de ander golft azurig, + Een ander roept: o dood! keert elders uwen boog, + Maar wij: o zoete dood! kom, dwaat[81] oog! + 't Is onbestendig al: het planten en het zaayen + Men weder keeren ziet in plukken en afmaayen, + Nu ploegt men de aarde zwart met 't kouter om en om, + Nu scheert men weêr de vrucht met eene zeisen krom, + Nu bloeit de lieve Lent' met al haar bloempjens verwig, + Nu is de Herfst bekroond met gulden aren terwig[82], + Nu lacht de Zomer schoon, nu knort de Winter grijs, + De een spiegelt zich in 't groen, en de ander in het ijs; + Nu rijst de zon in 't Oost', nu daalt zij neêr in 't Westen, + Wanneer de bleeke maan klimt uit de watervesten, + De mane die heur[83] nu in volle rondte stelt, + En weder heuren glans en zilverschijn versmelt; + Ja, zelf der sterren loop, de hemel met zijn sferen, + Met de elementen steeds veranderen en keeren: + Maar onze droeve staat gelijkt een vaste Pool, + Die staâg uit een klimaat blijft pinken[84] als een kool. + Hetgeen God eens belooft, breekt God dat wederomme + Door wispelturigheid? + + JOZUA. + + Neen, God, als een kolomme + En pyramide sterk, blijft altijd vast gegrond. + + KORACH. + + Is hij 't niet die hem[83] aan onz' vaderen verbond? + + JOZUA. + + Door onz' misdaden is dit zegel weêr gebroken. + + KORACH. + + Hij heeft het toch beloofd, hij heeft het zelf gesproken, + Ook heeft hij wel voorzien onz' wankelmoedigheid, + Een kroon (geen lastig juk) heeft hij ons toegezeîd, + Noch geen Egypteland, maar Kanaän vruchtbarig, + Noch geen gehoornden[85] Nijl, maar een Jordane barig[86]. + + KALEB. + + Hij heeft ons deez' beloft' in geenen tijd gesteld. + + KORACH. + + En heeft zijns waarheids mond niet Abrams zaad gemeld? + + KALEB. + + Dat strekt zich eindeloos op onz' nakomelingen. + + KORACH. + + Wat heugenis[87] is 't ons, als onze tijd gaat springen[88]? + + KALEB. + + Hij is in zachte rust, die ondertusschen sterft. + + KORACH. + + Waartoe is 't dan beloofd, als men de vruchten derft? + + JOZUA. + + God heeft het niet beloofd die zijn gebod versmaden. + + KORACH. + + Waaruit bewijst gij dat? + + JOZUA. + + God bindt hem[83] aan geen kwaden. + + KORACH. + + Is zijn belofte niet aan Abrams zaad verklaard? + + JOZUA. + + 't Zaad, dat als Abraham oprechte vruchten baart, + In liefd', geloof en hoop, en in zachtmoedigheden, + In gehoorzamigheid, in ootmoed, en in vreden: + Dat God nu zijn belofte in ons niet en vervult + Daar zijn wij oorzaak van, om onzer zonden schuld: + Onze ongerechtigheid doet zijne liefd' veranderen, + De misdaad scheidet God en mensche van malkanderen + Als eenen sterken muur: want God is onbevlekt, + Hij heeft den hemel heel met wolken overdekt, + Hij wendt zijn aangezicht, verstoppende zijne ooren, + Ons krachteloos gebed en wil hij niet verhooren. + + KORACH. + + Wat staat ons dan te doen? + + JOZUA. + + Tot boete zijn bereid + Voor hem, die overvloeit rijk van bermhertigheid, + Misschien (wij mogen[89] toch zijn wijsheid niet begrijpen), + Opdat in ons gemoed vruchtbariger mocht rijpen + De vruchte des geloofs, heeft hij ons dus beproefd; + God kent onz' nuttigheid, en wat de mensch behoeft + Weet hij te voren wel. + + KORACH. + + Behoudens uw propoosten[90], + Beproeving, schijnt[91] nochtans, den mensche leidt ten boosten. + + JOZUA. + + O neen, de rouwe, die ons God heeft toegeveugd[92], + Ontwijfelijk beklimt den steilen berg van vreugd; + Dat hij ons van hem[93] werpt geschiedt maar uit ontfermen; + Om vaderlijken[94] ons te omhelzen met zijn armen: + Wij zijn van oordeel blind, want 's Heeren wil en eisch + Meer onzer zielen rust zoekt, dan 't gemak des vleisch. + + KORACH. + + En schiep hij lijf en ziel niet in den Paradijze? + + JOZUA. + + De een tot onsterflijkheid, en 't ander tot een spijze + Der wormen in het graf, waarom hem ook gewis + Veel waarder onze ziel als 't sterflijk lichaam is: + De ziele keert tot God, maar na dit tijd'lijk slaven + Wordt 't lichaam weder in zijn zelfde stof begraven, + En moet, gelijk het graan in 't aardrijk eerst verrot, + Versterven, eer 't verrijst in heerlijkheid tot God: + Doch onz' ziele is een beeld zijns heerlijkheids zelfstandig, + Die geen tiran en mag verdrukken, hoe vijandig; + Gelijk ons teêre lijf, ellendig, naakt en bloot, + 't Welk van den menschen boos werd lichtelijk gedood; + Maar de edel' ziele staat alleen in 's Heeren handen, + Al wordt ze hier bezwaard met veelderleie banden, + Terwijl ze in 't aardsche dal ons lichaam 't leven geeft, + En in 's lijfs hutte vast heur korte woning heeft: + En of ons lichaam schoon[95] in allerlei wellusten + En duizend weelden zwom: wat waar' 't, als niet en rustten + Onz' edel' ziele in God den Heere Sebaoth? + Wat baatten[96] ons deez' winst? wanneer wij namaals 't lot + En 't allerhoogste goed, den hemel, moesten derven? + 't Wordt hier toch al op 't lest geëindigd met een sterven: + Gij ziet, hoe hier het glas van onze tijd verloopt, + Geen balling is hij die een burgerschap verhoopt + Hier namaals; zijt getroost, het dient ons al ten besten, + Dat wij, als wandelaars, ons herte niet en vesten + Op een vergank'lijk rijk; dwaas is hij, die verkiest + Het tijd'lijke, en daarvoor het eeuwige verliest. + + KORACH. + + Onz' vaders leefden wel voorspoedig en gelukkig, + + KALEB. + + God heeft ze ook al gesteld in zijn beproeving drukkig. + + KORACH. + + Nooit in zoo harden proef als nu is Jakobs huis. + + JOZUA. + + Een ieder dunkt zich 't zijn te zijn het zwaarste kruis. + + KORACH. + + Heeft God ons niet op 't strengst getreden op de hielen? + + JOZUA. + + Hij heeft een geesel nog, waarmeê hij na der zielen[97] + Den mensche harder straft, een onverganklijk wee; + Zijn allerscherpste staal steekt nog in zijne scheê. + Deez' waarschouwende straf ons ernstelijk te voren + Op een veel grooter wijst, dat niemand ga verloren; + Dus laat ons deze roê, waarmede hij ons driegt[98], + Waarnemen nog in tijds, eer onze tijd vervliegt: + Hij zal ons met zijn gunst en vleugelen bespreyen, + Indien wij niet te spade onz' zonden en beschreyen, + Gelijk als d' eerste weerld, die Noach al betraand[99] + Had zoo veel jaren tot boetvaardigheid vermaand, + Zij bleven onbeweegd[100], al zagen zij voor oogen + Zoo vele wolken zwart, zoo vele regenbogen, + Tot 't Goddelijk kompas verloopen was te vroeg, + En 's hemels groote klok de laatste ure sloeg; + Toen heeft God opgesteld[101] zijn groote waterspuyen[101], + En alle sluizen van zijn vochte regenbuyen, + De meeren liepen t' zaâm, met alle stroomen droef, + Tot eindelijk een zee den aardenkloot[102] begroef. + + KALEB. + + Ook toen 't boos wezen hem begonste te verdrieten + Van die van Gomorra en stoute Sodomieten, + Hij alzins op hun spoog vuurpijlen, damp en smook, + Zoo dat er niets van hen bleef over als de rook. + + JOZUA. + + Integendeel bleef Loth beschaduwd van de vlerken + Van 's Heeren Engelen, en Noach van der Arken[103]: + Dus bouwt uw hope op hem, die deez' twee heil'gen puur[104] + D' een vrijdt van 's waters vloed, en d' ander van het vuur. + + KORACH. + + 't Is al vergeefs gehoopt. + + JOZUA. + + Vertwijfelt niet in hopen. + + KORACH. + + Ik zie toch geenen weg tot onz' verlossing open. + + KALEB. + + Aan duizend middelen 't hem nimmermeer en schort, + Zijn armen reiken wijd, zijn hand is niet verkort: + Toen Ammons vader Loth geraakt was in de handen + Van Kedor Lamors heir, en schenen niet zijn banden + Onbrekelijk te zijn? Maar God de Heere nam + Tot eenig instrument den ouden Abraham, + Die derwaarts henen met zijn knechten is getrokken, + Met keyen toegerust, met pijlen en met stokken: + Maar God was zijnen schild, de Hemel was zijn vaan, + Waar onder hij dan, bij den oorsprong der Jordaan, + Zijn vijanden aangreep, die alreê met versagen + De grootste kapitein had in de vlucht geslagen; + Wie niet ontvlieden mocht[105], viel in zijn eigen zwaard. + Aldus verloste d' een' den andren broeder waard, + Die heel verlaten scheen, naar aller menschen oordeel; + Want die de Heere helpt, heeft altijd 't grootste voordeel. + + KORACH. + + Wij hebben onzen last getrokken zoo veel jaar. + + JOZUA. + + Wanneer de tijd verschijnt, zoo is Gods hulpe daar; + De Heere Zebaoth mocht[105] wel Loths kommer stelpen, + Eer Abram ooit optrok had hij hem kunnen helpen. + + KORACH. + + Waarom en deed hij 't niet? + + JOZUA. + + Maar[106], vraagt gij den waarom? + Van zijn verlossing was de wijzer nog niet om: + Want Gods voorzienigheid, die eeuwiglijk zal duren, + Heeft haren tijd bestemd[107], haar dagen en haar uren: + Gelijk de akkerman 't goed' zaad in d' aarde zaait, + Waar van hij t' zijner tijd de rijpe vruchten maait: + God is de Bouwer ook, die, tegen ons genoegen, + Den akker van ons hart komt door Farao ploegen, + Al wat steenachtig is vermorzelt hij geheel, + Eer dat hij in ons zaait zijn goede zaden eêl; + Het zaad zijns godd'lijk woords daar na begraaft hij wakker, + En delvet met zijn eg het zaad in onzen akker; + Als nu de troebel zon van boven uit de locht + Haar stralen op ons schiet, op dat te rijker mocht + Zijn ingezaaide zaad in ons vruchtbarig groeyen, + Hij eenen regen laat van tranen ons bevloeyen, + Zoo waardig zijn wij hem; daar omme zijt getroost, + Gelijk de landman, die op hope van den oogst + Zoo vele kommers lijdt, zoo dikwijls moet verzuchten: + Hij bouwt en slaaft alleen op hope van de vruchten + + KORACH. + + Gij keeret[108] al in 't best. + + JOZUA. + + Geeft gij ons geen geloof, + Zoo proevet[108] bij u zelv', en achtet geenen roof + Dat God ons dus beproeft; wij hebben hem te loven, + Al zwermen wij, helaas! in droefenis verschoven: + Na slaven volgt de rust, na droefheid volgt de vreugd, + Wij moeten dankbaar zijn, 't zij wat ons God toeveugt[109]. + + KORACH. + + Hoe onlangs is 't, dat nog de koning had vermeten + Ons te verdelgen heel. + + KALEB. + + Gelijk als aan een keten + De leeuw gesloten staat, dien zijne meester viert + Niet langer dan hij wil, zoo wordt van God bestierd + 't Voornemen des tirans, die niet en kan volbrengen + Dan 'tgene God hem zal toelaten en gehengen; + Zijn voornemen heeft God ten uiterste beperkt, + Die door veel middelen voorzieniglijken werkt: + Den prins van Sinear, den[110] Nemrot, dacht tirannig + Met zijnen scepter wel te trotsen wederspannig + Het blaauwe firmament, eilasen! maar zijn hert + Rees, eer het groot gebouw, tot boven in 't gestert'[111], + En werd van schaamte rood, toen 't Babylons gestamer[112] + Leem, kalk, voor steenen bracht, de truffel voor den hamer; + Zijn willen hing aan God, gelijk 't hier merk'lijk bleek. + God leidt de koningen gelijk een waterbeek: + Niets is er zoo gering van al wat hier mag blikken[113], + Hij heerschet[114] t' zamen door zijn wijselijk beschikken + God is alleen het Roer daar 't heele schip na zeilt, + 't Gerechtig Wijscompas dat nimmermeer en feilt! + Zoo weinig in een zaak geldt 't koninklijke spreken, + En of hij schoon iets bouwt, de Heer zal 't weder breken + Zoo 't hem niet en behaagt: hun woorden altemaal + Zijn krachteloos en ijl, indien zij in de schaal + Des Goddelijken wils niet even op en wegen. + + KORACH. + + Gij spreekt u zelven en de zuivre waarheid tegen. + + KALEB. + + Waarom? + + KORACH. + + Het goddeloos bestuur van een tiran + (Na uitwijs van uw reên), daar is God oorzaak van. + + KALEB. + + Geenszins, in 't minste niet; 't kwaad, dat hij mag verschaffen, + Den goede strekt tot heil, den kwade t' zijnder straffen[115]. + Niemand en is tot kwaad gedwongen, g'lijk men ziet, + Dat alle kwaad door Gods toelating maar geschiedt: + 't Leed daar ons Farao met[116] pijnigt ongerichtig + (Op mijne woorden let, en oordeelt dan voorzichtig), + Hem t' zijnder straffe dient: maar ons, indien ons vroed[117] + Dees kastijdinge leidt tot rechte ware boet, + Die God hier mede eischt, ze is ons zoo nut en zalig, + Als zij den koning is verdoemelijk en dwalig[118]. + + KORACH. + + Gij zegt nochtans-- + + + MOZES en AARON. + + MOZES. + + Ontluikt, gelijk een lustdal schoon, + Dat in den morgenstond zijn bloemen stelt ten toon; + + AARON. + + Vervrolijkt u, gelijk de vogelkens met lusten + De Zonne groeten, als zij stijgt uit heurder rusten, + Gij die verlaten scheent. + + KORACH. + + Wie of met vrolijkheid + Ons ongewoon begroet? + + KALEB. + + 't Zijn Amrans zonen beid'. + + JOZUA. + + o Broeders, wellekom! + + MOZES. + + Uw voorhoofd wilt vervrooyen[119]. + + KORACH. + + Waarin? in onzen druk en jammerlijk verstrooyen? + + MOZES. + + Verheft uw droef gelaat, o Israël! en steekt + Nu 't hoofd ten hemel op, die al uw banden breekt, + De Heer die is met u, die alle uw ellenden + En droevig treurspel komt met vreugd en blijdschap enden: + De God van Abraham, Isak, en Jakob zelf, + Die zijnen troon pilaart op 't brandende gewelf, + Is mij verschenen in een bliksemende klaarheid. + + KORACH. + + Ik denk 't is eenen droom. + + MOZES. + + Neen, broeders! in der waarheid; + Toen ik bij Sinai was hoedende mijn kudd' + Met deez' gedoornde mik[120], mijn herderlijke stut[121], + Zag ik 't groot Horebs bosch een blikkig[122] vuur omranden, + 't Welk heel verteeren[123] scheen en t' zamen te verbranden: + Maar even vrolijk loech[124] blaên, bloemen, kruid en loof: + Eer deze bliksem nog voor mijn gezicht verstoof, + De donder van een stem, o wonderlijk spektakel! + Verklaarde mij den zin en eisch van dit mirakel, + Op deze wijze: 't bosch, waarin deez' vlamme speelt, + Daarmede is Israël naar 't leven afgebeeld, + Die in 't vervolgingsvuur zal als dit bosch ontluiken; + Ik wil mijn lelie schoon nu uit de doornen pluiken[125]. + Toen dreunde 't heele bosch, ik stond geheel bedut[126], + Driemalen heeft de berg zich bevende verschud: + En als ik niet en wist waar henen te vervluchten, + Met een borstkloppig[127] hart, en met een zwaar verzuchten, + En schier van vreeze lag begraven in het gras, + Toen gaf de Heere mij te kennen wie hij was: + De God JEHOVA zelf, de God van onzen vader, + De Schepper van het al, alleen des levens ader, + De Herder Israëls, die in 't beloofde land + Ons nu vervoeren wil uit Faraonis[128] hand, + Uit al onz' slavernij. + + KORACH. + + En deed hij u geen teeken + Van zijn' almachtigheid, dat hij ons leed zal wreken, + Dat hij ontboeyen zal den zwerm van zoo veel duisd[129] + Die onder Farao dus lange zijn gekruist[130]? + + MOZES. + + Ja, haddy[131] 't zelf gezien, toen ik ontweek zoo bange + Voor dezen staf, die werd een kronkelende slange, + Een serpentijnig dier, in 't wezen, niet in schijn, + En spoog alzins op mij haar doodelijk fenijn + Met haar gesplitste tong, en lag in 't gras gescholen; + Haar oogen vlamden als twee gloeyendige kolen, + Azurig luisterde[132] haar vel, en in mijn oog + Geleek[133] de slang die onz' voorouderen bedroog + In 't weeldig Paradijs; want waar zij henen zwerfde[134], + De groenigheid van 't gras en 't kruid alzins versterfde[134]: + Als nu de stemme mij den worm te grijpen hiet[135], + Was 't weêr dezelfde stok, gelijk gij zelve ziet: + 't En bleef hier nog niet bij, God smette boven dezen + Mijn hand met lazerij, en heeft ze weêr genezen, + En vastelijk beloofd, hoe dat ik 't water rein + Verkeeren zal in bloed, door zijne kracht allein: + Opdat, als elke daad mijn woorden volgt warachtig, + U en Farao maar een sterk geloove krachtig + En schort: deez' boodschap dan breng ik u metter spoed[136], + Met mijnen broeder die mij is op weg ontmoet, + Dien zelf de stemme Gods beval, tot mijn verschooning, + Te spreken nevens mij voor Farao, den koning, + En God heeft mij gezalfd een leidsman en een hoofd + Van zijn verkoren volk. + + KALEB. + + De Heere zij geloofd, + Die Jakobs aanschijn nu de tranen wil afwasschen, + En in 't beloofde land bedelven[137] eens onze asschen + In ons voorvaders graf. + + JOZUA. + + Den Heer zij lof en prijs! + + KORACH. + + Wij zullen niet meer zijn der dieren aas en spijs, + De wreede Farao zal ons niet meer verheeren, + De stamme Juda nu aanvanget te regeeren: + Kom, Juda, als een leeuw! klimt nu ten hoogsten staat! + Versiert u met een kroon en koninklijk gewaad, + Den gulden scepter grijp, want God is onz' Verzorger, + Wij zijn geen slaven meer, elk Hebree is een borger + In 't zoet beloofde land, daar de Jordane stroomt, + Daar ik in mijnen slaap zoo dik[138] van heb gedroomd: + Ach, lang gewenschte vreugd! + + KALEB. + + Ach, heugelijke tijding! + Nu straalt de blijde dag, de dag van onz' verblijding. + + JOZUA. + + En gij, twaalf-stammig volk! versmoort wel in uw vreugd, + Als gij dit hooren zult. + + KORACH. + + Hoe zal dan met geneugt + De donder van deez' stem zoet in uw ooren klinken, + Als gij alree den glans ziet van uw vrijheid blinken. + + MOZES. + + Gaat, boodschapt den Hebreên hun uitkomst; want in 't hof + Des konings gaan wij beid' verzoeken ons verlof. + + KORACH. + + En zoo hij 't u ontzegt? + + AARON. + + 't En mag hem geenszins baten: + Want door Gods sterke hand zoo moet hij ons verlaten. + (_Binnen_.) + + + + _KOOR._ + + Als de zee vast ongestuimig + Stormt, en werpt haar baren schuimig + Naar den hemel al verbaasd, + Als de schipper hoort de buyen + Van den Noord-wind 't strand doorluyen, + Is de stilte eerst allernaast. + + Zoo ook God, wanneer hij droeve + Stelt in 't hardste van zijn proeve + 't Mensch'lijk schepsel t' eenemaal, + Is zijn gunste zoo veel nader, + En, gelijk een goedig Vader, + Zoo verzacht hij al hun kwaal. + + Na zijn toornigheid ontsteken[139], + Zal hij weêr zijn pijlen breken, + En na zijn kastijding schier[140], + Na zijn straffinge weldadig + Werpt hij wederom genadig + Al zijn roeden in het vier. + + Want in droefheid en ellenden + Zal de mensch tot God zich wenden: + Maar in weelde en voorspoed zat + Zal hij wederom vergeten + 's Heeren goedheid ongemeten, + Wijkende van zijnen pad. + + Dat ons God dan proeft ten lesten, + Dienet al tot onzen besten, + Of men 't schoon zoo niet begrijpt: + Zal de wijngaard vruchtbaar groeyen, + Och! men moet hem wel besnoeyen, + Eer zijn gulden vruchte rijpt. + + Na een bitter sause scheele[141], + Zal de honig onze keele + Smaken zoeter en belust, + En na 't lang gedurig slaven + Ligt de moede zacht begraven + In den schoot van stille rust. + + Die den[142] Hemel meest beminnet, + Dien hij allerliefst bezinnet, + Meest van droefheid werd bespoeld[143]: + 't Moedig paard, dat in den stalle + Is uitmuntig boven alle, + Meest zijns heeren sporen voelt. + + Is 't dan vreemd, dat God de Joden, + In de tranen van veel nooden, + Heeft gewasschen rein en klaar: + Nu de tijd ook is verschenen, + Keert in blijdschap al hun weenen, + Nu is hunnen trooster daar. + + Want God voor veel jaren Mozen[144], + Amrams zone, heeft verkozen + Tot een trooster Israëls: + Ziet eens, hoe hij hem omermde, + Hem omhelsde en beschermde, + Voor Farao's gramschap hels[145]. + + Toen de afgunstigheid de zonen + Jakobs, zonder te verschoonen, + Zwaard en water overgaf; + Toen het moederlijke herte + Jochebeds zag, met veel smerte, + Mozes wieg aan voor zijn graf; + + Toen de moeder heurs zoons leven + Moest de baren overgeven, + Als zij had heur kind gekust; + Toen de moederlijke zorgen + Lagen, met heur kind, geborgen + In het kistjen ongerust. + + Toen zij moest heur zelf verliezen, + Van twee kwaden 't beste kiezen, + Met een droef adieu, te noô[146], + Riep: "ik hope in deze golven + Meer meêdoogen is gedolven + Als in 's konings herte snoô!" + + God, hoe langs hoe goedertierder, + Van dit scheepken was de Stierder + Zelf, met eenen Wester wind, + Die het blies hoe langs hoe lochter[147], + In den schoot van 's konings dochter, + Voor een Engel en geen kind. + + 't Kind, dat zag men weder dorsten + Naar zijn eigen moeders borsten, + 't Wies in alle schoonheid op; + In zijn voorhoofd stond geletterd, + Hoe 't den Farao verpletterd + Nog vertreden zou den kop. + + 't Groeide op in manlijkheden[148], + En, van harte heel besneden + Voor des hofs wellusten, hij + Koos in ballingschap te zwermen, + En den Hebree te beschermen + In zijn droeve slavernij. + + Als hij hierom moest vervluchten, + En in Midians gehuchten, + Weiden 't herderlijke vee: + Als de tijd nu was voor handen, + Dat de Heer zijn offeranden + Eischen zou van den Hebree; + + Zoo verschijnt hem van den Hemel, + Bij Sinaï, 't lichtgeschemel[149] + Van des Heeren heerlijkheid; + God laat hem zijn stemme hooren, + Op dat hij zijn uitverkoren + In het land Kanaan leidt. + + Op dat zij daar, zonder smetten, + Onderhouden zijne wetten, + En hem lieflijk met wyrook + Eenen zoeten reuk toebrengen, + En met bokkenbloed besprengen + Zijn altaren met gesmook[150]; + + Op dat dankbaar, onverholen + (Wijder als tusschen de polen, + 't Hemellicht den nacht beschaamt) + Al zijn groote wonderdaden, + En zijn goedheid vol genaden + Over al mocht zijn befaamd. + + Dat de mensche[151] steeds mocht haken, + Om hier boven te geraken + Daar 't hem alles looft en prijst.-- + Acht het aardsch dan veel geringer + Dan het Hemelsch, daar de vinger + Van zijn zoete wet op wijst. + + + + +TWEEDE DEEL. + + + FARAO de koning, TIFUS en SERAX, droombedieders + en toovenaars, + + FARAO. + + De laatst geleden nacht (wat hoef ik mij te veinzen?) + Heeft mij belemmerd zwaar met velerlei gepeinzen, + Gelijk de groote kroon gemeenelijk aankleeft + De zorg, die altijd met veel zorgen om ons zweeft, + De zorg, die 's konings hoofd met haren zwerm verduizelt[152], + En met een sterk geblaas steeds in zijn ooren suizelt. + Wanneer de schaduw valt, en dat het sterflijk dal + 's Nachts vleugelen bespreidt, zoo slaapt den grooten al.[153] + De zon in Thetis' schoot, 't gedierte met vermakken[154] + In zijne holen rust, 't gevogelt' in de takken + Zijn vlerken hangen laat: maar 's konings majesteit + Toch nimmer rust omhelst, of zoo hij werd verleid + Door eene zachten slaap, en d' oogen komt te sluiten, + Zoo waakt zijn zorge nog, en sluit zijn ruste buiten; + Als hij in 't bedde zwemt in Lethe's stillen stroom, + Zijn zorgen werden ijl[155] verkeerd in eenen droom. + Mij dacht in mijnen slaap, ik op den grooten wagen + Werd langs het RoodeMeers schuimachtig strand gedragen, + In volle wapening en rusting t' eenemaal, + Gelijk wanneer de Moor ontziet[156] mijn bloedig staal. + De hemel was gevaagd[157] blaauw, helder, en azurig, + En Febus zag in zee zijn spiegelstralen vurig, + Het weder loech elk toe, men hoorde geen geruisch; + Zefyrus nu verblies een golfjen met gedruisch, + De schepen lagen stil, dat nu Neptunus' gilden[158] + Voor 't windelooze weêr een zeil uitspannen wilden, + 't Gespan van mijne koets den breidel gaf gehoor, + En telden, zoo het scheen, hun stappen op het spoor, + Als op het onverzienst het meer bestond te bruischen, + Dat geene kielen zich naar 't roer en lieten kruisen[159], + De sture Boreas begon fluks uit de zee + 't Grijsschuimig baargebergt' te brengen op de ree, + De hemel werd bekleed met droeve duist're wolken, + En 't voorhoofd van de lucht omstort met zwarte kolken; + Een donker nachtzeil blind beschaduwde den dag, + Dat 't licht alzins verdween; of, zoo men schijnsel zag, + Was 't bliksem-wederlicht, dat met een slinksch[160] geflikker + Jupijn van boven wierp, met eiselijk[161] geklikker, + De donder dreunde met een dommelig geklak, + Dat Sirt, klip, rots, en strand Neptunus' gramschap brak, + Die met zijn gaffel[162] scheen den hemel te beklemmen, + En weder 't firmament in 't Roode diep te zwemmen; + De Tritons trompten[163] op hun groote waterschulp, + Dat ieder Palinuur[164] de Goden riep om hulp, + De schepen stegen op genade naar de polen + En hadden 't wijscompas en 't roer den wind bevolen. + De paarden zagen nu ook d' onweêrs stormen leep[165], + De voerman hoefde toom noch breidel, noch de zweep, + Zij vlogen even dol een langdurige wijle, + Als uit een Schytschen boog de onbedwongen pijle; + Veel snelder als de wind, veel sneller als de stroom + Schoof op vier raders de beslagen disselboom; + Hot, hot, al breideloos de wagen henen glipte, + Ontziende noch de kroon, noch scepter van Egypte: + Wat 's konings koetser[167] of luide riep, + De redelooze vlucht al even zwijmig liep, + Nu bin[168] nu buiten spoor, al zonder weg te peilen[169]; + Geen schip ons volgen mocht met opgeblazen zeilen. + Dus stoof de voortocht vast, als eene watervliet + Die van 't gebergte valt, tot daar men Faros ziet + Weêrhoudeloos verbaasd in hunnen loop, ten vollen + Gelijk men eenen steen ziet van de klippen rollen: + Hoe 't grondelooze diep meer zand en water spoog, + Hoe heftiger verschrikt elk ros om 't zeerste vloog, + Tot door het storm geblaas een krokodille strandden[170], + De grootste, die hier ooit gezien mogt zijn te landen, + Dicht aan den boord des strands, in't minst van driemaal vijf + Kubieten[171], oversterk gewapend op het lijf + Met dubbel schelpen hart, 't hoofd zeldzaam om te aanschouwen, + Zoo eiselijk en groot dat het elk dede grouwen, + Scherptandig in den mond: zoo haast onz' jacht vernam + Dit zeldzaam monster, 't welk heel heftig naar hen kwam, + Zij hunnen loop op nieuw verdubbelden[172] vervolgen, + De koetse mocht gezwind haar op het snelste volgen, + Als 't koppel honden heet het hert volgt op den hiel, + Tot dat een holligheid den wagen wederhiel, + Waar door zij uit 't gespan van hun gareelen raakten, + En krak, krak! tot tweemaal, de groote wagen kraakte, + Die eindelijk verzwakt niet wederhouden mocht, + Met mij stak op het strand de beenen in de locht! + Hier lag de dissel, ginds het speek, en daar de raden, + Tot ik mij 's morregens van Morfeus vond verraden. + De droom beduidt wat vreemds (hoe wel hij somtijds liegt, + En met zijn Iden[173] als een schaduwe vervliegt); + Want onlangs zijn gezien de dreigende komeeten, + Verscheiden beeldsels ook van bloedige planeeten, + En, tot drie nachten toe, een geestelijk gespook + Is voor mijn slaaps gezicht verswenen[174] als de rook: + De pyramiden van de koninklijke graven + Driemalen zijn beweegd; een vlucht van zwarte raven + 't Meer opgeworpen heeft, grafvogels, die graf, graf! + Egypte dreigen gruw met de een' of de ander' straf; + De grootste zerken van de tomben zijn gereten, + En 't nare kerkhof heeft doodsbeenders opgesmeten, + Isidis[175] heilig beeld, tot voorspel van ons leed, + Heeft eenen regen vocht van bloedig zweet gezweet[176], + Osiris naar den Nijl heeft zich gekeerd verbolgen! + Ontwijfelijk hierna moet d' een of d' ander[177] volgen: + Gij zienders! mij den grond van deze zaak verklaart. + + TIFUS. + + De koning zij hier in bekommerd noch bezwaard. + + SERAX. + + De droom rijst uit een hart beslommerd met veel zorgen. + + FARAO. + + Hij rijz' waar uit hij wil, wat is er in verborgen? + + TIFUS. + + Gansch niet[178], grootmogend vorst! + + FARAO. + + Nochtans de droom bediedt + En wijst op 't geen daar na gemeenelijk geschiedt. + + TIFUS. + + Pilaar van 't grootste rijk, de droomen zijn verscheiden, + En eensdeels anders niet dan ijdelheid verbreiden; + Ten anderen profeetsch voorloopers, diens[179] gebaar + De komst boodschappen van de zuivre waarheid klaar; + Ten derden, twijfelijk en donker in 't aanschouwen, + Daar niemand, dan die wil, 't geloove op hoeft te bouwen: + Nu, 't beeld van 's konings droom, ten aanzien ongewis, + Van ijl en twijfel t' zaam in een versmolten is, + Zoodat er niet en waar iets zekers uit te ramen. + + SERAX. + + Belangende 't gespook met dees voorteekens t' zamen, + Ten deele schijnt het wel tot kwaad te zijn geneigd, + En acht[180] wij werden[181] van de Goden dus gedreigd, + Omdat wij zuimig[182] zijn, en werden[181] langs[183] hoe sloffer + In 't heilige gesmook en dienst van onzen offer, + Om de andre Goden straf t' ontslaan[184] en maken kwijt + Op den altaren, die den priesters toegewijd, + Bevolen zijn van ouds; de koning tot een teeken, + Van boet, hun heilig doe het offervuur ontsteken, + Opdat de Hemel (die ons dreigen[185] schijnt met wee) + Zijn staal mog wederom bekleeden metter scheê, + En de offeranden als een zoeten reuk ontvange, + Wegnemende de straf, die toornig schijnt te hangen + Ons allen boven 't hoofd: dat ook de koning weêr[186] + Den Godsdienst, die allengs vervallen meer en meer + Is in het gansche Rijk, op nieuw mocht wederbaren[187], + Geheel op 't oud gebruik van over vele jaren; + Dat ook des Heiligdoms hoogtijd bij ieder mocht + Devotig zijn gevierd, en alles wederbrocht[188] + Werd op den ouden voet-- + + + MOZES en AARON tot FARAO. + + MOZES. + + Groot koning van de stranden + Des Nijls! de Koning, die den scepter voert in handen + Van hemel, aarde, en zee, die uwen glans verdooft, + Der koningen Monarch, en aller prinsen Hoofd, + Heeft ons gezonden hier. + + FARAO. + + Wiens scepter of wiens kroon is + Ontzienelijker[189] als den rijksstaf Faraonis? + + MOZES. + + 't Onsterflijk Wezen zelf, de Heere Zebaoth. + + FARAO. + + Wie kent er nevens mij een grooter Heer of God? + Breidt zich mijn heerlijkheid niet uit aan alle kanten? + + AARON. + + Van een almachtig Heer wij beide zijn gezanten, + Van God, die zijnen troon op 's Hemels vout[190] pilaart. + + FARAO. + + Regeert hij in de lucht, ik heersch hier op der aard. + + AARON. + + Hij is, die 's Hemels loop stiert op de hooge polen. + + FARAO. + + Ik denk, gelijk de Nijl omdraait de watermolen. + + AARON. + + Hij is de Dondergod en 't bliksemende licht. + + FARAO. + + De donder is mijn stem, de bliksem mijn gezicht. + + AARON. + + Zijn Godd'lijk woord beweegt de blaauwe firmamenten. + + FARAO. + + Het aardrijk schudt en beeft van mijne dreigementen: + Wat is 't dat, gij verzoekt? Ziet, wien gij rebelleert! + + AARON. + + De God van Abraham op Farao begeert, + Dat hij van 't juk ontsla en buiten de limieten + Egypti[191] trekken laat de slaafsche Israëlieten, + Dat zij hem mogen doen een offerande, vrij + Van 't heidensche gezicht, die hem behaaglijk zij; + Daar Horeb 't voorhoofd bergt ten hemel in de wolken;-- + Dus oorlooft[192] nu 't vertrek aan al d' Hebreeuwsche volken. + + FARAO. + + Genade, o Jupiter[193]! Wie zijt gij die zoo licht + Uw hielen tegen mij den grootsten koning licht? + Help Isis en Osir! Ik zweer u bij de sikkel + Saturni[194], dat gij 't hoofd zult steken aan den prikkel: + Wie is er die zich derf opwerpen tegen mij, + Dwingvolk[195], kroondrager van de grootste heerschappij! + Ik zweer bij 't hoog tooneel van mijn rechtvaardig leven, + Gij hebt uw eigen roê mij in de hand gegeven: + Als tegen zijnen heer de slave zich opwerpt, + Noodzakelijken moet de roede zijn gescherpt, + Het lastig juk verzwaard, de hals hem òverwogen,[196] + En zijn hardnekkigheid gebroken en gebogen, + De stoute hoogmoed van zijn vleugelen gekort; + Hoe 't bedde zachter is, hoe hij veel trager wordt, + En hoe men hem meer recht en voordeel zal aanbieden, + Hoe hem veel meer te kort zal dunken te geschieden: + 't Is weelde, die uw jeugd al lang genoeg verschoont, + Best dat men u verdrukt en houdt in de oud' gewoont'; + De roede is van den neers en eerst in 't vuur gesmeten, + Nu 't langer niet en smart, de striemen zijn vergeten; + Gelijk de gladde hengst, die op den stal verkoelt, + Zijns heeren sporen niet in lange en heeft gevoeld, + Noch toom, noch breidels dwang, alreede kwaad om temmen + Te noô laat zijnen heer weêr op den zadel klemmen[197], + Het steigert en het briescht, van weelden ongezond; + Nu schort u ook 't gebit van ijzer in den mond, + 't Is best, dat men u weêr deez' ziekte doet uitzweeten, + En voor een vette sop[198] geeft slagen voor uw eten: + Gaat henen in 't gareel, gaat henen, bouwt en slaaft, + Ik wil, dat gij den weg van uw vertrek opgraaft[199]. + + AARON. + + Wij zijn de boden Gods, dus laat u niet verrukken[200], + Hoort gij zijn stemme niet, zijn hand die zal u drukken; + Daar ligt de roede tot een teeken opter eerd, + Ziet, hoe zij in een slang lichamelijk verkeert, + Zij kronkelt en zij kruipt: indien bij u ons spreken + Niet eene pluim[201] en weegt, gelooft ons bij dit teeken, + En looft Israëls God, die u 't geloof versterkt, + En door dees wonderdaad zoo krachtelijken werkt: + Geloofdy[202] 't niet om 't eerst, gelooft dan, met den and'ren, + Het tweede, als in rood bloed het water zal verand'ren, + De visch versterven zal in der rivieren stank, + Die God de Heere slaan zal zeven dagen langk. + + SERAX. + + En dynen lieven God, vertoont hij zich zoo brave[203], + Om dat hij in een slang verandert uwen stave? + Is dit zijn hoogste kunst? Loopt met uw meersche[204], loopt, + En uwe kramerij al elders duur verkoopt, + Bij ons en geldt ze niet; gaat, gaat, vent ze aan de dwazen! + + TIFUS. + + Meent gij den koning zoo in de ooren wat te blazen? + Meent gij, dat onze prins zoo lichtlijk is getroost? + Wij hebben 't al te dik voor oogen hem gebootst[205]: + En of gij schoon in bloed verkeert de vlieten stormig, + Wij zullen 't water ook couleuren[206] gelijkvormig. + + AARON. + + Gij toovert, ik herschep; gij met den schijn bedriegt, + Den schijn, wiens wezen als een schaduwe vervliegt, + Uw goochelkunst en is maar forma en figure, + En 't mijne lijfelijk verandert van nature: + Want gij door Satan werkt, en ik door kracht gewis + Van Gods almachtigheid, die niets onmooglijk is: + Schort[207] dees hardnekkigheid en wilt zijn stemme hooren, + Die weder dezen staf maakt als hij was te voren. + + FARAO. + + Waar toe dit lang sermoen? preêkt elders al uw best, + En Faraonis eer niet door eens anders kwetst: + Gaat, boodschapt den Hebreên: mijn hand is veel geringer + Voordezen hun geweest dan nu mijn kleinste vinger. + Ik voel, ik voel het juk is hunnen last te licht, + Dies ik drie dubbel moet verzwaren hun gewicht: + Met schorpioenen wil ik hen voortaan kastijden, + En alle roeden 't vuur en uwen God toewijden + Tot eenen offerand. De koning is verleid, + Die de onderzaten meent tot zich met zoetigheid + Te trekken meer en meer, en ziet hij niet te veuren[208], + Zij zullen zijn gebied van hunnen halze scheuren, + En stellen 't rijk in roer[209], en roepen: "tza, wel aan! + Laat ons den zwaren last van 's konings kroon ontslaan, + Wat roert of gaan ons aan zijn ingestelde wetten? + Een ieder breek de boei en schakel van zijn ketten"[210]. + + MOZES. + + Verheft uw harte niet, want 's Heeren straffe dra + Volgt u alreê, gelijk de schaduw 't lichaam, na, + Der bergen toppen, die zich in de lucht verheffen, + Afgrijselijk men ziet de slinksche[211] bliksems treffen: + Heer koning! luistert hoe Gods gramschap wederschalt! + Verschuilt, verschuilt u, eer de Hemel op u valt, + T'wijl u Gods goedheid noodt; zijn straf komt met vertragen + Naar den godd'loozen toe, maar komt met zware slagen + Op der tirannen kop: dus uit den grootschen tred + Uws obstinaatheids wijkt, en van uw stout opzet + Haalt fluks de zeilen in! gij moogt[212] hem niet ontslippen: + Of gij hem schoon ontvlucht, zoo raakt gij op de klippen + Van uwen ondergang; en of gij u verschuilt, + In 't allerhelschte[213] diep, in 't donkerste gekuilt, + Geen duisternissen, daar zijn oog u niet zal merken, + Geen schilden mogen u voor zijnen schicht bevlerken[214], + Alzins vindt gij u in de kaken opgesperd[215] + Van zijn rechtvaardigheid, en in den strik verwerd + Van zijnen grimmen toorn, die altijd na der zielen[216] + En na het lichaam u zal treden op de hielen + Van uw versteend gemoed: wat baat toch kroon of staf, + Als Hij uw kroone breekt, die u den scepter gaf + Met zijnen sterken arm; dus neemt tot geen verschooning + Uw troetelende[217] macht, die steeds den hoogsten Koning + Moet onderworpen zijn; want Gods almogendheid + Belacht, helaas! den trots, die u omhelst en vleit + Met een vermomd gelaat. + + FARAO. + + Waar toe dees lange rollen? + + SERAX. + + Heer koning! laat den zot 't hart met zijn tong uitbollen[218]. + + TIFUS. + + Wat werpt ons Pluto[219] op? + + AARON. + + Volgt tijdelijk den raad + Des Heeren, die u met onz' stemme wekken laat + Uit dezen diepen slaap; ontwaakt, eer u te spade + De held're Zon begeeft, het licht van zijn genade! + + FARAO. + + Help aarde! wonder is 't, dat gij u niet en belgt, + En dees trotseerders in uw zwarte keel verzwelgt!-- + Past[220] fluks het groot gewelf van Memfis' hof te ruimen, + Eer 's konings gramschap als een zee begint te schuimen; + Hij heeft zijn planten[221] zwaar op 't aardrijk neêr gezet, + Verstapt hij, elke tred een koninkrijk verplet: + Zoo gij den bliksem zoekt, Jupijn is hier te vinden: + Dus wacht u wel den leeuw zijn keten te ontbinden. + Schuimboeven van mijn rijk! gaat, boodschapt den Hebreeuw + Dat 't glas verloopen is van zijne gulden eeuw; + De laatste ure is lang geslagen aan den wijzer, + En in Farao's hof is zijne kerfstok ijzer: + Gaat henen, maakt hem kond, wien dat uw fijn verstand + Den stok om hem te slaan gaf in zijn rechterhand; + Gaat, brengt dees blijde maar aan al de uitheemsche slaven + Dat lang voor hun vertrek de weg is opgegraven: + En is 't dat uwen God niet vast en zit geschroefd, + Hij doe zijn boodschap zelf, indien hij iets behoeft. + (_Binnen_.) + + MOZES. + + Zijn hart is onbeweegd veel grooter[222] dan de rotsen. + + AARON. + + Wie dorst den Hemel toch ooit obstinater trotsen? + + MOZES. + + 't Hart ligt hem veel te hoog geschoten in den krop. + + AARON. + + Hij werpt den steen, die hem zal vallen op den kop. + + MOZES. + + Hij heeft God opgewekt met zijn grootmoedig[223] baffen. + + AARON. + + Tsa! gaan wij, want door ons zal hem de Heere straffen. + _Binnen_. + + + _KOOR._ + + Steenen Farao! wilt zwichten, + Want zijn schichten + Haalt de Hemel uit den tros[224]: + Pyramiden! wacht uw spitsen + Voor zijn flitsen: + O, daar gaan zijn pijlen los! + + Nylus schreit nu, al bedolven + In zijn golven, + Om de vis, die in zijn kruik + Sterft, om dat de waterbaren + Aldus varen + Bloedig over zijn parruik[225]. + + Vorschen, luizen, wormen krielen, + Waar zijn hielen + Den Egyptenaar verzet: + Heptanomis[226] groot geweste + Ook met peste + Doodelijken is besmet. + + 't Vluchtig vogeltjen, met ijlen, + Van haar pijlen + Onverziens werd achterhaald, + Dat zijn vleugels aan de sterren + Uit ging sperren, + In de baren nederdaalt. + + 't Lokkig schaapjen sterft in 't bleiten, + En de geiten + Vallen voor den herderstok; + Waar de bouwer ploegt al wakker, + Ziet hij 't akker- + Vee begraven onder 't jok. + + Nu drukt hun de hand des Heeren + Weêr met zeeren, + Met onreinig puist gedoornt[227], + Menschen ende beesten woelen, + En bevoelen + 's Hemels grimmigheid vertoornd. + + Nu drukt hun den æther vierig, + Al wraakgierig, + Met zijn kromme bliksems rood; + Nu laat hij Egypte vallen + Van kristallen + Een diluvie[228] in den schoot. + + Nu zoo dreigt hij hun afgrijzig, + Met een ijzig[229] + Donders dommelig geklak; + Nu jaagt God met hagels ronden, + Om hun zonden, + Al d' Egypt'naars onder 't dak. + + De Eik en schijnet nu de elzen + Niet t' omhelzen, + De Aarde, droef en onbesproed[230], + Mist haar ranken en haar noppen, + Mist haar knoppen, + En haar groen geschilderd kleed. + + Nu beschaduwt hij hun banen + Met sprinkhanen, + Die voorts rooven t' eenegaâr[231] + Al de vruchten, die zij zaaiden + En afmaaiden, + In den schoot van 't ronde jaar. + + Nu houdt Febus[232] zich gescholen + In de polen, + En vertrekt[233] zijn blonde hoofd; + 't Licht van zijnen gulden wagen + Hij drie dagen + Hunnen horizon berooft. + + Noch blijft deze koning trotse, + Als een rotse, + Die geen golven en ontziet, + Als een klippe die gedurig + Klieft azurig + 't Schuimsel van Neptunus' spriet. + + Want God in zijn stoutheid kriegel, + Tot elks spiegel, + Heeft verstokt zijn steenig hart; + Niet, om met een welbehagen + Hem te jagen + In 's doods strikken al verward; + + Maar om straffen zijn voorleden + Godd'loosheden, + En om Israël bekwaam + Stof te geven, om te zingen + Zonderlingen + De Eer van zijnen heil'gen naam. + + + + +DERDE DEEL. + + + FARAO, de koning. + + Een wereld buigen schier met onzen scepter krachtig; + Hoe wel onz' gouden kroon blinkt met den diadem, + Daar is een grooter Heer, daar is een hooger stem, + Daar is een Koning nog, die onzen glans verduistert, + En een beperlden staf, die heerelijker luistert[234], + Daar is een hemelsch rijk, 't welk 't wereldsch rijk omvangt, + Daar alle mogendheid den scepter van ontvangt: + 't Is Hij die boven woont, en heerscht ook hier beneden, + Die onze zetels doet verschrikken[235] voor zijn treden, + Der prinsen overhoofd, der koningen Monarch, + Die 't alles overziet van zijnen hoogen berg, + Die op 't verhemelt rond gebouwd heeft zijnen troone; + De louter sterren zijn maar loovers van zijn kroone; + Die met zijn donderstem den sterflijke verschrikt, + En met het vurig rood van zijnen bliksem blikt[236]. + Meer pijlen heeft hij op Egypteland gescherpet + Dan zand en barig schuim het Roode meer opwerpet, + Dan korenaren rijp de vochte Nijl besproeit, + Wanneer van zijnen stroom de vlietkruik overvloeit. + Wat baat mij nu op 't hoofd de kroone van Afrijken? + Of dat ik 't derde deel van al des werelds rijken + Op mijne globe[237] zie? Wat baat dat ik alleen + Maak een triumfe van hoovaardige trofeên? + Of dat ik op den boord van mijnen vloed doe zwieren + Dees vendelen gekruist, dees bloedige banieren? + Of dat de Arabier of Moore martiaal[238] + Ontzie de punten scherp en sneden van mijn staal? + Wat baat het (als ik doe mijn oorlogs leger krielen), + Dat de and're wereld moet voor dezen scepter knielen? + Dat ik van Oost tot West gevreesd worde en geëerd, + Als deze groote Mars nog boven mij regeert? + O Delta[239], Delta schoon! die met uw graf pilaren, + Met uw Mausolen[240] schijnt de uitbreidselen te nâren[241], + Daar Faros met zijn kruin de firmamenten doet + Verschrikken, en vertreedt het aardrijk met den voet: + Wat baat het, of gij kunt met flitsen en met pijlen + Verdonkeren de lucht? of in zoo korte wijlen + Gij een bosschazië maakt van lansen uitgespeerd[242], + Of 's werelds aanzicht met uw krijgers eclipseert? + Wat baat het, of gij in uw waap'nen voert geschreven + De teekens van uw deugd en vromigheid verheven? + Wat baat, of uwen prins met slavernije strang + Zoo vele volken drukt? of dat den[243] Ondergang + Zijn roede nederwerpt, en offert voor mijn voeten, + Of met zijn kroone mij de Middag[244] komt begroeten? + Als heel Egypte dus, door bliksem, wind en storm, + Tot eenen chaos kruipt weêr in zijn ouden vorm. + Help Jupijn! wie gij zijt, die met uw oorlogswempel[245] + Ons boven 't hoofd braveert, komt over uwen drempel + In 't sterfelijk begrijp[246], en laat den Hemel staan, + Kom, plant op 't platte veld de stenge van uw vaan! + Geen koning is hier toch, die om de beste kanse + Met mij kroon tegen kroon durft zetten in balance: + Ik waag, om 't Hemelsch rijk, nog op een goede hoop + Den ronden cirkel groot van 's werelds ommeloop; + En brengt gij mij in 't graf op 't hoogste van mijn dagen, + Zoo is 't mij eerst genoeg van u te zijn verslagen: + Komt slechts op 't aardsch tooneel, zoo gij tornooyen wilt, + Op dat ik proeven mag de deugd van uwen schild; + En is 't, dat ik uw zwaard noch speere niet ontvliede, + Zoo wensche ik op mijn graf geen schooner piramiede. + Of gij al schoon d' Hebreên, die mijne scepter drukt, + Van hunnen halze scheurt en Farao ontrukt + 't Juk van hun dienstbaarheid, werwaarts wilt gij ze brengen, + Dat zij de hoornen van uw altaren besprengen? + Zij raken elders licht in dieper slavernij, + Of onder een gebied van strenger heerschappij. + Gansch Lybiën is woest, daar Atlas stijgt om hooge. + En 't ingezeten volk geneert[247] zich met den boge, + En oorloogt met de spriet gestadig tegen 't wild, + Daar ieder tot nooddruft zijn pijlen op verspilt[248]. + Gaan zij zich bij den Moor of Etiopiër voegen, + Die heeft nog 't meeste deel wel van zijn rijk te ploegen; + Of hij ze schoon ontvangt, en loopt ze al in 't gemoet, + De Uitheemsche als een slaaf zijn akkers bouwen moet. + De ruige Barbaros ook binnen zijn limieten. + Geen vreemdelingen lijdt, noch Meden, nochte[249] Scyten; + Noch over onzen vloed, noch over de Jordaan + En zal de Filistijn ook geen Hebreên ontvaân. + Den vrekken Arabier (zij passen op hun stukken) + Is ook genoeg bekend nog om zijn oude tukken, + Hij vilt, besteelt en plukt wie in zijn handen raakt. + En dien hij burger zalft, hij eigen slave maakt. + Noch daar de Assyriër der koninklijker[250] staten + Tooneel eerst bouwen dorst, bij 't stroomen der Eufraten, + Noch nergens waar het licht de duisternis verdooft, + Of de ingezeten is der vreemden overhoofd. + Of zoeken zij een land of zoeken zij een woning, + Daar ieder burger is, daar ieder is een koning, + Daar ieder rechter is, en 't mes trekt uit de scheê, + Diens bodem is gelijk de diepte van de zee, + Daar alle baargeschuim oprijzet met elkander; + Zoo wil een ieder hier ook heerschen boven d' ander, + En werden zij dan t' zaâm verdrukt in ongeval, + Wat koning is er die hun zake rechten zal? + Of trachten ze onder een klimaat zelf te heerschappen[251], + Daar sterflijk mensche nooit het spoor van zijne stappen + Geprent heeft laten staan, daar zonder arrebeid + De willige natuur het akkerveld bereidt, + Zij zullen menigmaal nog om Egypte wenschen, + Eer 't tot voldoening strekt voor zoo veel duizend menschen, + Die buiten Farao behoeven al ter nood[252] + Tot nooddruft eenen opgehoopten vollen schoot. + + + MOZES en AARON tot den koning. + + MOZES. + + Monarche Mitzraïms[253] hoe lang zult gij nog konnen + De oogappels sluiten voor de klaarheid eener zonnen? + Hoe lange, o Farao! zult gij beletten, dat + Israël smoken doet het heilig altaarplat + Des driemaal hoogen Gods? Ai, blind, versteenigd vorste! + Hoe priemt gij op uw hart, hoe stelt gij op uw borste + Zoo menig pijl en schicht, en welft u, stout en trotsch, + Hardnekkig over 't hoofd den strengen toorne Gods, + Die heel Egypte drukt; 't onsterflijk eeuwig wezen + Dus met zijn stemme roept: "Ik heb voor 't laatst mijn pezen + Nog eenmaal uitgerekt, en mijnen krommen boog + Gespannen; wee, o wee! 't wit van mijn grimmig oog + Is Heptanomis' kroon, die, trots mijn Hemelschichten, + Heeft negenmaal belet den Israliet te lichten + Zijn anker van den Nijl: wee, wee! indien zij stout + Nog dit twaalfstammig heir van hun vertrek ophoudt! + Van d' oudst geboren af uit Faraonis lenden, + Tot d' allerminste toe, die van de Egypter benden + Zich d' eerstgeboren roemt van vader-, moeder-lief, + Niet een zal zijn, dien niet de dood, gelijk een dief, + Zal rukken in het graf; geen hart, dat niet zal voelen + Mijn koude stralen in zijn heete bloed verkoelen!" + Dus loopt nog in 't gemoet des Hemels Koning preutsch[254], + Terwijlen hij u dreigt, zoo houdt u buiten scheuts + Van mijnen stalen boog, die weder is gespannen; + En oorlooft onzen tocht, dat de Israelietsche mannen + Op Horeb smooken doen hun altaren bebloed. + + FARAO + + Gij zingt al[255] eenen zang, gelijk de koekoek doet, + En of gij slaven trokt, om uwen God te spijzen, + Daar Horeb met zijn spits ten wolken gaat oprijzen, + En of mijn Majesteit gedoogde goedertier, + Dat gij opstijgen deed 't afgodisch offervier + Uit der woestijnen schoot, om ik en weet wat Goden + Vermaken[256], met het bloed des altaars opgezoden, + Zoudt gij mij zweeren dier[257] te keeren al met vliet[258] + Ter plaatse die gij met verlof te rugge liet: + Of veinst gij mij den tocht dien gij hebt voorgenomen? + Zegt, werwaarts hij zich strekt. + + AARON. + + Waaruit[259] wij zijn gekomen: + Het land van Kanaän, recht over de Jordaan, + Daar ons voorvadren eerst hun stappen lieten staan, + Dat God zelf heeft beloofd, dat God zelf heeft gezworen + Aan Izak zijnen knecht en Jakob uitverkoren. + + FARAO. + + Gij 't land van Kanaän verkrijgen in 't bezit? + Uw bogen zijn te slap om schieten na dit wit, + Meent gij met lijf en ziel zoo in dit land te treden? + Gaat henen, vraagt te deeg naar zijn gelegentheden: + Hoort, Idumea! hoort, hoe acht men dy zoo licht, + Een ander heeft genoeg en schrikt van uw gezicht, + Die rondom afgepaald ligt midden in de bergen, + Die met uw muren trots den Hemel schijnt te tergen, + Waar voor zoo menig rijk zijn wapens heeft geschorst, + En daar de Filistijn uitsteekt zijn hooge borst; + Daar elk inwoner stout is eenen giges[260] hooge, + En gij, sprinkhanen teêr en musschen in hun ooge! + Te wijd zijt gij verdoold! en timmert in de locht, + En schildert, op Neptuuns azure golven vocht[261], + Dy[262] 't Filistijnsche rijk zoo wonderlijk voor oogen: + Help! 't geeft mij wonder, uit wat borsten gij gezogen + Hebt deez' hoogdragendheid, en hoe gij zoo verrukt + Dees stoute dwaasheid in uw hersens hebt gedrukt: + Wat rijk is u beloofd? Mij dunkt, gelijk de muggen + Gij om de kaarse zwermt, tot dat gij, bedelpluggen[263]! + Uw vleugelen verbrandt: ik rade, ik rade u: blaast, + Eer gij dit heete moes wilt proeven met der haast: + Of wilt gij banken in de Filistijnsche koken[264], + Eer hij u heeft genood, of zijnen haard doen smoken, + Zoo keert dan onverzaad: gij, kranen[265]! vliegt u mat, + Om gasten met[266] den vos, die al in schotels plat + De spijze toebereidt, en als gij meent te drabben + In zijn gestolen vet, zult gij u niet beslabben. + Zoekt vrij een ander aas, of zich uw keele belgt, + De brok is toch zoo groot, dat gij er aan verzwelgt: + Dus slaat dit in de wind, en laat vrij aan der eiken[267] + De schilden hangen, die gij niet en moogt bereiken + Met uwen lammen arm, al veel te kort en stram, + En, voor dien scepter eêl, van dijnen geitschen ram + De kromme hoornen grijpt, 'twelk beter u zal voegen, + Of 't kouter, om de borst des akkers te doorploegen, + Dan[268] 't Palestijnsche land. + + MOZES. + + Israël onbezorgd + Heeft God tot eenen Schild en tot een vaste Borgt, + Den grootsten Kapitein; dien Hij wil overvallen + En baat geen preuts[269] gebergt' van opgeworpen wallen, + Noch diepe vesting van een grondelooze zee, + Noch bogen, noch geflits, noch zwaarden uit der scheê, + Noch vele wapentuig, noch 's werelds oorlogsheiren + In een slagordening en mochten zich verweeren + Voor zijnen sterken arm, die naauw verheven schier + Om[270] strijden, al omvlecht[271] is met den lauwerier. + + FARAO. + + En of 't land openstond van alle Filistijnen, + Hoe raakt gij door de dorre Arabische woestijnen, + 't Onvruchtbaar woeste veld, de doornen wildernis, + Daar niet min ruig gediert' als wild geboomte en is; + Daar is noch vrucht tot spijs, noch vochtigheid om[270] laven, + 't Waar pas[272] een kerkhof om u t' zamen te begraven. + + AARON. + + Die met zijn waterpas bepaalt de groote zee, + En heeft gecompasseerd[273] den boord van ieder reê, + Die 's hemels vouten[274] schoon te zamen heeft gewrongen, + En 't aardsche centrum[275] zwaar houdt allezins gedrongen, + Heeft lang den weg bereid, heeft lang het pad gebaand + Voor 't volk van zijn Verbond, die stoutlijk en verwaand + Gij aan uw opzet boeit, en durft nog 't hoofd opsteken + Als of het aan de macht des Hemels zoû gebreken, + Te bliksemen den trots van uw hardnekkigheid, + Daar u de vinger van Gods hooge Majesteit + Zoo streng heeft aangetast! eylacen! wordt eens wijzer, + En nog de wraak verstompt van zijn rechtvaardig ijzer[276], + Waar mede hy u dreigt. + + FARAO. + + Rebellen altemaal, + Trekt henen, maar ik wil, ik wil uw Beestiaal + Hier blijf tot roof en buit. Trekt henen uwer straten[277]. + + MOZES. + + Wij zullen van ons vee geen klaauw hier achter laten. + + FARAO. + + Zoo blijft dan die gij zijt! Hoe, zullen dees Hebreên + Ons trotsen? Neen, eer werd den alderleegsten[278] steen + Memfidis omgekeerd. Het vee dat zal hier blijven, + Trekt met uw kinders heen, uw hoeren en uw wijven! + + AARON. + + Waar 't vee blijft, blijven wij, grootmogende monarch! + Als wij gekomen zijn bij Sinaï den berg, + Wij God een offerand[279] van ossen ofte stieren + Op 't heilige gesteent dankbarig moeten vieren, + Tot eenen zoeten reuk, en tot een teeken blij, + Dat hij ons heeft verlost van al ons slavernij; + De palen zijnes wets wy niet en overtreden, + Dus oorloft[280] ons vertrek, en hoort zijn stemme heden! + + FARAO. + + In geenderlei manier. + + MOZES. + + Zoo blijft de straffe hand + Des Heeren over u, en over 't gansche land: + God zoude eer eenen berg of harde rots bewegen. + + FARAO. + + Is hij een rustig haan, hij kraai nog eens te degen; + Den sleutel van mijn rijk zij u voor 't lest ontzeîd, + En welker tijd gij in mijn tegenwoordigheid + Hier weêr verschijnen dorst, ik zweer bij mijnen Throone, + Misraïms edel hof, en bij mijn groote Kroone, + Ik zweer bij dezen staf bepereld en verguld, + Dat gij van stonden aan uw kerkhof vinden zult. + (_Binnen_.) + + MOZES. + + O diamanten hart! o ijzeren nature! + + AARON. + + Het ijzer wordt gedweeg int gloeyen van den vure, + Den diamant, hoe hard, verzachtet[281] bokkenbloed. + Maar dezen blijft verstokt, versteend in zijn gemoed. + + MOZES. + + 't Glas van ons slavernij is niettemin verloopen. + Ik zie, ik zie den weg tot ons verlossing open, + Egypten ziet om hoog, het zweerd is uit der schee, + Dies Jacob morgen licht zijn anker van dees reê. + _Binnen_. + + + _KOOR._ + + En met heur kromme hoornen naakt[282] + Vast eenen halven cirkel maakt, + Werd[283] den Hebree van druk ontbonden, + En van 't tyrannig jok ontlast: + Ziet, hoe elk juicht met blijden geeste, + Ziet, hoe zij nu hun Paasschen-feeste + Met vrolijkheid bereiden vast, + Hun jaar'ge lammerkens zij slachten, + Met dat de schaduw zich uitstrekt + En 'sHemels oog zijn licht vertrekt[284], + Om schuylen inde water-grachten. + + Ziet, hoe zij, met de roode stralen + Van 't zuiver Lams verkoren bloed, + De dorpels ende[285] posten vroed[286], + Van hare poorten vast bemalen[287]: + O heilig klaar ken-teeken! om + Te vrijden[288] al uw eerstgeboren + Voor d'Engel, die in 's Heeren tooren + Gaat maayen, met een zeissen krom, + Al de eerstelingen vanden Nijle: + Al de eersten, die uit 's moeders schoot + Beschouwden Fœbi stralen rood, + Door-schicht[289] hij met een hemel-pijle. + + De Israëlieten rusten twijlen[290] + Hun[291] toe naar 's Heeren wil en eisch. + Om hun[291] te geven op de reis + Van zoo veel stadiën en mijlen: + De lammerkens, die nu gedood + Zijn, zij gaan voor den vure speten[292] + Daarna met bitter sausse op-eten, + Met zurig[293] ongeheveld brood, + Omgord, geschoeid, den staf in handen, + Een ieder vlijtig 't lamken eet + Al staande, als wandel-gasten, reed[294] + Om scheiden van de Nijlsche stranden. + + "Schoon morgen-rood, begint te blozen!" + Zij met verlangen roepen t' zaam; + "Komt, werpt uw stralen aangenaam, + Eens in ons blijdschap over Gozen! + Blaauw hemels licht! doorschijnt de locht, + Beschaamt den zilver-schijn der manen[295], + En distilleert de pereltranen, + Die van ons wangen rollen vocht, + Niet meer van droefheid als voorhenen, + Maar al van blijdschap en van vreugd, + Om dat den Hebree met geneugt + Zijn zoete vrijheid is verschenen." + + O zoete vrijheid! wat een kroning + Dunkt u den genen, die verrukt[296] + Nu zoo vele eeuwen heeft gedrukt + 't Slaafsch jok van een tirannig koning! + Ofschoon 't wild vogelken met lust + Int korfken tiereliert en fluitert + En inde traly, twijl[297] het tjuitert, + Verdient 't gekochte zaad gerust, + 't Zou liever inde takskens schieten, + En klieven met zijn vlerkskens locht[298] + Den blaauwen hemel, zoo het mocht + Slechts mager zijnen kost genieten. + + Waarom versteekt zich inde stoppels + Der bosschen 't hoorn-getakte[299] hert? + De ranke hind', waarom zoo hard + En snel vlugt zij voor 's jagers koppels? + Waaromme vliedt het schuw konijn + En de achter-lamme[300] bloode hazen, + Die als een schaduw weggeblazen + Zoo fluks in hun zand-holen[300] zijn? + De azuren visschen, waarom duiken + Zij voor 't doorluchtig net zoo ras, + Int diepste van het water-glas, + Int diepste van Thetydis kruiken[301]? + + Ach! om hun vrijheid, die zoo naakte[302] + Een ieder van naturen wis + Zijn voorhoofd ingeschreven is, + Van dat hij eerst int licht geraakte: + O driemaal eedle vrijheidskroon! + Die Isak d' hoofd-slapen omvlechtet, + Waarom de lieve Hemel vechtet, + Die met zijn vleugelen ten toon + Beschaduwt de Isralietsche benden, + En helpt hen uit 't Egyptisch zand, + Int rijke Palestijnen land, + Uit al hun droefheid en ellenden. + + Twijl Jacob dus van vreugden reyet[303], + De heldre witte dag aanbreekt, + De gulden zonne 't hoofd opsteekt, + Die over Nylus golven spreyet[304] + Het stralig licht van zijn flambeel[305], + Die haast ontdekt, hoe dees Comedie + Rijst uit de bloedige Tragedie + Van Delta's[306] schreyende tooneel, + Daar de oudst-geboren voor hun magen + Op 't bedde liggen koud en stijf, + En laten 't graf hun doode lijf, + Dies Isr'el werd van 't jok ontslagen. + + + + +VIERDE DEEL. + + + FARAO, REI DER EGYPTENAREN. + + + FARAO. + + Hij, die na mijnen tijd zou Memfis troon beklimmen + En als een kleine God dit aardsch tooneel beschimmen[307], + Hij, die[308] op 't hoog gestoelt van 's konings Majesteit + Deez dubbel groote kroon alreê was toegezeid, + Hij, die niet minder zou als zijn half-Godsch voorouders + In de edel schoenen treên: en, Athlas, deze schouders + Ontlasten van den last die mijnen ouden dag + Veel kommerlijker valt dan zij te voren plag: + Wiens opgang helder scheen, als't licht der morgenzonnen[309], + Den middag grooter hitte en klarigheid te jonnen[310], + Wiens rijpe jaren mij veel heils hadden beloofd,-- + Den eenen Farao den andr'en is ontroofd! + Driemalen zij vervloekt de nacht, die met zijn veêren + Bespreed[311] heeft Tisifone, Alecton, en Megeren[312], + Den Atropos[313], die meer sterflijken heeft ontzield, + Dan Astren[314] dezen nacht om ons hebben gewield[315]: + O Febus! hadt gij ons gewaarschuwd toch zorgvuldig + Eer gij uw blonde hoofd en uw paruike guldig[316] + Ter kwader tijd vertrokt van[317] onzen horizont, + Geheel Egypte waar zoo deerlijk niet doorwond + In zijnen eersten slaap: dat alletijd met tranen + Zij dezen nacht beschreit, dat nimmer 't licht der manen + Zijn duisternis doorstraalt: dat nimmermeer 't ghestert[318] + Verlicht met heuren glans zijn donker zeilen zwart. + O dieftelijke[319] dood! O pest, die ongenadig + Zijt op den boord van Styx of Acheron[320] beschadig[321] + Onzalig voortgebragt, wiens pijlen met vermengd + En doodelijk vergift venijnig zijn besprengd. + Vervloekt zij dees Belloon[322], die listig in de wapen[323], + Ons met een stille trom bekruipt, wanneer wij slapen + Den tijdelijken slaap, en komt verkeeren straf[324] + De slapers in een lijk, hun bedden in een graf. + + + REI DER EGYPTENAREN. + + MAN. + + Wij offeren ons leed, ons tranen aan de voeten + Van 's konings Majesteit, om onzen druk te boeten, + Met ons verscheurde kleed, en ons verbleekt gelaat, + Waar uit gij leest wat in ons hart geschreven staat: + Ons droeve klachten, laas! zijn hoogheid niet en belgen, + Den Hemel zal op 't lest ons 't eenemaal verdelgen. + Dus[325] lange heeft hij steeds ons vleugelen gekort, + En de een op de ander maal den bliksem neêr gestort + Van zijne gramschap; ach! ziet, hoe ons velden schijnen + Niet dan een wildernis en doornige woestijnen, + Ons boomen zijn niet meer met vruchten schoon bekleed, + Noch de aarde met geen groen tapijten meer bespreed; + De bloemen zijn verwelkt, de kruiden en de loven[326] + Zijn met hun lieflijkheid en zoeten reuk verstoven, + Waar op Aurora eer met 't krieken van den dag + De tranen van den dauw te distilleeren plag; + Zefyris voert niet meer op zijne zachte vlogels + Den blijden _Echo_ van de zorgelooze vogels, + Noch 't zoet gelureluur van Pans veelgaatsche pijp[327] + In langen niet gehoord is in dit rond begrijp[328], + Het veldsche beestiaal[329] is schielijken gestorven, + Den droeven akkerman zijn velden ziet bedorven, + Zijn ploegen is vergeefs, zijn zaaisel is onnut, + Zijn akkers liggen woest en mager uitgeput, + Den herder laat zijn vee, de jager 't woud gehuchtig[330], + De bouwer zijne ploeg, de visscher 't net doorluchtig, + De vooglaar zijnen strik, daar eertijds 't zorgeloos + Wild vogelken zoo dik zijn vrijheid in verloos[331]. + + VROUW. + + Maar, och! ontijdelijk, met dat zich eerst uitstrekte + De schaduw dezes nachts, ontijdelijk ons wekte + Een jammerlijk geschrei, als een die onder 's leeuws + Grijp-klaauwen zich alleen verweert met veel geschreeuws; + Wij vlogen al verbaasd; ach! 't werd van tijd noch eeuwen, + Zoo lang de oudheid[332] ons grijsharig zal besneeuwen, + Uit ons gemoed gewischt;-- wij vlogen al verbaasd + Naar 't bedde van die ons op 't harte lagen naast; + Te spade, eilaas! te spa, de dood ons hier verraste, + De pols was weg eer elk al bevende noch tastte + Naar 't leven van zijn kind, en ieder moeder zag, + Zoo haast als van de kaars scheen eenen lichten dag + In 't droefste van den nacht, in eenen slaap te vaste + Het wit ivooren beeld, het schepsel[333] van albaste + Zijns kinds in 't pluimig bed: elk kreesch[334], elk riep terstond + Des spiegels kristalijn op 's kinds verbleekten mond; + Maar ziel en leven was vervlogen met den asem, + Want 't glazige kristal bleef zuiver zonder wasem, + De rozen waren op de kaakskens al verwelkt, + 't Koraal, waar met zoo dik dees borsten zijn gemelkt + Was van de lippen weg, de stralen zonderlingen[335] + Van de oogskens vriendelijk (die plachten te doordringen + Dit moederlijke hart, ach! dat zoo veel verliest!) + En flikkerden niet meer, maar waren al bevliesd[336] + Van twee winbrauwen droef: dat liever nooit dees ooren + En hadden 't zoete woord van Moeder mogen hooren! + Ach, ongevallig einde! ontijdelijke dood! + Gij treft met uwen spits die eerst uit 's moeders schoot + Beschouwden 's Hemels licht;--eilaas! voor al de smerte + En pijn, wats mijnen loon? niet dan 't doorschoten herte + Van mijn verkoren bloed; ach! eer gij ooit verreest, + Had beter 's moeders buik uw donker tomb[337] geweest: + Hoe is dus mijnen troost, hoe is dus mijnen roeme + Op eenen nacht verwelkt, gelijk een dorre bloeme! + + MAN. + + Of dezen dooden mond nooit vader, vader! riep, + Dees wiens liefde in mijn hert begraven lag zoo diep, + Die letterlijken stond in mijn gemoed geschreven, + De zonne van mijn vreugd, de ziele van mijn leven, + Den rechten erfgenaam, en d'aldernaasten oor[338] + Van al mijn rijke haaf, van 't goud in mijn thresoor, + Ja, 't beeld mijns aangezichts, de wortel, die de vruchten + Mijns zaads beloofde voort te brengen met genuchten. + Wat is ons leven? ach! wat is ons leven ook? + Een liefelijke bloem, bel, bobbel, damp en rook + Of smook, die in de lucht verblazen en verzwenen, + Gelijk een schaâuw verstuift, en ijdel vliegt daar henen: + Het duurt een wijle maar, een tijdeloozen eeuw, + En smelt weêr lichter als een witgevlokte sneeuw, + Of als een ijzen[339] beeld, twelk spoedig overwonnen + Zijn statua[340] verliest met 't stralen eender zonnen[341], + 't Is als een bliksemslicht[342], dat naauw om[343] schijnen poogt + En mist zijn heerlijkheid met dat het zich vertoogt[344], + Een torts[345], die durig schijnt en smeltet al bezweken, + Met dat haar lemmet sparkt[346], met dat zij is ontsteken: + Hoe vliên ons dagen weg, als waren zij gevlerkt! + Ons uren zijn bestemd en onzen tijd beperkt, + Ons wiege wordt ons graf, ons leven is verloren, + Wanneer wij naauwlijks zijn uit moeders schoot geboren. + + VROUW. + + Dus schreiden de ouders vast in zulken harden proef + Ons oogen vloeiden, laas! als twee fonteinen droef, + De zuster om haar zus, de broeder om zijn broeder + Riep, of nooit uit den schoot van een verkoren moeder + Wij beid' waren geteeld, och! of wij nooit met smert + En pijn hadden gedrukt een zelfde moeders hert; + Och! waren wij nooit beide uit éénen bloed geronnen, + Noch nooit door eenen ring geraakt int licht der zonnen, + Noch van een vader nooit in zijne liefde zoet + Gewonnen op een koets, noch met de melk gevoed + Die uit een ader vloot, noch samen opgevoedsterd; + Noch in een wankel wieg met pijnen opgekoesterd; + Zoo'n[347] had uw droevig einde, als 't ommers wezen most + Ons zoo veel zuchten (laas!) noch tranen niet gekost. + Wat hebdy meer misdaan als wij, dat 's doods verstaalden + Gescherpten schicht met-een dees borsten niet doorstraalden[348]? + O Helschen Atropos! Wie dacht, wien had gedacht[349], + Dat gij huns levens draad zoudt korten dezen nacht? + Wij hadden uwe komst wel vlijtig waargenomen, + En niet den zachten slaap met Lethes[350] laten stroomen + Op ons gesloten oog, en nog voor 't laatst adieu + Dees wangen eens gekust, eer uwe vlimme[351] hieuw + En scheidde ziel en lijf wraakgierig van den andren, + Voor eeuwig hadden wij nog eens omhelsd malkandren. + Ach! zaliger ist lijk 't welk hier ligt uitgestrekt, + Dat nu den rouwe met haar vleugelen bedekt, + Als wij, die treurig, om dees droefheid te verzachten, + Ons overstelpen in ons tranen en ons klachten. + + MAN. + + Tweemaal vijf straffen wij (eilaas!) hebben gevoeld, + En worden altijd meer van droefheid nog bespoeld, + Den Hemel even streng houdt zijnen boog gespannen; + Dies bidden wij: verlaat[352] d'Israëlietsche mannen! + Verlatet den Hebreen, ontsluit Egyptenland, + Op dat zij hunnen God voldoen zijn offerand; + Ontslaat ze toch van 't jok van al hun slavernijen, + En wilt ons allen voor een grooter straf bevrijen. + + FARAO. + + Zij vluchte[353] metter ijl, van daar het morgenrood + Verrijst, tot daar het licht neêrdaalt in Thetys' schoot, + Voor Pluto trekken[353] zij zoo wijd ter Hellen neder, + Tot daar zij nimmermeer en keeren herwaarts weder, + Zij reizen[353] naar 't besneeuwd en 't koud behijzeld[354] Noord, + Tot daar men nimmermeer van hun vertrekken hoort, + Zij laten dan den Nijl, die overvloeit van 't goede, + Tot daar hun al gelijk moet drukken de arremoede: + 't Weêrspannig slaafsch gedrocht, zij loopen al hun best + Die ons gezond klimaat ontsteken als de pest; + Zij nemen al hun vee, zij nemen al hun have, + En worden op het veld een spijze voor de rave, + Zij ruimen 't gansche rijk, zij loopen naar hun dood, + En erven Pluto's nest voor eenen zachten schoot. + (_Binnen_). + + + _De_ REI DER ISRAËLIETEN _zingt_: + + Hebreên! speelt 's Hemels lof + Nu op uw luite schoone, + Adieu, Misraïms hof! + Adieu, Memfidis troone! + + Adieu, Egypten-land! + Adieu, rijksstaf en kroone, + Die Nylus zandig strand + Beheerscht door Faraone. + + Adieu, tyrannig jok, + Adieu, dienstbarig[355] Gozen! + Waar uit de Heer ons trok + Door Aaron en door Mozen. + + Israël wil[356] 't beloofd + Canaän nu gelukken, + Daar Juda zijn voorhoofd + Zal met een kroone drukken. + + Daar Juda, onder 't licht + En 't wankel rond der mane, + Zijn stoel en zetel sticht + Bij 't stroomen der Jordane. + + Gij Filistijnen haast[357], + En gij o Jebuzieten! + Met Amalek verbaasd + Maakt plaats met de Ammonieten. + + De koning Juda komt + Preutsch in uw schoenen treden; + O luistert! hoe hij tromt, + En nadert met zijn schreden. + + Dat dijnen hoogmoed daalt + Voor die zijn rijk wil vesten, + Gelijk den bliksem straalt + Vant Oosten tot den Westen. + + Uw grenzen open sluit + Voor onzen prins personig[358], + En laat tot roof en buit + Uw melk en uwen honig. + + Jordaan, die van den top + Der heuvelen komt bruisschen, + Steekt uw blaauw hoornen op, + En laat uw bobbels ruisschen! + + Golft in d'azuren zee, + Zegt de Oceaansche[359] baren, + Hoe Juda op uw reê + Komt zijnen troon pilaren. + + Sinaï! maak dy[360] reê, + Want op uw hoogte steilig + Wil smoken doen d' Hebreê + Zijn brandofferen heilig. + + Dat Horeb eeuwig staat + Gerezen onder 't maanschijn, + En tuigt wie heeft gedwaad[361] + De tranen van ons aanschijn. + + Mensch-stappen[362] zullen eer + Des hemels cirkel meten, + Dan hunnes konings eer + Israël zal vergeten. + + Den Engel maakt het spoor, + O, laat ons niet verslappen, + Ons leidsliên treden voor, + Wij volgen hunne stappen. + + + FARAO de koning. ALBINUS, veldhoofdman met + zijn heirleger. + + FARAO. + + Die niet ontziet den roem zijns scepters te bevlekken, + Mag doen als Farao, en laten henen trekken + De slaven van zijn rijk, die onder 's Hemels wiel[363] + Den koning eigen zijn met lichaam en met ziel, + Die steeds gehouden zijn den koning toe te wijden + De vruchten van hun zweet, en honger zelfs te lijden, + De slaaf, die 's princen hoofd met een gemarmerd dak + Moet overwelven 's daags, en onder 't hemelvlak + Zelf slapen al den nacht, en dubbel wordt vergouden[364], + Wanneer bij zijnen loon hij 't leven mag behouden, + Of rekent zijnen heer hem 't schuimsel van der aard, + En is hij op de helft naauw zoo veel eere waard, + Geen vrijheid komt hem toe, ten zij hij 't mag verwerven + Door zijnes konings gunst, of eindlijk door zijn sterven. + Vast hebben dees Hebreên, verdobbeld[365] snoô en valsch, + 't Jok van hun dienstbaarheid geschoven van den hals, + Door tooverkunst huns Gods, die 't scheen ons zou verdelgen + En heel Egypten in zijn toornigheid verzwelgen, + Zoo nu zijn rechte hand verlamd is noch verkort, + Hij neem de handschoen op, die hem geboden wordt. + Zij zijn wel uit 't gezicht, maar nog niet uit mijn handen, + Nog uit hun slavernij, al schijnen ze uit de banden + Van 't slaafsche juk te zijn: Zij werden[366] na gedraafd, + En eer den vluggen tijd de bleeke zon begraaft, + Zie ik hun achterhaald en onverziens bedrogen, + Gelijk de vogel 't net wordt over 't hoofd getogen, + En als in 't bladig bosch zoo schielijk 't bloode hert + Beschreit zijn vrijheid, alst in strikken is verwerd, + Zoo zal ook al betraand 't heirleger der Hebreeuwen + Hun vrijheid zien beroofd voor allen tijd en eeuwen. + Tsa, Hoofdman! werwaarts is 't, dat zij getogen zijn? + + HOOFDMAN. + + Ontziende 't bloedig staal des preutschen Filistijn, + Heer koning! al verbaasd begaf zich dezen zwerme + Daar 't rood Arabisch Meers gekromden woesten erme[367] + Dit rijk een deel omvangt, en de woestijne dreigt: + Gewapend naauwlijks, zij om[368] strijden niet geneigd + En schenen, noch bekwaam ten minste, hun vijanden + Het half gelaat te biên, ik late staan hun tanden + Te breken met geweld: indien gij dezen rei + Vervolgt, genadig vorst! voor 't oorlogs veld-geschrei + Zij raken in de vlugt, en reppen saam hun zolen, + Als schaapskudd', die de wolf het herte[369] heeft ontstolen, + Om geen beschermen denkt, maar van een bende haast + Wel honderd benden maakt en vluchtet al verbaasd. + + FARAO. + + Welaan, de rossen toomt, om geenen tijd verzuimen. + + HOOFDMAN. + + Zij briesschen, en 't gebit huns breidels doen zij schuimen, + En zijn met strijdschen moed gespannen int gareel, + De wagens toegerust; en 't leger, al geheel + Gehelmd, gestokt, gestaafd, vierkantig in slagorden, + Verlangt, wanneer de tocht zal aangevangen worden. + + FARAO. + + Zoo treed' de koning voor, op trommel en trompet! + De wapenroovers[370] noodt tot 't bloedige banket, + Dat elk zijn hielen ligt, 't is geenen tijd om hinken[371], + Nu in 't bestoven veld Mars zijnen schild doet blinken; + Krijgt[372] onder zijn banier, hij leidt u aan den dans! + Des overwinners hoofd omvlecht den lauwerkrans. + Den weg is al gebaand, dus laat ons niet verslappen, + Zoo ver te vinden is het spoor van hunne stappen. + (_Binnen_). + + + _KOOR._ + + Die den Hemel derft bekrijgen, + Zal wel voor een wijl opstijgen, + Even als Neptunus' vocht + Worpt[373] zijn baren na de locht, + Die van zelf in korter stonden[374] + Weder vallen in de afgronden, + Of gelijk een vlam gezwimd[375], + Licht op naar den hemel klimt. + Die men wederom zich zelven + In zijn asschen ziet bedelven: + Want de groote goedheid Gods + Latet[376] wel den koning trotsch + Op het hoogste en even dolle + Woeden, doch wanneer hun rolle + Is ten uitersten volspeeld, + Op 't theatrum getoneeld, + En wanneer hij met berommen[377] + Meent ten hoogsten zijn geklommen, + Stoot de godlijke Monarch + Hem afgrijzig van den berg. + Hoe hij was den hemel naarder + Hoe den val hem is te zwaarder, + Hoe hij meerder opwaarts steeg + Hoe hij dieper valt om leeg. + Hoe hij meerder rees verkorseld[378] + Hoe hij platter valt vermorseld. + Dit blijkt aan Farao straf, + Die zoo blind'ling loopt naar 't graf; + Die in 's Heeren straffe tijdig + Blijft verstokt, versteend partijdig, + Daar een ieder roê, als vriend, + Hem tot beteringe dient: + Want de strengheid Gods ten lesten + Iedereen kastijdt ten besten, + En zijn geessel al begrijsd[379] + Op een grooter roede wijst. + Wie dan, in der zonnen luister, + Sluit zijn oogen in het duister, + Wie de aankloppers van 't gemoed + 's Herten deur niet open doet: + Wie zoo vele donderslagen, + Luiden laat voor ijdel vlagen, + Op het onverzienste bald[380] + 's Heeren bliksem overvalt: + Gelijk dezen koning prachtig, + Die[381] geen teekenen aandachtig + Mochten leiden uit den tred + Van zijn obstinaat opzet. + Dies de Heere t' eenenmalen + Hem onttrekt de helder stralen + Van zijn hemelsch aangezicht, + En verduistert hem in 't licht, + In verkeerdheid overgeven, + Tot hij eindelijk gedreven, + Even als een roerloos schip, + Drijft al blind'ling op de klip + Van zijn overgeven boosheid, + Van zijn stoute goddeloosheid, + In den afgrond en 't verleid[382] + Van zijn overgevenheid. + + + + +VIJFDE EN LAATSTE DEEL. + + + FAMA, of 't blazende gerucht. + 't Heer-leger Israëls (dat God zelfs[383] had geleid + Onder zijn vleug'len uit de Egyptsche dienstbaarheid, + Dat God 's voorging in een vierige colomme + En 's daags in eene wolk) Farao wederomme + Had eindlijk achterhaald, en met zijn oorlogs-heer + Omringd tusschen 't gebergt en tusschen 't roode Meer, + Dat, met de zonne kwam de duisternis verrassen, + Zich spiegelde verbaasd in zoo veel harrenassen, + In zoo veel ijzer-blaauw; dies riepen zij: 't en helpt[384], + Wij blijven samen hier in droefheid overstelpt, + Wij zijn besloten van 't gebergte en van de baren, + Van zoo veel oorlogs-volk en toegeruste scharen: + Ha, Amrams zonen snoô! die ons zoo onbedocht[385] + Vervoerd hierop een graf en kerk-hof hebt gebrocht: + O, zalig waren wij, in arbeid en in slaven, + Eer in Egypteland gestorven en begraven: + Verraders van den rei[386] en 't leger der Hebreên, + Een ieder wreek' zich zelf en worp'[387] den eersten steen! + Gelijk de reizigers (als in de azure golven + Van eenen waterberg bedekt wordt en bedolven + Het vlottig schip, wanneer zich Boreas verheft, + En 't golvig driftig[388] hout met groene baren treft) + Den schipper dreigen vast, zoo voor de stuure[389] winden + Hij 't opgeblazen zeil wil strijken noch ontbinden: + De een met een bleek gelaat naar 't leven vast de dood + Afschildert, de ander klaagt, dat in Thetydis schoot + Hij vindt zijn duister tombe, en de ander dat zijn leven + Ontijdelijk hij moet den baren overgeven, + Dat ondertusschen heeft den zeeman, al ontrust, + Genoeg te doen, eer hij d'een stilt en d'ander sust;-- + Zoo ook in dezen storm de Israëlietsche hoeders + Aaron en Mozes beid' vertroosten hun gebroeders, + En roepen: "makkers denkt, dat uwen koning leeft, + Die midden in 's doods nood de zijne 't leven geeft, + 't Is eenen vasten grond en twijfelt niet zoo wanker[390], + Vest uw geloove op hem, en worpt der hopen[391] anker + Op Gods almachtigheid, die 't steil gebergte kan + Tot dalen platten, en verdroogen d'ocean: + Den jongsten toont, hoe hun den Hemel is te goede, + En slaat, met zijne doode en levendige roede, + Het woeste baargeplots, dat zich verdeelet stuur, + En wederzijden maakt een roô robijnen muur, + Een schutsel van kristal, en nemet zijn afscheidsel + Zoo wijd, dat midden[392] blijft een guldig zand-plaveisel, + Een droogen vloer geschelpt, waar op dees leidsliên voor + 't Gansch leger volgen doen hun stappen op het spoor. + O zeldzaam wonderwerk! wie zal ik best gelijken + Israël, die zoo haast een plaatse vindt om wijken, + Als bij de watervloed, die stroomig opgehoopt + Een leger[393] diepte vindt en snellijken verloopt! + Terwijlen dus d' Hebreên (spijt 't wezen[394] der naturen) + Vast dweerssen[395] deze straat van kristalijne muren, + Roep de een: "de zee is droog, en 't water even vocht + Hangt, ik en weet niet hoe, tot boven in de locht!" + En d' ander krijst: "wats dit? 't Roô meer schijnt opgeblazen, + Thetys siert heur paruik in deze spiegelglazen: + Waar toe met schepen meer gevloten over 't nat, + Wanneer men doorgaans[396] vindt zulk eenen droogen pad? + Waar toe dient doch 't kompas en de opgespannen zeilen, + Of't grondloos[397] dieplood, om de diepten met te peilen?" + Dus in verwondering treedt vast 't heerleger voort, + En vindet zich droogs voets van de een op de ander boord + Behouden op het strand; dies Farao verbolgen + Verkiest den zelfden pad, om fluks hun te achtervolgen + Met al zijn wapentuig, met al zijn krijgs geweld, + En is naauw in 't gebied van 't zandig zeeusche[398] veld, + Of den Hebreeuschen God beginnet zich te belgen, + Die om hun in een graf te zamen te verzwelgen, + Een slinksch[399] onweder van den hemel nederworpt, + Dat 't slibberig gebergt weêr in zijn holte slorpt, + Dat ieder over hoofd en hals in 't diepste sobbelt[400], + En komen door 't gegolf eens eindling[401] opgebobbeld, + Met eiselijk[402] geschreeuw, half levende en half dood: + De dooden zijn alreê meer als der golven vloot[403]: + De een roept: "Osiri, o! helpt mij te boven klemmen[404]!" + En de ander: "help, Isis! opdat ik 't mag ontzwemmen!" + De een is met 't harnas zwaar gezonken in den grond, + De een houdt zich aan de koets, of aan de wielen rond, + En de ander al verbaasd, om boven 't water wakker + Nog 't hoofd te houden op, grijpt zijnen naasten makker, + En zinken beidegaêr; de zee, die altijd woelt, + Wat nog te boven drijft voorts in den afgrond spoelt. + De prince van den Nijl, die, in zijn koetse deftig, + Werd voortgetrokken van sneeuwwitte hengsten heftig, + Vervloekt de troebel zee, de golven zout gezwind[405], + Den Hemel en de lucht, de bliksems en de wind, + En om ontijdlijk nog de bleeke dood te ontvlieden, + Durft hij den dullen[406] storm 't hoofd even dapper bieden, + En stijgt de baren op, en krijschet: "of gij schuimt, + Voor dezen gaffel spits den weg naar 't strand opruimt, + Ik ben Neptunus zelf, de God van deze stranden; + Ontziet mijn blaauwe spriet met drie gescherpte tanden: + Gij bruischt, gij zwalpt, en krielt; ziet, wie[407] gij rebelleert! + Ik ben't, die op het diep van uwen stroom laveert." + Den Oceaan en past op[408] vloeken noch op schelden, + Zijn dreigementen dweers[409] en mogen hier niet gelden; + Na dat hij zevenmaal met 't woest getuimel vocht[410], + Zijn voorhoofd heeft gebergd ten wolken in de locht, + En weder zevenmaal gedaald is in de vesten + Van't grondelooze diep, hem eindelijk ten lesten + De vochtigheid verzwaart, ja alle hoop berooft, + En in heur grimmigheid delft over hals en hoofd. + Ik geef te denken voorts, de Hebreên, die 't aanzagen, + Hoe hunnen vijand lag zoo korteling[411] verslagen, + Hoe God zoo lichtelijk den pratten hoogen moed + Farao's had gedempt vertreden onder voet, + Of niet een ieders tong, van vrolijkheid ontsprongen, + Den driemaal hoogen lof des Hemels heeft gezongen, + Als zij aanschouwden, vrij van 's konings wreedheid straf + Dat hun verlossing werd Farao tot een graf, + Diens korten ondergang, diens droevig treurspel even + En onverzienste[412] dood hun strekte tot den leven. + De winden en het meer goedjonstig[413] wierpen ruit[414] + De Egyptsche wapening[415] weêr aan den oever uit, + Wierp harnas, schild en zwaard juist den Hebreên in handen, + Daar zij eerst werden met[416] gedreigd van hun vijanden. + Dit heb ik zelf gezien, dit heb ik zelf gehoord, + En deel 't een ieder voor de zuiver waarheid voort; + Veel wijder als men ziet zon, maan en sterren blinken, + Zal ik dees nieuwe maar met mijne tromp[417] doen klinken. + (_Binnen_). + + + _HYMNE OF LOFZANG._ + + + VAN DE ISRAËLIETSCHE REI. + + Nu zingt, nu speelt, nu reit en danst, + Nu looft den Heer der Heeren, + Die ons met de overhand bekranst, + Vlecht hem een kroon van eeren; + Hij is, die al de banden van + Ons slavernije breken kan, + En onzen rouw in vrolijkheid verkeeren. + + De Heer gedenkt aan zijn verbond + Over zijn uitverkoren, + Looft Hem met ziele, tong en mond, + Die Israël staat voren[418], + Die Jacobs huis, in dienstbaarheid, + Onder zijn schaduwe bespreidt[419], + Prijst zijnen naam, en wilt nu vreugd oorboren[420]. + + Hij is de God van Abraham, + Isak en Jacob machtig, + Die nu tot koning zalft den stam, + Den stamme Juda krachtig, + Die ons naar 't zoet beloofde land + Geleidet door zijn sterke hand, + Om[421] heerschen int land Canaän eendrachtig. + + In 't land, daar melk en honig vloeit, + Daar de Jordaan beneven + Stroomt, die uit zoo veel beekskens groeit + Van 't steil gebergt verheven: + Daar, als de baren van der zee + Of 't zand der stranden, nu alreê, + 't Zaad Israëls doet zijn vijanden beven. + + Looft dezen krijgsheld onvervaard, + Die paarden, ros en wagen, + 't Gewapend heer met schild en zwaard + Heeft mannelijk verslagen, + Met den verstokten koning trotsch; + Bouwt op dees klip en sterke rots, + Die niet en zwicht voor stormen en zee-vlagen. + + Den rood-scharlaken mantel breid[422] + Van 't roode meer hij scheurde, + En heeft guld-zandig geplaveid + Een effen straat, waar deur de + Hebreên ontweken hun misval, + Tusschen twee muren van kristal, + Daar Farao den laatsten zucht betreurde[423]. + + Farao, die ons op de hiel + Vervolgde met zijn scharen, + 't Zee-water stormig overviel + Met 't zwalpen van de baren; + Die 't voorhoofd bergden int gestert[424], + In den afgrond vernederd werd: + Speelt 's Heeren lof op harpen en op snaren. + + Farao's wimpelen ontdaan + En zag men niet meer zwieren, + Noch 't bloedzeil van zijn oorlogs vaan, + Noch al zijn roô banieren; + Zijn wapens en geslepen staal + Zonk met zijn rusting altemaal: + Wilt hem op 't plat van zijn altaren vieren. + + Bouwt al uw hoop op dezen steen, + Bouwt uw geloove vaste + Op den monarche der Hebreên, + Die Farao verraste, + Die des tyrans voornemens schort, + Den hoogmoed van hun vleugels kort, + En met zijn sterke schouders ons ontlastte. + + In koper, steen, noch ijzer hard + Alleen niet dees weldaden + En prent, maar schrijft ook in uw hart + Gods goedheid vol genaden, + Die ons 's doods muile heeft ontrukt: + Groen palm en myrtetakken plukt, + Kroont, siert, en vlecht uw hoofd met lauwer-bladen! + + + MOZES doet zijn offerande en spreekt: + Dwijl Israël ontrukt is uit zijn slaafsche banden, + Zoo stijg' ten hemelwaart ons harte met gesmook + Van dezen altaar, als een liefelijken rook, + Ontvangt o Heer! ontvangt dees heilige offeranden! + Ontvangt dees offerand tot een dankbarig teiken[425], + Of schoon de teêre mensch mets anders wedergeeft, + Dan 't gene hij (eilaas!) van u ontvangen heeft, + Zijn zwakke sterflijkheid niet[426] hoogers mag bereiken. + Gij zijt de volheid zelf, de spruitende fonteine, + Die overvloeit van 't goede; o mensch! die niet en hebt + Iet goeds, als tgeen gij uit dees zuiver borne[427] schept, + En zijt niet van u zelf als stof en asch onreine! + Wat offert gij den Heer? niet anders als den lof der + Oprechter[428] lippen vroom voor zijn weldadigheid, + 't Welk God veel meer behaagt als bok, stier, kalf of geit; + Een dankbaar hart is hem den aangenaamsten offer. + 't Is God, die 't al uit Niet heeft door zijn woord geschapen, + Die 't wonderlijk geheel gegeven heeft den eisch, + Gewelfd, gebouwd, gesierd gelijk een schoon paleis, + De stieren hooren hem, de kalveren en schapen. + Niets is er zoo gering, of 't is van hem gevloten, + Hij hevet[429] al gemaakt;-- o, groot is uwen lof! + Die 't al hebt rijkelijk gebouwet[430] zonder stof, + Zoo gij in uwen raad verholen[431] hadt besloten. + Heer! dit bekennen wij nog eenmaal met verlangen, + Wat wij op den altaar in vier en vlammen rood + Ontsteken, is gevloeid uit uwen milden schoot, + Ja, hebben ziel en lijf van u, o God! ontvangen. + Den offer komt u toe, die[432], Heer! verteert tot asschen! + Neemt, dat u toebehoort: den altaar toebereid + Alleene zij 't bewijs van onze dankbaarheid, + Dat gij ons aanschijn van de tranen hebt gewasschen. + Dat ons gemoed u viert inwendig na den geeste, + En dat ons harte brandt, gelijk als in 's vuurs gloed + Op 't heilige gesteent ons offerande doet, + En dat wij we wet betrachten aldermeeste. + Zoo dikwijls als het bloed der bokken zal besprengen + Des altaars hooge plat, zal ik gedenken aan[433] + Hoe wij de straffe hand uws engels zijn ontgaan, + Waar door gij tzamen ons woudt uit Egypten brengen. + Ik zal gedenken, hoe, om Faraos verdinsten[434], + Al de eerstelingen van geheel Egypteland + Van menschen en van vee, door uwe sterke hand + Geslagen werden, van den meesten tot den minsten. + En hoe gij ons verlost hebt uit de tyrannye + Van dezen koning, die, om zijn hardnekkigheid, + Met zijnen hoogmoed nu in 't meer begraven leît, + Waar door wij zijn ontboeid van al ons slavernye. + O Heer! bereidt den weg, en trekt nog voor ons henen, + Gelijk gij tot nog toe gedaan hebt goedertier, + Des daags in eene wolk, 's nachts in een vlammig vier, + Waar in gij mij ook zijt op Sinaï verschenen. + Versaagt[435] voor onze komst de stoute Filistijnen, + Kwetst hunnen preutschen[436] moed! o Heer, blijft onzen borcht + En onzen schild, op dat wij mogen onbezorgd + Geraken door de dorre Arabische woestijnen. + Op dat wij eindelijk eens mogen triumfeeren + In 't land van Canaän, en dat wij uwe wet, + Uw offeranden daar, rein, zuiver, onbesmet, + En ons beloft voldoen, tot uws naams prijs en eeren. + (_Binnen_). + + + _KOOR._ + + 's Hemels goedheid, die voorhenen + Ons voorvaders heeft beschenen, + Is hier op 't tooneel herspeeld, + En naar 't leven afgebeeld. + Tijd noch de vergetenissen + Hoort[437] uit ons gemoed te wisschen + Dees weldaden overgroot, + Neêrgedaald uit 's Hemels schoot. + Doch wanneer wij zien veel milder, + Wat den goddelijken schilder + Hier met naakt afconterfeit, + Raakt dit in vergetelheid, + En vertoont zich veel geringer, + Wanneer ons dit met den vinger + Wijst op 't ware wezen blij + Van dees hemel-schilderij: + Op een grooter weldaad leerlijk, + Die door Jezum Christum heerlijk + Ons zoo rijkelijk beschijnt, + Dat de schaduwe verdwijnt: + Want wanneer de zonne luistert[438], + 't Manen-zilver werd verduisterd, + 't Bleekste voor het helderst zwijkt[439], + 't Minste voor het meeste wijkt; + Om den zin hier van te mellen[440] + D' een wij tegens d'ander stellen: + Nu, het rijk Egypten is + Of beteekent duisternis, + Daar in zware slavernije + Jacob, onder d' heerschappije + Faraonis, met geklag + Droevelijk in boeyen lag: + Maar door 't goddelijk verweere[441] + Werden zij, door 't roode meere, + Saam verlost uit dees spelonk, + Als den Farao verzonk + Met zijn schilden en zijn zwaarden, + Met zijn ruiters, volk en paarden: + Even lagen wij verstrikt, + Leelijk in ons bloed verstikt, + Onder Satan, Hel en zonden, + In 's doods banden vastgebonden, + Maar door 's levens klaar fontein, + Onzen Zaligmaker rein, + Als Hij in het laatst der dagen + Aan het kruise werd geslagen, + Werden wij, door zijn bloed rood, + Vrij van zond', Hel, Duivel, dood, + Door zijn goedheid vol genaden + Afgewasschen ons misdaden: + Niet verlost, als Jacob, bloot[442] + Van een tijdelijke dood: + Maar door dezen Samson leeuwig + Vrij van d' Helsche pijnen eeuwig, + Van Gods onverganklijk wee, + Van het zwaard, dat uit der scheê + Boven 't hoofd ons dreigde grammig, + Met den brand des afgronds vlammig. + Israël trok al gelijk + Naar een aardsch verganklijk rijk, + Dat maar voor een tijd mocht bloeyen, + Maar, na ons gebroken boeyen[443], + Ons de Heere roept tot hem; + In het nieuw Jeruzalem, + Loopt dan, ijverig genegen, + Hebben wij door Christum kregen[444] + Eenen weg gebaand en plat + Naar de schoone hemel-stad. + Daar dood, ziekte, strijd noch tranen + Gelijk over der Jordanen[445] + Ons meer zal ontmoeten wreed, + Als 't den Isralieten deed. + Die zoo vlijtig hun[446] bewezen + In het uiterlijke wezen, + Ook om slachten 't zuiver Lam, + 't Welk terstond een einde nam, + Als den godlijken Messias + (Daar den anderen Helias + Zijn verkoren Jongers vroed + Op wees met den vinger zoet, + Alder schatten kleinoodkoffer), + Toen die kwam en zijnen offer, + Als hoog-priester, dede spâ + Op den berg Calvaria; + Toen hij tegens Satan kampten, + Alle priester-dienst en ampten + Eindden met het Paasschen-feest, + Als de Joden jaarlijks meest + Posten, dorpels nog bestreken + Met 's Lams bloede, tot een teeken + Hoe hun God bevrijdde weerd[447] + Voor den slaanden Engels zweerd. + Voorspel, 't welk ons leert ten besten, + Hoe dat in den alderlesten + Dag der dagen, in 't gericht, + Voor Gods toornig aangezicht, + Jezus Christus ons zal vrijden + Door zijn heilig bitter lijden, + En, met 't rood onschuldig kleid[448] + Van zijn droeve sterflijkheid, + Ons onrein melaatsche vlekken + Voor des Heeren aanschijn dekken. + Eet dan geestelijker wijs + Nog dit Lam, der zielen spijs, + Met een bitter sausse spijtig; + Ware Israëlieten vlijtig, + Laat de kracht van zijne dood + U nog zijn een hemels-brood! + Weest omgordt, en staat alreede + Om te wand'len na den vrede, + Met den staf, alzoo 't behoort, + Van des Heeren heilig Woord + Opgeschort, omgord op vordel[449] + Met der liefden band en gordel. + Ook aanmerkt hier algemeen + Dees twee leids-liên der Hebreên: + Mozes (onbespraakt voor Farons + Aanschijn) hoeft des priesters Aronsv + Reden-rijke tonge vocht[450]: + Doch geen van dees beiden mocht + Isak brengen eindelijken + In Canaäns koninkrijken: + Onder welke schorsse duikt + Als men dezen bast ontluikt[451], + De onvolkomen zwakheid teder + Van der wet te korten leeder[452], + Om in 't hemelsch vaderland + Op te stijgen uit den brand, + Uit den brand der zielen zweerdig[453], + Uit Gods toornigheid rechtveerdig, + Daar ons Christus, als gezeîd, + Heeft behouden uitgeleid. + Want in Christo woont bekwamig + Zelf de volheid Gods lichamig, + 't Evangelische verbond + Vloeyet uit zijns wijsheids mond, + Der genaden fontein-ader[454], + Ons verbidder, bij den Vader. + Israël vertrok op hoop, + Maar voor ons heeft al den loop + Christus 't hoofd van zijne benden + Lang te voren gaan vol-enden, + En met 't kruis getriomfeerd + Boven Hemelen en eerd'[455]. + Laat dit plaatse bij u grijpen, + Laat dit godlijk zaaisel rijpen, + Zoo zal te uwaarts 's Hemels gonst + Vloeyen UIT LEVENDER JONST[456]. + + + + +VOETNOTEN: + +[1] _nagenoeg._ + +[2] _Verzonnen_. + +[3] _Maar_. + +[4] _ingerichte_. + +[5] Van (den Latijnschen dichter) _Horatius_. + +[6] _Gebrekkig_ (van geest nam.). + +[7] Thans _zich_. + +[8] Men zou hier verkeerdelijk het wanklinkende _daarnaar_ willen +lezen; oorspronkelijk toch werd na en naar (d. i. ei-genlijk _nader_) +dooreen gebruikt, en verdient dus in alle deze samenstellingen met _waar_, +_daar_, enz. het eerste de voorkeur. + +[9] Thans _dan_. + +[10] _Korten_ (verg. de uitdrukking _spanne tijds_). + +[11] Thans _vertoont_ (d. i. eig. _vertoogent_, met den langeren +vorm, die den korteren geheel verdrongen heeft.) + +[12] _te omspannen_; verg. boven bl. 5, aant. [8]. + +[13] _blinkende_. + +[14] Tweede-naamval van Venus. + +[15] _blinde klip_ + +[16] Thans _iets anders_. + +[17] _bestuur_, _beheer_. + +[18] _leerrijke_. + +[19] Lat. voor _tooneel_. + +[20] _planken_. + +[21] J. Mz. _Vaer_ (d. i. _van der_) Laer was een rijk Amsterdamsch +lakenkooper, en van 1608-1616 Heer van Jaarsveld. + +[22] Thans _doet hem verzellen_. + +[23] _bekrachtiging_. + +[24] _vrij te laten_. + +[25] _beesten_ (verg. 't Fr. _bétail_). + +[26] _welriekend_. + +[27] _kaauwt en herkaauwt_. + +[28] _Dijt uit_. + +[29] _schapen_ (het deel voor 't geheel, en de vacht voor 't dier genomen) + +[30] _pracht_ (verg. 't Hoogd. _geschmeide_). + +[31] _kleed_ ('t Fr. _habit_). + +[32] voor _schijnt_. + +[33] Thans tot _een helm_ geslonken. + +[34] _zacht_. + +[35] _dan_. + +[36] _dezer dagen_. + +[37] _afbeeldt_. + +[38] _open_. + +[39] Voor _verlustigt_. + +[40] _tweesnijdend_. + +[41] Thans _ofschoon_. + +[42] _luister_, _glans geeft_, _blinkt_. + +[43] 't zilver van den maan. + +[44] Voor _raast_. + +[45] _legt_; thans _ligt_. + +[46] _zeis_. + +[47] De landbouwende klasse. + +[48] Thans tot _lachte_ verzwakt. + +[49] _Een iegelijk_. + +[50] Voor _gemeen_. + +[51] _voren_. + +[52] _gelijk_. + +[53] _bron_, _water_. + +[54] _vonkelen_ (verg 't Eng. _to spark_). + +[55] Thans _schijnt te branden_. + +[56] Thans alleen _geknield_. + +[57] _sterk_ (verg. boven _spark_ met ons _sprank_). + +[58] _bespiedde_. + +[59] _in eigen persoon_. + +[60] _spiegelgladde_, _effene_. + +[61] voor _gebracht_. + +[62] _aan wien_. + +[63] voor _krult_. + +[64] Thans _wil_. + +[65] _Bewandelt_, _betreedt_. + +[66] _draait_. + +[67] _perk_, _omvang_. + +[68] _van't veld_. + +[69] _Zoo_, _indien_. + +[70] _bundel_, _koker_. + +[71] Thans _beschoren_. + +[72] voor _versmelt_. + +[73] _erkennen_. + +[74] _vloeit_ en _geboeid_, als _vloei-et_ en _geboei-ed_ te lezen; +verg. beneden _scheidet_. + +[75] _helderen_. + +[76] voor _vliegend span_. + +[77] _sluw_. + +[78] Thans _om te_. + +[79] Eig. 't Hoogd. _kreitz_, d. i. _kring_, _perk_; van daar (gelijk ook + hier) _strijdperk_. + +[80] _veegt_ (van 't oude _dwa-en_, waarvan nog _dweil_). + +[81] _schreyend_. + +[82] Voor _tarwen-aren_. + +[83] Thans _zich_. + +[84] _flikkeren_, _vonkelen_. + +[85] _hoekigen_, _kronkelenden_. + +[86] _golvenden_. + +[87] voor _verheuging_. + +[88] _afloopt_. + +[89] _kunnen_. + +[90] _Met uw verlof_. + +[91] voor _schijnt het_. + +[92] voor _toegevoegd_, _opgelegd_. + +[93] voor _zich_. + +[94] _op vaderlijke wijs_. + +[95] _ook_ (_ofschoon_). + +[96] voor _baatte_ (wegens den volg. klinker). + +[97] Thans _naar de ziel_. + +[98] _dreigt_ + +[99] _met tranen in de oogen_, _weenend_. + +[100] Thans _onbewogen_. + +[101] _zijn verlaten opengezet_. + +[102] Minder gelukkig voor _aardkloot_. + +[103] Thans _van de ark_. + +[104] _zuiver_. + +[105] _kon_. + +[106] _wel_. + +[107] _bepaald_; verg. boven bl. [3]. + +[108] Voor _keert het_, _proeft het_. + +[109] _toevoegt_. + +[110] Dit aanwijzende den staat hier niet overbodig, maar op +gelijke wijs als 't nog steeds in Overijsel en elders--voor 't +Hollandsche _die_ of _dien_ onzer schrijftaal--gebezigd wordt. Evenzoo +vroeger "den Farao". + +[111] _gestarnte_. + +[112] De spraakverwarring der Bijbellegende bij den torenbouw. + +[113] _blinken_ (van daar onze metaalnaam _blik_ en 't woord _bliksem_). + +[114] voor _beheerscht het_. + +[115] _tot zijn straf_. + +[116] _meê_. + +[117] _wijselijk_. + +[118] _Tot veroordeeling en dwaling leidend_. + +[119] anders _verfrayen_, thans _vervrolijken_. + +[120] een van boven gespleten stok. + +[121] _staf_. + +[122] _blinkend_; verg. boven op _blikken_. + +[123] voor te _verteeren_. + +[124] Thans tot lachte verzwakt. Het enkelvoud verklaart zich lichtelijk +door vereenigende samenvatting der volgende opsomming. + +[125] Thans tot _plukken_ verdikt. + +[126] _bedwelmd_. + +[127] _de borst doorbonzend_. + +[128] Lat. 2e naamval: _van Farao_. + +[129] voor _duizenden_. + +[130] _gekweld_. + +[131] Saamgetrokken uit _hadtghy_: _hadt gij_. + +[132] _Glinsterde_. + +[133] versta: _geleek zij_. + +[134] verkeerdelijk voor _zwierf_, _verstierf_. + +[135] Thans tot _heette_ verzwakt. + +[136] (Gelijk _metterdaad_, _metterwoon_, enz. saamgetrokken _met der +spoed_) thans _met spoed_. + +[137] _begraven_. + +[138] _vaak_, _dikwerf_ d. i. _veelmaals_. + +[139] Thans _ontstoken_. + +[140] _schielijk afgedane_. + +[141] het gelaat verwringende. + +[142] Thans _de_. + +[143] Minder gelukkig voor _overstelpt_ of iets derg. + +[144] Lat. vierde naamval van _Mozes_. + +[145] _Helsche_, _Duivelsche_. + +[146] _Maar al te ongaarne geuit_. + +[147] _vlugger_. + +[148] _manlijke kracht_. + +[149] _lichtgeschitter_. + +[150] _walmend_, _smokend_. + +[151] enkelv. + +[152] _Duizelig maakt_. + +[153] _het groote heelal_. + +[154] voor _gemakkelijk_. + +[155] _plotseling_. + +[156] _vreest_. + +[157] Thans _geveegd_, _gezuiverd_. + +[158] _makkers_ (nam. de _zeeluî_). + +[159] voor _wenden_. + +[160] _verradelijk_. + +[161] _vreeselijk_; thans verkeerdelijk _ijselijk_ geschreven. + +[162] _vork_ ('t Hoogd. _gabel_), hier voor Neptunus' _drietand_. + +[163] _bliezen_. + +[164] d. i. _stuurman_ (omdat die van Aenëas bij Virgilius zoo heet). + +[165] _boos_ (_druipend_). + +[166] 't Hoogd. _kutscher_; thans _koetsier_. + +[167] _aanging_. + +[168] voor _binnen_. + +[169] voor _berekenen_. + +[170] voor _strandde_. + +[171] _ellen_. + +[172] _dubbel snel_. + +[173] _ydele beelden_. + +[174] voor _verzwonden_ of _verdwenen_. + +[175] Lat. tweede naamval van _Isis_. + +[176] Thans _vochtig_. + +[177] Thans _een of ander_. + +[178] _In 't geheel niets_. + +[179] voor _dier_, thans _wier_. + +[180] voor _acht ik_. + +[181] Thans _worden_. + +[182] _onachtzaam_. + +[183] _hoe langer_. + +[184] versta: _ons te ontslaan van_. + +[185] voor _te dreigen_. + +[186] Door 't twee regels later volgend _weder_- overtollig. + +[187] _wederbrengen_, _doen herboren worden_. + +[188] _herbracht_. + +[189] _ontzaggelijker_. + +[190] _gewelf_ ('t Fransche _voûte_). + +[191] d.i. van E. + +[192] _Geef nu verlof tot_, _veroorloof_. + +[193] Deze _Jup._ maakt hier al een zeer vreemde vertooning, en +geeft slechts een blijk te meer van smakelooze verwarring aller Goden en +Godenlegenden in Vondels eeuw. + +[194] Van Saturnus (als _Tijdgod_ genomen). + +[195] Anders _dwingeland_, en een bewijs dat men verkeerd doet, +dit saamgestelde woord van een vermeend _dwingelen_ af te leiden. + +[196] _overladen_. + +[197] voor _klimmen_. + +[198] Anders _soep_, _spijs_. + +[199] _wegneemt_, _belet_. + +[200] _tot dwaling brengen_. +(verg. het Hoogd. _verrückt_.) + +[201] _een veêrtjen_. + +[202] _gelooft gij_. + +[203] _wakker_. + +[204] _mars_, _koopwaar_. + +[205] _afgebeeld_, _voorgedaan_. + +[206] _kleuren_. + +[207] _Schort op_, _staakt_. + +[208] _is hij niet voorzichtig_. + +[209] _in beweging_, _beroerte_. + +[210] voor _keten_ of _ketting_ ('t Lat. _catena_). + +[211] _schuinsch_ geslingerde. + +[212] _kunt_. + +[213] _het meest Helsche_. + +[214] minder gelukkig +voor _onder hun vlerken_, _hun schaduw bedekken_. + +[215] Versta: _de opgesperde kaken_. + +[216] Thans _naar de ziel_. + +[217] _streelende_, _vleyende_. + +[218] _uitpraten_. + +[219] Verg. boven de aant. op _Jupiter_. + +[220] _zorgt_. + +[221] (voet-)_zolen_. + +[222] Verkeerdelijk voor _meer_. + +[223] Hier in slechten zin, voor _hoogmoedig_, _overmoedig_. + +[224] _bundel_. + +[225] voor _hoofdhaar_; eerst later werd het uitsluitend gebezigd +voor 'tgeen men toen nog een "looze paruik" noemde. Verg. o.a. Hoofts +Dichtjen aan Anna Roemers dienaangaande. + +[226] Midden-Egypte. + +[227] Gedoornde d. i. _stekelige_ puisten. + +[228] Voor _een vloed van regendroppels_, + +[229] Rijmshalven voor _eizig_. + +[230] _onbedekt, dor._ + +[231] Anders _altegaâr_. + +[232] voor _de zon_. + +[233] _houdt weg_, _verschuilt_. + +[234] _schittert_. + +[235] Hier nog meer in zijne oorspronkelijke beteekenis van _verspringen_. + +236] _vonkt_ (zie vroeger). + +[237] _rijksappel_, als teeken der oppermacht. + +[238] _krijgshaftig_. + +[239] _Neder-Egypte_. + +[240] voor _grafteekenen_ in 't algemeen, hier de Pyramieden. + +[241] _het uitspansel te naderen._ + +[242] voor _uitgespreid_, _uitgebreid_. + +[243] Het Westen, in tegenoverstelling van den _Levant_ (of _Opgang_) +voor 't Oosten. + +[244] _Zuiden_. + +[245] voor _wimpel_, _vaan_, _banier_. + +[246] binnen den kring der stervelingen. + +[247] _voedt_, _onderhoudt_. + +[248] Minder juist voor _afschiet_. + +[249] Thans tot _noch_ (gelijk _ofte_ tot _of_) afgekort. + +[250] Volle verbuigingsvorm van den tweeden naamval. + +[251] _den heer te spelen_. + +[252] _op zijn minst_. + +[253] Hebreeuwsche naam voor Egypte. + +[254] Hier in goeden zin: _grootsch_, _edelaardig_. + +[255] _niet_. + +[256] Thans _te vermaken_. + +[257] met _duren_ eede. + +[258] voor _vlijt_, dat toen nog zoo uitgesproken werd. + +[259] Versta: _daarheen_, _van waar_. + +[260] Gelijk reeds vroeger (bl. 6) voor _reus_. + +[261] _vochtige_. + +[262] voor u. + +[263] _bedelbrokken_ of liever _benden_. + +[264] _keuken_. + +[265] _kraanvogels_. + +[266] _Te gast te gaan_. + +[267] Thans _den eik_. + +[268] Zoo lees ik, voor 't onverklaarbare _van_. + +[269] _Trotsch_, _ontoeganklijk_. + +[270] Thans _om te_. + +[271] Verkeerdelijk voor _omvlochten_. + +[272] _naauwlijks_. + +[273] _afgemeten_. + +[274] _gewelven_. + +[275] _middelpunt_. + +[276] voor _strafzwaard_. + +[277] Thans _uwsweegs_, sedert _straat_ in den meer bepaalden zin +van _bestraten weg_ (_via strata_) gebezigd wordt. + +[278] _allerlaagsten_. + +[279] Fransche _offrande_, en dus verkeerdelijk +meestal _offerhand_ geschreven. + +[280] Thans _veroorlooft_. + +[281] _verzacht het_. + +[282] _ontbloote_, _zichtbare_. + +3[283] Thans _wordt_. + +[284] _wegneemt_. + +[285] Thans tot _en_ verkort. + +[286] _wijselijk_. + +[287] Germ. voor _verwen_. + +[288] _vrijwaren_. + +[289] Voor _doorklieft_. + +[290] _onderwijl_. + +[291] Thans _zich_. + +[292] _aan 't spit braden_. + +[293] _zuur_. + +[294] _gereed_. + +2[295] Thans _maan_. + +[296] _verbijsterd_ (verg. 't Hoogd. _verrückt_). + +[297] Voor _terwijl_. + +[298] _luchtige_, _vlugge_. + +[299] Minder gelukkig voor _met getakte hoornen_. + +[300] Verwarring van konijnen en hazen. + +[301] de golven van Thetys, d. i. de zee. + +[302] _klaarlijk_. + +[303] den reidans opent. + +[304] Thans _spreidt_. + +[305] Anders _flambouw_ +('t Fransch _flambeau_), gelijk _bureel_ van _bureau_. + +[306] Neder-Egypte. + +[307] _overschaduwen_. + +[308] Thans _dien_. + +[309] Thans tot _morgenzon_ geslonken. + +[310] _helderheid te gunnen_. + +[311] _bespreid_. + +[312] De Grieksche Wraakgodinnen. + +[313] De bekende Schikgodin, die 's menschen levensdraad afsnijdt. + +[314] Voor _sterren_. + +[315] _gedraaid_. + +[316] _gouden lokken_. + +[317] Thans _onttrokt aan_. + +[318] Voor _gestarnte_. + +[319] _verraderlijk_ (als een "dief" in den nacht ons besluipende). + +[320] De bekende rivieren der oude wereld. + +[321] Rijmshalven voor _schadelijk_. + +[322] _oorlogsmaagd_. + +[323] Thans _wapenen_. + +[324] _streng_, _wreed_. + +[325] Thans _zoo_. + +[326] Rijmshalven voor _het loof_ of _lover_. + +[327] Thans voor het Fr. _fluit_ verouderd (verg. echter nog ons +_pijper_). + +[328] _ommekring_. + +[329] Voor de _beesten van 't veld_. + +[330] _dicht bewassen_. + +[331] Anders _verloor_. + +[332] Voor _ouderdom_. + +[333] Naar zijn eigenlijke beteekenis van _vorm_. + +[334] _gilde_. + +[335] _bovenal_. + +[336] _overtrokken_, _overschaduwd_. + +[337] Gallicisme voor _graf_. + +[338] _erfgenaam_, 't Fr. _hoir_. + +[339] Van _ijs_. + +[340] _gestalte_. + +[341] Thans _eener zon_. + +[342] _bliksemflits_. + +[343] Thans _te_. + +[344] Thans in verlengden vorm _vertoont_ (d.i. _vertoogent_). + +[345] _toorts_. + +[346] _vonkt_. + +[347] Voor _zoo en_ (d.i. _niet_). + +[348] _doorboorden_. + +[349] Rijmshalven maar verkeerdelijk voor _gedocht_. + +[350] _vergetelheid_. + +[351] Voor _vlijmen_, of liever _vlijmend zwaard_. + +[352] _laat vrij_. + +[353] _Laat ze vlugten, trekken, reizen enz_. + +[354] Voor _be-ijzeld_. + +[355] Mr. van Lennep is, in zijne nalezing en aantt. te recht +tegen deze noodelooze verlenging, en Vondels misbruik van den uitgang _ig_ +in 't algemeen te velde getrokken. + +[356] Gelijk meer als _zal_ (verg. ook 't Eng. _to will_). + +[357] _weldra_. + +[358] _in persoon_ (verg. echter aant. [355]). + +[359] Verkeerdelijk voor _van den Oceaan_. + +[360] Thans _maakt u_. + +[361] _weggevaagd_ (zie vroeger). + +[362] Verkeerdelijk en onwelluidend, maar maatshalven voor +_menschelijke treden_. + +[363] _draai_, _ommezwaai_. + +[364] _vergolden_, _betaald_. + +[365] Voor _dubbel_. + +[366] Thans _worden_. + +[367] _arm_. + +[368] Thans _om te_, _tot_. + +[369] D.i. den _moed_. + +[370] D.i. _de legerknechten_ (als die de wapens hunner vijanden +vermeesteren). + +[371] _weifelen_. + +[372] _oorloogt_, _strijdt_. + +[373] Thans _werpt_ (even als, omgekeerd, thans _wordt_ voor 't +vroegere _werd_). + +[374] _In korten tijd_. + +[375] Voor _gezwind_. + +[376] _laat_. + +[377] Rijmshalven voor _beroemen_. + +[378] _kregel_, _wrevelig_. + +[379] _bejammerd_ (nam. door de Egyptenaren). + +[380] Hoogd. voor _spoedig_. + +[381] Thans _dien_. + +[382] Waarschijnlijk bedoelt de dichter datgene, waartoe hem +zijn hartstocht _verleidde_. + +[383] Thans _zelf_. + +[384] _'thelpt niet_. + +[385] voor _onbedacht_. + +[386] Hier voor _schaar_. + +[387] _werpe_. + +[388] _golvend_, _drijvend_. + +[389] _stugge_, _harde_ (gelijk nog in Overijsel _stoer_; verg. +ook ons _stuursch_). + +[390] _wankel-_, _kleinmoedig_. + +[391] Thans _hoop_. + +[392] In 't _midden_. + +[393] _lager_. + +[394] _tegen den aard_. + +[395] _Dwars overtrekken_. + +[396] _op den duur_. + +[397] Minder juist voor _diepgaande_, tot op 't grondelooze toe. + +[398] D. i. _van de zee_. + +[399] _boos_, _verraderlijk_. + +[400] _zakt_. + +[401] Thans _eindlijk_. + +[402] Thans veelal verkeerdelijk _ijselijk_. + +[403] _vloeyend tal_. + +[404] Rijmshalven voor _klimmen_. + +[405] Voor _snellende_. + +[406] Thans _dollen_, _woedenden_. + +[407] _wien_, _tegen wien_. + +[408] _geeft om_. + +[409] _dwarsch_, _stuursch_. + +[410] _vochtig gewoel_ voor _'t gewoel der golven_. + +[411] _binnen zoo korten tijd_. + +[412] Voor _meest onvervalschte_. + +[413] _goedgunstig_. + +[414] _ruw_, _woest_. + +[415] Voor _krijgswapens_. + +[416] Thans _meê_. + +[417] trompet. + +[418] _voorstaat_, _beschermt_. + +[419] Voor _met zijn schaduw overdekt_. + +[420] _genieten_ (verg. nog ons _órberen_). + +[421] Thans _om te_; verg. vroeger. + +[422] Voor _breed_. + +[423] Versta: _treurend slaakte_. + +[424] Voor _gesternte_. + +[425] Voor _teeken van dankbaarheid_. + +[426] Thans _niets_. + +[427] Thans _bron_. + +[428] Tweeden naamvalsuitgang, thans _oprechte_. + +[429] _heeft het_. + +[430] Voor _gebouwd_. + +[431] _geheime raad_. + +[432] Namelijk _het offer_. + +[433] Minder gelukkig voor _gedenken_, _mij herinneren_. + +[434] Rijmshalven voor _verdiensten_. + +[435] Voor _doet versagen_. + +[436] _trotschen_. + +[437] _Behooren_. + +[438] _straalt_; verg. reeds herhaaldelijk vroeger. + +[439] Thans _bezwijkt_, _zwicht_. + +[440] Rijmshalven voor _melden_. + +[441] Voor _verweren_, _beschermen_. + +[442] _alleen_ (verg. 't hoogd. _bloss_). + +[443] Latinisme voor _nadat onze boeyen gebroken zijn_. + +[444] Maatshalven voor _gekregen_. + +[445] Thans _de Jordaan_. + +[446] Thans _zich_. + +[447] Rijmshalven als stopwoord gebezigd. + +[448] Voor _kleed_. + +[449] _voordeel_. + +[450] _vochtig_ en daarom _vaardig_. + +[451] _ontsluit_. + +[452] ladder. + +[453] _snijdend_, _fel_. + +[454] _bron-aâr_. + +[455] _aarde_. + +[456] _Uit levendige gunst_; de leus der oude Rederijkers kamer te +Amsterdam. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De complete werken van Joost van Vondel, by +Joost van den Vondel + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WERKEN VAN JOOST VAN VONDEL *** + +***** This file should be named 30473-0.txt or 30473-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/0/4/7/30473/ + +Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
