summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--30467-0.txt9344
-rw-r--r--30467-h/30467-h.htm12595
-rw-r--r--30467-h/images/book.pngbin0 -> 364 bytes
-rw-r--r--30467-h/images/external.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--30467-h/images/p064.gifbin0 -> 66578 bytes
-rw-r--r--30467-h/images/p064.pngbin0 -> 66578 bytes
-rw-r--r--30467-h/images/p066.gifbin0 -> 41685 bytes
-rw-r--r--30467-h/images/p066.pngbin0 -> 41685 bytes
-rw-r--r--30467-h/images/p238.gifbin0 -> 18487 bytes
-rw-r--r--30467-h/images/p238.pngbin0 -> 18487 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/30467-0.txt9721
-rw-r--r--old/30467-0.zipbin0 -> 214317 bytes
-rw-r--r--old/30467-h.zipbin0 -> 368898 bytes
-rw-r--r--old/30467-h/30467-h.htm13058
-rw-r--r--old/30467-h/images/book.pngbin0 -> 364 bytes
-rw-r--r--old/30467-h/images/external.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--old/30467-h/images/p064.gifbin0 -> 66578 bytes
-rw-r--r--old/30467-h/images/p064.pngbin0 -> 66578 bytes
-rw-r--r--old/30467-h/images/p066.gifbin0 -> 41685 bytes
-rw-r--r--old/30467-h/images/p066.pngbin0 -> 41685 bytes
-rw-r--r--old/30467-h/images/p238.gifbin0 -> 18487 bytes
-rw-r--r--old/30467-h/images/p238.pngbin0 -> 18487 bytes
-rw-r--r--old/old/2009-11-13-30467-8.txt9749
-rw-r--r--old/old/2009-11-13-30467-8.zipbin0 -> 208400 bytes
-rw-r--r--old/old/2009-11-13-30467-h.zipbin0 -> 364020 bytes
-rw-r--r--old/old/2009-11-13-30467-h/30467-h.htm13033
-rw-r--r--old/old/2009-11-13-30467-h/images/book.pngbin0 -> 364 bytes
-rw-r--r--old/old/2009-11-13-30467-h/images/external.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--old/old/2009-11-13-30467-h/images/p064.gifbin0 -> 66578 bytes
-rw-r--r--old/old/2009-11-13-30467-h/images/p066.gifbin0 -> 41685 bytes
-rw-r--r--old/old/2009-11-13-30467-h/images/p238.gifbin0 -> 18487 bytes
34 files changed, 67516 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/30467-0.txt b/30467-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..1af3443
--- /dev/null
+++ b/30467-0.txt
@@ -0,0 +1,9344 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 30467 ***
+
+ Thet Oera Linda Bok
+
+ Naar een handschrift uit de dertiende eeuw.
+
+
+ Eigendom der familie Over de Linden,
+ Aan Den Helder,
+ Bewerkt, vertaald en uitgegeven door
+
+ Dr. J. G. Ottema.
+
+
+ Tweede uitgave.
+
+ Te Leeuwarden, bij
+ H. Kuipers.
+
+ 1876.
+
+
+
+
+
+ Gedrukt bij J. R. Miedema te Leeuwarden.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+De eerste druk van het Oera Linda Boek is uitverkocht, en daardoor de
+gelegenheid ontstaan, om eene tweede uitgave ter perse te leggen. Voor
+mij is dit eene gewenschte zaak, omdat ik nu in staat gesteld ben
+hier en daar eene ingeslopen fout te herstellen of eene minder juiste
+vertaling te verbeteren.
+
+Van zijne eerste verschijning af, ja zelfs reeds voor dat het
+gedrukt was, heeft het boek eene groote tegenspraak en veroordeeling
+ondervonden. Vele pennen zijn daarover in beweging gebracht, eerst om
+de uitgave te beletten en vervolgens om de verspreiding tegen te gaan.
+
+Niet alleen binnen 's lands, maar ook daar buiten is men tegen dat
+boek te velde getrokken, als of van de echtheid of onechtheid daarvan
+het welzijn van land en volk afhing.
+
+Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en
+verbittering op te wekken? Is het zoo'n bespottelijk prulschrift,
+zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men
+leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat
+ik er bij en over geschreven heb in de Inleiding, de Geschiedkundige
+Aanteekeningen, de Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek, en
+de Deventer Courant en het Oera Linda Boek. Doch dat is juist wat men
+niet doet. Men wil niet ingelicht wezen over den aard, de strekking en
+de wetenschappelijke waarde van het boek. Het is veel gemakkelijker en
+pleizieriger in den blinde te schermen en in het wilde te schreeuwen,
+dan zich te zetten tot een ernstig onderzoek. Ieder, die maar even
+het boek oppervlakkig heeft ingezien, of er wat over heeft hooren
+praten, waant zich gerechtigd om er een afkeurend oordeel over uit
+te spreken. Dat oordeel maakt een triumftocht door alle nieuwsbladen,
+wordt door het van de zaak onkundig publiek toegejuicht, en het land
+is gered.
+
+Nu hebben de Heeren F. Muller en P. Smidt van Gelder, te Amsterdam,
+het papier van het Handschrift zoo het heet onderzocht, en beweren
+in de Nederlandsche Spectator no. 32 van den 5 Augustus 1876, dat
+het papier in deze eeuw is vervaardigd en wel in de laatste 25 jaren,
+dat het machinaal papier vergé is en afkomstig uit de fabriek van de
+Heeren Tielens en Schrammen te Maastricht.
+
+De Heer Muller schrijft, dit gevoelen steunt op de navolgende gronden:
+
+1. Het papier was in de 13e eeuw geheel van katoen, dik, ongelijk,
+wollig, met zeer ongelijke onduidelijke waterlijnen,--dit papier
+is dun, gelijk, hard, hier en daar doorschijnend, met geregelde
+duidelijke waterlijnen.
+
+Antw. Het katoenpapier uit de 13e en vroegere eeuwen moest, eer men
+er op kon schrijven, daarvoor opzettelijk geprepareerd worden door
+polijsten. De Arabieren en Gothen hebben dit gedaan op dezelfde
+wijze als de Egyptenaren hun papier en de Romeinen de fijnere
+perkamentsoorten glansden, namelijk door sterke wrijving met de
+slagtand van een wildzwijn, apri dente levigatur (Plinius). Tot een
+gelijk doel bedienen de boekbinders zich van een agaat. Door de sterke
+wrijving werden de papiervezelen dichter ineen geperst en daardoor
+het papier glad en effen en iets dunner als het was.
+
+Doch daarom kan men het papier van het H. S. niet dun noemen. Het
+H. S. bestaat uit 96 bladen, die tusschen eene pers gezet eene
+gezamenlijke dikte hebben van ruim 12 m.M., waartegen de dikte van
+2 boek best hollandsch schrijfpapier 12½ m.M. bedraagt, zoodat de
+dikte van die beide papiersoorten gelijk staat. En best hollandsch
+schrijfpapier behoort toch niet onder de dunne papiersoorten.
+
+Ik moet het er voor houden, dat de monsters papier, welke de Heer
+Muller vroeger gezien heeft, nog ongeprepareerd en ongepolijst
+geweest zijn, en dat hierdoor het verschil verklaard moet worden,
+'t welk hij bij deze vergelijking heeft opgemerkt.
+
+2. Het papier is van oudsher tot ongeveer 1800 in het midden tusschen
+de waterlijnen dunner dan ter weerszijde dicht bij de waterlijnen,--dit
+papier is bij de waterlijnen egaal, gelijk alleen het papier van deze
+eeuw is.
+
+Antw. Ik merk hierbij op, dat die uitdrukking van oudsher niet verder
+gaat dan tot het midden der 14e eeuw, toen het linnenpapier in de
+plaats van het katoenpapier is getreden en de papier-fabrikatie
+zich al meer en meer over Europa heeft uitgebreid. Die vergelijking
+heeft dus geene betrekking op het katoenpapier van de 13e eeuw, en
+leidt tot geene gevolgtrekking tegen het papier van het Handschrift,
+namelijk dat dit van de tegenwoordige zijn zoude.
+
+Het onderscheidt zich juist van het tegenwoordig papier in vier hier
+zeer belangrijke punten.
+
+a. De breedte der horizontale waterlijnen. Want in een afstand van 33
+millimeters telt men daarbij 16 horizontale waterlijnen, zoodat de
+breedte van elke lijn voluit 2 m.M. bedraagt. Het machinaal papier
+wijst in dien afstand 17 tot 18 zulke lijnen aan, of voor elke lijn
+eene breedte van niet meer dan 1.85 m.M. Zwaar Engelsch postpapier
+heeft op dien afstand 20 lijnen, elk ter breedte van 1.65 m.M.
+
+b. De afwezigheid van chloor. Eene proef, genomen in mijne
+tegenwoordigheid door wijlen den heer A. P. H. Kuipers, heeft
+aangetoond dat het papier in het minst niet reageert op zilver en
+dus volstrekt geen chloor bevat. Terwijl in deze eeuw geen papier
+vervaardigd wordt of het is met chloor behandeld en laat bij dezelfde
+proef op zilver een witten aanslag achter.
+
+c. De afwezigheid van stijfsel, amylum. De proef met eene oplossing
+van iodium, die op machinaal papier eene zuivere en heldere violette
+kleur te voorschijn brengt, heeft op dit papier geene uitwerking
+en laat de bruine kleur van het iodium onveranderd, althans niet
+meer dan bij elke uit zuivere planten vezelen vervaardigde stof wordt
+waargenomen, omdat in alle planten vezelstof als natuurlijk bestanddeel
+eenig amylum aanwezig is. Dit papier is derhalve vervaardigd zonder
+toevoeging van stijfsel en dus niet in de tegenwoordige eeuw.
+
+d. Ten aanzien van die waterlijnen is er nog een groot verschil
+tusschen machinaal papier en dat van het Handschrift. Bij het
+eerste zijn de lijnen van de vergeering uitwendig zichtbaar en
+vallen terstond in het oog. Bij het laatste zijn de waterlijnen
+van buiten bijna onzichtbaar, zoo zelfs, dat Dr. E. Verwijs in een
+brief, d.d. Leiden 1 Dec. 1870, (d.i. nadat het Handschrift gedurende
+drie jaren in zijne handen geweest was,) aan mij gericht, schreef:
+Verder het papier, dat èn om den vorm èn om de stof mij verdacht
+voorkomt. Oogenschijnlijk is het velijnpapier, dat in den rook heeft
+gehangen.--Scheurt men de bladen in, dan vertoont het zich op de
+scheur veel witter. Een watermerk is nergens te vinden, en ik heb
+nooit middeleeuwsch papier gezien
+zonder watermerk en kan mij het zelfs niet denken."
+
+Dr. Verwijs heeft dus in al dien tijd de waterlijnen niet gezien,
+zelfs niet toen hij naar een watermerk zocht. Dit was niet mogelijk,
+wanneer hij gevergeerd machinaal papier voor zich had gehad.
+
+3. Dit papier is geel gekleurd en niet van nature geel, gelijk veele
+plaatsen bewijzen.
+
+Antw. Als het papier gekleurd, d. i. geverfd was, dan moest de
+kleurstof in het papier zijn ingedrongen, doch dit is niet het
+geval. Op de breuk ziet men duidelijk dat van binnen de vezel wit
+is. De vuile geelachtig zwarte kleur van het papier is alleen het
+gevolg van den tijd, en de uitwerking van den ouderdom in een verloop
+van meer dan zes eeuwen.
+
+Dat overigens het papier nog zoo goed geconserveerd is en vooral door
+vocht of mot niet geleden heeft, is een bewijs voor de zorgvuldige
+bewaring van het H. S. als een om het zoo te noemen familie-heiligdom.
+
+4. Dit papier is afgesneden, gelijk duidelijk zichtbaar is; het papier
+der 13e eeuw laat zich niet afsnijden noch afknippen zonder vezels
+achter te laten.
+
+Antw. Dit laatste mag in zeker opzicht waar zijn bij ongepolijst
+papier, maar bewijst niets ten opzichte van gepolijst en daardoor
+dichter zamengeperst papier, en hangt in allen gevalle af van de
+meerdere of mindere scherpte van mes of schaar.
+
+5. Het afsnijden doet mij denken aan machinaal papier, waarin wel de
+perpendiculaire waterlijnen (pontuseaux) kunnen gebracht worden, doch
+het is mij onbekend of daarin de horizontale lijnen van papierramen
+kunnen zijn; indien ja, dan houd ik dit voor goed machinaal papier,
+wat daarom niet ouder dan 25 of 30 jaar kan zijn, vroeger kon men in
+machinaal papier die lijnen niet maken.
+
+Antw. Ik heb voor mij liggen eene authentieke verklaring van de
+Heeren E. van Berk, P. Uurbanus, A. J. Leijer en T. Mooy aan den
+Helder woonachtig, waarin zij verzekeren, dat bij hen bepaaldelijk
+tusschen de jaren 1848 en 50 bekend is geweest het bestaan van het
+handschrift, toebehoorende aan de familie over de Linden, dat later
+is uitgegeven onder den titel van Thet Oera Linda Bok.
+
+Deze verklaring is in zijn geheel opgenomen in de Heldersche Courant
+van den 12 Maart 1876.
+
+Daarmede vervalt de geheele redeneering van den Heer Muller omtrent
+het machinaal papier, dat volgens zijne verklaring voor 25 of 30 jaar,
+d. i. vóór het jaar 1848, nog niet met horizontale waterlijnen gemaakt
+kon worden.
+
+Het papier van het H. S. is dus niet in deze 19e eeuw gemaakt. Van de
+14e tot de 18e eeuw is geen papier bekend of het is voorzien van een
+fabriekmerk (watermerk); maar in het papier van het H. S. is nergens
+een spoor van fabriekmerk aanwezig.
+
+Het is dus ook niet vervaardigd in de 14e of latere eeuwen. Zoodat
+er geen ander besluit overblijft, dan dat het papier uit de 13e eeuw
+afkomstig moet zijn.
+
+6. Dit papier is tot boek ingenaaid geweest, blijkens de gaatjes; het
+is veel te hard rondom die gaatjes om oud te zijn; ook is de wijze van
+innaaijen geheel modern en geheel anders als bij oude handschriften;
+daarbij gebruikte men minder gaten en dikker touw of perkament,
+dan hiervoor kan bezigd zijn.
+
+Antw. Indien de Heer Muller het geheele H. S. gezien had, dan zoude
+hij hebben opgemerkt, dat de rugzijde der katerns (of liever sexterns)
+nergens eene spoor van lijm of ander plaksel vertoont. Dit bewijst,
+dat het niet ingenaaid is geweest op eenige moderne manier, noch
+op touwtjes, noch op reepjes perkament, noch op strookjes, maar
+daarentegen op eene zeer eenvoudige en primitieve manier, door
+onmiddellijke vasthechting met naald en draad in een perkamenten
+omslag, gelijk men in den handel nog wel aantreft bij kleine boekjes,
+zoogenaamd los ineengehangen goedje, als almanakken en dergelijke.
+
+Dit kan iedereen doen, en dit zal Hiddo oera Linda ook wel eigenhandig
+gedaan hebben, en wel reeds daarom, omdat hij zijn Handschrift niet
+kon toevertrouwen aan een boekbinder, dewijl die kunst in de kloosters
+werd uitgeoefend, en zijn voorzaat Liko dringend gewaarschuwd had
+voor de monniken, papekappa, wier oogen vooral niet mochten gaan over
+deze schriften.
+
+7. Het schrift is veel te nieuw voor een hoogen ouderdom; de inkt
+ligt op het papier; heeft het papier niet aangetast, wat bij hoogen
+ouderdom van den inkt noodzakelijk moet gebeuren.
+
+De inkt is veel te zwart voor hoogen ouderdom, die was oudtijds
+lichter en werd na langen tijd geheel bruin.
+
+Antw. Hiertegenover stel ik de woorden van Wattenbach, das Schriftwesen
+im Mittelalter (Leipzig 1871) S. 137: »In alten Handschriften ist
+die Dinte schwarz oder bräunlich, immer von ausgezeichnet guter
+Beschaffenheit. Nachdem aber von 13 Jahrhundert an immer massenhafter
+geschrieben wird, erscheint die Dinte häufig grau oder gelblich,
+und ist zuweilen ganz verblasst."
+
+»Als Bestandtheile des atramentum librarium giebt Plinius Russ
+(lampenroet) und Gummi an. Marcianus Capella erwähnt zuerst die
+Galläpfel: gallarum gummeosque commixtio."
+
+»Eine Mischung von Kupfervitriol und Galläpfeln soll am häufigsten
+sein."
+
+Uit welke bestanddeelen nu de inkt, waarmede het H. S. geschreven is,
+kan bereid zijn, is mij onbekend; doch ik hecht aan de getuigenis van
+Wattenbach voor de goede hoedanigheid der inkt tot in de 13e eeuw,
+als bewijs voor de herkomst van het H. S. uit de 13e eeuw.
+
+
+
+Om deze redenen kan ik mij niet vereenigen met of berusten in het
+oordeel van de Heeren Muller en Van Gelder, welk oordeel bovendien niet
+geheel vrij is van eenzijdigheid. Zij hebben zich hoofdzakelijk de
+vraag gesteld: komt het papier van het H. S. in meerdere of mindere
+mate overeen met eene papiersoort van den tegenwoordigen tijd,
+papier vergé. Dit is echter de tweede helft der kwestie. De eerste
+en voornaamste helft is: in hoeverre komt het Handschrift overeen
+met andere Manuscripten op papier die ouder zijn dan van het jaar 1300.
+
+In betrekking hiertoe heb ik hier nog eene opmerking bij te voegen. Het
+Handschrift is gelinieerd geweest, waarschijnlijk met lood,
+doch de hooge ouderdom heeft die lijnen doen verbleeken en bijna
+uitgewischt, zoozeer dat ik in den eersten tijd ze wel vermoedde,
+maar niet onderscheiden kon, voordat Jhr. Hooft van Iddekinge er mij
+opmerkzaam op maakte. Zoodra deze een deel van het Handschrift onder
+oogen kreeg, zeide hij: dat is gelinieerd geweest, en dáár kan men de
+sporen er van zien." En toen ik zoo die sporen eens had leeren zien,
+viel het mij gemakkelijk ze overal op elke bladzijde te onderkennen.
+
+Daarom heb ik ook op het facsimilé van bl. 45 de linieering hersteld,
+teneinde te doen blijken hoe nauwkeurig en zorgvuldig die lijnen
+getrokken, en de letters daartusschen geschreven waren, en tevens om te
+doen beseffen, hoeveel tijd en vlijt er aan dat H. S., waarvan slechts
+een paar honderd bladzijden zijn overgebleven, besteed is. Daarvan
+heb ik de proef genomen door op gewoon gelinieerd papier pagina voor
+pagina het H. S. in zijn eigen schrift te copieeren, en aan dat werk
+300 uren moeten besteden. Dat is nog maar alleen overschrijven, en dan
+zoude een verdichter nog eerst het geheele boek moeten zamengesteld
+hebben, in eene taal, die van de bekende dialekten van het Oud-friesch
+even onderscheiden is, als deze alle onderling verschillen; want die
+oude Friesche wetten d. i. het wester Lauwers, het Hunsingoër, het
+Fivelgoër, het Oldampster, het Emsingoër, het Brokmer, het Rustringer
+recht, zijn in even zooveele verschillende dialecten geschreven en
+wijken in spelling en woordvormen van elkander af. Tegenover die alle
+zoude hij een afzonderlijk dialect moeten uitvinden, dat gesproken
+is tusschen het Flie en de Schelde. En ten slotte had hij nog een
+letterschrift moeten bedenken, dat meer en beter dan eenig ander voor
+de Friesche taal geschikt is.
+
+Ten aanzien van dat letterschrift moet ik eindelijk nog wijzen op
+eene zeer kenmerkende bijzonderheid:
+
+Het alfabet heeft nog geen q en z. De verbindingen qu, sc, sch en
+de c aan het begin van een woord zijn nog niet bekend, ten bewijze,
+dat deze geschriften zijn uit den vóór Romeinschen tijd.
+
+De c wordt niet anders gebruikt dan in de verbinding ch, als
+geadspireerde of verscherpte g b.v. burch m.v. burga.
+
+In de Friesche Rechtboeken daarentegen heeft de taal die schrijfwijze
+uit het Latijn aangenomen, en afzonderlijke teekens voor verlengde
+vocalen verloren, gelijk mede die voor gs, ng en th. Die invloed
+van het Latijn heeft vooral sedert Karel den Groote het alfabet door
+vermindering van het getal der letters vereenvoudigd, maar daardoor
+ook bedorven en minder geschikt gemaakt voor de aanduiding van aan
+de Friesche taal eigendommelijke klanken. In dit opzicht heeft de
+Friesche schrijfwijze of spelling een verbastering ondergaan, waarvan
+de gevolgen bij de tegenwoordige schrijvers diep gevoeld worden.
+
+Een verdichter zoude zich wel gewacht hebben aan de spelling en het
+alfabet van de oud-Friesche wetten iets te veranderen, en wel gezorgd
+hebben door eenige verandering geen wantrouwen te wekken.
+
+Zie dat is niet een werkje, dat een of andere guit voor de grap
+uitvoert, alleen om iemand te foppen. Dit te veronderstellen is immers
+eene ongerijmdheid. Doch dat is niets. De negative kritiek der moderne
+wetenschap staat voor geene ongerijmdheden. Als zij zich eenmaal in
+het hoofd gezet heeft niet te willen dulden dat het Oera Linda Boek
+echt is, dan moet het onecht wezen, het koste wat het wil. Nu loopt
+zij overal rond om den bedrieger te zoeken; er is zelfs sprake van
+geld bijeen te brengen om een prijs op zijn hoofd te stellen en den
+aanbrenger te beloonen. Doch alles even vruchteloos, om de eenvoudige
+en natuurlijke reden, dat die man niet bestaat en nooit bestaan heeft.
+
+Intusschen meent zij overal het publiek af te schrikken en richt tot
+iedereen de inquisitoriale vraag: geloof jij nog aan het Oera Linda
+Boek? Mijn antwoord is: ja Mijne Heeren. Ik heb nu bijna zes jaren lang
+dat boek door en door als 't ware van binnen en van buiten bestudeerd,
+in verband met de geheele oude Grieksche en Latijnsche literatuur,
+maar nergens heb ik iets kunnen vinden, wat mij eenigen grond tot
+twijfel aanbood. Daarom geloof ik nog aan de echtheid van thet Oera
+Linda Bok, [1] en om deze reden heb ik de eer u eene tweede uitgave
+daarvan aan te bieden.
+
+
+Leeuwarden, Sept. 1876.
+
+Dr. J. G. Ottema.
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING [2].
+
+
+De heer C. over de Linden aan den Helder, eerste Meesterknecht bij
+'s Rijks Marine-werf, bezit een overoud Handschrift, dat sinds
+onheugelijke jaren in zijne familie vererfd en bewaard is, zonder
+dat iemand meer de herkomst daarvan wist, of den inhoud er van kende,
+wegens de onbekendheid van taal en schrift. Alleen wist men, dat eene
+daaraan verbondene traditie van geslacht tot geslacht de zorgvuldige
+bewaring daarvan had aanbevolen. Het is gebleken, dat die traditie
+berustte op den inhoud van twee brieven, waarmede het Handschrift
+aanvangt; van Hiddo oera Linda Ao. 1256 en van Liko oera Linda Ao. 803.
+
+Het was aan hem gekomen volgens beschikking van zijn grootvader den
+heer Andries over de Linden, wonende te Enkhuizen en aldaar overleden
+den 15 April 1820, in den ouderdom van 61 jaren. Daar de kleinzoon
+echter destijds nog slechts 10 jaren oud was, moest het H. S. voor hem
+bewaard worden door zijne tante Aafje Meylhoff geb. over de Linden,
+wonende te Enkhuizen, die het in Augs. 1848 aan den tegenwoordigen
+eigenaar ten hand gesteld heeft.
+
+Dr. E. Verwijs daarvan kennis gekregen hebbende, verzocht van dit
+stuk inzage te mogen hebben en herkende het terstond voor zeer
+oud Friesch. Hij bekwam tevens vergunning er een afschrift van te
+vervaardigen ten behoeve van het Friesch Genootschap, en was van
+oordeel, dat het een stuk van groot belang kon wezen, bijaldien
+het niet een ondergeschoven en met bedriegelijke oogmerken verdicht
+geschrift was, waarvoor hij vreesde. Het afschrift in mijne handen
+gesteld zijnde, liet ook mij in den aanvang nog in het onzekere,
+schoon ik minder bevreesd was, omdat ik niet konde begrijpen, dat
+iemand een valsch geschrift zoude opstellen zonder eenig doel, en
+alleen om het geheim te houden. Doch de onzekerheid bleef bestaan,
+tot dat ik naauwkeurige facsimilés van een paar fragmenten en later het
+Handschrift zelf onder oogen kreeg. Het eerste gezicht daarvan stelde
+mij terstond omtrent den hoogen ouderdom van het geschrift gerust.
+
+Oogenblikkelijk toch stonden mij Caesars woorden voor den geest,
+als hij van het letterschrift der Galliers en Helvetiers sprekende
+B. G. I. 29 en VI. 14 zegt: Graecis utuntur literis. Echter blijkt
+uit V. 48 dat het niet geheel grieksche letters waren. Caesar
+maakt dus slechts eene vergelijking en wel eene zeer juiste. Want
+het schrift, dat met geen bekende lettervormen geheel overeenkomt,
+gelijkt oppervlakkig nog het meest op het Grieksche schrift, zoo als
+het op monumenten of in de oudste handschriften voorkomt, en behoort
+tot den vorm, dien men lapidair of steenschrift noemt. Daarbij is
+mij later gebleken, dat de schrijver van het laatste gedeelte des
+boeks een tijdgenoot van Caesar geweest is. De vorm en oorsprong
+van dit schrift is in het eerste gedeelte des boeks zoo omstandig en
+uitvoerig beschreven, als men het van geene taal kan aanwijzen. Het
+is zeer volkomen en bestaat uit 34 letterteekens, waaronder drie
+afzonderlijke vormen voor de a en u en twee voor de e, i, y en o,
+benevens vier zamengestelde of dubbelde medeklinkers: ng, th, ks
+en gs. De ng, die als neusklank in geene andere westersche taal een
+afzonderlijk teeken heeft, is eene ondeelbare verbinding, de th is
+zacht als in het Engelsen en wordt somwijlen door d vervangen, en de
+gs komt slechts zeer zelden voor, ik geloof alleen in het woord segse,
+zeggen, in het hedendaagsche Friesch sidse, uitgesproken sisze.
+
+Het papier, groot kwarto formaat, is katoen papier, vrij dik, zonder
+water- of fabriekmerk, op een raam of draadvorm geschept, met niet
+zeer wijde perpendiculaire lijnen.
+
+Een inleidende brief geeft het jaar 1256 op als het jaar, waarin het
+afschrift vervaardigd is door Hiddo overa Linda op overlandsch of
+buitenlandsch papier. Diensvolgens zoude het afkomstig moeten zijn
+uit Spanje, waar de Arabieren destijds katoenpapier vervaardigden
+en in den handel brachten. Hieromtrent schrijft W. Wattenbach, das
+Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871), S. 93:
+
+»De vervaardiging van papier uit katoen moet bij de Chinezen sedert
+overoude tijden in gebruik geweest zijn, en bij de verovering van
+Samarkand omstreeks den jare 704 aan de Arabieren bekend geworden. Te
+Damascus werd dat fabriekaat een levendige tak van industrie, waarom
+het Charta Damascena genoemd werd. Door de Arabieren werd de kunst
+naar de Grieken overgebracht. Men beweert Grieksche handschriften
+uit de tiende eeuw op katoenpapier te hebben, en in de dertiende eeuw
+komen deze reeds menigvuldiger voor dan die op perkament.
+
+Men noemde het, om het van Egyptisch papier te onderscheiden, Charta
+bombycina, gossypina, cuttunea, xylina. Eene onderscheiding van het
+linnenpapier was toen nog niet noodig.
+
+Tot de vervaardiging van het katoenpapier bezigde men oorspronkelijk
+de ruwe boomwol. Papier uit lompen vindt men het eerst vermeld bij
+Petrus Clusiacensis (1122-1150.)
+
+Van de Arabieren leerden de Spanjaarden en de Italianen de
+vervaardiging van dit papier. De voornaamste fabrieken waren te Jativa,
+Valencia, Toledo, benevens Fabriano in de Mark Ancona. [3]
+
+In Duitschland is het gebruik van deze stof wel niet zeer verbreid
+geweest, tenzij het papier uit Italie of Spanje ingevoerd werd. Doch
+hoe meer de vervaardiging zich uit het oosten en de daarmede in verkeer
+staande landen uitbreidde, des te meer moest ook linnen in de plaats
+van katoen treden. Eene oorkonde van Kaufbeuren op linnenpapier uit
+het jaar 1318 is van twijfelachtige echtheid. Bodmann stelt het oudste
+zuiver linnenpapier in het jaar 1324; tot aan 1350 komt er ook nog
+gemengd papier voor.
+
+Alle zorgvuldig geschrevene Manuscripten uit den oudsten tijd toonen
+reeds door de regelmatigheid van de regels, dat zij gelinieerd geweest
+zijn, ook waar de sporen daarvan niet meer herkend kunnen worden.
+
+Tot het linieeren bezigde men eene dunne schijf van lood, een liniaal
+en een passer om de afstanden te bepalen.
+
+In oude handschriften is de inkt donker zwart of bruinachtig. Naar
+mate echter sedert de 13e eeuw meer geschreven werd, vertoont de
+inkt zich vaak grijs of geelachtig, of somtijds geheel verbleekt,
+ten bewijze dat zij ijzerhoudend is."
+
+Dit alles is volkomen van toepassing op het voor ons liggend
+Handschrift uit het midden der dertiende eeuw, beschreven met helder
+zwarte letters tusschen fijne naauwkeurig met lood getrokken lijnen. De
+kleur van de inkt toont duidelijk aan, dat zij niet ijzerhoudend
+is. Door deze kenteekenen wordt het opgegeven jaartal 1256 geheel
+gewettigd en valt er aan geen lateren oorsprong te denken. Maar
+daarmede vervalt ook alle verdacht van bedrog uit lateren tijd.
+
+De taal is overoud Friesch, nog ouder en veel zuiverder dan de taal
+van het Friesch Rjuchtboek of oude Friesche wetten en daarvan in vele
+vormen en spelling verschillende, zoodat zij een geheel afzonderlijken
+tongval of dialekt vertoont, en blijkens de lokaliteiten de taal
+moet geweest zijn, zoo als die gesproken werd van het Vlie tot aan
+de Schelde.
+
+De stijl is hoogst eenvoudig, beknopt, in korte volzinnen, ongedwongen
+zich bewegende, even als de dagelijksche spreektaal, en vrij in de
+vormen der woorden.
+
+De spelling is eveneens eenvoudig en gemakkelijk, zoodat de lezing
+geene de minste moeite kost; en bij alle regelmatigheden toch zoo vrij,
+dat ieder van de verschillende schrijvers, die aan het boek gewerkt
+hebben, zijne eigene bijzonderheden heeft, die voortkomen uit de
+wijziging van den klank der vokalen in verloop van lange tijdruimten,
+hetgeen natuurlijk het geval moet zijn, daar het laatste gedeelte
+vijf eeuwen later geschreven is als het eerste.
+
+Als antiquiteit van taal en schrift, geloof ik te kunnen zeggen,
+dat dit boek geheel eenig in zijne soort is.
+
+Het schrift geeft aanleiding tot eene misschien zeer gewichtige
+opmerking.
+
+De Grieken weten en erkennen, dat zij hun schrift niet hebben
+uitgevonden. Zij schrijven de invoering daarvan toe aan Kadmus,
+een Phenicier. De namen hunner oudste letters van de Alfa tot de Tau
+komen zoo geheel overeen met de namen der letters in het Hebreeuwsche
+Alfabet, waaraan het Phenicische wel naauw verwant zal geweest zijn,
+dat de Phenicische herkomst dier namen wel niet betwijfeld kan
+worden. Maar de vorm hunner letters verschilt zoo geheel en al van
+die in het Phenicisch en Hebreeuwsch schrift, dat in dit opzigt aan
+geene verwantschap te denken valt. Van waar hebben dus de Grieken
+die letter vormen ontvangen?
+
+Uit thet bok thêra Adela follistar (het boek van Adelas helpers)
+leeren wij, dat in den tijd, waarin die Kadmus moet geleefd hebben,
+omstreeks 16 eeuwen voor Christus, een levendig handelsverkeer bestond
+tusschen de Friesen en de Pheniciers, die zij Kadhemar, kustbewoners,
+noemden. De naam Kadmus komt te nabij dat woord Kadhemar, om niet te
+besluiten, dat Kadmus eenvoudig een Phenicier beteekent.
+
+Voorts lezen wij, dat omstreeks denzelfden tijd eene Priesteres van de
+Burgt op Walcheren, Min-erva, ook Nyhellenia genoemd, aan het hoofd
+eener Friesche kolonie, zich neergezet heeft in Attika en daar de
+burgt Athene gesticht heeft. Alsmede uit de berichten, opgeteekend
+aan de wanden der Waraburch, dat Findas volk ook een eigen schrift
+bezat, doch zeer omslachtig en moeijelijk om te lezen; en dat daarom
+de Tyriers en de Krekalanders het schrift van Frya hebben geleerd.
+
+Bij deze voorstelling verklaart de geheele zaak zich zelve, en is het
+duidelijk, waardoor die uiterlijke gelijkenis tusschen het Grieksche en
+oud Friesche schrift ontstaan is, welke ook Caesar in het oog gevallen
+is bij de Galliers; alsmede op welke wijze de Grieken de namen van
+Findas en de vormen van Fryas schrift nevens elkander hebben gekregen
+en behouden.
+
+Even opmerkelijk zijn de vormen der cijfers. Men noemt onze
+getalteekens gewoonlijk Arabische cijfers, ofschoon zij met de
+Arabische getalteekens niet de minste overeenkomst hebben. De Arabieren
+in Spanje hebben hunne cijfers niet uit het oosten medegebracht,
+want de Semitische volken bezigden het geheele alfabet tot het
+opschrijven van getallen. De wijze van met 10 teekens alle getallen
+uit te drukken hebben de Arabieren in het westen geleerd, doch daar
+vormen voor gekozen eenigermate in overeenstemming met die van hun
+letterschrift, en toch geschreven van de linker naar de rechterhand op
+Westersche manier. Onze cijfers blijken hier oorspronkelijk Friesche
+cijfers (siffar) te wezen, wier vorm denzelfden oorsprong heeft als
+het letterschrift en aan de lijnen van het Juul ontleend is.
+
+Het boek, zooals het voor ons ligt, bestaat uit twee van elkander
+zeer verschillende, en in tijd vrij ver verwijderde gedeelten. Als
+schrijfster van het eerste gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van
+Apol, grevetman over de Lindaoorden. Dit is vervolgd door haren
+zoon Adelbrost en hare dochter Apollonia. Het eerste boek loopende
+van pag. 1-88 (hier p. 4-120) is geschreven door Adela. Een vervolg
+van pag. 88-94 (122-128) is begonnen door Adelbrost en voortgezet
+door Apollonia. Het tweede boek loopende van pag. 94-114 (128-154)
+is geschreven door Apollonia. Veel tijd, misschien 250 jaren
+later, is een derde boek geschreven van pag. 114-134 (156-180) door
+Frethorik. Vervolgens van pag. 134 tot 143 (180-192) door zijne weduwe
+Wiljow, daarna van pag. 144-169 (194-226) door hun zoon Konereed,
+alsdan van pag. 169-192 (226-232) door hun kleinzoon Beeden; nu
+ontbreken bl. 193 en 194, waarmede het laatste stuk pag. 195-210
+(235-253) moet hebben aangevangen, daardoor is de schrijver ons
+onbekend, hij zal wel een zoon van Beeden geweest zijn. Door Wiljow
+worden op bl. 134 (182) nog andere geschriften genoemd; daar vermeldt
+zij thet bok thêra sanga, (thet bok) thêra tellinga, and thet Hellênia
+bok; en vervolgens tha skrifta fon Dela jeftha Hellênia.
+
+Voor de tijdsbepalingen moeten wij uitgaan van het jaar 1256 na
+Christus, waarin Hiddo overa Linda het afschrift vervaardigd heeft,
+en waarvan hij zegt, dat het was het 3449 jaar nadat Atland verzonken
+is. Dit vergaan van het oude land, âldland, âtland, is bij de Grieken
+ook in geheugen geweest en Plato maakt in zijn Timaeus, 24, nog melding
+van het verdwenen Atlantis, van welks ligging niets anders bekend was,
+dan dat het ver buiten de zuilen van Herkules had gelegen. Uit dit
+geschrift blijkt, dat het een uitgestrekt land geweest is ten westen
+van Jutland, waarvan Helgoland en de Noordfriesche eilanden de laatste
+schamele overblijfselen zijn. Deze gebeurtenis, waardoor het schijnt
+dat een groote verstrooijing van den Frieschen stam veroorzaakt is,
+was het aanvangspunt eener eigene tijdrekening, overeenkomende met
+2193 voor Chr. Bij de geologen bekend als de eerste Cimbrische vloed.
+
+Op bladzijde 80 (110) begint een verhaal in het jaar 1602 nadat Atland
+verzonken is en dus met 591 voor Chr., en bl. 82 (112) het verhaal
+van den moord gepleegd aan Frâna, Eeremoeder op Texland, twee jaren
+later, en dus 589. Wanneer nu Adela haar geschrift aanvangt met haar
+eigen optreden in eene volksvergadering, 30 jaren na den dag dat de
+Eeremoeder was omgebracht, dan zijn wij in het jaar 559 voor Chr. Uit
+het schrijven van hare dochter Apollonia vernemen wij, dat Adela
+15 maanden na die vergadering, bij eene overrompeling van Texland
+door de Finnen, verslagen is; dit moet dus gebeurd zijn in 557 voor
+Chr. en hieruit volgt, dat het eerste boek door Adela geschreven is
+in 558 voor Chr. Het tweede boek, door Apollonia geschreven, mag dus
+gesteld worden omstreeks het jaar 530 voor Chr.
+
+Het latere gedeelte behelst de geschiedenis van de bekende Koningen
+van Friesland, Friso, Adel (Ubbo) en Asega Askar, genaamd zwarte
+Adel. Evenwel is van den derden Koning Ubbo niets gemeld, of
+liever dit stuk is verloren gegaan, bl. 169-188 (zie bl. 226)
+ontbreken. Frethorik, de eerste schrijver, die hier voorkomt, is
+een tijdgenoot van de gebeurtenissen, die hij verhaalt, namelijk de
+komst van Friso. Hij is een vriend van Liudgert, den Geertman, die
+als skelta bi thêr nacht op de vloot van Wichhirte den sêkening met
+Friso hier was gekomen, in 't jaar 303 voor Chr., 1890 jaren nadat
+Atland verzonken was. Uit het dagboek van Liudgert heeft hij vele
+van zijne berichten ontleend.
+
+De laatste schrijver geeft zich zelven zeer duidelijk te kennen als
+een tijdgenoot van Zwarte Adel of Askar, omstreeks het midden van
+diens regering, welke bij Furmerius gesteld wordt van 70 vóór 11 na
+Chr. gelijktijdig met Julius Ceasar en Augustus. Hij schreef dus in
+het midden der eerste eeuw voor Chr. en droeg kennis van de verovering
+van het land der Golen (Galliers) door de Romeinen.
+
+Er liggen dientengevolge ruim twee eeuwen tusschen de beide afdeelingen
+van het handschrift.
+
+Van die Gôla lezen wij bl. 84: alsa hêton tha såndalinga prestera
+Sidonis. En op bl. 124: tha Gola jeftha Trowyda.
+
+De Golen zijn dus de Druiden, en de naam Galli, overgedragen op het
+geheele volk, eigenlijk de naam van eene Priesterorde of Priesterstam
+van oostersche herkomst, even als bij de Romeinen de Galli, Priesters
+van Cybele.
+
+De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw, namelijk er staat
+bijna niets in, dat wij van elders reeds wisten. Hetgeen wij hier van
+Friso, Adel en Askar lezen, verschilt gansch en al van hetgeen onze
+bekende kronijkschrijvers weten te vertellen, of wel doet zulks in
+een geheel ander daglicht beschouwen. B. v. allen verhalen dat Friso
+uit Indie gekomen is, en dat dus de Friesen uit Indie afkomstig zijn,
+en toch voegen zij er bij dat Friso een Germaan was en behoorde tot
+een Persische stam, dien Herodotus Germanen noemt Germ'anioi. Naar
+de berichten, die we hier ontmoeten, is Friso ook uit Indie gekomen
+en wel met de vloot van Nearchus, maar hij is daarom geen Indiër, hij
+is van Friesche afkomst, van Fryas volk. Hij behoort namelijk tot eene
+kolonie Friesen, die na den dood van Nijhellênia, 15½ eeuwen voor Chr.,
+onder aanvoering eener Priesteres Geert, zich aan den Pangab (Indus)
+neergezet en den naam Geertmannen aangenomen hebben. Die Geertmannen
+zijn slechts bij een van de Grieksche schrijvers bekend, namelijk bij
+Strabo, die hen vermeld als Germ=anec eene van de Braqm=anec in zeden,
+taal en godsdienst geheel en al verschillende volkstam.
+
+Bij de schrijvers van Alexanders tochten worden noch Friesen noch
+Geertmannen genoemd, doch zij spreken van Indoscythae; en geven
+daardoor te kennen een volk, dat wel in Indie woont, maar uit het
+verre onbekende Noorden afkomstig is.
+
+In de berichten van Liudgert worden geene namen genoemd van plaatsen,
+waar die Friesen in Indie gewoond hebben. Wij vernemen alleen,
+dat zij zich eerst in het land ten oosten van den Pangab hebben
+nedergezet, en later verhuisd zijn naar den westelijken oever dier
+rivier. Verder wordt als eene bijzonderheid medegedeeld, dat in den
+zomer de zon op den middag recht boven hun hoofd stond. Zij woonden
+dus nagenoeg onder den keerkring. En nu vinden wij bij Ptolomeus
+(zie b. v. de kaarten van Kiepert) juist daar op 24° N. B. aan den
+westelijken oever van den Indus den naam Minnagara, en een graad of
+zes oostelijk van daar op 22° N. B. nog een Minnagara. Die naam is
+zuiver Friesch, gelijk Walhallagara, Folsgara, en gevormd van Minna,
+den naam eener Eeremoeder (zie pag. 74), in wier tijd de tochten van
+Teunis en zijn neef Inka plaats vonden.
+
+Die overeenkomst is te opmerkelijk om enkel toevallig te wezen, en
+niet dat Minnagara voor de hoofdplaats dier Friesche kolonie te houden.
+
+De vestiging van die kolonie in Indie aan den Pangab in 1551 voor
+Chr. en hunne reis derwaarts, vinden wij in Adela's boek vrij
+uitvoerig beschreven, en wel met de bijvoeging van eene uiterst
+merkwaardige bijzonderheid, namelijk dat die Friesche zeelieden
+gevaren zijn door de straat welke in die tijden nog op de Roode Zee
+uitliep. Uit een bericht bij Strabo L. I fol. 38 en 50 blijkt dat
+Eratosthenes nog kennis gedragen heeft van die voormalige zeeëngte,
+waarvan de latere geografen geene melding meer maken. Zij bestond
+nog in de dagen van Mozes, Exod. XIV : V, daar hij zich legerde bij
+Pi ha chiroht, den mond der zeeëngte. Strabo vermeldt bovendien, dat
+Sesostris eene poging gedaan heeft om de landengte door te graven,
+maar dat plan niet heeft kunnen uitvoeren.
+
+Dat daar werkelijk eertijds de zee doorgestroomd heeft, bewijzen
+de uitkomsten van het geologisch onderzoek van de landengte door
+de commissie voor het kanaal van Suez, waarvan de heer Renaud op
+den 19 Junij 1856 een rapport heeft uitgebracht bij de Academie des
+Sciences. In dat rapport komt onder anderen voor: Une question fort
+controversée est celle de savoir, si à l'époque où les Hebreux fuyaient
+de l'Egypte sous la conduite de Moïse, les lacs amèrs faisaient encore
+partie de la mer rouge. Cette dernière hypothèse s'accorderait mieux
+que l'hypothèse contraire avec le texte des livres sacrés, mais alors
+il faudrait admettre que depuis l'époque de Moïse le seuil de Suez
+serait sorti des eaux.
+
+Ten aanzien van deze vraag is het zeker van belang in dit Friesche
+handschrift een bericht te ontmoeten, waaruit blijkt dat in het midden
+der 16e eeuw voor Chr. de verbinding van de Bittermeeren met de Roode
+Zee nog bestond en de straat nog bevaarbaar was.
+
+Het handschrift bericht verder, dat kort na die doorvaart van de
+Geertmannen beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo
+hoog ophief, dat al het water de straat uitliep en dat alle wadden
+en schorren als een wal oprezen.
+
+Deze dingen zullen dus na den tijd van Mozes geschied zijn, zoodat
+tijdens de uittocht (1564) de streek tusschen Suez en de Bittermeeren
+nog wel bevaarbaar was, maar bij lagen waterstand droogvoets kon
+worden doorgetrokken.
+
+Dit punt is dus de oorspronkelijke Isthmus, na welks vorming zeker
+spoedig de verdere inham noordwaarts tot aan de golf van Pelusium
+geheel is opgeslibd.
+
+Een duidelijk overzicht over de formatie van dit terrein geeft de
+kaart gevoegd bij: l'année scientifique et industrielle etc. par
+Louis Figuier (première année). Paris, Hachette, 1857.
+
+
+
+Een ander bericht, dat ook alleen bij Strabo voorkomt, vindt hier
+insgelijks eene opheldering en bevestiging. Strabo namelijk is onder
+de Grieksche schrijvers de eenige die vermeldt, dat Nearchus na zijne
+troepen in de Persische golf aan den mond van de Pasitigris te hebben
+ontscheept, op bevel van Alexander met zijne vloot weer de Persische
+golf uitgezeild en om Arabie heen door de Arabische golf gestevend
+is. Zoo als dit bericht daar staat, is het niet duidelijk wat Nearchus
+daar te maken had en wat het doel van die verdere tocht wezen kon;
+enkel tot het doen van geographische onderzoekingen, zoo als Strabo
+meent, behoefde hij toch niet eene gansche vloot mede te nemen,
+daartoe was een schip of twee voldoende. Wij lezen ook niet dat hij
+weer teruggevaren is; waar is hij dan met die vloot gebleven?
+
+Op deze vraag vinden wij hier het antwoord in de Friesche lezing van
+de geschiedenis. Alexander had die schepen aan den Indus gekocht van,
+of laten bouwen door de daar gevestigde afstammelingen van de Friesen,
+de Geertmannen, en van hen scheepsvolk in dienst genomen, en aan het
+hoofd van deze bevond zich Friso. Alexander had na de volbragte tocht
+en het transport van de troepen, die schepen in de Persische Golf niet
+meer noodig, maar wilde ze in de Middellandsche zee gebruiken. Dat had
+hij in zijn hoofd gezet en dat moest gebeuren. Alexander wilde iets
+doen, dat niemand voor hem gedaan had. Te dien einde moest Nearchus
+de Roode zee opvaren, en aan het eind daarvan gekomen (bij Suez),
+vond hij daar 200 elephanten en duizend kameelen en werklieden en
+gereedschap, balken, touwen enz., om de schepen op het land te halen
+en over de landengte te slepen. Dit werk werd met zooveel overleg en
+ijver ondernomen en voltooid, dat na een arbeid van drie maanden de
+vloot in de Middellandsche zee weer te water gelaten werd. Dat de vloot
+werkelijk in de Middellandsche zee gebracht is, blijkt uit het bericht
+van Plutarchus (vit. Alexandri), doch deze laat te dien einde Nearchus
+met de vloot om Afrika heen door de straat van Hercules zeilen. Na de
+nederlaag bij Actium heeft Kleopatra, in navolging van dit voorbeeld,
+getracht hare vloot over den Isthmus te brengen, om naar Indie te
+ontsnappen. Zij is daarin verhinderd door de Petraeische Arabieren,
+die hare schepen in brand staken. (Zie Plutarchus vit. Antonii.)
+
+Friso is, toen kort daarop Alexander stierf, in dienst gebleven
+van Antigonus en Demetrius, totdat hij door den laatste op eene
+schandelijke wijze beleedigd zijnde, besloot met zijne manschappen
+het oorspronkelijke moederland, Friesland, op te zoeken. Naar Indie
+terugkeeren kon hij trouwens niet. Zoo vullen de berichten elkander
+aan en helderen elkander op, en verleenen daardoor eene wederkeerige
+bevestiging.
+
+Zulke enkele trekken en verrassende uitkomsten leiden mij tot het
+besluit, dat wij hier met meer te doen hebben, dan met bloote sagen
+of legenden.
+
+Sints een twintigtal jaren is de aandacht getrokken door de
+overblijfselen van paalwoningen, het eerst opgemerkt in de meeren
+van Zwitserland en vervolgens in een aantal streken van Europa
+gevonden. Men zie daarover Dr. E. Rückert, Die Pfalhbauten. Würtzburg
+1869, of Dr. T. C. Winkler, in de Volksalmanak t. N. v. A. 1867. Toen
+men ze gevonden had, trachtte men uit de onder het water aanwezige
+fragmenten van wapens, gereedschappen en huisraad na te sporen, door
+wie en wanneer deze verblijfplaatsen bewoond geweest waren. Uit
+berichten van historieschrijvers bleek daaromtrent niets meer,
+dan hetgene Herodotus Lib. v. c. 16 van de Paeonen schrijft. Alleen
+vond men eene spoor in een der tafereelen op de zuil van Trajanus,
+waarin de verwoesting van een paaldorp in Dacie is afgebeeld. Dubbel
+belangrijk is het daarom uit het geschrift van Apollonia te vernemen,
+dat zij als burgtmaagd (omstreeks 540 v. Chr.) eene reis langs den
+Rijn gedaan, Switserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners
+(Marsaten) heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op
+palen gebouwde woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze. Zij
+vermeldt, dat die Marsaten van vischvangst en jacht leven, en de huiden
+van het wild bereiden met de schors van berkenboomen, om die pelterij
+te verkoopen aan de Rijnschippers, die ze verder in den handel brengen.
+
+Dit bericht omtrent de paalwoningen in de meeren van Switserland
+kan niet geschreven zijn, dan in een tijd toen die paaldorpen nog
+bestonden en bewoond werden.
+
+In het tweede gedeelte van het Handschrift wordt door Konerêd oera
+Linda vermeld, dat Adel de zoon van Friso (± 260 j. v. Chr.) met
+zijne vrouw Ifkja ook die paaldorpen in Switserland bezocht heeft,
+»fon Walhallagâra brûdon hja alingen thêra sûder Hrênum al-ont hja
+mith grâte frêse boppa thêre Rêne by tha Mârsâta kêmon, hwêrfon vsa
+Apollônja skrêven heth. Tha hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja
+wither nêi tha delta."
+
+Later als dit bericht komt bij geen schrijver ergens eenige
+vermelding van die paalwoningen voor en is die zaak gedurende
+twintig eeuwen volkomen onbekend gebleven, totdat in den jare 1853,
+bij buitengewoon lagen waterstand, overblijfselen van zulke woningen
+ontdekt zijn. Daarom heeft niemand zulk een bericht in lateren tijd
+kunnen verzinnen.
+
+Hoewel een groot gedeelte van het eerste stuk, het Boek van Adela,
+geheel valt in het Mythologisch Tijdvak vóór den Trojaanschen oorlog,
+is hier in de verhalen een groot verschil met de Grieksche Mythen
+in het oogloopend. De Mythen kennen geene tijdsbepaling, veel min
+eene geregelde tijdrekening. Bij de Mythen bestaat geen inwendige
+zamenhang of consequentie. De vrije verdichting ontwikkelt zich in
+iedere sage afzonderlijk en onafhankelijk. De Mythologische verhalen
+weerspreken elkander bijna op ieder punt. Les Mythes ne se tiennnent
+pas is de eenige sleutel op de Grieksche Mythologie.
+
+Hier daarentegen ontmoeten wij eene geregelde jaartelling uitgaande van
+een vast punt, het vergaan van Atland (2193 voor Chr.) De verhalen,
+natuurlijk, eenvoudig, vaak naïf, weerspreken elkander nimmer,
+en zijn altijd met elkander bestaanbaar, ook in plaats en tijd. Als
+b. v. de komst en het verblijf van Ulysses bij de Burgtmaagd Kalip op
+Walhallagara (Walcheren), 't gene wel het meest sagenhafte stuk is
+van allen, hier gesteld is op 1005 jaren nadat Atland verzonken is,
+dan komt dat uit op 1188 jaren voor Chr. en dus vrij nabij overeen
+met den tijd, waarin de Grieken meenen, dat de Trojaansche oorlog
+heeft plaats gehad. Die Ulysses-sage is hier niet door de Romeinen
+aangebracht. Tacitus vond ze reeds in Neder Germanie (zie Germania
+cap. 3) en zegt er bij, dat te Asciburgium een altaar was, waarop de
+naam van Ulysses en die van zijn vader Laërtes gelezen werd.
+
+Een ander kenmerkend onderscheid bestaat daarin, dat de Mythe geene
+herkomst kent, voor hare verhalen nooit berichtgevers of schrijvers
+noemt, en dus nimmer eenig gezag weet aan te voeren. In Adelas boek
+daarentegen wordt bij ieder verhaal opgegeven, waar het gevonden of
+waaruit het ontleend is, b. v. dit is uit Minno's schriften, dit is
+aan de Wanden der Waraburch gegrift, dit aan de Fryas burch, dit te
+Stavia, dit op Walhallagara.
+
+En dan is er nog iets. Wetten, geregelde wetgevingen, gelijk zij in
+Adelas boek in vrij grooten getale voorkomen, zijn in de Mythologie
+eene onbekende en met haar wezen onvereenigbare zaak. Zelfs als
+de Mythe aan Minos toeschrijft de invoering van eene wetgeving op
+Kreta, dan weet zij van die wetgeving zelve niet het geringste te
+berichten. Ook in de Mythische godenwereld bestaat geene wetgeving,
+de eenige wet is daar het onveranderlijke Noodlot, of de wil van den
+oppermachtigen Zeus.
+
+Ten opzichte van de Mythologie is dit geschrift, dat zelf geen
+mythisch karakter draagt, niet minder merkwaardig dan voor de
+geschiedenis. Ondanks de vele en velerlei betrekkingen met Denemarken,
+Zweden (Skênland = Schonen) en Noorwegen (Northland), vindt men
+hier geene sporen van bekendheid met de Noordsche of Scandinavische
+mythologie. Alleen schijnt Wodan hier voor te komen als Wodin, een
+Friesch heerman, die door een Magy, koning der Finnen, tot schoonzoon
+aangenomen en na zijn dood vergood is.
+
+De Friesche godenleer of liever godsdienst, is hoogst eenvoudig en
+zuiver Monotheisme. Wralda of Wralda's geest is het eenige, eeuwige,
+onveranderlijke, volmaakte en almachtige wezen. Wralda heeft alle
+dingen geschapen; alles komt uit hem voort, eerst de aanvang, dan de
+tijd, en vervolgens Irtha, de Aarde. Irtha baart drie dochters Lyda,
+Finda en Frya, de stammoeders van de drie menschenrassen, het zwarte,
+het geele en het blanke (Afrika, Asia en Europa). Als zoodanig is Frya
+de moeder van Frya's volk, de Friezen. Zij is de vertegenwoordigster
+van Wralda en wordt als zoodanig vereerd. Frya heeft hare tex gegeven,
+de eerste wet, en de eeredienst ingesteld van het eeuwige licht. Die
+dienst bestaat in het onderhouden van de altijd brandende lamp, foddik,
+door priesteressen, maagden; aan het hoofd dier maagden staat op alle
+burgten eene Burgtmaagd; de opperste van alle Burgtmaagden, is de
+Eeremoeder op de Fryasburgt op Texland. De Eeremoeder heerscht over het
+geheele land; de Koningen mogen niets doen, er mag niets geschieden,
+buiten hare raad en goedkeuring. De eerste Eeremoeder is door Frya
+zelve aangesteld, zij heette Fåsta. Met één woord, wij ontmoeten hier
+de prototype van de Romeinsche Vestadienst en de Vestaalsche maagden.
+
+Men denke hierbij aan Velleda (Welda) en Aurinia bij Tacitus Germ. 8
+Hist. IV. 61. 65. V. 22. 24. Annal. I. 51 en Gauna de opvolgster van
+Velleda bij Dio Cassius fragm. 49.
+
+Van de burgt van Velleda spreekt Tacitus als eene edita turris;
+Verg. hier bl. 146. Zij was de burgt Mannagarda forda (Munster). In
+het land der Marsi noemt hij deze burgt Templum Tanfane (Tanfanc)
+zoo genoemd naar het teeken van het Juul. Zie plaat I.
+
+De laatste dier burgten is de FÃ¥staburgt op Ameland geweest, templum
+Foste, volgens Occa Scarlensis verwoest in het jaar 806.
+
+Ontmoeten wij hier bij de Friezen een Godsbegrip en godsdienstige
+denkbeelden, geheel verschillende van de mythologien bij andere volken,
+nog onverwachter komen ons hier zaken voor, die in het nauwste verband
+staan met de Grieksch-Romeinsche Mythologie en wel met de herkomst
+van twee godheden van den eersten rang, Minerva en Neptunus. Min erva
+(Athénè), is oorspronkelijk eene burgtmaagd, priesteres van Frya
+op de burgt Walhallagara, Middelburg, of Domburg, op Walcheren. En
+deze zelfde Min erva is tevens die geheimzinnige, raadselachtige
+godin, van welker vereering bijna geene sporen zijn overgebleven,
+dan alleen op Walcheren in de votivsteenen te Domburg, Nehalennia
+[4], van welke geene mythologie iets naders weet dan enkel den naam,
+waarvan de etymologie zich heeft meester gemaakt tot het uitvinden
+van allerlei fantastische afleidingen.
+
+De andere, Neptunus, bij de Etruriers Nethunus, de God van de
+Middellandsche zee, blijkt hier bij zijn leven een Friesche Viking,
+zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga (Ouddorp
+niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Teunis, in de wandeling bij
+zijne manschappen Neef Teunis genoemd, die vooral de Middellandsche
+zee tot het doel en tooneel zijner tochten gekozen had, en door de
+Tyriers vergood zoude zijn, in den tijd toen de Phenicische zeevaart
+zich aanmerkelijk begon uit te breiden en naar Friesland stevende, om
+hier Britsch tin, Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balda (Baltische)
+zee te halen, omstreeks 2000 jaren v. Chr.
+
+Behalve dit tweetal ontmoeten wij nog een derde Mythologisch persoon,
+Minos, de wetgever van Kreta, die alsmede verschijnt als een Friesche
+zeekoning Minno, geboren te Lindaoord tusschen Wieringen en Kreyl,
+die aan de Kreters een Asegaboek heeft medegedeeld. Namelijk die
+Minos, die met zijn broeder Rhadamanthus en Aeakus als rechter in de
+onderwereld over het lot der schimmen beslist. Niet te verwarren met
+den lateren Minos, den tijdgenoot van Aegeus en Theseus, die voorkomt
+in de Atheensche sage.
+
+Bij deze voorstelling kan misschien iemand zijn lachen niet bedwingen,
+en kaatst hij mij het straks gebezigde woord fantastisch terug met
+dat van avontuurlijk. Ook ik kon eerst mijne oogen niet gelooven,
+en toch ben ik bij nadere overweging gekomen tot de ontdekking van
+verrassende overeenkomsten, die de zaak vrij wat minder avontuurlijk
+maken, als de geboorte van Athene uit het hoofd van Zeus door een
+bijlslag van Hephaistos.--B. v.
+
+De Grieksche Mythologie kent van alle Goden eene jeugd, alleen Pallas
+heeft geene jeugd, zij is niet anders bekend dan als volwassen. Minerva
+komt als opperpriesteres uit den vreemde, uit een den Krekalanders
+onbekend land, in Attica. Pallas is eene maagdelijke godin, Minerva
+is eene burgtmaagd. De blonde, blaauwoogige Pallas onderscheidt zich
+door deze type van de overige goden en godinnen, als behoorende tot
+Fryas volk. De wijsheid van beide en de zinnebeeldige attributen zijn
+dezelfde, inzonderheid de uil. Pallas geeft aan de nieuwe stad haren
+naam Athènai, die overigens in 't Grieksch geene beteekenis heeft:
+Minerva geeft aan de door haar gestichte burgt den naam Athene, die in
+het Friesch wel eene beteekenis heeft en te kennen geeft dat zij als
+vrienden âthen daar gekomen zijn. Minerva komt in Attica omstreeks 1600
+jaren voor Chr. in het tijdperk, waarin zich de Grieksche godenleer
+begint te vormen. Minerva is met de vloot van Jon aan het hoofd van
+eene kolonie in Attica geland; op Walcheren vindt men haar in later
+tijd blijkens de Romeinsche votivsteenen onder den naam Nehalennia
+vereerd als eene godin van de scheepvaart; en bij de Atheners is
+Pallas de beschermgodin van scheepsbouw en zeevaart.
+
+De Tijd is de Kroder, de kruijer, die eeuwig met het jol, het wiel,
+moet rondloopen, en voeren de zon langs hare baan door het stergewelf
+van winter-zonnestand tot winter-zonnestand. Zoo vormt hij de jaren,
+waarbij elke omwenteling van het wiel een dag uitmaakt. Te midwinter
+wordt het Jolfeest gevierd op Fryasdag. Dan worden koeken gebakken in
+den vorm van het zonnerad, want van dat Jol heeft Fryas de letters
+gemaakt, toen zij hare Tex schreef, en het Jolfeest is daarom ook
+een feest ter eere van Frya als uitvindster van het letterschrift.
+
+Even zoo als dit Jolfeest in Denemarken en geheel Duitschland door
+de Christenheid op 't Kerstfeest en in ons land op St. Nikolaasdag
+verplaatst is, even zoo zeker zijn onze St. Nikolaaspoppen, de
+vrijster en de vrijer, eene herinnering aan Frya, en onze St. Nikolaas
+(banket) letters eene gedachtenis aan Fryas van het Zonnerad gevormd
+letterschrift.
+
+Ik kan niet den geheelen inhoud van dit merkwaardige geschrift
+ontleden en moet mij vergenoegen met de gemaakte opmerkingen. Zij
+mogen eenig denkbeeld geven van den rijkdom en belangrijkheid van
+dien inhoud. Want al loopen er Sagen onder, ook als Sagen moeten zij
+waarde hebben voor ons, dewijl van den Sagenschat van ons voorgeslacht
+zoo goed als niets was overgebleven.
+
+Een inwendig bewijs voor de oudheid van deze geschriften ligt ook
+daarin, dat de naam Batavieren er nog niet in voorkomt. De inwoners
+van het geheele land tot aan de Schelde zijn Fryas volk, Friezen. De
+Batavieren zijn niet een afzonderlijk volk geweest. De naam Batavi is
+eene uitvinding van de Romeinen, die dezen naam gegeven hebben aan de
+bewoners van het land ter weerzijde van de Waal, welke rivier op de
+Tabula Peutingeriana den naam Patabus draagt. Die naam Batavi komt ook
+niet vroeger voor dan bij Tacitus en Plinius, want de bekende plaats
+bij Caesar B. G. IV. 10, is geinterpoleerd. Zie mijne verhandeling
+over den loop der rivieren door het land der Friesen en Batavieren
+bl. 49 in de Vrije Fries, IV Deel 1e Stuk, 1845.
+
+
+
+Met nog eene opmerking betreffende de taal wil ik eindigen.
+
+Zij die nog slechts eene oppervlakkige inzage van het H. S. hebben
+kunnen nemen, zijn getroffen door de beschaafdheid van de taal en de
+overeenkomst met het tegenwoordige Friesch en Hollandsch. Hierin meenen
+zij een grond te zien voor twijfel aan de oudheid van het geschrift.
+
+Maar ik vraag: is dan de taal van Homerus veel minder beschaafd dan
+die van Plato of Demosthenes? en leeft niet het grootste deel van
+den Homerischen woordenschat nog voort in het Grieksch van onze dagen?
+
+Het is waar, eene taal beweegt zich altijd, en is steeds aan
+kleine veranderingen onderhevig, waardoor men verschil vindt bij
+dezelfde taal in onderscheidene tijdperken. Deze wisseling van de
+taal geeft juist in dit H. S. stof tot belangrijke opmerkingen voor
+den taalbeoefenaar. Want niet alleen, dat van de acht schrijfsters
+en schrijvers, die achtereenvolgende aan dit boek gewerkt hebben,
+ieder zich kenmerkt door kleine eigenaardigheden in stijl, taal en
+spelling; maar vooral tusschen de beide afdeelingen van het boek,
+waar tusschen een tijdverloop van meer dan twee eeuwen ligt, is een
+in het oog vallend verschil aanwezig, dat aantoont, welk een langzaam
+voortgaande wijziging de taal in dat bestek ondervonden heeft.
+
+Als slotsom van deze beschouwingen kom ik tot het besluit, dat ik
+geene reden vinden kan, om aan de echtheid van dit geschrift te
+twijfelen. Verdichting kan het niet zijn. In de eerste plaats het
+afschrift van 1256 kan het niet zijn. Wie had in dien tijd zoo iets
+kunnen verdichten? Zeker niemand, en vroeger nog veel minder. In
+lateren tijd is eene verdichting evenzeer onmogelijk, om de eenvoudige
+reden, dat niemand meer die taal machtig was. Buiten de namen van
+Rask, Richthofen en Hettema, is er geen te noemen, die als taalkundige
+in dit vak bekend is geweest, of de taal zoo bestudeerd heeft, dat
+hij daar in schrijven kon. En al kon iemand zulks, dan stond hem nog
+geen ruimer woordenschat ten dienste, dan de beperkte voorraad, dien
+de O. F. Wetten aanboden. Daarom is in de laatstverloopen eeuwen de
+vervaardiging van dit geschrift eene onmogelijkheid geweest. Wie dit
+in twijfel wil trekken, beginne met aan te toonen, waar, wanneer,
+door wien en waartoe zulk eene vervalsching had kunnen gepleegd
+worden, en wijze uit lateren tijd de weergade aan van dit papier,
+dit schrift en deze taal.
+
+Dat het H. S. van 1256 bovendien geen origineel, maar eene kopie is,
+bewijzen zoowel gedurige schrijffouten, als enkele ophelderingen
+van woorden, die in des afschrijvers tijd reeds verouderd en weinig
+meer bekend waren; b. v. bl. 82 (114) to thêra flête jeftha bedrum;
+op bl. 151 (204) bargum jefta tonnum fon tha besta bjar.
+
+Nog sterker bewijs is, dat tusschen bladzijde 157 en 158 een of meer
+bladen ontbroken hebben, die uit dit H. S. niet hebben kunnen verloren
+gaan, omdat bl. 167 en 168 (212-214) de paginas recta en versa zijn
+van hetzelfde blad.
+
+Bl. 157 eindigt: Drie maanden daarna zond Adel boden naar alle
+vrienden, die hij gewonnen had, en liet hen bidden, dat zij in de
+Minnemaand verstandige lieden tot hem zouden zenden.
+
+Keert men nu het blad om, dan begint de keerzijde: zijne vrouw, zeide
+hij, die maagd geweest was te Texland, had daarvan een afschrift
+gekregen.
+
+Daar tusschen is geen zamenhang. Voor het minst ontbreekt er: de
+komst dier genoodigden, en het verhaal van hetgene bij die zamenkomst
+is voorgevallen. De afschrijver moet dus in het door hem gevolgde
+exemplaar twee bladen in plaats van een hebben omgeslagen. Er bestond
+dus een vroeger exemplaar, en wel dat in den jare 803 door Liko oera
+Linda was geschreven.
+
+Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift, waarvan het eerste
+gedeelte is opgesteld in de zesde eeuw voor onze jaartelling, het
+oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europesche
+letterkunde ontmoeten. En daar vinden wij in ons vaderland eene
+eeuwenoude bevolking, in 't bezit van eene ontwikkeling, beschaving,
+nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere verhevene
+Godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden hebben
+gehad. In onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen
+van ons volk niet hooger, dan tot de komst van Friso, den vermeenden
+stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die herinneringen
+opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor Christus, en in hoogen
+ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Israël evenaren.
+
+
+
+
+
+BIJLAGE TOT PAG. XX.
+
+Vergelijkende Taalproeve van de oud Friesche Wetten en de taal van
+het Handschrift.
+
+
+
+Dyo forme need is: hweerso en kynd jongh is finsen ende fitered noerd
+wr hef, jefta (sud) wr birgh. Soe moet die moder her kindes eerwe
+setta ende sella ende her kynd lesa ende des lives bihelpa.
+
+Dioe oder need is: jef da jere diore wirdat, ende di heta honger wr
+dat land faert, ende dat kynd honger stere wil, so moet dio moder
+her kindes eerwe setta ende sella ende capia her bern ky ende ey ende
+coern deerma da kinde des lives mede helpe.
+
+Dyo tredde need is: Als dat kind is al stocnaken, jefta huus laes,
+ende dan di tiuestera nevil ende calde winter oen comt sa faert
+allermanick oen syn hof ende oen sin huis ende an waranne gaten, ende
+da wiilda dier seket diin holla baem ende der birgha hlii, aldeer
+hit siin liif oen bihalda mey. Soe weinet ende scryt dat onieriga
+kind ende wyst dan syn nakena lyae ende syn huuslaes, ende syn fader
+deer him reda schuld, to ienst dyn honger ende winter nevil cald, dat
+hi so diepe ende dimme mitta fiower neylen is onder eke ende onder
+da eerda bisloten ende bitacht, so moet dio moder her kindes eerwe
+setta ende sella omdat hio da bahield habbe ende biwaer also lang so
+hit onierich is, dat hit oen forste ner oen honger naet forfare.
+
+
+Anjumer druk e.i.i..
+
+(1466.)
+
+
+
+Thju forma nêd is: Sâhwersa en bårn jvng is fensen ånd fêterad
+northward vr-et hef jeftha sûdward vr tha berga, sa âch thju måm hjara
+bårns erva to settande ånd to seljande ånde hjra bårn to lêsane ånd
+thes lives to bihelpane.
+
+Thju ôthera nêd is: jef tha jêra djura wårthat ånd thi hête hvnger wr
+thet lând fârth ånd thåt bårn sterva wil, sa mot thju måm hjara bårns
+erva setta ånd selja ånd kâpja hiri bårne ky ånd skêp ånd kêren thêr
+mitha mån thet bårn thes lives bihelpe.
+
+Thju tredde nêd is: sâhwersa thåt bårn is stoknâked jefta hûslâs ånd
+then thi tjustera nêvil ånd kalda winter ankvmth, sa fârth allera
+månnalik an sin hof ånd an sin hus ånd an wârande gâta, ånd thet wilde
+kwik sykath thene hola bâm ånd thêre berga hly thêr-it sin lif an
+bihalda mêi, sa wênath ånd krytath thåt vnjêrich bårn ånd wyst then
+sin nâkeda litha ånd siu hûslâs-sâ ånd sin tât thêr him hrêda skolde
+tojenst tha hvnger ånd tha kalda winter nêvil, that hi sa djap ånd
+dimme mith fjuwer nêilum vndera êke ånd vnder tha irtha bisletten ånd
+bidobben is, sa mot thju måm hjara bårns erva setta and selja vmbe
+that hju tha bihield håve ånd tha wâringa al sa long sa hit vnjêrich
+sy, til thju-t hor an forst ner an hvnger navt vmkvma ne mêi.
+
+
+Vertaald door J. G. O.
+
+
+
+
+
+
+
+ADELA.
+
+
+OKKE MIJN ZOON.
+
+
+Deze boeken moet gij met lijf en ziel bewaren, zij bevatten
+de geschiedenis van ons geheele volk, en ook van onze
+voorvaderen. Verleden jaar heb ik die uit den vloed gered tegelijk
+met u en met uwe moeder. Doch zij waren nat geworden, daardoor
+gingen zij naderhand bederven. Om ze niet te verliezen, heb ik ze
+op overlandsch papier overgeschreven. Bijaldien gij ze erft, moet
+gij ze ook overschrijven. Uwe kinderen desgelijks, opdat zij nimmer
+verloren gaan. Geschreven te Liuwert, nadat Atland verzonken is, het
+drie duizend vier honderd negen en veertigste jaar, dat is naar de
+Christen-rekening het twaalf honderd zes en vijftigste jaar, Hiddo
+bijgenaamd Over de Linde. Waak.
+
+
+
+Lieve erfgenamen, om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve
+vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de oogen van
+een monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete
+woorden, maar zij tornen ongemerkt, aan alles wat ons Fries betreft. Om
+rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze
+weten dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden
+toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten
+zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig
+is van onze oude zeden. Och lieve, ik ben bij hen aan het hof geweest;
+wil Wralda het gehengen, en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij
+ons altegader verdelgen. Geschreven te Liudwert, acht honderd en drie
+jaar, na de Christen meening. Liko bijgenaamd Over de Linde.
+
+
+
+
+
+HET BOEK VAN ADELA'S AANHANGERS.
+
+
+Dertig jaren na den dag, waarop de volksmoeder omgebracht was,
+door den overste Magy, stond het er erg aan toe. Alle Staten, die
+er liggen aan de andere zijde der Weser, waren van ons afgescheurd
+en onder het geweld des Magy gekomen; en het stond te vreezen,
+dat hij geweldig zoude worden over het geheele land. Om dat ongeluk
+te weeren, had men eene algemeene volksvergadering belegd, alwaar
+vergaderd waren alle manspersonen, die in een goeden roep stonden bij
+de maagden (priesteressen). Doch nadat er meer verloopen waren dan drie
+etmalen, was de geheele Go-raad in de war, en alles even als bij hunne
+komst. Toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak: Gij allen
+weet, dat ik drie jaren burgtmaagd geweest ben; ook weet gij, dat ik
+gekozen ben tot volksmoeder en dat ik niet volksmoeder wezen wilde,
+omdat ik Apol tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet,
+dat is, dat ik alle gebeurtenissen nagegaan heb, evenals of ik een
+wezenlijke volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weder
+gereisd, toeziende wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veele zaken
+openbaar geworden, die anderen niet weten. Gij hebt gisteren gezegd,
+dat onze stamverwanten aan de andere zijde der Wezer tam en laf waren;
+doch ik mag tot u zeggen, dat de Magy hun niet één dorp afgewonnen
+heeft door het geweld zijner wapenen, maar bloot door arglistige
+ranken en nog meer door de hebzucht der hertogen en edelingen. Frya
+heeft gezegd: wij moesten geene onvrije lieden bij ons toelaten;
+doch wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden nagevolgd;
+want in plaats van hunne gevangenen te dooden of vrij te laten,
+hebben zij Fryas raad veracht en hen tot hunne slaven gemaakt. Omdat
+zij zulks deden, had Frya geene lust meer langer over hen te waken;
+zij hebben eens anders vrijheid benomen, en dat is oorzaak, dat zij
+hunne eigene verloren hebben. Doch dat alles is u zelven ook bekend;
+maar ik wil tot u zeggen, hoe zij allengs zoo laag verzeild zijn. De
+vrouwen der Finnen kregen kinderen; deze groeiden op met onze vrije
+kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij te zamen op het hiem, of
+zij waren met elkander bij den haard. Daar hoorden zij met welgevallen
+naar de losbandige sagen der Finnen, omdat die slecht en nieuw
+waren. Zoo zijn zij ontfriesd ondanks de macht hunner ouders. Toen
+de kinderen groot werden en zagen dat de kinderen der Finnen geene
+wapenen mochten hanteeren en slechts moesten werken, kregen zij van
+het werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De meesters en hunne
+kloekste zoonen kropen bij de wulpsche meisjes der Finnen; en hunne
+eigene dochteren, door het slechte voorbeeld van den weg gebracht,
+lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, ten spot van
+hare verdorvene ouders. Toen de Magy dat in de neus kreeg, toen nam hij
+de schoonste zijner Finnen en Magyaren, en beloofde hun roode koeijen
+met gouden hoornen, zoo zij zich door ons volk lieten gevangen nemen,
+ten einde zijne leer te verbreiden. Maar zijne lieden deden meer;
+kinderen werden te zoek gemaakt, naar de bovenlanden weggevoerd,
+en nadat zij opgevoed waren in zijne verderfelijke leer, dan werden
+zij terug gezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren,
+klampten zij de Hertogen en Edelingen aan boord en zeiden, dat zij
+den Magy onderhoorig moesten worden, dan konden hunne zoonen hen
+opvolgen zonder door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om
+hunne goede daden een vóórdeel tot hun huis gekregen hadden, beloofden
+zij van zijnentwege ook nog een achterdeel er bij; zulken die een
+voor- en achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe;
+en die een ronddeel hadden eene geheele State. Waren de ouders te
+hard Fryasgezind, dan wenden zij den boeg en hielden aan op hunne
+verbasterde zoonen. Gisteren waren er onder u, die al het volk te
+hoop roepen wilden om de oostelijke Staten weder tot hare plicht
+te dwingen. Doch naar mijne eenvoudige meening zou dat verkeerd
+uitkomen. Denk eens, daar was er eene hevige longziekte onder het vee,
+en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen om uw
+gezonde vee te voeren onder hun ziek vee? Immers neen. Bijaldien nu
+iedereen beamen en toestemmen moet, dat het dan met de (vee)stapel
+erg afloopen zoude; wie zoude dan zoo onvoorzichtig wezen om zijne
+kinderen te wagen onder een volk, dat geheel en al verdorven is?
+
+Mocht ik u een raad geven, ik zoude tot u zeggen, gij moest voor alle
+dingen eene nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel dat gij daarmede
+aan den grond zit, uithoofde dat er van de dertien burgtmaagden,
+die wij nog overig hebben, wel acht zijn, die naar die eere dingen,
+maar daar zoude ik geen acht op slaan. Teuntia, die maagd is op de
+burgt Medeasblik, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand
+van wetenschap en helder inzicht en wel zoo sterk op haar volk en
+onze gewoonten gesteld, als alle andere te zamen. Voorts zoude ik
+aanraden, gij moest naar de burgten gaan en daar opschrijven alle
+wetten van Fryas tex, benevens alle geschiedenissen, ja alles wat
+er te vinden is op de wanden, opdat die alle niet verloren gaan,
+en met de burgten tevens niet worde vernield. Daar staat geschreven:
+De moeder en elke burgtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden,
+eenentwintig maagden en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bijvoegen,
+dan zoude ik schrijven, en alzoo veele eerzame dochteren om te leeren,
+als daar op de burgten wezen mogen. Want ik zeg in trouwe en de tijd
+zal het bevestigen, bijaldien gij echte Fryas kinderen wilt zijn,
+nimmer te overwinnen noch door list noch door wapenen, zoo behoort gij
+er voor te waken, dat uwe dochters echte Fryas vrouwen worden. Den
+kinderen moet men leeren, hoe groot ons land weleer geweest is,
+hoe groote mannen onze voorvaderen waren, hoe groot wij nog zijn,
+zoo wij ons neder liggen (vergelijken) bij anderen: men moet hun
+vertellen van de zeehelden en van hunne heldhaftige daden, ook over
+de verre zeetochten. Alle deze verhalen behooren gedaan te worden bij
+den haard, op het hiem, en waar het wezen moge, zoo in blijdschap,
+als bij tranen. Maar zal het standhoudend komen in het brein en in
+het hart, dan moeten alle leeringen over de lippen uwer vrouwen en
+dochteren daarin vloeijen. Adelas raad is opgevolgd.
+
+Deze zijn de grevetmannen onder wier bestuur dit boek is vervaardigd.
+
+Apol, Adelas man, driewerf is hij zeekoning geweest, nu is hij
+grevetman over Oostflyland en over de Lindeoorden, de burgten
+Liudgarda, Lindahem en Stavia zijn onder zijne hoede.
+
+De Saxman Storo, Sytias man, grevetman over de Hoogefennen en Wouden,
+negenwerf is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen; de burgten
+Buda en Manna-garda-forda zijn onder zijne hoede.
+
+Abelo, Jaltias man, grevetman over de Zuiderflylanden, driewerf is
+hij heerman geweest, de burgten Aken, Liudburg en Katsburg zijn onder
+zijne hoede.
+
+Enoch, Dywekes man, grevetman over Westflyland en Texel, negenmaal is
+hij tot zeekoning gekozen, Waraburg, Medeasblik, Forana en Fryasburg
+zijn onder zijne hoede.
+
+Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, vijf maal
+is hij zeekoning geweest, de burgt Walhallagara is onder zijne hoede.
+
+Dit stond op de wanden der Fryasburg te Texland geschreven, dat staat
+ook te Stavia, ook te Medeasblik.
+
+Het was Fryasdag en te dier tijd was het zeven maal zeven jaren
+geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder, naar Fryas
+begeerte. De burgt Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen. Nu
+zoude Festa hare nieuwe lamp opsteken, en toen dat gedaan was in
+tegenwoordigheid van het volk, toen riep Frya van hare waakstar, zoodat
+iedereen het hooren konde: Festa neem uwe stift en schrijf de dingen,
+die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzoo als haar geboden was. Zoo
+zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis gekomen.
+
+Dit is onze vroegste geschiedenis.
+
+Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte den aanvang, alsdan kwam
+de tijd, de tijd wrochte alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde
+alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het
+booze gedierte. Alles wat goed en liefelijk is, bragt zij bij dag
+voort, en alles wat boos en kwaad is, bragt zij bij nacht voort. Na
+het twaalfde Juulfeest bragt zij voort drie maagden:
+
+Lyda uit gloeijende stof,
+
+Finda uit heete stof, en
+
+Frya uit warme stof.
+
+Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem,
+opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen
+waren, kregen zij vermaak en genoegen in de droomen van Wralda. Haat
+trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf
+dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle menschen gekomen.
+
+Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren
+fonkelden hare oogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig
+bij de hare.
+
+Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen hooren, en wanneer er visschen
+in het water waren, ontging dat hare neusgaten niet.
+
+Snelgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij
+liep brak geen bloemstengel onder hare voet.
+
+Geweldige Lyda. Hard was hare stem, en schreeuwde zij uit verbittering,
+dan liep ieder schielijk weg.
+
+Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; hare daden werden
+door hare driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de
+sterken, en wanneer zij dat gedaan had, weende zij bij het lijk.
+
+Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste stierf
+zij van hartseer over de boosheid harer kinderen.
+
+Onverstandige Kinderen. Zij betichteden elkander van hunne moeders
+dood, zij huilden als wolven en vochten evenzoo, en terwijl zij zoo
+deden, vraten de vogels aan het lijk. Wie mag daarbij zijne tranen
+weerhouden.
+
+Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard; een boom
+kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij
+wel tien.
+
+Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen gelijk
+zij, hare oogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een slaaf.
+
+Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er
+niet eene van op. Zij verfoeide de goeden wegens hunne vrijmoedigheid,
+maar aan flikflooisters gaf zij bijna haar zelve weg. Dat was haar
+ongeluk. Haar hoofd was te vol, doch haar hart te ijdel. Zij beminde
+niemand dan haar zelve, en zij wilde dat elk haar lief zoude hebben.
+
+Valsche Finda. Honingzoet waren hare woorden; doch wie haar vertrouwde,
+dien was ongeluk nabij.
+
+Zelfzuchtige Finda, Over allen wilde zij heerschen, en hare zoonen
+waren gelijk zij. Zij lieten zich bedienen van hunne zusteren, en
+elkander sloegen zij om het meesterschap dood.
+
+Dubbelhartige Finda. Om een schuins woord werd zij gram, en de ergste
+daden roerden haar niet. Zag zij een hagedis eene spin verslinden,
+dan werd zij om het hart als ijs; maar zag zij hare kinderen een
+Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen.
+
+Ongelukkige Finda. Zij stierf in den bloeitijd van haar leven, en
+het is nog duister hoe zij gevallen is.
+
+Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij
+haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op,
+luid weenende om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet
+een eenige traan.
+
+Verfoeijelijk volk. De tex (inzetting), die Finda naliet, was op
+gouden bladen geschreven, doch de besten, waarvoor zij gemaakt was,
+was zij nimmer tot nut; de goede wetten werden uitgewischt en zelfzucht
+schreef daar slechte voor in de plaats. O Finda, toen werd de aarde
+vol bloed, en de hoofden der menschen maaiden uwe kinderen af gelijk
+grashalmen. Ja Finda, dat zijn de vruchten van uwe ijdelheid, zie
+neer van uwe waakstar en ween.
+
+Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw harer
+oogen won het de regenboog af.
+
+Schoone Frya. Als stralen der middagzon schitterden hare haarlokken,
+die zoo fijn waren als spinrag.
+
+Bekwame Frya. Ontsloten zich hare lippen, dan zwegen de vogelen en
+geen bladeren bewogen zich meer.
+
+Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor
+hare voeten neder, en hield de adder zijn gift terug.
+
+Reine Frya. Hare spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in
+de boesem der bloemen.
+
+Verstandige Frya. Het eerste wat zij hare kinderen leerde was
+zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij
+volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. Want,
+zeide zij, zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om
+u tot slaven te maken, uwe afkomst tot eene eeuwige schande.
+
+Milde Frya. Nimmer liet zij metaal uit de aarde delven om eigen
+voordeel, maar wanneer zij het deed, was het tot nut van iedereen.
+
+Gelukkigste Frya. Gelijk de sterren de aarde omzwermen, zoo zwermden
+hare kinderen om haar.
+
+Wijze Frya. Toen zij hare kinderen had opgevoed tot in het zevende
+lid, toen riep zij ze alle naar Flyland te zamen. Daar gaf zij hun
+hare tex, en zeide laat die uw wegwijzer wezen, dan zal het u nimmer
+kwalijk gaan.
+
+Uitverkoren Frya. Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als Wraldas
+zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten neder, de lucht werd
+zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar hunne moeder
+omzagen, was zij al lang opgerezen tot hare waakstar. Toen ten laatste
+sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het luchtruim: waak!
+
+Verziende Frya. Het land van waar zij was opgevaren, was nu een stroom,
+en behalve hare tex was daarin alles bedolven, wat van hare handen
+gekomen was.
+
+Gehoorzame kinderen. Toen zij tot hun zelven kwamen, toen maakten zij
+dit hooge terp, bouwden deze burgt daarop, aan diens wanden schreven
+zij de tex, en omdat iedereen die zoude mogen vinden, hebben zij het
+land daarom heen Texland geheeten. Daarom zal het blijven bestaan,
+zoo lang de aarde aarde is.
+
+
+
+
+
+FRYAS TEX.
+
+
+Heil verbeidt de vrijen. Ten laatste zullen zij mij weder zien. Doch
+hem alleen mag ik als vrij erkennen die geen slaaf is van een ander
+noch van zijne driften. Hier is mijn raad.
+
+1. Zoo wanneer de nood erg is, en goede raad en goede daad niets
+meer vermogen, roep dan den geest van Wralda aan; maar gij moet hem
+niet aanroepen, bevorens alle dingen beproefd zijn. Doch ik zeg u met
+redenen, en de tijd zal het waar maken: De moedeloozen zullen immer
+bezwijken onder hun eigen leed.
+
+2. Wraldas geest mag men alleen kniebuigende dank toewijden, ja
+driewerf, voor hetgene gij van hem genoten hebt, voor hetgene gij
+geniet en voor de hoop, die hij u laat in angstige tijden.
+
+3. Gij hebt gezien, hoe spoedig ik hulp verleende. Doe al eender
+met uwen naaste; maar en toef niet tot dat men u gebeden heeft; de
+lijdende zoude u vloeken, mijne maagden zouden uwen naam uitwisschen
+uit het boek en ik zoude u als een onbekende moeten afwijzen.
+
+4. Neem nimmer kniebuigende van uwen naaste dank aan, deze behoort
+aan Wraldas geest. De nijd zoude u bekruipen; de wijsheid zoude u
+belagchen; mijne maagden zouden u betigten van vaderroof.
+
+5. Vier dingen zijn tot uw genot gegeven, met name lucht, water,
+land en vuur; maar Wralda wil alleen daarvan bezitter wezen. Daarom
+raad ik u, gij zult u rechtvaardige mannen kiezen, die den arbeid en
+de vruchten naar recht verdeelen, zoodat niemand vrij van werken noch
+van verdedigen zij.
+
+6. Zoo wanneer daar iemand onder u gevonden wordt, die zijne eigene
+vrijheid verkoopt, die is niet van uw volk, hij is een bastaard met
+verbasterd bloed. Ik raad u, dat gij hem en zijne moeder uit het land
+drijft. Zeg dat tot uwe kinderen des morgens en des middags en des
+avonds, tot dat zij daar van droomen des nachts.
+
+7. Een iegelijk die een ander van zijne vrijheid berooft, al ware de
+ander hem schuldig, dien moet ik aan den leiband eener slavin laten
+voeren. Doch ik raad u om zijn lijk en dat zijner moeder op eene
+kale plaats te verbranden en daarna hunne asch vijftig voet onder
+den grond te begraven, opdat daar geen grashalm op groeijen moge,
+want zoodanig gras zoude uw kostelijkste vee dooden.
+
+8. Tast nooit aan het volk van Lyda, noch van Finda, omdat Wralda
+zoude hen helpen; zoodat al het geweld, dat van u uitging, op uw
+eigen hoofd zoude terugkeeren.
+
+9. Zoo wanneer het mocht gebeuren, dat zij van u raadgeving of iets
+anders begeerden, zoo behoort gij hen te helpen. Maar komen zij om
+te rooven, val dan op hen neder als het bliksemende vuur.
+
+10. Zoo wanneer een van hun eene uwer dochteren tot vrouw begeert,
+en zij dat wil, dan zult gij haar hare dwaasheid beduiden, doch wil
+zij toch haren vrijer volgen, dat zij dan met vrede ga.
+
+11. Wil uw zoon eene van hunne dochteren, dan moet gij even zoo doen
+als met uwe dochter. Maar noch de een, noch de ander mag terugkeeren,
+want zij zouden uitheemsche zeden en gewoonten medevoeren, en zoodra
+deze bij u gehuldigd worden, mag ik niet langer over u waken.
+
+12. Op mijne dienares Fasta heb ik al mijne hoop gevestigd. Daarom
+moet gij haar tot uwe Eeremoeder nemen. Volgt gij mijn raad, dan
+zal zij namaals mijne dienares blijven en alle vrome maagden die
+haar volgen. Dan zal de lamp nimmer uitgaan, die ik voor u opgestoken
+heb. Het licht daarvan zal dan eeuwig uw brein verlichten, en gij zult
+dan even vrij blijven van onvrij geweld, als uwe zoete rivierwateren
+van het zoute water der eindelooze zee.
+
+
+
+
+
+DIT HEEFT FASTA GEZEGD.
+
+
+Alle inzettingen die eene eeuw, dat is honderd jaren, mogen omloopen
+met den Kroder (kruijer) en zijn Juul, die mogen op raad der Eeremoeder
+en bij gemeene wil op de wanden der burgten gegrift worden; zijn
+zij op de wanden geschreven, dan zijn zij wetten (ewa), en het
+is onze plicht om die alle in eere te houden. Komt nood en dwang
+ons inzettingen te geven, strijdende met onze wetten en gewoonten,
+zoo moet de mensch doen gelijk zij eischen; doch zijn zij geweken,
+dan moet men immer tot het oude terugkeeren. Dat is Fryas wil en dat
+moet wezen die van alle hare kinderen.
+
+
+
+
+
+FASTA ZEIDE
+
+Alle dingen die men aanvangen wil, hoedanig zij mogen wezen, op
+den dag, waarop wij Frya gehuldigd hebben, zullen eeuwig falikant
+uitkomen. Nadat de tijd nu bewezen heeft, dat zij recht had, zoo is
+dat eene wet geworden, dat men zonder nood en dwang op Frya haren
+dag niets anders doen mag dan blijde feesten vieren.
+
+
+
+
+
+DIT ZIJN DE WETTEN DIE TOT DE BURGTEN BETREKKING HEBBEN.
+
+
+1. Zoo wanneer ergens eene burgt gebouwd is, dan moet de lamp aldaar
+aan de eerste lamp te Texland aangestoken worden, doch dat mag nimmer
+anders dan door de Moeder geschieden.
+
+2. Elke moeder zal hare eigene maagden kiezen. Eveneens die welke op
+andere burgen moeder zijn.
+
+3. De Moeder te Texland mag hare opvolgster kiezen, doch bijaldien
+zij sterft voor dat zij het gedaan heeft, dan moet die gekozen worden
+op eene algemeene vergadering bij raad van alle staten te zamen.
+
+4. De Moeder op Texland mag eenentwintig maagden hebben en zeven
+spinmeisjes, opdat er altijd zeven bij de lamp mogen waken des daags
+en des nachts. Bij de maagden die op de andere burgten als moeder
+dienen, even zoo vele.
+
+5. Bijaldien eene maagd aan iemand huwen wil, zoo moet zij dat aan
+de moeder berichten, en op staande voet tot de menschen terugkeeren,
+eer zij met haar tochtige adem het licht verontreinigt.
+
+6. Aan de Moeder en aan iedere burgtmaagd zal men toevoegen
+eenentwintig burgtheeren, zeven bejaarde wijzen, zeven bejaarde
+krijgslieden en zeven oude zeestrijders.
+
+7. Daarvan zullen alle jaren naar huis keeren drie van elk zevental,
+maar zij mogen niet opgevolgd worden door hunne nabestaanden, nader
+dan het vierde lid.
+
+8. Ieder mag drie honderd jonge burgtverdedigers hebben.
+
+9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van
+de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den
+oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren
+noodig zijn.
+
+10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren;
+doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten
+blijven hun geheele leven lang.
+
+11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene
+stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel
+het volk alleen.
+
+12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden,
+met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd
+drie boden met zeven paarden.
+
+15. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het
+volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet
+geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders zijn.
+
+14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren
+zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld
+ontvangt.
+
+15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet,
+dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem
+hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen.
+
+16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene
+burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt
+hem bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is
+naar den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade
+tochten. Is hij goedgekeurd, dan ontdoet hij zich van zijne wapenen
+en zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder.
+
+17. Is de zaak over ééne state, dan mogen er niet minder dan drie
+boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan moeten er nog
+driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen kwaad
+vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde.
+
+18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare kinderen,
+dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan, dat is
+de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om haar
+daar in te helpen.
+
+19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om uitspraak
+te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij de zaak
+twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken, opdat
+er vrede kome, en omdat het beter is dat aan één man onrecht gedaan
+wordt dan aan velen.
+
+20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op
+het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad,
+dan mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad,
+dan mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen
+raad beter is dan een verkeerde raad.
+
+21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan
+moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en bloot.
+
+22. Zijn hare burgtheeren medeplichtig, dan doet men even zoo met hen.
+
+23. Is hare schuld twijfelachtig of bloot vermoeden, dan moet men
+hier over beraadslagen en spreken, zoo het noodig is, eenentwintig
+weken lang. Stemt het half deel schuldig, zoo houde men haar voor
+onschuldig. Twee derde, zoo wacht men nog een vol jaar. Stemt men dan
+ook nog zoo, dan mag men haar voor schuldig houden, maar niet dooden.
+
+24. Bijaldien er onder het derde deel sommigen zijn, die haar voor
+zoo onschuldig houden, dat zij haar willen volgen, zoo mogen zij dat
+doen met al hunne drijvende en tilbare have en niemand behoort hen
+daarom te minachten, aangezien de meerderheid even goed kan dwalen
+als de minderheid.
+
+
+
+
+
+ALGEMEENE WET.
+
+
+1. Alle vrijgeborenen zijn op gelijke wijze geboren. Daarom moeten
+zij ook gelijke rechten hebben, even goed op het land als op het ee,
+dat is water, en op alles dat Wralda geeft.
+
+2. Elk manspersoon mag de vrouw zijner keuze vrijen, en elke dochter
+mag haren heildrank aanbieden aan hem, dien zij bemint.
+
+3. Heeft iemand eene vrouw genomen, dan geeft men hem huis en werf. Is
+er geen, dan moet het gebouwd worden.
+
+4. Is hij naar een ander dorp gegaan, om eene vrouw en wil hij daar
+blijven, dan moet men hem aldaar een huis en werf geven, benevens
+het genot van de hemrik.
+
+5. Aan ieder manspersoon moet men een achterdeel als werf bij zijn
+huis geven: want niemand mag een voordeel bij zijn huis hebben, veel
+min een ronddeel. Alleen wanneer iemand eene daad verricht heeft tot
+gemeenen nutte, dan mag hem dat gegeven worden. Ook mag zijn jongste
+zoon dat erven. Na dezen moet het dorp dat terugnemen.
+
+6. Elk dorp zal een hemrik hebben naar zijne behoefte en de graaf zal
+hoeden dat elk zijn deel bemest en goed houdt, opdat de nakomelingen
+geene schade lijden mogen.
+
+7. Elk dorp mag eene markt hebben ter koop en verkoop, of tot
+ruilhandel, Al het andere land zal bouw en bosch blijven. Doch de
+boomen daarin zal niemand vellen, buiten gemeene raad, en buiten
+weten van den woudgraaf. Want de wouden zijn ten gemeenen nutte,
+daarom mag niemand er meester van zijn.
+
+8. Als marktgeld mag het dorp niet meer nemen dan het twaalfde
+gedeelte van den koopschat, noch van de inwoners, noch van den
+verafwonenden. Ook mag de marktschatting niet eerder verkocht worden
+als het andere goed.
+
+9. Al het marktgeld moet jaarlijks verdeeld worden, drie dagen voor
+den Juuldag, in honderd deelen te verdeelen.
+
+10. De grevetman met zijne graven zal daarvan ontvangen twintig
+deelen; de marktrechter tien deelen en zijne helpers vijf deelen;
+de volksmoeder een deel; de vroedvrouw vier deelen; het dorp tien
+deelen; de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen,
+vijftig deelen.
+
+11. Degene die te markt komen mogen niet woekeren. Komen er sommige,
+dan is het de plicht der maagden, hen kenbaar te maken over het geheele
+land, opdat zij nimmer gekozen worden tot eenig ambt, want zulke hebben
+een gierig hart. Om rijkdom te vergaderen zouden zij alles verraden,
+het volk, de Moeder, hunne nabestaanden en ten laatsten zich zelven.
+
+12. Is er iemand zoo boos dat hij zuchtziek vee of bedorven waar voor
+heel goed verkoopt, dan moet de marktrechter hem weren en de maagden
+hem noemen over het geheele land.
+
+In vroegere tijden huisde Findas volk meest al te gader over hun
+moeders geboorteland, met name Aldland, dat nu in zee ligt. Zij
+waren dus ver af. Daarom hadden wij ook geen oorlog. Toen zij
+verdreven zijn en herwaarts kwamen om te rooven, toen kwam er van
+zelf landverdediging, heermannen, koningen en oorlog. Voor die alle
+kwamen inzettingen, en uit de inzettingen kwamen wetten.
+
+
+
+
+
+HIER VOLGEN DE WETTEN DIE DAARUIT ZAMENGESTELD ZIJN.
+
+
+1. Elke Fries moet de beleedigers of vijanden afweren, met al zulke
+wapenen, als hij verzinnen, bekomen en hanteren mag.
+
+2. Is een knaap twaalf jaar, dan moet hij de zevende dag missen van
+zijn leertijd om vaardig te worden met de wapenen.
+
+3. Is hij bekwaam geworden, dan geve men hem wapenen en hij wordt
+tot krijgsman geslagen.
+
+4. Is hij drie jaren krijgsman, dan wordt hij burgtheer en mag hij
+helpen zijn hoofdman te kiezen.
+
+5. Is hij zeven jaren kiezer, dan mag hij helpen een heerman of koning
+te kiezen en dan zelf ook gekozen worden.
+
+6. Alle jaren moet hij herkozen worden.
+
+7. Behalve de koning mogen alle ambtmannen wedergekozen worden,
+die recht doen en naar Fryas raad.
+
+8. Geen koning mag langer dan drie jaren koning blijven, opdat hij
+niet bestendig moge worden.
+
+9. Heeft hij zeven jaren gerust, dan mag hij weer gekozen worden.
+
+10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne
+nabestaanden ook naar die eer dingen.
+
+11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven,
+dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan
+het vierde lid.
+
+12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets
+verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te
+hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de
+liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen.
+
+
+
+
+
+DIT ZIJN DE RECHTEN DER MOEDER EN DER KONINGEN.
+
+
+1. Zoo wanneer er oorlog komt, zende de Moeder hare boden naar den
+koning, de koning zende boden naar de grevetmannen om de landweer.
+
+2. De grevetmannen roepen alle burgtheeren te zamen en bespreken hoe
+vele mannen zij zullen zenden.
+
+3. Alle besluiten van dezen moeten dadelijk naar de Moeder gezonden
+worden, met boden en getuigen.
+
+4 De Moeder laat alle besluiten verzamelen en geeft het guldengetal,
+dat is het middengetal van alle besluiten te zamen. Hiermede moet
+men vooreerst vrede hebben, en de koning eveneens.
+
+5. Is het leger te velde, dan behoeft de koning slechts met zijne
+hoofdmannen te raadplegen, doch daarbij moeten altijd de drie
+burgtheeren der Moeder vooraan zitten zonder stem. Deze burgtheeren
+moeten dagelijks boden naar de Moeder zenden, opdat zij weten moge
+of er iets gedaan wordt, strijdende met Fryas raadgeving.
+
+6. Wil de koning iets doen, en zijne raden niet, zoo mag hij het
+niet onderstaan.
+
+7. Komt een vijand onverwacht, dan moet men doen, zooals de koning
+gebiedt.
+
+8. Is de koning niet op het pad, dan moet men zijn volger gehoorzaam
+wezen, of die op dezen volgt, tot den laatsten toe.
+
+9. Is er geen hoofdman, dan moet men een kiezen.
+
+10. Is daar geen tijd toe, dan werpe zich een tot hoofdman op, die
+zich sterk gevoelt.
+
+11. Heeft de koning een gevreesd volk afgeslagen, dan mogen zijne
+nakomelingen zijnen naam achter hun eigen naam voeren. De koning
+mag, zoo hij wil, op eene onbebouwde plaats eene plek uitkiezen tot
+een huis en erf. Dat erf mag een ronddeel zijn, zoo groot, dat hij
+naar alle zijden zeven honderd treden van zijn huis af loopen mag,
+eer hij aan zijn grensscheiding komt.
+
+12. Zijn jongste zoon mag dat goed erven, na hem diens jongste zoon,
+dan zal men het terug nemen.
+
+
+
+
+
+HIER ZIJN DE RECHTEN ALLER FRIESEN OM VEILIG TE WEZEN.
+
+
+Zoo wanneer er wetten gemaakt worden, of nieuwe inzettingen
+zamengesteld, alsdan moet het ten gemeenen nutte geschieden, maar
+nimmer ten bate van enkelde menschen, noch van enkelde geslachten,
+noch van enkelde staten, noch van iets dat enkeld is.
+
+2. Zoo wanneer er oorlog komt en daar worden huizen vernield of
+schepen, hoedanig het ook wezen mogen, hetzij door den vijand, hetzij
+bij gemeenen rade, zoo behoort de gemeene gemeente, dat is al het volk
+te zamen, dit weder te vergoeden, daarom opdat niemand de algemeene
+zaak zal helpen verliezen, om zijn eigen goed te behouden.
+
+3. Is de oorlog voorbij gegaan, en zijn er sommige zoodanig verminkt,
+dat zij niet langer werken kunnen, dan moet de gemeene gemeente hen
+onderhouden, bij de feesten behooren zij vooraan te zitten, opdat de
+jeugd hen zal eeren.
+
+4. Zijn er weduwen en weezen gekomen, dan moet men haar ook
+onderhouden, en de zonen mogen de namen hunner vaderen op hunne
+schilden schrijven tot eere van hun geslacht.
+
+5. Zijn er sommigen door den vijand gevangen genomen en komen zij
+terug, dan moet men hen verre van het kamp wegvoeren, want zij mochten
+vrij gelaten zijn onder kwade beloften, en dan mogen zij hunne beloften
+niet houden en toch eerlijk blijven.
+
+6. Indien wij zelve vijanden gevangen nemen, dan voere men die diep
+in het land weg, en leert hen onze vrije zeden.
+
+7. Indien men hen naderhand vrijlaat, dan laat men dat met goedheid
+door de Maagden doen, opdat wij makkers en vrienden winnen in plaats
+van haters en vijanden.
+
+
+
+
+
+UIT MINNO'S GESCHRIFTEN.
+
+
+Zoo wanneer daar een man is dermate boos, dat hij onze naburen berooft,
+doodslagen pleegt, huizen in brand steekt, maagden schendt, wat het
+ook zij dat boos is, en onze landgenooten willen dat gewroken hebben,
+dan is het recht, dat men den dader vatte en in hunne tegenwoordigheid
+doode, opdat daar over geen oorlog kome, waardoor de onschuldige zoude
+boeten voor den schuldige. Willen zij hem zijn lijf laten behouden
+en de wraak laten afkoopen, zoo mag men dat gedoogen. Is de schuldige
+een koning, grevetman, grevet, wie dat het zij, die over de zeden moet
+waken, zoo moeten wij het kwaad herstellen, maar hij moet zijne straf
+hebben. Voert hij een eernaam op zijn schild van zijne voorvaderen,
+dan mogen zijne nabestaanden dien naam niet langer voeren, daarom
+dat de eene bloedverwant zorgdragen zal over de zeden des anderen.
+
+
+
+
+
+WETTEN VOOR DE STUURLIEDEN. STUURMAN IS EEN TITEL VOOR DE
+BUITENVAARDERS.
+
+
+1. Alle Fryas zonen hebben gelijke rechten, daarom mogen alle flinke
+knapen zich als buitenvaarders aanmelden bij den olderman, en deze
+mag hen niet afwijzen, ten ware dat er geen plaats is.
+
+2. De stuurlieden mogen hun eigen meesters benoemen.
+
+3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente,
+aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen
+stem hebben.
+
+4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is,
+dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning
+zich beklagen bij den olderman.
+
+5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de zeelieden
+daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning twaalf
+mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen elk
+twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk elk
+een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de middelste
+jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een tweederde deel.
+
+6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen voor
+hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene feesten,
+bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten.
+
+7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun
+deel erven.
+
+8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene
+gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld,
+dan mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren.
+
+9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een geheel
+mansdeel hebben.
+
+10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen
+om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor
+deze eer weduw blijven haar leven lang.
+
+11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders
+zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen.
+
+12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch erf,
+dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo mogen
+zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat vergoeden
+naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel weigeren.
+
+
+
+
+
+NUTTIGE ZAKEN UIT DE NAGELATEN SCHRIFTEN VAN MINNO.
+
+
+Minno was een oude zeekoning, een ziener en wijsgeer; hij heeft aan
+de Kretensen wetten gegeven. Hij is geboren aan de Lindeoord, en
+na al zijne omzwervingen heeft hij het geluk genoten om te Lindahem
+te sterven.
+
+Zoo wanneer onze naburen een stuk land hebben of water, dat ons goed
+toeschijnt, zoo voegt het ons dat te koop te vragen; willen zij dat
+niet doen, zoo moet men hun dat laten behouden: dat is naar Fryas
+tex en het zoude onrecht wezen dat afhandig te maken.
+
+Wanneer er naburen te zamen kijven en twisten over eenige zaak (anders)
+dan over land, en zij ons verzoeken een oordeel uit te spreken, zoo
+behoort men dat liever achterwege te laten; doch als men daar niet
+buiten kan, zoo moet men dat eerlijk en rechtvaardig doen.
+
+Komt er iemand en zegt: ik heb oorlog en nu moet gij mij helpen. Of
+een ander komt en zegt: mijn zoon is minderjarig en onbekwaam en ik
+ben oud, nu wilde ik u tot voogd over hem en over mijn land stellen,
+totdat hij meerderjarig is, zoo behoort men dat te weigeren, opdat wij
+niet in twist mogen komen over zaken strijdende met onze vrije zeden.
+
+Wanneer een buitenlandsch koopman komt op de toegelatene markt te
+Wyringen of te Almanland en hij bedriegt, zoo wordt hij terstond in
+de marktboete geslagen en door de maagden kenbaar gemaakt over het
+geheele land. Komt hij dan terug, dan zal niemand van hem koopen, en
+hij mag vertrekken gelijk hij gekomen is. Dus wanneer er kooplieden
+gekozen worden om ter markt te gaan, of met de vloot te varen, dan
+behoort men alleen dezulken te kiezen, die men door en door kent en
+in een goeden roep staan bij de maagden. Gebeurt het desniettemin,
+dat er een slecht man onder is, die de menschen bedriegen wil, zoo
+behooren de anderen dat te weren. Heeft hij het reeds gedaan, dan
+moet men dat herstellen, en den misdadiger uit het land verbannen,
+opdat onze naam overal met eere genoemd mag worden.
+
+Maar zoo wij ons op eene buitenlandsche markt bevinden, hetzij nabij
+of ver af en het volk ons leed doet of besteelt, dan behooren wij met
+een haastigen aanval toe te slaan, want ofschoon wij alles behooren te
+doen om des vredes wille, mogen onze halfbroeders ons nimmer minachten
+of wanen dat wij bang zijn.
+
+In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten,
+achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze
+voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda
+of Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en
+zeeën heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik
+overtuigd, dat wij alleen door Alfader uitverkoren zijn, om wetten
+te hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden,
+zij zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Velen gelijken op Finda,
+zijn schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hovaardig, valsch,
+onkuisch en moordzuchtig. De padde blaast zich op en zij kan slechts
+kruipen. De kikvorsch roept werk, werk, en zij doet niets als huppelen
+en grappenmaken. De raven roepen spaar, spaar, maar zij stelen en
+verslinden al wat onder hun snavel komt. Aan die allen gelijk is
+het Findas volk, zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil
+inzettingen maken om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan
+gebonden wezen. Diegene wiens geest het listigste is en daardoor
+sterk, diens haan kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn
+wil onderworpen wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel
+verdrijft. Het woord ewa is te heilig om eene gemeene zaak te benoemen,
+daarom heeft men ons evin leeren zeggen. Ewa beteekent inzettingen,
+die bij alle menschen gelijkelijk in hun gemoed geprent zijn, opdat
+zij weten mogen wat recht en onrecht is, en waardoor zij in staat
+zijn hunne eigene daden en die van anderen te beoordeelen, dat wil
+zeggen: alzoo verre zij goed en niet misdadig opgevoed zijn. Ook is
+er nog een andere zin aan vast: Ewa (effen) beteekent ook gelijk,
+vlak als water, recht en slecht gelijk water dat door geen hevige wind
+of iets anders verstoord is. Wordt het water verstoord, dan wordt het
+oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weder effen te worden. Dat
+ligt in zijn wezen, even als de neiging tot recht en vrijheid in Fryas
+kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door den geest van Wralda onzen
+vader, die luide spreekt in Fryas kinderen. Daarom zal die ook eeuwig
+beklijven. Ewa (eeuwig) is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die
+eeuwig recht en onverstoord blijft, ofschoon het in zijn ligchaam
+erg toe gaat. Eeuwig en onverstoord zijn de kenmerken der wijsheid
+en rechtvaardigheid die door alle vrome menschen gezocht en door alle
+rechteren moeten bezeten worden. Willen dus de menschen inzettingen en
+bepalingen maken, die steeds goed blijven en aller wege, zoo moeten
+zij gelijk wezen voor alle menschen. Naar deze wetten behooren de
+rechteren hun oordeel uit te spreken. Is er eenig kwaad bedreven,
+waaromtrent geene wetten gemaakt zijn, zoo moet men eene algemeene
+vergadering beleggen, daar oordeelt men naar den zin, dien Wraldas
+geest in ons spreekt, om over alles rechtvaardig te oordeelen. Zoo
+doende zal ons oordeel nimmer falikant uitkomen. Doet men geen recht,
+maar onrecht, dan rijst er twist en tweespalt onder de menschen en
+staten; daaruit ontspruit binnenlandsche oorlog, waardoor alles in de
+war gebragt en in 't verderf gestort wordt. Maar o domheid. Terwijl wij
+bezig zijn elkander te schaden, komt het nijdige volk Findas met zijne
+valsche priesteren om uwe have te rooven, uwe dochteren te schenden,
+uwe zeden te verderven, en ten laatste sluiten zij slavenbanden om
+een ieders vrijen hals.
+
+
+
+
+
+UIT MINNOS SCHRIFTEN.
+
+
+Toen Nyhalennia, die van haar eigen naam Min-erva heette, goed gezeten
+was, en de Krekalanders haar soms evenzeer lief hadden als ons eigen
+volk, toen kwamen daar eenige vorsten en priesteren op hare burgt en
+vraagden Min-erva, waar hare erven gelegen waren. Hellenia antwoorde
+mijne erven draag ik om in mijn boezem, 't gene ik geërfd heb is liefde
+tot wijsheid, rechtvaardigheid en vrijheid. Heb ik die verloren, dan
+ben ik gelijk aan den minste van uwe slaven. Nu geef ik raad om niet,
+maar dan zoude ik die verkoopen. De heeren gingen heen en riepen al
+lachende, uwe gehoorzame dienaren, wijze Hellenia. Doch daarmede misten
+zij hun doel, want het volk dat haar beminde en volgde nam dezen naam
+als een eernaam op. Toen zij zagen, dat hun schot gemist had, toen
+gingen zij haar belasteren, en zeiden dat zij het volk behekst had;
+maar ons volk en de goede Krekalanders beweerden allerwege dat het
+laster was. Eens kwamen zij en vroegen: als gij dan geen tioenster
+(heks) zijt, wat doet gij dan met de eijeren, die gij altijd bij
+u hebt. Minerva antwoordde: Deze eijeren zijn het zinnebeeld van
+Frya's raadgevingen, waarin onze toekomst verholen ligt en die van het
+geheele menschelijk geslacht. De tijd moet ze uitbroeden, en wij moeten
+waken dat er geen leed aan komt. De priesteren (zeiden): goed gezegd,
+maar waartoe dient de hond aan uwe rechter hand. Hellenia antwoorde:
+Heeft de herder geen schaapshond om zijne kudde bijeen te houden? wat
+de hond is in de dienst des schaapsherders, dat ben ik in Frya's
+dienst. Ik moet over Frya's kudde waken. Dat komt ons goed voor zeiden
+de priesters, maar zeg ons wat is de beteekenis van de nachtuil, die
+altijd boven uw hoofd zit; is dat lichtschuwende dier soms het teeken
+van uw helder zien? Neen, antwoorde Hellenia, hij helpt mij herinneren
+dat er een slag van menschen over de aarde omdwaalt, dat even gelijk
+hij in kerken en holen huist, die in duister omwroeten, doch niet
+als hij, om ons van muizen en andere plagen te bevrijden, maar om
+ranken te verzinnen, andere menschen hunne wetenschap te rooven,
+opdat zij hen des te beter mogen vatten om er slaven van te maken, en
+hun bloed uit te zuigen even als de bloedzuigers doen. Eens kwamen zij
+met eene bende volks (de pest was over het land gekomen), zij zeiden:
+wij alle zijn bezig de goden te offeren, opdat zij de pest mogen weren,
+wilt gij dan niet helpen hunne gramschap te stillen, of hebt gij zelve
+de pest over het land gebracht met uwe kunsten. Neen, zeide Minerva,
+maar ik ken geene goden die kwaaddoende zijn, daarom kan ik niet vragen
+of zij beter willen worden. Ik ken slechts een goede, dat is Wralda's
+geest, maar omdat hij goed is, doet hij ook geen kwaad. Waar komt het
+kwaad dan weg, vroegen de priesteren. Alle kwaad komt van u en van de
+domheid der menschen, die zich van u laten vangen. Indien uwe godheid
+dan zoo bijster goed is, waarom weert hij dan het kwaad niet, vroegen
+de priesters. Hellenia antwoorde: Frya heeft ons op den weg gebracht,
+en de Kroder, dat is de Tijd, die moet het overige doen; voor alle
+rampen is raad en hulp te vinden, doch Wralda wil dat wij die zelve
+zullen zoeken, opdat wij sterk zullen worden en wijs. Willen wij niet,
+dan laat hij onze verbastering uitrazen, opdat wij zullen ervaren,
+wat na verstandige daden en wat na dwaze daden volgt.
+
+Toen zeide een vorst: Ik zoude wanen, dat het beter ware, die te
+weeren. Wel mogelijk, antwoordde Hellenia, want dan zouden de menschen
+blijven gelijk makke schapen, gij en de priesters zoudt hen willen
+hoeden, maar ook scheren en naar de slachtbank voeren. Doch zoo wil
+het onze godheid niet, hij wil, dat wij elkander helpen, maar hij
+wil ook dat iedereen vrij zij en wijs worde. En dat is ook onze wil,
+en daarom kiest ons volk zijne vorsten, graven, raadgevers en alle
+bazen en meesters uit de wijsten der goede menschen, opdat alle man
+even zeer zijn best zal doen, om wijs en goed te worden. Zoodoende
+zullen wij eens weten en aan het volk leeren, dat wijs zijn en
+wijs doen alleen leidt tot zaligheid. Dat schijnt wel een oordeel,
+zeiden de priesters, maar als gij nu meent dat de pest door onze
+domheid ontstaat, zoude Nyhellenia dan wel zoo goed willen wezen,
+om ons wat van dat nieuwe licht te leenen, waarop zij zoo trotsch
+is. Ja, zeide Hellenia, de raven en andere vogelen komen alleen af op
+bedorven aas, maar de pest bemint niet alleen bedorven aas, maar ook
+bedorven zeden en gewoonten en booze lusten; wilt gij nu dat de pest
+van u zal wijken en niet terugkomen, dan moet gij de booze lusten
+wegdoen, opdat gij alle rein wordt van binnen en van buiten. Wij
+willen gelooven, dat de raad goed is, zeiden de priesters, maar zeg
+ons, hoe zullen wij daar alle menschen toe krijgen, die onder onze
+heerschappij zijn? Toen stond Hellenia op van haren zetel en sprak:
+De musschen volgen den zaaijer, de volken hunne goede vorsten, daarom
+betaamt het u te beginnen met u zelven alzoo rein te maken, dat gij
+uwe blikken naar binnen en naar buiten moogt richten zonder schaamrood
+te worden voor uw eigen gemoed. Doch in plaats van het volk rein te
+maken, hebt gij vuile feesten uitgevonden, waarop het volk alzoo lang
+zuipt, dat zij ten laatsten, gelijk de zwijnen in het slik wroeten,
+omdat gij uwe lusten boeten moogt. Het volk begon te joelen en te
+spotten, daardoor durfden zij geen strijd weder aan te spinnen. Nu
+zoude ieder wanen dat zij overal het volk te hoop geroepen hadden, om
+ons allen te zamen het land uit te drijven. Neen, in plaats van haar
+te beschimpen gingen zij allerwegen, ook naar het heinde Krekaland
+tot aan de Alpen uitroepen: dat het den Oppersten God behaagd had
+zijne verstandige dochter Minerva, bijgenaamd Nyhellenia, onder de
+menschen te zenden van over zee met eene wolk, om de menschen goede
+raad te geven, en opdat alle menschen die haar hooren wilden rijk
+en gelukkig zouden worden, en eens meester zouden worden over alle
+koningrijken der aarde. Zij stelden haar beeld op hunne altaren,
+zij verkondigden of verkochten aan de domme menschen allerwegen
+raadgevingen die zij nimmer gegeven had, en vertelden wonderen die zij
+nooit gedaan had. Door list wisten zij zich meester te maken van onze
+wetten en inzettingen en door listen en drogredenen wisten zij alles te
+bewijzen en te verbreiden. Zij stelden ook priesteressen onder hunne
+hoede, die schijnbaar onder de hoede van Festa onze eerste eeremoeder
+(waren) om over het heilige licht te waken, maar dat licht hadden zij
+zelve ontstoken, en in plaats van de priesteressen wijs te maken en
+naderhand onder het volk te zenden om de zieken te verplegen en de
+jeugd te onderwijzen, maakten zij ze dom en duister, en zij mochten
+nimmer buiten komen. Ook werden zij als raadgeefsters gebezigd, maar
+die raad was voor den schijn uit hare monden, want hare monden waren
+niet anders dan de roepers, waardoor de priesters hunne begeerten
+uitspraken. Toen Nyhellenia gestorven was, wilden wij eene andere
+moeder kiezen. Sommigen wilden naar Texland om aldaar eene te vragen;
+maar de priesters die bij hun eigen volk het rijk weder in hadden,
+wilden dat niet gedoogen, en kreten ons bij het volk als onheilig uit.
+
+
+
+
+
+UIT DE SCHRIFTEN VAN MINNO.
+
+
+Toen ik aldus weggevaren was met mijne lieden van Athenia, kwamen wij
+ten laatsten aan een eiland, door mijne manschappen Kreta geheeten,
+wegens de woeste kreten die het volk aanhief bij onze komst. Toen zij
+echter zagen, dat wij geen oorlog in het schild voerden, werden zij
+gedwee, zoodat ik ten laatsten voor een boot met ijzer gereedschap
+eene havenmond en een plek grond inruilde, doch toen wij daar eene
+poos gezeten waren, en zij bespeurden dat wij geene slaven hadden,
+toen waren zij daarover versteld. Maar toen dat ik hun nu verteld
+had, dat wij wetten hadden om gelijk recht te doen over allen, toen
+wilde het volk ook zulke hebben, doch nauwlijks hadden zij die, of
+het geheele land kwam in de war. De vorsten en priesteren kwamen en
+gaven voor dat wij hunne onderdanen oproerig gemaakt hadden, en het
+volk kwam tot ons om heul en schut te vragen. Doch toen de vorsten
+zagen dat zij hun rijk zouden verliezen, toen gaven zij aan het volk
+vrijheid en kwamen bij mij om een Asegaboek. Doch het volk was aan
+geen vrijheid gewoon, en de heeren bleven heerschen, naardat hun goed
+dacht. Nadat die storm over was, begonnen zij tweespalt tusschen ons
+te zaaijen. Zij zeiden aan mijn volk, dat ik hunne hulp had ingeroepen,
+om bestendig koning te worden. Eens vond ik vergif in mijne spijs. Doch
+als er eens een schip van Flyland bij ons verzeilde, ben ik daarmede
+stilletjes weggetogen. Doch mijn eigen wedervaren daarlatende, wil ik
+met deze geschiedenis alleen zeggen, dat wij ons niet moeten inlaten
+met Finda's volk, van waar het ook zij, omdat zij vol zijn van valsche
+ranken, even te vreezen als hunne zoete wijnen met doodend vergif.
+
+
+Einde van Menno's schriften.
+
+
+
+
+
+HIERONDER ZIJN DRIE BEGINSELEN, DAARNAAR ZIJN DEZE INZETTINGEN GEMAAKT.
+
+
+1. Iedereen weet dat hij zijn nooddruft moet hebben, maar wordt aan
+iemand zijne nooddruft onthouden, dan weet niemand wat hij doen zal,
+om zijn lijf te behouden.
+
+2. Alle volwassen menschen worden gedrongen kinderen te verwekken,
+zoo dat geweerd wordt, weet niemand, wat kwaads daarvan kan komen.
+
+3. Een ieder weet dat hij vrij en onverlet wil leven, en dat anderen
+dat ook willen. Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen
+gemaakt.
+
+Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze
+zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en
+vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en moord.
+
+1. Bijaldien iemand gebrek heeft en hij kan hem zelf niet helpen,
+zoo moeten de Maagden dat ter kennis brengen van den graaf, om reden
+dat het een hooghartigen Fries niet past dat zelf te doen.
+
+2. Zoo iemand arm wordt, doordien hij niet werken wil, die moet uit
+den lande uitgedreven worden; want de laffen en tragen zijn lastig
+en ergdenkend, daarom behoort men hen te weren.
+
+3. Ieder jong man behoort eene bruid te zoeken, en is hij vijf en
+twintig jaar oud, dan behoort hij eene vrouw te hebben.
+
+4. Is iemand vijf en twintig jaar, en heeft hij nog geene echtgenoot,
+dan behoort men hem uit zijn huis te weren, de knapen behooren hem
+te vermijden. Neemt hij dan nog geene vrouw, dan moet men hem dood
+verklaren, opdat hij uit het land vertrekke, en hier geen ergernis
+mag geven.
+
+5. Is iemand machteloos, dan moet hij openbaar zeggen dat niemand
+van hem te vreezen heeft, dan mag hij komen, waar hij wil.
+
+6. Pleegt hij naderhand ontucht, dan mag hij vluchten; vlucht hij niet,
+dan wordt hij aan de wraak der bedrogene overgelaten en niemand mag
+hem helpen.
+
+7. Bijaldien iemand eenig goed heeft, en een ander begeert dat
+dermate, dat hij zich daaraan vergrijpt, dan moet hij dat drievoudig
+vergelden. Steelt hij dan nog eens weer, dan moet hij naar de
+tinlanden; wil de bestolene hem vrij laten, dan mag hij dat doen,
+maar gebeurt het voor de derde reis, dan mag niemand hem de vrijheid
+schenken.
+
+
+
+
+
+DEZE BEPALINGEN ZIJN GEMAAKT VOOR TOORNIGE MENSCHEN.
+
+
+Zoo iemand in drift of uit boosheid een ander leden breekt, een oog
+uitstoot, ofte tand, wat het ook zij, zoo moet de beleediger betalen,
+wat de beleedigde eischt. Kan hij dat niet doen, zoo moet er openbaar
+aan hem gedaan worden, wat hij aan den ander deed. Wil hij dat niet
+uitstaan, dan moet hij zich tot zijne burgtmaagd wenden, of hij in
+de ijzer- of tinlanden mag werken, tot dat zijne schuld voldaan is
+volgens de algemeene bepaling.
+
+2. Wanneer iemand gevonden wordt zoo boos, dat hij een Fries dood
+slaat, dan moet hij dat met zijn lijf betalen. Doch kan zijne
+burgtmaagd hem voor altijd naar de tinlanden helpen, voor dat hij
+gevat wordt, dan mag zij dat doen.
+
+3. Bijaldien de gevangene kan bewijzen met erkende getuigen, dat het
+bij ongeluk geschied is, zoo zal hij vrij wezen. Maar gebeurt het
+nog eenmaal, dan moet hij toch naar de tinlanden, opdat men daardoor
+vermijde alle onbehoorlijke wraak en veete.
+
+
+
+
+
+DIT ZIJN BEPALINGEN VOOR DE HOERENKINDEREN.
+
+
+1. Wie eens anders huis uit boosheid den rooden haan opzet, is geen
+Fries, hij is een hoerenkind, met basterd bloed. Kan men hem op heeter
+daad vatten, dan moet men hem in het vuur werpen. Hij mag vlieden
+zoo hij kan, nergens zal hij veilig wezen voor de wrekende hand.
+
+2. Geen echte Fries zal over de misslagen zijns naaste mallen of
+kwaadspreken. Is iemand misdadig jegens hem zelven, maar niet te
+vreezen voor anderen, dan mag hij zijn eigen rechter wezen. Wordt hij
+zoo slecht, dat hij gevaarlijk wordt, dan moet men het aan den graaf
+openbaren. Maar is er iemand die een ander achter zijn rug aantijgt,
+in plaats van het bij den graaf te doen, die is een hoerenkind,
+op de markt moet hij aan den paal gebonden worden, zoodat het jong
+volk hem mag aanspuwen; daarna leidt men hem over de grenzen, maar
+niet naar de tinlanden, want een eerrover is ook te vreezen.
+
+3. Bijaldien er eens iemand zoo slecht was, dat hij ons ging verraden,
+aan den vijand de paden en bijpaden wees om onze vliedburgten
+te genaken, of des nachts daar in te sluipen, die zoude alleen
+gesproten zijn uit Finda's bloed, men zoude hem moeten verbranden,
+de zeelieden zouden zijne moeder en al zijne bloedverwanten naar
+een afgelegen eiland moeten brengen, en daar zijn asch verstuiven,
+opdat er geen vergiftige kruiden van mochten groeijen. De maagden
+moeten zijn naam vervloeken over alle onze staten, opdat geen kind
+zijn naam moge krijgen, en de ouden hem mogen verwerpen.
+
+Oorlog was voorbij gegaan, maar nood was in zijne plaats gekomen; nu
+waren er drie menschen die elk een zak koorn stalen van afzonderlijke
+eigenaren. Doch zij werden alle gevangen. Nu ging de eerste (eigenaar)
+heen en bracht den dief bij den schout, de maagden zeiden daarvan
+allerwege, dat hij gehandeld had naar het recht. De andere nam den
+dief het koorn af, en liet hem voorts met vrede; de maagden zeiden,
+hij heeft wel gedaan. Maar de derde eigenaar ging naar den dief in
+zijn huis. Toen hij nu zag, hoe de nood daar zijn zetel had opgesteld,
+ging hij terug en keerde weder met een wagen vol nooddruftigheden,
+waarmede hij den nood van den haard verdreef. Frya's maagden hadden
+bij hem rondgewaard en zijne daad in het eeuwige boek geschreven,
+terwijl zij al zijne zonden hadden uitgewischt. Het werd gezegd aan
+de eeremoeder, en deze liet het verkondigen over het geheele land.
+
+
+
+
+
+HETGENE HIERONDER STAAT IS AAN DE WANDEN VAN DE WARABURGT GEGRIFT.
+
+
+(Zie plaat I.)
+
+Wat hier boven staat, dat zijn de teekens van het Juul, dat is het
+eerste zinnebeeld van Wralda, ook van den aanvang of het begin, waaruit
+de Tijd is voortgekomen; deze is de Kroder, die eeuwig met het Juul
+moet rondloopen. Hiernaar heeft Frya het staand schrift gevormd,
+'t welk zij gebruikte voor hare tex. Toen Fasta eeremoeder was,
+heeft zij er het run of loopend schrift van gemaakt. De Witkoning
+d. i. Zeekoning Godfried, de oude, heeft er afzonderlijke getalteekens
+van gemaakt voor het staand en loopend schrift beide. Het is daarom
+niet te veel dat wij er jaarlijks eenmaal feest voor vieren. Wij
+mogen Wralda eeuwig dank wijden, dat hij zijn geest zoo krachtig
+over onze voorvaderen heeft laten varen. In haren tijd heeft Finda
+ook een schrift uitgevonden; maar dat was zoo hoogdravend en vol
+met franjes en krullen, dat de nakomelingen de beteekenis daarvan
+spoedig verloren hebben. Naderhand hebben zij ons schrift geleerd,
+met name de Finnen, de Thyriers en de Krekalander. Maar zij wisten
+niet goed, dat het van het Juul gemaakt was, en dat het daarom altijd
+moest geschreven worden met de zon om. Bovendien wilden zij dat hun
+schrift voor andere volken onleesbaar zoude wezen, omdat zij altijd
+geheimnissen hebben. Zoodoende zijn zij zeer van de wijs geraakt,
+dermate, dat de kinderen de schriften hunner ouderen bezwaarlijk kunnen
+lezen; terwijl wij onze alleroudste schriften even gemakkelijk kunnen
+lezen als die, die gisteren geschreven zijn.
+
+Hieronder is het staand schrift, daaronder het loopend schrift,
+vervolgens de getalteekens op beide wijzen.
+
+(Zie plaat II.)
+
+
+
+
+
+DIT STAAT OP ALLE BURGTEN GESCHREVEN.
+
+
+Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De zon
+rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters groeiden
+vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten hadden
+wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als goud
+blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden
+niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan
+de eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk
+behalve wij, mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij
+door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor
+het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het
+wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee,
+en ten westen aan de Middellandsche zee, zoodat wij buiten de kleine
+rivieren wel twaalf groot zoetwater stroomen hadden, ons door Wralda
+gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den weg
+naar zijne zee te wijzen.
+
+De oevers van deze stroomen werden somtijds alle door ons volk bezeten,
+ook de velden aan den Rijn, van 't eene einde tot het andere toe.
+
+Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met
+eene burgtmaagd. Van daar trokken wij koper en ijzer, benevens teer,
+pik en sommige andere benoodigdheden. Tegenover ons voormalig Westland
+hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der
+ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun
+lijf te behouden. Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst
+een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf,
+de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden
+en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie)
+en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land
+zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke
+gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd,
+uithoofde zij dikwijls anders niet deden dan barnsteen jutten
+(aan het strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden
+Letten geheeten, omdat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en
+kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde,
+werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren zoo
+noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of
+hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van
+daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers
+genoemd, omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven). Die
+in de hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden,
+werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd gewapend waren tegen
+het wild gedierte en de verwilderde Britten. Daarenboven hadden wij
+de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten.
+
+
+
+
+
+HOE DE BANGE TIJD KWAM.
+
+
+Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde
+zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor
+rook en damp als zeilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd
+aldus droef en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch
+vreugde. Te midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij
+stervende was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen;
+andere zonken in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had,
+hief zij nu bergen omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten,
+zonk neder, en de woeste golven traden zoo verre over bergen en
+dalen, dat alles onder de zee bedolven was. Vele menschen werden
+in de aarde begraven, en velen die aan het vuur ontkomen waren,
+kwamen daarna in het water om. Niet alleen in het land van Finda
+spuwden de bergen vuur, maar ook in het Twiskland. Wouden brandden
+daardoor achterelkander weg, en toen de wind daar van daan kwam,
+waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden verlegd en bij hunne
+monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend vee. Drie jaren was
+de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon men hare wouden
+zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee opgerezen
+en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk kwamen de
+ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd, of zij
+werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel geboden,
+en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt is.
+
+
+
+
+
+DIT STAAT AAN DE WARABURGT BIJ DE ALDEGAMUDE GEGRIFT.
+
+
+De Waraburgt is geen Maagdeburgt, maar daarin werden alle uitheemsche
+en buitenlandsche dingen bewaard, die mede gebracht zijn door de
+zeelieden. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uren) zuidwaarts
+van Medeasblik gelegen. Aldus is de voorafspraak: Bergen neigt uwe
+kruinen, wolken en stroomen weent. Ja, Schoonland bloost, slavenvolken
+stappen op uw kleed, o Frya.
+
+
+
+
+
+ZOO IS DE GESCHIEDENIS.
+
+
+100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam uit het oosten een volk
+weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons Twiskland,
+kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en elk ging
+zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons gekomen,
+maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland. Schoonland was
+schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van al. Daarom
+mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij anders geen
+leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij hen hebben
+leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en daarna hoe het
+ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk vele geslachten
+van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij hebben priesters,
+even als deze, en in de kerken hebben zij ook beelden. De priesters
+zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf Magyaren, hun opperste
+heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met een; al het andere volk
+is nul in 't cijfer en gelijk, en allen zijn onder hun geweld. Het
+volk heeft niet eens een naam; door ons worden zij Finnen genoemd;
+want ofschoon hunne feesten allemaal treurig en bloedig zijn, zijn
+zij daar toch zoo fijn op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn
+zij niet te benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters,
+maar nog veel meer van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol
+is van booze geesten, die in de menschen en dieren sluipen; maar van
+Wraldas geest weten zij niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren
+koperen. De Magyaren verhalen, dat zij de booze geesten kunnen bannen
+en verbannen, daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun
+gelaat is nimmer vrolijkheid te zien.
+
+Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij ons,
+zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen,
+die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen,
+en hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte
+onze waakzaamheid.
+
+Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij
+onverwacht, gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze
+landen toeloopen. Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd
+aangeroepen, maar de Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen
+werden krachten verzameld, drie palen van Godasburgt werden zij
+wederstaan, de oorlog bleef. Kat of Katerinne, zoo heette de
+priesteres, die burgtmaagd op Godasburgt was. Kat was trotsch en
+hooghartig, daarom liet zij noch raad, noch helpers aan de Moeder
+vragen. Maar toen de burgtheeren dat begrepen, zonden zij zelve boden
+naar Texland tot de Eeremoeder. Minna, zoo was de naam der Moeder, liet
+al de zeelieden oproepen en al het andere jong volk van Oostflyland
+en van de Dennemarken. Uit deze tocht is de geschiedenis van Wodin
+ontstaan, die op de burgten gegrift is, en hier is uitgeschreven.
+
+Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn
+naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven;
+Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij
+zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren
+zeestrijders, en juist nu bij hunne vaderen aan de Aldergamude. Toen
+nu de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun
+heerman of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning
+en Inka tot hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar
+de Dennemarken varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige
+landweer aan boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien
+in Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij elkander gevoegd
+hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya
+was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof
+het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal
+omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot
+Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch
+al wat wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij
+uwe broeders met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze
+vijanden voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij
+hebben dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft
+zich om ons niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander
+voor de helft vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen
+en ons allen vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij
+heeft gezien, dat Frya veel machtiger is als alle onze geesten te
+zamen. Hij wil zijn hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de
+krijgshaftigste koning der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze
+koning, en wij allen willen uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol
+voor u wezen, als gij de wilden weder terug kondt drijven, onze
+basuinen zouden het rondblazen, en onze berichten zouden u overal
+vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en krijgshaftig, maar hij was
+niet helder ziende, daardoor werd hij in hunne strikken gevangen en
+door den Magy gekroond. Zeer velen van de zeelieden en de landweer,
+dien deze keuze niet naar den zin was, vertrokken in stilte, Kat
+medenemende. Maar Kat die niet voor de Moeder, noch voor de algemeene
+vergadering, wilde verschijnen, sprong over boord. Toen kwam de
+stormwind en dreef de schepen op de schorren van de Dennemarken,
+zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben zij die straat het
+Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij op de wilden los;
+zij waren allen ruiters; gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins
+heer aan, maar als een dwarrelwind wendden zij om, en durfden niet
+weder verschijnen. Toen Wodin nu terug kwam, gaf de Magy hem zijne
+dochter tot vrouw. Daarop werd hij met kruiden berookt, doch er waren
+tooverkruiden onder; want Wodin werd trapsgewijze zoo zeer vermetel,
+dat hij Frya en Wraldas geest durfde miskennen en bespotten, terwijl
+hij zijn vrije hals boog voor de valsche gedrochtelijke beelden. Zijn
+rijk duurde zeven jaren, toen verdween hij. De Magy zeide dat hij onder
+hunne goden was opgenomen, en dat hij van daar over hen heerschte,
+maar ons volk lachte om zijne taal. Toen Wodin eene poos weg geweest
+was, kwam er tweespalt; wij wilden een anderen koning kiezen, maar
+dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij beweerde dat het een recht was,
+hem door zijne afgoden gegeven. Maar buiten en behalve deze twist,
+was nog eene tusschen de Magiaren en Finnen, die Frya noch Wodin
+wilden eeren, doch de Magy deed zoo als hem goed dacht, want zijne
+dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu wilde de Magy dat deze
+zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl allen keven en twisten,
+kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich zelven tot voogd of
+raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf, dan van het recht,
+lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele Magiaren vloden
+met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen scheep en een
+heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met hun.
+
+Nu komen de geschiedenissen van neef Teunis en zijn neef Inka eerst
+recht op het pad.
+
+
+
+
+
+DIT ALLES STAAT NIET ALLEEN OP DE WARABURGT, MAAR OOK OP DE BURGT
+STAVIA, DIE GELEGEN IS ACHTER DE HAVEN VAN STAVRE
+
+
+Toen Teunis met zijne schepen naar huis wilde keeren, ging hij
+het eerst op de Dennemarken af, maar hij mocht daar niet landen,
+dat had de Moeder besteld. Ook te Flyland mocht hij niet landen en
+voorts nergens. Hij zoude alzoo met zijne manschappen van kommer en
+gebrek omgekomen zijn; daarom gingen zij des nachts aan land om te
+rooven, en voeren bij dag verder. Aldus langs de kust voort varende
+kwamen zij tot de volkplanting Kadik, zoo geheeten omdat zij door een
+steenen kadijk gevormd was. Hier kochten zij allerhande leeftocht,
+maar Tuntia de burgtmaagd wilde niet gedoogen, dat zij zich daar
+nederzetteden. Toen zij gereed waren, kregen zij twist. Teunis wilde
+door de straat van de Middellandsche zee, om te varen voor den rijken
+koning van Egyptenland, gelijk hij wel eer gedaan had. Maar Inka zeide
+dat hij zijn bekomst had van al dat Findas volk. Inka meende dat er
+misschien wel een hooggelegen deel van Atland, bij wijze van eiland,
+zoude overgebleven wezen, waar hij met zijne manschappen vredig
+leven mocht. Als de beide neven het aldus niet eens konden worden,
+ging Teunis heen en stak een roode banier in het strand, en Inka
+eene blaauwe. Daarna mocht ieder kiezen, wien hij volgen wilde, en o
+wonder, tot Inka die er een afkeer van had, om de koningen van Findas
+volk te dienen, liepen de meeste Finnen en Magyaren over. Toen zij
+nu het volk geteld en de schepen daarnaar verdeeld hadden, scheidden
+de vloten van elkander; van neef Teunis is naderhand bericht gekomen,
+van neef Inka nimmer.
+
+Neef Teunis voer langs de kust door de straat der Middellandsche
+zee. Toen het Atland verzonken is, was het aan de oevers der
+Middellandsche zee ook erg toegegaan. Daardoor waren vele menschen van
+het Findas volk naar onze heinde en verre Krekalanden gekomen en ook
+velen van Lydas land. Daarentegen waren ook velen van ons volk naar
+Lydas land gegaan. Dat alles had uitgewerkt, dat de heinde en verre
+Krekalanden voor het oppergezag der Moeder verloren waren. Daar had
+Teunis op gerekend, daarom wilde hij daar een goede haven kiezen en
+van daaruit voor de rijke vorsten varen doch omdat zijne vloot en zijn
+volk er zoo haveloos uitzagen, meenden de Kadhemers (kustbewoners),
+dat zij roovers waren en daarom werden zij overal geweerd. Doch
+ten laatste kwamen zij aan Phoenisius kust, dat was 193 jaren nadat
+Atland gezonken is. Nabij de kust vonden zij een eiland met twee diepe
+golven, zoodat het als drie eilanden uitzag. Op het middelste daarvan
+stelden zij hunne schuilplaats op, naderhand bouwden zij daar eenen
+burgtwal om toe. Toen zij nu daaraan een naam, wilden geven, werden
+zij oneens, sommigen wilden het Fryasburgt heeten, andere Neettunia,
+maar de Magyaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburgt zoude
+heeten. Thyr noemden zij een hunner afgoden, en op diens verjaardag
+waren zij daar geland; tot eene vergelding wilden zij Teunis eeuwig
+als hun koning erkennen. Teunis liet hem belezen, en de anderen
+wilden daarover geen oorlog hebben. Toen zij nu goed zaten zonden
+zij sommige oude zeelieden en Magyaren aan den wal en verder naar
+de burgt Sydon, maar in het eerst wilden de Kadhemers niets van hen
+weten. Gij zijt veraf wonende zwervers, zeiden zij, die wij niet achten
+kunnen. Doch toen wij hun van onze ijzeren wapenen wilden verkoopen,
+ging ten laatsten alles goed. Ook waren zij zeer begeerig naar onze
+barnsteenen, en het vragen daarnaar nam geen einde. Maar Teunis, die
+verziende was, deed alsof hij geen ijzeren wapenen noch barnsteenen
+meer had. Toen kwamen de kooplieden en baden hem, hij zoude twintig
+schepen geven die zij alle met de fijnste waren wilden bevrachten,
+en zij wilden hem zoovele lieden tot roeijers geven als hij begeerde.
+
+Twaalf schepen liet hij bevrachten met wijn, honig, toebereid leder,
+daarbij kwamen toomen en zadels met goud overtrokken, gelijk men
+ze nimmer gezien had. Met al dien schat viel Teunis het Flymeer
+binnen. De grevetman van Westflyland werd door al deze dingen verrukt,
+hij bewerkte dat Teunis bij de mond van het Flymeer een pakhuis bouwen
+mocht. Naderhand is die plaats Almanaland genoemd en de markt, waarop
+zij naderhand te Wyringen ruilhandel mochten drijven, Toelaatmarkt. De
+Moeder raadde dat wij hun alles zouden verkoopen behalve ijzeren
+wapenen, maar men sloeg geen acht op haar. Daar de Thyriers dus vrij
+spel hadden, kwamen zij steeds weder om onze waren heinde en ver te
+vervoeren, tot schade van onze eigene zeelieden. Daarna is besloten
+op eene algemeene vergadering, jaarlijks zeven Tyrische schepen toe
+te laten en niet meer.
+
+
+
+
+
+WAT DAARVAN GEWORDEN IS.
+
+
+In de noordelijkste hoek van de Middellandsche zee ligt een eiland
+bij die kust. Nu kwamen zij dat te koop vragen. Daarover werd eene
+algemeene vergadering belegd. Moeders raad werd ingewonnen, maar Moeder
+zag hen liefst ver af. Daarom meende zij dat er geen kwaad in stak,
+doch als wij achterna zagen, hoe wij verkeerd gedaan hadden, noemden
+wij dat eiland Mis.sellia. [5] Hierachter zal blijken, hoe wij hiertoe
+reden hadden. De Golen, zoo heetten de zendeling-priesters van Sydon,
+hadden wel gezien dat het land daar schaars bevolkt was en ver van
+de Moeder was. Om nu zich zelven een goeden schijn te geven, lieten
+zij zich zelve in onze taal aan de trouw gewijden heeten, maar dat was
+beter geweest, als zij zich zelve van de trouw gewenden genoemd hadden
+of kort weg Triuwenden, gelijk onze zeelieden later gedaan hebben.
+
+Toen zij wel gezeten waren, ruilden hunne kooplieden schoone koperen
+wapenen en allerlei sieraden tegen onze ijzeren wapenen en huiden
+van wilde dieren, die in onze zuidelijke landen in menigte te bekomen
+waren, maar de Golen vierden allerhande vuile gedrochtelijke feesten,
+en dan dienden de Kadheimers die door toedoen van hunne wulpsche
+meisjes en de zoetheid van hunne vergiftige wijn. Was er iemand van
+ons volk die het zoo erg verbruid had, dat zijn leven in gevaar kwam,
+dan verleenden de Golen hem heul en schuilplaats, en voerden hem
+naar Phonisia, dat is Palmland. Was hij daar gezeten, dan moest hij
+aan zijne bloedverwanten, vrienden en aanverwanten schrijven, dat het
+land zoo goed was en de menschen zoo gelukkig, als niemand zich konde
+verbeelden. In Brittania waren zeer vele mannen, doch weinig vrouwen,
+toen de Golen dat wisten, lieten zij allerwege meisjes schaken, en
+deze gaven zij aan de Britten om niet. Doch al deze meisjes waren
+hunne dienaren die kinderen van Wralda stalen om ze aan hunne valsche
+afgoden te geven.
+
+
+
+
+
+NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN OVER DEN OORLOG DER BURGTMAAGDEN KALTA EN
+MIN-ERVA.
+
+
+En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de
+Golen verloren hebben.
+
+Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden, genoemd
+naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene eiland is
+de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de volgende
+geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en waak.
+
+563 jaar nadat Atland verzonken is zat hier eene wijze burgtpriesteres,
+Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd Nyhellenia. Deze
+bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij verleende was nieuw
+en helder boven alle andere.
+
+Over de Schelde op de Flyburgt, zat Sijrhed; deze burgtmaagd was vol
+ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare tong; maar de raad die zij
+gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden
+Kalta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de
+uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva
+het tweede en Syrhed het derde als opvolgster beschreven. Minerva
+had daar geen weet van, maar Syrhed was er door geknakt. Even als
+eene buitenlandsche vorstin wilde zij geëerd, gevreesd en gebeden
+wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen
+alle zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken
+en van het Flymeer. Dat kwetste Syrhed, want zij wilde boven Minerva
+uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude
+hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen
+en maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond,
+zeide zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt
+over de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar
+de haan heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne
+hoovaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten
+geworden. Als Kalta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van
+kwaad tot erger; in stilte liet zij de Magyaren bij zich komen om
+toverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich
+in de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet
+beteren. Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken,
+wilde zij hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig,
+dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij
+alle zouden vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts
+verblindde zij hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor
+water hielden, daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op
+het eerste krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren,
+liet zij hun tonne bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank
+gedaan. Toen het volk nu allen te zamen dronken waren, ging zij boven
+op haar strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het
+morgenrood kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen
+op haar gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en
+dochteren van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatste tijd veel
+schade en gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer
+komen om ons schrijfvilt te koopen, maar gij weet niet, waardoor dat
+gekomen is. Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu
+kan ik het niet langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt,
+waarnaar gij bijten moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij van
+tijd tot tijd de vaart van alle zeeën hebben, daar maken zij heden
+ten dage schrijfvilt van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit,
+en kunnen zij ons ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd
+ons voornaamste bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat
+men het van ons zoude leeren. Maar Minerva heeft al het volk behekst,
+ja behekst, vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven
+is. Er uit moet het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd,
+ik zoude het wel weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen
+zij het laatste woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar
+het beschonken volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet
+vermocht te waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal,
+en nadien de nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek
+op de burcht los. Doch Kalta miste al weder haar doel, want Minerva
+en hare maagden en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered.
+
+
+
+
+
+HIERBIJ KOMT DE GESCHIEDENIS VAN JON.
+
+
+Jon, Jôn, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan de
+uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het
+verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was
+zeekoning, geboren te Alderga, het Flymeer uitgevaren met 127 schepen
+uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin,
+koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en
+konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch
+toen Jon hier kwam en zag, hoe Kalta onze roemrijke burgt verwoest had,
+toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op
+Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar
+door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden
+de lamp en de maagden gered; doch Syrhed of Kalta mochten zij niet
+vatten. Zij klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in
+de vlammen moest omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden
+stokstijf van schrik stonden, kwam zij schooner als te voren op haren
+klepper, hun toeroepende: naar Kalta         . Toen stroomde het
+andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij:
+wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende
+gesneuveld zijn.
+
+Te dier tijde was Rosamund, dat is Rosamuda Moeder; zij had veel
+in der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam,
+maakte zij korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en
+liet een algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landsverdedigers
+uit alle oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon
+bergde zich met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide
+lampen, benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk,
+de heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan
+de overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer
+en terstond daarna naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele
+van ons volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag,
+dat men hem en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok
+hij heimelijk. Hij deed terecht, want al onze eilanders en al het
+andere Schelde volk, die gevochten hadden, werden naar Brittanje
+gebracht. Deze stap was verkeerd, want nu kwam het begin van het einde.
+
+Kalta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op
+het land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia
+af. Toen kwamen de Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee
+naar Kadix varen en geheel ons buitenland langs en vielen op en over
+Brittannia, doch daar konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de
+bestuurders machtig en de bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam
+Kalta en sprak: gij zijt vrij geboren en om kleine gebreken heeft men
+u tot verworpenen gemaakt, niet om u te verbeteren, maar om tin te
+winnen door uwe handen. Wilt gij weer vrij wezen en onder mijn raad
+en hoede leven, trekt dan uit, wapenen zullen u gegeven worden en ik
+zal over u waken. Als bliksemvuur ging het over de landen, en eer
+des Kroders juul eens omgeloopen was, was zij meesteres over allen
+te zamen en de Thyriers van al onze zuiderstaten tot de Seine. Om dat
+Kalta haar zelve niet betrouwde, liet zij in het noordelijke bergland
+een burgt bouwen. Kaltasburch werd zij geheeten, zij is nog in wezen
+maar nu heet zij Kerenak. Van deze burgt uit heerschte zij als eene
+echte moeder, doch niet ter wille van, maar over hare volgelingen,
+die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen heerschten allengs
+over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat zij geen burgten
+meer hadden, anderdeels omdat zij daar geene burgtmaagden hadden en
+in de derde plaats omdat zij geene echte lamp hadden. Door al deze
+oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom en dwaas en werd
+eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd en ten laatste
+als een stier bij de neus omgeleid.
+
+
+
+
+
+NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN HOE HET JON VERGAAN IS. HET STAAT TE TEXLAND
+GESCHREVEN.
+
+
+Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het
+Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen); en van
+hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven.
+
+Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hun
+overal vooruitgegaan, zoodat zij aan de kusten van het naastbijzijnde
+Krekaland (Italie) nergens veilig waren. Hij stak dus met zijne vloot
+naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie). Daar wilden de zwarte
+menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus,
+maar Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest
+door de priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk
+wij later hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben,
+die daar naar hun begrip van overlang was (?) hadden zij Teunis tot
+een God verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus
+achter den rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede
+rooven. Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet
+terug winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende
+Jon zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een
+land, dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond.
+
+Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of
+priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden
+beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet
+ruim genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te
+laf om verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en
+vaan, het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde
+scharen. Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste
+deel voegde zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij
+Jon. Jon nam de lamp van Kalta en hare maagden mede; Minerva behield
+hare eigene lamp en hare eigene maagden.
+
+Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige
+eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het
+woud tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden
+uit ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen,
+daarom zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische
+eilanden genoemd.
+
+Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika genoemd
+is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij onderhielden
+hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en honing. Zij waren
+met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen op de hellingen
+der bergen. Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers geheeten.
+
+In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet
+taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote
+vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten
+nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden
+helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne
+kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij
+eene burgt anderhalve paal (uurgaans) van de haven. Op raad van Minerva
+werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren
+te weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar
+als vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen
+de voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden,
+behaagde hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken,
+omdat zij dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde:
+hoe zijt gij wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoorden: sommige
+hebben wij gekocht, andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide:
+bijaldien niemand menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen
+rooven, en gij zoudt daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus onze
+bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten.
+
+Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar
+de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen,
+die wij nu van steen maken.
+
+Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva.
+
+Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om ijzeren
+burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig; doch zoo
+wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als zij daarin
+toegestemd hadden, vroegen die lieden of Fryas zeden te Athene en in
+de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder antwoorde: Indien de
+verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya behooren, zoo zullen zij
+daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe, dan zal er lang over
+gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog vijfduizend jaren
+met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor de vrijheid is.
+
+
+
+
+
+DIT IS OVER DE GEERTMANNEN.
+
+
+Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich
+als of zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude,
+hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij
+geene andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden,
+dat er onder hare maagden geene zouden wezen, die zij zoo zouden
+kunnen vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar
+wij wilden Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve
+ons gezegd had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas
+geest. Daarom kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder.
+
+Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet mochten
+braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij Minerva niet als
+eene Godin wilden bekennen uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel
+liefde had bewezen. Daarop gaven zij het volk beeldtenissen van hare
+gelijkenis, betuigende dat zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang
+zij gehoorzaam bleven. Door al deze verhalen werd het domme volk van
+ons afkeerig gemaakt, en ten laatsten vielen zij ons te lijf. Maar
+wij hadden onze steenen burgtwal met twee hoornen omgebogen tot
+aan de zee. Zij konden ons daarom niet genaken. Doch wat gebeurde,
+een Egyptenaar die een overpriester was, helder van oogen, klaar
+van brein, en verlicht van geest, zijn naam was Cecrops, hij kwam om
+raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met zijne lieden onze wal
+niet bestormen kon, toen zond hij boden naar Thyrus. Daarop kwamen
+driehonderd schepen vol soldaten van de wilde bergvolken onverwacht
+in onze haven varen, terwijl wij met al onze mannen op den wal
+strijdende waren.
+
+Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het
+dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje
+geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische
+zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij
+dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij
+zult uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden
+noch van verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te
+eischen, zij mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en
+dragende have, en hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der
+burgtheeren heel goed ziende, dat zij de burgt niet konden houden,
+raadden Geert aan, dat zij gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops
+woedend werd en anders begon en drie maanden daarna, vertrok Geert
+met met de beste Fryaszonen en zeven maal twaalf schepen. Toen zij
+een poos buiten de haven waren, kwamen er wel dertig schepen van
+Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene gaan, doch
+als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen zij met
+Geert. De zeekoning der Thyriers bracht allen te zamen door de straat,
+die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landen zij
+aan Pangab, dat is in onze spraak vijf wateren, omdat vijf rivieren
+met elkander naar de zee toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat
+land hebben zij Geertmania genoemd. De koning van Thyrus later ziende,
+dat zijne allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen
+met zijne wilde soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als
+zij bij de straat kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief
+aarde haar lijf daar zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep,
+en dat alle wadden en schorren als een burgtwal voor hen oprezen.
+
+Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen
+klaar en duidelijk zien kan.
+
+
+
+
+
+IN HET JAAR 1005 NADAT ATLAND GEZONKEN IS, IS DIT OP DE OOSTERWAND
+VAN FRIJASBURGT GESCHREVEN.
+
+
+Nadat wij in twaalf jaren tijd geen Krekalander te Almanland gezien
+hadden, kwamen hier drie schepen zoo sierlijk als wij er geen hadden,
+en te voren nimmer hadden gezien. Op het grootste van deze was een
+koning der Jonische eilanden; zijn naam was Ulysus en de roep zijner
+wijsheid groot. Aan dezen koning was door eene priesteres voorzegd
+dat hij koning zoude worden over alle Krekalanden, zoo hij raad wist
+om eene lamp te krijgen, die opgestoken was aan de lamp te Texland. Om
+die te verkrijgen had hij vele schatten medegebracht, bovenal vrouwen
+sieraden, gelijk er in de wereld niet schooner gemaakt werden. Zij
+waren afkomstig van Troje, eene stad, die de Krekalanders hadden
+ingenomen. Al deze schatten bood hij de Moeder aan; maar de Moeder
+wilde nergens van weten. Als hij ten laatsten zag, dat zij niet te
+winnen was, ging hij naar Walhallagara. Daar was eene burgtmaagd
+gezeten, wier naam was Kaat; doch in de wandeling werd zij Kalip
+genoemd, omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak. Bij deze
+heeft hij jaren vertoefd tot ergernis van allen die het wisten. Naar
+het zeggen der maagden heeft hij van haar ten laatste eene lamp
+gekregen; doch zij heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam,
+is zijn schip vergaan, en hij naakt en bloot opgenomen door de
+andere schepen.
+
+Van dezen koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver
+Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en hetgene hier
+volgt heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag
+besluiten, hoe waar de Moeder Hellicht gesproken heeft toen zij zeide
+dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de
+andere Krekalanders hebt gij zeker veel kwaad over Cecrops gehoord,
+want hij was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, hij was een
+verlicht man, hoogelijk geroemd, zoowel bij de inwoners als bij ons,
+want hij was er niet voor om de menschen te onderdrukken, gelijk de
+andere priesteren, maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid der ver
+afwonende volken naar waarde te schatten. Daarom, omdat hij dat wist
+heeft hij ons toegestaan, dat wij mochten leven naar ons eigenlijk
+Asegaboek. Er liep een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij
+geboren zoude wezen uit een Friesch meisje en een Egyptisch priester,
+uithoofde dat bij blauwe oogen had, en dat er vele meisjes bij ons
+geschaakt waren en verkocht naar Egypte. Doch zelf heeft hij dit
+nimmer bevestigd. Hoe het daarmede is, zeker is het dat hij ons meer
+vriendschap bewees, als alle andere priesteren te zamen. Maar toen
+hij gestorven was, gingen zijne opvolgers al spoedig aan onze wetten
+tornen, en allengs zoo vele ongeschikte keuren maken, dat er ten langen
+laatste van gelijkheid en van vrijheid niet anders, als de schijn en
+de naam overbleef. Verder wilden zij niet gedoogen dat de inzettingen
+in schrift werden gebracht, waardoor de wetenschap daarvan voor ons
+verborgen werd. Te voren werden alle zaken binnen Athene in onze taal
+bepleit, naderhand moest het in beide talen geschieden, en ten laatste
+alleen in de landstaal. In de eerste jaren nam het manvolk te Athene
+enkel vrouwen van ons eigen geslacht, maar het jongvolk opgewassen
+met de meisjes der landzaten namen daar ook van. De basterd kinderen
+die daarvan kwamen, waren de schoonste en schranderste van de wereld,
+maar zij waren ook de slechtste. Hinkende over beide zijden, zich
+bekreunende noch om wet, noch om gewoonte, tenzij dat het was voor hun
+eigen belang. Alzoo lang er nog een straal van Fryas geest opwelde,
+werd al de bouwstof tot gemeene werken verarbeid, en niemand mocht een
+huis bouwen, dat ruimer en rijker was als dat van zijn buurman. Doch
+toen sommige verbasterde stedelingen rijk waren door onze zeevaart
+en door het zilver, dat de slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen
+zij buiten op de hellingen (der bergen) of in de dalen wonen. Aldaar
+achter hooge wallen van loof of van steen, bouwden zij hoven (paleizen)
+met kostbaar huisraad, en om bij de vuile priesteren in een goeden
+dunk te wezen, plaatsten zij daar op valsche goden gelijkende en
+ontuchtige beelden in. Bij de vuile priesteren en vorsten werden soms
+de knapen meer begeerd, als de dochteren, en vaak door rijke giften
+of door geweld van het pad der deugd afgeleid. Naardien rijkdom bij
+het verwende en verbasterde geslacht ver boven deugd en eere gold, zag
+men altemet knapen, die zich met wijde prachtige kleederen versierden,
+hunne ouders en de maagden tot schande en hunne sekse ten spot. Kwamen
+onze eenvoudige ouders te Athene op de algemeene volksvergadering,
+en wilden daar zich beklagen, dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar
+zal een zeegedrocht spreken. Zoo is Athene geworden, gelijk een moeras
+in de heete landen vol bloedzuigers, padden en vergiftige slangen,
+waarin geen mensch van strenge zeden zijn voet kan wagen.
+
+
+
+
+
+DIT STAAT OP AL ONZE BURGEN.
+
+
+Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat Atland
+was verzonken. Door Wodins dwaze dartelheid, was de Magy meester
+geworden over het oosterdeel van Schoonland. Over de bergen en over
+de zee durfden zij niet komen. De Moeder wilde het niet weren, zij
+sprak zeggende: Ik zie geen gevaar in zijne wapenen, maar wel om de
+Schoonlanden weer te nemen, omdat zij verbasterd en verdorven zijn. Op
+de algemeene vergadering dacht men gelijkerwijze. Daarom is het aan
+hem gelaten. Groot honderd jaren geleden begonnen de Denemarkers met
+hun handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapenen, daarvoor ruilden
+zij gouden sieraden benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boden
+en raadde hun, zij zouden den ruilhandel laten varen. Daar was gevaar,
+zeide zij, voor hunne zeden, en indien zij hunne zeden verloren, dan
+zouden zij ook hunne vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden
+nergens ooren naar; zij wilden niet begrijpen, dat hunne zeden verloren
+konden gaan; daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste
+brachten zij hunne eigene wapenen en leeftocht zoek. Maar dit kwaad
+veroorzaakte hunne straf. Hunne ligchamen werden overladen met glans
+en schijn, maar hunne kisten, kasten en schuren werden ledig. Juist
+honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee
+gestoken was, kwam armoede en gebrek door de vensters binnen, honger
+spreidde zijne wieken uit en streek op het land neder, tweespalt liep
+trotsch over de straat, en voorts de huizen in, liefde kon geen steun
+langer vinden, en eendracht liep weg. Het kind vroeg eten van zijne
+moeder, en die had geene spijs, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen
+tot hunne mannen, deze gingen tot de graven, de graven hadden zelve
+niets, of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkoopen,
+maar terwijl de zeelieden daarmede vertrokken waren, kwam de vorst en
+legde een plank neder op de zee en op de straat (de Sond). Toen de
+vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het land
+uit, en het verraad klom op zijn zetel. In plaats van de oevers te
+bewaken, spanden hij hunne paarden voor hunne sleden, en reden naar
+Schoonland. Doch de Schoonlanders, die begeerig waren naar het land
+hunner voorvaderen, kwamen naar de Denemarken. Op een heldere nacht
+kwamen zij alle. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land hunner
+voorvaderen, en terwijl men daarover streed, kwamen de Finnen in de
+verlatene dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en dat zij
+geene goede wapenen hadden, deed hun de strijd verliezen en daarmede
+de vrijheid, want de Magy werd meester. Dat kwam daar van daan, dat
+zij Fryas tex niet lazen en hare raadgevingen verwaarloosd hadden. Er
+zijn sommigen, die meenen, dat zij door de graven verraden zijn, en dat
+de maagden dat al lang bespeurd hadden. Doch zoodra iemand daarover
+spreken wilde, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketens. Wij
+kunnen daarover niet oordeel vellen, maar wij willen u toeroepen:
+Verlaat u niet te zeer op de wijsheid en deugd noch van uwe vorsten
+noch van uwe maagden; want zal het stand houden, dan moet iedereen
+waken over zijn eigene hartstochten en voor het algemeene welzijn.
+
+Twee jaren daarna kwam de Magy zelf met eene vloot van lichte booten
+om aan de Moeder van Texland de lamp te ontrooven. Deze booze daad
+bestond hij bij nacht in den winter bij stormweder, terwijl de wind
+gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter,
+die meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijne toorts. Zoodra als het
+licht van den toren op het ronddeel neder viel, zag hij dat reeds vele
+gewapende mannen over de burgtwal waren. Nu ging hij om de klok te
+luiden, doch het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren reeds twee
+duizend in de weer om de poort te rammeijen. De strijd duurde daarom
+kort, want omdat de krijgslieden geene goede wacht gehouden hadden,
+kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten was, was er een
+leelijke Fin in de (fleete) of het slaapvertrek van de Moeder binnen
+geslopen, en wilde haar geweld aandoen. De Moeder weerde hem af, dat
+hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weder op de been was,
+stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wilt gij mijne roede
+niet, zoo zult gij mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een zeeman van
+de Denemarken, deze nam zijn zwaard en kloofde den Fin den kop. Daaruit
+stroomde zwart bloed en daarboven zweefde eene blaauwe vlam.
+
+De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen. Toen zij nu zoo
+verre hersteld en beter was, dat zij helder spreken konde, zeide
+de Magy, dat zij met hem mede varen moest, doch dat zij hare lamp
+en hare maagden zoude behouden, dat zij een staat zoude voeren,
+zoo hoog als zij nooit te voren gekend had. Voorts zeide hij, dat
+hij haar vragen zoude in tegenwoordigheid van zijne voornaamsten,
+of hij meester zoude worden over alle landen en volken van Frya. Hij
+zeide, dat zij dit bevestigen en verzekeren moest, anders zoude hij
+haar onder vele smarten laten sterven. Toen hij daarna alle zijne
+voornaamsten om haar leger vergaderd had, vroeg hij luide: Frana,
+vermits ge helderziende zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester
+zal worden over alle landen en volken van Frya. Frana deed, als sloeg
+zij geen acht op hem. Ten langen laatste opende zij hare lippen, en
+sprak: Mijne oogen worden verduisterd, doch het andere licht daagt
+op in mijne ziel. Ja, ik zie het. Hoor Irtha, en wees blijde met
+mij. In de tijden, dat Atland verzonken is, stond de eerste spaak
+van het Juul in top. Daarna is zij nedergegaan en onze vrijheid met
+haar. Als het twee spaken of twee duizend jaren nedergewenteld heeft,
+zullen de zonen opstaan, die de vorsten en priesteren in ontucht bij
+het volk geteeld hebben, en die tegen hunne vaderen getuigen. Die
+allen zullen door moord bezwijken; maar wat zij verkondigd hebben,
+zal voortdurend blijven en vruchtbaar worden in den boezem der kloeke
+menschen, gelijk goede zaden die neergelegd worden in uwen schoot. Nog
+duizend jaren zal de spaak naar beneden dalen en al meer neder zijgen
+in de duisternis en in het bloed over u uitgestort door de lagen der
+vorsten en priesteren. Daarna zal het morgenrood weder aanvangen te
+gloren. Dit ziende zullen de valsche vorsten en priesters allen te
+zamen tegen de vrijheid kampen en worstelen; maar vrijheid, liefde en
+eendracht zullen het volk in hare hoede nemen, en met het juul uit
+de vuile poel rijzen. Het licht, dat eerst alleen gloorde, zal dan
+van lieverlede tot eene vlam worden. Het bloed der boozen zal over uw
+ligchaam stroomen, maar gij moogt het niet tot u nemen. Ten laatste
+zal het vergiftige gedierte daarop azen en daarvan sterven. Alle vuile
+geschiedenissen, die verzonnen zijn om de vorsten en priesteren te
+roemen, zullen aan de vlam geofferd worden. Voortaan zullen alle
+uwe kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken had, zeeg zij
+neder. Maar de Magy, die haar niet wel verstaan had, schreeuwde: ik
+heb u gevraagd of ik meester zoude worden over alle landen en volken
+van Frya, en nu hebt gij tot een ander gesproken. Frana richtte zich
+weder op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven etmalen om zijn,
+zal uwe ziel met de nachtvogels bij de graven rond waren, en uw lijk
+zal liggen op den bodem van de zee. Heel goed, zeide de Magy met
+verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij tot zijn
+gerigtsdienaars: werpt dat wijf over scheepsboord. Zoo was het einde
+van de laatste der Moeders. Wraak willen wij daarover niet roepen,
+die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij Frya
+na roepen: waak! waak! waak!
+
+
+
+
+
+HOE HET DEN MAGY VERDER GEGAAN IS.
+
+
+Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar zijn
+schip brengen, benevens allen inboedel, die hem behaagde. Vervolgens
+ging hij het Flymeer op, want hij wilde de maagd van Medeasblik of
+van Stavoren rooven, en die tot Moeder aanstellen. Doch daar waren
+zij op hunne hoede gebracht. De zeelieden van Staveren en Alderga
+hadden zich gaarne tot Jon begeven, maar de groote vloot was op eene
+verre tocht uit. Nu gingen zij heen en voeren met hunne kleine vloot
+naar Medeasblik en hielden zich schuil achter de luwte der boomen. De
+Magy naderde Medeasblik, bij helderen dag en schijnende zon. Evenwel
+gingen zijne manschappen stoutweg op de burgt aanstormen. Maar als
+al het volk met de booten geland was, kwamen onze zeelieden uit de
+kreek weg en schoten hunne pijlen met brandende terpentijnballen op
+zijne vloot. Zij waren zoo goed gericht, dat vele van zijne schepen
+terstond in brand waren. Die op de schepen de wacht hielden, schoten
+ook naar ons, doch zij raakten niets. Toen ten laatste een schip al
+brandende naar het schip van den Magy dreef, beval hij zijn stuurman
+af te houden; maar die stuurman was de Denemarker, die den Fin geveld
+had; deze zeide: gij hebt onze Eeremoeder naar den bodem van de
+zee gezonden om te melden, dat gij komen zoudt, dat zoudt gij door
+de drukte wel vergeten; nu wil ik zorgen, dat gij uw woord gestand
+doet. De Magy wilde hem afweren, maar de stuurman een echte Fries en
+sterk als een jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem
+over boord in de golvende zee. Vervolgens heesch hij zijn bruin schild
+in top en voer recht toe recht aan naar onze vloot. Daardoor kwamen
+de maagden ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan, en niemand
+wist, hoe het gekomen was. Toen zij op de onvernielde schepen hoorden,
+dat de Magy verdronken was, trokken zij weg, want de zeelieden daarvan
+waren meest Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, wendden onze
+zeelieden en schoten hunne brandpijlen op de Finnen af. Toen de Finnen
+dat zagen en hoe zij verraden waren, liep alles door elkander en er
+was langer geen gehoorzaamheid noch bevel. Op dat tijdstip liep de
+bezetting hen uit de burgt. Die niet vluchtte werd afgemaakt en die
+vluchtte vond zijn einde in de poelen van het Krylinger woud.
+
+
+
+
+
+NASCHRIFT.
+
+
+Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren
+onder hun, die zeide Medea mag wel lachen, als wij haar uit hare burgt
+redden. Daarom hebben de maagden die Kreek Medea mêilakkia genoemd. De
+gebeurtenissen, die daarna geschied zijn, mogen iedereen heugen. De
+maagden behooren die op hare wijze te verhalen en goed te laten
+beschrijven. Daarom rekenen wij hiermede onzen arbeid volbracht. Heil.
+
+
+ Einde van het Boek.
+
+
+
+
+
+DE SCHRIFTEN VAN ADELBROST EN APOLLONIA.
+
+
+Mijn naam is Adelbrost, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk ben
+ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit boek
+vervolgen, op zoodanige wijze als mijne moeder gesproken heeft.
+
+Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest
+er eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare
+opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te
+vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en
+wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksamarken paalt. Mijne
+moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het
+leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen,
+nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder
+van haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder
+behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt,
+en even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief
+heb boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet
+wezen. Zoo sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden
+wilden alle Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd
+en wilde niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk
+dus bandeloos. Uit het volgende moogt gij het begrijpen. Liudgert
+de koning die onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder
+gekozen, blijkbaar door alle staten met liefde en vertrouwen. Het
+was zijne beurt op het groote hof te Dokhem te wonen; en bij het
+leven der Moeder, werd hem daar groote eer bewezen; want het was er
+altijd zoo vol boden en ridders, als men er nooit te voren gezien
+had. Doch nu was hij eenzaam en verlaten; want iedereen was bevreesd,
+dat hij zich meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk
+de slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed,
+als hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den
+ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde
+op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten
+haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde
+er eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene
+maagd ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten
+voordeele van haar eigen staat. Door dusdanige ranken brachten zij
+tweespalt over de staten, en tornden zij den band zoodanig van een,
+dat het volk van de eene staat nijdig was op het volk van de andere
+staat, en voor het allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg
+daarvan is geweest, dat de Golen of Truwenden al ons land afgewonnen
+hebben tot aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het
+hierbij toegegaan is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het
+boek niet geschreven geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb,
+dat het helpen zal ten bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat
+ik daardoor het land zal winnen of behouden, dat is mijns achtens
+ondoenlijk. Ik schrijf alleen voor het nakomende geslacht, opdat
+zij al te zamen mogen weten, op hoedanige wijze wij verloren gingen,
+en opdat ieder daaruit leeren mag, dat alle kwaad zijne straf teelt.
+
+Mij heeft men Apollonia genoemd. Tweeëndertig dagen na moeders dood,
+heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf,
+zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader,
+die ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere
+broeder, van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar
+heeft hij eene burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om daar ons leed
+te wreken. Wralda heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf
+zonen gewonnen. Die alle brengen den Magy schrik en mijn broeder roem
+aan. Na den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten
+van onze landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten,
+Adelbond geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij
+mij en mijn jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de
+maagden en mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud
+was, heeft men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig
+was, werd hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder
+de zesde, maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne
+nakomelingen niet overa Linda achter hunne namen voeren; maar iedereen
+wilde het hebben ter eere van mijne moeder. Daarenboven heeft men ons
+ook een afschrift gegeven van het boek van Adela's aanhangers. Daarmede
+ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid kwam het
+in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften gevonden, ook
+lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter schrijven.
+
+Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest
+is op deze burgt. Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten
+overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift
+was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene
+vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd
+Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne
+Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij
+Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van
+waar meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund
+was, opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt
+zeer te hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet
+sluiten noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan,
+dat gij haar zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig,
+zoo is zij te voren hier Burgtmaagd geweest; is zij daarom wijzer en
+beter als ik en alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden
+en gewoonten? Was dat het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden
+zijn, toen zij daartoe gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk
+hebben met alle vreugde en genoegens, die daaraan verbonden zijn,
+in plaats van eenzaam over haar zelve en het volk te waken. Zij is
+zeer helderziende, goed, maar mijne oogen zijn verre van verduisterd
+te wezen. Ik heb gezien dat zij haren echtgenoot grootelijks bemint,
+nu goed, dat is loffelijk, maar ik heb verder gezien, dat Teuntje
+Apols nicht is. Wijders wil ik niets zeggen.
+
+De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar
+onder het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier
+kwam, wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden
+geëindigd: de messen uit den zak gehaald, en er werd geene Moeder
+gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot
+nu toe was hij braaf geweest, daarom had mijne burgtmaagd verlof hem
+buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar
+het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts
+naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde
+haar aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer,
+zij zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij
+meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin
+van Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder
+geworden. Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar
+bode zijne krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft
+haar bode zelf beleden.
+
+
+
+
+
+HET TWEEDE GESCHRIFT.
+
+
+Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was
+het Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan lustige
+vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na
+te jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid
+niet mag verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel
+onze oorden in dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de
+waakzaamheid wilde niet terugkeeren. De strandwakers waren van
+hunne noodvuren weggeloopen, en op de toegangen was niemand te
+zien. Toen de nevel optrok, keek de zon door de reeten der wolken
+op aarde neder. Iedereen kwam weder uit om te juichen en te joelen,
+het jongvolk trok zingende met de (zakpijp?), en deze vervulde de
+lucht met haar lieffelijken adem. Maar, terwijl daar iedereen zich in
+vreugde baadde, was verraad geland met paarden en ruiters; gelijk al
+het booze waren zij geholpen door de duisternis, en binnengeslopen
+door de paden van Lindaswoud. Voor de deur van Adela trokken twaalf
+meisjes met twaalf lammeren en twaalf knapen met twaalf hokkelingen,
+een jonge Saksman bereed een wilden buffel, dien hij zelf gevangen
+en getemd had. Met allerlei bloemen waren zij versierd, en de linnen
+jurken der meisjes waren omboord met goud uit den Rijn.
+
+Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op haar
+hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken
+boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier
+vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep
+Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en
+haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar
+binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees
+waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste
+der roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den
+tweede en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne
+ouders hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De
+roovers zouden hen spoedig gevangen genomen hebben, maar Adela kwam
+(op de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was
+zij lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over
+haar hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras.
+
+Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden
+geveld en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem
+getroffen. Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en
+daaraan stierf zij.
+
+
+
+
+
+DE LOFSPRAAK DER BURGTMAAGD.
+
+
+Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere
+zijn op weg.
+
+Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.
+
+Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste geweest.
+
+O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare
+tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij
+hare schoonheid verhoogen? Niet met parelen, want hare tanden zijn
+witter; niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met
+edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch
+te gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat
+spreek ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya
+die zeven schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene,
+hoogstens drie geërfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch
+zoude zij ons dierbaar wezen.
+
+Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van
+onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog
+grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.
+
+Zie hier, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op gindschen
+grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de
+moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij, roept
+zij, tracht hulp te verleenen, en Wralda zal u krachten geven. Daarop
+ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht eene brug te
+maken; nu helpt ook de andere en de kinderen zijn gered.
+
+Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen neêrleggen.
+
+Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden
+mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat
+de onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat
+zij onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een
+spinrok vast. De uitheemsche heeren kwamen hunne lieden opeischen;
+toen zij zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op;
+doch men verhaalde hun, hoe het gebeurd was.
+
+Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van
+haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten voor
+de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid hooren.
+
+Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt,
+is moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden
+gegrift.
+
+
+ LOOP NIET TE SCHIELIJK, WANT HIER LIGT ADELA.
+
+
+De oude leer, die gegrift is op de buitenwand des burgttorens, is niet
+geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten is,
+weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil
+ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten.
+
+
+
+
+
+OUDSTE LEER.
+
+
+Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor zal het
+zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is
+het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda
+is alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal
+tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest
+genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door
+zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen
+en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde,
+alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want
+alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda
+komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is
+hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem.
+
+Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het geschapene,
+en er zijn geene goede wetten, of zij moeten daarnaar ingericht
+zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der menschen
+is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid
+of domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda
+nimmer. Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft,
+zijn de boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid
+te vinden, noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele
+dingen zien; maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele
+dingen leeren, maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele
+dingen ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen
+zijn mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen
+beminnen en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is
+Wralda alleen goed, en er zijn geene goeden buiten hem. Met het Juul
+verandert en wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen
+onveranderlijk. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; en
+omdat hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn.
+
+
+
+
+
+HET TWEEDE DEEL VAN DE OUDSTE LEER.
+
+
+Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid
+zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden
+doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest
+het beste deel is van Wralda's geest, en dat Wralda alleen kan denken
+door hulp van hun brein.
+
+Dat ieder schepsel een deel is van Wralda's oneindig wezen, dat hebben
+zij van ons gestolen.
+
+Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid
+heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan
+zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want
+hun geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij
+naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon
+de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo
+hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen
+allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat
+daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en geëerd
+willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen en schatting
+eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf godsdienaren
+of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en vergaderen dat alles
+voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te behouden. Dat alles
+bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij zich zelven goden
+wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn er sommigen die
+hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden zij door hunne
+rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met vele statelijke
+plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in trouwe, alleen opdat
+zij hun niet schaden zouden. Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen
+tegen hunne afgodische leer, zoo behooren de maagden hen te doen van
+buiten leeren, wat hier zal volgen.
+
+Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij
+wezen. Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets
+buiten hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle
+dingen geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze
+zaken moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat
+zij het aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre
+gewonnen, dan zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo
+zijn wij een deel van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het
+geschapene. Doch wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen
+geest en al onze bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit
+alles zijn vluchtige dingen, die door Wraldas leven verschijnen;
+doch door zijne wijsheid zoodanig en niet anders verschijnen. Maar
+doordien zijn leven steeds voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne
+plaats blijven. Daarom verwisselen alle geschapene dingen van plaats,
+van gedaante en ook van denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch
+eenig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch
+zeggen: ik denk, maar bloot: ik dacht. De knaap is grooter en anders
+als toen hij een kind was. Hij heeft andere begeerten, neigingen en
+denkwijze. De man en vader is en denkt anders als toen hij knaap
+was. Even zoo de oude van dagen. Dat weet iedereen. Bijaldien nu
+iedereen weet, en moet erkennen, dat hij steeds wisselt, zoo moet hij
+ook bekennen, dat hij ieder oogenblik wisselt; ook terwijl hij zegt:
+ik ben; en dat zijne denkbeelden veranderen, terwijl hij zegt: ik denk.
+
+In plaats dus, van dat wij de boose Finda's op eene onwaardige wijze
+napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel Wraldas,
+ja door ons alleen mag hij denken, zoo willen wij verkondigen
+overal en allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn
+verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot:
+doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo
+goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda's geest,
+hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep, heeft
+hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele goede
+eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en zijne
+wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen wij
+spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene
+zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden
+nog redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe
+en door vloed.
+
+
+
+
+
+DIT STAAT OP SCHRIJFFILT GESCHREVEN. TAAL EN ANTWOORD AAN ANDERE
+MAAGDEN TOT EEN VOORBEELD.
+
+
+Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te
+Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda
+gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte
+Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan,
+zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het
+kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide:
+toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed
+tegen de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand,
+die haar hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in
+haar gemoed neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich;
+hare neiging koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder
+de beschuttende lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was,
+dat zij nat werd. Doch zij had gezien, hoe het water bij de hellende
+bladeren neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden,
+op staken maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen
+daaronder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij
+heen en maakte eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde
+en vervolgens aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als
+te voren, en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda,
+noch tegen Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen
+daarop. Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben,
+zoo beduidde zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze
+handelden en dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen
+gekomen met stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde
+tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en
+vervolgens al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest,
+dan moet gij trachten het andere beter te maken. Mijn huis was
+sterk genoeg, zeide hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd
+en de stormwind heeft het andere gedaan. Waar stond uw huis dan,
+vroeg Troost. Aan den oever van den Rijn, antwoordde de man. Stond
+het dan niet op eene nol (ronde hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen,
+zeide de man, mijn huis stond eenzaam bij den oever; alleen heb ik het
+gebouwd, maar ik kon daar alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel,
+antwoordde Troost, de maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw
+leven een afkeer gehad van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven
+of doen moest voor hun. Doch daarmede kan men niet verre komen. Want
+Wralda die mild is, keert hem af van de gierigen. FÃ¥sta heeft ons
+geraden en boven de deuren van alle onze burgten is 't gegrift in
+steen: zijt ge erg baatzuchtig, zeide FÃ¥sta, behoed dan uwe naasten,
+onderricht dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het
+u wederom doen. Is u deze raad niet goed genoeg, ik weet geene betere
+voor u. De man werd schaamrood en droop stil af.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK ZELF SCHRIJVEN, EERST OVER MIJNE BURGT EN DAN OVER HETGENE
+IK HEB MOGEN ZIEN.
+
+
+Mijne burgt ligt aan 't noordeinde van de Liudgaarde. De toren heeft
+zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een klein
+huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde van
+den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven
+voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van
+hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is
+een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed
+driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden,
+dan ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de
+zuidelijke huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre,
+daarvan moeten de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de
+noordelijke huizen is alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn
+vol koorn en andere benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor
+de maagden, om school te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is
+de woning der Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van
+den toren zijn gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de
+Tex gegrift. Aan de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan
+de linkerzijde de wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere
+zijden. Tegen den dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven
+en de meelmolen door vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is
+de plaats, waarop de burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk
+daaromheen is een uur groot, niet een zeemans, maar een zonne uur,
+waarvan tweemaal twaalf in een etmaal gaan. Aan de binnenzijde
+van den dijk is een plat, vijf voet beneden de kruin. Daarop zijn
+drie honderd kraanbogen, gedekt met hout en leder. Behalve de
+huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den dijk nog drie maal
+twaalf noodhuizen voor de omwoners. Het veld dient tot kamp en tot
+weide. Aan de zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Liudgaarde
+omtuind door het groote Lindenwoud. Hare gedaante is driehoekig,
+met de breede zijde naar buiten, opdat de zon daarin mag zien. Want
+daar zijn vele buitenlandsche boomen en bloemen, door de zeevaarders
+medegebracht. Gelijk de gedaante van onze burgt is, zoo zijn alle
+andere; doch onze burgt is de grootste; maar de allergrootste is die
+van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog, dat hij de wolken
+tornt, en in evenredigheid van den toren is al het overige.
+
+Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken
+bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij
+huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest,
+dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne
+zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest,
+dan mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan.
+
+De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De
+grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde,
+kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen,
+benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De
+Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij
+de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij
+door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie
+oude maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis
+is langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen
+oever benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de
+menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat
+daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te
+winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen
+waren er meer geweest, maar sedert wij Schoonland misten, zijn zij
+naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar zij ijzer van
+maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik Marsaten
+gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren wonen. Hunne
+huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild gedierte en booze
+menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte afgrijselijke leeuwen. En
+zij zijn de naburen of aangrenzenden van de heinde Krekalanden, der
+Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle begeerig naar roof en
+buit. De Marsaten generen zich met visschen en jagen. De huiden worden
+door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors van berken. De kleine
+huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te Fryasburgt zeide ons,
+dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch had ik haar niet vooraf
+hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat zij geen Fryas volk waren,
+maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er uit. Hunne vachten en kruiden
+werden door de Rijnbewoners verhandeld en door de schippers buiten
+gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn was het eveneens tot
+aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of mare. Op deze vliet
+waren ook menschen, die huizen op palen hadden. Doch dat was geen
+Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen, die gediend
+hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te helpen. Zij
+moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok.
+
+Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat
+de Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns,
+wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden
+medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote
+vliet omzoomd met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In
+die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei
+verf. Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken
+gelijk de zon. De schilden van den zeekoning en den schout bij nacht
+waren met goud omboord. Van uit die vliet was eene gracht gegraven
+van daar voortloopende langs de burgt Forana en voorts met eene enge
+mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en het Fly de ingang. Aan
+beide zijden der gracht zijn schoone huizen met helder blinkende verwen
+geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene hagen omheind. Ik heb
+daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen, als of het schrijffilt
+was. Even als te Staveren waren de meisjes met gouden kroonen op hare
+hoofden en met ringen om de armen en voeten gesierd. Zuidwaarts van
+Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of vliet, daarin ligt een
+eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine menschen verwijlen,
+even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana zeide mij, dat de
+burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te leeren, wat echte
+vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren te leven om
+zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die hooren wilde
+en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij volleerd
+was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken, en
+om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de
+burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien,
+als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de
+Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes
+daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt
+gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en
+hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar
+van daan is 't gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de vrouwen
+overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag of
+schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk op
+zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een dier,
+dat hij geveld heeft. En eindelijk, daarvan daan is het gekomen, dat
+zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even dom zijn
+als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de Twisklanders,
+met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee geschapen. Alle
+onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het Findasvolk zullen
+elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen bevolken. In het
+heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de bovenlanders deel
+hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u een raad geven. Laat
+het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare vrijers te vragen,
+eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld rondgevaren? wat
+kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en over verwonende
+volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige knapen tot ons
+komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen geen behoefte
+langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de maagden, die bij
+mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te huis kwamen,
+heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand is zij daar
+Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat heden ten
+dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.
+
+
+ Einde van Apollonias boek.
+
+
+
+
+
+DE GESCHRIFTEN VAN FRÊTHORIK EN WILJOW.
+
+
+Mijn naam is Frêthorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen over
+de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is een
+nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgaarda, waarvan de
+naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel
+had ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen
+gemeld. Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek
+schrijven, de goede menschen tot eere, de slechten tot oneer.
+
+In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze
+tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes
+terug gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze
+landpalen gevonden.
+
+Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt
+strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende
+over de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de
+kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de
+beelden eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de
+burgt. Een grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen,
+zeide ik. Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders
+mag het u niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver
+leeren. Acht jaren later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht
+had bedreven en dat sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden
+met den Magy. En vele menschen waren op hunne zijde. Overal kwam
+tweespalt. Er waren kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In
+'t geheim werden de brave menschen vermoord. Het oude vrouwtje, dat
+alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel. Mijn vader,
+die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd hij in zijn
+huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder strijd. De
+Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten alle goede
+menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de anderen. De Magy
+verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem toonen, dat zij
+geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige schoot, waaruit
+zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen schudt, nadat
+het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo schudde Irtha
+hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden gespreid. De zee
+kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij gespuwd hadden,
+slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang van Arnemaand
+(oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder, al lager
+en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken van
+Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren,
+werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst
+in de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank
+(ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind
+uit het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen
+springvloed kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam
+en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne of Minnemaand
+(bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met
+eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De
+wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was,
+was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield,
+en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik
+een steen; onze schrijver had daar zijn naam ingegrift; dat was mij
+een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was het ook met
+de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de aarde, en in
+de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht op Texland
+werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts gelegen had,
+was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan dezen oever
+van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute plassen gekomen,
+ontstaan door de wouden, die met grond en al weg gedreven waren. Te
+Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga dwars door het
+land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden en ander
+varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met magen en
+bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van Lydasburgt en
+Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten zuidwaarts dreven,
+hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand kwam om ze op
+te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De menschen die
+terug kwamen, gingen alle binnen de ringdijken der burgten wonen,
+omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude huizen
+werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en schapen,
+en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd waren,
+werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit geschiedde
+1888 jaren nadat Atland verzonken was.
+
+In 282 jaren hadden wij geene Eeremoeder gehad en nu alles misschien
+verloren scheen, ging men eene kiezen. Het lot viel op Gosa toegenaamd
+Makonta. Zij was Burgtmaagd op Fryasburgt te Texland. Helder van hoofd
+en klaar van zin, heel goed, en omdat hare burgt alleen gespaard was,
+zag iedereen daaruit hare roeping. Tien jaren later kwamen de zeelieden
+van Forana en van Lydasburgt. Zij wilden de zwarte mannen met vrouw
+en kinderen uit het land drijven. Daarover wilden zij de raad der
+Moeder inwinnen. Maar Gosa vroeg: kunt gij een en ander terug voeren
+naar hunne landen, dan behoort gij spoed te maken, anders zullen zij
+hunne bloedverwanten niet weder vinden. Neen, zeiden zij. Toen zeide
+Gosa: Zij hebben uw zout geproefd en uw brood gegeten. Hun lijf en
+leven hebben zij onder uwe hoede gesteld. Gij moet uw eigen hart
+onderzoeken. Maar ik wil u een raad geven. Houdt hen tot dat gij
+in staat zijt om hen weder naar huis te voeren. Maar houdt hen bij
+uwe burgten daar buiten. Waakt over hunne zeden, en onderwijs hen
+alsof zij Fryas zonen waren. Hunne vrouwen zijn hier de sterkste. Als
+rook zal hun bloed vervliegen, tot er ten laatsten niets anders dan
+Fryas bloed in hunne nakomelingen zal overblijven. Zoo zijn zij hier
+gebleven. Nu wenschte ik wel dat mijne nakomelingen daar op letten,
+in hoeverre Gosa waarheid sprak.--Toen onze landen weder te begaan
+waren, kwamen er benden arme Saxmannen en vrouwen naar de oorden van
+Staveren en het Alderga, om gouden en andere sieraden te zoeken uit de
+drassige bodem. Doch de zeelieden wilden hen niet toelaten. Toen gingen
+zij de ledige dorpen bewonen te West Flyland, om hun lijf te behouden.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK SCHRIJVEN HOE DE GEERTMANNEN EN VELE VOLGELINGEN VAN HELENIA
+TERUG KWAMEN.
+
+
+Twee jaren nadat Gosa moeder werd, kwam er eene vloot het Flymeer in
+vallen. Het volk riep ho.n.sêen. (welk een zegen!) Zij voeren naar
+Staveren, daar riepen zij nog eenmaal. De banieren waren in top en
+des nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad
+was, roeiden sommige met eene snik de haven in, zij riepen weder
+hoezee. Toen zij landden, wipte een jong kerel op den wal. In zijne
+handen had hij een schild, daarop was brood en zout gelegd. Na hem
+kwam een grijze; hij zeide wij komen van de verre Krekalanden weg, om
+onze zeden te bewaren. Nu wenschten wij, dat gij zoo vriendelijk zoudt
+wezen, om ons zoo veel land te geven, dat wij daarop mogen wonen. Hij
+vertelde eene heele geschiedenis, die ik hierna beter beschrijven
+wil. De grijzen wisten niet wat te doen, zij zonden boden allerwege,
+ook tot mij. Ik ging heen en zeide: nu wij eene Moeder hebben,
+behooren wij haar raad te vragen. Ik zelf ging mede. De Moeder,
+die alles reeds wist, zeide: laat hen komen, zoo mogen zij ons land
+helpen behouden: maar laat hen niet op ééne plek blijven, opdat zij
+niet machtig worden over ons. Wij deden gelijk zij gezegd had. Dat
+was heel naar hun zin. Fryso bleef met zijne lieden te Staveren dat
+zij weder tot eene zeestad maakten, zoo goed zij konden. Wichhirte
+ging met zijne lieden oostwaarts naar de Emude. Sommige der Joniers,
+die meenden dat zij van het Alderga volk gesproten waren, gingen
+daarheen. Een klein deel, die waanden, dat hunne voorvaderen van de
+Zeven eilanden weg kwamen, gingen heen en zetten zich neder binnen
+den ringdijk van de burgt Walhallagara. Liudgert de schout bij nacht
+van Wichhirte werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn
+dagboek heb ik de geschiedenis die hier achter zal volgen.
+
+Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren gezeten
+waren, terwijl onze zeestrijders alle zeeën bevoeren, die er te vinden
+waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van boven langs
+den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem wederstaan. Doch
+wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze
+have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk eene groote vloot
+hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat hij alle dorpen
+aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug komen. Wichhirte
+lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, tot
+dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam sprekende;
+doch hij bedroog gelijk hij vroeger gedaan had. Wichhirte antwoordde:
+o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen allerwege, wij
+hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol eerbied
+jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij
+anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven
+niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen
+sterven, want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide:
+ik wil uw land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne
+slaven. Ik wil alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil
+ik zweeren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden
+zal zijn. Toen Alexander naderhand brood en zout met hem deelde,
+heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen
+door zijn zoon. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle
+gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar den heiligen Ganges voeren,
+dien hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij toe en koos al
+degene uit zijn volk en zijne soldaten, die gewoon waren over zee te
+varen. Wichhirte was weder ziek geworden, daarom ging ik alleen mede
+en Nearchus van des konings wege. De tocht liep zonder voordeel ten
+einde, uithoofde de Joniers altijd in onmin waren tegen de Pheniciers,
+zoodat Nearchus zelf er geen meester over blijven kon. Intusschen
+had de koning niet stil gezeten. Hij had zijne soldaten boomen laten
+kappen en tot planken maken. Met hulp van onze timmerlieden had
+hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden,
+en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de soldaten die
+uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden,
+dat zij moesten, staken zij de timmerschuren in den brand. Daardoor
+werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij dat
+Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen. Maar
+Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk
+laten ombrengen. Maar Nearchus, die niet alleen zijn eerste vorst,
+maar ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij
+zich als of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij
+durfde zijn tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer
+hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra
+hij dat wist, liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw
+dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen
+te temmen en om eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen
+mede nemen. Als wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten
+wij daar eene plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even
+gaarne toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen
+waren, liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn
+ander volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land,
+dat Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze
+voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen.
+
+Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven,
+die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten
+wij Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie
+dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen,
+ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch
+hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij
+zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van
+de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen
+kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat
+vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds
+uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen,
+medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen
+(touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche
+zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek ons raar toe; maar Nearchus
+verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat
+hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij
+zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij
+moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen,
+dat wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen
+waren. Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was,
+werd hij zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen,
+Irtha ten spot. Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij
+in den wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na
+zijn dood, werd het rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk
+een deel voor zijne zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk
+wilde zijn deel behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog
+en wij konden niet terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden
+nederzetten aan de kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij
+zeiden het liever te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen
+bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte
+Fryaskinderen voormaals heen getogen waren. Voorts gingen wij soldaten,
+leeftocht en wapenen voeren. Onder de vele vorsten had Nearchus een
+vriend met name Antigonus. Deze streden beide om één doel, gelijk zij
+zeiden, als helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle
+Grieksche landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had
+onder vele anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd
+de stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar
+een geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot
+van Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst, die heerschte over
+Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten,
+maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit
+vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed,
+door zijne blanke huid met blauwe oogen en wit haar. Naderhand ging
+Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten en
+leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de
+oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij
+in de haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso,
+die koning was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis,
+zoo bijster frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo
+wonderschoon als niemand heugen mocht. De roep daarvan ging over alle
+Krekalanden en kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en
+onzedelijk, en hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter
+openlijk schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen
+de schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij
+zoethart. De schippers noemen hunne wijven troost en fro of frow,
+dat is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren
+man niet durfde opwachten, ging zij met haren zoon naar Demetrius,
+en smeekte, dat hij haar hare dochter weer zoude geven. Maar als
+Demetrius haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en
+deed met hem eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de
+moeder zond hij een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen
+zij thuis kwam werd zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat:
+(roepende) hebt gij mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij
+u eene schuilplaats zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat
+ik zijne kinderen verloren heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso
+weer thuis was, zond hij een bode tot hem zeggende, dat hij zijne
+kinderen tot zich genomen had om hen te voeren tot eene hoogen staat,
+en om hem te beloonen voor zijne diensten. Maar Friso, die trotsch en
+hartstochtig was, zond een bode met een brief naar zijne kinderen,
+daarin vermaande hij hen, zij zouden Demetrius te wille zijn,
+vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode had nog een anderen
+brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te nemen; want,
+zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam verontreinigd, dat zal u
+niet toegerekend worden, doch indien gij uwe ziel verontreinigt,
+zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen zullen dan over de
+aarde omwaren, zonder het licht te mogen zien; gelijk de vleermuizen
+en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe holen schuilen en des
+nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen en huilen, dewijl
+Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen deden gelijk hun
+vader hun bevolen had. De bode liet hunne lijken in de zee werpen, en
+aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu wilde Friso
+met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger geweest was;
+maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen en schoot
+het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon en
+durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren;
+behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij
+waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap.
+
+Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging hij
+met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand
+in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen
+zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval
+ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene
+breede linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts
+gebood hij, dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en
+aan den achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al
+vluchtende te vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden
+vijand te vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl
+wij daarmede reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg
+tot schrik van de lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven
+hadden, dan die ons vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand
+dus niet door roeijen ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij
+zoo deed. En Friso, die het vatte, liet spoedig de brandpijlen op
+de kraanbogen leggen. Tevens gebood hij dat niemand schieten mogt,
+voor dat hij geschoten had. Daarop zeide hij, dat wij alle naar het
+middelste schip moesten schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij,
+dan zullen de andere hem te hulp komen, dan moet ieder schieten,
+zoo hij best kan. Toen wij nu ander half ketting (kabelslengte)
+van hen af waren, begonnen de Pheniciers te schieten, maar Friso
+beantwoordde dat niet voor dat de eerste pijl op zes vademen van
+zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de anderen volgden, het geleek
+wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met den wind medegingen,
+bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de derde laag. Alle
+mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer tegenstanders waren
+zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen Friso meende, dat het
+wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden ons weg. Doch na dat
+wij twee dagen voort gesukkeld hadden, kwam er eene andere vloot in
+'t gezicht van dertig schepen, die ons steeds inwon. Friso liet ons
+weer klaar maken; maar de anderen zonden eene lichte snik met roeijers
+bemand vooruit. Hunne boden baden uit aller naam, of zij met ons mede
+varen mogten. Zij waren Joniers. Door Demetrius waren zij gewelddadig
+naar de oude haven gestuurd; daar hadden zij van dit gevecht gehoord;
+nu hadden zij het stoute zwaard aangegord, en waren ons gevolgd. Friso,
+die veel met Joniers gevaren had, zeide ja; maar Wichhirte onze koning
+zeide neen. De Joniers zijn afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb
+gehoord hoe zij die aanriepen. Friso zeide, dat komt door den omgang
+met de echte Krekalanders. Dat heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben
+ik zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was de man, die ons naar
+Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers mede. Ook scheen het
+naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden verloopen waren, gingen
+wij langs Brittania, en drie dagen later mochten wij hoezee roepen.
+
+
+
+
+
+DIT GESCHRIFT IS MIJ OVER NOORDLAND OF SCHOONLAND GEGEVEN.
+
+
+Ten tijde dat ons land neder zonk, was ik in Schoonland. Daar ging
+het zoo toe. Er waren groote meeren, die van den bodem als een
+blaas uitzetten, dan spleten zij vaneen, uit de scheuren kwam eene
+stof, alsof het gloeijend ijzer was. Er waren bergen, wier kruinen
+aftuimelden, deze stortten neder en vernielden wouden en dorpen. Ik
+zelf zag, dat een berg van een ander werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij
+neder. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen
+de aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindasburgt met zijn
+volk en eene maagd, die alom uitriep: de Magy is schuldig aan al
+het leed, dat wij geleden hebben. Zij trokken steeds voort en het
+heer werd al grooter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk,
+hij had zich zelf omgebracht. Toen werden de Finnen verdreven naar
+ééne plaats, daar mochten zij leven. Er waren ook van gemengd bloed,
+deze mochten blijven, doch velen gingen met de Finnen mede. De hertog
+werd tot koning gekozen. De kerken, die heel gebleven waren, werden
+vernield. Sedert dien tijd komen de goede Noormannen dikwijls op
+Texland om raad van de Moeder. Doch wij kunnen hen niet voor rechte
+Friezen meer houden. In de Dennemarken is het zeker gegaan, als bij
+ons. De zeelieden, die zich zelven stoutelijk zeekampers noemen,
+zijn op hunne schepen gegaan, en naderhand zijn zij terug getrokken.
+
+
+ HEIL!
+
+
+Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de
+nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen
+medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor
+wil ik waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik
+gezien heb. Over de Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen. Ik
+heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb,
+zijn zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik
+niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden weg komen, zijn
+kwaad ter taal, en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben
+bruine oogen en haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door
+bijgeloovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop,
+die het laatst komen moesten. Tegen âld zeggen zij âd, tegen sâlt,
+sât, ma voor man, sol voor skil, sode voor skolde, te veel om
+te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge en verkorte namen,
+waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers spreken beter,
+doch zij verzwijgen de h, en waar die niet wezen moet, wordt zij
+uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene
+en het gelijkt, dan gelooven zij, dat de geest des overledene daarin
+vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van Frya, Fâsta,
+Medea, Thiania, Hellenia en vele andere. Wordt er een kind geboren,
+dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot Frya, dat zij hare
+dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden
+hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren. Begint het kind
+te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een kwaad teeken,
+en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven heeft. Daarvan
+heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat
+een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in den slaap,
+dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd. Vervolgens gelooven
+zij aan booze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof
+zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik,
+dat ik meer geschreven heb, als een mijner voorvaderen. Frethorik.
+
+Frethorik mijn echtgenoot is drieenzestig jaren oud geworden. Sints
+honderd en acht jaren is hij de eerste van zijn geslacht, die vreedzaam
+gestorven is; alle anderen zijn onder de slagen bezweken, daarom dat
+allen kampten met eigen volk en vreemden om recht en plicht.
+
+Mijn naam is Wiljo, ik ben de maagd, die met hem uit de Saksenmarken
+naar huis voer. Door taal en omgang kwam het uit, dat wij alle beide
+van Adelas geslacht waren; toen ontstond liefde en daarna zijn wij
+man en vrouw geworden. Hij heeft mij vijf kinderen nagelaten, twee
+zonen en drie dochters. Konereed, zoo heet mijne oudste, Hachgana mijn
+tweede, mijne oudste dochter heet Adela, de tweede Frulik en de jongste
+Nocht. Toen ik naar de Saksenmarken voer, heb ik drie boeken gered,
+het boek der zangen, het boek der verhalen en het Hellenia boek. Ik
+schrijf dit, opdat men niet moge denken, dat zij van Apollonia
+zijn; ik heb daar veel verdriet over gehad, nu wil dus de eere ook
+hebben. Ook heb ik meer gedaan; toen Gosa-Makonta gestorven is, wier
+goedheid en helderziendheid tot een spreekwoord geworden is, toen
+ben ik alleen naar Texland gegaan, om de schriften over te schrijven,
+die zij nagelaten had, en toen de laatste wil gevonden is van Frana,
+en de nagelaten schriften van Adela of Hellenia heb ik dat nog eens
+gedaan. Dit zijn de schriften van Hellenia. Ik heb ze voorop geplaatst,
+omdat zij de alleroudsten zijn.
+
+
+ ALLE ECHTE FRIESEN HEIL!
+
+
+In oude tijden wisten de Slavonische volken niet van vrijheid. Gelijk
+ossen werden zij onder het juk gebracht. Zij werden in de ingewanden
+der aarde gejaagd om metaal te delven, en uit de harde bergen moesten
+zij huizen houwen, tot woningen voor vorsten en priesters. Bij alles
+wat zij deden was niets voor hun zelven, maar alles moest dienen, om
+de vorsten en priesteren nog rijker en geweldiger te maken, om zich
+te verzadigen. Onder dezen arbeid werden zij grijs en stram eer zij
+oud waren en stierven zonder genot, ofschoon de aarde dat overvloedig
+veel geeft ter bate van al hare kinderen. Maar onze weggeloopenen en
+ballingen kwamen door Twiskland over in hunne marken trekken, en onze
+zeelieden kwamen in hunne havens. Van deze hoorden zij spreken over
+gelijke vrijheid en recht en over wetten, waar niemand buiten kan. Dit
+alles werd door de droeve menschen ingezogen als dauw door de dorre
+velden. Toen zij vol daar van waren, begonnen de stoutmoedigsten
+te klippen met hunne ketenen, zoodat het den vorsten wee deed. De
+vorsten zijn trotsch en krijgshaftig, daarom is er ook nog deugd in
+hunne harten, zij raadpleegden te zamen, en deelden iets mede van
+hunnen overvloed. Maar de laffe schijnvrome priesters konden dat
+niet dulden, onder hunne verdichte goden hadden zij ook booze wreede
+gedrochten geschapen. De pest kwam over het land, toen zeiden zij dat
+de goden toornig waren over de overheersching der boozen. Toen werden
+de stoutmoedigste menschen met hunne ketenen gewurgd. De aarde heeft
+hun bloed gedronken, met dat bloed voedde zij vruchten en koorn en
+al die daarvan aten werden wijs.
+
+Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken, en te dier tijde
+gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had.
+
+In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte die
+geheeten is Kasamyr, dat is, zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren,
+zijne moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een
+opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen
+bloed verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme
+menschen. Intusschen was den knaap (toen hij grooter werd) niets
+verheeld geworden; daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en
+te vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles begreep,
+wat hij zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de
+priesters werden beangst voor zijne vragen. Toen hij meerderjarig
+werd, ging hij naar zijne ouders. Zij moesten harde dingen hooren; om
+hem kwijt te worden, gaven zij hem een overvloed van edelgesteenten;
+maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met
+droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij
+omdwalen. Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die
+als slaaf diende, van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij
+kocht hem vrij, en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven. Alom
+waar hij voorts henen trok, leerde hij aan de menschen dat zij noch
+rijken noch priesters moesten toelaten; dat zij zich moesten hoeden
+tegen de valsche schaamte, die allerwegen kwaad doet aan de liefde. De
+aarde, zeide hij, schenkt hare gaven naarmate men hare huid krabt,
+dat men daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaijen, zoo men
+daarvan maaijen wil. Doch, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor
+een ander, zoo het niet met gemeene wil of uit liefde geschiedt. Hij
+leerde dat niemand in hare ingewanden mocht wroeten om goud of zilver
+of edelgesteenten, waar nijd aan kleeft en liefde van vliedt. Om uwe
+meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft haar de rivier water
+genoeg. Niemand, zeide hij, is machtig alle menschen tevens rijkdom
+en gelijk geluk te geven; doch het is aller menschen plicht om de
+menschen alzoo tevens rijk te maken en zooveel genoegen te geven als
+te bereiken is. Geene wetenschap, zeide hij, mag men minachten, doch
+rechtvaardigheid, is de grootste wetenschap, die de tijd ons leeren
+mag. Daarom, dat zij ergernis van de aarde weert, en de liefde voedt.
+
+Zijn eerste naam was Jessos, doch de priesters, die hem zeer haatten,
+heetten hem Fo, dat is valsch, het volk heette hem Krishna, dat is
+herder, en zijn Friesche vriend noemde hem Buddha (buidel), omdat hij
+in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een schat
+van liefde.
+
+Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesteren, maar overal
+waar hij kwam was zijne leer hem vooruitgegaan, en overal waar hij
+ging volgden hem zijne vijanden als zijne schaduw. Toen Jessos zoo
+twaalf jaren rondgereisd had, stierf hij, maar zijne vrienden bewaarden
+zijne leer en verkondigden die, waar zij ooren vond.
+
+Wat meent gij nu dat de priesters deden? dat moet ik u melden;
+ook moet gij er zeer acht op geven, voorts moet gij waken voor
+hun bedrijf en ranken met alle krachten, die Wralda in u gelegd
+heeft. Terwijl de leer van Jessos over de aarde zich uitbreidde,
+gingen de valsche priesters naar het land zijner geboorte, om zijn
+dood bekend te maken; zij zeiden dat zij van zijne vrienden waren,
+zij veinsden eene groote droefheid door hunne kleederen in stukken
+te scheuren en hun hoofd kaal te scheeren. Zij gingen in de holen
+der bergen wonen, doch hierin hadden zij hunne schatten gebracht,
+daar binnen maakten zij beelden van Jessos. Deze beelden gaven ze aan
+de onergdenkende lieden; ten langen laatste zeiden zij dat Jessos een
+godheid was, dat hij zelf dit aan hun had beleden, en dat allen die
+aan hem en zijne leer gelooven wilden, hiernamaals in zijn koningrijk
+zouden komen, waar vreugde is en genietingen zijn. Vermits zij wisten
+dat Jessos tegen de rijken was te velde getrokken, verkondigden zij
+allerwegen, dat armoede lijden en eenvoudig zijn de deur was om in
+zijn rijk te komen, dat degene die op aarde het meeste geleden hadden,
+hier namaals de meeste vreugde hebben zouden. Ofschoon zij wisten,
+dat Jessos geleerd had, dat men zijne hartstochten overmeesteren en
+besturen moest, zoo leerden zij dat men alle zijne hartstochten dooden
+moest en dat de volkomenheid des menschen daarin bestond, dat hij
+even gevoelloos werd als de koude steen. Ten einde nu het volk wijs
+te maken, dat zij zelve zoo deden, veinsden zij armoede op straat,
+en om voorts te bewijzen, dat zij al hunne zinnelijke lusten gedood
+hadden, namen zij geene vrouwen. Doch zoo ergens eene jonge dochter
+een misstap gedaan had, werd haar dat spoedig vergeven; de zwakken,
+zeiden zij, moest men helpen, en om zijne eigene ziel te behouden,
+moest men veel aan de kerk geven. Dusdoende hadden zij vrouw en
+kinderen zonder huishouding, en werden zij rijk zonder werken; maar
+het volk werd veel armer en meer ellendig als ooit te voren. Deze
+leer, waarbij de priesters geen andere wetenschap noodig hebben,
+als bedriegelijk te redeneren, een vrome schijn en ongerechtigheden,
+breidde zich zelve van 't oosten naar het westen, en zal ook over
+ons land komen.
+
+Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya
+en van Jessos leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden
+menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en
+voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk
+bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas
+bloed. Deze zullen hunne fakkels en het licht buiten brengen, zoodat
+alle man de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der
+priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het
+recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen,
+maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Findas volk
+zal zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lydas volk
+zijne krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters
+weggevaagd worden van de aarde; Wraldas geest zal alom en allerwege
+geëerd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang
+in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene
+andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij
+algemeene wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en de Irtha zal
+hare gaven alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal
+aanvangen vierduizend jaren nadat Atland verzonken is, en duizend
+jaren later zal er langer geen priester noch dwang op aarde zijn.
+
+Dela toegenaamd Hellenia, waak!
+
+Zoo luidde Franas uiterste wil. Alle edele Friesen, heil! In den
+naam van Wralda, van Frya en der vrijheid groet ik u, en bid u zoo
+ik sterven mocht, eer ik eene opvolgster benoemd heb, dan beveel ik
+u Teuntja aan, die Burgtmaagd is op de burgt Medeasblik, tot op heden
+is zij de beste.
+
+Dit heeft Gôsa nagelaten. Alle menschen heil. Ik heb geene Eeremoeder
+benoemd, omdat ik geene wist, en omdat het u beter is geene Moeder
+te hebben, dan eene waarop gij u niet verlaten kunt. Een booze tijd
+is voorbijgegaan, maar daar komt nog een andere. Irtha heeft hem niet
+gebaard, en Wralda heeft hem niet beschoren. Hij komt uit het oosten,
+uit den boezem der priesteren weg. Zoo veel leed zal hij broeden,
+dat Irtha het bloed niet zal kunnen drinken van hare verslagene
+kinderen. Duisternis zal hij over den geest der menschen spreiden,
+gelijk onweerswolken over het zonnelicht. Alom en allerwege zullen
+list en bedrog met vrijheid en recht kampen. Vrijheid en recht
+zullen bezwijken en wij met haar. Maar deze winst zal haar verlies
+uitwerken. Van drie woorden zullen onze nakomelingen aan hunne lieden
+en slaven de beteekenis leeren. Zij zijn algemeene liefde, vrijheid
+en recht. In het eerst zullen zij schitteren, daarna met duisternis
+kampen, totdat het helder en klaar wordt in ieders hart en hoofd. Dan
+zal de dwang van de aarde geveegd worden, gelijk de donderwolken door
+den stormwind, en alle bedrog zal niets meer daar tegen vermogen. Gôsa.
+
+
+
+
+
+HET GESCHRIFT VAN KONERÊD.
+
+
+Mijne voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit wil
+ik bovenal doen, omdat in mijne staat geene burgt overig is, waarin
+de gebeurtenissen opgeschreven worden gelijk te voren. Mijn naam is
+Konereed (Koenraad), mijn vaders naam was Frethorik, mijne moeders naam
+was Wiliow. Na mijn vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen. Toen
+ik vijftig jaren telde, koos men mij tot opperste Grevetman. Mijn
+vader heeft geschreven, hoe de Lindaoorden en de Liudgaarden verwoest
+zijn. Lindahem is nog weg, de Lindaoorden voor een deel, de noordelijke
+Liudgaarden zijn door de zoute zee bedolven. Het bruissende zeewater
+slikt aan den ringdijk der burgt. Gelijk mijn vader vermeld heeft, zijn
+de van have beroofde menschen heengegaan en hebben huisjes gebouwd
+binnen den ringdijk der burgt, daarom is dat ronddeel nu Liudwerd
+geheeten. De zeelieden zeggen Liuwerd, maar dat is wanspraak. In mijne
+jeugd was het andere land, dat buiten den ringdijk ligt, alles poel en
+broek. Maar Fryas volk is wakker en vlijtig, zij werden moede noch mat,
+omdat hun doel ten beste geleidde. Door slooten te delven en kadijken
+te maken van de aarde die uit de slooten kwam, hebben wij weder een
+goede hemrik buiten den ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef,
+drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts
+gemeten. Heden ten dage zijn wij bezig waterpalen te heijen om eene
+haven te maken en meteen om onzen ringdijk te beschermen. Als het werk
+gereed is, zullen wij zeelieden uitlokken. In mijne jeugd stond het er
+hier raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen die in
+reijen staan. Leken en gebreken, die met de armoede waren ingeslopen,
+zijn door vlijt uitgedreven. Hier uit kan iedereen leeren, dat Wralda,
+onze Alvader, alle zijne schepselen voedt, mits dat zij moed houden
+en elkanderen willen helpen.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK OVER FRISO SCHRIJVEN.
+
+
+Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot
+opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanden. Hij spotte
+met onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft
+hij eene school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de
+wijze der Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om
+het jongvolk aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar
+heen gezonden, dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij
+geene Moeder langer hebben, om den een tegen den ander te beschermen,
+behoor ik dubbel te waken, opdat hij niet meester over ons wordt.
+
+Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen oordeel
+vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die meenen, dat
+zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa gestorven was,
+wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder kiezen. Maar
+Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te maken, Friso
+begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden der Landsaten
+tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was verziende
+geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij geen
+licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen moed
+gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen die
+twijfelachtig was daar heeft zij kwaad ingezien: daarom heeft zij in
+hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben
+als eene, op welke gij u niet verlaten kunt. Friso had veel gezien,
+hij was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en listen der Golen
+en vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig
+had om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe
+hij daarmede is te werk gegaan.
+
+Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van
+Wilfrêthe, die bij zijn leven opperste Graaf te Stavoren geweest
+was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door
+zijn beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder
+uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helia
+geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch
+verbonden. Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van
+Wichhirte den koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed
+Friesch en moet Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer
+medegebracht, als goede zeden.
+
+Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren.
+
+Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele
+Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij
+Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust,
+en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens geen menschen
+in het gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar
+hunnen naam hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen
+wel vele Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich
+zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan
+waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze
+schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen
+gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen
+of geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van
+de Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan
+de zuidwestelijke hoek van Schoonland, aldaar ligt Lindasburgt,
+toegenaamd Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek
+geschreven staat. Alle kustbewoners en ommelanders waren daar echt
+Friesch gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en
+tegen de Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen;
+maar dat zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders
+hadden vele verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de
+booze Magyaren, Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich
+zelven rooven, maar als het te pas kwam, dan stonden zij malkander
+getrouwelijk bij. Doch ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek
+te krijgen aan goede schepen. Hunne scheepmakers waren omgekomen,
+en hunne wouden waren met grond en al van het land weggevaagd. Nu
+kwamen er onverwacht drie schepen bij den ringdijk van onze burgt
+voor anker. Door de inbraken van onze landen waren zij verdwaald en
+den Flymond misgevaren. De koopman die mede gegaan was, wilde van ons
+nieuwe schepen hebben, daartoe hadden zij allerlei kostelijke waren
+medegebracht, die zij geroofd hadden van de Kaltanarlanden en van
+de Pheniciers schepen. Nadien wij zelve geene schepen hadden, gaf ik
+hun flinke paarden en vier gewapende renboden mede naar Friso. Want
+te Staveren en langs het Alderga, daar werden de beste oorlogschepen
+gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting in komt. Terwijl
+de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen Jutten naar Texland
+gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De Zeelanders hadden
+vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten op hunne banken
+roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze kinderen te
+verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren, doordien
+zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld hadden,
+en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten laatste,
+of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja, antwoordden
+zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist gelijk
+uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen
+wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch
+burgtwapenen, om de roofschepen er uit te houden. Dan moest gij er
+eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten; maar
+wij hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn
+visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge
+landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden
+met de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten,
+hoe Friso allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen
+en ten bate van zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij,
+zij zouden jaarlijks vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en
+voor vaste gelden, toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en
+met volle tuig, gelijk het voor krijgsschepen noodig en nuttig is;
+maar de Jutten zouden zij dan met vrede laten, en al het volk, dat
+tot Fryaskinderen behoorde. Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze
+zeekampers uitnoodigen, dat zij mede zouden vechten en rooven. Toen de
+Zeelanders vertrokken waren, liet hij veertig oude schepen beladen met
+burgtwapenen, hout, hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren, en
+smeden om daarmede burgten te bouwen. Witto, dat is witte, zijn zoon,
+zond hij mede om toe te zien. Wat er al is voorgevallen, is mij niet
+gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk geworden, dat aan beide zijden
+van den havenmond eene versterkte burgt gebouwd is, en daarin is volk
+gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken trok. Witto heeft Siuchthirte
+bevrijd en tot zijne vrouw genomen. Wilhem, zoo heette haar vader,
+hij was opperste Olderman der Jutten, dat is opperste Grevetman of
+Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en Witto is in zijne plaats
+gekozen.
+
+
+
+
+
+WAT FRISO VERDER DEED.
+
+
+Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer
+kloek waren. Hetto, dat is heete, den jongste zond hij als zendbode
+naar Kattaburgt, dat diep in de Saksenmarken ligt. Hij had van
+Friso medegekregen zeven paarden, behalve zijn eigen, beladen met
+kostbare zaken door de zeekampers geroofd. Bij ieder paard waren twee
+jonge zeekampers en twee jonge ruiters met rijke kleederen gekleed,
+en met geld in hunne buidels. Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt
+zond, zoo zond hij Bruno, dat is bruine, den anderen zwager naar
+Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda
+forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede
+hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en
+vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de
+gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven
+met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze
+boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle
+geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten,
+en op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu
+gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij
+goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden,
+dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog
+vorstelijker vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn
+getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand
+kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar
+het Flymeer afzakken. De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare
+vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom
+spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar
+babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan
+zijne zaak. Zij zeiden allomme: wij hebben langer geene Moeder meer,
+maar dat komt daar vandaan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig
+past ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de
+Moeders verloren hebben door hare onvoorzichtigheid. Verder spraken
+zij: Aan ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten
+hooren, voor dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst,
+maar als het zoover komen mogt, dat gij u weder een koning kiest,
+dan wil ik ook mijne meening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is
+Friso daartoe door Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier
+heen geleid. Friso kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt,
+hij kan dus tegen hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog
+te houden: welken graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de
+anderen daar wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de
+jonge maagden gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal,
+tapten hunne redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en
+tot iedereen: Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen,
+des nachts spant hij zijne netten naar alle zijden en des daags
+verschalkt hij daarin zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat
+hij geene priesteren noch vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg,
+hij mag niemand lijden dan hem zelven. Daarom wil hij niet gedogen,
+dat de burgt Stavia weder opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder
+weêr hebben. Vandaag is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw
+koning worden, opdat hij over u allen rechten mag. In den boezem des
+volks ontstonden nu twee partijen. De ouden en armen wilden nu weder
+eene Moeder hebben, maar het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde
+een Vader of koning hebben. De eersten noemden zich Moederszonen,
+en de anderen noemden zich Vaderszonen; maar de Moederszonen werden
+niet geteld; want omdat er vele schepen gemaakt werden, was hier
+overvloed voor de scheepmakers, smeden, zeilmakers, reepmakers en
+voor alle andere ambachtslieden. Daarenboven brachten de zeekampers
+allerhande sieraden mede. Daarvan hadden de vrouwen genoegen, de
+maagden genoegen, de meisjes genoegen, en daarvan hadden alle hunne
+bloedverwanten genoegen, en alle hunne goede kennissen en vrienden.
+
+Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden,
+stierf hij. Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot
+malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet
+bevestigen. Van alle Graven, die voor hem waren, was er niemand zoo
+befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge
+maagden spraken zijn lof, terwijl de oude vrouwen alles deden om hem
+te laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de
+oude vrouwen hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij
+hadden met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven
+is zonder dat hij koning was.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK SCHRIJVEN OVER ZIJN ZOON ADEL.
+
+
+Friso die onze geschiedenis had leeren kennen uit het boek der
+Adelingen, had alles gedaan om hunne vriendschap te winnen. Zijn
+eersten zoon, dien hij hier won bij zijne vrouw Swethirte heeft hij
+terstond Adel genoemd. En ofschoon hij kampte met al zijne macht,
+om geene burgten te herstellen noch op te bouwen, zond hij toch Adel
+naar de burgt te Texland, opdat hij hoe eer hoe beter bekend worden
+mocht met alles wat tot onze wetten, taal en zeden behoort. Toen Adel
+twintig jaren telde, liet Friso hem naar zijn eigen school komen, en
+toen hij daar volleerd was, liet hij hem door alle staten reizen. Adel
+was een beminnenswaardige jongman; op zijne reizen heeft hij vele
+vrienden gewonnen, daardoor is het gekomen, dat het volk hem Atharik
+(vriendenrijk) genoemd heeft, iets dat hem naderhand zoo wel te pas
+is gekomen, want toen zijn vader gestorven was, bleef hij in zijne
+plaats, zonder dat er over het kiezen van een anderen Graaf sprake
+kwam. Terwijl Adel te Texland in de leer was, bevond zich aldaar tevens
+eene heel lieve maagd op de burgt. Zij kwam uit de Saksenmarken weg,
+uit de staat die genoemd is Suobaland, daarom werd zij te Texland
+Suobene genoemd, ofschoon haar naam Ifkja was. Adel had haar lief
+gekregen, en zij had Adel lief; maar zijn vader verzocht hem, dat
+hij nog wat wachten zoude. Adel was gehoorzaam, maar zoodra zijn
+vader gestorven was en hij gezeten, zond hij terstond boden naar
+Berthold haren vader (met verzoek) of hij zijne dochter tot vrouw
+mogt hebben. Berthold was een vorst van onverbasterde zeden, hij
+had Ifkja naar Texland in de leer gezonden in de hoop, dat zij eens
+tot burgtmaagd zoude gekozen worden in zijn land. Doch hij had hun
+beider begeerte leeren kennen, daarom ging hij heen en gaf hun zijnen
+zegen. Ifkja was eene flinke Friesin. Voor zoo verre ik haar heb leeren
+kennen, heeft zij steeds gewerkt en gewroet, opdat Fryaskinderen weder
+mochten komen onder dezelfde wet en onder eenen bond. Om de menschen
+op hare zijde te krijgen, was zij met haren echtgenoot van haren vader
+door alle Saksenmarken gereisd en voorts naar Geertmannia. Geertmannia,
+zoo hadden de Geertmannen hunne staat geheeten, die zij door Gosas
+bemoeijing gekregen hadden. Daarop gingen zij naar de Denemarken. Van
+de Denemarken gingen zij te scheep naar Texland. Van Texland gingen
+zij naar Westflyland en zoo langs de zee naar Walhallagara. Van
+Walhallagara vertrokken zij langs den Zuiderrijn (de Waal), totdat zij
+met groote vrees boven den Rijn bij de Marsaten kwamen, waarvan onze
+Apollonia geschreven heeft. Toen zij hier eene wijle geweest waren,
+gingen zij weer naar de laagte. Als zij nu een tijdlang naar de laagte
+afgevaren waren, totdat zij in de streek van de oude burgt Aken kwamen,
+zijn er onverhoeds vier knechten vermoord en naakt uitgekleed. Zij
+waren een weinig achteraan gekomen. Mijn broeder, die overal bij was,
+had hun vaak verboden, doch zij hadden niet geluisterd. De moordenaars
+die dat gedaan hadden, waren Twisklanders, die heden ten dage stoutweg
+over den Rijn komen te moorden en te rooven. De Twisklanders, dat
+zijn gebannen en weggeloopen Fryaskinderen, maar hunne vrouwen hebben
+zij van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een bruin Findasvolk,
+aldus genoemd, omdat zij alle volken ten strijde uittarten. Zij zijn
+allen ruiters en roovers. Daar van daan zijn de Twisklanders evenzoo
+bloeddorstig geworden. De Twisklanders, welke die boosheid bedreven
+hadden, noemden zich zelven Frijen of Franken. Er waren, zeide mijn
+broeder, roode, bruine en witte onder. Die, welke rood of bruin waren,
+beten hun haar met kalkwater wit. Naardien echter hunne aangezichten
+bruin bleven, werden zij des te leelijker daardoor. Even als Apollonia
+beschouwden zij naderhand Lydasburgt en het Alderga. Daarna trokken
+zij over Staverens oorden bij hunne lieden rond. Zij hadden zich
+zoo beminnelijk aangesteld, dat de menschen hen allerwege houden
+wilden. Drie maanden later zond Adel boden naar alle vrienden die hij
+gewonnen had en liet hun verzoeken, dat zij in de Minnemaand wijze
+lieden tot hem zouden zenden,†
+
+zijne vrouw, zeide hij, die maagd geweest was te Texland had daarvan
+een afschrift gekregen. Te Texland, worden nog vele geschriften
+gevonden, die niet in het boek der Adelingen overgeschreven zijn. Van
+deze schriften had Gosa een bij haar uiterste wil gelegd, 't welk
+door de oudste maagd Albetha openbaar gemaakt moest worden, zoodra
+Friso gestorven was.
+
+
+
+
+
+HIER IS DIT GESCHRIFT MET GOSAS RAAD.
+
+
+Toen Wralda kinderen gaf aan de moeders van het menschelijk geslacht,
+toen legde hij ééne taal in aller tongen en op aller lippen. Dit
+geschenk had Wralda aan de menschen gegeven, opdat zij elkander
+daarmede mochten kenbaar maken, wat men vermijden moet en wat men
+najagen moet om zaligheid te vinden en zaligheid te houden in alle
+eeuwigheid. Wralda is wijs en goed en alles voorziende. Naardien hij nu
+wist, dat geluk en zaligheid van de aarde moet vlieden, als de boosheid
+de deugd bedriegen kan, zoo heeft hij aan de taal eene regtvaardige
+eigenschap verbonden. Deze eigenschap is hierin gelegen, dat men
+daarmede geen leugen zeggen, noch bedriegelijke woorden spreken kan
+zonder stamelen, noch zonder blozen, waardoor men de boozen van harte
+terstond onderkennen kan. Naardien dus onze taal tot geluk en zaligheid
+den weg baant, en dus mede waakt tegen de booze neigingen, daarom
+is zij met alle recht godestaal (de taal des goeds) genoemd, en alle
+degene, die haar in eere houden, hebben daar eere van. Doch wat is er
+gebeurd. Zoodra er onder onze halfzusteren en halfbroederen bedriegers
+opkwamen, die zich zelf voor dienaren des goeds uitgaven, is dat weldra
+anders geworden. De bedriegelijke priesters en de boosaardige vorsten,
+die altijd te zamen heulden, wilden naar willekeur leven en buiten de
+wetten des goeds handelen. In hunne ondeugendheid zijn zij heen gegaan
+en hebben andere talen verzonnen, opdat zij heimelijk konden spreken in
+tegenwoordigheid van ieder ander over alle booze dingen en over alle
+onwaardige zaken, zonder dat stamelen hen zoude verraden, noch blozen
+hun gelaat ontsieren. Maar wat is daaruit geboren? Even gemakkelijk
+als het zaad van goede kruiden van onder den grond weg ontkiemt, dat
+in 't openbaar gezaaid is door goede menschen bij lichten dag, even
+gemakkelijk brengt de tijd de schadelijke kruiden aan het licht, die
+gezaaid zijn door booze menschen in het verborgene en bij duisternis.
+
+De wulpsche meisjes en verwijfde knapen, die met de onzedelijke
+priesters en vorsten boeleerden, ontlokten die nieuwe talen aan
+hunne boelen, derwijze zijn zij verspreid onder de volken, tot dat
+zij godestaal glad vergeten hebben. Wilt gij nu weten, wat daarvan
+geworden is? Nu het stamelen en de gelaatskleur hunne booze driften
+niet meer verrieden, is de deugd van uit haar midden geweken,
+de wijsheid is gevolgd en de vrijheid is medegegaan; de eendracht
+is te zoek geraakt, en tweespalt heeft hare plaats ingenomen; de
+liefde is gevlucht, en de ontucht zit met nijd aan tafel; en waar
+vroeger rechtvaardigheid heerschte, heerscht nu het zwaard. Allen
+zijn slaven, de lieden van hunne heeren van nijd, booze lusten en
+begeerlijkheid. Hadden zij nu maar ééne taal uitgevonden, mogelijk
+was het dan nog eene wijle goed gegaan. Maar zij hebben zoo vele talen
+uitgevonden als er staten zijn. Daardoor kan het eene volk het andere
+volk even min verstaan als de koe den hond of de wolf het schaap. Dit
+kunnen de zeelieden betuigen. Doch daar van daan is het nu gekomen,
+dat alle slavenvolken elkander als andere menschen beschouwen, en dat
+zij tot straf van hunne onbezonnenheid en vermetelheid elkander zoo
+lang moeten beoorlogen en bestrijden tot dat zij alle verdelgd zijn.
+
+
+
+
+
+HIER IS NU MIJN RAAD.
+
+
+Zijt gij alzoo begeerig, dat gij de aarde alleen wilt beërven, zoo
+behoort gij nimmer meer eene andere taal over uwe lippen te laten komen
+als godestaal, en dan behoort gij te zorgen, dat uw eigen taal vrij
+blijft van uitheemsche klanken. Wilt gij nu dat er sommige van Lydas
+kinderen en van Findas kinderen blijven, dan doet gij even zoo. De
+taal der Oost Schoonlanders is door de vuile Magyaren verdraaid; de
+taal der Keltana volgers is door de smerige Golen verdorven. Nu zijn
+wij zoo mild geweest om de terugkeerende Hellenia volgers weder in
+ons midden te nemen, maar ik schroom en ben zeer bezorgd, dat zij onze
+mildheid zullen vergelden met verontreiniging van onze zuivere taal.
+
+Veel hebben wij wedervaren, maar van alle burgten die door de booze
+tijd verstoord en verdelgd zijn, heeft Irtha Fryasburgt onverlet
+behouden; ook mag ik daar bij vermelden dat Fryas of Gods taal hier
+even ongeschonden behouden is.
+
+Hier op Texland moest men dus scholen stichten; van alle staten, die
+het met de oude zeden houden, moest het jong volk hier heen gezonden
+worden; daarna mochten zij die volleerd waren, de anderen helpen die
+te huis verbeiden. Willen de andere volken ijzerwaren van u koopen
+en daarover met u spreken en dingen, dan moeten zij tot godestaal
+terugkeeren. Leeren zij Godstaal, dan zullen de woorden vrij zijn en
+recht hebben tot hen inkomen, in hun brein zal het dan beginnen te
+glimmen en te gloren tot dat alles tot eene vlam wordt. Deze vlam
+zal alle slechte vorsten verteeren en alle schijnvrome en smerige
+priesters.
+
+De inlandsche en uitlandsche zendboden hadden genoegen van dat
+geschrift, doch er kwamen geene scholen. Toen stichtte Adel zelf
+scholen, na hem deden de andere vorsten hetzelfde. Jaarlijks gingen
+Adel en Ifkja de scholen in oogenschouw nemen. Bevonden zij dan onder
+de inlanders of buitenlanders zoodanige, die elkander vriendschap
+toedroegen, dan lieten zij beide groote blijdschap blijken. Hadden
+sommige zoodanige elkander vriendschap gezworen, dan lieten zij
+alle menschen bij elkander komen, en met groote staatsie lieten
+zij dan hunne namen in een boek schrijven, door hun het boek der
+vriendschap genoemd: daarna werd feest gevierd. Al deze gebruiken
+werden onderhouden om de afzonderlijke takken van Fryas stam weder
+te zamen te snoeren. Doch de maagden die op Adel en Ifkja afgunstig
+waren zeiden, dat zij het nergens anders om deden, dan om een goeden
+roep en om allengs te heerschen over een anders staat.
+
+Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door
+Luidgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen
+aangaan, geef ik hier het andere ten beste.
+
+Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is
+eene rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd,
+omdat vier andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel
+verre oostwaarts is nog eene groote rivier, de heilige of vrome
+Ganges geheeten. Tusschen deze beide rivieren is het land der
+Hindos. De beide rivieren loopen van de hooge bergen naar de laagte
+neer. Die bergen, waar zij van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij
+tot den hemel reiken (laia), daarom wordt het gebergte Himmellaia
+gebergte genoemd. Onder de Hindos en andere uit die landen zijn er
+sommige lieden die in stilte bij elkander komen. Zij gelooven dat
+zij onverbasterde kinderen van Finda zijn. Zij gelooven dat Finda
+van uit het Himmellaia gebergte geboren is, van waar zij met hare
+kinderen naar de delte of de laagte getrokken is. Sommigen onder hen
+gelooven, dat zij met hare kinderen op het schuim van de heilige Ganges
+naar beneden gegaan is. Daarom zoude die rivier de heilige Ganges
+heeten. Maar de priesters die uit een ander land weg komen lieten
+die menschen opsporen en verbranden; daarom durven zij voor hunne
+zaak niet openlijk uitkomen. In dit land zijn alle priesters dik en
+rijk. In hunne kerken worden allerlei gedrochtelijke beelden gevonden,
+daaronder zijn vele van goud. Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers)
+of wrangen (Drangianen), de Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen,
+en de Urgetten          of vergetenen. Al deze namen zijn hun door de
+nijdige priesters gegeven, omdat zij hen ontvlieden wegens de zeden
+en het geloof. Bij hunne komst hadden onze voorouders zich ook aan
+den oostelijken oever van den Pangab neergezet, maar om der priesteren
+wille zijn zij ook naar den westelijken oever gevaren. Daardoor hebben
+wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren zijn geen wilden,
+maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch aanbidden: ook
+willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even als wij het
+heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege vuur
+in hunne huizen brandende. Komt men later heel westelijk, zoo komt
+men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken
+verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn
+wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de
+velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten
+verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder
+houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de
+Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden
+en wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat
+daar bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze
+hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten
+worden: maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindos zijn
+even bloode en vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de
+wolven zijn. Daarom hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd,
+dat hinden beteekent. Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk
+misbruik gemaakt. Komen er uitheemsche kooplieden om koren te koopen,
+dan wordt alles te gelde gemaakt, en door de priesters wordt het niet
+geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te
+zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels
+komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten
+lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte
+lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die
+soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte
+en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren
+zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende
+dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte
+van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar
+de kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen
+bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die
+ze willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven,
+want tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de
+menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar
+allerlei soort van hagedissen, schildpadden en krokodillen; al deze
+disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot;
+naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle
+niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators omdat zij
+even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven
+naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen
+overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen,
+en waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en
+granen als aan de oostzyde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende
+dieren gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen
+verbrand, en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er
+slechts weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab,
+dan vindt men nevens vetten kleigrond ook dorre geestlanden, die
+eindeloos schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken,
+waaraan het oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn
+er vele, die ik hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er
+ook goudgeel; ook goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als
+honing, en andere zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden
+zoo groot als kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze
+oud dan maakt men er olie van; van de bast maakt men touw, en van de
+kernen maakt men kelken en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik
+kruip- en steekbessen gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als
+uwe lindeboomen, waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter
+zijn als uwe doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn
+en de zon uit het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw
+hoofd neder. Is men dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren,
+en men des middags met zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo
+schijnt de zon tegen uwe linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe
+rechterzijde doet. Hiermede wil ik eindigen, maar na mijn schrijven
+zal het u licht genoeg vallen, om de leugenachtige verhalen te kunnen
+schiften van de ware berichten. Uw Liudgert.
+
+
+
+
+
+HET GESCHRIFT VAN BEEDEN.
+
+
+Mijn naam is Beeden, zoon van Hachgane. Konereed mijn oom is nooit
+getrouwd geweest en alzoo kinderloos gestorven. Mij heeft men in zijne
+plaats gekozen. Adel, de derde koning van dezen naam, heeft die keuze
+goedgekeurd, mits ik hem als mijn meester erkennen wilde. Behalve
+het volle erf van mijn oom, heeft hij mij eene plek gronds gegeven,
+die aan mijn erf paalde, onder voorwaarde, dat ik daarop menschen
+zoude stellen, die zijne lieden nimmer zouden ...
+
+daarom wil ik dit hier eene plaats vergunnen.
+
+
+
+
+
+BRIEF VAN RIKA DE OUDMAAGD, VOORGELEZEN TE STAVEREN BIJ HET JUULFEEST.
+
+
+Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis
+tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar
+wil ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek
+wijzen, dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet,
+hoe Wralda duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat
+hij Alvoeder wordt genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt
+en wast tot voeding van zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha
+bijwijlen ook Alvoedster genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en
+granen baart, waarmede mensen en dier zich voeden. Doch zij zoude
+geene vruchten en granen baren, bijaldien Wralda haar geene krachten
+gaf. Ook vrouwen, die hare kinderen zogen aan hare borsten, worden
+voedsters genoemd. Doch gaf Wralda daar geene melk in, zoo zouden
+de kinderen daar geen baat bij vinden. Zoodat bij slot van rekening
+Wralda alleen de voeder blijft. Dat Irtha bijwijlen Alvoedster
+geheeten wordt, en eene mem (moeder) voedster, kan nog door eene
+wending (overdrachtelijke spreekwijze): maar dat een taat (vader)
+zich voeder laat noemen, omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden.
+
+Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt
+van onze vijanden (lëtha) en wanneer die gevolgd worden, zoo zult
+gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen
+hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is,
+daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur
+leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet
+wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen
+dat een koning niet over den wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding
+door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne
+vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij
+in het eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben
+het volk eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam,
+huurden zij buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven
+legden. Vervolgens namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en
+de kleine vorsten en heeren deden eveneens. Toen naderhand twist
+en tweespalt in de huishouding sloop, en daarover klachten kwamen,
+hebben zij gezegd: ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin,
+daarom zal hij ook meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de
+willekeur, en even als die met de mannen over het huisgezin heerschte,
+ging zij ook met de koningen over de volken doen. Toen de koningen het
+zoo ver gebracht hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij
+heen en lieten beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten
+zij in de kerken stellen naast de beelden der afgoden, en degene die
+daar niet voor buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe
+voorvaderen en de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan,
+daarvan hebben zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige
+uwer mannen zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik
+mij over vele uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden,
+die zich met Wralda op eene lijn willen stellen, er worden bij u ook
+wijven gevonden, die dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen
+gebaard hebben, laten zij zich moeder noemen. Doch zij vergeten, dat
+Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet alleen hebben
+zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen berooven,
+met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen het even
+zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich vrouwe
+laten noemen, ofschoon zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen
+van vorsten toebehoort. Ook laten zij hare dochters maagden noemen,
+ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag, tenzij
+zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat naam
+stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aankleeft, en
+dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal
+de tijd daar wasdom aan geven, zoo sterk, dat men er het eind niet
+van kan zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden;
+zij zullen niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar
+ofschoon gij de maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat,
+toch zullen er blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij
+zullen uwe nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig
+aan zijt. Dan zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit
+hunne graven oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare
+maagden aanroepen, doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren,
+bevorens het Juul een anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst
+gebeuren als drie duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw.
+
+
+ Einde van Rikas brief.
+
+
+
+
+
+daarom wil ik eerst over zwarte Adel schrijven. Zwarte Adel was de
+vierde koning na Friso. In zijne jeugd heeft hij op Texland geleerd,
+naderhand heeft hij te Staveren geleerd, en vervolgens heeft hij door
+alle staten gereisd. Toen hij vier en twintig jaar oud was, heeft zijn
+vader gemaakt dat hij tot Asega Asker gekozen is. Toen hij eenmaal
+Asker was, eischte hij altijd in het voordeel van de armen. De rijken,
+zeide hij, plegen genoeg ongerechte dingen door middel van hun geld,
+daarom behooren wij te zorgen, dat de armen naar ons omzien. Door
+deze en andere redeneringen, was hij de vriend der armen en de schrik
+der rijken. Het is zoo erg gekomen, dat zijn vader hem naar de oogen
+zag. Toen zijn vader gestorven was, heeft hij diens zetel beklommen,
+toen wilde hij even goed zijn ambt behouden gelijk de koningen van
+het oosten plegen te doen. De rijken wilden dat niet dulden, maar
+nu liep al het andere volk te hoop, en de rijken waren blijde dat
+zij heelhuids van de vergadering afkwamen. Van toen aan hoorde men
+nimmer meer over gelijkheid van recht praten. Hij veroordeelde de
+rijken en hij vleide de armen, met wier hulp hij alle zaken eischte,
+daar hij bestek op had. Koning Askar, gelijk hij altijd genoemd werd,
+was bij de zeven aardvoet lang, en zoo groot zijne gestalte was,
+waren ook zijne krachten. Hij had een helder verstand, zoodat hij
+alles verstond, waarover gesproken werd, doch in zijn doen kon men
+geene wijsheid bespeuren. Bij een schoon gelaat had hij eene gladde
+tong, maar nog zwarter als zijn haar is zijne ziel bevonden. Toen
+hij een jaar koning was, noodzaakte hij alle jongelingen uit zijn
+staat, om jaarlijks in het kamp te komen en daar een schijnoorlog te
+maken. In het eerst had hij daar moeite mede, maar ten laatste werd
+het zoo manierlijk, dat oud en jong uit alle oorden weg kwamen, om te
+vragen, of zij mochten mede doen. Toen hij het zoo ver gebracht had
+liet hij krijgscholen stichten. De rijken kwamen te klagen en zeiden,
+dat hunne kinderen geen lezen of schrijven meer leerden. Askar sloeg
+er geen acht op, maar toen er kort daarop weer schijnoorlog gehouden
+werd, ging hij op een gestoelte staan en sprak luidde. De rijken zijn
+tot mij gekomen te klagen, dat hunne knapen geen lezen of schrijven
+genoeg leeren; ik heb daar niets op gezegd; doch hier wil ik mijne
+meening zeggen, en de algemeene vergadering laten beslissen. Toen
+elk nu nieuwsgierig tot hem op zag zeide hij verder: Naar mijn begrip
+moet men tegenwoordig het lezen en schrijven aan de maagden en wijze
+lieden overlaten. Ik wil geen kwaad spreken van onze voorvaderen,
+ik wil alleen zeggen, in die tijden, waarop door sommigen zoo hoog
+geroemd wordt, hebben de Burgtmaagden tweespalt over onze landen
+gebracht en de Moeders voor en na konden de tweespalt niet weder
+uit het land drijven. Nog erger, terwijl zij praatten en keuvelden
+over noodelooze gewoonten, zijn de Golen gekomen en hebben al
+onze schoone zuiderlanden geroofd. Heden ten dage zijn zij met onze
+verbasterde broeders en hunne soldaten reeds over de Schelde gekomen,
+er schiet ons dus over te kiezen tusschen het dragen van een juk of
+een zwaard. Willen wij vrij zijn en vrij blijven, zoo behooren de
+jongelieden het lezen en schrijven voorhands achterwege te laten,
+en in stede dat zij op hun gezelschappen wip en zwik spelen, moeten
+zij met zwaard en speer spelen. Zijn wij in allen deele geoefend,
+en de knapen groot genoeg om helm en schild te dragen en de wapenen
+te hanteeren, dan zal ik mij met uwe hulp op de vijanden werpen. De
+Golen mogen dan de nederlagen van hunne helpers en soldaten op onze
+velden schrijven met het bloed dat uit hunne wonden druipt. Hebben
+wij den vijand eenmaal voor ons uitgedreven, zoo moeten wij daarmede
+voortgaan, tot dat er geen Golen, noch Slaven, noch Tartaren meer
+van Fryas erf te verdrijven zijn.--Dat is recht, riepen de meesten,
+en de rijken durfden hunne monden niet open doen. Deze toespraak had
+hij zeker te voren bedacht en laten overschrijven, want des avonds van
+dien zelfden dag waren de afschriften daarvan in wel twintig handen;
+en die alle waren eensluidend. Naderhand beval hij de scheepslieden,
+zij moesten dubbele voorstevens maken, waaraan men eene stalen
+kraanboog kon bevestigen. Die hierin achterwege bleef werd beboet;
+kon iemand zweeren, dat hij geene middelen bezat, dan moesten de
+rijken van het dorp het betalen. Nu zal men zien, waarop al dat boha
+uitgeloopen is. Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge
+bergen is, daar zit een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas
+bloed gesproten; voor het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers,
+voor het ander gedeelte uit Britten en vluchtelingen, die allengs met
+der tijd uit de tinlanden derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden
+kwamen, hebben al te gader buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch
+ras. Zij zijn alle onder de heerschappij der Golen, hunne wapenen
+zijn houten bogen en sprieten met punten van hertshoornen, of ook van
+flinten. Hunne huizen zijn van zoden en stroo, en sommigen wonen in
+de holen der bergen. Schapen, die zij geroofd hebben, is hun eenige
+schat. Onder de afstammelingen van de Keltanavolgers hebben sommigen
+nog ijzeren wapenen, die zij van hunne voorvaderen geërfd hebben. Om nu
+goed verstaan te worden, moet ik mijn verhaal over het Schotsche volk
+laten rusten, en iets van de heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De
+heinde Krekalanden hebben te voren ons alleen toebehoord, maar sedert
+onheugelijke tijden hebben zich daar ook nakomelingen van Lyda en
+Finda nedergezet, van deze laatsten kwamen eindelijk een heele hoop
+van Troje. Troja alzoo heeft eene stad geheeten, die het volk van de
+verre Krekalanden (Griekenland) heeft ingenomen en verwoest. Toen de
+Trojanen in de heinde Krekalanden genesteld waren, toen hebben zij
+daar met tijd en vlijt eene sterke stad met wallen en burgten gebouwd,
+Rome, dat is Ruim, geheeten. Toen dat gedaan was, heeft het volk
+zich door list en geweld van het geheele land meester gemaakt. Het
+volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche zee huist, is voor
+het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De Phoeniciers (Puniers)
+zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed en van Findas bloed
+en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als slaven, maar door
+de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al het andere
+volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome kampen
+gestadig om het meesterschap van de Middellandsche Zee. Voorts leven
+die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne priesteren,
+die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen de Golen
+niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia afgenomen,
+daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts
+liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij
+de Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn
+duizende Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar
+de opperste der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak,
+dat is hoek, van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was
+daar al hun goud te zamen gebracht. Keeren herne (uitverkoren hoek) of
+Kerenak is eene steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden
+de Maagden van de nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder
+hebben. Alzoo was door de vijandschap der Maagden en der Golen veete
+en twist over het Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden
+kwamen daar dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden
+en linnen. Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de
+Maagden en met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden,
+om de Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam,
+gaf hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen
+bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen
+bloed bij de hellingen der bergen neder. Toen Askar meende, dat de kans
+hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen, en nam Kerenak en den
+opperste der Golen met al zijn goud. Het volk waarmede hij tegen de
+soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de Saksenmarken gelokt
+met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus werd den Golen niets
+gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot bergplaats voor zijne
+schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle Phoenicische schepen
+en steden te berooven, die hij beloopen konde. Toen hij terug kwam
+bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van het Schotsche
+bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven waren, opdat
+hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden blijven;
+doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn hof,
+waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren van
+allerlei wapenen. De Dennemarkers, die zich sinds lang boven alle
+andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra
+niet van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop
+afgunstig, dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over
+zijne landen. Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen
+de bouwvallen van de verwoeste burgt Stavia was nog een schrandere
+Burgtmaagd met eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er
+ging een groote roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar
+hare hulp aan, onder beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude
+laten opbouwen. Toen hij zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met
+drie Maagden naar Hals; 's nachts ging zij reizen, en bij dag sprak
+zij op alle markten en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij,
+had haar door donder laten toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden
+moest worden, als zusters en broeders vereenigd; anders zoude Findas
+volk komen en hen alle van de aarde verdelgen. Na dien donder waren
+Fryas zeven waakmaagden haar in den droom verschenen, zeven nachten
+achtereen; zij hadden gezegd: boven Fryas landen zwabbert ramp met juk
+en ketenen. Daarom moeten alle volken, die uit Fryas bloed gesproten
+zijn, hunne toenamen wegwerpen en zich alleen Fryaskinderen of Fryas
+volk noemen. Voorts moeten allen opstaan en Findas volk van Fryas
+erf verdrijven. Willen ze dat niet doen, zoo zullen zij slavenbanden
+om hunne halzen krijgen; zoo zullen de buitenlandsche heeren hunne
+kinderen misbruiken en laten geesselen, totdat het bloed zijgt in uwe
+graven. Dan zullen de schimmen uwer voorvaderen u komen wekken en u
+bekijven over uwe lafheid en onbezonnenheid. Het domme volk, dat door
+toedoen der Magyaren reeds aan zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde
+alles wat zij zeide, en de moeders klemden hare kinderen tegen hare
+borsten aan. Toen Reintja den koning van Hals en alle andere menschen
+tot eendracht had overgehaald, zond zij boden naar Askar en toog zelve
+langs de Baltische zee; van daar ging zij bij de Lithauers, alzoo
+genoemd omdat zij hunne vijanden altijd naar het aangezicht houwen. De
+Lithauwers zijn voortvluchtigen en verbannenen van ons eigen volk, dat
+in de Twisklanden zit en omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle
+van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht,
+en aldus door de Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede
+willen, maar de menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging
+zij achter de Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen,
+om allerwege dat zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren,
+kwam zij langs den Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich
+zelve voor Moeder uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije
+en franke menschen terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn
+gaan, en de Gola volgers uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat
+deden, dan zoude haar koning Askar over de Schelde gaan en daar het
+land afwinnen. Bij de Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de
+Tartaren en Magyaren binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze
+zeden gebleven. Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen
+onderwijzen en de ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja
+vijandig, maar ten laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en
+allerwege geprezen, waar het nuttig en noodig was. Zoodra Askar van
+Reintjas boden vernam, hoe de Jutten gezind waren, zond hij terstond
+boden van zijnentwege naar den koning van Hals. Het schip, waarmede de
+boden gingen, was vol geladen met vrouwen sieraden, en daarbij was een
+gouden schild, waarop Askars gedaante kunstig was afgebeeld. Deze boden
+moesten vragen of Askar des konings dochter Frethogunsta tot zijne
+vrouw mocht hebben. Frethogunsta kwam een jaar later te Staveren;
+bij haar gevolg was ook een Magy, want de Jutten waren sedert lang
+verdorven. Kort nadat Askar met Frethogunsta getrouwd was, werd er te
+Staveren eene kerk gebouwd; in de kerk werden booze gedrochtelijke
+beelden gesteld, met goud doorwevene kleederen. Ook is er beweerd
+dat Askar bij nacht en bij ontijde met Frethogunsta zich daar voor
+nederboog. Maar zooveel is zeker, de burgt Stavia werd niet weder
+opgebouwd.
+
+Reintja was reeds teruggekomen, en ging nijdig naar Prontlik de Moeder
+te Texland zich beklagen. Prontlik ging heen en zond allerwege boden,
+die verkondigden: Askar is overgeven aan afgoderij. Askar deed alsof
+hij het niet merkte, maar onverwacht kwam er een vloot uit Hals. Des
+nachts werden de Maagden uit de burgt gedreven, en des ochtens konde
+men van de burgt slechts eene gloeijende puinhoop zien. Prontlik en
+Reintja kwamen bij mij om eene schuilplaats; toen ik daar later over
+nadacht, scheen het mij toe dat het kwaad voor mijne staat bedijen
+konde. Daarom hebben wij te zamen eene list verzonnen, die ons
+allen moest baten. Zie hier hoe wij te werk gegaan zijn. Midden in
+het Krijlwoud beoosten Liudwerd ligt onze vlied of weerburg, die men
+alleen langs doolpaden kan genaken. Op deze burgt had ik sints langen
+tijd jonge wachters gesteld, die alle een afschuw van Askar hadden en
+alle andere menschen daar vandaan hielden. Nu was het bij ons al zoo
+ver gekomen, dat vele vrouwen en ook mannen al praatten over spoken,
+witte wijven en kabouter mannekes even als de Denemarkers. Askar had al
+deze dwaasheden tot zijn voordeel aangewend, en dat wilden wij nu ook
+tot ons voordeel doen. Bij eene duistere nacht bragt ik de Maagden naar
+de burgt en daarna gingen zij met hare dienaressen langs de doolpaden
+spoken in witte kleederen gehuld, zoo dat er naderhand geen mensch
+meer durfde komen. Toen Askar meende dat hij de handen ruim had,
+liet hij de Magjaren onder allerlei namen door zijne staten reizen
+en behalve mijne staat werden zij nergens geweerd. Nadat Askar alzoo
+met de Jutten en de andere Denemarkers was verbonden gingen zij alle
+te zamen rooven; doch dat heeft geene goede vruchten gebaard. Zij
+brachten allerhande buitenlandsche schatten te huis. Maar juist
+daardoor wilden de jonge mannen geen ambacht leeren, noch op het
+veld arbeiden; zoodat hij ten laatste wel slaven nemen moest. Maar
+dat was geheel tegen Wraldas wil en tegen Fryas raad. Daarom konde de
+straf niet achterwege blijven. Zie hier hoe de straf gekomen is. Eens
+hadden zij te zamen eene geheele vloot gewonnen, deze kwam uit de
+Middellandsche zee. Deze vloot was geladen met purperen kleederen
+en andere kostbaarheden, die uit Phoenicie kwamen. Het zwakke volk
+der vloot werd bezuiden de Seine aan wal gezet, maar het sterke volk
+werd gehouden. Dat moest hun als slaven dienen. De schoonsten werden
+gehouden om op het land te blijven, en de leelijkste en zwartste werden
+aan boord gehouden om op de banken te roeijen. In het Fly werd de
+boedel gedeeld, maar zonder hun weten werd ook de straf gedeeld. Van
+de menschen, die op de buitenlandsche schepen gesteld waren, werden
+zes door buikpijn gedood. Men dacht dat het eten en drinken vergiftigd
+waren, daarom werd alles over boord gegooid. Doch de buikpijn bleef
+en allerwege, waar slaven of goederen kwamen, kwam ook de buikpijn
+binnen. De Saksmannen brachten ze over hunne marken; met de Jutten
+voer zij naar Schoonland en langs de kusten van de Baltische zee;
+met Askar zijne zeelieden voer zij naar Brittannia. Wij en die van
+Grenega lieten geene goederen noch menschen over onze landpalen komen,
+en daarom bleven wij van de buikpijn bevrijd. Hoevele menschen de
+buikpijn heeft weggeraapt, weet ik niet te schrijven, maar Prontlik
+die het naderhand van de andere Maagden hoorde heeft mij gemeld, dat
+Askar duizendmaal meer vrije menschen uit zijne staten geholpen heeft,
+als hij er vuile slaven in bracht. Toen de pest voor goed geweken
+was, kwamen de vrij geworden Twisklanders naar den Rijn, maar Askar
+wilde met de vorsten van dat vuile verbasterde volk niet op eene lijn
+staan. Hij wilde niet dulden dat zij zich Fryas kinderen zouden noemen,
+gelijk Reintja aangeboden had; maar hij vergat daarbij dat hij zelf
+zwart haar had. Onder de Twisklanders waren er twee volken, die zich
+zelve geen Twisklanders noemden. Het eene volk kwam heel ver uit het
+zuidoosten weg, ze noemden zich Allemannen. Dezen naam hadden zij zich
+gegeven, toen zij nog zonder vrouwen in de wouden als bannelingen
+omdwaalden. Later hebben zij van het Slavenvolk vrouwen geroofd,
+evenals de Lithauwers, maar zij hebben hun naam behouden. Het andere
+volk, dat meer in de nabijheid omdwaalde, noemde zich Franken, niet
+omdat zij vrij waren, maar Frank zoo had de eerste koning geheeten,
+die zich zelf met hulp van de ontaarde Maagden tot erflijk koning
+over zijn volk gemaakt had. De volken, die aan hem grensden, noemden
+zich Thioth-his zonen dat is volkszonen, zij waren vrije menschen
+gebleven, naardien zij nimmer een koning, noch vorst, noch meester
+erkennen wilden, als dengene die bij algemeene wil gekozen was op de
+algemeene vergadering. Askar had reeds van Reintja vernomen, dat de
+Twisklander vorsten meest altijd met elkander in vijandschap en veete
+waren. Nu stelde hij hun voor, dat zij één hertog van zijn volk zouden
+kiezen, omdat hij bang was, gelijk hij zeide, dat zij met elkander
+zouden twisten om het meesterschap. Ook zeide hij dat zijne vorsten
+met de Golen konden spreken. Dat zeide hij was ook de meening der
+Moeder. Toen kwamen de vorsten der Twisklanders bij elkander, en na
+driemalen zeven etmalen kozen zij Alrik tot hertog. Alrik was Askars
+neef, hij gaf hem tweehonderd Schotten en honderd van de grootste
+Saksmannen mede tot eene lijfwacht. De vorsten moesten driemaal zeven
+van hunne zonen naar Staveren zenden tot borg van hunne trouw. Tot nu
+toe was alles naar zijn wensch gegaan, maar toen men over den Rijn
+zoude varen, wilde de koning der Franken niet onder Alriks bevelen
+staan. Daardoor liep alles in de war. Askar, die meende, dat alles
+goed ging, landde met zijne schepen aan de overkant der Schelde, maar
+daar was men reeds van zijne komst ingelicht en op zijne hoede. Zij
+moesten even haastig vluchten als zij gekomen waren, en Askar werd
+zelf gevangen genomen. De Golen wisten niet, wien zij gevangen hadden,
+en zoo werd hij naderhand uitgewisseld voor een aanzienlijken Gole,
+dien Askars volk had medegevoerd. Terwijl dit alles gebeurde,
+liepen de Magyaren nog stoutmoediger over de landen onzer naburen
+heen. Bij Egmuda, waar te voren de burgt Forana gestaan had, lieten
+zij eene kerk bouwen nog grooter en rijker als Askar te Staveren gedaan
+had. Naderhand zeiden zij, dat Askar den strijd had verloren tegen de
+Golen, omdat het volk niet wilde gelooven, dat Wodan hen konde helpen,
+en dat zij hem daarom niet wilden aanbidden. Voorts gingen zij heen
+en schaakten jonge kinderen, die zij bij zich hielden en opvoedden in
+de geheimenissen van hunne verfoeijelijke leer. Waren er menschen, die
+
+
+
+
+
+
+
+ADELA.
+
+
+OKKE MIN SVN.
+
+
+Thissa boka mot i mith lif ånd sêle wârja. Se vmbifattath thju skêdnise
+fon vs êle folk âk fon vsa êthlum. Vrlêden jêr håb ik tham ut-er
+flod hred tolik mith thi ånd thinra moder. Tha hja wêron wet wrden;
+thêr thrvch gvngon hja åfternei vrdarva. Vmbe hja navt to vrlysa håb
+ik-ra vp wrlandisk pampyer wrskrêven. Sa hwersa thu se erve, mot hu
+se âk wrskryva. Thin bårn alsa til thju hja nimmerthe wêi navt ne kvma.
+
+Skrêven to Ljuwert. Nêi âtland svnken is [6] thåt thria thûsond
+fjvwer hvndred ånd njugon ånd fjvwertigoste jêr, thåt is nei kersten
+rêknong that tvelfhvndred sex ånd fiftigoste jêr. Hidde tobinomath
+oera Linda.--Wâk.
+
+
+
+Ljawa ervnôma. Vmb vsa ljawa êthlas wille ånd vmb vsa ljawa fridoms
+wille, thusand wâra sâ bidd-ik to jo. Och ljawa ne lêt tha âgon
+ênis pâpekappe tach nimmerthe over thissa skrifta ne wêja. Hja
+sprêkath swêta wirda: men hja tornath vnmårksêm an alles hwat fon
+vs fryas trefth. Vmbe rika prebende to winnande sâ hêlath hja mith
+tha poppa kêninggar. Thissa wêtath that wi hjara grâteste fianda
+send. thrvchdam wi hjara liuda to sprêke thvra vr frijdom, rjucht
+ånd forstne plicht. Thervmbe lêtath hja alles vrdiligja, hwat fon
+vsa êthlum kvmt ånd hwat thêr jeta rest fon vsa alda sêdum. Och ljawa
+ik håv by tham et hove wêst. Wil Wr.alda-t thjelda ånd willath wi vs
+navt sterik ne mâkja hja skilun vs algâdur vrdiligja.
+
+Skrêven to Ljudwerd. Acht hondred ånd thrju jèr nei kersten
+bigrip. Liko tonômath ovira Linda.
+
+
+
+
+
+THET BOK THÊRA ADELA FOLSTAR.
+
+
+Thrittich jêr åftere dêi that thju folksmoder wmbrocht was thrvch
+thêne vreste Mâgy [7] stand et er årg vm to. Alle stâta thêr-er lidsa
+anda ôre syde thêre Wrsara, wêron fon vs ofkêrth ånd vnder-et weld thes
+Magy kêmen, ånd-et stand to frêsane, that er weldig skolde wertha vr-et
+êlle lând. Vmbe thåt vnluk to wêrane hêde mån êne mêna âcht bilidsen,
+hwêr gâdurath wêron âllera månnelik, thêr ann-en gode hrop stande by
+tha fâmna. Tha nêi thât-er mâr vrlâpen wêron as thrjv etmelda, was al
+go-rêd anda tys ånd al-ên sa by hjara kvmste. Thâ to tha lesta frêge
+Adela thåt wird, ånde kêth. J alle wêt-et that ik thrjv jêr burchfâm
+wêsen sy. Ak wêt j that ik kêren sy to moder, ånd âk, that ik nên moder
+nêsa [8] navt nilde [9], thrvchdam ik Apol to min êngâ jêrde. Thach
+hwat j navt nête [10], thåt is, that ik alle bêrtnisa nêigvngen håw,
+êvin as ik en wrentlike folksmoder wêsen wêre. Ik håv al-an fon ånd
+witherfâren to sjande hwåt-er bêrde. Thêr thrvch send my fêlo sêka
+bâr wrden, thêr ôra navt nête. J håweth jester sêith, thåt vsa sibba
+an tha ôra syd thêre Wrsara njvt ånd lâf wêre. Thâ ik mêi sedsa to jv,
+thåt-er Mâgy se nên yne gâ of wnnen heth thrvch thåt weld synra wêpne,
+men blât thrvch årgelestige renka, ånd jeta mâr thrvch thåt gyrich
+sa thêra hyrtogum ånd thêra êthelinga. Frya heth sêit wi ne skoldon
+nên vnfrya ljvd by vs tolêta, thâ hwat håvon hja dên? hja håvon vsa
+fjand nêi folged: hwand an stêd fon hjara fensenum to dêiande, jeftha
+fry to lêtane, håvon hja Fryas rêd minacht ånd se to hjara slâfonum
+mâked. Thrvchdam hja sok dêdon, macht Frya navt longer wâka ovir hjam:
+hja håvon ynes ôtheris frydom binimen, ånd thåt is êrsêke, thåt hja
+hjara åjn vrlêren håwe. Thach thåt ella is jo selva âken. Men ik wil
+sedsa to jo, ho hja nêi grâdum sâ lêg vrsylth send. Thêra finnum hjara
+wiva krêjon bårn. Thissa waxton vppa mith vsa frya bårn. Altomet
+tvildon ånd joldon hja to samne vppa hêm, jeftha hja wêron mith
+ekkorum by thêre hêrd. Thêr hêrdon hja mith lustum nêi tha vrdwâlska
+finna sâgum, thrvchdam hja thjvd ånd nêi wêron. Sâ send hja vntfryast
+vnthônkes thene wald hjarar aldrum. As tha bårn grât wrdon ånd sagon
+thåt tha finna-ra bårn nên wêpne hantêra machte, ånd blât wårka moste,
+thâ krêjon hja anneth wårka en gryns ånd wrdon hårde hâchfârande. Tha
+bâsa ånd hjara storsta svnum krupton by tha lodderiga finna mangêrtum;
+ånd hjara åjne toghatera thrvch thåt vvle fârbild fon-a wêi brocht,
+lêton hjara selva bigorda thrvch tha skênesta finna knâpa, hjara vvle
+aldrum to spot. Tha thêne Magy thåt anda nôs kryg, tha nam-er tha
+skênesta sinar Finna ånd Magyara vrlovende râ ky mith golden horna, sa
+hja ra thrvch vs folk fata dêdon, åfterdam sina lêr vtbrêda. Men sin
+ljuda dêdon mâr: bern wrdon to sok makad, nei vpsalândum wêibrocht,
+ånd sâhwersa hja vpbrocht wêron an sina vvla lêr, thån wrdon hja to
+bek sendon. Thâ tha skinslâvona vsa tâl måchtich wêron, thâ klivadon
+hja tha hêrtoga ånd êthelinga an bord, ånd kêthon, hja moston thene
+Magy hêroch wertha, sa kvndon hjara svnum vpfolgja tham, oni [11]
+thrvch-et folk kêron to wrdane. Thêra thêr vmbe goda dêdum en fârdêl
+to-ra hus kryen hêde-vrlovadon hja fon sinant wêgum jeta-n åfter-dêl
+bij; hoka tham en fâr ånd åfter-dêl kryen hêde sêidon hja en rond-dêl
+to, ånd tham en rond-dêl hêde en êlle stât. Wêron tha êthla to hårde
+fryas, thâ wendon hja tha stêwen ånd hildon vppar vrbastera svnum
+an. Jesterdêi wêron-er mong [12] jo tham allet folk to hâpa hropa
+wilde vmb tha âstlike stâta wither to hjara plyga to tvangande. Thach
+nêi min ynfalda myning skolde thât falikant [13] utkvmma. Thånk ynes
+thêr was wêsen en hårde lvngsyakte among-eth fja, ånd thåt-er thêr
+jeta årg vvde, skolde j-eth thån wel wâgja vmbe jvw hêlena fja to
+fârande among hjara syaka fja? åmmer nâ. Sâhwersa allra månnelik nw
+biâma ånd bijechta mot, thåt-eth thêr mitha stapel årg of kvma skolde,
+hwa skolde thån alsa dryst wêsa vmbe sina bårn to wagande among en folk
+thåt êlle ånd al vrdêren is. Macht ik jo rêd jêva, ik skolde sedsa
+to jo, j moste bifara alle dingum jo en nêie folksmoder kyasa. Ik
+wêt wel thåt j thêrmitha anda brvd sitte, vt hawede thåt-er fon tha
+thredtine burchfâmna than wi jeta ower håve wel achte send thêr nêi
+thêre êra dinge, men thåt skold ik navt ne melda. Tüntja thêr fâm
+is et-er burch Mêdêasblik het er nåmmer nêi tâlth; tach is hja fol
+witskip ånd klarsyan, ånd wel sa hårde vppir folk ånd usa plyga stålth
+as all ôthera etsamne. Forth skold-ik rêda j moste nêi tha burgum gâ,
+ånd thêr vpskrywa alle êwa fryas tex, bijvnka alle skydnisa, jâ ella
+thåt er to finda sy vppa wâgum, til thju ella navt vrlêren ni gâ,
+ånd mitha burgum alsa vrdên navt ne werth. Thêr ståt askriwen: thiu
+moder ånd jahwelik burchfàm skil håva buta helpar ånd senda bodon,
+yn and twintich fâmna ånd sjugon lêrfâmkis. Macht ik thêr hwat to
+dvande, thâ skol-ik skrywa, ånd alsa fêlo êrsêma toghatera vmbe to
+lêrane, sa thêr vppa burgum wêsa müge; hwand ik seg an trowe ånd tid
+skil-eth jechta, sâhwersa j åfta Fryas bårn wille nåmmer to winnande,
+hor thrvch lesta ner thvch wêpne, sa hagath j to nvdande thåt jvwe
+toghatera åfta frya wiva wrde. Bårn mot mån lêre, ho grât vs lând êr
+wêsen sy, hokke grâte månniska vsa ethla wêron, ho grât wi jeta send,
+sa wi vs dål ledsath bij ôra, mån mot tâla hjam fon tha wicharda ånd
+fon hjara wichandlika dêdum, åk wra fâra sêtochta. Al thissa tållinga
+hagath dên to werthande bij thêre hêrd, vppa hêm ånd hwêr et wêsa mêi,
+sâ bij blyskip as bij târum. Men skil-et standfåst kvma an dat bryn
+ånd andåt hirta, thån moton alle lêringa overa wêra jvwera wiva ånd
+toghatera thêr-in strâma. Adelas rêd is vpfolgath.
+
+Thit send tha nâma thêra grêvetmanna, vnder hwam-mis wald thit bok
+awrochten is. Apol, Adelas man, Thria is-er sêkening wêsen, nw is-er
+grêvetman over Ast-flylând ånd ovir-a Linda-wrda. Tha bvrga Ljvdgârda,
+Lindahêm, ånd Stâvja send vnder sin hod.
+
+Ther Saxman Storo, Sytjas man, grêvetman ovir-a hâga fenna ånd
+walda. Njvgun wâra is-er to hêrtoga, thåt is to hyrman, kêren. Tha
+burga Bvda ånd Manna-gârda-forda send vnder sin hod.
+
+Abêlo, Jaltjas man, grêvetman ovir tha Sûdar Flylânda. Fjvwers is-er
+hyrman wêsen. Tha burga Aken, Ljvdburch ånd Kâtsburch send vnder
+sin hod.
+
+Enoch Dywek his man, grêvetman ovir West-flylând ånd Texland. Njvgun
+mel is-er to sêkening kêren. Thiu Wâraburch, Mêdêasblik, Forâna ånd
+ald Fryasburch send vnder sin hod.
+
+Foppa, man fon Dunrôs, grêvetman ovir tha Sjvgon êlânda. Fif mel
+is-er sêkening wêsen. Thju burch Walhallagâra is vnder sin hod.
+
+Thit stand vppa tha wâgum et Fryasburch to Texland askrywen, thåt
+stêt âk to Stâvia ånd to Mêdêas blik.
+
+Thåt was Frya his dêi ånd to thêre stonde was et vrlêden sjvgun wâra
+sjvgun jêr, thåt Fåsta was anståld as folksmoder nêi Fryas jêrta. Thju
+burch Mêdêasblik was rêd ånd en fâm was kêren. Nw skolde Fåsta thju
+nêja foddik vpstêka, ånd thâ thåt dên was an åjnwarda fon thåt folk,
+thâ hrop Frya fon hira wâkståre, sâ thåt allera månnalik thåt hêra
+machte: Fåsta nim thinra stifte ånd writ tha thinga thêr ik êr navt
+sedsa ne machte. Fåsta dêde alsa hja boden wårth. Sâ send wy Fryas
+bårn an vsa forma skêdnise kêmen.
+
+Thåt is vsa forma skêdnise.
+
+Wr.alda [14] tham allêna god ånd êvg is, mâkade t.anfang, dana kêm
+tid, tid wrochte alle thinga âk jrtha. Jrtha bârde alle gârsa, krûdon
+ånd boma, allet djara kwik ånd allet årge kwik. Alhwat god ånd djar
+is, brocht hju by dêgum ånd alhwat kwâd ånd årg is, brocht hju thes
+nachtis forth. Afteret twilifte jol-fêrste bârde hja thrja mangêrta.
+
+Lyda wårth ut glyande,
+
+Finda wårth ut hêta ånd
+
+Frya ut warme stof.
+
+Thâ hja blât kêmon spisde Wr.alda hjam mith sina âdama; til thju tha
+månneska an him skolde bvnden wêsa. Ring as hja rip wêron krêjon hja
+früchda ånd nochta anda drâma Wr.aldas. Od [15] trâd to-ra binna: ånd
+nw bârdon ek twilif svna ånd twilif togathera ek joltid twên. Thêrof
+send alle månneska kêmen.
+
+Lyda was swart, krolhêred alsa tha lômera: lik ståra blonken hjra ôgon;
+ja thes gyrfügels blikkar wêron vnmodich by hjras.
+
+Skårpe Lyda. Annen sanâka kvn hju kruppa hêra, ånd hwersa thêr fiska
+invr wêter wêre n-vntgong thåt hira nostera navt.
+
+Rådbvwde Lyda. En store bâm kvn hju bûgja ånd sahwersa hja run ne
+bråk nêne blomstâl vnder hjara fyt.
+
+Weldige Lyda. Hård was hjra steme ånd krêt hju ut grimme sâ run ek
+flux wêi.
+
+Wonderfvlle Lyda. Fon êwa nilde hju navt nêta: hjra dêda wrdon thrvch
+hjra tochta stjvrat. Vmbe tha têdra to helpâne, dâde hju tha stôra
+ånd hwersa hju-t dên hêde grâjde hju by-t lik.
+
+Arme Lyda. Hju wårth gris fon-t vnwisse bihjelda ånd vpp-it ende
+sturf hja fon hirtsêr vmbe tha bårn-ra kwâd.
+
+Vnwisa bårn. Hja tichtegadon ekkorum, fen måm-ra dâd, hja gråjadon
+lik wolva, fjvchtadon alsa ånd dahwile hja that dêdon êton tha fügelon
+thåt lik. Hwâ mêi sin târa hwither to haldane.
+
+Finda. Was gêl ånd hjr hêr sâ tha mâna êner hors: êne thrê ne kv hja
+navt ni bûgja; men hwêr Lyda annen lavwa macht to dêjande, thêr dâde
+hja wel tjån.
+
+Vrlêdalike Finda. Svet was hjra stemme ånd nannen fügel kvn sjonga
+lik hju. Hjra êgon lokton ånd lordon, men thêrer ansach wårth slâf.
+
+Vnrêdalika Finda. Hju skrêf thûsande êwa, tha hju ne folgde nên er
+fon vp. Hja vrfyade tha goda vmbe hjara frymod, thâ an slikmåmkes
+jêf hju hjr selva hast wêi.
+
+That was hir vnluk. Hjra hâved was to fvl: tha hjr hirte to ydel;
+hju ne minde nimmån sa hja selva ånd hju wilde thåt ek hja lyaf
+håwe skolde.
+
+Falske Finda. Hüning swet wêron hjra wirda, thâ hok tham hja trjvwade
+wêre vnluk nêi by.
+
+Selvsjochta Finda. Ovir ella wilde hju welda, ånd hjra svnum wêron
+lik hju; fon hjara susterum lêton hja ra thjanja ånd ekkorum slogon
+hja vmb-et mâsterskip dâd.
+
+Dubbelhirta Finda. Vmbe skotse wirda wårth hju yre, ånd tha årgste
+dêda ne rorde hja navt. Sach hju en nyndask en spinne vrslynna,
+thån wårth hju omm-et hirte sa ys; men sach hju hjra bårn en fryas
+vrmorde sâ swol hjra bosm fon nocht.
+
+Vnluke Finda. Hju sturf anda blomtid fon hjra lêva, ånd-t is jeta
+tjvester ho hju fallen sy.
+
+Skinhêliga bårn. Vnder kestlike stêna lêidon hja hjra lik dêl, mit
+kwabbjana skriftum smukton hja tham vppa, togrâjande vmbe hêrath to
+wårthande men an stilnise ne wênadon hja nênen ênge târ.
+
+Vrijfalik folk. Thi tex thêr Finda nêi lêt was in golden blêdar wryt:
+thach tha besta hwêr-far i mâkad was, wêr i nåmmer to not. Tha goda
+êwa wrdon utfâgad ånd selfv sjocht wryte thêr kwâda far in.
+
+O Finda. Tha wårth jrtha fvl blod, ånd tha hâveda thêr månneska
+måjadon thin bårn lik gårs hålma of. Ja Finda thåt send tha früchda
+thinera ydlenise. Sjan dål fon thinre wâkstår ånd wên.
+
+Frya. Was wit lik snêi bij-t môrnerâd ånd thåt blâw hjrar ôgnum wn-et
+jeta thêre rêinbôge of.
+
+Skêne Frya. Lik strêlon thêre middêi svnne blikadon hjra hêron,
+thêr sa fin wêron as rach.
+
+Abela Frya. Vntlvkton hjra wêra, thån swêgon tha fügelon ånd ne rordon
+tha blêdar navt mar.
+
+Weldige Frya. Thrvch thêne kråft hjrar blikkar strêk thene lâwa to
+fara hjara fyt dål ånd held thene addur sin gif tobåk.
+
+Rêne Frya. Hjra yta was hüning ånd hjra drank was dâwa, gâdvrad anda
+bôsma thêra blommur.
+
+Lichte Frya. Thåt forma hwat hju hjra bårn lêrde was selv-twang, thåt
+ôthera was lyafte to düged, ånd thâ hja jêroch wrdon, thâ lêrde hju
+hjam thju wêrtha fon tha frijdom kånna: hwand sêide hju svnder frijdom
+send alle ôthera dügedon allêna god vmbe jo to slâvona to mâkjande,
+jvwe ofkvmste to êvge skantha.
+
+Milde Frya. Nåmmer lyt hju mêtal ut jrtha dålva vmb åjnbât, men
+sâhwersa hja-t dêde wêr-et to jahwelikis not.
+
+Lukigoste Frya. Alsa tha ståra om jrtha omswyrmia swirmadon hjara
+bårn om hja.
+
+Wise Frya. Thâ hju hjra bårn vpbrocht hêde alto thêre sjugonde kny,
+thâ hrop hju-ra alle a Flylând to såmne. Thêr jêf se hjam hjra tex,
+ånd sêide, lêt tham jvwe wêiwisar wêsa, thâ ne skil thåt jo nâ navt
+kwalik ni gâ.
+
+Utforkêrena Frya. Thâ hju-t sêid hêde, bêvade jrtha lîk Wr.aldas sê,
+Flylândis bodem svnk an grâda vnder hjara fyt dål. Thju loft wârt swart
+ånd nylof [16] fon târa to stirtane ånd thâ hja nêi moder omsâgon,
+was hju al lang vppira wâkstår. Thâ to tha lesta språk tongar ut-a
+wolka ånd blixen schrêf an thåt loftrvm, wâk.
+
+Farsjanda Frya. Thåt lând fon hwêr hju was vpfaren was nw en strâm ånd
+buta hira tex was thêr in ella bidvlwen hwat fon hjra hôndum kêmen was.
+
+Hêriga bårn. Thâ hja to-ra selva wêron, thâ mâkadon hja thit hâge
+therp, bvwadon thâs burch thêrvppa, anda wågrum thessa wryton hja
+thene tex, ånd vmbe that allera mannalik hja skolde müga finda,
+håvath hja thåt lând rondomme Texlând hêten. Thêrvmbe skil-åt bilywa
+al wenne jrtha jrtha sy.
+
+
+
+
+
+TEX FRYAS.
+
+
+Held bêid tha Frya, to tha lesta skilun hja my hwiter sja. Thach thêra
+allêna mêi ik as fry kånna thêr nên slâf is fon ên ôther ni fon sine
+tochta. Hyr is min rêd.
+
+Sâhwersa thju nêd årg sy ånd gode rêd ånd gode dêd nawet mâr ne
+formüge, hrop thån thi gâst Wr.aldas an, men j ne mot-im navt anhropa
+bifâra alle thinga prvvath send. Tha ik segs to jo mith rêdene ånd
+tid skil-et wâra, tha modelâsa skilun åmmar swika vnder hjar åjn lêd.
+
+2. Wr.aldas gâst mêi mån allêna knibuwgjande thânk to wya, jâ thrju
+wâra far hwat jv fon him noten håve, far hwat jv nith, ånd fara hâpe
+thêr hy jo lêt an ånga tida.
+
+3. J håwed sjan ho ring ik helpe lênde, dva al ên mith jo nêston,
+men ne tof navt til mån jo bêden heth, tha lydande skolde jo floka,
+min fâmna skoldon jvwa nâma utfaga ut-åt bok ånd ik skolde jo lik
+vnbikånnade ofwisa mota.
+
+4. Nim nåmmar knibuwgjande tânk fon jv nêston an, thjus âgath Wr.aldas
+gâst. Nid skolde j bikrjupa, wisdom solde j bilâka ånd min fâmna
+skoldon jo bityga fon fâderrâv.
+
+5. Fjuwer thinga send to jvwe not jêven, mith nâma, loft, wêter, lând
+ånd fjur. Men Wr.alda wil thêr allêna bisittar of wêsa. Thêrvmbe rêd
+ik jo, j skilun jo rjuchtfêrdiga manna kyasa, tham thju arbêd ånd tha
+früchda nêi rjuchta dêla, sâ that nåmman fry fon wârka ni fon wêra sy.
+
+6. Sâhwersa thêr åmman among jo fvnden wårth, thêr sin åjn frydom
+vrsellath, tham-n is navt fon jvw folk: hi is en horning mith basterd
+blod. Ik rêde jo that j him ånd sin måm to thåt lând utdriva, sêgs
+that to jvwa bårn, thes mornes, thes middêis ånd thes êwendes, til
+thju hja thêrof drâme thes nachtis.
+
+7. Allera månnalik thêr en ôther fon sine frydom birâwath, al wêre
+thêne ôre him skeldech, mot ik anda bårntâm êner slâfinne fâra
+lêta. Thach ik rêde jo vmbe sin lik ånd that sinera måm vpp êne kåle
+stêd to vrbarnande, åfternêi hjara aske fiftich fyt anda grvnd to
+dålvane, til hju thêr nênen gårshålm vp waxa ni mêi, hwand aldulkera
+gårs skolde jvw diaroste kvik dêja.
+
+8. Ne grip nâ thåt folk fon Lyda ner fon Finda an. Wr.alda skolde
+helpa hjam, sa that-åt weld that fon jo utgong vppa jvwa åjne hâveda
+skolde witherkvma.
+
+9. Sâhwersa thåt machte bêra that hja fon juwe rêd jefta awet owers
+wilde, alsa aghat j to helpane hjam. Men kvmath hja to râwande;
+fal than vppa tham nither lik blixenande fjvr.
+
+10. Sâhwersa annen fon hjam êner jvwer toghaterum to wif gêrth ånd
+hju that wil, thån skolun j hja hjra dvmhêd bitjvtha; thach wil hju
+toch hjra frêjar folgja, that hja than mith frêtho gâ.
+
+11. Willath jvw svna fon hjara toghaterum, sâ mot j alsa dva as mith
+jvwa toghaterum. Thach hor tha êna nor tha ôthera mêi witherkvma;
+hwand hja skoldvn uthêmeda sêda ånd plêga mith fara; ånd drêi thessa
+by jo heldgad wrde, mêi ik navt longer ovir jo wâka.
+
+12. Vppa minre fâm Fåsta håv ik min hâp fåstegth, thêrvmbe most j hja
+to êremoder nêma, Folgath j min rêd, thån skil hju nêmels min fâm
+bilywa ånd alla frâna fâmna thêr hja folgja; thån skil thju foddik
+nåmer utgâ thêr ik far jo vpstoken håv. Thåt ljucht thêra skil thån
+êvg jvwe bryn vpklarja, ånd j skilun thån êvin fry bilyva fon vnfrya
+weld as jvwa swite rinstrâma fon thåt salte wêter thêr åndelâse sê.
+
+
+
+
+
+THET HET FASTA SÊID.
+
+
+Alle setma thêr en êw, thåt is hvndred jêr, omhlâpa müge mith tha
+krodar ånd sin jol, thêra mügon vppa rêd thêre moder, ånd by mêna
+willa vppa wêgar thêra burgum writ hwertha; send hja uppa wêgar writ,
+thân send hja êwa, ånd thåt is vsa plicht vmbe altham an êra to
+haldande. Kvmth nêd ånd tvang vs setma to jêvane, stridande wither
+vsa êwa ånd plêgum, sâ mot månneska dva alsa hja askja; thach send
+hja wêken, thån mot mån åmmer to thåt alda witherkêra. Thåt is Fryas
+willa, ånd thåt mot wêsa tham fon al hjra bårn.
+
+
+
+
+
+FASTA SÊIDE.
+
+
+Alle thinga, thêr mån anfangja wil, hoka thåt-åt môga wêsa, vppa tha
+dêi, thêr wy Frya heldgad håwa, tham skilun êvg falykant utkvma:
+nêidam tid nw biwysd heth thåt hju riucht hêde, sâ is thåt en êwa
+wrdon, thåt mån svnder nêd ånd tvang a Frya hjra dêi nawet owers ni
+dva ne mêi, tha blyda fêrsta fyrja.
+
+
+
+
+
+THAT SEND THA ÊWA THÊR TO THÊRA BURGUM HÊRA.
+
+
+1. Sâhwersa thêr årne êne burch bvwet is, sâ mot thju foddik thêra an
+tha forma foddik et Texlând vpstêken wrda. Thach thåt ne mêi nåmmer
+owers as troch tha moder skên.
+
+2. Ek moder skil hjra åjn fâmna kjasa; alsa thêra thêr vppa thêra
+ôthera burgum as moder send.
+
+3. Thju moder to Texlând mêi hjra folgster kjasa, thach sâhwersa hju
+falth êr hju-t dên heth, sa mot thas kêren hwertha vppa êna mêna acht,
+by rêdum fon alle stata et sêmne.
+
+4. Thju moder to Texlând mêi ên ånd tvintich fâmna ånd sjvgun spille
+mangêrta håva, til thju thêr åmmer sjvgun by thêre foddik muge wâkja
+dêilikes ånd thes nachtes. By tha fâmna thêr vppa ora burgum as moder
+thjanja alsa fêlo.
+
+5. Sâhwersa en fâm annen gâda wil, sa mot hju-t thêre moder melda,
+ånd bistonda to tha månniska kêra, êr hju mith hjra tochtige âdama
+thåt ljucht bivvlath.
+
+6. Thju moder ånd alrek burchfâm skil mån tofogjande ên ånd tvintich
+burchhêran, sjvgun alda wisa, sjvgun alda kåmpar, ånd sjvgun alda
+sêkåmper.
+
+7. Ther fon skilun alle jêron to honk kêra thrim fon elik sjvgun,
+thach hja ne mügon navt vpfolgath ne wertha thrvch hjara sibtal nêjar
+sa tha fjarda kny.
+
+8. Aider mêi thrê hvndred jonga burchwêrar håva.
+
+9. Far thissa thjanesta skilun hja lêra Fryas tex ånd tha êwa, fon
+tha wisa mannon thêne wisdom, fon tha alda hêrmannon thene kunst fon
+tha orloch ånd fond tha sêkeningar thene kunsta thêr bi thåt butafâra
+nêthlik send.
+
+10. Fon thissa wêrar skilun jêrlikes hvndred to bek kêra. Thach send
+thêr svme vrlåmth wrden, sa mügon hja vpper burch bilywa hjara êlle
+lêva long.
+
+11. By thåt kjasa fon tha wêrar ne mêi nimmen fon thêra burch nên
+stem navt ne håva, ni tha grêvetmanna jefta ôthera hâveda, mån thåt
+blåta folk allêna.
+
+12. Thju moder et Texlând skil mån jêva thrja sjvgun flinka bodon mith
+thrja twilif rappa horsa. Vppa ora burgum ek burchfâm thrê bodon mith
+sjvgun horsa.
+
+13. Ak skil åjder burchfâm håva fiftich bvwara thrvch thåt folk
+akêren. Men thêrto mêi mån allêna jêva sokka, thêr navt abel ånd
+stora for wêra ner to butafârar send.
+
+14. Ajder burch mot hiri selva bidruppa ånd genêra fon hjra åjn
+ronddêl ånd fon thåt dêl that hju fon thåt mårkjeld bürth.
+
+15. Is thêr åmman kêren vmbe vppa burgum to thjanjande ånd nil-er navt,
+thån ne mêi-er na nên burchhêr wertha, ånd dus nên stem navt ni håva,
+is er al burchhêr sa skil hi thju êr vrljasa.
+
+16. Sâhwersa åmman rêd gêrt fon thêre moder, tha fon êne burchfâm,
+sa mot hi him selva melde by tha skrivwer. Thesse brångth-im by
+tha burchmâster.
+
+Forth mot-i nêi tha lêtsa, thåt is thêne hêlener. Thêr mot sja jef er
+âk bisêken is fon kvada tochtum. Is-er god sêid, tha vndvath hi him
+selva fon sinum wêpna, ånd sjvgun wêrar brångath him by thêre moder.
+
+17. Is thju sêk vr êne stâte sa ne mügon thêr navt miner thån thrê
+bodon kvma: is-t vr-t êlla Fryaslând, thån moton thêr jeta sjvgun
+tjuga bywêsa. Thêrumbe thåt er nên kva formvda navt risa ne mêi nor
+skalkhêd dên ne wrde.
+
+18. By alle sêkum mot tha moder walda ånd njvda thåt hjra bårn,
+thåt is Fryas folk, sâ mêt-rik bilywa as thåt wêsa mêi. Thåt is thi
+grâtesta hjrar plichta, ånd vs alra vmb-er thêr an to hêlpande.
+
+19. Håt mån hja by êne rjuchtlika sêke anhropen vmb-er utsprêk twisk
+annen grêvetman ånd tha mênte, ånd findath hju thju sêke tvivelik,
+sâ mot hju to bâte fon thêr mênte sprêka til thju thêr frêtho kvma,
+ånd thrvchtham thåt bêtre sy that ên man vnrjucht dên wrde thån fêlo.
+
+20. Kvmth hwa vmb rêd ånd wêt thju moder rêd, sa âch hju tham bystonda
+to jêvane, wêt hju bystonda nên rêd, sâ mêi hju wachtja lêta sjvgun
+dêgum. Wêt hju thån nach nên rêd, sa mügon hja hinne brûda, ånd hja
+mügon hjra selva navt biklagja, til thju nên rêd bêtre is thån kva rêd.
+
+21. Heth en moder årge rêd jêven ut kvada willa, sâ mot mân hja dêja
+jefta ut of lândum dryva stoknaken ånd blât.
+
+22. Send hjra burchhêra mêdeplichtich, thån dvath mån alsa mith tham.
+
+23. Is hjra skild tvivelik jefta blât formoda, sâ mot mån thêr-vr
+thingja ånd sprêka, is-t nêdich, ên ånd twintich wyka long. Stemth tha
+halfdêl skildich, sâ halde mån hja vr vnskildich, twêde sâ wacht mån
+jeta en fvl jêr. Stemth mån thån alsa, sâ mêi mån hja skildich halda,
+tha navt ni dêja.
+
+24. Sâhwersa svme among thåt thrimna send tham hja alsa sêr vnskildich
+mêne that hja hja folgja wille, sâ mügon hja thåt dva mith al hjara
+driwande ånd tilbara hâva ånd nåmman acht hjam thêr ovir min to
+achtiane, til thju thåt mâra dêl alsa blyd kån dwâla sa thåt minra del.
+
+
+
+
+
+MÊNA ÊWA.
+
+
+1. Alle frya bårn send a êlike wysa bårn. Thêrvmbe moton hja âk êlika
+rjuchte håva, alsa blyd vpp-åt lând as vpp-åth ê, thåt is wêter ånd
+vp ella thåt Wr.alda jefth.
+
+2. Allera mannalik mêi-t wif sinra kêsa frêja ånd ek toghater mêi
+efter hjra helddrvnk bjada thêr hju minth.
+
+3. Heth hwa en wif nimth, sâ jêft mån hjam hus ånd wårv. N-is thêr nên,
+sa mot-Ã¥t bvwat wrde.
+
+4. Is-er nêi en ôther thorp gongon vmb en wif ånd wil hi thêr bilywa,
+sâ mot mån him thêr en hus en wårf jêwa bijonka thåt not fon tha
+hêmrik.
+
+5. Allera mannalik mot mån en åfterdêl as wårf by sina hus jêva. Tha
+nimman ne mêi en fardêl by sin hus nåva, fül min en ronddêl. Allêna ief
+hwa en dâd dên heth to mêna nitha, sâ mêi him thåt jêven wrde. Ak mêi
+sin jongste svn that erva. After tham mot thåt thorp that wither nima.
+
+6. Ek thorp skil en hêmrik håva nêi sina bihof ånd thêne grêva skil
+njvda that alra ek sin dêl bidongth ånd god hald, til thju tha åfter
+kvmmande nên skåde navt ne lyda ne muge.
+
+7. Ek thorp mêi en mårk hava to kâp ånd to vrkâp iefta to
+wandelja. Alle-t ôra lând skil bvw ånd wald bilyva. Thâ tha bâma thêra
+ne mêi nimman navt fålla, buta mêna rêda ånd buta wêta thes waldgrêva,
+hwand tha walda send to mêna nitha. Thêrvmbe ne mêi nimman thêr måster
+of sa.
+
+8. As mårkjeld ne mêi thåt thorp navt mâr ni nimma sa tha tillifte
+dêl fon tha skat, hor fon tha inhêmar ner fon tha fêrhêmande. Ak ne
+mêi tha mårk skat navt êr vrsellath [17] ne wertha as thåt ôra god.
+
+9. Alle-t mårkjeld mot jêrlikes dêlath wrde, thrja dêgan far thêre
+joldêi, an hvndred dêlun to dêlande.
+
+10. Thi grêvetman mit sinum grêvum skil thêr of büra twintich dêla;
+thêne mårk rjuchter tian dêla, ånd sinum helpar, fif dêla; thju
+folkesmoder ên dêl; thju gâ moder fjvwer dêla; thåt thorp tian dêla;
+tha årma, thåt is thêra tham navt wårka ni kunna ni müge, fiftich dêla.
+
+11. Thêra, tham to mårka kvma, ne mügon navt ni wokeria, kvmath thêr
+svm, sa is-t thêra famna plicht hjam kånbêr to makjana in-vr thåt êlle
+lând, til thju hja nimmerthe kêren navt wrde to eng ampt, hwand soka
+håvath en gyra-lik hirte, vmbe skåt to garja skolde hja ella vrrêda,
+thåt folk, thjv moder, hjara sibben ånd tho tha lesta hjara selva.
+
+12. Is thêr åmman alsa årg that-er sjvcht-siak fja jeftha vrdêren
+wêr vrsellath vr hêl god, sa mot thene mårk-rjuchtar him wêra ånd
+tha famna him noma invr-et êlle lând.
+
+In êra tyda hêmadon Findas folk mêst algadur invr hjara moders
+bårta-lând, mit nôma ald-lând that nw vnder-ne sê lêith; hja wêron
+thus fêr-of, thêrvmbe nêdon wi âk nên orloch, tha hja vrdrêven send
+ånd hêinda kêmon to râwane, thâ kêm-er fon selva lândwêr hêrmanna
+kêninggar ånd orloch, vr altham kêmon setma ånd uta setma kêmon êwa.
+
+
+
+
+
+HYR FOLGATH THA ÊWA THÊR THÊRUT TAVLIKT SEND.
+
+
+1. Ek Fryas mot-a lêtha jeftha fyanda wêra mith aldulkera wåpne as-er
+forsinna, bikvma ånd hândtêra mêi.
+
+2. Is en boi twilif jer, sa mot-i tha sjvgunde dêi miste fon sin
+lêr-tid vmbe rêd to werthande mith-a wåpne.
+
+3. Is hi bikvmen, sa jêve mån him wåpne ånd hi warth to wêrar slâgen.
+
+4. Is hi thrê jêr wêrar, sâ wårth-i burch-hêr ånd mêi hi hêlpa sin
+hâwed-manna to kjasane.
+
+5. Is hwa sjvgun jêr kjasar, sâ mêi hi hêlpa en hêrman jeftha kêning
+to kjasane, thêr to âk kêren wrde.
+
+6. Alle jêr mot-er ovir kêren wertha.
+
+7. Buta tha kêning mügon alle ambtmanna wither kêren wertha, tham
+rjucht dva ånd nêi fryas rêd.
+
+8. Annen kêning ne mêi navt ni lônger as thrê jêr kêning bilywa,
+til thju hi navt biklywa ne mêi.
+
+9. Heth-i sjvgun jêr rest, sâ mêi hi wither kêren wertha.
+
+10. Is thi kêning thruch thene fyand fallen, sâ mügon sina sibba âk
+nêi thêre êre thinga.
+
+11. Is-er vppa sin tid ofgvngen jeftha binna sin tid sturven, sâ ne
+mêi nên sibba him vpfolgja, thêr-im nêiar sy sa tha fjarde kny.
+
+12. Thêra tham strida mitha wåpne an hjara handa ne kunnath navt
+forsinna ånd wis bilywa, thêrvmbe ne focht-eth nêne kêning wåpne to
+hantêra an tha strid. Sin wisdom mot sin wåpen wêsa ånd thju ljafte
+siura kåmpona mot sin skyld wêsa.
+
+
+
+
+
+HYR SEND THA RJUCHTA THÊRE MODER AND THÊRA KÊNINGGAR.
+
+
+1. Sahwersa orloch kumth, send tha moder hira bodon nêi tha kêning,
+thi kêning send bodon nêi tha grêvetmanna vmbe lând-wêr.
+
+2. Tha grêvetmanna hropath alle burch-hêra et sêmne ånd birêdath ho
+fêlo manna hja skilun stjura.
+
+3. Alle bisluta thêra moton ring nêi thêre moder senden wertha mith
+bodon ånd tjugum.
+
+4. Thju moder lêth alle bisluta gaderja ånd jêfth et guldnetal,
+thåt is thåt middeltal fon alle bisluta etsêmne, thêrmitha mot mån
+far thåt forma frêto ha ånd thene kening alsa.
+
+5. Is thju wêra a kåmp, thån hoft thi kêning allêna mith sinum
+havedmanna to rêda, thach thêr moton åmmerthe thrê burch-hêra fon thêre
+moder fôrana sitta svnder stem. Thissa burch-hêra moton dêjalikis
+bodon nêi thêre moder senda, til thju hju wêta müge jef thêr awet
+dên wârth, stridande with-a êwa jeftha with Fryas rêdjevinga.
+
+6. Wil thi kêning dva ånd sina rêda navt, sâ mêi hi thåt navt
+vnderstonda.
+
+7. Kvmth-ene fyand vnwarlinga, thån mot mån dva sa thene kêning bith.
+
+8. Nis thene kêning navt vppet pat, sâ mot mån sin folgar hêrich wêsa
+of tham-is folgar alont tha lesta.
+
+9. Nis thêr nên havedman, sâ kjase mån hwa.
+
+10. Nis thêr nên tid, sâ wårpa hi him to havedman thêrim weldich
+fêleth.
+
+11. Heth thene kêning en frêsalik folk ofslagen, sâ mügon sina after
+kvmande sin nâma åfter hjara åjne fora; wil thene kêning, sâ mêi-er
+vppen vnbibvwade stêd en plåk utkjasa to hus ånd erv. Thåt erv mêi
+en rond-dêl wêsa sa grât thåt hi fon alle sidum sjvgun hvndred trêdun
+ut of sine hus mêi hlapa, êr hi an sina rêna kvmth.
+
+12. Sin jongste svn mêi thåt god erva, åfte tham thamis jongste,
+thån skil mån that wither nimma.
+
+
+
+
+
+HYR SEND THA RJUCHTA ALLER FRYAS VMBE SÊKUR TO WÊSANDE.
+
+
+1. Sahwersa thêr êwa vrwrocht wrde jefta nêja setma tavlikt, alsa
+mot-et to mêna nitha skên, men nåmmer to bâta fon enkeldera månniska,
+her fon enkeldera slachta, ner fon enkeldera stâta, nach fon awet
+that enkel sy.
+
+2. Sahwersa orloch kvmt ånd thêr wrde husa homljat jeftha skêpa,
+hok that et sy, sy-et thrvch thene fyand, tha by mêna rêdum, sâ ach
+tha mêna mênta, thåt is al-et folk to sêmne that wither to hêlene;
+thêr vmbe that nåmman tha mêna sêka skil helpa vrljasa vmbe sin åjn
+god to bihaldane.
+
+3. Is orloch vrthêjan, ånd send thêr svm, alsa vrdêren that hja navt
+longer wårka ne mügon, sâ mot tha mêna mênte hjam vnderhalda, by tha
+fêrstum achon hja forana to sittana, til thju tha jüged skil êra hjam.
+
+4. Send thêr wêdvon ånd wêson kêmon, sâ mot mån hja âk vnderhalda
+ånd tha svna mügon thi nâma hjarar tâta vpp-ira skildum writa hjara
+slachtha to êrane.
+
+5. Send thêr svm thrvch thene fyand fat ånd kvmath hja to båk, sâ
+mot mån hjam fêr fon thåt kåmp of fora, hwand hja machton fry lêten
+wêsa by arge loftum ånd than ne mügon hja hjara lofta navt ni halda
+ånd toch êrlik bilywa.
+
+6. Jef wi selwa fyanda fâta, sâ brånge mon tham djap anda landa wêi,
+mån lêrth hja vsa frya sêde.
+
+7. Lêt mån hja åfternêi hlâpa, sâ lêt mån thåt mith welhêd thrvch tha
+fâmna dva, til thju wi âtha ånd frjunda winna fori lêtha ånd fyandun.
+
+
+
+
+
+UT MINNOS SKRIFTUN.
+
+
+Sahwersa thêr ênman is thêrmêta årg that hi vsa swetsar birawath,
+morth-dedun dvat, husa barnth, mangêrtha skånth, hok thåt-et sy,
+thåt årg sy, ånd vsa swetnata willon thåt wroken håva, sâ is thåt
+rjucht thåt mån thene dêder fâtath ånd an hjara åjn-warda dêjath,
+til thju thêr vr nên orloch ne kvme, wêrthrvch tha vnskêldiga skolde
+bota fori tha skêldiga. Willath hja him sin lif bihalda lêta ând
+thju wrêka ofkâpja lêta, sâ mêi mån thåt dâja. Thach is then bona en
+kêning, grêvetman, grêva hwa thåt-et sy, tham ovira sêda mot wâka,
+sâ moton wi thåt kwad bêterja men ta bona mot sin straf hâ.
+
+Forth hi en êrenâma vppa sine skeld fon sina êthelun, sâ ne mügon
+sina sibba thi nâma navt lônger ne fora. Thêrvmbe thåt hi êne sibba
+svrg skil håva ovira sêda thêra ôthera.
+
+
+
+
+
+ÊWA FARA STJURAR [18]. STJURAR IS THI ÈRENOMA THÊRA BUTAFARAR.
+
+
+Alle fryas svna håva lika rjuchta, thêrvmb mügon âlle flinka knâpa
+hjara self as butafârar melda by tha ôldermôn ånd thisse ne mêi him
+nit ofwisa, wara thåt er nên sted is.
+
+2. Tha stjurar mügon hjara åjn måstrun noma.
+
+3. Tha kâpljvd moton kêren ånd binomath wertha thrvch tha mênte
+thêr-et god hêreth ånd tha stjurar ne mügon thêr by nên stem håva.
+
+4. Jef mån vppe rêis bifinth thåt thene kêning årg jefta vnbikvmmen
+is, sâ mügon hja en ôra nimma; kvmon hja to båk, sâ mêi thene kêning
+him self biklagja by tha ôldermôn.
+
+5. Kvmth thêr flâte to honk ånd sin thêr bâta, sâ moton tha stjurar
+thêr of en thrimene håva, althus to dêlande, thi witkêning twilf môn-is
+dêla, thi skolt by nacht sjugun dêla, tha bôtmônna ek twa dêla, thi
+skiprun ek thrê dêla, that ôra skip-is folk ek ên dêl. Tha jongste
+prentar ek en thrimnath, tha midlosta ek en half-dêl ånd tha ôldesta
+ek en twêdnath.
+
+6. Sin thêr svme vrlameth, sâ mot-a mêna mênte njvda far hjara lif,
+âk moton hja fôrana sitta by tha mêna fêrsta, by huslika fêrsta,
+jâ by alle fêrsta.
+
+7. Sin thêr vppa tocht vmkume, sâ moton hjara nêstun hjara dêl erva.
+
+8. Sin thêr wêdven ånd wêson fon kvmen, sâ mot thju mênte hja
+vnderhalda; sin hja an ênre kase felth, sa mügon tha svna thi nôma
+hjarar tâta vppira skeldun fora.
+
+9. Sin thêr prentara [19] forfaren, sa moton sina erva en êl mannis
+dêl håva.
+
+10. Was hi forsêith, sâ mêi sin brud sjugun mannis dêlun aska vmbe
+hira fryadulf en stên to to wjande, mar thån mot hja for tha êre
+wêdve bilyva lêva lông.
+
+11. Sahwersa en mênte en flåte to rêth, moton tha rêdar njvda fâra
+beste liftochtun ånd fâr wif ånd bårn.
+
+12. Jef en stjurar of ånd årm is, ånd hi heth hus nach erv, sâ mot
+im that jon wertha. Nil hy nên hus nach erv, sa mügon sin friundun
+hem tus nêma ånd thju mênte mot et bêtera nêi sina ståt, wara thåt
+sin friunda thene bâta wêigerja
+
+
+
+
+
+NETLIKA SÊKA UT-A NÊILÊTNE SKRIFTUM MINNOS.
+
+
+Minno [20] was en alde sêkêning, sjaner ånd wisgyrich. An tha
+Krêtar heth-i êwa jêven. Hi is bårn an tha Lindawrda, ånd nêi al sin
+witherfâra heth hi thåt luk noten umbe to Lindahêm to sterva.
+
+Sahwersa vsa swethnata en dêl lând håve jeftha wêtir, that vs god
+tolikt, sa focht-et vs vmbe that a kâp to frêja, nillath hja thåt navt
+ne dva, than mot mån hja that bihalda lêta. That is nêi Frya-his tex
+ånd-et skolde vnrjucht wêsa to vnthandana that.
+
+Sahwersa thêr swethnata et sêmna kyva ånd sana vr enga sêka, tha
+vr lând, ånd hja vs frêja en ordêl to sprêka, sa ach man thåt rêder
+åfterwêja to lêtane, tach sa man thêr navt buta ne kan, sa mot man
+thåt êrlik ånd rjuchtfêrdich dva.
+
+Kvmth thêr hwa ånd sêith, ik håv orloch, nw most-v mi helpa; jeftha en
+ôra kvmth ånd sêith, min svn is vnjêrich ånd vnbikvmmen, ånd ik bin
+ald, nw wild-ik thi to wâranstew ovir hini ånd ovir min lând stålla,
+til hi jêrich sy, sa ach man that wêigarja, til thju wi nawt an twist
+ne kvme ne müge vr sêka stridande with vsa frya sêdum.
+
+Sahwersa thêr kvmth en vrlandisk kapman vppa tolêtmårk et Wyringga
+tha to Almanland ånd hi bidroght, sa warth-er bistonda mårk-bêten ånd
+kanbêr mâkad trvch tha fâmna invr et êle land. Kvmth-er thån to båk, sa
+ne skil nimman kâpja fon him, hy mêi hinne brûda sa-r kvmen is. Thus,
+sahwersa-r kâpljud kêren wrde vmbe wr-a merka to gâ, jeftha mith-e
+flât to fârane, sa ach man allêna aldulkera to kjasane tham mån tyge
+by tyge kånth ånd an en goda hrop stâne by tha fâmna. Bêrth-et navt
+to min that-er en årg man mông sy, tham tha ljud bitrogha wil, sa
+agon tha ora thåt to wêrane. Het-i-t-al dên sa mot mån thåt bêterja,
+ånd thene misdêdar ut of lândum banna, til thju vsa nâma vral mith
+êrane skil wertha binomath.
+
+Men jef wir vs vppen vrlandiska mårkt finda, sy-et hêinde jeftha fêr,
+ånd bêrth-et thåt-et folk vs lêt dvath jeftha bistêlleth, sâ agon wy
+mith haste hêi to to slâna, hwand afskên wy êlla agon to dvande vmbe
+frêtho willa, vsa halfbrothar ne mügon vs nimmer minachtja nach wâna
+that wi ange send.
+
+In min jüged håv ik wel ênis mort overa bånda thêra êwa, åfter håv ik
+Frya often tanked vr hjra tex, ånd vsa êthla vr tha êwa thêr thêrnêi
+tavlikt send.
+
+Wr.alda jeftha Alfoder heth mi fêlo jêren jêven, invr fêlo landa ånd
+sêa håv ik omme fâren ånd nêi al hwa ik sjan hå, bin ik vrtjûgad that
+wi allêna trvch Alfoder utforkêren send, êwa to håvande. Lydas folk
+ne mêi nên êwa to mâkjande ni to hâldande, hja send to dvm ånd wild
+thêrto. Fêlo slachta Findas send snôd enoch, men hja send gyrich,
+hâchfârande, falsk, vnkûs ånd mortsjochtich. Poga blêsath hjara selva
+vppa, ånd hja ne mügath nawet than krupa. Forska hropath wårk, wårk,
+ånd hja ne dvath nawet as hippa ånd kluchtmâkja. Tha roka hropath
+spâr, spâr, men hja stêlon ånd vrslynath al wat vnder hjara snavela
+kvmath. Lik al tham is thåt Findas folk, hja bogath immer ovir goda
+êwa; ek wil setma mâkja vmb-et kwâd to wêrane, men selva nil nimman
+theran bonden wêsa. Thêra hwam-his gâst that lestigoste sy ånd
+thêrtrvch sterik, tham-his hône krêjath kêning ånd tha ôra moton
+alwenna an sin weld vnderwurpen wêsa, til en ôther kvmth thêr-im
+fon-a sêtel drywet. Thåt word êwa is to frân vmbe an mêna sêka to
+nomande. Thervmbe heth mån vs êvin sega lêrth. Êwa thåt sêit setma
+thêr bi aller månniska êlik an hjara mod prenth send, til thju hja
+müge wêta hwat rjucht ånd vnrjucht sy ånd hwêrtrhvch hja weldich send
+vmbe hjara åjne dêda ånd tham fon ôrum to birjuchtande, thåt wil sedsa
+alsanâka hja god ånd navt misdêdich vpbrocht send. Ak is-er jet-en ôra
+sin an fåst. Êwa seit ak, êlik wêter-lik; rjucht ånd sljucht as wêter
+that thrvch nên stornewind jeftha awet owers vrstoren is. Warth wêter
+vrstoren, sa warth-et vnêwa, vnrjucht, men et nygt êvg vmbe wither êwa
+to werthande, that lêith an sin fonselvhêd, alsa tha nygung to rjucht
+ånd frydom in Fryas bern leith. Thessa nygung håvath wi trvch Wr.aldas
+gâst, vsa foders, thêr in Fryas bern bogth, thêrvm be skil hju vs âk
+êvg biklywa. Êwa is âk thet ôra sinnebyld fon Wr.aldas gâst, thêr êvg
+rjucht ånd vnforstoren bilywath, afskên-et an lichême årg to gêit. Êwa
+ånd vnforstoren send tha mårka thêra wisdom ånd rjuchtfêrdichhêd thêr
+fon alla frêmo månniska socht ånd trvch alla rjuchtera bisêten wrden
+mot. Willath tha månniska thus setma ånd domar mâkja, thêr alan god
+bilywa ånd allerwêikes, sa moton hja êlik wêsa to fara alle månniska;
+nêi thisse êwa achath tha rjuchtera hjara ordêl ut to kêthande. Is
+thêr eng kwâd dên, hwêrvr nên êwa tavlikt send, sa mot mån êne mêna
+acht bilidsa; thêr ordêlth mån nêi tha sin thêr Wr.aldas gâst an vs
+kêth vmbe over ella rjuchtfêrdich to birjuchtande, althus to dvande
+ne skil vs ordêl nåmmer fâlikant ut ne kvma. Ne dvath mån nên rjucht
+men vnrjucht, alsa rist thêr twist ånd twispalt emong tha månniska
+ånd stâta, thêrut sprût inlandiska orloch, hwêrthrvch ella homljath
+ånd vrdåren wårth. Men, o dvmhêd. Dâhwila wi to dvande send ekkorum
+to skâdane, kvmth-et nidige folk Findas mith hjara falska presterum
+jvw hâva to râwande, jvwa toghatera to skåndane, jvwa sêda to vrdva
+ånd to tha lesta klåppath hja slâvona banda om jahwelikes frya hals.
+
+
+
+
+
+UT-A SKRIFTA MINNOS.
+
+
+Tha Nyhellênia [21] tham fon hira åjn nôme Min-erva hête, god sêten
+was ånd tha Krêkalander [22] hja to met even hårde minade as vs
+åjn folk, thâ kêmon thêr svme forsta ånd prestera vppe-ra burch
+ånd frêjon Min-erva hwêr of hjra erva lêjon. Nyhellênia andere,
+mina erva drêg ik om in mina bosm, hwåt ik urven håv is ljafde vr
+wisdom, rjucht ånd frydom, håv ik tham vrlêren, alsa ben ik êlik
+an tha minniste jvvar slâvonena. Nw jêv ik rêd vm nawet, men than
+skold ik vrkâpja tham. Tha hêra gvngon wêi, ånd hripon al lakande,
+jvwer hêroga thjanra, wisa Hellênia. Thach thêrmitha miston hja
+hjara dol, hwand thåt folk thåt hja minnade ånd hja folgade, nam
+this nôme to-n êre nôme an. Tha hja sâgon thåt hjara skot mist hêde,
+thâ gvngon hja hja bihlvda ånd sêidon that hju-t folk hexnad hêde,
+men vs folk ånd tha goda Krêkalandar wêrde aller wêikes that-et laster
+wêre. Enis kêmon hja ånd frêgon, as thv thån nên thjonster ne biste,
+hwat dêist thân mitha åjar tham thv altid bi thi heste. Min-erva
+andere, thisse åjar send that sinebyld fon Fryas rêdjêvinga, wêrin
+vsa tokvmste forholen hlêit ånd fon êl thåt månneskalik slachte; tid
+mot hja utbroda ånd wi moton wâka thåt-er nên lêth an ne kvmth. Tha
+prestera, god sêid; men hwêrto thjanath thene hund an thina fêra
+hand. Hellênia andere, heth thene hårder nên skêper vmbe sin kidde at
+sêmene to haldande? hwat thene hvnd is inna thjanest thes skêphårder,
+bin ik in Fryas tjanest, ik mot ovir Fryas kidde wâka. That likath vs
+god to, sêdon tha prestera; men seg vs, hwat is thju bitjvtenise fon
+thi nachtule, ther immer boppa thin hole sit, is that ljuchtskvwande
+djar altomet thet têken thinra klârsjanhêd. Nêan andere Hellênia,
+hi helpt my hügja that er en slach fon månniska ovir hirtha omme
+dwâlth, thêr evin lik hi in kårka ånd hola hêma; thêr an tjuster
+frota, tach navt as hi, vmb vs fon mûsa ånd ôra plåga to helpane,
+men renka to forsinna, tha ôra månniska hjara witskip to râwane, til
+thju hja tham to bêtre müge fâta vmber slavona fon to mâkjande ånd
+hjara blod ut to sûgane, even as vampyra dva. Enis kêmon hja mith en
+benda folk. Pest was over-et land kvmen, hja sêidon, wi alle send to
+dvande, tha Goda to offerja, til thju hja pest wêra müge. Nilst thv
+then navt ne helpa hjara grimskip to stilane, jeftha hethste pest
+selva ovir-et lând brocht mith thinra kunsta. Nêan sêide Min-erva,
+men ik ne kån nêne goda, thêr årg dvande send; thêrvmbe ne kan ik navt
+frêja jef hja beter wrda willa. Ik kån ên gode, thåt is Wr.aldas gâst;
+men thrvch tham er god is, dvath-er âk nen kwâd. Hwanath kvmth-et kwâd
+thån wêi, frêjath tha prestera. Allet kwâd kvmth fon jow ånd fon thêre
+dvmhêd thêra månniska, tham hjara selva fon jow fensa lêta. Jef thin
+drochten thån sâ bjustre god is, wêrvmb wêrther-et kwâd thån navt,
+frêjath tha prestera. Hellenia andere, Frya het vs vppe wêi brocht
+ånd thene kroder thåt is tid, tham mot thåt ovrige dva. With alle
+rampum is rêd ånd help to findande, tha Wr.alda wil thåt wi hja
+selva soka skilon, til thju wi sterik skile wertha ånd wis. Nillath
+wi navt, thån lêt-er vsa trul ut trulla, til thju wi skilon erfâra,
+hwat nêi wisa dêdum ånd hwat nêi dvma dêdum folgath. Tha sêide-ne
+forst, ik skolde wâna, that wêre betre, that to wêrande. Hwel müglik,
+andere Hellênia, hwand than skolde tha månniska bilywa lik tåmade
+skêpa; thv ånd tha prestera skolde-r than hoda willa, men âk skêra
+ånd nêi thêre slacht benke fora. Tach alsa nil-t vs drochten navt,
+hi wil that wi ekkorum helpa, men hi wil âk thåt jahweder fry sy ånd
+wis wrde. Thåt is âk vsa wille, thêrvmbe kjasth vs folk sin forsta,
+grêva, rêdjêvar ånd alle bâsa ånd mâstera ut-a wisesta thêra goda
+månniska, til thju allemånnalik sin best skil dva vmbe wis ånd god to
+werthande. Althus to dvande skilun wi ênis wêta ånd anda folka lêra,
+that wis wêsa ånd wis dva allêna lêith to salichhêd. That likt en
+ordêl, sêidon tha prestera, men aste nv mênste, that pest thrvch
+vsa dvmhêd kvmth, skolde Nyhellênia thån wel sa god wêsa wille,
+vmbe vs ewat fon thåt nya ljucht to lênande, hwêr vppa hju sa stolte
+is. Jes sêide Hellênia; tha rokka ånd ôra füglon kvmath allêna falla
+vp vûl âs, men pest minth navt allêna vûl âs, men vûla sêd-plegum ånd
+fangnisa. Wilstv nv that pest fon-i wika ånd na wither ne kvma, thån
+mostv tha fangnisa wêi dva, ånd that i alla rên wrde fon binna ånd fon
+bûta. Wi willath bilâwa thåt thin rêd god sy, sêidon tha prestera,
+men seg vs, ho skilum wi thêr alla månniska to krêja, thêr vnder vs
+weld send. Tha stand Hellênia vp fon hira sêtel ånd kêth: Tha muska
+folgath thene sêjar, tha folka hjara goda forsta, thêrvmbe ach-stv
+to bijinnande mith thin selva ålsa rên to mâkjande, that stv thinna
+blikka in ånd utward mêi rjuchta svnder skâmrâd to werthande to fara
+thin åjn mod. Men in stêde fon thåt folk rên to mâkjande heste vûla
+fêrsta utfonden, hwêr vppa thåt folk al sa nâka sûpth, that hja to
+lesta lik tha barga annath slip frota, vmbe that stv thin vûla lusta
+bota mêi. Thåt folk bigost to jolande ånd to spotande. Thêr thrvch ne
+thuradon hja nên strid wither an to spinnande. Nv skolde åjder wâna,
+thåt hja vral-et folk to hâpe hropen hêde vmbe vs algadur to-t land ut
+to driwande. Nêan an stêde fon hja to bihluda gvngon hja allerwêikes,
+âk to tha hêinde Krêkalana til tha Alpa ut to kêthane, thåt et thene
+allervrste drochten hâgth hêde sin wisa toghater Min-erva, to nômth
+Nyhellênia êmong tha månniska to sendane in overa sê mith-en ulk,
+vmbe tha manniska gode rêd to jêvane ånd that allermannalik, thêr
+hja hêra wilde, rik ånd lukich skolde wertha, ånd ênis bâs skolde
+wertha ovir alle kêningkrik irtha.s. Hira byldnese ståldon hja vppe
+hjara åltårum, jeftha hja vrsellade-t anda dvma månniska. Hja kêthon
+allerwêikes rêd-jêvinga, thêr hju nimmer jêven hêde, ånd tåladon
+wondera, thêr hju nå dên hêde. Thrvch lesta wiston hja-ra selva master
+to mâkjande fon vsa êwa ånd setma, ånd thrvch wankêthinga wiston hja
+alles to wisa ånd to vrbruda. Hja ståldon âk fâmma vnder hjara hode,
+tha skinber vndere hoda fon Fåsta [23] vsa forma êre moder, vmbe over
+thåt frâna ljucht to wâkane. Men thåt ljucht hêde hja selva vpstoken,
+ånd in stêde fon tha fâmkes wis to mâkjande, ånd afternêi êmong
+thåt folk to senda, ta sjaka to lêvande ånd tha bårn to lêrande,
+mâkadon hja-ra dvm ånd dimme bi-t ljucht ånd ne machten hja nâ buta
+ne kvma. Ak wrdon hja to rêdjêvstare brukath, tach thi rêd was by
+skin ut hjara mvlun; hwand hjara mvla wêron navt owers as tha hropar,
+hwêr trvch tha prestera hjara gêrta utkêthon.
+
+Tha Nyhellênia fallen was, wilden wi en ore moder kjasa, svme wildon
+nêi Texlând vmbe thêr êne to frêjande, men tha prestera tham by hira
+åjn folk thåt rik wither in hêde, nildon that ni hengja ånd kêthon
+vs by-ra folk as vn-frâna ut.
+
+
+
+
+
+III. UT-A SKRIFTA MINNOS.
+
+
+Tha-k althus wêi faren was mith mina ljvd fon Athenia, kêmon wi to tha
+lesta an en êland thrvch min ljvd Krêta hêten vm-a wilda krêta tham
+et folk anhyv by vsa kvmste. Tha as hja sagon thåt wi nên orloch an-t
+skêld foron, wrdon hja mak, alsa-k et lest far en bota mit yserark en
+havesmode ånd en stada land wandelde. Thach tha wi en stut sêten hêde
+ånd hja spêradon that wi nên slavona nêde, tha wêron hja vrstålath,
+men tha-k-ra nw talt hêde that wi êwa hêdon êlik to birjuchtande vr
+alla, tha wilde-t folk âk fon sokka hâ. Tach skêrs hêdon hja tham,
+jefta thåt êlle land kêm anda tys. Tha forsta ånd prestera kêmon
+bârja, that wi hjara tjvth over hêrich mâkad hêde ånd thåt folk kêm
+to vs vmbe hul ånd skul. Tach thâ tha forsta sagon thåt hja hjara
+rik vrljasa skolda, thâ jêvon hja thåt folk frydom ånd kêmon to my
+vmb-en êsega bok. Thach thåt folk was nên frydom wenth ånd tha hêra
+bilêvon welda nêi that ir god thochte. Thâ thi storn wr wêr, bigoston
+hja twispalt among vs to sêja. Hja sêidon to min folk that ik hjara
+help anhropen hêde vmbe standfåst kêning to werthande. Enis fand ik
+gif in min met, thâ as er ênis en skip fon-t Fly by vs vrsêilde, ben
+ik thêrmith stolkens hinne brith.--Tach min witherfara to lêtande,
+sa wil-k mith thesa skêdnesa allêna sêga, that wi navt müge hêma mith
+et Findas folk fon wêr thåt et sy, hwand thåt hja fvl send mith falska
+renka, êwa to frêsane as hjara swête wina mith dêjande fenin.
+
+
+ Ende wra skrifta Minnos.
+
+
+
+
+
+HIR VNDER SEND THRÊ WÊTA, THÊR AFTER SEND THISSA SETMA MAKAD.
+
+
+1. Allera mannalik wêt, thåt i sin bihof mot, men wårth åmmon sin bihof
+vnthalden, sa nêt nên man hwat er skil dva vmbe sin lif to bihaldande.
+
+2. Alle elte minniska werthat drongen a bårn to têlande, wårth that
+wêrth, sa nêt nim man wath årges thêrof kvme mei.
+
+3. Alrek wêt thåt-i fry ånd vnforlêth wil lêva, ånd that ôre that âk
+wille. Umbe sekur to wêsande send thesa setma ånd domar makad.
+
+Thåt folk Findas heth âk setma ånd domar: men thissa ne send navt nêi
+tha rjucht, men allêna to bâta thêra prestera ånd forsta, thana send
+hjara stâta immerthe fvl twispalt ånd mord.
+
+1. Sahwersa imman nâd heth ånd hi ne kan him selva navt ne helpe,
+sa moton tha fâmna thåt kvndich dva an tha grêva. Thêrfar thåt et en
+stolte Fryas navt ne focht thåt selva to dva.
+
+2. Sa hwa årm wårth thrvch tham hi navt wårka nil, thêr mot to thåt
+lând ut drêven wertha, hwand tha låfa ånd loma send lestich ånd årg
+tånkande: thêrvmbe âch mån to wêrane tham.
+
+3. Jahwêder jong kerdel âch en brud to sêka ånd is er fif ånd twintich
+sa âcht-er en wif to håva.
+
+4. Is hwa fif ånd twintich, ånd heth er nên êngâ, sa âch ek man him
+ut sin hus to wêrane. Ta knâpa âchon him te formyda. Nimth er thån
+nach nên êngâ, sâ mot mån hin dâd sêga, til thju hi ut of lande brude
+ånd hir nên årgenese nêva ne mêi.
+
+5. Is hwa wrak, thån mot-er avbêr sêga, that nimman fon him to frêsane
+nach to duchtane heth. Sâ mêi er kvma hwêr er wil.
+
+6. Plêcht er åfternêi hordom, sâ mêi-r fluchta, ne fluchter navt, sâ
+is er an tha wrêke thêr bitrogna vrlêten, ånd nimman ne mêi helpa him.
+
+7. Sahwersa åmmon eng god heth, ånd en ôther likt that thermête that
+i him thêran vrfate, sa mot-i thåt thrja vrjelda. Stêlth-i jeta rêis,
+thån mot hi nêi tha tinlânum. Wil thene bistêlne him fry jêva, sâ
+mêi-r thåt dva. Tha bêrth et wither sa ne mêi nimman him frydom jêva.
+
+
+
+
+
+THISSA DOMAR SEND MAKAD FARA NYDIGA MANNISKA.
+
+
+1. Sa hwa in hâste mode tha ut nid an nen otheris lêja brekth, âgna
+ut stât, jeftha thoth, hok thåt et sy, sa mot thi lêtha bitallja
+hwat thene lêdar askth. Ne kan hi håt ni dva, sâ mot-er avbêr an im
+dên wertha, sa hi an thene ôre dêth. Nil hi thåt navt ut ne stonda,
+sa mot-i him to sina burch-fâm wenda, jef-i inna yser jeftha tin lâna
+mêi werka til sin skeld an sy, nêi thêr mêne dom.
+
+2. Jef ther imman fvnden wårth alsa årg that-i en Fryas felth, hi
+mot et mit sina lif bitallja. Kan sina burch-fâm hin far altid nei
+tha tinlâna helpa êr er fat wrde, sy mêi thåt dva.
+
+3. Sahwersa thi bona mêi biwisa mith vrkånda tju-gum that et by vnluk
+skên is, sa skil hi fry wêsa, men bêrth et jetta rêis, sa mot i tach
+nêi tha tinlânum, til thju mân thêr thrvch formitha all vnerimde
+wrêka ånd fêitha.
+
+
+
+
+
+THIS SEND DOMAR FARA HORNINGA.
+
+
+1. Hwa en ôtheris hvs ut nid thene râde hôn anstekt nis nên Fryas,
+hi is en horning mith basterde blod. Mêi mån hin bi thêr dêd bifâra,
+sa mot mån hin vppet fjvr werpa. Hy mêi flya sa-r kån tach nårne
+skil-i sêkur wêsa fara wrêkande hand.
+
+2. Nên åfta Fryas skil ovira misslêga sinra nêste malja nach kalta. Is
+hwa misdêdoch far-im selva, tha navt frêselik far en ôra, sâ mêi hi
+him selva riuchta. Wårth-i alsa årg that er frêslik wårth, sa mot mån-t
+anda grêva bara; men is thêr hwa thêr en ôther åfterbåkis bitighat in
+stêde fon-t to dvande by tha grêva, tham is en horning. Vpper mårk
+mot-i anda pêle bvnden wrde, sa that et jong folk im anspêja mêi;
+åfter lâdath mån him overa mårka, men navt nêi tha tinlâna, thrvch
+that en êrerâwer âk is to frêsane.
+
+3. Sahwersa thêr ênis imman wêre sa årg that i vs gvng vrrêde by tha
+fyand, pâda ånd to pâda wes, vmbe vsa flyburga to nâka, jeftha thes
+nachtis thêrin to glupa, tham wêre allêna wrocht ut Findas blod. Him
+skolde mån mota barna. Tha stjurar skoldon sin måm ånd al sina sibba
+nêi en fêr êland mota brånga ånd thêr sin ask forstuva, til thju-r
+hyr nên feninige krûdon fon waxa ne müge. Tha fâmna moton thån sin
+nâm utspêja in vr al vsa stâta, til thju nên bårn sin nâm ne krêje
+ånd tha alda him müge vrwerpa.
+
+Orloch was vrtigen, men nêd was kvmen an sin stêd. Nw wêron hyr thrê
+månniska thêr-ek en buda kêren stêlon fon asvndergane êjnhêra. Tha
+hja wrdon alle fat. Nw gong thene êrosta to ånd brocht thene thjaf by
+tha skelte. Tha fâmna thêr-vr kêthande sêidon allerwêis, that i dên
+hêde nêi rjucht. Thi ôra nom thene thjaf thåt kêren of ånd lêth im
+forth mith frêto. Tha fåmna sêidon, hi heth wel dên. Men thi thredde
+êjnhêr gvng nêi tha thjaf sin hus thâ. Asser nw sach ho nêd thêr
+sin sêtel vpstålth hêde, thâ gvng hi to båk ånd kêrde wither mith en
+wêin fol nêdthreftum, thêr hi nêd mith fon thêre hêrd of driwe. Fryas
+fâmna hêdon by him omme wârath ånd sin dêd an dat êvge bok skrêven,
+dahwile hja al sina lêka ut fâchth hêde. Thju êremoder was et sêid
+ånd hju lêt het kvndich dva thrvch thåt êle lând.
+
+
+
+
+
+THAT HYR VNDER STAT IS IN UT THA WAGAR THÊRE WARABURGH WRITEN.
+
+
+(Zie plaat I.)
+
+Hwat hyr boppa ståt send thi têkna fon thåt jol. Thåt is thåt forma
+sinnebild Wr.aldas, âk fon t-anfang jeftha-t bijin, wêrut tid kêm,
+thåt is thene Kroder thêr êvg mith thåt jol mot ommehlâpa. Thana
+heth Frya thåt standskrift mâkad, thåt hja brukte to hira tex. Thâ
+Fåsta êremoder wêre, heth hju-r thåt run ieftha hlâpande skrift fon
+mâkad. Ther Witkêning thåt is Sêkêning, Godfrêiath thene alda heth
+thêr asvndergana telnomar fon mâkad fâr stand ånd rvnskrift bêde. T is
+thêrvmbe navt to drok that wi-r jêrliks ênis fêst vr fyrja. Wy mügon
+Wr.alda êvg thank to wya thåt hi sin gâst sa herde in vr vsa êthla
+heth fâra lêtn. Vnder hira tid heth Finda âk en skrift utfvnden,
+men thåt wêre sa hâgfârende ånd fvl mith frisla ånd krolum, thåt
+tha afterkvmanda thêrof thju bitjudnese ring vrlêren hâve. Afternêi
+håvon hja vs skrift lêred binoma tha Finna, tha Thyrjar ånd tha
+Krekalander. Men hja niston navt god, thåt-et fon et jol mâkad was ånd
+that-et thêrumbe altid skrêven wrde moste mith son om. Thêrby wildon
+hja thåt hjara skrift vnlêsbêr skolde wêsa far ora folkum, hwand hja
+håvath altid hêmnesa. Thus to dvanda send hja herde fon-a wis râkath,
+thêrmêtha, that ta bårn tha skriftun hjarar aldrum amper lêsa en mûga;
+dahwile wy vsa alderaldesta skriftun êvin rêd lêsa mûga as thêra thêr
+jester skrêven send.
+
+Hir is thåt stand skrift, thêrvnder thåt run skrift, forth tha tålnomar
+a byder wisa.
+
+(Zie plaat II.)
+
+
+
+
+
+THAT STÊT VP ALLE BURGUM ESKRÊVEN.
+
+
+Êr thêre årge tid kêm was vs lånd thåt skênneste in wr.alda. Svnne
+rês hager ånd thêr was sjelden frost. Anda bâma ånd trêjon waxton
+frügda ând nochta, thêr nw vrlêren send. Among tha gårs-sêdum hedon
+wi navt alena kêren, ljaver ånd blyde, men âk swete thêr lik gold
+blikte ånd thåt mån vndera svnnastrêla bakja kvste. Jêron ne wrde
+navt ne telath, hwand thåt êne jêr was alsa blyd as et ôthera. An
+tha êne side wrdon wi thrvch Wr.aldas sê bisloten, hwêrvp nên folk
+buta vs navt fara ne mochte nach kvnde. Anda ôre side wrden wi thrvch
+thåt brêde Twisklând vmtunad, hwêr thrvch thåt Findas folk navt kvma
+ne thvradon, fon ovira tichta walda ånd ovir it wilde kwik. By morne
+paldon wi ovir it uter ende thes aster-sê, by êvind an thene middelsê,
+alsa wi buta tha littiga wel twelif grâta swete rinstrama hêdon, vs
+thrvch Wr.alda jêven vmb vs lând elte to haldane ånd vmb us wigandlik
+folk tha wêi to wisana nêi sina sê.
+
+Tha owira thissar rin strama wrdon tomet algadur thrvch vs folk
+bisêton, âk tha fjelda an thju Rêne fon-t êna enda alon et ôre
+ende thâ.
+
+To jenst-vr tha Dênamarka ånd that Juttarlând hêdon wi folkplantinga
+mith en burchfâm, dâna wonon wi kâper ånd yser, bijvnka târ, påk
+ånd svma ôr bihof. To jenst vr vs formêlich Westland thêr hêdon wi
+Brittanja mith sina tinlâna. Brittanja thåt was thåt lând thêra
+bannalinga, thêr mith hulpe hjarar burchfâm wêi brith wêron vmbe
+hira lif to bihâldana. Thach for that hja navt to båk kvma ne skolde,
+warth er êrost en B to fâra hjara står priked, tha bana mith râde blod
+farve ånd tha ôra misdêdar mith blâwe farve. Buta ånd bihalva hêdon vsa
+stjurar ånd kâpljvd mêni loge anda hêinde Krêkalanda ånd to Lydia. In
+vr Lydia thêr send tha swarta minniska. Thâ vs lând sâ rum ånd grât
+wêre, hêdon wi fêlo asondergana nâmon. Thêra tham saton biâsten tha
+Dênemarka wrdon Juttar hêton, uthâvede hja tomet navt owers ne dêdon
+as barn-stên juta. Hja tham thêr saton vppa êlanda wrdon Lêtne hêten,
+thrvchdam hja mêst al vrlêten lêvadon. Alle strând ånd skor hêmar
+fon-a Dênemarka alont thêre Såndfal nw Skelda wrdon Stjurar [24],
+Sêkåmpar [25] ånd Angelara [26] hêton. Angelara sâ hêton mân to
+fora tha butafiskar vmbe that hja alan mith angel jefta kol fiskton
+ånd nimmer nên netum. Thêra thêr thâna til tha hêinde Krêkalânda
+sâton, wrdon blât Kâd-hêmar hêten, thrvch tham hja ninmerthe buta
+foron. Thêra thêr in da hâge marka sâton, thêr anna Twisklanda pâlon,
+wrdon Saxmanna hêton, uthâwede hja immer wêpned wêron vr thåt wilde
+kwik ånd vrwildarda Britne. Thêr to boppa hêdon wi tha nôma Landsâton,
+Mârsata [27] ånd Holtjefta Wodsâta.
+
+
+
+
+
+HO ARGE TID KÊM.
+
+
+Hêl thene sümer was svnne åftere wolkum skolen, as wilde hja irtha
+navt ne sja. Wind reston in sina bûdar, werthrvch rêk ånd stom lik sêla
+boppa hus ånd polon stand. Loft wårth althus drov ånd dimme, ånd inna
+tha hirta thêra månniska was blydskip nach früchda. To midden thisre
+stilnise fång irtha an to bêvande lik as hju stårvande wêre. Berga
+splyton fon ekkorum to spêjande fjvr ånd logha, ôra svnkon in hira skât
+del, ånd thêr hju êrost fjelda hêde; hêjade hju berga vppa. Aldland
+[28] trvch tha stjurar Atland hêten svnk nyther ånd thåt wilde hef
+stâpton alsa nâka wr berg ånd dêlon, that ella vndere sê bidvlwen
+wêre. Fêlo månniska wrdon in irtha bidobben, ånd fêlo thêr et fjvr
+vnkêmen wêron, kêmon thêrnêi innet wêter vm. Navt allêna inda landa
+Findas spêidon berga fjvr, men âk in-t Twisk-land. Walda bårnadon
+thêrthrvch åfter ekkorum ånd thâ wind dâna wêi kêm, thâ wâjadon vsa
+landa fvl ask. Rinstrâma wrdon vrlêid ånd by hjara mvda kêmon nêja
+êlanda fon sand ånd drivande kwik. Thrju jêr was irtha alsa to lydande;
+men tha hju bêter wêre macht mån hira vvnda sja. Fêlo landa wêron
+vrsvnken, ôra uta sê rêsen ånd thåt Twisk-land to fâra-n halfdêl
+vntwalt. Bånda Findas folk kêmon tha lêtogha rumtne bifâra. Vsa
+wêibritne vrdon vrdelgen jefta hja wrdon hjara harlinga. Thâ warth
+wâkandom vs dvbbeld boden ånd tid lêrd vs that êndracht vsa stårikste
+burch is.
+
+
+
+
+
+THIT STÊT INNA WARABURCH BY THÊRE ALDEGA MVDA WRYT.
+
+
+Thju wâraburch nis nên fâmnaburch, men thêr in wrdon alla uthêmeda
+ånd vrlandeska thinga wârath, thêr mitbrocht binne thrvch tha
+stjurar. Hju is thri pêla, thåt is en half ty sûdwarth fon Mêdêa-sblik
+lêgen. Alsa is thåt fôrword: berga nygath thinna krunna, wolka ånd
+strâma wên. Jes. Skênland [29] blôst, slâvona folka stôppath vppat
+thin klât, o Frya.
+
+
+ Alsa is thju skêdnesse.
+
+
+100 ånd 1 jêr [30] nêi that âldland svnken is, kêm thêr ut-et âsta en
+folk wêi. Thåt folk was vrdrêven thrvch en ôther folk, åfter vs twisk
+land krêjon hja twispalt, hja skifton hjara selva an twam hâpa, ek hêr
+gvng sines wêiges. Fon-t êne dêl nis nên tâl to vs ne kêmen, men thåt
+ôre dêl fyl åfter to vs Skênland. Skênland was sunnich bifolkath,
+ånd anda åfter-kâd thåt sunnichste fon al. Thêrvmbe machton hja-t
+svnder strid wrwinna, ånd uthâwede hja ôwers nên lêth ne dêdon,
+nildon wi thêrvr nên orloch hâ. Nw wi hjam håvon kånna lêred,
+sâ willath wi ovir hjara sêda skriwa, åfternêi ho-t vs mith hjam
+forgungen is. Thåt folk was navt ne wild lik fêlo slachta Findas,
+men êlik anda Égipta-landar, hja håvath prestera lik tham ånd nw hja
+kårka håve âk byldon. Tha prestera send tha engosta hêra, hja hêton
+hjara selva Mâgjara, hjara aller ovirste hêt Magy, hi is hâvedprester
+ånd kêning mith ên, allet ôre folk is nul in-t siffer ånd êllik ånd
+al vnder hjara weld. Thåt folk nêth navt ênis en nôme, thrvch vs send
+hja Finna hêten, hwand afskên hjara fêrsta algadur drov ånd blodich
+send, thach send hja thêr alsa fin vp, that wi thêr bi åfter stâne,
+forth ne send hja navt to binydane, hwand hja send slâvona fon tha
+presterum ånd jeta fül årger fon hjara mêninga. Hja mênath that ella
+fvl kvada gâston is, thêr inda månniska ånd djara gluppe, men fon
+Wr.aldas gâst nêton hja nawet. Hja håvath stêne wêpne, tha Magjara
+kâpra. Tha Magjara tellath that hja tha årge gâston banna ånd vrbanna
+mügon, thêr vr is-t folk ôlan in ange frêse ånd vppira wêsa nis nimmer
+nên blydskip to bisjan. Thâ hja god sêten wêron, sochton tha Magjara
+athskip bi vs, hja bogadon vp vsa tâl ånd sêdum, vp vs fja ånd vppa vs
+ysere wêpne, thêr hja gêrn to fori hjara goldun ånd sulvere syrhedum
+wandela wilde, ånd hjara tjoth hildon hja immerthe binna tha pêlon,
+men thåt vrskalkton vsa wâkendom. Achtantich jêr forther, just wêr-et
+jol-fêrste, thêr kêmon hja vnwarlinge lik snêi thrvch stornewind drêwen
+ovir vsa landa to runnande. Thêr navt flya machton wrdon vrdên, Frya
+wårth anhropen, men tha Skênlandar hêdon hira rêd warlâsed. Thâ wrdon
+kråfta sâmlath, thri pêlun fon Goda-his burch [31] wrdon hja wither
+stonden, tha orloch bilêv. Kât jefta Kâter-inne, alsa hête thju fâm,
+thêr burchfâm to Goda burch was. Kât was stolte ånd hâchfâranda,
+thêrvmbe ne lêt hju nên rêd ni follistar anda Moder ne frêja. Men
+thâ tha burchhêra thåt fâta, thâ svndon hja selva bodon nêi Texlând
+nêi thêre Moder thâ. Minna alsa was thêre Moder-is nôme, lêt âla tha
+stjurar mânja ånd âl-et othera jongk folk fon Ast-flyland ånd fon
+tha Dênnemarkum. Ut thesse tocht is thju skydnese fon Wodin bern,
+sa-r vppa burgum wryten is ånd hir êskrêven. Anda Alder-gâmude [32]
+thêr reste en alde sêkåning. Sterik was sin nôme ånd tha hrop vr sina
+dêda was grât. Thisse alde rob hêde thrê nêva; Wodin thene aldeste
+hêmde to Lumka-mâkja [33] bi thêre Ê-mude to Ast-flyland by sin eldrum
+t-us. Ênes was er hêrman wêst. Tünis ånd Inka wêron sêkåmper ånd just
+nw bi hjara fåderja anda Aldergâ-mude t-vs. As tha jonga kåmpar nw
+bi ekkôrum kêmon, kêron hja Wodin to hjara hêrman jefta kåning ut,
+ånd tha sêkåmpar kêron Tünis to-ra sêkåning ånd Inka to hjara skelte
+bî thêr nacht. Tha stjurar gvngon thâ nêi tha Dênnemarka fâra, thêr
+nâmon hja Wodin mith sin wigandlika landwêr in. Wînd was rum ånd alsa
+wêron hja an en âmerîng [34] to Skên land. Thâ tha northeska brothar ra
+selva by-m fogath hêde, dêlde Wodîn sin weldich hêr an thri wiga. Frya
+was hjara wêpenhrop ånd sâ hi båkward sloch tha Finnen ånd Mâgjara
+as of et bårn wêron. Thâ thene Mâgy fornôm ho sin ljvd al ombrocht
+wrdon, thâ sand hi bodon mith ståf ånd krone. Hja sêidon to Wodin,
+o thv alra grâteste thêra kåningar, wi send skeldich, thach al hwat
+wi dên håve is ut nêd dên. Je mêne that wi jvw brothar willengklik
+anfat håve, men wi send thrvch vsa fyanda forth-fêtereth ånd thi alle
+send vs jeta vppa hakka. Wi håvath often helpe an thinre burchfâm
+frêjath, men hja neth vs navt ne meld. Thene Mâgy sêith, sâ hwersa
+wi ekkôrum to tha hålte vrdva, sâ skilun tha wilda skephårdar kêmon
+ånd vs algâdur vrdva. Thene Mâgy heth fül rikdom, men hi heth sjan
+that Frya weldiger is as al vsa gâston et sêmine. Hi wil sin hâved in
+hira skât del ledsa. Thv bist thene wigandlikste kåning irthas, thin
+folk is fon yser. Warth vsa kåning ånd wi alle willath thin slâvona
+wêsa. Hwat skolde that êr-rik fâr-i wêsa, aste tha wilda wither to
+låk driwa koste, vsa sêfyra skolde-t rondblêsa ånd vsa mâra skoldon
+jv vral fârut gâ.
+
+Wodin was sterik, wost ånd wigandlîk, men hi nas navt klâr sjande,
+thêrthrvch wårth i in hjar mêra fvngen ånd thrvch thene Mâgy
+kroneth. Rju fêlo stjurar ånd land-wêrar, tham thisse kêr navt ne
+sinde, brûdon stolkes hinne, Kât mith nêmande, men Kât thêr navt to
+fâra thêre Moder ner to fâra thêre mêna acht forskine nilde, jompade
+wr bord. Thâ kêm stornewind ånd fêtere tha skêpa vppa skorra fonna
+Dennemarkum del svnder enkel man to mistane. Afternêi håvon hja tha
+strêt Kâtsgat [35] hêten. Thâ Wodin kroned was, gvng-er vppa wilda
+lôs; thi wêron al rutar, lik een hêjel buje kêmon hja ajn Wodin-is
+hêr, men lik en twyrne wind wendon hja omme ånd ne thvradon nâ wither
+forskina. As Wodin nw to båk kêm, jav thene Mâgy him sin toghater to-n
+wîf. Afternei wårth-i mith krûdon birêkad, men thêr wêron tawerkrûdon
+mong, hwand Wodin warth bi grâdum alsa sêr vrmêten, that-i Frya ånd
+Wraldas gâst miskåna ând spota thvrade, thawyla hi sin frya hals bog
+to fâra falska drochten-likande byldum. Sin rik hilde sjvgun jêr, thâ
+vrdwind-ir. Thene Mâgy sêide that-er mong hjara godon [36] vpnimeth
+wêre, ånd that hi fon thêr over hjam welda, men vs folk lakton vmbe
+tin tâl. Thâ Wodin en stût wêi wêst hêde, kêm thêr twispalt, wi wildon
+en ôra kåning kjasa, men thåt nilde thene Mâgy navt me hengja. Hi
+wêrde that et en rjucht wêre, him thrvch sina drochtne jêven. Buta ånd
+bihalva thissa twist, sa was thêr jet-ên emong sin Mâgjara ånd Finna,
+thêr Frya ner Wodin êra navt nilde, men thi Mâgy dêde as-t im sinde,
+hwand sin toghater hêde en svn bi Wodin wvnen, ând nw wilde thene
+Mâgy that thisse fon en hâge kom-of wêsa skolde. Thawyla alle sanade
+ånd twista, krônade hi thene knâp to kåning ånd stålade hin sels as
+foged ånd foramond jefta rêdjêvar an. Thêra thêr mâr hildon fon hjara
+balg as fon thåt rjucht, tham lêton him bidobba, men tha goda brûdon
+wêi. Fêlo Mâgjara flodon mith hjara ljvda båk ward, ånd tha stjurar
+gvngon to skip ånd en hêr fon drista Finna gvngen as rojar mitha.
+
+Nw kvmath tha skêdnese fon nêf Tünis ånd sin nêf Inka êrost rjucht
+vppet pat.
+
+
+
+
+
+THIT ELLA STET NAVT ALLÊNA VPPER WARABURGH MEN OK TO THÊRE BURCH
+STAVIA, THÊR IS LIDSEN AFTERE HAVE FON STAVRE.
+
+
+Tha Tünis mith sinum skêpum to honk kêra wilde, gvng-i thet forma vppa
+Dânnemarka of, men hi ne macht thêr navt ne landa, thåt hêde thju Moder
+bisjowath. Ak et Flyland ne macht-er navt ne landa ånd forth nårne. Hi
+skold alsa mith sinum ljvdum fon lek ånd brek omkomth håve, thêr vmbe
+gvngon hja thes nachtis tha landa birâwa ånd fâra bi dêi. Alsa alinga
+thêre kâd forth farande kêmon hja to thêre folkplanting Kâdik [37],
+althus hêten vmbe that hjara have thrvch êne stênene kâdik formath
+was. Hir selladon hja allerhanne liftochta, men Tutja thju burchfâm
+nilde navt dâja that hja-ra selva nither setta. Thâ hja rêd wêron
+krêjon hja twist. Tünis wilde thrvch thju strête fon tha middelsê
+vmbe to fârane fâr tha rika kåning fon Egiptalandum, lik hi wel
+êr dên hêde, men Inka sêide, that-i sin nocht hêde fon al et Findas
+folk. Inka mênde that er byskin wel en hach dêl fon Atland by wysa fon
+êland vrbilêwen skolde wêsa, thêr hi mith tha ljvdum frêthoch lêva
+machte. As tha bêda nêva-t-althus navt ênes wrde koste, gvng Tünis
+to ånd stek en râde fône in-t strând, ånd Inka êne blâwe. Thêr åfter
+macht jahwêder kjasa, hwam ek folgja wilde, ånd wonder, by Inka thêr
+en gryns hêde vmbe tha kåningar fon Findas folk to thjanja, hlipon
+tha mâsta Finna ånd Mâgjara ovir. As hja nw thåt folk tellath ånd
+tha skêpa thêr nêi dêlath hêde, tha skêdon tha flâta fon ekkorum;
+fon nêf Tünis is åfternêi tâl kêmen, fon nêf Inka ninmer.
+
+Nêf Tünis for allinggen thêre kâd al thrvch thju porte thêre
+middelsê. Tha Atland svnken is, was-t-inna middelsê ra owera âk årg
+to gvngen. Thêrthrvch wêron thêr fêlo månniska fon-t Findas land
+nêi vsa hêinde ånd fêre Krêkalanda kvmen ånd âk fêlo fon Lyda-his
+land. Thêr åjn wêron âk fêlo fon vs folk nêi Lydas land gvngon. Thåt
+ella hêde wrocht, that tha hêinde ånd fêre Krêkalanda far thåt weld
+hêre Moder vrlêren was. Thêr hêde Tünis vp rêkned. Thêrvmbe wilde
+hi thêr en gode hâve kjasa ånd fon thêr ut fara rikka forsta fâra,
+men thrvchdam sine flâte ånd sin folk sa wanhâven utsagon, mêndon tha
+Kâdhêmer that hja râwera wêron, ånd thêrvmbe wrdon hja vral wêrath. Tha
+to tha lesta kêmon hja an to Phonisivs kâd, that wêre 100 ånd 93 jêr
+[38] nêi Âtland svnken is. Nêi bi thêre kâd fvndon hja en êland mith
+twam diapa slinka, alsa-t as thrju êlanda utsach. Vppet midloste thêra
+staldon hja hjara skula vp, åfternêi bvwadon hja thêr en burchwal
+om to. As hja thêran nw en nôme jêva wilde, wrdon hja vnênes, svme
+wild-et Fryasburch hêta, ôra Nêf tünia, men tha Mâgjara ånd tha Finna
+bâdon thåt skolde Thyrhisburch [39] hête. Thyr [40] alsa hêton hja
+ên hjarar drochtena ånd vppe tham-is jêrdêi wêron hja thêr land,
+to wither-jeld wildon hja Tünis êvg as hjara kåning bikånne. Tünis
+lêt im bilêsa ånd tha ôra nildon thêrvr nên orloch ne hâ. Thâ hja nw
+god sâton, thâ sandon hja svme alde stjvrar ånd mâgjara ana wâl ånd
+forthnêi thêre burch Sydon, men that forma nildon tha Kâdhêmar nawet
+fon-ra nêta. Thv bist fêrhêmanda swårvar sêidon hja, thêr wi navt
+hachta ne müge. Tha thâ wi hjam fon vsa ysera wêpne vrsella wilde,
+gvng to lersta ella god, âk wêron hja sêr ny nêi vsa bårnstênum ånd
+thåt frêja thêr nêi nam nên ende. Men Tünis thêr fårsjande wêre,
+bårde that er nên ysere wêpne ner bårnstêne mâr hêde. Thâ kêmon tha
+kâpljvd ånd bâdon hi skolde twintich skêpa jêva, thêr hja alle mith-a
+finneste wêrum tho hrêda wilde, ånd hja wildon him alsa fêlo ljvda
+to rojar jêva as-er jêrde. Twê-lif skêpa lêt-i-to hrêda mith win
+hvning ånd tomâkad lêther, thêr bi wêron tåmar ånd sitlun mith gold
+wrtêin sa mån hja ninmer nêde sjan. Mith al thi skåt fyl Tünis thåt
+Flymar binna. Thi grêvaman fon Westflyland wårth thrvch al thessa
+thinga bigâstered, hi wrochte that Tünis bi thêre mvde fon-t Flymar
+en loge bvwa mâchte, åfternêi is thju stêd Almanaland [41] heten
+ånd tha mark thêr hja åfternêi to Wyringgâ [42] vp wandelja machton
+tolêtmark. Thju Moder rêde that wi ra ella vrkâpja skolde buta ysere
+wêpne, men mån ne melde hja navt. Thâ tha Tyrjar thus fry spel hêdon,
+kêmon hja âlan wither to farand vsa wêron sâ hêinde as fêre vsa ajn
+sêkåmpar to skâdne. Thêråfter is bisloten vpper mêna acht, jêrlikes
+sjvgun Thyrjar skêpa to to lêtane ånd navt mar.
+
+
+
+
+
+HWAT THÊR OF WRDEN IS.
+
+
+Inner northlikste herne fon tha Middelsê, thêr lêid en êland
+by thêre kâd. Nw kêmon hja thåt a kâp to frêjande. Thêrvr wårth
+ene mêna acht bilêid. Moder-is rêd wårth wnnen, men Moder sach ra
+lyast fêr of. Thêrvmbe mênde hju that er nên kwâ an stek, thach as
+wi åfternêi sâgon ho wi misdên hêde håvon wi thåt êland Missellja
+[43] hêten. Hiråfter skil blika ho wi thêr to rêde hêde. Tha Gola,
+[44] alsa heton tha såndalinga prestera Sydon-is, tha Gola hêdon
+wel sjan thet et land thêr skares bifolkad was ånd fêr fon thêre
+Moder wêre. Vmb ira selva nw en gode skin to jêvane, lêton hja ra
+selva in vsa tâl ana trowe wydena hêta, men that wêre bêtre wêst,
+as hja ra selva fon thêre trowe wendena nômath hêde, jefta kirt wei
+trjuwendne lik vsa stjurar lêter dên håve. Thâ hja wel sêton wêron,
+tha wandeldon hjara kâpljuda skêne kâpre wêpne ånd allerlêja syrhêdon
+to fara vsa ysere wêpne ånd wilde djara huda, wêrfon in vsa suder landa
+fêlo to bikvma wêron. Men tha Gola fyradon allerhâna wla drochtenlika
+fêrsta ând to tyadon tha kadhêmar thêra thrvch todvan hjarar horiga
+manghêrtne ånd tha swêt hêd fon hjara fininnige win. Was thêr hwa
+fon vs folk thêr-et alsa årg vrbrud hêde, that sin lif in frêse
+kêm, than lênadon tha gola him hul ånd foradon him nêi Phonisia,
+that is palmland. Was hi thêr sêten, thån most-i an sina sibba ånd
+âtha skriwa, that-et land sâ god wêre ând tha månniska sâ luklik, as
+ninmån hin selva mocht forbylde. A Brittannja wêron rju fêlo manna,
+tha lith wiva, thâ tha Gola that wiston, lêton hja alwêis manghêrtne
+skâka ånd thessa javon hja tha Britne vmb nawet. Thach al thissa
+manghêrtne wêron hjara thjansterum, thêr tha bern fon Wrâlda stolon
+vmb-ar an hjara falske drochtne to jêvane.
+
+
+
+
+
+NW WILLATH WI SKRIWA VR THA ORLOCH THÊRA BURCHFAMNA KALTA AND MIN-ERVA
+
+
+And ho wi thêr thrvch al vsa sûderlanda ånd Brittanja anda Gola
+vrlêren håve.
+
+Bi thêre Sûder-rên-mvda ånd thêre Skelda, thêr send sjvgun ålanda,
+nômath nêi Fryas sjvgum wâkfâmkes there wêk. Middel vppet êne åland is
+thju burch [45] Walhallagâra, inut tha wâgrum thêra is thju folgjande
+skêdnesse wrîten. Thêr bvppa stêt: lês, lêr ånd wâk.
+
+563 jêr [46] nêi âldland svnken is, sat hir en wise burch fâm,
+Min-erva was hira nôma. Thrvch tha stjurar Nyhellênja tonômath. This
+tonôma was god kêren, hwand tha rêd, thêr hju lênade, was ny ånd hel
+bvppa alle ôtherum. Overa Skelda et thêre Flyburch sat Syrhêd. Thjus
+fâm was fvl renka, skên was r-anhlith ånd kwik was hira tvnge,
+men thi rêd thêr hju jef, was immer in thjustere worde. Thêr vmbe
+warth hju thrvch tha stjurar Kålta hêten, tha landsâta mênadon that
+et en êrnôma wêra. Inna ûtroste wille thêre vrsturvene Moder stand
+Rôsa-mvda thet forma, Min-erva thet twêde ånd Syrhêd thet thredde as
+folgstere biskreven. Min-erva nêde thêr nên wit fon, men Syrhêd was
+er thrvch knaked. Lik en wrlandeske forstinne wilde hju êrath frêsath
+ånd bêden wêsa, men Min-erva wilde enkel minth wêsa. To tha lesta
+kêmon alle stjurar hiri hjara held bjada, selva fon tha Dena-marka
+ånd fon-t Flymar. That vvnde Syrhêd, hwand hju wilde bvppa Min-erva
+utminthja. Til thju mån en grôte thånk ovir hira wâkendum håva skolde,
+myk [47] hju ennen hôna vpper fâne. Thâ gvng Min-erva to ånd myk en
+hårder hvnd ånd en nachtul in vppira fâne. Thene hvnd sêide hju wâkt
+ovir sin hêr ånd ovira kidda ånd thene nachtul wâkt ovira fjelda til
+thju hja thrvch tha musa navt vrdên ne wrde. Men thene hôna neth
+far nimman frjundskip, ånd thrvch sin vntocht ånd hâchfârenhêd is
+er vaken thene bâna sinra nêista sibba wrden. As Kalta sach that er
+wårk falikant ut kêm, to gvng hju fon kwad to årger. Stolkes lêt hju
+Mâgjara to hiri kvma vmbe tâwery to lârane. As hju thêr hira nocht
+fon hêde, werpte hju hira selva anda årma thêra Golum, thach fon
+al thi misdêdon ne macht hju navt bêtre ne wrde. As hju sach that
+tha stjurar mâr ånd mâr fon iri wêke, tha wilde hju ra thrvch frêse
+winna. Was tha mône fvl ånd thene sê vnstumich, than hlip hju over
+et wilde hef, tha stjurar to hropande that hja alle skolde vrgân,
+sahwersa hja hiri navt anbidda nilde. Forth vrblinde hju hira âgun
+hwêr thrvch hja wêter fori land ånd land fori wêter hildon, thêrthrvch
+is mâni skip vrgvngen mith mån ånd mus. Vppet forma wêrfêrste tha al
+hira landsâta wêpned wêron, lêt hju bårga bjar skånka, in thåt bjar
+hêde hju tâverdrank dên. As et folk nv algâdur drunken wêre, gvng hju
+bvppen vp hira stridhros standa, to lênande mith hira hole tojenst hira
+spêri, môrnerâd ne kv navt skêner. Tha hja sach that alle ôgon vpper
+fåstigath wêron êpende hju hira wêra ånd kêth, svnum ånd thogatrum
+Fryas, i wêt wel that wi inna lerste tyd fûl lek ånd brek lêden håve,
+thrvchdam tha stjurar navt lônger kvme vmb vs skriffilt to vrsella, men
+i nête navt hwêrthrvch et kvmen is. Lông håv ik my thêr vr inhalden,
+thach nv kån-k-e tnavt lônger ôn. Hark then frjunda til thju i wêta
+müge hwêrnêi i bita mêi. Anda ôra syde thêre Skelda hwêr hja tomet
+tha fêrt fon alle sêa håve, thêr mâkath hja hjvd dêgon skriffilt fon
+pompa blêdar, thêr mith sparath hja linnent ut ånd kånnath hja vs wel
+miste. Nêidam thåt skriffilt mâkja nv alti vs grâteste bydriv wêst is,
+sâ heth thju Moder wilt that mån et vs lêra skolde. Men Minerva heth
+al et folk bihexnath, jes bihexnath frjunda, ivin as al vs fja thåt
+låsten sturven is. Er-ut mot-et, ik wil thi tella, nas-k nên burchfâm
+ik skold et wel wêta, ik skolde thju hex in hjara nest vrbarne. Thâ
+hju thi lerste worda ut hêde, spode hju hira selva nêi hira burch tha,
+men thåt vrdrvnken folk was althus dênera bigâstered, that et vr sin
+rêde navt mocht to wâkane. In dvl-dryste iver gvngon hja overa Sand
+fal ånd nêidam nacht midlerwil del strêk gvngon hja evin drist vpper
+burch lôs. Thach Kålta miste al hwither hira dol, hwand Minerva ånd
+hira fâmna ånd tha foddik wrdon alle thrvch tha råppa stjurar hreth.
+
+
+
+
+
+HIRBY KVMTH THA SKÊDNESSE FON JON.
+
+
+Jon, Jôn, Jhon ånd Jân is al ên mith jêven, thach thet lêit anda
+utsprêk thêra stjurar, thêr thrvch wenhêd ellas bikirta vmbit fâra ånd
+hard hropa to mvgane. Jon thåt is jêva was sêkêning, bern to-t-Aldergâ,
+to-t Flymar ut fâren mith 100 ånd 27 skêpum, tohrêth fâr en grôte
+butarêis, rik to lêden mith bårnstên, tin, kâper, yser, lêken, linnent,
+filt, fâmna filt fon otter, bêver ånd kanina hêr. Nw skold er fon
+hir jeta skriffilt mith nimma; tha to Jon hir kêm ånd sach ho Kålta
+vsa rom rika burch vrdên hêde, thâ wårther sâ uter mête heftich, that
+er mith al sinum ljudum vpper Flyburch of gvng ånd thêr to witterjeld
+thene râda hône an stek. Men thrvch sin skelta bi nacht ånd svme sinra
+ljudum wårth thju foddik ånd tha fåmna hret. Tach Syrhêd jefta Kålta
+ne mochton hja navt to fâtane, hju klvwde vppa utroste tinne, jahweder
+tochte that hju inna logha omkvma moste, thâ hwat bêrde? Dahwile al
+hira ljuda ståk ånd stif fon skrik standon, kêm hju skêner as â-to
+fora vp hira klêppar to hropande nêi Kålta min-âis [48]. Thâ strâmada
+thåt ora Skelde folk to hâpa. As tha stjurar that sâgon hripon hja fâr
+Minerva wy. En orloch is thêrut kvmen, hwêrthrvch thvsande fallen send.
+
+Under thesse tidon was Rôsamond thåt is Rôsa mvda Moder, hju hêde
+fûl in thêre minne dên vmbe frêtho to wârja, tach nw-t alsa årg kêm,
+myk hju kirte mête. Bistonda sand hju bodun thrvch tha land pâla
+ånd lêt en mêna nêdban utkètha, thâ kêmon thâ landwêrar ut alle wrda
+wêi. Thåt strydande land folk wårth al fat, men Jon burch hin selva
+mith sin ljud vppa sina flâte, mith nimand bêda tha foddika, byonka
+Minerva ånd tha fâmna fon bêdar burchum. Helprik thene hêrman lêt-im
+in banna, men tha hwila alle wêrar jeta o-ra Skelda wêron for Jon
+to bek nêi-t Flymar ånd forth wither nêi vsa ålandum. Sin ljud ånd
+fêlo fon vs folk namon wif ånd bern skêp, ånd as Jon nw sach that
+mån hin ånd sin ljud lik misdêdar strafja wilde, brudon hi stolkes
+hinne. Hi dêde rjucht, hwand al vsa landar ånd allet ora Skelda folk
+thêr fjuchten hêdon wrdon nêi Brittanja brocht. Thius stap was mis dên,
+hwand nv kêm t-anfang fon thåt ende:
+
+Kålta thêr nêi-t segse êven blyd vppet wêter as vppet land hlâpa
+machte, gvng nêi tha fåsta wal, ånd forth vppa Missellja of. Thâ kêmon
+tha Gola mith hjara skepum ut-a Middelsê Kâdik bifâra ånd êl vs uter
+land, forth fylon hja vp ånd over Brittannja thach hja ne mochton thêr
+nên fåsta fot ne krêja, vmbe thåt tha sjvrda weldich ånd tha bannalinga
+jeta fryas wêron. Men nw kêm Kålta ånd kêth, thv bist fry bern ånd vmbe
+litha lêka heth mån thi to vrwurpene mâkad, navt vmbe thi to bêterja,
+men vmbe tin to winnande thrvch thina handa. Wilst wêr fry wêsa ånd
+vnder mina rêd ånd hoda lêva, tjån ut then, wêpne skilun thi wrda,
+ånd ik skil wâka o-er thi. Lik blixen fjur gvng et o-era ålanda, ånd
+êr thes Kroders jol ênis omhlâpen hêde, was hju mâsterinne over al
+gadur ånd tha Thyrjar fon al vsa suder stâta til thêre Sêjene. [49]
+Vmbe that Kålta hira selva navt to fül bitrowada, lêt hju in-et
+northlika berchland êne burch bvwa Kålta-s burch wårth hju hêten, hju
+is jet anwêsa, men nv hêt hja Kêren-åk. Fon thjus burch welde hju lik
+en efte moder, navt to wille fâr men over hira folgar ånd tham hjara
+selva forth Kåltana [50] hêton. Men tha Gola weldon by grâdon over êl
+Brittanja, thåt kêm ênis dêlis that hju nên mâr burga nêde, twyas that
+hju thêr nên burchfâmna nêde ånd thryas thrvchdam hju nên efte foddik
+navt nêde. Thrvch al thessa êrsêka kvn hira folk navt ni lêra, thåt
+wrde dvm ånd dor ånd wrde endelik thrvch tha Gola fon al hira ysera
+wêpne birâwath ånd to thåt lesta lik en buhl by thêre nôse omme lêid.
+
+
+
+
+
+NV WILLATH WI SKRIVA HO-T JON VRGVNGEN IS, THIT STÊT TO TEXLAND
+SKRÊVEN.
+
+
+10 jêr åfter Jon wêi brit was, kêmon hyr thrju skêpa in-t Flymar falla,
+thåt folk hrip ho-n-sêjen, fon hira tålinga heth thju Moder thit skrywa
+lêten. Thâ Jon antha Middelsê kêm was then mâra thêra Gola hin vral
+fâr ut gvngen, alsa hi an thêri kâd fon tha hêinda Krêkalanda nårne
+fêlich nêre. Hi stêk thus mith sinum flâte nêi Lydia, thåt is Lyda his
+lând, thêr wildon tha swarta månniska fâta hjam ånd êta. To tha lesta
+kêmon hja et Thyrhis, men Minerva sêide hald of, hwand hir is thju loft
+ôlangne vrpest thrvch tha prestera. Thi kåning was fon Tünis ofstamed,
+sâ wi lêter hêrdon, men til thju tha prestera en kåning wilde håve thêr
+alderlangne nêi hjara bigrip wêre, alsa hêde hja Tünis to en gode up
+hêjad, to årgnisse sinra folgar. As hja nv Thyr åfter bek wêre, kêmon,
+tha Thyriar en skip uta åfte hoda râwa, nêidam thåt skip to fêr was,
+kvndon wi-t navt wither wina, men Jon swor wrêka thêrvr. Tha nacht
+kêm kêrde Jon nêi tha fêre Krêkalandum, to lesten kêmon hja by en
+land thåt bjustre skryl ut sa, men hja fondon thêr en havesmvda. Hir
+sêide Minerva skil by skin nên frêse to fara forstum nach presterum
+nêdich wêsa, nêidam hja algadur feta etta minna, thach thâ hja inner
+have hlipon fonth mån hja navt rum noch vmbe alle skêpa to bislûta,
+ånd thach wêron mêst alle to låf vmbe wider to gane. Alsa gvng Jon
+thêr forth wilde mith sin spêr ånd fône thåt jongk folk to hropande,
+hwa willinglik bi-m skâra wilde. Minerva thêr biliwa wilde dêde
+alsa. Thåt grâteste dêl gvng nêi Minerva, men tha jonggoste stjurar
+gvngon by Jon. Jon nam thêre foddik fon Kålta ånd hira fâmna mitha,
+ånd Minerva hild hira ajn foddik ånd hira ajn fâmna.
+
+Bitwiska tha fêrum ånd heinda Krêkalandum fand Jon svma êlanda thêr
+im likte, vppet grâteste gvng-er inna tha walda twisk thåt berchta en
+burch bvwa. Fon uta litha êlanda gvng-er ut wrêka tha Thyrjar skêpa
+ånd landa birâwa, thêrvmbe send tha êlanda evin blyd Râwer êlanda,
+as Jonhis êlanda [51] hêten.
+
+Tha Minerva thåt land bisjan hêde, thåt thrvch tha inhêmar Attika is
+hêten, sach hju that thåt folk al jêita hoder wêron, hja hildon hjara
+lif mith flesk, krûdum, wilde wotelum ånd hvning. Hja wêron mith felum
+tekad ånd hju hêdon hjara skula vppa hellinga thêra bergum. Thêrthrvch
+send hja thrvch vs folk Hellinggar hêten.
+
+Thåt forma gvngon hja vppa run, tha as hja sâgon that wi navt ne
+tâldon nêi hjara skåt, thâ kêmon hja tobek ånd lêton grâte âtskip
+blika. Minerva frêjde jef wi vs in thêre minna machte nither
+setta. That wrde to staden vnder biding that wi skolde helpa hjam
+with hjara swetsar to stridande, thêr alan kêmon hjara bern to
+skâkana ånd hjara skât to râwana. Thâ bvwadon wi êne burch arhalf
+pâl fon thêr have. Vppa rêd Minervas wårth hju Athenia [52] heten:
+hwand sêide hju, tha åfter kvmand agon to wêtane, that wi hir navt
+thrvch lest ner weld kvmen send, men lik âtha vntfongen. Dahwile wi
+an thêre burch wrochton kêmon tha forsta, as hja hja nv sagon that
+wi nên slavona hêde, sind er sok navt, ånd lêton-t an Minerva blika,
+til thju hja tochton that en forstene wêre. Men Minerva frêja, ho bist
+wel an thina slâvona kvmen? Hja andere, svme håvath wi kâpad, ôra anna
+strid wnnen. Minerva sêide, sâhwersa ninman månneska kâpja nilda sa
+ne skolde ninman jvw bern râwa ånd i ne skolda thêrvr nên orloch håve,
+wilst thus vsa harlinga biliwa sâ mot-i thina slâvona fry lêta.
+
+That nv willath tha forsta navt, hja willath vs wêi driwa. Men thâ
+klokeste hjarar ljuda kvmath helpa vsa burch ta bvmande, thêr wi nv
+fon stên mâkja.
+
+Thit is thju skêdnesse fon Jon ånd Minerva.
+
+As hja that nw ella tellad hêde, frêjath hja mith êrbjadenesse vm
+yrsene burchwêpne, hwand sêidon hja vsa lêtha send weldich, tha sa
+wi efta wâpne håve, skillon wi ra wel wither worda. As hju thêran
+to stemad hêde, frêjath tha ljuda jef tha Fryas sêda to Athenia ånd
+tha ôra Krêkalanda bloja skolde, thju Moder andere, jef tha fêre
+Krêkalanda to tha erva Fryas hêra, alsa skilum hja thêr bloja, ne
+hêrath hja navt thêr to, alsa skil thêr lang over kåmpad wrda mote,
+hwand thene kroder skil jeva fifthusand jêr mith sin Jol ommehlâpa,
+bifara thåt Findas folk rip to fâra frydom sy. [53]
+
+
+
+
+
+THIT IS OVER THA GÊRTMANNA.
+
+
+Thâ Hellênja jefta Minerva sturven was, tha bâradon tha prestera
+as jef hja mith vs wêron, til thju that hel blika skolde havon hja
+Hellênia to-ne godene ute kêth. Ak nildon hja nêne ore Moder kjasa
+lêta, to segande, hja hêde frêse that er emong hira fâmna nimman wêre,
+thêr hja sa god kvnde trowa as Minerva thêr Nyhellênia tonomt was. Men
+wi nildon Minerva navt as êne godene navt bikånna, nêidam hja selva
+seid hêde that nimman god jefta fvlkvma wêsa ne kvnde thån Wr.aldas
+gâst. Thêrumbe kêron wi Gêrt Pire his toghater to vsa Moder ut.
+
+As tha prestera sagon that hja hjara hering navt vp vsa fjvr brêda
+ne mochton, thâ gvngon hja buta Athenia ånd sêidon that wi Minerva
+navt to-ne godene bikåna nilda ut nyd, vmbe that hju tha inhêmar
+sâ fûl ljafde biwêsen hede. Forth javon hja that folk byldnisse fon
+hira liknese, tjûgande that hja thêrlan ella frêja machte alsa naka
+hja hêroch bilewon. Thrvch al thissa tellinga warth thåt dvma folk
+fon vs ofkêrad ånd to tha lesta fylon hja vs to lif. Men wi hêdon vsa
+stêne burchwal mith twam hornum om têjen al to tha sê. Hja ne machton
+vs thervmbe navt nâka. Thach hwat bêrde, an Êgiptalanda thêr wêre en
+overprester, hel fon âgnum, klâr fon bryn ånd licht fon gâst, sin nâm
+wêre Sêkrops, [54] hy kêm vmb rêd to jêvane. As Sêkrops sach that er
+mith sinum ljuda vsa wal navt biranna ne kv, thâ sand hi bodon nêi
+Thyrhis. Afternêi kêmon er thrja hvndred skipun fvl salt-âtha fon
+tha wilde berchfolkum vnwarlinga, vsa hâva bifâra, dahwila wy mith
+alle mannum vppa wallum to strydande wêron.
+
+Drêi as hja thju hâva innomth hêde wildon tha wilda salt-âtha thåt
+thorp ånd vsa skipa birâwa. Ên salt-âthe hêde al en bukja skånd,
+men Sêkrops wilde thåt navt ne hångja, ånd tha Thyrjar stjurar thêr
+jeta Fryas blod int lif hêde sêidon, aste that dêiste sâ skilun
+wi tha râde hône in vsa skypa stêka ånd thv ne skilst thina berga
+na withera-sja. Sêkrops tham navt ne hilde ni fon morthja nor fon
+hommelja, sand bodon nêi Gêrt vmbir tha burch of to askja, hju
+macht frya uttochte hâ mith al hira drywande ånd bêrande hâva, hira
+folgar alsa fül. Tha wista thêra burchhêrum êl god sjande thåt hja
+tha burch navt hâlda ne kvnde, rêden Gêrt hja skolde gaw to bitta,
+bi fira Sêkrops wodin wrde ånd overs bigvnde, thrê mônatha åfter
+brûde Gêrt hinne mith tha alder besta Fryas bern ånd sjugum wara twilf
+skypum. Thâ hja en stût buta thêre have wêron kêmon thêr wel thritich
+skêpun fon Thyrhis mit wif ånd bern. Hja wilde nêi Athênia gâ, tha as
+hja hêrdon ha-t thêr eskêpen stande gvngon hja mit Gêrt. Thi wêtking
+thêra Thyrjar brocht algadur thrvch tha strête [55] thêr vnder thisse
+tida vppa tha râde sê uthlip. Et leste lândon hja et Pangab, that is
+in vsa sprêke fif wêtervm, vmbe that fif rinstrâma mith hiri nêi tha
+sê to strâme. Hyr seton hja hjara selva nithar. That lånd håvon hja
+Gêrtmannja hêton. Thene kêning fon Thyrhis åfternêi sjande that sin
+alderbesta stjurar wei brit wêren sand al sin skipa mith sina wilde
+saltâtha vmb-er dâd jefta lêvand to fâtane. Men as hjå by thêre strête
+kêm bêvadon bêde sê ånd irtha. Forth hêf irtha hira lif thêr vppa,
+sâ hâg that al et wêter to thêre strête uthlip, ånd that alle wata
+ånd skorra lik en burchwal to fâra hjam vp rêson. That skêde over
+tha Gêrtmanna hjara dügda lik as allera mannalik hel ånd klâr mêi sja.
+
+
+
+
+
+AN THA JÊRA 1000 AND 5 [56] NÊI ALDLAND SVNKEN IS, IS THIT VPP-INA
+ASTERWACH IT FRYAS BURCH WRITEN.
+
+
+Nêi that wi in twilif jêr tid nên Krêkalandar to Almanlând sjân
+hêde, kêmon thêr thrju skêpa sa syrlik as wi nên hêdon ånd to fara
+nimmer nêde sjan. Vppet storoste thêra wêre-n kêning thêra Jhonhis
+êlandum. Sin nôme wêre Ulysus ånd tha hrop ovir sin wisdom grât. This
+kêning was thrvch êne presteresse forsêid, that er kêning wertha
+skolde ovir alla Krêkalanda sa-r rêd wiste vmbe-n foddik to krêjande,
+thêr vpstêken was anda foddik it Texland. Vmbe-r to fensane hêder
+fêle skåta mith brocht, boppa ella fâmne syrhêdum, alsa thêr in
+wralda navt skênener mâkad wrde. Hja kêmon fon Troja en stede tham
+tha Krêkalandar innimth hêdon. Al thissa skåta bâd hi tha Moder an,
+men thju Moder nilde nârne fon nêta. As er to lesta sa, that hju navt
+to winne wêre, gvng er nêi Walhallagara [57].
+
+Thêr was en fâm sêten, hjra nôme wêre Kât, tha inna wandel wrde hju
+Kalip [58] hêten ut hawede that hjara vnderlip as en utkikbored
+farutståk. Thêrby heth er jêron hwilth to årgenisse fon al tham
+et wiston. Nêi thêra fâmna hrop heth er to lesta en foddik fon hir
+krêjen, tha hja heth im navt ne bât, hwand as er in sê kêm is sin
+skip vrgvngon ånd hy nâked ånd blât vpnimth thrvch tha ôthera skêpa.
+
+Fon thisse kêning is hyr en skryver åfterbilêwen fon rên Fryas blod,
+bårn to thêre nêie have fon Athênia ånd hwat hyr folgath het er vs
+fon ovir Athênia skrêven, thêrut mêi mån bisluta, ho wêr thja Moder
+Hel-licht sproken heth, thâ hja sêide thåt Fryas sêda to Athênia nên
+stand holde ne kvste.
+
+Fon tha ôthera Krêkalander hetste sêkur fül kwâd ovir Sêkrops hêred,
+hwand hi wêre in nên gode hrop. Men ik dâr segse, hi wêre-n lichte man,
+hâchlik romed alsa sêr bi tha inhêmar as wel bi vs, hwand hi wêre
+navt vmbe tha månniska to diapana sa tha ôra prestera, men hi wêre
+dügedsêm ånd hi wist tha wisdom thêra fêrhêmanda folkum nêi wêrde to
+skåtande. Thêrvmbe that er that wiste, hêde-r vs to stonden that wi
+machte lêva nêi vs ajn êlik Sêgabok. Thêr gvng en telling that er vs
+nygen were, vmbe that er tjucht wêsa skolde ut en Fryaske mangêrte ånd
+Êgiptiska prester, uthawede that er blâwe âga hêde, ånd that er fül
+mangêrta fon vs skâkt wêron ånd in ovir Egiptalande vrsellath. Tha
+selva heth er nimmerte jecht. Ho-t thêrmêi sy, sêkur is-t that er
+vs mâra âthskip biwês as alle ôthera prestum to sêmne. Men as er
+fallen was, gvngon sina nêimanninga alring an vsa êwa torena ånd bi
+grâdum sa fêlo mislikanda kêra to mâkjande, that er to lônge lesta
+fon êlik sa ånd fon frydom ha navt ôwers as tha skin ånd tha nôme
+vrbilêf. Forth nildon hja navt ne dâja that-a setma an skrift brocht
+wrde, hwerthrvch tha witskip thêra far vs forborgen wårth. To fâra
+wrdon alle sêkum binna Athênia in vsa tâl bithongon, åfternêi most
+et in bêda tâla skên ånd to lesta allêna in tha landis tal. In tha
+êrosta jêra nam that manfolk to Athênia enkel wiva fon vs ajn slacht,
+men that jongkfolk vpwoxen mitha mangêrta thêr landsâton namen thêr âk
+fon. Tha bâstera bern tham thêrof kemon wêron tha skênsta ånd snodsta
+in wralda, men hja wêron âk tha årgsta. To hinkande vr byde syda,
+to mâlande her vm sêda ner vm plêga, hit ne sy that et wêre for hjara
+ajne held. Alsa nâka thêr jeta-n strêl fon Fryas gâst weldande wêre
+wårth al et bvwspul to mêna werka forwrochten ånd nimmån ne mocht en
+hus to bvwande, thåt rumer ånd riker wêre as thåt sinra nêstum. Tha
+thâ svme vrbastere stêdjar rik wêron thrvch vs fâra ånd thrvch et
+sulver, thåt tha slâvona uta sulverlôna wnnon, thâ gvngon hja buta
+vppa hellinga jefta inda dêla hêma. Thêr beftha hâga wallum fon lôf
+tha fon stên bvwadon hja hova mith kestlik husark, ånd vmbe by tha wla
+prestrum in en goda hrop to wêsande, ståldon hja thêr falska drochten
+likanda ånd vntuchtiga bilda in. By tha wla prestrum ånd forstum wrdon
+tha knâpa al tomet mâra gêrt as tha toghatera, ånd fâken thrvch rika
+jefta thrvch weld fon et pad thêre düged ofhlêid. Nêidam rikdom by
+thåt vrbrûde ånd vrbasterde slachte fêr bvppa düged ånd êre jelde, sach
+mån altomet knâpa tham hjara selva mit rûma rika klâtar syradon, hjara
+aldrum ånd fâmna to skônda ånd hjara kvnna to spot. Kêmon vsa ênfalda
+aldera to Athênia vppe thêre mêna acht ånd wildon hja thêrvr bâra,
+sâ warth ther hropen, hark, hark, thêr skil en sêmomma kêtha. Alsa
+is Athênia wrdon êlik en brokland anda hête landa, fol blodsûgar,
+pogga ånd feniniga snâka, hwêrin nên månniske fon herde sêdum sin
+fot navt wâga ne mêi.
+
+
+
+
+
+THIT STAT IN AL VSA BURGA.
+
+
+Ho vsa Dênamarka [59] fâra vs vlêren gvngon 1600 ånd 2 jêr [60] nêi
+Aldland vrgongen is. Thrvch Wodins dor ånd dertenhêd was thene Magy
+bâs wrden ovir Skênlandis astardêl. Wra berga ånd wr-n sê ne tvrade
+hi navt ne kvma. Thju Moder wildet navt wêrha, hja sprêk ånde kêth,
+ik sja nên frêse an sina wêpne, men wel vmbe tha Skênlander wêr to
+nimmande, thrvchdam hja bastered ånd vrdêren sind. Vppa mêna acht
+toch te man alên. Thêrvmbe is-t im lêten. Grât 100 jêr lêden byondon
+tha Dênemarkar to wandelja mith hjam. Hja jêvon him ysere wêpne ånd
+rêdskip thêr fori wandeldon hja golden syrhêdon bijunka kâper ånd
+yserirtha. Thju Moder sand bodon ånd rêd-er, hja skolde thju wandel
+fâra lêta. Thêr wêre frêse sêide hju fori hjara sêdum, ånd bitham
+hja hjara sêde vrlêren, thån skolde hja âk hjara frydom vrljasa. Men
+tha Dênemarkar nêde narne âra nei, hja nilda navt bigrippa that hjara
+sêde vrbrûde kvste, thêrvmbe ne meldon hja hja navt. To lônga lesta
+brochton hja ajne wêpne ånd liftochta wêi. Men thåt kwâd wrocht hjara
+gêia. Hjara lichêma wrdon bilâden mêi blik ånd skin, men hjara arka
+spynton ånd skvra wrdon lêtoch. Krek hondred jêr eftere dêi that et
+forma skip mit liftochta fona kâd fâren was, kêm ermode ånd lek thrvch
+tha anderna binna, honger sprêda sina wjvka ånd strêk vppet land
+del, twispalt hlip stolte in overe strêta ånd forth to tha hûsa in,
+ljafde ne kv nên stek lônger navt finda ånd êntracht run êwêi. Thåt
+bårn wilde êta fon sina måm ånd thju måm hêde wel syrhêdon tha nên
+êta. Tha wiva kêmon to hjara manna, thissa gvngon nêi tha grêva, tha
+grêva nêdon selva nawet of hildon-t skul. Nw most mån tha syrhêdon
+vrsella, men thawila tha stjurar thêrmêi wêi brit wêron kêm frost
+ånd lêi-n plônk del vppa sê ånd wra strête. Tha frost thju brigge
+rêd hêde, stop wâkandon thêrwr to-t land ut ånd vrêd klywade vpper
+sêtel. In stêde fon tha owera to biwâkande spandon hja hjara horsa
+for hjara togum ånd runon nêi Skênland thâ. Tha Skênlander, tham nêy
+wêron nêi that land hjarar êthla kêmon nêi tha Dênemarkum. Vppen helle
+nacht kêmon hja alla. Nw sêidon hja that hja rjucht hêde vppet land
+hjarar êthlon ånd thahwil that mån thêrvr kåmpade kêmon tha Finna in
+tha lêtoga thorpa ånd runadon mith tha bern ewêi. Thêrtrvch ånd that
+hja nên goda wêpne navt nêdon, dêd hjam tha kåsa vrljasa ånd thêrmêi
+hjari frydom, hwand thene Magy wrde bâs. That kêm that hja Fryas tex
+navt lêsde ånd hira rêdjêvinga warlâsed hêde.
+
+Ther send svme thêr mêne that hja thrvch tha grêva vrrêden send,
+that tha fâmna thåt lông spêrath hêdon, tha sa hvam sa thêr vr kêtha
+wilde, tham is mvla wrdon to smôrath mith golden kêdne. Wi ne mügan
+thêrvr nên ordêl to fellande, men wi willath jo tohropa, ne lên navt
+to sêre vppa wisdom ånd düged ni fon jvwa Forsta, ni fon jowa fâmna,
+hwand skel et halda sa mot allera mannalik wâka ovir sin ajna tochta
+ånd for-t mêna held.
+
+Twa jêr nêidam kêm thene Magy selva mith en flâte fon lichte kânum,
+tha Moder fon Texland ånd tha foddik to râwane.
+
+Thås årge sêke bistonde-r thes nachtis anda winter by storne tydum
+as wind gûlde ånd hêjel to jenst tha andêrna fêtere. Thi utkik thêr
+mênde thater awet hêrde ståk sin balle vp. Tha drêi as et ljucht
+fon êr tore vppet ronddêl falda, sa-r that al fêlo wêpende manna wra
+burchwal wêron. Nw gvng-er to vmbe tha klokke to lettane, tha et wêre
+to lêt. Êr tha wêre rêd wêre, wêron al twa thusand ina wêr vmbe tha
+porte to rammande. Strid hwilde thervmbe kirt, hwand thrvchdam tha
+wêra navt nên gode wacht halden nêde, kêmon alle om.
+
+Hwil that alrek drok to kåmpane wêre, was thêr en wla Fin to
+thêre flête jefta bedrum fon thêre Moder inglupth, ând wilde hja
+nêdgja. Tha thju Moder wêrd-im of that er bekwârd tojênst tha wâch
+strumpelde. Thâ-r wither vpa bên wêre stek er sin swêrd to ir buk in
+segsande, nilst min kul navt sâ skilst min swêrd ha. After im kêm
+en skiper fona Dênemarka, thisse nam sin swêrd ånd hif thêne Fin
+thrvch sina hole. Thêrut flât swart blod ånd thêrvr swêfde-n blâwe
+logha. Thi Magy lêt thju Moder vpa sinra skip forplêgja. As hju
+nw wither alsa fêre hêl ånd bêter wêr that hju fåst sprêka machte,
+sêide thene Magy that hju mith fâra moste, tha that hju hira foddik
+ånd fâmna halda skolde, that hju en stât skolde nyta sâ hâch as hju
+to fara na nêde kenth. Forth sêide-r thåt hi hiri frêja skolde in
+ajnwarde fon sinum forsta, jef er mâster skolde wertha over alle
+lânda ånd folkra Fryas. Hi sêide that hju that bijâe ånd bijechta
+most, owers skolde-r vnder fêlo wêja sterva lêta. As er thêr after al
+sinra forsta om ira lêger to gadurad hêde frêjer lûd, Frâna vrmites
+i klârsjande biste most m.ênis segsa of ik mâster skil wertha over
+alle lânda ånd folkra Fryas. Frâna dêde as melde hja him navt. To
+lônga lesta êpende hju hira wêra ånde kêth, min âgun wrde thjûstred,
+tha that ôre ljucht dêgth vp in minara sêle. Jes, ik sja-t. Hark
+Irtha ånd wês blyde mith my. Vndera tydum that Aldland svnken is,
+stand thju forma spêke fon thet Jol an top. Thêrnêi is hju del gvngon
+ånd vsa frydom mith tham. As er twa spêka jeftha 2000 jêr del trûled
+het, sâ skilun tha svna vpstonda thêr tha forsta ånd prestera thrvch
+hordom bi-t folk têled håve, ånd tojenst hjara tâta tjugha. Thi alle
+skilum thrvch mort swika, men hwat hja kêth håve skil forth bilywa
+ånd frûchdber wertha in-a bosme thêra kloke månniska, alsa lik gode
+sêdum thêr del lêid wrde in thinra skât. Jeta thûsand jêr skil thju
+spêke then del nyga ånd al mâra syga anda thjusternesse ånd in blod,
+ovir thi utstirt thrvch tha lâga thêr forsta ånd prestera. Thêrnêi
+skil thet mornerâd wither anfanga to glora. Thit sjande skilun tha
+falska forsta ånd prester alsamen with frydom kåmpa ånd woxelja, men
+frydom, ljafde ånd êndracht skil-et folk in hjara wach nêma ånd mit
+thet jol risa uta wla pol. Thåt rjucht thåt erost allêna glorade,
+skil than fon lêjar laja to-n logha wertha. That blod thêra årgum
+skil ovir thin lif strâma, men thu ne mügth et navt to thi nêma. To
+tha lesta skil thåt feninige kwik thêr vp âsa ånd thêrof sterva. Alle
+wla skêdnese tham forsunnen send vmbe tha forsta ånd prestera to boga,
+skilun an logha ofred wertha. Forth skilun al thinra bern mith frêtho
+lêva. Thâ hju utspreken hêde, sêg hju del. Men thene Mâgy tham hja
+navt wel forstân hêde krêth, ik håv thi frêjeth, jef ik bâs skilde
+wertha ovir alle lânda ånd folkra Fryas, ånd nw håste to en other
+sproken. Frâna rjuchte hiri wither, sach im star an ånd kêthe: êr
+sjugun etmelde om send, skil thin sêle mitha nachtfüglon to tha grâwa
+omme wâra ånd thin lik skil ledsa vppa bodem fona se. Êl wel sêide
+thene Magy mith vrborgne wodin, segs men thåt ik kvme. Forth sêider
+to jenst ên sinar rakkarum, werp that wif vr skippes bord. Althus
+wêr-et ende fon-re leste thêra Moderum [61]. Wrêke willath wi thêr
+vr navt ne hropa, tham skil tyd nima. Men thûsand wâra thûsand mêl
+willath wi Frya åfternêi hropa: wâk-wâk-wâk.
+
+
+
+
+
+HO-T THENE MAGY FORTH VRGVNGON IS.
+
+
+Nêi that tha modder vrdên was, lêter tha foddik ånd tha fâmna to
+sina skip to brenga bijunka alle inbold thêr im likte. Forth gvng
+er thåt Flymâr vp, hwand hi wilde tha fâm fon Mêdêasblik jeftha fon
+Stâvora gabja ånd tham to Moder mâkja. Tha thêr wêron hja vp hjara
+hodum brocht. Tha stjurar fon Stâvora ånd fon thåt Alderga hêdon hini
+gêrn to Jonis togen, men tha grâte flâte wêre vppen fêre tocht ût. Nw
+gvngon hja to ånd foron mith hjra littige flâte nêi Mêdêasblik ånd
+hildon hja skul after thât ly thêra bâmun. Thi Mâgy nâkade Mêdêasblik
+bi helle dêi ånd skynander svnne. Thach gvngon sina ljuda drist drist
+wêi vppera burch to runnande. Men as allet folk mith tha bôtum land
+was, kemon vsa stjurar utêre krêke wêi ånd skâton hjara pila mith
+târbarntin bollum vp sinra flâte. Hja wêron alsa wel rjucht that fêlo
+sinra skêpun bistonda anna brônd wêron. Tham vppa skêpun wachton,
+skâton âk nêi vs thâ, thach thåt ne rojade nawet. As er to lesta en
+skip al barnande nêi-t skip thes Mâgy dryf, bifel-er sin skiper hi
+skolde ofhâde, men thene skiper that wêre thene Dênemarker thêr thene
+Fin felad hêde, andere, thv hest vse Êremoder nêi tha bodem fona sê
+svnden to meldande thatste kvma skolde, thit skoste thrvch tha drokhêd
+wel vrjetta; nw wil ik njude thatste thin word jecht. Thi Mâgy wild-im
+ofwêra; men thene skiper, en åfte Fryas ånd sterik lik en jokoxe,
+klipade bêda sinum hônda om sin hole ånd hif hini vr bord into thåt
+wellande hef. Forth hês er sin brune skild an top ånd for rjucht to
+rjucht an nêi vsa flâte. Thêrthrvch kêmon tha fâmna vnforlet to vs,
+men tha foddik was utgvngon ånd nimman wiste ho-t kêmen was. Tha hja
+vppa vnfordene skêpa heradon, that thene Mâgy vrdrvnken was, brûde
+hja hinne, hwand tha stjurar thêra mêst Dênemarkar wêron. Nêi that tha
+flâte fêr enoch ewêi wêre, wendon vsa stjurar ånd skâton hjara barnpila
+vppa tha Finna del. Thâ tha Finna thus sagon, ho hja vrrêden wêron,
+hlip alrik thrvch vr ekkdrum ånd thêr nêre lônger nên hêrichhêd ni
+bod. To thisre stonde run tha wêre hju ut têre burch. Tham navt ne
+fljuchte, werth afmakad, ånd thêr fljuchte fvnd sin ende into tha
+polum fon et Krylinger wald.
+
+
+
+
+
+NÊISCHRIFT.
+
+
+Thâ tha stjurar an da kreke lêjon was thêr en spotter fon ut
+Stavora mank, thêr sêide, Mêdêa mei lakkja, sa wi hyr ut hjra burch
+reda. Thêrvmbe håvon tha fâmna thju krêke Mêdêa mêi lakkja [62] hêten.
+
+Tha bêrtnissa thêr afternêi skêd send, mêi alra mannalik hügja. Tha
+fâmna hagon tham nei hjara wysa to tella ånd wel biskriwa
+lêta. Thêrvmbe rêkenjath wi hirmitha vsa arbêd fvlbrocht. Held.
+
+
+ Ende fon 't Bok.
+
+
+
+
+
+THA SKRIFTA FON ADELBROST AND APOLLONIA
+
+
+Min nôm is Adelbrost svn fon Apol ånd fon Adela. Thrvch min folk
+ben ik kêren to Grêvetman ovira Linda wrda. Thêrvmbe wil ik thit bok
+forfolgja vp alsa dênera wisa as mine mem sproken heth.
+
+Nêi that thene Mâgy felt was ånd Fryasburch vp stel brocht, most er
+en moder kêren wertha. Bi-ra lêva nêde thju Moder hira folgstera navt
+nômth. Hira lersta wille was sok ånd narne to findne. Sjugun mônatha
+åfter werth er en mêna acht bilidsen ånd wel to Grênegâ [63] ut êrsêke
+that anna Saxanamarka pâlth. Min mem werth kêren, men hju nilde nên
+Moder wêsa. Hju hêde heth lif minar tât hrêd, thêrthruch hêden hja
+ekkorum lyaf krêjen ånd nw wildon hja âk gâdath wertha. Fêlon wildon
+min mem fon er bislut ofbrenga; men min mem sêide, en Êremoder âcht
+alsa rên in -ra mod to wêsana as hja buta blikt ånd êven mild far al
+hjara bern. Nêidam ik Apol nw lyaf håv boppa ella in wralda, sâ ne
+kån ik sâ-ne Moder navt nêsa. Sâ sprek ånd kêth Adela, men tha ôra
+burchfâmna wildon algâder Moder wêsa. Alrek stât thong fori sinera
+åjne fâm ånd nilde navt fyra. Therthrvch nis er nêne kêren ånd heth
+rik thus bandlâs. Hyr åfter müg-it bigripa.
+
+Ljudgêrt, tham kêning thêr hêmesdêga fallen is, was bi thêre Moder-is
+lêva kêren blikbêr trvch alle stâtha mith lyafde ånd trjvw. Heth
+wêre sin torn vmbe vppin eth grâte hof to Dok-hêm [64] to hêmande,
+ånd bi thêre Moder-is lêva wrd-im ther grâte êr biwêsen, hwand et
+wêre immer sa ful mith bodon ånd riddarum fon hêinde ånd fêre as-m-å
+to fora na nêde sjan. Tach nw wêr-er ênsêm and vrlêten, hwand alrek
+wêre ange that-er him mâster skolde mâkja boppa heth rjucht ånd welda
+ê-lik tha slâvona kêninggar. Elk forst wânde forth that-er enoch
+dêde as er wâkade ovir sin åjn stât; ånd thi ên ne jêf nawet tâ antha
+ôthera. Mith-êra burchfamna gvnget jeta årger to. Alrek thisra bogade
+vppira åjne wisdom ånd sahwersa tha Grêvetmanna awet dêdon buta hjam,
+sâ wrochten hja mistryvwa bitwiska tham ånd sinum ljudum. Skêder en
+sêke thêr fêlon stâtha trof ånd hêde mån thju rêd êner fâm in wnnen,
+sâ kêthon alle ôthera that hju sproken hêde to fêre fon hjra åjne
+stât. Thrvch althus dênera renka brochton hja twyspalt in ovira stâtha
+ånd torendon hja that band sâdêne fon ên, that et folk fon tha ênne
+stât nythich wêre vppet folk fon en ora stât ånd fâret alderminesta
+lik fêrhêmande biskôwade. Thju fêre thêra is wêst that tha Gola jeftha
+Trowyda vs al-êt lând of wnnen håven al ont thêra Skelda ånd thi Magy
+al to thêre Wrsâra. Ho-r thêrby to gvngen is, heth min mem vntlêth,
+owers nas thit bok navt skrêven ne wrden, afskên ik alle hâpe vrlêren
+håv tha-et skil helpa thâ bâta. Ik ne skryw thus navt inna wân,
+thet ik thêrthrvch thet lånd skil winna jeftha bihaldane, that is
+minra achtne vndvalik, ik skryw allêna fâr et åfter kvmande slacht,
+til thju hja algâdur wêta müge vp hvdêna wisa wy vrlêren gvnge,
+ånd tha alra mannalik hyr ut lêra mêi that elk kwâd sin gêja têlath.
+
+My heth mån Apollônja hêten. Twyia thritich dêga nêi måm hira dâd heth
+mån Adelbrost min brother vrslêjen fonden vppa wårf, sin hawed split
+ånd sina lithne ût ên hrêten. Min tât thêr siak lêide is fon skrik
+vrsturven. Thâ is Apol min jungere brother fon hyr nêi thêre westsyde
+fon Skênlând fâren. Thêr heth er en burch ebuwad, Lindasburch [65]
+hêten, vmbe dâna to wrekana vs lêth. Wr.alda heth-im thêr to fêlo
+jêra lênad. Hy heth fif svna wnnen. Altham brengath thêne Magy skrik
+ånd min brother gôma. After måm ånd brother-is dâd send tha fromesta
+fon-ut-a lândum to ekkôrum kvmen, hja havon en bând sloten Adelbând
+hêten. Til thju vs nên leth witherfâra ne skolde, håvath hja my ånd
+Adelhirt min jungste brother vpper burch brocht, my by tha fâmna ånd
+min brother by tha wêrar. Thâ ik thritich jêr werê heth man my to
+Burchfâm kêren, ånd thâ min brother fiftich wêre, werth-er keren to
+Grêvetman. Fon måm-is syde wêre min brother thene sexte, men fon tât
+his syde thene thride. Nêi rjucht machton sine åfterkvmande thus nên
+overa Linda åfter hjara nômun navt ne fora, men alra månnalik wildet
+håva to êre fon mina måm. Thêr to boppa heth mån vs åk en ofskrifte
+jêven fon thet bok thêra Adela follistar. Thêr mitha ben ik thet
+blydeste, hwand thrvch min måm hjra wisdom kêm-et in wralda. In thas
+burch håv ik jeta ôra skrifta fvnden, thêr navt in 't bok ne stan,
+åk lovsprêka ovir min måm, altham wil ik åfter skriva.
+
+Thit send tha nêilêtne skrifta Brunnos, ther skrywer wêsen is to
+thisre burch. After that tha Adela follistar ella hêde lêta overskryva
+elk in sin rik, hwat wryt was in vppa wâgarum thêra burgum, bisloton
+hja en Moder to kjasane. Thêrto wårth en mêna acht bilêid vp thisra
+hêm. After tha forme rêd Adelas wårth Tüntja bifolen. Ak skoldet slâcht
+håve. Thach nw frêge min Burgtfâm thet wort, hju hede immerthe wênich
+wêst thåt hju Moder skolde wertha, ut êrsêke thåt hju hyr vpper burch
+sat, hwana mêst alle Moderum kêren wêron. Tha hju thet word gund was,
+êpende hju hira falxa wêra ånde kêth: I alle skinth årg to heftane
+an Adelas rêd, tha thåt ne skil thêrvmde min mvla navt ne sluta ner
+snôra. Hwa tach is Adela ånd hwâna kvmt et wêi thåtster sokke hâge
+love to swikth. Lik ik hjuddêga is hju to fara hyr burchfâm wêst. Tha
+is hju thêr vmbe wiser jefta bêtre as ik ånd alle ôthera, jefta is hju
+mâr stelet vppvsa sêd ånd plêgum. Hwêre thåt et fal, sâ skolde hju wel
+Moder wrden wêsa, thâ hju thêrto kêren is, men nêan hju wilde rêder
+ennen bosta ha mith all joi ånd nochta thêr er anebonden send, in stêd
+fon ênsum over hjam ånd et folk to wâkane. Hju is êl klarsjande, god,
+men min âgne ne send fêr fon vrthjustred to wêsane. Ik håv sjan thåt
+hju hira fryadelf herde minth, nw god, thåt is lovelik, men ik håv
+forther sjan thåt Tüntja Apol-is nift is. Wyder wil ik navt ne sedsa.
+
+Tha forsta bigripen êl god, hwêr hju hly sochte, men emong et folk
+kêm twyspalt, ånd nêidam heth maradêl fon hyr wei kêm, wilde-t Tüntja
+thiu êre navt ne guna. Rêdne wrde stopth, tha saxne tâgon uta skådne,
+men thêr ne wårth nêne Moder kêren. Kirt åfter hêde annen vsera bodne
+sin makker fåleth. Til hjuddêga hêde der frod wêsen, thêrvmbe hede
+min burchfâm orlovi vmb-im buta tha lândpâla to helpane. Thach in
+stêd fon im to helpane nêi thet Twiskland, alsa fljuchte hju selva
+mith im overe Wrsara ånd forth nêi tha Mâgy. Thi Mâgy tham sina
+Fryas svna hagja wilde stald-iri as Moder to Godaburch et Skênland,
+mên hju wilde mâr, hju sêid-im thåt sahwersa hi Adela vpruma koste,
+hi måster skolde wertha over êl Fryas land. Hju wêr en fyand fon Adele
+sêide hju, hwand thrvch hjra renka nas hju nên Moder wrden. Sahwersa
+hy hir Texland forspreka wilde, sa skolde hjra boda sina wichar to
+wêiwyser thjanja. Al thissa sêka heth hjra boda selva bilyad.
+
+
+
+
+
+THET OTHERA SKRIFT.
+
+
+Fiftian monatha nêi thêre lerste acht wêr-et Frjunskip jeftha
+Winnemônath. Alleramånnelik jef to an mery mery fru ånd bly, ånd nimman
+nêde diger than to âkane sina nocht. Thach Wr.alda wild vs wysa, thåt
+wâkendom navt vrgamlath wrde ne mêi. To midne fon-et fêst fyrja kêm
+nêvil to hullande vsa wrda in thikke thjusternise. Nocht runde wêi, tha
+wâkendom nilde navt ne kêra. Tha strandwâkar wêron fon hjara nêd fjura
+hlâpen ånd vppa tha topâdum nas nênen to bisja. Thâ nêvil ewêi tâch,
+lokte svnne thrvch tha rêta thêra wolkum vp irtha. Alrek kêm wither
+ut to juwgande ånd to jolande, thet jungk folk tâch sjongande mitha
+gürbâm [66] ånd thisse overfulde luft mith sina liaflika âdam. Men
+thahwila thêr alrek in nocht bâjada, was vrrêd lând mith horsum ånd
+ridderum. Lik alle årga wêron hja helpen thrvch thjusternisse, ånd
+hinne glupath thrvch Linda waldis pâda. To fâra Adelas dure tagon
+twilif mangêrtne mith twilif låmkes ånd twilif knâpa mith twilif
+hoklinga, en junge Saxmån birêd en wilde bufle thêr er selva fensen
+hêde ånd tåmad. Mith allerlêja blomma wêron hja siarad, ånd tha linnen
+tohnekna thêra mångêrtne wêron omborad mith gold ut-er Rêne.
+
+Thâ Adela to hira hus ut vppet slecht kêm, fol en blomrêin del vppira
+hole, alle juwgade herde ånd tha tot-horne thêra knâpum gûldon boppa
+ella ut. Arme Adela, årm folk, ho kirt skil frü hir bydja. Thâ
+thju lônge skåre ut sjocht wêre kêm er en hloth mâgjara ridderum
+linrjucht to rinnande vp Adelas hêm. Hira tât ånd gâde wêron jeta
+vppa stoppenbenke sêten. Thju dure stond êpen ånd thêr binna stand
+Adelbrost hira svna. As er sach ho sina eldra in frêse wêron, gripter
+sine bôge fon-ere wâch wêi ånd skât nêi tha foresta thêra râwarum;
+this swikt ånd trulde vppet gårs del; overne twade ånd thride was
+en êlik lôt biskêren. Intwiska hêdon sina eldra hjara wêpne fat, ånd
+tagon vndyger to Jonis. Tha râwera skoldon hjam ring fensen ha, men
+Adela kêm, vppere burch hêde hja alle wêpne to hantêra lêrad, sjugun
+irthfêt wêre hju lông ånd hira gêrt sâ fêlo, thryja swikte hja tham or
+hjra hole ånd as er del kêm wêr en ridder gårsfallich. Follistar kêmon
+omme herne thêre lône wêi. Tha râwar wrdon fålath ånd fensen. Thach
+to lêt, en pil hêde hjra bosme trefth. Vrrêdelika Magy! In fenin was
+sin pint dipth ånd thêrof is hju sturven.
+
+
+
+
+
+THÊRE BURCHFAMS LOV.
+
+
+Jes ferhêmande âthe, thusande send al kumen ånd jet mâra send vp wêi.
+
+Wel, hja willath Adelas wisdom hêra.
+
+Sekur is hju forstine, hwand hju is immer thja forste wêst.
+
+O wach hwêrto skolde hja thjanja. Hira hemeth is linnen, hira tohnekka
+[67] wol, thåt hjv selva spon ånd wêvade. Hwêrmêi skolde hja hjra
+skênhêd hâga. Navt mith pårlum, hwand hjra tuskar send witter; navt
+mith gold, hwand hjra hêr is blikkander; navt mith stêna, wel send
+hjra âgon saft as lamkes âgon, thach to lik sa glander thåt mån thêr
+skrômlik in sja ne mêi.
+
+Men hwat kålt ik fon skên. Frya wêre wis navt skêner.
+
+Ja âthe, Frya thêr sjugun skênhêde hêde, hwêrfon hjra toghâtera men
+êne elk hâchstens thria urven håve. Men al wêre hju lêdlik, thach
+skolde hju vs djura wêsa.
+
+Jef hju wygandlik sy. Hark âthe, Adela is thet ênge bern vsar
+grêvetman. Sjugun jrthfet is hju hâch, jeta grâter then hjra licheme
+is hjra wishêd ånd hjra mod is lik bêde to sêmine.
+
+Lok thêr, thêr wêre ênis en fênbrônd, thrju bern wêron vp jenske
+gråfstên sprongen. Wind blos fel. Alrek krêta ånd thju måm wêre
+rêdalâs. Thêr kvmt Adela: ho stêitst ånd têmethste hropth hju,
+tragd help to lê-nande ånd Wr.alda skil jo krefta jêva. Thêr hipth
+hja nêi-t Krylwod, gript elsne trêjon, tragd en breg to makjande,
+nw helpath âk tha ôthera ånd tha bern send hred.
+
+Jêrlikes kêmon tha bern hyr blomma ledsa.
+
+Thêr kêmon thrê Fonysjar skipljuda thêr hja wrêvela wilde, men Adela
+kêm, hju hêde hjara hwop (hrop) hêrad, in swim slêith hju tha lêtha ånd
+til thju hja selva jechta skolde, thet hja vnwêrthelike manna wêron,
+bint hju alsêmen an en spinrok fest. Tha fêrhêmanda hêra kêmon hjara
+thjud askja. Tha hja sagon ho skots hja misdên wêron, kêm torn vp,
+thach mån tellade ho-t bêrd was.
+
+Hwat hja forth dêdon, hja buwgdon to fâra Adela ånd keston thju slyp
+hyrar tohnekka.
+
+Kvm fêrhêmande âthe, tha wald füglon fljuchtath to fâra tha fêlo
+forsykar. Kvm âthe sâ mêist hjara wishêd hêra.
+
+By tha gråfstên hwer fon in tha lovsprêke meld wårth, is måm hira
+lik bigråven. Vppira gråfstên heth mån thissa worda hwryten.
+
+
+ NE HLAP NAVT TO HASTICH HWAND HYR LÊID ADELA.
+
+
+Thju formlêre thêr is hwryten inutere wâch thêr burchtore, nis navt
+wither eskrêven in thåt bok thêra Adela follistar. Hwêrvmbe thet lêten
+is nêt ik navt to skriwand. Tha thit bok is min ajn, thêrvmbe wil ik
+hja thêr inna setta to wille minra mågum.
+
+
+
+
+
+FORMLÊRE.
+
+
+Alle god minnanda Fryas bern sy held. Hwand thrvch tham skil et
+sêlich wertha vp jrtha. Lêr ånd kêth to tha folkum. Wr.alda is thet
+alderaldesta jeftha overaldesta, hwand thet skop alla thinga. Wr.alda
+is ella in ella, hwand thet is êvg ånd vnendlik. Wr.alda is overal
+ainwardich, men narne to bisja, thêrvmbe wårth thet wêsa gâst hêten. Al
+hwat wi fon him sja müge send tha skepsela thêr thrvch sin lêva kvme
+ånd wither henne ga, hwand inut Wr.alda kvmath alle thinga ånd kêrath
+alle thinga. Fon ut Wralda kvmth t anfang ånd et ende, alra thinga
+gêith in im vppa. Wr.alda is thet êne ella machtige wêsa, hwand alle
+ôre macht is fon him lênad ånd kêrath to him wither. In ut Wr.alda
+kvmath alle krefta ånd alle krefta kêrath to him wither. Thêrvmbe is
+hi allêna theth skeppande wêsa ånd thêr nis nawet eskêpen buta him.
+
+Wr.alda lêide êvge setma thet is êwa in al et skêpne, ånd thêr ne send
+nên gode setma jeftha hja moton thêrnêi tavlikt wêsa. Men afskên ella
+in Wr.alda sy, tha boshêd thêra månniska nis navt fon him. Boshêd
+kvmth thrvch lômhêd vndigerhed ånd domhêd. Thêrvmbe kån hju wel tha
+månniska skâda, Wr.alda nimmer. Wr.alda is thju wishêd, ånd tha êwa
+thêr hju tavlikt heth, send tha boka wêrût wy lêra müge, ånd thêr nis
+nêne wishêd to findande ner to garjande buta tham. Tha månniska mügon
+fêlo thinga sja, men Wr.alda sjath alle thinga. Tha månniska mügon
+fêlo thinga lêra, men Wr.alda wêt alle thinga. Tha månniska mügon fêlo
+thinga vntslûta, men to fâra Wr.alda is ella êpned. Tha månniska send
+månnalik ånd berlik, men Wr.alda skept bêde. Tha månniska minnath ånd
+håtath, tha Wr.alda is allêna rjuchtfêrdich. Thêrvmbe is Wr.alda allêne
+god, ånd thêr ne send nêne goda bûta him. Mith thet Jol wandelath
+ånd wixlat allet eskêpne, men god is allêna vnforanderlik. Thruch
+that Wr.alda god is, alsa ne mei hi âk navt foranderja; ånd thrvch
+thet er bilywath, thêrvmbe is hy allêna wêsa ånd al et ora skin.
+
+
+
+
+
+THET OTHERA DÊL FONRE FORMLÊR.
+
+
+Emong Findas folk send wanwysa, thêr thrvch hjara overfindingrikhêd
+alsa årg send, thåt hja hjara selva wis mâkja ånd tha inewida bitjuga,
+thåt hja thet besta dêl send fon Wr.alda; thåt hjara gâst thet beste
+dêl is fon Wr.aldas gâst ånd thet Wr.alda allêna mêi thånkja thrvch
+helpe hjaris bryn [68].
+
+Thåt aider skepsle en dêl is fon Wr.aldas vnendlik wêsa, thåt håvon
+hja fon vs gâbad.
+
+Men hjara falxe rêdne ånd hjara tåmlâse hâchfarenhêd heth ra vppen
+dwâlwêi brocht. Wêre hjara gâst Wr.aldas gâst, sâ skolde Wr.alda
+êl dvm wêsa in stêde fon licht and wis. Hwand hjara gâst slâvth him
+selva immer of vmbe skêne bylda to mâkjande, thêr y åfternêi anbid. Men
+Findas folk is en årg folk, hwand afskên tha wanwysa thêra hjara selva
+wis mâkja thåt hja drochtne send, sa håvon hja to fâra tha vnewida
+falxa drochtne eskêpen, to kêthande allerwêikes, thåt thissa drochtne
+Wr.alda eskêpen håve, mith al hwat thêr inne is; gyriga drochtne
+fvl nyd ånd torn, tham êrath ånd thjanath willath wêsa thrvch tha
+månniska, thêr blod ånd offer willa ånd skât askja. Men thi wanwisa
+falxa manna, tham hjara selva godis skalka jeftha prestera nôma lêta,
+bürath ånd sâmnath ånd gethath aldam to fâra drochtne thêr er navt
+ne send, vmbet selva to bihaldande. Aldam bidrywath hja mith en rum
+emod, thrvchdam hja hjara selva drochtne wâne, thêr an ninman andert
+skeldich ne send. Send thêr svme tham hjara renka froda ånd bâr mâkja,
+alsa wrdon hja thrvch hjara rakkera fåt ånd vmbira laster vrbarnad,
+ella mith fêlo stâtska plêgum, hjara falxa drochtne to-n êre. Men
+in trvth, allêna vmbe thåt hja ra navt skâda ne skolde. Til thju vsa
+bern nw wêpned müge wêsa tojenst hjara drochtenlika lêre, alsa hâgon
+tha fâmna hjam fon buta to lêrande hwat hyr skil folgja.
+
+Wr.alda was êr alle thinga, ånd nêi alle thinga skil er wêsa. Wr.alda
+is alsa êvg ånd hi is vnendlik, thervmb nis thêr nawet buta him. Thrvch
+ut Wr.aldas lêva warth tid ånd alle thinga bern, ånd sin lêva nimth
+tid ånd alle thinga wêi. Thissa sêka moton klâr ånd bâr mâkad wrda
+by alle wisa, sâ thåt hja-t an ôthera bithjuta ånd biwisa müge. Is-t
+sâ fâr wnnen, sa sêith mån forther: Hwat thus vsa ommefang treft,
+alsa send wy en dêl fon Wr.aldas vnendelik wêsa, alsa tha ommefang
+fon al et eskêpne, thach hwat angâ vsa dânte, vsa ainskipa, vsa gâst
+ånd al vsa bithånkinga, thissa ne hêra navt to thet wêsa. Thit ella
+send fljuchtiga thinga tham thrvch Wr.aldas lêva forskina, thach
+thêr thrvch sin wishêd sâdâne ånd navt owers navt ne forskina. Men
+thrvchdam sin lêva stêdes forthga, alsa ne mêi thêr nawet vppa sin
+stêd navt bilywa. Thêrvmbe forwixlath alle eskêpne thinga fon stêd,
+fon dânte ånd âk fon thånkwisa. Thervmbe ne mêi irtha selva, ner eng
+skepsle ni sedsa: ik ben, men wel ik was. Ak ne mêi nên månniska navt
+ne sedsa ik thånk, men blât, ik thochte. Thi knâp is grâter ånd owers
+as tha-r bern wêre. Hy heth ora gêrtne, tochta ånd thånkwisa. Thi
+man en tât is ånd thånkth owers as thâ-r knâp wêre. Êvin tha alda
+fon dêgum. Thât wêt allera mannelik. Sâhwersa allera mannalik nw wêt
+ånd jechta mot, thåt hy alon wixlath, sâ mot hy âk bijechta, that er
+jahweder âgeblik wixlath, âk thahwila-r sêid: ik ben, ånd thåt sina
+thånk bylda wixle, tha hwile-r sêid: ik thånk.
+
+Instêde thåt wy tha årga Findas althus vnwerthlik afternêi snakka ånd
+kålta, ik ben, jeftha wel, ik ben thet beste dêl Wr.aldas, ja thrvch
+vs allêna mêi-r thånkja, sâ willath wy kêtha wral ånd allerwêikes
+wêr et nêdlik sy: wy Fryas bern send forskinsla thrvch Wr.aldas
+lêva; by-t anfang min ånd blât, thach immer wårthande ånd nâkande to
+fvlkvmenlikhêd, svnder â sa god to wrda as Wr.alda selva. Vsa gâst nis
+navt Wr.aldas gâst, hi is thêrfon allêna en afskinsle. Tha Wr.alda
+vs skop, heth er vs in thrvch sine wishêd-bryn-sintûga, hügia ånd
+fêlo goda ainskipa lênad. Hyrmêi mugon wy sina êwa bitrachta. Thêrof
+mügon wy lêra ånd thêrvr mügon wy rêda, ella ånd allêna to vs ain
+held. Hêde Wr.alda vs nêne sinna jêven, sa ne skolde wy narne of nêta
+ånd wy skolde jeta reddalasser as en sêkwale wêsa, thêr forthdryven
+wårth thrvch ebbe ånd thrvch flod.
+
+
+
+
+
+THIT STAT VP SKRIVFILT SKRÊVEN. TAL AND ANDWORDE ORA FAMNA TO-N
+FORBYLD.
+
+
+En vnsels gyrich mån kêm to bârande by Trâst thêr fâm wêre to
+Stavia. Hy sêide vnwêder hêde sin hus wêi brocht. Hy hêde to Wr.alda
+bêden, men Wr.alda nêdim nêne helpe lênad. Bist en åfte Fryas, frêje
+Trâst. Fon elder t elder, andere thene mån. Thån sêide hju wil ik åwet
+in thin mod sêja in bitrouwa, thåt et kyma groja ånd früchda jêva
+mêi. Forth sprêk hju ånde kêth. Thâ Frya bern was, stand vs moder
+naked ånd blât, vnbihod to jenst tha strêlum thêre svnne. Ninman
+macht hju frêja ånd thêr wêre ninman thêr hja help macht lêna. Thâ
+gvng Wr.alda to ånd wrochte in hjra mod nigung ånd liavde anggost ånd
+skrik. Hju sach rondomme, hjra nigung kâs thet beste ånd hju sochte
+skul vndera wârande linda. Men rêin kêm ånd t onhlest wêre thât hju
+wet wrde. Thach hju hêde sjan ho thet wêter to tha hellanda blådar of
+drupte. Nw mâkade hju en hrof mith hellanda sidum, vp stôka mâkade hju
+tham. Men stornewind kêm ånd blos rêin thêr vnder. Nw hêde hja sjan
+thåt tha stam hly jef, åfter gong hja to ånd mâkade en wâch fon plâga
+ând sâdum, thet forma an êne syda ånd forth an alle syda. Storne wind
+kêm to bek jeta wodander as to fora ånd blos thju hrof ewêi. Men hju ne
+bârade navt over Wr.alda ner to jenst Wr.alda. Men hja mâkade en reitne
+hrof ånd leide stêne thêr vppa. Bifvnden håvande ho sêr thet dvath
+vmb allêna to tobbande, alsa bithjude hju hira bern ho ånd hwêrvmbe
+hju alsa hêde dên. Thissa wrochton ånd tochton to sêmine. A sadenera
+wise send wy an hûsa kêmen mith stoppenbånkum, en slecht ånd warande
+linda with tha svnnestrêlum. To tha lesta håvon hja en burch mâkad
+ånd forth alle ôthera. Nis thin hus thus navt sterk noch wêst, alsa
+mot i trachda vmbet ôre bêter to mâkjande. Min hus wêre sterk enoch,
+sêider, men thet hâge wêter heth et vp bêrad ånd stornewind heth et
+ore dên. Hwêr stand thin hus thån, frêje Trâst. Alingen thêre Rêne,
+andere thene man. Ne stand et thån navt vppen nol jeftha therp, frêje
+Trâst. Nean sêider, min hus stand ênsum by tha overe, allêna håv ik
+et buwad, men ik ne macht thêr allêna nên therp to makane. Ik wist
+wel, sêide Trâst, tha fâmna håv et my meld. Thv hest al thin lêva
+en grûwel had an tha månniska, ut frêse thåtste awet jêva jeftha
+dva moste to fara hjam. Thach thêr mitha ne mêi mån navt fêr ne
+kvma. Hwand Wr.alda thêr mild is, kêrath him fona gyriga. Fåsta het
+vs rêden ånd buppa tha dura fon alle burgum is t in stên ut wryten:
+bist årg bâtsjochtig sêide Fåsta, bihod thån jvwe nêsta, bithjod thån
+jvwe nêsta, help thån juwe nesta, sâ skilun hja t thi witherdva. Is
+i thina rêd navt god noch, ik nêt fâr thi nên bêtera. Skâmrâd wårth
+then mån ånd hi drupte stolkes hinne.
+
+
+
+
+
+NW WIL IK SELVA SKRIWA ÊROST FON OVER MIN BURCH AND THAN OVER HWAT
+IK HAV MUGE SJAN.
+
+
+Min burch lêid an-t north-ende thêre Liudgârda. Thju tore heth sex
+syda. Thrya thrittich fêt is hju hâch. Flåt fon boppa. En lyth huske
+thêr vppa, hwâna mån tha ståra bisjath. An aider syd thêre tore ståt
+en hus, long thrya hondred, brêd thrya sjugun fêt, êlika hâch bihalva
+thju hrof, thêr rondlik is. Altham fon hyrbakken stên, ånd fon buta ne
+send nênen ôthera. Om tha burch is en hringdik, thêrom en gråft diap
+thrya sjugun fêt, wyd thrya twilif fêt. Siath hwa fonêre tore del,
+sa siath hi thju dânte fon et Jol. Vppa grvnd twisk tha sûdlika hûsa
+thêre, send allerlêja krûda fon hêinde ånd fêr, thêrof moton tha fâmna
+tha krefta lêra. Twisk tha nortlika hûsa is allêna fjeld. Tha thrju
+nortlika hûsa send fol kêren ånd ôther bihof. Twa sûdar send to fâra
+tha fâmkes vmbe to skola ånd to hêma. Thet sûdlikoste hus is thêre
+Burchfâm his hêm. Inna tore hangt thju foddik. Tha wagar thêre tore
+send mith kestlika stêna smukad. In vppa thêre sûderwach is thêne
+Tex wrytten. An tha fêre syde thêra finth mån thju formlêre; anna
+winstere syde tha êwa. Tha ora sêka finth mån vppa ôra thrja. Tojenst
+tha dik by-t hus thêr fâm stêt thju owne ånd thju molmâk thrvch fjuwer
+bufla kroden. Buta vsa burchwal is-t hêm, thêr vppa tha burchhêra
+ånda wêrar hême. Thju ringdik thêra is en stonde grât, nên stjurar,
+men svnna stonde, hwêrfon twya twilif vppen etmelde kvma. In vpper
+binnasyde fona dik is en flåt, fif fêt vndera krûn. Thêr vppa send
+thrya hondred krânboga, todekt mith wod ånd lêther. Bihalva tha hûsa
+thêra inhêmar send thêr binna alingne tha dik jeta thrya twilif nêdhûsa
+to fâra tha omhêmar. Thet fjeld thjanath to kåmp ånd to wêde. Anna
+sûdsyde fon tha bûtenste hringdik is thju Liudgârde omtûnad thrvch
+thet grâte Lindawald. Hjra dânte is thrju hernich, thet brêde buta,
+til thju svnne thêr in sia mêi. Hwand thêr send fêlo fêrlandeska
+thrêja ånd blommen thrvch tha stjurar mith brocht. Alsa thju dânte
+vsar burch is, send alle ôthera; thach vs-is is thju grâteste; men
+thi fon Texland is tha aldergrâteste. Thju tore fon Fryasburch is
+alsa hâch thåt hju tha wolka torent, nêi thêre tore is al et ôthera.
+
+By vs vppa burch ist alsa dêlad. Sjugun jonge fâmna wâkath by thêre
+foddik. Aider wâk thrja stonda. In ha ôre tid moton hja huswårk dva,
+lêra ånd slêpa. Send hja sjugun jêr wâkande wêsen, alsa send hja
+fry. Thân mügon hja emong tha månniska gâ, vp-ra sêd to letane ånd
+rêd to jêvane. Is hwa thrju jêr fâm wêst, sâ mêi hju alto met mith
+tha alda fâmna mith gâ.
+
+Thi skrywer mot tha fâmkes lêra lêsa, skrywa ånd rêkenja. Tha grysa
+jeftha grêva moton lêra hjam rjucht ånd plicht, sêdkunda, krûdkunda,
+hêlkunda, skêdnesa, tellinga ånd sanga, bijunka allerlêja thinga thêr
+hjam nêdlik send vmbe rêd to jêva. Thju Burchfâm mot lêra hjam ho hja
+thêrmith to wårk gâ mota by thå månniska. Êr en Burchfâm hjra stêd
+innimt, mot hju thrvch thet lând fâra en fvl jêr. Thrê grêva burchhêra
+ånd thrja alda fâmna gan mith hiri mitha. Alsa is-t âk my gvngon. Min
+fârt is alingen thêre Rêne wêst, thjus kâd opward, alingen thêre ôre
+syde ofward. Ho hâger ik upkêm, to årmer likte mi tha månniska. Wral
+inna Rêne hêde mån utstekka makad. Thet sôn thåt thêr ain kêm, wrde
+mith wêter wr skêpfachta gâten vmbe gold to winnande. Men tha mångêrta
+ne drogon thêr nêne golden krone fon. Êr wêron thêr mâr wêst, men sont
+wi Skênland miste, send hja nêi tha berga gvngon. Thêr delvath hja
+yserirtha, thêr hja yser of mâkja. Boppa thêre Rêne twisk thet berchta,
+thêr håv ik Mârsåta sjan. Tha Mârsâta thåt send månniska thêr invppa
+mâra hêma. Hjara husa send vp pålum buwad. Thåt is vret wilde kwik ånda
+bose månniska. Thêr send wolva, bâra ånd swârte grislika lâwa [69]. And
+hja send tha swetsar [70] jeftha pålingar fonda hêinde Krêkalandar,
+thêra Kålta folgar ånd tha vrwildere Twiskar, alle gyrich nêi râv ånd
+but. Tha Mârsâta helpath hjara selva mith fiska ånd jâga. Tha huda
+wrdat thrvch tha wiva tomâkad ånd birhet mith skors fon berkum. Tha
+litha huda saft lik fâmnafilt. Thju burchfâm et Fryasburch [71]
+sêide vs thåt hja gode ênfalde månniska weron. Thach hêd ik hja êr
+navt sprêken hêred, ik skolde mênath håve thåt hja nên Fryas wêre,
+men wilda, sâ ryst sâgon hja ut. Hjra fachta ånd kruda wrdon thrvch
+tha Rênhêmar vrwandelath ånd thrvch tha stjurar buta brocht. Alingen
+thêre Rêne wêr et alên, til Lydasburch [72]. Thêr was en grâte flyt
+[73]. Invppa thisra flyt wêron âk månniska, thêr husa vp påla hêde. Men
+thåt nêr nên Fryas folk, men thåt wêron swarte ånd bruna månniska,
+thêr thjanath hêde to rojar vmbe tha butafârar to honk to helpane. Hja
+moston thêr bilywa til thju thju flâte wither wêi brûda.
+
+To tha lersta kêmon wi to-t Alderga. By-t suderhâvahâved stêt thju
+Wâraburch, en stênhus, thêrin send allerlêja skulpa, hulka, wêpne ånd
+klathar wârad, fon fêre landum, thrvch tha stjurar mith brocht. En
+fjardêl dâna is-t Alderga. En grâte flyt omborad mith lothum, husa
+ånd gârdum ella riklik sjarad. Invpper flyt lêi en grâte flâte rêd,
+mith fônon fon allerlêja farwa. Et Fryas dêi hongon tha skilda omma
+tha borda to. Svme blikton lik svnna. Tha skilda thêr witking ånd
+thêra skolta bi tha nachtum wêron mith gold vmborad. Abefta thêre flyt
+was en gråft gråven, to hlâpande dâna alingen thêre burch Forâna [74]
+ånd forth mith en ênga muda [75] in sê. To fâra thêre flâte wêre thit
+tha utgvng ånd et Fly tha ingvng. A bêde syda thêre gråft send skêne
+husa mith hel blikanda farwa mâlad. Tha gârdne send mit altid grêne
+hâgvm omtunad. Ik håv thêr wiva sian, thêr filtne tohnekna drogon as t
+skriffilt wêre. Lik to Stavere wêron tha mångêrtne mith golden kronum
+vppira holum ånd mith hringum [76] om årma ånd fêt sjarad. Sudward
+fon Forâna lêid Alkmârum. Alkmârum is en mâre jefta flyt, thêrin lêid
+en êland, vppa thåt êland moton tha swarte ånd bruna månniska hwila
+êvin as to Lydahisburch. Thju Burchfâm fon Forâna sêide my, thåt tha
+burchhêra dêistik to-râ gvngon vmb ra to lêrande, hwat åfte frydom
+sy, ånd ho tha månniska an thêre minne agon to lêvane vmbe sêjen to
+winnande fon Wr.aldas gâst. Was thêr hwa thêr hêra wilde ånd bigripa
+machte, sa wårth er halden, alont er fvl lêrad wêre. Thåt wrde dên vmbe
+tha fêrhêmande folka wis to mâkane, ånd vmbe vral âtha to winnande. Êr
+hêd ik anda Sâxanamarka to thêr burch Månnagârda forda [77] wêst. Thach
+thêr hêd ik mâr skâmelhêd sjan, as-k hyr rikdom spêrde. Hju andere:
+sâ hwersa thêr an da Sâxanamarka en frêjar kvmath en mangêrte to bi
+frêjande, alsa frêjath tha mångêrtne thêr, kanst thin hus fry wêra
+tojenst tha bannane Twisklandar, håst nach nêne fålad, ho fêlo bufle
+håst al fånsen ånd ho fêlo bâra ånd wolva huda håst al vppa thêre
+mårk brocht? Dâna ist kvmen thåt tha Saxmanna thju buw anda wiva
+vrlêten håve. Thåt fon hvndred to sêmine nên êne lêsa mêi ner skriwa
+ne kån. Dâna is-t kvmen, thåt nimman nên sprêk vppa sin skild neth,
+men blât en mislikande dânte fon en diar, thåt er fålad heth. And
+åndlik, dâna is-t kvmen, thåt hja sêr wichandlik ewrden send, men
+to met êvin dvm send as et kwik, thåt hja fånsa, ånd êvin erm as
+tha Twisklândar, hwêr mith hja orloge. To fâra Fryas folk is irtha
+ånd sê eskêpen. Al vsa rinstrâma runath vppa sê to. Thåt Lydas folk
+ånd thåt Findas folk skil ekkorum vrdelgja, ånd wy moton tha lêthoga
+landa bifolka. In-t fon ånd omme fâra lêid vs held. Wilst nw thåt tha
+boppalânder dêl håve an vsa rikdom ånd wisdom, sâ skil ik thi en rêd
+jêva. Lêt et tha mangêrtne to wênhêd wrde hjara frêjar to frêjande,
+êr hja ja segsa: hwêr håst al in wralda ommefâren, hwad kånst thin
+bern tella wra fêra landa ånd wra fêrhêmanda folka? Dvath hja alsa,
+sâ skilun tha wichandlika knâpa to vs kvma. Hja skilun wiser wårtha
+ånd rikkâr ånd wi ne skilun nên bihof longer navt nåve an thåt wla
+thjud. Tha jongste thêr fâmna fon thêra thêr by mi wêron, kêm uta
+Saxsanamarka wêi. As wi nw to hongk kêmon, heth hju orlovi frêjad
+vmbe nêi hjra hus to gâne. Afternêi is hju thêr Burchfâm wrden, ånd
+dâna is-t kvmen thåt er hjudêga sâ felo Saxmånna by tha stjurar fâre.
+
+
+ Ende fon thet Apollonia bok.
+
+
+
+
+
+THA SKRIFTA FON FRETHORIK AND WILJOW.
+
+
+Min nôm is Frêthorik to nomath oera Linda, thåt wil segsa ovir tha
+Linda. To Ljudwardja bin ik to Asga kêren. Ljudwardja is en ny thorp,
+binna thene ringdik fon thêr burch Ljudgarda, hwêrfon tha nôma an vnêr
+kvmen is. Vnder mina tida is er fül bêred. Fül hêd ik thêr vr skrêven,
+men åfternêi send mi âk fêlo thinga meld. Fon ên ånd ôther wil ik en
+skêdnese åfter thit bok skrywa, tha goda månniska to-n êre tha årga
+to vnêre.
+
+In min jüged hêrd ik grêdwird alomme, årge tid kêm, årge tid was
+kvmen, Frya hêd vs lêton, hjra wâkfâmkes hêde hju abefta halden,
+hwand drochten likande bylda wêron binna vsa lândpåla fvnden.
+
+Ik brônde fon nysgyr vmbe thi bylda to bisjan. In vsa bûrt strompele
+en ôld fâmke to tha husa uta in, immer to kêthande vr årge tid. Ik
+gyrde hja ling syde. Hju strik mi omme kin to. Nw wrd ik drist ånd
+frêje jef hju mi årge tid ånd tha bylda rêis wisa wilde. Hju lakte
+godlik ånd brocht mi vpper burch. En grêve mån frêje my jef ik al
+lêsa ånd skrywa kv. Nê sêid ik. Thån most êrost to ga ånd lêra,
+sêid-er owers ne mêi-t jow navt wysen wrde. Dystik gvng ik bi tha
+skriwer lêra. Acht jêr lêtter hêrd ik, vsa burchfâm hêde hordom
+bidryven ånd svme burchhêra hêdon vrrêd plêgad mith tha Magy, ånd
+fêlo månniska wêron vp hjara syde. Vral kêm twispalt. Thêr wêron bern,
+thêr vpstandon ajen hjara eldrum. Inna gluppa wrdon tha froda månniska
+morth. Thet alde fâmke, thêr ella bâr mâkade, wårth dâd fvnden in
+en grupe. Min tât, thêr rjuchter wêre, wilde hja wrêken hâ. Nachtis
+wårth er in sin hus vrmorth. Thrju jêr lêtter wêr thene Mâgy bâs
+svnder strid. Tha Saxmånna wêron frome ånd frod bilywen. Nêi tham
+fljuchton alle gode månniska. Min måm bistvrv-et. Nw dêd ik lik tha
+ôthera. Thi Mâgy bogade vppa sinra snôdhêd. Men Irtha skold im thâna,
+thåt hja nên Mâgy ner afgoda to lêta ne mochte to thêre hêlge skêta,
+hwêrut hju Frya bêrade. Êvin sa thet wilde hors sina månna sked,
+nêi thåt thet sina ridder gersfallich mâkad heth, êvin sâ skodde
+Irtha hjra walda ånd berga. Rinstrâma wrdon ovira fjelda sprêd. Sê
+kokade. Berga spydon nêi tha wolkum, ånd hwad hja spyth hêde, swikton
+tha wolka wither vp jrtha. By-t anfang there Arnemônath nigade jrtha
+northward, hju sêg del, ôl lêgor ånd lêgor. Anna Wolfamônath lêidon tha
+Dênemarka fon Fryas lând vnder-ne sê bidobben. Tha walda thêr bylda in
+wêron, wrdon vphyvath ånd thêr windum spel. Thet jêr åfter kêm frost
+inna Herdemônath ånd lêid ôld Fryas lând vnder en plônke skul. In
+Sellamônath kêm stornewind ut et northa wêi, mith forande berga fon
+ise ånd stênum. Tha spring kêm, hyf jrtha hjra selva vp. Ise smolt
+wêi. Ebbe kêm ånd tha walda mith byldum drêvon nêi sê. Inner Winna
+jeftha Minnamônath gvng aider thurvar wither hêm fâra. Ik kêm mith en
+fâm to thêre burch Ljudgârda. Ho drove sach et ut. Tha walda thêra
+Lindawrda wêron mêst wêi. Thêr tha Ljudgârde wêst hêde, was sê. Sin
+hef fêtere thene hringdik. Ise hêde tha tore wêi brocht ånd tha husa
+lêide in thrvch ekkôrum. Anna helde fonna dik fond ik en stên. vsa
+skriver hêd er sin nôm inwryten, thåt wêre my en bâken. Sâ-t mith
+vsa burch gvngen was, was-t mith mitha ôra gvngon. Inna hâga lânda
+wêron hja thrvch jrtha, inna dêna landa thrvch wêter vrdên. Allêna
+Fryasburch to Texland wårth vnedêrad fvnden. Men al et lånd thet
+northward lêid hêde, wêre vnder sê. Noch nis-t navt boppa brocht. An
+thås kâd fon-t Flymâre wêron nêi meld wrde thrichtich salta mâra
+kvmen, vnstonden thrvch tha walda, thêr mith grvnd ånd al vrdrêven
+wêron. To Westflyland fiftich. Thi gråft thêr fon-t Alderga thweres
+to het land thrvchlâpen hêde, was vrsôndath ånd vrdên. Tha stjurar
+ånd ôr fârande folk, thêr to honk wêron, hêde hjara selva mith mâga
+ånd sibba vppira skepum hret. Men thåt swarte folk fon Lydasburch
+ånd Alikmarum hêde alên dên. Thawil tha swarta sûdward dryvon,
+hêdon hja fêlo mångêrtne hret, ånd nêidam nimman ne kêm to aska
+tham, hildon hja tham to hjara wiva. Tha månniska thêr to bek kêmon,
+gvngon alle binna tha hringdika thêra burgum hêma, thrvchdam et thêr
+buta al slyp ånd broklând wêre. Tha gamla husa wrde byên klust. Fona
+boppalândum kâpade mån ky ånd skêp, ånd inna tha grâte husa thêr to
+fâra tha fâmna sêten hêde, wrde nw lêken ånd filt mâkad, vmbe thes
+lêvens willa. Thåt skêd 1888 [78] jêr nêi thåt Atlând svnken was.
+
+In 282 jêr [79] nêdon wi nên Êremoder navt hat, ånd nw ella tomet
+vrlêren skinde, gvng mån êne kjasa. Thet hlot falde vp Gosa to
+nômath Makonta. Hju wêre Burchfâm et Fryasburch to Texlând. Hel fon
+hawed ånd klâr fon sin, êlle god, ånd thrvchdam hira burch allêna
+spârad was, sach alrik thêrut hira hropang. Tjan jêr lêttere kêmon
+tha stjurar fon Forana ånd fon Lydas burch. Hja wildon tha swarta
+månniska mith wif ånd bern to thet lând utdryva. Thêrwr wildon hja
+thêre Moder is rêd biwinna. Men Gosa frêje, kånst ên ånd ôr to bek
+fora nêi hjra lândum, thån âchste spod to mâkjande, owers ne skilun
+hja hjara mâga navt wither ne finda. Nê sêide hja. Thâ sêide Gosa:
+Hja håvon thin salt provad ånd thin bråd êten. Hjara lif ånd lêva
+håvon hja vnder jow hod stålad. I moste jow ajne hirta bisêka. Men ik
+wil thi en rêd jeva. Hald hjam alond jow wåldich biste vm ra wither
+honk to fora. Men hald hjam bi jow burgum thêr bûta. Wâk ovir hjara
+sêd ånd lêr hjam as jef hja Fryas svna wêre. Hjra wiva send hyr tha
+steriksta. As rêk skil hjara blod vrfljuchta, til er tha lesta navt
+owers as Fryas blod in hjara åfterkvmande skil bilywa. Sâ send hja
+hyr bilêwen. Nw winst ik wel thåt mina åfterkvmande thêr vp letta,
+ho fêr Gosa wêrhêd sprek. Thâ vsa lânda wither to bigana wêr, kêmon
+thêr banda erma Saxmanna ånd wiva nêi tha vvrdum fon Stavere ånd thåt
+Alderga, vmbe golden ånd ôra sjarhêd to sêkane fon ut tha wasige
+bodeme. Thach tha stjurar nildon hja navt to lêta. Tha gvngon hja
+tha lêthoga thorpa bihêma to West Flyland, vmbe ra lif to bihaldane.
+
+
+
+
+
+NW WIL IK SKRIWA HO THA GÊRTMANNA AND FÊLO HÊLÊNJA FOLGAR TOBEK KÊMON.
+
+
+Twa jêr nêi thåt Gosa Moder wrde [80], kêm er en flâte to thet
+Flymara in fala. Thet folk hropte ho.n.sêen. Hja foron til Stavere,
+thêr hropton hja jeta rêis. Tha fôna wêron an top ånd thes nachtes
+skâton hja barnpila [81] anda loft. Thâ dêirêd wêre rojadon svme mith
+en snâke to thêre hava in. Hja hropton wither ho.n. sêen. Thâ hja
+landa hipte-n jong kerdel wal vp. In sina handa hêdi-n skild, thêrvp
+was bråd ånd salt lêid. Afterdam kêm en grêva, hi sêide wi kvmath
+fona fere Krêkalandum wêi, vmb vsa sêd to warjande, nw winstath wi i
+skolde alsa mild wêsa vs alsa fül lând to jêvane thåt wi thêrvp müge
+hêma. Hi telade-n êle skêdnese thêr ik åfter bêtre skryva wil. Tha
+grêva niston navt hwat to dvande, hja sandon bodon allerwêikes, âk
+to my. Ik gvng to ånd sêide: nw wi-n Moder håve agon wi hjra rêd to
+frêjande. Ik selva gvng mitha. Thju Moder, thêr ella wiste, sêide, lêt
+hja kvme, sâ mügon hja vs lând helpa bihalda: men lêt hjam navt vp êne
+stêd ne bilyva, til thju hja navt waldich ne wrde ovir vs. Wi dêdon
+as hju sêid hêde. That wêre êl nêi hjra hêi. Fryso reste mith sinâ
+ljudum to Stavere, that hja wither to êne sêstêde mâkade, sa god hja
+machte. Wichhirte gvng mith sinum ljudum astward nêi there Êmude. Svme
+thêra Johnjar, thêr mênde thåt hja font Alderga folk sproten wêre,
+gvngen thêr hinne. En lyth dêl thêr wânde thåt hjara êthla fon tha
+sjugon êlanda wei kêmon, gvngon hinne ånd setton hjara selva binna
+tha hringdik fon thêre burch Walhallagâra del. Ljudgêrt thene skolte
+bi nachte fon Wichhirte wårth min åthe åfternêi min frjund. Fon ut
+sin dêibok håv ik thju skêdnese thêr hir åfter skil folgja.
+
+Nei thåt wi 12 mel 100 ånd twia 12 jêr bi tha fif wêtrum sêten hêde,
+thahwila vsa sêkåmpar alle sêa bifâren hêde thêr to findane, kêm
+Alexandre [82] tham kêning mith en weldich hêr fon boppa allingen
+thêr strâm vsa thorpa bifâra. Nimman ne måcht im wither worda. Thach
+wi stjurar thêr by tha sê sâton, wi skêpt vs mith al vsa tilbêre
+hava in ånd brûda hinna. Tha Alexandre fornom thåt im sâ ne grâte
+flâte vntfâra was, wårth er wodinlik, to swêrande hi skolde alle
+thorpa an logha offerja jef wi navt to bek kvma nilde. Wichhirte
+lêide siak to bedde. Thâ Alexandre thåt fornom heth er wacht
+alont er bêter wêre. Afternêi kêm er to him sêr kindlyk snakkande,
+thach hi thrjvchde lik hi êr dên hêde. Wichhirte andere thêr åfter,
+o aldergrâteste thêra kêningar. Wi stjurar kvmath allerwêikes, wi
+hâven fon jow grâte dêdun hêred. Thêrvmbe send wi fvl êrbidenese to
+fara jowa wêpne, tha jet mar vr thina witskip. Men wi ôthera wy send
+frybern Fryas bern. Wy ne mügon nêne slâfona navt ne wrde. Jef ik
+wilde, tha ôra skolde rêder sterva willa, hwand alsa ist thrvch vsa
+êwa bifôlen. Alexandre sêide: ik wil thin lând navt ne mâkja to min
+bût, ner thin folk to mina slâfona. Ik wil blât thåt ste my thjanja
+skolste vmb lân. Thêrvr wil ik swêra by vs bêdar godum, thåt nimman vr
+my wrogja skil. Tha Alexandre åfternei bråd ånd salt mith im dêlade,
+heth Wichhirte that wiste dêl kâsen. Hi lêt tha skêpa hala thrvch sin
+svne. Tha thi alle tobek wêron, heth Alexandre thi alle hêred. Thêr
+mitha wilde hi sin folk nêi tha helge Gônga fâra, thêr hi to land
+navt hêde müge nâka. Nw gvng er to ånd kâs altham ut sin folk ånd
+ut sina salt-atha thêr wenath wêron vvr-ne sê to fârane. Wichhirte
+was wither siak wrden, thêrvmbe gvng ik allêna mitha ånd Nearchus
+fon thes keningis wêga. Thi tocht hlip svnder fardêl to-n-ende,
+uthâvede tha Johnjar immerthe an vnmin wêron with tha Phonisjar,
+alsa Nêarchus thêr selva nên bâs ovir bilywe ne kv. Intwiska hêde
+tham kêning navt stile nêst. Hi hêde sina salt-atha bâma kapja
+lêta ånd to planka mâkja. Thrvch help vsar timberljud hêder thêr of
+skêpa mâkad. Nw wilder selva sêkêning wertha, ånd mith êl sin hêr
+thju Gonga vpfâra. Thach tha salt-atha thêr fon thet bergland kêmon,
+wêron ang to fara sê. As hja hêradon thåt hja mith moste, stakon hja
+tha timberhlotha ane brônd. Thêr thrvch wrde vs êle thorp anda aska
+lêid. Thet forma wânde wy thåt Alexandre thåt bifalen hêde ånd jahwêder
+stand rêd vmb sê to kjasane. Men Alexander wêre wodin, hi wilde tha
+salt-atha thrvch sin ajn folk ombrensa lêta. Men Nêarchus tham navt
+allêna sin êroste forst men ak sin frjund wêre, rêde him owers to
+dvande. Nw bêrad er as wen der lavade thet vnluk et dên hêde. Tha hi
+ne thvrade sin tocht navt vrfata. Nw wild er to bek kêra, thach êr
+hi thåt dêde, lêt hi thet forma bisêka hwa-r skeldich wêron. Dry-r
+thåt wiste lêt er altham svnder wêpne bilywa, vmb en ny thorp to
+mâkjande. Fon sin ajn folk lêt er wepned vmbe tha ôra to tåmma, ånd
+vmbe êne burch to bvwande. Wy moston wiv ånd bern mith nimma. Kêmon
+wi anda muda thêre Êuphrat, sa machton wi thêr en stêd kiasa jeftha
+omkêra, vs lân skold vs êvin blyd to dêlath wrde. An tha nya skêpa,
+thêr tha brônd vntkvma wêron, let-er Johniar ånd Krêkalandar gâ. Hi
+selva gvng mith sin ôra folk allingen thêre kâd thrvch tha dorra
+wostêna, thåt is thrvch et land thåt Irtha vphêid hêde uta sê, tha
+hju thju strête after vsa êthela vphêide as hja inna Râde sê kêmon.
+
+Tha wy to ny Gêrtmanja kêmon (ny Gêrtmanja is en hâva thêr wi
+selva makad hede, vmbe thêr to wêterja) mêton wi Alexandre mith sin
+hêr. Nêarchus gvng wal vp ånd bêide thrja dêga. Tha gvng et wither
+forth. Tha wi bi thêre Êuphrat kêmon, gvng Nêarchus mith sina salt-atha
+ånd fêlo fon sin folk wal vp. Tha hi kêm hring wither. Hi sêide, thi
+kêning lêt jow bidda, i skille jet en lithge tocht to sinra wille dvan,
+alont et ende fona Râde sê. Thêrnêi skil jawehder sâ fül gold krêja
+as er bêra mêi. Tha wi thêr kêmon, lêt er vs wysa hwêr thju strête
+êr wêst hêde. Thêr nêi wylader ên ånd thritich dêga, alan ut sjande
+vvra wostêne.
+
+Tho tha lesta kêm er en hloth månniska mith forande twa hondred
+êlephanta thvsend kêmlun tolêden mith woden balkum, râpum ånd allerlêja
+ark vmbe vsa flâte nêi tha Middelsê to tyande. Thåt bisâwd-vs, ånd
+likt vs bal to, men Nêarchus teld vs, sin kêning wilde tha ôthera
+kêninggar tâna that i weldiger wêre, sâ tha kêninggar fon Thyris êr
+wêsen hêde. Wi skoldon men mith helpa, sêkur skolde vs thåt nên skâda
+navt dva. Wi moston wel swika, ånd Nearchus wiste ella sâ pront to
+birjuchte thåt wi inna Middelsê lêide êr thrja mônatha forby wêron. Tha
+Alexandre fornom ho-t mith sinra onwerp ofkvmen was, wårth er sa
+vrmêten thåt er tha drage strête utdiapa wilde Irtha to-n spot. Men
+Wr.alda lêt sine sêle lâs, thêrvmbe vrdronk er inna win ånd in sina
+ovirmodichhêd, êr thåt er bijinna kvste. After sin dâd wrde thet rik
+dêlad thrvch sina forsta. Hja skolde alrek en dêl to fara sina svnum
+wârja, thach hja wêron vnmênis. Elk wilde sin dêl bihalda ånd selva
+formâra. Tha kêm orloch ånd wi ne kvste navt omme kêra. Nêarchus
+wilde nw, wi skolde vs del setta an Phonisi his kâd, men thåt nilde
+nimman navt ne dva. Wi sêide, rêder willath wi wâga nêi Fryasland to
+gâna. Tha brocht-er vs nei thêre nya hâva fon Athenia, hwêr alle åfte
+Fryas bern formels hin têin wêron. Forth gvngon wi salt-âtha liftochta
+ånd wêpne fâra. Among tha fêlo forsta hêde Nêarchus en frjund mith nôme
+Antigonus. Thisse strêdon bêde vmb ên dol, sâ hja sêidon as follistar
+to fâra-t kêninglike slachte ånd forth vmbe alle Krêkalanda hjara alda
+frydom wither to jêvane. Antigonus hêde among fêlo ôtherum ênnen svn,
+thi hête Demêtrius, åfter tonômad thene stêda winner. Thisse gvng
+ênis vpper stêde Salâmis of. Nêi thåt er thêr en stût mêi strêden hêde
+most er mith thêre flâte strida fon Ptholemeus. Ptholemêus, alsa hête
+thene forst thêr welda ovir Êgiptaland. Dêmêtrius wn thêre kêse, tha
+navt thrvch sina salt-âtha, men thrvch dam wy him helpen hêde. Thit
+hêde wi dên thrvch athskip to fâra Nêarchus, hwand wi him far basterd
+blod bikånde thrvch sin friska hûd ånd blâwa âgon mith wit hêr. After
+nêi gvng Dêmêtrius lâs vp Hrodus [83] thêr hinne brochton wi sina
+salt-âtha ând liftochta wr. Thâ wi tha leste rêis to Hrodus kêmon,
+was orloch vrtyan. Dêmêtrius was nêi Athenia fâren. Tha vs kêning
+thåt vnderstande, lêd-er vs tobek. Tha wi anda hâve kêmon, wêre êl et
+thorp in row bidobben. Friso thêr kêning wêr ovir-a flâte, hêde en svn
+ånd en toghater tûs, sâ bjustre fres, as jef hja pâs ut Fryasland wêi
+kvmen wêren, ånd sâ wonderskên as nimman mocht hügja. Thjv hrop thêrvr
+gvng vvr alle Krêkalanda ånd kêm in tha âra fon Dêmêtrius. Dêmêtrius
+wêre vvl ånd vnsêdlik, ånd hi thogte thåt-im ella fry stvnde. Hi lêt
+thju toghater avbêr skâkja. Thju moder ne thvrade hjra joi [84] navt
+wachtja, joi nomath tha stjurar wiva hira mâna, thåt is blideskip,
+ak segsath hja swêthirte. Tha stjurar hêton hjra wiva trâst, ånd fro
+jefta frow thåt is frü âk frolik, thåt is êlik an frü. Thrvchdam hju
+hjra man navt wachtja thurade, gvng hju mith hjra svne nêi Dêmêtrius
+ånd bad, hi skolde hja hjra toghater wither jêva. Men as Dêmêtrius
+hira svn sa, lêt-er tham nêi sinra hove fora, ånd dêde alên mith him,
+as-er mith tham his suster dên hêde. Anda moder sand hi en buda gold,
+thach hju stirt-et in sê. As hju thûs kêm, warth hju wansinnich,
+allerwêikes run hju vvra strête: nåst min kindar navt sjan, o wach,
+lêt mi to jow skul sêka, wand min joi wil mi dêja for tha-k sina kindar
+wêi brocht håv. Tha Dêmêtrius fornom, thåt Friso to honk wêre, sand-i
+en bodja to him segsande, thåt hi sina bern to him nomen hêde wmbe ra
+to fora to-n hâge stât vmbe to lânja him to fâra sina thjanesta. Men
+Friso thêr stolte ånd herdfochtich wêre, sand en bodja mith en brêve
+nêi sinum bern tha, thêrin mânde hi hjam, hja skolde Dêmêtrius to
+willa wêsa, vrmithis tham hjara luk jêrde. Thach thene bodja hêde
+jeta-n ora brêve mith fenin, thêrmêi bifâl-er hja skolde thåt innimma,
+hwand sêid-er-vnwillinglik is thin lif bivvllad, thåt ne skil jow
+navt to rêkned ni wrde, thach sâhwersa jow jowe sêle bivvlath sa ne
+skil jow nimmerthe to Walhâlla ne kvma, jow sêle skil thån ovir irtha
+ommewâra, svnder å thet ljucht sja to mugande, lik tha flâramusa ånd
+nachtula skilstv alra dystik in thina hola skula, thes nachtis utkvma,
+then vp vsa gråva grâja ånd hûla, thahwila Frya hjra haved fon jow
+ofwenda mot. Tha bern dêde lik-ra bifâlen warth. Dêmêtrius lêt ra
+likka in sê werpa ånd to tha månniska wrde sêid, thåt hja fljucht
+wêron. Nw wilde Friso mith alleman nêi Fryasland fâra, thêr-i êr wêst
+hêde, men tha mêst nilde thåt navt ne dva. Nw gvng Friso to ånd skât
+thet thorp mith-a kêninglika fârrêdskûrum anda brônd. Hjud ne kv ni
+thvrade ninman ne bilywa, ånd alle wêron blyde, that hja bûta wêre,
+bihalva wif ånd bern hêdon wi ella abefta lêten, thach wi wêron to
+lêden mith liftochtum ånd orlochtuch.
+
+Friso nêde nach nên fretho. Tha wi by tha alda hâve kêmon gvnger
+mith sina drista ljudum to ånd skât vnwarlinga tha brônd inna skêpa,
+thêr-i mith sina pilum bigâna kv. After sex dêgum sâgon wi tha
+orlochflâte fon Dêmêtrius vp vs to kvma. Friso bifâl vs, wi moston
+tha lithste skêpa åfterhâde in êne brêde line, tha stora mith wif
+ånd bern fârut. Forth bâd er wi skoldon tha krânboga fon for nimma
+ånd anda åftestêwen fåstigja, hwand sêid er, wi achon al ffjuchtande
+to fjuchtane. Nimman ne mêi him formêta vmb en enkeldera fyand to
+forfolgjande, alsa sêid-er is min bislut. Tha hwila wi thêrmitha al
+dvande wêron, kêm wind vs vppa kop, to thêra låfa ånd thêra wiva skrik,
+thrvchdam wi nêne slâvona navt nêde as thêra thêr vs bi ajn willa
+folgan wêre. Wi ne machton hja thus navt thruch roja ni vntkvma. Men
+Wralda wiste wel, hwêrvmb-er sâ dêde, ånd Friso thêr-et fata, lêt
+tha bårnpila ring inna krânboga lidsa. To lik bâd-er thåt nimman
+skiata ne machte, êr hy skâten hêde. Forth sêid-er thåt wi alle nêi
+thåt midloste skip skiata moste, is thåt dol god biracht sêid-er,
+sâ skilun tha ôra him to helpane kvma ånd thån mot alrik skiata sa-r
+alderbesta mêi. As wi nw arhalf ketting fon-ra of wêre, bigoston tha
+Phonisiar to skiata. Men Friso n-andere navt bi fâra tha êroste pil
+del falde a sex fadema fon sin skip. Nw skât-er. Tha ôra folgade,
+thet likte en fjurrêin ånd thrvchdam vsa pila mith wind mêi gvngon,
+bilêvon hja alle an brônd, ånd nâkade selva tha thridde lâge. Allera
+månnelik gyradon ånd jûwgade. Men tha krêta vsar witherlâgum wêron
+sa herde, thet-et vs thet hirte binêpen warth. As Friso mênde thåt
+et to koste, lêt-er ofhalde ånd wi spode hinne. Thach nêi that
+wi twa dêga forth pilath hêde, kêm thêr en ôre flâte ant sjocht,
+fon thrittich skêpun, thêr vs stêdis in wnne. Friso lêt vs wither
+rêd makja. Men tha ôthera sandon en lichte snâka fvl rojar forut,
+tha bodon thêra bâdon ut alera nôma jef hja mith fâra machte. Hja
+wêron Johniar, thrvch Dêmêtrius wêron hja wåldantlik nêi there alda
+hâve skikad. Thêr hêdon hja fon thêre kêse hêrad ånd nw hêdon hja
+thet stolta swêrd antjan, ånd wêron vs folgad. Friso thêr fül mitha
+Johnjar faren hêde sêide jå, men Wichhirte vsa kêning sêide nê. Tha
+Johnjar send afgoda thjanjar sêid-er, ik selva håv hêrad, ho hja thi
+an hropte. Friso sêide thet kvmath thrvch tha wandel mith tha åfta
+Krêkalandar. Thåt håv ik vâken selva dên. Thach ben ik alsa herde
+Fryas as tha finste fon jow. Friso wêre thene mån thêr vs to Fryasland
+wisa moste. Thus gvngon tha Johnjar mith. Ak likt-et nei Wr.aldas hêi,
+hwand êr thrja mônathe om hlâpen wêron, gvngon wi allingen Britannja,
+ånd thrja dêga lêter machton wi ho.n sêen hropa.
+
+
+
+
+
+THIT SKRIFT IS MIJ OWER NORTLAND JEFTHA SKÊNLAND JÊVEN.
+
+
+Vndera tida thåt vs land del sêg, wêre ik to Skênland. Thêr gvng et
+alsa to. Thêr wêron grâte mâra, thêr fon tha bodeme lik en blêse vt
+setta, then spliton hja vt-ên. Uta rêta kêm stof as-t gliande yser
+wêre. Thêr wêron berga thêr tha krunna of swikte. Thesse truldon
+nêther ånd brochton walda ånd thorpa wêi. Ik self sâ thåt en berch
+fon tha ôra of torent wrde. Linrjucht sêg er del. As ik afternêi
+sjan gvng, was thêr en mâre kvmen. Tha irtha bêterad was, kêm er
+en hêrtoga fon Lindasburch wêi, mit sin folk ånd en fâm, thju fâm
+kêthe allomme: Thene Mâgy is skeldich an al-eth lêt thåt wi lêden
+håve. Hja tâgon immer forth en thet hêr wårth al grâter. Thene Mâgy
+fluchte hinne, mån fand sin lik, hi hêde sin self vrdên. Tha wrdon
+tha Finna vrdrêven nêi ênre stêd, thêr machton hja lêva. Thêr wêron
+fon basterde blode. Thissa machton biliwa, thach fêlo gvngon mith tha
+Finna mêi. Thi hêrtoga warth to kêning kêren. Tha kårka thêr êl bilêven
+wêron wrde vrdên. Sont komath tha gode Northljud vâken to Texland vmb
+there Moder-is rêd. Thâ wi ne mügath hjam for nêne rjuchta Fryas mar
+ne halde. Inna Dênamarka ist sêkur as bi vs gvngon. Tha stjurar, tham
+hjara self thêr stoltelika sêkåmpar hêton, send vppira skêpa gvngon,
+ånd åfternêi sind hja to bek gvngon.
+
+
+ Held!
+
+
+Hwersa thene Kroder en tid forth kroden heth, thån skilun tha
+åfterkomanda wâna thåt tha lêka and brêka, thêr tha Brokmanna mith
+brocht håve, åjen were an hjara êthla. Thêr vr wil ik wâka ånd thus
+sâ fül vr hjåra plêga skriva as ik sjan hå. Vr tha Gêrtmanna kån
+ik rêd hinne stappa. Ik nåv navt fül mithra omme gvngen. Tha sâ
+fêr ik sjan hå send hja thåt mast bi tâl ånd sêd bilêwen. Thåt ne
+mêi ik navt segsa fon tha ôthera. Thêr fon.a Krêkalânda wêi kvme,
+send kwâd ther tâl ånd vppira sêd ne mêi mån êl navt boga. Fêlo
+håvath brûna âgon ånd hêr. Hja send nidich ånd drist ånd ång thrvch
+overbilâwichhêd. Hwêrsa hja sprêka, sâ nômath hja the worda fâr vppa
+thêr lerst kvma mosta. Ajen ald segath hja âd, åjen salt sâd, mâ fori
+mån, sel fori skil, sode fori skolde, to fül vmb to nomande. Ak forath
+hja mêst vrdvaliske ånd bikirte nôma, hwêran mån nên sin an hefta ne
+mêi. Tha Johniar sprêkath bêtre, thach hja swygath thi h ånd hwêri
+navt nêsa mot, wårth er ûtekêth. Hwersa imman en byld mâkath åfter
+ênnen vrstvrven ånd thet likt, sâ lâwath hja, thåt thene gâst thes
+vrsturvene thêr inne fârath. Thêrvr håvath hja alle bylda vrburgen
+fon Frya, Fåsta, Mêdêa, Thjanja, Hellênja ånd fêlo ôthera. Hwerth
+thêr en bern ebern, sâ kvmath tha sibba et sêmne ånd biddath an Frya
+thåt hju hjara fâmkes mêi kvma lêta thåt bern to sêenande. Håvon hja
+bêden sa ne mêi nimman him rora ni hêra lêta. Kvmt et bern to gråjande
+ånd halt thit en stvnde an, alsa is thåt en kwâd têken ånd man is an
+formoda, thåt thju måm hordom dên heth. Thêrvr håv ik al årge thinga
+sjan. Kvmt et bern to slêpande, sâ is thåt en têken, thåt tha fâmkes
+vr-et kvmen send. Lakt et inna slêp, sâ håvon tha fâmkes thåt bern
+luk to sêit. Olon lâwath hja an bosa gâsta, hexna, kolla, aldermankes
+ånd elfun, as jef hja fon tha Finna wei kêmen. Hyrmitha wil ik enda
+ånd nw mên ik tha-k mår skrêven hå, as ên minra êthla. Frêthorik.
+
+Frêthorik min gâd is 63 jêr wrden. Sont 100 ând 8 jêr is hi thene
+êroste fon sin folk, thêr frêdsum sturven is, alle ôthera send vndera
+slêga swikt, thêrvr thåt alle kåmpade with ajn ånd fêrhêmande vmb
+rjucht ånd plicht.
+
+Min nôm is Wil-jo, ik bin tha fâm thêr mith him fona Saxanamarka to
+honk for. Thrvch tâl ånd ommegang kêm et ut, thåt wi alle bêde fon
+Adela his folk wêron, thâ kêm ljafde ånd åfternêi send wi man ånd wif
+wrden. Hi heth mi fyf bern lêten, 2 suna ånd thrju toghatera. Konerêd
+alsa hêt min forma, Hâchgâna min ôthera, mine aldeste toghater
+hêth Adela, thju ôthera Frulik ånd tha jongeste Nocht. Thâ-k nêi
+tha Saxanamarka for, håv ik thrju boka hret. Thet bok thêra sanga,
+thêra tellinga, ånd thet Hêlênja bok. Ik skrif thit til thju mån navt
+thånka ne mêi thåt hja fon Apollânja send; ik håv thêr fül lêt vr
+had ând wil thus âk thju êre hå. Ak håv ik mâr dên, tha Gosa-Makonta
+fallen is, hwames godhêd ånd klârsjanhêd to en sprêkword is wrden,
+thâ ben ik allêna nêi Texland gvngen vmbe tha skrifta vr to skrivane,
+thêr hju åfter lêten heth, ånd thâ tha lerste wille fonden is fon
+Frâna ånd tha nêilêtne skrifta fon Adela jefta Hellênja, håv ik thåt
+jetta rêis dên. Thit send tha skrifta Hellênjas. Ik set hjam fâr vppa
+vmbe thåt hja tha aldesta send.
+
+
+ ALLE AFTA FRYAS HELD.
+
+
+In êra tida niston tha Slâvona folkar nawet fon fryhêd. Lik oxa wrdon
+hja vnder et juk brocht. In irthas wand wrdon hja jâgath vmbe mêtal
+to delvane ånd ut-a herde bergum moston hja hûsa hâwa to forst ånd
+presterums hêm. Bi al hwat hja dêdon, thêr nas nawet to fâra hjara
+selva, men ella moste thjanja vmbe tha forsta ånd prestera jeta riker
+ånd weldiger to mâkjane hjara selva to sådene. Vnder thesse arbêd
+wrdon hja grêv ånd stråm êr hja jêrich wêron, ånd sturvon svnder n
+ochta afskên irtha tham overflodlik fvl jêf to bâta al hjara bern. Men
+vsa britna kêmon ånd vsa bânnalinga thrvch tha Twisklânda vr in hjara
+marka fâra ånd vsa stjurar kêmon in hjara hâvna. Fon hjam hêradon hja
+kålta vr êlika frydom ånd rjucht ånd overa êwa, hwêr bûta nimman omme
+ne mêi. Altham wrde vpsugon thrvch tha drova månniska lik dâwa thrvch
+tha dorra fjelde. As hju fvl wêron bijonnon tha alderdrista månniska to
+klippane mith hjara kêdne, alsa-t tha forsta wê dêde. Tha forste send
+stolte ånd wichandlik, thêrvmbe is thêr âk noch düged in hjara hirta,
+hja birêdon et sêmine ând javon awet fon hjara overflodalikhêd. Men
+tha låfa skin frâna prestara ne machton thåt navt ne lyda, emong
+hjara forsinde godum hêdon hja âk wrangwråda drochtne eskêpen. Pest
+kêm inovera lânda. Nw sêidon hja, tha drochtna send tornich overa
+overhêrichhêd thêra bosa. Tha wrdon tha alderdrista månniska mith
+hjara kêdne wirgad. Irtha heth hjara blod dronken, mith thåt blod
+fode hju früchda ånd nochta, ånd alle tham thêr of êton wrdon wis.
+
+16 wâra 100 jêr lêden [85] is Atland svnken, ånd to thêra tidum
+bêrade thêr awat hwêr vppa nimman rêkned nêde. In-t hirte fon Findas
+lând vppet berchta lêid en del, thêr is kêthen Kasamyr [86], thet is
+sjeldsum. Thêr werth en bern ebern, sin måm wêre thju toghater enis
+kêning ånd sin tât wêre-n hâvedprester. Vmb skôm to vnkvma mosten hja
+hjara åjen blod vnkvma. Thêrvmbe wårth er bûta thêre stêde brocht bi
+årma månniska. In twiska was-t im navt forhêlad ne wrden, thêr vmbe
+dêd er ella vmbe wisdom to gêtane ånd gârane. Sin forstân wêre sâ grât
+thåt er ella forstânde hwat er sâ ånd hêrade. Thåt folk skowde him mit
+êrbêdenese and tha prestera wr don ang vr sina frêga. Thå-r jêrich
+wrde gvnger nêi sinum aldrum. Hja moston herda thinga hêra, vmb-im
+kwit to werthane javon hja him vrflod fon kestlika stênum; men hja ne
+thvradon him navt avbêr bikânnâ as hjara åjne blod. Mith drovenese
+in vrdelven overa falxe skôm sinra aldrum gvng-er ommedwâla. Al
+forth fârande mête hi en Fryas stjurar thêr as slâv thjanade, fon
+tham lêrd-i vsa sêd ånd plêgum. Hi kâpade him fry, ånd to ther dâd
+send hja frjunda bilêwen. Alomme hwêr er forth hinne tâch, lêrd-i
+an tha ljuda thåt hja nêne rika ner prestera tolêta moston, thåt hja
+hjara selva hode moston åjen falxe skôm, ther allerwêikes kvad dvat
+an tha ljavde. Irtha sêid-er skånkath hjara jêva nêi mêta men hjara
+hûd klâwat, thåt mån thêrin âch to delvane to êrane ånd to sêjane,
+sâ mån thêrof skêra wil. Thach sêid-er nimman hovat thit to dvande
+fori ennen ôthera hit ne sy, thåt et bi mêne wille jef ut ljavade
+skêd. Hi lêrde thåt nimman in hjara wand machte frota vmbe gold
+her silver ner kestlika stêna, hwêr nid an klywath ånd ljavde fon
+fljuchth. Vmbe jow manghêrta ånd wiva to sjarane, sêid-er, jêvath
+hjara rin strâma ênoch. Nimman sêid-er is weldich alle månniska
+mêtrik ånd êlika luk to jân. Tha thåt it alra månniska plicht vmbe
+tha månniska alsa mêtrik to mâkjane ånd sa fêlo nocht to jân, as to
+binâka is. Nêne witskip seid-er ne mêi mån minachtja, thach êlika
+dêla is tha grâteste witskip, thêr tid vs lêra mêi. Thêrvmbe thåt
+hjv argenese fon irtha wêrath ånd ljavde feth.
+
+Sin forme nôm wêre Jes-us [87], thach tha prestera thêr-im sêralik
+håton hêton him Fo thåt is falx, thåt folk hête him Kris-en thåt is
+herder, ånd sin Fryaske frjund hêta him Bûda, vmbe that hi in sin
+hâvad en skåt fon wisdom hêde ånd in sin hirt en skåt fon ljavde.
+
+To tha lersta most-er fluchta vr tha wrêka thêra prestera, men vral
+hwêr er kêm was sine lêre him fârut gvngen ånd vral hwêr-er gvng
+folgadon him sina lêtha lik sine skâde nêi. Thâ Jes-vs alsa twilif
+jêr om fâren hêde, sturv-er, men sina frjunda wâradon sine lêre ånd
+kêthon hwêr-et âron fvnde.
+
+Hwat mênst nw thåt tha prestera dêdon, thåt mot ik jo melde, âk mot-i
+thêr sêralik acht vp jân, forth mot-i over hjara bidryv ånd renka wâka
+mith alle kråftum, thêr Wralda in jo lêid heth. Thahwila Jes-us lêre
+vr irtha for, gvngon tha falxe prestera nêi-t lând sinra berta sin
+dâd avbêra, hja sêidon thåt hja fon sinum frjundum wêron, hja bêradon
+grâte rowa, torennande hjara klâthar to flardum ånd to skêrande hjara
+hola kâl. Inna hôla thêra berga gvngon hja hêma, thach thêrin hêdon hja
+hjara skåt brocht, thêr binna mâkadon hja byldon åfter Jes-us, thessa
+byldon jâvon hja antha vnårg thånkanda ljuda, to longa lersta sêidon
+hja thåt Jes-us en drochten wêre, thåt-i thåt selva an hjam bilêden
+hêde, ånd thåt alle thêr an him ånd an sina lêra lâwa wilde, nêimels
+in sin kêningkrik kvme skolde, hwêr frü is ånd nochta send. Vrmites
+hja wiston thåt Jes-us åjen tha rika to fjelda tâgen hêde, sâ kêthon
+hja allerwêikes, that årmode hâ ånd ênfald sâ thju düre wêre vmbe in
+sin rik to kvmane, thåt thêra thêr hyr vp irtha thåt mâste lêden hêde,
+nêimels tha mâsta nochta håva skolde. Thahwila hja wiston thåt Jes-us
+lêrad hêde thåt mån sina tochta welda ånd bistjura moste, sâ lêrdon
+hja thåt mån alle sina tochta dêja moste, ånd thåt tha fvlkvminhêd
+thêra månniska thêrin bistande thåt er êvin vnforstoren wrde sâ thåt
+kalde stên. Vmbe thåt folk nw wis to mâkjande thåt hja alsa dêdon,
+alsa bêradon hja årmode overa strêta ånd vmb forth to biwisane thåt
+hja al hjara tochta dâd hêde, nâmon hja nêne wiwa. Thach sahwêrsa en
+toghater en misstap hêde, sâ wårth hja that ring forjân, tha wrakka
+sêidon hja most mån helpa and vmbe sin åjn sêle to bihaldane most
+mån fül anda cherke jân. Thus todvande hêde hja wiv ånd bern svnder
+hûshalden ånd wrdon hja rik svnder werka, men that folk wårth fül
+årmer ånd mâr êlåndich as â to fâra. Thas lêre hwêrbi tha prestera nên
+ôre witskip hova as drochtlik rêda, frâna skin ånd vnrjuchta plêga,
+brêd hiri selva ut fon-t âsta to-t westa ånd skil âk vr vsa landa kvma.
+
+Men astha prestera skilun wâna, thåt hja allet ljucht fon Frya ånd
+fon Jes-us lêre vtdâvath håva, sâ skilum thêr in alle vvrda månniska
+vpstonda, tham wêrhêd in stilnise among ekkorum wârath ånd to fâra
+tha prestera forborgen håve. Thissa skilun wêsa ut forsta blod, fon
+presterum blod, fon Slâvonum blod, ånd fon Fryas blod. Tham skilun
+hjara foddikum ånd thåt ljucht bûta bringa, sâ thåt allera månnalik
+wêrhêd mêi sjan; hja skilun wê hropa overa dêda thêra prestera ånd
+forsta. Tha forsta thêr wêrhêd minna ånd rjucht tham skilun fon
+tha prestera wika, blod skil strâma, men thêrut skil-et folk nye
+kråfta gâra. Findas folk skil sina findingrikhêd to mêna nitha wenda,
+thåt Lydas folk sina kråfta ånd wi vsa wisdom. Tha skilun tha falxa
+prestera wêi fâgath wertha fon irtha. Wralda his gâst skil alomme ånd
+allerwêikes êrath ånd bihropa wertha. Tha êwa thêr Wralda bi-t anfang
+in vs mod lêide, skilun allêna hêrad wertha, thêr ne skilun nêne ôra
+mâstera, noch forsta, ner bâsa navt nêsa, as thêra thêr bi mêna wille
+kêren send. Thån skil Frya juwgja ånd Irtha skil hira jêva allêna
+skånka an tha werkande månnisk. Altham skil anfanga fjuwer thusand
+jêr nêi Atland svnken is ånd thusand jêr lêter skil thêr longer nên
+prester ner tvang vp irtha sa.
+
+Dela tonômath Hellênja, wâk!
+
+Sâ lûda Frânas ûtroste wille. Alle welle Fryas held. An tha nôme
+Wraldas, fon Frya, ånd thêre fryhêd grête ik jo, ånd bidde jo,
+sahwersa ik falla machte êr ik en folgster nômath hêde, sâ bifêl ik
+jo Tüntja thêr Burchfâm is to thêre burch Mêdêasblik, til hjud dêgum
+is hja tha besta.
+
+Thet heth Gôsa nêi lêten. Alle månniska held. Ik nåv nêne êremoder
+binomad thrvchdam ik nêne niste, ånd et is jo bêter nêne Moder to
+håvande as êne hwêr vp-i jo navt forlêta ne mêi. Arge tid is forbi
+fâren, men thêr kvmt en ôthere. Irtha heth hja navt ne bårad ånd
+Wralda heth hja navt ne skêren. Hju kvmt ut et âsta ut-a bosma thêra
+prestera wêi. Sâ fêlo lêd skil hju broda, thåt Irtha-t blod algâdvr
+navt drinka ne kån fon hira vrslêjana bernum. Thjustrenesse skil
+hju in overne gâst thêra månniska sprêda, lik tongar-is wolka oviret
+svnneljucht. Alom ånd allerwêikes skil lest ånd drochten bidryf with
+fryhêd kâmpa ånd rjucht. Rjucht ånd fryhêd skilun swika ånd wi mith
+tham. Men thesse winst skil hjara vrlias wrochta. Fon thrju worda
+skilun vsa åfterkvmande an hjara ljuda ånd slâvona tha bithjutnesse
+lêra. Hja send mêna ljavde, fryhêd ånd rjucht. Thåt forma skilun
+hja glora, åfternêi with thjustrenesse kåmpa al ont et hel ånd klår
+in hjawlikes hirt ånd holle wårth. Thån skil tvang fon irtha fâgad
+wertha, lik tongarswolka thrvch stornewind, ånd alle drochten bidryv
+ne skil thêr åjen nawet navt ne formüga. Gôsa.
+
+
+
+
+
+THET SKRIFT FON KONERÊD.
+
+
+Min êthla håvon in åfter thit bok skrêven. Thit wil ik boppa ella
+dva, vmbe thåt er in min stât nên burch ovir is, hwêrin tha bêrtnesa
+vp skrêven wrde lik to fâra. Min nôme is Konerêd, min tât-his nôme
+was Frêthorik, min mem his nôme Wiljow. After tât his dâd ben ik to
+sina folgar kêren, ånd tha-k fiftich jêr tålde kâs men mij to vrste
+grêvetmån. Min tât heth skrêven ho tha Linda-wrda ånd tha Ljudgârdne
+vrdilgen send. Lindahêm is jeta wêi, tha Linda-wrda far en dêl,
+tha northlikka Ljudgârdne send thrvch thene salta sê bidelven. That
+brûwsende hef slikt an tha hringdik thêre burch. Lik tât melth heth, sâ
+send tha hâvalâsa månniska to gvngen ånd hâvon hûskes bvwad binna tha
+hringdik thêra burch. Thêrvmbe is thåt ronddêl nw Ljvdwerd hêten. Tha
+stjurar segath Ljvwrd, men thåt is wansprêke. Bi mina jüged was-t ôre
+lând, thåt bûta tha hringdik lêid, al pol ånd brok. Men Fryas folk
+is diger ånd flitich, hja wrdon mod ner wirg, thrvchdam hjara dol to
+tha besta lêide. Thrvch slâta to delvane ånd kâdika to mâkjane fon
+tha grvnd thêr ût-a slâta kêm, alsa håvon wi wither en gode hêm bûta
+tha hringdik, thêr thju dânte het fon en hof, thrê pêla âstwarth,
+thrê pêla sûdwarth ånd thrê pêla wêstwarth mêten. Hjud dêgum send
+wi to dvande å-pêla to hêjande, vmb êne hâve to winnande ånd mith
+ên vmb-vsa hringdik to biskirmande. Jef et werk rêd sy, sâ skilun
+wi stjurar utlvka. Bi min jüged stand-et hyr bjûstre om-to, men hjud
+send tha hûskes al hûsa thêr an rêja stân. And lek ånd brek thêr mith
+ermode hir in glupt wêron, send thrvch flit a-buta drêven. Fon hir ut
+mêi allera månnalik lêra, thåt Wr.alda vsa Alfoder, al sina skepsela
+fot, mits thåt hja mod halde ånd månlik ôtherum helpa wille.
+
+
+
+
+
+NV WIL IK VR FRISO SKRIVA.
+
+
+Friso thêr al weldich wêre thrvch sin ljud, wårth âk to vrste
+grêve kêren thrvch Staverens ommelandar. Hi spot mith vsa wisa fon
+lând-wêr ånd sêkåmpa, thêrvmbe heth-er en skol stift hwêr in tha knâpa
+fjuchta lêra nêi Krêkalandar wysa. Thån ik lâv thåt i thåt dên heth
+vmb thåt jongk-folk an sin snôr to bindane. Ik håv min brother thêr
+âk hin skikt, tha-s nv thjan jêr lêden. Hwand tocht ik nv wi nêne
+Moder lônger navt nåve, vmbe tha ênen åjen tha ôre to bi skirmande,
+âch ik dubbel to wâkane thåt hi vs nên mâster ne wårth.
+
+Gosa neth vs nêne folgstere nômeth, thêr vr nil ik nên ordêl ne fella,
+men thêr send jeta alda årg thenkande månniska, thêr mêne thåt hju-t
+thêr-vr mith Friso ênis wrden is. Thâ Gosa fallen was, thâ wildon tha
+ljud fon alle wrda êne ôthere Moder kjasa. Men Friso thêr to dvande
+wêre vmb-en rik to fara him selva to mâkjane, Friso ne gêrde nên
+rêd ner bodo fon Texland. As tha bodon thêra Landsâtum to him kêmon,
+sprek-i ånde kêth. Gosa sêid-er was fêrsjande wêst ånd wiser as alle
+grêva êtsêmne ånd thach nêde hju nên ljucht nêr klârhêd in thjuse
+sêke ne fvnden, thêrvmbe nêde hju nêne mod hân vmb êne folgstere to
+kjasane, ånd vmb êne folgstere to kjasane thêr tvyvelik wêre, thêr heth
+hju bald in sjan, thêrvmbe heth hju in hjara ûtroste wille skrêven,
+thåt is jow bêtre nêne Moder to håvande as êne hwêr vpp-i jo selva
+navt forlêta ne mêi. Friso hêde fül sjan, bi orloch was er vpbrocht,
+ånd fon tha hrenkum ånd lestum thêra Golum ånd forstum hêder krek sa
+fül lêred ånd geth, as-er nêdich hêde vmbe tha ôra grêva to wêiande
+hwêr hi hjam wilde. Sjan hir ho-r thêrmith to gvngen is.
+
+Friso hêde hir-ne ôther wif nimth, thju toghater fon Wil-frêthe,
+bi sin lêve was-er vrste Grêva to Staveren wêst. Thêr bi hêder twên
+svna wnnen ånd twa toghatera. Thrvch sin bilêid is Kornêlja sin jongste
+toghater mith min brother mant. Kornêlja is wan Fryas and mot Kornhêlja
+skrêven wrde. Wêmod sin aldeste heth er an Kavch bonden. Kavch thêr
+âk bi him to skole gvng is thi svnv fon Wichhirte thene Gêrtmanna
+kåning. Men Kavch is âk wan Fryas ånd mot Kâp wêsa. Men kvade tâle
+håvon hja mar mithbrocht as gode sêda.
+
+Nw mot ik mith mine skêdnese a-befta kêra.
+
+Aftre grâte flod hwêr vr min tât skrêven heth, wêron fêlo Juttar
+ånd Lêtne mith ebbe uta Balda jefta kvade sê [88] fored. Bi Kât his
+gat drêvon hja in hjara kâna mith yse vppa tha Dênemarka fåst ånd
+thêr vp send hja sitten bilêwen. Thêr nêron narne nên månniska an-t
+sjocht. Thêrvmbe håvon hja thåt lând int, nêi hjara nôme håvon hja
+thåt land Juttarland hêten. Afternêi kêmon wel fêlo Denemarker to bek
+fon tha hâga landum, men thissa setton hjara selva sûdliker del. And
+as tha stjurar to bek kêmon thêr navt vrgvngen navt nêron, gvng
+thi êna mith tha ôthera nei tha sê jefta êlandum. [89] Thrvch thisse
+skikking mochton tha Juttar thåt land halda, hwêr-vppa Wr.alda ra wêjad
+hêde. Tha Sêlandar stjurar tham hjara selva mith blâte fisk navt helpa
+ner nêra nilde, ånd thêr en årge grins hêde an tha Gola, tham gvngon
+dâna tha Phonisjar skêpa birâwa. An tha sûdwester herne fon Skênland,
+thêr lêid Lindasburcht tonômath Lindasnôse, thrvch vsa Apol stift,
+alsa in thit bok [90] biskrêwen stât. Alle kâdhêmar ånd ommelandar
+dâna wêron eft Fryas bilêven, men thrvch tha lust thêre wrêke åjen tha
+Golum ånd åjen tha Kåltana folgar gvngon hja mitha Sêlandar sâma dvan,
+men that sâma dva neth nen stek navt ne halden. Hwand tha Sêlandar
+hêde felo mislika plêga ånd wenhêde ovir nommen fon tha vvla Mâgjarum,
+Fryas folk to-n spot. Forth gvng ek to fara him selva râwa, thach jef
+et to pase kêm thån standon hja månlik ôtherum trvlik by. Thach to
+tha lesta bijondon tha Sêlandar brek to krêjande an goda skêpa. Hjara
+skipmâkar weron omkvmen ånd hjara walda wêron mith grvnd ånd al fon-t
+land of fâged. Nw kêmon thêr vnwarlingen thry skêpa by tha ringdik
+fon vsa burch mêra. Thrvch tha inbrêka vsra landum wêron hja vrdvaled
+ånd tha Flymvda misfaren. Thi kâpmon thêr mith gvngen was, wilde fon
+vs nya skêpa hå, thêrto hêdon hja mithbrocht allerlêja kestlika wêra,
+thêr hja râwed hêdon fon tha Kåltanarlandum ånd fon tha Phonisjar [91]
+skêpum. Nêidam wy selva nêne skêpa navt n-êde, jêf ik hjam flingka
+horsa ånd fjvwer wêpende rinbodon mith nei Friso. Hwand to Stâveren
+ånd allingen thåt Aldergâ thêr wrdon tha besta wêrskêpa maked fon herde
+êken wod thêr nimmerthe nên rot an ne kvmth. Thahwila tha sêkampar by
+my byde, wêron svme Juttar nêi Texland fâren ånd dânâ wêron hja nêi
+Friso wêsen. Tha Sêlandar hêdon felo fon hjara storeste knâpum râwed,
+thi moston vppa hjara benka roja, ånd fon hjara storeste toghtera vmb
+thêr by bern to têjande. Tha stora Juttar ne mochton et navt to wêrane,
+thrvchdam hja nêne gode wêpne navt nêde. Thâ hja hjara lêth telad hêde
+ånd thêrvr fêlo wordon wixlad wêron, frêje Friso to tha lesta jef hja
+nêne gode have in hjara gâ navt n-êde. O-jes, anderon hja, êne besta
+ên, êne thrvch Wr.alda skêpen. Hju is net krek lik jow bjarkrûk thêr,
+hira hals is eng, thâ in hira bålg kånnath wel thvsanda grâte kâna
+lidsa, men wi nâvath nêna burch ner burchwêpne, vmbe tha râwskêpa thêr
+ut to haldane. Thån mosten jow gvnst mâkja sêide Friso. God rêden
+anderon tha Juttar, men wi n-åvath nêne ambachtisljud ner bvwark,
+wi alle send fiskar ånd juttar. Tha ora send vrdrvnken jefta nêi tha
+hâga landum fljucht. Midlar hwila hja thus kålta, kêmon mina bodon
+mitha Sêlândar hêra et sina hove. Hir most nw letta ho Friso alle
+to bidobbe wiste to nocht fon bêde partja ånd to bâte fon sin åjn
+dol. Tha Sêlandar sêider to, hja skoldon jêrlikes fiftech skêpa håve,
+nêi fåsta mêtum ånd nêi fåsta jeldum, to hrêd mith ysere kêdne ånd
+krânbogum ånd mith fvlle tjuch alsa far wêrskêpa hof ånd nêdlik sy,
+men tha Juttar skoldon hja thån mith frêthe lêta, ånd all-et folk thåt
+to Fryasbern hêred. Jâ hi wilde mar dva, hi wilde al vsa sêkåmpar
+utnêda thåt hja skolde mith fjuchta ånd râwa. Thâ tha Sêlandar wêi
+brit wêron, thâ lêt er fjuwertich alda skêpa to laja mith burchwêpne,
+wod, hirbaken stên, timberljud, mirtselêra ånd smêda vmbe thêr mith
+burga to bvwande. Witto, that is witte sin svn, sand hi mith vmb to
+to sjanande. Hwat thêr al fâr fallen is, n-is my navt ni meld, men sa
+fül is mi bâr wrden, an byde sida thêre haves mvde is êne withburch
+bvwed, thêr in is folk lêid that Friso uta Saxanamarka tâch. Witto heth
+Sjuchthirte bifrêjad ånd to sin wiv nomen. Wilhem alsa hête hira tat,
+hi was vreste Aldermån thêra Juttar, that is vrste Grêvetman jefta
+Grêve. Wilhem is kirt after sturven ånd Witto is in sin stêd koren.
+
+
+
+
+
+HO FRISO FORTHER DÊDE.
+
+
+Fon sin êrosta wif hêder twên sviaringa bihalda, thêr sêr klok
+wêron. Hetto, that is hête, thene jongste skikt er as senda boda
+nêi Kattaburch thåt djap inna Saxanamarka lêid. Hi hêde fon Friso
+mith krêjen sjugon horsa buta sin åjn, to lêden mith kestlika sêkum,
+thrvch tha sêkåmpar râwed. Bi jahweder hors wêron twên jonga sêkåmpar
+ånd twên jonga hrutar mith rika klâdarum klâth ånd jeld in hiara
+bûdar. Êvin as er Hetto nêi Kattaburch skikte, skikter Bruno, thåt
+is brûne, thene ôthera svjaring nêi Mannagårda wrda, Mannagårda
+wrda is fâr in thit bok [92] Mannagårda forda skrêven, men thât is
+misdên. Alle rikdoma thêr hja mith hede wrdon nêi omstand wêi skånkt
+an tha forsta and forstene ånd an tha utforkêrne mangêrtne. Kêmon thâ
+sine knapa vppa thêre mêid vmbe thêr mith et jongkfolk to dônsjane,
+sa lêton hja kvra mith krûdkok kvma ånd bårgum jeftha tonnum fon
+tha besta bjar. After thissa bodon lêt-er immer jongkfolk over tha
+Saxanarmarka fâra, thêr alle jeld inna budar hêde ånd alle mêida
+jeftha skånkadja mith brochton, ånd vppa thêre mêid têradon hja alon
+vnkvmmerlik wêi. Jef-t nv bêrde thåt tha Saxana knâpa thêr nydich nêi
+utsâgon, thån lakton hja godlik ånd sêidon, aste thvrath thene mêna
+fyand to bikåmpane, sâ kånst thin brêid jet fül riker mêida jân ånd
+jet forstelik têra. Al bêda sviaringa fon Friso send bostigjad mith
+toghaterum thêra romriksta forstum, ånd åfkernêi kêmon tha Saxanar
+knâpa ånd mangêrtne by êlle keddum nêi thåt Flymar del.
+
+Tha burchfâmna ånd tha alda fâmna thêr jeta fon hjar êre grâthêd wiste,
+nygadon navt vr nêi Frisos bedriv, thêrvmbe ne kêthon hja nên god fon
+him. Men Friso snôder as hja lêt-ra snâka. Men tha jonga fâmna spônd-er
+mith goldne fingrum an sina sêk. Hja sêidon alomme wy nåvath longer
+nên Moder mâr, men thåt kvmth dâna thåt wit jêroch send. Jvd past vs
+ne kâning, til thju wi vsa landa wither winna, thêr tha Modera vrlêren
+håve thrvch hjara vndigerhêd. Forth kêthon hja, alrek Fryasbern is
+frydom jêven, sin stem hêra to lêtane bi fara thêr bisloten wårth bi
+t kjasa ênre forste, men ast alsa wyd kvma machte thåt i jo wither ne
+kåning kjasa, sâ wil ik âk min mêne segse. Nêi al hwat ik skoja mêi,
+sâ is Friso thêr to thrvch Wr.alda kêren, hwand hi heth im wonderlik
+hir hinne wêiad. Friso wêt tha hrenka thêra Golum, hwam his tâle hi
+sprêkt, hi kån thus åjen hjara lestum wâka. Thån is thêr jeta awet to
+skojande, hok Grêva skolde mån to kåning kjasa svnder that tha ôra
+thêr nidich vr wêron. Aldulkera tâlum wårth thrvch tha jonga fâmnn
+kethen, men tha alde fâmma afskên fê an tal, tapadon hjara rêdne ut en
+ôthera bårg. Hja kêthon allerwêikes ånd to alla mannalik: Friso kêthon
+hja dvath sâ tha spinna dvan, thes nachtis spônth-i netta nêi alle
+sidum ånd thes dêis vrskalkth-i thêr sina vnåftertochtlika frjunda
+in. Friso sêith that-er nêne prestera ner poppa forsta lyde ne mêi,
+men ik seg, hi ne mêi nimman lyda as him selva. Thêrvmbe nil hi navt
+ne dâja thåt thju burch Stavia wither vp hêjath warth. Thêrvmbe wil
+hi nêne Moder wêr hâ. Jud is Friso jow rêd jêvar, men morne wil hi
+jow kåning wertha, til thju hi over jo alle rjuchta mei. Inna bosm
+thes folk-is antstondon nw twa partyja. Tha alda ånd årma wildon
+wither êne Moder hâ, men thåt jongkfolk, thåt fvl strêdlust wêre
+wilde ne tât jeftha kåning hâ. Tha êrosta hêton hjara selva moder
+his svna ånd tha ôthera hêton hjara selva tât his svna, men tha Moder
+his svna ne wrde wrde navt ni meld, hwand thrvchdam thêr fêlo skêpa
+mâked wrde, was thêr ovirflod to fâra skipmâkar, smêda, sylmâkar,
+rêpmâkar ånd to fâra alle ôra ambachtisljud. Thêr to boppa brochton
+tha sêkåmpar allerlêja syrhêda mith. Thêr fon hêdon tha wiva nocht,
+tha fâmna nocht, tha mangêrtne nocht, ånd thêrof hêdon al hjara mêgum
+nocht ånd al hjara frjundum ånd âthum.
+
+Tha Friso bi fjuwertich jêr et Stâveren hushalden hêde sturf-er. [93]
+Thrvch sin bijelda hêde-r fêlo stâta wither to manlik ôtherum brocht,
+thach jef wi thêr thrvch bêter wrde thvr ik navt bijechta. Fon
+alle Grêva thêr bifâra him wêron n-as thêr nimman sâ bifâmed lik
+Friso wêst. Tha sâ as-k êr sêide, tha jonge fâmna kêthon sina love,
+thahwila tha alda fâmna ella dêdon vmb-im to achtjane ånd hâtlik to
+mâkjane bi alle månniska. Nw ne machton tha alda fâmna him thêr mitha
+wel navt ne stôra in sina bijeldinga, men hja håvon mith hjara bâra
+thach alsa fül utrjucht thåt-er sturven is svnder thåt er kåning wêre.
+
+
+
+
+
+NW WIL IK SKRIWA VR ADEL SIN SVNV.
+
+
+Friso thêr vsa skidnese lêred hêde ut-et bok thêra Adellinga, hêde
+ella dên vmbe hjara frjundskip to winnande. Sin êroste svnv thêr hi hir
+won by Swêthirte sin wif, heth-er bi stonda Adel hêten. And afskên hi
+kåmpade mith alle sin weld, vmbe nêne burga to forstålane ner wither
+vp to bvwande, thach sand hi Adel nêi thêre burch et Texland til thju
+hi diger bi diger kvd wertha machta, mith ella hwat to vsa êwa, tâle
+ånd sedum hêreth. Tha Adel twintich jêr tålde lêt Friso him to sin
+åjn skol kvma, ånd as er thêr utlêred was, lêt-er him thrvch ovir alle
+stâta fâra. Adel was-ne minlika skalk, bi sin fâra heth-er fêlo âtha
+wnnen. Dâna is-t kvmen thåt et folk him Atha-rik hêten heth, awet hwat
+him åfternêi sa wel to pase kêm, hwand as sin tât fallen was, bilêv
+er in sin stêd svnder that er vr-et kjasa êner ôthera Grêva sprêka kêm.
+
+Thahwila Adel to Texland inna lêre wêre, was thêr tefta en êlle
+ljawe fâm in vpper burch. Hju kêm fon ut tha Saxanamarkum wêi,
+fon ut-êre stâtha thêr is kêthen Svôbaland thêr thrvch wårth hju to
+Texland Svôbene [94] hêten, afskên hjra nôme Ifkja wêre. Adel hêde
+hja ljaf krêjen ånd hju hêde Adel ljaf, men sin tåt bêd-im hi skolde
+jet wachtja. Adel was hêrich, men alsa ring sin tât fallen was ånd hi
+sêten, sand hi bistonda bodon nei Berth-holda hira tât hin, as-er sine
+toghter to wif håva machte. Bertholda wêr-ne forste fon vnforbastere
+sêd, hi hêde Ifkja nêi Texland inna lêre svnden inner hâpe that hja
+ênis to burchfâm kêre wrde skolde in sine åjn land. Thach hi hêde
+hjara bêder gêrte kånna lêred, thêrvmbe gvng-er to ånd jef hjam sina
+sêjen. Ifkja wêr-ne kante Fryas. Far sa fêre ik hja håv kånna lêred,
+heth hju alôn wrocht ånd wrot til thju Fryasbern wither kvma machte
+vndera selva êwa ånd vnder ênen bôn. Vmbe tha månniska vppa hira syd
+to krêjande, was hju mith hira frjudelf fon of hira tât thrvch alle
+Saxanamarka fâren and forth nêi Gêrtmånnja. Gêrtmannja alsa hêdon
+tha Gêrtmanna hjara stât hêten, thêr hja thrvch Gosa hira bijeldinga
+krêjen hêde. Dâna gvngen hja nei tha Dênemarka. Fon tha Dênemarka
+gvngon hja skip nei Texland. Fon Texland gvngon hja nêi Westflyland
+en sa allingen tha sê nêi Walhallagâra hin. Fon Walhallagâra brûdon
+hja allingen thêra sûder Hrênum al ont hja mith grâta frêse boppa
+thêre Rêne bi tha Marsâta kêmon [95] hwêrfon vsa Apollânja skrêven
+heth. Tho hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja wither nêi tha delta
+[96]. As hja nw en tid lông nêi tha delta offâren wêron al ont hja inna
+strêk fon thêre alda burch Aken [97] kêmon, sind thêr vnwarlinga fjuwer
+skalka morth and naked uteklât. Hja wêron en lith åfter an kvmen. Min
+brother thêr vral by was hêde hja often vrbêden, thach hja nêde navt
+ne hêred. Tha bônar thêr thåt dên hêde wêron Twisklândar thêr juddêga
+drist wêi ovira Hrêna kvma to morda and to râwande. Tha Twislândar thåt
+sind bannane ånd wêi britne Fryasbern, men hjara wiva håvath hja fon
+tha Tartarum râwet. Tha Tartara is en brûn Findas folk, althus hêten
+thrvchdam hja alle folka to strida uttarta. Hja send al hrutar ånd
+râwar. Thêr fon send tha Twisklândar alsa blod thorstich wrden. Tha
+Twisklândar tham thju årgnise dên hêde, hêton hjara selva Frya jeftha
+Franka. Ther wêron sêide min brother râda bruna ånd wita mong. Thêre
+thêr râd jeftha brun wêron biton hjara hêre mith sjalkwêter [98]
+wit. Nêidam hjara ônthlita thêr brun by wêr, alsa wrdon hja thesto
+lêdliker thêr thrvch. Êvin as Apollânja biskojadon hja åfternêi
+Lydasburch ånd et Aldergâ. Dâna tâgon hju in over Stâverens wrde by
+hjara ljuda rond. Alsa minlik hêdon hja hjara selva anståled that
+tha månniska ra allerwêikes halda wilde. Thrê mônatha forther sand
+Adel bodon nêi alle âthum thêr hi biwnnen hêde ånd lêt tham bidda,
+hja skoldon inna Minna mônath lichta ljuda to him senda. [99]
+
+sin wif sêid er thêr fâm wêst hêde to Texlând, hêde dâna en ovirskrift
+krêjen. To Texland warthat jeta fêlo skrifta fvnden, thêr navt in-t
+bok thêra Adelinga vrskrêven send. Fon thissa skriftum hêde Gosa ên
+bi hira utroste wille lêid, thêr thrvch tha aldeste fâm Albêthe avbêr
+mâkt wertha most, alsa ringen Friso fallen was.
+
+
+
+
+
+HYR IS THAT SKRIFT MITH GOSAS RÊD.
+
+
+Tha Wralda bern jêf an tha modera fon thåt månniskelik slachte,
+thâ lêid er êne tâle in aller tonga ånd vp aller lippa. Thjus mêide
+hêde Wralda an tha månniska jêven, til thju hja månlik ôthera thêrmith
+machte kånbêr mâkja, hwat mån formyde mot ånd hwat mån bijagja mot vmbe
+sêlighêd to findane ånd sêlighêd to haldane in al êvghêd. Wralda is
+wis ånd god ånd al fårsjande. Nêidam er nw wist, thåt luk ånd sêlighêd
+fon irtha flya mot, jef boshêd düged bidroga mêi, alsa heth er an thju
+tâl êne rjuchtfêrdige åjendomlikhêd fåst bonden. Thjus åjendomlikhêd
+is thêr an lêgen, thåt mån thêr mith nên lêjen sêge, ner bidroglika
+worda sprêka ne mêi svnder stem lêth noch svnder skâmrâd, thrvch hvam
+mån tha bosa fon hirte bistonda vrkånna mêi. Nêidam vsa tâle thus to
+luk ånd to sêlighêd wêjath, ånd thus mith wâkt åjen tha bosa nygonga,
+thêrvmbe is hju mith alle rjucht godis tâle hêten, ånd alle tha jêna
+hwam hja an êre halda hâvath thêr gôme fon. Tha hwat is bêrth. Alsa
+ring thêr mong vsa halfsusterum ånd halfbrotharum bidrogar vpkêmon,
+tham hjara selva fori godis skalkum utjavon, also ring is thåt owers
+wrden. Tha bidroglika prestera ånd tha wrangwrêja forsta thêr immer
+sêmin hêladon, wildon nêi wilkêr lêva ånd buta god-is êwa dvan. In
+hjara tsjodishêd send hja to gvngen ånd håvon ôthera tâla forsvnnen,
+til thju hja hêmlik machte sprêka in åjenwårtha fon alrek ôtherum,
+vr alle bosa thinga ånd vr alle vnwêrthlika thinga svnder thåt
+stemlêth hjam vrrêda mocht nach skâmrâd hjara gelât vrderva. Men
+hwat is thêrut bern. Êvin blyd as-t sêd thêra goda krûdum fon vnder
+ne grvnd ut vntkêmth, thåt avbêr sêjed is thrvch goda ljuda by helle
+dêi, êven blyd brength tyd tha skâdlika krûda an-t ljucht, thêr sêjed
+send thrvch bosa ljuda in-t forborgne ånd by thjustrenesse.
+
+Tha lodderiga mangertne ånd tha vnmånlika knâpa thêr mitha vvla
+presterum ånd forstum horadon vntlvkadon tha nya tâla an hjara bola,
+thêrwisa send hja forth kvmen êmong tha folkrum, til thju hja god-is
+tâle glâd vrjetten håve. Wilst nw wêta hwat thêr of wrden is? Nv
+stemlêth ner gelât hjara bosa tochta navt longer mar vrrêdon, nv is
+düged fon ut hjara midden wêken, wisdom is folgth ånd frydom is mith
+gvngen, êndracht is sok râkt ånd twispalt heth sin stêd innommen,
+ljafde is fljucht ånd hordom sith mith nyd an têfel, ånd thêr êr
+rjuchtfêrdichhêd welde, welth nv thåt swêrd. Alle send slâvona wrden,
+tha ljuda fon hjara hêra, fon nyd, bosa lusta ånd bigyrlikhêd. Hêde hja
+nvmâr êne tâle forsvnnen, müglik was-t thån jet en lith god gvngen. Men
+hja håvon alsa fêlo tâla utfonden as thêr stâta send. Thêrthrvch mêi
+thåt êne folk thåt ôre folk êvin min forstân as thju kv thene hvnd
+ånd thi wolf thåt skêp. Thit mügath tha stjurar bitjuga. Thach dânâ
+is-t nv wêi kvmen, thåt alle slâvona folkar månlik ôthara lik ôra
+månniska biskoja ånd thåt hja to straffe hjarar vndigerhêd ånd fon
+hjara vrmêtenhêd, månlik ôthera alsa long biorloge ånd bikampa moton
+til thju alle vrdilgad send.
+
+
+
+
+
+HYR IS NV MIN RÊD.
+
+
+Bist thv alsa gyrich that thu irtha allêna erva wilste, alsa achst thv
+nimmer mâre nên ôre tâle ovir thina wêra ni kvma to lêtane as god-is
+tâle, ånd thån achst thv to njodane, til thju thin åjn tâle fry fon
+uthêmeda klinka bilyweth. Wilst thv thåt er svme fon Lydas bern ånd
+fon Findas bern resta, sâ dvath stv êvin alsa. Thju tâle thêra Ast
+Skênlandar is thrvch tha wla Mâgjara vrbrûd; thju tâle thêra Kaltana
+folgar is thrvch tha smûgrige Gole vrderven. Nv send wi alsa mild wêst
+vmbe tha witherkvmande Hellêna folgar wither in vs midden to nêmande,
+men ik skrom ånd ben sêrelik ange, thåt hja vs mild-sa vrjelda skilun
+mith vrbrûding vsra rêne tâle.
+
+Fül håvon wi witherfâren, men fon alle burgum, thêr thrvch arge
+tyd vrhomlath send ånd vrdiligad, heth Irtha Fryasburch vnforleth
+bihalden; åk mêi ik thêr by melda thåt Fryas jeftha god-is tâle hir
+evin vnforleth bihalden is.
+
+Hyr to Texland most mån thus skola stifta, fon alle stâtum thêr
+et mitha alda sêdum halda, most-et jongk folk hyr hinne senden
+wrde, åfterdam mochton thêra utlêred wêre tha ôra helpa thêr to
+honk vrbêide. Willath tha ôra folkar ysre wêron fon thi sella ênd
+thêrvr mith thi sprêka ånd thinga, sâ moton hja to god-istâle wither
+kêra. Lêrath hja god-is tâle sâ skilun tha worda fry-sâ ånd rjucht-hâ
+to hjara inkvma, in hjara brêin skilet thån bijina to glimmande ånd
+to glorande til thju ella to-ne logha warth. Thissa logha skil alle
+balda forsta vrtêra ånd alle skinfrâna ånd smûgriga prestera.
+
+Tha hêinde ånd fêrhêmande sendabodon hêdon nocht fon vr thåt skrift,
+thach thêr ne kêmon nêne skola. Thå stifte Adel selva skola, åfter
+him dêdon tha ôra forsta lik hy. Jêrlikis gvngon Adel ånd Ifkja tha
+skola skoja. Fandon hja thån êmong tha inhêmar ånd uthêmar seliga thêr
+ekkorum frjundskip bâradon, sâ lêton bêde grâte blidskip blika. Hêdon
+svme seliga ekkorum frjundskip sworen, alsa lêton hja alra mannalik
+to manlik ôrum kvma, mith grâte stât lêton hja thån hjara nôma in en
+bok skriva, thrvch hjam thåt bok thêra frjundskip hêten, åfter dam
+warth fêrst halden. Al thissa plêga wrde dên vmbe tha asvndergana
+twyga fon Fryas stam wither et sêmene to snôrane. Men tha famna thêr
+Adel ånd Ifkja nydich wêron, sêidon that hja-t niwerth ôre vr dêdon
+as vmb en gode hrop, ånd vmb bi grâdum to weldana in ovir ênis ôther
+man his stât.
+
+By min tât sinra skriftum håv ik ênen brêf funden, skrêvin thrvch
+Ljudgêrth thene Gêrtmån [100], bihalva svmlika sêka thêr min tât
+allêna jelde, jêf ik hyr thåt ôthera to thåt besta.
+
+Pang-ab, thât is fyf wåtera ånd hwêr neffen wi wech kvme, is-ne
+runstrâme fon afsvnderlika skênhêd, ånd fif wåtera hêten vmb thet
+fjuwer ôra runstrama thrvch sine mvnd in sê floja. Êl fere âstwarth is
+noch ne grâte runstrâme thêr hêlige jeftha frâna Gong-ga hêten. Twisk
+thysum runstrâmne is-t lônd thêra Hindos. Bêda runstrâma runath fon
+tha hâga bergum nêi tha delta del. Tha berga hwanâ se del strâme
+sind alsa hâch thet se to tha himel låja. Thêrvmbe wårth-et berchta
+Himellâja berchta hêten. Vnder tha Hindos ånd ôthera ut-a lôndum sind
+welka ljuda mank thêr an stilnise by malkorum kvma. Se gelâvath thet
+se vnforbastere bern Findas sind. Se gelâvath thet Finda fon ut-et
+Himmellåja berchta bern is, hvanâ se mith hjara bern nêi tha delta
+jeftha lêgte togen is. Welke vnder tham gelâvath thet se mith hjra
+bern vppet skum thêr hêlige Gongga del gonggen is. Thêrvmbe skolde thi
+runstrâme hêlige Gongga hêta. Mâr tha prestera thêr ut en ôr lônd wech
+kvma lêton thi ljuda vpspêra ånd vrbarna, thêrvmbe ne thurvath se far
+hjara sêk nit ôpentlik ut ni kvma. In thet lônd sind ôlle prestera tjok
+ånd rik. In hjara chårka werthat ôllerlêja drochtenlika byldon fvnden,
+thêr vnder sind fêlo golden mank. Biwesta Pangab thêr sind tha Yra
+jeftha wranga, tha Gedrostne jeftha britne, ånd tha Orjetten jeftha
+vrjetne. Ol thisa nôma sind-ar thrvch tha nydige prestera jêven,
+thrvchdam hja fon ar fljuchte, vmb sêda ånd gelâv. bi hjara kvmste
+hêdon vsa êthla hjara selva âk an tha âstlika ower fon Pangab del
+set, men vmb thêra prestera wille sind se âk nêi thêr wester ower
+fâren. Thêrthrvch håvon wi tha Yra ånd tha ôthera kenna lêrth. Tha
+Yra ne sind nêne yra mâr gôda minska thêr nêna byldon to lêta nach
+ônbidda, âk willath se nêna chårka nach prestar doga, ånd êvin als
+wi-t frâna ljucht fon Fåsta vpholda, êvin sâ holdon se ôllerwechs fjur
+in hjara hûsa vp. Kvmth môn efter êl westlik, ôlsâ kvmth môn by tha
+Gedrostne. Fon tha Gedrostne. Thisa sind mith ôra folkrum bastered ånd
+sprêkath ôlle afsvnderlika tâla. Thisa minska sind wêrentlik yra bonar,
+thêr ammer mith hjara horsa vp overa fjelda dwâla, thêr ammer jâgja
+ånd râwa ånd thêr hjara selva als salt-âtha forhêra an tha omhêmmande
+forsta, ther wille hwam se alles nither hâwa hwat se birêka müge.
+
+Thet lônd twisk Pangab ånd ther Gongga is like flet as Fryaslônd an tha
+sê, afwixlath mith fjeldum ånd waldum, fruchtbâr an alle dêlum, mâr
+thet mach nit vrletta that thêr bi hwila thûsanda by thûsanda thrvch
+honger biswike. Thisa hongernêde mach thêrvmbe nit an Wr.alda nach
+an Irtha wyten nit wertha, mâr allêna an tha forsta and prestera. Tha
+Hindos sind ivin blode ånd forfêred from hjara forstum, als tha hindne
+from tha wolva sind. Thêrvmbe håvon tha Yra ånd ôra ra Hindos hêten,
+thêt hindne bitjoth. Mâr fon hjara blodhêd wårth afgrislika misbruk
+mâkth. Kvmat thêr fêrhêmande kâpljud vmb kêren to kâpjande, alsa warth
+alles to jeldum mâkth. Thrvch tha prestera ni warth et nit wêrth,
+hwand thisa noch snoder ånd jyriger als alle forsta to samene, wytath
+êl god, thet al-et jeld endlik in hjara bûdar kvmth. Buta ånd bihalva
+thet tha ljuda thêr fül fon hjara forsta lyda, moton hja âk noch fül
+fon thet fenynige ånd wilde kwik lyda. Thêr send store elefante thêr
+by êle keddum hlâpa, thêr bihwyla êle fjelda kêren vrtrappe ånd êle
+thorpa. Thêr sind bonte ånd swarte katta, tigrum hêten, thêr sâ grât
+als grâte kalvar sind, thêr minsk ånd djar vrslynne. Bûta fêlo ôra
+wriggum sind thêr snâka fon af tha grâte êner wyrme âl to tha grâte
+êner bâm. Tha grâteste kennath en êle kv vrslynna, mâr tha lythste sind
+noch frêsliker als tham. Se holdon hjara selva twisk blom ånd fruchta
+skul vmb tha minska to bigâna tham thêr of plokja wille. Is môn thêr
+fon byten, sâ mot môn stårva, hwand åjen hjara fenyn heth Irtha nêna
+krûda jêven, ôlsânâka tha minska hjara selva håvon skildich mâkt an
+afgodie. Forth sind thêr ôllerlêja slacht fon hâchdiska nyndiska ånd
+adiska, ôl thisa diska sind yvin als tha snâka fon of ne wyrme til-ne
+bâmstame grât, nêi that hja grât jof frêslik sind, sind hjara nôma,
+thêr ik alle nit noma ni ken, tha aldergrâtesta âdiska sind algåttar
+hêten, thrvchdam se yvin grûsich bitte an thet rotte kwik, that mith-a
+strâma fon boppa nêi tha delta dryweth as an thet lêvande kwik, that
+se bigâna müge. An tha westsyde fon Pangab, wânâ wi wech kvme ånd hwer
+ik bern ben, thêr blojath ånd waxath tha selva frûchta ånd nochta as
+an tha âstsyde. To fâra wrdon er âk tha selva wrigga fonden, mår vsa
+êthla havon alle krylwalda vrbårnath ånd alsânâka åfter et wilde kwik
+jâged, that ther fê mår resta. Kvmth man êl westlik fon Pangab, then
+finth man neffen fette etta âk dorra gêstlanda thêr vnendlik skina,
+bihwila ofwixlath mith ljaflika strêka, hwêran thet âg forbonden
+bilywet. Vnder tha fruchta fon min land sind fêlo slachta mank, thêr
+ik hyr nit fvnden håv. Vnder allerlêja kêren is er âk golden mank,
+åk goldgêle aple, hwêrfon welke sâ swêt as hûning sind, ånd welka
+sa wrang as êk. By vs werthat nochta fonden lik bern-hâveda sâ grât,
+thêr sit tsys ånd melok in, werthat se ald sâ mâkt man ther ôlja fon,
+fon tha bastum mâkt mån tâw ånd fon tha kernum mâkt mån chelka ånd ôr
+gerâd. Hyr inna walda håv ik krup ånd stâkbêja sjan. By vs sind bêibâma
+als jow lindabâma, hwêrfon tha bêja fül swêter ånd thrêwâra grâter
+as stâkbêja sind. Hwersa tha dêga vppa sin olderlôngste sind ånd thju
+svnne fon top skinth, then skinth se linrjucht vppa jow hole del. Is
+mån then mith sin skip êl fêr sûdlik faren, ånd mån thes middêis
+mith sin gelât nêi-t âsten kêred, sâ skinth svnne åjen thine winstere
+syde lik se ôwers åjen thine fêre syde dvath. Hyrmitha wil ik enda,
+mâr after min skrywe skil-et thi licht nog falla, vmb tha lêjenaftiga
+teltjas to müge skiftane fon tha wara tellinga. Jow Ljudgêrt.
+
+
+
+
+
+THET SKRIFT FON BÊDEN.
+
+
+Mine nôm is Bêden, Hachgâna his svn. Konerêd min êm is nimmer
+bostigjath ånd alsa bernlâs sturven. My heth mån in sin stêd
+koren. Adel thene thredde kåning fon thjuse nôme heth thju kêse
+godkêrth, mites ik him as mina måstre bikenna wilde. Buta thåt fvlle
+erv minre êm heth-er mi en êle plek grvnd jêven thåt an mina erva
+pâlade, vnder fârwêrde that ik thêrvp skolde månniska stålla ther
+sina ljuda nimmerthe skolde [101].
+
+
+
+thêrvmbe wil ik thet hir-ne sted forjune.
+
+
+
+
+
+BRÊF FON RIKA THJU ALDFAM, VPSEID TO STAVEREN BY-T JOLFÊRSTE.
+
+
+Jy alle hwam his êthla mith Friso hir kêmon, min êrbydnesse to jo. Alsa
+jy mêne, send jy vnskeldich an afgodie. Thêr nil ik jvd navt vr sprêka,
+men jvd wil ik jo vppen brek wysa, thåt fê bêtre sy. Jy wêtath jeftha
+jy nêtath navt, ho Wralda thusand glornôma heth, thach thåt wêtath
+jy alle thåt hy warth Alfêder hêten, ut êrsêke thåt alles in ut him
+warth ånd waxth to fêding sinra skepsela. T-is wêr, thåt Irtha warth
+bihwyla âk Alfêdstre hêten, thrvchdam hju alle früchd ånd nochta
+bêrth, hwermitha månnisk ånd djar hjara selva fêde. Thach ne skolde
+hju nêne früchd ner nocht navt ne bêra, bydam Wralda hja nêne krefta
+ne jêf. Ak wiva ther hjara bern måma lêta an hjara brosta, werthat
+fêdstra hêten. Thâ ne jêf Wralda thêr nên melok in, sa ne skoldon
+tha bern thêr nêne bâte by finda. Sâ thåt by slot fon reknong Wralda
+allêna fêder bilywet. Thåt Irtha bihwyla warth Alfêdstre heten, ånd
+êne måm fêdstre, kån jeta thrvch-ne wende, men thåt-ne mån him lêt
+fêder hête vmbe thåt er tât sy, thåt strid with-åjen alle rêdnum. Thâ
+ik wêt wânât thjus dwêshêd wêi kvmth. Hark hyr, se kvmth fon vsa lêtha,
+ånd sâhwersa thi folgath werthe, sâ skilun jy thêrthrvch slâvona wertha
+to smert fon Frya ånd jowe hâgmod to.ne straf. Ik skil jo melda ho-t
+by tha slâvona folkar to gvngen is, thêr åfter mêi jy lêra. Tha poppa
+kåningar tham nêi wilkêr lêva, stêkath Wralda nêi thêre krône, ut nyd
+that Wralda Alfêder hêt, sa wildon hja fêdrum thêra folkar hêta. Nw
+wêt allera mannalik thåt-ne kêning navt ovir-ne waxdom ne welth,
+ånd thåt im sin fêding thrvch thåt folk brocht warth, men thach
+wildon hja fvlherdja by hjara formêtenhêd. Til thju hja to-ra dol
+kvma machte, alsa hâvon hja thet forma navt fvldên wêst mith tha frya
+jefta, men håvon hja thåt folk êne tins vplêid. Fori thene skåt, tham
+thêrof kêm, hêradon hja vrlandiska salt-âtha, tham hja in-om hjara
+hova lêidon. Forth namon hja alsa fêlo wiva, as-ra luste, ånd tha
+lithiga forsta ånd hêra dêdon al-ên. As twist ånd tvyspalt åfternêi
+inna hûshaldne glupte ånd thêr-vr klâchta kêmon, thâ håvon hja sêid,
+ja-hweder mån is thêne fêder fon sin hûshalden, thêrvmbe skil-er thêr
+âk bâs ånd rjuchter ovir wêsa. Thâ kêm wilkêr ånd êvin as tham mitha
+månnum in ovir tha hûshaldne welde, gvng er mit tha kåningar in ovir
+hjara stât ånd folkar dvan. Thâ tha kåningar et alsa wyd brocht hêdon,
+thåt hja fêderum thêra folkar hête, thâ gvngon hja to ånd lêton
+byldon åfter hjara dântne mâkja, thissa byldon lêton hja inna tha
+cherka stalla nêst tha byldon thêra drochtne ånd thi jena tham thêr
+navt far bûgja nilde, warth ombrocht jeftha an kêdne dên. Jow êthla
+ånd tha Twisklandar håvon mitha poppa forsta ommegvngen, dâna håvon
+hja thjuse dwêshêd lêred. Tha navt allêna thåt svme jower mån hjara
+selva skeldich mâkja an glornôma râw, âk mot ik my vr fêlo jower wiva
+biklâgja. Werthat by jo mån fvnden, tham mith Wralda an ên lin wille,
+thêr werthat by jo wiva fvnden, thêr et mêi Frya wille. Vmbe thåt hja
+bern bêred håve, lêtath hja hjara selva modar hêta. Tha hja vrjettath,
+that Frya bern bêrde svnder jengong ênis mån. Jå navt allêna thåt
+hja Frya ånd tha êremodar fon hjara glor-rika nôma birâwa wille,
+hwêran hja navt nâka ne müge, hja dvath alên mitha glornôma fon hjara
+nêsta. Thêr send wiva thêr hjara selva lêtath frovva hêta, afsken
+hja wête thåt thjuse nôme allêna to forsta wiva hêreth. Ak lêtath hja
+hjara toghatera fâmna hêta, vntankes hja wête, thåt nêne mangêrt alsa
+hêta ne mêi, wâra hju to êne burch hêrth. Jy alle wânath thåt jy thruch
+thåt nôm râwa bêtre werthe, thach jy vrjettath thåt nyd thêr an klywet
+ånd thåt elk kwâd sine tuchtrode sêjath. Kêrath jy navt ne wither,
+sâ skil tid thêr waxdom an jêva, alsa stêrik thåt mån et ende thêr of
+navt bisjâ ne mêi. Jow åfterkvmanda skilun thêr mith fêterath wertha,
+hja ne skilun navt ne bigripa hwânat thi slâga wêi kvme. Men afskên jy
+tha fâmna nêne burch bvwe ånd an lot vrlête, thach skilun thêr bilywa,
+hja skilun fon ut wald ånd holum kvma, hja skilun jow åfterkvmande
+biwysa thåt jy thêr willens skildech an send. Thån skil mån jo vrdema,
+jow skina skilun vrfêrth fon ut-a grêvum rysa, hja skilun Wr.alda,
+hja skilun Frya ånd hjara fâmna anhropa, thâ nimman skil-er åwet an
+bêtra ne müge, bifâre thåt Jol in op en ore hlâphring trêth, men thåt
+skil êrist bêra as thrê thûsand jêr vrhlâpen send åfter thisse êw.
+
+
+ Ende fon Rikas brêf. [102]
+
+
+
+thêrvmbe wil ik thåt forma vr swarte Adel skriva. Swarte Adel wêre
+thene fjurde kening åfter Friso. Bi sin jüged heth-er to Texland
+lêred, åfternêi heth-er to Stâveren lêred, ånd forth heth-er thrvch
+ovir alle stâta fâren. Thâ thåt er fjuwer ånd tvintich jêr wêre,
+heth sin tât mâked thåt-er to Asega-âskar kêren is. Thâ-er ênmel
+âskar wêre, âskte hi altid in-t fârdêl thêra årma. Tha rika, sêd-er,
+plêgath ênoch vnrjuchta thinga thrvch middel fon hjara jeld, thêrvmbe
+âgon wi to njvdane thåt tha årma nêi vs omme sjan. Thrvch thâ-s ånd
+ôra rêdne wêr-i thene frjund thêra årma ånd thêra rika skrik. Alsa
+årg is-t kvmen thåt sin tât him nêi tha âgum sach. Thâ sin tât fallen
+was, ând hy vppa tham-his sêtel klywed, thâ wild-er êvin god sin ambt
+bihalda, lik as tha keningar fon-t âsta plêgath. Tha rika nildon thåt
+navt ne dâja, men nw hlip allet ôra folk to hâpe, ånd tha rika wêron
+blyde that hja hêl-hûd-is fon thêre acht ofkêmon. Fon to ne hêrade
+mån nimmar mâra ovir êlika rjucht petârja. Hi dumde tha rika ånd hi
+strykte tha årma, mith hwam his helpe hi alle sêkum âskte, thêr-er
+bistek vp hêde. Kening Askar lik-er immer hêten warth, wêre by sjugun
+irthfêt lônge, sâ grât sin tôl wêr, wêron âk sina krefta. Hi hêde-n
+hel forstân, sâ thåt-er alles forstânde, hwêrwr that sprêken warth,
+thach in sin dvan ne macht mån nêne wisdom spêra. Bi-n skên ônhlite
+hêd-er êne glade tonge, men jeta swarter as sin hêr is sine sêle
+fvnden. Thâ that-er ên jêr kening wêre, nêdsêkte hi alle knâpa fon
+sin stât, hja skoldon jerlikis vppet kåmp kvma ånd thêr skin-orloch
+mâkja. In-t êrost hêde-r thêr spul mith, men to tha lersta warth-et
+sâ menêrlik, that ald ånd jong ut alle wrdum wêi kêmon to frêjande
+jef hja machte mith dva. Thâ hi-t alsa fêre brocht hêde, lêt-er
+wêrskola stifta. Tha rika kêmon to bârane ånd sêidon, that hjara
+bern nw nên lêsa nach skryva navt ne lêrade. Askar ne melde-t navt,
+men as thêr kirt åfter wither skin-orloch halden warth, gvng-er vppen
+vpstal stonda, ånd kêtha hlûd. Tha rika sind to my kvmen to bârana,
+thåt hjara knâpa nên lêsa nach skryva noch lêra, ik n.åv thêr nawet
+vp sêith, thach hir wil ik mine mênong sedsa, ånd an tha mêna acht
+bithinga lêta. Thâ alrek nw nêisgyrich nêi him vpsach, sêid-er forther,
+nêi min bigrip mot mån hjud thåt lêsa ånd skriva tha fâmna ånd alda
+lichta vrlêta. Ik n-il nên kwâd sprêka vr vsa êthla, ik wil allêna
+sega, vndera tyda hwêrvp thrvch svme sâ herde bogath warth, håvon tha
+burchfâmna twyspalt inovir vsa lânda brocht, ånd tha Modera für ånd
+nêi ne kvndôn twyspalt navt wither to-t land ut ne dryva. Jeta årger,
+thahwila hja kålta ånd petårade vr nâdelâsa plêga, send tha Gola
+kvmen ånd hâvon al vsa skêna sûdarlanda râweth. Hêmisdêga send hja
+mith vsa vrbrûda brotharum ånd hjara salt-âthum al overa Skelda kvmen,
+vs rest thus to kjasane twisk-et bêra fon juk jef swêrd. Willath wi fry
+bilywâ, alsa âgon tha knâpa thåt lêsa ånd skryva fârhôndis åfterwêi-n
+to lêtane ånd in stêde that hja invppa mêide hwip ånd swik spêle,
+moton hja mith swêrd ånd spêr spêla. Send wi in alle dêla ofned ånd
+tha knâpa stor enoch vmb helmet ånd skild to bêrane ånd tha wêpne
+to hôntêrane, then skil ik my mith jower helpa vppa thene fjand
+werpa. Tha Gola mêieath then tha nitherlêga fon hjara helpar ånd
+salt-âthum vppa vsa fjeldum skryva mith-et blod, thåt ût hjara wndum
+drjupth. Håvon wi thene fyand ên mel far vs ût drêven, alsa moton wi
+thêrmith forth gvnga, alhwenne thêr nên Gola ner Slâvona nach Tartara
+mâra fon Fryas erv to vrdryvane send. Tha-s rjucht, hrypon tha mâsta
+ånd tha rika ne thvradon hjara mvla navt êpen ne dva. Thjus tosprêke
+hêd er sekur to fara forsonnen ånd vrskriva lêten, hwand s-êwendis fon
+thêre selvare dêi wêron tha ofskriftum thêra hwel in twintich hônda
+ånd thi alle wêron ênishlûdende. Afternêi bifel-er tha skipmanna,
+hja skoldon dubbele fârstêwene mâkja lêta, hwêran mån êne stêlen
+krânboga macht fåstigja. Thêra thêr åfterwêi bilêv warth bibot,
+kvn imman swêra that-er nêne midle navt nêde, alsa moston tha rika
+fon sin gâ-t bitalja. Hjud skil mån sjan hwêr vppa al thåt bâ hêi
+ûthlâpen is. An-t north-ende fon Britanja thåt fvl mith hâga bergum
+is, thêr sit en Skots folk, vr-et mâradêl ût Fryas blod sproten,
+vr-a êne helte send hja ût Kåltanafolgar, vr-et ôra dêl ût Britne
+ånd bannane, thêr by grâdum mith tyd fon-ût-a tinlônum thêr hinna
+fljuchte. Thêr ut-a tinlôna kêmon, håvath algadur vrlandiska wiva
+jeftha fon vrlandis tuk. Thi alle send vnder-et weld thêra Golum,
+hjara wêpne send woden boga ånd spryta mith pintum fon herthis-hornum
+âk fon flintum. Hjara hûsa send fon sâdum ånd strê ånd svme hêmath
+inna hola thêra bergum. Skêpon thêr hja râwed håve, is hjara ênge
+skåt. Mong tha åfterkvmanda thêra Kåltanafolgar håvath svme jeta ysera
+wêpne, thêr hja fon hjara êthlum urven håve. Vmbe nw god forstân to
+werthande, môt ik min telling vr thåt Skotse folk resta lêta, ånd
+êwet fon tha hêinda Krêkalanda skriva. Tha hêinda Krêkalanda håvon vs
+to fara allêna to hêrath, men sunt vnhüglika tidum håvon ra thêr âk
+åfterkvmanda fon Lyda ånd fon Finda nitherset, fon tha lersta kêmon
+to tha lersta en êle hâpe fon Trôje. Trôje alsa heth êne stêde hêten,
+thêr et folk fon tha fêre Krêkalanda innomth ånd vrhomelt heth. Thâ
+tha Trôjana to tha hêinda Krêkalandum nestled wêron, tha håvon hja
+thêr mith tid ånd flit êne sterke stêd mith wâlla ånd burgum bvwed,
+Rome, that is Rum, hêten. Thâ thåt dên was, heth thåt folk him selva
+thrvch lest ånd weld fon thåt êle lând mâster mâked. Thåt folk thåt
+anda sûdside thêre Middelsê hêmth, is fâr-et mâra dêl fon Fhonysja wêi
+kvmen. Tha Fhonysjar [103] send en bastred folk, hja send fon Fryas
+blod ånd fon Findas blod ånd fon Lyda his blod. Thåt folk fon Lyda send
+thêr as slâvona, men thrvch tha vntucht thêr wyva håvon thissa swarte
+månniska al-et ôra folk bastered ånd brun vrfårvet. Thit folk ånd
+tham fon Rome kåmpath ôlân vmb-et mâsterskip fon tha Middelsê. Forth
+lêvath tham fon Roma an fjandskip with tha Fonysjar, ånd hjara prestera
+thêr-et rik allêna welda wille wr irtha, ne mügon tha Gola navt ne
+sjan. Thåt forma håvon hja tha Fphonysjar Mis-selja ofnomen, dânâ alle
+landa, thêr sûdward, westward ånd northward lidsa, âk et sûdardêl
+fon Britanja, ånd allerwêikes håvon hja tha Fonysjar prestera, that
+hêth tha Gola vrjâgeth, dânâ sind thusanda Gola nêi north Brittanja
+brit. Kirt vrlêden was thêr tha vreste thêra Golum sêten vppa thêre
+burch, thêr is kêthen Kêrenåk that is herne, hwanath hi sin bifêla jef
+an alle ôra Gola. Ak was thêr al hjara gold togadur brocht. Kêren herne
+jeftha Kêrenåk is êne stênen burch, thêr êr an Kålta hêrde. Thêrvmbe
+wildon tha fâmna fon tha åfterkvmande thêra Kåltana-folgar tha burch
+wither hâ. Alsa was thrvch tha fyanskip thêra fâmna ånd thêra Golum
+faithe ånd twist in ovir thåt Berchland kvmen mith morth ånd brônd. Vsa
+stjûrar kêmon thêr fâken wol hâlja, thåt hja sellade fori tobirêde
+hûdum ånd linne. Askar was often mith wêst, an stilnesse hêd-er mith
+tha fâmna ånd mith svme forstum âtskip sloten, ånd him selva forbonden
+vmbe tha Gola to vrjâgane ût Kêrenåk. As-er thêrnêi wither kêm jêf hi
+tha forsta ånd wigandliksta manna ysere helma ånd stêla boga. Orloch
+was mith kvmen ånd kirt åfter flojadon strâma blod by tha hellinga
+thêra bergum del. Thâ Askar mênde that kans him tolâkte, gvng-er mith
+fjuwertich skêpum hin ånd nam Kêrenåk ånd thene vreste thêra Golum
+mith al sine gold. Thåt folk wêrmith hi with tha salt-âthum thera
+Golum kåmped hêde, hêd-er ût-a Saxanamarkum lvkt mith lofte fon grâte
+hêra-râve ånd but. Thus warth tha Gola nêwet lêten. Afternêi nam-er
+twâ êlanda to berch far sinum skêpum, ånd hwânath hi lêter ûtgvng vmb
+alle Fonysjar skêpa ånd stêda to birâwane thêr hi bigâna kv. Tha er
+tobek kêm brocht-i tomet sexhvndred thêra storeste knâpum fon thåt
+Skotse berchfolk mith. Hi sêide that hja him to borgum jêven wêren,
+til thju hi sêkur wêsa machte thåt tha eldra him skolde trow bilywa,
+men-t was jok, hi hild ra as lifwêre et sina hova, thêr hja allera
+distik les krêjon in-t ryda ånd in-t hôndtêra fon allerlêja wêpne. Tha
+Denamarkar tham hjara selva sunt lông boppa alle ôra stjûrar stoltlike
+sêkåmpar hête, hêdon sâ ringe navt fon Askar sina glorrika dêdum navt
+ne hêred, jef hja wrdon nydich thêr vr, thêrmête, that hja wilde orloch
+brensa over-ne sê ånd over sina landa. Sjan hyr, ho hi orloch formitha
+machte. Twisk tha bvwfala thêre vrhomelde burch Stavja was jeta êne
+snode burchfâm mith svme fâmna sêten. Hjra nôme was Rêintja ånd thêr
+gvng en grâte hrop fon hira wishêd ût. Thjus fâm bâd an Askar hjra
+helpe vnder bithing, that Askar skolde tha burch Stavja wither vpbvwa
+lête. As-er him thêr to forbonden hêde, gvng Rêintja mith thrim fâmna
+nêi Hals, [104] nachtis gvng hju rêisa ånd thes dêis kêthe hju vppa
+alle markum ånd binna alle mêidum. Wralda sêide hju hêde hja thrvch
+thongar tohropa lêta thåt allet Fryas folk moston frjunda wertha, lik
+sustar ånd brothar tâmed, owers skolde Findas folk kvma ånd ra alle
+fon irtha vrdilligja. Nêi thongar wêron Fryas sjvgun wâkfâmkes hja
+anda drâme forskinnen, sjvgun nachta åfter ekkô-rum. Hja hêde seith
+boppa Fryas landum swabbert ramp mith juk ånd kêdne omme. Thêrvmbe
+moton alle folkar thêr ût Frya sproten send hjara tonôma wêi werpa
+ånd hjara selva allêna Fryas bern jeftha folk hêta. Forth moton alle
+vpstonda ånd et Findas folk fon Fryas erv dryva. Nillath hja thåt
+navt ne dva, alsa skilun hja slâvona benda vmbe hjara halsa krêja,
+alsa skilun tha vrlandaska hêra hjara bern misbruka ånd frytra
+lêta, til thju thåt blod sygath inna jowre grêva. Thån skilun tha
+skinna jowre êthla jo kvma wekja ånd jo bikyvja vr jo lefhêd ånd
+vndigerhêd. Thåt dvme folk, thåt thrvch todvan thêra Mâgyara al
+an sa fül dwêshêd wenth was, lâvadon alles hwat hju sêide ånd tha
+måmma klimdon hjara bern åjen hjara brosta an. Thâ Rêintja thene
+kening fon Hals ånd alle ôthera manniska to êndracht vrwrocht hede,
+sand hju bodon nêi Askar ånd tâg selva alingen thene Balda sê. Dânâ
+gvng hju by tha Hlith-hâwar, althus hêten vmbe that hja hjara fyanda
+immer nêi thet ônhlite hâwe. Tha Hlithhâwar send britne ând bannene
+fon vs åjn folk thåt inna tha Twisklanda sit ånd omme dwarelt. Hjara
+wyva hâvon hja mêst algadur fon tha Tartara râwed. Tha Tartara sênd
+en dêl fon Findas slachte ånd althus thrvch tha Twisklandar hêten
+vmbe thåt hja nimmerthe nên frêtho wille, men tha månniska alti ût
+tarta to strydande. Forth gvng hju åftera Saxnamarka tweres thrvch tha
+ôra Twisklanda hin, allerwêikes thåt selva ûtkêtha. Nêi twam jêr om
+wêron, kêm hju allingen thêre Rêne to honk. By tha Twisklandar hede
+hju hjara selva as Moder ûtjân ånd sêid thåt hja mochton as fry ånd
+franka månniska wither kvma, men thån mosten hja ovir tha Rêne gvngga
+ånd tha Gola folgar ût Fryas sûdarlandum jâgja. As hja thåt dêde,
+sa skolde hjra kêning Askar overa Skelda gvngga ånd thêr thåt land
+ofwinna. By tha Twisklandar send fêlo tjoda plêga fon tha Tartarum ånd
+Mâgjara binna glupt, men âk fül send thêr fon vsa sêdum bilêwen. Thêr
+thrvch håvath hja jeta fâmna thêr tha bern lêra ånd tha alda rêd
+jeva. Bit-anfang wêron hja Reintja nydich, men to tha lesta wårth
+hju thrvch hjam folgath ånd thjanjath ånd allerwêikes bogath, hwêr-et
+nette ånd nêdlik wêre.
+
+Alsa ringen Askar fon Rêintja hjra bodon fornom ho tha Juttar nygath
+wêron, sand hi bistonda bodon fon sinant wegum nêi tha kåning fon
+Hals. Thåt skip, wêrmith tha bodon gvngon, was fvl lêden mith fâmna
+syrhêdum ånd thêr by wêr en golden skild, hwêrvppa Askar his dânte
+kunstalik was utebyld. Thissa bodon mosten frêja jêf Askar thes kåning
+his toghter Frêthogunsta to sin wif håve machte. Frêthogunsta kêm en
+jêr lêter to Stâveren, bi hjara folgar wêre âk ênen Mâgy, hwand tha
+Juttar wêron sunt lông vrbrud. Kirt åfter that Askar mith Frêthogunsta
+bostigjath was, wårth thêr to Stâveren êne scherke bvwad, inna thju
+scherke wrdon tjoda drochten lykanda byldon stålth mith gold trvch
+wrochtne klâthar. Ak is er biwêrath that Askar thêr nachtis ånd vntydis
+mith Frêthogunsta fâr nitherbuwgade. Men sâ fül is sêkur, thju burch
+Stavia ne wårth navt wither vpebvwed. Rêintja was al to bek kvmen,
+ånd gvng nydich nêi Prontlik thju Moder et Texland bârja. Prontlik
+gvng to ånd sand allerwêikes bodon thêr ûtkêthon, Askar is vrjêven
+an afgodie. Askar dêde as murk-i-t navt, men vnwarlingen kêm thêr êne
+flâte ût Hals. Nachtis wrdon tha fâmna ût-êre burch drywen, ånd ogtins
+kvn mån fon thêre burch allêna êne glandere hâpe sjan. Prontlik ånd
+Rêintja kêmon to my vmb skul. Thå ik thêr åfternêi vr nêi tochte, lêk
+it my to, that it kwâdlik fâr min stât bidêja kvste. Thêrvmbe håvon
+wi to sêmne êne lest forsonnen, thêr vs alle bâta most. Sjan hyr ho
+wi to gvngen send. Middel in-t Krylwald biasten Ljvwerde lêith vsa
+fly jeftha wêra, thêr mån allêna thrvch dwarlpâda mêi nâka. In vppa
+thjus burch hêd ik sunt lônge jonga wâkar stald, thêr alle êne grins
+an Askar hêde, ånd alle ôra månniska dânath halden. Nv wast bi vs âk
+al sa wyd kvmen, thåt fêlo wyva ånd âk manna al patêrade vr spoka,
+witte wyva ånd uldermankes, lik tha Dênamarkar. Askar hêde al thissa
+dwâshêde to sin bâta anwenth ånd thåt wildon wi nv âk to vsa bâta
+dva. Bi-ne thjustre nacht brocht ik tha fâmna nêi thêre burch ånd
+dânâ gongen hia mith hjara fâmna in thrvch tha dwarl-pâda spokka in
+wttta klâthar huled, sâ that thêr afternêi nên månnisk mâra kvma ne
+thvrade. Tha Askar mênde thåt-er thu hônda rum hêde, lêt-i tha Mâgjara
+vnder allerlêja nôma thrvch ovir sina stâta fâra ând bûta Grênegâ
+ând bûta mina stât ne wrdon hja nårne navt ne wêrath. Nêi that Askar
+alsa mith tha Juttar ånd tha ôra Dênamarkar forbonden was, gvngon hja
+alsêmina râwa; thach that neth nêne gode früchda bâred. Hja brochton
+allerlêja vrlandiska skåta to honk. Men just thêr thrvch nildon thåt
+jong folk nên ambacht lêra, nach vppa tha fjeldum navt ne werka,
+sâ that hi to tha lersta wel slâvona nimma moste. Men thit was êl
+al åjen Wralda his wille ånd åjen Fryas rêd. Thêrvmbe kv straf navt
+åfterwêga ne bilywa. Sjan hyr ho straffe kvmen is. Ênis hêdon hja to
+sêmine êne êle flâte wnnen, hju kêm fon ûta Middelsê. Thjus flâte was
+to lêden mith purpera klâthar ånd ôra kostelikhêd, thêr alle fon of
+Phonisja kêmon. Thåt wraka folk thêre flâte wårth bisûda thêre Sêjene
+an wal set, men thåt stora folk wårth halden. Thåt most ra as slâvona
+thianja. Tha skêneste wrdon halden vmbe vppet land to bilywane ånd
+tha lêdliksta ånd swartste wrdon an bord halden vmbe vppa tha benka to
+rojande. An-t Fly wårth tha bodel dêlath, men svnder hjara wêta wårth
+âk hjara straf dêlath. Fon tha månniska thêr vppa tha vrlandiska skepum
+stalt wêron, wêron sex thrvch bukpin felth. Mån tochte thåt et eta
+ånd drinka vrjêven wêre, thêrvmbe wårth alles ovir bord jompth. Men
+bûkpin reste ånd allerwêikes, hwêr slâvona jeftha god kêm, kêm âk
+bûkpin binna. Tha Saxmanna brochten hju ovir hjara marka, mith tha
+Juttar for hju nêi Skênland ånd alingen thêre kâd fon tha Balda-sê,
+mith Askar his stjûrar for hju nêi Britanja. Wi ånd tham fon Grênegâ
+ne lêton nên god ner minniska ovir vsa pâla navt ne kvma, ånd thêrvmbe
+bilêwon wi fon tha bûkpin fry. Ho fêlo månniska bûkpin wêirâpth heth,
+nêt ik navt to skrywane, men Prontlik thêr et åfternêi fon tha ôra
+fâmna hêrde, heth my meld, thåt Askar thûsandmel mâra frya månniska
+ût sina stâtum hulpen heth, as er vvla slâvona inbrochte. Thâ pest
+far god wyken was, tha kêmon tha fri wrden Twisklandar nêi thêre Rêne,
+men Askar nilde mith tha forstum fon thåt vvla vrbasterde folk navt an
+êne lyne navt ne stonda. Hi nilde navt ne dâja, that hja skoldon hjara
+selva Fryas bern hêta, lik Rêintja biboden hêde, men hi vrjet thêrbi
+that-i selva swarte hêra hêde. Emong tha Twisklandar wêron thêr twâ
+folkar, thêr hjara selva nêne Twisklandar hêton. Thåt êne folk kêm
+êl fêr ût-et sûd-âsten wêi, hja hêton hjara selva Allemanna. Thissa
+nôma hêdon hja hjara selva jêven, thâ hja jeta svnder wiva inna
+tha walda as bannane ommedwarelde. Lêtar håvon hja fon-et slâvona
+folk wiva râvath, êvin sa tha Hlithâwar, men hja håvon hjara nôme
+bihalden. Thåt ôra folk, thåt mâra hêinde ommedwarelde, hêton hjara
+selva Franka, navt vmbe that hja fry wêron, men Frank alsa hêde thene
+êroste kåning hêten, tham him selva mith hulpe fon tha vrbrûda fâmna
+to ervlik kåning ovir sin folk mâkad hêde. Tha folkar tham an him
+pâladon, hêton hjara selva Thjoth-his svna, that is folk-his svna,
+hja wêron frya månniska bilêwen, nêidam hja nimmer ênen kåning ner
+forste nach mâster bikånnna nilde, as thene jenge tham by mêna willa
+was kêren vppa thêre mêna acht. Askar hêde al fon Rêintja fornommen,
+that tha Twisklandar forsta mêst alti in fiandskip ånd faitha
+wêron. Nw stald-i hjam to fâra, hjâ skolde ênen hêrtoga fon sin
+folk kjasa vmbe that-er ang wêre seid-er that hja skolde mit manlik
+ôtherum skoldon twista ovir-et mâsterskip. Ak sêid-er kvndon sina
+forsta mith-a Golum sprêka. Thåt sêid-er wêre âk Moder his mêne. Thâ
+kêmon tha forsta thêra Twislandar to ekkôrum ånd nêi thrija sjugun
+etmelde kêron hja Alrik to-ra hertoga ut. Alrik wêre Askar his nêva,
+hi jef him twên hvndred skotse ånda hvndred thêra storosta Saxmanna
+mith to lifwêra. Tha forsta moston thrija sjvgun fon hjara svnum nêi
+Stâveren senda to borg hjarar trow. To nv was alles nêi winsk gvngen,
+men thâ mån ovire Rêne fara skolde, nildon thene kåning thêra Franka
+navt vnder Alrikis bifêla navt ne stonda. Thêrthrvch lip alles an tha
+tys. Askar thêr mênde thåt alles god gvng, lande mith sina skêpa anna
+tha ôre syde thêre Skelda, men thêr was was man long fon sin kvmste
+to ljucht ånd vppa sin hod. Hja moston alsa ring fljuchta as hja kvmen
+wêron, ånd Askar wrde selva fath. Tha Gola niston navt hwa hja fensen
+hêde, ånd alsa warth hi åfternêi ûtwixlath fori ênnen hâge Gol, thêr
+Askar his folk mith forath hêde. Thawila thåt-et alles bêrade, hlipon
+tha Mâgjara jeta dryster as to fâra ovir vsa bûra ra landa hinna. By
+Egmvda hwêr to fâra tha burch Forâna stân hêde, lêton hja êne cherka
+bvwa jeta grâter ånd rikar as Askar to Stâveren dên hêde. Afternêi
+sêidon hja that Askar thju kåse vrlêren hêde with tha Gola, thrvchdam
+et folk navt lâwa navt nilde, that Wodin hjam helpa kvste, ånd that
+hja him thêrvmbe navt anbidda nilde. Forth gvngon hja to ånd skâkton
+jonga bern tham hja by ra hildon ånd vpbrochten in tha hemnissa fon
+hjara vrbruda lêre. Wêron thêr månniska tham
+
+
+
+Het overige ontbreekt.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Het woord Bok wordt in het Handschrift overal zoo geschreven;
+en daarmede stemmen alle Oud-Friesche Rechtboeken overeen. De
+woordenboeken van v. Richthofen en Hettema schrijven Bok of Boc. De
+spelling Bôk is Kamper wanspraak.
+
+[2] Als verslag voorgelezen in eene vergadering van het Friesch
+Genootschap Februarij 1871 en bij deze uitgave onveranderd gelaten.
+
+[3] Verg. G. Meerman, Admonitio de Chartae nostratis
+origine. Vad. Letteroef. 1762. bl. 630.
+
+Mr. J. H. de Stoppelaar, Het papier in de Nederlanden, Middelburg,
+1869. bl. 4.
+
+[4] Min-erva werd Nyhellenia genoemd, omdat hare raadgevingen ny en
+hel, nieuw en helder waren. Desgelijks heet het in Pauli Epitome van
+S. Pomponius Festus de verborum Significatione, Min-erva dicta quod
+bene moneat.
+
+Zie Preller, Rom. Myth. p. 258.
+
+[5] Mis.sellia, miskoop, verkeerde koop.
+
+[6] 3449 - 1256 = 2193 voor Chr.
+
+[7] Magy, Koning der Magyaren en Finnen.
+
+[8] nêsa = ne wêsa.
+
+[9] nilde = ne wilde.
+
+[10] nête = ne wête.
+
+[11] Oni, oud Holl. ane, Duitsch ohne = zonder.
+
+[12] Mong, among, emong = onder.
+
+[13] Falikant, fâ likande = weinig gelijkende, niet conform.
+
+[14] Wr.alda. Altijd geschreven als samengesteld woord beteekent:
+de overoude, het oudste wezen.
+
+[15] Od, wortel van het Lat. odi, ik haat.
+
+[16] Nylof; de kleur van nieuw loof? geel groen.
+
+[17] De mårkskat werd in goederen betaald.
+
+[18] Stjurar, van hier de naam Sturii by Plinius.
+
+[19] Prentar, nog op Texel een (stuurmans) leerling.
+
+[20] Minno, Minos (de oude).
+
+[21] Nyhellenia, Nehalennia.
+
+[22] Krekaland, het Krekenland, zoowel Groot Griekenland als
+Griekenland zelf.
+
+[23] Fâsta, Vesta, en de Vestaalsche maagden.
+
+[24] Stjurar, Sturii.
+
+[25] Sêkåmpar, Sicambri.
+
+[26] Angelara, Angli.
+
+[27] Mârsata, Marsacii.
+
+[28] Aldland, Atlantis.
+
+[29] Skênland, Scania, Scandinavia.
+
+[30] 2198 - 101 = 2092 v. Chr.
+
+[31] Goda-hisburch, Gothenburg.
+
+[32] Alderga, Ouddorp (bij Alkmaar).
+
+[33] Lumkamâkja bithêre Emuda, Embden.
+
+[34] Amering, nog in N.-Holland in gebruik, beteekent daar: ademtocht,
+oogenblik. Cf. Kiliaan in voce.
+
+[35] Kâtsgat, het Kattegat.
+
+[36] Wodin, Odin, Wodan.
+
+[37] Kâdik, Cadix.
+
+[38] 2193 - 193 = 2000 v. Chr.
+
+[39] Thyrhisburch, Tyrus.
+
+[40] Thyr, de zoon van Odin.
+
+[41] Almanaland, Ameland.
+
+[42] Wyringgâ, Wieringen.
+
+[43] Missellja, Marseille.
+
+[44] Gola, Galli, Gaulois.
+
+[45] Middelburg.
+
+[46] 2193 - 563 = 1630 v. Chr.
+
+[47] Myk wordt nog op Walcheren gehoord.
+
+[48] Kâlta Min-his, Minnesdochter?
+
+[49] Sêjene, de Seine.
+
+[50] KÃ¥ltana, Celtae.
+
+[51] Jonhis êlanda, Insulae Joniae, Insulae piratarum.
+
+[52] Athenia, Athene.
+
+[53] Vervolg hier het verhaal van bl. 48-56.
+
+[54] Sêkrops, Cecrops.
+
+[55] Strête, thans hersteld als Kanaal van Suez. Pangab, de Indus.
+
+[56] 2193 - 1005 = 1188 v. Chr.
+
+[57] Wallahagara, Walcheren.
+
+[58] Kalip, bij Homerus Kalipso.
+
+[59] Dêna marka, de lage marken.
+
+[60] 2193 - 1602 = 591 v. Chr.
+
+[61] Verg. bl 4.
+
+[62] Medemi'lacus.
+
+[63] Grênegâ, Groningen.
+
+[64] Dokhêm, Dokkum.
+
+[65] Lindasburch, op kaap Lindanaes, Noorwegen.
+
+[66] Gürbam. C. Niebuhr Reize enz. I 174, eene zakpijp bij de
+Egyptenaren Sumâra elKürbe genoemd.
+
+[67] To hnekka, eene hooge, tot aan de nek reikende, japon.
+
+[68] Cf. Hegel a. h. l.
+
+[69] Leeuwen in Europa, Herodotus, VII, 125.
+
+[70] Swetsar, Switsers.
+
+[71] Fryasburch, Freiburg.
+
+[72] Lydasburch, Leiden, de burcht.
+
+[73] Flyt, jeftha mâre, de Mare.
+
+[74] Forana, Vroonen.
+
+[75] Engamuda, Egmond.
+
+[76] Diod. Sic. V 27, van de Galliers.
+
+[77] Mannagârdaforda, Munster.
+
+[78] 2193 - 1888 = 305 voor Chr.
+
+[79] Sedert 587 voor Chr. Verg. pag. 110, 112.
+
+[80] 303 v. Chr.
+
+[81] Barnpila. De falarica by Livius XXI. 8.
+
+[82] Alexander aan den Indus 327 v. Chr. 327 + 1224 = 1551 v. Chr.
+
+[83] 305 voor Chr.
+
+[84] Joi en trâst. Te Scheveningen hoort men nog: joei en troos. Joi,
+Fransch joye.
+
+[85] 2193 - 1600 = 593 v. Chr.
+
+[86] Kasamyr, Kashmir.
+
+[87] Jes-us, evenmin te verwarren met Jezus, als Krisen (Krishna)
+met Christus.
+
+[88] Balda jefta kvada sê, de Baltische zee. Juttarland, Jutland.
+
+[89] Zeeland, de Deensche Eilanden.
+
+[90] Zie bl. 124.
+
+[91] Phonisiar, hier Puniers, Carthagers.
+
+[92] Zie bl. 11.
+
+[93] 263 v. Chr.
+
+[94] Hamconius. p. 8. Suobinna.
+
+[95] Zie bl. 150.
+
+[96] Delte nog in N. Holland in gebruik, laagte.
+
+[97] Aken, Aken.
+
+[98] Diod Sic. V. 28.
+
+[99] Hier heeft de afschrijver Hiddo oera Linda een blad te veel
+omgeslagen, en daardoor twee bladzijden overgeslagen.
+
+[100] Zie bl. 164.
+
+[101] Hier ontbreken in het H. S. twintig bladzijden (misschien meer),
+waarin Beeden geschreven heeft over dien koning Adel III. (Bij onze
+kronijk schrijvers Ubbo genoemd).
+
+[102] Hier eindigde het schrijven van Beeden. In het H. S. ontbreken
+twee bladzijden volgens de paginatuur. Maar zonder twijfel ontbreekt
+er meer. De afgebroken aanhef van het volgende wijst aan, dat de
+aanvang van het volgende geschrift verloren gegaan is en daarmede ook
+de aanduiding van den naam des schrijvers, die een zoon of kleinzoon
+van Beeden kan geweest zijn.
+
+[103] Fhonysiar, Carthagers.
+
+[104] Hals, Holstein.
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 30467 ***
diff --git a/30467-h/30467-h.htm b/30467-h/30467-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..83450da
--- /dev/null
+++ b/30467-h/30467-h.htm
@@ -0,0 +1,12595 @@
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using the tei2html XSLT stylesheet. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl">
+<head>
+<meta name="generator" content="HTML Tidy, see www.w3.org">
+<title>Thet Oera Linda Bok</title>
+<meta http-equiv="Content-Type" content=
+"text/html; charset=UTF-8">
+<meta name="author" content="J. G. Ottema">
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="DC.Creator" content="J. G. Ottema">
+<meta name="DC.Title" content="Thet Oera Linda Bok">
+<meta name="DC.Date" content="#####">
+<meta name="DC.Language" content="nl">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<style type="text/css">
+ /* Standard CSS stylesheet */
+body
+{
+ font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+ margin: 1.58em 16%;
+ text-align: left;
+}
+/***** Titlepage *****/
+.titlePage
+{
+ border: #DDDDDD 2px solid;
+ margin: 3em 0% 7em 0%;
+ padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+h1.docTitle
+{
+ font-size:1.6em;
+ line-height:2em;
+}
+h2.byline
+{
+ font-size:1.1em;
+ font-weight:normal;
+ line-height:1.44em;
+}
+span.docAuthor
+{
+ font-size:1.2em;
+ font-weight:bold;
+}
+h2.docImprint
+{
+ font-size:1.2em;
+ font-weight:normal;
+}
+/***** End Titlepage *****/
+.transcribernote
+{
+ background-color:#DDE;
+ border:black 1px dotted;
+ color:#000;
+ font-family:sans-serif;
+ font-size:80%;
+ margin:2em 5%;
+ padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+ background-color:#FFFEE0;
+ border:black 1px dotted;
+ color:#000;
+ margin:2em 5%;
+ padding:1em;
+}
+.div0
+{
+ padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+ padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+ font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+ padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+ padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+ padding: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4
+{
+ clear: both;
+ font-style: normal;
+ text-transform: none;
+}
+h3, .pseudoh3
+{
+ font-size:1.2em;
+ line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+ font-size:1em;
+ line-height:1.2em;
+ margin-bottom:0;
+}
+h4, pseudoh4
+{
+ font-size:1em;
+ line-height:1.2em;
+}
+.alignleft
+{
+ text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+ text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+ text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+ margin-top: 1.6em;
+ margin-bottom: 1.6em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+ margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocChapter
+{
+ margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+ margin:0.7em 5%;
+}
+.epigraph
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ width: 60%;
+ margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl
+{
+ display: block;
+ text-align: right;
+}
+.trailer
+{
+ clear: both;
+ padding-top: 2.4em;
+ padding-bottom: 1.6em;
+}
+.floatLeft
+{
+ float:left;
+ margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+ float:right;
+ margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+ font-size:100%;
+ text-align:center;
+}
+.figAnnotation
+{
+ font-size:80%;
+ position:relative;
+ margin: 0 auto; /* center this */
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft
+{
+ float: left;
+}
+.figTop, .figBottom
+{
+}
+.figTopRight, .figBottomRight
+{
+ float: right;
+}
+.figure p
+{
+ font-size:80%;
+ margin-top:0;
+ text-align:center;
+}
+img
+{
+ border-width:0;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+ color:#666666;
+ font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+ font-weight: bold;
+}
+.leftnote
+{
+ font-size:0.8em;
+ height:0;
+ left:1%;
+ line-height:1.2em;
+ position:absolute;
+ text-indent:0;
+ width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+ display:inline;
+ font-size:70%;
+ font-style:normal;
+ margin:0;
+ padding:0;
+ position:absolute;
+ right:1%;
+ text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+ font-size: 80%;
+ text-decoration: none;
+ vertical-align: 0.25em;
+}
+.displayfootnote
+{
+ display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+ margin-top: 1em;
+ padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+ margin-left: 0;
+ margin-right: 0;
+ text-align: left;
+ width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+ font-size: 80%;
+ margin-bottom: 0.5em;
+ margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+ float:left;
+ width:2em;
+ height:12pt;
+ display:block;
+}
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+ font-size: 80%;
+}
+.centertable
+{
+ /* center the table */
+ margin: 0px auto;
+ display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+/****** Poetry ******/
+.lgouter
+{
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+.lg
+{
+ text-align: left;
+}
+.lg h4, .lgouter h4
+{
+ font-weight: normal;
+}
+.lg .linenum
+{
+ color:#777;
+ font-size:90%;
+ left:-2.5em;
+ margin:0;
+ position:absolute;
+ text-align:center;
+ text-indent:0;
+ top:auto;
+ width:1.75em;
+}
+p.line
+{
+ margin: 0 0% 0 0%;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+ color: white;
+}
+.versenum
+{
+ font-weight:bold;
+}
+/***** Drama *****/
+.speaker
+{
+ font-weight: bold;
+ margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line
+{
+ margin: 0 10%;
+ text-align: left;
+}
+/***** End Drama *****/
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum, .flushright
+{
+ position: absolute;
+ right: 16%;
+ top: auto;
+}
+.footnotes .line
+{
+ font-size:80%;
+}
+span.corr
+{
+ border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+ border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+ border-bottom:1px dotted green;
+}
+/****** Font Styles and Colors *****/
+.letterspaced
+{
+ letter-spacing:0.2em;
+}
+.smallcaps
+{
+ font-variant:small-caps;
+}
+.caps
+{
+ text-transform:uppercase;
+}
+.fraktur
+{
+ font-family: 'Walbaum-Fraktur';
+}
+.rm
+{
+ font-style: normal;
+}
+.red
+{
+ color: red;
+}
+/***** End Font Styles and Colors *****/
+hr
+{
+ clear:both;
+ height:1px;
+ margin-left:auto;
+ margin-right:auto;
+ margin-top:1em;
+ text-align:center;
+ width:45%;
+}
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+ text-align:center;
+}
+h1,h2
+{
+ font-size:1.44em;
+ line-height:1.5em;
+}
+h1.label,h2.label
+{
+ font-size:1.2em;
+ line-height:1.2em;
+ margin-bottom:0;
+}
+h5,h6
+{
+ font-size:1em;
+ font-style:italic;
+ line-height:1em;
+}
+p,p.initial
+{
+ text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+ text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+ float: left;
+ clear: left;
+ margin: 0em 0.05em 0 0;
+ padding: 0px;
+ line-height: 0.8em;
+ font-size: 420%;
+ vertical-align:super;
+}
+.lg
+{
+ padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+ text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: disc; }
+ol { list-style-type: decimal; }
+ol.AL { list-style-type: lower-alpha; }
+ol.AU { list-style-type: upper-alpha; }
+ol.RU { list-style-type: upper-roman; }
+ol.RL { list-style-type: lower-roman; }
+.lsdisc { list-style-type: disc; }
+.lsoff { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+/***** External Links *****/
+.exlink
+{
+ background: url(images/external.png) center right no-repeat;
+ padding-right: 13px;
+}
+.exlink:hover
+{
+ background-color: #FFDCDC;
+}
+ /* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml
+ " */
+body
+{
+ background: #FFFFFF;
+ font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+ color: black;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4
+{
+ color: #001FA4;
+ font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+p.byline
+{
+ font-style: italic;
+ margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage
+{
+ color: #001FA4;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+ color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+ color: red;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+ color: #001FA4;
+ font-weight: bold;
+}
+sub, sup
+{
+ line-height: 0;
+}
+ /* Standard Aural CSS stylesheet */
+.pagenum, .linenum
+{
+ speak: none;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 30467 ***</div>
+
+<div class="front">
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<p class="aligncenter">Thet Oera Linda Bok.</p>
+</div>
+
+<div class="titlePage">
+<h1 class="docTitle">Thet Oera Linda Bok</h1>
+
+<h2 class="docTitle">Naar een handschrift uit de dertiende eeuw.</h2>
+
+<h2 class="byline">Eigendom der familie Over de Linden,<br>
+<br>
+Aan Den Helder,<br>
+<br>
+Bewerkt, vertaald en uitgegeven door<br>
+<br>
+<span class="docAuthor">Dr. J. G. Ottema.</span></h2>
+
+<h2 class="docImprint">Tweede uitgave.<br>
+<br>
+Te Leeuwarden, bij<br>
+<br>
+<span class="letterspaced">H. Kuipers.</span><br>
+<br>
+1876.</h2>
+</div>
+
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<p class="aligncenter">Gedrukt bij J. R. Miedema te Leeuwarden. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e153" href="#xd0e153">V</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e155" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Voorbericht.</h2>
+
+<p>De eerste druk van het Oera Linda Boek is uitverkocht, en daardoor
+de gelegenheid ontstaan, om eene tweede uitgave ter perse te leggen.
+Voor mij is dit eene gewenschte zaak, omdat ik nu in staat gesteld ben
+hier en daar eene ingeslopen fout te herstellen of eene minder juiste
+vertaling te verbeteren.</p>
+
+<p>Van zijne eerste verschijning af, ja zelfs reeds voor dat het
+gedrukt was, heeft het boek eene groote tegenspraak en veroordeeling
+ondervonden. Vele pennen zijn daarover in beweging gebracht, eerst om
+de uitgave te beletten en vervolgens om de verspreiding tegen te
+gaan.</p>
+
+<p>Niet alleen binnen &rsquo;s lands, maar ook daar buiten is men tegen
+dat boek te velde getrokken, als of van de echtheid of onechtheid
+daarvan het welzijn van land en volk afhing.</p>
+
+<p>Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en
+verbittering op te wekken? Is het zoo&rsquo;n bespottelijk prulschrift,
+zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men
+leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat ik
+er bij en over geschreven heb in de <span class="letterspaced">
+Inleiding</span>, de <span class="letterspaced">Geschiedkundige <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e171" href=
+"#xd0e171">VI</a>]</span>Aanteekeningen</span>, de <span class=
+"letterspaced">Koninklijke Akademie</span> en het <span class=
+"letterspaced">Oera Linda Boek</span>, en de <span class=
+"letterspaced">Deventer Courant</span> en het <span class=
+"letterspaced">Oera Linda Boek</span>. Doch dat is juist wat men niet
+doet. Men wil niet ingelicht wezen over den aard, de strekking en de
+wetenschappelijke waarde van het boek. Het is veel gemakkelijker en
+pleizieriger in den blinde te schermen en in het wilde te schreeuwen,
+dan zich te zetten tot een ernstig onderzoek. Ieder, die maar even het
+boek oppervlakkig heeft ingezien, of er wat over heeft hooren praten,
+waant zich gerechtigd om er een afkeurend oordeel over uit te spreken.
+Dat oordeel maakt een triumftocht door alle nieuwsbladen, wordt door
+het van de zaak onkundig publiek toegejuicht, en het land is gered.</p>
+
+<p>Nu hebben de Heeren F. Muller en P. Smidt van Gelder, te Amsterdam,
+het papier van het Handschrift zoo het heet onderzocht, en beweren in
+de Nederlandsche Spectator no. 32 van den 5 Augustus 1876, dat het
+papier in deze eeuw is vervaardigd en wel in de laatste 25 jaren, dat
+het machinaal papier verg&eacute; is en afkomstig uit de fabriek van de
+Heeren Tielens en Schrammen te Maastricht.</p>
+
+<p>De Heer Muller schrijft, dit gevoelen steunt op de navolgende
+gronden:</p>
+
+<p>1. Het papier was in de 13e eeuw geheel van katoen, dik, ongelijk,
+wollig, met zeer ongelijke onduidelijke waterlijnen,&mdash;dit papier
+is dun, gelijk, hard, hier en daar doorschijnend, met geregelde
+duidelijke waterlijnen.</p>
+
+<p>Antw. Het katoenpapier uit de 13e en vroegere eeuwen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e194" href="#xd0e194">VII</a>]</span>moest, eer
+men er op kon schrijven, daarvoor opzettelijk geprepareerd worden door
+polijsten. De Arabieren en Gothen hebben dit gedaan op dezelfde wijze
+als de Egyptenaren hun papier en de Romeinen de fijnere
+perkamentsoorten glansden, namelijk door sterke wrijving met de
+slagtand van een wildzwijn, apri dente levigatur (Plinius). Tot een
+gelijk doel bedienen de boekbinders zich van een agaat. Door de sterke
+wrijving werden de papiervezelen dichter ineen geperst en daardoor het
+papier glad en effen en iets dunner als het was.</p>
+
+<p>Doch daarom kan men het papier van het H. S. niet dun noemen<span
+class="corr" id="xd0e198" title="Niet in bron">.</span> Het H. S.
+bestaat uit 96 bladen, die tusschen eene pers gezet eene gezamenlijke
+dikte hebben van ruim 12 m.M., waartegen de dikte van 2 boek best
+hollandsch schrijfpapier 12&frac12; m.M. bedraagt, zoodat de dikte van
+die beide papiersoorten gelijk staat. En best hollandsch schrijfpapier
+behoort toch niet onder de dunne papiersoorten.</p>
+
+<p>Ik moet het er voor houden, dat de monsters papier, welke de Heer
+Muller vroeger gezien heeft, nog ongeprepareerd en ongepolijst geweest
+zijn, en dat hierdoor het verschil verklaard moet worden, &rsquo;t welk
+hij bij deze vergelijking heeft opgemerkt.</p>
+
+<p>2. Het papier is van oudsher tot ongeveer 1800 in het midden
+tusschen de waterlijnen dunner dan ter weerszijde dicht bij de
+waterlijnen,&mdash;dit papier is bij de waterlijnen egaal, gelijk
+alleen het papier van deze eeuw is.</p>
+
+<p>Antw. Ik merk hierbij op, dat die uitdrukking <span class=
+"letterspaced">van oudsher</span> niet verder gaat dan tot het midden
+der 14e eeuw, toen het linnenpapier in de plaats van het katoenpapier
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e210" href=
+"#xd0e210">VIII</a>]</span>is getreden en de papier-fabrikatie zich al
+meer en meer over Europa heeft uitgebreid. Die vergelijking heeft dus
+geene betrekking op het katoenpapier van de 13e eeuw, en leidt tot
+geene gevolgtrekking tegen het papier van het Handschrift, namelijk dat
+dit van de tegenwoordige zijn zoude.</p>
+
+<p>Het onderscheidt zich juist van het tegenwoordig papier in vier hier
+zeer belangrijke punten.</p>
+
+<p><i>a.</i> De breedte der horizontale waterlijnen. Want in een
+afstand van 33 millimeters telt men daarbij 16 horizontale waterlijnen,
+zoodat de breedte van elke lijn voluit 2 m.M. bedraagt. Het machinaal
+papier wijst in dien afstand 17 tot 18 zulke lijnen aan, of voor elke
+lijn eene breedte van niet meer dan 1.85 m.M. Zwaar Engelsch postpapier
+heeft op dien afstand 20 lijnen, elk ter breedte van 1.65 m.M.</p>
+
+<p><i>b.</i> De afwezigheid van chloor. Eene proef, genomen in mijne
+tegenwoordigheid door wijlen den heer A. P. H. Kuipers, heeft
+aangetoond dat het papier in het minst niet reageert op zilver en dus
+volstrekt geen chloor bevat. Terwijl in deze eeuw geen papier
+vervaardigd wordt of het is met chloor behandeld en laat bij dezelfde
+proef op zilver een witten aanslag achter.</p>
+
+<p><i>c.</i> De afwezigheid van stijfsel, amylum. De proef met eene
+oplossing van iodium, die op machinaal papier eene zuivere en heldere
+violette kleur te voorschijn brengt, heeft op dit papier geene
+uitwerking en laat de bruine kleur van het iodium onveranderd, althans
+niet meer dan bij elke uit zuivere planten vezelen vervaardigde stof
+wordt waargenomen, <span class="pagenum">[<a id="xd0e226" href=
+"#xd0e226">IX</a>]</span>omdat in alle planten vezelstof als natuurlijk
+bestanddeel eenig amylum aanwezig is. Dit papier is derhalve
+vervaardigd zonder toevoeging van stijfsel en dus niet in de
+tegenwoordige eeuw.</p>
+
+<p><i>d.</i> Ten aanzien van die waterlijnen is er nog een groot
+verschil tusschen machinaal papier en dat van het Handschrift. Bij het
+eerste zijn de lijnen van de vergeering uitwendig zichtbaar en vallen
+terstond in het oog. Bij het laatste zijn de waterlijnen van buiten
+bijna onzichtbaar, zoo zelfs, dat Dr. E. Verwijs in een brief, d.d.
+Leiden 1 Dec. 1870, (d.i. nadat het Handschrift gedurende <span class=
+"letterspaced">drie jaren</span> in zijne handen geweest was,) aan mij
+gericht, schreef: Verder het papier, dat &egrave;n om den vorm
+&egrave;n om de stof mij verdacht voorkomt. Oogenschijnlijk is het
+<span class="letterspaced">velijnpapier</span>, dat in den rook heeft
+gehangen.&mdash;Scheurt men de bladen in, dan vertoont het zich op de
+scheur veel witter. Een watermerk is nergens te vinden, en ik heb nooit
+middeleeuwsch papier gezien zonder watermerk en kan mij het zelfs niet
+denken.&rdquo;</p>
+
+<p>Dr. Verwijs heeft dus in al dien tijd de waterlijnen niet gezien,
+zelfs niet toen hij naar een watermerk zocht. Dit was niet mogelijk,
+wanneer hij gevergeerd machinaal papier voor zich had gehad.</p>
+
+<p>3. Dit papier is geel gekleurd en niet van nature geel, gelijk veele
+plaatsen bewijzen.</p>
+
+<p>Antw. Als het papier gekleurd, d. i. geverfd was, dan moest de
+kleurstof in het papier zijn ingedrongen, doch dit is niet het geval.
+Op de breuk ziet men duidelijk dat van <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e244" href="#xd0e244">X</a>]</span>binnen de vezel wit is. De vuile
+geelachtig zwarte kleur van het papier is alleen het gevolg van den
+tijd, en de uitwerking van den ouderdom in een verloop van meer dan zes
+eeuwen.</p>
+
+<p>Dat overigens het papier nog zoo goed geconserveerd is en vooral
+door vocht of mot niet geleden heeft, is een bewijs voor de zorgvuldige
+bewaring van het H. S. als een om het zoo te noemen
+familie-heiligdom.</p>
+
+<p>4. Dit papier is afgesneden, gelijk duidelijk zichtbaar is; het
+papier der 13e eeuw laat zich niet afsnijden noch afknippen zonder
+vezels achter te laten.</p>
+
+<p>Antw. Dit laatste mag in zeker opzicht waar zijn bij ongepolijst
+papier, maar bewijst niets ten opzichte van gepolijst en daardoor
+dichter zamengeperst papier, en hangt in allen gevalle af van de
+meerdere of mindere scherpte van mes of schaar.</p>
+
+<p>5. Het afsnijden doet mij denken aan machinaal papier, waarin wel de
+perpendiculaire waterlijnen (pontuseaux) kunnen gebracht worden, doch
+het is mij onbekend of daarin de horizontale lijnen van papierramen
+kunnen zijn; indien ja, dan houd ik dit voor goed machinaal papier, wat
+daarom niet ouder dan 25 of 30 jaar kan zijn, vroeger kon men in
+machinaal papier die lijnen niet maken.</p>
+
+<p>Antw. Ik heb voor mij liggen eene authentieke verklaring van de
+Heeren E. van Berk, P. Uurbanus, A. J. Leijer en T. Mooy aan den Helder
+woonachtig, waarin zij verzekeren, dat bij hen bepaaldelijk tusschen de
+jaren 1848 en 50 bekend is geweest <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e256" href="#xd0e256">XI</a>]</span>het bestaan van het
+handschrift, toebehoorende aan de familie over de Linden, dat later is
+uitgegeven onder den titel van Thet Oera Linda Bok.</p>
+
+<p>Deze verklaring is in zijn geheel opgenomen in de Heldersche Courant
+van den 12 Maart 1876.</p>
+
+<p>Daarmede vervalt de geheele redeneering van den Heer Muller omtrent
+het machinaal papier, dat volgens zijne verklaring voor 25 of 30 jaar,
+d. i. v&oacute;&oacute;r het jaar 1848, nog niet met horizontale
+waterlijnen gemaakt kon worden.</p>
+
+<p>Het papier van het H. S. is dus niet in deze 19e eeuw gemaakt. Van
+de 14e tot de 18e eeuw is geen papier bekend of het is voorzien van een
+fabriekmerk (watermerk); maar in het papier van het H. S. is nergens
+een spoor van fabriekmerk aanwezig.</p>
+
+<p>Het is dus ook niet vervaardigd in de 14e of latere eeuwen. Zoodat
+er geen ander besluit overblijft, dan dat het papier uit de 13e eeuw
+afkomstig moet zijn.</p>
+
+<p>6. Dit papier is tot boek ingenaaid geweest, blijkens de gaatjes;
+het is veel te hard rondom die gaatjes om oud te zijn; ook is de wijze
+van innaaijen geheel modern en geheel anders als bij oude
+handschriften; daarbij gebruikte men minder gaten en dikker touw of
+perkament, dan hiervoor kan bezigd zijn.</p>
+
+<p>Antw. Indien de Heer Muller het <span class="letterspaced">
+geheele</span> H. S. gezien had, dan zoude hij hebben opgemerkt, dat de
+rugzijde der katerns (of liever sexterns) nergens eene spoor van lijm
+of ander plaksel vertoont. Dit bewijst, dat het niet ingenaaid is
+geweest <span class="pagenum">[<a id="xd0e273" href=
+"#xd0e273">XII</a>]</span>op eenige moderne manier, noch op touwtjes,
+noch op reepjes perkament, noch op strookjes, maar daarentegen op eene
+zeer eenvoudige en primitieve manier, door onmiddellijke vasthechting
+met naald en draad in een perkamenten omslag, gelijk men in den handel
+nog wel aantreft bij kleine boekjes, zoogenaamd los ineengehangen
+goedje, als almanakken en dergelijke.</p>
+
+<p>Dit kan iedereen doen, en dit zal Hiddo oera Linda ook wel
+eigenhandig gedaan hebben, en wel reeds daarom, omdat hij zijn
+Handschrift niet kon toevertrouwen aan een boekbinder, dewijl die kunst
+in de kloosters werd uitgeoefend, en zijn voorzaat Liko dringend
+gewaarschuwd had voor de monniken, papekappa, wier oogen vooral niet
+mochten gaan over deze schriften.</p>
+
+<p>7. Het schrift is veel te nieuw voor een hoogen ouderdom; de inkt
+ligt op het papier; heeft het papier niet aangetast, wat bij hoogen
+ouderdom van den inkt noodzakelijk moet gebeuren.</p>
+
+<p>De inkt is veel te zwart voor hoogen ouderdom, die was oudtijds
+lichter en werd na langen tijd geheel bruin.</p>
+
+<p>Antw. Hiertegenover stel ik de woorden van Wattenbach, das
+Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871) S. 137: &raquo;<span lang=
+"de">In alten Handschriften ist die Dinte schwarz oder br&auml;unlich,
+immer von ausgezeichnet guter Beschaffenheit. Nachdem aber von 13
+Jahrhundert an immer massenhafter geschrieben wird, erscheint die Dinte
+h&auml;ufig grau oder gelblich, und ist zuweilen ganz
+verblasst.</span>&rdquo;</p>
+
+<p lang="de">&raquo;Als Bestandtheile des atramentum librarium giebt
+Plinius <span class="pagenum">[<a id="xd0e288" href=
+"#xd0e288">XIII</a>]</span>Russ (lampenroet) und Gummi an. Marcianus
+Capella erw&auml;hnt zuerst die Gall&auml;pfel: gallarum gummeosque
+commixtio.&rdquo;</p>
+
+<p lang="de">&raquo;Eine Mischung von Kupfervitriol und Gall&auml;pfeln
+soll am h&auml;ufigsten sein.&rdquo;</p>
+
+<p>Uit welke bestanddeelen nu de inkt, waarmede het H. S. geschreven
+is, kan bereid zijn, is mij onbekend; doch ik hecht aan de getuigenis
+van Wattenbach voor de goede hoedanigheid der inkt tot in de 13e eeuw,
+als bewijs voor de herkomst van het H. S. uit de 13e eeuw.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Om deze redenen kan ik mij niet vereenigen met of berusten in het
+oordeel van de Heeren Muller en Van Gelder, welk oordeel bovendien niet
+geheel vrij is van eenzijdigheid. Zij hebben zich hoofdzakelijk de
+vraag gesteld: komt het papier van het H. S. in meerdere of mindere
+mate overeen met eene papiersoort van den tegenwoordigen tijd, <span
+class="letterspaced">papier verg&eacute;</span>. Dit is echter de
+tweede helft der kwestie. De eerste en voornaamste helft is: in
+hoeverre komt het Handschrift overeen met andere Manuscripten op papier
+die ouder zijn dan van het jaar 1300.</p>
+
+<p>In betrekking hiertoe heb ik hier nog eene opmerking bij te voegen.
+Het Handschrift is gelinieerd geweest, waarschijnlijk met lood, doch de
+hooge ouderdom heeft die lijnen doen verbleeken en bijna uitgewischt,
+zoozeer dat ik in den eersten tijd ze wel vermoedde, maar niet
+onderscheiden kon, <span class="corr" id="xd0e303" title="Bron: voor
+dat">voordat</span> Jhr. Hooft van Iddekinge er mij opmerkzaam op
+maakte. Zoodra <span class="pagenum">[<a id="xd0e306" href=
+"#xd0e306">XIV</a>]</span>deze een deel van het Handschrift onder oogen
+kreeg, zeide hij: dat is gelinieerd geweest, en d&aacute;&aacute;r kan
+men de sporen er van zien.&rdquo; En toen ik zoo die sporen eens had
+leeren zien, viel het mij gemakkelijk ze overal op elke bladzijde te
+onderkennen.</p>
+
+<p>Daarom heb ik ook op het facsimil&eacute; van bl. 45 de linieering
+hersteld, teneinde te doen blijken hoe nauwkeurig en zorgvuldig die
+lijnen getrokken, en de letters <span class="corr" id="xd0e310" title=
+"Bron: daar tusschen">daartusschen</span> geschreven waren, en tevens
+om te doen beseffen, hoeveel tijd en vlijt er aan dat H. S., waarvan
+slechts een paar honderd bladzijden zijn overgebleven, besteed is.
+Daarvan heb ik de proef genomen door op gewoon gelinieerd papier pagina
+voor pagina het H. S. in zijn eigen schrift te copieeren, en aan dat
+werk 300 uren moeten besteden. Dat is nog maar alleen overschrijven, en
+dan zoude een verdichter nog eerst het geheele boek moeten zamengesteld
+hebben, in eene taal, die van de bekende dialekten van het Oud-friesch
+even onderscheiden is, als deze alle onderling verschillen; want die
+oude Friesche wetten d. i. het wester Lauwers, het Hunsingo&euml;r, het
+Fivelgo&euml;r, het Oldampster, het Emsingo&euml;r, het Brokmer, het
+Rustringer recht, zijn in even zooveele verschillende dialecten
+geschreven en wijken in spelling en woordvormen van elkander af.
+Tegenover die alle zoude hij een afzonderlijk dialect moeten uitvinden,
+dat gesproken is tusschen het Flie en de Schelde. En ten slotte had hij
+nog een letterschrift moeten bedenken, dat meer en beter dan eenig
+ander voor de Friesche taal geschikt is. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e313" href="#xd0e313">XV</a>]</span></p>
+
+<p>Ten aanzien van dat letterschrift moet ik eindelijk nog wijzen op
+eene zeer kenmerkende bijzonderheid:</p>
+
+<p>Het alfabet heeft nog geen <i>q</i> en <i>z</i>. De verbindingen <i>
+qu</i>, <i>sc</i>, <i>sch</i> en de <i>c</i> aan het begin van een
+woord zijn nog niet bekend, ten bewijze, dat deze geschriften zijn uit
+den v&oacute;&oacute;r Romeinschen tijd.</p>
+
+<p>De <i>c</i> wordt niet anders gebruikt dan in de verbinding <i>
+ch</i>, als geadspireerde of verscherpte <i>g</i> b.v. <i>burch</i>
+m.v. <i>burga</i>.</p>
+
+<p>In de Friesche Rechtboeken daarentegen heeft de taal die
+schrijfwijze uit het Latijn aangenomen, en afzonderlijke teekens voor
+verlengde vocalen verloren, gelijk mede die voor <i>gs</i>, <i>ng</i>
+en <i>th</i>. Die invloed van het Latijn heeft vooral sedert Karel den
+Groote het alfabet door vermindering van het getal der letters
+vereenvoudigd, maar daardoor ook bedorven en minder geschikt gemaakt
+voor de aanduiding van aan de Friesche taal eigendommelijke klanken. In
+dit opzicht heeft de Friesche schrijfwijze of spelling een verbastering
+ondergaan, waarvan de gevolgen bij de tegenwoordige schrijvers diep
+gevoeld worden.</p>
+
+<p>Een verdichter zoude zich wel gewacht hebben aan de spelling en het
+alfabet van de oud-Friesche wetten iets te veranderen, en wel gezorgd
+hebben door eenige verandering geen wantrouwen te wekken.</p>
+
+<p>Zie dat is niet een werkje, dat een of andere guit voor de grap
+uitvoert, alleen om iemand te foppen. Dit te veronderstellen is immers
+eene ongerijmdheid. Doch dat is niets. De negative kritiek der moderne
+wetenschap staat voor geene <span class="pagenum">[<a id="xd0e368"
+href="#xd0e368">XVI</a>]</span>ongerijmdheden. Als zij zich eenmaal in
+het hoofd gezet heeft niet te willen dulden dat het Oera Linda Boek
+echt is, dan moet het onecht wezen, het koste wat het wil. Nu loopt zij
+overal rond om den bedrieger te zoeken; er is zelfs sprake van geld
+bijeen te brengen om een prijs op zijn hoofd te stellen en den
+aanbrenger te beloonen. Doch alles even vruchteloos, om de eenvoudige
+en natuurlijke reden, dat die man niet bestaat en nooit bestaan
+heeft.</p>
+
+<p>Intusschen meent zij overal het publiek af te schrikken en richt tot
+iedereen de inquisitoriale vraag: geloof jij nog aan het Oera Linda
+Boek? Mijn antwoord is: ja Mijne Heeren. Ik heb nu bijna zes jaren lang
+dat boek door en door als &rsquo;t ware van binnen en van buiten
+bestudeerd, in verband met de geheele oude Grieksche en Latijnsche
+literatuur, maar nergens heb ik iets kunnen vinden, wat mij eenigen
+grond tot twijfel aanbood. Daarom geloof ik nog aan de echtheid van
+<span class="letterspaced">thet Oera Linda Bok</span>,<a class=
+"noteref" id="xd0e375src" href="#xd0e375">1</a> en om deze reden heb ik
+de eer u eene tweede uitgave daarvan aan te bieden.</p>
+
+<p><span class="smallcaps">Leeuwarden</span>, Sept. 1876.</p>
+
+<p><span class="smallcaps">Dr. J. G. Ottema.</span> <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e398" href="#xd0e398">XVII</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e375src" id="xd0e375">1</a></span> Het woord <span class=
+"letterspaced">Bok</span> wordt in het Handschrift overal zoo
+geschreven; en daarmede stemmen alle Oud-Friesche Rechtboeken overeen.
+De woordenboeken van v. Richthofen en Hettema schrijven <span class=
+"letterspaced">Bok</span> of <span class="letterspaced">Boc</span>. De
+spelling <span class="letterspaced">B&ocirc;k</span> is Kamper
+wanspraak.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e400" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Inleiding<a class="noteref" id="xd0e403src" href=
+"#xd0e403">1</a>.</h2>
+
+<p>De heer C. over de Linden aan den Helder, eerste Meesterknecht bij
+&rsquo;s Rijks Marine-werf, bezit een overoud Handschrift, dat sinds
+onheugelijke jaren in zijne familie vererfd en bewaard is, zonder dat
+iemand meer de herkomst daarvan wist, of den inhoud er van kende,
+wegens de onbekendheid van taal en schrift. Alleen wist men, dat eene
+daaraan verbondene traditie van geslacht tot geslacht de zorgvuldige
+bewaring daarvan had aanbevolen. Het is gebleken, dat die traditie
+berustte op den inhoud van twee brieven, waarmede het Handschrift
+aanvangt; van Hiddo oera Linda Ao. 1256 en van Liko oera Linda Ao.
+803.</p>
+
+<p>Het was aan hem gekomen volgens beschikking van zijn grootvader den
+heer Andries over de Linden, wonende te Enkhuizen en aldaar overleden
+den 15 April 1820, in den ouderdom van 61 jaren. Daar de kleinzoon
+echter destijds nog slechts 10 jaren oud was, moest het H. S. voor hem
+bewaard worden door zijne tante Aafje Meylhoff geb. over de Linden,
+wonende te Enkhuizen, die het in Augs. 1848 aan den tegenwoordigen
+eigenaar ten hand gesteld heeft.</p>
+
+<p>Dr. E. Verwijs daarvan kennis gekregen hebbende, verzocht van dit
+stuk inzage te mogen hebben en herkende het terstond voor zeer oud
+Friesch. Hij bekwam tevens vergunning er een afschrift van te
+vervaardigen ten behoeve van het Friesch Genootschap, en was van
+oordeel, dat het een stuk van groot belang kon wezen, bijaldien het
+niet een ondergeschoven en met bedriegelijke oogmerken verdicht
+geschrift <span class="pagenum">[<a id="xd0e412" href=
+"#xd0e412">XVIII</a>]</span>was, waarvoor hij vreesde. Het afschrift in
+mijne handen gesteld zijnde, liet ook mij in den aanvang nog in het
+onzekere, schoon ik minder bevreesd was, omdat ik niet konde begrijpen,
+dat iemand een valsch geschrift zoude opstellen zonder eenig doel, en
+alleen om het geheim te houden. Doch de onzekerheid bleef bestaan, tot
+dat ik naauwkeurige facsimil&eacute;s van een paar fragmenten en later
+het Handschrift zelf onder oogen kreeg. Het eerste gezicht daarvan
+stelde mij terstond omtrent den hoogen ouderdom van het geschrift
+gerust.</p>
+
+<p>Oogenblikkelijk toch stonden mij Caesars woorden voor den geest, als
+hij van het letterschrift der Galliers en Helvetiers sprekende B. G. I.
+29 en VI. 14 zegt: Graecis utuntur literis. Echter blijkt uit V. 48 dat
+het niet geheel grieksche letters waren. Caesar maakt dus slechts eene
+vergelijking en wel eene zeer juiste. Want het schrift, dat met geen
+bekende lettervormen geheel overeenkomt, gelijkt oppervlakkig nog het
+meest op het Grieksche schrift, zoo als het op monumenten of in de
+oudste handschriften voorkomt, en behoort tot den vorm, dien men
+lapidair of steenschrift noemt. Daarbij is mij later gebleken, dat de
+schrijver van het laatste gedeelte des boeks een tijdgenoot van Caesar
+geweest is. De vorm en oorsprong van dit schrift is in het eerste
+gedeelte des boeks zoo omstandig en uitvoerig beschreven, als men het
+van geene taal kan aanwijzen. Het is zeer volkomen en bestaat uit 34
+letterteekens, waaronder drie afzonderlijke vormen voor de a en u en
+twee voor de e, i, y en o, benevens vier zamengestelde of dubbelde
+medeklinkers: ng, th, ks en gs. De ng, die als neusklank in geene
+andere westersche taal een afzonderlijk teeken heeft, is eene
+ondeelbare verbinding, de th is zacht als in het Engelsen en wordt
+somwijlen door d vervangen, en de gs komt slechts zeer zelden voor, ik
+geloof alleen in het woord <i>segse</i>, zeggen, in het hedendaagsche
+Friesch <i>sidse</i>, uitgesproken <i>sisze</i>. <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e425" href="#xd0e425">XIX</a>]</span></p>
+
+<p>Het papier, groot kwarto formaat, is katoen papier, vrij dik, zonder
+water- of fabriekmerk, op een raam of draadvorm geschept, met niet zeer
+wijde perpendiculaire lijnen.</p>
+
+<p>Een inleidende brief geeft het jaar 1256 op als het jaar, waarin het
+afschrift vervaardigd is door Hiddo overa Linda op <i>overlandsch</i>
+of <i>buitenlandsch</i> papier. Diensvolgens zoude het afkomstig moeten
+zijn uit Spanje, waar de Arabieren destijds katoenpapier vervaardigden
+en in den handel brachten. Hieromtrent schrijft W. Wattenbach, das
+Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871), S. 93:</p>
+
+<p>&raquo;De vervaardiging van papier uit katoen moet bij de Chinezen
+sedert overoude tijden in gebruik geweest zijn, en bij de verovering
+van Samarkand omstreeks den jare 704 aan de Arabieren bekend geworden.
+Te Damascus werd dat fabriekaat een levendige tak van industrie, waarom
+het Charta Damascena genoemd werd. Door de Arabieren werd de kunst naar
+de Grieken overgebracht. Men beweert Grieksche handschriften uit de
+tiende eeuw op katoenpapier te hebben, en in de dertiende eeuw komen
+deze reeds menigvuldiger voor dan die op perkament.</p>
+
+<p>Men noemde het, om het van Egyptisch papier te onderscheiden, Charta
+bombycina, gossypina, cuttunea, xylina. Eene onderscheiding van het
+linnenpapier was toen nog niet noodig.</p>
+
+<p>Tot de vervaardiging van het katoenpapier bezigde men oorspronkelijk
+de ruwe boomwol. Papier uit lompen vindt men het eerst vermeld bij
+Petrus Clusiacensis (1122&ndash;1150.)</p>
+
+<p>Van de Arabieren leerden de Spanjaarden en de Italianen de
+vervaardiging van dit papier. De voornaamste fabrieken waren te Jativa,
+Valencia, Toledo, benevens Fabriano in de Mark Ancona.<a class=
+"noteref" id="xd0e444src" href="#xd0e444">2</a> <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e453" href="#xd0e453">XX</a>]</span></p>
+
+<p>In Duitschland is het gebruik van deze stof wel niet zeer verbreid
+geweest, tenzij het papier uit Italie of Spanje ingevoerd werd. Doch
+hoe meer de vervaardiging zich uit het oosten en de daarmede in verkeer
+staande landen uitbreidde, des te meer moest ook linnen in de plaats
+van katoen treden. Eene oorkonde van Kaufbeuren op linnenpapier uit het
+jaar 1318 is van twijfelachtige echtheid. Bodmann stelt het oudste
+zuiver linnenpapier in het jaar 1324; tot aan 1350 komt er ook nog
+gemengd papier voor.</p>
+
+<p>Alle zorgvuldig geschrevene Manuscripten uit den oudsten tijd toonen
+reeds door de regelmatigheid van de regels, dat zij gelinieerd geweest
+zijn, ook waar de sporen daarvan niet meer herkend kunnen worden.</p>
+
+<p>Tot het linieeren bezigde men eene dunne schijf van lood, een
+liniaal en een passer om de afstanden te bepalen.</p>
+
+<p>In oude handschriften is de inkt donker zwart of bruinachtig. Naar
+mate echter sedert de 13e eeuw meer geschreven werd, vertoont de inkt
+zich vaak grijs of geelachtig, of somtijds geheel verbleekt, ten
+bewijze dat zij ijzerhoudend is.&rdquo;</p>
+
+<p>Dit alles is volkomen van toepassing op het voor ons liggend
+Handschrift uit het midden der dertiende eeuw, beschreven met helder
+zwarte letters tusschen fijne naauwkeurig met lood getrokken lijnen. De
+kleur van de inkt toont duidelijk aan, dat zij niet ijzerhoudend is.
+Door deze kenteekenen wordt het opgegeven jaartal 1256 geheel gewettigd
+en valt er aan geen lateren oorsprong te denken. Maar daarmede vervalt
+ook alle verdacht van bedrog uit lateren tijd.</p>
+
+<p>De taal is overoud Friesch, nog ouder en veel zuiverder dan de taal
+van het Friesch <i>Rjuchtboek</i> of oude Friesche wetten en daarvan in
+vele vormen en spelling verschillende, zoodat zij een geheel
+afzonderlijken tongval of dialekt vertoont, en blijkens de lokaliteiten
+de taal moet geweest zijn, zoo als die gesproken werd van het Vlie tot
+aan de Schelde.</p>
+
+<p>De stijl is hoogst eenvoudig, beknopt, in korte volzinnen, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e471" href=
+"#xd0e471">XXI</a>]</span>ongedwongen zich bewegende, even als de
+dagelijksche spreektaal, en vrij in de vormen der woorden.</p>
+
+<p>De spelling is eveneens eenvoudig en gemakkelijk, zoodat de lezing
+geene de minste moeite kost; en bij alle regelmatigheden toch zoo vrij,
+dat ieder van de verschillende schrijvers, die aan het boek gewerkt
+hebben, zijne eigene bijzonderheden heeft, die voortkomen uit de
+wijziging van den klank der vokalen in verloop van lange tijdruimten,
+hetgeen natuurlijk het geval moet zijn, daar het laatste gedeelte vijf
+eeuwen later geschreven is als het eerste.</p>
+
+<p>Als antiquiteit van taal en schrift, geloof ik te kunnen zeggen, dat
+dit boek geheel eenig in zijne soort is.</p>
+
+<p>Het schrift geeft aanleiding tot eene misschien zeer gewichtige
+opmerking.</p>
+
+<p>De Grieken weten en erkennen, dat zij hun schrift niet hebben
+uitgevonden. Zij schrijven de invoering daarvan toe aan Kadmus, een
+Phenicier. De namen hunner oudste letters van de Alfa tot de Tau komen
+zoo geheel overeen met de namen der letters in het Hebreeuwsche
+Alfabet, waaraan het Phenicische wel naauw verwant zal geweest zijn,
+dat de Phenicische herkomst dier namen wel niet betwijfeld kan worden.
+Maar de vorm hunner letters verschilt zoo geheel en al van die in het
+Phenicisch en Hebreeuwsch schrift, dat in dit opzigt aan geene
+verwantschap te denken valt. Van waar hebben dus de Grieken die letter
+<i>vormen</i> ontvangen?</p>
+
+<p>Uit <i>thet bok th&ecirc;ra Adela follistar</i> (<i>het boek van
+Adelas helpers</i>) leeren wij, dat in den tijd, waarin die Kadmus moet
+geleefd hebben, omstreeks 16 eeuwen voor Christus, een levendig
+handelsverkeer bestond tusschen de Friesen en de Pheniciers, die zij
+Kadhemar, kustbewoners, noemden. De naam Kadmus komt te nabij dat woord
+Kadhemar, om niet te besluiten, dat Kadmus eenvoudig een Phenicier
+beteekent.</p>
+
+<p>Voorts lezen wij, dat omstreeks denzelfden tijd eene Priesteres van
+de Burgt op Walcheren, Min-erva, ook Nyhellenia <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e494" href="#xd0e494">XXII</a>]</span>genoemd, aan het hoofd
+eener Friesche kolonie, zich neergezet heeft in Attika en daar de burgt
+Athene gesticht heeft. Alsmede uit de berichten, opgeteekend aan de
+wanden der Waraburch, dat Findas volk ook een eigen schrift bezat, doch
+zeer omslachtig en moeijelijk om te lezen; en dat daarom de Tyriers en
+de Krekalanders het schrift van Frya hebben geleerd.</p>
+
+<p>Bij deze voorstelling verklaart de geheele zaak zich zelve, en is
+het duidelijk, waardoor die uiterlijke gelijkenis tusschen het
+Grieksche en oud Friesche schrift ontstaan is, welke ook Caesar in het
+oog gevallen is bij de Galliers; alsmede op welke wijze de Grieken de
+namen van Findas en de vormen van Fryas schrift nevens elkander hebben
+gekregen en behouden.</p>
+
+<p>Even opmerkelijk zijn de vormen der cijfers. Men noemt onze
+getalteekens gewoonlijk Arabische cijfers, ofschoon zij met de
+Arabische getalteekens niet de minste overeenkomst hebben. De Arabieren
+in Spanje hebben hunne cijfers niet uit het oosten medegebracht, want
+de Semitische volken bezigden het geheele alfabet tot het opschrijven
+van getallen. De wijze van met 10 teekens alle getallen uit te drukken
+hebben de Arabieren in het westen geleerd, doch daar vormen voor
+gekozen eenigermate in overeenstemming met die van hun letterschrift,
+en toch geschreven van de linker naar de rechterhand op Westersche
+manier. Onze cijfers blijken hier oorspronkelijk Friesche cijfers
+(siffar) te wezen, wier vorm denzelfden oorsprong heeft als het
+letterschrift en aan de lijnen van het Juul ontleend is.</p>
+
+<p>Het boek, zooals het voor ons ligt, bestaat uit twee van elkander
+zeer verschillende, en in tijd vrij ver verwijderde gedeelten. Als
+schrijfster van het eerste gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van
+Apol, grevetman over de Lindaoorden. Dit is vervolgd door haren zoon
+Adelbrost en hare dochter Apollonia. Het eerste boek loopende van pag.
+1&ndash;88 (hier <span class="pagenum">[<a id="xd0e502" href=
+"#xd0e502">XXIII</a>]</span>p. 4&ndash;120) is geschreven door Adela.
+Een vervolg van pag. 88&ndash;94 (122&ndash;128) is begonnen door
+Adelbrost en voortgezet door Apollonia. Het tweede boek loopende van
+pag. 94&ndash;114 (128&ndash;154) is geschreven door Apollonia. Veel
+tijd, misschien 250 jaren later, is een derde boek geschreven van pag.
+114&ndash;134 (156&ndash;180) door Frethorik. Vervolgens van pag. 134
+tot 143 (180&ndash;192) door zijne weduwe Wiljow, daarna van pag.
+144&ndash;169 (194&ndash;226) door hun zoon Konereed, alsdan van pag.
+169&ndash;192 (226&ndash;232) door hun kleinzoon Beeden; nu ontbreken
+bl. 193 en 194, waarmede het laatste stuk pag. 195&ndash;210
+(235&ndash;253) moet hebben aangevangen, daardoor is de schrijver ons
+onbekend, hij zal wel een zoon van Beeden geweest zijn. Door Wiljow
+worden op bl. 134 (182) nog andere geschriften genoemd; daar vermeldt
+zij thet bok th&ecirc;ra sanga, (thet bok) th&ecirc;ra tellinga, and
+thet Hell&ecirc;nia bok; en vervolgens tha skrifta fon Dela jeftha
+Hell&ecirc;nia.</p>
+
+<p>Voor de tijdsbepalingen moeten wij uitgaan van het jaar 1256 na
+Christus, waarin Hiddo overa Linda het afschrift vervaardigd heeft, en
+waarvan hij zegt, dat het was het 3449 jaar nadat Atland verzonken is.
+Dit vergaan van het oude land, &acirc;ldland, &acirc;tland, is bij de
+Grieken ook in geheugen geweest en Plato maakt in zijn Timaeus, 24, nog
+melding van het verdwenen Atlantis, van welks ligging niets anders
+bekend was, dan dat het ver buiten de zuilen van Herkules had gelegen.
+Uit dit geschrift blijkt, dat het een uitgestrekt land geweest is ten
+westen van Jutland, waarvan Helgoland en de Noordfriesche eilanden de
+laatste schamele overblijfselen zijn. Deze gebeurtenis, waardoor het
+schijnt dat een groote verstrooijing van den Frieschen stam veroorzaakt
+is, was het aanvangspunt eener eigene tijdrekening, overeenkomende met
+2193 voor Chr. Bij de geologen bekend als de eerste <i>Cimbrische
+vloed</i>.</p>
+
+<p>Op bladzijde 80 (110) begint een verhaal in het jaar 1602 nadat
+Atland verzonken is en dus met 591 voor Chr., en bl. 82 (112) <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e511" href="#xd0e511">XXIV</a>]</span>het
+verhaal van den moord gepleegd aan Fr&acirc;na, Eeremoeder op Texland,
+twee jaren later, en dus 589. Wanneer nu Adela haar geschrift aanvangt
+met haar eigen optreden in eene volksvergadering, 30 jaren na den dag
+dat de Eeremoeder was omgebracht, dan zijn wij in het jaar 559 voor
+Chr. Uit het schrijven van hare dochter Apollonia vernemen wij, dat
+Adela 15 maanden na die vergadering, bij eene overrompeling van Texland
+door de Finnen, verslagen is; dit moet dus gebeurd zijn in 557 voor
+Chr. en hieruit volgt, dat het eerste boek door Adela geschreven is in
+558 voor Chr. Het tweede boek, door Apollonia geschreven, mag dus
+gesteld worden omstreeks het jaar 530 voor Chr.</p>
+
+<p>Het latere gedeelte behelst de geschiedenis van de bekende Koningen
+van Friesland, Friso, Adel (Ubbo) en Asega Askar, genaamd zwarte Adel.
+Evenwel is van den derden Koning Ubbo niets gemeld, of liever dit stuk
+is verloren gegaan, bl. 169&ndash;188 (zie bl. 226) ontbreken.
+Frethorik, de eerste schrijver, die hier voorkomt, is een tijdgenoot
+van de gebeurtenissen, die hij verhaalt, namelijk de komst van Friso.
+Hij is een vriend van Liudgert, den Geertman, die als skelta bi
+th&ecirc;r nacht op de vloot van Wichhirte den s&ecirc;kening met Friso
+hier was gekomen, in &rsquo;t jaar 303 voor Chr., 1890 jaren nadat
+Atland verzonken was. Uit het dagboek van Liudgert heeft hij vele van
+zijne berichten ontleend.</p>
+
+<p>De laatste schrijver geeft zich zelven zeer duidelijk te kennen als
+een tijdgenoot van Zwarte Adel of Askar, omstreeks het midden van diens
+regering, welke bij Furmerius gesteld wordt van 70 v&oacute;&oacute;r
+11 na Chr. gelijktijdig met Julius Ceasar en Augustus. Hij schreef dus
+in het midden der eerste eeuw voor Chr. en droeg kennis van de
+verovering van het land der Golen (Galliers) door de Romeinen.</p>
+
+<p>Er liggen dientengevolge ruim twee eeuwen tusschen de beide
+afdeelingen van het handschrift.</p>
+
+<p>Van die G&ocirc;la lezen wij bl. 84: alsa h&ecirc;ton tha
+s&aring;ndalinga <span class="pagenum">[<a id="xd0e521" href=
+"#xd0e521">XXV</a>]</span>prestera Sidonis. En op bl. 124: tha Gola
+jeftha Trowyda.</p>
+
+<p>De Golen zijn dus de Druiden, en de naam Galli, overgedragen op het
+geheele volk, eigenlijk de naam van eene Priesterorde of Priesterstam
+van oostersche herkomst, even als bij de Romeinen de Galli, Priesters
+van Cybele.</p>
+
+<p>De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw, namelijk er
+staat bijna niets in, dat wij van elders reeds wisten. Hetgeen wij hier
+van Friso, Adel en Askar lezen, verschilt gansch en al van hetgeen onze
+bekende kronijkschrijvers weten te vertellen, of wel doet zulks in een
+geheel ander daglicht beschouwen. B. v. allen verhalen dat Friso uit
+Indie gekomen is, en dat dus de Friesen uit Indie afkomstig zijn, en
+toch voegen zij er bij dat Friso een Germaan was en behoorde tot een
+Persische stam, dien Herodotus Germanen noemt <span class="trans"
+title="Germanioi"><span class="Greek" lang="el">
+&Gamma;&epsilon;&rho;&mu;&#8049;&nu;&iota;&omicron;&iota;</span></span>.
+Naar de berichten, die we hier ontmoeten, is Friso ook uit Indie
+gekomen en wel met de vloot van Nearchus, maar hij is daarom geen
+Indi&euml;r, hij is van Friesche afkomst, van Fryas volk. Hij behoort
+namelijk tot eene kolonie Friesen, die na den dood van
+Nijhell&ecirc;nia, 15&frac12; eeuwen voor Chr., onder aanvoering eener
+Priesteres Geert, zich aan den Pangab (Indus) neergezet en den naam
+Geertmannen aangenomen hebben. Die Geertmannen zijn slechts bij een van
+de Grieksche schrijvers bekend, namelijk bij Strabo, die hen vermeld
+als <span class="trans" title="Germanes"><span class="Greek" lang="el">
+&Gamma;&epsilon;&rho;&mu;&#8118;&nu;&epsilon;&sigmaf;</span></span>
+eene van de <span class="trans" title="Brachmanes"><span class="Greek"
+lang="el">
+&Beta;&rho;&alpha;&chi;&mu;&#8118;&nu;&epsilon;&sigmaf;</span></span>
+in zeden, taal en godsdienst geheel en al verschillende volkstam.</p>
+
+<p>Bij de schrijvers van Alexanders tochten worden noch Friesen noch
+Geertmannen genoemd, doch zij spreken van Indoscythae; en geven
+daardoor te kennen een volk, dat wel in Indie woont, maar uit het verre
+onbekende Noorden afkomstig is.</p>
+
+<p>In de berichten van Liudgert worden geene namen genoemd van
+plaatsen, waar die Friesen in Indie gewoond hebben. Wij vernemen
+alleen, dat zij zich eerst in het land ten oosten van den Pangab hebben
+nedergezet, en later verhuisd <span class="pagenum">[<a id="xd0e555"
+href="#xd0e555">XXVI</a>]</span>zijn naar den westelijken oever dier
+rivier. Verder wordt als eene bijzonderheid medegedeeld, dat in den
+zomer de zon op den middag recht boven hun hoofd stond. Zij woonden dus
+nagenoeg onder den keerkring. En nu vinden wij bij Ptolomeus (zie b. v.
+de kaarten van Kiepert) juist daar op 24&deg; N. B. aan den westelijken
+oever van den Indus den naam Minnagara, en een graad of zes oostelijk
+van daar op 22&deg; N. B. nog een Minnagara. Die naam is zuiver
+Friesch, gelijk Walhallagara, Folsgara, en gevormd van Minna, den naam
+eener Eeremoeder (zie pag. 74), in wier tijd de tochten van Teunis en
+zijn neef Inka plaats vonden.</p>
+
+<p>Die overeenkomst is te opmerkelijk om enkel toevallig te wezen, en
+niet dat Minnagara voor de hoofdplaats dier Friesche kolonie te
+houden.</p>
+
+<p>De vestiging van die kolonie in Indie aan den Pangab in 1551 voor
+Chr. en hunne reis derwaarts, vinden wij in Adela&rsquo;s boek vrij
+uitvoerig beschreven, en wel met de bijvoeging van eene uiterst
+merkwaardige bijzonderheid, namelijk dat die Friesche zeelieden gevaren
+zijn <i>door de straat welke in die tijden nog op de Roode Zee
+uitliep</i>. Uit een bericht bij Strabo L. I fol. 38 en 50 blijkt dat
+Eratosthenes nog kennis gedragen heeft van die voormalige
+zee&euml;ngte, waarvan de latere geografen geene melding meer maken.
+Zij bestond nog in de dagen van Mozes, Exod. XIV : V, daar hij zich
+legerde bij <i>Pi ha chiroht</i>, den <i>mond der zee&euml;ngte</i>.
+Strabo vermeldt bovendien, dat Sesostris eene poging gedaan heeft om de
+landengte door te graven, maar dat plan niet heeft kunnen
+uitvoeren.</p>
+
+<p>Dat daar werkelijk eertijds de zee doorgestroomd heeft, bewijzen de
+uitkomsten van het geologisch onderzoek van de landengte door de
+commissie voor het kanaal van Suez, waarvan de heer Renaud op den 19
+Junij 1856 een rapport heeft uitgebracht bij de Academie des Sciences.
+In dat rapport komt onder anderen voor: <span lang="fr">Une question
+fort controvers&eacute;e <span class="pagenum">[<a id="xd0e574" href=
+"#xd0e574">XXVII</a>]</span>est celle de savoir, si &agrave;
+l&rsquo;&eacute;poque o&ugrave; les Hebreux fuyaient de l&rsquo;Egypte
+sous la conduite de Mo&iuml;se, les lacs am&egrave;rs faisaient encore
+partie de la mer rouge. Cette derni&egrave;re hypoth&egrave;se
+s&rsquo;accorderait mieux que l&rsquo;hypoth&egrave;se contraire avec
+le texte des livres sacr&eacute;s, mais alors il faudrait admettre que
+depuis l&rsquo;&eacute;poque de Mo&iuml;se le seuil de Suez serait
+sorti des eaux.</span></p>
+
+<p>Ten aanzien van deze vraag is het zeker van belang in dit Friesche
+handschrift een bericht te ontmoeten, waaruit blijkt dat in het midden
+der 16e eeuw voor Chr. de verbinding van de Bittermeeren met de Roode
+Zee nog bestond en de straat nog bevaarbaar was.</p>
+
+<p>Het handschrift bericht verder, dat kort na die doorvaart van de
+Geertmannen <i>beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo
+hoog ophief, dat al het water de straat uitliep en dat alle wadden en
+schorren als een wal oprezen</i>.</p>
+
+<p>Deze dingen zullen dus na den tijd van Mozes geschied zijn, zoodat
+tijdens de uittocht (1564) de streek tusschen Suez en de Bittermeeren
+nog wel bevaarbaar was, maar bij lagen waterstand droogvoets kon worden
+doorgetrokken.</p>
+
+<p>Dit punt is dus de oorspronkelijke Isthmus, na welks vorming zeker
+spoedig de verdere inham noordwaarts tot aan de golf van Pelusium
+geheel is opgeslibd.</p>
+
+<p>Een duidelijk overzicht over de formatie van dit terrein geeft de
+kaart gevoegd bij: <span lang="fr">l&rsquo;ann&eacute;e scientifique et
+industrielle etc. par Louis Figuier (premi&egrave;re ann&eacute;e).
+Paris, Hachette, 1857.</span></p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Een ander bericht, dat ook alleen bij Strabo voorkomt, vindt hier
+insgelijks eene opheldering en bevestiging. Strabo namelijk is onder de
+Grieksche schrijvers de eenige die vermeldt, dat Nearchus na zijne
+troepen in de Persische golf aan den mond van de Pasitigris te hebben
+ontscheept, op bevel van Alexander met zijne vloot weer de Persische
+golf uitgezeild en om Arabie heen door de Arabische golf gestevend
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e597" href=
+"#xd0e597">XXVIII</a>]</span>is. Zoo als dit bericht daar staat, is het
+niet duidelijk wat Nearchus daar te maken had en wat het doel van die
+verdere tocht wezen kon; enkel tot het doen van geographische
+onderzoekingen, zoo als Strabo meent, behoefde hij toch niet eene
+gansche vloot mede te nemen, daartoe was een schip of twee voldoende.
+Wij lezen ook niet dat hij weer teruggevaren is; waar is hij dan met
+die vloot gebleven?</p>
+
+<p>Op deze vraag vinden wij hier het antwoord in de Friesche lezing van
+de geschiedenis. Alexander had die schepen aan den Indus gekocht van,
+of laten bouwen door de daar gevestigde afstammelingen van de Friesen,
+de Geertmannen, en van hen scheepsvolk in dienst genomen, en aan het
+hoofd van deze bevond zich Friso. Alexander had na de volbragte tocht
+en het transport van de troepen, die schepen in de Persische Golf niet
+meer noodig, maar wilde ze in de Middellandsche zee gebruiken. Dat had
+hij in zijn hoofd gezet en dat moest gebeuren. Alexander wilde iets
+doen, dat niemand voor hem gedaan had. Te dien einde moest Nearchus de
+Roode zee opvaren, en aan het eind daarvan gekomen (bij Suez), vond hij
+daar 200 elephanten en duizend kameelen en werklieden en gereedschap,
+balken, touwen enz., om de schepen op het land te halen en over de
+landengte te slepen. Dit werk werd met zooveel overleg en ijver
+ondernomen en voltooid, dat na een arbeid van drie maanden de vloot in
+de Middellandsche zee weer te water gelaten werd. Dat de vloot
+werkelijk in de Middellandsche zee gebracht is, blijkt uit het bericht
+van Plutarchus (vit. Alexandri), doch deze laat te dien einde Nearchus
+met de vloot om Afrika heen door de straat van Hercules zeilen. Na de
+nederlaag bij Actium heeft Kleopatra, in navolging van dit voorbeeld,
+getracht hare vloot over den Isthmus te brengen, om naar Indie te
+ontsnappen. Zij is daarin verhinderd door de Petraeische Arabieren, die
+hare schepen in brand staken. (Zie Plutarchus vit. Antonii.) <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e601" href="#xd0e601">XXIX</a>]</span></p>
+
+<p>Friso is, toen kort daarop Alexander stierf, in dienst gebleven van
+Antigonus en Demetrius, totdat hij door den laatste op eene
+schandelijke wijze beleedigd zijnde, besloot met zijne manschappen het
+oorspronkelijke moederland, Friesland, op te zoeken. Naar Indie
+terugkeeren kon hij trouwens niet. Zoo vullen de berichten elkander aan
+en helderen elkander op, en verleenen daardoor eene wederkeerige
+bevestiging.</p>
+
+<p>Zulke enkele trekken en verrassende uitkomsten leiden mij tot het
+besluit, dat wij hier met meer te doen hebben, dan met bloote sagen of
+legenden.</p>
+
+<p>Sints een twintigtal jaren is de aandacht getrokken door de
+overblijfselen van paalwoningen, het eerst opgemerkt in de meeren van
+Zwitserland en vervolgens in een aantal streken van Europa gevonden.
+Men zie daarover Dr. E. R&uuml;ckert, Die Pfalhbauten. W&uuml;rtzburg
+1869, of Dr. T. C. Winkler, in de Volksalmanak t. N. v. A. 1867. Toen
+men ze gevonden had, trachtte men uit de onder het water aanwezige
+fragmenten van wapens, gereedschappen en huisraad na te sporen, door
+wie en wanneer deze verblijfplaatsen bewoond geweest waren. Uit
+berichten van historieschrijvers bleek daaromtrent niets meer, dan
+hetgene Herodotus Lib. v. c. 16 van de Paeonen schrijft. Alleen vond
+men eene spoor in een der tafereelen op de zuil van Trajanus, waarin de
+verwoesting van een paaldorp in Dacie is afgebeeld. Dubbel belangrijk
+is het daarom uit het geschrift van Apollonia te vernemen, dat zij als
+burgtmaagd (omstreeks 540 v. Chr.) eene reis langs den Rijn gedaan,
+Switserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners (Marsaten)
+heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op palen gebouwde
+woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze. Zij vermeldt, dat
+die Marsaten van vischvangst en jacht leven, en de huiden van het wild
+bereiden met de schors van berkenboomen, om die pelterij te verkoopen
+aan de Rijnschippers, die ze verder in den handel brengen. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e608" href="#xd0e608">XXX</a>]</span></p>
+
+<p>Dit bericht omtrent de paalwoningen in de meeren van Switserland kan
+niet geschreven zijn, dan in een tijd toen die paaldorpen nog bestonden
+en bewoond werden.</p>
+
+<p>In het tweede gedeelte van het Handschrift wordt door Koner&ecirc;d
+oera Linda vermeld, dat Adel de zoon van Friso (&plusmn; 260 j. v.
+Chr.) met zijne vrouw Ifkja ook die paaldorpen in Switserland bezocht
+heeft, &raquo;fon Walhallag&acirc;ra br&ucirc;don hja alingen
+th&ecirc;ra s&ucirc;der Hr&ecirc;num al-ont hja mith gr&acirc;te
+fr&ecirc;se boppa th&ecirc;re R&ecirc;ne by tha M&acirc;rs&acirc;ta
+k&ecirc;mon, hw&ecirc;rfon vsa Apoll&ocirc;nja skr&ecirc;ven heth. Tha
+hja th&ecirc;r en st&ucirc;t w&ecirc;st h&ecirc;de, gvngon hja wither
+n&ecirc;i tha delta.&rdquo;</p>
+
+<p>Later als dit bericht komt bij geen schrijver ergens eenige
+vermelding van die paalwoningen voor en is die zaak gedurende twintig
+eeuwen volkomen onbekend gebleven, totdat in den jare 1853, bij
+buitengewoon lagen waterstand, overblijfselen van zulke woningen
+ontdekt zijn. Daarom heeft niemand zulk een bericht in lateren tijd
+kunnen verzinnen.</p>
+
+<p>Hoewel een groot gedeelte van het eerste stuk, het Boek van Adela,
+geheel valt in het Mythologisch Tijdvak v&oacute;&oacute;r den
+Trojaanschen oorlog, is hier in de verhalen een groot verschil met de
+Grieksche Mythen in het oogloopend. De Mythen kennen geene
+tijdsbepaling, veel min eene geregelde tijdrekening. Bij de Mythen
+bestaat geen inwendige zamenhang of consequentie. De vrije verdichting
+ontwikkelt zich in iedere sage afzonderlijk en onafhankelijk. De
+Mythologische verhalen weerspreken elkander bijna op ieder punt. <i
+lang="fr">Les Mythes ne se tiennnent pas</i> is de eenige sleutel op de
+Grieksche Mythologie<span class="corr" id="xd0e620" title="Niet in
+bron">.</span></p>
+
+<p>Hier daarentegen ontmoeten wij eene geregelde jaartelling uitgaande
+van een vast punt, het vergaan van Atland (2193 voor Chr.) De verhalen,
+natuurlijk, eenvoudig, vaak na&iuml;f, weerspreken elkander nimmer, en
+zijn altijd met elkander bestaanbaar, ook in plaats en tijd. Als b. v.
+de komst en het verblijf van Ulysses bij de Burgtmaagd Kalip op
+Walhallagara <span class="pagenum">[<a id="xd0e625" href=
+"#xd0e625">XXXI</a>]</span>(Walcheren), &rsquo;t gene wel het meest
+sagenhafte stuk is van allen, hier gesteld is op 1005 jaren nadat
+Atland verzonken is, dan komt dat uit op 1188 jaren voor Chr. en dus
+vrij nabij overeen met den tijd, waarin de Grieken meenen, dat de
+Trojaansche oorlog heeft plaats gehad. Die Ulysses-sage is hier niet
+door de Romeinen aangebracht. Tacitus vond ze reeds in Neder Germanie
+(zie Germania cap. 3) en zegt er bij, dat te Asciburgium een altaar
+was, waarop de naam van Ulysses en die van zijn vader La&euml;rtes
+gelezen werd.</p>
+
+<p>Een ander kenmerkend onderscheid bestaat daarin, dat de Mythe geene
+herkomst kent, voor hare verhalen nooit berichtgevers of schrijvers
+noemt, en dus nimmer eenig gezag weet aan te voeren. In Adelas boek
+daarentegen wordt bij ieder verhaal opgegeven, waar het gevonden of
+waaruit het ontleend is, b. v. dit is uit Minno&rsquo;s schriften, dit
+is aan de Wanden der Waraburch gegrift, dit aan de Fryas burch, dit te
+Stavia, dit op Walhallagara.</p>
+
+<p>En dan is er nog iets. Wetten, geregelde wetgevingen, gelijk zij in
+Adelas boek in vrij grooten getale voorkomen, zijn in de Mythologie
+eene onbekende en met haar wezen onvereenigbare zaak. Zelfs als de
+Mythe aan Minos toeschrijft de invoering van eene wetgeving op Kreta,
+dan weet zij van die wetgeving zelve niet het geringste te berichten.
+Ook in de Mythische godenwereld bestaat geene wetgeving, de eenige wet
+is daar het onveranderlijke Noodlot, of de wil van den oppermachtigen
+Zeus.</p>
+
+<p>Ten opzichte van de Mythologie is dit geschrift, dat zelf geen
+mythisch karakter draagt, niet minder merkwaardig dan voor de
+geschiedenis. Ondanks de vele en velerlei betrekkingen met Denemarken,
+Zweden (Sk&ecirc;nland = Schonen) en Noorwegen (Northland), vindt men
+hier geene sporen van bekendheid met de Noordsche of Scandinavische
+mythologie. Alleen schijnt Wodan hier voor te komen als Wodin, een
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e633" href=
+"#xd0e633">XXXII</a>]</span>Friesch heerman, die door een Magy, koning
+der Finnen, tot schoonzoon aangenomen en na zijn dood vergood is.</p>
+
+<p>De Friesche godenleer of liever godsdienst, is hoogst eenvoudig en
+zuiver Monotheisme. Wralda of Wralda&rsquo;s geest is het eenige,
+eeuwige, onveranderlijke, volmaakte en almachtige wezen. Wralda heeft
+alle dingen geschapen; alles komt uit hem voort, eerst de aanvang, dan
+de tijd, en vervolgens Irtha, de Aarde. Irtha baart drie dochters Lyda,
+Finda en Frya, de stammoeders van de drie menschenrassen, het zwarte,
+het geele en het blanke (Afrika, Asia en Europa). Als zoodanig is Frya
+de moeder van Frya&rsquo;s volk, de Friezen. Zij is de
+vertegenwoordigster van Wralda en wordt als zoodanig vereerd. Frya
+heeft hare <i>tex</i> gegeven, de eerste wet, en de eeredienst
+ingesteld van het eeuwige licht. Die dienst bestaat in het onderhouden
+van de altijd brandende lamp, foddik, door priesteressen, maagden; aan
+het hoofd dier maagden staat op alle burgten eene Burgtmaagd; de
+opperste van alle Burgtmaagden, is de Eeremoeder op de Fryasburgt op
+Texland. De Eeremoeder heerscht over het geheele land; de Koningen
+mogen niets doen, er mag niets geschieden, buiten hare raad en
+goedkeuring. De eerste Eeremoeder is door Frya zelve aangesteld, zij
+heette F&aring;sta. Met &eacute;&eacute;n woord, wij ontmoeten hier de
+prototype van de Romeinsche Vestadienst en de Vestaalsche maagden.</p>
+
+<p>Men denke hierbij aan Velleda (Welda) en Aurinia bij Tacitus Germ. 8
+Hist. IV. 61. 65. V. 22. 24. Annal. I. 51 en Gauna de opvolgster van
+Velleda bij Dio Cassius fragm. 49.</p>
+
+<p>Van de burgt van Velleda spreekt Tacitus als eene <i lang="la">edita
+turris</i>; Verg. hier bl. 146. Zij was de burgt Mannagarda forda
+(Munster). In het land der Marsi noemt hij deze burgt Templum Tanfane
+(Tanfanc) zoo genoemd naar het teeken van het Juul. Zie <a href=
+"#plaat1">plaat I</a>.</p>
+
+<p>De laatste dier burgten is de F&aring;staburgt op Ameland geweest,
+templum Foste, volgens Occa Scarlensis verwoest in het jaar 806. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e652" href="#xd0e652">XXXIII</a>]</span></p>
+
+<p>Ontmoeten wij hier bij de Friezen een Godsbegrip en godsdienstige
+denkbeelden, geheel verschillende van de mythologien bij andere volken,
+nog onverwachter komen ons hier zaken voor, die in het nauwste verband
+staan met de Grieksch-Romeinsche Mythologie en wel met de herkomst van
+twee godheden van den eersten rang, Minerva en Neptunus. Min erva
+(Ath&eacute;n&egrave;), is oorspronkelijk eene burgtmaagd, priesteres
+van Frya op de burgt Walhallagara, Middelburg, of Domburg, op
+Walcheren. En deze zelfde Min erva is tevens die geheimzinnige,
+raadselachtige godin, van welker vereering bijna geene sporen zijn
+overgebleven, dan alleen op Walcheren in de votivsteenen te Domburg,
+Nehalennia<a class="noteref" id="xd0e655src" href="#xd0e655">3</a>, van
+welke geene mythologie iets naders weet dan enkel den naam, waarvan de
+etymologie zich heeft meester gemaakt tot het uitvinden van allerlei
+fantastische afleidingen.</p>
+
+<p>De andere, Neptunus, bij de Etruriers Nethunus, de God van de <span
+class="corr" id="xd0e672" title="Bron: Middelandsche">
+Middellandsche</span> zee, blijkt hier bij zijn leven een Friesche
+Viking, zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga
+(Ouddorp niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Teunis, in de wandeling
+bij zijne manschappen Neef Teunis genoemd, die vooral de Middellandsche
+zee tot het doel en tooneel zijner tochten gekozen had, en door de
+Tyriers vergood zoude zijn, in den tijd toen de Phenicische zeevaart
+zich aanmerkelijk begon uit te breiden en naar Friesland stevende, om
+hier Britsch tin, Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balda (Baltische)
+zee te halen, omstreeks 2000 jaren v. Chr.</p>
+
+<p>Behalve dit tweetal ontmoeten wij nog een derde Mythologisch
+persoon, Minos, de wetgever van Kreta, die alsmede verschijnt als een
+Friesche zeekoning Minno, geboren te Lindaoord tusschen Wieringen en
+Kreyl, die aan de Kreters <span class="pagenum">[<a id="xd0e677" href=
+"#xd0e677">XXXIV</a>]</span>een Asegaboek heeft medegedeeld. Namelijk
+die Minos, die met zijn broeder Rhadamanthus en Aeakus als rechter in
+de onderwereld over het lot der schimmen beslist. Niet te verwarren met
+den lateren Minos, den tijdgenoot van Aegeus en Theseus, die voorkomt
+in de Atheensche sage.</p>
+
+<p>Bij deze voorstelling kan misschien iemand zijn lachen niet
+bedwingen, en kaatst hij mij het straks gebezigde woord fantastisch
+terug met dat van avontuurlijk. Ook ik kon eerst mijne oogen niet
+gelooven, en toch ben ik bij nadere overweging gekomen tot de
+ontdekking van verrassende overeenkomsten, die de zaak vrij wat minder
+avontuurlijk maken, als de geboorte van Athene uit het hoofd van Zeus
+door een bijlslag van Hephaistos.&mdash;B. v.</p>
+
+<p>De Grieksche Mythologie kent van alle Goden eene jeugd, alleen
+Pallas heeft geene jeugd, zij is niet anders bekend dan als volwassen.
+Minerva komt als opperpriesteres uit den vreemde, uit een den
+Krekalanders onbekend land, in Attica. Pallas is eene maagdelijke
+godin, Minerva is eene burgtmaagd. De blonde, blaauwoogige Pallas
+onderscheidt zich door deze type van de overige goden en godinnen, als
+behoorende tot Fryas volk. De wijsheid van beide en de zinnebeeldige
+attributen zijn dezelfde, inzonderheid de uil. Pallas geeft aan de
+nieuwe stad haren naam Ath&egrave;nai, die overigens in &rsquo;t
+Grieksch geene beteekenis heeft: Minerva geeft aan de door haar
+gestichte burgt den naam Athene, die in het Friesch wel eene beteekenis
+heeft en te kennen geeft dat zij als vrienden <i>&acirc;then</i> daar
+gekomen zijn. Minerva komt in Attica omstreeks 1600 jaren voor Chr. in
+het tijdperk, waarin zich de Grieksche godenleer begint te vormen.
+Minerva is met de vloot van Jon aan het hoofd van eene kolonie in
+Attica geland; op Walcheren vindt men haar in later tijd blijkens de
+Romeinsche votivsteenen onder den naam Nehalennia vereerd als eene
+godin van de scheepvaart; en bij de Atheners is Pallas de beschermgodin
+van scheepsbouw en zeevaart. <span class="pagenum">[<a id="xd0e686"
+href="#xd0e686">XXXV</a>]</span></p>
+
+<p>De Tijd is de Kroder, de kruijer, die eeuwig met het <i>jol</i>, het
+wiel, moet rondloopen, en voeren de zon langs hare baan door het
+stergewelf van winter-zonnestand tot winter-zonnestand. Zoo vormt hij
+de jaren, waarbij elke omwenteling van het wiel een dag uitmaakt. Te
+midwinter wordt het Jolfeest gevierd op Fryasdag. Dan worden koeken
+gebakken in den vorm van het zonnerad, want van dat Jol heeft Fryas de
+letters gemaakt, toen zij hare Tex schreef, en het Jolfeest is daarom
+ook een feest ter eere van Frya als uitvindster van het
+letterschrift.</p>
+
+<p>Even zoo als dit Jolfeest in Denemarken en geheel Duitschland door
+de Christenheid op &rsquo;t Kerstfeest en in ons land op St.
+Nikolaasdag verplaatst is, even zoo zeker zijn onze St. Nikolaaspoppen,
+de vrijster en de vrijer, eene herinnering aan Frya, en onze St.
+Nikolaas (banket) letters eene gedachtenis aan Fryas van het Zonnerad
+gevormd letterschrift.</p>
+
+<p>Ik kan niet den geheelen inhoud van dit merkwaardige geschrift
+ontleden en moet mij vergenoegen met de gemaakte opmerkingen. Zij mogen
+eenig denkbeeld geven van den rijkdom en belangrijkheid van dien
+inhoud. Want al loopen er Sagen onder, ook als Sagen moeten zij waarde
+hebben voor ons, dewijl van den Sagenschat van ons voorgeslacht zoo
+goed als niets was overgebleven.</p>
+
+<p>Een inwendig bewijs voor de oudheid van deze geschriften ligt ook
+daarin, dat de naam Batavieren er nog niet in voorkomt. De inwoners van
+het geheele land tot aan de Schelde zijn Fryas volk, Friezen. De
+Batavieren zijn niet een afzonderlijk volk geweest. De naam Batavi is
+eene uitvinding van de Romeinen, die dezen naam gegeven hebben aan de
+bewoners van het land ter weerzijde van de Waal, welke rivier op de
+Tabula Peutingeriana den naam Patabus draagt. Die naam Batavi komt ook
+niet vroeger voor dan bij Tacitus en Plinius, want de bekende plaats
+bij Caesar B. G. IV. 10, is geinterpoleerd. Zie mijne verhandeling over
+den loop der <span class="pagenum">[<a id="xd0e698" href=
+"#xd0e698">XXXVI</a>]</span>rivieren door het land der Friesen en
+Batavieren bl. 49 in de Vrije Fries, IV Deel 1e Stuk, 1845.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Met nog eene opmerking betreffende de taal wil ik eindigen.</p>
+
+<p>Zij die nog slechts eene oppervlakkige inzage van het H. S. hebben
+kunnen nemen, zijn getroffen door de beschaafdheid van de taal en de
+overeenkomst met het tegenwoordige Friesch en Hollandsch. Hierin meenen
+zij een grond te zien voor twijfel aan de oudheid van het
+geschrift.</p>
+
+<p>Maar ik vraag: is dan de taal van Homerus veel minder beschaafd dan
+die van Plato of Demosthenes? en leeft niet het grootste deel van den
+Homerischen woordenschat nog voort in het Grieksch van onze dagen?</p>
+
+<p>Het is waar, eene taal beweegt zich altijd, en is steeds aan kleine
+veranderingen onderhevig, waardoor men verschil vindt bij dezelfde taal
+in onderscheidene tijdperken. Deze wisseling van de taal geeft juist in
+dit H. S. stof tot belangrijke opmerkingen voor den taalbeoefenaar.
+Want niet alleen, dat van de acht schrijfsters en schrijvers, die
+achtereenvolgende aan dit boek gewerkt hebben, ieder zich kenmerkt door
+kleine eigenaardigheden in stijl, taal en spelling; maar vooral
+tusschen de beide afdeelingen van het boek, waar tusschen een
+tijdverloop van meer dan twee eeuwen ligt, is een in het oog vallend
+verschil aanwezig, dat aantoont, welk een langzaam voortgaande
+wijziging de taal in dat bestek ondervonden heeft.</p>
+
+<p>Als slotsom van deze beschouwingen kom ik tot het besluit, dat ik
+geene reden vinden kan, om aan de echtheid van dit geschrift te
+twijfelen. Verdichting kan het niet zijn. In de eerste plaats het
+afschrift van 1256 kan het niet zijn. Wie had in dien tijd zoo iets
+kunnen verdichten? Zeker niemand, en vroeger nog veel minder. In
+lateren tijd is eene verdichting evenzeer onmogelijk, om de eenvoudige
+reden, dat niemand meer die taal machtig was. Buiten de namen van Rask,
+Richthofen en Hettema, is er geen te noemen, die <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e712" href="#xd0e712">XXXVII</a>]</span>als taalkundige in
+dit vak bekend is geweest, of de taal zoo bestudeerd heeft, dat hij
+daar in schrijven kon. En al kon iemand zulks, dan stond hem nog geen
+ruimer woordenschat ten dienste, dan de beperkte voorraad, dien de O.
+F. Wetten aanboden. Daarom is in de laatstverloopen eeuwen de
+vervaardiging van dit geschrift eene onmogelijkheid geweest. Wie dit in
+twijfel wil trekken, beginne met aan te toonen, waar, wanneer, door
+wien en waartoe zulk eene vervalsching had kunnen gepleegd worden, en
+wijze uit lateren tijd de weergade aan van dit papier, dit schrift en
+deze taal.</p>
+
+<p>Dat het H. S. van 1256 bovendien geen <span class="corr" id=
+"xd0e716" title="Bron: orgineel">origineel</span>, maar eene kopie is,
+bewijzen zoowel gedurige schrijffouten, als enkele ophelderingen van
+woorden, die in des afschrijvers tijd reeds verouderd en weinig meer
+bekend waren; b. v. bl. 82 (114) to th&ecirc;ra <i>fl&ecirc;te</i>
+jeftha <i>bedrum</i>; op bl. 151 (204) <i>bargum</i> jefta <i>
+tonnum</i> fon tha besta bjar.</p>
+
+<p>Nog sterker bewijs is, dat tusschen bladzijde 157 en 158 een of meer
+bladen ontbroken hebben, die uit dit H. S. niet hebben kunnen verloren
+gaan, omdat bl. 167 en 168 (212&ndash;214) de paginas recta en versa
+zijn van hetzelfde blad.</p>
+
+<p>Bl. 157 eindigt: Drie maanden daarna zond Adel boden naar alle
+vrienden, die hij gewonnen had, en liet hen bidden, dat zij in de
+Minnemaand verstandige lieden tot hem zouden zenden.</p>
+
+<p>Keert men nu het blad om, dan begint de keerzijde: zijne vrouw,
+zeide hij, die maagd geweest was te Texland, had daarvan een afschrift
+gekregen.</p>
+
+<p>Daar tusschen is geen zamenhang. Voor het minst ontbreekt er: de
+komst dier genoodigden, en het verhaal van hetgene bij die zamenkomst
+is voorgevallen. De afschrijver moet dus in het door hem gevolgde
+exemplaar twee bladen in plaats van een hebben omgeslagen. Er bestond
+dus een vroeger exemplaar, en wel dat in den jare 803 door Liko oera
+Linda was geschreven. <span class="pagenum">[<a id="xd0e739" href=
+"#xd0e739">XXXVIII</a>]</span></p>
+
+<p>Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift, waarvan het eerste
+gedeelte is opgesteld in de zesde eeuw voor onze jaartelling, het
+oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europesche
+letterkunde ontmoeten. En daar vinden wij in ons vaderland eene
+eeuwenoude bevolking, in &rsquo;t bezit van eene ontwikkeling,
+beschaving, nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere
+verhevene Godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden
+hebben gehad. In onze voorstelling reikten de geschiedkundige
+herinneringen van ons volk niet hooger, dan tot de komst van Friso, den
+vermeenden stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die
+herinneringen opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor Christus,
+en in hoogen ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Isra&euml;l
+evenaren.</p>
+
+<div class="div2" id="xd0e744">
+<h3 class="normal">Bijlage tot Pag. XX.</h3>
+
+<p>Vergelijkende Taalproeve van de oud Friesche Wetten en de taal van
+het Handschrift.</p>
+
+<div class="table">
+<table>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">
+<div class="blockquote" lang="fy">
+<p>Dyo forme need is: hweerso en kynd jongh is finsen ende fitered
+noerd wr hef, jefta (sud) wr birgh. Soe moet die moder her kindes eerwe
+setta ende sella ende her kynd lesa ende des lives bihelpa.</p>
+
+<p>Dioe oder need is: jef da jere diore wirdat, ende di heta honger wr
+dat land faert, ende dat kynd honger stere wil, so moet dio moder her
+kindes eerwe setta ende sella ende capia her bern ky ende ey ende coern
+deerma da kinde des lives mede helpe.</p>
+
+<p>Dyo tredde need is: Als dat kind is al stocnaken, jefta huus laes,
+ende dan di tiuestera nevil ende calde winter oen comt sa faert
+allermanick oen syn hof ende oen sin huis ende an waranne gaten, ende
+da wiilda dier seket diin holla baem ende der birgha hlii, aldeer hit
+siin liif oen bihalda mey. Soe weinet ende scryt dat onieriga kind ende
+wyst dan syn nakena lyae ende syn huuslaes, ende syn fader deer him
+reda schuld, to ienst dyn honger ende winter nevil cald, dat hi so
+diepe ende dimme mitta fiower neylen is onder eke ende onder da eerda
+bisloten ende bitacht, so moet dio moder her kindes eerwe setta ende
+sella omdat hio da bahield habbe ende biwaer also lang so hit onierich
+is, dat hit oen forste ner oen honger naet forfare.</p>
+
+<p lang="nl">Anjumer druk e.i.i..</p>
+
+<p>(1466.)</p>
+</div>
+</td>
+<td valign="top">
+<div class="blockquote" lang="fy">
+<p>Thju forma n&ecirc;d is: S&acirc;hwersa en b&aring;rn jvng is fensen
+&aring;nd f&ecirc;terad northward vr-et hef jeftha s&ucirc;dward vr tha
+berga, sa &acirc;ch thju m&aring;m hjara b&aring;rns erva to settande
+&aring;nd to seljande &aring;nde hjra b&aring;rn to l&ecirc;sane
+&aring;nd thes lives to bihelpane.</p>
+
+<p>Thju &ocirc;thera n&ecirc;d is: jef tha j&ecirc;ra djura
+w&aring;rthat &aring;nd thi h&ecirc;te hvnger wr thet l&acirc;nd
+f&acirc;rth &aring;nd th&aring;t b&aring;rn sterva wil, sa mot thju
+m&aring;m hjara b&aring;rns erva setta &aring;nd selja &aring;nd
+k&acirc;pja hiri b&aring;rne ky &aring;nd sk&ecirc;p &aring;nd
+k&ecirc;ren th&ecirc;r mitha m&aring;n thet b&aring;rn thes lives
+bihelpe.</p>
+
+<p>Thju tredde n&ecirc;d is: s&acirc;hwersa th&aring;t b&aring;rn is
+stokn&acirc;ked jefta h&ucirc;sl&acirc;s &aring;nd then thi tjustera
+n&ecirc;vil &aring;nd kalda winter ankvmth, sa f&acirc;rth allera
+m&aring;nnalik an sin hof &aring;nd an sin hus &aring;nd an
+w&acirc;rande g&acirc;ta, &aring;nd thet wilde kwik sykath thene hola
+b&acirc;m &aring;nd th&ecirc;re berga hly th&ecirc;r-it sin lif an
+bihalda m&ecirc;i, sa w&ecirc;nath &aring;nd krytath th&aring;t
+vnj&ecirc;rich b&aring;rn &aring;nd wyst then sin n&acirc;keda litha
+&aring;nd siu h&ucirc;sl&acirc;s-s&acirc; &aring;nd sin t&acirc;t
+th&ecirc;r him hr&ecirc;da skolde tojenst tha hvnger &aring;nd tha
+kalda winter n&ecirc;vil, that hi sa djap &aring;nd dimme mith fjuwer
+n&ecirc;ilum vndera &ecirc;ke &aring;nd vnder tha irtha bisletten
+&aring;nd bidobben is, sa mot thju m&aring;m hjara b&aring;rns erva
+setta and selja vmbe that hju tha bihield h&aring;ve &aring;nd tha
+w&acirc;ringa al sa long sa hit vnj&ecirc;rich sy, til thju-t hor an
+forst ner an hvnger navt vmkvma ne m&ecirc;i.</p>
+
+<p>Vertaald door J. G. O.</p>
+</div>
+</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e403src" id="xd0e403">1</a></span> Als verslag voorgelezen in eene
+vergadering van het Friesch Genootschap Februarij 1871 en bij deze
+uitgave onveranderd gelaten.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e444src" id="xd0e444">2</a></span> Verg. G. Meerman, <span lang=
+"la">Admonitio de Chartae nostratis origine</span>. Vad. Letteroef.
+1762. bl. 630.</p>
+
+<p class="footnote">Mr. J. H. de Stoppelaar, Het papier in de
+Nederlanden, Middelburg, 1869. bl. 4.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e655src" id="xd0e655">3</a></span> Min-erva werd Nyhellenia
+genoemd, omdat hare raadgevingen <i>ny</i> en <i>hel</i>, nieuw en
+helder waren. Desgelijks heet het in Pauli Epitome van S. Pomponius
+Festus de verborum Significatione, Min-erva dicta quod <i>bene
+moneat</i>.</p>
+
+<p class="footnote">Zie Preller, Rom. Myth. p. 258.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e778" href="#xd0e778">1</a>]</span>
+<div class="body">
+<div class="div0" id="xd0e780">
+<h2 class="normal">Adela.</h2>
+
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e783" href="#xd0e783">3</a>]</span>
+<div id="xd0e784" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Okke mijn zoon.</h2>
+
+<p>Deze boeken moet gij met lijf en ziel bewaren, zij bevatten de
+geschiedenis van ons geheele volk, en ook van onze voorvaderen.
+Verleden jaar heb ik die uit den vloed gered tegelijk met u en met uwe
+moeder. Doch zij waren nat geworden, daardoor gingen zij naderhand
+bederven. Om ze niet te verliezen, heb ik ze op overlandsch papier
+overgeschreven. Bijaldien gij ze erft, moet gij ze ook overschrijven.
+Uwe kinderen desgelijks, opdat zij nimmer verloren gaan. Geschreven te
+Liuwert, nadat Atland verzonken is, het drie duizend vier honderd negen
+en veertigste jaar, dat is naar de Christen-rekening het twaalf honderd
+zes en vijftigste jaar, Hiddo bijgenaamd Over de Linde. Waak.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Lieve erfgenamen, om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve
+vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de oogen van een
+monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete
+woorden, maar zij tornen ongemerkt, aan alles wat ons Fries betreft. Om
+rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze
+weten dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden
+toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten
+zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig
+is van onze oude zeden. Och lieve, ik ben bij hen aan het hof geweest;
+wil Wralda het gehengen, en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij
+ons altegader verdelgen. Geschreven te Liudwert, acht honderd en drie
+jaar, na de Christen meening. Liko bijgenaamd Over de Linde. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e793" href="#xd0e793">5</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e795" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het boek van Adela&rsquo;s aanhangers.</h2>
+
+<p>Dertig jaren na den dag, waarop de volksmoeder omgebracht was, door
+den overste Magy, stond het er erg aan toe. Alle Staten, die er liggen
+aan de andere zijde der Weser, waren van ons afgescheurd en onder het
+geweld des Magy gekomen; en het stond te vreezen, dat hij geweldig
+zoude worden over het geheele land. Om dat ongeluk te weeren, had men
+eene algemeene volksvergadering belegd, alwaar vergaderd waren alle
+manspersonen, die in een goeden roep stonden bij de maagden
+(priesteressen). Doch nadat er meer verloopen waren dan drie etmalen,
+was de geheele Go-raad in de war, en alles even als bij hunne komst.
+Toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak: Gij allen weet, dat
+ik drie jaren burgtmaagd geweest ben; ook weet gij, dat ik gekozen ben
+tot volksmoeder en dat ik niet volksmoeder wezen wilde, omdat ik Apol
+tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet, dat is, dat ik
+alle gebeurtenissen nagegaan heb, evenals of ik een wezenlijke
+volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weder gereisd,
+toeziende wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veele zaken openbaar
+geworden, die anderen niet weten. Gij hebt gisteren gezegd, dat onze
+stamverwanten aan de andere zijde der Wezer tam en laf waren; doch ik
+mag tot u zeggen, dat de Magy hun niet &eacute;&eacute;n dorp
+afgewonnen heeft door het geweld zijner wapenen, maar bloot door
+arglistige ranken en nog meer door de hebzucht der hertogen en
+edelingen. Frya heeft gezegd: wij moesten geene onvrije lieden bij ons
+toelaten; doch wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden
+nagevolgd; want in plaats van hunne gevangenen te dooden of vrij te
+laten, hebben zij Fryas raad veracht en hen tot hunne slaven gemaakt.
+Omdat zij zulks deden, had Frya geene lust meer langer over hen te
+waken; zij hebben eens anders vrijheid benomen, en dat is oorzaak, dat
+zij hunne <span class="pagenum">[<a id="xd0e803" href=
+"#xd0e803">7</a>]</span>eigene verloren hebben. Doch dat alles is u
+zelven ook bekend; maar ik wil tot u zeggen, hoe zij allengs zoo laag
+verzeild zijn. De vrouwen der Finnen kregen kinderen; deze groeiden op
+met onze vrije kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij te zamen op
+het hiem, of zij waren met elkander bij den haard. Daar hoorden zij met
+welgevallen naar de losbandige sagen der Finnen, omdat die slecht en
+nieuw waren. Zoo zijn zij ontfriesd ondanks de macht hunner ouders.
+Toen de kinderen groot werden en zagen dat de kinderen der Finnen geene
+wapenen mochten hanteeren en slechts moesten werken, kregen zij van het
+werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De meesters en hunne
+kloekste zoonen kropen bij de wulpsche meisjes der Finnen; en hunne
+eigene dochteren, door het slechte voorbeeld van den weg gebracht,
+lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, ten spot van
+hare verdorvene ouders. Toen de Magy dat in de neus kreeg, toen nam hij
+de schoonste zijner Finnen en Magyaren, en beloofde hun roode koeijen
+met gouden hoornen, zoo zij zich door ons volk lieten gevangen nemen,
+ten einde zijne leer te verbreiden. Maar zijne lieden deden meer;
+kinderen werden te zoek gemaakt, naar de bovenlanden weggevoerd, en
+nadat zij opgevoed waren in zijne verderfelijke leer, dan werden zij
+terug gezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren, klampten
+zij de Hertogen en Edelingen aan boord en zeiden, dat zij den Magy
+onderhoorig moesten worden, dan konden hunne zoonen hen opvolgen zonder
+door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om hunne goede daden een
+v&oacute;&oacute;rdeel tot hun huis gekregen hadden, beloofden zij van
+zijnentwege ook nog een achterdeel er bij; zulken die een voor- en
+achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe; en die een
+ronddeel hadden eene geheele State. Waren de ouders te hard
+Fryasgezind, dan wenden zij den boeg en hielden aan op hunne
+verbasterde zoonen. Gisteren waren er onder u, die al het volk te hoop
+roepen wilden <span class="pagenum">[<a id="xd0e805" href=
+"#xd0e805">9</a>]</span>om de oostelijke Staten weder tot hare plicht
+te dwingen. Doch naar mijne eenvoudige meening zou dat verkeerd
+uitkomen. Denk eens, daar was er eene hevige longziekte onder het vee,
+en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen om uw
+gezonde vee te voeren onder hun ziek vee? Immers neen. Bijaldien nu
+iedereen beamen en toestemmen moet, dat het dan met de (vee)stapel erg
+afloopen zoude; wie zoude dan zoo onvoorzichtig wezen om zijne kinderen
+te wagen onder een volk, dat geheel en al verdorven is?</p>
+
+<p>Mocht ik u een raad geven, ik zoude tot u zeggen, gij moest voor
+alle dingen eene nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel dat gij
+daarmede aan den grond zit, uithoofde dat er van de dertien
+burgtmaagden, die wij nog overig hebben, wel acht zijn, die naar die
+eere dingen, maar daar zoude ik geen acht op slaan. Teuntia, die maagd
+is op de burgt <span class="corr" id="xd0e809" title="Bron: Medeablik">
+Medeasblik</span>, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand
+van wetenschap en helder inzicht en wel zoo sterk op haar volk en onze
+gewoonten gesteld, als alle andere te zamen. Voorts zoude ik aanraden,
+gij moest naar de burgten gaan en daar opschrijven alle wetten van
+Fryas tex, benevens alle geschiedenissen, ja alles wat er te vinden is
+op de wanden, opdat die alle niet verloren gaan, en met de burgten
+tevens niet worde vernield. Daar staat geschreven: De moeder en elke
+burgtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden, eenentwintig maagden
+en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bijvoegen, dan zoude ik
+schrijven, en alzoo veele eerzame dochteren om te leeren, als daar op
+de burgten wezen mogen. Want ik zeg in trouwe en de tijd zal het
+bevestigen, bijaldien gij echte Fryas kinderen wilt zijn, nimmer te
+overwinnen noch door list noch door wapenen, zoo behoort gij er voor te
+waken, dat uwe dochters echte Fryas vrouwen worden. Den kinderen moet
+men leeren, hoe groot ons land weleer geweest is, hoe groote mannen
+onze voorvaderen waren, hoe groot wij nog zijn, zoo wij ons neder
+liggen <span class="pagenum">[<a id="xd0e812" href=
+"#xd0e812">11</a>]</span>(vergelijken) bij anderen: men moet hun
+vertellen van de zeehelden en van hunne heldhaftige daden, ook over de
+verre zeetochten. Alle deze verhalen behooren gedaan te worden bij den
+haard, op het hiem, en waar het wezen moge, zoo in blijdschap, als bij
+tranen. Maar zal het standhoudend komen in het brein en in het hart,
+dan moeten alle leeringen over de lippen uwer vrouwen en dochteren
+daarin vloeijen. Adelas raad is opgevolgd.</p>
+
+<p>Deze zijn de grevetmannen onder wier bestuur dit boek is
+vervaardigd.</p>
+
+<p>Apol, Adelas man, driewerf is hij zeekoning geweest, nu is hij
+grevetman over Oostflyland en over de Lindeoorden, de burgten
+Liudgarda, Lindahem en Stavia zijn onder zijne hoede.</p>
+
+<p>De Saxman Storo, Sytias man, grevetman over de Hoogefennen en
+Wouden, negenwerf is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen; de
+burgten Buda en Manna-garda-forda zijn onder zijne hoede.</p>
+
+<p>Abelo, Jaltias man, grevetman over de Zuiderflylanden, driewerf is
+hij heerman geweest, de burgten Aken, Liudburg en Katsburg zijn onder
+zijne hoede.</p>
+
+<p>Enoch, Dywekes man, grevetman over Westflyland en Texel, negenmaal
+is hij tot zeekoning gekozen, Waraburg, Medeasblik, Forana en Fryasburg
+zijn onder zijne hoede.</p>
+
+<p>Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, vijf
+maal is hij zeekoning geweest, de burgt Walhallagara is onder zijne
+hoede.</p>
+
+<p>Dit stond op de wanden der Fryasburg te Texland geschreven, dat
+staat ook te Stavia, ook te Medeasblik.</p>
+
+<p>Het was Fryasdag en te dier tijd was het zeven maal zeven jaren
+geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder, naar Fryas begeerte.
+De burgt Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen. Nu zoude
+Festa hare nieuwe lamp opsteken, en toen dat gedaan was in
+tegenwoordigheid <span class="pagenum">[<a id="xd0e830" href=
+"#xd0e830">13</a>]</span>van het volk, toen riep Frya van hare
+waakstar, zoodat iedereen het hooren konde: Festa neem uwe stift en
+schrijf de dingen, die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzoo als haar
+geboden was. Zoo zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis
+gekomen.</p>
+
+<p>Dit is onze vroegste geschiedenis.</p>
+
+<p>Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte den aanvang, alsdan kwam
+de tijd, de tijd wrochte alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde
+alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het booze
+gedierte. Alles wat goed en liefelijk is, bragt zij bij dag voort, en
+alles wat boos en kwaad is, bragt zij bij nacht voort. Na het twaalfde
+Juulfeest bragt zij voort drie maagden:</p>
+
+<p>Lyda uit gloeijende stof,</p>
+
+<p>Finda uit heete stof, en</p>
+
+<p>Frya uit warme stof.</p>
+
+<p>Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem,
+opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen
+waren, kregen zij vermaak en genoegen in de droomen van Wralda. Haat
+trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf
+dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle menschen
+gekomen.</p>
+
+<p>Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren
+fonkelden hare oogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig
+bij de hare.</p>
+
+<p>Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen hooren, en wanneer er
+visschen in het water waren, ontging dat hare neusgaten niet.</p>
+
+<p>Snelgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij
+liep brak geen bloemstengel onder hare voet.</p>
+
+<p>Geweldige Lyda. Hard was hare stem, en schreeuwde zij uit
+verbittering, dan liep ieder schielijk weg. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e852" href="#xd0e852">15</a>]</span></p>
+
+<p>Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; hare daden werden
+door hare driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de
+sterken, en wanneer zij dat gedaan had, weende zij bij het lijk.</p>
+
+<p>Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste
+stierf zij van hartseer over de boosheid harer kinderen.</p>
+
+<p>Onverstandige Kinderen. Zij betichteden elkander van hunne moeders
+dood, zij huilden als wolven en vochten evenzoo, en terwijl zij zoo
+deden, vraten de vogels aan het lijk. Wie mag daarbij zijne tranen
+weerhouden.</p>
+
+<p>Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard; een boom
+kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij wel
+tien.</p>
+
+<p>Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen
+gelijk zij, hare oogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een
+slaaf.</p>
+
+<p>Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er
+niet eene van op. Zij verfoeide de goeden wegens hunne vrijmoedigheid,
+maar aan flikflooisters gaf zij bijna haar zelve weg. Dat was haar
+ongeluk. Haar hoofd was te vol, doch haar hart te ijdel. Zij beminde
+niemand dan haar zelve, en zij wilde dat elk haar lief zoude
+hebben.</p>
+
+<p>Valsche Finda. Honingzoet waren hare woorden; doch wie haar
+vertrouwde, dien was ongeluk nabij.</p>
+
+<p>Zelfzuchtige Finda, Over allen wilde zij heerschen, en hare zoonen
+waren gelijk zij. Zij lieten zich bedienen van hunne zusteren, en
+elkander sloegen zij om het meesterschap dood.</p>
+
+<p>Dubbelhartige Finda. Om een schuins woord werd zij gram, en de
+ergste daden roerden haar niet. Zag zij een hagedis eene spin
+verslinden, dan werd zij om het hart als ijs; maar zag zij hare
+kinderen een Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e871" href="#xd0e871">17</a>]</span></p>
+
+<p>Ongelukkige Finda. Zij stierf in den bloeitijd van haar leven, en
+het is nog duister hoe zij gevallen is.</p>
+
+<p>Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij
+haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op, luid
+weenende om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet een
+eenige traan.</p>
+
+<p>Verfoeijelijk volk. De tex (inzetting), die Finda naliet, was op
+gouden bladen geschreven, doch de besten, waarvoor zij gemaakt was, was
+zij nimmer tot nut; de goede wetten werden uitgewischt en zelfzucht
+schreef daar slechte voor in de plaats. O Finda, toen werd de aarde vol
+bloed, en de hoofden der menschen maaiden uwe kinderen af gelijk
+grashalmen. Ja Finda, dat zijn de vruchten van uwe ijdelheid, zie neer
+van uwe waakstar en ween.</p>
+
+<p>Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw
+harer oogen won het de regenboog af.</p>
+
+<p>Schoone Frya. Als stralen der middagzon schitterden hare haarlokken,
+die zoo fijn waren als spinrag.</p>
+
+<p>Bekwame Frya. Ontsloten zich hare lippen, dan zwegen de vogelen en
+geen bladeren bewogen zich meer.</p>
+
+<p>Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor
+hare voeten neder, en hield de adder zijn gift terug.</p>
+
+<p>Reine Frya. Hare spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in
+de boesem der bloemen.</p>
+
+<p>Verstandige Frya. Het eerste wat zij hare kinderen leerde was
+zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij
+volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. Want,
+zeide zij, zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om u
+tot slaven te maken, uwe afkomst tot eene eeuwige schande.</p>
+
+<p>Milde Frya. Nimmer liet zij metaal uit de aarde delven om eigen
+voordeel, maar wanneer zij het deed, was het tot nut van iedereen.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e892" href=
+"#xd0e892">19</a>]</span></p>
+
+<p>Gelukkigste Frya. Gelijk de sterren de aarde omzwermen, zoo zwermden
+hare kinderen om haar.</p>
+
+<p>Wijze Frya. Toen zij hare kinderen had opgevoed tot in het zevende
+lid, toen riep zij ze alle naar Flyland te zamen. Daar gaf zij hun hare
+tex, en zeide laat die uw wegwijzer wezen, dan zal het u nimmer kwalijk
+gaan.</p>
+
+<p>Uitverkoren Frya. Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als
+Wraldas zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten neder, de
+lucht werd zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar
+hunne moeder omzagen, was zij al lang opgerezen tot hare waakstar. Toen
+ten laatste sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het
+luchtruim: waak!</p>
+
+<p>Verziende Frya. Het land van waar zij was opgevaren, was nu een
+stroom, en behalve hare tex was daarin alles bedolven, wat van hare
+handen gekomen was.</p>
+
+<p>Gehoorzame kinderen. Toen zij tot hun zelven kwamen, toen maakten
+zij dit hooge terp, bouwden deze burgt daarop, aan diens wanden
+schreven zij de tex, en omdat iedereen die zoude mogen vinden, hebben
+zij het land daarom heen Texland geheeten. Daarom zal het blijven
+bestaan, zoo lang de aarde aarde is.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e903" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Fryas Tex.</h2>
+
+<p>Heil verbeidt de vrijen. Ten laatste zullen zij mij weder zien. Doch
+hem alleen mag ik als vrij erkennen die geen slaaf is van een ander
+noch van zijne driften. Hier is mijn raad.</p>
+
+<p>1. Zoo wanneer de nood erg is, en goede raad en goede daad niets
+meer vermogen, roep dan den geest van Wralda aan; maar gij moet hem
+niet aanroepen, bevorens alle dingen beproefd zijn. Doch ik zeg u met
+redenen, en de tijd zal het waar maken: De moedeloozen zullen immer
+bezwijken onder hun eigen leed. <span class="pagenum">[<a id="xd0e910"
+href="#xd0e910">21</a>]</span></p>
+
+<p>2. Wraldas geest mag men alleen kniebuigende dank toewijden, ja
+driewerf, voor hetgene gij van hem genoten hebt, voor hetgene gij
+geniet en voor de hoop, die hij u laat in angstige tijden.</p>
+
+<p>3. Gij hebt gezien, hoe spoedig ik hulp verleende. Doe al eender met
+uwen naaste; maar en toef niet tot dat men u gebeden heeft; de lijdende
+zoude u vloeken, mijne maagden zouden uwen naam uitwisschen uit het
+boek en ik zoude u als een onbekende moeten afwijzen.</p>
+
+<p>4. Neem nimmer kniebuigende van uwen naaste dank aan, deze behoort
+aan Wraldas geest. De nijd zoude u bekruipen; de wijsheid zoude u
+belagchen; mijne maagden zouden u betigten van vaderroof.</p>
+
+<p>5. Vier dingen zijn tot uw genot gegeven, met name lucht, water,
+land en vuur; maar Wralda wil alleen daarvan bezitter wezen. Daarom
+raad ik u, gij zult u rechtvaardige mannen kiezen, die den arbeid en de
+vruchten naar recht verdeelen, zoodat niemand vrij van werken noch van
+verdedigen zij.</p>
+
+<p>6. Zoo wanneer daar iemand onder u gevonden wordt, die zijne eigene
+vrijheid verkoopt, die is niet van uw volk, hij is een bastaard met
+verbasterd bloed. Ik raad u, dat gij hem en zijne moeder uit het land
+drijft. Zeg dat tot uwe kinderen des morgens en des middags en des
+avonds, tot dat zij daar van droomen des nachts.</p>
+
+<p>7. Een iegelijk die een ander van zijne vrijheid berooft, al ware de
+ander hem schuldig, dien moet ik aan den leiband eener slavin laten
+voeren. Doch ik raad u om zijn lijk en dat zijner moeder op eene kale
+plaats te verbranden en daarna hunne asch vijftig voet onder den grond
+te begraven, opdat daar geen grashalm op groeijen moge, want zoodanig
+gras zoude uw kostelijkste vee dooden.</p>
+
+<p>8. Tast nooit aan het volk van Lyda, noch van Finda, omdat Wralda
+zoude hen helpen; zoodat al het geweld, dat van u uitging, op uw eigen
+hoofd zoude terugkeeren. <span class="pagenum">[<a id="xd0e925" href=
+"#xd0e925">23</a>]</span></p>
+
+<p>9. Zoo wanneer het mocht gebeuren, dat zij van u raadgeving of iets
+anders begeerden, zoo behoort gij hen te helpen. Maar komen zij om te
+rooven, val dan op hen neder als het bliksemende vuur.</p>
+
+<p>10. Zoo wanneer een van hun eene uwer dochteren tot vrouw begeert,
+en zij dat wil, dan zult gij haar hare dwaasheid beduiden, doch wil zij
+toch haren vrijer volgen, dat zij dan met vrede ga.</p>
+
+<p>11. Wil uw zoon eene van hunne dochteren, dan moet gij even zoo doen
+als met uwe dochter. Maar noch de een, noch de ander mag terugkeeren,
+want zij zouden uitheemsche zeden en gewoonten medevoeren, en zoodra
+deze bij u gehuldigd worden, mag ik niet langer over u waken.</p>
+
+<p>12. Op mijne dienares Fasta heb ik al mijne hoop gevestigd. Daarom
+moet gij haar tot uwe Eeremoeder nemen. Volgt gij mijn raad, dan zal
+zij namaals mijne dienares blijven en alle vrome maagden die haar
+volgen. Dan zal de lamp nimmer uitgaan, die ik voor u opgestoken heb.
+Het licht daarvan zal dan eeuwig uw brein verlichten, en gij zult dan
+even vrij blijven van onvrij geweld, als uwe zoete rivierwateren van
+het zoute water der eindelooze zee.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e934" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit heeft Fasta gezegd.</h2>
+
+<p>Alle inzettingen die eene eeuw, dat is honderd jaren, mogen omloopen
+met den Kroder (kruijer) en zijn Juul, die mogen op raad der Eeremoeder
+en bij gemeene wil op de wanden der burgten gegrift worden; zijn zij op
+de wanden geschreven, dan zijn zij wetten (ewa), en het is onze plicht
+om die alle in eere te houden. Komt nood en dwang ons inzettingen te
+geven, strijdende met onze wetten en gewoonten, zoo moet de mensch doen
+gelijk zij eischen; doch zijn zij geweken, dan moet men immer tot het
+oude terugkeeren. Dat is Fryas wil en dat moet wezen die van alle hare
+kinderen. <span class="pagenum">[<a id="xd0e939" href=
+"#xd0e939">25</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e941" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Fasta zeide</h2>
+
+<p>Alle dingen die men aanvangen wil, hoedanig zij mogen wezen, op den
+dag, waarop wij Frya gehuldigd hebben, zullen eeuwig falikant uitkomen.
+Nadat de tijd nu bewezen heeft, dat zij recht had, zoo is dat eene wet
+geworden, dat men zonder nood en dwang op Frya haren dag niets anders
+doen mag dan blijde feesten vieren.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e946" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit zijn de wetten die tot de burgten betrekking
+hebben.</h2>
+
+<p>1. Zoo wanneer ergens eene burgt gebouwd is, dan moet de lamp aldaar
+aan de eerste lamp te Texland aangestoken worden, doch dat mag nimmer
+anders dan door de Moeder geschieden.</p>
+
+<p>2. Elke moeder zal hare eigene maagden kiezen. Eveneens die welke op
+andere burgen moeder zijn.</p>
+
+<p>3. De Moeder te Texland mag hare opvolgster kiezen, doch bijaldien
+zij sterft voor dat zij het gedaan heeft, dan moet die gekozen worden
+op eene algemeene vergadering bij raad van alle staten te zamen.</p>
+
+<p>4. De Moeder op Texland mag eenentwintig maagden hebben en zeven
+spinmeisjes, opdat er altijd zeven bij de lamp mogen waken des daags en
+des nachts. Bij de maagden die op de andere burgten als moeder dienen,
+even zoo vele.</p>
+
+<p>5. Bijaldien eene maagd aan iemand huwen wil, zoo moet zij dat aan
+de moeder berichten, en op staande voet tot de menschen terugkeeren,
+eer zij met haar tochtige adem het licht verontreinigt.</p>
+
+<p>6. Aan de Moeder en aan iedere burgtmaagd zal men toevoegen
+eenentwintig burgtheeren, zeven bejaarde wijzen, zeven bejaarde
+krijgslieden en zeven oude zeestrijders. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e961" href="#xd0e961">27</a>]</span></p>
+
+<p>7. Daarvan zullen alle jaren naar huis keeren drie van elk zevental,
+maar zij mogen niet opgevolgd worden door hunne nabestaanden, nader dan
+het vierde lid.</p>
+
+<p>8. Ieder mag drie honderd jonge burgtverdedigers hebben.</p>
+
+<p>9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van
+de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den
+oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren
+noodig zijn.</p>
+
+<p>10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren;
+doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten
+blijven hun geheele leven lang.</p>
+
+<p>11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene
+stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel
+het volk alleen.</p>
+
+<p>12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden,
+met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd
+drie boden met zeven paarden.</p>
+
+<p>15. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het
+volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet
+geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders
+zijn.</p>
+
+<p>14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren
+zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld
+ontvangt.</p>
+
+<p>15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet,
+dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem
+hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen.</p>
+
+<p>16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene
+burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt hem
+bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is naar
+den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade tochten.
+Is hij goedgekeurd, <span class="pagenum">[<a id="xd0e982" href=
+"#xd0e982">29</a>]</span>dan ontdoet hij zich van zijne wapenen en
+zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder.</p>
+
+<p>17. Is de zaak over &eacute;&eacute;ne state, dan mogen er niet
+minder dan drie boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan
+moeten er nog driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen
+kwaad vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde.</p>
+
+<p>18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare
+kinderen, dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan,
+dat is de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om
+haar daar in te helpen.</p>
+
+<p>19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om
+uitspraak te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij
+de zaak twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken,
+opdat er vrede kome, en omdat het beter is dat aan &eacute;&eacute;n
+man onrecht gedaan wordt dan aan velen.</p>
+
+<p>20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op
+het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad, dan
+mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad, dan
+mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen raad
+beter is dan een verkeerde raad.</p>
+
+<p>21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan
+moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en
+bloot.</p>
+
+<p>22. Zijn hare burgtheeren medeplichtig, dan doet men even zoo met
+hen.</p>
+
+<p>23. Is hare schuld twijfelachtig of bloot vermoeden, dan moet men
+hier over beraadslagen en spreken, zoo het noodig is, eenentwintig
+weken lang. Stemt het half deel schuldig, zoo houde men haar voor
+onschuldig. Twee derde, zoo wacht men nog een vol jaar. Stemt men dan
+ook nog zoo, dan mag men haar voor schuldig houden, maar niet dooden.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e998" href=
+"#xd0e998">31</a>]</span></p>
+
+<p>24. Bijaldien er onder het derde deel sommigen zijn, die haar voor
+zoo onschuldig houden, dat zij haar willen volgen, zoo mogen zij dat
+doen met al hunne drijvende en tilbare have en niemand behoort hen
+daarom te minachten, aangezien de meerderheid even goed kan dwalen als
+de minderheid.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1001" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Algemeene wet.</h2>
+
+<p>1. Alle vrijgeborenen zijn op gelijke wijze geboren. Daarom moeten
+zij ook gelijke rechten hebben, even goed op het land als op het ee,
+dat is water, en op alles dat Wralda geeft.</p>
+
+<p>2. Elk manspersoon mag de vrouw zijner keuze vrijen, en elke dochter
+mag haren heildrank aanbieden aan hem, dien zij bemint.</p>
+
+<p>3. Heeft iemand eene vrouw genomen, dan geeft men hem huis en werf.
+Is er geen, dan moet het gebouwd worden.</p>
+
+<p>4. Is hij naar een ander dorp gegaan, om eene vrouw en wil hij daar
+blijven, dan moet men hem aldaar een huis en werf geven, benevens het
+genot van de hemrik.</p>
+
+<p>5. Aan ieder manspersoon moet men een achterdeel als werf bij zijn
+huis geven: want niemand mag een voordeel bij zijn huis hebben, veel
+min een ronddeel. Alleen wanneer iemand eene daad verricht heeft tot
+gemeenen nutte, dan mag hem dat gegeven worden. Ook mag zijn jongste
+zoon dat erven. Na dezen moet het dorp dat terugnemen.</p>
+
+<p>6. Elk dorp zal een hemrik hebben naar zijne behoefte en de graaf
+zal hoeden dat elk zijn deel bemest en goed houdt, opdat de
+nakomelingen geene schade lijden mogen.</p>
+
+<p>7. Elk dorp mag eene markt hebben ter koop en verkoop, of tot
+ruilhandel, Al het andere land zal bouw en bosch blijven. Doch de
+boomen daarin zal niemand vellen, buiten gemeene raad, en buiten weten
+van den woudgraaf. Want <span class="corr" id="xd0e1018" title="Bron:
+dewouden">de wouden</span> zijn ten gemeenen nutte, daarom mag niemand
+er meester van zijn. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1021" href=
+"#xd0e1021">33</a>]</span></p>
+
+<p>8. Als marktgeld mag het dorp niet meer nemen dan het twaalfde
+gedeelte van den koopschat, noch van de inwoners, noch van den
+verafwonenden. Ook mag de marktschatting niet eerder verkocht worden
+als het andere goed.</p>
+
+<p>9. Al het marktgeld moet jaarlijks verdeeld worden, drie dagen voor
+den Juuldag, in honderd deelen te verdeelen.</p>
+
+<p>10. De grevetman met zijne graven zal daarvan ontvangen twintig
+deelen; de marktrechter tien deelen en zijne helpers vijf deelen; de
+volksmoeder een deel; de vroedvrouw vier deelen; het dorp tien deelen;
+de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen, vijftig
+deelen.</p>
+
+<p>11. Degene die te markt komen mogen niet woekeren. Komen er sommige,
+dan is het de plicht der maagden, hen kenbaar te maken over het geheele
+land, opdat zij nimmer gekozen worden tot eenig ambt, want zulke hebben
+een gierig hart. Om rijkdom te vergaderen zouden zij alles verraden,
+het volk, de Moeder, hunne nabestaanden en ten laatsten zich
+zelven.</p>
+
+<p>12. Is er iemand zoo boos dat hij zuchtziek vee of bedorven waar
+voor heel goed verkoopt, dan moet de marktrechter hem weren en de
+maagden hem noemen over het geheele land.</p>
+
+<p>In vroegere tijden huisde Findas volk meest al te gader over hun
+moeders geboorteland, met name Aldland, dat nu in zee ligt. Zij waren
+dus ver af. Daarom hadden wij ook geen oorlog. Toen zij verdreven zijn
+en herwaarts kwamen om te rooven, toen kwam er van zelf
+landverdediging, heermannen, koningen en oorlog. Voor die alle kwamen
+inzettingen, en uit de inzettingen kwamen wetten.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1034" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hier volgen de wetten die daaruit zamengesteld
+zijn.</h2>
+
+<p>1. Elke Fries moet de beleedigers of vijanden afweren, met al zulke
+wapenen, als hij verzinnen, bekomen en hanteren mag. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1039" href="#xd0e1039">35</a>]</span></p>
+
+<p>2. Is een knaap twaalf jaar, dan moet hij de zevende dag missen van
+zijn leertijd om vaardig te worden met de wapenen.</p>
+
+<p>3. Is hij bekwaam geworden, dan geve men hem wapenen en hij wordt
+tot krijgsman geslagen.</p>
+
+<p>4. Is hij drie jaren krijgsman, dan wordt hij burgtheer en mag hij
+helpen zijn hoofdman te kiezen.</p>
+
+<p>5. Is hij zeven jaren kiezer, dan mag hij helpen een heerman of
+koning te kiezen en dan zelf ook gekozen worden.</p>
+
+<p>6. Alle jaren moet hij herkozen worden.</p>
+
+<p>7. Behalve de koning mogen alle ambtmannen wedergekozen worden, die
+recht doen en naar Fryas raad.</p>
+
+<p>8. Geen koning mag langer dan drie jaren koning blijven, opdat hij
+niet bestendig moge worden.</p>
+
+<p>9. Heeft hij zeven jaren gerust, dan mag hij weer gekozen
+worden.</p>
+
+<p>10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne
+nabestaanden ook naar die eer dingen.</p>
+
+<p>11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven,
+dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan het
+vierde lid.</p>
+
+<p>12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets
+verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te
+hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de
+liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1062" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit zijn de rechten der moeder en der koningen.</h2>
+
+<p>1. Zoo wanneer er oorlog komt, zende de Moeder hare boden naar den
+koning, de koning zende boden naar de grevetmannen om de landweer.</p>
+
+<p>2. De grevetmannen roepen alle burgtheeren te zamen en <span class=
+"corr" id="xd0e1069" title="Bron: bespreekt">bespreken</span> hoe vele
+mannen zij zullen zenden. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1072" href=
+"#xd0e1072">37</a>]</span></p>
+
+<p>3. Alle besluiten van dezen moeten dadelijk naar de Moeder gezonden
+worden, met boden en getuigen.</p>
+
+<p>4 De Moeder laat alle besluiten verzamelen en geeft het guldengetal,
+dat is het middengetal van alle besluiten te zamen. Hiermede moet men
+vooreerst vrede hebben, en de koning eveneens.</p>
+
+<p>5. Is het leger te velde, dan behoeft de koning slechts met zijne
+hoofdmannen te raadplegen, doch daarbij moeten altijd de drie
+burgtheeren der Moeder vooraan zitten zonder stem. Deze burgtheeren
+moeten dagelijks boden naar de Moeder zenden, opdat zij weten moge of
+er iets gedaan wordt, strijdende met Fryas raadgeving.</p>
+
+<p>6. Wil de koning iets doen, en zijne raden niet, zoo mag hij het
+niet onderstaan.</p>
+
+<p>7. Komt een vijand onverwacht, dan moet men doen, zooals de koning
+gebiedt.</p>
+
+<p>8. Is de koning niet op het pad, dan moet men zijn volger gehoorzaam
+wezen, of die op dezen volgt, tot den laatsten toe.</p>
+
+<p>9. Is er geen hoofdman, dan moet men een kiezen.</p>
+
+<p>10. Is daar geen tijd toe, dan werpe zich een tot hoofdman op, die
+zich sterk gevoelt.</p>
+
+<p>11. Heeft de koning een gevreesd volk afgeslagen, dan mogen zijne
+nakomelingen zijnen naam achter hun eigen naam voeren. De koning mag,
+zoo hij wil, op eene onbebouwde plaats eene plek uitkiezen tot een huis
+en erf. Dat erf mag een ronddeel zijn, zoo groot, dat hij naar alle
+zijden zeven honderd treden van zijn huis af loopen mag, eer hij aan
+zijn grensscheiding komt.</p>
+
+<p>12. Zijn jongste zoon mag dat goed erven, na hem diens jongste zoon,
+dan zal men het terug nemen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1093" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hier zijn de rechten aller Friesen om veilig te
+wezen.</h2>
+
+<p>Zoo wanneer er wetten gemaakt worden, of nieuwe inzettingen <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1098" href=
+"#xd0e1098">39</a>]</span>zamengesteld, alsdan moet het ten gemeenen
+nutte geschieden, maar nimmer ten bate van enkelde menschen, noch van
+enkelde geslachten, noch van enkelde staten, noch van iets dat enkeld
+is.</p>
+
+<p>2. Zoo wanneer er oorlog komt en daar worden huizen vernield of
+schepen, hoedanig het ook wezen mogen, hetzij door den vijand, hetzij
+bij gemeenen rade, zoo behoort de gemeene gemeente, dat is al het volk
+te zamen, dit weder te vergoeden, daarom opdat niemand de algemeene
+zaak zal helpen verliezen, om zijn eigen goed te behouden.</p>
+
+<p>3. Is de oorlog voorbij gegaan, en zijn er sommige zoodanig
+verminkt, dat zij niet langer werken kunnen, dan moet de gemeene
+gemeente hen onderhouden, bij de feesten behooren zij vooraan te
+zitten, opdat de jeugd hen zal eeren.</p>
+
+<p>4. Zijn er weduwen en weezen gekomen, dan moet men haar ook
+onderhouden, en de zonen mogen de namen hunner vaderen op hunne
+schilden schrijven tot eere van hun geslacht.</p>
+
+<p>5. Zijn er sommigen door den vijand gevangen genomen en komen zij
+terug, dan moet men hen verre van het kamp wegvoeren, want zij mochten
+vrij gelaten zijn onder kwade beloften, en dan mogen zij hunne beloften
+niet houden en toch eerlijk blijven.</p>
+
+<p>6. Indien wij zelve vijanden gevangen nemen, dan voere men die diep
+in het land weg, en leert hen onze vrije zeden.</p>
+
+<p>7. Indien men hen naderhand vrijlaat, dan laat men dat met goedheid
+door de Maagden doen, opdat wij makkers en vrienden winnen in plaats
+van haters en vijanden.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1112" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Uit Minno&rsquo;s geschriften.</h2>
+
+<p>Zoo wanneer daar een man is dermate boos, dat hij onze naburen
+berooft, doodslagen pleegt, huizen in brand steekt, maagden schendt,
+wat het ook zij dat boos is, en onze landgenooten willen dat gewroken
+hebben, dan is het recht, dat men den dader vatte en in hunne
+tegenwoordigheid <span class="pagenum">[<a id="xd0e1117" href=
+"#xd0e1117">41</a>]</span>doode, opdat daar over geen oorlog kome,
+waardoor de onschuldige zoude boeten voor den schuldige. Willen zij hem
+zijn lijf laten behouden en de wraak laten afkoopen, zoo mag men dat
+gedoogen. Is de schuldige een koning, grevetman, grevet, wie dat het
+zij, die over de zeden moet waken, zoo moeten wij het kwaad herstellen,
+maar hij moet zijne straf hebben. Voert hij een eernaam op zijn schild
+van zijne voorvaderen, dan mogen zijne nabestaanden dien naam niet
+langer voeren, daarom dat de eene bloedverwant zorgdragen zal over de
+zeden des anderen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1119" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Wetten voor de stuurlieden. Stuurman is een titel
+voor de buitenvaarders.</h2>
+
+<p>1. Alle Fryas zonen hebben gelijke rechten, daarom mogen alle flinke
+knapen zich als buitenvaarders aanmelden bij den olderman, en deze mag
+hen niet afwijzen, ten ware dat er geen plaats is.</p>
+
+<p>2. De stuurlieden mogen hun eigen meesters benoemen.</p>
+
+<p>3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente,
+aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen stem
+hebben.</p>
+
+<p>4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is,
+dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning
+zich beklagen bij den olderman.</p>
+
+<p>5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de
+zeelieden daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning
+twaalf mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen
+elk twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk
+elk een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de
+middelste jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een
+tweederde deel.</p>
+
+<p>6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen
+voor hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene
+feesten, bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1134" href="#xd0e1134">43</a>]</span></p>
+
+<p>7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun deel
+erven.</p>
+
+<p>8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene
+gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld, dan
+mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren.</p>
+
+<p>9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een
+geheel mansdeel hebben.</p>
+
+<p>10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen
+om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor deze
+eer weduw blijven haar leven lang.</p>
+
+<p>11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders
+zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen.</p>
+
+<p>12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch
+erf, dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo
+mogen zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat
+vergoeden naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel
+weigeren.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1147" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nuttige zaken uit de nagelaten schriften van
+Minno.</h2>
+
+<p>Minno was een oude zeekoning, een ziener en wijsgeer; hij heeft aan
+de Kretensen wetten gegeven. Hij is geboren aan de Lindeoord, en na al
+zijne omzwervingen heeft hij het geluk genoten om te Lindahem te
+sterven.</p>
+
+<p>Zoo wanneer onze naburen een stuk land hebben of water, dat ons goed
+toeschijnt, zoo voegt het ons dat te koop te vragen; willen zij dat
+niet doen, zoo moet men hun dat laten behouden: dat is naar Fryas tex
+en het zoude onrecht wezen dat afhandig te maken.</p>
+
+<p>Wanneer er naburen te zamen kijven en twisten over eenige zaak
+(anders) dan over land, en zij ons verzoeken een oordeel uit te
+spreken, zoo behoort men dat liever achterwege <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1156" href="#xd0e1156">45</a>]</span>te laten; doch als men
+daar niet buiten kan, zoo moet men dat eerlijk en rechtvaardig
+doen.</p>
+
+<p>Komt er iemand en zegt: ik heb oorlog en nu moet gij mij helpen. Of
+een ander komt en zegt: mijn zoon is minderjarig en onbekwaam en ik ben
+oud, nu wilde ik u tot voogd over hem en over mijn land stellen, totdat
+hij meerderjarig is, zoo behoort men dat te weigeren, opdat wij niet in
+twist mogen komen over zaken strijdende met onze vrije zeden.</p>
+
+<p>Wanneer een buitenlandsch koopman komt op de toegelatene markt te
+Wyringen of te Almanland en hij bedriegt, zoo wordt hij terstond in de
+marktboete geslagen en door de maagden kenbaar gemaakt over het geheele
+land. Komt hij dan terug, dan zal niemand van hem koopen, en hij mag
+vertrekken gelijk hij gekomen is. Dus wanneer er kooplieden gekozen
+worden om ter markt te gaan, of met de vloot te varen, dan behoort men
+alleen dezulken te kiezen, die men door en door kent en in een goeden
+roep staan bij de maagden. Gebeurt het desniettemin, dat er een slecht
+man onder is, die de menschen bedriegen wil, zoo behooren de anderen
+dat te weren. Heeft hij het reeds gedaan, dan moet men dat herstellen,
+en den misdadiger uit het land verbannen, opdat onze naam overal met
+eere genoemd mag worden.</p>
+
+<p>Maar zoo wij ons op eene buitenlandsche markt bevinden, hetzij nabij
+of ver af en het volk ons leed doet of besteelt, dan behooren wij met
+een haastigen aanval toe te slaan, want ofschoon wij alles behooren te
+doen om des vredes wille, mogen onze halfbroeders ons nimmer minachten
+of wanen dat wij bang zijn.</p>
+
+<p>In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten,
+achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze
+voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda of
+Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en zee&euml;n
+heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik overtuigd,
+dat wij alleen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1166" href=
+"#xd0e1166">47</a>]</span>door Alfader uitverkoren zijn, om wetten te
+hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden, zij
+zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Velen gelijken op Finda, zijn
+schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hovaardig, valsch, onkuisch
+en moordzuchtig. De padde blaast zich op en zij kan slechts kruipen. De
+kikvorsch roept <span class="letterspaced">werk</span>, <span class=
+"letterspaced">werk</span>, en zij doet niets als huppelen en
+grappenmaken. De raven roepen <span class="letterspaced">spaar</span>,
+<span class="letterspaced">spaar</span>, maar zij stelen en verslinden
+al wat onder hun snavel komt. Aan die allen gelijk is het Findas volk,
+zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil inzettingen maken
+om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan gebonden wezen.
+Diegene wiens geest het listigste is en daardoor sterk, diens haan
+kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn wil onderworpen
+wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel verdrijft. Het woord
+<span class="letterspaced">ewa</span> is te heilig om eene gemeene zaak
+te benoemen, daarom heeft men ons <span class="letterspaced">
+evin</span> leeren zeggen. <span class="letterspaced">Ewa</span>
+beteekent <span class="letterspaced">inzettingen</span>, die bij alle
+menschen gelijkelijk in hun gemoed geprent zijn, opdat zij weten mogen
+wat recht en onrecht is, en waardoor zij in staat zijn hunne eigene
+daden en die van anderen te beoordeelen, dat wil zeggen: alzoo verre
+zij goed en niet misdadig opgevoed zijn. Ook is er nog een andere zin
+aan vast: <span class="letterspaced">Ewa</span> (effen) beteekent ook
+<span class="letterspaced">gelijk</span>, <span class="letterspaced">
+vlak</span> als water, recht en slecht gelijk water dat door geen
+hevige wind of iets anders verstoord is. Wordt het water verstoord, dan
+wordt het oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weder effen te
+worden. Dat ligt in zijn wezen, even als de neiging tot recht en
+vrijheid in Fryas kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door den geest
+van Wralda onzen vader, die luide spreekt in Fryas kinderen. Daarom zal
+die ook eeuwig beklijven. <span class="letterspaced">Ewa</span>
+(eeuwig) is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die eeuwig recht en
+onverstoord blijft, ofschoon het in zijn ligchaam erg toe gaat. Eeuwig
+en onverstoord zijn de kenmerken der wijsheid en rechtvaardigheid die
+door <span class="pagenum">[<a id="xd0e1204" href=
+"#xd0e1204">49</a>]</span>alle vrome menschen gezocht en door alle
+rechteren moeten bezeten worden. Willen dus de menschen inzettingen en
+bepalingen maken, die steeds goed blijven en aller wege, zoo moeten zij
+gelijk wezen voor alle menschen. Naar deze wetten behooren de rechteren
+hun oordeel uit te spreken. Is er eenig kwaad bedreven, waaromtrent
+geene wetten gemaakt zijn, zoo moet men eene algemeene vergadering
+beleggen, daar oordeelt men naar den zin, dien Wraldas geest in ons
+spreekt, om over alles rechtvaardig te oordeelen. Zoo doende zal ons
+oordeel nimmer falikant uitkomen. Doet men geen recht, maar onrecht,
+dan rijst er twist en tweespalt onder de menschen en staten; daaruit
+ontspruit binnenlandsche oorlog, waardoor alles in de war gebragt en in
+&rsquo;t verderf gestort wordt. Maar o domheid. Terwijl wij bezig zijn
+elkander te schaden, komt het nijdige volk Findas met zijne valsche
+priesteren om uwe have te rooven, uwe dochteren te schenden, uwe zeden
+te verderven, en ten laatste sluiten zij slavenbanden om een ieders
+vrijen hals.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1206" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Uit Minnos schriften.</h2>
+
+<p>Toen Nyhalennia, die van haar eigen naam <span class="letterspaced">
+Min-erva</span> heette, goed gezeten was, en de Krekalanders haar soms
+evenzeer lief hadden als ons eigen volk, toen kwamen daar eenige
+vorsten en priesteren op hare burgt en vraagden Min-erva, waar hare
+erven gelegen waren. Hellenia antwoorde <span class="letterspaced">
+mijne erven</span> draag ik om in mijn boezem, &rsquo;t gene ik
+ge&euml;rfd heb is liefde tot wijsheid, rechtvaardigheid en vrijheid.
+Heb ik die verloren, dan ben ik gelijk aan den minste van uwe slaven.
+Nu geef ik raad om niet, maar dan zoude ik die verkoopen. De heeren
+gingen heen en riepen al lachende, uwe gehoorzame dienaren, wijze <span
+class="letterspaced">Hellenia</span>. Doch daarmede misten zij hun
+doel, want het volk dat haar beminde en volgde nam dezen naam als een
+eernaam op. Toen zij zagen, dat <span class="pagenum">[<a id="xd0e1220"
+href="#xd0e1220">51</a>]</span>hun schot gemist had, toen gingen zij
+haar belasteren, en zeiden dat zij het volk behekst had; maar ons volk
+en de goede Krekalanders beweerden allerwege dat het laster was. Eens
+kwamen zij en vroegen: als gij dan geen tioenster (heks) zijt, wat doet
+gij dan met de eijeren, die gij altijd bij u hebt. Minerva antwoordde:
+Deze eijeren zijn het zinnebeeld van Frya&rsquo;s raadgevingen, waarin
+onze toekomst verholen ligt en die van het geheele menschelijk
+geslacht. De tijd moet ze uitbroeden, en wij moeten waken dat er geen
+leed aan komt. De priesteren (zeiden): goed gezegd, maar waartoe dient
+de hond aan uwe rechter hand. Hellenia antwoorde: Heeft de herder geen
+schaapshond om zijne kudde bijeen te houden? wat de hond is in de
+dienst des schaapsherders, dat ben ik in Frya&rsquo;s dienst. Ik moet
+over Frya&rsquo;s kudde waken. Dat komt ons goed voor zeiden de
+priesters, maar zeg ons wat is de beteekenis van de nachtuil, die
+altijd boven uw hoofd zit; is dat lichtschuwende dier soms het teeken
+van uw helder zien? Neen, antwoorde Hellenia, hij helpt mij herinneren
+dat er een slag van menschen over de aarde omdwaalt, dat even gelijk
+hij in kerken en holen huist, die in duister omwroeten, doch niet als
+hij, om ons van muizen en andere plagen te bevrijden, maar om ranken te
+verzinnen, andere menschen hunne wetenschap te rooven, opdat zij hen
+des te beter mogen vatten om er slaven van te maken, en hun bloed uit
+te zuigen even als de bloedzuigers doen. Eens kwamen zij met eene bende
+volks (de pest was over het land gekomen), zij zeiden: wij alle zijn
+bezig de goden te offeren, opdat zij de pest mogen weren, wilt gij dan
+niet helpen hunne gramschap te stillen, of hebt gij zelve de pest over
+het land gebracht met uwe kunsten. Neen, zeide Minerva, maar ik ken
+geene goden die kwaaddoende zijn, daarom kan ik niet vragen of zij
+beter willen worden. Ik ken slechts een goede, dat is Wralda&rsquo;s
+geest, maar omdat hij goed is, doet hij ook geen kwaad. Waar komt het
+kwaad dan weg, vroegen de <span class="pagenum">[<a id="xd0e1222" href=
+"#xd0e1222">53</a>]</span>priesteren. Alle kwaad komt van u en van de
+domheid der menschen, die zich van u laten vangen. Indien uwe godheid
+dan zoo bijster goed is, waarom weert hij dan het kwaad niet, vroegen
+de priesters. Hellenia antwoorde: Frya heeft ons op den weg gebracht,
+en de Kroder, dat is de Tijd, die moet het overige doen; voor alle
+rampen is raad en hulp te vinden, doch Wralda wil dat wij die zelve
+zullen zoeken, opdat wij sterk zullen worden en wijs. Willen wij niet,
+dan laat hij onze verbastering uitrazen, opdat wij zullen ervaren, wat
+na verstandige daden en wat na dwaze daden volgt.</p>
+
+<p>Toen zeide een vorst: Ik zoude wanen, dat het beter ware, die te
+weeren. Wel mogelijk, <span class="corr" id="xd0e1226" title="Bron:
+antwoorde">antwoordde</span> Hellenia, want dan zouden de menschen
+blijven gelijk makke schapen, gij en de priesters zoudt hen willen
+hoeden, maar ook scheren en naar de slachtbank voeren. Doch zoo wil het
+onze godheid niet, hij wil, dat wij elkander helpen, maar hij wil ook
+dat iedereen vrij zij en wijs worde. En dat is ook onze wil, en daarom
+kiest ons volk zijne vorsten, graven, raadgevers en alle bazen en
+meesters uit de wijsten der goede menschen, opdat alle man even zeer
+zijn best zal doen, om wijs en goed te worden. Zoodoende zullen wij
+eens weten en aan het volk leeren, dat wijs zijn en wijs doen alleen
+leidt tot zaligheid. Dat schijnt wel een oordeel, zeiden de priesters,
+maar als gij nu meent dat de pest door onze domheid ontstaat, zoude
+Nyhellenia dan wel zoo goed willen wezen, om ons wat van dat nieuwe
+licht te leenen, waarop zij zoo trotsch is. Ja, zeide Hellenia, de
+raven en andere vogelen komen alleen af op bedorven aas, maar de pest
+bemint niet alleen bedorven aas, maar ook bedorven zeden en gewoonten
+en booze lusten; wilt gij nu dat de pest van u zal wijken en niet
+terugkomen, dan moet gij de booze lusten wegdoen, opdat gij alle rein
+wordt van binnen en van buiten. Wij willen gelooven, dat de raad goed
+is, zeiden de priesters, maar zeg ons, hoe zullen wij daar alle
+menschen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1229" href=
+"#xd0e1229">55</a>]</span>toe krijgen, die onder onze heerschappij
+zijn? Toen stond Hellenia op van haren zetel en sprak: De musschen
+volgen den zaaijer, de volken hunne goede vorsten, daarom betaamt het u
+te beginnen met u zelven alzoo rein te maken, dat gij uwe blikken naar
+binnen en naar buiten moogt richten zonder schaamrood te worden voor uw
+eigen gemoed. Doch in plaats van het volk rein te maken, hebt gij vuile
+feesten uitgevonden, waarop het volk alzoo lang zuipt, dat zij ten
+laatsten, gelijk de zwijnen in het slik wroeten, omdat gij uwe lusten
+boeten moogt. Het volk begon te joelen en te spotten, daardoor durfden
+zij geen strijd weder aan te spinnen. Nu zoude ieder wanen dat zij
+overal het volk te hoop geroepen hadden, om ons allen te zamen het land
+uit te drijven. Neen, in plaats van haar te beschimpen gingen zij
+allerwegen, ook naar het heinde Krekaland tot aan de Alpen uitroepen:
+dat het den Oppersten God behaagd had zijne verstandige dochter
+Minerva, bijgenaamd Nyhellenia, onder de menschen te zenden van over
+zee met eene wolk, om de menschen goede raad te geven, en opdat alle
+menschen die haar hooren wilden rijk en gelukkig zouden worden, en eens
+meester zouden worden over alle koningrijken der aarde. Zij stelden
+haar beeld op hunne altaren, zij verkondigden of verkochten aan de
+domme menschen allerwegen raadgevingen die zij nimmer gegeven had, en
+vertelden wonderen die zij nooit gedaan had. Door list wisten zij zich
+meester te maken van onze wetten en inzettingen en door listen en
+drogredenen wisten zij alles te bewijzen en te verbreiden. Zij stelden
+ook priesteressen onder hunne hoede, die schijnbaar onder de hoede van
+Festa onze eerste eeremoeder (waren) om over het heilige licht te
+waken, maar dat licht hadden zij zelve ontstoken, en in plaats van de
+priesteressen wijs te maken en naderhand onder het volk te zenden om de
+zieken te verplegen en de jeugd te onderwijzen, maakten zij ze dom en
+duister, en zij mochten nimmer buiten komen. Ook werden <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1231" href="#xd0e1231">57</a>]</span>zij als
+raadgeefsters gebezigd, maar die raad was voor den schijn uit hare
+monden, want hare monden waren niet anders dan de roepers, waardoor de
+priesters hunne begeerten uitspraken. Toen Nyhellenia gestorven was,
+wilden wij eene andere moeder kiezen. Sommigen wilden naar Texland om
+aldaar eene te vragen; maar de priesters die bij hun eigen volk het
+rijk weder in hadden, wilden dat niet gedoogen, en kreten ons bij het
+volk als onheilig uit.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1233" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Uit de schriften van Minno.</h2>
+
+<p>Toen ik aldus weggevaren was met mijne lieden van Athenia, kwamen
+wij ten laatsten aan een eiland, door mijne manschappen Kreta geheeten,
+wegens de woeste kreten die het volk aanhief bij onze komst. Toen zij
+echter zagen, dat wij geen oorlog in het schild voerden, werden zij
+gedwee, zoodat ik ten laatsten voor een boot met ijzer gereedschap eene
+havenmond en een plek grond inruilde, doch toen wij daar eene poos
+gezeten waren, en zij bespeurden dat wij geene slaven hadden, toen
+waren zij daarover versteld. Maar toen dat ik hun nu verteld had, dat
+wij wetten hadden om gelijk recht te doen over allen, toen wilde het
+volk ook zulke hebben, doch nauwlijks hadden zij die, of het geheele
+land kwam in de war. De vorsten en priesteren kwamen en gaven voor dat
+wij hunne onderdanen oproerig gemaakt hadden, en het volk kwam tot ons
+om heul en schut te vragen. Doch toen de vorsten zagen dat zij hun rijk
+zouden verliezen, toen gaven zij aan het volk vrijheid en kwamen bij
+mij om een Asegaboek. Doch het volk was aan geen vrijheid gewoon, en de
+heeren bleven heerschen, naardat hun goed dacht. Nadat die storm over
+was, begonnen zij tweespalt tusschen ons te zaaijen. Zij zeiden aan
+mijn volk, dat ik hunne hulp had ingeroepen, om bestendig koning te
+worden. Eens vond ik vergif in mijne spijs. Doch als er eens een schip
+van <span class="pagenum">[<a id="xd0e1238" href=
+"#xd0e1238">59</a>]</span>Flyland bij ons verzeilde, ben ik daarmede
+stilletjes weggetogen. Doch mijn eigen wedervaren daarlatende, wil ik
+met deze geschiedenis alleen zeggen, dat wij ons niet moeten inlaten
+met Finda&rsquo;s volk, van waar het ook zij, omdat zij vol zijn van
+valsche ranken, even te vreezen als hunne zoete wijnen met doodend
+vergif.</p>
+
+<p>Einde van Menno&rsquo;s schriften.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1242" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hieronder zijn drie beginselen, daarnaar zijn deze
+inzettingen gemaakt.</h2>
+
+<p>1. Iedereen weet dat hij zijn nooddruft moet hebben, maar wordt aan
+iemand zijne nooddruft onthouden, dan weet niemand wat hij doen zal, om
+zijn lijf te behouden.</p>
+
+<p>2. Alle volwassen menschen worden gedrongen kinderen te verwekken,
+zoo dat geweerd wordt, weet niemand, wat kwaads daarvan kan komen.</p>
+
+<p>3. Een ieder weet dat hij vrij en onverlet wil leven, en dat anderen
+dat ook willen. Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen
+gemaakt.</p>
+
+<p>Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze
+zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en
+vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en
+moord.</p>
+
+<p>1. Bijaldien iemand gebrek heeft en hij kan hem zelf niet helpen,
+zoo moeten de Maagden dat ter kennis brengen van den graaf, om reden
+dat het een hooghartigen Fries niet past dat zelf te doen.</p>
+
+<p>2. Zoo iemand arm wordt, doordien hij niet werken wil, die moet uit
+den lande uitgedreven worden; want de laffen en tragen zijn lastig en
+ergdenkend, daarom behoort men hen te weren.</p>
+
+<p>3. Ieder jong man behoort eene bruid te zoeken, en is hij vijf en
+twintig jaar oud, dan behoort hij eene vrouw te hebben. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1259" href="#xd0e1259">61</a>]</span></p>
+
+<p>4. Is iemand vijf en twintig jaar, en heeft hij nog geene
+echtgenoot, dan behoort men hem uit zijn huis te weren, de knapen
+behooren hem te vermijden. Neemt hij dan nog geene vrouw, dan moet men
+hem dood verklaren, opdat hij uit het land vertrekke, en hier geen
+ergernis mag geven.</p>
+
+<p>5. Is iemand machteloos, dan moet hij openbaar zeggen dat niemand
+van hem te vreezen heeft, dan mag hij komen, waar hij wil.</p>
+
+<p>6. Pleegt hij naderhand ontucht, dan mag hij vluchten; vlucht hij
+niet, dan wordt hij aan de wraak der bedrogene overgelaten en niemand
+mag hem helpen.</p>
+
+<p>7. Bijaldien iemand eenig goed heeft, en een ander begeert dat
+dermate, dat hij zich daaraan vergrijpt, dan moet hij dat drievoudig
+vergelden. Steelt hij dan nog eens weer, dan moet hij naar de
+tinlanden; wil de bestolene hem vrij laten, dan mag hij dat doen, maar
+gebeurt het voor de derde reis, dan mag niemand hem de vrijheid
+schenken.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1268" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Deze bepalingen zijn gemaakt voor toornige
+menschen.</h2>
+
+<p>Zoo iemand in drift of uit boosheid een ander leden breekt, een oog
+uitstoot, ofte tand, wat het ook zij, zoo moet de beleediger betalen,
+wat de beleedigde eischt. Kan hij dat niet doen, zoo moet er openbaar
+aan hem gedaan worden, wat hij aan den ander deed. Wil hij dat niet
+uitstaan, dan moet hij zich tot zijne burgtmaagd wenden, of hij in de
+ijzer- of tinlanden mag werken, tot dat zijne schuld voldaan is volgens
+de algemeene bepaling.</p>
+
+<p>2. Wanneer iemand gevonden wordt zoo boos, dat hij een Fries dood
+slaat, dan moet hij dat met zijn lijf betalen. Doch kan zijne
+burgtmaagd hem voor altijd naar de tinlanden helpen, voor dat hij gevat
+wordt, dan mag zij dat doen.</p>
+
+<p>3. Bijaldien de gevangene kan bewijzen met erkende getuigen, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1277" href="#xd0e1277">63</a>]</span>dat
+het bij ongeluk geschied is, zoo zal hij vrij wezen. Maar gebeurt het
+nog eenmaal, dan moet hij toch naar de tinlanden, opdat men daardoor
+vermijde alle onbehoorlijke wraak en veete.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1279" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit zijn bepalingen voor de hoerenkinderen.</h2>
+
+<p>1. Wie eens anders huis uit boosheid den rooden haan opzet, is geen
+Fries, hij is een hoerenkind, met basterd bloed. Kan men hem op heeter
+daad vatten, dan moet men hem in het vuur werpen. Hij mag vlieden zoo
+hij kan, nergens zal hij veilig wezen voor de wrekende hand.</p>
+
+<p>2. Geen echte Fries zal over de misslagen zijns naaste mallen of
+kwaadspreken. Is iemand misdadig jegens hem zelven, maar niet te
+vreezen voor anderen, dan mag hij zijn eigen rechter wezen. Wordt hij
+zoo slecht, dat hij gevaarlijk wordt, dan moet men het aan den graaf
+openbaren. Maar is er iemand die een ander achter zijn rug aantijgt, in
+plaats van het bij den graaf te doen, die is een hoerenkind, op de
+markt moet hij aan den paal gebonden worden, zoodat het jong volk hem
+mag aanspuwen; daarna leidt men hem over de grenzen, maar niet naar de
+tinlanden, want een eerrover is ook te vreezen.</p>
+
+<p>3. Bijaldien er eens iemand zoo slecht was, dat hij ons ging
+verraden, aan den vijand de paden en bijpaden wees om onze vliedburgten
+te genaken, of des nachts daar in te sluipen, die zoude alleen
+gesproten zijn uit Finda&rsquo;s bloed, men zoude hem moeten
+verbranden, de zeelieden zouden zijne moeder en al zijne bloedverwanten
+naar een afgelegen eiland moeten brengen, en daar zijn asch verstuiven,
+opdat er geen vergiftige kruiden van mochten groeijen. De maagden
+moeten zijn naam vervloeken over alle onze staten, opdat geen kind zijn
+naam moge krijgen, en de ouden hem mogen verwerpen. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1288" href="#xd0e1288">65</a>]</span></p>
+
+<p>Oorlog was voorbij gegaan, maar nood was in zijne plaats gekomen; nu
+waren er drie menschen die elk een zak koorn stalen van afzonderlijke
+eigenaren. Doch zij werden alle gevangen. Nu ging de eerste (eigenaar)
+heen en bracht den dief bij den schout, de maagden zeiden daarvan
+allerwege, dat hij gehandeld had naar het recht. De andere nam den dief
+het koorn af, en liet hem voorts met vrede; de maagden zeiden, hij
+heeft wel gedaan. Maar de derde eigenaar ging naar den dief in zijn
+huis. Toen hij nu zag, hoe de nood daar zijn zetel had opgesteld, ging
+hij terug en keerde weder met een wagen vol nooddruftigheden, waarmede
+hij den nood van den haard verdreef. Frya&rsquo;s maagden hadden bij
+hem rondgewaard en zijne daad in het eeuwige boek geschreven, terwijl
+zij al zijne zonden hadden uitgewischt. Het werd gezegd aan de
+eeremoeder, en deze liet het verkondigen over het geheele land.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1291" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hetgene hieronder staat is aan de wanden van de
+Waraburgt gegrift.</h2>
+
+<p>(Zie <a href="#plaat1">plaat I</a>.)</p>
+
+<p>Wat hier boven staat, dat zijn de teekens van het Juul, dat is het
+eerste zinnebeeld van Wralda, ook van den aanvang of het begin, waaruit
+de Tijd is voortgekomen; deze is de Kroder, die eeuwig met het Juul
+moet rondloopen. Hiernaar heeft Frya het staand schrift gevormd,
+&rsquo;t welk zij gebruikte voor hare tex. Toen Fasta eeremoeder was,
+heeft zij er het run of loopend schrift van gemaakt. De Witkoning d. i.
+Zeekoning Godfried, de oude, heeft er afzonderlijke getalteekens van
+gemaakt voor het staand en loopend schrift beide. Het is daarom niet te
+veel dat wij er jaarlijks eenmaal feest voor vieren. Wij mogen Wralda
+eeuwig dank wijden, dat hij zijn geest zoo krachtig over onze
+voorvaderen heeft laten varen. In haren tijd heeft Finda ook een
+schrift <span class="pagenum">[<a id="xd0e1301" href=
+"#xd0e1301">67</a>]</span>uitgevonden; maar dat was zoo hoogdravend en
+vol met franjes en krullen, dat de nakomelingen de beteekenis daarvan
+spoedig verloren hebben. Naderhand hebben zij ons schrift geleerd, met
+name de Finnen, de Thyriers en de Krekalander. Maar zij wisten niet
+goed, dat het van het Juul gemaakt was, en dat het daarom altijd moest
+geschreven worden met de zon om. Bovendien wilden zij dat hun schrift
+voor andere volken onleesbaar zoude wezen, omdat zij altijd
+geheimnissen hebben. Zoodoende zijn zij zeer van de wijs geraakt,
+dermate, dat de kinderen de schriften hunner ouderen bezwaarlijk kunnen
+lezen; terwijl wij onze alleroudste schriften even gemakkelijk kunnen
+lezen als die, die gisteren geschreven zijn.</p>
+
+<p>Hieronder is het staand schrift, daaronder het loopend schrift,
+vervolgens de getalteekens op beide wijzen.</p>
+
+<p>(Zie <a href="#plaat2">plaat II</a>.)</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1310" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit staat op alle burgten geschreven.</h2>
+
+<p>Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De
+zon rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters
+groeiden vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten
+hadden wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als
+goud blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden
+niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan de
+eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk
+behalve wij, mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij
+door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor
+het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het
+wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee, en
+ten westen aan de Middellandsche <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1315" href="#xd0e1315">69</a>]</span>zee, zoodat wij buiten de
+kleine rivieren wel twaalf groot zoetwater stroomen hadden, ons door
+Wralda gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den
+weg naar zijne zee te wijzen.</p>
+
+<p>De oevers van deze stroomen werden somtijds alle door ons volk
+bezeten, ook de velden aan den Rijn, van &rsquo;t eene einde tot het
+andere toe.</p>
+
+<p>Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen
+met eene burgtmaagd. Van daar trokken wij koper en ijzer, benevens
+teer, pik en sommige andere benoodigdheden. Tegenover ons voormalig
+Westland hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het
+land der ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken
+waren, om hun lijf te behouden. Maar opdat zij niet terug zouden komen,
+werd eerst een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode
+bloedverf, de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden
+onze zeelieden en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde
+Krekalanden (Italie) en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte
+menschen. Daar ons land zoo ruim en groot was, hadden wij vele
+afzonderlijke namen. Die welke gezeten waren ten oosten van de
+Denemarken, werden Jutten genoemd, uithoofde zij dikwijls anders niet
+deden dan barnsteen <span class="letterspaced">jutten</span> (aan het
+strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden Letten
+geheeten, omdat zij meestal <span class="letterspaced">verlaten</span>
+leefden. Alle strand en kustbewoners van de Denemarken af tot aan de
+Sandval, nu Schelde, werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren
+geheeten. Angelaren zoo noemde men te voren de buitenvisschers, omdat
+zij alleen met <span class="letterspaced">angel</span> of hoekwant
+vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van daar tot aan
+het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers genoemd, omdat
+zij nimmer buiten voeren (maar aan de <span class="letterspaced">
+kade</span> bleven). Die in de hooge marken gezeten waren, welke aan de
+Twisklanden paalden, werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd
+gewapend waren tegen het wild gedierte en de verwilderde Britten.
+Daarenboven <span class="pagenum">[<a id="xd0e1333" href=
+"#xd0e1333">71</a>]</span>hadden wij de namen Landzaten, Marzaten en
+Hout- of Woudzaten.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1335" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hoe de bange tijd kwam.</h2>
+
+<p>Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde
+zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor rook en
+damp als zeilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd aldus droef
+en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch vreugde. Te
+midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij stervende
+was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen; andere zonken
+in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had, hief zij nu bergen
+omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten, zonk neder, en de
+woeste golven traden zoo verre over bergen en dalen, dat alles onder de
+zee bedolven was. Vele menschen werden in de aarde begraven, en velen
+die aan het vuur ontkomen waren, kwamen daarna in het water om. Niet
+alleen in het land van Finda spuwden de bergen vuur, maar ook in het
+Twiskland. Wouden brandden daardoor achterelkander weg, en toen de wind
+daar van daan kwam, waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden
+verlegd en bij hunne monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend
+vee. Drie jaren was de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon
+men hare wouden zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee
+opgerezen en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk
+kwamen de ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd,
+of zij werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel
+geboden, en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt
+is.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1340" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit staat aan de Waraburgt bij de Aldegamude
+gegrift.</h2>
+
+<p>De Waraburgt is geen Maagdeburgt, maar daarin werden <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1345" href="#xd0e1345">73</a>]</span>alle
+uitheemsche en buitenlandsche dingen bewaard, die mede gebracht zijn
+door de zeelieden. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uren)
+zuidwaarts van Medeasblik gelegen. Aldus is de voorafspraak: Bergen
+neigt uwe kruinen, wolken en stroomen weent. Ja, Schoonland bloost,
+slavenvolken stappen op uw kleed, o Frya.</p>
+
+<p class="aligncenter">Zoo is de geschiedenis.</p>
+
+<p>100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam uit het oosten een
+volk weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons
+Twiskland, kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en
+elk ging zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons
+gekomen, maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland.
+Schoonland was schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van
+al. Daarom mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij
+anders geen leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij
+hen hebben leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en
+daarna hoe het ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk
+vele geslachten van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij
+hebben priesters, even als deze, en in de kerken hebben zij ook
+beelden. De priesters zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf
+Magyaren, hun opperste heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met
+een; al het andere volk is nul in &rsquo;t cijfer en gelijk, en allen
+zijn onder hun geweld. Het volk heeft niet eens een naam; door ons
+worden zij Finnen genoemd; want ofschoon hunne feesten allemaal treurig
+en bloedig zijn, zijn zij daar toch zoo <span class="letterspaced">
+fijn</span> op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn zij niet te
+benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters, maar nog veel meer
+van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol is van booze geesten,
+die in de menschen en dieren sluipen; maar van Wraldas geest weten zij
+niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren koperen. De Magyaren
+verhalen, dat zij de booze geesten <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1354" href="#xd0e1354">75</a>]</span>kunnen bannen en verbannen,
+daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun gelaat is nimmer
+vrolijkheid te zien.</p>
+
+<p>Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij
+ons, zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen,
+die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen, en
+hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte onze
+waakzaamheid.</p>
+
+<p>Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij onverwacht,
+gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze landen toeloopen.
+Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd aangeroepen, maar de
+Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen werden krachten
+verzameld, drie palen van Godasburgt werden zij wederstaan, de oorlog
+bleef. Kat of Katerinne, zoo heette de priesteres, die burgtmaagd op
+Godasburgt was. Kat was trotsch en hooghartig, daarom liet zij noch
+raad, noch helpers aan de Moeder vragen. Maar toen de burgtheeren dat
+begrepen, zonden zij zelve boden naar Texland tot de Eeremoeder. Minna,
+zoo was de naam der Moeder, liet al de zeelieden oproepen en al het
+andere jong volk van Oostflyland en van de Dennemarken. Uit deze tocht
+is de geschiedenis van Wodin ontstaan, die op de burgten gegrift is, en
+hier is uitgeschreven.</p>
+
+<p>Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn
+naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven;
+Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij
+zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren
+zeestrijders, en juist nu bij hunne vaderen aan de Aldergamude. Toen nu
+de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun heerman
+of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning en Inka tot
+hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar de Dennemarken
+varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige landweer <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1362" href="#xd0e1362">77</a>]</span>aan
+boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien in
+Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij elkander gevoegd
+hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya
+was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof
+het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal
+omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot
+Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch al wat
+wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij uwe broeders
+met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze vijanden
+voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij hebben
+dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft zich om ons
+niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander voor de helft
+vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen en ons allen
+vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij heeft gezien, dat
+Frya veel machtiger is als alle onze geesten te zamen. Hij wil zijn
+hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de krijgshaftigste koning
+der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze koning, en wij allen willen
+uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol voor u wezen, als gij de wilden
+weder terug kondt drijven, onze basuinen zouden het rondblazen, en onze
+berichten zouden u overal vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en
+krijgshaftig, maar hij was niet helder ziende, daardoor werd hij in
+hunne strikken gevangen en door den Magy gekroond. Zeer velen van de
+zeelieden en de landweer, dien deze keuze niet naar den zin was,
+vertrokken in stilte, Kat medenemende. Maar Kat die niet voor de
+Moeder, noch voor de algemeene vergadering, wilde verschijnen, sprong
+over boord. Toen kwam de stormwind en dreef de schepen op de schorren
+van de Dennemarken, zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben
+zij die straat het Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij
+op <span class="pagenum">[<a id="xd0e1364" href=
+"#xd0e1364">79</a>]</span>de wilden los; zij waren allen ruiters;
+gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins heer aan, maar als een
+dwarrelwind <span class="corr" id="xd0e1366" title="Bron: wenden">
+wendden</span> zij om, en durfden niet weder verschijnen. Toen Wodin nu
+terug kwam, gaf de Magy hem zijne dochter tot vrouw. Daarop werd hij
+met kruiden berookt, doch er waren tooverkruiden onder; want Wodin werd
+trapsgewijze zoo zeer vermetel, dat <span class="corr" id="xd0e1369"
+title="Bron: hy">hij</span> Frya en Wraldas geest durfde miskennen en
+bespotten, terwijl hij zijn vrije hals boog voor de valsche
+gedrochtelijke beelden. Zijn rijk duurde zeven jaren, toen verdween
+hij. De Magy zeide dat hij onder hunne goden was opgenomen, en dat hij
+van daar over hen heerschte, maar ons volk lachte om zijne taal. Toen
+Wodin eene poos weg geweest was, kwam er tweespalt; wij wilden een
+anderen koning kiezen, maar dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij
+beweerde dat het een recht was, hem door zijne afgoden gegeven. Maar
+buiten en behalve deze twist, was nog eene tusschen de Magiaren en
+Finnen, die Frya noch Wodin wilden eeren, doch de Magy deed zoo als hem
+goed dacht, want zijne dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu
+wilde de Magy dat deze zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl
+allen keven en twisten, kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich
+zelven tot voogd of raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf,
+dan van het recht, lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele
+Magiaren vloden met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen
+scheep en een heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met
+hun.</p>
+
+<p>Nu komen de geschiedenissen van neef Teunis en zijn neef Inka eerst
+recht op het pad.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1374" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit alles staat niet alleen op de Waraburgt, maar
+ook op de burgt Stavia, die gelegen is achter de haven van Stavre</h2>
+
+<p>Toen Teunis met zijne schepen naar huis wilde keeren, ging hij het
+eerst op de Dennemarken af, maar hij mocht daar <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1379" href="#xd0e1379">81</a>]</span>niet landen, dat had
+de Moeder besteld. Ook te Flyland mocht hij niet landen en voorts
+nergens. Hij zoude alzoo met zijne manschappen van kommer en gebrek
+omgekomen zijn; daarom gingen zij des nachts aan land om te rooven, en
+voeren bij dag verder. Aldus langs de kust voort varende kwamen zij tot
+de volkplanting Kadik, zoo geheeten omdat zij door een steenen kadijk
+gevormd was. Hier kochten zij allerhande leeftocht, maar Tuntia de
+burgtmaagd wilde niet gedoogen, dat zij zich daar nederzetteden. Toen
+zij gereed waren, kregen zij twist. Teunis wilde door de straat van de
+Middellandsche zee, om te varen voor den rijken koning van Egyptenland,
+gelijk hij wel eer gedaan had. Maar Inka zeide dat hij zijn bekomst had
+van al dat Findas volk. Inka meende dat er misschien wel een
+hooggelegen deel van Atland, bij wijze van eiland, zoude overgebleven
+wezen, waar hij met zijne manschappen vredig leven mocht. Als de beide
+neven het aldus niet eens konden worden, ging Teunis heen en stak een
+roode banier in het strand, en Inka eene blaauwe. Daarna mocht ieder
+kiezen, wien hij volgen wilde, en o wonder, tot Inka die er een afkeer
+van had, om de koningen van Findas volk te dienen, liepen de meeste
+Finnen en Magyaren over. Toen zij nu het volk geteld en de schepen
+daarnaar verdeeld hadden, scheidden de vloten van elkander; van neef
+Teunis is naderhand bericht gekomen, van neef Inka nimmer.</p>
+
+<p>Neef Teunis voer langs de kust door de straat der Middellandsche
+zee. Toen het Atland verzonken is, was het aan de oevers der
+Middellandsche zee ook erg toegegaan. Daardoor waren vele menschen van
+het Findas volk naar onze heinde en verre Krekalanden gekomen en ook
+velen van Lydas land. Daarentegen waren ook velen van ons volk naar
+Lydas land gegaan. Dat alles had uitgewerkt, dat de heinde en verre
+Krekalanden voor het oppergezag der Moeder verloren waren. Daar had
+Teunis <span class="corr" id="xd0e1383" title="Bron: opgerekend">op
+gerekend</span>, daarom wilde hij daar een goede <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1386" href="#xd0e1386">83</a>]</span>haven kiezen en van
+daaruit voor de rijke vorsten varen doch omdat zijne vloot en zijn volk
+er zoo haveloos uitzagen, meenden de Kadhemers (kustbewoners), dat zij
+roovers waren en daarom werden zij overal geweerd. Doch ten laatste
+kwamen zij aan Phoenisius kust, dat was 193 jaren nadat Atland gezonken
+is. Nabij de kust vonden zij een eiland met twee diepe golven, zoodat
+het als drie eilanden uitzag. Op het middelste daarvan stelden zij
+hunne schuilplaats op, naderhand bouwden zij daar eenen burgtwal om
+toe. Toen zij nu daaraan een naam, wilden geven, werden zij oneens,
+sommigen wilden het Fryasburgt heeten, andere Neettunia, maar de
+Magyaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburgt zoude heeten. Thyr
+noemden zij een hunner afgoden, en op diens verjaardag waren zij daar
+geland; tot eene vergelding wilden zij Teunis eeuwig als hun koning
+erkennen. Teunis liet hem belezen, en de anderen wilden daarover geen
+oorlog hebben. Toen zij nu goed zaten zonden zij sommige oude zeelieden
+en Magyaren aan den wal en verder naar de burgt Sydon, maar in het
+eerst wilden de Kadhemers niets van hen weten. Gij zijt veraf wonende
+zwervers, zeiden zij, die wij niet achten kunnen. Doch toen wij hun van
+onze ijzeren wapenen wilden verkoopen, ging ten laatsten alles goed.
+Ook waren zij zeer begeerig naar onze barnsteenen, en het vragen
+daarnaar nam geen einde. Maar Teunis, die verziende was, deed alsof hij
+geen ijzeren wapenen noch barnsteenen meer had. Toen kwamen de
+kooplieden en baden hem, hij zoude twintig schepen geven die zij alle
+met de fijnste waren wilden bevrachten, en zij wilden hem zoovele
+lieden tot roeijers geven als hij begeerde.</p>
+
+<p>Twaalf schepen liet hij bevrachten met wijn, honig, toebereid leder,
+daarbij kwamen toomen en zadels met goud overtrokken, gelijk men ze
+nimmer gezien had. Met al dien schat viel Teunis het Flymeer binnen. De
+grevetman van Westflyland werd door al deze dingen verrukt, hij
+bewerkte <span class="pagenum">[<a id="xd0e1390" href=
+"#xd0e1390">85</a>]</span>dat Teunis bij de mond van het Flymeer een
+pakhuis bouwen mocht. Naderhand is die plaats Almanaland genoemd en de
+markt, waarop zij naderhand te Wyringen ruilhandel mochten drijven,
+Toelaatmarkt. De Moeder raadde dat wij hun alles zouden verkoopen
+behalve ijzeren wapenen, maar men sloeg geen acht op haar. Daar de
+Thyriers dus vrij spel hadden, kwamen zij steeds weder om onze waren
+heinde en ver te vervoeren, tot schade van onze eigene zeelieden.
+Daarna is besloten op eene algemeene vergadering, jaarlijks zeven
+Tyrische schepen toe te laten en niet meer.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1392" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Wat daarvan geworden is.</h2>
+
+<p>In de noordelijkste hoek van de Middellandsche zee ligt een eiland
+bij die kust. Nu kwamen zij dat te koop vragen. Daarover werd eene
+algemeene vergadering belegd. Moeders raad werd ingewonnen, maar Moeder
+zag hen liefst ver af. Daarom meende zij dat er geen kwaad in stak,
+doch als wij achterna zagen, hoe wij verkeerd gedaan hadden, noemden
+wij dat eiland Mis.sellia.<a class="noteref" id="xd0e1397src" href=
+"#xd0e1397">1</a> Hierachter zal blijken, hoe wij hiertoe reden hadden.
+De Golen, zoo heetten de zendeling-priesters van Sydon, hadden wel
+gezien dat het land daar schaars bevolkt was en ver van de Moeder was.
+Om nu zich zelven een goeden schijn te geven, lieten zij zich zelve in
+onze taal <span class="letterspaced">aan de trouw gewijden</span>
+heeten, maar dat was beter geweest, als zij zich zelve <span class=
+"letterspaced">van de trouw gewenden</span> genoemd hadden of kort weg
+<span class="letterspaced">Triuwenden</span>, gelijk onze zeelieden
+later gedaan hebben.</p>
+
+<p>Toen zij wel gezeten waren, ruilden hunne kooplieden schoone koperen
+wapenen en allerlei sieraden tegen onze ijzeren wapenen en huiden van
+wilde dieren, die in onze <span class="pagenum">[<a id="xd0e1411" href=
+"#xd0e1411">87</a>]</span>zuidelijke landen in menigte te bekomen
+waren, maar de Golen vierden allerhande vuile gedrochtelijke feesten,
+en dan dienden de Kadheimers die door toedoen van hunne wulpsche
+meisjes en de zoetheid van hunne vergiftige wijn. Was er iemand van ons
+volk die het zoo erg verbruid had, dat zijn leven in gevaar kwam, dan
+verleenden de Golen hem heul en schuilplaats, en voerden hem naar
+Phonisia, dat is Palmland. Was hij daar gezeten, dan moest hij aan
+zijne bloedverwanten, vrienden en aanverwanten schrijven, dat het land
+zoo goed was en de menschen zoo gelukkig, als niemand zich konde
+verbeelden. In Brittania waren zeer vele mannen, doch weinig vrouwen,
+toen de Golen dat wisten, lieten zij allerwege meisjes schaken, en deze
+gaven zij aan de Britten om niet. Doch al deze meisjes waren hunne
+dienaren die kinderen van Wralda stalen om ze aan hunne valsche afgoden
+te geven.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e1397src" id="xd0e1397">1</a></span> Mis.sellia, miskoop,
+verkeerde koop.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e1413" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu willen wij schrijven over den oorlog der
+burgtmaagden Kalta en Min-erva.</h2>
+
+<p>En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de
+Golen verloren hebben.</p>
+
+<p>Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden,
+genoemd naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene
+eiland is de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de
+volgende geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en
+waak.</p>
+
+<p>563 jaar nadat Atland verzonken is zat hier eene wijze
+burgtpriesteres, Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd
+Nyhellenia. Deze bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij
+verleende was nieuw en helder boven alle andere.</p>
+
+<p>Over de Schelde op de Flyburgt, zat Sijrhed; deze burgtmaagd was vol
+ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1424" href="#xd0e1424">89</a>]</span>tong; maar de raad die zij
+gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden
+Kalta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de
+uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva
+het tweede en Syrhed het derde als opvolgster beschreven. Minerva had
+daar geen weet van, maar Syrhed was er door geknakt. Even als eene
+buitenlandsche vorstin wilde zij ge&euml;erd, gevreesd en gebeden
+wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen alle
+zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken en van
+het Flymeer. Dat kwetste Syrhed, want zij wilde boven Minerva
+uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude
+hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen en
+maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond, zeide
+zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt over
+de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar de haan
+heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne
+hoovaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten
+geworden. Als Kalta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van
+kwaad tot erger; in stilte liet zij de Magyaren bij zich komen om
+toverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich in
+de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet beteren.
+Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken, wilde zij
+hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig, dan liep
+zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij alle zouden
+vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts <span class=
+"corr" id="xd0e1426" title="Bron: verblinde">verblindde</span> zij
+hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor water hielden,
+daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op het eerste
+krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren, liet zij hun
+tonne bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank gedaan. Toen
+het volk nu allen te zamen dronken <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1429" href="#xd0e1429">91</a>]</span>waren, ging zij boven op haar
+strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het morgenrood
+kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen op haar
+gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en dochteren
+van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatste tijd veel schade en
+gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer komen om ons
+schrijfvilt te koopen, maar gij weet niet, waardoor dat gekomen is.
+Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu kan ik het niet
+langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt, waarnaar gij bijten
+moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij van tijd tot tijd de vaart
+van alle zee&euml;n hebben, daar maken zij heden ten dage schrijfvilt
+van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit, en kunnen zij ons
+ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd ons voornaamste
+bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat men het van ons
+zoude leeren. Maar Minerva heeft al het volk behekst, ja behekst,
+vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven is. Er uit moet
+het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd, ik zoude het wel
+weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen zij het laatste
+woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar het beschonken
+volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet vermocht te
+waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal, en nadien de
+nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek op de burcht
+los. Doch Kalta miste al weder haar doel, want Minerva en hare maagden
+en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1431" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hierbij komt de geschiedenis van Jon.</h2>
+
+<p>Jon, J&ocirc;n, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan
+de uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het
+verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was
+zeekoning, geboren te Alderga, het Flymeer <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1436" href="#xd0e1436">93</a>]</span>uitgevaren met 127 schepen
+uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin,
+koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en
+konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch
+toen Jon hier kwam en zag, hoe Kalta onze roemrijke burgt verwoest had,
+toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op
+Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar
+door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden de lamp
+en de maagden gered; doch Syrhed of Kalta mochten zij niet vatten. Zij
+klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in de vlammen moest
+omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden stokstijf van schrik
+stonden, kwam zij schooner als te voren op haren klepper, hun
+toeroepende: naar Kalta
+&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;. Toen stroomde het
+andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij:
+wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende
+gesneuveld zijn.</p>
+
+<p>Te dier tijde was Rosamund, dat is Rosamuda Moeder; zij had veel in
+der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam, maakte
+zij korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en liet een
+algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landsverdedigers uit alle
+oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon bergde zich
+met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide lampen,
+benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk, de
+heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan de
+overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer en
+terstond daarna naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele van ons
+volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag, dat men hem
+en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok hij heimelijk.
+Hij deed terecht, want al onze eilanders en al het andere Schelde volk,
+die gevochten hadden, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1443" href=
+"#xd0e1443">95</a>]</span>werden naar Brittanje <span class="corr" id=
+"xd0e1445" title="Bron: gehracht">gebracht</span>. Deze stap was
+verkeerd, want nu kwam het begin van het einde.</p>
+
+<p>Kalta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op het
+land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia af<span
+class="corr" id="xd0e1450" title="Niet in bron">.</span> Toen kwamen de
+Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee naar Kadix varen en
+geheel ons buitenland langs en vielen op en over Brittannia, doch daar
+konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de bestuurders machtig en de
+bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam Kalta en sprak: gij zijt
+vrij geboren en om kleine gebreken heeft men u tot verworpenen gemaakt,
+niet om u te verbeteren, maar om tin te winnen door uwe handen. Wilt
+gij weer vrij wezen en onder mijn raad en hoede leven, trekt dan uit,
+wapenen zullen u gegeven worden en ik zal over u waken. Als bliksemvuur
+ging het over de landen, en eer des Kroders juul eens omgeloopen was,
+was zij meesteres over allen te zamen en de Thyriers van al onze
+zuiderstaten tot de Seine. Om dat Kalta haar zelve niet betrouwde, liet
+zij in het noordelijke bergland een burgt bouwen. Kaltasburch werd zij
+geheeten, zij is nog in wezen maar nu heet zij Kerenak. Van deze burgt
+uit heerschte zij als eene echte moeder, doch niet ter wille van, maar
+over hare volgelingen, die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen
+heerschten allengs over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat
+zij geen burgten meer hadden, anderdeels omdat zij daar geene
+burgtmaagden hadden en in de derde plaats omdat zij geene echte lamp
+hadden. Door al deze oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom
+en dwaas en werd eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd
+en ten laatste als een stier bij de neus omgeleid. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1453" href="#xd0e1453">97</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1455" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu willen wij schrijven hoe het Jon vergaan is. Het
+staat te Texland geschreven.</h2>
+
+<p>Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het
+Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen); en van
+hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven.</p>
+
+<p>Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hun
+overal vooruitgegaan, zoodat zij aan de kusten van het naastbijzijnde
+Krekaland (Italie) nergens veilig waren. Hij stak dus met zijne vloot
+naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie). Daar wilden de zwarte
+menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus, maar
+Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest door de
+priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk wij later
+hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben, die daar
+naar hun begrip van overlang was (?) hadden zij Teunis tot een God
+verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus achter den
+rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede rooven.
+Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet terug
+winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende Jon
+zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een land,
+dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond.</p>
+
+<p>Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of
+priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden
+beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet ruim
+genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te laf om
+verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en vaan,
+het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde scharen.
+Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste deel voegde
+zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij Jon. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1464" href="#xd0e1464">99</a>]</span>Jon
+nam de lamp van Kalta en hare maagden mede; Minerva behield hare eigene
+lamp en hare eigene maagden.</p>
+
+<p>Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige
+eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het woud
+tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden uit
+ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen, daarom
+zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische
+eilanden genoemd.</p>
+
+<p>Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika
+genoemd is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij
+onderhielden hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en
+honing. Zij waren met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen
+op de hellingen der bergen. Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers
+geheeten.</p>
+
+<p>In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet
+taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote
+vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten
+nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden
+helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne
+kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij
+eene burgt anderhalve paal (uurgaans) van de haven. Op raad van Minerva
+werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren te
+weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar als
+vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen de
+voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden, behaagde
+hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken, omdat zij
+dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde: hoe zijt gij
+wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoorden: sommige hebben wij gekocht,
+andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide: bijaldien niemand
+menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen rooven, en gij zoudt
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1472" href=
+"#xd0e1472">101</a>]</span>daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus
+onze bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten.</p>
+
+<p>Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar
+de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen, die
+wij nu van steen maken.</p>
+
+<p>Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva.</p>
+
+<p>Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om
+ijzeren burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig;
+doch zoo wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als
+zij daarin toegestemd hadden, vroegen die lieden of Fryas zeden te
+Athene en in de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder
+antwoorde: Indien de verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya
+behooren, zoo zullen zij daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe,
+dan zal er lang over gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog
+vijfduizend jaren met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor
+de vrijheid is.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1480" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit is over de Geertmannen.</h2>
+
+<p>Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich
+als of zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude,
+hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij geene
+andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden, dat er
+onder hare maagden geene zouden wezen, die zij zoo zouden kunnen
+vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar wij wilden
+Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve ons gezegd
+had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas geest. Daarom
+kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder.</p>
+
+<p>Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet
+mochten braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1487" href=
+"#xd0e1487">103</a>]</span>Minerva niet als eene Godin wilden bekennen
+uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel liefde had bewezen. Daarop
+gaven zij het volk beeldtenissen van hare gelijkenis, betuigende dat
+zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang zij gehoorzaam bleven. Door
+al deze verhalen werd het domme volk van ons afkeerig gemaakt, en ten
+laatsten vielen zij ons te lijf. Maar wij hadden onze steenen burgtwal
+met twee hoornen omgebogen tot aan de zee. Zij konden ons daarom niet
+genaken. Doch wat gebeurde, een Egyptenaar die een overpriester was,
+helder van oogen, klaar van brein, en verlicht van geest, zijn naam was
+Cecrops, hij kwam om raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met
+zijne lieden onze wal niet bestormen kon, toen zond hij boden naar
+Thyrus. Daarop kwamen driehonderd schepen vol soldaten van de wilde
+bergvolken onverwacht in onze haven varen, terwijl wij met al onze
+mannen op den wal strijdende waren.</p>
+
+<p>Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het
+dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje
+geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische
+zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij
+dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij zult
+uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden noch van
+verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te eischen, zij
+mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en dragende have, en
+hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der burgtheeren heel goed
+ziende, dat zij de burgt niet konden houden, raadden Geert aan, dat zij
+gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops woedend werd en anders <span
+class="corr" id="xd0e1491" title="Bron: bogon">begon</span> en drie
+maanden daarna, vertrok Geert met met de beste Fryaszonen en zeven maal
+twaalf schepen. Toen zij een poos buiten de haven waren, kwamen er wel
+dertig schepen van Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene
+gaan, doch als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen
+zij met Geert. De zeekoning der <span class="pagenum">[<a id="xd0e1494"
+href="#xd0e1494">105</a>]</span>Thyriers bracht allen te zamen door de
+straat, die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landen
+zij aan Pangab, dat is in onze spraak <span class="letterspaced">vijf
+wateren</span>, omdat vijf rivieren met elkander naar de zee
+toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat land hebben zij Geertmania
+genoemd. De koning van Thyrus later ziende, dat zijne allerbeste
+zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen met zijne wilde
+soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als zij bij de straat
+kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief aarde haar lijf daar
+zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep, en dat alle wadden en
+schorren als een burgtwal voor hen oprezen.</p>
+
+<p>Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen
+klaar en duidelijk zien kan.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1501" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">In het jaar 1005 nadat Atland gezonken is, is dit op
+de oosterwand van Frijasburgt geschreven.</h2>
+
+<p>Nadat wij in twaalf jaren tijd geen Krekalander te Almanland gezien
+hadden, kwamen hier drie schepen zoo sierlijk als wij er geen hadden,
+en te voren nimmer hadden gezien. Op het grootste van deze was een
+koning der Jonische eilanden; zijn naam was Ulysus en de roep zijner
+wijsheid groot. Aan dezen koning was door eene priesteres voorzegd dat
+hij koning zoude worden over alle Krekalanden, zoo hij raad wist om
+eene lamp te krijgen, die opgestoken was aan de lamp te Texland. Om die
+te verkrijgen had hij vele schatten medegebracht, bovenal vrouwen
+sieraden, gelijk er in de wereld niet schooner gemaakt werden. Zij
+waren afkomstig van Troje, eene stad, die de Krekalanders hadden <span
+class="corr" id="xd0e1506" title="Bron: inge-genomen">ingenomen</span>.
+Al deze schatten bood hij de Moeder aan; maar de Moeder wilde nergens
+van weten. Als hij ten laatsten zag, dat zij niet te winnen was, ging
+hij naar Walhallagara. Daar was eene burgtmaagd gezeten, wier naam was
+Kaat; doch <span class="pagenum">[<a id="xd0e1509" href=
+"#xd0e1509">107</a>]</span>in de wandeling werd zij Kalip genoemd,
+omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak. Bij deze heeft hij
+jaren vertoefd tot ergernis van allen die het wisten. Naar het zeggen
+der maagden heeft hij van haar ten laatste eene lamp gekregen; doch zij
+heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam, is zijn schip
+vergaan, en hij naakt en bloot opgenomen door de andere schepen.</p>
+
+<p>Van dezen koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver
+Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en hetgene hier
+volgt heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag
+besluiten, hoe waar de Moeder Hellicht gesproken heeft toen zij zeide
+dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de andere
+Krekalanders hebt gij zeker veel kwaad over Cecrops gehoord, want hij
+was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, hij was een verlicht man,
+hoogelijk geroemd, zoowel bij de inwoners als bij ons, want hij was er
+niet voor om de menschen te onderdrukken, gelijk de andere priesteren,
+maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid der ver afwonende volken
+naar waarde te schatten. Daarom, omdat hij dat wist heeft hij ons
+toegestaan, dat wij mochten leven naar ons eigenlijk Asegaboek. Er liep
+een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij geboren zoude wezen uit
+een Friesch meisje en een Egyptisch priester, uithoofde dat bij blauwe
+oogen had, en dat er vele meisjes bij ons geschaakt waren en verkocht
+naar Egypte. Doch zelf heeft hij dit nimmer bevestigd. Hoe het daarmede
+is, zeker is het dat hij ons meer vriendschap bewees, als alle andere
+priesteren te zamen. Maar toen hij gestorven was, gingen zijne
+opvolgers al spoedig aan onze wetten tornen, en allengs zoo vele
+ongeschikte keuren maken, dat er ten langen laatste van gelijkheid en
+van vrijheid niet anders, als de schijn en de naam overbleef. Verder
+wilden zij niet gedoogen dat de inzettingen in schrift werden gebracht,
+waardoor de wetenschap daarvan voor ons verborgen werd. Te voren werden
+alle zaken binnen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1513" href=
+"#xd0e1513">109</a>]</span>Athene in onze taal bepleit, naderhand moest
+het in beide talen geschieden, en ten laatste alleen in de landstaal.
+In de eerste jaren nam het manvolk te Athene enkel vrouwen van ons
+eigen geslacht, maar het jongvolk opgewassen met de meisjes der
+landzaten namen daar ook van. De basterd kinderen die daarvan kwamen,
+waren de schoonste en schranderste van de wereld, maar zij waren ook de
+slechtste. Hinkende over beide zijden, zich bekreunende noch om wet,
+noch om gewoonte, tenzij dat het was voor hun eigen belang. Alzoo lang
+er nog een straal van Fryas geest opwelde, werd al de bouwstof tot
+gemeene werken verarbeid, en niemand mocht een huis bouwen, dat ruimer
+en rijker was als dat van zijn buurman. Doch toen sommige verbasterde
+stedelingen rijk waren door onze zeevaart en door het zilver, dat de
+slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen zij buiten op de hellingen
+(der bergen) of in de dalen wonen. Aldaar achter hooge wallen van loof
+of van steen, bouwden zij hoven (paleizen) met kostbaar huisraad, en om
+bij de vuile priesteren in een goeden dunk te wezen, plaatsten zij daar
+op valsche goden gelijkende en ontuchtige beelden in. Bij de vuile
+priesteren en vorsten werden soms de knapen meer begeerd, als de
+dochteren, en vaak door rijke giften of door geweld van het pad der
+deugd afgeleid. Naardien rijkdom bij het verwende en verbasterde
+geslacht ver boven deugd en eere gold, zag men altemet knapen, die zich
+met wijde prachtige kleederen versierden, hunne ouders en de maagden
+tot schande en hunne sekse ten spot. Kwamen onze eenvoudige ouders te
+Athene op de algemeene volksvergadering, en wilden daar zich beklagen,
+dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar zal een zeegedrocht spreken. Zoo
+is Athene geworden, gelijk een moeras in de heete landen vol
+bloedzuigers, padden en vergiftige slangen, waarin geen mensch van
+strenge zeden zijn voet kan wagen. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1515" href="#xd0e1515">111</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1517" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit staat op al onze burgen.</h2>
+
+<p>Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat
+Atland was verzonken. Door Wodins dwaze dartelheid, was de Magy meester
+geworden over het oosterdeel van Schoonland<span class="corr" id=
+"xd0e1522" title="Niet in bron">.</span> Over de bergen en over de zee
+durfden zij niet komen. De Moeder wilde het niet weren, zij sprak
+zeggende: Ik zie geen gevaar in zijne wapenen, maar wel om de
+Schoonlanden weer te nemen, omdat zij verbasterd en verdorven zijn. Op
+de algemeene vergadering dacht men gelijkerwijze. Daarom is het aan hem
+gelaten. Groot honderd jaren geleden begonnen de Denemarkers met hun
+handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapenen, daarvoor ruilden zij
+gouden sieraden benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boden en
+raadde hun, zij zouden den ruilhandel laten varen. Daar was gevaar,
+zeide zij, voor hunne zeden, en indien zij hunne zeden verloren, dan
+zouden zij ook hunne vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden
+nergens ooren naar; zij wilden niet begrijpen, dat hunne zeden verloren
+konden gaan; daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste
+brachten zij hunne eigene wapenen en leeftocht zoek. Maar dit kwaad
+veroorzaakte hunne straf. Hunne ligchamen werden overladen met glans en
+schijn, maar hunne kisten, kasten en schuren werden ledig. Juist
+honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee
+gestoken was, kwam armoede en gebrek door de vensters binnen, honger
+spreidde zijne wieken uit en streek op het land neder, tweespalt liep
+trotsch over de straat, en voorts de huizen in, liefde kon geen steun
+langer vinden, en eendracht liep weg. Het kind vroeg eten van zijne
+moeder, en die had geene spijs, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen
+tot hunne mannen, deze gingen tot de graven, de graven hadden zelve
+niets, of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkoopen,
+maar terwijl de zeelieden daarmede <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1525" href="#xd0e1525">113</a>]</span>vertrokken waren, kwam de
+vorst en legde een plank neder op de zee en op de straat (de Sond).
+Toen de vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het
+land uit, en het verraad klom op zijn zetel. In plaats van de oevers te
+bewaken, spanden hij hunne paarden voor hunne sleden, en reden naar
+Schoonland. Doch de Schoonlanders, die begeerig waren naar het land
+hunner voorvaderen, kwamen naar de Denemarken. Op een heldere nacht
+kwamen zij alle. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land hunner
+voorvaderen, en terwijl men daarover streed, kwamen de Finnen in de
+verlatene dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en dat zij
+geene goede wapenen hadden, deed hun de strijd verliezen en daarmede de
+vrijheid, want de Magy werd meester. Dat kwam daar van daan, dat zij
+Fryas tex niet lazen en hare raadgevingen verwaarloosd hadden. Er zijn
+sommigen, die meenen, dat zij door de graven verraden zijn, en dat de
+maagden dat al lang bespeurd hadden. Doch zoodra iemand daarover
+spreken wilde, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketens. Wij kunnen
+daarover niet oordeel vellen, maar wij willen u toeroepen: Verlaat u
+niet te zeer op de wijsheid en deugd noch van uwe vorsten noch van uwe
+maagden; want zal het stand houden, dan moet iedereen waken over zijn
+eigene hartstochten en voor het algemeene welzijn.</p>
+
+<p>Twee jaren daarna kwam de Magy zelf met eene vloot van lichte booten
+om aan de Moeder van Texland de lamp te ontrooven. Deze booze daad
+bestond hij bij nacht in den winter bij stormweder, terwijl de wind
+gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter, die
+meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijne toorts. Zoodra als het licht
+van den toren op het ronddeel neder viel, zag hij dat reeds vele
+gewapende mannen over de burgtwal waren. Nu ging hij om de klok te
+luiden, doch het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren reeds twee
+duizend in de weer om de poort te rammeijen. De strijd duurde daarom
+kort, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1532" href=
+"#xd0e1532">115</a>]</span>want omdat de krijgslieden geene goede wacht
+gehouden hadden, kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten
+was, was er een leelijke Fin in de (fleete) of het slaapvertrek van de
+Moeder binnen geslopen, en wilde haar geweld aandoen. De Moeder weerde
+hem af, dat hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weder op de
+been was, stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wilt gij
+mijne roede niet, zoo zult gij mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een
+zeeman van de Denemarken, deze nam zijn zwaard en kloofde den Fin den
+kop. Daaruit stroomde zwart bloed en daarboven zweefde eene blaauwe
+vlam.</p>
+
+<p>De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen. Toen zij nu zoo
+verre hersteld en beter was, dat zij helder spreken konde, zeide de
+Magy, dat zij met hem mede varen moest, doch dat zij hare lamp en hare
+maagden zoude behouden, dat zij een staat zoude voeren, zoo hoog als
+zij nooit te voren gekend had. Voorts zeide hij, dat hij haar vragen
+zoude in tegenwoordigheid van zijne voornaamsten, of hij meester zoude
+worden over alle landen en volken van Frya. Hij zeide, dat zij dit
+bevestigen en verzekeren moest, anders zoude hij haar onder vele
+smarten laten sterven. Toen hij daarna alle zijne voornaamsten om haar
+leger vergaderd had, vroeg hij luide: Frana, vermits ge helderziende
+zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester zal worden over alle
+landen en volken van Frya. Frana deed, als sloeg zij geen acht op hem.
+Ten langen laatste opende zij hare lippen, en sprak: Mijne oogen worden
+verduisterd, doch het andere licht daagt op in mijne ziel. Ja, ik zie
+het. Hoor Irtha, en wees blijde met mij. In de tijden, dat Atland
+verzonken is, stond de eerste spaak van het Juul in top. Daarna is zij
+nedergegaan en onze vrijheid met haar. Als het twee spaken of twee
+duizend jaren nedergewenteld heeft, zullen de zonen opstaan, die de
+vorsten en priesteren in ontucht bij het volk geteeld hebben, en die
+tegen hunne vaderen getuigen. Die allen zullen door moord bezwijken;
+maar wat zij verkondigd hebben, zal voortdurend <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1536" href="#xd0e1536">117</a>]</span>blijven en vruchtbaar
+worden in den boezem der kloeke menschen, gelijk goede zaden die
+neergelegd worden in uwen schoot. Nog duizend jaren zal de spaak naar
+beneden dalen en al meer neder zijgen in de duisternis en in het bloed
+over u uitgestort door de lagen der vorsten en priesteren. Daarna zal
+het morgenrood weder aanvangen te gloren. Dit ziende zullen de valsche
+vorsten en priesters allen te zamen tegen de vrijheid kampen en
+worstelen; maar vrijheid, liefde en eendracht zullen het volk in hare
+hoede nemen, en met het juul uit de vuile poel rijzen. Het licht, dat
+eerst alleen gloorde, zal dan van lieverlede tot eene vlam worden. Het
+bloed der boozen zal over uw ligchaam stroomen, maar gij moogt het niet
+tot u nemen. Ten laatste zal het vergiftige gedierte daarop azen en
+daarvan sterven. Alle vuile geschiedenissen, die verzonnen zijn om de
+vorsten en priesteren te roemen, zullen aan de vlam geofferd worden.
+Voortaan zullen alle uwe kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken
+had, zeeg zij neder. Maar de Magy, die haar niet wel verstaan had,
+schreeuwde: ik heb u gevraagd of ik meester zoude worden over alle
+landen en volken van Frya, en nu hebt gij tot een ander gesproken.
+Frana richtte zich weder op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven
+etmalen om zijn, zal uwe ziel met de nachtvogels bij de graven rond
+waren, en uw lijk zal liggen op den bodem van de zee. Heel goed, zeide
+de Magy met verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij
+tot zijn gerigtsdienaars: werpt dat wijf over scheepsboord. Zoo was het
+einde van de laatste der Moeders. Wraak willen wij daarover niet
+roepen, die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij
+Frya na roepen: waak! waak! waak!</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1538" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hoe het den Magy verder gegaan is.</h2>
+
+<p>Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar
+zijn schip brengen, benevens allen inboedel, <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1543" href="#xd0e1543">119</a>]</span>die hem behaagde.
+Vervolgens ging hij het Flymeer op, want hij wilde de maagd van
+Medeasblik of van Stavoren rooven, en die tot Moeder aanstellen. Doch
+daar waren zij op hunne hoede gebracht. De zeelieden van Staveren en
+Alderga hadden zich gaarne tot Jon begeven, maar de groote vloot was op
+eene verre tocht uit. Nu gingen zij heen en voeren met hunne kleine
+vloot naar Medeasblik en hielden zich schuil achter de luwte der
+boomen. De Magy naderde Medeasblik, bij helderen dag en schijnende zon.
+Evenwel gingen zijne manschappen stoutweg op de burgt aanstormen. Maar
+als al het volk met de booten geland was, kwamen onze zeelieden uit de
+kreek weg en schoten hunne pijlen met brandende terpentijnballen op
+zijne vloot. Zij waren zoo goed gericht, dat vele van zijne schepen
+terstond in brand waren. Die op de schepen de wacht hielden, schoten
+ook naar ons, doch zij raakten niets. Toen ten laatste een schip al
+brandende naar het schip van den Magy dreef, beval hij zijn stuurman af
+te houden; maar die stuurman was de Denemarker, die den Fin geveld had;
+deze zeide: gij hebt onze Eeremoeder naar den bodem van de zee gezonden
+om te melden, dat gij komen zoudt, dat zoudt gij door de drukte wel
+vergeten; nu wil ik zorgen, dat gij uw woord gestand doet. De Magy
+wilde hem afweren, maar de stuurman een echte Fries en sterk als een
+jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem over boord in de
+golvende zee. Vervolgens heesch hij zijn bruin schild in top en voer
+recht toe recht aan naar onze vloot. Daardoor kwamen de maagden
+ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan, en niemand wist, hoe het
+gekomen was. Toen zij op de onvernielde schepen hoorden, dat de Magy
+verdronken was, trokken zij weg, want de zeelieden daarvan waren meest
+Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, <span class="corr" id=
+"xd0e1545" title="Bron: wenden">wendden</span> onze zeelieden en
+schoten hunne brandpijlen op de Finnen af. Toen de Finnen dat zagen en
+hoe zij verraden waren, liep alles door elkander en er was langer geen
+gehoorzaamheid noch bevel. Op dat tijdstip liep de bezetting hen uit
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1548" href=
+"#xd0e1548">121</a>]</span>de burgt. Die niet vluchtte werd afgemaakt
+en die vluchtte vond zijn einde in de poelen van het Krylinger
+woud.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1550" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Naschrift.</h2>
+
+<p>Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren
+onder hun, die zeide Medea mag wel lachen, als wij haar uit hare burgt
+redden. Daarom hebben de maagden die Kreek <span class="letterspaced">
+Medea m&ecirc;ilakkia</span> genoemd. De gebeurtenissen, die daarna
+geschied zijn, mogen iedereen heugen. De maagden behooren die op hare
+wijze te verhalen en goed te laten beschrijven. Daarom rekenen wij
+hiermede onzen arbeid volbracht. Heil.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Einde van het
+Boek.</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e1562" href=
+"#xd0e1562">123</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1564" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">De schriften van Adelbrost en Apollonia.</h2>
+
+<p>Mijn naam is Adelbrost, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk
+ben ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit
+boek vervolgen, op zoodanige wijze als mijne moeder gesproken
+heeft.</p>
+
+<p>Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest er
+eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare
+opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te
+vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en
+wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksamarken paalt. Mijne
+moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het
+leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen,
+nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder van
+haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder
+behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt, en
+even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief heb
+boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet wezen. Zoo
+sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden wilden alle
+Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd en wilde
+niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk dus bandeloos.
+Uit het volgende moogt gij het begrijpen. Liudgert de koning die
+onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder gekozen, blijkbaar
+door alle staten met liefde en vertrouwen. Het was zijne beurt op het
+groote hof te Dokhem te wonen; en bij het leven der Moeder, werd hem
+daar groote eer bewezen; want het was er altijd zoo vol boden en
+ridders, als men er nooit te voren gezien had. Doch nu was hij eenzaam
+en verlaten; <span class="pagenum">[<a id="xd0e1571" href=
+"#xd0e1571">125</a>]</span>want iedereen was bevreesd, dat hij zich
+meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk de
+slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed, als
+hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den
+ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde
+op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten
+haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde er
+eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene maagd
+ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten voordeele
+van haar eigen staat. Door dusdanige ranken brachten zij tweespalt over
+de staten, en tornden zij den band zoodanig van een, dat het volk van
+de eene staat nijdig was op het volk van de andere staat, en voor het
+allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg daarvan is
+geweest, dat de Golen of Truwenden al ons land afgewonnen hebben tot
+aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het hierbij toegegaan
+is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het boek niet geschreven
+geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb, dat het helpen zal ten
+bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat ik daardoor het land zal
+winnen of behouden, dat is mijns achtens ondoenlijk. Ik schrijf alleen
+voor het nakomende geslacht, opdat zij al te zamen mogen weten, op
+hoedanige wijze wij verloren gingen, en opdat ieder daaruit leeren mag,
+dat alle kwaad zijne straf teelt.</p>
+
+<p>Mij heeft men Apollonia genoemd. Twee&euml;ndertig dagen na moeders
+dood, heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf,
+zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader, die
+ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere broeder,
+van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar heeft hij eene
+burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om daar ons leed te wreken. Wralda
+heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf zonen gewonnen.
+Die alle brengen den Magy schrik <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1575" href="#xd0e1575">127</a>]</span>en mijn broeder roem aan. Na
+den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten van onze
+landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten, Adelbond
+geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij mij en mijn
+jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de maagden en
+mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud was, heeft
+men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig was, werd
+hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder de zesde,
+maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne
+nakomelingen niet <span class="letterspaced">overa Linda</span> achter
+hunne namen voeren; maar iedereen wilde het hebben ter eere van mijne
+moeder. Daarenboven heeft men ons ook een afschrift gegeven van <span
+class="letterspaced">het boek van Adela&rsquo;s aanhangers</span>.
+Daarmede ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid
+kwam het in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften
+gevonden, ook lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter
+schrijven.</p>
+
+<p>Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest
+is op deze burgt. Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten
+overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift
+was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene
+vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd
+Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne
+Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij
+Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van waar
+meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund was,
+opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt zeer te
+hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet sluiten
+noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan, dat gij haar
+zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig, zoo is zij te
+voren hier Burgtmaagd geweest; <span class="pagenum">[<a id="xd0e1585"
+href="#xd0e1585">129</a>]</span>is zij daarom wijzer en beter als ik en
+alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden en gewoonten? Was dat
+het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden zijn, toen zij daartoe
+gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk hebben met alle vreugde
+en genoegens, die daaraan verbonden zijn, in plaats van eenzaam over
+haar zelve en het volk te waken. Zij is zeer helderziende, goed, maar
+mijne oogen zijn verre van verduisterd te wezen. Ik heb gezien dat zij
+haren echtgenoot grootelijks bemint, nu goed, dat is loffelijk, maar ik
+heb verder gezien, dat Teuntje Apols nicht is. Wijders wil ik niets
+zeggen.</p>
+
+<p>De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar onder
+het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier kwam,
+wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden
+ge&euml;indigd: de messen uit den zak gehaald, en er werd geene Moeder
+gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot nu
+toe was hij braaf geweest, daarom had mijne burgtmaagd verlof hem
+buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar
+het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts
+naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde haar
+aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer, zij
+zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij
+meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin van
+Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder geworden.
+Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar bode zijne
+krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft haar bode zelf
+beleden.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1589" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het tweede geschrift.</h2>
+
+<p>Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was het
+Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1594" href="#xd0e1594">131</a>]</span>lustige
+vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na te
+jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid niet mag
+verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel onze oorden in
+dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de waakzaamheid wilde
+niet terugkeeren. De strandwakers waren van hunne noodvuren
+weggeloopen, en op de toegangen was niemand te zien. Toen de nevel
+optrok, keek de zon door de reeten der wolken op aarde neder. Iedereen
+kwam weder uit om te juichen en te joelen, het jongvolk trok zingende
+met de (zakpijp?), en deze vervulde de lucht <span class="corr" id=
+"xd0e1596" title="Bron: me t">met</span> haar lieffelijken adem. Maar,
+terwijl daar iedereen zich in vreugde baadde, was verraad geland met
+paarden en ruiters; gelijk al het booze waren zij geholpen door de
+duisternis, en binnengeslopen door de paden van Lindaswoud. Voor de
+deur van Adela trokken twaalf meisjes met twaalf lammeren en twaalf
+knapen met twaalf hokkelingen, een jonge Saksman bereed een wilden
+buffel, dien hij zelf gevangen en getemd had. Met allerlei bloemen
+waren zij versierd, en de linnen jurken der meisjes waren omboord met
+goud uit den Rijn.</p>
+
+<p>Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op
+haar hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken
+boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier
+vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep
+Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en
+haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar
+binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees
+waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste der
+roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den tweede
+en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne ouders
+hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De roovers
+zouden hen spoedig gevangen genomen <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1601" href="#xd0e1601">133</a>]</span>hebben, maar Adela kwam (op
+de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was zij
+lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over haar
+hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras.</p>
+
+<p>Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden geveld
+en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem getroffen.
+Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en daaraan
+stierf zij.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1605" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">De lofspraak der burgtmaagd.</h2>
+
+<p>Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere
+zijn op weg.</p>
+
+<p>Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.</p>
+
+<p>Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste
+geweest.</p>
+
+<p>O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare
+tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij hare
+schoonheid verhoogen? Niet met parelen, want hare tanden zijn witter;
+niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met
+edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch te
+gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat spreek
+ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya die zeven
+schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene, hoogstens drie
+ge&euml;rfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch zoude zij ons
+dierbaar wezen.</p>
+
+<p>Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van
+onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog
+grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.</p>
+
+<p>Zie hier, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op
+gindschen grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde
+en de moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij,
+roept zij, tracht hulp te verleenen, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1620" href="#xd0e1620">135</a>]</span>en Wralda zal u krachten
+geven. Daarop ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht
+eene brug te maken; nu helpt ook de andere en de kinderen zijn
+gered.</p>
+
+<p>Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen ne&ecirc;rleggen.</p>
+
+<p>Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden
+mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat de
+onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat zij
+onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een spinrok
+vast. De uitheemsche heeren kwamen hunne lieden opeischen; toen zij
+zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op; doch men
+verhaalde hun, hoe het gebeurd was.</p>
+
+<p>Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip
+van haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten
+voor de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid
+hooren.</p>
+
+<p>Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt, is
+moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden
+gegrift.</p>
+
+<div class="blockquote">
+<p>LOOP NIET TE SCHIELIJK, WANT HIER LIGT ADELA.</p>
+</div>
+
+<p>De oude leer, die gegrift is op de buitenwand des burgttorens, is
+niet geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten
+is, weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil
+ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1636" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Oudste leer.</h2>
+
+<p>Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1641" href="#xd0e1641">137</a>]</span>zal
+het zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is
+het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda is
+alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal
+tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest
+genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door
+zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen
+en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde,
+alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want
+alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda
+komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is
+hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem.</p>
+
+<p>Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het
+geschapene, en er zijn geene goede wetten, of zij moeten daarnaar
+ingericht zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der
+menschen is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid of
+domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda nimmer.
+Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft, zijn de
+boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid te vinden,
+noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele dingen zien;
+maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen leeren,
+maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen
+ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen zijn
+mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen beminnen
+en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is Wralda alleen
+goed, en er zijn geene goeden buiten hem. Met het Juul verandert en
+wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen onveranderlijk.
+Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1645" href="#xd0e1645">139</a>]</span>en omdat
+hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1647" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het tweede deel van de oudste leer.</h2>
+
+<p>Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid
+zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden
+doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest
+het beste deel is van Wralda&rsquo;s geest, en dat Wralda alleen kan
+denken door hulp van hun brein.</p>
+
+<p>Dat ieder schepsel een deel is van Wralda&rsquo;s oneindig wezen,
+dat hebben zij van ons gestolen.</p>
+
+<p>Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid
+heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan
+zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want hun
+geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij
+naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon
+de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo
+hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen
+allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat
+daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en
+ge&euml;erd willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen
+en schatting eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf
+godsdienaren of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en
+vergaderen dat alles voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te
+behouden. Dat alles bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij
+zich zelven goden wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn
+er sommigen die hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden
+zij door hunne rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met
+vele statelijke plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in
+trouwe, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1656" href=
+"#xd0e1656">141</a>]</span>alleen opdat zij hun niet schaden zouden.
+Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen tegen hunne afgodische leer,
+zoo behooren de maagden hen te doen van buiten leeren, wat hier zal
+volgen.</p>
+
+<p>Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij wezen.
+Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets buiten
+hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle dingen
+geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze zaken
+moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat zij het
+aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre gewonnen, dan
+zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo zijn wij een deel
+van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het geschapene. Doch
+wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen geest en al onze
+bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit alles zijn vluchtige
+dingen, die door Wraldas leven verschijnen; doch door zijne wijsheid
+zoodanig en niet anders verschijnen. Maar doordien zijn leven steeds
+voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne plaats blijven. Daarom
+verwisselen alle geschapene dingen van plaats, van gedaante en ook van
+denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch eenig schepsel zeggen: ik
+ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch zeggen: ik denk, maar bloot:
+ik dacht. De knaap is grooter en anders als toen hij een kind was. Hij
+heeft andere begeerten, neigingen en denkwijze. De man en vader is en
+denkt anders als toen hij knaap was. Even zoo de oude van dagen. Dat
+weet iedereen. Bijaldien nu iedereen weet, en moet erkennen, dat hij
+steeds wisselt, zoo moet hij ook bekennen, dat hij ieder oogenblik
+wisselt; ook terwijl hij zegt: ik ben; en dat zijne denkbeelden
+veranderen, terwijl hij zegt: ik denk.</p>
+
+<p>In plaats dus, van dat wij de boose Finda&rsquo;s op eene onwaardige
+wijze napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel
+Wraldas, ja door ons alleen mag hij denken, <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1662" href="#xd0e1662">143</a>]</span>zoo willen wij
+verkondigen <span class="corr" id="xd0e1664" title="Bron: overalen">
+overal en</span> allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn
+verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot:
+doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo
+goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda&rsquo;s
+geest, hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep,
+heeft hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele
+goede eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en
+zijne wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen
+wij spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene
+zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden nog
+redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe en
+door vloed.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1667" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit staat op schrijffilt geschreven. Taal en
+antwoord aan andere maagden tot een voorbeeld.</h2>
+
+<p>Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te
+Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda
+gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte
+Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan,
+zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het
+kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide:
+toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed tegen
+de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand, die haar
+hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in haar gemoed
+neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich; hare neiging
+koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder de beschuttende
+lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was, dat zij nat werd.
+Doch zij had gezien, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1672" href=
+"#xd0e1672">145</a>]</span>hoe het water bij de hellende bladeren
+neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden, op staken
+maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen daaronder. Nu
+had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij heen en maakte
+eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde en vervolgens
+aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als te voren, en
+blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda, noch tegen
+Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen daarop.
+Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben, zoo beduidde
+zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze handelden en
+dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen gekomen met
+stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde tegen de
+zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en vervolgens
+al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest, dan moet gij
+trachten het andere beter te maken. Mijn huis was sterk genoeg, zeide
+hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd en de stormwind heeft het
+andere gedaan. Waar stond uw huis dan, vroeg Troost. Aan den oever van
+den Rijn, antwoordde de man. Stond het dan niet op eene nol (ronde
+hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen, zeide de man, mijn huis stond
+eenzaam bij den oever; alleen heb ik het gebouwd, maar ik kon daar
+alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel, antwoordde Troost, de
+maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw leven een afkeer gehad
+van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven of doen moest voor hun.
+Doch daarmede kan men niet verre komen. Want Wralda die mild is, keert
+hem af van de gierigen. F&aring;sta heeft ons geraden en boven de
+deuren van alle onze burgten is &rsquo;t gegrift in steen: zijt ge erg
+baatzuchtig, zeide F&aring;sta, behoed <span class="corr" id="xd0e1674"
+title="Bron: van">dan</span> uwe naasten, onderricht dan uwe naasten,
+help dan uwe naasten, zoo zullen zij het u wederom doen. Is u deze raad
+niet goed genoeg, ik weet geene betere voor u. De man werd schaamrood
+en droop stil af. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1677" href=
+"#xd0e1677">147</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1679" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu wil ik zelf schrijven, eerst over mijne burgt en
+dan over hetgene ik heb mogen zien.</h2>
+
+<p>Mijne burgt ligt aan &rsquo;t noordeinde van de Liudgaarde. De toren
+heeft zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een
+klein huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde
+van den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven
+voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van
+hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is
+een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed
+driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden, dan
+ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de zuidelijke
+huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre, daarvan moeten
+de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de noordelijke huizen is
+alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn vol koorn en andere
+benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor de maagden, om school
+te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is de woning der
+Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van den toren zijn
+gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de Tex gegrift. Aan
+de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan de linkerzijde de
+wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere zijden. Tegen den
+dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven en de meelmolen door
+vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is de plaats, waarop de
+burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk daaromheen is een uur
+groot, niet een zeemans, maar een zonne uur, waarvan tweemaal twaalf in
+een etmaal gaan. Aan de binnenzijde van den dijk is een plat, vijf voet
+beneden de kruin. Daarop zijn drie honderd kraanbogen, gedekt met hout
+en leder. Behalve de huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1684" href=
+"#xd0e1684">149</a>]</span>dijk nog drie maal twaalf noodhuizen voor de
+omwoners. Het veld dient tot kamp en tot weide. Aan de zuidzijde van de
+buitenste ringdijk is de Liudgaarde omtuind door het groote Lindenwoud.
+Hare gedaante is driehoekig, met de breede zijde naar buiten, opdat de
+zon daarin mag zien. Want daar zijn vele buitenlandsche boomen en
+bloemen, door de zeevaarders medegebracht. Gelijk de gedaante van onze
+burgt is, zoo zijn alle andere; doch onze burgt is de grootste; maar de
+allergrootste is die van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog,
+dat hij de wolken tornt, en in evenredigheid van den toren is al het
+overige.</p>
+
+<p>Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken
+bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij
+huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest,
+dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne
+zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest, dan
+mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan.</p>
+
+<p>De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De
+grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde,
+kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen,
+benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De
+Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij
+de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij
+door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie oude
+maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis is
+langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen oever
+benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de
+menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat
+daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te
+winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen
+waren <span class="pagenum">[<a id="xd0e1690" href=
+"#xd0e1690">151</a>]</span>er meer geweest, maar sedert wij Schoonland
+misten, zijn zij naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar
+zij ijzer van maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik
+Marsaten gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren
+wonen. Hunne huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild
+gedierte en booze menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte
+afgrijselijke leeuwen. En zij zijn de naburen of aangrenzenden van de
+heinde Krekalanden, der Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle
+begeerig naar roof en buit. De Marsaten generen zich met visschen en
+jagen. De huiden worden door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors
+van berken. De kleine huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te
+Fryasburgt zeide ons, dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch
+had ik haar niet vooraf hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat
+zij geen Fryas volk waren, maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er
+uit. Hunne vachten en kruiden werden door de Rijnbewoners verhandeld en
+door de schippers buiten gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn
+was het eveneens tot aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of
+mare. Op deze vliet waren ook menschen, die huizen op palen hadden.
+Doch dat was geen Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen,
+die gediend hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te
+helpen. Zij moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok.</p>
+
+<p>Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat de
+Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns,
+wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden
+medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote
+vliet <span class="corr" id="xd0e1694" title="Bron: omzoond">
+omzoomd</span> met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In
+die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei verf.
+Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1697" href=
+"#xd0e1697">153</a>]</span>gelijk de zon. De schilden van den zeekoning
+en den schout bij nacht waren met goud omboord. Van uit die vliet was
+eene gracht gegraven van daar voortloopende langs de burgt Forana en
+voorts met eene enge mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en
+het Fly de ingang. Aan beide zijden der gracht zijn schoone huizen met
+helder blinkende verwen geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene
+hagen omheind. Ik heb daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen,
+als of het schrijffilt was. Even als te Staveren waren de meisjes met
+gouden kroonen op hare hoofden en met ringen om de armen en voeten
+gesierd. Zuidwaarts van Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of
+vliet, daarin ligt een eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine
+menschen verwijlen, even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana
+zeide mij, dat de burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te
+leeren, wat echte vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren
+te leven om zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die
+hooren wilde en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij
+volleerd was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken,
+en om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de
+burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien,
+als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de
+Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes
+daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt
+gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en
+hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar
+van daan is &rsquo;t gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de
+vrouwen overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag
+of schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk
+op zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een
+dier, dat hij geveld <span class="pagenum">[<a id="xd0e1699" href=
+"#xd0e1699">155</a>]</span>heeft. En eindelijk, daarvan daan is het
+gekomen, dat zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even
+dom zijn als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de
+Twisklanders, met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee
+geschapen. Alle onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het
+Findasvolk zullen elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen
+bevolken. In het heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de
+bovenlanders deel hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u
+een raad geven. Laat het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare
+vrijers te vragen, eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld
+rondgevaren? wat kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en
+over verwonende volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige
+knapen tot ons komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen
+geen behoefte langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de
+maagden, die bij mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te
+huis kwamen, heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand
+is zij daar Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat
+heden ten dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Einde van Apollonias
+boek.</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e1705" href=
+"#xd0e1705">157</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1707" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">De geschriften van Fr&ecirc;thorik en Wiljow.</h2>
+
+<p>Mijn naam is Fr&ecirc;thorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen
+over de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is
+een nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgaarda, waarvan de
+naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel had
+ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen gemeld.
+Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek schrijven, de
+goede menschen tot eere, de slechten tot oneer.</p>
+
+<p>In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze
+tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes terug
+gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze
+landpalen gevonden.</p>
+
+<p>Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt
+strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende over
+de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de kin. Nu
+werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de beelden
+eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de burgt. Een
+grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen, zeide ik.
+Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders mag het u niet
+getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver leeren. Acht jaren
+later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht had bedreven en dat
+sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden met den Magy. En vele
+menschen waren op hunne zijde. Overal kwam tweespalt. Er waren
+kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In &rsquo;t geheim <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1716" href=
+"#xd0e1716">159</a>]</span>werden de brave menschen vermoord. Het oude
+vrouwtje, dat alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel.
+Mijn vader, die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd
+hij in zijn huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder
+strijd. De Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten
+alle goede menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de
+anderen. De Magy verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem
+toonen, dat zij geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige
+schoot, waaruit zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen
+schudt, nadat het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo
+schudde Irtha hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden
+gespreid. De zee kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij
+gespuwd hadden, slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang
+van Arnemaand (oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder,
+al lager en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken
+van Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren,
+werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst in
+de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank
+(ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind uit
+het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen
+springvloed kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam
+en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne of Minnemaand
+(bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met
+eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De
+wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was,
+was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield,
+en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik
+een steen; <span class="pagenum">[<a id="xd0e1718" href=
+"#xd0e1718">161</a>]</span>onze schrijver had daar zijn naam ingegrift;
+dat was mij een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was
+het ook met de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de
+aarde, en in de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht
+op Texland werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts
+gelegen had, was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan
+dezen oever van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute
+plassen gekomen, ontstaan door de wouden, die met grond en al weg
+gedreven waren. Te Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga
+dwars door het land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden
+en ander varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met
+magen en bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van
+Lydasburgt en Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten
+zuidwaarts dreven, hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand
+kwam om ze op te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De
+menschen die terug kwamen, gingen alle binnen de ringdijken der burgten
+wonen, omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude
+huizen werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en
+schapen, en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd
+waren, werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit
+geschiedde 1888 jaren nadat Atland verzonken was.</p>
+
+<p>In 282 jaren hadden wij geene Eeremoeder gehad en nu alles misschien
+verloren scheen, ging men eene kiezen. Het lot viel op Gosa toegenaamd
+Makonta. Zij was Burgtmaagd op Fryasburgt te Texland. Helder van hoofd
+en klaar van zin, heel goed, en omdat hare burgt alleen gespaard was,
+zag iedereen daaruit hare roeping. Tien jaren later kwamen de zeelieden
+van Forana en van Lydasburgt. Zij wilden de zwarte mannen met vrouw en
+kinderen uit het land drijven. Daarover wilden zij de raad der Moeder
+inwinnen. Maar Gosa <span class="pagenum">[<a id="xd0e1722" href=
+"#xd0e1722">163</a>]</span>vroeg: kunt gij een en ander terug voeren
+naar hunne landen, dan behoort gij spoed te maken, anders zullen zij
+hunne bloedverwanten niet weder vinden. Neen, zeiden zij. Toen zeide
+Gosa: Zij hebben uw zout geproefd en uw brood gegeten. Hun lijf en
+leven hebben zij onder uwe hoede gesteld. Gij moet uw eigen hart
+onderzoeken. Maar ik wil u een raad geven. Houdt hen tot dat gij in
+staat zijt om hen weder naar huis te voeren. Maar houdt hen bij uwe
+burgten daar buiten. Waakt over hunne zeden, en onderwijs hen alsof zij
+Fryas zonen waren. Hunne vrouwen zijn hier de sterkste. Als rook zal
+hun bloed vervliegen, tot er ten laatsten niets anders dan Fryas bloed
+in hunne nakomelingen zal overblijven. Zoo zijn zij hier gebleven. Nu
+wenschte ik wel dat mijne nakomelingen daar op letten, in hoeverre Gosa
+waarheid sprak.&mdash;Toen onze landen weder te begaan waren, kwamen er
+benden arme Saxmannen en vrouwen naar de oorden van Staveren en het
+Alderga, om gouden en andere sieraden te zoeken uit de drassige bodem.
+Doch de zeelieden wilden hen niet toelaten. Toen gingen zij de ledige
+dorpen bewonen te West Flyland, om hun lijf te behouden.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1724" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu wil ik schrijven hoe de Geertmannen en vele
+volgelingen van Helenia terug kwamen.</h2>
+
+<p>Twee jaren nadat Gosa moeder werd, kwam er eene vloot het Flymeer in
+vallen. Het volk riep ho.n.s&ecirc;en. (welk een zegen!) Zij voeren
+naar Staveren, daar riepen zij nog eenmaal. De banieren waren in top en
+des nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad was,
+roeiden sommige met eene snik de haven in, zij riepen weder hoezee.
+Toen zij landden, wipte een jong kerel op den wal. In zijne handen had
+hij een schild, daarop was brood en zout gelegd. Na hem kwam een
+grijze; hij zeide wij komen van <span class="pagenum">[<a id="xd0e1729"
+href="#xd0e1729">165</a>]</span>de verre Krekalanden weg, om onze zeden
+te bewaren. Nu wenschten wij, dat gij zoo vriendelijk zoudt wezen, om
+ons zoo veel land te geven, dat wij daarop mogen wonen. Hij vertelde
+eene heele geschiedenis, die ik hierna beter beschrijven wil. De
+grijzen wisten niet wat te doen, zij zonden boden allerwege, ook tot
+mij. Ik ging heen en zeide: nu wij eene Moeder hebben, behooren wij
+haar raad te vragen. Ik zelf ging mede. De Moeder, die alles reeds
+wist, zeide: laat hen komen, zoo mogen zij ons land helpen behouden:
+maar laat hen niet op &eacute;&eacute;ne plek blijven, opdat zij niet
+machtig worden over ons. Wij deden gelijk zij gezegd had. Dat was heel
+naar hun zin. Fryso bleef met zijne lieden te Staveren dat zij weder
+tot eene zeestad maakten, zoo goed zij konden. Wichhirte ging met zijne
+lieden oostwaarts naar de Emude. Sommige der Joniers, die meenden dat
+zij van het Alderga volk gesproten waren, gingen daarheen. Een klein
+deel, die waanden, dat hunne voorvaderen van de Zeven eilanden weg
+kwamen, gingen heen en zetten zich neder binnen den ringdijk van de
+burgt Walhallagara. Liudgert de schout bij nacht van Wichhirte werd
+mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn dagboek heb ik de
+geschiedenis die hier achter zal volgen.</p>
+
+<p>Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren
+gezeten waren, terwijl onze zeestrijders alle zee&euml;n bevoeren, die
+er te vinden waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van
+boven langs den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem
+wederstaan. Doch wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten
+ons met al onze have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk
+eene groote vloot hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat
+hij alle dorpen aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug
+komen. Wichhirte lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij
+gewacht, tot dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam
+sprekende; doch hij bedroog gelijk <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1733" href="#xd0e1733">167</a>]</span>hij vroeger gedaan had.
+Wichhirte antwoordde: o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen
+allerwege, wij hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol
+eerbied jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij
+anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven niet
+worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen sterven,
+want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide: ik wil uw
+land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne slaven. Ik wil
+alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil ik zweeren bij ons
+beider goden, dat niemand over mij ontevreden zal zijn. Toen Alexander
+naderhand brood en zout met hem deelde, heeft Wichhirte het wijste deel
+gekozen. Hij liet de schepen halen door zijn zoon. Toen zij alle terug
+waren, heeft Alexander die alle gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk
+naar den heiligen Ganges voeren, dien hij te land niet had kunnen
+genaken. Nu ging hij toe en koos al degene uit zijn volk en zijne
+soldaten, die gewoon waren over zee te varen. Wichhirte was weder ziek
+geworden, daarom ging ik alleen mede en Nearchus van des konings wege.
+De tocht liep zonder voordeel ten einde, uithoofde de Joniers altijd in
+onmin waren tegen de Pheniciers, zoodat Nearchus zelf er geen meester
+over blijven kon. Intusschen had de koning niet stil gezeten. Hij had
+zijne soldaten boomen laten kappen en tot planken maken. Met hulp van
+onze timmerlieden had hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf
+zeekoning worden, en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de
+soldaten die uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij
+hoorden, dat zij moesten, staken zij de timmerschuren in den brand.
+Daardoor werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij
+dat Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen.
+Maar Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk
+laten ombrengen. Maar Nearchus, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1735"
+href="#xd0e1735">169</a>]</span>die niet alleen zijn eerste vorst, maar
+ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij zich als
+of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij durfde zijn
+tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer hij dat deed,
+liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra hij dat wist,
+liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw dorp te maken.
+Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen te temmen en om
+eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen mede nemen. Als
+wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten wij daar eene
+plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even gaarne
+toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen waren,
+liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn ander
+volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land, dat
+Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze
+voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen.</p>
+
+<p>Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven,
+die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten wij
+Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie
+dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen,
+ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch
+hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij
+zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van
+de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen
+kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat
+vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds
+uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen,
+medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen
+(touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche
+zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1739" href="#xd0e1739">171</a>]</span>ons raar toe; maar Nearchus
+verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat
+hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij
+zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij
+moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen, dat
+wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen waren.
+Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was, werd hij
+zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen, Irtha ten spot.
+Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij in den wijn en in
+zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na zijn dood, werd het
+rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk een deel voor zijne
+zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk wilde zijn deel
+behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog en wij konden niet
+terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden nederzetten aan de
+kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij zeiden het liever
+te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen bracht hij ons naar de
+nieuwe haven van Athene, waar alle echte Fryaskinderen voormaals heen
+getogen waren. Voorts gingen wij soldaten, leeftocht en wapenen voeren.
+Onder de vele vorsten had Nearchus een vriend met name Antigonus. Deze
+streden beide om &eacute;&eacute;n doel, gelijk zij zeiden, als
+helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle Grieksche
+landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had onder vele
+anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd de
+stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar een
+geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot van
+Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst, die heerschte over
+Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten,
+maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit
+vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed,
+door zijne blanke huid met blauwe oogen en <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1741" href="#xd0e1741">173</a>]</span>wit haar. Naderhand ging
+Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten en
+leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de
+oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij in de
+haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso, die koning
+was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis, zoo bijster
+frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo wonderschoon
+als niemand heugen mocht. De roep daarvan ging over alle Krekalanden en
+kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en onzedelijk, en
+hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter openlijk
+schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen de
+schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij
+zoethart. De schippers noemen hunne wijven troost en fro of frow, dat
+is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren man
+niet durfde opwachten, ging zij met haren zoon naar Demetrius, en
+smeekte, dat hij haar hare dochter weer zoude geven. Maar als Demetrius
+haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en deed met hem
+eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de moeder zond hij
+een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen zij thuis kwam werd
+zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat: (roepende) hebt gij
+mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij u eene schuilplaats
+zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat ik zijne kinderen verloren
+heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso weer thuis was, zond hij een bode
+tot hem zeggende, dat hij zijne kinderen tot zich genomen had om hen te
+voeren tot eene hoogen staat, en om hem te beloonen voor zijne
+diensten. Maar Friso, die trotsch en hartstochtig was, zond een bode
+met een brief naar zijne kinderen, daarin vermaande hij hen, zij zouden
+Demetrius te wille zijn, vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode
+had nog een anderen brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te
+nemen; want, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1743" href=
+"#xd0e1743">175</a>]</span>zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam
+verontreinigd, dat zal u niet toegerekend worden, doch indien gij uwe
+ziel verontreinigt, zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen
+zullen dan over de aarde omwaren, zonder het licht te mogen zien;
+gelijk de vleermuizen en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe
+holen schuilen en des nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen
+en huilen, dewijl Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen
+deden gelijk hun vader hun bevolen had. De bode liet hunne lijken in de
+zee werpen, en aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu
+wilde Friso met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger
+geweest was; maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen
+en schoot het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon
+en durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren;
+behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij
+waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap.</p>
+
+<p>Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging
+hij met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand
+in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen
+zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval
+ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene breede
+linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts gebood hij,
+dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en aan den
+achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al vluchtende te
+vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden vijand te
+vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl wij daarmede
+reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg tot schrik van de
+lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven hadden, dan die ons
+vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand dus niet door roeijen
+ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1747" href="#xd0e1747">177</a>]</span>zoo deed. En Friso, die
+het vatte, liet spoedig de brandpijlen op de kraanbogen leggen. Tevens
+gebood hij dat niemand schieten mogt, voor dat hij geschoten had.
+Daarop zeide hij, dat wij alle naar het middelste schip moesten
+schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij, dan zullen de andere hem
+te hulp komen, dan moet ieder schieten, zoo hij best kan. Toen wij nu
+ander half ketting (kabelslengte) van hen af waren, begonnen de
+Pheniciers te schieten, maar Friso beantwoordde dat niet voor dat de
+eerste pijl op zes vademen van zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de
+anderen volgden, het geleek wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met
+den wind medegingen, bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de
+derde laag. Alle mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer
+tegenstanders waren zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen
+Friso meende, dat het wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden
+ons weg. Doch na dat wij twee dagen voort gesukkeld hadden, kwam er
+eene andere vloot in &rsquo;t gezicht van dertig schepen, die ons
+steeds inwon. Friso liet ons weer klaar maken; maar de anderen zonden
+eene lichte snik met roeijers bemand vooruit. Hunne boden baden uit
+aller naam, of zij met ons mede varen mogten. Zij waren Joniers. Door
+Demetrius waren zij gewelddadig naar de oude haven gestuurd; daar
+hadden zij van dit gevecht gehoord; nu hadden zij het stoute zwaard
+aangegord, en waren ons gevolgd. Friso, die veel met Joniers gevaren
+had, zeide ja; maar <span class="corr" id="xd0e1749" title="Bron:
+Wichirte">Wichhirte</span> onze koning zeide neen. De Joniers zijn
+afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb gehoord hoe zij die aanriepen.
+Friso zeide, dat komt door den omgang met de echte Krekalanders. Dat
+heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben <span class="corr" id="xd0e1752"
+title="Bron: is">ik</span> zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was
+de man, die ons naar Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers
+mede. Ook scheen het naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden
+verloopen waren, gingen wij langs Brittania, en drie dagen later
+mochten wij hoezee roepen. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1755"
+href="#xd0e1755">179</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1757" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit geschrift is mij over Noordland of Schoonland
+gegeven.</h2>
+
+<p>Ten tijde dat ons land neder zonk, was ik in Schoonland. Daar ging
+het zoo toe. Er waren groote meeren, die van den bodem als een blaas
+uitzetten, dan spleten zij vaneen, uit de scheuren kwam eene stof,
+alsof het gloeijend ijzer was. Er waren bergen, wier kruinen
+aftuimelden, deze stortten neder en vernielden wouden en dorpen. Ik
+zelf zag, dat een berg van een ander werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij
+neder. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen de
+aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindasburgt met zijn volk en
+eene maagd, die alom uitriep: de Magy is schuldig aan al het leed, dat
+wij geleden hebben. Zij trokken steeds voort en het heer werd al
+grooter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk, hij had zich zelf
+omgebracht. Toen werden de Finnen verdreven naar &eacute;&eacute;ne
+plaats, daar mochten zij leven. Er waren ook van gemengd bloed, deze
+mochten blijven, doch velen gingen met de Finnen mede. De hertog werd
+tot koning gekozen. De kerken, die heel gebleven waren, werden
+vernield. Sedert dien tijd komen de goede Noormannen dikwijls op
+Texland om raad van de Moeder. Doch wij kunnen hen niet voor rechte
+Friezen meer houden. In de Dennemarken is het zeker gegaan, als bij
+ons. De zeelieden, die zich zelven stoutelijk zeekampers noemen, zijn
+op hunne schepen gegaan, en naderhand zijn zij terug getrokken.</p>
+
+<p class="aligncenter">HEIL!</p>
+
+<p>Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de
+nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen
+medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor wil ik
+waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik gezien
+heb. Over de <span class="pagenum">[<a id="xd0e1766" href=
+"#xd0e1766">181</a>]</span>Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen.
+Ik heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb, zijn
+zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik niet zeggen
+van de anderen. Die van de Krekalanden weg komen, zijn kwaad ter taal,
+en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben bruine oogen en
+haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door bijgeloovigheid.
+Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop, die het laatst komen
+moesten. Tegen <span class="letterspaced">&acirc;ld</span> zeggen zij
+<span class="letterspaced">&acirc;d</span>, tegen <span class=
+"letterspaced">s&acirc;lt</span>, <span class="letterspaced">
+s&acirc;t</span>, <span class="letterspaced">ma</span> voor <span
+class="letterspaced">man</span>, <span class="letterspaced">sol</span>
+voor <span class="letterspaced">skil</span>, <span class=
+"letterspaced">sode</span> voor <span class="letterspaced">
+skolde</span>, te veel om te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge
+en verkorte namen, waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers
+spreken beter, doch zij verzwijgen de <i>h</i>, en waar die niet wezen
+moet, wordt zij uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een
+afgestorvene en het gelijkt, dan gelooven zij, dat de geest des
+overledene daarin vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van
+Frya, F&acirc;sta, Medea, Thiania, Hellenia en vele andere. Wordt er
+een kind geboren, dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot
+Frya, dat zij hare dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen.
+Als zij gebeden hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren.
+Begint het kind te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een
+kwaad teeken, en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven
+heeft. Daarvan heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen,
+dan is dat een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in
+den slaap, dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd.
+Vervolgens gelooven zij aan booze geesten, heksen, kollen,
+aardmannetjes en elfen, alsof zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil
+ik eindigen en nu meen ik, dat ik meer geschreven heb, als een mijner
+voorvaderen. Frethorik.</p>
+
+<p>Frethorik mijn echtgenoot is drieenzestig jaren oud geworden. Sints
+honderd en acht jaren is hij de eerste van zijn geslacht, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1803" href="#xd0e1803">183</a>]</span>die
+vreedzaam gestorven is; alle anderen zijn onder de slagen bezweken,
+daarom dat allen kampten met eigen volk en vreemden om recht en
+plicht.</p>
+
+<p>Mijn naam is Wiljo, ik ben de maagd, die met hem uit de Saksenmarken
+naar huis voer. Door taal en omgang kwam het uit, dat wij alle beide
+van Adelas geslacht waren; toen ontstond liefde en daarna zijn wij man
+en vrouw geworden. Hij heeft mij vijf kinderen nagelaten, twee zonen en
+drie dochters. Konereed, zoo heet mijne oudste, Hachgana mijn tweede,
+mijne oudste dochter heet Adela, de tweede Frulik en de jongste Nocht.
+Toen ik naar de Saksenmarken voer, heb ik drie boeken gered, het boek
+der zangen, het boek der verhalen en het <span class="corr" id=
+"xd0e1807" title="Bron: Helenia">Hellenia</span> boek. Ik schrijf dit,
+opdat men niet moge denken, dat zij van Apollonia zijn; ik heb daar
+veel verdriet over gehad, nu wil dus de eere ook hebben. Ook heb ik
+meer gedaan; toen Gosa-Makonta gestorven is, wier goedheid en
+helderziendheid tot een spreekwoord geworden is, toen ben ik alleen
+naar Texland gegaan, om de schriften over te schrijven, die zij
+nagelaten had, en toen de laatste wil gevonden is van Frana, en de
+nagelaten schriften van Adela of Hellenia heb ik dat nog eens gedaan.
+Dit zijn de schriften van Hellenia. Ik heb ze voorop geplaatst, omdat
+zij de alleroudsten zijn.</p>
+
+<p class="aligncenter">ALLE ECHTE FRIESEN HEIL!</p>
+
+<p>In oude tijden wisten de Slavonische volken niet van vrijheid.
+Gelijk ossen werden zij onder het juk gebracht. Zij werden in de
+ingewanden der aarde gejaagd om metaal te delven, en uit de harde
+bergen moesten zij huizen houwen, tot woningen voor vorsten en
+priesters. Bij alles wat zij deden was niets voor hun zelven, maar
+alles moest dienen, om de vorsten en priesteren nog rijker en
+geweldiger te maken, om zich te verzadigen. Onder dezen arbeid werden
+zij <span class="pagenum">[<a id="xd0e1814" href=
+"#xd0e1814">185</a>]</span>grijs en stram eer zij oud waren en stierven
+zonder genot, ofschoon de aarde dat overvloedig veel geeft ter bate van
+al hare kinderen. Maar onze weggeloopenen en ballingen kwamen door
+Twiskland over in hunne marken trekken, en onze zeelieden kwamen in
+hunne havens. Van deze hoorden zij spreken over gelijke vrijheid en
+recht en over wetten, waar niemand buiten kan. Dit alles werd door de
+droeve menschen ingezogen als dauw door de dorre velden. Toen zij vol
+daar van waren, begonnen de stoutmoedigsten te klippen met hunne
+ketenen, zoodat het den vorsten wee deed. De vorsten zijn trotsch en
+krijgshaftig, daarom is er ook nog deugd in hunne harten, zij
+raadpleegden te zamen, en deelden iets mede van hunnen overvloed. Maar
+de laffe schijnvrome priesters konden dat niet dulden, onder hunne
+verdichte goden hadden zij ook booze wreede gedrochten geschapen. De
+pest kwam over het land, toen zeiden zij dat de goden toornig waren
+over de overheersching der boozen. Toen werden de stoutmoedigste
+menschen met hunne ketenen gewurgd. De aarde heeft hun bloed gedronken,
+met dat bloed voedde zij vruchten en koorn en al die daarvan aten
+werden wijs.</p>
+
+<p>Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken, en te dier tijde
+gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had.</p>
+
+<p>In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte die
+geheeten is Kasamyr, dat is, zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren,
+zijne moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een
+opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen bloed
+verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme menschen.
+Intusschen was den knaap (toen hij grooter werd) niets verheeld
+geworden; daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en te
+vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles begreep, wat hij
+zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de priesters
+werden beangst voor zijne vragen. Toen hij meerderjarig werd, ging hij
+naar zijne <span class="pagenum">[<a id="xd0e1820" href=
+"#xd0e1820">187</a>]</span>ouders. Zij moesten harde dingen hooren; om
+hem kwijt te worden, gaven zij hem een overvloed van edelgesteenten;
+maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met
+droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij
+omdwalen. Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die als
+slaaf diende, van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij kocht
+hem vrij, en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven. Alom waar hij
+voorts henen trok, leerde hij aan de menschen dat zij noch rijken noch
+priesters moesten toelaten; dat zij zich moesten hoeden tegen de
+valsche schaamte, die allerwegen kwaad doet aan de liefde. De aarde,
+zeide hij, schenkt hare gaven naarmate men hare huid krabt, dat men
+daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaijen, zoo men daarvan
+maaijen wil. Doch, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor een
+ander, zoo het niet met gemeene wil of uit liefde geschiedt. Hij leerde
+dat niemand in hare ingewanden mocht wroeten om goud of zilver of
+edelgesteenten, waar nijd aan kleeft en liefde van vliedt. Om uwe
+meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft haar de rivier water
+genoeg. Niemand, zeide hij, is machtig alle menschen tevens rijkdom en
+gelijk geluk te geven; doch het is aller menschen plicht om de menschen
+alzoo tevens rijk te maken en zooveel genoegen te geven als te bereiken
+is. Geene wetenschap, zeide hij, mag men minachten, doch
+rechtvaardigheid, is de grootste wetenschap, die de tijd ons leeren
+mag. Daarom, dat zij ergernis van de aarde weert, en de liefde
+voedt.</p>
+
+<p>Zijn eerste naam was Jessos, doch de priesters, die hem zeer
+haatten, heetten hem Fo, dat is valsch, het volk heette hem Krishna,
+dat is herder, en zijn Friesche vriend noemde hem Buddha (buidel),
+omdat hij in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een
+schat van liefde.</p>
+
+<p>Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesteren, maar
+overal waar hij kwam was zijne leer hem vooruitgegaan, en overal waar
+hij ging volgden hem zijne vijanden <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1826" href="#xd0e1826">189</a>]</span>als zijne schaduw. Toen
+Jessos zoo twaalf jaren rondgereisd had, stierf hij, maar zijne
+vrienden bewaarden zijne leer en verkondigden die, waar zij ooren
+vond.</p>
+
+<p>Wat meent gij nu dat de priesters deden? dat moet ik u melden; ook
+moet gij er zeer acht op geven, voorts moet gij waken voor hun bedrijf
+en ranken met alle krachten, die Wralda in u gelegd heeft. Terwijl de
+leer van Jessos over de aarde zich uitbreidde, gingen de valsche
+priesters naar het land zijner geboorte, om zijn dood bekend te maken;
+zij zeiden dat zij van zijne vrienden waren, zij veinsden eene groote
+droefheid door hunne kleederen in stukken te scheuren en hun hoofd kaal
+te scheeren. Zij gingen in de holen der bergen wonen, doch hierin
+hadden zij hunne schatten gebracht, daar binnen maakten zij beelden van
+Jessos. Deze beelden gaven ze aan de onergdenkende lieden; ten langen
+laatste zeiden zij dat Jessos een godheid was, dat hij zelf dit aan hun
+had beleden, en dat allen die aan hem en zijne leer gelooven wilden,
+hiernamaals in zijn koningrijk zouden komen, waar vreugde is en
+genietingen zijn. Vermits zij wisten dat Jessos tegen de rijken was te
+velde getrokken, verkondigden zij allerwegen, dat armoede lijden en
+eenvoudig zijn de deur was om in zijn rijk te komen, dat degene die op
+aarde het meeste geleden hadden, hier namaals de meeste vreugde hebben
+zouden. Ofschoon zij wisten, dat Jessos geleerd had, dat men zijne
+hartstochten overmeesteren en besturen moest, zoo leerden zij dat men
+alle zijne hartstochten dooden moest en dat de volkomenheid des
+menschen daarin bestond, dat hij even gevoelloos werd als de koude
+steen. Ten einde nu het volk wijs te maken, dat zij zelve zoo deden,
+veinsden zij armoede op straat, en om voorts te bewijzen, dat zij al
+hunne zinnelijke lusten gedood hadden, namen zij geene vrouwen. Doch
+zoo ergens eene jonge dochter een misstap gedaan had, werd haar dat
+spoedig vergeven; de zwakken, zeiden zij, moest men helpen, en om zijne
+eigene <span class="pagenum">[<a id="xd0e1830" href=
+"#xd0e1830">191</a>]</span>ziel te behouden, moest men veel aan de kerk
+geven. Dusdoende hadden zij vrouw en kinderen zonder huishouding, en
+werden zij rijk zonder werken; maar het volk werd veel armer en meer
+ellendig als ooit te voren. Deze leer, waarbij de priesters geen andere
+wetenschap noodig hebben, als bedriegelijk te redeneren, een vrome
+schijn en ongerechtigheden, breidde zich zelve van &rsquo;t oosten naar
+het westen, en zal ook over ons land komen.</p>
+
+<p>Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya en
+van Jessos leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden
+menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en
+voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk
+bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas bloed.
+Deze zullen hunne fakkels en het licht buiten brengen, zoodat alle man
+de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der
+priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het
+recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen,
+maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Findas volk zal
+zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lydas volk zijne
+krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters
+weggevaagd worden van de aarde; Wraldas geest zal alom en allerwege
+ge&euml;erd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang
+in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene
+andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij
+algemeene wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en de <span class=
+"corr" id="xd0e1834" title="Bron: Irhta">Irtha</span> zal hare gaven
+alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal aanvangen
+vierduizend jaren nadat Atland verzonken is, en duizend jaren later zal
+er langer geen priester noch dwang op aarde zijn.</p>
+
+<p>Dela toegenaamd Hellenia, waak! <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1839" href="#xd0e1839">193</a>]</span></p>
+
+<p>Zoo luidde Franas uiterste wil. Alle edele Friesen, heil! In den
+naam van Wralda, van Frya en der vrijheid groet ik u, en bid u zoo ik
+sterven mocht, eer ik eene opvolgster benoemd heb, dan beveel ik u
+Teuntja aan, die Burgtmaagd is op de burgt Medeasblik, tot op heden is
+zij de beste.</p>
+
+<p>Dit heeft G&ocirc;sa nagelaten. Alle menschen heil. Ik heb geene
+Eeremoeder benoemd, omdat ik geene wist, en omdat het u beter is geene
+Moeder te hebben, dan eene waarop gij u niet verlaten kunt. Een booze
+tijd is voorbijgegaan, maar daar komt nog een andere. Irtha heeft hem
+niet gebaard, en Wralda heeft hem niet beschoren. Hij komt uit het
+oosten, uit den boezem der priesteren weg. Zoo veel leed zal hij
+broeden, dat Irtha het bloed niet zal kunnen drinken van hare
+verslagene kinderen. Duisternis zal hij over den geest der menschen
+spreiden, gelijk onweerswolken over het zonnelicht. Alom en allerwege
+zullen list en bedrog met vrijheid en recht kampen. Vrijheid en recht
+zullen bezwijken en wij met haar. Maar deze winst zal haar verlies
+uitwerken. Van drie woorden zullen onze nakomelingen aan hunne lieden
+en slaven de beteekenis leeren. Zij zijn <span class="letterspaced">
+algemeene liefde</span>, <span class="letterspaced">vrijheid</span> en
+<span class="letterspaced">recht</span>. In het eerst zullen zij
+schitteren, daarna met duisternis kampen, totdat het helder en klaar
+wordt in ieders hart en hoofd. Dan zal de dwang van de aarde geveegd
+worden, gelijk de donderwolken door den stormwind, en alle bedrog zal
+niets meer daar tegen vermogen. G&ocirc;sa. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1853" href="#xd0e1853">195</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1855" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het geschrift van Koner&ecirc;d.</h2>
+
+<p>Mijne voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit
+wil ik bovenal doen, omdat in mijne staat geene burgt overig is, waarin
+de gebeurtenissen opgeschreven worden gelijk te voren. Mijn naam is
+Konereed (Koenraad), mijn vaders naam was Frethorik, mijne moeders naam
+was Wiliow. Na mijn vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen. Toen
+ik vijftig jaren telde, koos men mij tot opperste Grevetman. Mijn vader
+heeft geschreven, hoe de Lindaoorden en de Liudgaarden verwoest zijn.
+Lindahem is nog weg, de Lindaoorden voor een deel, de noordelijke
+Liudgaarden zijn door de zoute zee bedolven. Het bruissende zeewater
+slikt aan den ringdijk der burgt. Gelijk mijn vader vermeld heeft, zijn
+de van have beroofde menschen heengegaan en hebben huisjes gebouwd
+binnen den ringdijk der burgt, daarom is dat ronddeel nu Liudwerd
+geheeten. De zeelieden zeggen Liuwerd, maar dat is wanspraak. In mijne
+jeugd was het andere land, dat buiten den ringdijk ligt, alles poel en
+broek. Maar Fryas volk is wakker en vlijtig, zij werden moede noch mat,
+omdat hun doel ten beste geleidde. Door slooten te delven en kadijken
+te maken van de aarde die uit de slooten kwam, hebben wij weder een
+goede hemrik buiten den ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef,
+drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts
+gemeten. Heden ten dage zijn wij bezig waterpalen te heijen om eene
+haven te maken en meteen om onzen ringdijk te beschermen. Als het werk
+gereed is, zullen wij zeelieden uitlokken. In mijne jeugd stond het er
+hier raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen die in
+reijen staan. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1860" href=
+"#xd0e1860">197</a>]</span>Leken en gebreken, die met de armoede waren
+ingeslopen, zijn door vlijt uitgedreven<span class="corr" id="xd0e1862"
+title="Niet in bron">.</span> Hier uit kan iedereen leeren, dat Wralda,
+onze Alvader, alle zijne schepselen voedt, mits dat zij moed houden en
+elkanderen willen helpen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1865" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu wil ik over Friso schrijven.</h2>
+
+<p>Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot
+opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanden. Hij spotte met
+onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft hij eene
+school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de wijze der
+Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om het jongvolk
+aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar heen gezonden,
+dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij geene Moeder langer
+hebben, om den een tegen den ander te beschermen, behoor ik dubbel te
+waken, opdat hij niet meester over ons wordt.</p>
+
+<p>Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen
+oordeel vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die
+meenen, dat zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa
+gestorven was, wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder
+kiezen. Maar Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te
+maken, Friso begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden
+der Landsaten tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was
+verziende geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij
+geen licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen
+moed gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen
+die twijfelachtig was daar heeft zij kwaad ingezien: daarom heeft zij
+in hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben
+als eene, op welke gij u niet verlaten kunt. Friso had veel gezien, hij
+was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1872" href="#xd0e1872">199</a>]</span>listen der Golen en
+vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig had
+om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe hij
+daarmede is te werk gegaan.</p>
+
+<p>Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van
+Wilfr&ecirc;the, die bij zijn leven opperste Graaf te Stavoren geweest
+was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door zijn
+beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder
+uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helia
+geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch verbonden.
+Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van Wichhirte den
+koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed Friesch en moet
+Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer medegebracht, als
+goede zeden.</p>
+
+<p>Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren.</p>
+
+<p>Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele
+Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij
+Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust,
+en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens geen menschen in het
+gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar hunnen naam
+hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen wel vele
+Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich
+zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan
+waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze
+schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen
+gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen of
+geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van de
+Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan de
+zuidwestelijke hoek van Schoonland, aldaar ligt Lindasburgt, toegenaamd
+Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek geschreven
+staat. Alle kustbewoners <span class="pagenum">[<a id="xd0e1880" href=
+"#xd0e1880">201</a>]</span>en ommelanders waren daar echt Friesch
+gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en tegen de
+Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen; maar dat
+zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders hadden vele
+verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de booze Magyaren,
+Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich zelven rooven, maar
+als het te pas kwam, dan stonden zij malkander getrouwelijk bij. Doch
+ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek te krijgen aan goede schepen.
+Hunne scheepmakers waren omgekomen, en hunne wouden waren met grond en
+al van het land weggevaagd. Nu kwamen er onverwacht drie schepen bij
+den ringdijk van onze burgt voor anker. Door de inbraken van onze
+landen waren zij verdwaald en den Flymond misgevaren. De koopman die
+mede gegaan was, wilde van ons nieuwe schepen hebben, daartoe hadden
+zij allerlei kostelijke waren medegebracht, die zij geroofd hadden van
+de Kaltanarlanden en van de Pheniciers schepen. Nadien wij zelve geene
+schepen hadden, gaf ik hun flinke paarden en vier gewapende renboden
+mede naar Friso. Want te Staveren en langs het Alderga, daar werden de
+beste oorlogschepen gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting
+in komt. Terwijl de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen
+Jutten naar Texland gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De
+Zeelanders hadden vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten
+op hunne banken roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze
+kinderen te verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren,
+doordien zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld
+hadden, en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten
+laatste, of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja,
+antwoordden zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist
+gelijk uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen
+wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch
+burgtwapenen, om de roofschepen er uit <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1882" href="#xd0e1882">203</a>]</span>te houden. Dan moest gij er
+eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten; maar wij
+hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn
+visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge
+landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden met
+de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten, hoe Friso
+allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen en ten bate van
+zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij, zij zouden jaarlijks
+vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en voor vaste gelden,
+toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en met volle tuig, gelijk
+het voor krijgsschepen noodig en nuttig is; maar de Jutten zouden zij
+dan met vrede laten, en al het volk, dat tot Fryaskinderen behoorde.
+Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze zeekampers uitnoodigen, dat
+zij mede zouden vechten en rooven. Toen de Zeelanders vertrokken waren,
+liet hij veertig oude schepen beladen met burgtwapenen, hout,
+hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren, en smeden om daarmede
+burgten te bouwen. Witto, dat is <span class="letterspaced">
+witte</span>, zijn zoon, zond hij mede om toe te zien. Wat er al is
+voorgevallen, is mij niet gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk
+geworden, dat aan beide zijden van den havenmond eene versterkte burgt
+gebouwd is, en daarin is volk gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken
+trok. Witto heeft Siuchthirte bevrijd en tot zijne vrouw genomen.
+Wilhem, zoo heette haar vader, hij was opperste Olderman der Jutten,
+dat is opperste Grevetman of Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en
+Witto is in zijne plaats gekozen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1887" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Wat Friso verder deed.</h2>
+
+<p>Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer
+kloek waren. Hetto, dat is <span class="letterspaced">heete</span>, den
+jongste zond hij als zendbode naar Kattaburgt, <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1895" href="#xd0e1895">205</a>]</span>dat diep in de
+Saksenmarken ligt. Hij had van Friso medegekregen zeven paarden,
+behalve zijn eigen, beladen met kostbare zaken door de zeekampers
+geroofd. Bij ieder paard waren twee jonge zeekampers en twee jonge
+ruiters met rijke kleederen gekleed, en met geld in hunne buidels.
+Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt zond, zoo zond hij Bruno, dat is
+<span class="letterspaced">bruine</span>, den anderen zwager naar
+Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda
+forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede
+hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en
+vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de
+gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven
+met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze
+boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle
+geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten, en
+op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu
+gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij
+goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden,
+dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog
+vorstelijker vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn
+getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand
+kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar het
+Flymeer afzakken. De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare
+vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom
+spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar
+babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan
+zijne zaak. Zij zeiden allomme: wij hebben langer geene Moeder meer,
+maar dat komt daar vandaan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig past
+ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de Moeders
+verloren hebben door hare onvoorzichtigheid. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1900" href="#xd0e1900">207</a>]</span>Verder spraken zij: Aan
+ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten hooren, voor
+dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst, maar als het zoover
+komen mogt, dat gij u weder een koning kiest, dan wil ik ook mijne
+meening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is Friso daartoe door
+Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier heen geleid. Friso
+kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt, hij kan dus tegen
+hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog te houden: welken
+graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de anderen daar
+wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de jonge maagden
+gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal, tapten hunne
+redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en tot iedereen:
+Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen, des nachts spant
+hij zijne netten naar alle zijden en des daags verschalkt hij daarin
+zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat hij geene priesteren noch
+vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg, hij mag niemand lijden dan hem
+zelven. Daarom wil hij niet gedogen, dat de burgt Stavia weder
+opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder we&ecirc;r hebben. Vandaag
+is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw koning worden, opdat hij
+over u allen rechten mag. In den boezem des volks ontstonden nu twee
+partijen. De ouden en armen wilden nu weder eene Moeder hebben, maar
+het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde een Vader of koning hebben.
+De eersten noemden zich Moederszonen, en de anderen noemden zich
+Vaderszonen; maar de Moederszonen werden niet geteld; want omdat er
+vele schepen gemaakt werden, was hier overvloed voor de scheepmakers,
+smeden, zeilmakers, reepmakers en voor alle andere ambachtslieden.
+Daarenboven brachten de zeekampers allerhande sieraden mede. Daarvan
+hadden de vrouwen genoegen, de maagden genoegen, de meisjes genoegen,
+en daarvan hadden alle hunne bloedverwanten genoegen, en alle hunne
+goede kennissen en vrienden. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1902"
+href="#xd0e1902">209</a>]</span></p>
+
+<p>Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden,
+stierf hij. Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot
+malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet
+bevestigen. Van alle Graven, die voor hem waren, was er niemand zoo
+befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge
+maagden spraken zijn lof, terwijl de oude vrouwen alles deden om hem te
+laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de
+oude vrouwen hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij
+hadden met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven is
+zonder dat hij koning was.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1905" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu wil ik schrijven over zijn zoon adel.</h2>
+
+<p>Friso die onze geschiedenis had leeren kennen uit het boek der
+Adelingen, had alles gedaan om hunne vriendschap te winnen. Zijn
+eersten zoon, dien hij hier won bij zijne vrouw Swethirte heeft hij
+terstond Adel genoemd. En ofschoon hij kampte met al zijne macht, om
+geene burgten te herstellen noch op te bouwen, zond hij toch Adel naar
+de burgt te Texland, opdat hij hoe eer hoe beter bekend worden mocht
+met alles wat tot onze wetten, taal en zeden behoort. Toen Adel twintig
+jaren telde, liet Friso hem naar zijn eigen school komen, en toen hij
+daar volleerd was, liet hij hem door alle staten reizen. Adel was een
+beminnenswaardige jongman; op zijne reizen heeft hij vele vrienden
+gewonnen, daardoor is het gekomen, dat het volk hem Atharik
+(vriendenrijk) genoemd heeft, iets dat hem naderhand zoo wel te pas is
+gekomen, want toen zijn vader gestorven was, bleef hij in zijne plaats,
+zonder dat er over het kiezen van een anderen Graaf sprake kwam.
+Terwijl Adel te Texland in de leer was, bevond zich aldaar tevens eene
+heel lieve maagd op de burgt. Zij kwam uit de Saksenmarken weg, uit de
+staat die genoemd is Suobaland, daarom werd zij te Texland <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1910" href="#xd0e1910">211</a>]</span>Suobene
+genoemd, ofschoon haar naam Ifkja was. Adel had haar lief gekregen, en
+zij had Adel lief; maar zijn vader verzocht hem, dat hij nog wat
+wachten zoude. Adel was gehoorzaam, maar zoodra zijn vader gestorven
+was en hij gezeten, zond hij terstond boden naar Berthold haren vader
+(met verzoek) of hij zijne dochter tot vrouw mogt hebben. Berthold was
+een vorst van onverbasterde zeden, hij had Ifkja naar Texland in de
+leer gezonden in de hoop, dat zij eens tot burgtmaagd zoude gekozen
+worden in zijn land. Doch hij had hun beider begeerte leeren kennen,
+daarom ging hij heen en gaf hun zijnen zegen. Ifkja was eene flinke
+Friesin. Voor zoo verre ik haar heb leeren kennen, heeft zij steeds
+gewerkt en gewroet, opdat Fryaskinderen weder mochten komen onder
+dezelfde wet en onder eenen bond. Om de menschen op hare zijde te
+krijgen, was zij met haren echtgenoot van haren vader door alle
+Saksenmarken gereisd en voorts naar Geertmannia. Geertmannia, zoo
+hadden de Geertmannen hunne staat geheeten, die zij door Gosas
+bemoeijing gekregen hadden. Daarop gingen zij naar de Denemarken. Van
+de Denemarken gingen zij te scheep naar Texland. Van Texland gingen zij
+naar Westflyland en zoo langs de zee naar Walhallagara. Van
+Walhallagara vertrokken zij langs den Zuiderrijn (de Waal), totdat zij
+met groote vrees boven den Rijn bij de Marsaten kwamen, waarvan onze
+Apollonia geschreven heeft. Toen zij hier eene wijle geweest waren,
+gingen zij weer naar de laagte. Als zij nu een tijdlang naar de laagte
+afgevaren waren, totdat zij in de streek van de oude burgt Aken kwamen,
+zijn er onverhoeds vier knechten vermoord en naakt uitgekleed. Zij
+waren een weinig achteraan gekomen. Mijn broeder, die overal bij was,
+had hun vaak verboden, doch zij hadden niet geluisterd. De moordenaars
+die dat gedaan hadden, waren Twisklanders, die heden ten dage stoutweg
+over den Rijn komen te moorden en te rooven. De Twisklanders, dat zijn
+gebannen en weggeloopen Fryaskinderen, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1912" href="#xd0e1912">213</a>]</span>maar hunne vrouwen hebben
+zij van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een bruin Findasvolk,
+aldus genoemd, omdat zij alle volken ten strijde uittarten. Zij zijn
+allen ruiters en roovers. Daar van daan zijn de Twisklanders evenzoo
+bloeddorstig geworden. De Twisklanders, welke die boosheid bedreven
+hadden, noemden zich zelven Frijen of Franken. Er waren, zeide mijn
+broeder, roode, bruine en witte onder. Die, welke rood of bruin waren,
+beten hun haar met kalkwater wit. Naardien echter hunne aangezichten
+bruin bleven, werden zij des te leelijker daardoor. Even als Apollonia
+beschouwden zij naderhand Lydasburgt en het Alderga. Daarna trokken zij
+over Staverens oorden bij hunne lieden rond. Zij hadden zich zoo
+beminnelijk aangesteld, dat de menschen hen allerwege houden wilden.
+Drie maanden later zond Adel boden naar alle vrienden die hij gewonnen
+had en liet hun verzoeken, dat zij in de Minnemaand wijze lieden tot
+hem zouden zenden,<a class="pseudonoteref" href="#n212.2">6</a> <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1917" href="#xd0e1917">215</a>]</span></p>
+
+<p>zijne vrouw, zeide hij, die maagd geweest was te Texland had daarvan
+een afschrift gekregen. Te Texland, worden nog vele geschriften
+gevonden, die niet in het boek der Adelingen overgeschreven zijn. Van
+deze schriften had Gosa een bij haar uiterste wil gelegd, &rsquo;t welk
+door de oudste maagd Albetha openbaar gemaakt moest worden, zoodra
+Friso gestorven was.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1920" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hier is dit geschrift met Gosas raad.</h2>
+
+<p>Toen Wralda kinderen gaf aan de moeders van het menschelijk
+geslacht, toen legde hij &eacute;&eacute;ne taal in aller tongen en op
+aller lippen. Dit geschenk had Wralda aan de menschen gegeven, opdat
+zij elkander daarmede mochten kenbaar maken, wat men vermijden moet en
+wat men najagen moet om zaligheid te vinden en zaligheid te houden in
+alle eeuwigheid. Wralda is wijs en goed en alles voorziende. Naardien
+hij nu wist, dat geluk en zaligheid van de aarde moet vlieden, als de
+boosheid de deugd bedriegen kan, zoo heeft hij aan de taal eene
+regtvaardige eigenschap verbonden. Deze eigenschap is hierin gelegen,
+dat men daarmede geen leugen zeggen, noch bedriegelijke woorden spreken
+kan zonder stamelen, noch zonder blozen, waardoor men de boozen van
+harte terstond onderkennen kan. Naardien dus onze taal tot geluk en
+zaligheid den weg baant, en dus mede waakt tegen de booze neigingen,
+daarom is zij met alle recht godestaal (de taal des goeds) genoemd, en
+alle degene, die haar in eere houden, hebben daar eere van. Doch wat is
+er gebeurd. Zoodra er onder onze halfzusteren en halfbroederen
+bedriegers opkwamen, die zich zelf voor dienaren des goeds uitgaven, is
+dat weldra anders geworden. De bedriegelijke priesters en de
+boosaardige vorsten, die altijd te zamen heulden, wilden naar willekeur
+leven en buiten de wetten des goeds handelen. In hunne ondeugendheid
+zijn zij heen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1925" href=
+"#xd0e1925">217</a>]</span>gegaan en hebben andere talen verzonnen,
+opdat zij heimelijk konden spreken in tegenwoordigheid van ieder ander
+over alle booze dingen en over alle onwaardige zaken, zonder dat
+stamelen hen zoude verraden, noch blozen hun gelaat ontsieren. Maar wat
+is daaruit geboren? Even gemakkelijk als het zaad van goede kruiden van
+onder den grond weg ontkiemt, dat in &rsquo;t openbaar gezaaid is door
+goede menschen bij lichten dag, even gemakkelijk brengt de tijd de
+schadelijke kruiden aan het licht, die gezaaid zijn door booze menschen
+in het verborgene en bij duisternis.</p>
+
+<p>De wulpsche meisjes en verwijfde knapen, die met de onzedelijke
+priesters en vorsten boeleerden, ontlokten die nieuwe talen aan hunne
+boelen, derwijze zijn zij verspreid onder de volken, tot dat zij
+godestaal glad vergeten hebben. Wilt gij nu weten, wat daarvan geworden
+is? Nu het stamelen en de gelaatskleur hunne booze driften niet meer
+verrieden, is de deugd van uit haar midden geweken, de wijsheid is
+gevolgd en de vrijheid is medegegaan; de eendracht is te zoek geraakt,
+en tweespalt heeft hare plaats ingenomen; de liefde is gevlucht, en de
+ontucht zit met nijd aan tafel; en waar vroeger rechtvaardigheid
+heerschte, heerscht nu het zwaard. Allen zijn slaven, de lieden van
+hunne heeren van nijd, booze lusten en begeerlijkheid. Hadden zij nu
+maar &eacute;&eacute;ne taal uitgevonden, mogelijk was het dan nog eene
+wijle goed gegaan. Maar zij hebben zoo vele talen uitgevonden als er
+staten zijn. Daardoor kan het eene volk het andere volk even min
+verstaan als de koe den hond of de wolf het schaap. Dit kunnen de
+zeelieden betuigen. Doch daar van daan is het nu gekomen, dat alle
+slavenvolken elkander als andere menschen beschouwen, en dat zij tot
+straf van hunne onbezonnenheid en vermetelheid elkander zoo lang moeten
+beoorlogen en bestrijden tot dat zij alle verdelgd zijn. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1929" href="#xd0e1929">219</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1931" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hier is nu mijn raad.</h2>
+
+<p>Zijt gij alzoo begeerig, dat gij de aarde alleen wilt be&euml;rven,
+zoo behoort gij nimmer meer eene andere taal over uwe lippen te laten
+komen als godestaal, en dan behoort gij te zorgen, dat uw eigen taal
+vrij blijft van uitheemsche klanken. Wilt gij nu dat er sommige van
+Lydas kinderen en van Findas kinderen blijven, dan doet gij even zoo.
+De taal der Oost Schoonlanders is door de vuile Magyaren verdraaid; de
+taal der Keltana volgers is door de smerige Golen verdorven. Nu zijn
+wij zoo mild geweest om de terugkeerende Hellenia volgers weder in ons
+midden te nemen, maar ik schroom en ben zeer bezorgd, dat zij onze
+mildheid zullen vergelden met verontreiniging van onze zuivere
+taal.</p>
+
+<p>Veel hebben wij wedervaren, maar van alle burgten die door de booze
+tijd verstoord en verdelgd zijn, heeft Irtha Fryasburgt onverlet
+behouden; ook mag ik daar bij vermelden dat Fryas of Gods taal hier
+even ongeschonden behouden is.</p>
+
+<p>Hier op Texland moest men dus scholen stichten; van alle staten, die
+het met de oude zeden houden, moest het jong volk hier heen gezonden
+worden; daarna mochten zij die volleerd waren, de anderen helpen die te
+huis verbeiden. Willen de andere volken ijzerwaren van u koopen en
+daarover met u spreken en dingen, dan moeten zij tot godestaal
+terugkeeren. Leeren zij Godstaal, dan zullen de woorden <i>vrij
+zijn</i> en <i>recht hebben</i> tot hen inkomen, in hun brein zal het
+dan beginnen te glimmen en te gloren tot dat alles tot eene vlam wordt.
+Deze vlam zal alle slechte vorsten verteeren en alle schijnvrome en
+smerige priesters.</p>
+
+<p>De inlandsche en uitlandsche zendboden hadden genoegen van dat
+geschrift, doch er kwamen geene scholen. Toen stichtte Adel zelf
+scholen, na hem deden de andere vorsten hetzelfde. Jaarlijks gingen
+Adel en Ifkja de scholen in oogenschouw nemen. Bevonden zij dan onder
+de inlanders of buitenlanders <span class="pagenum">[<a id="xd0e1948"
+href="#xd0e1948">221</a>]</span>zoodanige, die elkander vriendschap
+toedroegen, dan lieten zij beide groote blijdschap blijken. Hadden
+sommige zoodanige elkander vriendschap gezworen, dan lieten zij alle
+menschen bij elkander komen, en met groote staatsie lieten zij dan
+hunne namen in een boek schrijven, door hun het boek der vriendschap
+genoemd: daarna werd feest gevierd. Al deze gebruiken werden
+onderhouden om de afzonderlijke takken van Fryas stam weder te zamen te
+snoeren. Doch de maagden die op Adel en Ifkja afgunstig waren zeiden,
+dat zij het nergens anders om deden, dan om een goeden roep en om
+allengs te heerschen over een anders staat.</p>
+
+<p>Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door
+Luidgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen
+aangaan, geef ik hier het andere ten beste.</p>
+
+<p>Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is eene
+rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd, omdat vier
+andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel verre oostwaarts
+is nog eene groote rivier, de heilige of vrome Ganges geheeten.
+Tusschen deze beide rivieren is het land der Hindos. De beide rivieren
+loopen van de hooge bergen naar de laagte neer. Die bergen, waar zij
+van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij tot den hemel reiken (laia),
+daarom wordt het gebergte Himmellaia gebergte genoemd. Onder de Hindos
+en andere uit die landen zijn er sommige lieden die in stilte bij
+elkander komen. Zij gelooven dat zij onverbasterde kinderen van Finda
+zijn. Zij gelooven dat Finda van uit het Himmellaia gebergte geboren
+is, van waar zij met hare kinderen naar de delte of de laagte getrokken
+is. Sommigen onder hen gelooven, dat zij met hare kinderen op het
+schuim van de heilige Ganges naar beneden gegaan is. Daarom zoude die
+rivier de heilige Ganges heeten. Maar de priesters die uit een ander
+land weg komen lieten die menschen opsporen en verbranden; daarom
+durven <span class="pagenum">[<a id="xd0e1954" href=
+"#xd0e1954">223</a>]</span>zij voor hunne zaak niet openlijk uitkomen.
+In dit land zijn alle priesters dik en rijk. In hunne kerken worden
+allerlei gedrochtelijke beelden gevonden, daaronder zijn vele van goud.
+Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers) of wrangen (Drangianen), de
+Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen, en de Urgetten
+&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; of vergetenen. Al deze
+namen zijn hun door de nijdige priesters gegeven, omdat zij hen
+ontvlieden wegens de zeden en het geloof. Bij hunne komst hadden onze
+voorouders zich ook aan den oostelijken oever van den Pangab neergezet,
+maar om der priesteren wille zijn zij ook naar den westelijken oever
+gevaren. Daardoor hebben wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren
+zijn geen wilden, maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch
+aanbidden: ook willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even
+als wij het heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege
+vuur in hunne huizen brandende. Komt men later heel westelijk, zoo komt
+men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken
+verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn
+wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de
+velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten
+verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder
+houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de
+Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden en
+wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat daar
+bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze
+hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten worden:
+maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindos zijn even bloode en
+vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de wolven zijn. Daarom
+hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd, dat hinden beteekent.
+Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk misbruik gemaakt. Komen er
+uitheemsche kooplieden om koren te koopen, dan wordt alles te gelde
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1959" href=
+"#xd0e1959">225</a>]</span>gemaakt, en door de priesters wordt het niet
+geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te
+zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels
+komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten
+lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte
+lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die
+soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte
+en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren
+zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende
+dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte
+van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar de
+kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen
+bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die ze
+willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven, want
+tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de
+menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar
+allerlei soort van hagedissen, schildpadden en krokodillen; al deze
+disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot;
+naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle
+niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators omdat zij
+even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven
+naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen
+overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen, en
+waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en granen
+als aan de oostzyde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende dieren
+gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen verbrand,
+en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er slechts
+weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab, dan vindt
+men nevens vetten kleigrond ook <span class="pagenum">[<a id="xd0e1961"
+href="#xd0e1961">227</a>]</span>dorre geestlanden, die eindeloos
+schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken, waaraan het
+oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn er vele, die ik
+hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er ook goudgeel; ook
+goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als honing, en andere
+zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden zoo groot als
+kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze oud dan maakt men er
+olie van; van de bast maakt men touw, en van de kernen maakt men kelken
+en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik kruip- en steekbessen
+gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als uwe lindeboomen,
+waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter zijn als uwe
+doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn en de zon uit
+het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw hoofd neder. Is men
+dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren, en men des middags met
+zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo schijnt de zon tegen uwe
+linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe rechterzijde doet. Hiermede wil
+ik eindigen, maar na mijn schrijven zal het u licht genoeg vallen, om
+de leugenachtige verhalen te kunnen schiften van de ware berichten. Uw
+Liudgert.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1963" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het geschrift van Beeden.</h2>
+
+<p>Mijn naam is Beeden, zoon van Hachgane. Konereed mijn oom is nooit
+getrouwd geweest en alzoo kinderloos gestorven. Mij heeft men in zijne
+plaats gekozen. Adel, de derde koning van dezen naam, heeft die keuze
+goedgekeurd, mits ik hem als mijn meester erkennen wilde. Behalve het
+volle erf van mijn oom, heeft hij mij eene plek gronds gegeven, die aan
+mijn erf paalde, onder voorwaarde, dat ik daarop menschen zoude
+stellen, die zijne lieden nimmer zouden ...<a class="pseudonoteref"
+href="#n226">1</a> <span class="pagenum">[<a id="xd0e1971" href=
+"#xd0e1971">229</a>]</span></p>
+
+<p>daarom wil ik dit hier eene plaats vergunnen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1974" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Brief van Rika de oudmaagd, voorgelezen te Staveren
+bij het juulfeest.</h2>
+
+<p>Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis
+tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar wil
+ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek wijzen,
+dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet, hoe Wralda
+duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat hij Alvoeder wordt
+genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt en wast tot voeding van
+zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha bijwijlen ook Alvoedster
+genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en granen baart, waarmede mensen
+en dier zich voeden. Doch zij zoude geene vruchten en granen baren,
+bijaldien Wralda haar geene krachten gaf. Ook vrouwen, die hare
+kinderen zogen aan hare borsten, worden voedsters genoemd. Doch gaf
+Wralda daar geene melk in, zoo zouden de kinderen daar geen baat bij
+vinden. Zoodat bij slot van rekening Wralda alleen de voeder blijft.
+Dat Irtha bijwijlen Alvoedster geheeten wordt, en eene <span class=
+"letterspaced">mem</span> (moeder) <span class="letterspaced">
+voedster</span>, kan nog door eene wending (overdrachtelijke
+spreekwijze): maar dat een <span class="letterspaced">taat</span>
+(vader) zich <span class="letterspaced">voeder</span> laat noemen,
+omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden.</p>
+
+<p>Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt
+van onze vijanden (l&euml;tha) en wanneer die gevolgd worden, zoo zult
+gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen
+hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is,
+daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur
+leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet
+wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen dat
+een koning niet over den <span class="pagenum">[<a id="xd0e1993" href=
+"#xd0e1993">231</a>]</span>wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding
+door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne
+vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij in het
+eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben het volk
+eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam, huurden zij
+buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven legden. Vervolgens
+namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en de kleine vorsten en
+heeren deden eveneens. Toen naderhand twist en tweespalt in de
+huishouding sloop, en daarover klachten kwamen, hebben zij gezegd:
+ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin, daarom zal hij ook
+meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de willekeur, en even als
+die met de mannen over het huisgezin heerschte, ging zij ook met de
+koningen over de volken doen. Toen de koningen het zoo ver gebracht
+hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij heen en lieten
+beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten zij in de kerken
+stellen naast de beelden der afgoden, en degene die daar niet voor
+buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe voorvaderen en
+de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan, daarvan hebben
+zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige uwer mannen
+zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik mij over vele
+uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden, die zich met Wralda
+op eene lijn willen stellen, er worden bij u ook wijven gevonden, die
+dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen gebaard hebben, laten zij
+zich <span class="letterspaced">moeder</span> noemen. Doch zij
+vergeten, dat Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet
+alleen hebben zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen
+berooven, met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen
+het even zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich
+<span class="letterspaced">vrouwe</span> laten noemen, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2001" href="#xd0e2001">233</a>]</span>ofschoon
+zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen van vorsten toebehoort. Ook
+laten zij hare dochters <span class="letterspaced">maagden</span>
+noemen, ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag,
+tenzij zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat
+naam stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aankleeft, en
+dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal de
+tijd daar wasdom aan geven, zoo sterk, dat men er het eind niet van kan
+zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden; zij zullen
+niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar ofschoon gij de
+maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat, toch zullen er
+blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij zullen uwe
+nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig aan zijt. Dan
+zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit hunne graven
+oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare maagden aanroepen,
+doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren, bevorens het Juul een
+anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst gebeuren als drie
+duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Einde van Rikas
+brief.</span><a class="pseudonoteref" href="#n232">1</a></p>
+
+<hr class="tb">
+<p> <span class="pagenum">[<a id="xd0e2014" href=
+"#xd0e2014">235</a>]</span></p>
+
+<p>daarom wil ik eerst over zwarte Adel schrijven. Zwarte Adel was de
+vierde koning na Friso. In zijne jeugd heeft hij op Texland geleerd,
+naderhand heeft hij te Staveren geleerd, en vervolgens heeft hij door
+alle staten gereisd. Toen hij vier en twintig jaar oud was, heeft zijn
+vader gemaakt dat hij tot Asega Asker gekozen is. Toen hij eenmaal
+Asker was, eischte hij altijd in het voordeel van de armen. De rijken,
+zeide hij, plegen genoeg ongerechte dingen door middel van hun geld,
+daarom behooren wij te zorgen, dat de armen naar ons omzien. Door deze
+en andere redeneringen, was hij de vriend der armen en de schrik der
+rijken. Het is zoo erg gekomen, dat zijn vader hem naar de oogen zag.
+Toen zijn vader gestorven was, heeft hij diens zetel beklommen, toen
+wilde hij even goed zijn ambt behouden gelijk de koningen van het
+oosten plegen te doen. De rijken wilden dat niet dulden, maar nu liep
+al het andere volk te hoop, en de rijken waren blijde dat zij heelhuids
+van de vergadering afkwamen. Van toen aan hoorde men nimmer meer over
+gelijkheid van recht praten. Hij veroordeelde de rijken en hij vleide
+de armen, met wier hulp hij alle zaken eischte, daar hij bestek op had.
+Koning Askar, gelijk hij altijd genoemd werd, was bij de zeven aardvoet
+lang, en zoo groot zijne gestalte was, waren ook zijne krachten. Hij
+had een helder verstand, zoodat hij alles verstond, waarover gesproken
+werd, doch in zijn doen kon men geene wijsheid bespeuren. Bij een
+schoon gelaat had hij eene gladde tong, maar nog zwarter als zijn haar
+is zijne ziel bevonden. Toen hij een jaar koning was, noodzaakte hij
+alle jongelingen uit zijn staat, om jaarlijks in het kamp te komen en
+daar een schijnoorlog te maken. In het eerst had hij daar moeite mede,
+maar ten laatste werd het zoo manierlijk, dat oud en jong uit alle
+oorden weg kwamen, om te vragen, of zij mochten mede doen. Toen hij het
+zoo ver gebracht had liet hij krijgscholen stichten. De rijken kwamen
+te klagen en <span class="pagenum">[<a id="xd0e2020" href=
+"#xd0e2020">237</a>]</span>zeiden, dat hunne kinderen geen lezen of
+schrijven meer leerden. Askar sloeg er geen acht op, maar toen er kort
+daarop weer schijnoorlog gehouden werd, ging hij op een gestoelte staan
+en sprak luidde. De rijken zijn tot mij gekomen te klagen, dat hunne
+knapen geen lezen of schrijven genoeg leeren; ik heb daar niets op
+gezegd; doch hier wil ik mijne meening zeggen, en de algemeene
+vergadering laten beslissen. Toen elk nu nieuwsgierig tot hem op zag
+zeide hij verder: Naar mijn begrip moet men tegenwoordig het lezen en
+schrijven aan de maagden en wijze lieden overlaten. Ik wil geen kwaad
+spreken van onze voorvaderen, ik wil alleen zeggen, in die tijden,
+waarop door sommigen zoo hoog geroemd wordt, hebben de Burgtmaagden
+tweespalt over onze landen gebracht en de Moeders voor en na konden de
+tweespalt niet weder uit het land drijven. Nog erger, terwijl zij
+praatten en keuvelden over noodelooze gewoonten, zijn de Golen gekomen
+en hebben al onze schoone zuiderlanden geroofd. Heden ten dage zijn zij
+met onze verbasterde broeders en hunne soldaten reeds over de Schelde
+gekomen, er schiet ons dus over te kiezen tusschen het dragen van een
+juk of een zwaard. Willen wij vrij zijn en vrij blijven, zoo behooren
+de jongelieden het lezen en schrijven voorhands achterwege te laten, en
+in stede dat zij op hun gezelschappen wip en zwik spelen, moeten zij
+met zwaard en speer spelen. Zijn wij in allen deele geoefend, en de
+knapen groot genoeg om helm en schild te dragen en de wapenen te
+hanteeren, dan zal ik mij met uwe hulp op de vijanden werpen. De Golen
+mogen dan de nederlagen van hunne helpers en soldaten op onze velden
+schrijven met het bloed dat uit hunne wonden druipt. Hebben wij den
+vijand eenmaal voor ons uitgedreven, zoo moeten wij daarmede voortgaan,
+tot dat er geen Golen, noch Slaven, noch Tartaren meer van Fryas erf te
+verdrijven zijn.&mdash;Dat is recht, riepen de meesten, en de rijken
+durfden hunne monden niet open doen. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2022" href="#xd0e2022">239</a>]</span>Deze toespraak had hij zeker
+te voren bedacht en laten overschrijven, want des avonds van dien
+zelfden dag waren de afschriften daarvan in wel twintig handen; en die
+alle waren eensluidend. Naderhand beval hij de scheepslieden, zij
+moesten dubbele voorstevens maken, waaraan men eene stalen kraanboog
+kon bevestigen. Die hierin achterwege bleef werd beboet; kon iemand
+zweeren, dat hij geene middelen bezat, dan moesten de rijken van het
+dorp het betalen. Nu zal men zien, waarop al dat boha uitgeloopen is.
+Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge bergen is, daar zit
+een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas bloed gesproten; voor
+het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers, voor het ander gedeelte
+uit Britten en vluchtelingen, die allengs met der tijd uit de tinlanden
+derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden kwamen, hebben al te gader
+buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch ras. Zij zijn alle onder de
+heerschappij der Golen, hunne wapenen zijn houten bogen en sprieten met
+punten van hertshoornen, of ook van flinten. Hunne huizen zijn van
+zoden en stroo, en sommigen wonen in de holen der bergen. Schapen, die
+zij geroofd hebben, is hun eenige schat. Onder de afstammelingen van de
+Keltanavolgers hebben sommigen nog ijzeren wapenen, die zij van hunne
+voorvaderen ge&euml;rfd hebben. Om nu goed verstaan te worden, moet ik
+mijn verhaal over het Schotsche volk laten rusten, en iets van de
+heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De heinde Krekalanden hebben te
+voren ons alleen toebehoord, maar sedert onheugelijke tijden hebben
+zich daar ook nakomelingen van Lyda en Finda nedergezet, van deze
+laatsten kwamen eindelijk een heele hoop van Troje. Troja alzoo heeft
+eene stad geheeten, die het volk van de verre Krekalanden (Griekenland)
+heeft ingenomen en verwoest. Toen de Trojanen in de heinde Krekalanden
+genesteld waren, toen hebben zij daar met tijd en vlijt eene sterke
+stad met wallen en burgten gebouwd, Rome, dat <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2024" href="#xd0e2024">241</a>]</span>is Ruim, geheeten. Toen
+dat gedaan was, heeft het volk zich door list en geweld van het geheele
+land meester gemaakt. Het volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche
+zee huist, is voor het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De
+Phoeniciers (Puniers) zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed
+en van Findas bloed en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als
+slaven, maar door de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al
+het andere volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome
+kampen gestadig om het meesterschap van de Middellandsche Zee. Voorts
+leven die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne
+priesteren, die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen
+de Golen niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia
+afgenomen, daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts
+liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij de
+Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn duizende
+Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar de opperste
+der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak, dat is hoek,
+van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was daar al hun goud
+te zamen gebracht. Keeren herne (uitverkoren hoek) of Kerenak is eene
+steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden de Maagden van de
+nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder hebben. Alzoo was door
+de vijandschap der Maagden en der Golen veete en twist over het
+Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden kwamen daar
+dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden en linnen.
+Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de Maagden en
+met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden, om de
+Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam, gaf
+hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen
+bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen
+bloed bij <span class="pagenum">[<a id="xd0e2026" href=
+"#xd0e2026">243</a>]</span>de hellingen der bergen neder. Toen Askar
+meende, dat de kans hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen,
+en nam Kerenak en den opperste der Golen met al zijn goud. Het volk
+waarmede hij tegen de soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de
+Saksenmarken gelokt met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus
+werd den Golen niets gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot
+bergplaats voor zijne schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle
+Phoenicische schepen en steden te berooven, die hij beloopen konde.
+Toen hij terug kwam bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van
+het Schotsche bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven
+waren, opdat hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden
+blijven; doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn
+hof, waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren
+van allerlei wapenen. De Dennemarkers, die zich sinds lang boven alle
+andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra niet
+van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop afgunstig,
+dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over zijne landen.
+Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen de bouwvallen
+van de verwoeste burgt Stavia was nog een <span class="corr" id=
+"xd0e2028" title="Bron: schandere">schrandere</span> Burgtmaagd met
+eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er ging een groote
+roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar hare hulp aan, onder
+beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude laten opbouwen. Toen hij
+zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met drie Maagden naar Hals;
+&rsquo;s nachts ging zij reizen, en bij dag sprak zij op alle markten
+en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij, had haar door donder laten
+toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden moest worden, als zusters en
+broeders vereenigd; anders zoude Findas volk komen en hen alle van de
+aarde verdelgen. Na dien donder waren Fryas zeven waakmaagden haar in
+den droom verschenen, zeven nachten achtereen; zij hadden gezegd: <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2031" href="#xd0e2031">245</a>]</span>boven
+Fryas landen zwabbert ramp met juk en ketenen. Daarom moeten alle
+volken, die uit Fryas bloed gesproten zijn, hunne toenamen wegwerpen en
+zich alleen Fryaskinderen of Fryas volk noemen. Voorts moeten allen
+opstaan en Findas volk van Fryas erf verdrijven. Willen ze dat niet
+doen, zoo zullen zij slavenbanden om hunne halzen krijgen; zoo zullen
+de buitenlandsche heeren hunne kinderen misbruiken en laten geesselen,
+totdat het bloed zijgt in uwe graven. Dan zullen de schimmen uwer
+voorvaderen u komen wekken en u bekijven over uwe lafheid en
+onbezonnenheid. Het domme volk, dat door toedoen der Magyaren reeds aan
+zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde alles wat zij zeide, en de
+moeders klemden hare kinderen tegen hare borsten aan. Toen Reintja den
+koning van Hals en alle andere menschen tot eendracht had overgehaald,
+zond zij boden naar Askar en toog zelve langs de Baltische zee; van
+daar ging zij bij de Lithauers, alzoo genoemd omdat zij hunne vijanden
+altijd naar het aangezicht houwen. De Lithauwers zijn voortvluchtigen
+en verbannenen van ons eigen volk, dat in de Twisklanden zit en
+omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle van de Tartaren geroofd.
+De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht, en aldus door de
+Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede willen, maar de
+menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging zij achter de
+Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen, om allerwege dat
+zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren, kwam zij langs den
+Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich zelve voor Moeder
+uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije en franke menschen
+terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn gaan, en de Gola volgers
+uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat deden, dan zoude haar
+koning Askar over de Schelde gaan en daar het land afwinnen. Bij de
+Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de Tartaren en Magyaren
+binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2033" href="#xd0e2033">247</a>]</span>zeden gebleven.
+Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen onderwijzen en de
+ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja vijandig, maar ten
+laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en allerwege geprezen,
+waar het nuttig en noodig was. Zoodra Askar van Reintjas boden vernam,
+hoe de Jutten gezind waren, zond hij terstond boden van zijnentwege
+naar den koning van Hals. Het schip, waarmede de boden gingen, was vol
+geladen met vrouwen sieraden, en daarbij was een gouden schild, waarop
+Askars gedaante kunstig was afgebeeld. Deze boden moesten vragen of
+Askar des konings dochter Frethogunsta tot zijne vrouw mocht hebben.
+Frethogunsta kwam een jaar later te Staveren; bij haar gevolg was ook
+een Magy, want de Jutten waren sedert lang verdorven. Kort nadat Askar
+met Frethogunsta getrouwd was, werd er te Staveren eene kerk gebouwd;
+in de kerk werden booze gedrochtelijke beelden gesteld, met goud
+doorwevene kleederen. Ook is er beweerd dat Askar bij nacht en bij
+ontijde met Frethogunsta zich daar voor nederboog. Maar zooveel is
+zeker, de burgt Stavia werd niet weder opgebouwd.</p>
+
+<p>Reintja was reeds teruggekomen, en ging nijdig naar Prontlik de
+Moeder te Texland zich beklagen. Prontlik ging heen en zond allerwege
+boden, die verkondigden: Askar is overgeven aan afgoderij. Askar deed
+alsof hij het niet merkte, maar onverwacht kwam er een vloot uit Hals.
+Des nachts werden de Maagden uit de burgt gedreven, en des ochtens
+konde men van de burgt slechts eene gloeijende puinhoop zien. Prontlik
+en Reintja kwamen bij mij om eene schuilplaats; toen ik daar later over
+nadacht, scheen het mij toe dat het kwaad voor mijne staat bedijen
+konde. Daarom hebben wij te zamen eene list verzonnen, die ons allen
+moest baten. Zie hier hoe wij te werk gegaan zijn. Midden in het
+Krijlwoud beoosten Liudwerd ligt onze vlied of weerburg, die men alleen
+langs doolpaden kan genaken. Op deze burgt had ik sints langen <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2037" href="#xd0e2037">249</a>]</span>tijd
+jonge wachters gesteld, die alle een afschuw van Askar hadden en alle
+andere menschen daar vandaan hielden. Nu was het bij ons al zoo ver
+gekomen, dat vele vrouwen en ook mannen al praatten over spoken, witte
+wijven en kabouter mannekes even als de Denemarkers. Askar had al deze
+dwaasheden tot zijn voordeel aangewend, en dat wilden wij nu ook tot
+ons voordeel doen. Bij eene duistere nacht bragt ik de Maagden naar de
+burgt en daarna gingen zij met hare dienaressen langs de doolpaden
+spoken in witte kleederen gehuld, zoo dat er naderhand geen mensch meer
+durfde komen. Toen Askar meende dat hij de handen ruim had, liet hij de
+Magjaren onder allerlei namen door zijne staten reizen en behalve mijne
+staat werden zij nergens geweerd. Nadat Askar alzoo met de Jutten en de
+andere Denemarkers was verbonden gingen zij alle te zamen rooven; doch
+dat heeft geene goede vruchten gebaard. Zij brachten allerhande
+buitenlandsche schatten te huis. Maar juist daardoor wilden de jonge
+mannen geen ambacht leeren, noch op het veld arbeiden; zoodat hij ten
+laatste wel slaven nemen moest. Maar dat was geheel tegen Wraldas wil
+en tegen Fryas raad. Daarom konde de straf niet achterwege blijven. Zie
+hier hoe de straf gekomen is. Eens hadden zij te zamen eene geheele
+vloot gewonnen, deze kwam uit de Middellandsche zee. Deze vloot was
+geladen met purperen kleederen en andere kostbaarheden, die uit
+Phoenicie kwamen. Het zwakke volk der vloot werd bezuiden de Seine aan
+wal gezet, maar het sterke volk werd gehouden. Dat moest hun als slaven
+dienen. De schoonsten werden gehouden om op het land te blijven, en de
+leelijkste en zwartste werden aan boord gehouden om op de banken te
+roeijen. In het Fly werd de boedel gedeeld, maar zonder hun weten werd
+ook de straf gedeeld. Van de menschen, die op de buitenlandsche schepen
+gesteld waren, werden zes door buikpijn gedood. Men dacht dat het eten
+en <span class="pagenum">[<a id="xd0e2039" href=
+"#xd0e2039">251</a>]</span>drinken vergiftigd waren, daarom werd alles
+over boord gegooid. Doch de buikpijn bleef en allerwege, waar slaven of
+goederen kwamen, kwam ook de buikpijn binnen. De Saksmannen brachten ze
+over hunne marken; met de Jutten voer zij naar Schoonland en langs de
+kusten van de Baltische zee; met Askar zijne zeelieden voer zij naar
+Brittannia. Wij en die van Grenega lieten geene goederen noch menschen
+over onze landpalen komen, en daarom bleven wij van de buikpijn
+bevrijd. Hoevele menschen de buikpijn heeft weggeraapt, weet ik niet te
+schrijven, maar Prontlik die het naderhand van de andere Maagden hoorde
+heeft mij gemeld, dat Askar duizendmaal meer vrije menschen uit zijne
+staten geholpen heeft, als hij er vuile slaven in bracht. Toen de pest
+voor goed geweken was, kwamen de vrij geworden Twisklanders naar den
+Rijn, maar Askar wilde met de vorsten van dat vuile verbasterde volk
+niet op eene lijn staan. Hij wilde niet dulden dat zij zich Fryas
+kinderen zouden noemen, gelijk Reintja aangeboden had; maar hij vergat
+daarbij dat hij zelf zwart haar had. Onder de Twisklanders waren er
+twee volken, die zich zelve geen Twisklanders noemden. Het eene volk
+kwam heel ver uit het zuidoosten weg, ze noemden zich Allemannen. Dezen
+naam hadden zij zich gegeven, toen zij nog zonder vrouwen in de wouden
+als bannelingen omdwaalden. Later hebben zij van het Slavenvolk vrouwen
+geroofd, evenals de Lithauwers, maar zij hebben hun naam behouden. Het
+andere volk, dat meer in de nabijheid omdwaalde, noemde zich Franken,
+niet omdat zij vrij waren, maar Frank zoo had de eerste koning
+geheeten, die zich zelf met hulp van de ontaarde Maagden tot erflijk
+koning over zijn volk gemaakt had. De volken, die aan hem grensden,
+noemden zich Thioth-his zonen dat is volkszonen, zij waren vrije
+menschen gebleven, naardien zij nimmer een koning, noch vorst, noch
+meester erkennen wilden, als dengene die bij algemeene wil gekozen was
+op de algemeene vergadering. Askar had <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2041" href="#xd0e2041">253</a>]</span>reeds van Reintja vernomen,
+dat de Twisklander vorsten meest altijd met elkander in vijandschap en
+veete waren. Nu stelde hij hun voor, dat zij &eacute;&eacute;n hertog
+van zijn volk zouden kiezen, omdat hij bang was, gelijk hij zeide, dat
+zij met elkander zouden twisten om het meesterschap. Ook zeide hij dat
+zijne vorsten met de Golen konden spreken. Dat zeide hij was ook de
+meening der Moeder. Toen kwamen de vorsten der Twisklanders bij
+elkander, en na driemalen zeven etmalen kozen zij Alrik tot hertog.
+Alrik was Askars neef, hij gaf hem tweehonderd Schotten en honderd van
+de grootste Saksmannen mede tot eene lijfwacht. De vorsten moesten
+driemaal zeven van hunne zonen naar Staveren zenden tot borg van hunne
+trouw. Tot nu toe was alles naar zijn wensch gegaan, maar toen men over
+den Rijn zoude varen, wilde de koning der Franken niet onder Alriks
+bevelen staan. Daardoor liep alles in de war. Askar, die meende, dat
+alles goed ging, landde met zijne schepen aan de overkant der Schelde,
+maar daar was men reeds van zijne komst ingelicht en op zijne hoede.
+Zij moesten even haastig vluchten als zij gekomen waren, en Askar werd
+zelf gevangen genomen. De Golen wisten niet, wien zij gevangen hadden,
+en zoo werd hij naderhand uitgewisseld voor een aanzienlijken Gole,
+dien Askars volk had medegevoerd. Terwijl dit alles gebeurde, liepen de
+Magyaren nog stoutmoediger over de landen onzer naburen heen. Bij
+Egmuda, waar te voren de burgt Forana gestaan had, lieten zij eene kerk
+bouwen nog grooter en rijker als Askar te Staveren gedaan had.
+Naderhand zeiden zij, dat Askar den strijd had verloren tegen de Golen,
+omdat het volk niet wilde gelooven, dat Wodan hen konde helpen, en dat
+zij hem daarom niet wilden aanbidden. Voorts gingen zij heen en
+schaakten jonge kinderen, die zij bij zich hielden en opvoedden in de
+geheimenissen van hunne verfoeijelijke leer. Waren er menschen, die
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2043" href=
+"#xd0e2043">2</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+
+<div class="div0" id="xd0e2045" lang="fy">
+<h2 class="normal">Adela.</h2>
+
+<div id="xd0e2048" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Okke min svn.</h2>
+
+<p>Thissa boka mot i mith lif &aring;nd s&ecirc;le w&acirc;rja. Se
+vmbifattath thju sk&ecirc;dnise fon vs &ecirc;le folk &acirc;k fon vsa
+&ecirc;thlum. Vrl&ecirc;den j&ecirc;r h&aring;b ik tham ut-er flod hred
+tolik mith thi &aring;nd thinra moder. Tha hja w&ecirc;ron wet wrden;
+th&ecirc;r thrvch gvngon hja &aring;fternei vrdarva. Vmbe hja navt to
+vrlysa h&aring;b ik-ra vp wrlandisk pampyer wrskr&ecirc;ven. Sa hwersa
+thu se erve, mot hu se &acirc;k wrskryva. Thin b&aring;rn alsa til thju
+hja nimmerthe w&ecirc;i navt ne kvma.</p>
+
+<p>Skr&ecirc;ven to Ljuwert. N&ecirc;i &acirc;tland svnken is<a class=
+"noteref" id="xd0e2055src" href="#xd0e2055">1</a> th&aring;t thria
+<span class="corr" id="xd0e2058" title="Bron: th&ucirc; sond">
+th&ucirc;sond</span> fjvwer hvndred &aring;nd njugon &aring;nd
+fjvwertigoste j&ecirc;r, th&aring;t is nei kersten r&ecirc;knong that
+tvelfhvndred sex &aring;nd fiftigoste j&ecirc;r. Hidde tobinomath oera
+Linda.&mdash;W&acirc;k.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Ljawa ervn&ocirc;ma. Vmb vsa ljawa &ecirc;thlas wille &aring;nd vmb
+vsa ljawa fridoms wille, thusand w&acirc;ra s&acirc; bidd-ik to jo. Och
+ljawa ne l&ecirc;t tha &acirc;gon &ecirc;nis p&acirc;pekappe tach
+nimmerthe over thissa skrifta ne w&ecirc;ja. Hja spr&ecirc;kath
+sw&ecirc;ta wirda: men hja tornath vnm&aring;rks&ecirc;m an alles hwat
+fon vs fryas trefth. Vmbe rika prebende to winnande s&acirc;
+h&ecirc;lath hja mith tha poppa k&ecirc;ninggar. Thissa w&ecirc;tath
+that wi hjara gr&acirc;teste fianda send. thrvchdam wi hjara liuda to
+spr&ecirc;ke thvra vr frijdom, rjucht &aring;nd forstne plicht.
+Thervmbe l&ecirc;tath hja alles vrdiligja, hwat fon vsa &ecirc;thlum
+kvmt &aring;nd hwat th&ecirc;r jeta rest fon vsa alda s&ecirc;dum. Och
+ljawa ik h&aring;v by tham et hove w&ecirc;st. Wil Wr.alda-t thjelda
+&aring;nd willath wi vs navt sterik ne m&acirc;kja hja skilun vs
+alg&acirc;dur vrdiligja.</p>
+
+<p>Skr&ecirc;ven to Ljudwerd. Acht hondred &aring;nd thrju j&egrave;r
+nei kersten bigrip. Liko ton&ocirc;math ovira Linda. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2067" href="#xd0e2067">4</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2055src" id="xd0e2055">1</a></span> 3449 - 1256 = 2193 voor
+Chr.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2069" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet bok th&ecirc;ra Adela folstar.</h2>
+
+<p>Thrittich j&ecirc;r &aring;ftere d&ecirc;i that thju folksmoder
+wmbrocht was thrvch th&ecirc;ne vreste M&acirc;gy<a class="noteref" id=
+"xd0e2074src" href="#xd0e2074">1</a> stand et er &aring;rg vm to. Alle
+st&acirc;ta th&ecirc;r-er lidsa anda &ocirc;re syde th&ecirc;re Wrsara,
+w&ecirc;ron fon vs ofk&ecirc;rth &aring;nd vnder-et weld thes Magy
+k&ecirc;men, &aring;nd-et stand to fr&ecirc;sane, that er weldig skolde
+wertha vr-et &ecirc;lle l&acirc;nd. Vmbe th&aring;t vnluk to
+w&ecirc;rane h&ecirc;de m&aring;n &ecirc;ne m&ecirc;na &acirc;cht
+bilidsen, hw&ecirc;r g&acirc;durath w&ecirc;ron &acirc;llera
+m&aring;nnelik, th&ecirc;r ann-en gode hrop stande by tha f&acirc;mna.
+Tha n&ecirc;i th&acirc;t-er m&acirc;r vrl&acirc;pen w&ecirc;ron as
+thrjv etmelda, was al go-r&ecirc;d anda tys &aring;nd al-&ecirc;n sa by
+hjara kvmste. Th&acirc; to tha lesta fr&ecirc;ge Adela th&aring;t wird,
+&aring;nde k&ecirc;th. J alle w&ecirc;t-et that ik thrjv j&ecirc;r
+burchf&acirc;m w&ecirc;sen sy. Ak w&ecirc;t j that ik k&ecirc;ren sy to
+moder, &aring;nd &acirc;k, that ik n&ecirc;n moder n&ecirc;sa<a class=
+"noteref" id="xd0e2077src" href="#xd0e2077">2</a> navt nilde<a class=
+"noteref" id="xd0e2080src" href="#xd0e2080">3</a>, thrvchdam ik Apol to
+min &ecirc;ng&acirc; j&ecirc;rde. Thach hwat j navt n&ecirc;te<a class=
+"noteref" id="xd0e2083src" href="#xd0e2083">4</a>, th&aring;t is, that
+ik alle b&ecirc;rtnisa n&ecirc;igvngen h&aring;w, &ecirc;vin as ik en
+wrentlike folksmoder w&ecirc;sen w&ecirc;re. Ik h&aring;v al-an fon
+&aring;nd witherf&acirc;ren to sjande hw&aring;t-er b&ecirc;rde.
+Th&ecirc;r thrvch send my f&ecirc;lo s&ecirc;ka b&acirc;r wrden,
+th&ecirc;r &ocirc;ra navt n&ecirc;te. J h&aring;weth jester
+s&ecirc;ith, th&aring;t vsa sibba an tha &ocirc;ra syd th&ecirc;re
+Wrsara njvt &aring;nd l&acirc;f w&ecirc;re. Th&acirc; ik m&ecirc;i
+sedsa to jv, th&aring;t-er M&acirc;gy se n&ecirc;n yne g&acirc; of
+wnnen heth thrvch th&aring;t weld synra w&ecirc;pne, men bl&acirc;t
+thrvch &aring;rgelestige renka, &aring;nd jeta m&acirc;r thrvch
+th&aring;t gyrich sa th&ecirc;ra hyrtogum &aring;nd th&ecirc;ra
+&ecirc;thelinga. Frya heth s&ecirc;it wi ne skoldon n&ecirc;n vnfrya
+ljvd by vs tol&ecirc;ta, th&acirc; hwat h&aring;von hja d&ecirc;n? hja
+h&aring;von vsa fjand n&ecirc;i folged: hwand an st&ecirc;d fon hjara
+fensenum to d&ecirc;iande, jeftha fry to l&ecirc;tane, h&aring;von hja
+Fryas r&ecirc;d minacht &aring;nd se to hjara sl&acirc;fonum
+m&acirc;ked. Thrvchdam hja sok d&ecirc;don, macht Frya navt longer
+w&acirc;ka ovir hjam: hja h&aring;von ynes &ocirc;theris frydom
+binimen, &aring;nd th&aring;t is &ecirc;rs&ecirc;ke, th&aring;t hja
+hjara &aring;jn vrl&ecirc;ren <span class="pagenum">[<a id="xd0e2086"
+href="#xd0e2086">6</a>]</span>h&aring;we. Thach th&aring;t ella is jo
+selva &acirc;ken. Men ik wil sedsa to jo, ho hja n&ecirc;i gr&acirc;dum
+s&acirc; l&ecirc;g vrsylth send. Th&ecirc;ra finnum hjara wiva
+kr&ecirc;jon b&aring;rn. Thissa waxton vppa mith vsa frya b&aring;rn.
+Altomet tvildon &aring;nd joldon hja to samne vppa h&ecirc;m, jeftha
+hja w&ecirc;ron mith ekkorum by th&ecirc;re h&ecirc;rd. Th&ecirc;r
+h&ecirc;rdon hja mith lustum n&ecirc;i tha vrdw&acirc;lska finna
+s&acirc;gum, thrvchdam hja thjvd &aring;nd n&ecirc;i w&ecirc;ron.
+S&acirc; send hja vntfryast vnth&ocirc;nkes thene wald hjarar aldrum.
+As tha b&aring;rn gr&acirc;t wrdon &aring;nd sagon th&aring;t tha
+finna-ra b&aring;rn n&ecirc;n w&ecirc;pne hant&ecirc;ra machte,
+&aring;nd bl&acirc;t w&aring;rka moste, th&acirc; kr&ecirc;jon hja
+anneth w&aring;rka en gryns &aring;nd wrdon h&aring;rde
+h&acirc;chf&acirc;rande. Tha b&acirc;sa &aring;nd hjara storsta svnum
+krupton by tha lodderiga finna mang&ecirc;rtum; &aring;nd hjara
+&aring;jne toghatera thrvch th&aring;t vvle f&acirc;rbild fon-a
+w&ecirc;i brocht, l&ecirc;ton hjara selva bigorda thrvch tha
+sk&ecirc;nesta finna kn&acirc;pa, hjara vvle aldrum to spot. Tha
+th&ecirc;ne Magy th&aring;t anda n&ocirc;s kryg, tha nam-er tha
+sk&ecirc;nesta sinar Finna &aring;nd Magyara vrlovende r&acirc; ky mith
+golden horna, sa hja ra thrvch vs folk fata d&ecirc;don, &aring;fterdam
+sina l&ecirc;r vtbr&ecirc;da. Men sin ljuda d&ecirc;don m&acirc;r: bern
+wrdon to sok makad, nei vpsal&acirc;ndum w&ecirc;ibrocht, &aring;nd
+s&acirc;hwersa hja vpbrocht w&ecirc;ron an sina vvla l&ecirc;r,
+th&aring;n wrdon hja to bek sendon. Th&acirc; tha skinsl&acirc;vona vsa
+t&acirc;l m&aring;chtich w&ecirc;ron, th&acirc; klivadon hja tha
+h&ecirc;rtoga &aring;nd &ecirc;thelinga an bord, &aring;nd
+k&ecirc;thon, hja moston thene Magy h&ecirc;roch wertha, sa kvndon
+hjara svnum vpfolgja tham, oni<a class="noteref" id="xd0e2088src" href=
+"#xd0e2088">5</a> thrvch-et folk k&ecirc;ron to wrdane. Th&ecirc;ra
+th&ecirc;r vmbe goda d&ecirc;dum en f&acirc;rd&ecirc;l to-ra hus kryen
+h&ecirc;de-vrlovadon hja fon sinant w&ecirc;gum jeta-n
+&aring;fter-d&ecirc;l bij; hoka tham en f&acirc;r &aring;nd
+&aring;fter-d&ecirc;l kryen h&ecirc;de s&ecirc;idon hja en
+rond-d&ecirc;l to, &aring;nd tham en rond-d&ecirc;l h&ecirc;de en
+&ecirc;lle st&acirc;t. W&ecirc;ron tha &ecirc;thla to h&aring;rde
+fryas, th&acirc; wendon hja tha st&ecirc;wen &aring;nd hildon vppar
+vrbastera svnum an. Jesterd&ecirc;i w&ecirc;ron-er mong<a class=
+"noteref" id="xd0e2091src" href="#xd0e2091">6</a> jo tham allet folk to
+h&acirc;pa hropa wilde <span class="pagenum">[<a id="xd0e2094" href=
+"#xd0e2094">8</a>]</span>vmb tha &acirc;stlike st&acirc;ta wither to
+hjara plyga to tvangande. Thach n&ecirc;i min ynfalda myning skolde
+th&acirc;t falikant<a class="noteref" id="xd0e2096src" href=
+"#xd0e2096">7</a> utkvmma. Th&aring;nk ynes th&ecirc;r was w&ecirc;sen
+en h&aring;rde lvngsyakte among-eth fja, &aring;nd th&aring;t-er
+th&ecirc;r jeta &aring;rg vvde, skolde j-eth th&aring;n wel w&acirc;gja
+vmbe jvw h&ecirc;lena fja to f&acirc;rande among hjara syaka fja?
+&aring;mmer n&acirc;. S&acirc;hwersa allra m&aring;nnelik nw
+bi&acirc;ma &aring;nd bijechta mot, th&aring;t-eth th&ecirc;r mitha
+stapel &aring;rg of kvma skolde, hwa skolde th&aring;n alsa dryst
+w&ecirc;sa vmbe sina b&aring;rn to wagande among en folk th&aring;t
+&ecirc;lle &aring;nd al vrd&ecirc;ren is. Macht ik jo r&ecirc;d
+j&ecirc;va, ik skolde sedsa to jo, j moste bifara alle dingum jo en
+n&ecirc;ie folksmoder kyasa. Ik w&ecirc;t wel th&aring;t j
+th&ecirc;rmitha anda brvd sitte, vt hawede th&aring;t-er fon tha
+thredtine burchf&acirc;mna than wi jeta ower h&aring;ve wel achte send
+th&ecirc;r n&ecirc;i th&ecirc;re &ecirc;ra dinge, men th&aring;t skold
+ik navt ne melda. T&uuml;ntja th&ecirc;r f&acirc;m is et-er burch
+M&ecirc;d&ecirc;asblik het er n&aring;mmer n&ecirc;i t&acirc;lth; tach
+is hja fol witskip &aring;nd klarsyan, &aring;nd wel sa h&aring;rde
+vppir folk &aring;nd usa plyga st&aring;lth as all &ocirc;thera
+etsamne. Forth skold-ik r&ecirc;da j moste n&ecirc;i tha burgum
+g&acirc;, &aring;nd th&ecirc;r vpskrywa alle &ecirc;wa fryas tex,
+bijvnka alle skydnisa, j&acirc; ella th&aring;t er to finda sy vppa
+w&acirc;gum, til thju ella navt vrl&ecirc;ren ni g&acirc;, &aring;nd
+mitha burgum alsa vrd&ecirc;n navt ne werth. Th&ecirc;r st&aring;t
+askriwen: thiu moder &aring;nd jahwelik burchf&agrave;m skil h&aring;va
+buta helpar &aring;nd senda bodon, yn and twintich f&acirc;mna
+&aring;nd sjugon l&ecirc;rf&acirc;mkis. Macht ik th&ecirc;r hwat to
+dvande, th&acirc; skol-ik skrywa, &aring;nd alsa f&ecirc;lo
+&ecirc;rs&ecirc;ma toghatera vmbe to l&ecirc;rane, sa th&ecirc;r vppa
+burgum w&ecirc;sa m&uuml;ge; hwand ik seg an trowe &aring;nd tid
+skil-eth jechta, s&acirc;hwersa j &aring;fta Fryas b&aring;rn wille
+n&aring;mmer to winnande, hor thrvch lesta ner thvch w&ecirc;pne, sa
+hagath j to nvdande th&aring;t jvwe toghatera &aring;fta frya wiva
+wrde. B&aring;rn mot m&aring;n l&ecirc;re, ho gr&acirc;t vs l&acirc;nd
+&ecirc;r w&ecirc;sen sy, hokke gr&acirc;te m&aring;nniska vsa ethla
+w&ecirc;ron, ho gr&acirc;t wi jeta send, sa wi vs d&aring;l ledsath bij
+&ocirc;ra, m&aring;n <span class="pagenum">[<a id="xd0e2099" href=
+"#xd0e2099">10</a>]</span>mot t&acirc;la hjam fon tha wicharda
+&aring;nd fon hjara wichandlika d&ecirc;dum, &aring;k wra f&acirc;ra
+s&ecirc;tochta. Al thissa t&aring;llinga hagath d&ecirc;n to werthande
+bij th&ecirc;re h&ecirc;rd, vppa h&ecirc;m &aring;nd hw&ecirc;r et
+w&ecirc;sa m&ecirc;i, s&acirc; bij blyskip as bij t&acirc;rum. Men
+skil-et standf&aring;st kvma an dat bryn &aring;nd and&aring;t hirta,
+th&aring;n moton alle l&ecirc;ringa overa w&ecirc;ra jvwera wiva
+&aring;nd toghatera th&ecirc;r-in str&acirc;ma. Adelas r&ecirc;d is
+vpfolgath.</p>
+
+<p>Thit send tha n&acirc;ma th&ecirc;ra gr&ecirc;vetmanna, vnder
+hwam-mis wald thit bok awrochten is. Apol, Adelas man, Thria is-er
+s&ecirc;kening w&ecirc;sen, nw is-er gr&ecirc;vetman over
+Ast-flyl&acirc;nd &aring;nd ovir-a Linda-wrda. Tha bvrga
+Ljvdg&acirc;rda, Lindah&ecirc;m, &aring;nd St&acirc;vja send vnder sin
+hod.</p>
+
+<p>Ther Saxman Storo, Sytjas man, gr&ecirc;vetman ovir-a h&acirc;ga
+fenna &aring;nd walda. Njvgun w&acirc;ra is-er to h&ecirc;rtoga,
+th&aring;t is to hyrman, k&ecirc;ren. Tha burga Bvda &aring;nd
+Manna-g&acirc;rda-forda send vnder sin hod.</p>
+
+<p>Ab&ecirc;lo, Jaltjas man, gr&ecirc;vetman ovir tha S&ucirc;dar
+Flyl&acirc;nda. Fjvwers is-er hyrman w&ecirc;sen. Tha burga Aken,
+Ljvdburch &aring;nd K&acirc;tsburch send vnder sin hod.</p>
+
+<p>Enoch Dywek his man, gr&ecirc;vetman ovir West-flyl&acirc;nd
+&aring;nd Texland. Njvgun mel is-er to s&ecirc;kening k&ecirc;ren. Thiu
+W&acirc;raburch, M&ecirc;d&ecirc;asblik, For&acirc;na &aring;nd ald
+Fryasburch send vnder sin hod.</p>
+
+<p>Foppa, man fon Dunr&ocirc;s, gr&ecirc;vetman ovir tha Sjvgon
+&ecirc;l&acirc;nda. Fif mel is-er s&ecirc;kening w&ecirc;sen. Thju
+burch Walhallag&acirc;ra is vnder sin hod.</p>
+
+<p>Thit stand vppa tha w&acirc;gum et Fryasburch to Texland askrywen,
+th&aring;t st&ecirc;t &acirc;k to St&acirc;via &aring;nd to
+M&ecirc;d&ecirc;as blik.</p>
+
+<p>Th&aring;t was Frya his d&ecirc;i &aring;nd to th&ecirc;re stonde
+was et vrl&ecirc;den sjvgun w&acirc;ra sjvgun j&ecirc;r, th&aring;t
+F&aring;sta was anst&aring;ld as folksmoder n&ecirc;i Fryas
+j&ecirc;rta. Thju burch M&ecirc;d&ecirc;asblik was r&ecirc;d &aring;nd
+en f&acirc;m was k&ecirc;ren. Nw skolde F&aring;sta thju n&ecirc;ja
+foddik vpst&ecirc;ka, &aring;nd th&acirc; th&aring;t d&ecirc;n was an
+&aring;jnwarda fon th&aring;t folk, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2115" href="#xd0e2115">12</a>]</span>th&acirc; hrop Frya fon hira
+w&acirc;kst&aring;re, s&acirc; th&aring;t allera m&aring;nnalik
+th&aring;t h&ecirc;ra machte: F&aring;sta nim thinra stifte &aring;nd
+writ tha thinga th&ecirc;r ik &ecirc;r navt sedsa ne machte.
+F&aring;sta d&ecirc;de alsa hja boden w&aring;rth. S&acirc; send wy
+Fryas b&aring;rn an vsa forma sk&ecirc;dnise k&ecirc;men.</p>
+
+<p>Th&aring;t is vsa forma sk&ecirc;dnise.</p>
+
+<p>Wr.alda<a class="noteref" id="xd0e2121src" href="#xd0e2121">8</a>
+tham all&ecirc;na god &aring;nd &ecirc;vg is, m&acirc;kade t.anfang,
+dana k&ecirc;m tid, tid wrochte alle thinga &acirc;k jrtha. Jrtha
+b&acirc;rde alle g&acirc;rsa, kr&ucirc;don &aring;nd boma, allet djara
+kwik &aring;nd allet &aring;rge kwik. Alhwat god &aring;nd djar is,
+brocht hju by d&ecirc;gum &aring;nd alhwat kw&acirc;d &aring;nd
+&aring;rg is, brocht hju thes nachtis forth. Afteret twilifte
+jol-f&ecirc;rste b&acirc;rde hja thrja mang&ecirc;rta.</p>
+
+<p>Lyda w&aring;rth ut glyande,</p>
+
+<p>Finda w&aring;rth ut h&ecirc;ta &aring;nd</p>
+
+<p>Frya ut warme stof.</p>
+
+<p>Th&acirc; hja bl&acirc;t k&ecirc;mon spisde Wr.alda hjam mith sina
+&acirc;dama; til thju tha m&aring;nneska an him skolde bvnden
+w&ecirc;sa. Ring as hja rip w&ecirc;ron kr&ecirc;jon hja fr&uuml;chda
+&aring;nd nochta anda dr&acirc;ma Wr.aldas. Od<a class="noteref" id=
+"xd0e2132src" href="#xd0e2132">9</a> tr&acirc;d to-ra binna: &aring;nd
+nw b&acirc;rdon ek twilif svna &aring;nd twilif togathera ek joltid
+tw&ecirc;n. Th&ecirc;rof send alle m&aring;nneska k&ecirc;men.</p>
+
+<p>Lyda was swart, krolh&ecirc;red alsa tha l&ocirc;mera: lik
+st&aring;ra blonken hjra &ocirc;gon; ja thes gyrf&uuml;gels blikkar
+w&ecirc;ron vnmodich by hjras.</p>
+
+<p>Sk&aring;rpe Lyda. Annen san&acirc;ka kvn hju kruppa h&ecirc;ra,
+&aring;nd hwersa th&ecirc;r fiska invr w&ecirc;ter w&ecirc;re n-vntgong
+th&aring;t hira nostera navt.</p>
+
+<p>R&aring;dbvwde Lyda. En store b&acirc;m kvn hju b&ucirc;gja
+&aring;nd sahwersa hja run ne br&aring;k n&ecirc;ne blomst&acirc;l
+vnder hjara fyt.</p>
+
+<p>Weldige Lyda. H&aring;rd was hjra steme &aring;nd kr&ecirc;t hju ut
+grimme s&acirc; run ek flux w&ecirc;i. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2143" href="#xd0e2143">14</a>]</span></p>
+
+<p>Wonderfvlle Lyda. Fon &ecirc;wa nilde hju navt n&ecirc;ta: hjra
+d&ecirc;da wrdon thrvch hjra tochta stjvrat. Vmbe tha t&ecirc;dra to
+help&acirc;ne, d&acirc;de hju tha st&ocirc;ra &aring;nd hwersa hju-t
+d&ecirc;n h&ecirc;de gr&acirc;jde hju by-t lik.</p>
+
+<p>Arme Lyda. Hju w&aring;rth gris fon-t vnwisse bihjelda &aring;nd
+vpp-it ende sturf hja fon hirts&ecirc;r vmbe tha b&aring;rn-ra
+kw&acirc;d.</p>
+
+<p>Vnwisa b&aring;rn. Hja tichtegadon ekkorum, fen m&aring;m-ra
+d&acirc;d, hja gr&aring;jadon lik wolva, fjvchtadon alsa &aring;nd
+dahwile hja that d&ecirc;don &ecirc;ton tha f&uuml;gelon th&aring;t
+lik. Hw&acirc; m&ecirc;i sin t&acirc;ra hwither to haldane.</p>
+
+<p>Finda. Was g&ecirc;l &aring;nd hjr h&ecirc;r s&acirc; tha m&acirc;na
+&ecirc;ner hors: &ecirc;ne thr&ecirc; ne kv hja navt ni b&ucirc;gja;
+men hw&ecirc;r Lyda annen lavwa macht to d&ecirc;jande, th&ecirc;r
+d&acirc;de hja wel tj&aring;n.</p>
+
+<p>Vrl&ecirc;dalike Finda. Svet was hjra stemme &aring;nd nannen
+f&uuml;gel kvn sjonga lik hju. Hjra &ecirc;gon lokton &aring;nd lordon,
+men th&ecirc;rer ansach w&aring;rth sl&acirc;f.</p>
+
+<p>Vnr&ecirc;dalika Finda. Hju skr&ecirc;f th&ucirc;sande &ecirc;wa,
+tha hju ne folgde n&ecirc;n er fon vp. Hja vrfyade tha goda vmbe hjara
+frymod, th&acirc; an slikm&aring;mkes j&ecirc;f hju hjr selva hast
+w&ecirc;i<span class="corr" id="xd0e2156" title="Niet in
+bron">.</span></p>
+
+<p>That was hir vnluk. Hjra h&acirc;ved was to fvl: tha hjr hirte to
+ydel; hju ne minde nimm&aring;n sa hja selva &aring;nd hju wilde
+th&aring;t ek hja lyaf h&aring;we skolde.</p>
+
+<p>Falske Finda. H&uuml;ning swet w&ecirc;ron hjra wirda, th&acirc; hok
+tham hja trjvwade w&ecirc;re vnluk n&ecirc;i by.</p>
+
+<p>Selvsjochta Finda. Ovir ella wilde hju welda, &aring;nd hjra svnum
+w&ecirc;ron lik hju; fon hjara susterum l&ecirc;ton hja ra thjanja
+&aring;nd ekkorum slogon hja vmb-et m&acirc;sterskip d&acirc;d.</p>
+
+<p>Dubbelhirta Finda. Vmbe skotse wirda w&aring;rth hju yre, &aring;nd
+tha &aring;rgste d&ecirc;da ne rorde hja navt. Sach hju en nyndask en
+spinne vrslynna, th&aring;n w&aring;rth hju omm-et hirte sa ys; men
+sach hju hjra b&aring;rn en fryas vrmorde s&acirc; swol hjra bosm fon
+nocht. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2167" href=
+"#xd0e2167">16</a>]</span></p>
+
+<p>Vnluke Finda. Hju sturf anda blomtid fon hjra l&ecirc;va,
+&aring;nd-t is jeta tjvester ho hju fallen sy.</p>
+
+<p>Skinh&ecirc;liga b&aring;rn. Vnder kestlike st&ecirc;na l&ecirc;idon
+hja hjra lik d&ecirc;l, mit kwabbjana skriftum smukton hja tham vppa,
+togr&acirc;jande vmbe h&ecirc;rath to w&aring;rthande men an stilnise
+ne w&ecirc;nadon hja n&ecirc;nen &ecirc;nge t&acirc;r.</p>
+
+<p>Vrijfalik folk. Thi tex th&ecirc;r Finda n&ecirc;i l&ecirc;t was in
+golden bl&ecirc;dar wryt: thach tha besta hw&ecirc;r-far i m&acirc;kad
+was, w&ecirc;r i n&aring;mmer to not. Tha goda &ecirc;wa wrdon
+utf&acirc;gad &aring;nd selfv sjocht wryte th&ecirc;r kw&acirc;da far
+in.</p>
+
+<p>O Finda. Tha w&aring;rth jrtha fvl blod, &aring;nd tha h&acirc;veda
+th&ecirc;r m&aring;nneska m&aring;jadon thin b&aring;rn lik g&aring;rs
+h&aring;lma of. Ja Finda th&aring;t send tha fr&uuml;chda thinera
+ydlenise. Sjan d&aring;l fon thinre w&acirc;kst&aring;r &aring;nd
+w&ecirc;n.</p>
+
+<p>Frya. Was wit lik sn&ecirc;i bij-t m&ocirc;rner&acirc;d &aring;nd
+th&aring;t bl&acirc;w hjrar &ocirc;gnum wn-et jeta th&ecirc;re
+r&ecirc;inb&ocirc;ge of.</p>
+
+<p>Sk&ecirc;ne Frya. Lik str&ecirc;lon th&ecirc;re midd&ecirc;i svnne
+blikadon hjra h&ecirc;ron, th&ecirc;r sa fin w&ecirc;ron as rach.</p>
+
+<p>Abela Frya. Vntlvkton hjra w&ecirc;ra, th&aring;n sw&ecirc;gon tha
+f&uuml;gelon &aring;nd ne rordon tha bl&ecirc;dar navt mar.</p>
+
+<p>Weldige Frya. Thrvch th&ecirc;ne kr&aring;ft hjrar blikkar
+str&ecirc;k thene l&acirc;wa to fara hjara fyt d&aring;l &aring;nd held
+thene addur sin gif tob&aring;k.</p>
+
+<p>R&ecirc;ne Frya. Hjra yta was h&uuml;ning &aring;nd hjra drank was
+d&acirc;wa, g&acirc;dvrad anda b&ocirc;sma th&ecirc;ra blommur.</p>
+
+<p>Lichte Frya. Th&aring;t forma hwat hju hjra b&aring;rn l&ecirc;rde
+was selv-twang, th&aring;t &ocirc;thera was lyafte to d&uuml;ged,
+&aring;nd th&acirc; hja j&ecirc;roch wrdon, th&acirc; l&ecirc;rde hju
+hjam thju w&ecirc;rtha fon tha frijdom k&aring;nna: hwand s&ecirc;ide
+hju svnder frijdom send alle &ocirc;thera d&uuml;gedon all&ecirc;na god
+vmbe jo to sl&acirc;vona to m&acirc;kjande, jvwe ofkvmste to &ecirc;vge
+skantha.</p>
+
+<p>Milde Frya. N&aring;mmer lyt hju m&ecirc;tal ut jrtha d&aring;lva
+vmb &aring;jnb&acirc;t, men s&acirc;hwersa hja-t d&ecirc;de
+w&ecirc;r-et to jahwelikis not. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2190"
+href="#xd0e2190">18</a>]</span></p>
+
+<p>Lukigoste Frya. Alsa tha st&aring;ra om jrtha omswyrmia swirmadon
+hjara b&aring;rn om hja.</p>
+
+<p>Wise Frya. Th&acirc; hju hjra b&aring;rn vpbrocht h&ecirc;de alto
+th&ecirc;re sjugonde kny, th&acirc; hrop hju-ra alle a Flyl&acirc;nd to
+s&aring;mne. Th&ecirc;r j&ecirc;f se hjam hjra tex, &aring;nd
+s&ecirc;ide, l&ecirc;t tham jvwe w&ecirc;iwisar w&ecirc;sa, th&acirc;
+ne skil th&aring;t jo n&acirc; navt kwalik ni g&acirc;.</p>
+
+<p>Utfork&ecirc;rena Frya. Th&acirc; hju-t s&ecirc;id h&ecirc;de,
+b&ecirc;vade jrtha l&icirc;k Wr.aldas s&ecirc;, Flyl&acirc;ndis bodem
+svnk an gr&acirc;da vnder hjara fyt d&aring;l. Thju loft w&acirc;rt
+swart &aring;nd nylof<a class="noteref" id="xd0e2197src" href=
+"#xd0e2197">10</a> fon t&acirc;ra to stirtane &aring;nd th&acirc; hja
+n&ecirc;i moder oms&acirc;gon, was hju al lang vppira
+w&acirc;kst&aring;r. Th&acirc; to tha lesta spr&aring;k tongar ut-a
+wolka &aring;nd blixen schr&ecirc;f an th&aring;t loftrvm,
+w&acirc;k.</p>
+
+<p>Farsjanda Frya. Th&aring;t l&acirc;nd fon hw&ecirc;r hju was vpfaren
+was nw en str&acirc;m &aring;nd buta hira tex was th&ecirc;r in ella
+bidvlwen hwat fon hjra h&ocirc;ndum k&ecirc;men was.</p>
+
+<p>H&ecirc;riga b&aring;rn. Th&acirc; hja to-ra selva w&ecirc;ron,
+th&acirc; m&acirc;kadon hja thit h&acirc;ge therp, bvwadon th&acirc;s
+burch th&ecirc;rvppa, anda w&aring;grum thessa wryton hja thene tex,
+&aring;nd vmbe that allera mannalik hja skolde m&uuml;ga finda,
+h&aring;vath hja th&aring;t l&acirc;nd rondomme Texl&acirc;nd
+h&ecirc;ten. Th&ecirc;rvmbe skil-&aring;t bilywa al wenne jrtha jrtha
+sy.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2074src" id="xd0e2074">1</a></span> Magy, Koning der Magyaren en
+Finnen.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2077src" id="xd0e2077">2</a></span> n&ecirc;sa = ne
+w&ecirc;sa.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2080src" id="xd0e2080">3</a></span> nilde = ne wilde.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2083src" id="xd0e2083">4</a></span> n&ecirc;te = ne
+w&ecirc;te.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2088src" id="xd0e2088">5</a></span> Oni, oud Holl. ane, Duitsch
+ohne = zonder.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2091src" id="xd0e2091">6</a></span> Mong, among, emong =
+onder.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2096src" id="xd0e2096">7</a></span> Falikant, f&acirc; likande =
+weinig gelijkende, niet conform.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2121src" id="xd0e2121">8</a></span> Wr.alda. Altijd geschreven
+als samengesteld woord beteekent: de overoude, het oudste wezen.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2132src" id="xd0e2132">9</a></span> Od, wortel van het Lat. odi,
+ik haat.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2197src" id="xd0e2197">10</a></span> Nylof; de kleur van nieuw
+loof? geel groen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2204" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Tex Fryas.</h2>
+
+<p>Held b&ecirc;id tha Frya, to tha lesta skilun hja my hwiter sja.
+Thach th&ecirc;ra all&ecirc;na m&ecirc;i ik as fry k&aring;nna
+th&ecirc;r n&ecirc;n sl&acirc;f is fon &ecirc;n &ocirc;ther ni fon sine
+tochta. Hyr is min r&ecirc;d.</p>
+
+<p>S&acirc;hwersa thju n&ecirc;d &aring;rg sy &aring;nd gode r&ecirc;d
+&aring;nd gode d&ecirc;d nawet m&acirc;r ne form&uuml;ge, hrop
+th&aring;n thi g&acirc;st Wr.aldas an, men j ne mot-im navt anhropa
+bif&acirc;ra alle thinga prvvath send. Tha ik segs to jo mith
+r&ecirc;dene &aring;nd tid skil-et w&acirc;ra, tha model&acirc;sa
+skilun &aring;mmar swika vnder hjar &aring;jn l&ecirc;d. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2211" href="#xd0e2211">20</a>]</span></p>
+
+<p>2. Wr.aldas g&acirc;st m&ecirc;i m&aring;n all&ecirc;na knibuwgjande
+th&acirc;nk to wya, j&acirc; thrju w&acirc;ra far hwat jv fon him noten
+h&aring;ve, far hwat jv nith, &aring;nd fara h&acirc;pe th&ecirc;r hy
+jo l&ecirc;t an &aring;nga tida.</p>
+
+<p>3. J h&aring;wed sjan ho ring ik helpe l&ecirc;nde, dva al &ecirc;n
+mith jo n&ecirc;ston, men ne tof navt til m&aring;n jo b&ecirc;den
+heth, tha lydande skolde jo floka, min f&acirc;mna skoldon jvwa
+n&acirc;ma utfaga ut-&aring;t bok &aring;nd ik skolde jo lik
+vnbik&aring;nnade ofwisa mota.</p>
+
+<p>4. Nim n&aring;mmar knibuwgjande t&acirc;nk fon jv n&ecirc;ston an,
+thjus &acirc;gath Wr.aldas g&acirc;st. Nid skolde j bikrjupa, wisdom
+solde j bil&acirc;ka &aring;nd min f&acirc;mna skoldon jo bityga fon
+f&acirc;derr&acirc;v.</p>
+
+<p>5. Fjuwer thinga send to jvwe not j&ecirc;ven, mith n&acirc;ma,
+loft, w&ecirc;ter, l&acirc;nd &aring;nd fjur. Men Wr.alda wil
+th&ecirc;r all&ecirc;na bisittar of w&ecirc;sa. Th&ecirc;rvmbe
+r&ecirc;d ik jo, j skilun jo rjuchtf&ecirc;rdiga manna kyasa, tham thju
+arb&ecirc;d &aring;nd tha fr&uuml;chda n&ecirc;i rjuchta d&ecirc;la,
+s&acirc; that n&aring;mman fry fon w&acirc;rka ni fon w&ecirc;ra
+sy.</p>
+
+<p>6. S&acirc;hwersa th&ecirc;r &aring;mman among jo fvnden
+w&aring;rth, th&ecirc;r sin &aring;jn frydom vrsellath, tham-n is navt
+fon jvw folk: hi is en horning mith basterd blod. Ik r&ecirc;de jo that
+j him &aring;nd sin m&aring;m to th&aring;t l&acirc;nd utdriva,
+s&ecirc;gs that to jvwa b&aring;rn, thes mornes, thes midd&ecirc;is
+&aring;nd thes &ecirc;wendes, til thju hja th&ecirc;rof dr&acirc;me
+thes nachtis.</p>
+
+<p>7. Allera m&aring;nnalik th&ecirc;r en &ocirc;ther fon sine frydom
+bir&acirc;wath, al w&ecirc;re th&ecirc;ne &ocirc;re him skeldech, mot
+ik anda b&aring;rnt&acirc;m &ecirc;ner sl&acirc;finne f&acirc;ra
+l&ecirc;ta. Thach ik r&ecirc;de jo vmbe sin lik &aring;nd that sinera
+m&aring;m vpp &ecirc;ne k&aring;le st&ecirc;d to vrbarnande,
+&aring;ftern&ecirc;i hjara aske fiftich fyt anda grvnd to
+d&aring;lvane, til hju th&ecirc;r n&ecirc;nen g&aring;rsh&aring;lm vp
+waxa ni m&ecirc;i, hwand aldulkera g&aring;rs skolde jvw diaroste kvik
+d&ecirc;ja.</p>
+
+<p>8. Ne grip n&acirc; th&aring;t folk fon Lyda ner fon Finda an.
+Wr.alda skolde helpa hjam, sa that-&aring;t weld that fon jo utgong
+vppa jvwa &aring;jne h&acirc;veda skolde witherkvma. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2226" href="#xd0e2226">22</a>]</span></p>
+
+<p>9. S&acirc;hwersa th&aring;t machte b&ecirc;ra that hja fon juwe
+r&ecirc;d jefta awet owers wilde, alsa aghat j to helpane hjam. Men
+kvmath hja to r&acirc;wande; fal than vppa tham nither lik blixenande
+fjvr.</p>
+
+<p>10. S&acirc;hwersa annen fon hjam &ecirc;ner jvwer toghaterum to wif
+g&ecirc;rth &aring;nd hju that wil, th&aring;n skolun j hja hjra
+dvmh&ecirc;d bitjvtha; thach wil hju toch hjra fr&ecirc;jar folgja,
+that hja than mith fr&ecirc;tho g&acirc;.</p>
+
+<p>11. Willath jvw svna fon hjara toghaterum, s&acirc; mot j alsa dva
+as mith jvwa toghaterum. Thach hor tha &ecirc;na nor tha &ocirc;thera
+m&ecirc;i witherkvma; hwand hja skoldvn uth&ecirc;meda s&ecirc;da
+&aring;nd pl&ecirc;ga mith fara; &aring;nd dr&ecirc;i thessa by jo
+heldgad wrde, m&ecirc;i ik navt longer ovir jo w&acirc;ka.</p>
+
+<p>12. Vppa minre f&acirc;m F&aring;sta h&aring;v ik min h&acirc;p
+f&aring;stegth, th&ecirc;rvmbe most j hja to &ecirc;remoder n&ecirc;ma,
+Folgath j min r&ecirc;d, th&aring;n skil hju n&ecirc;mels min f&acirc;m
+bilywa &aring;nd alla fr&acirc;na f&acirc;mna th&ecirc;r hja folgja;
+th&aring;n skil thju foddik n&aring;mer utg&acirc; th&ecirc;r ik far jo
+vpstoken h&aring;v. Th&aring;t ljucht th&ecirc;ra skil th&aring;n
+&ecirc;vg jvwe bryn vpklarja, &aring;nd j skilun th&aring;n &ecirc;vin
+fry bilyva fon vnfrya weld as jvwa swite rinstr&acirc;ma fon th&aring;t
+salte w&ecirc;ter th&ecirc;r &aring;ndel&acirc;se s&ecirc;.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2235" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet het Fasta s&ecirc;id.</h2>
+
+<p>Alle setma th&ecirc;r en &ecirc;w, th&aring;t is hvndred j&ecirc;r,
+omhl&acirc;pa m&uuml;ge mith tha krodar &aring;nd sin jol, th&ecirc;ra
+m&uuml;gon vppa r&ecirc;d th&ecirc;re moder, &aring;nd by m&ecirc;na
+willa vppa w&ecirc;gar th&ecirc;ra burgum writ hwertha; send hja uppa
+w&ecirc;gar writ, th&acirc;n send hja &ecirc;wa, &aring;nd th&aring;t
+is vsa plicht vmbe altham an &ecirc;ra to haldande. Kvmth n&ecirc;d
+&aring;nd tvang vs setma to j&ecirc;vane, stridande wither vsa
+&ecirc;wa &aring;nd pl&ecirc;gum, s&acirc; mot m&aring;nneska dva alsa
+hja askja; thach send hja w&ecirc;ken, th&aring;n mot m&aring;n
+&aring;mmer to th&aring;t alda witherk&ecirc;ra. Th&aring;t is Fryas
+willa, &aring;nd th&aring;t mot w&ecirc;sa tham fon al hjra b&aring;rn.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2240" href=
+"#xd0e2240">24</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2242" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Fasta s&ecirc;ide.</h2>
+
+<p>Alle thinga, th&ecirc;r m&aring;n anfangja wil, hoka
+th&aring;t-&aring;t m&ocirc;ga w&ecirc;sa, vppa tha d&ecirc;i,
+th&ecirc;r wy Frya heldgad h&aring;wa, tham skilun &ecirc;vg falykant
+utkvma: n&ecirc;idam tid nw biwysd heth th&aring;t hju riucht
+h&ecirc;de, s&acirc; is th&aring;t en &ecirc;wa wrdon, th&aring;t
+m&aring;n svnder n&ecirc;d &aring;nd tvang a Frya hjra d&ecirc;i nawet
+owers ni dva ne m&ecirc;i, tha blyda f&ecirc;rsta fyrja.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2247" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">That send tha &ecirc;wa th&ecirc;r to th&ecirc;ra
+burgum h&ecirc;ra.</h2>
+
+<p>1. S&acirc;hwersa th&ecirc;r &aring;rne &ecirc;ne burch bvwet is,
+s&acirc; mot thju foddik th&ecirc;ra an tha forma foddik et
+Texl&acirc;nd vpst&ecirc;ken wrda. Thach th&aring;t ne m&ecirc;i
+n&aring;mmer owers as troch tha moder sk&ecirc;n.</p>
+
+<p>2. Ek moder skil hjra &aring;jn f&acirc;mna kjasa; alsa th&ecirc;ra
+th&ecirc;r vppa th&ecirc;ra &ocirc;thera burgum as moder send.</p>
+
+<p>3. Thju moder to Texl&acirc;nd m&ecirc;i hjra folgster kjasa, thach
+s&acirc;hwersa hju falth &ecirc;r hju-t d&ecirc;n heth, sa mot thas
+k&ecirc;ren hwertha vppa &ecirc;na m&ecirc;na acht, by r&ecirc;dum fon
+alle stata et s&ecirc;mne.</p>
+
+<p>4. Thju moder to Texl&acirc;nd m&ecirc;i &ecirc;n &aring;nd tvintich
+f&acirc;mna &aring;nd sjvgun spille mang&ecirc;rta h&aring;va, til thju
+th&ecirc;r &aring;mmer sjvgun by th&ecirc;re foddik muge w&acirc;kja
+d&ecirc;ilikes &aring;nd thes nachtes. By tha f&acirc;mna th&ecirc;r
+vppa ora burgum as moder thjanja alsa f&ecirc;lo.</p>
+
+<p>5. S&acirc;hwersa en f&acirc;m annen g&acirc;da wil, sa mot hju-t
+th&ecirc;re moder melda, &aring;nd bistonda to tha m&aring;nniska
+k&ecirc;ra, &ecirc;r hju mith hjra tochtige &acirc;dama th&aring;t
+ljucht bivvlath.</p>
+
+<p>6. Thju moder &aring;nd alrek burchf&acirc;m skil m&aring;n
+tofogjande &ecirc;n &aring;nd tvintich burchh&ecirc;ran, sjvgun alda
+wisa, sjvgun alda k&aring;mpar, &aring;nd sjvgun alda
+s&ecirc;k&aring;mper. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2262" href=
+"#xd0e2262">26</a>]</span></p>
+
+<p>7. Ther fon skilun alle j&ecirc;ron to honk k&ecirc;ra thrim fon
+elik sjvgun, thach hja ne m&uuml;gon navt vpfolgath ne wertha thrvch
+hjara sibtal n&ecirc;jar sa tha fjarda kny.</p>
+
+<p>8. Aider m&ecirc;i thr&ecirc; hvndred jonga burchw&ecirc;rar
+h&aring;va.</p>
+
+<p>9. Far thissa thjanesta skilun hja l&ecirc;ra Fryas tex &aring;nd
+tha &ecirc;wa, fon tha wisa mannon th&ecirc;ne wisdom, fon tha alda
+h&ecirc;rmannon thene kunst fon tha orloch &aring;nd fond tha
+s&ecirc;keningar thene kunsta th&ecirc;r bi th&aring;t butaf&acirc;ra
+n&ecirc;thlik send.</p>
+
+<p>10. Fon thissa w&ecirc;rar skilun j&ecirc;rlikes hvndred to bek
+k&ecirc;ra. Thach send th&ecirc;r svme vrl&aring;mth wrden, sa
+m&uuml;gon hja vpper burch bilywa hjara &ecirc;lle l&ecirc;va long.</p>
+
+<p>11. By th&aring;t kjasa fon tha w&ecirc;rar ne m&ecirc;i nimmen fon
+th&ecirc;ra burch n&ecirc;n stem navt ne h&aring;va, ni tha
+gr&ecirc;vetmanna jefta &ocirc;thera h&acirc;veda, m&aring;n th&aring;t
+bl&aring;ta folk all&ecirc;na.</p>
+
+<p>12. Thju moder et Texl&acirc;nd skil m&aring;n j&ecirc;va thrja
+sjvgun flinka bodon mith thrja twilif rappa horsa. Vppa ora burgum ek
+burchf&acirc;m thr&ecirc; bodon mith sjvgun horsa.</p>
+
+<p>13. Ak skil &aring;jder burchf&acirc;m h&aring;va fiftich bvwara
+thrvch th&aring;t folk ak&ecirc;ren. Men th&ecirc;rto m&ecirc;i
+m&aring;n all&ecirc;na j&ecirc;va sokka, th&ecirc;r navt abel &aring;nd
+stora for w&ecirc;ra ner to butaf&acirc;rar send.</p>
+
+<p>14. Ajder burch mot hiri selva bidruppa &aring;nd gen&ecirc;ra fon
+hjra &aring;jn rondd&ecirc;l &aring;nd fon th&aring;t d&ecirc;l that
+hju fon th&aring;t m&aring;rkjeld b&uuml;rth.</p>
+
+<p>15. Is th&ecirc;r &aring;mman k&ecirc;ren vmbe vppa burgum to
+thjanjande &aring;nd nil-er navt, th&aring;n ne m&ecirc;i-er na
+n&ecirc;n burchh&ecirc;r wertha, &aring;nd dus n&ecirc;n stem navt ni
+h&aring;va, is er al burchh&ecirc;r sa skil hi thju &ecirc;r
+vrljasa.</p>
+
+<p>16. S&acirc;hwersa &aring;mman r&ecirc;d g&ecirc;rt fon th&ecirc;re
+moder, tha fon &ecirc;ne burchf&acirc;m, sa mot hi him selva melde by
+tha skrivwer. Thesse br&aring;ngth-im by tha burchm&acirc;ster.</p>
+
+<p>Forth mot-i n&ecirc;i tha l&ecirc;tsa, th&aring;t is th&ecirc;ne
+h&ecirc;lener. Th&ecirc;r mot sja jef er &acirc;k bis&ecirc;ken is fon
+kvada tochtum. Is-er god s&ecirc;id, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2285" href="#xd0e2285">28</a>]</span>tha vndvath hi him selva fon
+sinum w&ecirc;pna, &aring;nd sjvgun w&ecirc;rar br&aring;ngath him by
+th&ecirc;re moder.</p>
+
+<p>17. Is thju s&ecirc;k vr &ecirc;ne st&acirc;te sa ne m&uuml;gon
+th&ecirc;r navt miner th&aring;n thr&ecirc; bodon kvma: is-t vr-t
+&ecirc;lla Fryasl&acirc;nd, th&aring;n moton th&ecirc;r jeta sjvgun
+tjuga byw&ecirc;sa. Th&ecirc;rumbe th&aring;t er n&ecirc;n kva formvda
+navt risa ne m&ecirc;i nor skalkh&ecirc;d d&ecirc;n ne wrde.</p>
+
+<p>18. By alle s&ecirc;kum mot tha moder walda &aring;nd njvda
+th&aring;t hjra b&aring;rn, th&aring;t is Fryas folk, s&acirc;
+m&ecirc;t-rik bilywa as th&aring;t w&ecirc;sa m&ecirc;i. Th&aring;t is
+thi gr&acirc;testa hjrar plichta, &aring;nd vs alra vmb-er th&ecirc;r
+an to h&ecirc;lpande.</p>
+
+<p>19. H&aring;t m&aring;n hja by &ecirc;ne rjuchtlika s&ecirc;ke
+anhropen vmb-er utspr&ecirc;k twisk annen gr&ecirc;vetman &aring;nd tha
+m&ecirc;nte, &aring;nd findath hju thju s&ecirc;ke tvivelik, s&acirc;
+mot hju to b&acirc;te fon th&ecirc;r m&ecirc;nte spr&ecirc;ka til thju
+th&ecirc;r fr&ecirc;tho kvma, &aring;nd thrvchtham th&aring;t
+b&ecirc;tre sy that &ecirc;n man vnrjucht d&ecirc;n wrde th&aring;n
+f&ecirc;lo.</p>
+
+<p>20. Kvmth hwa vmb r&ecirc;d &aring;nd w&ecirc;t thju moder
+r&ecirc;d, sa &acirc;ch hju tham bystonda to j&ecirc;vane, w&ecirc;t
+hju bystonda n&ecirc;n r&ecirc;d, s&acirc; m&ecirc;i hju wachtja
+l&ecirc;ta sjvgun d&ecirc;gum. W&ecirc;t hju th&aring;n nach n&ecirc;n
+r&ecirc;d, sa m&uuml;gon hja hinne br&ucirc;da, &aring;nd hja
+m&uuml;gon hjra selva navt biklagja, til thju n&ecirc;n r&ecirc;d
+b&ecirc;tre is th&aring;n kva r&ecirc;d.</p>
+
+<p>21. Heth en moder &aring;rge r&ecirc;d j&ecirc;ven ut kvada willa,
+s&acirc; mot m&acirc;n hja d&ecirc;ja jefta ut of l&acirc;ndum dryva
+stoknaken &aring;nd bl&acirc;t.</p>
+
+<p>22. Send hjra burchh&ecirc;ra m&ecirc;deplichtich, th&aring;n dvath
+m&aring;n alsa mith tham.</p>
+
+<p>23. Is hjra skild tvivelik jefta bl&acirc;t formoda, s&acirc; mot
+m&aring;n th&ecirc;r-vr thingja &aring;nd spr&ecirc;ka, is-t
+n&ecirc;dich, &ecirc;n &aring;nd twintich wyka long. Stemth tha
+halfd&ecirc;l skildich, s&acirc; halde m&aring;n hja vr vnskildich,
+tw&ecirc;de s&acirc; wacht m&aring;n jeta en fvl j&ecirc;r. Stemth
+m&aring;n th&aring;n alsa, s&acirc; m&ecirc;i m&aring;n hja skildich
+halda, tha navt ni d&ecirc;ja. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2301"
+href="#xd0e2301">30</a>]</span></p>
+
+<p>24. S&acirc;hwersa svme among th&aring;t thrimna send tham hja alsa
+s&ecirc;r vnskildich m&ecirc;ne that hja hja folgja wille, s&acirc;
+m&uuml;gon hja th&aring;t dva mith al hjara driwande &aring;nd tilbara
+h&acirc;va &aring;nd n&aring;mman acht hjam th&ecirc;r ovir min to
+achtiane, til thju th&aring;t m&acirc;ra d&ecirc;l alsa blyd k&aring;n
+dw&acirc;la sa th&aring;t minra del.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2304" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">M&ecirc;na &ecirc;wa.</h2>
+
+<p>1. Alle frya b&aring;rn send a &ecirc;like wysa b&aring;rn.
+Th&ecirc;rvmbe moton hja &acirc;k &ecirc;lika rjuchte h&aring;va, alsa
+blyd vpp-&aring;t l&acirc;nd as vpp-&aring;th &ecirc;, th&aring;t is
+w&ecirc;ter &aring;nd vp ella th&aring;t Wr.alda jefth.</p>
+
+<p>2. Allera mannalik m&ecirc;i-t wif sinra k&ecirc;sa fr&ecirc;ja
+&aring;nd ek toghater m&ecirc;i efter hjra helddrvnk bjada th&ecirc;r
+hju minth.</p>
+
+<p>3. Heth hwa en wif nimth, s&acirc; j&ecirc;ft m&aring;n hjam hus
+&aring;nd w&aring;rv. N-is th&ecirc;r n&ecirc;n, sa mot-&aring;t bvwat
+wrde.</p>
+
+<p>4. Is-er n&ecirc;i en &ocirc;ther thorp gongon vmb en wif &aring;nd
+wil hi th&ecirc;r bilywa, s&acirc; mot m&aring;n him th&ecirc;r en hus
+en w&aring;rf j&ecirc;wa bijonka th&aring;t not fon tha
+h&ecirc;mrik.</p>
+
+<p>5. Allera mannalik mot m&aring;n en &aring;fterd&ecirc;l as
+w&aring;rf by sina hus j&ecirc;va. Tha nimman ne m&ecirc;i en
+fard&ecirc;l by sin hus n&aring;va, f&uuml;l min en rondd&ecirc;l.
+All&ecirc;na ief hwa en d&acirc;d d&ecirc;n heth to m&ecirc;na nitha,
+s&acirc; m&ecirc;i him th&aring;t j&ecirc;ven wrde. Ak m&ecirc;i sin
+jongste svn that erva. After tham mot th&aring;t thorp that wither
+nima.</p>
+
+<p>6. Ek thorp skil en h&ecirc;mrik h&aring;va n&ecirc;i sina bihof
+&aring;nd th&ecirc;ne gr&ecirc;va skil njvda that alra ek sin d&ecirc;l
+bidongth &aring;nd god hald, til thju tha &aring;fter kvmmande
+n&ecirc;n sk&aring;de navt ne lyda ne muge.</p>
+
+<p>7. Ek thorp m&ecirc;i en m&aring;rk hava to k&acirc;p &aring;nd to
+vrk&acirc;p iefta to wandelja. Alle-t &ocirc;ra l&acirc;nd skil bvw
+&aring;nd wald bilyva. Th&acirc; tha b&acirc;ma th&ecirc;ra ne
+m&ecirc;i nimman navt f&aring;lla, buta m&ecirc;na r&ecirc;da &aring;nd
+buta w&ecirc;ta thes waldgr&ecirc;va, hwand tha walda send to
+m&ecirc;na nitha. Th&ecirc;rvmbe ne m&ecirc;i nimman th&ecirc;r
+m&aring;ster of sa. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2321" href=
+"#xd0e2321">32</a>]</span></p>
+
+<p>8. As m&aring;rkjeld ne m&ecirc;i th&aring;t thorp navt m&acirc;r ni
+nimma sa tha tillifte d&ecirc;l fon tha skat, hor fon tha inh&ecirc;mar
+ner fon tha f&ecirc;rh&ecirc;mande. Ak ne m&ecirc;i tha m&aring;rk skat
+navt &ecirc;r vrsellath<a class="noteref" id="xd0e2324src" href=
+"#xd0e2324">1</a> ne wertha as th&aring;t &ocirc;ra god.</p>
+
+<p>9. Alle-t m&aring;rkjeld mot j&ecirc;rlikes d&ecirc;lath wrde, thrja
+d&ecirc;gan far th&ecirc;re jold&ecirc;i, an hvndred d&ecirc;lun to
+d&ecirc;lande.</p>
+
+<p>10. Thi gr&ecirc;vetman mit sinum gr&ecirc;vum skil th&ecirc;r of
+b&uuml;ra twintich d&ecirc;la; th&ecirc;ne m&aring;rk rjuchter tian
+d&ecirc;la, &aring;nd sinum helpar, fif d&ecirc;la; thju folkesmoder
+&ecirc;n d&ecirc;l; thju g&acirc; moder fjvwer d&ecirc;la; th&aring;t
+thorp tian d&ecirc;la; tha &aring;rma, th&aring;t is th&ecirc;ra tham
+navt w&aring;rka ni kunna ni m&uuml;ge, fiftich d&ecirc;la.</p>
+
+<p>11. Th&ecirc;ra, tham to m&aring;rka kvma, ne m&uuml;gon navt ni
+wokeria, kvmath th&ecirc;r svm, sa is-t th&ecirc;ra famna plicht hjam
+k&aring;nb&ecirc;r to makjana in-vr th&aring;t &ecirc;lle l&acirc;nd,
+til thju hja nimmerthe k&ecirc;ren navt wrde to eng ampt, hwand soka
+h&aring;vath en gyra-lik hirte, vmbe sk&aring;t to garja skolde hja
+ella vrr&ecirc;da, th&aring;t folk, thjv moder, hjara sibben &aring;nd
+tho tha lesta hjara selva.</p>
+
+<p>12. Is th&ecirc;r &aring;mman alsa &aring;rg that-er sjvcht-siak fja
+jeftha vrd&ecirc;ren w&ecirc;r vrsellath vr h&ecirc;l god, sa mot thene
+m&aring;rk-rjuchtar him w&ecirc;ra &aring;nd tha famna him noma invr-et
+&ecirc;lle l&acirc;nd.</p>
+
+<p>In &ecirc;ra tyda h&ecirc;madon Findas folk m&ecirc;st algadur invr
+hjara moders b&aring;rta-l&acirc;nd, mit n&ocirc;ma ald-l&acirc;nd that
+nw vnder-ne s&ecirc; l&ecirc;ith; hja w&ecirc;ron thus f&ecirc;r-of,
+th&ecirc;rvmbe n&ecirc;don wi &acirc;k n&ecirc;n orloch, tha hja
+vrdr&ecirc;ven send &aring;nd h&ecirc;inda k&ecirc;mon to r&acirc;wane,
+th&acirc; k&ecirc;m-er fon selva l&acirc;ndw&ecirc;r h&ecirc;rmanna
+k&ecirc;ninggar &aring;nd orloch, vr altham k&ecirc;mon setma &aring;nd
+uta setma k&ecirc;mon &ecirc;wa.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2324src" id="xd0e2324">1</a></span> De <span class="corr" id=
+"xd0e2326" title="Bron: m&acirc;rkskat">m&aring;rkskat</span> werd in
+goederen betaald.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2340" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr folgath tha &ecirc;wa th&ecirc;r th&ecirc;rut
+tavlikt send.</h2>
+
+<p>1. Ek Fryas mot-a l&ecirc;tha jeftha fyanda w&ecirc;ra mith
+aldulkera w&aring;pne as-er forsinna, bikvma &aring;nd
+h&acirc;ndt&ecirc;ra m&ecirc;i. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2345"
+href="#xd0e2345">34</a>]</span></p>
+
+<p>2. Is en boi twilif jer, sa mot-i tha sjvgunde d&ecirc;i miste fon
+sin l&ecirc;r-tid vmbe r&ecirc;d to werthande mith-a w&aring;pne.</p>
+
+<p>3. Is hi bikvmen, sa j&ecirc;ve m&aring;n him w&aring;pne &aring;nd
+hi warth to w&ecirc;rar sl&acirc;gen.</p>
+
+<p>4. Is hi thr&ecirc; j&ecirc;r w&ecirc;rar, s&acirc; w&aring;rth-i
+burch-h&ecirc;r &aring;nd m&ecirc;i hi h&ecirc;lpa sin
+h&acirc;wed-manna to kjasane.</p>
+
+<p>5. Is hwa sjvgun j&ecirc;r kjasar, s&acirc; m&ecirc;i hi h&ecirc;lpa
+en h&ecirc;rman jeftha k&ecirc;ning to kjasane, th&ecirc;r to &acirc;k
+k&ecirc;ren wrde.</p>
+
+<p>6. Alle j&ecirc;r mot-er ovir k&ecirc;ren wertha.</p>
+
+<p>7. Buta tha k&ecirc;ning m&uuml;gon alle ambtmanna wither
+k&ecirc;ren wertha, tham rjucht dva &aring;nd n&ecirc;i fryas
+r&ecirc;d.</p>
+
+<p>8. Annen k&ecirc;ning ne m&ecirc;i navt ni l&ocirc;nger as
+thr&ecirc; j&ecirc;r k&ecirc;ning bilywa, til thju hi navt biklywa ne
+m&ecirc;i.</p>
+
+<p>9. Heth-i sjvgun j&ecirc;r rest, s&acirc; m&ecirc;i hi wither
+k&ecirc;ren wertha.</p>
+
+<p>10. Is thi k&ecirc;ning thruch thene fyand fallen, s&acirc;
+m&uuml;gon sina sibba &acirc;k n&ecirc;i th&ecirc;re &ecirc;re
+thinga.</p>
+
+<p>11. Is-er vppa sin tid ofgvngen jeftha binna sin tid sturven,
+s&acirc; ne m&ecirc;i n&ecirc;n sibba him vpfolgja, th&ecirc;r-im
+n&ecirc;iar sy sa tha fjarde kny.</p>
+
+<p>12. Th&ecirc;ra tham strida mitha w&aring;pne an hjara handa ne
+kunnath navt forsinna &aring;nd wis bilywa, th&ecirc;rvmbe ne focht-eth
+n&ecirc;ne k&ecirc;ning w&aring;pne to hant&ecirc;ra an tha strid. Sin
+wisdom mot sin w&aring;pen w&ecirc;sa &aring;nd thju ljafte siura
+k&aring;mpona mot sin skyld w&ecirc;sa.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2368" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr send tha rjuchta th&ecirc;re moder and
+th&ecirc;ra k&ecirc;ninggar.</h2>
+
+<p>1. Sahwersa orloch kumth, send tha moder hira bodon n&ecirc;i tha
+k&ecirc;ning, thi k&ecirc;ning send bodon n&ecirc;i tha
+gr&ecirc;vetmanna vmbe l&acirc;nd-w&ecirc;r.</p>
+
+<p>2. Tha gr&ecirc;vetmanna hropath alle burch-h&ecirc;ra et
+s&ecirc;mne &aring;nd bir&ecirc;dath ho f&ecirc;lo manna hja skilun
+stjura. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2375" href=
+"#xd0e2375">36</a>]</span></p>
+
+<p>3. Alle bisluta th&ecirc;ra moton ring n&ecirc;i th&ecirc;re moder
+senden wertha mith bodon &aring;nd tjugum.</p>
+
+<p>4. Thju moder l&ecirc;th alle bisluta gaderja &aring;nd j&ecirc;fth
+et guldnetal, th&aring;t is th&aring;t middeltal fon alle bisluta
+ets&ecirc;mne, th&ecirc;rmitha mot m&aring;n far th&aring;t forma
+fr&ecirc;to ha &aring;nd thene kening alsa.</p>
+
+<p>5. Is thju w&ecirc;ra a k&aring;mp, th&aring;n hoft thi k&ecirc;ning
+all&ecirc;na mith sinum havedmanna to r&ecirc;da, thach th&ecirc;r
+moton &aring;mmerthe thr&ecirc; burch-h&ecirc;ra fon th&ecirc;re moder
+f&ocirc;rana sitta svnder stem. Thissa burch-h&ecirc;ra moton
+d&ecirc;jalikis bodon n&ecirc;i th&ecirc;re moder senda, til thju hju
+w&ecirc;ta m&uuml;ge jef th&ecirc;r awet d&ecirc;n w&acirc;rth,
+stridande with-a &ecirc;wa jeftha with Fryas r&ecirc;djevinga.</p>
+
+<p>6. Wil thi k&ecirc;ning dva &aring;nd sina r&ecirc;da navt, s&acirc;
+m&ecirc;i hi th&aring;t navt vnderstonda.</p>
+
+<p>7. Kvmth-ene fyand vnwarlinga, th&aring;n mot m&aring;n dva sa thene
+k&ecirc;ning bith.</p>
+
+<p>8. Nis thene k&ecirc;ning navt vppet pat, s&acirc; mot m&aring;n sin
+folgar h&ecirc;rich w&ecirc;sa of tham-is folgar alont tha lesta.</p>
+
+<p>9. Nis th&ecirc;r n&ecirc;n havedman, s&acirc; kjase m&aring;n
+hwa.</p>
+
+<p>10. Nis th&ecirc;r n&ecirc;n tid, s&acirc; w&aring;rpa hi him to
+havedman th&ecirc;rim weldich f&ecirc;leth.</p>
+
+<p>11. Heth thene k&ecirc;ning en fr&ecirc;salik folk ofslagen,
+s&acirc; m&uuml;gon sina after kvmande sin n&acirc;ma &aring;fter hjara
+&aring;jne fora; wil thene k&ecirc;ning, s&acirc; m&ecirc;i-er vppen
+vnbibvwade st&ecirc;d en pl&aring;k utkjasa to hus &aring;nd erv.
+Th&aring;t erv m&ecirc;i en rond-d&ecirc;l w&ecirc;sa sa gr&acirc;t
+th&aring;t hi fon alle sidum sjvgun hvndred tr&ecirc;dun ut of sine hus
+m&ecirc;i hlapa, &ecirc;r hi an sina r&ecirc;na kvmth.</p>
+
+<p>12. Sin jongste svn m&ecirc;i th&aring;t god erva, &aring;fte tham
+thamis jongste, th&aring;n skil m&aring;n that wither nimma.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2396" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr send tha rjuchta aller Fryas vmbe s&ecirc;kur to
+w&ecirc;sande.</h2>
+
+<p>1. Sahwersa th&ecirc;r &ecirc;wa vrwrocht wrde jefta n&ecirc;ja
+setma tavlikt, <span class="pagenum">[<a id="xd0e2401" href=
+"#xd0e2401">38</a>]</span>alsa mot-et to m&ecirc;na nitha sk&ecirc;n,
+men n&aring;mmer to b&acirc;ta fon enkeldera m&aring;nniska, her fon
+enkeldera slachta, ner fon enkeldera st&acirc;ta, nach fon awet that
+enkel sy.</p>
+
+<p>2. Sahwersa orloch kvmt &aring;nd th&ecirc;r wrde husa homljat
+jeftha sk&ecirc;pa, hok that et sy, sy-et thrvch thene fyand, tha by
+m&ecirc;na r&ecirc;dum, s&acirc; ach tha m&ecirc;na m&ecirc;nta,
+th&aring;t is al-et folk to s&ecirc;mne that wither to h&ecirc;lene;
+th&ecirc;r vmbe that n&aring;mman tha m&ecirc;na s&ecirc;ka skil helpa
+vrljasa vmbe sin &aring;jn god to bihaldane.</p>
+
+<p>3. Is orloch vrth&ecirc;jan, &aring;nd send th&ecirc;r svm, alsa
+vrd&ecirc;ren that hja navt longer w&aring;rka ne m&uuml;gon, s&acirc;
+mot tha m&ecirc;na m&ecirc;nte hjam vnderhalda, by tha f&ecirc;rstum
+achon hja forana to sittana, til thju tha j&uuml;ged skil &ecirc;ra
+hjam.</p>
+
+<p>4. Send th&ecirc;r w&ecirc;dvon &aring;nd w&ecirc;son k&ecirc;mon,
+s&acirc; mot m&aring;n hja &acirc;k vnderhalda &aring;nd tha svna
+m&uuml;gon thi n&acirc;ma hjarar t&acirc;ta vpp-ira skildum writa hjara
+slachtha to &ecirc;rane.</p>
+
+<p>5. Send th&ecirc;r svm thrvch thene fyand fat &aring;nd kvmath hja
+to b&aring;k, s&acirc; mot m&aring;n hjam f&ecirc;r fon th&aring;t
+k&aring;mp of fora, hwand hja machton fry l&ecirc;ten w&ecirc;sa by
+arge loftum &aring;nd than ne m&uuml;gon hja hjara lofta navt ni halda
+&aring;nd toch &ecirc;rlik bilywa.</p>
+
+<p>6. Jef wi selwa fyanda f&acirc;ta, s&acirc; br&aring;nge mon tham
+djap anda landa w&ecirc;i, m&aring;n l&ecirc;rth hja vsa frya
+s&ecirc;de.</p>
+
+<p>7. L&ecirc;t m&aring;n hja &aring;ftern&ecirc;i hl&acirc;pa,
+s&acirc; l&ecirc;t m&aring;n th&aring;t mith welh&ecirc;d thrvch tha
+f&acirc;mna dva, til thju wi &acirc;tha &aring;nd frjunda winna fori
+l&ecirc;tha &aring;nd fyandun.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2415" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ut Minnos skriftun.</h2>
+
+<p>Sahwersa th&ecirc;r &ecirc;nman is th&ecirc;rm&ecirc;ta &aring;rg
+that hi vsa swetsar birawath, morth-dedun dvat, husa barnth,
+mang&ecirc;rtha sk&aring;nth, hok th&aring;t-et sy, th&aring;t
+&aring;rg sy, &aring;nd vsa swetnata willon th&aring;t wroken
+h&aring;va, s&acirc; is th&aring;t rjucht th&aring;t m&aring;n thene
+d&ecirc;der f&acirc;tath &aring;nd an hjara &aring;jn-warda <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2420" href=
+"#xd0e2420">40</a>]</span>d&ecirc;jath, til thju th&ecirc;r vr
+n&ecirc;n orloch ne kvme, w&ecirc;rthrvch tha vnsk&ecirc;ldiga skolde
+bota fori tha sk&ecirc;ldiga. Willath hja him sin lif bihalda
+l&ecirc;ta &acirc;nd thju wr&ecirc;ka ofk&acirc;pja l&ecirc;ta,
+s&acirc; m&ecirc;i m&aring;n th&aring;t d&acirc;ja. Thach is then bona
+en k&ecirc;ning, gr&ecirc;vetman, gr&ecirc;va hwa th&aring;t-et sy,
+tham ovira s&ecirc;da mot w&acirc;ka, s&acirc; moton wi th&aring;t kwad
+b&ecirc;terja men ta bona mot sin straf h&acirc;.</p>
+
+<p>Forth hi en &ecirc;ren&acirc;ma vppa sine skeld fon sina
+&ecirc;thelun, s&acirc; ne m&uuml;gon sina sibba thi n&acirc;ma navt
+l&ocirc;nger ne fora. Th&ecirc;rvmbe th&aring;t hi &ecirc;ne sibba svrg
+skil h&aring;va ovira s&ecirc;da th&ecirc;ra &ocirc;thera.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2424" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">&Ecirc;wa fara stjurar<a class="noteref" id=
+"xd0e2427src" href="#xd0e2427">1</a>. Stjurar is thi &egrave;renoma
+th&ecirc;ra butafarar.</h2>
+
+<p>Alle fryas svna h&aring;va lika rjuchta, th&ecirc;rvmb m&uuml;gon
+&acirc;lle flinka kn&acirc;pa hjara self as butaf&acirc;rar melda by
+tha &ocirc;lderm&ocirc;n &aring;nd thisse ne m&ecirc;i him nit ofwisa,
+wara th&aring;t er n&ecirc;n sted is.</p>
+
+<p>2. Tha stjurar m&uuml;gon hjara &aring;jn m&aring;strun noma.</p>
+
+<p>3. Tha k&acirc;pljvd moton k&ecirc;ren &aring;nd binomath wertha
+thrvch tha m&ecirc;nte th&ecirc;r-et god h&ecirc;reth &aring;nd tha
+stjurar ne m&uuml;gon th&ecirc;r by n&ecirc;n stem h&aring;va.</p>
+
+<p>4. Jef m&aring;n vppe r&ecirc;is bifinth th&aring;t thene
+k&ecirc;ning &aring;rg jefta vnbikvmmen is, s&acirc; m&uuml;gon hja en
+&ocirc;ra nimma; kvmon hja to b&aring;k, s&acirc; m&ecirc;i thene
+k&ecirc;ning him self biklagja by tha &ocirc;lderm&ocirc;n.</p>
+
+<p>5. Kvmth th&ecirc;r fl&acirc;te to honk &aring;nd sin th&ecirc;r
+b&acirc;ta, s&acirc; moton tha stjurar th&ecirc;r of en thrimene
+h&aring;va, althus to d&ecirc;lande, thi witk&ecirc;ning twilf
+m&ocirc;n-is d&ecirc;la, thi skolt by nacht sjugun d&ecirc;la, tha
+b&ocirc;tm&ocirc;nna ek twa d&ecirc;la, thi skiprun ek thr&ecirc;
+d&ecirc;la, that &ocirc;ra skip-is folk ek &ecirc;n d&ecirc;l. Tha
+jongste prentar ek en thrimnath, tha midlosta ek en half-d&ecirc;l
+&aring;nd tha &ocirc;ldesta ek en tw&ecirc;dnath.</p>
+
+<p>6. Sin th&ecirc;r svme vrlameth, s&acirc; mot-a m&ecirc;na
+m&ecirc;nte njvda far hjara lif, &acirc;k moton hja f&ocirc;rana sitta
+by tha m&ecirc;na f&ecirc;rsta, by huslika f&ecirc;rsta, j&acirc; by
+alle f&ecirc;rsta. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2442" href=
+"#xd0e2442">42</a>]</span></p>
+
+<p>7. Sin th&ecirc;r vppa tocht vmkume, s&acirc; moton hjara
+n&ecirc;stun hjara d&ecirc;l erva.</p>
+
+<p>8. Sin th&ecirc;r w&ecirc;dven &aring;nd w&ecirc;son fon kvmen,
+s&acirc; mot thju m&ecirc;nte hja vnderhalda; sin hja an &ecirc;nre
+kase felth, sa m&uuml;gon tha svna thi n&ocirc;ma hjarar t&acirc;ta
+vppira skeldun fora.</p>
+
+<p>9. Sin th&ecirc;r prentara<a class="noteref" id="xd0e2449src" href=
+"#xd0e2449">2</a> forfaren, sa moton sina erva en &ecirc;l mannis
+d&ecirc;l h&aring;va.</p>
+
+<p>10. Was hi fors&ecirc;ith, s&acirc; m&ecirc;i sin brud sjugun mannis
+d&ecirc;lun aska vmbe hira fryadulf en st&ecirc;n to to wjande, mar
+th&aring;n mot hja for tha &ecirc;re w&ecirc;dve bilyva l&ecirc;va
+l&ocirc;ng.</p>
+
+<p>11. Sahwersa en m&ecirc;nte en fl&aring;te to r&ecirc;th, moton tha
+r&ecirc;dar njvda f&acirc;ra beste liftochtun &aring;nd f&acirc;r wif
+&aring;nd b&aring;rn.</p>
+
+<p>12. Jef en stjurar of &aring;nd &aring;rm is, &aring;nd hi heth hus
+nach erv, s&acirc; mot im that jon wertha. Nil hy n&ecirc;n hus nach
+erv, sa m&uuml;gon sin friundun hem tus n&ecirc;ma &aring;nd thju
+m&ecirc;nte mot et b&ecirc;tera n&ecirc;i sina st&aring;t, wara
+th&aring;t sin friunda thene b&acirc;ta w&ecirc;igerja</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2427src" id="xd0e2427">1</a></span> Stjurar, van hier de naam
+Sturii by Plinius.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2449src" id="xd0e2449">2</a></span> Prentar, nog op Texel een
+(stuurmans) leerling.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2458" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Netlika s&ecirc;ka ut-a n&ecirc;il&ecirc;tne
+skriftum Minnos.</h2>
+
+<p>Minno<a class="noteref" id="xd0e2463src" href="#xd0e2463">1</a> was
+en alde s&ecirc;k&ecirc;ning, sjaner &aring;nd wisgyrich. An tha
+Kr&ecirc;tar heth-i &ecirc;wa j&ecirc;ven. Hi is b&aring;rn an tha
+Lindawrda, &aring;nd n&ecirc;i al sin witherf&acirc;ra heth hi
+th&aring;t luk noten umbe to Lindah&ecirc;m to sterva.</p>
+
+<p>Sahwersa vsa swethnata en d&ecirc;l l&acirc;nd h&aring;ve jeftha
+w&ecirc;tir, that vs god tolikt, sa focht-et vs vmbe that a k&acirc;p
+to fr&ecirc;ja, nillath hja th&aring;t navt ne dva, than mot m&aring;n
+hja that bihalda l&ecirc;ta. That is n&ecirc;i Frya-his tex
+&aring;nd-et skolde vnrjucht w&ecirc;sa to vnthandana that.</p>
+
+<p>Sahwersa th&ecirc;r swethnata et s&ecirc;mna kyva &aring;nd sana vr
+enga s&ecirc;ka, tha vr l&acirc;nd, &aring;nd hja vs fr&ecirc;ja en
+ord&ecirc;l to spr&ecirc;ka, sa ach man th&aring;t r&ecirc;der
+&aring;fterw&ecirc;ja <span class="pagenum">[<a id="xd0e2470" href=
+"#xd0e2470">44</a>]</span>to l&ecirc;tane, tach sa man th&ecirc;r navt
+buta ne kan, sa mot man th&aring;t &ecirc;rlik &aring;nd
+rjuchtf&ecirc;rdich dva.</p>
+
+<p>Kvmth th&ecirc;r hwa &aring;nd s&ecirc;ith, ik h&aring;v orloch, nw
+most-v mi helpa; jeftha en &ocirc;ra kvmth &aring;nd s&ecirc;ith, min
+svn is vnj&ecirc;rich &aring;nd vnbikvmmen, &aring;nd ik bin ald, nw
+wild-ik thi to w&acirc;ranstew ovir hini &aring;nd ovir min l&acirc;nd
+st&aring;lla, til hi j&ecirc;rich sy, sa ach man that w&ecirc;igarja,
+til thju wi nawt an twist ne kvme ne m&uuml;ge vr s&ecirc;ka stridande
+with vsa frya s&ecirc;dum.</p>
+
+<p>Sahwersa th&ecirc;r kvmth en vrlandisk kapman vppa
+tol&ecirc;tm&aring;rk et Wyringga tha to Almanland &aring;nd hi
+bidroght, sa warth-er bistonda m&aring;rk-b&ecirc;ten &aring;nd
+kanb&ecirc;r m&acirc;kad trvch tha f&acirc;mna invr et &ecirc;le land.
+Kvmth-er th&aring;n to b&aring;k, sa ne skil nimman k&acirc;pja fon
+him, hy m&ecirc;i hinne br&ucirc;da sa-r kvmen is. Thus, sahwersa-r
+k&acirc;pljud k&ecirc;ren wrde vmbe wr-a merka to g&acirc;, jeftha
+mith-e fl&acirc;t to f&acirc;rane, sa ach man all&ecirc;na aldulkera to
+kjasane tham m&aring;n tyge by tyge k&aring;nth &aring;nd an en goda
+hrop st&acirc;ne by tha f&acirc;mna. B&ecirc;rth-et navt to min that-er
+en &aring;rg man m&ocirc;ng sy, tham tha ljud bitrogha wil, sa agon tha
+ora th&aring;t to w&ecirc;rane. Het-i-t-al d&ecirc;n sa mot m&aring;n
+th&aring;t b&ecirc;terja, &aring;nd thene misd&ecirc;dar ut of
+l&acirc;ndum banna, til thju vsa n&acirc;ma vral mith &ecirc;rane skil
+wertha binomath.</p>
+
+<p>Men jef wir vs vppen vrlandiska m&aring;rkt finda, sy-et
+h&ecirc;inde jeftha f&ecirc;r, &aring;nd b&ecirc;rth-et th&aring;t-et
+folk vs l&ecirc;t dvath jeftha bist&ecirc;lleth, s&acirc; agon wy mith
+haste h&ecirc;i to to sl&acirc;na, hwand afsk&ecirc;n wy &ecirc;lla
+agon to dvande vmbe fr&ecirc;tho willa, vsa halfbrothar ne m&uuml;gon
+vs nimmer minachtja nach w&acirc;na that wi ange send.</p>
+
+<p>In min j&uuml;ged h&aring;v ik wel &ecirc;nis mort overa b&aring;nda
+th&ecirc;ra &ecirc;wa, &aring;fter h&aring;v ik Frya often tanked vr
+hjra tex, &aring;nd vsa &ecirc;thla vr tha &ecirc;wa th&ecirc;r
+th&ecirc;rn&ecirc;i tavlikt send.</p>
+
+<p>Wr.alda jeftha Alfoder heth mi f&ecirc;lo j&ecirc;ren j&ecirc;ven,
+invr f&ecirc;lo landa &aring;nd s&ecirc;a h&aring;v ik omme f&acirc;ren
+&aring;nd n&ecirc;i al hwa ik sjan h&aring;, bin ik vrtj&ucirc;gad that
+wi all&ecirc;na <span class="pagenum">[<a id="xd0e2482" href=
+"#xd0e2482">46</a>]</span>trvch Alfoder utfork&ecirc;ren send,
+&ecirc;wa to h&aring;vande. Lydas folk ne m&ecirc;i n&ecirc;n &ecirc;wa
+to m&acirc;kjande ni to h&acirc;ldande, hja send to dvm &aring;nd wild
+th&ecirc;rto. F&ecirc;lo slachta Findas send sn&ocirc;d enoch, men hja
+send gyrich, h&acirc;chf&acirc;rande, falsk, vnk&ucirc;s &aring;nd
+mortsjochtich. Poga bl&ecirc;sath hjara selva vppa, &aring;nd hja ne
+m&uuml;gath nawet than krupa. Forska hropath w&aring;rk, w&aring;rk,
+&aring;nd hja ne dvath nawet as hippa &aring;nd kluchtm&acirc;kja. Tha
+roka hropath sp&acirc;r, sp&acirc;r, men hja st&ecirc;lon &aring;nd
+vrslynath al wat vnder hjara snavela kvmath. Lik al tham is th&aring;t
+Findas folk, hja bogath immer ovir goda &ecirc;wa; ek wil setma
+m&acirc;kja vmb-et kw&acirc;d to w&ecirc;rane, men selva nil nimman
+theran bonden w&ecirc;sa. Th&ecirc;ra hwam-his g&acirc;st that
+lestigoste sy &aring;nd th&ecirc;rtrvch sterik, tham-his h&ocirc;ne
+kr&ecirc;jath k&ecirc;ning &aring;nd tha &ocirc;ra moton alwenna an sin
+weld vnderwurpen w&ecirc;sa, til en &ocirc;ther kvmth th&ecirc;r-im
+fon-a s&ecirc;tel drywet. Th&aring;t word &ecirc;wa is to fr&acirc;n
+vmbe an m&ecirc;na s&ecirc;ka to nomande. Thervmbe heth m&aring;n vs
+&ecirc;vin sega l&ecirc;rth. &Ecirc;wa th&aring;t s&ecirc;it setma
+th&ecirc;r bi aller m&aring;nniska &ecirc;lik an hjara mod prenth send,
+til thju hja m&uuml;ge w&ecirc;ta hwat rjucht &aring;nd vnrjucht sy
+&aring;nd hw&ecirc;rtrhvch hja weldich send vmbe hjara &aring;jne
+d&ecirc;da &aring;nd tham fon &ocirc;rum to birjuchtande, th&aring;t
+wil sedsa alsan&acirc;ka hja god &aring;nd navt misd&ecirc;dich
+vpbrocht send. Ak is-er jet-en &ocirc;ra sin an f&aring;st. &Ecirc;wa
+seit ak, &ecirc;lik w&ecirc;ter-lik; rjucht &aring;nd sljucht as
+w&ecirc;ter that thrvch n&ecirc;n stornewind jeftha awet owers vrstoren
+is. Warth w&ecirc;ter vrstoren, sa warth-et vn&ecirc;wa, vnrjucht, men
+et nygt &ecirc;vg vmbe wither &ecirc;wa to werthande, that l&ecirc;ith
+an sin fonselvh&ecirc;d, alsa tha nygung to rjucht &aring;nd frydom in
+Fryas bern leith. Thessa nygung h&aring;vath wi trvch Wr.aldas
+g&acirc;st, vsa foders, th&ecirc;r in Fryas bern bogth, th&ecirc;rvm be
+skil hju vs &acirc;k &ecirc;vg biklywa. &Ecirc;wa is &acirc;k thet
+&ocirc;ra sinnebyld fon Wr.aldas g&acirc;st, th&ecirc;r &ecirc;vg
+rjucht &aring;nd vnforstoren bilywath, afsk&ecirc;n-et an lich&ecirc;me
+&aring;rg to g&ecirc;it. &Ecirc;wa &aring;nd vnforstoren send tha
+m&aring;rka th&ecirc;ra wisdom &aring;nd rjuchtf&ecirc;rdichh&ecirc;d
+th&ecirc;r fon <span class="pagenum">[<a id="xd0e2484" href=
+"#xd0e2484">48</a>]</span>alla fr&ecirc;mo m&aring;nniska socht
+&aring;nd trvch alla rjuchtera bis&ecirc;ten wrden mot. Willath tha
+m&aring;nniska thus setma &aring;nd domar m&acirc;kja, th&ecirc;r alan
+god bilywa &aring;nd allerw&ecirc;ikes, sa moton hja &ecirc;lik
+w&ecirc;sa to fara alle m&aring;nniska; n&ecirc;i thisse &ecirc;wa
+achath tha rjuchtera hjara ord&ecirc;l ut to k&ecirc;thande. Is
+th&ecirc;r eng kw&acirc;d d&ecirc;n, hw&ecirc;rvr n&ecirc;n &ecirc;wa
+tavlikt send, sa mot m&aring;n &ecirc;ne m&ecirc;na acht bilidsa;
+th&ecirc;r ord&ecirc;lth m&aring;n n&ecirc;i tha sin th&ecirc;r
+Wr.aldas g&acirc;st an vs k&ecirc;th vmbe over ella rjuchtf&ecirc;rdich
+to birjuchtande, althus to dvande ne skil vs ord&ecirc;l n&aring;mmer
+f&acirc;likant ut ne kvma. Ne dvath m&aring;n n&ecirc;n rjucht men
+vnrjucht, alsa rist th&ecirc;r twist &aring;nd twispalt emong tha
+m&aring;nniska &aring;nd st&acirc;ta, th&ecirc;rut spr&ucirc;t
+inlandiska orloch, hw&ecirc;rthrvch ella homljath &aring;nd
+vrd&aring;ren w&aring;rth. Men, o dvmh&ecirc;d. D&acirc;hwila wi to
+dvande send ekkorum to sk&acirc;dane, kvmth-et nidige folk Findas mith
+hjara falska presterum jvw h&acirc;va to r&acirc;wande, jvwa toghatera
+to sk&aring;ndane, jvwa s&ecirc;da to vrdva &aring;nd to tha lesta
+kl&aring;ppath hja sl&acirc;vona banda om jahwelikes frya hals.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2463src" id="xd0e2463">1</a></span> Minno, Minos (de oude).</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2486" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ut-a skrifta Minnos.</h2>
+
+<p>Tha Nyhell&ecirc;nia<a class="noteref" id="xd0e2491src" href=
+"#xd0e2491">1</a> tham fon hira &aring;jn n&ocirc;me Min-erva
+h&ecirc;te, god s&ecirc;ten was &aring;nd tha Kr&ecirc;kalander<a
+class="noteref" id="xd0e2494src" href="#xd0e2494">2</a> hja to met even
+h&aring;rde minade as vs &aring;jn folk, th&acirc; k&ecirc;mon
+th&ecirc;r svme forsta &aring;nd prestera vppe-ra burch &aring;nd
+fr&ecirc;jon Min-erva hw&ecirc;r of hjra erva l&ecirc;jon.
+Nyhell&ecirc;nia andere, mina erva dr&ecirc;g ik om in mina bosm,
+hw&aring;t ik urven h&aring;v is ljafde vr wisdom, rjucht &aring;nd
+frydom, h&aring;v ik tham vrl&ecirc;ren, alsa ben ik &ecirc;lik an tha
+minniste jvvar sl&acirc;vonena. Nw j&ecirc;v ik r&ecirc;d vm nawet, men
+than skold ik vrk&acirc;pja tham. Tha h&ecirc;ra gvngon w&ecirc;i,
+&aring;nd hripon al lakande, jvwer h&ecirc;roga thjanra, wisa
+Hell&ecirc;nia. Thach th&ecirc;rmitha miston hja hjara dol, hwand
+th&aring;t folk th&aring;t hja minnade &aring;nd hja folgade, nam this
+n&ocirc;me to-n &ecirc;re n&ocirc;me an. Tha hja s&acirc;gon th&aring;t
+hjara skot mist h&ecirc;de, <span class="pagenum">[<a id="xd0e2497"
+href="#xd0e2497">50</a>]</span>th&acirc; gvngon hja hja bihlvda
+&aring;nd s&ecirc;idon that hju-t folk hexnad h&ecirc;de, men vs folk
+&aring;nd tha goda Kr&ecirc;kalandar w&ecirc;rde aller w&ecirc;ikes
+that-et laster w&ecirc;re. Enis k&ecirc;mon hja &aring;nd fr&ecirc;gon,
+as thv th&aring;n n&ecirc;n thjonster ne biste, hwat d&ecirc;ist
+th&acirc;n mitha &aring;jar tham thv altid bi thi heste. Min-erva
+andere, thisse &aring;jar send that sinebyld fon Fryas
+r&ecirc;dj&ecirc;vinga, w&ecirc;rin vsa tokvmste forholen hl&ecirc;it
+&aring;nd fon &ecirc;l th&aring;t m&aring;nneskalik slachte; tid mot
+hja utbroda &aring;nd wi moton w&acirc;ka th&aring;t-er n&ecirc;n
+l&ecirc;th an ne kvmth. Tha prestera, god s&ecirc;id; men hw&ecirc;rto
+thjanath thene hund an thina f&ecirc;ra hand. Hell&ecirc;nia andere,
+heth thene h&aring;rder n&ecirc;n sk&ecirc;per vmbe sin kidde at
+s&ecirc;mene to haldande? hwat thene hvnd is inna thjanest thes
+sk&ecirc;ph&aring;rder, bin ik in Fryas tjanest, ik mot ovir Fryas
+kidde w&acirc;ka. That likath vs god to, s&ecirc;don tha prestera; men
+seg vs, hwat is thju bitjvtenise fon thi nachtule, ther immer boppa
+thin hole sit, is that ljuchtskvwande djar altomet thet t&ecirc;ken
+thinra kl&acirc;rsjanh&ecirc;d. N&ecirc;an andere Hell&ecirc;nia, hi
+helpt my h&uuml;gja that er en slach fon m&aring;nniska ovir hirtha
+omme dw&acirc;lth, th&ecirc;r evin lik hi in k&aring;rka &aring;nd hola
+h&ecirc;ma; th&ecirc;r an tjuster frota, tach navt as hi, vmb vs fon
+m&ucirc;sa &aring;nd &ocirc;ra pl&aring;ga to helpane, men renka to
+forsinna, tha &ocirc;ra m&aring;nniska hjara witskip to r&acirc;wane,
+til thju hja tham to b&ecirc;tre m&uuml;ge f&acirc;ta vmber slavona fon
+to m&acirc;kjande &aring;nd hjara blod ut to s&ucirc;gane, even as
+vampyra dva. Enis k&ecirc;mon hja mith en benda folk. Pest was over-et
+land kvmen, hja s&ecirc;idon, wi alle send to dvande, tha Goda to
+offerja, til thju hja pest w&ecirc;ra m&uuml;ge. Nilst thv then navt ne
+helpa hjara grimskip to stilane, jeftha hethste pest selva ovir-et
+l&acirc;nd brocht mith thinra kunsta. N&ecirc;an s&ecirc;ide Min-erva,
+men ik ne k&aring;n n&ecirc;ne goda, th&ecirc;r &aring;rg dvande send;
+th&ecirc;rvmbe ne kan ik navt fr&ecirc;ja jef hja beter wrda willa. Ik
+k&aring;n &ecirc;n gode, th&aring;t is Wr.aldas g&acirc;st; men thrvch
+tham er god is, dvath-er &acirc;k nen kw&acirc;d. Hwanath kvmth-et
+kw&acirc;d th&aring;n w&ecirc;i, fr&ecirc;jath <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2499" href="#xd0e2499">52</a>]</span>tha prestera. Allet
+kw&acirc;d kvmth fon jow &aring;nd fon th&ecirc;re dvmh&ecirc;d
+th&ecirc;ra m&aring;nniska, tham hjara selva fon jow fensa l&ecirc;ta.
+Jef thin drochten th&aring;n s&acirc; bjustre god is, w&ecirc;rvmb
+w&ecirc;rther-et kw&acirc;d th&aring;n navt, fr&ecirc;jath tha
+prestera. Hellenia andere, Frya het vs vppe w&ecirc;i brocht &aring;nd
+thene kroder th&aring;t is tid, tham mot th&aring;t ovrige dva. With
+alle rampum is r&ecirc;d &aring;nd help to findande, tha <span class=
+"corr" id="xd0e2501" title="Bron: W.ralda">Wr.alda</span> wil
+th&aring;t wi hja selva soka skilon, til thju wi sterik skile wertha
+&aring;nd wis. Nillath wi navt, th&aring;n l&ecirc;t-er vsa trul ut
+trulla, til thju wi skilon erf&acirc;ra, hwat n&ecirc;i wisa
+d&ecirc;dum &aring;nd hwat n&ecirc;i dvma d&ecirc;dum folgath. Tha
+s&ecirc;ide-ne forst, ik skolde w&acirc;na, that w&ecirc;re betre, that
+to w&ecirc;rande. Hwel m&uuml;glik, andere Hell&ecirc;nia, hwand than
+skolde tha m&aring;nniska bilywa lik t&aring;made sk&ecirc;pa; thv
+&aring;nd tha prestera skolde-r than hoda willa, men &acirc;k
+sk&ecirc;ra &aring;nd n&ecirc;i th&ecirc;re slacht benke fora. Tach
+alsa nil-t vs drochten navt, hi wil that wi ekkorum helpa, men hi wil
+&acirc;k th&aring;t jahweder fry sy &aring;nd wis wrde. Th&aring;t is
+&acirc;k vsa wille, th&ecirc;rvmbe kjasth vs folk sin forsta,
+gr&ecirc;va, r&ecirc;dj&ecirc;var &aring;nd alle b&acirc;sa &aring;nd
+m&acirc;stera ut-a wisesta th&ecirc;ra goda m&aring;nniska, til thju
+allem&aring;nnalik sin best skil dva vmbe wis &aring;nd god to
+werthande. Althus to dvande skilun wi &ecirc;nis w&ecirc;ta &aring;nd
+anda folka l&ecirc;ra, that wis w&ecirc;sa &aring;nd wis dva
+all&ecirc;na l&ecirc;ith to salichh&ecirc;d. That likt en ord&ecirc;l,
+s&ecirc;idon tha prestera, men aste nv m&ecirc;nste, that pest thrvch
+vsa dvmh&ecirc;d kvmth, skolde Nyhell&ecirc;nia th&aring;n wel sa god
+w&ecirc;sa wille, vmbe vs ewat fon th&aring;t nya ljucht to
+l&ecirc;nande, hw&ecirc;r vppa hju sa stolte is. Jes s&ecirc;ide
+Hell&ecirc;nia; tha rokka &aring;nd &ocirc;ra f&uuml;glon kvmath
+all&ecirc;na falla vp v&ucirc;l &acirc;s, men pest minth navt
+all&ecirc;na v&ucirc;l &acirc;s, men v&ucirc;la s&ecirc;d-plegum
+&aring;nd fangnisa. Wilstv nv that pest fon-i wika &aring;nd na wither
+ne kvma, th&aring;n mostv tha fangnisa w&ecirc;i dva, &aring;nd that i
+alla r&ecirc;n wrde fon binna &aring;nd fon b&ucirc;ta. Wi willath
+bil&acirc;wa th&aring;t thin r&ecirc;d god sy, s&ecirc;idon tha
+prestera, men seg vs, ho skilum wi th&ecirc;r alla <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2504" href=
+"#xd0e2504">54</a>]</span>m&aring;nniska to kr&ecirc;ja, th&ecirc;r
+vnder vs weld send. Tha stand Hell&ecirc;nia vp fon hira s&ecirc;tel
+&aring;nd k&ecirc;th: Tha muska folgath thene s&ecirc;jar, tha folka
+hjara goda forsta, th&ecirc;rvmbe ach-stv to bijinnande mith thin selva
+&aring;lsa r&ecirc;n to m&acirc;kjande, that stv thinna blikka in
+&aring;nd utward m&ecirc;i rjuchta svnder sk&acirc;mr&acirc;d to
+werthande to fara thin &aring;jn mod. Men in st&ecirc;de fon th&aring;t
+folk r&ecirc;n to m&acirc;kjande heste v&ucirc;la f&ecirc;rsta
+utfonden, hw&ecirc;r vppa th&aring;t folk al sa n&acirc;ka s&ucirc;pth,
+that hja to lesta lik tha barga annath slip frota, vmbe that stv thin
+v&ucirc;la lusta bota m&ecirc;i. Th&aring;t folk bigost to jolande
+&aring;nd to spotande. Th&ecirc;r thrvch ne thuradon hja n&ecirc;n
+strid wither an to spinnande. Nv skolde &aring;jder w&acirc;na,
+th&aring;t hja vral-et folk to h&acirc;pe hropen h&ecirc;de vmbe vs
+algadur to-t land ut to driwande. N&ecirc;an an st&ecirc;de fon hja to
+bihluda gvngon hja allerw&ecirc;ikes, &acirc;k to tha h&ecirc;inde
+Kr&ecirc;kalana til tha Alpa ut to k&ecirc;thane, th&aring;t et thene
+allervrste drochten h&acirc;gth h&ecirc;de sin wisa toghater Min-erva,
+to n&ocirc;mth Nyhell&ecirc;nia &ecirc;mong tha m&aring;nniska to
+sendane in overa s&ecirc; mith-en ulk, vmbe tha manniska gode r&ecirc;d
+to j&ecirc;vane &aring;nd that allermannalik, th&ecirc;r hja h&ecirc;ra
+wilde, rik &aring;nd lukich skolde wertha, &aring;nd &ecirc;nis
+b&acirc;s skolde wertha ovir alle k&ecirc;ningkrik irtha.s. Hira
+byldnese st&aring;ldon hja vppe hjara &aring;lt&aring;rum, jeftha hja
+vrsellade-t anda dvma m&aring;nniska. Hja k&ecirc;thon
+allerw&ecirc;ikes r&ecirc;d-j&ecirc;vinga, th&ecirc;r hju nimmer
+j&ecirc;ven h&ecirc;de, &aring;nd t&aring;ladon wondera, th&ecirc;r hju
+n&aring; d&ecirc;n h&ecirc;de. Thrvch lesta wiston hja-ra selva master
+to m&acirc;kjande fon vsa &ecirc;wa &aring;nd setma, &aring;nd thrvch
+wank&ecirc;thinga wiston hja alles to wisa &aring;nd to vrbruda. Hja
+st&aring;ldon &acirc;k f&acirc;mma vnder hjara hode, tha skinber vndere
+hoda fon F&aring;sta<a class="noteref" id="xd0e2506src" href=
+"#xd0e2506">3</a> vsa forma &ecirc;re moder, vmbe over th&aring;t
+fr&acirc;na ljucht to w&acirc;kane. Men th&aring;t ljucht h&ecirc;de
+hja selva vpstoken, &aring;nd in st&ecirc;de fon tha f&acirc;mkes wis
+to m&acirc;kjande, &aring;nd aftern&ecirc;i &ecirc;mong th&aring;t folk
+to senda, ta sjaka to l&ecirc;vande &aring;nd tha b&aring;rn to
+l&ecirc;rande, m&acirc;kadon hja-ra dvm &aring;nd dimme bi-t ljucht
+&aring;nd ne machten hja n&acirc; buta ne kvma. Ak wrdon <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2509" href="#xd0e2509">56</a>]</span>hja to
+r&ecirc;dj&ecirc;vstare brukath, tach thi r&ecirc;d was by skin ut
+hjara mvlun; hwand hjara mvla w&ecirc;ron navt owers as tha hropar,
+hw&ecirc;r trvch tha prestera hjara g&ecirc;rta utk&ecirc;thon<span
+class="corr" id="xd0e2511" title="Niet in bron">.</span></p>
+
+<p>Tha Nyhell&ecirc;nia fallen was, wilden wi en ore moder kjasa, svme
+wildon n&ecirc;i Texl&acirc;nd vmbe th&ecirc;r &ecirc;ne to
+fr&ecirc;jande, men tha prestera tham by hira &aring;jn folk th&aring;t
+rik wither in h&ecirc;de, nildon that ni hengja &aring;nd k&ecirc;thon
+vs by-ra folk as vn-fr&acirc;na ut.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2491src" id="xd0e2491">1</a></span> Nyhellenia, Nehalennia.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2494src" id="xd0e2494">2</a></span> Krekaland, het Krekenland,
+zoowel Groot Griekenland als Griekenland zelf.</p>
+
+<p class="footnote" lang="nl"><span class="label"><a class=
+"noteref" href="#xd0e2506src" id="xd0e2506">3</a></span> F&acirc;sta,
+Vesta, en de Vestaalsche maagden.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2516" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">III. Ut-a skrifta Minnos.</h2>
+
+<p>Tha-k althus w&ecirc;i faren was mith mina ljvd fon Athenia,
+k&ecirc;mon wi to tha lesta an en &ecirc;land thrvch min ljvd
+Kr&ecirc;ta h&ecirc;ten vm-a wilda kr&ecirc;ta tham et folk anhyv by
+vsa kvmste. Tha as hja sagon th&aring;t wi n&ecirc;n orloch an-t
+sk&ecirc;ld foron, wrdon hja mak, alsa-k et lest far en bota mit
+yserark en havesmode &aring;nd en stada land wandelde. Thach tha wi en
+stut s&ecirc;ten h&ecirc;de &aring;nd hja sp&ecirc;radon that wi
+n&ecirc;n slavona n&ecirc;de, tha w&ecirc;ron hja vrst&aring;lath, men
+tha-k-ra nw talt h&ecirc;de that wi &ecirc;wa h&ecirc;don &ecirc;lik to
+birjuchtande vr alla, tha wilde-t folk &acirc;k fon sokka h&acirc;.
+Tach sk&ecirc;rs h&ecirc;don hja tham, jefta th&aring;t &ecirc;lle land
+k&ecirc;m anda tys. Tha forsta &aring;nd prestera k&ecirc;mon
+b&acirc;rja, that wi hjara tjvth over h&ecirc;rich m&acirc;kad
+h&ecirc;de &aring;nd th&aring;t folk k&ecirc;m to vs vmbe hul &aring;nd
+skul. Tach th&acirc; tha forsta sagon th&aring;t hja hjara rik vrljasa
+skolda, th&acirc; j&ecirc;von hja th&aring;t folk frydom &aring;nd
+k&ecirc;mon to my vmb-en &ecirc;sega bok. Thach th&aring;t folk was
+n&ecirc;n frydom wenth &aring;nd tha h&ecirc;ra bil&ecirc;von welda
+n&ecirc;i that ir god thochte. Th&acirc; thi storn wr w&ecirc;r,
+bigoston hja twispalt among vs to s&ecirc;ja. Hja s&ecirc;idon to min
+folk that ik hjara help anhropen h&ecirc;de vmbe standf&aring;st
+k&ecirc;ning to werthande. Enis fand ik gif in min met, th&acirc; as er
+&ecirc;nis en skip <span class="pagenum">[<a id="xd0e2521" href=
+"#xd0e2521">58</a>]</span>fon-t Fly by vs vrs&ecirc;ilde, ben ik
+th&ecirc;rmith stolkens hinne brith.&mdash;Tach min witherfara to
+l&ecirc;tande, sa wil-k mith thesa sk&ecirc;dnesa all&ecirc;na
+s&ecirc;ga, that wi navt m&uuml;ge h&ecirc;ma mith et Findas folk fon
+w&ecirc;r th&aring;t et sy, hwand th&aring;t hja fvl send mith falska
+renka, &ecirc;wa to fr&ecirc;sane as hjara sw&ecirc;te wina mith
+d&ecirc;jande fenin.</p>
+
+<p>Ende wra skrifta Minnos.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2525" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hir vnder send thr&ecirc; w&ecirc;ta, th&ecirc;r
+after send thissa setma makad.</h2>
+
+<p>1. Allera mannalik w&ecirc;t, th&aring;t i sin bihof mot, men
+w&aring;rth &aring;mmon sin bihof vnthalden, sa n&ecirc;t n&ecirc;n man
+hwat er skil dva vmbe sin lif to bihaldande.</p>
+
+<p>2. Alle elte minniska werthat drongen a b&aring;rn to t&ecirc;lande,
+w&aring;rth that w&ecirc;rth, sa n&ecirc;t nim man wath &aring;rges
+th&ecirc;rof kvme mei.</p>
+
+<p>3. Alrek w&ecirc;t th&aring;t-i fry &aring;nd vnforl&ecirc;th wil
+l&ecirc;va, &aring;nd that &ocirc;re that &acirc;k wille. Umbe sekur to
+w&ecirc;sande send thesa setma &aring;nd domar makad.</p>
+
+<p>Th&aring;t folk Findas heth &acirc;k setma &aring;nd domar: men
+thissa ne send navt n&ecirc;i tha rjucht, men all&ecirc;na to
+b&acirc;ta th&ecirc;ra prestera &aring;nd forsta, thana send hjara
+st&acirc;ta immerthe fvl twispalt &aring;nd mord.</p>
+
+<p>1. Sahwersa imman n&acirc;d heth &aring;nd hi ne kan him selva navt
+ne helpe, sa moton tha f&acirc;mna th&aring;t kvndich dva an tha
+gr&ecirc;va. Th&ecirc;rfar th&aring;t et en stolte Fryas navt ne focht
+th&aring;t selva to dva.</p>
+
+<p>2. Sa hwa &aring;rm w&aring;rth thrvch tham hi navt w&aring;rka nil,
+th&ecirc;r mot to th&aring;t l&acirc;nd ut dr&ecirc;ven wertha, hwand
+tha l&aring;fa &aring;nd loma send lestich &aring;nd &aring;rg
+t&aring;nkande: th&ecirc;rvmbe &acirc;ch m&aring;n to w&ecirc;rane
+tham.</p>
+
+<p>3. Jahw&ecirc;der jong kerdel &acirc;ch en brud to s&ecirc;ka
+&aring;nd is er fif &aring;nd twintich sa &acirc;cht-er en wif to
+h&aring;va. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2542" href=
+"#xd0e2542">60</a>]</span></p>
+
+<p>4. Is hwa fif &aring;nd twintich, &aring;nd heth er n&ecirc;n
+&ecirc;ng&acirc;, sa &acirc;ch ek man him ut sin hus to w&ecirc;rane.
+Ta kn&acirc;pa &acirc;chon him te formyda. Nimth er th&aring;n nach
+n&ecirc;n &ecirc;ng&acirc;, s&acirc; mot m&aring;n hin d&acirc;d
+s&ecirc;ga, til thju hi ut of lande brude &aring;nd hir n&ecirc;n
+&aring;rgenese n&ecirc;va ne m&ecirc;i.</p>
+
+<p>5. Is hwa wrak, th&aring;n mot-er avb&ecirc;r s&ecirc;ga, that
+nimman fon him to fr&ecirc;sane nach to duchtane heth. S&acirc; <span
+class="corr" id="xd0e2547" title="Bron: mei">m&ecirc;i</span> er kvma
+hw&ecirc;r er wil.</p>
+
+<p>6. Pl&ecirc;cht er &aring;ftern&ecirc;i hordom, s&acirc; m&ecirc;i-r
+fluchta, ne fluchter navt, s&acirc; is er an tha wr&ecirc;ke th&ecirc;r
+bitrogna vrl&ecirc;ten, &aring;nd nimman ne m&ecirc;i helpa him.</p>
+
+<p>7. Sahwersa &aring;mmon eng god heth, &aring;nd en &ocirc;ther likt
+that therm&ecirc;te that i him th&ecirc;ran vrfate, sa mot-i th&aring;t
+thrja vrjelda. St&ecirc;lth-i jeta r&ecirc;is, th&aring;n mot hi
+n&ecirc;i tha tinl&acirc;num. Wil thene bist&ecirc;lne him fry
+j&ecirc;va, s&acirc; m&ecirc;i-r th&aring;t dva. Tha b&ecirc;rth et
+wither sa ne m&ecirc;i nimman him frydom j&ecirc;va.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2554" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thissa domar send makad fara nydiga manniska.</h2>
+
+<p>1. Sa hwa in h&acirc;ste mode tha ut nid an nen otheris l&ecirc;ja
+brekth, &acirc;gna ut st&acirc;t, jeftha thoth, hok th&aring;t et sy,
+sa mot thi l&ecirc;tha bitallja hwat thene l&ecirc;dar askth. Ne kan hi
+h&aring;t ni dva, s&acirc; mot-er avb&ecirc;r an im d&ecirc;n wertha,
+sa hi an thene &ocirc;re d&ecirc;th. Nil hi th&aring;t navt ut ne
+stonda, sa mot-i him to sina burch-f&acirc;m wenda, jef-i inna yser
+jeftha tin l&acirc;na m&ecirc;i werka til sin skeld an sy, n&ecirc;i
+th&ecirc;r m&ecirc;ne dom.</p>
+
+<p>2. Jef ther imman fvnden w&aring;rth alsa &aring;rg that-i en Fryas
+felth, hi mot et mit sina lif bitallja. Kan sina burch-f&acirc;m hin
+far altid nei tha tinl&acirc;na helpa &ecirc;r er fat wrde, sy
+m&ecirc;i th&aring;t dva.</p>
+
+<p>3. Sahwersa thi bona m&ecirc;i biwisa mith vrk&aring;nda tju-gum
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2563" href=
+"#xd0e2563">62</a>]</span>that et by vnluk sk&ecirc;n is, sa skil hi
+fry w&ecirc;sa, men b&ecirc;rth et jetta r&ecirc;is, sa mot i tach
+n&ecirc;i tha tinl&acirc;num, til thju m&acirc;n th&ecirc;r thrvch
+formitha all vnerimde wr&ecirc;ka &aring;nd f&ecirc;itha.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2565" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">This send domar fara horninga.</h2>
+
+<p>1. Hwa en &ocirc;theris hvs ut nid thene r&acirc;de h&ocirc;n
+anstekt nis n&ecirc;n Fryas, hi is en horning mith basterde blod.
+M&ecirc;i m&aring;n hin bi th&ecirc;r d&ecirc;d bif&acirc;ra, sa mot
+m&aring;n hin vppet fjvr werpa. Hy m&ecirc;i flya sa-r k&aring;n tach
+n&aring;rne skil-i s&ecirc;kur w&ecirc;sa fara wr&ecirc;kande hand.</p>
+
+<p>2. N&ecirc;n &aring;fta Fryas skil ovira missl&ecirc;ga sinra
+n&ecirc;ste malja nach kalta. Is hwa misd&ecirc;doch far-im selva, tha
+navt fr&ecirc;selik far en &ocirc;ra, s&acirc; m&ecirc;i hi him selva
+riuchta. W&aring;rth-i alsa &aring;rg that er fr&ecirc;slik
+w&aring;rth, sa mot m&aring;n-t anda gr&ecirc;va bara; men is
+th&ecirc;r hwa th&ecirc;r en &ocirc;ther &aring;fterb&aring;kis
+bitighat in st&ecirc;de fon-t to dvande by tha gr&ecirc;va, tham is en
+horning. Vpper m&aring;rk mot-i anda p&ecirc;le bvnden wrde, sa that et
+jong folk im ansp&ecirc;ja m&ecirc;i; &aring;fter l&acirc;dath
+m&aring;n him overa m&aring;rka, men navt n&ecirc;i tha tinl&acirc;na,
+thrvch that en &ecirc;rer&acirc;wer &acirc;k is to fr&ecirc;sane.</p>
+
+<p>3. Sahwersa th&ecirc;r &ecirc;nis imman w&ecirc;re sa &aring;rg that
+i vs gvng vrr&ecirc;de by tha fyand, p&acirc;da &aring;nd to p&acirc;da
+wes, vmbe vsa flyburga to n&acirc;ka, jeftha thes nachtis th&ecirc;rin
+to glupa, tham w&ecirc;re all&ecirc;na wrocht ut Findas blod. Him
+skolde m&aring;n mota barna. Tha stjurar skoldon sin m&aring;m
+&aring;nd al sina sibba n&ecirc;i en f&ecirc;r &ecirc;land mota
+br&aring;nga &aring;nd th&ecirc;r sin ask forstuva, til thju-r hyr
+n&ecirc;n feninige kr&ucirc;don fon waxa ne m&uuml;ge. Tha f&acirc;mna
+moton th&aring;n sin n&acirc;m utsp&ecirc;ja in vr al vsa st&acirc;ta,
+til thju n&ecirc;n b&aring;rn sin n&acirc;m ne kr&ecirc;je &aring;nd
+tha alda him m&uuml;ge vrwerpa. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2574"
+href="#xd0e2574">64</a>]</span></p>
+
+<p>Orloch was vrtigen, men n&ecirc;d was kvmen an sin st&ecirc;d. Nw
+w&ecirc;ron hyr thr&ecirc; m&aring;nniska th&ecirc;r-ek en buda
+k&ecirc;ren st&ecirc;lon fon asvndergane &ecirc;jnh&ecirc;ra. Tha hja
+wrdon alle fat. Nw gong thene &ecirc;rosta to &aring;nd brocht thene
+thjaf by tha skelte. Tha f&acirc;mna th&ecirc;r-vr k&ecirc;thande
+s&ecirc;idon allerw&ecirc;is, that i d&ecirc;n h&ecirc;de n&ecirc;i
+rjucht. Thi &ocirc;ra nom thene thjaf th&aring;t k&ecirc;ren of
+&aring;nd l&ecirc;th im forth mith fr&ecirc;to. Tha f&aring;mna
+s&ecirc;idon, hi heth wel d&ecirc;n. Men thi thredde &ecirc;jnh&ecirc;r
+gvng n&ecirc;i tha thjaf sin hus th&acirc;. Asser nw sach ho n&ecirc;d
+th&ecirc;r sin s&ecirc;tel vpst&aring;lth h&ecirc;de, th&acirc; gvng hi
+to b&aring;k &aring;nd k&ecirc;rde wither mith en w&ecirc;in fol
+n&ecirc;dthreftum, th&ecirc;r hi n&ecirc;d mith fon th&ecirc;re
+h&ecirc;rd of driwe. Fryas f&acirc;mna h&ecirc;don by him omme
+w&acirc;rath &aring;nd sin d&ecirc;d an dat &ecirc;vge bok
+skr&ecirc;ven, dahwile hja al sina l&ecirc;ka ut f&acirc;chth
+h&ecirc;de. Thju &ecirc;remoder was et s&ecirc;id &aring;nd hju
+l&ecirc;t het kvndich dva thrvch th&aring;t &ecirc;le l&acirc;nd.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2577" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">That hyr vnder stat is in ut tha wagar th&ecirc;re
+Waraburgh writen.</h2>
+
+<p lang="nl">(Zie <a href="#plaat1">plaat I</a>.)</p>
+
+<div class="figure" id="plaat1"><img src="images/p064.png" alt=
+"bl. 45 van het H.S. thet Bok th&ecirc;ra Adela folstar." width="720"
+height="1015">
+<p class="figureHead">bl. 45 van het H.S. thet Bok th&ecirc;ra Adela
+folstar.</p>
+</div>
+
+<p>Hwat hyr boppa st&aring;t send thi t&ecirc;kna fon th&aring;t jol.
+Th&aring;t is th&aring;t forma sinnebild Wr.aldas, &acirc;k fon
+t-anfang jeftha-t bijin, w&ecirc;rut tid k&ecirc;m, th&aring;t is thene
+Kroder th&ecirc;r &ecirc;vg mith th&aring;t jol mot ommehl&acirc;pa.
+Thana heth Frya th&aring;t standskrift m&acirc;kad, th&aring;t hja
+brukte to hira tex. Th&acirc; F&aring;sta &ecirc;remoder w&ecirc;re,
+heth hju-r th&aring;t run ieftha hl&acirc;pande skrift fon m&acirc;kad.
+Ther Witk&ecirc;ning th&aring;t is S&ecirc;k&ecirc;ning,
+Godfr&ecirc;iath thene alda heth th&ecirc;r asvndergana telnomar fon
+m&acirc;kad f&acirc;r stand &aring;nd rvnskrift b&ecirc;de. T is
+th&ecirc;rvmbe navt to drok that wi-r j&ecirc;rliks &ecirc;nis
+f&ecirc;st vr fyrja. Wy m&uuml;gon Wr.alda &ecirc;vg thank to wya
+th&aring;t hi sin g&acirc;st sa herde in vr vsa &ecirc;thla heth
+f&acirc;ra l&ecirc;tn. Vnder hira tid heth Finda &acirc;k en skrift
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2592" href=
+"#xd0e2592">66</a>]</span>utfvnden, men th&aring;t w&ecirc;re sa
+h&acirc;gf&acirc;rende &aring;nd fvl mith frisla &aring;nd krolum,
+th&aring;t tha afterkvmanda th&ecirc;rof thju bitjudnese ring
+vrl&ecirc;ren h&acirc;ve. Aftern&ecirc;i h&aring;von hja vs skrift
+l&ecirc;red binoma tha Finna, tha Thyrjar &aring;nd tha Krekalander.
+Men hja niston navt god, th&aring;t-et fon et jol m&acirc;kad was
+&aring;nd that-et th&ecirc;rumbe altid skr&ecirc;ven wrde moste mith
+son om. Th&ecirc;rby wildon hja th&aring;t hjara skrift
+vnl&ecirc;sb&ecirc;r skolde w&ecirc;sa far ora folkum, hwand hja
+h&aring;vath altid h&ecirc;mnesa. Thus to dvanda send hja herde fon-a
+wis r&acirc;kath, th&ecirc;rm&ecirc;tha, that ta b&aring;rn tha
+skriftun hjarar aldrum amper l&ecirc;sa en m&ucirc;ga; dahwile wy vsa
+alderaldesta skriftun &ecirc;vin r&ecirc;d l&ecirc;sa m&ucirc;ga as
+th&ecirc;ra th&ecirc;r jester skr&ecirc;ven send.</p>
+
+<p>Hir is th&aring;t stand skrift, th&ecirc;rvnder th&aring;t run
+skrift, forth tha t&aring;lnomar a byder wisa.</p>
+
+<p lang="nl">(Zie <a href="#plaat2">plaat II</a>.)</p>
+
+<div class="figure" id="plaat2"><img src="images/p066.png" alt=
+"Overzicht van het &ldquo;Oud Friese&rdquo; alfabet." width="720"
+height="883"></div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2606" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">That st&ecirc;t vp alle burgum eskr&ecirc;ven.</h2>
+
+<p>&Ecirc;r th&ecirc;re &aring;rge tid k&ecirc;m was vs l&aring;nd
+th&aring;t sk&ecirc;nneste in wr.alda. Svnne r&ecirc;s hager &aring;nd
+th&ecirc;r was sjelden frost. Anda b&acirc;ma &aring;nd tr&ecirc;jon
+waxton fr&uuml;gda &acirc;nd nochta, th&ecirc;r nw vrl&ecirc;ren send.
+Among tha g&aring;rs-s&ecirc;dum hedon wi navt alena k&ecirc;ren,
+ljaver &aring;nd blyde, men &acirc;k swete th&ecirc;r lik gold blikte
+&aring;nd th&aring;t m&aring;n vndera svnnastr&ecirc;la bakja kvste.
+J&ecirc;ron ne wrde navt ne telath, hwand th&aring;t &ecirc;ne
+j&ecirc;r was alsa blyd as et &ocirc;thera. An tha &ecirc;ne side wrdon
+wi thrvch Wr.aldas s&ecirc; bisloten, hw&ecirc;rvp n&ecirc;n folk buta
+vs navt fara ne mochte nach kvnde. Anda &ocirc;re side wrden wi thrvch
+th&aring;t br&ecirc;de Twiskl&acirc;nd vmtunad, hw&ecirc;r thrvch
+th&aring;t Findas folk navt kvma ne thvradon, fon ovira tichta walda
+&aring;nd ovir it wilde kwik. By morne paldon wi ovir it uter ende thes
+aster-s&ecirc;, by &ecirc;vind an thene <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2611" href="#xd0e2611">68</a>]</span>middels&ecirc;, alsa wi buta
+tha littiga wel twelif gr&acirc;ta swete rinstrama h&ecirc;don, vs
+thrvch Wr.alda j&ecirc;ven vmb vs l&acirc;nd elte to haldane &aring;nd
+vmb us wigandlik folk tha w&ecirc;i to wisana n&ecirc;i sina
+s&ecirc;.</p>
+
+<p>Tha owira thissar rin strama wrdon tomet algadur thrvch vs folk
+bis&ecirc;ton, &acirc;k tha fjelda an thju R&ecirc;ne fon-t &ecirc;na
+enda alon et &ocirc;re ende th&acirc;.</p>
+
+<p>To jenst-vr tha D&ecirc;namarka &aring;nd that Juttarl&acirc;nd
+h&ecirc;don wi folkplantinga mith en burchf&acirc;m, d&acirc;na wonon
+wi k&acirc;per &aring;nd yser, bijvnka t&acirc;r, p&aring;k &aring;nd
+svma &ocirc;r bihof. To jenst vr vs form&ecirc;lich Westland th&ecirc;r
+h&ecirc;don wi Brittanja mith sina tinl&acirc;na. Brittanja th&aring;t
+was th&aring;t l&acirc;nd th&ecirc;ra bannalinga, th&ecirc;r mith hulpe
+hjarar burchf&acirc;m w&ecirc;i brith w&ecirc;ron vmbe hira lif to
+bih&acirc;ldana. Thach for that hja navt to b&aring;k kvma ne skolde,
+warth er &ecirc;rost en B to f&acirc;ra hjara st&aring;r priked, tha
+bana mith r&acirc;de blod farve &aring;nd tha &ocirc;ra misd&ecirc;dar
+mith bl&acirc;we farve. Buta &aring;nd bihalva h&ecirc;don vsa stjurar
+&aring;nd k&acirc;pljvd m&ecirc;ni loge anda h&ecirc;inde
+Kr&ecirc;kalanda &aring;nd to Lydia. In vr Lydia th&ecirc;r send tha
+swarta minniska. Th&acirc; vs l&acirc;nd s&acirc; rum &aring;nd
+gr&acirc;t w&ecirc;re, h&ecirc;don wi f&ecirc;lo asondergana
+n&acirc;mon. Th&ecirc;ra tham saton bi&acirc;sten tha D&ecirc;nemarka
+wrdon Juttar h&ecirc;ton, uth&acirc;vede hja tomet navt owers ne
+d&ecirc;don as barn-st&ecirc;n juta. Hja tham th&ecirc;r saton vppa
+&ecirc;landa wrdon L&ecirc;tne h&ecirc;ten, thrvchdam hja m&ecirc;st al
+vrl&ecirc;ten l&ecirc;vadon. Alle str&acirc;nd &aring;nd skor
+h&ecirc;mar fon-a D&ecirc;nemarka alont th&ecirc;re S&aring;ndfal nw
+Skelda wrdon Stjurar<a class="noteref" id="xd0e2617src" href=
+"#xd0e2617">1</a>, S&ecirc;k&aring;mpar<a class="noteref" id=
+"xd0e2620src" href="#xd0e2620">2</a> &aring;nd Angelara<a class=
+"noteref" id="xd0e2625src" href="#xd0e2625">3</a> h&ecirc;ton. Angelara
+s&acirc; h&ecirc;ton m&acirc;n to fora tha butafiskar vmbe that hja
+alan mith angel jefta kol fiskton &aring;nd nimmer n&ecirc;n netum.
+Th&ecirc;ra th&ecirc;r th&acirc;na til tha h&ecirc;inde
+Kr&ecirc;kal&acirc;nda s&acirc;ton, wrdon bl&acirc;t
+K&acirc;d-h&ecirc;mar h&ecirc;ten, thrvch tham hja ninmerthe buta
+foron. Th&ecirc;ra th&ecirc;r in da h&acirc;ge marka s&acirc;ton,
+th&ecirc;r anna Twisklanda p&acirc;lon, wrdon Saxmanna h&ecirc;ton,
+uth&acirc;wede hja immer w&ecirc;pned w&ecirc;ron vr th&aring;t wilde
+kwik &aring;nd vrwildarda Britne. Th&ecirc;r to <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2628" href="#xd0e2628">70</a>]</span>boppa h&ecirc;don wi
+tha n&ocirc;ma Lands&acirc;ton, M&acirc;rsata<a class="noteref" id=
+"xd0e2630src" href="#xd0e2630">4</a> &aring;nd Holtjefta
+Wods&acirc;ta.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2617src" id="xd0e2617">1</a></span> Stjurar, Sturii.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2620src" id="xd0e2620">2</a></span> <span class="corr" id=
+"xd0e2621" title="Bron: S&ecirc;k&acirc;mpar">
+S&ecirc;k&aring;mpar</span>, Sicambri.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2625src" id="xd0e2625">3</a></span> Angelara, Angli.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2630src" id="xd0e2630">4</a></span> M&acirc;rsata, Marsacii.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2633" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ho arge tid k&ecirc;m.</h2>
+
+<p>H&ecirc;l thene s&uuml;mer was svnne &aring;ftere wolkum skolen, as
+wilde hja irtha navt ne sja. Wind reston in sina b&ucirc;dar, werthrvch
+r&ecirc;k &aring;nd stom lik s&ecirc;la boppa hus &aring;nd polon
+stand. Loft w&aring;rth althus drov &aring;nd dimme, &aring;nd inna tha
+hirta th&ecirc;ra m&aring;nniska was blydskip nach fr&uuml;chda. To
+midden thisre stilnise f&aring;ng irtha an to b&ecirc;vande lik as hju
+st&aring;rvande w&ecirc;re. Berga splyton fon ekkorum to sp&ecirc;jande
+fjvr &aring;nd logha, &ocirc;ra svnkon in hira sk&acirc;t del,
+&aring;nd th&ecirc;r hju &ecirc;rost fjelda h&ecirc;de; h&ecirc;jade
+hju berga vppa. Aldland<a class="noteref" id="xd0e2638src" href=
+"#xd0e2638">1</a> trvch tha stjurar Atland h&ecirc;ten svnk nyther
+&aring;nd th&aring;t wilde hef st&acirc;pton alsa n&acirc;ka wr berg
+&aring;nd d&ecirc;lon, that ella vndere s&ecirc; bidvlwen w&ecirc;re.
+F&ecirc;lo m&aring;nniska wrdon in irtha bidobben, &aring;nd f&ecirc;lo
+th&ecirc;r et fjvr vnk&ecirc;men w&ecirc;ron, k&ecirc;mon
+th&ecirc;rn&ecirc;i innet w&ecirc;ter vm. Navt all&ecirc;na inda landa
+Findas sp&ecirc;idon berga fjvr, men &acirc;k in-t Twisk-land. Walda
+b&aring;rnadon th&ecirc;rthrvch &aring;fter ekkorum &aring;nd th&acirc;
+wind d&acirc;na w&ecirc;i k&ecirc;m, th&acirc; w&acirc;jadon vsa landa
+fvl ask. Rinstr&acirc;ma wrdon vrl&ecirc;id &aring;nd by hjara mvda
+k&ecirc;mon n&ecirc;ja &ecirc;landa fon sand &aring;nd drivande kwik.
+Thrju j&ecirc;r was irtha alsa to lydande; men tha hju b&ecirc;ter
+w&ecirc;re macht m&aring;n hira vvnda sja. F&ecirc;lo landa w&ecirc;ron
+vrsvnken, &ocirc;ra uta s&ecirc; r&ecirc;sen &aring;nd th&aring;t
+Twisk-land to f&acirc;ra-n halfd&ecirc;l vntwalt. B&aring;nda Findas
+folk k&ecirc;mon tha l&ecirc;togha rumtne bif&acirc;ra. Vsa
+w&ecirc;ibritne vrdon vrdelgen jefta hja wrdon hjara harlinga.
+Th&acirc; warth w&acirc;kandom vs dvbbeld boden &aring;nd tid
+l&ecirc;rd vs that &ecirc;ndracht vsa st&aring;rikste burch is.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2638src" id="xd0e2638">1</a></span> Aldland, Atlantis.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2641" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit st&ecirc;t inna Waraburch by th&ecirc;re Aldega
+mvda wryt.</h2>
+
+<p>Thju w&acirc;raburch nis n&ecirc;n f&acirc;mnaburch, men th&ecirc;r
+in wrdon <span class="pagenum">[<a id="xd0e2646" href=
+"#xd0e2646">72</a>]</span>alla uth&ecirc;meda &aring;nd vrlandeska
+thinga w&acirc;rath, th&ecirc;r mitbrocht binne thrvch tha stjurar. Hju
+is thri p&ecirc;la, th&aring;t is en half ty s&ucirc;dwarth fon
+M&ecirc;d&ecirc;a-sblik l&ecirc;gen. Alsa is th&aring;t f&ocirc;rword:
+berga nygath thinna krunna, wolka &aring;nd str&acirc;ma w&ecirc;n.
+Jes. Sk&ecirc;nland<a class="noteref" id="xd0e2648src" href=
+"#xd0e2648">1</a> bl&ocirc;st, sl&acirc;vona folka st&ocirc;ppath vppat
+thin kl&acirc;t, o Frya.</p>
+
+<p class="aligncenter">Alsa is thju sk&ecirc;dnesse.</p>
+
+<p>100 &aring;nd 1 j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e2655src" href=
+"#xd0e2655">2</a> n&ecirc;i that &acirc;ldland svnken is, k&ecirc;m
+th&ecirc;r ut-et &acirc;sta en folk w&ecirc;i. Th&aring;t folk was
+vrdr&ecirc;ven thrvch en &ocirc;ther folk, &aring;fter vs twisk land
+kr&ecirc;jon hja twispalt, hja skifton hjara selva an twam h&acirc;pa,
+ek h&ecirc;r gvng sines w&ecirc;iges. Fon-t &ecirc;ne d&ecirc;l nis
+n&ecirc;n t&acirc;l to vs ne k&ecirc;men, men th&aring;t &ocirc;re
+d&ecirc;l fyl &aring;fter to vs Sk&ecirc;nland. Sk&ecirc;nland was
+sunnich bifolkath, &aring;nd anda &aring;fter-k&acirc;d th&aring;t
+sunnichste fon al. Th&ecirc;rvmbe machton hja-t svnder strid wrwinna,
+&aring;nd uth&acirc;wede hja &ocirc;wers n&ecirc;n l&ecirc;th ne
+d&ecirc;don, nildon wi th&ecirc;rvr n&ecirc;n orloch h&acirc;. Nw wi
+hjam h&aring;von k&aring;nna l&ecirc;red, s&acirc; willath wi ovir
+hjara s&ecirc;da skriwa, &aring;ftern&ecirc;i ho-t vs mith hjam
+forgungen is. Th&aring;t folk was navt ne wild lik f&ecirc;lo slachta
+Findas, men &ecirc;lik anda &Eacute;gipta-landar, hja h&aring;vath
+prestera lik tham &aring;nd nw hja k&aring;rka h&aring;ve &acirc;k
+byldon. Tha prestera send tha engosta h&ecirc;ra, hja h&ecirc;ton hjara
+selva M&acirc;gjara, hjara aller ovirste h&ecirc;t Magy, hi is
+h&acirc;vedprester &aring;nd k&ecirc;ning mith &ecirc;n, allet
+&ocirc;re folk is nul in-t siffer &aring;nd &ecirc;llik &aring;nd al
+vnder hjara weld. Th&aring;t folk n&ecirc;th navt &ecirc;nis en
+n&ocirc;me, thrvch vs send hja Finna h&ecirc;ten, hwand afsk&ecirc;n
+hjara f&ecirc;rsta algadur drov &aring;nd blodich send, thach send hja
+th&ecirc;r alsa fin vp, that wi th&ecirc;r bi &aring;fter st&acirc;ne,
+forth ne send hja navt to binydane, hwand hja send sl&acirc;vona fon
+tha presterum &aring;nd jeta f&uuml;l &aring;rger fon hjara
+m&ecirc;ninga. Hja m&ecirc;nath that ella fvl kvada g&acirc;ston is,
+th&ecirc;r inda m&aring;nniska &aring;nd djara gluppe, men fon Wr.aldas
+g&acirc;st n&ecirc;ton hja nawet. Hja h&aring;vath st&ecirc;ne
+w&ecirc;pne, tha Magjara k&acirc;pra. Tha Magjara tellath that hja tha
+&aring;rge g&acirc;ston <span class="pagenum">[<a id="xd0e2658" href=
+"#xd0e2658">74</a>]</span>banna &aring;nd vrbanna m&uuml;gon,
+th&ecirc;r vr is-t folk &ocirc;lan in ange fr&ecirc;se &aring;nd vppira
+w&ecirc;sa nis nimmer n&ecirc;n blydskip to bisjan. Th&acirc; hja god
+s&ecirc;ten w&ecirc;ron, sochton tha Magjara athskip bi vs, hja bogadon
+vp vsa t&acirc;l &aring;nd s&ecirc;dum, vp vs fja &aring;nd vppa vs
+ysere w&ecirc;pne, th&ecirc;r hja g&ecirc;rn to fori hjara goldun
+&aring;nd sulvere syrhedum wandela wilde, &aring;nd hjara tjoth hildon
+hja immerthe binna tha p&ecirc;lon, men th&aring;t vrskalkton vsa
+w&acirc;kendom. Achtantich j&ecirc;r forther, just w&ecirc;r-et
+jol-f&ecirc;rste, th&ecirc;r k&ecirc;mon hja vnwarlinge lik sn&ecirc;i
+thrvch stornewind dr&ecirc;wen ovir vsa landa to runnande. Th&ecirc;r
+navt flya machton wrdon vrd&ecirc;n, Frya w&aring;rth anhropen, men tha
+Sk&ecirc;nlandar h&ecirc;don hira r&ecirc;d warl&acirc;sed. Th&acirc;
+wrdon kr&aring;fta s&acirc;mlath, thri p&ecirc;lun fon Goda-his burch<a
+class="noteref" id="xd0e2660src" href="#xd0e2660">3</a> wrdon hja
+wither stonden, tha orloch bil&ecirc;v. K&acirc;t jefta
+K&acirc;ter-inne, alsa h&ecirc;te thju f&acirc;m, th&ecirc;r
+burchf&acirc;m to Goda burch was. K&acirc;t was stolte &aring;nd
+h&acirc;chf&acirc;randa, th&ecirc;rvmbe ne l&ecirc;t hju n&ecirc;n
+r&ecirc;d ni follistar anda Moder ne fr&ecirc;ja. Men th&acirc; tha
+burchh&ecirc;ra th&aring;t f&acirc;ta, th&acirc; svndon hja selva bodon
+n&ecirc;i Texl&acirc;nd n&ecirc;i th&ecirc;re Moder th&acirc;. Minna
+alsa was th&ecirc;re Moder-is n&ocirc;me, l&ecirc;t &acirc;la tha
+stjurar m&acirc;nja &aring;nd &acirc;l-et othera jongk folk fon
+Ast-flyland &aring;nd fon tha D&ecirc;nnemarkum. Ut thesse tocht is
+thju skydnese fon Wodin bern, sa-r vppa burgum wryten is &aring;nd hir
+&ecirc;skr&ecirc;ven. Anda Alder-g&acirc;mude<a class="noteref" id=
+"xd0e2663src" href="#xd0e2663">4</a> th&ecirc;r reste en alde
+s&ecirc;k&aring;ning. Sterik was sin n&ocirc;me &aring;nd tha hrop vr
+sina d&ecirc;da was gr&acirc;t. Thisse alde rob h&ecirc;de thr&ecirc;
+n&ecirc;va; Wodin thene aldeste h&ecirc;mde to Lumka-m&acirc;kja<a
+class="noteref" id="xd0e2666src" href="#xd0e2666">5</a> bi th&ecirc;re
+&Ecirc;-mude to Ast-flyland by sin eldrum t-us. &Ecirc;nes was er
+h&ecirc;rman w&ecirc;st. T&uuml;nis &aring;nd Inka w&ecirc;ron
+s&ecirc;k&aring;mper &aring;nd just nw bi hjara f&aring;derja anda
+Alderg&acirc;-mude t-vs. As tha jonga k&aring;mpar nw bi ekk&ocirc;rum
+k&ecirc;mon, k&ecirc;ron hja Wodin to hjara h&ecirc;rman jefta
+k&aring;ning ut, &aring;nd tha s&ecirc;k&aring;mpar k&ecirc;ron
+T&uuml;nis to-ra s&ecirc;k&aring;ning &aring;nd Inka to hjara skelte
+b&icirc; th&ecirc;r nacht. Tha stjurar gvngon th&acirc; n&ecirc;i tha
+D&ecirc;nnemarka f&acirc;ra, th&ecirc;r n&acirc;mon hja Wodin mith sin
+wigandlika landw&ecirc;r in. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2669"
+href="#xd0e2669">76</a>]</span>W&icirc;nd was rum &aring;nd alsa
+w&ecirc;ron hja an en &acirc;mer&icirc;ng<a class="noteref" id=
+"xd0e2671src" href="#xd0e2671">6</a> to Sk&ecirc;n land. Th&acirc; tha
+northeska brothar ra selva by-m fogath h&ecirc;de, d&ecirc;lde
+Wod&icirc;n sin weldich h&ecirc;r an thri wiga. Frya was hjara
+w&ecirc;penhrop &aring;nd s&acirc; hi b&aring;kward sloch tha Finnen
+&aring;nd M&acirc;gjara as of et b&aring;rn w&ecirc;ron. Th&acirc;
+thene M&acirc;gy forn&ocirc;m ho sin ljvd al ombrocht wrdon, th&acirc;
+sand hi bodon mith st&aring;f &aring;nd krone. Hja s&ecirc;idon to
+Wodin, o thv alra gr&acirc;teste th&ecirc;ra k&aring;ningar, wi send
+skeldich, thach al hwat wi d&ecirc;n h&aring;ve is ut n&ecirc;d
+d&ecirc;n. Je m&ecirc;ne that wi jvw brothar willengklik anfat
+h&aring;ve, men wi send thrvch vsa fyanda forth-f&ecirc;tereth
+&aring;nd thi alle send vs jeta vppa hakka. Wi h&aring;vath often helpe
+an thinre burchf&acirc;m fr&ecirc;jath, men hja neth vs navt ne meld.
+Thene M&acirc;gy s&ecirc;ith, s&acirc; hwersa wi ekk&ocirc;rum to tha
+h&aring;lte vrdva, s&acirc; skilun tha wilda skeph&aring;rdar
+k&ecirc;mon &aring;nd vs alg&acirc;dur vrdva. Thene M&acirc;gy heth
+f&uuml;l rikdom, men hi heth sjan that Frya weldiger is as al vsa
+g&acirc;ston et s&ecirc;mine. Hi wil sin h&acirc;ved in hira sk&acirc;t
+del ledsa. Thv bist thene wigandlikste k&aring;ning irthas, thin folk
+is fon yser. Warth vsa k&aring;ning &aring;nd wi alle willath thin
+sl&acirc;vona w&ecirc;sa. Hwat skolde that &ecirc;r-rik f&acirc;r-i
+w&ecirc;sa, aste tha wilda wither to l&aring;k driwa koste, vsa
+s&ecirc;fyra skolde-t rondbl&ecirc;sa &aring;nd vsa m&acirc;ra skoldon
+jv vral f&acirc;rut g&acirc;.</p>
+
+<p>Wodin was sterik, wost &aring;nd wigandl&icirc;k, men hi nas navt
+kl&acirc;r sjande, th&ecirc;rthrvch w&aring;rth i in hjar m&ecirc;ra
+fvngen &aring;nd thrvch thene M&acirc;gy kroneth. Rju f&ecirc;lo
+stjurar &aring;nd land-w&ecirc;rar, tham thisse k&ecirc;r navt ne
+sinde, br&ucirc;don stolkes hinne, K&acirc;t mith n&ecirc;mande, men
+K&acirc;t th&ecirc;r navt to f&acirc;ra th&ecirc;re Moder ner to
+f&acirc;ra th&ecirc;re m&ecirc;na acht forskine nilde, jompade wr bord.
+Th&acirc; k&ecirc;m stornewind &aring;nd f&ecirc;tere tha sk&ecirc;pa
+vppa skorra fonna <span class="corr" id="xd0e2676" title="Bron:
+Dennemar kum">Dennemarkum</span> del svnder enkel man to mistane.
+Aftern&ecirc;i h&aring;von hja tha str&ecirc;t K&acirc;tsgat<a class=
+"noteref" id="xd0e2679src" href="#xd0e2679">7</a> h&ecirc;ten.
+Th&acirc; Wodin kroned was, gvng-er <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2682" href="#xd0e2682">78</a>]</span>vppa wilda l&ocirc;s; thi
+w&ecirc;ron al rutar, lik een h&ecirc;jel buje k&ecirc;mon hja ajn
+Wodin-is h&ecirc;r, men lik en twyrne wind wendon hja omme &aring;nd ne
+thvradon n&acirc; wither forskina. As Wodin nw to b&aring;k k&ecirc;m,
+jav thene M&acirc;gy him sin toghater to-n w&icirc;f. Afternei
+w&aring;rth-i mith kr&ucirc;don bir&ecirc;kad, men th&ecirc;r
+w&ecirc;ron tawerkr&ucirc;don mong, hwand Wodin warth bi gr&acirc;dum
+alsa s&ecirc;r vrm&ecirc;ten, that-i Frya &aring;nd Wraldas g&acirc;st
+misk&aring;na &acirc;nd spota thvrade, thawyla hi sin frya hals bog to
+f&acirc;ra falska drochten-likande byldum<span class="corr" id=
+"xd0e2684" title="Niet in bron">.</span> Sin rik hilde sjvgun
+j&ecirc;r, th&acirc; vrdwind-ir<span class="corr" id="xd0e2687" title=
+"Bron: ,">.</span> Thene M&acirc;gy s&ecirc;ide that-er mong hjara
+godon<a class="noteref" id="xd0e2690src" href="#xd0e2690">8</a>
+vpnimeth w&ecirc;re, &aring;nd that hi fon th&ecirc;r over hjam welda,
+men vs folk lakton vmbe tin t&acirc;l. Th&acirc; Wodin en st&ucirc;t
+w&ecirc;i w&ecirc;st h&ecirc;de, k&ecirc;m th&ecirc;r twispalt, wi
+wildon en &ocirc;ra k&aring;ning kjasa, men th&aring;t nilde thene
+M&acirc;gy navt me hengja. Hi w&ecirc;rde that et en rjucht w&ecirc;re,
+him thrvch sina drochtne j&ecirc;ven. Buta &aring;nd bihalva thissa
+twist, sa was th&ecirc;r jet-&ecirc;n emong sin M&acirc;gjara &aring;nd
+Finna, th&ecirc;r Frya ner Wodin &ecirc;ra navt nilde, men thi
+M&acirc;gy d&ecirc;de as-t im sinde, hwand sin toghater h&ecirc;de en
+svn bi Wodin wvnen, &acirc;nd nw wilde thene M&acirc;gy that thisse fon
+en h&acirc;ge kom-of w&ecirc;sa skolde. Thawyla alle sanade &aring;nd
+twista, kr&ocirc;nade hi thene kn&acirc;p to k&aring;ning &aring;nd
+st&aring;lade hin sels as foged &aring;nd foramond jefta
+r&ecirc;dj&ecirc;var an. Th&ecirc;ra th&ecirc;r m&acirc;r hildon fon
+hjara balg as fon th&aring;t rjucht, tham l&ecirc;ton him bidobba, men
+tha goda br&ucirc;don w&ecirc;i. F&ecirc;lo M&acirc;gjara flodon mith
+hjara ljvda b&aring;k ward, &aring;nd tha stjurar gvngon to skip
+&aring;nd en h&ecirc;r fon drista Finna gvngen as rojar mitha.</p>
+
+<p>Nw kvmath tha sk&ecirc;dnese fon n&ecirc;f T&uuml;nis &aring;nd sin
+n&ecirc;f Inka &ecirc;rost rjucht vppet pat.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2648src" id="xd0e2648">1</a></span> Sk&ecirc;nland, Scania,
+Scandinavia.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2655src" id="xd0e2655">2</a></span> 2198 - 101 = 2092 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2660src" id="xd0e2660">3</a></span> Goda-hisburch,
+Gothenburg.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2663src" id="xd0e2663">4</a></span> Alderga, Ouddorp (bij
+Alkmaar).</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2666src" id="xd0e2666">5</a></span> Lumkam&acirc;kja
+bith&ecirc;re Emuda, Embden.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2671src" id="xd0e2671">6</a></span> Amering, nog in N.-Holland in
+gebruik, beteekent daar: ademtocht, oogenblik. Cf. Kiliaan in voce.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2679src" id="xd0e2679">7</a></span> K&acirc;tsgat, het
+Kattegat.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2690src" id="xd0e2690">8</a></span> Wodin, Odin, Wodan.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2695" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit ella stet navt all&ecirc;na vpper Waraburgh men
+ok to th&ecirc;re burch Stavia, th&ecirc;r is lidsen aftere have fon
+Stavre.</h2>
+
+<p>Tha T&uuml;nis mith sinum sk&ecirc;pum to honk k&ecirc;ra wilde,
+gvng-i thet forma vppa D&acirc;nnemarka of, men hi ne macht th&ecirc;r
+navt <span class="pagenum">[<a id="xd0e2700" href=
+"#xd0e2700">80</a>]</span>ne landa, th&aring;t h&ecirc;de thju Moder
+bisjowath. Ak et Flyland ne macht-er navt ne landa &aring;nd forth
+n&aring;rne. Hi skold alsa mith sinum ljvdum fon lek &aring;nd brek
+omkomth h&aring;ve, th&ecirc;r vmbe gvngon hja thes nachtis tha landa
+bir&acirc;wa &aring;nd f&acirc;ra bi d&ecirc;i. Alsa alinga th&ecirc;re
+k&acirc;d forth farande k&ecirc;mon hja to th&ecirc;re folkplanting
+K&acirc;dik<a class="noteref" id="xd0e2702src" href="#xd0e2702">1</a>,
+althus h&ecirc;ten vmbe that hjara have thrvch &ecirc;ne st&ecirc;nene
+k&acirc;dik formath was. Hir selladon hja allerhanne liftochta, men
+Tutja thju burchf&acirc;m nilde navt d&acirc;ja that hja-ra selva
+nither setta. Th&acirc; hja r&ecirc;d w&ecirc;ron kr&ecirc;jon hja
+twist. T&uuml;nis wilde thrvch thju str&ecirc;te fon tha middels&ecirc;
+vmbe to f&acirc;rane f&acirc;r tha rika k&aring;ning fon Egiptalandum,
+lik hi wel &ecirc;r d&ecirc;n h&ecirc;de, men Inka s&ecirc;ide, that-i
+sin nocht h&ecirc;de fon al et Findas folk. Inka m&ecirc;nde that er
+byskin wel en hach d&ecirc;l fon Atland by wysa fon &ecirc;land
+vrbil&ecirc;wen skolde w&ecirc;sa, th&ecirc;r hi mith tha ljvdum
+fr&ecirc;thoch l&ecirc;va machte. As tha b&ecirc;da n&ecirc;va-t-althus
+navt &ecirc;nes wrde koste, gvng T&uuml;nis to &aring;nd stek en
+r&acirc;de f&ocirc;ne in-t str&acirc;nd, &aring;nd Inka &ecirc;ne
+bl&acirc;we. Th&ecirc;r &aring;fter macht jahw&ecirc;der kjasa, hwam ek
+folgja wilde, &aring;nd wonder, by Inka th&ecirc;r en gryns h&ecirc;de
+vmbe tha k&aring;ningar fon Findas folk to thjanja, hlipon tha
+m&acirc;sta Finna &aring;nd M&acirc;gjara ovir. As hja nw th&aring;t
+folk tellath &aring;nd tha sk&ecirc;pa th&ecirc;r n&ecirc;i
+d&ecirc;lath h&ecirc;de, tha sk&ecirc;don tha fl&acirc;ta fon ekkorum;
+fon n&ecirc;f T&uuml;nis is &aring;ftern&ecirc;i t&acirc;l k&ecirc;men,
+fon n&ecirc;f Inka ninmer.</p>
+
+<p>N&ecirc;f T&uuml;nis for allinggen th&ecirc;re k&acirc;d al thrvch
+thju porte th&ecirc;re middels&ecirc;. Tha Atland svnken is, was-t-inna
+middels&ecirc; ra owera &acirc;k &aring;rg to gvngen. Th&ecirc;rthrvch
+w&ecirc;ron th&ecirc;r f&ecirc;lo m&aring;nniska fon-t Findas land
+n&ecirc;i vsa h&ecirc;inde &aring;nd f&ecirc;re Kr&ecirc;kalanda kvmen
+&aring;nd &acirc;k f&ecirc;lo fon Lyda-his land. Th&ecirc;r &aring;jn
+w&ecirc;ron &acirc;k f&ecirc;lo fon vs folk n&ecirc;i Lydas land
+gvngon. Th&aring;t ella h&ecirc;de wrocht, that tha h&ecirc;inde
+&aring;nd f&ecirc;re Kr&ecirc;kalanda far th&aring;t weld h&ecirc;re
+Moder vrl&ecirc;ren was. Th&ecirc;r h&ecirc;de T&uuml;nis vp
+r&ecirc;kned. Th&ecirc;rvmbe wilde hi th&ecirc;r en gode h&acirc;ve
+kjasa &aring;nd fon th&ecirc;r ut fara <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2707" href="#xd0e2707">82</a>]</span>rikka forsta f&acirc;ra, men
+thrvchdam sine fl&acirc;te &aring;nd sin folk sa wanh&acirc;ven
+utsagon, m&ecirc;ndon tha K&acirc;dh&ecirc;mer that hja r&acirc;wera
+w&ecirc;ron, &aring;nd th&ecirc;rvmbe wrdon hja vral w&ecirc;rath. Tha
+to tha lesta k&ecirc;mon hja an to Phonisivs k&acirc;d, that w&ecirc;re
+100 &aring;nd 93 j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e2709src" href=
+"#xd0e2709">2</a> n&ecirc;i <span class="corr" id="xd0e2712" title=
+"Bron: &acirc;tland">&Acirc;tland</span> svnken is. N&ecirc;i bi
+th&ecirc;re k&acirc;d fvndon hja en &ecirc;land mith twam diapa slinka,
+alsa-t as thrju &ecirc;landa utsach. Vppet midloste th&ecirc;ra staldon
+hja hjara skula vp, &aring;ftern&ecirc;i bvwadon hja th&ecirc;r en
+burchwal om to. As hja th&ecirc;ran nw en n&ocirc;me j&ecirc;va wilde,
+wrdon hja vn&ecirc;nes, svme wild-et Fryasburch h&ecirc;ta, &ocirc;ra
+N&ecirc;f t&uuml;nia, men tha M&acirc;gjara &aring;nd tha Finna
+b&acirc;don th&aring;t skolde Thyrhisburch<a class="noteref" id=
+"xd0e2715src" href="#xd0e2715">3</a> h&ecirc;te. Thyr<a class="noteref"
+id="xd0e2718src" href="#xd0e2718">4</a> alsa h&ecirc;ton hja &ecirc;n
+hjarar drochtena &aring;nd vppe tham-is j&ecirc;rd&ecirc;i w&ecirc;ron
+hja th&ecirc;r land, to wither-jeld wildon hja T&uuml;nis &ecirc;vg as
+hjara k&aring;ning bik&aring;nne. T&uuml;nis l&ecirc;t im bil&ecirc;sa
+&aring;nd tha &ocirc;ra nildon th&ecirc;rvr n&ecirc;n orloch ne
+h&acirc;. Th&acirc; hja nw god s&acirc;ton, th&acirc; sandon hja svme
+alde stjvrar &aring;nd m&acirc;gjara ana w&acirc;l &aring;nd
+forthn&ecirc;i th&ecirc;re burch Sydon, men that forma nildon tha
+K&acirc;dh&ecirc;mar nawet fon-ra n&ecirc;ta. Thv bist
+f&ecirc;rh&ecirc;manda sw&aring;rvar s&ecirc;idon hja, th&ecirc;r wi
+navt hachta ne m&uuml;ge. Tha th&acirc; wi hjam fon vsa ysera
+w&ecirc;pne vrsella wilde, gvng to lersta ella god, &acirc;k
+w&ecirc;ron hja s&ecirc;r ny n&ecirc;i vsa b&aring;rnst&ecirc;num
+&aring;nd th&aring;t fr&ecirc;ja th&ecirc;r n&ecirc;i nam n&ecirc;n
+ende. Men T&uuml;nis th&ecirc;r f&aring;rsjande w&ecirc;re, b&aring;rde
+that er n&ecirc;n ysere w&ecirc;pne ner b&aring;rnst&ecirc;ne m&acirc;r
+h&ecirc;de. Th&acirc; k&ecirc;mon tha k&acirc;pljvd &aring;nd
+b&acirc;don hi skolde twintich sk&ecirc;pa j&ecirc;va, th&ecirc;r hja
+alle mith-a finneste w&ecirc;rum tho hr&ecirc;da wilde, &aring;nd hja
+wildon him alsa f&ecirc;lo ljvda to rojar j&ecirc;va as-er j&ecirc;rde.
+Tw&ecirc;-lif sk&ecirc;pa l&ecirc;t-i-to hr&ecirc;da mith win hvning
+&aring;nd tom&acirc;kad l&ecirc;ther, th&ecirc;r bi w&ecirc;ron
+t&aring;mar &aring;nd sitlun mith gold wrt&ecirc;in sa m&aring;n hja
+ninmer n&ecirc;de sjan. Mith al thi sk&aring;t fyl T&uuml;nis
+th&aring;t Flymar binna. Thi gr&ecirc;vaman fon Westflyland w&aring;rth
+thrvch al thessa thinga big&acirc;stered, hi <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2721" href="#xd0e2721">84</a>]</span>wrochte that T&uuml;nis bi
+th&ecirc;re mvde fon-t Flymar en loge bvwa m&acirc;chte,
+&aring;ftern&ecirc;i is thju st&ecirc;d Almanaland<a class="noteref"
+id="xd0e2723src" href="#xd0e2723">5</a> heten &aring;nd tha mark
+th&ecirc;r hja <span class="corr" id="xd0e2726" title="Bron:
+&aring;fternei">&aring;ftern&ecirc;i</span> to Wyringg&acirc;<a class=
+"noteref" id="xd0e2729src" href="#xd0e2729">6</a> vp wandelja machton
+tol&ecirc;tmark. Thju Moder r&ecirc;de that wi ra ella vrk&acirc;pja
+skolde buta ysere w&ecirc;pne, men m&aring;n ne melde hja navt.
+Th&acirc; tha Tyrjar thus fry spel h&ecirc;don, k&ecirc;mon hja
+&acirc;lan wither to farand vsa w&ecirc;ron s&acirc; h&ecirc;inde as
+f&ecirc;re vsa ajn s&ecirc;k&aring;mpar to sk&acirc;dne.
+Th&ecirc;r&aring;fter is bisloten vpper m&ecirc;na acht, j&ecirc;rlikes
+sjvgun Thyrjar sk&ecirc;pa to to l&ecirc;tane &aring;nd navt mar.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2702src" id="xd0e2702">1</a></span> K&acirc;dik, Cadix.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2709src" id="xd0e2709">2</a></span> 2193 - 193 = 2000 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2715src" id="xd0e2715">3</a></span> Thyrhisburch, Tyrus.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2718src" id="xd0e2718">4</a></span> Thyr, de zoon van Odin.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2723src" id="xd0e2723">5</a></span> Almanaland, Ameland.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2729src" id="xd0e2729">6</a></span> <span class="corr" id=
+"xd0e2730" title="Bron: Wyring&acirc;">Wyringg&acirc;</span>,
+Wieringen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2734" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hwat th&ecirc;r of wrden is.</h2>
+
+<p>Inner northlikste herne fon tha Middels&ecirc;, th&ecirc;r
+l&ecirc;id en &ecirc;land by th&ecirc;re k&acirc;d. Nw k&ecirc;mon hja
+th&aring;t a k&acirc;p to fr&ecirc;jande. Th&ecirc;rvr w&aring;rth ene
+m&ecirc;na acht bil&ecirc;id. Moder-is r&ecirc;d w&aring;rth wnnen, men
+Moder sach ra lyast f&ecirc;r of. Th&ecirc;rvmbe m&ecirc;nde hju that
+er n&ecirc;n kw&acirc; an stek, thach as wi &aring;ftern&ecirc;i
+s&acirc;gon ho wi misd&ecirc;n h&ecirc;de h&aring;von wi th&aring;t
+&ecirc;land Missellja<a class="noteref" id="xd0e2739src" href=
+"#xd0e2739">1</a> h&ecirc;ten. Hir&aring;fter skil blika ho wi
+th&ecirc;r to r&ecirc;de h&ecirc;de. Tha Gola,<a class="noteref" id=
+"xd0e2742src" href="#xd0e2742">2</a> alsa heton tha s&aring;ndalinga
+prestera Sydon-is<span class="corr" id="xd0e2745" title="Bron:
+.">,</span> tha Gola h&ecirc;don wel sjan thet et land th&ecirc;r
+skares bifolkad was &aring;nd f&ecirc;r fon th&ecirc;re Moder
+w&ecirc;re. Vmb ira selva nw en gode skin to j&ecirc;vane, l&ecirc;ton
+hja ra selva in vsa t&acirc;l ana trowe wydena h&ecirc;ta, men that
+w&ecirc;re b&ecirc;tre w&ecirc;st, as hja ra selva fon th&ecirc;re
+trowe wendena n&ocirc;math h&ecirc;de, jefta kirt wei trjuwendne lik
+vsa stjurar l&ecirc;ter d&ecirc;n h&aring;ve. Th&acirc; hja wel
+s&ecirc;ton w&ecirc;ron, tha wandeldon hjara k&acirc;pljuda sk&ecirc;ne
+k&acirc;pre w&ecirc;pne &aring;nd allerl&ecirc;ja syrh&ecirc;don to
+fara vsa ysere w&ecirc;pne &aring;nd wilde djara huda, w&ecirc;rfon in
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2748" href=
+"#xd0e2748">86</a>]</span>vsa suder landa f&ecirc;lo to bikvma
+w&ecirc;ron. Men tha Gola fyradon allerh&acirc;na wla drochtenlika
+f&ecirc;rsta &acirc;nd to tyadon tha kadh&ecirc;mar th&ecirc;ra thrvch
+todvan hjarar horiga mangh&ecirc;rtne &aring;nd tha sw&ecirc;t
+h&ecirc;d fon hjara fininnige win. Was th&ecirc;r hwa fon vs folk
+th&ecirc;r-et alsa &aring;rg vrbrud h&ecirc;de, that sin lif in
+fr&ecirc;se k&ecirc;m, than l&ecirc;nadon tha gola him hul &aring;nd
+foradon him n&ecirc;i Phonisia, that is palmland. Was hi th&ecirc;r
+s&ecirc;ten, th&aring;n most-i an sina sibba &aring;nd &acirc;tha
+skriwa, that-et land s&acirc; god w&ecirc;re &acirc;nd tha
+m&aring;nniska s&acirc; luklik, as ninm&aring;n hin selva mocht
+forbylde. A Brittannja w&ecirc;ron rju f&ecirc;lo manna, tha lith wiva,
+th&acirc; tha Gola that wiston, l&ecirc;ton hja alw&ecirc;is
+mangh&ecirc;rtne sk&acirc;ka &aring;nd thessa javon hja tha Britne vmb
+nawet. Thach al thissa mangh&ecirc;rtne <span class="corr" id=
+"xd0e2750" title="Bron: weron">w&ecirc;ron</span> hjara thjansterum,
+th&ecirc;r tha bern fon Wr&acirc;lda stolon vmb-ar an hjara falske
+drochtne to j&ecirc;vane.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2739src" id="xd0e2739">1</a></span> Missellja, Marseille.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2742src" id="xd0e2742">2</a></span> Gola, Galli, Gaulois.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2753" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nw willath wi skriwa vr tha orloch th&ecirc;ra
+burchfamna Kalta and Min-erva</h2>
+
+<p>And ho wi th&ecirc;r thrvch al vsa s&ucirc;derlanda &aring;nd
+Brittanja anda Gola vrl&ecirc;ren h&aring;ve.</p>
+
+<p>Bi th&ecirc;re S&ucirc;der-r&ecirc;n-mvda &aring;nd th&ecirc;re
+Skelda, th&ecirc;r send sjvgun &aring;landa, n&ocirc;math n&ecirc;i
+Fryas sjvgum w&acirc;kf&acirc;mkes there w&ecirc;k. Middel vppet
+&ecirc;ne &aring;land is thju burch<a class="noteref" id="xd0e2760src"
+href="#xd0e2760">1</a> Walhallag&acirc;ra, inut tha w&acirc;grum
+th&ecirc;ra is thju folgjande sk&ecirc;dnesse wr&icirc;ten. Th&ecirc;r
+bvppa st&ecirc;t: l&ecirc;s, l&ecirc;r &aring;nd w&acirc;k.</p>
+
+<p>563 j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e2765src" href=
+"#xd0e2765">2</a> n&ecirc;i &acirc;ldland svnken is, sat hir en wise
+burch f&acirc;m, Min-erva was hira n&ocirc;ma. Thrvch tha stjurar
+Nyhell&ecirc;nja ton&ocirc;math. This ton&ocirc;ma was god k&ecirc;ren,
+hwand tha r&ecirc;d, th&ecirc;r hju l&ecirc;nade, was ny &aring;nd hel
+bvppa alle &ocirc;therum. Overa Skelda et th&ecirc;re Flyburch sat
+Syrh&ecirc;d. Thjus f&acirc;m was fvl renka, sk&ecirc;n was r-anhlith
+&aring;nd kwik was <span class="pagenum">[<a id="xd0e2771" href=
+"#xd0e2771">88</a>]</span>hira tvnge, men thi r&ecirc;d th&ecirc;r hju
+jef, was immer in thjustere worde. Th&ecirc;r vmbe warth hju thrvch tha
+stjurar K&aring;lta h&ecirc;ten, tha lands&acirc;ta m&ecirc;nadon that
+et en &ecirc;rn&ocirc;ma w&ecirc;ra. Inna &ucirc;troste wille
+th&ecirc;re vrsturvene Moder stand R&ocirc;sa-mvda thet forma, Min-erva
+thet tw&ecirc;de &aring;nd Syrh&ecirc;d thet thredde as folgstere
+biskreven. Min-erva n&ecirc;de th&ecirc;r n&ecirc;n wit fon, men
+Syrh&ecirc;d was er thrvch knaked. Lik en wrlandeske forstinne wilde
+hju &ecirc;rath fr&ecirc;sath &aring;nd b&ecirc;den w&ecirc;sa, men
+Min-erva wilde enkel minth w&ecirc;sa. To tha lesta k&ecirc;mon alle
+stjurar hiri hjara held bjada, selva fon tha Dena-marka &aring;nd <span
+class="corr" id="xd0e2773" title="Bron: fon t">fon-t</span> Flymar.
+That vvnde Syrh&ecirc;d, hwand hju wilde bvppa Min-erva utminthja. Til
+thju m&aring;n en gr&ocirc;te th&aring;nk ovir hira w&acirc;kendum
+h&aring;va skolde, myk<a class="noteref" id="xd0e2776src" href=
+"#xd0e2776">3</a> hju ennen h&ocirc;na vpper f&acirc;ne. Th&acirc; gvng
+Min-erva to &aring;nd myk en h&aring;rder hvnd &aring;nd en nachtul in
+vppira f&acirc;ne. Thene hvnd s&ecirc;ide hju w&acirc;kt ovir sin
+h&ecirc;r &aring;nd ovira kidda &aring;nd thene nachtul w&acirc;kt
+ovira fjelda til thju hja thrvch tha musa navt vrd&ecirc;n ne wrde. Men
+thene h&ocirc;na neth far nimman frjundskip, &aring;nd thrvch sin
+vntocht &aring;nd h&acirc;chf&acirc;renh&ecirc;d is er vaken thene
+b&acirc;na sinra n&ecirc;ista sibba wrden. As Kalta sach that er
+w&aring;rk falikant ut k&ecirc;m, to gvng hju fon kwad to &aring;rger.
+Stolkes l&ecirc;t hju M&acirc;gjara to hiri kvma vmbe t&acirc;wery to
+l&acirc;rane. As hju th&ecirc;r hira nocht fon h&ecirc;de, werpte hju
+hira selva anda &aring;rma th&ecirc;ra Golum, thach fon al thi
+misd&ecirc;don ne macht hju navt b&ecirc;tre ne wrde. As hju sach that
+tha stjurar m&acirc;r &aring;nd m&acirc;r fon iri w&ecirc;ke, tha wilde
+hju ra thrvch fr&ecirc;se winna. Was tha m&ocirc;ne fvl &aring;nd thene
+s&ecirc; vnstumich, than hlip hju over et wilde hef, tha stjurar to
+hropande that hja alle skolde vrg&acirc;n, sahwersa hja hiri navt
+anbidda nilde. Forth vrblinde hju hira &acirc;gun hw&ecirc;r thrvch hja
+w&ecirc;ter fori land &aring;nd land fori w&ecirc;ter hildon,
+th&ecirc;rthrvch is m&acirc;ni skip vrgvngen mith m&aring;n &aring;nd
+mus. Vppet forma w&ecirc;rf&ecirc;rste tha al hira lands&acirc;ta
+w&ecirc;pned w&ecirc;ron, l&ecirc;t hju b&aring;rga bjar sk&aring;nka,
+in th&aring;t bjar h&ecirc;de hju t&acirc;verdrank d&ecirc;n. As et
+folk nv alg&acirc;dur <span class="pagenum">[<a id="xd0e2779" href=
+"#xd0e2779">90</a>]</span>drunken w&ecirc;re, gvng hju bvppen vp hira
+stridhros standa, to l&ecirc;nande mith hira hole tojenst hira
+sp&ecirc;ri, m&ocirc;rner&acirc;d ne kv navt sk&ecirc;ner. Tha hja sach
+that alle &ocirc;gon vpper f&aring;stigath w&ecirc;ron &ecirc;pende hju
+hira w&ecirc;ra &aring;nd k&ecirc;th, svnum &aring;nd thogatrum Fryas,
+i w&ecirc;t wel that wi inna lerste tyd f&ucirc;l lek &aring;nd brek
+l&ecirc;den h&aring;ve, thrvchdam tha stjurar navt l&ocirc;nger kvme
+vmb vs skriffilt to vrsella, men i n&ecirc;te navt hw&ecirc;rthrvch et
+kvmen is. L&ocirc;ng h&aring;v ik my th&ecirc;r vr inhalden, thach nv
+k&aring;n-k-e tnavt l&ocirc;nger &ocirc;n. Hark then frjunda til thju i
+w&ecirc;ta m&uuml;ge hw&ecirc;rn&ecirc;i i bita m&ecirc;i. Anda
+&ocirc;ra syde th&ecirc;re Skelda hw&ecirc;r hja tomet tha f&ecirc;rt
+fon alle s&ecirc;a h&aring;ve, th&ecirc;r m&acirc;kath hja hjvd
+d&ecirc;gon skriffilt fon pompa bl&ecirc;dar, th&ecirc;r mith sparath
+hja linnent ut &aring;nd k&aring;nnath hja vs wel miste. N&ecirc;idam
+th&aring;t skriffilt m&acirc;kja nv alti vs gr&acirc;teste bydriv
+w&ecirc;st is, s&acirc; heth thju Moder wilt that m&aring;n et vs
+l&ecirc;ra skolde. Men Minerva heth al et folk bihexnath, jes bihexnath
+frjunda, ivin as al vs fja th&aring;t l&aring;sten sturven is. Er-ut
+mot-et, ik wil thi tella, nas-k n&ecirc;n burchf&acirc;m ik skold et
+wel w&ecirc;ta, ik skolde thju hex in hjara nest vrbarne. Th&acirc; hju
+thi lerste worda ut h&ecirc;de, spode hju hira selva n&ecirc;i hira
+burch tha, men th&aring;t vrdrvnken folk was althus d&ecirc;nera
+big&acirc;stered, that et vr sin r&ecirc;de navt mocht to w&acirc;kane.
+In dvl-dryste iver gvngon hja overa Sand fal &aring;nd n&ecirc;idam
+nacht midlerwil del str&ecirc;k gvngon hja evin drist vpper burch
+l&ocirc;s<span class="corr" id="xd0e2781" title="Bron: ,">.</span>
+Thach K&aring;lta miste al hwither hira dol, hwand Minerva &aring;nd
+hira f&acirc;mna &aring;nd tha foddik wrdon alle thrvch tha r&aring;ppa
+stjurar hreth.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2760src" id="xd0e2760">1</a></span> Middelburg.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2765src" id="xd0e2765">2</a></span> 2193 - 563 = <span class=
+"corr" id="xd0e2767" title="Bron: 1600">1630</span> v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2776src" id="xd0e2776">3</a></span> Myk wordt nog op Walcheren
+gehoord.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2784" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hirby kvmth tha sk&ecirc;dnesse fon Jon.</h2>
+
+<p>Jon, J&ocirc;n, Jhon &aring;nd J&acirc;n is al &ecirc;n mith
+j&ecirc;ven, thach thet l&ecirc;it anda utspr&ecirc;k th&ecirc;ra
+stjurar, th&ecirc;r thrvch wenh&ecirc;d ellas bikirta vmbit f&acirc;ra
+&aring;nd hard hropa to mvgane. Jon th&aring;t is j&ecirc;va was
+s&ecirc;k&ecirc;ning, bern to-t-Alderg&acirc;, to-t Flymar ut <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2789" href=
+"#xd0e2789">92</a>]</span>f&acirc;ren mith 100 &aring;nd 27
+sk&ecirc;pum, tohr&ecirc;th f&acirc;r en gr&ocirc;te butar&ecirc;is,
+rik to l&ecirc;den mith b&aring;rnst&ecirc;n, tin, k&acirc;per, yser,
+l&ecirc;ken, linnent, filt, f&acirc;mna filt fon otter, b&ecirc;ver
+&aring;nd kanina h&ecirc;r. Nw skold er fon hir jeta skriffilt mith
+nimma; tha to Jon hir k&ecirc;m &aring;nd sach ho K&aring;lta vsa rom
+rika burch vrd&ecirc;n h&ecirc;de, th&acirc; w&aring;rther s&acirc;
+uter m&ecirc;te heftich, that er mith al sinum ljudum vpper Flyburch of
+gvng &aring;nd th&ecirc;r to witterjeld thene r&acirc;da h&ocirc;ne an
+stek. Men thrvch sin skelta bi nacht &aring;nd svme sinra ljudum
+w&aring;rth thju foddik &aring;nd tha f&aring;mna hret. Tach
+Syrh&ecirc;d jefta K&aring;lta ne mochton hja navt to f&acirc;tane, hju
+klvwde vppa utroste tinne, jahweder tochte that hju inna logha omkvma
+moste, th&acirc; hwat b&ecirc;rde? Dahwile al hira ljuda st&aring;k
+&aring;nd stif fon skrik standon, k&ecirc;m hju sk&ecirc;ner as
+&acirc;-to fora vp hira kl&ecirc;ppar to hropande n&ecirc;i K&aring;lta
+min-&acirc;is<a class="noteref" id="xd0e2791src" href=
+"#xd0e2791">1</a><span class="corr" id="xd0e2793" title="Niet in
+bron">.</span> Th&acirc; str&acirc;mada th&aring;t ora Skelde folk to
+h&acirc;pa. As tha stjurar that s&acirc;gon hripon hja f&acirc;r
+Minerva wy. En orloch is th&ecirc;rut kvmen, hw&ecirc;rthrvch thvsande
+fallen send.</p>
+
+<p>Under thesse tidon was R&ocirc;samond th&aring;t is R&ocirc;sa mvda
+Moder, hju h&ecirc;de f&ucirc;l in th&ecirc;re minne d&ecirc;n vmbe
+fr&ecirc;tho to w&acirc;rja, tach nw-t alsa &aring;rg k&ecirc;m, myk
+hju kirte m&ecirc;te. Bistonda sand hju bodun thrvch tha land
+p&acirc;la &aring;nd l&ecirc;t en m&ecirc;na n&ecirc;dban
+utk&egrave;tha, th&acirc; k&ecirc;mon th&acirc; landw&ecirc;rar ut alle
+wrda w&ecirc;i. Th&aring;t strydande land folk w&aring;rth al fat, men
+Jon burch hin selva mith sin ljud vppa sina fl&acirc;te, mith nimand
+b&ecirc;da tha foddika, byonka Minerva &aring;nd tha f&acirc;mna fon
+b&ecirc;dar burchum. Helprik thene h&ecirc;rman l&ecirc;t-im in banna,
+men tha hwila alle w&ecirc;rar jeta o-ra Skelda w&ecirc;ron for Jon to
+bek n&ecirc;i-t Flymar &aring;nd forth wither n&ecirc;i vsa
+&aring;landum. Sin ljud &aring;nd f&ecirc;lo fon vs folk namon wif
+&aring;nd bern sk&ecirc;p, &aring;nd as Jon nw sach that m&aring;n hin
+&aring;nd sin ljud lik misd&ecirc;dar strafja wilde, brudon hi stolkes
+hinne. Hi d&ecirc;de rjucht, hwand al vsa landar &aring;nd allet ora
+Skelda folk th&ecirc;r fjuchten h&ecirc;don <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2801" href="#xd0e2801">94</a>]</span>wrdon n&ecirc;i Brittanja
+brocht. Thius stap was mis d&ecirc;n, hwand nv k&ecirc;m t-anfang fon
+th&aring;t ende:</p>
+
+<p>K&aring;lta th&ecirc;r n&ecirc;i-t segse &ecirc;ven blyd vppet
+w&ecirc;ter as vppet land hl&acirc;pa machte, gvng n&ecirc;i tha
+f&aring;sta wal, &aring;nd forth vppa Missellja of. Th&acirc;
+k&ecirc;mon tha Gola mith hjara skepum ut-a Middels&ecirc; K&acirc;dik
+bif&acirc;ra &aring;nd &ecirc;l vs uter land, forth fylon hja vp
+&aring;nd over Brittannja thach hja ne mochton th&ecirc;r n&ecirc;n
+f&aring;sta fot ne kr&ecirc;ja, vmbe th&aring;t tha sjvrda weldich
+&aring;nd tha bannalinga jeta fryas w&ecirc;ron. Men nw k&ecirc;m
+K&aring;lta &aring;nd k&ecirc;th, thv bist fry bern &aring;nd vmbe
+litha l&ecirc;ka heth m&aring;n thi to vrwurpene m&acirc;kad, navt vmbe
+thi to b&ecirc;terja, men vmbe tin to winnande thrvch thina handa.
+Wilst w&ecirc;r fry w&ecirc;sa &aring;nd vnder mina r&ecirc;d &aring;nd
+hoda l&ecirc;va, tj&aring;n ut then, w&ecirc;pne skilun thi wrda,
+&aring;nd ik skil w&acirc;ka o-er thi. Lik blixen fjur gvng et o-era
+&aring;landa, &aring;nd &ecirc;r thes Kroders jol &ecirc;nis
+omhl&acirc;pen h&ecirc;de, was hju m&acirc;sterinne over al gadur
+&aring;nd tha Thyrjar fon al vsa suder st&acirc;ta til th&ecirc;re
+S&ecirc;jene.<a class="noteref" id="xd0e2805src" href="#xd0e2805">2</a>
+Vmbe that K&aring;lta hira selva navt to f&uuml;l bitrowada, l&ecirc;t
+hju in-et northlika berchland &ecirc;ne burch bvwa K&aring;lta-s burch
+w&aring;rth hju h&ecirc;ten, hju is jet anw&ecirc;sa, men nv h&ecirc;t
+hja K&ecirc;ren-&aring;k. Fon thjus burch welde hju lik en efte moder,
+navt to wille f&acirc;r men over hira folgar &aring;nd tham hjara selva
+forth K&aring;ltana<a class="noteref" id="xd0e2808src" href=
+"#xd0e2808">3</a> h&ecirc;ton. Men tha Gola weldon by gr&acirc;don over
+&ecirc;l Brittanja, th&aring;t k&ecirc;m &ecirc;nis d&ecirc;lis that
+hju n&ecirc;n m&acirc;r burga n&ecirc;de, twyas that hju th&ecirc;r
+n&ecirc;n burchf&acirc;mna n&ecirc;de &aring;nd thryas thrvchdam hju
+n&ecirc;n efte foddik navt n&ecirc;de. Thrvch al thessa
+&ecirc;rs&ecirc;ka kvn hira folk navt ni l&ecirc;ra, th&aring;t wrde
+dvm &aring;nd dor &aring;nd wrde endelik thrvch tha Gola fon al hira
+ysera w&ecirc;pne bir&acirc;wath &aring;nd to th&aring;t lesta lik en
+buhl by th&ecirc;re n&ocirc;se omme l&ecirc;id. <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2813" href="#xd0e2813">96</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2791src" id="xd0e2791">1</a></span> K&acirc;lta Min-his,
+Minnesdochter?</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2805src" id="xd0e2805">2</a></span> S&ecirc;jene, de Seine.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2808src" id="xd0e2808">3</a></span> <span class="corr" id=
+"xd0e2809" title="Bron: K&acirc;ltana">K&aring;ltana</span>,
+Celtae.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2815" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nv willath wi skriva ho-t Jon vrgvngen is, thit
+st&ecirc;t to Texland skr&ecirc;ven.</h2>
+
+<p>10 j&ecirc;r &aring;fter Jon w&ecirc;i brit was, k&ecirc;mon hyr
+thrju sk&ecirc;pa in-t Flymar falla, th&aring;t folk hrip
+ho-n-s&ecirc;jen, fon hira t&aring;linga heth thju Moder thit skrywa
+l&ecirc;ten. Th&acirc; Jon antha Middels&ecirc; k&ecirc;m was then
+m&acirc;ra th&ecirc;ra Gola hin vral f&acirc;r ut gvngen, alsa hi an
+th&ecirc;ri k&acirc;d fon tha h&ecirc;inda Kr&ecirc;kalanda n&aring;rne
+f&ecirc;lich n&ecirc;re. Hi st&ecirc;k thus mith sinum fl&acirc;te
+n&ecirc;i Lydia, th&aring;t is Lyda his l&acirc;nd, th&ecirc;r wildon
+tha swarta m&aring;nniska f&acirc;ta hjam &aring;nd &ecirc;ta. To tha
+lesta k&ecirc;mon hja et Thyrhis, men Minerva s&ecirc;ide hald of,
+hwand hir is thju loft &ocirc;langne vrpest thrvch tha prestera. Thi
+k&aring;ning was fon T&uuml;nis ofstamed, s&acirc; wi l&ecirc;ter
+h&ecirc;rdon, men til thju tha prestera en k&aring;ning wilde
+h&aring;ve th&ecirc;r alderlangne n&ecirc;i hjara bigrip w&ecirc;re,
+alsa h&ecirc;de hja T&uuml;nis to en gode up h&ecirc;jad, to
+&aring;rgnisse sinra folgar. As hja nv Thyr &aring;fter bek w&ecirc;re,
+k&ecirc;mon, tha Thyriar en skip uta &aring;fte hoda r&acirc;wa,
+n&ecirc;idam th&aring;t skip to f&ecirc;r was, kvndon wi-t navt wither
+wina, men Jon swor wr&ecirc;ka th&ecirc;rvr. Tha nacht k&ecirc;m
+k&ecirc;rde Jon n&ecirc;i tha f&ecirc;re Kr&ecirc;kalandum, to lesten
+k&ecirc;mon hja by en land th&aring;t bjustre skryl ut sa, men hja
+fondon th&ecirc;r en havesmvda. Hir s&ecirc;ide Minerva skil by skin
+n&ecirc;n fr&ecirc;se to fara forstum nach presterum n&ecirc;dich
+w&ecirc;sa, n&ecirc;idam hja algadur feta etta minna, thach th&acirc;
+hja inner have hlipon fonth m&aring;n hja navt rum noch vmbe alle
+sk&ecirc;pa to bisl&ucirc;ta, &aring;nd thach w&ecirc;ron m&ecirc;st
+alle to l&aring;f vmbe wider to gane. Alsa gvng Jon th&ecirc;r forth
+wilde mith sin sp&ecirc;r &aring;nd f&ocirc;ne th&aring;t jongk folk to
+hropande, hwa willinglik bi-m sk&acirc;ra wilde. Minerva th&ecirc;r
+biliwa wilde d&ecirc;de alsa. Th&aring;t gr&acirc;teste d&ecirc;l gvng
+n&ecirc;i Minerva, men tha jonggoste stjurar gvngon by Jon. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2820" href="#xd0e2820">98</a>]</span>Jon
+nam th&ecirc;re foddik fon K&aring;lta &aring;nd hira f&acirc;mna
+mitha, &aring;nd Minerva hild hira ajn foddik &aring;nd hira ajn
+f&acirc;mna.</p>
+
+<p>Bitwiska tha f&ecirc;rum &aring;nd heinda Kr&ecirc;kalandum fand Jon
+svma &ecirc;landa th&ecirc;r im likte, vppet gr&acirc;teste gvng-er
+inna tha walda twisk th&aring;t berchta en burch bvwa. Fon uta litha
+&ecirc;landa gvng-er ut wr&ecirc;ka tha Thyrjar sk&ecirc;pa &aring;nd
+landa bir&acirc;wa, th&ecirc;rvmbe send tha &ecirc;landa evin blyd
+R&acirc;wer &ecirc;landa, as Jonhis &ecirc;landa<a class="noteref" id=
+"xd0e2824src" href="#xd0e2824">1</a> h&ecirc;ten.</p>
+
+<p>Tha Minerva th&aring;t land bisjan h&ecirc;de, th&aring;t thrvch tha
+inh&ecirc;mar Attika is h&ecirc;ten, sach hju that th&aring;t folk al
+j&ecirc;ita hoder w&ecirc;ron, hja hildon hjara lif mith flesk,
+kr&ucirc;dum, wilde wotelum &aring;nd hvning. Hja w&ecirc;ron mith
+felum tekad &aring;nd hju h&ecirc;don hjara skula vppa hellinga
+th&ecirc;ra bergum. Th&ecirc;rthrvch send hja thrvch vs folk Hellinggar
+h&ecirc;ten.</p>
+
+<p>Th&aring;t forma gvngon hja vppa run, tha as hja s&acirc;gon that wi
+navt ne t&acirc;ldon n&ecirc;i hjara sk&aring;t, th&acirc; k&ecirc;mon
+hja tobek &aring;nd l&ecirc;ton gr&acirc;te &acirc;tskip blika. Minerva
+fr&ecirc;jde jef wi vs in th&ecirc;re minna machte nither setta. That
+wrde to staden vnder biding that wi skolde helpa hjam with hjara
+swetsar to stridande, th&ecirc;r alan k&ecirc;mon hjara bern to
+sk&acirc;kana &aring;nd hjara sk&acirc;t to r&acirc;wana. Th&acirc;
+bvwadon wi &ecirc;ne burch arhalf p&acirc;l fon th&ecirc;r have. Vppa
+r&ecirc;d Minervas w&aring;rth hju Athenia<a class="noteref" id=
+"xd0e2831src" href="#xd0e2831">2</a> heten: hwand s&ecirc;ide hju, tha
+&aring;fter kvmand agon to w&ecirc;tane, that wi hir navt thrvch lest
+ner weld kvmen send, men lik &acirc;tha vntfongen. Dahwile wi an
+th&ecirc;re burch wrochton k&ecirc;mon tha forsta, as hja hja nv sagon
+that wi n&ecirc;n slavona h&ecirc;de, sind er sok navt, &aring;nd
+l&ecirc;ton-t an Minerva blika, til thju hja tochton that en forstene
+w&ecirc;re. Men Minerva fr&ecirc;ja, ho bist wel an thina sl&acirc;vona
+kvmen? Hja andere, svme h&aring;vath wi k&acirc;pad, &ocirc;ra anna
+strid wnnen. Minerva s&ecirc;ide, s&acirc;hwersa ninman m&aring;nneska
+k&acirc;pja nilda sa ne skolde ninman jvw bern r&acirc;wa &aring;nd i
+ne skolda <span class="pagenum">[<a id="xd0e2834" href=
+"#xd0e2834">100</a>]</span>th&ecirc;rvr n&ecirc;n orloch h&aring;ve,
+wilst thus vsa harlinga biliwa s&acirc; mot-i thina sl&acirc;vona fry
+l&ecirc;ta.</p>
+
+<p>That nv willath tha forsta navt, hja willath vs w&ecirc;i driwa. Men
+th&acirc; klokeste hjarar ljuda kvmath helpa vsa burch ta bvmande,
+th&ecirc;r wi nv fon st&ecirc;n m&acirc;kja.</p>
+
+<p>Thit is thju sk&ecirc;dnesse fon Jon &aring;nd Minerva.</p>
+
+<p>As hja that nw ella tellad h&ecirc;de, fr&ecirc;jath hja mith
+&ecirc;rbjadenesse vm yrsene burchw&ecirc;pne, hwand s&ecirc;idon hja
+vsa l&ecirc;tha send weldich, tha sa wi efta w&acirc;pne h&aring;ve,
+skillon wi ra wel wither worda. As hju th&ecirc;ran to stemad
+h&ecirc;de, fr&ecirc;jath tha ljuda jef tha Fryas s&ecirc;da to Athenia
+&aring;nd tha &ocirc;ra <span class="corr" id="xd0e2842" title="Bron:
+Krekalanda">Kr&ecirc;kalanda</span> bloja skolde, thju Moder andere,
+jef tha f&ecirc;re Kr&ecirc;kalanda to tha erva Fryas h&ecirc;ra, alsa
+skilum hja th&ecirc;r bloja, ne h&ecirc;rath hja navt th&ecirc;r to,
+alsa skil th&ecirc;r lang over k&aring;mpad wrda mote, hwand thene
+kroder skil jeva fifthusand j&ecirc;r mith sin Jol ommehl&acirc;pa,
+bifara th&aring;t Findas folk rip to f&acirc;ra frydom sy.<a class=
+"noteref" id="xd0e2845src" href="#xd0e2845">3</a></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2824src" id="xd0e2824">1</a></span> Jonhis &ecirc;landa, Insulae
+Joniae, Insulae piratarum.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2831src" id="xd0e2831">2</a></span> Athenia, Athene.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2845src" id="xd0e2845">3</a></span> Vervolg hier het verhaal van
+bl. 48&ndash;56.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2848" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit is over tha G&ecirc;rtmanna.</h2>
+
+<p>Th&acirc; Hell&ecirc;nja jefta Minerva sturven was, tha
+b&acirc;radon tha prestera as jef hja mith vs w&ecirc;ron, til thju
+that hel blika skolde havon hja Hell&ecirc;nia to-ne godene ute
+k&ecirc;th. Ak nildon hja n&ecirc;ne ore Moder kjasa l&ecirc;ta, to
+segande, hja h&ecirc;de fr&ecirc;se that er emong hira f&acirc;mna
+nimman w&ecirc;re, th&ecirc;r hja sa god kvnde trowa as Minerva
+th&ecirc;r Nyhell&ecirc;nia tonomt was. Men wi nildon Minerva navt as
+&ecirc;ne godene navt bik&aring;nna, n&ecirc;idam hja selva seid
+h&ecirc;de that nimman god jefta fvlkvma w&ecirc;sa ne kvnde th&aring;n
+Wr.aldas g&acirc;st. Th&ecirc;rumbe k&ecirc;ron wi G&ecirc;rt Pire his
+toghater to vsa Moder ut.</p>
+
+<p>As tha prestera sagon that hja hjara hering navt vp vsa fjvr
+br&ecirc;da ne mochton, th&acirc; gvngon hja buta Athenia &aring;nd
+s&ecirc;idon that wi <span class="pagenum">[<a id="xd0e2855" href=
+"#xd0e2855">102</a>]</span>Minerva navt to-ne godene bik&aring;na nilda
+ut nyd, vmbe that hju tha inh&ecirc;mar s&acirc; f&ucirc;l ljafde
+biw&ecirc;sen hede. Forth javon hja that folk byldnisse fon hira
+liknese, tj&ucirc;gande that hja th&ecirc;rlan ella fr&ecirc;ja machte
+alsa naka hja h&ecirc;roch bilewon. Thrvch al thissa tellinga warth
+th&aring;t dvma folk fon vs ofk&ecirc;rad &aring;nd to tha lesta fylon
+hja vs to lif. Men wi h&ecirc;don vsa st&ecirc;ne burchwal mith twam
+hornum om t&ecirc;jen al to tha s&ecirc;. Hja ne machton vs thervmbe
+navt n&acirc;ka. Thach hwat b&ecirc;rde, an &Ecirc;giptalanda
+th&ecirc;r w&ecirc;re en overprester, hel fon &acirc;gnum, kl&acirc;r
+fon bryn &aring;nd licht fon g&acirc;st, sin n&acirc;m w&ecirc;re
+S&ecirc;krops,<a class="noteref" id="xd0e2857src" href=
+"#xd0e2857">1</a> hy k&ecirc;m vmb r&ecirc;d to j&ecirc;vane. As
+S&ecirc;krops sach that er mith sinum ljuda vsa wal navt biranna ne kv,
+th&acirc; sand hi bodon n&ecirc;i Thyrhis. Aftern&ecirc;i k&ecirc;mon
+er thrja hvndred skipun fvl salt-&acirc;tha fon tha wilde berchfolkum
+vnwarlinga, vsa h&acirc;va bif&acirc;ra, dahwila wy mith alle mannum
+vppa wallum to strydande w&ecirc;ron.</p>
+
+<p>Dr&ecirc;i as hja thju h&acirc;va innomth h&ecirc;de wildon tha
+wilda salt-&acirc;tha th&aring;t thorp &aring;nd vsa skipa
+bir&acirc;wa. &Ecirc;n salt-&acirc;the h&ecirc;de al en bukja
+sk&aring;nd, men S&ecirc;krops wilde th&aring;t navt ne h&aring;ngja,
+&aring;nd tha Thyrjar stjurar th&ecirc;r jeta Fryas blod int lif
+h&ecirc;de s&ecirc;idon, aste that d&ecirc;iste s&acirc; skilun wi tha
+r&acirc;de h&ocirc;ne in vsa skypa st&ecirc;ka &aring;nd thv ne skilst
+thina berga na withera-sja. S&ecirc;krops tham navt ne hilde ni fon
+morthja nor fon hommelja, sand bodon n&ecirc;i G&ecirc;rt vmbir tha
+burch of to askja, hju macht frya uttochte h&acirc; mith al hira
+drywande &aring;nd b&ecirc;rande h&acirc;va, hira folgar alsa f&uuml;l.
+Tha wista th&ecirc;ra burchh&ecirc;rum &ecirc;l god sjande th&aring;t
+hja tha burch navt h&acirc;lda ne kvnde, r&ecirc;den G&ecirc;rt hja
+skolde gaw to bitta, bi fira S&ecirc;krops wodin wrde &aring;nd overs
+bigvnde, thr&ecirc; m&ocirc;natha &aring;fter br&ucirc;de G&ecirc;rt
+hinne mith tha alder besta Fryas bern &aring;nd sjugum wara twilf
+skypum. Th&acirc; hja en st&ucirc;t buta th&ecirc;re have w&ecirc;ron
+k&ecirc;mon th&ecirc;r wel thritich sk&ecirc;pun fon Thyrhis mit wif
+&aring;nd bern. Hja wilde n&ecirc;i Ath&ecirc;nia g&acirc;, tha as hja
+h&ecirc;rdon ha-t th&ecirc;r esk&ecirc;pen stande gvngon hja mit
+G&ecirc;rt. Thi w&ecirc;tking th&ecirc;ra <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2862" href="#xd0e2862">104</a>]</span>Thyrjar brocht algadur
+thrvch tha str&ecirc;te<a class="noteref" id="xd0e2864src" href=
+"#xd0e2864">2</a> th&ecirc;r vnder thisse tida vppa tha r&acirc;de
+s&ecirc; uthlip. Et leste l&acirc;ndon hja et Pangab, that is in vsa
+spr&ecirc;ke fif w&ecirc;tervm, vmbe that fif rinstr&acirc;ma mith hiri
+n&ecirc;i tha s&ecirc; to str&acirc;me. Hyr seton hja hjara selva
+nithar. That l&aring;nd h&aring;von hja G&ecirc;rtmannja h&ecirc;ton.
+Thene k&ecirc;ning fon Thyrhis &aring;ftern&ecirc;i sjande that sin
+alderbesta stjurar wei brit w&ecirc;ren sand al sin skipa mith sina
+wilde salt&acirc;tha vmb-er d&acirc;d jefta l&ecirc;vand to
+f&acirc;tane. Men as hj&aring; by th&ecirc;re str&ecirc;te k&ecirc;m
+b&ecirc;vadon b&ecirc;de s&ecirc; &aring;nd irtha. Forth h&ecirc;f
+irtha hira lif th&ecirc;r vppa, s&acirc; h&acirc;g that al et
+w&ecirc;ter to th&ecirc;re str&ecirc;te uthlip, &aring;nd that alle
+wata &aring;nd skorra lik en burchwal to f&acirc;ra hjam vp
+r&ecirc;son. That sk&ecirc;de over tha G&ecirc;rtmanna hjara d&uuml;gda
+lik as allera mannalik hel &aring;nd kl&acirc;r m&ecirc;i sja.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2857src" id="xd0e2857">1</a></span> S&ecirc;krops, Cecrops.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2864src" id="xd0e2864">2</a></span> Str&ecirc;te, thans hersteld
+als Kanaal van Suez. Pangab, de Indus<span class="corr" id="xd0e2866"
+title="Bron: ,">.</span></p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2869" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">An tha j&ecirc;ra 1000 and 5<a class="noteref" id=
+"xd0e2872src" href="#xd0e2872">1</a> n&ecirc;i Aldland svnken is, is
+thit vpp-ina asterwach it Fryas burch writen.</h2>
+
+<p>N&ecirc;i that wi in twilif j&ecirc;r tid n&ecirc;n
+Kr&ecirc;kalandar to Almanl&acirc;nd sj&acirc;n h&ecirc;de, k&ecirc;mon
+th&ecirc;r thrju sk&ecirc;pa sa syrlik as wi n&ecirc;n h&ecirc;don
+&aring;nd to fara nimmer n&ecirc;de sjan. Vppet storoste th&ecirc;ra
+w&ecirc;re-n k&ecirc;ning th&ecirc;ra Jhonhis &ecirc;landum. Sin
+n&ocirc;me w&ecirc;re Ulysus &aring;nd tha hrop ovir sin wisdom
+gr&acirc;t. This k&ecirc;ning was thrvch &ecirc;ne presteresse
+fors&ecirc;id, that er k&ecirc;ning wertha skolde ovir alla
+Kr&ecirc;kalanda sa-r r&ecirc;d wiste vmbe-n foddik to kr&ecirc;jande,
+th&ecirc;r vpst&ecirc;ken was anda foddik it Texland. Vmbe-r to fensane
+h&ecirc;der f&ecirc;le sk&aring;ta mith brocht, boppa ella f&acirc;mne
+syrh&ecirc;dum, alsa th&ecirc;r in wralda navt sk&ecirc;nener
+m&acirc;kad wrde. Hja k&ecirc;mon fon Troja en stede tham tha
+Kr&ecirc;kalandar innimth h&ecirc;don. Al thissa sk&aring;ta b&acirc;d
+hi tha Moder an, men thju Moder nilde n&acirc;rne fon n&ecirc;ta. As er
+to lesta sa, that hju navt to winne w&ecirc;re, gvng er n&ecirc;i
+Walhallagara<a class="noteref" id="xd0e2877src" href=
+"#xd0e2877">2</a>.</p>
+
+<p>Th&ecirc;r was en f&acirc;m s&ecirc;ten, hjra n&ocirc;me w&ecirc;re
+K&acirc;t, tha <span class="pagenum">[<a id="xd0e2882" href=
+"#xd0e2882">106</a>]</span>inna wandel wrde hju Kalip<a class="noteref"
+id="xd0e2884src" href="#xd0e2884">3</a> h&ecirc;ten ut hawede that
+hjara vnderlip as en utkikbored farutst&aring;k. Th&ecirc;rby heth er
+j&ecirc;ron hwilth to &aring;rgenisse fon al tham et wiston. N&ecirc;i
+th&ecirc;ra f&acirc;mna hrop heth er to lesta en foddik fon hir
+kr&ecirc;jen, tha hja heth im navt ne b&acirc;t, hwand as er in
+s&ecirc; k&ecirc;m is sin skip vrgvngon &aring;nd hy n&acirc;ked
+&aring;nd bl&acirc;t vpnimth thrvch tha &ocirc;thera sk&ecirc;pa.</p>
+
+<p>Fon thisse k&ecirc;ning is hyr en skryver &aring;fterbil&ecirc;wen
+fon r&ecirc;n Fryas blod, b&aring;rn to th&ecirc;re n&ecirc;ie have fon
+Ath&ecirc;nia &aring;nd hwat hyr folgath het er vs fon ovir
+Ath&ecirc;nia skr&ecirc;ven, th&ecirc;rut m&ecirc;i m&aring;n bisluta,
+ho w&ecirc;r thja Moder Hel-licht sproken heth, th&acirc; hja
+s&ecirc;ide th&aring;t Fryas s&ecirc;da to Ath&ecirc;nia n&ecirc;n
+stand holde ne kvste.</p>
+
+<p>Fon tha &ocirc;thera Kr&ecirc;kalander hetste s&ecirc;kur f&uuml;l
+kw&acirc;d ovir S&ecirc;krops h&ecirc;red, hwand hi w&ecirc;re in
+n&ecirc;n gode hrop. Men ik d&acirc;r segse, hi w&ecirc;re-n lichte
+man, h&acirc;chlik romed alsa s&ecirc;r bi tha inh&ecirc;mar as wel bi
+vs, hwand hi w&ecirc;re navt vmbe tha m&aring;nniska to diapana sa tha
+&ocirc;ra prestera, men hi w&ecirc;re d&uuml;geds&ecirc;m &aring;nd hi
+wist tha wisdom th&ecirc;ra f&ecirc;rh&ecirc;manda folkum n&ecirc;i
+w&ecirc;rde to sk&aring;tande. Th&ecirc;rvmbe that er that wiste,
+h&ecirc;de-r vs to stonden that wi machte l&ecirc;va n&ecirc;i vs ajn
+&ecirc;lik S&ecirc;gabok. Th&ecirc;r gvng en telling that er vs nygen
+were, vmbe that er tjucht w&ecirc;sa skolde ut en Fryaske
+mang&ecirc;rte &aring;nd &Ecirc;giptiska prester, uthawede that er
+bl&acirc;we &acirc;ga h&ecirc;de, &aring;nd that er f&uuml;l
+mang&ecirc;rta fon vs sk&acirc;kt w&ecirc;ron &aring;nd in ovir
+Egiptalande vrsellath. Tha selva heth er nimmerte jecht. Ho-t
+th&ecirc;rm&ecirc;i sy, s&ecirc;kur is-t that er vs m&acirc;ra
+&acirc;thskip biw&ecirc;s as alle &ocirc;thera prestum to s&ecirc;mne.
+Men as er fallen was, gvngon sina n&ecirc;imanninga alring an vsa
+&ecirc;wa torena &aring;nd bi gr&acirc;dum sa f&ecirc;lo mislikanda
+k&ecirc;ra to m&acirc;kjande, that er to l&ocirc;nge lesta fon
+&ecirc;lik sa &aring;nd fon frydom ha navt &ocirc;wers as tha skin
+&aring;nd tha n&ocirc;me vrbil&ecirc;f. Forth nildon hja navt ne
+d&acirc;ja that-a setma an skrift brocht wrde, hwerthrvch tha witskip
+th&ecirc;ra far <span class="pagenum">[<a id="xd0e2894" href=
+"#xd0e2894">108</a>]</span>vs forborgen w&aring;rth. To f&acirc;ra
+wrdon alle s&ecirc;kum binna Ath&ecirc;nia in vsa t&acirc;l bithongon,
+&aring;ftern&ecirc;i most et in b&ecirc;da t&acirc;la sk&ecirc;n
+&aring;nd to lesta all&ecirc;na in tha landis tal. In tha &ecirc;rosta
+j&ecirc;ra nam that manfolk to Ath&ecirc;nia enkel wiva fon vs ajn
+slacht, men that jongkfolk vpwoxen mitha mang&ecirc;rta th&ecirc;r
+lands&acirc;ton namen th&ecirc;r &acirc;k fon. Tha b&acirc;stera bern
+tham th&ecirc;rof kemon w&ecirc;ron tha sk&ecirc;nsta &aring;nd snodsta
+in wralda, men hja w&ecirc;ron &acirc;k tha &aring;rgsta. To hinkande
+vr byde syda, to m&acirc;lande her vm s&ecirc;da ner vm pl&ecirc;ga,
+hit ne sy that et w&ecirc;re for hjara ajne held. Alsa n&acirc;ka
+th&ecirc;r jeta-n str&ecirc;l fon Fryas g&acirc;st weldande w&ecirc;re
+w&aring;rth al et bvwspul to m&ecirc;na werka forwrochten &aring;nd
+nimm&aring;n ne mocht en hus to bvwande, th&aring;t rumer &aring;nd
+riker w&ecirc;re as th&aring;t sinra n&ecirc;stum. Tha th&acirc; svme
+vrbastere st&ecirc;djar rik w&ecirc;ron thrvch vs f&acirc;ra &aring;nd
+thrvch et sulver, th&aring;t tha sl&acirc;vona uta sulverl&ocirc;na
+wnnon, th&acirc; gvngon hja buta vppa hellinga jefta inda d&ecirc;la
+h&ecirc;ma. Th&ecirc;r beftha h&acirc;ga wallum fon l&ocirc;f tha fon
+st&ecirc;n bvwadon hja hova mith kestlik husark, &aring;nd vmbe by tha
+wla prestrum in en goda hrop to w&ecirc;sande, st&aring;ldon hja
+th&ecirc;r falska drochten likanda &aring;nd vntuchtiga bilda in. By
+tha wla prestrum &aring;nd forstum wrdon tha kn&acirc;pa al tomet
+m&acirc;ra g&ecirc;rt as tha toghatera, &aring;nd f&acirc;ken thrvch
+rika jefta thrvch weld fon et pad th&ecirc;re d&uuml;ged ofhl&ecirc;id.
+N&ecirc;idam rikdom by th&aring;t vrbr&ucirc;de &aring;nd vrbasterde
+slachte f&ecirc;r bvppa d&uuml;ged &aring;nd &ecirc;re jelde, sach
+m&aring;n altomet kn&acirc;pa tham hjara selva mit r&ucirc;ma rika
+kl&acirc;tar syradon, hjara aldrum &aring;nd f&acirc;mna to
+sk&ocirc;nda &aring;nd hjara kvnna to spot. K&ecirc;mon vsa
+&ecirc;nfalda aldera to Ath&ecirc;nia vppe th&ecirc;re m&ecirc;na acht
+&aring;nd wildon hja th&ecirc;rvr b&acirc;ra, s&acirc; warth ther
+hropen, hark, hark, th&ecirc;r skil en s&ecirc;momma k&ecirc;tha. Alsa
+is Ath&ecirc;nia wrdon &ecirc;lik en brokland anda h&ecirc;te landa,
+fol blods&ucirc;gar, pogga &aring;nd feniniga sn&acirc;ka, hw&ecirc;rin
+n&ecirc;n m&aring;nniske fon herde s&ecirc;dum sin fot navt w&acirc;ga
+ne m&ecirc;i. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2896" href=
+"#xd0e2896">110</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2872src" id="xd0e2872">1</a></span> 2193 - 1005 = 1188 v.
+Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2877src" id="xd0e2877">2</a></span> Wallahagara, Walcheren.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2884src" id="xd0e2884">3</a></span> Kalip, bij Homerus
+Kalipso.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2898" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit stat in al vsa burga.</h2>
+
+<p>Ho vsa D&ecirc;namarka<a class="noteref" id="xd0e2903src" href=
+"#xd0e2903">1</a> f&acirc;ra vs vl&ecirc;ren gvngon 1600 &aring;nd 2
+j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e2906src" href="#xd0e2906">2</a>
+n&ecirc;i Aldland vrgongen is. Thrvch Wodins dor &aring;nd
+dertenh&ecirc;d was thene Magy b&acirc;s wrden ovir Sk&ecirc;nlandis
+astard&ecirc;l. Wra berga &aring;nd wr-n s&ecirc; ne tvrade hi navt ne
+kvma. Thju Moder wildet navt w&ecirc;rha, hja spr&ecirc;k &aring;nde
+k&ecirc;th, ik sja n&ecirc;n fr&ecirc;se an sina w&ecirc;pne, men wel
+vmbe tha Sk&ecirc;nlander w&ecirc;r to nimmande, thrvchdam hja bastered
+&aring;nd vrd&ecirc;ren sind. Vppa m&ecirc;na acht toch te man
+al&ecirc;n. Th&ecirc;rvmbe is-t im l&ecirc;ten. Gr&acirc;t 100
+j&ecirc;r l&ecirc;den byondon tha D&ecirc;nemarkar to wandelja mith
+hjam. Hja j&ecirc;von him ysere w&ecirc;pne &aring;nd r&ecirc;dskip
+th&ecirc;r fori wandeldon hja golden syrh&ecirc;don bijunka k&acirc;per
+&aring;nd yserirtha. Thju Moder sand bodon &aring;nd r&ecirc;d-er, hja
+skolde thju wandel f&acirc;ra l&ecirc;ta. Th&ecirc;r w&ecirc;re
+fr&ecirc;se s&ecirc;ide hju fori hjara s&ecirc;dum, &aring;nd bitham
+hja hjara s&ecirc;de vrl&ecirc;ren, th&aring;n skolde hja &acirc;k
+hjara frydom vrljasa. Men tha D&ecirc;nemarkar n&ecirc;de narne
+&acirc;ra nei, hja nilda navt bigrippa that hjara s&ecirc;de
+vrbr&ucirc;de kvste, th&ecirc;rvmbe ne meldon hja hja navt. To
+l&ocirc;nga lesta brochton hja ajne w&ecirc;pne &aring;nd liftochta
+w&ecirc;i. Men th&aring;t kw&acirc;d wrocht hjara g&ecirc;ia. Hjara
+lich&ecirc;ma wrdon bil&acirc;den m&ecirc;i blik &aring;nd skin, men
+hjara arka spynton &aring;nd skvra wrdon l&ecirc;toch. Krek hondred
+j&ecirc;r eftere d&ecirc;i that et forma skip mit liftochta fona
+k&acirc;d f&acirc;ren was, k&ecirc;m ermode &aring;nd lek thrvch tha
+anderna binna, honger spr&ecirc;da sina wjvka &aring;nd str&ecirc;k
+vppet land del, twispalt hlip stolte in overe str&ecirc;ta &aring;nd
+forth to tha h&ucirc;sa in, ljafde ne kv n&ecirc;n stek l&ocirc;nger
+navt finda &aring;nd &ecirc;ntracht run &ecirc;w&ecirc;i. Th&aring;t
+b&aring;rn wilde &ecirc;ta fon sina m&aring;m &aring;nd thju m&aring;m
+h&ecirc;de wel syrh&ecirc;don tha n&ecirc;n &ecirc;ta. Tha wiva
+k&ecirc;mon to hjara manna, thissa gvngon n&ecirc;i tha gr&ecirc;va,
+tha gr&ecirc;va n&ecirc;don selva nawet of hildon-t skul. Nw most
+m&aring;n tha syrh&ecirc;don vrsella, men thawila tha stjurar
+th&ecirc;rm&ecirc;i <span class="pagenum">[<a id="xd0e2909" href=
+"#xd0e2909">112</a>]</span>w&ecirc;i brit w&ecirc;ron k&ecirc;m frost
+&aring;nd l&ecirc;i-n pl&ocirc;nk del vppa s&ecirc; &aring;nd wra
+str&ecirc;te. Tha frost thju brigge r&ecirc;d h&ecirc;de, stop
+w&acirc;kandon th&ecirc;rwr to-t land ut &aring;nd vr&ecirc;d klywade
+vpper s&ecirc;tel. In st&ecirc;de fon tha owera to biw&acirc;kande
+spandon hja hjara horsa for hjara togum &aring;nd runon n&ecirc;i
+Sk&ecirc;nland th&acirc;. Tha Sk&ecirc;nlander, tham n&ecirc;y
+w&ecirc;ron n&ecirc;i that land hjarar &ecirc;thla k&ecirc;mon
+n&ecirc;i tha D&ecirc;nemarkum. Vppen helle nacht k&ecirc;mon hja alla.
+Nw s&ecirc;idon hja that hja rjucht h&ecirc;de vppet land hjarar
+&ecirc;thlon &aring;nd thahwil that m&aring;n th&ecirc;rvr
+k&aring;mpade k&ecirc;mon tha Finna in tha l&ecirc;toga thorpa
+&aring;nd runadon mith tha bern ew&ecirc;i. Th&ecirc;rtrvch &aring;nd
+that hja n&ecirc;n goda w&ecirc;pne navt n&ecirc;don, d&ecirc;d hjam
+tha k&aring;sa vrljasa &aring;nd th&ecirc;rm&ecirc;i hjari frydom,
+hwand thene Magy wrde b&acirc;s. That k&ecirc;m that hja Fryas tex navt
+l&ecirc;sde &aring;nd hira r&ecirc;dj&ecirc;vinga warl&acirc;sed
+h&ecirc;de.</p>
+
+<p>Ther send svme th&ecirc;r m&ecirc;ne that hja thrvch tha gr&ecirc;va
+vrr&ecirc;den send, that tha f&acirc;mna th&aring;t l&ocirc;ng
+sp&ecirc;rath h&ecirc;don, tha sa hvam sa th&ecirc;r vr k&ecirc;tha
+wilde, tham is mvla wrdon to sm&ocirc;rath mith golden k&ecirc;dne. Wi
+ne m&uuml;gan th&ecirc;rvr n&ecirc;n ord&ecirc;l to fellande, men wi
+willath jo tohropa, ne l&ecirc;n navt to s&ecirc;re vppa wisdom
+&aring;nd d&uuml;ged ni fon jvwa Forsta, ni fon jowa f&acirc;mna, hwand
+skel et halda sa mot allera mannalik w&acirc;ka ovir sin ajna tochta
+&aring;nd for-t m&ecirc;na held.</p>
+
+<p>Twa j&ecirc;r n&ecirc;idam k&ecirc;m thene Magy selva mith en
+fl&acirc;te fon lichte k&acirc;num, tha Moder fon Texland &aring;nd tha
+foddik to r&acirc;wane.</p>
+
+<p>Th&aring;s &aring;rge s&ecirc;ke bistonde-r thes nachtis anda winter
+by storne tydum as wind g&ucirc;lde &aring;nd h&ecirc;jel to jenst tha
+and&ecirc;rna f&ecirc;tere. Thi utkik th&ecirc;r m&ecirc;nde thater
+awet h&ecirc;rde st&aring;k sin balle vp. Tha dr&ecirc;i as et ljucht
+fon &ecirc;r tore vppet rondd&ecirc;l falda, sa-r that al f&ecirc;lo
+w&ecirc;pende manna wra burchwal w&ecirc;ron. Nw gvng-er to vmbe tha
+klokke to lettane, tha et w&ecirc;re to l&ecirc;t. &Ecirc;r tha
+w&ecirc;re r&ecirc;d w&ecirc;re, <span class="corr" id="xd0e2917"
+title="Bron: weron">w&ecirc;ron</span> al twa thusand ina w&ecirc;r
+vmbe tha porte to rammande. Strid hwilde thervmbe kirt, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2920" href="#xd0e2920">114</a>]</span>hwand
+thrvchdam tha w&ecirc;ra navt n&ecirc;n gode wacht halden n&ecirc;de,
+k&ecirc;mon alle om.</p>
+
+<p>Hwil that alrek drok to k&aring;mpane w&ecirc;re, was th&ecirc;r en
+wla Fin to th&ecirc;re fl&ecirc;te jefta bedrum fon th&ecirc;re Moder
+inglupth, &acirc;nd wilde hja n&ecirc;dgja. Tha thju Moder
+w&ecirc;rd-im of that er bekw&acirc;rd toj&ecirc;nst tha w&acirc;ch
+strumpelde. Th&acirc;-r wither vpa b&ecirc;n w&ecirc;re stek er sin
+sw&ecirc;rd to ir buk in segsande, nilst min kul navt s&acirc; skilst
+min sw&ecirc;rd ha. After im k&ecirc;m en skiper fona D&ecirc;nemarka,
+thisse nam sin sw&ecirc;rd &aring;nd hif th&ecirc;ne Fin thrvch sina
+hole. Th&ecirc;rut fl&acirc;t swart blod &aring;nd th&ecirc;rvr
+sw&ecirc;fde-n bl&acirc;we logha. Thi Magy l&ecirc;t thju Moder vpa
+sinra skip forpl&ecirc;gja. As hju nw wither alsa f&ecirc;re h&ecirc;l
+&aring;nd b&ecirc;ter w&ecirc;r that hju f&aring;st spr&ecirc;ka
+machte, s&ecirc;ide thene Magy that hju mith f&acirc;ra moste, tha that
+hju hira foddik &aring;nd f&acirc;mna halda skolde, that hju en
+st&acirc;t skolde nyta s&acirc; h&acirc;ch as hju to fara na n&ecirc;de
+kenth. Forth s&ecirc;ide-r th&aring;t hi hiri fr&ecirc;ja skolde in
+ajnwarde fon sinum forsta, jef er m&acirc;ster skolde wertha over alle
+l&acirc;nda &aring;nd folkra Fryas. Hi s&ecirc;ide that hju that
+bij&acirc;e &aring;nd bijechta most, owers skolde-r vnder f&ecirc;lo
+w&ecirc;ja sterva l&ecirc;ta. As er th&ecirc;r after al sinra forsta om
+ira l&ecirc;ger to gadurad h&ecirc;de fr&ecirc;jer l&ucirc;d,
+Fr&acirc;na vrmites i kl&acirc;rsjande biste most m.&ecirc;nis segsa of
+ik m&acirc;ster skil wertha over alle l&acirc;nda &aring;nd folkra
+Fryas. Fr&acirc;na d&ecirc;de as melde hja him navt. To l&ocirc;nga
+lesta &ecirc;pende hju hira w&ecirc;ra &aring;nde k&ecirc;th, min
+&acirc;gun wrde thj&ucirc;stred, tha that &ocirc;re ljucht d&ecirc;gth
+vp in minara s&ecirc;le. Jes, ik sja-t. Hark Irtha &aring;nd w&ecirc;s
+blyde mith my. Vndera tydum that Aldland svnken is, stand thju forma
+sp&ecirc;ke fon thet Jol an top. Th&ecirc;rn&ecirc;i is hju del gvngon
+&aring;nd vsa frydom mith tham. As er twa sp&ecirc;ka jeftha 2000
+j&ecirc;r del tr&ucirc;led het, s&acirc; skilun tha svna vpstonda
+th&ecirc;r tha forsta &aring;nd prestera thrvch hordom bi-t folk
+t&ecirc;led h&aring;ve, &aring;nd tojenst hjara t&acirc;ta tjugha. Thi
+alle skilum thrvch mort swika, men hwat hja k&ecirc;th h&aring;ve skil
+forth <span class="pagenum">[<a id="xd0e2927" href=
+"#xd0e2927">116</a>]</span>bilywa &aring;nd fr&ucirc;chdber wertha in-a
+bosme th&ecirc;ra kloke m&aring;nniska, alsa lik gode s&ecirc;dum
+th&ecirc;r del l&ecirc;id wrde in thinra sk&acirc;t. Jeta th&ucirc;sand
+j&ecirc;r skil thju sp&ecirc;ke then del nyga &aring;nd al m&acirc;ra
+syga anda thjusternesse &aring;nd in blod, ovir thi utstirt thrvch tha
+l&acirc;ga th&ecirc;r forsta &aring;nd prestera. Th&ecirc;rn&ecirc;i
+skil thet morner&acirc;d wither anfanga to glora. Thit sjande skilun
+tha falska forsta &aring;nd prester alsamen with frydom k&aring;mpa
+&aring;nd woxelja, men frydom, ljafde &aring;nd &ecirc;ndracht skil-et
+folk in hjara wach n&ecirc;ma &aring;nd mit thet jol risa uta wla pol.
+Th&aring;t rjucht th&aring;t erost all&ecirc;na glorade, skil than fon
+l&ecirc;jar laja to-n logha wertha. That blod th&ecirc;ra &aring;rgum
+skil ovir thin lif str&acirc;ma, men thu ne m&uuml;gth et navt to thi
+n&ecirc;ma. To tha lesta skil th&aring;t feninige kwik th&ecirc;r vp
+&acirc;sa &aring;nd th&ecirc;rof sterva. Alle wla sk&ecirc;dnese tham
+forsunnen send vmbe tha forsta &aring;nd prestera to boga, skilun an
+logha ofred wertha. Forth skilun al thinra bern mith fr&ecirc;tho
+l&ecirc;va. Th&acirc; hju utspreken h&ecirc;de, s&ecirc;g hju del. Men
+thene M&acirc;gy tham hja navt wel forst&acirc;n h&ecirc;de
+kr&ecirc;th, ik h&aring;v thi fr&ecirc;jeth, jef ik b&acirc;s skilde
+wertha ovir alle l&acirc;nda &aring;nd folkra Fryas, &aring;nd nw
+h&aring;ste to en other sproken. Fr&acirc;na rjuchte hiri wither, sach
+im star an &aring;nd k&ecirc;the: &ecirc;r sjugun etmelde om send, skil
+thin s&ecirc;le mitha nachtf&uuml;glon to tha gr&acirc;wa omme
+w&acirc;ra &aring;nd thin lik skil ledsa vppa bodem fona se. &Ecirc;l
+wel s&ecirc;ide thene Magy mith vrborgne wodin, segs men th&aring;t ik
+kvme. Forth s&ecirc;ider to jenst &ecirc;n sinar rakkarum, werp that
+wif vr skippes bord. Althus w&ecirc;r-et ende fon-re leste th&ecirc;ra
+Moderum<a class="noteref" id="xd0e2929src" href="#xd0e2929">3</a>.
+Wr&ecirc;ke willath wi th&ecirc;r vr navt ne hropa, tham skil tyd nima.
+Men th&ucirc;sand w&acirc;ra th&ucirc;sand m&ecirc;l willath wi Frya
+&aring;ftern&ecirc;i hropa: w&acirc;k-w&acirc;k-w&acirc;k.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2903src" id="xd0e2903">1</a></span> D&ecirc;na marka, de lage
+marken.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2906src" id="xd0e2906">2</a></span> 2193 - 1602 = 591 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2929src" id="xd0e2929">3</a></span> Verg. bl 4.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2932" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ho-t thene Magy forth vrgvngon is.</h2>
+
+<p>N&ecirc;i that tha modder vrd&ecirc;n was, l&ecirc;ter tha foddik
+&aring;nd tha f&acirc;mna to sina skip to brenga bijunka alle inbold
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2937" href=
+"#xd0e2937">118</a>]</span>th&ecirc;r im likte. Forth gvng er
+th&aring;t Flym&acirc;r vp, hwand hi wilde tha f&acirc;m fon
+M&ecirc;d&ecirc;asblik jeftha fon St&acirc;vora gabja &aring;nd tham to
+Moder m&acirc;kja. Tha th&ecirc;r w&ecirc;ron hja vp hjara hodum
+brocht. Tha stjurar fon St&acirc;vora &aring;nd fon th&aring;t Alderga
+h&ecirc;don hini g&ecirc;rn to Jonis togen, men tha gr&acirc;te
+fl&acirc;te w&ecirc;re vppen f&ecirc;re tocht &ucirc;t. Nw gvngon hja
+to &aring;nd foron mith hjra littige fl&acirc;te n&ecirc;i
+M&ecirc;d&ecirc;asblik &aring;nd hildon hja skul after th&acirc;t ly
+th&ecirc;ra b&acirc;mun. Thi M&acirc;gy n&acirc;kade
+M&ecirc;d&ecirc;asblik bi helle d&ecirc;i &aring;nd skynander svnne.
+Thach gvngon sina ljuda drist drist w&ecirc;i vppera burch to runnande.
+Men as allet folk mith tha b&ocirc;tum land was, kemon vsa stjurar
+ut&ecirc;re kr&ecirc;ke w&ecirc;i &aring;nd sk&acirc;ton hjara pila
+mith t&acirc;rbarntin bollum vp sinra fl&acirc;te. Hja w&ecirc;ron alsa
+wel rjucht that f&ecirc;lo sinra sk&ecirc;pun bistonda anna br&ocirc;nd
+w&ecirc;ron. Tham vppa sk&ecirc;pun wachton, sk&acirc;ton &acirc;k
+n&ecirc;i vs th&acirc;, thach th&aring;t ne rojade nawet. As er to
+lesta en skip al barnande n&ecirc;i-t skip thes M&acirc;gy dryf,
+bifel-er sin skiper hi skolde ofh&acirc;de, men thene skiper that
+w&ecirc;re thene D&ecirc;nemarker th&ecirc;r thene Fin felad
+h&ecirc;de, andere, thv hest vse &Ecirc;remoder n&ecirc;i tha bodem
+fona s&ecirc; svnden to meldande thatste kvma skolde, thit skoste
+thrvch tha drokh&ecirc;d wel vrjetta; nw wil ik njude thatste thin word
+jecht. Thi M&acirc;gy wild-im ofw&ecirc;ra; men thene skiper, en
+&aring;fte Fryas &aring;nd sterik lik en jokoxe, klipade b&ecirc;da
+sinum h&ocirc;nda om sin hole &aring;nd hif hini vr bord into
+th&aring;t wellande hef. Forth h&ecirc;s er sin brune skild an top
+&aring;nd for rjucht to rjucht an n&ecirc;i vsa fl&acirc;te.
+Th&ecirc;rthrvch k&ecirc;mon tha f&acirc;mna vnforlet to vs, men tha
+foddik was utgvngon &aring;nd nimman wiste ho-t k&ecirc;men was. Tha
+hja vppa vnfordene sk&ecirc;pa heradon, that thene M&acirc;gy vrdrvnken
+was, br&ucirc;de hja hinne, hwand tha stjurar th&ecirc;ra m&ecirc;st
+D&ecirc;nemarkar w&ecirc;ron. N&ecirc;i that tha fl&acirc;te f&ecirc;r
+enoch ew&ecirc;i w&ecirc;re, wendon vsa stjurar &aring;nd sk&acirc;ton
+hjara barnpila vppa tha Finna del. Th&acirc; tha Finna thus sagon, ho
+hja vrr&ecirc;den w&ecirc;ron, hlip alrik thrvch vr ekkdrum &aring;nd
+th&ecirc;r n&ecirc;re l&ocirc;nger n&ecirc;n h&ecirc;richh&ecirc;d ni
+bod. To thisre stonde run tha w&ecirc;re hju ut <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2939" href="#xd0e2939">120</a>]</span>t&ecirc;re burch.
+Tham navt ne fljuchte, werth afmakad, &aring;nd th&ecirc;r fljuchte
+fvnd sin ende into tha polum fon et Krylinger wald.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2941" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">N&ecirc;ischrift.</h2>
+
+<p>Th&acirc; tha stjurar an da kreke l&ecirc;jon was th&ecirc;r en
+spotter fon ut Stavora mank, th&ecirc;r s&ecirc;ide, M&ecirc;d&ecirc;a
+mei lakkja, sa wi hyr ut hjra burch reda. Th&ecirc;rvmbe h&aring;von
+tha f&acirc;mna thju kr&ecirc;ke M&ecirc;d&ecirc;a m&ecirc;i lakkja<a
+class="noteref" id="xd0e2946src" href="#xd0e2946">1</a>
+h&ecirc;ten.</p>
+
+<p>Tha b&ecirc;rtnissa th&ecirc;r aftern&ecirc;i sk&ecirc;d send,
+m&ecirc;i alra mannalik h&uuml;gja. Tha f&acirc;mna hagon tham nei
+hjara wysa to tella &aring;nd wel biskriwa l&ecirc;ta. Th&ecirc;rvmbe
+r&ecirc;kenjath wi hirmitha vsa arb&ecirc;d fvlbrocht. Held.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Ende fon &rsquo;t
+Bok.</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e2955" href=
+"#xd0e2955">122</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2946src" id="xd0e2946">1</a></span> Medemi&rsquo;lacus.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2957" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Tha skrifta fon Adelbrost and Apollonia</h2>
+
+<p>Min n&ocirc;m is Adelbrost svn fon Apol &aring;nd fon Adela. Thrvch
+min folk ben ik k&ecirc;ren to Gr&ecirc;vetman ovira Linda wrda.
+Th&ecirc;rvmbe wil ik thit bok forfolgja vp alsa d&ecirc;nera wisa as
+mine mem sproken heth.</p>
+
+<p>N&ecirc;i that thene M&acirc;gy felt was &aring;nd Fryasburch vp
+stel brocht, most er en moder k&ecirc;ren wertha. Bi-ra l&ecirc;va
+n&ecirc;de thju Moder hira folgstera navt n&ocirc;mth. Hira lersta
+wille was sok &aring;nd narne to findne. Sjugun m&ocirc;natha
+&aring;fter werth er en m&ecirc;na acht bilidsen &aring;nd wel to
+Gr&ecirc;neg&acirc;<a class="noteref" id="xd0e2964src" href=
+"#xd0e2964">1</a> ut &ecirc;rs&ecirc;ke that anna Saxanamarka
+p&acirc;lth. Min mem werth k&ecirc;ren, men hju nilde n&ecirc;n Moder
+w&ecirc;sa. Hju h&ecirc;de heth lif minar t&acirc;t hr&ecirc;d,
+th&ecirc;rthruch h&ecirc;den hja ekkorum lyaf kr&ecirc;jen &aring;nd nw
+wildon hja &acirc;k g&acirc;dath wertha. F&ecirc;lon wildon min mem fon
+er bislut ofbrenga; men min mem s&ecirc;ide, en &Ecirc;remoder
+&acirc;cht alsa r&ecirc;n in -ra mod to w&ecirc;sana as hja buta blikt
+&aring;nd &ecirc;ven mild far al hjara bern. N&ecirc;idam ik Apol nw
+lyaf h&aring;v boppa ella in wralda, s&acirc; ne k&aring;n ik
+s&acirc;-ne Moder navt n&ecirc;sa. S&acirc; sprek &aring;nd k&ecirc;th
+Adela, men tha &ocirc;ra burchf&acirc;mna wildon alg&acirc;der Moder
+w&ecirc;sa. Alrek st&acirc;t thong fori sinera &aring;jne f&acirc;m
+&aring;nd nilde navt fyra. Therthrvch nis er n&ecirc;ne k&ecirc;ren
+&aring;nd heth rik thus bandl&acirc;s. Hyr &aring;fter m&uuml;g-it
+bigripa.</p>
+
+<p>Ljudg&ecirc;rt, tham k&ecirc;ning th&ecirc;r h&ecirc;mesd&ecirc;ga
+fallen is, was bi th&ecirc;re Moder-is l&ecirc;va k&ecirc;ren
+blikb&ecirc;r trvch alle st&acirc;tha mith lyafde &aring;nd trjvw. Heth
+w&ecirc;re sin torn vmbe vppin eth gr&acirc;te hof to Dok-h&ecirc;m<a
+class="noteref" id="xd0e2972src" href="#xd0e2972">2</a> to
+h&ecirc;mande, &aring;nd bi th&ecirc;re Moder-is l&ecirc;va wrd-im ther
+gr&acirc;te &ecirc;r biw&ecirc;sen, hwand et w&ecirc;re immer sa ful
+mith bodon &aring;nd riddarum fon h&ecirc;inde &aring;nd f&ecirc;re
+as-m-&aring; to fora na n&ecirc;de sjan. Tach nw w&ecirc;r-er
+&ecirc;ns&ecirc;m and <span class="pagenum">[<a id="xd0e2975" href=
+"#xd0e2975">124</a>]</span>vrl&ecirc;ten, hwand alrek w&ecirc;re ange
+that-er him m&acirc;ster skolde m&acirc;kja boppa heth rjucht &aring;nd
+welda &ecirc;-lik tha sl&acirc;vona k&ecirc;ninggar. Elk forst
+w&acirc;nde forth that-er enoch d&ecirc;de as er w&acirc;kade ovir sin
+&aring;jn st&acirc;t; &aring;nd thi &ecirc;n ne j&ecirc;f nawet
+t&acirc; antha &ocirc;thera. Mith-&ecirc;ra burchfamna gvnget jeta
+&aring;rger to. Alrek thisra bogade vppira &aring;jne wisdom &aring;nd
+sahwersa tha Gr&ecirc;vetmanna awet d&ecirc;don buta hjam, s&acirc;
+wrochten hja mistryvwa bitwiska tham &aring;nd sinum ljudum.
+Sk&ecirc;der en s&ecirc;ke th&ecirc;r f&ecirc;lon st&acirc;tha trof
+&aring;nd h&ecirc;de m&aring;n thju r&ecirc;d &ecirc;ner f&acirc;m in
+wnnen, s&acirc; k&ecirc;thon alle &ocirc;thera that hju sproken
+h&ecirc;de to f&ecirc;re fon hjra &aring;jne st&acirc;t. Thrvch althus
+d&ecirc;nera renka brochton hja twyspalt in ovira st&acirc;tha
+&aring;nd torendon hja that band s&acirc;d&ecirc;ne fon &ecirc;n, that
+et folk fon tha &ecirc;nne st&acirc;t nythich w&ecirc;re vppet folk fon
+en ora st&acirc;t &aring;nd f&acirc;ret alderminesta lik
+f&ecirc;rh&ecirc;mande bisk&ocirc;wade. Thju f&ecirc;re th&ecirc;ra is
+w&ecirc;st that tha Gola jeftha Trowyda vs al-&ecirc;t l&acirc;nd of
+wnnen h&aring;ven al ont th&ecirc;ra Skelda &aring;nd thi Magy al to
+th&ecirc;re Wrs&acirc;ra. Ho-r th&ecirc;rby to gvngen is, heth min mem
+vntl&ecirc;th, owers nas thit bok navt skr&ecirc;ven ne wrden,
+afsk&ecirc;n ik alle h&acirc;pe vrl&ecirc;ren h&aring;v tha-et skil
+helpa th&acirc; b&acirc;ta. Ik ne skryw thus navt inna w&acirc;n, thet
+ik th&ecirc;rthrvch thet l&aring;nd skil winna jeftha bihaldane, that
+is minra achtne vndvalik, ik skryw all&ecirc;na f&acirc;r et
+&aring;fter kvmande slacht, til thju hja alg&acirc;dur w&ecirc;ta
+m&uuml;ge vp hvd&ecirc;na wisa wy vrl&ecirc;ren gvnge, &aring;nd tha
+alra mannalik hyr ut l&ecirc;ra m&ecirc;i that elk kw&acirc;d sin
+g&ecirc;ja t&ecirc;lath.</p>
+
+<p>My heth m&aring;n Apoll&ocirc;nja h&ecirc;ten. Twyia thritich
+d&ecirc;ga n&ecirc;i m&aring;m hira d&acirc;d heth m&aring;n Adelbrost
+min brother vrsl&ecirc;jen fonden vppa w&aring;rf, sin hawed split
+&aring;nd sina lithne &ucirc;t &ecirc;n hr&ecirc;ten. Min t&acirc;t
+th&ecirc;r siak l&ecirc;ide is fon skrik vrsturven. Th&acirc; is Apol
+min jungere brother fon hyr n&ecirc;i th&ecirc;re westsyde fon
+Sk&ecirc;nl&acirc;nd f&acirc;ren. Th&ecirc;r heth er en burch ebuwad,
+Lindasburch<a class="noteref" id="xd0e2979src" href="#xd0e2979">3</a>
+h&ecirc;ten, vmbe d&acirc;na to wrekana vs l&ecirc;th. Wr.alda heth-im
+th&ecirc;r to f&ecirc;lo j&ecirc;ra l&ecirc;nad. Hy heth fif svna
+wnnen. Altham brengath th&ecirc;ne Magy skrik <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2982" href="#xd0e2982">126</a>]</span>&aring;nd min brother
+g&ocirc;ma. After m&aring;m &aring;nd brother-is d&acirc;d send tha
+fromesta fon-ut-a l&acirc;ndum to ekk&ocirc;rum kvmen, hja havon en
+b&acirc;nd sloten Adelb&acirc;nd h&ecirc;ten. Til thju vs n&ecirc;n
+leth witherf&acirc;ra ne skolde, h&aring;vath hja my &aring;nd Adelhirt
+min jungste brother vpper burch brocht, my by tha f&acirc;mna &aring;nd
+min brother by tha w&ecirc;rar. Th&acirc; ik thritich j&ecirc;r
+wer&ecirc; heth man my to Burchf&acirc;m k&ecirc;ren, &aring;nd
+th&acirc; min brother fiftich w&ecirc;re, werth-er keren to
+Gr&ecirc;vetman. Fon m&aring;m-is syde w&ecirc;re min brother thene
+sexte, men fon t&acirc;t his syde thene thride. N&ecirc;i rjucht
+machton sine &aring;fterkvmande thus n&ecirc;n <span class=
+"letterspaced">overa Linda</span> &aring;fter hjara n&ocirc;mun navt ne
+fora, men alra m&aring;nnalik wildet h&aring;va to &ecirc;re fon mina
+m&aring;m. Th&ecirc;r to boppa heth m&aring;n vs &aring;k en ofskrifte
+j&ecirc;ven fon <span class="letterspaced">thet bok th&ecirc;ra Adela
+follistar</span>. Th&ecirc;r mitha ben ik thet blydeste, hwand thrvch
+min m&aring;m hjra wisdom k&ecirc;m-et in wralda. In thas burch
+h&aring;v ik jeta &ocirc;ra skrifta fvnden, th&ecirc;r navt in &rsquo;t
+bok ne stan, &aring;k lovspr&ecirc;ka ovir min m&aring;m, altham wil ik
+&aring;fter skriva.</p>
+
+<p>Thit send tha n&ecirc;il&ecirc;tne skrifta Brunnos, ther skrywer
+w&ecirc;sen is to thisre burch. After that tha Adela follistar ella
+h&ecirc;de l&ecirc;ta overskryva elk in sin rik, hwat wryt was in vppa
+w&acirc;garum th&ecirc;ra burgum, bisloton hja en Moder to kjasane.
+Th&ecirc;rto w&aring;rth en m&ecirc;na acht bil&ecirc;id vp thisra
+h&ecirc;m. After tha forme r&ecirc;d Adelas w&aring;rth T&uuml;ntja
+bifolen. Ak skoldet sl&acirc;cht h&aring;ve. Thach nw fr&ecirc;ge min
+Burgtf&acirc;m thet wort, hju hede immerthe w&ecirc;nich w&ecirc;st
+th&aring;t hju Moder skolde wertha, ut &ecirc;rs&ecirc;ke th&aring;t
+hju hyr vpper burch sat, hwana m&ecirc;st alle Moderum k&ecirc;ren
+w&ecirc;ron. Tha hju thet word gund was, &ecirc;pende hju hira falxa
+w&ecirc;ra &aring;nde k&ecirc;th: I alle skinth &aring;rg to heftane an
+Adelas r&ecirc;d, tha th&aring;t ne skil th&ecirc;rvmde min mvla navt
+ne sluta ner sn&ocirc;ra. Hwa tach is Adela &aring;nd hw&acirc;na kvmt
+et w&ecirc;i th&aring;tster sokke h&acirc;ge love to swikth. Lik ik
+hjudd&ecirc;ga is hju to fara hyr <span class="corr" id="xd0e2995"
+title="Bron: burchfam">burchf&acirc;m</span> w&ecirc;st. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2998" href="#xd0e2998">128</a>]</span>Tha is hju
+th&ecirc;r vmbe wiser jefta b&ecirc;tre as ik &aring;nd alle
+&ocirc;thera, jefta is hju m&acirc;r stelet vppvsa s&ecirc;d &aring;nd
+pl&ecirc;gum. Hw&ecirc;re th&aring;t et fal, s&acirc; skolde hju wel
+Moder wrden w&ecirc;sa, th&acirc; hju th&ecirc;rto k&ecirc;ren is, men
+n&ecirc;an hju wilde r&ecirc;der ennen bosta ha mith all joi &aring;nd
+nochta th&ecirc;r er anebonden send, in st&ecirc;d fon &ecirc;nsum over
+hjam &aring;nd et folk to w&acirc;kane. Hju is &ecirc;l klarsjande,
+god, men min &acirc;gne ne send f&ecirc;r fon vrthjustred to
+w&ecirc;sane. Ik h&aring;v sjan th&aring;t hju hira fryadelf herde
+minth, nw god, th&aring;t is lovelik, men ik h&aring;v forther sjan
+th&aring;t T&uuml;ntja Apol-is nift is. Wyder wil ik navt ne sedsa.</p>
+
+<p>Tha forsta bigripen &ecirc;l god, hw&ecirc;r hju hly sochte, men
+emong et folk k&ecirc;m twyspalt, &aring;nd n&ecirc;idam heth
+marad&ecirc;l fon hyr wei k&ecirc;m, wilde-t T&uuml;ntja thiu &ecirc;re
+navt ne guna. R&ecirc;dne wrde stopth, tha saxne t&acirc;gon uta
+sk&aring;dne, men th&ecirc;r ne w&aring;rth n&ecirc;ne Moder
+k&ecirc;ren. Kirt &aring;fter h&ecirc;de annen vsera bodne sin makker
+f&aring;leth. Til hjudd&ecirc;ga h&ecirc;de der frod w&ecirc;sen,
+th&ecirc;rvmbe hede min burchf&acirc;m orlovi vmb-im buta tha
+l&acirc;ndp&acirc;la to helpane. Thach in st&ecirc;d fon im to helpane
+n&ecirc;i thet Twiskland, alsa fljuchte hju selva mith im overe Wrsara
+&aring;nd forth n&ecirc;i tha M&acirc;gy. Thi M&acirc;gy tham sina
+Fryas svna hagja wilde stald-iri as Moder to Godaburch et
+Sk&ecirc;nland, m&ecirc;n hju wilde m&acirc;r, hju s&ecirc;id-im
+th&aring;t sahwersa hi Adela vpruma koste, hi m&aring;ster skolde
+wertha over &ecirc;l Fryas land. Hju w&ecirc;r en fyand fon Adele
+s&ecirc;ide hju, hwand thrvch hjra renka nas hju n&ecirc;n Moder wrden.
+Sahwersa hy hir Texland forspreka wilde, sa skolde hjra boda sina
+wichar to w&ecirc;iwyser thjanja. Al thissa s&ecirc;ka heth hjra boda
+selva bilyad.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2964src" id="xd0e2964">1</a></span> Gr&ecirc;neg&acirc;,
+Groningen.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2972src" id="xd0e2972">2</a></span> Dokh&ecirc;m, Dokkum.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2979src" id="xd0e2979">3</a></span> Lindasburch, op kaap
+Lindanaes, Noorwegen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3002" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet othera skrift.</h2>
+
+<p>Fiftian monatha n&ecirc;i th&ecirc;re lerste acht w&ecirc;r-et
+Frjunskip jeftha Winnem&ocirc;nath. Alleram&aring;nnelik jef to an mery
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e3007" href=
+"#xd0e3007">130</a>]</span>mery fru &aring;nd bly, &aring;nd nimman
+n&ecirc;de diger than to &acirc;kane sina nocht. Thach Wr.alda wild vs
+wysa, th&aring;t w&acirc;kendom navt vrgamlath wrde ne m&ecirc;i. To
+midne fon-et f&ecirc;st fyrja k&ecirc;m n&ecirc;vil to hullande vsa
+wrda in thikke thjusternise. Nocht runde w&ecirc;i, tha w&acirc;kendom
+nilde navt ne k&ecirc;ra. Tha strandw&acirc;kar w&ecirc;ron fon hjara
+n&ecirc;d fjura hl&acirc;pen &aring;nd vppa tha top&acirc;dum nas
+n&ecirc;nen to bisja. Th&acirc; n&ecirc;vil ew&ecirc;i t&acirc;ch,
+lokte svnne thrvch tha r&ecirc;ta th&ecirc;ra wolkum vp irtha. Alrek
+k&ecirc;m wither ut to juwgande &aring;nd to jolande, thet jungk folk
+t&acirc;ch sjongande mitha g&uuml;rb&acirc;m<a class="noteref" id=
+"xd0e3009src" href="#xd0e3009">1</a> &aring;nd thisse overfulde luft
+mith sina liaflika &acirc;dam. Men thahwila th&ecirc;r alrek in nocht
+b&acirc;jada, was vrr&ecirc;d l&acirc;nd mith horsum &aring;nd
+ridderum. Lik alle &aring;rga w&ecirc;ron hja helpen thrvch
+thjusternisse, &aring;nd hinne glupath thrvch Linda waldis p&acirc;da.
+To f&acirc;ra Adelas dure tagon twilif mang&ecirc;rtne mith twilif
+l&aring;mkes &aring;nd twilif kn&acirc;pa mith twilif hoklinga, en
+junge Saxm&aring;n bir&ecirc;d en wilde bufle th&ecirc;r er selva
+fensen h&ecirc;de &aring;nd t&aring;mad. Mith allerl&ecirc;ja blomma
+w&ecirc;ron hja siarad, &aring;nd tha linnen tohnekna th&ecirc;ra
+m&aring;ng&ecirc;rtne w&ecirc;ron omborad mith gold ut-er
+R&ecirc;ne.</p>
+
+<p>Th&acirc; Adela to hira hus ut vppet slecht k&ecirc;m, fol en
+blomr&ecirc;in del vppira hole, alle juwgade herde &aring;nd tha
+tot-horne th&ecirc;ra kn&acirc;pum g&ucirc;ldon boppa ella ut. Arme
+Adela, &aring;rm folk, ho kirt skil fr&uuml; hir bydja. Th&acirc; thju
+l&ocirc;nge sk&aring;re ut sjocht w&ecirc;re k&ecirc;m er en hloth
+m&acirc;gjara ridderum linrjucht to rinnande vp Adelas h&ecirc;m. Hira
+t&acirc;t &aring;nd g&acirc;de w&ecirc;ron jeta vppa stoppenbenke
+s&ecirc;ten. Thju dure stond &ecirc;pen &aring;nd th&ecirc;r binna
+stand Adelbrost hira svna. As er sach ho sina eldra in fr&ecirc;se
+w&ecirc;ron, gripter sine b&ocirc;ge fon-ere w&acirc;ch w&ecirc;i
+&aring;nd sk&acirc;t n&ecirc;i tha foresta th&ecirc;ra r&acirc;warum;
+this swikt &aring;nd trulde vppet g&aring;rs del; overne twade
+&aring;nd thride was en &ecirc;lik l&ocirc;t bisk&ecirc;ren. Intwiska
+h&ecirc;don sina eldra hjara w&ecirc;pne fat, &aring;nd tagon vndyger
+to Jonis. Tha r&acirc;wera skoldon hjam ring fensen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3017" href="#xd0e3017">132</a>]</span>ha, men
+Adela k&ecirc;m, vppere burch h&ecirc;de hja alle w&ecirc;pne to
+hant&ecirc;ra l&ecirc;rad, sjugun irthf&ecirc;t w&ecirc;re hju
+l&ocirc;ng &aring;nd hira g&ecirc;rt s&acirc; f&ecirc;lo, thryja swikte
+hja tham or hjra hole &aring;nd as er del k&ecirc;m w&ecirc;r en ridder
+g&aring;rsfallich. Follistar k&ecirc;mon omme herne th&ecirc;re
+l&ocirc;ne w&ecirc;i. Tha r&acirc;war wrdon f&aring;lath &aring;nd
+fensen. Thach to l&ecirc;t, en pil h&ecirc;de hjra bosme trefth.
+Vrr&ecirc;delika Magy! In fenin was sin pint dipth &aring;nd
+th&ecirc;rof is hju sturven.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3009src" id="xd0e3009">1</a></span> G&uuml;rbam. C. Niebuhr Reize
+enz. I 174, eene zakpijp bij de Egyptenaren <i>Sum&acirc;ra
+elK&uuml;rbe</i> genoemd.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3019" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Th&ecirc;re burchfams lov.</h2>
+
+<p>Jes ferh&ecirc;mande &acirc;the, thusande send al kumen &aring;nd
+jet m&acirc;ra send vp w&ecirc;i.</p>
+
+<p>Wel, hja willath Adelas wisdom h&ecirc;ra.</p>
+
+<p>Sekur is hju forstine, hwand hju is immer thja forste
+w&ecirc;st.</p>
+
+<p>O wach hw&ecirc;rto skolde hja thjanja. Hira hemeth is linnen, hira
+tohnekka<a class="noteref" id="xd0e3030src" href="#xd0e3030">1</a> wol,
+th&aring;t hjv selva spon &aring;nd w&ecirc;vade. Hw&ecirc;rm&ecirc;i
+skolde hja hjra sk&ecirc;nh&ecirc;d h&acirc;ga. Navt mith p&aring;rlum,
+hwand hjra tuskar send witter; navt mith gold, hwand hjra h&ecirc;r is
+blikkander; navt mith st&ecirc;na, wel send hjra &acirc;gon saft as
+lamkes &acirc;gon, thach to lik sa glander th&aring;t m&aring;n
+th&ecirc;r skr&ocirc;mlik in sja ne m&ecirc;i.</p>
+
+<p>Men hwat k&aring;lt ik fon sk&ecirc;n. Frya w&ecirc;re wis navt
+sk&ecirc;ner.</p>
+
+<p>Ja &acirc;the, Frya th&ecirc;r sjugun sk&ecirc;nh&ecirc;de
+h&ecirc;de, hw&ecirc;rfon hjra togh&acirc;tera men &ecirc;ne elk
+h&acirc;chstens thria urven h&aring;ve. Men al w&ecirc;re hju
+l&ecirc;dlik, thach skolde hju vs djura w&ecirc;sa.</p>
+
+<p>Jef hju wygandlik sy. Hark &acirc;the, Adela is thet &ecirc;nge bern
+vsar gr&ecirc;vetman. Sjugun jrthfet is hju h&acirc;ch, jeta
+gr&acirc;ter then hjra licheme is hjra wish&ecirc;d &aring;nd hjra mod
+is lik b&ecirc;de to s&ecirc;mine.</p>
+
+<p>Lok th&ecirc;r, th&ecirc;r w&ecirc;re &ecirc;nis en
+f&ecirc;nbr&ocirc;nd, thrju bern w&ecirc;ron vp jenske
+gr&aring;fst&ecirc;n sprongen. Wind blos fel. Alrek kr&ecirc;ta
+&aring;nd thju m&aring;m w&ecirc;re r&ecirc;dal&acirc;s. Th&ecirc;r
+kvmt Adela: ho st&ecirc;itst &aring;nd t&ecirc;methste hropth hju,
+tragd help to l&ecirc;-nande <span class="pagenum">[<a id="xd0e3044"
+href="#xd0e3044">134</a>]</span>&aring;nd Wr.alda skil jo krefta
+j&ecirc;va. Th&ecirc;r hipth hja n&ecirc;i-t Krylwod, gript elsne
+tr&ecirc;jon, tragd en breg to makjande, nw helpath &acirc;k tha
+&ocirc;thera &aring;nd tha bern send hred.</p>
+
+<p>J&ecirc;rlikes k&ecirc;mon tha bern hyr blomma ledsa.</p>
+
+<p>Th&ecirc;r k&ecirc;mon thr&ecirc; Fonysjar skipljuda th&ecirc;r hja
+wr&ecirc;vela wilde, men Adela k&ecirc;m, hju h&ecirc;de hjara hwop
+(hrop) h&ecirc;rad, in swim sl&ecirc;ith hju tha l&ecirc;tha &aring;nd
+til thju hja selva jechta skolde, thet hja vnw&ecirc;rthelike manna
+w&ecirc;ron, bint hju als&ecirc;men an en spinrok fest. Tha
+f&ecirc;rh&ecirc;manda h&ecirc;ra k&ecirc;mon hjara thjud askja. Tha
+hja sagon ho skots hja misd&ecirc;n w&ecirc;ron, k&ecirc;m torn vp,
+thach m&aring;n tellade ho-t b&ecirc;rd was.</p>
+
+<p>Hwat hja forth d&ecirc;don, hja buwgdon to f&acirc;ra Adela
+&aring;nd keston thju slyp hyrar tohnekka.</p>
+
+<p>Kvm f&ecirc;rh&ecirc;mande &acirc;the, tha wald f&uuml;glon
+fljuchtath to f&acirc;ra tha f&ecirc;lo forsykar. Kvm &acirc;the
+s&acirc; m&ecirc;ist hjara wish&ecirc;d h&ecirc;ra.</p>
+
+<p>By tha gr&aring;fst&ecirc;n hwer fon in tha lovspr&ecirc;ke meld
+w&aring;rth, is m&aring;m hira lik bigr&aring;ven. Vppira
+gr&aring;fst&ecirc;n heth m&aring;n thissa worda hwryten.</p>
+
+<div class="blockquote">
+<p>NE HLAP NAVT TO HASTICH HWAND HYR L&Ecirc;ID ADELA.</p>
+</div>
+
+<p>Thju forml&ecirc;re th&ecirc;r is hwryten inutere w&acirc;ch
+th&ecirc;r burchtore, nis navt wither eskr&ecirc;ven in th&aring;t bok
+th&ecirc;ra Adela follistar. Hw&ecirc;rvmbe thet l&ecirc;ten is
+n&ecirc;t ik navt to skriwand. Tha thit bok is min ajn, th&ecirc;rvmbe
+wil ik hja th&ecirc;r inna setta to wille minra m&aring;gum.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl"><span class="label"><a class=
+"noteref" href="#xd0e3030src" id="xd0e3030">1</a></span> To hnekka,
+eene hooge, <i>tot aan de nek</i> reikende, japon.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3062" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Forml&ecirc;re.</h2>
+
+<p>Alle god minnanda Fryas bern sy held. Hwand thrvch tham <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3067" href="#xd0e3067">136</a>]</span>skil et
+s&ecirc;lich wertha vp jrtha. L&ecirc;r &aring;nd k&ecirc;th to tha
+folkum. Wr.alda is thet alderaldesta jeftha overaldesta, hwand thet
+skop alla thinga. Wr.alda is ella in ella, hwand thet is &ecirc;vg
+&aring;nd vnendlik. Wr.alda is overal ainwardich, men narne to bisja,
+th&ecirc;rvmbe w&aring;rth thet w&ecirc;sa g&acirc;st h&ecirc;ten. Al
+hwat wi fon him sja m&uuml;ge send tha skepsela th&ecirc;r thrvch sin
+l&ecirc;va kvme &aring;nd wither henne ga, hwand inut Wr.alda kvmath
+alle thinga &aring;nd k&ecirc;rath alle thinga. Fon ut Wralda kvmth t
+anfang &aring;nd et ende, alra thinga g&ecirc;ith in im vppa. Wr.alda
+is thet &ecirc;ne ella machtige w&ecirc;sa, hwand alle &ocirc;re macht
+is fon him l&ecirc;nad &aring;nd k&ecirc;rath to him wither. In ut
+Wr.alda kvmath alle krefta &aring;nd alle krefta k&ecirc;rath to him
+wither. Th&ecirc;rvmbe is hi all&ecirc;na theth skeppande w&ecirc;sa
+&aring;nd th&ecirc;r nis nawet esk&ecirc;pen buta him.</p>
+
+<p>Wr.alda l&ecirc;ide &ecirc;vge setma thet is &ecirc;wa in al et
+sk&ecirc;pne, &aring;nd th&ecirc;r ne send n&ecirc;n gode setma jeftha
+hja moton th&ecirc;rn&ecirc;i tavlikt w&ecirc;sa. Men afsk&ecirc;n ella
+in Wr.alda sy, tha bosh&ecirc;d th&ecirc;ra m&aring;nniska nis navt fon
+him. Bosh&ecirc;d kvmth thrvch l&ocirc;mh&ecirc;d vndigerhed &aring;nd
+domh&ecirc;d. Th&ecirc;rvmbe k&aring;n hju wel tha m&aring;nniska
+sk&acirc;da, Wr.alda nimmer. Wr.alda is thju wish&ecirc;d, &aring;nd
+tha &ecirc;wa th&ecirc;r hju tavlikt heth, send tha boka
+w&ecirc;r&ucirc;t wy l&ecirc;ra m&uuml;ge, &aring;nd th&ecirc;r nis
+n&ecirc;ne wish&ecirc;d to findande ner to garjande buta tham. Tha
+m&aring;nniska m&uuml;gon f&ecirc;lo thinga sja, men Wr.alda sjath alle
+thinga. Tha m&aring;nniska m&uuml;gon f&ecirc;lo thinga l&ecirc;ra, men
+Wr.alda w&ecirc;t alle thinga. Tha m&aring;nniska m&uuml;gon <span
+class="corr" id="xd0e3074" title="Bron: felo">f&ecirc;lo</span> thinga
+vntsl&ucirc;ta, men to f&acirc;ra Wr.alda is ella &ecirc;pned. Tha
+m&aring;nniska send m&aring;nnalik &aring;nd berlik, men Wr.alda skept
+b&ecirc;de. Tha m&aring;nniska minnath &aring;nd h&aring;tath, tha
+Wr.alda is all&ecirc;na rjuchtf&ecirc;rdich. Th&ecirc;rvmbe is Wr.alda
+all&ecirc;ne god, &aring;nd th&ecirc;r ne send n&ecirc;ne goda
+b&ucirc;ta him. Mith thet Jol wandelath &aring;nd wixlat allet
+esk&ecirc;pne, men god is all&ecirc;na vnforanderlik. Thruch that
+Wr.alda god is, alsa ne mei hi &acirc;k navt foranderja; <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3077" href="#xd0e3077">138</a>]</span>&aring;nd
+thrvch thet er bilywath, th&ecirc;rvmbe is hy all&ecirc;na w&ecirc;sa
+&aring;nd al et ora skin.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e3079" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet othera d&ecirc;l fonre forml&ecirc;r.</h2>
+
+<p>Emong Findas folk send wanwysa, th&ecirc;r thrvch hjara
+overfindingrikh&ecirc;d alsa &aring;rg send, th&aring;t hja hjara selva
+wis m&acirc;kja &aring;nd tha inewida bitjuga, th&aring;t hja thet
+besta d&ecirc;l send fon Wr.alda; th&aring;t hjara g&acirc;st thet
+beste d&ecirc;l is fon Wr.aldas g&acirc;st &aring;nd thet Wr.alda
+all&ecirc;na m&ecirc;i th&aring;nkja thrvch helpe hjaris bryn<a class=
+"noteref" id="xd0e3084src" href="#xd0e3084">1</a>.</p>
+
+<p>Th&aring;t aider skepsle en d&ecirc;l is fon Wr.aldas vnendlik
+w&ecirc;sa, th&aring;t h&aring;von hja fon vs g&acirc;bad.</p>
+
+<p>Men hjara falxe r&ecirc;dne &aring;nd hjara t&aring;ml&acirc;se
+h&acirc;chfarenh&ecirc;d heth ra vppen dw&acirc;lw&ecirc;i brocht.
+W&ecirc;re hjara g&acirc;st Wr.aldas g&acirc;st, s&acirc; skolde
+Wr.alda &ecirc;l dvm w&ecirc;sa in st&ecirc;de fon licht and wis. Hwand
+hjara g&acirc;st sl&acirc;vth him selva immer of vmbe sk&ecirc;ne bylda
+to m&acirc;kjande, th&ecirc;r y &aring;ftern&ecirc;i anbid. Men Findas
+folk is en &aring;rg folk, hwand afsk&ecirc;n tha wanwysa th&ecirc;ra
+hjara selva wis m&acirc;kja th&aring;t hja drochtne send, sa
+h&aring;von hja to f&acirc;ra tha vnewida falxa drochtne esk&ecirc;pen,
+to k&ecirc;thande allerw&ecirc;ikes, th&aring;t thissa drochtne Wr.alda
+esk&ecirc;pen h&aring;ve, mith al hwat th&ecirc;r inne is; gyriga
+drochtne fvl nyd &aring;nd torn, tham &ecirc;rath &aring;nd thjanath
+willath w&ecirc;sa thrvch tha m&aring;nniska, th&ecirc;r blod &aring;nd
+offer willa &aring;nd sk&acirc;t askja. Men thi wanwisa falxa manna,
+tham hjara selva godis skalka jeftha prestera n&ocirc;ma l&ecirc;ta,
+b&uuml;rath &aring;nd s&acirc;mnath &aring;nd gethath aldam to
+f&acirc;ra drochtne th&ecirc;r er navt ne send, vmbet selva to
+bihaldande. Aldam bidrywath hja mith en rum emod, thrvchdam hja hjara
+selva drochtne w&acirc;ne, th&ecirc;r an ninman andert skeldich ne
+send. Send th&ecirc;r svme tham hjara renka froda &aring;nd b&acirc;r
+m&acirc;kja, alsa wrdon hja thrvch hjara rakkera f&aring;t &aring;nd
+vmbira laster vrbarnad, ella mith f&ecirc;lo st&acirc;tska
+pl&ecirc;gum, hjara falxa drochtne to-n &ecirc;re. Men in trvth, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3091" href=
+"#xd0e3091">140</a>]</span>all&ecirc;na vmbe th&aring;t hja ra navt
+sk&acirc;da ne skolde. Til thju vsa bern nw w&ecirc;pned m&uuml;ge
+w&ecirc;sa tojenst hjara drochtenlika l&ecirc;re, alsa h&acirc;gon tha
+f&acirc;mna hjam fon buta to l&ecirc;rande hwat hyr skil folgja.</p>
+
+<p>Wr.alda was &ecirc;r alle thinga, &aring;nd n&ecirc;i alle thinga
+skil er w&ecirc;sa. Wr.alda is alsa &ecirc;vg &aring;nd hi is vnendlik,
+thervmb nis th&ecirc;r nawet buta him. Thrvch ut Wr.aldas l&ecirc;va
+warth tid &aring;nd alle thinga bern, &aring;nd sin l&ecirc;va nimth
+tid &aring;nd alle thinga w&ecirc;i. Thissa s&ecirc;ka moton kl&acirc;r
+&aring;nd b&acirc;r m&acirc;kad wrda by alle wisa, s&acirc; th&aring;t
+hja-t an &ocirc;thera bithjuta &aring;nd biwisa m&uuml;ge. Is-t
+s&acirc; f&acirc;r wnnen, sa s&ecirc;ith m&aring;n forther: Hwat thus
+vsa ommefang treft, alsa send wy en d&ecirc;l fon Wr.aldas vnendelik
+w&ecirc;sa, alsa tha ommefang fon al et esk&ecirc;pne, thach hwat
+ang&acirc; vsa d&acirc;nte, vsa ainskipa, vsa g&acirc;st &aring;nd al
+vsa bith&aring;nkinga, thissa ne h&ecirc;ra navt to thet w&ecirc;sa.
+Thit ella send fljuchtiga thinga tham thrvch Wr.aldas l&ecirc;va
+forskina, thach th&ecirc;r thrvch sin wish&ecirc;d s&acirc;d&acirc;ne
+&aring;nd navt owers navt ne forskina. Men thrvchdam sin l&ecirc;va
+st&ecirc;des forthga, alsa ne m&ecirc;i th&ecirc;r nawet vppa sin
+st&ecirc;d navt bilywa. Th&ecirc;rvmbe forwixlath alle esk&ecirc;pne
+thinga fon st&ecirc;d, fon d&acirc;nte &aring;nd &acirc;k fon
+th&aring;nkwisa. Thervmbe ne m&ecirc;i irtha selva, ner eng skepsle ni
+sedsa: ik ben, men wel ik was. Ak ne m&ecirc;i n&ecirc;n m&aring;nniska
+navt ne sedsa ik th&aring;nk, men bl&acirc;t, ik thochte. Thi
+kn&acirc;p is gr&acirc;ter &aring;nd owers as tha-r bern w&ecirc;re. Hy
+heth ora g&ecirc;rtne, tochta &aring;nd th&aring;nkwisa. Thi man en
+t&acirc;t is &aring;nd th&aring;nkth owers as th&acirc;-r kn&acirc;p
+w&ecirc;re. &Ecirc;vin tha alda fon d&ecirc;gum. Th&acirc;t w&ecirc;t
+allera mannelik. S&acirc;hwersa allera mannalik nw w&ecirc;t &aring;nd
+jechta mot, th&aring;t hy alon wixlath, s&acirc; mot hy &acirc;k
+bijechta, that er jahweder &acirc;geblik wixlath, &acirc;k thahwila-r
+s&ecirc;id: ik ben, &aring;nd th&aring;t sina th&aring;nk bylda wixle,
+tha hwile-r s&ecirc;id: ik th&aring;nk.</p>
+
+<p>Inst&ecirc;de th&aring;t wy tha &aring;rga Findas althus vnwerthlik
+aftern&ecirc;i snakka &aring;nd k&aring;lta, ik ben, jeftha wel, ik ben
+thet beste d&ecirc;l Wr.aldas, ja thrvch vs all&ecirc;na m&ecirc;i-r
+th&aring;nkja, <span class="pagenum">[<a id="xd0e3097" href=
+"#xd0e3097">142</a>]</span>s&acirc; willath wy k&ecirc;tha wral
+&aring;nd allerw&ecirc;ikes w&ecirc;r et n&ecirc;dlik sy: wy Fryas bern
+send forskinsla thrvch Wr.aldas l&ecirc;va; by-t anfang min &aring;nd
+bl&acirc;t, thach immer w&aring;rthande &aring;nd n&acirc;kande to
+fvlkvmenlikh&ecirc;d, svnder &acirc; sa god to wrda as Wr.alda selva.
+Vsa g&acirc;st nis navt Wr.aldas g&acirc;st, hi is th&ecirc;rfon
+all&ecirc;na en afskinsle. Tha Wr.alda vs skop, heth er vs in thrvch
+sine wish&ecirc;d-bryn-sint&ucirc;ga, h&uuml;gia &aring;nd f&ecirc;lo
+goda ainskipa l&ecirc;nad. Hyrm&ecirc;i mugon wy sina &ecirc;wa
+bitrachta. Th&ecirc;rof m&uuml;gon wy l&ecirc;ra &aring;nd th&ecirc;rvr
+m&uuml;gon wy r&ecirc;da, ella &aring;nd all&ecirc;na to vs ain held.
+H&ecirc;de Wr.alda vs n&ecirc;ne sinna j&ecirc;ven, sa ne skolde wy
+narne of n&ecirc;ta &aring;nd wy skolde jeta reddalasser as en
+s&ecirc;kwale w&ecirc;sa, th&ecirc;r forthdryven w&aring;rth thrvch
+ebbe &aring;nd thrvch flod.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3084src" id="xd0e3084">1</a></span> Cf. Hegel a. h. l.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3099" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit stat vp skrivfilt skr&ecirc;ven. Tal and
+andworde ora famna to-n forbyld.</h2>
+
+<p>En vnsels gyrich m&aring;n k&ecirc;m to b&acirc;rande by Tr&acirc;st
+th&ecirc;r f&acirc;m w&ecirc;re to Stavia. Hy s&ecirc;ide vnw&ecirc;der
+h&ecirc;de sin hus w&ecirc;i brocht. Hy h&ecirc;de to Wr.alda
+b&ecirc;den, men Wr.alda n&ecirc;dim n&ecirc;ne helpe l&ecirc;nad. Bist
+en &aring;fte Fryas, fr&ecirc;je Tr&acirc;st. Fon elder t elder, andere
+thene m&aring;n. Th&aring;n s&ecirc;ide hju wil ik &aring;wet in thin
+mod s&ecirc;ja in bitrouwa, th&aring;t et kyma groja &aring;nd
+fr&uuml;chda j&ecirc;va m&ecirc;i. Forth spr&ecirc;k hju &aring;nde
+k&ecirc;th. Th&acirc; Frya bern was, stand vs moder naked &aring;nd
+bl&acirc;t, vnbihod to jenst tha str&ecirc;lum th&ecirc;re svnne.
+Ninman macht hju fr&ecirc;ja &aring;nd th&ecirc;r w&ecirc;re ninman
+th&ecirc;r hja help macht l&ecirc;na. Th&acirc; gvng Wr.alda to
+&aring;nd wrochte in hjra mod nigung &aring;nd liavde anggost &aring;nd
+skrik. Hju sach rondomme, hjra nigung k&acirc;s thet beste &aring;nd
+hju sochte skul vndera w&acirc;rande linda. Men r&ecirc;in k&ecirc;m
+&aring;nd t onhlest w&ecirc;re th&acirc;t hju wet wrde. Thach hju
+h&ecirc;de sjan <span class="pagenum">[<a id="xd0e3104" href=
+"#xd0e3104">144</a>]</span>ho thet w&ecirc;ter to tha hellanda
+bl&aring;dar of drupte. Nw m&acirc;kade hju en hrof mith hellanda
+sidum, vp st&ocirc;ka m&acirc;kade hju tham. Men stornewind k&ecirc;m
+&aring;nd blos r&ecirc;in th&ecirc;r vnder. Nw h&ecirc;de hja sjan
+th&aring;t tha stam hly jef, &aring;fter gong hja to &aring;nd
+m&acirc;kade en w&acirc;ch fon pl&acirc;ga &acirc;nd s&acirc;dum, thet
+forma an &ecirc;ne syda &aring;nd forth an alle syda. Storne wind
+k&ecirc;m to bek jeta wodander as to fora &aring;nd blos thju hrof
+ew&ecirc;i. Men hju ne b&acirc;rade navt over Wr.alda ner to jenst
+Wr.alda. Men hja m&acirc;kade en reitne hrof &aring;nd leide
+st&ecirc;ne th&ecirc;r vppa. Bifvnden h&aring;vande ho s&ecirc;r thet
+dvath vmb all&ecirc;na to tobbande, alsa bithjude hju hira bern ho
+&aring;nd hw&ecirc;rvmbe hju alsa h&ecirc;de d&ecirc;n. Thissa wrochton
+&aring;nd tochton to s&ecirc;mine. A sadenera wise send wy an
+h&ucirc;sa k&ecirc;men mith stoppenb&aring;nkum, en slecht &aring;nd
+warande linda with tha svnnestr&ecirc;lum. To tha lesta h&aring;von hja
+en burch m&acirc;kad &aring;nd forth alle &ocirc;thera. Nis thin hus
+thus navt sterk noch w&ecirc;st, alsa mot i trachda vmbet &ocirc;re
+b&ecirc;ter to m&acirc;kjande. Min hus w&ecirc;re sterk enoch,
+s&ecirc;ider, men thet h&acirc;ge w&ecirc;ter heth et vp b&ecirc;rad
+&aring;nd stornewind heth et ore d&ecirc;n. Hw&ecirc;r stand thin hus
+th&aring;n, fr&ecirc;je Tr&acirc;st. Alingen th&ecirc;re R&ecirc;ne,
+andere thene man. Ne stand et th&aring;n navt vppen nol jeftha therp,
+fr&ecirc;je Tr&acirc;st. Nean s&ecirc;ider, min hus stand &ecirc;nsum
+by tha overe, all&ecirc;na h&aring;v ik et buwad, men ik ne macht
+th&ecirc;r all&ecirc;na n&ecirc;n therp to makane. Ik wist wel,
+s&ecirc;ide Tr&acirc;st, tha f&acirc;mna h&aring;v et my meld. Thv hest
+al thin l&ecirc;va en gr&ucirc;wel had an tha m&aring;nniska, ut
+fr&ecirc;se th&aring;tste awet j&ecirc;va jeftha dva moste to fara
+hjam. Thach th&ecirc;r mitha ne m&ecirc;i m&aring;n navt f&ecirc;r ne
+kvma. Hwand Wr.alda th&ecirc;r mild is, k&ecirc;rath him fona gyriga.
+F&aring;sta het vs r&ecirc;den &aring;nd buppa tha dura fon alle burgum
+is t in st&ecirc;n ut wryten: bist &aring;rg b&acirc;tsjochtig
+s&ecirc;ide F&aring;sta, bihod th&aring;n jvwe n&ecirc;sta, bithjod
+th&aring;n jvwe n&ecirc;sta, help th&aring;n juwe nesta, s&acirc;
+skilun hja t thi witherdva. Is i thina r&ecirc;d navt god noch, ik
+n&ecirc;t f&acirc;r thi n&ecirc;n b&ecirc;tera. Sk&acirc;mr&acirc;d
+w&aring;rth then m&aring;n &aring;nd hi drupte stolkes hinne. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3106" href="#xd0e3106">146</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e3108" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nw wil ik selva skriwa &ecirc;rost fon over min
+burch and than over hwat ik hav muge sjan.</h2>
+
+<p>Min burch l&ecirc;id an-t north-ende th&ecirc;re Liudg&acirc;rda.
+Thju tore heth sex syda. Thrya thrittich f&ecirc;t is hju h&acirc;ch.
+Fl&aring;t fon boppa. En lyth huske th&ecirc;r vppa, hw&acirc;na
+m&aring;n tha st&aring;ra bisjath. An aider syd th&ecirc;re tore
+st&aring;t en hus, long thrya hondred, br&ecirc;d thrya sjugun
+f&ecirc;t, &ecirc;lika h&acirc;ch bihalva thju hrof, th&ecirc;r rondlik
+is. Altham fon hyrbakken st&ecirc;n, &aring;nd fon buta ne send
+n&ecirc;nen &ocirc;thera. Om tha burch is en hringdik, th&ecirc;rom en
+gr&aring;ft diap thrya sjugun f&ecirc;t, wyd thrya twilif f&ecirc;t.
+Siath hwa fon&ecirc;re tore del, sa siath hi thju d&acirc;nte fon et
+Jol. Vppa grvnd twisk tha s&ucirc;dlika h&ucirc;sa th&ecirc;re, send
+allerl&ecirc;ja kr&ucirc;da fon h&ecirc;inde &aring;nd f&ecirc;r,
+th&ecirc;rof moton tha f&acirc;mna tha krefta l&ecirc;ra. Twisk tha
+nortlika h&ucirc;sa is all&ecirc;na fjeld. Tha thrju nortlika
+h&ucirc;sa send fol k&ecirc;ren &aring;nd &ocirc;ther bihof. Twa
+s&ucirc;dar send to f&acirc;ra tha f&acirc;mkes vmbe to skola &aring;nd
+to h&ecirc;ma<span class="corr" id="xd0e3113" title="Niet in
+bron">.</span> Thet s&ucirc;dlikoste hus is th&ecirc;re Burchf&acirc;m
+his h&ecirc;m. Inna tore hangt thju foddik. Tha wagar th&ecirc;re tore
+send mith kestlika st&ecirc;na smukad. In vppa th&ecirc;re
+s&ucirc;derwach is th&ecirc;ne Tex wrytten. An tha f&ecirc;re syde
+th&ecirc;ra finth m&aring;n thju forml&ecirc;re; anna winstere syde tha
+&ecirc;wa. Tha ora s&ecirc;ka finth m&aring;n vppa &ocirc;ra thrja.
+Tojenst tha dik by-t hus th&ecirc;r f&acirc;m st&ecirc;t thju owne
+&aring;nd thju molm&acirc;k thrvch fjuwer bufla kroden. Buta vsa
+burchwal is-t h&ecirc;m, th&ecirc;r vppa tha burchh&ecirc;ra &aring;nda
+w&ecirc;rar h&ecirc;me. Thju ringdik th&ecirc;ra is en stonde
+gr&acirc;t, n&ecirc;n stjurar, men svnna stonde, hw&ecirc;rfon twya
+twilif vppen etmelde kvma. In vpper binnasyde fona dik is en
+fl&aring;t, fif f&ecirc;t vndera kr&ucirc;n. Th&ecirc;r vppa send thrya
+hondred kr&acirc;nboga, todekt mith wod &aring;nd l&ecirc;ther. Bihalva
+tha h&ucirc;sa th&ecirc;ra inh&ecirc;mar send th&ecirc;r binna alingne
+tha <span class="pagenum">[<a id="xd0e3116" href=
+"#xd0e3116">148</a>]</span>dik jeta thrya twilif n&ecirc;dh&ucirc;sa to
+f&acirc;ra tha omh&ecirc;mar. Thet fjeld thjanath to k&aring;mp
+&aring;nd to w&ecirc;de. Anna s&ucirc;dsyde fon tha b&ucirc;tenste
+hringdik is thju Liudg&acirc;rde omt&ucirc;nad thrvch thet gr&acirc;te
+Lindawald. Hjra d&acirc;nte is thrju hernich, thet br&ecirc;de buta,
+til thju svnne th&ecirc;r in sia m&ecirc;i. Hwand th&ecirc;r send
+f&ecirc;lo f&ecirc;rlandeska thr&ecirc;ja &aring;nd blommen thrvch tha
+stjurar mith brocht. Alsa thju d&acirc;nte vsar burch is, send alle
+&ocirc;thera; thach vs-is is thju gr&acirc;teste; men thi fon Texland
+is tha aldergr&acirc;teste. Thju tore fon Fryasburch is alsa h&acirc;ch
+th&aring;t hju tha wolka torent, n&ecirc;i th&ecirc;re tore is al et
+&ocirc;thera.</p>
+
+<p>By vs vppa burch ist alsa d&ecirc;lad. Sjugun jonge f&acirc;mna
+w&acirc;kath by th&ecirc;re foddik. Aider w&acirc;k thrja stonda. In ha
+&ocirc;re tid moton hja husw&aring;rk dva, l&ecirc;ra &aring;nd
+sl&ecirc;pa. Send hja sjugun j&ecirc;r w&acirc;kande w&ecirc;sen, alsa
+send hja fry. Th&acirc;n m&uuml;gon hja emong tha m&aring;nniska
+g&acirc;, vp-ra s&ecirc;d to letane &aring;nd r&ecirc;d to
+j&ecirc;vane. Is hwa thrju j&ecirc;r f&acirc;m w&ecirc;st, s&acirc;
+m&ecirc;i hju alto met mith tha alda f&acirc;mna mith g&acirc;.</p>
+
+<p>Thi skrywer mot tha f&acirc;mkes l&ecirc;ra l&ecirc;sa, skrywa
+&aring;nd r&ecirc;kenja. Tha grysa jeftha gr&ecirc;va moton l&ecirc;ra
+hjam rjucht &aring;nd plicht, s&ecirc;dkunda, kr&ucirc;dkunda,
+h&ecirc;lkunda, sk&ecirc;dnesa, tellinga &aring;nd sanga, bijunka
+allerl&ecirc;ja thinga th&ecirc;r hjam n&ecirc;dlik send vmbe r&ecirc;d
+to j&ecirc;va. Thju Burchf&acirc;m mot l&ecirc;ra hjam ho hja
+th&ecirc;rmith to w&aring;rk g&acirc; mota by th&aring; m&aring;nniska.
+&Ecirc;r en Burchf&acirc;m hjra st&ecirc;d innimt, mot hju thrvch thet
+l&acirc;nd f&acirc;ra en fvl j&ecirc;r. Thr&ecirc; gr&ecirc;va
+burchh&ecirc;ra &aring;nd thrja alda f&acirc;mna gan mith hiri mitha.
+Alsa is-t &acirc;k my gvngon. Min f&acirc;rt is alingen th&ecirc;re
+R&ecirc;ne w&ecirc;st, thjus k&acirc;d opward, alingen th&ecirc;re
+&ocirc;re syde ofward. Ho h&acirc;ger ik upk&ecirc;m, to &aring;rmer
+likte mi tha m&aring;nniska. Wral inna R&ecirc;ne h&ecirc;de m&aring;n
+utstekka makad. Thet s&ocirc;n th&aring;t th&ecirc;r ain k&ecirc;m,
+wrde mith w&ecirc;ter wr sk&ecirc;pfachta g&acirc;ten vmbe gold to
+winnande. Men tha m&aring;ng&ecirc;rta ne drogon th&ecirc;r n&ecirc;ne
+golden krone fon. &Ecirc;r w&ecirc;ron th&ecirc;r <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3122" href="#xd0e3122">150</a>]</span>m&acirc;r
+w&ecirc;st, men sont wi Sk&ecirc;nland miste, send hja n&ecirc;i tha
+berga gvngon. Th&ecirc;r delvath hja yserirtha, th&ecirc;r hja yser of
+m&acirc;kja. Boppa th&ecirc;re R&ecirc;ne twisk thet berchta,
+th&ecirc;r h&aring;v ik M&acirc;rs&aring;ta sjan. Tha
+M&acirc;rs&acirc;ta th&aring;t send m&aring;nniska th&ecirc;r invppa
+m&acirc;ra h&ecirc;ma. Hjara husa send vp p&aring;lum buwad. Th&aring;t
+is vret wilde kwik &aring;nda bose m&aring;nniska. Th&ecirc;r send
+wolva, b&acirc;ra &aring;nd sw&acirc;rte grislika l&acirc;wa<a class=
+"noteref" id="xd0e3127src" href="#xd0e3127">1</a>. And hja send tha
+swetsar<a class="noteref" id="xd0e3130src" href="#xd0e3130">2</a>
+jeftha p&aring;lingar fonda h&ecirc;inde Kr&ecirc;kalandar, th&ecirc;ra
+K&aring;lta folgar &aring;nd tha vrwildere Twiskar, alle gyrich
+n&ecirc;i r&acirc;v &aring;nd but. Tha M&acirc;rs&acirc;ta helpath
+hjara selva mith fiska &aring;nd j&acirc;ga. Tha huda wrdat thrvch tha
+wiva tom&acirc;kad &aring;nd birhet mith skors fon berkum. Tha litha
+huda saft lik f&acirc;mnafilt. Thju burchf&acirc;m et Fryasburch<a
+class="noteref" id="xd0e3133src" href="#xd0e3133">3</a> s&ecirc;ide vs
+th&aring;t hja gode &ecirc;nfalde m&aring;nniska weron. Thach h&ecirc;d
+ik hja &ecirc;r navt spr&ecirc;ken h&ecirc;red, ik skolde m&ecirc;nath
+h&aring;ve th&aring;t hja n&ecirc;n Fryas w&ecirc;re, men wilda,
+s&acirc; ryst s&acirc;gon hja ut. Hjra fachta &aring;nd kruda wrdon
+thrvch tha R&ecirc;nh&ecirc;mar vrwandelath &aring;nd thrvch tha
+stjurar buta brocht. Alingen th&ecirc;re R&ecirc;ne w&ecirc;r et
+al&ecirc;n, til Lydasburch<a class="noteref" id="xd0e3136src" href=
+"#xd0e3136">4</a>. Th&ecirc;r was en gr&acirc;te flyt<a class="noteref"
+id="xd0e3139src" href="#xd0e3139">5</a>. Invppa thisra flyt w&ecirc;ron
+&acirc;k m&aring;nniska, th&ecirc;r husa vp p&aring;la h&ecirc;de. Men
+th&aring;t n&ecirc;r n&ecirc;n Fryas folk, men th&aring;t w&ecirc;ron
+swarte &aring;nd bruna m&aring;nniska, th&ecirc;r thjanath h&ecirc;de
+to rojar vmbe tha butaf&acirc;rar to honk to helpane. Hja moston
+th&ecirc;r bilywa til thju thju fl&acirc;te wither w&ecirc;i
+br&ucirc;da.</p>
+
+<p>To tha lersta k&ecirc;mon wi to-t Alderga. By-t
+suderh&acirc;vah&acirc;ved st&ecirc;t thju W&acirc;raburch, en
+st&ecirc;nhus, th&ecirc;rin send allerl&ecirc;ja skulpa, hulka,
+w&ecirc;pne &aring;nd klathar w&acirc;rad, fon f&ecirc;re landum,
+thrvch tha stjurar mith brocht. En fjard&ecirc;l d&acirc;na is-t
+Alderga. En gr&acirc;te flyt omborad mith lothum, husa &aring;nd
+g&acirc;rdum ella riklik sjarad. Invpper flyt l&ecirc;i en gr&acirc;te
+fl&acirc;te r&ecirc;d, mith f&ocirc;non fon allerl&ecirc;ja farwa. Et
+Fryas d&ecirc;i hongon tha skilda omma tha borda to. Svme blikton <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3144" href="#xd0e3144">152</a>]</span>lik
+svnna. Tha skilda th&ecirc;r witking &aring;nd th&ecirc;ra skolta bi
+tha nachtum w&ecirc;ron mith gold vmborad. Abefta th&ecirc;re flyt was
+en gr&aring;ft gr&aring;ven, to hl&acirc;pande d&acirc;na alingen
+th&ecirc;re burch For&acirc;na<a class="noteref" id="xd0e3146src" href=
+"#xd0e3146">6</a> &aring;nd forth mith en &ecirc;nga muda<a class=
+"noteref" id="xd0e3149src" href="#xd0e3149">7</a> in s&ecirc;. To
+f&acirc;ra th&ecirc;re fl&acirc;te w&ecirc;re thit tha utgvng &aring;nd
+et Fly tha ingvng. A b&ecirc;de syda th&ecirc;re gr&aring;ft send
+sk&ecirc;ne husa mith hel blikanda farwa m&acirc;lad. Tha g&acirc;rdne
+send mit altid gr&ecirc;ne h&acirc;gvm omtunad. Ik h&aring;v th&ecirc;r
+wiva sian, th&ecirc;r filtne tohnekna drogon as t skriffilt w&ecirc;re.
+Lik to Stavere w&ecirc;ron tha m&aring;ng&ecirc;rtne mith golden kronum
+vppira holum &aring;nd mith hringum<a class="noteref" id="xd0e3152src"
+href="#xd0e3152">8</a> om &aring;rma &aring;nd f&ecirc;t sjarad.
+Sudward fon For&acirc;na l&ecirc;id Alkm&acirc;rum. Alkm&acirc;rum is
+en m&acirc;re jefta flyt, th&ecirc;rin l&ecirc;id en &ecirc;land, vppa
+th&aring;t &ecirc;land moton tha swarte &aring;nd bruna m&aring;nniska
+hwila &ecirc;vin as to Lydahisburch. Thju Burchf&acirc;m fon
+For&acirc;na s&ecirc;ide my, th&aring;t tha burchh&ecirc;ra
+d&ecirc;istik to-r&acirc; gvngon vmb ra to l&ecirc;rande, hwat
+&aring;fte frydom sy, &aring;nd ho tha m&aring;nniska an th&ecirc;re
+minne agon to l&ecirc;vane vmbe s&ecirc;jen to winnande fon Wr.aldas
+g&acirc;st. Was th&ecirc;r hwa th&ecirc;r h&ecirc;ra wilde &aring;nd
+bigripa machte, sa w&aring;rth er halden, alont er fvl l&ecirc;rad
+w&ecirc;re. Th&aring;t wrde d&ecirc;n vmbe tha f&ecirc;rh&ecirc;mande
+folka wis to m&acirc;kane, &aring;nd vmbe vral &acirc;tha to winnande.
+&Ecirc;r h&ecirc;d ik anda S&acirc;xanamarka to th&ecirc;r burch
+M&aring;nnag&acirc;rda forda<a class="noteref" id="xd0e3155src" href=
+"#xd0e3155">9</a> w&ecirc;st. Thach th&ecirc;r h&ecirc;d ik m&acirc;r
+sk&acirc;melh&ecirc;d sjan, as-k hyr rikdom sp&ecirc;rde. Hju andere:
+s&acirc; hwersa th&ecirc;r an da S&acirc;xanamarka en fr&ecirc;jar
+kvmath en mang&ecirc;rte to bi fr&ecirc;jande, alsa fr&ecirc;jath tha
+m&aring;ng&ecirc;rtne th&ecirc;r, kanst thin hus fry w&ecirc;ra tojenst
+tha bannane Twisklandar, h&aring;st nach n&ecirc;ne f&aring;lad, ho
+f&ecirc;lo bufle h&aring;st al f&aring;nsen &aring;nd ho f&ecirc;lo
+b&acirc;ra &aring;nd wolva huda h&aring;st al vppa th&ecirc;re
+m&aring;rk brocht? D&acirc;na ist kvmen th&aring;t tha Saxmanna thju
+buw anda wiva vrl&ecirc;ten h&aring;ve. Th&aring;t fon hvndred to
+s&ecirc;mine n&ecirc;n &ecirc;ne l&ecirc;sa m&ecirc;i ner skriwa ne
+k&aring;n. D&acirc;na is-t kvmen, th&aring;t nimman n&ecirc;n
+spr&ecirc;k vppa sin skild neth, men bl&acirc;t en mislikande
+d&acirc;nte fon en diar, th&aring;t er f&aring;lad <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3158" href="#xd0e3158">154</a>]</span>heth. And
+&aring;ndlik, d&acirc;na is-t kvmen, th&aring;t hja s&ecirc;r
+wichandlik ewrden send, men to met &ecirc;vin dvm send as et kwik,
+th&aring;t hja f&aring;nsa, &aring;nd &ecirc;vin erm as tha
+Twiskl&acirc;ndar, hw&ecirc;r mith hja orloge. To f&acirc;ra Fryas folk
+is irtha &aring;nd s&ecirc; esk&ecirc;pen. Al vsa rinstr&acirc;ma
+runath vppa s&ecirc; to. Th&aring;t Lydas folk &aring;nd th&aring;t
+Findas folk skil ekkorum vrdelgja, &aring;nd wy moton tha l&ecirc;thoga
+landa bifolka. In-t fon &aring;nd omme f&acirc;ra l&ecirc;id vs held.
+Wilst nw th&aring;t tha boppal&acirc;nder d&ecirc;l h&aring;ve an vsa
+rikdom &aring;nd wisdom, s&acirc; skil ik thi en r&ecirc;d j&ecirc;va.
+L&ecirc;t et tha mang&ecirc;rtne to w&ecirc;nh&ecirc;d wrde hjara
+fr&ecirc;jar to fr&ecirc;jande, &ecirc;r hja ja segsa: hw&ecirc;r
+h&aring;st al in wralda ommef&acirc;ren, hwad k&aring;nst thin bern
+tella wra f&ecirc;ra landa &aring;nd wra f&ecirc;rh&ecirc;manda folka?
+Dvath hja alsa, s&acirc; skilun tha wichandlika kn&acirc;pa to vs kvma.
+Hja skilun wiser w&aring;rtha &aring;nd rikk&acirc;r &aring;nd wi ne
+skilun n&ecirc;n bihof longer navt n&aring;ve an th&aring;t wla thjud.
+Tha jongste th&ecirc;r f&acirc;mna fon th&ecirc;ra th&ecirc;r by mi
+w&ecirc;ron, k&ecirc;m uta Saxsanamarka w&ecirc;i. As wi nw to hongk
+k&ecirc;mon, heth hju orlovi fr&ecirc;jad vmbe n&ecirc;i hjra hus to
+g&acirc;ne. Aftern&ecirc;i is hju th&ecirc;r Burchf&acirc;m wrden,
+&aring;nd d&acirc;na is-t kvmen th&aring;t er hjud&ecirc;ga s&acirc;
+felo Saxm&aring;nna by tha stjurar f&acirc;re.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Ende fon thet Apollonia
+bok.</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e3164" href=
+"#xd0e3164">156</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3127src" id="xd0e3127">1</a></span> Leeuwen in Europa, Herodotus,
+VII, 125.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3130src" id="xd0e3130">2</a></span> Swetsar, Switsers.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3133src" id="xd0e3133">3</a></span> Fryasburch, Freiburg.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3136src" id="xd0e3136">4</a></span> Lydasburch, Leiden, de
+burcht.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3139src" id="xd0e3139">5</a></span> Flyt, jeftha m&acirc;re, de
+Mare.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3146src" id="xd0e3146">6</a></span> Forana, Vroonen.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3149src" id="xd0e3149">7</a></span> Engamuda, Egmond.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3152src" id="xd0e3152">8</a></span> Diod. Sic. V 27, van de
+Galliers.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3155src" id="xd0e3155">9</a></span> Mannag&acirc;rdaforda,
+Munster.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3166" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Tha skrifta fon Frethorik and Wiljow.</h2>
+
+<p>Min n&ocirc;m is Fr&ecirc;thorik to nomath oera Linda, th&aring;t
+wil segsa ovir tha Linda. To Ljudwardja bin ik to Asga k&ecirc;ren.
+Ljudwardja is en ny thorp, binna thene ringdik fon th&ecirc;r burch
+Ljudgarda, hw&ecirc;rfon tha n&ocirc;ma an vn&ecirc;r kvmen is. Vnder
+mina tida is er f&uuml;l b&ecirc;red. F&uuml;l h&ecirc;d ik th&ecirc;r
+vr skr&ecirc;ven, men &aring;ftern&ecirc;i send mi &acirc;k f&ecirc;lo
+thinga meld. Fon &ecirc;n &aring;nd &ocirc;ther wil ik en
+sk&ecirc;dnese &aring;fter thit bok skrywa, tha goda m&aring;nniska
+to-n &ecirc;re tha &aring;rga to vn&ecirc;re.</p>
+
+<p>In min j&uuml;ged h&ecirc;rd ik gr&ecirc;dwird alomme, &aring;rge
+tid k&ecirc;m, &aring;rge tid was kvmen, Frya h&ecirc;d vs l&ecirc;ton,
+hjra w&acirc;kf&acirc;mkes h&ecirc;de hju abefta halden, hwand drochten
+likande bylda w&ecirc;ron binna vsa l&acirc;ndp&aring;la fvnden.</p>
+
+<p>Ik br&ocirc;nde fon nysgyr vmbe thi bylda to bisjan. In vsa
+b&ucirc;rt strompele en &ocirc;ld f&acirc;mke to tha husa uta in, immer
+to k&ecirc;thande vr &aring;rge tid. Ik gyrde hja ling syde. Hju strik
+mi omme kin to. Nw wrd ik drist &aring;nd fr&ecirc;je jef hju mi
+&aring;rge tid &aring;nd tha bylda r&ecirc;is wisa wilde. Hju lakte
+godlik &aring;nd brocht mi vpper burch. En gr&ecirc;ve m&aring;n
+fr&ecirc;je my jef ik al l&ecirc;sa &aring;nd skrywa kv. N&ecirc;
+s&ecirc;id ik. Th&aring;n most &ecirc;rost to ga &aring;nd l&ecirc;ra,
+s&ecirc;id-er owers ne m&ecirc;i-t jow navt wysen wrde. Dystik gvng ik
+bi tha skriwer l&ecirc;ra. Acht j&ecirc;r l&ecirc;tter h&ecirc;rd ik,
+vsa burchf&acirc;m h&ecirc;de hordom bidryven &aring;nd svme
+burchh&ecirc;ra h&ecirc;don vrr&ecirc;d pl&ecirc;gad mith tha Magy,
+&aring;nd f&ecirc;lo m&aring;nniska w&ecirc;ron vp hjara syde. Vral
+k&ecirc;m twispalt. Th&ecirc;r w&ecirc;ron bern, th&ecirc;r vpstandon
+ajen hjara eldrum. Inna gluppa <span class="pagenum">[<a id="xd0e3175"
+href="#xd0e3175">158</a>]</span>wrdon tha froda m&aring;nniska morth.
+Thet alde f&acirc;mke, th&ecirc;r ella b&acirc;r m&acirc;kade,
+w&aring;rth d&acirc;d fvnden in en grupe. Min t&acirc;t, th&ecirc;r
+rjuchter w&ecirc;re, wilde hja wr&ecirc;ken h&acirc;. Nachtis
+w&aring;rth er in sin hus vrmorth. Thrju j&ecirc;r l&ecirc;tter
+w&ecirc;r thene M&acirc;gy b&acirc;s svnder strid. Tha Saxm&aring;nna
+w&ecirc;ron frome &aring;nd frod bilywen. N&ecirc;i tham fljuchton alle
+gode m&aring;nniska. Min m&aring;m bistvrv-et. Nw d&ecirc;d ik lik tha
+&ocirc;thera. Thi M&acirc;gy bogade vppa sinra sn&ocirc;dh&ecirc;d. Men
+Irtha skold im th&acirc;na, th&aring;t hja n&ecirc;n M&acirc;gy ner
+afgoda to l&ecirc;ta ne mochte to th&ecirc;re h&ecirc;lge sk&ecirc;ta,
+hw&ecirc;rut hju Frya b&ecirc;rade. &Ecirc;vin sa thet wilde hors sina
+m&aring;nna sked, n&ecirc;i th&aring;t thet sina ridder gersfallich
+m&acirc;kad heth, &ecirc;vin s&acirc; skodde Irtha hjra walda &aring;nd
+berga. Rinstr&acirc;ma wrdon ovira fjelda spr&ecirc;d. S&ecirc; kokade.
+Berga spydon n&ecirc;i tha wolkum, &aring;nd hwad hja spyth h&ecirc;de,
+swikton tha wolka wither vp jrtha. By-t anfang there Arnem&ocirc;nath
+nigade jrtha northward, hju s&ecirc;g del, &ocirc;l l&ecirc;gor
+&aring;nd l&ecirc;gor. Anna Wolfam&ocirc;nath l&ecirc;idon tha
+D&ecirc;nemarka fon Fryas l&acirc;nd vnder-ne s&ecirc; bidobben. Tha
+walda th&ecirc;r bylda in w&ecirc;ron, wrdon vphyvath &aring;nd
+th&ecirc;r windum spel. Thet j&ecirc;r &aring;fter k&ecirc;m frost inna
+Herdem&ocirc;nath &aring;nd l&ecirc;id &ocirc;ld Fryas l&acirc;nd vnder
+en pl&ocirc;nke skul. In Sellam&ocirc;nath k&ecirc;m stornewind ut et
+northa w&ecirc;i, mith forande berga fon ise &aring;nd st&ecirc;num.
+Tha spring k&ecirc;m, hyf jrtha hjra selva vp. Ise smolt w&ecirc;i.
+Ebbe k&ecirc;m &aring;nd tha walda mith byldum dr&ecirc;von n&ecirc;i
+s&ecirc;. Inner Winna jeftha Minnam&ocirc;nath gvng aider thurvar
+wither h&ecirc;m f&acirc;ra. Ik k&ecirc;m mith en f&acirc;m to
+th&ecirc;re burch Ljudg&acirc;rda. Ho drove sach et ut. Tha walda
+th&ecirc;ra Lindawrda w&ecirc;ron m&ecirc;st w&ecirc;i. Th&ecirc;r tha
+Ljudg&acirc;rde w&ecirc;st h&ecirc;de, was s&ecirc;. Sin hef
+f&ecirc;tere thene hringdik. Ise h&ecirc;de tha tore w&ecirc;i brocht
+&aring;nd tha husa l&ecirc;ide in thrvch ekk&ocirc;rum. Anna helde
+fonna dik fond ik en st&ecirc;n. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3177" href="#xd0e3177">160</a>]</span>vsa skriver h&ecirc;d er sin
+n&ocirc;m inwryten, th&aring;t w&ecirc;re my en b&acirc;ken. S&acirc;-t
+mith vsa burch gvngen was, was-t mith mitha &ocirc;ra gvngon. Inna
+h&acirc;ga l&acirc;nda w&ecirc;ron hja thrvch jrtha, inna d&ecirc;na
+landa thrvch w&ecirc;ter vrd&ecirc;n. All&ecirc;na Fryasburch to
+Texland w&aring;rth vned&ecirc;rad fvnden. Men al et l&aring;nd thet
+northward l&ecirc;id h&ecirc;de, w&ecirc;re vnder s&ecirc;. Noch nis-t
+navt boppa brocht. An th&aring;s k&acirc;d fon-t Flym&acirc;re
+w&ecirc;ron n&ecirc;i meld wrde thrichtich salta m&acirc;ra kvmen,
+vnstonden thrvch tha walda, th&ecirc;r mith grvnd &aring;nd al
+vrdr&ecirc;ven w&ecirc;ron. To Westflyland fiftich. Thi gr&aring;ft
+th&ecirc;r fon-t Alderga thweres to het land thrvchl&acirc;pen
+h&ecirc;de, was vrs&ocirc;ndath &aring;nd vrd&ecirc;n. Tha stjurar
+&aring;nd &ocirc;r f&acirc;rande folk, th&ecirc;r to honk w&ecirc;ron,
+h&ecirc;de hjara selva mith m&acirc;ga &aring;nd sibba vppira skepum
+hret. Men th&aring;t swarte folk fon Lydasburch &aring;nd Alikmarum
+h&ecirc;de al&ecirc;n d&ecirc;n. Thawil tha swarta s&ucirc;dward
+dryvon, h&ecirc;don hja f&ecirc;lo m&aring;ng&ecirc;rtne hret,
+&aring;nd n&ecirc;idam nimman ne k&ecirc;m to aska tham, hildon hja
+tham to hjara wiva. Tha m&aring;nniska th&ecirc;r to bek k&ecirc;mon,
+gvngon alle binna tha hringdika th&ecirc;ra burgum h&ecirc;ma,
+thrvchdam et th&ecirc;r buta al slyp &aring;nd brokl&acirc;nd
+w&ecirc;re. Tha gamla husa wrde by&ecirc;n klust. Fona
+boppal&acirc;ndum k&acirc;pade m&aring;n ky &aring;nd sk&ecirc;p,
+&aring;nd inna tha gr&acirc;te husa th&ecirc;r to f&acirc;ra tha
+f&acirc;mna s&ecirc;ten h&ecirc;de, wrde nw l&ecirc;ken &aring;nd filt
+m&acirc;kad, vmbe thes l&ecirc;vens willa. Th&aring;t sk&ecirc;d 1888<a
+class="noteref" id="xd0e3179src" href="#xd0e3179">1</a> j&ecirc;r
+n&ecirc;i th&aring;t Atl&acirc;nd svnken was.</p>
+
+<p>In 282 j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e3184src" href=
+"#xd0e3184">2</a> n&ecirc;don wi n&ecirc;n &Ecirc;remoder navt hat,
+&aring;nd nw ella tomet vrl&ecirc;ren skinde, gvng m&aring;n &ecirc;ne
+kjasa. Thet hlot falde vp Gosa to n&ocirc;math Makonta. Hju w&ecirc;re
+Burchf&acirc;m et Fryasburch to Texl&acirc;nd. Hel fon hawed &aring;nd
+kl&acirc;r fon sin, &ecirc;lle god, &aring;nd thrvchdam hira burch
+all&ecirc;na sp&acirc;rad was, sach alrik th&ecirc;rut hira hropang.
+Tjan j&ecirc;r l&ecirc;ttere k&ecirc;mon tha stjurar fon Forana
+&aring;nd fon Lydas burch. Hja wildon tha swarta m&aring;nniska mith
+wif &aring;nd bern to thet l&acirc;nd utdryva. Th&ecirc;rwr wildon hja
+th&ecirc;re Moder is r&ecirc;d biwinna. Men Gosa <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e3187" href="#xd0e3187">162</a>]</span>fr&ecirc;je,
+k&aring;nst &ecirc;n &aring;nd &ocirc;r to bek fora n&ecirc;i hjra
+l&acirc;ndum, th&aring;n &acirc;chste spod to m&acirc;kjande, owers ne
+skilun hja hjara m&acirc;ga navt wither ne finda. N&ecirc; s&ecirc;ide
+hja. Th&acirc; s&ecirc;ide Gosa: Hja h&aring;von thin salt provad
+&aring;nd thin br&aring;d &ecirc;ten. Hjara lif &aring;nd l&ecirc;va
+h&aring;von hja vnder jow hod st&aring;lad. I moste jow ajne hirta
+bis&ecirc;ka. Men ik wil thi en r&ecirc;d jeva. Hald hjam alond jow
+w&aring;ldich biste vm ra wither honk to fora. Men hald hjam bi jow
+burgum th&ecirc;r b&ucirc;ta. W&acirc;k ovir hjara s&ecirc;d &aring;nd
+l&ecirc;r hjam as jef hja Fryas svna w&ecirc;re. Hjra wiva send hyr tha
+steriksta. As r&ecirc;k skil hjara blod vrfljuchta, til er tha lesta
+navt owers as Fryas blod in hjara &aring;fterkvmande skil bilywa.
+S&acirc; send hja hyr bil&ecirc;wen. Nw winst ik wel th&aring;t mina
+&aring;fterkvmande th&ecirc;r vp letta, ho f&ecirc;r Gosa
+w&ecirc;rh&ecirc;d sprek. Th&acirc; vsa l&acirc;nda wither to bigana
+w&ecirc;r, k&ecirc;mon th&ecirc;r banda erma Saxmanna &aring;nd wiva
+n&ecirc;i tha vvrdum fon Stavere &aring;nd th&aring;t Alderga, vmbe
+golden &aring;nd &ocirc;ra sjarh&ecirc;d to s&ecirc;kane fon ut tha
+wasige bodeme. Thach tha stjurar nildon hja navt to l&ecirc;ta. Tha
+gvngon hja tha l&ecirc;thoga thorpa bih&ecirc;ma to West Flyland, vmbe
+ra lif to bihaldane.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3179src" id="xd0e3179">1</a></span> 2193 - 1888 = 305 voor
+Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3184src" id="xd0e3184">2</a></span> Sedert 587 voor Chr. Verg.
+pag. 110, 112.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3189" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nw wil ik skriwa ho tha G&ecirc;rtmanna and
+f&ecirc;lo H&ecirc;l&ecirc;nja folgar tobek k&ecirc;mon.</h2>
+
+<p>Twa j&ecirc;r n&ecirc;i th&aring;t Gosa Moder wrde<a class="noteref"
+id="xd0e3194src" href="#xd0e3194">1</a>, k&ecirc;m er en fl&acirc;te to
+thet Flymara in fala. Thet folk hropte ho.n.s&ecirc;en. Hja foron til
+Stavere, th&ecirc;r hropton hja jeta r&ecirc;is. Tha f&ocirc;na
+w&ecirc;ron an top &aring;nd thes nachtes sk&acirc;ton hja barnpila<a
+class="noteref" id="xd0e3197src" href="#xd0e3197">2</a> anda loft.
+Th&acirc; d&ecirc;ir&ecirc;d w&ecirc;re rojadon svme mith en
+sn&acirc;ke to th&ecirc;re hava in. Hja hropton wither ho.n.
+s&ecirc;en. Th&acirc; hja landa hipte-n jong kerdel wal vp. In sina
+handa h&ecirc;di-n skild, th&ecirc;rvp was br&aring;d &aring;nd salt
+l&ecirc;id. Afterdam k&ecirc;m en gr&ecirc;va, hi s&ecirc;ide wi kvmath
+fona <span class="pagenum">[<a id="xd0e3203" href=
+"#xd0e3203">164</a>]</span>fere Kr&ecirc;kalandum w&ecirc;i, vmb vsa
+s&ecirc;d to warjande, nw winstath wi i skolde alsa mild w&ecirc;sa vs
+alsa f&uuml;l l&acirc;nd to j&ecirc;vane th&aring;t wi th&ecirc;rvp
+m&uuml;ge h&ecirc;ma. Hi telade-n &ecirc;le sk&ecirc;dnese th&ecirc;r
+ik &aring;fter b&ecirc;tre skryva wil. Tha gr&ecirc;va niston navt hwat
+to dvande, hja sandon bodon allerw&ecirc;ikes, &acirc;k to my. Ik gvng
+to &aring;nd s&ecirc;ide: nw wi-n Moder h&aring;ve agon wi hjra
+r&ecirc;d to fr&ecirc;jande. Ik selva gvng mitha. Thju Moder,
+th&ecirc;r ella wiste, s&ecirc;ide, l&ecirc;t hja kvme, s&acirc;
+m&uuml;gon hja vs l&acirc;nd helpa bihalda: men l&ecirc;t hjam navt vp
+&ecirc;ne st&ecirc;d ne bilyva, til thju hja navt waldich ne wrde ovir
+vs. Wi d&ecirc;don as hju s&ecirc;id h&ecirc;de. That w&ecirc;re
+&ecirc;l n&ecirc;i hjra h&ecirc;i. Fryso reste mith sin&acirc; ljudum
+to Stavere, that hja wither to &ecirc;ne s&ecirc;st&ecirc;de
+m&acirc;kade, sa god hja machte. Wichhirte gvng mith sinum ljudum
+astward n&ecirc;i there &Ecirc;mude. Svme th&ecirc;ra Johnjar,
+th&ecirc;r m&ecirc;nde th&aring;t hja font Alderga folk sproten
+w&ecirc;re, gvngen th&ecirc;r hinne. En lyth d&ecirc;l th&ecirc;r
+w&acirc;nde th&aring;t hjara &ecirc;thla fon tha sjugon &ecirc;landa
+wei k&ecirc;mon, gvngon hinne &aring;nd setton hjara selva binna tha
+hringdik fon th&ecirc;re burch Walhallag&acirc;ra del. Ljudg&ecirc;rt
+thene skolte bi nachte fon Wichhirte w&aring;rth min &aring;the
+&aring;ftern&ecirc;i min frjund. Fon ut sin d&ecirc;ibok h&aring;v ik
+thju sk&ecirc;dnese th&ecirc;r hir &aring;fter skil folgja.</p>
+
+<p>Nei th&aring;t wi 12 mel 100 &aring;nd twia 12 j&ecirc;r bi tha fif
+w&ecirc;trum s&ecirc;ten h&ecirc;de, thahwila vsa s&ecirc;k&aring;mpar
+alle s&ecirc;a bif&acirc;ren h&ecirc;de th&ecirc;r to findane,
+k&ecirc;m Alexandre<a class="noteref" id="xd0e3207src" href=
+"#xd0e3207">3</a> tham k&ecirc;ning mith en weldich h&ecirc;r fon boppa
+allingen th&ecirc;r str&acirc;m vsa thorpa bif&acirc;ra. Nimman ne
+m&aring;cht im wither worda. Thach wi stjurar th&ecirc;r by tha
+s&ecirc; s&acirc;ton, wi sk&ecirc;pt vs mith al vsa tilb&ecirc;re hava
+in &aring;nd br&ucirc;da hinna. Tha Alexandre fornom th&aring;t im
+s&acirc; ne gr&acirc;te fl&acirc;te vntf&acirc;ra was, w&aring;rth er
+wodinlik, to sw&ecirc;rande hi skolde alle thorpa an logha offerja jef
+wi navt to bek kvma nilde. Wichhirte l&ecirc;ide siak to bedde.
+Th&acirc; Alexandre th&aring;t fornom heth er wacht alont er
+b&ecirc;ter w&ecirc;re. Aftern&ecirc;i k&ecirc;m er to him s&ecirc;r
+kindlyk snakkande, thach hi thrjvchde lik <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3210" href="#xd0e3210">166</a>]</span>hi &ecirc;r d&ecirc;n
+h&ecirc;de. Wichhirte andere th&ecirc;r &aring;fter, o
+aldergr&acirc;teste th&ecirc;ra k&ecirc;ningar. Wi stjurar kvmath
+allerw&ecirc;ikes, wi h&acirc;ven fon jow gr&acirc;te d&ecirc;dun
+h&ecirc;red. Th&ecirc;rvmbe send wi fvl &ecirc;rbidenese to fara jowa
+w&ecirc;pne, tha jet mar vr thina witskip. Men wi &ocirc;thera wy send
+frybern Fryas bern. Wy ne m&uuml;gon n&ecirc;ne sl&acirc;fona navt ne
+wrde. Jef ik wilde, tha &ocirc;ra skolde r&ecirc;der sterva willa,
+hwand alsa ist thrvch vsa &ecirc;wa bif&ocirc;len. Alexandre
+s&ecirc;ide: ik wil thin l&acirc;nd navt ne m&acirc;kja to min
+b&ucirc;t, ner thin folk to mina sl&acirc;fona. Ik wil bl&acirc;t
+th&aring;t ste my thjanja skolste vmb l&acirc;n. Th&ecirc;rvr wil ik
+sw&ecirc;ra by vs b&ecirc;dar godum, th&aring;t nimman vr my wrogja
+skil. Tha Alexandre &aring;fternei br&aring;d &aring;nd salt mith im
+d&ecirc;lade, heth Wichhirte that wiste d&ecirc;l k&acirc;sen. Hi
+l&ecirc;t tha sk&ecirc;pa hala thrvch sin svne. Tha thi alle tobek
+w&ecirc;ron, heth Alexandre thi alle h&ecirc;red. Th&ecirc;r mitha
+wilde hi sin folk n&ecirc;i tha helge G&ocirc;nga f&acirc;ra,
+th&ecirc;r hi to land navt h&ecirc;de m&uuml;ge n&acirc;ka. Nw gvng er
+to &aring;nd k&acirc;s altham ut sin folk &aring;nd ut sina salt-atha
+th&ecirc;r wenath w&ecirc;ron vvr-ne s&ecirc; to f&acirc;rane.
+Wichhirte was wither siak wrden, th&ecirc;rvmbe gvng ik all&ecirc;na
+mitha &aring;nd Nearchus fon thes keningis w&ecirc;ga. Thi tocht hlip
+svnder fard&ecirc;l to-n-ende, uth&acirc;vede tha Johnjar immerthe an
+vnmin w&ecirc;ron with tha Phonisjar, alsa N&ecirc;archus th&ecirc;r
+selva n&ecirc;n b&acirc;s ovir bilywe ne kv. Intwiska h&ecirc;de tham
+k&ecirc;ning navt stile n&ecirc;st. Hi h&ecirc;de sina salt-atha
+b&acirc;ma kapja l&ecirc;ta &aring;nd to planka m&acirc;kja. Thrvch
+help vsar timberljud h&ecirc;der th&ecirc;r of sk&ecirc;pa m&acirc;kad.
+Nw wilder selva s&ecirc;k&ecirc;ning wertha, &aring;nd mith &ecirc;l
+sin h&ecirc;r thju Gonga vpf&acirc;ra. Thach tha salt-atha th&ecirc;r
+fon thet bergland k&ecirc;mon, w&ecirc;ron ang to fara s&ecirc;. As hja
+h&ecirc;radon th&aring;t hja mith moste, stakon hja tha timberhlotha
+ane br&ocirc;nd. Th&ecirc;r thrvch wrde vs &ecirc;le thorp anda aska
+l&ecirc;id. Thet forma w&acirc;nde wy th&aring;t Alexandre th&aring;t
+bifalen h&ecirc;de &aring;nd jahw&ecirc;der stand r&ecirc;d vmb
+s&ecirc; to kjasane. Men Alexander w&ecirc;re wodin, hi wilde tha
+salt-atha thrvch sin ajn folk ombrensa l&ecirc;ta. Men N&ecirc;archus
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e3215" href=
+"#xd0e3215">168</a>]</span>tham navt all&ecirc;na sin &ecirc;roste
+forst men ak sin frjund w&ecirc;re, r&ecirc;de him owers to dvande. Nw
+b&ecirc;rad er as wen der lavade thet vnluk et d&ecirc;n h&ecirc;de.
+Tha hi ne thvrade sin tocht navt vrfata. Nw wild er to bek k&ecirc;ra,
+thach &ecirc;r hi th&aring;t d&ecirc;de, l&ecirc;t hi thet forma
+bis&ecirc;ka hwa-r skeldich w&ecirc;ron. Dry-r th&aring;t wiste
+l&ecirc;t er altham svnder w&ecirc;pne bilywa, vmb en ny thorp to
+m&acirc;kjande. Fon sin ajn folk l&ecirc;t er wepned vmbe tha &ocirc;ra
+to t&aring;mma, &aring;nd vmbe &ecirc;ne burch to bvwande. Wy moston
+wiv &aring;nd bern mith nimma. K&ecirc;mon wi anda muda th&ecirc;re
+&Ecirc;uphrat, sa machton wi th&ecirc;r en st&ecirc;d kiasa jeftha
+omk&ecirc;ra, vs l&acirc;n skold vs &ecirc;vin blyd to d&ecirc;lath
+wrde. An tha nya sk&ecirc;pa, th&ecirc;r tha br&ocirc;nd vntkvma
+w&ecirc;ron, let-er Johniar &aring;nd Kr&ecirc;kalandar g&acirc;. Hi
+selva gvng mith sin &ocirc;ra folk allingen th&ecirc;re k&acirc;d
+thrvch tha dorra wost&ecirc;na, th&aring;t is thrvch et land th&aring;t
+Irtha vph&ecirc;id h&ecirc;de uta s&ecirc;, tha hju thju str&ecirc;te
+after vsa &ecirc;thela vph&ecirc;ide as hja inna R&acirc;de s&ecirc;
+k&ecirc;mon.</p>
+
+<p>Tha wy to ny G&ecirc;rtmanja k&ecirc;mon (ny G&ecirc;rtmanja is en
+h&acirc;va th&ecirc;r wi selva makad hede, vmbe th&ecirc;r to
+w&ecirc;terja) m&ecirc;ton wi Alexandre mith sin h&ecirc;r.
+N&ecirc;archus gvng wal vp &aring;nd b&ecirc;ide thrja d&ecirc;ga. Tha
+gvng et wither forth. Tha wi bi th&ecirc;re &Ecirc;uphrat k&ecirc;mon,
+gvng N&ecirc;archus mith sina salt-atha &aring;nd f&ecirc;lo fon sin
+folk wal vp. Tha hi k&ecirc;m hring wither. Hi s&ecirc;ide, thi
+k&ecirc;ning l&ecirc;t jow bidda, i skille jet en lithge tocht to sinra
+wille dvan, alont et ende fona R&acirc;de s&ecirc;. Th&ecirc;rn&ecirc;i
+skil jawehder s&acirc; f&uuml;l gold kr&ecirc;ja as er b&ecirc;ra
+m&ecirc;i. Tha wi th&ecirc;r k&ecirc;mon, l&ecirc;t er vs wysa
+hw&ecirc;r thju str&ecirc;te &ecirc;r w&ecirc;st h&ecirc;de. Th&ecirc;r
+n&ecirc;i wylader &ecirc;n &aring;nd thritich d&ecirc;ga, alan ut
+sjande vvra wost&ecirc;ne.</p>
+
+<p>Tho tha lesta k&ecirc;m er en hloth m&aring;nniska mith forande twa
+hondred &ecirc;lephanta thvsend k&ecirc;mlun tol&ecirc;den mith woden
+balkum, r&acirc;pum &aring;nd allerl&ecirc;ja ark vmbe vsa fl&acirc;te
+n&ecirc;i tha Middels&ecirc; to tyande. Th&aring;t bis&acirc;wd-vs,
+&aring;nd likt <span class="pagenum">[<a id="xd0e3221" href=
+"#xd0e3221">170</a>]</span>vs bal to, men N&ecirc;archus teld vs, sin
+k&ecirc;ning wilde tha &ocirc;thera k&ecirc;ninggar t&acirc;na that i
+weldiger w&ecirc;re, s&acirc; tha k&ecirc;ninggar fon Thyris &ecirc;r
+w&ecirc;sen h&ecirc;de. Wi skoldon men mith helpa, s&ecirc;kur skolde
+vs th&aring;t n&ecirc;n sk&acirc;da navt dva. Wi moston wel swika,
+&aring;nd Nearchus wiste ella s&acirc; pront to birjuchte th&aring;t wi
+inna Middels&ecirc; l&ecirc;ide &ecirc;r thrja m&ocirc;natha forby
+w&ecirc;ron. Tha Alexandre fornom ho-t mith sinra onwerp ofkvmen was,
+w&aring;rth er sa vrm&ecirc;ten th&aring;t er tha drage str&ecirc;te
+utdiapa wilde Irtha to-n spot. Men Wr.alda l&ecirc;t sine s&ecirc;le
+l&acirc;s, th&ecirc;rvmbe vrdronk er inna win &aring;nd in sina
+ovirmodichh&ecirc;d, &ecirc;r th&aring;t er bijinna kvste. After sin
+d&acirc;d wrde thet rik d&ecirc;lad thrvch sina forsta. Hja skolde
+alrek en d&ecirc;l to fara sina svnum w&acirc;rja, thach hja
+w&ecirc;ron vnm&ecirc;nis. Elk wilde sin d&ecirc;l bihalda &aring;nd
+selva form&acirc;ra. Tha k&ecirc;m orloch &aring;nd wi ne kvste navt
+omme k&ecirc;ra. N&ecirc;archus wilde nw, wi skolde vs del setta an
+Phonisi his k&acirc;d, men th&aring;t nilde nimman navt ne dva. Wi
+s&ecirc;ide, r&ecirc;der willath wi w&acirc;ga n&ecirc;i Fryasland to
+g&acirc;na. Tha brocht-er vs nei th&ecirc;re nya h&acirc;va fon
+Athenia, hw&ecirc;r alle &aring;fte Fryas bern formels hin t&ecirc;in
+w&ecirc;ron. Forth gvngon wi salt-&acirc;tha liftochta &aring;nd
+w&ecirc;pne f&acirc;ra. Among tha f&ecirc;lo forsta h&ecirc;de
+N&ecirc;archus en frjund mith n&ocirc;me Antigonus. Thisse
+str&ecirc;don b&ecirc;de vmb &ecirc;n dol, s&acirc; hja s&ecirc;idon as
+follistar to f&acirc;ra-t k&ecirc;ninglike slachte &aring;nd forth vmbe
+alle Kr&ecirc;kalanda hjara alda frydom wither to j&ecirc;vane.
+Antigonus h&ecirc;de among f&ecirc;lo &ocirc;therum &ecirc;nnen svn,
+thi h&ecirc;te Dem&ecirc;trius, &aring;fter ton&ocirc;mad thene
+st&ecirc;da winner. Thisse gvng &ecirc;nis vpper st&ecirc;de
+Sal&acirc;mis of. N&ecirc;i th&aring;t er th&ecirc;r en st&ucirc;t
+m&ecirc;i str&ecirc;den h&ecirc;de most er mith th&ecirc;re fl&acirc;te
+strida fon Ptholemeus. Ptholem&ecirc;us, alsa h&ecirc;te thene forst
+th&ecirc;r welda ovir &Ecirc;giptaland. D&ecirc;m&ecirc;trius wn
+th&ecirc;re k&ecirc;se, tha navt thrvch sina salt-&acirc;tha, men
+thrvch dam wy him helpen h&ecirc;de. Thit h&ecirc;de wi d&ecirc;n
+thrvch athskip to f&acirc;ra N&ecirc;archus, hwand wi him far basterd
+blod bik&aring;nde thrvch sin friska h&ucirc;d &aring;nd bl&acirc;wa
+&acirc;gon mith <span class="pagenum">[<a id="xd0e3229" href=
+"#xd0e3229">172</a>]</span>wit h&ecirc;r. After n&ecirc;i gvng
+D&ecirc;m&ecirc;trius l&acirc;s vp Hrodus<a class="noteref" id=
+"xd0e3231src" href="#xd0e3231">4</a> th&ecirc;r hinne brochton wi sina
+salt-&acirc;tha &acirc;nd liftochta wr. Th&acirc; wi tha leste
+r&ecirc;is to Hrodus k&ecirc;mon, was orloch vrtyan.
+D&ecirc;m&ecirc;trius was n&ecirc;i Athenia f&acirc;ren. Tha vs
+k&ecirc;ning th&aring;t vnderstande, l&ecirc;d-er vs tobek. Tha wi anda
+h&acirc;ve k&ecirc;mon, w&ecirc;re &ecirc;l et thorp in row bidobben.
+Friso th&ecirc;r k&ecirc;ning w&ecirc;r ovir-a fl&acirc;te, h&ecirc;de
+en svn &aring;nd en toghater t&ucirc;s, s&acirc; bjustre fres, as jef
+hja p&acirc;s ut Fryasland w&ecirc;i kvmen w&ecirc;ren, &aring;nd
+s&acirc; wondersk&ecirc;n as nimman mocht h&uuml;gja. Thjv hrop
+th&ecirc;rvr gvng vvr alle Kr&ecirc;kalanda &aring;nd k&ecirc;m in tha
+&acirc;ra fon D&ecirc;m&ecirc;trius. D&ecirc;m&ecirc;trius w&ecirc;re
+vvl &aring;nd vns&ecirc;dlik, &aring;nd hi thogte th&aring;t-im ella
+fry stvnde. Hi l&ecirc;t thju toghater avb&ecirc;r sk&acirc;kja. Thju
+moder ne thvrade hjra joi<a class="noteref" id="xd0e3234src" href=
+"#xd0e3234">5</a> navt wachtja, joi nomath tha stjurar wiva hira
+m&acirc;na, th&aring;t is blideskip, ak segsath hja sw&ecirc;thirte.
+Tha stjurar h&ecirc;ton hjra wiva tr&acirc;st, &aring;nd fro jefta frow
+th&aring;t is fr&uuml; &acirc;k frolik, th&aring;t is &ecirc;lik an
+fr&uuml;. Thrvchdam hju hjra man navt wachtja thurade, gvng hju mith
+hjra svne n&ecirc;i D&ecirc;m&ecirc;trius &aring;nd bad, hi skolde hja
+hjra toghater wither j&ecirc;va. Men as D&ecirc;m&ecirc;trius hira svn
+sa, l&ecirc;t-er tham n&ecirc;i sinra hove fora, &aring;nd d&ecirc;de
+al&ecirc;n mith him, as-er mith tham his suster d&ecirc;n h&ecirc;de.
+Anda moder sand hi en buda gold, thach hju stirt-et in s&ecirc;. As hju
+th&ucirc;s k&ecirc;m, warth hju wansinnich, allerw&ecirc;ikes run hju
+vvra str&ecirc;te: n&aring;st min kindar navt sjan, o wach, l&ecirc;t
+mi to jow skul s&ecirc;ka, wand min joi wil mi d&ecirc;ja for tha-k
+sina kindar w&ecirc;i brocht h&aring;v. Tha D&ecirc;m&ecirc;trius
+fornom, th&aring;t Friso to honk w&ecirc;re, sand-i en bodja to him
+segsande, th&aring;t hi sina bern to him nomen h&ecirc;de wmbe ra to
+fora to-n h&acirc;ge st&acirc;t vmbe to l&acirc;nja him to f&acirc;ra
+sina thjanesta. Men Friso th&ecirc;r stolte &aring;nd herdfochtich
+w&ecirc;re, sand en bodja mith en br&ecirc;ve n&ecirc;i sinum bern tha,
+th&ecirc;rin m&acirc;nde hi hjam, hja skolde D&ecirc;m&ecirc;trius to
+willa w&ecirc;sa, vrmithis tham hjara luk j&ecirc;rde. Thach thene
+bodja h&ecirc;de jeta-n ora br&ecirc;ve mith fenin, th&ecirc;rm&ecirc;i
+bif&acirc;l-er hja skolde th&aring;t innimma, hwand <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3240" href=
+"#xd0e3240">174</a>]</span>s&ecirc;id-er-vnwillinglik is thin lif
+bivvllad, th&aring;t ne skil jow navt to r&ecirc;kned ni wrde, thach
+s&acirc;hwersa jow jowe s&ecirc;le bivvlath sa ne skil jow nimmerthe to
+Walh&acirc;lla ne kvma, jow s&ecirc;le skil th&aring;n ovir irtha
+ommew&acirc;ra, svnder &aring; thet ljucht sja to mugande, lik tha
+fl&acirc;ramusa &aring;nd nachtula skilstv alra dystik in thina hola
+skula, thes nachtis utkvma, then vp vsa gr&aring;va gr&acirc;ja
+&aring;nd h&ucirc;la, thahwila Frya hjra haved fon jow ofwenda mot. Tha
+bern d&ecirc;de lik-ra bif&acirc;len warth. D&ecirc;m&ecirc;trius
+l&ecirc;t ra likka in s&ecirc; werpa &aring;nd to tha m&aring;nniska
+wrde s&ecirc;id, th&aring;t hja fljucht w&ecirc;ron. Nw wilde Friso
+mith alleman n&ecirc;i Fryasland f&acirc;ra, th&ecirc;r-i &ecirc;r
+w&ecirc;st h&ecirc;de, men tha m&ecirc;st nilde th&aring;t navt ne dva.
+Nw gvng Friso to &aring;nd sk&acirc;t thet thorp mith-a
+k&ecirc;ninglika f&acirc;rr&ecirc;dsk&ucirc;rum anda br&ocirc;nd. Hjud
+ne kv ni thvrade ninman ne bilywa, &aring;nd alle w&ecirc;ron blyde,
+that hja b&ucirc;ta w&ecirc;re, bihalva wif &aring;nd bern h&ecirc;don
+wi ella abefta l&ecirc;ten, thach wi w&ecirc;ron to l&ecirc;den mith
+liftochtum &aring;nd orlochtuch.</p>
+
+<p>Friso n&ecirc;de nach n&ecirc;n fretho. Tha wi by tha alda
+h&acirc;ve k&ecirc;mon gvnger mith sina drista ljudum to &aring;nd
+sk&acirc;t vnwarlinga tha br&ocirc;nd inna sk&ecirc;pa, th&ecirc;r-i
+mith sina pilum big&acirc;na kv. After sex d&ecirc;gum s&acirc;gon wi
+tha orlochfl&acirc;te fon D&ecirc;m&ecirc;trius vp vs to kvma. Friso
+bif&acirc;l vs, wi moston tha lithste sk&ecirc;pa &aring;fterh&acirc;de
+in &ecirc;ne br&ecirc;de line, tha stora mith wif &aring;nd bern
+f&acirc;rut. Forth b&acirc;d er wi skoldon tha kr&acirc;nboga fon for
+nimma &aring;nd anda &aring;ftest&ecirc;wen f&aring;stigja, hwand
+s&ecirc;id er, wi achon al ffjuchtande to fjuchtane. Nimman ne
+m&ecirc;i him form&ecirc;ta vmb en enkeldera fyand to forfolgjande,
+alsa s&ecirc;id-er is min bislut. Tha hwila wi th&ecirc;rmitha al
+dvande w&ecirc;ron, k&ecirc;m wind vs vppa kop, to th&ecirc;ra
+l&aring;fa &aring;nd th&ecirc;ra wiva skrik, thrvchdam wi n&ecirc;ne
+sl&acirc;vona navt n&ecirc;de as th&ecirc;ra th&ecirc;r vs bi ajn willa
+folgan w&ecirc;re. Wi ne machton hja thus navt thruch roja ni vntkvma.
+Men Wralda wiste wel, hw&ecirc;rvmb-er <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3244" href="#xd0e3244">176</a>]</span>s&acirc; d&ecirc;de,
+&aring;nd Friso th&ecirc;r-et fata, l&ecirc;t tha b&aring;rnpila ring
+inna kr&acirc;nboga lidsa. To lik b&acirc;d-er th&aring;t nimman skiata
+ne machte, &ecirc;r hy sk&acirc;ten h&ecirc;de. Forth s&ecirc;id-er
+th&aring;t wi alle n&ecirc;i th&aring;t midloste skip skiata moste, is
+th&aring;t dol god biracht s&ecirc;id-er, s&acirc; skilun tha &ocirc;ra
+him to helpane kvma &aring;nd th&aring;n mot alrik skiata sa-r
+alderbesta m&ecirc;i. As wi nw arhalf ketting fon-ra of w&ecirc;re,
+bigoston tha Phonisiar to skiata. Men Friso n-andere navt bi f&acirc;ra
+tha &ecirc;roste pil del falde a sex fadema fon sin skip. Nw
+sk&acirc;t-er. Tha &ocirc;ra folgade, thet likte en fjurr&ecirc;in
+&aring;nd thrvchdam vsa pila mith wind m&ecirc;i gvngon, bil&ecirc;von
+hja alle an br&ocirc;nd, &aring;nd n&acirc;kade selva tha thridde
+l&acirc;ge. Allera m&aring;nnelik gyradon &aring;nd j&ucirc;wgade. Men
+tha kr&ecirc;ta vsar witherl&acirc;gum w&ecirc;ron sa herde, thet-et vs
+thet hirte bin&ecirc;pen warth. As Friso m&ecirc;nde th&aring;t et to
+koste, l&ecirc;t-er ofhalde &aring;nd wi spode hinne. Thach n&ecirc;i
+that wi twa d&ecirc;ga forth pilath h&ecirc;de, k&ecirc;m th&ecirc;r en
+&ocirc;re fl&acirc;te ant sjocht, fon thrittich sk&ecirc;pun,
+th&ecirc;r vs st&ecirc;dis in wnne. Friso l&ecirc;t vs wither r&ecirc;d
+makja. Men tha &ocirc;thera sandon en lichte sn&acirc;ka fvl rojar
+forut, tha bodon th&ecirc;ra b&acirc;don ut alera n&ocirc;ma jef hja
+mith f&acirc;ra machte. Hja w&ecirc;ron Johniar, thrvch
+D&ecirc;m&ecirc;trius w&ecirc;ron hja w&aring;ldantlik n&ecirc;i there
+alda h&acirc;ve skikad. Th&ecirc;r h&ecirc;don hja fon th&ecirc;re
+k&ecirc;se h&ecirc;rad &aring;nd nw h&ecirc;don hja thet stolta
+sw&ecirc;rd antjan, &aring;nd w&ecirc;ron vs folgad. Friso th&ecirc;r
+f&uuml;l mitha Johnjar faren h&ecirc;de s&ecirc;ide j&aring;, men
+Wichhirte vsa k&ecirc;ning s&ecirc;ide n&ecirc;<span class="corr" id=
+"xd0e3246" title="Bron: ,">.</span> Tha Johnjar send afgoda thjanjar
+s&ecirc;id-er, ik selva h&aring;v h&ecirc;rad, ho hja thi an hropte.
+Friso s&ecirc;ide thet kvmath thrvch tha wandel mith tha &aring;fta
+Kr&ecirc;kalandar. Th&aring;t h&aring;v ik v&acirc;ken selva d&ecirc;n.
+Thach ben ik alsa herde Fryas as tha finste fon jow. Friso w&ecirc;re
+thene m&aring;n th&ecirc;r vs to Fryasland wisa moste. Thus gvngon tha
+Johnjar mith. Ak likt-et nei Wr.aldas h&ecirc;i, hwand &ecirc;r thrja
+m&ocirc;nathe om hl&acirc;pen w&ecirc;ron, gvngon wi allingen
+Britannja, &aring;nd thrja d&ecirc;ga l&ecirc;ter machton wi ho.n
+s&ecirc;en hropa. <span class="pagenum">[<a id="xd0e3249" href=
+"#xd0e3249">178</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3194src" id="xd0e3194">1</a></span> 303 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3197src" id="xd0e3197">2</a></span> Barnpila. De <i>falarica</i>
+by Livius XXI. 8.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3207src" id="xd0e3207">3</a></span> Alexander aan den Indus 327
+v. Chr. 327 + 1224 = 1551 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3231src" id="xd0e3231">4</a></span> 305 voor Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3234src" id="xd0e3234">5</a></span> Joi en tr&acirc;st. Te
+Scheveningen hoort men nog: joei en troos. Joi, Fransch <i>
+joye</i>.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3251" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit skrift is mij ower Nortland jeftha
+Sk&ecirc;nland j&ecirc;ven.</h2>
+
+<p>Vndera tida th&aring;t vs land del s&ecirc;g, w&ecirc;re ik to
+Sk&ecirc;nland. Th&ecirc;r gvng et alsa to. Th&ecirc;r w&ecirc;ron
+gr&acirc;te m&acirc;ra, th&ecirc;r fon tha bodeme lik en bl&ecirc;se vt
+setta, then spliton hja vt-&ecirc;n. Uta r&ecirc;ta k&ecirc;m stof as-t
+gliande yser w&ecirc;re. Th&ecirc;r w&ecirc;ron berga th&ecirc;r tha
+krunna of swikte. Thesse truldon n&ecirc;ther &aring;nd brochton walda
+&aring;nd thorpa w&ecirc;i. Ik self s&acirc; th&aring;t en berch fon
+tha &ocirc;ra of torent wrde. Linrjucht s&ecirc;g er del. As ik
+aftern&ecirc;i sjan gvng, was th&ecirc;r en m&acirc;re kvmen. Tha irtha
+b&ecirc;terad was, k&ecirc;m er en h&ecirc;rtoga fon Lindasburch
+w&ecirc;i, mit sin folk &aring;nd en f&acirc;m, thju f&acirc;m
+k&ecirc;the allomme: Thene M&acirc;gy is skeldich an al-eth l&ecirc;t
+th&aring;t wi l&ecirc;den h&aring;ve. Hja t&acirc;gon immer forth en
+thet h&ecirc;r w&aring;rth al gr&acirc;ter. Thene M&acirc;gy fluchte
+hinne, m&aring;n fand sin lik, hi h&ecirc;de sin self vrd&ecirc;n. Tha
+wrdon tha Finna vrdr&ecirc;ven n&ecirc;i &ecirc;nre st&ecirc;d,
+th&ecirc;r machton hja l&ecirc;va. Th&ecirc;r w&ecirc;ron fon basterde
+blode. Thissa machton biliwa, thach f&ecirc;lo gvngon mith tha Finna
+m&ecirc;i<span class="corr" id="xd0e3256" title="Bron: .">.</span> Thi
+h&ecirc;rtoga warth to k&ecirc;ning k&ecirc;ren. Tha k&aring;rka
+th&ecirc;r &ecirc;l bil&ecirc;ven w&ecirc;ron wrde vrd&ecirc;n. Sont
+komath tha gode Northljud v&acirc;ken to Texland vmb there Moder-is
+r&ecirc;d. Th&acirc; wi ne m&uuml;gath hjam for n&ecirc;ne rjuchta
+Fryas mar ne halde. Inna D&ecirc;namarka ist s&ecirc;kur as bi vs
+gvngon. Tha stjurar, tham hjara self th&ecirc;r stoltelika
+s&ecirc;k&aring;mpar h&ecirc;ton, send vppira sk&ecirc;pa gvngon,
+&aring;nd &aring;ftern&ecirc;i sind hja to bek gvngon.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="letterspaced">Held!</span></p>
+
+<p>Hwersa thene Kroder en tid forth kroden heth, th&aring;n skilun tha
+&aring;fterkomanda w&acirc;na th&aring;t tha l&ecirc;ka and
+br&ecirc;ka, th&ecirc;r tha Brokmanna mith brocht h&aring;ve,
+&aring;jen were an hjara &ecirc;thla. Th&ecirc;r vr wil ik w&acirc;ka
+&aring;nd thus s&acirc; f&uuml;l vr hj&aring;ra pl&ecirc;ga skriva as
+ik sjan h&aring;. Vr tha <span class="pagenum">[<a id="xd0e3265" href=
+"#xd0e3265">180</a>]</span>G&ecirc;rtmanna k&aring;n ik r&ecirc;d hinne
+stappa. Ik n&aring;v navt f&uuml;l mithra omme gvngen. Tha s&acirc;
+f&ecirc;r ik sjan h&aring; send hja th&aring;t mast bi t&acirc;l
+&aring;nd s&ecirc;d bil&ecirc;wen. Th&aring;t ne m&ecirc;i ik navt
+segsa fon tha &ocirc;thera. Th&ecirc;r fon.a Kr&ecirc;kal&acirc;nda
+w&ecirc;i kvme, send kw&acirc;d ther t&acirc;l &aring;nd vppira
+s&ecirc;d ne m&ecirc;i m&aring;n &ecirc;l navt boga. F&ecirc;lo
+h&aring;vath br&ucirc;na &acirc;gon &aring;nd h&ecirc;r. Hja send
+nidich &aring;nd drist &aring;nd &aring;ng thrvch
+overbil&acirc;wichh&ecirc;d. Hw&ecirc;rsa hja spr&ecirc;ka, s&acirc;
+n&ocirc;math hja the worda f&acirc;r vppa th&ecirc;r lerst kvma mosta.
+Ajen ald segath hja &acirc;d, &aring;jen salt s&acirc;d, m&acirc; fori
+m&aring;n, sel fori skil, sode fori skolde, to f&uuml;l vmb to nomande.
+Ak forath hja m&ecirc;st vrdvaliske &aring;nd bikirte n&ocirc;ma,
+hw&ecirc;ran m&aring;n n&ecirc;n sin an hefta ne m&ecirc;i. Tha Johniar
+spr&ecirc;kath b&ecirc;tre, thach hja swygath thi h &aring;nd
+hw&ecirc;ri navt n&ecirc;sa mot, w&aring;rth er &ucirc;tek&ecirc;th.
+Hwersa imman en byld m&acirc;kath &aring;fter &ecirc;nnen vrstvrven
+&aring;nd thet likt, s&acirc; l&acirc;wath hja, th&aring;t thene
+g&acirc;st thes vrsturvene th&ecirc;r inne f&acirc;rath. Th&ecirc;rvr
+h&aring;vath hja alle bylda vrburgen fon Frya, F&aring;sta,
+M&ecirc;d&ecirc;a, Thjanja, Hell&ecirc;nja &aring;nd f&ecirc;lo
+&ocirc;thera. Hwerth th&ecirc;r en bern ebern, s&acirc; kvmath tha
+sibba et s&ecirc;mne &aring;nd biddath an Frya th&aring;t hju hjara
+f&acirc;mkes m&ecirc;i kvma l&ecirc;ta th&aring;t bern to
+s&ecirc;enande. H&aring;von hja b&ecirc;den sa ne m&ecirc;i nimman him
+rora ni h&ecirc;ra l&ecirc;ta. Kvmt et bern to gr&aring;jande &aring;nd
+halt thit en stvnde an, alsa is th&aring;t en kw&acirc;d t&ecirc;ken
+&aring;nd man is an formoda, th&aring;t thju m&aring;m hordom d&ecirc;n
+heth. Th&ecirc;rvr h&aring;v ik al &aring;rge thinga sjan. Kvmt et bern
+to sl&ecirc;pande, s&acirc; is th&aring;t en t&ecirc;ken, th&aring;t
+tha f&acirc;mkes vr-et kvmen send. Lakt et inna sl&ecirc;p, s&acirc;
+h&aring;von tha f&acirc;mkes th&aring;t bern luk to s&ecirc;it. Olon
+l&acirc;wath hja an bosa g&acirc;sta, hexna, kolla, aldermankes
+&aring;nd elfun, as jef hja fon tha Finna wei k&ecirc;men. Hyrmitha wil
+ik enda &aring;nd nw m&ecirc;n ik tha-k m&aring;r skr&ecirc;ven
+h&aring;, as &ecirc;n minra &ecirc;thla. Fr&ecirc;thorik.</p>
+
+<p>Fr&ecirc;thorik min g&acirc;d is 63 j&ecirc;r wrden. Sont 100
+&acirc;nd 8 j&ecirc;r is hi thene &ecirc;roste fon sin folk, th&ecirc;r
+fr&ecirc;dsum <span class="pagenum">[<a id="xd0e3269" href=
+"#xd0e3269">182</a>]</span>sturven is, alle &ocirc;thera send vndera
+sl&ecirc;ga swikt, th&ecirc;rvr th&aring;t alle k&aring;mpade with ajn
+&aring;nd f&ecirc;rh&ecirc;mande vmb rjucht &aring;nd plicht.</p>
+
+<p>Min n&ocirc;m is Wil-jo, ik bin tha f&acirc;m th&ecirc;r mith him
+fona Saxanamarka to honk for. Thrvch t&acirc;l &aring;nd ommegang
+k&ecirc;m et ut, th&aring;t wi alle b&ecirc;de fon Adela his folk
+w&ecirc;ron, th&acirc; k&ecirc;m ljafde &aring;nd &aring;ftern&ecirc;i
+send wi man &aring;nd wif wrden. Hi heth mi fyf bern l&ecirc;ten, 2
+suna &aring;nd thrju toghatera. Koner&ecirc;d alsa h&ecirc;t min forma,
+H&acirc;chg&acirc;na min &ocirc;thera, mine aldeste toghater h&ecirc;th
+Adela, thju &ocirc;thera Frulik &aring;nd tha jongeste Nocht.
+Th&acirc;-k n&ecirc;i tha Saxanamarka for, h&aring;v ik thrju boka
+hret. Thet bok th&ecirc;ra sanga, th&ecirc;ra tellinga, &aring;nd thet
+H&ecirc;l&ecirc;nja bok. Ik skrif thit til thju m&aring;n navt
+th&aring;nka ne m&ecirc;i th&aring;t hja fon Apoll&acirc;nja send; ik
+h&aring;v th&ecirc;r f&uuml;l l&ecirc;t vr had &acirc;nd wil thus
+&acirc;k thju &ecirc;re h&aring;. Ak h&aring;v ik m&acirc;r d&ecirc;n,
+tha Gosa-Makonta fallen is, hwames godh&ecirc;d &aring;nd
+kl&acirc;rsjanh&ecirc;d to en spr&ecirc;kword is wrden, th&acirc; ben
+ik all&ecirc;na n&ecirc;i Texland gvngen vmbe tha skrifta vr to
+skrivane, th&ecirc;r hju &aring;fter l&ecirc;ten heth, &aring;nd
+th&acirc; tha lerste wille fonden is fon Fr&acirc;na &aring;nd tha
+n&ecirc;il&ecirc;tne skrifta fon Adela jefta Hell&ecirc;nja, h&aring;v
+ik th&aring;t jetta r&ecirc;is d&ecirc;n. Thit send tha skrifta
+Hell&ecirc;njas. Ik set hjam f&acirc;r vppa vmbe th&aring;t hja tha
+aldesta send.</p>
+
+<p>ALLE AFTA FRYAS HELD.</p>
+
+<p>In &ecirc;ra tida niston tha Sl&acirc;vona folkar nawet fon
+fryh&ecirc;d. Lik oxa wrdon hja vnder et juk brocht. In irthas wand
+wrdon hja j&acirc;gath vmbe m&ecirc;tal to delvane &aring;nd ut-a herde
+bergum moston hja h&ucirc;sa h&acirc;wa to forst &aring;nd presterums
+h&ecirc;m. Bi al hwat hja d&ecirc;don, th&ecirc;r nas nawet to
+f&acirc;ra hjara selva, men ella moste thjanja vmbe tha forsta
+&aring;nd prestera jeta riker &aring;nd weldiger to m&acirc;kjane hjara
+selva to s&aring;dene. Vnder thesse arb&ecirc;d wrdon hja <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3278" href="#xd0e3278">184</a>]</span>gr&ecirc;v
+&aring;nd str&aring;m &ecirc;r hja j&ecirc;rich w&ecirc;ron, &aring;nd
+sturvon svnder n ochta afsk&ecirc;n irtha tham overflodlik fvl
+j&ecirc;f to b&acirc;ta al hjara bern. Men vsa britna k&ecirc;mon
+&aring;nd vsa b&acirc;nnalinga thrvch tha Twiskl&acirc;nda vr in hjara
+marka f&acirc;ra &aring;nd vsa stjurar k&ecirc;mon in hjara
+h&acirc;vna. Fon hjam h&ecirc;radon hja k&aring;lta vr &ecirc;lika
+frydom &aring;nd rjucht &aring;nd overa &ecirc;wa, hw&ecirc;r
+b&ucirc;ta nimman omme ne m&ecirc;i. Altham wrde vpsugon thrvch tha
+drova m&aring;nniska lik d&acirc;wa thrvch tha dorra fjelde. As hju fvl
+w&ecirc;ron bijonnon tha alderdrista m&aring;nniska to klippane mith
+hjara k&ecirc;dne, alsa-t tha forsta w&ecirc; d&ecirc;de. Tha forste
+send stolte &aring;nd wichandlik, th&ecirc;rvmbe is th&ecirc;r &acirc;k
+noch d&uuml;ged in hjara hirta, hja bir&ecirc;don et s&ecirc;mine
+&acirc;nd javon awet fon hjara overflodalikh&ecirc;d. Men tha
+l&aring;fa skin fr&acirc;na prestara ne machton th&aring;t navt ne
+lyda, emong hjara forsinde godum h&ecirc;don hja &acirc;k
+wrangwr&aring;da drochtne esk&ecirc;pen. Pest k&ecirc;m inovera
+l&acirc;nda. Nw s&ecirc;idon hja, tha drochtna send tornich overa
+overh&ecirc;richh&ecirc;d th&ecirc;ra bosa. Tha wrdon tha alderdrista
+m&aring;nniska mith hjara k&ecirc;dne wirgad. Irtha heth hjara blod
+dronken, mith th&aring;t blod fode hju fr&uuml;chda &aring;nd nochta,
+&aring;nd alle tham th&ecirc;r of &ecirc;ton wrdon wis.</p>
+
+<p>16 w&acirc;ra 100 j&ecirc;r l&ecirc;den<a class="noteref" id=
+"xd0e3282src" href="#xd0e3282">1</a> is Atland svnken, &aring;nd to
+th&ecirc;ra tidum b&ecirc;rade th&ecirc;r awat hw&ecirc;r vppa nimman
+r&ecirc;kned n&ecirc;de. In-t hirte fon Findas l&acirc;nd vppet berchta
+l&ecirc;id en del, th&ecirc;r is k&ecirc;then Kasamyr<a class="noteref"
+id="xd0e3285src" href="#xd0e3285">2</a>, thet is sjeldsum. Th&ecirc;r
+werth en bern ebern, sin m&aring;m w&ecirc;re thju toghater enis
+k&ecirc;ning &aring;nd sin t&acirc;t w&ecirc;re-n h&acirc;vedprester.
+Vmb sk&ocirc;m to vnkvma mosten hja hjara &aring;jen blod vnkvma.
+Th&ecirc;rvmbe w&aring;rth er b&ucirc;ta th&ecirc;re st&ecirc;de brocht
+bi &aring;rma m&aring;nniska. In twiska was-t im navt forh&ecirc;lad ne
+wrden, th&ecirc;r vmbe d&ecirc;d er ella vmbe wisdom to g&ecirc;tane
+&aring;nd g&acirc;rane. Sin forst&acirc;n w&ecirc;re s&acirc;
+gr&acirc;t th&aring;t er ella forst&acirc;nde hwat er s&acirc;
+&aring;nd h&ecirc;rade. Th&aring;t folk skowde him mit
+&ecirc;rb&ecirc;denese and tha prestera wr don ang vr sina fr&ecirc;ga.
+Th&aring;-r j&ecirc;rich wrde gvnger n&ecirc;i sinum <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3288" href="#xd0e3288">186</a>]</span>aldrum. Hja
+moston herda thinga h&ecirc;ra, vmb-im kwit to werthane javon hja him
+vrflod fon kestlika st&ecirc;num; men hja ne thvradon him navt
+avb&ecirc;r bik&acirc;nn&acirc; as hjara &aring;jne blod. Mith
+drovenese in vrdelven overa falxe sk&ocirc;m sinra aldrum gvng-er
+ommedw&acirc;la. Al forth f&acirc;rande m&ecirc;te hi en Fryas stjurar
+th&ecirc;r as sl&acirc;v thjanade, fon tham l&ecirc;rd-i vsa s&ecirc;d
+&aring;nd pl&ecirc;gum. Hi k&acirc;pade him fry, &aring;nd to ther
+d&acirc;d send hja frjunda bil&ecirc;wen. Alomme hw&ecirc;r er forth
+hinne t&acirc;ch, l&ecirc;rd-i an tha ljuda th&aring;t hja n&ecirc;ne
+rika ner prestera tol&ecirc;ta moston, th&aring;t hja hjara selva hode
+moston &aring;jen falxe sk&ocirc;m, ther allerw&ecirc;ikes kvad dvat an
+tha ljavde. Irtha s&ecirc;id-er sk&aring;nkath hjara j&ecirc;va
+n&ecirc;i m&ecirc;ta men hjara h&ucirc;d kl&acirc;wat, th&aring;t
+m&aring;n th&ecirc;rin &acirc;ch to delvane to &ecirc;rane &aring;nd to
+s&ecirc;jane, s&acirc; m&aring;n th&ecirc;rof sk&ecirc;ra wil. Thach
+s&ecirc;id-er nimman hovat thit to dvande fori ennen &ocirc;thera hit
+ne sy, th&aring;t et bi m&ecirc;ne wille jef ut ljavade sk&ecirc;d. Hi
+l&ecirc;rde th&aring;t nimman in hjara wand machte frota vmbe gold her
+silver ner kestlika st&ecirc;na, hw&ecirc;r nid an klywath &aring;nd
+ljavde fon fljuchth. Vmbe jow mangh&ecirc;rta &aring;nd wiva to
+sjarane, s&ecirc;id-er, j&ecirc;vath hjara rin str&acirc;ma
+&ecirc;noch. Nimman s&ecirc;id-er is weldich alle m&aring;nniska
+m&ecirc;trik &aring;nd &ecirc;lika luk to j&acirc;n. Tha th&aring;t it
+alra m&aring;nniska plicht vmbe tha m&aring;nniska alsa m&ecirc;trik to
+m&acirc;kjane &aring;nd sa f&ecirc;lo nocht to j&acirc;n, as to
+bin&acirc;ka is. N&ecirc;ne witskip seid-er ne m&ecirc;i m&aring;n
+minachtja, thach &ecirc;lika d&ecirc;la is tha gr&acirc;teste witskip,
+th&ecirc;r tid vs l&ecirc;ra m&ecirc;i. Th&ecirc;rvmbe th&aring;t hjv
+argenese fon irtha w&ecirc;rath &aring;nd ljavde feth.</p>
+
+<p>Sin forme n&ocirc;m w&ecirc;re Jes-us<a class="noteref" id=
+"xd0e3292src" href="#xd0e3292">3</a>, thach tha prestera th&ecirc;r-im
+s&ecirc;ralik h&aring;ton h&ecirc;ton him Fo th&aring;t is falx,
+th&aring;t folk h&ecirc;te him Kris-en th&aring;t is herder, &aring;nd
+sin Fryaske frjund h&ecirc;ta him B&ucirc;da, vmbe that hi in sin
+h&acirc;vad en sk&aring;t fon wisdom h&ecirc;de &aring;nd in sin hirt
+en sk&aring;t fon ljavde.</p>
+
+<p>To tha lersta most-er fluchta vr tha wr&ecirc;ka th&ecirc;ra
+prestera, men vral hw&ecirc;r er k&ecirc;m was sine l&ecirc;re him
+f&acirc;rut gvngen <span class="pagenum">[<a id="xd0e3297" href=
+"#xd0e3297">188</a>]</span>&aring;nd vral hw&ecirc;r-er gvng folgadon
+him sina l&ecirc;tha lik sine sk&acirc;de n&ecirc;i. Th&acirc; Jes-vs
+alsa twilif j&ecirc;r om f&acirc;ren h&ecirc;de, sturv-er, men sina
+frjunda w&acirc;radon sine l&ecirc;re &aring;nd k&ecirc;thon
+hw&ecirc;r-et &acirc;ron fvnde.</p>
+
+<p>Hwat m&ecirc;nst nw th&aring;t tha prestera d&ecirc;don, th&aring;t
+mot ik jo melde, &acirc;k mot-i th&ecirc;r s&ecirc;ralik acht vp
+j&acirc;n, forth mot-i over hjara bidryv &aring;nd renka w&acirc;ka
+mith alle kr&aring;ftum, th&ecirc;r Wralda in jo l&ecirc;id heth.
+Thahwila Jes-us l&ecirc;re vr irtha for, gvngon tha falxe prestera
+n&ecirc;i-t l&acirc;nd sinra berta sin d&acirc;d avb&ecirc;ra, hja
+s&ecirc;idon th&aring;t hja fon sinum frjundum w&ecirc;ron, hja
+b&ecirc;radon gr&acirc;te rowa, torennande hjara kl&acirc;thar to
+flardum &aring;nd to sk&ecirc;rande hjara hola k&acirc;l. Inna
+h&ocirc;la th&ecirc;ra berga gvngon hja h&ecirc;ma, thach th&ecirc;rin
+h&ecirc;don hja hjara sk&aring;t brocht, th&ecirc;r binna m&acirc;kadon
+hja byldon &aring;fter Jes-us, thessa byldon j&acirc;von hja antha
+vn&aring;rg th&aring;nkanda ljuda, to longa lersta s&ecirc;idon hja
+th&aring;t Jes-us en drochten w&ecirc;re, th&aring;t-i th&aring;t selva
+an hjam bil&ecirc;den h&ecirc;de, &aring;nd th&aring;t alle th&ecirc;r
+an him &aring;nd an sina l&ecirc;ra l&acirc;wa wilde, n&ecirc;imels in
+sin k&ecirc;ningkrik kvme skolde, hw&ecirc;r fr&uuml; is &aring;nd
+nochta send. Vrmites hja wiston th&aring;t Jes-us &aring;jen tha rika
+to fjelda t&acirc;gen h&ecirc;de, s&acirc; k&ecirc;thon hja
+allerw&ecirc;ikes, that &aring;rmode h&acirc; &aring;nd &ecirc;nfald
+s&acirc; thju d&uuml;re w&ecirc;re vmbe in sin rik to kvmane,
+th&aring;t th&ecirc;ra th&ecirc;r hyr vp irtha th&aring;t m&acirc;ste
+l&ecirc;den h&ecirc;de, n&ecirc;imels tha m&acirc;sta nochta h&aring;va
+skolde. Thahwila hja wiston th&aring;t Jes-us l&ecirc;rad h&ecirc;de
+th&aring;t m&aring;n sina tochta welda &aring;nd bistjura moste,
+s&acirc; l&ecirc;rdon hja th&aring;t m&aring;n alle sina tochta
+d&ecirc;ja moste, &aring;nd th&aring;t tha fvlkvminh&ecirc;d
+th&ecirc;ra m&aring;nniska th&ecirc;rin bistande th&aring;t er
+&ecirc;vin vnforstoren wrde s&acirc; th&aring;t kalde st&ecirc;n. Vmbe
+th&aring;t folk nw wis to m&acirc;kjande th&aring;t hja alsa
+d&ecirc;don, alsa b&ecirc;radon hja &aring;rmode overa str&ecirc;ta
+&aring;nd vmb forth to biwisane th&aring;t hja al hjara tochta
+d&acirc;d h&ecirc;de, n&acirc;mon hja n&ecirc;ne wiwa. Thach
+sahw&ecirc;rsa en toghater en misstap h&ecirc;de, s&acirc; w&aring;rth
+hja that ring forj&acirc;n, tha wrakka s&ecirc;idon hja most m&aring;n
+helpa and vmbe sin &aring;jn <span class="pagenum">[<a id="xd0e3301"
+href="#xd0e3301">190</a>]</span>s&ecirc;le to bihaldane most m&aring;n
+f&uuml;l anda cherke j&acirc;n. Thus todvande h&ecirc;de hja wiv
+&aring;nd bern svnder h&ucirc;shalden &aring;nd wrdon hja rik svnder
+werka, men that folk w&aring;rth f&uuml;l &aring;rmer &aring;nd
+m&acirc;r &ecirc;l&aring;ndich as &acirc; to f&acirc;ra. Thas
+l&ecirc;re hw&ecirc;rbi tha prestera n&ecirc;n &ocirc;re witskip hova
+as drochtlik r&ecirc;da, fr&acirc;na skin &aring;nd vnrjuchta
+pl&ecirc;ga, br&ecirc;d hiri selva ut fon-t &acirc;sta to-t westa
+&aring;nd skil &acirc;k vr vsa landa kvma.</p>
+
+<p>Men astha prestera skilun w&acirc;na, th&aring;t hja allet ljucht
+fon Frya &aring;nd fon Jes-us l&ecirc;re vtd&acirc;vath h&aring;va,
+s&acirc; skilum th&ecirc;r in alle vvrda m&aring;nniska vpstonda, tham
+w&ecirc;rh&ecirc;d in stilnise among ekkorum w&acirc;rath &aring;nd to
+f&acirc;ra tha prestera forborgen h&aring;ve. Thissa skilun w&ecirc;sa
+ut forsta blod, fon presterum blod, fon Sl&acirc;vonum blod, &aring;nd
+fon Fryas blod. Tham skilun hjara foddikum &aring;nd th&aring;t ljucht
+b&ucirc;ta bringa, s&acirc; th&aring;t allera m&aring;nnalik
+w&ecirc;rh&ecirc;d m&ecirc;i sjan; hja skilun w&ecirc; hropa overa
+d&ecirc;da th&ecirc;ra prestera &aring;nd forsta. Tha forsta th&ecirc;r
+w&ecirc;rh&ecirc;d minna &aring;nd rjucht tham skilun fon tha prestera
+wika, blod skil str&acirc;ma, men th&ecirc;rut skil-et folk nye
+kr&aring;fta g&acirc;ra. Findas folk skil sina findingrikh&ecirc;d to
+m&ecirc;na nitha wenda, th&aring;t Lydas folk sina kr&aring;fta
+&aring;nd wi vsa wisdom. Tha skilun tha falxa prestera w&ecirc;i
+f&acirc;gath wertha fon irtha. Wralda his g&acirc;st skil alomme
+&aring;nd allerw&ecirc;ikes &ecirc;rath &aring;nd bihropa wertha. Tha
+&ecirc;wa th&ecirc;r Wralda bi-t anfang in vs mod l&ecirc;ide, skilun
+all&ecirc;na h&ecirc;rad wertha, th&ecirc;r ne skilun n&ecirc;ne
+&ocirc;ra m&acirc;stera, noch forsta, ner b&acirc;sa navt n&ecirc;sa,
+as th&ecirc;ra th&ecirc;r bi m&ecirc;na wille k&ecirc;ren send.
+Th&aring;n skil Frya juwgja &aring;nd Irtha skil hira j&ecirc;va
+all&ecirc;na sk&aring;nka an tha werkande m&aring;nnisk. Altham skil
+anfanga fjuwer thusand j&ecirc;r n&ecirc;i Atland svnken is &aring;nd
+thusand j&ecirc;r l&ecirc;ter skil th&ecirc;r longer n&ecirc;n prester
+ner tvang vp irtha sa.</p>
+
+<p>Dela ton&ocirc;math Hell&ecirc;nja, w&acirc;k! <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3307" href="#xd0e3307">192</a>]</span></p>
+
+<p>S&acirc; l&ucirc;da Fr&acirc;nas &ucirc;troste wille. Alle welle
+Fryas held. An tha n&ocirc;me Wraldas, fon Frya, &aring;nd th&ecirc;re
+fryh&ecirc;d gr&ecirc;te ik jo, &aring;nd bidde jo, sahwersa ik falla
+machte &ecirc;r ik en folgster n&ocirc;math h&ecirc;de, s&acirc;
+bif&ecirc;l ik jo T&uuml;ntja th&ecirc;r Burchf&acirc;m is to
+th&ecirc;re burch M&ecirc;d&ecirc;asblik, til hjud d&ecirc;gum is hja
+tha besta.</p>
+
+<p>Thet heth G&ocirc;sa n&ecirc;i l&ecirc;ten. Alle m&aring;nniska
+held. Ik n&aring;v n&ecirc;ne &ecirc;remoder binomad thrvchdam ik
+n&ecirc;ne niste, &aring;nd et is jo b&ecirc;ter n&ecirc;ne Moder to
+h&aring;vande as &ecirc;ne hw&ecirc;r vp-i jo navt forl&ecirc;ta ne
+m&ecirc;i. Arge tid is forbi f&acirc;ren, men th&ecirc;r kvmt en
+&ocirc;there. Irtha heth hja navt ne b&aring;rad &aring;nd Wralda heth
+hja navt ne sk&ecirc;ren. Hju kvmt ut et &acirc;sta ut-a bosma
+th&ecirc;ra prestera w&ecirc;i. S&acirc; f&ecirc;lo l&ecirc;d skil hju
+broda, th&aring;t Irtha-t blod alg&acirc;dvr navt drinka ne k&aring;n
+fon hira vrsl&ecirc;jana bernum. Thjustrenesse skil hju in overne
+g&acirc;st th&ecirc;ra m&aring;nniska spr&ecirc;da, lik tongar-is wolka
+oviret svnneljucht. Alom &aring;nd allerw&ecirc;ikes skil lest
+&aring;nd drochten bidryf with fryh&ecirc;d k&acirc;mpa &aring;nd
+rjucht. Rjucht &aring;nd fryh&ecirc;d skilun swika &aring;nd wi mith
+tham. Men thesse winst skil hjara vrlias wrochta. Fon thrju worda
+skilun vsa &aring;fterkvmande an hjara ljuda &aring;nd sl&acirc;vona
+tha bithjutnesse l&ecirc;ra. Hja send m&ecirc;na ljavde, fryh&ecirc;d
+&aring;nd rjucht. Th&aring;t forma skilun hja glora,
+&aring;ftern&ecirc;i with thjustrenesse k&aring;mpa al ont et hel
+&aring;nd kl&aring;r in hjawlikes hirt &aring;nd holle w&aring;rth.
+Th&aring;n skil tvang fon irtha f&acirc;gad wertha, lik tongarswolka
+thrvch stornewind, &aring;nd alle drochten bidryv ne skil th&ecirc;r
+&aring;jen nawet navt ne form&uuml;ga. G&ocirc;sa. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3312" href="#xd0e3312">194</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3282src" id="xd0e3282">1</a></span> 2193 - 1600 = 593 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3285src" id="xd0e3285">2</a></span> Kasamyr, Kashmir.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3292src" id="xd0e3292">3</a></span> Jes-us, evenmin te verwarren
+met Jezus, als Krisen (Krishna) met Christus.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3314" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet skrift fon Koner&ecirc;d.</h2>
+
+<p>Min &ecirc;thla h&aring;von in &aring;fter thit bok skr&ecirc;ven.
+Thit wil ik boppa ella dva, vmbe th&aring;t er in min st&acirc;t
+n&ecirc;n burch ovir is, hw&ecirc;rin tha b&ecirc;rtnesa vp
+skr&ecirc;ven wrde lik to f&acirc;ra. Min n&ocirc;me is Koner&ecirc;d,
+min t&acirc;t-his n&ocirc;me was Fr&ecirc;thorik, min mem his
+n&ocirc;me Wiljow. After t&acirc;t his d&acirc;d ben ik to sina folgar
+k&ecirc;ren, &aring;nd tha-k fiftich j&ecirc;r t&aring;lde k&acirc;s
+men mij to vrste gr&ecirc;vetm&aring;n. Min t&acirc;t heth
+skr&ecirc;ven ho tha Linda-wrda &aring;nd tha Ljudg&acirc;rdne vrdilgen
+send. Lindah&ecirc;m is jeta w&ecirc;i, tha Linda-wrda far en
+d&ecirc;l, tha northlikka Ljudg&acirc;rdne send thrvch thene salta
+s&ecirc; bidelven. That br&ucirc;wsende hef slikt an tha hringdik
+th&ecirc;re burch. Lik t&acirc;t melth heth, s&acirc; send tha
+h&acirc;val&acirc;sa m&aring;nniska to gvngen &aring;nd h&acirc;von
+h&ucirc;skes bvwad binna tha hringdik th&ecirc;ra burch. Th&ecirc;rvmbe
+is th&aring;t rondd&ecirc;l nw Ljvdwerd h&ecirc;ten. Tha stjurar segath
+Ljvwrd, men th&aring;t is wanspr&ecirc;ke. Bi mina j&uuml;ged was-t
+&ocirc;re l&acirc;nd, th&aring;t b&ucirc;ta tha hringdik l&ecirc;id, al
+pol &aring;nd brok. Men Fryas folk is diger &aring;nd flitich, hja
+wrdon mod ner wirg, thrvchdam hjara dol to tha besta l&ecirc;ide.
+Thrvch sl&acirc;ta to delvane &aring;nd k&acirc;dika to m&acirc;kjane
+fon tha grvnd th&ecirc;r &ucirc;t-a sl&acirc;ta k&ecirc;m, alsa
+h&aring;von wi wither en gode h&ecirc;m b&ucirc;ta tha hringdik,
+th&ecirc;r thju d&acirc;nte het fon en hof, thr&ecirc; p&ecirc;la
+&acirc;stwarth, thr&ecirc; p&ecirc;la s&ucirc;dwarth &aring;nd
+thr&ecirc; p&ecirc;la w&ecirc;stwarth m&ecirc;ten. Hjud d&ecirc;gum
+send wi to dvande &aring;-p&ecirc;la to h&ecirc;jande, vmb &ecirc;ne
+h&acirc;ve to winnande &aring;nd mith &ecirc;n vmb-vsa hringdik to
+biskirmande. Jef et werk r&ecirc;d sy, s&acirc; skilun wi stjurar
+utlvka. Bi min j&uuml;ged stand-et hyr bj&ucirc;stre om-to, men hjud
+send tha h&ucirc;skes <span class="pagenum">[<a id="xd0e3319" href=
+"#xd0e3319">196</a>]</span>al h&ucirc;sa th&ecirc;r an r&ecirc;ja
+st&acirc;n. And lek &aring;nd brek th&ecirc;r mith ermode hir in glupt
+w&ecirc;ron, send thrvch flit a-buta dr&ecirc;ven. Fon hir ut m&ecirc;i
+allera m&aring;nnalik l&ecirc;ra, th&aring;t Wr.alda vsa Alfoder, al
+sina skepsela fot, mits th&aring;t hja mod halde &aring;nd m&aring;nlik
+&ocirc;therum helpa wille.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e3321" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nv wil ik vr Friso skriva.</h2>
+
+<p>Friso th&ecirc;r al weldich w&ecirc;re thrvch sin ljud, w&aring;rth
+&acirc;k to vrste gr&ecirc;ve k&ecirc;ren thrvch Staverens ommelandar.
+Hi spot mith vsa wisa fon l&acirc;nd-w&ecirc;r &aring;nd
+s&ecirc;k&aring;mpa, th&ecirc;rvmbe heth-er en skol stift hw&ecirc;r in
+tha kn&acirc;pa fjuchta l&ecirc;ra n&ecirc;i Kr&ecirc;kalandar wysa.
+Th&aring;n ik l&acirc;v th&aring;t i th&aring;t d&ecirc;n heth vmb
+th&aring;t jongk-folk an sin sn&ocirc;r to bindane. Ik h&aring;v min
+brother th&ecirc;r &acirc;k hin skikt, tha-s nv thjan j&ecirc;r
+l&ecirc;den. Hwand tocht ik nv wi n&ecirc;ne Moder l&ocirc;nger navt
+n&aring;ve, vmbe tha &ecirc;nen &aring;jen tha &ocirc;re to bi
+skirmande, &acirc;ch ik dubbel to w&acirc;kane th&aring;t hi vs
+n&ecirc;n m&acirc;ster ne w&aring;rth.</p>
+
+<p>Gosa neth vs n&ecirc;ne folgstere n&ocirc;meth, th&ecirc;r vr nil ik
+n&ecirc;n ord&ecirc;l ne fella, men th&ecirc;r send jeta alda &aring;rg
+thenkande m&aring;nniska, th&ecirc;r m&ecirc;ne th&aring;t hju-t
+th&ecirc;r-vr mith Friso &ecirc;nis wrden is. Th&acirc; Gosa fallen
+was, th&acirc; wildon tha ljud fon alle wrda &ecirc;ne &ocirc;there
+Moder kjasa. Men Friso th&ecirc;r to dvande w&ecirc;re vmb-en rik to
+fara him selva to m&acirc;kjane, Friso ne g&ecirc;rde n&ecirc;n
+r&ecirc;d ner bodo fon Texland. As tha bodon th&ecirc;ra
+Lands&acirc;tum to him k&ecirc;mon, sprek-i &aring;nde k&ecirc;th. Gosa
+s&ecirc;id-er was f&ecirc;rsjande w&ecirc;st &aring;nd wiser as alle
+gr&ecirc;va &ecirc;ts&ecirc;mne &aring;nd thach n&ecirc;de hju
+n&ecirc;n ljucht n&ecirc;r kl&acirc;rh&ecirc;d in thjuse s&ecirc;ke ne
+fvnden, th&ecirc;rvmbe n&ecirc;de hju n&ecirc;ne mod h&acirc;n vmb
+&ecirc;ne folgstere to kjasane, &aring;nd vmb &ecirc;ne folgstere to
+kjasane th&ecirc;r tvyvelik w&ecirc;re, th&ecirc;r heth hju bald in
+sjan, th&ecirc;rvmbe heth hju in hjara &ucirc;troste wille
+skr&ecirc;ven, th&aring;t is jow b&ecirc;tre n&ecirc;ne Moder to
+h&aring;vande as &ecirc;ne hw&ecirc;r vpp-i jo selva navt forl&ecirc;ta
+ne m&ecirc;i. Friso h&ecirc;de f&uuml;l sjan, bi orloch was er
+vpbrocht, &aring;nd fon <span class="pagenum">[<a id="xd0e3328" href=
+"#xd0e3328">198</a>]</span>tha hrenkum &aring;nd lestum th&ecirc;ra
+Golum &aring;nd forstum h&ecirc;der krek sa f&uuml;l l&ecirc;red
+&aring;nd geth, as-er n&ecirc;dich h&ecirc;de vmbe tha &ocirc;ra
+gr&ecirc;va to w&ecirc;iande hw&ecirc;r hi hjam wilde. Sjan hir ho-r
+th&ecirc;rmith to gvngen is.</p>
+
+<p>Friso h&ecirc;de hir-ne &ocirc;ther wif nimth, thju toghater fon
+Wil-fr&ecirc;the, bi sin l&ecirc;ve was-er vrste Gr&ecirc;va to
+Staveren w&ecirc;st. Th&ecirc;r bi h&ecirc;der tw&ecirc;n svna wnnen
+&aring;nd twa toghatera. Thrvch sin bil&ecirc;id is Korn&ecirc;lja sin
+jongste toghater mith min brother mant. Korn&ecirc;lja is wan Fryas and
+mot Kornh&ecirc;lja skr&ecirc;ven wrde. W&ecirc;mod sin aldeste heth er
+an Kavch bonden. Kavch th&ecirc;r &acirc;k bi him to skole gvng is thi
+svnv fon Wichhirte thene G&ecirc;rtmanna k&aring;ning. Men Kavch is
+&acirc;k wan Fryas &aring;nd mot K&acirc;p w&ecirc;sa. Men kvade
+t&acirc;le h&aring;von hja mar mithbrocht as gode s&ecirc;da.</p>
+
+<p>Nw mot ik mith mine sk&ecirc;dnese a-befta k&ecirc;ra.</p>
+
+<p>Aftre gr&acirc;te flod hw&ecirc;r vr min t&acirc;t skr&ecirc;ven
+heth, w&ecirc;ron f&ecirc;lo Juttar &aring;nd L&ecirc;tne mith ebbe uta
+Balda jefta kvade s&ecirc;<a class="noteref" id="xd0e3336src" href=
+"#xd0e3336">1</a> fored. Bi K&acirc;t his gat dr&ecirc;von hja in hjara
+k&acirc;na mith yse vppa tha D&ecirc;nemarka f&aring;st &aring;nd
+th&ecirc;r vp send hja sitten bil&ecirc;wen. Th&ecirc;r n&ecirc;ron
+narne n&ecirc;n m&aring;nniska an-t sjocht. Th&ecirc;rvmbe h&aring;von
+hja th&aring;t l&acirc;nd int, n&ecirc;i hjara n&ocirc;me h&aring;von
+hja th&aring;t land Juttarland h&ecirc;ten. Aftern&ecirc;i k&ecirc;mon
+wel f&ecirc;lo Denemarker to bek fon tha h&acirc;ga landum, men thissa
+setton hjara selva s&ucirc;dliker del. And as tha stjurar to bek
+k&ecirc;mon th&ecirc;r navt vrgvngen navt n&ecirc;ron, gvng thi
+&ecirc;na mith tha &ocirc;thera nei tha s&ecirc; jefta &ecirc;landum.<a
+class="noteref" id="xd0e3339src" href="#xd0e3339">2</a> Thrvch thisse
+skikking mochton tha Juttar th&aring;t land halda, hw&ecirc;r-vppa
+Wr.alda ra w&ecirc;jad h&ecirc;de. Tha S&ecirc;landar stjurar tham
+hjara selva mith bl&acirc;te fisk navt helpa ner n&ecirc;ra nilde,
+&aring;nd th&ecirc;r en &aring;rge grins h&ecirc;de an tha Gola, tham
+gvngon d&acirc;na tha Phonisjar sk&ecirc;pa bir&acirc;wa. An tha
+s&ucirc;dwester herne fon Sk&ecirc;nland, th&ecirc;r l&ecirc;id
+Lindasburcht ton&ocirc;math Lindasn&ocirc;se, thrvch vsa Apol stift,
+alsa in thit bok<a class="noteref" id="xd0e3342src" href=
+"#xd0e3342">3</a> biskr&ecirc;wen st&acirc;t. Alle k&acirc;dh&ecirc;mar
+&aring;nd <span class="pagenum">[<a id="xd0e3345" href=
+"#xd0e3345">200</a>]</span>ommelandar d&acirc;na w&ecirc;ron eft Fryas
+bil&ecirc;ven, men thrvch tha lust th&ecirc;re wr&ecirc;ke &aring;jen
+tha Golum &aring;nd &aring;jen tha K&aring;ltana folgar gvngon hja
+mitha S&ecirc;landar s&acirc;ma dvan, men that s&acirc;ma dva neth nen
+stek navt ne halden. Hwand tha S&ecirc;landar h&ecirc;de felo mislika
+pl&ecirc;ga &aring;nd wenh&ecirc;de ovir nommen fon tha vvla
+M&acirc;gjarum, Fryas folk to-n spot. Forth gvng ek to fara him selva
+r&acirc;wa, thach jef et to pase k&ecirc;m th&aring;n standon hja
+m&aring;nlik &ocirc;therum trvlik by. Thach to tha lesta bijondon tha
+S&ecirc;landar brek to kr&ecirc;jande an goda sk&ecirc;pa. Hjara
+skipm&acirc;kar weron omkvmen &aring;nd hjara walda w&ecirc;ron mith
+grvnd &aring;nd al fon-t land of f&acirc;ged. Nw k&ecirc;mon th&ecirc;r
+vnwarlingen thry sk&ecirc;pa by tha ringdik fon vsa burch m&ecirc;ra.
+Thrvch tha inbr&ecirc;ka vsra landum w&ecirc;ron hja vrdvaled &aring;nd
+tha Flymvda misfaren. Thi k&acirc;pmon th&ecirc;r mith gvngen was,
+wilde fon vs nya sk&ecirc;pa h&aring;, th&ecirc;rto h&ecirc;don hja
+mithbrocht allerl&ecirc;ja kestlika w&ecirc;ra, th&ecirc;r hja
+r&acirc;wed h&ecirc;don fon tha K&aring;ltanarlandum &aring;nd fon tha
+Phonisjar<a class="noteref" id="xd0e3347src" href="#xd0e3347">4</a>
+sk&ecirc;pum. N&ecirc;idam wy selva n&ecirc;ne sk&ecirc;pa navt
+n-&ecirc;de, j&ecirc;f ik hjam flingka horsa &aring;nd fjvwer
+w&ecirc;pende rinbodon mith nei Friso. Hwand to St&acirc;veren
+&aring;nd allingen th&aring;t Alderg&acirc; th&ecirc;r wrdon tha besta
+w&ecirc;rsk&ecirc;pa maked fon herde &ecirc;ken wod th&ecirc;r
+nimmerthe n&ecirc;n rot an ne kvmth. Thahwila tha s&ecirc;kampar by my
+byde, w&ecirc;ron svme Juttar n&ecirc;i Texland f&acirc;ren &aring;nd
+d&acirc;n&acirc; w&ecirc;ron hja n&ecirc;i Friso w&ecirc;sen. Tha
+S&ecirc;landar h&ecirc;don felo fon hjara storeste kn&acirc;pum
+r&acirc;wed, thi moston vppa hjara benka roja, &aring;nd fon hjara
+storeste toghtera vmb th&ecirc;r by bern to t&ecirc;jande. Tha stora
+Juttar ne mochton et navt to w&ecirc;rane, thrvchdam hja n&ecirc;ne
+gode w&ecirc;pne navt n&ecirc;de. Th&acirc; hja hjara l&ecirc;th telad
+h&ecirc;de &aring;nd th&ecirc;rvr f&ecirc;lo wordon wixlad w&ecirc;ron,
+fr&ecirc;je Friso to tha lesta jef hja n&ecirc;ne gode have in hjara
+g&acirc; navt n-&ecirc;de. O-jes, anderon hja, &ecirc;ne besta
+&ecirc;n, &ecirc;ne thrvch Wr.alda sk&ecirc;pen. Hju is net krek lik
+jow bjarkr&ucirc;k th&ecirc;r, hira hals is eng, th&acirc; in hira
+b&aring;lg k&aring;nnath wel thvsanda gr&acirc;te k&acirc;na lidsa, men
+wi n&acirc;vath n&ecirc;na burch ner burchw&ecirc;pne, vmbe tha
+r&acirc;wsk&ecirc;pa th&ecirc;r ut <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3350" href="#xd0e3350">202</a>]</span>to haldane. Th&aring;n
+mosten jow gvnst m&acirc;kja s&ecirc;ide Friso. God r&ecirc;den anderon
+tha Juttar, men wi n-&aring;vath n&ecirc;ne ambachtisljud ner bvwark,
+wi alle send fiskar &aring;nd juttar. Tha ora send vrdrvnken jefta
+n&ecirc;i tha h&acirc;ga landum fljucht. Midlar hwila hja thus
+k&aring;lta, k&ecirc;mon mina bodon mitha S&ecirc;l&acirc;ndar
+h&ecirc;ra et sina hove. Hir most nw letta ho Friso alle to bidobbe
+wiste to nocht fon b&ecirc;de partja &aring;nd to b&acirc;te fon sin
+&aring;jn dol. Tha S&ecirc;landar s&ecirc;ider to, hja skoldon
+j&ecirc;rlikes fiftech sk&ecirc;pa h&aring;ve, n&ecirc;i f&aring;sta
+m&ecirc;tum &aring;nd n&ecirc;i f&aring;sta jeldum, to hr&ecirc;d mith
+ysere k&ecirc;dne &aring;nd kr&acirc;nbogum &aring;nd mith fvlle tjuch
+alsa far w&ecirc;rsk&ecirc;pa hof &aring;nd n&ecirc;dlik sy, men tha
+Juttar skoldon hja th&aring;n mith fr&ecirc;the l&ecirc;ta, &aring;nd
+all-et folk th&aring;t to Fryasbern h&ecirc;red. J&acirc; hi wilde mar
+dva, hi wilde al vsa s&ecirc;k&aring;mpar utn&ecirc;da th&aring;t hja
+skolde mith fjuchta &aring;nd r&acirc;wa. Th&acirc; tha S&ecirc;landar
+w&ecirc;i brit w&ecirc;ron, th&acirc; l&ecirc;t er fjuwertich alda
+sk&ecirc;pa to laja mith burchw&ecirc;pne, wod, hirbaken st&ecirc;n,
+timberljud, mirtsel&ecirc;ra &aring;nd sm&ecirc;da vmbe th&ecirc;r mith
+burga to bvwande. Witto, that is witte sin svn, sand hi mith vmb to to
+sjanande. Hwat th&ecirc;r al f&acirc;r fallen is, n-is my navt ni meld,
+men sa f&uuml;l is mi b&acirc;r wrden, an byde sida th&ecirc;re haves
+mvde is &ecirc;ne withburch bvwed, th&ecirc;r in is folk l&ecirc;id
+that Friso uta Saxanamarka t&acirc;ch. Witto heth Sjuchthirte
+bifr&ecirc;jad &aring;nd to sin wiv nomen. Wilhem alsa h&ecirc;te hira
+tat, hi was vreste Alderm&aring;n th&ecirc;ra Juttar, that is vrste
+Gr&ecirc;vetman jefta Gr&ecirc;ve. Wilhem is kirt after sturven
+&aring;nd Witto is in sin st&ecirc;d koren.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3336src" id="xd0e3336">1</a></span> Balda jefta kvada s&ecirc;,
+de Baltische zee. Juttarland, Jutland.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3339src" id="xd0e3339">2</a></span> Zeeland, de Deensche
+Eilanden.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3342src" id="xd0e3342">3</a></span> Zie bl. 124.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3347src" id="xd0e3347">4</a></span> Phonisiar, hier Puniers,
+Carthagers.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3352" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ho Friso forther d&ecirc;de.</h2>
+
+<p>Fon sin &ecirc;rosta wif h&ecirc;der tw&ecirc;n sviaringa bihalda,
+th&ecirc;r s&ecirc;r klok w&ecirc;ron. Hetto, that is h&ecirc;te, thene
+jongste skikt er as <span class="pagenum">[<a id="xd0e3357" href=
+"#xd0e3357">204</a>]</span>senda boda n&ecirc;i Kattaburch th&aring;t
+djap inna Saxanamarka l&ecirc;id. Hi h&ecirc;de fon Friso mith
+kr&ecirc;jen sjugon horsa buta sin &aring;jn, to l&ecirc;den mith
+kestlika s&ecirc;kum, thrvch tha s&ecirc;k&aring;mpar r&acirc;wed. Bi
+jahweder hors w&ecirc;ron tw&ecirc;n jonga s&ecirc;k&aring;mpar
+&aring;nd tw&ecirc;n jonga hrutar mith rika kl&acirc;darum kl&acirc;th
+&aring;nd jeld in hiara b&ucirc;dar. &Ecirc;vin as er Hetto n&ecirc;i
+Kattaburch skikte, skikter Bruno, th&aring;t is br&ucirc;ne, thene
+&ocirc;thera svjaring n&ecirc;i Mannag&aring;rda wrda, Mannag&aring;rda
+wrda is f&acirc;r in thit bok<a class="noteref" id="xd0e3359src" href=
+"#xd0e3359">1</a> Mannag&aring;rda forda skr&ecirc;ven, men th&acirc;t
+is misd&ecirc;n. Alle rikdoma th&ecirc;r hja mith hede wrdon n&ecirc;i
+omstand w&ecirc;i sk&aring;nkt an tha forsta and forstene &aring;nd an
+tha utfork&ecirc;rne mang&ecirc;rtne. K&ecirc;mon th&acirc; sine knapa
+vppa th&ecirc;re m&ecirc;id vmbe th&ecirc;r mith et jongkfolk to
+d&ocirc;nsjane, sa l&ecirc;ton hja kvra mith kr&ucirc;dkok kvma
+&aring;nd b&aring;rgum jeftha tonnum fon tha besta bjar. After thissa
+bodon l&ecirc;t-er immer jongkfolk over tha Saxanarmarka f&acirc;ra,
+th&ecirc;r alle jeld inna budar h&ecirc;de &aring;nd alle m&ecirc;ida
+jeftha sk&aring;nkadja mith brochton, &aring;nd vppa th&ecirc;re
+m&ecirc;id t&ecirc;radon hja alon vnkvmmerlik w&ecirc;i. Jef-t nv
+b&ecirc;rde th&aring;t tha Saxana kn&acirc;pa th&ecirc;r nydich
+n&ecirc;i uts&acirc;gon, th&aring;n lakton hja godlik &aring;nd
+s&ecirc;idon, aste thvrath thene m&ecirc;na fyand to bik&aring;mpane,
+s&acirc; k&aring;nst thin br&ecirc;id jet f&uuml;l riker m&ecirc;ida
+j&acirc;n &aring;nd jet forstelik t&ecirc;ra. Al b&ecirc;da sviaringa
+fon Friso send bostigjad mith toghaterum th&ecirc;ra romriksta forstum,
+&aring;nd &aring;fkern&ecirc;i k&ecirc;mon tha Saxanar kn&acirc;pa
+&aring;nd mang&ecirc;rtne by &ecirc;lle keddum n&ecirc;i th&aring;t
+Flymar del.</p>
+
+<p>Tha burchf&acirc;mna &aring;nd tha alda f&acirc;mna th&ecirc;r jeta
+fon hjar &ecirc;re gr&acirc;th&ecirc;d wiste, nygadon navt vr n&ecirc;i
+Frisos bedriv, th&ecirc;rvmbe ne k&ecirc;thon hja n&ecirc;n god fon
+him. Men Friso sn&ocirc;der as hja l&ecirc;t-ra sn&acirc;ka. Men tha
+jonga f&acirc;mna sp&ocirc;nd-er mith goldne fingrum an sina s&ecirc;k.
+Hja s&ecirc;idon alomme wy n&aring;vath longer n&ecirc;n Moder
+m&acirc;r, men th&aring;t kvmth d&acirc;na th&aring;t wit j&ecirc;roch
+send. Jvd past vs ne k&acirc;ning, til thju wi vsa landa wither winna,
+th&ecirc;r tha Modera vrl&ecirc;ren h&aring;ve thrvch hjara <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3367" href=
+"#xd0e3367">206</a>]</span>vndigerh&ecirc;d. Forth k&ecirc;thon hja,
+alrek Fryasbern is frydom j&ecirc;ven, sin stem h&ecirc;ra to
+l&ecirc;tane bi fara th&ecirc;r bisloten w&aring;rth bi t kjasa
+&ecirc;nre forste, men ast alsa wyd kvma machte th&aring;t i jo wither
+ne k&aring;ning kjasa, s&acirc; wil ik &acirc;k min m&ecirc;ne segse.
+N&ecirc;i al hwat ik skoja m&ecirc;i, s&acirc; is Friso th&ecirc;r to
+thrvch Wr.alda k&ecirc;ren, hwand hi heth im wonderlik hir hinne
+w&ecirc;iad. Friso w&ecirc;t tha hrenka th&ecirc;ra Golum, hwam his
+t&acirc;le hi spr&ecirc;kt, hi k&aring;n thus &aring;jen hjara lestum
+w&acirc;ka. Th&aring;n is th&ecirc;r jeta awet to skojande, hok
+Gr&ecirc;va skolde m&aring;n to k&aring;ning kjasa svnder that tha
+&ocirc;ra th&ecirc;r nidich vr w&ecirc;ron. Aldulkera t&acirc;lum
+w&aring;rth thrvch tha jonga f&acirc;mnn kethen, men tha alde
+f&acirc;mma afsk&ecirc;n f&ecirc; an tal, tapadon hjara r&ecirc;dne ut
+en &ocirc;thera b&aring;rg. Hja k&ecirc;thon allerw&ecirc;ikes
+&aring;nd to alla mannalik: Friso k&ecirc;thon hja dvath s&acirc; tha
+spinna dvan, thes nachtis sp&ocirc;nth-i netta n&ecirc;i alle sidum
+&aring;nd thes d&ecirc;is vrskalkth-i th&ecirc;r sina
+vn&aring;ftertochtlika frjunda in. Friso s&ecirc;ith that-er n&ecirc;ne
+prestera ner poppa forsta lyde ne m&ecirc;i, men ik seg, hi ne
+m&ecirc;i nimman lyda as him selva. Th&ecirc;rvmbe nil hi navt ne
+d&acirc;ja th&aring;t thju burch Stavia wither vp h&ecirc;jath warth.
+Th&ecirc;rvmbe wil hi n&ecirc;ne Moder w&ecirc;r h&acirc;. Jud is Friso
+jow r&ecirc;d j&ecirc;var, men morne wil hi jow k&aring;ning wertha,
+til thju hi over jo alle rjuchta mei. Inna bosm thes folk-is antstondon
+nw twa partyja. Tha alda &aring;nd &aring;rma wildon wither &ecirc;ne
+Moder h&acirc;, men th&aring;t jongkfolk, th&aring;t fvl
+str&ecirc;dlust w&ecirc;re wilde ne t&acirc;t jeftha k&aring;ning
+h&acirc;. Tha &ecirc;rosta h&ecirc;ton hjara selva moder his svna
+&aring;nd tha &ocirc;thera h&ecirc;ton hjara selva t&acirc;t his svna,
+men tha Moder his svna ne wrde wrde navt ni meld, hwand thrvchdam
+th&ecirc;r f&ecirc;lo sk&ecirc;pa m&acirc;ked wrde, was th&ecirc;r
+ovirflod to f&acirc;ra skipm&acirc;kar, sm&ecirc;da, sylm&acirc;kar,
+r&ecirc;pm&acirc;kar &aring;nd to f&acirc;ra alle &ocirc;ra
+ambachtisljud. Th&ecirc;r to boppa brochton tha s&ecirc;k&aring;mpar
+allerl&ecirc;ja syrh&ecirc;da mith. Th&ecirc;r fon h&ecirc;don tha wiva
+nocht, tha f&acirc;mna nocht, tha mang&ecirc;rtne nocht, &aring;nd
+th&ecirc;rof h&ecirc;don al hjara m&ecirc;gum nocht &aring;nd al hjara
+frjundum &aring;nd &acirc;thum. <span class="pagenum">[<a id="xd0e3372"
+href="#xd0e3372">208</a>]</span></p>
+
+<p>Tha Friso bi fjuwertich j&ecirc;r et St&acirc;veren hushalden
+h&ecirc;de sturf-er.<a class="noteref" id="xd0e3375src" href=
+"#xd0e3375">2</a> Thrvch sin bijelda h&ecirc;de-r f&ecirc;lo
+st&acirc;ta wither to manlik &ocirc;therum brocht, thach jef wi
+th&ecirc;r thrvch b&ecirc;ter wrde thvr ik navt bijechta. Fon alle
+Gr&ecirc;va th&ecirc;r bif&acirc;ra him w&ecirc;ron n-as th&ecirc;r
+nimman s&acirc; bif&acirc;med lik Friso w&ecirc;st. Tha s&acirc; as-k
+&ecirc;r s&ecirc;ide, tha jonge f&acirc;mna k&ecirc;thon sina love,
+thahwila tha alda f&acirc;mna ella d&ecirc;don vmb-im to achtjane
+&aring;nd h&acirc;tlik to m&acirc;kjane bi alle m&aring;nniska. Nw ne
+machton tha alda f&acirc;mna him th&ecirc;r mitha wel navt ne
+st&ocirc;ra in sina bijeldinga, men hja h&aring;von mith hjara
+b&acirc;ra thach alsa f&uuml;l utrjucht th&aring;t-er sturven is svnder
+th&aring;t er k&aring;ning w&ecirc;re.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3359src" id="xd0e3359">1</a></span> Zie bl. 11.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3375src" id="xd0e3375">2</a></span> 263 v. Chr.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3378" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nw wil ik skriwa vr Adel sin svnv.</h2>
+
+<p>Friso th&ecirc;r vsa skidnese l&ecirc;red h&ecirc;de ut-et bok
+th&ecirc;ra Adellinga, h&ecirc;de ella d&ecirc;n vmbe hjara frjundskip
+to winnande. Sin &ecirc;roste svnv th&ecirc;r hi hir won by
+Sw&ecirc;thirte sin wif, heth-er bi stonda Adel h&ecirc;ten. And
+afsk&ecirc;n hi k&aring;mpade mith alle sin weld, vmbe n&ecirc;ne burga
+to forst&aring;lane ner wither vp to bvwande, thach sand hi Adel
+n&ecirc;i th&ecirc;re burch et Texland til thju hi diger bi diger kvd
+wertha machta, mith ella hwat to vsa &ecirc;wa, t&acirc;le &aring;nd
+sedum h&ecirc;reth. Tha Adel twintich j&ecirc;r t&aring;lde l&ecirc;t
+Friso him to sin &aring;jn skol kvma, &aring;nd as er th&ecirc;r
+utl&ecirc;red was, l&ecirc;t-er him thrvch ovir alle st&acirc;ta
+f&acirc;ra. Adel was-ne minlika skalk, bi sin f&acirc;ra heth-er
+f&ecirc;lo &acirc;tha wnnen. D&acirc;na is-t kvmen th&aring;t et folk
+him Atha-rik h&ecirc;ten heth, awet hwat him &aring;ftern&ecirc;i sa
+wel to pase k&ecirc;m, hwand as sin t&acirc;t fallen was, bil&ecirc;v
+er in sin st&ecirc;d svnder that er vr-et kjasa &ecirc;ner &ocirc;thera
+Gr&ecirc;va spr&ecirc;ka k&ecirc;m.</p>
+
+<p>Thahwila Adel to Texland inna l&ecirc;re w&ecirc;re, was th&ecirc;r
+tefta en &ecirc;lle ljawe f&acirc;m in vpper burch. Hju k&ecirc;m fon
+ut tha Saxanamarkum w&ecirc;i, fon ut-&ecirc;re st&acirc;tha th&ecirc;r
+is k&ecirc;then Sv&ocirc;baland th&ecirc;r thrvch w&aring;rth hju to
+Texland Sv&ocirc;bene<a class="noteref" id="xd0e3385src" href=
+"#xd0e3385">1</a> h&ecirc;ten, afsk&ecirc;n <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e3388" href="#xd0e3388">210</a>]</span>hjra n&ocirc;me Ifkja
+w&ecirc;re. Adel h&ecirc;de hja ljaf kr&ecirc;jen &aring;nd hju
+h&ecirc;de Adel ljaf, men sin t&aring;t b&ecirc;d-im hi skolde jet
+wachtja. Adel was h&ecirc;rich, men alsa ring sin t&acirc;t fallen was
+&aring;nd hi s&ecirc;ten, sand hi bistonda bodon nei Berth-holda hira
+t&acirc;t hin, as-er sine toghter to wif h&aring;va machte. Bertholda
+w&ecirc;r-ne forste fon vnforbastere s&ecirc;d, hi h&ecirc;de Ifkja
+n&ecirc;i Texland inna l&ecirc;re svnden inner h&acirc;pe that hja
+&ecirc;nis to burchf&acirc;m k&ecirc;re wrde skolde in sine &aring;jn
+land. Thach hi h&ecirc;de hjara b&ecirc;der g&ecirc;rte k&aring;nna
+l&ecirc;red, th&ecirc;rvmbe gvng-er to &aring;nd jef hjam sina
+s&ecirc;jen. Ifkja w&ecirc;r-ne kante Fryas. Far sa f&ecirc;re ik hja
+h&aring;v k&aring;nna l&ecirc;red, heth hju al&ocirc;n wrocht &aring;nd
+wrot til thju Fryasbern wither kvma machte vndera selva &ecirc;wa
+&aring;nd vnder &ecirc;nen b&ocirc;n. Vmbe tha m&aring;nniska vppa hira
+syd to kr&ecirc;jande, was hju mith hira frjudelf fon of hira t&acirc;t
+thrvch alle Saxanamarka f&acirc;ren and forth n&ecirc;i
+G&ecirc;rtm&aring;nnja. G&ecirc;rtmannja alsa h&ecirc;don tha
+G&ecirc;rtmanna hjara st&acirc;t h&ecirc;ten, th&ecirc;r hja thrvch
+Gosa hira bijeldinga kr&ecirc;jen h&ecirc;de. D&acirc;na gvngen hja nei
+tha D&ecirc;nemarka. Fon tha D&ecirc;nemarka gvngon hja skip nei
+Texland. Fon Texland gvngon hja n&ecirc;i Westflyland en sa allingen
+tha s&ecirc; n&ecirc;i Walhallag&acirc;ra hin. Fon Walhallag&acirc;ra
+br&ucirc;don hja allingen th&ecirc;ra s&ucirc;der Hr&ecirc;num al ont
+hja mith gr&acirc;ta fr&ecirc;se boppa th&ecirc;re R&ecirc;ne bi tha
+Mars&acirc;ta k&ecirc;mon<a class="noteref" id="xd0e3393src" href=
+"#xd0e3393">2</a> hw&ecirc;rfon vsa Apoll&acirc;nja skr&ecirc;ven heth.
+Tho hja th&ecirc;r en st&ucirc;t w&ecirc;st h&ecirc;de, gvngon hja
+wither n&ecirc;i tha delta<a class="noteref" id="xd0e3396src" href=
+"#xd0e3396">3</a><span class="corr" id="xd0e3398" title="Niet in
+bron">.</span> As hja nw en tid l&ocirc;ng n&ecirc;i tha delta
+off&acirc;ren w&ecirc;ron al ont hja inna str&ecirc;k fon th&ecirc;re
+alda burch Aken<a class="noteref" id="xd0e3401src" href=
+"#xd0e3401">4</a> k&ecirc;mon, sind th&ecirc;r vnwarlinga fjuwer skalka
+morth and naked utekl&acirc;t. Hja w&ecirc;ron en lith &aring;fter an
+kvmen. Min brother th&ecirc;r vral by was h&ecirc;de hja often
+vrb&ecirc;den, thach hja n&ecirc;de navt ne h&ecirc;red. Tha
+b&ocirc;nar th&ecirc;r th&aring;t d&ecirc;n h&ecirc;de w&ecirc;ron
+Twiskl&acirc;ndar th&ecirc;r judd&ecirc;ga drist w&ecirc;i ovira
+Hr&ecirc;na kvma to morda and to r&acirc;wande. Tha Twisl&acirc;ndar
+th&aring;t sind bannane &aring;nd w&ecirc;i britne Fryasbern, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3404" href="#xd0e3404">212</a>]</span>men
+hjara wiva h&aring;vath hja fon tha Tartarum r&acirc;wet. Tha Tartara
+is en br&ucirc;n Findas folk, althus h&ecirc;ten thrvchdam hja alle
+folka to strida uttarta. Hja send al hrutar &aring;nd r&acirc;war.
+Th&ecirc;r fon send tha Twiskl&acirc;ndar alsa blod thorstich wrden.
+Tha Twiskl&acirc;ndar tham thju &aring;rgnise d&ecirc;n h&ecirc;de,
+h&ecirc;ton hjara selva Frya jeftha Franka. Ther w&ecirc;ron
+s&ecirc;ide min brother r&acirc;da bruna &aring;nd wita mong.
+Th&ecirc;re th&ecirc;r r&acirc;d jeftha brun w&ecirc;ron biton hjara
+h&ecirc;re mith sjalkw&ecirc;ter<a class="noteref" id="xd0e3406src"
+href="#xd0e3406">5</a> wit. N&ecirc;idam hjara &ocirc;nthlita
+th&ecirc;r brun by w&ecirc;r, alsa wrdon hja thesto l&ecirc;dliker
+th&ecirc;r thrvch. &Ecirc;vin as Apoll&acirc;nja biskojadon hja
+&aring;ftern&ecirc;i Lydasburch &aring;nd et Alderg&acirc;. D&acirc;na
+t&acirc;gon hju in over St&acirc;verens wrde by hjara ljuda rond. Alsa
+minlik h&ecirc;don hja hjara selva anst&aring;led that tha
+m&aring;nniska ra allerw&ecirc;ikes halda wilde. Thr&ecirc;
+m&ocirc;natha forther sand Adel bodon n&ecirc;i alle &acirc;thum
+th&ecirc;r hi biwnnen h&ecirc;de &aring;nd l&ecirc;t tham bidda, hja
+skoldon inna Minna m&ocirc;nath lichta ljuda to him senda.<a class=
+"noteref" id="n212.2src" href="#n212.2">6</a></p>
+
+<p><span class="pagenum">[<a id="xd0e3413" href=
+"#xd0e3413">214</a>]</span>sin wif s&ecirc;id er th&ecirc;r f&acirc;m
+w&ecirc;st h&ecirc;de to Texl&acirc;nd, h&ecirc;de d&acirc;na en
+ovirskrift kr&ecirc;jen. To Texland warthat jeta f&ecirc;lo skrifta
+fvnden, th&ecirc;r navt in-t bok th&ecirc;ra Adelinga vrskr&ecirc;ven
+send. Fon thissa skriftum h&ecirc;de Gosa &ecirc;n bi hira utroste
+wille l&ecirc;id, th&ecirc;r thrvch tha aldeste f&acirc;m Alb&ecirc;the
+avb&ecirc;r m&acirc;kt wertha most, alsa ringen Friso fallen was.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3385src" id="xd0e3385">1</a></span> Hamconius. p. 8.
+Suobinna.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3393src" id="xd0e3393">2</a></span> Zie bl. 150.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3396src" id="xd0e3396">3</a></span> Delte nog in N. Holland in
+gebruik, laagte.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3401src" id="xd0e3401">4</a></span> Aken, Aken.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3406src" id="xd0e3406">5</a></span> Diod Sic. V. 28.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#n212.2src" id="n212.2">6</a></span> Hier heeft de afschrijver Hiddo
+oera Linda een blad te veel omgeslagen, en daardoor twee bladzijden
+overgeslagen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3415" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr is that skrift mith Gosas r&ecirc;d.</h2>
+
+<p>Tha Wralda bern j&ecirc;f an tha modera fon th&aring;t
+m&aring;nniskelik slachte, th&acirc; l&ecirc;id er &ecirc;ne t&acirc;le
+in aller tonga &aring;nd vp aller lippa. Thjus m&ecirc;ide h&ecirc;de
+Wralda an tha m&aring;nniska j&ecirc;ven, til thju hja m&aring;nlik
+&ocirc;thera th&ecirc;rmith machte k&aring;nb&ecirc;r m&acirc;kja, hwat
+m&aring;n formyde mot &aring;nd hwat m&aring;n bijagja mot vmbe
+s&ecirc;ligh&ecirc;d to findane &aring;nd s&ecirc;ligh&ecirc;d to
+haldane in al &ecirc;vgh&ecirc;d. Wralda is wis &aring;nd god &aring;nd
+al f&aring;rsjande. N&ecirc;idam er nw wist, th&aring;t luk &aring;nd
+s&ecirc;ligh&ecirc;d fon irtha flya mot, jef bosh&ecirc;d d&uuml;ged
+bidroga m&ecirc;i, alsa heth er an thju t&acirc;l &ecirc;ne
+rjuchtf&ecirc;rdige &aring;jendomlikh&ecirc;d f&aring;st bonden. Thjus
+&aring;jendomlikh&ecirc;d is th&ecirc;r an l&ecirc;gen, th&aring;t
+m&aring;n th&ecirc;r mith n&ecirc;n l&ecirc;jen s&ecirc;ge, ner
+bidroglika worda spr&ecirc;ka ne m&ecirc;i svnder stem l&ecirc;th noch
+svnder sk&acirc;mr&acirc;d, thrvch hvam m&aring;n tha bosa fon hirte
+bistonda vrk&aring;nna m&ecirc;i. N&ecirc;idam vsa t&acirc;le thus to
+luk &aring;nd to s&ecirc;ligh&ecirc;d w&ecirc;jath, &aring;nd thus mith
+w&acirc;kt &aring;jen tha bosa nygonga, th&ecirc;rvmbe is hju mith alle
+rjucht godis t&acirc;le h&ecirc;ten, &aring;nd alle tha j&ecirc;na hwam
+hja an &ecirc;re halda h&acirc;vath th&ecirc;r g&ocirc;me fon. Tha hwat
+is b&ecirc;rth. Alsa ring th&ecirc;r mong vsa halfsusterum &aring;nd
+halfbrotharum bidrogar vpk&ecirc;mon, tham hjara selva fori godis
+skalkum utjavon, also ring is th&aring;t owers wrden. Tha bidroglika
+prestera &aring;nd tha wrangwr&ecirc;ja forsta th&ecirc;r immer
+s&ecirc;min h&ecirc;ladon, wildon n&ecirc;i wilk&ecirc;r l&ecirc;va
+&aring;nd buta god-is &ecirc;wa dvan. In hjara <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e3420" href="#xd0e3420">216</a>]</span>tsjodish&ecirc;d send
+hja to gvngen &aring;nd h&aring;von &ocirc;thera t&acirc;la forsvnnen,
+til thju hja h&ecirc;mlik machte spr&ecirc;ka in &aring;jenw&aring;rtha
+fon alrek &ocirc;therum, vr alle bosa thinga &aring;nd vr alle
+vnw&ecirc;rthlika thinga svnder th&aring;t steml&ecirc;th hjam
+vrr&ecirc;da mocht nach sk&acirc;mr&acirc;d hjara gel&acirc;t vrderva.
+Men hwat is th&ecirc;rut bern. &Ecirc;vin blyd as-t s&ecirc;d
+th&ecirc;ra goda kr&ucirc;dum fon vnder ne grvnd ut vntk&ecirc;mth,
+th&aring;t avb&ecirc;r s&ecirc;jed is thrvch goda ljuda by helle
+d&ecirc;i, &ecirc;ven blyd brength tyd tha sk&acirc;dlika kr&ucirc;da
+an-t ljucht, th&ecirc;r s&ecirc;jed send thrvch bosa ljuda in-t
+forborgne &aring;nd by thjustrenesse.</p>
+
+<p>Tha lodderiga mangertne &aring;nd tha vnm&aring;nlika kn&acirc;pa
+th&ecirc;r mitha vvla presterum &aring;nd forstum horadon vntlvkadon
+tha nya t&acirc;la an hjara bola, th&ecirc;rwisa send hja forth kvmen
+&ecirc;mong tha folkrum, til thju hja god-is t&acirc;le gl&acirc;d
+vrjetten h&aring;ve. Wilst nw w&ecirc;ta hwat th&ecirc;r of wrden is?
+Nv steml&ecirc;th ner gel&acirc;t hjara bosa tochta navt longer mar
+vrr&ecirc;don, nv is d&uuml;ged fon ut hjara midden w&ecirc;ken, wisdom
+is folgth &aring;nd frydom is mith gvngen, &ecirc;ndracht is sok
+r&acirc;kt &aring;nd twispalt heth sin st&ecirc;d innommen, ljafde is
+fljucht &aring;nd hordom sith mith nyd an t&ecirc;fel, &aring;nd
+th&ecirc;r &ecirc;r rjuchtf&ecirc;rdichh&ecirc;d welde, welth nv
+th&aring;t sw&ecirc;rd. Alle send sl&acirc;vona wrden, tha ljuda fon
+hjara h&ecirc;ra, fon nyd, bosa lusta &aring;nd bigyrlikh&ecirc;d.
+H&ecirc;de hja nvm&acirc;r &ecirc;ne t&acirc;le forsvnnen, m&uuml;glik
+was-t th&aring;n jet en lith god gvngen. Men hja h&aring;von alsa
+f&ecirc;lo t&acirc;la utfonden as th&ecirc;r st&acirc;ta send.
+Th&ecirc;rthrvch m&ecirc;i th&aring;t &ecirc;ne folk th&aring;t
+&ocirc;re folk &ecirc;vin min forst&acirc;n as thju kv thene hvnd
+&aring;nd thi wolf th&aring;t sk&ecirc;p. Thit m&uuml;gath tha stjurar
+bitjuga. Thach d&acirc;n&acirc; is-t nv w&ecirc;i kvmen, th&aring;t
+alle sl&acirc;vona folkar m&aring;nlik &ocirc;thara lik &ocirc;ra
+m&aring;nniska biskoja &aring;nd th&aring;t hja to straffe hjarar
+vndigerh&ecirc;d &aring;nd fon hjara vrm&ecirc;tenh&ecirc;d,
+m&aring;nlik &ocirc;thera alsa long biorloge &aring;nd bikampa moton
+til thju alle vrdilgad send. <span class="pagenum">[<a id="xd0e3424"
+href="#xd0e3424">218</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e3426" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr is nv min r&ecirc;d.</h2>
+
+<p>Bist thv alsa gyrich that thu irtha all&ecirc;na erva wilste, alsa
+achst thv nimmer m&acirc;re n&ecirc;n &ocirc;re t&acirc;le ovir thina
+w&ecirc;ra ni kvma to l&ecirc;tane as god-is t&acirc;le, &aring;nd
+th&aring;n achst thv to njodane, til thju thin &aring;jn t&acirc;le fry
+fon uth&ecirc;meda klinka bilyweth. Wilst thv th&aring;t er svme fon
+Lydas bern &aring;nd fon Findas bern resta, s&acirc; dvath stv
+&ecirc;vin alsa. Thju t&acirc;le th&ecirc;ra Ast Sk&ecirc;nlandar is
+thrvch tha wla M&acirc;gjara vrbr&ucirc;d; thju t&acirc;le th&ecirc;ra
+Kaltana folgar is thrvch tha sm&ucirc;grige Gole vrderven. Nv send wi
+alsa mild w&ecirc;st vmbe tha witherkvmande Hell&ecirc;na folgar wither
+in vs midden to n&ecirc;mande, men ik skrom &aring;nd ben s&ecirc;relik
+ange, th&aring;t hja vs mild-sa vrjelda skilun mith vrbr&ucirc;ding
+vsra r&ecirc;ne t&acirc;le.</p>
+
+<p>F&uuml;l h&aring;von wi witherf&acirc;ren, men fon alle burgum,
+th&ecirc;r thrvch arge tyd vrhomlath send &aring;nd vrdiligad, heth
+Irtha <span class="corr" id="xd0e3433" title="Bron: Fryasbnrch">
+Fryasburch</span> vnforleth bihalden; &aring;k m&ecirc;i ik th&ecirc;r
+by melda th&aring;t Fryas jeftha god-is t&acirc;le hir evin vnforleth
+bihalden is.</p>
+
+<p>Hyr to Texland most m&aring;n thus skola stifta, fon alle
+st&acirc;tum th&ecirc;r et mitha alda s&ecirc;dum halda, most-et jongk
+folk hyr hinne senden wrde, &aring;fterdam mochton th&ecirc;ra
+utl&ecirc;red w&ecirc;re tha &ocirc;ra helpa th&ecirc;r to honk
+vrb&ecirc;ide. Willath tha &ocirc;ra folkar ysre w&ecirc;ron fon thi
+sella &ecirc;nd th&ecirc;rvr mith thi spr&ecirc;ka &aring;nd thinga,
+s&acirc; moton hja to god-ist&acirc;le wither k&ecirc;ra. L&ecirc;rath
+hja god-is t&acirc;le s&acirc; skilun tha worda fry-s&acirc; &aring;nd
+rjucht-h&acirc; to hjara inkvma, in hjara br&ecirc;in skilet th&aring;n
+bijina to glimmande &aring;nd to glorande til thju ella to-ne logha
+warth. Thissa logha skil alle balda forsta vrt&ecirc;ra &aring;nd alle
+skinfr&acirc;na &aring;nd sm&ucirc;griga prestera.</p>
+
+<p>Tha h&ecirc;inde &aring;nd f&ecirc;rh&ecirc;mande sendabodon
+h&ecirc;don nocht fon vr th&aring;t skrift, thach th&ecirc;r ne
+k&ecirc;mon n&ecirc;ne skola. Th&aring; stifte Adel selva skola,
+&aring;fter him d&ecirc;don tha &ocirc;ra forsta lik hy. J&ecirc;rlikis
+gvngon Adel &aring;nd Ifkja tha skola skoja. Fandon hja th&aring;n
+&ecirc;mong tha inh&ecirc;mar &aring;nd uth&ecirc;mar seliga th&ecirc;r
+ekkorum <span class="pagenum">[<a id="xd0e3440" href=
+"#xd0e3440">220</a>]</span>frjundskip b&acirc;radon, s&acirc;
+l&ecirc;ton b&ecirc;de gr&acirc;te blidskip blika. H&ecirc;don svme
+seliga ekkorum frjundskip sworen, alsa l&ecirc;ton hja alra mannalik to
+manlik &ocirc;rum kvma, mith gr&acirc;te st&acirc;t l&ecirc;ton hja
+th&aring;n hjara n&ocirc;ma in en bok skriva, thrvch hjam th&aring;t
+bok th&ecirc;ra frjundskip h&ecirc;ten, &aring;fter dam warth
+f&ecirc;rst halden. Al thissa pl&ecirc;ga wrde d&ecirc;n vmbe tha
+asvndergana twyga fon Fryas stam wither et s&ecirc;mene to
+sn&ocirc;rane. Men tha famna th&ecirc;r Adel &aring;nd Ifkja nydich
+w&ecirc;ron, s&ecirc;idon that hja-t niwerth &ocirc;re vr d&ecirc;don
+as vmb en gode hrop, &aring;nd vmb bi gr&acirc;dum to weldana in ovir
+&ecirc;nis &ocirc;ther man his st&acirc;t.</p>
+
+<p>By min t&acirc;t sinra skriftum h&aring;v ik &ecirc;nen br&ecirc;f
+funden, skr&ecirc;vin thrvch Ljudg&ecirc;rth thene
+G&ecirc;rtm&aring;n<a class="noteref" id="xd0e3444src" href=
+"#xd0e3444">1</a>, bihalva svmlika s&ecirc;ka th&ecirc;r min t&acirc;t
+all&ecirc;na jelde, j&ecirc;f ik hyr th&aring;t &ocirc;thera to
+th&aring;t besta.</p>
+
+<p>Pang-ab, th&acirc;t is fyf w&aring;tera &aring;nd hw&ecirc;r neffen
+wi wech kvme, is-ne runstr&acirc;me fon afsvnderlika
+sk&ecirc;nh&ecirc;d, &aring;nd fif w&aring;tera h&ecirc;ten vmb thet
+fjuwer &ocirc;ra runstrama thrvch sine mvnd in s&ecirc; floja. &Ecirc;l
+fere &acirc;stwarth is noch ne gr&acirc;te runstr&acirc;me th&ecirc;r
+h&ecirc;lige jeftha fr&acirc;na Gong-ga h&ecirc;ten. Twisk thysum
+runstr&acirc;mne is-t l&ocirc;nd th&ecirc;ra Hindos. B&ecirc;da
+runstr&acirc;ma runath fon tha h&acirc;ga bergum n&ecirc;i tha delta
+del. Tha berga hwan&acirc; se del str&acirc;me sind alsa h&acirc;ch
+thet se to tha himel l&aring;ja. Th&ecirc;rvmbe w&aring;rth-et berchta
+Himell&acirc;ja berchta h&ecirc;ten. Vnder tha Hindos &aring;nd
+&ocirc;thera ut-a l&ocirc;ndum sind welka ljuda mank th&ecirc;r an
+stilnise by malkorum kvma. Se gel&acirc;vath thet se vnforbastere bern
+Findas sind. Se gel&acirc;vath thet Finda fon ut-et Himmell&aring;ja
+berchta bern is, hvan&acirc; se mith hjara bern n&ecirc;i tha delta
+jeftha l&ecirc;gte togen is. Welke vnder tham gel&acirc;vath thet se
+mith hjra bern vppet skum th&ecirc;r h&ecirc;lige Gongga del gonggen
+is. Th&ecirc;rvmbe skolde thi runstr&acirc;me h&ecirc;lige Gongga
+h&ecirc;ta. M&acirc;r tha prestera th&ecirc;r ut en &ocirc;r l&ocirc;nd
+wech kvma l&ecirc;ton thi ljuda vpsp&ecirc;ra &aring;nd vrbarna,
+th&ecirc;rvmbe <span class="pagenum">[<a id="xd0e3449" href=
+"#xd0e3449">222</a>]</span>ne thurvath se far hjara s&ecirc;k nit
+&ocirc;pentlik ut ni kvma. In thet l&ocirc;nd sind &ocirc;lle prestera
+tjok &aring;nd rik. In hjara ch&aring;rka werthat &ocirc;llerl&ecirc;ja
+drochtenlika byldon fvnden, th&ecirc;r vnder sind f&ecirc;lo golden
+mank. Biwesta Pangab th&ecirc;r sind tha Yra jeftha wranga, tha
+Gedrostne jeftha britne, &aring;nd tha Orjetten jeftha vrjetne. Ol
+thisa n&ocirc;ma sind-ar thrvch tha nydige prestera j&ecirc;ven,
+thrvchdam hja fon ar fljuchte, vmb s&ecirc;da &aring;nd gel&acirc;v. bi
+hjara kvmste h&ecirc;don vsa &ecirc;thla hjara selva &acirc;k an tha
+&acirc;stlika ower fon Pangab del set, men vmb th&ecirc;ra prestera
+wille sind se &acirc;k n&ecirc;i th&ecirc;r wester ower f&acirc;ren.
+Th&ecirc;rthrvch h&aring;von wi tha Yra &aring;nd tha &ocirc;thera
+kenna l&ecirc;rth. Tha Yra ne sind n&ecirc;ne yra m&acirc;r g&ocirc;da
+minska th&ecirc;r n&ecirc;na byldon to l&ecirc;ta nach &ocirc;nbidda,
+&acirc;k willath se n&ecirc;na ch&aring;rka nach prestar doga,
+&aring;nd &ecirc;vin als wi-t fr&acirc;na ljucht fon F&aring;sta
+vpholda, &ecirc;vin s&acirc; holdon se &ocirc;llerwechs fjur in hjara
+h&ucirc;sa vp. Kvmth m&ocirc;n efter &ecirc;l westlik, &ocirc;ls&acirc;
+kvmth m&ocirc;n by tha Gedrostne. Fon tha Gedrostne. Thisa sind mith
+&ocirc;ra folkrum bastered &aring;nd spr&ecirc;kath &ocirc;lle
+afsvnderlika t&acirc;la. Thisa minska sind w&ecirc;rentlik yra bonar,
+th&ecirc;r ammer mith hjara horsa vp overa fjelda dw&acirc;la,
+th&ecirc;r ammer j&acirc;gja &aring;nd r&acirc;wa &aring;nd th&ecirc;r
+hjara selva als salt-&acirc;tha forh&ecirc;ra an tha omh&ecirc;mmande
+forsta, ther wille hwam se alles nither h&acirc;wa hwat se bir&ecirc;ka
+m&uuml;ge.</p>
+
+<p>Thet l&ocirc;nd twisk Pangab &aring;nd ther Gongga is like flet as
+Fryasl&ocirc;nd an tha s&ecirc;, afwixlath mith fjeldum &aring;nd
+waldum, fruchtb&acirc;r an alle d&ecirc;lum, m&acirc;r thet mach nit
+vrletta that th&ecirc;r bi hwila th&ucirc;sanda by th&ucirc;sanda
+thrvch honger biswike. Thisa hongern&ecirc;de mach th&ecirc;rvmbe nit
+an Wr.alda nach an Irtha wyten nit wertha, m&acirc;r all&ecirc;na an
+tha forsta and prestera. Tha Hindos sind ivin blode &aring;nd
+forf&ecirc;red from hjara forstum, als tha hindne from tha wolva sind.
+Th&ecirc;rvmbe h&aring;von tha Yra &aring;nd &ocirc;ra ra Hindos
+h&ecirc;ten, th&ecirc;t hindne bitjoth. M&acirc;r fon hjara
+blodh&ecirc;d w&aring;rth afgrislika misbruk m&acirc;kth. Kvmat
+th&ecirc;r f&ecirc;rh&ecirc;mande k&acirc;pljud vmb k&ecirc;ren to
+k&acirc;pjande, alsa warth alles to jeldum <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e3456" href="#xd0e3456">224</a>]</span>m&acirc;kth. Thrvch tha
+prestera ni warth et nit w&ecirc;rth, hwand thisa noch snoder &aring;nd
+jyriger als alle forsta to samene, wytath &ecirc;l god, thet al-et jeld
+endlik in hjara b&ucirc;dar kvmth. Buta &aring;nd bihalva thet tha
+ljuda th&ecirc;r f&uuml;l fon hjara forsta lyda, moton hja &acirc;k
+noch f&uuml;l fon thet fenynige &aring;nd wilde kwik lyda. Th&ecirc;r
+send store elefante th&ecirc;r by &ecirc;le keddum hl&acirc;pa,
+th&ecirc;r bihwyla &ecirc;le fjelda k&ecirc;ren vrtrappe &aring;nd
+&ecirc;le thorpa. Th&ecirc;r sind bonte &aring;nd swarte katta, tigrum
+h&ecirc;ten, th&ecirc;r s&acirc; gr&acirc;t als gr&acirc;te kalvar
+sind, th&ecirc;r minsk &aring;nd djar vrslynne. B&ucirc;ta f&ecirc;lo
+&ocirc;ra wriggum sind th&ecirc;r sn&acirc;ka fon af tha gr&acirc;te
+&ecirc;ner wyrme &acirc;l to tha gr&acirc;te &ecirc;ner b&acirc;m. Tha
+gr&acirc;teste kennath en &ecirc;le kv vrslynna, m&acirc;r tha lythste
+sind noch fr&ecirc;sliker als tham. Se holdon hjara selva twisk blom
+&aring;nd fruchta skul vmb tha minska to big&acirc;na tham th&ecirc;r
+of plokja wille. Is m&ocirc;n th&ecirc;r fon byten, s&acirc; mot
+m&ocirc;n st&aring;rva, hwand &aring;jen hjara fenyn heth Irtha
+n&ecirc;na kr&ucirc;da j&ecirc;ven, &ocirc;ls&acirc;n&acirc;ka tha
+minska hjara selva h&aring;von skildich m&acirc;kt an afgodie. Forth
+sind th&ecirc;r &ocirc;llerl&ecirc;ja slacht fon h&acirc;chdiska
+nyndiska &aring;nd adiska, &ocirc;l thisa diska sind yvin als tha
+sn&acirc;ka fon of ne wyrme til-ne b&acirc;mstame gr&acirc;t, n&ecirc;i
+that hja gr&acirc;t jof fr&ecirc;slik sind, sind hjara n&ocirc;ma,
+th&ecirc;r ik alle nit noma ni ken, tha aldergr&acirc;testa
+&acirc;diska sind alg&aring;ttar h&ecirc;ten, thrvchdam se yvin
+gr&ucirc;sich bitte an thet rotte kwik, that mith-a str&acirc;ma fon
+boppa n&ecirc;i tha delta dryweth as an thet l&ecirc;vande kwik, that
+se big&acirc;na m&uuml;ge. An tha westsyde fon Pangab, w&acirc;n&acirc;
+wi wech kvme &aring;nd hwer ik bern ben, th&ecirc;r blojath &aring;nd
+waxath tha selva fr&ucirc;chta &aring;nd nochta as an tha
+&acirc;stsyde. To f&acirc;ra wrdon er &acirc;k tha selva wrigga fonden,
+m&aring;r vsa &ecirc;thla havon alle krylwalda vrb&aring;rnath
+&aring;nd als&acirc;n&acirc;ka &aring;fter et wilde kwik j&acirc;ged,
+that ther f&ecirc; m&aring;r resta. Kvmth man &ecirc;l westlik fon
+Pangab, then finth man neffen fette etta &acirc;k <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3458" href="#xd0e3458">226</a>]</span>dorra
+g&ecirc;stlanda th&ecirc;r vnendlik skina, bihwila ofwixlath mith
+ljaflika str&ecirc;ka, hw&ecirc;ran thet &acirc;g forbonden bilywet.
+Vnder tha fruchta fon min land sind f&ecirc;lo slachta mank, th&ecirc;r
+ik hyr nit fvnden h&aring;v. Vnder allerl&ecirc;ja k&ecirc;ren is er
+&acirc;k golden mank, &aring;k goldg&ecirc;le aple, hw&ecirc;rfon welke
+s&acirc; sw&ecirc;t as h&ucirc;ning sind, &aring;nd welka sa wrang as
+&ecirc;k. By vs werthat nochta fonden lik bern-h&acirc;veda s&acirc;
+gr&acirc;t, th&ecirc;r sit tsys &aring;nd melok in, werthat se ald
+s&acirc; m&acirc;kt man ther &ocirc;lja fon, fon tha bastum m&acirc;kt
+m&aring;n t&acirc;w &aring;nd fon tha kernum m&acirc;kt m&aring;n
+chelka &aring;nd &ocirc;r ger&acirc;d. Hyr inna walda h&aring;v ik krup
+&aring;nd st&acirc;kb&ecirc;ja sjan. By vs sind b&ecirc;ib&acirc;ma als
+jow lindab&acirc;ma, hw&ecirc;rfon tha b&ecirc;ja f&uuml;l sw&ecirc;ter
+&aring;nd thr&ecirc;w&acirc;ra gr&acirc;ter as st&acirc;kb&ecirc;ja
+sind. Hwersa tha d&ecirc;ga vppa sin olderl&ocirc;ngste sind &aring;nd
+thju svnne fon top skinth, then skinth se linrjucht vppa jow hole del.
+Is m&aring;n then mith sin skip &ecirc;l f&ecirc;r s&ucirc;dlik faren,
+&aring;nd m&aring;n thes midd&ecirc;is mith sin gel&acirc;t n&ecirc;i-t
+&acirc;sten k&ecirc;red, s&acirc; skinth svnne &aring;jen thine
+winstere syde lik se &ocirc;wers &aring;jen thine f&ecirc;re syde
+dvath. Hyrmitha wil ik enda, m&acirc;r after min skrywe skil-et thi
+licht nog falla, vmb tha l&ecirc;jenaftiga teltjas to m&uuml;ge
+skiftane fon tha wara tellinga. Jow Ljudg&ecirc;rt.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3444src" id="xd0e3444">1</a></span> Zie bl. 164.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3460" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet skrift fon B&ecirc;den.</h2>
+
+<p>Mine n&ocirc;m is B&ecirc;den, Hachg&acirc;na his svn. Koner&ecirc;d
+min &ecirc;m is nimmer bostigjath &aring;nd alsa bernl&acirc;s sturven.
+My heth m&aring;n in sin st&ecirc;d koren. Adel thene thredde
+k&aring;ning fon thjuse n&ocirc;me heth thju k&ecirc;se godk&ecirc;rth,
+mites ik him as mina m&aring;stre bikenna wilde. Buta th&aring;t fvlle
+erv minre &ecirc;m heth-er mi en &ecirc;le plek grvnd j&ecirc;ven
+th&aring;t an mina erva p&acirc;lade, vnder f&acirc;rw&ecirc;rde that
+ik th&ecirc;rvp skolde m&aring;nniska st&aring;lla ther sina ljuda
+nimmerthe skolde<a class="noteref" id="n226src" href="#n226">1</a>.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e3471" href=
+"#xd0e3471">228</a>]</span></p>
+
+<p>th&ecirc;rvmbe wil ik thet hir-ne sted forjune.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#n226src" id="n226">1</a></span> Hier ontbreken in het H. S. twintig
+bladzijden (misschien meer<span class="corr" id="xd0e3467" title="Niet
+in bron">)</span>, waarin Beeden geschreven heeft over dien koning Adel
+III. (Bij onze kronijk schrijvers Ubbo genoemd).</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3475" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Br&ecirc;f fon Rika thju aldfam, vpseid to Staveren
+by-t jolf&ecirc;rste.</h2>
+
+<p>Jy alle hwam his &ecirc;thla mith Friso hir k&ecirc;mon, min
+&ecirc;rbydnesse to jo. Alsa jy m&ecirc;ne, send jy vnskeldich an
+afgodie. Th&ecirc;r nil ik jvd navt vr spr&ecirc;ka, men jvd wil ik jo
+vppen brek wysa, th&aring;t f&ecirc; b&ecirc;tre sy. Jy w&ecirc;tath
+jeftha jy n&ecirc;tath navt, ho Wralda thusand glorn&ocirc;ma heth,
+thach th&aring;t w&ecirc;tath jy alle th&aring;t hy warth Alf&ecirc;der
+h&ecirc;ten, ut &ecirc;rs&ecirc;ke th&aring;t alles in ut him warth
+&aring;nd waxth to f&ecirc;ding sinra skepsela. T-is w&ecirc;r,
+th&aring;t Irtha warth bihwyla &acirc;k Alf&ecirc;dstre h&ecirc;ten,
+thrvchdam hju alle fr&uuml;chd &aring;nd nochta b&ecirc;rth, hwermitha
+m&aring;nnisk &aring;nd djar hjara selva f&ecirc;de. Thach ne skolde
+hju n&ecirc;ne fr&uuml;chd ner nocht navt ne b&ecirc;ra, bydam Wralda
+hja n&ecirc;ne krefta ne j&ecirc;f. Ak wiva ther hjara bern m&aring;ma
+l&ecirc;ta an hjara brosta, werthat f&ecirc;dstra h&ecirc;ten.
+Th&acirc; ne j&ecirc;f Wralda th&ecirc;r n&ecirc;n melok in, sa ne
+skoldon tha bern th&ecirc;r n&ecirc;ne b&acirc;te by finda. S&acirc;
+th&aring;t by slot fon reknong Wralda all&ecirc;na f&ecirc;der bilywet.
+Th&aring;t Irtha bihwyla warth Alf&ecirc;dstre heten, &aring;nd
+&ecirc;ne m&aring;m f&ecirc;dstre, k&aring;n jeta thrvch-ne wende, men
+th&aring;t-ne m&aring;n him l&ecirc;t f&ecirc;der h&ecirc;te vmbe
+th&aring;t er t&acirc;t sy, th&aring;t strid with-&aring;jen alle
+r&ecirc;dnum. Th&acirc; ik w&ecirc;t w&acirc;n&acirc;t thjus
+dw&ecirc;sh&ecirc;d w&ecirc;i kvmth. Hark hyr, se kvmth fon vsa
+l&ecirc;tha, &aring;nd s&acirc;hwersa thi folgath werthe, s&acirc;
+skilun jy th&ecirc;rthrvch sl&acirc;vona wertha to smert fon Frya
+&aring;nd jowe h&acirc;gmod to.ne straf. Ik skil jo melda ho-t by tha
+sl&acirc;vona folkar to gvngen is, th&ecirc;r &aring;fter m&ecirc;i jy
+l&ecirc;ra. Tha poppa k&aring;ningar tham n&ecirc;i wilk&ecirc;r
+l&ecirc;va, st&ecirc;kath Wralda n&ecirc;i th&ecirc;re kr&ocirc;ne, ut
+nyd that Wralda Alf&ecirc;der h&ecirc;t, sa wildon hja f&ecirc;drum
+th&ecirc;ra folkar h&ecirc;ta. Nw w&ecirc;t allera mannalik
+th&aring;t-ne k&ecirc;ning navt ovir-ne waxdom <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e3483" href="#xd0e3483">230</a>]</span>ne welth, &aring;nd
+th&aring;t im sin f&ecirc;ding thrvch th&aring;t folk brocht warth, men
+thach wildon hja fvlherdja by hjara form&ecirc;tenh&ecirc;d. Til thju
+hja to-ra dol kvma machte, alsa h&acirc;von hja thet forma navt
+fvld&ecirc;n w&ecirc;st mith tha frya jefta, men h&aring;von hja
+th&aring;t folk &ecirc;ne tins vpl&ecirc;id. Fori thene sk&aring;t,
+tham th&ecirc;rof k&ecirc;m, h&ecirc;radon hja vrlandiska
+salt-&acirc;tha, tham hja in-om hjara hova l&ecirc;idon. Forth namon
+hja alsa f&ecirc;lo wiva, as-ra luste, &aring;nd tha lithiga forsta
+&aring;nd h&ecirc;ra d&ecirc;don al-&ecirc;n. As twist &aring;nd
+tvyspalt &aring;ftern&ecirc;i inna h&ucirc;shaldne glupte &aring;nd
+th&ecirc;r-vr kl&acirc;chta k&ecirc;mon, th&acirc; h&aring;von hja
+s&ecirc;id, ja-hweder m&aring;n is th&ecirc;ne f&ecirc;der fon sin
+h&ucirc;shalden, th&ecirc;rvmbe skil-er th&ecirc;r &acirc;k b&acirc;s
+&aring;nd rjuchter ovir w&ecirc;sa. Th&acirc; k&ecirc;m wilk&ecirc;r
+&aring;nd &ecirc;vin as tham mitha m&aring;nnum in ovir tha
+h&ucirc;shaldne welde, gvng er mit tha k&aring;ningar in ovir hjara
+st&acirc;t &aring;nd folkar dvan. Th&acirc; tha k&aring;ningar et alsa
+wyd brocht h&ecirc;don, th&aring;t hja f&ecirc;derum th&ecirc;ra folkar
+h&ecirc;te, th&acirc; gvngon hja to &aring;nd l&ecirc;ton byldon
+&aring;fter hjara d&acirc;ntne m&acirc;kja, thissa byldon l&ecirc;ton
+hja inna tha cherka stalla n&ecirc;st tha byldon th&ecirc;ra drochtne
+&aring;nd thi jena tham th&ecirc;r navt far b&ucirc;gja nilde, warth
+ombrocht jeftha an k&ecirc;dne d&ecirc;n. Jow &ecirc;thla &aring;nd tha
+Twisklandar h&aring;von mitha poppa forsta ommegvngen, d&acirc;na
+h&aring;von hja thjuse dw&ecirc;sh&ecirc;d l&ecirc;red. Tha navt
+all&ecirc;na th&aring;t svme jower m&aring;n hjara selva skeldich
+m&acirc;kja an glorn&ocirc;ma r&acirc;w, &acirc;k mot ik my vr
+f&ecirc;lo jower wiva bikl&acirc;gja. Werthat by jo m&aring;n fvnden,
+tham mith Wralda an &ecirc;n lin wille, th&ecirc;r werthat by jo wiva
+fvnden, th&ecirc;r et m&ecirc;i Frya wille. Vmbe th&aring;t hja bern
+b&ecirc;red h&aring;ve, l&ecirc;tath hja hjara selva modar h&ecirc;ta.
+Tha hja vrjettath, that Frya bern b&ecirc;rde svnder jengong &ecirc;nis
+m&aring;n. J&aring; navt all&ecirc;na th&aring;t hja Frya &aring;nd tha
+&ecirc;remodar fon hjara glor-rika n&ocirc;ma bir&acirc;wa wille,
+hw&ecirc;ran hja navt n&acirc;ka ne m&uuml;ge, hja dvath al&ecirc;n
+mitha glorn&ocirc;ma fon hjara n&ecirc;sta. Th&ecirc;r send wiva
+th&ecirc;r hjara selva l&ecirc;tath frovva h&ecirc;ta, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3485" href="#xd0e3485">232</a>]</span>afsken hja
+w&ecirc;te th&aring;t thjuse n&ocirc;me all&ecirc;na to forsta wiva
+h&ecirc;reth. Ak l&ecirc;tath hja hjara toghatera f&acirc;mna
+h&ecirc;ta, vntankes hja w&ecirc;te, th&aring;t n&ecirc;ne
+mang&ecirc;rt alsa h&ecirc;ta ne m&ecirc;i, w&acirc;ra hju to &ecirc;ne
+burch h&ecirc;rth. Jy alle w&acirc;nath th&aring;t jy thruch th&aring;t
+n&ocirc;m r&acirc;wa b&ecirc;tre werthe, thach jy vrjettath th&aring;t
+nyd th&ecirc;r an klywet &aring;nd th&aring;t elk kw&acirc;d sine
+tuchtrode s&ecirc;jath. K&ecirc;rath jy navt ne wither, s&acirc; skil
+tid th&ecirc;r waxdom an j&ecirc;va, alsa st&ecirc;rik th&aring;t
+m&aring;n et ende th&ecirc;r of navt bisj&acirc; ne m&ecirc;i. Jow
+&aring;fterkvmanda skilun th&ecirc;r mith f&ecirc;terath wertha, hja ne
+skilun navt ne bigripa hw&acirc;nat thi sl&acirc;ga w&ecirc;i kvme. Men
+afsk&ecirc;n jy tha f&acirc;mna n&ecirc;ne burch bvwe &aring;nd an lot
+vrl&ecirc;te, thach skilun th&ecirc;r bilywa, hja skilun fon ut wald
+&aring;nd holum kvma, hja skilun jow &aring;fterkvmande biwysa
+th&aring;t jy th&ecirc;r willens skildech an send. Th&aring;n skil
+m&aring;n jo vrdema, jow skina skilun vrf&ecirc;rth fon ut-a
+gr&ecirc;vum rysa, hja skilun Wr.alda, hja skilun Frya &aring;nd hjara
+f&acirc;mna anhropa, th&acirc; nimman skil-er &aring;wet an b&ecirc;tra
+ne m&uuml;ge, bif&acirc;re th&aring;t Jol in op en ore hl&acirc;phring
+tr&ecirc;th, men th&aring;t skil &ecirc;rist b&ecirc;ra as thr&ecirc;
+th&ucirc;sand j&ecirc;r vrhl&acirc;pen send &aring;fter thisse
+&ecirc;w.</p>
+
+<p><span class="smallcaps">Ende fon Rikas br&ecirc;f.</span><a class=
+"noteref" id="n232src" href="#n232">1</a></p>
+
+<hr class="tb">
+<p> <span class="pagenum">[<a id="xd0e3498" href=
+"#xd0e3498">234</a>]</span></p>
+
+<p>th&ecirc;rvmbe wil ik th&aring;t forma vr swarte Adel skriva. Swarte
+Adel w&ecirc;re thene fjurde kening &aring;fter Friso. Bi sin
+j&uuml;ged heth-er to Texland l&ecirc;red, &aring;ftern&ecirc;i heth-er
+to St&acirc;veren l&ecirc;red, &aring;nd forth heth-er thrvch ovir alle
+st&acirc;ta f&acirc;ren. Th&acirc; th&aring;t er fjuwer &aring;nd
+tvintich j&ecirc;r w&ecirc;re, heth sin t&acirc;t m&acirc;ked
+th&aring;t-er to Asega-&acirc;skar k&ecirc;ren is. Th&acirc;-er
+&ecirc;nmel &acirc;skar w&ecirc;re, &acirc;skte hi altid in-t
+f&acirc;rd&ecirc;l th&ecirc;ra &aring;rma. Tha rika, s&ecirc;d-er,
+pl&ecirc;gath &ecirc;noch vnrjuchta thinga thrvch middel fon hjara
+jeld, th&ecirc;rvmbe &acirc;gon wi to njvdane th&aring;t tha &aring;rma
+n&ecirc;i vs omme sjan. Thrvch th&acirc;-s &aring;nd &ocirc;ra
+r&ecirc;dne w&ecirc;r-i thene frjund th&ecirc;ra &aring;rma &aring;nd
+th&ecirc;ra rika skrik. Alsa &aring;rg is-t kvmen th&aring;t sin
+t&acirc;t him n&ecirc;i tha &acirc;gum sach. Th&acirc; sin t&acirc;t
+fallen was, &acirc;nd hy vppa tham-his s&ecirc;tel klywed, th&acirc;
+wild-er &ecirc;vin god sin ambt bihalda, lik as tha keningar fon-t
+&acirc;sta pl&ecirc;gath. Tha rika nildon th&aring;t navt ne
+d&acirc;ja, men nw hlip allet &ocirc;ra folk to h&acirc;pe, &aring;nd
+tha rika w&ecirc;ron blyde that hja h&ecirc;l-h&ucirc;d-is fon
+th&ecirc;re acht ofk&ecirc;mon. Fon to ne h&ecirc;rade m&aring;n nimmar
+m&acirc;ra ovir &ecirc;lika rjucht pet&acirc;rja. Hi dumde tha rika
+&aring;nd hi strykte tha &aring;rma, mith hwam his helpe hi alle
+s&ecirc;kum &acirc;skte, th&ecirc;r-er bistek vp h&ecirc;de. Kening
+Askar lik-er immer h&ecirc;ten warth, w&ecirc;re by sjugun
+irthf&ecirc;t l&ocirc;nge, s&acirc; gr&acirc;t sin t&ocirc;l w&ecirc;r,
+w&ecirc;ron &acirc;k sina krefta. Hi h&ecirc;de-n hel forst&acirc;n,
+s&acirc; th&aring;t-er alles forst&acirc;nde, hw&ecirc;rwr that
+spr&ecirc;ken warth, thach in sin dvan ne macht m&aring;n n&ecirc;ne
+wisdom sp&ecirc;ra. Bi-n sk&ecirc;n &ocirc;nhlite h&ecirc;d-er
+&ecirc;ne glade tonge, men jeta swarter as sin h&ecirc;r is sine
+s&ecirc;le fvnden. Th&acirc; that-er &ecirc;n j&ecirc;r kening
+w&ecirc;re, n&ecirc;ds&ecirc;kte hi alle kn&acirc;pa fon sin
+st&acirc;t, hja skoldon jerlikis vppet k&aring;mp kvma &aring;nd
+th&ecirc;r skin-orloch m&acirc;kja. In-t &ecirc;rost h&ecirc;de-r
+th&ecirc;r spul mith, men to tha lersta warth-et s&acirc;
+men&ecirc;rlik, that ald &aring;nd jong ut alle wrdum w&ecirc;i
+k&ecirc;mon to fr&ecirc;jande jef hja machte mith dva. Th&acirc; hi-t
+alsa f&ecirc;re brocht h&ecirc;de, l&ecirc;t-er w&ecirc;rskola stifta.
+Tha rika k&ecirc;mon to b&acirc;rane &aring;nd s&ecirc;idon, that <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3501" href="#xd0e3501">236</a>]</span>hjara
+bern nw n&ecirc;n l&ecirc;sa nach skryva navt ne l&ecirc;rade. Askar ne
+melde-t navt, men as th&ecirc;r kirt &aring;fter wither skin-orloch
+halden warth, gvng-er vppen vpstal stonda, &aring;nd k&ecirc;tha
+hl&ucirc;d. Tha rika sind to my kvmen to b&acirc;rana, th&aring;t hjara
+kn&acirc;pa n&ecirc;n l&ecirc;sa nach skryva noch l&ecirc;ra, ik
+n.&aring;v th&ecirc;r nawet vp s&ecirc;ith, thach hir wil ik mine
+m&ecirc;nong sedsa, &aring;nd an tha m&ecirc;na acht bithinga
+l&ecirc;ta. Th&acirc; alrek nw n&ecirc;isgyrich n&ecirc;i him vpsach,
+s&ecirc;id-er forther, n&ecirc;i min bigrip mot m&aring;n hjud
+th&aring;t l&ecirc;sa &aring;nd skriva tha f&acirc;mna &aring;nd alda
+lichta vrl&ecirc;ta. Ik n-il n&ecirc;n kw&acirc;d spr&ecirc;ka vr vsa
+&ecirc;thla, ik wil all&ecirc;na sega, vndera tyda hw&ecirc;rvp thrvch
+svme s&acirc; herde bogath warth, h&aring;von tha burchf&acirc;mna
+twyspalt inovir vsa l&acirc;nda brocht, &aring;nd tha Modera f&uuml;r
+&aring;nd n&ecirc;i ne kvnd&ocirc;n twyspalt navt wither to-t land ut
+ne dryva. Jeta &aring;rger, thahwila hja k&aring;lta &aring;nd
+pet&aring;rade vr n&acirc;del&acirc;sa pl&ecirc;ga, send tha Gola kvmen
+&aring;nd h&acirc;von al vsa sk&ecirc;na s&ucirc;darlanda r&acirc;weth.
+H&ecirc;misd&ecirc;ga send hja mith vsa vrbr&ucirc;da brotharum
+&aring;nd hjara salt-&acirc;thum al overa Skelda kvmen, vs rest thus to
+kjasane twisk-et b&ecirc;ra fon juk jef sw&ecirc;rd. Willath wi fry
+bilyw&acirc;, alsa &acirc;gon tha kn&acirc;pa th&aring;t l&ecirc;sa
+&aring;nd skryva f&acirc;rh&ocirc;ndis &aring;fterw&ecirc;i-n to
+l&ecirc;tane &aring;nd in st&ecirc;de that hja invppa m&ecirc;ide hwip
+&aring;nd swik sp&ecirc;le, moton hja mith sw&ecirc;rd &aring;nd
+sp&ecirc;r sp&ecirc;la. Send wi in alle d&ecirc;la ofned &aring;nd tha
+kn&acirc;pa stor enoch vmb helmet &aring;nd skild to b&ecirc;rane
+&aring;nd tha w&ecirc;pne to h&ocirc;nt&ecirc;rane, then skil ik my
+mith jower helpa vppa thene fjand werpa. Tha Gola m&ecirc;ieath then
+tha nitherl&ecirc;ga fon hjara helpar &aring;nd salt-&acirc;thum vppa
+vsa fjeldum skryva mith-et blod, th&aring;t &ucirc;t hjara wndum
+drjupth. H&aring;von wi thene fyand &ecirc;n mel far vs &ucirc;t
+dr&ecirc;ven, alsa moton wi th&ecirc;rmith forth gvnga, alhwenne
+th&ecirc;r n&ecirc;n Gola ner Sl&acirc;vona nach Tartara m&acirc;ra fon
+Fryas erv to vrdryvane send. Tha-s rjucht, hrypon tha m&acirc;sta
+&aring;nd tha rika ne thvradon hjara mvla navt &ecirc;pen ne dva. Thjus
+tospr&ecirc;ke h&ecirc;d <span class="pagenum">[<a id="xd0e3503" href=
+"#xd0e3503">238</a>]</span>er sekur to fara forsonnen &aring;nd
+vrskriva l&ecirc;ten, hwand s-&ecirc;wendis fon th&ecirc;re selvare
+d&ecirc;i w&ecirc;ron tha ofskriftum th&ecirc;ra hwel in twintich
+h&ocirc;nda &aring;nd thi alle w&ecirc;ron &ecirc;nishl&ucirc;dende.
+Aftern&ecirc;i bifel-er tha skipmanna, hja skoldon dubbele
+f&acirc;rst&ecirc;wene m&acirc;kja l&ecirc;ta, hw&ecirc;ran m&aring;n
+&ecirc;ne st&ecirc;len kr&acirc;nboga macht f&aring;stigja. Th&ecirc;ra
+th&ecirc;r &aring;fterw&ecirc;i bil&ecirc;v warth bibot, kvn imman
+sw&ecirc;ra that-er n&ecirc;ne midle navt n&ecirc;de, alsa moston tha
+rika fon sin g&acirc;-t bitalja. Hjud skil m&aring;n sjan hw&ecirc;r
+vppa al th&aring;t b&acirc; h&ecirc;i &ucirc;thl&acirc;pen is. An-t
+north-ende fon Britanja th&aring;t fvl mith h&acirc;ga bergum is,
+th&ecirc;r sit en Skots folk, vr-et m&acirc;rad&ecirc;l &ucirc;t Fryas
+blod sproten, vr-a &ecirc;ne helte send hja &ucirc;t
+K&aring;ltanafolgar, vr-et &ocirc;ra d&ecirc;l &ucirc;t Britne
+&aring;nd bannane, th&ecirc;r by gr&acirc;dum mith tyd fon-&ucirc;t-a
+tinl&ocirc;num th&ecirc;r hinna fljuchte. Th&ecirc;r ut-a tinl&ocirc;na
+k&ecirc;mon, h&aring;vath algadur vrlandiska wiva jeftha fon vrlandis
+tuk. Thi alle send vnder-et weld th&ecirc;ra Golum, hjara w&ecirc;pne
+send woden boga &aring;nd spryta mith pintum fon herthis-hornum
+&acirc;k fon flintum. Hjara h&ucirc;sa send fon s&acirc;dum &aring;nd
+str&ecirc; &aring;nd svme h&ecirc;math inna hola th&ecirc;ra bergum.
+Sk&ecirc;pon th&ecirc;r hja r&acirc;wed h&aring;ve, is hjara &ecirc;nge
+sk&aring;t. Mong tha &aring;fterkvmanda th&ecirc;ra K&aring;ltanafolgar
+h&aring;vath svme jeta ysera w&ecirc;pne, th&ecirc;r hja fon hjara
+&ecirc;thlum urven h&aring;ve. Vmbe nw god forst&acirc;n to werthande,
+m&ocirc;t ik min telling vr th&aring;t Skotse folk resta l&ecirc;ta,
+&aring;nd &ecirc;wet fon tha h&ecirc;inda Kr&ecirc;kalanda skriva. Tha
+h&ecirc;inda Kr&ecirc;kalanda h&aring;von vs to fara all&ecirc;na to
+h&ecirc;rath, men sunt vnh&uuml;glika tidum h&aring;von ra th&ecirc;r
+&acirc;k &aring;fterkvmanda fon Lyda &aring;nd fon Finda nitherset, fon
+tha lersta k&ecirc;mon to tha lersta en &ecirc;le h&acirc;pe fon
+Tr&ocirc;je. Tr&ocirc;je alsa heth &ecirc;ne st&ecirc;de h&ecirc;ten,
+th&ecirc;r et folk fon tha f&ecirc;re Kr&ecirc;kalanda innomth
+&aring;nd vrhomelt heth. Th&acirc; tha Tr&ocirc;jana to tha
+h&ecirc;inda Kr&ecirc;kalandum nestled w&ecirc;ron, tha h&aring;von hja
+th&ecirc;r mith tid &aring;nd flit &ecirc;ne sterke st&ecirc;d mith
+w&acirc;lla &aring;nd burgum bvwed, Rome, that is <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3505" href="#xd0e3505">240</a>]</span>Rum,
+h&ecirc;ten. Th&acirc; th&aring;t d&ecirc;n was, heth th&aring;t folk
+him selva thrvch lest &aring;nd weld fon th&aring;t &ecirc;le
+l&acirc;nd m&acirc;ster m&acirc;ked. Th&aring;t folk th&aring;t anda
+s&ucirc;dside th&ecirc;re Middels&ecirc; h&ecirc;mth, is f&acirc;r-et
+m&acirc;ra d&ecirc;l fon Fhonysja w&ecirc;i kvmen. Tha Fhonysjar<a
+class="noteref" id="xd0e3507src" href="#xd0e3507">2</a> send en bastred
+folk, hja send fon Fryas blod &aring;nd fon Findas blod &aring;nd fon
+Lyda his blod. Th&aring;t folk fon Lyda send th&ecirc;r as
+sl&acirc;vona, men thrvch tha vntucht th&ecirc;r wyva h&aring;von
+thissa swarte m&aring;nniska al-et &ocirc;ra folk bastered &aring;nd
+brun vrf&aring;rvet<span class="corr" id="xd0e3510" title="Niet in
+bron">.</span> Thit folk &aring;nd tham fon Rome k&aring;mpath
+&ocirc;l&acirc;n vmb-et m&acirc;sterskip fon tha Middels&ecirc;. Forth
+l&ecirc;vath tham fon Roma an fjandskip with tha Fonysjar, &aring;nd
+hjara prestera th&ecirc;r-et rik all&ecirc;na welda wille wr irtha, ne
+m&uuml;gon tha Gola navt ne sjan. Th&aring;t forma h&aring;von hja tha
+Fphonysjar Mis-selja ofnomen, d&acirc;n&acirc; alle landa, th&ecirc;r
+s&ucirc;dward, westward &aring;nd northward lidsa, &acirc;k et
+s&ucirc;dard&ecirc;l fon Britanja, &aring;nd allerw&ecirc;ikes
+h&aring;von hja tha Fonysjar prestera, that h&ecirc;th tha Gola
+vrj&acirc;geth, d&acirc;n&acirc; sind thusanda Gola n&ecirc;i north
+Brittanja brit. Kirt vrl&ecirc;den was th&ecirc;r tha vreste
+th&ecirc;ra Golum s&ecirc;ten vppa th&ecirc;re burch, th&ecirc;r is
+k&ecirc;then K&ecirc;ren&aring;k that is herne, hwanath hi sin
+bif&ecirc;la jef an alle &ocirc;ra Gola. Ak was th&ecirc;r al hjara
+gold togadur brocht. K&ecirc;ren herne jeftha K&ecirc;ren&aring;k is
+&ecirc;ne st&ecirc;nen burch, th&ecirc;r &ecirc;r an K&aring;lta
+h&ecirc;rde. Th&ecirc;rvmbe wildon tha f&acirc;mna fon tha
+&aring;fterkvmande th&ecirc;ra K&aring;ltana-folgar tha burch wither
+h&acirc;. Alsa was thrvch tha fyanskip th&ecirc;ra f&acirc;mna
+&aring;nd th&ecirc;ra Golum faithe &aring;nd twist in ovir th&aring;t
+Berchland kvmen mith morth &aring;nd br&ocirc;nd. Vsa stj&ucirc;rar
+k&ecirc;mon th&ecirc;r f&acirc;ken wol h&acirc;lja, th&aring;t hja
+sellade fori tobir&ecirc;de h&ucirc;dum &aring;nd linne. Askar was
+often mith w&ecirc;st, an stilnesse h&ecirc;d-er mith tha f&acirc;mna
+&aring;nd mith svme forstum &acirc;tskip sloten, &aring;nd him selva
+forbonden vmbe tha Gola to vrj&acirc;gane &ucirc;t K&ecirc;ren&aring;k.
+As-er th&ecirc;rn&ecirc;i wither k&ecirc;m j&ecirc;f hi tha forsta
+&aring;nd wigandliksta manna ysere helma &aring;nd st&ecirc;la boga.
+Orloch was mith kvmen &aring;nd kirt &aring;fter flojadon str&acirc;ma
+blod by <span class="pagenum">[<a id="xd0e3516" href=
+"#xd0e3516">242</a>]</span>tha hellinga th&ecirc;ra bergum del.
+Th&acirc; Askar m&ecirc;nde that kans him tol&acirc;kte, gvng-er mith
+fjuwertich sk&ecirc;pum hin &aring;nd nam K&ecirc;ren&aring;k &aring;nd
+thene vreste th&ecirc;ra Golum mith al sine gold. Th&aring;t folk
+w&ecirc;rmith hi with tha salt-&acirc;thum thera Golum k&aring;mped
+h&ecirc;de, h&ecirc;d-er &ucirc;t-a Saxanamarkum lvkt mith lofte fon
+gr&acirc;te h&ecirc;ra-r&acirc;ve &aring;nd but. Thus warth tha Gola
+n&ecirc;wet l&ecirc;ten. Aftern&ecirc;i nam-er tw&acirc; &ecirc;landa
+to berch far sinum sk&ecirc;pum, &aring;nd hw&acirc;nath hi l&ecirc;ter
+&ucirc;tgvng vmb alle Fonysjar sk&ecirc;pa &aring;nd st&ecirc;da to
+bir&acirc;wane th&ecirc;r hi big&acirc;na kv. Tha er tobek k&ecirc;m
+brocht-i tomet sexhvndred th&ecirc;ra storeste kn&acirc;pum fon
+th&aring;t Skotse berchfolk mith. Hi s&ecirc;ide that hja him to borgum
+j&ecirc;ven w&ecirc;ren, til thju hi s&ecirc;kur w&ecirc;sa machte
+th&aring;t tha eldra him skolde trow bilywa, men-t was jok, hi hild ra
+as lifw&ecirc;re et sina hova, th&ecirc;r hja allera distik les
+kr&ecirc;jon in-t ryda &aring;nd in-t h&ocirc;ndt&ecirc;ra fon
+allerl&ecirc;ja w&ecirc;pne. Tha Denamarkar tham hjara selva sunt
+l&ocirc;ng boppa alle &ocirc;ra stj&ucirc;rar stoltlike
+s&ecirc;k&aring;mpar h&ecirc;te, h&ecirc;don s&acirc; ringe navt fon
+Askar sina glorrika d&ecirc;dum navt ne h&ecirc;red, jef hja wrdon
+nydich th&ecirc;r vr, th&ecirc;rm&ecirc;te, that hja wilde orloch
+brensa over-ne s&ecirc; &aring;nd over sina landa. Sjan hyr, ho hi
+orloch formitha machte. Twisk tha bvwfala th&ecirc;re vrhomelde burch
+Stavja was jeta &ecirc;ne snode burchf&acirc;m mith svme f&acirc;mna
+s&ecirc;ten. Hjra n&ocirc;me was R&ecirc;intja &aring;nd th&ecirc;r
+gvng en gr&acirc;te hrop fon hira wish&ecirc;d &ucirc;t. Thjus
+f&acirc;m b&acirc;d an Askar hjra helpe vnder bithing, that Askar
+skolde tha burch Stavja wither vpbvwa l&ecirc;te. As-er him th&ecirc;r
+to forbonden h&ecirc;de, gvng R&ecirc;intja mith thrim f&acirc;mna
+n&ecirc;i Hals,<a class="noteref" id="xd0e3518src" href=
+"#xd0e3518">3</a> nachtis gvng hju r&ecirc;isa &aring;nd thes
+d&ecirc;is k&ecirc;the hju vppa alle markum &aring;nd binna alle
+m&ecirc;idum. Wralda s&ecirc;ide hju h&ecirc;de hja thrvch thongar
+tohropa l&ecirc;ta th&aring;t allet Fryas folk moston frjunda wertha,
+lik sustar &aring;nd brothar t&acirc;med, owers skolde Findas folk kvma
+&aring;nd ra alle fon irtha vrdilligja. N&ecirc;i thongar w&ecirc;ron
+Fryas sjvgun w&acirc;kf&acirc;mkes hja anda dr&acirc;me forskinnen,
+sjvgun nachta &aring;fter ekk&ocirc;-rum. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3521" href="#xd0e3521">244</a>]</span>Hja h&ecirc;de seith boppa
+Fryas landum swabbert ramp mith juk &aring;nd k&ecirc;dne omme.
+Th&ecirc;rvmbe moton alle folkar th&ecirc;r &ucirc;t Frya sproten send
+hjara ton&ocirc;ma w&ecirc;i werpa &aring;nd hjara selva all&ecirc;na
+Fryas bern jeftha folk h&ecirc;ta. Forth moton alle vpstonda &aring;nd
+et Findas folk fon Fryas erv dryva. Nillath hja th&aring;t navt ne dva,
+alsa skilun hja sl&acirc;vona benda vmbe hjara halsa kr&ecirc;ja, alsa
+skilun tha vrlandaska h&ecirc;ra hjara bern misbruka &aring;nd frytra
+l&ecirc;ta, til thju th&aring;t blod sygath inna jowre gr&ecirc;va.
+Th&aring;n skilun tha skinna jowre &ecirc;thla jo kvma wekja &aring;nd
+jo bikyvja vr jo lefh&ecirc;d &aring;nd vndigerh&ecirc;d. Th&aring;t
+dvme folk, th&aring;t thrvch todvan th&ecirc;ra M&acirc;gyara al an sa
+f&uuml;l dw&ecirc;sh&ecirc;d wenth was, l&acirc;vadon alles hwat hju
+s&ecirc;ide &aring;nd tha m&aring;mma klimdon hjara bern &aring;jen
+hjara brosta an. Th&acirc; R&ecirc;intja thene kening fon Hals
+&aring;nd alle &ocirc;thera manniska to &ecirc;ndracht vrwrocht hede,
+sand hju bodon n&ecirc;i Askar &aring;nd t&acirc;g selva alingen thene
+Balda s&ecirc;. D&acirc;n&acirc; gvng hju by tha Hlith-h&acirc;war,
+althus h&ecirc;ten vmbe that hja hjara fyanda immer n&ecirc;i thet
+&ocirc;nhlite h&acirc;we. Tha Hlithh&acirc;war send britne &acirc;nd
+bannene fon vs &aring;jn folk th&aring;t inna tha Twisklanda sit
+&aring;nd omme dwarelt. Hjara wyva h&acirc;von hja m&ecirc;st algadur
+fon tha Tartara r&acirc;wed. Tha Tartara s&ecirc;nd en d&ecirc;l fon
+Findas slachte &aring;nd althus thrvch tha Twisklandar h&ecirc;ten vmbe
+th&aring;t hja nimmerthe n&ecirc;n fr&ecirc;tho wille, men tha
+m&aring;nniska alti &ucirc;t tarta to strydande. Forth gvng hju
+&aring;ftera Saxnamarka tweres thrvch tha &ocirc;ra Twisklanda hin,
+allerw&ecirc;ikes th&aring;t selva &ucirc;tk&ecirc;tha. N&ecirc;i twam
+j&ecirc;r om w&ecirc;ron, k&ecirc;m hju allingen th&ecirc;re R&ecirc;ne
+to honk. By tha Twisklandar hede hju hjara selva as Moder
+&ucirc;tj&acirc;n &aring;nd s&ecirc;id th&aring;t hja mochton as fry
+&aring;nd franka m&aring;nniska wither kvma, men th&aring;n mosten hja
+ovir tha R&ecirc;ne gvngga &aring;nd tha Gola folgar &ucirc;t Fryas
+s&ucirc;darlandum j&acirc;gja. As hja th&aring;t d&ecirc;de, sa skolde
+hjra k&ecirc;ning Askar overa Skelda gvngga &aring;nd th&ecirc;r
+th&aring;t land ofwinna. By tha Twisklandar send f&ecirc;lo tjoda
+pl&ecirc;ga fon tha Tartarum &aring;nd M&acirc;gjara binna glupt, men
+&acirc;k f&uuml;l send <span class="pagenum">[<a id="xd0e3523" href=
+"#xd0e3523">246</a>]</span>th&ecirc;r fon vsa s&ecirc;dum
+bil&ecirc;wen. Th&ecirc;r thrvch h&aring;vath hja jeta f&acirc;mna
+th&ecirc;r tha bern l&ecirc;ra &aring;nd tha alda r&ecirc;d jeva.
+Bit-anfang w&ecirc;ron hja Reintja nydich, men to tha lesta w&aring;rth
+hju thrvch hjam folgath &aring;nd thjanjath &aring;nd allerw&ecirc;ikes
+bogath, hw&ecirc;r-et nette &aring;nd n&ecirc;dlik w&ecirc;re.</p>
+
+<p>Alsa ringen Askar fon R&ecirc;intja hjra bodon fornom ho tha Juttar
+nygath w&ecirc;ron, sand hi bistonda bodon fon sinant wegum n&ecirc;i
+tha k&aring;ning fon Hals. Th&aring;t skip, w&ecirc;rmith tha bodon
+gvngon, was fvl l&ecirc;den mith f&acirc;mna syrh&ecirc;dum &aring;nd
+th&ecirc;r by w&ecirc;r en golden skild, hw&ecirc;rvppa Askar his
+d&acirc;nte kunstalik was utebyld. Thissa bodon mosten fr&ecirc;ja
+j&ecirc;f Askar thes k&aring;ning his toghter Fr&ecirc;thogunsta to sin
+wif h&aring;ve machte. Fr&ecirc;thogunsta k&ecirc;m en j&ecirc;r
+l&ecirc;ter to St&acirc;veren, bi hjara folgar w&ecirc;re &acirc;k
+&ecirc;nen M&acirc;gy, hwand tha Juttar w&ecirc;ron sunt l&ocirc;ng
+vrbrud. Kirt &aring;fter that Askar mith Fr&ecirc;thogunsta bostigjath
+was, w&aring;rth th&ecirc;r to St&acirc;veren &ecirc;ne scherke bvwad,
+inna thju scherke wrdon tjoda drochten lykanda byldon st&aring;lth mith
+gold trvch wrochtne kl&acirc;thar. Ak is er biw&ecirc;rath that Askar
+th&ecirc;r nachtis &aring;nd vntydis mith Fr&ecirc;thogunsta f&acirc;r
+nitherbuwgade. Men s&acirc; f&uuml;l is s&ecirc;kur, thju burch Stavia
+ne w&aring;rth navt wither vpebvwed. R&ecirc;intja was al to bek kvmen,
+&aring;nd gvng nydich n&ecirc;i Prontlik thju Moder et Texland
+b&acirc;rja. Prontlik gvng to &aring;nd sand allerw&ecirc;ikes bodon
+th&ecirc;r &ucirc;tk&ecirc;thon, Askar is vrj&ecirc;ven an afgodie.
+Askar d&ecirc;de as murk-i-t navt, men vnwarlingen k&ecirc;m th&ecirc;r
+&ecirc;ne fl&acirc;te &ucirc;t Hals. Nachtis wrdon tha f&acirc;mna
+&ucirc;t-&ecirc;re burch drywen, &aring;nd ogtins kvn m&aring;n fon
+th&ecirc;re burch all&ecirc;na &ecirc;ne glandere h&acirc;pe sjan.
+Prontlik &aring;nd R&ecirc;intja k&ecirc;mon to my vmb skul. Th&aring;
+ik th&ecirc;r &aring;ftern&ecirc;i vr n&ecirc;i tochte, l&ecirc;k it my
+to, that it kw&acirc;dlik f&acirc;r min st&acirc;t bid&ecirc;ja kvste.
+Th&ecirc;rvmbe h&aring;von wi to s&ecirc;mne &ecirc;ne lest forsonnen,
+th&ecirc;r vs alle b&acirc;ta most. Sjan hyr ho wi to gvngen send.
+Middel in-t Krylwald biasten Ljvwerde l&ecirc;ith vsa fly jeftha
+w&ecirc;ra, th&ecirc;r m&aring;n all&ecirc;na thrvch dwarlp&acirc;da
+m&ecirc;i n&acirc;ka. In vppa thjus burch h&ecirc;d ik sunt l&ocirc;nge
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e3527" href=
+"#xd0e3527">248</a>]</span>jonga w&acirc;kar stald, th&ecirc;r alle
+&ecirc;ne grins an Askar h&ecirc;de, &aring;nd alle &ocirc;ra
+m&aring;nniska d&acirc;nath halden. Nv wast bi vs &acirc;k al sa wyd
+kvmen, th&aring;t f&ecirc;lo wyva &aring;nd &acirc;k manna al
+pat&ecirc;rade vr spoka, witte wyva &aring;nd uldermankes, lik tha
+D&ecirc;namarkar. Askar h&ecirc;de al thissa dw&acirc;sh&ecirc;de to
+sin b&acirc;ta anwenth &aring;nd th&aring;t wildon wi nv &acirc;k to
+vsa b&acirc;ta dva. Bi-ne thjustre nacht brocht ik tha f&acirc;mna
+n&ecirc;i th&ecirc;re burch &aring;nd d&acirc;n&acirc; gongen hia mith
+hjara f&acirc;mna in thrvch tha dwarl-p&acirc;da spokka in wttta
+kl&acirc;thar huled, s&acirc; that th&ecirc;r aftern&ecirc;i n&ecirc;n
+m&aring;nnisk m&acirc;ra kvma ne thvrade. Tha Askar m&ecirc;nde
+th&aring;t-er thu h&ocirc;nda rum h&ecirc;de, l&ecirc;t-i tha
+M&acirc;gjara vnder allerl&ecirc;ja n&ocirc;ma thrvch ovir sina
+st&acirc;ta f&acirc;ra &acirc;nd b&ucirc;ta Gr&ecirc;neg&acirc;
+&acirc;nd b&ucirc;ta mina st&acirc;t ne wrdon hja n&aring;rne navt ne
+w&ecirc;rath. N&ecirc;i that Askar alsa mith tha Juttar &aring;nd tha
+&ocirc;ra D&ecirc;namarkar forbonden was, gvngon hja als&ecirc;mina
+r&acirc;wa; thach that neth n&ecirc;ne gode fr&uuml;chda b&acirc;red.
+Hja brochton allerl&ecirc;ja vrlandiska sk&aring;ta to honk. Men just
+th&ecirc;r thrvch nildon th&aring;t jong folk n&ecirc;n ambacht
+l&ecirc;ra, nach vppa tha fjeldum navt ne werka, s&acirc; that hi to
+tha lersta wel sl&acirc;vona nimma moste. Men thit was &ecirc;l al
+&aring;jen Wralda his wille &aring;nd &aring;jen Fryas r&ecirc;d.
+Th&ecirc;rvmbe kv straf navt &aring;fterw&ecirc;ga ne bilywa. Sjan hyr
+ho straffe kvmen is. &Ecirc;nis h&ecirc;don hja to s&ecirc;mine
+&ecirc;ne &ecirc;le fl&acirc;te wnnen, hju k&ecirc;m fon &ucirc;ta
+Middels&ecirc;. Thjus fl&acirc;te was to l&ecirc;den mith purpera
+kl&acirc;thar &aring;nd &ocirc;ra kostelikh&ecirc;d, th&ecirc;r alle
+fon of Phonisja k&ecirc;mon. Th&aring;t wraka folk th&ecirc;re
+fl&acirc;te w&aring;rth bis&ucirc;da th&ecirc;re S&ecirc;jene an wal
+set, men th&aring;t stora folk w&aring;rth halden. Th&aring;t most ra
+as sl&acirc;vona thianja. Tha sk&ecirc;neste wrdon halden vmbe vppet
+land to bilywane &aring;nd tha l&ecirc;dliksta &aring;nd swartste wrdon
+an bord halden vmbe vppa tha benka to rojande. An-t Fly w&aring;rth tha
+bodel d&ecirc;lath, men svnder hjara w&ecirc;ta w&aring;rth &acirc;k
+hjara straf d&ecirc;lath. Fon tha m&aring;nniska th&ecirc;r vppa tha
+vrlandiska skepum stalt w&ecirc;ron, w&ecirc;ron sex thrvch bukpin
+felth. M&aring;n tochte th&aring;t et eta &aring;nd drinka
+vrj&ecirc;ven w&ecirc;re, <span class="pagenum">[<a id="xd0e3532" href=
+"#xd0e3532">250</a>]</span>th&ecirc;rvmbe w&aring;rth alles ovir bord
+jompth. Men b&ucirc;kpin reste &aring;nd allerw&ecirc;ikes, hw&ecirc;r
+sl&acirc;vona jeftha god k&ecirc;m, k&ecirc;m &acirc;k b&ucirc;kpin
+binna. Tha Saxmanna brochten hju ovir hjara marka, mith tha Juttar for
+hju n&ecirc;i Sk&ecirc;nland &aring;nd alingen th&ecirc;re k&acirc;d
+fon tha Balda-s&ecirc;, mith Askar his stj&ucirc;rar for hju n&ecirc;i
+Britanja. Wi &aring;nd tham fon Gr&ecirc;neg&acirc; ne l&ecirc;ton
+n&ecirc;n god ner minniska ovir vsa p&acirc;la navt ne kvma, &aring;nd
+th&ecirc;rvmbe bil&ecirc;won wi fon tha b&ucirc;kpin fry. Ho f&ecirc;lo
+m&aring;nniska b&ucirc;kpin w&ecirc;ir&acirc;pth heth, n&ecirc;t ik
+navt to skrywane, men Prontlik th&ecirc;r et &aring;ftern&ecirc;i fon
+tha &ocirc;ra f&acirc;mna h&ecirc;rde, heth my meld, th&aring;t Askar
+th&ucirc;sandmel m&acirc;ra frya m&aring;nniska &ucirc;t sina
+st&acirc;tum hulpen heth, as er vvla sl&acirc;vona inbrochte. Th&acirc;
+pest far god wyken was, tha k&ecirc;mon tha fri wrden Twisklandar
+n&ecirc;i th&ecirc;re R&ecirc;ne, men Askar nilde mith tha forstum fon
+th&aring;t vvla vrbasterde folk navt an &ecirc;ne lyne navt ne stonda.
+Hi nilde navt ne d&acirc;ja, that hja skoldon hjara selva Fryas bern
+h&ecirc;ta, lik R&ecirc;intja biboden h&ecirc;de, men hi vrjet
+th&ecirc;rbi that-i selva swarte h&ecirc;ra h&ecirc;de. Emong tha
+Twisklandar w&ecirc;ron th&ecirc;r tw&acirc; folkar, th&ecirc;r hjara
+selva n&ecirc;ne Twisklandar h&ecirc;ton. Th&aring;t &ecirc;ne folk
+k&ecirc;m &ecirc;l f&ecirc;r &ucirc;t-et s&ucirc;d-&acirc;sten
+w&ecirc;i, hja h&ecirc;ton hjara selva Allemanna. Thissa n&ocirc;ma
+h&ecirc;don hja hjara selva j&ecirc;ven, th&acirc; hja jeta svnder wiva
+inna tha walda as bannane ommedwarelde. L&ecirc;tar h&aring;von hja
+fon-et sl&acirc;vona folk wiva r&acirc;vath, &ecirc;vin sa tha
+Hlith&acirc;war, men hja h&aring;von hjara n&ocirc;me bihalden.
+Th&aring;t &ocirc;ra folk, th&aring;t m&acirc;ra h&ecirc;inde
+ommedwarelde, h&ecirc;ton hjara selva Franka, navt vmbe that hja fry
+w&ecirc;ron, men Frank alsa h&ecirc;de thene &ecirc;roste k&aring;ning
+h&ecirc;ten, tham him selva mith hulpe fon tha vrbr&ucirc;da
+f&acirc;mna to ervlik k&aring;ning ovir sin folk m&acirc;kad
+h&ecirc;de. Tha folkar tham an him p&acirc;ladon, h&ecirc;ton hjara
+selva Thjoth-his svna, that is folk-his svna, hja w&ecirc;ron frya
+m&aring;nniska bil&ecirc;wen, n&ecirc;idam hja nimmer &ecirc;nen
+k&aring;ning ner forste nach m&acirc;ster bik&aring;nnna nilde, as
+thene jenge tham by m&ecirc;na willa was k&ecirc;ren vppa th&ecirc;re
+m&ecirc;na acht. Askar h&ecirc;de <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3534" href="#xd0e3534">252</a>]</span>al fon R&ecirc;intja
+fornommen, that tha Twisklandar forsta m&ecirc;st alti in fiandskip
+&aring;nd faitha w&ecirc;ron. Nw stald-i hjam to f&acirc;ra, hj&acirc;
+skolde &ecirc;nen h&ecirc;rtoga fon sin folk kjasa vmbe that-er ang
+w&ecirc;re seid-er that hja skolde mit manlik &ocirc;therum skoldon
+twista ovir-et m&acirc;sterskip. Ak s&ecirc;id-er kvndon sina forsta
+mith-a Golum spr&ecirc;ka. Th&aring;t s&ecirc;id-er w&ecirc;re &acirc;k
+Moder his m&ecirc;ne. Th&acirc; k&ecirc;mon tha forsta th&ecirc;ra
+Twislandar to ekk&ocirc;rum &aring;nd n&ecirc;i thrija sjugun etmelde
+k&ecirc;ron hja Alrik to-ra hertoga ut. Alrik w&ecirc;re Askar his
+n&ecirc;va, hi jef him tw&ecirc;n hvndred skotse &aring;nda hvndred
+th&ecirc;ra storosta Saxmanna mith to lifw&ecirc;ra. Tha forsta moston
+thrija sjvgun fon hjara svnum n&ecirc;i St&acirc;veren senda to borg
+hjarar trow. To nv was alles n&ecirc;i winsk gvngen, men th&acirc;
+m&aring;n ovire R&ecirc;ne fara skolde, nildon thene k&aring;ning
+th&ecirc;ra Franka navt vnder Alrikis bif&ecirc;la navt ne stonda.
+Th&ecirc;rthrvch lip alles an tha tys. Askar th&ecirc;r m&ecirc;nde
+th&aring;t alles god gvng, lande mith sina sk&ecirc;pa anna tha
+&ocirc;re syde th&ecirc;re Skelda, men th&ecirc;r was was man long fon
+sin kvmste to ljucht &aring;nd vppa sin hod. Hja moston alsa ring
+fljuchta as hja kvmen w&ecirc;ron, &aring;nd Askar wrde selva fath. Tha
+Gola niston navt hwa hja fensen h&ecirc;de, &aring;nd alsa warth hi
+&aring;ftern&ecirc;i &ucirc;twixlath fori &ecirc;nnen h&acirc;ge Gol,
+th&ecirc;r Askar his folk mith forath h&ecirc;de. Thawila th&aring;t-et
+alles b&ecirc;rade, hlipon tha M&acirc;gjara jeta dryster as to
+f&acirc;ra ovir vsa b&ucirc;ra ra landa hinna. By Egmvda hw&ecirc;r to
+f&acirc;ra tha burch For&acirc;na st&acirc;n h&ecirc;de, l&ecirc;ton
+hja &ecirc;ne cherka bvwa jeta gr&acirc;ter &aring;nd rikar as Askar to
+St&acirc;veren d&ecirc;n h&ecirc;de. Aftern&ecirc;i s&ecirc;idon hja
+that Askar thju k&aring;se vrl&ecirc;ren h&ecirc;de with tha Gola,
+thrvchdam et folk navt l&acirc;wa navt nilde, that Wodin hjam helpa
+kvste, &aring;nd that hja him th&ecirc;rvmbe navt anbidda nilde. Forth
+gvngon hja to &aring;nd sk&acirc;kton jonga bern tham hja by ra hildon
+&aring;nd vpbrochten in tha hemnissa fon hjara vrbruda l&ecirc;re.
+W&ecirc;ron th&ecirc;r m&aring;nniska tham</p>
+
+<p lang="nl">Het overige ontbreekt.</p>
+
+<div class="figure"><img src="images/p238.png" alt=
+"Afbeelding van een Schip met voor en achterplecht, bewaard op een oud zegel van Staveren."
+ width="265" height="269">
+<p class="figureHead">Afbeelding van een Schip met voor en
+achterplecht, bewaard op een oud zegel van Staveren.</p>
+</div>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl"><span class="label"><a class=
+"noteref" href="#n232src" id="n232">1</a></span> Hier eindigde het
+schrijven van Beeden. In het H. S<span class="corr" id="xd0e3492"
+title="Niet in bron">.</span> ontbreken twee bladzijden volgens de
+paginatuur. Maar zonder twijfel ontbreekt er meer. De afgebroken aanhef
+van het volgende wijst aan, dat de aanvang van het volgende geschrift
+verloren gegaan is en daarmede ook de aanduiding van den naam des
+schrijvers, die een zoon of kleinzoon van Beeden kan geweest zijn.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3507src" id="xd0e3507">2</a></span> Fhonysiar, Carthagers.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3518src" id="xd0e3518">3</a></span> Hals, Holstein.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+
+<div class="back">
+<div class="div1" id="toc">
+<h2 class="normal">Inhoudsopgave</h2>
+
+<ul>
+<li><a href="#xd0e155">Voorbericht.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e400">Inleiding.</a>
+<ul>
+<li><a href="#xd0e744">Bijlage tot Pag. XX.</a></li>
+</ul>
+</li>
+
+<li><a href="#xd0e780">Adela.</a>
+<ul>
+<li><a href="#xd0e784">Okke mijn zoon.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e795">Het boek van Adela&rsquo;s aanhangers.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e903">Fryas Tex.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e934">Dit heeft Fasta gezegd.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e941">Fasta zeide</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e946">Dit zijn de wetten die tot de burgten betrekking
+hebben.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1001">Algemeene wet.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1034">Hier volgen de wetten die daaruit zamengesteld
+zijn.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1062">Dit zijn de rechten der moeder en der
+koningen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1093">Hier zijn de rechten aller Friesen om veilig te
+wezen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1112">Uit Minno&rsquo;s geschriften.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1119">Wetten voor de stuurlieden. Stuurman is een
+titel voor de buitenvaarders.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1147">Nuttige zaken uit de nagelaten schriften van
+Minno.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1206">Uit Minnos schriften.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1233">Uit de schriften van Minno.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1242">Hieronder zijn drie beginselen, daarnaar zijn
+deze inzettingen gemaakt.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1268">Deze bepalingen zijn gemaakt voor toornige
+menschen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1279">Dit zijn bepalingen voor de
+hoerenkinderen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1291">Hetgene hieronder staat is aan de wanden van de
+Waraburgt gegrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1310">Dit staat op alle burgten geschreven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1335">Hoe de bange tijd kwam.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1340">Dit staat aan de Waraburgt bij de Aldegamude
+gegrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1374">Dit alles staat niet alleen op de Waraburgt,
+maar ook op de burgt Stavia, die gelegen is achter de haven van
+Stavre</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1392">Wat daarvan geworden is.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1413">Nu willen wij schrijven over den oorlog der
+burgtmaagden Kalta en Min-erva.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1431">Hierbij komt de geschiedenis van Jon.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1455">Nu willen wij schrijven hoe het Jon vergaan is.
+Het staat te Texland geschreven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1480">Dit is over de Geertmannen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1501">In het jaar 1005 nadat Atland gezonken is, is
+dit op de oosterwand van Frijasburgt geschreven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1517">Dit staat op al onze burgen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1538">Hoe het den Magy verder gegaan is.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1550">Naschrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1564">De schriften van Adelbrost en
+Apollonia.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1589">Het tweede geschrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1605">De lofspraak der burgtmaagd.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1636">Oudste leer.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1647">Het tweede deel van de oudste leer.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1667">Dit staat op schrijffilt geschreven. Taal en
+antwoord aan andere maagden tot een voorbeeld.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1679">Nu wil ik zelf schrijven, eerst over mijne
+burgt en dan over hetgene ik heb mogen zien.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1707">De geschriften van Fr&ecirc;thorik en
+Wiljow.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1724">Nu wil ik schrijven hoe de Geertmannen en vele
+volgelingen van Helenia terug kwamen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1757">Dit geschrift is mij over Noordland of
+Schoonland gegeven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1855">Het geschrift van Koner&ecirc;d.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1865">Nu wil ik over Friso schrijven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1887">Wat Friso verder deed.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1905">Nu wil ik schrijven over zijn zoon
+adel.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1920">Hier is dit geschrift met Gosas raad.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1931">Hier is nu mijn raad.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1963">Het geschrift van Beeden.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1974">Brief van Rika de oudmaagd, voorgelezen te
+Staveren bij het juulfeest.</a></li>
+</ul>
+</li>
+
+<li><a href="#xd0e2045">Adela.</a>
+<ul>
+<li><a href="#xd0e2048">Okke min svn.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2069">Thet bok th&ecirc;ra Adela folstar.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2204">Tex Fryas.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2235">Thet het Fasta s&ecirc;id.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2242">Fasta s&ecirc;ide.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2247">That send tha &ecirc;wa th&ecirc;r to
+th&ecirc;ra burgum h&ecirc;ra.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2304">M&ecirc;na &ecirc;wa.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2340">Hyr folgath tha &ecirc;wa th&ecirc;r
+th&ecirc;rut tavlikt send.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2368">Hyr send tha rjuchta th&ecirc;re moder and
+th&ecirc;ra k&ecirc;ninggar.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2396">Hyr send tha rjuchta aller Fryas vmbe
+s&ecirc;kur to w&ecirc;sande.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2415">Ut Minnos skriftun.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2424">&Ecirc;wa fara stjurar. Stjurar is thi
+&egrave;renoma th&ecirc;ra butafarar.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2458">Netlika s&ecirc;ka ut-a n&ecirc;il&ecirc;tne
+skriftum Minnos.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2486">Ut-a skrifta Minnos.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2516">III. Ut-a skrifta Minnos.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2525">Hir vnder send thr&ecirc; w&ecirc;ta,
+th&ecirc;r after send thissa setma makad.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2554">Thissa domar send makad fara nydiga
+manniska.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2565">This send domar fara horninga.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2577">That hyr vnder stat is in ut tha wagar
+th&ecirc;re Waraburgh writen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2606">That st&ecirc;t vp alle burgum
+eskr&ecirc;ven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2633">Ho arge tid k&ecirc;m.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2641">Thit st&ecirc;t inna Waraburch by th&ecirc;re
+Aldega mvda wryt.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2695">Thit ella stet navt all&ecirc;na vpper
+Waraburgh men ok to th&ecirc;re burch Stavia, th&ecirc;r is lidsen
+aftere have fon Stavre.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2734">Hwat th&ecirc;r of wrden is.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2753">Nw willath wi skriwa vr tha orloch th&ecirc;ra
+burchfamna Kalta and Min-erva</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2784">Hirby kvmth tha sk&ecirc;dnesse fon
+Jon.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2815">Nv willath wi skriva ho-t Jon vrgvngen is, thit
+st&ecirc;t to Texland skr&ecirc;ven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2848">Thit is over tha G&ecirc;rtmanna.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2869">An tha j&ecirc;ra 1000 and 5 n&ecirc;i Aldland
+svnken is, is thit vpp-ina asterwach it Fryas burch writen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2898">Thit stat in al vsa burga.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2932">Ho-t thene Magy forth vrgvngon is.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2941">N&ecirc;ischrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2957">Tha skrifta fon Adelbrost and
+Apollonia</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3002">Thet othera skrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3019">Th&ecirc;re burchfams lov.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3062">Forml&ecirc;re.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3079">Thet othera d&ecirc;l fonre
+forml&ecirc;r.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3099">Thit stat vp skrivfilt skr&ecirc;ven. Tal and
+andworde ora famna to-n forbyld.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3108">Nw wil ik selva skriwa &ecirc;rost fon over min
+burch and than over hwat ik hav muge sjan.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3166">Tha skrifta fon Frethorik and Wiljow.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3189">Nw wil ik skriwa ho tha G&ecirc;rtmanna and
+f&ecirc;lo H&ecirc;l&ecirc;nja folgar tobek k&ecirc;mon.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3251">Thit skrift is mij ower Nortland jeftha
+Sk&ecirc;nland j&ecirc;ven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3314">Thet skrift fon Koner&ecirc;d.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3321">Nv wil ik vr Friso skriva.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3352">Ho Friso forther d&ecirc;de.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3378">Nw wil ik skriwa vr Adel sin svnv.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3415">Hyr is that skrift mith Gosas
+r&ecirc;d.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3426">Hyr is nv min r&ecirc;d.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3460">Thet skrift fon B&ecirc;den.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3475">Br&ecirc;f fon Rika thju aldfam, vpseid to
+Staveren by-t jolf&ecirc;rste.</a></li>
+</ul>
+</li>
+</ul>
+</div>
+
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met
+vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a class=
+"exlink" title="Externe link" href="http://www.gutenberg.org/">
+www.gutenberg.org</a>.</p>
+
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman het on-line
+gedistribueerd correctie team op <a class="exlink" title="Externe link"
+href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+
+<p>Het Oera Linda Boek is een van de merkwaardigste handschriften uit
+de Friese literatuur. Geschreven in zogenaamd oud-Fries in een
+geconstrueerd schrift, is deze collectie van teksten onmiskenbaar een
+vervalsing. Het pretendeerd een door de leden van de Friese familie
+Oera Linda (Over de Linden) verzamelde collectie van teksten te zijn.
+De classicus Jan Gerhardus Ottema, gaf het boek in 1872 voor het eerst
+uit. Sindsdien is de tekst controversieel.</p>
+
+<p>De vraag is echter niet of het een vervalsing is, daar is vrijwijl
+iedereen het over eens, maar door wie die gemaakt is. Sommigen wijzen
+Cornelis Over de Linden zelf aan, anderen de Friese historicus Eelco
+Verwijs. Meer recent is de theorie van cultuurhistoricus Goffe Theunis
+Jensma die het toeschrijft aan de dominee en dichter Fran&ccedil;ois
+Haverschmidt (ook bekend onder zijn pseudoniem Piet Paaltjens), die in
+dit werk de tegenstellingen in reformatorische kring in de 19e eeuw tot
+uitdrukking zou hebben willen brengen.</p>
+
+<p>Op het internet zijn verschillende kopie&euml;n van het werk
+beschikbaar. Deze tekst is gemaakt aan de hand van de tweede druk (met
+een extra voorwoord) uit 1876. Voor de productie van dit werk zijn
+verschillende exemplaren gebruikt.</p>
+
+<ol class="lsoff">
+<li><a class="exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.wumkes.nl/index.php?&amp;volg=6&amp;id=21">Digitale
+Historische Bibliotheek Friesland</a></li>
+
+<li><a class="exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.archive.org/details/thetoeralindabo01ottegoog">The Internet
+Archive. (Google)</a></li>
+
+<li><a class="exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.archive.org/details/thetoeralindabo02ottegoog">The Internet
+Archive. (Google)</a></li>
+</ol>
+
+<p>Een beschrijving van het werk is te vinden op <a class="exlink"
+title="Externe link" href="http://nl.wikipedia.org/wiki/Oera_Linda">
+Wikipedia</a>, en is er zelfs een website gewijd aan het <a class=
+"exlink" title="Externe link" href="http://www.oeralindaboek.nl/">Oera
+Linda boek</a>. Tenslotte is de tekst ook beschikbaar in de <a class=
+"exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.dbnl.org/tekst/_the002thet01_01/">DBNL</a>.</p>
+
+<p>De &ldquo;Oud Friese&rdquo; tekst is na het proeflezen vergeleken
+met de versie in de DBNL. Hierbij zijn alle gevonden fouten, na
+verificatie op de oorspronkelijke scans gecorrigeerd.</p>
+
+<h3>Codering</h3>
+
+<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan
+de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel
+zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
+gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het
+corr-element.</p>
+
+<p>De letter &aring; is gebruikt om de letter a met een kleine e
+erboven weer te geven. Zodra dit teken voldoende breed ondersteund
+wordt zal de oorspronkelijke letter hersteld worden (a&#868;).</p>
+
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+
+<ol class="lsoff">
+<li>2009-05-13 Begonnen.</li>
+</ol>
+
+<h3>Externe Referenties</h3>
+
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+
+<h3>Verbeteringen</h3>
+
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+
+<table width="75%" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in
+de tekst.">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e198">VII</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e303">XIII</a></td>
+<td style="width: 40%">voor dat</td>
+<td style="width: 40%">voordat</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e310">XIV</a></td>
+<td style="width: 40%">daar tusschen</td>
+<td style="width: 40%">daartusschen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e620">XXX</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e672">
+XXXIII</a></td>
+<td style="width: 40%">Middelandsche</td>
+<td style="width: 40%">Middellandsche</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e716">
+XXXVII</a></td>
+<td style="width: 40%">orgineel</td>
+<td style="width: 40%">origineel</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e809">9</a></td>
+<td style="width: 40%">Medeablik</td>
+<td style="width: 40%">Medeasblik</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1018">31</a></td>
+<td style="width: 40%">dewouden</td>
+<td style="width: 40%">de wouden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1069">35</a></td>
+<td style="width: 40%">bespreekt</td>
+<td style="width: 40%">bespreken</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1226">53</a></td>
+<td style="width: 40%">antwoorde</td>
+<td style="width: 40%">antwoordde</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1366">79</a></td>
+<td style="width: 40%">wenden</td>
+<td style="width: 40%">wendden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1369">79</a></td>
+<td style="width: 40%">hy</td>
+<td style="width: 40%">hij</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1383">81</a></td>
+<td style="width: 40%">opgerekend</td>
+<td style="width: 40%">op gerekend</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1426">89</a></td>
+<td style="width: 40%">verblinde</td>
+<td style="width: 40%">verblindde</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1445">95</a></td>
+<td style="width: 40%">gehracht</td>
+<td style="width: 40%">gebracht</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1450">95</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1491">103</a></td>
+<td style="width: 40%">bogon</td>
+<td style="width: 40%">begon</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1506">105</a></td>
+<td style="width: 40%">inge-genomen</td>
+<td style="width: 40%">ingenomen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1522">111</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1545">119</a></td>
+<td style="width: 40%">wenden</td>
+<td style="width: 40%">wendden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1596">131</a></td>
+<td style="width: 40%">me t</td>
+<td style="width: 40%">met</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1664">143</a></td>
+<td style="width: 40%">overalen</td>
+<td style="width: 40%">overal en</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1674">145</a></td>
+<td style="width: 40%">van</td>
+<td style="width: 40%">dan</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1694">151</a></td>
+<td style="width: 40%">omzoond</td>
+<td style="width: 40%">omzoomd</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1749">177</a></td>
+<td style="width: 40%">Wichirte</td>
+<td style="width: 40%">Wichhirte</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1752">177</a></td>
+<td style="width: 40%">is</td>
+<td style="width: 40%">ik</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1807">183</a></td>
+<td style="width: 40%">Helenia</td>
+<td style="width: 40%">Hellenia</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1834">191</a></td>
+<td style="width: 40%">Irhta</td>
+<td style="width: 40%">Irtha</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1862">197</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2028">243</a></td>
+<td style="width: 40%">schandere</td>
+<td style="width: 40%">schrandere</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2058">2</a></td>
+<td style="width: 40%">th&ucirc; sond</td>
+<td style="width: 40%">th&ucirc;sond</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2156">14</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2326">32</a></td>
+<td style="width: 40%">m&acirc;rkskat</td>
+<td style="width: 40%">m&aring;rkskat</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2501">52</a></td>
+<td style="width: 40%">W.ralda</td>
+<td style="width: 40%">Wr.alda</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2511">56</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2547">60</a></td>
+<td style="width: 40%">mei</td>
+<td style="width: 40%">m&ecirc;i</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2621">68</a></td>
+<td style="width: 40%">S&ecirc;k&acirc;mpar</td>
+<td style="width: 40%">S&ecirc;k&aring;mpar</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2676">76</a></td>
+<td style="width: 40%">Dennemar kum</td>
+<td style="width: 40%">Dennemarkum</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2684">78</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2687">78</a></td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2712">82</a></td>
+<td style="width: 40%">&acirc;tland</td>
+<td style="width: 40%">&Acirc;tland</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2726">84</a></td>
+<td style="width: 40%">&aring;fternei</td>
+<td style="width: 40%">&aring;ftern&ecirc;i</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2730">84</a></td>
+<td style="width: 40%">Wyring&acirc;</td>
+<td style="width: 40%">Wyringg&acirc;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2745">84</a></td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2750">86</a></td>
+<td style="width: 40%">weron</td>
+<td style="width: 40%">w&ecirc;ron</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2767">86</a></td>
+<td style="width: 40%">1600</td>
+<td style="width: 40%">1630</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2773">88</a></td>
+<td style="width: 40%">fon t</td>
+<td style="width: 40%">fon-t</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2781">90</a></td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2793">92</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2809">94</a></td>
+<td style="width: 40%">K&acirc;ltana</td>
+<td style="width: 40%">K&aring;ltana</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2842">100</a></td>
+<td style="width: 40%">Krekalanda</td>
+<td style="width: 40%">Kr&ecirc;kalanda</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2866">104</a></td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2917">112</a></td>
+<td style="width: 40%">weron</td>
+<td style="width: 40%">w&ecirc;ron</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2995">126</a></td>
+<td style="width: 40%">burchfam</td>
+<td style="width: 40%">burchf&acirc;m</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3074">136</a></td>
+<td style="width: 40%">felo</td>
+<td style="width: 40%">f&ecirc;lo</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3113">146</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3246">176</a></td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3256">178</a></td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3398">210</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3433">218</a></td>
+<td style="width: 40%">Fryasbnrch</td>
+<td style="width: 40%">Fryasburch</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3467">226</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">)</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3492">232</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3510">240</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 30467 ***</div>
+</body>
+</html>
diff --git a/30467-h/images/book.png b/30467-h/images/book.png
new file mode 100644
index 0000000..963d165
--- /dev/null
+++ b/30467-h/images/book.png
Binary files differ
diff --git a/30467-h/images/external.png b/30467-h/images/external.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/30467-h/images/external.png
Binary files differ
diff --git a/30467-h/images/p064.gif b/30467-h/images/p064.gif
new file mode 100644
index 0000000..7845d31
--- /dev/null
+++ b/30467-h/images/p064.gif
Binary files differ
diff --git a/30467-h/images/p064.png b/30467-h/images/p064.png
new file mode 100644
index 0000000..7845d31
--- /dev/null
+++ b/30467-h/images/p064.png
Binary files differ
diff --git a/30467-h/images/p066.gif b/30467-h/images/p066.gif
new file mode 100644
index 0000000..b95ff15
--- /dev/null
+++ b/30467-h/images/p066.gif
Binary files differ
diff --git a/30467-h/images/p066.png b/30467-h/images/p066.png
new file mode 100644
index 0000000..b95ff15
--- /dev/null
+++ b/30467-h/images/p066.png
Binary files differ
diff --git a/30467-h/images/p238.gif b/30467-h/images/p238.gif
new file mode 100644
index 0000000..ee30c0c
--- /dev/null
+++ b/30467-h/images/p238.gif
Binary files differ
diff --git a/30467-h/images/p238.png b/30467-h/images/p238.png
new file mode 100644
index 0000000..ee30c0c
--- /dev/null
+++ b/30467-h/images/p238.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..b0a4646
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #30467 (https://www.gutenberg.org/ebooks/30467)
diff --git a/old/30467-0.txt b/old/30467-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..68b1264
--- /dev/null
+++ b/old/30467-0.txt
@@ -0,0 +1,9721 @@
+The Project Gutenberg eBook of Thet Oera Linda Bok, by Anonymous
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: Thet Oera Linda Bok
+ Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw
+
+Author: Anonymous
+
+Translator: J.G. Ottema
+
+Release Date: November 13, 2009 [eBook #30467]
+[Most recently updated: December 6, 2022]
+
+Language: Dutch
+
+Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This book was
+produced from scanned images of public domain material
+from the Google Print project.)
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK THET OERA LINDA BOK ***
+
+
+
+
+ Thet Oera Linda Bok
+
+ Naar een handschrift uit de dertiende eeuw.
+
+
+ Eigendom der familie Over de Linden,
+ Aan Den Helder,
+ Bewerkt, vertaald en uitgegeven door
+
+ Dr. J. G. Ottema.
+
+
+ Tweede uitgave.
+
+ Te Leeuwarden, bij
+ H. Kuipers.
+
+ 1876.
+
+
+
+
+
+ Gedrukt bij J. R. Miedema te Leeuwarden.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+De eerste druk van het Oera Linda Boek is uitverkocht, en daardoor de
+gelegenheid ontstaan, om eene tweede uitgave ter perse te leggen. Voor
+mij is dit eene gewenschte zaak, omdat ik nu in staat gesteld ben
+hier en daar eene ingeslopen fout te herstellen of eene minder juiste
+vertaling te verbeteren.
+
+Van zijne eerste verschijning af, ja zelfs reeds voor dat het
+gedrukt was, heeft het boek eene groote tegenspraak en veroordeeling
+ondervonden. Vele pennen zijn daarover in beweging gebracht, eerst om
+de uitgave te beletten en vervolgens om de verspreiding tegen te gaan.
+
+Niet alleen binnen 's lands, maar ook daar buiten is men tegen dat
+boek te velde getrokken, als of van de echtheid of onechtheid daarvan
+het welzijn van land en volk afhing.
+
+Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en
+verbittering op te wekken? Is het zoo'n bespottelijk prulschrift,
+zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men
+leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat
+ik er bij en over geschreven heb in de Inleiding, de Geschiedkundige
+Aanteekeningen, de Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek, en
+de Deventer Courant en het Oera Linda Boek. Doch dat is juist wat men
+niet doet. Men wil niet ingelicht wezen over den aard, de strekking en
+de wetenschappelijke waarde van het boek. Het is veel gemakkelijker en
+pleizieriger in den blinde te schermen en in het wilde te schreeuwen,
+dan zich te zetten tot een ernstig onderzoek. Ieder, die maar even
+het boek oppervlakkig heeft ingezien, of er wat over heeft hooren
+praten, waant zich gerechtigd om er een afkeurend oordeel over uit
+te spreken. Dat oordeel maakt een triumftocht door alle nieuwsbladen,
+wordt door het van de zaak onkundig publiek toegejuicht, en het land
+is gered.
+
+Nu hebben de Heeren F. Muller en P. Smidt van Gelder, te Amsterdam,
+het papier van het Handschrift zoo het heet onderzocht, en beweren
+in de Nederlandsche Spectator no. 32 van den 5 Augustus 1876, dat
+het papier in deze eeuw is vervaardigd en wel in de laatste 25 jaren,
+dat het machinaal papier vergé is en afkomstig uit de fabriek van de
+Heeren Tielens en Schrammen te Maastricht.
+
+De Heer Muller schrijft, dit gevoelen steunt op de navolgende gronden:
+
+1. Het papier was in de 13e eeuw geheel van katoen, dik, ongelijk,
+wollig, met zeer ongelijke onduidelijke waterlijnen,--dit papier
+is dun, gelijk, hard, hier en daar doorschijnend, met geregelde
+duidelijke waterlijnen.
+
+Antw. Het katoenpapier uit de 13e en vroegere eeuwen moest, eer men
+er op kon schrijven, daarvoor opzettelijk geprepareerd worden door
+polijsten. De Arabieren en Gothen hebben dit gedaan op dezelfde
+wijze als de Egyptenaren hun papier en de Romeinen de fijnere
+perkamentsoorten glansden, namelijk door sterke wrijving met de
+slagtand van een wildzwijn, apri dente levigatur (Plinius). Tot een
+gelijk doel bedienen de boekbinders zich van een agaat. Door de sterke
+wrijving werden de papiervezelen dichter ineen geperst en daardoor
+het papier glad en effen en iets dunner als het was.
+
+Doch daarom kan men het papier van het H. S. niet dun noemen. Het
+H. S. bestaat uit 96 bladen, die tusschen eene pers gezet eene
+gezamenlijke dikte hebben van ruim 12 m.M., waartegen de dikte van
+2 boek best hollandsch schrijfpapier 12½ m.M. bedraagt, zoodat de
+dikte van die beide papiersoorten gelijk staat. En best hollandsch
+schrijfpapier behoort toch niet onder de dunne papiersoorten.
+
+Ik moet het er voor houden, dat de monsters papier, welke de Heer
+Muller vroeger gezien heeft, nog ongeprepareerd en ongepolijst
+geweest zijn, en dat hierdoor het verschil verklaard moet worden,
+'t welk hij bij deze vergelijking heeft opgemerkt.
+
+2. Het papier is van oudsher tot ongeveer 1800 in het midden tusschen
+de waterlijnen dunner dan ter weerszijde dicht bij de waterlijnen,--dit
+papier is bij de waterlijnen egaal, gelijk alleen het papier van deze
+eeuw is.
+
+Antw. Ik merk hierbij op, dat die uitdrukking van oudsher niet verder
+gaat dan tot het midden der 14e eeuw, toen het linnenpapier in de
+plaats van het katoenpapier is getreden en de papier-fabrikatie
+zich al meer en meer over Europa heeft uitgebreid. Die vergelijking
+heeft dus geene betrekking op het katoenpapier van de 13e eeuw, en
+leidt tot geene gevolgtrekking tegen het papier van het Handschrift,
+namelijk dat dit van de tegenwoordige zijn zoude.
+
+Het onderscheidt zich juist van het tegenwoordig papier in vier hier
+zeer belangrijke punten.
+
+a. De breedte der horizontale waterlijnen. Want in een afstand van 33
+millimeters telt men daarbij 16 horizontale waterlijnen, zoodat de
+breedte van elke lijn voluit 2 m.M. bedraagt. Het machinaal papier
+wijst in dien afstand 17 tot 18 zulke lijnen aan, of voor elke lijn
+eene breedte van niet meer dan 1.85 m.M. Zwaar Engelsch postpapier
+heeft op dien afstand 20 lijnen, elk ter breedte van 1.65 m.M.
+
+b. De afwezigheid van chloor. Eene proef, genomen in mijne
+tegenwoordigheid door wijlen den heer A. P. H. Kuipers, heeft
+aangetoond dat het papier in het minst niet reageert op zilver en
+dus volstrekt geen chloor bevat. Terwijl in deze eeuw geen papier
+vervaardigd wordt of het is met chloor behandeld en laat bij dezelfde
+proef op zilver een witten aanslag achter.
+
+c. De afwezigheid van stijfsel, amylum. De proef met eene oplossing
+van iodium, die op machinaal papier eene zuivere en heldere violette
+kleur te voorschijn brengt, heeft op dit papier geene uitwerking
+en laat de bruine kleur van het iodium onveranderd, althans niet
+meer dan bij elke uit zuivere planten vezelen vervaardigde stof wordt
+waargenomen, omdat in alle planten vezelstof als natuurlijk bestanddeel
+eenig amylum aanwezig is. Dit papier is derhalve vervaardigd zonder
+toevoeging van stijfsel en dus niet in de tegenwoordige eeuw.
+
+d. Ten aanzien van die waterlijnen is er nog een groot verschil
+tusschen machinaal papier en dat van het Handschrift. Bij het
+eerste zijn de lijnen van de vergeering uitwendig zichtbaar en
+vallen terstond in het oog. Bij het laatste zijn de waterlijnen
+van buiten bijna onzichtbaar, zoo zelfs, dat Dr. E. Verwijs in een
+brief, d.d. Leiden 1 Dec. 1870, (d.i. nadat het Handschrift gedurende
+drie jaren in zijne handen geweest was,) aan mij gericht, schreef:
+Verder het papier, dat èn om den vorm èn om de stof mij verdacht
+voorkomt. Oogenschijnlijk is het velijnpapier, dat in den rook heeft
+gehangen.--Scheurt men de bladen in, dan vertoont het zich op de
+scheur veel witter. Een watermerk is nergens te vinden, en ik heb
+nooit middeleeuwsch papier gezien
+zonder watermerk en kan mij het zelfs niet denken."
+
+Dr. Verwijs heeft dus in al dien tijd de waterlijnen niet gezien,
+zelfs niet toen hij naar een watermerk zocht. Dit was niet mogelijk,
+wanneer hij gevergeerd machinaal papier voor zich had gehad.
+
+3. Dit papier is geel gekleurd en niet van nature geel, gelijk veele
+plaatsen bewijzen.
+
+Antw. Als het papier gekleurd, d. i. geverfd was, dan moest de
+kleurstof in het papier zijn ingedrongen, doch dit is niet het
+geval. Op de breuk ziet men duidelijk dat van binnen de vezel wit
+is. De vuile geelachtig zwarte kleur van het papier is alleen het
+gevolg van den tijd, en de uitwerking van den ouderdom in een verloop
+van meer dan zes eeuwen.
+
+Dat overigens het papier nog zoo goed geconserveerd is en vooral door
+vocht of mot niet geleden heeft, is een bewijs voor de zorgvuldige
+bewaring van het H. S. als een om het zoo te noemen familie-heiligdom.
+
+4. Dit papier is afgesneden, gelijk duidelijk zichtbaar is; het papier
+der 13e eeuw laat zich niet afsnijden noch afknippen zonder vezels
+achter te laten.
+
+Antw. Dit laatste mag in zeker opzicht waar zijn bij ongepolijst
+papier, maar bewijst niets ten opzichte van gepolijst en daardoor
+dichter zamengeperst papier, en hangt in allen gevalle af van de
+meerdere of mindere scherpte van mes of schaar.
+
+5. Het afsnijden doet mij denken aan machinaal papier, waarin wel de
+perpendiculaire waterlijnen (pontuseaux) kunnen gebracht worden, doch
+het is mij onbekend of daarin de horizontale lijnen van papierramen
+kunnen zijn; indien ja, dan houd ik dit voor goed machinaal papier,
+wat daarom niet ouder dan 25 of 30 jaar kan zijn, vroeger kon men in
+machinaal papier die lijnen niet maken.
+
+Antw. Ik heb voor mij liggen eene authentieke verklaring van de
+Heeren E. van Berk, P. Uurbanus, A. J. Leijer en T. Mooy aan den
+Helder woonachtig, waarin zij verzekeren, dat bij hen bepaaldelijk
+tusschen de jaren 1848 en 50 bekend is geweest het bestaan van het
+handschrift, toebehoorende aan de familie over de Linden, dat later
+is uitgegeven onder den titel van Thet Oera Linda Bok.
+
+Deze verklaring is in zijn geheel opgenomen in de Heldersche Courant
+van den 12 Maart 1876.
+
+Daarmede vervalt de geheele redeneering van den Heer Muller omtrent
+het machinaal papier, dat volgens zijne verklaring voor 25 of 30 jaar,
+d. i. vóór het jaar 1848, nog niet met horizontale waterlijnen gemaakt
+kon worden.
+
+Het papier van het H. S. is dus niet in deze 19e eeuw gemaakt. Van de
+14e tot de 18e eeuw is geen papier bekend of het is voorzien van een
+fabriekmerk (watermerk); maar in het papier van het H. S. is nergens
+een spoor van fabriekmerk aanwezig.
+
+Het is dus ook niet vervaardigd in de 14e of latere eeuwen. Zoodat
+er geen ander besluit overblijft, dan dat het papier uit de 13e eeuw
+afkomstig moet zijn.
+
+6. Dit papier is tot boek ingenaaid geweest, blijkens de gaatjes; het
+is veel te hard rondom die gaatjes om oud te zijn; ook is de wijze van
+innaaijen geheel modern en geheel anders als bij oude handschriften;
+daarbij gebruikte men minder gaten en dikker touw of perkament,
+dan hiervoor kan bezigd zijn.
+
+Antw. Indien de Heer Muller het geheele H. S. gezien had, dan zoude
+hij hebben opgemerkt, dat de rugzijde der katerns (of liever sexterns)
+nergens eene spoor van lijm of ander plaksel vertoont. Dit bewijst,
+dat het niet ingenaaid is geweest op eenige moderne manier, noch
+op touwtjes, noch op reepjes perkament, noch op strookjes, maar
+daarentegen op eene zeer eenvoudige en primitieve manier, door
+onmiddellijke vasthechting met naald en draad in een perkamenten
+omslag, gelijk men in den handel nog wel aantreft bij kleine boekjes,
+zoogenaamd los ineengehangen goedje, als almanakken en dergelijke.
+
+Dit kan iedereen doen, en dit zal Hiddo oera Linda ook wel eigenhandig
+gedaan hebben, en wel reeds daarom, omdat hij zijn Handschrift niet
+kon toevertrouwen aan een boekbinder, dewijl die kunst in de kloosters
+werd uitgeoefend, en zijn voorzaat Liko dringend gewaarschuwd had
+voor de monniken, papekappa, wier oogen vooral niet mochten gaan over
+deze schriften.
+
+7. Het schrift is veel te nieuw voor een hoogen ouderdom; de inkt
+ligt op het papier; heeft het papier niet aangetast, wat bij hoogen
+ouderdom van den inkt noodzakelijk moet gebeuren.
+
+De inkt is veel te zwart voor hoogen ouderdom, die was oudtijds
+lichter en werd na langen tijd geheel bruin.
+
+Antw. Hiertegenover stel ik de woorden van Wattenbach, das Schriftwesen
+im Mittelalter (Leipzig 1871) S. 137: »In alten Handschriften ist
+die Dinte schwarz oder bräunlich, immer von ausgezeichnet guter
+Beschaffenheit. Nachdem aber von 13 Jahrhundert an immer massenhafter
+geschrieben wird, erscheint die Dinte häufig grau oder gelblich,
+und ist zuweilen ganz verblasst."
+
+»Als Bestandtheile des atramentum librarium giebt Plinius Russ
+(lampenroet) und Gummi an. Marcianus Capella erwähnt zuerst die
+Galläpfel: gallarum gummeosque commixtio."
+
+»Eine Mischung von Kupfervitriol und Galläpfeln soll am häufigsten
+sein."
+
+Uit welke bestanddeelen nu de inkt, waarmede het H. S. geschreven is,
+kan bereid zijn, is mij onbekend; doch ik hecht aan de getuigenis van
+Wattenbach voor de goede hoedanigheid der inkt tot in de 13e eeuw,
+als bewijs voor de herkomst van het H. S. uit de 13e eeuw.
+
+
+
+Om deze redenen kan ik mij niet vereenigen met of berusten in het
+oordeel van de Heeren Muller en Van Gelder, welk oordeel bovendien niet
+geheel vrij is van eenzijdigheid. Zij hebben zich hoofdzakelijk de
+vraag gesteld: komt het papier van het H. S. in meerdere of mindere
+mate overeen met eene papiersoort van den tegenwoordigen tijd,
+papier vergé. Dit is echter de tweede helft der kwestie. De eerste
+en voornaamste helft is: in hoeverre komt het Handschrift overeen
+met andere Manuscripten op papier die ouder zijn dan van het jaar 1300.
+
+In betrekking hiertoe heb ik hier nog eene opmerking bij te voegen. Het
+Handschrift is gelinieerd geweest, waarschijnlijk met lood,
+doch de hooge ouderdom heeft die lijnen doen verbleeken en bijna
+uitgewischt, zoozeer dat ik in den eersten tijd ze wel vermoedde,
+maar niet onderscheiden kon, voordat Jhr. Hooft van Iddekinge er mij
+opmerkzaam op maakte. Zoodra deze een deel van het Handschrift onder
+oogen kreeg, zeide hij: dat is gelinieerd geweest, en dáár kan men de
+sporen er van zien." En toen ik zoo die sporen eens had leeren zien,
+viel het mij gemakkelijk ze overal op elke bladzijde te onderkennen.
+
+Daarom heb ik ook op het facsimilé van bl. 45 de linieering hersteld,
+teneinde te doen blijken hoe nauwkeurig en zorgvuldig die lijnen
+getrokken, en de letters daartusschen geschreven waren, en tevens om te
+doen beseffen, hoeveel tijd en vlijt er aan dat H. S., waarvan slechts
+een paar honderd bladzijden zijn overgebleven, besteed is. Daarvan
+heb ik de proef genomen door op gewoon gelinieerd papier pagina voor
+pagina het H. S. in zijn eigen schrift te copieeren, en aan dat werk
+300 uren moeten besteden. Dat is nog maar alleen overschrijven, en dan
+zoude een verdichter nog eerst het geheele boek moeten zamengesteld
+hebben, in eene taal, die van de bekende dialekten van het Oud-friesch
+even onderscheiden is, als deze alle onderling verschillen; want die
+oude Friesche wetten d. i. het wester Lauwers, het Hunsingoër, het
+Fivelgoër, het Oldampster, het Emsingoër, het Brokmer, het Rustringer
+recht, zijn in even zooveele verschillende dialecten geschreven en
+wijken in spelling en woordvormen van elkander af. Tegenover die alle
+zoude hij een afzonderlijk dialect moeten uitvinden, dat gesproken
+is tusschen het Flie en de Schelde. En ten slotte had hij nog een
+letterschrift moeten bedenken, dat meer en beter dan eenig ander voor
+de Friesche taal geschikt is.
+
+Ten aanzien van dat letterschrift moet ik eindelijk nog wijzen op
+eene zeer kenmerkende bijzonderheid:
+
+Het alfabet heeft nog geen q en z. De verbindingen qu, sc, sch en
+de c aan het begin van een woord zijn nog niet bekend, ten bewijze,
+dat deze geschriften zijn uit den vóór Romeinschen tijd.
+
+De c wordt niet anders gebruikt dan in de verbinding ch, als
+geadspireerde of verscherpte g b.v. burch m.v. burga.
+
+In de Friesche Rechtboeken daarentegen heeft de taal die schrijfwijze
+uit het Latijn aangenomen, en afzonderlijke teekens voor verlengde
+vocalen verloren, gelijk mede die voor gs, ng en th. Die invloed
+van het Latijn heeft vooral sedert Karel den Groote het alfabet door
+vermindering van het getal der letters vereenvoudigd, maar daardoor
+ook bedorven en minder geschikt gemaakt voor de aanduiding van aan
+de Friesche taal eigendommelijke klanken. In dit opzicht heeft de
+Friesche schrijfwijze of spelling een verbastering ondergaan, waarvan
+de gevolgen bij de tegenwoordige schrijvers diep gevoeld worden.
+
+Een verdichter zoude zich wel gewacht hebben aan de spelling en het
+alfabet van de oud-Friesche wetten iets te veranderen, en wel gezorgd
+hebben door eenige verandering geen wantrouwen te wekken.
+
+Zie dat is niet een werkje, dat een of andere guit voor de grap
+uitvoert, alleen om iemand te foppen. Dit te veronderstellen is immers
+eene ongerijmdheid. Doch dat is niets. De negative kritiek der moderne
+wetenschap staat voor geene ongerijmdheden. Als zij zich eenmaal in
+het hoofd gezet heeft niet te willen dulden dat het Oera Linda Boek
+echt is, dan moet het onecht wezen, het koste wat het wil. Nu loopt
+zij overal rond om den bedrieger te zoeken; er is zelfs sprake van
+geld bijeen te brengen om een prijs op zijn hoofd te stellen en den
+aanbrenger te beloonen. Doch alles even vruchteloos, om de eenvoudige
+en natuurlijke reden, dat die man niet bestaat en nooit bestaan heeft.
+
+Intusschen meent zij overal het publiek af te schrikken en richt tot
+iedereen de inquisitoriale vraag: geloof jij nog aan het Oera Linda
+Boek? Mijn antwoord is: ja Mijne Heeren. Ik heb nu bijna zes jaren lang
+dat boek door en door als 't ware van binnen en van buiten bestudeerd,
+in verband met de geheele oude Grieksche en Latijnsche literatuur,
+maar nergens heb ik iets kunnen vinden, wat mij eenigen grond tot
+twijfel aanbood. Daarom geloof ik nog aan de echtheid van thet Oera
+Linda Bok, [1] en om deze reden heb ik de eer u eene tweede uitgave
+daarvan aan te bieden.
+
+
+Leeuwarden, Sept. 1876.
+
+Dr. J. G. Ottema.
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING [2].
+
+
+De heer C. over de Linden aan den Helder, eerste Meesterknecht bij
+'s Rijks Marine-werf, bezit een overoud Handschrift, dat sinds
+onheugelijke jaren in zijne familie vererfd en bewaard is, zonder
+dat iemand meer de herkomst daarvan wist, of den inhoud er van kende,
+wegens de onbekendheid van taal en schrift. Alleen wist men, dat eene
+daaraan verbondene traditie van geslacht tot geslacht de zorgvuldige
+bewaring daarvan had aanbevolen. Het is gebleken, dat die traditie
+berustte op den inhoud van twee brieven, waarmede het Handschrift
+aanvangt; van Hiddo oera Linda Ao. 1256 en van Liko oera Linda Ao. 803.
+
+Het was aan hem gekomen volgens beschikking van zijn grootvader den
+heer Andries over de Linden, wonende te Enkhuizen en aldaar overleden
+den 15 April 1820, in den ouderdom van 61 jaren. Daar de kleinzoon
+echter destijds nog slechts 10 jaren oud was, moest het H. S. voor hem
+bewaard worden door zijne tante Aafje Meylhoff geb. over de Linden,
+wonende te Enkhuizen, die het in Augs. 1848 aan den tegenwoordigen
+eigenaar ten hand gesteld heeft.
+
+Dr. E. Verwijs daarvan kennis gekregen hebbende, verzocht van dit
+stuk inzage te mogen hebben en herkende het terstond voor zeer
+oud Friesch. Hij bekwam tevens vergunning er een afschrift van te
+vervaardigen ten behoeve van het Friesch Genootschap, en was van
+oordeel, dat het een stuk van groot belang kon wezen, bijaldien
+het niet een ondergeschoven en met bedriegelijke oogmerken verdicht
+geschrift was, waarvoor hij vreesde. Het afschrift in mijne handen
+gesteld zijnde, liet ook mij in den aanvang nog in het onzekere,
+schoon ik minder bevreesd was, omdat ik niet konde begrijpen, dat
+iemand een valsch geschrift zoude opstellen zonder eenig doel, en
+alleen om het geheim te houden. Doch de onzekerheid bleef bestaan,
+tot dat ik naauwkeurige facsimilés van een paar fragmenten en later het
+Handschrift zelf onder oogen kreeg. Het eerste gezicht daarvan stelde
+mij terstond omtrent den hoogen ouderdom van het geschrift gerust.
+
+Oogenblikkelijk toch stonden mij Caesars woorden voor den geest,
+als hij van het letterschrift der Galliers en Helvetiers sprekende
+B. G. I. 29 en VI. 14 zegt: Graecis utuntur literis. Echter blijkt
+uit V. 48 dat het niet geheel grieksche letters waren. Caesar
+maakt dus slechts eene vergelijking en wel eene zeer juiste. Want
+het schrift, dat met geen bekende lettervormen geheel overeenkomt,
+gelijkt oppervlakkig nog het meest op het Grieksche schrift, zoo als
+het op monumenten of in de oudste handschriften voorkomt, en behoort
+tot den vorm, dien men lapidair of steenschrift noemt. Daarbij is
+mij later gebleken, dat de schrijver van het laatste gedeelte des
+boeks een tijdgenoot van Caesar geweest is. De vorm en oorsprong
+van dit schrift is in het eerste gedeelte des boeks zoo omstandig en
+uitvoerig beschreven, als men het van geene taal kan aanwijzen. Het
+is zeer volkomen en bestaat uit 34 letterteekens, waaronder drie
+afzonderlijke vormen voor de a en u en twee voor de e, i, y en o,
+benevens vier zamengestelde of dubbelde medeklinkers: ng, th, ks
+en gs. De ng, die als neusklank in geene andere westersche taal een
+afzonderlijk teeken heeft, is eene ondeelbare verbinding, de th is
+zacht als in het Engelsen en wordt somwijlen door d vervangen, en de
+gs komt slechts zeer zelden voor, ik geloof alleen in het woord segse,
+zeggen, in het hedendaagsche Friesch sidse, uitgesproken sisze.
+
+Het papier, groot kwarto formaat, is katoen papier, vrij dik, zonder
+water- of fabriekmerk, op een raam of draadvorm geschept, met niet
+zeer wijde perpendiculaire lijnen.
+
+Een inleidende brief geeft het jaar 1256 op als het jaar, waarin het
+afschrift vervaardigd is door Hiddo overa Linda op overlandsch of
+buitenlandsch papier. Diensvolgens zoude het afkomstig moeten zijn
+uit Spanje, waar de Arabieren destijds katoenpapier vervaardigden
+en in den handel brachten. Hieromtrent schrijft W. Wattenbach, das
+Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871), S. 93:
+
+»De vervaardiging van papier uit katoen moet bij de Chinezen sedert
+overoude tijden in gebruik geweest zijn, en bij de verovering van
+Samarkand omstreeks den jare 704 aan de Arabieren bekend geworden. Te
+Damascus werd dat fabriekaat een levendige tak van industrie, waarom
+het Charta Damascena genoemd werd. Door de Arabieren werd de kunst
+naar de Grieken overgebracht. Men beweert Grieksche handschriften
+uit de tiende eeuw op katoenpapier te hebben, en in de dertiende eeuw
+komen deze reeds menigvuldiger voor dan die op perkament.
+
+Men noemde het, om het van Egyptisch papier te onderscheiden, Charta
+bombycina, gossypina, cuttunea, xylina. Eene onderscheiding van het
+linnenpapier was toen nog niet noodig.
+
+Tot de vervaardiging van het katoenpapier bezigde men oorspronkelijk
+de ruwe boomwol. Papier uit lompen vindt men het eerst vermeld bij
+Petrus Clusiacensis (1122-1150.)
+
+Van de Arabieren leerden de Spanjaarden en de Italianen de
+vervaardiging van dit papier. De voornaamste fabrieken waren te Jativa,
+Valencia, Toledo, benevens Fabriano in de Mark Ancona. [3]
+
+In Duitschland is het gebruik van deze stof wel niet zeer verbreid
+geweest, tenzij het papier uit Italie of Spanje ingevoerd werd. Doch
+hoe meer de vervaardiging zich uit het oosten en de daarmede in verkeer
+staande landen uitbreidde, des te meer moest ook linnen in de plaats
+van katoen treden. Eene oorkonde van Kaufbeuren op linnenpapier uit
+het jaar 1318 is van twijfelachtige echtheid. Bodmann stelt het oudste
+zuiver linnenpapier in het jaar 1324; tot aan 1350 komt er ook nog
+gemengd papier voor.
+
+Alle zorgvuldig geschrevene Manuscripten uit den oudsten tijd toonen
+reeds door de regelmatigheid van de regels, dat zij gelinieerd geweest
+zijn, ook waar de sporen daarvan niet meer herkend kunnen worden.
+
+Tot het linieeren bezigde men eene dunne schijf van lood, een liniaal
+en een passer om de afstanden te bepalen.
+
+In oude handschriften is de inkt donker zwart of bruinachtig. Naar
+mate echter sedert de 13e eeuw meer geschreven werd, vertoont de
+inkt zich vaak grijs of geelachtig, of somtijds geheel verbleekt,
+ten bewijze dat zij ijzerhoudend is."
+
+Dit alles is volkomen van toepassing op het voor ons liggend
+Handschrift uit het midden der dertiende eeuw, beschreven met helder
+zwarte letters tusschen fijne naauwkeurig met lood getrokken lijnen. De
+kleur van de inkt toont duidelijk aan, dat zij niet ijzerhoudend
+is. Door deze kenteekenen wordt het opgegeven jaartal 1256 geheel
+gewettigd en valt er aan geen lateren oorsprong te denken. Maar
+daarmede vervalt ook alle verdacht van bedrog uit lateren tijd.
+
+De taal is overoud Friesch, nog ouder en veel zuiverder dan de taal
+van het Friesch Rjuchtboek of oude Friesche wetten en daarvan in vele
+vormen en spelling verschillende, zoodat zij een geheel afzonderlijken
+tongval of dialekt vertoont, en blijkens de lokaliteiten de taal
+moet geweest zijn, zoo als die gesproken werd van het Vlie tot aan
+de Schelde.
+
+De stijl is hoogst eenvoudig, beknopt, in korte volzinnen, ongedwongen
+zich bewegende, even als de dagelijksche spreektaal, en vrij in de
+vormen der woorden.
+
+De spelling is eveneens eenvoudig en gemakkelijk, zoodat de lezing
+geene de minste moeite kost; en bij alle regelmatigheden toch zoo vrij,
+dat ieder van de verschillende schrijvers, die aan het boek gewerkt
+hebben, zijne eigene bijzonderheden heeft, die voortkomen uit de
+wijziging van den klank der vokalen in verloop van lange tijdruimten,
+hetgeen natuurlijk het geval moet zijn, daar het laatste gedeelte
+vijf eeuwen later geschreven is als het eerste.
+
+Als antiquiteit van taal en schrift, geloof ik te kunnen zeggen,
+dat dit boek geheel eenig in zijne soort is.
+
+Het schrift geeft aanleiding tot eene misschien zeer gewichtige
+opmerking.
+
+De Grieken weten en erkennen, dat zij hun schrift niet hebben
+uitgevonden. Zij schrijven de invoering daarvan toe aan Kadmus,
+een Phenicier. De namen hunner oudste letters van de Alfa tot de Tau
+komen zoo geheel overeen met de namen der letters in het Hebreeuwsche
+Alfabet, waaraan het Phenicische wel naauw verwant zal geweest zijn,
+dat de Phenicische herkomst dier namen wel niet betwijfeld kan
+worden. Maar de vorm hunner letters verschilt zoo geheel en al van
+die in het Phenicisch en Hebreeuwsch schrift, dat in dit opzigt aan
+geene verwantschap te denken valt. Van waar hebben dus de Grieken
+die letter vormen ontvangen?
+
+Uit thet bok thêra Adela follistar (het boek van Adelas helpers)
+leeren wij, dat in den tijd, waarin die Kadmus moet geleefd hebben,
+omstreeks 16 eeuwen voor Christus, een levendig handelsverkeer bestond
+tusschen de Friesen en de Pheniciers, die zij Kadhemar, kustbewoners,
+noemden. De naam Kadmus komt te nabij dat woord Kadhemar, om niet te
+besluiten, dat Kadmus eenvoudig een Phenicier beteekent.
+
+Voorts lezen wij, dat omstreeks denzelfden tijd eene Priesteres van de
+Burgt op Walcheren, Min-erva, ook Nyhellenia genoemd, aan het hoofd
+eener Friesche kolonie, zich neergezet heeft in Attika en daar de
+burgt Athene gesticht heeft. Alsmede uit de berichten, opgeteekend
+aan de wanden der Waraburch, dat Findas volk ook een eigen schrift
+bezat, doch zeer omslachtig en moeijelijk om te lezen; en dat daarom
+de Tyriers en de Krekalanders het schrift van Frya hebben geleerd.
+
+Bij deze voorstelling verklaart de geheele zaak zich zelve, en is het
+duidelijk, waardoor die uiterlijke gelijkenis tusschen het Grieksche en
+oud Friesche schrift ontstaan is, welke ook Caesar in het oog gevallen
+is bij de Galliers; alsmede op welke wijze de Grieken de namen van
+Findas en de vormen van Fryas schrift nevens elkander hebben gekregen
+en behouden.
+
+Even opmerkelijk zijn de vormen der cijfers. Men noemt onze
+getalteekens gewoonlijk Arabische cijfers, ofschoon zij met de
+Arabische getalteekens niet de minste overeenkomst hebben. De Arabieren
+in Spanje hebben hunne cijfers niet uit het oosten medegebracht,
+want de Semitische volken bezigden het geheele alfabet tot het
+opschrijven van getallen. De wijze van met 10 teekens alle getallen
+uit te drukken hebben de Arabieren in het westen geleerd, doch daar
+vormen voor gekozen eenigermate in overeenstemming met die van hun
+letterschrift, en toch geschreven van de linker naar de rechterhand op
+Westersche manier. Onze cijfers blijken hier oorspronkelijk Friesche
+cijfers (siffar) te wezen, wier vorm denzelfden oorsprong heeft als
+het letterschrift en aan de lijnen van het Juul ontleend is.
+
+Het boek, zooals het voor ons ligt, bestaat uit twee van elkander
+zeer verschillende, en in tijd vrij ver verwijderde gedeelten. Als
+schrijfster van het eerste gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van
+Apol, grevetman over de Lindaoorden. Dit is vervolgd door haren
+zoon Adelbrost en hare dochter Apollonia. Het eerste boek loopende
+van pag. 1-88 (hier p. 4-120) is geschreven door Adela. Een vervolg
+van pag. 88-94 (122-128) is begonnen door Adelbrost en voortgezet
+door Apollonia. Het tweede boek loopende van pag. 94-114 (128-154)
+is geschreven door Apollonia. Veel tijd, misschien 250 jaren
+later, is een derde boek geschreven van pag. 114-134 (156-180) door
+Frethorik. Vervolgens van pag. 134 tot 143 (180-192) door zijne weduwe
+Wiljow, daarna van pag. 144-169 (194-226) door hun zoon Konereed,
+alsdan van pag. 169-192 (226-232) door hun kleinzoon Beeden; nu
+ontbreken bl. 193 en 194, waarmede het laatste stuk pag. 195-210
+(235-253) moet hebben aangevangen, daardoor is de schrijver ons
+onbekend, hij zal wel een zoon van Beeden geweest zijn. Door Wiljow
+worden op bl. 134 (182) nog andere geschriften genoemd; daar vermeldt
+zij thet bok thêra sanga, (thet bok) thêra tellinga, and thet Hellênia
+bok; en vervolgens tha skrifta fon Dela jeftha Hellênia.
+
+Voor de tijdsbepalingen moeten wij uitgaan van het jaar 1256 na
+Christus, waarin Hiddo overa Linda het afschrift vervaardigd heeft,
+en waarvan hij zegt, dat het was het 3449 jaar nadat Atland verzonken
+is. Dit vergaan van het oude land, âldland, âtland, is bij de Grieken
+ook in geheugen geweest en Plato maakt in zijn Timaeus, 24, nog melding
+van het verdwenen Atlantis, van welks ligging niets anders bekend was,
+dan dat het ver buiten de zuilen van Herkules had gelegen. Uit dit
+geschrift blijkt, dat het een uitgestrekt land geweest is ten westen
+van Jutland, waarvan Helgoland en de Noordfriesche eilanden de laatste
+schamele overblijfselen zijn. Deze gebeurtenis, waardoor het schijnt
+dat een groote verstrooijing van den Frieschen stam veroorzaakt is,
+was het aanvangspunt eener eigene tijdrekening, overeenkomende met
+2193 voor Chr. Bij de geologen bekend als de eerste Cimbrische vloed.
+
+Op bladzijde 80 (110) begint een verhaal in het jaar 1602 nadat Atland
+verzonken is en dus met 591 voor Chr., en bl. 82 (112) het verhaal
+van den moord gepleegd aan Frâna, Eeremoeder op Texland, twee jaren
+later, en dus 589. Wanneer nu Adela haar geschrift aanvangt met haar
+eigen optreden in eene volksvergadering, 30 jaren na den dag dat de
+Eeremoeder was omgebracht, dan zijn wij in het jaar 559 voor Chr. Uit
+het schrijven van hare dochter Apollonia vernemen wij, dat Adela
+15 maanden na die vergadering, bij eene overrompeling van Texland
+door de Finnen, verslagen is; dit moet dus gebeurd zijn in 557 voor
+Chr. en hieruit volgt, dat het eerste boek door Adela geschreven is
+in 558 voor Chr. Het tweede boek, door Apollonia geschreven, mag dus
+gesteld worden omstreeks het jaar 530 voor Chr.
+
+Het latere gedeelte behelst de geschiedenis van de bekende Koningen
+van Friesland, Friso, Adel (Ubbo) en Asega Askar, genaamd zwarte
+Adel. Evenwel is van den derden Koning Ubbo niets gemeld, of
+liever dit stuk is verloren gegaan, bl. 169-188 (zie bl. 226)
+ontbreken. Frethorik, de eerste schrijver, die hier voorkomt, is
+een tijdgenoot van de gebeurtenissen, die hij verhaalt, namelijk de
+komst van Friso. Hij is een vriend van Liudgert, den Geertman, die
+als skelta bi thêr nacht op de vloot van Wichhirte den sêkening met
+Friso hier was gekomen, in 't jaar 303 voor Chr., 1890 jaren nadat
+Atland verzonken was. Uit het dagboek van Liudgert heeft hij vele
+van zijne berichten ontleend.
+
+De laatste schrijver geeft zich zelven zeer duidelijk te kennen als
+een tijdgenoot van Zwarte Adel of Askar, omstreeks het midden van
+diens regering, welke bij Furmerius gesteld wordt van 70 vóór 11 na
+Chr. gelijktijdig met Julius Ceasar en Augustus. Hij schreef dus in
+het midden der eerste eeuw voor Chr. en droeg kennis van de verovering
+van het land der Golen (Galliers) door de Romeinen.
+
+Er liggen dientengevolge ruim twee eeuwen tusschen de beide afdeelingen
+van het handschrift.
+
+Van die Gôla lezen wij bl. 84: alsa hêton tha såndalinga prestera
+Sidonis. En op bl. 124: tha Gola jeftha Trowyda.
+
+De Golen zijn dus de Druiden, en de naam Galli, overgedragen op het
+geheele volk, eigenlijk de naam van eene Priesterorde of Priesterstam
+van oostersche herkomst, even als bij de Romeinen de Galli, Priesters
+van Cybele.
+
+De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw, namelijk er staat
+bijna niets in, dat wij van elders reeds wisten. Hetgeen wij hier van
+Friso, Adel en Askar lezen, verschilt gansch en al van hetgeen onze
+bekende kronijkschrijvers weten te vertellen, of wel doet zulks in
+een geheel ander daglicht beschouwen. B. v. allen verhalen dat Friso
+uit Indie gekomen is, en dat dus de Friesen uit Indie afkomstig zijn,
+en toch voegen zij er bij dat Friso een Germaan was en behoorde tot
+een Persische stam, dien Herodotus Germanen noemt Germ'anioi. Naar
+de berichten, die we hier ontmoeten, is Friso ook uit Indie gekomen
+en wel met de vloot van Nearchus, maar hij is daarom geen Indiër, hij
+is van Friesche afkomst, van Fryas volk. Hij behoort namelijk tot eene
+kolonie Friesen, die na den dood van Nijhellênia, 15½ eeuwen voor Chr.,
+onder aanvoering eener Priesteres Geert, zich aan den Pangab (Indus)
+neergezet en den naam Geertmannen aangenomen hebben. Die Geertmannen
+zijn slechts bij een van de Grieksche schrijvers bekend, namelijk bij
+Strabo, die hen vermeld als Germ=anec eene van de Braqm=anec in zeden,
+taal en godsdienst geheel en al verschillende volkstam.
+
+Bij de schrijvers van Alexanders tochten worden noch Friesen noch
+Geertmannen genoemd, doch zij spreken van Indoscythae; en geven
+daardoor te kennen een volk, dat wel in Indie woont, maar uit het
+verre onbekende Noorden afkomstig is.
+
+In de berichten van Liudgert worden geene namen genoemd van plaatsen,
+waar die Friesen in Indie gewoond hebben. Wij vernemen alleen,
+dat zij zich eerst in het land ten oosten van den Pangab hebben
+nedergezet, en later verhuisd zijn naar den westelijken oever dier
+rivier. Verder wordt als eene bijzonderheid medegedeeld, dat in den
+zomer de zon op den middag recht boven hun hoofd stond. Zij woonden
+dus nagenoeg onder den keerkring. En nu vinden wij bij Ptolomeus
+(zie b. v. de kaarten van Kiepert) juist daar op 24° N. B. aan den
+westelijken oever van den Indus den naam Minnagara, en een graad of
+zes oostelijk van daar op 22° N. B. nog een Minnagara. Die naam is
+zuiver Friesch, gelijk Walhallagara, Folsgara, en gevormd van Minna,
+den naam eener Eeremoeder (zie pag. 74), in wier tijd de tochten van
+Teunis en zijn neef Inka plaats vonden.
+
+Die overeenkomst is te opmerkelijk om enkel toevallig te wezen, en
+niet dat Minnagara voor de hoofdplaats dier Friesche kolonie te houden.
+
+De vestiging van die kolonie in Indie aan den Pangab in 1551 voor
+Chr. en hunne reis derwaarts, vinden wij in Adela's boek vrij
+uitvoerig beschreven, en wel met de bijvoeging van eene uiterst
+merkwaardige bijzonderheid, namelijk dat die Friesche zeelieden
+gevaren zijn door de straat welke in die tijden nog op de Roode Zee
+uitliep. Uit een bericht bij Strabo L. I fol. 38 en 50 blijkt dat
+Eratosthenes nog kennis gedragen heeft van die voormalige zeeëngte,
+waarvan de latere geografen geene melding meer maken. Zij bestond
+nog in de dagen van Mozes, Exod. XIV : V, daar hij zich legerde bij
+Pi ha chiroht, den mond der zeeëngte. Strabo vermeldt bovendien, dat
+Sesostris eene poging gedaan heeft om de landengte door te graven,
+maar dat plan niet heeft kunnen uitvoeren.
+
+Dat daar werkelijk eertijds de zee doorgestroomd heeft, bewijzen
+de uitkomsten van het geologisch onderzoek van de landengte door
+de commissie voor het kanaal van Suez, waarvan de heer Renaud op
+den 19 Junij 1856 een rapport heeft uitgebracht bij de Academie des
+Sciences. In dat rapport komt onder anderen voor: Une question fort
+controversée est celle de savoir, si à l'époque où les Hebreux fuyaient
+de l'Egypte sous la conduite de Moïse, les lacs amèrs faisaient encore
+partie de la mer rouge. Cette dernière hypothèse s'accorderait mieux
+que l'hypothèse contraire avec le texte des livres sacrés, mais alors
+il faudrait admettre que depuis l'époque de Moïse le seuil de Suez
+serait sorti des eaux.
+
+Ten aanzien van deze vraag is het zeker van belang in dit Friesche
+handschrift een bericht te ontmoeten, waaruit blijkt dat in het midden
+der 16e eeuw voor Chr. de verbinding van de Bittermeeren met de Roode
+Zee nog bestond en de straat nog bevaarbaar was.
+
+Het handschrift bericht verder, dat kort na die doorvaart van de
+Geertmannen beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo
+hoog ophief, dat al het water de straat uitliep en dat alle wadden
+en schorren als een wal oprezen.
+
+Deze dingen zullen dus na den tijd van Mozes geschied zijn, zoodat
+tijdens de uittocht (1564) de streek tusschen Suez en de Bittermeeren
+nog wel bevaarbaar was, maar bij lagen waterstand droogvoets kon
+worden doorgetrokken.
+
+Dit punt is dus de oorspronkelijke Isthmus, na welks vorming zeker
+spoedig de verdere inham noordwaarts tot aan de golf van Pelusium
+geheel is opgeslibd.
+
+Een duidelijk overzicht over de formatie van dit terrein geeft de
+kaart gevoegd bij: l'année scientifique et industrielle etc. par
+Louis Figuier (première année). Paris, Hachette, 1857.
+
+
+
+Een ander bericht, dat ook alleen bij Strabo voorkomt, vindt hier
+insgelijks eene opheldering en bevestiging. Strabo namelijk is onder
+de Grieksche schrijvers de eenige die vermeldt, dat Nearchus na zijne
+troepen in de Persische golf aan den mond van de Pasitigris te hebben
+ontscheept, op bevel van Alexander met zijne vloot weer de Persische
+golf uitgezeild en om Arabie heen door de Arabische golf gestevend
+is. Zoo als dit bericht daar staat, is het niet duidelijk wat Nearchus
+daar te maken had en wat het doel van die verdere tocht wezen kon;
+enkel tot het doen van geographische onderzoekingen, zoo als Strabo
+meent, behoefde hij toch niet eene gansche vloot mede te nemen,
+daartoe was een schip of twee voldoende. Wij lezen ook niet dat hij
+weer teruggevaren is; waar is hij dan met die vloot gebleven?
+
+Op deze vraag vinden wij hier het antwoord in de Friesche lezing van
+de geschiedenis. Alexander had die schepen aan den Indus gekocht van,
+of laten bouwen door de daar gevestigde afstammelingen van de Friesen,
+de Geertmannen, en van hen scheepsvolk in dienst genomen, en aan het
+hoofd van deze bevond zich Friso. Alexander had na de volbragte tocht
+en het transport van de troepen, die schepen in de Persische Golf niet
+meer noodig, maar wilde ze in de Middellandsche zee gebruiken. Dat had
+hij in zijn hoofd gezet en dat moest gebeuren. Alexander wilde iets
+doen, dat niemand voor hem gedaan had. Te dien einde moest Nearchus
+de Roode zee opvaren, en aan het eind daarvan gekomen (bij Suez),
+vond hij daar 200 elephanten en duizend kameelen en werklieden en
+gereedschap, balken, touwen enz., om de schepen op het land te halen
+en over de landengte te slepen. Dit werk werd met zooveel overleg en
+ijver ondernomen en voltooid, dat na een arbeid van drie maanden de
+vloot in de Middellandsche zee weer te water gelaten werd. Dat de vloot
+werkelijk in de Middellandsche zee gebracht is, blijkt uit het bericht
+van Plutarchus (vit. Alexandri), doch deze laat te dien einde Nearchus
+met de vloot om Afrika heen door de straat van Hercules zeilen. Na de
+nederlaag bij Actium heeft Kleopatra, in navolging van dit voorbeeld,
+getracht hare vloot over den Isthmus te brengen, om naar Indie te
+ontsnappen. Zij is daarin verhinderd door de Petraeische Arabieren,
+die hare schepen in brand staken. (Zie Plutarchus vit. Antonii.)
+
+Friso is, toen kort daarop Alexander stierf, in dienst gebleven
+van Antigonus en Demetrius, totdat hij door den laatste op eene
+schandelijke wijze beleedigd zijnde, besloot met zijne manschappen
+het oorspronkelijke moederland, Friesland, op te zoeken. Naar Indie
+terugkeeren kon hij trouwens niet. Zoo vullen de berichten elkander
+aan en helderen elkander op, en verleenen daardoor eene wederkeerige
+bevestiging.
+
+Zulke enkele trekken en verrassende uitkomsten leiden mij tot het
+besluit, dat wij hier met meer te doen hebben, dan met bloote sagen
+of legenden.
+
+Sints een twintigtal jaren is de aandacht getrokken door de
+overblijfselen van paalwoningen, het eerst opgemerkt in de meeren
+van Zwitserland en vervolgens in een aantal streken van Europa
+gevonden. Men zie daarover Dr. E. Rückert, Die Pfalhbauten. Würtzburg
+1869, of Dr. T. C. Winkler, in de Volksalmanak t. N. v. A. 1867. Toen
+men ze gevonden had, trachtte men uit de onder het water aanwezige
+fragmenten van wapens, gereedschappen en huisraad na te sporen, door
+wie en wanneer deze verblijfplaatsen bewoond geweest waren. Uit
+berichten van historieschrijvers bleek daaromtrent niets meer,
+dan hetgene Herodotus Lib. v. c. 16 van de Paeonen schrijft. Alleen
+vond men eene spoor in een der tafereelen op de zuil van Trajanus,
+waarin de verwoesting van een paaldorp in Dacie is afgebeeld. Dubbel
+belangrijk is het daarom uit het geschrift van Apollonia te vernemen,
+dat zij als burgtmaagd (omstreeks 540 v. Chr.) eene reis langs den
+Rijn gedaan, Switserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners
+(Marsaten) heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op
+palen gebouwde woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze. Zij
+vermeldt, dat die Marsaten van vischvangst en jacht leven, en de huiden
+van het wild bereiden met de schors van berkenboomen, om die pelterij
+te verkoopen aan de Rijnschippers, die ze verder in den handel brengen.
+
+Dit bericht omtrent de paalwoningen in de meeren van Switserland
+kan niet geschreven zijn, dan in een tijd toen die paaldorpen nog
+bestonden en bewoond werden.
+
+In het tweede gedeelte van het Handschrift wordt door Konerêd oera
+Linda vermeld, dat Adel de zoon van Friso (± 260 j. v. Chr.) met
+zijne vrouw Ifkja ook die paaldorpen in Switserland bezocht heeft,
+»fon Walhallagâra brûdon hja alingen thêra sûder Hrênum al-ont hja
+mith grâte frêse boppa thêre Rêne by tha Mârsâta kêmon, hwêrfon vsa
+Apollônja skrêven heth. Tha hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja
+wither nêi tha delta."
+
+Later als dit bericht komt bij geen schrijver ergens eenige
+vermelding van die paalwoningen voor en is die zaak gedurende
+twintig eeuwen volkomen onbekend gebleven, totdat in den jare 1853,
+bij buitengewoon lagen waterstand, overblijfselen van zulke woningen
+ontdekt zijn. Daarom heeft niemand zulk een bericht in lateren tijd
+kunnen verzinnen.
+
+Hoewel een groot gedeelte van het eerste stuk, het Boek van Adela,
+geheel valt in het Mythologisch Tijdvak vóór den Trojaanschen oorlog,
+is hier in de verhalen een groot verschil met de Grieksche Mythen
+in het oogloopend. De Mythen kennen geene tijdsbepaling, veel min
+eene geregelde tijdrekening. Bij de Mythen bestaat geen inwendige
+zamenhang of consequentie. De vrije verdichting ontwikkelt zich in
+iedere sage afzonderlijk en onafhankelijk. De Mythologische verhalen
+weerspreken elkander bijna op ieder punt. Les Mythes ne se tiennnent
+pas is de eenige sleutel op de Grieksche Mythologie.
+
+Hier daarentegen ontmoeten wij eene geregelde jaartelling uitgaande van
+een vast punt, het vergaan van Atland (2193 voor Chr.) De verhalen,
+natuurlijk, eenvoudig, vaak naïf, weerspreken elkander nimmer,
+en zijn altijd met elkander bestaanbaar, ook in plaats en tijd. Als
+b. v. de komst en het verblijf van Ulysses bij de Burgtmaagd Kalip op
+Walhallagara (Walcheren), 't gene wel het meest sagenhafte stuk is
+van allen, hier gesteld is op 1005 jaren nadat Atland verzonken is,
+dan komt dat uit op 1188 jaren voor Chr. en dus vrij nabij overeen
+met den tijd, waarin de Grieken meenen, dat de Trojaansche oorlog
+heeft plaats gehad. Die Ulysses-sage is hier niet door de Romeinen
+aangebracht. Tacitus vond ze reeds in Neder Germanie (zie Germania
+cap. 3) en zegt er bij, dat te Asciburgium een altaar was, waarop de
+naam van Ulysses en die van zijn vader Laërtes gelezen werd.
+
+Een ander kenmerkend onderscheid bestaat daarin, dat de Mythe geene
+herkomst kent, voor hare verhalen nooit berichtgevers of schrijvers
+noemt, en dus nimmer eenig gezag weet aan te voeren. In Adelas boek
+daarentegen wordt bij ieder verhaal opgegeven, waar het gevonden of
+waaruit het ontleend is, b. v. dit is uit Minno's schriften, dit is
+aan de Wanden der Waraburch gegrift, dit aan de Fryas burch, dit te
+Stavia, dit op Walhallagara.
+
+En dan is er nog iets. Wetten, geregelde wetgevingen, gelijk zij in
+Adelas boek in vrij grooten getale voorkomen, zijn in de Mythologie
+eene onbekende en met haar wezen onvereenigbare zaak. Zelfs als
+de Mythe aan Minos toeschrijft de invoering van eene wetgeving op
+Kreta, dan weet zij van die wetgeving zelve niet het geringste te
+berichten. Ook in de Mythische godenwereld bestaat geene wetgeving,
+de eenige wet is daar het onveranderlijke Noodlot, of de wil van den
+oppermachtigen Zeus.
+
+Ten opzichte van de Mythologie is dit geschrift, dat zelf geen
+mythisch karakter draagt, niet minder merkwaardig dan voor de
+geschiedenis. Ondanks de vele en velerlei betrekkingen met Denemarken,
+Zweden (Skênland = Schonen) en Noorwegen (Northland), vindt men
+hier geene sporen van bekendheid met de Noordsche of Scandinavische
+mythologie. Alleen schijnt Wodan hier voor te komen als Wodin, een
+Friesch heerman, die door een Magy, koning der Finnen, tot schoonzoon
+aangenomen en na zijn dood vergood is.
+
+De Friesche godenleer of liever godsdienst, is hoogst eenvoudig en
+zuiver Monotheisme. Wralda of Wralda's geest is het eenige, eeuwige,
+onveranderlijke, volmaakte en almachtige wezen. Wralda heeft alle
+dingen geschapen; alles komt uit hem voort, eerst de aanvang, dan de
+tijd, en vervolgens Irtha, de Aarde. Irtha baart drie dochters Lyda,
+Finda en Frya, de stammoeders van de drie menschenrassen, het zwarte,
+het geele en het blanke (Afrika, Asia en Europa). Als zoodanig is Frya
+de moeder van Frya's volk, de Friezen. Zij is de vertegenwoordigster
+van Wralda en wordt als zoodanig vereerd. Frya heeft hare tex gegeven,
+de eerste wet, en de eeredienst ingesteld van het eeuwige licht. Die
+dienst bestaat in het onderhouden van de altijd brandende lamp, foddik,
+door priesteressen, maagden; aan het hoofd dier maagden staat op alle
+burgten eene Burgtmaagd; de opperste van alle Burgtmaagden, is de
+Eeremoeder op de Fryasburgt op Texland. De Eeremoeder heerscht over het
+geheele land; de Koningen mogen niets doen, er mag niets geschieden,
+buiten hare raad en goedkeuring. De eerste Eeremoeder is door Frya
+zelve aangesteld, zij heette Fåsta. Met één woord, wij ontmoeten hier
+de prototype van de Romeinsche Vestadienst en de Vestaalsche maagden.
+
+Men denke hierbij aan Velleda (Welda) en Aurinia bij Tacitus Germ. 8
+Hist. IV. 61. 65. V. 22. 24. Annal. I. 51 en Gauna de opvolgster van
+Velleda bij Dio Cassius fragm. 49.
+
+Van de burgt van Velleda spreekt Tacitus als eene edita turris;
+Verg. hier bl. 146. Zij was de burgt Mannagarda forda (Munster). In
+het land der Marsi noemt hij deze burgt Templum Tanfane (Tanfanc)
+zoo genoemd naar het teeken van het Juul. Zie plaat I.
+
+De laatste dier burgten is de FÃ¥staburgt op Ameland geweest, templum
+Foste, volgens Occa Scarlensis verwoest in het jaar 806.
+
+Ontmoeten wij hier bij de Friezen een Godsbegrip en godsdienstige
+denkbeelden, geheel verschillende van de mythologien bij andere volken,
+nog onverwachter komen ons hier zaken voor, die in het nauwste verband
+staan met de Grieksch-Romeinsche Mythologie en wel met de herkomst
+van twee godheden van den eersten rang, Minerva en Neptunus. Min erva
+(Athénè), is oorspronkelijk eene burgtmaagd, priesteres van Frya
+op de burgt Walhallagara, Middelburg, of Domburg, op Walcheren. En
+deze zelfde Min erva is tevens die geheimzinnige, raadselachtige
+godin, van welker vereering bijna geene sporen zijn overgebleven,
+dan alleen op Walcheren in de votivsteenen te Domburg, Nehalennia
+[4], van welke geene mythologie iets naders weet dan enkel den naam,
+waarvan de etymologie zich heeft meester gemaakt tot het uitvinden
+van allerlei fantastische afleidingen.
+
+De andere, Neptunus, bij de Etruriers Nethunus, de God van de
+Middellandsche zee, blijkt hier bij zijn leven een Friesche Viking,
+zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga (Ouddorp
+niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Teunis, in de wandeling bij
+zijne manschappen Neef Teunis genoemd, die vooral de Middellandsche
+zee tot het doel en tooneel zijner tochten gekozen had, en door de
+Tyriers vergood zoude zijn, in den tijd toen de Phenicische zeevaart
+zich aanmerkelijk begon uit te breiden en naar Friesland stevende, om
+hier Britsch tin, Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balda (Baltische)
+zee te halen, omstreeks 2000 jaren v. Chr.
+
+Behalve dit tweetal ontmoeten wij nog een derde Mythologisch persoon,
+Minos, de wetgever van Kreta, die alsmede verschijnt als een Friesche
+zeekoning Minno, geboren te Lindaoord tusschen Wieringen en Kreyl,
+die aan de Kreters een Asegaboek heeft medegedeeld. Namelijk die
+Minos, die met zijn broeder Rhadamanthus en Aeakus als rechter in de
+onderwereld over het lot der schimmen beslist. Niet te verwarren met
+den lateren Minos, den tijdgenoot van Aegeus en Theseus, die voorkomt
+in de Atheensche sage.
+
+Bij deze voorstelling kan misschien iemand zijn lachen niet bedwingen,
+en kaatst hij mij het straks gebezigde woord fantastisch terug met
+dat van avontuurlijk. Ook ik kon eerst mijne oogen niet gelooven,
+en toch ben ik bij nadere overweging gekomen tot de ontdekking van
+verrassende overeenkomsten, die de zaak vrij wat minder avontuurlijk
+maken, als de geboorte van Athene uit het hoofd van Zeus door een
+bijlslag van Hephaistos.--B. v.
+
+De Grieksche Mythologie kent van alle Goden eene jeugd, alleen Pallas
+heeft geene jeugd, zij is niet anders bekend dan als volwassen. Minerva
+komt als opperpriesteres uit den vreemde, uit een den Krekalanders
+onbekend land, in Attica. Pallas is eene maagdelijke godin, Minerva
+is eene burgtmaagd. De blonde, blaauwoogige Pallas onderscheidt zich
+door deze type van de overige goden en godinnen, als behoorende tot
+Fryas volk. De wijsheid van beide en de zinnebeeldige attributen zijn
+dezelfde, inzonderheid de uil. Pallas geeft aan de nieuwe stad haren
+naam Athènai, die overigens in 't Grieksch geene beteekenis heeft:
+Minerva geeft aan de door haar gestichte burgt den naam Athene, die in
+het Friesch wel eene beteekenis heeft en te kennen geeft dat zij als
+vrienden âthen daar gekomen zijn. Minerva komt in Attica omstreeks 1600
+jaren voor Chr. in het tijdperk, waarin zich de Grieksche godenleer
+begint te vormen. Minerva is met de vloot van Jon aan het hoofd van
+eene kolonie in Attica geland; op Walcheren vindt men haar in later
+tijd blijkens de Romeinsche votivsteenen onder den naam Nehalennia
+vereerd als eene godin van de scheepvaart; en bij de Atheners is
+Pallas de beschermgodin van scheepsbouw en zeevaart.
+
+De Tijd is de Kroder, de kruijer, die eeuwig met het jol, het wiel,
+moet rondloopen, en voeren de zon langs hare baan door het stergewelf
+van winter-zonnestand tot winter-zonnestand. Zoo vormt hij de jaren,
+waarbij elke omwenteling van het wiel een dag uitmaakt. Te midwinter
+wordt het Jolfeest gevierd op Fryasdag. Dan worden koeken gebakken in
+den vorm van het zonnerad, want van dat Jol heeft Fryas de letters
+gemaakt, toen zij hare Tex schreef, en het Jolfeest is daarom ook
+een feest ter eere van Frya als uitvindster van het letterschrift.
+
+Even zoo als dit Jolfeest in Denemarken en geheel Duitschland door
+de Christenheid op 't Kerstfeest en in ons land op St. Nikolaasdag
+verplaatst is, even zoo zeker zijn onze St. Nikolaaspoppen, de
+vrijster en de vrijer, eene herinnering aan Frya, en onze St. Nikolaas
+(banket) letters eene gedachtenis aan Fryas van het Zonnerad gevormd
+letterschrift.
+
+Ik kan niet den geheelen inhoud van dit merkwaardige geschrift
+ontleden en moet mij vergenoegen met de gemaakte opmerkingen. Zij
+mogen eenig denkbeeld geven van den rijkdom en belangrijkheid van
+dien inhoud. Want al loopen er Sagen onder, ook als Sagen moeten zij
+waarde hebben voor ons, dewijl van den Sagenschat van ons voorgeslacht
+zoo goed als niets was overgebleven.
+
+Een inwendig bewijs voor de oudheid van deze geschriften ligt ook
+daarin, dat de naam Batavieren er nog niet in voorkomt. De inwoners
+van het geheele land tot aan de Schelde zijn Fryas volk, Friezen. De
+Batavieren zijn niet een afzonderlijk volk geweest. De naam Batavi is
+eene uitvinding van de Romeinen, die dezen naam gegeven hebben aan de
+bewoners van het land ter weerzijde van de Waal, welke rivier op de
+Tabula Peutingeriana den naam Patabus draagt. Die naam Batavi komt ook
+niet vroeger voor dan bij Tacitus en Plinius, want de bekende plaats
+bij Caesar B. G. IV. 10, is geinterpoleerd. Zie mijne verhandeling
+over den loop der rivieren door het land der Friesen en Batavieren
+bl. 49 in de Vrije Fries, IV Deel 1e Stuk, 1845.
+
+
+
+Met nog eene opmerking betreffende de taal wil ik eindigen.
+
+Zij die nog slechts eene oppervlakkige inzage van het H. S. hebben
+kunnen nemen, zijn getroffen door de beschaafdheid van de taal en de
+overeenkomst met het tegenwoordige Friesch en Hollandsch. Hierin meenen
+zij een grond te zien voor twijfel aan de oudheid van het geschrift.
+
+Maar ik vraag: is dan de taal van Homerus veel minder beschaafd dan
+die van Plato of Demosthenes? en leeft niet het grootste deel van
+den Homerischen woordenschat nog voort in het Grieksch van onze dagen?
+
+Het is waar, eene taal beweegt zich altijd, en is steeds aan
+kleine veranderingen onderhevig, waardoor men verschil vindt bij
+dezelfde taal in onderscheidene tijdperken. Deze wisseling van de
+taal geeft juist in dit H. S. stof tot belangrijke opmerkingen voor
+den taalbeoefenaar. Want niet alleen, dat van de acht schrijfsters
+en schrijvers, die achtereenvolgende aan dit boek gewerkt hebben,
+ieder zich kenmerkt door kleine eigenaardigheden in stijl, taal en
+spelling; maar vooral tusschen de beide afdeelingen van het boek,
+waar tusschen een tijdverloop van meer dan twee eeuwen ligt, is een
+in het oog vallend verschil aanwezig, dat aantoont, welk een langzaam
+voortgaande wijziging de taal in dat bestek ondervonden heeft.
+
+Als slotsom van deze beschouwingen kom ik tot het besluit, dat ik
+geene reden vinden kan, om aan de echtheid van dit geschrift te
+twijfelen. Verdichting kan het niet zijn. In de eerste plaats het
+afschrift van 1256 kan het niet zijn. Wie had in dien tijd zoo iets
+kunnen verdichten? Zeker niemand, en vroeger nog veel minder. In
+lateren tijd is eene verdichting evenzeer onmogelijk, om de eenvoudige
+reden, dat niemand meer die taal machtig was. Buiten de namen van
+Rask, Richthofen en Hettema, is er geen te noemen, die als taalkundige
+in dit vak bekend is geweest, of de taal zoo bestudeerd heeft, dat
+hij daar in schrijven kon. En al kon iemand zulks, dan stond hem nog
+geen ruimer woordenschat ten dienste, dan de beperkte voorraad, dien
+de O. F. Wetten aanboden. Daarom is in de laatstverloopen eeuwen de
+vervaardiging van dit geschrift eene onmogelijkheid geweest. Wie dit
+in twijfel wil trekken, beginne met aan te toonen, waar, wanneer,
+door wien en waartoe zulk eene vervalsching had kunnen gepleegd
+worden, en wijze uit lateren tijd de weergade aan van dit papier,
+dit schrift en deze taal.
+
+Dat het H. S. van 1256 bovendien geen origineel, maar eene kopie is,
+bewijzen zoowel gedurige schrijffouten, als enkele ophelderingen
+van woorden, die in des afschrijvers tijd reeds verouderd en weinig
+meer bekend waren; b. v. bl. 82 (114) to thêra flête jeftha bedrum;
+op bl. 151 (204) bargum jefta tonnum fon tha besta bjar.
+
+Nog sterker bewijs is, dat tusschen bladzijde 157 en 158 een of meer
+bladen ontbroken hebben, die uit dit H. S. niet hebben kunnen verloren
+gaan, omdat bl. 167 en 168 (212-214) de paginas recta en versa zijn
+van hetzelfde blad.
+
+Bl. 157 eindigt: Drie maanden daarna zond Adel boden naar alle
+vrienden, die hij gewonnen had, en liet hen bidden, dat zij in de
+Minnemaand verstandige lieden tot hem zouden zenden.
+
+Keert men nu het blad om, dan begint de keerzijde: zijne vrouw, zeide
+hij, die maagd geweest was te Texland, had daarvan een afschrift
+gekregen.
+
+Daar tusschen is geen zamenhang. Voor het minst ontbreekt er: de
+komst dier genoodigden, en het verhaal van hetgene bij die zamenkomst
+is voorgevallen. De afschrijver moet dus in het door hem gevolgde
+exemplaar twee bladen in plaats van een hebben omgeslagen. Er bestond
+dus een vroeger exemplaar, en wel dat in den jare 803 door Liko oera
+Linda was geschreven.
+
+Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift, waarvan het eerste
+gedeelte is opgesteld in de zesde eeuw voor onze jaartelling, het
+oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europesche
+letterkunde ontmoeten. En daar vinden wij in ons vaderland eene
+eeuwenoude bevolking, in 't bezit van eene ontwikkeling, beschaving,
+nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere verhevene
+Godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden hebben
+gehad. In onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen
+van ons volk niet hooger, dan tot de komst van Friso, den vermeenden
+stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die herinneringen
+opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor Christus, en in hoogen
+ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Israël evenaren.
+
+
+
+
+
+BIJLAGE TOT PAG. XX.
+
+Vergelijkende Taalproeve van de oud Friesche Wetten en de taal van
+het Handschrift.
+
+
+
+Dyo forme need is: hweerso en kynd jongh is finsen ende fitered noerd
+wr hef, jefta (sud) wr birgh. Soe moet die moder her kindes eerwe
+setta ende sella ende her kynd lesa ende des lives bihelpa.
+
+Dioe oder need is: jef da jere diore wirdat, ende di heta honger wr
+dat land faert, ende dat kynd honger stere wil, so moet dio moder
+her kindes eerwe setta ende sella ende capia her bern ky ende ey ende
+coern deerma da kinde des lives mede helpe.
+
+Dyo tredde need is: Als dat kind is al stocnaken, jefta huus laes,
+ende dan di tiuestera nevil ende calde winter oen comt sa faert
+allermanick oen syn hof ende oen sin huis ende an waranne gaten, ende
+da wiilda dier seket diin holla baem ende der birgha hlii, aldeer
+hit siin liif oen bihalda mey. Soe weinet ende scryt dat onieriga
+kind ende wyst dan syn nakena lyae ende syn huuslaes, ende syn fader
+deer him reda schuld, to ienst dyn honger ende winter nevil cald, dat
+hi so diepe ende dimme mitta fiower neylen is onder eke ende onder
+da eerda bisloten ende bitacht, so moet dio moder her kindes eerwe
+setta ende sella omdat hio da bahield habbe ende biwaer also lang so
+hit onierich is, dat hit oen forste ner oen honger naet forfare.
+
+
+Anjumer druk e.i.i..
+
+(1466.)
+
+
+
+Thju forma nêd is: Sâhwersa en bårn jvng is fensen ånd fêterad
+northward vr-et hef jeftha sûdward vr tha berga, sa âch thju måm hjara
+bårns erva to settande ånd to seljande ånde hjra bårn to lêsane ånd
+thes lives to bihelpane.
+
+Thju ôthera nêd is: jef tha jêra djura wårthat ånd thi hête hvnger wr
+thet lând fârth ånd thåt bårn sterva wil, sa mot thju måm hjara bårns
+erva setta ånd selja ånd kâpja hiri bårne ky ånd skêp ånd kêren thêr
+mitha mån thet bårn thes lives bihelpe.
+
+Thju tredde nêd is: sâhwersa thåt bårn is stoknâked jefta hûslâs ånd
+then thi tjustera nêvil ånd kalda winter ankvmth, sa fârth allera
+månnalik an sin hof ånd an sin hus ånd an wârande gâta, ånd thet wilde
+kwik sykath thene hola bâm ånd thêre berga hly thêr-it sin lif an
+bihalda mêi, sa wênath ånd krytath thåt vnjêrich bårn ånd wyst then
+sin nâkeda litha ånd siu hûslâs-sâ ånd sin tât thêr him hrêda skolde
+tojenst tha hvnger ånd tha kalda winter nêvil, that hi sa djap ånd
+dimme mith fjuwer nêilum vndera êke ånd vnder tha irtha bisletten ånd
+bidobben is, sa mot thju måm hjara bårns erva setta and selja vmbe
+that hju tha bihield håve ånd tha wâringa al sa long sa hit vnjêrich
+sy, til thju-t hor an forst ner an hvnger navt vmkvma ne mêi.
+
+
+Vertaald door J. G. O.
+
+
+
+
+
+
+
+ADELA.
+
+
+OKKE MIJN ZOON.
+
+
+Deze boeken moet gij met lijf en ziel bewaren, zij bevatten
+de geschiedenis van ons geheele volk, en ook van onze
+voorvaderen. Verleden jaar heb ik die uit den vloed gered tegelijk
+met u en met uwe moeder. Doch zij waren nat geworden, daardoor
+gingen zij naderhand bederven. Om ze niet te verliezen, heb ik ze
+op overlandsch papier overgeschreven. Bijaldien gij ze erft, moet
+gij ze ook overschrijven. Uwe kinderen desgelijks, opdat zij nimmer
+verloren gaan. Geschreven te Liuwert, nadat Atland verzonken is, het
+drie duizend vier honderd negen en veertigste jaar, dat is naar de
+Christen-rekening het twaalf honderd zes en vijftigste jaar, Hiddo
+bijgenaamd Over de Linde. Waak.
+
+
+
+Lieve erfgenamen, om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve
+vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de oogen van
+een monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete
+woorden, maar zij tornen ongemerkt, aan alles wat ons Fries betreft. Om
+rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze
+weten dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden
+toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten
+zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig
+is van onze oude zeden. Och lieve, ik ben bij hen aan het hof geweest;
+wil Wralda het gehengen, en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij
+ons altegader verdelgen. Geschreven te Liudwert, acht honderd en drie
+jaar, na de Christen meening. Liko bijgenaamd Over de Linde.
+
+
+
+
+
+HET BOEK VAN ADELA'S AANHANGERS.
+
+
+Dertig jaren na den dag, waarop de volksmoeder omgebracht was,
+door den overste Magy, stond het er erg aan toe. Alle Staten, die
+er liggen aan de andere zijde der Weser, waren van ons afgescheurd
+en onder het geweld des Magy gekomen; en het stond te vreezen,
+dat hij geweldig zoude worden over het geheele land. Om dat ongeluk
+te weeren, had men eene algemeene volksvergadering belegd, alwaar
+vergaderd waren alle manspersonen, die in een goeden roep stonden bij
+de maagden (priesteressen). Doch nadat er meer verloopen waren dan drie
+etmalen, was de geheele Go-raad in de war, en alles even als bij hunne
+komst. Toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak: Gij allen
+weet, dat ik drie jaren burgtmaagd geweest ben; ook weet gij, dat ik
+gekozen ben tot volksmoeder en dat ik niet volksmoeder wezen wilde,
+omdat ik Apol tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet,
+dat is, dat ik alle gebeurtenissen nagegaan heb, evenals of ik een
+wezenlijke volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weder
+gereisd, toeziende wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veele zaken
+openbaar geworden, die anderen niet weten. Gij hebt gisteren gezegd,
+dat onze stamverwanten aan de andere zijde der Wezer tam en laf waren;
+doch ik mag tot u zeggen, dat de Magy hun niet één dorp afgewonnen
+heeft door het geweld zijner wapenen, maar bloot door arglistige
+ranken en nog meer door de hebzucht der hertogen en edelingen. Frya
+heeft gezegd: wij moesten geene onvrije lieden bij ons toelaten;
+doch wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden nagevolgd;
+want in plaats van hunne gevangenen te dooden of vrij te laten,
+hebben zij Fryas raad veracht en hen tot hunne slaven gemaakt. Omdat
+zij zulks deden, had Frya geene lust meer langer over hen te waken;
+zij hebben eens anders vrijheid benomen, en dat is oorzaak, dat zij
+hunne eigene verloren hebben. Doch dat alles is u zelven ook bekend;
+maar ik wil tot u zeggen, hoe zij allengs zoo laag verzeild zijn. De
+vrouwen der Finnen kregen kinderen; deze groeiden op met onze vrije
+kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij te zamen op het hiem, of
+zij waren met elkander bij den haard. Daar hoorden zij met welgevallen
+naar de losbandige sagen der Finnen, omdat die slecht en nieuw
+waren. Zoo zijn zij ontfriesd ondanks de macht hunner ouders. Toen
+de kinderen groot werden en zagen dat de kinderen der Finnen geene
+wapenen mochten hanteeren en slechts moesten werken, kregen zij van
+het werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De meesters en hunne
+kloekste zoonen kropen bij de wulpsche meisjes der Finnen; en hunne
+eigene dochteren, door het slechte voorbeeld van den weg gebracht,
+lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, ten spot van
+hare verdorvene ouders. Toen de Magy dat in de neus kreeg, toen nam hij
+de schoonste zijner Finnen en Magyaren, en beloofde hun roode koeijen
+met gouden hoornen, zoo zij zich door ons volk lieten gevangen nemen,
+ten einde zijne leer te verbreiden. Maar zijne lieden deden meer;
+kinderen werden te zoek gemaakt, naar de bovenlanden weggevoerd,
+en nadat zij opgevoed waren in zijne verderfelijke leer, dan werden
+zij terug gezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren,
+klampten zij de Hertogen en Edelingen aan boord en zeiden, dat zij
+den Magy onderhoorig moesten worden, dan konden hunne zoonen hen
+opvolgen zonder door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om
+hunne goede daden een vóórdeel tot hun huis gekregen hadden, beloofden
+zij van zijnentwege ook nog een achterdeel er bij; zulken die een
+voor- en achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe;
+en die een ronddeel hadden eene geheele State. Waren de ouders te
+hard Fryasgezind, dan wenden zij den boeg en hielden aan op hunne
+verbasterde zoonen. Gisteren waren er onder u, die al het volk te
+hoop roepen wilden om de oostelijke Staten weder tot hare plicht
+te dwingen. Doch naar mijne eenvoudige meening zou dat verkeerd
+uitkomen. Denk eens, daar was er eene hevige longziekte onder het vee,
+en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen om uw
+gezonde vee te voeren onder hun ziek vee? Immers neen. Bijaldien nu
+iedereen beamen en toestemmen moet, dat het dan met de (vee)stapel
+erg afloopen zoude; wie zoude dan zoo onvoorzichtig wezen om zijne
+kinderen te wagen onder een volk, dat geheel en al verdorven is?
+
+Mocht ik u een raad geven, ik zoude tot u zeggen, gij moest voor alle
+dingen eene nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel dat gij daarmede
+aan den grond zit, uithoofde dat er van de dertien burgtmaagden,
+die wij nog overig hebben, wel acht zijn, die naar die eere dingen,
+maar daar zoude ik geen acht op slaan. Teuntia, die maagd is op de
+burgt Medeasblik, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand
+van wetenschap en helder inzicht en wel zoo sterk op haar volk en
+onze gewoonten gesteld, als alle andere te zamen. Voorts zoude ik
+aanraden, gij moest naar de burgten gaan en daar opschrijven alle
+wetten van Fryas tex, benevens alle geschiedenissen, ja alles wat
+er te vinden is op de wanden, opdat die alle niet verloren gaan,
+en met de burgten tevens niet worde vernield. Daar staat geschreven:
+De moeder en elke burgtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden,
+eenentwintig maagden en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bijvoegen,
+dan zoude ik schrijven, en alzoo veele eerzame dochteren om te leeren,
+als daar op de burgten wezen mogen. Want ik zeg in trouwe en de tijd
+zal het bevestigen, bijaldien gij echte Fryas kinderen wilt zijn,
+nimmer te overwinnen noch door list noch door wapenen, zoo behoort gij
+er voor te waken, dat uwe dochters echte Fryas vrouwen worden. Den
+kinderen moet men leeren, hoe groot ons land weleer geweest is,
+hoe groote mannen onze voorvaderen waren, hoe groot wij nog zijn,
+zoo wij ons neder liggen (vergelijken) bij anderen: men moet hun
+vertellen van de zeehelden en van hunne heldhaftige daden, ook over
+de verre zeetochten. Alle deze verhalen behooren gedaan te worden bij
+den haard, op het hiem, en waar het wezen moge, zoo in blijdschap,
+als bij tranen. Maar zal het standhoudend komen in het brein en in
+het hart, dan moeten alle leeringen over de lippen uwer vrouwen en
+dochteren daarin vloeijen. Adelas raad is opgevolgd.
+
+Deze zijn de grevetmannen onder wier bestuur dit boek is vervaardigd.
+
+Apol, Adelas man, driewerf is hij zeekoning geweest, nu is hij
+grevetman over Oostflyland en over de Lindeoorden, de burgten
+Liudgarda, Lindahem en Stavia zijn onder zijne hoede.
+
+De Saxman Storo, Sytias man, grevetman over de Hoogefennen en Wouden,
+negenwerf is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen; de burgten
+Buda en Manna-garda-forda zijn onder zijne hoede.
+
+Abelo, Jaltias man, grevetman over de Zuiderflylanden, driewerf is
+hij heerman geweest, de burgten Aken, Liudburg en Katsburg zijn onder
+zijne hoede.
+
+Enoch, Dywekes man, grevetman over Westflyland en Texel, negenmaal is
+hij tot zeekoning gekozen, Waraburg, Medeasblik, Forana en Fryasburg
+zijn onder zijne hoede.
+
+Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, vijf maal
+is hij zeekoning geweest, de burgt Walhallagara is onder zijne hoede.
+
+Dit stond op de wanden der Fryasburg te Texland geschreven, dat staat
+ook te Stavia, ook te Medeasblik.
+
+Het was Fryasdag en te dier tijd was het zeven maal zeven jaren
+geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder, naar Fryas
+begeerte. De burgt Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen. Nu
+zoude Festa hare nieuwe lamp opsteken, en toen dat gedaan was in
+tegenwoordigheid van het volk, toen riep Frya van hare waakstar, zoodat
+iedereen het hooren konde: Festa neem uwe stift en schrijf de dingen,
+die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzoo als haar geboden was. Zoo
+zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis gekomen.
+
+Dit is onze vroegste geschiedenis.
+
+Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte den aanvang, alsdan kwam
+de tijd, de tijd wrochte alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde
+alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het
+booze gedierte. Alles wat goed en liefelijk is, bragt zij bij dag
+voort, en alles wat boos en kwaad is, bragt zij bij nacht voort. Na
+het twaalfde Juulfeest bragt zij voort drie maagden:
+
+Lyda uit gloeijende stof,
+
+Finda uit heete stof, en
+
+Frya uit warme stof.
+
+Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem,
+opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen
+waren, kregen zij vermaak en genoegen in de droomen van Wralda. Haat
+trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf
+dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle menschen gekomen.
+
+Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren
+fonkelden hare oogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig
+bij de hare.
+
+Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen hooren, en wanneer er visschen
+in het water waren, ontging dat hare neusgaten niet.
+
+Snelgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij
+liep brak geen bloemstengel onder hare voet.
+
+Geweldige Lyda. Hard was hare stem, en schreeuwde zij uit verbittering,
+dan liep ieder schielijk weg.
+
+Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; hare daden werden
+door hare driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de
+sterken, en wanneer zij dat gedaan had, weende zij bij het lijk.
+
+Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste stierf
+zij van hartseer over de boosheid harer kinderen.
+
+Onverstandige Kinderen. Zij betichteden elkander van hunne moeders
+dood, zij huilden als wolven en vochten evenzoo, en terwijl zij zoo
+deden, vraten de vogels aan het lijk. Wie mag daarbij zijne tranen
+weerhouden.
+
+Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard; een boom
+kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij
+wel tien.
+
+Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen gelijk
+zij, hare oogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een slaaf.
+
+Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er
+niet eene van op. Zij verfoeide de goeden wegens hunne vrijmoedigheid,
+maar aan flikflooisters gaf zij bijna haar zelve weg. Dat was haar
+ongeluk. Haar hoofd was te vol, doch haar hart te ijdel. Zij beminde
+niemand dan haar zelve, en zij wilde dat elk haar lief zoude hebben.
+
+Valsche Finda. Honingzoet waren hare woorden; doch wie haar vertrouwde,
+dien was ongeluk nabij.
+
+Zelfzuchtige Finda, Over allen wilde zij heerschen, en hare zoonen
+waren gelijk zij. Zij lieten zich bedienen van hunne zusteren, en
+elkander sloegen zij om het meesterschap dood.
+
+Dubbelhartige Finda. Om een schuins woord werd zij gram, en de ergste
+daden roerden haar niet. Zag zij een hagedis eene spin verslinden,
+dan werd zij om het hart als ijs; maar zag zij hare kinderen een
+Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen.
+
+Ongelukkige Finda. Zij stierf in den bloeitijd van haar leven, en
+het is nog duister hoe zij gevallen is.
+
+Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij
+haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op,
+luid weenende om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet
+een eenige traan.
+
+Verfoeijelijk volk. De tex (inzetting), die Finda naliet, was op
+gouden bladen geschreven, doch de besten, waarvoor zij gemaakt was,
+was zij nimmer tot nut; de goede wetten werden uitgewischt en zelfzucht
+schreef daar slechte voor in de plaats. O Finda, toen werd de aarde
+vol bloed, en de hoofden der menschen maaiden uwe kinderen af gelijk
+grashalmen. Ja Finda, dat zijn de vruchten van uwe ijdelheid, zie
+neer van uwe waakstar en ween.
+
+Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw harer
+oogen won het de regenboog af.
+
+Schoone Frya. Als stralen der middagzon schitterden hare haarlokken,
+die zoo fijn waren als spinrag.
+
+Bekwame Frya. Ontsloten zich hare lippen, dan zwegen de vogelen en
+geen bladeren bewogen zich meer.
+
+Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor
+hare voeten neder, en hield de adder zijn gift terug.
+
+Reine Frya. Hare spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in
+de boesem der bloemen.
+
+Verstandige Frya. Het eerste wat zij hare kinderen leerde was
+zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij
+volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. Want,
+zeide zij, zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om
+u tot slaven te maken, uwe afkomst tot eene eeuwige schande.
+
+Milde Frya. Nimmer liet zij metaal uit de aarde delven om eigen
+voordeel, maar wanneer zij het deed, was het tot nut van iedereen.
+
+Gelukkigste Frya. Gelijk de sterren de aarde omzwermen, zoo zwermden
+hare kinderen om haar.
+
+Wijze Frya. Toen zij hare kinderen had opgevoed tot in het zevende
+lid, toen riep zij ze alle naar Flyland te zamen. Daar gaf zij hun
+hare tex, en zeide laat die uw wegwijzer wezen, dan zal het u nimmer
+kwalijk gaan.
+
+Uitverkoren Frya. Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als Wraldas
+zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten neder, de lucht werd
+zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar hunne moeder
+omzagen, was zij al lang opgerezen tot hare waakstar. Toen ten laatste
+sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het luchtruim: waak!
+
+Verziende Frya. Het land van waar zij was opgevaren, was nu een stroom,
+en behalve hare tex was daarin alles bedolven, wat van hare handen
+gekomen was.
+
+Gehoorzame kinderen. Toen zij tot hun zelven kwamen, toen maakten zij
+dit hooge terp, bouwden deze burgt daarop, aan diens wanden schreven
+zij de tex, en omdat iedereen die zoude mogen vinden, hebben zij het
+land daarom heen Texland geheeten. Daarom zal het blijven bestaan,
+zoo lang de aarde aarde is.
+
+
+
+
+
+FRYAS TEX.
+
+
+Heil verbeidt de vrijen. Ten laatste zullen zij mij weder zien. Doch
+hem alleen mag ik als vrij erkennen die geen slaaf is van een ander
+noch van zijne driften. Hier is mijn raad.
+
+1. Zoo wanneer de nood erg is, en goede raad en goede daad niets
+meer vermogen, roep dan den geest van Wralda aan; maar gij moet hem
+niet aanroepen, bevorens alle dingen beproefd zijn. Doch ik zeg u met
+redenen, en de tijd zal het waar maken: De moedeloozen zullen immer
+bezwijken onder hun eigen leed.
+
+2. Wraldas geest mag men alleen kniebuigende dank toewijden, ja
+driewerf, voor hetgene gij van hem genoten hebt, voor hetgene gij
+geniet en voor de hoop, die hij u laat in angstige tijden.
+
+3. Gij hebt gezien, hoe spoedig ik hulp verleende. Doe al eender
+met uwen naaste; maar en toef niet tot dat men u gebeden heeft; de
+lijdende zoude u vloeken, mijne maagden zouden uwen naam uitwisschen
+uit het boek en ik zoude u als een onbekende moeten afwijzen.
+
+4. Neem nimmer kniebuigende van uwen naaste dank aan, deze behoort
+aan Wraldas geest. De nijd zoude u bekruipen; de wijsheid zoude u
+belagchen; mijne maagden zouden u betigten van vaderroof.
+
+5. Vier dingen zijn tot uw genot gegeven, met name lucht, water,
+land en vuur; maar Wralda wil alleen daarvan bezitter wezen. Daarom
+raad ik u, gij zult u rechtvaardige mannen kiezen, die den arbeid en
+de vruchten naar recht verdeelen, zoodat niemand vrij van werken noch
+van verdedigen zij.
+
+6. Zoo wanneer daar iemand onder u gevonden wordt, die zijne eigene
+vrijheid verkoopt, die is niet van uw volk, hij is een bastaard met
+verbasterd bloed. Ik raad u, dat gij hem en zijne moeder uit het land
+drijft. Zeg dat tot uwe kinderen des morgens en des middags en des
+avonds, tot dat zij daar van droomen des nachts.
+
+7. Een iegelijk die een ander van zijne vrijheid berooft, al ware de
+ander hem schuldig, dien moet ik aan den leiband eener slavin laten
+voeren. Doch ik raad u om zijn lijk en dat zijner moeder op eene
+kale plaats te verbranden en daarna hunne asch vijftig voet onder
+den grond te begraven, opdat daar geen grashalm op groeijen moge,
+want zoodanig gras zoude uw kostelijkste vee dooden.
+
+8. Tast nooit aan het volk van Lyda, noch van Finda, omdat Wralda
+zoude hen helpen; zoodat al het geweld, dat van u uitging, op uw
+eigen hoofd zoude terugkeeren.
+
+9. Zoo wanneer het mocht gebeuren, dat zij van u raadgeving of iets
+anders begeerden, zoo behoort gij hen te helpen. Maar komen zij om
+te rooven, val dan op hen neder als het bliksemende vuur.
+
+10. Zoo wanneer een van hun eene uwer dochteren tot vrouw begeert,
+en zij dat wil, dan zult gij haar hare dwaasheid beduiden, doch wil
+zij toch haren vrijer volgen, dat zij dan met vrede ga.
+
+11. Wil uw zoon eene van hunne dochteren, dan moet gij even zoo doen
+als met uwe dochter. Maar noch de een, noch de ander mag terugkeeren,
+want zij zouden uitheemsche zeden en gewoonten medevoeren, en zoodra
+deze bij u gehuldigd worden, mag ik niet langer over u waken.
+
+12. Op mijne dienares Fasta heb ik al mijne hoop gevestigd. Daarom
+moet gij haar tot uwe Eeremoeder nemen. Volgt gij mijn raad, dan
+zal zij namaals mijne dienares blijven en alle vrome maagden die
+haar volgen. Dan zal de lamp nimmer uitgaan, die ik voor u opgestoken
+heb. Het licht daarvan zal dan eeuwig uw brein verlichten, en gij zult
+dan even vrij blijven van onvrij geweld, als uwe zoete rivierwateren
+van het zoute water der eindelooze zee.
+
+
+
+
+
+DIT HEEFT FASTA GEZEGD.
+
+
+Alle inzettingen die eene eeuw, dat is honderd jaren, mogen omloopen
+met den Kroder (kruijer) en zijn Juul, die mogen op raad der Eeremoeder
+en bij gemeene wil op de wanden der burgten gegrift worden; zijn
+zij op de wanden geschreven, dan zijn zij wetten (ewa), en het
+is onze plicht om die alle in eere te houden. Komt nood en dwang
+ons inzettingen te geven, strijdende met onze wetten en gewoonten,
+zoo moet de mensch doen gelijk zij eischen; doch zijn zij geweken,
+dan moet men immer tot het oude terugkeeren. Dat is Fryas wil en dat
+moet wezen die van alle hare kinderen.
+
+
+
+
+
+FASTA ZEIDE
+
+Alle dingen die men aanvangen wil, hoedanig zij mogen wezen, op
+den dag, waarop wij Frya gehuldigd hebben, zullen eeuwig falikant
+uitkomen. Nadat de tijd nu bewezen heeft, dat zij recht had, zoo is
+dat eene wet geworden, dat men zonder nood en dwang op Frya haren
+dag niets anders doen mag dan blijde feesten vieren.
+
+
+
+
+
+DIT ZIJN DE WETTEN DIE TOT DE BURGTEN BETREKKING HEBBEN.
+
+
+1. Zoo wanneer ergens eene burgt gebouwd is, dan moet de lamp aldaar
+aan de eerste lamp te Texland aangestoken worden, doch dat mag nimmer
+anders dan door de Moeder geschieden.
+
+2. Elke moeder zal hare eigene maagden kiezen. Eveneens die welke op
+andere burgen moeder zijn.
+
+3. De Moeder te Texland mag hare opvolgster kiezen, doch bijaldien
+zij sterft voor dat zij het gedaan heeft, dan moet die gekozen worden
+op eene algemeene vergadering bij raad van alle staten te zamen.
+
+4. De Moeder op Texland mag eenentwintig maagden hebben en zeven
+spinmeisjes, opdat er altijd zeven bij de lamp mogen waken des daags
+en des nachts. Bij de maagden die op de andere burgten als moeder
+dienen, even zoo vele.
+
+5. Bijaldien eene maagd aan iemand huwen wil, zoo moet zij dat aan
+de moeder berichten, en op staande voet tot de menschen terugkeeren,
+eer zij met haar tochtige adem het licht verontreinigt.
+
+6. Aan de Moeder en aan iedere burgtmaagd zal men toevoegen
+eenentwintig burgtheeren, zeven bejaarde wijzen, zeven bejaarde
+krijgslieden en zeven oude zeestrijders.
+
+7. Daarvan zullen alle jaren naar huis keeren drie van elk zevental,
+maar zij mogen niet opgevolgd worden door hunne nabestaanden, nader
+dan het vierde lid.
+
+8. Ieder mag drie honderd jonge burgtverdedigers hebben.
+
+9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van
+de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den
+oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren
+noodig zijn.
+
+10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren;
+doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten
+blijven hun geheele leven lang.
+
+11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene
+stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel
+het volk alleen.
+
+12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden,
+met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd
+drie boden met zeven paarden.
+
+15. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het
+volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet
+geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders zijn.
+
+14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren
+zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld
+ontvangt.
+
+15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet,
+dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem
+hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen.
+
+16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene
+burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt
+hem bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is
+naar den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade
+tochten. Is hij goedgekeurd, dan ontdoet hij zich van zijne wapenen
+en zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder.
+
+17. Is de zaak over ééne state, dan mogen er niet minder dan drie
+boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan moeten er nog
+driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen kwaad
+vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde.
+
+18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare kinderen,
+dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan, dat is
+de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om haar
+daar in te helpen.
+
+19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om uitspraak
+te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij de zaak
+twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken, opdat
+er vrede kome, en omdat het beter is dat aan één man onrecht gedaan
+wordt dan aan velen.
+
+20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op
+het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad,
+dan mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad,
+dan mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen
+raad beter is dan een verkeerde raad.
+
+21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan
+moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en bloot.
+
+22. Zijn hare burgtheeren medeplichtig, dan doet men even zoo met hen.
+
+23. Is hare schuld twijfelachtig of bloot vermoeden, dan moet men
+hier over beraadslagen en spreken, zoo het noodig is, eenentwintig
+weken lang. Stemt het half deel schuldig, zoo houde men haar voor
+onschuldig. Twee derde, zoo wacht men nog een vol jaar. Stemt men dan
+ook nog zoo, dan mag men haar voor schuldig houden, maar niet dooden.
+
+24. Bijaldien er onder het derde deel sommigen zijn, die haar voor
+zoo onschuldig houden, dat zij haar willen volgen, zoo mogen zij dat
+doen met al hunne drijvende en tilbare have en niemand behoort hen
+daarom te minachten, aangezien de meerderheid even goed kan dwalen
+als de minderheid.
+
+
+
+
+
+ALGEMEENE WET.
+
+
+1. Alle vrijgeborenen zijn op gelijke wijze geboren. Daarom moeten
+zij ook gelijke rechten hebben, even goed op het land als op het ee,
+dat is water, en op alles dat Wralda geeft.
+
+2. Elk manspersoon mag de vrouw zijner keuze vrijen, en elke dochter
+mag haren heildrank aanbieden aan hem, dien zij bemint.
+
+3. Heeft iemand eene vrouw genomen, dan geeft men hem huis en werf. Is
+er geen, dan moet het gebouwd worden.
+
+4. Is hij naar een ander dorp gegaan, om eene vrouw en wil hij daar
+blijven, dan moet men hem aldaar een huis en werf geven, benevens
+het genot van de hemrik.
+
+5. Aan ieder manspersoon moet men een achterdeel als werf bij zijn
+huis geven: want niemand mag een voordeel bij zijn huis hebben, veel
+min een ronddeel. Alleen wanneer iemand eene daad verricht heeft tot
+gemeenen nutte, dan mag hem dat gegeven worden. Ook mag zijn jongste
+zoon dat erven. Na dezen moet het dorp dat terugnemen.
+
+6. Elk dorp zal een hemrik hebben naar zijne behoefte en de graaf zal
+hoeden dat elk zijn deel bemest en goed houdt, opdat de nakomelingen
+geene schade lijden mogen.
+
+7. Elk dorp mag eene markt hebben ter koop en verkoop, of tot
+ruilhandel, Al het andere land zal bouw en bosch blijven. Doch de
+boomen daarin zal niemand vellen, buiten gemeene raad, en buiten
+weten van den woudgraaf. Want de wouden zijn ten gemeenen nutte,
+daarom mag niemand er meester van zijn.
+
+8. Als marktgeld mag het dorp niet meer nemen dan het twaalfde
+gedeelte van den koopschat, noch van de inwoners, noch van den
+verafwonenden. Ook mag de marktschatting niet eerder verkocht worden
+als het andere goed.
+
+9. Al het marktgeld moet jaarlijks verdeeld worden, drie dagen voor
+den Juuldag, in honderd deelen te verdeelen.
+
+10. De grevetman met zijne graven zal daarvan ontvangen twintig
+deelen; de marktrechter tien deelen en zijne helpers vijf deelen;
+de volksmoeder een deel; de vroedvrouw vier deelen; het dorp tien
+deelen; de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen,
+vijftig deelen.
+
+11. Degene die te markt komen mogen niet woekeren. Komen er sommige,
+dan is het de plicht der maagden, hen kenbaar te maken over het geheele
+land, opdat zij nimmer gekozen worden tot eenig ambt, want zulke hebben
+een gierig hart. Om rijkdom te vergaderen zouden zij alles verraden,
+het volk, de Moeder, hunne nabestaanden en ten laatsten zich zelven.
+
+12. Is er iemand zoo boos dat hij zuchtziek vee of bedorven waar voor
+heel goed verkoopt, dan moet de marktrechter hem weren en de maagden
+hem noemen over het geheele land.
+
+In vroegere tijden huisde Findas volk meest al te gader over hun
+moeders geboorteland, met name Aldland, dat nu in zee ligt. Zij
+waren dus ver af. Daarom hadden wij ook geen oorlog. Toen zij
+verdreven zijn en herwaarts kwamen om te rooven, toen kwam er van
+zelf landverdediging, heermannen, koningen en oorlog. Voor die alle
+kwamen inzettingen, en uit de inzettingen kwamen wetten.
+
+
+
+
+
+HIER VOLGEN DE WETTEN DIE DAARUIT ZAMENGESTELD ZIJN.
+
+
+1. Elke Fries moet de beleedigers of vijanden afweren, met al zulke
+wapenen, als hij verzinnen, bekomen en hanteren mag.
+
+2. Is een knaap twaalf jaar, dan moet hij de zevende dag missen van
+zijn leertijd om vaardig te worden met de wapenen.
+
+3. Is hij bekwaam geworden, dan geve men hem wapenen en hij wordt
+tot krijgsman geslagen.
+
+4. Is hij drie jaren krijgsman, dan wordt hij burgtheer en mag hij
+helpen zijn hoofdman te kiezen.
+
+5. Is hij zeven jaren kiezer, dan mag hij helpen een heerman of koning
+te kiezen en dan zelf ook gekozen worden.
+
+6. Alle jaren moet hij herkozen worden.
+
+7. Behalve de koning mogen alle ambtmannen wedergekozen worden,
+die recht doen en naar Fryas raad.
+
+8. Geen koning mag langer dan drie jaren koning blijven, opdat hij
+niet bestendig moge worden.
+
+9. Heeft hij zeven jaren gerust, dan mag hij weer gekozen worden.
+
+10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne
+nabestaanden ook naar die eer dingen.
+
+11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven,
+dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan
+het vierde lid.
+
+12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets
+verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te
+hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de
+liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen.
+
+
+
+
+
+DIT ZIJN DE RECHTEN DER MOEDER EN DER KONINGEN.
+
+
+1. Zoo wanneer er oorlog komt, zende de Moeder hare boden naar den
+koning, de koning zende boden naar de grevetmannen om de landweer.
+
+2. De grevetmannen roepen alle burgtheeren te zamen en bespreken hoe
+vele mannen zij zullen zenden.
+
+3. Alle besluiten van dezen moeten dadelijk naar de Moeder gezonden
+worden, met boden en getuigen.
+
+4 De Moeder laat alle besluiten verzamelen en geeft het guldengetal,
+dat is het middengetal van alle besluiten te zamen. Hiermede moet
+men vooreerst vrede hebben, en de koning eveneens.
+
+5. Is het leger te velde, dan behoeft de koning slechts met zijne
+hoofdmannen te raadplegen, doch daarbij moeten altijd de drie
+burgtheeren der Moeder vooraan zitten zonder stem. Deze burgtheeren
+moeten dagelijks boden naar de Moeder zenden, opdat zij weten moge
+of er iets gedaan wordt, strijdende met Fryas raadgeving.
+
+6. Wil de koning iets doen, en zijne raden niet, zoo mag hij het
+niet onderstaan.
+
+7. Komt een vijand onverwacht, dan moet men doen, zooals de koning
+gebiedt.
+
+8. Is de koning niet op het pad, dan moet men zijn volger gehoorzaam
+wezen, of die op dezen volgt, tot den laatsten toe.
+
+9. Is er geen hoofdman, dan moet men een kiezen.
+
+10. Is daar geen tijd toe, dan werpe zich een tot hoofdman op, die
+zich sterk gevoelt.
+
+11. Heeft de koning een gevreesd volk afgeslagen, dan mogen zijne
+nakomelingen zijnen naam achter hun eigen naam voeren. De koning
+mag, zoo hij wil, op eene onbebouwde plaats eene plek uitkiezen tot
+een huis en erf. Dat erf mag een ronddeel zijn, zoo groot, dat hij
+naar alle zijden zeven honderd treden van zijn huis af loopen mag,
+eer hij aan zijn grensscheiding komt.
+
+12. Zijn jongste zoon mag dat goed erven, na hem diens jongste zoon,
+dan zal men het terug nemen.
+
+
+
+
+
+HIER ZIJN DE RECHTEN ALLER FRIESEN OM VEILIG TE WEZEN.
+
+
+Zoo wanneer er wetten gemaakt worden, of nieuwe inzettingen
+zamengesteld, alsdan moet het ten gemeenen nutte geschieden, maar
+nimmer ten bate van enkelde menschen, noch van enkelde geslachten,
+noch van enkelde staten, noch van iets dat enkeld is.
+
+2. Zoo wanneer er oorlog komt en daar worden huizen vernield of
+schepen, hoedanig het ook wezen mogen, hetzij door den vijand, hetzij
+bij gemeenen rade, zoo behoort de gemeene gemeente, dat is al het volk
+te zamen, dit weder te vergoeden, daarom opdat niemand de algemeene
+zaak zal helpen verliezen, om zijn eigen goed te behouden.
+
+3. Is de oorlog voorbij gegaan, en zijn er sommige zoodanig verminkt,
+dat zij niet langer werken kunnen, dan moet de gemeene gemeente hen
+onderhouden, bij de feesten behooren zij vooraan te zitten, opdat de
+jeugd hen zal eeren.
+
+4. Zijn er weduwen en weezen gekomen, dan moet men haar ook
+onderhouden, en de zonen mogen de namen hunner vaderen op hunne
+schilden schrijven tot eere van hun geslacht.
+
+5. Zijn er sommigen door den vijand gevangen genomen en komen zij
+terug, dan moet men hen verre van het kamp wegvoeren, want zij mochten
+vrij gelaten zijn onder kwade beloften, en dan mogen zij hunne beloften
+niet houden en toch eerlijk blijven.
+
+6. Indien wij zelve vijanden gevangen nemen, dan voere men die diep
+in het land weg, en leert hen onze vrije zeden.
+
+7. Indien men hen naderhand vrijlaat, dan laat men dat met goedheid
+door de Maagden doen, opdat wij makkers en vrienden winnen in plaats
+van haters en vijanden.
+
+
+
+
+
+UIT MINNO'S GESCHRIFTEN.
+
+
+Zoo wanneer daar een man is dermate boos, dat hij onze naburen berooft,
+doodslagen pleegt, huizen in brand steekt, maagden schendt, wat het
+ook zij dat boos is, en onze landgenooten willen dat gewroken hebben,
+dan is het recht, dat men den dader vatte en in hunne tegenwoordigheid
+doode, opdat daar over geen oorlog kome, waardoor de onschuldige zoude
+boeten voor den schuldige. Willen zij hem zijn lijf laten behouden
+en de wraak laten afkoopen, zoo mag men dat gedoogen. Is de schuldige
+een koning, grevetman, grevet, wie dat het zij, die over de zeden moet
+waken, zoo moeten wij het kwaad herstellen, maar hij moet zijne straf
+hebben. Voert hij een eernaam op zijn schild van zijne voorvaderen,
+dan mogen zijne nabestaanden dien naam niet langer voeren, daarom
+dat de eene bloedverwant zorgdragen zal over de zeden des anderen.
+
+
+
+
+
+WETTEN VOOR DE STUURLIEDEN. STUURMAN IS EEN TITEL VOOR DE
+BUITENVAARDERS.
+
+
+1. Alle Fryas zonen hebben gelijke rechten, daarom mogen alle flinke
+knapen zich als buitenvaarders aanmelden bij den olderman, en deze
+mag hen niet afwijzen, ten ware dat er geen plaats is.
+
+2. De stuurlieden mogen hun eigen meesters benoemen.
+
+3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente,
+aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen
+stem hebben.
+
+4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is,
+dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning
+zich beklagen bij den olderman.
+
+5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de zeelieden
+daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning twaalf
+mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen elk
+twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk elk
+een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de middelste
+jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een tweederde deel.
+
+6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen voor
+hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene feesten,
+bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten.
+
+7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun
+deel erven.
+
+8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene
+gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld,
+dan mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren.
+
+9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een geheel
+mansdeel hebben.
+
+10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen
+om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor
+deze eer weduw blijven haar leven lang.
+
+11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders
+zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen.
+
+12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch erf,
+dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo mogen
+zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat vergoeden
+naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel weigeren.
+
+
+
+
+
+NUTTIGE ZAKEN UIT DE NAGELATEN SCHRIFTEN VAN MINNO.
+
+
+Minno was een oude zeekoning, een ziener en wijsgeer; hij heeft aan
+de Kretensen wetten gegeven. Hij is geboren aan de Lindeoord, en
+na al zijne omzwervingen heeft hij het geluk genoten om te Lindahem
+te sterven.
+
+Zoo wanneer onze naburen een stuk land hebben of water, dat ons goed
+toeschijnt, zoo voegt het ons dat te koop te vragen; willen zij dat
+niet doen, zoo moet men hun dat laten behouden: dat is naar Fryas
+tex en het zoude onrecht wezen dat afhandig te maken.
+
+Wanneer er naburen te zamen kijven en twisten over eenige zaak (anders)
+dan over land, en zij ons verzoeken een oordeel uit te spreken, zoo
+behoort men dat liever achterwege te laten; doch als men daar niet
+buiten kan, zoo moet men dat eerlijk en rechtvaardig doen.
+
+Komt er iemand en zegt: ik heb oorlog en nu moet gij mij helpen. Of
+een ander komt en zegt: mijn zoon is minderjarig en onbekwaam en ik
+ben oud, nu wilde ik u tot voogd over hem en over mijn land stellen,
+totdat hij meerderjarig is, zoo behoort men dat te weigeren, opdat wij
+niet in twist mogen komen over zaken strijdende met onze vrije zeden.
+
+Wanneer een buitenlandsch koopman komt op de toegelatene markt te
+Wyringen of te Almanland en hij bedriegt, zoo wordt hij terstond in
+de marktboete geslagen en door de maagden kenbaar gemaakt over het
+geheele land. Komt hij dan terug, dan zal niemand van hem koopen, en
+hij mag vertrekken gelijk hij gekomen is. Dus wanneer er kooplieden
+gekozen worden om ter markt te gaan, of met de vloot te varen, dan
+behoort men alleen dezulken te kiezen, die men door en door kent en
+in een goeden roep staan bij de maagden. Gebeurt het desniettemin,
+dat er een slecht man onder is, die de menschen bedriegen wil, zoo
+behooren de anderen dat te weren. Heeft hij het reeds gedaan, dan
+moet men dat herstellen, en den misdadiger uit het land verbannen,
+opdat onze naam overal met eere genoemd mag worden.
+
+Maar zoo wij ons op eene buitenlandsche markt bevinden, hetzij nabij
+of ver af en het volk ons leed doet of besteelt, dan behooren wij met
+een haastigen aanval toe te slaan, want ofschoon wij alles behooren te
+doen om des vredes wille, mogen onze halfbroeders ons nimmer minachten
+of wanen dat wij bang zijn.
+
+In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten,
+achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze
+voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda
+of Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en
+zeeën heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik
+overtuigd, dat wij alleen door Alfader uitverkoren zijn, om wetten
+te hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden,
+zij zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Velen gelijken op Finda,
+zijn schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hovaardig, valsch,
+onkuisch en moordzuchtig. De padde blaast zich op en zij kan slechts
+kruipen. De kikvorsch roept werk, werk, en zij doet niets als huppelen
+en grappenmaken. De raven roepen spaar, spaar, maar zij stelen en
+verslinden al wat onder hun snavel komt. Aan die allen gelijk is
+het Findas volk, zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil
+inzettingen maken om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan
+gebonden wezen. Diegene wiens geest het listigste is en daardoor
+sterk, diens haan kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn
+wil onderworpen wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel
+verdrijft. Het woord ewa is te heilig om eene gemeene zaak te benoemen,
+daarom heeft men ons evin leeren zeggen. Ewa beteekent inzettingen,
+die bij alle menschen gelijkelijk in hun gemoed geprent zijn, opdat
+zij weten mogen wat recht en onrecht is, en waardoor zij in staat
+zijn hunne eigene daden en die van anderen te beoordeelen, dat wil
+zeggen: alzoo verre zij goed en niet misdadig opgevoed zijn. Ook is
+er nog een andere zin aan vast: Ewa (effen) beteekent ook gelijk,
+vlak als water, recht en slecht gelijk water dat door geen hevige wind
+of iets anders verstoord is. Wordt het water verstoord, dan wordt het
+oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weder effen te worden. Dat
+ligt in zijn wezen, even als de neiging tot recht en vrijheid in Fryas
+kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door den geest van Wralda onzen
+vader, die luide spreekt in Fryas kinderen. Daarom zal die ook eeuwig
+beklijven. Ewa (eeuwig) is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die
+eeuwig recht en onverstoord blijft, ofschoon het in zijn ligchaam
+erg toe gaat. Eeuwig en onverstoord zijn de kenmerken der wijsheid
+en rechtvaardigheid die door alle vrome menschen gezocht en door alle
+rechteren moeten bezeten worden. Willen dus de menschen inzettingen en
+bepalingen maken, die steeds goed blijven en aller wege, zoo moeten
+zij gelijk wezen voor alle menschen. Naar deze wetten behooren de
+rechteren hun oordeel uit te spreken. Is er eenig kwaad bedreven,
+waaromtrent geene wetten gemaakt zijn, zoo moet men eene algemeene
+vergadering beleggen, daar oordeelt men naar den zin, dien Wraldas
+geest in ons spreekt, om over alles rechtvaardig te oordeelen. Zoo
+doende zal ons oordeel nimmer falikant uitkomen. Doet men geen recht,
+maar onrecht, dan rijst er twist en tweespalt onder de menschen en
+staten; daaruit ontspruit binnenlandsche oorlog, waardoor alles in de
+war gebragt en in 't verderf gestort wordt. Maar o domheid. Terwijl wij
+bezig zijn elkander te schaden, komt het nijdige volk Findas met zijne
+valsche priesteren om uwe have te rooven, uwe dochteren te schenden,
+uwe zeden te verderven, en ten laatste sluiten zij slavenbanden om
+een ieders vrijen hals.
+
+
+
+
+
+UIT MINNOS SCHRIFTEN.
+
+
+Toen Nyhalennia, die van haar eigen naam Min-erva heette, goed gezeten
+was, en de Krekalanders haar soms evenzeer lief hadden als ons eigen
+volk, toen kwamen daar eenige vorsten en priesteren op hare burgt en
+vraagden Min-erva, waar hare erven gelegen waren. Hellenia antwoorde
+mijne erven draag ik om in mijn boezem, 't gene ik geërfd heb is liefde
+tot wijsheid, rechtvaardigheid en vrijheid. Heb ik die verloren, dan
+ben ik gelijk aan den minste van uwe slaven. Nu geef ik raad om niet,
+maar dan zoude ik die verkoopen. De heeren gingen heen en riepen al
+lachende, uwe gehoorzame dienaren, wijze Hellenia. Doch daarmede misten
+zij hun doel, want het volk dat haar beminde en volgde nam dezen naam
+als een eernaam op. Toen zij zagen, dat hun schot gemist had, toen
+gingen zij haar belasteren, en zeiden dat zij het volk behekst had;
+maar ons volk en de goede Krekalanders beweerden allerwege dat het
+laster was. Eens kwamen zij en vroegen: als gij dan geen tioenster
+(heks) zijt, wat doet gij dan met de eijeren, die gij altijd bij
+u hebt. Minerva antwoordde: Deze eijeren zijn het zinnebeeld van
+Frya's raadgevingen, waarin onze toekomst verholen ligt en die van het
+geheele menschelijk geslacht. De tijd moet ze uitbroeden, en wij moeten
+waken dat er geen leed aan komt. De priesteren (zeiden): goed gezegd,
+maar waartoe dient de hond aan uwe rechter hand. Hellenia antwoorde:
+Heeft de herder geen schaapshond om zijne kudde bijeen te houden? wat
+de hond is in de dienst des schaapsherders, dat ben ik in Frya's
+dienst. Ik moet over Frya's kudde waken. Dat komt ons goed voor zeiden
+de priesters, maar zeg ons wat is de beteekenis van de nachtuil, die
+altijd boven uw hoofd zit; is dat lichtschuwende dier soms het teeken
+van uw helder zien? Neen, antwoorde Hellenia, hij helpt mij herinneren
+dat er een slag van menschen over de aarde omdwaalt, dat even gelijk
+hij in kerken en holen huist, die in duister omwroeten, doch niet
+als hij, om ons van muizen en andere plagen te bevrijden, maar om
+ranken te verzinnen, andere menschen hunne wetenschap te rooven,
+opdat zij hen des te beter mogen vatten om er slaven van te maken, en
+hun bloed uit te zuigen even als de bloedzuigers doen. Eens kwamen zij
+met eene bende volks (de pest was over het land gekomen), zij zeiden:
+wij alle zijn bezig de goden te offeren, opdat zij de pest mogen weren,
+wilt gij dan niet helpen hunne gramschap te stillen, of hebt gij zelve
+de pest over het land gebracht met uwe kunsten. Neen, zeide Minerva,
+maar ik ken geene goden die kwaaddoende zijn, daarom kan ik niet vragen
+of zij beter willen worden. Ik ken slechts een goede, dat is Wralda's
+geest, maar omdat hij goed is, doet hij ook geen kwaad. Waar komt het
+kwaad dan weg, vroegen de priesteren. Alle kwaad komt van u en van de
+domheid der menschen, die zich van u laten vangen. Indien uwe godheid
+dan zoo bijster goed is, waarom weert hij dan het kwaad niet, vroegen
+de priesters. Hellenia antwoorde: Frya heeft ons op den weg gebracht,
+en de Kroder, dat is de Tijd, die moet het overige doen; voor alle
+rampen is raad en hulp te vinden, doch Wralda wil dat wij die zelve
+zullen zoeken, opdat wij sterk zullen worden en wijs. Willen wij niet,
+dan laat hij onze verbastering uitrazen, opdat wij zullen ervaren,
+wat na verstandige daden en wat na dwaze daden volgt.
+
+Toen zeide een vorst: Ik zoude wanen, dat het beter ware, die te
+weeren. Wel mogelijk, antwoordde Hellenia, want dan zouden de menschen
+blijven gelijk makke schapen, gij en de priesters zoudt hen willen
+hoeden, maar ook scheren en naar de slachtbank voeren. Doch zoo wil
+het onze godheid niet, hij wil, dat wij elkander helpen, maar hij
+wil ook dat iedereen vrij zij en wijs worde. En dat is ook onze wil,
+en daarom kiest ons volk zijne vorsten, graven, raadgevers en alle
+bazen en meesters uit de wijsten der goede menschen, opdat alle man
+even zeer zijn best zal doen, om wijs en goed te worden. Zoodoende
+zullen wij eens weten en aan het volk leeren, dat wijs zijn en
+wijs doen alleen leidt tot zaligheid. Dat schijnt wel een oordeel,
+zeiden de priesters, maar als gij nu meent dat de pest door onze
+domheid ontstaat, zoude Nyhellenia dan wel zoo goed willen wezen,
+om ons wat van dat nieuwe licht te leenen, waarop zij zoo trotsch
+is. Ja, zeide Hellenia, de raven en andere vogelen komen alleen af op
+bedorven aas, maar de pest bemint niet alleen bedorven aas, maar ook
+bedorven zeden en gewoonten en booze lusten; wilt gij nu dat de pest
+van u zal wijken en niet terugkomen, dan moet gij de booze lusten
+wegdoen, opdat gij alle rein wordt van binnen en van buiten. Wij
+willen gelooven, dat de raad goed is, zeiden de priesters, maar zeg
+ons, hoe zullen wij daar alle menschen toe krijgen, die onder onze
+heerschappij zijn? Toen stond Hellenia op van haren zetel en sprak:
+De musschen volgen den zaaijer, de volken hunne goede vorsten, daarom
+betaamt het u te beginnen met u zelven alzoo rein te maken, dat gij
+uwe blikken naar binnen en naar buiten moogt richten zonder schaamrood
+te worden voor uw eigen gemoed. Doch in plaats van het volk rein te
+maken, hebt gij vuile feesten uitgevonden, waarop het volk alzoo lang
+zuipt, dat zij ten laatsten, gelijk de zwijnen in het slik wroeten,
+omdat gij uwe lusten boeten moogt. Het volk begon te joelen en te
+spotten, daardoor durfden zij geen strijd weder aan te spinnen. Nu
+zoude ieder wanen dat zij overal het volk te hoop geroepen hadden, om
+ons allen te zamen het land uit te drijven. Neen, in plaats van haar
+te beschimpen gingen zij allerwegen, ook naar het heinde Krekaland
+tot aan de Alpen uitroepen: dat het den Oppersten God behaagd had
+zijne verstandige dochter Minerva, bijgenaamd Nyhellenia, onder de
+menschen te zenden van over zee met eene wolk, om de menschen goede
+raad te geven, en opdat alle menschen die haar hooren wilden rijk
+en gelukkig zouden worden, en eens meester zouden worden over alle
+koningrijken der aarde. Zij stelden haar beeld op hunne altaren,
+zij verkondigden of verkochten aan de domme menschen allerwegen
+raadgevingen die zij nimmer gegeven had, en vertelden wonderen die zij
+nooit gedaan had. Door list wisten zij zich meester te maken van onze
+wetten en inzettingen en door listen en drogredenen wisten zij alles te
+bewijzen en te verbreiden. Zij stelden ook priesteressen onder hunne
+hoede, die schijnbaar onder de hoede van Festa onze eerste eeremoeder
+(waren) om over het heilige licht te waken, maar dat licht hadden zij
+zelve ontstoken, en in plaats van de priesteressen wijs te maken en
+naderhand onder het volk te zenden om de zieken te verplegen en de
+jeugd te onderwijzen, maakten zij ze dom en duister, en zij mochten
+nimmer buiten komen. Ook werden zij als raadgeefsters gebezigd, maar
+die raad was voor den schijn uit hare monden, want hare monden waren
+niet anders dan de roepers, waardoor de priesters hunne begeerten
+uitspraken. Toen Nyhellenia gestorven was, wilden wij eene andere
+moeder kiezen. Sommigen wilden naar Texland om aldaar eene te vragen;
+maar de priesters die bij hun eigen volk het rijk weder in hadden,
+wilden dat niet gedoogen, en kreten ons bij het volk als onheilig uit.
+
+
+
+
+
+UIT DE SCHRIFTEN VAN MINNO.
+
+
+Toen ik aldus weggevaren was met mijne lieden van Athenia, kwamen wij
+ten laatsten aan een eiland, door mijne manschappen Kreta geheeten,
+wegens de woeste kreten die het volk aanhief bij onze komst. Toen zij
+echter zagen, dat wij geen oorlog in het schild voerden, werden zij
+gedwee, zoodat ik ten laatsten voor een boot met ijzer gereedschap
+eene havenmond en een plek grond inruilde, doch toen wij daar eene
+poos gezeten waren, en zij bespeurden dat wij geene slaven hadden,
+toen waren zij daarover versteld. Maar toen dat ik hun nu verteld
+had, dat wij wetten hadden om gelijk recht te doen over allen, toen
+wilde het volk ook zulke hebben, doch nauwlijks hadden zij die, of
+het geheele land kwam in de war. De vorsten en priesteren kwamen en
+gaven voor dat wij hunne onderdanen oproerig gemaakt hadden, en het
+volk kwam tot ons om heul en schut te vragen. Doch toen de vorsten
+zagen dat zij hun rijk zouden verliezen, toen gaven zij aan het volk
+vrijheid en kwamen bij mij om een Asegaboek. Doch het volk was aan
+geen vrijheid gewoon, en de heeren bleven heerschen, naardat hun goed
+dacht. Nadat die storm over was, begonnen zij tweespalt tusschen ons
+te zaaijen. Zij zeiden aan mijn volk, dat ik hunne hulp had ingeroepen,
+om bestendig koning te worden. Eens vond ik vergif in mijne spijs. Doch
+als er eens een schip van Flyland bij ons verzeilde, ben ik daarmede
+stilletjes weggetogen. Doch mijn eigen wedervaren daarlatende, wil ik
+met deze geschiedenis alleen zeggen, dat wij ons niet moeten inlaten
+met Finda's volk, van waar het ook zij, omdat zij vol zijn van valsche
+ranken, even te vreezen als hunne zoete wijnen met doodend vergif.
+
+
+Einde van Menno's schriften.
+
+
+
+
+
+HIERONDER ZIJN DRIE BEGINSELEN, DAARNAAR ZIJN DEZE INZETTINGEN GEMAAKT.
+
+
+1. Iedereen weet dat hij zijn nooddruft moet hebben, maar wordt aan
+iemand zijne nooddruft onthouden, dan weet niemand wat hij doen zal,
+om zijn lijf te behouden.
+
+2. Alle volwassen menschen worden gedrongen kinderen te verwekken,
+zoo dat geweerd wordt, weet niemand, wat kwaads daarvan kan komen.
+
+3. Een ieder weet dat hij vrij en onverlet wil leven, en dat anderen
+dat ook willen. Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen
+gemaakt.
+
+Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze
+zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en
+vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en moord.
+
+1. Bijaldien iemand gebrek heeft en hij kan hem zelf niet helpen,
+zoo moeten de Maagden dat ter kennis brengen van den graaf, om reden
+dat het een hooghartigen Fries niet past dat zelf te doen.
+
+2. Zoo iemand arm wordt, doordien hij niet werken wil, die moet uit
+den lande uitgedreven worden; want de laffen en tragen zijn lastig
+en ergdenkend, daarom behoort men hen te weren.
+
+3. Ieder jong man behoort eene bruid te zoeken, en is hij vijf en
+twintig jaar oud, dan behoort hij eene vrouw te hebben.
+
+4. Is iemand vijf en twintig jaar, en heeft hij nog geene echtgenoot,
+dan behoort men hem uit zijn huis te weren, de knapen behooren hem
+te vermijden. Neemt hij dan nog geene vrouw, dan moet men hem dood
+verklaren, opdat hij uit het land vertrekke, en hier geen ergernis
+mag geven.
+
+5. Is iemand machteloos, dan moet hij openbaar zeggen dat niemand
+van hem te vreezen heeft, dan mag hij komen, waar hij wil.
+
+6. Pleegt hij naderhand ontucht, dan mag hij vluchten; vlucht hij niet,
+dan wordt hij aan de wraak der bedrogene overgelaten en niemand mag
+hem helpen.
+
+7. Bijaldien iemand eenig goed heeft, en een ander begeert dat
+dermate, dat hij zich daaraan vergrijpt, dan moet hij dat drievoudig
+vergelden. Steelt hij dan nog eens weer, dan moet hij naar de
+tinlanden; wil de bestolene hem vrij laten, dan mag hij dat doen,
+maar gebeurt het voor de derde reis, dan mag niemand hem de vrijheid
+schenken.
+
+
+
+
+
+DEZE BEPALINGEN ZIJN GEMAAKT VOOR TOORNIGE MENSCHEN.
+
+
+Zoo iemand in drift of uit boosheid een ander leden breekt, een oog
+uitstoot, ofte tand, wat het ook zij, zoo moet de beleediger betalen,
+wat de beleedigde eischt. Kan hij dat niet doen, zoo moet er openbaar
+aan hem gedaan worden, wat hij aan den ander deed. Wil hij dat niet
+uitstaan, dan moet hij zich tot zijne burgtmaagd wenden, of hij in
+de ijzer- of tinlanden mag werken, tot dat zijne schuld voldaan is
+volgens de algemeene bepaling.
+
+2. Wanneer iemand gevonden wordt zoo boos, dat hij een Fries dood
+slaat, dan moet hij dat met zijn lijf betalen. Doch kan zijne
+burgtmaagd hem voor altijd naar de tinlanden helpen, voor dat hij
+gevat wordt, dan mag zij dat doen.
+
+3. Bijaldien de gevangene kan bewijzen met erkende getuigen, dat het
+bij ongeluk geschied is, zoo zal hij vrij wezen. Maar gebeurt het
+nog eenmaal, dan moet hij toch naar de tinlanden, opdat men daardoor
+vermijde alle onbehoorlijke wraak en veete.
+
+
+
+
+
+DIT ZIJN BEPALINGEN VOOR DE HOERENKINDEREN.
+
+
+1. Wie eens anders huis uit boosheid den rooden haan opzet, is geen
+Fries, hij is een hoerenkind, met basterd bloed. Kan men hem op heeter
+daad vatten, dan moet men hem in het vuur werpen. Hij mag vlieden
+zoo hij kan, nergens zal hij veilig wezen voor de wrekende hand.
+
+2. Geen echte Fries zal over de misslagen zijns naaste mallen of
+kwaadspreken. Is iemand misdadig jegens hem zelven, maar niet te
+vreezen voor anderen, dan mag hij zijn eigen rechter wezen. Wordt hij
+zoo slecht, dat hij gevaarlijk wordt, dan moet men het aan den graaf
+openbaren. Maar is er iemand die een ander achter zijn rug aantijgt,
+in plaats van het bij den graaf te doen, die is een hoerenkind,
+op de markt moet hij aan den paal gebonden worden, zoodat het jong
+volk hem mag aanspuwen; daarna leidt men hem over de grenzen, maar
+niet naar de tinlanden, want een eerrover is ook te vreezen.
+
+3. Bijaldien er eens iemand zoo slecht was, dat hij ons ging verraden,
+aan den vijand de paden en bijpaden wees om onze vliedburgten
+te genaken, of des nachts daar in te sluipen, die zoude alleen
+gesproten zijn uit Finda's bloed, men zoude hem moeten verbranden,
+de zeelieden zouden zijne moeder en al zijne bloedverwanten naar
+een afgelegen eiland moeten brengen, en daar zijn asch verstuiven,
+opdat er geen vergiftige kruiden van mochten groeijen. De maagden
+moeten zijn naam vervloeken over alle onze staten, opdat geen kind
+zijn naam moge krijgen, en de ouden hem mogen verwerpen.
+
+Oorlog was voorbij gegaan, maar nood was in zijne plaats gekomen; nu
+waren er drie menschen die elk een zak koorn stalen van afzonderlijke
+eigenaren. Doch zij werden alle gevangen. Nu ging de eerste (eigenaar)
+heen en bracht den dief bij den schout, de maagden zeiden daarvan
+allerwege, dat hij gehandeld had naar het recht. De andere nam den
+dief het koorn af, en liet hem voorts met vrede; de maagden zeiden,
+hij heeft wel gedaan. Maar de derde eigenaar ging naar den dief in
+zijn huis. Toen hij nu zag, hoe de nood daar zijn zetel had opgesteld,
+ging hij terug en keerde weder met een wagen vol nooddruftigheden,
+waarmede hij den nood van den haard verdreef. Frya's maagden hadden
+bij hem rondgewaard en zijne daad in het eeuwige boek geschreven,
+terwijl zij al zijne zonden hadden uitgewischt. Het werd gezegd aan
+de eeremoeder, en deze liet het verkondigen over het geheele land.
+
+
+
+
+
+HETGENE HIERONDER STAAT IS AAN DE WANDEN VAN DE WARABURGT GEGRIFT.
+
+
+(Zie plaat I.)
+
+Wat hier boven staat, dat zijn de teekens van het Juul, dat is het
+eerste zinnebeeld van Wralda, ook van den aanvang of het begin, waaruit
+de Tijd is voortgekomen; deze is de Kroder, die eeuwig met het Juul
+moet rondloopen. Hiernaar heeft Frya het staand schrift gevormd,
+'t welk zij gebruikte voor hare tex. Toen Fasta eeremoeder was,
+heeft zij er het run of loopend schrift van gemaakt. De Witkoning
+d. i. Zeekoning Godfried, de oude, heeft er afzonderlijke getalteekens
+van gemaakt voor het staand en loopend schrift beide. Het is daarom
+niet te veel dat wij er jaarlijks eenmaal feest voor vieren. Wij
+mogen Wralda eeuwig dank wijden, dat hij zijn geest zoo krachtig
+over onze voorvaderen heeft laten varen. In haren tijd heeft Finda
+ook een schrift uitgevonden; maar dat was zoo hoogdravend en vol
+met franjes en krullen, dat de nakomelingen de beteekenis daarvan
+spoedig verloren hebben. Naderhand hebben zij ons schrift geleerd,
+met name de Finnen, de Thyriers en de Krekalander. Maar zij wisten
+niet goed, dat het van het Juul gemaakt was, en dat het daarom altijd
+moest geschreven worden met de zon om. Bovendien wilden zij dat hun
+schrift voor andere volken onleesbaar zoude wezen, omdat zij altijd
+geheimnissen hebben. Zoodoende zijn zij zeer van de wijs geraakt,
+dermate, dat de kinderen de schriften hunner ouderen bezwaarlijk kunnen
+lezen; terwijl wij onze alleroudste schriften even gemakkelijk kunnen
+lezen als die, die gisteren geschreven zijn.
+
+Hieronder is het staand schrift, daaronder het loopend schrift,
+vervolgens de getalteekens op beide wijzen.
+
+(Zie plaat II.)
+
+
+
+
+
+DIT STAAT OP ALLE BURGTEN GESCHREVEN.
+
+
+Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De zon
+rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters groeiden
+vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten hadden
+wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als goud
+blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden
+niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan
+de eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk
+behalve wij, mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij
+door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor
+het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het
+wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee,
+en ten westen aan de Middellandsche zee, zoodat wij buiten de kleine
+rivieren wel twaalf groot zoetwater stroomen hadden, ons door Wralda
+gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den weg
+naar zijne zee te wijzen.
+
+De oevers van deze stroomen werden somtijds alle door ons volk bezeten,
+ook de velden aan den Rijn, van 't eene einde tot het andere toe.
+
+Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met
+eene burgtmaagd. Van daar trokken wij koper en ijzer, benevens teer,
+pik en sommige andere benoodigdheden. Tegenover ons voormalig Westland
+hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der
+ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun
+lijf te behouden. Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst
+een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf,
+de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden
+en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie)
+en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land
+zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke
+gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd,
+uithoofde zij dikwijls anders niet deden dan barnsteen jutten
+(aan het strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden
+Letten geheeten, omdat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en
+kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde,
+werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren zoo
+noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of
+hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van
+daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers
+genoemd, omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven). Die
+in de hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden,
+werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd gewapend waren tegen
+het wild gedierte en de verwilderde Britten. Daarenboven hadden wij
+de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten.
+
+
+
+
+
+HOE DE BANGE TIJD KWAM.
+
+
+Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde
+zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor
+rook en damp als zeilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd
+aldus droef en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch
+vreugde. Te midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij
+stervende was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen;
+andere zonken in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had,
+hief zij nu bergen omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten,
+zonk neder, en de woeste golven traden zoo verre over bergen en
+dalen, dat alles onder de zee bedolven was. Vele menschen werden
+in de aarde begraven, en velen die aan het vuur ontkomen waren,
+kwamen daarna in het water om. Niet alleen in het land van Finda
+spuwden de bergen vuur, maar ook in het Twiskland. Wouden brandden
+daardoor achterelkander weg, en toen de wind daar van daan kwam,
+waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden verlegd en bij hunne
+monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend vee. Drie jaren was
+de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon men hare wouden
+zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee opgerezen
+en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk kwamen de
+ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd, of zij
+werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel geboden,
+en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt is.
+
+
+
+
+
+DIT STAAT AAN DE WARABURGT BIJ DE ALDEGAMUDE GEGRIFT.
+
+
+De Waraburgt is geen Maagdeburgt, maar daarin werden alle uitheemsche
+en buitenlandsche dingen bewaard, die mede gebracht zijn door de
+zeelieden. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uren) zuidwaarts
+van Medeasblik gelegen. Aldus is de voorafspraak: Bergen neigt uwe
+kruinen, wolken en stroomen weent. Ja, Schoonland bloost, slavenvolken
+stappen op uw kleed, o Frya.
+
+
+
+
+
+ZOO IS DE GESCHIEDENIS.
+
+
+100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam uit het oosten een volk
+weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons Twiskland,
+kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en elk ging
+zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons gekomen,
+maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland. Schoonland was
+schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van al. Daarom
+mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij anders geen
+leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij hen hebben
+leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en daarna hoe het
+ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk vele geslachten
+van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij hebben priesters,
+even als deze, en in de kerken hebben zij ook beelden. De priesters
+zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf Magyaren, hun opperste
+heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met een; al het andere volk
+is nul in 't cijfer en gelijk, en allen zijn onder hun geweld. Het
+volk heeft niet eens een naam; door ons worden zij Finnen genoemd;
+want ofschoon hunne feesten allemaal treurig en bloedig zijn, zijn
+zij daar toch zoo fijn op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn
+zij niet te benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters,
+maar nog veel meer van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol
+is van booze geesten, die in de menschen en dieren sluipen; maar van
+Wraldas geest weten zij niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren
+koperen. De Magyaren verhalen, dat zij de booze geesten kunnen bannen
+en verbannen, daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun
+gelaat is nimmer vrolijkheid te zien.
+
+Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij ons,
+zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen,
+die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen,
+en hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte
+onze waakzaamheid.
+
+Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij
+onverwacht, gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze
+landen toeloopen. Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd
+aangeroepen, maar de Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen
+werden krachten verzameld, drie palen van Godasburgt werden zij
+wederstaan, de oorlog bleef. Kat of Katerinne, zoo heette de
+priesteres, die burgtmaagd op Godasburgt was. Kat was trotsch en
+hooghartig, daarom liet zij noch raad, noch helpers aan de Moeder
+vragen. Maar toen de burgtheeren dat begrepen, zonden zij zelve boden
+naar Texland tot de Eeremoeder. Minna, zoo was de naam der Moeder, liet
+al de zeelieden oproepen en al het andere jong volk van Oostflyland
+en van de Dennemarken. Uit deze tocht is de geschiedenis van Wodin
+ontstaan, die op de burgten gegrift is, en hier is uitgeschreven.
+
+Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn
+naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven;
+Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij
+zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren
+zeestrijders, en juist nu bij hunne vaderen aan de Aldergamude. Toen
+nu de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun
+heerman of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning
+en Inka tot hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar
+de Dennemarken varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige
+landweer aan boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien
+in Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij elkander gevoegd
+hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya
+was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof
+het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal
+omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot
+Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch
+al wat wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij
+uwe broeders met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze
+vijanden voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij
+hebben dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft
+zich om ons niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander
+voor de helft vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen
+en ons allen vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij
+heeft gezien, dat Frya veel machtiger is als alle onze geesten te
+zamen. Hij wil zijn hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de
+krijgshaftigste koning der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze
+koning, en wij allen willen uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol
+voor u wezen, als gij de wilden weder terug kondt drijven, onze
+basuinen zouden het rondblazen, en onze berichten zouden u overal
+vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en krijgshaftig, maar hij was
+niet helder ziende, daardoor werd hij in hunne strikken gevangen en
+door den Magy gekroond. Zeer velen van de zeelieden en de landweer,
+dien deze keuze niet naar den zin was, vertrokken in stilte, Kat
+medenemende. Maar Kat die niet voor de Moeder, noch voor de algemeene
+vergadering, wilde verschijnen, sprong over boord. Toen kwam de
+stormwind en dreef de schepen op de schorren van de Dennemarken,
+zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben zij die straat het
+Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij op de wilden los;
+zij waren allen ruiters; gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins
+heer aan, maar als een dwarrelwind wendden zij om, en durfden niet
+weder verschijnen. Toen Wodin nu terug kwam, gaf de Magy hem zijne
+dochter tot vrouw. Daarop werd hij met kruiden berookt, doch er waren
+tooverkruiden onder; want Wodin werd trapsgewijze zoo zeer vermetel,
+dat hij Frya en Wraldas geest durfde miskennen en bespotten, terwijl
+hij zijn vrije hals boog voor de valsche gedrochtelijke beelden. Zijn
+rijk duurde zeven jaren, toen verdween hij. De Magy zeide dat hij onder
+hunne goden was opgenomen, en dat hij van daar over hen heerschte,
+maar ons volk lachte om zijne taal. Toen Wodin eene poos weg geweest
+was, kwam er tweespalt; wij wilden een anderen koning kiezen, maar
+dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij beweerde dat het een recht was,
+hem door zijne afgoden gegeven. Maar buiten en behalve deze twist,
+was nog eene tusschen de Magiaren en Finnen, die Frya noch Wodin
+wilden eeren, doch de Magy deed zoo als hem goed dacht, want zijne
+dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu wilde de Magy dat deze
+zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl allen keven en twisten,
+kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich zelven tot voogd of
+raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf, dan van het recht,
+lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele Magiaren vloden
+met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen scheep en een
+heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met hun.
+
+Nu komen de geschiedenissen van neef Teunis en zijn neef Inka eerst
+recht op het pad.
+
+
+
+
+
+DIT ALLES STAAT NIET ALLEEN OP DE WARABURGT, MAAR OOK OP DE BURGT
+STAVIA, DIE GELEGEN IS ACHTER DE HAVEN VAN STAVRE
+
+
+Toen Teunis met zijne schepen naar huis wilde keeren, ging hij
+het eerst op de Dennemarken af, maar hij mocht daar niet landen,
+dat had de Moeder besteld. Ook te Flyland mocht hij niet landen en
+voorts nergens. Hij zoude alzoo met zijne manschappen van kommer en
+gebrek omgekomen zijn; daarom gingen zij des nachts aan land om te
+rooven, en voeren bij dag verder. Aldus langs de kust voort varende
+kwamen zij tot de volkplanting Kadik, zoo geheeten omdat zij door een
+steenen kadijk gevormd was. Hier kochten zij allerhande leeftocht,
+maar Tuntia de burgtmaagd wilde niet gedoogen, dat zij zich daar
+nederzetteden. Toen zij gereed waren, kregen zij twist. Teunis wilde
+door de straat van de Middellandsche zee, om te varen voor den rijken
+koning van Egyptenland, gelijk hij wel eer gedaan had. Maar Inka zeide
+dat hij zijn bekomst had van al dat Findas volk. Inka meende dat er
+misschien wel een hooggelegen deel van Atland, bij wijze van eiland,
+zoude overgebleven wezen, waar hij met zijne manschappen vredig
+leven mocht. Als de beide neven het aldus niet eens konden worden,
+ging Teunis heen en stak een roode banier in het strand, en Inka
+eene blaauwe. Daarna mocht ieder kiezen, wien hij volgen wilde, en o
+wonder, tot Inka die er een afkeer van had, om de koningen van Findas
+volk te dienen, liepen de meeste Finnen en Magyaren over. Toen zij
+nu het volk geteld en de schepen daarnaar verdeeld hadden, scheidden
+de vloten van elkander; van neef Teunis is naderhand bericht gekomen,
+van neef Inka nimmer.
+
+Neef Teunis voer langs de kust door de straat der Middellandsche
+zee. Toen het Atland verzonken is, was het aan de oevers der
+Middellandsche zee ook erg toegegaan. Daardoor waren vele menschen van
+het Findas volk naar onze heinde en verre Krekalanden gekomen en ook
+velen van Lydas land. Daarentegen waren ook velen van ons volk naar
+Lydas land gegaan. Dat alles had uitgewerkt, dat de heinde en verre
+Krekalanden voor het oppergezag der Moeder verloren waren. Daar had
+Teunis op gerekend, daarom wilde hij daar een goede haven kiezen en
+van daaruit voor de rijke vorsten varen doch omdat zijne vloot en zijn
+volk er zoo haveloos uitzagen, meenden de Kadhemers (kustbewoners),
+dat zij roovers waren en daarom werden zij overal geweerd. Doch
+ten laatste kwamen zij aan Phoenisius kust, dat was 193 jaren nadat
+Atland gezonken is. Nabij de kust vonden zij een eiland met twee diepe
+golven, zoodat het als drie eilanden uitzag. Op het middelste daarvan
+stelden zij hunne schuilplaats op, naderhand bouwden zij daar eenen
+burgtwal om toe. Toen zij nu daaraan een naam, wilden geven, werden
+zij oneens, sommigen wilden het Fryasburgt heeten, andere Neettunia,
+maar de Magyaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburgt zoude
+heeten. Thyr noemden zij een hunner afgoden, en op diens verjaardag
+waren zij daar geland; tot eene vergelding wilden zij Teunis eeuwig
+als hun koning erkennen. Teunis liet hem belezen, en de anderen
+wilden daarover geen oorlog hebben. Toen zij nu goed zaten zonden
+zij sommige oude zeelieden en Magyaren aan den wal en verder naar
+de burgt Sydon, maar in het eerst wilden de Kadhemers niets van hen
+weten. Gij zijt veraf wonende zwervers, zeiden zij, die wij niet achten
+kunnen. Doch toen wij hun van onze ijzeren wapenen wilden verkoopen,
+ging ten laatsten alles goed. Ook waren zij zeer begeerig naar onze
+barnsteenen, en het vragen daarnaar nam geen einde. Maar Teunis, die
+verziende was, deed alsof hij geen ijzeren wapenen noch barnsteenen
+meer had. Toen kwamen de kooplieden en baden hem, hij zoude twintig
+schepen geven die zij alle met de fijnste waren wilden bevrachten,
+en zij wilden hem zoovele lieden tot roeijers geven als hij begeerde.
+
+Twaalf schepen liet hij bevrachten met wijn, honig, toebereid leder,
+daarbij kwamen toomen en zadels met goud overtrokken, gelijk men
+ze nimmer gezien had. Met al dien schat viel Teunis het Flymeer
+binnen. De grevetman van Westflyland werd door al deze dingen verrukt,
+hij bewerkte dat Teunis bij de mond van het Flymeer een pakhuis bouwen
+mocht. Naderhand is die plaats Almanaland genoemd en de markt, waarop
+zij naderhand te Wyringen ruilhandel mochten drijven, Toelaatmarkt. De
+Moeder raadde dat wij hun alles zouden verkoopen behalve ijzeren
+wapenen, maar men sloeg geen acht op haar. Daar de Thyriers dus vrij
+spel hadden, kwamen zij steeds weder om onze waren heinde en ver te
+vervoeren, tot schade van onze eigene zeelieden. Daarna is besloten
+op eene algemeene vergadering, jaarlijks zeven Tyrische schepen toe
+te laten en niet meer.
+
+
+
+
+
+WAT DAARVAN GEWORDEN IS.
+
+
+In de noordelijkste hoek van de Middellandsche zee ligt een eiland
+bij die kust. Nu kwamen zij dat te koop vragen. Daarover werd eene
+algemeene vergadering belegd. Moeders raad werd ingewonnen, maar Moeder
+zag hen liefst ver af. Daarom meende zij dat er geen kwaad in stak,
+doch als wij achterna zagen, hoe wij verkeerd gedaan hadden, noemden
+wij dat eiland Mis.sellia. [5] Hierachter zal blijken, hoe wij hiertoe
+reden hadden. De Golen, zoo heetten de zendeling-priesters van Sydon,
+hadden wel gezien dat het land daar schaars bevolkt was en ver van
+de Moeder was. Om nu zich zelven een goeden schijn te geven, lieten
+zij zich zelve in onze taal aan de trouw gewijden heeten, maar dat was
+beter geweest, als zij zich zelve van de trouw gewenden genoemd hadden
+of kort weg Triuwenden, gelijk onze zeelieden later gedaan hebben.
+
+Toen zij wel gezeten waren, ruilden hunne kooplieden schoone koperen
+wapenen en allerlei sieraden tegen onze ijzeren wapenen en huiden
+van wilde dieren, die in onze zuidelijke landen in menigte te bekomen
+waren, maar de Golen vierden allerhande vuile gedrochtelijke feesten,
+en dan dienden de Kadheimers die door toedoen van hunne wulpsche
+meisjes en de zoetheid van hunne vergiftige wijn. Was er iemand van
+ons volk die het zoo erg verbruid had, dat zijn leven in gevaar kwam,
+dan verleenden de Golen hem heul en schuilplaats, en voerden hem
+naar Phonisia, dat is Palmland. Was hij daar gezeten, dan moest hij
+aan zijne bloedverwanten, vrienden en aanverwanten schrijven, dat het
+land zoo goed was en de menschen zoo gelukkig, als niemand zich konde
+verbeelden. In Brittania waren zeer vele mannen, doch weinig vrouwen,
+toen de Golen dat wisten, lieten zij allerwege meisjes schaken, en
+deze gaven zij aan de Britten om niet. Doch al deze meisjes waren
+hunne dienaren die kinderen van Wralda stalen om ze aan hunne valsche
+afgoden te geven.
+
+
+
+
+
+NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN OVER DEN OORLOG DER BURGTMAAGDEN KALTA EN
+MIN-ERVA.
+
+
+En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de
+Golen verloren hebben.
+
+Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden, genoemd
+naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene eiland is
+de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de volgende
+geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en waak.
+
+563 jaar nadat Atland verzonken is zat hier eene wijze burgtpriesteres,
+Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd Nyhellenia. Deze
+bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij verleende was nieuw
+en helder boven alle andere.
+
+Over de Schelde op de Flyburgt, zat Sijrhed; deze burgtmaagd was vol
+ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare tong; maar de raad die zij
+gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden
+Kalta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de
+uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva
+het tweede en Syrhed het derde als opvolgster beschreven. Minerva
+had daar geen weet van, maar Syrhed was er door geknakt. Even als
+eene buitenlandsche vorstin wilde zij geëerd, gevreesd en gebeden
+wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen
+alle zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken
+en van het Flymeer. Dat kwetste Syrhed, want zij wilde boven Minerva
+uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude
+hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen
+en maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond,
+zeide zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt
+over de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar
+de haan heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne
+hoovaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten
+geworden. Als Kalta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van
+kwaad tot erger; in stilte liet zij de Magyaren bij zich komen om
+toverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich
+in de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet
+beteren. Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken,
+wilde zij hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig,
+dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij
+alle zouden vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts
+verblindde zij hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor
+water hielden, daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op
+het eerste krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren,
+liet zij hun tonne bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank
+gedaan. Toen het volk nu allen te zamen dronken waren, ging zij boven
+op haar strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het
+morgenrood kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen
+op haar gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en
+dochteren van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatste tijd veel
+schade en gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer
+komen om ons schrijfvilt te koopen, maar gij weet niet, waardoor dat
+gekomen is. Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu
+kan ik het niet langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt,
+waarnaar gij bijten moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij van
+tijd tot tijd de vaart van alle zeeën hebben, daar maken zij heden
+ten dage schrijfvilt van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit,
+en kunnen zij ons ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd
+ons voornaamste bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat
+men het van ons zoude leeren. Maar Minerva heeft al het volk behekst,
+ja behekst, vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven
+is. Er uit moet het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd,
+ik zoude het wel weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen
+zij het laatste woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar
+het beschonken volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet
+vermocht te waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal,
+en nadien de nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek
+op de burcht los. Doch Kalta miste al weder haar doel, want Minerva
+en hare maagden en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered.
+
+
+
+
+
+HIERBIJ KOMT DE GESCHIEDENIS VAN JON.
+
+
+Jon, Jôn, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan de
+uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het
+verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was
+zeekoning, geboren te Alderga, het Flymeer uitgevaren met 127 schepen
+uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin,
+koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en
+konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch
+toen Jon hier kwam en zag, hoe Kalta onze roemrijke burgt verwoest had,
+toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op
+Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar
+door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden
+de lamp en de maagden gered; doch Syrhed of Kalta mochten zij niet
+vatten. Zij klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in
+de vlammen moest omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden
+stokstijf van schrik stonden, kwam zij schooner als te voren op haren
+klepper, hun toeroepende: naar Kalta         . Toen stroomde het
+andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij:
+wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende
+gesneuveld zijn.
+
+Te dier tijde was Rosamund, dat is Rosamuda Moeder; zij had veel
+in der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam,
+maakte zij korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en
+liet een algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landsverdedigers
+uit alle oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon
+bergde zich met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide
+lampen, benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk,
+de heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan
+de overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer
+en terstond daarna naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele
+van ons volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag,
+dat men hem en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok
+hij heimelijk. Hij deed terecht, want al onze eilanders en al het
+andere Schelde volk, die gevochten hadden, werden naar Brittanje
+gebracht. Deze stap was verkeerd, want nu kwam het begin van het einde.
+
+Kalta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op
+het land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia
+af. Toen kwamen de Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee
+naar Kadix varen en geheel ons buitenland langs en vielen op en over
+Brittannia, doch daar konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de
+bestuurders machtig en de bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam
+Kalta en sprak: gij zijt vrij geboren en om kleine gebreken heeft men
+u tot verworpenen gemaakt, niet om u te verbeteren, maar om tin te
+winnen door uwe handen. Wilt gij weer vrij wezen en onder mijn raad
+en hoede leven, trekt dan uit, wapenen zullen u gegeven worden en ik
+zal over u waken. Als bliksemvuur ging het over de landen, en eer
+des Kroders juul eens omgeloopen was, was zij meesteres over allen
+te zamen en de Thyriers van al onze zuiderstaten tot de Seine. Om dat
+Kalta haar zelve niet betrouwde, liet zij in het noordelijke bergland
+een burgt bouwen. Kaltasburch werd zij geheeten, zij is nog in wezen
+maar nu heet zij Kerenak. Van deze burgt uit heerschte zij als eene
+echte moeder, doch niet ter wille van, maar over hare volgelingen,
+die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen heerschten allengs
+over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat zij geen burgten
+meer hadden, anderdeels omdat zij daar geene burgtmaagden hadden en
+in de derde plaats omdat zij geene echte lamp hadden. Door al deze
+oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom en dwaas en werd
+eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd en ten laatste
+als een stier bij de neus omgeleid.
+
+
+
+
+
+NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN HOE HET JON VERGAAN IS. HET STAAT TE TEXLAND
+GESCHREVEN.
+
+
+Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het
+Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen); en van
+hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven.
+
+Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hun
+overal vooruitgegaan, zoodat zij aan de kusten van het naastbijzijnde
+Krekaland (Italie) nergens veilig waren. Hij stak dus met zijne vloot
+naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie). Daar wilden de zwarte
+menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus,
+maar Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest
+door de priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk
+wij later hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben,
+die daar naar hun begrip van overlang was (?) hadden zij Teunis tot
+een God verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus
+achter den rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede
+rooven. Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet
+terug winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende
+Jon zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een
+land, dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond.
+
+Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of
+priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden
+beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet
+ruim genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te
+laf om verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en
+vaan, het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde
+scharen. Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste
+deel voegde zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij
+Jon. Jon nam de lamp van Kalta en hare maagden mede; Minerva behield
+hare eigene lamp en hare eigene maagden.
+
+Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige
+eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het
+woud tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden
+uit ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen,
+daarom zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische
+eilanden genoemd.
+
+Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika genoemd
+is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij onderhielden
+hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en honing. Zij waren
+met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen op de hellingen
+der bergen. Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers geheeten.
+
+In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet
+taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote
+vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten
+nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden
+helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne
+kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij
+eene burgt anderhalve paal (uurgaans) van de haven. Op raad van Minerva
+werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren
+te weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar
+als vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen
+de voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden,
+behaagde hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken,
+omdat zij dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde:
+hoe zijt gij wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoorden: sommige
+hebben wij gekocht, andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide:
+bijaldien niemand menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen
+rooven, en gij zoudt daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus onze
+bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten.
+
+Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar
+de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen,
+die wij nu van steen maken.
+
+Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva.
+
+Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om ijzeren
+burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig; doch zoo
+wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als zij daarin
+toegestemd hadden, vroegen die lieden of Fryas zeden te Athene en in
+de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder antwoorde: Indien de
+verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya behooren, zoo zullen zij
+daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe, dan zal er lang over
+gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog vijfduizend jaren
+met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor de vrijheid is.
+
+
+
+
+
+DIT IS OVER DE GEERTMANNEN.
+
+
+Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich
+als of zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude,
+hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij
+geene andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden,
+dat er onder hare maagden geene zouden wezen, die zij zoo zouden
+kunnen vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar
+wij wilden Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve
+ons gezegd had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas
+geest. Daarom kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder.
+
+Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet mochten
+braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij Minerva niet als
+eene Godin wilden bekennen uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel
+liefde had bewezen. Daarop gaven zij het volk beeldtenissen van hare
+gelijkenis, betuigende dat zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang
+zij gehoorzaam bleven. Door al deze verhalen werd het domme volk van
+ons afkeerig gemaakt, en ten laatsten vielen zij ons te lijf. Maar
+wij hadden onze steenen burgtwal met twee hoornen omgebogen tot
+aan de zee. Zij konden ons daarom niet genaken. Doch wat gebeurde,
+een Egyptenaar die een overpriester was, helder van oogen, klaar
+van brein, en verlicht van geest, zijn naam was Cecrops, hij kwam om
+raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met zijne lieden onze wal
+niet bestormen kon, toen zond hij boden naar Thyrus. Daarop kwamen
+driehonderd schepen vol soldaten van de wilde bergvolken onverwacht
+in onze haven varen, terwijl wij met al onze mannen op den wal
+strijdende waren.
+
+Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het
+dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje
+geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische
+zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij
+dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij
+zult uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden
+noch van verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te
+eischen, zij mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en
+dragende have, en hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der
+burgtheeren heel goed ziende, dat zij de burgt niet konden houden,
+raadden Geert aan, dat zij gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops
+woedend werd en anders begon en drie maanden daarna, vertrok Geert
+met met de beste Fryaszonen en zeven maal twaalf schepen. Toen zij
+een poos buiten de haven waren, kwamen er wel dertig schepen van
+Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene gaan, doch
+als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen zij met
+Geert. De zeekoning der Thyriers bracht allen te zamen door de straat,
+die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landen zij
+aan Pangab, dat is in onze spraak vijf wateren, omdat vijf rivieren
+met elkander naar de zee toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat
+land hebben zij Geertmania genoemd. De koning van Thyrus later ziende,
+dat zijne allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen
+met zijne wilde soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als
+zij bij de straat kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief
+aarde haar lijf daar zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep,
+en dat alle wadden en schorren als een burgtwal voor hen oprezen.
+
+Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen
+klaar en duidelijk zien kan.
+
+
+
+
+
+IN HET JAAR 1005 NADAT ATLAND GEZONKEN IS, IS DIT OP DE OOSTERWAND
+VAN FRIJASBURGT GESCHREVEN.
+
+
+Nadat wij in twaalf jaren tijd geen Krekalander te Almanland gezien
+hadden, kwamen hier drie schepen zoo sierlijk als wij er geen hadden,
+en te voren nimmer hadden gezien. Op het grootste van deze was een
+koning der Jonische eilanden; zijn naam was Ulysus en de roep zijner
+wijsheid groot. Aan dezen koning was door eene priesteres voorzegd
+dat hij koning zoude worden over alle Krekalanden, zoo hij raad wist
+om eene lamp te krijgen, die opgestoken was aan de lamp te Texland. Om
+die te verkrijgen had hij vele schatten medegebracht, bovenal vrouwen
+sieraden, gelijk er in de wereld niet schooner gemaakt werden. Zij
+waren afkomstig van Troje, eene stad, die de Krekalanders hadden
+ingenomen. Al deze schatten bood hij de Moeder aan; maar de Moeder
+wilde nergens van weten. Als hij ten laatsten zag, dat zij niet te
+winnen was, ging hij naar Walhallagara. Daar was eene burgtmaagd
+gezeten, wier naam was Kaat; doch in de wandeling werd zij Kalip
+genoemd, omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak. Bij deze
+heeft hij jaren vertoefd tot ergernis van allen die het wisten. Naar
+het zeggen der maagden heeft hij van haar ten laatste eene lamp
+gekregen; doch zij heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam,
+is zijn schip vergaan, en hij naakt en bloot opgenomen door de
+andere schepen.
+
+Van dezen koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver
+Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en hetgene hier
+volgt heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag
+besluiten, hoe waar de Moeder Hellicht gesproken heeft toen zij zeide
+dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de
+andere Krekalanders hebt gij zeker veel kwaad over Cecrops gehoord,
+want hij was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, hij was een
+verlicht man, hoogelijk geroemd, zoowel bij de inwoners als bij ons,
+want hij was er niet voor om de menschen te onderdrukken, gelijk de
+andere priesteren, maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid der ver
+afwonende volken naar waarde te schatten. Daarom, omdat hij dat wist
+heeft hij ons toegestaan, dat wij mochten leven naar ons eigenlijk
+Asegaboek. Er liep een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij
+geboren zoude wezen uit een Friesch meisje en een Egyptisch priester,
+uithoofde dat bij blauwe oogen had, en dat er vele meisjes bij ons
+geschaakt waren en verkocht naar Egypte. Doch zelf heeft hij dit
+nimmer bevestigd. Hoe het daarmede is, zeker is het dat hij ons meer
+vriendschap bewees, als alle andere priesteren te zamen. Maar toen
+hij gestorven was, gingen zijne opvolgers al spoedig aan onze wetten
+tornen, en allengs zoo vele ongeschikte keuren maken, dat er ten langen
+laatste van gelijkheid en van vrijheid niet anders, als de schijn en
+de naam overbleef. Verder wilden zij niet gedoogen dat de inzettingen
+in schrift werden gebracht, waardoor de wetenschap daarvan voor ons
+verborgen werd. Te voren werden alle zaken binnen Athene in onze taal
+bepleit, naderhand moest het in beide talen geschieden, en ten laatste
+alleen in de landstaal. In de eerste jaren nam het manvolk te Athene
+enkel vrouwen van ons eigen geslacht, maar het jongvolk opgewassen
+met de meisjes der landzaten namen daar ook van. De basterd kinderen
+die daarvan kwamen, waren de schoonste en schranderste van de wereld,
+maar zij waren ook de slechtste. Hinkende over beide zijden, zich
+bekreunende noch om wet, noch om gewoonte, tenzij dat het was voor hun
+eigen belang. Alzoo lang er nog een straal van Fryas geest opwelde,
+werd al de bouwstof tot gemeene werken verarbeid, en niemand mocht een
+huis bouwen, dat ruimer en rijker was als dat van zijn buurman. Doch
+toen sommige verbasterde stedelingen rijk waren door onze zeevaart
+en door het zilver, dat de slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen
+zij buiten op de hellingen (der bergen) of in de dalen wonen. Aldaar
+achter hooge wallen van loof of van steen, bouwden zij hoven (paleizen)
+met kostbaar huisraad, en om bij de vuile priesteren in een goeden
+dunk te wezen, plaatsten zij daar op valsche goden gelijkende en
+ontuchtige beelden in. Bij de vuile priesteren en vorsten werden soms
+de knapen meer begeerd, als de dochteren, en vaak door rijke giften
+of door geweld van het pad der deugd afgeleid. Naardien rijkdom bij
+het verwende en verbasterde geslacht ver boven deugd en eere gold, zag
+men altemet knapen, die zich met wijde prachtige kleederen versierden,
+hunne ouders en de maagden tot schande en hunne sekse ten spot. Kwamen
+onze eenvoudige ouders te Athene op de algemeene volksvergadering,
+en wilden daar zich beklagen, dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar
+zal een zeegedrocht spreken. Zoo is Athene geworden, gelijk een moeras
+in de heete landen vol bloedzuigers, padden en vergiftige slangen,
+waarin geen mensch van strenge zeden zijn voet kan wagen.
+
+
+
+
+
+DIT STAAT OP AL ONZE BURGEN.
+
+
+Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat Atland
+was verzonken. Door Wodins dwaze dartelheid, was de Magy meester
+geworden over het oosterdeel van Schoonland. Over de bergen en over
+de zee durfden zij niet komen. De Moeder wilde het niet weren, zij
+sprak zeggende: Ik zie geen gevaar in zijne wapenen, maar wel om de
+Schoonlanden weer te nemen, omdat zij verbasterd en verdorven zijn. Op
+de algemeene vergadering dacht men gelijkerwijze. Daarom is het aan
+hem gelaten. Groot honderd jaren geleden begonnen de Denemarkers met
+hun handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapenen, daarvoor ruilden
+zij gouden sieraden benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boden
+en raadde hun, zij zouden den ruilhandel laten varen. Daar was gevaar,
+zeide zij, voor hunne zeden, en indien zij hunne zeden verloren, dan
+zouden zij ook hunne vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden
+nergens ooren naar; zij wilden niet begrijpen, dat hunne zeden verloren
+konden gaan; daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste
+brachten zij hunne eigene wapenen en leeftocht zoek. Maar dit kwaad
+veroorzaakte hunne straf. Hunne ligchamen werden overladen met glans
+en schijn, maar hunne kisten, kasten en schuren werden ledig. Juist
+honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee
+gestoken was, kwam armoede en gebrek door de vensters binnen, honger
+spreidde zijne wieken uit en streek op het land neder, tweespalt liep
+trotsch over de straat, en voorts de huizen in, liefde kon geen steun
+langer vinden, en eendracht liep weg. Het kind vroeg eten van zijne
+moeder, en die had geene spijs, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen
+tot hunne mannen, deze gingen tot de graven, de graven hadden zelve
+niets, of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkoopen,
+maar terwijl de zeelieden daarmede vertrokken waren, kwam de vorst en
+legde een plank neder op de zee en op de straat (de Sond). Toen de
+vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het land
+uit, en het verraad klom op zijn zetel. In plaats van de oevers te
+bewaken, spanden hij hunne paarden voor hunne sleden, en reden naar
+Schoonland. Doch de Schoonlanders, die begeerig waren naar het land
+hunner voorvaderen, kwamen naar de Denemarken. Op een heldere nacht
+kwamen zij alle. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land hunner
+voorvaderen, en terwijl men daarover streed, kwamen de Finnen in de
+verlatene dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en dat zij
+geene goede wapenen hadden, deed hun de strijd verliezen en daarmede
+de vrijheid, want de Magy werd meester. Dat kwam daar van daan, dat
+zij Fryas tex niet lazen en hare raadgevingen verwaarloosd hadden. Er
+zijn sommigen, die meenen, dat zij door de graven verraden zijn, en dat
+de maagden dat al lang bespeurd hadden. Doch zoodra iemand daarover
+spreken wilde, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketens. Wij
+kunnen daarover niet oordeel vellen, maar wij willen u toeroepen:
+Verlaat u niet te zeer op de wijsheid en deugd noch van uwe vorsten
+noch van uwe maagden; want zal het stand houden, dan moet iedereen
+waken over zijn eigene hartstochten en voor het algemeene welzijn.
+
+Twee jaren daarna kwam de Magy zelf met eene vloot van lichte booten
+om aan de Moeder van Texland de lamp te ontrooven. Deze booze daad
+bestond hij bij nacht in den winter bij stormweder, terwijl de wind
+gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter,
+die meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijne toorts. Zoodra als het
+licht van den toren op het ronddeel neder viel, zag hij dat reeds vele
+gewapende mannen over de burgtwal waren. Nu ging hij om de klok te
+luiden, doch het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren reeds twee
+duizend in de weer om de poort te rammeijen. De strijd duurde daarom
+kort, want omdat de krijgslieden geene goede wacht gehouden hadden,
+kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten was, was er een
+leelijke Fin in de (fleete) of het slaapvertrek van de Moeder binnen
+geslopen, en wilde haar geweld aandoen. De Moeder weerde hem af, dat
+hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weder op de been was,
+stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wilt gij mijne roede
+niet, zoo zult gij mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een zeeman van
+de Denemarken, deze nam zijn zwaard en kloofde den Fin den kop. Daaruit
+stroomde zwart bloed en daarboven zweefde eene blaauwe vlam.
+
+De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen. Toen zij nu zoo
+verre hersteld en beter was, dat zij helder spreken konde, zeide
+de Magy, dat zij met hem mede varen moest, doch dat zij hare lamp
+en hare maagden zoude behouden, dat zij een staat zoude voeren,
+zoo hoog als zij nooit te voren gekend had. Voorts zeide hij, dat
+hij haar vragen zoude in tegenwoordigheid van zijne voornaamsten,
+of hij meester zoude worden over alle landen en volken van Frya. Hij
+zeide, dat zij dit bevestigen en verzekeren moest, anders zoude hij
+haar onder vele smarten laten sterven. Toen hij daarna alle zijne
+voornaamsten om haar leger vergaderd had, vroeg hij luide: Frana,
+vermits ge helderziende zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester
+zal worden over alle landen en volken van Frya. Frana deed, als sloeg
+zij geen acht op hem. Ten langen laatste opende zij hare lippen, en
+sprak: Mijne oogen worden verduisterd, doch het andere licht daagt
+op in mijne ziel. Ja, ik zie het. Hoor Irtha, en wees blijde met
+mij. In de tijden, dat Atland verzonken is, stond de eerste spaak
+van het Juul in top. Daarna is zij nedergegaan en onze vrijheid met
+haar. Als het twee spaken of twee duizend jaren nedergewenteld heeft,
+zullen de zonen opstaan, die de vorsten en priesteren in ontucht bij
+het volk geteeld hebben, en die tegen hunne vaderen getuigen. Die
+allen zullen door moord bezwijken; maar wat zij verkondigd hebben,
+zal voortdurend blijven en vruchtbaar worden in den boezem der kloeke
+menschen, gelijk goede zaden die neergelegd worden in uwen schoot. Nog
+duizend jaren zal de spaak naar beneden dalen en al meer neder zijgen
+in de duisternis en in het bloed over u uitgestort door de lagen der
+vorsten en priesteren. Daarna zal het morgenrood weder aanvangen te
+gloren. Dit ziende zullen de valsche vorsten en priesters allen te
+zamen tegen de vrijheid kampen en worstelen; maar vrijheid, liefde en
+eendracht zullen het volk in hare hoede nemen, en met het juul uit
+de vuile poel rijzen. Het licht, dat eerst alleen gloorde, zal dan
+van lieverlede tot eene vlam worden. Het bloed der boozen zal over uw
+ligchaam stroomen, maar gij moogt het niet tot u nemen. Ten laatste
+zal het vergiftige gedierte daarop azen en daarvan sterven. Alle vuile
+geschiedenissen, die verzonnen zijn om de vorsten en priesteren te
+roemen, zullen aan de vlam geofferd worden. Voortaan zullen alle
+uwe kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken had, zeeg zij
+neder. Maar de Magy, die haar niet wel verstaan had, schreeuwde: ik
+heb u gevraagd of ik meester zoude worden over alle landen en volken
+van Frya, en nu hebt gij tot een ander gesproken. Frana richtte zich
+weder op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven etmalen om zijn,
+zal uwe ziel met de nachtvogels bij de graven rond waren, en uw lijk
+zal liggen op den bodem van de zee. Heel goed, zeide de Magy met
+verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij tot zijn
+gerigtsdienaars: werpt dat wijf over scheepsboord. Zoo was het einde
+van de laatste der Moeders. Wraak willen wij daarover niet roepen,
+die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij Frya
+na roepen: waak! waak! waak!
+
+
+
+
+
+HOE HET DEN MAGY VERDER GEGAAN IS.
+
+
+Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar zijn
+schip brengen, benevens allen inboedel, die hem behaagde. Vervolgens
+ging hij het Flymeer op, want hij wilde de maagd van Medeasblik of
+van Stavoren rooven, en die tot Moeder aanstellen. Doch daar waren
+zij op hunne hoede gebracht. De zeelieden van Staveren en Alderga
+hadden zich gaarne tot Jon begeven, maar de groote vloot was op eene
+verre tocht uit. Nu gingen zij heen en voeren met hunne kleine vloot
+naar Medeasblik en hielden zich schuil achter de luwte der boomen. De
+Magy naderde Medeasblik, bij helderen dag en schijnende zon. Evenwel
+gingen zijne manschappen stoutweg op de burgt aanstormen. Maar als
+al het volk met de booten geland was, kwamen onze zeelieden uit de
+kreek weg en schoten hunne pijlen met brandende terpentijnballen op
+zijne vloot. Zij waren zoo goed gericht, dat vele van zijne schepen
+terstond in brand waren. Die op de schepen de wacht hielden, schoten
+ook naar ons, doch zij raakten niets. Toen ten laatste een schip al
+brandende naar het schip van den Magy dreef, beval hij zijn stuurman
+af te houden; maar die stuurman was de Denemarker, die den Fin geveld
+had; deze zeide: gij hebt onze Eeremoeder naar den bodem van de
+zee gezonden om te melden, dat gij komen zoudt, dat zoudt gij door
+de drukte wel vergeten; nu wil ik zorgen, dat gij uw woord gestand
+doet. De Magy wilde hem afweren, maar de stuurman een echte Fries en
+sterk als een jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem
+over boord in de golvende zee. Vervolgens heesch hij zijn bruin schild
+in top en voer recht toe recht aan naar onze vloot. Daardoor kwamen
+de maagden ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan, en niemand
+wist, hoe het gekomen was. Toen zij op de onvernielde schepen hoorden,
+dat de Magy verdronken was, trokken zij weg, want de zeelieden daarvan
+waren meest Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, wendden onze
+zeelieden en schoten hunne brandpijlen op de Finnen af. Toen de Finnen
+dat zagen en hoe zij verraden waren, liep alles door elkander en er
+was langer geen gehoorzaamheid noch bevel. Op dat tijdstip liep de
+bezetting hen uit de burgt. Die niet vluchtte werd afgemaakt en die
+vluchtte vond zijn einde in de poelen van het Krylinger woud.
+
+
+
+
+
+NASCHRIFT.
+
+
+Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren
+onder hun, die zeide Medea mag wel lachen, als wij haar uit hare burgt
+redden. Daarom hebben de maagden die Kreek Medea mêilakkia genoemd. De
+gebeurtenissen, die daarna geschied zijn, mogen iedereen heugen. De
+maagden behooren die op hare wijze te verhalen en goed te laten
+beschrijven. Daarom rekenen wij hiermede onzen arbeid volbracht. Heil.
+
+
+ Einde van het Boek.
+
+
+
+
+
+DE SCHRIFTEN VAN ADELBROST EN APOLLONIA.
+
+
+Mijn naam is Adelbrost, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk ben
+ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit boek
+vervolgen, op zoodanige wijze als mijne moeder gesproken heeft.
+
+Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest
+er eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare
+opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te
+vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en
+wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksamarken paalt. Mijne
+moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het
+leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen,
+nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder
+van haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder
+behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt,
+en even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief
+heb boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet
+wezen. Zoo sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden
+wilden alle Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd
+en wilde niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk
+dus bandeloos. Uit het volgende moogt gij het begrijpen. Liudgert
+de koning die onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder
+gekozen, blijkbaar door alle staten met liefde en vertrouwen. Het
+was zijne beurt op het groote hof te Dokhem te wonen; en bij het
+leven der Moeder, werd hem daar groote eer bewezen; want het was er
+altijd zoo vol boden en ridders, als men er nooit te voren gezien
+had. Doch nu was hij eenzaam en verlaten; want iedereen was bevreesd,
+dat hij zich meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk
+de slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed,
+als hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den
+ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde
+op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten
+haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde
+er eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene
+maagd ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten
+voordeele van haar eigen staat. Door dusdanige ranken brachten zij
+tweespalt over de staten, en tornden zij den band zoodanig van een,
+dat het volk van de eene staat nijdig was op het volk van de andere
+staat, en voor het allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg
+daarvan is geweest, dat de Golen of Truwenden al ons land afgewonnen
+hebben tot aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het
+hierbij toegegaan is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het
+boek niet geschreven geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb,
+dat het helpen zal ten bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat
+ik daardoor het land zal winnen of behouden, dat is mijns achtens
+ondoenlijk. Ik schrijf alleen voor het nakomende geslacht, opdat
+zij al te zamen mogen weten, op hoedanige wijze wij verloren gingen,
+en opdat ieder daaruit leeren mag, dat alle kwaad zijne straf teelt.
+
+Mij heeft men Apollonia genoemd. Tweeëndertig dagen na moeders dood,
+heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf,
+zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader,
+die ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere
+broeder, van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar
+heeft hij eene burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om daar ons leed
+te wreken. Wralda heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf
+zonen gewonnen. Die alle brengen den Magy schrik en mijn broeder roem
+aan. Na den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten
+van onze landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten,
+Adelbond geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij
+mij en mijn jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de
+maagden en mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud
+was, heeft men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig
+was, werd hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder
+de zesde, maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne
+nakomelingen niet overa Linda achter hunne namen voeren; maar iedereen
+wilde het hebben ter eere van mijne moeder. Daarenboven heeft men ons
+ook een afschrift gegeven van het boek van Adela's aanhangers. Daarmede
+ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid kwam het
+in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften gevonden, ook
+lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter schrijven.
+
+Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest
+is op deze burgt. Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten
+overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift
+was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene
+vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd
+Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne
+Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij
+Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van
+waar meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund
+was, opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt
+zeer te hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet
+sluiten noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan,
+dat gij haar zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig,
+zoo is zij te voren hier Burgtmaagd geweest; is zij daarom wijzer en
+beter als ik en alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden
+en gewoonten? Was dat het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden
+zijn, toen zij daartoe gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk
+hebben met alle vreugde en genoegens, die daaraan verbonden zijn,
+in plaats van eenzaam over haar zelve en het volk te waken. Zij is
+zeer helderziende, goed, maar mijne oogen zijn verre van verduisterd
+te wezen. Ik heb gezien dat zij haren echtgenoot grootelijks bemint,
+nu goed, dat is loffelijk, maar ik heb verder gezien, dat Teuntje
+Apols nicht is. Wijders wil ik niets zeggen.
+
+De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar
+onder het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier
+kwam, wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden
+geëindigd: de messen uit den zak gehaald, en er werd geene Moeder
+gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot
+nu toe was hij braaf geweest, daarom had mijne burgtmaagd verlof hem
+buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar
+het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts
+naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde
+haar aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer,
+zij zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij
+meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin
+van Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder
+geworden. Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar
+bode zijne krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft
+haar bode zelf beleden.
+
+
+
+
+
+HET TWEEDE GESCHRIFT.
+
+
+Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was
+het Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan lustige
+vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na
+te jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid
+niet mag verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel
+onze oorden in dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de
+waakzaamheid wilde niet terugkeeren. De strandwakers waren van
+hunne noodvuren weggeloopen, en op de toegangen was niemand te
+zien. Toen de nevel optrok, keek de zon door de reeten der wolken
+op aarde neder. Iedereen kwam weder uit om te juichen en te joelen,
+het jongvolk trok zingende met de (zakpijp?), en deze vervulde de
+lucht met haar lieffelijken adem. Maar, terwijl daar iedereen zich in
+vreugde baadde, was verraad geland met paarden en ruiters; gelijk al
+het booze waren zij geholpen door de duisternis, en binnengeslopen
+door de paden van Lindaswoud. Voor de deur van Adela trokken twaalf
+meisjes met twaalf lammeren en twaalf knapen met twaalf hokkelingen,
+een jonge Saksman bereed een wilden buffel, dien hij zelf gevangen
+en getemd had. Met allerlei bloemen waren zij versierd, en de linnen
+jurken der meisjes waren omboord met goud uit den Rijn.
+
+Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op haar
+hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken
+boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier
+vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep
+Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en
+haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar
+binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees
+waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste
+der roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den
+tweede en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne
+ouders hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De
+roovers zouden hen spoedig gevangen genomen hebben, maar Adela kwam
+(op de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was
+zij lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over
+haar hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras.
+
+Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden
+geveld en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem
+getroffen. Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en
+daaraan stierf zij.
+
+
+
+
+
+DE LOFSPRAAK DER BURGTMAAGD.
+
+
+Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere
+zijn op weg.
+
+Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.
+
+Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste geweest.
+
+O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare
+tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij
+hare schoonheid verhoogen? Niet met parelen, want hare tanden zijn
+witter; niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met
+edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch
+te gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat
+spreek ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya
+die zeven schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene,
+hoogstens drie geërfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch
+zoude zij ons dierbaar wezen.
+
+Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van
+onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog
+grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.
+
+Zie hier, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op gindschen
+grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de
+moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij, roept
+zij, tracht hulp te verleenen, en Wralda zal u krachten geven. Daarop
+ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht eene brug te
+maken; nu helpt ook de andere en de kinderen zijn gered.
+
+Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen neêrleggen.
+
+Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden
+mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat
+de onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat
+zij onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een
+spinrok vast. De uitheemsche heeren kwamen hunne lieden opeischen;
+toen zij zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op;
+doch men verhaalde hun, hoe het gebeurd was.
+
+Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van
+haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten voor
+de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid hooren.
+
+Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt,
+is moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden
+gegrift.
+
+
+ LOOP NIET TE SCHIELIJK, WANT HIER LIGT ADELA.
+
+
+De oude leer, die gegrift is op de buitenwand des burgttorens, is niet
+geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten is,
+weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil
+ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten.
+
+
+
+
+
+OUDSTE LEER.
+
+
+Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor zal het
+zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is
+het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda
+is alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal
+tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest
+genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door
+zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen
+en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde,
+alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want
+alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda
+komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is
+hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem.
+
+Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het geschapene,
+en er zijn geene goede wetten, of zij moeten daarnaar ingericht
+zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der menschen
+is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid
+of domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda
+nimmer. Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft,
+zijn de boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid
+te vinden, noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele
+dingen zien; maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele
+dingen leeren, maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele
+dingen ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen
+zijn mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen
+beminnen en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is
+Wralda alleen goed, en er zijn geene goeden buiten hem. Met het Juul
+verandert en wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen
+onveranderlijk. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; en
+omdat hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn.
+
+
+
+
+
+HET TWEEDE DEEL VAN DE OUDSTE LEER.
+
+
+Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid
+zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden
+doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest
+het beste deel is van Wralda's geest, en dat Wralda alleen kan denken
+door hulp van hun brein.
+
+Dat ieder schepsel een deel is van Wralda's oneindig wezen, dat hebben
+zij van ons gestolen.
+
+Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid
+heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan
+zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want
+hun geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij
+naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon
+de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo
+hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen
+allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat
+daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en geëerd
+willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen en schatting
+eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf godsdienaren
+of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en vergaderen dat alles
+voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te behouden. Dat alles
+bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij zich zelven goden
+wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn er sommigen die
+hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden zij door hunne
+rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met vele statelijke
+plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in trouwe, alleen opdat
+zij hun niet schaden zouden. Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen
+tegen hunne afgodische leer, zoo behooren de maagden hen te doen van
+buiten leeren, wat hier zal volgen.
+
+Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij
+wezen. Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets
+buiten hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle
+dingen geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze
+zaken moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat
+zij het aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre
+gewonnen, dan zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo
+zijn wij een deel van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het
+geschapene. Doch wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen
+geest en al onze bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit
+alles zijn vluchtige dingen, die door Wraldas leven verschijnen;
+doch door zijne wijsheid zoodanig en niet anders verschijnen. Maar
+doordien zijn leven steeds voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne
+plaats blijven. Daarom verwisselen alle geschapene dingen van plaats,
+van gedaante en ook van denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch
+eenig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch
+zeggen: ik denk, maar bloot: ik dacht. De knaap is grooter en anders
+als toen hij een kind was. Hij heeft andere begeerten, neigingen en
+denkwijze. De man en vader is en denkt anders als toen hij knaap
+was. Even zoo de oude van dagen. Dat weet iedereen. Bijaldien nu
+iedereen weet, en moet erkennen, dat hij steeds wisselt, zoo moet hij
+ook bekennen, dat hij ieder oogenblik wisselt; ook terwijl hij zegt:
+ik ben; en dat zijne denkbeelden veranderen, terwijl hij zegt: ik denk.
+
+In plaats dus, van dat wij de boose Finda's op eene onwaardige wijze
+napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel Wraldas,
+ja door ons alleen mag hij denken, zoo willen wij verkondigen
+overal en allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn
+verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot:
+doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo
+goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda's geest,
+hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep, heeft
+hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele goede
+eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en zijne
+wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen wij
+spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene
+zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden
+nog redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe
+en door vloed.
+
+
+
+
+
+DIT STAAT OP SCHRIJFFILT GESCHREVEN. TAAL EN ANTWOORD AAN ANDERE
+MAAGDEN TOT EEN VOORBEELD.
+
+
+Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te
+Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda
+gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte
+Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan,
+zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het
+kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide:
+toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed
+tegen de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand,
+die haar hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in
+haar gemoed neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich;
+hare neiging koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder
+de beschuttende lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was,
+dat zij nat werd. Doch zij had gezien, hoe het water bij de hellende
+bladeren neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden,
+op staken maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen
+daaronder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij
+heen en maakte eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde
+en vervolgens aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als
+te voren, en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda,
+noch tegen Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen
+daarop. Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben,
+zoo beduidde zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze
+handelden en dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen
+gekomen met stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde
+tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en
+vervolgens al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest,
+dan moet gij trachten het andere beter te maken. Mijn huis was
+sterk genoeg, zeide hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd
+en de stormwind heeft het andere gedaan. Waar stond uw huis dan,
+vroeg Troost. Aan den oever van den Rijn, antwoordde de man. Stond
+het dan niet op eene nol (ronde hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen,
+zeide de man, mijn huis stond eenzaam bij den oever; alleen heb ik het
+gebouwd, maar ik kon daar alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel,
+antwoordde Troost, de maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw
+leven een afkeer gehad van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven
+of doen moest voor hun. Doch daarmede kan men niet verre komen. Want
+Wralda die mild is, keert hem af van de gierigen. FÃ¥sta heeft ons
+geraden en boven de deuren van alle onze burgten is 't gegrift in
+steen: zijt ge erg baatzuchtig, zeide FÃ¥sta, behoed dan uwe naasten,
+onderricht dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het
+u wederom doen. Is u deze raad niet goed genoeg, ik weet geene betere
+voor u. De man werd schaamrood en droop stil af.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK ZELF SCHRIJVEN, EERST OVER MIJNE BURGT EN DAN OVER HETGENE
+IK HEB MOGEN ZIEN.
+
+
+Mijne burgt ligt aan 't noordeinde van de Liudgaarde. De toren heeft
+zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een klein
+huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde van
+den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven
+voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van
+hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is
+een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed
+driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden,
+dan ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de
+zuidelijke huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre,
+daarvan moeten de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de
+noordelijke huizen is alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn
+vol koorn en andere benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor
+de maagden, om school te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is
+de woning der Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van
+den toren zijn gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de
+Tex gegrift. Aan de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan
+de linkerzijde de wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere
+zijden. Tegen den dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven
+en de meelmolen door vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is
+de plaats, waarop de burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk
+daaromheen is een uur groot, niet een zeemans, maar een zonne uur,
+waarvan tweemaal twaalf in een etmaal gaan. Aan de binnenzijde
+van den dijk is een plat, vijf voet beneden de kruin. Daarop zijn
+drie honderd kraanbogen, gedekt met hout en leder. Behalve de
+huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den dijk nog drie maal
+twaalf noodhuizen voor de omwoners. Het veld dient tot kamp en tot
+weide. Aan de zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Liudgaarde
+omtuind door het groote Lindenwoud. Hare gedaante is driehoekig,
+met de breede zijde naar buiten, opdat de zon daarin mag zien. Want
+daar zijn vele buitenlandsche boomen en bloemen, door de zeevaarders
+medegebracht. Gelijk de gedaante van onze burgt is, zoo zijn alle
+andere; doch onze burgt is de grootste; maar de allergrootste is die
+van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog, dat hij de wolken
+tornt, en in evenredigheid van den toren is al het overige.
+
+Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken
+bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij
+huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest,
+dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne
+zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest,
+dan mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan.
+
+De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De
+grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde,
+kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen,
+benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De
+Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij
+de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij
+door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie
+oude maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis
+is langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen
+oever benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de
+menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat
+daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te
+winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen
+waren er meer geweest, maar sedert wij Schoonland misten, zijn zij
+naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar zij ijzer van
+maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik Marsaten
+gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren wonen. Hunne
+huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild gedierte en booze
+menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte afgrijselijke leeuwen. En
+zij zijn de naburen of aangrenzenden van de heinde Krekalanden, der
+Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle begeerig naar roof en
+buit. De Marsaten generen zich met visschen en jagen. De huiden worden
+door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors van berken. De kleine
+huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te Fryasburgt zeide ons,
+dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch had ik haar niet vooraf
+hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat zij geen Fryas volk waren,
+maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er uit. Hunne vachten en kruiden
+werden door de Rijnbewoners verhandeld en door de schippers buiten
+gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn was het eveneens tot
+aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of mare. Op deze vliet
+waren ook menschen, die huizen op palen hadden. Doch dat was geen
+Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen, die gediend
+hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te helpen. Zij
+moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok.
+
+Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat
+de Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns,
+wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden
+medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote
+vliet omzoomd met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In
+die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei
+verf. Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken
+gelijk de zon. De schilden van den zeekoning en den schout bij nacht
+waren met goud omboord. Van uit die vliet was eene gracht gegraven
+van daar voortloopende langs de burgt Forana en voorts met eene enge
+mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en het Fly de ingang. Aan
+beide zijden der gracht zijn schoone huizen met helder blinkende verwen
+geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene hagen omheind. Ik heb
+daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen, als of het schrijffilt
+was. Even als te Staveren waren de meisjes met gouden kroonen op hare
+hoofden en met ringen om de armen en voeten gesierd. Zuidwaarts van
+Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of vliet, daarin ligt een
+eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine menschen verwijlen,
+even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana zeide mij, dat de
+burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te leeren, wat echte
+vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren te leven om
+zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die hooren wilde
+en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij volleerd
+was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken, en
+om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de
+burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien,
+als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de
+Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes
+daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt
+gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en
+hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar
+van daan is 't gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de vrouwen
+overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag of
+schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk op
+zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een dier,
+dat hij geveld heeft. En eindelijk, daarvan daan is het gekomen, dat
+zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even dom zijn
+als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de Twisklanders,
+met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee geschapen. Alle
+onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het Findasvolk zullen
+elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen bevolken. In het
+heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de bovenlanders deel
+hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u een raad geven. Laat
+het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare vrijers te vragen,
+eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld rondgevaren? wat
+kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en over verwonende
+volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige knapen tot ons
+komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen geen behoefte
+langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de maagden, die bij
+mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te huis kwamen,
+heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand is zij daar
+Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat heden ten
+dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.
+
+
+ Einde van Apollonias boek.
+
+
+
+
+
+DE GESCHRIFTEN VAN FRÊTHORIK EN WILJOW.
+
+
+Mijn naam is Frêthorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen over
+de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is een
+nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgaarda, waarvan de
+naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel
+had ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen
+gemeld. Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek
+schrijven, de goede menschen tot eere, de slechten tot oneer.
+
+In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze
+tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes
+terug gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze
+landpalen gevonden.
+
+Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt
+strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende
+over de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de
+kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de
+beelden eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de
+burgt. Een grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen,
+zeide ik. Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders
+mag het u niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver
+leeren. Acht jaren later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht
+had bedreven en dat sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden
+met den Magy. En vele menschen waren op hunne zijde. Overal kwam
+tweespalt. Er waren kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In
+'t geheim werden de brave menschen vermoord. Het oude vrouwtje, dat
+alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel. Mijn vader,
+die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd hij in zijn
+huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder strijd. De
+Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten alle goede
+menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de anderen. De Magy
+verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem toonen, dat zij
+geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige schoot, waaruit
+zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen schudt, nadat
+het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo schudde Irtha
+hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden gespreid. De zee
+kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij gespuwd hadden,
+slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang van Arnemaand
+(oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder, al lager
+en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken van
+Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren,
+werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst
+in de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank
+(ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind
+uit het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen
+springvloed kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam
+en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne of Minnemaand
+(bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met
+eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De
+wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was,
+was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield,
+en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik
+een steen; onze schrijver had daar zijn naam ingegrift; dat was mij
+een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was het ook met
+de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de aarde, en in
+de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht op Texland
+werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts gelegen had,
+was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan dezen oever
+van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute plassen gekomen,
+ontstaan door de wouden, die met grond en al weg gedreven waren. Te
+Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga dwars door het
+land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden en ander
+varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met magen en
+bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van Lydasburgt en
+Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten zuidwaarts dreven,
+hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand kwam om ze op
+te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De menschen die
+terug kwamen, gingen alle binnen de ringdijken der burgten wonen,
+omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude huizen
+werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en schapen,
+en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd waren,
+werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit geschiedde
+1888 jaren nadat Atland verzonken was.
+
+In 282 jaren hadden wij geene Eeremoeder gehad en nu alles misschien
+verloren scheen, ging men eene kiezen. Het lot viel op Gosa toegenaamd
+Makonta. Zij was Burgtmaagd op Fryasburgt te Texland. Helder van hoofd
+en klaar van zin, heel goed, en omdat hare burgt alleen gespaard was,
+zag iedereen daaruit hare roeping. Tien jaren later kwamen de zeelieden
+van Forana en van Lydasburgt. Zij wilden de zwarte mannen met vrouw
+en kinderen uit het land drijven. Daarover wilden zij de raad der
+Moeder inwinnen. Maar Gosa vroeg: kunt gij een en ander terug voeren
+naar hunne landen, dan behoort gij spoed te maken, anders zullen zij
+hunne bloedverwanten niet weder vinden. Neen, zeiden zij. Toen zeide
+Gosa: Zij hebben uw zout geproefd en uw brood gegeten. Hun lijf en
+leven hebben zij onder uwe hoede gesteld. Gij moet uw eigen hart
+onderzoeken. Maar ik wil u een raad geven. Houdt hen tot dat gij
+in staat zijt om hen weder naar huis te voeren. Maar houdt hen bij
+uwe burgten daar buiten. Waakt over hunne zeden, en onderwijs hen
+alsof zij Fryas zonen waren. Hunne vrouwen zijn hier de sterkste. Als
+rook zal hun bloed vervliegen, tot er ten laatsten niets anders dan
+Fryas bloed in hunne nakomelingen zal overblijven. Zoo zijn zij hier
+gebleven. Nu wenschte ik wel dat mijne nakomelingen daar op letten,
+in hoeverre Gosa waarheid sprak.--Toen onze landen weder te begaan
+waren, kwamen er benden arme Saxmannen en vrouwen naar de oorden van
+Staveren en het Alderga, om gouden en andere sieraden te zoeken uit de
+drassige bodem. Doch de zeelieden wilden hen niet toelaten. Toen gingen
+zij de ledige dorpen bewonen te West Flyland, om hun lijf te behouden.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK SCHRIJVEN HOE DE GEERTMANNEN EN VELE VOLGELINGEN VAN HELENIA
+TERUG KWAMEN.
+
+
+Twee jaren nadat Gosa moeder werd, kwam er eene vloot het Flymeer in
+vallen. Het volk riep ho.n.sêen. (welk een zegen!) Zij voeren naar
+Staveren, daar riepen zij nog eenmaal. De banieren waren in top en
+des nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad
+was, roeiden sommige met eene snik de haven in, zij riepen weder
+hoezee. Toen zij landden, wipte een jong kerel op den wal. In zijne
+handen had hij een schild, daarop was brood en zout gelegd. Na hem
+kwam een grijze; hij zeide wij komen van de verre Krekalanden weg, om
+onze zeden te bewaren. Nu wenschten wij, dat gij zoo vriendelijk zoudt
+wezen, om ons zoo veel land te geven, dat wij daarop mogen wonen. Hij
+vertelde eene heele geschiedenis, die ik hierna beter beschrijven
+wil. De grijzen wisten niet wat te doen, zij zonden boden allerwege,
+ook tot mij. Ik ging heen en zeide: nu wij eene Moeder hebben,
+behooren wij haar raad te vragen. Ik zelf ging mede. De Moeder,
+die alles reeds wist, zeide: laat hen komen, zoo mogen zij ons land
+helpen behouden: maar laat hen niet op ééne plek blijven, opdat zij
+niet machtig worden over ons. Wij deden gelijk zij gezegd had. Dat
+was heel naar hun zin. Fryso bleef met zijne lieden te Staveren dat
+zij weder tot eene zeestad maakten, zoo goed zij konden. Wichhirte
+ging met zijne lieden oostwaarts naar de Emude. Sommige der Joniers,
+die meenden dat zij van het Alderga volk gesproten waren, gingen
+daarheen. Een klein deel, die waanden, dat hunne voorvaderen van de
+Zeven eilanden weg kwamen, gingen heen en zetten zich neder binnen
+den ringdijk van de burgt Walhallagara. Liudgert de schout bij nacht
+van Wichhirte werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn
+dagboek heb ik de geschiedenis die hier achter zal volgen.
+
+Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren gezeten
+waren, terwijl onze zeestrijders alle zeeën bevoeren, die er te vinden
+waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van boven langs
+den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem wederstaan. Doch
+wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze
+have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk eene groote vloot
+hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat hij alle dorpen
+aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug komen. Wichhirte
+lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, tot
+dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam sprekende;
+doch hij bedroog gelijk hij vroeger gedaan had. Wichhirte antwoordde:
+o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen allerwege, wij
+hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol eerbied
+jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij
+anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven
+niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen
+sterven, want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide:
+ik wil uw land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne
+slaven. Ik wil alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil
+ik zweeren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden
+zal zijn. Toen Alexander naderhand brood en zout met hem deelde,
+heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen
+door zijn zoon. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle
+gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar den heiligen Ganges voeren,
+dien hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij toe en koos al
+degene uit zijn volk en zijne soldaten, die gewoon waren over zee te
+varen. Wichhirte was weder ziek geworden, daarom ging ik alleen mede
+en Nearchus van des konings wege. De tocht liep zonder voordeel ten
+einde, uithoofde de Joniers altijd in onmin waren tegen de Pheniciers,
+zoodat Nearchus zelf er geen meester over blijven kon. Intusschen
+had de koning niet stil gezeten. Hij had zijne soldaten boomen laten
+kappen en tot planken maken. Met hulp van onze timmerlieden had
+hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden,
+en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de soldaten die
+uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden,
+dat zij moesten, staken zij de timmerschuren in den brand. Daardoor
+werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij dat
+Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen. Maar
+Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk
+laten ombrengen. Maar Nearchus, die niet alleen zijn eerste vorst,
+maar ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij
+zich als of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij
+durfde zijn tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer
+hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra
+hij dat wist, liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw
+dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen
+te temmen en om eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen
+mede nemen. Als wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten
+wij daar eene plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even
+gaarne toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen
+waren, liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn
+ander volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land,
+dat Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze
+voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen.
+
+Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven,
+die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten
+wij Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie
+dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen,
+ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch
+hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij
+zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van
+de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen
+kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat
+vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds
+uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen,
+medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen
+(touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche
+zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek ons raar toe; maar Nearchus
+verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat
+hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij
+zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij
+moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen,
+dat wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen
+waren. Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was,
+werd hij zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen,
+Irtha ten spot. Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij
+in den wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na
+zijn dood, werd het rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk
+een deel voor zijne zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk
+wilde zijn deel behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog
+en wij konden niet terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden
+nederzetten aan de kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij
+zeiden het liever te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen
+bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte
+Fryaskinderen voormaals heen getogen waren. Voorts gingen wij soldaten,
+leeftocht en wapenen voeren. Onder de vele vorsten had Nearchus een
+vriend met name Antigonus. Deze streden beide om één doel, gelijk zij
+zeiden, als helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle
+Grieksche landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had
+onder vele anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd
+de stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar
+een geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot
+van Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst, die heerschte over
+Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten,
+maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit
+vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed,
+door zijne blanke huid met blauwe oogen en wit haar. Naderhand ging
+Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten en
+leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de
+oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij
+in de haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso,
+die koning was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis,
+zoo bijster frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo
+wonderschoon als niemand heugen mocht. De roep daarvan ging over alle
+Krekalanden en kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en
+onzedelijk, en hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter
+openlijk schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen
+de schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij
+zoethart. De schippers noemen hunne wijven troost en fro of frow,
+dat is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren
+man niet durfde opwachten, ging zij met haren zoon naar Demetrius,
+en smeekte, dat hij haar hare dochter weer zoude geven. Maar als
+Demetrius haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en
+deed met hem eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de
+moeder zond hij een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen
+zij thuis kwam werd zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat:
+(roepende) hebt gij mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij
+u eene schuilplaats zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat
+ik zijne kinderen verloren heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso
+weer thuis was, zond hij een bode tot hem zeggende, dat hij zijne
+kinderen tot zich genomen had om hen te voeren tot eene hoogen staat,
+en om hem te beloonen voor zijne diensten. Maar Friso, die trotsch en
+hartstochtig was, zond een bode met een brief naar zijne kinderen,
+daarin vermaande hij hen, zij zouden Demetrius te wille zijn,
+vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode had nog een anderen
+brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te nemen; want,
+zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam verontreinigd, dat zal u
+niet toegerekend worden, doch indien gij uwe ziel verontreinigt,
+zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen zullen dan over de
+aarde omwaren, zonder het licht te mogen zien; gelijk de vleermuizen
+en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe holen schuilen en des
+nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen en huilen, dewijl
+Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen deden gelijk hun
+vader hun bevolen had. De bode liet hunne lijken in de zee werpen, en
+aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu wilde Friso
+met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger geweest was;
+maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen en schoot
+het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon en
+durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren;
+behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij
+waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap.
+
+Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging hij
+met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand
+in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen
+zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval
+ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene
+breede linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts
+gebood hij, dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en
+aan den achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al
+vluchtende te vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden
+vijand te vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl
+wij daarmede reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg
+tot schrik van de lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven
+hadden, dan die ons vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand
+dus niet door roeijen ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij
+zoo deed. En Friso, die het vatte, liet spoedig de brandpijlen op
+de kraanbogen leggen. Tevens gebood hij dat niemand schieten mogt,
+voor dat hij geschoten had. Daarop zeide hij, dat wij alle naar het
+middelste schip moesten schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij,
+dan zullen de andere hem te hulp komen, dan moet ieder schieten,
+zoo hij best kan. Toen wij nu ander half ketting (kabelslengte)
+van hen af waren, begonnen de Pheniciers te schieten, maar Friso
+beantwoordde dat niet voor dat de eerste pijl op zes vademen van
+zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de anderen volgden, het geleek
+wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met den wind medegingen,
+bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de derde laag. Alle
+mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer tegenstanders waren
+zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen Friso meende, dat het
+wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden ons weg. Doch na dat
+wij twee dagen voort gesukkeld hadden, kwam er eene andere vloot in
+'t gezicht van dertig schepen, die ons steeds inwon. Friso liet ons
+weer klaar maken; maar de anderen zonden eene lichte snik met roeijers
+bemand vooruit. Hunne boden baden uit aller naam, of zij met ons mede
+varen mogten. Zij waren Joniers. Door Demetrius waren zij gewelddadig
+naar de oude haven gestuurd; daar hadden zij van dit gevecht gehoord;
+nu hadden zij het stoute zwaard aangegord, en waren ons gevolgd. Friso,
+die veel met Joniers gevaren had, zeide ja; maar Wichhirte onze koning
+zeide neen. De Joniers zijn afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb
+gehoord hoe zij die aanriepen. Friso zeide, dat komt door den omgang
+met de echte Krekalanders. Dat heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben
+ik zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was de man, die ons naar
+Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers mede. Ook scheen het
+naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden verloopen waren, gingen
+wij langs Brittania, en drie dagen later mochten wij hoezee roepen.
+
+
+
+
+
+DIT GESCHRIFT IS MIJ OVER NOORDLAND OF SCHOONLAND GEGEVEN.
+
+
+Ten tijde dat ons land neder zonk, was ik in Schoonland. Daar ging
+het zoo toe. Er waren groote meeren, die van den bodem als een
+blaas uitzetten, dan spleten zij vaneen, uit de scheuren kwam eene
+stof, alsof het gloeijend ijzer was. Er waren bergen, wier kruinen
+aftuimelden, deze stortten neder en vernielden wouden en dorpen. Ik
+zelf zag, dat een berg van een ander werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij
+neder. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen
+de aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindasburgt met zijn
+volk en eene maagd, die alom uitriep: de Magy is schuldig aan al
+het leed, dat wij geleden hebben. Zij trokken steeds voort en het
+heer werd al grooter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk,
+hij had zich zelf omgebracht. Toen werden de Finnen verdreven naar
+ééne plaats, daar mochten zij leven. Er waren ook van gemengd bloed,
+deze mochten blijven, doch velen gingen met de Finnen mede. De hertog
+werd tot koning gekozen. De kerken, die heel gebleven waren, werden
+vernield. Sedert dien tijd komen de goede Noormannen dikwijls op
+Texland om raad van de Moeder. Doch wij kunnen hen niet voor rechte
+Friezen meer houden. In de Dennemarken is het zeker gegaan, als bij
+ons. De zeelieden, die zich zelven stoutelijk zeekampers noemen,
+zijn op hunne schepen gegaan, en naderhand zijn zij terug getrokken.
+
+
+ HEIL!
+
+
+Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de
+nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen
+medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor
+wil ik waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik
+gezien heb. Over de Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen. Ik
+heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb,
+zijn zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik
+niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden weg komen, zijn
+kwaad ter taal, en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben
+bruine oogen en haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door
+bijgeloovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop,
+die het laatst komen moesten. Tegen âld zeggen zij âd, tegen sâlt,
+sât, ma voor man, sol voor skil, sode voor skolde, te veel om
+te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge en verkorte namen,
+waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers spreken beter,
+doch zij verzwijgen de h, en waar die niet wezen moet, wordt zij
+uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene
+en het gelijkt, dan gelooven zij, dat de geest des overledene daarin
+vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van Frya, Fâsta,
+Medea, Thiania, Hellenia en vele andere. Wordt er een kind geboren,
+dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot Frya, dat zij hare
+dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden
+hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren. Begint het kind
+te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een kwaad teeken,
+en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven heeft. Daarvan
+heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat
+een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in den slaap,
+dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd. Vervolgens gelooven
+zij aan booze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof
+zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik,
+dat ik meer geschreven heb, als een mijner voorvaderen. Frethorik.
+
+Frethorik mijn echtgenoot is drieenzestig jaren oud geworden. Sints
+honderd en acht jaren is hij de eerste van zijn geslacht, die vreedzaam
+gestorven is; alle anderen zijn onder de slagen bezweken, daarom dat
+allen kampten met eigen volk en vreemden om recht en plicht.
+
+Mijn naam is Wiljo, ik ben de maagd, die met hem uit de Saksenmarken
+naar huis voer. Door taal en omgang kwam het uit, dat wij alle beide
+van Adelas geslacht waren; toen ontstond liefde en daarna zijn wij
+man en vrouw geworden. Hij heeft mij vijf kinderen nagelaten, twee
+zonen en drie dochters. Konereed, zoo heet mijne oudste, Hachgana mijn
+tweede, mijne oudste dochter heet Adela, de tweede Frulik en de jongste
+Nocht. Toen ik naar de Saksenmarken voer, heb ik drie boeken gered,
+het boek der zangen, het boek der verhalen en het Hellenia boek. Ik
+schrijf dit, opdat men niet moge denken, dat zij van Apollonia
+zijn; ik heb daar veel verdriet over gehad, nu wil dus de eere ook
+hebben. Ook heb ik meer gedaan; toen Gosa-Makonta gestorven is, wier
+goedheid en helderziendheid tot een spreekwoord geworden is, toen
+ben ik alleen naar Texland gegaan, om de schriften over te schrijven,
+die zij nagelaten had, en toen de laatste wil gevonden is van Frana,
+en de nagelaten schriften van Adela of Hellenia heb ik dat nog eens
+gedaan. Dit zijn de schriften van Hellenia. Ik heb ze voorop geplaatst,
+omdat zij de alleroudsten zijn.
+
+
+ ALLE ECHTE FRIESEN HEIL!
+
+
+In oude tijden wisten de Slavonische volken niet van vrijheid. Gelijk
+ossen werden zij onder het juk gebracht. Zij werden in de ingewanden
+der aarde gejaagd om metaal te delven, en uit de harde bergen moesten
+zij huizen houwen, tot woningen voor vorsten en priesters. Bij alles
+wat zij deden was niets voor hun zelven, maar alles moest dienen, om
+de vorsten en priesteren nog rijker en geweldiger te maken, om zich
+te verzadigen. Onder dezen arbeid werden zij grijs en stram eer zij
+oud waren en stierven zonder genot, ofschoon de aarde dat overvloedig
+veel geeft ter bate van al hare kinderen. Maar onze weggeloopenen en
+ballingen kwamen door Twiskland over in hunne marken trekken, en onze
+zeelieden kwamen in hunne havens. Van deze hoorden zij spreken over
+gelijke vrijheid en recht en over wetten, waar niemand buiten kan. Dit
+alles werd door de droeve menschen ingezogen als dauw door de dorre
+velden. Toen zij vol daar van waren, begonnen de stoutmoedigsten
+te klippen met hunne ketenen, zoodat het den vorsten wee deed. De
+vorsten zijn trotsch en krijgshaftig, daarom is er ook nog deugd in
+hunne harten, zij raadpleegden te zamen, en deelden iets mede van
+hunnen overvloed. Maar de laffe schijnvrome priesters konden dat
+niet dulden, onder hunne verdichte goden hadden zij ook booze wreede
+gedrochten geschapen. De pest kwam over het land, toen zeiden zij dat
+de goden toornig waren over de overheersching der boozen. Toen werden
+de stoutmoedigste menschen met hunne ketenen gewurgd. De aarde heeft
+hun bloed gedronken, met dat bloed voedde zij vruchten en koorn en
+al die daarvan aten werden wijs.
+
+Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken, en te dier tijde
+gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had.
+
+In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte die
+geheeten is Kasamyr, dat is, zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren,
+zijne moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een
+opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen
+bloed verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme
+menschen. Intusschen was den knaap (toen hij grooter werd) niets
+verheeld geworden; daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en
+te vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles begreep,
+wat hij zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de
+priesters werden beangst voor zijne vragen. Toen hij meerderjarig
+werd, ging hij naar zijne ouders. Zij moesten harde dingen hooren; om
+hem kwijt te worden, gaven zij hem een overvloed van edelgesteenten;
+maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met
+droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij
+omdwalen. Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die
+als slaaf diende, van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij
+kocht hem vrij, en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven. Alom
+waar hij voorts henen trok, leerde hij aan de menschen dat zij noch
+rijken noch priesters moesten toelaten; dat zij zich moesten hoeden
+tegen de valsche schaamte, die allerwegen kwaad doet aan de liefde. De
+aarde, zeide hij, schenkt hare gaven naarmate men hare huid krabt,
+dat men daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaijen, zoo men
+daarvan maaijen wil. Doch, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor
+een ander, zoo het niet met gemeene wil of uit liefde geschiedt. Hij
+leerde dat niemand in hare ingewanden mocht wroeten om goud of zilver
+of edelgesteenten, waar nijd aan kleeft en liefde van vliedt. Om uwe
+meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft haar de rivier water
+genoeg. Niemand, zeide hij, is machtig alle menschen tevens rijkdom
+en gelijk geluk te geven; doch het is aller menschen plicht om de
+menschen alzoo tevens rijk te maken en zooveel genoegen te geven als
+te bereiken is. Geene wetenschap, zeide hij, mag men minachten, doch
+rechtvaardigheid, is de grootste wetenschap, die de tijd ons leeren
+mag. Daarom, dat zij ergernis van de aarde weert, en de liefde voedt.
+
+Zijn eerste naam was Jessos, doch de priesters, die hem zeer haatten,
+heetten hem Fo, dat is valsch, het volk heette hem Krishna, dat is
+herder, en zijn Friesche vriend noemde hem Buddha (buidel), omdat hij
+in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een schat
+van liefde.
+
+Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesteren, maar overal
+waar hij kwam was zijne leer hem vooruitgegaan, en overal waar hij
+ging volgden hem zijne vijanden als zijne schaduw. Toen Jessos zoo
+twaalf jaren rondgereisd had, stierf hij, maar zijne vrienden bewaarden
+zijne leer en verkondigden die, waar zij ooren vond.
+
+Wat meent gij nu dat de priesters deden? dat moet ik u melden;
+ook moet gij er zeer acht op geven, voorts moet gij waken voor
+hun bedrijf en ranken met alle krachten, die Wralda in u gelegd
+heeft. Terwijl de leer van Jessos over de aarde zich uitbreidde,
+gingen de valsche priesters naar het land zijner geboorte, om zijn
+dood bekend te maken; zij zeiden dat zij van zijne vrienden waren,
+zij veinsden eene groote droefheid door hunne kleederen in stukken
+te scheuren en hun hoofd kaal te scheeren. Zij gingen in de holen
+der bergen wonen, doch hierin hadden zij hunne schatten gebracht,
+daar binnen maakten zij beelden van Jessos. Deze beelden gaven ze aan
+de onergdenkende lieden; ten langen laatste zeiden zij dat Jessos een
+godheid was, dat hij zelf dit aan hun had beleden, en dat allen die
+aan hem en zijne leer gelooven wilden, hiernamaals in zijn koningrijk
+zouden komen, waar vreugde is en genietingen zijn. Vermits zij wisten
+dat Jessos tegen de rijken was te velde getrokken, verkondigden zij
+allerwegen, dat armoede lijden en eenvoudig zijn de deur was om in
+zijn rijk te komen, dat degene die op aarde het meeste geleden hadden,
+hier namaals de meeste vreugde hebben zouden. Ofschoon zij wisten,
+dat Jessos geleerd had, dat men zijne hartstochten overmeesteren en
+besturen moest, zoo leerden zij dat men alle zijne hartstochten dooden
+moest en dat de volkomenheid des menschen daarin bestond, dat hij
+even gevoelloos werd als de koude steen. Ten einde nu het volk wijs
+te maken, dat zij zelve zoo deden, veinsden zij armoede op straat,
+en om voorts te bewijzen, dat zij al hunne zinnelijke lusten gedood
+hadden, namen zij geene vrouwen. Doch zoo ergens eene jonge dochter
+een misstap gedaan had, werd haar dat spoedig vergeven; de zwakken,
+zeiden zij, moest men helpen, en om zijne eigene ziel te behouden,
+moest men veel aan de kerk geven. Dusdoende hadden zij vrouw en
+kinderen zonder huishouding, en werden zij rijk zonder werken; maar
+het volk werd veel armer en meer ellendig als ooit te voren. Deze
+leer, waarbij de priesters geen andere wetenschap noodig hebben,
+als bedriegelijk te redeneren, een vrome schijn en ongerechtigheden,
+breidde zich zelve van 't oosten naar het westen, en zal ook over
+ons land komen.
+
+Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya
+en van Jessos leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden
+menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en
+voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk
+bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas
+bloed. Deze zullen hunne fakkels en het licht buiten brengen, zoodat
+alle man de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der
+priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het
+recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen,
+maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Findas volk
+zal zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lydas volk
+zijne krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters
+weggevaagd worden van de aarde; Wraldas geest zal alom en allerwege
+geëerd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang
+in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene
+andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij
+algemeene wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en de Irtha zal
+hare gaven alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal
+aanvangen vierduizend jaren nadat Atland verzonken is, en duizend
+jaren later zal er langer geen priester noch dwang op aarde zijn.
+
+Dela toegenaamd Hellenia, waak!
+
+Zoo luidde Franas uiterste wil. Alle edele Friesen, heil! In den
+naam van Wralda, van Frya en der vrijheid groet ik u, en bid u zoo
+ik sterven mocht, eer ik eene opvolgster benoemd heb, dan beveel ik
+u Teuntja aan, die Burgtmaagd is op de burgt Medeasblik, tot op heden
+is zij de beste.
+
+Dit heeft Gôsa nagelaten. Alle menschen heil. Ik heb geene Eeremoeder
+benoemd, omdat ik geene wist, en omdat het u beter is geene Moeder
+te hebben, dan eene waarop gij u niet verlaten kunt. Een booze tijd
+is voorbijgegaan, maar daar komt nog een andere. Irtha heeft hem niet
+gebaard, en Wralda heeft hem niet beschoren. Hij komt uit het oosten,
+uit den boezem der priesteren weg. Zoo veel leed zal hij broeden,
+dat Irtha het bloed niet zal kunnen drinken van hare verslagene
+kinderen. Duisternis zal hij over den geest der menschen spreiden,
+gelijk onweerswolken over het zonnelicht. Alom en allerwege zullen
+list en bedrog met vrijheid en recht kampen. Vrijheid en recht
+zullen bezwijken en wij met haar. Maar deze winst zal haar verlies
+uitwerken. Van drie woorden zullen onze nakomelingen aan hunne lieden
+en slaven de beteekenis leeren. Zij zijn algemeene liefde, vrijheid
+en recht. In het eerst zullen zij schitteren, daarna met duisternis
+kampen, totdat het helder en klaar wordt in ieders hart en hoofd. Dan
+zal de dwang van de aarde geveegd worden, gelijk de donderwolken door
+den stormwind, en alle bedrog zal niets meer daar tegen vermogen. Gôsa.
+
+
+
+
+
+HET GESCHRIFT VAN KONERÊD.
+
+
+Mijne voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit wil
+ik bovenal doen, omdat in mijne staat geene burgt overig is, waarin
+de gebeurtenissen opgeschreven worden gelijk te voren. Mijn naam is
+Konereed (Koenraad), mijn vaders naam was Frethorik, mijne moeders naam
+was Wiliow. Na mijn vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen. Toen
+ik vijftig jaren telde, koos men mij tot opperste Grevetman. Mijn
+vader heeft geschreven, hoe de Lindaoorden en de Liudgaarden verwoest
+zijn. Lindahem is nog weg, de Lindaoorden voor een deel, de noordelijke
+Liudgaarden zijn door de zoute zee bedolven. Het bruissende zeewater
+slikt aan den ringdijk der burgt. Gelijk mijn vader vermeld heeft, zijn
+de van have beroofde menschen heengegaan en hebben huisjes gebouwd
+binnen den ringdijk der burgt, daarom is dat ronddeel nu Liudwerd
+geheeten. De zeelieden zeggen Liuwerd, maar dat is wanspraak. In mijne
+jeugd was het andere land, dat buiten den ringdijk ligt, alles poel en
+broek. Maar Fryas volk is wakker en vlijtig, zij werden moede noch mat,
+omdat hun doel ten beste geleidde. Door slooten te delven en kadijken
+te maken van de aarde die uit de slooten kwam, hebben wij weder een
+goede hemrik buiten den ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef,
+drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts
+gemeten. Heden ten dage zijn wij bezig waterpalen te heijen om eene
+haven te maken en meteen om onzen ringdijk te beschermen. Als het werk
+gereed is, zullen wij zeelieden uitlokken. In mijne jeugd stond het er
+hier raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen die in
+reijen staan. Leken en gebreken, die met de armoede waren ingeslopen,
+zijn door vlijt uitgedreven. Hier uit kan iedereen leeren, dat Wralda,
+onze Alvader, alle zijne schepselen voedt, mits dat zij moed houden
+en elkanderen willen helpen.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK OVER FRISO SCHRIJVEN.
+
+
+Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot
+opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanden. Hij spotte
+met onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft
+hij eene school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de
+wijze der Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om
+het jongvolk aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar
+heen gezonden, dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij
+geene Moeder langer hebben, om den een tegen den ander te beschermen,
+behoor ik dubbel te waken, opdat hij niet meester over ons wordt.
+
+Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen oordeel
+vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die meenen, dat
+zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa gestorven was,
+wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder kiezen. Maar
+Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te maken, Friso
+begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden der Landsaten
+tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was verziende
+geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij geen
+licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen moed
+gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen die
+twijfelachtig was daar heeft zij kwaad ingezien: daarom heeft zij in
+hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben
+als eene, op welke gij u niet verlaten kunt. Friso had veel gezien,
+hij was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en listen der Golen
+en vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig
+had om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe
+hij daarmede is te werk gegaan.
+
+Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van
+Wilfrêthe, die bij zijn leven opperste Graaf te Stavoren geweest
+was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door
+zijn beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder
+uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helia
+geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch
+verbonden. Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van
+Wichhirte den koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed
+Friesch en moet Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer
+medegebracht, als goede zeden.
+
+Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren.
+
+Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele
+Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij
+Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust,
+en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens geen menschen
+in het gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar
+hunnen naam hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen
+wel vele Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich
+zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan
+waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze
+schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen
+gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen
+of geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van
+de Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan
+de zuidwestelijke hoek van Schoonland, aldaar ligt Lindasburgt,
+toegenaamd Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek
+geschreven staat. Alle kustbewoners en ommelanders waren daar echt
+Friesch gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en
+tegen de Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen;
+maar dat zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders
+hadden vele verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de
+booze Magyaren, Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich
+zelven rooven, maar als het te pas kwam, dan stonden zij malkander
+getrouwelijk bij. Doch ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek
+te krijgen aan goede schepen. Hunne scheepmakers waren omgekomen,
+en hunne wouden waren met grond en al van het land weggevaagd. Nu
+kwamen er onverwacht drie schepen bij den ringdijk van onze burgt
+voor anker. Door de inbraken van onze landen waren zij verdwaald en
+den Flymond misgevaren. De koopman die mede gegaan was, wilde van ons
+nieuwe schepen hebben, daartoe hadden zij allerlei kostelijke waren
+medegebracht, die zij geroofd hadden van de Kaltanarlanden en van
+de Pheniciers schepen. Nadien wij zelve geene schepen hadden, gaf ik
+hun flinke paarden en vier gewapende renboden mede naar Friso. Want
+te Staveren en langs het Alderga, daar werden de beste oorlogschepen
+gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting in komt. Terwijl
+de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen Jutten naar Texland
+gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De Zeelanders hadden
+vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten op hunne banken
+roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze kinderen te
+verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren, doordien
+zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld hadden,
+en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten laatste,
+of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja, antwoordden
+zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist gelijk
+uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen
+wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch
+burgtwapenen, om de roofschepen er uit te houden. Dan moest gij er
+eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten; maar
+wij hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn
+visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge
+landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden
+met de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten,
+hoe Friso allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen
+en ten bate van zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij,
+zij zouden jaarlijks vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en
+voor vaste gelden, toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en
+met volle tuig, gelijk het voor krijgsschepen noodig en nuttig is;
+maar de Jutten zouden zij dan met vrede laten, en al het volk, dat
+tot Fryaskinderen behoorde. Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze
+zeekampers uitnoodigen, dat zij mede zouden vechten en rooven. Toen de
+Zeelanders vertrokken waren, liet hij veertig oude schepen beladen met
+burgtwapenen, hout, hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren, en
+smeden om daarmede burgten te bouwen. Witto, dat is witte, zijn zoon,
+zond hij mede om toe te zien. Wat er al is voorgevallen, is mij niet
+gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk geworden, dat aan beide zijden
+van den havenmond eene versterkte burgt gebouwd is, en daarin is volk
+gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken trok. Witto heeft Siuchthirte
+bevrijd en tot zijne vrouw genomen. Wilhem, zoo heette haar vader,
+hij was opperste Olderman der Jutten, dat is opperste Grevetman of
+Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en Witto is in zijne plaats
+gekozen.
+
+
+
+
+
+WAT FRISO VERDER DEED.
+
+
+Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer
+kloek waren. Hetto, dat is heete, den jongste zond hij als zendbode
+naar Kattaburgt, dat diep in de Saksenmarken ligt. Hij had van
+Friso medegekregen zeven paarden, behalve zijn eigen, beladen met
+kostbare zaken door de zeekampers geroofd. Bij ieder paard waren twee
+jonge zeekampers en twee jonge ruiters met rijke kleederen gekleed,
+en met geld in hunne buidels. Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt
+zond, zoo zond hij Bruno, dat is bruine, den anderen zwager naar
+Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda
+forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede
+hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en
+vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de
+gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven
+met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze
+boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle
+geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten,
+en op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu
+gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij
+goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden,
+dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog
+vorstelijker vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn
+getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand
+kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar
+het Flymeer afzakken. De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare
+vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom
+spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar
+babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan
+zijne zaak. Zij zeiden allomme: wij hebben langer geene Moeder meer,
+maar dat komt daar vandaan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig
+past ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de
+Moeders verloren hebben door hare onvoorzichtigheid. Verder spraken
+zij: Aan ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten
+hooren, voor dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst,
+maar als het zoover komen mogt, dat gij u weder een koning kiest,
+dan wil ik ook mijne meening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is
+Friso daartoe door Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier
+heen geleid. Friso kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt,
+hij kan dus tegen hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog
+te houden: welken graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de
+anderen daar wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de
+jonge maagden gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal,
+tapten hunne redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en
+tot iedereen: Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen,
+des nachts spant hij zijne netten naar alle zijden en des daags
+verschalkt hij daarin zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat
+hij geene priesteren noch vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg,
+hij mag niemand lijden dan hem zelven. Daarom wil hij niet gedogen,
+dat de burgt Stavia weder opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder
+weêr hebben. Vandaag is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw
+koning worden, opdat hij over u allen rechten mag. In den boezem des
+volks ontstonden nu twee partijen. De ouden en armen wilden nu weder
+eene Moeder hebben, maar het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde
+een Vader of koning hebben. De eersten noemden zich Moederszonen,
+en de anderen noemden zich Vaderszonen; maar de Moederszonen werden
+niet geteld; want omdat er vele schepen gemaakt werden, was hier
+overvloed voor de scheepmakers, smeden, zeilmakers, reepmakers en
+voor alle andere ambachtslieden. Daarenboven brachten de zeekampers
+allerhande sieraden mede. Daarvan hadden de vrouwen genoegen, de
+maagden genoegen, de meisjes genoegen, en daarvan hadden alle hunne
+bloedverwanten genoegen, en alle hunne goede kennissen en vrienden.
+
+Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden,
+stierf hij. Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot
+malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet
+bevestigen. Van alle Graven, die voor hem waren, was er niemand zoo
+befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge
+maagden spraken zijn lof, terwijl de oude vrouwen alles deden om hem
+te laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de
+oude vrouwen hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij
+hadden met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven
+is zonder dat hij koning was.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK SCHRIJVEN OVER ZIJN ZOON ADEL.
+
+
+Friso die onze geschiedenis had leeren kennen uit het boek der
+Adelingen, had alles gedaan om hunne vriendschap te winnen. Zijn
+eersten zoon, dien hij hier won bij zijne vrouw Swethirte heeft hij
+terstond Adel genoemd. En ofschoon hij kampte met al zijne macht,
+om geene burgten te herstellen noch op te bouwen, zond hij toch Adel
+naar de burgt te Texland, opdat hij hoe eer hoe beter bekend worden
+mocht met alles wat tot onze wetten, taal en zeden behoort. Toen Adel
+twintig jaren telde, liet Friso hem naar zijn eigen school komen, en
+toen hij daar volleerd was, liet hij hem door alle staten reizen. Adel
+was een beminnenswaardige jongman; op zijne reizen heeft hij vele
+vrienden gewonnen, daardoor is het gekomen, dat het volk hem Atharik
+(vriendenrijk) genoemd heeft, iets dat hem naderhand zoo wel te pas
+is gekomen, want toen zijn vader gestorven was, bleef hij in zijne
+plaats, zonder dat er over het kiezen van een anderen Graaf sprake
+kwam. Terwijl Adel te Texland in de leer was, bevond zich aldaar tevens
+eene heel lieve maagd op de burgt. Zij kwam uit de Saksenmarken weg,
+uit de staat die genoemd is Suobaland, daarom werd zij te Texland
+Suobene genoemd, ofschoon haar naam Ifkja was. Adel had haar lief
+gekregen, en zij had Adel lief; maar zijn vader verzocht hem, dat
+hij nog wat wachten zoude. Adel was gehoorzaam, maar zoodra zijn
+vader gestorven was en hij gezeten, zond hij terstond boden naar
+Berthold haren vader (met verzoek) of hij zijne dochter tot vrouw
+mogt hebben. Berthold was een vorst van onverbasterde zeden, hij
+had Ifkja naar Texland in de leer gezonden in de hoop, dat zij eens
+tot burgtmaagd zoude gekozen worden in zijn land. Doch hij had hun
+beider begeerte leeren kennen, daarom ging hij heen en gaf hun zijnen
+zegen. Ifkja was eene flinke Friesin. Voor zoo verre ik haar heb leeren
+kennen, heeft zij steeds gewerkt en gewroet, opdat Fryaskinderen weder
+mochten komen onder dezelfde wet en onder eenen bond. Om de menschen
+op hare zijde te krijgen, was zij met haren echtgenoot van haren vader
+door alle Saksenmarken gereisd en voorts naar Geertmannia. Geertmannia,
+zoo hadden de Geertmannen hunne staat geheeten, die zij door Gosas
+bemoeijing gekregen hadden. Daarop gingen zij naar de Denemarken. Van
+de Denemarken gingen zij te scheep naar Texland. Van Texland gingen
+zij naar Westflyland en zoo langs de zee naar Walhallagara. Van
+Walhallagara vertrokken zij langs den Zuiderrijn (de Waal), totdat zij
+met groote vrees boven den Rijn bij de Marsaten kwamen, waarvan onze
+Apollonia geschreven heeft. Toen zij hier eene wijle geweest waren,
+gingen zij weer naar de laagte. Als zij nu een tijdlang naar de laagte
+afgevaren waren, totdat zij in de streek van de oude burgt Aken kwamen,
+zijn er onverhoeds vier knechten vermoord en naakt uitgekleed. Zij
+waren een weinig achteraan gekomen. Mijn broeder, die overal bij was,
+had hun vaak verboden, doch zij hadden niet geluisterd. De moordenaars
+die dat gedaan hadden, waren Twisklanders, die heden ten dage stoutweg
+over den Rijn komen te moorden en te rooven. De Twisklanders, dat
+zijn gebannen en weggeloopen Fryaskinderen, maar hunne vrouwen hebben
+zij van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een bruin Findasvolk,
+aldus genoemd, omdat zij alle volken ten strijde uittarten. Zij zijn
+allen ruiters en roovers. Daar van daan zijn de Twisklanders evenzoo
+bloeddorstig geworden. De Twisklanders, welke die boosheid bedreven
+hadden, noemden zich zelven Frijen of Franken. Er waren, zeide mijn
+broeder, roode, bruine en witte onder. Die, welke rood of bruin waren,
+beten hun haar met kalkwater wit. Naardien echter hunne aangezichten
+bruin bleven, werden zij des te leelijker daardoor. Even als Apollonia
+beschouwden zij naderhand Lydasburgt en het Alderga. Daarna trokken
+zij over Staverens oorden bij hunne lieden rond. Zij hadden zich
+zoo beminnelijk aangesteld, dat de menschen hen allerwege houden
+wilden. Drie maanden later zond Adel boden naar alle vrienden die hij
+gewonnen had en liet hun verzoeken, dat zij in de Minnemaand wijze
+lieden tot hem zouden zenden,†
+
+zijne vrouw, zeide hij, die maagd geweest was te Texland had daarvan
+een afschrift gekregen. Te Texland, worden nog vele geschriften
+gevonden, die niet in het boek der Adelingen overgeschreven zijn. Van
+deze schriften had Gosa een bij haar uiterste wil gelegd, 't welk
+door de oudste maagd Albetha openbaar gemaakt moest worden, zoodra
+Friso gestorven was.
+
+
+
+
+
+HIER IS DIT GESCHRIFT MET GOSAS RAAD.
+
+
+Toen Wralda kinderen gaf aan de moeders van het menschelijk geslacht,
+toen legde hij ééne taal in aller tongen en op aller lippen. Dit
+geschenk had Wralda aan de menschen gegeven, opdat zij elkander
+daarmede mochten kenbaar maken, wat men vermijden moet en wat men
+najagen moet om zaligheid te vinden en zaligheid te houden in alle
+eeuwigheid. Wralda is wijs en goed en alles voorziende. Naardien hij nu
+wist, dat geluk en zaligheid van de aarde moet vlieden, als de boosheid
+de deugd bedriegen kan, zoo heeft hij aan de taal eene regtvaardige
+eigenschap verbonden. Deze eigenschap is hierin gelegen, dat men
+daarmede geen leugen zeggen, noch bedriegelijke woorden spreken kan
+zonder stamelen, noch zonder blozen, waardoor men de boozen van harte
+terstond onderkennen kan. Naardien dus onze taal tot geluk en zaligheid
+den weg baant, en dus mede waakt tegen de booze neigingen, daarom
+is zij met alle recht godestaal (de taal des goeds) genoemd, en alle
+degene, die haar in eere houden, hebben daar eere van. Doch wat is er
+gebeurd. Zoodra er onder onze halfzusteren en halfbroederen bedriegers
+opkwamen, die zich zelf voor dienaren des goeds uitgaven, is dat weldra
+anders geworden. De bedriegelijke priesters en de boosaardige vorsten,
+die altijd te zamen heulden, wilden naar willekeur leven en buiten de
+wetten des goeds handelen. In hunne ondeugendheid zijn zij heen gegaan
+en hebben andere talen verzonnen, opdat zij heimelijk konden spreken in
+tegenwoordigheid van ieder ander over alle booze dingen en over alle
+onwaardige zaken, zonder dat stamelen hen zoude verraden, noch blozen
+hun gelaat ontsieren. Maar wat is daaruit geboren? Even gemakkelijk
+als het zaad van goede kruiden van onder den grond weg ontkiemt, dat
+in 't openbaar gezaaid is door goede menschen bij lichten dag, even
+gemakkelijk brengt de tijd de schadelijke kruiden aan het licht, die
+gezaaid zijn door booze menschen in het verborgene en bij duisternis.
+
+De wulpsche meisjes en verwijfde knapen, die met de onzedelijke
+priesters en vorsten boeleerden, ontlokten die nieuwe talen aan
+hunne boelen, derwijze zijn zij verspreid onder de volken, tot dat
+zij godestaal glad vergeten hebben. Wilt gij nu weten, wat daarvan
+geworden is? Nu het stamelen en de gelaatskleur hunne booze driften
+niet meer verrieden, is de deugd van uit haar midden geweken,
+de wijsheid is gevolgd en de vrijheid is medegegaan; de eendracht
+is te zoek geraakt, en tweespalt heeft hare plaats ingenomen; de
+liefde is gevlucht, en de ontucht zit met nijd aan tafel; en waar
+vroeger rechtvaardigheid heerschte, heerscht nu het zwaard. Allen
+zijn slaven, de lieden van hunne heeren van nijd, booze lusten en
+begeerlijkheid. Hadden zij nu maar ééne taal uitgevonden, mogelijk
+was het dan nog eene wijle goed gegaan. Maar zij hebben zoo vele talen
+uitgevonden als er staten zijn. Daardoor kan het eene volk het andere
+volk even min verstaan als de koe den hond of de wolf het schaap. Dit
+kunnen de zeelieden betuigen. Doch daar van daan is het nu gekomen,
+dat alle slavenvolken elkander als andere menschen beschouwen, en dat
+zij tot straf van hunne onbezonnenheid en vermetelheid elkander zoo
+lang moeten beoorlogen en bestrijden tot dat zij alle verdelgd zijn.
+
+
+
+
+
+HIER IS NU MIJN RAAD.
+
+
+Zijt gij alzoo begeerig, dat gij de aarde alleen wilt beërven, zoo
+behoort gij nimmer meer eene andere taal over uwe lippen te laten komen
+als godestaal, en dan behoort gij te zorgen, dat uw eigen taal vrij
+blijft van uitheemsche klanken. Wilt gij nu dat er sommige van Lydas
+kinderen en van Findas kinderen blijven, dan doet gij even zoo. De
+taal der Oost Schoonlanders is door de vuile Magyaren verdraaid; de
+taal der Keltana volgers is door de smerige Golen verdorven. Nu zijn
+wij zoo mild geweest om de terugkeerende Hellenia volgers weder in
+ons midden te nemen, maar ik schroom en ben zeer bezorgd, dat zij onze
+mildheid zullen vergelden met verontreiniging van onze zuivere taal.
+
+Veel hebben wij wedervaren, maar van alle burgten die door de booze
+tijd verstoord en verdelgd zijn, heeft Irtha Fryasburgt onverlet
+behouden; ook mag ik daar bij vermelden dat Fryas of Gods taal hier
+even ongeschonden behouden is.
+
+Hier op Texland moest men dus scholen stichten; van alle staten, die
+het met de oude zeden houden, moest het jong volk hier heen gezonden
+worden; daarna mochten zij die volleerd waren, de anderen helpen die
+te huis verbeiden. Willen de andere volken ijzerwaren van u koopen
+en daarover met u spreken en dingen, dan moeten zij tot godestaal
+terugkeeren. Leeren zij Godstaal, dan zullen de woorden vrij zijn en
+recht hebben tot hen inkomen, in hun brein zal het dan beginnen te
+glimmen en te gloren tot dat alles tot eene vlam wordt. Deze vlam
+zal alle slechte vorsten verteeren en alle schijnvrome en smerige
+priesters.
+
+De inlandsche en uitlandsche zendboden hadden genoegen van dat
+geschrift, doch er kwamen geene scholen. Toen stichtte Adel zelf
+scholen, na hem deden de andere vorsten hetzelfde. Jaarlijks gingen
+Adel en Ifkja de scholen in oogenschouw nemen. Bevonden zij dan onder
+de inlanders of buitenlanders zoodanige, die elkander vriendschap
+toedroegen, dan lieten zij beide groote blijdschap blijken. Hadden
+sommige zoodanige elkander vriendschap gezworen, dan lieten zij
+alle menschen bij elkander komen, en met groote staatsie lieten
+zij dan hunne namen in een boek schrijven, door hun het boek der
+vriendschap genoemd: daarna werd feest gevierd. Al deze gebruiken
+werden onderhouden om de afzonderlijke takken van Fryas stam weder
+te zamen te snoeren. Doch de maagden die op Adel en Ifkja afgunstig
+waren zeiden, dat zij het nergens anders om deden, dan om een goeden
+roep en om allengs te heerschen over een anders staat.
+
+Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door
+Luidgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen
+aangaan, geef ik hier het andere ten beste.
+
+Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is
+eene rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd,
+omdat vier andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel
+verre oostwaarts is nog eene groote rivier, de heilige of vrome
+Ganges geheeten. Tusschen deze beide rivieren is het land der
+Hindos. De beide rivieren loopen van de hooge bergen naar de laagte
+neer. Die bergen, waar zij van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij
+tot den hemel reiken (laia), daarom wordt het gebergte Himmellaia
+gebergte genoemd. Onder de Hindos en andere uit die landen zijn er
+sommige lieden die in stilte bij elkander komen. Zij gelooven dat
+zij onverbasterde kinderen van Finda zijn. Zij gelooven dat Finda
+van uit het Himmellaia gebergte geboren is, van waar zij met hare
+kinderen naar de delte of de laagte getrokken is. Sommigen onder hen
+gelooven, dat zij met hare kinderen op het schuim van de heilige Ganges
+naar beneden gegaan is. Daarom zoude die rivier de heilige Ganges
+heeten. Maar de priesters die uit een ander land weg komen lieten
+die menschen opsporen en verbranden; daarom durven zij voor hunne
+zaak niet openlijk uitkomen. In dit land zijn alle priesters dik en
+rijk. In hunne kerken worden allerlei gedrochtelijke beelden gevonden,
+daaronder zijn vele van goud. Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers)
+of wrangen (Drangianen), de Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen,
+en de Urgetten          of vergetenen. Al deze namen zijn hun door de
+nijdige priesters gegeven, omdat zij hen ontvlieden wegens de zeden
+en het geloof. Bij hunne komst hadden onze voorouders zich ook aan
+den oostelijken oever van den Pangab neergezet, maar om der priesteren
+wille zijn zij ook naar den westelijken oever gevaren. Daardoor hebben
+wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren zijn geen wilden,
+maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch aanbidden: ook
+willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even als wij het
+heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege vuur
+in hunne huizen brandende. Komt men later heel westelijk, zoo komt
+men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken
+verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn
+wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de
+velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten
+verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder
+houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de
+Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden
+en wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat
+daar bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze
+hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten
+worden: maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindos zijn
+even bloode en vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de
+wolven zijn. Daarom hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd,
+dat hinden beteekent. Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk
+misbruik gemaakt. Komen er uitheemsche kooplieden om koren te koopen,
+dan wordt alles te gelde gemaakt, en door de priesters wordt het niet
+geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te
+zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels
+komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten
+lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte
+lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die
+soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte
+en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren
+zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende
+dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte
+van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar
+de kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen
+bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die
+ze willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven,
+want tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de
+menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar
+allerlei soort van hagedissen, schildpadden en krokodillen; al deze
+disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot;
+naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle
+niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators omdat zij
+even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven
+naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen
+overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen,
+en waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en
+granen als aan de oostzyde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende
+dieren gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen
+verbrand, en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er
+slechts weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab,
+dan vindt men nevens vetten kleigrond ook dorre geestlanden, die
+eindeloos schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken,
+waaraan het oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn
+er vele, die ik hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er
+ook goudgeel; ook goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als
+honing, en andere zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden
+zoo groot als kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze
+oud dan maakt men er olie van; van de bast maakt men touw, en van de
+kernen maakt men kelken en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik
+kruip- en steekbessen gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als
+uwe lindeboomen, waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter
+zijn als uwe doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn
+en de zon uit het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw
+hoofd neder. Is men dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren,
+en men des middags met zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo
+schijnt de zon tegen uwe linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe
+rechterzijde doet. Hiermede wil ik eindigen, maar na mijn schrijven
+zal het u licht genoeg vallen, om de leugenachtige verhalen te kunnen
+schiften van de ware berichten. Uw Liudgert.
+
+
+
+
+
+HET GESCHRIFT VAN BEEDEN.
+
+
+Mijn naam is Beeden, zoon van Hachgane. Konereed mijn oom is nooit
+getrouwd geweest en alzoo kinderloos gestorven. Mij heeft men in zijne
+plaats gekozen. Adel, de derde koning van dezen naam, heeft die keuze
+goedgekeurd, mits ik hem als mijn meester erkennen wilde. Behalve
+het volle erf van mijn oom, heeft hij mij eene plek gronds gegeven,
+die aan mijn erf paalde, onder voorwaarde, dat ik daarop menschen
+zoude stellen, die zijne lieden nimmer zouden ...
+
+daarom wil ik dit hier eene plaats vergunnen.
+
+
+
+
+
+BRIEF VAN RIKA DE OUDMAAGD, VOORGELEZEN TE STAVEREN BIJ HET JUULFEEST.
+
+
+Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis
+tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar
+wil ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek
+wijzen, dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet,
+hoe Wralda duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat
+hij Alvoeder wordt genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt
+en wast tot voeding van zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha
+bijwijlen ook Alvoedster genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en
+granen baart, waarmede mensen en dier zich voeden. Doch zij zoude
+geene vruchten en granen baren, bijaldien Wralda haar geene krachten
+gaf. Ook vrouwen, die hare kinderen zogen aan hare borsten, worden
+voedsters genoemd. Doch gaf Wralda daar geene melk in, zoo zouden
+de kinderen daar geen baat bij vinden. Zoodat bij slot van rekening
+Wralda alleen de voeder blijft. Dat Irtha bijwijlen Alvoedster
+geheeten wordt, en eene mem (moeder) voedster, kan nog door eene
+wending (overdrachtelijke spreekwijze): maar dat een taat (vader)
+zich voeder laat noemen, omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden.
+
+Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt
+van onze vijanden (lëtha) en wanneer die gevolgd worden, zoo zult
+gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen
+hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is,
+daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur
+leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet
+wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen
+dat een koning niet over den wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding
+door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne
+vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij
+in het eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben
+het volk eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam,
+huurden zij buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven
+legden. Vervolgens namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en
+de kleine vorsten en heeren deden eveneens. Toen naderhand twist
+en tweespalt in de huishouding sloop, en daarover klachten kwamen,
+hebben zij gezegd: ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin,
+daarom zal hij ook meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de
+willekeur, en even als die met de mannen over het huisgezin heerschte,
+ging zij ook met de koningen over de volken doen. Toen de koningen het
+zoo ver gebracht hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij
+heen en lieten beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten
+zij in de kerken stellen naast de beelden der afgoden, en degene die
+daar niet voor buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe
+voorvaderen en de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan,
+daarvan hebben zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige
+uwer mannen zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik
+mij over vele uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden,
+die zich met Wralda op eene lijn willen stellen, er worden bij u ook
+wijven gevonden, die dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen
+gebaard hebben, laten zij zich moeder noemen. Doch zij vergeten, dat
+Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet alleen hebben
+zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen berooven,
+met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen het even
+zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich vrouwe
+laten noemen, ofschoon zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen
+van vorsten toebehoort. Ook laten zij hare dochters maagden noemen,
+ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag, tenzij
+zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat naam
+stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aankleeft, en
+dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal
+de tijd daar wasdom aan geven, zoo sterk, dat men er het eind niet
+van kan zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden;
+zij zullen niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar
+ofschoon gij de maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat,
+toch zullen er blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij
+zullen uwe nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig
+aan zijt. Dan zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit
+hunne graven oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare
+maagden aanroepen, doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren,
+bevorens het Juul een anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst
+gebeuren als drie duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw.
+
+
+ Einde van Rikas brief.
+
+
+
+
+
+daarom wil ik eerst over zwarte Adel schrijven. Zwarte Adel was de
+vierde koning na Friso. In zijne jeugd heeft hij op Texland geleerd,
+naderhand heeft hij te Staveren geleerd, en vervolgens heeft hij door
+alle staten gereisd. Toen hij vier en twintig jaar oud was, heeft zijn
+vader gemaakt dat hij tot Asega Asker gekozen is. Toen hij eenmaal
+Asker was, eischte hij altijd in het voordeel van de armen. De rijken,
+zeide hij, plegen genoeg ongerechte dingen door middel van hun geld,
+daarom behooren wij te zorgen, dat de armen naar ons omzien. Door
+deze en andere redeneringen, was hij de vriend der armen en de schrik
+der rijken. Het is zoo erg gekomen, dat zijn vader hem naar de oogen
+zag. Toen zijn vader gestorven was, heeft hij diens zetel beklommen,
+toen wilde hij even goed zijn ambt behouden gelijk de koningen van
+het oosten plegen te doen. De rijken wilden dat niet dulden, maar
+nu liep al het andere volk te hoop, en de rijken waren blijde dat
+zij heelhuids van de vergadering afkwamen. Van toen aan hoorde men
+nimmer meer over gelijkheid van recht praten. Hij veroordeelde de
+rijken en hij vleide de armen, met wier hulp hij alle zaken eischte,
+daar hij bestek op had. Koning Askar, gelijk hij altijd genoemd werd,
+was bij de zeven aardvoet lang, en zoo groot zijne gestalte was,
+waren ook zijne krachten. Hij had een helder verstand, zoodat hij
+alles verstond, waarover gesproken werd, doch in zijn doen kon men
+geene wijsheid bespeuren. Bij een schoon gelaat had hij eene gladde
+tong, maar nog zwarter als zijn haar is zijne ziel bevonden. Toen
+hij een jaar koning was, noodzaakte hij alle jongelingen uit zijn
+staat, om jaarlijks in het kamp te komen en daar een schijnoorlog te
+maken. In het eerst had hij daar moeite mede, maar ten laatste werd
+het zoo manierlijk, dat oud en jong uit alle oorden weg kwamen, om te
+vragen, of zij mochten mede doen. Toen hij het zoo ver gebracht had
+liet hij krijgscholen stichten. De rijken kwamen te klagen en zeiden,
+dat hunne kinderen geen lezen of schrijven meer leerden. Askar sloeg
+er geen acht op, maar toen er kort daarop weer schijnoorlog gehouden
+werd, ging hij op een gestoelte staan en sprak luidde. De rijken zijn
+tot mij gekomen te klagen, dat hunne knapen geen lezen of schrijven
+genoeg leeren; ik heb daar niets op gezegd; doch hier wil ik mijne
+meening zeggen, en de algemeene vergadering laten beslissen. Toen
+elk nu nieuwsgierig tot hem op zag zeide hij verder: Naar mijn begrip
+moet men tegenwoordig het lezen en schrijven aan de maagden en wijze
+lieden overlaten. Ik wil geen kwaad spreken van onze voorvaderen,
+ik wil alleen zeggen, in die tijden, waarop door sommigen zoo hoog
+geroemd wordt, hebben de Burgtmaagden tweespalt over onze landen
+gebracht en de Moeders voor en na konden de tweespalt niet weder
+uit het land drijven. Nog erger, terwijl zij praatten en keuvelden
+over noodelooze gewoonten, zijn de Golen gekomen en hebben al
+onze schoone zuiderlanden geroofd. Heden ten dage zijn zij met onze
+verbasterde broeders en hunne soldaten reeds over de Schelde gekomen,
+er schiet ons dus over te kiezen tusschen het dragen van een juk of
+een zwaard. Willen wij vrij zijn en vrij blijven, zoo behooren de
+jongelieden het lezen en schrijven voorhands achterwege te laten,
+en in stede dat zij op hun gezelschappen wip en zwik spelen, moeten
+zij met zwaard en speer spelen. Zijn wij in allen deele geoefend,
+en de knapen groot genoeg om helm en schild te dragen en de wapenen
+te hanteeren, dan zal ik mij met uwe hulp op de vijanden werpen. De
+Golen mogen dan de nederlagen van hunne helpers en soldaten op onze
+velden schrijven met het bloed dat uit hunne wonden druipt. Hebben
+wij den vijand eenmaal voor ons uitgedreven, zoo moeten wij daarmede
+voortgaan, tot dat er geen Golen, noch Slaven, noch Tartaren meer
+van Fryas erf te verdrijven zijn.--Dat is recht, riepen de meesten,
+en de rijken durfden hunne monden niet open doen. Deze toespraak had
+hij zeker te voren bedacht en laten overschrijven, want des avonds van
+dien zelfden dag waren de afschriften daarvan in wel twintig handen;
+en die alle waren eensluidend. Naderhand beval hij de scheepslieden,
+zij moesten dubbele voorstevens maken, waaraan men eene stalen
+kraanboog kon bevestigen. Die hierin achterwege bleef werd beboet;
+kon iemand zweeren, dat hij geene middelen bezat, dan moesten de
+rijken van het dorp het betalen. Nu zal men zien, waarop al dat boha
+uitgeloopen is. Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge
+bergen is, daar zit een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas
+bloed gesproten; voor het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers,
+voor het ander gedeelte uit Britten en vluchtelingen, die allengs met
+der tijd uit de tinlanden derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden
+kwamen, hebben al te gader buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch
+ras. Zij zijn alle onder de heerschappij der Golen, hunne wapenen
+zijn houten bogen en sprieten met punten van hertshoornen, of ook van
+flinten. Hunne huizen zijn van zoden en stroo, en sommigen wonen in
+de holen der bergen. Schapen, die zij geroofd hebben, is hun eenige
+schat. Onder de afstammelingen van de Keltanavolgers hebben sommigen
+nog ijzeren wapenen, die zij van hunne voorvaderen geërfd hebben. Om nu
+goed verstaan te worden, moet ik mijn verhaal over het Schotsche volk
+laten rusten, en iets van de heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De
+heinde Krekalanden hebben te voren ons alleen toebehoord, maar sedert
+onheugelijke tijden hebben zich daar ook nakomelingen van Lyda en
+Finda nedergezet, van deze laatsten kwamen eindelijk een heele hoop
+van Troje. Troja alzoo heeft eene stad geheeten, die het volk van de
+verre Krekalanden (Griekenland) heeft ingenomen en verwoest. Toen de
+Trojanen in de heinde Krekalanden genesteld waren, toen hebben zij
+daar met tijd en vlijt eene sterke stad met wallen en burgten gebouwd,
+Rome, dat is Ruim, geheeten. Toen dat gedaan was, heeft het volk
+zich door list en geweld van het geheele land meester gemaakt. Het
+volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche zee huist, is voor
+het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De Phoeniciers (Puniers)
+zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed en van Findas bloed
+en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als slaven, maar door
+de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al het andere
+volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome kampen
+gestadig om het meesterschap van de Middellandsche Zee. Voorts leven
+die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne priesteren,
+die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen de Golen
+niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia afgenomen,
+daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts
+liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij
+de Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn
+duizende Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar
+de opperste der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak,
+dat is hoek, van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was
+daar al hun goud te zamen gebracht. Keeren herne (uitverkoren hoek) of
+Kerenak is eene steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden
+de Maagden van de nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder
+hebben. Alzoo was door de vijandschap der Maagden en der Golen veete
+en twist over het Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden
+kwamen daar dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden
+en linnen. Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de
+Maagden en met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden,
+om de Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam,
+gaf hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen
+bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen
+bloed bij de hellingen der bergen neder. Toen Askar meende, dat de kans
+hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen, en nam Kerenak en den
+opperste der Golen met al zijn goud. Het volk waarmede hij tegen de
+soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de Saksenmarken gelokt
+met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus werd den Golen niets
+gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot bergplaats voor zijne
+schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle Phoenicische schepen
+en steden te berooven, die hij beloopen konde. Toen hij terug kwam
+bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van het Schotsche
+bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven waren, opdat
+hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden blijven;
+doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn hof,
+waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren van
+allerlei wapenen. De Dennemarkers, die zich sinds lang boven alle
+andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra
+niet van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop
+afgunstig, dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over
+zijne landen. Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen
+de bouwvallen van de verwoeste burgt Stavia was nog een schrandere
+Burgtmaagd met eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er
+ging een groote roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar
+hare hulp aan, onder beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude
+laten opbouwen. Toen hij zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met
+drie Maagden naar Hals; 's nachts ging zij reizen, en bij dag sprak
+zij op alle markten en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij,
+had haar door donder laten toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden
+moest worden, als zusters en broeders vereenigd; anders zoude Findas
+volk komen en hen alle van de aarde verdelgen. Na dien donder waren
+Fryas zeven waakmaagden haar in den droom verschenen, zeven nachten
+achtereen; zij hadden gezegd: boven Fryas landen zwabbert ramp met juk
+en ketenen. Daarom moeten alle volken, die uit Fryas bloed gesproten
+zijn, hunne toenamen wegwerpen en zich alleen Fryaskinderen of Fryas
+volk noemen. Voorts moeten allen opstaan en Findas volk van Fryas
+erf verdrijven. Willen ze dat niet doen, zoo zullen zij slavenbanden
+om hunne halzen krijgen; zoo zullen de buitenlandsche heeren hunne
+kinderen misbruiken en laten geesselen, totdat het bloed zijgt in uwe
+graven. Dan zullen de schimmen uwer voorvaderen u komen wekken en u
+bekijven over uwe lafheid en onbezonnenheid. Het domme volk, dat door
+toedoen der Magyaren reeds aan zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde
+alles wat zij zeide, en de moeders klemden hare kinderen tegen hare
+borsten aan. Toen Reintja den koning van Hals en alle andere menschen
+tot eendracht had overgehaald, zond zij boden naar Askar en toog zelve
+langs de Baltische zee; van daar ging zij bij de Lithauers, alzoo
+genoemd omdat zij hunne vijanden altijd naar het aangezicht houwen. De
+Lithauwers zijn voortvluchtigen en verbannenen van ons eigen volk, dat
+in de Twisklanden zit en omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle
+van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht,
+en aldus door de Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede
+willen, maar de menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging
+zij achter de Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen,
+om allerwege dat zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren,
+kwam zij langs den Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich
+zelve voor Moeder uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije
+en franke menschen terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn
+gaan, en de Gola volgers uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat
+deden, dan zoude haar koning Askar over de Schelde gaan en daar het
+land afwinnen. Bij de Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de
+Tartaren en Magyaren binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze
+zeden gebleven. Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen
+onderwijzen en de ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja
+vijandig, maar ten laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en
+allerwege geprezen, waar het nuttig en noodig was. Zoodra Askar van
+Reintjas boden vernam, hoe de Jutten gezind waren, zond hij terstond
+boden van zijnentwege naar den koning van Hals. Het schip, waarmede de
+boden gingen, was vol geladen met vrouwen sieraden, en daarbij was een
+gouden schild, waarop Askars gedaante kunstig was afgebeeld. Deze boden
+moesten vragen of Askar des konings dochter Frethogunsta tot zijne
+vrouw mocht hebben. Frethogunsta kwam een jaar later te Staveren;
+bij haar gevolg was ook een Magy, want de Jutten waren sedert lang
+verdorven. Kort nadat Askar met Frethogunsta getrouwd was, werd er te
+Staveren eene kerk gebouwd; in de kerk werden booze gedrochtelijke
+beelden gesteld, met goud doorwevene kleederen. Ook is er beweerd
+dat Askar bij nacht en bij ontijde met Frethogunsta zich daar voor
+nederboog. Maar zooveel is zeker, de burgt Stavia werd niet weder
+opgebouwd.
+
+Reintja was reeds teruggekomen, en ging nijdig naar Prontlik de Moeder
+te Texland zich beklagen. Prontlik ging heen en zond allerwege boden,
+die verkondigden: Askar is overgeven aan afgoderij. Askar deed alsof
+hij het niet merkte, maar onverwacht kwam er een vloot uit Hals. Des
+nachts werden de Maagden uit de burgt gedreven, en des ochtens konde
+men van de burgt slechts eene gloeijende puinhoop zien. Prontlik en
+Reintja kwamen bij mij om eene schuilplaats; toen ik daar later over
+nadacht, scheen het mij toe dat het kwaad voor mijne staat bedijen
+konde. Daarom hebben wij te zamen eene list verzonnen, die ons
+allen moest baten. Zie hier hoe wij te werk gegaan zijn. Midden in
+het Krijlwoud beoosten Liudwerd ligt onze vlied of weerburg, die men
+alleen langs doolpaden kan genaken. Op deze burgt had ik sints langen
+tijd jonge wachters gesteld, die alle een afschuw van Askar hadden en
+alle andere menschen daar vandaan hielden. Nu was het bij ons al zoo
+ver gekomen, dat vele vrouwen en ook mannen al praatten over spoken,
+witte wijven en kabouter mannekes even als de Denemarkers. Askar had al
+deze dwaasheden tot zijn voordeel aangewend, en dat wilden wij nu ook
+tot ons voordeel doen. Bij eene duistere nacht bragt ik de Maagden naar
+de burgt en daarna gingen zij met hare dienaressen langs de doolpaden
+spoken in witte kleederen gehuld, zoo dat er naderhand geen mensch
+meer durfde komen. Toen Askar meende dat hij de handen ruim had,
+liet hij de Magjaren onder allerlei namen door zijne staten reizen
+en behalve mijne staat werden zij nergens geweerd. Nadat Askar alzoo
+met de Jutten en de andere Denemarkers was verbonden gingen zij alle
+te zamen rooven; doch dat heeft geene goede vruchten gebaard. Zij
+brachten allerhande buitenlandsche schatten te huis. Maar juist
+daardoor wilden de jonge mannen geen ambacht leeren, noch op het
+veld arbeiden; zoodat hij ten laatste wel slaven nemen moest. Maar
+dat was geheel tegen Wraldas wil en tegen Fryas raad. Daarom konde de
+straf niet achterwege blijven. Zie hier hoe de straf gekomen is. Eens
+hadden zij te zamen eene geheele vloot gewonnen, deze kwam uit de
+Middellandsche zee. Deze vloot was geladen met purperen kleederen
+en andere kostbaarheden, die uit Phoenicie kwamen. Het zwakke volk
+der vloot werd bezuiden de Seine aan wal gezet, maar het sterke volk
+werd gehouden. Dat moest hun als slaven dienen. De schoonsten werden
+gehouden om op het land te blijven, en de leelijkste en zwartste werden
+aan boord gehouden om op de banken te roeijen. In het Fly werd de
+boedel gedeeld, maar zonder hun weten werd ook de straf gedeeld. Van
+de menschen, die op de buitenlandsche schepen gesteld waren, werden
+zes door buikpijn gedood. Men dacht dat het eten en drinken vergiftigd
+waren, daarom werd alles over boord gegooid. Doch de buikpijn bleef
+en allerwege, waar slaven of goederen kwamen, kwam ook de buikpijn
+binnen. De Saksmannen brachten ze over hunne marken; met de Jutten
+voer zij naar Schoonland en langs de kusten van de Baltische zee;
+met Askar zijne zeelieden voer zij naar Brittannia. Wij en die van
+Grenega lieten geene goederen noch menschen over onze landpalen komen,
+en daarom bleven wij van de buikpijn bevrijd. Hoevele menschen de
+buikpijn heeft weggeraapt, weet ik niet te schrijven, maar Prontlik
+die het naderhand van de andere Maagden hoorde heeft mij gemeld, dat
+Askar duizendmaal meer vrije menschen uit zijne staten geholpen heeft,
+als hij er vuile slaven in bracht. Toen de pest voor goed geweken
+was, kwamen de vrij geworden Twisklanders naar den Rijn, maar Askar
+wilde met de vorsten van dat vuile verbasterde volk niet op eene lijn
+staan. Hij wilde niet dulden dat zij zich Fryas kinderen zouden noemen,
+gelijk Reintja aangeboden had; maar hij vergat daarbij dat hij zelf
+zwart haar had. Onder de Twisklanders waren er twee volken, die zich
+zelve geen Twisklanders noemden. Het eene volk kwam heel ver uit het
+zuidoosten weg, ze noemden zich Allemannen. Dezen naam hadden zij zich
+gegeven, toen zij nog zonder vrouwen in de wouden als bannelingen
+omdwaalden. Later hebben zij van het Slavenvolk vrouwen geroofd,
+evenals de Lithauwers, maar zij hebben hun naam behouden. Het andere
+volk, dat meer in de nabijheid omdwaalde, noemde zich Franken, niet
+omdat zij vrij waren, maar Frank zoo had de eerste koning geheeten,
+die zich zelf met hulp van de ontaarde Maagden tot erflijk koning
+over zijn volk gemaakt had. De volken, die aan hem grensden, noemden
+zich Thioth-his zonen dat is volkszonen, zij waren vrije menschen
+gebleven, naardien zij nimmer een koning, noch vorst, noch meester
+erkennen wilden, als dengene die bij algemeene wil gekozen was op de
+algemeene vergadering. Askar had reeds van Reintja vernomen, dat de
+Twisklander vorsten meest altijd met elkander in vijandschap en veete
+waren. Nu stelde hij hun voor, dat zij één hertog van zijn volk zouden
+kiezen, omdat hij bang was, gelijk hij zeide, dat zij met elkander
+zouden twisten om het meesterschap. Ook zeide hij dat zijne vorsten
+met de Golen konden spreken. Dat zeide hij was ook de meening der
+Moeder. Toen kwamen de vorsten der Twisklanders bij elkander, en na
+driemalen zeven etmalen kozen zij Alrik tot hertog. Alrik was Askars
+neef, hij gaf hem tweehonderd Schotten en honderd van de grootste
+Saksmannen mede tot eene lijfwacht. De vorsten moesten driemaal zeven
+van hunne zonen naar Staveren zenden tot borg van hunne trouw. Tot nu
+toe was alles naar zijn wensch gegaan, maar toen men over den Rijn
+zoude varen, wilde de koning der Franken niet onder Alriks bevelen
+staan. Daardoor liep alles in de war. Askar, die meende, dat alles
+goed ging, landde met zijne schepen aan de overkant der Schelde, maar
+daar was men reeds van zijne komst ingelicht en op zijne hoede. Zij
+moesten even haastig vluchten als zij gekomen waren, en Askar werd
+zelf gevangen genomen. De Golen wisten niet, wien zij gevangen hadden,
+en zoo werd hij naderhand uitgewisseld voor een aanzienlijken Gole,
+dien Askars volk had medegevoerd. Terwijl dit alles gebeurde,
+liepen de Magyaren nog stoutmoediger over de landen onzer naburen
+heen. Bij Egmuda, waar te voren de burgt Forana gestaan had, lieten
+zij eene kerk bouwen nog grooter en rijker als Askar te Staveren gedaan
+had. Naderhand zeiden zij, dat Askar den strijd had verloren tegen de
+Golen, omdat het volk niet wilde gelooven, dat Wodan hen konde helpen,
+en dat zij hem daarom niet wilden aanbidden. Voorts gingen zij heen
+en schaakten jonge kinderen, die zij bij zich hielden en opvoedden in
+de geheimenissen van hunne verfoeijelijke leer. Waren er menschen, die
+
+
+
+
+
+
+
+ADELA.
+
+
+OKKE MIN SVN.
+
+
+Thissa boka mot i mith lif ånd sêle wârja. Se vmbifattath thju skêdnise
+fon vs êle folk âk fon vsa êthlum. Vrlêden jêr håb ik tham ut-er
+flod hred tolik mith thi ånd thinra moder. Tha hja wêron wet wrden;
+thêr thrvch gvngon hja åfternei vrdarva. Vmbe hja navt to vrlysa håb
+ik-ra vp wrlandisk pampyer wrskrêven. Sa hwersa thu se erve, mot hu
+se âk wrskryva. Thin bårn alsa til thju hja nimmerthe wêi navt ne kvma.
+
+Skrêven to Ljuwert. Nêi âtland svnken is [6] thåt thria thûsond
+fjvwer hvndred ånd njugon ånd fjvwertigoste jêr, thåt is nei kersten
+rêknong that tvelfhvndred sex ånd fiftigoste jêr. Hidde tobinomath
+oera Linda.--Wâk.
+
+
+
+Ljawa ervnôma. Vmb vsa ljawa êthlas wille ånd vmb vsa ljawa fridoms
+wille, thusand wâra sâ bidd-ik to jo. Och ljawa ne lêt tha âgon
+ênis pâpekappe tach nimmerthe over thissa skrifta ne wêja. Hja
+sprêkath swêta wirda: men hja tornath vnmårksêm an alles hwat fon
+vs fryas trefth. Vmbe rika prebende to winnande sâ hêlath hja mith
+tha poppa kêninggar. Thissa wêtath that wi hjara grâteste fianda
+send. thrvchdam wi hjara liuda to sprêke thvra vr frijdom, rjucht
+ånd forstne plicht. Thervmbe lêtath hja alles vrdiligja, hwat fon
+vsa êthlum kvmt ånd hwat thêr jeta rest fon vsa alda sêdum. Och ljawa
+ik håv by tham et hove wêst. Wil Wr.alda-t thjelda ånd willath wi vs
+navt sterik ne mâkja hja skilun vs algâdur vrdiligja.
+
+Skrêven to Ljudwerd. Acht hondred ånd thrju jèr nei kersten
+bigrip. Liko tonômath ovira Linda.
+
+
+
+
+
+THET BOK THÊRA ADELA FOLSTAR.
+
+
+Thrittich jêr åftere dêi that thju folksmoder wmbrocht was thrvch
+thêne vreste Mâgy [7] stand et er årg vm to. Alle stâta thêr-er lidsa
+anda ôre syde thêre Wrsara, wêron fon vs ofkêrth ånd vnder-et weld thes
+Magy kêmen, ånd-et stand to frêsane, that er weldig skolde wertha vr-et
+êlle lând. Vmbe thåt vnluk to wêrane hêde mån êne mêna âcht bilidsen,
+hwêr gâdurath wêron âllera månnelik, thêr ann-en gode hrop stande by
+tha fâmna. Tha nêi thât-er mâr vrlâpen wêron as thrjv etmelda, was al
+go-rêd anda tys ånd al-ên sa by hjara kvmste. Thâ to tha lesta frêge
+Adela thåt wird, ånde kêth. J alle wêt-et that ik thrjv jêr burchfâm
+wêsen sy. Ak wêt j that ik kêren sy to moder, ånd âk, that ik nên moder
+nêsa [8] navt nilde [9], thrvchdam ik Apol to min êngâ jêrde. Thach
+hwat j navt nête [10], thåt is, that ik alle bêrtnisa nêigvngen håw,
+êvin as ik en wrentlike folksmoder wêsen wêre. Ik håv al-an fon ånd
+witherfâren to sjande hwåt-er bêrde. Thêr thrvch send my fêlo sêka
+bâr wrden, thêr ôra navt nête. J håweth jester sêith, thåt vsa sibba
+an tha ôra syd thêre Wrsara njvt ånd lâf wêre. Thâ ik mêi sedsa to jv,
+thåt-er Mâgy se nên yne gâ of wnnen heth thrvch thåt weld synra wêpne,
+men blât thrvch årgelestige renka, ånd jeta mâr thrvch thåt gyrich
+sa thêra hyrtogum ånd thêra êthelinga. Frya heth sêit wi ne skoldon
+nên vnfrya ljvd by vs tolêta, thâ hwat håvon hja dên? hja håvon vsa
+fjand nêi folged: hwand an stêd fon hjara fensenum to dêiande, jeftha
+fry to lêtane, håvon hja Fryas rêd minacht ånd se to hjara slâfonum
+mâked. Thrvchdam hja sok dêdon, macht Frya navt longer wâka ovir hjam:
+hja håvon ynes ôtheris frydom binimen, ånd thåt is êrsêke, thåt hja
+hjara åjn vrlêren håwe. Thach thåt ella is jo selva âken. Men ik wil
+sedsa to jo, ho hja nêi grâdum sâ lêg vrsylth send. Thêra finnum hjara
+wiva krêjon bårn. Thissa waxton vppa mith vsa frya bårn. Altomet
+tvildon ånd joldon hja to samne vppa hêm, jeftha hja wêron mith
+ekkorum by thêre hêrd. Thêr hêrdon hja mith lustum nêi tha vrdwâlska
+finna sâgum, thrvchdam hja thjvd ånd nêi wêron. Sâ send hja vntfryast
+vnthônkes thene wald hjarar aldrum. As tha bårn grât wrdon ånd sagon
+thåt tha finna-ra bårn nên wêpne hantêra machte, ånd blât wårka moste,
+thâ krêjon hja anneth wårka en gryns ånd wrdon hårde hâchfârande. Tha
+bâsa ånd hjara storsta svnum krupton by tha lodderiga finna mangêrtum;
+ånd hjara åjne toghatera thrvch thåt vvle fârbild fon-a wêi brocht,
+lêton hjara selva bigorda thrvch tha skênesta finna knâpa, hjara vvle
+aldrum to spot. Tha thêne Magy thåt anda nôs kryg, tha nam-er tha
+skênesta sinar Finna ånd Magyara vrlovende râ ky mith golden horna, sa
+hja ra thrvch vs folk fata dêdon, åfterdam sina lêr vtbrêda. Men sin
+ljuda dêdon mâr: bern wrdon to sok makad, nei vpsalândum wêibrocht,
+ånd sâhwersa hja vpbrocht wêron an sina vvla lêr, thån wrdon hja to
+bek sendon. Thâ tha skinslâvona vsa tâl måchtich wêron, thâ klivadon
+hja tha hêrtoga ånd êthelinga an bord, ånd kêthon, hja moston thene
+Magy hêroch wertha, sa kvndon hjara svnum vpfolgja tham, oni [11]
+thrvch-et folk kêron to wrdane. Thêra thêr vmbe goda dêdum en fârdêl
+to-ra hus kryen hêde-vrlovadon hja fon sinant wêgum jeta-n åfter-dêl
+bij; hoka tham en fâr ånd åfter-dêl kryen hêde sêidon hja en rond-dêl
+to, ånd tham en rond-dêl hêde en êlle stât. Wêron tha êthla to hårde
+fryas, thâ wendon hja tha stêwen ånd hildon vppar vrbastera svnum
+an. Jesterdêi wêron-er mong [12] jo tham allet folk to hâpa hropa
+wilde vmb tha âstlike stâta wither to hjara plyga to tvangande. Thach
+nêi min ynfalda myning skolde thât falikant [13] utkvmma. Thånk ynes
+thêr was wêsen en hårde lvngsyakte among-eth fja, ånd thåt-er thêr
+jeta årg vvde, skolde j-eth thån wel wâgja vmbe jvw hêlena fja to
+fârande among hjara syaka fja? åmmer nâ. Sâhwersa allra månnelik nw
+biâma ånd bijechta mot, thåt-eth thêr mitha stapel årg of kvma skolde,
+hwa skolde thån alsa dryst wêsa vmbe sina bårn to wagande among en folk
+thåt êlle ånd al vrdêren is. Macht ik jo rêd jêva, ik skolde sedsa
+to jo, j moste bifara alle dingum jo en nêie folksmoder kyasa. Ik
+wêt wel thåt j thêrmitha anda brvd sitte, vt hawede thåt-er fon tha
+thredtine burchfâmna than wi jeta ower håve wel achte send thêr nêi
+thêre êra dinge, men thåt skold ik navt ne melda. Tüntja thêr fâm
+is et-er burch Mêdêasblik het er nåmmer nêi tâlth; tach is hja fol
+witskip ånd klarsyan, ånd wel sa hårde vppir folk ånd usa plyga stålth
+as all ôthera etsamne. Forth skold-ik rêda j moste nêi tha burgum gâ,
+ånd thêr vpskrywa alle êwa fryas tex, bijvnka alle skydnisa, jâ ella
+thåt er to finda sy vppa wâgum, til thju ella navt vrlêren ni gâ,
+ånd mitha burgum alsa vrdên navt ne werth. Thêr ståt askriwen: thiu
+moder ånd jahwelik burchfàm skil håva buta helpar ånd senda bodon,
+yn and twintich fâmna ånd sjugon lêrfâmkis. Macht ik thêr hwat to
+dvande, thâ skol-ik skrywa, ånd alsa fêlo êrsêma toghatera vmbe to
+lêrane, sa thêr vppa burgum wêsa müge; hwand ik seg an trowe ånd tid
+skil-eth jechta, sâhwersa j åfta Fryas bårn wille nåmmer to winnande,
+hor thrvch lesta ner thvch wêpne, sa hagath j to nvdande thåt jvwe
+toghatera åfta frya wiva wrde. Bårn mot mån lêre, ho grât vs lând êr
+wêsen sy, hokke grâte månniska vsa ethla wêron, ho grât wi jeta send,
+sa wi vs dål ledsath bij ôra, mån mot tâla hjam fon tha wicharda ånd
+fon hjara wichandlika dêdum, åk wra fâra sêtochta. Al thissa tållinga
+hagath dên to werthande bij thêre hêrd, vppa hêm ånd hwêr et wêsa mêi,
+sâ bij blyskip as bij târum. Men skil-et standfåst kvma an dat bryn
+ånd andåt hirta, thån moton alle lêringa overa wêra jvwera wiva ånd
+toghatera thêr-in strâma. Adelas rêd is vpfolgath.
+
+Thit send tha nâma thêra grêvetmanna, vnder hwam-mis wald thit bok
+awrochten is. Apol, Adelas man, Thria is-er sêkening wêsen, nw is-er
+grêvetman over Ast-flylând ånd ovir-a Linda-wrda. Tha bvrga Ljvdgârda,
+Lindahêm, ånd Stâvja send vnder sin hod.
+
+Ther Saxman Storo, Sytjas man, grêvetman ovir-a hâga fenna ånd
+walda. Njvgun wâra is-er to hêrtoga, thåt is to hyrman, kêren. Tha
+burga Bvda ånd Manna-gârda-forda send vnder sin hod.
+
+Abêlo, Jaltjas man, grêvetman ovir tha Sûdar Flylânda. Fjvwers is-er
+hyrman wêsen. Tha burga Aken, Ljvdburch ånd Kâtsburch send vnder
+sin hod.
+
+Enoch Dywek his man, grêvetman ovir West-flylând ånd Texland. Njvgun
+mel is-er to sêkening kêren. Thiu Wâraburch, Mêdêasblik, Forâna ånd
+ald Fryasburch send vnder sin hod.
+
+Foppa, man fon Dunrôs, grêvetman ovir tha Sjvgon êlânda. Fif mel
+is-er sêkening wêsen. Thju burch Walhallagâra is vnder sin hod.
+
+Thit stand vppa tha wâgum et Fryasburch to Texland askrywen, thåt
+stêt âk to Stâvia ånd to Mêdêas blik.
+
+Thåt was Frya his dêi ånd to thêre stonde was et vrlêden sjvgun wâra
+sjvgun jêr, thåt Fåsta was anståld as folksmoder nêi Fryas jêrta. Thju
+burch Mêdêasblik was rêd ånd en fâm was kêren. Nw skolde Fåsta thju
+nêja foddik vpstêka, ånd thâ thåt dên was an åjnwarda fon thåt folk,
+thâ hrop Frya fon hira wâkståre, sâ thåt allera månnalik thåt hêra
+machte: Fåsta nim thinra stifte ånd writ tha thinga thêr ik êr navt
+sedsa ne machte. Fåsta dêde alsa hja boden wårth. Sâ send wy Fryas
+bårn an vsa forma skêdnise kêmen.
+
+Thåt is vsa forma skêdnise.
+
+Wr.alda [14] tham allêna god ånd êvg is, mâkade t.anfang, dana kêm
+tid, tid wrochte alle thinga âk jrtha. Jrtha bârde alle gârsa, krûdon
+ånd boma, allet djara kwik ånd allet årge kwik. Alhwat god ånd djar
+is, brocht hju by dêgum ånd alhwat kwâd ånd årg is, brocht hju thes
+nachtis forth. Afteret twilifte jol-fêrste bârde hja thrja mangêrta.
+
+Lyda wårth ut glyande,
+
+Finda wårth ut hêta ånd
+
+Frya ut warme stof.
+
+Thâ hja blât kêmon spisde Wr.alda hjam mith sina âdama; til thju tha
+månneska an him skolde bvnden wêsa. Ring as hja rip wêron krêjon hja
+früchda ånd nochta anda drâma Wr.aldas. Od [15] trâd to-ra binna: ånd
+nw bârdon ek twilif svna ånd twilif togathera ek joltid twên. Thêrof
+send alle månneska kêmen.
+
+Lyda was swart, krolhêred alsa tha lômera: lik ståra blonken hjra ôgon;
+ja thes gyrfügels blikkar wêron vnmodich by hjras.
+
+Skårpe Lyda. Annen sanâka kvn hju kruppa hêra, ånd hwersa thêr fiska
+invr wêter wêre n-vntgong thåt hira nostera navt.
+
+Rådbvwde Lyda. En store bâm kvn hju bûgja ånd sahwersa hja run ne
+bråk nêne blomstâl vnder hjara fyt.
+
+Weldige Lyda. Hård was hjra steme ånd krêt hju ut grimme sâ run ek
+flux wêi.
+
+Wonderfvlle Lyda. Fon êwa nilde hju navt nêta: hjra dêda wrdon thrvch
+hjra tochta stjvrat. Vmbe tha têdra to helpâne, dâde hju tha stôra
+ånd hwersa hju-t dên hêde grâjde hju by-t lik.
+
+Arme Lyda. Hju wårth gris fon-t vnwisse bihjelda ånd vpp-it ende
+sturf hja fon hirtsêr vmbe tha bårn-ra kwâd.
+
+Vnwisa bårn. Hja tichtegadon ekkorum, fen måm-ra dâd, hja gråjadon
+lik wolva, fjvchtadon alsa ånd dahwile hja that dêdon êton tha fügelon
+thåt lik. Hwâ mêi sin târa hwither to haldane.
+
+Finda. Was gêl ånd hjr hêr sâ tha mâna êner hors: êne thrê ne kv hja
+navt ni bûgja; men hwêr Lyda annen lavwa macht to dêjande, thêr dâde
+hja wel tjån.
+
+Vrlêdalike Finda. Svet was hjra stemme ånd nannen fügel kvn sjonga
+lik hju. Hjra êgon lokton ånd lordon, men thêrer ansach wårth slâf.
+
+Vnrêdalika Finda. Hju skrêf thûsande êwa, tha hju ne folgde nên er
+fon vp. Hja vrfyade tha goda vmbe hjara frymod, thâ an slikmåmkes
+jêf hju hjr selva hast wêi.
+
+That was hir vnluk. Hjra hâved was to fvl: tha hjr hirte to ydel;
+hju ne minde nimmån sa hja selva ånd hju wilde thåt ek hja lyaf
+håwe skolde.
+
+Falske Finda. Hüning swet wêron hjra wirda, thâ hok tham hja trjvwade
+wêre vnluk nêi by.
+
+Selvsjochta Finda. Ovir ella wilde hju welda, ånd hjra svnum wêron
+lik hju; fon hjara susterum lêton hja ra thjanja ånd ekkorum slogon
+hja vmb-et mâsterskip dâd.
+
+Dubbelhirta Finda. Vmbe skotse wirda wårth hju yre, ånd tha årgste
+dêda ne rorde hja navt. Sach hju en nyndask en spinne vrslynna,
+thån wårth hju omm-et hirte sa ys; men sach hju hjra bårn en fryas
+vrmorde sâ swol hjra bosm fon nocht.
+
+Vnluke Finda. Hju sturf anda blomtid fon hjra lêva, ånd-t is jeta
+tjvester ho hju fallen sy.
+
+Skinhêliga bårn. Vnder kestlike stêna lêidon hja hjra lik dêl, mit
+kwabbjana skriftum smukton hja tham vppa, togrâjande vmbe hêrath to
+wårthande men an stilnise ne wênadon hja nênen ênge târ.
+
+Vrijfalik folk. Thi tex thêr Finda nêi lêt was in golden blêdar wryt:
+thach tha besta hwêr-far i mâkad was, wêr i nåmmer to not. Tha goda
+êwa wrdon utfâgad ånd selfv sjocht wryte thêr kwâda far in.
+
+O Finda. Tha wårth jrtha fvl blod, ånd tha hâveda thêr månneska
+måjadon thin bårn lik gårs hålma of. Ja Finda thåt send tha früchda
+thinera ydlenise. Sjan dål fon thinre wâkstår ånd wên.
+
+Frya. Was wit lik snêi bij-t môrnerâd ånd thåt blâw hjrar ôgnum wn-et
+jeta thêre rêinbôge of.
+
+Skêne Frya. Lik strêlon thêre middêi svnne blikadon hjra hêron,
+thêr sa fin wêron as rach.
+
+Abela Frya. Vntlvkton hjra wêra, thån swêgon tha fügelon ånd ne rordon
+tha blêdar navt mar.
+
+Weldige Frya. Thrvch thêne kråft hjrar blikkar strêk thene lâwa to
+fara hjara fyt dål ånd held thene addur sin gif tobåk.
+
+Rêne Frya. Hjra yta was hüning ånd hjra drank was dâwa, gâdvrad anda
+bôsma thêra blommur.
+
+Lichte Frya. Thåt forma hwat hju hjra bårn lêrde was selv-twang, thåt
+ôthera was lyafte to düged, ånd thâ hja jêroch wrdon, thâ lêrde hju
+hjam thju wêrtha fon tha frijdom kånna: hwand sêide hju svnder frijdom
+send alle ôthera dügedon allêna god vmbe jo to slâvona to mâkjande,
+jvwe ofkvmste to êvge skantha.
+
+Milde Frya. Nåmmer lyt hju mêtal ut jrtha dålva vmb åjnbât, men
+sâhwersa hja-t dêde wêr-et to jahwelikis not.
+
+Lukigoste Frya. Alsa tha ståra om jrtha omswyrmia swirmadon hjara
+bårn om hja.
+
+Wise Frya. Thâ hju hjra bårn vpbrocht hêde alto thêre sjugonde kny,
+thâ hrop hju-ra alle a Flylând to såmne. Thêr jêf se hjam hjra tex,
+ånd sêide, lêt tham jvwe wêiwisar wêsa, thâ ne skil thåt jo nâ navt
+kwalik ni gâ.
+
+Utforkêrena Frya. Thâ hju-t sêid hêde, bêvade jrtha lîk Wr.aldas sê,
+Flylândis bodem svnk an grâda vnder hjara fyt dål. Thju loft wârt swart
+ånd nylof [16] fon târa to stirtane ånd thâ hja nêi moder omsâgon,
+was hju al lang vppira wâkstår. Thâ to tha lesta språk tongar ut-a
+wolka ånd blixen schrêf an thåt loftrvm, wâk.
+
+Farsjanda Frya. Thåt lând fon hwêr hju was vpfaren was nw en strâm ånd
+buta hira tex was thêr in ella bidvlwen hwat fon hjra hôndum kêmen was.
+
+Hêriga bårn. Thâ hja to-ra selva wêron, thâ mâkadon hja thit hâge
+therp, bvwadon thâs burch thêrvppa, anda wågrum thessa wryton hja
+thene tex, ånd vmbe that allera mannalik hja skolde müga finda,
+håvath hja thåt lând rondomme Texlând hêten. Thêrvmbe skil-åt bilywa
+al wenne jrtha jrtha sy.
+
+
+
+
+
+TEX FRYAS.
+
+
+Held bêid tha Frya, to tha lesta skilun hja my hwiter sja. Thach thêra
+allêna mêi ik as fry kånna thêr nên slâf is fon ên ôther ni fon sine
+tochta. Hyr is min rêd.
+
+Sâhwersa thju nêd årg sy ånd gode rêd ånd gode dêd nawet mâr ne
+formüge, hrop thån thi gâst Wr.aldas an, men j ne mot-im navt anhropa
+bifâra alle thinga prvvath send. Tha ik segs to jo mith rêdene ånd
+tid skil-et wâra, tha modelâsa skilun åmmar swika vnder hjar åjn lêd.
+
+2. Wr.aldas gâst mêi mån allêna knibuwgjande thânk to wya, jâ thrju
+wâra far hwat jv fon him noten håve, far hwat jv nith, ånd fara hâpe
+thêr hy jo lêt an ånga tida.
+
+3. J håwed sjan ho ring ik helpe lênde, dva al ên mith jo nêston,
+men ne tof navt til mån jo bêden heth, tha lydande skolde jo floka,
+min fâmna skoldon jvwa nâma utfaga ut-åt bok ånd ik skolde jo lik
+vnbikånnade ofwisa mota.
+
+4. Nim nåmmar knibuwgjande tânk fon jv nêston an, thjus âgath Wr.aldas
+gâst. Nid skolde j bikrjupa, wisdom solde j bilâka ånd min fâmna
+skoldon jo bityga fon fâderrâv.
+
+5. Fjuwer thinga send to jvwe not jêven, mith nâma, loft, wêter, lând
+ånd fjur. Men Wr.alda wil thêr allêna bisittar of wêsa. Thêrvmbe rêd
+ik jo, j skilun jo rjuchtfêrdiga manna kyasa, tham thju arbêd ånd tha
+früchda nêi rjuchta dêla, sâ that nåmman fry fon wârka ni fon wêra sy.
+
+6. Sâhwersa thêr åmman among jo fvnden wårth, thêr sin åjn frydom
+vrsellath, tham-n is navt fon jvw folk: hi is en horning mith basterd
+blod. Ik rêde jo that j him ånd sin måm to thåt lând utdriva, sêgs
+that to jvwa bårn, thes mornes, thes middêis ånd thes êwendes, til
+thju hja thêrof drâme thes nachtis.
+
+7. Allera månnalik thêr en ôther fon sine frydom birâwath, al wêre
+thêne ôre him skeldech, mot ik anda bårntâm êner slâfinne fâra
+lêta. Thach ik rêde jo vmbe sin lik ånd that sinera måm vpp êne kåle
+stêd to vrbarnande, åfternêi hjara aske fiftich fyt anda grvnd to
+dålvane, til hju thêr nênen gårshålm vp waxa ni mêi, hwand aldulkera
+gårs skolde jvw diaroste kvik dêja.
+
+8. Ne grip nâ thåt folk fon Lyda ner fon Finda an. Wr.alda skolde
+helpa hjam, sa that-åt weld that fon jo utgong vppa jvwa åjne hâveda
+skolde witherkvma.
+
+9. Sâhwersa thåt machte bêra that hja fon juwe rêd jefta awet owers
+wilde, alsa aghat j to helpane hjam. Men kvmath hja to râwande;
+fal than vppa tham nither lik blixenande fjvr.
+
+10. Sâhwersa annen fon hjam êner jvwer toghaterum to wif gêrth ånd
+hju that wil, thån skolun j hja hjra dvmhêd bitjvtha; thach wil hju
+toch hjra frêjar folgja, that hja than mith frêtho gâ.
+
+11. Willath jvw svna fon hjara toghaterum, sâ mot j alsa dva as mith
+jvwa toghaterum. Thach hor tha êna nor tha ôthera mêi witherkvma;
+hwand hja skoldvn uthêmeda sêda ånd plêga mith fara; ånd drêi thessa
+by jo heldgad wrde, mêi ik navt longer ovir jo wâka.
+
+12. Vppa minre fâm Fåsta håv ik min hâp fåstegth, thêrvmbe most j hja
+to êremoder nêma, Folgath j min rêd, thån skil hju nêmels min fâm
+bilywa ånd alla frâna fâmna thêr hja folgja; thån skil thju foddik
+nåmer utgâ thêr ik far jo vpstoken håv. Thåt ljucht thêra skil thån
+êvg jvwe bryn vpklarja, ånd j skilun thån êvin fry bilyva fon vnfrya
+weld as jvwa swite rinstrâma fon thåt salte wêter thêr åndelâse sê.
+
+
+
+
+
+THET HET FASTA SÊID.
+
+
+Alle setma thêr en êw, thåt is hvndred jêr, omhlâpa müge mith tha
+krodar ånd sin jol, thêra mügon vppa rêd thêre moder, ånd by mêna
+willa vppa wêgar thêra burgum writ hwertha; send hja uppa wêgar writ,
+thân send hja êwa, ånd thåt is vsa plicht vmbe altham an êra to
+haldande. Kvmth nêd ånd tvang vs setma to jêvane, stridande wither
+vsa êwa ånd plêgum, sâ mot månneska dva alsa hja askja; thach send
+hja wêken, thån mot mån åmmer to thåt alda witherkêra. Thåt is Fryas
+willa, ånd thåt mot wêsa tham fon al hjra bårn.
+
+
+
+
+
+FASTA SÊIDE.
+
+
+Alle thinga, thêr mån anfangja wil, hoka thåt-åt môga wêsa, vppa tha
+dêi, thêr wy Frya heldgad håwa, tham skilun êvg falykant utkvma:
+nêidam tid nw biwysd heth thåt hju riucht hêde, sâ is thåt en êwa
+wrdon, thåt mån svnder nêd ånd tvang a Frya hjra dêi nawet owers ni
+dva ne mêi, tha blyda fêrsta fyrja.
+
+
+
+
+
+THAT SEND THA ÊWA THÊR TO THÊRA BURGUM HÊRA.
+
+
+1. Sâhwersa thêr årne êne burch bvwet is, sâ mot thju foddik thêra an
+tha forma foddik et Texlând vpstêken wrda. Thach thåt ne mêi nåmmer
+owers as troch tha moder skên.
+
+2. Ek moder skil hjra åjn fâmna kjasa; alsa thêra thêr vppa thêra
+ôthera burgum as moder send.
+
+3. Thju moder to Texlând mêi hjra folgster kjasa, thach sâhwersa hju
+falth êr hju-t dên heth, sa mot thas kêren hwertha vppa êna mêna acht,
+by rêdum fon alle stata et sêmne.
+
+4. Thju moder to Texlând mêi ên ånd tvintich fâmna ånd sjvgun spille
+mangêrta håva, til thju thêr åmmer sjvgun by thêre foddik muge wâkja
+dêilikes ånd thes nachtes. By tha fâmna thêr vppa ora burgum as moder
+thjanja alsa fêlo.
+
+5. Sâhwersa en fâm annen gâda wil, sa mot hju-t thêre moder melda,
+ånd bistonda to tha månniska kêra, êr hju mith hjra tochtige âdama
+thåt ljucht bivvlath.
+
+6. Thju moder ånd alrek burchfâm skil mån tofogjande ên ånd tvintich
+burchhêran, sjvgun alda wisa, sjvgun alda kåmpar, ånd sjvgun alda
+sêkåmper.
+
+7. Ther fon skilun alle jêron to honk kêra thrim fon elik sjvgun,
+thach hja ne mügon navt vpfolgath ne wertha thrvch hjara sibtal nêjar
+sa tha fjarda kny.
+
+8. Aider mêi thrê hvndred jonga burchwêrar håva.
+
+9. Far thissa thjanesta skilun hja lêra Fryas tex ånd tha êwa, fon
+tha wisa mannon thêne wisdom, fon tha alda hêrmannon thene kunst fon
+tha orloch ånd fond tha sêkeningar thene kunsta thêr bi thåt butafâra
+nêthlik send.
+
+10. Fon thissa wêrar skilun jêrlikes hvndred to bek kêra. Thach send
+thêr svme vrlåmth wrden, sa mügon hja vpper burch bilywa hjara êlle
+lêva long.
+
+11. By thåt kjasa fon tha wêrar ne mêi nimmen fon thêra burch nên
+stem navt ne håva, ni tha grêvetmanna jefta ôthera hâveda, mån thåt
+blåta folk allêna.
+
+12. Thju moder et Texlând skil mån jêva thrja sjvgun flinka bodon mith
+thrja twilif rappa horsa. Vppa ora burgum ek burchfâm thrê bodon mith
+sjvgun horsa.
+
+13. Ak skil åjder burchfâm håva fiftich bvwara thrvch thåt folk
+akêren. Men thêrto mêi mån allêna jêva sokka, thêr navt abel ånd
+stora for wêra ner to butafârar send.
+
+14. Ajder burch mot hiri selva bidruppa ånd genêra fon hjra åjn
+ronddêl ånd fon thåt dêl that hju fon thåt mårkjeld bürth.
+
+15. Is thêr åmman kêren vmbe vppa burgum to thjanjande ånd nil-er navt,
+thån ne mêi-er na nên burchhêr wertha, ånd dus nên stem navt ni håva,
+is er al burchhêr sa skil hi thju êr vrljasa.
+
+16. Sâhwersa åmman rêd gêrt fon thêre moder, tha fon êne burchfâm,
+sa mot hi him selva melde by tha skrivwer. Thesse brångth-im by
+tha burchmâster.
+
+Forth mot-i nêi tha lêtsa, thåt is thêne hêlener. Thêr mot sja jef er
+âk bisêken is fon kvada tochtum. Is-er god sêid, tha vndvath hi him
+selva fon sinum wêpna, ånd sjvgun wêrar brångath him by thêre moder.
+
+17. Is thju sêk vr êne stâte sa ne mügon thêr navt miner thån thrê
+bodon kvma: is-t vr-t êlla Fryaslând, thån moton thêr jeta sjvgun
+tjuga bywêsa. Thêrumbe thåt er nên kva formvda navt risa ne mêi nor
+skalkhêd dên ne wrde.
+
+18. By alle sêkum mot tha moder walda ånd njvda thåt hjra bårn,
+thåt is Fryas folk, sâ mêt-rik bilywa as thåt wêsa mêi. Thåt is thi
+grâtesta hjrar plichta, ånd vs alra vmb-er thêr an to hêlpande.
+
+19. Håt mån hja by êne rjuchtlika sêke anhropen vmb-er utsprêk twisk
+annen grêvetman ånd tha mênte, ånd findath hju thju sêke tvivelik,
+sâ mot hju to bâte fon thêr mênte sprêka til thju thêr frêtho kvma,
+ånd thrvchtham thåt bêtre sy that ên man vnrjucht dên wrde thån fêlo.
+
+20. Kvmth hwa vmb rêd ånd wêt thju moder rêd, sa âch hju tham bystonda
+to jêvane, wêt hju bystonda nên rêd, sâ mêi hju wachtja lêta sjvgun
+dêgum. Wêt hju thån nach nên rêd, sa mügon hja hinne brûda, ånd hja
+mügon hjra selva navt biklagja, til thju nên rêd bêtre is thån kva rêd.
+
+21. Heth en moder årge rêd jêven ut kvada willa, sâ mot mân hja dêja
+jefta ut of lândum dryva stoknaken ånd blât.
+
+22. Send hjra burchhêra mêdeplichtich, thån dvath mån alsa mith tham.
+
+23. Is hjra skild tvivelik jefta blât formoda, sâ mot mån thêr-vr
+thingja ånd sprêka, is-t nêdich, ên ånd twintich wyka long. Stemth tha
+halfdêl skildich, sâ halde mån hja vr vnskildich, twêde sâ wacht mån
+jeta en fvl jêr. Stemth mån thån alsa, sâ mêi mån hja skildich halda,
+tha navt ni dêja.
+
+24. Sâhwersa svme among thåt thrimna send tham hja alsa sêr vnskildich
+mêne that hja hja folgja wille, sâ mügon hja thåt dva mith al hjara
+driwande ånd tilbara hâva ånd nåmman acht hjam thêr ovir min to
+achtiane, til thju thåt mâra dêl alsa blyd kån dwâla sa thåt minra del.
+
+
+
+
+
+MÊNA ÊWA.
+
+
+1. Alle frya bårn send a êlike wysa bårn. Thêrvmbe moton hja âk êlika
+rjuchte håva, alsa blyd vpp-åt lând as vpp-åth ê, thåt is wêter ånd
+vp ella thåt Wr.alda jefth.
+
+2. Allera mannalik mêi-t wif sinra kêsa frêja ånd ek toghater mêi
+efter hjra helddrvnk bjada thêr hju minth.
+
+3. Heth hwa en wif nimth, sâ jêft mån hjam hus ånd wårv. N-is thêr nên,
+sa mot-Ã¥t bvwat wrde.
+
+4. Is-er nêi en ôther thorp gongon vmb en wif ånd wil hi thêr bilywa,
+sâ mot mån him thêr en hus en wårf jêwa bijonka thåt not fon tha
+hêmrik.
+
+5. Allera mannalik mot mån en åfterdêl as wårf by sina hus jêva. Tha
+nimman ne mêi en fardêl by sin hus nåva, fül min en ronddêl. Allêna ief
+hwa en dâd dên heth to mêna nitha, sâ mêi him thåt jêven wrde. Ak mêi
+sin jongste svn that erva. After tham mot thåt thorp that wither nima.
+
+6. Ek thorp skil en hêmrik håva nêi sina bihof ånd thêne grêva skil
+njvda that alra ek sin dêl bidongth ånd god hald, til thju tha åfter
+kvmmande nên skåde navt ne lyda ne muge.
+
+7. Ek thorp mêi en mårk hava to kâp ånd to vrkâp iefta to
+wandelja. Alle-t ôra lând skil bvw ånd wald bilyva. Thâ tha bâma thêra
+ne mêi nimman navt fålla, buta mêna rêda ånd buta wêta thes waldgrêva,
+hwand tha walda send to mêna nitha. Thêrvmbe ne mêi nimman thêr måster
+of sa.
+
+8. As mårkjeld ne mêi thåt thorp navt mâr ni nimma sa tha tillifte
+dêl fon tha skat, hor fon tha inhêmar ner fon tha fêrhêmande. Ak ne
+mêi tha mårk skat navt êr vrsellath [17] ne wertha as thåt ôra god.
+
+9. Alle-t mårkjeld mot jêrlikes dêlath wrde, thrja dêgan far thêre
+joldêi, an hvndred dêlun to dêlande.
+
+10. Thi grêvetman mit sinum grêvum skil thêr of büra twintich dêla;
+thêne mårk rjuchter tian dêla, ånd sinum helpar, fif dêla; thju
+folkesmoder ên dêl; thju gâ moder fjvwer dêla; thåt thorp tian dêla;
+tha årma, thåt is thêra tham navt wårka ni kunna ni müge, fiftich dêla.
+
+11. Thêra, tham to mårka kvma, ne mügon navt ni wokeria, kvmath thêr
+svm, sa is-t thêra famna plicht hjam kånbêr to makjana in-vr thåt êlle
+lând, til thju hja nimmerthe kêren navt wrde to eng ampt, hwand soka
+håvath en gyra-lik hirte, vmbe skåt to garja skolde hja ella vrrêda,
+thåt folk, thjv moder, hjara sibben ånd tho tha lesta hjara selva.
+
+12. Is thêr åmman alsa årg that-er sjvcht-siak fja jeftha vrdêren
+wêr vrsellath vr hêl god, sa mot thene mårk-rjuchtar him wêra ånd
+tha famna him noma invr-et êlle lând.
+
+In êra tyda hêmadon Findas folk mêst algadur invr hjara moders
+bårta-lând, mit nôma ald-lând that nw vnder-ne sê lêith; hja wêron
+thus fêr-of, thêrvmbe nêdon wi âk nên orloch, tha hja vrdrêven send
+ånd hêinda kêmon to râwane, thâ kêm-er fon selva lândwêr hêrmanna
+kêninggar ånd orloch, vr altham kêmon setma ånd uta setma kêmon êwa.
+
+
+
+
+
+HYR FOLGATH THA ÊWA THÊR THÊRUT TAVLIKT SEND.
+
+
+1. Ek Fryas mot-a lêtha jeftha fyanda wêra mith aldulkera wåpne as-er
+forsinna, bikvma ånd hândtêra mêi.
+
+2. Is en boi twilif jer, sa mot-i tha sjvgunde dêi miste fon sin
+lêr-tid vmbe rêd to werthande mith-a wåpne.
+
+3. Is hi bikvmen, sa jêve mån him wåpne ånd hi warth to wêrar slâgen.
+
+4. Is hi thrê jêr wêrar, sâ wårth-i burch-hêr ånd mêi hi hêlpa sin
+hâwed-manna to kjasane.
+
+5. Is hwa sjvgun jêr kjasar, sâ mêi hi hêlpa en hêrman jeftha kêning
+to kjasane, thêr to âk kêren wrde.
+
+6. Alle jêr mot-er ovir kêren wertha.
+
+7. Buta tha kêning mügon alle ambtmanna wither kêren wertha, tham
+rjucht dva ånd nêi fryas rêd.
+
+8. Annen kêning ne mêi navt ni lônger as thrê jêr kêning bilywa,
+til thju hi navt biklywa ne mêi.
+
+9. Heth-i sjvgun jêr rest, sâ mêi hi wither kêren wertha.
+
+10. Is thi kêning thruch thene fyand fallen, sâ mügon sina sibba âk
+nêi thêre êre thinga.
+
+11. Is-er vppa sin tid ofgvngen jeftha binna sin tid sturven, sâ ne
+mêi nên sibba him vpfolgja, thêr-im nêiar sy sa tha fjarde kny.
+
+12. Thêra tham strida mitha wåpne an hjara handa ne kunnath navt
+forsinna ånd wis bilywa, thêrvmbe ne focht-eth nêne kêning wåpne to
+hantêra an tha strid. Sin wisdom mot sin wåpen wêsa ånd thju ljafte
+siura kåmpona mot sin skyld wêsa.
+
+
+
+
+
+HYR SEND THA RJUCHTA THÊRE MODER AND THÊRA KÊNINGGAR.
+
+
+1. Sahwersa orloch kumth, send tha moder hira bodon nêi tha kêning,
+thi kêning send bodon nêi tha grêvetmanna vmbe lând-wêr.
+
+2. Tha grêvetmanna hropath alle burch-hêra et sêmne ånd birêdath ho
+fêlo manna hja skilun stjura.
+
+3. Alle bisluta thêra moton ring nêi thêre moder senden wertha mith
+bodon ånd tjugum.
+
+4. Thju moder lêth alle bisluta gaderja ånd jêfth et guldnetal,
+thåt is thåt middeltal fon alle bisluta etsêmne, thêrmitha mot mån
+far thåt forma frêto ha ånd thene kening alsa.
+
+5. Is thju wêra a kåmp, thån hoft thi kêning allêna mith sinum
+havedmanna to rêda, thach thêr moton åmmerthe thrê burch-hêra fon thêre
+moder fôrana sitta svnder stem. Thissa burch-hêra moton dêjalikis
+bodon nêi thêre moder senda, til thju hju wêta müge jef thêr awet
+dên wârth, stridande with-a êwa jeftha with Fryas rêdjevinga.
+
+6. Wil thi kêning dva ånd sina rêda navt, sâ mêi hi thåt navt
+vnderstonda.
+
+7. Kvmth-ene fyand vnwarlinga, thån mot mån dva sa thene kêning bith.
+
+8. Nis thene kêning navt vppet pat, sâ mot mån sin folgar hêrich wêsa
+of tham-is folgar alont tha lesta.
+
+9. Nis thêr nên havedman, sâ kjase mån hwa.
+
+10. Nis thêr nên tid, sâ wårpa hi him to havedman thêrim weldich
+fêleth.
+
+11. Heth thene kêning en frêsalik folk ofslagen, sâ mügon sina after
+kvmande sin nâma åfter hjara åjne fora; wil thene kêning, sâ mêi-er
+vppen vnbibvwade stêd en plåk utkjasa to hus ånd erv. Thåt erv mêi
+en rond-dêl wêsa sa grât thåt hi fon alle sidum sjvgun hvndred trêdun
+ut of sine hus mêi hlapa, êr hi an sina rêna kvmth.
+
+12. Sin jongste svn mêi thåt god erva, åfte tham thamis jongste,
+thån skil mån that wither nimma.
+
+
+
+
+
+HYR SEND THA RJUCHTA ALLER FRYAS VMBE SÊKUR TO WÊSANDE.
+
+
+1. Sahwersa thêr êwa vrwrocht wrde jefta nêja setma tavlikt, alsa
+mot-et to mêna nitha skên, men nåmmer to bâta fon enkeldera månniska,
+her fon enkeldera slachta, ner fon enkeldera stâta, nach fon awet
+that enkel sy.
+
+2. Sahwersa orloch kvmt ånd thêr wrde husa homljat jeftha skêpa,
+hok that et sy, sy-et thrvch thene fyand, tha by mêna rêdum, sâ ach
+tha mêna mênta, thåt is al-et folk to sêmne that wither to hêlene;
+thêr vmbe that nåmman tha mêna sêka skil helpa vrljasa vmbe sin åjn
+god to bihaldane.
+
+3. Is orloch vrthêjan, ånd send thêr svm, alsa vrdêren that hja navt
+longer wårka ne mügon, sâ mot tha mêna mênte hjam vnderhalda, by tha
+fêrstum achon hja forana to sittana, til thju tha jüged skil êra hjam.
+
+4. Send thêr wêdvon ånd wêson kêmon, sâ mot mån hja âk vnderhalda
+ånd tha svna mügon thi nâma hjarar tâta vpp-ira skildum writa hjara
+slachtha to êrane.
+
+5. Send thêr svm thrvch thene fyand fat ånd kvmath hja to båk, sâ
+mot mån hjam fêr fon thåt kåmp of fora, hwand hja machton fry lêten
+wêsa by arge loftum ånd than ne mügon hja hjara lofta navt ni halda
+ånd toch êrlik bilywa.
+
+6. Jef wi selwa fyanda fâta, sâ brånge mon tham djap anda landa wêi,
+mån lêrth hja vsa frya sêde.
+
+7. Lêt mån hja åfternêi hlâpa, sâ lêt mån thåt mith welhêd thrvch tha
+fâmna dva, til thju wi âtha ånd frjunda winna fori lêtha ånd fyandun.
+
+
+
+
+
+UT MINNOS SKRIFTUN.
+
+
+Sahwersa thêr ênman is thêrmêta årg that hi vsa swetsar birawath,
+morth-dedun dvat, husa barnth, mangêrtha skånth, hok thåt-et sy,
+thåt årg sy, ånd vsa swetnata willon thåt wroken håva, sâ is thåt
+rjucht thåt mån thene dêder fâtath ånd an hjara åjn-warda dêjath,
+til thju thêr vr nên orloch ne kvme, wêrthrvch tha vnskêldiga skolde
+bota fori tha skêldiga. Willath hja him sin lif bihalda lêta ând
+thju wrêka ofkâpja lêta, sâ mêi mån thåt dâja. Thach is then bona en
+kêning, grêvetman, grêva hwa thåt-et sy, tham ovira sêda mot wâka,
+sâ moton wi thåt kwad bêterja men ta bona mot sin straf hâ.
+
+Forth hi en êrenâma vppa sine skeld fon sina êthelun, sâ ne mügon
+sina sibba thi nâma navt lônger ne fora. Thêrvmbe thåt hi êne sibba
+svrg skil håva ovira sêda thêra ôthera.
+
+
+
+
+
+ÊWA FARA STJURAR [18]. STJURAR IS THI ÈRENOMA THÊRA BUTAFARAR.
+
+
+Alle fryas svna håva lika rjuchta, thêrvmb mügon âlle flinka knâpa
+hjara self as butafârar melda by tha ôldermôn ånd thisse ne mêi him
+nit ofwisa, wara thåt er nên sted is.
+
+2. Tha stjurar mügon hjara åjn måstrun noma.
+
+3. Tha kâpljvd moton kêren ånd binomath wertha thrvch tha mênte
+thêr-et god hêreth ånd tha stjurar ne mügon thêr by nên stem håva.
+
+4. Jef mån vppe rêis bifinth thåt thene kêning årg jefta vnbikvmmen
+is, sâ mügon hja en ôra nimma; kvmon hja to båk, sâ mêi thene kêning
+him self biklagja by tha ôldermôn.
+
+5. Kvmth thêr flâte to honk ånd sin thêr bâta, sâ moton tha stjurar
+thêr of en thrimene håva, althus to dêlande, thi witkêning twilf môn-is
+dêla, thi skolt by nacht sjugun dêla, tha bôtmônna ek twa dêla, thi
+skiprun ek thrê dêla, that ôra skip-is folk ek ên dêl. Tha jongste
+prentar ek en thrimnath, tha midlosta ek en half-dêl ånd tha ôldesta
+ek en twêdnath.
+
+6. Sin thêr svme vrlameth, sâ mot-a mêna mênte njvda far hjara lif,
+âk moton hja fôrana sitta by tha mêna fêrsta, by huslika fêrsta,
+jâ by alle fêrsta.
+
+7. Sin thêr vppa tocht vmkume, sâ moton hjara nêstun hjara dêl erva.
+
+8. Sin thêr wêdven ånd wêson fon kvmen, sâ mot thju mênte hja
+vnderhalda; sin hja an ênre kase felth, sa mügon tha svna thi nôma
+hjarar tâta vppira skeldun fora.
+
+9. Sin thêr prentara [19] forfaren, sa moton sina erva en êl mannis
+dêl håva.
+
+10. Was hi forsêith, sâ mêi sin brud sjugun mannis dêlun aska vmbe
+hira fryadulf en stên to to wjande, mar thån mot hja for tha êre
+wêdve bilyva lêva lông.
+
+11. Sahwersa en mênte en flåte to rêth, moton tha rêdar njvda fâra
+beste liftochtun ånd fâr wif ånd bårn.
+
+12. Jef en stjurar of ånd årm is, ånd hi heth hus nach erv, sâ mot
+im that jon wertha. Nil hy nên hus nach erv, sa mügon sin friundun
+hem tus nêma ånd thju mênte mot et bêtera nêi sina ståt, wara thåt
+sin friunda thene bâta wêigerja
+
+
+
+
+
+NETLIKA SÊKA UT-A NÊILÊTNE SKRIFTUM MINNOS.
+
+
+Minno [20] was en alde sêkêning, sjaner ånd wisgyrich. An tha
+Krêtar heth-i êwa jêven. Hi is bårn an tha Lindawrda, ånd nêi al sin
+witherfâra heth hi thåt luk noten umbe to Lindahêm to sterva.
+
+Sahwersa vsa swethnata en dêl lând håve jeftha wêtir, that vs god
+tolikt, sa focht-et vs vmbe that a kâp to frêja, nillath hja thåt navt
+ne dva, than mot mån hja that bihalda lêta. That is nêi Frya-his tex
+ånd-et skolde vnrjucht wêsa to vnthandana that.
+
+Sahwersa thêr swethnata et sêmna kyva ånd sana vr enga sêka, tha
+vr lând, ånd hja vs frêja en ordêl to sprêka, sa ach man thåt rêder
+åfterwêja to lêtane, tach sa man thêr navt buta ne kan, sa mot man
+thåt êrlik ånd rjuchtfêrdich dva.
+
+Kvmth thêr hwa ånd sêith, ik håv orloch, nw most-v mi helpa; jeftha en
+ôra kvmth ånd sêith, min svn is vnjêrich ånd vnbikvmmen, ånd ik bin
+ald, nw wild-ik thi to wâranstew ovir hini ånd ovir min lând stålla,
+til hi jêrich sy, sa ach man that wêigarja, til thju wi nawt an twist
+ne kvme ne müge vr sêka stridande with vsa frya sêdum.
+
+Sahwersa thêr kvmth en vrlandisk kapman vppa tolêtmårk et Wyringga
+tha to Almanland ånd hi bidroght, sa warth-er bistonda mårk-bêten ånd
+kanbêr mâkad trvch tha fâmna invr et êle land. Kvmth-er thån to båk, sa
+ne skil nimman kâpja fon him, hy mêi hinne brûda sa-r kvmen is. Thus,
+sahwersa-r kâpljud kêren wrde vmbe wr-a merka to gâ, jeftha mith-e
+flât to fârane, sa ach man allêna aldulkera to kjasane tham mån tyge
+by tyge kånth ånd an en goda hrop stâne by tha fâmna. Bêrth-et navt
+to min that-er en årg man mông sy, tham tha ljud bitrogha wil, sa
+agon tha ora thåt to wêrane. Het-i-t-al dên sa mot mån thåt bêterja,
+ånd thene misdêdar ut of lândum banna, til thju vsa nâma vral mith
+êrane skil wertha binomath.
+
+Men jef wir vs vppen vrlandiska mårkt finda, sy-et hêinde jeftha fêr,
+ånd bêrth-et thåt-et folk vs lêt dvath jeftha bistêlleth, sâ agon wy
+mith haste hêi to to slâna, hwand afskên wy êlla agon to dvande vmbe
+frêtho willa, vsa halfbrothar ne mügon vs nimmer minachtja nach wâna
+that wi ange send.
+
+In min jüged håv ik wel ênis mort overa bånda thêra êwa, åfter håv ik
+Frya often tanked vr hjra tex, ånd vsa êthla vr tha êwa thêr thêrnêi
+tavlikt send.
+
+Wr.alda jeftha Alfoder heth mi fêlo jêren jêven, invr fêlo landa ånd
+sêa håv ik omme fâren ånd nêi al hwa ik sjan hå, bin ik vrtjûgad that
+wi allêna trvch Alfoder utforkêren send, êwa to håvande. Lydas folk
+ne mêi nên êwa to mâkjande ni to hâldande, hja send to dvm ånd wild
+thêrto. Fêlo slachta Findas send snôd enoch, men hja send gyrich,
+hâchfârande, falsk, vnkûs ånd mortsjochtich. Poga blêsath hjara selva
+vppa, ånd hja ne mügath nawet than krupa. Forska hropath wårk, wårk,
+ånd hja ne dvath nawet as hippa ånd kluchtmâkja. Tha roka hropath
+spâr, spâr, men hja stêlon ånd vrslynath al wat vnder hjara snavela
+kvmath. Lik al tham is thåt Findas folk, hja bogath immer ovir goda
+êwa; ek wil setma mâkja vmb-et kwâd to wêrane, men selva nil nimman
+theran bonden wêsa. Thêra hwam-his gâst that lestigoste sy ånd
+thêrtrvch sterik, tham-his hône krêjath kêning ånd tha ôra moton
+alwenna an sin weld vnderwurpen wêsa, til en ôther kvmth thêr-im
+fon-a sêtel drywet. Thåt word êwa is to frân vmbe an mêna sêka to
+nomande. Thervmbe heth mån vs êvin sega lêrth. Êwa thåt sêit setma
+thêr bi aller månniska êlik an hjara mod prenth send, til thju hja
+müge wêta hwat rjucht ånd vnrjucht sy ånd hwêrtrhvch hja weldich send
+vmbe hjara åjne dêda ånd tham fon ôrum to birjuchtande, thåt wil sedsa
+alsanâka hja god ånd navt misdêdich vpbrocht send. Ak is-er jet-en ôra
+sin an fåst. Êwa seit ak, êlik wêter-lik; rjucht ånd sljucht as wêter
+that thrvch nên stornewind jeftha awet owers vrstoren is. Warth wêter
+vrstoren, sa warth-et vnêwa, vnrjucht, men et nygt êvg vmbe wither êwa
+to werthande, that lêith an sin fonselvhêd, alsa tha nygung to rjucht
+ånd frydom in Fryas bern leith. Thessa nygung håvath wi trvch Wr.aldas
+gâst, vsa foders, thêr in Fryas bern bogth, thêrvm be skil hju vs âk
+êvg biklywa. Êwa is âk thet ôra sinnebyld fon Wr.aldas gâst, thêr êvg
+rjucht ånd vnforstoren bilywath, afskên-et an lichême årg to gêit. Êwa
+ånd vnforstoren send tha mårka thêra wisdom ånd rjuchtfêrdichhêd thêr
+fon alla frêmo månniska socht ånd trvch alla rjuchtera bisêten wrden
+mot. Willath tha månniska thus setma ånd domar mâkja, thêr alan god
+bilywa ånd allerwêikes, sa moton hja êlik wêsa to fara alle månniska;
+nêi thisse êwa achath tha rjuchtera hjara ordêl ut to kêthande. Is
+thêr eng kwâd dên, hwêrvr nên êwa tavlikt send, sa mot mån êne mêna
+acht bilidsa; thêr ordêlth mån nêi tha sin thêr Wr.aldas gâst an vs
+kêth vmbe over ella rjuchtfêrdich to birjuchtande, althus to dvande
+ne skil vs ordêl nåmmer fâlikant ut ne kvma. Ne dvath mån nên rjucht
+men vnrjucht, alsa rist thêr twist ånd twispalt emong tha månniska
+ånd stâta, thêrut sprût inlandiska orloch, hwêrthrvch ella homljath
+ånd vrdåren wårth. Men, o dvmhêd. Dâhwila wi to dvande send ekkorum
+to skâdane, kvmth-et nidige folk Findas mith hjara falska presterum
+jvw hâva to râwande, jvwa toghatera to skåndane, jvwa sêda to vrdva
+ånd to tha lesta klåppath hja slâvona banda om jahwelikes frya hals.
+
+
+
+
+
+UT-A SKRIFTA MINNOS.
+
+
+Tha Nyhellênia [21] tham fon hira åjn nôme Min-erva hête, god sêten
+was ånd tha Krêkalander [22] hja to met even hårde minade as vs
+åjn folk, thâ kêmon thêr svme forsta ånd prestera vppe-ra burch
+ånd frêjon Min-erva hwêr of hjra erva lêjon. Nyhellênia andere,
+mina erva drêg ik om in mina bosm, hwåt ik urven håv is ljafde vr
+wisdom, rjucht ånd frydom, håv ik tham vrlêren, alsa ben ik êlik
+an tha minniste jvvar slâvonena. Nw jêv ik rêd vm nawet, men than
+skold ik vrkâpja tham. Tha hêra gvngon wêi, ånd hripon al lakande,
+jvwer hêroga thjanra, wisa Hellênia. Thach thêrmitha miston hja
+hjara dol, hwand thåt folk thåt hja minnade ånd hja folgade, nam
+this nôme to-n êre nôme an. Tha hja sâgon thåt hjara skot mist hêde,
+thâ gvngon hja hja bihlvda ånd sêidon that hju-t folk hexnad hêde,
+men vs folk ånd tha goda Krêkalandar wêrde aller wêikes that-et laster
+wêre. Enis kêmon hja ånd frêgon, as thv thån nên thjonster ne biste,
+hwat dêist thân mitha åjar tham thv altid bi thi heste. Min-erva
+andere, thisse åjar send that sinebyld fon Fryas rêdjêvinga, wêrin
+vsa tokvmste forholen hlêit ånd fon êl thåt månneskalik slachte; tid
+mot hja utbroda ånd wi moton wâka thåt-er nên lêth an ne kvmth. Tha
+prestera, god sêid; men hwêrto thjanath thene hund an thina fêra
+hand. Hellênia andere, heth thene hårder nên skêper vmbe sin kidde at
+sêmene to haldande? hwat thene hvnd is inna thjanest thes skêphårder,
+bin ik in Fryas tjanest, ik mot ovir Fryas kidde wâka. That likath vs
+god to, sêdon tha prestera; men seg vs, hwat is thju bitjvtenise fon
+thi nachtule, ther immer boppa thin hole sit, is that ljuchtskvwande
+djar altomet thet têken thinra klârsjanhêd. Nêan andere Hellênia,
+hi helpt my hügja that er en slach fon månniska ovir hirtha omme
+dwâlth, thêr evin lik hi in kårka ånd hola hêma; thêr an tjuster
+frota, tach navt as hi, vmb vs fon mûsa ånd ôra plåga to helpane,
+men renka to forsinna, tha ôra månniska hjara witskip to râwane, til
+thju hja tham to bêtre müge fâta vmber slavona fon to mâkjande ånd
+hjara blod ut to sûgane, even as vampyra dva. Enis kêmon hja mith en
+benda folk. Pest was over-et land kvmen, hja sêidon, wi alle send to
+dvande, tha Goda to offerja, til thju hja pest wêra müge. Nilst thv
+then navt ne helpa hjara grimskip to stilane, jeftha hethste pest
+selva ovir-et lând brocht mith thinra kunsta. Nêan sêide Min-erva,
+men ik ne kån nêne goda, thêr årg dvande send; thêrvmbe ne kan ik navt
+frêja jef hja beter wrda willa. Ik kån ên gode, thåt is Wr.aldas gâst;
+men thrvch tham er god is, dvath-er âk nen kwâd. Hwanath kvmth-et kwâd
+thån wêi, frêjath tha prestera. Allet kwâd kvmth fon jow ånd fon thêre
+dvmhêd thêra månniska, tham hjara selva fon jow fensa lêta. Jef thin
+drochten thån sâ bjustre god is, wêrvmb wêrther-et kwâd thån navt,
+frêjath tha prestera. Hellenia andere, Frya het vs vppe wêi brocht
+ånd thene kroder thåt is tid, tham mot thåt ovrige dva. With alle
+rampum is rêd ånd help to findande, tha Wr.alda wil thåt wi hja
+selva soka skilon, til thju wi sterik skile wertha ånd wis. Nillath
+wi navt, thån lêt-er vsa trul ut trulla, til thju wi skilon erfâra,
+hwat nêi wisa dêdum ånd hwat nêi dvma dêdum folgath. Tha sêide-ne
+forst, ik skolde wâna, that wêre betre, that to wêrande. Hwel müglik,
+andere Hellênia, hwand than skolde tha månniska bilywa lik tåmade
+skêpa; thv ånd tha prestera skolde-r than hoda willa, men âk skêra
+ånd nêi thêre slacht benke fora. Tach alsa nil-t vs drochten navt,
+hi wil that wi ekkorum helpa, men hi wil âk thåt jahweder fry sy ånd
+wis wrde. Thåt is âk vsa wille, thêrvmbe kjasth vs folk sin forsta,
+grêva, rêdjêvar ånd alle bâsa ånd mâstera ut-a wisesta thêra goda
+månniska, til thju allemånnalik sin best skil dva vmbe wis ånd god to
+werthande. Althus to dvande skilun wi ênis wêta ånd anda folka lêra,
+that wis wêsa ånd wis dva allêna lêith to salichhêd. That likt en
+ordêl, sêidon tha prestera, men aste nv mênste, that pest thrvch
+vsa dvmhêd kvmth, skolde Nyhellênia thån wel sa god wêsa wille,
+vmbe vs ewat fon thåt nya ljucht to lênande, hwêr vppa hju sa stolte
+is. Jes sêide Hellênia; tha rokka ånd ôra füglon kvmath allêna falla
+vp vûl âs, men pest minth navt allêna vûl âs, men vûla sêd-plegum ånd
+fangnisa. Wilstv nv that pest fon-i wika ånd na wither ne kvma, thån
+mostv tha fangnisa wêi dva, ånd that i alla rên wrde fon binna ånd fon
+bûta. Wi willath bilâwa thåt thin rêd god sy, sêidon tha prestera,
+men seg vs, ho skilum wi thêr alla månniska to krêja, thêr vnder vs
+weld send. Tha stand Hellênia vp fon hira sêtel ånd kêth: Tha muska
+folgath thene sêjar, tha folka hjara goda forsta, thêrvmbe ach-stv
+to bijinnande mith thin selva ålsa rên to mâkjande, that stv thinna
+blikka in ånd utward mêi rjuchta svnder skâmrâd to werthande to fara
+thin åjn mod. Men in stêde fon thåt folk rên to mâkjande heste vûla
+fêrsta utfonden, hwêr vppa thåt folk al sa nâka sûpth, that hja to
+lesta lik tha barga annath slip frota, vmbe that stv thin vûla lusta
+bota mêi. Thåt folk bigost to jolande ånd to spotande. Thêr thrvch ne
+thuradon hja nên strid wither an to spinnande. Nv skolde åjder wâna,
+thåt hja vral-et folk to hâpe hropen hêde vmbe vs algadur to-t land ut
+to driwande. Nêan an stêde fon hja to bihluda gvngon hja allerwêikes,
+âk to tha hêinde Krêkalana til tha Alpa ut to kêthane, thåt et thene
+allervrste drochten hâgth hêde sin wisa toghater Min-erva, to nômth
+Nyhellênia êmong tha månniska to sendane in overa sê mith-en ulk,
+vmbe tha manniska gode rêd to jêvane ånd that allermannalik, thêr
+hja hêra wilde, rik ånd lukich skolde wertha, ånd ênis bâs skolde
+wertha ovir alle kêningkrik irtha.s. Hira byldnese ståldon hja vppe
+hjara åltårum, jeftha hja vrsellade-t anda dvma månniska. Hja kêthon
+allerwêikes rêd-jêvinga, thêr hju nimmer jêven hêde, ånd tåladon
+wondera, thêr hju nå dên hêde. Thrvch lesta wiston hja-ra selva master
+to mâkjande fon vsa êwa ånd setma, ånd thrvch wankêthinga wiston hja
+alles to wisa ånd to vrbruda. Hja ståldon âk fâmma vnder hjara hode,
+tha skinber vndere hoda fon Fåsta [23] vsa forma êre moder, vmbe over
+thåt frâna ljucht to wâkane. Men thåt ljucht hêde hja selva vpstoken,
+ånd in stêde fon tha fâmkes wis to mâkjande, ånd afternêi êmong
+thåt folk to senda, ta sjaka to lêvande ånd tha bårn to lêrande,
+mâkadon hja-ra dvm ånd dimme bi-t ljucht ånd ne machten hja nâ buta
+ne kvma. Ak wrdon hja to rêdjêvstare brukath, tach thi rêd was by
+skin ut hjara mvlun; hwand hjara mvla wêron navt owers as tha hropar,
+hwêr trvch tha prestera hjara gêrta utkêthon.
+
+Tha Nyhellênia fallen was, wilden wi en ore moder kjasa, svme wildon
+nêi Texlând vmbe thêr êne to frêjande, men tha prestera tham by hira
+åjn folk thåt rik wither in hêde, nildon that ni hengja ånd kêthon
+vs by-ra folk as vn-frâna ut.
+
+
+
+
+
+III. UT-A SKRIFTA MINNOS.
+
+
+Tha-k althus wêi faren was mith mina ljvd fon Athenia, kêmon wi to tha
+lesta an en êland thrvch min ljvd Krêta hêten vm-a wilda krêta tham
+et folk anhyv by vsa kvmste. Tha as hja sagon thåt wi nên orloch an-t
+skêld foron, wrdon hja mak, alsa-k et lest far en bota mit yserark en
+havesmode ånd en stada land wandelde. Thach tha wi en stut sêten hêde
+ånd hja spêradon that wi nên slavona nêde, tha wêron hja vrstålath,
+men tha-k-ra nw talt hêde that wi êwa hêdon êlik to birjuchtande vr
+alla, tha wilde-t folk âk fon sokka hâ. Tach skêrs hêdon hja tham,
+jefta thåt êlle land kêm anda tys. Tha forsta ånd prestera kêmon
+bârja, that wi hjara tjvth over hêrich mâkad hêde ånd thåt folk kêm
+to vs vmbe hul ånd skul. Tach thâ tha forsta sagon thåt hja hjara
+rik vrljasa skolda, thâ jêvon hja thåt folk frydom ånd kêmon to my
+vmb-en êsega bok. Thach thåt folk was nên frydom wenth ånd tha hêra
+bilêvon welda nêi that ir god thochte. Thâ thi storn wr wêr, bigoston
+hja twispalt among vs to sêja. Hja sêidon to min folk that ik hjara
+help anhropen hêde vmbe standfåst kêning to werthande. Enis fand ik
+gif in min met, thâ as er ênis en skip fon-t Fly by vs vrsêilde, ben
+ik thêrmith stolkens hinne brith.--Tach min witherfara to lêtande,
+sa wil-k mith thesa skêdnesa allêna sêga, that wi navt müge hêma mith
+et Findas folk fon wêr thåt et sy, hwand thåt hja fvl send mith falska
+renka, êwa to frêsane as hjara swête wina mith dêjande fenin.
+
+
+ Ende wra skrifta Minnos.
+
+
+
+
+
+HIR VNDER SEND THRÊ WÊTA, THÊR AFTER SEND THISSA SETMA MAKAD.
+
+
+1. Allera mannalik wêt, thåt i sin bihof mot, men wårth åmmon sin bihof
+vnthalden, sa nêt nên man hwat er skil dva vmbe sin lif to bihaldande.
+
+2. Alle elte minniska werthat drongen a bårn to têlande, wårth that
+wêrth, sa nêt nim man wath årges thêrof kvme mei.
+
+3. Alrek wêt thåt-i fry ånd vnforlêth wil lêva, ånd that ôre that âk
+wille. Umbe sekur to wêsande send thesa setma ånd domar makad.
+
+Thåt folk Findas heth âk setma ånd domar: men thissa ne send navt nêi
+tha rjucht, men allêna to bâta thêra prestera ånd forsta, thana send
+hjara stâta immerthe fvl twispalt ånd mord.
+
+1. Sahwersa imman nâd heth ånd hi ne kan him selva navt ne helpe,
+sa moton tha fâmna thåt kvndich dva an tha grêva. Thêrfar thåt et en
+stolte Fryas navt ne focht thåt selva to dva.
+
+2. Sa hwa årm wårth thrvch tham hi navt wårka nil, thêr mot to thåt
+lând ut drêven wertha, hwand tha låfa ånd loma send lestich ånd årg
+tånkande: thêrvmbe âch mån to wêrane tham.
+
+3. Jahwêder jong kerdel âch en brud to sêka ånd is er fif ånd twintich
+sa âcht-er en wif to håva.
+
+4. Is hwa fif ånd twintich, ånd heth er nên êngâ, sa âch ek man him
+ut sin hus to wêrane. Ta knâpa âchon him te formyda. Nimth er thån
+nach nên êngâ, sâ mot mån hin dâd sêga, til thju hi ut of lande brude
+ånd hir nên årgenese nêva ne mêi.
+
+5. Is hwa wrak, thån mot-er avbêr sêga, that nimman fon him to frêsane
+nach to duchtane heth. Sâ mêi er kvma hwêr er wil.
+
+6. Plêcht er åfternêi hordom, sâ mêi-r fluchta, ne fluchter navt, sâ
+is er an tha wrêke thêr bitrogna vrlêten, ånd nimman ne mêi helpa him.
+
+7. Sahwersa åmmon eng god heth, ånd en ôther likt that thermête that
+i him thêran vrfate, sa mot-i thåt thrja vrjelda. Stêlth-i jeta rêis,
+thån mot hi nêi tha tinlânum. Wil thene bistêlne him fry jêva, sâ
+mêi-r thåt dva. Tha bêrth et wither sa ne mêi nimman him frydom jêva.
+
+
+
+
+
+THISSA DOMAR SEND MAKAD FARA NYDIGA MANNISKA.
+
+
+1. Sa hwa in hâste mode tha ut nid an nen otheris lêja brekth, âgna
+ut stât, jeftha thoth, hok thåt et sy, sa mot thi lêtha bitallja
+hwat thene lêdar askth. Ne kan hi håt ni dva, sâ mot-er avbêr an im
+dên wertha, sa hi an thene ôre dêth. Nil hi thåt navt ut ne stonda,
+sa mot-i him to sina burch-fâm wenda, jef-i inna yser jeftha tin lâna
+mêi werka til sin skeld an sy, nêi thêr mêne dom.
+
+2. Jef ther imman fvnden wårth alsa årg that-i en Fryas felth, hi
+mot et mit sina lif bitallja. Kan sina burch-fâm hin far altid nei
+tha tinlâna helpa êr er fat wrde, sy mêi thåt dva.
+
+3. Sahwersa thi bona mêi biwisa mith vrkånda tju-gum that et by vnluk
+skên is, sa skil hi fry wêsa, men bêrth et jetta rêis, sa mot i tach
+nêi tha tinlânum, til thju mân thêr thrvch formitha all vnerimde
+wrêka ånd fêitha.
+
+
+
+
+
+THIS SEND DOMAR FARA HORNINGA.
+
+
+1. Hwa en ôtheris hvs ut nid thene râde hôn anstekt nis nên Fryas,
+hi is en horning mith basterde blod. Mêi mån hin bi thêr dêd bifâra,
+sa mot mån hin vppet fjvr werpa. Hy mêi flya sa-r kån tach nårne
+skil-i sêkur wêsa fara wrêkande hand.
+
+2. Nên åfta Fryas skil ovira misslêga sinra nêste malja nach kalta. Is
+hwa misdêdoch far-im selva, tha navt frêselik far en ôra, sâ mêi hi
+him selva riuchta. Wårth-i alsa årg that er frêslik wårth, sa mot mån-t
+anda grêva bara; men is thêr hwa thêr en ôther åfterbåkis bitighat in
+stêde fon-t to dvande by tha grêva, tham is en horning. Vpper mårk
+mot-i anda pêle bvnden wrde, sa that et jong folk im anspêja mêi;
+åfter lâdath mån him overa mårka, men navt nêi tha tinlâna, thrvch
+that en êrerâwer âk is to frêsane.
+
+3. Sahwersa thêr ênis imman wêre sa årg that i vs gvng vrrêde by tha
+fyand, pâda ånd to pâda wes, vmbe vsa flyburga to nâka, jeftha thes
+nachtis thêrin to glupa, tham wêre allêna wrocht ut Findas blod. Him
+skolde mån mota barna. Tha stjurar skoldon sin måm ånd al sina sibba
+nêi en fêr êland mota brånga ånd thêr sin ask forstuva, til thju-r
+hyr nên feninige krûdon fon waxa ne müge. Tha fâmna moton thån sin
+nâm utspêja in vr al vsa stâta, til thju nên bårn sin nâm ne krêje
+ånd tha alda him müge vrwerpa.
+
+Orloch was vrtigen, men nêd was kvmen an sin stêd. Nw wêron hyr thrê
+månniska thêr-ek en buda kêren stêlon fon asvndergane êjnhêra. Tha
+hja wrdon alle fat. Nw gong thene êrosta to ånd brocht thene thjaf by
+tha skelte. Tha fâmna thêr-vr kêthande sêidon allerwêis, that i dên
+hêde nêi rjucht. Thi ôra nom thene thjaf thåt kêren of ånd lêth im
+forth mith frêto. Tha fåmna sêidon, hi heth wel dên. Men thi thredde
+êjnhêr gvng nêi tha thjaf sin hus thâ. Asser nw sach ho nêd thêr
+sin sêtel vpstålth hêde, thâ gvng hi to båk ånd kêrde wither mith en
+wêin fol nêdthreftum, thêr hi nêd mith fon thêre hêrd of driwe. Fryas
+fâmna hêdon by him omme wârath ånd sin dêd an dat êvge bok skrêven,
+dahwile hja al sina lêka ut fâchth hêde. Thju êremoder was et sêid
+ånd hju lêt het kvndich dva thrvch thåt êle lând.
+
+
+
+
+
+THAT HYR VNDER STAT IS IN UT THA WAGAR THÊRE WARABURGH WRITEN.
+
+
+(Zie plaat I.)
+
+Hwat hyr boppa ståt send thi têkna fon thåt jol. Thåt is thåt forma
+sinnebild Wr.aldas, âk fon t-anfang jeftha-t bijin, wêrut tid kêm,
+thåt is thene Kroder thêr êvg mith thåt jol mot ommehlâpa. Thana
+heth Frya thåt standskrift mâkad, thåt hja brukte to hira tex. Thâ
+Fåsta êremoder wêre, heth hju-r thåt run ieftha hlâpande skrift fon
+mâkad. Ther Witkêning thåt is Sêkêning, Godfrêiath thene alda heth
+thêr asvndergana telnomar fon mâkad fâr stand ånd rvnskrift bêde. T is
+thêrvmbe navt to drok that wi-r jêrliks ênis fêst vr fyrja. Wy mügon
+Wr.alda êvg thank to wya thåt hi sin gâst sa herde in vr vsa êthla
+heth fâra lêtn. Vnder hira tid heth Finda âk en skrift utfvnden,
+men thåt wêre sa hâgfârende ånd fvl mith frisla ånd krolum, thåt
+tha afterkvmanda thêrof thju bitjudnese ring vrlêren hâve. Afternêi
+håvon hja vs skrift lêred binoma tha Finna, tha Thyrjar ånd tha
+Krekalander. Men hja niston navt god, thåt-et fon et jol mâkad was ånd
+that-et thêrumbe altid skrêven wrde moste mith son om. Thêrby wildon
+hja thåt hjara skrift vnlêsbêr skolde wêsa far ora folkum, hwand hja
+håvath altid hêmnesa. Thus to dvanda send hja herde fon-a wis râkath,
+thêrmêtha, that ta bårn tha skriftun hjarar aldrum amper lêsa en mûga;
+dahwile wy vsa alderaldesta skriftun êvin rêd lêsa mûga as thêra thêr
+jester skrêven send.
+
+Hir is thåt stand skrift, thêrvnder thåt run skrift, forth tha tålnomar
+a byder wisa.
+
+(Zie plaat II.)
+
+
+
+
+
+THAT STÊT VP ALLE BURGUM ESKRÊVEN.
+
+
+Êr thêre årge tid kêm was vs lånd thåt skênneste in wr.alda. Svnne
+rês hager ånd thêr was sjelden frost. Anda bâma ånd trêjon waxton
+frügda ând nochta, thêr nw vrlêren send. Among tha gårs-sêdum hedon
+wi navt alena kêren, ljaver ånd blyde, men âk swete thêr lik gold
+blikte ånd thåt mån vndera svnnastrêla bakja kvste. Jêron ne wrde
+navt ne telath, hwand thåt êne jêr was alsa blyd as et ôthera. An
+tha êne side wrdon wi thrvch Wr.aldas sê bisloten, hwêrvp nên folk
+buta vs navt fara ne mochte nach kvnde. Anda ôre side wrden wi thrvch
+thåt brêde Twisklând vmtunad, hwêr thrvch thåt Findas folk navt kvma
+ne thvradon, fon ovira tichta walda ånd ovir it wilde kwik. By morne
+paldon wi ovir it uter ende thes aster-sê, by êvind an thene middelsê,
+alsa wi buta tha littiga wel twelif grâta swete rinstrama hêdon, vs
+thrvch Wr.alda jêven vmb vs lând elte to haldane ånd vmb us wigandlik
+folk tha wêi to wisana nêi sina sê.
+
+Tha owira thissar rin strama wrdon tomet algadur thrvch vs folk
+bisêton, âk tha fjelda an thju Rêne fon-t êna enda alon et ôre
+ende thâ.
+
+To jenst-vr tha Dênamarka ånd that Juttarlând hêdon wi folkplantinga
+mith en burchfâm, dâna wonon wi kâper ånd yser, bijvnka târ, påk
+ånd svma ôr bihof. To jenst vr vs formêlich Westland thêr hêdon wi
+Brittanja mith sina tinlâna. Brittanja thåt was thåt lând thêra
+bannalinga, thêr mith hulpe hjarar burchfâm wêi brith wêron vmbe
+hira lif to bihâldana. Thach for that hja navt to båk kvma ne skolde,
+warth er êrost en B to fâra hjara står priked, tha bana mith râde blod
+farve ånd tha ôra misdêdar mith blâwe farve. Buta ånd bihalva hêdon vsa
+stjurar ånd kâpljvd mêni loge anda hêinde Krêkalanda ånd to Lydia. In
+vr Lydia thêr send tha swarta minniska. Thâ vs lând sâ rum ånd grât
+wêre, hêdon wi fêlo asondergana nâmon. Thêra tham saton biâsten tha
+Dênemarka wrdon Juttar hêton, uthâvede hja tomet navt owers ne dêdon
+as barn-stên juta. Hja tham thêr saton vppa êlanda wrdon Lêtne hêten,
+thrvchdam hja mêst al vrlêten lêvadon. Alle strând ånd skor hêmar
+fon-a Dênemarka alont thêre Såndfal nw Skelda wrdon Stjurar [24],
+Sêkåmpar [25] ånd Angelara [26] hêton. Angelara sâ hêton mân to
+fora tha butafiskar vmbe that hja alan mith angel jefta kol fiskton
+ånd nimmer nên netum. Thêra thêr thâna til tha hêinde Krêkalânda
+sâton, wrdon blât Kâd-hêmar hêten, thrvch tham hja ninmerthe buta
+foron. Thêra thêr in da hâge marka sâton, thêr anna Twisklanda pâlon,
+wrdon Saxmanna hêton, uthâwede hja immer wêpned wêron vr thåt wilde
+kwik ånd vrwildarda Britne. Thêr to boppa hêdon wi tha nôma Landsâton,
+Mârsata [27] ånd Holtjefta Wodsâta.
+
+
+
+
+
+HO ARGE TID KÊM.
+
+
+Hêl thene sümer was svnne åftere wolkum skolen, as wilde hja irtha
+navt ne sja. Wind reston in sina bûdar, werthrvch rêk ånd stom lik sêla
+boppa hus ånd polon stand. Loft wårth althus drov ånd dimme, ånd inna
+tha hirta thêra månniska was blydskip nach früchda. To midden thisre
+stilnise fång irtha an to bêvande lik as hju stårvande wêre. Berga
+splyton fon ekkorum to spêjande fjvr ånd logha, ôra svnkon in hira skât
+del, ånd thêr hju êrost fjelda hêde; hêjade hju berga vppa. Aldland
+[28] trvch tha stjurar Atland hêten svnk nyther ånd thåt wilde hef
+stâpton alsa nâka wr berg ånd dêlon, that ella vndere sê bidvlwen
+wêre. Fêlo månniska wrdon in irtha bidobben, ånd fêlo thêr et fjvr
+vnkêmen wêron, kêmon thêrnêi innet wêter vm. Navt allêna inda landa
+Findas spêidon berga fjvr, men âk in-t Twisk-land. Walda bårnadon
+thêrthrvch åfter ekkorum ånd thâ wind dâna wêi kêm, thâ wâjadon vsa
+landa fvl ask. Rinstrâma wrdon vrlêid ånd by hjara mvda kêmon nêja
+êlanda fon sand ånd drivande kwik. Thrju jêr was irtha alsa to lydande;
+men tha hju bêter wêre macht mån hira vvnda sja. Fêlo landa wêron
+vrsvnken, ôra uta sê rêsen ånd thåt Twisk-land to fâra-n halfdêl
+vntwalt. Bånda Findas folk kêmon tha lêtogha rumtne bifâra. Vsa
+wêibritne vrdon vrdelgen jefta hja wrdon hjara harlinga. Thâ warth
+wâkandom vs dvbbeld boden ånd tid lêrd vs that êndracht vsa stårikste
+burch is.
+
+
+
+
+
+THIT STÊT INNA WARABURCH BY THÊRE ALDEGA MVDA WRYT.
+
+
+Thju wâraburch nis nên fâmnaburch, men thêr in wrdon alla uthêmeda
+ånd vrlandeska thinga wârath, thêr mitbrocht binne thrvch tha
+stjurar. Hju is thri pêla, thåt is en half ty sûdwarth fon Mêdêa-sblik
+lêgen. Alsa is thåt fôrword: berga nygath thinna krunna, wolka ånd
+strâma wên. Jes. Skênland [29] blôst, slâvona folka stôppath vppat
+thin klât, o Frya.
+
+
+ Alsa is thju skêdnesse.
+
+
+100 ånd 1 jêr [30] nêi that âldland svnken is, kêm thêr ut-et âsta en
+folk wêi. Thåt folk was vrdrêven thrvch en ôther folk, åfter vs twisk
+land krêjon hja twispalt, hja skifton hjara selva an twam hâpa, ek hêr
+gvng sines wêiges. Fon-t êne dêl nis nên tâl to vs ne kêmen, men thåt
+ôre dêl fyl åfter to vs Skênland. Skênland was sunnich bifolkath,
+ånd anda åfter-kâd thåt sunnichste fon al. Thêrvmbe machton hja-t
+svnder strid wrwinna, ånd uthâwede hja ôwers nên lêth ne dêdon,
+nildon wi thêrvr nên orloch hâ. Nw wi hjam håvon kånna lêred,
+sâ willath wi ovir hjara sêda skriwa, åfternêi ho-t vs mith hjam
+forgungen is. Thåt folk was navt ne wild lik fêlo slachta Findas,
+men êlik anda Égipta-landar, hja håvath prestera lik tham ånd nw hja
+kårka håve âk byldon. Tha prestera send tha engosta hêra, hja hêton
+hjara selva Mâgjara, hjara aller ovirste hêt Magy, hi is hâvedprester
+ånd kêning mith ên, allet ôre folk is nul in-t siffer ånd êllik ånd
+al vnder hjara weld. Thåt folk nêth navt ênis en nôme, thrvch vs send
+hja Finna hêten, hwand afskên hjara fêrsta algadur drov ånd blodich
+send, thach send hja thêr alsa fin vp, that wi thêr bi åfter stâne,
+forth ne send hja navt to binydane, hwand hja send slâvona fon tha
+presterum ånd jeta fül årger fon hjara mêninga. Hja mênath that ella
+fvl kvada gâston is, thêr inda månniska ånd djara gluppe, men fon
+Wr.aldas gâst nêton hja nawet. Hja håvath stêne wêpne, tha Magjara
+kâpra. Tha Magjara tellath that hja tha årge gâston banna ånd vrbanna
+mügon, thêr vr is-t folk ôlan in ange frêse ånd vppira wêsa nis nimmer
+nên blydskip to bisjan. Thâ hja god sêten wêron, sochton tha Magjara
+athskip bi vs, hja bogadon vp vsa tâl ånd sêdum, vp vs fja ånd vppa vs
+ysere wêpne, thêr hja gêrn to fori hjara goldun ånd sulvere syrhedum
+wandela wilde, ånd hjara tjoth hildon hja immerthe binna tha pêlon,
+men thåt vrskalkton vsa wâkendom. Achtantich jêr forther, just wêr-et
+jol-fêrste, thêr kêmon hja vnwarlinge lik snêi thrvch stornewind drêwen
+ovir vsa landa to runnande. Thêr navt flya machton wrdon vrdên, Frya
+wårth anhropen, men tha Skênlandar hêdon hira rêd warlâsed. Thâ wrdon
+kråfta sâmlath, thri pêlun fon Goda-his burch [31] wrdon hja wither
+stonden, tha orloch bilêv. Kât jefta Kâter-inne, alsa hête thju fâm,
+thêr burchfâm to Goda burch was. Kât was stolte ånd hâchfâranda,
+thêrvmbe ne lêt hju nên rêd ni follistar anda Moder ne frêja. Men
+thâ tha burchhêra thåt fâta, thâ svndon hja selva bodon nêi Texlând
+nêi thêre Moder thâ. Minna alsa was thêre Moder-is nôme, lêt âla tha
+stjurar mânja ånd âl-et othera jongk folk fon Ast-flyland ånd fon
+tha Dênnemarkum. Ut thesse tocht is thju skydnese fon Wodin bern,
+sa-r vppa burgum wryten is ånd hir êskrêven. Anda Alder-gâmude [32]
+thêr reste en alde sêkåning. Sterik was sin nôme ånd tha hrop vr sina
+dêda was grât. Thisse alde rob hêde thrê nêva; Wodin thene aldeste
+hêmde to Lumka-mâkja [33] bi thêre Ê-mude to Ast-flyland by sin eldrum
+t-us. Ênes was er hêrman wêst. Tünis ånd Inka wêron sêkåmper ånd just
+nw bi hjara fåderja anda Aldergâ-mude t-vs. As tha jonga kåmpar nw
+bi ekkôrum kêmon, kêron hja Wodin to hjara hêrman jefta kåning ut,
+ånd tha sêkåmpar kêron Tünis to-ra sêkåning ånd Inka to hjara skelte
+bî thêr nacht. Tha stjurar gvngon thâ nêi tha Dênnemarka fâra, thêr
+nâmon hja Wodin mith sin wigandlika landwêr in. Wînd was rum ånd alsa
+wêron hja an en âmerîng [34] to Skên land. Thâ tha northeska brothar ra
+selva by-m fogath hêde, dêlde Wodîn sin weldich hêr an thri wiga. Frya
+was hjara wêpenhrop ånd sâ hi båkward sloch tha Finnen ånd Mâgjara
+as of et bårn wêron. Thâ thene Mâgy fornôm ho sin ljvd al ombrocht
+wrdon, thâ sand hi bodon mith ståf ånd krone. Hja sêidon to Wodin,
+o thv alra grâteste thêra kåningar, wi send skeldich, thach al hwat
+wi dên håve is ut nêd dên. Je mêne that wi jvw brothar willengklik
+anfat håve, men wi send thrvch vsa fyanda forth-fêtereth ånd thi alle
+send vs jeta vppa hakka. Wi håvath often helpe an thinre burchfâm
+frêjath, men hja neth vs navt ne meld. Thene Mâgy sêith, sâ hwersa
+wi ekkôrum to tha hålte vrdva, sâ skilun tha wilda skephårdar kêmon
+ånd vs algâdur vrdva. Thene Mâgy heth fül rikdom, men hi heth sjan
+that Frya weldiger is as al vsa gâston et sêmine. Hi wil sin hâved in
+hira skât del ledsa. Thv bist thene wigandlikste kåning irthas, thin
+folk is fon yser. Warth vsa kåning ånd wi alle willath thin slâvona
+wêsa. Hwat skolde that êr-rik fâr-i wêsa, aste tha wilda wither to
+låk driwa koste, vsa sêfyra skolde-t rondblêsa ånd vsa mâra skoldon
+jv vral fârut gâ.
+
+Wodin was sterik, wost ånd wigandlîk, men hi nas navt klâr sjande,
+thêrthrvch wårth i in hjar mêra fvngen ånd thrvch thene Mâgy
+kroneth. Rju fêlo stjurar ånd land-wêrar, tham thisse kêr navt ne
+sinde, brûdon stolkes hinne, Kât mith nêmande, men Kât thêr navt to
+fâra thêre Moder ner to fâra thêre mêna acht forskine nilde, jompade
+wr bord. Thâ kêm stornewind ånd fêtere tha skêpa vppa skorra fonna
+Dennemarkum del svnder enkel man to mistane. Afternêi håvon hja tha
+strêt Kâtsgat [35] hêten. Thâ Wodin kroned was, gvng-er vppa wilda
+lôs; thi wêron al rutar, lik een hêjel buje kêmon hja ajn Wodin-is
+hêr, men lik en twyrne wind wendon hja omme ånd ne thvradon nâ wither
+forskina. As Wodin nw to båk kêm, jav thene Mâgy him sin toghater to-n
+wîf. Afternei wårth-i mith krûdon birêkad, men thêr wêron tawerkrûdon
+mong, hwand Wodin warth bi grâdum alsa sêr vrmêten, that-i Frya ånd
+Wraldas gâst miskåna ând spota thvrade, thawyla hi sin frya hals bog
+to fâra falska drochten-likande byldum. Sin rik hilde sjvgun jêr, thâ
+vrdwind-ir. Thene Mâgy sêide that-er mong hjara godon [36] vpnimeth
+wêre, ånd that hi fon thêr over hjam welda, men vs folk lakton vmbe
+tin tâl. Thâ Wodin en stût wêi wêst hêde, kêm thêr twispalt, wi wildon
+en ôra kåning kjasa, men thåt nilde thene Mâgy navt me hengja. Hi
+wêrde that et en rjucht wêre, him thrvch sina drochtne jêven. Buta ånd
+bihalva thissa twist, sa was thêr jet-ên emong sin Mâgjara ånd Finna,
+thêr Frya ner Wodin êra navt nilde, men thi Mâgy dêde as-t im sinde,
+hwand sin toghater hêde en svn bi Wodin wvnen, ând nw wilde thene
+Mâgy that thisse fon en hâge kom-of wêsa skolde. Thawyla alle sanade
+ånd twista, krônade hi thene knâp to kåning ånd stålade hin sels as
+foged ånd foramond jefta rêdjêvar an. Thêra thêr mâr hildon fon hjara
+balg as fon thåt rjucht, tham lêton him bidobba, men tha goda brûdon
+wêi. Fêlo Mâgjara flodon mith hjara ljvda båk ward, ånd tha stjurar
+gvngon to skip ånd en hêr fon drista Finna gvngen as rojar mitha.
+
+Nw kvmath tha skêdnese fon nêf Tünis ånd sin nêf Inka êrost rjucht
+vppet pat.
+
+
+
+
+
+THIT ELLA STET NAVT ALLÊNA VPPER WARABURGH MEN OK TO THÊRE BURCH
+STAVIA, THÊR IS LIDSEN AFTERE HAVE FON STAVRE.
+
+
+Tha Tünis mith sinum skêpum to honk kêra wilde, gvng-i thet forma vppa
+Dânnemarka of, men hi ne macht thêr navt ne landa, thåt hêde thju Moder
+bisjowath. Ak et Flyland ne macht-er navt ne landa ånd forth nårne. Hi
+skold alsa mith sinum ljvdum fon lek ånd brek omkomth håve, thêr vmbe
+gvngon hja thes nachtis tha landa birâwa ånd fâra bi dêi. Alsa alinga
+thêre kâd forth farande kêmon hja to thêre folkplanting Kâdik [37],
+althus hêten vmbe that hjara have thrvch êne stênene kâdik formath
+was. Hir selladon hja allerhanne liftochta, men Tutja thju burchfâm
+nilde navt dâja that hja-ra selva nither setta. Thâ hja rêd wêron
+krêjon hja twist. Tünis wilde thrvch thju strête fon tha middelsê
+vmbe to fârane fâr tha rika kåning fon Egiptalandum, lik hi wel
+êr dên hêde, men Inka sêide, that-i sin nocht hêde fon al et Findas
+folk. Inka mênde that er byskin wel en hach dêl fon Atland by wysa fon
+êland vrbilêwen skolde wêsa, thêr hi mith tha ljvdum frêthoch lêva
+machte. As tha bêda nêva-t-althus navt ênes wrde koste, gvng Tünis
+to ånd stek en râde fône in-t strând, ånd Inka êne blâwe. Thêr åfter
+macht jahwêder kjasa, hwam ek folgja wilde, ånd wonder, by Inka thêr
+en gryns hêde vmbe tha kåningar fon Findas folk to thjanja, hlipon
+tha mâsta Finna ånd Mâgjara ovir. As hja nw thåt folk tellath ånd
+tha skêpa thêr nêi dêlath hêde, tha skêdon tha flâta fon ekkorum;
+fon nêf Tünis is åfternêi tâl kêmen, fon nêf Inka ninmer.
+
+Nêf Tünis for allinggen thêre kâd al thrvch thju porte thêre
+middelsê. Tha Atland svnken is, was-t-inna middelsê ra owera âk årg
+to gvngen. Thêrthrvch wêron thêr fêlo månniska fon-t Findas land
+nêi vsa hêinde ånd fêre Krêkalanda kvmen ånd âk fêlo fon Lyda-his
+land. Thêr åjn wêron âk fêlo fon vs folk nêi Lydas land gvngon. Thåt
+ella hêde wrocht, that tha hêinde ånd fêre Krêkalanda far thåt weld
+hêre Moder vrlêren was. Thêr hêde Tünis vp rêkned. Thêrvmbe wilde
+hi thêr en gode hâve kjasa ånd fon thêr ut fara rikka forsta fâra,
+men thrvchdam sine flâte ånd sin folk sa wanhâven utsagon, mêndon tha
+Kâdhêmer that hja râwera wêron, ånd thêrvmbe wrdon hja vral wêrath. Tha
+to tha lesta kêmon hja an to Phonisivs kâd, that wêre 100 ånd 93 jêr
+[38] nêi Âtland svnken is. Nêi bi thêre kâd fvndon hja en êland mith
+twam diapa slinka, alsa-t as thrju êlanda utsach. Vppet midloste thêra
+staldon hja hjara skula vp, åfternêi bvwadon hja thêr en burchwal
+om to. As hja thêran nw en nôme jêva wilde, wrdon hja vnênes, svme
+wild-et Fryasburch hêta, ôra Nêf tünia, men tha Mâgjara ånd tha Finna
+bâdon thåt skolde Thyrhisburch [39] hête. Thyr [40] alsa hêton hja
+ên hjarar drochtena ånd vppe tham-is jêrdêi wêron hja thêr land,
+to wither-jeld wildon hja Tünis êvg as hjara kåning bikånne. Tünis
+lêt im bilêsa ånd tha ôra nildon thêrvr nên orloch ne hâ. Thâ hja nw
+god sâton, thâ sandon hja svme alde stjvrar ånd mâgjara ana wâl ånd
+forthnêi thêre burch Sydon, men that forma nildon tha Kâdhêmar nawet
+fon-ra nêta. Thv bist fêrhêmanda swårvar sêidon hja, thêr wi navt
+hachta ne müge. Tha thâ wi hjam fon vsa ysera wêpne vrsella wilde,
+gvng to lersta ella god, âk wêron hja sêr ny nêi vsa bårnstênum ånd
+thåt frêja thêr nêi nam nên ende. Men Tünis thêr fårsjande wêre,
+bårde that er nên ysere wêpne ner bårnstêne mâr hêde. Thâ kêmon tha
+kâpljvd ånd bâdon hi skolde twintich skêpa jêva, thêr hja alle mith-a
+finneste wêrum tho hrêda wilde, ånd hja wildon him alsa fêlo ljvda
+to rojar jêva as-er jêrde. Twê-lif skêpa lêt-i-to hrêda mith win
+hvning ånd tomâkad lêther, thêr bi wêron tåmar ånd sitlun mith gold
+wrtêin sa mån hja ninmer nêde sjan. Mith al thi skåt fyl Tünis thåt
+Flymar binna. Thi grêvaman fon Westflyland wårth thrvch al thessa
+thinga bigâstered, hi wrochte that Tünis bi thêre mvde fon-t Flymar
+en loge bvwa mâchte, åfternêi is thju stêd Almanaland [41] heten
+ånd tha mark thêr hja åfternêi to Wyringgâ [42] vp wandelja machton
+tolêtmark. Thju Moder rêde that wi ra ella vrkâpja skolde buta ysere
+wêpne, men mån ne melde hja navt. Thâ tha Tyrjar thus fry spel hêdon,
+kêmon hja âlan wither to farand vsa wêron sâ hêinde as fêre vsa ajn
+sêkåmpar to skâdne. Thêråfter is bisloten vpper mêna acht, jêrlikes
+sjvgun Thyrjar skêpa to to lêtane ånd navt mar.
+
+
+
+
+
+HWAT THÊR OF WRDEN IS.
+
+
+Inner northlikste herne fon tha Middelsê, thêr lêid en êland
+by thêre kâd. Nw kêmon hja thåt a kâp to frêjande. Thêrvr wårth
+ene mêna acht bilêid. Moder-is rêd wårth wnnen, men Moder sach ra
+lyast fêr of. Thêrvmbe mênde hju that er nên kwâ an stek, thach as
+wi åfternêi sâgon ho wi misdên hêde håvon wi thåt êland Missellja
+[43] hêten. Hiråfter skil blika ho wi thêr to rêde hêde. Tha Gola,
+[44] alsa heton tha såndalinga prestera Sydon-is, tha Gola hêdon
+wel sjan thet et land thêr skares bifolkad was ånd fêr fon thêre
+Moder wêre. Vmb ira selva nw en gode skin to jêvane, lêton hja ra
+selva in vsa tâl ana trowe wydena hêta, men that wêre bêtre wêst,
+as hja ra selva fon thêre trowe wendena nômath hêde, jefta kirt wei
+trjuwendne lik vsa stjurar lêter dên håve. Thâ hja wel sêton wêron,
+tha wandeldon hjara kâpljuda skêne kâpre wêpne ånd allerlêja syrhêdon
+to fara vsa ysere wêpne ånd wilde djara huda, wêrfon in vsa suder landa
+fêlo to bikvma wêron. Men tha Gola fyradon allerhâna wla drochtenlika
+fêrsta ând to tyadon tha kadhêmar thêra thrvch todvan hjarar horiga
+manghêrtne ånd tha swêt hêd fon hjara fininnige win. Was thêr hwa
+fon vs folk thêr-et alsa årg vrbrud hêde, that sin lif in frêse
+kêm, than lênadon tha gola him hul ånd foradon him nêi Phonisia,
+that is palmland. Was hi thêr sêten, thån most-i an sina sibba ånd
+âtha skriwa, that-et land sâ god wêre ând tha månniska sâ luklik, as
+ninmån hin selva mocht forbylde. A Brittannja wêron rju fêlo manna,
+tha lith wiva, thâ tha Gola that wiston, lêton hja alwêis manghêrtne
+skâka ånd thessa javon hja tha Britne vmb nawet. Thach al thissa
+manghêrtne wêron hjara thjansterum, thêr tha bern fon Wrâlda stolon
+vmb-ar an hjara falske drochtne to jêvane.
+
+
+
+
+
+NW WILLATH WI SKRIWA VR THA ORLOCH THÊRA BURCHFAMNA KALTA AND MIN-ERVA
+
+
+And ho wi thêr thrvch al vsa sûderlanda ånd Brittanja anda Gola
+vrlêren håve.
+
+Bi thêre Sûder-rên-mvda ånd thêre Skelda, thêr send sjvgun ålanda,
+nômath nêi Fryas sjvgum wâkfâmkes there wêk. Middel vppet êne åland is
+thju burch [45] Walhallagâra, inut tha wâgrum thêra is thju folgjande
+skêdnesse wrîten. Thêr bvppa stêt: lês, lêr ånd wâk.
+
+563 jêr [46] nêi âldland svnken is, sat hir en wise burch fâm,
+Min-erva was hira nôma. Thrvch tha stjurar Nyhellênja tonômath. This
+tonôma was god kêren, hwand tha rêd, thêr hju lênade, was ny ånd hel
+bvppa alle ôtherum. Overa Skelda et thêre Flyburch sat Syrhêd. Thjus
+fâm was fvl renka, skên was r-anhlith ånd kwik was hira tvnge,
+men thi rêd thêr hju jef, was immer in thjustere worde. Thêr vmbe
+warth hju thrvch tha stjurar Kålta hêten, tha landsâta mênadon that
+et en êrnôma wêra. Inna ûtroste wille thêre vrsturvene Moder stand
+Rôsa-mvda thet forma, Min-erva thet twêde ånd Syrhêd thet thredde as
+folgstere biskreven. Min-erva nêde thêr nên wit fon, men Syrhêd was
+er thrvch knaked. Lik en wrlandeske forstinne wilde hju êrath frêsath
+ånd bêden wêsa, men Min-erva wilde enkel minth wêsa. To tha lesta
+kêmon alle stjurar hiri hjara held bjada, selva fon tha Dena-marka
+ånd fon-t Flymar. That vvnde Syrhêd, hwand hju wilde bvppa Min-erva
+utminthja. Til thju mån en grôte thånk ovir hira wâkendum håva skolde,
+myk [47] hju ennen hôna vpper fâne. Thâ gvng Min-erva to ånd myk en
+hårder hvnd ånd en nachtul in vppira fâne. Thene hvnd sêide hju wâkt
+ovir sin hêr ånd ovira kidda ånd thene nachtul wâkt ovira fjelda til
+thju hja thrvch tha musa navt vrdên ne wrde. Men thene hôna neth
+far nimman frjundskip, ånd thrvch sin vntocht ånd hâchfârenhêd is
+er vaken thene bâna sinra nêista sibba wrden. As Kalta sach that er
+wårk falikant ut kêm, to gvng hju fon kwad to årger. Stolkes lêt hju
+Mâgjara to hiri kvma vmbe tâwery to lârane. As hju thêr hira nocht
+fon hêde, werpte hju hira selva anda årma thêra Golum, thach fon
+al thi misdêdon ne macht hju navt bêtre ne wrde. As hju sach that
+tha stjurar mâr ånd mâr fon iri wêke, tha wilde hju ra thrvch frêse
+winna. Was tha mône fvl ånd thene sê vnstumich, than hlip hju over
+et wilde hef, tha stjurar to hropande that hja alle skolde vrgân,
+sahwersa hja hiri navt anbidda nilde. Forth vrblinde hju hira âgun
+hwêr thrvch hja wêter fori land ånd land fori wêter hildon, thêrthrvch
+is mâni skip vrgvngen mith mån ånd mus. Vppet forma wêrfêrste tha al
+hira landsâta wêpned wêron, lêt hju bårga bjar skånka, in thåt bjar
+hêde hju tâverdrank dên. As et folk nv algâdur drunken wêre, gvng hju
+bvppen vp hira stridhros standa, to lênande mith hira hole tojenst hira
+spêri, môrnerâd ne kv navt skêner. Tha hja sach that alle ôgon vpper
+fåstigath wêron êpende hju hira wêra ånd kêth, svnum ånd thogatrum
+Fryas, i wêt wel that wi inna lerste tyd fûl lek ånd brek lêden håve,
+thrvchdam tha stjurar navt lônger kvme vmb vs skriffilt to vrsella, men
+i nête navt hwêrthrvch et kvmen is. Lông håv ik my thêr vr inhalden,
+thach nv kån-k-e tnavt lônger ôn. Hark then frjunda til thju i wêta
+müge hwêrnêi i bita mêi. Anda ôra syde thêre Skelda hwêr hja tomet
+tha fêrt fon alle sêa håve, thêr mâkath hja hjvd dêgon skriffilt fon
+pompa blêdar, thêr mith sparath hja linnent ut ånd kånnath hja vs wel
+miste. Nêidam thåt skriffilt mâkja nv alti vs grâteste bydriv wêst is,
+sâ heth thju Moder wilt that mån et vs lêra skolde. Men Minerva heth
+al et folk bihexnath, jes bihexnath frjunda, ivin as al vs fja thåt
+låsten sturven is. Er-ut mot-et, ik wil thi tella, nas-k nên burchfâm
+ik skold et wel wêta, ik skolde thju hex in hjara nest vrbarne. Thâ
+hju thi lerste worda ut hêde, spode hju hira selva nêi hira burch tha,
+men thåt vrdrvnken folk was althus dênera bigâstered, that et vr sin
+rêde navt mocht to wâkane. In dvl-dryste iver gvngon hja overa Sand
+fal ånd nêidam nacht midlerwil del strêk gvngon hja evin drist vpper
+burch lôs. Thach Kålta miste al hwither hira dol, hwand Minerva ånd
+hira fâmna ånd tha foddik wrdon alle thrvch tha råppa stjurar hreth.
+
+
+
+
+
+HIRBY KVMTH THA SKÊDNESSE FON JON.
+
+
+Jon, Jôn, Jhon ånd Jân is al ên mith jêven, thach thet lêit anda
+utsprêk thêra stjurar, thêr thrvch wenhêd ellas bikirta vmbit fâra ånd
+hard hropa to mvgane. Jon thåt is jêva was sêkêning, bern to-t-Aldergâ,
+to-t Flymar ut fâren mith 100 ånd 27 skêpum, tohrêth fâr en grôte
+butarêis, rik to lêden mith bårnstên, tin, kâper, yser, lêken, linnent,
+filt, fâmna filt fon otter, bêver ånd kanina hêr. Nw skold er fon
+hir jeta skriffilt mith nimma; tha to Jon hir kêm ånd sach ho Kålta
+vsa rom rika burch vrdên hêde, thâ wårther sâ uter mête heftich, that
+er mith al sinum ljudum vpper Flyburch of gvng ånd thêr to witterjeld
+thene râda hône an stek. Men thrvch sin skelta bi nacht ånd svme sinra
+ljudum wårth thju foddik ånd tha fåmna hret. Tach Syrhêd jefta Kålta
+ne mochton hja navt to fâtane, hju klvwde vppa utroste tinne, jahweder
+tochte that hju inna logha omkvma moste, thâ hwat bêrde? Dahwile al
+hira ljuda ståk ånd stif fon skrik standon, kêm hju skêner as â-to
+fora vp hira klêppar to hropande nêi Kålta min-âis [48]. Thâ strâmada
+thåt ora Skelde folk to hâpa. As tha stjurar that sâgon hripon hja fâr
+Minerva wy. En orloch is thêrut kvmen, hwêrthrvch thvsande fallen send.
+
+Under thesse tidon was Rôsamond thåt is Rôsa mvda Moder, hju hêde
+fûl in thêre minne dên vmbe frêtho to wârja, tach nw-t alsa årg kêm,
+myk hju kirte mête. Bistonda sand hju bodun thrvch tha land pâla
+ånd lêt en mêna nêdban utkètha, thâ kêmon thâ landwêrar ut alle wrda
+wêi. Thåt strydande land folk wårth al fat, men Jon burch hin selva
+mith sin ljud vppa sina flâte, mith nimand bêda tha foddika, byonka
+Minerva ånd tha fâmna fon bêdar burchum. Helprik thene hêrman lêt-im
+in banna, men tha hwila alle wêrar jeta o-ra Skelda wêron for Jon
+to bek nêi-t Flymar ånd forth wither nêi vsa ålandum. Sin ljud ånd
+fêlo fon vs folk namon wif ånd bern skêp, ånd as Jon nw sach that
+mån hin ånd sin ljud lik misdêdar strafja wilde, brudon hi stolkes
+hinne. Hi dêde rjucht, hwand al vsa landar ånd allet ora Skelda folk
+thêr fjuchten hêdon wrdon nêi Brittanja brocht. Thius stap was mis dên,
+hwand nv kêm t-anfang fon thåt ende:
+
+Kålta thêr nêi-t segse êven blyd vppet wêter as vppet land hlâpa
+machte, gvng nêi tha fåsta wal, ånd forth vppa Missellja of. Thâ kêmon
+tha Gola mith hjara skepum ut-a Middelsê Kâdik bifâra ånd êl vs uter
+land, forth fylon hja vp ånd over Brittannja thach hja ne mochton thêr
+nên fåsta fot ne krêja, vmbe thåt tha sjvrda weldich ånd tha bannalinga
+jeta fryas wêron. Men nw kêm Kålta ånd kêth, thv bist fry bern ånd vmbe
+litha lêka heth mån thi to vrwurpene mâkad, navt vmbe thi to bêterja,
+men vmbe tin to winnande thrvch thina handa. Wilst wêr fry wêsa ånd
+vnder mina rêd ånd hoda lêva, tjån ut then, wêpne skilun thi wrda,
+ånd ik skil wâka o-er thi. Lik blixen fjur gvng et o-era ålanda, ånd
+êr thes Kroders jol ênis omhlâpen hêde, was hju mâsterinne over al
+gadur ånd tha Thyrjar fon al vsa suder stâta til thêre Sêjene. [49]
+Vmbe that Kålta hira selva navt to fül bitrowada, lêt hju in-et
+northlika berchland êne burch bvwa Kålta-s burch wårth hju hêten, hju
+is jet anwêsa, men nv hêt hja Kêren-åk. Fon thjus burch welde hju lik
+en efte moder, navt to wille fâr men over hira folgar ånd tham hjara
+selva forth Kåltana [50] hêton. Men tha Gola weldon by grâdon over êl
+Brittanja, thåt kêm ênis dêlis that hju nên mâr burga nêde, twyas that
+hju thêr nên burchfâmna nêde ånd thryas thrvchdam hju nên efte foddik
+navt nêde. Thrvch al thessa êrsêka kvn hira folk navt ni lêra, thåt
+wrde dvm ånd dor ånd wrde endelik thrvch tha Gola fon al hira ysera
+wêpne birâwath ånd to thåt lesta lik en buhl by thêre nôse omme lêid.
+
+
+
+
+
+NV WILLATH WI SKRIVA HO-T JON VRGVNGEN IS, THIT STÊT TO TEXLAND
+SKRÊVEN.
+
+
+10 jêr åfter Jon wêi brit was, kêmon hyr thrju skêpa in-t Flymar falla,
+thåt folk hrip ho-n-sêjen, fon hira tålinga heth thju Moder thit skrywa
+lêten. Thâ Jon antha Middelsê kêm was then mâra thêra Gola hin vral
+fâr ut gvngen, alsa hi an thêri kâd fon tha hêinda Krêkalanda nårne
+fêlich nêre. Hi stêk thus mith sinum flâte nêi Lydia, thåt is Lyda his
+lând, thêr wildon tha swarta månniska fâta hjam ånd êta. To tha lesta
+kêmon hja et Thyrhis, men Minerva sêide hald of, hwand hir is thju loft
+ôlangne vrpest thrvch tha prestera. Thi kåning was fon Tünis ofstamed,
+sâ wi lêter hêrdon, men til thju tha prestera en kåning wilde håve thêr
+alderlangne nêi hjara bigrip wêre, alsa hêde hja Tünis to en gode up
+hêjad, to årgnisse sinra folgar. As hja nv Thyr åfter bek wêre, kêmon,
+tha Thyriar en skip uta åfte hoda râwa, nêidam thåt skip to fêr was,
+kvndon wi-t navt wither wina, men Jon swor wrêka thêrvr. Tha nacht
+kêm kêrde Jon nêi tha fêre Krêkalandum, to lesten kêmon hja by en
+land thåt bjustre skryl ut sa, men hja fondon thêr en havesmvda. Hir
+sêide Minerva skil by skin nên frêse to fara forstum nach presterum
+nêdich wêsa, nêidam hja algadur feta etta minna, thach thâ hja inner
+have hlipon fonth mån hja navt rum noch vmbe alle skêpa to bislûta,
+ånd thach wêron mêst alle to låf vmbe wider to gane. Alsa gvng Jon
+thêr forth wilde mith sin spêr ånd fône thåt jongk folk to hropande,
+hwa willinglik bi-m skâra wilde. Minerva thêr biliwa wilde dêde
+alsa. Thåt grâteste dêl gvng nêi Minerva, men tha jonggoste stjurar
+gvngon by Jon. Jon nam thêre foddik fon Kålta ånd hira fâmna mitha,
+ånd Minerva hild hira ajn foddik ånd hira ajn fâmna.
+
+Bitwiska tha fêrum ånd heinda Krêkalandum fand Jon svma êlanda thêr
+im likte, vppet grâteste gvng-er inna tha walda twisk thåt berchta en
+burch bvwa. Fon uta litha êlanda gvng-er ut wrêka tha Thyrjar skêpa
+ånd landa birâwa, thêrvmbe send tha êlanda evin blyd Râwer êlanda,
+as Jonhis êlanda [51] hêten.
+
+Tha Minerva thåt land bisjan hêde, thåt thrvch tha inhêmar Attika is
+hêten, sach hju that thåt folk al jêita hoder wêron, hja hildon hjara
+lif mith flesk, krûdum, wilde wotelum ånd hvning. Hja wêron mith felum
+tekad ånd hju hêdon hjara skula vppa hellinga thêra bergum. Thêrthrvch
+send hja thrvch vs folk Hellinggar hêten.
+
+Thåt forma gvngon hja vppa run, tha as hja sâgon that wi navt ne
+tâldon nêi hjara skåt, thâ kêmon hja tobek ånd lêton grâte âtskip
+blika. Minerva frêjde jef wi vs in thêre minna machte nither
+setta. That wrde to staden vnder biding that wi skolde helpa hjam
+with hjara swetsar to stridande, thêr alan kêmon hjara bern to
+skâkana ånd hjara skât to râwana. Thâ bvwadon wi êne burch arhalf
+pâl fon thêr have. Vppa rêd Minervas wårth hju Athenia [52] heten:
+hwand sêide hju, tha åfter kvmand agon to wêtane, that wi hir navt
+thrvch lest ner weld kvmen send, men lik âtha vntfongen. Dahwile wi
+an thêre burch wrochton kêmon tha forsta, as hja hja nv sagon that
+wi nên slavona hêde, sind er sok navt, ånd lêton-t an Minerva blika,
+til thju hja tochton that en forstene wêre. Men Minerva frêja, ho bist
+wel an thina slâvona kvmen? Hja andere, svme håvath wi kâpad, ôra anna
+strid wnnen. Minerva sêide, sâhwersa ninman månneska kâpja nilda sa
+ne skolde ninman jvw bern râwa ånd i ne skolda thêrvr nên orloch håve,
+wilst thus vsa harlinga biliwa sâ mot-i thina slâvona fry lêta.
+
+That nv willath tha forsta navt, hja willath vs wêi driwa. Men thâ
+klokeste hjarar ljuda kvmath helpa vsa burch ta bvmande, thêr wi nv
+fon stên mâkja.
+
+Thit is thju skêdnesse fon Jon ånd Minerva.
+
+As hja that nw ella tellad hêde, frêjath hja mith êrbjadenesse vm
+yrsene burchwêpne, hwand sêidon hja vsa lêtha send weldich, tha sa
+wi efta wâpne håve, skillon wi ra wel wither worda. As hju thêran
+to stemad hêde, frêjath tha ljuda jef tha Fryas sêda to Athenia ånd
+tha ôra Krêkalanda bloja skolde, thju Moder andere, jef tha fêre
+Krêkalanda to tha erva Fryas hêra, alsa skilum hja thêr bloja, ne
+hêrath hja navt thêr to, alsa skil thêr lang over kåmpad wrda mote,
+hwand thene kroder skil jeva fifthusand jêr mith sin Jol ommehlâpa,
+bifara thåt Findas folk rip to fâra frydom sy. [53]
+
+
+
+
+
+THIT IS OVER THA GÊRTMANNA.
+
+
+Thâ Hellênja jefta Minerva sturven was, tha bâradon tha prestera
+as jef hja mith vs wêron, til thju that hel blika skolde havon hja
+Hellênia to-ne godene ute kêth. Ak nildon hja nêne ore Moder kjasa
+lêta, to segande, hja hêde frêse that er emong hira fâmna nimman wêre,
+thêr hja sa god kvnde trowa as Minerva thêr Nyhellênia tonomt was. Men
+wi nildon Minerva navt as êne godene navt bikånna, nêidam hja selva
+seid hêde that nimman god jefta fvlkvma wêsa ne kvnde thån Wr.aldas
+gâst. Thêrumbe kêron wi Gêrt Pire his toghater to vsa Moder ut.
+
+As tha prestera sagon that hja hjara hering navt vp vsa fjvr brêda
+ne mochton, thâ gvngon hja buta Athenia ånd sêidon that wi Minerva
+navt to-ne godene bikåna nilda ut nyd, vmbe that hju tha inhêmar
+sâ fûl ljafde biwêsen hede. Forth javon hja that folk byldnisse fon
+hira liknese, tjûgande that hja thêrlan ella frêja machte alsa naka
+hja hêroch bilewon. Thrvch al thissa tellinga warth thåt dvma folk
+fon vs ofkêrad ånd to tha lesta fylon hja vs to lif. Men wi hêdon vsa
+stêne burchwal mith twam hornum om têjen al to tha sê. Hja ne machton
+vs thervmbe navt nâka. Thach hwat bêrde, an Êgiptalanda thêr wêre en
+overprester, hel fon âgnum, klâr fon bryn ånd licht fon gâst, sin nâm
+wêre Sêkrops, [54] hy kêm vmb rêd to jêvane. As Sêkrops sach that er
+mith sinum ljuda vsa wal navt biranna ne kv, thâ sand hi bodon nêi
+Thyrhis. Afternêi kêmon er thrja hvndred skipun fvl salt-âtha fon
+tha wilde berchfolkum vnwarlinga, vsa hâva bifâra, dahwila wy mith
+alle mannum vppa wallum to strydande wêron.
+
+Drêi as hja thju hâva innomth hêde wildon tha wilda salt-âtha thåt
+thorp ånd vsa skipa birâwa. Ên salt-âthe hêde al en bukja skånd,
+men Sêkrops wilde thåt navt ne hångja, ånd tha Thyrjar stjurar thêr
+jeta Fryas blod int lif hêde sêidon, aste that dêiste sâ skilun
+wi tha râde hône in vsa skypa stêka ånd thv ne skilst thina berga
+na withera-sja. Sêkrops tham navt ne hilde ni fon morthja nor fon
+hommelja, sand bodon nêi Gêrt vmbir tha burch of to askja, hju
+macht frya uttochte hâ mith al hira drywande ånd bêrande hâva, hira
+folgar alsa fül. Tha wista thêra burchhêrum êl god sjande thåt hja
+tha burch navt hâlda ne kvnde, rêden Gêrt hja skolde gaw to bitta,
+bi fira Sêkrops wodin wrde ånd overs bigvnde, thrê mônatha åfter
+brûde Gêrt hinne mith tha alder besta Fryas bern ånd sjugum wara twilf
+skypum. Thâ hja en stût buta thêre have wêron kêmon thêr wel thritich
+skêpun fon Thyrhis mit wif ånd bern. Hja wilde nêi Athênia gâ, tha as
+hja hêrdon ha-t thêr eskêpen stande gvngon hja mit Gêrt. Thi wêtking
+thêra Thyrjar brocht algadur thrvch tha strête [55] thêr vnder thisse
+tida vppa tha râde sê uthlip. Et leste lândon hja et Pangab, that is
+in vsa sprêke fif wêtervm, vmbe that fif rinstrâma mith hiri nêi tha
+sê to strâme. Hyr seton hja hjara selva nithar. That lånd håvon hja
+Gêrtmannja hêton. Thene kêning fon Thyrhis åfternêi sjande that sin
+alderbesta stjurar wei brit wêren sand al sin skipa mith sina wilde
+saltâtha vmb-er dâd jefta lêvand to fâtane. Men as hjå by thêre strête
+kêm bêvadon bêde sê ånd irtha. Forth hêf irtha hira lif thêr vppa,
+sâ hâg that al et wêter to thêre strête uthlip, ånd that alle wata
+ånd skorra lik en burchwal to fâra hjam vp rêson. That skêde over
+tha Gêrtmanna hjara dügda lik as allera mannalik hel ånd klâr mêi sja.
+
+
+
+
+
+AN THA JÊRA 1000 AND 5 [56] NÊI ALDLAND SVNKEN IS, IS THIT VPP-INA
+ASTERWACH IT FRYAS BURCH WRITEN.
+
+
+Nêi that wi in twilif jêr tid nên Krêkalandar to Almanlând sjân
+hêde, kêmon thêr thrju skêpa sa syrlik as wi nên hêdon ånd to fara
+nimmer nêde sjan. Vppet storoste thêra wêre-n kêning thêra Jhonhis
+êlandum. Sin nôme wêre Ulysus ånd tha hrop ovir sin wisdom grât. This
+kêning was thrvch êne presteresse forsêid, that er kêning wertha
+skolde ovir alla Krêkalanda sa-r rêd wiste vmbe-n foddik to krêjande,
+thêr vpstêken was anda foddik it Texland. Vmbe-r to fensane hêder
+fêle skåta mith brocht, boppa ella fâmne syrhêdum, alsa thêr in
+wralda navt skênener mâkad wrde. Hja kêmon fon Troja en stede tham
+tha Krêkalandar innimth hêdon. Al thissa skåta bâd hi tha Moder an,
+men thju Moder nilde nârne fon nêta. As er to lesta sa, that hju navt
+to winne wêre, gvng er nêi Walhallagara [57].
+
+Thêr was en fâm sêten, hjra nôme wêre Kât, tha inna wandel wrde hju
+Kalip [58] hêten ut hawede that hjara vnderlip as en utkikbored
+farutståk. Thêrby heth er jêron hwilth to årgenisse fon al tham
+et wiston. Nêi thêra fâmna hrop heth er to lesta en foddik fon hir
+krêjen, tha hja heth im navt ne bât, hwand as er in sê kêm is sin
+skip vrgvngon ånd hy nâked ånd blât vpnimth thrvch tha ôthera skêpa.
+
+Fon thisse kêning is hyr en skryver åfterbilêwen fon rên Fryas blod,
+bårn to thêre nêie have fon Athênia ånd hwat hyr folgath het er vs
+fon ovir Athênia skrêven, thêrut mêi mån bisluta, ho wêr thja Moder
+Hel-licht sproken heth, thâ hja sêide thåt Fryas sêda to Athênia nên
+stand holde ne kvste.
+
+Fon tha ôthera Krêkalander hetste sêkur fül kwâd ovir Sêkrops hêred,
+hwand hi wêre in nên gode hrop. Men ik dâr segse, hi wêre-n lichte man,
+hâchlik romed alsa sêr bi tha inhêmar as wel bi vs, hwand hi wêre
+navt vmbe tha månniska to diapana sa tha ôra prestera, men hi wêre
+dügedsêm ånd hi wist tha wisdom thêra fêrhêmanda folkum nêi wêrde to
+skåtande. Thêrvmbe that er that wiste, hêde-r vs to stonden that wi
+machte lêva nêi vs ajn êlik Sêgabok. Thêr gvng en telling that er vs
+nygen were, vmbe that er tjucht wêsa skolde ut en Fryaske mangêrte ånd
+Êgiptiska prester, uthawede that er blâwe âga hêde, ånd that er fül
+mangêrta fon vs skâkt wêron ånd in ovir Egiptalande vrsellath. Tha
+selva heth er nimmerte jecht. Ho-t thêrmêi sy, sêkur is-t that er
+vs mâra âthskip biwês as alle ôthera prestum to sêmne. Men as er
+fallen was, gvngon sina nêimanninga alring an vsa êwa torena ånd bi
+grâdum sa fêlo mislikanda kêra to mâkjande, that er to lônge lesta
+fon êlik sa ånd fon frydom ha navt ôwers as tha skin ånd tha nôme
+vrbilêf. Forth nildon hja navt ne dâja that-a setma an skrift brocht
+wrde, hwerthrvch tha witskip thêra far vs forborgen wårth. To fâra
+wrdon alle sêkum binna Athênia in vsa tâl bithongon, åfternêi most
+et in bêda tâla skên ånd to lesta allêna in tha landis tal. In tha
+êrosta jêra nam that manfolk to Athênia enkel wiva fon vs ajn slacht,
+men that jongkfolk vpwoxen mitha mangêrta thêr landsâton namen thêr âk
+fon. Tha bâstera bern tham thêrof kemon wêron tha skênsta ånd snodsta
+in wralda, men hja wêron âk tha årgsta. To hinkande vr byde syda,
+to mâlande her vm sêda ner vm plêga, hit ne sy that et wêre for hjara
+ajne held. Alsa nâka thêr jeta-n strêl fon Fryas gâst weldande wêre
+wårth al et bvwspul to mêna werka forwrochten ånd nimmån ne mocht en
+hus to bvwande, thåt rumer ånd riker wêre as thåt sinra nêstum. Tha
+thâ svme vrbastere stêdjar rik wêron thrvch vs fâra ånd thrvch et
+sulver, thåt tha slâvona uta sulverlôna wnnon, thâ gvngon hja buta
+vppa hellinga jefta inda dêla hêma. Thêr beftha hâga wallum fon lôf
+tha fon stên bvwadon hja hova mith kestlik husark, ånd vmbe by tha wla
+prestrum in en goda hrop to wêsande, ståldon hja thêr falska drochten
+likanda ånd vntuchtiga bilda in. By tha wla prestrum ånd forstum wrdon
+tha knâpa al tomet mâra gêrt as tha toghatera, ånd fâken thrvch rika
+jefta thrvch weld fon et pad thêre düged ofhlêid. Nêidam rikdom by
+thåt vrbrûde ånd vrbasterde slachte fêr bvppa düged ånd êre jelde, sach
+mån altomet knâpa tham hjara selva mit rûma rika klâtar syradon, hjara
+aldrum ånd fâmna to skônda ånd hjara kvnna to spot. Kêmon vsa ênfalda
+aldera to Athênia vppe thêre mêna acht ånd wildon hja thêrvr bâra,
+sâ warth ther hropen, hark, hark, thêr skil en sêmomma kêtha. Alsa
+is Athênia wrdon êlik en brokland anda hête landa, fol blodsûgar,
+pogga ånd feniniga snâka, hwêrin nên månniske fon herde sêdum sin
+fot navt wâga ne mêi.
+
+
+
+
+
+THIT STAT IN AL VSA BURGA.
+
+
+Ho vsa Dênamarka [59] fâra vs vlêren gvngon 1600 ånd 2 jêr [60] nêi
+Aldland vrgongen is. Thrvch Wodins dor ånd dertenhêd was thene Magy
+bâs wrden ovir Skênlandis astardêl. Wra berga ånd wr-n sê ne tvrade
+hi navt ne kvma. Thju Moder wildet navt wêrha, hja sprêk ånde kêth,
+ik sja nên frêse an sina wêpne, men wel vmbe tha Skênlander wêr to
+nimmande, thrvchdam hja bastered ånd vrdêren sind. Vppa mêna acht
+toch te man alên. Thêrvmbe is-t im lêten. Grât 100 jêr lêden byondon
+tha Dênemarkar to wandelja mith hjam. Hja jêvon him ysere wêpne ånd
+rêdskip thêr fori wandeldon hja golden syrhêdon bijunka kâper ånd
+yserirtha. Thju Moder sand bodon ånd rêd-er, hja skolde thju wandel
+fâra lêta. Thêr wêre frêse sêide hju fori hjara sêdum, ånd bitham
+hja hjara sêde vrlêren, thån skolde hja âk hjara frydom vrljasa. Men
+tha Dênemarkar nêde narne âra nei, hja nilda navt bigrippa that hjara
+sêde vrbrûde kvste, thêrvmbe ne meldon hja hja navt. To lônga lesta
+brochton hja ajne wêpne ånd liftochta wêi. Men thåt kwâd wrocht hjara
+gêia. Hjara lichêma wrdon bilâden mêi blik ånd skin, men hjara arka
+spynton ånd skvra wrdon lêtoch. Krek hondred jêr eftere dêi that et
+forma skip mit liftochta fona kâd fâren was, kêm ermode ånd lek thrvch
+tha anderna binna, honger sprêda sina wjvka ånd strêk vppet land
+del, twispalt hlip stolte in overe strêta ånd forth to tha hûsa in,
+ljafde ne kv nên stek lônger navt finda ånd êntracht run êwêi. Thåt
+bårn wilde êta fon sina måm ånd thju måm hêde wel syrhêdon tha nên
+êta. Tha wiva kêmon to hjara manna, thissa gvngon nêi tha grêva, tha
+grêva nêdon selva nawet of hildon-t skul. Nw most mån tha syrhêdon
+vrsella, men thawila tha stjurar thêrmêi wêi brit wêron kêm frost
+ånd lêi-n plônk del vppa sê ånd wra strête. Tha frost thju brigge
+rêd hêde, stop wâkandon thêrwr to-t land ut ånd vrêd klywade vpper
+sêtel. In stêde fon tha owera to biwâkande spandon hja hjara horsa
+for hjara togum ånd runon nêi Skênland thâ. Tha Skênlander, tham nêy
+wêron nêi that land hjarar êthla kêmon nêi tha Dênemarkum. Vppen helle
+nacht kêmon hja alla. Nw sêidon hja that hja rjucht hêde vppet land
+hjarar êthlon ånd thahwil that mån thêrvr kåmpade kêmon tha Finna in
+tha lêtoga thorpa ånd runadon mith tha bern ewêi. Thêrtrvch ånd that
+hja nên goda wêpne navt nêdon, dêd hjam tha kåsa vrljasa ånd thêrmêi
+hjari frydom, hwand thene Magy wrde bâs. That kêm that hja Fryas tex
+navt lêsde ånd hira rêdjêvinga warlâsed hêde.
+
+Ther send svme thêr mêne that hja thrvch tha grêva vrrêden send,
+that tha fâmna thåt lông spêrath hêdon, tha sa hvam sa thêr vr kêtha
+wilde, tham is mvla wrdon to smôrath mith golden kêdne. Wi ne mügan
+thêrvr nên ordêl to fellande, men wi willath jo tohropa, ne lên navt
+to sêre vppa wisdom ånd düged ni fon jvwa Forsta, ni fon jowa fâmna,
+hwand skel et halda sa mot allera mannalik wâka ovir sin ajna tochta
+ånd for-t mêna held.
+
+Twa jêr nêidam kêm thene Magy selva mith en flâte fon lichte kânum,
+tha Moder fon Texland ånd tha foddik to râwane.
+
+Thås årge sêke bistonde-r thes nachtis anda winter by storne tydum
+as wind gûlde ånd hêjel to jenst tha andêrna fêtere. Thi utkik thêr
+mênde thater awet hêrde ståk sin balle vp. Tha drêi as et ljucht
+fon êr tore vppet ronddêl falda, sa-r that al fêlo wêpende manna wra
+burchwal wêron. Nw gvng-er to vmbe tha klokke to lettane, tha et wêre
+to lêt. Êr tha wêre rêd wêre, wêron al twa thusand ina wêr vmbe tha
+porte to rammande. Strid hwilde thervmbe kirt, hwand thrvchdam tha
+wêra navt nên gode wacht halden nêde, kêmon alle om.
+
+Hwil that alrek drok to kåmpane wêre, was thêr en wla Fin to
+thêre flête jefta bedrum fon thêre Moder inglupth, ând wilde hja
+nêdgja. Tha thju Moder wêrd-im of that er bekwârd tojênst tha wâch
+strumpelde. Thâ-r wither vpa bên wêre stek er sin swêrd to ir buk in
+segsande, nilst min kul navt sâ skilst min swêrd ha. After im kêm
+en skiper fona Dênemarka, thisse nam sin swêrd ånd hif thêne Fin
+thrvch sina hole. Thêrut flât swart blod ånd thêrvr swêfde-n blâwe
+logha. Thi Magy lêt thju Moder vpa sinra skip forplêgja. As hju
+nw wither alsa fêre hêl ånd bêter wêr that hju fåst sprêka machte,
+sêide thene Magy that hju mith fâra moste, tha that hju hira foddik
+ånd fâmna halda skolde, that hju en stât skolde nyta sâ hâch as hju
+to fara na nêde kenth. Forth sêide-r thåt hi hiri frêja skolde in
+ajnwarde fon sinum forsta, jef er mâster skolde wertha over alle
+lânda ånd folkra Fryas. Hi sêide that hju that bijâe ånd bijechta
+most, owers skolde-r vnder fêlo wêja sterva lêta. As er thêr after al
+sinra forsta om ira lêger to gadurad hêde frêjer lûd, Frâna vrmites
+i klârsjande biste most m.ênis segsa of ik mâster skil wertha over
+alle lânda ånd folkra Fryas. Frâna dêde as melde hja him navt. To
+lônga lesta êpende hju hira wêra ånde kêth, min âgun wrde thjûstred,
+tha that ôre ljucht dêgth vp in minara sêle. Jes, ik sja-t. Hark
+Irtha ånd wês blyde mith my. Vndera tydum that Aldland svnken is,
+stand thju forma spêke fon thet Jol an top. Thêrnêi is hju del gvngon
+ånd vsa frydom mith tham. As er twa spêka jeftha 2000 jêr del trûled
+het, sâ skilun tha svna vpstonda thêr tha forsta ånd prestera thrvch
+hordom bi-t folk têled håve, ånd tojenst hjara tâta tjugha. Thi alle
+skilum thrvch mort swika, men hwat hja kêth håve skil forth bilywa
+ånd frûchdber wertha in-a bosme thêra kloke månniska, alsa lik gode
+sêdum thêr del lêid wrde in thinra skât. Jeta thûsand jêr skil thju
+spêke then del nyga ånd al mâra syga anda thjusternesse ånd in blod,
+ovir thi utstirt thrvch tha lâga thêr forsta ånd prestera. Thêrnêi
+skil thet mornerâd wither anfanga to glora. Thit sjande skilun tha
+falska forsta ånd prester alsamen with frydom kåmpa ånd woxelja, men
+frydom, ljafde ånd êndracht skil-et folk in hjara wach nêma ånd mit
+thet jol risa uta wla pol. Thåt rjucht thåt erost allêna glorade,
+skil than fon lêjar laja to-n logha wertha. That blod thêra årgum
+skil ovir thin lif strâma, men thu ne mügth et navt to thi nêma. To
+tha lesta skil thåt feninige kwik thêr vp âsa ånd thêrof sterva. Alle
+wla skêdnese tham forsunnen send vmbe tha forsta ånd prestera to boga,
+skilun an logha ofred wertha. Forth skilun al thinra bern mith frêtho
+lêva. Thâ hju utspreken hêde, sêg hju del. Men thene Mâgy tham hja
+navt wel forstân hêde krêth, ik håv thi frêjeth, jef ik bâs skilde
+wertha ovir alle lânda ånd folkra Fryas, ånd nw håste to en other
+sproken. Frâna rjuchte hiri wither, sach im star an ånd kêthe: êr
+sjugun etmelde om send, skil thin sêle mitha nachtfüglon to tha grâwa
+omme wâra ånd thin lik skil ledsa vppa bodem fona se. Êl wel sêide
+thene Magy mith vrborgne wodin, segs men thåt ik kvme. Forth sêider
+to jenst ên sinar rakkarum, werp that wif vr skippes bord. Althus
+wêr-et ende fon-re leste thêra Moderum [61]. Wrêke willath wi thêr
+vr navt ne hropa, tham skil tyd nima. Men thûsand wâra thûsand mêl
+willath wi Frya åfternêi hropa: wâk-wâk-wâk.
+
+
+
+
+
+HO-T THENE MAGY FORTH VRGVNGON IS.
+
+
+Nêi that tha modder vrdên was, lêter tha foddik ånd tha fâmna to
+sina skip to brenga bijunka alle inbold thêr im likte. Forth gvng
+er thåt Flymâr vp, hwand hi wilde tha fâm fon Mêdêasblik jeftha fon
+Stâvora gabja ånd tham to Moder mâkja. Tha thêr wêron hja vp hjara
+hodum brocht. Tha stjurar fon Stâvora ånd fon thåt Alderga hêdon hini
+gêrn to Jonis togen, men tha grâte flâte wêre vppen fêre tocht ût. Nw
+gvngon hja to ånd foron mith hjra littige flâte nêi Mêdêasblik ånd
+hildon hja skul after thât ly thêra bâmun. Thi Mâgy nâkade Mêdêasblik
+bi helle dêi ånd skynander svnne. Thach gvngon sina ljuda drist drist
+wêi vppera burch to runnande. Men as allet folk mith tha bôtum land
+was, kemon vsa stjurar utêre krêke wêi ånd skâton hjara pila mith
+târbarntin bollum vp sinra flâte. Hja wêron alsa wel rjucht that fêlo
+sinra skêpun bistonda anna brônd wêron. Tham vppa skêpun wachton,
+skâton âk nêi vs thâ, thach thåt ne rojade nawet. As er to lesta en
+skip al barnande nêi-t skip thes Mâgy dryf, bifel-er sin skiper hi
+skolde ofhâde, men thene skiper that wêre thene Dênemarker thêr thene
+Fin felad hêde, andere, thv hest vse Êremoder nêi tha bodem fona sê
+svnden to meldande thatste kvma skolde, thit skoste thrvch tha drokhêd
+wel vrjetta; nw wil ik njude thatste thin word jecht. Thi Mâgy wild-im
+ofwêra; men thene skiper, en åfte Fryas ånd sterik lik en jokoxe,
+klipade bêda sinum hônda om sin hole ånd hif hini vr bord into thåt
+wellande hef. Forth hês er sin brune skild an top ånd for rjucht to
+rjucht an nêi vsa flâte. Thêrthrvch kêmon tha fâmna vnforlet to vs,
+men tha foddik was utgvngon ånd nimman wiste ho-t kêmen was. Tha hja
+vppa vnfordene skêpa heradon, that thene Mâgy vrdrvnken was, brûde
+hja hinne, hwand tha stjurar thêra mêst Dênemarkar wêron. Nêi that tha
+flâte fêr enoch ewêi wêre, wendon vsa stjurar ånd skâton hjara barnpila
+vppa tha Finna del. Thâ tha Finna thus sagon, ho hja vrrêden wêron,
+hlip alrik thrvch vr ekkdrum ånd thêr nêre lônger nên hêrichhêd ni
+bod. To thisre stonde run tha wêre hju ut têre burch. Tham navt ne
+fljuchte, werth afmakad, ånd thêr fljuchte fvnd sin ende into tha
+polum fon et Krylinger wald.
+
+
+
+
+
+NÊISCHRIFT.
+
+
+Thâ tha stjurar an da kreke lêjon was thêr en spotter fon ut
+Stavora mank, thêr sêide, Mêdêa mei lakkja, sa wi hyr ut hjra burch
+reda. Thêrvmbe håvon tha fâmna thju krêke Mêdêa mêi lakkja [62] hêten.
+
+Tha bêrtnissa thêr afternêi skêd send, mêi alra mannalik hügja. Tha
+fâmna hagon tham nei hjara wysa to tella ånd wel biskriwa
+lêta. Thêrvmbe rêkenjath wi hirmitha vsa arbêd fvlbrocht. Held.
+
+
+ Ende fon 't Bok.
+
+
+
+
+
+THA SKRIFTA FON ADELBROST AND APOLLONIA
+
+
+Min nôm is Adelbrost svn fon Apol ånd fon Adela. Thrvch min folk
+ben ik kêren to Grêvetman ovira Linda wrda. Thêrvmbe wil ik thit bok
+forfolgja vp alsa dênera wisa as mine mem sproken heth.
+
+Nêi that thene Mâgy felt was ånd Fryasburch vp stel brocht, most er
+en moder kêren wertha. Bi-ra lêva nêde thju Moder hira folgstera navt
+nômth. Hira lersta wille was sok ånd narne to findne. Sjugun mônatha
+åfter werth er en mêna acht bilidsen ånd wel to Grênegâ [63] ut êrsêke
+that anna Saxanamarka pâlth. Min mem werth kêren, men hju nilde nên
+Moder wêsa. Hju hêde heth lif minar tât hrêd, thêrthruch hêden hja
+ekkorum lyaf krêjen ånd nw wildon hja âk gâdath wertha. Fêlon wildon
+min mem fon er bislut ofbrenga; men min mem sêide, en Êremoder âcht
+alsa rên in -ra mod to wêsana as hja buta blikt ånd êven mild far al
+hjara bern. Nêidam ik Apol nw lyaf håv boppa ella in wralda, sâ ne
+kån ik sâ-ne Moder navt nêsa. Sâ sprek ånd kêth Adela, men tha ôra
+burchfâmna wildon algâder Moder wêsa. Alrek stât thong fori sinera
+åjne fâm ånd nilde navt fyra. Therthrvch nis er nêne kêren ånd heth
+rik thus bandlâs. Hyr åfter müg-it bigripa.
+
+Ljudgêrt, tham kêning thêr hêmesdêga fallen is, was bi thêre Moder-is
+lêva kêren blikbêr trvch alle stâtha mith lyafde ånd trjvw. Heth
+wêre sin torn vmbe vppin eth grâte hof to Dok-hêm [64] to hêmande,
+ånd bi thêre Moder-is lêva wrd-im ther grâte êr biwêsen, hwand et
+wêre immer sa ful mith bodon ånd riddarum fon hêinde ånd fêre as-m-å
+to fora na nêde sjan. Tach nw wêr-er ênsêm and vrlêten, hwand alrek
+wêre ange that-er him mâster skolde mâkja boppa heth rjucht ånd welda
+ê-lik tha slâvona kêninggar. Elk forst wânde forth that-er enoch
+dêde as er wâkade ovir sin åjn stât; ånd thi ên ne jêf nawet tâ antha
+ôthera. Mith-êra burchfamna gvnget jeta årger to. Alrek thisra bogade
+vppira åjne wisdom ånd sahwersa tha Grêvetmanna awet dêdon buta hjam,
+sâ wrochten hja mistryvwa bitwiska tham ånd sinum ljudum. Skêder en
+sêke thêr fêlon stâtha trof ånd hêde mån thju rêd êner fâm in wnnen,
+sâ kêthon alle ôthera that hju sproken hêde to fêre fon hjra åjne
+stât. Thrvch althus dênera renka brochton hja twyspalt in ovira stâtha
+ånd torendon hja that band sâdêne fon ên, that et folk fon tha ênne
+stât nythich wêre vppet folk fon en ora stât ånd fâret alderminesta
+lik fêrhêmande biskôwade. Thju fêre thêra is wêst that tha Gola jeftha
+Trowyda vs al-êt lând of wnnen håven al ont thêra Skelda ånd thi Magy
+al to thêre Wrsâra. Ho-r thêrby to gvngen is, heth min mem vntlêth,
+owers nas thit bok navt skrêven ne wrden, afskên ik alle hâpe vrlêren
+håv tha-et skil helpa thâ bâta. Ik ne skryw thus navt inna wân,
+thet ik thêrthrvch thet lånd skil winna jeftha bihaldane, that is
+minra achtne vndvalik, ik skryw allêna fâr et åfter kvmande slacht,
+til thju hja algâdur wêta müge vp hvdêna wisa wy vrlêren gvnge,
+ånd tha alra mannalik hyr ut lêra mêi that elk kwâd sin gêja têlath.
+
+My heth mån Apollônja hêten. Twyia thritich dêga nêi måm hira dâd heth
+mån Adelbrost min brother vrslêjen fonden vppa wårf, sin hawed split
+ånd sina lithne ût ên hrêten. Min tât thêr siak lêide is fon skrik
+vrsturven. Thâ is Apol min jungere brother fon hyr nêi thêre westsyde
+fon Skênlând fâren. Thêr heth er en burch ebuwad, Lindasburch [65]
+hêten, vmbe dâna to wrekana vs lêth. Wr.alda heth-im thêr to fêlo
+jêra lênad. Hy heth fif svna wnnen. Altham brengath thêne Magy skrik
+ånd min brother gôma. After måm ånd brother-is dâd send tha fromesta
+fon-ut-a lândum to ekkôrum kvmen, hja havon en bând sloten Adelbând
+hêten. Til thju vs nên leth witherfâra ne skolde, håvath hja my ånd
+Adelhirt min jungste brother vpper burch brocht, my by tha fâmna ånd
+min brother by tha wêrar. Thâ ik thritich jêr werê heth man my to
+Burchfâm kêren, ånd thâ min brother fiftich wêre, werth-er keren to
+Grêvetman. Fon måm-is syde wêre min brother thene sexte, men fon tât
+his syde thene thride. Nêi rjucht machton sine åfterkvmande thus nên
+overa Linda åfter hjara nômun navt ne fora, men alra månnalik wildet
+håva to êre fon mina måm. Thêr to boppa heth mån vs åk en ofskrifte
+jêven fon thet bok thêra Adela follistar. Thêr mitha ben ik thet
+blydeste, hwand thrvch min måm hjra wisdom kêm-et in wralda. In thas
+burch håv ik jeta ôra skrifta fvnden, thêr navt in 't bok ne stan,
+åk lovsprêka ovir min måm, altham wil ik åfter skriva.
+
+Thit send tha nêilêtne skrifta Brunnos, ther skrywer wêsen is to
+thisre burch. After that tha Adela follistar ella hêde lêta overskryva
+elk in sin rik, hwat wryt was in vppa wâgarum thêra burgum, bisloton
+hja en Moder to kjasane. Thêrto wårth en mêna acht bilêid vp thisra
+hêm. After tha forme rêd Adelas wårth Tüntja bifolen. Ak skoldet slâcht
+håve. Thach nw frêge min Burgtfâm thet wort, hju hede immerthe wênich
+wêst thåt hju Moder skolde wertha, ut êrsêke thåt hju hyr vpper burch
+sat, hwana mêst alle Moderum kêren wêron. Tha hju thet word gund was,
+êpende hju hira falxa wêra ånde kêth: I alle skinth årg to heftane
+an Adelas rêd, tha thåt ne skil thêrvmde min mvla navt ne sluta ner
+snôra. Hwa tach is Adela ånd hwâna kvmt et wêi thåtster sokke hâge
+love to swikth. Lik ik hjuddêga is hju to fara hyr burchfâm wêst. Tha
+is hju thêr vmbe wiser jefta bêtre as ik ånd alle ôthera, jefta is hju
+mâr stelet vppvsa sêd ånd plêgum. Hwêre thåt et fal, sâ skolde hju wel
+Moder wrden wêsa, thâ hju thêrto kêren is, men nêan hju wilde rêder
+ennen bosta ha mith all joi ånd nochta thêr er anebonden send, in stêd
+fon ênsum over hjam ånd et folk to wâkane. Hju is êl klarsjande, god,
+men min âgne ne send fêr fon vrthjustred to wêsane. Ik håv sjan thåt
+hju hira fryadelf herde minth, nw god, thåt is lovelik, men ik håv
+forther sjan thåt Tüntja Apol-is nift is. Wyder wil ik navt ne sedsa.
+
+Tha forsta bigripen êl god, hwêr hju hly sochte, men emong et folk
+kêm twyspalt, ånd nêidam heth maradêl fon hyr wei kêm, wilde-t Tüntja
+thiu êre navt ne guna. Rêdne wrde stopth, tha saxne tâgon uta skådne,
+men thêr ne wårth nêne Moder kêren. Kirt åfter hêde annen vsera bodne
+sin makker fåleth. Til hjuddêga hêde der frod wêsen, thêrvmbe hede
+min burchfâm orlovi vmb-im buta tha lândpâla to helpane. Thach in
+stêd fon im to helpane nêi thet Twiskland, alsa fljuchte hju selva
+mith im overe Wrsara ånd forth nêi tha Mâgy. Thi Mâgy tham sina
+Fryas svna hagja wilde stald-iri as Moder to Godaburch et Skênland,
+mên hju wilde mâr, hju sêid-im thåt sahwersa hi Adela vpruma koste,
+hi måster skolde wertha over êl Fryas land. Hju wêr en fyand fon Adele
+sêide hju, hwand thrvch hjra renka nas hju nên Moder wrden. Sahwersa
+hy hir Texland forspreka wilde, sa skolde hjra boda sina wichar to
+wêiwyser thjanja. Al thissa sêka heth hjra boda selva bilyad.
+
+
+
+
+
+THET OTHERA SKRIFT.
+
+
+Fiftian monatha nêi thêre lerste acht wêr-et Frjunskip jeftha
+Winnemônath. Alleramånnelik jef to an mery mery fru ånd bly, ånd nimman
+nêde diger than to âkane sina nocht. Thach Wr.alda wild vs wysa, thåt
+wâkendom navt vrgamlath wrde ne mêi. To midne fon-et fêst fyrja kêm
+nêvil to hullande vsa wrda in thikke thjusternise. Nocht runde wêi, tha
+wâkendom nilde navt ne kêra. Tha strandwâkar wêron fon hjara nêd fjura
+hlâpen ånd vppa tha topâdum nas nênen to bisja. Thâ nêvil ewêi tâch,
+lokte svnne thrvch tha rêta thêra wolkum vp irtha. Alrek kêm wither
+ut to juwgande ånd to jolande, thet jungk folk tâch sjongande mitha
+gürbâm [66] ånd thisse overfulde luft mith sina liaflika âdam. Men
+thahwila thêr alrek in nocht bâjada, was vrrêd lând mith horsum ånd
+ridderum. Lik alle årga wêron hja helpen thrvch thjusternisse, ånd
+hinne glupath thrvch Linda waldis pâda. To fâra Adelas dure tagon
+twilif mangêrtne mith twilif låmkes ånd twilif knâpa mith twilif
+hoklinga, en junge Saxmån birêd en wilde bufle thêr er selva fensen
+hêde ånd tåmad. Mith allerlêja blomma wêron hja siarad, ånd tha linnen
+tohnekna thêra mångêrtne wêron omborad mith gold ut-er Rêne.
+
+Thâ Adela to hira hus ut vppet slecht kêm, fol en blomrêin del vppira
+hole, alle juwgade herde ånd tha tot-horne thêra knâpum gûldon boppa
+ella ut. Arme Adela, årm folk, ho kirt skil frü hir bydja. Thâ
+thju lônge skåre ut sjocht wêre kêm er en hloth mâgjara ridderum
+linrjucht to rinnande vp Adelas hêm. Hira tât ånd gâde wêron jeta
+vppa stoppenbenke sêten. Thju dure stond êpen ånd thêr binna stand
+Adelbrost hira svna. As er sach ho sina eldra in frêse wêron, gripter
+sine bôge fon-ere wâch wêi ånd skât nêi tha foresta thêra râwarum;
+this swikt ånd trulde vppet gårs del; overne twade ånd thride was
+en êlik lôt biskêren. Intwiska hêdon sina eldra hjara wêpne fat, ånd
+tagon vndyger to Jonis. Tha râwera skoldon hjam ring fensen ha, men
+Adela kêm, vppere burch hêde hja alle wêpne to hantêra lêrad, sjugun
+irthfêt wêre hju lông ånd hira gêrt sâ fêlo, thryja swikte hja tham or
+hjra hole ånd as er del kêm wêr en ridder gårsfallich. Follistar kêmon
+omme herne thêre lône wêi. Tha râwar wrdon fålath ånd fensen. Thach
+to lêt, en pil hêde hjra bosme trefth. Vrrêdelika Magy! In fenin was
+sin pint dipth ånd thêrof is hju sturven.
+
+
+
+
+
+THÊRE BURCHFAMS LOV.
+
+
+Jes ferhêmande âthe, thusande send al kumen ånd jet mâra send vp wêi.
+
+Wel, hja willath Adelas wisdom hêra.
+
+Sekur is hju forstine, hwand hju is immer thja forste wêst.
+
+O wach hwêrto skolde hja thjanja. Hira hemeth is linnen, hira tohnekka
+[67] wol, thåt hjv selva spon ånd wêvade. Hwêrmêi skolde hja hjra
+skênhêd hâga. Navt mith pårlum, hwand hjra tuskar send witter; navt
+mith gold, hwand hjra hêr is blikkander; navt mith stêna, wel send
+hjra âgon saft as lamkes âgon, thach to lik sa glander thåt mån thêr
+skrômlik in sja ne mêi.
+
+Men hwat kålt ik fon skên. Frya wêre wis navt skêner.
+
+Ja âthe, Frya thêr sjugun skênhêde hêde, hwêrfon hjra toghâtera men
+êne elk hâchstens thria urven håve. Men al wêre hju lêdlik, thach
+skolde hju vs djura wêsa.
+
+Jef hju wygandlik sy. Hark âthe, Adela is thet ênge bern vsar
+grêvetman. Sjugun jrthfet is hju hâch, jeta grâter then hjra licheme
+is hjra wishêd ånd hjra mod is lik bêde to sêmine.
+
+Lok thêr, thêr wêre ênis en fênbrônd, thrju bern wêron vp jenske
+gråfstên sprongen. Wind blos fel. Alrek krêta ånd thju måm wêre
+rêdalâs. Thêr kvmt Adela: ho stêitst ånd têmethste hropth hju,
+tragd help to lê-nande ånd Wr.alda skil jo krefta jêva. Thêr hipth
+hja nêi-t Krylwod, gript elsne trêjon, tragd en breg to makjande,
+nw helpath âk tha ôthera ånd tha bern send hred.
+
+Jêrlikes kêmon tha bern hyr blomma ledsa.
+
+Thêr kêmon thrê Fonysjar skipljuda thêr hja wrêvela wilde, men Adela
+kêm, hju hêde hjara hwop (hrop) hêrad, in swim slêith hju tha lêtha ånd
+til thju hja selva jechta skolde, thet hja vnwêrthelike manna wêron,
+bint hju alsêmen an en spinrok fest. Tha fêrhêmanda hêra kêmon hjara
+thjud askja. Tha hja sagon ho skots hja misdên wêron, kêm torn vp,
+thach mån tellade ho-t bêrd was.
+
+Hwat hja forth dêdon, hja buwgdon to fâra Adela ånd keston thju slyp
+hyrar tohnekka.
+
+Kvm fêrhêmande âthe, tha wald füglon fljuchtath to fâra tha fêlo
+forsykar. Kvm âthe sâ mêist hjara wishêd hêra.
+
+By tha gråfstên hwer fon in tha lovsprêke meld wårth, is måm hira
+lik bigråven. Vppira gråfstên heth mån thissa worda hwryten.
+
+
+ NE HLAP NAVT TO HASTICH HWAND HYR LÊID ADELA.
+
+
+Thju formlêre thêr is hwryten inutere wâch thêr burchtore, nis navt
+wither eskrêven in thåt bok thêra Adela follistar. Hwêrvmbe thet lêten
+is nêt ik navt to skriwand. Tha thit bok is min ajn, thêrvmbe wil ik
+hja thêr inna setta to wille minra mågum.
+
+
+
+
+
+FORMLÊRE.
+
+
+Alle god minnanda Fryas bern sy held. Hwand thrvch tham skil et
+sêlich wertha vp jrtha. Lêr ånd kêth to tha folkum. Wr.alda is thet
+alderaldesta jeftha overaldesta, hwand thet skop alla thinga. Wr.alda
+is ella in ella, hwand thet is êvg ånd vnendlik. Wr.alda is overal
+ainwardich, men narne to bisja, thêrvmbe wårth thet wêsa gâst hêten. Al
+hwat wi fon him sja müge send tha skepsela thêr thrvch sin lêva kvme
+ånd wither henne ga, hwand inut Wr.alda kvmath alle thinga ånd kêrath
+alle thinga. Fon ut Wralda kvmth t anfang ånd et ende, alra thinga
+gêith in im vppa. Wr.alda is thet êne ella machtige wêsa, hwand alle
+ôre macht is fon him lênad ånd kêrath to him wither. In ut Wr.alda
+kvmath alle krefta ånd alle krefta kêrath to him wither. Thêrvmbe is
+hi allêna theth skeppande wêsa ånd thêr nis nawet eskêpen buta him.
+
+Wr.alda lêide êvge setma thet is êwa in al et skêpne, ånd thêr ne send
+nên gode setma jeftha hja moton thêrnêi tavlikt wêsa. Men afskên ella
+in Wr.alda sy, tha boshêd thêra månniska nis navt fon him. Boshêd
+kvmth thrvch lômhêd vndigerhed ånd domhêd. Thêrvmbe kån hju wel tha
+månniska skâda, Wr.alda nimmer. Wr.alda is thju wishêd, ånd tha êwa
+thêr hju tavlikt heth, send tha boka wêrût wy lêra müge, ånd thêr nis
+nêne wishêd to findande ner to garjande buta tham. Tha månniska mügon
+fêlo thinga sja, men Wr.alda sjath alle thinga. Tha månniska mügon
+fêlo thinga lêra, men Wr.alda wêt alle thinga. Tha månniska mügon fêlo
+thinga vntslûta, men to fâra Wr.alda is ella êpned. Tha månniska send
+månnalik ånd berlik, men Wr.alda skept bêde. Tha månniska minnath ånd
+håtath, tha Wr.alda is allêna rjuchtfêrdich. Thêrvmbe is Wr.alda allêne
+god, ånd thêr ne send nêne goda bûta him. Mith thet Jol wandelath
+ånd wixlat allet eskêpne, men god is allêna vnforanderlik. Thruch
+that Wr.alda god is, alsa ne mei hi âk navt foranderja; ånd thrvch
+thet er bilywath, thêrvmbe is hy allêna wêsa ånd al et ora skin.
+
+
+
+
+
+THET OTHERA DÊL FONRE FORMLÊR.
+
+
+Emong Findas folk send wanwysa, thêr thrvch hjara overfindingrikhêd
+alsa årg send, thåt hja hjara selva wis mâkja ånd tha inewida bitjuga,
+thåt hja thet besta dêl send fon Wr.alda; thåt hjara gâst thet beste
+dêl is fon Wr.aldas gâst ånd thet Wr.alda allêna mêi thånkja thrvch
+helpe hjaris bryn [68].
+
+Thåt aider skepsle en dêl is fon Wr.aldas vnendlik wêsa, thåt håvon
+hja fon vs gâbad.
+
+Men hjara falxe rêdne ånd hjara tåmlâse hâchfarenhêd heth ra vppen
+dwâlwêi brocht. Wêre hjara gâst Wr.aldas gâst, sâ skolde Wr.alda
+êl dvm wêsa in stêde fon licht and wis. Hwand hjara gâst slâvth him
+selva immer of vmbe skêne bylda to mâkjande, thêr y åfternêi anbid. Men
+Findas folk is en årg folk, hwand afskên tha wanwysa thêra hjara selva
+wis mâkja thåt hja drochtne send, sa håvon hja to fâra tha vnewida
+falxa drochtne eskêpen, to kêthande allerwêikes, thåt thissa drochtne
+Wr.alda eskêpen håve, mith al hwat thêr inne is; gyriga drochtne
+fvl nyd ånd torn, tham êrath ånd thjanath willath wêsa thrvch tha
+månniska, thêr blod ånd offer willa ånd skât askja. Men thi wanwisa
+falxa manna, tham hjara selva godis skalka jeftha prestera nôma lêta,
+bürath ånd sâmnath ånd gethath aldam to fâra drochtne thêr er navt
+ne send, vmbet selva to bihaldande. Aldam bidrywath hja mith en rum
+emod, thrvchdam hja hjara selva drochtne wâne, thêr an ninman andert
+skeldich ne send. Send thêr svme tham hjara renka froda ånd bâr mâkja,
+alsa wrdon hja thrvch hjara rakkera fåt ånd vmbira laster vrbarnad,
+ella mith fêlo stâtska plêgum, hjara falxa drochtne to-n êre. Men
+in trvth, allêna vmbe thåt hja ra navt skâda ne skolde. Til thju vsa
+bern nw wêpned müge wêsa tojenst hjara drochtenlika lêre, alsa hâgon
+tha fâmna hjam fon buta to lêrande hwat hyr skil folgja.
+
+Wr.alda was êr alle thinga, ånd nêi alle thinga skil er wêsa. Wr.alda
+is alsa êvg ånd hi is vnendlik, thervmb nis thêr nawet buta him. Thrvch
+ut Wr.aldas lêva warth tid ånd alle thinga bern, ånd sin lêva nimth
+tid ånd alle thinga wêi. Thissa sêka moton klâr ånd bâr mâkad wrda
+by alle wisa, sâ thåt hja-t an ôthera bithjuta ånd biwisa müge. Is-t
+sâ fâr wnnen, sa sêith mån forther: Hwat thus vsa ommefang treft,
+alsa send wy en dêl fon Wr.aldas vnendelik wêsa, alsa tha ommefang
+fon al et eskêpne, thach hwat angâ vsa dânte, vsa ainskipa, vsa gâst
+ånd al vsa bithånkinga, thissa ne hêra navt to thet wêsa. Thit ella
+send fljuchtiga thinga tham thrvch Wr.aldas lêva forskina, thach
+thêr thrvch sin wishêd sâdâne ånd navt owers navt ne forskina. Men
+thrvchdam sin lêva stêdes forthga, alsa ne mêi thêr nawet vppa sin
+stêd navt bilywa. Thêrvmbe forwixlath alle eskêpne thinga fon stêd,
+fon dânte ånd âk fon thånkwisa. Thervmbe ne mêi irtha selva, ner eng
+skepsle ni sedsa: ik ben, men wel ik was. Ak ne mêi nên månniska navt
+ne sedsa ik thånk, men blât, ik thochte. Thi knâp is grâter ånd owers
+as tha-r bern wêre. Hy heth ora gêrtne, tochta ånd thånkwisa. Thi
+man en tât is ånd thånkth owers as thâ-r knâp wêre. Êvin tha alda
+fon dêgum. Thât wêt allera mannelik. Sâhwersa allera mannalik nw wêt
+ånd jechta mot, thåt hy alon wixlath, sâ mot hy âk bijechta, that er
+jahweder âgeblik wixlath, âk thahwila-r sêid: ik ben, ånd thåt sina
+thånk bylda wixle, tha hwile-r sêid: ik thånk.
+
+Instêde thåt wy tha årga Findas althus vnwerthlik afternêi snakka ånd
+kålta, ik ben, jeftha wel, ik ben thet beste dêl Wr.aldas, ja thrvch
+vs allêna mêi-r thånkja, sâ willath wy kêtha wral ånd allerwêikes
+wêr et nêdlik sy: wy Fryas bern send forskinsla thrvch Wr.aldas
+lêva; by-t anfang min ånd blât, thach immer wårthande ånd nâkande to
+fvlkvmenlikhêd, svnder â sa god to wrda as Wr.alda selva. Vsa gâst nis
+navt Wr.aldas gâst, hi is thêrfon allêna en afskinsle. Tha Wr.alda
+vs skop, heth er vs in thrvch sine wishêd-bryn-sintûga, hügia ånd
+fêlo goda ainskipa lênad. Hyrmêi mugon wy sina êwa bitrachta. Thêrof
+mügon wy lêra ånd thêrvr mügon wy rêda, ella ånd allêna to vs ain
+held. Hêde Wr.alda vs nêne sinna jêven, sa ne skolde wy narne of nêta
+ånd wy skolde jeta reddalasser as en sêkwale wêsa, thêr forthdryven
+wårth thrvch ebbe ånd thrvch flod.
+
+
+
+
+
+THIT STAT VP SKRIVFILT SKRÊVEN. TAL AND ANDWORDE ORA FAMNA TO-N
+FORBYLD.
+
+
+En vnsels gyrich mån kêm to bârande by Trâst thêr fâm wêre to
+Stavia. Hy sêide vnwêder hêde sin hus wêi brocht. Hy hêde to Wr.alda
+bêden, men Wr.alda nêdim nêne helpe lênad. Bist en åfte Fryas, frêje
+Trâst. Fon elder t elder, andere thene mån. Thån sêide hju wil ik åwet
+in thin mod sêja in bitrouwa, thåt et kyma groja ånd früchda jêva
+mêi. Forth sprêk hju ånde kêth. Thâ Frya bern was, stand vs moder
+naked ånd blât, vnbihod to jenst tha strêlum thêre svnne. Ninman
+macht hju frêja ånd thêr wêre ninman thêr hja help macht lêna. Thâ
+gvng Wr.alda to ånd wrochte in hjra mod nigung ånd liavde anggost ånd
+skrik. Hju sach rondomme, hjra nigung kâs thet beste ånd hju sochte
+skul vndera wârande linda. Men rêin kêm ånd t onhlest wêre thât hju
+wet wrde. Thach hju hêde sjan ho thet wêter to tha hellanda blådar of
+drupte. Nw mâkade hju en hrof mith hellanda sidum, vp stôka mâkade hju
+tham. Men stornewind kêm ånd blos rêin thêr vnder. Nw hêde hja sjan
+thåt tha stam hly jef, åfter gong hja to ånd mâkade en wâch fon plâga
+ând sâdum, thet forma an êne syda ånd forth an alle syda. Storne wind
+kêm to bek jeta wodander as to fora ånd blos thju hrof ewêi. Men hju ne
+bârade navt over Wr.alda ner to jenst Wr.alda. Men hja mâkade en reitne
+hrof ånd leide stêne thêr vppa. Bifvnden håvande ho sêr thet dvath
+vmb allêna to tobbande, alsa bithjude hju hira bern ho ånd hwêrvmbe
+hju alsa hêde dên. Thissa wrochton ånd tochton to sêmine. A sadenera
+wise send wy an hûsa kêmen mith stoppenbånkum, en slecht ånd warande
+linda with tha svnnestrêlum. To tha lesta håvon hja en burch mâkad
+ånd forth alle ôthera. Nis thin hus thus navt sterk noch wêst, alsa
+mot i trachda vmbet ôre bêter to mâkjande. Min hus wêre sterk enoch,
+sêider, men thet hâge wêter heth et vp bêrad ånd stornewind heth et
+ore dên. Hwêr stand thin hus thån, frêje Trâst. Alingen thêre Rêne,
+andere thene man. Ne stand et thån navt vppen nol jeftha therp, frêje
+Trâst. Nean sêider, min hus stand ênsum by tha overe, allêna håv ik
+et buwad, men ik ne macht thêr allêna nên therp to makane. Ik wist
+wel, sêide Trâst, tha fâmna håv et my meld. Thv hest al thin lêva
+en grûwel had an tha månniska, ut frêse thåtste awet jêva jeftha
+dva moste to fara hjam. Thach thêr mitha ne mêi mån navt fêr ne
+kvma. Hwand Wr.alda thêr mild is, kêrath him fona gyriga. Fåsta het
+vs rêden ånd buppa tha dura fon alle burgum is t in stên ut wryten:
+bist årg bâtsjochtig sêide Fåsta, bihod thån jvwe nêsta, bithjod thån
+jvwe nêsta, help thån juwe nesta, sâ skilun hja t thi witherdva. Is
+i thina rêd navt god noch, ik nêt fâr thi nên bêtera. Skâmrâd wårth
+then mån ånd hi drupte stolkes hinne.
+
+
+
+
+
+NW WIL IK SELVA SKRIWA ÊROST FON OVER MIN BURCH AND THAN OVER HWAT
+IK HAV MUGE SJAN.
+
+
+Min burch lêid an-t north-ende thêre Liudgârda. Thju tore heth sex
+syda. Thrya thrittich fêt is hju hâch. Flåt fon boppa. En lyth huske
+thêr vppa, hwâna mån tha ståra bisjath. An aider syd thêre tore ståt
+en hus, long thrya hondred, brêd thrya sjugun fêt, êlika hâch bihalva
+thju hrof, thêr rondlik is. Altham fon hyrbakken stên, ånd fon buta ne
+send nênen ôthera. Om tha burch is en hringdik, thêrom en gråft diap
+thrya sjugun fêt, wyd thrya twilif fêt. Siath hwa fonêre tore del,
+sa siath hi thju dânte fon et Jol. Vppa grvnd twisk tha sûdlika hûsa
+thêre, send allerlêja krûda fon hêinde ånd fêr, thêrof moton tha fâmna
+tha krefta lêra. Twisk tha nortlika hûsa is allêna fjeld. Tha thrju
+nortlika hûsa send fol kêren ånd ôther bihof. Twa sûdar send to fâra
+tha fâmkes vmbe to skola ånd to hêma. Thet sûdlikoste hus is thêre
+Burchfâm his hêm. Inna tore hangt thju foddik. Tha wagar thêre tore
+send mith kestlika stêna smukad. In vppa thêre sûderwach is thêne
+Tex wrytten. An tha fêre syde thêra finth mån thju formlêre; anna
+winstere syde tha êwa. Tha ora sêka finth mån vppa ôra thrja. Tojenst
+tha dik by-t hus thêr fâm stêt thju owne ånd thju molmâk thrvch fjuwer
+bufla kroden. Buta vsa burchwal is-t hêm, thêr vppa tha burchhêra
+ånda wêrar hême. Thju ringdik thêra is en stonde grât, nên stjurar,
+men svnna stonde, hwêrfon twya twilif vppen etmelde kvma. In vpper
+binnasyde fona dik is en flåt, fif fêt vndera krûn. Thêr vppa send
+thrya hondred krânboga, todekt mith wod ånd lêther. Bihalva tha hûsa
+thêra inhêmar send thêr binna alingne tha dik jeta thrya twilif nêdhûsa
+to fâra tha omhêmar. Thet fjeld thjanath to kåmp ånd to wêde. Anna
+sûdsyde fon tha bûtenste hringdik is thju Liudgârde omtûnad thrvch
+thet grâte Lindawald. Hjra dânte is thrju hernich, thet brêde buta,
+til thju svnne thêr in sia mêi. Hwand thêr send fêlo fêrlandeska
+thrêja ånd blommen thrvch tha stjurar mith brocht. Alsa thju dânte
+vsar burch is, send alle ôthera; thach vs-is is thju grâteste; men
+thi fon Texland is tha aldergrâteste. Thju tore fon Fryasburch is
+alsa hâch thåt hju tha wolka torent, nêi thêre tore is al et ôthera.
+
+By vs vppa burch ist alsa dêlad. Sjugun jonge fâmna wâkath by thêre
+foddik. Aider wâk thrja stonda. In ha ôre tid moton hja huswårk dva,
+lêra ånd slêpa. Send hja sjugun jêr wâkande wêsen, alsa send hja
+fry. Thân mügon hja emong tha månniska gâ, vp-ra sêd to letane ånd
+rêd to jêvane. Is hwa thrju jêr fâm wêst, sâ mêi hju alto met mith
+tha alda fâmna mith gâ.
+
+Thi skrywer mot tha fâmkes lêra lêsa, skrywa ånd rêkenja. Tha grysa
+jeftha grêva moton lêra hjam rjucht ånd plicht, sêdkunda, krûdkunda,
+hêlkunda, skêdnesa, tellinga ånd sanga, bijunka allerlêja thinga thêr
+hjam nêdlik send vmbe rêd to jêva. Thju Burchfâm mot lêra hjam ho hja
+thêrmith to wårk gâ mota by thå månniska. Êr en Burchfâm hjra stêd
+innimt, mot hju thrvch thet lând fâra en fvl jêr. Thrê grêva burchhêra
+ånd thrja alda fâmna gan mith hiri mitha. Alsa is-t âk my gvngon. Min
+fârt is alingen thêre Rêne wêst, thjus kâd opward, alingen thêre ôre
+syde ofward. Ho hâger ik upkêm, to årmer likte mi tha månniska. Wral
+inna Rêne hêde mån utstekka makad. Thet sôn thåt thêr ain kêm, wrde
+mith wêter wr skêpfachta gâten vmbe gold to winnande. Men tha mångêrta
+ne drogon thêr nêne golden krone fon. Êr wêron thêr mâr wêst, men sont
+wi Skênland miste, send hja nêi tha berga gvngon. Thêr delvath hja
+yserirtha, thêr hja yser of mâkja. Boppa thêre Rêne twisk thet berchta,
+thêr håv ik Mârsåta sjan. Tha Mârsâta thåt send månniska thêr invppa
+mâra hêma. Hjara husa send vp pålum buwad. Thåt is vret wilde kwik ånda
+bose månniska. Thêr send wolva, bâra ånd swârte grislika lâwa [69]. And
+hja send tha swetsar [70] jeftha pålingar fonda hêinde Krêkalandar,
+thêra Kålta folgar ånd tha vrwildere Twiskar, alle gyrich nêi râv ånd
+but. Tha Mârsâta helpath hjara selva mith fiska ånd jâga. Tha huda
+wrdat thrvch tha wiva tomâkad ånd birhet mith skors fon berkum. Tha
+litha huda saft lik fâmnafilt. Thju burchfâm et Fryasburch [71]
+sêide vs thåt hja gode ênfalde månniska weron. Thach hêd ik hja êr
+navt sprêken hêred, ik skolde mênath håve thåt hja nên Fryas wêre,
+men wilda, sâ ryst sâgon hja ut. Hjra fachta ånd kruda wrdon thrvch
+tha Rênhêmar vrwandelath ånd thrvch tha stjurar buta brocht. Alingen
+thêre Rêne wêr et alên, til Lydasburch [72]. Thêr was en grâte flyt
+[73]. Invppa thisra flyt wêron âk månniska, thêr husa vp påla hêde. Men
+thåt nêr nên Fryas folk, men thåt wêron swarte ånd bruna månniska,
+thêr thjanath hêde to rojar vmbe tha butafârar to honk to helpane. Hja
+moston thêr bilywa til thju thju flâte wither wêi brûda.
+
+To tha lersta kêmon wi to-t Alderga. By-t suderhâvahâved stêt thju
+Wâraburch, en stênhus, thêrin send allerlêja skulpa, hulka, wêpne ånd
+klathar wârad, fon fêre landum, thrvch tha stjurar mith brocht. En
+fjardêl dâna is-t Alderga. En grâte flyt omborad mith lothum, husa
+ånd gârdum ella riklik sjarad. Invpper flyt lêi en grâte flâte rêd,
+mith fônon fon allerlêja farwa. Et Fryas dêi hongon tha skilda omma
+tha borda to. Svme blikton lik svnna. Tha skilda thêr witking ånd
+thêra skolta bi tha nachtum wêron mith gold vmborad. Abefta thêre flyt
+was en gråft gråven, to hlâpande dâna alingen thêre burch Forâna [74]
+ånd forth mith en ênga muda [75] in sê. To fâra thêre flâte wêre thit
+tha utgvng ånd et Fly tha ingvng. A bêde syda thêre gråft send skêne
+husa mith hel blikanda farwa mâlad. Tha gârdne send mit altid grêne
+hâgvm omtunad. Ik håv thêr wiva sian, thêr filtne tohnekna drogon as t
+skriffilt wêre. Lik to Stavere wêron tha mångêrtne mith golden kronum
+vppira holum ånd mith hringum [76] om årma ånd fêt sjarad. Sudward
+fon Forâna lêid Alkmârum. Alkmârum is en mâre jefta flyt, thêrin lêid
+en êland, vppa thåt êland moton tha swarte ånd bruna månniska hwila
+êvin as to Lydahisburch. Thju Burchfâm fon Forâna sêide my, thåt tha
+burchhêra dêistik to-râ gvngon vmb ra to lêrande, hwat åfte frydom
+sy, ånd ho tha månniska an thêre minne agon to lêvane vmbe sêjen to
+winnande fon Wr.aldas gâst. Was thêr hwa thêr hêra wilde ånd bigripa
+machte, sa wårth er halden, alont er fvl lêrad wêre. Thåt wrde dên vmbe
+tha fêrhêmande folka wis to mâkane, ånd vmbe vral âtha to winnande. Êr
+hêd ik anda Sâxanamarka to thêr burch Månnagârda forda [77] wêst. Thach
+thêr hêd ik mâr skâmelhêd sjan, as-k hyr rikdom spêrde. Hju andere:
+sâ hwersa thêr an da Sâxanamarka en frêjar kvmath en mangêrte to bi
+frêjande, alsa frêjath tha mångêrtne thêr, kanst thin hus fry wêra
+tojenst tha bannane Twisklandar, håst nach nêne fålad, ho fêlo bufle
+håst al fånsen ånd ho fêlo bâra ånd wolva huda håst al vppa thêre
+mårk brocht? Dâna ist kvmen thåt tha Saxmanna thju buw anda wiva
+vrlêten håve. Thåt fon hvndred to sêmine nên êne lêsa mêi ner skriwa
+ne kån. Dâna is-t kvmen, thåt nimman nên sprêk vppa sin skild neth,
+men blât en mislikande dânte fon en diar, thåt er fålad heth. And
+åndlik, dâna is-t kvmen, thåt hja sêr wichandlik ewrden send, men
+to met êvin dvm send as et kwik, thåt hja fånsa, ånd êvin erm as
+tha Twisklândar, hwêr mith hja orloge. To fâra Fryas folk is irtha
+ånd sê eskêpen. Al vsa rinstrâma runath vppa sê to. Thåt Lydas folk
+ånd thåt Findas folk skil ekkorum vrdelgja, ånd wy moton tha lêthoga
+landa bifolka. In-t fon ånd omme fâra lêid vs held. Wilst nw thåt tha
+boppalânder dêl håve an vsa rikdom ånd wisdom, sâ skil ik thi en rêd
+jêva. Lêt et tha mangêrtne to wênhêd wrde hjara frêjar to frêjande,
+êr hja ja segsa: hwêr håst al in wralda ommefâren, hwad kånst thin
+bern tella wra fêra landa ånd wra fêrhêmanda folka? Dvath hja alsa,
+sâ skilun tha wichandlika knâpa to vs kvma. Hja skilun wiser wårtha
+ånd rikkâr ånd wi ne skilun nên bihof longer navt nåve an thåt wla
+thjud. Tha jongste thêr fâmna fon thêra thêr by mi wêron, kêm uta
+Saxsanamarka wêi. As wi nw to hongk kêmon, heth hju orlovi frêjad
+vmbe nêi hjra hus to gâne. Afternêi is hju thêr Burchfâm wrden, ånd
+dâna is-t kvmen thåt er hjudêga sâ felo Saxmånna by tha stjurar fâre.
+
+
+ Ende fon thet Apollonia bok.
+
+
+
+
+
+THA SKRIFTA FON FRETHORIK AND WILJOW.
+
+
+Min nôm is Frêthorik to nomath oera Linda, thåt wil segsa ovir tha
+Linda. To Ljudwardja bin ik to Asga kêren. Ljudwardja is en ny thorp,
+binna thene ringdik fon thêr burch Ljudgarda, hwêrfon tha nôma an vnêr
+kvmen is. Vnder mina tida is er fül bêred. Fül hêd ik thêr vr skrêven,
+men åfternêi send mi âk fêlo thinga meld. Fon ên ånd ôther wil ik en
+skêdnese åfter thit bok skrywa, tha goda månniska to-n êre tha årga
+to vnêre.
+
+In min jüged hêrd ik grêdwird alomme, årge tid kêm, årge tid was
+kvmen, Frya hêd vs lêton, hjra wâkfâmkes hêde hju abefta halden,
+hwand drochten likande bylda wêron binna vsa lândpåla fvnden.
+
+Ik brônde fon nysgyr vmbe thi bylda to bisjan. In vsa bûrt strompele
+en ôld fâmke to tha husa uta in, immer to kêthande vr årge tid. Ik
+gyrde hja ling syde. Hju strik mi omme kin to. Nw wrd ik drist ånd
+frêje jef hju mi årge tid ånd tha bylda rêis wisa wilde. Hju lakte
+godlik ånd brocht mi vpper burch. En grêve mån frêje my jef ik al
+lêsa ånd skrywa kv. Nê sêid ik. Thån most êrost to ga ånd lêra,
+sêid-er owers ne mêi-t jow navt wysen wrde. Dystik gvng ik bi tha
+skriwer lêra. Acht jêr lêtter hêrd ik, vsa burchfâm hêde hordom
+bidryven ånd svme burchhêra hêdon vrrêd plêgad mith tha Magy, ånd
+fêlo månniska wêron vp hjara syde. Vral kêm twispalt. Thêr wêron bern,
+thêr vpstandon ajen hjara eldrum. Inna gluppa wrdon tha froda månniska
+morth. Thet alde fâmke, thêr ella bâr mâkade, wårth dâd fvnden in
+en grupe. Min tât, thêr rjuchter wêre, wilde hja wrêken hâ. Nachtis
+wårth er in sin hus vrmorth. Thrju jêr lêtter wêr thene Mâgy bâs
+svnder strid. Tha Saxmånna wêron frome ånd frod bilywen. Nêi tham
+fljuchton alle gode månniska. Min måm bistvrv-et. Nw dêd ik lik tha
+ôthera. Thi Mâgy bogade vppa sinra snôdhêd. Men Irtha skold im thâna,
+thåt hja nên Mâgy ner afgoda to lêta ne mochte to thêre hêlge skêta,
+hwêrut hju Frya bêrade. Êvin sa thet wilde hors sina månna sked,
+nêi thåt thet sina ridder gersfallich mâkad heth, êvin sâ skodde
+Irtha hjra walda ånd berga. Rinstrâma wrdon ovira fjelda sprêd. Sê
+kokade. Berga spydon nêi tha wolkum, ånd hwad hja spyth hêde, swikton
+tha wolka wither vp jrtha. By-t anfang there Arnemônath nigade jrtha
+northward, hju sêg del, ôl lêgor ånd lêgor. Anna Wolfamônath lêidon tha
+Dênemarka fon Fryas lând vnder-ne sê bidobben. Tha walda thêr bylda in
+wêron, wrdon vphyvath ånd thêr windum spel. Thet jêr åfter kêm frost
+inna Herdemônath ånd lêid ôld Fryas lând vnder en plônke skul. In
+Sellamônath kêm stornewind ut et northa wêi, mith forande berga fon
+ise ånd stênum. Tha spring kêm, hyf jrtha hjra selva vp. Ise smolt
+wêi. Ebbe kêm ånd tha walda mith byldum drêvon nêi sê. Inner Winna
+jeftha Minnamônath gvng aider thurvar wither hêm fâra. Ik kêm mith en
+fâm to thêre burch Ljudgârda. Ho drove sach et ut. Tha walda thêra
+Lindawrda wêron mêst wêi. Thêr tha Ljudgârde wêst hêde, was sê. Sin
+hef fêtere thene hringdik. Ise hêde tha tore wêi brocht ånd tha husa
+lêide in thrvch ekkôrum. Anna helde fonna dik fond ik en stên. vsa
+skriver hêd er sin nôm inwryten, thåt wêre my en bâken. Sâ-t mith
+vsa burch gvngen was, was-t mith mitha ôra gvngon. Inna hâga lânda
+wêron hja thrvch jrtha, inna dêna landa thrvch wêter vrdên. Allêna
+Fryasburch to Texland wårth vnedêrad fvnden. Men al et lånd thet
+northward lêid hêde, wêre vnder sê. Noch nis-t navt boppa brocht. An
+thås kâd fon-t Flymâre wêron nêi meld wrde thrichtich salta mâra
+kvmen, vnstonden thrvch tha walda, thêr mith grvnd ånd al vrdrêven
+wêron. To Westflyland fiftich. Thi gråft thêr fon-t Alderga thweres
+to het land thrvchlâpen hêde, was vrsôndath ånd vrdên. Tha stjurar
+ånd ôr fârande folk, thêr to honk wêron, hêde hjara selva mith mâga
+ånd sibba vppira skepum hret. Men thåt swarte folk fon Lydasburch
+ånd Alikmarum hêde alên dên. Thawil tha swarta sûdward dryvon,
+hêdon hja fêlo mångêrtne hret, ånd nêidam nimman ne kêm to aska
+tham, hildon hja tham to hjara wiva. Tha månniska thêr to bek kêmon,
+gvngon alle binna tha hringdika thêra burgum hêma, thrvchdam et thêr
+buta al slyp ånd broklând wêre. Tha gamla husa wrde byên klust. Fona
+boppalândum kâpade mån ky ånd skêp, ånd inna tha grâte husa thêr to
+fâra tha fâmna sêten hêde, wrde nw lêken ånd filt mâkad, vmbe thes
+lêvens willa. Thåt skêd 1888 [78] jêr nêi thåt Atlând svnken was.
+
+In 282 jêr [79] nêdon wi nên Êremoder navt hat, ånd nw ella tomet
+vrlêren skinde, gvng mån êne kjasa. Thet hlot falde vp Gosa to
+nômath Makonta. Hju wêre Burchfâm et Fryasburch to Texlând. Hel fon
+hawed ånd klâr fon sin, êlle god, ånd thrvchdam hira burch allêna
+spârad was, sach alrik thêrut hira hropang. Tjan jêr lêttere kêmon
+tha stjurar fon Forana ånd fon Lydas burch. Hja wildon tha swarta
+månniska mith wif ånd bern to thet lând utdryva. Thêrwr wildon hja
+thêre Moder is rêd biwinna. Men Gosa frêje, kånst ên ånd ôr to bek
+fora nêi hjra lândum, thån âchste spod to mâkjande, owers ne skilun
+hja hjara mâga navt wither ne finda. Nê sêide hja. Thâ sêide Gosa:
+Hja håvon thin salt provad ånd thin bråd êten. Hjara lif ånd lêva
+håvon hja vnder jow hod stålad. I moste jow ajne hirta bisêka. Men ik
+wil thi en rêd jeva. Hald hjam alond jow wåldich biste vm ra wither
+honk to fora. Men hald hjam bi jow burgum thêr bûta. Wâk ovir hjara
+sêd ånd lêr hjam as jef hja Fryas svna wêre. Hjra wiva send hyr tha
+steriksta. As rêk skil hjara blod vrfljuchta, til er tha lesta navt
+owers as Fryas blod in hjara åfterkvmande skil bilywa. Sâ send hja
+hyr bilêwen. Nw winst ik wel thåt mina åfterkvmande thêr vp letta,
+ho fêr Gosa wêrhêd sprek. Thâ vsa lânda wither to bigana wêr, kêmon
+thêr banda erma Saxmanna ånd wiva nêi tha vvrdum fon Stavere ånd thåt
+Alderga, vmbe golden ånd ôra sjarhêd to sêkane fon ut tha wasige
+bodeme. Thach tha stjurar nildon hja navt to lêta. Tha gvngon hja
+tha lêthoga thorpa bihêma to West Flyland, vmbe ra lif to bihaldane.
+
+
+
+
+
+NW WIL IK SKRIWA HO THA GÊRTMANNA AND FÊLO HÊLÊNJA FOLGAR TOBEK KÊMON.
+
+
+Twa jêr nêi thåt Gosa Moder wrde [80], kêm er en flâte to thet
+Flymara in fala. Thet folk hropte ho.n.sêen. Hja foron til Stavere,
+thêr hropton hja jeta rêis. Tha fôna wêron an top ånd thes nachtes
+skâton hja barnpila [81] anda loft. Thâ dêirêd wêre rojadon svme mith
+en snâke to thêre hava in. Hja hropton wither ho.n. sêen. Thâ hja
+landa hipte-n jong kerdel wal vp. In sina handa hêdi-n skild, thêrvp
+was bråd ånd salt lêid. Afterdam kêm en grêva, hi sêide wi kvmath
+fona fere Krêkalandum wêi, vmb vsa sêd to warjande, nw winstath wi i
+skolde alsa mild wêsa vs alsa fül lând to jêvane thåt wi thêrvp müge
+hêma. Hi telade-n êle skêdnese thêr ik åfter bêtre skryva wil. Tha
+grêva niston navt hwat to dvande, hja sandon bodon allerwêikes, âk
+to my. Ik gvng to ånd sêide: nw wi-n Moder håve agon wi hjra rêd to
+frêjande. Ik selva gvng mitha. Thju Moder, thêr ella wiste, sêide, lêt
+hja kvme, sâ mügon hja vs lând helpa bihalda: men lêt hjam navt vp êne
+stêd ne bilyva, til thju hja navt waldich ne wrde ovir vs. Wi dêdon
+as hju sêid hêde. That wêre êl nêi hjra hêi. Fryso reste mith sinâ
+ljudum to Stavere, that hja wither to êne sêstêde mâkade, sa god hja
+machte. Wichhirte gvng mith sinum ljudum astward nêi there Êmude. Svme
+thêra Johnjar, thêr mênde thåt hja font Alderga folk sproten wêre,
+gvngen thêr hinne. En lyth dêl thêr wânde thåt hjara êthla fon tha
+sjugon êlanda wei kêmon, gvngon hinne ånd setton hjara selva binna
+tha hringdik fon thêre burch Walhallagâra del. Ljudgêrt thene skolte
+bi nachte fon Wichhirte wårth min åthe åfternêi min frjund. Fon ut
+sin dêibok håv ik thju skêdnese thêr hir åfter skil folgja.
+
+Nei thåt wi 12 mel 100 ånd twia 12 jêr bi tha fif wêtrum sêten hêde,
+thahwila vsa sêkåmpar alle sêa bifâren hêde thêr to findane, kêm
+Alexandre [82] tham kêning mith en weldich hêr fon boppa allingen
+thêr strâm vsa thorpa bifâra. Nimman ne måcht im wither worda. Thach
+wi stjurar thêr by tha sê sâton, wi skêpt vs mith al vsa tilbêre
+hava in ånd brûda hinna. Tha Alexandre fornom thåt im sâ ne grâte
+flâte vntfâra was, wårth er wodinlik, to swêrande hi skolde alle
+thorpa an logha offerja jef wi navt to bek kvma nilde. Wichhirte
+lêide siak to bedde. Thâ Alexandre thåt fornom heth er wacht
+alont er bêter wêre. Afternêi kêm er to him sêr kindlyk snakkande,
+thach hi thrjvchde lik hi êr dên hêde. Wichhirte andere thêr åfter,
+o aldergrâteste thêra kêningar. Wi stjurar kvmath allerwêikes, wi
+hâven fon jow grâte dêdun hêred. Thêrvmbe send wi fvl êrbidenese to
+fara jowa wêpne, tha jet mar vr thina witskip. Men wi ôthera wy send
+frybern Fryas bern. Wy ne mügon nêne slâfona navt ne wrde. Jef ik
+wilde, tha ôra skolde rêder sterva willa, hwand alsa ist thrvch vsa
+êwa bifôlen. Alexandre sêide: ik wil thin lând navt ne mâkja to min
+bût, ner thin folk to mina slâfona. Ik wil blât thåt ste my thjanja
+skolste vmb lân. Thêrvr wil ik swêra by vs bêdar godum, thåt nimman vr
+my wrogja skil. Tha Alexandre åfternei bråd ånd salt mith im dêlade,
+heth Wichhirte that wiste dêl kâsen. Hi lêt tha skêpa hala thrvch sin
+svne. Tha thi alle tobek wêron, heth Alexandre thi alle hêred. Thêr
+mitha wilde hi sin folk nêi tha helge Gônga fâra, thêr hi to land
+navt hêde müge nâka. Nw gvng er to ånd kâs altham ut sin folk ånd
+ut sina salt-atha thêr wenath wêron vvr-ne sê to fârane. Wichhirte
+was wither siak wrden, thêrvmbe gvng ik allêna mitha ånd Nearchus
+fon thes keningis wêga. Thi tocht hlip svnder fardêl to-n-ende,
+uthâvede tha Johnjar immerthe an vnmin wêron with tha Phonisjar,
+alsa Nêarchus thêr selva nên bâs ovir bilywe ne kv. Intwiska hêde
+tham kêning navt stile nêst. Hi hêde sina salt-atha bâma kapja
+lêta ånd to planka mâkja. Thrvch help vsar timberljud hêder thêr of
+skêpa mâkad. Nw wilder selva sêkêning wertha, ånd mith êl sin hêr
+thju Gonga vpfâra. Thach tha salt-atha thêr fon thet bergland kêmon,
+wêron ang to fara sê. As hja hêradon thåt hja mith moste, stakon hja
+tha timberhlotha ane brônd. Thêr thrvch wrde vs êle thorp anda aska
+lêid. Thet forma wânde wy thåt Alexandre thåt bifalen hêde ånd jahwêder
+stand rêd vmb sê to kjasane. Men Alexander wêre wodin, hi wilde tha
+salt-atha thrvch sin ajn folk ombrensa lêta. Men Nêarchus tham navt
+allêna sin êroste forst men ak sin frjund wêre, rêde him owers to
+dvande. Nw bêrad er as wen der lavade thet vnluk et dên hêde. Tha hi
+ne thvrade sin tocht navt vrfata. Nw wild er to bek kêra, thach êr
+hi thåt dêde, lêt hi thet forma bisêka hwa-r skeldich wêron. Dry-r
+thåt wiste lêt er altham svnder wêpne bilywa, vmb en ny thorp to
+mâkjande. Fon sin ajn folk lêt er wepned vmbe tha ôra to tåmma, ånd
+vmbe êne burch to bvwande. Wy moston wiv ånd bern mith nimma. Kêmon
+wi anda muda thêre Êuphrat, sa machton wi thêr en stêd kiasa jeftha
+omkêra, vs lân skold vs êvin blyd to dêlath wrde. An tha nya skêpa,
+thêr tha brônd vntkvma wêron, let-er Johniar ånd Krêkalandar gâ. Hi
+selva gvng mith sin ôra folk allingen thêre kâd thrvch tha dorra
+wostêna, thåt is thrvch et land thåt Irtha vphêid hêde uta sê, tha
+hju thju strête after vsa êthela vphêide as hja inna Râde sê kêmon.
+
+Tha wy to ny Gêrtmanja kêmon (ny Gêrtmanja is en hâva thêr wi
+selva makad hede, vmbe thêr to wêterja) mêton wi Alexandre mith sin
+hêr. Nêarchus gvng wal vp ånd bêide thrja dêga. Tha gvng et wither
+forth. Tha wi bi thêre Êuphrat kêmon, gvng Nêarchus mith sina salt-atha
+ånd fêlo fon sin folk wal vp. Tha hi kêm hring wither. Hi sêide, thi
+kêning lêt jow bidda, i skille jet en lithge tocht to sinra wille dvan,
+alont et ende fona Râde sê. Thêrnêi skil jawehder sâ fül gold krêja
+as er bêra mêi. Tha wi thêr kêmon, lêt er vs wysa hwêr thju strête
+êr wêst hêde. Thêr nêi wylader ên ånd thritich dêga, alan ut sjande
+vvra wostêne.
+
+Tho tha lesta kêm er en hloth månniska mith forande twa hondred
+êlephanta thvsend kêmlun tolêden mith woden balkum, râpum ånd allerlêja
+ark vmbe vsa flâte nêi tha Middelsê to tyande. Thåt bisâwd-vs, ånd
+likt vs bal to, men Nêarchus teld vs, sin kêning wilde tha ôthera
+kêninggar tâna that i weldiger wêre, sâ tha kêninggar fon Thyris êr
+wêsen hêde. Wi skoldon men mith helpa, sêkur skolde vs thåt nên skâda
+navt dva. Wi moston wel swika, ånd Nearchus wiste ella sâ pront to
+birjuchte thåt wi inna Middelsê lêide êr thrja mônatha forby wêron. Tha
+Alexandre fornom ho-t mith sinra onwerp ofkvmen was, wårth er sa
+vrmêten thåt er tha drage strête utdiapa wilde Irtha to-n spot. Men
+Wr.alda lêt sine sêle lâs, thêrvmbe vrdronk er inna win ånd in sina
+ovirmodichhêd, êr thåt er bijinna kvste. After sin dâd wrde thet rik
+dêlad thrvch sina forsta. Hja skolde alrek en dêl to fara sina svnum
+wârja, thach hja wêron vnmênis. Elk wilde sin dêl bihalda ånd selva
+formâra. Tha kêm orloch ånd wi ne kvste navt omme kêra. Nêarchus
+wilde nw, wi skolde vs del setta an Phonisi his kâd, men thåt nilde
+nimman navt ne dva. Wi sêide, rêder willath wi wâga nêi Fryasland to
+gâna. Tha brocht-er vs nei thêre nya hâva fon Athenia, hwêr alle åfte
+Fryas bern formels hin têin wêron. Forth gvngon wi salt-âtha liftochta
+ånd wêpne fâra. Among tha fêlo forsta hêde Nêarchus en frjund mith nôme
+Antigonus. Thisse strêdon bêde vmb ên dol, sâ hja sêidon as follistar
+to fâra-t kêninglike slachte ånd forth vmbe alle Krêkalanda hjara alda
+frydom wither to jêvane. Antigonus hêde among fêlo ôtherum ênnen svn,
+thi hête Demêtrius, åfter tonômad thene stêda winner. Thisse gvng
+ênis vpper stêde Salâmis of. Nêi thåt er thêr en stût mêi strêden hêde
+most er mith thêre flâte strida fon Ptholemeus. Ptholemêus, alsa hête
+thene forst thêr welda ovir Êgiptaland. Dêmêtrius wn thêre kêse, tha
+navt thrvch sina salt-âtha, men thrvch dam wy him helpen hêde. Thit
+hêde wi dên thrvch athskip to fâra Nêarchus, hwand wi him far basterd
+blod bikånde thrvch sin friska hûd ånd blâwa âgon mith wit hêr. After
+nêi gvng Dêmêtrius lâs vp Hrodus [83] thêr hinne brochton wi sina
+salt-âtha ând liftochta wr. Thâ wi tha leste rêis to Hrodus kêmon,
+was orloch vrtyan. Dêmêtrius was nêi Athenia fâren. Tha vs kêning
+thåt vnderstande, lêd-er vs tobek. Tha wi anda hâve kêmon, wêre êl et
+thorp in row bidobben. Friso thêr kêning wêr ovir-a flâte, hêde en svn
+ånd en toghater tûs, sâ bjustre fres, as jef hja pâs ut Fryasland wêi
+kvmen wêren, ånd sâ wonderskên as nimman mocht hügja. Thjv hrop thêrvr
+gvng vvr alle Krêkalanda ånd kêm in tha âra fon Dêmêtrius. Dêmêtrius
+wêre vvl ånd vnsêdlik, ånd hi thogte thåt-im ella fry stvnde. Hi lêt
+thju toghater avbêr skâkja. Thju moder ne thvrade hjra joi [84] navt
+wachtja, joi nomath tha stjurar wiva hira mâna, thåt is blideskip,
+ak segsath hja swêthirte. Tha stjurar hêton hjra wiva trâst, ånd fro
+jefta frow thåt is frü âk frolik, thåt is êlik an frü. Thrvchdam hju
+hjra man navt wachtja thurade, gvng hju mith hjra svne nêi Dêmêtrius
+ånd bad, hi skolde hja hjra toghater wither jêva. Men as Dêmêtrius
+hira svn sa, lêt-er tham nêi sinra hove fora, ånd dêde alên mith him,
+as-er mith tham his suster dên hêde. Anda moder sand hi en buda gold,
+thach hju stirt-et in sê. As hju thûs kêm, warth hju wansinnich,
+allerwêikes run hju vvra strête: nåst min kindar navt sjan, o wach,
+lêt mi to jow skul sêka, wand min joi wil mi dêja for tha-k sina kindar
+wêi brocht håv. Tha Dêmêtrius fornom, thåt Friso to honk wêre, sand-i
+en bodja to him segsande, thåt hi sina bern to him nomen hêde wmbe ra
+to fora to-n hâge stât vmbe to lânja him to fâra sina thjanesta. Men
+Friso thêr stolte ånd herdfochtich wêre, sand en bodja mith en brêve
+nêi sinum bern tha, thêrin mânde hi hjam, hja skolde Dêmêtrius to
+willa wêsa, vrmithis tham hjara luk jêrde. Thach thene bodja hêde
+jeta-n ora brêve mith fenin, thêrmêi bifâl-er hja skolde thåt innimma,
+hwand sêid-er-vnwillinglik is thin lif bivvllad, thåt ne skil jow
+navt to rêkned ni wrde, thach sâhwersa jow jowe sêle bivvlath sa ne
+skil jow nimmerthe to Walhâlla ne kvma, jow sêle skil thån ovir irtha
+ommewâra, svnder å thet ljucht sja to mugande, lik tha flâramusa ånd
+nachtula skilstv alra dystik in thina hola skula, thes nachtis utkvma,
+then vp vsa gråva grâja ånd hûla, thahwila Frya hjra haved fon jow
+ofwenda mot. Tha bern dêde lik-ra bifâlen warth. Dêmêtrius lêt ra
+likka in sê werpa ånd to tha månniska wrde sêid, thåt hja fljucht
+wêron. Nw wilde Friso mith alleman nêi Fryasland fâra, thêr-i êr wêst
+hêde, men tha mêst nilde thåt navt ne dva. Nw gvng Friso to ånd skât
+thet thorp mith-a kêninglika fârrêdskûrum anda brônd. Hjud ne kv ni
+thvrade ninman ne bilywa, ånd alle wêron blyde, that hja bûta wêre,
+bihalva wif ånd bern hêdon wi ella abefta lêten, thach wi wêron to
+lêden mith liftochtum ånd orlochtuch.
+
+Friso nêde nach nên fretho. Tha wi by tha alda hâve kêmon gvnger
+mith sina drista ljudum to ånd skât vnwarlinga tha brônd inna skêpa,
+thêr-i mith sina pilum bigâna kv. After sex dêgum sâgon wi tha
+orlochflâte fon Dêmêtrius vp vs to kvma. Friso bifâl vs, wi moston
+tha lithste skêpa åfterhâde in êne brêde line, tha stora mith wif
+ånd bern fârut. Forth bâd er wi skoldon tha krânboga fon for nimma
+ånd anda åftestêwen fåstigja, hwand sêid er, wi achon al ffjuchtande
+to fjuchtane. Nimman ne mêi him formêta vmb en enkeldera fyand to
+forfolgjande, alsa sêid-er is min bislut. Tha hwila wi thêrmitha al
+dvande wêron, kêm wind vs vppa kop, to thêra låfa ånd thêra wiva skrik,
+thrvchdam wi nêne slâvona navt nêde as thêra thêr vs bi ajn willa
+folgan wêre. Wi ne machton hja thus navt thruch roja ni vntkvma. Men
+Wralda wiste wel, hwêrvmb-er sâ dêde, ånd Friso thêr-et fata, lêt
+tha bårnpila ring inna krânboga lidsa. To lik bâd-er thåt nimman
+skiata ne machte, êr hy skâten hêde. Forth sêid-er thåt wi alle nêi
+thåt midloste skip skiata moste, is thåt dol god biracht sêid-er,
+sâ skilun tha ôra him to helpane kvma ånd thån mot alrik skiata sa-r
+alderbesta mêi. As wi nw arhalf ketting fon-ra of wêre, bigoston tha
+Phonisiar to skiata. Men Friso n-andere navt bi fâra tha êroste pil
+del falde a sex fadema fon sin skip. Nw skât-er. Tha ôra folgade,
+thet likte en fjurrêin ånd thrvchdam vsa pila mith wind mêi gvngon,
+bilêvon hja alle an brônd, ånd nâkade selva tha thridde lâge. Allera
+månnelik gyradon ånd jûwgade. Men tha krêta vsar witherlâgum wêron
+sa herde, thet-et vs thet hirte binêpen warth. As Friso mênde thåt
+et to koste, lêt-er ofhalde ånd wi spode hinne. Thach nêi that
+wi twa dêga forth pilath hêde, kêm thêr en ôre flâte ant sjocht,
+fon thrittich skêpun, thêr vs stêdis in wnne. Friso lêt vs wither
+rêd makja. Men tha ôthera sandon en lichte snâka fvl rojar forut,
+tha bodon thêra bâdon ut alera nôma jef hja mith fâra machte. Hja
+wêron Johniar, thrvch Dêmêtrius wêron hja wåldantlik nêi there alda
+hâve skikad. Thêr hêdon hja fon thêre kêse hêrad ånd nw hêdon hja
+thet stolta swêrd antjan, ånd wêron vs folgad. Friso thêr fül mitha
+Johnjar faren hêde sêide jå, men Wichhirte vsa kêning sêide nê. Tha
+Johnjar send afgoda thjanjar sêid-er, ik selva håv hêrad, ho hja thi
+an hropte. Friso sêide thet kvmath thrvch tha wandel mith tha åfta
+Krêkalandar. Thåt håv ik vâken selva dên. Thach ben ik alsa herde
+Fryas as tha finste fon jow. Friso wêre thene mån thêr vs to Fryasland
+wisa moste. Thus gvngon tha Johnjar mith. Ak likt-et nei Wr.aldas hêi,
+hwand êr thrja mônathe om hlâpen wêron, gvngon wi allingen Britannja,
+ånd thrja dêga lêter machton wi ho.n sêen hropa.
+
+
+
+
+
+THIT SKRIFT IS MIJ OWER NORTLAND JEFTHA SKÊNLAND JÊVEN.
+
+
+Vndera tida thåt vs land del sêg, wêre ik to Skênland. Thêr gvng et
+alsa to. Thêr wêron grâte mâra, thêr fon tha bodeme lik en blêse vt
+setta, then spliton hja vt-ên. Uta rêta kêm stof as-t gliande yser
+wêre. Thêr wêron berga thêr tha krunna of swikte. Thesse truldon
+nêther ånd brochton walda ånd thorpa wêi. Ik self sâ thåt en berch
+fon tha ôra of torent wrde. Linrjucht sêg er del. As ik afternêi
+sjan gvng, was thêr en mâre kvmen. Tha irtha bêterad was, kêm er
+en hêrtoga fon Lindasburch wêi, mit sin folk ånd en fâm, thju fâm
+kêthe allomme: Thene Mâgy is skeldich an al-eth lêt thåt wi lêden
+håve. Hja tâgon immer forth en thet hêr wårth al grâter. Thene Mâgy
+fluchte hinne, mån fand sin lik, hi hêde sin self vrdên. Tha wrdon
+tha Finna vrdrêven nêi ênre stêd, thêr machton hja lêva. Thêr wêron
+fon basterde blode. Thissa machton biliwa, thach fêlo gvngon mith tha
+Finna mêi. Thi hêrtoga warth to kêning kêren. Tha kårka thêr êl bilêven
+wêron wrde vrdên. Sont komath tha gode Northljud vâken to Texland vmb
+there Moder-is rêd. Thâ wi ne mügath hjam for nêne rjuchta Fryas mar
+ne halde. Inna Dênamarka ist sêkur as bi vs gvngon. Tha stjurar, tham
+hjara self thêr stoltelika sêkåmpar hêton, send vppira skêpa gvngon,
+ånd åfternêi sind hja to bek gvngon.
+
+
+ Held!
+
+
+Hwersa thene Kroder en tid forth kroden heth, thån skilun tha
+åfterkomanda wâna thåt tha lêka and brêka, thêr tha Brokmanna mith
+brocht håve, åjen were an hjara êthla. Thêr vr wil ik wâka ånd thus
+sâ fül vr hjåra plêga skriva as ik sjan hå. Vr tha Gêrtmanna kån
+ik rêd hinne stappa. Ik nåv navt fül mithra omme gvngen. Tha sâ
+fêr ik sjan hå send hja thåt mast bi tâl ånd sêd bilêwen. Thåt ne
+mêi ik navt segsa fon tha ôthera. Thêr fon.a Krêkalânda wêi kvme,
+send kwâd ther tâl ånd vppira sêd ne mêi mån êl navt boga. Fêlo
+håvath brûna âgon ånd hêr. Hja send nidich ånd drist ånd ång thrvch
+overbilâwichhêd. Hwêrsa hja sprêka, sâ nômath hja the worda fâr vppa
+thêr lerst kvma mosta. Ajen ald segath hja âd, åjen salt sâd, mâ fori
+mån, sel fori skil, sode fori skolde, to fül vmb to nomande. Ak forath
+hja mêst vrdvaliske ånd bikirte nôma, hwêran mån nên sin an hefta ne
+mêi. Tha Johniar sprêkath bêtre, thach hja swygath thi h ånd hwêri
+navt nêsa mot, wårth er ûtekêth. Hwersa imman en byld mâkath åfter
+ênnen vrstvrven ånd thet likt, sâ lâwath hja, thåt thene gâst thes
+vrsturvene thêr inne fârath. Thêrvr håvath hja alle bylda vrburgen
+fon Frya, Fåsta, Mêdêa, Thjanja, Hellênja ånd fêlo ôthera. Hwerth
+thêr en bern ebern, sâ kvmath tha sibba et sêmne ånd biddath an Frya
+thåt hju hjara fâmkes mêi kvma lêta thåt bern to sêenande. Håvon hja
+bêden sa ne mêi nimman him rora ni hêra lêta. Kvmt et bern to gråjande
+ånd halt thit en stvnde an, alsa is thåt en kwâd têken ånd man is an
+formoda, thåt thju måm hordom dên heth. Thêrvr håv ik al årge thinga
+sjan. Kvmt et bern to slêpande, sâ is thåt en têken, thåt tha fâmkes
+vr-et kvmen send. Lakt et inna slêp, sâ håvon tha fâmkes thåt bern
+luk to sêit. Olon lâwath hja an bosa gâsta, hexna, kolla, aldermankes
+ånd elfun, as jef hja fon tha Finna wei kêmen. Hyrmitha wil ik enda
+ånd nw mên ik tha-k mår skrêven hå, as ên minra êthla. Frêthorik.
+
+Frêthorik min gâd is 63 jêr wrden. Sont 100 ând 8 jêr is hi thene
+êroste fon sin folk, thêr frêdsum sturven is, alle ôthera send vndera
+slêga swikt, thêrvr thåt alle kåmpade with ajn ånd fêrhêmande vmb
+rjucht ånd plicht.
+
+Min nôm is Wil-jo, ik bin tha fâm thêr mith him fona Saxanamarka to
+honk for. Thrvch tâl ånd ommegang kêm et ut, thåt wi alle bêde fon
+Adela his folk wêron, thâ kêm ljafde ånd åfternêi send wi man ånd wif
+wrden. Hi heth mi fyf bern lêten, 2 suna ånd thrju toghatera. Konerêd
+alsa hêt min forma, Hâchgâna min ôthera, mine aldeste toghater
+hêth Adela, thju ôthera Frulik ånd tha jongeste Nocht. Thâ-k nêi
+tha Saxanamarka for, håv ik thrju boka hret. Thet bok thêra sanga,
+thêra tellinga, ånd thet Hêlênja bok. Ik skrif thit til thju mån navt
+thånka ne mêi thåt hja fon Apollânja send; ik håv thêr fül lêt vr
+had ând wil thus âk thju êre hå. Ak håv ik mâr dên, tha Gosa-Makonta
+fallen is, hwames godhêd ånd klârsjanhêd to en sprêkword is wrden,
+thâ ben ik allêna nêi Texland gvngen vmbe tha skrifta vr to skrivane,
+thêr hju åfter lêten heth, ånd thâ tha lerste wille fonden is fon
+Frâna ånd tha nêilêtne skrifta fon Adela jefta Hellênja, håv ik thåt
+jetta rêis dên. Thit send tha skrifta Hellênjas. Ik set hjam fâr vppa
+vmbe thåt hja tha aldesta send.
+
+
+ ALLE AFTA FRYAS HELD.
+
+
+In êra tida niston tha Slâvona folkar nawet fon fryhêd. Lik oxa wrdon
+hja vnder et juk brocht. In irthas wand wrdon hja jâgath vmbe mêtal
+to delvane ånd ut-a herde bergum moston hja hûsa hâwa to forst ånd
+presterums hêm. Bi al hwat hja dêdon, thêr nas nawet to fâra hjara
+selva, men ella moste thjanja vmbe tha forsta ånd prestera jeta riker
+ånd weldiger to mâkjane hjara selva to sådene. Vnder thesse arbêd
+wrdon hja grêv ånd stråm êr hja jêrich wêron, ånd sturvon svnder n
+ochta afskên irtha tham overflodlik fvl jêf to bâta al hjara bern. Men
+vsa britna kêmon ånd vsa bânnalinga thrvch tha Twisklânda vr in hjara
+marka fâra ånd vsa stjurar kêmon in hjara hâvna. Fon hjam hêradon hja
+kålta vr êlika frydom ånd rjucht ånd overa êwa, hwêr bûta nimman omme
+ne mêi. Altham wrde vpsugon thrvch tha drova månniska lik dâwa thrvch
+tha dorra fjelde. As hju fvl wêron bijonnon tha alderdrista månniska to
+klippane mith hjara kêdne, alsa-t tha forsta wê dêde. Tha forste send
+stolte ånd wichandlik, thêrvmbe is thêr âk noch düged in hjara hirta,
+hja birêdon et sêmine ând javon awet fon hjara overflodalikhêd. Men
+tha låfa skin frâna prestara ne machton thåt navt ne lyda, emong
+hjara forsinde godum hêdon hja âk wrangwråda drochtne eskêpen. Pest
+kêm inovera lânda. Nw sêidon hja, tha drochtna send tornich overa
+overhêrichhêd thêra bosa. Tha wrdon tha alderdrista månniska mith
+hjara kêdne wirgad. Irtha heth hjara blod dronken, mith thåt blod
+fode hju früchda ånd nochta, ånd alle tham thêr of êton wrdon wis.
+
+16 wâra 100 jêr lêden [85] is Atland svnken, ånd to thêra tidum
+bêrade thêr awat hwêr vppa nimman rêkned nêde. In-t hirte fon Findas
+lând vppet berchta lêid en del, thêr is kêthen Kasamyr [86], thet is
+sjeldsum. Thêr werth en bern ebern, sin måm wêre thju toghater enis
+kêning ånd sin tât wêre-n hâvedprester. Vmb skôm to vnkvma mosten hja
+hjara åjen blod vnkvma. Thêrvmbe wårth er bûta thêre stêde brocht bi
+årma månniska. In twiska was-t im navt forhêlad ne wrden, thêr vmbe
+dêd er ella vmbe wisdom to gêtane ånd gârane. Sin forstân wêre sâ grât
+thåt er ella forstânde hwat er sâ ånd hêrade. Thåt folk skowde him mit
+êrbêdenese and tha prestera wr don ang vr sina frêga. Thå-r jêrich
+wrde gvnger nêi sinum aldrum. Hja moston herda thinga hêra, vmb-im
+kwit to werthane javon hja him vrflod fon kestlika stênum; men hja ne
+thvradon him navt avbêr bikânnâ as hjara åjne blod. Mith drovenese
+in vrdelven overa falxe skôm sinra aldrum gvng-er ommedwâla. Al
+forth fârande mête hi en Fryas stjurar thêr as slâv thjanade, fon
+tham lêrd-i vsa sêd ånd plêgum. Hi kâpade him fry, ånd to ther dâd
+send hja frjunda bilêwen. Alomme hwêr er forth hinne tâch, lêrd-i
+an tha ljuda thåt hja nêne rika ner prestera tolêta moston, thåt hja
+hjara selva hode moston åjen falxe skôm, ther allerwêikes kvad dvat
+an tha ljavde. Irtha sêid-er skånkath hjara jêva nêi mêta men hjara
+hûd klâwat, thåt mån thêrin âch to delvane to êrane ånd to sêjane,
+sâ mån thêrof skêra wil. Thach sêid-er nimman hovat thit to dvande
+fori ennen ôthera hit ne sy, thåt et bi mêne wille jef ut ljavade
+skêd. Hi lêrde thåt nimman in hjara wand machte frota vmbe gold
+her silver ner kestlika stêna, hwêr nid an klywath ånd ljavde fon
+fljuchth. Vmbe jow manghêrta ånd wiva to sjarane, sêid-er, jêvath
+hjara rin strâma ênoch. Nimman sêid-er is weldich alle månniska
+mêtrik ånd êlika luk to jân. Tha thåt it alra månniska plicht vmbe
+tha månniska alsa mêtrik to mâkjane ånd sa fêlo nocht to jân, as to
+binâka is. Nêne witskip seid-er ne mêi mån minachtja, thach êlika
+dêla is tha grâteste witskip, thêr tid vs lêra mêi. Thêrvmbe thåt
+hjv argenese fon irtha wêrath ånd ljavde feth.
+
+Sin forme nôm wêre Jes-us [87], thach tha prestera thêr-im sêralik
+håton hêton him Fo thåt is falx, thåt folk hête him Kris-en thåt is
+herder, ånd sin Fryaske frjund hêta him Bûda, vmbe that hi in sin
+hâvad en skåt fon wisdom hêde ånd in sin hirt en skåt fon ljavde.
+
+To tha lersta most-er fluchta vr tha wrêka thêra prestera, men vral
+hwêr er kêm was sine lêre him fârut gvngen ånd vral hwêr-er gvng
+folgadon him sina lêtha lik sine skâde nêi. Thâ Jes-vs alsa twilif
+jêr om fâren hêde, sturv-er, men sina frjunda wâradon sine lêre ånd
+kêthon hwêr-et âron fvnde.
+
+Hwat mênst nw thåt tha prestera dêdon, thåt mot ik jo melde, âk mot-i
+thêr sêralik acht vp jân, forth mot-i over hjara bidryv ånd renka wâka
+mith alle kråftum, thêr Wralda in jo lêid heth. Thahwila Jes-us lêre
+vr irtha for, gvngon tha falxe prestera nêi-t lând sinra berta sin
+dâd avbêra, hja sêidon thåt hja fon sinum frjundum wêron, hja bêradon
+grâte rowa, torennande hjara klâthar to flardum ånd to skêrande hjara
+hola kâl. Inna hôla thêra berga gvngon hja hêma, thach thêrin hêdon hja
+hjara skåt brocht, thêr binna mâkadon hja byldon åfter Jes-us, thessa
+byldon jâvon hja antha vnårg thånkanda ljuda, to longa lersta sêidon
+hja thåt Jes-us en drochten wêre, thåt-i thåt selva an hjam bilêden
+hêde, ånd thåt alle thêr an him ånd an sina lêra lâwa wilde, nêimels
+in sin kêningkrik kvme skolde, hwêr frü is ånd nochta send. Vrmites
+hja wiston thåt Jes-us åjen tha rika to fjelda tâgen hêde, sâ kêthon
+hja allerwêikes, that årmode hâ ånd ênfald sâ thju düre wêre vmbe in
+sin rik to kvmane, thåt thêra thêr hyr vp irtha thåt mâste lêden hêde,
+nêimels tha mâsta nochta håva skolde. Thahwila hja wiston thåt Jes-us
+lêrad hêde thåt mån sina tochta welda ånd bistjura moste, sâ lêrdon
+hja thåt mån alle sina tochta dêja moste, ånd thåt tha fvlkvminhêd
+thêra månniska thêrin bistande thåt er êvin vnforstoren wrde sâ thåt
+kalde stên. Vmbe thåt folk nw wis to mâkjande thåt hja alsa dêdon,
+alsa bêradon hja årmode overa strêta ånd vmb forth to biwisane thåt
+hja al hjara tochta dâd hêde, nâmon hja nêne wiwa. Thach sahwêrsa en
+toghater en misstap hêde, sâ wårth hja that ring forjân, tha wrakka
+sêidon hja most mån helpa and vmbe sin åjn sêle to bihaldane most
+mån fül anda cherke jân. Thus todvande hêde hja wiv ånd bern svnder
+hûshalden ånd wrdon hja rik svnder werka, men that folk wårth fül
+årmer ånd mâr êlåndich as â to fâra. Thas lêre hwêrbi tha prestera nên
+ôre witskip hova as drochtlik rêda, frâna skin ånd vnrjuchta plêga,
+brêd hiri selva ut fon-t âsta to-t westa ånd skil âk vr vsa landa kvma.
+
+Men astha prestera skilun wâna, thåt hja allet ljucht fon Frya ånd
+fon Jes-us lêre vtdâvath håva, sâ skilum thêr in alle vvrda månniska
+vpstonda, tham wêrhêd in stilnise among ekkorum wârath ånd to fâra
+tha prestera forborgen håve. Thissa skilun wêsa ut forsta blod, fon
+presterum blod, fon Slâvonum blod, ånd fon Fryas blod. Tham skilun
+hjara foddikum ånd thåt ljucht bûta bringa, sâ thåt allera månnalik
+wêrhêd mêi sjan; hja skilun wê hropa overa dêda thêra prestera ånd
+forsta. Tha forsta thêr wêrhêd minna ånd rjucht tham skilun fon
+tha prestera wika, blod skil strâma, men thêrut skil-et folk nye
+kråfta gâra. Findas folk skil sina findingrikhêd to mêna nitha wenda,
+thåt Lydas folk sina kråfta ånd wi vsa wisdom. Tha skilun tha falxa
+prestera wêi fâgath wertha fon irtha. Wralda his gâst skil alomme ånd
+allerwêikes êrath ånd bihropa wertha. Tha êwa thêr Wralda bi-t anfang
+in vs mod lêide, skilun allêna hêrad wertha, thêr ne skilun nêne ôra
+mâstera, noch forsta, ner bâsa navt nêsa, as thêra thêr bi mêna wille
+kêren send. Thån skil Frya juwgja ånd Irtha skil hira jêva allêna
+skånka an tha werkande månnisk. Altham skil anfanga fjuwer thusand
+jêr nêi Atland svnken is ånd thusand jêr lêter skil thêr longer nên
+prester ner tvang vp irtha sa.
+
+Dela tonômath Hellênja, wâk!
+
+Sâ lûda Frânas ûtroste wille. Alle welle Fryas held. An tha nôme
+Wraldas, fon Frya, ånd thêre fryhêd grête ik jo, ånd bidde jo,
+sahwersa ik falla machte êr ik en folgster nômath hêde, sâ bifêl ik
+jo Tüntja thêr Burchfâm is to thêre burch Mêdêasblik, til hjud dêgum
+is hja tha besta.
+
+Thet heth Gôsa nêi lêten. Alle månniska held. Ik nåv nêne êremoder
+binomad thrvchdam ik nêne niste, ånd et is jo bêter nêne Moder to
+håvande as êne hwêr vp-i jo navt forlêta ne mêi. Arge tid is forbi
+fâren, men thêr kvmt en ôthere. Irtha heth hja navt ne bårad ånd
+Wralda heth hja navt ne skêren. Hju kvmt ut et âsta ut-a bosma thêra
+prestera wêi. Sâ fêlo lêd skil hju broda, thåt Irtha-t blod algâdvr
+navt drinka ne kån fon hira vrslêjana bernum. Thjustrenesse skil
+hju in overne gâst thêra månniska sprêda, lik tongar-is wolka oviret
+svnneljucht. Alom ånd allerwêikes skil lest ånd drochten bidryf with
+fryhêd kâmpa ånd rjucht. Rjucht ånd fryhêd skilun swika ånd wi mith
+tham. Men thesse winst skil hjara vrlias wrochta. Fon thrju worda
+skilun vsa åfterkvmande an hjara ljuda ånd slâvona tha bithjutnesse
+lêra. Hja send mêna ljavde, fryhêd ånd rjucht. Thåt forma skilun
+hja glora, åfternêi with thjustrenesse kåmpa al ont et hel ånd klår
+in hjawlikes hirt ånd holle wårth. Thån skil tvang fon irtha fâgad
+wertha, lik tongarswolka thrvch stornewind, ånd alle drochten bidryv
+ne skil thêr åjen nawet navt ne formüga. Gôsa.
+
+
+
+
+
+THET SKRIFT FON KONERÊD.
+
+
+Min êthla håvon in åfter thit bok skrêven. Thit wil ik boppa ella
+dva, vmbe thåt er in min stât nên burch ovir is, hwêrin tha bêrtnesa
+vp skrêven wrde lik to fâra. Min nôme is Konerêd, min tât-his nôme
+was Frêthorik, min mem his nôme Wiljow. After tât his dâd ben ik to
+sina folgar kêren, ånd tha-k fiftich jêr tålde kâs men mij to vrste
+grêvetmån. Min tât heth skrêven ho tha Linda-wrda ånd tha Ljudgârdne
+vrdilgen send. Lindahêm is jeta wêi, tha Linda-wrda far en dêl,
+tha northlikka Ljudgârdne send thrvch thene salta sê bidelven. That
+brûwsende hef slikt an tha hringdik thêre burch. Lik tât melth heth, sâ
+send tha hâvalâsa månniska to gvngen ånd hâvon hûskes bvwad binna tha
+hringdik thêra burch. Thêrvmbe is thåt ronddêl nw Ljvdwerd hêten. Tha
+stjurar segath Ljvwrd, men thåt is wansprêke. Bi mina jüged was-t ôre
+lând, thåt bûta tha hringdik lêid, al pol ånd brok. Men Fryas folk
+is diger ånd flitich, hja wrdon mod ner wirg, thrvchdam hjara dol to
+tha besta lêide. Thrvch slâta to delvane ånd kâdika to mâkjane fon
+tha grvnd thêr ût-a slâta kêm, alsa håvon wi wither en gode hêm bûta
+tha hringdik, thêr thju dânte het fon en hof, thrê pêla âstwarth,
+thrê pêla sûdwarth ånd thrê pêla wêstwarth mêten. Hjud dêgum send
+wi to dvande å-pêla to hêjande, vmb êne hâve to winnande ånd mith
+ên vmb-vsa hringdik to biskirmande. Jef et werk rêd sy, sâ skilun
+wi stjurar utlvka. Bi min jüged stand-et hyr bjûstre om-to, men hjud
+send tha hûskes al hûsa thêr an rêja stân. And lek ånd brek thêr mith
+ermode hir in glupt wêron, send thrvch flit a-buta drêven. Fon hir ut
+mêi allera månnalik lêra, thåt Wr.alda vsa Alfoder, al sina skepsela
+fot, mits thåt hja mod halde ånd månlik ôtherum helpa wille.
+
+
+
+
+
+NV WIL IK VR FRISO SKRIVA.
+
+
+Friso thêr al weldich wêre thrvch sin ljud, wårth âk to vrste
+grêve kêren thrvch Staverens ommelandar. Hi spot mith vsa wisa fon
+lând-wêr ånd sêkåmpa, thêrvmbe heth-er en skol stift hwêr in tha knâpa
+fjuchta lêra nêi Krêkalandar wysa. Thån ik lâv thåt i thåt dên heth
+vmb thåt jongk-folk an sin snôr to bindane. Ik håv min brother thêr
+âk hin skikt, tha-s nv thjan jêr lêden. Hwand tocht ik nv wi nêne
+Moder lônger navt nåve, vmbe tha ênen åjen tha ôre to bi skirmande,
+âch ik dubbel to wâkane thåt hi vs nên mâster ne wårth.
+
+Gosa neth vs nêne folgstere nômeth, thêr vr nil ik nên ordêl ne fella,
+men thêr send jeta alda årg thenkande månniska, thêr mêne thåt hju-t
+thêr-vr mith Friso ênis wrden is. Thâ Gosa fallen was, thâ wildon tha
+ljud fon alle wrda êne ôthere Moder kjasa. Men Friso thêr to dvande
+wêre vmb-en rik to fara him selva to mâkjane, Friso ne gêrde nên
+rêd ner bodo fon Texland. As tha bodon thêra Landsâtum to him kêmon,
+sprek-i ånde kêth. Gosa sêid-er was fêrsjande wêst ånd wiser as alle
+grêva êtsêmne ånd thach nêde hju nên ljucht nêr klârhêd in thjuse
+sêke ne fvnden, thêrvmbe nêde hju nêne mod hân vmb êne folgstere to
+kjasane, ånd vmb êne folgstere to kjasane thêr tvyvelik wêre, thêr heth
+hju bald in sjan, thêrvmbe heth hju in hjara ûtroste wille skrêven,
+thåt is jow bêtre nêne Moder to håvande as êne hwêr vpp-i jo selva
+navt forlêta ne mêi. Friso hêde fül sjan, bi orloch was er vpbrocht,
+ånd fon tha hrenkum ånd lestum thêra Golum ånd forstum hêder krek sa
+fül lêred ånd geth, as-er nêdich hêde vmbe tha ôra grêva to wêiande
+hwêr hi hjam wilde. Sjan hir ho-r thêrmith to gvngen is.
+
+Friso hêde hir-ne ôther wif nimth, thju toghater fon Wil-frêthe,
+bi sin lêve was-er vrste Grêva to Staveren wêst. Thêr bi hêder twên
+svna wnnen ånd twa toghatera. Thrvch sin bilêid is Kornêlja sin jongste
+toghater mith min brother mant. Kornêlja is wan Fryas and mot Kornhêlja
+skrêven wrde. Wêmod sin aldeste heth er an Kavch bonden. Kavch thêr
+âk bi him to skole gvng is thi svnv fon Wichhirte thene Gêrtmanna
+kåning. Men Kavch is âk wan Fryas ånd mot Kâp wêsa. Men kvade tâle
+håvon hja mar mithbrocht as gode sêda.
+
+Nw mot ik mith mine skêdnese a-befta kêra.
+
+Aftre grâte flod hwêr vr min tât skrêven heth, wêron fêlo Juttar
+ånd Lêtne mith ebbe uta Balda jefta kvade sê [88] fored. Bi Kât his
+gat drêvon hja in hjara kâna mith yse vppa tha Dênemarka fåst ånd
+thêr vp send hja sitten bilêwen. Thêr nêron narne nên månniska an-t
+sjocht. Thêrvmbe håvon hja thåt lând int, nêi hjara nôme håvon hja
+thåt land Juttarland hêten. Afternêi kêmon wel fêlo Denemarker to bek
+fon tha hâga landum, men thissa setton hjara selva sûdliker del. And
+as tha stjurar to bek kêmon thêr navt vrgvngen navt nêron, gvng
+thi êna mith tha ôthera nei tha sê jefta êlandum. [89] Thrvch thisse
+skikking mochton tha Juttar thåt land halda, hwêr-vppa Wr.alda ra wêjad
+hêde. Tha Sêlandar stjurar tham hjara selva mith blâte fisk navt helpa
+ner nêra nilde, ånd thêr en årge grins hêde an tha Gola, tham gvngon
+dâna tha Phonisjar skêpa birâwa. An tha sûdwester herne fon Skênland,
+thêr lêid Lindasburcht tonômath Lindasnôse, thrvch vsa Apol stift,
+alsa in thit bok [90] biskrêwen stât. Alle kâdhêmar ånd ommelandar
+dâna wêron eft Fryas bilêven, men thrvch tha lust thêre wrêke åjen tha
+Golum ånd åjen tha Kåltana folgar gvngon hja mitha Sêlandar sâma dvan,
+men that sâma dva neth nen stek navt ne halden. Hwand tha Sêlandar
+hêde felo mislika plêga ånd wenhêde ovir nommen fon tha vvla Mâgjarum,
+Fryas folk to-n spot. Forth gvng ek to fara him selva râwa, thach jef
+et to pase kêm thån standon hja månlik ôtherum trvlik by. Thach to
+tha lesta bijondon tha Sêlandar brek to krêjande an goda skêpa. Hjara
+skipmâkar weron omkvmen ånd hjara walda wêron mith grvnd ånd al fon-t
+land of fâged. Nw kêmon thêr vnwarlingen thry skêpa by tha ringdik
+fon vsa burch mêra. Thrvch tha inbrêka vsra landum wêron hja vrdvaled
+ånd tha Flymvda misfaren. Thi kâpmon thêr mith gvngen was, wilde fon
+vs nya skêpa hå, thêrto hêdon hja mithbrocht allerlêja kestlika wêra,
+thêr hja râwed hêdon fon tha Kåltanarlandum ånd fon tha Phonisjar [91]
+skêpum. Nêidam wy selva nêne skêpa navt n-êde, jêf ik hjam flingka
+horsa ånd fjvwer wêpende rinbodon mith nei Friso. Hwand to Stâveren
+ånd allingen thåt Aldergâ thêr wrdon tha besta wêrskêpa maked fon herde
+êken wod thêr nimmerthe nên rot an ne kvmth. Thahwila tha sêkampar by
+my byde, wêron svme Juttar nêi Texland fâren ånd dânâ wêron hja nêi
+Friso wêsen. Tha Sêlandar hêdon felo fon hjara storeste knâpum râwed,
+thi moston vppa hjara benka roja, ånd fon hjara storeste toghtera vmb
+thêr by bern to têjande. Tha stora Juttar ne mochton et navt to wêrane,
+thrvchdam hja nêne gode wêpne navt nêde. Thâ hja hjara lêth telad hêde
+ånd thêrvr fêlo wordon wixlad wêron, frêje Friso to tha lesta jef hja
+nêne gode have in hjara gâ navt n-êde. O-jes, anderon hja, êne besta
+ên, êne thrvch Wr.alda skêpen. Hju is net krek lik jow bjarkrûk thêr,
+hira hals is eng, thâ in hira bålg kånnath wel thvsanda grâte kâna
+lidsa, men wi nâvath nêna burch ner burchwêpne, vmbe tha râwskêpa thêr
+ut to haldane. Thån mosten jow gvnst mâkja sêide Friso. God rêden
+anderon tha Juttar, men wi n-åvath nêne ambachtisljud ner bvwark,
+wi alle send fiskar ånd juttar. Tha ora send vrdrvnken jefta nêi tha
+hâga landum fljucht. Midlar hwila hja thus kålta, kêmon mina bodon
+mitha Sêlândar hêra et sina hove. Hir most nw letta ho Friso alle
+to bidobbe wiste to nocht fon bêde partja ånd to bâte fon sin åjn
+dol. Tha Sêlandar sêider to, hja skoldon jêrlikes fiftech skêpa håve,
+nêi fåsta mêtum ånd nêi fåsta jeldum, to hrêd mith ysere kêdne ånd
+krânbogum ånd mith fvlle tjuch alsa far wêrskêpa hof ånd nêdlik sy,
+men tha Juttar skoldon hja thån mith frêthe lêta, ånd all-et folk thåt
+to Fryasbern hêred. Jâ hi wilde mar dva, hi wilde al vsa sêkåmpar
+utnêda thåt hja skolde mith fjuchta ånd râwa. Thâ tha Sêlandar wêi
+brit wêron, thâ lêt er fjuwertich alda skêpa to laja mith burchwêpne,
+wod, hirbaken stên, timberljud, mirtselêra ånd smêda vmbe thêr mith
+burga to bvwande. Witto, that is witte sin svn, sand hi mith vmb to
+to sjanande. Hwat thêr al fâr fallen is, n-is my navt ni meld, men sa
+fül is mi bâr wrden, an byde sida thêre haves mvde is êne withburch
+bvwed, thêr in is folk lêid that Friso uta Saxanamarka tâch. Witto heth
+Sjuchthirte bifrêjad ånd to sin wiv nomen. Wilhem alsa hête hira tat,
+hi was vreste Aldermån thêra Juttar, that is vrste Grêvetman jefta
+Grêve. Wilhem is kirt after sturven ånd Witto is in sin stêd koren.
+
+
+
+
+
+HO FRISO FORTHER DÊDE.
+
+
+Fon sin êrosta wif hêder twên sviaringa bihalda, thêr sêr klok
+wêron. Hetto, that is hête, thene jongste skikt er as senda boda
+nêi Kattaburch thåt djap inna Saxanamarka lêid. Hi hêde fon Friso
+mith krêjen sjugon horsa buta sin åjn, to lêden mith kestlika sêkum,
+thrvch tha sêkåmpar râwed. Bi jahweder hors wêron twên jonga sêkåmpar
+ånd twên jonga hrutar mith rika klâdarum klâth ånd jeld in hiara
+bûdar. Êvin as er Hetto nêi Kattaburch skikte, skikter Bruno, thåt
+is brûne, thene ôthera svjaring nêi Mannagårda wrda, Mannagårda
+wrda is fâr in thit bok [92] Mannagårda forda skrêven, men thât is
+misdên. Alle rikdoma thêr hja mith hede wrdon nêi omstand wêi skånkt
+an tha forsta and forstene ånd an tha utforkêrne mangêrtne. Kêmon thâ
+sine knapa vppa thêre mêid vmbe thêr mith et jongkfolk to dônsjane,
+sa lêton hja kvra mith krûdkok kvma ånd bårgum jeftha tonnum fon
+tha besta bjar. After thissa bodon lêt-er immer jongkfolk over tha
+Saxanarmarka fâra, thêr alle jeld inna budar hêde ånd alle mêida
+jeftha skånkadja mith brochton, ånd vppa thêre mêid têradon hja alon
+vnkvmmerlik wêi. Jef-t nv bêrde thåt tha Saxana knâpa thêr nydich nêi
+utsâgon, thån lakton hja godlik ånd sêidon, aste thvrath thene mêna
+fyand to bikåmpane, sâ kånst thin brêid jet fül riker mêida jân ånd
+jet forstelik têra. Al bêda sviaringa fon Friso send bostigjad mith
+toghaterum thêra romriksta forstum, ånd åfkernêi kêmon tha Saxanar
+knâpa ånd mangêrtne by êlle keddum nêi thåt Flymar del.
+
+Tha burchfâmna ånd tha alda fâmna thêr jeta fon hjar êre grâthêd wiste,
+nygadon navt vr nêi Frisos bedriv, thêrvmbe ne kêthon hja nên god fon
+him. Men Friso snôder as hja lêt-ra snâka. Men tha jonga fâmna spônd-er
+mith goldne fingrum an sina sêk. Hja sêidon alomme wy nåvath longer
+nên Moder mâr, men thåt kvmth dâna thåt wit jêroch send. Jvd past vs
+ne kâning, til thju wi vsa landa wither winna, thêr tha Modera vrlêren
+håve thrvch hjara vndigerhêd. Forth kêthon hja, alrek Fryasbern is
+frydom jêven, sin stem hêra to lêtane bi fara thêr bisloten wårth bi
+t kjasa ênre forste, men ast alsa wyd kvma machte thåt i jo wither ne
+kåning kjasa, sâ wil ik âk min mêne segse. Nêi al hwat ik skoja mêi,
+sâ is Friso thêr to thrvch Wr.alda kêren, hwand hi heth im wonderlik
+hir hinne wêiad. Friso wêt tha hrenka thêra Golum, hwam his tâle hi
+sprêkt, hi kån thus åjen hjara lestum wâka. Thån is thêr jeta awet to
+skojande, hok Grêva skolde mån to kåning kjasa svnder that tha ôra
+thêr nidich vr wêron. Aldulkera tâlum wårth thrvch tha jonga fâmnn
+kethen, men tha alde fâmma afskên fê an tal, tapadon hjara rêdne ut en
+ôthera bårg. Hja kêthon allerwêikes ånd to alla mannalik: Friso kêthon
+hja dvath sâ tha spinna dvan, thes nachtis spônth-i netta nêi alle
+sidum ånd thes dêis vrskalkth-i thêr sina vnåftertochtlika frjunda
+in. Friso sêith that-er nêne prestera ner poppa forsta lyde ne mêi,
+men ik seg, hi ne mêi nimman lyda as him selva. Thêrvmbe nil hi navt
+ne dâja thåt thju burch Stavia wither vp hêjath warth. Thêrvmbe wil
+hi nêne Moder wêr hâ. Jud is Friso jow rêd jêvar, men morne wil hi
+jow kåning wertha, til thju hi over jo alle rjuchta mei. Inna bosm
+thes folk-is antstondon nw twa partyja. Tha alda ånd årma wildon
+wither êne Moder hâ, men thåt jongkfolk, thåt fvl strêdlust wêre
+wilde ne tât jeftha kåning hâ. Tha êrosta hêton hjara selva moder
+his svna ånd tha ôthera hêton hjara selva tât his svna, men tha Moder
+his svna ne wrde wrde navt ni meld, hwand thrvchdam thêr fêlo skêpa
+mâked wrde, was thêr ovirflod to fâra skipmâkar, smêda, sylmâkar,
+rêpmâkar ånd to fâra alle ôra ambachtisljud. Thêr to boppa brochton
+tha sêkåmpar allerlêja syrhêda mith. Thêr fon hêdon tha wiva nocht,
+tha fâmna nocht, tha mangêrtne nocht, ånd thêrof hêdon al hjara mêgum
+nocht ånd al hjara frjundum ånd âthum.
+
+Tha Friso bi fjuwertich jêr et Stâveren hushalden hêde sturf-er. [93]
+Thrvch sin bijelda hêde-r fêlo stâta wither to manlik ôtherum brocht,
+thach jef wi thêr thrvch bêter wrde thvr ik navt bijechta. Fon
+alle Grêva thêr bifâra him wêron n-as thêr nimman sâ bifâmed lik
+Friso wêst. Tha sâ as-k êr sêide, tha jonge fâmna kêthon sina love,
+thahwila tha alda fâmna ella dêdon vmb-im to achtjane ånd hâtlik to
+mâkjane bi alle månniska. Nw ne machton tha alda fâmna him thêr mitha
+wel navt ne stôra in sina bijeldinga, men hja håvon mith hjara bâra
+thach alsa fül utrjucht thåt-er sturven is svnder thåt er kåning wêre.
+
+
+
+
+
+NW WIL IK SKRIWA VR ADEL SIN SVNV.
+
+
+Friso thêr vsa skidnese lêred hêde ut-et bok thêra Adellinga, hêde
+ella dên vmbe hjara frjundskip to winnande. Sin êroste svnv thêr hi hir
+won by Swêthirte sin wif, heth-er bi stonda Adel hêten. And afskên hi
+kåmpade mith alle sin weld, vmbe nêne burga to forstålane ner wither
+vp to bvwande, thach sand hi Adel nêi thêre burch et Texland til thju
+hi diger bi diger kvd wertha machta, mith ella hwat to vsa êwa, tâle
+ånd sedum hêreth. Tha Adel twintich jêr tålde lêt Friso him to sin
+åjn skol kvma, ånd as er thêr utlêred was, lêt-er him thrvch ovir alle
+stâta fâra. Adel was-ne minlika skalk, bi sin fâra heth-er fêlo âtha
+wnnen. Dâna is-t kvmen thåt et folk him Atha-rik hêten heth, awet hwat
+him åfternêi sa wel to pase kêm, hwand as sin tât fallen was, bilêv
+er in sin stêd svnder that er vr-et kjasa êner ôthera Grêva sprêka kêm.
+
+Thahwila Adel to Texland inna lêre wêre, was thêr tefta en êlle
+ljawe fâm in vpper burch. Hju kêm fon ut tha Saxanamarkum wêi,
+fon ut-êre stâtha thêr is kêthen Svôbaland thêr thrvch wårth hju to
+Texland Svôbene [94] hêten, afskên hjra nôme Ifkja wêre. Adel hêde
+hja ljaf krêjen ånd hju hêde Adel ljaf, men sin tåt bêd-im hi skolde
+jet wachtja. Adel was hêrich, men alsa ring sin tât fallen was ånd hi
+sêten, sand hi bistonda bodon nei Berth-holda hira tât hin, as-er sine
+toghter to wif håva machte. Bertholda wêr-ne forste fon vnforbastere
+sêd, hi hêde Ifkja nêi Texland inna lêre svnden inner hâpe that hja
+ênis to burchfâm kêre wrde skolde in sine åjn land. Thach hi hêde
+hjara bêder gêrte kånna lêred, thêrvmbe gvng-er to ånd jef hjam sina
+sêjen. Ifkja wêr-ne kante Fryas. Far sa fêre ik hja håv kånna lêred,
+heth hju alôn wrocht ånd wrot til thju Fryasbern wither kvma machte
+vndera selva êwa ånd vnder ênen bôn. Vmbe tha månniska vppa hira syd
+to krêjande, was hju mith hira frjudelf fon of hira tât thrvch alle
+Saxanamarka fâren and forth nêi Gêrtmånnja. Gêrtmannja alsa hêdon
+tha Gêrtmanna hjara stât hêten, thêr hja thrvch Gosa hira bijeldinga
+krêjen hêde. Dâna gvngen hja nei tha Dênemarka. Fon tha Dênemarka
+gvngon hja skip nei Texland. Fon Texland gvngon hja nêi Westflyland
+en sa allingen tha sê nêi Walhallagâra hin. Fon Walhallagâra brûdon
+hja allingen thêra sûder Hrênum al ont hja mith grâta frêse boppa
+thêre Rêne bi tha Marsâta kêmon [95] hwêrfon vsa Apollânja skrêven
+heth. Tho hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja wither nêi tha delta
+[96]. As hja nw en tid lông nêi tha delta offâren wêron al ont hja inna
+strêk fon thêre alda burch Aken [97] kêmon, sind thêr vnwarlinga fjuwer
+skalka morth and naked uteklât. Hja wêron en lith åfter an kvmen. Min
+brother thêr vral by was hêde hja often vrbêden, thach hja nêde navt
+ne hêred. Tha bônar thêr thåt dên hêde wêron Twisklândar thêr juddêga
+drist wêi ovira Hrêna kvma to morda and to râwande. Tha Twislândar thåt
+sind bannane ånd wêi britne Fryasbern, men hjara wiva håvath hja fon
+tha Tartarum râwet. Tha Tartara is en brûn Findas folk, althus hêten
+thrvchdam hja alle folka to strida uttarta. Hja send al hrutar ånd
+râwar. Thêr fon send tha Twisklândar alsa blod thorstich wrden. Tha
+Twisklândar tham thju årgnise dên hêde, hêton hjara selva Frya jeftha
+Franka. Ther wêron sêide min brother râda bruna ånd wita mong. Thêre
+thêr râd jeftha brun wêron biton hjara hêre mith sjalkwêter [98]
+wit. Nêidam hjara ônthlita thêr brun by wêr, alsa wrdon hja thesto
+lêdliker thêr thrvch. Êvin as Apollânja biskojadon hja åfternêi
+Lydasburch ånd et Aldergâ. Dâna tâgon hju in over Stâverens wrde by
+hjara ljuda rond. Alsa minlik hêdon hja hjara selva anståled that
+tha månniska ra allerwêikes halda wilde. Thrê mônatha forther sand
+Adel bodon nêi alle âthum thêr hi biwnnen hêde ånd lêt tham bidda,
+hja skoldon inna Minna mônath lichta ljuda to him senda. [99]
+
+sin wif sêid er thêr fâm wêst hêde to Texlând, hêde dâna en ovirskrift
+krêjen. To Texland warthat jeta fêlo skrifta fvnden, thêr navt in-t
+bok thêra Adelinga vrskrêven send. Fon thissa skriftum hêde Gosa ên
+bi hira utroste wille lêid, thêr thrvch tha aldeste fâm Albêthe avbêr
+mâkt wertha most, alsa ringen Friso fallen was.
+
+
+
+
+
+HYR IS THAT SKRIFT MITH GOSAS RÊD.
+
+
+Tha Wralda bern jêf an tha modera fon thåt månniskelik slachte,
+thâ lêid er êne tâle in aller tonga ånd vp aller lippa. Thjus mêide
+hêde Wralda an tha månniska jêven, til thju hja månlik ôthera thêrmith
+machte kånbêr mâkja, hwat mån formyde mot ånd hwat mån bijagja mot vmbe
+sêlighêd to findane ånd sêlighêd to haldane in al êvghêd. Wralda is
+wis ånd god ånd al fårsjande. Nêidam er nw wist, thåt luk ånd sêlighêd
+fon irtha flya mot, jef boshêd düged bidroga mêi, alsa heth er an thju
+tâl êne rjuchtfêrdige åjendomlikhêd fåst bonden. Thjus åjendomlikhêd
+is thêr an lêgen, thåt mån thêr mith nên lêjen sêge, ner bidroglika
+worda sprêka ne mêi svnder stem lêth noch svnder skâmrâd, thrvch hvam
+mån tha bosa fon hirte bistonda vrkånna mêi. Nêidam vsa tâle thus to
+luk ånd to sêlighêd wêjath, ånd thus mith wâkt åjen tha bosa nygonga,
+thêrvmbe is hju mith alle rjucht godis tâle hêten, ånd alle tha jêna
+hwam hja an êre halda hâvath thêr gôme fon. Tha hwat is bêrth. Alsa
+ring thêr mong vsa halfsusterum ånd halfbrotharum bidrogar vpkêmon,
+tham hjara selva fori godis skalkum utjavon, also ring is thåt owers
+wrden. Tha bidroglika prestera ånd tha wrangwrêja forsta thêr immer
+sêmin hêladon, wildon nêi wilkêr lêva ånd buta god-is êwa dvan. In
+hjara tsjodishêd send hja to gvngen ånd håvon ôthera tâla forsvnnen,
+til thju hja hêmlik machte sprêka in åjenwårtha fon alrek ôtherum,
+vr alle bosa thinga ånd vr alle vnwêrthlika thinga svnder thåt
+stemlêth hjam vrrêda mocht nach skâmrâd hjara gelât vrderva. Men
+hwat is thêrut bern. Êvin blyd as-t sêd thêra goda krûdum fon vnder
+ne grvnd ut vntkêmth, thåt avbêr sêjed is thrvch goda ljuda by helle
+dêi, êven blyd brength tyd tha skâdlika krûda an-t ljucht, thêr sêjed
+send thrvch bosa ljuda in-t forborgne ånd by thjustrenesse.
+
+Tha lodderiga mangertne ånd tha vnmånlika knâpa thêr mitha vvla
+presterum ånd forstum horadon vntlvkadon tha nya tâla an hjara bola,
+thêrwisa send hja forth kvmen êmong tha folkrum, til thju hja god-is
+tâle glâd vrjetten håve. Wilst nw wêta hwat thêr of wrden is? Nv
+stemlêth ner gelât hjara bosa tochta navt longer mar vrrêdon, nv is
+düged fon ut hjara midden wêken, wisdom is folgth ånd frydom is mith
+gvngen, êndracht is sok râkt ånd twispalt heth sin stêd innommen,
+ljafde is fljucht ånd hordom sith mith nyd an têfel, ånd thêr êr
+rjuchtfêrdichhêd welde, welth nv thåt swêrd. Alle send slâvona wrden,
+tha ljuda fon hjara hêra, fon nyd, bosa lusta ånd bigyrlikhêd. Hêde hja
+nvmâr êne tâle forsvnnen, müglik was-t thån jet en lith god gvngen. Men
+hja håvon alsa fêlo tâla utfonden as thêr stâta send. Thêrthrvch mêi
+thåt êne folk thåt ôre folk êvin min forstân as thju kv thene hvnd
+ånd thi wolf thåt skêp. Thit mügath tha stjurar bitjuga. Thach dânâ
+is-t nv wêi kvmen, thåt alle slâvona folkar månlik ôthara lik ôra
+månniska biskoja ånd thåt hja to straffe hjarar vndigerhêd ånd fon
+hjara vrmêtenhêd, månlik ôthera alsa long biorloge ånd bikampa moton
+til thju alle vrdilgad send.
+
+
+
+
+
+HYR IS NV MIN RÊD.
+
+
+Bist thv alsa gyrich that thu irtha allêna erva wilste, alsa achst thv
+nimmer mâre nên ôre tâle ovir thina wêra ni kvma to lêtane as god-is
+tâle, ånd thån achst thv to njodane, til thju thin åjn tâle fry fon
+uthêmeda klinka bilyweth. Wilst thv thåt er svme fon Lydas bern ånd
+fon Findas bern resta, sâ dvath stv êvin alsa. Thju tâle thêra Ast
+Skênlandar is thrvch tha wla Mâgjara vrbrûd; thju tâle thêra Kaltana
+folgar is thrvch tha smûgrige Gole vrderven. Nv send wi alsa mild wêst
+vmbe tha witherkvmande Hellêna folgar wither in vs midden to nêmande,
+men ik skrom ånd ben sêrelik ange, thåt hja vs mild-sa vrjelda skilun
+mith vrbrûding vsra rêne tâle.
+
+Fül håvon wi witherfâren, men fon alle burgum, thêr thrvch arge
+tyd vrhomlath send ånd vrdiligad, heth Irtha Fryasburch vnforleth
+bihalden; åk mêi ik thêr by melda thåt Fryas jeftha god-is tâle hir
+evin vnforleth bihalden is.
+
+Hyr to Texland most mån thus skola stifta, fon alle stâtum thêr
+et mitha alda sêdum halda, most-et jongk folk hyr hinne senden
+wrde, åfterdam mochton thêra utlêred wêre tha ôra helpa thêr to
+honk vrbêide. Willath tha ôra folkar ysre wêron fon thi sella ênd
+thêrvr mith thi sprêka ånd thinga, sâ moton hja to god-istâle wither
+kêra. Lêrath hja god-is tâle sâ skilun tha worda fry-sâ ånd rjucht-hâ
+to hjara inkvma, in hjara brêin skilet thån bijina to glimmande ånd
+to glorande til thju ella to-ne logha warth. Thissa logha skil alle
+balda forsta vrtêra ånd alle skinfrâna ånd smûgriga prestera.
+
+Tha hêinde ånd fêrhêmande sendabodon hêdon nocht fon vr thåt skrift,
+thach thêr ne kêmon nêne skola. Thå stifte Adel selva skola, åfter
+him dêdon tha ôra forsta lik hy. Jêrlikis gvngon Adel ånd Ifkja tha
+skola skoja. Fandon hja thån êmong tha inhêmar ånd uthêmar seliga thêr
+ekkorum frjundskip bâradon, sâ lêton bêde grâte blidskip blika. Hêdon
+svme seliga ekkorum frjundskip sworen, alsa lêton hja alra mannalik
+to manlik ôrum kvma, mith grâte stât lêton hja thån hjara nôma in en
+bok skriva, thrvch hjam thåt bok thêra frjundskip hêten, åfter dam
+warth fêrst halden. Al thissa plêga wrde dên vmbe tha asvndergana
+twyga fon Fryas stam wither et sêmene to snôrane. Men tha famna thêr
+Adel ånd Ifkja nydich wêron, sêidon that hja-t niwerth ôre vr dêdon
+as vmb en gode hrop, ånd vmb bi grâdum to weldana in ovir ênis ôther
+man his stât.
+
+By min tât sinra skriftum håv ik ênen brêf funden, skrêvin thrvch
+Ljudgêrth thene Gêrtmån [100], bihalva svmlika sêka thêr min tât
+allêna jelde, jêf ik hyr thåt ôthera to thåt besta.
+
+Pang-ab, thât is fyf wåtera ånd hwêr neffen wi wech kvme, is-ne
+runstrâme fon afsvnderlika skênhêd, ånd fif wåtera hêten vmb thet
+fjuwer ôra runstrama thrvch sine mvnd in sê floja. Êl fere âstwarth is
+noch ne grâte runstrâme thêr hêlige jeftha frâna Gong-ga hêten. Twisk
+thysum runstrâmne is-t lônd thêra Hindos. Bêda runstrâma runath fon
+tha hâga bergum nêi tha delta del. Tha berga hwanâ se del strâme
+sind alsa hâch thet se to tha himel låja. Thêrvmbe wårth-et berchta
+Himellâja berchta hêten. Vnder tha Hindos ånd ôthera ut-a lôndum sind
+welka ljuda mank thêr an stilnise by malkorum kvma. Se gelâvath thet
+se vnforbastere bern Findas sind. Se gelâvath thet Finda fon ut-et
+Himmellåja berchta bern is, hvanâ se mith hjara bern nêi tha delta
+jeftha lêgte togen is. Welke vnder tham gelâvath thet se mith hjra
+bern vppet skum thêr hêlige Gongga del gonggen is. Thêrvmbe skolde thi
+runstrâme hêlige Gongga hêta. Mâr tha prestera thêr ut en ôr lônd wech
+kvma lêton thi ljuda vpspêra ånd vrbarna, thêrvmbe ne thurvath se far
+hjara sêk nit ôpentlik ut ni kvma. In thet lônd sind ôlle prestera tjok
+ånd rik. In hjara chårka werthat ôllerlêja drochtenlika byldon fvnden,
+thêr vnder sind fêlo golden mank. Biwesta Pangab thêr sind tha Yra
+jeftha wranga, tha Gedrostne jeftha britne, ånd tha Orjetten jeftha
+vrjetne. Ol thisa nôma sind-ar thrvch tha nydige prestera jêven,
+thrvchdam hja fon ar fljuchte, vmb sêda ånd gelâv. bi hjara kvmste
+hêdon vsa êthla hjara selva âk an tha âstlika ower fon Pangab del
+set, men vmb thêra prestera wille sind se âk nêi thêr wester ower
+fâren. Thêrthrvch håvon wi tha Yra ånd tha ôthera kenna lêrth. Tha
+Yra ne sind nêne yra mâr gôda minska thêr nêna byldon to lêta nach
+ônbidda, âk willath se nêna chårka nach prestar doga, ånd êvin als
+wi-t frâna ljucht fon Fåsta vpholda, êvin sâ holdon se ôllerwechs fjur
+in hjara hûsa vp. Kvmth môn efter êl westlik, ôlsâ kvmth môn by tha
+Gedrostne. Fon tha Gedrostne. Thisa sind mith ôra folkrum bastered ånd
+sprêkath ôlle afsvnderlika tâla. Thisa minska sind wêrentlik yra bonar,
+thêr ammer mith hjara horsa vp overa fjelda dwâla, thêr ammer jâgja
+ånd râwa ånd thêr hjara selva als salt-âtha forhêra an tha omhêmmande
+forsta, ther wille hwam se alles nither hâwa hwat se birêka müge.
+
+Thet lônd twisk Pangab ånd ther Gongga is like flet as Fryaslônd an tha
+sê, afwixlath mith fjeldum ånd waldum, fruchtbâr an alle dêlum, mâr
+thet mach nit vrletta that thêr bi hwila thûsanda by thûsanda thrvch
+honger biswike. Thisa hongernêde mach thêrvmbe nit an Wr.alda nach
+an Irtha wyten nit wertha, mâr allêna an tha forsta and prestera. Tha
+Hindos sind ivin blode ånd forfêred from hjara forstum, als tha hindne
+from tha wolva sind. Thêrvmbe håvon tha Yra ånd ôra ra Hindos hêten,
+thêt hindne bitjoth. Mâr fon hjara blodhêd wårth afgrislika misbruk
+mâkth. Kvmat thêr fêrhêmande kâpljud vmb kêren to kâpjande, alsa warth
+alles to jeldum mâkth. Thrvch tha prestera ni warth et nit wêrth,
+hwand thisa noch snoder ånd jyriger als alle forsta to samene, wytath
+êl god, thet al-et jeld endlik in hjara bûdar kvmth. Buta ånd bihalva
+thet tha ljuda thêr fül fon hjara forsta lyda, moton hja âk noch fül
+fon thet fenynige ånd wilde kwik lyda. Thêr send store elefante thêr
+by êle keddum hlâpa, thêr bihwyla êle fjelda kêren vrtrappe ånd êle
+thorpa. Thêr sind bonte ånd swarte katta, tigrum hêten, thêr sâ grât
+als grâte kalvar sind, thêr minsk ånd djar vrslynne. Bûta fêlo ôra
+wriggum sind thêr snâka fon af tha grâte êner wyrme âl to tha grâte
+êner bâm. Tha grâteste kennath en êle kv vrslynna, mâr tha lythste sind
+noch frêsliker als tham. Se holdon hjara selva twisk blom ånd fruchta
+skul vmb tha minska to bigâna tham thêr of plokja wille. Is môn thêr
+fon byten, sâ mot môn stårva, hwand åjen hjara fenyn heth Irtha nêna
+krûda jêven, ôlsânâka tha minska hjara selva håvon skildich mâkt an
+afgodie. Forth sind thêr ôllerlêja slacht fon hâchdiska nyndiska ånd
+adiska, ôl thisa diska sind yvin als tha snâka fon of ne wyrme til-ne
+bâmstame grât, nêi that hja grât jof frêslik sind, sind hjara nôma,
+thêr ik alle nit noma ni ken, tha aldergrâtesta âdiska sind algåttar
+hêten, thrvchdam se yvin grûsich bitte an thet rotte kwik, that mith-a
+strâma fon boppa nêi tha delta dryweth as an thet lêvande kwik, that
+se bigâna müge. An tha westsyde fon Pangab, wânâ wi wech kvme ånd hwer
+ik bern ben, thêr blojath ånd waxath tha selva frûchta ånd nochta as
+an tha âstsyde. To fâra wrdon er âk tha selva wrigga fonden, mår vsa
+êthla havon alle krylwalda vrbårnath ånd alsânâka åfter et wilde kwik
+jâged, that ther fê mår resta. Kvmth man êl westlik fon Pangab, then
+finth man neffen fette etta âk dorra gêstlanda thêr vnendlik skina,
+bihwila ofwixlath mith ljaflika strêka, hwêran thet âg forbonden
+bilywet. Vnder tha fruchta fon min land sind fêlo slachta mank, thêr
+ik hyr nit fvnden håv. Vnder allerlêja kêren is er âk golden mank,
+åk goldgêle aple, hwêrfon welke sâ swêt as hûning sind, ånd welka
+sa wrang as êk. By vs werthat nochta fonden lik bern-hâveda sâ grât,
+thêr sit tsys ånd melok in, werthat se ald sâ mâkt man ther ôlja fon,
+fon tha bastum mâkt mån tâw ånd fon tha kernum mâkt mån chelka ånd ôr
+gerâd. Hyr inna walda håv ik krup ånd stâkbêja sjan. By vs sind bêibâma
+als jow lindabâma, hwêrfon tha bêja fül swêter ånd thrêwâra grâter
+as stâkbêja sind. Hwersa tha dêga vppa sin olderlôngste sind ånd thju
+svnne fon top skinth, then skinth se linrjucht vppa jow hole del. Is
+mån then mith sin skip êl fêr sûdlik faren, ånd mån thes middêis
+mith sin gelât nêi-t âsten kêred, sâ skinth svnne åjen thine winstere
+syde lik se ôwers åjen thine fêre syde dvath. Hyrmitha wil ik enda,
+mâr after min skrywe skil-et thi licht nog falla, vmb tha lêjenaftiga
+teltjas to müge skiftane fon tha wara tellinga. Jow Ljudgêrt.
+
+
+
+
+
+THET SKRIFT FON BÊDEN.
+
+
+Mine nôm is Bêden, Hachgâna his svn. Konerêd min êm is nimmer
+bostigjath ånd alsa bernlâs sturven. My heth mån in sin stêd
+koren. Adel thene thredde kåning fon thjuse nôme heth thju kêse
+godkêrth, mites ik him as mina måstre bikenna wilde. Buta thåt fvlle
+erv minre êm heth-er mi en êle plek grvnd jêven thåt an mina erva
+pâlade, vnder fârwêrde that ik thêrvp skolde månniska stålla ther
+sina ljuda nimmerthe skolde [101].
+
+
+
+thêrvmbe wil ik thet hir-ne sted forjune.
+
+
+
+
+
+BRÊF FON RIKA THJU ALDFAM, VPSEID TO STAVEREN BY-T JOLFÊRSTE.
+
+
+Jy alle hwam his êthla mith Friso hir kêmon, min êrbydnesse to jo. Alsa
+jy mêne, send jy vnskeldich an afgodie. Thêr nil ik jvd navt vr sprêka,
+men jvd wil ik jo vppen brek wysa, thåt fê bêtre sy. Jy wêtath jeftha
+jy nêtath navt, ho Wralda thusand glornôma heth, thach thåt wêtath
+jy alle thåt hy warth Alfêder hêten, ut êrsêke thåt alles in ut him
+warth ånd waxth to fêding sinra skepsela. T-is wêr, thåt Irtha warth
+bihwyla âk Alfêdstre hêten, thrvchdam hju alle früchd ånd nochta
+bêrth, hwermitha månnisk ånd djar hjara selva fêde. Thach ne skolde
+hju nêne früchd ner nocht navt ne bêra, bydam Wralda hja nêne krefta
+ne jêf. Ak wiva ther hjara bern måma lêta an hjara brosta, werthat
+fêdstra hêten. Thâ ne jêf Wralda thêr nên melok in, sa ne skoldon
+tha bern thêr nêne bâte by finda. Sâ thåt by slot fon reknong Wralda
+allêna fêder bilywet. Thåt Irtha bihwyla warth Alfêdstre heten, ånd
+êne måm fêdstre, kån jeta thrvch-ne wende, men thåt-ne mån him lêt
+fêder hête vmbe thåt er tât sy, thåt strid with-åjen alle rêdnum. Thâ
+ik wêt wânât thjus dwêshêd wêi kvmth. Hark hyr, se kvmth fon vsa lêtha,
+ånd sâhwersa thi folgath werthe, sâ skilun jy thêrthrvch slâvona wertha
+to smert fon Frya ånd jowe hâgmod to.ne straf. Ik skil jo melda ho-t
+by tha slâvona folkar to gvngen is, thêr åfter mêi jy lêra. Tha poppa
+kåningar tham nêi wilkêr lêva, stêkath Wralda nêi thêre krône, ut nyd
+that Wralda Alfêder hêt, sa wildon hja fêdrum thêra folkar hêta. Nw
+wêt allera mannalik thåt-ne kêning navt ovir-ne waxdom ne welth,
+ånd thåt im sin fêding thrvch thåt folk brocht warth, men thach
+wildon hja fvlherdja by hjara formêtenhêd. Til thju hja to-ra dol
+kvma machte, alsa hâvon hja thet forma navt fvldên wêst mith tha frya
+jefta, men håvon hja thåt folk êne tins vplêid. Fori thene skåt, tham
+thêrof kêm, hêradon hja vrlandiska salt-âtha, tham hja in-om hjara
+hova lêidon. Forth namon hja alsa fêlo wiva, as-ra luste, ånd tha
+lithiga forsta ånd hêra dêdon al-ên. As twist ånd tvyspalt åfternêi
+inna hûshaldne glupte ånd thêr-vr klâchta kêmon, thâ håvon hja sêid,
+ja-hweder mån is thêne fêder fon sin hûshalden, thêrvmbe skil-er thêr
+âk bâs ånd rjuchter ovir wêsa. Thâ kêm wilkêr ånd êvin as tham mitha
+månnum in ovir tha hûshaldne welde, gvng er mit tha kåningar in ovir
+hjara stât ånd folkar dvan. Thâ tha kåningar et alsa wyd brocht hêdon,
+thåt hja fêderum thêra folkar hête, thâ gvngon hja to ånd lêton
+byldon åfter hjara dântne mâkja, thissa byldon lêton hja inna tha
+cherka stalla nêst tha byldon thêra drochtne ånd thi jena tham thêr
+navt far bûgja nilde, warth ombrocht jeftha an kêdne dên. Jow êthla
+ånd tha Twisklandar håvon mitha poppa forsta ommegvngen, dâna håvon
+hja thjuse dwêshêd lêred. Tha navt allêna thåt svme jower mån hjara
+selva skeldich mâkja an glornôma râw, âk mot ik my vr fêlo jower wiva
+biklâgja. Werthat by jo mån fvnden, tham mith Wralda an ên lin wille,
+thêr werthat by jo wiva fvnden, thêr et mêi Frya wille. Vmbe thåt hja
+bern bêred håve, lêtath hja hjara selva modar hêta. Tha hja vrjettath,
+that Frya bern bêrde svnder jengong ênis mån. Jå navt allêna thåt
+hja Frya ånd tha êremodar fon hjara glor-rika nôma birâwa wille,
+hwêran hja navt nâka ne müge, hja dvath alên mitha glornôma fon hjara
+nêsta. Thêr send wiva thêr hjara selva lêtath frovva hêta, afsken
+hja wête thåt thjuse nôme allêna to forsta wiva hêreth. Ak lêtath hja
+hjara toghatera fâmna hêta, vntankes hja wête, thåt nêne mangêrt alsa
+hêta ne mêi, wâra hju to êne burch hêrth. Jy alle wânath thåt jy thruch
+thåt nôm râwa bêtre werthe, thach jy vrjettath thåt nyd thêr an klywet
+ånd thåt elk kwâd sine tuchtrode sêjath. Kêrath jy navt ne wither,
+sâ skil tid thêr waxdom an jêva, alsa stêrik thåt mån et ende thêr of
+navt bisjâ ne mêi. Jow åfterkvmanda skilun thêr mith fêterath wertha,
+hja ne skilun navt ne bigripa hwânat thi slâga wêi kvme. Men afskên jy
+tha fâmna nêne burch bvwe ånd an lot vrlête, thach skilun thêr bilywa,
+hja skilun fon ut wald ånd holum kvma, hja skilun jow åfterkvmande
+biwysa thåt jy thêr willens skildech an send. Thån skil mån jo vrdema,
+jow skina skilun vrfêrth fon ut-a grêvum rysa, hja skilun Wr.alda,
+hja skilun Frya ånd hjara fâmna anhropa, thâ nimman skil-er åwet an
+bêtra ne müge, bifâre thåt Jol in op en ore hlâphring trêth, men thåt
+skil êrist bêra as thrê thûsand jêr vrhlâpen send åfter thisse êw.
+
+
+ Ende fon Rikas brêf. [102]
+
+
+
+thêrvmbe wil ik thåt forma vr swarte Adel skriva. Swarte Adel wêre
+thene fjurde kening åfter Friso. Bi sin jüged heth-er to Texland
+lêred, åfternêi heth-er to Stâveren lêred, ånd forth heth-er thrvch
+ovir alle stâta fâren. Thâ thåt er fjuwer ånd tvintich jêr wêre,
+heth sin tât mâked thåt-er to Asega-âskar kêren is. Thâ-er ênmel
+âskar wêre, âskte hi altid in-t fârdêl thêra årma. Tha rika, sêd-er,
+plêgath ênoch vnrjuchta thinga thrvch middel fon hjara jeld, thêrvmbe
+âgon wi to njvdane thåt tha årma nêi vs omme sjan. Thrvch thâ-s ånd
+ôra rêdne wêr-i thene frjund thêra årma ånd thêra rika skrik. Alsa
+årg is-t kvmen thåt sin tât him nêi tha âgum sach. Thâ sin tât fallen
+was, ând hy vppa tham-his sêtel klywed, thâ wild-er êvin god sin ambt
+bihalda, lik as tha keningar fon-t âsta plêgath. Tha rika nildon thåt
+navt ne dâja, men nw hlip allet ôra folk to hâpe, ånd tha rika wêron
+blyde that hja hêl-hûd-is fon thêre acht ofkêmon. Fon to ne hêrade
+mån nimmar mâra ovir êlika rjucht petârja. Hi dumde tha rika ånd hi
+strykte tha årma, mith hwam his helpe hi alle sêkum âskte, thêr-er
+bistek vp hêde. Kening Askar lik-er immer hêten warth, wêre by sjugun
+irthfêt lônge, sâ grât sin tôl wêr, wêron âk sina krefta. Hi hêde-n
+hel forstân, sâ thåt-er alles forstânde, hwêrwr that sprêken warth,
+thach in sin dvan ne macht mån nêne wisdom spêra. Bi-n skên ônhlite
+hêd-er êne glade tonge, men jeta swarter as sin hêr is sine sêle
+fvnden. Thâ that-er ên jêr kening wêre, nêdsêkte hi alle knâpa fon
+sin stât, hja skoldon jerlikis vppet kåmp kvma ånd thêr skin-orloch
+mâkja. In-t êrost hêde-r thêr spul mith, men to tha lersta warth-et
+sâ menêrlik, that ald ånd jong ut alle wrdum wêi kêmon to frêjande
+jef hja machte mith dva. Thâ hi-t alsa fêre brocht hêde, lêt-er
+wêrskola stifta. Tha rika kêmon to bârane ånd sêidon, that hjara
+bern nw nên lêsa nach skryva navt ne lêrade. Askar ne melde-t navt,
+men as thêr kirt åfter wither skin-orloch halden warth, gvng-er vppen
+vpstal stonda, ånd kêtha hlûd. Tha rika sind to my kvmen to bârana,
+thåt hjara knâpa nên lêsa nach skryva noch lêra, ik n.åv thêr nawet
+vp sêith, thach hir wil ik mine mênong sedsa, ånd an tha mêna acht
+bithinga lêta. Thâ alrek nw nêisgyrich nêi him vpsach, sêid-er forther,
+nêi min bigrip mot mån hjud thåt lêsa ånd skriva tha fâmna ånd alda
+lichta vrlêta. Ik n-il nên kwâd sprêka vr vsa êthla, ik wil allêna
+sega, vndera tyda hwêrvp thrvch svme sâ herde bogath warth, håvon tha
+burchfâmna twyspalt inovir vsa lânda brocht, ånd tha Modera für ånd
+nêi ne kvndôn twyspalt navt wither to-t land ut ne dryva. Jeta årger,
+thahwila hja kålta ånd petårade vr nâdelâsa plêga, send tha Gola
+kvmen ånd hâvon al vsa skêna sûdarlanda râweth. Hêmisdêga send hja
+mith vsa vrbrûda brotharum ånd hjara salt-âthum al overa Skelda kvmen,
+vs rest thus to kjasane twisk-et bêra fon juk jef swêrd. Willath wi fry
+bilywâ, alsa âgon tha knâpa thåt lêsa ånd skryva fârhôndis åfterwêi-n
+to lêtane ånd in stêde that hja invppa mêide hwip ånd swik spêle,
+moton hja mith swêrd ånd spêr spêla. Send wi in alle dêla ofned ånd
+tha knâpa stor enoch vmb helmet ånd skild to bêrane ånd tha wêpne
+to hôntêrane, then skil ik my mith jower helpa vppa thene fjand
+werpa. Tha Gola mêieath then tha nitherlêga fon hjara helpar ånd
+salt-âthum vppa vsa fjeldum skryva mith-et blod, thåt ût hjara wndum
+drjupth. Håvon wi thene fyand ên mel far vs ût drêven, alsa moton wi
+thêrmith forth gvnga, alhwenne thêr nên Gola ner Slâvona nach Tartara
+mâra fon Fryas erv to vrdryvane send. Tha-s rjucht, hrypon tha mâsta
+ånd tha rika ne thvradon hjara mvla navt êpen ne dva. Thjus tosprêke
+hêd er sekur to fara forsonnen ånd vrskriva lêten, hwand s-êwendis fon
+thêre selvare dêi wêron tha ofskriftum thêra hwel in twintich hônda
+ånd thi alle wêron ênishlûdende. Afternêi bifel-er tha skipmanna,
+hja skoldon dubbele fârstêwene mâkja lêta, hwêran mån êne stêlen
+krânboga macht fåstigja. Thêra thêr åfterwêi bilêv warth bibot,
+kvn imman swêra that-er nêne midle navt nêde, alsa moston tha rika
+fon sin gâ-t bitalja. Hjud skil mån sjan hwêr vppa al thåt bâ hêi
+ûthlâpen is. An-t north-ende fon Britanja thåt fvl mith hâga bergum
+is, thêr sit en Skots folk, vr-et mâradêl ût Fryas blod sproten,
+vr-a êne helte send hja ût Kåltanafolgar, vr-et ôra dêl ût Britne
+ånd bannane, thêr by grâdum mith tyd fon-ût-a tinlônum thêr hinna
+fljuchte. Thêr ut-a tinlôna kêmon, håvath algadur vrlandiska wiva
+jeftha fon vrlandis tuk. Thi alle send vnder-et weld thêra Golum,
+hjara wêpne send woden boga ånd spryta mith pintum fon herthis-hornum
+âk fon flintum. Hjara hûsa send fon sâdum ånd strê ånd svme hêmath
+inna hola thêra bergum. Skêpon thêr hja râwed håve, is hjara ênge
+skåt. Mong tha åfterkvmanda thêra Kåltanafolgar håvath svme jeta ysera
+wêpne, thêr hja fon hjara êthlum urven håve. Vmbe nw god forstân to
+werthande, môt ik min telling vr thåt Skotse folk resta lêta, ånd
+êwet fon tha hêinda Krêkalanda skriva. Tha hêinda Krêkalanda håvon vs
+to fara allêna to hêrath, men sunt vnhüglika tidum håvon ra thêr âk
+åfterkvmanda fon Lyda ånd fon Finda nitherset, fon tha lersta kêmon
+to tha lersta en êle hâpe fon Trôje. Trôje alsa heth êne stêde hêten,
+thêr et folk fon tha fêre Krêkalanda innomth ånd vrhomelt heth. Thâ
+tha Trôjana to tha hêinda Krêkalandum nestled wêron, tha håvon hja
+thêr mith tid ånd flit êne sterke stêd mith wâlla ånd burgum bvwed,
+Rome, that is Rum, hêten. Thâ thåt dên was, heth thåt folk him selva
+thrvch lest ånd weld fon thåt êle lând mâster mâked. Thåt folk thåt
+anda sûdside thêre Middelsê hêmth, is fâr-et mâra dêl fon Fhonysja wêi
+kvmen. Tha Fhonysjar [103] send en bastred folk, hja send fon Fryas
+blod ånd fon Findas blod ånd fon Lyda his blod. Thåt folk fon Lyda send
+thêr as slâvona, men thrvch tha vntucht thêr wyva håvon thissa swarte
+månniska al-et ôra folk bastered ånd brun vrfårvet. Thit folk ånd
+tham fon Rome kåmpath ôlân vmb-et mâsterskip fon tha Middelsê. Forth
+lêvath tham fon Roma an fjandskip with tha Fonysjar, ånd hjara prestera
+thêr-et rik allêna welda wille wr irtha, ne mügon tha Gola navt ne
+sjan. Thåt forma håvon hja tha Fphonysjar Mis-selja ofnomen, dânâ alle
+landa, thêr sûdward, westward ånd northward lidsa, âk et sûdardêl
+fon Britanja, ånd allerwêikes håvon hja tha Fonysjar prestera, that
+hêth tha Gola vrjâgeth, dânâ sind thusanda Gola nêi north Brittanja
+brit. Kirt vrlêden was thêr tha vreste thêra Golum sêten vppa thêre
+burch, thêr is kêthen Kêrenåk that is herne, hwanath hi sin bifêla jef
+an alle ôra Gola. Ak was thêr al hjara gold togadur brocht. Kêren herne
+jeftha Kêrenåk is êne stênen burch, thêr êr an Kålta hêrde. Thêrvmbe
+wildon tha fâmna fon tha åfterkvmande thêra Kåltana-folgar tha burch
+wither hâ. Alsa was thrvch tha fyanskip thêra fâmna ånd thêra Golum
+faithe ånd twist in ovir thåt Berchland kvmen mith morth ånd brônd. Vsa
+stjûrar kêmon thêr fâken wol hâlja, thåt hja sellade fori tobirêde
+hûdum ånd linne. Askar was often mith wêst, an stilnesse hêd-er mith
+tha fâmna ånd mith svme forstum âtskip sloten, ånd him selva forbonden
+vmbe tha Gola to vrjâgane ût Kêrenåk. As-er thêrnêi wither kêm jêf hi
+tha forsta ånd wigandliksta manna ysere helma ånd stêla boga. Orloch
+was mith kvmen ånd kirt åfter flojadon strâma blod by tha hellinga
+thêra bergum del. Thâ Askar mênde that kans him tolâkte, gvng-er mith
+fjuwertich skêpum hin ånd nam Kêrenåk ånd thene vreste thêra Golum
+mith al sine gold. Thåt folk wêrmith hi with tha salt-âthum thera
+Golum kåmped hêde, hêd-er ût-a Saxanamarkum lvkt mith lofte fon grâte
+hêra-râve ånd but. Thus warth tha Gola nêwet lêten. Afternêi nam-er
+twâ êlanda to berch far sinum skêpum, ånd hwânath hi lêter ûtgvng vmb
+alle Fonysjar skêpa ånd stêda to birâwane thêr hi bigâna kv. Tha er
+tobek kêm brocht-i tomet sexhvndred thêra storeste knâpum fon thåt
+Skotse berchfolk mith. Hi sêide that hja him to borgum jêven wêren,
+til thju hi sêkur wêsa machte thåt tha eldra him skolde trow bilywa,
+men-t was jok, hi hild ra as lifwêre et sina hova, thêr hja allera
+distik les krêjon in-t ryda ånd in-t hôndtêra fon allerlêja wêpne. Tha
+Denamarkar tham hjara selva sunt lông boppa alle ôra stjûrar stoltlike
+sêkåmpar hête, hêdon sâ ringe navt fon Askar sina glorrika dêdum navt
+ne hêred, jef hja wrdon nydich thêr vr, thêrmête, that hja wilde orloch
+brensa over-ne sê ånd over sina landa. Sjan hyr, ho hi orloch formitha
+machte. Twisk tha bvwfala thêre vrhomelde burch Stavja was jeta êne
+snode burchfâm mith svme fâmna sêten. Hjra nôme was Rêintja ånd thêr
+gvng en grâte hrop fon hira wishêd ût. Thjus fâm bâd an Askar hjra
+helpe vnder bithing, that Askar skolde tha burch Stavja wither vpbvwa
+lête. As-er him thêr to forbonden hêde, gvng Rêintja mith thrim fâmna
+nêi Hals, [104] nachtis gvng hju rêisa ånd thes dêis kêthe hju vppa
+alle markum ånd binna alle mêidum. Wralda sêide hju hêde hja thrvch
+thongar tohropa lêta thåt allet Fryas folk moston frjunda wertha, lik
+sustar ånd brothar tâmed, owers skolde Findas folk kvma ånd ra alle
+fon irtha vrdilligja. Nêi thongar wêron Fryas sjvgun wâkfâmkes hja
+anda drâme forskinnen, sjvgun nachta åfter ekkô-rum. Hja hêde seith
+boppa Fryas landum swabbert ramp mith juk ånd kêdne omme. Thêrvmbe
+moton alle folkar thêr ût Frya sproten send hjara tonôma wêi werpa
+ånd hjara selva allêna Fryas bern jeftha folk hêta. Forth moton alle
+vpstonda ånd et Findas folk fon Fryas erv dryva. Nillath hja thåt
+navt ne dva, alsa skilun hja slâvona benda vmbe hjara halsa krêja,
+alsa skilun tha vrlandaska hêra hjara bern misbruka ånd frytra
+lêta, til thju thåt blod sygath inna jowre grêva. Thån skilun tha
+skinna jowre êthla jo kvma wekja ånd jo bikyvja vr jo lefhêd ånd
+vndigerhêd. Thåt dvme folk, thåt thrvch todvan thêra Mâgyara al
+an sa fül dwêshêd wenth was, lâvadon alles hwat hju sêide ånd tha
+måmma klimdon hjara bern åjen hjara brosta an. Thâ Rêintja thene
+kening fon Hals ånd alle ôthera manniska to êndracht vrwrocht hede,
+sand hju bodon nêi Askar ånd tâg selva alingen thene Balda sê. Dânâ
+gvng hju by tha Hlith-hâwar, althus hêten vmbe that hja hjara fyanda
+immer nêi thet ônhlite hâwe. Tha Hlithhâwar send britne ând bannene
+fon vs åjn folk thåt inna tha Twisklanda sit ånd omme dwarelt. Hjara
+wyva hâvon hja mêst algadur fon tha Tartara râwed. Tha Tartara sênd
+en dêl fon Findas slachte ånd althus thrvch tha Twisklandar hêten
+vmbe thåt hja nimmerthe nên frêtho wille, men tha månniska alti ût
+tarta to strydande. Forth gvng hju åftera Saxnamarka tweres thrvch tha
+ôra Twisklanda hin, allerwêikes thåt selva ûtkêtha. Nêi twam jêr om
+wêron, kêm hju allingen thêre Rêne to honk. By tha Twisklandar hede
+hju hjara selva as Moder ûtjân ånd sêid thåt hja mochton as fry ånd
+franka månniska wither kvma, men thån mosten hja ovir tha Rêne gvngga
+ånd tha Gola folgar ût Fryas sûdarlandum jâgja. As hja thåt dêde,
+sa skolde hjra kêning Askar overa Skelda gvngga ånd thêr thåt land
+ofwinna. By tha Twisklandar send fêlo tjoda plêga fon tha Tartarum ånd
+Mâgjara binna glupt, men âk fül send thêr fon vsa sêdum bilêwen. Thêr
+thrvch håvath hja jeta fâmna thêr tha bern lêra ånd tha alda rêd
+jeva. Bit-anfang wêron hja Reintja nydich, men to tha lesta wårth
+hju thrvch hjam folgath ånd thjanjath ånd allerwêikes bogath, hwêr-et
+nette ånd nêdlik wêre.
+
+Alsa ringen Askar fon Rêintja hjra bodon fornom ho tha Juttar nygath
+wêron, sand hi bistonda bodon fon sinant wegum nêi tha kåning fon
+Hals. Thåt skip, wêrmith tha bodon gvngon, was fvl lêden mith fâmna
+syrhêdum ånd thêr by wêr en golden skild, hwêrvppa Askar his dânte
+kunstalik was utebyld. Thissa bodon mosten frêja jêf Askar thes kåning
+his toghter Frêthogunsta to sin wif håve machte. Frêthogunsta kêm en
+jêr lêter to Stâveren, bi hjara folgar wêre âk ênen Mâgy, hwand tha
+Juttar wêron sunt lông vrbrud. Kirt åfter that Askar mith Frêthogunsta
+bostigjath was, wårth thêr to Stâveren êne scherke bvwad, inna thju
+scherke wrdon tjoda drochten lykanda byldon stålth mith gold trvch
+wrochtne klâthar. Ak is er biwêrath that Askar thêr nachtis ånd vntydis
+mith Frêthogunsta fâr nitherbuwgade. Men sâ fül is sêkur, thju burch
+Stavia ne wårth navt wither vpebvwed. Rêintja was al to bek kvmen,
+ånd gvng nydich nêi Prontlik thju Moder et Texland bârja. Prontlik
+gvng to ånd sand allerwêikes bodon thêr ûtkêthon, Askar is vrjêven
+an afgodie. Askar dêde as murk-i-t navt, men vnwarlingen kêm thêr êne
+flâte ût Hals. Nachtis wrdon tha fâmna ût-êre burch drywen, ånd ogtins
+kvn mån fon thêre burch allêna êne glandere hâpe sjan. Prontlik ånd
+Rêintja kêmon to my vmb skul. Thå ik thêr åfternêi vr nêi tochte, lêk
+it my to, that it kwâdlik fâr min stât bidêja kvste. Thêrvmbe håvon
+wi to sêmne êne lest forsonnen, thêr vs alle bâta most. Sjan hyr ho
+wi to gvngen send. Middel in-t Krylwald biasten Ljvwerde lêith vsa
+fly jeftha wêra, thêr mån allêna thrvch dwarlpâda mêi nâka. In vppa
+thjus burch hêd ik sunt lônge jonga wâkar stald, thêr alle êne grins
+an Askar hêde, ånd alle ôra månniska dânath halden. Nv wast bi vs âk
+al sa wyd kvmen, thåt fêlo wyva ånd âk manna al patêrade vr spoka,
+witte wyva ånd uldermankes, lik tha Dênamarkar. Askar hêde al thissa
+dwâshêde to sin bâta anwenth ånd thåt wildon wi nv âk to vsa bâta
+dva. Bi-ne thjustre nacht brocht ik tha fâmna nêi thêre burch ånd
+dânâ gongen hia mith hjara fâmna in thrvch tha dwarl-pâda spokka in
+wttta klâthar huled, sâ that thêr afternêi nên månnisk mâra kvma ne
+thvrade. Tha Askar mênde thåt-er thu hônda rum hêde, lêt-i tha Mâgjara
+vnder allerlêja nôma thrvch ovir sina stâta fâra ând bûta Grênegâ
+ând bûta mina stât ne wrdon hja nårne navt ne wêrath. Nêi that Askar
+alsa mith tha Juttar ånd tha ôra Dênamarkar forbonden was, gvngon hja
+alsêmina râwa; thach that neth nêne gode früchda bâred. Hja brochton
+allerlêja vrlandiska skåta to honk. Men just thêr thrvch nildon thåt
+jong folk nên ambacht lêra, nach vppa tha fjeldum navt ne werka,
+sâ that hi to tha lersta wel slâvona nimma moste. Men thit was êl
+al åjen Wralda his wille ånd åjen Fryas rêd. Thêrvmbe kv straf navt
+åfterwêga ne bilywa. Sjan hyr ho straffe kvmen is. Ênis hêdon hja to
+sêmine êne êle flâte wnnen, hju kêm fon ûta Middelsê. Thjus flâte was
+to lêden mith purpera klâthar ånd ôra kostelikhêd, thêr alle fon of
+Phonisja kêmon. Thåt wraka folk thêre flâte wårth bisûda thêre Sêjene
+an wal set, men thåt stora folk wårth halden. Thåt most ra as slâvona
+thianja. Tha skêneste wrdon halden vmbe vppet land to bilywane ånd
+tha lêdliksta ånd swartste wrdon an bord halden vmbe vppa tha benka to
+rojande. An-t Fly wårth tha bodel dêlath, men svnder hjara wêta wårth
+âk hjara straf dêlath. Fon tha månniska thêr vppa tha vrlandiska skepum
+stalt wêron, wêron sex thrvch bukpin felth. Mån tochte thåt et eta
+ånd drinka vrjêven wêre, thêrvmbe wårth alles ovir bord jompth. Men
+bûkpin reste ånd allerwêikes, hwêr slâvona jeftha god kêm, kêm âk
+bûkpin binna. Tha Saxmanna brochten hju ovir hjara marka, mith tha
+Juttar for hju nêi Skênland ånd alingen thêre kâd fon tha Balda-sê,
+mith Askar his stjûrar for hju nêi Britanja. Wi ånd tham fon Grênegâ
+ne lêton nên god ner minniska ovir vsa pâla navt ne kvma, ånd thêrvmbe
+bilêwon wi fon tha bûkpin fry. Ho fêlo månniska bûkpin wêirâpth heth,
+nêt ik navt to skrywane, men Prontlik thêr et åfternêi fon tha ôra
+fâmna hêrde, heth my meld, thåt Askar thûsandmel mâra frya månniska
+ût sina stâtum hulpen heth, as er vvla slâvona inbrochte. Thâ pest
+far god wyken was, tha kêmon tha fri wrden Twisklandar nêi thêre Rêne,
+men Askar nilde mith tha forstum fon thåt vvla vrbasterde folk navt an
+êne lyne navt ne stonda. Hi nilde navt ne dâja, that hja skoldon hjara
+selva Fryas bern hêta, lik Rêintja biboden hêde, men hi vrjet thêrbi
+that-i selva swarte hêra hêde. Emong tha Twisklandar wêron thêr twâ
+folkar, thêr hjara selva nêne Twisklandar hêton. Thåt êne folk kêm
+êl fêr ût-et sûd-âsten wêi, hja hêton hjara selva Allemanna. Thissa
+nôma hêdon hja hjara selva jêven, thâ hja jeta svnder wiva inna
+tha walda as bannane ommedwarelde. Lêtar håvon hja fon-et slâvona
+folk wiva râvath, êvin sa tha Hlithâwar, men hja håvon hjara nôme
+bihalden. Thåt ôra folk, thåt mâra hêinde ommedwarelde, hêton hjara
+selva Franka, navt vmbe that hja fry wêron, men Frank alsa hêde thene
+êroste kåning hêten, tham him selva mith hulpe fon tha vrbrûda fâmna
+to ervlik kåning ovir sin folk mâkad hêde. Tha folkar tham an him
+pâladon, hêton hjara selva Thjoth-his svna, that is folk-his svna,
+hja wêron frya månniska bilêwen, nêidam hja nimmer ênen kåning ner
+forste nach mâster bikånnna nilde, as thene jenge tham by mêna willa
+was kêren vppa thêre mêna acht. Askar hêde al fon Rêintja fornommen,
+that tha Twisklandar forsta mêst alti in fiandskip ånd faitha
+wêron. Nw stald-i hjam to fâra, hjâ skolde ênen hêrtoga fon sin
+folk kjasa vmbe that-er ang wêre seid-er that hja skolde mit manlik
+ôtherum skoldon twista ovir-et mâsterskip. Ak sêid-er kvndon sina
+forsta mith-a Golum sprêka. Thåt sêid-er wêre âk Moder his mêne. Thâ
+kêmon tha forsta thêra Twislandar to ekkôrum ånd nêi thrija sjugun
+etmelde kêron hja Alrik to-ra hertoga ut. Alrik wêre Askar his nêva,
+hi jef him twên hvndred skotse ånda hvndred thêra storosta Saxmanna
+mith to lifwêra. Tha forsta moston thrija sjvgun fon hjara svnum nêi
+Stâveren senda to borg hjarar trow. To nv was alles nêi winsk gvngen,
+men thâ mån ovire Rêne fara skolde, nildon thene kåning thêra Franka
+navt vnder Alrikis bifêla navt ne stonda. Thêrthrvch lip alles an tha
+tys. Askar thêr mênde thåt alles god gvng, lande mith sina skêpa anna
+tha ôre syde thêre Skelda, men thêr was was man long fon sin kvmste
+to ljucht ånd vppa sin hod. Hja moston alsa ring fljuchta as hja kvmen
+wêron, ånd Askar wrde selva fath. Tha Gola niston navt hwa hja fensen
+hêde, ånd alsa warth hi åfternêi ûtwixlath fori ênnen hâge Gol, thêr
+Askar his folk mith forath hêde. Thawila thåt-et alles bêrade, hlipon
+tha Mâgjara jeta dryster as to fâra ovir vsa bûra ra landa hinna. By
+Egmvda hwêr to fâra tha burch Forâna stân hêde, lêton hja êne cherka
+bvwa jeta grâter ånd rikar as Askar to Stâveren dên hêde. Afternêi
+sêidon hja that Askar thju kåse vrlêren hêde with tha Gola, thrvchdam
+et folk navt lâwa navt nilde, that Wodin hjam helpa kvste, ånd that
+hja him thêrvmbe navt anbidda nilde. Forth gvngon hja to ånd skâkton
+jonga bern tham hja by ra hildon ånd vpbrochten in tha hemnissa fon
+hjara vrbruda lêre. Wêron thêr månniska tham
+
+
+
+Het overige ontbreekt.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Het woord Bok wordt in het Handschrift overal zoo geschreven;
+en daarmede stemmen alle Oud-Friesche Rechtboeken overeen. De
+woordenboeken van v. Richthofen en Hettema schrijven Bok of Boc. De
+spelling Bôk is Kamper wanspraak.
+
+[2] Als verslag voorgelezen in eene vergadering van het Friesch
+Genootschap Februarij 1871 en bij deze uitgave onveranderd gelaten.
+
+[3] Verg. G. Meerman, Admonitio de Chartae nostratis
+origine. Vad. Letteroef. 1762. bl. 630.
+
+Mr. J. H. de Stoppelaar, Het papier in de Nederlanden, Middelburg,
+1869. bl. 4.
+
+[4] Min-erva werd Nyhellenia genoemd, omdat hare raadgevingen ny en
+hel, nieuw en helder waren. Desgelijks heet het in Pauli Epitome van
+S. Pomponius Festus de verborum Significatione, Min-erva dicta quod
+bene moneat.
+
+Zie Preller, Rom. Myth. p. 258.
+
+[5] Mis.sellia, miskoop, verkeerde koop.
+
+[6] 3449 - 1256 = 2193 voor Chr.
+
+[7] Magy, Koning der Magyaren en Finnen.
+
+[8] nêsa = ne wêsa.
+
+[9] nilde = ne wilde.
+
+[10] nête = ne wête.
+
+[11] Oni, oud Holl. ane, Duitsch ohne = zonder.
+
+[12] Mong, among, emong = onder.
+
+[13] Falikant, fâ likande = weinig gelijkende, niet conform.
+
+[14] Wr.alda. Altijd geschreven als samengesteld woord beteekent:
+de overoude, het oudste wezen.
+
+[15] Od, wortel van het Lat. odi, ik haat.
+
+[16] Nylof; de kleur van nieuw loof? geel groen.
+
+[17] De mårkskat werd in goederen betaald.
+
+[18] Stjurar, van hier de naam Sturii by Plinius.
+
+[19] Prentar, nog op Texel een (stuurmans) leerling.
+
+[20] Minno, Minos (de oude).
+
+[21] Nyhellenia, Nehalennia.
+
+[22] Krekaland, het Krekenland, zoowel Groot Griekenland als
+Griekenland zelf.
+
+[23] Fâsta, Vesta, en de Vestaalsche maagden.
+
+[24] Stjurar, Sturii.
+
+[25] Sêkåmpar, Sicambri.
+
+[26] Angelara, Angli.
+
+[27] Mârsata, Marsacii.
+
+[28] Aldland, Atlantis.
+
+[29] Skênland, Scania, Scandinavia.
+
+[30] 2198 - 101 = 2092 v. Chr.
+
+[31] Goda-hisburch, Gothenburg.
+
+[32] Alderga, Ouddorp (bij Alkmaar).
+
+[33] Lumkamâkja bithêre Emuda, Embden.
+
+[34] Amering, nog in N.-Holland in gebruik, beteekent daar: ademtocht,
+oogenblik. Cf. Kiliaan in voce.
+
+[35] Kâtsgat, het Kattegat.
+
+[36] Wodin, Odin, Wodan.
+
+[37] Kâdik, Cadix.
+
+[38] 2193 - 193 = 2000 v. Chr.
+
+[39] Thyrhisburch, Tyrus.
+
+[40] Thyr, de zoon van Odin.
+
+[41] Almanaland, Ameland.
+
+[42] Wyringgâ, Wieringen.
+
+[43] Missellja, Marseille.
+
+[44] Gola, Galli, Gaulois.
+
+[45] Middelburg.
+
+[46] 2193 - 563 = 1630 v. Chr.
+
+[47] Myk wordt nog op Walcheren gehoord.
+
+[48] Kâlta Min-his, Minnesdochter?
+
+[49] Sêjene, de Seine.
+
+[50] KÃ¥ltana, Celtae.
+
+[51] Jonhis êlanda, Insulae Joniae, Insulae piratarum.
+
+[52] Athenia, Athene.
+
+[53] Vervolg hier het verhaal van bl. 48-56.
+
+[54] Sêkrops, Cecrops.
+
+[55] Strête, thans hersteld als Kanaal van Suez. Pangab, de Indus.
+
+[56] 2193 - 1005 = 1188 v. Chr.
+
+[57] Wallahagara, Walcheren.
+
+[58] Kalip, bij Homerus Kalipso.
+
+[59] Dêna marka, de lage marken.
+
+[60] 2193 - 1602 = 591 v. Chr.
+
+[61] Verg. bl 4.
+
+[62] Medemi'lacus.
+
+[63] Grênegâ, Groningen.
+
+[64] Dokhêm, Dokkum.
+
+[65] Lindasburch, op kaap Lindanaes, Noorwegen.
+
+[66] Gürbam. C. Niebuhr Reize enz. I 174, eene zakpijp bij de
+Egyptenaren Sumâra elKürbe genoemd.
+
+[67] To hnekka, eene hooge, tot aan de nek reikende, japon.
+
+[68] Cf. Hegel a. h. l.
+
+[69] Leeuwen in Europa, Herodotus, VII, 125.
+
+[70] Swetsar, Switsers.
+
+[71] Fryasburch, Freiburg.
+
+[72] Lydasburch, Leiden, de burcht.
+
+[73] Flyt, jeftha mâre, de Mare.
+
+[74] Forana, Vroonen.
+
+[75] Engamuda, Egmond.
+
+[76] Diod. Sic. V 27, van de Galliers.
+
+[77] Mannagârdaforda, Munster.
+
+[78] 2193 - 1888 = 305 voor Chr.
+
+[79] Sedert 587 voor Chr. Verg. pag. 110, 112.
+
+[80] 303 v. Chr.
+
+[81] Barnpila. De falarica by Livius XXI. 8.
+
+[82] Alexander aan den Indus 327 v. Chr. 327 + 1224 = 1551 v. Chr.
+
+[83] 305 voor Chr.
+
+[84] Joi en trâst. Te Scheveningen hoort men nog: joei en troos. Joi,
+Fransch joye.
+
+[85] 2193 - 1600 = 593 v. Chr.
+
+[86] Kasamyr, Kashmir.
+
+[87] Jes-us, evenmin te verwarren met Jezus, als Krisen (Krishna)
+met Christus.
+
+[88] Balda jefta kvada sê, de Baltische zee. Juttarland, Jutland.
+
+[89] Zeeland, de Deensche Eilanden.
+
+[90] Zie bl. 124.
+
+[91] Phonisiar, hier Puniers, Carthagers.
+
+[92] Zie bl. 11.
+
+[93] 263 v. Chr.
+
+[94] Hamconius. p. 8. Suobinna.
+
+[95] Zie bl. 150.
+
+[96] Delte nog in N. Holland in gebruik, laagte.
+
+[97] Aken, Aken.
+
+[98] Diod Sic. V. 28.
+
+[99] Hier heeft de afschrijver Hiddo oera Linda een blad te veel
+omgeslagen, en daardoor twee bladzijden overgeslagen.
+
+[100] Zie bl. 164.
+
+[101] Hier ontbreken in het H. S. twintig bladzijden (misschien meer),
+waarin Beeden geschreven heeft over dien koning Adel III. (Bij onze
+kronijk schrijvers Ubbo genoemd).
+
+[102] Hier eindigde het schrijven van Beeden. In het H. S. ontbreken
+twee bladzijden volgens de paginatuur. Maar zonder twijfel ontbreekt
+er meer. De afgebroken aanhef van het volgende wijst aan, dat de
+aanvang van het volgende geschrift verloren gegaan is en daarmede ook
+de aanduiding van den naam des schrijvers, die een zoon of kleinzoon
+van Beeden kan geweest zijn.
+
+[103] Fhonysiar, Carthagers.
+
+[104] Hals, Holstein.
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK THET OERA LINDA BOK ***
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg-tm electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
+Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
+on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
+phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
+Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
+other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg-tm website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
+Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
+provided that:
+
+* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation."
+
+* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
+ works.
+
+* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+* You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/30467-0.zip b/old/30467-0.zip
new file mode 100644
index 0000000..20004ac
--- /dev/null
+++ b/old/30467-0.zip
Binary files differ
diff --git a/old/30467-h.zip b/old/30467-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..22f2108
--- /dev/null
+++ b/old/30467-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/30467-h/30467-h.htm b/old/30467-h/30467-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..4d35d65
--- /dev/null
+++ b/old/30467-h/30467-h.htm
@@ -0,0 +1,13058 @@
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using the tei2html XSLT stylesheet. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl">
+<head>
+<meta name="generator" content="HTML Tidy, see www.w3.org">
+<title>Thet Oera Linda Bok</title>
+<meta http-equiv="Content-Type" content=
+"text/html; charset=utf-8">
+<meta name="author" content="J. G. Ottema">
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="DC.Creator" content="J. G. Ottema">
+<meta name="DC.Title" content="Thet Oera Linda Bok">
+<meta name="DC.Date" content="#####">
+<meta name="DC.Language" content="nl">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<style type="text/css">
+ /* Standard CSS stylesheet */
+body
+{
+ font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+ margin: 1.58em 16%;
+ text-align: left;
+}
+/***** Titlepage *****/
+.titlePage
+{
+ border: #DDDDDD 2px solid;
+ margin: 3em 0% 7em 0%;
+ padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+h1.docTitle
+{
+ font-size:1.6em;
+ line-height:2em;
+}
+h2.byline
+{
+ font-size:1.1em;
+ font-weight:normal;
+ line-height:1.44em;
+}
+span.docAuthor
+{
+ font-size:1.2em;
+ font-weight:bold;
+}
+h2.docImprint
+{
+ font-size:1.2em;
+ font-weight:normal;
+}
+/***** End Titlepage *****/
+.transcribernote
+{
+ background-color:#DDE;
+ border:black 1px dotted;
+ color:#000;
+ font-family:sans-serif;
+ font-size:80%;
+ margin:2em 5%;
+ padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+ background-color:#FFFEE0;
+ border:black 1px dotted;
+ color:#000;
+ margin:2em 5%;
+ padding:1em;
+}
+.div0
+{
+ padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+ padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+ font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+ padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+ padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+ padding: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4
+{
+ clear: both;
+ font-style: normal;
+ text-transform: none;
+}
+h3, .pseudoh3
+{
+ font-size:1.2em;
+ line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+ font-size:1em;
+ line-height:1.2em;
+ margin-bottom:0;
+}
+h4, pseudoh4
+{
+ font-size:1em;
+ line-height:1.2em;
+}
+.alignleft
+{
+ text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+ text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+ text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+ margin-top: 1.6em;
+ margin-bottom: 1.6em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+ margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocChapter
+{
+ margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+ margin:0.7em 5%;
+}
+.epigraph
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ width: 60%;
+ margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl
+{
+ display: block;
+ text-align: right;
+}
+.trailer
+{
+ clear: both;
+ padding-top: 2.4em;
+ padding-bottom: 1.6em;
+}
+.floatLeft
+{
+ float:left;
+ margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+ float:right;
+ margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+ font-size:100%;
+ text-align:center;
+}
+.figAnnotation
+{
+ font-size:80%;
+ position:relative;
+ margin: 0 auto; /* center this */
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft
+{
+ float: left;
+}
+.figTop, .figBottom
+{
+}
+.figTopRight, .figBottomRight
+{
+ float: right;
+}
+.figure p
+{
+ font-size:80%;
+ margin-top:0;
+ text-align:center;
+}
+img
+{
+ border-width:0;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+ color:#666666;
+ font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+ font-weight: bold;
+}
+.leftnote
+{
+ font-size:0.8em;
+ height:0;
+ left:1%;
+ line-height:1.2em;
+ position:absolute;
+ text-indent:0;
+ width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+ display:inline;
+ font-size:70%;
+ font-style:normal;
+ margin:0;
+ padding:0;
+ position:absolute;
+ right:1%;
+ text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+ font-size: 80%;
+ text-decoration: none;
+ vertical-align: 0.25em;
+}
+.displayfootnote
+{
+ display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+ margin-top: 1em;
+ padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+ margin-left: 0;
+ margin-right: 0;
+ text-align: left;
+ width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+ font-size: 80%;
+ margin-bottom: 0.5em;
+ margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+ float:left;
+ width:2em;
+ height:12pt;
+ display:block;
+}
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+ font-size: 80%;
+}
+.centertable
+{
+ /* center the table */
+ margin: 0px auto;
+ display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+/****** Poetry ******/
+.lgouter
+{
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+.lg
+{
+ text-align: left;
+}
+.lg h4, .lgouter h4
+{
+ font-weight: normal;
+}
+.lg .linenum
+{
+ color:#777;
+ font-size:90%;
+ left:-2.5em;
+ margin:0;
+ position:absolute;
+ text-align:center;
+ text-indent:0;
+ top:auto;
+ width:1.75em;
+}
+p.line
+{
+ margin: 0 0% 0 0%;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+ color: white;
+}
+.versenum
+{
+ font-weight:bold;
+}
+/***** Drama *****/
+.speaker
+{
+ font-weight: bold;
+ margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line
+{
+ margin: 0 10%;
+ text-align: left;
+}
+/***** End Drama *****/
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum, .flushright
+{
+ position: absolute;
+ right: 16%;
+ top: auto;
+}
+.footnotes .line
+{
+ font-size:80%;
+}
+span.corr
+{
+ border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+ border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+ border-bottom:1px dotted green;
+}
+/****** Font Styles and Colors *****/
+.letterspaced
+{
+ letter-spacing:0.2em;
+}
+.smallcaps
+{
+ font-variant:small-caps;
+}
+.caps
+{
+ text-transform:uppercase;
+}
+.fraktur
+{
+ font-family: 'Walbaum-Fraktur';
+}
+.rm
+{
+ font-style: normal;
+}
+.red
+{
+ color: red;
+}
+/***** End Font Styles and Colors *****/
+hr
+{
+ clear:both;
+ height:1px;
+ margin-left:auto;
+ margin-right:auto;
+ margin-top:1em;
+ text-align:center;
+ width:45%;
+}
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+ text-align:center;
+}
+h1,h2
+{
+ font-size:1.44em;
+ line-height:1.5em;
+}
+h1.label,h2.label
+{
+ font-size:1.2em;
+ line-height:1.2em;
+ margin-bottom:0;
+}
+h5,h6
+{
+ font-size:1em;
+ font-style:italic;
+ line-height:1em;
+}
+p,p.initial
+{
+ text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+ text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+ float: left;
+ clear: left;
+ margin: 0em 0.05em 0 0;
+ padding: 0px;
+ line-height: 0.8em;
+ font-size: 420%;
+ vertical-align:super;
+}
+.lg
+{
+ padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+ text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: disc; }
+ol { list-style-type: decimal; }
+ol.AL { list-style-type: lower-alpha; }
+ol.AU { list-style-type: upper-alpha; }
+ol.RU { list-style-type: upper-roman; }
+ol.RL { list-style-type: lower-roman; }
+.lsdisc { list-style-type: disc; }
+.lsoff { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+/***** External Links *****/
+.exlink
+{
+ background: url(images/external.png) center right no-repeat;
+ padding-right: 13px;
+}
+.exlink:hover
+{
+ background-color: #FFDCDC;
+}
+ /* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml
+ " */
+body
+{
+ background: #FFFFFF;
+ font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+ color: black;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4
+{
+ color: #001FA4;
+ font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+p.byline
+{
+ font-style: italic;
+ margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage
+{
+ color: #001FA4;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+ color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+ color: red;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+ color: #001FA4;
+ font-weight: bold;
+}
+sub, sup
+{
+ line-height: 0;
+}
+ /* Standard Aural CSS stylesheet */
+.pagenum, .linenum
+{
+ speak: none;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+
+<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Thet Oera Linda Bok, by Anonymous</p>
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
+at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
+are not located in the United States, you will have to check the laws of the
+country where you are located before using this eBook.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Thet Oera Linda Bok<br>
+Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw</div>
+<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Anonymous</div>
+<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Translator: J.G. Ottema</div>
+<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: November 13, 2009 [eBook #30467]<br>
+[Most recently updated: December 6, 2022]</p>
+<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p>
+ <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This book was
+produced from scanned images of public domain material
+from the Google Print project.)</p>
+<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK THET OERA LINDA BOK ***</div>
+
+<div class="front">
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<p class="aligncenter">Thet Oera Linda Bok.</p>
+</div>
+
+<div class="titlePage">
+<h1 class="docTitle">Thet Oera Linda Bok</h1>
+
+<h2 class="docTitle">Naar een handschrift uit de dertiende eeuw.</h2>
+
+<h2 class="byline">Eigendom der familie Over de Linden,<br>
+<br>
+Aan Den Helder,<br>
+<br>
+Bewerkt, vertaald en uitgegeven door<br>
+<br>
+<span class="docAuthor">Dr. J. G. Ottema.</span></h2>
+
+<h2 class="docImprint">Tweede uitgave.<br>
+<br>
+Te Leeuwarden, bij<br>
+<br>
+<span class="letterspaced">H. Kuipers.</span><br>
+<br>
+1876.</h2>
+</div>
+
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<p class="aligncenter">Gedrukt bij J. R. Miedema te Leeuwarden. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e153" href="#xd0e153">V</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e155" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Voorbericht.</h2>
+
+<p>De eerste druk van het Oera Linda Boek is uitverkocht, en daardoor
+de gelegenheid ontstaan, om eene tweede uitgave ter perse te leggen.
+Voor mij is dit eene gewenschte zaak, omdat ik nu in staat gesteld ben
+hier en daar eene ingeslopen fout te herstellen of eene minder juiste
+vertaling te verbeteren.</p>
+
+<p>Van zijne eerste verschijning af, ja zelfs reeds voor dat het
+gedrukt was, heeft het boek eene groote tegenspraak en veroordeeling
+ondervonden. Vele pennen zijn daarover in beweging gebracht, eerst om
+de uitgave te beletten en vervolgens om de verspreiding tegen te
+gaan.</p>
+
+<p>Niet alleen binnen &rsquo;s lands, maar ook daar buiten is men tegen
+dat boek te velde getrokken, als of van de echtheid of onechtheid
+daarvan het welzijn van land en volk afhing.</p>
+
+<p>Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en
+verbittering op te wekken? Is het zoo&rsquo;n bespottelijk prulschrift,
+zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men
+leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat ik
+er bij en over geschreven heb in de <span class="letterspaced">
+Inleiding</span>, de <span class="letterspaced">Geschiedkundige <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e171" href=
+"#xd0e171">VI</a>]</span>Aanteekeningen</span>, de <span class=
+"letterspaced">Koninklijke Akademie</span> en het <span class=
+"letterspaced">Oera Linda Boek</span>, en de <span class=
+"letterspaced">Deventer Courant</span> en het <span class=
+"letterspaced">Oera Linda Boek</span>. Doch dat is juist wat men niet
+doet. Men wil niet ingelicht wezen over den aard, de strekking en de
+wetenschappelijke waarde van het boek. Het is veel gemakkelijker en
+pleizieriger in den blinde te schermen en in het wilde te schreeuwen,
+dan zich te zetten tot een ernstig onderzoek. Ieder, die maar even het
+boek oppervlakkig heeft ingezien, of er wat over heeft hooren praten,
+waant zich gerechtigd om er een afkeurend oordeel over uit te spreken.
+Dat oordeel maakt een triumftocht door alle nieuwsbladen, wordt door
+het van de zaak onkundig publiek toegejuicht, en het land is gered.</p>
+
+<p>Nu hebben de Heeren F. Muller en P. Smidt van Gelder, te Amsterdam,
+het papier van het Handschrift zoo het heet onderzocht, en beweren in
+de Nederlandsche Spectator no. 32 van den 5 Augustus 1876, dat het
+papier in deze eeuw is vervaardigd en wel in de laatste 25 jaren, dat
+het machinaal papier verg&eacute; is en afkomstig uit de fabriek van de
+Heeren Tielens en Schrammen te Maastricht.</p>
+
+<p>De Heer Muller schrijft, dit gevoelen steunt op de navolgende
+gronden:</p>
+
+<p>1. Het papier was in de 13e eeuw geheel van katoen, dik, ongelijk,
+wollig, met zeer ongelijke onduidelijke waterlijnen,&mdash;dit papier
+is dun, gelijk, hard, hier en daar doorschijnend, met geregelde
+duidelijke waterlijnen.</p>
+
+<p>Antw. Het katoenpapier uit de 13e en vroegere eeuwen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e194" href="#xd0e194">VII</a>]</span>moest, eer
+men er op kon schrijven, daarvoor opzettelijk geprepareerd worden door
+polijsten. De Arabieren en Gothen hebben dit gedaan op dezelfde wijze
+als de Egyptenaren hun papier en de Romeinen de fijnere
+perkamentsoorten glansden, namelijk door sterke wrijving met de
+slagtand van een wildzwijn, apri dente levigatur (Plinius). Tot een
+gelijk doel bedienen de boekbinders zich van een agaat. Door de sterke
+wrijving werden de papiervezelen dichter ineen geperst en daardoor het
+papier glad en effen en iets dunner als het was.</p>
+
+<p>Doch daarom kan men het papier van het H. S. niet dun noemen<span
+class="corr" id="xd0e198" title="Niet in bron">.</span> Het H. S.
+bestaat uit 96 bladen, die tusschen eene pers gezet eene gezamenlijke
+dikte hebben van ruim 12 m.M., waartegen de dikte van 2 boek best
+hollandsch schrijfpapier 12&frac12; m.M. bedraagt, zoodat de dikte van
+die beide papiersoorten gelijk staat. En best hollandsch schrijfpapier
+behoort toch niet onder de dunne papiersoorten.</p>
+
+<p>Ik moet het er voor houden, dat de monsters papier, welke de Heer
+Muller vroeger gezien heeft, nog ongeprepareerd en ongepolijst geweest
+zijn, en dat hierdoor het verschil verklaard moet worden, &rsquo;t welk
+hij bij deze vergelijking heeft opgemerkt.</p>
+
+<p>2. Het papier is van oudsher tot ongeveer 1800 in het midden
+tusschen de waterlijnen dunner dan ter weerszijde dicht bij de
+waterlijnen,&mdash;dit papier is bij de waterlijnen egaal, gelijk
+alleen het papier van deze eeuw is.</p>
+
+<p>Antw. Ik merk hierbij op, dat die uitdrukking <span class=
+"letterspaced">van oudsher</span> niet verder gaat dan tot het midden
+der 14e eeuw, toen het linnenpapier in de plaats van het katoenpapier
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e210" href=
+"#xd0e210">VIII</a>]</span>is getreden en de papier-fabrikatie zich al
+meer en meer over Europa heeft uitgebreid. Die vergelijking heeft dus
+geene betrekking op het katoenpapier van de 13e eeuw, en leidt tot
+geene gevolgtrekking tegen het papier van het Handschrift, namelijk dat
+dit van de tegenwoordige zijn zoude.</p>
+
+<p>Het onderscheidt zich juist van het tegenwoordig papier in vier hier
+zeer belangrijke punten.</p>
+
+<p><i>a.</i> De breedte der horizontale waterlijnen. Want in een
+afstand van 33 millimeters telt men daarbij 16 horizontale waterlijnen,
+zoodat de breedte van elke lijn voluit 2 m.M. bedraagt. Het machinaal
+papier wijst in dien afstand 17 tot 18 zulke lijnen aan, of voor elke
+lijn eene breedte van niet meer dan 1.85 m.M. Zwaar Engelsch postpapier
+heeft op dien afstand 20 lijnen, elk ter breedte van 1.65 m.M.</p>
+
+<p><i>b.</i> De afwezigheid van chloor. Eene proef, genomen in mijne
+tegenwoordigheid door wijlen den heer A. P. H. Kuipers, heeft
+aangetoond dat het papier in het minst niet reageert op zilver en dus
+volstrekt geen chloor bevat. Terwijl in deze eeuw geen papier
+vervaardigd wordt of het is met chloor behandeld en laat bij dezelfde
+proef op zilver een witten aanslag achter.</p>
+
+<p><i>c.</i> De afwezigheid van stijfsel, amylum. De proef met eene
+oplossing van iodium, die op machinaal papier eene zuivere en heldere
+violette kleur te voorschijn brengt, heeft op dit papier geene
+uitwerking en laat de bruine kleur van het iodium onveranderd, althans
+niet meer dan bij elke uit zuivere planten vezelen vervaardigde stof
+wordt waargenomen, <span class="pagenum">[<a id="xd0e226" href=
+"#xd0e226">IX</a>]</span>omdat in alle planten vezelstof als natuurlijk
+bestanddeel eenig amylum aanwezig is. Dit papier is derhalve
+vervaardigd zonder toevoeging van stijfsel en dus niet in de
+tegenwoordige eeuw.</p>
+
+<p><i>d.</i> Ten aanzien van die waterlijnen is er nog een groot
+verschil tusschen machinaal papier en dat van het Handschrift. Bij het
+eerste zijn de lijnen van de vergeering uitwendig zichtbaar en vallen
+terstond in het oog. Bij het laatste zijn de waterlijnen van buiten
+bijna onzichtbaar, zoo zelfs, dat Dr. E. Verwijs in een brief, d.d.
+Leiden 1 Dec. 1870, (d.i. nadat het Handschrift gedurende <span class=
+"letterspaced">drie jaren</span> in zijne handen geweest was,) aan mij
+gericht, schreef: Verder het papier, dat &egrave;n om den vorm
+&egrave;n om de stof mij verdacht voorkomt. Oogenschijnlijk is het
+<span class="letterspaced">velijnpapier</span>, dat in den rook heeft
+gehangen.&mdash;Scheurt men de bladen in, dan vertoont het zich op de
+scheur veel witter. Een watermerk is nergens te vinden, en ik heb nooit
+middeleeuwsch papier gezien zonder watermerk en kan mij het zelfs niet
+denken.&rdquo;</p>
+
+<p>Dr. Verwijs heeft dus in al dien tijd de waterlijnen niet gezien,
+zelfs niet toen hij naar een watermerk zocht. Dit was niet mogelijk,
+wanneer hij gevergeerd machinaal papier voor zich had gehad.</p>
+
+<p>3. Dit papier is geel gekleurd en niet van nature geel, gelijk veele
+plaatsen bewijzen.</p>
+
+<p>Antw. Als het papier gekleurd, d. i. geverfd was, dan moest de
+kleurstof in het papier zijn ingedrongen, doch dit is niet het geval.
+Op de breuk ziet men duidelijk dat van <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e244" href="#xd0e244">X</a>]</span>binnen de vezel wit is. De vuile
+geelachtig zwarte kleur van het papier is alleen het gevolg van den
+tijd, en de uitwerking van den ouderdom in een verloop van meer dan zes
+eeuwen.</p>
+
+<p>Dat overigens het papier nog zoo goed geconserveerd is en vooral
+door vocht of mot niet geleden heeft, is een bewijs voor de zorgvuldige
+bewaring van het H. S. als een om het zoo te noemen
+familie-heiligdom.</p>
+
+<p>4. Dit papier is afgesneden, gelijk duidelijk zichtbaar is; het
+papier der 13e eeuw laat zich niet afsnijden noch afknippen zonder
+vezels achter te laten.</p>
+
+<p>Antw. Dit laatste mag in zeker opzicht waar zijn bij ongepolijst
+papier, maar bewijst niets ten opzichte van gepolijst en daardoor
+dichter zamengeperst papier, en hangt in allen gevalle af van de
+meerdere of mindere scherpte van mes of schaar.</p>
+
+<p>5. Het afsnijden doet mij denken aan machinaal papier, waarin wel de
+perpendiculaire waterlijnen (pontuseaux) kunnen gebracht worden, doch
+het is mij onbekend of daarin de horizontale lijnen van papierramen
+kunnen zijn; indien ja, dan houd ik dit voor goed machinaal papier, wat
+daarom niet ouder dan 25 of 30 jaar kan zijn, vroeger kon men in
+machinaal papier die lijnen niet maken.</p>
+
+<p>Antw. Ik heb voor mij liggen eene authentieke verklaring van de
+Heeren E. van Berk, P. Uurbanus, A. J. Leijer en T. Mooy aan den Helder
+woonachtig, waarin zij verzekeren, dat bij hen bepaaldelijk tusschen de
+jaren 1848 en 50 bekend is geweest <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e256" href="#xd0e256">XI</a>]</span>het bestaan van het
+handschrift, toebehoorende aan de familie over de Linden, dat later is
+uitgegeven onder den titel van Thet Oera Linda Bok.</p>
+
+<p>Deze verklaring is in zijn geheel opgenomen in de Heldersche Courant
+van den 12 Maart 1876.</p>
+
+<p>Daarmede vervalt de geheele redeneering van den Heer Muller omtrent
+het machinaal papier, dat volgens zijne verklaring voor 25 of 30 jaar,
+d. i. v&oacute;&oacute;r het jaar 1848, nog niet met horizontale
+waterlijnen gemaakt kon worden.</p>
+
+<p>Het papier van het H. S. is dus niet in deze 19e eeuw gemaakt. Van
+de 14e tot de 18e eeuw is geen papier bekend of het is voorzien van een
+fabriekmerk (watermerk); maar in het papier van het H. S. is nergens
+een spoor van fabriekmerk aanwezig.</p>
+
+<p>Het is dus ook niet vervaardigd in de 14e of latere eeuwen. Zoodat
+er geen ander besluit overblijft, dan dat het papier uit de 13e eeuw
+afkomstig moet zijn.</p>
+
+<p>6. Dit papier is tot boek ingenaaid geweest, blijkens de gaatjes;
+het is veel te hard rondom die gaatjes om oud te zijn; ook is de wijze
+van innaaijen geheel modern en geheel anders als bij oude
+handschriften; daarbij gebruikte men minder gaten en dikker touw of
+perkament, dan hiervoor kan bezigd zijn.</p>
+
+<p>Antw. Indien de Heer Muller het <span class="letterspaced">
+geheele</span> H. S. gezien had, dan zoude hij hebben opgemerkt, dat de
+rugzijde der katerns (of liever sexterns) nergens eene spoor van lijm
+of ander plaksel vertoont. Dit bewijst, dat het niet ingenaaid is
+geweest <span class="pagenum">[<a id="xd0e273" href=
+"#xd0e273">XII</a>]</span>op eenige moderne manier, noch op touwtjes,
+noch op reepjes perkament, noch op strookjes, maar daarentegen op eene
+zeer eenvoudige en primitieve manier, door onmiddellijke vasthechting
+met naald en draad in een perkamenten omslag, gelijk men in den handel
+nog wel aantreft bij kleine boekjes, zoogenaamd los ineengehangen
+goedje, als almanakken en dergelijke.</p>
+
+<p>Dit kan iedereen doen, en dit zal Hiddo oera Linda ook wel
+eigenhandig gedaan hebben, en wel reeds daarom, omdat hij zijn
+Handschrift niet kon toevertrouwen aan een boekbinder, dewijl die kunst
+in de kloosters werd uitgeoefend, en zijn voorzaat Liko dringend
+gewaarschuwd had voor de monniken, papekappa, wier oogen vooral niet
+mochten gaan over deze schriften.</p>
+
+<p>7. Het schrift is veel te nieuw voor een hoogen ouderdom; de inkt
+ligt op het papier; heeft het papier niet aangetast, wat bij hoogen
+ouderdom van den inkt noodzakelijk moet gebeuren.</p>
+
+<p>De inkt is veel te zwart voor hoogen ouderdom, die was oudtijds
+lichter en werd na langen tijd geheel bruin.</p>
+
+<p>Antw. Hiertegenover stel ik de woorden van Wattenbach, das
+Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871) S. 137: &raquo;<span lang=
+"de">In alten Handschriften ist die Dinte schwarz oder br&auml;unlich,
+immer von ausgezeichnet guter Beschaffenheit. Nachdem aber von 13
+Jahrhundert an immer massenhafter geschrieben wird, erscheint die Dinte
+h&auml;ufig grau oder gelblich, und ist zuweilen ganz
+verblasst.</span>&rdquo;</p>
+
+<p lang="de">&raquo;Als Bestandtheile des atramentum librarium giebt
+Plinius <span class="pagenum">[<a id="xd0e288" href=
+"#xd0e288">XIII</a>]</span>Russ (lampenroet) und Gummi an. Marcianus
+Capella erw&auml;hnt zuerst die Gall&auml;pfel: gallarum gummeosque
+commixtio.&rdquo;</p>
+
+<p lang="de">&raquo;Eine Mischung von Kupfervitriol und Gall&auml;pfeln
+soll am h&auml;ufigsten sein.&rdquo;</p>
+
+<p>Uit welke bestanddeelen nu de inkt, waarmede het H. S. geschreven
+is, kan bereid zijn, is mij onbekend; doch ik hecht aan de getuigenis
+van Wattenbach voor de goede hoedanigheid der inkt tot in de 13e eeuw,
+als bewijs voor de herkomst van het H. S. uit de 13e eeuw.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Om deze redenen kan ik mij niet vereenigen met of berusten in het
+oordeel van de Heeren Muller en Van Gelder, welk oordeel bovendien niet
+geheel vrij is van eenzijdigheid. Zij hebben zich hoofdzakelijk de
+vraag gesteld: komt het papier van het H. S. in meerdere of mindere
+mate overeen met eene papiersoort van den tegenwoordigen tijd, <span
+class="letterspaced">papier verg&eacute;</span>. Dit is echter de
+tweede helft der kwestie. De eerste en voornaamste helft is: in
+hoeverre komt het Handschrift overeen met andere Manuscripten op papier
+die ouder zijn dan van het jaar 1300.</p>
+
+<p>In betrekking hiertoe heb ik hier nog eene opmerking bij te voegen.
+Het Handschrift is gelinieerd geweest, waarschijnlijk met lood, doch de
+hooge ouderdom heeft die lijnen doen verbleeken en bijna uitgewischt,
+zoozeer dat ik in den eersten tijd ze wel vermoedde, maar niet
+onderscheiden kon, <span class="corr" id="xd0e303" title="Bron: voor
+dat">voordat</span> Jhr. Hooft van Iddekinge er mij opmerkzaam op
+maakte. Zoodra <span class="pagenum">[<a id="xd0e306" href=
+"#xd0e306">XIV</a>]</span>deze een deel van het Handschrift onder oogen
+kreeg, zeide hij: dat is gelinieerd geweest, en d&aacute;&aacute;r kan
+men de sporen er van zien.&rdquo; En toen ik zoo die sporen eens had
+leeren zien, viel het mij gemakkelijk ze overal op elke bladzijde te
+onderkennen.</p>
+
+<p>Daarom heb ik ook op het facsimil&eacute; van bl. 45 de linieering
+hersteld, teneinde te doen blijken hoe nauwkeurig en zorgvuldig die
+lijnen getrokken, en de letters <span class="corr" id="xd0e310" title=
+"Bron: daar tusschen">daartusschen</span> geschreven waren, en tevens
+om te doen beseffen, hoeveel tijd en vlijt er aan dat H. S., waarvan
+slechts een paar honderd bladzijden zijn overgebleven, besteed is.
+Daarvan heb ik de proef genomen door op gewoon gelinieerd papier pagina
+voor pagina het H. S. in zijn eigen schrift te copieeren, en aan dat
+werk 300 uren moeten besteden. Dat is nog maar alleen overschrijven, en
+dan zoude een verdichter nog eerst het geheele boek moeten zamengesteld
+hebben, in eene taal, die van de bekende dialekten van het Oud-friesch
+even onderscheiden is, als deze alle onderling verschillen; want die
+oude Friesche wetten d. i. het wester Lauwers, het Hunsingo&euml;r, het
+Fivelgo&euml;r, het Oldampster, het Emsingo&euml;r, het Brokmer, het
+Rustringer recht, zijn in even zooveele verschillende dialecten
+geschreven en wijken in spelling en woordvormen van elkander af.
+Tegenover die alle zoude hij een afzonderlijk dialect moeten uitvinden,
+dat gesproken is tusschen het Flie en de Schelde. En ten slotte had hij
+nog een letterschrift moeten bedenken, dat meer en beter dan eenig
+ander voor de Friesche taal geschikt is. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e313" href="#xd0e313">XV</a>]</span></p>
+
+<p>Ten aanzien van dat letterschrift moet ik eindelijk nog wijzen op
+eene zeer kenmerkende bijzonderheid:</p>
+
+<p>Het alfabet heeft nog geen <i>q</i> en <i>z</i>. De verbindingen <i>
+qu</i>, <i>sc</i>, <i>sch</i> en de <i>c</i> aan het begin van een
+woord zijn nog niet bekend, ten bewijze, dat deze geschriften zijn uit
+den v&oacute;&oacute;r Romeinschen tijd.</p>
+
+<p>De <i>c</i> wordt niet anders gebruikt dan in de verbinding <i>
+ch</i>, als geadspireerde of verscherpte <i>g</i> b.v. <i>burch</i>
+m.v. <i>burga</i>.</p>
+
+<p>In de Friesche Rechtboeken daarentegen heeft de taal die
+schrijfwijze uit het Latijn aangenomen, en afzonderlijke teekens voor
+verlengde vocalen verloren, gelijk mede die voor <i>gs</i>, <i>ng</i>
+en <i>th</i>. Die invloed van het Latijn heeft vooral sedert Karel den
+Groote het alfabet door vermindering van het getal der letters
+vereenvoudigd, maar daardoor ook bedorven en minder geschikt gemaakt
+voor de aanduiding van aan de Friesche taal eigendommelijke klanken. In
+dit opzicht heeft de Friesche schrijfwijze of spelling een verbastering
+ondergaan, waarvan de gevolgen bij de tegenwoordige schrijvers diep
+gevoeld worden.</p>
+
+<p>Een verdichter zoude zich wel gewacht hebben aan de spelling en het
+alfabet van de oud-Friesche wetten iets te veranderen, en wel gezorgd
+hebben door eenige verandering geen wantrouwen te wekken.</p>
+
+<p>Zie dat is niet een werkje, dat een of andere guit voor de grap
+uitvoert, alleen om iemand te foppen. Dit te veronderstellen is immers
+eene ongerijmdheid. Doch dat is niets. De negative kritiek der moderne
+wetenschap staat voor geene <span class="pagenum">[<a id="xd0e368"
+href="#xd0e368">XVI</a>]</span>ongerijmdheden. Als zij zich eenmaal in
+het hoofd gezet heeft niet te willen dulden dat het Oera Linda Boek
+echt is, dan moet het onecht wezen, het koste wat het wil. Nu loopt zij
+overal rond om den bedrieger te zoeken; er is zelfs sprake van geld
+bijeen te brengen om een prijs op zijn hoofd te stellen en den
+aanbrenger te beloonen. Doch alles even vruchteloos, om de eenvoudige
+en natuurlijke reden, dat die man niet bestaat en nooit bestaan
+heeft.</p>
+
+<p>Intusschen meent zij overal het publiek af te schrikken en richt tot
+iedereen de inquisitoriale vraag: geloof jij nog aan het Oera Linda
+Boek? Mijn antwoord is: ja Mijne Heeren. Ik heb nu bijna zes jaren lang
+dat boek door en door als &rsquo;t ware van binnen en van buiten
+bestudeerd, in verband met de geheele oude Grieksche en Latijnsche
+literatuur, maar nergens heb ik iets kunnen vinden, wat mij eenigen
+grond tot twijfel aanbood. Daarom geloof ik nog aan de echtheid van
+<span class="letterspaced">thet Oera Linda Bok</span>,<a class=
+"noteref" id="xd0e375src" href="#xd0e375">1</a> en om deze reden heb ik
+de eer u eene tweede uitgave daarvan aan te bieden.</p>
+
+<p><span class="smallcaps">Leeuwarden</span>, Sept. 1876.</p>
+
+<p><span class="smallcaps">Dr. J. G. Ottema.</span> <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e398" href="#xd0e398">XVII</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e375src" id="xd0e375">1</a></span> Het woord <span class=
+"letterspaced">Bok</span> wordt in het Handschrift overal zoo
+geschreven; en daarmede stemmen alle Oud-Friesche Rechtboeken overeen.
+De woordenboeken van v. Richthofen en Hettema schrijven <span class=
+"letterspaced">Bok</span> of <span class="letterspaced">Boc</span>. De
+spelling <span class="letterspaced">B&ocirc;k</span> is Kamper
+wanspraak.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e400" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Inleiding<a class="noteref" id="xd0e403src" href=
+"#xd0e403">1</a>.</h2>
+
+<p>De heer C. over de Linden aan den Helder, eerste Meesterknecht bij
+&rsquo;s Rijks Marine-werf, bezit een overoud Handschrift, dat sinds
+onheugelijke jaren in zijne familie vererfd en bewaard is, zonder dat
+iemand meer de herkomst daarvan wist, of den inhoud er van kende,
+wegens de onbekendheid van taal en schrift. Alleen wist men, dat eene
+daaraan verbondene traditie van geslacht tot geslacht de zorgvuldige
+bewaring daarvan had aanbevolen. Het is gebleken, dat die traditie
+berustte op den inhoud van twee brieven, waarmede het Handschrift
+aanvangt; van Hiddo oera Linda Ao. 1256 en van Liko oera Linda Ao.
+803.</p>
+
+<p>Het was aan hem gekomen volgens beschikking van zijn grootvader den
+heer Andries over de Linden, wonende te Enkhuizen en aldaar overleden
+den 15 April 1820, in den ouderdom van 61 jaren. Daar de kleinzoon
+echter destijds nog slechts 10 jaren oud was, moest het H. S. voor hem
+bewaard worden door zijne tante Aafje Meylhoff geb. over de Linden,
+wonende te Enkhuizen, die het in Augs. 1848 aan den tegenwoordigen
+eigenaar ten hand gesteld heeft.</p>
+
+<p>Dr. E. Verwijs daarvan kennis gekregen hebbende, verzocht van dit
+stuk inzage te mogen hebben en herkende het terstond voor zeer oud
+Friesch. Hij bekwam tevens vergunning er een afschrift van te
+vervaardigen ten behoeve van het Friesch Genootschap, en was van
+oordeel, dat het een stuk van groot belang kon wezen, bijaldien het
+niet een ondergeschoven en met bedriegelijke oogmerken verdicht
+geschrift <span class="pagenum">[<a id="xd0e412" href=
+"#xd0e412">XVIII</a>]</span>was, waarvoor hij vreesde. Het afschrift in
+mijne handen gesteld zijnde, liet ook mij in den aanvang nog in het
+onzekere, schoon ik minder bevreesd was, omdat ik niet konde begrijpen,
+dat iemand een valsch geschrift zoude opstellen zonder eenig doel, en
+alleen om het geheim te houden. Doch de onzekerheid bleef bestaan, tot
+dat ik naauwkeurige facsimil&eacute;s van een paar fragmenten en later
+het Handschrift zelf onder oogen kreeg. Het eerste gezicht daarvan
+stelde mij terstond omtrent den hoogen ouderdom van het geschrift
+gerust.</p>
+
+<p>Oogenblikkelijk toch stonden mij Caesars woorden voor den geest, als
+hij van het letterschrift der Galliers en Helvetiers sprekende B. G. I.
+29 en VI. 14 zegt: Graecis utuntur literis. Echter blijkt uit V. 48 dat
+het niet geheel grieksche letters waren. Caesar maakt dus slechts eene
+vergelijking en wel eene zeer juiste. Want het schrift, dat met geen
+bekende lettervormen geheel overeenkomt, gelijkt oppervlakkig nog het
+meest op het Grieksche schrift, zoo als het op monumenten of in de
+oudste handschriften voorkomt, en behoort tot den vorm, dien men
+lapidair of steenschrift noemt. Daarbij is mij later gebleken, dat de
+schrijver van het laatste gedeelte des boeks een tijdgenoot van Caesar
+geweest is. De vorm en oorsprong van dit schrift is in het eerste
+gedeelte des boeks zoo omstandig en uitvoerig beschreven, als men het
+van geene taal kan aanwijzen. Het is zeer volkomen en bestaat uit 34
+letterteekens, waaronder drie afzonderlijke vormen voor de a en u en
+twee voor de e, i, y en o, benevens vier zamengestelde of dubbelde
+medeklinkers: ng, th, ks en gs. De ng, die als neusklank in geene
+andere westersche taal een afzonderlijk teeken heeft, is eene
+ondeelbare verbinding, de th is zacht als in het Engelsen en wordt
+somwijlen door d vervangen, en de gs komt slechts zeer zelden voor, ik
+geloof alleen in het woord <i>segse</i>, zeggen, in het hedendaagsche
+Friesch <i>sidse</i>, uitgesproken <i>sisze</i>. <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e425" href="#xd0e425">XIX</a>]</span></p>
+
+<p>Het papier, groot kwarto formaat, is katoen papier, vrij dik, zonder
+water- of fabriekmerk, op een raam of draadvorm geschept, met niet zeer
+wijde perpendiculaire lijnen.</p>
+
+<p>Een inleidende brief geeft het jaar 1256 op als het jaar, waarin het
+afschrift vervaardigd is door Hiddo overa Linda op <i>overlandsch</i>
+of <i>buitenlandsch</i> papier. Diensvolgens zoude het afkomstig moeten
+zijn uit Spanje, waar de Arabieren destijds katoenpapier vervaardigden
+en in den handel brachten. Hieromtrent schrijft W. Wattenbach, das
+Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871), S. 93:</p>
+
+<p>&raquo;De vervaardiging van papier uit katoen moet bij de Chinezen
+sedert overoude tijden in gebruik geweest zijn, en bij de verovering
+van Samarkand omstreeks den jare 704 aan de Arabieren bekend geworden.
+Te Damascus werd dat fabriekaat een levendige tak van industrie, waarom
+het Charta Damascena genoemd werd. Door de Arabieren werd de kunst naar
+de Grieken overgebracht. Men beweert Grieksche handschriften uit de
+tiende eeuw op katoenpapier te hebben, en in de dertiende eeuw komen
+deze reeds menigvuldiger voor dan die op perkament.</p>
+
+<p>Men noemde het, om het van Egyptisch papier te onderscheiden, Charta
+bombycina, gossypina, cuttunea, xylina. Eene onderscheiding van het
+linnenpapier was toen nog niet noodig.</p>
+
+<p>Tot de vervaardiging van het katoenpapier bezigde men oorspronkelijk
+de ruwe boomwol. Papier uit lompen vindt men het eerst vermeld bij
+Petrus Clusiacensis (1122&ndash;1150.)</p>
+
+<p>Van de Arabieren leerden de Spanjaarden en de Italianen de
+vervaardiging van dit papier. De voornaamste fabrieken waren te Jativa,
+Valencia, Toledo, benevens Fabriano in de Mark Ancona.<a class=
+"noteref" id="xd0e444src" href="#xd0e444">2</a> <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e453" href="#xd0e453">XX</a>]</span></p>
+
+<p>In Duitschland is het gebruik van deze stof wel niet zeer verbreid
+geweest, tenzij het papier uit Italie of Spanje ingevoerd werd. Doch
+hoe meer de vervaardiging zich uit het oosten en de daarmede in verkeer
+staande landen uitbreidde, des te meer moest ook linnen in de plaats
+van katoen treden. Eene oorkonde van Kaufbeuren op linnenpapier uit het
+jaar 1318 is van twijfelachtige echtheid. Bodmann stelt het oudste
+zuiver linnenpapier in het jaar 1324; tot aan 1350 komt er ook nog
+gemengd papier voor.</p>
+
+<p>Alle zorgvuldig geschrevene Manuscripten uit den oudsten tijd toonen
+reeds door de regelmatigheid van de regels, dat zij gelinieerd geweest
+zijn, ook waar de sporen daarvan niet meer herkend kunnen worden.</p>
+
+<p>Tot het linieeren bezigde men eene dunne schijf van lood, een
+liniaal en een passer om de afstanden te bepalen.</p>
+
+<p>In oude handschriften is de inkt donker zwart of bruinachtig. Naar
+mate echter sedert de 13e eeuw meer geschreven werd, vertoont de inkt
+zich vaak grijs of geelachtig, of somtijds geheel verbleekt, ten
+bewijze dat zij ijzerhoudend is.&rdquo;</p>
+
+<p>Dit alles is volkomen van toepassing op het voor ons liggend
+Handschrift uit het midden der dertiende eeuw, beschreven met helder
+zwarte letters tusschen fijne naauwkeurig met lood getrokken lijnen. De
+kleur van de inkt toont duidelijk aan, dat zij niet ijzerhoudend is.
+Door deze kenteekenen wordt het opgegeven jaartal 1256 geheel gewettigd
+en valt er aan geen lateren oorsprong te denken. Maar daarmede vervalt
+ook alle verdacht van bedrog uit lateren tijd.</p>
+
+<p>De taal is overoud Friesch, nog ouder en veel zuiverder dan de taal
+van het Friesch <i>Rjuchtboek</i> of oude Friesche wetten en daarvan in
+vele vormen en spelling verschillende, zoodat zij een geheel
+afzonderlijken tongval of dialekt vertoont, en blijkens de lokaliteiten
+de taal moet geweest zijn, zoo als die gesproken werd van het Vlie tot
+aan de Schelde.</p>
+
+<p>De stijl is hoogst eenvoudig, beknopt, in korte volzinnen, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e471" href=
+"#xd0e471">XXI</a>]</span>ongedwongen zich bewegende, even als de
+dagelijksche spreektaal, en vrij in de vormen der woorden.</p>
+
+<p>De spelling is eveneens eenvoudig en gemakkelijk, zoodat de lezing
+geene de minste moeite kost; en bij alle regelmatigheden toch zoo vrij,
+dat ieder van de verschillende schrijvers, die aan het boek gewerkt
+hebben, zijne eigene bijzonderheden heeft, die voortkomen uit de
+wijziging van den klank der vokalen in verloop van lange tijdruimten,
+hetgeen natuurlijk het geval moet zijn, daar het laatste gedeelte vijf
+eeuwen later geschreven is als het eerste.</p>
+
+<p>Als antiquiteit van taal en schrift, geloof ik te kunnen zeggen, dat
+dit boek geheel eenig in zijne soort is.</p>
+
+<p>Het schrift geeft aanleiding tot eene misschien zeer gewichtige
+opmerking.</p>
+
+<p>De Grieken weten en erkennen, dat zij hun schrift niet hebben
+uitgevonden. Zij schrijven de invoering daarvan toe aan Kadmus, een
+Phenicier. De namen hunner oudste letters van de Alfa tot de Tau komen
+zoo geheel overeen met de namen der letters in het Hebreeuwsche
+Alfabet, waaraan het Phenicische wel naauw verwant zal geweest zijn,
+dat de Phenicische herkomst dier namen wel niet betwijfeld kan worden.
+Maar de vorm hunner letters verschilt zoo geheel en al van die in het
+Phenicisch en Hebreeuwsch schrift, dat in dit opzigt aan geene
+verwantschap te denken valt. Van waar hebben dus de Grieken die letter
+<i>vormen</i> ontvangen?</p>
+
+<p>Uit <i>thet bok th&ecirc;ra Adela follistar</i> (<i>het boek van
+Adelas helpers</i>) leeren wij, dat in den tijd, waarin die Kadmus moet
+geleefd hebben, omstreeks 16 eeuwen voor Christus, een levendig
+handelsverkeer bestond tusschen de Friesen en de Pheniciers, die zij
+Kadhemar, kustbewoners, noemden. De naam Kadmus komt te nabij dat woord
+Kadhemar, om niet te besluiten, dat Kadmus eenvoudig een Phenicier
+beteekent.</p>
+
+<p>Voorts lezen wij, dat omstreeks denzelfden tijd eene Priesteres van
+de Burgt op Walcheren, Min-erva, ook Nyhellenia <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e494" href="#xd0e494">XXII</a>]</span>genoemd, aan het hoofd
+eener Friesche kolonie, zich neergezet heeft in Attika en daar de burgt
+Athene gesticht heeft. Alsmede uit de berichten, opgeteekend aan de
+wanden der Waraburch, dat Findas volk ook een eigen schrift bezat, doch
+zeer omslachtig en moeijelijk om te lezen; en dat daarom de Tyriers en
+de Krekalanders het schrift van Frya hebben geleerd.</p>
+
+<p>Bij deze voorstelling verklaart de geheele zaak zich zelve, en is
+het duidelijk, waardoor die uiterlijke gelijkenis tusschen het
+Grieksche en oud Friesche schrift ontstaan is, welke ook Caesar in het
+oog gevallen is bij de Galliers; alsmede op welke wijze de Grieken de
+namen van Findas en de vormen van Fryas schrift nevens elkander hebben
+gekregen en behouden.</p>
+
+<p>Even opmerkelijk zijn de vormen der cijfers. Men noemt onze
+getalteekens gewoonlijk Arabische cijfers, ofschoon zij met de
+Arabische getalteekens niet de minste overeenkomst hebben. De Arabieren
+in Spanje hebben hunne cijfers niet uit het oosten medegebracht, want
+de Semitische volken bezigden het geheele alfabet tot het opschrijven
+van getallen. De wijze van met 10 teekens alle getallen uit te drukken
+hebben de Arabieren in het westen geleerd, doch daar vormen voor
+gekozen eenigermate in overeenstemming met die van hun letterschrift,
+en toch geschreven van de linker naar de rechterhand op Westersche
+manier. Onze cijfers blijken hier oorspronkelijk Friesche cijfers
+(siffar) te wezen, wier vorm denzelfden oorsprong heeft als het
+letterschrift en aan de lijnen van het Juul ontleend is.</p>
+
+<p>Het boek, zooals het voor ons ligt, bestaat uit twee van elkander
+zeer verschillende, en in tijd vrij ver verwijderde gedeelten. Als
+schrijfster van het eerste gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van
+Apol, grevetman over de Lindaoorden. Dit is vervolgd door haren zoon
+Adelbrost en hare dochter Apollonia. Het eerste boek loopende van pag.
+1&ndash;88 (hier <span class="pagenum">[<a id="xd0e502" href=
+"#xd0e502">XXIII</a>]</span>p. 4&ndash;120) is geschreven door Adela.
+Een vervolg van pag. 88&ndash;94 (122&ndash;128) is begonnen door
+Adelbrost en voortgezet door Apollonia. Het tweede boek loopende van
+pag. 94&ndash;114 (128&ndash;154) is geschreven door Apollonia. Veel
+tijd, misschien 250 jaren later, is een derde boek geschreven van pag.
+114&ndash;134 (156&ndash;180) door Frethorik. Vervolgens van pag. 134
+tot 143 (180&ndash;192) door zijne weduwe Wiljow, daarna van pag.
+144&ndash;169 (194&ndash;226) door hun zoon Konereed, alsdan van pag.
+169&ndash;192 (226&ndash;232) door hun kleinzoon Beeden; nu ontbreken
+bl. 193 en 194, waarmede het laatste stuk pag. 195&ndash;210
+(235&ndash;253) moet hebben aangevangen, daardoor is de schrijver ons
+onbekend, hij zal wel een zoon van Beeden geweest zijn. Door Wiljow
+worden op bl. 134 (182) nog andere geschriften genoemd; daar vermeldt
+zij thet bok th&ecirc;ra sanga, (thet bok) th&ecirc;ra tellinga, and
+thet Hell&ecirc;nia bok; en vervolgens tha skrifta fon Dela jeftha
+Hell&ecirc;nia.</p>
+
+<p>Voor de tijdsbepalingen moeten wij uitgaan van het jaar 1256 na
+Christus, waarin Hiddo overa Linda het afschrift vervaardigd heeft, en
+waarvan hij zegt, dat het was het 3449 jaar nadat Atland verzonken is.
+Dit vergaan van het oude land, &acirc;ldland, &acirc;tland, is bij de
+Grieken ook in geheugen geweest en Plato maakt in zijn Timaeus, 24, nog
+melding van het verdwenen Atlantis, van welks ligging niets anders
+bekend was, dan dat het ver buiten de zuilen van Herkules had gelegen.
+Uit dit geschrift blijkt, dat het een uitgestrekt land geweest is ten
+westen van Jutland, waarvan Helgoland en de Noordfriesche eilanden de
+laatste schamele overblijfselen zijn. Deze gebeurtenis, waardoor het
+schijnt dat een groote verstrooijing van den Frieschen stam veroorzaakt
+is, was het aanvangspunt eener eigene tijdrekening, overeenkomende met
+2193 voor Chr. Bij de geologen bekend als de eerste <i>Cimbrische
+vloed</i>.</p>
+
+<p>Op bladzijde 80 (110) begint een verhaal in het jaar 1602 nadat
+Atland verzonken is en dus met 591 voor Chr., en bl. 82 (112) <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e511" href="#xd0e511">XXIV</a>]</span>het
+verhaal van den moord gepleegd aan Fr&acirc;na, Eeremoeder op Texland,
+twee jaren later, en dus 589. Wanneer nu Adela haar geschrift aanvangt
+met haar eigen optreden in eene volksvergadering, 30 jaren na den dag
+dat de Eeremoeder was omgebracht, dan zijn wij in het jaar 559 voor
+Chr. Uit het schrijven van hare dochter Apollonia vernemen wij, dat
+Adela 15 maanden na die vergadering, bij eene overrompeling van Texland
+door de Finnen, verslagen is; dit moet dus gebeurd zijn in 557 voor
+Chr. en hieruit volgt, dat het eerste boek door Adela geschreven is in
+558 voor Chr. Het tweede boek, door Apollonia geschreven, mag dus
+gesteld worden omstreeks het jaar 530 voor Chr.</p>
+
+<p>Het latere gedeelte behelst de geschiedenis van de bekende Koningen
+van Friesland, Friso, Adel (Ubbo) en Asega Askar, genaamd zwarte Adel.
+Evenwel is van den derden Koning Ubbo niets gemeld, of liever dit stuk
+is verloren gegaan, bl. 169&ndash;188 (zie bl. 226) ontbreken.
+Frethorik, de eerste schrijver, die hier voorkomt, is een tijdgenoot
+van de gebeurtenissen, die hij verhaalt, namelijk de komst van Friso.
+Hij is een vriend van Liudgert, den Geertman, die als skelta bi
+th&ecirc;r nacht op de vloot van Wichhirte den s&ecirc;kening met Friso
+hier was gekomen, in &rsquo;t jaar 303 voor Chr., 1890 jaren nadat
+Atland verzonken was. Uit het dagboek van Liudgert heeft hij vele van
+zijne berichten ontleend.</p>
+
+<p>De laatste schrijver geeft zich zelven zeer duidelijk te kennen als
+een tijdgenoot van Zwarte Adel of Askar, omstreeks het midden van diens
+regering, welke bij Furmerius gesteld wordt van 70 v&oacute;&oacute;r
+11 na Chr. gelijktijdig met Julius Ceasar en Augustus. Hij schreef dus
+in het midden der eerste eeuw voor Chr. en droeg kennis van de
+verovering van het land der Golen (Galliers) door de Romeinen.</p>
+
+<p>Er liggen dientengevolge ruim twee eeuwen tusschen de beide
+afdeelingen van het handschrift.</p>
+
+<p>Van die G&ocirc;la lezen wij bl. 84: alsa h&ecirc;ton tha
+s&aring;ndalinga <span class="pagenum">[<a id="xd0e521" href=
+"#xd0e521">XXV</a>]</span>prestera Sidonis. En op bl. 124: tha Gola
+jeftha Trowyda.</p>
+
+<p>De Golen zijn dus de Druiden, en de naam Galli, overgedragen op het
+geheele volk, eigenlijk de naam van eene Priesterorde of Priesterstam
+van oostersche herkomst, even als bij de Romeinen de Galli, Priesters
+van Cybele.</p>
+
+<p>De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw, namelijk er
+staat bijna niets in, dat wij van elders reeds wisten. Hetgeen wij hier
+van Friso, Adel en Askar lezen, verschilt gansch en al van hetgeen onze
+bekende kronijkschrijvers weten te vertellen, of wel doet zulks in een
+geheel ander daglicht beschouwen. B. v. allen verhalen dat Friso uit
+Indie gekomen is, en dat dus de Friesen uit Indie afkomstig zijn, en
+toch voegen zij er bij dat Friso een Germaan was en behoorde tot een
+Persische stam, dien Herodotus Germanen noemt <span class="trans"
+title="Germanioi"><span class="Greek" lang="el">
+&Gamma;&epsilon;&rho;&mu;&#8049;&nu;&iota;&omicron;&iota;</span></span>.
+Naar de berichten, die we hier ontmoeten, is Friso ook uit Indie
+gekomen en wel met de vloot van Nearchus, maar hij is daarom geen
+Indi&euml;r, hij is van Friesche afkomst, van Fryas volk. Hij behoort
+namelijk tot eene kolonie Friesen, die na den dood van
+Nijhell&ecirc;nia, 15&frac12; eeuwen voor Chr., onder aanvoering eener
+Priesteres Geert, zich aan den Pangab (Indus) neergezet en den naam
+Geertmannen aangenomen hebben. Die Geertmannen zijn slechts bij een van
+de Grieksche schrijvers bekend, namelijk bij Strabo, die hen vermeld
+als <span class="trans" title="Germanes"><span class="Greek" lang="el">
+&Gamma;&epsilon;&rho;&mu;&#8118;&nu;&epsilon;&sigmaf;</span></span>
+eene van de <span class="trans" title="Brachmanes"><span class="Greek"
+lang="el">
+&Beta;&rho;&alpha;&chi;&mu;&#8118;&nu;&epsilon;&sigmaf;</span></span>
+in zeden, taal en godsdienst geheel en al verschillende volkstam.</p>
+
+<p>Bij de schrijvers van Alexanders tochten worden noch Friesen noch
+Geertmannen genoemd, doch zij spreken van Indoscythae; en geven
+daardoor te kennen een volk, dat wel in Indie woont, maar uit het verre
+onbekende Noorden afkomstig is.</p>
+
+<p>In de berichten van Liudgert worden geene namen genoemd van
+plaatsen, waar die Friesen in Indie gewoond hebben. Wij vernemen
+alleen, dat zij zich eerst in het land ten oosten van den Pangab hebben
+nedergezet, en later verhuisd <span class="pagenum">[<a id="xd0e555"
+href="#xd0e555">XXVI</a>]</span>zijn naar den westelijken oever dier
+rivier. Verder wordt als eene bijzonderheid medegedeeld, dat in den
+zomer de zon op den middag recht boven hun hoofd stond. Zij woonden dus
+nagenoeg onder den keerkring. En nu vinden wij bij Ptolomeus (zie b. v.
+de kaarten van Kiepert) juist daar op 24&deg; N. B. aan den westelijken
+oever van den Indus den naam Minnagara, en een graad of zes oostelijk
+van daar op 22&deg; N. B. nog een Minnagara. Die naam is zuiver
+Friesch, gelijk Walhallagara, Folsgara, en gevormd van Minna, den naam
+eener Eeremoeder (zie pag. 74), in wier tijd de tochten van Teunis en
+zijn neef Inka plaats vonden.</p>
+
+<p>Die overeenkomst is te opmerkelijk om enkel toevallig te wezen, en
+niet dat Minnagara voor de hoofdplaats dier Friesche kolonie te
+houden.</p>
+
+<p>De vestiging van die kolonie in Indie aan den Pangab in 1551 voor
+Chr. en hunne reis derwaarts, vinden wij in Adela&rsquo;s boek vrij
+uitvoerig beschreven, en wel met de bijvoeging van eene uiterst
+merkwaardige bijzonderheid, namelijk dat die Friesche zeelieden gevaren
+zijn <i>door de straat welke in die tijden nog op de Roode Zee
+uitliep</i>. Uit een bericht bij Strabo L. I fol. 38 en 50 blijkt dat
+Eratosthenes nog kennis gedragen heeft van die voormalige
+zee&euml;ngte, waarvan de latere geografen geene melding meer maken.
+Zij bestond nog in de dagen van Mozes, Exod. XIV : V, daar hij zich
+legerde bij <i>Pi ha chiroht</i>, den <i>mond der zee&euml;ngte</i>.
+Strabo vermeldt bovendien, dat Sesostris eene poging gedaan heeft om de
+landengte door te graven, maar dat plan niet heeft kunnen
+uitvoeren.</p>
+
+<p>Dat daar werkelijk eertijds de zee doorgestroomd heeft, bewijzen de
+uitkomsten van het geologisch onderzoek van de landengte door de
+commissie voor het kanaal van Suez, waarvan de heer Renaud op den 19
+Junij 1856 een rapport heeft uitgebracht bij de Academie des Sciences.
+In dat rapport komt onder anderen voor: <span lang="fr">Une question
+fort controvers&eacute;e <span class="pagenum">[<a id="xd0e574" href=
+"#xd0e574">XXVII</a>]</span>est celle de savoir, si &agrave;
+l&rsquo;&eacute;poque o&ugrave; les Hebreux fuyaient de l&rsquo;Egypte
+sous la conduite de Mo&iuml;se, les lacs am&egrave;rs faisaient encore
+partie de la mer rouge. Cette derni&egrave;re hypoth&egrave;se
+s&rsquo;accorderait mieux que l&rsquo;hypoth&egrave;se contraire avec
+le texte des livres sacr&eacute;s, mais alors il faudrait admettre que
+depuis l&rsquo;&eacute;poque de Mo&iuml;se le seuil de Suez serait
+sorti des eaux.</span></p>
+
+<p>Ten aanzien van deze vraag is het zeker van belang in dit Friesche
+handschrift een bericht te ontmoeten, waaruit blijkt dat in het midden
+der 16e eeuw voor Chr. de verbinding van de Bittermeeren met de Roode
+Zee nog bestond en de straat nog bevaarbaar was.</p>
+
+<p>Het handschrift bericht verder, dat kort na die doorvaart van de
+Geertmannen <i>beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo
+hoog ophief, dat al het water de straat uitliep en dat alle wadden en
+schorren als een wal oprezen</i>.</p>
+
+<p>Deze dingen zullen dus na den tijd van Mozes geschied zijn, zoodat
+tijdens de uittocht (1564) de streek tusschen Suez en de Bittermeeren
+nog wel bevaarbaar was, maar bij lagen waterstand droogvoets kon worden
+doorgetrokken.</p>
+
+<p>Dit punt is dus de oorspronkelijke Isthmus, na welks vorming zeker
+spoedig de verdere inham noordwaarts tot aan de golf van Pelusium
+geheel is opgeslibd.</p>
+
+<p>Een duidelijk overzicht over de formatie van dit terrein geeft de
+kaart gevoegd bij: <span lang="fr">l&rsquo;ann&eacute;e scientifique et
+industrielle etc. par Louis Figuier (premi&egrave;re ann&eacute;e).
+Paris, Hachette, 1857.</span></p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Een ander bericht, dat ook alleen bij Strabo voorkomt, vindt hier
+insgelijks eene opheldering en bevestiging. Strabo namelijk is onder de
+Grieksche schrijvers de eenige die vermeldt, dat Nearchus na zijne
+troepen in de Persische golf aan den mond van de Pasitigris te hebben
+ontscheept, op bevel van Alexander met zijne vloot weer de Persische
+golf uitgezeild en om Arabie heen door de Arabische golf gestevend
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e597" href=
+"#xd0e597">XXVIII</a>]</span>is. Zoo als dit bericht daar staat, is het
+niet duidelijk wat Nearchus daar te maken had en wat het doel van die
+verdere tocht wezen kon; enkel tot het doen van geographische
+onderzoekingen, zoo als Strabo meent, behoefde hij toch niet eene
+gansche vloot mede te nemen, daartoe was een schip of twee voldoende.
+Wij lezen ook niet dat hij weer teruggevaren is; waar is hij dan met
+die vloot gebleven?</p>
+
+<p>Op deze vraag vinden wij hier het antwoord in de Friesche lezing van
+de geschiedenis. Alexander had die schepen aan den Indus gekocht van,
+of laten bouwen door de daar gevestigde afstammelingen van de Friesen,
+de Geertmannen, en van hen scheepsvolk in dienst genomen, en aan het
+hoofd van deze bevond zich Friso. Alexander had na de volbragte tocht
+en het transport van de troepen, die schepen in de Persische Golf niet
+meer noodig, maar wilde ze in de Middellandsche zee gebruiken. Dat had
+hij in zijn hoofd gezet en dat moest gebeuren. Alexander wilde iets
+doen, dat niemand voor hem gedaan had. Te dien einde moest Nearchus de
+Roode zee opvaren, en aan het eind daarvan gekomen (bij Suez), vond hij
+daar 200 elephanten en duizend kameelen en werklieden en gereedschap,
+balken, touwen enz., om de schepen op het land te halen en over de
+landengte te slepen. Dit werk werd met zooveel overleg en ijver
+ondernomen en voltooid, dat na een arbeid van drie maanden de vloot in
+de Middellandsche zee weer te water gelaten werd. Dat de vloot
+werkelijk in de Middellandsche zee gebracht is, blijkt uit het bericht
+van Plutarchus (vit. Alexandri), doch deze laat te dien einde Nearchus
+met de vloot om Afrika heen door de straat van Hercules zeilen. Na de
+nederlaag bij Actium heeft Kleopatra, in navolging van dit voorbeeld,
+getracht hare vloot over den Isthmus te brengen, om naar Indie te
+ontsnappen. Zij is daarin verhinderd door de Petraeische Arabieren, die
+hare schepen in brand staken. (Zie Plutarchus vit. Antonii.) <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e601" href="#xd0e601">XXIX</a>]</span></p>
+
+<p>Friso is, toen kort daarop Alexander stierf, in dienst gebleven van
+Antigonus en Demetrius, totdat hij door den laatste op eene
+schandelijke wijze beleedigd zijnde, besloot met zijne manschappen het
+oorspronkelijke moederland, Friesland, op te zoeken. Naar Indie
+terugkeeren kon hij trouwens niet. Zoo vullen de berichten elkander aan
+en helderen elkander op, en verleenen daardoor eene wederkeerige
+bevestiging.</p>
+
+<p>Zulke enkele trekken en verrassende uitkomsten leiden mij tot het
+besluit, dat wij hier met meer te doen hebben, dan met bloote sagen of
+legenden.</p>
+
+<p>Sints een twintigtal jaren is de aandacht getrokken door de
+overblijfselen van paalwoningen, het eerst opgemerkt in de meeren van
+Zwitserland en vervolgens in een aantal streken van Europa gevonden.
+Men zie daarover Dr. E. R&uuml;ckert, Die Pfalhbauten. W&uuml;rtzburg
+1869, of Dr. T. C. Winkler, in de Volksalmanak t. N. v. A. 1867. Toen
+men ze gevonden had, trachtte men uit de onder het water aanwezige
+fragmenten van wapens, gereedschappen en huisraad na te sporen, door
+wie en wanneer deze verblijfplaatsen bewoond geweest waren. Uit
+berichten van historieschrijvers bleek daaromtrent niets meer, dan
+hetgene Herodotus Lib. v. c. 16 van de Paeonen schrijft. Alleen vond
+men eene spoor in een der tafereelen op de zuil van Trajanus, waarin de
+verwoesting van een paaldorp in Dacie is afgebeeld. Dubbel belangrijk
+is het daarom uit het geschrift van Apollonia te vernemen, dat zij als
+burgtmaagd (omstreeks 540 v. Chr.) eene reis langs den Rijn gedaan,
+Switserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners (Marsaten)
+heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op palen gebouwde
+woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze. Zij vermeldt, dat
+die Marsaten van vischvangst en jacht leven, en de huiden van het wild
+bereiden met de schors van berkenboomen, om die pelterij te verkoopen
+aan de Rijnschippers, die ze verder in den handel brengen. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e608" href="#xd0e608">XXX</a>]</span></p>
+
+<p>Dit bericht omtrent de paalwoningen in de meeren van Switserland kan
+niet geschreven zijn, dan in een tijd toen die paaldorpen nog bestonden
+en bewoond werden.</p>
+
+<p>In het tweede gedeelte van het Handschrift wordt door Koner&ecirc;d
+oera Linda vermeld, dat Adel de zoon van Friso (&plusmn; 260 j. v.
+Chr.) met zijne vrouw Ifkja ook die paaldorpen in Switserland bezocht
+heeft, &raquo;fon Walhallag&acirc;ra br&ucirc;don hja alingen
+th&ecirc;ra s&ucirc;der Hr&ecirc;num al-ont hja mith gr&acirc;te
+fr&ecirc;se boppa th&ecirc;re R&ecirc;ne by tha M&acirc;rs&acirc;ta
+k&ecirc;mon, hw&ecirc;rfon vsa Apoll&ocirc;nja skr&ecirc;ven heth. Tha
+hja th&ecirc;r en st&ucirc;t w&ecirc;st h&ecirc;de, gvngon hja wither
+n&ecirc;i tha delta.&rdquo;</p>
+
+<p>Later als dit bericht komt bij geen schrijver ergens eenige
+vermelding van die paalwoningen voor en is die zaak gedurende twintig
+eeuwen volkomen onbekend gebleven, totdat in den jare 1853, bij
+buitengewoon lagen waterstand, overblijfselen van zulke woningen
+ontdekt zijn. Daarom heeft niemand zulk een bericht in lateren tijd
+kunnen verzinnen.</p>
+
+<p>Hoewel een groot gedeelte van het eerste stuk, het Boek van Adela,
+geheel valt in het Mythologisch Tijdvak v&oacute;&oacute;r den
+Trojaanschen oorlog, is hier in de verhalen een groot verschil met de
+Grieksche Mythen in het oogloopend. De Mythen kennen geene
+tijdsbepaling, veel min eene geregelde tijdrekening. Bij de Mythen
+bestaat geen inwendige zamenhang of consequentie. De vrije verdichting
+ontwikkelt zich in iedere sage afzonderlijk en onafhankelijk. De
+Mythologische verhalen weerspreken elkander bijna op ieder punt. <i
+lang="fr">Les Mythes ne se tiennnent pas</i> is de eenige sleutel op de
+Grieksche Mythologie<span class="corr" id="xd0e620" title="Niet in
+bron">.</span></p>
+
+<p>Hier daarentegen ontmoeten wij eene geregelde jaartelling uitgaande
+van een vast punt, het vergaan van Atland (2193 voor Chr.) De verhalen,
+natuurlijk, eenvoudig, vaak na&iuml;f, weerspreken elkander nimmer, en
+zijn altijd met elkander bestaanbaar, ook in plaats en tijd. Als b. v.
+de komst en het verblijf van Ulysses bij de Burgtmaagd Kalip op
+Walhallagara <span class="pagenum">[<a id="xd0e625" href=
+"#xd0e625">XXXI</a>]</span>(Walcheren), &rsquo;t gene wel het meest
+sagenhafte stuk is van allen, hier gesteld is op 1005 jaren nadat
+Atland verzonken is, dan komt dat uit op 1188 jaren voor Chr. en dus
+vrij nabij overeen met den tijd, waarin de Grieken meenen, dat de
+Trojaansche oorlog heeft plaats gehad. Die Ulysses-sage is hier niet
+door de Romeinen aangebracht. Tacitus vond ze reeds in Neder Germanie
+(zie Germania cap. 3) en zegt er bij, dat te Asciburgium een altaar
+was, waarop de naam van Ulysses en die van zijn vader La&euml;rtes
+gelezen werd.</p>
+
+<p>Een ander kenmerkend onderscheid bestaat daarin, dat de Mythe geene
+herkomst kent, voor hare verhalen nooit berichtgevers of schrijvers
+noemt, en dus nimmer eenig gezag weet aan te voeren. In Adelas boek
+daarentegen wordt bij ieder verhaal opgegeven, waar het gevonden of
+waaruit het ontleend is, b. v. dit is uit Minno&rsquo;s schriften, dit
+is aan de Wanden der Waraburch gegrift, dit aan de Fryas burch, dit te
+Stavia, dit op Walhallagara.</p>
+
+<p>En dan is er nog iets. Wetten, geregelde wetgevingen, gelijk zij in
+Adelas boek in vrij grooten getale voorkomen, zijn in de Mythologie
+eene onbekende en met haar wezen onvereenigbare zaak. Zelfs als de
+Mythe aan Minos toeschrijft de invoering van eene wetgeving op Kreta,
+dan weet zij van die wetgeving zelve niet het geringste te berichten.
+Ook in de Mythische godenwereld bestaat geene wetgeving, de eenige wet
+is daar het onveranderlijke Noodlot, of de wil van den oppermachtigen
+Zeus.</p>
+
+<p>Ten opzichte van de Mythologie is dit geschrift, dat zelf geen
+mythisch karakter draagt, niet minder merkwaardig dan voor de
+geschiedenis. Ondanks de vele en velerlei betrekkingen met Denemarken,
+Zweden (Sk&ecirc;nland = Schonen) en Noorwegen (Northland), vindt men
+hier geene sporen van bekendheid met de Noordsche of Scandinavische
+mythologie. Alleen schijnt Wodan hier voor te komen als Wodin, een
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e633" href=
+"#xd0e633">XXXII</a>]</span>Friesch heerman, die door een Magy, koning
+der Finnen, tot schoonzoon aangenomen en na zijn dood vergood is.</p>
+
+<p>De Friesche godenleer of liever godsdienst, is hoogst eenvoudig en
+zuiver Monotheisme. Wralda of Wralda&rsquo;s geest is het eenige,
+eeuwige, onveranderlijke, volmaakte en almachtige wezen. Wralda heeft
+alle dingen geschapen; alles komt uit hem voort, eerst de aanvang, dan
+de tijd, en vervolgens Irtha, de Aarde. Irtha baart drie dochters Lyda,
+Finda en Frya, de stammoeders van de drie menschenrassen, het zwarte,
+het geele en het blanke (Afrika, Asia en Europa). Als zoodanig is Frya
+de moeder van Frya&rsquo;s volk, de Friezen. Zij is de
+vertegenwoordigster van Wralda en wordt als zoodanig vereerd. Frya
+heeft hare <i>tex</i> gegeven, de eerste wet, en de eeredienst
+ingesteld van het eeuwige licht. Die dienst bestaat in het onderhouden
+van de altijd brandende lamp, foddik, door priesteressen, maagden; aan
+het hoofd dier maagden staat op alle burgten eene Burgtmaagd; de
+opperste van alle Burgtmaagden, is de Eeremoeder op de Fryasburgt op
+Texland. De Eeremoeder heerscht over het geheele land; de Koningen
+mogen niets doen, er mag niets geschieden, buiten hare raad en
+goedkeuring. De eerste Eeremoeder is door Frya zelve aangesteld, zij
+heette F&aring;sta. Met &eacute;&eacute;n woord, wij ontmoeten hier de
+prototype van de Romeinsche Vestadienst en de Vestaalsche maagden.</p>
+
+<p>Men denke hierbij aan Velleda (Welda) en Aurinia bij Tacitus Germ. 8
+Hist. IV. 61. 65. V. 22. 24. Annal. I. 51 en Gauna de opvolgster van
+Velleda bij Dio Cassius fragm. 49.</p>
+
+<p>Van de burgt van Velleda spreekt Tacitus als eene <i lang="la">edita
+turris</i>; Verg. hier bl. 146. Zij was de burgt Mannagarda forda
+(Munster). In het land der Marsi noemt hij deze burgt Templum Tanfane
+(Tanfanc) zoo genoemd naar het teeken van het Juul. Zie <a href=
+"#plaat1">plaat I</a>.</p>
+
+<p>De laatste dier burgten is de F&aring;staburgt op Ameland geweest,
+templum Foste, volgens Occa Scarlensis verwoest in het jaar 806. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e652" href="#xd0e652">XXXIII</a>]</span></p>
+
+<p>Ontmoeten wij hier bij de Friezen een Godsbegrip en godsdienstige
+denkbeelden, geheel verschillende van de mythologien bij andere volken,
+nog onverwachter komen ons hier zaken voor, die in het nauwste verband
+staan met de Grieksch-Romeinsche Mythologie en wel met de herkomst van
+twee godheden van den eersten rang, Minerva en Neptunus. Min erva
+(Ath&eacute;n&egrave;), is oorspronkelijk eene burgtmaagd, priesteres
+van Frya op de burgt Walhallagara, Middelburg, of Domburg, op
+Walcheren. En deze zelfde Min erva is tevens die geheimzinnige,
+raadselachtige godin, van welker vereering bijna geene sporen zijn
+overgebleven, dan alleen op Walcheren in de votivsteenen te Domburg,
+Nehalennia<a class="noteref" id="xd0e655src" href="#xd0e655">3</a>, van
+welke geene mythologie iets naders weet dan enkel den naam, waarvan de
+etymologie zich heeft meester gemaakt tot het uitvinden van allerlei
+fantastische afleidingen.</p>
+
+<p>De andere, Neptunus, bij de Etruriers Nethunus, de God van de <span
+class="corr" id="xd0e672" title="Bron: Middelandsche">
+Middellandsche</span> zee, blijkt hier bij zijn leven een Friesche
+Viking, zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga
+(Ouddorp niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Teunis, in de wandeling
+bij zijne manschappen Neef Teunis genoemd, die vooral de Middellandsche
+zee tot het doel en tooneel zijner tochten gekozen had, en door de
+Tyriers vergood zoude zijn, in den tijd toen de Phenicische zeevaart
+zich aanmerkelijk begon uit te breiden en naar Friesland stevende, om
+hier Britsch tin, Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balda (Baltische)
+zee te halen, omstreeks 2000 jaren v. Chr.</p>
+
+<p>Behalve dit tweetal ontmoeten wij nog een derde Mythologisch
+persoon, Minos, de wetgever van Kreta, die alsmede verschijnt als een
+Friesche zeekoning Minno, geboren te Lindaoord tusschen Wieringen en
+Kreyl, die aan de Kreters <span class="pagenum">[<a id="xd0e677" href=
+"#xd0e677">XXXIV</a>]</span>een Asegaboek heeft medegedeeld. Namelijk
+die Minos, die met zijn broeder Rhadamanthus en Aeakus als rechter in
+de onderwereld over het lot der schimmen beslist. Niet te verwarren met
+den lateren Minos, den tijdgenoot van Aegeus en Theseus, die voorkomt
+in de Atheensche sage.</p>
+
+<p>Bij deze voorstelling kan misschien iemand zijn lachen niet
+bedwingen, en kaatst hij mij het straks gebezigde woord fantastisch
+terug met dat van avontuurlijk. Ook ik kon eerst mijne oogen niet
+gelooven, en toch ben ik bij nadere overweging gekomen tot de
+ontdekking van verrassende overeenkomsten, die de zaak vrij wat minder
+avontuurlijk maken, als de geboorte van Athene uit het hoofd van Zeus
+door een bijlslag van Hephaistos.&mdash;B. v.</p>
+
+<p>De Grieksche Mythologie kent van alle Goden eene jeugd, alleen
+Pallas heeft geene jeugd, zij is niet anders bekend dan als volwassen.
+Minerva komt als opperpriesteres uit den vreemde, uit een den
+Krekalanders onbekend land, in Attica. Pallas is eene maagdelijke
+godin, Minerva is eene burgtmaagd. De blonde, blaauwoogige Pallas
+onderscheidt zich door deze type van de overige goden en godinnen, als
+behoorende tot Fryas volk. De wijsheid van beide en de zinnebeeldige
+attributen zijn dezelfde, inzonderheid de uil. Pallas geeft aan de
+nieuwe stad haren naam Ath&egrave;nai, die overigens in &rsquo;t
+Grieksch geene beteekenis heeft: Minerva geeft aan de door haar
+gestichte burgt den naam Athene, die in het Friesch wel eene beteekenis
+heeft en te kennen geeft dat zij als vrienden <i>&acirc;then</i> daar
+gekomen zijn. Minerva komt in Attica omstreeks 1600 jaren voor Chr. in
+het tijdperk, waarin zich de Grieksche godenleer begint te vormen.
+Minerva is met de vloot van Jon aan het hoofd van eene kolonie in
+Attica geland; op Walcheren vindt men haar in later tijd blijkens de
+Romeinsche votivsteenen onder den naam Nehalennia vereerd als eene
+godin van de scheepvaart; en bij de Atheners is Pallas de beschermgodin
+van scheepsbouw en zeevaart. <span class="pagenum">[<a id="xd0e686"
+href="#xd0e686">XXXV</a>]</span></p>
+
+<p>De Tijd is de Kroder, de kruijer, die eeuwig met het <i>jol</i>, het
+wiel, moet rondloopen, en voeren de zon langs hare baan door het
+stergewelf van winter-zonnestand tot winter-zonnestand. Zoo vormt hij
+de jaren, waarbij elke omwenteling van het wiel een dag uitmaakt. Te
+midwinter wordt het Jolfeest gevierd op Fryasdag. Dan worden koeken
+gebakken in den vorm van het zonnerad, want van dat Jol heeft Fryas de
+letters gemaakt, toen zij hare Tex schreef, en het Jolfeest is daarom
+ook een feest ter eere van Frya als uitvindster van het
+letterschrift.</p>
+
+<p>Even zoo als dit Jolfeest in Denemarken en geheel Duitschland door
+de Christenheid op &rsquo;t Kerstfeest en in ons land op St.
+Nikolaasdag verplaatst is, even zoo zeker zijn onze St. Nikolaaspoppen,
+de vrijster en de vrijer, eene herinnering aan Frya, en onze St.
+Nikolaas (banket) letters eene gedachtenis aan Fryas van het Zonnerad
+gevormd letterschrift.</p>
+
+<p>Ik kan niet den geheelen inhoud van dit merkwaardige geschrift
+ontleden en moet mij vergenoegen met de gemaakte opmerkingen. Zij mogen
+eenig denkbeeld geven van den rijkdom en belangrijkheid van dien
+inhoud. Want al loopen er Sagen onder, ook als Sagen moeten zij waarde
+hebben voor ons, dewijl van den Sagenschat van ons voorgeslacht zoo
+goed als niets was overgebleven.</p>
+
+<p>Een inwendig bewijs voor de oudheid van deze geschriften ligt ook
+daarin, dat de naam Batavieren er nog niet in voorkomt. De inwoners van
+het geheele land tot aan de Schelde zijn Fryas volk, Friezen. De
+Batavieren zijn niet een afzonderlijk volk geweest. De naam Batavi is
+eene uitvinding van de Romeinen, die dezen naam gegeven hebben aan de
+bewoners van het land ter weerzijde van de Waal, welke rivier op de
+Tabula Peutingeriana den naam Patabus draagt. Die naam Batavi komt ook
+niet vroeger voor dan bij Tacitus en Plinius, want de bekende plaats
+bij Caesar B. G. IV. 10, is geinterpoleerd. Zie mijne verhandeling over
+den loop der <span class="pagenum">[<a id="xd0e698" href=
+"#xd0e698">XXXVI</a>]</span>rivieren door het land der Friesen en
+Batavieren bl. 49 in de Vrije Fries, IV Deel 1e Stuk, 1845.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Met nog eene opmerking betreffende de taal wil ik eindigen.</p>
+
+<p>Zij die nog slechts eene oppervlakkige inzage van het H. S. hebben
+kunnen nemen, zijn getroffen door de beschaafdheid van de taal en de
+overeenkomst met het tegenwoordige Friesch en Hollandsch. Hierin meenen
+zij een grond te zien voor twijfel aan de oudheid van het
+geschrift.</p>
+
+<p>Maar ik vraag: is dan de taal van Homerus veel minder beschaafd dan
+die van Plato of Demosthenes? en leeft niet het grootste deel van den
+Homerischen woordenschat nog voort in het Grieksch van onze dagen?</p>
+
+<p>Het is waar, eene taal beweegt zich altijd, en is steeds aan kleine
+veranderingen onderhevig, waardoor men verschil vindt bij dezelfde taal
+in onderscheidene tijdperken. Deze wisseling van de taal geeft juist in
+dit H. S. stof tot belangrijke opmerkingen voor den taalbeoefenaar.
+Want niet alleen, dat van de acht schrijfsters en schrijvers, die
+achtereenvolgende aan dit boek gewerkt hebben, ieder zich kenmerkt door
+kleine eigenaardigheden in stijl, taal en spelling; maar vooral
+tusschen de beide afdeelingen van het boek, waar tusschen een
+tijdverloop van meer dan twee eeuwen ligt, is een in het oog vallend
+verschil aanwezig, dat aantoont, welk een langzaam voortgaande
+wijziging de taal in dat bestek ondervonden heeft.</p>
+
+<p>Als slotsom van deze beschouwingen kom ik tot het besluit, dat ik
+geene reden vinden kan, om aan de echtheid van dit geschrift te
+twijfelen. Verdichting kan het niet zijn. In de eerste plaats het
+afschrift van 1256 kan het niet zijn. Wie had in dien tijd zoo iets
+kunnen verdichten? Zeker niemand, en vroeger nog veel minder. In
+lateren tijd is eene verdichting evenzeer onmogelijk, om de eenvoudige
+reden, dat niemand meer die taal machtig was. Buiten de namen van Rask,
+Richthofen en Hettema, is er geen te noemen, die <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e712" href="#xd0e712">XXXVII</a>]</span>als taalkundige in
+dit vak bekend is geweest, of de taal zoo bestudeerd heeft, dat hij
+daar in schrijven kon. En al kon iemand zulks, dan stond hem nog geen
+ruimer woordenschat ten dienste, dan de beperkte voorraad, dien de O.
+F. Wetten aanboden. Daarom is in de laatstverloopen eeuwen de
+vervaardiging van dit geschrift eene onmogelijkheid geweest. Wie dit in
+twijfel wil trekken, beginne met aan te toonen, waar, wanneer, door
+wien en waartoe zulk eene vervalsching had kunnen gepleegd worden, en
+wijze uit lateren tijd de weergade aan van dit papier, dit schrift en
+deze taal.</p>
+
+<p>Dat het H. S. van 1256 bovendien geen <span class="corr" id=
+"xd0e716" title="Bron: orgineel">origineel</span>, maar eene kopie is,
+bewijzen zoowel gedurige schrijffouten, als enkele ophelderingen van
+woorden, die in des afschrijvers tijd reeds verouderd en weinig meer
+bekend waren; b. v. bl. 82 (114) to th&ecirc;ra <i>fl&ecirc;te</i>
+jeftha <i>bedrum</i>; op bl. 151 (204) <i>bargum</i> jefta <i>
+tonnum</i> fon tha besta bjar.</p>
+
+<p>Nog sterker bewijs is, dat tusschen bladzijde 157 en 158 een of meer
+bladen ontbroken hebben, die uit dit H. S. niet hebben kunnen verloren
+gaan, omdat bl. 167 en 168 (212&ndash;214) de paginas recta en versa
+zijn van hetzelfde blad.</p>
+
+<p>Bl. 157 eindigt: Drie maanden daarna zond Adel boden naar alle
+vrienden, die hij gewonnen had, en liet hen bidden, dat zij in de
+Minnemaand verstandige lieden tot hem zouden zenden.</p>
+
+<p>Keert men nu het blad om, dan begint de keerzijde: zijne vrouw,
+zeide hij, die maagd geweest was te Texland, had daarvan een afschrift
+gekregen.</p>
+
+<p>Daar tusschen is geen zamenhang. Voor het minst ontbreekt er: de
+komst dier genoodigden, en het verhaal van hetgene bij die zamenkomst
+is voorgevallen. De afschrijver moet dus in het door hem gevolgde
+exemplaar twee bladen in plaats van een hebben omgeslagen. Er bestond
+dus een vroeger exemplaar, en wel dat in den jare 803 door Liko oera
+Linda was geschreven. <span class="pagenum">[<a id="xd0e739" href=
+"#xd0e739">XXXVIII</a>]</span></p>
+
+<p>Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift, waarvan het eerste
+gedeelte is opgesteld in de zesde eeuw voor onze jaartelling, het
+oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europesche
+letterkunde ontmoeten. En daar vinden wij in ons vaderland eene
+eeuwenoude bevolking, in &rsquo;t bezit van eene ontwikkeling,
+beschaving, nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere
+verhevene Godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden
+hebben gehad. In onze voorstelling reikten de geschiedkundige
+herinneringen van ons volk niet hooger, dan tot de komst van Friso, den
+vermeenden stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die
+herinneringen opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor Christus,
+en in hoogen ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Isra&euml;l
+evenaren.</p>
+
+<div class="div2" id="xd0e744">
+<h3 class="normal">Bijlage tot Pag. XX.</h3>
+
+<p>Vergelijkende Taalproeve van de oud Friesche Wetten en de taal van
+het Handschrift.</p>
+
+<div class="table">
+<table>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">
+<div class="blockquote" lang="fy">
+<p>Dyo forme need is: hweerso en kynd jongh is finsen ende fitered
+noerd wr hef, jefta (sud) wr birgh. Soe moet die moder her kindes eerwe
+setta ende sella ende her kynd lesa ende des lives bihelpa.</p>
+
+<p>Dioe oder need is: jef da jere diore wirdat, ende di heta honger wr
+dat land faert, ende dat kynd honger stere wil, so moet dio moder her
+kindes eerwe setta ende sella ende capia her bern ky ende ey ende coern
+deerma da kinde des lives mede helpe.</p>
+
+<p>Dyo tredde need is: Als dat kind is al stocnaken, jefta huus laes,
+ende dan di tiuestera nevil ende calde winter oen comt sa faert
+allermanick oen syn hof ende oen sin huis ende an waranne gaten, ende
+da wiilda dier seket diin holla baem ende der birgha hlii, aldeer hit
+siin liif oen bihalda mey. Soe weinet ende scryt dat onieriga kind ende
+wyst dan syn nakena lyae ende syn huuslaes, ende syn fader deer him
+reda schuld, to ienst dyn honger ende winter nevil cald, dat hi so
+diepe ende dimme mitta fiower neylen is onder eke ende onder da eerda
+bisloten ende bitacht, so moet dio moder her kindes eerwe setta ende
+sella omdat hio da bahield habbe ende biwaer also lang so hit onierich
+is, dat hit oen forste ner oen honger naet forfare.</p>
+
+<p lang="nl">Anjumer druk e.i.i..</p>
+
+<p>(1466.)</p>
+</div>
+</td>
+<td valign="top">
+<div class="blockquote" lang="fy">
+<p>Thju forma n&ecirc;d is: S&acirc;hwersa en b&aring;rn jvng is fensen
+&aring;nd f&ecirc;terad northward vr-et hef jeftha s&ucirc;dward vr tha
+berga, sa &acirc;ch thju m&aring;m hjara b&aring;rns erva to settande
+&aring;nd to seljande &aring;nde hjra b&aring;rn to l&ecirc;sane
+&aring;nd thes lives to bihelpane.</p>
+
+<p>Thju &ocirc;thera n&ecirc;d is: jef tha j&ecirc;ra djura
+w&aring;rthat &aring;nd thi h&ecirc;te hvnger wr thet l&acirc;nd
+f&acirc;rth &aring;nd th&aring;t b&aring;rn sterva wil, sa mot thju
+m&aring;m hjara b&aring;rns erva setta &aring;nd selja &aring;nd
+k&acirc;pja hiri b&aring;rne ky &aring;nd sk&ecirc;p &aring;nd
+k&ecirc;ren th&ecirc;r mitha m&aring;n thet b&aring;rn thes lives
+bihelpe.</p>
+
+<p>Thju tredde n&ecirc;d is: s&acirc;hwersa th&aring;t b&aring;rn is
+stokn&acirc;ked jefta h&ucirc;sl&acirc;s &aring;nd then thi tjustera
+n&ecirc;vil &aring;nd kalda winter ankvmth, sa f&acirc;rth allera
+m&aring;nnalik an sin hof &aring;nd an sin hus &aring;nd an
+w&acirc;rande g&acirc;ta, &aring;nd thet wilde kwik sykath thene hola
+b&acirc;m &aring;nd th&ecirc;re berga hly th&ecirc;r-it sin lif an
+bihalda m&ecirc;i, sa w&ecirc;nath &aring;nd krytath th&aring;t
+vnj&ecirc;rich b&aring;rn &aring;nd wyst then sin n&acirc;keda litha
+&aring;nd siu h&ucirc;sl&acirc;s-s&acirc; &aring;nd sin t&acirc;t
+th&ecirc;r him hr&ecirc;da skolde tojenst tha hvnger &aring;nd tha
+kalda winter n&ecirc;vil, that hi sa djap &aring;nd dimme mith fjuwer
+n&ecirc;ilum vndera &ecirc;ke &aring;nd vnder tha irtha bisletten
+&aring;nd bidobben is, sa mot thju m&aring;m hjara b&aring;rns erva
+setta and selja vmbe that hju tha bihield h&aring;ve &aring;nd tha
+w&acirc;ringa al sa long sa hit vnj&ecirc;rich sy, til thju-t hor an
+forst ner an hvnger navt vmkvma ne m&ecirc;i.</p>
+
+<p>Vertaald door J. G. O.</p>
+</div>
+</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e403src" id="xd0e403">1</a></span> Als verslag voorgelezen in eene
+vergadering van het Friesch Genootschap Februarij 1871 en bij deze
+uitgave onveranderd gelaten.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e444src" id="xd0e444">2</a></span> Verg. G. Meerman, <span lang=
+"la">Admonitio de Chartae nostratis origine</span>. Vad. Letteroef.
+1762. bl. 630.</p>
+
+<p class="footnote">Mr. J. H. de Stoppelaar, Het papier in de
+Nederlanden, Middelburg, 1869. bl. 4.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e655src" id="xd0e655">3</a></span> Min-erva werd Nyhellenia
+genoemd, omdat hare raadgevingen <i>ny</i> en <i>hel</i>, nieuw en
+helder waren. Desgelijks heet het in Pauli Epitome van S. Pomponius
+Festus de verborum Significatione, Min-erva dicta quod <i>bene
+moneat</i>.</p>
+
+<p class="footnote">Zie Preller, Rom. Myth. p. 258.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e778" href="#xd0e778">1</a>]</span>
+<div class="body">
+<div class="div0" id="xd0e780">
+<h2 class="normal">Adela.</h2>
+
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e783" href="#xd0e783">3</a>]</span>
+<div id="xd0e784" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Okke mijn zoon.</h2>
+
+<p>Deze boeken moet gij met lijf en ziel bewaren, zij bevatten de
+geschiedenis van ons geheele volk, en ook van onze voorvaderen.
+Verleden jaar heb ik die uit den vloed gered tegelijk met u en met uwe
+moeder. Doch zij waren nat geworden, daardoor gingen zij naderhand
+bederven. Om ze niet te verliezen, heb ik ze op overlandsch papier
+overgeschreven. Bijaldien gij ze erft, moet gij ze ook overschrijven.
+Uwe kinderen desgelijks, opdat zij nimmer verloren gaan. Geschreven te
+Liuwert, nadat Atland verzonken is, het drie duizend vier honderd negen
+en veertigste jaar, dat is naar de Christen-rekening het twaalf honderd
+zes en vijftigste jaar, Hiddo bijgenaamd Over de Linde. Waak.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Lieve erfgenamen, om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve
+vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de oogen van een
+monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete
+woorden, maar zij tornen ongemerkt, aan alles wat ons Fries betreft. Om
+rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze
+weten dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden
+toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten
+zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig
+is van onze oude zeden. Och lieve, ik ben bij hen aan het hof geweest;
+wil Wralda het gehengen, en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij
+ons altegader verdelgen. Geschreven te Liudwert, acht honderd en drie
+jaar, na de Christen meening. Liko bijgenaamd Over de Linde. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e793" href="#xd0e793">5</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e795" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het boek van Adela&rsquo;s aanhangers.</h2>
+
+<p>Dertig jaren na den dag, waarop de volksmoeder omgebracht was, door
+den overste Magy, stond het er erg aan toe. Alle Staten, die er liggen
+aan de andere zijde der Weser, waren van ons afgescheurd en onder het
+geweld des Magy gekomen; en het stond te vreezen, dat hij geweldig
+zoude worden over het geheele land. Om dat ongeluk te weeren, had men
+eene algemeene volksvergadering belegd, alwaar vergaderd waren alle
+manspersonen, die in een goeden roep stonden bij de maagden
+(priesteressen). Doch nadat er meer verloopen waren dan drie etmalen,
+was de geheele Go-raad in de war, en alles even als bij hunne komst.
+Toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak: Gij allen weet, dat
+ik drie jaren burgtmaagd geweest ben; ook weet gij, dat ik gekozen ben
+tot volksmoeder en dat ik niet volksmoeder wezen wilde, omdat ik Apol
+tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet, dat is, dat ik
+alle gebeurtenissen nagegaan heb, evenals of ik een wezenlijke
+volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weder gereisd,
+toeziende wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veele zaken openbaar
+geworden, die anderen niet weten. Gij hebt gisteren gezegd, dat onze
+stamverwanten aan de andere zijde der Wezer tam en laf waren; doch ik
+mag tot u zeggen, dat de Magy hun niet &eacute;&eacute;n dorp
+afgewonnen heeft door het geweld zijner wapenen, maar bloot door
+arglistige ranken en nog meer door de hebzucht der hertogen en
+edelingen. Frya heeft gezegd: wij moesten geene onvrije lieden bij ons
+toelaten; doch wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden
+nagevolgd; want in plaats van hunne gevangenen te dooden of vrij te
+laten, hebben zij Fryas raad veracht en hen tot hunne slaven gemaakt.
+Omdat zij zulks deden, had Frya geene lust meer langer over hen te
+waken; zij hebben eens anders vrijheid benomen, en dat is oorzaak, dat
+zij hunne <span class="pagenum">[<a id="xd0e803" href=
+"#xd0e803">7</a>]</span>eigene verloren hebben. Doch dat alles is u
+zelven ook bekend; maar ik wil tot u zeggen, hoe zij allengs zoo laag
+verzeild zijn. De vrouwen der Finnen kregen kinderen; deze groeiden op
+met onze vrije kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij te zamen op
+het hiem, of zij waren met elkander bij den haard. Daar hoorden zij met
+welgevallen naar de losbandige sagen der Finnen, omdat die slecht en
+nieuw waren. Zoo zijn zij ontfriesd ondanks de macht hunner ouders.
+Toen de kinderen groot werden en zagen dat de kinderen der Finnen geene
+wapenen mochten hanteeren en slechts moesten werken, kregen zij van het
+werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De meesters en hunne
+kloekste zoonen kropen bij de wulpsche meisjes der Finnen; en hunne
+eigene dochteren, door het slechte voorbeeld van den weg gebracht,
+lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, ten spot van
+hare verdorvene ouders. Toen de Magy dat in de neus kreeg, toen nam hij
+de schoonste zijner Finnen en Magyaren, en beloofde hun roode koeijen
+met gouden hoornen, zoo zij zich door ons volk lieten gevangen nemen,
+ten einde zijne leer te verbreiden. Maar zijne lieden deden meer;
+kinderen werden te zoek gemaakt, naar de bovenlanden weggevoerd, en
+nadat zij opgevoed waren in zijne verderfelijke leer, dan werden zij
+terug gezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren, klampten
+zij de Hertogen en Edelingen aan boord en zeiden, dat zij den Magy
+onderhoorig moesten worden, dan konden hunne zoonen hen opvolgen zonder
+door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om hunne goede daden een
+v&oacute;&oacute;rdeel tot hun huis gekregen hadden, beloofden zij van
+zijnentwege ook nog een achterdeel er bij; zulken die een voor- en
+achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe; en die een
+ronddeel hadden eene geheele State. Waren de ouders te hard
+Fryasgezind, dan wenden zij den boeg en hielden aan op hunne
+verbasterde zoonen. Gisteren waren er onder u, die al het volk te hoop
+roepen wilden <span class="pagenum">[<a id="xd0e805" href=
+"#xd0e805">9</a>]</span>om de oostelijke Staten weder tot hare plicht
+te dwingen. Doch naar mijne eenvoudige meening zou dat verkeerd
+uitkomen. Denk eens, daar was er eene hevige longziekte onder het vee,
+en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen om uw
+gezonde vee te voeren onder hun ziek vee? Immers neen. Bijaldien nu
+iedereen beamen en toestemmen moet, dat het dan met de (vee)stapel erg
+afloopen zoude; wie zoude dan zoo onvoorzichtig wezen om zijne kinderen
+te wagen onder een volk, dat geheel en al verdorven is?</p>
+
+<p>Mocht ik u een raad geven, ik zoude tot u zeggen, gij moest voor
+alle dingen eene nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel dat gij
+daarmede aan den grond zit, uithoofde dat er van de dertien
+burgtmaagden, die wij nog overig hebben, wel acht zijn, die naar die
+eere dingen, maar daar zoude ik geen acht op slaan. Teuntia, die maagd
+is op de burgt <span class="corr" id="xd0e809" title="Bron: Medeablik">
+Medeasblik</span>, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand
+van wetenschap en helder inzicht en wel zoo sterk op haar volk en onze
+gewoonten gesteld, als alle andere te zamen. Voorts zoude ik aanraden,
+gij moest naar de burgten gaan en daar opschrijven alle wetten van
+Fryas tex, benevens alle geschiedenissen, ja alles wat er te vinden is
+op de wanden, opdat die alle niet verloren gaan, en met de burgten
+tevens niet worde vernield. Daar staat geschreven: De moeder en elke
+burgtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden, eenentwintig maagden
+en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bijvoegen, dan zoude ik
+schrijven, en alzoo veele eerzame dochteren om te leeren, als daar op
+de burgten wezen mogen. Want ik zeg in trouwe en de tijd zal het
+bevestigen, bijaldien gij echte Fryas kinderen wilt zijn, nimmer te
+overwinnen noch door list noch door wapenen, zoo behoort gij er voor te
+waken, dat uwe dochters echte Fryas vrouwen worden. Den kinderen moet
+men leeren, hoe groot ons land weleer geweest is, hoe groote mannen
+onze voorvaderen waren, hoe groot wij nog zijn, zoo wij ons neder
+liggen <span class="pagenum">[<a id="xd0e812" href=
+"#xd0e812">11</a>]</span>(vergelijken) bij anderen: men moet hun
+vertellen van de zeehelden en van hunne heldhaftige daden, ook over de
+verre zeetochten. Alle deze verhalen behooren gedaan te worden bij den
+haard, op het hiem, en waar het wezen moge, zoo in blijdschap, als bij
+tranen. Maar zal het standhoudend komen in het brein en in het hart,
+dan moeten alle leeringen over de lippen uwer vrouwen en dochteren
+daarin vloeijen. Adelas raad is opgevolgd.</p>
+
+<p>Deze zijn de grevetmannen onder wier bestuur dit boek is
+vervaardigd.</p>
+
+<p>Apol, Adelas man, driewerf is hij zeekoning geweest, nu is hij
+grevetman over Oostflyland en over de Lindeoorden, de burgten
+Liudgarda, Lindahem en Stavia zijn onder zijne hoede.</p>
+
+<p>De Saxman Storo, Sytias man, grevetman over de Hoogefennen en
+Wouden, negenwerf is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen; de
+burgten Buda en Manna-garda-forda zijn onder zijne hoede.</p>
+
+<p>Abelo, Jaltias man, grevetman over de Zuiderflylanden, driewerf is
+hij heerman geweest, de burgten Aken, Liudburg en Katsburg zijn onder
+zijne hoede.</p>
+
+<p>Enoch, Dywekes man, grevetman over Westflyland en Texel, negenmaal
+is hij tot zeekoning gekozen, Waraburg, Medeasblik, Forana en Fryasburg
+zijn onder zijne hoede.</p>
+
+<p>Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, vijf
+maal is hij zeekoning geweest, de burgt Walhallagara is onder zijne
+hoede.</p>
+
+<p>Dit stond op de wanden der Fryasburg te Texland geschreven, dat
+staat ook te Stavia, ook te Medeasblik.</p>
+
+<p>Het was Fryasdag en te dier tijd was het zeven maal zeven jaren
+geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder, naar Fryas begeerte.
+De burgt Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen. Nu zoude
+Festa hare nieuwe lamp opsteken, en toen dat gedaan was in
+tegenwoordigheid <span class="pagenum">[<a id="xd0e830" href=
+"#xd0e830">13</a>]</span>van het volk, toen riep Frya van hare
+waakstar, zoodat iedereen het hooren konde: Festa neem uwe stift en
+schrijf de dingen, die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzoo als haar
+geboden was. Zoo zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis
+gekomen.</p>
+
+<p>Dit is onze vroegste geschiedenis.</p>
+
+<p>Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte den aanvang, alsdan kwam
+de tijd, de tijd wrochte alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde
+alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het booze
+gedierte. Alles wat goed en liefelijk is, bragt zij bij dag voort, en
+alles wat boos en kwaad is, bragt zij bij nacht voort. Na het twaalfde
+Juulfeest bragt zij voort drie maagden:</p>
+
+<p>Lyda uit gloeijende stof,</p>
+
+<p>Finda uit heete stof, en</p>
+
+<p>Frya uit warme stof.</p>
+
+<p>Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem,
+opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen
+waren, kregen zij vermaak en genoegen in de droomen van Wralda. Haat
+trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf
+dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle menschen
+gekomen.</p>
+
+<p>Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren
+fonkelden hare oogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig
+bij de hare.</p>
+
+<p>Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen hooren, en wanneer er
+visschen in het water waren, ontging dat hare neusgaten niet.</p>
+
+<p>Snelgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij
+liep brak geen bloemstengel onder hare voet.</p>
+
+<p>Geweldige Lyda. Hard was hare stem, en schreeuwde zij uit
+verbittering, dan liep ieder schielijk weg. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e852" href="#xd0e852">15</a>]</span></p>
+
+<p>Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; hare daden werden
+door hare driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de
+sterken, en wanneer zij dat gedaan had, weende zij bij het lijk.</p>
+
+<p>Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste
+stierf zij van hartseer over de boosheid harer kinderen.</p>
+
+<p>Onverstandige Kinderen. Zij betichteden elkander van hunne moeders
+dood, zij huilden als wolven en vochten evenzoo, en terwijl zij zoo
+deden, vraten de vogels aan het lijk. Wie mag daarbij zijne tranen
+weerhouden.</p>
+
+<p>Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard; een boom
+kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij wel
+tien.</p>
+
+<p>Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen
+gelijk zij, hare oogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een
+slaaf.</p>
+
+<p>Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er
+niet eene van op. Zij verfoeide de goeden wegens hunne vrijmoedigheid,
+maar aan flikflooisters gaf zij bijna haar zelve weg. Dat was haar
+ongeluk. Haar hoofd was te vol, doch haar hart te ijdel. Zij beminde
+niemand dan haar zelve, en zij wilde dat elk haar lief zoude
+hebben.</p>
+
+<p>Valsche Finda. Honingzoet waren hare woorden; doch wie haar
+vertrouwde, dien was ongeluk nabij.</p>
+
+<p>Zelfzuchtige Finda, Over allen wilde zij heerschen, en hare zoonen
+waren gelijk zij. Zij lieten zich bedienen van hunne zusteren, en
+elkander sloegen zij om het meesterschap dood.</p>
+
+<p>Dubbelhartige Finda. Om een schuins woord werd zij gram, en de
+ergste daden roerden haar niet. Zag zij een hagedis eene spin
+verslinden, dan werd zij om het hart als ijs; maar zag zij hare
+kinderen een Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e871" href="#xd0e871">17</a>]</span></p>
+
+<p>Ongelukkige Finda. Zij stierf in den bloeitijd van haar leven, en
+het is nog duister hoe zij gevallen is.</p>
+
+<p>Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij
+haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op, luid
+weenende om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet een
+eenige traan.</p>
+
+<p>Verfoeijelijk volk. De tex (inzetting), die Finda naliet, was op
+gouden bladen geschreven, doch de besten, waarvoor zij gemaakt was, was
+zij nimmer tot nut; de goede wetten werden uitgewischt en zelfzucht
+schreef daar slechte voor in de plaats. O Finda, toen werd de aarde vol
+bloed, en de hoofden der menschen maaiden uwe kinderen af gelijk
+grashalmen. Ja Finda, dat zijn de vruchten van uwe ijdelheid, zie neer
+van uwe waakstar en ween.</p>
+
+<p>Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw
+harer oogen won het de regenboog af.</p>
+
+<p>Schoone Frya. Als stralen der middagzon schitterden hare haarlokken,
+die zoo fijn waren als spinrag.</p>
+
+<p>Bekwame Frya. Ontsloten zich hare lippen, dan zwegen de vogelen en
+geen bladeren bewogen zich meer.</p>
+
+<p>Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor
+hare voeten neder, en hield de adder zijn gift terug.</p>
+
+<p>Reine Frya. Hare spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in
+de boesem der bloemen.</p>
+
+<p>Verstandige Frya. Het eerste wat zij hare kinderen leerde was
+zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij
+volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. Want,
+zeide zij, zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om u
+tot slaven te maken, uwe afkomst tot eene eeuwige schande.</p>
+
+<p>Milde Frya. Nimmer liet zij metaal uit de aarde delven om eigen
+voordeel, maar wanneer zij het deed, was het tot nut van iedereen.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e892" href=
+"#xd0e892">19</a>]</span></p>
+
+<p>Gelukkigste Frya. Gelijk de sterren de aarde omzwermen, zoo zwermden
+hare kinderen om haar.</p>
+
+<p>Wijze Frya. Toen zij hare kinderen had opgevoed tot in het zevende
+lid, toen riep zij ze alle naar Flyland te zamen. Daar gaf zij hun hare
+tex, en zeide laat die uw wegwijzer wezen, dan zal het u nimmer kwalijk
+gaan.</p>
+
+<p>Uitverkoren Frya. Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als
+Wraldas zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten neder, de
+lucht werd zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar
+hunne moeder omzagen, was zij al lang opgerezen tot hare waakstar. Toen
+ten laatste sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het
+luchtruim: waak!</p>
+
+<p>Verziende Frya. Het land van waar zij was opgevaren, was nu een
+stroom, en behalve hare tex was daarin alles bedolven, wat van hare
+handen gekomen was.</p>
+
+<p>Gehoorzame kinderen. Toen zij tot hun zelven kwamen, toen maakten
+zij dit hooge terp, bouwden deze burgt daarop, aan diens wanden
+schreven zij de tex, en omdat iedereen die zoude mogen vinden, hebben
+zij het land daarom heen Texland geheeten. Daarom zal het blijven
+bestaan, zoo lang de aarde aarde is.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e903" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Fryas Tex.</h2>
+
+<p>Heil verbeidt de vrijen. Ten laatste zullen zij mij weder zien. Doch
+hem alleen mag ik als vrij erkennen die geen slaaf is van een ander
+noch van zijne driften. Hier is mijn raad.</p>
+
+<p>1. Zoo wanneer de nood erg is, en goede raad en goede daad niets
+meer vermogen, roep dan den geest van Wralda aan; maar gij moet hem
+niet aanroepen, bevorens alle dingen beproefd zijn. Doch ik zeg u met
+redenen, en de tijd zal het waar maken: De moedeloozen zullen immer
+bezwijken onder hun eigen leed. <span class="pagenum">[<a id="xd0e910"
+href="#xd0e910">21</a>]</span></p>
+
+<p>2. Wraldas geest mag men alleen kniebuigende dank toewijden, ja
+driewerf, voor hetgene gij van hem genoten hebt, voor hetgene gij
+geniet en voor de hoop, die hij u laat in angstige tijden.</p>
+
+<p>3. Gij hebt gezien, hoe spoedig ik hulp verleende. Doe al eender met
+uwen naaste; maar en toef niet tot dat men u gebeden heeft; de lijdende
+zoude u vloeken, mijne maagden zouden uwen naam uitwisschen uit het
+boek en ik zoude u als een onbekende moeten afwijzen.</p>
+
+<p>4. Neem nimmer kniebuigende van uwen naaste dank aan, deze behoort
+aan Wraldas geest. De nijd zoude u bekruipen; de wijsheid zoude u
+belagchen; mijne maagden zouden u betigten van vaderroof.</p>
+
+<p>5. Vier dingen zijn tot uw genot gegeven, met name lucht, water,
+land en vuur; maar Wralda wil alleen daarvan bezitter wezen. Daarom
+raad ik u, gij zult u rechtvaardige mannen kiezen, die den arbeid en de
+vruchten naar recht verdeelen, zoodat niemand vrij van werken noch van
+verdedigen zij.</p>
+
+<p>6. Zoo wanneer daar iemand onder u gevonden wordt, die zijne eigene
+vrijheid verkoopt, die is niet van uw volk, hij is een bastaard met
+verbasterd bloed. Ik raad u, dat gij hem en zijne moeder uit het land
+drijft. Zeg dat tot uwe kinderen des morgens en des middags en des
+avonds, tot dat zij daar van droomen des nachts.</p>
+
+<p>7. Een iegelijk die een ander van zijne vrijheid berooft, al ware de
+ander hem schuldig, dien moet ik aan den leiband eener slavin laten
+voeren. Doch ik raad u om zijn lijk en dat zijner moeder op eene kale
+plaats te verbranden en daarna hunne asch vijftig voet onder den grond
+te begraven, opdat daar geen grashalm op groeijen moge, want zoodanig
+gras zoude uw kostelijkste vee dooden.</p>
+
+<p>8. Tast nooit aan het volk van Lyda, noch van Finda, omdat Wralda
+zoude hen helpen; zoodat al het geweld, dat van u uitging, op uw eigen
+hoofd zoude terugkeeren. <span class="pagenum">[<a id="xd0e925" href=
+"#xd0e925">23</a>]</span></p>
+
+<p>9. Zoo wanneer het mocht gebeuren, dat zij van u raadgeving of iets
+anders begeerden, zoo behoort gij hen te helpen. Maar komen zij om te
+rooven, val dan op hen neder als het bliksemende vuur.</p>
+
+<p>10. Zoo wanneer een van hun eene uwer dochteren tot vrouw begeert,
+en zij dat wil, dan zult gij haar hare dwaasheid beduiden, doch wil zij
+toch haren vrijer volgen, dat zij dan met vrede ga.</p>
+
+<p>11. Wil uw zoon eene van hunne dochteren, dan moet gij even zoo doen
+als met uwe dochter. Maar noch de een, noch de ander mag terugkeeren,
+want zij zouden uitheemsche zeden en gewoonten medevoeren, en zoodra
+deze bij u gehuldigd worden, mag ik niet langer over u waken.</p>
+
+<p>12. Op mijne dienares Fasta heb ik al mijne hoop gevestigd. Daarom
+moet gij haar tot uwe Eeremoeder nemen. Volgt gij mijn raad, dan zal
+zij namaals mijne dienares blijven en alle vrome maagden die haar
+volgen. Dan zal de lamp nimmer uitgaan, die ik voor u opgestoken heb.
+Het licht daarvan zal dan eeuwig uw brein verlichten, en gij zult dan
+even vrij blijven van onvrij geweld, als uwe zoete rivierwateren van
+het zoute water der eindelooze zee.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e934" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit heeft Fasta gezegd.</h2>
+
+<p>Alle inzettingen die eene eeuw, dat is honderd jaren, mogen omloopen
+met den Kroder (kruijer) en zijn Juul, die mogen op raad der Eeremoeder
+en bij gemeene wil op de wanden der burgten gegrift worden; zijn zij op
+de wanden geschreven, dan zijn zij wetten (ewa), en het is onze plicht
+om die alle in eere te houden. Komt nood en dwang ons inzettingen te
+geven, strijdende met onze wetten en gewoonten, zoo moet de mensch doen
+gelijk zij eischen; doch zijn zij geweken, dan moet men immer tot het
+oude terugkeeren. Dat is Fryas wil en dat moet wezen die van alle hare
+kinderen. <span class="pagenum">[<a id="xd0e939" href=
+"#xd0e939">25</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e941" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Fasta zeide</h2>
+
+<p>Alle dingen die men aanvangen wil, hoedanig zij mogen wezen, op den
+dag, waarop wij Frya gehuldigd hebben, zullen eeuwig falikant uitkomen.
+Nadat de tijd nu bewezen heeft, dat zij recht had, zoo is dat eene wet
+geworden, dat men zonder nood en dwang op Frya haren dag niets anders
+doen mag dan blijde feesten vieren.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e946" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit zijn de wetten die tot de burgten betrekking
+hebben.</h2>
+
+<p>1. Zoo wanneer ergens eene burgt gebouwd is, dan moet de lamp aldaar
+aan de eerste lamp te Texland aangestoken worden, doch dat mag nimmer
+anders dan door de Moeder geschieden.</p>
+
+<p>2. Elke moeder zal hare eigene maagden kiezen. Eveneens die welke op
+andere burgen moeder zijn.</p>
+
+<p>3. De Moeder te Texland mag hare opvolgster kiezen, doch bijaldien
+zij sterft voor dat zij het gedaan heeft, dan moet die gekozen worden
+op eene algemeene vergadering bij raad van alle staten te zamen.</p>
+
+<p>4. De Moeder op Texland mag eenentwintig maagden hebben en zeven
+spinmeisjes, opdat er altijd zeven bij de lamp mogen waken des daags en
+des nachts. Bij de maagden die op de andere burgten als moeder dienen,
+even zoo vele.</p>
+
+<p>5. Bijaldien eene maagd aan iemand huwen wil, zoo moet zij dat aan
+de moeder berichten, en op staande voet tot de menschen terugkeeren,
+eer zij met haar tochtige adem het licht verontreinigt.</p>
+
+<p>6. Aan de Moeder en aan iedere burgtmaagd zal men toevoegen
+eenentwintig burgtheeren, zeven bejaarde wijzen, zeven bejaarde
+krijgslieden en zeven oude zeestrijders. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e961" href="#xd0e961">27</a>]</span></p>
+
+<p>7. Daarvan zullen alle jaren naar huis keeren drie van elk zevental,
+maar zij mogen niet opgevolgd worden door hunne nabestaanden, nader dan
+het vierde lid.</p>
+
+<p>8. Ieder mag drie honderd jonge burgtverdedigers hebben.</p>
+
+<p>9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van
+de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den
+oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren
+noodig zijn.</p>
+
+<p>10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren;
+doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten
+blijven hun geheele leven lang.</p>
+
+<p>11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene
+stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel
+het volk alleen.</p>
+
+<p>12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden,
+met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd
+drie boden met zeven paarden.</p>
+
+<p>15. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het
+volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet
+geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders
+zijn.</p>
+
+<p>14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren
+zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld
+ontvangt.</p>
+
+<p>15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet,
+dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem
+hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen.</p>
+
+<p>16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene
+burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt hem
+bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is naar
+den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade tochten.
+Is hij goedgekeurd, <span class="pagenum">[<a id="xd0e982" href=
+"#xd0e982">29</a>]</span>dan ontdoet hij zich van zijne wapenen en
+zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder.</p>
+
+<p>17. Is de zaak over &eacute;&eacute;ne state, dan mogen er niet
+minder dan drie boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan
+moeten er nog driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen
+kwaad vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde.</p>
+
+<p>18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare
+kinderen, dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan,
+dat is de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om
+haar daar in te helpen.</p>
+
+<p>19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om
+uitspraak te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij
+de zaak twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken,
+opdat er vrede kome, en omdat het beter is dat aan &eacute;&eacute;n
+man onrecht gedaan wordt dan aan velen.</p>
+
+<p>20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op
+het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad, dan
+mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad, dan
+mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen raad
+beter is dan een verkeerde raad.</p>
+
+<p>21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan
+moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en
+bloot.</p>
+
+<p>22. Zijn hare burgtheeren medeplichtig, dan doet men even zoo met
+hen.</p>
+
+<p>23. Is hare schuld twijfelachtig of bloot vermoeden, dan moet men
+hier over beraadslagen en spreken, zoo het noodig is, eenentwintig
+weken lang. Stemt het half deel schuldig, zoo houde men haar voor
+onschuldig. Twee derde, zoo wacht men nog een vol jaar. Stemt men dan
+ook nog zoo, dan mag men haar voor schuldig houden, maar niet dooden.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e998" href=
+"#xd0e998">31</a>]</span></p>
+
+<p>24. Bijaldien er onder het derde deel sommigen zijn, die haar voor
+zoo onschuldig houden, dat zij haar willen volgen, zoo mogen zij dat
+doen met al hunne drijvende en tilbare have en niemand behoort hen
+daarom te minachten, aangezien de meerderheid even goed kan dwalen als
+de minderheid.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1001" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Algemeene wet.</h2>
+
+<p>1. Alle vrijgeborenen zijn op gelijke wijze geboren. Daarom moeten
+zij ook gelijke rechten hebben, even goed op het land als op het ee,
+dat is water, en op alles dat Wralda geeft.</p>
+
+<p>2. Elk manspersoon mag de vrouw zijner keuze vrijen, en elke dochter
+mag haren heildrank aanbieden aan hem, dien zij bemint.</p>
+
+<p>3. Heeft iemand eene vrouw genomen, dan geeft men hem huis en werf.
+Is er geen, dan moet het gebouwd worden.</p>
+
+<p>4. Is hij naar een ander dorp gegaan, om eene vrouw en wil hij daar
+blijven, dan moet men hem aldaar een huis en werf geven, benevens het
+genot van de hemrik.</p>
+
+<p>5. Aan ieder manspersoon moet men een achterdeel als werf bij zijn
+huis geven: want niemand mag een voordeel bij zijn huis hebben, veel
+min een ronddeel. Alleen wanneer iemand eene daad verricht heeft tot
+gemeenen nutte, dan mag hem dat gegeven worden. Ook mag zijn jongste
+zoon dat erven. Na dezen moet het dorp dat terugnemen.</p>
+
+<p>6. Elk dorp zal een hemrik hebben naar zijne behoefte en de graaf
+zal hoeden dat elk zijn deel bemest en goed houdt, opdat de
+nakomelingen geene schade lijden mogen.</p>
+
+<p>7. Elk dorp mag eene markt hebben ter koop en verkoop, of tot
+ruilhandel, Al het andere land zal bouw en bosch blijven. Doch de
+boomen daarin zal niemand vellen, buiten gemeene raad, en buiten weten
+van den woudgraaf. Want <span class="corr" id="xd0e1018" title="Bron:
+dewouden">de wouden</span> zijn ten gemeenen nutte, daarom mag niemand
+er meester van zijn. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1021" href=
+"#xd0e1021">33</a>]</span></p>
+
+<p>8. Als marktgeld mag het dorp niet meer nemen dan het twaalfde
+gedeelte van den koopschat, noch van de inwoners, noch van den
+verafwonenden. Ook mag de marktschatting niet eerder verkocht worden
+als het andere goed.</p>
+
+<p>9. Al het marktgeld moet jaarlijks verdeeld worden, drie dagen voor
+den Juuldag, in honderd deelen te verdeelen.</p>
+
+<p>10. De grevetman met zijne graven zal daarvan ontvangen twintig
+deelen; de marktrechter tien deelen en zijne helpers vijf deelen; de
+volksmoeder een deel; de vroedvrouw vier deelen; het dorp tien deelen;
+de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen, vijftig
+deelen.</p>
+
+<p>11. Degene die te markt komen mogen niet woekeren. Komen er sommige,
+dan is het de plicht der maagden, hen kenbaar te maken over het geheele
+land, opdat zij nimmer gekozen worden tot eenig ambt, want zulke hebben
+een gierig hart. Om rijkdom te vergaderen zouden zij alles verraden,
+het volk, de Moeder, hunne nabestaanden en ten laatsten zich
+zelven.</p>
+
+<p>12. Is er iemand zoo boos dat hij zuchtziek vee of bedorven waar
+voor heel goed verkoopt, dan moet de marktrechter hem weren en de
+maagden hem noemen over het geheele land.</p>
+
+<p>In vroegere tijden huisde Findas volk meest al te gader over hun
+moeders geboorteland, met name Aldland, dat nu in zee ligt. Zij waren
+dus ver af. Daarom hadden wij ook geen oorlog. Toen zij verdreven zijn
+en herwaarts kwamen om te rooven, toen kwam er van zelf
+landverdediging, heermannen, koningen en oorlog. Voor die alle kwamen
+inzettingen, en uit de inzettingen kwamen wetten.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1034" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hier volgen de wetten die daaruit zamengesteld
+zijn.</h2>
+
+<p>1. Elke Fries moet de beleedigers of vijanden afweren, met al zulke
+wapenen, als hij verzinnen, bekomen en hanteren mag. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1039" href="#xd0e1039">35</a>]</span></p>
+
+<p>2. Is een knaap twaalf jaar, dan moet hij de zevende dag missen van
+zijn leertijd om vaardig te worden met de wapenen.</p>
+
+<p>3. Is hij bekwaam geworden, dan geve men hem wapenen en hij wordt
+tot krijgsman geslagen.</p>
+
+<p>4. Is hij drie jaren krijgsman, dan wordt hij burgtheer en mag hij
+helpen zijn hoofdman te kiezen.</p>
+
+<p>5. Is hij zeven jaren kiezer, dan mag hij helpen een heerman of
+koning te kiezen en dan zelf ook gekozen worden.</p>
+
+<p>6. Alle jaren moet hij herkozen worden.</p>
+
+<p>7. Behalve de koning mogen alle ambtmannen wedergekozen worden, die
+recht doen en naar Fryas raad.</p>
+
+<p>8. Geen koning mag langer dan drie jaren koning blijven, opdat hij
+niet bestendig moge worden.</p>
+
+<p>9. Heeft hij zeven jaren gerust, dan mag hij weer gekozen
+worden.</p>
+
+<p>10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne
+nabestaanden ook naar die eer dingen.</p>
+
+<p>11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven,
+dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan het
+vierde lid.</p>
+
+<p>12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets
+verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te
+hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de
+liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1062" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit zijn de rechten der moeder en der koningen.</h2>
+
+<p>1. Zoo wanneer er oorlog komt, zende de Moeder hare boden naar den
+koning, de koning zende boden naar de grevetmannen om de landweer.</p>
+
+<p>2. De grevetmannen roepen alle burgtheeren te zamen en <span class=
+"corr" id="xd0e1069" title="Bron: bespreekt">bespreken</span> hoe vele
+mannen zij zullen zenden. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1072" href=
+"#xd0e1072">37</a>]</span></p>
+
+<p>3. Alle besluiten van dezen moeten dadelijk naar de Moeder gezonden
+worden, met boden en getuigen.</p>
+
+<p>4 De Moeder laat alle besluiten verzamelen en geeft het guldengetal,
+dat is het middengetal van alle besluiten te zamen. Hiermede moet men
+vooreerst vrede hebben, en de koning eveneens.</p>
+
+<p>5. Is het leger te velde, dan behoeft de koning slechts met zijne
+hoofdmannen te raadplegen, doch daarbij moeten altijd de drie
+burgtheeren der Moeder vooraan zitten zonder stem. Deze burgtheeren
+moeten dagelijks boden naar de Moeder zenden, opdat zij weten moge of
+er iets gedaan wordt, strijdende met Fryas raadgeving.</p>
+
+<p>6. Wil de koning iets doen, en zijne raden niet, zoo mag hij het
+niet onderstaan.</p>
+
+<p>7. Komt een vijand onverwacht, dan moet men doen, zooals de koning
+gebiedt.</p>
+
+<p>8. Is de koning niet op het pad, dan moet men zijn volger gehoorzaam
+wezen, of die op dezen volgt, tot den laatsten toe.</p>
+
+<p>9. Is er geen hoofdman, dan moet men een kiezen.</p>
+
+<p>10. Is daar geen tijd toe, dan werpe zich een tot hoofdman op, die
+zich sterk gevoelt.</p>
+
+<p>11. Heeft de koning een gevreesd volk afgeslagen, dan mogen zijne
+nakomelingen zijnen naam achter hun eigen naam voeren. De koning mag,
+zoo hij wil, op eene onbebouwde plaats eene plek uitkiezen tot een huis
+en erf. Dat erf mag een ronddeel zijn, zoo groot, dat hij naar alle
+zijden zeven honderd treden van zijn huis af loopen mag, eer hij aan
+zijn grensscheiding komt.</p>
+
+<p>12. Zijn jongste zoon mag dat goed erven, na hem diens jongste zoon,
+dan zal men het terug nemen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1093" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hier zijn de rechten aller Friesen om veilig te
+wezen.</h2>
+
+<p>Zoo wanneer er wetten gemaakt worden, of nieuwe inzettingen <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1098" href=
+"#xd0e1098">39</a>]</span>zamengesteld, alsdan moet het ten gemeenen
+nutte geschieden, maar nimmer ten bate van enkelde menschen, noch van
+enkelde geslachten, noch van enkelde staten, noch van iets dat enkeld
+is.</p>
+
+<p>2. Zoo wanneer er oorlog komt en daar worden huizen vernield of
+schepen, hoedanig het ook wezen mogen, hetzij door den vijand, hetzij
+bij gemeenen rade, zoo behoort de gemeene gemeente, dat is al het volk
+te zamen, dit weder te vergoeden, daarom opdat niemand de algemeene
+zaak zal helpen verliezen, om zijn eigen goed te behouden.</p>
+
+<p>3. Is de oorlog voorbij gegaan, en zijn er sommige zoodanig
+verminkt, dat zij niet langer werken kunnen, dan moet de gemeene
+gemeente hen onderhouden, bij de feesten behooren zij vooraan te
+zitten, opdat de jeugd hen zal eeren.</p>
+
+<p>4. Zijn er weduwen en weezen gekomen, dan moet men haar ook
+onderhouden, en de zonen mogen de namen hunner vaderen op hunne
+schilden schrijven tot eere van hun geslacht.</p>
+
+<p>5. Zijn er sommigen door den vijand gevangen genomen en komen zij
+terug, dan moet men hen verre van het kamp wegvoeren, want zij mochten
+vrij gelaten zijn onder kwade beloften, en dan mogen zij hunne beloften
+niet houden en toch eerlijk blijven.</p>
+
+<p>6. Indien wij zelve vijanden gevangen nemen, dan voere men die diep
+in het land weg, en leert hen onze vrije zeden.</p>
+
+<p>7. Indien men hen naderhand vrijlaat, dan laat men dat met goedheid
+door de Maagden doen, opdat wij makkers en vrienden winnen in plaats
+van haters en vijanden.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1112" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Uit Minno&rsquo;s geschriften.</h2>
+
+<p>Zoo wanneer daar een man is dermate boos, dat hij onze naburen
+berooft, doodslagen pleegt, huizen in brand steekt, maagden schendt,
+wat het ook zij dat boos is, en onze landgenooten willen dat gewroken
+hebben, dan is het recht, dat men den dader vatte en in hunne
+tegenwoordigheid <span class="pagenum">[<a id="xd0e1117" href=
+"#xd0e1117">41</a>]</span>doode, opdat daar over geen oorlog kome,
+waardoor de onschuldige zoude boeten voor den schuldige. Willen zij hem
+zijn lijf laten behouden en de wraak laten afkoopen, zoo mag men dat
+gedoogen. Is de schuldige een koning, grevetman, grevet, wie dat het
+zij, die over de zeden moet waken, zoo moeten wij het kwaad herstellen,
+maar hij moet zijne straf hebben. Voert hij een eernaam op zijn schild
+van zijne voorvaderen, dan mogen zijne nabestaanden dien naam niet
+langer voeren, daarom dat de eene bloedverwant zorgdragen zal over de
+zeden des anderen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1119" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Wetten voor de stuurlieden. Stuurman is een titel
+voor de buitenvaarders.</h2>
+
+<p>1. Alle Fryas zonen hebben gelijke rechten, daarom mogen alle flinke
+knapen zich als buitenvaarders aanmelden bij den olderman, en deze mag
+hen niet afwijzen, ten ware dat er geen plaats is.</p>
+
+<p>2. De stuurlieden mogen hun eigen meesters benoemen.</p>
+
+<p>3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente,
+aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen stem
+hebben.</p>
+
+<p>4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is,
+dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning
+zich beklagen bij den olderman.</p>
+
+<p>5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de
+zeelieden daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning
+twaalf mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen
+elk twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk
+elk een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de
+middelste jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een
+tweederde deel.</p>
+
+<p>6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen
+voor hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene
+feesten, bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1134" href="#xd0e1134">43</a>]</span></p>
+
+<p>7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun deel
+erven.</p>
+
+<p>8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene
+gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld, dan
+mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren.</p>
+
+<p>9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een
+geheel mansdeel hebben.</p>
+
+<p>10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen
+om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor deze
+eer weduw blijven haar leven lang.</p>
+
+<p>11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders
+zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen.</p>
+
+<p>12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch
+erf, dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo
+mogen zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat
+vergoeden naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel
+weigeren.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1147" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nuttige zaken uit de nagelaten schriften van
+Minno.</h2>
+
+<p>Minno was een oude zeekoning, een ziener en wijsgeer; hij heeft aan
+de Kretensen wetten gegeven. Hij is geboren aan de Lindeoord, en na al
+zijne omzwervingen heeft hij het geluk genoten om te Lindahem te
+sterven.</p>
+
+<p>Zoo wanneer onze naburen een stuk land hebben of water, dat ons goed
+toeschijnt, zoo voegt het ons dat te koop te vragen; willen zij dat
+niet doen, zoo moet men hun dat laten behouden: dat is naar Fryas tex
+en het zoude onrecht wezen dat afhandig te maken.</p>
+
+<p>Wanneer er naburen te zamen kijven en twisten over eenige zaak
+(anders) dan over land, en zij ons verzoeken een oordeel uit te
+spreken, zoo behoort men dat liever achterwege <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1156" href="#xd0e1156">45</a>]</span>te laten; doch als men
+daar niet buiten kan, zoo moet men dat eerlijk en rechtvaardig
+doen.</p>
+
+<p>Komt er iemand en zegt: ik heb oorlog en nu moet gij mij helpen. Of
+een ander komt en zegt: mijn zoon is minderjarig en onbekwaam en ik ben
+oud, nu wilde ik u tot voogd over hem en over mijn land stellen, totdat
+hij meerderjarig is, zoo behoort men dat te weigeren, opdat wij niet in
+twist mogen komen over zaken strijdende met onze vrije zeden.</p>
+
+<p>Wanneer een buitenlandsch koopman komt op de toegelatene markt te
+Wyringen of te Almanland en hij bedriegt, zoo wordt hij terstond in de
+marktboete geslagen en door de maagden kenbaar gemaakt over het geheele
+land. Komt hij dan terug, dan zal niemand van hem koopen, en hij mag
+vertrekken gelijk hij gekomen is. Dus wanneer er kooplieden gekozen
+worden om ter markt te gaan, of met de vloot te varen, dan behoort men
+alleen dezulken te kiezen, die men door en door kent en in een goeden
+roep staan bij de maagden. Gebeurt het desniettemin, dat er een slecht
+man onder is, die de menschen bedriegen wil, zoo behooren de anderen
+dat te weren. Heeft hij het reeds gedaan, dan moet men dat herstellen,
+en den misdadiger uit het land verbannen, opdat onze naam overal met
+eere genoemd mag worden.</p>
+
+<p>Maar zoo wij ons op eene buitenlandsche markt bevinden, hetzij nabij
+of ver af en het volk ons leed doet of besteelt, dan behooren wij met
+een haastigen aanval toe te slaan, want ofschoon wij alles behooren te
+doen om des vredes wille, mogen onze halfbroeders ons nimmer minachten
+of wanen dat wij bang zijn.</p>
+
+<p>In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten,
+achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze
+voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda of
+Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en zee&euml;n
+heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik overtuigd,
+dat wij alleen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1166" href=
+"#xd0e1166">47</a>]</span>door Alfader uitverkoren zijn, om wetten te
+hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden, zij
+zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Velen gelijken op Finda, zijn
+schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hovaardig, valsch, onkuisch
+en moordzuchtig. De padde blaast zich op en zij kan slechts kruipen. De
+kikvorsch roept <span class="letterspaced">werk</span>, <span class=
+"letterspaced">werk</span>, en zij doet niets als huppelen en
+grappenmaken. De raven roepen <span class="letterspaced">spaar</span>,
+<span class="letterspaced">spaar</span>, maar zij stelen en verslinden
+al wat onder hun snavel komt. Aan die allen gelijk is het Findas volk,
+zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil inzettingen maken
+om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan gebonden wezen.
+Diegene wiens geest het listigste is en daardoor sterk, diens haan
+kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn wil onderworpen
+wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel verdrijft. Het woord
+<span class="letterspaced">ewa</span> is te heilig om eene gemeene zaak
+te benoemen, daarom heeft men ons <span class="letterspaced">
+evin</span> leeren zeggen. <span class="letterspaced">Ewa</span>
+beteekent <span class="letterspaced">inzettingen</span>, die bij alle
+menschen gelijkelijk in hun gemoed geprent zijn, opdat zij weten mogen
+wat recht en onrecht is, en waardoor zij in staat zijn hunne eigene
+daden en die van anderen te beoordeelen, dat wil zeggen: alzoo verre
+zij goed en niet misdadig opgevoed zijn. Ook is er nog een andere zin
+aan vast: <span class="letterspaced">Ewa</span> (effen) beteekent ook
+<span class="letterspaced">gelijk</span>, <span class="letterspaced">
+vlak</span> als water, recht en slecht gelijk water dat door geen
+hevige wind of iets anders verstoord is. Wordt het water verstoord, dan
+wordt het oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weder effen te
+worden. Dat ligt in zijn wezen, even als de neiging tot recht en
+vrijheid in Fryas kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door den geest
+van Wralda onzen vader, die luide spreekt in Fryas kinderen. Daarom zal
+die ook eeuwig beklijven. <span class="letterspaced">Ewa</span>
+(eeuwig) is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die eeuwig recht en
+onverstoord blijft, ofschoon het in zijn ligchaam erg toe gaat. Eeuwig
+en onverstoord zijn de kenmerken der wijsheid en rechtvaardigheid die
+door <span class="pagenum">[<a id="xd0e1204" href=
+"#xd0e1204">49</a>]</span>alle vrome menschen gezocht en door alle
+rechteren moeten bezeten worden. Willen dus de menschen inzettingen en
+bepalingen maken, die steeds goed blijven en aller wege, zoo moeten zij
+gelijk wezen voor alle menschen. Naar deze wetten behooren de rechteren
+hun oordeel uit te spreken. Is er eenig kwaad bedreven, waaromtrent
+geene wetten gemaakt zijn, zoo moet men eene algemeene vergadering
+beleggen, daar oordeelt men naar den zin, dien Wraldas geest in ons
+spreekt, om over alles rechtvaardig te oordeelen. Zoo doende zal ons
+oordeel nimmer falikant uitkomen. Doet men geen recht, maar onrecht,
+dan rijst er twist en tweespalt onder de menschen en staten; daaruit
+ontspruit binnenlandsche oorlog, waardoor alles in de war gebragt en in
+&rsquo;t verderf gestort wordt. Maar o domheid. Terwijl wij bezig zijn
+elkander te schaden, komt het nijdige volk Findas met zijne valsche
+priesteren om uwe have te rooven, uwe dochteren te schenden, uwe zeden
+te verderven, en ten laatste sluiten zij slavenbanden om een ieders
+vrijen hals.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1206" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Uit Minnos schriften.</h2>
+
+<p>Toen Nyhalennia, die van haar eigen naam <span class="letterspaced">
+Min-erva</span> heette, goed gezeten was, en de Krekalanders haar soms
+evenzeer lief hadden als ons eigen volk, toen kwamen daar eenige
+vorsten en priesteren op hare burgt en vraagden Min-erva, waar hare
+erven gelegen waren. Hellenia antwoorde <span class="letterspaced">
+mijne erven</span> draag ik om in mijn boezem, &rsquo;t gene ik
+ge&euml;rfd heb is liefde tot wijsheid, rechtvaardigheid en vrijheid.
+Heb ik die verloren, dan ben ik gelijk aan den minste van uwe slaven.
+Nu geef ik raad om niet, maar dan zoude ik die verkoopen. De heeren
+gingen heen en riepen al lachende, uwe gehoorzame dienaren, wijze <span
+class="letterspaced">Hellenia</span>. Doch daarmede misten zij hun
+doel, want het volk dat haar beminde en volgde nam dezen naam als een
+eernaam op. Toen zij zagen, dat <span class="pagenum">[<a id="xd0e1220"
+href="#xd0e1220">51</a>]</span>hun schot gemist had, toen gingen zij
+haar belasteren, en zeiden dat zij het volk behekst had; maar ons volk
+en de goede Krekalanders beweerden allerwege dat het laster was. Eens
+kwamen zij en vroegen: als gij dan geen tioenster (heks) zijt, wat doet
+gij dan met de eijeren, die gij altijd bij u hebt. Minerva antwoordde:
+Deze eijeren zijn het zinnebeeld van Frya&rsquo;s raadgevingen, waarin
+onze toekomst verholen ligt en die van het geheele menschelijk
+geslacht. De tijd moet ze uitbroeden, en wij moeten waken dat er geen
+leed aan komt. De priesteren (zeiden): goed gezegd, maar waartoe dient
+de hond aan uwe rechter hand. Hellenia antwoorde: Heeft de herder geen
+schaapshond om zijne kudde bijeen te houden? wat de hond is in de
+dienst des schaapsherders, dat ben ik in Frya&rsquo;s dienst. Ik moet
+over Frya&rsquo;s kudde waken. Dat komt ons goed voor zeiden de
+priesters, maar zeg ons wat is de beteekenis van de nachtuil, die
+altijd boven uw hoofd zit; is dat lichtschuwende dier soms het teeken
+van uw helder zien? Neen, antwoorde Hellenia, hij helpt mij herinneren
+dat er een slag van menschen over de aarde omdwaalt, dat even gelijk
+hij in kerken en holen huist, die in duister omwroeten, doch niet als
+hij, om ons van muizen en andere plagen te bevrijden, maar om ranken te
+verzinnen, andere menschen hunne wetenschap te rooven, opdat zij hen
+des te beter mogen vatten om er slaven van te maken, en hun bloed uit
+te zuigen even als de bloedzuigers doen. Eens kwamen zij met eene bende
+volks (de pest was over het land gekomen), zij zeiden: wij alle zijn
+bezig de goden te offeren, opdat zij de pest mogen weren, wilt gij dan
+niet helpen hunne gramschap te stillen, of hebt gij zelve de pest over
+het land gebracht met uwe kunsten. Neen, zeide Minerva, maar ik ken
+geene goden die kwaaddoende zijn, daarom kan ik niet vragen of zij
+beter willen worden. Ik ken slechts een goede, dat is Wralda&rsquo;s
+geest, maar omdat hij goed is, doet hij ook geen kwaad. Waar komt het
+kwaad dan weg, vroegen de <span class="pagenum">[<a id="xd0e1222" href=
+"#xd0e1222">53</a>]</span>priesteren. Alle kwaad komt van u en van de
+domheid der menschen, die zich van u laten vangen. Indien uwe godheid
+dan zoo bijster goed is, waarom weert hij dan het kwaad niet, vroegen
+de priesters. Hellenia antwoorde: Frya heeft ons op den weg gebracht,
+en de Kroder, dat is de Tijd, die moet het overige doen; voor alle
+rampen is raad en hulp te vinden, doch Wralda wil dat wij die zelve
+zullen zoeken, opdat wij sterk zullen worden en wijs. Willen wij niet,
+dan laat hij onze verbastering uitrazen, opdat wij zullen ervaren, wat
+na verstandige daden en wat na dwaze daden volgt.</p>
+
+<p>Toen zeide een vorst: Ik zoude wanen, dat het beter ware, die te
+weeren. Wel mogelijk, <span class="corr" id="xd0e1226" title="Bron:
+antwoorde">antwoordde</span> Hellenia, want dan zouden de menschen
+blijven gelijk makke schapen, gij en de priesters zoudt hen willen
+hoeden, maar ook scheren en naar de slachtbank voeren. Doch zoo wil het
+onze godheid niet, hij wil, dat wij elkander helpen, maar hij wil ook
+dat iedereen vrij zij en wijs worde. En dat is ook onze wil, en daarom
+kiest ons volk zijne vorsten, graven, raadgevers en alle bazen en
+meesters uit de wijsten der goede menschen, opdat alle man even zeer
+zijn best zal doen, om wijs en goed te worden. Zoodoende zullen wij
+eens weten en aan het volk leeren, dat wijs zijn en wijs doen alleen
+leidt tot zaligheid. Dat schijnt wel een oordeel, zeiden de priesters,
+maar als gij nu meent dat de pest door onze domheid ontstaat, zoude
+Nyhellenia dan wel zoo goed willen wezen, om ons wat van dat nieuwe
+licht te leenen, waarop zij zoo trotsch is. Ja, zeide Hellenia, de
+raven en andere vogelen komen alleen af op bedorven aas, maar de pest
+bemint niet alleen bedorven aas, maar ook bedorven zeden en gewoonten
+en booze lusten; wilt gij nu dat de pest van u zal wijken en niet
+terugkomen, dan moet gij de booze lusten wegdoen, opdat gij alle rein
+wordt van binnen en van buiten. Wij willen gelooven, dat de raad goed
+is, zeiden de priesters, maar zeg ons, hoe zullen wij daar alle
+menschen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1229" href=
+"#xd0e1229">55</a>]</span>toe krijgen, die onder onze heerschappij
+zijn? Toen stond Hellenia op van haren zetel en sprak: De musschen
+volgen den zaaijer, de volken hunne goede vorsten, daarom betaamt het u
+te beginnen met u zelven alzoo rein te maken, dat gij uwe blikken naar
+binnen en naar buiten moogt richten zonder schaamrood te worden voor uw
+eigen gemoed. Doch in plaats van het volk rein te maken, hebt gij vuile
+feesten uitgevonden, waarop het volk alzoo lang zuipt, dat zij ten
+laatsten, gelijk de zwijnen in het slik wroeten, omdat gij uwe lusten
+boeten moogt. Het volk begon te joelen en te spotten, daardoor durfden
+zij geen strijd weder aan te spinnen. Nu zoude ieder wanen dat zij
+overal het volk te hoop geroepen hadden, om ons allen te zamen het land
+uit te drijven. Neen, in plaats van haar te beschimpen gingen zij
+allerwegen, ook naar het heinde Krekaland tot aan de Alpen uitroepen:
+dat het den Oppersten God behaagd had zijne verstandige dochter
+Minerva, bijgenaamd Nyhellenia, onder de menschen te zenden van over
+zee met eene wolk, om de menschen goede raad te geven, en opdat alle
+menschen die haar hooren wilden rijk en gelukkig zouden worden, en eens
+meester zouden worden over alle koningrijken der aarde. Zij stelden
+haar beeld op hunne altaren, zij verkondigden of verkochten aan de
+domme menschen allerwegen raadgevingen die zij nimmer gegeven had, en
+vertelden wonderen die zij nooit gedaan had. Door list wisten zij zich
+meester te maken van onze wetten en inzettingen en door listen en
+drogredenen wisten zij alles te bewijzen en te verbreiden. Zij stelden
+ook priesteressen onder hunne hoede, die schijnbaar onder de hoede van
+Festa onze eerste eeremoeder (waren) om over het heilige licht te
+waken, maar dat licht hadden zij zelve ontstoken, en in plaats van de
+priesteressen wijs te maken en naderhand onder het volk te zenden om de
+zieken te verplegen en de jeugd te onderwijzen, maakten zij ze dom en
+duister, en zij mochten nimmer buiten komen. Ook werden <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1231" href="#xd0e1231">57</a>]</span>zij als
+raadgeefsters gebezigd, maar die raad was voor den schijn uit hare
+monden, want hare monden waren niet anders dan de roepers, waardoor de
+priesters hunne begeerten uitspraken. Toen Nyhellenia gestorven was,
+wilden wij eene andere moeder kiezen. Sommigen wilden naar Texland om
+aldaar eene te vragen; maar de priesters die bij hun eigen volk het
+rijk weder in hadden, wilden dat niet gedoogen, en kreten ons bij het
+volk als onheilig uit.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1233" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Uit de schriften van Minno.</h2>
+
+<p>Toen ik aldus weggevaren was met mijne lieden van Athenia, kwamen
+wij ten laatsten aan een eiland, door mijne manschappen Kreta geheeten,
+wegens de woeste kreten die het volk aanhief bij onze komst. Toen zij
+echter zagen, dat wij geen oorlog in het schild voerden, werden zij
+gedwee, zoodat ik ten laatsten voor een boot met ijzer gereedschap eene
+havenmond en een plek grond inruilde, doch toen wij daar eene poos
+gezeten waren, en zij bespeurden dat wij geene slaven hadden, toen
+waren zij daarover versteld. Maar toen dat ik hun nu verteld had, dat
+wij wetten hadden om gelijk recht te doen over allen, toen wilde het
+volk ook zulke hebben, doch nauwlijks hadden zij die, of het geheele
+land kwam in de war. De vorsten en priesteren kwamen en gaven voor dat
+wij hunne onderdanen oproerig gemaakt hadden, en het volk kwam tot ons
+om heul en schut te vragen. Doch toen de vorsten zagen dat zij hun rijk
+zouden verliezen, toen gaven zij aan het volk vrijheid en kwamen bij
+mij om een Asegaboek. Doch het volk was aan geen vrijheid gewoon, en de
+heeren bleven heerschen, naardat hun goed dacht. Nadat die storm over
+was, begonnen zij tweespalt tusschen ons te zaaijen. Zij zeiden aan
+mijn volk, dat ik hunne hulp had ingeroepen, om bestendig koning te
+worden. Eens vond ik vergif in mijne spijs. Doch als er eens een schip
+van <span class="pagenum">[<a id="xd0e1238" href=
+"#xd0e1238">59</a>]</span>Flyland bij ons verzeilde, ben ik daarmede
+stilletjes weggetogen. Doch mijn eigen wedervaren daarlatende, wil ik
+met deze geschiedenis alleen zeggen, dat wij ons niet moeten inlaten
+met Finda&rsquo;s volk, van waar het ook zij, omdat zij vol zijn van
+valsche ranken, even te vreezen als hunne zoete wijnen met doodend
+vergif.</p>
+
+<p>Einde van Menno&rsquo;s schriften.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1242" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hieronder zijn drie beginselen, daarnaar zijn deze
+inzettingen gemaakt.</h2>
+
+<p>1. Iedereen weet dat hij zijn nooddruft moet hebben, maar wordt aan
+iemand zijne nooddruft onthouden, dan weet niemand wat hij doen zal, om
+zijn lijf te behouden.</p>
+
+<p>2. Alle volwassen menschen worden gedrongen kinderen te verwekken,
+zoo dat geweerd wordt, weet niemand, wat kwaads daarvan kan komen.</p>
+
+<p>3. Een ieder weet dat hij vrij en onverlet wil leven, en dat anderen
+dat ook willen. Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen
+gemaakt.</p>
+
+<p>Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze
+zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en
+vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en
+moord.</p>
+
+<p>1. Bijaldien iemand gebrek heeft en hij kan hem zelf niet helpen,
+zoo moeten de Maagden dat ter kennis brengen van den graaf, om reden
+dat het een hooghartigen Fries niet past dat zelf te doen.</p>
+
+<p>2. Zoo iemand arm wordt, doordien hij niet werken wil, die moet uit
+den lande uitgedreven worden; want de laffen en tragen zijn lastig en
+ergdenkend, daarom behoort men hen te weren.</p>
+
+<p>3. Ieder jong man behoort eene bruid te zoeken, en is hij vijf en
+twintig jaar oud, dan behoort hij eene vrouw te hebben. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1259" href="#xd0e1259">61</a>]</span></p>
+
+<p>4. Is iemand vijf en twintig jaar, en heeft hij nog geene
+echtgenoot, dan behoort men hem uit zijn huis te weren, de knapen
+behooren hem te vermijden. Neemt hij dan nog geene vrouw, dan moet men
+hem dood verklaren, opdat hij uit het land vertrekke, en hier geen
+ergernis mag geven.</p>
+
+<p>5. Is iemand machteloos, dan moet hij openbaar zeggen dat niemand
+van hem te vreezen heeft, dan mag hij komen, waar hij wil.</p>
+
+<p>6. Pleegt hij naderhand ontucht, dan mag hij vluchten; vlucht hij
+niet, dan wordt hij aan de wraak der bedrogene overgelaten en niemand
+mag hem helpen.</p>
+
+<p>7. Bijaldien iemand eenig goed heeft, en een ander begeert dat
+dermate, dat hij zich daaraan vergrijpt, dan moet hij dat drievoudig
+vergelden. Steelt hij dan nog eens weer, dan moet hij naar de
+tinlanden; wil de bestolene hem vrij laten, dan mag hij dat doen, maar
+gebeurt het voor de derde reis, dan mag niemand hem de vrijheid
+schenken.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1268" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Deze bepalingen zijn gemaakt voor toornige
+menschen.</h2>
+
+<p>Zoo iemand in drift of uit boosheid een ander leden breekt, een oog
+uitstoot, ofte tand, wat het ook zij, zoo moet de beleediger betalen,
+wat de beleedigde eischt. Kan hij dat niet doen, zoo moet er openbaar
+aan hem gedaan worden, wat hij aan den ander deed. Wil hij dat niet
+uitstaan, dan moet hij zich tot zijne burgtmaagd wenden, of hij in de
+ijzer- of tinlanden mag werken, tot dat zijne schuld voldaan is volgens
+de algemeene bepaling.</p>
+
+<p>2. Wanneer iemand gevonden wordt zoo boos, dat hij een Fries dood
+slaat, dan moet hij dat met zijn lijf betalen. Doch kan zijne
+burgtmaagd hem voor altijd naar de tinlanden helpen, voor dat hij gevat
+wordt, dan mag zij dat doen.</p>
+
+<p>3. Bijaldien de gevangene kan bewijzen met erkende getuigen, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1277" href="#xd0e1277">63</a>]</span>dat
+het bij ongeluk geschied is, zoo zal hij vrij wezen. Maar gebeurt het
+nog eenmaal, dan moet hij toch naar de tinlanden, opdat men daardoor
+vermijde alle onbehoorlijke wraak en veete.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1279" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit zijn bepalingen voor de hoerenkinderen.</h2>
+
+<p>1. Wie eens anders huis uit boosheid den rooden haan opzet, is geen
+Fries, hij is een hoerenkind, met basterd bloed. Kan men hem op heeter
+daad vatten, dan moet men hem in het vuur werpen. Hij mag vlieden zoo
+hij kan, nergens zal hij veilig wezen voor de wrekende hand.</p>
+
+<p>2. Geen echte Fries zal over de misslagen zijns naaste mallen of
+kwaadspreken. Is iemand misdadig jegens hem zelven, maar niet te
+vreezen voor anderen, dan mag hij zijn eigen rechter wezen. Wordt hij
+zoo slecht, dat hij gevaarlijk wordt, dan moet men het aan den graaf
+openbaren. Maar is er iemand die een ander achter zijn rug aantijgt, in
+plaats van het bij den graaf te doen, die is een hoerenkind, op de
+markt moet hij aan den paal gebonden worden, zoodat het jong volk hem
+mag aanspuwen; daarna leidt men hem over de grenzen, maar niet naar de
+tinlanden, want een eerrover is ook te vreezen.</p>
+
+<p>3. Bijaldien er eens iemand zoo slecht was, dat hij ons ging
+verraden, aan den vijand de paden en bijpaden wees om onze vliedburgten
+te genaken, of des nachts daar in te sluipen, die zoude alleen
+gesproten zijn uit Finda&rsquo;s bloed, men zoude hem moeten
+verbranden, de zeelieden zouden zijne moeder en al zijne bloedverwanten
+naar een afgelegen eiland moeten brengen, en daar zijn asch verstuiven,
+opdat er geen vergiftige kruiden van mochten groeijen. De maagden
+moeten zijn naam vervloeken over alle onze staten, opdat geen kind zijn
+naam moge krijgen, en de ouden hem mogen verwerpen. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1288" href="#xd0e1288">65</a>]</span></p>
+
+<p>Oorlog was voorbij gegaan, maar nood was in zijne plaats gekomen; nu
+waren er drie menschen die elk een zak koorn stalen van afzonderlijke
+eigenaren. Doch zij werden alle gevangen. Nu ging de eerste (eigenaar)
+heen en bracht den dief bij den schout, de maagden zeiden daarvan
+allerwege, dat hij gehandeld had naar het recht. De andere nam den dief
+het koorn af, en liet hem voorts met vrede; de maagden zeiden, hij
+heeft wel gedaan. Maar de derde eigenaar ging naar den dief in zijn
+huis. Toen hij nu zag, hoe de nood daar zijn zetel had opgesteld, ging
+hij terug en keerde weder met een wagen vol nooddruftigheden, waarmede
+hij den nood van den haard verdreef. Frya&rsquo;s maagden hadden bij
+hem rondgewaard en zijne daad in het eeuwige boek geschreven, terwijl
+zij al zijne zonden hadden uitgewischt. Het werd gezegd aan de
+eeremoeder, en deze liet het verkondigen over het geheele land.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1291" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hetgene hieronder staat is aan de wanden van de
+Waraburgt gegrift.</h2>
+
+<p>(Zie <a href="#plaat1">plaat I</a>.)</p>
+
+<p>Wat hier boven staat, dat zijn de teekens van het Juul, dat is het
+eerste zinnebeeld van Wralda, ook van den aanvang of het begin, waaruit
+de Tijd is voortgekomen; deze is de Kroder, die eeuwig met het Juul
+moet rondloopen. Hiernaar heeft Frya het staand schrift gevormd,
+&rsquo;t welk zij gebruikte voor hare tex. Toen Fasta eeremoeder was,
+heeft zij er het run of loopend schrift van gemaakt. De Witkoning d. i.
+Zeekoning Godfried, de oude, heeft er afzonderlijke getalteekens van
+gemaakt voor het staand en loopend schrift beide. Het is daarom niet te
+veel dat wij er jaarlijks eenmaal feest voor vieren. Wij mogen Wralda
+eeuwig dank wijden, dat hij zijn geest zoo krachtig over onze
+voorvaderen heeft laten varen. In haren tijd heeft Finda ook een
+schrift <span class="pagenum">[<a id="xd0e1301" href=
+"#xd0e1301">67</a>]</span>uitgevonden; maar dat was zoo hoogdravend en
+vol met franjes en krullen, dat de nakomelingen de beteekenis daarvan
+spoedig verloren hebben. Naderhand hebben zij ons schrift geleerd, met
+name de Finnen, de Thyriers en de Krekalander. Maar zij wisten niet
+goed, dat het van het Juul gemaakt was, en dat het daarom altijd moest
+geschreven worden met de zon om. Bovendien wilden zij dat hun schrift
+voor andere volken onleesbaar zoude wezen, omdat zij altijd
+geheimnissen hebben. Zoodoende zijn zij zeer van de wijs geraakt,
+dermate, dat de kinderen de schriften hunner ouderen bezwaarlijk kunnen
+lezen; terwijl wij onze alleroudste schriften even gemakkelijk kunnen
+lezen als die, die gisteren geschreven zijn.</p>
+
+<p>Hieronder is het staand schrift, daaronder het loopend schrift,
+vervolgens de getalteekens op beide wijzen.</p>
+
+<p>(Zie <a href="#plaat2">plaat II</a>.)</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1310" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit staat op alle burgten geschreven.</h2>
+
+<p>Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De
+zon rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters
+groeiden vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten
+hadden wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als
+goud blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden
+niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan de
+eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk
+behalve wij, mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij
+door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor
+het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het
+wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee, en
+ten westen aan de Middellandsche <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1315" href="#xd0e1315">69</a>]</span>zee, zoodat wij buiten de
+kleine rivieren wel twaalf groot zoetwater stroomen hadden, ons door
+Wralda gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den
+weg naar zijne zee te wijzen.</p>
+
+<p>De oevers van deze stroomen werden somtijds alle door ons volk
+bezeten, ook de velden aan den Rijn, van &rsquo;t eene einde tot het
+andere toe.</p>
+
+<p>Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen
+met eene burgtmaagd. Van daar trokken wij koper en ijzer, benevens
+teer, pik en sommige andere benoodigdheden. Tegenover ons voormalig
+Westland hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het
+land der ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken
+waren, om hun lijf te behouden. Maar opdat zij niet terug zouden komen,
+werd eerst een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode
+bloedverf, de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden
+onze zeelieden en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde
+Krekalanden (Italie) en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte
+menschen. Daar ons land zoo ruim en groot was, hadden wij vele
+afzonderlijke namen. Die welke gezeten waren ten oosten van de
+Denemarken, werden Jutten genoemd, uithoofde zij dikwijls anders niet
+deden dan barnsteen <span class="letterspaced">jutten</span> (aan het
+strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden Letten
+geheeten, omdat zij meestal <span class="letterspaced">verlaten</span>
+leefden. Alle strand en kustbewoners van de Denemarken af tot aan de
+Sandval, nu Schelde, werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren
+geheeten. Angelaren zoo noemde men te voren de buitenvisschers, omdat
+zij alleen met <span class="letterspaced">angel</span> of hoekwant
+vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van daar tot aan
+het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers genoemd, omdat
+zij nimmer buiten voeren (maar aan de <span class="letterspaced">
+kade</span> bleven). Die in de hooge marken gezeten waren, welke aan de
+Twisklanden paalden, werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd
+gewapend waren tegen het wild gedierte en de verwilderde Britten.
+Daarenboven <span class="pagenum">[<a id="xd0e1333" href=
+"#xd0e1333">71</a>]</span>hadden wij de namen Landzaten, Marzaten en
+Hout- of Woudzaten.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1335" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hoe de bange tijd kwam.</h2>
+
+<p>Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde
+zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor rook en
+damp als zeilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd aldus droef
+en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch vreugde. Te
+midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij stervende
+was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen; andere zonken
+in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had, hief zij nu bergen
+omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten, zonk neder, en de
+woeste golven traden zoo verre over bergen en dalen, dat alles onder de
+zee bedolven was. Vele menschen werden in de aarde begraven, en velen
+die aan het vuur ontkomen waren, kwamen daarna in het water om. Niet
+alleen in het land van Finda spuwden de bergen vuur, maar ook in het
+Twiskland. Wouden brandden daardoor achterelkander weg, en toen de wind
+daar van daan kwam, waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden
+verlegd en bij hunne monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend
+vee. Drie jaren was de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon
+men hare wouden zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee
+opgerezen en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk
+kwamen de ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd,
+of zij werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel
+geboden, en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt
+is.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1340" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit staat aan de Waraburgt bij de Aldegamude
+gegrift.</h2>
+
+<p>De Waraburgt is geen Maagdeburgt, maar daarin werden <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1345" href="#xd0e1345">73</a>]</span>alle
+uitheemsche en buitenlandsche dingen bewaard, die mede gebracht zijn
+door de zeelieden. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uren)
+zuidwaarts van Medeasblik gelegen. Aldus is de voorafspraak: Bergen
+neigt uwe kruinen, wolken en stroomen weent. Ja, Schoonland bloost,
+slavenvolken stappen op uw kleed, o Frya.</p>
+
+<p class="aligncenter">Zoo is de geschiedenis.</p>
+
+<p>100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam uit het oosten een
+volk weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons
+Twiskland, kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en
+elk ging zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons
+gekomen, maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland.
+Schoonland was schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van
+al. Daarom mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij
+anders geen leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij
+hen hebben leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en
+daarna hoe het ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk
+vele geslachten van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij
+hebben priesters, even als deze, en in de kerken hebben zij ook
+beelden. De priesters zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf
+Magyaren, hun opperste heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met
+een; al het andere volk is nul in &rsquo;t cijfer en gelijk, en allen
+zijn onder hun geweld. Het volk heeft niet eens een naam; door ons
+worden zij Finnen genoemd; want ofschoon hunne feesten allemaal treurig
+en bloedig zijn, zijn zij daar toch zoo <span class="letterspaced">
+fijn</span> op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn zij niet te
+benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters, maar nog veel meer
+van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol is van booze geesten,
+die in de menschen en dieren sluipen; maar van Wraldas geest weten zij
+niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren koperen. De Magyaren
+verhalen, dat zij de booze geesten <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1354" href="#xd0e1354">75</a>]</span>kunnen bannen en verbannen,
+daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun gelaat is nimmer
+vrolijkheid te zien.</p>
+
+<p>Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij
+ons, zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen,
+die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen, en
+hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte onze
+waakzaamheid.</p>
+
+<p>Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij onverwacht,
+gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze landen toeloopen.
+Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd aangeroepen, maar de
+Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen werden krachten
+verzameld, drie palen van Godasburgt werden zij wederstaan, de oorlog
+bleef. Kat of Katerinne, zoo heette de priesteres, die burgtmaagd op
+Godasburgt was. Kat was trotsch en hooghartig, daarom liet zij noch
+raad, noch helpers aan de Moeder vragen. Maar toen de burgtheeren dat
+begrepen, zonden zij zelve boden naar Texland tot de Eeremoeder. Minna,
+zoo was de naam der Moeder, liet al de zeelieden oproepen en al het
+andere jong volk van Oostflyland en van de Dennemarken. Uit deze tocht
+is de geschiedenis van Wodin ontstaan, die op de burgten gegrift is, en
+hier is uitgeschreven.</p>
+
+<p>Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn
+naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven;
+Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij
+zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren
+zeestrijders, en juist nu bij hunne vaderen aan de Aldergamude. Toen nu
+de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun heerman
+of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning en Inka tot
+hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar de Dennemarken
+varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige landweer <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1362" href="#xd0e1362">77</a>]</span>aan
+boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien in
+Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij elkander gevoegd
+hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya
+was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof
+het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal
+omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot
+Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch al wat
+wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij uwe broeders
+met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze vijanden
+voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij hebben
+dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft zich om ons
+niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander voor de helft
+vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen en ons allen
+vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij heeft gezien, dat
+Frya veel machtiger is als alle onze geesten te zamen. Hij wil zijn
+hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de krijgshaftigste koning
+der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze koning, en wij allen willen
+uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol voor u wezen, als gij de wilden
+weder terug kondt drijven, onze basuinen zouden het rondblazen, en onze
+berichten zouden u overal vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en
+krijgshaftig, maar hij was niet helder ziende, daardoor werd hij in
+hunne strikken gevangen en door den Magy gekroond. Zeer velen van de
+zeelieden en de landweer, dien deze keuze niet naar den zin was,
+vertrokken in stilte, Kat medenemende. Maar Kat die niet voor de
+Moeder, noch voor de algemeene vergadering, wilde verschijnen, sprong
+over boord. Toen kwam de stormwind en dreef de schepen op de schorren
+van de Dennemarken, zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben
+zij die straat het Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij
+op <span class="pagenum">[<a id="xd0e1364" href=
+"#xd0e1364">79</a>]</span>de wilden los; zij waren allen ruiters;
+gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins heer aan, maar als een
+dwarrelwind <span class="corr" id="xd0e1366" title="Bron: wenden">
+wendden</span> zij om, en durfden niet weder verschijnen. Toen Wodin nu
+terug kwam, gaf de Magy hem zijne dochter tot vrouw. Daarop werd hij
+met kruiden berookt, doch er waren tooverkruiden onder; want Wodin werd
+trapsgewijze zoo zeer vermetel, dat <span class="corr" id="xd0e1369"
+title="Bron: hy">hij</span> Frya en Wraldas geest durfde miskennen en
+bespotten, terwijl hij zijn vrije hals boog voor de valsche
+gedrochtelijke beelden. Zijn rijk duurde zeven jaren, toen verdween
+hij. De Magy zeide dat hij onder hunne goden was opgenomen, en dat hij
+van daar over hen heerschte, maar ons volk lachte om zijne taal. Toen
+Wodin eene poos weg geweest was, kwam er tweespalt; wij wilden een
+anderen koning kiezen, maar dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij
+beweerde dat het een recht was, hem door zijne afgoden gegeven. Maar
+buiten en behalve deze twist, was nog eene tusschen de Magiaren en
+Finnen, die Frya noch Wodin wilden eeren, doch de Magy deed zoo als hem
+goed dacht, want zijne dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu
+wilde de Magy dat deze zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl
+allen keven en twisten, kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich
+zelven tot voogd of raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf,
+dan van het recht, lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele
+Magiaren vloden met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen
+scheep en een heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met
+hun.</p>
+
+<p>Nu komen de geschiedenissen van neef Teunis en zijn neef Inka eerst
+recht op het pad.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1374" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit alles staat niet alleen op de Waraburgt, maar
+ook op de burgt Stavia, die gelegen is achter de haven van Stavre</h2>
+
+<p>Toen Teunis met zijne schepen naar huis wilde keeren, ging hij het
+eerst op de Dennemarken af, maar hij mocht daar <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1379" href="#xd0e1379">81</a>]</span>niet landen, dat had
+de Moeder besteld. Ook te Flyland mocht hij niet landen en voorts
+nergens. Hij zoude alzoo met zijne manschappen van kommer en gebrek
+omgekomen zijn; daarom gingen zij des nachts aan land om te rooven, en
+voeren bij dag verder. Aldus langs de kust voort varende kwamen zij tot
+de volkplanting Kadik, zoo geheeten omdat zij door een steenen kadijk
+gevormd was. Hier kochten zij allerhande leeftocht, maar Tuntia de
+burgtmaagd wilde niet gedoogen, dat zij zich daar nederzetteden. Toen
+zij gereed waren, kregen zij twist. Teunis wilde door de straat van de
+Middellandsche zee, om te varen voor den rijken koning van Egyptenland,
+gelijk hij wel eer gedaan had. Maar Inka zeide dat hij zijn bekomst had
+van al dat Findas volk. Inka meende dat er misschien wel een
+hooggelegen deel van Atland, bij wijze van eiland, zoude overgebleven
+wezen, waar hij met zijne manschappen vredig leven mocht. Als de beide
+neven het aldus niet eens konden worden, ging Teunis heen en stak een
+roode banier in het strand, en Inka eene blaauwe. Daarna mocht ieder
+kiezen, wien hij volgen wilde, en o wonder, tot Inka die er een afkeer
+van had, om de koningen van Findas volk te dienen, liepen de meeste
+Finnen en Magyaren over. Toen zij nu het volk geteld en de schepen
+daarnaar verdeeld hadden, scheidden de vloten van elkander; van neef
+Teunis is naderhand bericht gekomen, van neef Inka nimmer.</p>
+
+<p>Neef Teunis voer langs de kust door de straat der Middellandsche
+zee. Toen het Atland verzonken is, was het aan de oevers der
+Middellandsche zee ook erg toegegaan. Daardoor waren vele menschen van
+het Findas volk naar onze heinde en verre Krekalanden gekomen en ook
+velen van Lydas land. Daarentegen waren ook velen van ons volk naar
+Lydas land gegaan. Dat alles had uitgewerkt, dat de heinde en verre
+Krekalanden voor het oppergezag der Moeder verloren waren. Daar had
+Teunis <span class="corr" id="xd0e1383" title="Bron: opgerekend">op
+gerekend</span>, daarom wilde hij daar een goede <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1386" href="#xd0e1386">83</a>]</span>haven kiezen en van
+daaruit voor de rijke vorsten varen doch omdat zijne vloot en zijn volk
+er zoo haveloos uitzagen, meenden de Kadhemers (kustbewoners), dat zij
+roovers waren en daarom werden zij overal geweerd. Doch ten laatste
+kwamen zij aan Phoenisius kust, dat was 193 jaren nadat Atland gezonken
+is. Nabij de kust vonden zij een eiland met twee diepe golven, zoodat
+het als drie eilanden uitzag. Op het middelste daarvan stelden zij
+hunne schuilplaats op, naderhand bouwden zij daar eenen burgtwal om
+toe. Toen zij nu daaraan een naam, wilden geven, werden zij oneens,
+sommigen wilden het Fryasburgt heeten, andere Neettunia, maar de
+Magyaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburgt zoude heeten. Thyr
+noemden zij een hunner afgoden, en op diens verjaardag waren zij daar
+geland; tot eene vergelding wilden zij Teunis eeuwig als hun koning
+erkennen. Teunis liet hem belezen, en de anderen wilden daarover geen
+oorlog hebben. Toen zij nu goed zaten zonden zij sommige oude zeelieden
+en Magyaren aan den wal en verder naar de burgt Sydon, maar in het
+eerst wilden de Kadhemers niets van hen weten. Gij zijt veraf wonende
+zwervers, zeiden zij, die wij niet achten kunnen. Doch toen wij hun van
+onze ijzeren wapenen wilden verkoopen, ging ten laatsten alles goed.
+Ook waren zij zeer begeerig naar onze barnsteenen, en het vragen
+daarnaar nam geen einde. Maar Teunis, die verziende was, deed alsof hij
+geen ijzeren wapenen noch barnsteenen meer had. Toen kwamen de
+kooplieden en baden hem, hij zoude twintig schepen geven die zij alle
+met de fijnste waren wilden bevrachten, en zij wilden hem zoovele
+lieden tot roeijers geven als hij begeerde.</p>
+
+<p>Twaalf schepen liet hij bevrachten met wijn, honig, toebereid leder,
+daarbij kwamen toomen en zadels met goud overtrokken, gelijk men ze
+nimmer gezien had. Met al dien schat viel Teunis het Flymeer binnen. De
+grevetman van Westflyland werd door al deze dingen verrukt, hij
+bewerkte <span class="pagenum">[<a id="xd0e1390" href=
+"#xd0e1390">85</a>]</span>dat Teunis bij de mond van het Flymeer een
+pakhuis bouwen mocht. Naderhand is die plaats Almanaland genoemd en de
+markt, waarop zij naderhand te Wyringen ruilhandel mochten drijven,
+Toelaatmarkt. De Moeder raadde dat wij hun alles zouden verkoopen
+behalve ijzeren wapenen, maar men sloeg geen acht op haar. Daar de
+Thyriers dus vrij spel hadden, kwamen zij steeds weder om onze waren
+heinde en ver te vervoeren, tot schade van onze eigene zeelieden.
+Daarna is besloten op eene algemeene vergadering, jaarlijks zeven
+Tyrische schepen toe te laten en niet meer.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1392" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Wat daarvan geworden is.</h2>
+
+<p>In de noordelijkste hoek van de Middellandsche zee ligt een eiland
+bij die kust. Nu kwamen zij dat te koop vragen. Daarover werd eene
+algemeene vergadering belegd. Moeders raad werd ingewonnen, maar Moeder
+zag hen liefst ver af. Daarom meende zij dat er geen kwaad in stak,
+doch als wij achterna zagen, hoe wij verkeerd gedaan hadden, noemden
+wij dat eiland Mis.sellia.<a class="noteref" id="xd0e1397src" href=
+"#xd0e1397">1</a> Hierachter zal blijken, hoe wij hiertoe reden hadden.
+De Golen, zoo heetten de zendeling-priesters van Sydon, hadden wel
+gezien dat het land daar schaars bevolkt was en ver van de Moeder was.
+Om nu zich zelven een goeden schijn te geven, lieten zij zich zelve in
+onze taal <span class="letterspaced">aan de trouw gewijden</span>
+heeten, maar dat was beter geweest, als zij zich zelve <span class=
+"letterspaced">van de trouw gewenden</span> genoemd hadden of kort weg
+<span class="letterspaced">Triuwenden</span>, gelijk onze zeelieden
+later gedaan hebben.</p>
+
+<p>Toen zij wel gezeten waren, ruilden hunne kooplieden schoone koperen
+wapenen en allerlei sieraden tegen onze ijzeren wapenen en huiden van
+wilde dieren, die in onze <span class="pagenum">[<a id="xd0e1411" href=
+"#xd0e1411">87</a>]</span>zuidelijke landen in menigte te bekomen
+waren, maar de Golen vierden allerhande vuile gedrochtelijke feesten,
+en dan dienden de Kadheimers die door toedoen van hunne wulpsche
+meisjes en de zoetheid van hunne vergiftige wijn. Was er iemand van ons
+volk die het zoo erg verbruid had, dat zijn leven in gevaar kwam, dan
+verleenden de Golen hem heul en schuilplaats, en voerden hem naar
+Phonisia, dat is Palmland. Was hij daar gezeten, dan moest hij aan
+zijne bloedverwanten, vrienden en aanverwanten schrijven, dat het land
+zoo goed was en de menschen zoo gelukkig, als niemand zich konde
+verbeelden. In Brittania waren zeer vele mannen, doch weinig vrouwen,
+toen de Golen dat wisten, lieten zij allerwege meisjes schaken, en deze
+gaven zij aan de Britten om niet. Doch al deze meisjes waren hunne
+dienaren die kinderen van Wralda stalen om ze aan hunne valsche afgoden
+te geven.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e1397src" id="xd0e1397">1</a></span> Mis.sellia, miskoop,
+verkeerde koop.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e1413" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu willen wij schrijven over den oorlog der
+burgtmaagden Kalta en Min-erva.</h2>
+
+<p>En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de
+Golen verloren hebben.</p>
+
+<p>Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden,
+genoemd naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene
+eiland is de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de
+volgende geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en
+waak.</p>
+
+<p>563 jaar nadat Atland verzonken is zat hier eene wijze
+burgtpriesteres, Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd
+Nyhellenia. Deze bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij
+verleende was nieuw en helder boven alle andere.</p>
+
+<p>Over de Schelde op de Flyburgt, zat Sijrhed; deze burgtmaagd was vol
+ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1424" href="#xd0e1424">89</a>]</span>tong; maar de raad die zij
+gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden
+Kalta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de
+uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva
+het tweede en Syrhed het derde als opvolgster beschreven. Minerva had
+daar geen weet van, maar Syrhed was er door geknakt. Even als eene
+buitenlandsche vorstin wilde zij ge&euml;erd, gevreesd en gebeden
+wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen alle
+zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken en van
+het Flymeer. Dat kwetste Syrhed, want zij wilde boven Minerva
+uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude
+hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen en
+maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond, zeide
+zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt over
+de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar de haan
+heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne
+hoovaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten
+geworden. Als Kalta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van
+kwaad tot erger; in stilte liet zij de Magyaren bij zich komen om
+toverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich in
+de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet beteren.
+Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken, wilde zij
+hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig, dan liep
+zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij alle zouden
+vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts <span class=
+"corr" id="xd0e1426" title="Bron: verblinde">verblindde</span> zij
+hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor water hielden,
+daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op het eerste
+krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren, liet zij hun
+tonne bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank gedaan. Toen
+het volk nu allen te zamen dronken <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1429" href="#xd0e1429">91</a>]</span>waren, ging zij boven op haar
+strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het morgenrood
+kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen op haar
+gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en dochteren
+van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatste tijd veel schade en
+gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer komen om ons
+schrijfvilt te koopen, maar gij weet niet, waardoor dat gekomen is.
+Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu kan ik het niet
+langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt, waarnaar gij bijten
+moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij van tijd tot tijd de vaart
+van alle zee&euml;n hebben, daar maken zij heden ten dage schrijfvilt
+van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit, en kunnen zij ons
+ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd ons voornaamste
+bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat men het van ons
+zoude leeren. Maar Minerva heeft al het volk behekst, ja behekst,
+vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven is. Er uit moet
+het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd, ik zoude het wel
+weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen zij het laatste
+woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar het beschonken
+volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet vermocht te
+waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal, en nadien de
+nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek op de burcht
+los. Doch Kalta miste al weder haar doel, want Minerva en hare maagden
+en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1431" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hierbij komt de geschiedenis van Jon.</h2>
+
+<p>Jon, J&ocirc;n, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan
+de uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het
+verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was
+zeekoning, geboren te Alderga, het Flymeer <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1436" href="#xd0e1436">93</a>]</span>uitgevaren met 127 schepen
+uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin,
+koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en
+konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch
+toen Jon hier kwam en zag, hoe Kalta onze roemrijke burgt verwoest had,
+toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op
+Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar
+door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden de lamp
+en de maagden gered; doch Syrhed of Kalta mochten zij niet vatten. Zij
+klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in de vlammen moest
+omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden stokstijf van schrik
+stonden, kwam zij schooner als te voren op haren klepper, hun
+toeroepende: naar Kalta
+&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;. Toen stroomde het
+andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij:
+wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende
+gesneuveld zijn.</p>
+
+<p>Te dier tijde was Rosamund, dat is Rosamuda Moeder; zij had veel in
+der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam, maakte
+zij korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en liet een
+algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landsverdedigers uit alle
+oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon bergde zich
+met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide lampen,
+benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk, de
+heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan de
+overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer en
+terstond daarna naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele van ons
+volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag, dat men hem
+en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok hij heimelijk.
+Hij deed terecht, want al onze eilanders en al het andere Schelde volk,
+die gevochten hadden, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1443" href=
+"#xd0e1443">95</a>]</span>werden naar Brittanje <span class="corr" id=
+"xd0e1445" title="Bron: gehracht">gebracht</span>. Deze stap was
+verkeerd, want nu kwam het begin van het einde.</p>
+
+<p>Kalta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op het
+land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia af<span
+class="corr" id="xd0e1450" title="Niet in bron">.</span> Toen kwamen de
+Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee naar Kadix varen en
+geheel ons buitenland langs en vielen op en over Brittannia, doch daar
+konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de bestuurders machtig en de
+bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam Kalta en sprak: gij zijt
+vrij geboren en om kleine gebreken heeft men u tot verworpenen gemaakt,
+niet om u te verbeteren, maar om tin te winnen door uwe handen. Wilt
+gij weer vrij wezen en onder mijn raad en hoede leven, trekt dan uit,
+wapenen zullen u gegeven worden en ik zal over u waken. Als bliksemvuur
+ging het over de landen, en eer des Kroders juul eens omgeloopen was,
+was zij meesteres over allen te zamen en de Thyriers van al onze
+zuiderstaten tot de Seine. Om dat Kalta haar zelve niet betrouwde, liet
+zij in het noordelijke bergland een burgt bouwen. Kaltasburch werd zij
+geheeten, zij is nog in wezen maar nu heet zij Kerenak. Van deze burgt
+uit heerschte zij als eene echte moeder, doch niet ter wille van, maar
+over hare volgelingen, die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen
+heerschten allengs over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat
+zij geen burgten meer hadden, anderdeels omdat zij daar geene
+burgtmaagden hadden en in de derde plaats omdat zij geene echte lamp
+hadden. Door al deze oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom
+en dwaas en werd eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd
+en ten laatste als een stier bij de neus omgeleid. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1453" href="#xd0e1453">97</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1455" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu willen wij schrijven hoe het Jon vergaan is. Het
+staat te Texland geschreven.</h2>
+
+<p>Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het
+Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen); en van
+hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven.</p>
+
+<p>Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hun
+overal vooruitgegaan, zoodat zij aan de kusten van het naastbijzijnde
+Krekaland (Italie) nergens veilig waren. Hij stak dus met zijne vloot
+naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie). Daar wilden de zwarte
+menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus, maar
+Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest door de
+priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk wij later
+hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben, die daar
+naar hun begrip van overlang was (?) hadden zij Teunis tot een God
+verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus achter den
+rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede rooven.
+Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet terug
+winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende Jon
+zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een land,
+dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond.</p>
+
+<p>Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of
+priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden
+beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet ruim
+genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te laf om
+verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en vaan,
+het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde scharen.
+Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste deel voegde
+zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij Jon. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1464" href="#xd0e1464">99</a>]</span>Jon
+nam de lamp van Kalta en hare maagden mede; Minerva behield hare eigene
+lamp en hare eigene maagden.</p>
+
+<p>Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige
+eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het woud
+tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden uit
+ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen, daarom
+zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische
+eilanden genoemd.</p>
+
+<p>Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika
+genoemd is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij
+onderhielden hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en
+honing. Zij waren met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen
+op de hellingen der bergen. Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers
+geheeten.</p>
+
+<p>In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet
+taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote
+vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten
+nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden
+helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne
+kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij
+eene burgt anderhalve paal (uurgaans) van de haven. Op raad van Minerva
+werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren te
+weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar als
+vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen de
+voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden, behaagde
+hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken, omdat zij
+dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde: hoe zijt gij
+wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoorden: sommige hebben wij gekocht,
+andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide: bijaldien niemand
+menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen rooven, en gij zoudt
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1472" href=
+"#xd0e1472">101</a>]</span>daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus
+onze bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten.</p>
+
+<p>Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar
+de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen, die
+wij nu van steen maken.</p>
+
+<p>Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva.</p>
+
+<p>Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om
+ijzeren burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig;
+doch zoo wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als
+zij daarin toegestemd hadden, vroegen die lieden of Fryas zeden te
+Athene en in de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder
+antwoorde: Indien de verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya
+behooren, zoo zullen zij daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe,
+dan zal er lang over gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog
+vijfduizend jaren met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor
+de vrijheid is.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1480" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit is over de Geertmannen.</h2>
+
+<p>Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich
+als of zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude,
+hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij geene
+andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden, dat er
+onder hare maagden geene zouden wezen, die zij zoo zouden kunnen
+vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar wij wilden
+Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve ons gezegd
+had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas geest. Daarom
+kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder.</p>
+
+<p>Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet
+mochten braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1487" href=
+"#xd0e1487">103</a>]</span>Minerva niet als eene Godin wilden bekennen
+uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel liefde had bewezen. Daarop
+gaven zij het volk beeldtenissen van hare gelijkenis, betuigende dat
+zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang zij gehoorzaam bleven. Door
+al deze verhalen werd het domme volk van ons afkeerig gemaakt, en ten
+laatsten vielen zij ons te lijf. Maar wij hadden onze steenen burgtwal
+met twee hoornen omgebogen tot aan de zee. Zij konden ons daarom niet
+genaken. Doch wat gebeurde, een Egyptenaar die een overpriester was,
+helder van oogen, klaar van brein, en verlicht van geest, zijn naam was
+Cecrops, hij kwam om raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met
+zijne lieden onze wal niet bestormen kon, toen zond hij boden naar
+Thyrus. Daarop kwamen driehonderd schepen vol soldaten van de wilde
+bergvolken onverwacht in onze haven varen, terwijl wij met al onze
+mannen op den wal strijdende waren.</p>
+
+<p>Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het
+dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje
+geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische
+zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij
+dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij zult
+uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden noch van
+verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te eischen, zij
+mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en dragende have, en
+hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der burgtheeren heel goed
+ziende, dat zij de burgt niet konden houden, raadden Geert aan, dat zij
+gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops woedend werd en anders <span
+class="corr" id="xd0e1491" title="Bron: bogon">begon</span> en drie
+maanden daarna, vertrok Geert met met de beste Fryaszonen en zeven maal
+twaalf schepen. Toen zij een poos buiten de haven waren, kwamen er wel
+dertig schepen van Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene
+gaan, doch als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen
+zij met Geert. De zeekoning der <span class="pagenum">[<a id="xd0e1494"
+href="#xd0e1494">105</a>]</span>Thyriers bracht allen te zamen door de
+straat, die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landen
+zij aan Pangab, dat is in onze spraak <span class="letterspaced">vijf
+wateren</span>, omdat vijf rivieren met elkander naar de zee
+toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat land hebben zij Geertmania
+genoemd. De koning van Thyrus later ziende, dat zijne allerbeste
+zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen met zijne wilde
+soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als zij bij de straat
+kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief aarde haar lijf daar
+zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep, en dat alle wadden en
+schorren als een burgtwal voor hen oprezen.</p>
+
+<p>Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen
+klaar en duidelijk zien kan.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1501" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">In het jaar 1005 nadat Atland gezonken is, is dit op
+de oosterwand van Frijasburgt geschreven.</h2>
+
+<p>Nadat wij in twaalf jaren tijd geen Krekalander te Almanland gezien
+hadden, kwamen hier drie schepen zoo sierlijk als wij er geen hadden,
+en te voren nimmer hadden gezien. Op het grootste van deze was een
+koning der Jonische eilanden; zijn naam was Ulysus en de roep zijner
+wijsheid groot. Aan dezen koning was door eene priesteres voorzegd dat
+hij koning zoude worden over alle Krekalanden, zoo hij raad wist om
+eene lamp te krijgen, die opgestoken was aan de lamp te Texland. Om die
+te verkrijgen had hij vele schatten medegebracht, bovenal vrouwen
+sieraden, gelijk er in de wereld niet schooner gemaakt werden. Zij
+waren afkomstig van Troje, eene stad, die de Krekalanders hadden <span
+class="corr" id="xd0e1506" title="Bron: inge-genomen">ingenomen</span>.
+Al deze schatten bood hij de Moeder aan; maar de Moeder wilde nergens
+van weten. Als hij ten laatsten zag, dat zij niet te winnen was, ging
+hij naar Walhallagara. Daar was eene burgtmaagd gezeten, wier naam was
+Kaat; doch <span class="pagenum">[<a id="xd0e1509" href=
+"#xd0e1509">107</a>]</span>in de wandeling werd zij Kalip genoemd,
+omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak. Bij deze heeft hij
+jaren vertoefd tot ergernis van allen die het wisten. Naar het zeggen
+der maagden heeft hij van haar ten laatste eene lamp gekregen; doch zij
+heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam, is zijn schip
+vergaan, en hij naakt en bloot opgenomen door de andere schepen.</p>
+
+<p>Van dezen koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver
+Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en hetgene hier
+volgt heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag
+besluiten, hoe waar de Moeder Hellicht gesproken heeft toen zij zeide
+dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de andere
+Krekalanders hebt gij zeker veel kwaad over Cecrops gehoord, want hij
+was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, hij was een verlicht man,
+hoogelijk geroemd, zoowel bij de inwoners als bij ons, want hij was er
+niet voor om de menschen te onderdrukken, gelijk de andere priesteren,
+maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid der ver afwonende volken
+naar waarde te schatten. Daarom, omdat hij dat wist heeft hij ons
+toegestaan, dat wij mochten leven naar ons eigenlijk Asegaboek. Er liep
+een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij geboren zoude wezen uit
+een Friesch meisje en een Egyptisch priester, uithoofde dat bij blauwe
+oogen had, en dat er vele meisjes bij ons geschaakt waren en verkocht
+naar Egypte. Doch zelf heeft hij dit nimmer bevestigd. Hoe het daarmede
+is, zeker is het dat hij ons meer vriendschap bewees, als alle andere
+priesteren te zamen. Maar toen hij gestorven was, gingen zijne
+opvolgers al spoedig aan onze wetten tornen, en allengs zoo vele
+ongeschikte keuren maken, dat er ten langen laatste van gelijkheid en
+van vrijheid niet anders, als de schijn en de naam overbleef. Verder
+wilden zij niet gedoogen dat de inzettingen in schrift werden gebracht,
+waardoor de wetenschap daarvan voor ons verborgen werd. Te voren werden
+alle zaken binnen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1513" href=
+"#xd0e1513">109</a>]</span>Athene in onze taal bepleit, naderhand moest
+het in beide talen geschieden, en ten laatste alleen in de landstaal.
+In de eerste jaren nam het manvolk te Athene enkel vrouwen van ons
+eigen geslacht, maar het jongvolk opgewassen met de meisjes der
+landzaten namen daar ook van. De basterd kinderen die daarvan kwamen,
+waren de schoonste en schranderste van de wereld, maar zij waren ook de
+slechtste. Hinkende over beide zijden, zich bekreunende noch om wet,
+noch om gewoonte, tenzij dat het was voor hun eigen belang. Alzoo lang
+er nog een straal van Fryas geest opwelde, werd al de bouwstof tot
+gemeene werken verarbeid, en niemand mocht een huis bouwen, dat ruimer
+en rijker was als dat van zijn buurman. Doch toen sommige verbasterde
+stedelingen rijk waren door onze zeevaart en door het zilver, dat de
+slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen zij buiten op de hellingen
+(der bergen) of in de dalen wonen. Aldaar achter hooge wallen van loof
+of van steen, bouwden zij hoven (paleizen) met kostbaar huisraad, en om
+bij de vuile priesteren in een goeden dunk te wezen, plaatsten zij daar
+op valsche goden gelijkende en ontuchtige beelden in. Bij de vuile
+priesteren en vorsten werden soms de knapen meer begeerd, als de
+dochteren, en vaak door rijke giften of door geweld van het pad der
+deugd afgeleid. Naardien rijkdom bij het verwende en verbasterde
+geslacht ver boven deugd en eere gold, zag men altemet knapen, die zich
+met wijde prachtige kleederen versierden, hunne ouders en de maagden
+tot schande en hunne sekse ten spot. Kwamen onze eenvoudige ouders te
+Athene op de algemeene volksvergadering, en wilden daar zich beklagen,
+dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar zal een zeegedrocht spreken. Zoo
+is Athene geworden, gelijk een moeras in de heete landen vol
+bloedzuigers, padden en vergiftige slangen, waarin geen mensch van
+strenge zeden zijn voet kan wagen. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1515" href="#xd0e1515">111</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1517" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit staat op al onze burgen.</h2>
+
+<p>Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat
+Atland was verzonken. Door Wodins dwaze dartelheid, was de Magy meester
+geworden over het oosterdeel van Schoonland<span class="corr" id=
+"xd0e1522" title="Niet in bron">.</span> Over de bergen en over de zee
+durfden zij niet komen. De Moeder wilde het niet weren, zij sprak
+zeggende: Ik zie geen gevaar in zijne wapenen, maar wel om de
+Schoonlanden weer te nemen, omdat zij verbasterd en verdorven zijn. Op
+de algemeene vergadering dacht men gelijkerwijze. Daarom is het aan hem
+gelaten. Groot honderd jaren geleden begonnen de Denemarkers met hun
+handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapenen, daarvoor ruilden zij
+gouden sieraden benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boden en
+raadde hun, zij zouden den ruilhandel laten varen. Daar was gevaar,
+zeide zij, voor hunne zeden, en indien zij hunne zeden verloren, dan
+zouden zij ook hunne vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden
+nergens ooren naar; zij wilden niet begrijpen, dat hunne zeden verloren
+konden gaan; daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste
+brachten zij hunne eigene wapenen en leeftocht zoek. Maar dit kwaad
+veroorzaakte hunne straf. Hunne ligchamen werden overladen met glans en
+schijn, maar hunne kisten, kasten en schuren werden ledig. Juist
+honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee
+gestoken was, kwam armoede en gebrek door de vensters binnen, honger
+spreidde zijne wieken uit en streek op het land neder, tweespalt liep
+trotsch over de straat, en voorts de huizen in, liefde kon geen steun
+langer vinden, en eendracht liep weg. Het kind vroeg eten van zijne
+moeder, en die had geene spijs, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen
+tot hunne mannen, deze gingen tot de graven, de graven hadden zelve
+niets, of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkoopen,
+maar terwijl de zeelieden daarmede <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1525" href="#xd0e1525">113</a>]</span>vertrokken waren, kwam de
+vorst en legde een plank neder op de zee en op de straat (de Sond).
+Toen de vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het
+land uit, en het verraad klom op zijn zetel. In plaats van de oevers te
+bewaken, spanden hij hunne paarden voor hunne sleden, en reden naar
+Schoonland. Doch de Schoonlanders, die begeerig waren naar het land
+hunner voorvaderen, kwamen naar de Denemarken. Op een heldere nacht
+kwamen zij alle. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land hunner
+voorvaderen, en terwijl men daarover streed, kwamen de Finnen in de
+verlatene dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en dat zij
+geene goede wapenen hadden, deed hun de strijd verliezen en daarmede de
+vrijheid, want de Magy werd meester. Dat kwam daar van daan, dat zij
+Fryas tex niet lazen en hare raadgevingen verwaarloosd hadden. Er zijn
+sommigen, die meenen, dat zij door de graven verraden zijn, en dat de
+maagden dat al lang bespeurd hadden. Doch zoodra iemand daarover
+spreken wilde, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketens. Wij kunnen
+daarover niet oordeel vellen, maar wij willen u toeroepen: Verlaat u
+niet te zeer op de wijsheid en deugd noch van uwe vorsten noch van uwe
+maagden; want zal het stand houden, dan moet iedereen waken over zijn
+eigene hartstochten en voor het algemeene welzijn.</p>
+
+<p>Twee jaren daarna kwam de Magy zelf met eene vloot van lichte booten
+om aan de Moeder van Texland de lamp te ontrooven. Deze booze daad
+bestond hij bij nacht in den winter bij stormweder, terwijl de wind
+gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter, die
+meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijne toorts. Zoodra als het licht
+van den toren op het ronddeel neder viel, zag hij dat reeds vele
+gewapende mannen over de burgtwal waren. Nu ging hij om de klok te
+luiden, doch het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren reeds twee
+duizend in de weer om de poort te rammeijen. De strijd duurde daarom
+kort, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1532" href=
+"#xd0e1532">115</a>]</span>want omdat de krijgslieden geene goede wacht
+gehouden hadden, kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten
+was, was er een leelijke Fin in de (fleete) of het slaapvertrek van de
+Moeder binnen geslopen, en wilde haar geweld aandoen. De Moeder weerde
+hem af, dat hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weder op de
+been was, stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wilt gij
+mijne roede niet, zoo zult gij mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een
+zeeman van de Denemarken, deze nam zijn zwaard en kloofde den Fin den
+kop. Daaruit stroomde zwart bloed en daarboven zweefde eene blaauwe
+vlam.</p>
+
+<p>De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen. Toen zij nu zoo
+verre hersteld en beter was, dat zij helder spreken konde, zeide de
+Magy, dat zij met hem mede varen moest, doch dat zij hare lamp en hare
+maagden zoude behouden, dat zij een staat zoude voeren, zoo hoog als
+zij nooit te voren gekend had. Voorts zeide hij, dat hij haar vragen
+zoude in tegenwoordigheid van zijne voornaamsten, of hij meester zoude
+worden over alle landen en volken van Frya. Hij zeide, dat zij dit
+bevestigen en verzekeren moest, anders zoude hij haar onder vele
+smarten laten sterven. Toen hij daarna alle zijne voornaamsten om haar
+leger vergaderd had, vroeg hij luide: Frana, vermits ge helderziende
+zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester zal worden over alle
+landen en volken van Frya. Frana deed, als sloeg zij geen acht op hem.
+Ten langen laatste opende zij hare lippen, en sprak: Mijne oogen worden
+verduisterd, doch het andere licht daagt op in mijne ziel. Ja, ik zie
+het. Hoor Irtha, en wees blijde met mij. In de tijden, dat Atland
+verzonken is, stond de eerste spaak van het Juul in top. Daarna is zij
+nedergegaan en onze vrijheid met haar. Als het twee spaken of twee
+duizend jaren nedergewenteld heeft, zullen de zonen opstaan, die de
+vorsten en priesteren in ontucht bij het volk geteeld hebben, en die
+tegen hunne vaderen getuigen. Die allen zullen door moord bezwijken;
+maar wat zij verkondigd hebben, zal voortdurend <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1536" href="#xd0e1536">117</a>]</span>blijven en vruchtbaar
+worden in den boezem der kloeke menschen, gelijk goede zaden die
+neergelegd worden in uwen schoot. Nog duizend jaren zal de spaak naar
+beneden dalen en al meer neder zijgen in de duisternis en in het bloed
+over u uitgestort door de lagen der vorsten en priesteren. Daarna zal
+het morgenrood weder aanvangen te gloren. Dit ziende zullen de valsche
+vorsten en priesters allen te zamen tegen de vrijheid kampen en
+worstelen; maar vrijheid, liefde en eendracht zullen het volk in hare
+hoede nemen, en met het juul uit de vuile poel rijzen. Het licht, dat
+eerst alleen gloorde, zal dan van lieverlede tot eene vlam worden. Het
+bloed der boozen zal over uw ligchaam stroomen, maar gij moogt het niet
+tot u nemen. Ten laatste zal het vergiftige gedierte daarop azen en
+daarvan sterven. Alle vuile geschiedenissen, die verzonnen zijn om de
+vorsten en priesteren te roemen, zullen aan de vlam geofferd worden.
+Voortaan zullen alle uwe kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken
+had, zeeg zij neder. Maar de Magy, die haar niet wel verstaan had,
+schreeuwde: ik heb u gevraagd of ik meester zoude worden over alle
+landen en volken van Frya, en nu hebt gij tot een ander gesproken.
+Frana richtte zich weder op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven
+etmalen om zijn, zal uwe ziel met de nachtvogels bij de graven rond
+waren, en uw lijk zal liggen op den bodem van de zee. Heel goed, zeide
+de Magy met verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij
+tot zijn gerigtsdienaars: werpt dat wijf over scheepsboord. Zoo was het
+einde van de laatste der Moeders. Wraak willen wij daarover niet
+roepen, die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij
+Frya na roepen: waak! waak! waak!</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1538" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hoe het den Magy verder gegaan is.</h2>
+
+<p>Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar
+zijn schip brengen, benevens allen inboedel, <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1543" href="#xd0e1543">119</a>]</span>die hem behaagde.
+Vervolgens ging hij het Flymeer op, want hij wilde de maagd van
+Medeasblik of van Stavoren rooven, en die tot Moeder aanstellen. Doch
+daar waren zij op hunne hoede gebracht. De zeelieden van Staveren en
+Alderga hadden zich gaarne tot Jon begeven, maar de groote vloot was op
+eene verre tocht uit. Nu gingen zij heen en voeren met hunne kleine
+vloot naar Medeasblik en hielden zich schuil achter de luwte der
+boomen. De Magy naderde Medeasblik, bij helderen dag en schijnende zon.
+Evenwel gingen zijne manschappen stoutweg op de burgt aanstormen. Maar
+als al het volk met de booten geland was, kwamen onze zeelieden uit de
+kreek weg en schoten hunne pijlen met brandende terpentijnballen op
+zijne vloot. Zij waren zoo goed gericht, dat vele van zijne schepen
+terstond in brand waren. Die op de schepen de wacht hielden, schoten
+ook naar ons, doch zij raakten niets. Toen ten laatste een schip al
+brandende naar het schip van den Magy dreef, beval hij zijn stuurman af
+te houden; maar die stuurman was de Denemarker, die den Fin geveld had;
+deze zeide: gij hebt onze Eeremoeder naar den bodem van de zee gezonden
+om te melden, dat gij komen zoudt, dat zoudt gij door de drukte wel
+vergeten; nu wil ik zorgen, dat gij uw woord gestand doet. De Magy
+wilde hem afweren, maar de stuurman een echte Fries en sterk als een
+jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem over boord in de
+golvende zee. Vervolgens heesch hij zijn bruin schild in top en voer
+recht toe recht aan naar onze vloot. Daardoor kwamen de maagden
+ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan, en niemand wist, hoe het
+gekomen was. Toen zij op de onvernielde schepen hoorden, dat de Magy
+verdronken was, trokken zij weg, want de zeelieden daarvan waren meest
+Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, <span class="corr" id=
+"xd0e1545" title="Bron: wenden">wendden</span> onze zeelieden en
+schoten hunne brandpijlen op de Finnen af. Toen de Finnen dat zagen en
+hoe zij verraden waren, liep alles door elkander en er was langer geen
+gehoorzaamheid noch bevel. Op dat tijdstip liep de bezetting hen uit
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1548" href=
+"#xd0e1548">121</a>]</span>de burgt. Die niet vluchtte werd afgemaakt
+en die vluchtte vond zijn einde in de poelen van het Krylinger
+woud.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1550" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Naschrift.</h2>
+
+<p>Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren
+onder hun, die zeide Medea mag wel lachen, als wij haar uit hare burgt
+redden. Daarom hebben de maagden die Kreek <span class="letterspaced">
+Medea m&ecirc;ilakkia</span> genoemd. De gebeurtenissen, die daarna
+geschied zijn, mogen iedereen heugen. De maagden behooren die op hare
+wijze te verhalen en goed te laten beschrijven. Daarom rekenen wij
+hiermede onzen arbeid volbracht. Heil.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Einde van het
+Boek.</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e1562" href=
+"#xd0e1562">123</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1564" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">De schriften van Adelbrost en Apollonia.</h2>
+
+<p>Mijn naam is Adelbrost, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk
+ben ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit
+boek vervolgen, op zoodanige wijze als mijne moeder gesproken
+heeft.</p>
+
+<p>Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest er
+eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare
+opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te
+vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en
+wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksamarken paalt. Mijne
+moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het
+leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen,
+nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder van
+haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder
+behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt, en
+even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief heb
+boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet wezen. Zoo
+sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden wilden alle
+Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd en wilde
+niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk dus bandeloos.
+Uit het volgende moogt gij het begrijpen. Liudgert de koning die
+onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder gekozen, blijkbaar
+door alle staten met liefde en vertrouwen. Het was zijne beurt op het
+groote hof te Dokhem te wonen; en bij het leven der Moeder, werd hem
+daar groote eer bewezen; want het was er altijd zoo vol boden en
+ridders, als men er nooit te voren gezien had. Doch nu was hij eenzaam
+en verlaten; <span class="pagenum">[<a id="xd0e1571" href=
+"#xd0e1571">125</a>]</span>want iedereen was bevreesd, dat hij zich
+meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk de
+slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed, als
+hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den
+ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde
+op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten
+haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde er
+eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene maagd
+ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten voordeele
+van haar eigen staat. Door dusdanige ranken brachten zij tweespalt over
+de staten, en tornden zij den band zoodanig van een, dat het volk van
+de eene staat nijdig was op het volk van de andere staat, en voor het
+allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg daarvan is
+geweest, dat de Golen of Truwenden al ons land afgewonnen hebben tot
+aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het hierbij toegegaan
+is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het boek niet geschreven
+geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb, dat het helpen zal ten
+bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat ik daardoor het land zal
+winnen of behouden, dat is mijns achtens ondoenlijk. Ik schrijf alleen
+voor het nakomende geslacht, opdat zij al te zamen mogen weten, op
+hoedanige wijze wij verloren gingen, en opdat ieder daaruit leeren mag,
+dat alle kwaad zijne straf teelt.</p>
+
+<p>Mij heeft men Apollonia genoemd. Twee&euml;ndertig dagen na moeders
+dood, heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf,
+zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader, die
+ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere broeder,
+van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar heeft hij eene
+burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om daar ons leed te wreken. Wralda
+heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf zonen gewonnen.
+Die alle brengen den Magy schrik <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1575" href="#xd0e1575">127</a>]</span>en mijn broeder roem aan. Na
+den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten van onze
+landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten, Adelbond
+geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij mij en mijn
+jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de maagden en
+mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud was, heeft
+men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig was, werd
+hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder de zesde,
+maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne
+nakomelingen niet <span class="letterspaced">overa Linda</span> achter
+hunne namen voeren; maar iedereen wilde het hebben ter eere van mijne
+moeder. Daarenboven heeft men ons ook een afschrift gegeven van <span
+class="letterspaced">het boek van Adela&rsquo;s aanhangers</span>.
+Daarmede ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid
+kwam het in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften
+gevonden, ook lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter
+schrijven.</p>
+
+<p>Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest
+is op deze burgt. Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten
+overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift
+was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene
+vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd
+Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne
+Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij
+Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van waar
+meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund was,
+opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt zeer te
+hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet sluiten
+noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan, dat gij haar
+zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig, zoo is zij te
+voren hier Burgtmaagd geweest; <span class="pagenum">[<a id="xd0e1585"
+href="#xd0e1585">129</a>]</span>is zij daarom wijzer en beter als ik en
+alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden en gewoonten? Was dat
+het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden zijn, toen zij daartoe
+gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk hebben met alle vreugde
+en genoegens, die daaraan verbonden zijn, in plaats van eenzaam over
+haar zelve en het volk te waken. Zij is zeer helderziende, goed, maar
+mijne oogen zijn verre van verduisterd te wezen. Ik heb gezien dat zij
+haren echtgenoot grootelijks bemint, nu goed, dat is loffelijk, maar ik
+heb verder gezien, dat Teuntje Apols nicht is. Wijders wil ik niets
+zeggen.</p>
+
+<p>De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar onder
+het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier kwam,
+wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden
+ge&euml;indigd: de messen uit den zak gehaald, en er werd geene Moeder
+gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot nu
+toe was hij braaf geweest, daarom had mijne burgtmaagd verlof hem
+buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar
+het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts
+naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde haar
+aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer, zij
+zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij
+meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin van
+Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder geworden.
+Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar bode zijne
+krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft haar bode zelf
+beleden.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1589" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het tweede geschrift.</h2>
+
+<p>Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was het
+Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1594" href="#xd0e1594">131</a>]</span>lustige
+vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na te
+jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid niet mag
+verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel onze oorden in
+dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de waakzaamheid wilde
+niet terugkeeren. De strandwakers waren van hunne noodvuren
+weggeloopen, en op de toegangen was niemand te zien. Toen de nevel
+optrok, keek de zon door de reeten der wolken op aarde neder. Iedereen
+kwam weder uit om te juichen en te joelen, het jongvolk trok zingende
+met de (zakpijp?), en deze vervulde de lucht <span class="corr" id=
+"xd0e1596" title="Bron: me t">met</span> haar lieffelijken adem. Maar,
+terwijl daar iedereen zich in vreugde baadde, was verraad geland met
+paarden en ruiters; gelijk al het booze waren zij geholpen door de
+duisternis, en binnengeslopen door de paden van Lindaswoud. Voor de
+deur van Adela trokken twaalf meisjes met twaalf lammeren en twaalf
+knapen met twaalf hokkelingen, een jonge Saksman bereed een wilden
+buffel, dien hij zelf gevangen en getemd had. Met allerlei bloemen
+waren zij versierd, en de linnen jurken der meisjes waren omboord met
+goud uit den Rijn.</p>
+
+<p>Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op
+haar hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken
+boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier
+vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep
+Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en
+haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar
+binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees
+waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste der
+roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den tweede
+en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne ouders
+hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De roovers
+zouden hen spoedig gevangen genomen <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1601" href="#xd0e1601">133</a>]</span>hebben, maar Adela kwam (op
+de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was zij
+lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over haar
+hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras.</p>
+
+<p>Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden geveld
+en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem getroffen.
+Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en daaraan
+stierf zij.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1605" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">De lofspraak der burgtmaagd.</h2>
+
+<p>Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere
+zijn op weg.</p>
+
+<p>Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.</p>
+
+<p>Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste
+geweest.</p>
+
+<p>O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare
+tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij hare
+schoonheid verhoogen? Niet met parelen, want hare tanden zijn witter;
+niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met
+edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch te
+gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat spreek
+ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya die zeven
+schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene, hoogstens drie
+ge&euml;rfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch zoude zij ons
+dierbaar wezen.</p>
+
+<p>Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van
+onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog
+grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.</p>
+
+<p>Zie hier, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op
+gindschen grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde
+en de moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij,
+roept zij, tracht hulp te verleenen, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1620" href="#xd0e1620">135</a>]</span>en Wralda zal u krachten
+geven. Daarop ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht
+eene brug te maken; nu helpt ook de andere en de kinderen zijn
+gered.</p>
+
+<p>Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen ne&ecirc;rleggen.</p>
+
+<p>Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden
+mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat de
+onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat zij
+onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een spinrok
+vast. De uitheemsche heeren kwamen hunne lieden opeischen; toen zij
+zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op; doch men
+verhaalde hun, hoe het gebeurd was.</p>
+
+<p>Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip
+van haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten
+voor de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid
+hooren.</p>
+
+<p>Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt, is
+moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden
+gegrift.</p>
+
+<div class="blockquote">
+<p>LOOP NIET TE SCHIELIJK, WANT HIER LIGT ADELA.</p>
+</div>
+
+<p>De oude leer, die gegrift is op de buitenwand des burgttorens, is
+niet geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten
+is, weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil
+ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1636" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Oudste leer.</h2>
+
+<p>Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1641" href="#xd0e1641">137</a>]</span>zal
+het zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is
+het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda is
+alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal
+tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest
+genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door
+zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen
+en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde,
+alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want
+alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda
+komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is
+hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem.</p>
+
+<p>Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het
+geschapene, en er zijn geene goede wetten, of zij moeten daarnaar
+ingericht zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der
+menschen is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid of
+domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda nimmer.
+Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft, zijn de
+boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid te vinden,
+noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele dingen zien;
+maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen leeren,
+maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen
+ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen zijn
+mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen beminnen
+en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is Wralda alleen
+goed, en er zijn geene goeden buiten hem. Met het Juul verandert en
+wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen onveranderlijk.
+Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1645" href="#xd0e1645">139</a>]</span>en omdat
+hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1647" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het tweede deel van de oudste leer.</h2>
+
+<p>Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid
+zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden
+doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest
+het beste deel is van Wralda&rsquo;s geest, en dat Wralda alleen kan
+denken door hulp van hun brein.</p>
+
+<p>Dat ieder schepsel een deel is van Wralda&rsquo;s oneindig wezen,
+dat hebben zij van ons gestolen.</p>
+
+<p>Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid
+heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan
+zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want hun
+geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij
+naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon
+de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo
+hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen
+allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat
+daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en
+ge&euml;erd willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen
+en schatting eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf
+godsdienaren of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en
+vergaderen dat alles voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te
+behouden. Dat alles bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij
+zich zelven goden wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn
+er sommigen die hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden
+zij door hunne rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met
+vele statelijke plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in
+trouwe, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1656" href=
+"#xd0e1656">141</a>]</span>alleen opdat zij hun niet schaden zouden.
+Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen tegen hunne afgodische leer,
+zoo behooren de maagden hen te doen van buiten leeren, wat hier zal
+volgen.</p>
+
+<p>Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij wezen.
+Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets buiten
+hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle dingen
+geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze zaken
+moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat zij het
+aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre gewonnen, dan
+zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo zijn wij een deel
+van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het geschapene. Doch
+wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen geest en al onze
+bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit alles zijn vluchtige
+dingen, die door Wraldas leven verschijnen; doch door zijne wijsheid
+zoodanig en niet anders verschijnen. Maar doordien zijn leven steeds
+voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne plaats blijven. Daarom
+verwisselen alle geschapene dingen van plaats, van gedaante en ook van
+denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch eenig schepsel zeggen: ik
+ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch zeggen: ik denk, maar bloot:
+ik dacht. De knaap is grooter en anders als toen hij een kind was. Hij
+heeft andere begeerten, neigingen en denkwijze. De man en vader is en
+denkt anders als toen hij knaap was. Even zoo de oude van dagen. Dat
+weet iedereen. Bijaldien nu iedereen weet, en moet erkennen, dat hij
+steeds wisselt, zoo moet hij ook bekennen, dat hij ieder oogenblik
+wisselt; ook terwijl hij zegt: ik ben; en dat zijne denkbeelden
+veranderen, terwijl hij zegt: ik denk.</p>
+
+<p>In plaats dus, van dat wij de boose Finda&rsquo;s op eene onwaardige
+wijze napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel
+Wraldas, ja door ons alleen mag hij denken, <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1662" href="#xd0e1662">143</a>]</span>zoo willen wij
+verkondigen <span class="corr" id="xd0e1664" title="Bron: overalen">
+overal en</span> allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn
+verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot:
+doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo
+goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda&rsquo;s
+geest, hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep,
+heeft hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele
+goede eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en
+zijne wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen
+wij spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene
+zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden nog
+redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe en
+door vloed.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1667" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit staat op schrijffilt geschreven. Taal en
+antwoord aan andere maagden tot een voorbeeld.</h2>
+
+<p>Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te
+Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda
+gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte
+Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan,
+zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het
+kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide:
+toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed tegen
+de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand, die haar
+hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in haar gemoed
+neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich; hare neiging
+koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder de beschuttende
+lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was, dat zij nat werd.
+Doch zij had gezien, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1672" href=
+"#xd0e1672">145</a>]</span>hoe het water bij de hellende bladeren
+neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden, op staken
+maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen daaronder. Nu
+had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij heen en maakte
+eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde en vervolgens
+aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als te voren, en
+blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda, noch tegen
+Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen daarop.
+Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben, zoo beduidde
+zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze handelden en
+dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen gekomen met
+stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde tegen de
+zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en vervolgens
+al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest, dan moet gij
+trachten het andere beter te maken. Mijn huis was sterk genoeg, zeide
+hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd en de stormwind heeft het
+andere gedaan. Waar stond uw huis dan, vroeg Troost. Aan den oever van
+den Rijn, antwoordde de man. Stond het dan niet op eene nol (ronde
+hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen, zeide de man, mijn huis stond
+eenzaam bij den oever; alleen heb ik het gebouwd, maar ik kon daar
+alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel, antwoordde Troost, de
+maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw leven een afkeer gehad
+van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven of doen moest voor hun.
+Doch daarmede kan men niet verre komen. Want Wralda die mild is, keert
+hem af van de gierigen. F&aring;sta heeft ons geraden en boven de
+deuren van alle onze burgten is &rsquo;t gegrift in steen: zijt ge erg
+baatzuchtig, zeide F&aring;sta, behoed <span class="corr" id="xd0e1674"
+title="Bron: van">dan</span> uwe naasten, onderricht dan uwe naasten,
+help dan uwe naasten, zoo zullen zij het u wederom doen. Is u deze raad
+niet goed genoeg, ik weet geene betere voor u. De man werd schaamrood
+en droop stil af. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1677" href=
+"#xd0e1677">147</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1679" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu wil ik zelf schrijven, eerst over mijne burgt en
+dan over hetgene ik heb mogen zien.</h2>
+
+<p>Mijne burgt ligt aan &rsquo;t noordeinde van de Liudgaarde. De toren
+heeft zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een
+klein huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde
+van den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven
+voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van
+hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is
+een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed
+driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden, dan
+ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de zuidelijke
+huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre, daarvan moeten
+de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de noordelijke huizen is
+alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn vol koorn en andere
+benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor de maagden, om school
+te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is de woning der
+Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van den toren zijn
+gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de Tex gegrift. Aan
+de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan de linkerzijde de
+wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere zijden. Tegen den
+dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven en de meelmolen door
+vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is de plaats, waarop de
+burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk daaromheen is een uur
+groot, niet een zeemans, maar een zonne uur, waarvan tweemaal twaalf in
+een etmaal gaan. Aan de binnenzijde van den dijk is een plat, vijf voet
+beneden de kruin. Daarop zijn drie honderd kraanbogen, gedekt met hout
+en leder. Behalve de huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1684" href=
+"#xd0e1684">149</a>]</span>dijk nog drie maal twaalf noodhuizen voor de
+omwoners. Het veld dient tot kamp en tot weide. Aan de zuidzijde van de
+buitenste ringdijk is de Liudgaarde omtuind door het groote Lindenwoud.
+Hare gedaante is driehoekig, met de breede zijde naar buiten, opdat de
+zon daarin mag zien. Want daar zijn vele buitenlandsche boomen en
+bloemen, door de zeevaarders medegebracht. Gelijk de gedaante van onze
+burgt is, zoo zijn alle andere; doch onze burgt is de grootste; maar de
+allergrootste is die van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog,
+dat hij de wolken tornt, en in evenredigheid van den toren is al het
+overige.</p>
+
+<p>Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken
+bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij
+huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest,
+dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne
+zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest, dan
+mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan.</p>
+
+<p>De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De
+grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde,
+kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen,
+benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De
+Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij
+de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij
+door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie oude
+maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis is
+langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen oever
+benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de
+menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat
+daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te
+winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen
+waren <span class="pagenum">[<a id="xd0e1690" href=
+"#xd0e1690">151</a>]</span>er meer geweest, maar sedert wij Schoonland
+misten, zijn zij naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar
+zij ijzer van maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik
+Marsaten gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren
+wonen. Hunne huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild
+gedierte en booze menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte
+afgrijselijke leeuwen. En zij zijn de naburen of aangrenzenden van de
+heinde Krekalanden, der Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle
+begeerig naar roof en buit. De Marsaten generen zich met visschen en
+jagen. De huiden worden door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors
+van berken. De kleine huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te
+Fryasburgt zeide ons, dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch
+had ik haar niet vooraf hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat
+zij geen Fryas volk waren, maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er
+uit. Hunne vachten en kruiden werden door de Rijnbewoners verhandeld en
+door de schippers buiten gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn
+was het eveneens tot aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of
+mare. Op deze vliet waren ook menschen, die huizen op palen hadden.
+Doch dat was geen Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen,
+die gediend hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te
+helpen. Zij moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok.</p>
+
+<p>Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat de
+Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns,
+wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden
+medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote
+vliet <span class="corr" id="xd0e1694" title="Bron: omzoond">
+omzoomd</span> met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In
+die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei verf.
+Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1697" href=
+"#xd0e1697">153</a>]</span>gelijk de zon. De schilden van den zeekoning
+en den schout bij nacht waren met goud omboord. Van uit die vliet was
+eene gracht gegraven van daar voortloopende langs de burgt Forana en
+voorts met eene enge mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en
+het Fly de ingang. Aan beide zijden der gracht zijn schoone huizen met
+helder blinkende verwen geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene
+hagen omheind. Ik heb daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen,
+als of het schrijffilt was. Even als te Staveren waren de meisjes met
+gouden kroonen op hare hoofden en met ringen om de armen en voeten
+gesierd. Zuidwaarts van Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of
+vliet, daarin ligt een eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine
+menschen verwijlen, even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana
+zeide mij, dat de burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te
+leeren, wat echte vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren
+te leven om zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die
+hooren wilde en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij
+volleerd was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken,
+en om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de
+burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien,
+als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de
+Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes
+daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt
+gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en
+hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar
+van daan is &rsquo;t gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de
+vrouwen overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag
+of schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk
+op zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een
+dier, dat hij geveld <span class="pagenum">[<a id="xd0e1699" href=
+"#xd0e1699">155</a>]</span>heeft. En eindelijk, daarvan daan is het
+gekomen, dat zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even
+dom zijn als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de
+Twisklanders, met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee
+geschapen. Alle onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het
+Findasvolk zullen elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen
+bevolken. In het heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de
+bovenlanders deel hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u
+een raad geven. Laat het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare
+vrijers te vragen, eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld
+rondgevaren? wat kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en
+over verwonende volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige
+knapen tot ons komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen
+geen behoefte langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de
+maagden, die bij mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te
+huis kwamen, heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand
+is zij daar Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat
+heden ten dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Einde van Apollonias
+boek.</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e1705" href=
+"#xd0e1705">157</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1707" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">De geschriften van Fr&ecirc;thorik en Wiljow.</h2>
+
+<p>Mijn naam is Fr&ecirc;thorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen
+over de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is
+een nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgaarda, waarvan de
+naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel had
+ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen gemeld.
+Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek schrijven, de
+goede menschen tot eere, de slechten tot oneer.</p>
+
+<p>In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze
+tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes terug
+gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze
+landpalen gevonden.</p>
+
+<p>Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt
+strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende over
+de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de kin. Nu
+werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de beelden
+eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de burgt. Een
+grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen, zeide ik.
+Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders mag het u niet
+getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver leeren. Acht jaren
+later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht had bedreven en dat
+sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden met den Magy. En vele
+menschen waren op hunne zijde. Overal kwam tweespalt. Er waren
+kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In &rsquo;t geheim <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1716" href=
+"#xd0e1716">159</a>]</span>werden de brave menschen vermoord. Het oude
+vrouwtje, dat alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel.
+Mijn vader, die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd
+hij in zijn huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder
+strijd. De Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten
+alle goede menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de
+anderen. De Magy verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem
+toonen, dat zij geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige
+schoot, waaruit zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen
+schudt, nadat het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo
+schudde Irtha hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden
+gespreid. De zee kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij
+gespuwd hadden, slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang
+van Arnemaand (oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder,
+al lager en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken
+van Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren,
+werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst in
+de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank
+(ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind uit
+het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen
+springvloed kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam
+en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne of Minnemaand
+(bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met
+eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De
+wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was,
+was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield,
+en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik
+een steen; <span class="pagenum">[<a id="xd0e1718" href=
+"#xd0e1718">161</a>]</span>onze schrijver had daar zijn naam ingegrift;
+dat was mij een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was
+het ook met de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de
+aarde, en in de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht
+op Texland werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts
+gelegen had, was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan
+dezen oever van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute
+plassen gekomen, ontstaan door de wouden, die met grond en al weg
+gedreven waren. Te Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga
+dwars door het land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden
+en ander varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met
+magen en bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van
+Lydasburgt en Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten
+zuidwaarts dreven, hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand
+kwam om ze op te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De
+menschen die terug kwamen, gingen alle binnen de ringdijken der burgten
+wonen, omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude
+huizen werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en
+schapen, en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd
+waren, werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit
+geschiedde 1888 jaren nadat Atland verzonken was.</p>
+
+<p>In 282 jaren hadden wij geene Eeremoeder gehad en nu alles misschien
+verloren scheen, ging men eene kiezen. Het lot viel op Gosa toegenaamd
+Makonta. Zij was Burgtmaagd op Fryasburgt te Texland. Helder van hoofd
+en klaar van zin, heel goed, en omdat hare burgt alleen gespaard was,
+zag iedereen daaruit hare roeping. Tien jaren later kwamen de zeelieden
+van Forana en van Lydasburgt. Zij wilden de zwarte mannen met vrouw en
+kinderen uit het land drijven. Daarover wilden zij de raad der Moeder
+inwinnen. Maar Gosa <span class="pagenum">[<a id="xd0e1722" href=
+"#xd0e1722">163</a>]</span>vroeg: kunt gij een en ander terug voeren
+naar hunne landen, dan behoort gij spoed te maken, anders zullen zij
+hunne bloedverwanten niet weder vinden. Neen, zeiden zij. Toen zeide
+Gosa: Zij hebben uw zout geproefd en uw brood gegeten. Hun lijf en
+leven hebben zij onder uwe hoede gesteld. Gij moet uw eigen hart
+onderzoeken. Maar ik wil u een raad geven. Houdt hen tot dat gij in
+staat zijt om hen weder naar huis te voeren. Maar houdt hen bij uwe
+burgten daar buiten. Waakt over hunne zeden, en onderwijs hen alsof zij
+Fryas zonen waren. Hunne vrouwen zijn hier de sterkste. Als rook zal
+hun bloed vervliegen, tot er ten laatsten niets anders dan Fryas bloed
+in hunne nakomelingen zal overblijven. Zoo zijn zij hier gebleven. Nu
+wenschte ik wel dat mijne nakomelingen daar op letten, in hoeverre Gosa
+waarheid sprak.&mdash;Toen onze landen weder te begaan waren, kwamen er
+benden arme Saxmannen en vrouwen naar de oorden van Staveren en het
+Alderga, om gouden en andere sieraden te zoeken uit de drassige bodem.
+Doch de zeelieden wilden hen niet toelaten. Toen gingen zij de ledige
+dorpen bewonen te West Flyland, om hun lijf te behouden.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1724" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu wil ik schrijven hoe de Geertmannen en vele
+volgelingen van Helenia terug kwamen.</h2>
+
+<p>Twee jaren nadat Gosa moeder werd, kwam er eene vloot het Flymeer in
+vallen. Het volk riep ho.n.s&ecirc;en. (welk een zegen!) Zij voeren
+naar Staveren, daar riepen zij nog eenmaal. De banieren waren in top en
+des nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad was,
+roeiden sommige met eene snik de haven in, zij riepen weder hoezee.
+Toen zij landden, wipte een jong kerel op den wal. In zijne handen had
+hij een schild, daarop was brood en zout gelegd. Na hem kwam een
+grijze; hij zeide wij komen van <span class="pagenum">[<a id="xd0e1729"
+href="#xd0e1729">165</a>]</span>de verre Krekalanden weg, om onze zeden
+te bewaren. Nu wenschten wij, dat gij zoo vriendelijk zoudt wezen, om
+ons zoo veel land te geven, dat wij daarop mogen wonen. Hij vertelde
+eene heele geschiedenis, die ik hierna beter beschrijven wil. De
+grijzen wisten niet wat te doen, zij zonden boden allerwege, ook tot
+mij. Ik ging heen en zeide: nu wij eene Moeder hebben, behooren wij
+haar raad te vragen. Ik zelf ging mede. De Moeder, die alles reeds
+wist, zeide: laat hen komen, zoo mogen zij ons land helpen behouden:
+maar laat hen niet op &eacute;&eacute;ne plek blijven, opdat zij niet
+machtig worden over ons. Wij deden gelijk zij gezegd had. Dat was heel
+naar hun zin. Fryso bleef met zijne lieden te Staveren dat zij weder
+tot eene zeestad maakten, zoo goed zij konden. Wichhirte ging met zijne
+lieden oostwaarts naar de Emude. Sommige der Joniers, die meenden dat
+zij van het Alderga volk gesproten waren, gingen daarheen. Een klein
+deel, die waanden, dat hunne voorvaderen van de Zeven eilanden weg
+kwamen, gingen heen en zetten zich neder binnen den ringdijk van de
+burgt Walhallagara. Liudgert de schout bij nacht van Wichhirte werd
+mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn dagboek heb ik de
+geschiedenis die hier achter zal volgen.</p>
+
+<p>Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren
+gezeten waren, terwijl onze zeestrijders alle zee&euml;n bevoeren, die
+er te vinden waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van
+boven langs den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem
+wederstaan. Doch wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten
+ons met al onze have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk
+eene groote vloot hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat
+hij alle dorpen aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug
+komen. Wichhirte lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij
+gewacht, tot dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam
+sprekende; doch hij bedroog gelijk <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1733" href="#xd0e1733">167</a>]</span>hij vroeger gedaan had.
+Wichhirte antwoordde: o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen
+allerwege, wij hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol
+eerbied jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij
+anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven niet
+worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen sterven,
+want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide: ik wil uw
+land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne slaven. Ik wil
+alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil ik zweeren bij ons
+beider goden, dat niemand over mij ontevreden zal zijn. Toen Alexander
+naderhand brood en zout met hem deelde, heeft Wichhirte het wijste deel
+gekozen. Hij liet de schepen halen door zijn zoon. Toen zij alle terug
+waren, heeft Alexander die alle gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk
+naar den heiligen Ganges voeren, dien hij te land niet had kunnen
+genaken. Nu ging hij toe en koos al degene uit zijn volk en zijne
+soldaten, die gewoon waren over zee te varen. Wichhirte was weder ziek
+geworden, daarom ging ik alleen mede en Nearchus van des konings wege.
+De tocht liep zonder voordeel ten einde, uithoofde de Joniers altijd in
+onmin waren tegen de Pheniciers, zoodat Nearchus zelf er geen meester
+over blijven kon. Intusschen had de koning niet stil gezeten. Hij had
+zijne soldaten boomen laten kappen en tot planken maken. Met hulp van
+onze timmerlieden had hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf
+zeekoning worden, en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de
+soldaten die uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij
+hoorden, dat zij moesten, staken zij de timmerschuren in den brand.
+Daardoor werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij
+dat Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen.
+Maar Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk
+laten ombrengen. Maar Nearchus, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1735"
+href="#xd0e1735">169</a>]</span>die niet alleen zijn eerste vorst, maar
+ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij zich als
+of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij durfde zijn
+tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer hij dat deed,
+liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra hij dat wist,
+liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw dorp te maken.
+Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen te temmen en om
+eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen mede nemen. Als
+wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten wij daar eene
+plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even gaarne
+toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen waren,
+liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn ander
+volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land, dat
+Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze
+voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen.</p>
+
+<p>Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven,
+die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten wij
+Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie
+dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen,
+ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch
+hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij
+zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van
+de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen
+kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat
+vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds
+uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen,
+medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen
+(touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche
+zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1739" href="#xd0e1739">171</a>]</span>ons raar toe; maar Nearchus
+verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat
+hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij
+zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij
+moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen, dat
+wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen waren.
+Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was, werd hij
+zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen, Irtha ten spot.
+Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij in den wijn en in
+zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na zijn dood, werd het
+rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk een deel voor zijne
+zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk wilde zijn deel
+behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog en wij konden niet
+terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden nederzetten aan de
+kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij zeiden het liever
+te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen bracht hij ons naar de
+nieuwe haven van Athene, waar alle echte Fryaskinderen voormaals heen
+getogen waren. Voorts gingen wij soldaten, leeftocht en wapenen voeren.
+Onder de vele vorsten had Nearchus een vriend met name Antigonus. Deze
+streden beide om &eacute;&eacute;n doel, gelijk zij zeiden, als
+helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle Grieksche
+landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had onder vele
+anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd de
+stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar een
+geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot van
+Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst, die heerschte over
+Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten,
+maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit
+vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed,
+door zijne blanke huid met blauwe oogen en <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1741" href="#xd0e1741">173</a>]</span>wit haar. Naderhand ging
+Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten en
+leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de
+oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij in de
+haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso, die koning
+was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis, zoo bijster
+frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo wonderschoon
+als niemand heugen mocht. De roep daarvan ging over alle Krekalanden en
+kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en onzedelijk, en
+hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter openlijk
+schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen de
+schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij
+zoethart. De schippers noemen hunne wijven troost en fro of frow, dat
+is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren man
+niet durfde opwachten, ging zij met haren zoon naar Demetrius, en
+smeekte, dat hij haar hare dochter weer zoude geven. Maar als Demetrius
+haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en deed met hem
+eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de moeder zond hij
+een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen zij thuis kwam werd
+zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat: (roepende) hebt gij
+mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij u eene schuilplaats
+zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat ik zijne kinderen verloren
+heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso weer thuis was, zond hij een bode
+tot hem zeggende, dat hij zijne kinderen tot zich genomen had om hen te
+voeren tot eene hoogen staat, en om hem te beloonen voor zijne
+diensten. Maar Friso, die trotsch en hartstochtig was, zond een bode
+met een brief naar zijne kinderen, daarin vermaande hij hen, zij zouden
+Demetrius te wille zijn, vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode
+had nog een anderen brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te
+nemen; want, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1743" href=
+"#xd0e1743">175</a>]</span>zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam
+verontreinigd, dat zal u niet toegerekend worden, doch indien gij uwe
+ziel verontreinigt, zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen
+zullen dan over de aarde omwaren, zonder het licht te mogen zien;
+gelijk de vleermuizen en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe
+holen schuilen en des nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen
+en huilen, dewijl Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen
+deden gelijk hun vader hun bevolen had. De bode liet hunne lijken in de
+zee werpen, en aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu
+wilde Friso met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger
+geweest was; maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen
+en schoot het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon
+en durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren;
+behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij
+waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap.</p>
+
+<p>Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging
+hij met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand
+in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen
+zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval
+ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene breede
+linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts gebood hij,
+dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en aan den
+achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al vluchtende te
+vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden vijand te
+vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl wij daarmede
+reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg tot schrik van de
+lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven hadden, dan die ons
+vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand dus niet door roeijen
+ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1747" href="#xd0e1747">177</a>]</span>zoo deed. En Friso, die
+het vatte, liet spoedig de brandpijlen op de kraanbogen leggen. Tevens
+gebood hij dat niemand schieten mogt, voor dat hij geschoten had.
+Daarop zeide hij, dat wij alle naar het middelste schip moesten
+schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij, dan zullen de andere hem
+te hulp komen, dan moet ieder schieten, zoo hij best kan. Toen wij nu
+ander half ketting (kabelslengte) van hen af waren, begonnen de
+Pheniciers te schieten, maar Friso beantwoordde dat niet voor dat de
+eerste pijl op zes vademen van zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de
+anderen volgden, het geleek wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met
+den wind medegingen, bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de
+derde laag. Alle mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer
+tegenstanders waren zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen
+Friso meende, dat het wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden
+ons weg. Doch na dat wij twee dagen voort gesukkeld hadden, kwam er
+eene andere vloot in &rsquo;t gezicht van dertig schepen, die ons
+steeds inwon. Friso liet ons weer klaar maken; maar de anderen zonden
+eene lichte snik met roeijers bemand vooruit. Hunne boden baden uit
+aller naam, of zij met ons mede varen mogten. Zij waren Joniers. Door
+Demetrius waren zij gewelddadig naar de oude haven gestuurd; daar
+hadden zij van dit gevecht gehoord; nu hadden zij het stoute zwaard
+aangegord, en waren ons gevolgd. Friso, die veel met Joniers gevaren
+had, zeide ja; maar <span class="corr" id="xd0e1749" title="Bron:
+Wichirte">Wichhirte</span> onze koning zeide neen. De Joniers zijn
+afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb gehoord hoe zij die aanriepen.
+Friso zeide, dat komt door den omgang met de echte Krekalanders. Dat
+heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben <span class="corr" id="xd0e1752"
+title="Bron: is">ik</span> zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was
+de man, die ons naar Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers
+mede. Ook scheen het naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden
+verloopen waren, gingen wij langs Brittania, en drie dagen later
+mochten wij hoezee roepen. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1755"
+href="#xd0e1755">179</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1757" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit geschrift is mij over Noordland of Schoonland
+gegeven.</h2>
+
+<p>Ten tijde dat ons land neder zonk, was ik in Schoonland. Daar ging
+het zoo toe. Er waren groote meeren, die van den bodem als een blaas
+uitzetten, dan spleten zij vaneen, uit de scheuren kwam eene stof,
+alsof het gloeijend ijzer was. Er waren bergen, wier kruinen
+aftuimelden, deze stortten neder en vernielden wouden en dorpen. Ik
+zelf zag, dat een berg van een ander werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij
+neder. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen de
+aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindasburgt met zijn volk en
+eene maagd, die alom uitriep: de Magy is schuldig aan al het leed, dat
+wij geleden hebben. Zij trokken steeds voort en het heer werd al
+grooter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk, hij had zich zelf
+omgebracht. Toen werden de Finnen verdreven naar &eacute;&eacute;ne
+plaats, daar mochten zij leven. Er waren ook van gemengd bloed, deze
+mochten blijven, doch velen gingen met de Finnen mede. De hertog werd
+tot koning gekozen. De kerken, die heel gebleven waren, werden
+vernield. Sedert dien tijd komen de goede Noormannen dikwijls op
+Texland om raad van de Moeder. Doch wij kunnen hen niet voor rechte
+Friezen meer houden. In de Dennemarken is het zeker gegaan, als bij
+ons. De zeelieden, die zich zelven stoutelijk zeekampers noemen, zijn
+op hunne schepen gegaan, en naderhand zijn zij terug getrokken.</p>
+
+<p class="aligncenter">HEIL!</p>
+
+<p>Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de
+nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen
+medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor wil ik
+waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik gezien
+heb. Over de <span class="pagenum">[<a id="xd0e1766" href=
+"#xd0e1766">181</a>]</span>Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen.
+Ik heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb, zijn
+zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik niet zeggen
+van de anderen. Die van de Krekalanden weg komen, zijn kwaad ter taal,
+en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben bruine oogen en
+haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door bijgeloovigheid.
+Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop, die het laatst komen
+moesten. Tegen <span class="letterspaced">&acirc;ld</span> zeggen zij
+<span class="letterspaced">&acirc;d</span>, tegen <span class=
+"letterspaced">s&acirc;lt</span>, <span class="letterspaced">
+s&acirc;t</span>, <span class="letterspaced">ma</span> voor <span
+class="letterspaced">man</span>, <span class="letterspaced">sol</span>
+voor <span class="letterspaced">skil</span>, <span class=
+"letterspaced">sode</span> voor <span class="letterspaced">
+skolde</span>, te veel om te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge
+en verkorte namen, waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers
+spreken beter, doch zij verzwijgen de <i>h</i>, en waar die niet wezen
+moet, wordt zij uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een
+afgestorvene en het gelijkt, dan gelooven zij, dat de geest des
+overledene daarin vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van
+Frya, F&acirc;sta, Medea, Thiania, Hellenia en vele andere. Wordt er
+een kind geboren, dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot
+Frya, dat zij hare dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen.
+Als zij gebeden hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren.
+Begint het kind te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een
+kwaad teeken, en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven
+heeft. Daarvan heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen,
+dan is dat een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in
+den slaap, dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd.
+Vervolgens gelooven zij aan booze geesten, heksen, kollen,
+aardmannetjes en elfen, alsof zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil
+ik eindigen en nu meen ik, dat ik meer geschreven heb, als een mijner
+voorvaderen. Frethorik.</p>
+
+<p>Frethorik mijn echtgenoot is drieenzestig jaren oud geworden. Sints
+honderd en acht jaren is hij de eerste van zijn geslacht, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1803" href="#xd0e1803">183</a>]</span>die
+vreedzaam gestorven is; alle anderen zijn onder de slagen bezweken,
+daarom dat allen kampten met eigen volk en vreemden om recht en
+plicht.</p>
+
+<p>Mijn naam is Wiljo, ik ben de maagd, die met hem uit de Saksenmarken
+naar huis voer. Door taal en omgang kwam het uit, dat wij alle beide
+van Adelas geslacht waren; toen ontstond liefde en daarna zijn wij man
+en vrouw geworden. Hij heeft mij vijf kinderen nagelaten, twee zonen en
+drie dochters. Konereed, zoo heet mijne oudste, Hachgana mijn tweede,
+mijne oudste dochter heet Adela, de tweede Frulik en de jongste Nocht.
+Toen ik naar de Saksenmarken voer, heb ik drie boeken gered, het boek
+der zangen, het boek der verhalen en het <span class="corr" id=
+"xd0e1807" title="Bron: Helenia">Hellenia</span> boek. Ik schrijf dit,
+opdat men niet moge denken, dat zij van Apollonia zijn; ik heb daar
+veel verdriet over gehad, nu wil dus de eere ook hebben. Ook heb ik
+meer gedaan; toen Gosa-Makonta gestorven is, wier goedheid en
+helderziendheid tot een spreekwoord geworden is, toen ben ik alleen
+naar Texland gegaan, om de schriften over te schrijven, die zij
+nagelaten had, en toen de laatste wil gevonden is van Frana, en de
+nagelaten schriften van Adela of Hellenia heb ik dat nog eens gedaan.
+Dit zijn de schriften van Hellenia. Ik heb ze voorop geplaatst, omdat
+zij de alleroudsten zijn.</p>
+
+<p class="aligncenter">ALLE ECHTE FRIESEN HEIL!</p>
+
+<p>In oude tijden wisten de Slavonische volken niet van vrijheid.
+Gelijk ossen werden zij onder het juk gebracht. Zij werden in de
+ingewanden der aarde gejaagd om metaal te delven, en uit de harde
+bergen moesten zij huizen houwen, tot woningen voor vorsten en
+priesters. Bij alles wat zij deden was niets voor hun zelven, maar
+alles moest dienen, om de vorsten en priesteren nog rijker en
+geweldiger te maken, om zich te verzadigen. Onder dezen arbeid werden
+zij <span class="pagenum">[<a id="xd0e1814" href=
+"#xd0e1814">185</a>]</span>grijs en stram eer zij oud waren en stierven
+zonder genot, ofschoon de aarde dat overvloedig veel geeft ter bate van
+al hare kinderen. Maar onze weggeloopenen en ballingen kwamen door
+Twiskland over in hunne marken trekken, en onze zeelieden kwamen in
+hunne havens. Van deze hoorden zij spreken over gelijke vrijheid en
+recht en over wetten, waar niemand buiten kan. Dit alles werd door de
+droeve menschen ingezogen als dauw door de dorre velden. Toen zij vol
+daar van waren, begonnen de stoutmoedigsten te klippen met hunne
+ketenen, zoodat het den vorsten wee deed. De vorsten zijn trotsch en
+krijgshaftig, daarom is er ook nog deugd in hunne harten, zij
+raadpleegden te zamen, en deelden iets mede van hunnen overvloed. Maar
+de laffe schijnvrome priesters konden dat niet dulden, onder hunne
+verdichte goden hadden zij ook booze wreede gedrochten geschapen. De
+pest kwam over het land, toen zeiden zij dat de goden toornig waren
+over de overheersching der boozen. Toen werden de stoutmoedigste
+menschen met hunne ketenen gewurgd. De aarde heeft hun bloed gedronken,
+met dat bloed voedde zij vruchten en koorn en al die daarvan aten
+werden wijs.</p>
+
+<p>Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken, en te dier tijde
+gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had.</p>
+
+<p>In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte die
+geheeten is Kasamyr, dat is, zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren,
+zijne moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een
+opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen bloed
+verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme menschen.
+Intusschen was den knaap (toen hij grooter werd) niets verheeld
+geworden; daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en te
+vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles begreep, wat hij
+zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de priesters
+werden beangst voor zijne vragen. Toen hij meerderjarig werd, ging hij
+naar zijne <span class="pagenum">[<a id="xd0e1820" href=
+"#xd0e1820">187</a>]</span>ouders. Zij moesten harde dingen hooren; om
+hem kwijt te worden, gaven zij hem een overvloed van edelgesteenten;
+maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met
+droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij
+omdwalen. Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die als
+slaaf diende, van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij kocht
+hem vrij, en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven. Alom waar hij
+voorts henen trok, leerde hij aan de menschen dat zij noch rijken noch
+priesters moesten toelaten; dat zij zich moesten hoeden tegen de
+valsche schaamte, die allerwegen kwaad doet aan de liefde. De aarde,
+zeide hij, schenkt hare gaven naarmate men hare huid krabt, dat men
+daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaijen, zoo men daarvan
+maaijen wil. Doch, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor een
+ander, zoo het niet met gemeene wil of uit liefde geschiedt. Hij leerde
+dat niemand in hare ingewanden mocht wroeten om goud of zilver of
+edelgesteenten, waar nijd aan kleeft en liefde van vliedt. Om uwe
+meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft haar de rivier water
+genoeg. Niemand, zeide hij, is machtig alle menschen tevens rijkdom en
+gelijk geluk te geven; doch het is aller menschen plicht om de menschen
+alzoo tevens rijk te maken en zooveel genoegen te geven als te bereiken
+is. Geene wetenschap, zeide hij, mag men minachten, doch
+rechtvaardigheid, is de grootste wetenschap, die de tijd ons leeren
+mag. Daarom, dat zij ergernis van de aarde weert, en de liefde
+voedt.</p>
+
+<p>Zijn eerste naam was Jessos, doch de priesters, die hem zeer
+haatten, heetten hem Fo, dat is valsch, het volk heette hem Krishna,
+dat is herder, en zijn Friesche vriend noemde hem Buddha (buidel),
+omdat hij in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een
+schat van liefde.</p>
+
+<p>Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesteren, maar
+overal waar hij kwam was zijne leer hem vooruitgegaan, en overal waar
+hij ging volgden hem zijne vijanden <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1826" href="#xd0e1826">189</a>]</span>als zijne schaduw. Toen
+Jessos zoo twaalf jaren rondgereisd had, stierf hij, maar zijne
+vrienden bewaarden zijne leer en verkondigden die, waar zij ooren
+vond.</p>
+
+<p>Wat meent gij nu dat de priesters deden? dat moet ik u melden; ook
+moet gij er zeer acht op geven, voorts moet gij waken voor hun bedrijf
+en ranken met alle krachten, die Wralda in u gelegd heeft. Terwijl de
+leer van Jessos over de aarde zich uitbreidde, gingen de valsche
+priesters naar het land zijner geboorte, om zijn dood bekend te maken;
+zij zeiden dat zij van zijne vrienden waren, zij veinsden eene groote
+droefheid door hunne kleederen in stukken te scheuren en hun hoofd kaal
+te scheeren. Zij gingen in de holen der bergen wonen, doch hierin
+hadden zij hunne schatten gebracht, daar binnen maakten zij beelden van
+Jessos. Deze beelden gaven ze aan de onergdenkende lieden; ten langen
+laatste zeiden zij dat Jessos een godheid was, dat hij zelf dit aan hun
+had beleden, en dat allen die aan hem en zijne leer gelooven wilden,
+hiernamaals in zijn koningrijk zouden komen, waar vreugde is en
+genietingen zijn. Vermits zij wisten dat Jessos tegen de rijken was te
+velde getrokken, verkondigden zij allerwegen, dat armoede lijden en
+eenvoudig zijn de deur was om in zijn rijk te komen, dat degene die op
+aarde het meeste geleden hadden, hier namaals de meeste vreugde hebben
+zouden. Ofschoon zij wisten, dat Jessos geleerd had, dat men zijne
+hartstochten overmeesteren en besturen moest, zoo leerden zij dat men
+alle zijne hartstochten dooden moest en dat de volkomenheid des
+menschen daarin bestond, dat hij even gevoelloos werd als de koude
+steen. Ten einde nu het volk wijs te maken, dat zij zelve zoo deden,
+veinsden zij armoede op straat, en om voorts te bewijzen, dat zij al
+hunne zinnelijke lusten gedood hadden, namen zij geene vrouwen. Doch
+zoo ergens eene jonge dochter een misstap gedaan had, werd haar dat
+spoedig vergeven; de zwakken, zeiden zij, moest men helpen, en om zijne
+eigene <span class="pagenum">[<a id="xd0e1830" href=
+"#xd0e1830">191</a>]</span>ziel te behouden, moest men veel aan de kerk
+geven. Dusdoende hadden zij vrouw en kinderen zonder huishouding, en
+werden zij rijk zonder werken; maar het volk werd veel armer en meer
+ellendig als ooit te voren. Deze leer, waarbij de priesters geen andere
+wetenschap noodig hebben, als bedriegelijk te redeneren, een vrome
+schijn en ongerechtigheden, breidde zich zelve van &rsquo;t oosten naar
+het westen, en zal ook over ons land komen.</p>
+
+<p>Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya en
+van Jessos leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden
+menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en
+voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk
+bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas bloed.
+Deze zullen hunne fakkels en het licht buiten brengen, zoodat alle man
+de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der
+priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het
+recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen,
+maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Findas volk zal
+zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lydas volk zijne
+krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters
+weggevaagd worden van de aarde; Wraldas geest zal alom en allerwege
+ge&euml;erd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang
+in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene
+andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij
+algemeene wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en de <span class=
+"corr" id="xd0e1834" title="Bron: Irhta">Irtha</span> zal hare gaven
+alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal aanvangen
+vierduizend jaren nadat Atland verzonken is, en duizend jaren later zal
+er langer geen priester noch dwang op aarde zijn.</p>
+
+<p>Dela toegenaamd Hellenia, waak! <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1839" href="#xd0e1839">193</a>]</span></p>
+
+<p>Zoo luidde Franas uiterste wil. Alle edele Friesen, heil! In den
+naam van Wralda, van Frya en der vrijheid groet ik u, en bid u zoo ik
+sterven mocht, eer ik eene opvolgster benoemd heb, dan beveel ik u
+Teuntja aan, die Burgtmaagd is op de burgt Medeasblik, tot op heden is
+zij de beste.</p>
+
+<p>Dit heeft G&ocirc;sa nagelaten. Alle menschen heil. Ik heb geene
+Eeremoeder benoemd, omdat ik geene wist, en omdat het u beter is geene
+Moeder te hebben, dan eene waarop gij u niet verlaten kunt. Een booze
+tijd is voorbijgegaan, maar daar komt nog een andere. Irtha heeft hem
+niet gebaard, en Wralda heeft hem niet beschoren. Hij komt uit het
+oosten, uit den boezem der priesteren weg. Zoo veel leed zal hij
+broeden, dat Irtha het bloed niet zal kunnen drinken van hare
+verslagene kinderen. Duisternis zal hij over den geest der menschen
+spreiden, gelijk onweerswolken over het zonnelicht. Alom en allerwege
+zullen list en bedrog met vrijheid en recht kampen. Vrijheid en recht
+zullen bezwijken en wij met haar. Maar deze winst zal haar verlies
+uitwerken. Van drie woorden zullen onze nakomelingen aan hunne lieden
+en slaven de beteekenis leeren. Zij zijn <span class="letterspaced">
+algemeene liefde</span>, <span class="letterspaced">vrijheid</span> en
+<span class="letterspaced">recht</span>. In het eerst zullen zij
+schitteren, daarna met duisternis kampen, totdat het helder en klaar
+wordt in ieders hart en hoofd. Dan zal de dwang van de aarde geveegd
+worden, gelijk de donderwolken door den stormwind, en alle bedrog zal
+niets meer daar tegen vermogen. G&ocirc;sa. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1853" href="#xd0e1853">195</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1855" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het geschrift van Koner&ecirc;d.</h2>
+
+<p>Mijne voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit
+wil ik bovenal doen, omdat in mijne staat geene burgt overig is, waarin
+de gebeurtenissen opgeschreven worden gelijk te voren. Mijn naam is
+Konereed (Koenraad), mijn vaders naam was Frethorik, mijne moeders naam
+was Wiliow. Na mijn vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen. Toen
+ik vijftig jaren telde, koos men mij tot opperste Grevetman. Mijn vader
+heeft geschreven, hoe de Lindaoorden en de Liudgaarden verwoest zijn.
+Lindahem is nog weg, de Lindaoorden voor een deel, de noordelijke
+Liudgaarden zijn door de zoute zee bedolven. Het bruissende zeewater
+slikt aan den ringdijk der burgt. Gelijk mijn vader vermeld heeft, zijn
+de van have beroofde menschen heengegaan en hebben huisjes gebouwd
+binnen den ringdijk der burgt, daarom is dat ronddeel nu Liudwerd
+geheeten. De zeelieden zeggen Liuwerd, maar dat is wanspraak. In mijne
+jeugd was het andere land, dat buiten den ringdijk ligt, alles poel en
+broek. Maar Fryas volk is wakker en vlijtig, zij werden moede noch mat,
+omdat hun doel ten beste geleidde. Door slooten te delven en kadijken
+te maken van de aarde die uit de slooten kwam, hebben wij weder een
+goede hemrik buiten den ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef,
+drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts
+gemeten. Heden ten dage zijn wij bezig waterpalen te heijen om eene
+haven te maken en meteen om onzen ringdijk te beschermen. Als het werk
+gereed is, zullen wij zeelieden uitlokken. In mijne jeugd stond het er
+hier raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen die in
+reijen staan. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1860" href=
+"#xd0e1860">197</a>]</span>Leken en gebreken, die met de armoede waren
+ingeslopen, zijn door vlijt uitgedreven<span class="corr" id="xd0e1862"
+title="Niet in bron">.</span> Hier uit kan iedereen leeren, dat Wralda,
+onze Alvader, alle zijne schepselen voedt, mits dat zij moed houden en
+elkanderen willen helpen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1865" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu wil ik over Friso schrijven.</h2>
+
+<p>Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot
+opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanden. Hij spotte met
+onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft hij eene
+school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de wijze der
+Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om het jongvolk
+aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar heen gezonden,
+dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij geene Moeder langer
+hebben, om den een tegen den ander te beschermen, behoor ik dubbel te
+waken, opdat hij niet meester over ons wordt.</p>
+
+<p>Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen
+oordeel vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die
+meenen, dat zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa
+gestorven was, wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder
+kiezen. Maar Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te
+maken, Friso begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden
+der Landsaten tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was
+verziende geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij
+geen licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen
+moed gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen
+die twijfelachtig was daar heeft zij kwaad ingezien: daarom heeft zij
+in hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben
+als eene, op welke gij u niet verlaten kunt. Friso had veel gezien, hij
+was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1872" href="#xd0e1872">199</a>]</span>listen der Golen en
+vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig had
+om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe hij
+daarmede is te werk gegaan.</p>
+
+<p>Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van
+Wilfr&ecirc;the, die bij zijn leven opperste Graaf te Stavoren geweest
+was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door zijn
+beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder
+uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helia
+geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch verbonden.
+Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van Wichhirte den
+koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed Friesch en moet
+Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer medegebracht, als
+goede zeden.</p>
+
+<p>Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren.</p>
+
+<p>Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele
+Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij
+Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust,
+en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens geen menschen in het
+gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar hunnen naam
+hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen wel vele
+Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich
+zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan
+waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze
+schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen
+gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen of
+geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van de
+Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan de
+zuidwestelijke hoek van Schoonland, aldaar ligt Lindasburgt, toegenaamd
+Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek geschreven
+staat. Alle kustbewoners <span class="pagenum">[<a id="xd0e1880" href=
+"#xd0e1880">201</a>]</span>en ommelanders waren daar echt Friesch
+gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en tegen de
+Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen; maar dat
+zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders hadden vele
+verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de booze Magyaren,
+Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich zelven rooven, maar
+als het te pas kwam, dan stonden zij malkander getrouwelijk bij. Doch
+ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek te krijgen aan goede schepen.
+Hunne scheepmakers waren omgekomen, en hunne wouden waren met grond en
+al van het land weggevaagd. Nu kwamen er onverwacht drie schepen bij
+den ringdijk van onze burgt voor anker. Door de inbraken van onze
+landen waren zij verdwaald en den Flymond misgevaren. De koopman die
+mede gegaan was, wilde van ons nieuwe schepen hebben, daartoe hadden
+zij allerlei kostelijke waren medegebracht, die zij geroofd hadden van
+de Kaltanarlanden en van de Pheniciers schepen. Nadien wij zelve geene
+schepen hadden, gaf ik hun flinke paarden en vier gewapende renboden
+mede naar Friso. Want te Staveren en langs het Alderga, daar werden de
+beste oorlogschepen gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting
+in komt. Terwijl de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen
+Jutten naar Texland gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De
+Zeelanders hadden vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten
+op hunne banken roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze
+kinderen te verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren,
+doordien zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld
+hadden, en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten
+laatste, of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja,
+antwoordden zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist
+gelijk uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen
+wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch
+burgtwapenen, om de roofschepen er uit <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1882" href="#xd0e1882">203</a>]</span>te houden. Dan moest gij er
+eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten; maar wij
+hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn
+visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge
+landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden met
+de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten, hoe Friso
+allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen en ten bate van
+zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij, zij zouden jaarlijks
+vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en voor vaste gelden,
+toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en met volle tuig, gelijk
+het voor krijgsschepen noodig en nuttig is; maar de Jutten zouden zij
+dan met vrede laten, en al het volk, dat tot Fryaskinderen behoorde.
+Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze zeekampers uitnoodigen, dat
+zij mede zouden vechten en rooven. Toen de Zeelanders vertrokken waren,
+liet hij veertig oude schepen beladen met burgtwapenen, hout,
+hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren, en smeden om daarmede
+burgten te bouwen. Witto, dat is <span class="letterspaced">
+witte</span>, zijn zoon, zond hij mede om toe te zien. Wat er al is
+voorgevallen, is mij niet gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk
+geworden, dat aan beide zijden van den havenmond eene versterkte burgt
+gebouwd is, en daarin is volk gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken
+trok. Witto heeft Siuchthirte bevrijd en tot zijne vrouw genomen.
+Wilhem, zoo heette haar vader, hij was opperste Olderman der Jutten,
+dat is opperste Grevetman of Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en
+Witto is in zijne plaats gekozen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1887" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Wat Friso verder deed.</h2>
+
+<p>Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer
+kloek waren. Hetto, dat is <span class="letterspaced">heete</span>, den
+jongste zond hij als zendbode naar Kattaburgt, <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1895" href="#xd0e1895">205</a>]</span>dat diep in de
+Saksenmarken ligt. Hij had van Friso medegekregen zeven paarden,
+behalve zijn eigen, beladen met kostbare zaken door de zeekampers
+geroofd. Bij ieder paard waren twee jonge zeekampers en twee jonge
+ruiters met rijke kleederen gekleed, en met geld in hunne buidels.
+Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt zond, zoo zond hij Bruno, dat is
+<span class="letterspaced">bruine</span>, den anderen zwager naar
+Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda
+forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede
+hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en
+vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de
+gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven
+met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze
+boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle
+geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten, en
+op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu
+gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij
+goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden,
+dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog
+vorstelijker vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn
+getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand
+kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar het
+Flymeer afzakken. De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare
+vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom
+spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar
+babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan
+zijne zaak. Zij zeiden allomme: wij hebben langer geene Moeder meer,
+maar dat komt daar vandaan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig past
+ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de Moeders
+verloren hebben door hare onvoorzichtigheid. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1900" href="#xd0e1900">207</a>]</span>Verder spraken zij: Aan
+ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten hooren, voor
+dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst, maar als het zoover
+komen mogt, dat gij u weder een koning kiest, dan wil ik ook mijne
+meening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is Friso daartoe door
+Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier heen geleid. Friso
+kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt, hij kan dus tegen
+hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog te houden: welken
+graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de anderen daar
+wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de jonge maagden
+gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal, tapten hunne
+redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en tot iedereen:
+Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen, des nachts spant
+hij zijne netten naar alle zijden en des daags verschalkt hij daarin
+zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat hij geene priesteren noch
+vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg, hij mag niemand lijden dan hem
+zelven. Daarom wil hij niet gedogen, dat de burgt Stavia weder
+opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder we&ecirc;r hebben. Vandaag
+is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw koning worden, opdat hij
+over u allen rechten mag. In den boezem des volks ontstonden nu twee
+partijen. De ouden en armen wilden nu weder eene Moeder hebben, maar
+het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde een Vader of koning hebben.
+De eersten noemden zich Moederszonen, en de anderen noemden zich
+Vaderszonen; maar de Moederszonen werden niet geteld; want omdat er
+vele schepen gemaakt werden, was hier overvloed voor de scheepmakers,
+smeden, zeilmakers, reepmakers en voor alle andere ambachtslieden.
+Daarenboven brachten de zeekampers allerhande sieraden mede. Daarvan
+hadden de vrouwen genoegen, de maagden genoegen, de meisjes genoegen,
+en daarvan hadden alle hunne bloedverwanten genoegen, en alle hunne
+goede kennissen en vrienden. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1902"
+href="#xd0e1902">209</a>]</span></p>
+
+<p>Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden,
+stierf hij. Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot
+malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet
+bevestigen. Van alle Graven, die voor hem waren, was er niemand zoo
+befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge
+maagden spraken zijn lof, terwijl de oude vrouwen alles deden om hem te
+laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de
+oude vrouwen hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij
+hadden met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven is
+zonder dat hij koning was.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1905" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu wil ik schrijven over zijn zoon adel.</h2>
+
+<p>Friso die onze geschiedenis had leeren kennen uit het boek der
+Adelingen, had alles gedaan om hunne vriendschap te winnen. Zijn
+eersten zoon, dien hij hier won bij zijne vrouw Swethirte heeft hij
+terstond Adel genoemd. En ofschoon hij kampte met al zijne macht, om
+geene burgten te herstellen noch op te bouwen, zond hij toch Adel naar
+de burgt te Texland, opdat hij hoe eer hoe beter bekend worden mocht
+met alles wat tot onze wetten, taal en zeden behoort. Toen Adel twintig
+jaren telde, liet Friso hem naar zijn eigen school komen, en toen hij
+daar volleerd was, liet hij hem door alle staten reizen. Adel was een
+beminnenswaardige jongman; op zijne reizen heeft hij vele vrienden
+gewonnen, daardoor is het gekomen, dat het volk hem Atharik
+(vriendenrijk) genoemd heeft, iets dat hem naderhand zoo wel te pas is
+gekomen, want toen zijn vader gestorven was, bleef hij in zijne plaats,
+zonder dat er over het kiezen van een anderen Graaf sprake kwam.
+Terwijl Adel te Texland in de leer was, bevond zich aldaar tevens eene
+heel lieve maagd op de burgt. Zij kwam uit de Saksenmarken weg, uit de
+staat die genoemd is Suobaland, daarom werd zij te Texland <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1910" href="#xd0e1910">211</a>]</span>Suobene
+genoemd, ofschoon haar naam Ifkja was. Adel had haar lief gekregen, en
+zij had Adel lief; maar zijn vader verzocht hem, dat hij nog wat
+wachten zoude. Adel was gehoorzaam, maar zoodra zijn vader gestorven
+was en hij gezeten, zond hij terstond boden naar Berthold haren vader
+(met verzoek) of hij zijne dochter tot vrouw mogt hebben. Berthold was
+een vorst van onverbasterde zeden, hij had Ifkja naar Texland in de
+leer gezonden in de hoop, dat zij eens tot burgtmaagd zoude gekozen
+worden in zijn land. Doch hij had hun beider begeerte leeren kennen,
+daarom ging hij heen en gaf hun zijnen zegen. Ifkja was eene flinke
+Friesin. Voor zoo verre ik haar heb leeren kennen, heeft zij steeds
+gewerkt en gewroet, opdat Fryaskinderen weder mochten komen onder
+dezelfde wet en onder eenen bond. Om de menschen op hare zijde te
+krijgen, was zij met haren echtgenoot van haren vader door alle
+Saksenmarken gereisd en voorts naar Geertmannia. Geertmannia, zoo
+hadden de Geertmannen hunne staat geheeten, die zij door Gosas
+bemoeijing gekregen hadden. Daarop gingen zij naar de Denemarken. Van
+de Denemarken gingen zij te scheep naar Texland. Van Texland gingen zij
+naar Westflyland en zoo langs de zee naar Walhallagara. Van
+Walhallagara vertrokken zij langs den Zuiderrijn (de Waal), totdat zij
+met groote vrees boven den Rijn bij de Marsaten kwamen, waarvan onze
+Apollonia geschreven heeft. Toen zij hier eene wijle geweest waren,
+gingen zij weer naar de laagte. Als zij nu een tijdlang naar de laagte
+afgevaren waren, totdat zij in de streek van de oude burgt Aken kwamen,
+zijn er onverhoeds vier knechten vermoord en naakt uitgekleed. Zij
+waren een weinig achteraan gekomen. Mijn broeder, die overal bij was,
+had hun vaak verboden, doch zij hadden niet geluisterd. De moordenaars
+die dat gedaan hadden, waren Twisklanders, die heden ten dage stoutweg
+over den Rijn komen te moorden en te rooven. De Twisklanders, dat zijn
+gebannen en weggeloopen Fryaskinderen, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1912" href="#xd0e1912">213</a>]</span>maar hunne vrouwen hebben
+zij van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een bruin Findasvolk,
+aldus genoemd, omdat zij alle volken ten strijde uittarten. Zij zijn
+allen ruiters en roovers. Daar van daan zijn de Twisklanders evenzoo
+bloeddorstig geworden. De Twisklanders, welke die boosheid bedreven
+hadden, noemden zich zelven Frijen of Franken. Er waren, zeide mijn
+broeder, roode, bruine en witte onder. Die, welke rood of bruin waren,
+beten hun haar met kalkwater wit. Naardien echter hunne aangezichten
+bruin bleven, werden zij des te leelijker daardoor. Even als Apollonia
+beschouwden zij naderhand Lydasburgt en het Alderga. Daarna trokken zij
+over Staverens oorden bij hunne lieden rond. Zij hadden zich zoo
+beminnelijk aangesteld, dat de menschen hen allerwege houden wilden.
+Drie maanden later zond Adel boden naar alle vrienden die hij gewonnen
+had en liet hun verzoeken, dat zij in de Minnemaand wijze lieden tot
+hem zouden zenden,<a class="pseudonoteref" href="#n212.2">6</a> <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1917" href="#xd0e1917">215</a>]</span></p>
+
+<p>zijne vrouw, zeide hij, die maagd geweest was te Texland had daarvan
+een afschrift gekregen. Te Texland, worden nog vele geschriften
+gevonden, die niet in het boek der Adelingen overgeschreven zijn. Van
+deze schriften had Gosa een bij haar uiterste wil gelegd, &rsquo;t welk
+door de oudste maagd Albetha openbaar gemaakt moest worden, zoodra
+Friso gestorven was.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1920" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hier is dit geschrift met Gosas raad.</h2>
+
+<p>Toen Wralda kinderen gaf aan de moeders van het menschelijk
+geslacht, toen legde hij &eacute;&eacute;ne taal in aller tongen en op
+aller lippen. Dit geschenk had Wralda aan de menschen gegeven, opdat
+zij elkander daarmede mochten kenbaar maken, wat men vermijden moet en
+wat men najagen moet om zaligheid te vinden en zaligheid te houden in
+alle eeuwigheid. Wralda is wijs en goed en alles voorziende. Naardien
+hij nu wist, dat geluk en zaligheid van de aarde moet vlieden, als de
+boosheid de deugd bedriegen kan, zoo heeft hij aan de taal eene
+regtvaardige eigenschap verbonden. Deze eigenschap is hierin gelegen,
+dat men daarmede geen leugen zeggen, noch bedriegelijke woorden spreken
+kan zonder stamelen, noch zonder blozen, waardoor men de boozen van
+harte terstond onderkennen kan. Naardien dus onze taal tot geluk en
+zaligheid den weg baant, en dus mede waakt tegen de booze neigingen,
+daarom is zij met alle recht godestaal (de taal des goeds) genoemd, en
+alle degene, die haar in eere houden, hebben daar eere van. Doch wat is
+er gebeurd. Zoodra er onder onze halfzusteren en halfbroederen
+bedriegers opkwamen, die zich zelf voor dienaren des goeds uitgaven, is
+dat weldra anders geworden. De bedriegelijke priesters en de
+boosaardige vorsten, die altijd te zamen heulden, wilden naar willekeur
+leven en buiten de wetten des goeds handelen. In hunne ondeugendheid
+zijn zij heen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1925" href=
+"#xd0e1925">217</a>]</span>gegaan en hebben andere talen verzonnen,
+opdat zij heimelijk konden spreken in tegenwoordigheid van ieder ander
+over alle booze dingen en over alle onwaardige zaken, zonder dat
+stamelen hen zoude verraden, noch blozen hun gelaat ontsieren. Maar wat
+is daaruit geboren? Even gemakkelijk als het zaad van goede kruiden van
+onder den grond weg ontkiemt, dat in &rsquo;t openbaar gezaaid is door
+goede menschen bij lichten dag, even gemakkelijk brengt de tijd de
+schadelijke kruiden aan het licht, die gezaaid zijn door booze menschen
+in het verborgene en bij duisternis.</p>
+
+<p>De wulpsche meisjes en verwijfde knapen, die met de onzedelijke
+priesters en vorsten boeleerden, ontlokten die nieuwe talen aan hunne
+boelen, derwijze zijn zij verspreid onder de volken, tot dat zij
+godestaal glad vergeten hebben. Wilt gij nu weten, wat daarvan geworden
+is? Nu het stamelen en de gelaatskleur hunne booze driften niet meer
+verrieden, is de deugd van uit haar midden geweken, de wijsheid is
+gevolgd en de vrijheid is medegegaan; de eendracht is te zoek geraakt,
+en tweespalt heeft hare plaats ingenomen; de liefde is gevlucht, en de
+ontucht zit met nijd aan tafel; en waar vroeger rechtvaardigheid
+heerschte, heerscht nu het zwaard. Allen zijn slaven, de lieden van
+hunne heeren van nijd, booze lusten en begeerlijkheid. Hadden zij nu
+maar &eacute;&eacute;ne taal uitgevonden, mogelijk was het dan nog eene
+wijle goed gegaan. Maar zij hebben zoo vele talen uitgevonden als er
+staten zijn. Daardoor kan het eene volk het andere volk even min
+verstaan als de koe den hond of de wolf het schaap. Dit kunnen de
+zeelieden betuigen. Doch daar van daan is het nu gekomen, dat alle
+slavenvolken elkander als andere menschen beschouwen, en dat zij tot
+straf van hunne onbezonnenheid en vermetelheid elkander zoo lang moeten
+beoorlogen en bestrijden tot dat zij alle verdelgd zijn. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1929" href="#xd0e1929">219</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1931" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hier is nu mijn raad.</h2>
+
+<p>Zijt gij alzoo begeerig, dat gij de aarde alleen wilt be&euml;rven,
+zoo behoort gij nimmer meer eene andere taal over uwe lippen te laten
+komen als godestaal, en dan behoort gij te zorgen, dat uw eigen taal
+vrij blijft van uitheemsche klanken. Wilt gij nu dat er sommige van
+Lydas kinderen en van Findas kinderen blijven, dan doet gij even zoo.
+De taal der Oost Schoonlanders is door de vuile Magyaren verdraaid; de
+taal der Keltana volgers is door de smerige Golen verdorven. Nu zijn
+wij zoo mild geweest om de terugkeerende Hellenia volgers weder in ons
+midden te nemen, maar ik schroom en ben zeer bezorgd, dat zij onze
+mildheid zullen vergelden met verontreiniging van onze zuivere
+taal.</p>
+
+<p>Veel hebben wij wedervaren, maar van alle burgten die door de booze
+tijd verstoord en verdelgd zijn, heeft Irtha Fryasburgt onverlet
+behouden; ook mag ik daar bij vermelden dat Fryas of Gods taal hier
+even ongeschonden behouden is.</p>
+
+<p>Hier op Texland moest men dus scholen stichten; van alle staten, die
+het met de oude zeden houden, moest het jong volk hier heen gezonden
+worden; daarna mochten zij die volleerd waren, de anderen helpen die te
+huis verbeiden. Willen de andere volken ijzerwaren van u koopen en
+daarover met u spreken en dingen, dan moeten zij tot godestaal
+terugkeeren. Leeren zij Godstaal, dan zullen de woorden <i>vrij
+zijn</i> en <i>recht hebben</i> tot hen inkomen, in hun brein zal het
+dan beginnen te glimmen en te gloren tot dat alles tot eene vlam wordt.
+Deze vlam zal alle slechte vorsten verteeren en alle schijnvrome en
+smerige priesters.</p>
+
+<p>De inlandsche en uitlandsche zendboden hadden genoegen van dat
+geschrift, doch er kwamen geene scholen. Toen stichtte Adel zelf
+scholen, na hem deden de andere vorsten hetzelfde. Jaarlijks gingen
+Adel en Ifkja de scholen in oogenschouw nemen. Bevonden zij dan onder
+de inlanders of buitenlanders <span class="pagenum">[<a id="xd0e1948"
+href="#xd0e1948">221</a>]</span>zoodanige, die elkander vriendschap
+toedroegen, dan lieten zij beide groote blijdschap blijken. Hadden
+sommige zoodanige elkander vriendschap gezworen, dan lieten zij alle
+menschen bij elkander komen, en met groote staatsie lieten zij dan
+hunne namen in een boek schrijven, door hun het boek der vriendschap
+genoemd: daarna werd feest gevierd. Al deze gebruiken werden
+onderhouden om de afzonderlijke takken van Fryas stam weder te zamen te
+snoeren. Doch de maagden die op Adel en Ifkja afgunstig waren zeiden,
+dat zij het nergens anders om deden, dan om een goeden roep en om
+allengs te heerschen over een anders staat.</p>
+
+<p>Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door
+Luidgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen
+aangaan, geef ik hier het andere ten beste.</p>
+
+<p>Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is eene
+rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd, omdat vier
+andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel verre oostwaarts
+is nog eene groote rivier, de heilige of vrome Ganges geheeten.
+Tusschen deze beide rivieren is het land der Hindos. De beide rivieren
+loopen van de hooge bergen naar de laagte neer. Die bergen, waar zij
+van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij tot den hemel reiken (laia),
+daarom wordt het gebergte Himmellaia gebergte genoemd. Onder de Hindos
+en andere uit die landen zijn er sommige lieden die in stilte bij
+elkander komen. Zij gelooven dat zij onverbasterde kinderen van Finda
+zijn. Zij gelooven dat Finda van uit het Himmellaia gebergte geboren
+is, van waar zij met hare kinderen naar de delte of de laagte getrokken
+is. Sommigen onder hen gelooven, dat zij met hare kinderen op het
+schuim van de heilige Ganges naar beneden gegaan is. Daarom zoude die
+rivier de heilige Ganges heeten. Maar de priesters die uit een ander
+land weg komen lieten die menschen opsporen en verbranden; daarom
+durven <span class="pagenum">[<a id="xd0e1954" href=
+"#xd0e1954">223</a>]</span>zij voor hunne zaak niet openlijk uitkomen.
+In dit land zijn alle priesters dik en rijk. In hunne kerken worden
+allerlei gedrochtelijke beelden gevonden, daaronder zijn vele van goud.
+Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers) of wrangen (Drangianen), de
+Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen, en de Urgetten
+&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; of vergetenen. Al deze
+namen zijn hun door de nijdige priesters gegeven, omdat zij hen
+ontvlieden wegens de zeden en het geloof. Bij hunne komst hadden onze
+voorouders zich ook aan den oostelijken oever van den Pangab neergezet,
+maar om der priesteren wille zijn zij ook naar den westelijken oever
+gevaren. Daardoor hebben wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren
+zijn geen wilden, maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch
+aanbidden: ook willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even
+als wij het heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege
+vuur in hunne huizen brandende. Komt men later heel westelijk, zoo komt
+men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken
+verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn
+wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de
+velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten
+verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder
+houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de
+Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden en
+wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat daar
+bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze
+hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten worden:
+maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindos zijn even bloode en
+vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de wolven zijn. Daarom
+hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd, dat hinden beteekent.
+Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk misbruik gemaakt. Komen er
+uitheemsche kooplieden om koren te koopen, dan wordt alles te gelde
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1959" href=
+"#xd0e1959">225</a>]</span>gemaakt, en door de priesters wordt het niet
+geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te
+zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels
+komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten
+lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte
+lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die
+soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte
+en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren
+zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende
+dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte
+van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar de
+kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen
+bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die ze
+willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven, want
+tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de
+menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar
+allerlei soort van hagedissen, schildpadden en krokodillen; al deze
+disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot;
+naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle
+niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators omdat zij
+even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven
+naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen
+overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen, en
+waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en granen
+als aan de oostzyde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende dieren
+gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen verbrand,
+en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er slechts
+weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab, dan vindt
+men nevens vetten kleigrond ook <span class="pagenum">[<a id="xd0e1961"
+href="#xd0e1961">227</a>]</span>dorre geestlanden, die eindeloos
+schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken, waaraan het
+oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn er vele, die ik
+hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er ook goudgeel; ook
+goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als honing, en andere
+zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden zoo groot als
+kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze oud dan maakt men er
+olie van; van de bast maakt men touw, en van de kernen maakt men kelken
+en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik kruip- en steekbessen
+gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als uwe lindeboomen,
+waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter zijn als uwe
+doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn en de zon uit
+het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw hoofd neder. Is men
+dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren, en men des middags met
+zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo schijnt de zon tegen uwe
+linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe rechterzijde doet. Hiermede wil
+ik eindigen, maar na mijn schrijven zal het u licht genoeg vallen, om
+de leugenachtige verhalen te kunnen schiften van de ware berichten. Uw
+Liudgert.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1963" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het geschrift van Beeden.</h2>
+
+<p>Mijn naam is Beeden, zoon van Hachgane. Konereed mijn oom is nooit
+getrouwd geweest en alzoo kinderloos gestorven. Mij heeft men in zijne
+plaats gekozen. Adel, de derde koning van dezen naam, heeft die keuze
+goedgekeurd, mits ik hem als mijn meester erkennen wilde. Behalve het
+volle erf van mijn oom, heeft hij mij eene plek gronds gegeven, die aan
+mijn erf paalde, onder voorwaarde, dat ik daarop menschen zoude
+stellen, die zijne lieden nimmer zouden ...<a class="pseudonoteref"
+href="#n226">1</a> <span class="pagenum">[<a id="xd0e1971" href=
+"#xd0e1971">229</a>]</span></p>
+
+<p>daarom wil ik dit hier eene plaats vergunnen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1974" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Brief van Rika de oudmaagd, voorgelezen te Staveren
+bij het juulfeest.</h2>
+
+<p>Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis
+tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar wil
+ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek wijzen,
+dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet, hoe Wralda
+duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat hij Alvoeder wordt
+genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt en wast tot voeding van
+zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha bijwijlen ook Alvoedster
+genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en granen baart, waarmede mensen
+en dier zich voeden. Doch zij zoude geene vruchten en granen baren,
+bijaldien Wralda haar geene krachten gaf. Ook vrouwen, die hare
+kinderen zogen aan hare borsten, worden voedsters genoemd. Doch gaf
+Wralda daar geene melk in, zoo zouden de kinderen daar geen baat bij
+vinden. Zoodat bij slot van rekening Wralda alleen de voeder blijft.
+Dat Irtha bijwijlen Alvoedster geheeten wordt, en eene <span class=
+"letterspaced">mem</span> (moeder) <span class="letterspaced">
+voedster</span>, kan nog door eene wending (overdrachtelijke
+spreekwijze): maar dat een <span class="letterspaced">taat</span>
+(vader) zich <span class="letterspaced">voeder</span> laat noemen,
+omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden.</p>
+
+<p>Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt
+van onze vijanden (l&euml;tha) en wanneer die gevolgd worden, zoo zult
+gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen
+hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is,
+daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur
+leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet
+wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen dat
+een koning niet over den <span class="pagenum">[<a id="xd0e1993" href=
+"#xd0e1993">231</a>]</span>wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding
+door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne
+vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij in het
+eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben het volk
+eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam, huurden zij
+buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven legden. Vervolgens
+namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en de kleine vorsten en
+heeren deden eveneens. Toen naderhand twist en tweespalt in de
+huishouding sloop, en daarover klachten kwamen, hebben zij gezegd:
+ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin, daarom zal hij ook
+meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de willekeur, en even als
+die met de mannen over het huisgezin heerschte, ging zij ook met de
+koningen over de volken doen. Toen de koningen het zoo ver gebracht
+hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij heen en lieten
+beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten zij in de kerken
+stellen naast de beelden der afgoden, en degene die daar niet voor
+buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe voorvaderen en
+de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan, daarvan hebben
+zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige uwer mannen
+zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik mij over vele
+uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden, die zich met Wralda
+op eene lijn willen stellen, er worden bij u ook wijven gevonden, die
+dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen gebaard hebben, laten zij
+zich <span class="letterspaced">moeder</span> noemen. Doch zij
+vergeten, dat Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet
+alleen hebben zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen
+berooven, met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen
+het even zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich
+<span class="letterspaced">vrouwe</span> laten noemen, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2001" href="#xd0e2001">233</a>]</span>ofschoon
+zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen van vorsten toebehoort. Ook
+laten zij hare dochters <span class="letterspaced">maagden</span>
+noemen, ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag,
+tenzij zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat
+naam stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aankleeft, en
+dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal de
+tijd daar wasdom aan geven, zoo sterk, dat men er het eind niet van kan
+zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden; zij zullen
+niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar ofschoon gij de
+maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat, toch zullen er
+blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij zullen uwe
+nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig aan zijt. Dan
+zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit hunne graven
+oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare maagden aanroepen,
+doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren, bevorens het Juul een
+anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst gebeuren als drie
+duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Einde van Rikas
+brief.</span><a class="pseudonoteref" href="#n232">1</a></p>
+
+<hr class="tb">
+<p> <span class="pagenum">[<a id="xd0e2014" href=
+"#xd0e2014">235</a>]</span></p>
+
+<p>daarom wil ik eerst over zwarte Adel schrijven. Zwarte Adel was de
+vierde koning na Friso. In zijne jeugd heeft hij op Texland geleerd,
+naderhand heeft hij te Staveren geleerd, en vervolgens heeft hij door
+alle staten gereisd. Toen hij vier en twintig jaar oud was, heeft zijn
+vader gemaakt dat hij tot Asega Asker gekozen is. Toen hij eenmaal
+Asker was, eischte hij altijd in het voordeel van de armen. De rijken,
+zeide hij, plegen genoeg ongerechte dingen door middel van hun geld,
+daarom behooren wij te zorgen, dat de armen naar ons omzien. Door deze
+en andere redeneringen, was hij de vriend der armen en de schrik der
+rijken. Het is zoo erg gekomen, dat zijn vader hem naar de oogen zag.
+Toen zijn vader gestorven was, heeft hij diens zetel beklommen, toen
+wilde hij even goed zijn ambt behouden gelijk de koningen van het
+oosten plegen te doen. De rijken wilden dat niet dulden, maar nu liep
+al het andere volk te hoop, en de rijken waren blijde dat zij heelhuids
+van de vergadering afkwamen. Van toen aan hoorde men nimmer meer over
+gelijkheid van recht praten. Hij veroordeelde de rijken en hij vleide
+de armen, met wier hulp hij alle zaken eischte, daar hij bestek op had.
+Koning Askar, gelijk hij altijd genoemd werd, was bij de zeven aardvoet
+lang, en zoo groot zijne gestalte was, waren ook zijne krachten. Hij
+had een helder verstand, zoodat hij alles verstond, waarover gesproken
+werd, doch in zijn doen kon men geene wijsheid bespeuren. Bij een
+schoon gelaat had hij eene gladde tong, maar nog zwarter als zijn haar
+is zijne ziel bevonden. Toen hij een jaar koning was, noodzaakte hij
+alle jongelingen uit zijn staat, om jaarlijks in het kamp te komen en
+daar een schijnoorlog te maken. In het eerst had hij daar moeite mede,
+maar ten laatste werd het zoo manierlijk, dat oud en jong uit alle
+oorden weg kwamen, om te vragen, of zij mochten mede doen. Toen hij het
+zoo ver gebracht had liet hij krijgscholen stichten. De rijken kwamen
+te klagen en <span class="pagenum">[<a id="xd0e2020" href=
+"#xd0e2020">237</a>]</span>zeiden, dat hunne kinderen geen lezen of
+schrijven meer leerden. Askar sloeg er geen acht op, maar toen er kort
+daarop weer schijnoorlog gehouden werd, ging hij op een gestoelte staan
+en sprak luidde. De rijken zijn tot mij gekomen te klagen, dat hunne
+knapen geen lezen of schrijven genoeg leeren; ik heb daar niets op
+gezegd; doch hier wil ik mijne meening zeggen, en de algemeene
+vergadering laten beslissen. Toen elk nu nieuwsgierig tot hem op zag
+zeide hij verder: Naar mijn begrip moet men tegenwoordig het lezen en
+schrijven aan de maagden en wijze lieden overlaten. Ik wil geen kwaad
+spreken van onze voorvaderen, ik wil alleen zeggen, in die tijden,
+waarop door sommigen zoo hoog geroemd wordt, hebben de Burgtmaagden
+tweespalt over onze landen gebracht en de Moeders voor en na konden de
+tweespalt niet weder uit het land drijven. Nog erger, terwijl zij
+praatten en keuvelden over noodelooze gewoonten, zijn de Golen gekomen
+en hebben al onze schoone zuiderlanden geroofd. Heden ten dage zijn zij
+met onze verbasterde broeders en hunne soldaten reeds over de Schelde
+gekomen, er schiet ons dus over te kiezen tusschen het dragen van een
+juk of een zwaard. Willen wij vrij zijn en vrij blijven, zoo behooren
+de jongelieden het lezen en schrijven voorhands achterwege te laten, en
+in stede dat zij op hun gezelschappen wip en zwik spelen, moeten zij
+met zwaard en speer spelen. Zijn wij in allen deele geoefend, en de
+knapen groot genoeg om helm en schild te dragen en de wapenen te
+hanteeren, dan zal ik mij met uwe hulp op de vijanden werpen. De Golen
+mogen dan de nederlagen van hunne helpers en soldaten op onze velden
+schrijven met het bloed dat uit hunne wonden druipt. Hebben wij den
+vijand eenmaal voor ons uitgedreven, zoo moeten wij daarmede voortgaan,
+tot dat er geen Golen, noch Slaven, noch Tartaren meer van Fryas erf te
+verdrijven zijn.&mdash;Dat is recht, riepen de meesten, en de rijken
+durfden hunne monden niet open doen. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2022" href="#xd0e2022">239</a>]</span>Deze toespraak had hij zeker
+te voren bedacht en laten overschrijven, want des avonds van dien
+zelfden dag waren de afschriften daarvan in wel twintig handen; en die
+alle waren eensluidend. Naderhand beval hij de scheepslieden, zij
+moesten dubbele voorstevens maken, waaraan men eene stalen kraanboog
+kon bevestigen. Die hierin achterwege bleef werd beboet; kon iemand
+zweeren, dat hij geene middelen bezat, dan moesten de rijken van het
+dorp het betalen. Nu zal men zien, waarop al dat boha uitgeloopen is.
+Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge bergen is, daar zit
+een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas bloed gesproten; voor
+het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers, voor het ander gedeelte
+uit Britten en vluchtelingen, die allengs met der tijd uit de tinlanden
+derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden kwamen, hebben al te gader
+buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch ras. Zij zijn alle onder de
+heerschappij der Golen, hunne wapenen zijn houten bogen en sprieten met
+punten van hertshoornen, of ook van flinten. Hunne huizen zijn van
+zoden en stroo, en sommigen wonen in de holen der bergen. Schapen, die
+zij geroofd hebben, is hun eenige schat. Onder de afstammelingen van de
+Keltanavolgers hebben sommigen nog ijzeren wapenen, die zij van hunne
+voorvaderen ge&euml;rfd hebben. Om nu goed verstaan te worden, moet ik
+mijn verhaal over het Schotsche volk laten rusten, en iets van de
+heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De heinde Krekalanden hebben te
+voren ons alleen toebehoord, maar sedert onheugelijke tijden hebben
+zich daar ook nakomelingen van Lyda en Finda nedergezet, van deze
+laatsten kwamen eindelijk een heele hoop van Troje. Troja alzoo heeft
+eene stad geheeten, die het volk van de verre Krekalanden (Griekenland)
+heeft ingenomen en verwoest. Toen de Trojanen in de heinde Krekalanden
+genesteld waren, toen hebben zij daar met tijd en vlijt eene sterke
+stad met wallen en burgten gebouwd, Rome, dat <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2024" href="#xd0e2024">241</a>]</span>is Ruim, geheeten. Toen
+dat gedaan was, heeft het volk zich door list en geweld van het geheele
+land meester gemaakt. Het volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche
+zee huist, is voor het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De
+Phoeniciers (Puniers) zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed
+en van Findas bloed en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als
+slaven, maar door de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al
+het andere volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome
+kampen gestadig om het meesterschap van de Middellandsche Zee. Voorts
+leven die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne
+priesteren, die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen
+de Golen niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia
+afgenomen, daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts
+liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij de
+Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn duizende
+Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar de opperste
+der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak, dat is hoek,
+van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was daar al hun goud
+te zamen gebracht. Keeren herne (uitverkoren hoek) of Kerenak is eene
+steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden de Maagden van de
+nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder hebben. Alzoo was door
+de vijandschap der Maagden en der Golen veete en twist over het
+Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden kwamen daar
+dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden en linnen.
+Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de Maagden en
+met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden, om de
+Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam, gaf
+hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen
+bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen
+bloed bij <span class="pagenum">[<a id="xd0e2026" href=
+"#xd0e2026">243</a>]</span>de hellingen der bergen neder. Toen Askar
+meende, dat de kans hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen,
+en nam Kerenak en den opperste der Golen met al zijn goud. Het volk
+waarmede hij tegen de soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de
+Saksenmarken gelokt met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus
+werd den Golen niets gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot
+bergplaats voor zijne schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle
+Phoenicische schepen en steden te berooven, die hij beloopen konde.
+Toen hij terug kwam bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van
+het Schotsche bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven
+waren, opdat hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden
+blijven; doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn
+hof, waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren
+van allerlei wapenen. De Dennemarkers, die zich sinds lang boven alle
+andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra niet
+van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop afgunstig,
+dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over zijne landen.
+Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen de bouwvallen
+van de verwoeste burgt Stavia was nog een <span class="corr" id=
+"xd0e2028" title="Bron: schandere">schrandere</span> Burgtmaagd met
+eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er ging een groote
+roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar hare hulp aan, onder
+beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude laten opbouwen. Toen hij
+zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met drie Maagden naar Hals;
+&rsquo;s nachts ging zij reizen, en bij dag sprak zij op alle markten
+en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij, had haar door donder laten
+toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden moest worden, als zusters en
+broeders vereenigd; anders zoude Findas volk komen en hen alle van de
+aarde verdelgen. Na dien donder waren Fryas zeven waakmaagden haar in
+den droom verschenen, zeven nachten achtereen; zij hadden gezegd: <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2031" href="#xd0e2031">245</a>]</span>boven
+Fryas landen zwabbert ramp met juk en ketenen. Daarom moeten alle
+volken, die uit Fryas bloed gesproten zijn, hunne toenamen wegwerpen en
+zich alleen Fryaskinderen of Fryas volk noemen. Voorts moeten allen
+opstaan en Findas volk van Fryas erf verdrijven. Willen ze dat niet
+doen, zoo zullen zij slavenbanden om hunne halzen krijgen; zoo zullen
+de buitenlandsche heeren hunne kinderen misbruiken en laten geesselen,
+totdat het bloed zijgt in uwe graven. Dan zullen de schimmen uwer
+voorvaderen u komen wekken en u bekijven over uwe lafheid en
+onbezonnenheid. Het domme volk, dat door toedoen der Magyaren reeds aan
+zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde alles wat zij zeide, en de
+moeders klemden hare kinderen tegen hare borsten aan. Toen Reintja den
+koning van Hals en alle andere menschen tot eendracht had overgehaald,
+zond zij boden naar Askar en toog zelve langs de Baltische zee; van
+daar ging zij bij de Lithauers, alzoo genoemd omdat zij hunne vijanden
+altijd naar het aangezicht houwen. De Lithauwers zijn voortvluchtigen
+en verbannenen van ons eigen volk, dat in de Twisklanden zit en
+omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle van de Tartaren geroofd.
+De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht, en aldus door de
+Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede willen, maar de
+menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging zij achter de
+Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen, om allerwege dat
+zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren, kwam zij langs den
+Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich zelve voor Moeder
+uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije en franke menschen
+terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn gaan, en de Gola volgers
+uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat deden, dan zoude haar
+koning Askar over de Schelde gaan en daar het land afwinnen. Bij de
+Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de Tartaren en Magyaren
+binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2033" href="#xd0e2033">247</a>]</span>zeden gebleven.
+Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen onderwijzen en de
+ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja vijandig, maar ten
+laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en allerwege geprezen,
+waar het nuttig en noodig was. Zoodra Askar van Reintjas boden vernam,
+hoe de Jutten gezind waren, zond hij terstond boden van zijnentwege
+naar den koning van Hals. Het schip, waarmede de boden gingen, was vol
+geladen met vrouwen sieraden, en daarbij was een gouden schild, waarop
+Askars gedaante kunstig was afgebeeld. Deze boden moesten vragen of
+Askar des konings dochter Frethogunsta tot zijne vrouw mocht hebben.
+Frethogunsta kwam een jaar later te Staveren; bij haar gevolg was ook
+een Magy, want de Jutten waren sedert lang verdorven. Kort nadat Askar
+met Frethogunsta getrouwd was, werd er te Staveren eene kerk gebouwd;
+in de kerk werden booze gedrochtelijke beelden gesteld, met goud
+doorwevene kleederen. Ook is er beweerd dat Askar bij nacht en bij
+ontijde met Frethogunsta zich daar voor nederboog. Maar zooveel is
+zeker, de burgt Stavia werd niet weder opgebouwd.</p>
+
+<p>Reintja was reeds teruggekomen, en ging nijdig naar Prontlik de
+Moeder te Texland zich beklagen. Prontlik ging heen en zond allerwege
+boden, die verkondigden: Askar is overgeven aan afgoderij. Askar deed
+alsof hij het niet merkte, maar onverwacht kwam er een vloot uit Hals.
+Des nachts werden de Maagden uit de burgt gedreven, en des ochtens
+konde men van de burgt slechts eene gloeijende puinhoop zien. Prontlik
+en Reintja kwamen bij mij om eene schuilplaats; toen ik daar later over
+nadacht, scheen het mij toe dat het kwaad voor mijne staat bedijen
+konde. Daarom hebben wij te zamen eene list verzonnen, die ons allen
+moest baten. Zie hier hoe wij te werk gegaan zijn. Midden in het
+Krijlwoud beoosten Liudwerd ligt onze vlied of weerburg, die men alleen
+langs doolpaden kan genaken. Op deze burgt had ik sints langen <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2037" href="#xd0e2037">249</a>]</span>tijd
+jonge wachters gesteld, die alle een afschuw van Askar hadden en alle
+andere menschen daar vandaan hielden. Nu was het bij ons al zoo ver
+gekomen, dat vele vrouwen en ook mannen al praatten over spoken, witte
+wijven en kabouter mannekes even als de Denemarkers. Askar had al deze
+dwaasheden tot zijn voordeel aangewend, en dat wilden wij nu ook tot
+ons voordeel doen. Bij eene duistere nacht bragt ik de Maagden naar de
+burgt en daarna gingen zij met hare dienaressen langs de doolpaden
+spoken in witte kleederen gehuld, zoo dat er naderhand geen mensch meer
+durfde komen. Toen Askar meende dat hij de handen ruim had, liet hij de
+Magjaren onder allerlei namen door zijne staten reizen en behalve mijne
+staat werden zij nergens geweerd. Nadat Askar alzoo met de Jutten en de
+andere Denemarkers was verbonden gingen zij alle te zamen rooven; doch
+dat heeft geene goede vruchten gebaard. Zij brachten allerhande
+buitenlandsche schatten te huis. Maar juist daardoor wilden de jonge
+mannen geen ambacht leeren, noch op het veld arbeiden; zoodat hij ten
+laatste wel slaven nemen moest. Maar dat was geheel tegen Wraldas wil
+en tegen Fryas raad. Daarom konde de straf niet achterwege blijven. Zie
+hier hoe de straf gekomen is. Eens hadden zij te zamen eene geheele
+vloot gewonnen, deze kwam uit de Middellandsche zee. Deze vloot was
+geladen met purperen kleederen en andere kostbaarheden, die uit
+Phoenicie kwamen. Het zwakke volk der vloot werd bezuiden de Seine aan
+wal gezet, maar het sterke volk werd gehouden. Dat moest hun als slaven
+dienen. De schoonsten werden gehouden om op het land te blijven, en de
+leelijkste en zwartste werden aan boord gehouden om op de banken te
+roeijen. In het Fly werd de boedel gedeeld, maar zonder hun weten werd
+ook de straf gedeeld. Van de menschen, die op de buitenlandsche schepen
+gesteld waren, werden zes door buikpijn gedood. Men dacht dat het eten
+en <span class="pagenum">[<a id="xd0e2039" href=
+"#xd0e2039">251</a>]</span>drinken vergiftigd waren, daarom werd alles
+over boord gegooid. Doch de buikpijn bleef en allerwege, waar slaven of
+goederen kwamen, kwam ook de buikpijn binnen. De Saksmannen brachten ze
+over hunne marken; met de Jutten voer zij naar Schoonland en langs de
+kusten van de Baltische zee; met Askar zijne zeelieden voer zij naar
+Brittannia. Wij en die van Grenega lieten geene goederen noch menschen
+over onze landpalen komen, en daarom bleven wij van de buikpijn
+bevrijd. Hoevele menschen de buikpijn heeft weggeraapt, weet ik niet te
+schrijven, maar Prontlik die het naderhand van de andere Maagden hoorde
+heeft mij gemeld, dat Askar duizendmaal meer vrije menschen uit zijne
+staten geholpen heeft, als hij er vuile slaven in bracht. Toen de pest
+voor goed geweken was, kwamen de vrij geworden Twisklanders naar den
+Rijn, maar Askar wilde met de vorsten van dat vuile verbasterde volk
+niet op eene lijn staan. Hij wilde niet dulden dat zij zich Fryas
+kinderen zouden noemen, gelijk Reintja aangeboden had; maar hij vergat
+daarbij dat hij zelf zwart haar had. Onder de Twisklanders waren er
+twee volken, die zich zelve geen Twisklanders noemden. Het eene volk
+kwam heel ver uit het zuidoosten weg, ze noemden zich Allemannen. Dezen
+naam hadden zij zich gegeven, toen zij nog zonder vrouwen in de wouden
+als bannelingen omdwaalden. Later hebben zij van het Slavenvolk vrouwen
+geroofd, evenals de Lithauwers, maar zij hebben hun naam behouden. Het
+andere volk, dat meer in de nabijheid omdwaalde, noemde zich Franken,
+niet omdat zij vrij waren, maar Frank zoo had de eerste koning
+geheeten, die zich zelf met hulp van de ontaarde Maagden tot erflijk
+koning over zijn volk gemaakt had. De volken, die aan hem grensden,
+noemden zich Thioth-his zonen dat is volkszonen, zij waren vrije
+menschen gebleven, naardien zij nimmer een koning, noch vorst, noch
+meester erkennen wilden, als dengene die bij algemeene wil gekozen was
+op de algemeene vergadering. Askar had <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2041" href="#xd0e2041">253</a>]</span>reeds van Reintja vernomen,
+dat de Twisklander vorsten meest altijd met elkander in vijandschap en
+veete waren. Nu stelde hij hun voor, dat zij &eacute;&eacute;n hertog
+van zijn volk zouden kiezen, omdat hij bang was, gelijk hij zeide, dat
+zij met elkander zouden twisten om het meesterschap. Ook zeide hij dat
+zijne vorsten met de Golen konden spreken. Dat zeide hij was ook de
+meening der Moeder. Toen kwamen de vorsten der Twisklanders bij
+elkander, en na driemalen zeven etmalen kozen zij Alrik tot hertog.
+Alrik was Askars neef, hij gaf hem tweehonderd Schotten en honderd van
+de grootste Saksmannen mede tot eene lijfwacht. De vorsten moesten
+driemaal zeven van hunne zonen naar Staveren zenden tot borg van hunne
+trouw. Tot nu toe was alles naar zijn wensch gegaan, maar toen men over
+den Rijn zoude varen, wilde de koning der Franken niet onder Alriks
+bevelen staan. Daardoor liep alles in de war. Askar, die meende, dat
+alles goed ging, landde met zijne schepen aan de overkant der Schelde,
+maar daar was men reeds van zijne komst ingelicht en op zijne hoede.
+Zij moesten even haastig vluchten als zij gekomen waren, en Askar werd
+zelf gevangen genomen. De Golen wisten niet, wien zij gevangen hadden,
+en zoo werd hij naderhand uitgewisseld voor een aanzienlijken Gole,
+dien Askars volk had medegevoerd. Terwijl dit alles gebeurde, liepen de
+Magyaren nog stoutmoediger over de landen onzer naburen heen. Bij
+Egmuda, waar te voren de burgt Forana gestaan had, lieten zij eene kerk
+bouwen nog grooter en rijker als Askar te Staveren gedaan had.
+Naderhand zeiden zij, dat Askar den strijd had verloren tegen de Golen,
+omdat het volk niet wilde gelooven, dat Wodan hen konde helpen, en dat
+zij hem daarom niet wilden aanbidden. Voorts gingen zij heen en
+schaakten jonge kinderen, die zij bij zich hielden en opvoedden in de
+geheimenissen van hunne verfoeijelijke leer. Waren er menschen, die
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2043" href=
+"#xd0e2043">2</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+
+<div class="div0" id="xd0e2045" lang="fy">
+<h2 class="normal">Adela.</h2>
+
+<div id="xd0e2048" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Okke min svn.</h2>
+
+<p>Thissa boka mot i mith lif &aring;nd s&ecirc;le w&acirc;rja. Se
+vmbifattath thju sk&ecirc;dnise fon vs &ecirc;le folk &acirc;k fon vsa
+&ecirc;thlum. Vrl&ecirc;den j&ecirc;r h&aring;b ik tham ut-er flod hred
+tolik mith thi &aring;nd thinra moder. Tha hja w&ecirc;ron wet wrden;
+th&ecirc;r thrvch gvngon hja &aring;fternei vrdarva. Vmbe hja navt to
+vrlysa h&aring;b ik-ra vp wrlandisk pampyer wrskr&ecirc;ven. Sa hwersa
+thu se erve, mot hu se &acirc;k wrskryva. Thin b&aring;rn alsa til thju
+hja nimmerthe w&ecirc;i navt ne kvma.</p>
+
+<p>Skr&ecirc;ven to Ljuwert. N&ecirc;i &acirc;tland svnken is<a class=
+"noteref" id="xd0e2055src" href="#xd0e2055">1</a> th&aring;t thria
+<span class="corr" id="xd0e2058" title="Bron: th&ucirc; sond">
+th&ucirc;sond</span> fjvwer hvndred &aring;nd njugon &aring;nd
+fjvwertigoste j&ecirc;r, th&aring;t is nei kersten r&ecirc;knong that
+tvelfhvndred sex &aring;nd fiftigoste j&ecirc;r. Hidde tobinomath oera
+Linda.&mdash;W&acirc;k.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Ljawa ervn&ocirc;ma. Vmb vsa ljawa &ecirc;thlas wille &aring;nd vmb
+vsa ljawa fridoms wille, thusand w&acirc;ra s&acirc; bidd-ik to jo. Och
+ljawa ne l&ecirc;t tha &acirc;gon &ecirc;nis p&acirc;pekappe tach
+nimmerthe over thissa skrifta ne w&ecirc;ja. Hja spr&ecirc;kath
+sw&ecirc;ta wirda: men hja tornath vnm&aring;rks&ecirc;m an alles hwat
+fon vs fryas trefth. Vmbe rika prebende to winnande s&acirc;
+h&ecirc;lath hja mith tha poppa k&ecirc;ninggar. Thissa w&ecirc;tath
+that wi hjara gr&acirc;teste fianda send. thrvchdam wi hjara liuda to
+spr&ecirc;ke thvra vr frijdom, rjucht &aring;nd forstne plicht.
+Thervmbe l&ecirc;tath hja alles vrdiligja, hwat fon vsa &ecirc;thlum
+kvmt &aring;nd hwat th&ecirc;r jeta rest fon vsa alda s&ecirc;dum. Och
+ljawa ik h&aring;v by tham et hove w&ecirc;st. Wil Wr.alda-t thjelda
+&aring;nd willath wi vs navt sterik ne m&acirc;kja hja skilun vs
+alg&acirc;dur vrdiligja.</p>
+
+<p>Skr&ecirc;ven to Ljudwerd. Acht hondred &aring;nd thrju j&egrave;r
+nei kersten bigrip. Liko ton&ocirc;math ovira Linda. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2067" href="#xd0e2067">4</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2055src" id="xd0e2055">1</a></span> 3449 - 1256 = 2193 voor
+Chr.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2069" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet bok th&ecirc;ra Adela folstar.</h2>
+
+<p>Thrittich j&ecirc;r &aring;ftere d&ecirc;i that thju folksmoder
+wmbrocht was thrvch th&ecirc;ne vreste M&acirc;gy<a class="noteref" id=
+"xd0e2074src" href="#xd0e2074">1</a> stand et er &aring;rg vm to. Alle
+st&acirc;ta th&ecirc;r-er lidsa anda &ocirc;re syde th&ecirc;re Wrsara,
+w&ecirc;ron fon vs ofk&ecirc;rth &aring;nd vnder-et weld thes Magy
+k&ecirc;men, &aring;nd-et stand to fr&ecirc;sane, that er weldig skolde
+wertha vr-et &ecirc;lle l&acirc;nd. Vmbe th&aring;t vnluk to
+w&ecirc;rane h&ecirc;de m&aring;n &ecirc;ne m&ecirc;na &acirc;cht
+bilidsen, hw&ecirc;r g&acirc;durath w&ecirc;ron &acirc;llera
+m&aring;nnelik, th&ecirc;r ann-en gode hrop stande by tha f&acirc;mna.
+Tha n&ecirc;i th&acirc;t-er m&acirc;r vrl&acirc;pen w&ecirc;ron as
+thrjv etmelda, was al go-r&ecirc;d anda tys &aring;nd al-&ecirc;n sa by
+hjara kvmste. Th&acirc; to tha lesta fr&ecirc;ge Adela th&aring;t wird,
+&aring;nde k&ecirc;th. J alle w&ecirc;t-et that ik thrjv j&ecirc;r
+burchf&acirc;m w&ecirc;sen sy. Ak w&ecirc;t j that ik k&ecirc;ren sy to
+moder, &aring;nd &acirc;k, that ik n&ecirc;n moder n&ecirc;sa<a class=
+"noteref" id="xd0e2077src" href="#xd0e2077">2</a> navt nilde<a class=
+"noteref" id="xd0e2080src" href="#xd0e2080">3</a>, thrvchdam ik Apol to
+min &ecirc;ng&acirc; j&ecirc;rde. Thach hwat j navt n&ecirc;te<a class=
+"noteref" id="xd0e2083src" href="#xd0e2083">4</a>, th&aring;t is, that
+ik alle b&ecirc;rtnisa n&ecirc;igvngen h&aring;w, &ecirc;vin as ik en
+wrentlike folksmoder w&ecirc;sen w&ecirc;re. Ik h&aring;v al-an fon
+&aring;nd witherf&acirc;ren to sjande hw&aring;t-er b&ecirc;rde.
+Th&ecirc;r thrvch send my f&ecirc;lo s&ecirc;ka b&acirc;r wrden,
+th&ecirc;r &ocirc;ra navt n&ecirc;te. J h&aring;weth jester
+s&ecirc;ith, th&aring;t vsa sibba an tha &ocirc;ra syd th&ecirc;re
+Wrsara njvt &aring;nd l&acirc;f w&ecirc;re. Th&acirc; ik m&ecirc;i
+sedsa to jv, th&aring;t-er M&acirc;gy se n&ecirc;n yne g&acirc; of
+wnnen heth thrvch th&aring;t weld synra w&ecirc;pne, men bl&acirc;t
+thrvch &aring;rgelestige renka, &aring;nd jeta m&acirc;r thrvch
+th&aring;t gyrich sa th&ecirc;ra hyrtogum &aring;nd th&ecirc;ra
+&ecirc;thelinga. Frya heth s&ecirc;it wi ne skoldon n&ecirc;n vnfrya
+ljvd by vs tol&ecirc;ta, th&acirc; hwat h&aring;von hja d&ecirc;n? hja
+h&aring;von vsa fjand n&ecirc;i folged: hwand an st&ecirc;d fon hjara
+fensenum to d&ecirc;iande, jeftha fry to l&ecirc;tane, h&aring;von hja
+Fryas r&ecirc;d minacht &aring;nd se to hjara sl&acirc;fonum
+m&acirc;ked. Thrvchdam hja sok d&ecirc;don, macht Frya navt longer
+w&acirc;ka ovir hjam: hja h&aring;von ynes &ocirc;theris frydom
+binimen, &aring;nd th&aring;t is &ecirc;rs&ecirc;ke, th&aring;t hja
+hjara &aring;jn vrl&ecirc;ren <span class="pagenum">[<a id="xd0e2086"
+href="#xd0e2086">6</a>]</span>h&aring;we. Thach th&aring;t ella is jo
+selva &acirc;ken. Men ik wil sedsa to jo, ho hja n&ecirc;i gr&acirc;dum
+s&acirc; l&ecirc;g vrsylth send. Th&ecirc;ra finnum hjara wiva
+kr&ecirc;jon b&aring;rn. Thissa waxton vppa mith vsa frya b&aring;rn.
+Altomet tvildon &aring;nd joldon hja to samne vppa h&ecirc;m, jeftha
+hja w&ecirc;ron mith ekkorum by th&ecirc;re h&ecirc;rd. Th&ecirc;r
+h&ecirc;rdon hja mith lustum n&ecirc;i tha vrdw&acirc;lska finna
+s&acirc;gum, thrvchdam hja thjvd &aring;nd n&ecirc;i w&ecirc;ron.
+S&acirc; send hja vntfryast vnth&ocirc;nkes thene wald hjarar aldrum.
+As tha b&aring;rn gr&acirc;t wrdon &aring;nd sagon th&aring;t tha
+finna-ra b&aring;rn n&ecirc;n w&ecirc;pne hant&ecirc;ra machte,
+&aring;nd bl&acirc;t w&aring;rka moste, th&acirc; kr&ecirc;jon hja
+anneth w&aring;rka en gryns &aring;nd wrdon h&aring;rde
+h&acirc;chf&acirc;rande. Tha b&acirc;sa &aring;nd hjara storsta svnum
+krupton by tha lodderiga finna mang&ecirc;rtum; &aring;nd hjara
+&aring;jne toghatera thrvch th&aring;t vvle f&acirc;rbild fon-a
+w&ecirc;i brocht, l&ecirc;ton hjara selva bigorda thrvch tha
+sk&ecirc;nesta finna kn&acirc;pa, hjara vvle aldrum to spot. Tha
+th&ecirc;ne Magy th&aring;t anda n&ocirc;s kryg, tha nam-er tha
+sk&ecirc;nesta sinar Finna &aring;nd Magyara vrlovende r&acirc; ky mith
+golden horna, sa hja ra thrvch vs folk fata d&ecirc;don, &aring;fterdam
+sina l&ecirc;r vtbr&ecirc;da. Men sin ljuda d&ecirc;don m&acirc;r: bern
+wrdon to sok makad, nei vpsal&acirc;ndum w&ecirc;ibrocht, &aring;nd
+s&acirc;hwersa hja vpbrocht w&ecirc;ron an sina vvla l&ecirc;r,
+th&aring;n wrdon hja to bek sendon. Th&acirc; tha skinsl&acirc;vona vsa
+t&acirc;l m&aring;chtich w&ecirc;ron, th&acirc; klivadon hja tha
+h&ecirc;rtoga &aring;nd &ecirc;thelinga an bord, &aring;nd
+k&ecirc;thon, hja moston thene Magy h&ecirc;roch wertha, sa kvndon
+hjara svnum vpfolgja tham, oni<a class="noteref" id="xd0e2088src" href=
+"#xd0e2088">5</a> thrvch-et folk k&ecirc;ron to wrdane. Th&ecirc;ra
+th&ecirc;r vmbe goda d&ecirc;dum en f&acirc;rd&ecirc;l to-ra hus kryen
+h&ecirc;de-vrlovadon hja fon sinant w&ecirc;gum jeta-n
+&aring;fter-d&ecirc;l bij; hoka tham en f&acirc;r &aring;nd
+&aring;fter-d&ecirc;l kryen h&ecirc;de s&ecirc;idon hja en
+rond-d&ecirc;l to, &aring;nd tham en rond-d&ecirc;l h&ecirc;de en
+&ecirc;lle st&acirc;t. W&ecirc;ron tha &ecirc;thla to h&aring;rde
+fryas, th&acirc; wendon hja tha st&ecirc;wen &aring;nd hildon vppar
+vrbastera svnum an. Jesterd&ecirc;i w&ecirc;ron-er mong<a class=
+"noteref" id="xd0e2091src" href="#xd0e2091">6</a> jo tham allet folk to
+h&acirc;pa hropa wilde <span class="pagenum">[<a id="xd0e2094" href=
+"#xd0e2094">8</a>]</span>vmb tha &acirc;stlike st&acirc;ta wither to
+hjara plyga to tvangande. Thach n&ecirc;i min ynfalda myning skolde
+th&acirc;t falikant<a class="noteref" id="xd0e2096src" href=
+"#xd0e2096">7</a> utkvmma. Th&aring;nk ynes th&ecirc;r was w&ecirc;sen
+en h&aring;rde lvngsyakte among-eth fja, &aring;nd th&aring;t-er
+th&ecirc;r jeta &aring;rg vvde, skolde j-eth th&aring;n wel w&acirc;gja
+vmbe jvw h&ecirc;lena fja to f&acirc;rande among hjara syaka fja?
+&aring;mmer n&acirc;. S&acirc;hwersa allra m&aring;nnelik nw
+bi&acirc;ma &aring;nd bijechta mot, th&aring;t-eth th&ecirc;r mitha
+stapel &aring;rg of kvma skolde, hwa skolde th&aring;n alsa dryst
+w&ecirc;sa vmbe sina b&aring;rn to wagande among en folk th&aring;t
+&ecirc;lle &aring;nd al vrd&ecirc;ren is. Macht ik jo r&ecirc;d
+j&ecirc;va, ik skolde sedsa to jo, j moste bifara alle dingum jo en
+n&ecirc;ie folksmoder kyasa. Ik w&ecirc;t wel th&aring;t j
+th&ecirc;rmitha anda brvd sitte, vt hawede th&aring;t-er fon tha
+thredtine burchf&acirc;mna than wi jeta ower h&aring;ve wel achte send
+th&ecirc;r n&ecirc;i th&ecirc;re &ecirc;ra dinge, men th&aring;t skold
+ik navt ne melda. T&uuml;ntja th&ecirc;r f&acirc;m is et-er burch
+M&ecirc;d&ecirc;asblik het er n&aring;mmer n&ecirc;i t&acirc;lth; tach
+is hja fol witskip &aring;nd klarsyan, &aring;nd wel sa h&aring;rde
+vppir folk &aring;nd usa plyga st&aring;lth as all &ocirc;thera
+etsamne. Forth skold-ik r&ecirc;da j moste n&ecirc;i tha burgum
+g&acirc;, &aring;nd th&ecirc;r vpskrywa alle &ecirc;wa fryas tex,
+bijvnka alle skydnisa, j&acirc; ella th&aring;t er to finda sy vppa
+w&acirc;gum, til thju ella navt vrl&ecirc;ren ni g&acirc;, &aring;nd
+mitha burgum alsa vrd&ecirc;n navt ne werth. Th&ecirc;r st&aring;t
+askriwen: thiu moder &aring;nd jahwelik burchf&agrave;m skil h&aring;va
+buta helpar &aring;nd senda bodon, yn and twintich f&acirc;mna
+&aring;nd sjugon l&ecirc;rf&acirc;mkis. Macht ik th&ecirc;r hwat to
+dvande, th&acirc; skol-ik skrywa, &aring;nd alsa f&ecirc;lo
+&ecirc;rs&ecirc;ma toghatera vmbe to l&ecirc;rane, sa th&ecirc;r vppa
+burgum w&ecirc;sa m&uuml;ge; hwand ik seg an trowe &aring;nd tid
+skil-eth jechta, s&acirc;hwersa j &aring;fta Fryas b&aring;rn wille
+n&aring;mmer to winnande, hor thrvch lesta ner thvch w&ecirc;pne, sa
+hagath j to nvdande th&aring;t jvwe toghatera &aring;fta frya wiva
+wrde. B&aring;rn mot m&aring;n l&ecirc;re, ho gr&acirc;t vs l&acirc;nd
+&ecirc;r w&ecirc;sen sy, hokke gr&acirc;te m&aring;nniska vsa ethla
+w&ecirc;ron, ho gr&acirc;t wi jeta send, sa wi vs d&aring;l ledsath bij
+&ocirc;ra, m&aring;n <span class="pagenum">[<a id="xd0e2099" href=
+"#xd0e2099">10</a>]</span>mot t&acirc;la hjam fon tha wicharda
+&aring;nd fon hjara wichandlika d&ecirc;dum, &aring;k wra f&acirc;ra
+s&ecirc;tochta. Al thissa t&aring;llinga hagath d&ecirc;n to werthande
+bij th&ecirc;re h&ecirc;rd, vppa h&ecirc;m &aring;nd hw&ecirc;r et
+w&ecirc;sa m&ecirc;i, s&acirc; bij blyskip as bij t&acirc;rum. Men
+skil-et standf&aring;st kvma an dat bryn &aring;nd and&aring;t hirta,
+th&aring;n moton alle l&ecirc;ringa overa w&ecirc;ra jvwera wiva
+&aring;nd toghatera th&ecirc;r-in str&acirc;ma. Adelas r&ecirc;d is
+vpfolgath.</p>
+
+<p>Thit send tha n&acirc;ma th&ecirc;ra gr&ecirc;vetmanna, vnder
+hwam-mis wald thit bok awrochten is. Apol, Adelas man, Thria is-er
+s&ecirc;kening w&ecirc;sen, nw is-er gr&ecirc;vetman over
+Ast-flyl&acirc;nd &aring;nd ovir-a Linda-wrda. Tha bvrga
+Ljvdg&acirc;rda, Lindah&ecirc;m, &aring;nd St&acirc;vja send vnder sin
+hod.</p>
+
+<p>Ther Saxman Storo, Sytjas man, gr&ecirc;vetman ovir-a h&acirc;ga
+fenna &aring;nd walda. Njvgun w&acirc;ra is-er to h&ecirc;rtoga,
+th&aring;t is to hyrman, k&ecirc;ren. Tha burga Bvda &aring;nd
+Manna-g&acirc;rda-forda send vnder sin hod.</p>
+
+<p>Ab&ecirc;lo, Jaltjas man, gr&ecirc;vetman ovir tha S&ucirc;dar
+Flyl&acirc;nda. Fjvwers is-er hyrman w&ecirc;sen. Tha burga Aken,
+Ljvdburch &aring;nd K&acirc;tsburch send vnder sin hod.</p>
+
+<p>Enoch Dywek his man, gr&ecirc;vetman ovir West-flyl&acirc;nd
+&aring;nd Texland. Njvgun mel is-er to s&ecirc;kening k&ecirc;ren. Thiu
+W&acirc;raburch, M&ecirc;d&ecirc;asblik, For&acirc;na &aring;nd ald
+Fryasburch send vnder sin hod.</p>
+
+<p>Foppa, man fon Dunr&ocirc;s, gr&ecirc;vetman ovir tha Sjvgon
+&ecirc;l&acirc;nda. Fif mel is-er s&ecirc;kening w&ecirc;sen. Thju
+burch Walhallag&acirc;ra is vnder sin hod.</p>
+
+<p>Thit stand vppa tha w&acirc;gum et Fryasburch to Texland askrywen,
+th&aring;t st&ecirc;t &acirc;k to St&acirc;via &aring;nd to
+M&ecirc;d&ecirc;as blik.</p>
+
+<p>Th&aring;t was Frya his d&ecirc;i &aring;nd to th&ecirc;re stonde
+was et vrl&ecirc;den sjvgun w&acirc;ra sjvgun j&ecirc;r, th&aring;t
+F&aring;sta was anst&aring;ld as folksmoder n&ecirc;i Fryas
+j&ecirc;rta. Thju burch M&ecirc;d&ecirc;asblik was r&ecirc;d &aring;nd
+en f&acirc;m was k&ecirc;ren. Nw skolde F&aring;sta thju n&ecirc;ja
+foddik vpst&ecirc;ka, &aring;nd th&acirc; th&aring;t d&ecirc;n was an
+&aring;jnwarda fon th&aring;t folk, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2115" href="#xd0e2115">12</a>]</span>th&acirc; hrop Frya fon hira
+w&acirc;kst&aring;re, s&acirc; th&aring;t allera m&aring;nnalik
+th&aring;t h&ecirc;ra machte: F&aring;sta nim thinra stifte &aring;nd
+writ tha thinga th&ecirc;r ik &ecirc;r navt sedsa ne machte.
+F&aring;sta d&ecirc;de alsa hja boden w&aring;rth. S&acirc; send wy
+Fryas b&aring;rn an vsa forma sk&ecirc;dnise k&ecirc;men.</p>
+
+<p>Th&aring;t is vsa forma sk&ecirc;dnise.</p>
+
+<p>Wr.alda<a class="noteref" id="xd0e2121src" href="#xd0e2121">8</a>
+tham all&ecirc;na god &aring;nd &ecirc;vg is, m&acirc;kade t.anfang,
+dana k&ecirc;m tid, tid wrochte alle thinga &acirc;k jrtha. Jrtha
+b&acirc;rde alle g&acirc;rsa, kr&ucirc;don &aring;nd boma, allet djara
+kwik &aring;nd allet &aring;rge kwik. Alhwat god &aring;nd djar is,
+brocht hju by d&ecirc;gum &aring;nd alhwat kw&acirc;d &aring;nd
+&aring;rg is, brocht hju thes nachtis forth. Afteret twilifte
+jol-f&ecirc;rste b&acirc;rde hja thrja mang&ecirc;rta.</p>
+
+<p>Lyda w&aring;rth ut glyande,</p>
+
+<p>Finda w&aring;rth ut h&ecirc;ta &aring;nd</p>
+
+<p>Frya ut warme stof.</p>
+
+<p>Th&acirc; hja bl&acirc;t k&ecirc;mon spisde Wr.alda hjam mith sina
+&acirc;dama; til thju tha m&aring;nneska an him skolde bvnden
+w&ecirc;sa. Ring as hja rip w&ecirc;ron kr&ecirc;jon hja fr&uuml;chda
+&aring;nd nochta anda dr&acirc;ma Wr.aldas. Od<a class="noteref" id=
+"xd0e2132src" href="#xd0e2132">9</a> tr&acirc;d to-ra binna: &aring;nd
+nw b&acirc;rdon ek twilif svna &aring;nd twilif togathera ek joltid
+tw&ecirc;n. Th&ecirc;rof send alle m&aring;nneska k&ecirc;men.</p>
+
+<p>Lyda was swart, krolh&ecirc;red alsa tha l&ocirc;mera: lik
+st&aring;ra blonken hjra &ocirc;gon; ja thes gyrf&uuml;gels blikkar
+w&ecirc;ron vnmodich by hjras.</p>
+
+<p>Sk&aring;rpe Lyda. Annen san&acirc;ka kvn hju kruppa h&ecirc;ra,
+&aring;nd hwersa th&ecirc;r fiska invr w&ecirc;ter w&ecirc;re n-vntgong
+th&aring;t hira nostera navt.</p>
+
+<p>R&aring;dbvwde Lyda. En store b&acirc;m kvn hju b&ucirc;gja
+&aring;nd sahwersa hja run ne br&aring;k n&ecirc;ne blomst&acirc;l
+vnder hjara fyt.</p>
+
+<p>Weldige Lyda. H&aring;rd was hjra steme &aring;nd kr&ecirc;t hju ut
+grimme s&acirc; run ek flux w&ecirc;i. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2143" href="#xd0e2143">14</a>]</span></p>
+
+<p>Wonderfvlle Lyda. Fon &ecirc;wa nilde hju navt n&ecirc;ta: hjra
+d&ecirc;da wrdon thrvch hjra tochta stjvrat. Vmbe tha t&ecirc;dra to
+help&acirc;ne, d&acirc;de hju tha st&ocirc;ra &aring;nd hwersa hju-t
+d&ecirc;n h&ecirc;de gr&acirc;jde hju by-t lik.</p>
+
+<p>Arme Lyda. Hju w&aring;rth gris fon-t vnwisse bihjelda &aring;nd
+vpp-it ende sturf hja fon hirts&ecirc;r vmbe tha b&aring;rn-ra
+kw&acirc;d.</p>
+
+<p>Vnwisa b&aring;rn. Hja tichtegadon ekkorum, fen m&aring;m-ra
+d&acirc;d, hja gr&aring;jadon lik wolva, fjvchtadon alsa &aring;nd
+dahwile hja that d&ecirc;don &ecirc;ton tha f&uuml;gelon th&aring;t
+lik. Hw&acirc; m&ecirc;i sin t&acirc;ra hwither to haldane.</p>
+
+<p>Finda. Was g&ecirc;l &aring;nd hjr h&ecirc;r s&acirc; tha m&acirc;na
+&ecirc;ner hors: &ecirc;ne thr&ecirc; ne kv hja navt ni b&ucirc;gja;
+men hw&ecirc;r Lyda annen lavwa macht to d&ecirc;jande, th&ecirc;r
+d&acirc;de hja wel tj&aring;n.</p>
+
+<p>Vrl&ecirc;dalike Finda. Svet was hjra stemme &aring;nd nannen
+f&uuml;gel kvn sjonga lik hju. Hjra &ecirc;gon lokton &aring;nd lordon,
+men th&ecirc;rer ansach w&aring;rth sl&acirc;f.</p>
+
+<p>Vnr&ecirc;dalika Finda. Hju skr&ecirc;f th&ucirc;sande &ecirc;wa,
+tha hju ne folgde n&ecirc;n er fon vp. Hja vrfyade tha goda vmbe hjara
+frymod, th&acirc; an slikm&aring;mkes j&ecirc;f hju hjr selva hast
+w&ecirc;i<span class="corr" id="xd0e2156" title="Niet in
+bron">.</span></p>
+
+<p>That was hir vnluk. Hjra h&acirc;ved was to fvl: tha hjr hirte to
+ydel; hju ne minde nimm&aring;n sa hja selva &aring;nd hju wilde
+th&aring;t ek hja lyaf h&aring;we skolde.</p>
+
+<p>Falske Finda. H&uuml;ning swet w&ecirc;ron hjra wirda, th&acirc; hok
+tham hja trjvwade w&ecirc;re vnluk n&ecirc;i by.</p>
+
+<p>Selvsjochta Finda. Ovir ella wilde hju welda, &aring;nd hjra svnum
+w&ecirc;ron lik hju; fon hjara susterum l&ecirc;ton hja ra thjanja
+&aring;nd ekkorum slogon hja vmb-et m&acirc;sterskip d&acirc;d.</p>
+
+<p>Dubbelhirta Finda. Vmbe skotse wirda w&aring;rth hju yre, &aring;nd
+tha &aring;rgste d&ecirc;da ne rorde hja navt. Sach hju en nyndask en
+spinne vrslynna, th&aring;n w&aring;rth hju omm-et hirte sa ys; men
+sach hju hjra b&aring;rn en fryas vrmorde s&acirc; swol hjra bosm fon
+nocht. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2167" href=
+"#xd0e2167">16</a>]</span></p>
+
+<p>Vnluke Finda. Hju sturf anda blomtid fon hjra l&ecirc;va,
+&aring;nd-t is jeta tjvester ho hju fallen sy.</p>
+
+<p>Skinh&ecirc;liga b&aring;rn. Vnder kestlike st&ecirc;na l&ecirc;idon
+hja hjra lik d&ecirc;l, mit kwabbjana skriftum smukton hja tham vppa,
+togr&acirc;jande vmbe h&ecirc;rath to w&aring;rthande men an stilnise
+ne w&ecirc;nadon hja n&ecirc;nen &ecirc;nge t&acirc;r.</p>
+
+<p>Vrijfalik folk. Thi tex th&ecirc;r Finda n&ecirc;i l&ecirc;t was in
+golden bl&ecirc;dar wryt: thach tha besta hw&ecirc;r-far i m&acirc;kad
+was, w&ecirc;r i n&aring;mmer to not. Tha goda &ecirc;wa wrdon
+utf&acirc;gad &aring;nd selfv sjocht wryte th&ecirc;r kw&acirc;da far
+in.</p>
+
+<p>O Finda. Tha w&aring;rth jrtha fvl blod, &aring;nd tha h&acirc;veda
+th&ecirc;r m&aring;nneska m&aring;jadon thin b&aring;rn lik g&aring;rs
+h&aring;lma of. Ja Finda th&aring;t send tha fr&uuml;chda thinera
+ydlenise. Sjan d&aring;l fon thinre w&acirc;kst&aring;r &aring;nd
+w&ecirc;n.</p>
+
+<p>Frya. Was wit lik sn&ecirc;i bij-t m&ocirc;rner&acirc;d &aring;nd
+th&aring;t bl&acirc;w hjrar &ocirc;gnum wn-et jeta th&ecirc;re
+r&ecirc;inb&ocirc;ge of.</p>
+
+<p>Sk&ecirc;ne Frya. Lik str&ecirc;lon th&ecirc;re midd&ecirc;i svnne
+blikadon hjra h&ecirc;ron, th&ecirc;r sa fin w&ecirc;ron as rach.</p>
+
+<p>Abela Frya. Vntlvkton hjra w&ecirc;ra, th&aring;n sw&ecirc;gon tha
+f&uuml;gelon &aring;nd ne rordon tha bl&ecirc;dar navt mar.</p>
+
+<p>Weldige Frya. Thrvch th&ecirc;ne kr&aring;ft hjrar blikkar
+str&ecirc;k thene l&acirc;wa to fara hjara fyt d&aring;l &aring;nd held
+thene addur sin gif tob&aring;k.</p>
+
+<p>R&ecirc;ne Frya. Hjra yta was h&uuml;ning &aring;nd hjra drank was
+d&acirc;wa, g&acirc;dvrad anda b&ocirc;sma th&ecirc;ra blommur.</p>
+
+<p>Lichte Frya. Th&aring;t forma hwat hju hjra b&aring;rn l&ecirc;rde
+was selv-twang, th&aring;t &ocirc;thera was lyafte to d&uuml;ged,
+&aring;nd th&acirc; hja j&ecirc;roch wrdon, th&acirc; l&ecirc;rde hju
+hjam thju w&ecirc;rtha fon tha frijdom k&aring;nna: hwand s&ecirc;ide
+hju svnder frijdom send alle &ocirc;thera d&uuml;gedon all&ecirc;na god
+vmbe jo to sl&acirc;vona to m&acirc;kjande, jvwe ofkvmste to &ecirc;vge
+skantha.</p>
+
+<p>Milde Frya. N&aring;mmer lyt hju m&ecirc;tal ut jrtha d&aring;lva
+vmb &aring;jnb&acirc;t, men s&acirc;hwersa hja-t d&ecirc;de
+w&ecirc;r-et to jahwelikis not. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2190"
+href="#xd0e2190">18</a>]</span></p>
+
+<p>Lukigoste Frya. Alsa tha st&aring;ra om jrtha omswyrmia swirmadon
+hjara b&aring;rn om hja.</p>
+
+<p>Wise Frya. Th&acirc; hju hjra b&aring;rn vpbrocht h&ecirc;de alto
+th&ecirc;re sjugonde kny, th&acirc; hrop hju-ra alle a Flyl&acirc;nd to
+s&aring;mne. Th&ecirc;r j&ecirc;f se hjam hjra tex, &aring;nd
+s&ecirc;ide, l&ecirc;t tham jvwe w&ecirc;iwisar w&ecirc;sa, th&acirc;
+ne skil th&aring;t jo n&acirc; navt kwalik ni g&acirc;.</p>
+
+<p>Utfork&ecirc;rena Frya. Th&acirc; hju-t s&ecirc;id h&ecirc;de,
+b&ecirc;vade jrtha l&icirc;k Wr.aldas s&ecirc;, Flyl&acirc;ndis bodem
+svnk an gr&acirc;da vnder hjara fyt d&aring;l. Thju loft w&acirc;rt
+swart &aring;nd nylof<a class="noteref" id="xd0e2197src" href=
+"#xd0e2197">10</a> fon t&acirc;ra to stirtane &aring;nd th&acirc; hja
+n&ecirc;i moder oms&acirc;gon, was hju al lang vppira
+w&acirc;kst&aring;r. Th&acirc; to tha lesta spr&aring;k tongar ut-a
+wolka &aring;nd blixen schr&ecirc;f an th&aring;t loftrvm,
+w&acirc;k.</p>
+
+<p>Farsjanda Frya. Th&aring;t l&acirc;nd fon hw&ecirc;r hju was vpfaren
+was nw en str&acirc;m &aring;nd buta hira tex was th&ecirc;r in ella
+bidvlwen hwat fon hjra h&ocirc;ndum k&ecirc;men was.</p>
+
+<p>H&ecirc;riga b&aring;rn. Th&acirc; hja to-ra selva w&ecirc;ron,
+th&acirc; m&acirc;kadon hja thit h&acirc;ge therp, bvwadon th&acirc;s
+burch th&ecirc;rvppa, anda w&aring;grum thessa wryton hja thene tex,
+&aring;nd vmbe that allera mannalik hja skolde m&uuml;ga finda,
+h&aring;vath hja th&aring;t l&acirc;nd rondomme Texl&acirc;nd
+h&ecirc;ten. Th&ecirc;rvmbe skil-&aring;t bilywa al wenne jrtha jrtha
+sy.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2074src" id="xd0e2074">1</a></span> Magy, Koning der Magyaren en
+Finnen.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2077src" id="xd0e2077">2</a></span> n&ecirc;sa = ne
+w&ecirc;sa.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2080src" id="xd0e2080">3</a></span> nilde = ne wilde.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2083src" id="xd0e2083">4</a></span> n&ecirc;te = ne
+w&ecirc;te.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2088src" id="xd0e2088">5</a></span> Oni, oud Holl. ane, Duitsch
+ohne = zonder.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2091src" id="xd0e2091">6</a></span> Mong, among, emong =
+onder.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2096src" id="xd0e2096">7</a></span> Falikant, f&acirc; likande =
+weinig gelijkende, niet conform.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2121src" id="xd0e2121">8</a></span> Wr.alda. Altijd geschreven
+als samengesteld woord beteekent: de overoude, het oudste wezen.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2132src" id="xd0e2132">9</a></span> Od, wortel van het Lat. odi,
+ik haat.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2197src" id="xd0e2197">10</a></span> Nylof; de kleur van nieuw
+loof? geel groen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2204" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Tex Fryas.</h2>
+
+<p>Held b&ecirc;id tha Frya, to tha lesta skilun hja my hwiter sja.
+Thach th&ecirc;ra all&ecirc;na m&ecirc;i ik as fry k&aring;nna
+th&ecirc;r n&ecirc;n sl&acirc;f is fon &ecirc;n &ocirc;ther ni fon sine
+tochta. Hyr is min r&ecirc;d.</p>
+
+<p>S&acirc;hwersa thju n&ecirc;d &aring;rg sy &aring;nd gode r&ecirc;d
+&aring;nd gode d&ecirc;d nawet m&acirc;r ne form&uuml;ge, hrop
+th&aring;n thi g&acirc;st Wr.aldas an, men j ne mot-im navt anhropa
+bif&acirc;ra alle thinga prvvath send. Tha ik segs to jo mith
+r&ecirc;dene &aring;nd tid skil-et w&acirc;ra, tha model&acirc;sa
+skilun &aring;mmar swika vnder hjar &aring;jn l&ecirc;d. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2211" href="#xd0e2211">20</a>]</span></p>
+
+<p>2. Wr.aldas g&acirc;st m&ecirc;i m&aring;n all&ecirc;na knibuwgjande
+th&acirc;nk to wya, j&acirc; thrju w&acirc;ra far hwat jv fon him noten
+h&aring;ve, far hwat jv nith, &aring;nd fara h&acirc;pe th&ecirc;r hy
+jo l&ecirc;t an &aring;nga tida.</p>
+
+<p>3. J h&aring;wed sjan ho ring ik helpe l&ecirc;nde, dva al &ecirc;n
+mith jo n&ecirc;ston, men ne tof navt til m&aring;n jo b&ecirc;den
+heth, tha lydande skolde jo floka, min f&acirc;mna skoldon jvwa
+n&acirc;ma utfaga ut-&aring;t bok &aring;nd ik skolde jo lik
+vnbik&aring;nnade ofwisa mota.</p>
+
+<p>4. Nim n&aring;mmar knibuwgjande t&acirc;nk fon jv n&ecirc;ston an,
+thjus &acirc;gath Wr.aldas g&acirc;st. Nid skolde j bikrjupa, wisdom
+solde j bil&acirc;ka &aring;nd min f&acirc;mna skoldon jo bityga fon
+f&acirc;derr&acirc;v.</p>
+
+<p>5. Fjuwer thinga send to jvwe not j&ecirc;ven, mith n&acirc;ma,
+loft, w&ecirc;ter, l&acirc;nd &aring;nd fjur. Men Wr.alda wil
+th&ecirc;r all&ecirc;na bisittar of w&ecirc;sa. Th&ecirc;rvmbe
+r&ecirc;d ik jo, j skilun jo rjuchtf&ecirc;rdiga manna kyasa, tham thju
+arb&ecirc;d &aring;nd tha fr&uuml;chda n&ecirc;i rjuchta d&ecirc;la,
+s&acirc; that n&aring;mman fry fon w&acirc;rka ni fon w&ecirc;ra
+sy.</p>
+
+<p>6. S&acirc;hwersa th&ecirc;r &aring;mman among jo fvnden
+w&aring;rth, th&ecirc;r sin &aring;jn frydom vrsellath, tham-n is navt
+fon jvw folk: hi is en horning mith basterd blod. Ik r&ecirc;de jo that
+j him &aring;nd sin m&aring;m to th&aring;t l&acirc;nd utdriva,
+s&ecirc;gs that to jvwa b&aring;rn, thes mornes, thes midd&ecirc;is
+&aring;nd thes &ecirc;wendes, til thju hja th&ecirc;rof dr&acirc;me
+thes nachtis.</p>
+
+<p>7. Allera m&aring;nnalik th&ecirc;r en &ocirc;ther fon sine frydom
+bir&acirc;wath, al w&ecirc;re th&ecirc;ne &ocirc;re him skeldech, mot
+ik anda b&aring;rnt&acirc;m &ecirc;ner sl&acirc;finne f&acirc;ra
+l&ecirc;ta. Thach ik r&ecirc;de jo vmbe sin lik &aring;nd that sinera
+m&aring;m vpp &ecirc;ne k&aring;le st&ecirc;d to vrbarnande,
+&aring;ftern&ecirc;i hjara aske fiftich fyt anda grvnd to
+d&aring;lvane, til hju th&ecirc;r n&ecirc;nen g&aring;rsh&aring;lm vp
+waxa ni m&ecirc;i, hwand aldulkera g&aring;rs skolde jvw diaroste kvik
+d&ecirc;ja.</p>
+
+<p>8. Ne grip n&acirc; th&aring;t folk fon Lyda ner fon Finda an.
+Wr.alda skolde helpa hjam, sa that-&aring;t weld that fon jo utgong
+vppa jvwa &aring;jne h&acirc;veda skolde witherkvma. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2226" href="#xd0e2226">22</a>]</span></p>
+
+<p>9. S&acirc;hwersa th&aring;t machte b&ecirc;ra that hja fon juwe
+r&ecirc;d jefta awet owers wilde, alsa aghat j to helpane hjam. Men
+kvmath hja to r&acirc;wande; fal than vppa tham nither lik blixenande
+fjvr.</p>
+
+<p>10. S&acirc;hwersa annen fon hjam &ecirc;ner jvwer toghaterum to wif
+g&ecirc;rth &aring;nd hju that wil, th&aring;n skolun j hja hjra
+dvmh&ecirc;d bitjvtha; thach wil hju toch hjra fr&ecirc;jar folgja,
+that hja than mith fr&ecirc;tho g&acirc;.</p>
+
+<p>11. Willath jvw svna fon hjara toghaterum, s&acirc; mot j alsa dva
+as mith jvwa toghaterum. Thach hor tha &ecirc;na nor tha &ocirc;thera
+m&ecirc;i witherkvma; hwand hja skoldvn uth&ecirc;meda s&ecirc;da
+&aring;nd pl&ecirc;ga mith fara; &aring;nd dr&ecirc;i thessa by jo
+heldgad wrde, m&ecirc;i ik navt longer ovir jo w&acirc;ka.</p>
+
+<p>12. Vppa minre f&acirc;m F&aring;sta h&aring;v ik min h&acirc;p
+f&aring;stegth, th&ecirc;rvmbe most j hja to &ecirc;remoder n&ecirc;ma,
+Folgath j min r&ecirc;d, th&aring;n skil hju n&ecirc;mels min f&acirc;m
+bilywa &aring;nd alla fr&acirc;na f&acirc;mna th&ecirc;r hja folgja;
+th&aring;n skil thju foddik n&aring;mer utg&acirc; th&ecirc;r ik far jo
+vpstoken h&aring;v. Th&aring;t ljucht th&ecirc;ra skil th&aring;n
+&ecirc;vg jvwe bryn vpklarja, &aring;nd j skilun th&aring;n &ecirc;vin
+fry bilyva fon vnfrya weld as jvwa swite rinstr&acirc;ma fon th&aring;t
+salte w&ecirc;ter th&ecirc;r &aring;ndel&acirc;se s&ecirc;.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2235" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet het Fasta s&ecirc;id.</h2>
+
+<p>Alle setma th&ecirc;r en &ecirc;w, th&aring;t is hvndred j&ecirc;r,
+omhl&acirc;pa m&uuml;ge mith tha krodar &aring;nd sin jol, th&ecirc;ra
+m&uuml;gon vppa r&ecirc;d th&ecirc;re moder, &aring;nd by m&ecirc;na
+willa vppa w&ecirc;gar th&ecirc;ra burgum writ hwertha; send hja uppa
+w&ecirc;gar writ, th&acirc;n send hja &ecirc;wa, &aring;nd th&aring;t
+is vsa plicht vmbe altham an &ecirc;ra to haldande. Kvmth n&ecirc;d
+&aring;nd tvang vs setma to j&ecirc;vane, stridande wither vsa
+&ecirc;wa &aring;nd pl&ecirc;gum, s&acirc; mot m&aring;nneska dva alsa
+hja askja; thach send hja w&ecirc;ken, th&aring;n mot m&aring;n
+&aring;mmer to th&aring;t alda witherk&ecirc;ra. Th&aring;t is Fryas
+willa, &aring;nd th&aring;t mot w&ecirc;sa tham fon al hjra b&aring;rn.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2240" href=
+"#xd0e2240">24</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2242" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Fasta s&ecirc;ide.</h2>
+
+<p>Alle thinga, th&ecirc;r m&aring;n anfangja wil, hoka
+th&aring;t-&aring;t m&ocirc;ga w&ecirc;sa, vppa tha d&ecirc;i,
+th&ecirc;r wy Frya heldgad h&aring;wa, tham skilun &ecirc;vg falykant
+utkvma: n&ecirc;idam tid nw biwysd heth th&aring;t hju riucht
+h&ecirc;de, s&acirc; is th&aring;t en &ecirc;wa wrdon, th&aring;t
+m&aring;n svnder n&ecirc;d &aring;nd tvang a Frya hjra d&ecirc;i nawet
+owers ni dva ne m&ecirc;i, tha blyda f&ecirc;rsta fyrja.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2247" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">That send tha &ecirc;wa th&ecirc;r to th&ecirc;ra
+burgum h&ecirc;ra.</h2>
+
+<p>1. S&acirc;hwersa th&ecirc;r &aring;rne &ecirc;ne burch bvwet is,
+s&acirc; mot thju foddik th&ecirc;ra an tha forma foddik et
+Texl&acirc;nd vpst&ecirc;ken wrda. Thach th&aring;t ne m&ecirc;i
+n&aring;mmer owers as troch tha moder sk&ecirc;n.</p>
+
+<p>2. Ek moder skil hjra &aring;jn f&acirc;mna kjasa; alsa th&ecirc;ra
+th&ecirc;r vppa th&ecirc;ra &ocirc;thera burgum as moder send.</p>
+
+<p>3. Thju moder to Texl&acirc;nd m&ecirc;i hjra folgster kjasa, thach
+s&acirc;hwersa hju falth &ecirc;r hju-t d&ecirc;n heth, sa mot thas
+k&ecirc;ren hwertha vppa &ecirc;na m&ecirc;na acht, by r&ecirc;dum fon
+alle stata et s&ecirc;mne.</p>
+
+<p>4. Thju moder to Texl&acirc;nd m&ecirc;i &ecirc;n &aring;nd tvintich
+f&acirc;mna &aring;nd sjvgun spille mang&ecirc;rta h&aring;va, til thju
+th&ecirc;r &aring;mmer sjvgun by th&ecirc;re foddik muge w&acirc;kja
+d&ecirc;ilikes &aring;nd thes nachtes. By tha f&acirc;mna th&ecirc;r
+vppa ora burgum as moder thjanja alsa f&ecirc;lo.</p>
+
+<p>5. S&acirc;hwersa en f&acirc;m annen g&acirc;da wil, sa mot hju-t
+th&ecirc;re moder melda, &aring;nd bistonda to tha m&aring;nniska
+k&ecirc;ra, &ecirc;r hju mith hjra tochtige &acirc;dama th&aring;t
+ljucht bivvlath.</p>
+
+<p>6. Thju moder &aring;nd alrek burchf&acirc;m skil m&aring;n
+tofogjande &ecirc;n &aring;nd tvintich burchh&ecirc;ran, sjvgun alda
+wisa, sjvgun alda k&aring;mpar, &aring;nd sjvgun alda
+s&ecirc;k&aring;mper. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2262" href=
+"#xd0e2262">26</a>]</span></p>
+
+<p>7. Ther fon skilun alle j&ecirc;ron to honk k&ecirc;ra thrim fon
+elik sjvgun, thach hja ne m&uuml;gon navt vpfolgath ne wertha thrvch
+hjara sibtal n&ecirc;jar sa tha fjarda kny.</p>
+
+<p>8. Aider m&ecirc;i thr&ecirc; hvndred jonga burchw&ecirc;rar
+h&aring;va.</p>
+
+<p>9. Far thissa thjanesta skilun hja l&ecirc;ra Fryas tex &aring;nd
+tha &ecirc;wa, fon tha wisa mannon th&ecirc;ne wisdom, fon tha alda
+h&ecirc;rmannon thene kunst fon tha orloch &aring;nd fond tha
+s&ecirc;keningar thene kunsta th&ecirc;r bi th&aring;t butaf&acirc;ra
+n&ecirc;thlik send.</p>
+
+<p>10. Fon thissa w&ecirc;rar skilun j&ecirc;rlikes hvndred to bek
+k&ecirc;ra. Thach send th&ecirc;r svme vrl&aring;mth wrden, sa
+m&uuml;gon hja vpper burch bilywa hjara &ecirc;lle l&ecirc;va long.</p>
+
+<p>11. By th&aring;t kjasa fon tha w&ecirc;rar ne m&ecirc;i nimmen fon
+th&ecirc;ra burch n&ecirc;n stem navt ne h&aring;va, ni tha
+gr&ecirc;vetmanna jefta &ocirc;thera h&acirc;veda, m&aring;n th&aring;t
+bl&aring;ta folk all&ecirc;na.</p>
+
+<p>12. Thju moder et Texl&acirc;nd skil m&aring;n j&ecirc;va thrja
+sjvgun flinka bodon mith thrja twilif rappa horsa. Vppa ora burgum ek
+burchf&acirc;m thr&ecirc; bodon mith sjvgun horsa.</p>
+
+<p>13. Ak skil &aring;jder burchf&acirc;m h&aring;va fiftich bvwara
+thrvch th&aring;t folk ak&ecirc;ren. Men th&ecirc;rto m&ecirc;i
+m&aring;n all&ecirc;na j&ecirc;va sokka, th&ecirc;r navt abel &aring;nd
+stora for w&ecirc;ra ner to butaf&acirc;rar send.</p>
+
+<p>14. Ajder burch mot hiri selva bidruppa &aring;nd gen&ecirc;ra fon
+hjra &aring;jn rondd&ecirc;l &aring;nd fon th&aring;t d&ecirc;l that
+hju fon th&aring;t m&aring;rkjeld b&uuml;rth.</p>
+
+<p>15. Is th&ecirc;r &aring;mman k&ecirc;ren vmbe vppa burgum to
+thjanjande &aring;nd nil-er navt, th&aring;n ne m&ecirc;i-er na
+n&ecirc;n burchh&ecirc;r wertha, &aring;nd dus n&ecirc;n stem navt ni
+h&aring;va, is er al burchh&ecirc;r sa skil hi thju &ecirc;r
+vrljasa.</p>
+
+<p>16. S&acirc;hwersa &aring;mman r&ecirc;d g&ecirc;rt fon th&ecirc;re
+moder, tha fon &ecirc;ne burchf&acirc;m, sa mot hi him selva melde by
+tha skrivwer. Thesse br&aring;ngth-im by tha burchm&acirc;ster.</p>
+
+<p>Forth mot-i n&ecirc;i tha l&ecirc;tsa, th&aring;t is th&ecirc;ne
+h&ecirc;lener. Th&ecirc;r mot sja jef er &acirc;k bis&ecirc;ken is fon
+kvada tochtum. Is-er god s&ecirc;id, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2285" href="#xd0e2285">28</a>]</span>tha vndvath hi him selva fon
+sinum w&ecirc;pna, &aring;nd sjvgun w&ecirc;rar br&aring;ngath him by
+th&ecirc;re moder.</p>
+
+<p>17. Is thju s&ecirc;k vr &ecirc;ne st&acirc;te sa ne m&uuml;gon
+th&ecirc;r navt miner th&aring;n thr&ecirc; bodon kvma: is-t vr-t
+&ecirc;lla Fryasl&acirc;nd, th&aring;n moton th&ecirc;r jeta sjvgun
+tjuga byw&ecirc;sa. Th&ecirc;rumbe th&aring;t er n&ecirc;n kva formvda
+navt risa ne m&ecirc;i nor skalkh&ecirc;d d&ecirc;n ne wrde.</p>
+
+<p>18. By alle s&ecirc;kum mot tha moder walda &aring;nd njvda
+th&aring;t hjra b&aring;rn, th&aring;t is Fryas folk, s&acirc;
+m&ecirc;t-rik bilywa as th&aring;t w&ecirc;sa m&ecirc;i. Th&aring;t is
+thi gr&acirc;testa hjrar plichta, &aring;nd vs alra vmb-er th&ecirc;r
+an to h&ecirc;lpande.</p>
+
+<p>19. H&aring;t m&aring;n hja by &ecirc;ne rjuchtlika s&ecirc;ke
+anhropen vmb-er utspr&ecirc;k twisk annen gr&ecirc;vetman &aring;nd tha
+m&ecirc;nte, &aring;nd findath hju thju s&ecirc;ke tvivelik, s&acirc;
+mot hju to b&acirc;te fon th&ecirc;r m&ecirc;nte spr&ecirc;ka til thju
+th&ecirc;r fr&ecirc;tho kvma, &aring;nd thrvchtham th&aring;t
+b&ecirc;tre sy that &ecirc;n man vnrjucht d&ecirc;n wrde th&aring;n
+f&ecirc;lo.</p>
+
+<p>20. Kvmth hwa vmb r&ecirc;d &aring;nd w&ecirc;t thju moder
+r&ecirc;d, sa &acirc;ch hju tham bystonda to j&ecirc;vane, w&ecirc;t
+hju bystonda n&ecirc;n r&ecirc;d, s&acirc; m&ecirc;i hju wachtja
+l&ecirc;ta sjvgun d&ecirc;gum. W&ecirc;t hju th&aring;n nach n&ecirc;n
+r&ecirc;d, sa m&uuml;gon hja hinne br&ucirc;da, &aring;nd hja
+m&uuml;gon hjra selva navt biklagja, til thju n&ecirc;n r&ecirc;d
+b&ecirc;tre is th&aring;n kva r&ecirc;d.</p>
+
+<p>21. Heth en moder &aring;rge r&ecirc;d j&ecirc;ven ut kvada willa,
+s&acirc; mot m&acirc;n hja d&ecirc;ja jefta ut of l&acirc;ndum dryva
+stoknaken &aring;nd bl&acirc;t.</p>
+
+<p>22. Send hjra burchh&ecirc;ra m&ecirc;deplichtich, th&aring;n dvath
+m&aring;n alsa mith tham.</p>
+
+<p>23. Is hjra skild tvivelik jefta bl&acirc;t formoda, s&acirc; mot
+m&aring;n th&ecirc;r-vr thingja &aring;nd spr&ecirc;ka, is-t
+n&ecirc;dich, &ecirc;n &aring;nd twintich wyka long. Stemth tha
+halfd&ecirc;l skildich, s&acirc; halde m&aring;n hja vr vnskildich,
+tw&ecirc;de s&acirc; wacht m&aring;n jeta en fvl j&ecirc;r. Stemth
+m&aring;n th&aring;n alsa, s&acirc; m&ecirc;i m&aring;n hja skildich
+halda, tha navt ni d&ecirc;ja. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2301"
+href="#xd0e2301">30</a>]</span></p>
+
+<p>24. S&acirc;hwersa svme among th&aring;t thrimna send tham hja alsa
+s&ecirc;r vnskildich m&ecirc;ne that hja hja folgja wille, s&acirc;
+m&uuml;gon hja th&aring;t dva mith al hjara driwande &aring;nd tilbara
+h&acirc;va &aring;nd n&aring;mman acht hjam th&ecirc;r ovir min to
+achtiane, til thju th&aring;t m&acirc;ra d&ecirc;l alsa blyd k&aring;n
+dw&acirc;la sa th&aring;t minra del.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2304" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">M&ecirc;na &ecirc;wa.</h2>
+
+<p>1. Alle frya b&aring;rn send a &ecirc;like wysa b&aring;rn.
+Th&ecirc;rvmbe moton hja &acirc;k &ecirc;lika rjuchte h&aring;va, alsa
+blyd vpp-&aring;t l&acirc;nd as vpp-&aring;th &ecirc;, th&aring;t is
+w&ecirc;ter &aring;nd vp ella th&aring;t Wr.alda jefth.</p>
+
+<p>2. Allera mannalik m&ecirc;i-t wif sinra k&ecirc;sa fr&ecirc;ja
+&aring;nd ek toghater m&ecirc;i efter hjra helddrvnk bjada th&ecirc;r
+hju minth.</p>
+
+<p>3. Heth hwa en wif nimth, s&acirc; j&ecirc;ft m&aring;n hjam hus
+&aring;nd w&aring;rv. N-is th&ecirc;r n&ecirc;n, sa mot-&aring;t bvwat
+wrde.</p>
+
+<p>4. Is-er n&ecirc;i en &ocirc;ther thorp gongon vmb en wif &aring;nd
+wil hi th&ecirc;r bilywa, s&acirc; mot m&aring;n him th&ecirc;r en hus
+en w&aring;rf j&ecirc;wa bijonka th&aring;t not fon tha
+h&ecirc;mrik.</p>
+
+<p>5. Allera mannalik mot m&aring;n en &aring;fterd&ecirc;l as
+w&aring;rf by sina hus j&ecirc;va. Tha nimman ne m&ecirc;i en
+fard&ecirc;l by sin hus n&aring;va, f&uuml;l min en rondd&ecirc;l.
+All&ecirc;na ief hwa en d&acirc;d d&ecirc;n heth to m&ecirc;na nitha,
+s&acirc; m&ecirc;i him th&aring;t j&ecirc;ven wrde. Ak m&ecirc;i sin
+jongste svn that erva. After tham mot th&aring;t thorp that wither
+nima.</p>
+
+<p>6. Ek thorp skil en h&ecirc;mrik h&aring;va n&ecirc;i sina bihof
+&aring;nd th&ecirc;ne gr&ecirc;va skil njvda that alra ek sin d&ecirc;l
+bidongth &aring;nd god hald, til thju tha &aring;fter kvmmande
+n&ecirc;n sk&aring;de navt ne lyda ne muge.</p>
+
+<p>7. Ek thorp m&ecirc;i en m&aring;rk hava to k&acirc;p &aring;nd to
+vrk&acirc;p iefta to wandelja. Alle-t &ocirc;ra l&acirc;nd skil bvw
+&aring;nd wald bilyva. Th&acirc; tha b&acirc;ma th&ecirc;ra ne
+m&ecirc;i nimman navt f&aring;lla, buta m&ecirc;na r&ecirc;da &aring;nd
+buta w&ecirc;ta thes waldgr&ecirc;va, hwand tha walda send to
+m&ecirc;na nitha. Th&ecirc;rvmbe ne m&ecirc;i nimman th&ecirc;r
+m&aring;ster of sa. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2321" href=
+"#xd0e2321">32</a>]</span></p>
+
+<p>8. As m&aring;rkjeld ne m&ecirc;i th&aring;t thorp navt m&acirc;r ni
+nimma sa tha tillifte d&ecirc;l fon tha skat, hor fon tha inh&ecirc;mar
+ner fon tha f&ecirc;rh&ecirc;mande. Ak ne m&ecirc;i tha m&aring;rk skat
+navt &ecirc;r vrsellath<a class="noteref" id="xd0e2324src" href=
+"#xd0e2324">1</a> ne wertha as th&aring;t &ocirc;ra god.</p>
+
+<p>9. Alle-t m&aring;rkjeld mot j&ecirc;rlikes d&ecirc;lath wrde, thrja
+d&ecirc;gan far th&ecirc;re jold&ecirc;i, an hvndred d&ecirc;lun to
+d&ecirc;lande.</p>
+
+<p>10. Thi gr&ecirc;vetman mit sinum gr&ecirc;vum skil th&ecirc;r of
+b&uuml;ra twintich d&ecirc;la; th&ecirc;ne m&aring;rk rjuchter tian
+d&ecirc;la, &aring;nd sinum helpar, fif d&ecirc;la; thju folkesmoder
+&ecirc;n d&ecirc;l; thju g&acirc; moder fjvwer d&ecirc;la; th&aring;t
+thorp tian d&ecirc;la; tha &aring;rma, th&aring;t is th&ecirc;ra tham
+navt w&aring;rka ni kunna ni m&uuml;ge, fiftich d&ecirc;la.</p>
+
+<p>11. Th&ecirc;ra, tham to m&aring;rka kvma, ne m&uuml;gon navt ni
+wokeria, kvmath th&ecirc;r svm, sa is-t th&ecirc;ra famna plicht hjam
+k&aring;nb&ecirc;r to makjana in-vr th&aring;t &ecirc;lle l&acirc;nd,
+til thju hja nimmerthe k&ecirc;ren navt wrde to eng ampt, hwand soka
+h&aring;vath en gyra-lik hirte, vmbe sk&aring;t to garja skolde hja
+ella vrr&ecirc;da, th&aring;t folk, thjv moder, hjara sibben &aring;nd
+tho tha lesta hjara selva.</p>
+
+<p>12. Is th&ecirc;r &aring;mman alsa &aring;rg that-er sjvcht-siak fja
+jeftha vrd&ecirc;ren w&ecirc;r vrsellath vr h&ecirc;l god, sa mot thene
+m&aring;rk-rjuchtar him w&ecirc;ra &aring;nd tha famna him noma invr-et
+&ecirc;lle l&acirc;nd.</p>
+
+<p>In &ecirc;ra tyda h&ecirc;madon Findas folk m&ecirc;st algadur invr
+hjara moders b&aring;rta-l&acirc;nd, mit n&ocirc;ma ald-l&acirc;nd that
+nw vnder-ne s&ecirc; l&ecirc;ith; hja w&ecirc;ron thus f&ecirc;r-of,
+th&ecirc;rvmbe n&ecirc;don wi &acirc;k n&ecirc;n orloch, tha hja
+vrdr&ecirc;ven send &aring;nd h&ecirc;inda k&ecirc;mon to r&acirc;wane,
+th&acirc; k&ecirc;m-er fon selva l&acirc;ndw&ecirc;r h&ecirc;rmanna
+k&ecirc;ninggar &aring;nd orloch, vr altham k&ecirc;mon setma &aring;nd
+uta setma k&ecirc;mon &ecirc;wa.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2324src" id="xd0e2324">1</a></span> De <span class="corr" id=
+"xd0e2326" title="Bron: m&acirc;rkskat">m&aring;rkskat</span> werd in
+goederen betaald.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2340" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr folgath tha &ecirc;wa th&ecirc;r th&ecirc;rut
+tavlikt send.</h2>
+
+<p>1. Ek Fryas mot-a l&ecirc;tha jeftha fyanda w&ecirc;ra mith
+aldulkera w&aring;pne as-er forsinna, bikvma &aring;nd
+h&acirc;ndt&ecirc;ra m&ecirc;i. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2345"
+href="#xd0e2345">34</a>]</span></p>
+
+<p>2. Is en boi twilif jer, sa mot-i tha sjvgunde d&ecirc;i miste fon
+sin l&ecirc;r-tid vmbe r&ecirc;d to werthande mith-a w&aring;pne.</p>
+
+<p>3. Is hi bikvmen, sa j&ecirc;ve m&aring;n him w&aring;pne &aring;nd
+hi warth to w&ecirc;rar sl&acirc;gen.</p>
+
+<p>4. Is hi thr&ecirc; j&ecirc;r w&ecirc;rar, s&acirc; w&aring;rth-i
+burch-h&ecirc;r &aring;nd m&ecirc;i hi h&ecirc;lpa sin
+h&acirc;wed-manna to kjasane.</p>
+
+<p>5. Is hwa sjvgun j&ecirc;r kjasar, s&acirc; m&ecirc;i hi h&ecirc;lpa
+en h&ecirc;rman jeftha k&ecirc;ning to kjasane, th&ecirc;r to &acirc;k
+k&ecirc;ren wrde.</p>
+
+<p>6. Alle j&ecirc;r mot-er ovir k&ecirc;ren wertha.</p>
+
+<p>7. Buta tha k&ecirc;ning m&uuml;gon alle ambtmanna wither
+k&ecirc;ren wertha, tham rjucht dva &aring;nd n&ecirc;i fryas
+r&ecirc;d.</p>
+
+<p>8. Annen k&ecirc;ning ne m&ecirc;i navt ni l&ocirc;nger as
+thr&ecirc; j&ecirc;r k&ecirc;ning bilywa, til thju hi navt biklywa ne
+m&ecirc;i.</p>
+
+<p>9. Heth-i sjvgun j&ecirc;r rest, s&acirc; m&ecirc;i hi wither
+k&ecirc;ren wertha.</p>
+
+<p>10. Is thi k&ecirc;ning thruch thene fyand fallen, s&acirc;
+m&uuml;gon sina sibba &acirc;k n&ecirc;i th&ecirc;re &ecirc;re
+thinga.</p>
+
+<p>11. Is-er vppa sin tid ofgvngen jeftha binna sin tid sturven,
+s&acirc; ne m&ecirc;i n&ecirc;n sibba him vpfolgja, th&ecirc;r-im
+n&ecirc;iar sy sa tha fjarde kny.</p>
+
+<p>12. Th&ecirc;ra tham strida mitha w&aring;pne an hjara handa ne
+kunnath navt forsinna &aring;nd wis bilywa, th&ecirc;rvmbe ne focht-eth
+n&ecirc;ne k&ecirc;ning w&aring;pne to hant&ecirc;ra an tha strid. Sin
+wisdom mot sin w&aring;pen w&ecirc;sa &aring;nd thju ljafte siura
+k&aring;mpona mot sin skyld w&ecirc;sa.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2368" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr send tha rjuchta th&ecirc;re moder and
+th&ecirc;ra k&ecirc;ninggar.</h2>
+
+<p>1. Sahwersa orloch kumth, send tha moder hira bodon n&ecirc;i tha
+k&ecirc;ning, thi k&ecirc;ning send bodon n&ecirc;i tha
+gr&ecirc;vetmanna vmbe l&acirc;nd-w&ecirc;r.</p>
+
+<p>2. Tha gr&ecirc;vetmanna hropath alle burch-h&ecirc;ra et
+s&ecirc;mne &aring;nd bir&ecirc;dath ho f&ecirc;lo manna hja skilun
+stjura. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2375" href=
+"#xd0e2375">36</a>]</span></p>
+
+<p>3. Alle bisluta th&ecirc;ra moton ring n&ecirc;i th&ecirc;re moder
+senden wertha mith bodon &aring;nd tjugum.</p>
+
+<p>4. Thju moder l&ecirc;th alle bisluta gaderja &aring;nd j&ecirc;fth
+et guldnetal, th&aring;t is th&aring;t middeltal fon alle bisluta
+ets&ecirc;mne, th&ecirc;rmitha mot m&aring;n far th&aring;t forma
+fr&ecirc;to ha &aring;nd thene kening alsa.</p>
+
+<p>5. Is thju w&ecirc;ra a k&aring;mp, th&aring;n hoft thi k&ecirc;ning
+all&ecirc;na mith sinum havedmanna to r&ecirc;da, thach th&ecirc;r
+moton &aring;mmerthe thr&ecirc; burch-h&ecirc;ra fon th&ecirc;re moder
+f&ocirc;rana sitta svnder stem. Thissa burch-h&ecirc;ra moton
+d&ecirc;jalikis bodon n&ecirc;i th&ecirc;re moder senda, til thju hju
+w&ecirc;ta m&uuml;ge jef th&ecirc;r awet d&ecirc;n w&acirc;rth,
+stridande with-a &ecirc;wa jeftha with Fryas r&ecirc;djevinga.</p>
+
+<p>6. Wil thi k&ecirc;ning dva &aring;nd sina r&ecirc;da navt, s&acirc;
+m&ecirc;i hi th&aring;t navt vnderstonda.</p>
+
+<p>7. Kvmth-ene fyand vnwarlinga, th&aring;n mot m&aring;n dva sa thene
+k&ecirc;ning bith.</p>
+
+<p>8. Nis thene k&ecirc;ning navt vppet pat, s&acirc; mot m&aring;n sin
+folgar h&ecirc;rich w&ecirc;sa of tham-is folgar alont tha lesta.</p>
+
+<p>9. Nis th&ecirc;r n&ecirc;n havedman, s&acirc; kjase m&aring;n
+hwa.</p>
+
+<p>10. Nis th&ecirc;r n&ecirc;n tid, s&acirc; w&aring;rpa hi him to
+havedman th&ecirc;rim weldich f&ecirc;leth.</p>
+
+<p>11. Heth thene k&ecirc;ning en fr&ecirc;salik folk ofslagen,
+s&acirc; m&uuml;gon sina after kvmande sin n&acirc;ma &aring;fter hjara
+&aring;jne fora; wil thene k&ecirc;ning, s&acirc; m&ecirc;i-er vppen
+vnbibvwade st&ecirc;d en pl&aring;k utkjasa to hus &aring;nd erv.
+Th&aring;t erv m&ecirc;i en rond-d&ecirc;l w&ecirc;sa sa gr&acirc;t
+th&aring;t hi fon alle sidum sjvgun hvndred tr&ecirc;dun ut of sine hus
+m&ecirc;i hlapa, &ecirc;r hi an sina r&ecirc;na kvmth.</p>
+
+<p>12. Sin jongste svn m&ecirc;i th&aring;t god erva, &aring;fte tham
+thamis jongste, th&aring;n skil m&aring;n that wither nimma.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2396" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr send tha rjuchta aller Fryas vmbe s&ecirc;kur to
+w&ecirc;sande.</h2>
+
+<p>1. Sahwersa th&ecirc;r &ecirc;wa vrwrocht wrde jefta n&ecirc;ja
+setma tavlikt, <span class="pagenum">[<a id="xd0e2401" href=
+"#xd0e2401">38</a>]</span>alsa mot-et to m&ecirc;na nitha sk&ecirc;n,
+men n&aring;mmer to b&acirc;ta fon enkeldera m&aring;nniska, her fon
+enkeldera slachta, ner fon enkeldera st&acirc;ta, nach fon awet that
+enkel sy.</p>
+
+<p>2. Sahwersa orloch kvmt &aring;nd th&ecirc;r wrde husa homljat
+jeftha sk&ecirc;pa, hok that et sy, sy-et thrvch thene fyand, tha by
+m&ecirc;na r&ecirc;dum, s&acirc; ach tha m&ecirc;na m&ecirc;nta,
+th&aring;t is al-et folk to s&ecirc;mne that wither to h&ecirc;lene;
+th&ecirc;r vmbe that n&aring;mman tha m&ecirc;na s&ecirc;ka skil helpa
+vrljasa vmbe sin &aring;jn god to bihaldane.</p>
+
+<p>3. Is orloch vrth&ecirc;jan, &aring;nd send th&ecirc;r svm, alsa
+vrd&ecirc;ren that hja navt longer w&aring;rka ne m&uuml;gon, s&acirc;
+mot tha m&ecirc;na m&ecirc;nte hjam vnderhalda, by tha f&ecirc;rstum
+achon hja forana to sittana, til thju tha j&uuml;ged skil &ecirc;ra
+hjam.</p>
+
+<p>4. Send th&ecirc;r w&ecirc;dvon &aring;nd w&ecirc;son k&ecirc;mon,
+s&acirc; mot m&aring;n hja &acirc;k vnderhalda &aring;nd tha svna
+m&uuml;gon thi n&acirc;ma hjarar t&acirc;ta vpp-ira skildum writa hjara
+slachtha to &ecirc;rane.</p>
+
+<p>5. Send th&ecirc;r svm thrvch thene fyand fat &aring;nd kvmath hja
+to b&aring;k, s&acirc; mot m&aring;n hjam f&ecirc;r fon th&aring;t
+k&aring;mp of fora, hwand hja machton fry l&ecirc;ten w&ecirc;sa by
+arge loftum &aring;nd than ne m&uuml;gon hja hjara lofta navt ni halda
+&aring;nd toch &ecirc;rlik bilywa.</p>
+
+<p>6. Jef wi selwa fyanda f&acirc;ta, s&acirc; br&aring;nge mon tham
+djap anda landa w&ecirc;i, m&aring;n l&ecirc;rth hja vsa frya
+s&ecirc;de.</p>
+
+<p>7. L&ecirc;t m&aring;n hja &aring;ftern&ecirc;i hl&acirc;pa,
+s&acirc; l&ecirc;t m&aring;n th&aring;t mith welh&ecirc;d thrvch tha
+f&acirc;mna dva, til thju wi &acirc;tha &aring;nd frjunda winna fori
+l&ecirc;tha &aring;nd fyandun.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2415" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ut Minnos skriftun.</h2>
+
+<p>Sahwersa th&ecirc;r &ecirc;nman is th&ecirc;rm&ecirc;ta &aring;rg
+that hi vsa swetsar birawath, morth-dedun dvat, husa barnth,
+mang&ecirc;rtha sk&aring;nth, hok th&aring;t-et sy, th&aring;t
+&aring;rg sy, &aring;nd vsa swetnata willon th&aring;t wroken
+h&aring;va, s&acirc; is th&aring;t rjucht th&aring;t m&aring;n thene
+d&ecirc;der f&acirc;tath &aring;nd an hjara &aring;jn-warda <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2420" href=
+"#xd0e2420">40</a>]</span>d&ecirc;jath, til thju th&ecirc;r vr
+n&ecirc;n orloch ne kvme, w&ecirc;rthrvch tha vnsk&ecirc;ldiga skolde
+bota fori tha sk&ecirc;ldiga. Willath hja him sin lif bihalda
+l&ecirc;ta &acirc;nd thju wr&ecirc;ka ofk&acirc;pja l&ecirc;ta,
+s&acirc; m&ecirc;i m&aring;n th&aring;t d&acirc;ja. Thach is then bona
+en k&ecirc;ning, gr&ecirc;vetman, gr&ecirc;va hwa th&aring;t-et sy,
+tham ovira s&ecirc;da mot w&acirc;ka, s&acirc; moton wi th&aring;t kwad
+b&ecirc;terja men ta bona mot sin straf h&acirc;.</p>
+
+<p>Forth hi en &ecirc;ren&acirc;ma vppa sine skeld fon sina
+&ecirc;thelun, s&acirc; ne m&uuml;gon sina sibba thi n&acirc;ma navt
+l&ocirc;nger ne fora. Th&ecirc;rvmbe th&aring;t hi &ecirc;ne sibba svrg
+skil h&aring;va ovira s&ecirc;da th&ecirc;ra &ocirc;thera.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2424" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">&Ecirc;wa fara stjurar<a class="noteref" id=
+"xd0e2427src" href="#xd0e2427">1</a>. Stjurar is thi &egrave;renoma
+th&ecirc;ra butafarar.</h2>
+
+<p>Alle fryas svna h&aring;va lika rjuchta, th&ecirc;rvmb m&uuml;gon
+&acirc;lle flinka kn&acirc;pa hjara self as butaf&acirc;rar melda by
+tha &ocirc;lderm&ocirc;n &aring;nd thisse ne m&ecirc;i him nit ofwisa,
+wara th&aring;t er n&ecirc;n sted is.</p>
+
+<p>2. Tha stjurar m&uuml;gon hjara &aring;jn m&aring;strun noma.</p>
+
+<p>3. Tha k&acirc;pljvd moton k&ecirc;ren &aring;nd binomath wertha
+thrvch tha m&ecirc;nte th&ecirc;r-et god h&ecirc;reth &aring;nd tha
+stjurar ne m&uuml;gon th&ecirc;r by n&ecirc;n stem h&aring;va.</p>
+
+<p>4. Jef m&aring;n vppe r&ecirc;is bifinth th&aring;t thene
+k&ecirc;ning &aring;rg jefta vnbikvmmen is, s&acirc; m&uuml;gon hja en
+&ocirc;ra nimma; kvmon hja to b&aring;k, s&acirc; m&ecirc;i thene
+k&ecirc;ning him self biklagja by tha &ocirc;lderm&ocirc;n.</p>
+
+<p>5. Kvmth th&ecirc;r fl&acirc;te to honk &aring;nd sin th&ecirc;r
+b&acirc;ta, s&acirc; moton tha stjurar th&ecirc;r of en thrimene
+h&aring;va, althus to d&ecirc;lande, thi witk&ecirc;ning twilf
+m&ocirc;n-is d&ecirc;la, thi skolt by nacht sjugun d&ecirc;la, tha
+b&ocirc;tm&ocirc;nna ek twa d&ecirc;la, thi skiprun ek thr&ecirc;
+d&ecirc;la, that &ocirc;ra skip-is folk ek &ecirc;n d&ecirc;l. Tha
+jongste prentar ek en thrimnath, tha midlosta ek en half-d&ecirc;l
+&aring;nd tha &ocirc;ldesta ek en tw&ecirc;dnath.</p>
+
+<p>6. Sin th&ecirc;r svme vrlameth, s&acirc; mot-a m&ecirc;na
+m&ecirc;nte njvda far hjara lif, &acirc;k moton hja f&ocirc;rana sitta
+by tha m&ecirc;na f&ecirc;rsta, by huslika f&ecirc;rsta, j&acirc; by
+alle f&ecirc;rsta. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2442" href=
+"#xd0e2442">42</a>]</span></p>
+
+<p>7. Sin th&ecirc;r vppa tocht vmkume, s&acirc; moton hjara
+n&ecirc;stun hjara d&ecirc;l erva.</p>
+
+<p>8. Sin th&ecirc;r w&ecirc;dven &aring;nd w&ecirc;son fon kvmen,
+s&acirc; mot thju m&ecirc;nte hja vnderhalda; sin hja an &ecirc;nre
+kase felth, sa m&uuml;gon tha svna thi n&ocirc;ma hjarar t&acirc;ta
+vppira skeldun fora.</p>
+
+<p>9. Sin th&ecirc;r prentara<a class="noteref" id="xd0e2449src" href=
+"#xd0e2449">2</a> forfaren, sa moton sina erva en &ecirc;l mannis
+d&ecirc;l h&aring;va.</p>
+
+<p>10. Was hi fors&ecirc;ith, s&acirc; m&ecirc;i sin brud sjugun mannis
+d&ecirc;lun aska vmbe hira fryadulf en st&ecirc;n to to wjande, mar
+th&aring;n mot hja for tha &ecirc;re w&ecirc;dve bilyva l&ecirc;va
+l&ocirc;ng.</p>
+
+<p>11. Sahwersa en m&ecirc;nte en fl&aring;te to r&ecirc;th, moton tha
+r&ecirc;dar njvda f&acirc;ra beste liftochtun &aring;nd f&acirc;r wif
+&aring;nd b&aring;rn.</p>
+
+<p>12. Jef en stjurar of &aring;nd &aring;rm is, &aring;nd hi heth hus
+nach erv, s&acirc; mot im that jon wertha. Nil hy n&ecirc;n hus nach
+erv, sa m&uuml;gon sin friundun hem tus n&ecirc;ma &aring;nd thju
+m&ecirc;nte mot et b&ecirc;tera n&ecirc;i sina st&aring;t, wara
+th&aring;t sin friunda thene b&acirc;ta w&ecirc;igerja</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2427src" id="xd0e2427">1</a></span> Stjurar, van hier de naam
+Sturii by Plinius.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2449src" id="xd0e2449">2</a></span> Prentar, nog op Texel een
+(stuurmans) leerling.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2458" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Netlika s&ecirc;ka ut-a n&ecirc;il&ecirc;tne
+skriftum Minnos.</h2>
+
+<p>Minno<a class="noteref" id="xd0e2463src" href="#xd0e2463">1</a> was
+en alde s&ecirc;k&ecirc;ning, sjaner &aring;nd wisgyrich. An tha
+Kr&ecirc;tar heth-i &ecirc;wa j&ecirc;ven. Hi is b&aring;rn an tha
+Lindawrda, &aring;nd n&ecirc;i al sin witherf&acirc;ra heth hi
+th&aring;t luk noten umbe to Lindah&ecirc;m to sterva.</p>
+
+<p>Sahwersa vsa swethnata en d&ecirc;l l&acirc;nd h&aring;ve jeftha
+w&ecirc;tir, that vs god tolikt, sa focht-et vs vmbe that a k&acirc;p
+to fr&ecirc;ja, nillath hja th&aring;t navt ne dva, than mot m&aring;n
+hja that bihalda l&ecirc;ta. That is n&ecirc;i Frya-his tex
+&aring;nd-et skolde vnrjucht w&ecirc;sa to vnthandana that.</p>
+
+<p>Sahwersa th&ecirc;r swethnata et s&ecirc;mna kyva &aring;nd sana vr
+enga s&ecirc;ka, tha vr l&acirc;nd, &aring;nd hja vs fr&ecirc;ja en
+ord&ecirc;l to spr&ecirc;ka, sa ach man th&aring;t r&ecirc;der
+&aring;fterw&ecirc;ja <span class="pagenum">[<a id="xd0e2470" href=
+"#xd0e2470">44</a>]</span>to l&ecirc;tane, tach sa man th&ecirc;r navt
+buta ne kan, sa mot man th&aring;t &ecirc;rlik &aring;nd
+rjuchtf&ecirc;rdich dva.</p>
+
+<p>Kvmth th&ecirc;r hwa &aring;nd s&ecirc;ith, ik h&aring;v orloch, nw
+most-v mi helpa; jeftha en &ocirc;ra kvmth &aring;nd s&ecirc;ith, min
+svn is vnj&ecirc;rich &aring;nd vnbikvmmen, &aring;nd ik bin ald, nw
+wild-ik thi to w&acirc;ranstew ovir hini &aring;nd ovir min l&acirc;nd
+st&aring;lla, til hi j&ecirc;rich sy, sa ach man that w&ecirc;igarja,
+til thju wi nawt an twist ne kvme ne m&uuml;ge vr s&ecirc;ka stridande
+with vsa frya s&ecirc;dum.</p>
+
+<p>Sahwersa th&ecirc;r kvmth en vrlandisk kapman vppa
+tol&ecirc;tm&aring;rk et Wyringga tha to Almanland &aring;nd hi
+bidroght, sa warth-er bistonda m&aring;rk-b&ecirc;ten &aring;nd
+kanb&ecirc;r m&acirc;kad trvch tha f&acirc;mna invr et &ecirc;le land.
+Kvmth-er th&aring;n to b&aring;k, sa ne skil nimman k&acirc;pja fon
+him, hy m&ecirc;i hinne br&ucirc;da sa-r kvmen is. Thus, sahwersa-r
+k&acirc;pljud k&ecirc;ren wrde vmbe wr-a merka to g&acirc;, jeftha
+mith-e fl&acirc;t to f&acirc;rane, sa ach man all&ecirc;na aldulkera to
+kjasane tham m&aring;n tyge by tyge k&aring;nth &aring;nd an en goda
+hrop st&acirc;ne by tha f&acirc;mna. B&ecirc;rth-et navt to min that-er
+en &aring;rg man m&ocirc;ng sy, tham tha ljud bitrogha wil, sa agon tha
+ora th&aring;t to w&ecirc;rane. Het-i-t-al d&ecirc;n sa mot m&aring;n
+th&aring;t b&ecirc;terja, &aring;nd thene misd&ecirc;dar ut of
+l&acirc;ndum banna, til thju vsa n&acirc;ma vral mith &ecirc;rane skil
+wertha binomath.</p>
+
+<p>Men jef wir vs vppen vrlandiska m&aring;rkt finda, sy-et
+h&ecirc;inde jeftha f&ecirc;r, &aring;nd b&ecirc;rth-et th&aring;t-et
+folk vs l&ecirc;t dvath jeftha bist&ecirc;lleth, s&acirc; agon wy mith
+haste h&ecirc;i to to sl&acirc;na, hwand afsk&ecirc;n wy &ecirc;lla
+agon to dvande vmbe fr&ecirc;tho willa, vsa halfbrothar ne m&uuml;gon
+vs nimmer minachtja nach w&acirc;na that wi ange send.</p>
+
+<p>In min j&uuml;ged h&aring;v ik wel &ecirc;nis mort overa b&aring;nda
+th&ecirc;ra &ecirc;wa, &aring;fter h&aring;v ik Frya often tanked vr
+hjra tex, &aring;nd vsa &ecirc;thla vr tha &ecirc;wa th&ecirc;r
+th&ecirc;rn&ecirc;i tavlikt send.</p>
+
+<p>Wr.alda jeftha Alfoder heth mi f&ecirc;lo j&ecirc;ren j&ecirc;ven,
+invr f&ecirc;lo landa &aring;nd s&ecirc;a h&aring;v ik omme f&acirc;ren
+&aring;nd n&ecirc;i al hwa ik sjan h&aring;, bin ik vrtj&ucirc;gad that
+wi all&ecirc;na <span class="pagenum">[<a id="xd0e2482" href=
+"#xd0e2482">46</a>]</span>trvch Alfoder utfork&ecirc;ren send,
+&ecirc;wa to h&aring;vande. Lydas folk ne m&ecirc;i n&ecirc;n &ecirc;wa
+to m&acirc;kjande ni to h&acirc;ldande, hja send to dvm &aring;nd wild
+th&ecirc;rto. F&ecirc;lo slachta Findas send sn&ocirc;d enoch, men hja
+send gyrich, h&acirc;chf&acirc;rande, falsk, vnk&ucirc;s &aring;nd
+mortsjochtich. Poga bl&ecirc;sath hjara selva vppa, &aring;nd hja ne
+m&uuml;gath nawet than krupa. Forska hropath w&aring;rk, w&aring;rk,
+&aring;nd hja ne dvath nawet as hippa &aring;nd kluchtm&acirc;kja. Tha
+roka hropath sp&acirc;r, sp&acirc;r, men hja st&ecirc;lon &aring;nd
+vrslynath al wat vnder hjara snavela kvmath. Lik al tham is th&aring;t
+Findas folk, hja bogath immer ovir goda &ecirc;wa; ek wil setma
+m&acirc;kja vmb-et kw&acirc;d to w&ecirc;rane, men selva nil nimman
+theran bonden w&ecirc;sa. Th&ecirc;ra hwam-his g&acirc;st that
+lestigoste sy &aring;nd th&ecirc;rtrvch sterik, tham-his h&ocirc;ne
+kr&ecirc;jath k&ecirc;ning &aring;nd tha &ocirc;ra moton alwenna an sin
+weld vnderwurpen w&ecirc;sa, til en &ocirc;ther kvmth th&ecirc;r-im
+fon-a s&ecirc;tel drywet. Th&aring;t word &ecirc;wa is to fr&acirc;n
+vmbe an m&ecirc;na s&ecirc;ka to nomande. Thervmbe heth m&aring;n vs
+&ecirc;vin sega l&ecirc;rth. &Ecirc;wa th&aring;t s&ecirc;it setma
+th&ecirc;r bi aller m&aring;nniska &ecirc;lik an hjara mod prenth send,
+til thju hja m&uuml;ge w&ecirc;ta hwat rjucht &aring;nd vnrjucht sy
+&aring;nd hw&ecirc;rtrhvch hja weldich send vmbe hjara &aring;jne
+d&ecirc;da &aring;nd tham fon &ocirc;rum to birjuchtande, th&aring;t
+wil sedsa alsan&acirc;ka hja god &aring;nd navt misd&ecirc;dich
+vpbrocht send. Ak is-er jet-en &ocirc;ra sin an f&aring;st. &Ecirc;wa
+seit ak, &ecirc;lik w&ecirc;ter-lik; rjucht &aring;nd sljucht as
+w&ecirc;ter that thrvch n&ecirc;n stornewind jeftha awet owers vrstoren
+is. Warth w&ecirc;ter vrstoren, sa warth-et vn&ecirc;wa, vnrjucht, men
+et nygt &ecirc;vg vmbe wither &ecirc;wa to werthande, that l&ecirc;ith
+an sin fonselvh&ecirc;d, alsa tha nygung to rjucht &aring;nd frydom in
+Fryas bern leith. Thessa nygung h&aring;vath wi trvch Wr.aldas
+g&acirc;st, vsa foders, th&ecirc;r in Fryas bern bogth, th&ecirc;rvm be
+skil hju vs &acirc;k &ecirc;vg biklywa. &Ecirc;wa is &acirc;k thet
+&ocirc;ra sinnebyld fon Wr.aldas g&acirc;st, th&ecirc;r &ecirc;vg
+rjucht &aring;nd vnforstoren bilywath, afsk&ecirc;n-et an lich&ecirc;me
+&aring;rg to g&ecirc;it. &Ecirc;wa &aring;nd vnforstoren send tha
+m&aring;rka th&ecirc;ra wisdom &aring;nd rjuchtf&ecirc;rdichh&ecirc;d
+th&ecirc;r fon <span class="pagenum">[<a id="xd0e2484" href=
+"#xd0e2484">48</a>]</span>alla fr&ecirc;mo m&aring;nniska socht
+&aring;nd trvch alla rjuchtera bis&ecirc;ten wrden mot. Willath tha
+m&aring;nniska thus setma &aring;nd domar m&acirc;kja, th&ecirc;r alan
+god bilywa &aring;nd allerw&ecirc;ikes, sa moton hja &ecirc;lik
+w&ecirc;sa to fara alle m&aring;nniska; n&ecirc;i thisse &ecirc;wa
+achath tha rjuchtera hjara ord&ecirc;l ut to k&ecirc;thande. Is
+th&ecirc;r eng kw&acirc;d d&ecirc;n, hw&ecirc;rvr n&ecirc;n &ecirc;wa
+tavlikt send, sa mot m&aring;n &ecirc;ne m&ecirc;na acht bilidsa;
+th&ecirc;r ord&ecirc;lth m&aring;n n&ecirc;i tha sin th&ecirc;r
+Wr.aldas g&acirc;st an vs k&ecirc;th vmbe over ella rjuchtf&ecirc;rdich
+to birjuchtande, althus to dvande ne skil vs ord&ecirc;l n&aring;mmer
+f&acirc;likant ut ne kvma. Ne dvath m&aring;n n&ecirc;n rjucht men
+vnrjucht, alsa rist th&ecirc;r twist &aring;nd twispalt emong tha
+m&aring;nniska &aring;nd st&acirc;ta, th&ecirc;rut spr&ucirc;t
+inlandiska orloch, hw&ecirc;rthrvch ella homljath &aring;nd
+vrd&aring;ren w&aring;rth. Men, o dvmh&ecirc;d. D&acirc;hwila wi to
+dvande send ekkorum to sk&acirc;dane, kvmth-et nidige folk Findas mith
+hjara falska presterum jvw h&acirc;va to r&acirc;wande, jvwa toghatera
+to sk&aring;ndane, jvwa s&ecirc;da to vrdva &aring;nd to tha lesta
+kl&aring;ppath hja sl&acirc;vona banda om jahwelikes frya hals.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2463src" id="xd0e2463">1</a></span> Minno, Minos (de oude).</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2486" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ut-a skrifta Minnos.</h2>
+
+<p>Tha Nyhell&ecirc;nia<a class="noteref" id="xd0e2491src" href=
+"#xd0e2491">1</a> tham fon hira &aring;jn n&ocirc;me Min-erva
+h&ecirc;te, god s&ecirc;ten was &aring;nd tha Kr&ecirc;kalander<a
+class="noteref" id="xd0e2494src" href="#xd0e2494">2</a> hja to met even
+h&aring;rde minade as vs &aring;jn folk, th&acirc; k&ecirc;mon
+th&ecirc;r svme forsta &aring;nd prestera vppe-ra burch &aring;nd
+fr&ecirc;jon Min-erva hw&ecirc;r of hjra erva l&ecirc;jon.
+Nyhell&ecirc;nia andere, mina erva dr&ecirc;g ik om in mina bosm,
+hw&aring;t ik urven h&aring;v is ljafde vr wisdom, rjucht &aring;nd
+frydom, h&aring;v ik tham vrl&ecirc;ren, alsa ben ik &ecirc;lik an tha
+minniste jvvar sl&acirc;vonena. Nw j&ecirc;v ik r&ecirc;d vm nawet, men
+than skold ik vrk&acirc;pja tham. Tha h&ecirc;ra gvngon w&ecirc;i,
+&aring;nd hripon al lakande, jvwer h&ecirc;roga thjanra, wisa
+Hell&ecirc;nia. Thach th&ecirc;rmitha miston hja hjara dol, hwand
+th&aring;t folk th&aring;t hja minnade &aring;nd hja folgade, nam this
+n&ocirc;me to-n &ecirc;re n&ocirc;me an. Tha hja s&acirc;gon th&aring;t
+hjara skot mist h&ecirc;de, <span class="pagenum">[<a id="xd0e2497"
+href="#xd0e2497">50</a>]</span>th&acirc; gvngon hja hja bihlvda
+&aring;nd s&ecirc;idon that hju-t folk hexnad h&ecirc;de, men vs folk
+&aring;nd tha goda Kr&ecirc;kalandar w&ecirc;rde aller w&ecirc;ikes
+that-et laster w&ecirc;re. Enis k&ecirc;mon hja &aring;nd fr&ecirc;gon,
+as thv th&aring;n n&ecirc;n thjonster ne biste, hwat d&ecirc;ist
+th&acirc;n mitha &aring;jar tham thv altid bi thi heste. Min-erva
+andere, thisse &aring;jar send that sinebyld fon Fryas
+r&ecirc;dj&ecirc;vinga, w&ecirc;rin vsa tokvmste forholen hl&ecirc;it
+&aring;nd fon &ecirc;l th&aring;t m&aring;nneskalik slachte; tid mot
+hja utbroda &aring;nd wi moton w&acirc;ka th&aring;t-er n&ecirc;n
+l&ecirc;th an ne kvmth. Tha prestera, god s&ecirc;id; men hw&ecirc;rto
+thjanath thene hund an thina f&ecirc;ra hand. Hell&ecirc;nia andere,
+heth thene h&aring;rder n&ecirc;n sk&ecirc;per vmbe sin kidde at
+s&ecirc;mene to haldande? hwat thene hvnd is inna thjanest thes
+sk&ecirc;ph&aring;rder, bin ik in Fryas tjanest, ik mot ovir Fryas
+kidde w&acirc;ka. That likath vs god to, s&ecirc;don tha prestera; men
+seg vs, hwat is thju bitjvtenise fon thi nachtule, ther immer boppa
+thin hole sit, is that ljuchtskvwande djar altomet thet t&ecirc;ken
+thinra kl&acirc;rsjanh&ecirc;d. N&ecirc;an andere Hell&ecirc;nia, hi
+helpt my h&uuml;gja that er en slach fon m&aring;nniska ovir hirtha
+omme dw&acirc;lth, th&ecirc;r evin lik hi in k&aring;rka &aring;nd hola
+h&ecirc;ma; th&ecirc;r an tjuster frota, tach navt as hi, vmb vs fon
+m&ucirc;sa &aring;nd &ocirc;ra pl&aring;ga to helpane, men renka to
+forsinna, tha &ocirc;ra m&aring;nniska hjara witskip to r&acirc;wane,
+til thju hja tham to b&ecirc;tre m&uuml;ge f&acirc;ta vmber slavona fon
+to m&acirc;kjande &aring;nd hjara blod ut to s&ucirc;gane, even as
+vampyra dva. Enis k&ecirc;mon hja mith en benda folk. Pest was over-et
+land kvmen, hja s&ecirc;idon, wi alle send to dvande, tha Goda to
+offerja, til thju hja pest w&ecirc;ra m&uuml;ge. Nilst thv then navt ne
+helpa hjara grimskip to stilane, jeftha hethste pest selva ovir-et
+l&acirc;nd brocht mith thinra kunsta. N&ecirc;an s&ecirc;ide Min-erva,
+men ik ne k&aring;n n&ecirc;ne goda, th&ecirc;r &aring;rg dvande send;
+th&ecirc;rvmbe ne kan ik navt fr&ecirc;ja jef hja beter wrda willa. Ik
+k&aring;n &ecirc;n gode, th&aring;t is Wr.aldas g&acirc;st; men thrvch
+tham er god is, dvath-er &acirc;k nen kw&acirc;d. Hwanath kvmth-et
+kw&acirc;d th&aring;n w&ecirc;i, fr&ecirc;jath <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2499" href="#xd0e2499">52</a>]</span>tha prestera. Allet
+kw&acirc;d kvmth fon jow &aring;nd fon th&ecirc;re dvmh&ecirc;d
+th&ecirc;ra m&aring;nniska, tham hjara selva fon jow fensa l&ecirc;ta.
+Jef thin drochten th&aring;n s&acirc; bjustre god is, w&ecirc;rvmb
+w&ecirc;rther-et kw&acirc;d th&aring;n navt, fr&ecirc;jath tha
+prestera. Hellenia andere, Frya het vs vppe w&ecirc;i brocht &aring;nd
+thene kroder th&aring;t is tid, tham mot th&aring;t ovrige dva. With
+alle rampum is r&ecirc;d &aring;nd help to findande, tha <span class=
+"corr" id="xd0e2501" title="Bron: W.ralda">Wr.alda</span> wil
+th&aring;t wi hja selva soka skilon, til thju wi sterik skile wertha
+&aring;nd wis. Nillath wi navt, th&aring;n l&ecirc;t-er vsa trul ut
+trulla, til thju wi skilon erf&acirc;ra, hwat n&ecirc;i wisa
+d&ecirc;dum &aring;nd hwat n&ecirc;i dvma d&ecirc;dum folgath. Tha
+s&ecirc;ide-ne forst, ik skolde w&acirc;na, that w&ecirc;re betre, that
+to w&ecirc;rande. Hwel m&uuml;glik, andere Hell&ecirc;nia, hwand than
+skolde tha m&aring;nniska bilywa lik t&aring;made sk&ecirc;pa; thv
+&aring;nd tha prestera skolde-r than hoda willa, men &acirc;k
+sk&ecirc;ra &aring;nd n&ecirc;i th&ecirc;re slacht benke fora. Tach
+alsa nil-t vs drochten navt, hi wil that wi ekkorum helpa, men hi wil
+&acirc;k th&aring;t jahweder fry sy &aring;nd wis wrde. Th&aring;t is
+&acirc;k vsa wille, th&ecirc;rvmbe kjasth vs folk sin forsta,
+gr&ecirc;va, r&ecirc;dj&ecirc;var &aring;nd alle b&acirc;sa &aring;nd
+m&acirc;stera ut-a wisesta th&ecirc;ra goda m&aring;nniska, til thju
+allem&aring;nnalik sin best skil dva vmbe wis &aring;nd god to
+werthande. Althus to dvande skilun wi &ecirc;nis w&ecirc;ta &aring;nd
+anda folka l&ecirc;ra, that wis w&ecirc;sa &aring;nd wis dva
+all&ecirc;na l&ecirc;ith to salichh&ecirc;d. That likt en ord&ecirc;l,
+s&ecirc;idon tha prestera, men aste nv m&ecirc;nste, that pest thrvch
+vsa dvmh&ecirc;d kvmth, skolde Nyhell&ecirc;nia th&aring;n wel sa god
+w&ecirc;sa wille, vmbe vs ewat fon th&aring;t nya ljucht to
+l&ecirc;nande, hw&ecirc;r vppa hju sa stolte is. Jes s&ecirc;ide
+Hell&ecirc;nia; tha rokka &aring;nd &ocirc;ra f&uuml;glon kvmath
+all&ecirc;na falla vp v&ucirc;l &acirc;s, men pest minth navt
+all&ecirc;na v&ucirc;l &acirc;s, men v&ucirc;la s&ecirc;d-plegum
+&aring;nd fangnisa. Wilstv nv that pest fon-i wika &aring;nd na wither
+ne kvma, th&aring;n mostv tha fangnisa w&ecirc;i dva, &aring;nd that i
+alla r&ecirc;n wrde fon binna &aring;nd fon b&ucirc;ta. Wi willath
+bil&acirc;wa th&aring;t thin r&ecirc;d god sy, s&ecirc;idon tha
+prestera, men seg vs, ho skilum wi th&ecirc;r alla <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2504" href=
+"#xd0e2504">54</a>]</span>m&aring;nniska to kr&ecirc;ja, th&ecirc;r
+vnder vs weld send. Tha stand Hell&ecirc;nia vp fon hira s&ecirc;tel
+&aring;nd k&ecirc;th: Tha muska folgath thene s&ecirc;jar, tha folka
+hjara goda forsta, th&ecirc;rvmbe ach-stv to bijinnande mith thin selva
+&aring;lsa r&ecirc;n to m&acirc;kjande, that stv thinna blikka in
+&aring;nd utward m&ecirc;i rjuchta svnder sk&acirc;mr&acirc;d to
+werthande to fara thin &aring;jn mod. Men in st&ecirc;de fon th&aring;t
+folk r&ecirc;n to m&acirc;kjande heste v&ucirc;la f&ecirc;rsta
+utfonden, hw&ecirc;r vppa th&aring;t folk al sa n&acirc;ka s&ucirc;pth,
+that hja to lesta lik tha barga annath slip frota, vmbe that stv thin
+v&ucirc;la lusta bota m&ecirc;i. Th&aring;t folk bigost to jolande
+&aring;nd to spotande. Th&ecirc;r thrvch ne thuradon hja n&ecirc;n
+strid wither an to spinnande. Nv skolde &aring;jder w&acirc;na,
+th&aring;t hja vral-et folk to h&acirc;pe hropen h&ecirc;de vmbe vs
+algadur to-t land ut to driwande. N&ecirc;an an st&ecirc;de fon hja to
+bihluda gvngon hja allerw&ecirc;ikes, &acirc;k to tha h&ecirc;inde
+Kr&ecirc;kalana til tha Alpa ut to k&ecirc;thane, th&aring;t et thene
+allervrste drochten h&acirc;gth h&ecirc;de sin wisa toghater Min-erva,
+to n&ocirc;mth Nyhell&ecirc;nia &ecirc;mong tha m&aring;nniska to
+sendane in overa s&ecirc; mith-en ulk, vmbe tha manniska gode r&ecirc;d
+to j&ecirc;vane &aring;nd that allermannalik, th&ecirc;r hja h&ecirc;ra
+wilde, rik &aring;nd lukich skolde wertha, &aring;nd &ecirc;nis
+b&acirc;s skolde wertha ovir alle k&ecirc;ningkrik irtha.s. Hira
+byldnese st&aring;ldon hja vppe hjara &aring;lt&aring;rum, jeftha hja
+vrsellade-t anda dvma m&aring;nniska. Hja k&ecirc;thon
+allerw&ecirc;ikes r&ecirc;d-j&ecirc;vinga, th&ecirc;r hju nimmer
+j&ecirc;ven h&ecirc;de, &aring;nd t&aring;ladon wondera, th&ecirc;r hju
+n&aring; d&ecirc;n h&ecirc;de. Thrvch lesta wiston hja-ra selva master
+to m&acirc;kjande fon vsa &ecirc;wa &aring;nd setma, &aring;nd thrvch
+wank&ecirc;thinga wiston hja alles to wisa &aring;nd to vrbruda. Hja
+st&aring;ldon &acirc;k f&acirc;mma vnder hjara hode, tha skinber vndere
+hoda fon F&aring;sta<a class="noteref" id="xd0e2506src" href=
+"#xd0e2506">3</a> vsa forma &ecirc;re moder, vmbe over th&aring;t
+fr&acirc;na ljucht to w&acirc;kane. Men th&aring;t ljucht h&ecirc;de
+hja selva vpstoken, &aring;nd in st&ecirc;de fon tha f&acirc;mkes wis
+to m&acirc;kjande, &aring;nd aftern&ecirc;i &ecirc;mong th&aring;t folk
+to senda, ta sjaka to l&ecirc;vande &aring;nd tha b&aring;rn to
+l&ecirc;rande, m&acirc;kadon hja-ra dvm &aring;nd dimme bi-t ljucht
+&aring;nd ne machten hja n&acirc; buta ne kvma. Ak wrdon <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2509" href="#xd0e2509">56</a>]</span>hja to
+r&ecirc;dj&ecirc;vstare brukath, tach thi r&ecirc;d was by skin ut
+hjara mvlun; hwand hjara mvla w&ecirc;ron navt owers as tha hropar,
+hw&ecirc;r trvch tha prestera hjara g&ecirc;rta utk&ecirc;thon<span
+class="corr" id="xd0e2511" title="Niet in bron">.</span></p>
+
+<p>Tha Nyhell&ecirc;nia fallen was, wilden wi en ore moder kjasa, svme
+wildon n&ecirc;i Texl&acirc;nd vmbe th&ecirc;r &ecirc;ne to
+fr&ecirc;jande, men tha prestera tham by hira &aring;jn folk th&aring;t
+rik wither in h&ecirc;de, nildon that ni hengja &aring;nd k&ecirc;thon
+vs by-ra folk as vn-fr&acirc;na ut.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2491src" id="xd0e2491">1</a></span> Nyhellenia, Nehalennia.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2494src" id="xd0e2494">2</a></span> Krekaland, het Krekenland,
+zoowel Groot Griekenland als Griekenland zelf.</p>
+
+<p class="footnote" lang="nl"><span class="label"><a class=
+"noteref" href="#xd0e2506src" id="xd0e2506">3</a></span> F&acirc;sta,
+Vesta, en de Vestaalsche maagden.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2516" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">III. Ut-a skrifta Minnos.</h2>
+
+<p>Tha-k althus w&ecirc;i faren was mith mina ljvd fon Athenia,
+k&ecirc;mon wi to tha lesta an en &ecirc;land thrvch min ljvd
+Kr&ecirc;ta h&ecirc;ten vm-a wilda kr&ecirc;ta tham et folk anhyv by
+vsa kvmste. Tha as hja sagon th&aring;t wi n&ecirc;n orloch an-t
+sk&ecirc;ld foron, wrdon hja mak, alsa-k et lest far en bota mit
+yserark en havesmode &aring;nd en stada land wandelde. Thach tha wi en
+stut s&ecirc;ten h&ecirc;de &aring;nd hja sp&ecirc;radon that wi
+n&ecirc;n slavona n&ecirc;de, tha w&ecirc;ron hja vrst&aring;lath, men
+tha-k-ra nw talt h&ecirc;de that wi &ecirc;wa h&ecirc;don &ecirc;lik to
+birjuchtande vr alla, tha wilde-t folk &acirc;k fon sokka h&acirc;.
+Tach sk&ecirc;rs h&ecirc;don hja tham, jefta th&aring;t &ecirc;lle land
+k&ecirc;m anda tys. Tha forsta &aring;nd prestera k&ecirc;mon
+b&acirc;rja, that wi hjara tjvth over h&ecirc;rich m&acirc;kad
+h&ecirc;de &aring;nd th&aring;t folk k&ecirc;m to vs vmbe hul &aring;nd
+skul. Tach th&acirc; tha forsta sagon th&aring;t hja hjara rik vrljasa
+skolda, th&acirc; j&ecirc;von hja th&aring;t folk frydom &aring;nd
+k&ecirc;mon to my vmb-en &ecirc;sega bok. Thach th&aring;t folk was
+n&ecirc;n frydom wenth &aring;nd tha h&ecirc;ra bil&ecirc;von welda
+n&ecirc;i that ir god thochte. Th&acirc; thi storn wr w&ecirc;r,
+bigoston hja twispalt among vs to s&ecirc;ja. Hja s&ecirc;idon to min
+folk that ik hjara help anhropen h&ecirc;de vmbe standf&aring;st
+k&ecirc;ning to werthande. Enis fand ik gif in min met, th&acirc; as er
+&ecirc;nis en skip <span class="pagenum">[<a id="xd0e2521" href=
+"#xd0e2521">58</a>]</span>fon-t Fly by vs vrs&ecirc;ilde, ben ik
+th&ecirc;rmith stolkens hinne brith.&mdash;Tach min witherfara to
+l&ecirc;tande, sa wil-k mith thesa sk&ecirc;dnesa all&ecirc;na
+s&ecirc;ga, that wi navt m&uuml;ge h&ecirc;ma mith et Findas folk fon
+w&ecirc;r th&aring;t et sy, hwand th&aring;t hja fvl send mith falska
+renka, &ecirc;wa to fr&ecirc;sane as hjara sw&ecirc;te wina mith
+d&ecirc;jande fenin.</p>
+
+<p>Ende wra skrifta Minnos.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2525" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hir vnder send thr&ecirc; w&ecirc;ta, th&ecirc;r
+after send thissa setma makad.</h2>
+
+<p>1. Allera mannalik w&ecirc;t, th&aring;t i sin bihof mot, men
+w&aring;rth &aring;mmon sin bihof vnthalden, sa n&ecirc;t n&ecirc;n man
+hwat er skil dva vmbe sin lif to bihaldande.</p>
+
+<p>2. Alle elte minniska werthat drongen a b&aring;rn to t&ecirc;lande,
+w&aring;rth that w&ecirc;rth, sa n&ecirc;t nim man wath &aring;rges
+th&ecirc;rof kvme mei.</p>
+
+<p>3. Alrek w&ecirc;t th&aring;t-i fry &aring;nd vnforl&ecirc;th wil
+l&ecirc;va, &aring;nd that &ocirc;re that &acirc;k wille. Umbe sekur to
+w&ecirc;sande send thesa setma &aring;nd domar makad.</p>
+
+<p>Th&aring;t folk Findas heth &acirc;k setma &aring;nd domar: men
+thissa ne send navt n&ecirc;i tha rjucht, men all&ecirc;na to
+b&acirc;ta th&ecirc;ra prestera &aring;nd forsta, thana send hjara
+st&acirc;ta immerthe fvl twispalt &aring;nd mord.</p>
+
+<p>1. Sahwersa imman n&acirc;d heth &aring;nd hi ne kan him selva navt
+ne helpe, sa moton tha f&acirc;mna th&aring;t kvndich dva an tha
+gr&ecirc;va. Th&ecirc;rfar th&aring;t et en stolte Fryas navt ne focht
+th&aring;t selva to dva.</p>
+
+<p>2. Sa hwa &aring;rm w&aring;rth thrvch tham hi navt w&aring;rka nil,
+th&ecirc;r mot to th&aring;t l&acirc;nd ut dr&ecirc;ven wertha, hwand
+tha l&aring;fa &aring;nd loma send lestich &aring;nd &aring;rg
+t&aring;nkande: th&ecirc;rvmbe &acirc;ch m&aring;n to w&ecirc;rane
+tham.</p>
+
+<p>3. Jahw&ecirc;der jong kerdel &acirc;ch en brud to s&ecirc;ka
+&aring;nd is er fif &aring;nd twintich sa &acirc;cht-er en wif to
+h&aring;va. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2542" href=
+"#xd0e2542">60</a>]</span></p>
+
+<p>4. Is hwa fif &aring;nd twintich, &aring;nd heth er n&ecirc;n
+&ecirc;ng&acirc;, sa &acirc;ch ek man him ut sin hus to w&ecirc;rane.
+Ta kn&acirc;pa &acirc;chon him te formyda. Nimth er th&aring;n nach
+n&ecirc;n &ecirc;ng&acirc;, s&acirc; mot m&aring;n hin d&acirc;d
+s&ecirc;ga, til thju hi ut of lande brude &aring;nd hir n&ecirc;n
+&aring;rgenese n&ecirc;va ne m&ecirc;i.</p>
+
+<p>5. Is hwa wrak, th&aring;n mot-er avb&ecirc;r s&ecirc;ga, that
+nimman fon him to fr&ecirc;sane nach to duchtane heth. S&acirc; <span
+class="corr" id="xd0e2547" title="Bron: mei">m&ecirc;i</span> er kvma
+hw&ecirc;r er wil.</p>
+
+<p>6. Pl&ecirc;cht er &aring;ftern&ecirc;i hordom, s&acirc; m&ecirc;i-r
+fluchta, ne fluchter navt, s&acirc; is er an tha wr&ecirc;ke th&ecirc;r
+bitrogna vrl&ecirc;ten, &aring;nd nimman ne m&ecirc;i helpa him.</p>
+
+<p>7. Sahwersa &aring;mmon eng god heth, &aring;nd en &ocirc;ther likt
+that therm&ecirc;te that i him th&ecirc;ran vrfate, sa mot-i th&aring;t
+thrja vrjelda. St&ecirc;lth-i jeta r&ecirc;is, th&aring;n mot hi
+n&ecirc;i tha tinl&acirc;num. Wil thene bist&ecirc;lne him fry
+j&ecirc;va, s&acirc; m&ecirc;i-r th&aring;t dva. Tha b&ecirc;rth et
+wither sa ne m&ecirc;i nimman him frydom j&ecirc;va.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2554" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thissa domar send makad fara nydiga manniska.</h2>
+
+<p>1. Sa hwa in h&acirc;ste mode tha ut nid an nen otheris l&ecirc;ja
+brekth, &acirc;gna ut st&acirc;t, jeftha thoth, hok th&aring;t et sy,
+sa mot thi l&ecirc;tha bitallja hwat thene l&ecirc;dar askth. Ne kan hi
+h&aring;t ni dva, s&acirc; mot-er avb&ecirc;r an im d&ecirc;n wertha,
+sa hi an thene &ocirc;re d&ecirc;th. Nil hi th&aring;t navt ut ne
+stonda, sa mot-i him to sina burch-f&acirc;m wenda, jef-i inna yser
+jeftha tin l&acirc;na m&ecirc;i werka til sin skeld an sy, n&ecirc;i
+th&ecirc;r m&ecirc;ne dom.</p>
+
+<p>2. Jef ther imman fvnden w&aring;rth alsa &aring;rg that-i en Fryas
+felth, hi mot et mit sina lif bitallja. Kan sina burch-f&acirc;m hin
+far altid nei tha tinl&acirc;na helpa &ecirc;r er fat wrde, sy
+m&ecirc;i th&aring;t dva.</p>
+
+<p>3. Sahwersa thi bona m&ecirc;i biwisa mith vrk&aring;nda tju-gum
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2563" href=
+"#xd0e2563">62</a>]</span>that et by vnluk sk&ecirc;n is, sa skil hi
+fry w&ecirc;sa, men b&ecirc;rth et jetta r&ecirc;is, sa mot i tach
+n&ecirc;i tha tinl&acirc;num, til thju m&acirc;n th&ecirc;r thrvch
+formitha all vnerimde wr&ecirc;ka &aring;nd f&ecirc;itha.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2565" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">This send domar fara horninga.</h2>
+
+<p>1. Hwa en &ocirc;theris hvs ut nid thene r&acirc;de h&ocirc;n
+anstekt nis n&ecirc;n Fryas, hi is en horning mith basterde blod.
+M&ecirc;i m&aring;n hin bi th&ecirc;r d&ecirc;d bif&acirc;ra, sa mot
+m&aring;n hin vppet fjvr werpa. Hy m&ecirc;i flya sa-r k&aring;n tach
+n&aring;rne skil-i s&ecirc;kur w&ecirc;sa fara wr&ecirc;kande hand.</p>
+
+<p>2. N&ecirc;n &aring;fta Fryas skil ovira missl&ecirc;ga sinra
+n&ecirc;ste malja nach kalta. Is hwa misd&ecirc;doch far-im selva, tha
+navt fr&ecirc;selik far en &ocirc;ra, s&acirc; m&ecirc;i hi him selva
+riuchta. W&aring;rth-i alsa &aring;rg that er fr&ecirc;slik
+w&aring;rth, sa mot m&aring;n-t anda gr&ecirc;va bara; men is
+th&ecirc;r hwa th&ecirc;r en &ocirc;ther &aring;fterb&aring;kis
+bitighat in st&ecirc;de fon-t to dvande by tha gr&ecirc;va, tham is en
+horning. Vpper m&aring;rk mot-i anda p&ecirc;le bvnden wrde, sa that et
+jong folk im ansp&ecirc;ja m&ecirc;i; &aring;fter l&acirc;dath
+m&aring;n him overa m&aring;rka, men navt n&ecirc;i tha tinl&acirc;na,
+thrvch that en &ecirc;rer&acirc;wer &acirc;k is to fr&ecirc;sane.</p>
+
+<p>3. Sahwersa th&ecirc;r &ecirc;nis imman w&ecirc;re sa &aring;rg that
+i vs gvng vrr&ecirc;de by tha fyand, p&acirc;da &aring;nd to p&acirc;da
+wes, vmbe vsa flyburga to n&acirc;ka, jeftha thes nachtis th&ecirc;rin
+to glupa, tham w&ecirc;re all&ecirc;na wrocht ut Findas blod. Him
+skolde m&aring;n mota barna. Tha stjurar skoldon sin m&aring;m
+&aring;nd al sina sibba n&ecirc;i en f&ecirc;r &ecirc;land mota
+br&aring;nga &aring;nd th&ecirc;r sin ask forstuva, til thju-r hyr
+n&ecirc;n feninige kr&ucirc;don fon waxa ne m&uuml;ge. Tha f&acirc;mna
+moton th&aring;n sin n&acirc;m utsp&ecirc;ja in vr al vsa st&acirc;ta,
+til thju n&ecirc;n b&aring;rn sin n&acirc;m ne kr&ecirc;je &aring;nd
+tha alda him m&uuml;ge vrwerpa. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2574"
+href="#xd0e2574">64</a>]</span></p>
+
+<p>Orloch was vrtigen, men n&ecirc;d was kvmen an sin st&ecirc;d. Nw
+w&ecirc;ron hyr thr&ecirc; m&aring;nniska th&ecirc;r-ek en buda
+k&ecirc;ren st&ecirc;lon fon asvndergane &ecirc;jnh&ecirc;ra. Tha hja
+wrdon alle fat. Nw gong thene &ecirc;rosta to &aring;nd brocht thene
+thjaf by tha skelte. Tha f&acirc;mna th&ecirc;r-vr k&ecirc;thande
+s&ecirc;idon allerw&ecirc;is, that i d&ecirc;n h&ecirc;de n&ecirc;i
+rjucht. Thi &ocirc;ra nom thene thjaf th&aring;t k&ecirc;ren of
+&aring;nd l&ecirc;th im forth mith fr&ecirc;to. Tha f&aring;mna
+s&ecirc;idon, hi heth wel d&ecirc;n. Men thi thredde &ecirc;jnh&ecirc;r
+gvng n&ecirc;i tha thjaf sin hus th&acirc;. Asser nw sach ho n&ecirc;d
+th&ecirc;r sin s&ecirc;tel vpst&aring;lth h&ecirc;de, th&acirc; gvng hi
+to b&aring;k &aring;nd k&ecirc;rde wither mith en w&ecirc;in fol
+n&ecirc;dthreftum, th&ecirc;r hi n&ecirc;d mith fon th&ecirc;re
+h&ecirc;rd of driwe. Fryas f&acirc;mna h&ecirc;don by him omme
+w&acirc;rath &aring;nd sin d&ecirc;d an dat &ecirc;vge bok
+skr&ecirc;ven, dahwile hja al sina l&ecirc;ka ut f&acirc;chth
+h&ecirc;de. Thju &ecirc;remoder was et s&ecirc;id &aring;nd hju
+l&ecirc;t het kvndich dva thrvch th&aring;t &ecirc;le l&acirc;nd.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2577" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">That hyr vnder stat is in ut tha wagar th&ecirc;re
+Waraburgh writen.</h2>
+
+<p lang="nl">(Zie <a href="#plaat1">plaat I</a>.)</p>
+
+<div class="figure" id="plaat1"><img src="images/p064.png" alt=
+"bl. 45 van het H.S. thet Bok th&ecirc;ra Adela folstar." width="720"
+height="1015">
+<p class="figureHead">bl. 45 van het H.S. thet Bok th&ecirc;ra Adela
+folstar.</p>
+</div>
+
+<p>Hwat hyr boppa st&aring;t send thi t&ecirc;kna fon th&aring;t jol.
+Th&aring;t is th&aring;t forma sinnebild Wr.aldas, &acirc;k fon
+t-anfang jeftha-t bijin, w&ecirc;rut tid k&ecirc;m, th&aring;t is thene
+Kroder th&ecirc;r &ecirc;vg mith th&aring;t jol mot ommehl&acirc;pa.
+Thana heth Frya th&aring;t standskrift m&acirc;kad, th&aring;t hja
+brukte to hira tex. Th&acirc; F&aring;sta &ecirc;remoder w&ecirc;re,
+heth hju-r th&aring;t run ieftha hl&acirc;pande skrift fon m&acirc;kad.
+Ther Witk&ecirc;ning th&aring;t is S&ecirc;k&ecirc;ning,
+Godfr&ecirc;iath thene alda heth th&ecirc;r asvndergana telnomar fon
+m&acirc;kad f&acirc;r stand &aring;nd rvnskrift b&ecirc;de. T is
+th&ecirc;rvmbe navt to drok that wi-r j&ecirc;rliks &ecirc;nis
+f&ecirc;st vr fyrja. Wy m&uuml;gon Wr.alda &ecirc;vg thank to wya
+th&aring;t hi sin g&acirc;st sa herde in vr vsa &ecirc;thla heth
+f&acirc;ra l&ecirc;tn. Vnder hira tid heth Finda &acirc;k en skrift
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2592" href=
+"#xd0e2592">66</a>]</span>utfvnden, men th&aring;t w&ecirc;re sa
+h&acirc;gf&acirc;rende &aring;nd fvl mith frisla &aring;nd krolum,
+th&aring;t tha afterkvmanda th&ecirc;rof thju bitjudnese ring
+vrl&ecirc;ren h&acirc;ve. Aftern&ecirc;i h&aring;von hja vs skrift
+l&ecirc;red binoma tha Finna, tha Thyrjar &aring;nd tha Krekalander.
+Men hja niston navt god, th&aring;t-et fon et jol m&acirc;kad was
+&aring;nd that-et th&ecirc;rumbe altid skr&ecirc;ven wrde moste mith
+son om. Th&ecirc;rby wildon hja th&aring;t hjara skrift
+vnl&ecirc;sb&ecirc;r skolde w&ecirc;sa far ora folkum, hwand hja
+h&aring;vath altid h&ecirc;mnesa. Thus to dvanda send hja herde fon-a
+wis r&acirc;kath, th&ecirc;rm&ecirc;tha, that ta b&aring;rn tha
+skriftun hjarar aldrum amper l&ecirc;sa en m&ucirc;ga; dahwile wy vsa
+alderaldesta skriftun &ecirc;vin r&ecirc;d l&ecirc;sa m&ucirc;ga as
+th&ecirc;ra th&ecirc;r jester skr&ecirc;ven send.</p>
+
+<p>Hir is th&aring;t stand skrift, th&ecirc;rvnder th&aring;t run
+skrift, forth tha t&aring;lnomar a byder wisa.</p>
+
+<p lang="nl">(Zie <a href="#plaat2">plaat II</a>.)</p>
+
+<div class="figure" id="plaat2"><img src="images/p066.png" alt=
+"Overzicht van het &ldquo;Oud Friese&rdquo; alfabet." width="720"
+height="883"></div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2606" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">That st&ecirc;t vp alle burgum eskr&ecirc;ven.</h2>
+
+<p>&Ecirc;r th&ecirc;re &aring;rge tid k&ecirc;m was vs l&aring;nd
+th&aring;t sk&ecirc;nneste in wr.alda. Svnne r&ecirc;s hager &aring;nd
+th&ecirc;r was sjelden frost. Anda b&acirc;ma &aring;nd tr&ecirc;jon
+waxton fr&uuml;gda &acirc;nd nochta, th&ecirc;r nw vrl&ecirc;ren send.
+Among tha g&aring;rs-s&ecirc;dum hedon wi navt alena k&ecirc;ren,
+ljaver &aring;nd blyde, men &acirc;k swete th&ecirc;r lik gold blikte
+&aring;nd th&aring;t m&aring;n vndera svnnastr&ecirc;la bakja kvste.
+J&ecirc;ron ne wrde navt ne telath, hwand th&aring;t &ecirc;ne
+j&ecirc;r was alsa blyd as et &ocirc;thera. An tha &ecirc;ne side wrdon
+wi thrvch Wr.aldas s&ecirc; bisloten, hw&ecirc;rvp n&ecirc;n folk buta
+vs navt fara ne mochte nach kvnde. Anda &ocirc;re side wrden wi thrvch
+th&aring;t br&ecirc;de Twiskl&acirc;nd vmtunad, hw&ecirc;r thrvch
+th&aring;t Findas folk navt kvma ne thvradon, fon ovira tichta walda
+&aring;nd ovir it wilde kwik. By morne paldon wi ovir it uter ende thes
+aster-s&ecirc;, by &ecirc;vind an thene <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2611" href="#xd0e2611">68</a>]</span>middels&ecirc;, alsa wi buta
+tha littiga wel twelif gr&acirc;ta swete rinstrama h&ecirc;don, vs
+thrvch Wr.alda j&ecirc;ven vmb vs l&acirc;nd elte to haldane &aring;nd
+vmb us wigandlik folk tha w&ecirc;i to wisana n&ecirc;i sina
+s&ecirc;.</p>
+
+<p>Tha owira thissar rin strama wrdon tomet algadur thrvch vs folk
+bis&ecirc;ton, &acirc;k tha fjelda an thju R&ecirc;ne fon-t &ecirc;na
+enda alon et &ocirc;re ende th&acirc;.</p>
+
+<p>To jenst-vr tha D&ecirc;namarka &aring;nd that Juttarl&acirc;nd
+h&ecirc;don wi folkplantinga mith en burchf&acirc;m, d&acirc;na wonon
+wi k&acirc;per &aring;nd yser, bijvnka t&acirc;r, p&aring;k &aring;nd
+svma &ocirc;r bihof. To jenst vr vs form&ecirc;lich Westland th&ecirc;r
+h&ecirc;don wi Brittanja mith sina tinl&acirc;na. Brittanja th&aring;t
+was th&aring;t l&acirc;nd th&ecirc;ra bannalinga, th&ecirc;r mith hulpe
+hjarar burchf&acirc;m w&ecirc;i brith w&ecirc;ron vmbe hira lif to
+bih&acirc;ldana. Thach for that hja navt to b&aring;k kvma ne skolde,
+warth er &ecirc;rost en B to f&acirc;ra hjara st&aring;r priked, tha
+bana mith r&acirc;de blod farve &aring;nd tha &ocirc;ra misd&ecirc;dar
+mith bl&acirc;we farve. Buta &aring;nd bihalva h&ecirc;don vsa stjurar
+&aring;nd k&acirc;pljvd m&ecirc;ni loge anda h&ecirc;inde
+Kr&ecirc;kalanda &aring;nd to Lydia. In vr Lydia th&ecirc;r send tha
+swarta minniska. Th&acirc; vs l&acirc;nd s&acirc; rum &aring;nd
+gr&acirc;t w&ecirc;re, h&ecirc;don wi f&ecirc;lo asondergana
+n&acirc;mon. Th&ecirc;ra tham saton bi&acirc;sten tha D&ecirc;nemarka
+wrdon Juttar h&ecirc;ton, uth&acirc;vede hja tomet navt owers ne
+d&ecirc;don as barn-st&ecirc;n juta. Hja tham th&ecirc;r saton vppa
+&ecirc;landa wrdon L&ecirc;tne h&ecirc;ten, thrvchdam hja m&ecirc;st al
+vrl&ecirc;ten l&ecirc;vadon. Alle str&acirc;nd &aring;nd skor
+h&ecirc;mar fon-a D&ecirc;nemarka alont th&ecirc;re S&aring;ndfal nw
+Skelda wrdon Stjurar<a class="noteref" id="xd0e2617src" href=
+"#xd0e2617">1</a>, S&ecirc;k&aring;mpar<a class="noteref" id=
+"xd0e2620src" href="#xd0e2620">2</a> &aring;nd Angelara<a class=
+"noteref" id="xd0e2625src" href="#xd0e2625">3</a> h&ecirc;ton. Angelara
+s&acirc; h&ecirc;ton m&acirc;n to fora tha butafiskar vmbe that hja
+alan mith angel jefta kol fiskton &aring;nd nimmer n&ecirc;n netum.
+Th&ecirc;ra th&ecirc;r th&acirc;na til tha h&ecirc;inde
+Kr&ecirc;kal&acirc;nda s&acirc;ton, wrdon bl&acirc;t
+K&acirc;d-h&ecirc;mar h&ecirc;ten, thrvch tham hja ninmerthe buta
+foron. Th&ecirc;ra th&ecirc;r in da h&acirc;ge marka s&acirc;ton,
+th&ecirc;r anna Twisklanda p&acirc;lon, wrdon Saxmanna h&ecirc;ton,
+uth&acirc;wede hja immer w&ecirc;pned w&ecirc;ron vr th&aring;t wilde
+kwik &aring;nd vrwildarda Britne. Th&ecirc;r to <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2628" href="#xd0e2628">70</a>]</span>boppa h&ecirc;don wi
+tha n&ocirc;ma Lands&acirc;ton, M&acirc;rsata<a class="noteref" id=
+"xd0e2630src" href="#xd0e2630">4</a> &aring;nd Holtjefta
+Wods&acirc;ta.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2617src" id="xd0e2617">1</a></span> Stjurar, Sturii.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2620src" id="xd0e2620">2</a></span> <span class="corr" id=
+"xd0e2621" title="Bron: S&ecirc;k&acirc;mpar">
+S&ecirc;k&aring;mpar</span>, Sicambri.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2625src" id="xd0e2625">3</a></span> Angelara, Angli.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2630src" id="xd0e2630">4</a></span> M&acirc;rsata, Marsacii.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2633" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ho arge tid k&ecirc;m.</h2>
+
+<p>H&ecirc;l thene s&uuml;mer was svnne &aring;ftere wolkum skolen, as
+wilde hja irtha navt ne sja. Wind reston in sina b&ucirc;dar, werthrvch
+r&ecirc;k &aring;nd stom lik s&ecirc;la boppa hus &aring;nd polon
+stand. Loft w&aring;rth althus drov &aring;nd dimme, &aring;nd inna tha
+hirta th&ecirc;ra m&aring;nniska was blydskip nach fr&uuml;chda. To
+midden thisre stilnise f&aring;ng irtha an to b&ecirc;vande lik as hju
+st&aring;rvande w&ecirc;re. Berga splyton fon ekkorum to sp&ecirc;jande
+fjvr &aring;nd logha, &ocirc;ra svnkon in hira sk&acirc;t del,
+&aring;nd th&ecirc;r hju &ecirc;rost fjelda h&ecirc;de; h&ecirc;jade
+hju berga vppa. Aldland<a class="noteref" id="xd0e2638src" href=
+"#xd0e2638">1</a> trvch tha stjurar Atland h&ecirc;ten svnk nyther
+&aring;nd th&aring;t wilde hef st&acirc;pton alsa n&acirc;ka wr berg
+&aring;nd d&ecirc;lon, that ella vndere s&ecirc; bidvlwen w&ecirc;re.
+F&ecirc;lo m&aring;nniska wrdon in irtha bidobben, &aring;nd f&ecirc;lo
+th&ecirc;r et fjvr vnk&ecirc;men w&ecirc;ron, k&ecirc;mon
+th&ecirc;rn&ecirc;i innet w&ecirc;ter vm. Navt all&ecirc;na inda landa
+Findas sp&ecirc;idon berga fjvr, men &acirc;k in-t Twisk-land. Walda
+b&aring;rnadon th&ecirc;rthrvch &aring;fter ekkorum &aring;nd th&acirc;
+wind d&acirc;na w&ecirc;i k&ecirc;m, th&acirc; w&acirc;jadon vsa landa
+fvl ask. Rinstr&acirc;ma wrdon vrl&ecirc;id &aring;nd by hjara mvda
+k&ecirc;mon n&ecirc;ja &ecirc;landa fon sand &aring;nd drivande kwik.
+Thrju j&ecirc;r was irtha alsa to lydande; men tha hju b&ecirc;ter
+w&ecirc;re macht m&aring;n hira vvnda sja. F&ecirc;lo landa w&ecirc;ron
+vrsvnken, &ocirc;ra uta s&ecirc; r&ecirc;sen &aring;nd th&aring;t
+Twisk-land to f&acirc;ra-n halfd&ecirc;l vntwalt. B&aring;nda Findas
+folk k&ecirc;mon tha l&ecirc;togha rumtne bif&acirc;ra. Vsa
+w&ecirc;ibritne vrdon vrdelgen jefta hja wrdon hjara harlinga.
+Th&acirc; warth w&acirc;kandom vs dvbbeld boden &aring;nd tid
+l&ecirc;rd vs that &ecirc;ndracht vsa st&aring;rikste burch is.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2638src" id="xd0e2638">1</a></span> Aldland, Atlantis.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2641" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit st&ecirc;t inna Waraburch by th&ecirc;re Aldega
+mvda wryt.</h2>
+
+<p>Thju w&acirc;raburch nis n&ecirc;n f&acirc;mnaburch, men th&ecirc;r
+in wrdon <span class="pagenum">[<a id="xd0e2646" href=
+"#xd0e2646">72</a>]</span>alla uth&ecirc;meda &aring;nd vrlandeska
+thinga w&acirc;rath, th&ecirc;r mitbrocht binne thrvch tha stjurar. Hju
+is thri p&ecirc;la, th&aring;t is en half ty s&ucirc;dwarth fon
+M&ecirc;d&ecirc;a-sblik l&ecirc;gen. Alsa is th&aring;t f&ocirc;rword:
+berga nygath thinna krunna, wolka &aring;nd str&acirc;ma w&ecirc;n.
+Jes. Sk&ecirc;nland<a class="noteref" id="xd0e2648src" href=
+"#xd0e2648">1</a> bl&ocirc;st, sl&acirc;vona folka st&ocirc;ppath vppat
+thin kl&acirc;t, o Frya.</p>
+
+<p class="aligncenter">Alsa is thju sk&ecirc;dnesse.</p>
+
+<p>100 &aring;nd 1 j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e2655src" href=
+"#xd0e2655">2</a> n&ecirc;i that &acirc;ldland svnken is, k&ecirc;m
+th&ecirc;r ut-et &acirc;sta en folk w&ecirc;i. Th&aring;t folk was
+vrdr&ecirc;ven thrvch en &ocirc;ther folk, &aring;fter vs twisk land
+kr&ecirc;jon hja twispalt, hja skifton hjara selva an twam h&acirc;pa,
+ek h&ecirc;r gvng sines w&ecirc;iges. Fon-t &ecirc;ne d&ecirc;l nis
+n&ecirc;n t&acirc;l to vs ne k&ecirc;men, men th&aring;t &ocirc;re
+d&ecirc;l fyl &aring;fter to vs Sk&ecirc;nland. Sk&ecirc;nland was
+sunnich bifolkath, &aring;nd anda &aring;fter-k&acirc;d th&aring;t
+sunnichste fon al. Th&ecirc;rvmbe machton hja-t svnder strid wrwinna,
+&aring;nd uth&acirc;wede hja &ocirc;wers n&ecirc;n l&ecirc;th ne
+d&ecirc;don, nildon wi th&ecirc;rvr n&ecirc;n orloch h&acirc;. Nw wi
+hjam h&aring;von k&aring;nna l&ecirc;red, s&acirc; willath wi ovir
+hjara s&ecirc;da skriwa, &aring;ftern&ecirc;i ho-t vs mith hjam
+forgungen is. Th&aring;t folk was navt ne wild lik f&ecirc;lo slachta
+Findas, men &ecirc;lik anda &Eacute;gipta-landar, hja h&aring;vath
+prestera lik tham &aring;nd nw hja k&aring;rka h&aring;ve &acirc;k
+byldon. Tha prestera send tha engosta h&ecirc;ra, hja h&ecirc;ton hjara
+selva M&acirc;gjara, hjara aller ovirste h&ecirc;t Magy, hi is
+h&acirc;vedprester &aring;nd k&ecirc;ning mith &ecirc;n, allet
+&ocirc;re folk is nul in-t siffer &aring;nd &ecirc;llik &aring;nd al
+vnder hjara weld. Th&aring;t folk n&ecirc;th navt &ecirc;nis en
+n&ocirc;me, thrvch vs send hja Finna h&ecirc;ten, hwand afsk&ecirc;n
+hjara f&ecirc;rsta algadur drov &aring;nd blodich send, thach send hja
+th&ecirc;r alsa fin vp, that wi th&ecirc;r bi &aring;fter st&acirc;ne,
+forth ne send hja navt to binydane, hwand hja send sl&acirc;vona fon
+tha presterum &aring;nd jeta f&uuml;l &aring;rger fon hjara
+m&ecirc;ninga. Hja m&ecirc;nath that ella fvl kvada g&acirc;ston is,
+th&ecirc;r inda m&aring;nniska &aring;nd djara gluppe, men fon Wr.aldas
+g&acirc;st n&ecirc;ton hja nawet. Hja h&aring;vath st&ecirc;ne
+w&ecirc;pne, tha Magjara k&acirc;pra. Tha Magjara tellath that hja tha
+&aring;rge g&acirc;ston <span class="pagenum">[<a id="xd0e2658" href=
+"#xd0e2658">74</a>]</span>banna &aring;nd vrbanna m&uuml;gon,
+th&ecirc;r vr is-t folk &ocirc;lan in ange fr&ecirc;se &aring;nd vppira
+w&ecirc;sa nis nimmer n&ecirc;n blydskip to bisjan. Th&acirc; hja god
+s&ecirc;ten w&ecirc;ron, sochton tha Magjara athskip bi vs, hja bogadon
+vp vsa t&acirc;l &aring;nd s&ecirc;dum, vp vs fja &aring;nd vppa vs
+ysere w&ecirc;pne, th&ecirc;r hja g&ecirc;rn to fori hjara goldun
+&aring;nd sulvere syrhedum wandela wilde, &aring;nd hjara tjoth hildon
+hja immerthe binna tha p&ecirc;lon, men th&aring;t vrskalkton vsa
+w&acirc;kendom. Achtantich j&ecirc;r forther, just w&ecirc;r-et
+jol-f&ecirc;rste, th&ecirc;r k&ecirc;mon hja vnwarlinge lik sn&ecirc;i
+thrvch stornewind dr&ecirc;wen ovir vsa landa to runnande. Th&ecirc;r
+navt flya machton wrdon vrd&ecirc;n, Frya w&aring;rth anhropen, men tha
+Sk&ecirc;nlandar h&ecirc;don hira r&ecirc;d warl&acirc;sed. Th&acirc;
+wrdon kr&aring;fta s&acirc;mlath, thri p&ecirc;lun fon Goda-his burch<a
+class="noteref" id="xd0e2660src" href="#xd0e2660">3</a> wrdon hja
+wither stonden, tha orloch bil&ecirc;v. K&acirc;t jefta
+K&acirc;ter-inne, alsa h&ecirc;te thju f&acirc;m, th&ecirc;r
+burchf&acirc;m to Goda burch was. K&acirc;t was stolte &aring;nd
+h&acirc;chf&acirc;randa, th&ecirc;rvmbe ne l&ecirc;t hju n&ecirc;n
+r&ecirc;d ni follistar anda Moder ne fr&ecirc;ja. Men th&acirc; tha
+burchh&ecirc;ra th&aring;t f&acirc;ta, th&acirc; svndon hja selva bodon
+n&ecirc;i Texl&acirc;nd n&ecirc;i th&ecirc;re Moder th&acirc;. Minna
+alsa was th&ecirc;re Moder-is n&ocirc;me, l&ecirc;t &acirc;la tha
+stjurar m&acirc;nja &aring;nd &acirc;l-et othera jongk folk fon
+Ast-flyland &aring;nd fon tha D&ecirc;nnemarkum. Ut thesse tocht is
+thju skydnese fon Wodin bern, sa-r vppa burgum wryten is &aring;nd hir
+&ecirc;skr&ecirc;ven. Anda Alder-g&acirc;mude<a class="noteref" id=
+"xd0e2663src" href="#xd0e2663">4</a> th&ecirc;r reste en alde
+s&ecirc;k&aring;ning. Sterik was sin n&ocirc;me &aring;nd tha hrop vr
+sina d&ecirc;da was gr&acirc;t. Thisse alde rob h&ecirc;de thr&ecirc;
+n&ecirc;va; Wodin thene aldeste h&ecirc;mde to Lumka-m&acirc;kja<a
+class="noteref" id="xd0e2666src" href="#xd0e2666">5</a> bi th&ecirc;re
+&Ecirc;-mude to Ast-flyland by sin eldrum t-us. &Ecirc;nes was er
+h&ecirc;rman w&ecirc;st. T&uuml;nis &aring;nd Inka w&ecirc;ron
+s&ecirc;k&aring;mper &aring;nd just nw bi hjara f&aring;derja anda
+Alderg&acirc;-mude t-vs. As tha jonga k&aring;mpar nw bi ekk&ocirc;rum
+k&ecirc;mon, k&ecirc;ron hja Wodin to hjara h&ecirc;rman jefta
+k&aring;ning ut, &aring;nd tha s&ecirc;k&aring;mpar k&ecirc;ron
+T&uuml;nis to-ra s&ecirc;k&aring;ning &aring;nd Inka to hjara skelte
+b&icirc; th&ecirc;r nacht. Tha stjurar gvngon th&acirc; n&ecirc;i tha
+D&ecirc;nnemarka f&acirc;ra, th&ecirc;r n&acirc;mon hja Wodin mith sin
+wigandlika landw&ecirc;r in. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2669"
+href="#xd0e2669">76</a>]</span>W&icirc;nd was rum &aring;nd alsa
+w&ecirc;ron hja an en &acirc;mer&icirc;ng<a class="noteref" id=
+"xd0e2671src" href="#xd0e2671">6</a> to Sk&ecirc;n land. Th&acirc; tha
+northeska brothar ra selva by-m fogath h&ecirc;de, d&ecirc;lde
+Wod&icirc;n sin weldich h&ecirc;r an thri wiga. Frya was hjara
+w&ecirc;penhrop &aring;nd s&acirc; hi b&aring;kward sloch tha Finnen
+&aring;nd M&acirc;gjara as of et b&aring;rn w&ecirc;ron. Th&acirc;
+thene M&acirc;gy forn&ocirc;m ho sin ljvd al ombrocht wrdon, th&acirc;
+sand hi bodon mith st&aring;f &aring;nd krone. Hja s&ecirc;idon to
+Wodin, o thv alra gr&acirc;teste th&ecirc;ra k&aring;ningar, wi send
+skeldich, thach al hwat wi d&ecirc;n h&aring;ve is ut n&ecirc;d
+d&ecirc;n. Je m&ecirc;ne that wi jvw brothar willengklik anfat
+h&aring;ve, men wi send thrvch vsa fyanda forth-f&ecirc;tereth
+&aring;nd thi alle send vs jeta vppa hakka. Wi h&aring;vath often helpe
+an thinre burchf&acirc;m fr&ecirc;jath, men hja neth vs navt ne meld.
+Thene M&acirc;gy s&ecirc;ith, s&acirc; hwersa wi ekk&ocirc;rum to tha
+h&aring;lte vrdva, s&acirc; skilun tha wilda skeph&aring;rdar
+k&ecirc;mon &aring;nd vs alg&acirc;dur vrdva. Thene M&acirc;gy heth
+f&uuml;l rikdom, men hi heth sjan that Frya weldiger is as al vsa
+g&acirc;ston et s&ecirc;mine. Hi wil sin h&acirc;ved in hira sk&acirc;t
+del ledsa. Thv bist thene wigandlikste k&aring;ning irthas, thin folk
+is fon yser. Warth vsa k&aring;ning &aring;nd wi alle willath thin
+sl&acirc;vona w&ecirc;sa. Hwat skolde that &ecirc;r-rik f&acirc;r-i
+w&ecirc;sa, aste tha wilda wither to l&aring;k driwa koste, vsa
+s&ecirc;fyra skolde-t rondbl&ecirc;sa &aring;nd vsa m&acirc;ra skoldon
+jv vral f&acirc;rut g&acirc;.</p>
+
+<p>Wodin was sterik, wost &aring;nd wigandl&icirc;k, men hi nas navt
+kl&acirc;r sjande, th&ecirc;rthrvch w&aring;rth i in hjar m&ecirc;ra
+fvngen &aring;nd thrvch thene M&acirc;gy kroneth. Rju f&ecirc;lo
+stjurar &aring;nd land-w&ecirc;rar, tham thisse k&ecirc;r navt ne
+sinde, br&ucirc;don stolkes hinne, K&acirc;t mith n&ecirc;mande, men
+K&acirc;t th&ecirc;r navt to f&acirc;ra th&ecirc;re Moder ner to
+f&acirc;ra th&ecirc;re m&ecirc;na acht forskine nilde, jompade wr bord.
+Th&acirc; k&ecirc;m stornewind &aring;nd f&ecirc;tere tha sk&ecirc;pa
+vppa skorra fonna <span class="corr" id="xd0e2676" title="Bron:
+Dennemar kum">Dennemarkum</span> del svnder enkel man to mistane.
+Aftern&ecirc;i h&aring;von hja tha str&ecirc;t K&acirc;tsgat<a class=
+"noteref" id="xd0e2679src" href="#xd0e2679">7</a> h&ecirc;ten.
+Th&acirc; Wodin kroned was, gvng-er <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2682" href="#xd0e2682">78</a>]</span>vppa wilda l&ocirc;s; thi
+w&ecirc;ron al rutar, lik een h&ecirc;jel buje k&ecirc;mon hja ajn
+Wodin-is h&ecirc;r, men lik en twyrne wind wendon hja omme &aring;nd ne
+thvradon n&acirc; wither forskina. As Wodin nw to b&aring;k k&ecirc;m,
+jav thene M&acirc;gy him sin toghater to-n w&icirc;f. Afternei
+w&aring;rth-i mith kr&ucirc;don bir&ecirc;kad, men th&ecirc;r
+w&ecirc;ron tawerkr&ucirc;don mong, hwand Wodin warth bi gr&acirc;dum
+alsa s&ecirc;r vrm&ecirc;ten, that-i Frya &aring;nd Wraldas g&acirc;st
+misk&aring;na &acirc;nd spota thvrade, thawyla hi sin frya hals bog to
+f&acirc;ra falska drochten-likande byldum<span class="corr" id=
+"xd0e2684" title="Niet in bron">.</span> Sin rik hilde sjvgun
+j&ecirc;r, th&acirc; vrdwind-ir<span class="corr" id="xd0e2687" title=
+"Bron: ,">.</span> Thene M&acirc;gy s&ecirc;ide that-er mong hjara
+godon<a class="noteref" id="xd0e2690src" href="#xd0e2690">8</a>
+vpnimeth w&ecirc;re, &aring;nd that hi fon th&ecirc;r over hjam welda,
+men vs folk lakton vmbe tin t&acirc;l. Th&acirc; Wodin en st&ucirc;t
+w&ecirc;i w&ecirc;st h&ecirc;de, k&ecirc;m th&ecirc;r twispalt, wi
+wildon en &ocirc;ra k&aring;ning kjasa, men th&aring;t nilde thene
+M&acirc;gy navt me hengja. Hi w&ecirc;rde that et en rjucht w&ecirc;re,
+him thrvch sina drochtne j&ecirc;ven. Buta &aring;nd bihalva thissa
+twist, sa was th&ecirc;r jet-&ecirc;n emong sin M&acirc;gjara &aring;nd
+Finna, th&ecirc;r Frya ner Wodin &ecirc;ra navt nilde, men thi
+M&acirc;gy d&ecirc;de as-t im sinde, hwand sin toghater h&ecirc;de en
+svn bi Wodin wvnen, &acirc;nd nw wilde thene M&acirc;gy that thisse fon
+en h&acirc;ge kom-of w&ecirc;sa skolde. Thawyla alle sanade &aring;nd
+twista, kr&ocirc;nade hi thene kn&acirc;p to k&aring;ning &aring;nd
+st&aring;lade hin sels as foged &aring;nd foramond jefta
+r&ecirc;dj&ecirc;var an. Th&ecirc;ra th&ecirc;r m&acirc;r hildon fon
+hjara balg as fon th&aring;t rjucht, tham l&ecirc;ton him bidobba, men
+tha goda br&ucirc;don w&ecirc;i. F&ecirc;lo M&acirc;gjara flodon mith
+hjara ljvda b&aring;k ward, &aring;nd tha stjurar gvngon to skip
+&aring;nd en h&ecirc;r fon drista Finna gvngen as rojar mitha.</p>
+
+<p>Nw kvmath tha sk&ecirc;dnese fon n&ecirc;f T&uuml;nis &aring;nd sin
+n&ecirc;f Inka &ecirc;rost rjucht vppet pat.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2648src" id="xd0e2648">1</a></span> Sk&ecirc;nland, Scania,
+Scandinavia.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2655src" id="xd0e2655">2</a></span> 2198 - 101 = 2092 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2660src" id="xd0e2660">3</a></span> Goda-hisburch,
+Gothenburg.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2663src" id="xd0e2663">4</a></span> Alderga, Ouddorp (bij
+Alkmaar).</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2666src" id="xd0e2666">5</a></span> Lumkam&acirc;kja
+bith&ecirc;re Emuda, Embden.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2671src" id="xd0e2671">6</a></span> Amering, nog in N.-Holland in
+gebruik, beteekent daar: ademtocht, oogenblik. Cf. Kiliaan in voce.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2679src" id="xd0e2679">7</a></span> K&acirc;tsgat, het
+Kattegat.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2690src" id="xd0e2690">8</a></span> Wodin, Odin, Wodan.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2695" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit ella stet navt all&ecirc;na vpper Waraburgh men
+ok to th&ecirc;re burch Stavia, th&ecirc;r is lidsen aftere have fon
+Stavre.</h2>
+
+<p>Tha T&uuml;nis mith sinum sk&ecirc;pum to honk k&ecirc;ra wilde,
+gvng-i thet forma vppa D&acirc;nnemarka of, men hi ne macht th&ecirc;r
+navt <span class="pagenum">[<a id="xd0e2700" href=
+"#xd0e2700">80</a>]</span>ne landa, th&aring;t h&ecirc;de thju Moder
+bisjowath. Ak et Flyland ne macht-er navt ne landa &aring;nd forth
+n&aring;rne. Hi skold alsa mith sinum ljvdum fon lek &aring;nd brek
+omkomth h&aring;ve, th&ecirc;r vmbe gvngon hja thes nachtis tha landa
+bir&acirc;wa &aring;nd f&acirc;ra bi d&ecirc;i. Alsa alinga th&ecirc;re
+k&acirc;d forth farande k&ecirc;mon hja to th&ecirc;re folkplanting
+K&acirc;dik<a class="noteref" id="xd0e2702src" href="#xd0e2702">1</a>,
+althus h&ecirc;ten vmbe that hjara have thrvch &ecirc;ne st&ecirc;nene
+k&acirc;dik formath was. Hir selladon hja allerhanne liftochta, men
+Tutja thju burchf&acirc;m nilde navt d&acirc;ja that hja-ra selva
+nither setta. Th&acirc; hja r&ecirc;d w&ecirc;ron kr&ecirc;jon hja
+twist. T&uuml;nis wilde thrvch thju str&ecirc;te fon tha middels&ecirc;
+vmbe to f&acirc;rane f&acirc;r tha rika k&aring;ning fon Egiptalandum,
+lik hi wel &ecirc;r d&ecirc;n h&ecirc;de, men Inka s&ecirc;ide, that-i
+sin nocht h&ecirc;de fon al et Findas folk. Inka m&ecirc;nde that er
+byskin wel en hach d&ecirc;l fon Atland by wysa fon &ecirc;land
+vrbil&ecirc;wen skolde w&ecirc;sa, th&ecirc;r hi mith tha ljvdum
+fr&ecirc;thoch l&ecirc;va machte. As tha b&ecirc;da n&ecirc;va-t-althus
+navt &ecirc;nes wrde koste, gvng T&uuml;nis to &aring;nd stek en
+r&acirc;de f&ocirc;ne in-t str&acirc;nd, &aring;nd Inka &ecirc;ne
+bl&acirc;we. Th&ecirc;r &aring;fter macht jahw&ecirc;der kjasa, hwam ek
+folgja wilde, &aring;nd wonder, by Inka th&ecirc;r en gryns h&ecirc;de
+vmbe tha k&aring;ningar fon Findas folk to thjanja, hlipon tha
+m&acirc;sta Finna &aring;nd M&acirc;gjara ovir. As hja nw th&aring;t
+folk tellath &aring;nd tha sk&ecirc;pa th&ecirc;r n&ecirc;i
+d&ecirc;lath h&ecirc;de, tha sk&ecirc;don tha fl&acirc;ta fon ekkorum;
+fon n&ecirc;f T&uuml;nis is &aring;ftern&ecirc;i t&acirc;l k&ecirc;men,
+fon n&ecirc;f Inka ninmer.</p>
+
+<p>N&ecirc;f T&uuml;nis for allinggen th&ecirc;re k&acirc;d al thrvch
+thju porte th&ecirc;re middels&ecirc;. Tha Atland svnken is, was-t-inna
+middels&ecirc; ra owera &acirc;k &aring;rg to gvngen. Th&ecirc;rthrvch
+w&ecirc;ron th&ecirc;r f&ecirc;lo m&aring;nniska fon-t Findas land
+n&ecirc;i vsa h&ecirc;inde &aring;nd f&ecirc;re Kr&ecirc;kalanda kvmen
+&aring;nd &acirc;k f&ecirc;lo fon Lyda-his land. Th&ecirc;r &aring;jn
+w&ecirc;ron &acirc;k f&ecirc;lo fon vs folk n&ecirc;i Lydas land
+gvngon. Th&aring;t ella h&ecirc;de wrocht, that tha h&ecirc;inde
+&aring;nd f&ecirc;re Kr&ecirc;kalanda far th&aring;t weld h&ecirc;re
+Moder vrl&ecirc;ren was. Th&ecirc;r h&ecirc;de T&uuml;nis vp
+r&ecirc;kned. Th&ecirc;rvmbe wilde hi th&ecirc;r en gode h&acirc;ve
+kjasa &aring;nd fon th&ecirc;r ut fara <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2707" href="#xd0e2707">82</a>]</span>rikka forsta f&acirc;ra, men
+thrvchdam sine fl&acirc;te &aring;nd sin folk sa wanh&acirc;ven
+utsagon, m&ecirc;ndon tha K&acirc;dh&ecirc;mer that hja r&acirc;wera
+w&ecirc;ron, &aring;nd th&ecirc;rvmbe wrdon hja vral w&ecirc;rath. Tha
+to tha lesta k&ecirc;mon hja an to Phonisivs k&acirc;d, that w&ecirc;re
+100 &aring;nd 93 j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e2709src" href=
+"#xd0e2709">2</a> n&ecirc;i <span class="corr" id="xd0e2712" title=
+"Bron: &acirc;tland">&Acirc;tland</span> svnken is. N&ecirc;i bi
+th&ecirc;re k&acirc;d fvndon hja en &ecirc;land mith twam diapa slinka,
+alsa-t as thrju &ecirc;landa utsach. Vppet midloste th&ecirc;ra staldon
+hja hjara skula vp, &aring;ftern&ecirc;i bvwadon hja th&ecirc;r en
+burchwal om to. As hja th&ecirc;ran nw en n&ocirc;me j&ecirc;va wilde,
+wrdon hja vn&ecirc;nes, svme wild-et Fryasburch h&ecirc;ta, &ocirc;ra
+N&ecirc;f t&uuml;nia, men tha M&acirc;gjara &aring;nd tha Finna
+b&acirc;don th&aring;t skolde Thyrhisburch<a class="noteref" id=
+"xd0e2715src" href="#xd0e2715">3</a> h&ecirc;te. Thyr<a class="noteref"
+id="xd0e2718src" href="#xd0e2718">4</a> alsa h&ecirc;ton hja &ecirc;n
+hjarar drochtena &aring;nd vppe tham-is j&ecirc;rd&ecirc;i w&ecirc;ron
+hja th&ecirc;r land, to wither-jeld wildon hja T&uuml;nis &ecirc;vg as
+hjara k&aring;ning bik&aring;nne. T&uuml;nis l&ecirc;t im bil&ecirc;sa
+&aring;nd tha &ocirc;ra nildon th&ecirc;rvr n&ecirc;n orloch ne
+h&acirc;. Th&acirc; hja nw god s&acirc;ton, th&acirc; sandon hja svme
+alde stjvrar &aring;nd m&acirc;gjara ana w&acirc;l &aring;nd
+forthn&ecirc;i th&ecirc;re burch Sydon, men that forma nildon tha
+K&acirc;dh&ecirc;mar nawet fon-ra n&ecirc;ta. Thv bist
+f&ecirc;rh&ecirc;manda sw&aring;rvar s&ecirc;idon hja, th&ecirc;r wi
+navt hachta ne m&uuml;ge. Tha th&acirc; wi hjam fon vsa ysera
+w&ecirc;pne vrsella wilde, gvng to lersta ella god, &acirc;k
+w&ecirc;ron hja s&ecirc;r ny n&ecirc;i vsa b&aring;rnst&ecirc;num
+&aring;nd th&aring;t fr&ecirc;ja th&ecirc;r n&ecirc;i nam n&ecirc;n
+ende. Men T&uuml;nis th&ecirc;r f&aring;rsjande w&ecirc;re, b&aring;rde
+that er n&ecirc;n ysere w&ecirc;pne ner b&aring;rnst&ecirc;ne m&acirc;r
+h&ecirc;de. Th&acirc; k&ecirc;mon tha k&acirc;pljvd &aring;nd
+b&acirc;don hi skolde twintich sk&ecirc;pa j&ecirc;va, th&ecirc;r hja
+alle mith-a finneste w&ecirc;rum tho hr&ecirc;da wilde, &aring;nd hja
+wildon him alsa f&ecirc;lo ljvda to rojar j&ecirc;va as-er j&ecirc;rde.
+Tw&ecirc;-lif sk&ecirc;pa l&ecirc;t-i-to hr&ecirc;da mith win hvning
+&aring;nd tom&acirc;kad l&ecirc;ther, th&ecirc;r bi w&ecirc;ron
+t&aring;mar &aring;nd sitlun mith gold wrt&ecirc;in sa m&aring;n hja
+ninmer n&ecirc;de sjan. Mith al thi sk&aring;t fyl T&uuml;nis
+th&aring;t Flymar binna. Thi gr&ecirc;vaman fon Westflyland w&aring;rth
+thrvch al thessa thinga big&acirc;stered, hi <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2721" href="#xd0e2721">84</a>]</span>wrochte that T&uuml;nis bi
+th&ecirc;re mvde fon-t Flymar en loge bvwa m&acirc;chte,
+&aring;ftern&ecirc;i is thju st&ecirc;d Almanaland<a class="noteref"
+id="xd0e2723src" href="#xd0e2723">5</a> heten &aring;nd tha mark
+th&ecirc;r hja <span class="corr" id="xd0e2726" title="Bron:
+&aring;fternei">&aring;ftern&ecirc;i</span> to Wyringg&acirc;<a class=
+"noteref" id="xd0e2729src" href="#xd0e2729">6</a> vp wandelja machton
+tol&ecirc;tmark. Thju Moder r&ecirc;de that wi ra ella vrk&acirc;pja
+skolde buta ysere w&ecirc;pne, men m&aring;n ne melde hja navt.
+Th&acirc; tha Tyrjar thus fry spel h&ecirc;don, k&ecirc;mon hja
+&acirc;lan wither to farand vsa w&ecirc;ron s&acirc; h&ecirc;inde as
+f&ecirc;re vsa ajn s&ecirc;k&aring;mpar to sk&acirc;dne.
+Th&ecirc;r&aring;fter is bisloten vpper m&ecirc;na acht, j&ecirc;rlikes
+sjvgun Thyrjar sk&ecirc;pa to to l&ecirc;tane &aring;nd navt mar.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2702src" id="xd0e2702">1</a></span> K&acirc;dik, Cadix.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2709src" id="xd0e2709">2</a></span> 2193 - 193 = 2000 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2715src" id="xd0e2715">3</a></span> Thyrhisburch, Tyrus.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2718src" id="xd0e2718">4</a></span> Thyr, de zoon van Odin.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2723src" id="xd0e2723">5</a></span> Almanaland, Ameland.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2729src" id="xd0e2729">6</a></span> <span class="corr" id=
+"xd0e2730" title="Bron: Wyring&acirc;">Wyringg&acirc;</span>,
+Wieringen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2734" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hwat th&ecirc;r of wrden is.</h2>
+
+<p>Inner northlikste herne fon tha Middels&ecirc;, th&ecirc;r
+l&ecirc;id en &ecirc;land by th&ecirc;re k&acirc;d. Nw k&ecirc;mon hja
+th&aring;t a k&acirc;p to fr&ecirc;jande. Th&ecirc;rvr w&aring;rth ene
+m&ecirc;na acht bil&ecirc;id. Moder-is r&ecirc;d w&aring;rth wnnen, men
+Moder sach ra lyast f&ecirc;r of. Th&ecirc;rvmbe m&ecirc;nde hju that
+er n&ecirc;n kw&acirc; an stek, thach as wi &aring;ftern&ecirc;i
+s&acirc;gon ho wi misd&ecirc;n h&ecirc;de h&aring;von wi th&aring;t
+&ecirc;land Missellja<a class="noteref" id="xd0e2739src" href=
+"#xd0e2739">1</a> h&ecirc;ten. Hir&aring;fter skil blika ho wi
+th&ecirc;r to r&ecirc;de h&ecirc;de. Tha Gola,<a class="noteref" id=
+"xd0e2742src" href="#xd0e2742">2</a> alsa heton tha s&aring;ndalinga
+prestera Sydon-is<span class="corr" id="xd0e2745" title="Bron:
+.">,</span> tha Gola h&ecirc;don wel sjan thet et land th&ecirc;r
+skares bifolkad was &aring;nd f&ecirc;r fon th&ecirc;re Moder
+w&ecirc;re. Vmb ira selva nw en gode skin to j&ecirc;vane, l&ecirc;ton
+hja ra selva in vsa t&acirc;l ana trowe wydena h&ecirc;ta, men that
+w&ecirc;re b&ecirc;tre w&ecirc;st, as hja ra selva fon th&ecirc;re
+trowe wendena n&ocirc;math h&ecirc;de, jefta kirt wei trjuwendne lik
+vsa stjurar l&ecirc;ter d&ecirc;n h&aring;ve. Th&acirc; hja wel
+s&ecirc;ton w&ecirc;ron, tha wandeldon hjara k&acirc;pljuda sk&ecirc;ne
+k&acirc;pre w&ecirc;pne &aring;nd allerl&ecirc;ja syrh&ecirc;don to
+fara vsa ysere w&ecirc;pne &aring;nd wilde djara huda, w&ecirc;rfon in
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2748" href=
+"#xd0e2748">86</a>]</span>vsa suder landa f&ecirc;lo to bikvma
+w&ecirc;ron. Men tha Gola fyradon allerh&acirc;na wla drochtenlika
+f&ecirc;rsta &acirc;nd to tyadon tha kadh&ecirc;mar th&ecirc;ra thrvch
+todvan hjarar horiga mangh&ecirc;rtne &aring;nd tha sw&ecirc;t
+h&ecirc;d fon hjara fininnige win. Was th&ecirc;r hwa fon vs folk
+th&ecirc;r-et alsa &aring;rg vrbrud h&ecirc;de, that sin lif in
+fr&ecirc;se k&ecirc;m, than l&ecirc;nadon tha gola him hul &aring;nd
+foradon him n&ecirc;i Phonisia, that is palmland. Was hi th&ecirc;r
+s&ecirc;ten, th&aring;n most-i an sina sibba &aring;nd &acirc;tha
+skriwa, that-et land s&acirc; god w&ecirc;re &acirc;nd tha
+m&aring;nniska s&acirc; luklik, as ninm&aring;n hin selva mocht
+forbylde. A Brittannja w&ecirc;ron rju f&ecirc;lo manna, tha lith wiva,
+th&acirc; tha Gola that wiston, l&ecirc;ton hja alw&ecirc;is
+mangh&ecirc;rtne sk&acirc;ka &aring;nd thessa javon hja tha Britne vmb
+nawet. Thach al thissa mangh&ecirc;rtne <span class="corr" id=
+"xd0e2750" title="Bron: weron">w&ecirc;ron</span> hjara thjansterum,
+th&ecirc;r tha bern fon Wr&acirc;lda stolon vmb-ar an hjara falske
+drochtne to j&ecirc;vane.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2739src" id="xd0e2739">1</a></span> Missellja, Marseille.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2742src" id="xd0e2742">2</a></span> Gola, Galli, Gaulois.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2753" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nw willath wi skriwa vr tha orloch th&ecirc;ra
+burchfamna Kalta and Min-erva</h2>
+
+<p>And ho wi th&ecirc;r thrvch al vsa s&ucirc;derlanda &aring;nd
+Brittanja anda Gola vrl&ecirc;ren h&aring;ve.</p>
+
+<p>Bi th&ecirc;re S&ucirc;der-r&ecirc;n-mvda &aring;nd th&ecirc;re
+Skelda, th&ecirc;r send sjvgun &aring;landa, n&ocirc;math n&ecirc;i
+Fryas sjvgum w&acirc;kf&acirc;mkes there w&ecirc;k. Middel vppet
+&ecirc;ne &aring;land is thju burch<a class="noteref" id="xd0e2760src"
+href="#xd0e2760">1</a> Walhallag&acirc;ra, inut tha w&acirc;grum
+th&ecirc;ra is thju folgjande sk&ecirc;dnesse wr&icirc;ten. Th&ecirc;r
+bvppa st&ecirc;t: l&ecirc;s, l&ecirc;r &aring;nd w&acirc;k.</p>
+
+<p>563 j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e2765src" href=
+"#xd0e2765">2</a> n&ecirc;i &acirc;ldland svnken is, sat hir en wise
+burch f&acirc;m, Min-erva was hira n&ocirc;ma. Thrvch tha stjurar
+Nyhell&ecirc;nja ton&ocirc;math. This ton&ocirc;ma was god k&ecirc;ren,
+hwand tha r&ecirc;d, th&ecirc;r hju l&ecirc;nade, was ny &aring;nd hel
+bvppa alle &ocirc;therum. Overa Skelda et th&ecirc;re Flyburch sat
+Syrh&ecirc;d. Thjus f&acirc;m was fvl renka, sk&ecirc;n was r-anhlith
+&aring;nd kwik was <span class="pagenum">[<a id="xd0e2771" href=
+"#xd0e2771">88</a>]</span>hira tvnge, men thi r&ecirc;d th&ecirc;r hju
+jef, was immer in thjustere worde. Th&ecirc;r vmbe warth hju thrvch tha
+stjurar K&aring;lta h&ecirc;ten, tha lands&acirc;ta m&ecirc;nadon that
+et en &ecirc;rn&ocirc;ma w&ecirc;ra. Inna &ucirc;troste wille
+th&ecirc;re vrsturvene Moder stand R&ocirc;sa-mvda thet forma, Min-erva
+thet tw&ecirc;de &aring;nd Syrh&ecirc;d thet thredde as folgstere
+biskreven. Min-erva n&ecirc;de th&ecirc;r n&ecirc;n wit fon, men
+Syrh&ecirc;d was er thrvch knaked. Lik en wrlandeske forstinne wilde
+hju &ecirc;rath fr&ecirc;sath &aring;nd b&ecirc;den w&ecirc;sa, men
+Min-erva wilde enkel minth w&ecirc;sa. To tha lesta k&ecirc;mon alle
+stjurar hiri hjara held bjada, selva fon tha Dena-marka &aring;nd <span
+class="corr" id="xd0e2773" title="Bron: fon t">fon-t</span> Flymar.
+That vvnde Syrh&ecirc;d, hwand hju wilde bvppa Min-erva utminthja. Til
+thju m&aring;n en gr&ocirc;te th&aring;nk ovir hira w&acirc;kendum
+h&aring;va skolde, myk<a class="noteref" id="xd0e2776src" href=
+"#xd0e2776">3</a> hju ennen h&ocirc;na vpper f&acirc;ne. Th&acirc; gvng
+Min-erva to &aring;nd myk en h&aring;rder hvnd &aring;nd en nachtul in
+vppira f&acirc;ne. Thene hvnd s&ecirc;ide hju w&acirc;kt ovir sin
+h&ecirc;r &aring;nd ovira kidda &aring;nd thene nachtul w&acirc;kt
+ovira fjelda til thju hja thrvch tha musa navt vrd&ecirc;n ne wrde. Men
+thene h&ocirc;na neth far nimman frjundskip, &aring;nd thrvch sin
+vntocht &aring;nd h&acirc;chf&acirc;renh&ecirc;d is er vaken thene
+b&acirc;na sinra n&ecirc;ista sibba wrden. As Kalta sach that er
+w&aring;rk falikant ut k&ecirc;m, to gvng hju fon kwad to &aring;rger.
+Stolkes l&ecirc;t hju M&acirc;gjara to hiri kvma vmbe t&acirc;wery to
+l&acirc;rane. As hju th&ecirc;r hira nocht fon h&ecirc;de, werpte hju
+hira selva anda &aring;rma th&ecirc;ra Golum, thach fon al thi
+misd&ecirc;don ne macht hju navt b&ecirc;tre ne wrde. As hju sach that
+tha stjurar m&acirc;r &aring;nd m&acirc;r fon iri w&ecirc;ke, tha wilde
+hju ra thrvch fr&ecirc;se winna. Was tha m&ocirc;ne fvl &aring;nd thene
+s&ecirc; vnstumich, than hlip hju over et wilde hef, tha stjurar to
+hropande that hja alle skolde vrg&acirc;n, sahwersa hja hiri navt
+anbidda nilde. Forth vrblinde hju hira &acirc;gun hw&ecirc;r thrvch hja
+w&ecirc;ter fori land &aring;nd land fori w&ecirc;ter hildon,
+th&ecirc;rthrvch is m&acirc;ni skip vrgvngen mith m&aring;n &aring;nd
+mus. Vppet forma w&ecirc;rf&ecirc;rste tha al hira lands&acirc;ta
+w&ecirc;pned w&ecirc;ron, l&ecirc;t hju b&aring;rga bjar sk&aring;nka,
+in th&aring;t bjar h&ecirc;de hju t&acirc;verdrank d&ecirc;n. As et
+folk nv alg&acirc;dur <span class="pagenum">[<a id="xd0e2779" href=
+"#xd0e2779">90</a>]</span>drunken w&ecirc;re, gvng hju bvppen vp hira
+stridhros standa, to l&ecirc;nande mith hira hole tojenst hira
+sp&ecirc;ri, m&ocirc;rner&acirc;d ne kv navt sk&ecirc;ner. Tha hja sach
+that alle &ocirc;gon vpper f&aring;stigath w&ecirc;ron &ecirc;pende hju
+hira w&ecirc;ra &aring;nd k&ecirc;th, svnum &aring;nd thogatrum Fryas,
+i w&ecirc;t wel that wi inna lerste tyd f&ucirc;l lek &aring;nd brek
+l&ecirc;den h&aring;ve, thrvchdam tha stjurar navt l&ocirc;nger kvme
+vmb vs skriffilt to vrsella, men i n&ecirc;te navt hw&ecirc;rthrvch et
+kvmen is. L&ocirc;ng h&aring;v ik my th&ecirc;r vr inhalden, thach nv
+k&aring;n-k-e tnavt l&ocirc;nger &ocirc;n. Hark then frjunda til thju i
+w&ecirc;ta m&uuml;ge hw&ecirc;rn&ecirc;i i bita m&ecirc;i. Anda
+&ocirc;ra syde th&ecirc;re Skelda hw&ecirc;r hja tomet tha f&ecirc;rt
+fon alle s&ecirc;a h&aring;ve, th&ecirc;r m&acirc;kath hja hjvd
+d&ecirc;gon skriffilt fon pompa bl&ecirc;dar, th&ecirc;r mith sparath
+hja linnent ut &aring;nd k&aring;nnath hja vs wel miste. N&ecirc;idam
+th&aring;t skriffilt m&acirc;kja nv alti vs gr&acirc;teste bydriv
+w&ecirc;st is, s&acirc; heth thju Moder wilt that m&aring;n et vs
+l&ecirc;ra skolde. Men Minerva heth al et folk bihexnath, jes bihexnath
+frjunda, ivin as al vs fja th&aring;t l&aring;sten sturven is. Er-ut
+mot-et, ik wil thi tella, nas-k n&ecirc;n burchf&acirc;m ik skold et
+wel w&ecirc;ta, ik skolde thju hex in hjara nest vrbarne. Th&acirc; hju
+thi lerste worda ut h&ecirc;de, spode hju hira selva n&ecirc;i hira
+burch tha, men th&aring;t vrdrvnken folk was althus d&ecirc;nera
+big&acirc;stered, that et vr sin r&ecirc;de navt mocht to w&acirc;kane.
+In dvl-dryste iver gvngon hja overa Sand fal &aring;nd n&ecirc;idam
+nacht midlerwil del str&ecirc;k gvngon hja evin drist vpper burch
+l&ocirc;s<span class="corr" id="xd0e2781" title="Bron: ,">.</span>
+Thach K&aring;lta miste al hwither hira dol, hwand Minerva &aring;nd
+hira f&acirc;mna &aring;nd tha foddik wrdon alle thrvch tha r&aring;ppa
+stjurar hreth.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2760src" id="xd0e2760">1</a></span> Middelburg.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2765src" id="xd0e2765">2</a></span> 2193 - 563 = <span class=
+"corr" id="xd0e2767" title="Bron: 1600">1630</span> v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2776src" id="xd0e2776">3</a></span> Myk wordt nog op Walcheren
+gehoord.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2784" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hirby kvmth tha sk&ecirc;dnesse fon Jon.</h2>
+
+<p>Jon, J&ocirc;n, Jhon &aring;nd J&acirc;n is al &ecirc;n mith
+j&ecirc;ven, thach thet l&ecirc;it anda utspr&ecirc;k th&ecirc;ra
+stjurar, th&ecirc;r thrvch wenh&ecirc;d ellas bikirta vmbit f&acirc;ra
+&aring;nd hard hropa to mvgane. Jon th&aring;t is j&ecirc;va was
+s&ecirc;k&ecirc;ning, bern to-t-Alderg&acirc;, to-t Flymar ut <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2789" href=
+"#xd0e2789">92</a>]</span>f&acirc;ren mith 100 &aring;nd 27
+sk&ecirc;pum, tohr&ecirc;th f&acirc;r en gr&ocirc;te butar&ecirc;is,
+rik to l&ecirc;den mith b&aring;rnst&ecirc;n, tin, k&acirc;per, yser,
+l&ecirc;ken, linnent, filt, f&acirc;mna filt fon otter, b&ecirc;ver
+&aring;nd kanina h&ecirc;r. Nw skold er fon hir jeta skriffilt mith
+nimma; tha to Jon hir k&ecirc;m &aring;nd sach ho K&aring;lta vsa rom
+rika burch vrd&ecirc;n h&ecirc;de, th&acirc; w&aring;rther s&acirc;
+uter m&ecirc;te heftich, that er mith al sinum ljudum vpper Flyburch of
+gvng &aring;nd th&ecirc;r to witterjeld thene r&acirc;da h&ocirc;ne an
+stek. Men thrvch sin skelta bi nacht &aring;nd svme sinra ljudum
+w&aring;rth thju foddik &aring;nd tha f&aring;mna hret. Tach
+Syrh&ecirc;d jefta K&aring;lta ne mochton hja navt to f&acirc;tane, hju
+klvwde vppa utroste tinne, jahweder tochte that hju inna logha omkvma
+moste, th&acirc; hwat b&ecirc;rde? Dahwile al hira ljuda st&aring;k
+&aring;nd stif fon skrik standon, k&ecirc;m hju sk&ecirc;ner as
+&acirc;-to fora vp hira kl&ecirc;ppar to hropande n&ecirc;i K&aring;lta
+min-&acirc;is<a class="noteref" id="xd0e2791src" href=
+"#xd0e2791">1</a><span class="corr" id="xd0e2793" title="Niet in
+bron">.</span> Th&acirc; str&acirc;mada th&aring;t ora Skelde folk to
+h&acirc;pa. As tha stjurar that s&acirc;gon hripon hja f&acirc;r
+Minerva wy. En orloch is th&ecirc;rut kvmen, hw&ecirc;rthrvch thvsande
+fallen send.</p>
+
+<p>Under thesse tidon was R&ocirc;samond th&aring;t is R&ocirc;sa mvda
+Moder, hju h&ecirc;de f&ucirc;l in th&ecirc;re minne d&ecirc;n vmbe
+fr&ecirc;tho to w&acirc;rja, tach nw-t alsa &aring;rg k&ecirc;m, myk
+hju kirte m&ecirc;te. Bistonda sand hju bodun thrvch tha land
+p&acirc;la &aring;nd l&ecirc;t en m&ecirc;na n&ecirc;dban
+utk&egrave;tha, th&acirc; k&ecirc;mon th&acirc; landw&ecirc;rar ut alle
+wrda w&ecirc;i. Th&aring;t strydande land folk w&aring;rth al fat, men
+Jon burch hin selva mith sin ljud vppa sina fl&acirc;te, mith nimand
+b&ecirc;da tha foddika, byonka Minerva &aring;nd tha f&acirc;mna fon
+b&ecirc;dar burchum. Helprik thene h&ecirc;rman l&ecirc;t-im in banna,
+men tha hwila alle w&ecirc;rar jeta o-ra Skelda w&ecirc;ron for Jon to
+bek n&ecirc;i-t Flymar &aring;nd forth wither n&ecirc;i vsa
+&aring;landum. Sin ljud &aring;nd f&ecirc;lo fon vs folk namon wif
+&aring;nd bern sk&ecirc;p, &aring;nd as Jon nw sach that m&aring;n hin
+&aring;nd sin ljud lik misd&ecirc;dar strafja wilde, brudon hi stolkes
+hinne. Hi d&ecirc;de rjucht, hwand al vsa landar &aring;nd allet ora
+Skelda folk th&ecirc;r fjuchten h&ecirc;don <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2801" href="#xd0e2801">94</a>]</span>wrdon n&ecirc;i Brittanja
+brocht. Thius stap was mis d&ecirc;n, hwand nv k&ecirc;m t-anfang fon
+th&aring;t ende:</p>
+
+<p>K&aring;lta th&ecirc;r n&ecirc;i-t segse &ecirc;ven blyd vppet
+w&ecirc;ter as vppet land hl&acirc;pa machte, gvng n&ecirc;i tha
+f&aring;sta wal, &aring;nd forth vppa Missellja of. Th&acirc;
+k&ecirc;mon tha Gola mith hjara skepum ut-a Middels&ecirc; K&acirc;dik
+bif&acirc;ra &aring;nd &ecirc;l vs uter land, forth fylon hja vp
+&aring;nd over Brittannja thach hja ne mochton th&ecirc;r n&ecirc;n
+f&aring;sta fot ne kr&ecirc;ja, vmbe th&aring;t tha sjvrda weldich
+&aring;nd tha bannalinga jeta fryas w&ecirc;ron. Men nw k&ecirc;m
+K&aring;lta &aring;nd k&ecirc;th, thv bist fry bern &aring;nd vmbe
+litha l&ecirc;ka heth m&aring;n thi to vrwurpene m&acirc;kad, navt vmbe
+thi to b&ecirc;terja, men vmbe tin to winnande thrvch thina handa.
+Wilst w&ecirc;r fry w&ecirc;sa &aring;nd vnder mina r&ecirc;d &aring;nd
+hoda l&ecirc;va, tj&aring;n ut then, w&ecirc;pne skilun thi wrda,
+&aring;nd ik skil w&acirc;ka o-er thi. Lik blixen fjur gvng et o-era
+&aring;landa, &aring;nd &ecirc;r thes Kroders jol &ecirc;nis
+omhl&acirc;pen h&ecirc;de, was hju m&acirc;sterinne over al gadur
+&aring;nd tha Thyrjar fon al vsa suder st&acirc;ta til th&ecirc;re
+S&ecirc;jene.<a class="noteref" id="xd0e2805src" href="#xd0e2805">2</a>
+Vmbe that K&aring;lta hira selva navt to f&uuml;l bitrowada, l&ecirc;t
+hju in-et northlika berchland &ecirc;ne burch bvwa K&aring;lta-s burch
+w&aring;rth hju h&ecirc;ten, hju is jet anw&ecirc;sa, men nv h&ecirc;t
+hja K&ecirc;ren-&aring;k. Fon thjus burch welde hju lik en efte moder,
+navt to wille f&acirc;r men over hira folgar &aring;nd tham hjara selva
+forth K&aring;ltana<a class="noteref" id="xd0e2808src" href=
+"#xd0e2808">3</a> h&ecirc;ton. Men tha Gola weldon by gr&acirc;don over
+&ecirc;l Brittanja, th&aring;t k&ecirc;m &ecirc;nis d&ecirc;lis that
+hju n&ecirc;n m&acirc;r burga n&ecirc;de, twyas that hju th&ecirc;r
+n&ecirc;n burchf&acirc;mna n&ecirc;de &aring;nd thryas thrvchdam hju
+n&ecirc;n efte foddik navt n&ecirc;de. Thrvch al thessa
+&ecirc;rs&ecirc;ka kvn hira folk navt ni l&ecirc;ra, th&aring;t wrde
+dvm &aring;nd dor &aring;nd wrde endelik thrvch tha Gola fon al hira
+ysera w&ecirc;pne bir&acirc;wath &aring;nd to th&aring;t lesta lik en
+buhl by th&ecirc;re n&ocirc;se omme l&ecirc;id. <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2813" href="#xd0e2813">96</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2791src" id="xd0e2791">1</a></span> K&acirc;lta Min-his,
+Minnesdochter?</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2805src" id="xd0e2805">2</a></span> S&ecirc;jene, de Seine.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2808src" id="xd0e2808">3</a></span> <span class="corr" id=
+"xd0e2809" title="Bron: K&acirc;ltana">K&aring;ltana</span>,
+Celtae.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2815" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nv willath wi skriva ho-t Jon vrgvngen is, thit
+st&ecirc;t to Texland skr&ecirc;ven.</h2>
+
+<p>10 j&ecirc;r &aring;fter Jon w&ecirc;i brit was, k&ecirc;mon hyr
+thrju sk&ecirc;pa in-t Flymar falla, th&aring;t folk hrip
+ho-n-s&ecirc;jen, fon hira t&aring;linga heth thju Moder thit skrywa
+l&ecirc;ten. Th&acirc; Jon antha Middels&ecirc; k&ecirc;m was then
+m&acirc;ra th&ecirc;ra Gola hin vral f&acirc;r ut gvngen, alsa hi an
+th&ecirc;ri k&acirc;d fon tha h&ecirc;inda Kr&ecirc;kalanda n&aring;rne
+f&ecirc;lich n&ecirc;re. Hi st&ecirc;k thus mith sinum fl&acirc;te
+n&ecirc;i Lydia, th&aring;t is Lyda his l&acirc;nd, th&ecirc;r wildon
+tha swarta m&aring;nniska f&acirc;ta hjam &aring;nd &ecirc;ta. To tha
+lesta k&ecirc;mon hja et Thyrhis, men Minerva s&ecirc;ide hald of,
+hwand hir is thju loft &ocirc;langne vrpest thrvch tha prestera. Thi
+k&aring;ning was fon T&uuml;nis ofstamed, s&acirc; wi l&ecirc;ter
+h&ecirc;rdon, men til thju tha prestera en k&aring;ning wilde
+h&aring;ve th&ecirc;r alderlangne n&ecirc;i hjara bigrip w&ecirc;re,
+alsa h&ecirc;de hja T&uuml;nis to en gode up h&ecirc;jad, to
+&aring;rgnisse sinra folgar. As hja nv Thyr &aring;fter bek w&ecirc;re,
+k&ecirc;mon, tha Thyriar en skip uta &aring;fte hoda r&acirc;wa,
+n&ecirc;idam th&aring;t skip to f&ecirc;r was, kvndon wi-t navt wither
+wina, men Jon swor wr&ecirc;ka th&ecirc;rvr. Tha nacht k&ecirc;m
+k&ecirc;rde Jon n&ecirc;i tha f&ecirc;re Kr&ecirc;kalandum, to lesten
+k&ecirc;mon hja by en land th&aring;t bjustre skryl ut sa, men hja
+fondon th&ecirc;r en havesmvda. Hir s&ecirc;ide Minerva skil by skin
+n&ecirc;n fr&ecirc;se to fara forstum nach presterum n&ecirc;dich
+w&ecirc;sa, n&ecirc;idam hja algadur feta etta minna, thach th&acirc;
+hja inner have hlipon fonth m&aring;n hja navt rum noch vmbe alle
+sk&ecirc;pa to bisl&ucirc;ta, &aring;nd thach w&ecirc;ron m&ecirc;st
+alle to l&aring;f vmbe wider to gane. Alsa gvng Jon th&ecirc;r forth
+wilde mith sin sp&ecirc;r &aring;nd f&ocirc;ne th&aring;t jongk folk to
+hropande, hwa willinglik bi-m sk&acirc;ra wilde. Minerva th&ecirc;r
+biliwa wilde d&ecirc;de alsa. Th&aring;t gr&acirc;teste d&ecirc;l gvng
+n&ecirc;i Minerva, men tha jonggoste stjurar gvngon by Jon. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2820" href="#xd0e2820">98</a>]</span>Jon
+nam th&ecirc;re foddik fon K&aring;lta &aring;nd hira f&acirc;mna
+mitha, &aring;nd Minerva hild hira ajn foddik &aring;nd hira ajn
+f&acirc;mna.</p>
+
+<p>Bitwiska tha f&ecirc;rum &aring;nd heinda Kr&ecirc;kalandum fand Jon
+svma &ecirc;landa th&ecirc;r im likte, vppet gr&acirc;teste gvng-er
+inna tha walda twisk th&aring;t berchta en burch bvwa. Fon uta litha
+&ecirc;landa gvng-er ut wr&ecirc;ka tha Thyrjar sk&ecirc;pa &aring;nd
+landa bir&acirc;wa, th&ecirc;rvmbe send tha &ecirc;landa evin blyd
+R&acirc;wer &ecirc;landa, as Jonhis &ecirc;landa<a class="noteref" id=
+"xd0e2824src" href="#xd0e2824">1</a> h&ecirc;ten.</p>
+
+<p>Tha Minerva th&aring;t land bisjan h&ecirc;de, th&aring;t thrvch tha
+inh&ecirc;mar Attika is h&ecirc;ten, sach hju that th&aring;t folk al
+j&ecirc;ita hoder w&ecirc;ron, hja hildon hjara lif mith flesk,
+kr&ucirc;dum, wilde wotelum &aring;nd hvning. Hja w&ecirc;ron mith
+felum tekad &aring;nd hju h&ecirc;don hjara skula vppa hellinga
+th&ecirc;ra bergum. Th&ecirc;rthrvch send hja thrvch vs folk Hellinggar
+h&ecirc;ten.</p>
+
+<p>Th&aring;t forma gvngon hja vppa run, tha as hja s&acirc;gon that wi
+navt ne t&acirc;ldon n&ecirc;i hjara sk&aring;t, th&acirc; k&ecirc;mon
+hja tobek &aring;nd l&ecirc;ton gr&acirc;te &acirc;tskip blika. Minerva
+fr&ecirc;jde jef wi vs in th&ecirc;re minna machte nither setta. That
+wrde to staden vnder biding that wi skolde helpa hjam with hjara
+swetsar to stridande, th&ecirc;r alan k&ecirc;mon hjara bern to
+sk&acirc;kana &aring;nd hjara sk&acirc;t to r&acirc;wana. Th&acirc;
+bvwadon wi &ecirc;ne burch arhalf p&acirc;l fon th&ecirc;r have. Vppa
+r&ecirc;d Minervas w&aring;rth hju Athenia<a class="noteref" id=
+"xd0e2831src" href="#xd0e2831">2</a> heten: hwand s&ecirc;ide hju, tha
+&aring;fter kvmand agon to w&ecirc;tane, that wi hir navt thrvch lest
+ner weld kvmen send, men lik &acirc;tha vntfongen. Dahwile wi an
+th&ecirc;re burch wrochton k&ecirc;mon tha forsta, as hja hja nv sagon
+that wi n&ecirc;n slavona h&ecirc;de, sind er sok navt, &aring;nd
+l&ecirc;ton-t an Minerva blika, til thju hja tochton that en forstene
+w&ecirc;re. Men Minerva fr&ecirc;ja, ho bist wel an thina sl&acirc;vona
+kvmen? Hja andere, svme h&aring;vath wi k&acirc;pad, &ocirc;ra anna
+strid wnnen. Minerva s&ecirc;ide, s&acirc;hwersa ninman m&aring;nneska
+k&acirc;pja nilda sa ne skolde ninman jvw bern r&acirc;wa &aring;nd i
+ne skolda <span class="pagenum">[<a id="xd0e2834" href=
+"#xd0e2834">100</a>]</span>th&ecirc;rvr n&ecirc;n orloch h&aring;ve,
+wilst thus vsa harlinga biliwa s&acirc; mot-i thina sl&acirc;vona fry
+l&ecirc;ta.</p>
+
+<p>That nv willath tha forsta navt, hja willath vs w&ecirc;i driwa. Men
+th&acirc; klokeste hjarar ljuda kvmath helpa vsa burch ta bvmande,
+th&ecirc;r wi nv fon st&ecirc;n m&acirc;kja.</p>
+
+<p>Thit is thju sk&ecirc;dnesse fon Jon &aring;nd Minerva.</p>
+
+<p>As hja that nw ella tellad h&ecirc;de, fr&ecirc;jath hja mith
+&ecirc;rbjadenesse vm yrsene burchw&ecirc;pne, hwand s&ecirc;idon hja
+vsa l&ecirc;tha send weldich, tha sa wi efta w&acirc;pne h&aring;ve,
+skillon wi ra wel wither worda. As hju th&ecirc;ran to stemad
+h&ecirc;de, fr&ecirc;jath tha ljuda jef tha Fryas s&ecirc;da to Athenia
+&aring;nd tha &ocirc;ra <span class="corr" id="xd0e2842" title="Bron:
+Krekalanda">Kr&ecirc;kalanda</span> bloja skolde, thju Moder andere,
+jef tha f&ecirc;re Kr&ecirc;kalanda to tha erva Fryas h&ecirc;ra, alsa
+skilum hja th&ecirc;r bloja, ne h&ecirc;rath hja navt th&ecirc;r to,
+alsa skil th&ecirc;r lang over k&aring;mpad wrda mote, hwand thene
+kroder skil jeva fifthusand j&ecirc;r mith sin Jol ommehl&acirc;pa,
+bifara th&aring;t Findas folk rip to f&acirc;ra frydom sy.<a class=
+"noteref" id="xd0e2845src" href="#xd0e2845">3</a></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2824src" id="xd0e2824">1</a></span> Jonhis &ecirc;landa, Insulae
+Joniae, Insulae piratarum.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2831src" id="xd0e2831">2</a></span> Athenia, Athene.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2845src" id="xd0e2845">3</a></span> Vervolg hier het verhaal van
+bl. 48&ndash;56.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2848" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit is over tha G&ecirc;rtmanna.</h2>
+
+<p>Th&acirc; Hell&ecirc;nja jefta Minerva sturven was, tha
+b&acirc;radon tha prestera as jef hja mith vs w&ecirc;ron, til thju
+that hel blika skolde havon hja Hell&ecirc;nia to-ne godene ute
+k&ecirc;th. Ak nildon hja n&ecirc;ne ore Moder kjasa l&ecirc;ta, to
+segande, hja h&ecirc;de fr&ecirc;se that er emong hira f&acirc;mna
+nimman w&ecirc;re, th&ecirc;r hja sa god kvnde trowa as Minerva
+th&ecirc;r Nyhell&ecirc;nia tonomt was. Men wi nildon Minerva navt as
+&ecirc;ne godene navt bik&aring;nna, n&ecirc;idam hja selva seid
+h&ecirc;de that nimman god jefta fvlkvma w&ecirc;sa ne kvnde th&aring;n
+Wr.aldas g&acirc;st. Th&ecirc;rumbe k&ecirc;ron wi G&ecirc;rt Pire his
+toghater to vsa Moder ut.</p>
+
+<p>As tha prestera sagon that hja hjara hering navt vp vsa fjvr
+br&ecirc;da ne mochton, th&acirc; gvngon hja buta Athenia &aring;nd
+s&ecirc;idon that wi <span class="pagenum">[<a id="xd0e2855" href=
+"#xd0e2855">102</a>]</span>Minerva navt to-ne godene bik&aring;na nilda
+ut nyd, vmbe that hju tha inh&ecirc;mar s&acirc; f&ucirc;l ljafde
+biw&ecirc;sen hede. Forth javon hja that folk byldnisse fon hira
+liknese, tj&ucirc;gande that hja th&ecirc;rlan ella fr&ecirc;ja machte
+alsa naka hja h&ecirc;roch bilewon. Thrvch al thissa tellinga warth
+th&aring;t dvma folk fon vs ofk&ecirc;rad &aring;nd to tha lesta fylon
+hja vs to lif. Men wi h&ecirc;don vsa st&ecirc;ne burchwal mith twam
+hornum om t&ecirc;jen al to tha s&ecirc;. Hja ne machton vs thervmbe
+navt n&acirc;ka. Thach hwat b&ecirc;rde, an &Ecirc;giptalanda
+th&ecirc;r w&ecirc;re en overprester, hel fon &acirc;gnum, kl&acirc;r
+fon bryn &aring;nd licht fon g&acirc;st, sin n&acirc;m w&ecirc;re
+S&ecirc;krops,<a class="noteref" id="xd0e2857src" href=
+"#xd0e2857">1</a> hy k&ecirc;m vmb r&ecirc;d to j&ecirc;vane. As
+S&ecirc;krops sach that er mith sinum ljuda vsa wal navt biranna ne kv,
+th&acirc; sand hi bodon n&ecirc;i Thyrhis. Aftern&ecirc;i k&ecirc;mon
+er thrja hvndred skipun fvl salt-&acirc;tha fon tha wilde berchfolkum
+vnwarlinga, vsa h&acirc;va bif&acirc;ra, dahwila wy mith alle mannum
+vppa wallum to strydande w&ecirc;ron.</p>
+
+<p>Dr&ecirc;i as hja thju h&acirc;va innomth h&ecirc;de wildon tha
+wilda salt-&acirc;tha th&aring;t thorp &aring;nd vsa skipa
+bir&acirc;wa. &Ecirc;n salt-&acirc;the h&ecirc;de al en bukja
+sk&aring;nd, men S&ecirc;krops wilde th&aring;t navt ne h&aring;ngja,
+&aring;nd tha Thyrjar stjurar th&ecirc;r jeta Fryas blod int lif
+h&ecirc;de s&ecirc;idon, aste that d&ecirc;iste s&acirc; skilun wi tha
+r&acirc;de h&ocirc;ne in vsa skypa st&ecirc;ka &aring;nd thv ne skilst
+thina berga na withera-sja. S&ecirc;krops tham navt ne hilde ni fon
+morthja nor fon hommelja, sand bodon n&ecirc;i G&ecirc;rt vmbir tha
+burch of to askja, hju macht frya uttochte h&acirc; mith al hira
+drywande &aring;nd b&ecirc;rande h&acirc;va, hira folgar alsa f&uuml;l.
+Tha wista th&ecirc;ra burchh&ecirc;rum &ecirc;l god sjande th&aring;t
+hja tha burch navt h&acirc;lda ne kvnde, r&ecirc;den G&ecirc;rt hja
+skolde gaw to bitta, bi fira S&ecirc;krops wodin wrde &aring;nd overs
+bigvnde, thr&ecirc; m&ocirc;natha &aring;fter br&ucirc;de G&ecirc;rt
+hinne mith tha alder besta Fryas bern &aring;nd sjugum wara twilf
+skypum. Th&acirc; hja en st&ucirc;t buta th&ecirc;re have w&ecirc;ron
+k&ecirc;mon th&ecirc;r wel thritich sk&ecirc;pun fon Thyrhis mit wif
+&aring;nd bern. Hja wilde n&ecirc;i Ath&ecirc;nia g&acirc;, tha as hja
+h&ecirc;rdon ha-t th&ecirc;r esk&ecirc;pen stande gvngon hja mit
+G&ecirc;rt. Thi w&ecirc;tking th&ecirc;ra <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2862" href="#xd0e2862">104</a>]</span>Thyrjar brocht algadur
+thrvch tha str&ecirc;te<a class="noteref" id="xd0e2864src" href=
+"#xd0e2864">2</a> th&ecirc;r vnder thisse tida vppa tha r&acirc;de
+s&ecirc; uthlip. Et leste l&acirc;ndon hja et Pangab, that is in vsa
+spr&ecirc;ke fif w&ecirc;tervm, vmbe that fif rinstr&acirc;ma mith hiri
+n&ecirc;i tha s&ecirc; to str&acirc;me. Hyr seton hja hjara selva
+nithar. That l&aring;nd h&aring;von hja G&ecirc;rtmannja h&ecirc;ton.
+Thene k&ecirc;ning fon Thyrhis &aring;ftern&ecirc;i sjande that sin
+alderbesta stjurar wei brit w&ecirc;ren sand al sin skipa mith sina
+wilde salt&acirc;tha vmb-er d&acirc;d jefta l&ecirc;vand to
+f&acirc;tane. Men as hj&aring; by th&ecirc;re str&ecirc;te k&ecirc;m
+b&ecirc;vadon b&ecirc;de s&ecirc; &aring;nd irtha. Forth h&ecirc;f
+irtha hira lif th&ecirc;r vppa, s&acirc; h&acirc;g that al et
+w&ecirc;ter to th&ecirc;re str&ecirc;te uthlip, &aring;nd that alle
+wata &aring;nd skorra lik en burchwal to f&acirc;ra hjam vp
+r&ecirc;son. That sk&ecirc;de over tha G&ecirc;rtmanna hjara d&uuml;gda
+lik as allera mannalik hel &aring;nd kl&acirc;r m&ecirc;i sja.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2857src" id="xd0e2857">1</a></span> S&ecirc;krops, Cecrops.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2864src" id="xd0e2864">2</a></span> Str&ecirc;te, thans hersteld
+als Kanaal van Suez. Pangab, de Indus<span class="corr" id="xd0e2866"
+title="Bron: ,">.</span></p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2869" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">An tha j&ecirc;ra 1000 and 5<a class="noteref" id=
+"xd0e2872src" href="#xd0e2872">1</a> n&ecirc;i Aldland svnken is, is
+thit vpp-ina asterwach it Fryas burch writen.</h2>
+
+<p>N&ecirc;i that wi in twilif j&ecirc;r tid n&ecirc;n
+Kr&ecirc;kalandar to Almanl&acirc;nd sj&acirc;n h&ecirc;de, k&ecirc;mon
+th&ecirc;r thrju sk&ecirc;pa sa syrlik as wi n&ecirc;n h&ecirc;don
+&aring;nd to fara nimmer n&ecirc;de sjan. Vppet storoste th&ecirc;ra
+w&ecirc;re-n k&ecirc;ning th&ecirc;ra Jhonhis &ecirc;landum. Sin
+n&ocirc;me w&ecirc;re Ulysus &aring;nd tha hrop ovir sin wisdom
+gr&acirc;t. This k&ecirc;ning was thrvch &ecirc;ne presteresse
+fors&ecirc;id, that er k&ecirc;ning wertha skolde ovir alla
+Kr&ecirc;kalanda sa-r r&ecirc;d wiste vmbe-n foddik to kr&ecirc;jande,
+th&ecirc;r vpst&ecirc;ken was anda foddik it Texland. Vmbe-r to fensane
+h&ecirc;der f&ecirc;le sk&aring;ta mith brocht, boppa ella f&acirc;mne
+syrh&ecirc;dum, alsa th&ecirc;r in wralda navt sk&ecirc;nener
+m&acirc;kad wrde. Hja k&ecirc;mon fon Troja en stede tham tha
+Kr&ecirc;kalandar innimth h&ecirc;don. Al thissa sk&aring;ta b&acirc;d
+hi tha Moder an, men thju Moder nilde n&acirc;rne fon n&ecirc;ta. As er
+to lesta sa, that hju navt to winne w&ecirc;re, gvng er n&ecirc;i
+Walhallagara<a class="noteref" id="xd0e2877src" href=
+"#xd0e2877">2</a>.</p>
+
+<p>Th&ecirc;r was en f&acirc;m s&ecirc;ten, hjra n&ocirc;me w&ecirc;re
+K&acirc;t, tha <span class="pagenum">[<a id="xd0e2882" href=
+"#xd0e2882">106</a>]</span>inna wandel wrde hju Kalip<a class="noteref"
+id="xd0e2884src" href="#xd0e2884">3</a> h&ecirc;ten ut hawede that
+hjara vnderlip as en utkikbored farutst&aring;k. Th&ecirc;rby heth er
+j&ecirc;ron hwilth to &aring;rgenisse fon al tham et wiston. N&ecirc;i
+th&ecirc;ra f&acirc;mna hrop heth er to lesta en foddik fon hir
+kr&ecirc;jen, tha hja heth im navt ne b&acirc;t, hwand as er in
+s&ecirc; k&ecirc;m is sin skip vrgvngon &aring;nd hy n&acirc;ked
+&aring;nd bl&acirc;t vpnimth thrvch tha &ocirc;thera sk&ecirc;pa.</p>
+
+<p>Fon thisse k&ecirc;ning is hyr en skryver &aring;fterbil&ecirc;wen
+fon r&ecirc;n Fryas blod, b&aring;rn to th&ecirc;re n&ecirc;ie have fon
+Ath&ecirc;nia &aring;nd hwat hyr folgath het er vs fon ovir
+Ath&ecirc;nia skr&ecirc;ven, th&ecirc;rut m&ecirc;i m&aring;n bisluta,
+ho w&ecirc;r thja Moder Hel-licht sproken heth, th&acirc; hja
+s&ecirc;ide th&aring;t Fryas s&ecirc;da to Ath&ecirc;nia n&ecirc;n
+stand holde ne kvste.</p>
+
+<p>Fon tha &ocirc;thera Kr&ecirc;kalander hetste s&ecirc;kur f&uuml;l
+kw&acirc;d ovir S&ecirc;krops h&ecirc;red, hwand hi w&ecirc;re in
+n&ecirc;n gode hrop. Men ik d&acirc;r segse, hi w&ecirc;re-n lichte
+man, h&acirc;chlik romed alsa s&ecirc;r bi tha inh&ecirc;mar as wel bi
+vs, hwand hi w&ecirc;re navt vmbe tha m&aring;nniska to diapana sa tha
+&ocirc;ra prestera, men hi w&ecirc;re d&uuml;geds&ecirc;m &aring;nd hi
+wist tha wisdom th&ecirc;ra f&ecirc;rh&ecirc;manda folkum n&ecirc;i
+w&ecirc;rde to sk&aring;tande. Th&ecirc;rvmbe that er that wiste,
+h&ecirc;de-r vs to stonden that wi machte l&ecirc;va n&ecirc;i vs ajn
+&ecirc;lik S&ecirc;gabok. Th&ecirc;r gvng en telling that er vs nygen
+were, vmbe that er tjucht w&ecirc;sa skolde ut en Fryaske
+mang&ecirc;rte &aring;nd &Ecirc;giptiska prester, uthawede that er
+bl&acirc;we &acirc;ga h&ecirc;de, &aring;nd that er f&uuml;l
+mang&ecirc;rta fon vs sk&acirc;kt w&ecirc;ron &aring;nd in ovir
+Egiptalande vrsellath. Tha selva heth er nimmerte jecht. Ho-t
+th&ecirc;rm&ecirc;i sy, s&ecirc;kur is-t that er vs m&acirc;ra
+&acirc;thskip biw&ecirc;s as alle &ocirc;thera prestum to s&ecirc;mne.
+Men as er fallen was, gvngon sina n&ecirc;imanninga alring an vsa
+&ecirc;wa torena &aring;nd bi gr&acirc;dum sa f&ecirc;lo mislikanda
+k&ecirc;ra to m&acirc;kjande, that er to l&ocirc;nge lesta fon
+&ecirc;lik sa &aring;nd fon frydom ha navt &ocirc;wers as tha skin
+&aring;nd tha n&ocirc;me vrbil&ecirc;f. Forth nildon hja navt ne
+d&acirc;ja that-a setma an skrift brocht wrde, hwerthrvch tha witskip
+th&ecirc;ra far <span class="pagenum">[<a id="xd0e2894" href=
+"#xd0e2894">108</a>]</span>vs forborgen w&aring;rth. To f&acirc;ra
+wrdon alle s&ecirc;kum binna Ath&ecirc;nia in vsa t&acirc;l bithongon,
+&aring;ftern&ecirc;i most et in b&ecirc;da t&acirc;la sk&ecirc;n
+&aring;nd to lesta all&ecirc;na in tha landis tal. In tha &ecirc;rosta
+j&ecirc;ra nam that manfolk to Ath&ecirc;nia enkel wiva fon vs ajn
+slacht, men that jongkfolk vpwoxen mitha mang&ecirc;rta th&ecirc;r
+lands&acirc;ton namen th&ecirc;r &acirc;k fon. Tha b&acirc;stera bern
+tham th&ecirc;rof kemon w&ecirc;ron tha sk&ecirc;nsta &aring;nd snodsta
+in wralda, men hja w&ecirc;ron &acirc;k tha &aring;rgsta. To hinkande
+vr byde syda, to m&acirc;lande her vm s&ecirc;da ner vm pl&ecirc;ga,
+hit ne sy that et w&ecirc;re for hjara ajne held. Alsa n&acirc;ka
+th&ecirc;r jeta-n str&ecirc;l fon Fryas g&acirc;st weldande w&ecirc;re
+w&aring;rth al et bvwspul to m&ecirc;na werka forwrochten &aring;nd
+nimm&aring;n ne mocht en hus to bvwande, th&aring;t rumer &aring;nd
+riker w&ecirc;re as th&aring;t sinra n&ecirc;stum. Tha th&acirc; svme
+vrbastere st&ecirc;djar rik w&ecirc;ron thrvch vs f&acirc;ra &aring;nd
+thrvch et sulver, th&aring;t tha sl&acirc;vona uta sulverl&ocirc;na
+wnnon, th&acirc; gvngon hja buta vppa hellinga jefta inda d&ecirc;la
+h&ecirc;ma. Th&ecirc;r beftha h&acirc;ga wallum fon l&ocirc;f tha fon
+st&ecirc;n bvwadon hja hova mith kestlik husark, &aring;nd vmbe by tha
+wla prestrum in en goda hrop to w&ecirc;sande, st&aring;ldon hja
+th&ecirc;r falska drochten likanda &aring;nd vntuchtiga bilda in. By
+tha wla prestrum &aring;nd forstum wrdon tha kn&acirc;pa al tomet
+m&acirc;ra g&ecirc;rt as tha toghatera, &aring;nd f&acirc;ken thrvch
+rika jefta thrvch weld fon et pad th&ecirc;re d&uuml;ged ofhl&ecirc;id.
+N&ecirc;idam rikdom by th&aring;t vrbr&ucirc;de &aring;nd vrbasterde
+slachte f&ecirc;r bvppa d&uuml;ged &aring;nd &ecirc;re jelde, sach
+m&aring;n altomet kn&acirc;pa tham hjara selva mit r&ucirc;ma rika
+kl&acirc;tar syradon, hjara aldrum &aring;nd f&acirc;mna to
+sk&ocirc;nda &aring;nd hjara kvnna to spot. K&ecirc;mon vsa
+&ecirc;nfalda aldera to Ath&ecirc;nia vppe th&ecirc;re m&ecirc;na acht
+&aring;nd wildon hja th&ecirc;rvr b&acirc;ra, s&acirc; warth ther
+hropen, hark, hark, th&ecirc;r skil en s&ecirc;momma k&ecirc;tha. Alsa
+is Ath&ecirc;nia wrdon &ecirc;lik en brokland anda h&ecirc;te landa,
+fol blods&ucirc;gar, pogga &aring;nd feniniga sn&acirc;ka, hw&ecirc;rin
+n&ecirc;n m&aring;nniske fon herde s&ecirc;dum sin fot navt w&acirc;ga
+ne m&ecirc;i. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2896" href=
+"#xd0e2896">110</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2872src" id="xd0e2872">1</a></span> 2193 - 1005 = 1188 v.
+Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2877src" id="xd0e2877">2</a></span> Wallahagara, Walcheren.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2884src" id="xd0e2884">3</a></span> Kalip, bij Homerus
+Kalipso.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2898" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit stat in al vsa burga.</h2>
+
+<p>Ho vsa D&ecirc;namarka<a class="noteref" id="xd0e2903src" href=
+"#xd0e2903">1</a> f&acirc;ra vs vl&ecirc;ren gvngon 1600 &aring;nd 2
+j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e2906src" href="#xd0e2906">2</a>
+n&ecirc;i Aldland vrgongen is. Thrvch Wodins dor &aring;nd
+dertenh&ecirc;d was thene Magy b&acirc;s wrden ovir Sk&ecirc;nlandis
+astard&ecirc;l. Wra berga &aring;nd wr-n s&ecirc; ne tvrade hi navt ne
+kvma. Thju Moder wildet navt w&ecirc;rha, hja spr&ecirc;k &aring;nde
+k&ecirc;th, ik sja n&ecirc;n fr&ecirc;se an sina w&ecirc;pne, men wel
+vmbe tha Sk&ecirc;nlander w&ecirc;r to nimmande, thrvchdam hja bastered
+&aring;nd vrd&ecirc;ren sind. Vppa m&ecirc;na acht toch te man
+al&ecirc;n. Th&ecirc;rvmbe is-t im l&ecirc;ten. Gr&acirc;t 100
+j&ecirc;r l&ecirc;den byondon tha D&ecirc;nemarkar to wandelja mith
+hjam. Hja j&ecirc;von him ysere w&ecirc;pne &aring;nd r&ecirc;dskip
+th&ecirc;r fori wandeldon hja golden syrh&ecirc;don bijunka k&acirc;per
+&aring;nd yserirtha. Thju Moder sand bodon &aring;nd r&ecirc;d-er, hja
+skolde thju wandel f&acirc;ra l&ecirc;ta. Th&ecirc;r w&ecirc;re
+fr&ecirc;se s&ecirc;ide hju fori hjara s&ecirc;dum, &aring;nd bitham
+hja hjara s&ecirc;de vrl&ecirc;ren, th&aring;n skolde hja &acirc;k
+hjara frydom vrljasa. Men tha D&ecirc;nemarkar n&ecirc;de narne
+&acirc;ra nei, hja nilda navt bigrippa that hjara s&ecirc;de
+vrbr&ucirc;de kvste, th&ecirc;rvmbe ne meldon hja hja navt. To
+l&ocirc;nga lesta brochton hja ajne w&ecirc;pne &aring;nd liftochta
+w&ecirc;i. Men th&aring;t kw&acirc;d wrocht hjara g&ecirc;ia. Hjara
+lich&ecirc;ma wrdon bil&acirc;den m&ecirc;i blik &aring;nd skin, men
+hjara arka spynton &aring;nd skvra wrdon l&ecirc;toch. Krek hondred
+j&ecirc;r eftere d&ecirc;i that et forma skip mit liftochta fona
+k&acirc;d f&acirc;ren was, k&ecirc;m ermode &aring;nd lek thrvch tha
+anderna binna, honger spr&ecirc;da sina wjvka &aring;nd str&ecirc;k
+vppet land del, twispalt hlip stolte in overe str&ecirc;ta &aring;nd
+forth to tha h&ucirc;sa in, ljafde ne kv n&ecirc;n stek l&ocirc;nger
+navt finda &aring;nd &ecirc;ntracht run &ecirc;w&ecirc;i. Th&aring;t
+b&aring;rn wilde &ecirc;ta fon sina m&aring;m &aring;nd thju m&aring;m
+h&ecirc;de wel syrh&ecirc;don tha n&ecirc;n &ecirc;ta. Tha wiva
+k&ecirc;mon to hjara manna, thissa gvngon n&ecirc;i tha gr&ecirc;va,
+tha gr&ecirc;va n&ecirc;don selva nawet of hildon-t skul. Nw most
+m&aring;n tha syrh&ecirc;don vrsella, men thawila tha stjurar
+th&ecirc;rm&ecirc;i <span class="pagenum">[<a id="xd0e2909" href=
+"#xd0e2909">112</a>]</span>w&ecirc;i brit w&ecirc;ron k&ecirc;m frost
+&aring;nd l&ecirc;i-n pl&ocirc;nk del vppa s&ecirc; &aring;nd wra
+str&ecirc;te. Tha frost thju brigge r&ecirc;d h&ecirc;de, stop
+w&acirc;kandon th&ecirc;rwr to-t land ut &aring;nd vr&ecirc;d klywade
+vpper s&ecirc;tel. In st&ecirc;de fon tha owera to biw&acirc;kande
+spandon hja hjara horsa for hjara togum &aring;nd runon n&ecirc;i
+Sk&ecirc;nland th&acirc;. Tha Sk&ecirc;nlander, tham n&ecirc;y
+w&ecirc;ron n&ecirc;i that land hjarar &ecirc;thla k&ecirc;mon
+n&ecirc;i tha D&ecirc;nemarkum. Vppen helle nacht k&ecirc;mon hja alla.
+Nw s&ecirc;idon hja that hja rjucht h&ecirc;de vppet land hjarar
+&ecirc;thlon &aring;nd thahwil that m&aring;n th&ecirc;rvr
+k&aring;mpade k&ecirc;mon tha Finna in tha l&ecirc;toga thorpa
+&aring;nd runadon mith tha bern ew&ecirc;i. Th&ecirc;rtrvch &aring;nd
+that hja n&ecirc;n goda w&ecirc;pne navt n&ecirc;don, d&ecirc;d hjam
+tha k&aring;sa vrljasa &aring;nd th&ecirc;rm&ecirc;i hjari frydom,
+hwand thene Magy wrde b&acirc;s. That k&ecirc;m that hja Fryas tex navt
+l&ecirc;sde &aring;nd hira r&ecirc;dj&ecirc;vinga warl&acirc;sed
+h&ecirc;de.</p>
+
+<p>Ther send svme th&ecirc;r m&ecirc;ne that hja thrvch tha gr&ecirc;va
+vrr&ecirc;den send, that tha f&acirc;mna th&aring;t l&ocirc;ng
+sp&ecirc;rath h&ecirc;don, tha sa hvam sa th&ecirc;r vr k&ecirc;tha
+wilde, tham is mvla wrdon to sm&ocirc;rath mith golden k&ecirc;dne. Wi
+ne m&uuml;gan th&ecirc;rvr n&ecirc;n ord&ecirc;l to fellande, men wi
+willath jo tohropa, ne l&ecirc;n navt to s&ecirc;re vppa wisdom
+&aring;nd d&uuml;ged ni fon jvwa Forsta, ni fon jowa f&acirc;mna, hwand
+skel et halda sa mot allera mannalik w&acirc;ka ovir sin ajna tochta
+&aring;nd for-t m&ecirc;na held.</p>
+
+<p>Twa j&ecirc;r n&ecirc;idam k&ecirc;m thene Magy selva mith en
+fl&acirc;te fon lichte k&acirc;num, tha Moder fon Texland &aring;nd tha
+foddik to r&acirc;wane.</p>
+
+<p>Th&aring;s &aring;rge s&ecirc;ke bistonde-r thes nachtis anda winter
+by storne tydum as wind g&ucirc;lde &aring;nd h&ecirc;jel to jenst tha
+and&ecirc;rna f&ecirc;tere. Thi utkik th&ecirc;r m&ecirc;nde thater
+awet h&ecirc;rde st&aring;k sin balle vp. Tha dr&ecirc;i as et ljucht
+fon &ecirc;r tore vppet rondd&ecirc;l falda, sa-r that al f&ecirc;lo
+w&ecirc;pende manna wra burchwal w&ecirc;ron. Nw gvng-er to vmbe tha
+klokke to lettane, tha et w&ecirc;re to l&ecirc;t. &Ecirc;r tha
+w&ecirc;re r&ecirc;d w&ecirc;re, <span class="corr" id="xd0e2917"
+title="Bron: weron">w&ecirc;ron</span> al twa thusand ina w&ecirc;r
+vmbe tha porte to rammande. Strid hwilde thervmbe kirt, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2920" href="#xd0e2920">114</a>]</span>hwand
+thrvchdam tha w&ecirc;ra navt n&ecirc;n gode wacht halden n&ecirc;de,
+k&ecirc;mon alle om.</p>
+
+<p>Hwil that alrek drok to k&aring;mpane w&ecirc;re, was th&ecirc;r en
+wla Fin to th&ecirc;re fl&ecirc;te jefta bedrum fon th&ecirc;re Moder
+inglupth, &acirc;nd wilde hja n&ecirc;dgja. Tha thju Moder
+w&ecirc;rd-im of that er bekw&acirc;rd toj&ecirc;nst tha w&acirc;ch
+strumpelde. Th&acirc;-r wither vpa b&ecirc;n w&ecirc;re stek er sin
+sw&ecirc;rd to ir buk in segsande, nilst min kul navt s&acirc; skilst
+min sw&ecirc;rd ha. After im k&ecirc;m en skiper fona D&ecirc;nemarka,
+thisse nam sin sw&ecirc;rd &aring;nd hif th&ecirc;ne Fin thrvch sina
+hole. Th&ecirc;rut fl&acirc;t swart blod &aring;nd th&ecirc;rvr
+sw&ecirc;fde-n bl&acirc;we logha. Thi Magy l&ecirc;t thju Moder vpa
+sinra skip forpl&ecirc;gja. As hju nw wither alsa f&ecirc;re h&ecirc;l
+&aring;nd b&ecirc;ter w&ecirc;r that hju f&aring;st spr&ecirc;ka
+machte, s&ecirc;ide thene Magy that hju mith f&acirc;ra moste, tha that
+hju hira foddik &aring;nd f&acirc;mna halda skolde, that hju en
+st&acirc;t skolde nyta s&acirc; h&acirc;ch as hju to fara na n&ecirc;de
+kenth. Forth s&ecirc;ide-r th&aring;t hi hiri fr&ecirc;ja skolde in
+ajnwarde fon sinum forsta, jef er m&acirc;ster skolde wertha over alle
+l&acirc;nda &aring;nd folkra Fryas. Hi s&ecirc;ide that hju that
+bij&acirc;e &aring;nd bijechta most, owers skolde-r vnder f&ecirc;lo
+w&ecirc;ja sterva l&ecirc;ta. As er th&ecirc;r after al sinra forsta om
+ira l&ecirc;ger to gadurad h&ecirc;de fr&ecirc;jer l&ucirc;d,
+Fr&acirc;na vrmites i kl&acirc;rsjande biste most m.&ecirc;nis segsa of
+ik m&acirc;ster skil wertha over alle l&acirc;nda &aring;nd folkra
+Fryas. Fr&acirc;na d&ecirc;de as melde hja him navt. To l&ocirc;nga
+lesta &ecirc;pende hju hira w&ecirc;ra &aring;nde k&ecirc;th, min
+&acirc;gun wrde thj&ucirc;stred, tha that &ocirc;re ljucht d&ecirc;gth
+vp in minara s&ecirc;le. Jes, ik sja-t. Hark Irtha &aring;nd w&ecirc;s
+blyde mith my. Vndera tydum that Aldland svnken is, stand thju forma
+sp&ecirc;ke fon thet Jol an top. Th&ecirc;rn&ecirc;i is hju del gvngon
+&aring;nd vsa frydom mith tham. As er twa sp&ecirc;ka jeftha 2000
+j&ecirc;r del tr&ucirc;led het, s&acirc; skilun tha svna vpstonda
+th&ecirc;r tha forsta &aring;nd prestera thrvch hordom bi-t folk
+t&ecirc;led h&aring;ve, &aring;nd tojenst hjara t&acirc;ta tjugha. Thi
+alle skilum thrvch mort swika, men hwat hja k&ecirc;th h&aring;ve skil
+forth <span class="pagenum">[<a id="xd0e2927" href=
+"#xd0e2927">116</a>]</span>bilywa &aring;nd fr&ucirc;chdber wertha in-a
+bosme th&ecirc;ra kloke m&aring;nniska, alsa lik gode s&ecirc;dum
+th&ecirc;r del l&ecirc;id wrde in thinra sk&acirc;t. Jeta th&ucirc;sand
+j&ecirc;r skil thju sp&ecirc;ke then del nyga &aring;nd al m&acirc;ra
+syga anda thjusternesse &aring;nd in blod, ovir thi utstirt thrvch tha
+l&acirc;ga th&ecirc;r forsta &aring;nd prestera. Th&ecirc;rn&ecirc;i
+skil thet morner&acirc;d wither anfanga to glora. Thit sjande skilun
+tha falska forsta &aring;nd prester alsamen with frydom k&aring;mpa
+&aring;nd woxelja, men frydom, ljafde &aring;nd &ecirc;ndracht skil-et
+folk in hjara wach n&ecirc;ma &aring;nd mit thet jol risa uta wla pol.
+Th&aring;t rjucht th&aring;t erost all&ecirc;na glorade, skil than fon
+l&ecirc;jar laja to-n logha wertha. That blod th&ecirc;ra &aring;rgum
+skil ovir thin lif str&acirc;ma, men thu ne m&uuml;gth et navt to thi
+n&ecirc;ma. To tha lesta skil th&aring;t feninige kwik th&ecirc;r vp
+&acirc;sa &aring;nd th&ecirc;rof sterva. Alle wla sk&ecirc;dnese tham
+forsunnen send vmbe tha forsta &aring;nd prestera to boga, skilun an
+logha ofred wertha. Forth skilun al thinra bern mith fr&ecirc;tho
+l&ecirc;va. Th&acirc; hju utspreken h&ecirc;de, s&ecirc;g hju del. Men
+thene M&acirc;gy tham hja navt wel forst&acirc;n h&ecirc;de
+kr&ecirc;th, ik h&aring;v thi fr&ecirc;jeth, jef ik b&acirc;s skilde
+wertha ovir alle l&acirc;nda &aring;nd folkra Fryas, &aring;nd nw
+h&aring;ste to en other sproken. Fr&acirc;na rjuchte hiri wither, sach
+im star an &aring;nd k&ecirc;the: &ecirc;r sjugun etmelde om send, skil
+thin s&ecirc;le mitha nachtf&uuml;glon to tha gr&acirc;wa omme
+w&acirc;ra &aring;nd thin lik skil ledsa vppa bodem fona se. &Ecirc;l
+wel s&ecirc;ide thene Magy mith vrborgne wodin, segs men th&aring;t ik
+kvme. Forth s&ecirc;ider to jenst &ecirc;n sinar rakkarum, werp that
+wif vr skippes bord. Althus w&ecirc;r-et ende fon-re leste th&ecirc;ra
+Moderum<a class="noteref" id="xd0e2929src" href="#xd0e2929">3</a>.
+Wr&ecirc;ke willath wi th&ecirc;r vr navt ne hropa, tham skil tyd nima.
+Men th&ucirc;sand w&acirc;ra th&ucirc;sand m&ecirc;l willath wi Frya
+&aring;ftern&ecirc;i hropa: w&acirc;k-w&acirc;k-w&acirc;k.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2903src" id="xd0e2903">1</a></span> D&ecirc;na marka, de lage
+marken.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2906src" id="xd0e2906">2</a></span> 2193 - 1602 = 591 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2929src" id="xd0e2929">3</a></span> Verg. bl 4.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2932" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ho-t thene Magy forth vrgvngon is.</h2>
+
+<p>N&ecirc;i that tha modder vrd&ecirc;n was, l&ecirc;ter tha foddik
+&aring;nd tha f&acirc;mna to sina skip to brenga bijunka alle inbold
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2937" href=
+"#xd0e2937">118</a>]</span>th&ecirc;r im likte. Forth gvng er
+th&aring;t Flym&acirc;r vp, hwand hi wilde tha f&acirc;m fon
+M&ecirc;d&ecirc;asblik jeftha fon St&acirc;vora gabja &aring;nd tham to
+Moder m&acirc;kja. Tha th&ecirc;r w&ecirc;ron hja vp hjara hodum
+brocht. Tha stjurar fon St&acirc;vora &aring;nd fon th&aring;t Alderga
+h&ecirc;don hini g&ecirc;rn to Jonis togen, men tha gr&acirc;te
+fl&acirc;te w&ecirc;re vppen f&ecirc;re tocht &ucirc;t. Nw gvngon hja
+to &aring;nd foron mith hjra littige fl&acirc;te n&ecirc;i
+M&ecirc;d&ecirc;asblik &aring;nd hildon hja skul after th&acirc;t ly
+th&ecirc;ra b&acirc;mun. Thi M&acirc;gy n&acirc;kade
+M&ecirc;d&ecirc;asblik bi helle d&ecirc;i &aring;nd skynander svnne.
+Thach gvngon sina ljuda drist drist w&ecirc;i vppera burch to runnande.
+Men as allet folk mith tha b&ocirc;tum land was, kemon vsa stjurar
+ut&ecirc;re kr&ecirc;ke w&ecirc;i &aring;nd sk&acirc;ton hjara pila
+mith t&acirc;rbarntin bollum vp sinra fl&acirc;te. Hja w&ecirc;ron alsa
+wel rjucht that f&ecirc;lo sinra sk&ecirc;pun bistonda anna br&ocirc;nd
+w&ecirc;ron. Tham vppa sk&ecirc;pun wachton, sk&acirc;ton &acirc;k
+n&ecirc;i vs th&acirc;, thach th&aring;t ne rojade nawet. As er to
+lesta en skip al barnande n&ecirc;i-t skip thes M&acirc;gy dryf,
+bifel-er sin skiper hi skolde ofh&acirc;de, men thene skiper that
+w&ecirc;re thene D&ecirc;nemarker th&ecirc;r thene Fin felad
+h&ecirc;de, andere, thv hest vse &Ecirc;remoder n&ecirc;i tha bodem
+fona s&ecirc; svnden to meldande thatste kvma skolde, thit skoste
+thrvch tha drokh&ecirc;d wel vrjetta; nw wil ik njude thatste thin word
+jecht. Thi M&acirc;gy wild-im ofw&ecirc;ra; men thene skiper, en
+&aring;fte Fryas &aring;nd sterik lik en jokoxe, klipade b&ecirc;da
+sinum h&ocirc;nda om sin hole &aring;nd hif hini vr bord into
+th&aring;t wellande hef. Forth h&ecirc;s er sin brune skild an top
+&aring;nd for rjucht to rjucht an n&ecirc;i vsa fl&acirc;te.
+Th&ecirc;rthrvch k&ecirc;mon tha f&acirc;mna vnforlet to vs, men tha
+foddik was utgvngon &aring;nd nimman wiste ho-t k&ecirc;men was. Tha
+hja vppa vnfordene sk&ecirc;pa heradon, that thene M&acirc;gy vrdrvnken
+was, br&ucirc;de hja hinne, hwand tha stjurar th&ecirc;ra m&ecirc;st
+D&ecirc;nemarkar w&ecirc;ron. N&ecirc;i that tha fl&acirc;te f&ecirc;r
+enoch ew&ecirc;i w&ecirc;re, wendon vsa stjurar &aring;nd sk&acirc;ton
+hjara barnpila vppa tha Finna del. Th&acirc; tha Finna thus sagon, ho
+hja vrr&ecirc;den w&ecirc;ron, hlip alrik thrvch vr ekkdrum &aring;nd
+th&ecirc;r n&ecirc;re l&ocirc;nger n&ecirc;n h&ecirc;richh&ecirc;d ni
+bod. To thisre stonde run tha w&ecirc;re hju ut <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2939" href="#xd0e2939">120</a>]</span>t&ecirc;re burch.
+Tham navt ne fljuchte, werth afmakad, &aring;nd th&ecirc;r fljuchte
+fvnd sin ende into tha polum fon et Krylinger wald.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2941" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">N&ecirc;ischrift.</h2>
+
+<p>Th&acirc; tha stjurar an da kreke l&ecirc;jon was th&ecirc;r en
+spotter fon ut Stavora mank, th&ecirc;r s&ecirc;ide, M&ecirc;d&ecirc;a
+mei lakkja, sa wi hyr ut hjra burch reda. Th&ecirc;rvmbe h&aring;von
+tha f&acirc;mna thju kr&ecirc;ke M&ecirc;d&ecirc;a m&ecirc;i lakkja<a
+class="noteref" id="xd0e2946src" href="#xd0e2946">1</a>
+h&ecirc;ten.</p>
+
+<p>Tha b&ecirc;rtnissa th&ecirc;r aftern&ecirc;i sk&ecirc;d send,
+m&ecirc;i alra mannalik h&uuml;gja. Tha f&acirc;mna hagon tham nei
+hjara wysa to tella &aring;nd wel biskriwa l&ecirc;ta. Th&ecirc;rvmbe
+r&ecirc;kenjath wi hirmitha vsa arb&ecirc;d fvlbrocht. Held.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Ende fon &rsquo;t
+Bok.</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e2955" href=
+"#xd0e2955">122</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2946src" id="xd0e2946">1</a></span> Medemi&rsquo;lacus.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2957" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Tha skrifta fon Adelbrost and Apollonia</h2>
+
+<p>Min n&ocirc;m is Adelbrost svn fon Apol &aring;nd fon Adela. Thrvch
+min folk ben ik k&ecirc;ren to Gr&ecirc;vetman ovira Linda wrda.
+Th&ecirc;rvmbe wil ik thit bok forfolgja vp alsa d&ecirc;nera wisa as
+mine mem sproken heth.</p>
+
+<p>N&ecirc;i that thene M&acirc;gy felt was &aring;nd Fryasburch vp
+stel brocht, most er en moder k&ecirc;ren wertha. Bi-ra l&ecirc;va
+n&ecirc;de thju Moder hira folgstera navt n&ocirc;mth. Hira lersta
+wille was sok &aring;nd narne to findne. Sjugun m&ocirc;natha
+&aring;fter werth er en m&ecirc;na acht bilidsen &aring;nd wel to
+Gr&ecirc;neg&acirc;<a class="noteref" id="xd0e2964src" href=
+"#xd0e2964">1</a> ut &ecirc;rs&ecirc;ke that anna Saxanamarka
+p&acirc;lth. Min mem werth k&ecirc;ren, men hju nilde n&ecirc;n Moder
+w&ecirc;sa. Hju h&ecirc;de heth lif minar t&acirc;t hr&ecirc;d,
+th&ecirc;rthruch h&ecirc;den hja ekkorum lyaf kr&ecirc;jen &aring;nd nw
+wildon hja &acirc;k g&acirc;dath wertha. F&ecirc;lon wildon min mem fon
+er bislut ofbrenga; men min mem s&ecirc;ide, en &Ecirc;remoder
+&acirc;cht alsa r&ecirc;n in -ra mod to w&ecirc;sana as hja buta blikt
+&aring;nd &ecirc;ven mild far al hjara bern. N&ecirc;idam ik Apol nw
+lyaf h&aring;v boppa ella in wralda, s&acirc; ne k&aring;n ik
+s&acirc;-ne Moder navt n&ecirc;sa. S&acirc; sprek &aring;nd k&ecirc;th
+Adela, men tha &ocirc;ra burchf&acirc;mna wildon alg&acirc;der Moder
+w&ecirc;sa. Alrek st&acirc;t thong fori sinera &aring;jne f&acirc;m
+&aring;nd nilde navt fyra. Therthrvch nis er n&ecirc;ne k&ecirc;ren
+&aring;nd heth rik thus bandl&acirc;s. Hyr &aring;fter m&uuml;g-it
+bigripa.</p>
+
+<p>Ljudg&ecirc;rt, tham k&ecirc;ning th&ecirc;r h&ecirc;mesd&ecirc;ga
+fallen is, was bi th&ecirc;re Moder-is l&ecirc;va k&ecirc;ren
+blikb&ecirc;r trvch alle st&acirc;tha mith lyafde &aring;nd trjvw. Heth
+w&ecirc;re sin torn vmbe vppin eth gr&acirc;te hof to Dok-h&ecirc;m<a
+class="noteref" id="xd0e2972src" href="#xd0e2972">2</a> to
+h&ecirc;mande, &aring;nd bi th&ecirc;re Moder-is l&ecirc;va wrd-im ther
+gr&acirc;te &ecirc;r biw&ecirc;sen, hwand et w&ecirc;re immer sa ful
+mith bodon &aring;nd riddarum fon h&ecirc;inde &aring;nd f&ecirc;re
+as-m-&aring; to fora na n&ecirc;de sjan. Tach nw w&ecirc;r-er
+&ecirc;ns&ecirc;m and <span class="pagenum">[<a id="xd0e2975" href=
+"#xd0e2975">124</a>]</span>vrl&ecirc;ten, hwand alrek w&ecirc;re ange
+that-er him m&acirc;ster skolde m&acirc;kja boppa heth rjucht &aring;nd
+welda &ecirc;-lik tha sl&acirc;vona k&ecirc;ninggar. Elk forst
+w&acirc;nde forth that-er enoch d&ecirc;de as er w&acirc;kade ovir sin
+&aring;jn st&acirc;t; &aring;nd thi &ecirc;n ne j&ecirc;f nawet
+t&acirc; antha &ocirc;thera. Mith-&ecirc;ra burchfamna gvnget jeta
+&aring;rger to. Alrek thisra bogade vppira &aring;jne wisdom &aring;nd
+sahwersa tha Gr&ecirc;vetmanna awet d&ecirc;don buta hjam, s&acirc;
+wrochten hja mistryvwa bitwiska tham &aring;nd sinum ljudum.
+Sk&ecirc;der en s&ecirc;ke th&ecirc;r f&ecirc;lon st&acirc;tha trof
+&aring;nd h&ecirc;de m&aring;n thju r&ecirc;d &ecirc;ner f&acirc;m in
+wnnen, s&acirc; k&ecirc;thon alle &ocirc;thera that hju sproken
+h&ecirc;de to f&ecirc;re fon hjra &aring;jne st&acirc;t. Thrvch althus
+d&ecirc;nera renka brochton hja twyspalt in ovira st&acirc;tha
+&aring;nd torendon hja that band s&acirc;d&ecirc;ne fon &ecirc;n, that
+et folk fon tha &ecirc;nne st&acirc;t nythich w&ecirc;re vppet folk fon
+en ora st&acirc;t &aring;nd f&acirc;ret alderminesta lik
+f&ecirc;rh&ecirc;mande bisk&ocirc;wade. Thju f&ecirc;re th&ecirc;ra is
+w&ecirc;st that tha Gola jeftha Trowyda vs al-&ecirc;t l&acirc;nd of
+wnnen h&aring;ven al ont th&ecirc;ra Skelda &aring;nd thi Magy al to
+th&ecirc;re Wrs&acirc;ra. Ho-r th&ecirc;rby to gvngen is, heth min mem
+vntl&ecirc;th, owers nas thit bok navt skr&ecirc;ven ne wrden,
+afsk&ecirc;n ik alle h&acirc;pe vrl&ecirc;ren h&aring;v tha-et skil
+helpa th&acirc; b&acirc;ta. Ik ne skryw thus navt inna w&acirc;n, thet
+ik th&ecirc;rthrvch thet l&aring;nd skil winna jeftha bihaldane, that
+is minra achtne vndvalik, ik skryw all&ecirc;na f&acirc;r et
+&aring;fter kvmande slacht, til thju hja alg&acirc;dur w&ecirc;ta
+m&uuml;ge vp hvd&ecirc;na wisa wy vrl&ecirc;ren gvnge, &aring;nd tha
+alra mannalik hyr ut l&ecirc;ra m&ecirc;i that elk kw&acirc;d sin
+g&ecirc;ja t&ecirc;lath.</p>
+
+<p>My heth m&aring;n Apoll&ocirc;nja h&ecirc;ten. Twyia thritich
+d&ecirc;ga n&ecirc;i m&aring;m hira d&acirc;d heth m&aring;n Adelbrost
+min brother vrsl&ecirc;jen fonden vppa w&aring;rf, sin hawed split
+&aring;nd sina lithne &ucirc;t &ecirc;n hr&ecirc;ten. Min t&acirc;t
+th&ecirc;r siak l&ecirc;ide is fon skrik vrsturven. Th&acirc; is Apol
+min jungere brother fon hyr n&ecirc;i th&ecirc;re westsyde fon
+Sk&ecirc;nl&acirc;nd f&acirc;ren. Th&ecirc;r heth er en burch ebuwad,
+Lindasburch<a class="noteref" id="xd0e2979src" href="#xd0e2979">3</a>
+h&ecirc;ten, vmbe d&acirc;na to wrekana vs l&ecirc;th. Wr.alda heth-im
+th&ecirc;r to f&ecirc;lo j&ecirc;ra l&ecirc;nad. Hy heth fif svna
+wnnen. Altham brengath th&ecirc;ne Magy skrik <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2982" href="#xd0e2982">126</a>]</span>&aring;nd min brother
+g&ocirc;ma. After m&aring;m &aring;nd brother-is d&acirc;d send tha
+fromesta fon-ut-a l&acirc;ndum to ekk&ocirc;rum kvmen, hja havon en
+b&acirc;nd sloten Adelb&acirc;nd h&ecirc;ten. Til thju vs n&ecirc;n
+leth witherf&acirc;ra ne skolde, h&aring;vath hja my &aring;nd Adelhirt
+min jungste brother vpper burch brocht, my by tha f&acirc;mna &aring;nd
+min brother by tha w&ecirc;rar. Th&acirc; ik thritich j&ecirc;r
+wer&ecirc; heth man my to Burchf&acirc;m k&ecirc;ren, &aring;nd
+th&acirc; min brother fiftich w&ecirc;re, werth-er keren to
+Gr&ecirc;vetman. Fon m&aring;m-is syde w&ecirc;re min brother thene
+sexte, men fon t&acirc;t his syde thene thride. N&ecirc;i rjucht
+machton sine &aring;fterkvmande thus n&ecirc;n <span class=
+"letterspaced">overa Linda</span> &aring;fter hjara n&ocirc;mun navt ne
+fora, men alra m&aring;nnalik wildet h&aring;va to &ecirc;re fon mina
+m&aring;m. Th&ecirc;r to boppa heth m&aring;n vs &aring;k en ofskrifte
+j&ecirc;ven fon <span class="letterspaced">thet bok th&ecirc;ra Adela
+follistar</span>. Th&ecirc;r mitha ben ik thet blydeste, hwand thrvch
+min m&aring;m hjra wisdom k&ecirc;m-et in wralda. In thas burch
+h&aring;v ik jeta &ocirc;ra skrifta fvnden, th&ecirc;r navt in &rsquo;t
+bok ne stan, &aring;k lovspr&ecirc;ka ovir min m&aring;m, altham wil ik
+&aring;fter skriva.</p>
+
+<p>Thit send tha n&ecirc;il&ecirc;tne skrifta Brunnos, ther skrywer
+w&ecirc;sen is to thisre burch. After that tha Adela follistar ella
+h&ecirc;de l&ecirc;ta overskryva elk in sin rik, hwat wryt was in vppa
+w&acirc;garum th&ecirc;ra burgum, bisloton hja en Moder to kjasane.
+Th&ecirc;rto w&aring;rth en m&ecirc;na acht bil&ecirc;id vp thisra
+h&ecirc;m. After tha forme r&ecirc;d Adelas w&aring;rth T&uuml;ntja
+bifolen. Ak skoldet sl&acirc;cht h&aring;ve. Thach nw fr&ecirc;ge min
+Burgtf&acirc;m thet wort, hju hede immerthe w&ecirc;nich w&ecirc;st
+th&aring;t hju Moder skolde wertha, ut &ecirc;rs&ecirc;ke th&aring;t
+hju hyr vpper burch sat, hwana m&ecirc;st alle Moderum k&ecirc;ren
+w&ecirc;ron. Tha hju thet word gund was, &ecirc;pende hju hira falxa
+w&ecirc;ra &aring;nde k&ecirc;th: I alle skinth &aring;rg to heftane an
+Adelas r&ecirc;d, tha th&aring;t ne skil th&ecirc;rvmde min mvla navt
+ne sluta ner sn&ocirc;ra. Hwa tach is Adela &aring;nd hw&acirc;na kvmt
+et w&ecirc;i th&aring;tster sokke h&acirc;ge love to swikth. Lik ik
+hjudd&ecirc;ga is hju to fara hyr <span class="corr" id="xd0e2995"
+title="Bron: burchfam">burchf&acirc;m</span> w&ecirc;st. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2998" href="#xd0e2998">128</a>]</span>Tha is hju
+th&ecirc;r vmbe wiser jefta b&ecirc;tre as ik &aring;nd alle
+&ocirc;thera, jefta is hju m&acirc;r stelet vppvsa s&ecirc;d &aring;nd
+pl&ecirc;gum. Hw&ecirc;re th&aring;t et fal, s&acirc; skolde hju wel
+Moder wrden w&ecirc;sa, th&acirc; hju th&ecirc;rto k&ecirc;ren is, men
+n&ecirc;an hju wilde r&ecirc;der ennen bosta ha mith all joi &aring;nd
+nochta th&ecirc;r er anebonden send, in st&ecirc;d fon &ecirc;nsum over
+hjam &aring;nd et folk to w&acirc;kane. Hju is &ecirc;l klarsjande,
+god, men min &acirc;gne ne send f&ecirc;r fon vrthjustred to
+w&ecirc;sane. Ik h&aring;v sjan th&aring;t hju hira fryadelf herde
+minth, nw god, th&aring;t is lovelik, men ik h&aring;v forther sjan
+th&aring;t T&uuml;ntja Apol-is nift is. Wyder wil ik navt ne sedsa.</p>
+
+<p>Tha forsta bigripen &ecirc;l god, hw&ecirc;r hju hly sochte, men
+emong et folk k&ecirc;m twyspalt, &aring;nd n&ecirc;idam heth
+marad&ecirc;l fon hyr wei k&ecirc;m, wilde-t T&uuml;ntja thiu &ecirc;re
+navt ne guna. R&ecirc;dne wrde stopth, tha saxne t&acirc;gon uta
+sk&aring;dne, men th&ecirc;r ne w&aring;rth n&ecirc;ne Moder
+k&ecirc;ren. Kirt &aring;fter h&ecirc;de annen vsera bodne sin makker
+f&aring;leth. Til hjudd&ecirc;ga h&ecirc;de der frod w&ecirc;sen,
+th&ecirc;rvmbe hede min burchf&acirc;m orlovi vmb-im buta tha
+l&acirc;ndp&acirc;la to helpane. Thach in st&ecirc;d fon im to helpane
+n&ecirc;i thet Twiskland, alsa fljuchte hju selva mith im overe Wrsara
+&aring;nd forth n&ecirc;i tha M&acirc;gy. Thi M&acirc;gy tham sina
+Fryas svna hagja wilde stald-iri as Moder to Godaburch et
+Sk&ecirc;nland, m&ecirc;n hju wilde m&acirc;r, hju s&ecirc;id-im
+th&aring;t sahwersa hi Adela vpruma koste, hi m&aring;ster skolde
+wertha over &ecirc;l Fryas land. Hju w&ecirc;r en fyand fon Adele
+s&ecirc;ide hju, hwand thrvch hjra renka nas hju n&ecirc;n Moder wrden.
+Sahwersa hy hir Texland forspreka wilde, sa skolde hjra boda sina
+wichar to w&ecirc;iwyser thjanja. Al thissa s&ecirc;ka heth hjra boda
+selva bilyad.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2964src" id="xd0e2964">1</a></span> Gr&ecirc;neg&acirc;,
+Groningen.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2972src" id="xd0e2972">2</a></span> Dokh&ecirc;m, Dokkum.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2979src" id="xd0e2979">3</a></span> Lindasburch, op kaap
+Lindanaes, Noorwegen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3002" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet othera skrift.</h2>
+
+<p>Fiftian monatha n&ecirc;i th&ecirc;re lerste acht w&ecirc;r-et
+Frjunskip jeftha Winnem&ocirc;nath. Alleram&aring;nnelik jef to an mery
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e3007" href=
+"#xd0e3007">130</a>]</span>mery fru &aring;nd bly, &aring;nd nimman
+n&ecirc;de diger than to &acirc;kane sina nocht. Thach Wr.alda wild vs
+wysa, th&aring;t w&acirc;kendom navt vrgamlath wrde ne m&ecirc;i. To
+midne fon-et f&ecirc;st fyrja k&ecirc;m n&ecirc;vil to hullande vsa
+wrda in thikke thjusternise. Nocht runde w&ecirc;i, tha w&acirc;kendom
+nilde navt ne k&ecirc;ra. Tha strandw&acirc;kar w&ecirc;ron fon hjara
+n&ecirc;d fjura hl&acirc;pen &aring;nd vppa tha top&acirc;dum nas
+n&ecirc;nen to bisja. Th&acirc; n&ecirc;vil ew&ecirc;i t&acirc;ch,
+lokte svnne thrvch tha r&ecirc;ta th&ecirc;ra wolkum vp irtha. Alrek
+k&ecirc;m wither ut to juwgande &aring;nd to jolande, thet jungk folk
+t&acirc;ch sjongande mitha g&uuml;rb&acirc;m<a class="noteref" id=
+"xd0e3009src" href="#xd0e3009">1</a> &aring;nd thisse overfulde luft
+mith sina liaflika &acirc;dam. Men thahwila th&ecirc;r alrek in nocht
+b&acirc;jada, was vrr&ecirc;d l&acirc;nd mith horsum &aring;nd
+ridderum. Lik alle &aring;rga w&ecirc;ron hja helpen thrvch
+thjusternisse, &aring;nd hinne glupath thrvch Linda waldis p&acirc;da.
+To f&acirc;ra Adelas dure tagon twilif mang&ecirc;rtne mith twilif
+l&aring;mkes &aring;nd twilif kn&acirc;pa mith twilif hoklinga, en
+junge Saxm&aring;n bir&ecirc;d en wilde bufle th&ecirc;r er selva
+fensen h&ecirc;de &aring;nd t&aring;mad. Mith allerl&ecirc;ja blomma
+w&ecirc;ron hja siarad, &aring;nd tha linnen tohnekna th&ecirc;ra
+m&aring;ng&ecirc;rtne w&ecirc;ron omborad mith gold ut-er
+R&ecirc;ne.</p>
+
+<p>Th&acirc; Adela to hira hus ut vppet slecht k&ecirc;m, fol en
+blomr&ecirc;in del vppira hole, alle juwgade herde &aring;nd tha
+tot-horne th&ecirc;ra kn&acirc;pum g&ucirc;ldon boppa ella ut. Arme
+Adela, &aring;rm folk, ho kirt skil fr&uuml; hir bydja. Th&acirc; thju
+l&ocirc;nge sk&aring;re ut sjocht w&ecirc;re k&ecirc;m er en hloth
+m&acirc;gjara ridderum linrjucht to rinnande vp Adelas h&ecirc;m. Hira
+t&acirc;t &aring;nd g&acirc;de w&ecirc;ron jeta vppa stoppenbenke
+s&ecirc;ten. Thju dure stond &ecirc;pen &aring;nd th&ecirc;r binna
+stand Adelbrost hira svna. As er sach ho sina eldra in fr&ecirc;se
+w&ecirc;ron, gripter sine b&ocirc;ge fon-ere w&acirc;ch w&ecirc;i
+&aring;nd sk&acirc;t n&ecirc;i tha foresta th&ecirc;ra r&acirc;warum;
+this swikt &aring;nd trulde vppet g&aring;rs del; overne twade
+&aring;nd thride was en &ecirc;lik l&ocirc;t bisk&ecirc;ren. Intwiska
+h&ecirc;don sina eldra hjara w&ecirc;pne fat, &aring;nd tagon vndyger
+to Jonis. Tha r&acirc;wera skoldon hjam ring fensen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3017" href="#xd0e3017">132</a>]</span>ha, men
+Adela k&ecirc;m, vppere burch h&ecirc;de hja alle w&ecirc;pne to
+hant&ecirc;ra l&ecirc;rad, sjugun irthf&ecirc;t w&ecirc;re hju
+l&ocirc;ng &aring;nd hira g&ecirc;rt s&acirc; f&ecirc;lo, thryja swikte
+hja tham or hjra hole &aring;nd as er del k&ecirc;m w&ecirc;r en ridder
+g&aring;rsfallich. Follistar k&ecirc;mon omme herne th&ecirc;re
+l&ocirc;ne w&ecirc;i. Tha r&acirc;war wrdon f&aring;lath &aring;nd
+fensen. Thach to l&ecirc;t, en pil h&ecirc;de hjra bosme trefth.
+Vrr&ecirc;delika Magy! In fenin was sin pint dipth &aring;nd
+th&ecirc;rof is hju sturven.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3009src" id="xd0e3009">1</a></span> G&uuml;rbam. C. Niebuhr Reize
+enz. I 174, eene zakpijp bij de Egyptenaren <i>Sum&acirc;ra
+elK&uuml;rbe</i> genoemd.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3019" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Th&ecirc;re burchfams lov.</h2>
+
+<p>Jes ferh&ecirc;mande &acirc;the, thusande send al kumen &aring;nd
+jet m&acirc;ra send vp w&ecirc;i.</p>
+
+<p>Wel, hja willath Adelas wisdom h&ecirc;ra.</p>
+
+<p>Sekur is hju forstine, hwand hju is immer thja forste
+w&ecirc;st.</p>
+
+<p>O wach hw&ecirc;rto skolde hja thjanja. Hira hemeth is linnen, hira
+tohnekka<a class="noteref" id="xd0e3030src" href="#xd0e3030">1</a> wol,
+th&aring;t hjv selva spon &aring;nd w&ecirc;vade. Hw&ecirc;rm&ecirc;i
+skolde hja hjra sk&ecirc;nh&ecirc;d h&acirc;ga. Navt mith p&aring;rlum,
+hwand hjra tuskar send witter; navt mith gold, hwand hjra h&ecirc;r is
+blikkander; navt mith st&ecirc;na, wel send hjra &acirc;gon saft as
+lamkes &acirc;gon, thach to lik sa glander th&aring;t m&aring;n
+th&ecirc;r skr&ocirc;mlik in sja ne m&ecirc;i.</p>
+
+<p>Men hwat k&aring;lt ik fon sk&ecirc;n. Frya w&ecirc;re wis navt
+sk&ecirc;ner.</p>
+
+<p>Ja &acirc;the, Frya th&ecirc;r sjugun sk&ecirc;nh&ecirc;de
+h&ecirc;de, hw&ecirc;rfon hjra togh&acirc;tera men &ecirc;ne elk
+h&acirc;chstens thria urven h&aring;ve. Men al w&ecirc;re hju
+l&ecirc;dlik, thach skolde hju vs djura w&ecirc;sa.</p>
+
+<p>Jef hju wygandlik sy. Hark &acirc;the, Adela is thet &ecirc;nge bern
+vsar gr&ecirc;vetman. Sjugun jrthfet is hju h&acirc;ch, jeta
+gr&acirc;ter then hjra licheme is hjra wish&ecirc;d &aring;nd hjra mod
+is lik b&ecirc;de to s&ecirc;mine.</p>
+
+<p>Lok th&ecirc;r, th&ecirc;r w&ecirc;re &ecirc;nis en
+f&ecirc;nbr&ocirc;nd, thrju bern w&ecirc;ron vp jenske
+gr&aring;fst&ecirc;n sprongen. Wind blos fel. Alrek kr&ecirc;ta
+&aring;nd thju m&aring;m w&ecirc;re r&ecirc;dal&acirc;s. Th&ecirc;r
+kvmt Adela: ho st&ecirc;itst &aring;nd t&ecirc;methste hropth hju,
+tragd help to l&ecirc;-nande <span class="pagenum">[<a id="xd0e3044"
+href="#xd0e3044">134</a>]</span>&aring;nd Wr.alda skil jo krefta
+j&ecirc;va. Th&ecirc;r hipth hja n&ecirc;i-t Krylwod, gript elsne
+tr&ecirc;jon, tragd en breg to makjande, nw helpath &acirc;k tha
+&ocirc;thera &aring;nd tha bern send hred.</p>
+
+<p>J&ecirc;rlikes k&ecirc;mon tha bern hyr blomma ledsa.</p>
+
+<p>Th&ecirc;r k&ecirc;mon thr&ecirc; Fonysjar skipljuda th&ecirc;r hja
+wr&ecirc;vela wilde, men Adela k&ecirc;m, hju h&ecirc;de hjara hwop
+(hrop) h&ecirc;rad, in swim sl&ecirc;ith hju tha l&ecirc;tha &aring;nd
+til thju hja selva jechta skolde, thet hja vnw&ecirc;rthelike manna
+w&ecirc;ron, bint hju als&ecirc;men an en spinrok fest. Tha
+f&ecirc;rh&ecirc;manda h&ecirc;ra k&ecirc;mon hjara thjud askja. Tha
+hja sagon ho skots hja misd&ecirc;n w&ecirc;ron, k&ecirc;m torn vp,
+thach m&aring;n tellade ho-t b&ecirc;rd was.</p>
+
+<p>Hwat hja forth d&ecirc;don, hja buwgdon to f&acirc;ra Adela
+&aring;nd keston thju slyp hyrar tohnekka.</p>
+
+<p>Kvm f&ecirc;rh&ecirc;mande &acirc;the, tha wald f&uuml;glon
+fljuchtath to f&acirc;ra tha f&ecirc;lo forsykar. Kvm &acirc;the
+s&acirc; m&ecirc;ist hjara wish&ecirc;d h&ecirc;ra.</p>
+
+<p>By tha gr&aring;fst&ecirc;n hwer fon in tha lovspr&ecirc;ke meld
+w&aring;rth, is m&aring;m hira lik bigr&aring;ven. Vppira
+gr&aring;fst&ecirc;n heth m&aring;n thissa worda hwryten.</p>
+
+<div class="blockquote">
+<p>NE HLAP NAVT TO HASTICH HWAND HYR L&Ecirc;ID ADELA.</p>
+</div>
+
+<p>Thju forml&ecirc;re th&ecirc;r is hwryten inutere w&acirc;ch
+th&ecirc;r burchtore, nis navt wither eskr&ecirc;ven in th&aring;t bok
+th&ecirc;ra Adela follistar. Hw&ecirc;rvmbe thet l&ecirc;ten is
+n&ecirc;t ik navt to skriwand. Tha thit bok is min ajn, th&ecirc;rvmbe
+wil ik hja th&ecirc;r inna setta to wille minra m&aring;gum.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl"><span class="label"><a class=
+"noteref" href="#xd0e3030src" id="xd0e3030">1</a></span> To hnekka,
+eene hooge, <i>tot aan de nek</i> reikende, japon.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3062" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Forml&ecirc;re.</h2>
+
+<p>Alle god minnanda Fryas bern sy held. Hwand thrvch tham <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3067" href="#xd0e3067">136</a>]</span>skil et
+s&ecirc;lich wertha vp jrtha. L&ecirc;r &aring;nd k&ecirc;th to tha
+folkum. Wr.alda is thet alderaldesta jeftha overaldesta, hwand thet
+skop alla thinga. Wr.alda is ella in ella, hwand thet is &ecirc;vg
+&aring;nd vnendlik. Wr.alda is overal ainwardich, men narne to bisja,
+th&ecirc;rvmbe w&aring;rth thet w&ecirc;sa g&acirc;st h&ecirc;ten. Al
+hwat wi fon him sja m&uuml;ge send tha skepsela th&ecirc;r thrvch sin
+l&ecirc;va kvme &aring;nd wither henne ga, hwand inut Wr.alda kvmath
+alle thinga &aring;nd k&ecirc;rath alle thinga. Fon ut Wralda kvmth t
+anfang &aring;nd et ende, alra thinga g&ecirc;ith in im vppa. Wr.alda
+is thet &ecirc;ne ella machtige w&ecirc;sa, hwand alle &ocirc;re macht
+is fon him l&ecirc;nad &aring;nd k&ecirc;rath to him wither. In ut
+Wr.alda kvmath alle krefta &aring;nd alle krefta k&ecirc;rath to him
+wither. Th&ecirc;rvmbe is hi all&ecirc;na theth skeppande w&ecirc;sa
+&aring;nd th&ecirc;r nis nawet esk&ecirc;pen buta him.</p>
+
+<p>Wr.alda l&ecirc;ide &ecirc;vge setma thet is &ecirc;wa in al et
+sk&ecirc;pne, &aring;nd th&ecirc;r ne send n&ecirc;n gode setma jeftha
+hja moton th&ecirc;rn&ecirc;i tavlikt w&ecirc;sa. Men afsk&ecirc;n ella
+in Wr.alda sy, tha bosh&ecirc;d th&ecirc;ra m&aring;nniska nis navt fon
+him. Bosh&ecirc;d kvmth thrvch l&ocirc;mh&ecirc;d vndigerhed &aring;nd
+domh&ecirc;d. Th&ecirc;rvmbe k&aring;n hju wel tha m&aring;nniska
+sk&acirc;da, Wr.alda nimmer. Wr.alda is thju wish&ecirc;d, &aring;nd
+tha &ecirc;wa th&ecirc;r hju tavlikt heth, send tha boka
+w&ecirc;r&ucirc;t wy l&ecirc;ra m&uuml;ge, &aring;nd th&ecirc;r nis
+n&ecirc;ne wish&ecirc;d to findande ner to garjande buta tham. Tha
+m&aring;nniska m&uuml;gon f&ecirc;lo thinga sja, men Wr.alda sjath alle
+thinga. Tha m&aring;nniska m&uuml;gon f&ecirc;lo thinga l&ecirc;ra, men
+Wr.alda w&ecirc;t alle thinga. Tha m&aring;nniska m&uuml;gon <span
+class="corr" id="xd0e3074" title="Bron: felo">f&ecirc;lo</span> thinga
+vntsl&ucirc;ta, men to f&acirc;ra Wr.alda is ella &ecirc;pned. Tha
+m&aring;nniska send m&aring;nnalik &aring;nd berlik, men Wr.alda skept
+b&ecirc;de. Tha m&aring;nniska minnath &aring;nd h&aring;tath, tha
+Wr.alda is all&ecirc;na rjuchtf&ecirc;rdich. Th&ecirc;rvmbe is Wr.alda
+all&ecirc;ne god, &aring;nd th&ecirc;r ne send n&ecirc;ne goda
+b&ucirc;ta him. Mith thet Jol wandelath &aring;nd wixlat allet
+esk&ecirc;pne, men god is all&ecirc;na vnforanderlik. Thruch that
+Wr.alda god is, alsa ne mei hi &acirc;k navt foranderja; <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3077" href="#xd0e3077">138</a>]</span>&aring;nd
+thrvch thet er bilywath, th&ecirc;rvmbe is hy all&ecirc;na w&ecirc;sa
+&aring;nd al et ora skin.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e3079" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet othera d&ecirc;l fonre forml&ecirc;r.</h2>
+
+<p>Emong Findas folk send wanwysa, th&ecirc;r thrvch hjara
+overfindingrikh&ecirc;d alsa &aring;rg send, th&aring;t hja hjara selva
+wis m&acirc;kja &aring;nd tha inewida bitjuga, th&aring;t hja thet
+besta d&ecirc;l send fon Wr.alda; th&aring;t hjara g&acirc;st thet
+beste d&ecirc;l is fon Wr.aldas g&acirc;st &aring;nd thet Wr.alda
+all&ecirc;na m&ecirc;i th&aring;nkja thrvch helpe hjaris bryn<a class=
+"noteref" id="xd0e3084src" href="#xd0e3084">1</a>.</p>
+
+<p>Th&aring;t aider skepsle en d&ecirc;l is fon Wr.aldas vnendlik
+w&ecirc;sa, th&aring;t h&aring;von hja fon vs g&acirc;bad.</p>
+
+<p>Men hjara falxe r&ecirc;dne &aring;nd hjara t&aring;ml&acirc;se
+h&acirc;chfarenh&ecirc;d heth ra vppen dw&acirc;lw&ecirc;i brocht.
+W&ecirc;re hjara g&acirc;st Wr.aldas g&acirc;st, s&acirc; skolde
+Wr.alda &ecirc;l dvm w&ecirc;sa in st&ecirc;de fon licht and wis. Hwand
+hjara g&acirc;st sl&acirc;vth him selva immer of vmbe sk&ecirc;ne bylda
+to m&acirc;kjande, th&ecirc;r y &aring;ftern&ecirc;i anbid. Men Findas
+folk is en &aring;rg folk, hwand afsk&ecirc;n tha wanwysa th&ecirc;ra
+hjara selva wis m&acirc;kja th&aring;t hja drochtne send, sa
+h&aring;von hja to f&acirc;ra tha vnewida falxa drochtne esk&ecirc;pen,
+to k&ecirc;thande allerw&ecirc;ikes, th&aring;t thissa drochtne Wr.alda
+esk&ecirc;pen h&aring;ve, mith al hwat th&ecirc;r inne is; gyriga
+drochtne fvl nyd &aring;nd torn, tham &ecirc;rath &aring;nd thjanath
+willath w&ecirc;sa thrvch tha m&aring;nniska, th&ecirc;r blod &aring;nd
+offer willa &aring;nd sk&acirc;t askja. Men thi wanwisa falxa manna,
+tham hjara selva godis skalka jeftha prestera n&ocirc;ma l&ecirc;ta,
+b&uuml;rath &aring;nd s&acirc;mnath &aring;nd gethath aldam to
+f&acirc;ra drochtne th&ecirc;r er navt ne send, vmbet selva to
+bihaldande. Aldam bidrywath hja mith en rum emod, thrvchdam hja hjara
+selva drochtne w&acirc;ne, th&ecirc;r an ninman andert skeldich ne
+send. Send th&ecirc;r svme tham hjara renka froda &aring;nd b&acirc;r
+m&acirc;kja, alsa wrdon hja thrvch hjara rakkera f&aring;t &aring;nd
+vmbira laster vrbarnad, ella mith f&ecirc;lo st&acirc;tska
+pl&ecirc;gum, hjara falxa drochtne to-n &ecirc;re. Men in trvth, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3091" href=
+"#xd0e3091">140</a>]</span>all&ecirc;na vmbe th&aring;t hja ra navt
+sk&acirc;da ne skolde. Til thju vsa bern nw w&ecirc;pned m&uuml;ge
+w&ecirc;sa tojenst hjara drochtenlika l&ecirc;re, alsa h&acirc;gon tha
+f&acirc;mna hjam fon buta to l&ecirc;rande hwat hyr skil folgja.</p>
+
+<p>Wr.alda was &ecirc;r alle thinga, &aring;nd n&ecirc;i alle thinga
+skil er w&ecirc;sa. Wr.alda is alsa &ecirc;vg &aring;nd hi is vnendlik,
+thervmb nis th&ecirc;r nawet buta him. Thrvch ut Wr.aldas l&ecirc;va
+warth tid &aring;nd alle thinga bern, &aring;nd sin l&ecirc;va nimth
+tid &aring;nd alle thinga w&ecirc;i. Thissa s&ecirc;ka moton kl&acirc;r
+&aring;nd b&acirc;r m&acirc;kad wrda by alle wisa, s&acirc; th&aring;t
+hja-t an &ocirc;thera bithjuta &aring;nd biwisa m&uuml;ge. Is-t
+s&acirc; f&acirc;r wnnen, sa s&ecirc;ith m&aring;n forther: Hwat thus
+vsa ommefang treft, alsa send wy en d&ecirc;l fon Wr.aldas vnendelik
+w&ecirc;sa, alsa tha ommefang fon al et esk&ecirc;pne, thach hwat
+ang&acirc; vsa d&acirc;nte, vsa ainskipa, vsa g&acirc;st &aring;nd al
+vsa bith&aring;nkinga, thissa ne h&ecirc;ra navt to thet w&ecirc;sa.
+Thit ella send fljuchtiga thinga tham thrvch Wr.aldas l&ecirc;va
+forskina, thach th&ecirc;r thrvch sin wish&ecirc;d s&acirc;d&acirc;ne
+&aring;nd navt owers navt ne forskina. Men thrvchdam sin l&ecirc;va
+st&ecirc;des forthga, alsa ne m&ecirc;i th&ecirc;r nawet vppa sin
+st&ecirc;d navt bilywa. Th&ecirc;rvmbe forwixlath alle esk&ecirc;pne
+thinga fon st&ecirc;d, fon d&acirc;nte &aring;nd &acirc;k fon
+th&aring;nkwisa. Thervmbe ne m&ecirc;i irtha selva, ner eng skepsle ni
+sedsa: ik ben, men wel ik was. Ak ne m&ecirc;i n&ecirc;n m&aring;nniska
+navt ne sedsa ik th&aring;nk, men bl&acirc;t, ik thochte. Thi
+kn&acirc;p is gr&acirc;ter &aring;nd owers as tha-r bern w&ecirc;re. Hy
+heth ora g&ecirc;rtne, tochta &aring;nd th&aring;nkwisa. Thi man en
+t&acirc;t is &aring;nd th&aring;nkth owers as th&acirc;-r kn&acirc;p
+w&ecirc;re. &Ecirc;vin tha alda fon d&ecirc;gum. Th&acirc;t w&ecirc;t
+allera mannelik. S&acirc;hwersa allera mannalik nw w&ecirc;t &aring;nd
+jechta mot, th&aring;t hy alon wixlath, s&acirc; mot hy &acirc;k
+bijechta, that er jahweder &acirc;geblik wixlath, &acirc;k thahwila-r
+s&ecirc;id: ik ben, &aring;nd th&aring;t sina th&aring;nk bylda wixle,
+tha hwile-r s&ecirc;id: ik th&aring;nk.</p>
+
+<p>Inst&ecirc;de th&aring;t wy tha &aring;rga Findas althus vnwerthlik
+aftern&ecirc;i snakka &aring;nd k&aring;lta, ik ben, jeftha wel, ik ben
+thet beste d&ecirc;l Wr.aldas, ja thrvch vs all&ecirc;na m&ecirc;i-r
+th&aring;nkja, <span class="pagenum">[<a id="xd0e3097" href=
+"#xd0e3097">142</a>]</span>s&acirc; willath wy k&ecirc;tha wral
+&aring;nd allerw&ecirc;ikes w&ecirc;r et n&ecirc;dlik sy: wy Fryas bern
+send forskinsla thrvch Wr.aldas l&ecirc;va; by-t anfang min &aring;nd
+bl&acirc;t, thach immer w&aring;rthande &aring;nd n&acirc;kande to
+fvlkvmenlikh&ecirc;d, svnder &acirc; sa god to wrda as Wr.alda selva.
+Vsa g&acirc;st nis navt Wr.aldas g&acirc;st, hi is th&ecirc;rfon
+all&ecirc;na en afskinsle. Tha Wr.alda vs skop, heth er vs in thrvch
+sine wish&ecirc;d-bryn-sint&ucirc;ga, h&uuml;gia &aring;nd f&ecirc;lo
+goda ainskipa l&ecirc;nad. Hyrm&ecirc;i mugon wy sina &ecirc;wa
+bitrachta. Th&ecirc;rof m&uuml;gon wy l&ecirc;ra &aring;nd th&ecirc;rvr
+m&uuml;gon wy r&ecirc;da, ella &aring;nd all&ecirc;na to vs ain held.
+H&ecirc;de Wr.alda vs n&ecirc;ne sinna j&ecirc;ven, sa ne skolde wy
+narne of n&ecirc;ta &aring;nd wy skolde jeta reddalasser as en
+s&ecirc;kwale w&ecirc;sa, th&ecirc;r forthdryven w&aring;rth thrvch
+ebbe &aring;nd thrvch flod.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3084src" id="xd0e3084">1</a></span> Cf. Hegel a. h. l.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3099" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit stat vp skrivfilt skr&ecirc;ven. Tal and
+andworde ora famna to-n forbyld.</h2>
+
+<p>En vnsels gyrich m&aring;n k&ecirc;m to b&acirc;rande by Tr&acirc;st
+th&ecirc;r f&acirc;m w&ecirc;re to Stavia. Hy s&ecirc;ide vnw&ecirc;der
+h&ecirc;de sin hus w&ecirc;i brocht. Hy h&ecirc;de to Wr.alda
+b&ecirc;den, men Wr.alda n&ecirc;dim n&ecirc;ne helpe l&ecirc;nad. Bist
+en &aring;fte Fryas, fr&ecirc;je Tr&acirc;st. Fon elder t elder, andere
+thene m&aring;n. Th&aring;n s&ecirc;ide hju wil ik &aring;wet in thin
+mod s&ecirc;ja in bitrouwa, th&aring;t et kyma groja &aring;nd
+fr&uuml;chda j&ecirc;va m&ecirc;i. Forth spr&ecirc;k hju &aring;nde
+k&ecirc;th. Th&acirc; Frya bern was, stand vs moder naked &aring;nd
+bl&acirc;t, vnbihod to jenst tha str&ecirc;lum th&ecirc;re svnne.
+Ninman macht hju fr&ecirc;ja &aring;nd th&ecirc;r w&ecirc;re ninman
+th&ecirc;r hja help macht l&ecirc;na. Th&acirc; gvng Wr.alda to
+&aring;nd wrochte in hjra mod nigung &aring;nd liavde anggost &aring;nd
+skrik. Hju sach rondomme, hjra nigung k&acirc;s thet beste &aring;nd
+hju sochte skul vndera w&acirc;rande linda. Men r&ecirc;in k&ecirc;m
+&aring;nd t onhlest w&ecirc;re th&acirc;t hju wet wrde. Thach hju
+h&ecirc;de sjan <span class="pagenum">[<a id="xd0e3104" href=
+"#xd0e3104">144</a>]</span>ho thet w&ecirc;ter to tha hellanda
+bl&aring;dar of drupte. Nw m&acirc;kade hju en hrof mith hellanda
+sidum, vp st&ocirc;ka m&acirc;kade hju tham. Men stornewind k&ecirc;m
+&aring;nd blos r&ecirc;in th&ecirc;r vnder. Nw h&ecirc;de hja sjan
+th&aring;t tha stam hly jef, &aring;fter gong hja to &aring;nd
+m&acirc;kade en w&acirc;ch fon pl&acirc;ga &acirc;nd s&acirc;dum, thet
+forma an &ecirc;ne syda &aring;nd forth an alle syda. Storne wind
+k&ecirc;m to bek jeta wodander as to fora &aring;nd blos thju hrof
+ew&ecirc;i. Men hju ne b&acirc;rade navt over Wr.alda ner to jenst
+Wr.alda. Men hja m&acirc;kade en reitne hrof &aring;nd leide
+st&ecirc;ne th&ecirc;r vppa. Bifvnden h&aring;vande ho s&ecirc;r thet
+dvath vmb all&ecirc;na to tobbande, alsa bithjude hju hira bern ho
+&aring;nd hw&ecirc;rvmbe hju alsa h&ecirc;de d&ecirc;n. Thissa wrochton
+&aring;nd tochton to s&ecirc;mine. A sadenera wise send wy an
+h&ucirc;sa k&ecirc;men mith stoppenb&aring;nkum, en slecht &aring;nd
+warande linda with tha svnnestr&ecirc;lum. To tha lesta h&aring;von hja
+en burch m&acirc;kad &aring;nd forth alle &ocirc;thera. Nis thin hus
+thus navt sterk noch w&ecirc;st, alsa mot i trachda vmbet &ocirc;re
+b&ecirc;ter to m&acirc;kjande. Min hus w&ecirc;re sterk enoch,
+s&ecirc;ider, men thet h&acirc;ge w&ecirc;ter heth et vp b&ecirc;rad
+&aring;nd stornewind heth et ore d&ecirc;n. Hw&ecirc;r stand thin hus
+th&aring;n, fr&ecirc;je Tr&acirc;st. Alingen th&ecirc;re R&ecirc;ne,
+andere thene man. Ne stand et th&aring;n navt vppen nol jeftha therp,
+fr&ecirc;je Tr&acirc;st. Nean s&ecirc;ider, min hus stand &ecirc;nsum
+by tha overe, all&ecirc;na h&aring;v ik et buwad, men ik ne macht
+th&ecirc;r all&ecirc;na n&ecirc;n therp to makane. Ik wist wel,
+s&ecirc;ide Tr&acirc;st, tha f&acirc;mna h&aring;v et my meld. Thv hest
+al thin l&ecirc;va en gr&ucirc;wel had an tha m&aring;nniska, ut
+fr&ecirc;se th&aring;tste awet j&ecirc;va jeftha dva moste to fara
+hjam. Thach th&ecirc;r mitha ne m&ecirc;i m&aring;n navt f&ecirc;r ne
+kvma. Hwand Wr.alda th&ecirc;r mild is, k&ecirc;rath him fona gyriga.
+F&aring;sta het vs r&ecirc;den &aring;nd buppa tha dura fon alle burgum
+is t in st&ecirc;n ut wryten: bist &aring;rg b&acirc;tsjochtig
+s&ecirc;ide F&aring;sta, bihod th&aring;n jvwe n&ecirc;sta, bithjod
+th&aring;n jvwe n&ecirc;sta, help th&aring;n juwe nesta, s&acirc;
+skilun hja t thi witherdva. Is i thina r&ecirc;d navt god noch, ik
+n&ecirc;t f&acirc;r thi n&ecirc;n b&ecirc;tera. Sk&acirc;mr&acirc;d
+w&aring;rth then m&aring;n &aring;nd hi drupte stolkes hinne. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3106" href="#xd0e3106">146</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e3108" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nw wil ik selva skriwa &ecirc;rost fon over min
+burch and than over hwat ik hav muge sjan.</h2>
+
+<p>Min burch l&ecirc;id an-t north-ende th&ecirc;re Liudg&acirc;rda.
+Thju tore heth sex syda. Thrya thrittich f&ecirc;t is hju h&acirc;ch.
+Fl&aring;t fon boppa. En lyth huske th&ecirc;r vppa, hw&acirc;na
+m&aring;n tha st&aring;ra bisjath. An aider syd th&ecirc;re tore
+st&aring;t en hus, long thrya hondred, br&ecirc;d thrya sjugun
+f&ecirc;t, &ecirc;lika h&acirc;ch bihalva thju hrof, th&ecirc;r rondlik
+is. Altham fon hyrbakken st&ecirc;n, &aring;nd fon buta ne send
+n&ecirc;nen &ocirc;thera. Om tha burch is en hringdik, th&ecirc;rom en
+gr&aring;ft diap thrya sjugun f&ecirc;t, wyd thrya twilif f&ecirc;t.
+Siath hwa fon&ecirc;re tore del, sa siath hi thju d&acirc;nte fon et
+Jol. Vppa grvnd twisk tha s&ucirc;dlika h&ucirc;sa th&ecirc;re, send
+allerl&ecirc;ja kr&ucirc;da fon h&ecirc;inde &aring;nd f&ecirc;r,
+th&ecirc;rof moton tha f&acirc;mna tha krefta l&ecirc;ra. Twisk tha
+nortlika h&ucirc;sa is all&ecirc;na fjeld. Tha thrju nortlika
+h&ucirc;sa send fol k&ecirc;ren &aring;nd &ocirc;ther bihof. Twa
+s&ucirc;dar send to f&acirc;ra tha f&acirc;mkes vmbe to skola &aring;nd
+to h&ecirc;ma<span class="corr" id="xd0e3113" title="Niet in
+bron">.</span> Thet s&ucirc;dlikoste hus is th&ecirc;re Burchf&acirc;m
+his h&ecirc;m. Inna tore hangt thju foddik. Tha wagar th&ecirc;re tore
+send mith kestlika st&ecirc;na smukad. In vppa th&ecirc;re
+s&ucirc;derwach is th&ecirc;ne Tex wrytten. An tha f&ecirc;re syde
+th&ecirc;ra finth m&aring;n thju forml&ecirc;re; anna winstere syde tha
+&ecirc;wa. Tha ora s&ecirc;ka finth m&aring;n vppa &ocirc;ra thrja.
+Tojenst tha dik by-t hus th&ecirc;r f&acirc;m st&ecirc;t thju owne
+&aring;nd thju molm&acirc;k thrvch fjuwer bufla kroden. Buta vsa
+burchwal is-t h&ecirc;m, th&ecirc;r vppa tha burchh&ecirc;ra &aring;nda
+w&ecirc;rar h&ecirc;me. Thju ringdik th&ecirc;ra is en stonde
+gr&acirc;t, n&ecirc;n stjurar, men svnna stonde, hw&ecirc;rfon twya
+twilif vppen etmelde kvma. In vpper binnasyde fona dik is en
+fl&aring;t, fif f&ecirc;t vndera kr&ucirc;n. Th&ecirc;r vppa send thrya
+hondred kr&acirc;nboga, todekt mith wod &aring;nd l&ecirc;ther. Bihalva
+tha h&ucirc;sa th&ecirc;ra inh&ecirc;mar send th&ecirc;r binna alingne
+tha <span class="pagenum">[<a id="xd0e3116" href=
+"#xd0e3116">148</a>]</span>dik jeta thrya twilif n&ecirc;dh&ucirc;sa to
+f&acirc;ra tha omh&ecirc;mar. Thet fjeld thjanath to k&aring;mp
+&aring;nd to w&ecirc;de. Anna s&ucirc;dsyde fon tha b&ucirc;tenste
+hringdik is thju Liudg&acirc;rde omt&ucirc;nad thrvch thet gr&acirc;te
+Lindawald. Hjra d&acirc;nte is thrju hernich, thet br&ecirc;de buta,
+til thju svnne th&ecirc;r in sia m&ecirc;i. Hwand th&ecirc;r send
+f&ecirc;lo f&ecirc;rlandeska thr&ecirc;ja &aring;nd blommen thrvch tha
+stjurar mith brocht. Alsa thju d&acirc;nte vsar burch is, send alle
+&ocirc;thera; thach vs-is is thju gr&acirc;teste; men thi fon Texland
+is tha aldergr&acirc;teste. Thju tore fon Fryasburch is alsa h&acirc;ch
+th&aring;t hju tha wolka torent, n&ecirc;i th&ecirc;re tore is al et
+&ocirc;thera.</p>
+
+<p>By vs vppa burch ist alsa d&ecirc;lad. Sjugun jonge f&acirc;mna
+w&acirc;kath by th&ecirc;re foddik. Aider w&acirc;k thrja stonda. In ha
+&ocirc;re tid moton hja husw&aring;rk dva, l&ecirc;ra &aring;nd
+sl&ecirc;pa. Send hja sjugun j&ecirc;r w&acirc;kande w&ecirc;sen, alsa
+send hja fry. Th&acirc;n m&uuml;gon hja emong tha m&aring;nniska
+g&acirc;, vp-ra s&ecirc;d to letane &aring;nd r&ecirc;d to
+j&ecirc;vane. Is hwa thrju j&ecirc;r f&acirc;m w&ecirc;st, s&acirc;
+m&ecirc;i hju alto met mith tha alda f&acirc;mna mith g&acirc;.</p>
+
+<p>Thi skrywer mot tha f&acirc;mkes l&ecirc;ra l&ecirc;sa, skrywa
+&aring;nd r&ecirc;kenja. Tha grysa jeftha gr&ecirc;va moton l&ecirc;ra
+hjam rjucht &aring;nd plicht, s&ecirc;dkunda, kr&ucirc;dkunda,
+h&ecirc;lkunda, sk&ecirc;dnesa, tellinga &aring;nd sanga, bijunka
+allerl&ecirc;ja thinga th&ecirc;r hjam n&ecirc;dlik send vmbe r&ecirc;d
+to j&ecirc;va. Thju Burchf&acirc;m mot l&ecirc;ra hjam ho hja
+th&ecirc;rmith to w&aring;rk g&acirc; mota by th&aring; m&aring;nniska.
+&Ecirc;r en Burchf&acirc;m hjra st&ecirc;d innimt, mot hju thrvch thet
+l&acirc;nd f&acirc;ra en fvl j&ecirc;r. Thr&ecirc; gr&ecirc;va
+burchh&ecirc;ra &aring;nd thrja alda f&acirc;mna gan mith hiri mitha.
+Alsa is-t &acirc;k my gvngon. Min f&acirc;rt is alingen th&ecirc;re
+R&ecirc;ne w&ecirc;st, thjus k&acirc;d opward, alingen th&ecirc;re
+&ocirc;re syde ofward. Ho h&acirc;ger ik upk&ecirc;m, to &aring;rmer
+likte mi tha m&aring;nniska. Wral inna R&ecirc;ne h&ecirc;de m&aring;n
+utstekka makad. Thet s&ocirc;n th&aring;t th&ecirc;r ain k&ecirc;m,
+wrde mith w&ecirc;ter wr sk&ecirc;pfachta g&acirc;ten vmbe gold to
+winnande. Men tha m&aring;ng&ecirc;rta ne drogon th&ecirc;r n&ecirc;ne
+golden krone fon. &Ecirc;r w&ecirc;ron th&ecirc;r <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3122" href="#xd0e3122">150</a>]</span>m&acirc;r
+w&ecirc;st, men sont wi Sk&ecirc;nland miste, send hja n&ecirc;i tha
+berga gvngon. Th&ecirc;r delvath hja yserirtha, th&ecirc;r hja yser of
+m&acirc;kja. Boppa th&ecirc;re R&ecirc;ne twisk thet berchta,
+th&ecirc;r h&aring;v ik M&acirc;rs&aring;ta sjan. Tha
+M&acirc;rs&acirc;ta th&aring;t send m&aring;nniska th&ecirc;r invppa
+m&acirc;ra h&ecirc;ma. Hjara husa send vp p&aring;lum buwad. Th&aring;t
+is vret wilde kwik &aring;nda bose m&aring;nniska. Th&ecirc;r send
+wolva, b&acirc;ra &aring;nd sw&acirc;rte grislika l&acirc;wa<a class=
+"noteref" id="xd0e3127src" href="#xd0e3127">1</a>. And hja send tha
+swetsar<a class="noteref" id="xd0e3130src" href="#xd0e3130">2</a>
+jeftha p&aring;lingar fonda h&ecirc;inde Kr&ecirc;kalandar, th&ecirc;ra
+K&aring;lta folgar &aring;nd tha vrwildere Twiskar, alle gyrich
+n&ecirc;i r&acirc;v &aring;nd but. Tha M&acirc;rs&acirc;ta helpath
+hjara selva mith fiska &aring;nd j&acirc;ga. Tha huda wrdat thrvch tha
+wiva tom&acirc;kad &aring;nd birhet mith skors fon berkum. Tha litha
+huda saft lik f&acirc;mnafilt. Thju burchf&acirc;m et Fryasburch<a
+class="noteref" id="xd0e3133src" href="#xd0e3133">3</a> s&ecirc;ide vs
+th&aring;t hja gode &ecirc;nfalde m&aring;nniska weron. Thach h&ecirc;d
+ik hja &ecirc;r navt spr&ecirc;ken h&ecirc;red, ik skolde m&ecirc;nath
+h&aring;ve th&aring;t hja n&ecirc;n Fryas w&ecirc;re, men wilda,
+s&acirc; ryst s&acirc;gon hja ut. Hjra fachta &aring;nd kruda wrdon
+thrvch tha R&ecirc;nh&ecirc;mar vrwandelath &aring;nd thrvch tha
+stjurar buta brocht. Alingen th&ecirc;re R&ecirc;ne w&ecirc;r et
+al&ecirc;n, til Lydasburch<a class="noteref" id="xd0e3136src" href=
+"#xd0e3136">4</a>. Th&ecirc;r was en gr&acirc;te flyt<a class="noteref"
+id="xd0e3139src" href="#xd0e3139">5</a>. Invppa thisra flyt w&ecirc;ron
+&acirc;k m&aring;nniska, th&ecirc;r husa vp p&aring;la h&ecirc;de. Men
+th&aring;t n&ecirc;r n&ecirc;n Fryas folk, men th&aring;t w&ecirc;ron
+swarte &aring;nd bruna m&aring;nniska, th&ecirc;r thjanath h&ecirc;de
+to rojar vmbe tha butaf&acirc;rar to honk to helpane. Hja moston
+th&ecirc;r bilywa til thju thju fl&acirc;te wither w&ecirc;i
+br&ucirc;da.</p>
+
+<p>To tha lersta k&ecirc;mon wi to-t Alderga. By-t
+suderh&acirc;vah&acirc;ved st&ecirc;t thju W&acirc;raburch, en
+st&ecirc;nhus, th&ecirc;rin send allerl&ecirc;ja skulpa, hulka,
+w&ecirc;pne &aring;nd klathar w&acirc;rad, fon f&ecirc;re landum,
+thrvch tha stjurar mith brocht. En fjard&ecirc;l d&acirc;na is-t
+Alderga. En gr&acirc;te flyt omborad mith lothum, husa &aring;nd
+g&acirc;rdum ella riklik sjarad. Invpper flyt l&ecirc;i en gr&acirc;te
+fl&acirc;te r&ecirc;d, mith f&ocirc;non fon allerl&ecirc;ja farwa. Et
+Fryas d&ecirc;i hongon tha skilda omma tha borda to. Svme blikton <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3144" href="#xd0e3144">152</a>]</span>lik
+svnna. Tha skilda th&ecirc;r witking &aring;nd th&ecirc;ra skolta bi
+tha nachtum w&ecirc;ron mith gold vmborad. Abefta th&ecirc;re flyt was
+en gr&aring;ft gr&aring;ven, to hl&acirc;pande d&acirc;na alingen
+th&ecirc;re burch For&acirc;na<a class="noteref" id="xd0e3146src" href=
+"#xd0e3146">6</a> &aring;nd forth mith en &ecirc;nga muda<a class=
+"noteref" id="xd0e3149src" href="#xd0e3149">7</a> in s&ecirc;. To
+f&acirc;ra th&ecirc;re fl&acirc;te w&ecirc;re thit tha utgvng &aring;nd
+et Fly tha ingvng. A b&ecirc;de syda th&ecirc;re gr&aring;ft send
+sk&ecirc;ne husa mith hel blikanda farwa m&acirc;lad. Tha g&acirc;rdne
+send mit altid gr&ecirc;ne h&acirc;gvm omtunad. Ik h&aring;v th&ecirc;r
+wiva sian, th&ecirc;r filtne tohnekna drogon as t skriffilt w&ecirc;re.
+Lik to Stavere w&ecirc;ron tha m&aring;ng&ecirc;rtne mith golden kronum
+vppira holum &aring;nd mith hringum<a class="noteref" id="xd0e3152src"
+href="#xd0e3152">8</a> om &aring;rma &aring;nd f&ecirc;t sjarad.
+Sudward fon For&acirc;na l&ecirc;id Alkm&acirc;rum. Alkm&acirc;rum is
+en m&acirc;re jefta flyt, th&ecirc;rin l&ecirc;id en &ecirc;land, vppa
+th&aring;t &ecirc;land moton tha swarte &aring;nd bruna m&aring;nniska
+hwila &ecirc;vin as to Lydahisburch. Thju Burchf&acirc;m fon
+For&acirc;na s&ecirc;ide my, th&aring;t tha burchh&ecirc;ra
+d&ecirc;istik to-r&acirc; gvngon vmb ra to l&ecirc;rande, hwat
+&aring;fte frydom sy, &aring;nd ho tha m&aring;nniska an th&ecirc;re
+minne agon to l&ecirc;vane vmbe s&ecirc;jen to winnande fon Wr.aldas
+g&acirc;st. Was th&ecirc;r hwa th&ecirc;r h&ecirc;ra wilde &aring;nd
+bigripa machte, sa w&aring;rth er halden, alont er fvl l&ecirc;rad
+w&ecirc;re. Th&aring;t wrde d&ecirc;n vmbe tha f&ecirc;rh&ecirc;mande
+folka wis to m&acirc;kane, &aring;nd vmbe vral &acirc;tha to winnande.
+&Ecirc;r h&ecirc;d ik anda S&acirc;xanamarka to th&ecirc;r burch
+M&aring;nnag&acirc;rda forda<a class="noteref" id="xd0e3155src" href=
+"#xd0e3155">9</a> w&ecirc;st. Thach th&ecirc;r h&ecirc;d ik m&acirc;r
+sk&acirc;melh&ecirc;d sjan, as-k hyr rikdom sp&ecirc;rde. Hju andere:
+s&acirc; hwersa th&ecirc;r an da S&acirc;xanamarka en fr&ecirc;jar
+kvmath en mang&ecirc;rte to bi fr&ecirc;jande, alsa fr&ecirc;jath tha
+m&aring;ng&ecirc;rtne th&ecirc;r, kanst thin hus fry w&ecirc;ra tojenst
+tha bannane Twisklandar, h&aring;st nach n&ecirc;ne f&aring;lad, ho
+f&ecirc;lo bufle h&aring;st al f&aring;nsen &aring;nd ho f&ecirc;lo
+b&acirc;ra &aring;nd wolva huda h&aring;st al vppa th&ecirc;re
+m&aring;rk brocht? D&acirc;na ist kvmen th&aring;t tha Saxmanna thju
+buw anda wiva vrl&ecirc;ten h&aring;ve. Th&aring;t fon hvndred to
+s&ecirc;mine n&ecirc;n &ecirc;ne l&ecirc;sa m&ecirc;i ner skriwa ne
+k&aring;n. D&acirc;na is-t kvmen, th&aring;t nimman n&ecirc;n
+spr&ecirc;k vppa sin skild neth, men bl&acirc;t en mislikande
+d&acirc;nte fon en diar, th&aring;t er f&aring;lad <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3158" href="#xd0e3158">154</a>]</span>heth. And
+&aring;ndlik, d&acirc;na is-t kvmen, th&aring;t hja s&ecirc;r
+wichandlik ewrden send, men to met &ecirc;vin dvm send as et kwik,
+th&aring;t hja f&aring;nsa, &aring;nd &ecirc;vin erm as tha
+Twiskl&acirc;ndar, hw&ecirc;r mith hja orloge. To f&acirc;ra Fryas folk
+is irtha &aring;nd s&ecirc; esk&ecirc;pen. Al vsa rinstr&acirc;ma
+runath vppa s&ecirc; to. Th&aring;t Lydas folk &aring;nd th&aring;t
+Findas folk skil ekkorum vrdelgja, &aring;nd wy moton tha l&ecirc;thoga
+landa bifolka. In-t fon &aring;nd omme f&acirc;ra l&ecirc;id vs held.
+Wilst nw th&aring;t tha boppal&acirc;nder d&ecirc;l h&aring;ve an vsa
+rikdom &aring;nd wisdom, s&acirc; skil ik thi en r&ecirc;d j&ecirc;va.
+L&ecirc;t et tha mang&ecirc;rtne to w&ecirc;nh&ecirc;d wrde hjara
+fr&ecirc;jar to fr&ecirc;jande, &ecirc;r hja ja segsa: hw&ecirc;r
+h&aring;st al in wralda ommef&acirc;ren, hwad k&aring;nst thin bern
+tella wra f&ecirc;ra landa &aring;nd wra f&ecirc;rh&ecirc;manda folka?
+Dvath hja alsa, s&acirc; skilun tha wichandlika kn&acirc;pa to vs kvma.
+Hja skilun wiser w&aring;rtha &aring;nd rikk&acirc;r &aring;nd wi ne
+skilun n&ecirc;n bihof longer navt n&aring;ve an th&aring;t wla thjud.
+Tha jongste th&ecirc;r f&acirc;mna fon th&ecirc;ra th&ecirc;r by mi
+w&ecirc;ron, k&ecirc;m uta Saxsanamarka w&ecirc;i. As wi nw to hongk
+k&ecirc;mon, heth hju orlovi fr&ecirc;jad vmbe n&ecirc;i hjra hus to
+g&acirc;ne. Aftern&ecirc;i is hju th&ecirc;r Burchf&acirc;m wrden,
+&aring;nd d&acirc;na is-t kvmen th&aring;t er hjud&ecirc;ga s&acirc;
+felo Saxm&aring;nna by tha stjurar f&acirc;re.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Ende fon thet Apollonia
+bok.</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e3164" href=
+"#xd0e3164">156</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3127src" id="xd0e3127">1</a></span> Leeuwen in Europa, Herodotus,
+VII, 125.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3130src" id="xd0e3130">2</a></span> Swetsar, Switsers.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3133src" id="xd0e3133">3</a></span> Fryasburch, Freiburg.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3136src" id="xd0e3136">4</a></span> Lydasburch, Leiden, de
+burcht.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3139src" id="xd0e3139">5</a></span> Flyt, jeftha m&acirc;re, de
+Mare.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3146src" id="xd0e3146">6</a></span> Forana, Vroonen.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3149src" id="xd0e3149">7</a></span> Engamuda, Egmond.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3152src" id="xd0e3152">8</a></span> Diod. Sic. V 27, van de
+Galliers.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3155src" id="xd0e3155">9</a></span> Mannag&acirc;rdaforda,
+Munster.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3166" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Tha skrifta fon Frethorik and Wiljow.</h2>
+
+<p>Min n&ocirc;m is Fr&ecirc;thorik to nomath oera Linda, th&aring;t
+wil segsa ovir tha Linda. To Ljudwardja bin ik to Asga k&ecirc;ren.
+Ljudwardja is en ny thorp, binna thene ringdik fon th&ecirc;r burch
+Ljudgarda, hw&ecirc;rfon tha n&ocirc;ma an vn&ecirc;r kvmen is. Vnder
+mina tida is er f&uuml;l b&ecirc;red. F&uuml;l h&ecirc;d ik th&ecirc;r
+vr skr&ecirc;ven, men &aring;ftern&ecirc;i send mi &acirc;k f&ecirc;lo
+thinga meld. Fon &ecirc;n &aring;nd &ocirc;ther wil ik en
+sk&ecirc;dnese &aring;fter thit bok skrywa, tha goda m&aring;nniska
+to-n &ecirc;re tha &aring;rga to vn&ecirc;re.</p>
+
+<p>In min j&uuml;ged h&ecirc;rd ik gr&ecirc;dwird alomme, &aring;rge
+tid k&ecirc;m, &aring;rge tid was kvmen, Frya h&ecirc;d vs l&ecirc;ton,
+hjra w&acirc;kf&acirc;mkes h&ecirc;de hju abefta halden, hwand drochten
+likande bylda w&ecirc;ron binna vsa l&acirc;ndp&aring;la fvnden.</p>
+
+<p>Ik br&ocirc;nde fon nysgyr vmbe thi bylda to bisjan. In vsa
+b&ucirc;rt strompele en &ocirc;ld f&acirc;mke to tha husa uta in, immer
+to k&ecirc;thande vr &aring;rge tid. Ik gyrde hja ling syde. Hju strik
+mi omme kin to. Nw wrd ik drist &aring;nd fr&ecirc;je jef hju mi
+&aring;rge tid &aring;nd tha bylda r&ecirc;is wisa wilde. Hju lakte
+godlik &aring;nd brocht mi vpper burch. En gr&ecirc;ve m&aring;n
+fr&ecirc;je my jef ik al l&ecirc;sa &aring;nd skrywa kv. N&ecirc;
+s&ecirc;id ik. Th&aring;n most &ecirc;rost to ga &aring;nd l&ecirc;ra,
+s&ecirc;id-er owers ne m&ecirc;i-t jow navt wysen wrde. Dystik gvng ik
+bi tha skriwer l&ecirc;ra. Acht j&ecirc;r l&ecirc;tter h&ecirc;rd ik,
+vsa burchf&acirc;m h&ecirc;de hordom bidryven &aring;nd svme
+burchh&ecirc;ra h&ecirc;don vrr&ecirc;d pl&ecirc;gad mith tha Magy,
+&aring;nd f&ecirc;lo m&aring;nniska w&ecirc;ron vp hjara syde. Vral
+k&ecirc;m twispalt. Th&ecirc;r w&ecirc;ron bern, th&ecirc;r vpstandon
+ajen hjara eldrum. Inna gluppa <span class="pagenum">[<a id="xd0e3175"
+href="#xd0e3175">158</a>]</span>wrdon tha froda m&aring;nniska morth.
+Thet alde f&acirc;mke, th&ecirc;r ella b&acirc;r m&acirc;kade,
+w&aring;rth d&acirc;d fvnden in en grupe. Min t&acirc;t, th&ecirc;r
+rjuchter w&ecirc;re, wilde hja wr&ecirc;ken h&acirc;. Nachtis
+w&aring;rth er in sin hus vrmorth. Thrju j&ecirc;r l&ecirc;tter
+w&ecirc;r thene M&acirc;gy b&acirc;s svnder strid. Tha Saxm&aring;nna
+w&ecirc;ron frome &aring;nd frod bilywen. N&ecirc;i tham fljuchton alle
+gode m&aring;nniska. Min m&aring;m bistvrv-et. Nw d&ecirc;d ik lik tha
+&ocirc;thera. Thi M&acirc;gy bogade vppa sinra sn&ocirc;dh&ecirc;d. Men
+Irtha skold im th&acirc;na, th&aring;t hja n&ecirc;n M&acirc;gy ner
+afgoda to l&ecirc;ta ne mochte to th&ecirc;re h&ecirc;lge sk&ecirc;ta,
+hw&ecirc;rut hju Frya b&ecirc;rade. &Ecirc;vin sa thet wilde hors sina
+m&aring;nna sked, n&ecirc;i th&aring;t thet sina ridder gersfallich
+m&acirc;kad heth, &ecirc;vin s&acirc; skodde Irtha hjra walda &aring;nd
+berga. Rinstr&acirc;ma wrdon ovira fjelda spr&ecirc;d. S&ecirc; kokade.
+Berga spydon n&ecirc;i tha wolkum, &aring;nd hwad hja spyth h&ecirc;de,
+swikton tha wolka wither vp jrtha. By-t anfang there Arnem&ocirc;nath
+nigade jrtha northward, hju s&ecirc;g del, &ocirc;l l&ecirc;gor
+&aring;nd l&ecirc;gor. Anna Wolfam&ocirc;nath l&ecirc;idon tha
+D&ecirc;nemarka fon Fryas l&acirc;nd vnder-ne s&ecirc; bidobben. Tha
+walda th&ecirc;r bylda in w&ecirc;ron, wrdon vphyvath &aring;nd
+th&ecirc;r windum spel. Thet j&ecirc;r &aring;fter k&ecirc;m frost inna
+Herdem&ocirc;nath &aring;nd l&ecirc;id &ocirc;ld Fryas l&acirc;nd vnder
+en pl&ocirc;nke skul. In Sellam&ocirc;nath k&ecirc;m stornewind ut et
+northa w&ecirc;i, mith forande berga fon ise &aring;nd st&ecirc;num.
+Tha spring k&ecirc;m, hyf jrtha hjra selva vp. Ise smolt w&ecirc;i.
+Ebbe k&ecirc;m &aring;nd tha walda mith byldum dr&ecirc;von n&ecirc;i
+s&ecirc;. Inner Winna jeftha Minnam&ocirc;nath gvng aider thurvar
+wither h&ecirc;m f&acirc;ra. Ik k&ecirc;m mith en f&acirc;m to
+th&ecirc;re burch Ljudg&acirc;rda. Ho drove sach et ut. Tha walda
+th&ecirc;ra Lindawrda w&ecirc;ron m&ecirc;st w&ecirc;i. Th&ecirc;r tha
+Ljudg&acirc;rde w&ecirc;st h&ecirc;de, was s&ecirc;. Sin hef
+f&ecirc;tere thene hringdik. Ise h&ecirc;de tha tore w&ecirc;i brocht
+&aring;nd tha husa l&ecirc;ide in thrvch ekk&ocirc;rum. Anna helde
+fonna dik fond ik en st&ecirc;n. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3177" href="#xd0e3177">160</a>]</span>vsa skriver h&ecirc;d er sin
+n&ocirc;m inwryten, th&aring;t w&ecirc;re my en b&acirc;ken. S&acirc;-t
+mith vsa burch gvngen was, was-t mith mitha &ocirc;ra gvngon. Inna
+h&acirc;ga l&acirc;nda w&ecirc;ron hja thrvch jrtha, inna d&ecirc;na
+landa thrvch w&ecirc;ter vrd&ecirc;n. All&ecirc;na Fryasburch to
+Texland w&aring;rth vned&ecirc;rad fvnden. Men al et l&aring;nd thet
+northward l&ecirc;id h&ecirc;de, w&ecirc;re vnder s&ecirc;. Noch nis-t
+navt boppa brocht. An th&aring;s k&acirc;d fon-t Flym&acirc;re
+w&ecirc;ron n&ecirc;i meld wrde thrichtich salta m&acirc;ra kvmen,
+vnstonden thrvch tha walda, th&ecirc;r mith grvnd &aring;nd al
+vrdr&ecirc;ven w&ecirc;ron. To Westflyland fiftich. Thi gr&aring;ft
+th&ecirc;r fon-t Alderga thweres to het land thrvchl&acirc;pen
+h&ecirc;de, was vrs&ocirc;ndath &aring;nd vrd&ecirc;n. Tha stjurar
+&aring;nd &ocirc;r f&acirc;rande folk, th&ecirc;r to honk w&ecirc;ron,
+h&ecirc;de hjara selva mith m&acirc;ga &aring;nd sibba vppira skepum
+hret. Men th&aring;t swarte folk fon Lydasburch &aring;nd Alikmarum
+h&ecirc;de al&ecirc;n d&ecirc;n. Thawil tha swarta s&ucirc;dward
+dryvon, h&ecirc;don hja f&ecirc;lo m&aring;ng&ecirc;rtne hret,
+&aring;nd n&ecirc;idam nimman ne k&ecirc;m to aska tham, hildon hja
+tham to hjara wiva. Tha m&aring;nniska th&ecirc;r to bek k&ecirc;mon,
+gvngon alle binna tha hringdika th&ecirc;ra burgum h&ecirc;ma,
+thrvchdam et th&ecirc;r buta al slyp &aring;nd brokl&acirc;nd
+w&ecirc;re. Tha gamla husa wrde by&ecirc;n klust. Fona
+boppal&acirc;ndum k&acirc;pade m&aring;n ky &aring;nd sk&ecirc;p,
+&aring;nd inna tha gr&acirc;te husa th&ecirc;r to f&acirc;ra tha
+f&acirc;mna s&ecirc;ten h&ecirc;de, wrde nw l&ecirc;ken &aring;nd filt
+m&acirc;kad, vmbe thes l&ecirc;vens willa. Th&aring;t sk&ecirc;d 1888<a
+class="noteref" id="xd0e3179src" href="#xd0e3179">1</a> j&ecirc;r
+n&ecirc;i th&aring;t Atl&acirc;nd svnken was.</p>
+
+<p>In 282 j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e3184src" href=
+"#xd0e3184">2</a> n&ecirc;don wi n&ecirc;n &Ecirc;remoder navt hat,
+&aring;nd nw ella tomet vrl&ecirc;ren skinde, gvng m&aring;n &ecirc;ne
+kjasa. Thet hlot falde vp Gosa to n&ocirc;math Makonta. Hju w&ecirc;re
+Burchf&acirc;m et Fryasburch to Texl&acirc;nd. Hel fon hawed &aring;nd
+kl&acirc;r fon sin, &ecirc;lle god, &aring;nd thrvchdam hira burch
+all&ecirc;na sp&acirc;rad was, sach alrik th&ecirc;rut hira hropang.
+Tjan j&ecirc;r l&ecirc;ttere k&ecirc;mon tha stjurar fon Forana
+&aring;nd fon Lydas burch. Hja wildon tha swarta m&aring;nniska mith
+wif &aring;nd bern to thet l&acirc;nd utdryva. Th&ecirc;rwr wildon hja
+th&ecirc;re Moder is r&ecirc;d biwinna. Men Gosa <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e3187" href="#xd0e3187">162</a>]</span>fr&ecirc;je,
+k&aring;nst &ecirc;n &aring;nd &ocirc;r to bek fora n&ecirc;i hjra
+l&acirc;ndum, th&aring;n &acirc;chste spod to m&acirc;kjande, owers ne
+skilun hja hjara m&acirc;ga navt wither ne finda. N&ecirc; s&ecirc;ide
+hja. Th&acirc; s&ecirc;ide Gosa: Hja h&aring;von thin salt provad
+&aring;nd thin br&aring;d &ecirc;ten. Hjara lif &aring;nd l&ecirc;va
+h&aring;von hja vnder jow hod st&aring;lad. I moste jow ajne hirta
+bis&ecirc;ka. Men ik wil thi en r&ecirc;d jeva. Hald hjam alond jow
+w&aring;ldich biste vm ra wither honk to fora. Men hald hjam bi jow
+burgum th&ecirc;r b&ucirc;ta. W&acirc;k ovir hjara s&ecirc;d &aring;nd
+l&ecirc;r hjam as jef hja Fryas svna w&ecirc;re. Hjra wiva send hyr tha
+steriksta. As r&ecirc;k skil hjara blod vrfljuchta, til er tha lesta
+navt owers as Fryas blod in hjara &aring;fterkvmande skil bilywa.
+S&acirc; send hja hyr bil&ecirc;wen. Nw winst ik wel th&aring;t mina
+&aring;fterkvmande th&ecirc;r vp letta, ho f&ecirc;r Gosa
+w&ecirc;rh&ecirc;d sprek. Th&acirc; vsa l&acirc;nda wither to bigana
+w&ecirc;r, k&ecirc;mon th&ecirc;r banda erma Saxmanna &aring;nd wiva
+n&ecirc;i tha vvrdum fon Stavere &aring;nd th&aring;t Alderga, vmbe
+golden &aring;nd &ocirc;ra sjarh&ecirc;d to s&ecirc;kane fon ut tha
+wasige bodeme. Thach tha stjurar nildon hja navt to l&ecirc;ta. Tha
+gvngon hja tha l&ecirc;thoga thorpa bih&ecirc;ma to West Flyland, vmbe
+ra lif to bihaldane.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3179src" id="xd0e3179">1</a></span> 2193 - 1888 = 305 voor
+Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3184src" id="xd0e3184">2</a></span> Sedert 587 voor Chr. Verg.
+pag. 110, 112.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3189" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nw wil ik skriwa ho tha G&ecirc;rtmanna and
+f&ecirc;lo H&ecirc;l&ecirc;nja folgar tobek k&ecirc;mon.</h2>
+
+<p>Twa j&ecirc;r n&ecirc;i th&aring;t Gosa Moder wrde<a class="noteref"
+id="xd0e3194src" href="#xd0e3194">1</a>, k&ecirc;m er en fl&acirc;te to
+thet Flymara in fala. Thet folk hropte ho.n.s&ecirc;en. Hja foron til
+Stavere, th&ecirc;r hropton hja jeta r&ecirc;is. Tha f&ocirc;na
+w&ecirc;ron an top &aring;nd thes nachtes sk&acirc;ton hja barnpila<a
+class="noteref" id="xd0e3197src" href="#xd0e3197">2</a> anda loft.
+Th&acirc; d&ecirc;ir&ecirc;d w&ecirc;re rojadon svme mith en
+sn&acirc;ke to th&ecirc;re hava in. Hja hropton wither ho.n.
+s&ecirc;en. Th&acirc; hja landa hipte-n jong kerdel wal vp. In sina
+handa h&ecirc;di-n skild, th&ecirc;rvp was br&aring;d &aring;nd salt
+l&ecirc;id. Afterdam k&ecirc;m en gr&ecirc;va, hi s&ecirc;ide wi kvmath
+fona <span class="pagenum">[<a id="xd0e3203" href=
+"#xd0e3203">164</a>]</span>fere Kr&ecirc;kalandum w&ecirc;i, vmb vsa
+s&ecirc;d to warjande, nw winstath wi i skolde alsa mild w&ecirc;sa vs
+alsa f&uuml;l l&acirc;nd to j&ecirc;vane th&aring;t wi th&ecirc;rvp
+m&uuml;ge h&ecirc;ma. Hi telade-n &ecirc;le sk&ecirc;dnese th&ecirc;r
+ik &aring;fter b&ecirc;tre skryva wil. Tha gr&ecirc;va niston navt hwat
+to dvande, hja sandon bodon allerw&ecirc;ikes, &acirc;k to my. Ik gvng
+to &aring;nd s&ecirc;ide: nw wi-n Moder h&aring;ve agon wi hjra
+r&ecirc;d to fr&ecirc;jande. Ik selva gvng mitha. Thju Moder,
+th&ecirc;r ella wiste, s&ecirc;ide, l&ecirc;t hja kvme, s&acirc;
+m&uuml;gon hja vs l&acirc;nd helpa bihalda: men l&ecirc;t hjam navt vp
+&ecirc;ne st&ecirc;d ne bilyva, til thju hja navt waldich ne wrde ovir
+vs. Wi d&ecirc;don as hju s&ecirc;id h&ecirc;de. That w&ecirc;re
+&ecirc;l n&ecirc;i hjra h&ecirc;i. Fryso reste mith sin&acirc; ljudum
+to Stavere, that hja wither to &ecirc;ne s&ecirc;st&ecirc;de
+m&acirc;kade, sa god hja machte. Wichhirte gvng mith sinum ljudum
+astward n&ecirc;i there &Ecirc;mude. Svme th&ecirc;ra Johnjar,
+th&ecirc;r m&ecirc;nde th&aring;t hja font Alderga folk sproten
+w&ecirc;re, gvngen th&ecirc;r hinne. En lyth d&ecirc;l th&ecirc;r
+w&acirc;nde th&aring;t hjara &ecirc;thla fon tha sjugon &ecirc;landa
+wei k&ecirc;mon, gvngon hinne &aring;nd setton hjara selva binna tha
+hringdik fon th&ecirc;re burch Walhallag&acirc;ra del. Ljudg&ecirc;rt
+thene skolte bi nachte fon Wichhirte w&aring;rth min &aring;the
+&aring;ftern&ecirc;i min frjund. Fon ut sin d&ecirc;ibok h&aring;v ik
+thju sk&ecirc;dnese th&ecirc;r hir &aring;fter skil folgja.</p>
+
+<p>Nei th&aring;t wi 12 mel 100 &aring;nd twia 12 j&ecirc;r bi tha fif
+w&ecirc;trum s&ecirc;ten h&ecirc;de, thahwila vsa s&ecirc;k&aring;mpar
+alle s&ecirc;a bif&acirc;ren h&ecirc;de th&ecirc;r to findane,
+k&ecirc;m Alexandre<a class="noteref" id="xd0e3207src" href=
+"#xd0e3207">3</a> tham k&ecirc;ning mith en weldich h&ecirc;r fon boppa
+allingen th&ecirc;r str&acirc;m vsa thorpa bif&acirc;ra. Nimman ne
+m&aring;cht im wither worda. Thach wi stjurar th&ecirc;r by tha
+s&ecirc; s&acirc;ton, wi sk&ecirc;pt vs mith al vsa tilb&ecirc;re hava
+in &aring;nd br&ucirc;da hinna. Tha Alexandre fornom th&aring;t im
+s&acirc; ne gr&acirc;te fl&acirc;te vntf&acirc;ra was, w&aring;rth er
+wodinlik, to sw&ecirc;rande hi skolde alle thorpa an logha offerja jef
+wi navt to bek kvma nilde. Wichhirte l&ecirc;ide siak to bedde.
+Th&acirc; Alexandre th&aring;t fornom heth er wacht alont er
+b&ecirc;ter w&ecirc;re. Aftern&ecirc;i k&ecirc;m er to him s&ecirc;r
+kindlyk snakkande, thach hi thrjvchde lik <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3210" href="#xd0e3210">166</a>]</span>hi &ecirc;r d&ecirc;n
+h&ecirc;de. Wichhirte andere th&ecirc;r &aring;fter, o
+aldergr&acirc;teste th&ecirc;ra k&ecirc;ningar. Wi stjurar kvmath
+allerw&ecirc;ikes, wi h&acirc;ven fon jow gr&acirc;te d&ecirc;dun
+h&ecirc;red. Th&ecirc;rvmbe send wi fvl &ecirc;rbidenese to fara jowa
+w&ecirc;pne, tha jet mar vr thina witskip. Men wi &ocirc;thera wy send
+frybern Fryas bern. Wy ne m&uuml;gon n&ecirc;ne sl&acirc;fona navt ne
+wrde. Jef ik wilde, tha &ocirc;ra skolde r&ecirc;der sterva willa,
+hwand alsa ist thrvch vsa &ecirc;wa bif&ocirc;len. Alexandre
+s&ecirc;ide: ik wil thin l&acirc;nd navt ne m&acirc;kja to min
+b&ucirc;t, ner thin folk to mina sl&acirc;fona. Ik wil bl&acirc;t
+th&aring;t ste my thjanja skolste vmb l&acirc;n. Th&ecirc;rvr wil ik
+sw&ecirc;ra by vs b&ecirc;dar godum, th&aring;t nimman vr my wrogja
+skil. Tha Alexandre &aring;fternei br&aring;d &aring;nd salt mith im
+d&ecirc;lade, heth Wichhirte that wiste d&ecirc;l k&acirc;sen. Hi
+l&ecirc;t tha sk&ecirc;pa hala thrvch sin svne. Tha thi alle tobek
+w&ecirc;ron, heth Alexandre thi alle h&ecirc;red. Th&ecirc;r mitha
+wilde hi sin folk n&ecirc;i tha helge G&ocirc;nga f&acirc;ra,
+th&ecirc;r hi to land navt h&ecirc;de m&uuml;ge n&acirc;ka. Nw gvng er
+to &aring;nd k&acirc;s altham ut sin folk &aring;nd ut sina salt-atha
+th&ecirc;r wenath w&ecirc;ron vvr-ne s&ecirc; to f&acirc;rane.
+Wichhirte was wither siak wrden, th&ecirc;rvmbe gvng ik all&ecirc;na
+mitha &aring;nd Nearchus fon thes keningis w&ecirc;ga. Thi tocht hlip
+svnder fard&ecirc;l to-n-ende, uth&acirc;vede tha Johnjar immerthe an
+vnmin w&ecirc;ron with tha Phonisjar, alsa N&ecirc;archus th&ecirc;r
+selva n&ecirc;n b&acirc;s ovir bilywe ne kv. Intwiska h&ecirc;de tham
+k&ecirc;ning navt stile n&ecirc;st. Hi h&ecirc;de sina salt-atha
+b&acirc;ma kapja l&ecirc;ta &aring;nd to planka m&acirc;kja. Thrvch
+help vsar timberljud h&ecirc;der th&ecirc;r of sk&ecirc;pa m&acirc;kad.
+Nw wilder selva s&ecirc;k&ecirc;ning wertha, &aring;nd mith &ecirc;l
+sin h&ecirc;r thju Gonga vpf&acirc;ra. Thach tha salt-atha th&ecirc;r
+fon thet bergland k&ecirc;mon, w&ecirc;ron ang to fara s&ecirc;. As hja
+h&ecirc;radon th&aring;t hja mith moste, stakon hja tha timberhlotha
+ane br&ocirc;nd. Th&ecirc;r thrvch wrde vs &ecirc;le thorp anda aska
+l&ecirc;id. Thet forma w&acirc;nde wy th&aring;t Alexandre th&aring;t
+bifalen h&ecirc;de &aring;nd jahw&ecirc;der stand r&ecirc;d vmb
+s&ecirc; to kjasane. Men Alexander w&ecirc;re wodin, hi wilde tha
+salt-atha thrvch sin ajn folk ombrensa l&ecirc;ta. Men N&ecirc;archus
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e3215" href=
+"#xd0e3215">168</a>]</span>tham navt all&ecirc;na sin &ecirc;roste
+forst men ak sin frjund w&ecirc;re, r&ecirc;de him owers to dvande. Nw
+b&ecirc;rad er as wen der lavade thet vnluk et d&ecirc;n h&ecirc;de.
+Tha hi ne thvrade sin tocht navt vrfata. Nw wild er to bek k&ecirc;ra,
+thach &ecirc;r hi th&aring;t d&ecirc;de, l&ecirc;t hi thet forma
+bis&ecirc;ka hwa-r skeldich w&ecirc;ron. Dry-r th&aring;t wiste
+l&ecirc;t er altham svnder w&ecirc;pne bilywa, vmb en ny thorp to
+m&acirc;kjande. Fon sin ajn folk l&ecirc;t er wepned vmbe tha &ocirc;ra
+to t&aring;mma, &aring;nd vmbe &ecirc;ne burch to bvwande. Wy moston
+wiv &aring;nd bern mith nimma. K&ecirc;mon wi anda muda th&ecirc;re
+&Ecirc;uphrat, sa machton wi th&ecirc;r en st&ecirc;d kiasa jeftha
+omk&ecirc;ra, vs l&acirc;n skold vs &ecirc;vin blyd to d&ecirc;lath
+wrde. An tha nya sk&ecirc;pa, th&ecirc;r tha br&ocirc;nd vntkvma
+w&ecirc;ron, let-er Johniar &aring;nd Kr&ecirc;kalandar g&acirc;. Hi
+selva gvng mith sin &ocirc;ra folk allingen th&ecirc;re k&acirc;d
+thrvch tha dorra wost&ecirc;na, th&aring;t is thrvch et land th&aring;t
+Irtha vph&ecirc;id h&ecirc;de uta s&ecirc;, tha hju thju str&ecirc;te
+after vsa &ecirc;thela vph&ecirc;ide as hja inna R&acirc;de s&ecirc;
+k&ecirc;mon.</p>
+
+<p>Tha wy to ny G&ecirc;rtmanja k&ecirc;mon (ny G&ecirc;rtmanja is en
+h&acirc;va th&ecirc;r wi selva makad hede, vmbe th&ecirc;r to
+w&ecirc;terja) m&ecirc;ton wi Alexandre mith sin h&ecirc;r.
+N&ecirc;archus gvng wal vp &aring;nd b&ecirc;ide thrja d&ecirc;ga. Tha
+gvng et wither forth. Tha wi bi th&ecirc;re &Ecirc;uphrat k&ecirc;mon,
+gvng N&ecirc;archus mith sina salt-atha &aring;nd f&ecirc;lo fon sin
+folk wal vp. Tha hi k&ecirc;m hring wither. Hi s&ecirc;ide, thi
+k&ecirc;ning l&ecirc;t jow bidda, i skille jet en lithge tocht to sinra
+wille dvan, alont et ende fona R&acirc;de s&ecirc;. Th&ecirc;rn&ecirc;i
+skil jawehder s&acirc; f&uuml;l gold kr&ecirc;ja as er b&ecirc;ra
+m&ecirc;i. Tha wi th&ecirc;r k&ecirc;mon, l&ecirc;t er vs wysa
+hw&ecirc;r thju str&ecirc;te &ecirc;r w&ecirc;st h&ecirc;de. Th&ecirc;r
+n&ecirc;i wylader &ecirc;n &aring;nd thritich d&ecirc;ga, alan ut
+sjande vvra wost&ecirc;ne.</p>
+
+<p>Tho tha lesta k&ecirc;m er en hloth m&aring;nniska mith forande twa
+hondred &ecirc;lephanta thvsend k&ecirc;mlun tol&ecirc;den mith woden
+balkum, r&acirc;pum &aring;nd allerl&ecirc;ja ark vmbe vsa fl&acirc;te
+n&ecirc;i tha Middels&ecirc; to tyande. Th&aring;t bis&acirc;wd-vs,
+&aring;nd likt <span class="pagenum">[<a id="xd0e3221" href=
+"#xd0e3221">170</a>]</span>vs bal to, men N&ecirc;archus teld vs, sin
+k&ecirc;ning wilde tha &ocirc;thera k&ecirc;ninggar t&acirc;na that i
+weldiger w&ecirc;re, s&acirc; tha k&ecirc;ninggar fon Thyris &ecirc;r
+w&ecirc;sen h&ecirc;de. Wi skoldon men mith helpa, s&ecirc;kur skolde
+vs th&aring;t n&ecirc;n sk&acirc;da navt dva. Wi moston wel swika,
+&aring;nd Nearchus wiste ella s&acirc; pront to birjuchte th&aring;t wi
+inna Middels&ecirc; l&ecirc;ide &ecirc;r thrja m&ocirc;natha forby
+w&ecirc;ron. Tha Alexandre fornom ho-t mith sinra onwerp ofkvmen was,
+w&aring;rth er sa vrm&ecirc;ten th&aring;t er tha drage str&ecirc;te
+utdiapa wilde Irtha to-n spot. Men Wr.alda l&ecirc;t sine s&ecirc;le
+l&acirc;s, th&ecirc;rvmbe vrdronk er inna win &aring;nd in sina
+ovirmodichh&ecirc;d, &ecirc;r th&aring;t er bijinna kvste. After sin
+d&acirc;d wrde thet rik d&ecirc;lad thrvch sina forsta. Hja skolde
+alrek en d&ecirc;l to fara sina svnum w&acirc;rja, thach hja
+w&ecirc;ron vnm&ecirc;nis. Elk wilde sin d&ecirc;l bihalda &aring;nd
+selva form&acirc;ra. Tha k&ecirc;m orloch &aring;nd wi ne kvste navt
+omme k&ecirc;ra. N&ecirc;archus wilde nw, wi skolde vs del setta an
+Phonisi his k&acirc;d, men th&aring;t nilde nimman navt ne dva. Wi
+s&ecirc;ide, r&ecirc;der willath wi w&acirc;ga n&ecirc;i Fryasland to
+g&acirc;na. Tha brocht-er vs nei th&ecirc;re nya h&acirc;va fon
+Athenia, hw&ecirc;r alle &aring;fte Fryas bern formels hin t&ecirc;in
+w&ecirc;ron. Forth gvngon wi salt-&acirc;tha liftochta &aring;nd
+w&ecirc;pne f&acirc;ra. Among tha f&ecirc;lo forsta h&ecirc;de
+N&ecirc;archus en frjund mith n&ocirc;me Antigonus. Thisse
+str&ecirc;don b&ecirc;de vmb &ecirc;n dol, s&acirc; hja s&ecirc;idon as
+follistar to f&acirc;ra-t k&ecirc;ninglike slachte &aring;nd forth vmbe
+alle Kr&ecirc;kalanda hjara alda frydom wither to j&ecirc;vane.
+Antigonus h&ecirc;de among f&ecirc;lo &ocirc;therum &ecirc;nnen svn,
+thi h&ecirc;te Dem&ecirc;trius, &aring;fter ton&ocirc;mad thene
+st&ecirc;da winner. Thisse gvng &ecirc;nis vpper st&ecirc;de
+Sal&acirc;mis of. N&ecirc;i th&aring;t er th&ecirc;r en st&ucirc;t
+m&ecirc;i str&ecirc;den h&ecirc;de most er mith th&ecirc;re fl&acirc;te
+strida fon Ptholemeus. Ptholem&ecirc;us, alsa h&ecirc;te thene forst
+th&ecirc;r welda ovir &Ecirc;giptaland. D&ecirc;m&ecirc;trius wn
+th&ecirc;re k&ecirc;se, tha navt thrvch sina salt-&acirc;tha, men
+thrvch dam wy him helpen h&ecirc;de. Thit h&ecirc;de wi d&ecirc;n
+thrvch athskip to f&acirc;ra N&ecirc;archus, hwand wi him far basterd
+blod bik&aring;nde thrvch sin friska h&ucirc;d &aring;nd bl&acirc;wa
+&acirc;gon mith <span class="pagenum">[<a id="xd0e3229" href=
+"#xd0e3229">172</a>]</span>wit h&ecirc;r. After n&ecirc;i gvng
+D&ecirc;m&ecirc;trius l&acirc;s vp Hrodus<a class="noteref" id=
+"xd0e3231src" href="#xd0e3231">4</a> th&ecirc;r hinne brochton wi sina
+salt-&acirc;tha &acirc;nd liftochta wr. Th&acirc; wi tha leste
+r&ecirc;is to Hrodus k&ecirc;mon, was orloch vrtyan.
+D&ecirc;m&ecirc;trius was n&ecirc;i Athenia f&acirc;ren. Tha vs
+k&ecirc;ning th&aring;t vnderstande, l&ecirc;d-er vs tobek. Tha wi anda
+h&acirc;ve k&ecirc;mon, w&ecirc;re &ecirc;l et thorp in row bidobben.
+Friso th&ecirc;r k&ecirc;ning w&ecirc;r ovir-a fl&acirc;te, h&ecirc;de
+en svn &aring;nd en toghater t&ucirc;s, s&acirc; bjustre fres, as jef
+hja p&acirc;s ut Fryasland w&ecirc;i kvmen w&ecirc;ren, &aring;nd
+s&acirc; wondersk&ecirc;n as nimman mocht h&uuml;gja. Thjv hrop
+th&ecirc;rvr gvng vvr alle Kr&ecirc;kalanda &aring;nd k&ecirc;m in tha
+&acirc;ra fon D&ecirc;m&ecirc;trius. D&ecirc;m&ecirc;trius w&ecirc;re
+vvl &aring;nd vns&ecirc;dlik, &aring;nd hi thogte th&aring;t-im ella
+fry stvnde. Hi l&ecirc;t thju toghater avb&ecirc;r sk&acirc;kja. Thju
+moder ne thvrade hjra joi<a class="noteref" id="xd0e3234src" href=
+"#xd0e3234">5</a> navt wachtja, joi nomath tha stjurar wiva hira
+m&acirc;na, th&aring;t is blideskip, ak segsath hja sw&ecirc;thirte.
+Tha stjurar h&ecirc;ton hjra wiva tr&acirc;st, &aring;nd fro jefta frow
+th&aring;t is fr&uuml; &acirc;k frolik, th&aring;t is &ecirc;lik an
+fr&uuml;. Thrvchdam hju hjra man navt wachtja thurade, gvng hju mith
+hjra svne n&ecirc;i D&ecirc;m&ecirc;trius &aring;nd bad, hi skolde hja
+hjra toghater wither j&ecirc;va. Men as D&ecirc;m&ecirc;trius hira svn
+sa, l&ecirc;t-er tham n&ecirc;i sinra hove fora, &aring;nd d&ecirc;de
+al&ecirc;n mith him, as-er mith tham his suster d&ecirc;n h&ecirc;de.
+Anda moder sand hi en buda gold, thach hju stirt-et in s&ecirc;. As hju
+th&ucirc;s k&ecirc;m, warth hju wansinnich, allerw&ecirc;ikes run hju
+vvra str&ecirc;te: n&aring;st min kindar navt sjan, o wach, l&ecirc;t
+mi to jow skul s&ecirc;ka, wand min joi wil mi d&ecirc;ja for tha-k
+sina kindar w&ecirc;i brocht h&aring;v. Tha D&ecirc;m&ecirc;trius
+fornom, th&aring;t Friso to honk w&ecirc;re, sand-i en bodja to him
+segsande, th&aring;t hi sina bern to him nomen h&ecirc;de wmbe ra to
+fora to-n h&acirc;ge st&acirc;t vmbe to l&acirc;nja him to f&acirc;ra
+sina thjanesta. Men Friso th&ecirc;r stolte &aring;nd herdfochtich
+w&ecirc;re, sand en bodja mith en br&ecirc;ve n&ecirc;i sinum bern tha,
+th&ecirc;rin m&acirc;nde hi hjam, hja skolde D&ecirc;m&ecirc;trius to
+willa w&ecirc;sa, vrmithis tham hjara luk j&ecirc;rde. Thach thene
+bodja h&ecirc;de jeta-n ora br&ecirc;ve mith fenin, th&ecirc;rm&ecirc;i
+bif&acirc;l-er hja skolde th&aring;t innimma, hwand <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3240" href=
+"#xd0e3240">174</a>]</span>s&ecirc;id-er-vnwillinglik is thin lif
+bivvllad, th&aring;t ne skil jow navt to r&ecirc;kned ni wrde, thach
+s&acirc;hwersa jow jowe s&ecirc;le bivvlath sa ne skil jow nimmerthe to
+Walh&acirc;lla ne kvma, jow s&ecirc;le skil th&aring;n ovir irtha
+ommew&acirc;ra, svnder &aring; thet ljucht sja to mugande, lik tha
+fl&acirc;ramusa &aring;nd nachtula skilstv alra dystik in thina hola
+skula, thes nachtis utkvma, then vp vsa gr&aring;va gr&acirc;ja
+&aring;nd h&ucirc;la, thahwila Frya hjra haved fon jow ofwenda mot. Tha
+bern d&ecirc;de lik-ra bif&acirc;len warth. D&ecirc;m&ecirc;trius
+l&ecirc;t ra likka in s&ecirc; werpa &aring;nd to tha m&aring;nniska
+wrde s&ecirc;id, th&aring;t hja fljucht w&ecirc;ron. Nw wilde Friso
+mith alleman n&ecirc;i Fryasland f&acirc;ra, th&ecirc;r-i &ecirc;r
+w&ecirc;st h&ecirc;de, men tha m&ecirc;st nilde th&aring;t navt ne dva.
+Nw gvng Friso to &aring;nd sk&acirc;t thet thorp mith-a
+k&ecirc;ninglika f&acirc;rr&ecirc;dsk&ucirc;rum anda br&ocirc;nd. Hjud
+ne kv ni thvrade ninman ne bilywa, &aring;nd alle w&ecirc;ron blyde,
+that hja b&ucirc;ta w&ecirc;re, bihalva wif &aring;nd bern h&ecirc;don
+wi ella abefta l&ecirc;ten, thach wi w&ecirc;ron to l&ecirc;den mith
+liftochtum &aring;nd orlochtuch.</p>
+
+<p>Friso n&ecirc;de nach n&ecirc;n fretho. Tha wi by tha alda
+h&acirc;ve k&ecirc;mon gvnger mith sina drista ljudum to &aring;nd
+sk&acirc;t vnwarlinga tha br&ocirc;nd inna sk&ecirc;pa, th&ecirc;r-i
+mith sina pilum big&acirc;na kv. After sex d&ecirc;gum s&acirc;gon wi
+tha orlochfl&acirc;te fon D&ecirc;m&ecirc;trius vp vs to kvma. Friso
+bif&acirc;l vs, wi moston tha lithste sk&ecirc;pa &aring;fterh&acirc;de
+in &ecirc;ne br&ecirc;de line, tha stora mith wif &aring;nd bern
+f&acirc;rut. Forth b&acirc;d er wi skoldon tha kr&acirc;nboga fon for
+nimma &aring;nd anda &aring;ftest&ecirc;wen f&aring;stigja, hwand
+s&ecirc;id er, wi achon al ffjuchtande to fjuchtane. Nimman ne
+m&ecirc;i him form&ecirc;ta vmb en enkeldera fyand to forfolgjande,
+alsa s&ecirc;id-er is min bislut. Tha hwila wi th&ecirc;rmitha al
+dvande w&ecirc;ron, k&ecirc;m wind vs vppa kop, to th&ecirc;ra
+l&aring;fa &aring;nd th&ecirc;ra wiva skrik, thrvchdam wi n&ecirc;ne
+sl&acirc;vona navt n&ecirc;de as th&ecirc;ra th&ecirc;r vs bi ajn willa
+folgan w&ecirc;re. Wi ne machton hja thus navt thruch roja ni vntkvma.
+Men Wralda wiste wel, hw&ecirc;rvmb-er <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3244" href="#xd0e3244">176</a>]</span>s&acirc; d&ecirc;de,
+&aring;nd Friso th&ecirc;r-et fata, l&ecirc;t tha b&aring;rnpila ring
+inna kr&acirc;nboga lidsa. To lik b&acirc;d-er th&aring;t nimman skiata
+ne machte, &ecirc;r hy sk&acirc;ten h&ecirc;de. Forth s&ecirc;id-er
+th&aring;t wi alle n&ecirc;i th&aring;t midloste skip skiata moste, is
+th&aring;t dol god biracht s&ecirc;id-er, s&acirc; skilun tha &ocirc;ra
+him to helpane kvma &aring;nd th&aring;n mot alrik skiata sa-r
+alderbesta m&ecirc;i. As wi nw arhalf ketting fon-ra of w&ecirc;re,
+bigoston tha Phonisiar to skiata. Men Friso n-andere navt bi f&acirc;ra
+tha &ecirc;roste pil del falde a sex fadema fon sin skip. Nw
+sk&acirc;t-er. Tha &ocirc;ra folgade, thet likte en fjurr&ecirc;in
+&aring;nd thrvchdam vsa pila mith wind m&ecirc;i gvngon, bil&ecirc;von
+hja alle an br&ocirc;nd, &aring;nd n&acirc;kade selva tha thridde
+l&acirc;ge. Allera m&aring;nnelik gyradon &aring;nd j&ucirc;wgade. Men
+tha kr&ecirc;ta vsar witherl&acirc;gum w&ecirc;ron sa herde, thet-et vs
+thet hirte bin&ecirc;pen warth. As Friso m&ecirc;nde th&aring;t et to
+koste, l&ecirc;t-er ofhalde &aring;nd wi spode hinne. Thach n&ecirc;i
+that wi twa d&ecirc;ga forth pilath h&ecirc;de, k&ecirc;m th&ecirc;r en
+&ocirc;re fl&acirc;te ant sjocht, fon thrittich sk&ecirc;pun,
+th&ecirc;r vs st&ecirc;dis in wnne. Friso l&ecirc;t vs wither r&ecirc;d
+makja. Men tha &ocirc;thera sandon en lichte sn&acirc;ka fvl rojar
+forut, tha bodon th&ecirc;ra b&acirc;don ut alera n&ocirc;ma jef hja
+mith f&acirc;ra machte. Hja w&ecirc;ron Johniar, thrvch
+D&ecirc;m&ecirc;trius w&ecirc;ron hja w&aring;ldantlik n&ecirc;i there
+alda h&acirc;ve skikad. Th&ecirc;r h&ecirc;don hja fon th&ecirc;re
+k&ecirc;se h&ecirc;rad &aring;nd nw h&ecirc;don hja thet stolta
+sw&ecirc;rd antjan, &aring;nd w&ecirc;ron vs folgad. Friso th&ecirc;r
+f&uuml;l mitha Johnjar faren h&ecirc;de s&ecirc;ide j&aring;, men
+Wichhirte vsa k&ecirc;ning s&ecirc;ide n&ecirc;<span class="corr" id=
+"xd0e3246" title="Bron: ,">.</span> Tha Johnjar send afgoda thjanjar
+s&ecirc;id-er, ik selva h&aring;v h&ecirc;rad, ho hja thi an hropte.
+Friso s&ecirc;ide thet kvmath thrvch tha wandel mith tha &aring;fta
+Kr&ecirc;kalandar. Th&aring;t h&aring;v ik v&acirc;ken selva d&ecirc;n.
+Thach ben ik alsa herde Fryas as tha finste fon jow. Friso w&ecirc;re
+thene m&aring;n th&ecirc;r vs to Fryasland wisa moste. Thus gvngon tha
+Johnjar mith. Ak likt-et nei Wr.aldas h&ecirc;i, hwand &ecirc;r thrja
+m&ocirc;nathe om hl&acirc;pen w&ecirc;ron, gvngon wi allingen
+Britannja, &aring;nd thrja d&ecirc;ga l&ecirc;ter machton wi ho.n
+s&ecirc;en hropa. <span class="pagenum">[<a id="xd0e3249" href=
+"#xd0e3249">178</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3194src" id="xd0e3194">1</a></span> 303 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3197src" id="xd0e3197">2</a></span> Barnpila. De <i>falarica</i>
+by Livius XXI. 8.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3207src" id="xd0e3207">3</a></span> Alexander aan den Indus 327
+v. Chr. 327 + 1224 = 1551 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3231src" id="xd0e3231">4</a></span> 305 voor Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3234src" id="xd0e3234">5</a></span> Joi en tr&acirc;st. Te
+Scheveningen hoort men nog: joei en troos. Joi, Fransch <i>
+joye</i>.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3251" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit skrift is mij ower Nortland jeftha
+Sk&ecirc;nland j&ecirc;ven.</h2>
+
+<p>Vndera tida th&aring;t vs land del s&ecirc;g, w&ecirc;re ik to
+Sk&ecirc;nland. Th&ecirc;r gvng et alsa to. Th&ecirc;r w&ecirc;ron
+gr&acirc;te m&acirc;ra, th&ecirc;r fon tha bodeme lik en bl&ecirc;se vt
+setta, then spliton hja vt-&ecirc;n. Uta r&ecirc;ta k&ecirc;m stof as-t
+gliande yser w&ecirc;re. Th&ecirc;r w&ecirc;ron berga th&ecirc;r tha
+krunna of swikte. Thesse truldon n&ecirc;ther &aring;nd brochton walda
+&aring;nd thorpa w&ecirc;i. Ik self s&acirc; th&aring;t en berch fon
+tha &ocirc;ra of torent wrde. Linrjucht s&ecirc;g er del. As ik
+aftern&ecirc;i sjan gvng, was th&ecirc;r en m&acirc;re kvmen. Tha irtha
+b&ecirc;terad was, k&ecirc;m er en h&ecirc;rtoga fon Lindasburch
+w&ecirc;i, mit sin folk &aring;nd en f&acirc;m, thju f&acirc;m
+k&ecirc;the allomme: Thene M&acirc;gy is skeldich an al-eth l&ecirc;t
+th&aring;t wi l&ecirc;den h&aring;ve. Hja t&acirc;gon immer forth en
+thet h&ecirc;r w&aring;rth al gr&acirc;ter. Thene M&acirc;gy fluchte
+hinne, m&aring;n fand sin lik, hi h&ecirc;de sin self vrd&ecirc;n. Tha
+wrdon tha Finna vrdr&ecirc;ven n&ecirc;i &ecirc;nre st&ecirc;d,
+th&ecirc;r machton hja l&ecirc;va. Th&ecirc;r w&ecirc;ron fon basterde
+blode. Thissa machton biliwa, thach f&ecirc;lo gvngon mith tha Finna
+m&ecirc;i<span class="corr" id="xd0e3256" title="Bron: .">.</span> Thi
+h&ecirc;rtoga warth to k&ecirc;ning k&ecirc;ren. Tha k&aring;rka
+th&ecirc;r &ecirc;l bil&ecirc;ven w&ecirc;ron wrde vrd&ecirc;n. Sont
+komath tha gode Northljud v&acirc;ken to Texland vmb there Moder-is
+r&ecirc;d. Th&acirc; wi ne m&uuml;gath hjam for n&ecirc;ne rjuchta
+Fryas mar ne halde. Inna D&ecirc;namarka ist s&ecirc;kur as bi vs
+gvngon. Tha stjurar, tham hjara self th&ecirc;r stoltelika
+s&ecirc;k&aring;mpar h&ecirc;ton, send vppira sk&ecirc;pa gvngon,
+&aring;nd &aring;ftern&ecirc;i sind hja to bek gvngon.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="letterspaced">Held!</span></p>
+
+<p>Hwersa thene Kroder en tid forth kroden heth, th&aring;n skilun tha
+&aring;fterkomanda w&acirc;na th&aring;t tha l&ecirc;ka and
+br&ecirc;ka, th&ecirc;r tha Brokmanna mith brocht h&aring;ve,
+&aring;jen were an hjara &ecirc;thla. Th&ecirc;r vr wil ik w&acirc;ka
+&aring;nd thus s&acirc; f&uuml;l vr hj&aring;ra pl&ecirc;ga skriva as
+ik sjan h&aring;. Vr tha <span class="pagenum">[<a id="xd0e3265" href=
+"#xd0e3265">180</a>]</span>G&ecirc;rtmanna k&aring;n ik r&ecirc;d hinne
+stappa. Ik n&aring;v navt f&uuml;l mithra omme gvngen. Tha s&acirc;
+f&ecirc;r ik sjan h&aring; send hja th&aring;t mast bi t&acirc;l
+&aring;nd s&ecirc;d bil&ecirc;wen. Th&aring;t ne m&ecirc;i ik navt
+segsa fon tha &ocirc;thera. Th&ecirc;r fon.a Kr&ecirc;kal&acirc;nda
+w&ecirc;i kvme, send kw&acirc;d ther t&acirc;l &aring;nd vppira
+s&ecirc;d ne m&ecirc;i m&aring;n &ecirc;l navt boga. F&ecirc;lo
+h&aring;vath br&ucirc;na &acirc;gon &aring;nd h&ecirc;r. Hja send
+nidich &aring;nd drist &aring;nd &aring;ng thrvch
+overbil&acirc;wichh&ecirc;d. Hw&ecirc;rsa hja spr&ecirc;ka, s&acirc;
+n&ocirc;math hja the worda f&acirc;r vppa th&ecirc;r lerst kvma mosta.
+Ajen ald segath hja &acirc;d, &aring;jen salt s&acirc;d, m&acirc; fori
+m&aring;n, sel fori skil, sode fori skolde, to f&uuml;l vmb to nomande.
+Ak forath hja m&ecirc;st vrdvaliske &aring;nd bikirte n&ocirc;ma,
+hw&ecirc;ran m&aring;n n&ecirc;n sin an hefta ne m&ecirc;i. Tha Johniar
+spr&ecirc;kath b&ecirc;tre, thach hja swygath thi h &aring;nd
+hw&ecirc;ri navt n&ecirc;sa mot, w&aring;rth er &ucirc;tek&ecirc;th.
+Hwersa imman en byld m&acirc;kath &aring;fter &ecirc;nnen vrstvrven
+&aring;nd thet likt, s&acirc; l&acirc;wath hja, th&aring;t thene
+g&acirc;st thes vrsturvene th&ecirc;r inne f&acirc;rath. Th&ecirc;rvr
+h&aring;vath hja alle bylda vrburgen fon Frya, F&aring;sta,
+M&ecirc;d&ecirc;a, Thjanja, Hell&ecirc;nja &aring;nd f&ecirc;lo
+&ocirc;thera. Hwerth th&ecirc;r en bern ebern, s&acirc; kvmath tha
+sibba et s&ecirc;mne &aring;nd biddath an Frya th&aring;t hju hjara
+f&acirc;mkes m&ecirc;i kvma l&ecirc;ta th&aring;t bern to
+s&ecirc;enande. H&aring;von hja b&ecirc;den sa ne m&ecirc;i nimman him
+rora ni h&ecirc;ra l&ecirc;ta. Kvmt et bern to gr&aring;jande &aring;nd
+halt thit en stvnde an, alsa is th&aring;t en kw&acirc;d t&ecirc;ken
+&aring;nd man is an formoda, th&aring;t thju m&aring;m hordom d&ecirc;n
+heth. Th&ecirc;rvr h&aring;v ik al &aring;rge thinga sjan. Kvmt et bern
+to sl&ecirc;pande, s&acirc; is th&aring;t en t&ecirc;ken, th&aring;t
+tha f&acirc;mkes vr-et kvmen send. Lakt et inna sl&ecirc;p, s&acirc;
+h&aring;von tha f&acirc;mkes th&aring;t bern luk to s&ecirc;it. Olon
+l&acirc;wath hja an bosa g&acirc;sta, hexna, kolla, aldermankes
+&aring;nd elfun, as jef hja fon tha Finna wei k&ecirc;men. Hyrmitha wil
+ik enda &aring;nd nw m&ecirc;n ik tha-k m&aring;r skr&ecirc;ven
+h&aring;, as &ecirc;n minra &ecirc;thla. Fr&ecirc;thorik.</p>
+
+<p>Fr&ecirc;thorik min g&acirc;d is 63 j&ecirc;r wrden. Sont 100
+&acirc;nd 8 j&ecirc;r is hi thene &ecirc;roste fon sin folk, th&ecirc;r
+fr&ecirc;dsum <span class="pagenum">[<a id="xd0e3269" href=
+"#xd0e3269">182</a>]</span>sturven is, alle &ocirc;thera send vndera
+sl&ecirc;ga swikt, th&ecirc;rvr th&aring;t alle k&aring;mpade with ajn
+&aring;nd f&ecirc;rh&ecirc;mande vmb rjucht &aring;nd plicht.</p>
+
+<p>Min n&ocirc;m is Wil-jo, ik bin tha f&acirc;m th&ecirc;r mith him
+fona Saxanamarka to honk for. Thrvch t&acirc;l &aring;nd ommegang
+k&ecirc;m et ut, th&aring;t wi alle b&ecirc;de fon Adela his folk
+w&ecirc;ron, th&acirc; k&ecirc;m ljafde &aring;nd &aring;ftern&ecirc;i
+send wi man &aring;nd wif wrden. Hi heth mi fyf bern l&ecirc;ten, 2
+suna &aring;nd thrju toghatera. Koner&ecirc;d alsa h&ecirc;t min forma,
+H&acirc;chg&acirc;na min &ocirc;thera, mine aldeste toghater h&ecirc;th
+Adela, thju &ocirc;thera Frulik &aring;nd tha jongeste Nocht.
+Th&acirc;-k n&ecirc;i tha Saxanamarka for, h&aring;v ik thrju boka
+hret. Thet bok th&ecirc;ra sanga, th&ecirc;ra tellinga, &aring;nd thet
+H&ecirc;l&ecirc;nja bok. Ik skrif thit til thju m&aring;n navt
+th&aring;nka ne m&ecirc;i th&aring;t hja fon Apoll&acirc;nja send; ik
+h&aring;v th&ecirc;r f&uuml;l l&ecirc;t vr had &acirc;nd wil thus
+&acirc;k thju &ecirc;re h&aring;. Ak h&aring;v ik m&acirc;r d&ecirc;n,
+tha Gosa-Makonta fallen is, hwames godh&ecirc;d &aring;nd
+kl&acirc;rsjanh&ecirc;d to en spr&ecirc;kword is wrden, th&acirc; ben
+ik all&ecirc;na n&ecirc;i Texland gvngen vmbe tha skrifta vr to
+skrivane, th&ecirc;r hju &aring;fter l&ecirc;ten heth, &aring;nd
+th&acirc; tha lerste wille fonden is fon Fr&acirc;na &aring;nd tha
+n&ecirc;il&ecirc;tne skrifta fon Adela jefta Hell&ecirc;nja, h&aring;v
+ik th&aring;t jetta r&ecirc;is d&ecirc;n. Thit send tha skrifta
+Hell&ecirc;njas. Ik set hjam f&acirc;r vppa vmbe th&aring;t hja tha
+aldesta send.</p>
+
+<p>ALLE AFTA FRYAS HELD.</p>
+
+<p>In &ecirc;ra tida niston tha Sl&acirc;vona folkar nawet fon
+fryh&ecirc;d. Lik oxa wrdon hja vnder et juk brocht. In irthas wand
+wrdon hja j&acirc;gath vmbe m&ecirc;tal to delvane &aring;nd ut-a herde
+bergum moston hja h&ucirc;sa h&acirc;wa to forst &aring;nd presterums
+h&ecirc;m. Bi al hwat hja d&ecirc;don, th&ecirc;r nas nawet to
+f&acirc;ra hjara selva, men ella moste thjanja vmbe tha forsta
+&aring;nd prestera jeta riker &aring;nd weldiger to m&acirc;kjane hjara
+selva to s&aring;dene. Vnder thesse arb&ecirc;d wrdon hja <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3278" href="#xd0e3278">184</a>]</span>gr&ecirc;v
+&aring;nd str&aring;m &ecirc;r hja j&ecirc;rich w&ecirc;ron, &aring;nd
+sturvon svnder n ochta afsk&ecirc;n irtha tham overflodlik fvl
+j&ecirc;f to b&acirc;ta al hjara bern. Men vsa britna k&ecirc;mon
+&aring;nd vsa b&acirc;nnalinga thrvch tha Twiskl&acirc;nda vr in hjara
+marka f&acirc;ra &aring;nd vsa stjurar k&ecirc;mon in hjara
+h&acirc;vna. Fon hjam h&ecirc;radon hja k&aring;lta vr &ecirc;lika
+frydom &aring;nd rjucht &aring;nd overa &ecirc;wa, hw&ecirc;r
+b&ucirc;ta nimman omme ne m&ecirc;i. Altham wrde vpsugon thrvch tha
+drova m&aring;nniska lik d&acirc;wa thrvch tha dorra fjelde. As hju fvl
+w&ecirc;ron bijonnon tha alderdrista m&aring;nniska to klippane mith
+hjara k&ecirc;dne, alsa-t tha forsta w&ecirc; d&ecirc;de. Tha forste
+send stolte &aring;nd wichandlik, th&ecirc;rvmbe is th&ecirc;r &acirc;k
+noch d&uuml;ged in hjara hirta, hja bir&ecirc;don et s&ecirc;mine
+&acirc;nd javon awet fon hjara overflodalikh&ecirc;d. Men tha
+l&aring;fa skin fr&acirc;na prestara ne machton th&aring;t navt ne
+lyda, emong hjara forsinde godum h&ecirc;don hja &acirc;k
+wrangwr&aring;da drochtne esk&ecirc;pen. Pest k&ecirc;m inovera
+l&acirc;nda. Nw s&ecirc;idon hja, tha drochtna send tornich overa
+overh&ecirc;richh&ecirc;d th&ecirc;ra bosa. Tha wrdon tha alderdrista
+m&aring;nniska mith hjara k&ecirc;dne wirgad. Irtha heth hjara blod
+dronken, mith th&aring;t blod fode hju fr&uuml;chda &aring;nd nochta,
+&aring;nd alle tham th&ecirc;r of &ecirc;ton wrdon wis.</p>
+
+<p>16 w&acirc;ra 100 j&ecirc;r l&ecirc;den<a class="noteref" id=
+"xd0e3282src" href="#xd0e3282">1</a> is Atland svnken, &aring;nd to
+th&ecirc;ra tidum b&ecirc;rade th&ecirc;r awat hw&ecirc;r vppa nimman
+r&ecirc;kned n&ecirc;de. In-t hirte fon Findas l&acirc;nd vppet berchta
+l&ecirc;id en del, th&ecirc;r is k&ecirc;then Kasamyr<a class="noteref"
+id="xd0e3285src" href="#xd0e3285">2</a>, thet is sjeldsum. Th&ecirc;r
+werth en bern ebern, sin m&aring;m w&ecirc;re thju toghater enis
+k&ecirc;ning &aring;nd sin t&acirc;t w&ecirc;re-n h&acirc;vedprester.
+Vmb sk&ocirc;m to vnkvma mosten hja hjara &aring;jen blod vnkvma.
+Th&ecirc;rvmbe w&aring;rth er b&ucirc;ta th&ecirc;re st&ecirc;de brocht
+bi &aring;rma m&aring;nniska. In twiska was-t im navt forh&ecirc;lad ne
+wrden, th&ecirc;r vmbe d&ecirc;d er ella vmbe wisdom to g&ecirc;tane
+&aring;nd g&acirc;rane. Sin forst&acirc;n w&ecirc;re s&acirc;
+gr&acirc;t th&aring;t er ella forst&acirc;nde hwat er s&acirc;
+&aring;nd h&ecirc;rade. Th&aring;t folk skowde him mit
+&ecirc;rb&ecirc;denese and tha prestera wr don ang vr sina fr&ecirc;ga.
+Th&aring;-r j&ecirc;rich wrde gvnger n&ecirc;i sinum <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3288" href="#xd0e3288">186</a>]</span>aldrum. Hja
+moston herda thinga h&ecirc;ra, vmb-im kwit to werthane javon hja him
+vrflod fon kestlika st&ecirc;num; men hja ne thvradon him navt
+avb&ecirc;r bik&acirc;nn&acirc; as hjara &aring;jne blod. Mith
+drovenese in vrdelven overa falxe sk&ocirc;m sinra aldrum gvng-er
+ommedw&acirc;la. Al forth f&acirc;rande m&ecirc;te hi en Fryas stjurar
+th&ecirc;r as sl&acirc;v thjanade, fon tham l&ecirc;rd-i vsa s&ecirc;d
+&aring;nd pl&ecirc;gum. Hi k&acirc;pade him fry, &aring;nd to ther
+d&acirc;d send hja frjunda bil&ecirc;wen. Alomme hw&ecirc;r er forth
+hinne t&acirc;ch, l&ecirc;rd-i an tha ljuda th&aring;t hja n&ecirc;ne
+rika ner prestera tol&ecirc;ta moston, th&aring;t hja hjara selva hode
+moston &aring;jen falxe sk&ocirc;m, ther allerw&ecirc;ikes kvad dvat an
+tha ljavde. Irtha s&ecirc;id-er sk&aring;nkath hjara j&ecirc;va
+n&ecirc;i m&ecirc;ta men hjara h&ucirc;d kl&acirc;wat, th&aring;t
+m&aring;n th&ecirc;rin &acirc;ch to delvane to &ecirc;rane &aring;nd to
+s&ecirc;jane, s&acirc; m&aring;n th&ecirc;rof sk&ecirc;ra wil. Thach
+s&ecirc;id-er nimman hovat thit to dvande fori ennen &ocirc;thera hit
+ne sy, th&aring;t et bi m&ecirc;ne wille jef ut ljavade sk&ecirc;d. Hi
+l&ecirc;rde th&aring;t nimman in hjara wand machte frota vmbe gold her
+silver ner kestlika st&ecirc;na, hw&ecirc;r nid an klywath &aring;nd
+ljavde fon fljuchth. Vmbe jow mangh&ecirc;rta &aring;nd wiva to
+sjarane, s&ecirc;id-er, j&ecirc;vath hjara rin str&acirc;ma
+&ecirc;noch. Nimman s&ecirc;id-er is weldich alle m&aring;nniska
+m&ecirc;trik &aring;nd &ecirc;lika luk to j&acirc;n. Tha th&aring;t it
+alra m&aring;nniska plicht vmbe tha m&aring;nniska alsa m&ecirc;trik to
+m&acirc;kjane &aring;nd sa f&ecirc;lo nocht to j&acirc;n, as to
+bin&acirc;ka is. N&ecirc;ne witskip seid-er ne m&ecirc;i m&aring;n
+minachtja, thach &ecirc;lika d&ecirc;la is tha gr&acirc;teste witskip,
+th&ecirc;r tid vs l&ecirc;ra m&ecirc;i. Th&ecirc;rvmbe th&aring;t hjv
+argenese fon irtha w&ecirc;rath &aring;nd ljavde feth.</p>
+
+<p>Sin forme n&ocirc;m w&ecirc;re Jes-us<a class="noteref" id=
+"xd0e3292src" href="#xd0e3292">3</a>, thach tha prestera th&ecirc;r-im
+s&ecirc;ralik h&aring;ton h&ecirc;ton him Fo th&aring;t is falx,
+th&aring;t folk h&ecirc;te him Kris-en th&aring;t is herder, &aring;nd
+sin Fryaske frjund h&ecirc;ta him B&ucirc;da, vmbe that hi in sin
+h&acirc;vad en sk&aring;t fon wisdom h&ecirc;de &aring;nd in sin hirt
+en sk&aring;t fon ljavde.</p>
+
+<p>To tha lersta most-er fluchta vr tha wr&ecirc;ka th&ecirc;ra
+prestera, men vral hw&ecirc;r er k&ecirc;m was sine l&ecirc;re him
+f&acirc;rut gvngen <span class="pagenum">[<a id="xd0e3297" href=
+"#xd0e3297">188</a>]</span>&aring;nd vral hw&ecirc;r-er gvng folgadon
+him sina l&ecirc;tha lik sine sk&acirc;de n&ecirc;i. Th&acirc; Jes-vs
+alsa twilif j&ecirc;r om f&acirc;ren h&ecirc;de, sturv-er, men sina
+frjunda w&acirc;radon sine l&ecirc;re &aring;nd k&ecirc;thon
+hw&ecirc;r-et &acirc;ron fvnde.</p>
+
+<p>Hwat m&ecirc;nst nw th&aring;t tha prestera d&ecirc;don, th&aring;t
+mot ik jo melde, &acirc;k mot-i th&ecirc;r s&ecirc;ralik acht vp
+j&acirc;n, forth mot-i over hjara bidryv &aring;nd renka w&acirc;ka
+mith alle kr&aring;ftum, th&ecirc;r Wralda in jo l&ecirc;id heth.
+Thahwila Jes-us l&ecirc;re vr irtha for, gvngon tha falxe prestera
+n&ecirc;i-t l&acirc;nd sinra berta sin d&acirc;d avb&ecirc;ra, hja
+s&ecirc;idon th&aring;t hja fon sinum frjundum w&ecirc;ron, hja
+b&ecirc;radon gr&acirc;te rowa, torennande hjara kl&acirc;thar to
+flardum &aring;nd to sk&ecirc;rande hjara hola k&acirc;l. Inna
+h&ocirc;la th&ecirc;ra berga gvngon hja h&ecirc;ma, thach th&ecirc;rin
+h&ecirc;don hja hjara sk&aring;t brocht, th&ecirc;r binna m&acirc;kadon
+hja byldon &aring;fter Jes-us, thessa byldon j&acirc;von hja antha
+vn&aring;rg th&aring;nkanda ljuda, to longa lersta s&ecirc;idon hja
+th&aring;t Jes-us en drochten w&ecirc;re, th&aring;t-i th&aring;t selva
+an hjam bil&ecirc;den h&ecirc;de, &aring;nd th&aring;t alle th&ecirc;r
+an him &aring;nd an sina l&ecirc;ra l&acirc;wa wilde, n&ecirc;imels in
+sin k&ecirc;ningkrik kvme skolde, hw&ecirc;r fr&uuml; is &aring;nd
+nochta send. Vrmites hja wiston th&aring;t Jes-us &aring;jen tha rika
+to fjelda t&acirc;gen h&ecirc;de, s&acirc; k&ecirc;thon hja
+allerw&ecirc;ikes, that &aring;rmode h&acirc; &aring;nd &ecirc;nfald
+s&acirc; thju d&uuml;re w&ecirc;re vmbe in sin rik to kvmane,
+th&aring;t th&ecirc;ra th&ecirc;r hyr vp irtha th&aring;t m&acirc;ste
+l&ecirc;den h&ecirc;de, n&ecirc;imels tha m&acirc;sta nochta h&aring;va
+skolde. Thahwila hja wiston th&aring;t Jes-us l&ecirc;rad h&ecirc;de
+th&aring;t m&aring;n sina tochta welda &aring;nd bistjura moste,
+s&acirc; l&ecirc;rdon hja th&aring;t m&aring;n alle sina tochta
+d&ecirc;ja moste, &aring;nd th&aring;t tha fvlkvminh&ecirc;d
+th&ecirc;ra m&aring;nniska th&ecirc;rin bistande th&aring;t er
+&ecirc;vin vnforstoren wrde s&acirc; th&aring;t kalde st&ecirc;n. Vmbe
+th&aring;t folk nw wis to m&acirc;kjande th&aring;t hja alsa
+d&ecirc;don, alsa b&ecirc;radon hja &aring;rmode overa str&ecirc;ta
+&aring;nd vmb forth to biwisane th&aring;t hja al hjara tochta
+d&acirc;d h&ecirc;de, n&acirc;mon hja n&ecirc;ne wiwa. Thach
+sahw&ecirc;rsa en toghater en misstap h&ecirc;de, s&acirc; w&aring;rth
+hja that ring forj&acirc;n, tha wrakka s&ecirc;idon hja most m&aring;n
+helpa and vmbe sin &aring;jn <span class="pagenum">[<a id="xd0e3301"
+href="#xd0e3301">190</a>]</span>s&ecirc;le to bihaldane most m&aring;n
+f&uuml;l anda cherke j&acirc;n. Thus todvande h&ecirc;de hja wiv
+&aring;nd bern svnder h&ucirc;shalden &aring;nd wrdon hja rik svnder
+werka, men that folk w&aring;rth f&uuml;l &aring;rmer &aring;nd
+m&acirc;r &ecirc;l&aring;ndich as &acirc; to f&acirc;ra. Thas
+l&ecirc;re hw&ecirc;rbi tha prestera n&ecirc;n &ocirc;re witskip hova
+as drochtlik r&ecirc;da, fr&acirc;na skin &aring;nd vnrjuchta
+pl&ecirc;ga, br&ecirc;d hiri selva ut fon-t &acirc;sta to-t westa
+&aring;nd skil &acirc;k vr vsa landa kvma.</p>
+
+<p>Men astha prestera skilun w&acirc;na, th&aring;t hja allet ljucht
+fon Frya &aring;nd fon Jes-us l&ecirc;re vtd&acirc;vath h&aring;va,
+s&acirc; skilum th&ecirc;r in alle vvrda m&aring;nniska vpstonda, tham
+w&ecirc;rh&ecirc;d in stilnise among ekkorum w&acirc;rath &aring;nd to
+f&acirc;ra tha prestera forborgen h&aring;ve. Thissa skilun w&ecirc;sa
+ut forsta blod, fon presterum blod, fon Sl&acirc;vonum blod, &aring;nd
+fon Fryas blod. Tham skilun hjara foddikum &aring;nd th&aring;t ljucht
+b&ucirc;ta bringa, s&acirc; th&aring;t allera m&aring;nnalik
+w&ecirc;rh&ecirc;d m&ecirc;i sjan; hja skilun w&ecirc; hropa overa
+d&ecirc;da th&ecirc;ra prestera &aring;nd forsta. Tha forsta th&ecirc;r
+w&ecirc;rh&ecirc;d minna &aring;nd rjucht tham skilun fon tha prestera
+wika, blod skil str&acirc;ma, men th&ecirc;rut skil-et folk nye
+kr&aring;fta g&acirc;ra. Findas folk skil sina findingrikh&ecirc;d to
+m&ecirc;na nitha wenda, th&aring;t Lydas folk sina kr&aring;fta
+&aring;nd wi vsa wisdom. Tha skilun tha falxa prestera w&ecirc;i
+f&acirc;gath wertha fon irtha. Wralda his g&acirc;st skil alomme
+&aring;nd allerw&ecirc;ikes &ecirc;rath &aring;nd bihropa wertha. Tha
+&ecirc;wa th&ecirc;r Wralda bi-t anfang in vs mod l&ecirc;ide, skilun
+all&ecirc;na h&ecirc;rad wertha, th&ecirc;r ne skilun n&ecirc;ne
+&ocirc;ra m&acirc;stera, noch forsta, ner b&acirc;sa navt n&ecirc;sa,
+as th&ecirc;ra th&ecirc;r bi m&ecirc;na wille k&ecirc;ren send.
+Th&aring;n skil Frya juwgja &aring;nd Irtha skil hira j&ecirc;va
+all&ecirc;na sk&aring;nka an tha werkande m&aring;nnisk. Altham skil
+anfanga fjuwer thusand j&ecirc;r n&ecirc;i Atland svnken is &aring;nd
+thusand j&ecirc;r l&ecirc;ter skil th&ecirc;r longer n&ecirc;n prester
+ner tvang vp irtha sa.</p>
+
+<p>Dela ton&ocirc;math Hell&ecirc;nja, w&acirc;k! <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3307" href="#xd0e3307">192</a>]</span></p>
+
+<p>S&acirc; l&ucirc;da Fr&acirc;nas &ucirc;troste wille. Alle welle
+Fryas held. An tha n&ocirc;me Wraldas, fon Frya, &aring;nd th&ecirc;re
+fryh&ecirc;d gr&ecirc;te ik jo, &aring;nd bidde jo, sahwersa ik falla
+machte &ecirc;r ik en folgster n&ocirc;math h&ecirc;de, s&acirc;
+bif&ecirc;l ik jo T&uuml;ntja th&ecirc;r Burchf&acirc;m is to
+th&ecirc;re burch M&ecirc;d&ecirc;asblik, til hjud d&ecirc;gum is hja
+tha besta.</p>
+
+<p>Thet heth G&ocirc;sa n&ecirc;i l&ecirc;ten. Alle m&aring;nniska
+held. Ik n&aring;v n&ecirc;ne &ecirc;remoder binomad thrvchdam ik
+n&ecirc;ne niste, &aring;nd et is jo b&ecirc;ter n&ecirc;ne Moder to
+h&aring;vande as &ecirc;ne hw&ecirc;r vp-i jo navt forl&ecirc;ta ne
+m&ecirc;i. Arge tid is forbi f&acirc;ren, men th&ecirc;r kvmt en
+&ocirc;there. Irtha heth hja navt ne b&aring;rad &aring;nd Wralda heth
+hja navt ne sk&ecirc;ren. Hju kvmt ut et &acirc;sta ut-a bosma
+th&ecirc;ra prestera w&ecirc;i. S&acirc; f&ecirc;lo l&ecirc;d skil hju
+broda, th&aring;t Irtha-t blod alg&acirc;dvr navt drinka ne k&aring;n
+fon hira vrsl&ecirc;jana bernum. Thjustrenesse skil hju in overne
+g&acirc;st th&ecirc;ra m&aring;nniska spr&ecirc;da, lik tongar-is wolka
+oviret svnneljucht. Alom &aring;nd allerw&ecirc;ikes skil lest
+&aring;nd drochten bidryf with fryh&ecirc;d k&acirc;mpa &aring;nd
+rjucht. Rjucht &aring;nd fryh&ecirc;d skilun swika &aring;nd wi mith
+tham. Men thesse winst skil hjara vrlias wrochta. Fon thrju worda
+skilun vsa &aring;fterkvmande an hjara ljuda &aring;nd sl&acirc;vona
+tha bithjutnesse l&ecirc;ra. Hja send m&ecirc;na ljavde, fryh&ecirc;d
+&aring;nd rjucht. Th&aring;t forma skilun hja glora,
+&aring;ftern&ecirc;i with thjustrenesse k&aring;mpa al ont et hel
+&aring;nd kl&aring;r in hjawlikes hirt &aring;nd holle w&aring;rth.
+Th&aring;n skil tvang fon irtha f&acirc;gad wertha, lik tongarswolka
+thrvch stornewind, &aring;nd alle drochten bidryv ne skil th&ecirc;r
+&aring;jen nawet navt ne form&uuml;ga. G&ocirc;sa. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3312" href="#xd0e3312">194</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3282src" id="xd0e3282">1</a></span> 2193 - 1600 = 593 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3285src" id="xd0e3285">2</a></span> Kasamyr, Kashmir.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3292src" id="xd0e3292">3</a></span> Jes-us, evenmin te verwarren
+met Jezus, als Krisen (Krishna) met Christus.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3314" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet skrift fon Koner&ecirc;d.</h2>
+
+<p>Min &ecirc;thla h&aring;von in &aring;fter thit bok skr&ecirc;ven.
+Thit wil ik boppa ella dva, vmbe th&aring;t er in min st&acirc;t
+n&ecirc;n burch ovir is, hw&ecirc;rin tha b&ecirc;rtnesa vp
+skr&ecirc;ven wrde lik to f&acirc;ra. Min n&ocirc;me is Koner&ecirc;d,
+min t&acirc;t-his n&ocirc;me was Fr&ecirc;thorik, min mem his
+n&ocirc;me Wiljow. After t&acirc;t his d&acirc;d ben ik to sina folgar
+k&ecirc;ren, &aring;nd tha-k fiftich j&ecirc;r t&aring;lde k&acirc;s
+men mij to vrste gr&ecirc;vetm&aring;n. Min t&acirc;t heth
+skr&ecirc;ven ho tha Linda-wrda &aring;nd tha Ljudg&acirc;rdne vrdilgen
+send. Lindah&ecirc;m is jeta w&ecirc;i, tha Linda-wrda far en
+d&ecirc;l, tha northlikka Ljudg&acirc;rdne send thrvch thene salta
+s&ecirc; bidelven. That br&ucirc;wsende hef slikt an tha hringdik
+th&ecirc;re burch. Lik t&acirc;t melth heth, s&acirc; send tha
+h&acirc;val&acirc;sa m&aring;nniska to gvngen &aring;nd h&acirc;von
+h&ucirc;skes bvwad binna tha hringdik th&ecirc;ra burch. Th&ecirc;rvmbe
+is th&aring;t rondd&ecirc;l nw Ljvdwerd h&ecirc;ten. Tha stjurar segath
+Ljvwrd, men th&aring;t is wanspr&ecirc;ke. Bi mina j&uuml;ged was-t
+&ocirc;re l&acirc;nd, th&aring;t b&ucirc;ta tha hringdik l&ecirc;id, al
+pol &aring;nd brok. Men Fryas folk is diger &aring;nd flitich, hja
+wrdon mod ner wirg, thrvchdam hjara dol to tha besta l&ecirc;ide.
+Thrvch sl&acirc;ta to delvane &aring;nd k&acirc;dika to m&acirc;kjane
+fon tha grvnd th&ecirc;r &ucirc;t-a sl&acirc;ta k&ecirc;m, alsa
+h&aring;von wi wither en gode h&ecirc;m b&ucirc;ta tha hringdik,
+th&ecirc;r thju d&acirc;nte het fon en hof, thr&ecirc; p&ecirc;la
+&acirc;stwarth, thr&ecirc; p&ecirc;la s&ucirc;dwarth &aring;nd
+thr&ecirc; p&ecirc;la w&ecirc;stwarth m&ecirc;ten. Hjud d&ecirc;gum
+send wi to dvande &aring;-p&ecirc;la to h&ecirc;jande, vmb &ecirc;ne
+h&acirc;ve to winnande &aring;nd mith &ecirc;n vmb-vsa hringdik to
+biskirmande. Jef et werk r&ecirc;d sy, s&acirc; skilun wi stjurar
+utlvka. Bi min j&uuml;ged stand-et hyr bj&ucirc;stre om-to, men hjud
+send tha h&ucirc;skes <span class="pagenum">[<a id="xd0e3319" href=
+"#xd0e3319">196</a>]</span>al h&ucirc;sa th&ecirc;r an r&ecirc;ja
+st&acirc;n. And lek &aring;nd brek th&ecirc;r mith ermode hir in glupt
+w&ecirc;ron, send thrvch flit a-buta dr&ecirc;ven. Fon hir ut m&ecirc;i
+allera m&aring;nnalik l&ecirc;ra, th&aring;t Wr.alda vsa Alfoder, al
+sina skepsela fot, mits th&aring;t hja mod halde &aring;nd m&aring;nlik
+&ocirc;therum helpa wille.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e3321" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nv wil ik vr Friso skriva.</h2>
+
+<p>Friso th&ecirc;r al weldich w&ecirc;re thrvch sin ljud, w&aring;rth
+&acirc;k to vrste gr&ecirc;ve k&ecirc;ren thrvch Staverens ommelandar.
+Hi spot mith vsa wisa fon l&acirc;nd-w&ecirc;r &aring;nd
+s&ecirc;k&aring;mpa, th&ecirc;rvmbe heth-er en skol stift hw&ecirc;r in
+tha kn&acirc;pa fjuchta l&ecirc;ra n&ecirc;i Kr&ecirc;kalandar wysa.
+Th&aring;n ik l&acirc;v th&aring;t i th&aring;t d&ecirc;n heth vmb
+th&aring;t jongk-folk an sin sn&ocirc;r to bindane. Ik h&aring;v min
+brother th&ecirc;r &acirc;k hin skikt, tha-s nv thjan j&ecirc;r
+l&ecirc;den. Hwand tocht ik nv wi n&ecirc;ne Moder l&ocirc;nger navt
+n&aring;ve, vmbe tha &ecirc;nen &aring;jen tha &ocirc;re to bi
+skirmande, &acirc;ch ik dubbel to w&acirc;kane th&aring;t hi vs
+n&ecirc;n m&acirc;ster ne w&aring;rth.</p>
+
+<p>Gosa neth vs n&ecirc;ne folgstere n&ocirc;meth, th&ecirc;r vr nil ik
+n&ecirc;n ord&ecirc;l ne fella, men th&ecirc;r send jeta alda &aring;rg
+thenkande m&aring;nniska, th&ecirc;r m&ecirc;ne th&aring;t hju-t
+th&ecirc;r-vr mith Friso &ecirc;nis wrden is. Th&acirc; Gosa fallen
+was, th&acirc; wildon tha ljud fon alle wrda &ecirc;ne &ocirc;there
+Moder kjasa. Men Friso th&ecirc;r to dvande w&ecirc;re vmb-en rik to
+fara him selva to m&acirc;kjane, Friso ne g&ecirc;rde n&ecirc;n
+r&ecirc;d ner bodo fon Texland. As tha bodon th&ecirc;ra
+Lands&acirc;tum to him k&ecirc;mon, sprek-i &aring;nde k&ecirc;th. Gosa
+s&ecirc;id-er was f&ecirc;rsjande w&ecirc;st &aring;nd wiser as alle
+gr&ecirc;va &ecirc;ts&ecirc;mne &aring;nd thach n&ecirc;de hju
+n&ecirc;n ljucht n&ecirc;r kl&acirc;rh&ecirc;d in thjuse s&ecirc;ke ne
+fvnden, th&ecirc;rvmbe n&ecirc;de hju n&ecirc;ne mod h&acirc;n vmb
+&ecirc;ne folgstere to kjasane, &aring;nd vmb &ecirc;ne folgstere to
+kjasane th&ecirc;r tvyvelik w&ecirc;re, th&ecirc;r heth hju bald in
+sjan, th&ecirc;rvmbe heth hju in hjara &ucirc;troste wille
+skr&ecirc;ven, th&aring;t is jow b&ecirc;tre n&ecirc;ne Moder to
+h&aring;vande as &ecirc;ne hw&ecirc;r vpp-i jo selva navt forl&ecirc;ta
+ne m&ecirc;i. Friso h&ecirc;de f&uuml;l sjan, bi orloch was er
+vpbrocht, &aring;nd fon <span class="pagenum">[<a id="xd0e3328" href=
+"#xd0e3328">198</a>]</span>tha hrenkum &aring;nd lestum th&ecirc;ra
+Golum &aring;nd forstum h&ecirc;der krek sa f&uuml;l l&ecirc;red
+&aring;nd geth, as-er n&ecirc;dich h&ecirc;de vmbe tha &ocirc;ra
+gr&ecirc;va to w&ecirc;iande hw&ecirc;r hi hjam wilde. Sjan hir ho-r
+th&ecirc;rmith to gvngen is.</p>
+
+<p>Friso h&ecirc;de hir-ne &ocirc;ther wif nimth, thju toghater fon
+Wil-fr&ecirc;the, bi sin l&ecirc;ve was-er vrste Gr&ecirc;va to
+Staveren w&ecirc;st. Th&ecirc;r bi h&ecirc;der tw&ecirc;n svna wnnen
+&aring;nd twa toghatera. Thrvch sin bil&ecirc;id is Korn&ecirc;lja sin
+jongste toghater mith min brother mant. Korn&ecirc;lja is wan Fryas and
+mot Kornh&ecirc;lja skr&ecirc;ven wrde. W&ecirc;mod sin aldeste heth er
+an Kavch bonden. Kavch th&ecirc;r &acirc;k bi him to skole gvng is thi
+svnv fon Wichhirte thene G&ecirc;rtmanna k&aring;ning. Men Kavch is
+&acirc;k wan Fryas &aring;nd mot K&acirc;p w&ecirc;sa. Men kvade
+t&acirc;le h&aring;von hja mar mithbrocht as gode s&ecirc;da.</p>
+
+<p>Nw mot ik mith mine sk&ecirc;dnese a-befta k&ecirc;ra.</p>
+
+<p>Aftre gr&acirc;te flod hw&ecirc;r vr min t&acirc;t skr&ecirc;ven
+heth, w&ecirc;ron f&ecirc;lo Juttar &aring;nd L&ecirc;tne mith ebbe uta
+Balda jefta kvade s&ecirc;<a class="noteref" id="xd0e3336src" href=
+"#xd0e3336">1</a> fored. Bi K&acirc;t his gat dr&ecirc;von hja in hjara
+k&acirc;na mith yse vppa tha D&ecirc;nemarka f&aring;st &aring;nd
+th&ecirc;r vp send hja sitten bil&ecirc;wen. Th&ecirc;r n&ecirc;ron
+narne n&ecirc;n m&aring;nniska an-t sjocht. Th&ecirc;rvmbe h&aring;von
+hja th&aring;t l&acirc;nd int, n&ecirc;i hjara n&ocirc;me h&aring;von
+hja th&aring;t land Juttarland h&ecirc;ten. Aftern&ecirc;i k&ecirc;mon
+wel f&ecirc;lo Denemarker to bek fon tha h&acirc;ga landum, men thissa
+setton hjara selva s&ucirc;dliker del. And as tha stjurar to bek
+k&ecirc;mon th&ecirc;r navt vrgvngen navt n&ecirc;ron, gvng thi
+&ecirc;na mith tha &ocirc;thera nei tha s&ecirc; jefta &ecirc;landum.<a
+class="noteref" id="xd0e3339src" href="#xd0e3339">2</a> Thrvch thisse
+skikking mochton tha Juttar th&aring;t land halda, hw&ecirc;r-vppa
+Wr.alda ra w&ecirc;jad h&ecirc;de. Tha S&ecirc;landar stjurar tham
+hjara selva mith bl&acirc;te fisk navt helpa ner n&ecirc;ra nilde,
+&aring;nd th&ecirc;r en &aring;rge grins h&ecirc;de an tha Gola, tham
+gvngon d&acirc;na tha Phonisjar sk&ecirc;pa bir&acirc;wa. An tha
+s&ucirc;dwester herne fon Sk&ecirc;nland, th&ecirc;r l&ecirc;id
+Lindasburcht ton&ocirc;math Lindasn&ocirc;se, thrvch vsa Apol stift,
+alsa in thit bok<a class="noteref" id="xd0e3342src" href=
+"#xd0e3342">3</a> biskr&ecirc;wen st&acirc;t. Alle k&acirc;dh&ecirc;mar
+&aring;nd <span class="pagenum">[<a id="xd0e3345" href=
+"#xd0e3345">200</a>]</span>ommelandar d&acirc;na w&ecirc;ron eft Fryas
+bil&ecirc;ven, men thrvch tha lust th&ecirc;re wr&ecirc;ke &aring;jen
+tha Golum &aring;nd &aring;jen tha K&aring;ltana folgar gvngon hja
+mitha S&ecirc;landar s&acirc;ma dvan, men that s&acirc;ma dva neth nen
+stek navt ne halden. Hwand tha S&ecirc;landar h&ecirc;de felo mislika
+pl&ecirc;ga &aring;nd wenh&ecirc;de ovir nommen fon tha vvla
+M&acirc;gjarum, Fryas folk to-n spot. Forth gvng ek to fara him selva
+r&acirc;wa, thach jef et to pase k&ecirc;m th&aring;n standon hja
+m&aring;nlik &ocirc;therum trvlik by. Thach to tha lesta bijondon tha
+S&ecirc;landar brek to kr&ecirc;jande an goda sk&ecirc;pa. Hjara
+skipm&acirc;kar weron omkvmen &aring;nd hjara walda w&ecirc;ron mith
+grvnd &aring;nd al fon-t land of f&acirc;ged. Nw k&ecirc;mon th&ecirc;r
+vnwarlingen thry sk&ecirc;pa by tha ringdik fon vsa burch m&ecirc;ra.
+Thrvch tha inbr&ecirc;ka vsra landum w&ecirc;ron hja vrdvaled &aring;nd
+tha Flymvda misfaren. Thi k&acirc;pmon th&ecirc;r mith gvngen was,
+wilde fon vs nya sk&ecirc;pa h&aring;, th&ecirc;rto h&ecirc;don hja
+mithbrocht allerl&ecirc;ja kestlika w&ecirc;ra, th&ecirc;r hja
+r&acirc;wed h&ecirc;don fon tha K&aring;ltanarlandum &aring;nd fon tha
+Phonisjar<a class="noteref" id="xd0e3347src" href="#xd0e3347">4</a>
+sk&ecirc;pum. N&ecirc;idam wy selva n&ecirc;ne sk&ecirc;pa navt
+n-&ecirc;de, j&ecirc;f ik hjam flingka horsa &aring;nd fjvwer
+w&ecirc;pende rinbodon mith nei Friso. Hwand to St&acirc;veren
+&aring;nd allingen th&aring;t Alderg&acirc; th&ecirc;r wrdon tha besta
+w&ecirc;rsk&ecirc;pa maked fon herde &ecirc;ken wod th&ecirc;r
+nimmerthe n&ecirc;n rot an ne kvmth. Thahwila tha s&ecirc;kampar by my
+byde, w&ecirc;ron svme Juttar n&ecirc;i Texland f&acirc;ren &aring;nd
+d&acirc;n&acirc; w&ecirc;ron hja n&ecirc;i Friso w&ecirc;sen. Tha
+S&ecirc;landar h&ecirc;don felo fon hjara storeste kn&acirc;pum
+r&acirc;wed, thi moston vppa hjara benka roja, &aring;nd fon hjara
+storeste toghtera vmb th&ecirc;r by bern to t&ecirc;jande. Tha stora
+Juttar ne mochton et navt to w&ecirc;rane, thrvchdam hja n&ecirc;ne
+gode w&ecirc;pne navt n&ecirc;de. Th&acirc; hja hjara l&ecirc;th telad
+h&ecirc;de &aring;nd th&ecirc;rvr f&ecirc;lo wordon wixlad w&ecirc;ron,
+fr&ecirc;je Friso to tha lesta jef hja n&ecirc;ne gode have in hjara
+g&acirc; navt n-&ecirc;de. O-jes, anderon hja, &ecirc;ne besta
+&ecirc;n, &ecirc;ne thrvch Wr.alda sk&ecirc;pen. Hju is net krek lik
+jow bjarkr&ucirc;k th&ecirc;r, hira hals is eng, th&acirc; in hira
+b&aring;lg k&aring;nnath wel thvsanda gr&acirc;te k&acirc;na lidsa, men
+wi n&acirc;vath n&ecirc;na burch ner burchw&ecirc;pne, vmbe tha
+r&acirc;wsk&ecirc;pa th&ecirc;r ut <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3350" href="#xd0e3350">202</a>]</span>to haldane. Th&aring;n
+mosten jow gvnst m&acirc;kja s&ecirc;ide Friso. God r&ecirc;den anderon
+tha Juttar, men wi n-&aring;vath n&ecirc;ne ambachtisljud ner bvwark,
+wi alle send fiskar &aring;nd juttar. Tha ora send vrdrvnken jefta
+n&ecirc;i tha h&acirc;ga landum fljucht. Midlar hwila hja thus
+k&aring;lta, k&ecirc;mon mina bodon mitha S&ecirc;l&acirc;ndar
+h&ecirc;ra et sina hove. Hir most nw letta ho Friso alle to bidobbe
+wiste to nocht fon b&ecirc;de partja &aring;nd to b&acirc;te fon sin
+&aring;jn dol. Tha S&ecirc;landar s&ecirc;ider to, hja skoldon
+j&ecirc;rlikes fiftech sk&ecirc;pa h&aring;ve, n&ecirc;i f&aring;sta
+m&ecirc;tum &aring;nd n&ecirc;i f&aring;sta jeldum, to hr&ecirc;d mith
+ysere k&ecirc;dne &aring;nd kr&acirc;nbogum &aring;nd mith fvlle tjuch
+alsa far w&ecirc;rsk&ecirc;pa hof &aring;nd n&ecirc;dlik sy, men tha
+Juttar skoldon hja th&aring;n mith fr&ecirc;the l&ecirc;ta, &aring;nd
+all-et folk th&aring;t to Fryasbern h&ecirc;red. J&acirc; hi wilde mar
+dva, hi wilde al vsa s&ecirc;k&aring;mpar utn&ecirc;da th&aring;t hja
+skolde mith fjuchta &aring;nd r&acirc;wa. Th&acirc; tha S&ecirc;landar
+w&ecirc;i brit w&ecirc;ron, th&acirc; l&ecirc;t er fjuwertich alda
+sk&ecirc;pa to laja mith burchw&ecirc;pne, wod, hirbaken st&ecirc;n,
+timberljud, mirtsel&ecirc;ra &aring;nd sm&ecirc;da vmbe th&ecirc;r mith
+burga to bvwande. Witto, that is witte sin svn, sand hi mith vmb to to
+sjanande. Hwat th&ecirc;r al f&acirc;r fallen is, n-is my navt ni meld,
+men sa f&uuml;l is mi b&acirc;r wrden, an byde sida th&ecirc;re haves
+mvde is &ecirc;ne withburch bvwed, th&ecirc;r in is folk l&ecirc;id
+that Friso uta Saxanamarka t&acirc;ch. Witto heth Sjuchthirte
+bifr&ecirc;jad &aring;nd to sin wiv nomen. Wilhem alsa h&ecirc;te hira
+tat, hi was vreste Alderm&aring;n th&ecirc;ra Juttar, that is vrste
+Gr&ecirc;vetman jefta Gr&ecirc;ve. Wilhem is kirt after sturven
+&aring;nd Witto is in sin st&ecirc;d koren.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3336src" id="xd0e3336">1</a></span> Balda jefta kvada s&ecirc;,
+de Baltische zee. Juttarland, Jutland.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3339src" id="xd0e3339">2</a></span> Zeeland, de Deensche
+Eilanden.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3342src" id="xd0e3342">3</a></span> Zie bl. 124.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3347src" id="xd0e3347">4</a></span> Phonisiar, hier Puniers,
+Carthagers.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3352" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ho Friso forther d&ecirc;de.</h2>
+
+<p>Fon sin &ecirc;rosta wif h&ecirc;der tw&ecirc;n sviaringa bihalda,
+th&ecirc;r s&ecirc;r klok w&ecirc;ron. Hetto, that is h&ecirc;te, thene
+jongste skikt er as <span class="pagenum">[<a id="xd0e3357" href=
+"#xd0e3357">204</a>]</span>senda boda n&ecirc;i Kattaburch th&aring;t
+djap inna Saxanamarka l&ecirc;id. Hi h&ecirc;de fon Friso mith
+kr&ecirc;jen sjugon horsa buta sin &aring;jn, to l&ecirc;den mith
+kestlika s&ecirc;kum, thrvch tha s&ecirc;k&aring;mpar r&acirc;wed. Bi
+jahweder hors w&ecirc;ron tw&ecirc;n jonga s&ecirc;k&aring;mpar
+&aring;nd tw&ecirc;n jonga hrutar mith rika kl&acirc;darum kl&acirc;th
+&aring;nd jeld in hiara b&ucirc;dar. &Ecirc;vin as er Hetto n&ecirc;i
+Kattaburch skikte, skikter Bruno, th&aring;t is br&ucirc;ne, thene
+&ocirc;thera svjaring n&ecirc;i Mannag&aring;rda wrda, Mannag&aring;rda
+wrda is f&acirc;r in thit bok<a class="noteref" id="xd0e3359src" href=
+"#xd0e3359">1</a> Mannag&aring;rda forda skr&ecirc;ven, men th&acirc;t
+is misd&ecirc;n. Alle rikdoma th&ecirc;r hja mith hede wrdon n&ecirc;i
+omstand w&ecirc;i sk&aring;nkt an tha forsta and forstene &aring;nd an
+tha utfork&ecirc;rne mang&ecirc;rtne. K&ecirc;mon th&acirc; sine knapa
+vppa th&ecirc;re m&ecirc;id vmbe th&ecirc;r mith et jongkfolk to
+d&ocirc;nsjane, sa l&ecirc;ton hja kvra mith kr&ucirc;dkok kvma
+&aring;nd b&aring;rgum jeftha tonnum fon tha besta bjar. After thissa
+bodon l&ecirc;t-er immer jongkfolk over tha Saxanarmarka f&acirc;ra,
+th&ecirc;r alle jeld inna budar h&ecirc;de &aring;nd alle m&ecirc;ida
+jeftha sk&aring;nkadja mith brochton, &aring;nd vppa th&ecirc;re
+m&ecirc;id t&ecirc;radon hja alon vnkvmmerlik w&ecirc;i. Jef-t nv
+b&ecirc;rde th&aring;t tha Saxana kn&acirc;pa th&ecirc;r nydich
+n&ecirc;i uts&acirc;gon, th&aring;n lakton hja godlik &aring;nd
+s&ecirc;idon, aste thvrath thene m&ecirc;na fyand to bik&aring;mpane,
+s&acirc; k&aring;nst thin br&ecirc;id jet f&uuml;l riker m&ecirc;ida
+j&acirc;n &aring;nd jet forstelik t&ecirc;ra. Al b&ecirc;da sviaringa
+fon Friso send bostigjad mith toghaterum th&ecirc;ra romriksta forstum,
+&aring;nd &aring;fkern&ecirc;i k&ecirc;mon tha Saxanar kn&acirc;pa
+&aring;nd mang&ecirc;rtne by &ecirc;lle keddum n&ecirc;i th&aring;t
+Flymar del.</p>
+
+<p>Tha burchf&acirc;mna &aring;nd tha alda f&acirc;mna th&ecirc;r jeta
+fon hjar &ecirc;re gr&acirc;th&ecirc;d wiste, nygadon navt vr n&ecirc;i
+Frisos bedriv, th&ecirc;rvmbe ne k&ecirc;thon hja n&ecirc;n god fon
+him. Men Friso sn&ocirc;der as hja l&ecirc;t-ra sn&acirc;ka. Men tha
+jonga f&acirc;mna sp&ocirc;nd-er mith goldne fingrum an sina s&ecirc;k.
+Hja s&ecirc;idon alomme wy n&aring;vath longer n&ecirc;n Moder
+m&acirc;r, men th&aring;t kvmth d&acirc;na th&aring;t wit j&ecirc;roch
+send. Jvd past vs ne k&acirc;ning, til thju wi vsa landa wither winna,
+th&ecirc;r tha Modera vrl&ecirc;ren h&aring;ve thrvch hjara <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3367" href=
+"#xd0e3367">206</a>]</span>vndigerh&ecirc;d. Forth k&ecirc;thon hja,
+alrek Fryasbern is frydom j&ecirc;ven, sin stem h&ecirc;ra to
+l&ecirc;tane bi fara th&ecirc;r bisloten w&aring;rth bi t kjasa
+&ecirc;nre forste, men ast alsa wyd kvma machte th&aring;t i jo wither
+ne k&aring;ning kjasa, s&acirc; wil ik &acirc;k min m&ecirc;ne segse.
+N&ecirc;i al hwat ik skoja m&ecirc;i, s&acirc; is Friso th&ecirc;r to
+thrvch Wr.alda k&ecirc;ren, hwand hi heth im wonderlik hir hinne
+w&ecirc;iad. Friso w&ecirc;t tha hrenka th&ecirc;ra Golum, hwam his
+t&acirc;le hi spr&ecirc;kt, hi k&aring;n thus &aring;jen hjara lestum
+w&acirc;ka. Th&aring;n is th&ecirc;r jeta awet to skojande, hok
+Gr&ecirc;va skolde m&aring;n to k&aring;ning kjasa svnder that tha
+&ocirc;ra th&ecirc;r nidich vr w&ecirc;ron. Aldulkera t&acirc;lum
+w&aring;rth thrvch tha jonga f&acirc;mnn kethen, men tha alde
+f&acirc;mma afsk&ecirc;n f&ecirc; an tal, tapadon hjara r&ecirc;dne ut
+en &ocirc;thera b&aring;rg. Hja k&ecirc;thon allerw&ecirc;ikes
+&aring;nd to alla mannalik: Friso k&ecirc;thon hja dvath s&acirc; tha
+spinna dvan, thes nachtis sp&ocirc;nth-i netta n&ecirc;i alle sidum
+&aring;nd thes d&ecirc;is vrskalkth-i th&ecirc;r sina
+vn&aring;ftertochtlika frjunda in. Friso s&ecirc;ith that-er n&ecirc;ne
+prestera ner poppa forsta lyde ne m&ecirc;i, men ik seg, hi ne
+m&ecirc;i nimman lyda as him selva. Th&ecirc;rvmbe nil hi navt ne
+d&acirc;ja th&aring;t thju burch Stavia wither vp h&ecirc;jath warth.
+Th&ecirc;rvmbe wil hi n&ecirc;ne Moder w&ecirc;r h&acirc;. Jud is Friso
+jow r&ecirc;d j&ecirc;var, men morne wil hi jow k&aring;ning wertha,
+til thju hi over jo alle rjuchta mei. Inna bosm thes folk-is antstondon
+nw twa partyja. Tha alda &aring;nd &aring;rma wildon wither &ecirc;ne
+Moder h&acirc;, men th&aring;t jongkfolk, th&aring;t fvl
+str&ecirc;dlust w&ecirc;re wilde ne t&acirc;t jeftha k&aring;ning
+h&acirc;. Tha &ecirc;rosta h&ecirc;ton hjara selva moder his svna
+&aring;nd tha &ocirc;thera h&ecirc;ton hjara selva t&acirc;t his svna,
+men tha Moder his svna ne wrde wrde navt ni meld, hwand thrvchdam
+th&ecirc;r f&ecirc;lo sk&ecirc;pa m&acirc;ked wrde, was th&ecirc;r
+ovirflod to f&acirc;ra skipm&acirc;kar, sm&ecirc;da, sylm&acirc;kar,
+r&ecirc;pm&acirc;kar &aring;nd to f&acirc;ra alle &ocirc;ra
+ambachtisljud. Th&ecirc;r to boppa brochton tha s&ecirc;k&aring;mpar
+allerl&ecirc;ja syrh&ecirc;da mith. Th&ecirc;r fon h&ecirc;don tha wiva
+nocht, tha f&acirc;mna nocht, tha mang&ecirc;rtne nocht, &aring;nd
+th&ecirc;rof h&ecirc;don al hjara m&ecirc;gum nocht &aring;nd al hjara
+frjundum &aring;nd &acirc;thum. <span class="pagenum">[<a id="xd0e3372"
+href="#xd0e3372">208</a>]</span></p>
+
+<p>Tha Friso bi fjuwertich j&ecirc;r et St&acirc;veren hushalden
+h&ecirc;de sturf-er.<a class="noteref" id="xd0e3375src" href=
+"#xd0e3375">2</a> Thrvch sin bijelda h&ecirc;de-r f&ecirc;lo
+st&acirc;ta wither to manlik &ocirc;therum brocht, thach jef wi
+th&ecirc;r thrvch b&ecirc;ter wrde thvr ik navt bijechta. Fon alle
+Gr&ecirc;va th&ecirc;r bif&acirc;ra him w&ecirc;ron n-as th&ecirc;r
+nimman s&acirc; bif&acirc;med lik Friso w&ecirc;st. Tha s&acirc; as-k
+&ecirc;r s&ecirc;ide, tha jonge f&acirc;mna k&ecirc;thon sina love,
+thahwila tha alda f&acirc;mna ella d&ecirc;don vmb-im to achtjane
+&aring;nd h&acirc;tlik to m&acirc;kjane bi alle m&aring;nniska. Nw ne
+machton tha alda f&acirc;mna him th&ecirc;r mitha wel navt ne
+st&ocirc;ra in sina bijeldinga, men hja h&aring;von mith hjara
+b&acirc;ra thach alsa f&uuml;l utrjucht th&aring;t-er sturven is svnder
+th&aring;t er k&aring;ning w&ecirc;re.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3359src" id="xd0e3359">1</a></span> Zie bl. 11.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3375src" id="xd0e3375">2</a></span> 263 v. Chr.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3378" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nw wil ik skriwa vr Adel sin svnv.</h2>
+
+<p>Friso th&ecirc;r vsa skidnese l&ecirc;red h&ecirc;de ut-et bok
+th&ecirc;ra Adellinga, h&ecirc;de ella d&ecirc;n vmbe hjara frjundskip
+to winnande. Sin &ecirc;roste svnv th&ecirc;r hi hir won by
+Sw&ecirc;thirte sin wif, heth-er bi stonda Adel h&ecirc;ten. And
+afsk&ecirc;n hi k&aring;mpade mith alle sin weld, vmbe n&ecirc;ne burga
+to forst&aring;lane ner wither vp to bvwande, thach sand hi Adel
+n&ecirc;i th&ecirc;re burch et Texland til thju hi diger bi diger kvd
+wertha machta, mith ella hwat to vsa &ecirc;wa, t&acirc;le &aring;nd
+sedum h&ecirc;reth. Tha Adel twintich j&ecirc;r t&aring;lde l&ecirc;t
+Friso him to sin &aring;jn skol kvma, &aring;nd as er th&ecirc;r
+utl&ecirc;red was, l&ecirc;t-er him thrvch ovir alle st&acirc;ta
+f&acirc;ra. Adel was-ne minlika skalk, bi sin f&acirc;ra heth-er
+f&ecirc;lo &acirc;tha wnnen. D&acirc;na is-t kvmen th&aring;t et folk
+him Atha-rik h&ecirc;ten heth, awet hwat him &aring;ftern&ecirc;i sa
+wel to pase k&ecirc;m, hwand as sin t&acirc;t fallen was, bil&ecirc;v
+er in sin st&ecirc;d svnder that er vr-et kjasa &ecirc;ner &ocirc;thera
+Gr&ecirc;va spr&ecirc;ka k&ecirc;m.</p>
+
+<p>Thahwila Adel to Texland inna l&ecirc;re w&ecirc;re, was th&ecirc;r
+tefta en &ecirc;lle ljawe f&acirc;m in vpper burch. Hju k&ecirc;m fon
+ut tha Saxanamarkum w&ecirc;i, fon ut-&ecirc;re st&acirc;tha th&ecirc;r
+is k&ecirc;then Sv&ocirc;baland th&ecirc;r thrvch w&aring;rth hju to
+Texland Sv&ocirc;bene<a class="noteref" id="xd0e3385src" href=
+"#xd0e3385">1</a> h&ecirc;ten, afsk&ecirc;n <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e3388" href="#xd0e3388">210</a>]</span>hjra n&ocirc;me Ifkja
+w&ecirc;re. Adel h&ecirc;de hja ljaf kr&ecirc;jen &aring;nd hju
+h&ecirc;de Adel ljaf, men sin t&aring;t b&ecirc;d-im hi skolde jet
+wachtja. Adel was h&ecirc;rich, men alsa ring sin t&acirc;t fallen was
+&aring;nd hi s&ecirc;ten, sand hi bistonda bodon nei Berth-holda hira
+t&acirc;t hin, as-er sine toghter to wif h&aring;va machte. Bertholda
+w&ecirc;r-ne forste fon vnforbastere s&ecirc;d, hi h&ecirc;de Ifkja
+n&ecirc;i Texland inna l&ecirc;re svnden inner h&acirc;pe that hja
+&ecirc;nis to burchf&acirc;m k&ecirc;re wrde skolde in sine &aring;jn
+land. Thach hi h&ecirc;de hjara b&ecirc;der g&ecirc;rte k&aring;nna
+l&ecirc;red, th&ecirc;rvmbe gvng-er to &aring;nd jef hjam sina
+s&ecirc;jen. Ifkja w&ecirc;r-ne kante Fryas. Far sa f&ecirc;re ik hja
+h&aring;v k&aring;nna l&ecirc;red, heth hju al&ocirc;n wrocht &aring;nd
+wrot til thju Fryasbern wither kvma machte vndera selva &ecirc;wa
+&aring;nd vnder &ecirc;nen b&ocirc;n. Vmbe tha m&aring;nniska vppa hira
+syd to kr&ecirc;jande, was hju mith hira frjudelf fon of hira t&acirc;t
+thrvch alle Saxanamarka f&acirc;ren and forth n&ecirc;i
+G&ecirc;rtm&aring;nnja. G&ecirc;rtmannja alsa h&ecirc;don tha
+G&ecirc;rtmanna hjara st&acirc;t h&ecirc;ten, th&ecirc;r hja thrvch
+Gosa hira bijeldinga kr&ecirc;jen h&ecirc;de. D&acirc;na gvngen hja nei
+tha D&ecirc;nemarka. Fon tha D&ecirc;nemarka gvngon hja skip nei
+Texland. Fon Texland gvngon hja n&ecirc;i Westflyland en sa allingen
+tha s&ecirc; n&ecirc;i Walhallag&acirc;ra hin. Fon Walhallag&acirc;ra
+br&ucirc;don hja allingen th&ecirc;ra s&ucirc;der Hr&ecirc;num al ont
+hja mith gr&acirc;ta fr&ecirc;se boppa th&ecirc;re R&ecirc;ne bi tha
+Mars&acirc;ta k&ecirc;mon<a class="noteref" id="xd0e3393src" href=
+"#xd0e3393">2</a> hw&ecirc;rfon vsa Apoll&acirc;nja skr&ecirc;ven heth.
+Tho hja th&ecirc;r en st&ucirc;t w&ecirc;st h&ecirc;de, gvngon hja
+wither n&ecirc;i tha delta<a class="noteref" id="xd0e3396src" href=
+"#xd0e3396">3</a><span class="corr" id="xd0e3398" title="Niet in
+bron">.</span> As hja nw en tid l&ocirc;ng n&ecirc;i tha delta
+off&acirc;ren w&ecirc;ron al ont hja inna str&ecirc;k fon th&ecirc;re
+alda burch Aken<a class="noteref" id="xd0e3401src" href=
+"#xd0e3401">4</a> k&ecirc;mon, sind th&ecirc;r vnwarlinga fjuwer skalka
+morth and naked utekl&acirc;t. Hja w&ecirc;ron en lith &aring;fter an
+kvmen. Min brother th&ecirc;r vral by was h&ecirc;de hja often
+vrb&ecirc;den, thach hja n&ecirc;de navt ne h&ecirc;red. Tha
+b&ocirc;nar th&ecirc;r th&aring;t d&ecirc;n h&ecirc;de w&ecirc;ron
+Twiskl&acirc;ndar th&ecirc;r judd&ecirc;ga drist w&ecirc;i ovira
+Hr&ecirc;na kvma to morda and to r&acirc;wande. Tha Twisl&acirc;ndar
+th&aring;t sind bannane &aring;nd w&ecirc;i britne Fryasbern, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3404" href="#xd0e3404">212</a>]</span>men
+hjara wiva h&aring;vath hja fon tha Tartarum r&acirc;wet. Tha Tartara
+is en br&ucirc;n Findas folk, althus h&ecirc;ten thrvchdam hja alle
+folka to strida uttarta. Hja send al hrutar &aring;nd r&acirc;war.
+Th&ecirc;r fon send tha Twiskl&acirc;ndar alsa blod thorstich wrden.
+Tha Twiskl&acirc;ndar tham thju &aring;rgnise d&ecirc;n h&ecirc;de,
+h&ecirc;ton hjara selva Frya jeftha Franka. Ther w&ecirc;ron
+s&ecirc;ide min brother r&acirc;da bruna &aring;nd wita mong.
+Th&ecirc;re th&ecirc;r r&acirc;d jeftha brun w&ecirc;ron biton hjara
+h&ecirc;re mith sjalkw&ecirc;ter<a class="noteref" id="xd0e3406src"
+href="#xd0e3406">5</a> wit. N&ecirc;idam hjara &ocirc;nthlita
+th&ecirc;r brun by w&ecirc;r, alsa wrdon hja thesto l&ecirc;dliker
+th&ecirc;r thrvch. &Ecirc;vin as Apoll&acirc;nja biskojadon hja
+&aring;ftern&ecirc;i Lydasburch &aring;nd et Alderg&acirc;. D&acirc;na
+t&acirc;gon hju in over St&acirc;verens wrde by hjara ljuda rond. Alsa
+minlik h&ecirc;don hja hjara selva anst&aring;led that tha
+m&aring;nniska ra allerw&ecirc;ikes halda wilde. Thr&ecirc;
+m&ocirc;natha forther sand Adel bodon n&ecirc;i alle &acirc;thum
+th&ecirc;r hi biwnnen h&ecirc;de &aring;nd l&ecirc;t tham bidda, hja
+skoldon inna Minna m&ocirc;nath lichta ljuda to him senda.<a class=
+"noteref" id="n212.2src" href="#n212.2">6</a></p>
+
+<p><span class="pagenum">[<a id="xd0e3413" href=
+"#xd0e3413">214</a>]</span>sin wif s&ecirc;id er th&ecirc;r f&acirc;m
+w&ecirc;st h&ecirc;de to Texl&acirc;nd, h&ecirc;de d&acirc;na en
+ovirskrift kr&ecirc;jen. To Texland warthat jeta f&ecirc;lo skrifta
+fvnden, th&ecirc;r navt in-t bok th&ecirc;ra Adelinga vrskr&ecirc;ven
+send. Fon thissa skriftum h&ecirc;de Gosa &ecirc;n bi hira utroste
+wille l&ecirc;id, th&ecirc;r thrvch tha aldeste f&acirc;m Alb&ecirc;the
+avb&ecirc;r m&acirc;kt wertha most, alsa ringen Friso fallen was.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3385src" id="xd0e3385">1</a></span> Hamconius. p. 8.
+Suobinna.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3393src" id="xd0e3393">2</a></span> Zie bl. 150.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3396src" id="xd0e3396">3</a></span> Delte nog in N. Holland in
+gebruik, laagte.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3401src" id="xd0e3401">4</a></span> Aken, Aken.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3406src" id="xd0e3406">5</a></span> Diod Sic. V. 28.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#n212.2src" id="n212.2">6</a></span> Hier heeft de afschrijver Hiddo
+oera Linda een blad te veel omgeslagen, en daardoor twee bladzijden
+overgeslagen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3415" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr is that skrift mith Gosas r&ecirc;d.</h2>
+
+<p>Tha Wralda bern j&ecirc;f an tha modera fon th&aring;t
+m&aring;nniskelik slachte, th&acirc; l&ecirc;id er &ecirc;ne t&acirc;le
+in aller tonga &aring;nd vp aller lippa. Thjus m&ecirc;ide h&ecirc;de
+Wralda an tha m&aring;nniska j&ecirc;ven, til thju hja m&aring;nlik
+&ocirc;thera th&ecirc;rmith machte k&aring;nb&ecirc;r m&acirc;kja, hwat
+m&aring;n formyde mot &aring;nd hwat m&aring;n bijagja mot vmbe
+s&ecirc;ligh&ecirc;d to findane &aring;nd s&ecirc;ligh&ecirc;d to
+haldane in al &ecirc;vgh&ecirc;d. Wralda is wis &aring;nd god &aring;nd
+al f&aring;rsjande. N&ecirc;idam er nw wist, th&aring;t luk &aring;nd
+s&ecirc;ligh&ecirc;d fon irtha flya mot, jef bosh&ecirc;d d&uuml;ged
+bidroga m&ecirc;i, alsa heth er an thju t&acirc;l &ecirc;ne
+rjuchtf&ecirc;rdige &aring;jendomlikh&ecirc;d f&aring;st bonden. Thjus
+&aring;jendomlikh&ecirc;d is th&ecirc;r an l&ecirc;gen, th&aring;t
+m&aring;n th&ecirc;r mith n&ecirc;n l&ecirc;jen s&ecirc;ge, ner
+bidroglika worda spr&ecirc;ka ne m&ecirc;i svnder stem l&ecirc;th noch
+svnder sk&acirc;mr&acirc;d, thrvch hvam m&aring;n tha bosa fon hirte
+bistonda vrk&aring;nna m&ecirc;i. N&ecirc;idam vsa t&acirc;le thus to
+luk &aring;nd to s&ecirc;ligh&ecirc;d w&ecirc;jath, &aring;nd thus mith
+w&acirc;kt &aring;jen tha bosa nygonga, th&ecirc;rvmbe is hju mith alle
+rjucht godis t&acirc;le h&ecirc;ten, &aring;nd alle tha j&ecirc;na hwam
+hja an &ecirc;re halda h&acirc;vath th&ecirc;r g&ocirc;me fon. Tha hwat
+is b&ecirc;rth. Alsa ring th&ecirc;r mong vsa halfsusterum &aring;nd
+halfbrotharum bidrogar vpk&ecirc;mon, tham hjara selva fori godis
+skalkum utjavon, also ring is th&aring;t owers wrden. Tha bidroglika
+prestera &aring;nd tha wrangwr&ecirc;ja forsta th&ecirc;r immer
+s&ecirc;min h&ecirc;ladon, wildon n&ecirc;i wilk&ecirc;r l&ecirc;va
+&aring;nd buta god-is &ecirc;wa dvan. In hjara <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e3420" href="#xd0e3420">216</a>]</span>tsjodish&ecirc;d send
+hja to gvngen &aring;nd h&aring;von &ocirc;thera t&acirc;la forsvnnen,
+til thju hja h&ecirc;mlik machte spr&ecirc;ka in &aring;jenw&aring;rtha
+fon alrek &ocirc;therum, vr alle bosa thinga &aring;nd vr alle
+vnw&ecirc;rthlika thinga svnder th&aring;t steml&ecirc;th hjam
+vrr&ecirc;da mocht nach sk&acirc;mr&acirc;d hjara gel&acirc;t vrderva.
+Men hwat is th&ecirc;rut bern. &Ecirc;vin blyd as-t s&ecirc;d
+th&ecirc;ra goda kr&ucirc;dum fon vnder ne grvnd ut vntk&ecirc;mth,
+th&aring;t avb&ecirc;r s&ecirc;jed is thrvch goda ljuda by helle
+d&ecirc;i, &ecirc;ven blyd brength tyd tha sk&acirc;dlika kr&ucirc;da
+an-t ljucht, th&ecirc;r s&ecirc;jed send thrvch bosa ljuda in-t
+forborgne &aring;nd by thjustrenesse.</p>
+
+<p>Tha lodderiga mangertne &aring;nd tha vnm&aring;nlika kn&acirc;pa
+th&ecirc;r mitha vvla presterum &aring;nd forstum horadon vntlvkadon
+tha nya t&acirc;la an hjara bola, th&ecirc;rwisa send hja forth kvmen
+&ecirc;mong tha folkrum, til thju hja god-is t&acirc;le gl&acirc;d
+vrjetten h&aring;ve. Wilst nw w&ecirc;ta hwat th&ecirc;r of wrden is?
+Nv steml&ecirc;th ner gel&acirc;t hjara bosa tochta navt longer mar
+vrr&ecirc;don, nv is d&uuml;ged fon ut hjara midden w&ecirc;ken, wisdom
+is folgth &aring;nd frydom is mith gvngen, &ecirc;ndracht is sok
+r&acirc;kt &aring;nd twispalt heth sin st&ecirc;d innommen, ljafde is
+fljucht &aring;nd hordom sith mith nyd an t&ecirc;fel, &aring;nd
+th&ecirc;r &ecirc;r rjuchtf&ecirc;rdichh&ecirc;d welde, welth nv
+th&aring;t sw&ecirc;rd. Alle send sl&acirc;vona wrden, tha ljuda fon
+hjara h&ecirc;ra, fon nyd, bosa lusta &aring;nd bigyrlikh&ecirc;d.
+H&ecirc;de hja nvm&acirc;r &ecirc;ne t&acirc;le forsvnnen, m&uuml;glik
+was-t th&aring;n jet en lith god gvngen. Men hja h&aring;von alsa
+f&ecirc;lo t&acirc;la utfonden as th&ecirc;r st&acirc;ta send.
+Th&ecirc;rthrvch m&ecirc;i th&aring;t &ecirc;ne folk th&aring;t
+&ocirc;re folk &ecirc;vin min forst&acirc;n as thju kv thene hvnd
+&aring;nd thi wolf th&aring;t sk&ecirc;p. Thit m&uuml;gath tha stjurar
+bitjuga. Thach d&acirc;n&acirc; is-t nv w&ecirc;i kvmen, th&aring;t
+alle sl&acirc;vona folkar m&aring;nlik &ocirc;thara lik &ocirc;ra
+m&aring;nniska biskoja &aring;nd th&aring;t hja to straffe hjarar
+vndigerh&ecirc;d &aring;nd fon hjara vrm&ecirc;tenh&ecirc;d,
+m&aring;nlik &ocirc;thera alsa long biorloge &aring;nd bikampa moton
+til thju alle vrdilgad send. <span class="pagenum">[<a id="xd0e3424"
+href="#xd0e3424">218</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e3426" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr is nv min r&ecirc;d.</h2>
+
+<p>Bist thv alsa gyrich that thu irtha all&ecirc;na erva wilste, alsa
+achst thv nimmer m&acirc;re n&ecirc;n &ocirc;re t&acirc;le ovir thina
+w&ecirc;ra ni kvma to l&ecirc;tane as god-is t&acirc;le, &aring;nd
+th&aring;n achst thv to njodane, til thju thin &aring;jn t&acirc;le fry
+fon uth&ecirc;meda klinka bilyweth. Wilst thv th&aring;t er svme fon
+Lydas bern &aring;nd fon Findas bern resta, s&acirc; dvath stv
+&ecirc;vin alsa. Thju t&acirc;le th&ecirc;ra Ast Sk&ecirc;nlandar is
+thrvch tha wla M&acirc;gjara vrbr&ucirc;d; thju t&acirc;le th&ecirc;ra
+Kaltana folgar is thrvch tha sm&ucirc;grige Gole vrderven. Nv send wi
+alsa mild w&ecirc;st vmbe tha witherkvmande Hell&ecirc;na folgar wither
+in vs midden to n&ecirc;mande, men ik skrom &aring;nd ben s&ecirc;relik
+ange, th&aring;t hja vs mild-sa vrjelda skilun mith vrbr&ucirc;ding
+vsra r&ecirc;ne t&acirc;le.</p>
+
+<p>F&uuml;l h&aring;von wi witherf&acirc;ren, men fon alle burgum,
+th&ecirc;r thrvch arge tyd vrhomlath send &aring;nd vrdiligad, heth
+Irtha <span class="corr" id="xd0e3433" title="Bron: Fryasbnrch">
+Fryasburch</span> vnforleth bihalden; &aring;k m&ecirc;i ik th&ecirc;r
+by melda th&aring;t Fryas jeftha god-is t&acirc;le hir evin vnforleth
+bihalden is.</p>
+
+<p>Hyr to Texland most m&aring;n thus skola stifta, fon alle
+st&acirc;tum th&ecirc;r et mitha alda s&ecirc;dum halda, most-et jongk
+folk hyr hinne senden wrde, &aring;fterdam mochton th&ecirc;ra
+utl&ecirc;red w&ecirc;re tha &ocirc;ra helpa th&ecirc;r to honk
+vrb&ecirc;ide. Willath tha &ocirc;ra folkar ysre w&ecirc;ron fon thi
+sella &ecirc;nd th&ecirc;rvr mith thi spr&ecirc;ka &aring;nd thinga,
+s&acirc; moton hja to god-ist&acirc;le wither k&ecirc;ra. L&ecirc;rath
+hja god-is t&acirc;le s&acirc; skilun tha worda fry-s&acirc; &aring;nd
+rjucht-h&acirc; to hjara inkvma, in hjara br&ecirc;in skilet th&aring;n
+bijina to glimmande &aring;nd to glorande til thju ella to-ne logha
+warth. Thissa logha skil alle balda forsta vrt&ecirc;ra &aring;nd alle
+skinfr&acirc;na &aring;nd sm&ucirc;griga prestera.</p>
+
+<p>Tha h&ecirc;inde &aring;nd f&ecirc;rh&ecirc;mande sendabodon
+h&ecirc;don nocht fon vr th&aring;t skrift, thach th&ecirc;r ne
+k&ecirc;mon n&ecirc;ne skola. Th&aring; stifte Adel selva skola,
+&aring;fter him d&ecirc;don tha &ocirc;ra forsta lik hy. J&ecirc;rlikis
+gvngon Adel &aring;nd Ifkja tha skola skoja. Fandon hja th&aring;n
+&ecirc;mong tha inh&ecirc;mar &aring;nd uth&ecirc;mar seliga th&ecirc;r
+ekkorum <span class="pagenum">[<a id="xd0e3440" href=
+"#xd0e3440">220</a>]</span>frjundskip b&acirc;radon, s&acirc;
+l&ecirc;ton b&ecirc;de gr&acirc;te blidskip blika. H&ecirc;don svme
+seliga ekkorum frjundskip sworen, alsa l&ecirc;ton hja alra mannalik to
+manlik &ocirc;rum kvma, mith gr&acirc;te st&acirc;t l&ecirc;ton hja
+th&aring;n hjara n&ocirc;ma in en bok skriva, thrvch hjam th&aring;t
+bok th&ecirc;ra frjundskip h&ecirc;ten, &aring;fter dam warth
+f&ecirc;rst halden. Al thissa pl&ecirc;ga wrde d&ecirc;n vmbe tha
+asvndergana twyga fon Fryas stam wither et s&ecirc;mene to
+sn&ocirc;rane. Men tha famna th&ecirc;r Adel &aring;nd Ifkja nydich
+w&ecirc;ron, s&ecirc;idon that hja-t niwerth &ocirc;re vr d&ecirc;don
+as vmb en gode hrop, &aring;nd vmb bi gr&acirc;dum to weldana in ovir
+&ecirc;nis &ocirc;ther man his st&acirc;t.</p>
+
+<p>By min t&acirc;t sinra skriftum h&aring;v ik &ecirc;nen br&ecirc;f
+funden, skr&ecirc;vin thrvch Ljudg&ecirc;rth thene
+G&ecirc;rtm&aring;n<a class="noteref" id="xd0e3444src" href=
+"#xd0e3444">1</a>, bihalva svmlika s&ecirc;ka th&ecirc;r min t&acirc;t
+all&ecirc;na jelde, j&ecirc;f ik hyr th&aring;t &ocirc;thera to
+th&aring;t besta.</p>
+
+<p>Pang-ab, th&acirc;t is fyf w&aring;tera &aring;nd hw&ecirc;r neffen
+wi wech kvme, is-ne runstr&acirc;me fon afsvnderlika
+sk&ecirc;nh&ecirc;d, &aring;nd fif w&aring;tera h&ecirc;ten vmb thet
+fjuwer &ocirc;ra runstrama thrvch sine mvnd in s&ecirc; floja. &Ecirc;l
+fere &acirc;stwarth is noch ne gr&acirc;te runstr&acirc;me th&ecirc;r
+h&ecirc;lige jeftha fr&acirc;na Gong-ga h&ecirc;ten. Twisk thysum
+runstr&acirc;mne is-t l&ocirc;nd th&ecirc;ra Hindos. B&ecirc;da
+runstr&acirc;ma runath fon tha h&acirc;ga bergum n&ecirc;i tha delta
+del. Tha berga hwan&acirc; se del str&acirc;me sind alsa h&acirc;ch
+thet se to tha himel l&aring;ja. Th&ecirc;rvmbe w&aring;rth-et berchta
+Himell&acirc;ja berchta h&ecirc;ten. Vnder tha Hindos &aring;nd
+&ocirc;thera ut-a l&ocirc;ndum sind welka ljuda mank th&ecirc;r an
+stilnise by malkorum kvma. Se gel&acirc;vath thet se vnforbastere bern
+Findas sind. Se gel&acirc;vath thet Finda fon ut-et Himmell&aring;ja
+berchta bern is, hvan&acirc; se mith hjara bern n&ecirc;i tha delta
+jeftha l&ecirc;gte togen is. Welke vnder tham gel&acirc;vath thet se
+mith hjra bern vppet skum th&ecirc;r h&ecirc;lige Gongga del gonggen
+is. Th&ecirc;rvmbe skolde thi runstr&acirc;me h&ecirc;lige Gongga
+h&ecirc;ta. M&acirc;r tha prestera th&ecirc;r ut en &ocirc;r l&ocirc;nd
+wech kvma l&ecirc;ton thi ljuda vpsp&ecirc;ra &aring;nd vrbarna,
+th&ecirc;rvmbe <span class="pagenum">[<a id="xd0e3449" href=
+"#xd0e3449">222</a>]</span>ne thurvath se far hjara s&ecirc;k nit
+&ocirc;pentlik ut ni kvma. In thet l&ocirc;nd sind &ocirc;lle prestera
+tjok &aring;nd rik. In hjara ch&aring;rka werthat &ocirc;llerl&ecirc;ja
+drochtenlika byldon fvnden, th&ecirc;r vnder sind f&ecirc;lo golden
+mank. Biwesta Pangab th&ecirc;r sind tha Yra jeftha wranga, tha
+Gedrostne jeftha britne, &aring;nd tha Orjetten jeftha vrjetne. Ol
+thisa n&ocirc;ma sind-ar thrvch tha nydige prestera j&ecirc;ven,
+thrvchdam hja fon ar fljuchte, vmb s&ecirc;da &aring;nd gel&acirc;v. bi
+hjara kvmste h&ecirc;don vsa &ecirc;thla hjara selva &acirc;k an tha
+&acirc;stlika ower fon Pangab del set, men vmb th&ecirc;ra prestera
+wille sind se &acirc;k n&ecirc;i th&ecirc;r wester ower f&acirc;ren.
+Th&ecirc;rthrvch h&aring;von wi tha Yra &aring;nd tha &ocirc;thera
+kenna l&ecirc;rth. Tha Yra ne sind n&ecirc;ne yra m&acirc;r g&ocirc;da
+minska th&ecirc;r n&ecirc;na byldon to l&ecirc;ta nach &ocirc;nbidda,
+&acirc;k willath se n&ecirc;na ch&aring;rka nach prestar doga,
+&aring;nd &ecirc;vin als wi-t fr&acirc;na ljucht fon F&aring;sta
+vpholda, &ecirc;vin s&acirc; holdon se &ocirc;llerwechs fjur in hjara
+h&ucirc;sa vp. Kvmth m&ocirc;n efter &ecirc;l westlik, &ocirc;ls&acirc;
+kvmth m&ocirc;n by tha Gedrostne. Fon tha Gedrostne. Thisa sind mith
+&ocirc;ra folkrum bastered &aring;nd spr&ecirc;kath &ocirc;lle
+afsvnderlika t&acirc;la. Thisa minska sind w&ecirc;rentlik yra bonar,
+th&ecirc;r ammer mith hjara horsa vp overa fjelda dw&acirc;la,
+th&ecirc;r ammer j&acirc;gja &aring;nd r&acirc;wa &aring;nd th&ecirc;r
+hjara selva als salt-&acirc;tha forh&ecirc;ra an tha omh&ecirc;mmande
+forsta, ther wille hwam se alles nither h&acirc;wa hwat se bir&ecirc;ka
+m&uuml;ge.</p>
+
+<p>Thet l&ocirc;nd twisk Pangab &aring;nd ther Gongga is like flet as
+Fryasl&ocirc;nd an tha s&ecirc;, afwixlath mith fjeldum &aring;nd
+waldum, fruchtb&acirc;r an alle d&ecirc;lum, m&acirc;r thet mach nit
+vrletta that th&ecirc;r bi hwila th&ucirc;sanda by th&ucirc;sanda
+thrvch honger biswike. Thisa hongern&ecirc;de mach th&ecirc;rvmbe nit
+an Wr.alda nach an Irtha wyten nit wertha, m&acirc;r all&ecirc;na an
+tha forsta and prestera. Tha Hindos sind ivin blode &aring;nd
+forf&ecirc;red from hjara forstum, als tha hindne from tha wolva sind.
+Th&ecirc;rvmbe h&aring;von tha Yra &aring;nd &ocirc;ra ra Hindos
+h&ecirc;ten, th&ecirc;t hindne bitjoth. M&acirc;r fon hjara
+blodh&ecirc;d w&aring;rth afgrislika misbruk m&acirc;kth. Kvmat
+th&ecirc;r f&ecirc;rh&ecirc;mande k&acirc;pljud vmb k&ecirc;ren to
+k&acirc;pjande, alsa warth alles to jeldum <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e3456" href="#xd0e3456">224</a>]</span>m&acirc;kth. Thrvch tha
+prestera ni warth et nit w&ecirc;rth, hwand thisa noch snoder &aring;nd
+jyriger als alle forsta to samene, wytath &ecirc;l god, thet al-et jeld
+endlik in hjara b&ucirc;dar kvmth. Buta &aring;nd bihalva thet tha
+ljuda th&ecirc;r f&uuml;l fon hjara forsta lyda, moton hja &acirc;k
+noch f&uuml;l fon thet fenynige &aring;nd wilde kwik lyda. Th&ecirc;r
+send store elefante th&ecirc;r by &ecirc;le keddum hl&acirc;pa,
+th&ecirc;r bihwyla &ecirc;le fjelda k&ecirc;ren vrtrappe &aring;nd
+&ecirc;le thorpa. Th&ecirc;r sind bonte &aring;nd swarte katta, tigrum
+h&ecirc;ten, th&ecirc;r s&acirc; gr&acirc;t als gr&acirc;te kalvar
+sind, th&ecirc;r minsk &aring;nd djar vrslynne. B&ucirc;ta f&ecirc;lo
+&ocirc;ra wriggum sind th&ecirc;r sn&acirc;ka fon af tha gr&acirc;te
+&ecirc;ner wyrme &acirc;l to tha gr&acirc;te &ecirc;ner b&acirc;m. Tha
+gr&acirc;teste kennath en &ecirc;le kv vrslynna, m&acirc;r tha lythste
+sind noch fr&ecirc;sliker als tham. Se holdon hjara selva twisk blom
+&aring;nd fruchta skul vmb tha minska to big&acirc;na tham th&ecirc;r
+of plokja wille. Is m&ocirc;n th&ecirc;r fon byten, s&acirc; mot
+m&ocirc;n st&aring;rva, hwand &aring;jen hjara fenyn heth Irtha
+n&ecirc;na kr&ucirc;da j&ecirc;ven, &ocirc;ls&acirc;n&acirc;ka tha
+minska hjara selva h&aring;von skildich m&acirc;kt an afgodie. Forth
+sind th&ecirc;r &ocirc;llerl&ecirc;ja slacht fon h&acirc;chdiska
+nyndiska &aring;nd adiska, &ocirc;l thisa diska sind yvin als tha
+sn&acirc;ka fon of ne wyrme til-ne b&acirc;mstame gr&acirc;t, n&ecirc;i
+that hja gr&acirc;t jof fr&ecirc;slik sind, sind hjara n&ocirc;ma,
+th&ecirc;r ik alle nit noma ni ken, tha aldergr&acirc;testa
+&acirc;diska sind alg&aring;ttar h&ecirc;ten, thrvchdam se yvin
+gr&ucirc;sich bitte an thet rotte kwik, that mith-a str&acirc;ma fon
+boppa n&ecirc;i tha delta dryweth as an thet l&ecirc;vande kwik, that
+se big&acirc;na m&uuml;ge. An tha westsyde fon Pangab, w&acirc;n&acirc;
+wi wech kvme &aring;nd hwer ik bern ben, th&ecirc;r blojath &aring;nd
+waxath tha selva fr&ucirc;chta &aring;nd nochta as an tha
+&acirc;stsyde. To f&acirc;ra wrdon er &acirc;k tha selva wrigga fonden,
+m&aring;r vsa &ecirc;thla havon alle krylwalda vrb&aring;rnath
+&aring;nd als&acirc;n&acirc;ka &aring;fter et wilde kwik j&acirc;ged,
+that ther f&ecirc; m&aring;r resta. Kvmth man &ecirc;l westlik fon
+Pangab, then finth man neffen fette etta &acirc;k <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3458" href="#xd0e3458">226</a>]</span>dorra
+g&ecirc;stlanda th&ecirc;r vnendlik skina, bihwila ofwixlath mith
+ljaflika str&ecirc;ka, hw&ecirc;ran thet &acirc;g forbonden bilywet.
+Vnder tha fruchta fon min land sind f&ecirc;lo slachta mank, th&ecirc;r
+ik hyr nit fvnden h&aring;v. Vnder allerl&ecirc;ja k&ecirc;ren is er
+&acirc;k golden mank, &aring;k goldg&ecirc;le aple, hw&ecirc;rfon welke
+s&acirc; sw&ecirc;t as h&ucirc;ning sind, &aring;nd welka sa wrang as
+&ecirc;k. By vs werthat nochta fonden lik bern-h&acirc;veda s&acirc;
+gr&acirc;t, th&ecirc;r sit tsys &aring;nd melok in, werthat se ald
+s&acirc; m&acirc;kt man ther &ocirc;lja fon, fon tha bastum m&acirc;kt
+m&aring;n t&acirc;w &aring;nd fon tha kernum m&acirc;kt m&aring;n
+chelka &aring;nd &ocirc;r ger&acirc;d. Hyr inna walda h&aring;v ik krup
+&aring;nd st&acirc;kb&ecirc;ja sjan. By vs sind b&ecirc;ib&acirc;ma als
+jow lindab&acirc;ma, hw&ecirc;rfon tha b&ecirc;ja f&uuml;l sw&ecirc;ter
+&aring;nd thr&ecirc;w&acirc;ra gr&acirc;ter as st&acirc;kb&ecirc;ja
+sind. Hwersa tha d&ecirc;ga vppa sin olderl&ocirc;ngste sind &aring;nd
+thju svnne fon top skinth, then skinth se linrjucht vppa jow hole del.
+Is m&aring;n then mith sin skip &ecirc;l f&ecirc;r s&ucirc;dlik faren,
+&aring;nd m&aring;n thes midd&ecirc;is mith sin gel&acirc;t n&ecirc;i-t
+&acirc;sten k&ecirc;red, s&acirc; skinth svnne &aring;jen thine
+winstere syde lik se &ocirc;wers &aring;jen thine f&ecirc;re syde
+dvath. Hyrmitha wil ik enda, m&acirc;r after min skrywe skil-et thi
+licht nog falla, vmb tha l&ecirc;jenaftiga teltjas to m&uuml;ge
+skiftane fon tha wara tellinga. Jow Ljudg&ecirc;rt.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3444src" id="xd0e3444">1</a></span> Zie bl. 164.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3460" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet skrift fon B&ecirc;den.</h2>
+
+<p>Mine n&ocirc;m is B&ecirc;den, Hachg&acirc;na his svn. Koner&ecirc;d
+min &ecirc;m is nimmer bostigjath &aring;nd alsa bernl&acirc;s sturven.
+My heth m&aring;n in sin st&ecirc;d koren. Adel thene thredde
+k&aring;ning fon thjuse n&ocirc;me heth thju k&ecirc;se godk&ecirc;rth,
+mites ik him as mina m&aring;stre bikenna wilde. Buta th&aring;t fvlle
+erv minre &ecirc;m heth-er mi en &ecirc;le plek grvnd j&ecirc;ven
+th&aring;t an mina erva p&acirc;lade, vnder f&acirc;rw&ecirc;rde that
+ik th&ecirc;rvp skolde m&aring;nniska st&aring;lla ther sina ljuda
+nimmerthe skolde<a class="noteref" id="n226src" href="#n226">1</a>.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e3471" href=
+"#xd0e3471">228</a>]</span></p>
+
+<p>th&ecirc;rvmbe wil ik thet hir-ne sted forjune.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#n226src" id="n226">1</a></span> Hier ontbreken in het H. S. twintig
+bladzijden (misschien meer<span class="corr" id="xd0e3467" title="Niet
+in bron">)</span>, waarin Beeden geschreven heeft over dien koning Adel
+III. (Bij onze kronijk schrijvers Ubbo genoemd).</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3475" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Br&ecirc;f fon Rika thju aldfam, vpseid to Staveren
+by-t jolf&ecirc;rste.</h2>
+
+<p>Jy alle hwam his &ecirc;thla mith Friso hir k&ecirc;mon, min
+&ecirc;rbydnesse to jo. Alsa jy m&ecirc;ne, send jy vnskeldich an
+afgodie. Th&ecirc;r nil ik jvd navt vr spr&ecirc;ka, men jvd wil ik jo
+vppen brek wysa, th&aring;t f&ecirc; b&ecirc;tre sy. Jy w&ecirc;tath
+jeftha jy n&ecirc;tath navt, ho Wralda thusand glorn&ocirc;ma heth,
+thach th&aring;t w&ecirc;tath jy alle th&aring;t hy warth Alf&ecirc;der
+h&ecirc;ten, ut &ecirc;rs&ecirc;ke th&aring;t alles in ut him warth
+&aring;nd waxth to f&ecirc;ding sinra skepsela. T-is w&ecirc;r,
+th&aring;t Irtha warth bihwyla &acirc;k Alf&ecirc;dstre h&ecirc;ten,
+thrvchdam hju alle fr&uuml;chd &aring;nd nochta b&ecirc;rth, hwermitha
+m&aring;nnisk &aring;nd djar hjara selva f&ecirc;de. Thach ne skolde
+hju n&ecirc;ne fr&uuml;chd ner nocht navt ne b&ecirc;ra, bydam Wralda
+hja n&ecirc;ne krefta ne j&ecirc;f. Ak wiva ther hjara bern m&aring;ma
+l&ecirc;ta an hjara brosta, werthat f&ecirc;dstra h&ecirc;ten.
+Th&acirc; ne j&ecirc;f Wralda th&ecirc;r n&ecirc;n melok in, sa ne
+skoldon tha bern th&ecirc;r n&ecirc;ne b&acirc;te by finda. S&acirc;
+th&aring;t by slot fon reknong Wralda all&ecirc;na f&ecirc;der bilywet.
+Th&aring;t Irtha bihwyla warth Alf&ecirc;dstre heten, &aring;nd
+&ecirc;ne m&aring;m f&ecirc;dstre, k&aring;n jeta thrvch-ne wende, men
+th&aring;t-ne m&aring;n him l&ecirc;t f&ecirc;der h&ecirc;te vmbe
+th&aring;t er t&acirc;t sy, th&aring;t strid with-&aring;jen alle
+r&ecirc;dnum. Th&acirc; ik w&ecirc;t w&acirc;n&acirc;t thjus
+dw&ecirc;sh&ecirc;d w&ecirc;i kvmth. Hark hyr, se kvmth fon vsa
+l&ecirc;tha, &aring;nd s&acirc;hwersa thi folgath werthe, s&acirc;
+skilun jy th&ecirc;rthrvch sl&acirc;vona wertha to smert fon Frya
+&aring;nd jowe h&acirc;gmod to.ne straf. Ik skil jo melda ho-t by tha
+sl&acirc;vona folkar to gvngen is, th&ecirc;r &aring;fter m&ecirc;i jy
+l&ecirc;ra. Tha poppa k&aring;ningar tham n&ecirc;i wilk&ecirc;r
+l&ecirc;va, st&ecirc;kath Wralda n&ecirc;i th&ecirc;re kr&ocirc;ne, ut
+nyd that Wralda Alf&ecirc;der h&ecirc;t, sa wildon hja f&ecirc;drum
+th&ecirc;ra folkar h&ecirc;ta. Nw w&ecirc;t allera mannalik
+th&aring;t-ne k&ecirc;ning navt ovir-ne waxdom <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e3483" href="#xd0e3483">230</a>]</span>ne welth, &aring;nd
+th&aring;t im sin f&ecirc;ding thrvch th&aring;t folk brocht warth, men
+thach wildon hja fvlherdja by hjara form&ecirc;tenh&ecirc;d. Til thju
+hja to-ra dol kvma machte, alsa h&acirc;von hja thet forma navt
+fvld&ecirc;n w&ecirc;st mith tha frya jefta, men h&aring;von hja
+th&aring;t folk &ecirc;ne tins vpl&ecirc;id. Fori thene sk&aring;t,
+tham th&ecirc;rof k&ecirc;m, h&ecirc;radon hja vrlandiska
+salt-&acirc;tha, tham hja in-om hjara hova l&ecirc;idon. Forth namon
+hja alsa f&ecirc;lo wiva, as-ra luste, &aring;nd tha lithiga forsta
+&aring;nd h&ecirc;ra d&ecirc;don al-&ecirc;n. As twist &aring;nd
+tvyspalt &aring;ftern&ecirc;i inna h&ucirc;shaldne glupte &aring;nd
+th&ecirc;r-vr kl&acirc;chta k&ecirc;mon, th&acirc; h&aring;von hja
+s&ecirc;id, ja-hweder m&aring;n is th&ecirc;ne f&ecirc;der fon sin
+h&ucirc;shalden, th&ecirc;rvmbe skil-er th&ecirc;r &acirc;k b&acirc;s
+&aring;nd rjuchter ovir w&ecirc;sa. Th&acirc; k&ecirc;m wilk&ecirc;r
+&aring;nd &ecirc;vin as tham mitha m&aring;nnum in ovir tha
+h&ucirc;shaldne welde, gvng er mit tha k&aring;ningar in ovir hjara
+st&acirc;t &aring;nd folkar dvan. Th&acirc; tha k&aring;ningar et alsa
+wyd brocht h&ecirc;don, th&aring;t hja f&ecirc;derum th&ecirc;ra folkar
+h&ecirc;te, th&acirc; gvngon hja to &aring;nd l&ecirc;ton byldon
+&aring;fter hjara d&acirc;ntne m&acirc;kja, thissa byldon l&ecirc;ton
+hja inna tha cherka stalla n&ecirc;st tha byldon th&ecirc;ra drochtne
+&aring;nd thi jena tham th&ecirc;r navt far b&ucirc;gja nilde, warth
+ombrocht jeftha an k&ecirc;dne d&ecirc;n. Jow &ecirc;thla &aring;nd tha
+Twisklandar h&aring;von mitha poppa forsta ommegvngen, d&acirc;na
+h&aring;von hja thjuse dw&ecirc;sh&ecirc;d l&ecirc;red. Tha navt
+all&ecirc;na th&aring;t svme jower m&aring;n hjara selva skeldich
+m&acirc;kja an glorn&ocirc;ma r&acirc;w, &acirc;k mot ik my vr
+f&ecirc;lo jower wiva bikl&acirc;gja. Werthat by jo m&aring;n fvnden,
+tham mith Wralda an &ecirc;n lin wille, th&ecirc;r werthat by jo wiva
+fvnden, th&ecirc;r et m&ecirc;i Frya wille. Vmbe th&aring;t hja bern
+b&ecirc;red h&aring;ve, l&ecirc;tath hja hjara selva modar h&ecirc;ta.
+Tha hja vrjettath, that Frya bern b&ecirc;rde svnder jengong &ecirc;nis
+m&aring;n. J&aring; navt all&ecirc;na th&aring;t hja Frya &aring;nd tha
+&ecirc;remodar fon hjara glor-rika n&ocirc;ma bir&acirc;wa wille,
+hw&ecirc;ran hja navt n&acirc;ka ne m&uuml;ge, hja dvath al&ecirc;n
+mitha glorn&ocirc;ma fon hjara n&ecirc;sta. Th&ecirc;r send wiva
+th&ecirc;r hjara selva l&ecirc;tath frovva h&ecirc;ta, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3485" href="#xd0e3485">232</a>]</span>afsken hja
+w&ecirc;te th&aring;t thjuse n&ocirc;me all&ecirc;na to forsta wiva
+h&ecirc;reth. Ak l&ecirc;tath hja hjara toghatera f&acirc;mna
+h&ecirc;ta, vntankes hja w&ecirc;te, th&aring;t n&ecirc;ne
+mang&ecirc;rt alsa h&ecirc;ta ne m&ecirc;i, w&acirc;ra hju to &ecirc;ne
+burch h&ecirc;rth. Jy alle w&acirc;nath th&aring;t jy thruch th&aring;t
+n&ocirc;m r&acirc;wa b&ecirc;tre werthe, thach jy vrjettath th&aring;t
+nyd th&ecirc;r an klywet &aring;nd th&aring;t elk kw&acirc;d sine
+tuchtrode s&ecirc;jath. K&ecirc;rath jy navt ne wither, s&acirc; skil
+tid th&ecirc;r waxdom an j&ecirc;va, alsa st&ecirc;rik th&aring;t
+m&aring;n et ende th&ecirc;r of navt bisj&acirc; ne m&ecirc;i. Jow
+&aring;fterkvmanda skilun th&ecirc;r mith f&ecirc;terath wertha, hja ne
+skilun navt ne bigripa hw&acirc;nat thi sl&acirc;ga w&ecirc;i kvme. Men
+afsk&ecirc;n jy tha f&acirc;mna n&ecirc;ne burch bvwe &aring;nd an lot
+vrl&ecirc;te, thach skilun th&ecirc;r bilywa, hja skilun fon ut wald
+&aring;nd holum kvma, hja skilun jow &aring;fterkvmande biwysa
+th&aring;t jy th&ecirc;r willens skildech an send. Th&aring;n skil
+m&aring;n jo vrdema, jow skina skilun vrf&ecirc;rth fon ut-a
+gr&ecirc;vum rysa, hja skilun Wr.alda, hja skilun Frya &aring;nd hjara
+f&acirc;mna anhropa, th&acirc; nimman skil-er &aring;wet an b&ecirc;tra
+ne m&uuml;ge, bif&acirc;re th&aring;t Jol in op en ore hl&acirc;phring
+tr&ecirc;th, men th&aring;t skil &ecirc;rist b&ecirc;ra as thr&ecirc;
+th&ucirc;sand j&ecirc;r vrhl&acirc;pen send &aring;fter thisse
+&ecirc;w.</p>
+
+<p><span class="smallcaps">Ende fon Rikas br&ecirc;f.</span><a class=
+"noteref" id="n232src" href="#n232">1</a></p>
+
+<hr class="tb">
+<p> <span class="pagenum">[<a id="xd0e3498" href=
+"#xd0e3498">234</a>]</span></p>
+
+<p>th&ecirc;rvmbe wil ik th&aring;t forma vr swarte Adel skriva. Swarte
+Adel w&ecirc;re thene fjurde kening &aring;fter Friso. Bi sin
+j&uuml;ged heth-er to Texland l&ecirc;red, &aring;ftern&ecirc;i heth-er
+to St&acirc;veren l&ecirc;red, &aring;nd forth heth-er thrvch ovir alle
+st&acirc;ta f&acirc;ren. Th&acirc; th&aring;t er fjuwer &aring;nd
+tvintich j&ecirc;r w&ecirc;re, heth sin t&acirc;t m&acirc;ked
+th&aring;t-er to Asega-&acirc;skar k&ecirc;ren is. Th&acirc;-er
+&ecirc;nmel &acirc;skar w&ecirc;re, &acirc;skte hi altid in-t
+f&acirc;rd&ecirc;l th&ecirc;ra &aring;rma. Tha rika, s&ecirc;d-er,
+pl&ecirc;gath &ecirc;noch vnrjuchta thinga thrvch middel fon hjara
+jeld, th&ecirc;rvmbe &acirc;gon wi to njvdane th&aring;t tha &aring;rma
+n&ecirc;i vs omme sjan. Thrvch th&acirc;-s &aring;nd &ocirc;ra
+r&ecirc;dne w&ecirc;r-i thene frjund th&ecirc;ra &aring;rma &aring;nd
+th&ecirc;ra rika skrik. Alsa &aring;rg is-t kvmen th&aring;t sin
+t&acirc;t him n&ecirc;i tha &acirc;gum sach. Th&acirc; sin t&acirc;t
+fallen was, &acirc;nd hy vppa tham-his s&ecirc;tel klywed, th&acirc;
+wild-er &ecirc;vin god sin ambt bihalda, lik as tha keningar fon-t
+&acirc;sta pl&ecirc;gath. Tha rika nildon th&aring;t navt ne
+d&acirc;ja, men nw hlip allet &ocirc;ra folk to h&acirc;pe, &aring;nd
+tha rika w&ecirc;ron blyde that hja h&ecirc;l-h&ucirc;d-is fon
+th&ecirc;re acht ofk&ecirc;mon. Fon to ne h&ecirc;rade m&aring;n nimmar
+m&acirc;ra ovir &ecirc;lika rjucht pet&acirc;rja. Hi dumde tha rika
+&aring;nd hi strykte tha &aring;rma, mith hwam his helpe hi alle
+s&ecirc;kum &acirc;skte, th&ecirc;r-er bistek vp h&ecirc;de. Kening
+Askar lik-er immer h&ecirc;ten warth, w&ecirc;re by sjugun
+irthf&ecirc;t l&ocirc;nge, s&acirc; gr&acirc;t sin t&ocirc;l w&ecirc;r,
+w&ecirc;ron &acirc;k sina krefta. Hi h&ecirc;de-n hel forst&acirc;n,
+s&acirc; th&aring;t-er alles forst&acirc;nde, hw&ecirc;rwr that
+spr&ecirc;ken warth, thach in sin dvan ne macht m&aring;n n&ecirc;ne
+wisdom sp&ecirc;ra. Bi-n sk&ecirc;n &ocirc;nhlite h&ecirc;d-er
+&ecirc;ne glade tonge, men jeta swarter as sin h&ecirc;r is sine
+s&ecirc;le fvnden. Th&acirc; that-er &ecirc;n j&ecirc;r kening
+w&ecirc;re, n&ecirc;ds&ecirc;kte hi alle kn&acirc;pa fon sin
+st&acirc;t, hja skoldon jerlikis vppet k&aring;mp kvma &aring;nd
+th&ecirc;r skin-orloch m&acirc;kja. In-t &ecirc;rost h&ecirc;de-r
+th&ecirc;r spul mith, men to tha lersta warth-et s&acirc;
+men&ecirc;rlik, that ald &aring;nd jong ut alle wrdum w&ecirc;i
+k&ecirc;mon to fr&ecirc;jande jef hja machte mith dva. Th&acirc; hi-t
+alsa f&ecirc;re brocht h&ecirc;de, l&ecirc;t-er w&ecirc;rskola stifta.
+Tha rika k&ecirc;mon to b&acirc;rane &aring;nd s&ecirc;idon, that <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3501" href="#xd0e3501">236</a>]</span>hjara
+bern nw n&ecirc;n l&ecirc;sa nach skryva navt ne l&ecirc;rade. Askar ne
+melde-t navt, men as th&ecirc;r kirt &aring;fter wither skin-orloch
+halden warth, gvng-er vppen vpstal stonda, &aring;nd k&ecirc;tha
+hl&ucirc;d. Tha rika sind to my kvmen to b&acirc;rana, th&aring;t hjara
+kn&acirc;pa n&ecirc;n l&ecirc;sa nach skryva noch l&ecirc;ra, ik
+n.&aring;v th&ecirc;r nawet vp s&ecirc;ith, thach hir wil ik mine
+m&ecirc;nong sedsa, &aring;nd an tha m&ecirc;na acht bithinga
+l&ecirc;ta. Th&acirc; alrek nw n&ecirc;isgyrich n&ecirc;i him vpsach,
+s&ecirc;id-er forther, n&ecirc;i min bigrip mot m&aring;n hjud
+th&aring;t l&ecirc;sa &aring;nd skriva tha f&acirc;mna &aring;nd alda
+lichta vrl&ecirc;ta. Ik n-il n&ecirc;n kw&acirc;d spr&ecirc;ka vr vsa
+&ecirc;thla, ik wil all&ecirc;na sega, vndera tyda hw&ecirc;rvp thrvch
+svme s&acirc; herde bogath warth, h&aring;von tha burchf&acirc;mna
+twyspalt inovir vsa l&acirc;nda brocht, &aring;nd tha Modera f&uuml;r
+&aring;nd n&ecirc;i ne kvnd&ocirc;n twyspalt navt wither to-t land ut
+ne dryva. Jeta &aring;rger, thahwila hja k&aring;lta &aring;nd
+pet&aring;rade vr n&acirc;del&acirc;sa pl&ecirc;ga, send tha Gola kvmen
+&aring;nd h&acirc;von al vsa sk&ecirc;na s&ucirc;darlanda r&acirc;weth.
+H&ecirc;misd&ecirc;ga send hja mith vsa vrbr&ucirc;da brotharum
+&aring;nd hjara salt-&acirc;thum al overa Skelda kvmen, vs rest thus to
+kjasane twisk-et b&ecirc;ra fon juk jef sw&ecirc;rd. Willath wi fry
+bilyw&acirc;, alsa &acirc;gon tha kn&acirc;pa th&aring;t l&ecirc;sa
+&aring;nd skryva f&acirc;rh&ocirc;ndis &aring;fterw&ecirc;i-n to
+l&ecirc;tane &aring;nd in st&ecirc;de that hja invppa m&ecirc;ide hwip
+&aring;nd swik sp&ecirc;le, moton hja mith sw&ecirc;rd &aring;nd
+sp&ecirc;r sp&ecirc;la. Send wi in alle d&ecirc;la ofned &aring;nd tha
+kn&acirc;pa stor enoch vmb helmet &aring;nd skild to b&ecirc;rane
+&aring;nd tha w&ecirc;pne to h&ocirc;nt&ecirc;rane, then skil ik my
+mith jower helpa vppa thene fjand werpa. Tha Gola m&ecirc;ieath then
+tha nitherl&ecirc;ga fon hjara helpar &aring;nd salt-&acirc;thum vppa
+vsa fjeldum skryva mith-et blod, th&aring;t &ucirc;t hjara wndum
+drjupth. H&aring;von wi thene fyand &ecirc;n mel far vs &ucirc;t
+dr&ecirc;ven, alsa moton wi th&ecirc;rmith forth gvnga, alhwenne
+th&ecirc;r n&ecirc;n Gola ner Sl&acirc;vona nach Tartara m&acirc;ra fon
+Fryas erv to vrdryvane send. Tha-s rjucht, hrypon tha m&acirc;sta
+&aring;nd tha rika ne thvradon hjara mvla navt &ecirc;pen ne dva. Thjus
+tospr&ecirc;ke h&ecirc;d <span class="pagenum">[<a id="xd0e3503" href=
+"#xd0e3503">238</a>]</span>er sekur to fara forsonnen &aring;nd
+vrskriva l&ecirc;ten, hwand s-&ecirc;wendis fon th&ecirc;re selvare
+d&ecirc;i w&ecirc;ron tha ofskriftum th&ecirc;ra hwel in twintich
+h&ocirc;nda &aring;nd thi alle w&ecirc;ron &ecirc;nishl&ucirc;dende.
+Aftern&ecirc;i bifel-er tha skipmanna, hja skoldon dubbele
+f&acirc;rst&ecirc;wene m&acirc;kja l&ecirc;ta, hw&ecirc;ran m&aring;n
+&ecirc;ne st&ecirc;len kr&acirc;nboga macht f&aring;stigja. Th&ecirc;ra
+th&ecirc;r &aring;fterw&ecirc;i bil&ecirc;v warth bibot, kvn imman
+sw&ecirc;ra that-er n&ecirc;ne midle navt n&ecirc;de, alsa moston tha
+rika fon sin g&acirc;-t bitalja. Hjud skil m&aring;n sjan hw&ecirc;r
+vppa al th&aring;t b&acirc; h&ecirc;i &ucirc;thl&acirc;pen is. An-t
+north-ende fon Britanja th&aring;t fvl mith h&acirc;ga bergum is,
+th&ecirc;r sit en Skots folk, vr-et m&acirc;rad&ecirc;l &ucirc;t Fryas
+blod sproten, vr-a &ecirc;ne helte send hja &ucirc;t
+K&aring;ltanafolgar, vr-et &ocirc;ra d&ecirc;l &ucirc;t Britne
+&aring;nd bannane, th&ecirc;r by gr&acirc;dum mith tyd fon-&ucirc;t-a
+tinl&ocirc;num th&ecirc;r hinna fljuchte. Th&ecirc;r ut-a tinl&ocirc;na
+k&ecirc;mon, h&aring;vath algadur vrlandiska wiva jeftha fon vrlandis
+tuk. Thi alle send vnder-et weld th&ecirc;ra Golum, hjara w&ecirc;pne
+send woden boga &aring;nd spryta mith pintum fon herthis-hornum
+&acirc;k fon flintum. Hjara h&ucirc;sa send fon s&acirc;dum &aring;nd
+str&ecirc; &aring;nd svme h&ecirc;math inna hola th&ecirc;ra bergum.
+Sk&ecirc;pon th&ecirc;r hja r&acirc;wed h&aring;ve, is hjara &ecirc;nge
+sk&aring;t. Mong tha &aring;fterkvmanda th&ecirc;ra K&aring;ltanafolgar
+h&aring;vath svme jeta ysera w&ecirc;pne, th&ecirc;r hja fon hjara
+&ecirc;thlum urven h&aring;ve. Vmbe nw god forst&acirc;n to werthande,
+m&ocirc;t ik min telling vr th&aring;t Skotse folk resta l&ecirc;ta,
+&aring;nd &ecirc;wet fon tha h&ecirc;inda Kr&ecirc;kalanda skriva. Tha
+h&ecirc;inda Kr&ecirc;kalanda h&aring;von vs to fara all&ecirc;na to
+h&ecirc;rath, men sunt vnh&uuml;glika tidum h&aring;von ra th&ecirc;r
+&acirc;k &aring;fterkvmanda fon Lyda &aring;nd fon Finda nitherset, fon
+tha lersta k&ecirc;mon to tha lersta en &ecirc;le h&acirc;pe fon
+Tr&ocirc;je. Tr&ocirc;je alsa heth &ecirc;ne st&ecirc;de h&ecirc;ten,
+th&ecirc;r et folk fon tha f&ecirc;re Kr&ecirc;kalanda innomth
+&aring;nd vrhomelt heth. Th&acirc; tha Tr&ocirc;jana to tha
+h&ecirc;inda Kr&ecirc;kalandum nestled w&ecirc;ron, tha h&aring;von hja
+th&ecirc;r mith tid &aring;nd flit &ecirc;ne sterke st&ecirc;d mith
+w&acirc;lla &aring;nd burgum bvwed, Rome, that is <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3505" href="#xd0e3505">240</a>]</span>Rum,
+h&ecirc;ten. Th&acirc; th&aring;t d&ecirc;n was, heth th&aring;t folk
+him selva thrvch lest &aring;nd weld fon th&aring;t &ecirc;le
+l&acirc;nd m&acirc;ster m&acirc;ked. Th&aring;t folk th&aring;t anda
+s&ucirc;dside th&ecirc;re Middels&ecirc; h&ecirc;mth, is f&acirc;r-et
+m&acirc;ra d&ecirc;l fon Fhonysja w&ecirc;i kvmen. Tha Fhonysjar<a
+class="noteref" id="xd0e3507src" href="#xd0e3507">2</a> send en bastred
+folk, hja send fon Fryas blod &aring;nd fon Findas blod &aring;nd fon
+Lyda his blod. Th&aring;t folk fon Lyda send th&ecirc;r as
+sl&acirc;vona, men thrvch tha vntucht th&ecirc;r wyva h&aring;von
+thissa swarte m&aring;nniska al-et &ocirc;ra folk bastered &aring;nd
+brun vrf&aring;rvet<span class="corr" id="xd0e3510" title="Niet in
+bron">.</span> Thit folk &aring;nd tham fon Rome k&aring;mpath
+&ocirc;l&acirc;n vmb-et m&acirc;sterskip fon tha Middels&ecirc;. Forth
+l&ecirc;vath tham fon Roma an fjandskip with tha Fonysjar, &aring;nd
+hjara prestera th&ecirc;r-et rik all&ecirc;na welda wille wr irtha, ne
+m&uuml;gon tha Gola navt ne sjan. Th&aring;t forma h&aring;von hja tha
+Fphonysjar Mis-selja ofnomen, d&acirc;n&acirc; alle landa, th&ecirc;r
+s&ucirc;dward, westward &aring;nd northward lidsa, &acirc;k et
+s&ucirc;dard&ecirc;l fon Britanja, &aring;nd allerw&ecirc;ikes
+h&aring;von hja tha Fonysjar prestera, that h&ecirc;th tha Gola
+vrj&acirc;geth, d&acirc;n&acirc; sind thusanda Gola n&ecirc;i north
+Brittanja brit. Kirt vrl&ecirc;den was th&ecirc;r tha vreste
+th&ecirc;ra Golum s&ecirc;ten vppa th&ecirc;re burch, th&ecirc;r is
+k&ecirc;then K&ecirc;ren&aring;k that is herne, hwanath hi sin
+bif&ecirc;la jef an alle &ocirc;ra Gola. Ak was th&ecirc;r al hjara
+gold togadur brocht. K&ecirc;ren herne jeftha K&ecirc;ren&aring;k is
+&ecirc;ne st&ecirc;nen burch, th&ecirc;r &ecirc;r an K&aring;lta
+h&ecirc;rde. Th&ecirc;rvmbe wildon tha f&acirc;mna fon tha
+&aring;fterkvmande th&ecirc;ra K&aring;ltana-folgar tha burch wither
+h&acirc;. Alsa was thrvch tha fyanskip th&ecirc;ra f&acirc;mna
+&aring;nd th&ecirc;ra Golum faithe &aring;nd twist in ovir th&aring;t
+Berchland kvmen mith morth &aring;nd br&ocirc;nd. Vsa stj&ucirc;rar
+k&ecirc;mon th&ecirc;r f&acirc;ken wol h&acirc;lja, th&aring;t hja
+sellade fori tobir&ecirc;de h&ucirc;dum &aring;nd linne. Askar was
+often mith w&ecirc;st, an stilnesse h&ecirc;d-er mith tha f&acirc;mna
+&aring;nd mith svme forstum &acirc;tskip sloten, &aring;nd him selva
+forbonden vmbe tha Gola to vrj&acirc;gane &ucirc;t K&ecirc;ren&aring;k.
+As-er th&ecirc;rn&ecirc;i wither k&ecirc;m j&ecirc;f hi tha forsta
+&aring;nd wigandliksta manna ysere helma &aring;nd st&ecirc;la boga.
+Orloch was mith kvmen &aring;nd kirt &aring;fter flojadon str&acirc;ma
+blod by <span class="pagenum">[<a id="xd0e3516" href=
+"#xd0e3516">242</a>]</span>tha hellinga th&ecirc;ra bergum del.
+Th&acirc; Askar m&ecirc;nde that kans him tol&acirc;kte, gvng-er mith
+fjuwertich sk&ecirc;pum hin &aring;nd nam K&ecirc;ren&aring;k &aring;nd
+thene vreste th&ecirc;ra Golum mith al sine gold. Th&aring;t folk
+w&ecirc;rmith hi with tha salt-&acirc;thum thera Golum k&aring;mped
+h&ecirc;de, h&ecirc;d-er &ucirc;t-a Saxanamarkum lvkt mith lofte fon
+gr&acirc;te h&ecirc;ra-r&acirc;ve &aring;nd but. Thus warth tha Gola
+n&ecirc;wet l&ecirc;ten. Aftern&ecirc;i nam-er tw&acirc; &ecirc;landa
+to berch far sinum sk&ecirc;pum, &aring;nd hw&acirc;nath hi l&ecirc;ter
+&ucirc;tgvng vmb alle Fonysjar sk&ecirc;pa &aring;nd st&ecirc;da to
+bir&acirc;wane th&ecirc;r hi big&acirc;na kv. Tha er tobek k&ecirc;m
+brocht-i tomet sexhvndred th&ecirc;ra storeste kn&acirc;pum fon
+th&aring;t Skotse berchfolk mith. Hi s&ecirc;ide that hja him to borgum
+j&ecirc;ven w&ecirc;ren, til thju hi s&ecirc;kur w&ecirc;sa machte
+th&aring;t tha eldra him skolde trow bilywa, men-t was jok, hi hild ra
+as lifw&ecirc;re et sina hova, th&ecirc;r hja allera distik les
+kr&ecirc;jon in-t ryda &aring;nd in-t h&ocirc;ndt&ecirc;ra fon
+allerl&ecirc;ja w&ecirc;pne. Tha Denamarkar tham hjara selva sunt
+l&ocirc;ng boppa alle &ocirc;ra stj&ucirc;rar stoltlike
+s&ecirc;k&aring;mpar h&ecirc;te, h&ecirc;don s&acirc; ringe navt fon
+Askar sina glorrika d&ecirc;dum navt ne h&ecirc;red, jef hja wrdon
+nydich th&ecirc;r vr, th&ecirc;rm&ecirc;te, that hja wilde orloch
+brensa over-ne s&ecirc; &aring;nd over sina landa. Sjan hyr, ho hi
+orloch formitha machte. Twisk tha bvwfala th&ecirc;re vrhomelde burch
+Stavja was jeta &ecirc;ne snode burchf&acirc;m mith svme f&acirc;mna
+s&ecirc;ten. Hjra n&ocirc;me was R&ecirc;intja &aring;nd th&ecirc;r
+gvng en gr&acirc;te hrop fon hira wish&ecirc;d &ucirc;t. Thjus
+f&acirc;m b&acirc;d an Askar hjra helpe vnder bithing, that Askar
+skolde tha burch Stavja wither vpbvwa l&ecirc;te. As-er him th&ecirc;r
+to forbonden h&ecirc;de, gvng R&ecirc;intja mith thrim f&acirc;mna
+n&ecirc;i Hals,<a class="noteref" id="xd0e3518src" href=
+"#xd0e3518">3</a> nachtis gvng hju r&ecirc;isa &aring;nd thes
+d&ecirc;is k&ecirc;the hju vppa alle markum &aring;nd binna alle
+m&ecirc;idum. Wralda s&ecirc;ide hju h&ecirc;de hja thrvch thongar
+tohropa l&ecirc;ta th&aring;t allet Fryas folk moston frjunda wertha,
+lik sustar &aring;nd brothar t&acirc;med, owers skolde Findas folk kvma
+&aring;nd ra alle fon irtha vrdilligja. N&ecirc;i thongar w&ecirc;ron
+Fryas sjvgun w&acirc;kf&acirc;mkes hja anda dr&acirc;me forskinnen,
+sjvgun nachta &aring;fter ekk&ocirc;-rum. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3521" href="#xd0e3521">244</a>]</span>Hja h&ecirc;de seith boppa
+Fryas landum swabbert ramp mith juk &aring;nd k&ecirc;dne omme.
+Th&ecirc;rvmbe moton alle folkar th&ecirc;r &ucirc;t Frya sproten send
+hjara ton&ocirc;ma w&ecirc;i werpa &aring;nd hjara selva all&ecirc;na
+Fryas bern jeftha folk h&ecirc;ta. Forth moton alle vpstonda &aring;nd
+et Findas folk fon Fryas erv dryva. Nillath hja th&aring;t navt ne dva,
+alsa skilun hja sl&acirc;vona benda vmbe hjara halsa kr&ecirc;ja, alsa
+skilun tha vrlandaska h&ecirc;ra hjara bern misbruka &aring;nd frytra
+l&ecirc;ta, til thju th&aring;t blod sygath inna jowre gr&ecirc;va.
+Th&aring;n skilun tha skinna jowre &ecirc;thla jo kvma wekja &aring;nd
+jo bikyvja vr jo lefh&ecirc;d &aring;nd vndigerh&ecirc;d. Th&aring;t
+dvme folk, th&aring;t thrvch todvan th&ecirc;ra M&acirc;gyara al an sa
+f&uuml;l dw&ecirc;sh&ecirc;d wenth was, l&acirc;vadon alles hwat hju
+s&ecirc;ide &aring;nd tha m&aring;mma klimdon hjara bern &aring;jen
+hjara brosta an. Th&acirc; R&ecirc;intja thene kening fon Hals
+&aring;nd alle &ocirc;thera manniska to &ecirc;ndracht vrwrocht hede,
+sand hju bodon n&ecirc;i Askar &aring;nd t&acirc;g selva alingen thene
+Balda s&ecirc;. D&acirc;n&acirc; gvng hju by tha Hlith-h&acirc;war,
+althus h&ecirc;ten vmbe that hja hjara fyanda immer n&ecirc;i thet
+&ocirc;nhlite h&acirc;we. Tha Hlithh&acirc;war send britne &acirc;nd
+bannene fon vs &aring;jn folk th&aring;t inna tha Twisklanda sit
+&aring;nd omme dwarelt. Hjara wyva h&acirc;von hja m&ecirc;st algadur
+fon tha Tartara r&acirc;wed. Tha Tartara s&ecirc;nd en d&ecirc;l fon
+Findas slachte &aring;nd althus thrvch tha Twisklandar h&ecirc;ten vmbe
+th&aring;t hja nimmerthe n&ecirc;n fr&ecirc;tho wille, men tha
+m&aring;nniska alti &ucirc;t tarta to strydande. Forth gvng hju
+&aring;ftera Saxnamarka tweres thrvch tha &ocirc;ra Twisklanda hin,
+allerw&ecirc;ikes th&aring;t selva &ucirc;tk&ecirc;tha. N&ecirc;i twam
+j&ecirc;r om w&ecirc;ron, k&ecirc;m hju allingen th&ecirc;re R&ecirc;ne
+to honk. By tha Twisklandar hede hju hjara selva as Moder
+&ucirc;tj&acirc;n &aring;nd s&ecirc;id th&aring;t hja mochton as fry
+&aring;nd franka m&aring;nniska wither kvma, men th&aring;n mosten hja
+ovir tha R&ecirc;ne gvngga &aring;nd tha Gola folgar &ucirc;t Fryas
+s&ucirc;darlandum j&acirc;gja. As hja th&aring;t d&ecirc;de, sa skolde
+hjra k&ecirc;ning Askar overa Skelda gvngga &aring;nd th&ecirc;r
+th&aring;t land ofwinna. By tha Twisklandar send f&ecirc;lo tjoda
+pl&ecirc;ga fon tha Tartarum &aring;nd M&acirc;gjara binna glupt, men
+&acirc;k f&uuml;l send <span class="pagenum">[<a id="xd0e3523" href=
+"#xd0e3523">246</a>]</span>th&ecirc;r fon vsa s&ecirc;dum
+bil&ecirc;wen. Th&ecirc;r thrvch h&aring;vath hja jeta f&acirc;mna
+th&ecirc;r tha bern l&ecirc;ra &aring;nd tha alda r&ecirc;d jeva.
+Bit-anfang w&ecirc;ron hja Reintja nydich, men to tha lesta w&aring;rth
+hju thrvch hjam folgath &aring;nd thjanjath &aring;nd allerw&ecirc;ikes
+bogath, hw&ecirc;r-et nette &aring;nd n&ecirc;dlik w&ecirc;re.</p>
+
+<p>Alsa ringen Askar fon R&ecirc;intja hjra bodon fornom ho tha Juttar
+nygath w&ecirc;ron, sand hi bistonda bodon fon sinant wegum n&ecirc;i
+tha k&aring;ning fon Hals. Th&aring;t skip, w&ecirc;rmith tha bodon
+gvngon, was fvl l&ecirc;den mith f&acirc;mna syrh&ecirc;dum &aring;nd
+th&ecirc;r by w&ecirc;r en golden skild, hw&ecirc;rvppa Askar his
+d&acirc;nte kunstalik was utebyld. Thissa bodon mosten fr&ecirc;ja
+j&ecirc;f Askar thes k&aring;ning his toghter Fr&ecirc;thogunsta to sin
+wif h&aring;ve machte. Fr&ecirc;thogunsta k&ecirc;m en j&ecirc;r
+l&ecirc;ter to St&acirc;veren, bi hjara folgar w&ecirc;re &acirc;k
+&ecirc;nen M&acirc;gy, hwand tha Juttar w&ecirc;ron sunt l&ocirc;ng
+vrbrud. Kirt &aring;fter that Askar mith Fr&ecirc;thogunsta bostigjath
+was, w&aring;rth th&ecirc;r to St&acirc;veren &ecirc;ne scherke bvwad,
+inna thju scherke wrdon tjoda drochten lykanda byldon st&aring;lth mith
+gold trvch wrochtne kl&acirc;thar. Ak is er biw&ecirc;rath that Askar
+th&ecirc;r nachtis &aring;nd vntydis mith Fr&ecirc;thogunsta f&acirc;r
+nitherbuwgade. Men s&acirc; f&uuml;l is s&ecirc;kur, thju burch Stavia
+ne w&aring;rth navt wither vpebvwed. R&ecirc;intja was al to bek kvmen,
+&aring;nd gvng nydich n&ecirc;i Prontlik thju Moder et Texland
+b&acirc;rja. Prontlik gvng to &aring;nd sand allerw&ecirc;ikes bodon
+th&ecirc;r &ucirc;tk&ecirc;thon, Askar is vrj&ecirc;ven an afgodie.
+Askar d&ecirc;de as murk-i-t navt, men vnwarlingen k&ecirc;m th&ecirc;r
+&ecirc;ne fl&acirc;te &ucirc;t Hals. Nachtis wrdon tha f&acirc;mna
+&ucirc;t-&ecirc;re burch drywen, &aring;nd ogtins kvn m&aring;n fon
+th&ecirc;re burch all&ecirc;na &ecirc;ne glandere h&acirc;pe sjan.
+Prontlik &aring;nd R&ecirc;intja k&ecirc;mon to my vmb skul. Th&aring;
+ik th&ecirc;r &aring;ftern&ecirc;i vr n&ecirc;i tochte, l&ecirc;k it my
+to, that it kw&acirc;dlik f&acirc;r min st&acirc;t bid&ecirc;ja kvste.
+Th&ecirc;rvmbe h&aring;von wi to s&ecirc;mne &ecirc;ne lest forsonnen,
+th&ecirc;r vs alle b&acirc;ta most. Sjan hyr ho wi to gvngen send.
+Middel in-t Krylwald biasten Ljvwerde l&ecirc;ith vsa fly jeftha
+w&ecirc;ra, th&ecirc;r m&aring;n all&ecirc;na thrvch dwarlp&acirc;da
+m&ecirc;i n&acirc;ka. In vppa thjus burch h&ecirc;d ik sunt l&ocirc;nge
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e3527" href=
+"#xd0e3527">248</a>]</span>jonga w&acirc;kar stald, th&ecirc;r alle
+&ecirc;ne grins an Askar h&ecirc;de, &aring;nd alle &ocirc;ra
+m&aring;nniska d&acirc;nath halden. Nv wast bi vs &acirc;k al sa wyd
+kvmen, th&aring;t f&ecirc;lo wyva &aring;nd &acirc;k manna al
+pat&ecirc;rade vr spoka, witte wyva &aring;nd uldermankes, lik tha
+D&ecirc;namarkar. Askar h&ecirc;de al thissa dw&acirc;sh&ecirc;de to
+sin b&acirc;ta anwenth &aring;nd th&aring;t wildon wi nv &acirc;k to
+vsa b&acirc;ta dva. Bi-ne thjustre nacht brocht ik tha f&acirc;mna
+n&ecirc;i th&ecirc;re burch &aring;nd d&acirc;n&acirc; gongen hia mith
+hjara f&acirc;mna in thrvch tha dwarl-p&acirc;da spokka in wttta
+kl&acirc;thar huled, s&acirc; that th&ecirc;r aftern&ecirc;i n&ecirc;n
+m&aring;nnisk m&acirc;ra kvma ne thvrade. Tha Askar m&ecirc;nde
+th&aring;t-er thu h&ocirc;nda rum h&ecirc;de, l&ecirc;t-i tha
+M&acirc;gjara vnder allerl&ecirc;ja n&ocirc;ma thrvch ovir sina
+st&acirc;ta f&acirc;ra &acirc;nd b&ucirc;ta Gr&ecirc;neg&acirc;
+&acirc;nd b&ucirc;ta mina st&acirc;t ne wrdon hja n&aring;rne navt ne
+w&ecirc;rath. N&ecirc;i that Askar alsa mith tha Juttar &aring;nd tha
+&ocirc;ra D&ecirc;namarkar forbonden was, gvngon hja als&ecirc;mina
+r&acirc;wa; thach that neth n&ecirc;ne gode fr&uuml;chda b&acirc;red.
+Hja brochton allerl&ecirc;ja vrlandiska sk&aring;ta to honk. Men just
+th&ecirc;r thrvch nildon th&aring;t jong folk n&ecirc;n ambacht
+l&ecirc;ra, nach vppa tha fjeldum navt ne werka, s&acirc; that hi to
+tha lersta wel sl&acirc;vona nimma moste. Men thit was &ecirc;l al
+&aring;jen Wralda his wille &aring;nd &aring;jen Fryas r&ecirc;d.
+Th&ecirc;rvmbe kv straf navt &aring;fterw&ecirc;ga ne bilywa. Sjan hyr
+ho straffe kvmen is. &Ecirc;nis h&ecirc;don hja to s&ecirc;mine
+&ecirc;ne &ecirc;le fl&acirc;te wnnen, hju k&ecirc;m fon &ucirc;ta
+Middels&ecirc;. Thjus fl&acirc;te was to l&ecirc;den mith purpera
+kl&acirc;thar &aring;nd &ocirc;ra kostelikh&ecirc;d, th&ecirc;r alle
+fon of Phonisja k&ecirc;mon. Th&aring;t wraka folk th&ecirc;re
+fl&acirc;te w&aring;rth bis&ucirc;da th&ecirc;re S&ecirc;jene an wal
+set, men th&aring;t stora folk w&aring;rth halden. Th&aring;t most ra
+as sl&acirc;vona thianja. Tha sk&ecirc;neste wrdon halden vmbe vppet
+land to bilywane &aring;nd tha l&ecirc;dliksta &aring;nd swartste wrdon
+an bord halden vmbe vppa tha benka to rojande. An-t Fly w&aring;rth tha
+bodel d&ecirc;lath, men svnder hjara w&ecirc;ta w&aring;rth &acirc;k
+hjara straf d&ecirc;lath. Fon tha m&aring;nniska th&ecirc;r vppa tha
+vrlandiska skepum stalt w&ecirc;ron, w&ecirc;ron sex thrvch bukpin
+felth. M&aring;n tochte th&aring;t et eta &aring;nd drinka
+vrj&ecirc;ven w&ecirc;re, <span class="pagenum">[<a id="xd0e3532" href=
+"#xd0e3532">250</a>]</span>th&ecirc;rvmbe w&aring;rth alles ovir bord
+jompth. Men b&ucirc;kpin reste &aring;nd allerw&ecirc;ikes, hw&ecirc;r
+sl&acirc;vona jeftha god k&ecirc;m, k&ecirc;m &acirc;k b&ucirc;kpin
+binna. Tha Saxmanna brochten hju ovir hjara marka, mith tha Juttar for
+hju n&ecirc;i Sk&ecirc;nland &aring;nd alingen th&ecirc;re k&acirc;d
+fon tha Balda-s&ecirc;, mith Askar his stj&ucirc;rar for hju n&ecirc;i
+Britanja. Wi &aring;nd tham fon Gr&ecirc;neg&acirc; ne l&ecirc;ton
+n&ecirc;n god ner minniska ovir vsa p&acirc;la navt ne kvma, &aring;nd
+th&ecirc;rvmbe bil&ecirc;won wi fon tha b&ucirc;kpin fry. Ho f&ecirc;lo
+m&aring;nniska b&ucirc;kpin w&ecirc;ir&acirc;pth heth, n&ecirc;t ik
+navt to skrywane, men Prontlik th&ecirc;r et &aring;ftern&ecirc;i fon
+tha &ocirc;ra f&acirc;mna h&ecirc;rde, heth my meld, th&aring;t Askar
+th&ucirc;sandmel m&acirc;ra frya m&aring;nniska &ucirc;t sina
+st&acirc;tum hulpen heth, as er vvla sl&acirc;vona inbrochte. Th&acirc;
+pest far god wyken was, tha k&ecirc;mon tha fri wrden Twisklandar
+n&ecirc;i th&ecirc;re R&ecirc;ne, men Askar nilde mith tha forstum fon
+th&aring;t vvla vrbasterde folk navt an &ecirc;ne lyne navt ne stonda.
+Hi nilde navt ne d&acirc;ja, that hja skoldon hjara selva Fryas bern
+h&ecirc;ta, lik R&ecirc;intja biboden h&ecirc;de, men hi vrjet
+th&ecirc;rbi that-i selva swarte h&ecirc;ra h&ecirc;de. Emong tha
+Twisklandar w&ecirc;ron th&ecirc;r tw&acirc; folkar, th&ecirc;r hjara
+selva n&ecirc;ne Twisklandar h&ecirc;ton. Th&aring;t &ecirc;ne folk
+k&ecirc;m &ecirc;l f&ecirc;r &ucirc;t-et s&ucirc;d-&acirc;sten
+w&ecirc;i, hja h&ecirc;ton hjara selva Allemanna. Thissa n&ocirc;ma
+h&ecirc;don hja hjara selva j&ecirc;ven, th&acirc; hja jeta svnder wiva
+inna tha walda as bannane ommedwarelde. L&ecirc;tar h&aring;von hja
+fon-et sl&acirc;vona folk wiva r&acirc;vath, &ecirc;vin sa tha
+Hlith&acirc;war, men hja h&aring;von hjara n&ocirc;me bihalden.
+Th&aring;t &ocirc;ra folk, th&aring;t m&acirc;ra h&ecirc;inde
+ommedwarelde, h&ecirc;ton hjara selva Franka, navt vmbe that hja fry
+w&ecirc;ron, men Frank alsa h&ecirc;de thene &ecirc;roste k&aring;ning
+h&ecirc;ten, tham him selva mith hulpe fon tha vrbr&ucirc;da
+f&acirc;mna to ervlik k&aring;ning ovir sin folk m&acirc;kad
+h&ecirc;de. Tha folkar tham an him p&acirc;ladon, h&ecirc;ton hjara
+selva Thjoth-his svna, that is folk-his svna, hja w&ecirc;ron frya
+m&aring;nniska bil&ecirc;wen, n&ecirc;idam hja nimmer &ecirc;nen
+k&aring;ning ner forste nach m&acirc;ster bik&aring;nnna nilde, as
+thene jenge tham by m&ecirc;na willa was k&ecirc;ren vppa th&ecirc;re
+m&ecirc;na acht. Askar h&ecirc;de <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3534" href="#xd0e3534">252</a>]</span>al fon R&ecirc;intja
+fornommen, that tha Twisklandar forsta m&ecirc;st alti in fiandskip
+&aring;nd faitha w&ecirc;ron. Nw stald-i hjam to f&acirc;ra, hj&acirc;
+skolde &ecirc;nen h&ecirc;rtoga fon sin folk kjasa vmbe that-er ang
+w&ecirc;re seid-er that hja skolde mit manlik &ocirc;therum skoldon
+twista ovir-et m&acirc;sterskip. Ak s&ecirc;id-er kvndon sina forsta
+mith-a Golum spr&ecirc;ka. Th&aring;t s&ecirc;id-er w&ecirc;re &acirc;k
+Moder his m&ecirc;ne. Th&acirc; k&ecirc;mon tha forsta th&ecirc;ra
+Twislandar to ekk&ocirc;rum &aring;nd n&ecirc;i thrija sjugun etmelde
+k&ecirc;ron hja Alrik to-ra hertoga ut. Alrik w&ecirc;re Askar his
+n&ecirc;va, hi jef him tw&ecirc;n hvndred skotse &aring;nda hvndred
+th&ecirc;ra storosta Saxmanna mith to lifw&ecirc;ra. Tha forsta moston
+thrija sjvgun fon hjara svnum n&ecirc;i St&acirc;veren senda to borg
+hjarar trow. To nv was alles n&ecirc;i winsk gvngen, men th&acirc;
+m&aring;n ovire R&ecirc;ne fara skolde, nildon thene k&aring;ning
+th&ecirc;ra Franka navt vnder Alrikis bif&ecirc;la navt ne stonda.
+Th&ecirc;rthrvch lip alles an tha tys. Askar th&ecirc;r m&ecirc;nde
+th&aring;t alles god gvng, lande mith sina sk&ecirc;pa anna tha
+&ocirc;re syde th&ecirc;re Skelda, men th&ecirc;r was was man long fon
+sin kvmste to ljucht &aring;nd vppa sin hod. Hja moston alsa ring
+fljuchta as hja kvmen w&ecirc;ron, &aring;nd Askar wrde selva fath. Tha
+Gola niston navt hwa hja fensen h&ecirc;de, &aring;nd alsa warth hi
+&aring;ftern&ecirc;i &ucirc;twixlath fori &ecirc;nnen h&acirc;ge Gol,
+th&ecirc;r Askar his folk mith forath h&ecirc;de. Thawila th&aring;t-et
+alles b&ecirc;rade, hlipon tha M&acirc;gjara jeta dryster as to
+f&acirc;ra ovir vsa b&ucirc;ra ra landa hinna. By Egmvda hw&ecirc;r to
+f&acirc;ra tha burch For&acirc;na st&acirc;n h&ecirc;de, l&ecirc;ton
+hja &ecirc;ne cherka bvwa jeta gr&acirc;ter &aring;nd rikar as Askar to
+St&acirc;veren d&ecirc;n h&ecirc;de. Aftern&ecirc;i s&ecirc;idon hja
+that Askar thju k&aring;se vrl&ecirc;ren h&ecirc;de with tha Gola,
+thrvchdam et folk navt l&acirc;wa navt nilde, that Wodin hjam helpa
+kvste, &aring;nd that hja him th&ecirc;rvmbe navt anbidda nilde. Forth
+gvngon hja to &aring;nd sk&acirc;kton jonga bern tham hja by ra hildon
+&aring;nd vpbrochten in tha hemnissa fon hjara vrbruda l&ecirc;re.
+W&ecirc;ron th&ecirc;r m&aring;nniska tham</p>
+
+<p lang="nl">Het overige ontbreekt.</p>
+
+<div class="figure"><img src="images/p238.png" alt=
+"Afbeelding van een Schip met voor en achterplecht, bewaard op een oud zegel van Staveren."
+ width="265" height="269">
+<p class="figureHead">Afbeelding van een Schip met voor en
+achterplecht, bewaard op een oud zegel van Staveren.</p>
+</div>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl"><span class="label"><a class=
+"noteref" href="#n232src" id="n232">1</a></span> Hier eindigde het
+schrijven van Beeden. In het H. S<span class="corr" id="xd0e3492"
+title="Niet in bron">.</span> ontbreken twee bladzijden volgens de
+paginatuur. Maar zonder twijfel ontbreekt er meer. De afgebroken aanhef
+van het volgende wijst aan, dat de aanvang van het volgende geschrift
+verloren gegaan is en daarmede ook de aanduiding van den naam des
+schrijvers, die een zoon of kleinzoon van Beeden kan geweest zijn.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3507src" id="xd0e3507">2</a></span> Fhonysiar, Carthagers.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3518src" id="xd0e3518">3</a></span> Hals, Holstein.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+
+<div class="back">
+<div class="div1" id="toc">
+<h2 class="normal">Inhoudsopgave</h2>
+
+<ul>
+<li><a href="#xd0e155">Voorbericht.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e400">Inleiding.</a>
+<ul>
+<li><a href="#xd0e744">Bijlage tot Pag. XX.</a></li>
+</ul>
+</li>
+
+<li><a href="#xd0e780">Adela.</a>
+<ul>
+<li><a href="#xd0e784">Okke mijn zoon.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e795">Het boek van Adela&rsquo;s aanhangers.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e903">Fryas Tex.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e934">Dit heeft Fasta gezegd.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e941">Fasta zeide</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e946">Dit zijn de wetten die tot de burgten betrekking
+hebben.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1001">Algemeene wet.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1034">Hier volgen de wetten die daaruit zamengesteld
+zijn.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1062">Dit zijn de rechten der moeder en der
+koningen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1093">Hier zijn de rechten aller Friesen om veilig te
+wezen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1112">Uit Minno&rsquo;s geschriften.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1119">Wetten voor de stuurlieden. Stuurman is een
+titel voor de buitenvaarders.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1147">Nuttige zaken uit de nagelaten schriften van
+Minno.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1206">Uit Minnos schriften.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1233">Uit de schriften van Minno.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1242">Hieronder zijn drie beginselen, daarnaar zijn
+deze inzettingen gemaakt.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1268">Deze bepalingen zijn gemaakt voor toornige
+menschen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1279">Dit zijn bepalingen voor de
+hoerenkinderen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1291">Hetgene hieronder staat is aan de wanden van de
+Waraburgt gegrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1310">Dit staat op alle burgten geschreven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1335">Hoe de bange tijd kwam.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1340">Dit staat aan de Waraburgt bij de Aldegamude
+gegrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1374">Dit alles staat niet alleen op de Waraburgt,
+maar ook op de burgt Stavia, die gelegen is achter de haven van
+Stavre</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1392">Wat daarvan geworden is.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1413">Nu willen wij schrijven over den oorlog der
+burgtmaagden Kalta en Min-erva.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1431">Hierbij komt de geschiedenis van Jon.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1455">Nu willen wij schrijven hoe het Jon vergaan is.
+Het staat te Texland geschreven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1480">Dit is over de Geertmannen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1501">In het jaar 1005 nadat Atland gezonken is, is
+dit op de oosterwand van Frijasburgt geschreven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1517">Dit staat op al onze burgen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1538">Hoe het den Magy verder gegaan is.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1550">Naschrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1564">De schriften van Adelbrost en
+Apollonia.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1589">Het tweede geschrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1605">De lofspraak der burgtmaagd.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1636">Oudste leer.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1647">Het tweede deel van de oudste leer.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1667">Dit staat op schrijffilt geschreven. Taal en
+antwoord aan andere maagden tot een voorbeeld.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1679">Nu wil ik zelf schrijven, eerst over mijne
+burgt en dan over hetgene ik heb mogen zien.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1707">De geschriften van Fr&ecirc;thorik en
+Wiljow.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1724">Nu wil ik schrijven hoe de Geertmannen en vele
+volgelingen van Helenia terug kwamen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1757">Dit geschrift is mij over Noordland of
+Schoonland gegeven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1855">Het geschrift van Koner&ecirc;d.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1865">Nu wil ik over Friso schrijven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1887">Wat Friso verder deed.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1905">Nu wil ik schrijven over zijn zoon
+adel.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1920">Hier is dit geschrift met Gosas raad.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1931">Hier is nu mijn raad.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1963">Het geschrift van Beeden.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1974">Brief van Rika de oudmaagd, voorgelezen te
+Staveren bij het juulfeest.</a></li>
+</ul>
+</li>
+
+<li><a href="#xd0e2045">Adela.</a>
+<ul>
+<li><a href="#xd0e2048">Okke min svn.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2069">Thet bok th&ecirc;ra Adela folstar.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2204">Tex Fryas.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2235">Thet het Fasta s&ecirc;id.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2242">Fasta s&ecirc;ide.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2247">That send tha &ecirc;wa th&ecirc;r to
+th&ecirc;ra burgum h&ecirc;ra.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2304">M&ecirc;na &ecirc;wa.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2340">Hyr folgath tha &ecirc;wa th&ecirc;r
+th&ecirc;rut tavlikt send.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2368">Hyr send tha rjuchta th&ecirc;re moder and
+th&ecirc;ra k&ecirc;ninggar.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2396">Hyr send tha rjuchta aller Fryas vmbe
+s&ecirc;kur to w&ecirc;sande.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2415">Ut Minnos skriftun.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2424">&Ecirc;wa fara stjurar. Stjurar is thi
+&egrave;renoma th&ecirc;ra butafarar.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2458">Netlika s&ecirc;ka ut-a n&ecirc;il&ecirc;tne
+skriftum Minnos.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2486">Ut-a skrifta Minnos.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2516">III. Ut-a skrifta Minnos.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2525">Hir vnder send thr&ecirc; w&ecirc;ta,
+th&ecirc;r after send thissa setma makad.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2554">Thissa domar send makad fara nydiga
+manniska.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2565">This send domar fara horninga.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2577">That hyr vnder stat is in ut tha wagar
+th&ecirc;re Waraburgh writen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2606">That st&ecirc;t vp alle burgum
+eskr&ecirc;ven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2633">Ho arge tid k&ecirc;m.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2641">Thit st&ecirc;t inna Waraburch by th&ecirc;re
+Aldega mvda wryt.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2695">Thit ella stet navt all&ecirc;na vpper
+Waraburgh men ok to th&ecirc;re burch Stavia, th&ecirc;r is lidsen
+aftere have fon Stavre.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2734">Hwat th&ecirc;r of wrden is.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2753">Nw willath wi skriwa vr tha orloch th&ecirc;ra
+burchfamna Kalta and Min-erva</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2784">Hirby kvmth tha sk&ecirc;dnesse fon
+Jon.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2815">Nv willath wi skriva ho-t Jon vrgvngen is, thit
+st&ecirc;t to Texland skr&ecirc;ven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2848">Thit is over tha G&ecirc;rtmanna.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2869">An tha j&ecirc;ra 1000 and 5 n&ecirc;i Aldland
+svnken is, is thit vpp-ina asterwach it Fryas burch writen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2898">Thit stat in al vsa burga.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2932">Ho-t thene Magy forth vrgvngon is.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2941">N&ecirc;ischrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2957">Tha skrifta fon Adelbrost and
+Apollonia</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3002">Thet othera skrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3019">Th&ecirc;re burchfams lov.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3062">Forml&ecirc;re.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3079">Thet othera d&ecirc;l fonre
+forml&ecirc;r.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3099">Thit stat vp skrivfilt skr&ecirc;ven. Tal and
+andworde ora famna to-n forbyld.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3108">Nw wil ik selva skriwa &ecirc;rost fon over min
+burch and than over hwat ik hav muge sjan.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3166">Tha skrifta fon Frethorik and Wiljow.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3189">Nw wil ik skriwa ho tha G&ecirc;rtmanna and
+f&ecirc;lo H&ecirc;l&ecirc;nja folgar tobek k&ecirc;mon.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3251">Thit skrift is mij ower Nortland jeftha
+Sk&ecirc;nland j&ecirc;ven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3314">Thet skrift fon Koner&ecirc;d.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3321">Nv wil ik vr Friso skriva.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3352">Ho Friso forther d&ecirc;de.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3378">Nw wil ik skriwa vr Adel sin svnv.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3415">Hyr is that skrift mith Gosas
+r&ecirc;d.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3426">Hyr is nv min r&ecirc;d.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3460">Thet skrift fon B&ecirc;den.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3475">Br&ecirc;f fon Rika thju aldfam, vpseid to
+Staveren by-t jolf&ecirc;rste.</a></li>
+</ul>
+</li>
+</ul>
+</div>
+
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met
+vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a class=
+"exlink" title="Externe link" href="http://www.gutenberg.org/">
+www.gutenberg.org</a>.</p>
+
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman het on-line
+gedistribueerd correctie team op <a class="exlink" title="Externe link"
+href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+
+<p>Het Oera Linda Boek is een van de merkwaardigste handschriften uit
+de Friese literatuur. Geschreven in zogenaamd oud-Fries in een
+geconstrueerd schrift, is deze collectie van teksten onmiskenbaar een
+vervalsing. Het pretendeerd een door de leden van de Friese familie
+Oera Linda (Over de Linden) verzamelde collectie van teksten te zijn.
+De classicus Jan Gerhardus Ottema, gaf het boek in 1872 voor het eerst
+uit. Sindsdien is de tekst controversieel.</p>
+
+<p>De vraag is echter niet of het een vervalsing is, daar is vrijwijl
+iedereen het over eens, maar door wie die gemaakt is. Sommigen wijzen
+Cornelis Over de Linden zelf aan, anderen de Friese historicus Eelco
+Verwijs. Meer recent is de theorie van cultuurhistoricus Goffe Theunis
+Jensma die het toeschrijft aan de dominee en dichter Fran&ccedil;ois
+Haverschmidt (ook bekend onder zijn pseudoniem Piet Paaltjens), die in
+dit werk de tegenstellingen in reformatorische kring in de 19e eeuw tot
+uitdrukking zou hebben willen brengen.</p>
+
+<p>Op het internet zijn verschillende kopie&euml;n van het werk
+beschikbaar. Deze tekst is gemaakt aan de hand van de tweede druk (met
+een extra voorwoord) uit 1876. Voor de productie van dit werk zijn
+verschillende exemplaren gebruikt.</p>
+
+<ol class="lsoff">
+<li><a class="exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.wumkes.nl/index.php?&amp;volg=6&amp;id=21">Digitale
+Historische Bibliotheek Friesland</a></li>
+
+<li><a class="exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.archive.org/details/thetoeralindabo01ottegoog">The Internet
+Archive. (Google)</a></li>
+
+<li><a class="exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.archive.org/details/thetoeralindabo02ottegoog">The Internet
+Archive. (Google)</a></li>
+</ol>
+
+<p>Een beschrijving van het werk is te vinden op <a class="exlink"
+title="Externe link" href="http://nl.wikipedia.org/wiki/Oera_Linda">
+Wikipedia</a>, en is er zelfs een website gewijd aan het <a class=
+"exlink" title="Externe link" href="http://www.oeralindaboek.nl/">Oera
+Linda boek</a>. Tenslotte is de tekst ook beschikbaar in de <a class=
+"exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.dbnl.org/tekst/_the002thet01_01/">DBNL</a>.</p>
+
+<p>De &ldquo;Oud Friese&rdquo; tekst is na het proeflezen vergeleken
+met de versie in de DBNL. Hierbij zijn alle gevonden fouten, na
+verificatie op de oorspronkelijke scans gecorrigeerd.</p>
+
+<h3>Codering</h3>
+
+<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan
+de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel
+zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
+gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het
+corr-element.</p>
+
+<p>De letter &aring; is gebruikt om de letter a met een kleine e
+erboven weer te geven. Zodra dit teken voldoende breed ondersteund
+wordt zal de oorspronkelijke letter hersteld worden (a&#868;).</p>
+
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+
+<ol class="lsoff">
+<li>2009-05-13 Begonnen.</li>
+</ol>
+
+<h3>Externe Referenties</h3>
+
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+
+<h3>Verbeteringen</h3>
+
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+
+<table width="75%" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in
+de tekst.">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e198">VII</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e303">XIII</a></td>
+<td style="width: 40%">voor dat</td>
+<td style="width: 40%">voordat</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e310">XIV</a></td>
+<td style="width: 40%">daar tusschen</td>
+<td style="width: 40%">daartusschen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e620">XXX</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e672">
+XXXIII</a></td>
+<td style="width: 40%">Middelandsche</td>
+<td style="width: 40%">Middellandsche</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e716">
+XXXVII</a></td>
+<td style="width: 40%">orgineel</td>
+<td style="width: 40%">origineel</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e809">9</a></td>
+<td style="width: 40%">Medeablik</td>
+<td style="width: 40%">Medeasblik</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1018">31</a></td>
+<td style="width: 40%">dewouden</td>
+<td style="width: 40%">de wouden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1069">35</a></td>
+<td style="width: 40%">bespreekt</td>
+<td style="width: 40%">bespreken</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1226">53</a></td>
+<td style="width: 40%">antwoorde</td>
+<td style="width: 40%">antwoordde</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1366">79</a></td>
+<td style="width: 40%">wenden</td>
+<td style="width: 40%">wendden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1369">79</a></td>
+<td style="width: 40%">hy</td>
+<td style="width: 40%">hij</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1383">81</a></td>
+<td style="width: 40%">opgerekend</td>
+<td style="width: 40%">op gerekend</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1426">89</a></td>
+<td style="width: 40%">verblinde</td>
+<td style="width: 40%">verblindde</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1445">95</a></td>
+<td style="width: 40%">gehracht</td>
+<td style="width: 40%">gebracht</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1450">95</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1491">103</a></td>
+<td style="width: 40%">bogon</td>
+<td style="width: 40%">begon</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1506">105</a></td>
+<td style="width: 40%">inge-genomen</td>
+<td style="width: 40%">ingenomen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1522">111</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1545">119</a></td>
+<td style="width: 40%">wenden</td>
+<td style="width: 40%">wendden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1596">131</a></td>
+<td style="width: 40%">me t</td>
+<td style="width: 40%">met</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1664">143</a></td>
+<td style="width: 40%">overalen</td>
+<td style="width: 40%">overal en</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1674">145</a></td>
+<td style="width: 40%">van</td>
+<td style="width: 40%">dan</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1694">151</a></td>
+<td style="width: 40%">omzoond</td>
+<td style="width: 40%">omzoomd</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1749">177</a></td>
+<td style="width: 40%">Wichirte</td>
+<td style="width: 40%">Wichhirte</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1752">177</a></td>
+<td style="width: 40%">is</td>
+<td style="width: 40%">ik</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1807">183</a></td>
+<td style="width: 40%">Helenia</td>
+<td style="width: 40%">Hellenia</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1834">191</a></td>
+<td style="width: 40%">Irhta</td>
+<td style="width: 40%">Irtha</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1862">197</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2028">243</a></td>
+<td style="width: 40%">schandere</td>
+<td style="width: 40%">schrandere</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2058">2</a></td>
+<td style="width: 40%">th&ucirc; sond</td>
+<td style="width: 40%">th&ucirc;sond</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2156">14</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2326">32</a></td>
+<td style="width: 40%">m&acirc;rkskat</td>
+<td style="width: 40%">m&aring;rkskat</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2501">52</a></td>
+<td style="width: 40%">W.ralda</td>
+<td style="width: 40%">Wr.alda</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2511">56</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2547">60</a></td>
+<td style="width: 40%">mei</td>
+<td style="width: 40%">m&ecirc;i</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2621">68</a></td>
+<td style="width: 40%">S&ecirc;k&acirc;mpar</td>
+<td style="width: 40%">S&ecirc;k&aring;mpar</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2676">76</a></td>
+<td style="width: 40%">Dennemar kum</td>
+<td style="width: 40%">Dennemarkum</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2684">78</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2687">78</a></td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2712">82</a></td>
+<td style="width: 40%">&acirc;tland</td>
+<td style="width: 40%">&Acirc;tland</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2726">84</a></td>
+<td style="width: 40%">&aring;fternei</td>
+<td style="width: 40%">&aring;ftern&ecirc;i</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2730">84</a></td>
+<td style="width: 40%">Wyring&acirc;</td>
+<td style="width: 40%">Wyringg&acirc;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2745">84</a></td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2750">86</a></td>
+<td style="width: 40%">weron</td>
+<td style="width: 40%">w&ecirc;ron</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2767">86</a></td>
+<td style="width: 40%">1600</td>
+<td style="width: 40%">1630</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2773">88</a></td>
+<td style="width: 40%">fon t</td>
+<td style="width: 40%">fon-t</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2781">90</a></td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2793">92</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2809">94</a></td>
+<td style="width: 40%">K&acirc;ltana</td>
+<td style="width: 40%">K&aring;ltana</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2842">100</a></td>
+<td style="width: 40%">Krekalanda</td>
+<td style="width: 40%">Kr&ecirc;kalanda</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2866">104</a></td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2917">112</a></td>
+<td style="width: 40%">weron</td>
+<td style="width: 40%">w&ecirc;ron</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2995">126</a></td>
+<td style="width: 40%">burchfam</td>
+<td style="width: 40%">burchf&acirc;m</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3074">136</a></td>
+<td style="width: 40%">felo</td>
+<td style="width: 40%">f&ecirc;lo</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3113">146</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3246">176</a></td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3256">178</a></td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3398">210</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3433">218</a></td>
+<td style="width: 40%">Fryasbnrch</td>
+<td style="width: 40%">Fryasburch</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3467">226</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">)</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3492">232</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3510">240</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK THET OERA LINDA BOK ***</div>
+<div style='text-align:left'>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
+be renamed.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
+States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away&#8212;you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+</div>
+
+<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div>
+<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div>
+<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
+Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
+or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
+Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
+you share it without charge with others.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
+on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
+phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+</div>
+
+<blockquote>
+ <div style='display:block; margin:1em 0'>
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
+ other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+ whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+ of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
+ at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
+ are not located in the United States, you will have to check the laws
+ of the country where you are located before using this eBook.
+ </div>
+</blockquote>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
+Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg&#8482; License.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
+other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
+Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
+provided that:
+</div>
+
+<div style='margin-left:0.7em;'>
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation.&#8221;
+ </div>
+
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
+ works.
+ </div>
+
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+ </div>
+
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
+ </div>
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
+of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
+Defect you cause.
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
+goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
+public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
+visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+</div>
+</div>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/old/30467-h/images/book.png b/old/30467-h/images/book.png
new file mode 100644
index 0000000..963d165
--- /dev/null
+++ b/old/30467-h/images/book.png
Binary files differ
diff --git a/old/30467-h/images/external.png b/old/30467-h/images/external.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/old/30467-h/images/external.png
Binary files differ
diff --git a/old/30467-h/images/p064.gif b/old/30467-h/images/p064.gif
new file mode 100644
index 0000000..7845d31
--- /dev/null
+++ b/old/30467-h/images/p064.gif
Binary files differ
diff --git a/old/30467-h/images/p064.png b/old/30467-h/images/p064.png
new file mode 100644
index 0000000..7845d31
--- /dev/null
+++ b/old/30467-h/images/p064.png
Binary files differ
diff --git a/old/30467-h/images/p066.gif b/old/30467-h/images/p066.gif
new file mode 100644
index 0000000..b95ff15
--- /dev/null
+++ b/old/30467-h/images/p066.gif
Binary files differ
diff --git a/old/30467-h/images/p066.png b/old/30467-h/images/p066.png
new file mode 100644
index 0000000..b95ff15
--- /dev/null
+++ b/old/30467-h/images/p066.png
Binary files differ
diff --git a/old/30467-h/images/p238.gif b/old/30467-h/images/p238.gif
new file mode 100644
index 0000000..ee30c0c
--- /dev/null
+++ b/old/30467-h/images/p238.gif
Binary files differ
diff --git a/old/30467-h/images/p238.png b/old/30467-h/images/p238.png
new file mode 100644
index 0000000..ee30c0c
--- /dev/null
+++ b/old/30467-h/images/p238.png
Binary files differ
diff --git a/old/old/2009-11-13-30467-8.txt b/old/old/2009-11-13-30467-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..d5cd34e
--- /dev/null
+++ b/old/old/2009-11-13-30467-8.txt
@@ -0,0 +1,9749 @@
+The Project Gutenberg EBook of Thet Oera Linda Bok, by Anonymous
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Thet Oera Linda Bok
+ Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw
+
+Author: Anonymous
+
+Translator: J.G. Ottema
+
+Release Date: November 13, 2009 [EBook #30467]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK THET OERA LINDA BOK ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This book was
+produced from scanned images of public domain material
+from the Google Print project.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Thet Oera Linda Bok
+
+ Naar een handschrift uit de dertiende eeuw.
+
+
+ Eigendom der familie Over de Linden,
+ Aan Den Helder,
+ Bewerkt, vertaald en uitgegeven door
+
+ Dr. J. G. Ottema.
+
+
+ Tweede uitgave.
+
+ Te Leeuwarden, bij
+ H. Kuipers.
+
+ 1876.
+
+
+
+
+
+ Gedrukt bij J. R. Miedema te Leeuwarden.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+De eerste druk van het Oera Linda Boek is uitverkocht, en daardoor de
+gelegenheid ontstaan, om eene tweede uitgave ter perse te leggen. Voor
+mij is dit eene gewenschte zaak, omdat ik nu in staat gesteld ben
+hier en daar eene ingeslopen fout te herstellen of eene minder juiste
+vertaling te verbeteren.
+
+Van zijne eerste verschijning af, ja zelfs reeds voor dat het
+gedrukt was, heeft het boek eene groote tegenspraak en veroordeeling
+ondervonden. Vele pennen zijn daarover in beweging gebracht, eerst om
+de uitgave te beletten en vervolgens om de verspreiding tegen te gaan.
+
+Niet alleen binnen 's lands, maar ook daar buiten is men tegen dat
+boek te velde getrokken, als of van de echtheid of onechtheid daarvan
+het welzijn van land en volk afhing.
+
+Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en
+verbittering op te wekken? Is het zoo'n bespottelijk prulschrift,
+zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men
+leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat
+ik er bij en over geschreven heb in de Inleiding, de Geschiedkundige
+Aanteekeningen, de Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek, en
+de Deventer Courant en het Oera Linda Boek. Doch dat is juist wat men
+niet doet. Men wil niet ingelicht wezen over den aard, de strekking en
+de wetenschappelijke waarde van het boek. Het is veel gemakkelijker en
+pleizieriger in den blinde te schermen en in het wilde te schreeuwen,
+dan zich te zetten tot een ernstig onderzoek. Ieder, die maar even
+het boek oppervlakkig heeft ingezien, of er wat over heeft hooren
+praten, waant zich gerechtigd om er een afkeurend oordeel over uit
+te spreken. Dat oordeel maakt een triumftocht door alle nieuwsbladen,
+wordt door het van de zaak onkundig publiek toegejuicht, en het land
+is gered.
+
+Nu hebben de Heeren F. Muller en P. Smidt van Gelder, te Amsterdam,
+het papier van het Handschrift zoo het heet onderzocht, en beweren
+in de Nederlandsche Spectator no. 32 van den 5 Augustus 1876, dat
+het papier in deze eeuw is vervaardigd en wel in de laatste 25 jaren,
+dat het machinaal papier vergé is en afkomstig uit de fabriek van de
+Heeren Tielens en Schrammen te Maastricht.
+
+De Heer Muller schrijft, dit gevoelen steunt op de navolgende gronden:
+
+1. Het papier was in de 13e eeuw geheel van katoen, dik, ongelijk,
+wollig, met zeer ongelijke onduidelijke waterlijnen,--dit papier
+is dun, gelijk, hard, hier en daar doorschijnend, met geregelde
+duidelijke waterlijnen.
+
+Antw. Het katoenpapier uit de 13e en vroegere eeuwen moest, eer men
+er op kon schrijven, daarvoor opzettelijk geprepareerd worden door
+polijsten. De Arabieren en Gothen hebben dit gedaan op dezelfde
+wijze als de Egyptenaren hun papier en de Romeinen de fijnere
+perkamentsoorten glansden, namelijk door sterke wrijving met de
+slagtand van een wildzwijn, apri dente levigatur (Plinius). Tot een
+gelijk doel bedienen de boekbinders zich van een agaat. Door de sterke
+wrijving werden de papiervezelen dichter ineen geperst en daardoor
+het papier glad en effen en iets dunner als het was.
+
+Doch daarom kan men het papier van het H. S. niet dun noemen. Het
+H. S. bestaat uit 96 bladen, die tusschen eene pers gezet eene
+gezamenlijke dikte hebben van ruim 12 m.M., waartegen de dikte van
+2 boek best hollandsch schrijfpapier 12½ m.M. bedraagt, zoodat de
+dikte van die beide papiersoorten gelijk staat. En best hollandsch
+schrijfpapier behoort toch niet onder de dunne papiersoorten.
+
+Ik moet het er voor houden, dat de monsters papier, welke de Heer
+Muller vroeger gezien heeft, nog ongeprepareerd en ongepolijst
+geweest zijn, en dat hierdoor het verschil verklaard moet worden,
+'t welk hij bij deze vergelijking heeft opgemerkt.
+
+2. Het papier is van oudsher tot ongeveer 1800 in het midden tusschen
+de waterlijnen dunner dan ter weerszijde dicht bij de waterlijnen,--dit
+papier is bij de waterlijnen egaal, gelijk alleen het papier van deze
+eeuw is.
+
+Antw. Ik merk hierbij op, dat die uitdrukking van oudsher niet verder
+gaat dan tot het midden der 14e eeuw, toen het linnenpapier in de
+plaats van het katoenpapier is getreden en de papier-fabrikatie
+zich al meer en meer over Europa heeft uitgebreid. Die vergelijking
+heeft dus geene betrekking op het katoenpapier van de 13e eeuw, en
+leidt tot geene gevolgtrekking tegen het papier van het Handschrift,
+namelijk dat dit van de tegenwoordige zijn zoude.
+
+Het onderscheidt zich juist van het tegenwoordig papier in vier hier
+zeer belangrijke punten.
+
+a. De breedte der horizontale waterlijnen. Want in een afstand van 33
+millimeters telt men daarbij 16 horizontale waterlijnen, zoodat de
+breedte van elke lijn voluit 2 m.M. bedraagt. Het machinaal papier
+wijst in dien afstand 17 tot 18 zulke lijnen aan, of voor elke lijn
+eene breedte van niet meer dan 1.85 m.M. Zwaar Engelsch postpapier
+heeft op dien afstand 20 lijnen, elk ter breedte van 1.65 m.M.
+
+b. De afwezigheid van chloor. Eene proef, genomen in mijne
+tegenwoordigheid door wijlen den heer A. P. H. Kuipers, heeft
+aangetoond dat het papier in het minst niet reageert op zilver en
+dus volstrekt geen chloor bevat. Terwijl in deze eeuw geen papier
+vervaardigd wordt of het is met chloor behandeld en laat bij dezelfde
+proef op zilver een witten aanslag achter.
+
+c. De afwezigheid van stijfsel, amylum. De proef met eene oplossing
+van iodium, die op machinaal papier eene zuivere en heldere violette
+kleur te voorschijn brengt, heeft op dit papier geene uitwerking
+en laat de bruine kleur van het iodium onveranderd, althans niet
+meer dan bij elke uit zuivere planten vezelen vervaardigde stof wordt
+waargenomen, omdat in alle planten vezelstof als natuurlijk bestanddeel
+eenig amylum aanwezig is. Dit papier is derhalve vervaardigd zonder
+toevoeging van stijfsel en dus niet in de tegenwoordige eeuw.
+
+d. Ten aanzien van die waterlijnen is er nog een groot verschil
+tusschen machinaal papier en dat van het Handschrift. Bij het
+eerste zijn de lijnen van de vergeering uitwendig zichtbaar en
+vallen terstond in het oog. Bij het laatste zijn de waterlijnen
+van buiten bijna onzichtbaar, zoo zelfs, dat Dr. E. Verwijs in een
+brief, d.d. Leiden 1 Dec. 1870, (d.i. nadat het Handschrift gedurende
+drie jaren in zijne handen geweest was,) aan mij gericht, schreef:
+Verder het papier, dat èn om den vorm èn om de stof mij verdacht
+voorkomt. Oogenschijnlijk is het velijnpapier, dat in den rook heeft
+gehangen.--Scheurt men de bladen in, dan vertoont het zich op de
+scheur veel witter. Een watermerk is nergens te vinden, en ik heb
+nooit middeleeuwsch papier gezien
+zonder watermerk en kan mij het zelfs niet denken."
+
+Dr. Verwijs heeft dus in al dien tijd de waterlijnen niet gezien,
+zelfs niet toen hij naar een watermerk zocht. Dit was niet mogelijk,
+wanneer hij gevergeerd machinaal papier voor zich had gehad.
+
+3. Dit papier is geel gekleurd en niet van nature geel, gelijk veele
+plaatsen bewijzen.
+
+Antw. Als het papier gekleurd, d. i. geverfd was, dan moest de
+kleurstof in het papier zijn ingedrongen, doch dit is niet het
+geval. Op de breuk ziet men duidelijk dat van binnen de vezel wit
+is. De vuile geelachtig zwarte kleur van het papier is alleen het
+gevolg van den tijd, en de uitwerking van den ouderdom in een verloop
+van meer dan zes eeuwen.
+
+Dat overigens het papier nog zoo goed geconserveerd is en vooral door
+vocht of mot niet geleden heeft, is een bewijs voor de zorgvuldige
+bewaring van het H. S. als een om het zoo te noemen familie-heiligdom.
+
+4. Dit papier is afgesneden, gelijk duidelijk zichtbaar is; het papier
+der 13e eeuw laat zich niet afsnijden noch afknippen zonder vezels
+achter te laten.
+
+Antw. Dit laatste mag in zeker opzicht waar zijn bij ongepolijst
+papier, maar bewijst niets ten opzichte van gepolijst en daardoor
+dichter zamengeperst papier, en hangt in allen gevalle af van de
+meerdere of mindere scherpte van mes of schaar.
+
+5. Het afsnijden doet mij denken aan machinaal papier, waarin wel de
+perpendiculaire waterlijnen (pontuseaux) kunnen gebracht worden, doch
+het is mij onbekend of daarin de horizontale lijnen van papierramen
+kunnen zijn; indien ja, dan houd ik dit voor goed machinaal papier,
+wat daarom niet ouder dan 25 of 30 jaar kan zijn, vroeger kon men in
+machinaal papier die lijnen niet maken.
+
+Antw. Ik heb voor mij liggen eene authentieke verklaring van de
+Heeren E. van Berk, P. Uurbanus, A. J. Leijer en T. Mooy aan den
+Helder woonachtig, waarin zij verzekeren, dat bij hen bepaaldelijk
+tusschen de jaren 1848 en 50 bekend is geweest het bestaan van het
+handschrift, toebehoorende aan de familie over de Linden, dat later
+is uitgegeven onder den titel van Thet Oera Linda Bok.
+
+Deze verklaring is in zijn geheel opgenomen in de Heldersche Courant
+van den 12 Maart 1876.
+
+Daarmede vervalt de geheele redeneering van den Heer Muller omtrent
+het machinaal papier, dat volgens zijne verklaring voor 25 of 30 jaar,
+d. i. vóór het jaar 1848, nog niet met horizontale waterlijnen gemaakt
+kon worden.
+
+Het papier van het H. S. is dus niet in deze 19e eeuw gemaakt. Van de
+14e tot de 18e eeuw is geen papier bekend of het is voorzien van een
+fabriekmerk (watermerk); maar in het papier van het H. S. is nergens
+een spoor van fabriekmerk aanwezig.
+
+Het is dus ook niet vervaardigd in de 14e of latere eeuwen. Zoodat
+er geen ander besluit overblijft, dan dat het papier uit de 13e eeuw
+afkomstig moet zijn.
+
+6. Dit papier is tot boek ingenaaid geweest, blijkens de gaatjes; het
+is veel te hard rondom die gaatjes om oud te zijn; ook is de wijze van
+innaaijen geheel modern en geheel anders als bij oude handschriften;
+daarbij gebruikte men minder gaten en dikker touw of perkament,
+dan hiervoor kan bezigd zijn.
+
+Antw. Indien de Heer Muller het geheele H. S. gezien had, dan zoude
+hij hebben opgemerkt, dat de rugzijde der katerns (of liever sexterns)
+nergens eene spoor van lijm of ander plaksel vertoont. Dit bewijst,
+dat het niet ingenaaid is geweest op eenige moderne manier, noch
+op touwtjes, noch op reepjes perkament, noch op strookjes, maar
+daarentegen op eene zeer eenvoudige en primitieve manier, door
+onmiddellijke vasthechting met naald en draad in een perkamenten
+omslag, gelijk men in den handel nog wel aantreft bij kleine boekjes,
+zoogenaamd los ineengehangen goedje, als almanakken en dergelijke.
+
+Dit kan iedereen doen, en dit zal Hiddo oera Linda ook wel eigenhandig
+gedaan hebben, en wel reeds daarom, omdat hij zijn Handschrift niet
+kon toevertrouwen aan een boekbinder, dewijl die kunst in de kloosters
+werd uitgeoefend, en zijn voorzaat Liko dringend gewaarschuwd had
+voor de monniken, papekappa, wier oogen vooral niet mochten gaan over
+deze schriften.
+
+7. Het schrift is veel te nieuw voor een hoogen ouderdom; de inkt
+ligt op het papier; heeft het papier niet aangetast, wat bij hoogen
+ouderdom van den inkt noodzakelijk moet gebeuren.
+
+De inkt is veel te zwart voor hoogen ouderdom, die was oudtijds
+lichter en werd na langen tijd geheel bruin.
+
+Antw. Hiertegenover stel ik de woorden van Wattenbach, das Schriftwesen
+im Mittelalter (Leipzig 1871) S. 137: »In alten Handschriften ist
+die Dinte schwarz oder bräunlich, immer von ausgezeichnet guter
+Beschaffenheit. Nachdem aber von 13 Jahrhundert an immer massenhafter
+geschrieben wird, erscheint die Dinte häufig grau oder gelblich,
+und ist zuweilen ganz verblasst."
+
+»Als Bestandtheile des atramentum librarium giebt Plinius Russ
+(lampenroet) und Gummi an. Marcianus Capella erwähnt zuerst die
+Galläpfel: gallarum gummeosque commixtio."
+
+»Eine Mischung von Kupfervitriol und Galläpfeln soll am häufigsten
+sein."
+
+Uit welke bestanddeelen nu de inkt, waarmede het H. S. geschreven is,
+kan bereid zijn, is mij onbekend; doch ik hecht aan de getuigenis van
+Wattenbach voor de goede hoedanigheid der inkt tot in de 13e eeuw,
+als bewijs voor de herkomst van het H. S. uit de 13e eeuw.
+
+
+
+Om deze redenen kan ik mij niet vereenigen met of berusten in het
+oordeel van de Heeren Muller en Van Gelder, welk oordeel bovendien niet
+geheel vrij is van eenzijdigheid. Zij hebben zich hoofdzakelijk de
+vraag gesteld: komt het papier van het H. S. in meerdere of mindere
+mate overeen met eene papiersoort van den tegenwoordigen tijd,
+papier vergé. Dit is echter de tweede helft der kwestie. De eerste
+en voornaamste helft is: in hoeverre komt het Handschrift overeen
+met andere Manuscripten op papier die ouder zijn dan van het jaar 1300.
+
+In betrekking hiertoe heb ik hier nog eene opmerking bij te voegen. Het
+Handschrift is gelinieerd geweest, waarschijnlijk met lood,
+doch de hooge ouderdom heeft die lijnen doen verbleeken en bijna
+uitgewischt, zoozeer dat ik in den eersten tijd ze wel vermoedde,
+maar niet onderscheiden kon, voordat Jhr. Hooft van Iddekinge er mij
+opmerkzaam op maakte. Zoodra deze een deel van het Handschrift onder
+oogen kreeg, zeide hij: dat is gelinieerd geweest, en dáár kan men de
+sporen er van zien." En toen ik zoo die sporen eens had leeren zien,
+viel het mij gemakkelijk ze overal op elke bladzijde te onderkennen.
+
+Daarom heb ik ook op het facsimilé van bl. 45 de linieering hersteld,
+teneinde te doen blijken hoe nauwkeurig en zorgvuldig die lijnen
+getrokken, en de letters daartusschen geschreven waren, en tevens om te
+doen beseffen, hoeveel tijd en vlijt er aan dat H. S., waarvan slechts
+een paar honderd bladzijden zijn overgebleven, besteed is. Daarvan
+heb ik de proef genomen door op gewoon gelinieerd papier pagina voor
+pagina het H. S. in zijn eigen schrift te copieeren, en aan dat werk
+300 uren moeten besteden. Dat is nog maar alleen overschrijven, en dan
+zoude een verdichter nog eerst het geheele boek moeten zamengesteld
+hebben, in eene taal, die van de bekende dialekten van het Oud-friesch
+even onderscheiden is, als deze alle onderling verschillen; want die
+oude Friesche wetten d. i. het wester Lauwers, het Hunsingoër, het
+Fivelgoër, het Oldampster, het Emsingoër, het Brokmer, het Rustringer
+recht, zijn in even zooveele verschillende dialecten geschreven en
+wijken in spelling en woordvormen van elkander af. Tegenover die alle
+zoude hij een afzonderlijk dialect moeten uitvinden, dat gesproken
+is tusschen het Flie en de Schelde. En ten slotte had hij nog een
+letterschrift moeten bedenken, dat meer en beter dan eenig ander voor
+de Friesche taal geschikt is.
+
+Ten aanzien van dat letterschrift moet ik eindelijk nog wijzen op
+eene zeer kenmerkende bijzonderheid:
+
+Het alfabet heeft nog geen q en z. De verbindingen qu, sc, sch en
+de c aan het begin van een woord zijn nog niet bekend, ten bewijze,
+dat deze geschriften zijn uit den vóór Romeinschen tijd.
+
+De c wordt niet anders gebruikt dan in de verbinding ch, als
+geadspireerde of verscherpte g b.v. burch m.v. burga.
+
+In de Friesche Rechtboeken daarentegen heeft de taal die schrijfwijze
+uit het Latijn aangenomen, en afzonderlijke teekens voor verlengde
+vocalen verloren, gelijk mede die voor gs, ng en th. Die invloed
+van het Latijn heeft vooral sedert Karel den Groote het alfabet door
+vermindering van het getal der letters vereenvoudigd, maar daardoor
+ook bedorven en minder geschikt gemaakt voor de aanduiding van aan
+de Friesche taal eigendommelijke klanken. In dit opzicht heeft de
+Friesche schrijfwijze of spelling een verbastering ondergaan, waarvan
+de gevolgen bij de tegenwoordige schrijvers diep gevoeld worden.
+
+Een verdichter zoude zich wel gewacht hebben aan de spelling en het
+alfabet van de oud-Friesche wetten iets te veranderen, en wel gezorgd
+hebben door eenige verandering geen wantrouwen te wekken.
+
+Zie dat is niet een werkje, dat een of andere guit voor de grap
+uitvoert, alleen om iemand te foppen. Dit te veronderstellen is immers
+eene ongerijmdheid. Doch dat is niets. De negative kritiek der moderne
+wetenschap staat voor geene ongerijmdheden. Als zij zich eenmaal in
+het hoofd gezet heeft niet te willen dulden dat het Oera Linda Boek
+echt is, dan moet het onecht wezen, het koste wat het wil. Nu loopt
+zij overal rond om den bedrieger te zoeken; er is zelfs sprake van
+geld bijeen te brengen om een prijs op zijn hoofd te stellen en den
+aanbrenger te beloonen. Doch alles even vruchteloos, om de eenvoudige
+en natuurlijke reden, dat die man niet bestaat en nooit bestaan heeft.
+
+Intusschen meent zij overal het publiek af te schrikken en richt tot
+iedereen de inquisitoriale vraag: geloof jij nog aan het Oera Linda
+Boek? Mijn antwoord is: ja Mijne Heeren. Ik heb nu bijna zes jaren lang
+dat boek door en door als 't ware van binnen en van buiten bestudeerd,
+in verband met de geheele oude Grieksche en Latijnsche literatuur,
+maar nergens heb ik iets kunnen vinden, wat mij eenigen grond tot
+twijfel aanbood. Daarom geloof ik nog aan de echtheid van thet Oera
+Linda Bok, [1] en om deze reden heb ik de eer u eene tweede uitgave
+daarvan aan te bieden.
+
+
+Leeuwarden, Sept. 1876.
+
+Dr. J. G. Ottema.
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING [2].
+
+
+De heer C. over de Linden aan den Helder, eerste Meesterknecht bij
+'s Rijks Marine-werf, bezit een overoud Handschrift, dat sinds
+onheugelijke jaren in zijne familie vererfd en bewaard is, zonder
+dat iemand meer de herkomst daarvan wist, of den inhoud er van kende,
+wegens de onbekendheid van taal en schrift. Alleen wist men, dat eene
+daaraan verbondene traditie van geslacht tot geslacht de zorgvuldige
+bewaring daarvan had aanbevolen. Het is gebleken, dat die traditie
+berustte op den inhoud van twee brieven, waarmede het Handschrift
+aanvangt; van Hiddo oera Linda Ao. 1256 en van Liko oera Linda Ao. 803.
+
+Het was aan hem gekomen volgens beschikking van zijn grootvader den
+heer Andries over de Linden, wonende te Enkhuizen en aldaar overleden
+den 15 April 1820, in den ouderdom van 61 jaren. Daar de kleinzoon
+echter destijds nog slechts 10 jaren oud was, moest het H. S. voor hem
+bewaard worden door zijne tante Aafje Meylhoff geb. over de Linden,
+wonende te Enkhuizen, die het in Augs. 1848 aan den tegenwoordigen
+eigenaar ten hand gesteld heeft.
+
+Dr. E. Verwijs daarvan kennis gekregen hebbende, verzocht van dit
+stuk inzage te mogen hebben en herkende het terstond voor zeer
+oud Friesch. Hij bekwam tevens vergunning er een afschrift van te
+vervaardigen ten behoeve van het Friesch Genootschap, en was van
+oordeel, dat het een stuk van groot belang kon wezen, bijaldien
+het niet een ondergeschoven en met bedriegelijke oogmerken verdicht
+geschrift was, waarvoor hij vreesde. Het afschrift in mijne handen
+gesteld zijnde, liet ook mij in den aanvang nog in het onzekere,
+schoon ik minder bevreesd was, omdat ik niet konde begrijpen, dat
+iemand een valsch geschrift zoude opstellen zonder eenig doel, en
+alleen om het geheim te houden. Doch de onzekerheid bleef bestaan,
+tot dat ik naauwkeurige facsimilés van een paar fragmenten en later het
+Handschrift zelf onder oogen kreeg. Het eerste gezicht daarvan stelde
+mij terstond omtrent den hoogen ouderdom van het geschrift gerust.
+
+Oogenblikkelijk toch stonden mij Caesars woorden voor den geest,
+als hij van het letterschrift der Galliers en Helvetiers sprekende
+B. G. I. 29 en VI. 14 zegt: Graecis utuntur literis. Echter blijkt
+uit V. 48 dat het niet geheel grieksche letters waren. Caesar
+maakt dus slechts eene vergelijking en wel eene zeer juiste. Want
+het schrift, dat met geen bekende lettervormen geheel overeenkomt,
+gelijkt oppervlakkig nog het meest op het Grieksche schrift, zoo als
+het op monumenten of in de oudste handschriften voorkomt, en behoort
+tot den vorm, dien men lapidair of steenschrift noemt. Daarbij is
+mij later gebleken, dat de schrijver van het laatste gedeelte des
+boeks een tijdgenoot van Caesar geweest is. De vorm en oorsprong
+van dit schrift is in het eerste gedeelte des boeks zoo omstandig en
+uitvoerig beschreven, als men het van geene taal kan aanwijzen. Het
+is zeer volkomen en bestaat uit 34 letterteekens, waaronder drie
+afzonderlijke vormen voor de a en u en twee voor de e, i, y en o,
+benevens vier zamengestelde of dubbelde medeklinkers: ng, th, ks
+en gs. De ng, die als neusklank in geene andere westersche taal een
+afzonderlijk teeken heeft, is eene ondeelbare verbinding, de th is
+zacht als in het Engelsen en wordt somwijlen door d vervangen, en de
+gs komt slechts zeer zelden voor, ik geloof alleen in het woord segse,
+zeggen, in het hedendaagsche Friesch sidse, uitgesproken sisze.
+
+Het papier, groot kwarto formaat, is katoen papier, vrij dik, zonder
+water- of fabriekmerk, op een raam of draadvorm geschept, met niet
+zeer wijde perpendiculaire lijnen.
+
+Een inleidende brief geeft het jaar 1256 op als het jaar, waarin het
+afschrift vervaardigd is door Hiddo overa Linda op overlandsch of
+buitenlandsch papier. Diensvolgens zoude het afkomstig moeten zijn
+uit Spanje, waar de Arabieren destijds katoenpapier vervaardigden
+en in den handel brachten. Hieromtrent schrijft W. Wattenbach, das
+Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871), S. 93:
+
+»De vervaardiging van papier uit katoen moet bij de Chinezen sedert
+overoude tijden in gebruik geweest zijn, en bij de verovering van
+Samarkand omstreeks den jare 704 aan de Arabieren bekend geworden. Te
+Damascus werd dat fabriekaat een levendige tak van industrie, waarom
+het Charta Damascena genoemd werd. Door de Arabieren werd de kunst
+naar de Grieken overgebracht. Men beweert Grieksche handschriften
+uit de tiende eeuw op katoenpapier te hebben, en in de dertiende eeuw
+komen deze reeds menigvuldiger voor dan die op perkament.
+
+Men noemde het, om het van Egyptisch papier te onderscheiden, Charta
+bombycina, gossypina, cuttunea, xylina. Eene onderscheiding van het
+linnenpapier was toen nog niet noodig.
+
+Tot de vervaardiging van het katoenpapier bezigde men oorspronkelijk
+de ruwe boomwol. Papier uit lompen vindt men het eerst vermeld bij
+Petrus Clusiacensis (1122-1150.)
+
+Van de Arabieren leerden de Spanjaarden en de Italianen de
+vervaardiging van dit papier. De voornaamste fabrieken waren te Jativa,
+Valencia, Toledo, benevens Fabriano in de Mark Ancona. [3]
+
+In Duitschland is het gebruik van deze stof wel niet zeer verbreid
+geweest, tenzij het papier uit Italie of Spanje ingevoerd werd. Doch
+hoe meer de vervaardiging zich uit het oosten en de daarmede in verkeer
+staande landen uitbreidde, des te meer moest ook linnen in de plaats
+van katoen treden. Eene oorkonde van Kaufbeuren op linnenpapier uit
+het jaar 1318 is van twijfelachtige echtheid. Bodmann stelt het oudste
+zuiver linnenpapier in het jaar 1324; tot aan 1350 komt er ook nog
+gemengd papier voor.
+
+Alle zorgvuldig geschrevene Manuscripten uit den oudsten tijd toonen
+reeds door de regelmatigheid van de regels, dat zij gelinieerd geweest
+zijn, ook waar de sporen daarvan niet meer herkend kunnen worden.
+
+Tot het linieeren bezigde men eene dunne schijf van lood, een liniaal
+en een passer om de afstanden te bepalen.
+
+In oude handschriften is de inkt donker zwart of bruinachtig. Naar
+mate echter sedert de 13e eeuw meer geschreven werd, vertoont de
+inkt zich vaak grijs of geelachtig, of somtijds geheel verbleekt,
+ten bewijze dat zij ijzerhoudend is."
+
+Dit alles is volkomen van toepassing op het voor ons liggend
+Handschrift uit het midden der dertiende eeuw, beschreven met helder
+zwarte letters tusschen fijne naauwkeurig met lood getrokken lijnen. De
+kleur van de inkt toont duidelijk aan, dat zij niet ijzerhoudend
+is. Door deze kenteekenen wordt het opgegeven jaartal 1256 geheel
+gewettigd en valt er aan geen lateren oorsprong te denken. Maar
+daarmede vervalt ook alle verdacht van bedrog uit lateren tijd.
+
+De taal is overoud Friesch, nog ouder en veel zuiverder dan de taal
+van het Friesch Rjuchtboek of oude Friesche wetten en daarvan in vele
+vormen en spelling verschillende, zoodat zij een geheel afzonderlijken
+tongval of dialekt vertoont, en blijkens de lokaliteiten de taal
+moet geweest zijn, zoo als die gesproken werd van het Vlie tot aan
+de Schelde.
+
+De stijl is hoogst eenvoudig, beknopt, in korte volzinnen, ongedwongen
+zich bewegende, even als de dagelijksche spreektaal, en vrij in de
+vormen der woorden.
+
+De spelling is eveneens eenvoudig en gemakkelijk, zoodat de lezing
+geene de minste moeite kost; en bij alle regelmatigheden toch zoo vrij,
+dat ieder van de verschillende schrijvers, die aan het boek gewerkt
+hebben, zijne eigene bijzonderheden heeft, die voortkomen uit de
+wijziging van den klank der vokalen in verloop van lange tijdruimten,
+hetgeen natuurlijk het geval moet zijn, daar het laatste gedeelte
+vijf eeuwen later geschreven is als het eerste.
+
+Als antiquiteit van taal en schrift, geloof ik te kunnen zeggen,
+dat dit boek geheel eenig in zijne soort is.
+
+Het schrift geeft aanleiding tot eene misschien zeer gewichtige
+opmerking.
+
+De Grieken weten en erkennen, dat zij hun schrift niet hebben
+uitgevonden. Zij schrijven de invoering daarvan toe aan Kadmus,
+een Phenicier. De namen hunner oudste letters van de Alfa tot de Tau
+komen zoo geheel overeen met de namen der letters in het Hebreeuwsche
+Alfabet, waaraan het Phenicische wel naauw verwant zal geweest zijn,
+dat de Phenicische herkomst dier namen wel niet betwijfeld kan
+worden. Maar de vorm hunner letters verschilt zoo geheel en al van
+die in het Phenicisch en Hebreeuwsch schrift, dat in dit opzigt aan
+geene verwantschap te denken valt. Van waar hebben dus de Grieken
+die letter vormen ontvangen?
+
+Uit thet bok thêra Adela follistar (het boek van Adelas helpers)
+leeren wij, dat in den tijd, waarin die Kadmus moet geleefd hebben,
+omstreeks 16 eeuwen voor Christus, een levendig handelsverkeer bestond
+tusschen de Friesen en de Pheniciers, die zij Kadhemar, kustbewoners,
+noemden. De naam Kadmus komt te nabij dat woord Kadhemar, om niet te
+besluiten, dat Kadmus eenvoudig een Phenicier beteekent.
+
+Voorts lezen wij, dat omstreeks denzelfden tijd eene Priesteres van de
+Burgt op Walcheren, Min-erva, ook Nyhellenia genoemd, aan het hoofd
+eener Friesche kolonie, zich neergezet heeft in Attika en daar de
+burgt Athene gesticht heeft. Alsmede uit de berichten, opgeteekend
+aan de wanden der Waraburch, dat Findas volk ook een eigen schrift
+bezat, doch zeer omslachtig en moeijelijk om te lezen; en dat daarom
+de Tyriers en de Krekalanders het schrift van Frya hebben geleerd.
+
+Bij deze voorstelling verklaart de geheele zaak zich zelve, en is het
+duidelijk, waardoor die uiterlijke gelijkenis tusschen het Grieksche en
+oud Friesche schrift ontstaan is, welke ook Caesar in het oog gevallen
+is bij de Galliers; alsmede op welke wijze de Grieken de namen van
+Findas en de vormen van Fryas schrift nevens elkander hebben gekregen
+en behouden.
+
+Even opmerkelijk zijn de vormen der cijfers. Men noemt onze
+getalteekens gewoonlijk Arabische cijfers, ofschoon zij met de
+Arabische getalteekens niet de minste overeenkomst hebben. De Arabieren
+in Spanje hebben hunne cijfers niet uit het oosten medegebracht,
+want de Semitische volken bezigden het geheele alfabet tot het
+opschrijven van getallen. De wijze van met 10 teekens alle getallen
+uit te drukken hebben de Arabieren in het westen geleerd, doch daar
+vormen voor gekozen eenigermate in overeenstemming met die van hun
+letterschrift, en toch geschreven van de linker naar de rechterhand op
+Westersche manier. Onze cijfers blijken hier oorspronkelijk Friesche
+cijfers (siffar) te wezen, wier vorm denzelfden oorsprong heeft als
+het letterschrift en aan de lijnen van het Juul ontleend is.
+
+Het boek, zooals het voor ons ligt, bestaat uit twee van elkander
+zeer verschillende, en in tijd vrij ver verwijderde gedeelten. Als
+schrijfster van het eerste gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van
+Apol, grevetman over de Lindaoorden. Dit is vervolgd door haren
+zoon Adelbrost en hare dochter Apollonia. Het eerste boek loopende
+van pag. 1-88 (hier p. 4-120) is geschreven door Adela. Een vervolg
+van pag. 88-94 (122-128) is begonnen door Adelbrost en voortgezet
+door Apollonia. Het tweede boek loopende van pag. 94-114 (128-154)
+is geschreven door Apollonia. Veel tijd, misschien 250 jaren
+later, is een derde boek geschreven van pag. 114-134 (156-180) door
+Frethorik. Vervolgens van pag. 134 tot 143 (180-192) door zijne weduwe
+Wiljow, daarna van pag. 144-169 (194-226) door hun zoon Konereed,
+alsdan van pag. 169-192 (226-232) door hun kleinzoon Beeden; nu
+ontbreken bl. 193 en 194, waarmede het laatste stuk pag. 195-210
+(235-253) moet hebben aangevangen, daardoor is de schrijver ons
+onbekend, hij zal wel een zoon van Beeden geweest zijn. Door Wiljow
+worden op bl. 134 (182) nog andere geschriften genoemd; daar vermeldt
+zij thet bok thêra sanga, (thet bok) thêra tellinga, and thet Hellênia
+bok; en vervolgens tha skrifta fon Dela jeftha Hellênia.
+
+Voor de tijdsbepalingen moeten wij uitgaan van het jaar 1256 na
+Christus, waarin Hiddo overa Linda het afschrift vervaardigd heeft,
+en waarvan hij zegt, dat het was het 3449 jaar nadat Atland verzonken
+is. Dit vergaan van het oude land, âldland, âtland, is bij de Grieken
+ook in geheugen geweest en Plato maakt in zijn Timaeus, 24, nog melding
+van het verdwenen Atlantis, van welks ligging niets anders bekend was,
+dan dat het ver buiten de zuilen van Herkules had gelegen. Uit dit
+geschrift blijkt, dat het een uitgestrekt land geweest is ten westen
+van Jutland, waarvan Helgoland en de Noordfriesche eilanden de laatste
+schamele overblijfselen zijn. Deze gebeurtenis, waardoor het schijnt
+dat een groote verstrooijing van den Frieschen stam veroorzaakt is,
+was het aanvangspunt eener eigene tijdrekening, overeenkomende met
+2193 voor Chr. Bij de geologen bekend als de eerste Cimbrische vloed.
+
+Op bladzijde 80 (110) begint een verhaal in het jaar 1602 nadat Atland
+verzonken is en dus met 591 voor Chr., en bl. 82 (112) het verhaal
+van den moord gepleegd aan Frâna, Eeremoeder op Texland, twee jaren
+later, en dus 589. Wanneer nu Adela haar geschrift aanvangt met haar
+eigen optreden in eene volksvergadering, 30 jaren na den dag dat de
+Eeremoeder was omgebracht, dan zijn wij in het jaar 559 voor Chr. Uit
+het schrijven van hare dochter Apollonia vernemen wij, dat Adela
+15 maanden na die vergadering, bij eene overrompeling van Texland
+door de Finnen, verslagen is; dit moet dus gebeurd zijn in 557 voor
+Chr. en hieruit volgt, dat het eerste boek door Adela geschreven is
+in 558 voor Chr. Het tweede boek, door Apollonia geschreven, mag dus
+gesteld worden omstreeks het jaar 530 voor Chr.
+
+Het latere gedeelte behelst de geschiedenis van de bekende Koningen
+van Friesland, Friso, Adel (Ubbo) en Asega Askar, genaamd zwarte
+Adel. Evenwel is van den derden Koning Ubbo niets gemeld, of
+liever dit stuk is verloren gegaan, bl. 169-188 (zie bl. 226)
+ontbreken. Frethorik, de eerste schrijver, die hier voorkomt, is
+een tijdgenoot van de gebeurtenissen, die hij verhaalt, namelijk de
+komst van Friso. Hij is een vriend van Liudgert, den Geertman, die
+als skelta bi thêr nacht op de vloot van Wichhirte den sêkening met
+Friso hier was gekomen, in 't jaar 303 voor Chr., 1890 jaren nadat
+Atland verzonken was. Uit het dagboek van Liudgert heeft hij vele
+van zijne berichten ontleend.
+
+De laatste schrijver geeft zich zelven zeer duidelijk te kennen als
+een tijdgenoot van Zwarte Adel of Askar, omstreeks het midden van
+diens regering, welke bij Furmerius gesteld wordt van 70 vóór 11 na
+Chr. gelijktijdig met Julius Ceasar en Augustus. Hij schreef dus in
+het midden der eerste eeuw voor Chr. en droeg kennis van de verovering
+van het land der Golen (Galliers) door de Romeinen.
+
+Er liggen dientengevolge ruim twee eeuwen tusschen de beide afdeelingen
+van het handschrift.
+
+Van die Gôla lezen wij bl. 84: alsa hêton tha såndalinga prestera
+Sidonis. En op bl. 124: tha Gola jeftha Trowyda.
+
+De Golen zijn dus de Druiden, en de naam Galli, overgedragen op het
+geheele volk, eigenlijk de naam van eene Priesterorde of Priesterstam
+van oostersche herkomst, even als bij de Romeinen de Galli, Priesters
+van Cybele.
+
+De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw, namelijk er staat
+bijna niets in, dat wij van elders reeds wisten. Hetgeen wij hier van
+Friso, Adel en Askar lezen, verschilt gansch en al van hetgeen onze
+bekende kronijkschrijvers weten te vertellen, of wel doet zulks in
+een geheel ander daglicht beschouwen. B. v. allen verhalen dat Friso
+uit Indie gekomen is, en dat dus de Friesen uit Indie afkomstig zijn,
+en toch voegen zij er bij dat Friso een Germaan was en behoorde tot
+een Persische stam, dien Herodotus Germanen noemt Germ'anioi. Naar
+de berichten, die we hier ontmoeten, is Friso ook uit Indie gekomen
+en wel met de vloot van Nearchus, maar hij is daarom geen Indiër, hij
+is van Friesche afkomst, van Fryas volk. Hij behoort namelijk tot eene
+kolonie Friesen, die na den dood van Nijhellênia, 15½ eeuwen voor Chr.,
+onder aanvoering eener Priesteres Geert, zich aan den Pangab (Indus)
+neergezet en den naam Geertmannen aangenomen hebben. Die Geertmannen
+zijn slechts bij een van de Grieksche schrijvers bekend, namelijk bij
+Strabo, die hen vermeld als Germ=anec eene van de Braqm=anec in zeden,
+taal en godsdienst geheel en al verschillende volkstam.
+
+Bij de schrijvers van Alexanders tochten worden noch Friesen noch
+Geertmannen genoemd, doch zij spreken van Indoscythae; en geven
+daardoor te kennen een volk, dat wel in Indie woont, maar uit het
+verre onbekende Noorden afkomstig is.
+
+In de berichten van Liudgert worden geene namen genoemd van plaatsen,
+waar die Friesen in Indie gewoond hebben. Wij vernemen alleen,
+dat zij zich eerst in het land ten oosten van den Pangab hebben
+nedergezet, en later verhuisd zijn naar den westelijken oever dier
+rivier. Verder wordt als eene bijzonderheid medegedeeld, dat in den
+zomer de zon op den middag recht boven hun hoofd stond. Zij woonden
+dus nagenoeg onder den keerkring. En nu vinden wij bij Ptolomeus
+(zie b. v. de kaarten van Kiepert) juist daar op 24° N. B. aan den
+westelijken oever van den Indus den naam Minnagara, en een graad of
+zes oostelijk van daar op 22° N. B. nog een Minnagara. Die naam is
+zuiver Friesch, gelijk Walhallagara, Folsgara, en gevormd van Minna,
+den naam eener Eeremoeder (zie pag. 74), in wier tijd de tochten van
+Teunis en zijn neef Inka plaats vonden.
+
+Die overeenkomst is te opmerkelijk om enkel toevallig te wezen, en
+niet dat Minnagara voor de hoofdplaats dier Friesche kolonie te houden.
+
+De vestiging van die kolonie in Indie aan den Pangab in 1551 voor
+Chr. en hunne reis derwaarts, vinden wij in Adela's boek vrij
+uitvoerig beschreven, en wel met de bijvoeging van eene uiterst
+merkwaardige bijzonderheid, namelijk dat die Friesche zeelieden
+gevaren zijn door de straat welke in die tijden nog op de Roode Zee
+uitliep. Uit een bericht bij Strabo L. I fol. 38 en 50 blijkt dat
+Eratosthenes nog kennis gedragen heeft van die voormalige zeeëngte,
+waarvan de latere geografen geene melding meer maken. Zij bestond
+nog in de dagen van Mozes, Exod. XIV : V, daar hij zich legerde bij
+Pi ha chiroht, den mond der zeeëngte. Strabo vermeldt bovendien, dat
+Sesostris eene poging gedaan heeft om de landengte door te graven,
+maar dat plan niet heeft kunnen uitvoeren.
+
+Dat daar werkelijk eertijds de zee doorgestroomd heeft, bewijzen
+de uitkomsten van het geologisch onderzoek van de landengte door
+de commissie voor het kanaal van Suez, waarvan de heer Renaud op
+den 19 Junij 1856 een rapport heeft uitgebracht bij de Academie des
+Sciences. In dat rapport komt onder anderen voor: Une question fort
+controversée est celle de savoir, si à l'époque où les Hebreux fuyaient
+de l'Egypte sous la conduite de Moïse, les lacs amèrs faisaient encore
+partie de la mer rouge. Cette dernière hypothèse s'accorderait mieux
+que l'hypothèse contraire avec le texte des livres sacrés, mais alors
+il faudrait admettre que depuis l'époque de Moïse le seuil de Suez
+serait sorti des eaux.
+
+Ten aanzien van deze vraag is het zeker van belang in dit Friesche
+handschrift een bericht te ontmoeten, waaruit blijkt dat in het midden
+der 16e eeuw voor Chr. de verbinding van de Bittermeeren met de Roode
+Zee nog bestond en de straat nog bevaarbaar was.
+
+Het handschrift bericht verder, dat kort na die doorvaart van de
+Geertmannen beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo
+hoog ophief, dat al het water de straat uitliep en dat alle wadden
+en schorren als een wal oprezen.
+
+Deze dingen zullen dus na den tijd van Mozes geschied zijn, zoodat
+tijdens de uittocht (1564) de streek tusschen Suez en de Bittermeeren
+nog wel bevaarbaar was, maar bij lagen waterstand droogvoets kon
+worden doorgetrokken.
+
+Dit punt is dus de oorspronkelijke Isthmus, na welks vorming zeker
+spoedig de verdere inham noordwaarts tot aan de golf van Pelusium
+geheel is opgeslibd.
+
+Een duidelijk overzicht over de formatie van dit terrein geeft de
+kaart gevoegd bij: l'année scientifique et industrielle etc. par
+Louis Figuier (première année). Paris, Hachette, 1857.
+
+
+
+Een ander bericht, dat ook alleen bij Strabo voorkomt, vindt hier
+insgelijks eene opheldering en bevestiging. Strabo namelijk is onder
+de Grieksche schrijvers de eenige die vermeldt, dat Nearchus na zijne
+troepen in de Persische golf aan den mond van de Pasitigris te hebben
+ontscheept, op bevel van Alexander met zijne vloot weer de Persische
+golf uitgezeild en om Arabie heen door de Arabische golf gestevend
+is. Zoo als dit bericht daar staat, is het niet duidelijk wat Nearchus
+daar te maken had en wat het doel van die verdere tocht wezen kon;
+enkel tot het doen van geographische onderzoekingen, zoo als Strabo
+meent, behoefde hij toch niet eene gansche vloot mede te nemen,
+daartoe was een schip of twee voldoende. Wij lezen ook niet dat hij
+weer teruggevaren is; waar is hij dan met die vloot gebleven?
+
+Op deze vraag vinden wij hier het antwoord in de Friesche lezing van
+de geschiedenis. Alexander had die schepen aan den Indus gekocht van,
+of laten bouwen door de daar gevestigde afstammelingen van de Friesen,
+de Geertmannen, en van hen scheepsvolk in dienst genomen, en aan het
+hoofd van deze bevond zich Friso. Alexander had na de volbragte tocht
+en het transport van de troepen, die schepen in de Persische Golf niet
+meer noodig, maar wilde ze in de Middellandsche zee gebruiken. Dat had
+hij in zijn hoofd gezet en dat moest gebeuren. Alexander wilde iets
+doen, dat niemand voor hem gedaan had. Te dien einde moest Nearchus
+de Roode zee opvaren, en aan het eind daarvan gekomen (bij Suez),
+vond hij daar 200 elephanten en duizend kameelen en werklieden en
+gereedschap, balken, touwen enz., om de schepen op het land te halen
+en over de landengte te slepen. Dit werk werd met zooveel overleg en
+ijver ondernomen en voltooid, dat na een arbeid van drie maanden de
+vloot in de Middellandsche zee weer te water gelaten werd. Dat de vloot
+werkelijk in de Middellandsche zee gebracht is, blijkt uit het bericht
+van Plutarchus (vit. Alexandri), doch deze laat te dien einde Nearchus
+met de vloot om Afrika heen door de straat van Hercules zeilen. Na de
+nederlaag bij Actium heeft Kleopatra, in navolging van dit voorbeeld,
+getracht hare vloot over den Isthmus te brengen, om naar Indie te
+ontsnappen. Zij is daarin verhinderd door de Petraeische Arabieren,
+die hare schepen in brand staken. (Zie Plutarchus vit. Antonii.)
+
+Friso is, toen kort daarop Alexander stierf, in dienst gebleven
+van Antigonus en Demetrius, totdat hij door den laatste op eene
+schandelijke wijze beleedigd zijnde, besloot met zijne manschappen
+het oorspronkelijke moederland, Friesland, op te zoeken. Naar Indie
+terugkeeren kon hij trouwens niet. Zoo vullen de berichten elkander
+aan en helderen elkander op, en verleenen daardoor eene wederkeerige
+bevestiging.
+
+Zulke enkele trekken en verrassende uitkomsten leiden mij tot het
+besluit, dat wij hier met meer te doen hebben, dan met bloote sagen
+of legenden.
+
+Sints een twintigtal jaren is de aandacht getrokken door de
+overblijfselen van paalwoningen, het eerst opgemerkt in de meeren
+van Zwitserland en vervolgens in een aantal streken van Europa
+gevonden. Men zie daarover Dr. E. Rückert, Die Pfalhbauten. Würtzburg
+1869, of Dr. T. C. Winkler, in de Volksalmanak t. N. v. A. 1867. Toen
+men ze gevonden had, trachtte men uit de onder het water aanwezige
+fragmenten van wapens, gereedschappen en huisraad na te sporen, door
+wie en wanneer deze verblijfplaatsen bewoond geweest waren. Uit
+berichten van historieschrijvers bleek daaromtrent niets meer,
+dan hetgene Herodotus Lib. v. c. 16 van de Paeonen schrijft. Alleen
+vond men eene spoor in een der tafereelen op de zuil van Trajanus,
+waarin de verwoesting van een paaldorp in Dacie is afgebeeld. Dubbel
+belangrijk is het daarom uit het geschrift van Apollonia te vernemen,
+dat zij als burgtmaagd (omstreeks 540 v. Chr.) eene reis langs den
+Rijn gedaan, Switserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners
+(Marsaten) heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op
+palen gebouwde woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze. Zij
+vermeldt, dat die Marsaten van vischvangst en jacht leven, en de huiden
+van het wild bereiden met de schors van berkenboomen, om die pelterij
+te verkoopen aan de Rijnschippers, die ze verder in den handel brengen.
+
+Dit bericht omtrent de paalwoningen in de meeren van Switserland
+kan niet geschreven zijn, dan in een tijd toen die paaldorpen nog
+bestonden en bewoond werden.
+
+In het tweede gedeelte van het Handschrift wordt door Konerêd oera
+Linda vermeld, dat Adel de zoon van Friso (± 260 j. v. Chr.) met
+zijne vrouw Ifkja ook die paaldorpen in Switserland bezocht heeft,
+»fon Walhallagâra brûdon hja alingen thêra sûder Hrênum al-ont hja
+mith grâte frêse boppa thêre Rêne by tha Mârsâta kêmon, hwêrfon vsa
+Apollônja skrêven heth. Tha hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja
+wither nêi tha delta."
+
+Later als dit bericht komt bij geen schrijver ergens eenige
+vermelding van die paalwoningen voor en is die zaak gedurende
+twintig eeuwen volkomen onbekend gebleven, totdat in den jare 1853,
+bij buitengewoon lagen waterstand, overblijfselen van zulke woningen
+ontdekt zijn. Daarom heeft niemand zulk een bericht in lateren tijd
+kunnen verzinnen.
+
+Hoewel een groot gedeelte van het eerste stuk, het Boek van Adela,
+geheel valt in het Mythologisch Tijdvak vóór den Trojaanschen oorlog,
+is hier in de verhalen een groot verschil met de Grieksche Mythen
+in het oogloopend. De Mythen kennen geene tijdsbepaling, veel min
+eene geregelde tijdrekening. Bij de Mythen bestaat geen inwendige
+zamenhang of consequentie. De vrije verdichting ontwikkelt zich in
+iedere sage afzonderlijk en onafhankelijk. De Mythologische verhalen
+weerspreken elkander bijna op ieder punt. Les Mythes ne se tiennnent
+pas is de eenige sleutel op de Grieksche Mythologie.
+
+Hier daarentegen ontmoeten wij eene geregelde jaartelling uitgaande van
+een vast punt, het vergaan van Atland (2193 voor Chr.) De verhalen,
+natuurlijk, eenvoudig, vaak naïf, weerspreken elkander nimmer,
+en zijn altijd met elkander bestaanbaar, ook in plaats en tijd. Als
+b. v. de komst en het verblijf van Ulysses bij de Burgtmaagd Kalip op
+Walhallagara (Walcheren), 't gene wel het meest sagenhafte stuk is
+van allen, hier gesteld is op 1005 jaren nadat Atland verzonken is,
+dan komt dat uit op 1188 jaren voor Chr. en dus vrij nabij overeen
+met den tijd, waarin de Grieken meenen, dat de Trojaansche oorlog
+heeft plaats gehad. Die Ulysses-sage is hier niet door de Romeinen
+aangebracht. Tacitus vond ze reeds in Neder Germanie (zie Germania
+cap. 3) en zegt er bij, dat te Asciburgium een altaar was, waarop de
+naam van Ulysses en die van zijn vader Laërtes gelezen werd.
+
+Een ander kenmerkend onderscheid bestaat daarin, dat de Mythe geene
+herkomst kent, voor hare verhalen nooit berichtgevers of schrijvers
+noemt, en dus nimmer eenig gezag weet aan te voeren. In Adelas boek
+daarentegen wordt bij ieder verhaal opgegeven, waar het gevonden of
+waaruit het ontleend is, b. v. dit is uit Minno's schriften, dit is
+aan de Wanden der Waraburch gegrift, dit aan de Fryas burch, dit te
+Stavia, dit op Walhallagara.
+
+En dan is er nog iets. Wetten, geregelde wetgevingen, gelijk zij in
+Adelas boek in vrij grooten getale voorkomen, zijn in de Mythologie
+eene onbekende en met haar wezen onvereenigbare zaak. Zelfs als
+de Mythe aan Minos toeschrijft de invoering van eene wetgeving op
+Kreta, dan weet zij van die wetgeving zelve niet het geringste te
+berichten. Ook in de Mythische godenwereld bestaat geene wetgeving,
+de eenige wet is daar het onveranderlijke Noodlot, of de wil van den
+oppermachtigen Zeus.
+
+Ten opzichte van de Mythologie is dit geschrift, dat zelf geen
+mythisch karakter draagt, niet minder merkwaardig dan voor de
+geschiedenis. Ondanks de vele en velerlei betrekkingen met Denemarken,
+Zweden (Skênland = Schonen) en Noorwegen (Northland), vindt men
+hier geene sporen van bekendheid met de Noordsche of Scandinavische
+mythologie. Alleen schijnt Wodan hier voor te komen als Wodin, een
+Friesch heerman, die door een Magy, koning der Finnen, tot schoonzoon
+aangenomen en na zijn dood vergood is.
+
+De Friesche godenleer of liever godsdienst, is hoogst eenvoudig en
+zuiver Monotheisme. Wralda of Wralda's geest is het eenige, eeuwige,
+onveranderlijke, volmaakte en almachtige wezen. Wralda heeft alle
+dingen geschapen; alles komt uit hem voort, eerst de aanvang, dan de
+tijd, en vervolgens Irtha, de Aarde. Irtha baart drie dochters Lyda,
+Finda en Frya, de stammoeders van de drie menschenrassen, het zwarte,
+het geele en het blanke (Afrika, Asia en Europa). Als zoodanig is Frya
+de moeder van Frya's volk, de Friezen. Zij is de vertegenwoordigster
+van Wralda en wordt als zoodanig vereerd. Frya heeft hare tex gegeven,
+de eerste wet, en de eeredienst ingesteld van het eeuwige licht. Die
+dienst bestaat in het onderhouden van de altijd brandende lamp, foddik,
+door priesteressen, maagden; aan het hoofd dier maagden staat op alle
+burgten eene Burgtmaagd; de opperste van alle Burgtmaagden, is de
+Eeremoeder op de Fryasburgt op Texland. De Eeremoeder heerscht over het
+geheele land; de Koningen mogen niets doen, er mag niets geschieden,
+buiten hare raad en goedkeuring. De eerste Eeremoeder is door Frya
+zelve aangesteld, zij heette Fåsta. Met één woord, wij ontmoeten hier
+de prototype van de Romeinsche Vestadienst en de Vestaalsche maagden.
+
+Men denke hierbij aan Velleda (Welda) en Aurinia bij Tacitus Germ. 8
+Hist. IV. 61. 65. V. 22. 24. Annal. I. 51 en Gauna de opvolgster van
+Velleda bij Dio Cassius fragm. 49.
+
+Van de burgt van Velleda spreekt Tacitus als eene edita turris;
+Verg. hier bl. 146. Zij was de burgt Mannagarda forda (Munster). In
+het land der Marsi noemt hij deze burgt Templum Tanfane (Tanfanc)
+zoo genoemd naar het teeken van het Juul. Zie plaat I.
+
+De laatste dier burgten is de Fåstaburgt op Ameland geweest, templum
+Foste, volgens Occa Scarlensis verwoest in het jaar 806.
+
+Ontmoeten wij hier bij de Friezen een Godsbegrip en godsdienstige
+denkbeelden, geheel verschillende van de mythologien bij andere volken,
+nog onverwachter komen ons hier zaken voor, die in het nauwste verband
+staan met de Grieksch-Romeinsche Mythologie en wel met de herkomst
+van twee godheden van den eersten rang, Minerva en Neptunus. Min erva
+(Athénè), is oorspronkelijk eene burgtmaagd, priesteres van Frya
+op de burgt Walhallagara, Middelburg, of Domburg, op Walcheren. En
+deze zelfde Min erva is tevens die geheimzinnige, raadselachtige
+godin, van welker vereering bijna geene sporen zijn overgebleven,
+dan alleen op Walcheren in de votivsteenen te Domburg, Nehalennia
+[4], van welke geene mythologie iets naders weet dan enkel den naam,
+waarvan de etymologie zich heeft meester gemaakt tot het uitvinden
+van allerlei fantastische afleidingen.
+
+De andere, Neptunus, bij de Etruriers Nethunus, de God van de
+Middellandsche zee, blijkt hier bij zijn leven een Friesche Viking,
+zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga (Ouddorp
+niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Teunis, in de wandeling bij
+zijne manschappen Neef Teunis genoemd, die vooral de Middellandsche
+zee tot het doel en tooneel zijner tochten gekozen had, en door de
+Tyriers vergood zoude zijn, in den tijd toen de Phenicische zeevaart
+zich aanmerkelijk begon uit te breiden en naar Friesland stevende, om
+hier Britsch tin, Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balda (Baltische)
+zee te halen, omstreeks 2000 jaren v. Chr.
+
+Behalve dit tweetal ontmoeten wij nog een derde Mythologisch persoon,
+Minos, de wetgever van Kreta, die alsmede verschijnt als een Friesche
+zeekoning Minno, geboren te Lindaoord tusschen Wieringen en Kreyl,
+die aan de Kreters een Asegaboek heeft medegedeeld. Namelijk die
+Minos, die met zijn broeder Rhadamanthus en Aeakus als rechter in de
+onderwereld over het lot der schimmen beslist. Niet te verwarren met
+den lateren Minos, den tijdgenoot van Aegeus en Theseus, die voorkomt
+in de Atheensche sage.
+
+Bij deze voorstelling kan misschien iemand zijn lachen niet bedwingen,
+en kaatst hij mij het straks gebezigde woord fantastisch terug met
+dat van avontuurlijk. Ook ik kon eerst mijne oogen niet gelooven,
+en toch ben ik bij nadere overweging gekomen tot de ontdekking van
+verrassende overeenkomsten, die de zaak vrij wat minder avontuurlijk
+maken, als de geboorte van Athene uit het hoofd van Zeus door een
+bijlslag van Hephaistos.--B. v.
+
+De Grieksche Mythologie kent van alle Goden eene jeugd, alleen Pallas
+heeft geene jeugd, zij is niet anders bekend dan als volwassen. Minerva
+komt als opperpriesteres uit den vreemde, uit een den Krekalanders
+onbekend land, in Attica. Pallas is eene maagdelijke godin, Minerva
+is eene burgtmaagd. De blonde, blaauwoogige Pallas onderscheidt zich
+door deze type van de overige goden en godinnen, als behoorende tot
+Fryas volk. De wijsheid van beide en de zinnebeeldige attributen zijn
+dezelfde, inzonderheid de uil. Pallas geeft aan de nieuwe stad haren
+naam Athènai, die overigens in 't Grieksch geene beteekenis heeft:
+Minerva geeft aan de door haar gestichte burgt den naam Athene, die in
+het Friesch wel eene beteekenis heeft en te kennen geeft dat zij als
+vrienden âthen daar gekomen zijn. Minerva komt in Attica omstreeks 1600
+jaren voor Chr. in het tijdperk, waarin zich de Grieksche godenleer
+begint te vormen. Minerva is met de vloot van Jon aan het hoofd van
+eene kolonie in Attica geland; op Walcheren vindt men haar in later
+tijd blijkens de Romeinsche votivsteenen onder den naam Nehalennia
+vereerd als eene godin van de scheepvaart; en bij de Atheners is
+Pallas de beschermgodin van scheepsbouw en zeevaart.
+
+De Tijd is de Kroder, de kruijer, die eeuwig met het jol, het wiel,
+moet rondloopen, en voeren de zon langs hare baan door het stergewelf
+van winter-zonnestand tot winter-zonnestand. Zoo vormt hij de jaren,
+waarbij elke omwenteling van het wiel een dag uitmaakt. Te midwinter
+wordt het Jolfeest gevierd op Fryasdag. Dan worden koeken gebakken in
+den vorm van het zonnerad, want van dat Jol heeft Fryas de letters
+gemaakt, toen zij hare Tex schreef, en het Jolfeest is daarom ook
+een feest ter eere van Frya als uitvindster van het letterschrift.
+
+Even zoo als dit Jolfeest in Denemarken en geheel Duitschland door
+de Christenheid op 't Kerstfeest en in ons land op St. Nikolaasdag
+verplaatst is, even zoo zeker zijn onze St. Nikolaaspoppen, de
+vrijster en de vrijer, eene herinnering aan Frya, en onze St. Nikolaas
+(banket) letters eene gedachtenis aan Fryas van het Zonnerad gevormd
+letterschrift.
+
+Ik kan niet den geheelen inhoud van dit merkwaardige geschrift
+ontleden en moet mij vergenoegen met de gemaakte opmerkingen. Zij
+mogen eenig denkbeeld geven van den rijkdom en belangrijkheid van
+dien inhoud. Want al loopen er Sagen onder, ook als Sagen moeten zij
+waarde hebben voor ons, dewijl van den Sagenschat van ons voorgeslacht
+zoo goed als niets was overgebleven.
+
+Een inwendig bewijs voor de oudheid van deze geschriften ligt ook
+daarin, dat de naam Batavieren er nog niet in voorkomt. De inwoners
+van het geheele land tot aan de Schelde zijn Fryas volk, Friezen. De
+Batavieren zijn niet een afzonderlijk volk geweest. De naam Batavi is
+eene uitvinding van de Romeinen, die dezen naam gegeven hebben aan de
+bewoners van het land ter weerzijde van de Waal, welke rivier op de
+Tabula Peutingeriana den naam Patabus draagt. Die naam Batavi komt ook
+niet vroeger voor dan bij Tacitus en Plinius, want de bekende plaats
+bij Caesar B. G. IV. 10, is geinterpoleerd. Zie mijne verhandeling
+over den loop der rivieren door het land der Friesen en Batavieren
+bl. 49 in de Vrije Fries, IV Deel 1e Stuk, 1845.
+
+
+
+Met nog eene opmerking betreffende de taal wil ik eindigen.
+
+Zij die nog slechts eene oppervlakkige inzage van het H. S. hebben
+kunnen nemen, zijn getroffen door de beschaafdheid van de taal en de
+overeenkomst met het tegenwoordige Friesch en Hollandsch. Hierin meenen
+zij een grond te zien voor twijfel aan de oudheid van het geschrift.
+
+Maar ik vraag: is dan de taal van Homerus veel minder beschaafd dan
+die van Plato of Demosthenes? en leeft niet het grootste deel van
+den Homerischen woordenschat nog voort in het Grieksch van onze dagen?
+
+Het is waar, eene taal beweegt zich altijd, en is steeds aan
+kleine veranderingen onderhevig, waardoor men verschil vindt bij
+dezelfde taal in onderscheidene tijdperken. Deze wisseling van de
+taal geeft juist in dit H. S. stof tot belangrijke opmerkingen voor
+den taalbeoefenaar. Want niet alleen, dat van de acht schrijfsters
+en schrijvers, die achtereenvolgende aan dit boek gewerkt hebben,
+ieder zich kenmerkt door kleine eigenaardigheden in stijl, taal en
+spelling; maar vooral tusschen de beide afdeelingen van het boek,
+waar tusschen een tijdverloop van meer dan twee eeuwen ligt, is een
+in het oog vallend verschil aanwezig, dat aantoont, welk een langzaam
+voortgaande wijziging de taal in dat bestek ondervonden heeft.
+
+Als slotsom van deze beschouwingen kom ik tot het besluit, dat ik
+geene reden vinden kan, om aan de echtheid van dit geschrift te
+twijfelen. Verdichting kan het niet zijn. In de eerste plaats het
+afschrift van 1256 kan het niet zijn. Wie had in dien tijd zoo iets
+kunnen verdichten? Zeker niemand, en vroeger nog veel minder. In
+lateren tijd is eene verdichting evenzeer onmogelijk, om de eenvoudige
+reden, dat niemand meer die taal machtig was. Buiten de namen van
+Rask, Richthofen en Hettema, is er geen te noemen, die als taalkundige
+in dit vak bekend is geweest, of de taal zoo bestudeerd heeft, dat
+hij daar in schrijven kon. En al kon iemand zulks, dan stond hem nog
+geen ruimer woordenschat ten dienste, dan de beperkte voorraad, dien
+de O. F. Wetten aanboden. Daarom is in de laatstverloopen eeuwen de
+vervaardiging van dit geschrift eene onmogelijkheid geweest. Wie dit
+in twijfel wil trekken, beginne met aan te toonen, waar, wanneer,
+door wien en waartoe zulk eene vervalsching had kunnen gepleegd
+worden, en wijze uit lateren tijd de weergade aan van dit papier,
+dit schrift en deze taal.
+
+Dat het H. S. van 1256 bovendien geen origineel, maar eene kopie is,
+bewijzen zoowel gedurige schrijffouten, als enkele ophelderingen
+van woorden, die in des afschrijvers tijd reeds verouderd en weinig
+meer bekend waren; b. v. bl. 82 (114) to thêra flête jeftha bedrum;
+op bl. 151 (204) bargum jefta tonnum fon tha besta bjar.
+
+Nog sterker bewijs is, dat tusschen bladzijde 157 en 158 een of meer
+bladen ontbroken hebben, die uit dit H. S. niet hebben kunnen verloren
+gaan, omdat bl. 167 en 168 (212-214) de paginas recta en versa zijn
+van hetzelfde blad.
+
+Bl. 157 eindigt: Drie maanden daarna zond Adel boden naar alle
+vrienden, die hij gewonnen had, en liet hen bidden, dat zij in de
+Minnemaand verstandige lieden tot hem zouden zenden.
+
+Keert men nu het blad om, dan begint de keerzijde: zijne vrouw, zeide
+hij, die maagd geweest was te Texland, had daarvan een afschrift
+gekregen.
+
+Daar tusschen is geen zamenhang. Voor het minst ontbreekt er: de
+komst dier genoodigden, en het verhaal van hetgene bij die zamenkomst
+is voorgevallen. De afschrijver moet dus in het door hem gevolgde
+exemplaar twee bladen in plaats van een hebben omgeslagen. Er bestond
+dus een vroeger exemplaar, en wel dat in den jare 803 door Liko oera
+Linda was geschreven.
+
+Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift, waarvan het eerste
+gedeelte is opgesteld in de zesde eeuw voor onze jaartelling, het
+oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europesche
+letterkunde ontmoeten. En daar vinden wij in ons vaderland eene
+eeuwenoude bevolking, in 't bezit van eene ontwikkeling, beschaving,
+nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere verhevene
+Godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden hebben
+gehad. In onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen
+van ons volk niet hooger, dan tot de komst van Friso, den vermeenden
+stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die herinneringen
+opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor Christus, en in hoogen
+ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Israël evenaren.
+
+
+
+
+
+BIJLAGE TOT PAG. XX.
+
+Vergelijkende Taalproeve van de oud Friesche Wetten en de taal van
+het Handschrift.
+
+
+
+Dyo forme need is: hweerso en kynd jongh is finsen ende fitered noerd
+wr hef, jefta (sud) wr birgh. Soe moet die moder her kindes eerwe
+setta ende sella ende her kynd lesa ende des lives bihelpa.
+
+Dioe oder need is: jef da jere diore wirdat, ende di heta honger wr
+dat land faert, ende dat kynd honger stere wil, so moet dio moder
+her kindes eerwe setta ende sella ende capia her bern ky ende ey ende
+coern deerma da kinde des lives mede helpe.
+
+Dyo tredde need is: Als dat kind is al stocnaken, jefta huus laes,
+ende dan di tiuestera nevil ende calde winter oen comt sa faert
+allermanick oen syn hof ende oen sin huis ende an waranne gaten, ende
+da wiilda dier seket diin holla baem ende der birgha hlii, aldeer
+hit siin liif oen bihalda mey. Soe weinet ende scryt dat onieriga
+kind ende wyst dan syn nakena lyae ende syn huuslaes, ende syn fader
+deer him reda schuld, to ienst dyn honger ende winter nevil cald, dat
+hi so diepe ende dimme mitta fiower neylen is onder eke ende onder
+da eerda bisloten ende bitacht, so moet dio moder her kindes eerwe
+setta ende sella omdat hio da bahield habbe ende biwaer also lang so
+hit onierich is, dat hit oen forste ner oen honger naet forfare.
+
+
+Anjumer druk e.i.i..
+
+(1466.)
+
+
+
+Thju forma nêd is: Sâhwersa en bårn jvng is fensen ånd fêterad
+northward vr-et hef jeftha sûdward vr tha berga, sa âch thju måm hjara
+bårns erva to settande ånd to seljande ånde hjra bårn to lêsane ånd
+thes lives to bihelpane.
+
+Thju ôthera nêd is: jef tha jêra djura wårthat ånd thi hête hvnger wr
+thet lând fârth ånd thåt bårn sterva wil, sa mot thju måm hjara bårns
+erva setta ånd selja ånd kâpja hiri bårne ky ånd skêp ånd kêren thêr
+mitha mån thet bårn thes lives bihelpe.
+
+Thju tredde nêd is: sâhwersa thåt bårn is stoknâked jefta hûslâs ånd
+then thi tjustera nêvil ånd kalda winter ankvmth, sa fârth allera
+månnalik an sin hof ånd an sin hus ånd an wârande gâta, ånd thet wilde
+kwik sykath thene hola bâm ånd thêre berga hly thêr-it sin lif an
+bihalda mêi, sa wênath ånd krytath thåt vnjêrich bårn ånd wyst then
+sin nâkeda litha ånd siu hûslâs-sâ ånd sin tât thêr him hrêda skolde
+tojenst tha hvnger ånd tha kalda winter nêvil, that hi sa djap ånd
+dimme mith fjuwer nêilum vndera êke ånd vnder tha irtha bisletten ånd
+bidobben is, sa mot thju måm hjara bårns erva setta and selja vmbe
+that hju tha bihield håve ånd tha wâringa al sa long sa hit vnjêrich
+sy, til thju-t hor an forst ner an hvnger navt vmkvma ne mêi.
+
+
+Vertaald door J. G. O.
+
+
+
+
+
+
+
+ADELA.
+
+
+OKKE MIJN ZOON.
+
+
+Deze boeken moet gij met lijf en ziel bewaren, zij bevatten
+de geschiedenis van ons geheele volk, en ook van onze
+voorvaderen. Verleden jaar heb ik die uit den vloed gered tegelijk
+met u en met uwe moeder. Doch zij waren nat geworden, daardoor
+gingen zij naderhand bederven. Om ze niet te verliezen, heb ik ze
+op overlandsch papier overgeschreven. Bijaldien gij ze erft, moet
+gij ze ook overschrijven. Uwe kinderen desgelijks, opdat zij nimmer
+verloren gaan. Geschreven te Liuwert, nadat Atland verzonken is, het
+drie duizend vier honderd negen en veertigste jaar, dat is naar de
+Christen-rekening het twaalf honderd zes en vijftigste jaar, Hiddo
+bijgenaamd Over de Linde. Waak.
+
+
+
+Lieve erfgenamen, om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve
+vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de oogen van
+een monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete
+woorden, maar zij tornen ongemerkt, aan alles wat ons Fries betreft. Om
+rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze
+weten dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden
+toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten
+zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig
+is van onze oude zeden. Och lieve, ik ben bij hen aan het hof geweest;
+wil Wralda het gehengen, en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij
+ons altegader verdelgen. Geschreven te Liudwert, acht honderd en drie
+jaar, na de Christen meening. Liko bijgenaamd Over de Linde.
+
+
+
+
+
+HET BOEK VAN ADELA'S AANHANGERS.
+
+
+Dertig jaren na den dag, waarop de volksmoeder omgebracht was,
+door den overste Magy, stond het er erg aan toe. Alle Staten, die
+er liggen aan de andere zijde der Weser, waren van ons afgescheurd
+en onder het geweld des Magy gekomen; en het stond te vreezen,
+dat hij geweldig zoude worden over het geheele land. Om dat ongeluk
+te weeren, had men eene algemeene volksvergadering belegd, alwaar
+vergaderd waren alle manspersonen, die in een goeden roep stonden bij
+de maagden (priesteressen). Doch nadat er meer verloopen waren dan drie
+etmalen, was de geheele Go-raad in de war, en alles even als bij hunne
+komst. Toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak: Gij allen
+weet, dat ik drie jaren burgtmaagd geweest ben; ook weet gij, dat ik
+gekozen ben tot volksmoeder en dat ik niet volksmoeder wezen wilde,
+omdat ik Apol tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet,
+dat is, dat ik alle gebeurtenissen nagegaan heb, evenals of ik een
+wezenlijke volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weder
+gereisd, toeziende wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veele zaken
+openbaar geworden, die anderen niet weten. Gij hebt gisteren gezegd,
+dat onze stamverwanten aan de andere zijde der Wezer tam en laf waren;
+doch ik mag tot u zeggen, dat de Magy hun niet één dorp afgewonnen
+heeft door het geweld zijner wapenen, maar bloot door arglistige
+ranken en nog meer door de hebzucht der hertogen en edelingen. Frya
+heeft gezegd: wij moesten geene onvrije lieden bij ons toelaten;
+doch wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden nagevolgd;
+want in plaats van hunne gevangenen te dooden of vrij te laten,
+hebben zij Fryas raad veracht en hen tot hunne slaven gemaakt. Omdat
+zij zulks deden, had Frya geene lust meer langer over hen te waken;
+zij hebben eens anders vrijheid benomen, en dat is oorzaak, dat zij
+hunne eigene verloren hebben. Doch dat alles is u zelven ook bekend;
+maar ik wil tot u zeggen, hoe zij allengs zoo laag verzeild zijn. De
+vrouwen der Finnen kregen kinderen; deze groeiden op met onze vrije
+kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij te zamen op het hiem, of
+zij waren met elkander bij den haard. Daar hoorden zij met welgevallen
+naar de losbandige sagen der Finnen, omdat die slecht en nieuw
+waren. Zoo zijn zij ontfriesd ondanks de macht hunner ouders. Toen
+de kinderen groot werden en zagen dat de kinderen der Finnen geene
+wapenen mochten hanteeren en slechts moesten werken, kregen zij van
+het werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De meesters en hunne
+kloekste zoonen kropen bij de wulpsche meisjes der Finnen; en hunne
+eigene dochteren, door het slechte voorbeeld van den weg gebracht,
+lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, ten spot van
+hare verdorvene ouders. Toen de Magy dat in de neus kreeg, toen nam hij
+de schoonste zijner Finnen en Magyaren, en beloofde hun roode koeijen
+met gouden hoornen, zoo zij zich door ons volk lieten gevangen nemen,
+ten einde zijne leer te verbreiden. Maar zijne lieden deden meer;
+kinderen werden te zoek gemaakt, naar de bovenlanden weggevoerd,
+en nadat zij opgevoed waren in zijne verderfelijke leer, dan werden
+zij terug gezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren,
+klampten zij de Hertogen en Edelingen aan boord en zeiden, dat zij
+den Magy onderhoorig moesten worden, dan konden hunne zoonen hen
+opvolgen zonder door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om
+hunne goede daden een vóórdeel tot hun huis gekregen hadden, beloofden
+zij van zijnentwege ook nog een achterdeel er bij; zulken die een
+voor- en achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe;
+en die een ronddeel hadden eene geheele State. Waren de ouders te
+hard Fryasgezind, dan wenden zij den boeg en hielden aan op hunne
+verbasterde zoonen. Gisteren waren er onder u, die al het volk te
+hoop roepen wilden om de oostelijke Staten weder tot hare plicht
+te dwingen. Doch naar mijne eenvoudige meening zou dat verkeerd
+uitkomen. Denk eens, daar was er eene hevige longziekte onder het vee,
+en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen om uw
+gezonde vee te voeren onder hun ziek vee? Immers neen. Bijaldien nu
+iedereen beamen en toestemmen moet, dat het dan met de (vee)stapel
+erg afloopen zoude; wie zoude dan zoo onvoorzichtig wezen om zijne
+kinderen te wagen onder een volk, dat geheel en al verdorven is?
+
+Mocht ik u een raad geven, ik zoude tot u zeggen, gij moest voor alle
+dingen eene nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel dat gij daarmede
+aan den grond zit, uithoofde dat er van de dertien burgtmaagden,
+die wij nog overig hebben, wel acht zijn, die naar die eere dingen,
+maar daar zoude ik geen acht op slaan. Teuntia, die maagd is op de
+burgt Medeasblik, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand
+van wetenschap en helder inzicht en wel zoo sterk op haar volk en
+onze gewoonten gesteld, als alle andere te zamen. Voorts zoude ik
+aanraden, gij moest naar de burgten gaan en daar opschrijven alle
+wetten van Fryas tex, benevens alle geschiedenissen, ja alles wat
+er te vinden is op de wanden, opdat die alle niet verloren gaan,
+en met de burgten tevens niet worde vernield. Daar staat geschreven:
+De moeder en elke burgtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden,
+eenentwintig maagden en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bijvoegen,
+dan zoude ik schrijven, en alzoo veele eerzame dochteren om te leeren,
+als daar op de burgten wezen mogen. Want ik zeg in trouwe en de tijd
+zal het bevestigen, bijaldien gij echte Fryas kinderen wilt zijn,
+nimmer te overwinnen noch door list noch door wapenen, zoo behoort gij
+er voor te waken, dat uwe dochters echte Fryas vrouwen worden. Den
+kinderen moet men leeren, hoe groot ons land weleer geweest is,
+hoe groote mannen onze voorvaderen waren, hoe groot wij nog zijn,
+zoo wij ons neder liggen (vergelijken) bij anderen: men moet hun
+vertellen van de zeehelden en van hunne heldhaftige daden, ook over
+de verre zeetochten. Alle deze verhalen behooren gedaan te worden bij
+den haard, op het hiem, en waar het wezen moge, zoo in blijdschap,
+als bij tranen. Maar zal het standhoudend komen in het brein en in
+het hart, dan moeten alle leeringen over de lippen uwer vrouwen en
+dochteren daarin vloeijen. Adelas raad is opgevolgd.
+
+Deze zijn de grevetmannen onder wier bestuur dit boek is vervaardigd.
+
+Apol, Adelas man, driewerf is hij zeekoning geweest, nu is hij
+grevetman over Oostflyland en over de Lindeoorden, de burgten
+Liudgarda, Lindahem en Stavia zijn onder zijne hoede.
+
+De Saxman Storo, Sytias man, grevetman over de Hoogefennen en Wouden,
+negenwerf is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen; de burgten
+Buda en Manna-garda-forda zijn onder zijne hoede.
+
+Abelo, Jaltias man, grevetman over de Zuiderflylanden, driewerf is
+hij heerman geweest, de burgten Aken, Liudburg en Katsburg zijn onder
+zijne hoede.
+
+Enoch, Dywekes man, grevetman over Westflyland en Texel, negenmaal is
+hij tot zeekoning gekozen, Waraburg, Medeasblik, Forana en Fryasburg
+zijn onder zijne hoede.
+
+Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, vijf maal
+is hij zeekoning geweest, de burgt Walhallagara is onder zijne hoede.
+
+Dit stond op de wanden der Fryasburg te Texland geschreven, dat staat
+ook te Stavia, ook te Medeasblik.
+
+Het was Fryasdag en te dier tijd was het zeven maal zeven jaren
+geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder, naar Fryas
+begeerte. De burgt Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen. Nu
+zoude Festa hare nieuwe lamp opsteken, en toen dat gedaan was in
+tegenwoordigheid van het volk, toen riep Frya van hare waakstar, zoodat
+iedereen het hooren konde: Festa neem uwe stift en schrijf de dingen,
+die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzoo als haar geboden was. Zoo
+zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis gekomen.
+
+Dit is onze vroegste geschiedenis.
+
+Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte den aanvang, alsdan kwam
+de tijd, de tijd wrochte alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde
+alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het
+booze gedierte. Alles wat goed en liefelijk is, bragt zij bij dag
+voort, en alles wat boos en kwaad is, bragt zij bij nacht voort. Na
+het twaalfde Juulfeest bragt zij voort drie maagden:
+
+Lyda uit gloeijende stof,
+
+Finda uit heete stof, en
+
+Frya uit warme stof.
+
+Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem,
+opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen
+waren, kregen zij vermaak en genoegen in de droomen van Wralda. Haat
+trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf
+dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle menschen gekomen.
+
+Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren
+fonkelden hare oogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig
+bij de hare.
+
+Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen hooren, en wanneer er visschen
+in het water waren, ontging dat hare neusgaten niet.
+
+Snelgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij
+liep brak geen bloemstengel onder hare voet.
+
+Geweldige Lyda. Hard was hare stem, en schreeuwde zij uit verbittering,
+dan liep ieder schielijk weg.
+
+Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; hare daden werden
+door hare driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de
+sterken, en wanneer zij dat gedaan had, weende zij bij het lijk.
+
+Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste stierf
+zij van hartseer over de boosheid harer kinderen.
+
+Onverstandige Kinderen. Zij betichteden elkander van hunne moeders
+dood, zij huilden als wolven en vochten evenzoo, en terwijl zij zoo
+deden, vraten de vogels aan het lijk. Wie mag daarbij zijne tranen
+weerhouden.
+
+Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard; een boom
+kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij
+wel tien.
+
+Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen gelijk
+zij, hare oogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een slaaf.
+
+Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er
+niet eene van op. Zij verfoeide de goeden wegens hunne vrijmoedigheid,
+maar aan flikflooisters gaf zij bijna haar zelve weg. Dat was haar
+ongeluk. Haar hoofd was te vol, doch haar hart te ijdel. Zij beminde
+niemand dan haar zelve, en zij wilde dat elk haar lief zoude hebben.
+
+Valsche Finda. Honingzoet waren hare woorden; doch wie haar vertrouwde,
+dien was ongeluk nabij.
+
+Zelfzuchtige Finda, Over allen wilde zij heerschen, en hare zoonen
+waren gelijk zij. Zij lieten zich bedienen van hunne zusteren, en
+elkander sloegen zij om het meesterschap dood.
+
+Dubbelhartige Finda. Om een schuins woord werd zij gram, en de ergste
+daden roerden haar niet. Zag zij een hagedis eene spin verslinden,
+dan werd zij om het hart als ijs; maar zag zij hare kinderen een
+Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen.
+
+Ongelukkige Finda. Zij stierf in den bloeitijd van haar leven, en
+het is nog duister hoe zij gevallen is.
+
+Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij
+haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op,
+luid weenende om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet
+een eenige traan.
+
+Verfoeijelijk volk. De tex (inzetting), die Finda naliet, was op
+gouden bladen geschreven, doch de besten, waarvoor zij gemaakt was,
+was zij nimmer tot nut; de goede wetten werden uitgewischt en zelfzucht
+schreef daar slechte voor in de plaats. O Finda, toen werd de aarde
+vol bloed, en de hoofden der menschen maaiden uwe kinderen af gelijk
+grashalmen. Ja Finda, dat zijn de vruchten van uwe ijdelheid, zie
+neer van uwe waakstar en ween.
+
+Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw harer
+oogen won het de regenboog af.
+
+Schoone Frya. Als stralen der middagzon schitterden hare haarlokken,
+die zoo fijn waren als spinrag.
+
+Bekwame Frya. Ontsloten zich hare lippen, dan zwegen de vogelen en
+geen bladeren bewogen zich meer.
+
+Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor
+hare voeten neder, en hield de adder zijn gift terug.
+
+Reine Frya. Hare spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in
+de boesem der bloemen.
+
+Verstandige Frya. Het eerste wat zij hare kinderen leerde was
+zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij
+volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. Want,
+zeide zij, zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om
+u tot slaven te maken, uwe afkomst tot eene eeuwige schande.
+
+Milde Frya. Nimmer liet zij metaal uit de aarde delven om eigen
+voordeel, maar wanneer zij het deed, was het tot nut van iedereen.
+
+Gelukkigste Frya. Gelijk de sterren de aarde omzwermen, zoo zwermden
+hare kinderen om haar.
+
+Wijze Frya. Toen zij hare kinderen had opgevoed tot in het zevende
+lid, toen riep zij ze alle naar Flyland te zamen. Daar gaf zij hun
+hare tex, en zeide laat die uw wegwijzer wezen, dan zal het u nimmer
+kwalijk gaan.
+
+Uitverkoren Frya. Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als Wraldas
+zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten neder, de lucht werd
+zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar hunne moeder
+omzagen, was zij al lang opgerezen tot hare waakstar. Toen ten laatste
+sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het luchtruim: waak!
+
+Verziende Frya. Het land van waar zij was opgevaren, was nu een stroom,
+en behalve hare tex was daarin alles bedolven, wat van hare handen
+gekomen was.
+
+Gehoorzame kinderen. Toen zij tot hun zelven kwamen, toen maakten zij
+dit hooge terp, bouwden deze burgt daarop, aan diens wanden schreven
+zij de tex, en omdat iedereen die zoude mogen vinden, hebben zij het
+land daarom heen Texland geheeten. Daarom zal het blijven bestaan,
+zoo lang de aarde aarde is.
+
+
+
+
+
+FRYAS TEX.
+
+
+Heil verbeidt de vrijen. Ten laatste zullen zij mij weder zien. Doch
+hem alleen mag ik als vrij erkennen die geen slaaf is van een ander
+noch van zijne driften. Hier is mijn raad.
+
+1. Zoo wanneer de nood erg is, en goede raad en goede daad niets
+meer vermogen, roep dan den geest van Wralda aan; maar gij moet hem
+niet aanroepen, bevorens alle dingen beproefd zijn. Doch ik zeg u met
+redenen, en de tijd zal het waar maken: De moedeloozen zullen immer
+bezwijken onder hun eigen leed.
+
+2. Wraldas geest mag men alleen kniebuigende dank toewijden, ja
+driewerf, voor hetgene gij van hem genoten hebt, voor hetgene gij
+geniet en voor de hoop, die hij u laat in angstige tijden.
+
+3. Gij hebt gezien, hoe spoedig ik hulp verleende. Doe al eender
+met uwen naaste; maar en toef niet tot dat men u gebeden heeft; de
+lijdende zoude u vloeken, mijne maagden zouden uwen naam uitwisschen
+uit het boek en ik zoude u als een onbekende moeten afwijzen.
+
+4. Neem nimmer kniebuigende van uwen naaste dank aan, deze behoort
+aan Wraldas geest. De nijd zoude u bekruipen; de wijsheid zoude u
+belagchen; mijne maagden zouden u betigten van vaderroof.
+
+5. Vier dingen zijn tot uw genot gegeven, met name lucht, water,
+land en vuur; maar Wralda wil alleen daarvan bezitter wezen. Daarom
+raad ik u, gij zult u rechtvaardige mannen kiezen, die den arbeid en
+de vruchten naar recht verdeelen, zoodat niemand vrij van werken noch
+van verdedigen zij.
+
+6. Zoo wanneer daar iemand onder u gevonden wordt, die zijne eigene
+vrijheid verkoopt, die is niet van uw volk, hij is een bastaard met
+verbasterd bloed. Ik raad u, dat gij hem en zijne moeder uit het land
+drijft. Zeg dat tot uwe kinderen des morgens en des middags en des
+avonds, tot dat zij daar van droomen des nachts.
+
+7. Een iegelijk die een ander van zijne vrijheid berooft, al ware de
+ander hem schuldig, dien moet ik aan den leiband eener slavin laten
+voeren. Doch ik raad u om zijn lijk en dat zijner moeder op eene
+kale plaats te verbranden en daarna hunne asch vijftig voet onder
+den grond te begraven, opdat daar geen grashalm op groeijen moge,
+want zoodanig gras zoude uw kostelijkste vee dooden.
+
+8. Tast nooit aan het volk van Lyda, noch van Finda, omdat Wralda
+zoude hen helpen; zoodat al het geweld, dat van u uitging, op uw
+eigen hoofd zoude terugkeeren.
+
+9. Zoo wanneer het mocht gebeuren, dat zij van u raadgeving of iets
+anders begeerden, zoo behoort gij hen te helpen. Maar komen zij om
+te rooven, val dan op hen neder als het bliksemende vuur.
+
+10. Zoo wanneer een van hun eene uwer dochteren tot vrouw begeert,
+en zij dat wil, dan zult gij haar hare dwaasheid beduiden, doch wil
+zij toch haren vrijer volgen, dat zij dan met vrede ga.
+
+11. Wil uw zoon eene van hunne dochteren, dan moet gij even zoo doen
+als met uwe dochter. Maar noch de een, noch de ander mag terugkeeren,
+want zij zouden uitheemsche zeden en gewoonten medevoeren, en zoodra
+deze bij u gehuldigd worden, mag ik niet langer over u waken.
+
+12. Op mijne dienares Fasta heb ik al mijne hoop gevestigd. Daarom
+moet gij haar tot uwe Eeremoeder nemen. Volgt gij mijn raad, dan
+zal zij namaals mijne dienares blijven en alle vrome maagden die
+haar volgen. Dan zal de lamp nimmer uitgaan, die ik voor u opgestoken
+heb. Het licht daarvan zal dan eeuwig uw brein verlichten, en gij zult
+dan even vrij blijven van onvrij geweld, als uwe zoete rivierwateren
+van het zoute water der eindelooze zee.
+
+
+
+
+
+DIT HEEFT FASTA GEZEGD.
+
+
+Alle inzettingen die eene eeuw, dat is honderd jaren, mogen omloopen
+met den Kroder (kruijer) en zijn Juul, die mogen op raad der Eeremoeder
+en bij gemeene wil op de wanden der burgten gegrift worden; zijn
+zij op de wanden geschreven, dan zijn zij wetten (ewa), en het
+is onze plicht om die alle in eere te houden. Komt nood en dwang
+ons inzettingen te geven, strijdende met onze wetten en gewoonten,
+zoo moet de mensch doen gelijk zij eischen; doch zijn zij geweken,
+dan moet men immer tot het oude terugkeeren. Dat is Fryas wil en dat
+moet wezen die van alle hare kinderen.
+
+
+
+
+
+FASTA ZEIDE
+
+Alle dingen die men aanvangen wil, hoedanig zij mogen wezen, op
+den dag, waarop wij Frya gehuldigd hebben, zullen eeuwig falikant
+uitkomen. Nadat de tijd nu bewezen heeft, dat zij recht had, zoo is
+dat eene wet geworden, dat men zonder nood en dwang op Frya haren
+dag niets anders doen mag dan blijde feesten vieren.
+
+
+
+
+
+DIT ZIJN DE WETTEN DIE TOT DE BURGTEN BETREKKING HEBBEN.
+
+
+1. Zoo wanneer ergens eene burgt gebouwd is, dan moet de lamp aldaar
+aan de eerste lamp te Texland aangestoken worden, doch dat mag nimmer
+anders dan door de Moeder geschieden.
+
+2. Elke moeder zal hare eigene maagden kiezen. Eveneens die welke op
+andere burgen moeder zijn.
+
+3. De Moeder te Texland mag hare opvolgster kiezen, doch bijaldien
+zij sterft voor dat zij het gedaan heeft, dan moet die gekozen worden
+op eene algemeene vergadering bij raad van alle staten te zamen.
+
+4. De Moeder op Texland mag eenentwintig maagden hebben en zeven
+spinmeisjes, opdat er altijd zeven bij de lamp mogen waken des daags
+en des nachts. Bij de maagden die op de andere burgten als moeder
+dienen, even zoo vele.
+
+5. Bijaldien eene maagd aan iemand huwen wil, zoo moet zij dat aan
+de moeder berichten, en op staande voet tot de menschen terugkeeren,
+eer zij met haar tochtige adem het licht verontreinigt.
+
+6. Aan de Moeder en aan iedere burgtmaagd zal men toevoegen
+eenentwintig burgtheeren, zeven bejaarde wijzen, zeven bejaarde
+krijgslieden en zeven oude zeestrijders.
+
+7. Daarvan zullen alle jaren naar huis keeren drie van elk zevental,
+maar zij mogen niet opgevolgd worden door hunne nabestaanden, nader
+dan het vierde lid.
+
+8. Ieder mag drie honderd jonge burgtverdedigers hebben.
+
+9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van
+de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den
+oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren
+noodig zijn.
+
+10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren;
+doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten
+blijven hun geheele leven lang.
+
+11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene
+stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel
+het volk alleen.
+
+12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden,
+met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd
+drie boden met zeven paarden.
+
+15. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het
+volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet
+geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders zijn.
+
+14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren
+zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld
+ontvangt.
+
+15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet,
+dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem
+hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen.
+
+16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene
+burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt
+hem bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is
+naar den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade
+tochten. Is hij goedgekeurd, dan ontdoet hij zich van zijne wapenen
+en zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder.
+
+17. Is de zaak over ééne state, dan mogen er niet minder dan drie
+boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan moeten er nog
+driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen kwaad
+vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde.
+
+18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare kinderen,
+dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan, dat is
+de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om haar
+daar in te helpen.
+
+19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om uitspraak
+te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij de zaak
+twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken, opdat
+er vrede kome, en omdat het beter is dat aan één man onrecht gedaan
+wordt dan aan velen.
+
+20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op
+het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad,
+dan mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad,
+dan mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen
+raad beter is dan een verkeerde raad.
+
+21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan
+moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en bloot.
+
+22. Zijn hare burgtheeren medeplichtig, dan doet men even zoo met hen.
+
+23. Is hare schuld twijfelachtig of bloot vermoeden, dan moet men
+hier over beraadslagen en spreken, zoo het noodig is, eenentwintig
+weken lang. Stemt het half deel schuldig, zoo houde men haar voor
+onschuldig. Twee derde, zoo wacht men nog een vol jaar. Stemt men dan
+ook nog zoo, dan mag men haar voor schuldig houden, maar niet dooden.
+
+24. Bijaldien er onder het derde deel sommigen zijn, die haar voor
+zoo onschuldig houden, dat zij haar willen volgen, zoo mogen zij dat
+doen met al hunne drijvende en tilbare have en niemand behoort hen
+daarom te minachten, aangezien de meerderheid even goed kan dwalen
+als de minderheid.
+
+
+
+
+
+ALGEMEENE WET.
+
+
+1. Alle vrijgeborenen zijn op gelijke wijze geboren. Daarom moeten
+zij ook gelijke rechten hebben, even goed op het land als op het ee,
+dat is water, en op alles dat Wralda geeft.
+
+2. Elk manspersoon mag de vrouw zijner keuze vrijen, en elke dochter
+mag haren heildrank aanbieden aan hem, dien zij bemint.
+
+3. Heeft iemand eene vrouw genomen, dan geeft men hem huis en werf. Is
+er geen, dan moet het gebouwd worden.
+
+4. Is hij naar een ander dorp gegaan, om eene vrouw en wil hij daar
+blijven, dan moet men hem aldaar een huis en werf geven, benevens
+het genot van de hemrik.
+
+5. Aan ieder manspersoon moet men een achterdeel als werf bij zijn
+huis geven: want niemand mag een voordeel bij zijn huis hebben, veel
+min een ronddeel. Alleen wanneer iemand eene daad verricht heeft tot
+gemeenen nutte, dan mag hem dat gegeven worden. Ook mag zijn jongste
+zoon dat erven. Na dezen moet het dorp dat terugnemen.
+
+6. Elk dorp zal een hemrik hebben naar zijne behoefte en de graaf zal
+hoeden dat elk zijn deel bemest en goed houdt, opdat de nakomelingen
+geene schade lijden mogen.
+
+7. Elk dorp mag eene markt hebben ter koop en verkoop, of tot
+ruilhandel, Al het andere land zal bouw en bosch blijven. Doch de
+boomen daarin zal niemand vellen, buiten gemeene raad, en buiten
+weten van den woudgraaf. Want de wouden zijn ten gemeenen nutte,
+daarom mag niemand er meester van zijn.
+
+8. Als marktgeld mag het dorp niet meer nemen dan het twaalfde
+gedeelte van den koopschat, noch van de inwoners, noch van den
+verafwonenden. Ook mag de marktschatting niet eerder verkocht worden
+als het andere goed.
+
+9. Al het marktgeld moet jaarlijks verdeeld worden, drie dagen voor
+den Juuldag, in honderd deelen te verdeelen.
+
+10. De grevetman met zijne graven zal daarvan ontvangen twintig
+deelen; de marktrechter tien deelen en zijne helpers vijf deelen;
+de volksmoeder een deel; de vroedvrouw vier deelen; het dorp tien
+deelen; de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen,
+vijftig deelen.
+
+11. Degene die te markt komen mogen niet woekeren. Komen er sommige,
+dan is het de plicht der maagden, hen kenbaar te maken over het geheele
+land, opdat zij nimmer gekozen worden tot eenig ambt, want zulke hebben
+een gierig hart. Om rijkdom te vergaderen zouden zij alles verraden,
+het volk, de Moeder, hunne nabestaanden en ten laatsten zich zelven.
+
+12. Is er iemand zoo boos dat hij zuchtziek vee of bedorven waar voor
+heel goed verkoopt, dan moet de marktrechter hem weren en de maagden
+hem noemen over het geheele land.
+
+In vroegere tijden huisde Findas volk meest al te gader over hun
+moeders geboorteland, met name Aldland, dat nu in zee ligt. Zij
+waren dus ver af. Daarom hadden wij ook geen oorlog. Toen zij
+verdreven zijn en herwaarts kwamen om te rooven, toen kwam er van
+zelf landverdediging, heermannen, koningen en oorlog. Voor die alle
+kwamen inzettingen, en uit de inzettingen kwamen wetten.
+
+
+
+
+
+HIER VOLGEN DE WETTEN DIE DAARUIT ZAMENGESTELD ZIJN.
+
+
+1. Elke Fries moet de beleedigers of vijanden afweren, met al zulke
+wapenen, als hij verzinnen, bekomen en hanteren mag.
+
+2. Is een knaap twaalf jaar, dan moet hij de zevende dag missen van
+zijn leertijd om vaardig te worden met de wapenen.
+
+3. Is hij bekwaam geworden, dan geve men hem wapenen en hij wordt
+tot krijgsman geslagen.
+
+4. Is hij drie jaren krijgsman, dan wordt hij burgtheer en mag hij
+helpen zijn hoofdman te kiezen.
+
+5. Is hij zeven jaren kiezer, dan mag hij helpen een heerman of koning
+te kiezen en dan zelf ook gekozen worden.
+
+6. Alle jaren moet hij herkozen worden.
+
+7. Behalve de koning mogen alle ambtmannen wedergekozen worden,
+die recht doen en naar Fryas raad.
+
+8. Geen koning mag langer dan drie jaren koning blijven, opdat hij
+niet bestendig moge worden.
+
+9. Heeft hij zeven jaren gerust, dan mag hij weer gekozen worden.
+
+10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne
+nabestaanden ook naar die eer dingen.
+
+11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven,
+dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan
+het vierde lid.
+
+12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets
+verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te
+hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de
+liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen.
+
+
+
+
+
+DIT ZIJN DE RECHTEN DER MOEDER EN DER KONINGEN.
+
+
+1. Zoo wanneer er oorlog komt, zende de Moeder hare boden naar den
+koning, de koning zende boden naar de grevetmannen om de landweer.
+
+2. De grevetmannen roepen alle burgtheeren te zamen en bespreken hoe
+vele mannen zij zullen zenden.
+
+3. Alle besluiten van dezen moeten dadelijk naar de Moeder gezonden
+worden, met boden en getuigen.
+
+4 De Moeder laat alle besluiten verzamelen en geeft het guldengetal,
+dat is het middengetal van alle besluiten te zamen. Hiermede moet
+men vooreerst vrede hebben, en de koning eveneens.
+
+5. Is het leger te velde, dan behoeft de koning slechts met zijne
+hoofdmannen te raadplegen, doch daarbij moeten altijd de drie
+burgtheeren der Moeder vooraan zitten zonder stem. Deze burgtheeren
+moeten dagelijks boden naar de Moeder zenden, opdat zij weten moge
+of er iets gedaan wordt, strijdende met Fryas raadgeving.
+
+6. Wil de koning iets doen, en zijne raden niet, zoo mag hij het
+niet onderstaan.
+
+7. Komt een vijand onverwacht, dan moet men doen, zooals de koning
+gebiedt.
+
+8. Is de koning niet op het pad, dan moet men zijn volger gehoorzaam
+wezen, of die op dezen volgt, tot den laatsten toe.
+
+9. Is er geen hoofdman, dan moet men een kiezen.
+
+10. Is daar geen tijd toe, dan werpe zich een tot hoofdman op, die
+zich sterk gevoelt.
+
+11. Heeft de koning een gevreesd volk afgeslagen, dan mogen zijne
+nakomelingen zijnen naam achter hun eigen naam voeren. De koning
+mag, zoo hij wil, op eene onbebouwde plaats eene plek uitkiezen tot
+een huis en erf. Dat erf mag een ronddeel zijn, zoo groot, dat hij
+naar alle zijden zeven honderd treden van zijn huis af loopen mag,
+eer hij aan zijn grensscheiding komt.
+
+12. Zijn jongste zoon mag dat goed erven, na hem diens jongste zoon,
+dan zal men het terug nemen.
+
+
+
+
+
+HIER ZIJN DE RECHTEN ALLER FRIESEN OM VEILIG TE WEZEN.
+
+
+Zoo wanneer er wetten gemaakt worden, of nieuwe inzettingen
+zamengesteld, alsdan moet het ten gemeenen nutte geschieden, maar
+nimmer ten bate van enkelde menschen, noch van enkelde geslachten,
+noch van enkelde staten, noch van iets dat enkeld is.
+
+2. Zoo wanneer er oorlog komt en daar worden huizen vernield of
+schepen, hoedanig het ook wezen mogen, hetzij door den vijand, hetzij
+bij gemeenen rade, zoo behoort de gemeene gemeente, dat is al het volk
+te zamen, dit weder te vergoeden, daarom opdat niemand de algemeene
+zaak zal helpen verliezen, om zijn eigen goed te behouden.
+
+3. Is de oorlog voorbij gegaan, en zijn er sommige zoodanig verminkt,
+dat zij niet langer werken kunnen, dan moet de gemeene gemeente hen
+onderhouden, bij de feesten behooren zij vooraan te zitten, opdat de
+jeugd hen zal eeren.
+
+4. Zijn er weduwen en weezen gekomen, dan moet men haar ook
+onderhouden, en de zonen mogen de namen hunner vaderen op hunne
+schilden schrijven tot eere van hun geslacht.
+
+5. Zijn er sommigen door den vijand gevangen genomen en komen zij
+terug, dan moet men hen verre van het kamp wegvoeren, want zij mochten
+vrij gelaten zijn onder kwade beloften, en dan mogen zij hunne beloften
+niet houden en toch eerlijk blijven.
+
+6. Indien wij zelve vijanden gevangen nemen, dan voere men die diep
+in het land weg, en leert hen onze vrije zeden.
+
+7. Indien men hen naderhand vrijlaat, dan laat men dat met goedheid
+door de Maagden doen, opdat wij makkers en vrienden winnen in plaats
+van haters en vijanden.
+
+
+
+
+
+UIT MINNO'S GESCHRIFTEN.
+
+
+Zoo wanneer daar een man is dermate boos, dat hij onze naburen berooft,
+doodslagen pleegt, huizen in brand steekt, maagden schendt, wat het
+ook zij dat boos is, en onze landgenooten willen dat gewroken hebben,
+dan is het recht, dat men den dader vatte en in hunne tegenwoordigheid
+doode, opdat daar over geen oorlog kome, waardoor de onschuldige zoude
+boeten voor den schuldige. Willen zij hem zijn lijf laten behouden
+en de wraak laten afkoopen, zoo mag men dat gedoogen. Is de schuldige
+een koning, grevetman, grevet, wie dat het zij, die over de zeden moet
+waken, zoo moeten wij het kwaad herstellen, maar hij moet zijne straf
+hebben. Voert hij een eernaam op zijn schild van zijne voorvaderen,
+dan mogen zijne nabestaanden dien naam niet langer voeren, daarom
+dat de eene bloedverwant zorgdragen zal over de zeden des anderen.
+
+
+
+
+
+WETTEN VOOR DE STUURLIEDEN. STUURMAN IS EEN TITEL VOOR DE
+BUITENVAARDERS.
+
+
+1. Alle Fryas zonen hebben gelijke rechten, daarom mogen alle flinke
+knapen zich als buitenvaarders aanmelden bij den olderman, en deze
+mag hen niet afwijzen, ten ware dat er geen plaats is.
+
+2. De stuurlieden mogen hun eigen meesters benoemen.
+
+3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente,
+aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen
+stem hebben.
+
+4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is,
+dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning
+zich beklagen bij den olderman.
+
+5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de zeelieden
+daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning twaalf
+mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen elk
+twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk elk
+een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de middelste
+jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een tweederde deel.
+
+6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen voor
+hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene feesten,
+bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten.
+
+7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun
+deel erven.
+
+8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene
+gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld,
+dan mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren.
+
+9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een geheel
+mansdeel hebben.
+
+10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen
+om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor
+deze eer weduw blijven haar leven lang.
+
+11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders
+zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen.
+
+12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch erf,
+dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo mogen
+zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat vergoeden
+naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel weigeren.
+
+
+
+
+
+NUTTIGE ZAKEN UIT DE NAGELATEN SCHRIFTEN VAN MINNO.
+
+
+Minno was een oude zeekoning, een ziener en wijsgeer; hij heeft aan
+de Kretensen wetten gegeven. Hij is geboren aan de Lindeoord, en
+na al zijne omzwervingen heeft hij het geluk genoten om te Lindahem
+te sterven.
+
+Zoo wanneer onze naburen een stuk land hebben of water, dat ons goed
+toeschijnt, zoo voegt het ons dat te koop te vragen; willen zij dat
+niet doen, zoo moet men hun dat laten behouden: dat is naar Fryas
+tex en het zoude onrecht wezen dat afhandig te maken.
+
+Wanneer er naburen te zamen kijven en twisten over eenige zaak (anders)
+dan over land, en zij ons verzoeken een oordeel uit te spreken, zoo
+behoort men dat liever achterwege te laten; doch als men daar niet
+buiten kan, zoo moet men dat eerlijk en rechtvaardig doen.
+
+Komt er iemand en zegt: ik heb oorlog en nu moet gij mij helpen. Of
+een ander komt en zegt: mijn zoon is minderjarig en onbekwaam en ik
+ben oud, nu wilde ik u tot voogd over hem en over mijn land stellen,
+totdat hij meerderjarig is, zoo behoort men dat te weigeren, opdat wij
+niet in twist mogen komen over zaken strijdende met onze vrije zeden.
+
+Wanneer een buitenlandsch koopman komt op de toegelatene markt te
+Wyringen of te Almanland en hij bedriegt, zoo wordt hij terstond in
+de marktboete geslagen en door de maagden kenbaar gemaakt over het
+geheele land. Komt hij dan terug, dan zal niemand van hem koopen, en
+hij mag vertrekken gelijk hij gekomen is. Dus wanneer er kooplieden
+gekozen worden om ter markt te gaan, of met de vloot te varen, dan
+behoort men alleen dezulken te kiezen, die men door en door kent en
+in een goeden roep staan bij de maagden. Gebeurt het desniettemin,
+dat er een slecht man onder is, die de menschen bedriegen wil, zoo
+behooren de anderen dat te weren. Heeft hij het reeds gedaan, dan
+moet men dat herstellen, en den misdadiger uit het land verbannen,
+opdat onze naam overal met eere genoemd mag worden.
+
+Maar zoo wij ons op eene buitenlandsche markt bevinden, hetzij nabij
+of ver af en het volk ons leed doet of besteelt, dan behooren wij met
+een haastigen aanval toe te slaan, want ofschoon wij alles behooren te
+doen om des vredes wille, mogen onze halfbroeders ons nimmer minachten
+of wanen dat wij bang zijn.
+
+In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten,
+achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze
+voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda
+of Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en
+zeeën heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik
+overtuigd, dat wij alleen door Alfader uitverkoren zijn, om wetten
+te hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden,
+zij zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Velen gelijken op Finda,
+zijn schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hovaardig, valsch,
+onkuisch en moordzuchtig. De padde blaast zich op en zij kan slechts
+kruipen. De kikvorsch roept werk, werk, en zij doet niets als huppelen
+en grappenmaken. De raven roepen spaar, spaar, maar zij stelen en
+verslinden al wat onder hun snavel komt. Aan die allen gelijk is
+het Findas volk, zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil
+inzettingen maken om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan
+gebonden wezen. Diegene wiens geest het listigste is en daardoor
+sterk, diens haan kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn
+wil onderworpen wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel
+verdrijft. Het woord ewa is te heilig om eene gemeene zaak te benoemen,
+daarom heeft men ons evin leeren zeggen. Ewa beteekent inzettingen,
+die bij alle menschen gelijkelijk in hun gemoed geprent zijn, opdat
+zij weten mogen wat recht en onrecht is, en waardoor zij in staat
+zijn hunne eigene daden en die van anderen te beoordeelen, dat wil
+zeggen: alzoo verre zij goed en niet misdadig opgevoed zijn. Ook is
+er nog een andere zin aan vast: Ewa (effen) beteekent ook gelijk,
+vlak als water, recht en slecht gelijk water dat door geen hevige wind
+of iets anders verstoord is. Wordt het water verstoord, dan wordt het
+oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weder effen te worden. Dat
+ligt in zijn wezen, even als de neiging tot recht en vrijheid in Fryas
+kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door den geest van Wralda onzen
+vader, die luide spreekt in Fryas kinderen. Daarom zal die ook eeuwig
+beklijven. Ewa (eeuwig) is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die
+eeuwig recht en onverstoord blijft, ofschoon het in zijn ligchaam
+erg toe gaat. Eeuwig en onverstoord zijn de kenmerken der wijsheid
+en rechtvaardigheid die door alle vrome menschen gezocht en door alle
+rechteren moeten bezeten worden. Willen dus de menschen inzettingen en
+bepalingen maken, die steeds goed blijven en aller wege, zoo moeten
+zij gelijk wezen voor alle menschen. Naar deze wetten behooren de
+rechteren hun oordeel uit te spreken. Is er eenig kwaad bedreven,
+waaromtrent geene wetten gemaakt zijn, zoo moet men eene algemeene
+vergadering beleggen, daar oordeelt men naar den zin, dien Wraldas
+geest in ons spreekt, om over alles rechtvaardig te oordeelen. Zoo
+doende zal ons oordeel nimmer falikant uitkomen. Doet men geen recht,
+maar onrecht, dan rijst er twist en tweespalt onder de menschen en
+staten; daaruit ontspruit binnenlandsche oorlog, waardoor alles in de
+war gebragt en in 't verderf gestort wordt. Maar o domheid. Terwijl wij
+bezig zijn elkander te schaden, komt het nijdige volk Findas met zijne
+valsche priesteren om uwe have te rooven, uwe dochteren te schenden,
+uwe zeden te verderven, en ten laatste sluiten zij slavenbanden om
+een ieders vrijen hals.
+
+
+
+
+
+UIT MINNOS SCHRIFTEN.
+
+
+Toen Nyhalennia, die van haar eigen naam Min-erva heette, goed gezeten
+was, en de Krekalanders haar soms evenzeer lief hadden als ons eigen
+volk, toen kwamen daar eenige vorsten en priesteren op hare burgt en
+vraagden Min-erva, waar hare erven gelegen waren. Hellenia antwoorde
+mijne erven draag ik om in mijn boezem, 't gene ik geërfd heb is liefde
+tot wijsheid, rechtvaardigheid en vrijheid. Heb ik die verloren, dan
+ben ik gelijk aan den minste van uwe slaven. Nu geef ik raad om niet,
+maar dan zoude ik die verkoopen. De heeren gingen heen en riepen al
+lachende, uwe gehoorzame dienaren, wijze Hellenia. Doch daarmede misten
+zij hun doel, want het volk dat haar beminde en volgde nam dezen naam
+als een eernaam op. Toen zij zagen, dat hun schot gemist had, toen
+gingen zij haar belasteren, en zeiden dat zij het volk behekst had;
+maar ons volk en de goede Krekalanders beweerden allerwege dat het
+laster was. Eens kwamen zij en vroegen: als gij dan geen tioenster
+(heks) zijt, wat doet gij dan met de eijeren, die gij altijd bij
+u hebt. Minerva antwoordde: Deze eijeren zijn het zinnebeeld van
+Frya's raadgevingen, waarin onze toekomst verholen ligt en die van het
+geheele menschelijk geslacht. De tijd moet ze uitbroeden, en wij moeten
+waken dat er geen leed aan komt. De priesteren (zeiden): goed gezegd,
+maar waartoe dient de hond aan uwe rechter hand. Hellenia antwoorde:
+Heeft de herder geen schaapshond om zijne kudde bijeen te houden? wat
+de hond is in de dienst des schaapsherders, dat ben ik in Frya's
+dienst. Ik moet over Frya's kudde waken. Dat komt ons goed voor zeiden
+de priesters, maar zeg ons wat is de beteekenis van de nachtuil, die
+altijd boven uw hoofd zit; is dat lichtschuwende dier soms het teeken
+van uw helder zien? Neen, antwoorde Hellenia, hij helpt mij herinneren
+dat er een slag van menschen over de aarde omdwaalt, dat even gelijk
+hij in kerken en holen huist, die in duister omwroeten, doch niet
+als hij, om ons van muizen en andere plagen te bevrijden, maar om
+ranken te verzinnen, andere menschen hunne wetenschap te rooven,
+opdat zij hen des te beter mogen vatten om er slaven van te maken, en
+hun bloed uit te zuigen even als de bloedzuigers doen. Eens kwamen zij
+met eene bende volks (de pest was over het land gekomen), zij zeiden:
+wij alle zijn bezig de goden te offeren, opdat zij de pest mogen weren,
+wilt gij dan niet helpen hunne gramschap te stillen, of hebt gij zelve
+de pest over het land gebracht met uwe kunsten. Neen, zeide Minerva,
+maar ik ken geene goden die kwaaddoende zijn, daarom kan ik niet vragen
+of zij beter willen worden. Ik ken slechts een goede, dat is Wralda's
+geest, maar omdat hij goed is, doet hij ook geen kwaad. Waar komt het
+kwaad dan weg, vroegen de priesteren. Alle kwaad komt van u en van de
+domheid der menschen, die zich van u laten vangen. Indien uwe godheid
+dan zoo bijster goed is, waarom weert hij dan het kwaad niet, vroegen
+de priesters. Hellenia antwoorde: Frya heeft ons op den weg gebracht,
+en de Kroder, dat is de Tijd, die moet het overige doen; voor alle
+rampen is raad en hulp te vinden, doch Wralda wil dat wij die zelve
+zullen zoeken, opdat wij sterk zullen worden en wijs. Willen wij niet,
+dan laat hij onze verbastering uitrazen, opdat wij zullen ervaren,
+wat na verstandige daden en wat na dwaze daden volgt.
+
+Toen zeide een vorst: Ik zoude wanen, dat het beter ware, die te
+weeren. Wel mogelijk, antwoordde Hellenia, want dan zouden de menschen
+blijven gelijk makke schapen, gij en de priesters zoudt hen willen
+hoeden, maar ook scheren en naar de slachtbank voeren. Doch zoo wil
+het onze godheid niet, hij wil, dat wij elkander helpen, maar hij
+wil ook dat iedereen vrij zij en wijs worde. En dat is ook onze wil,
+en daarom kiest ons volk zijne vorsten, graven, raadgevers en alle
+bazen en meesters uit de wijsten der goede menschen, opdat alle man
+even zeer zijn best zal doen, om wijs en goed te worden. Zoodoende
+zullen wij eens weten en aan het volk leeren, dat wijs zijn en
+wijs doen alleen leidt tot zaligheid. Dat schijnt wel een oordeel,
+zeiden de priesters, maar als gij nu meent dat de pest door onze
+domheid ontstaat, zoude Nyhellenia dan wel zoo goed willen wezen,
+om ons wat van dat nieuwe licht te leenen, waarop zij zoo trotsch
+is. Ja, zeide Hellenia, de raven en andere vogelen komen alleen af op
+bedorven aas, maar de pest bemint niet alleen bedorven aas, maar ook
+bedorven zeden en gewoonten en booze lusten; wilt gij nu dat de pest
+van u zal wijken en niet terugkomen, dan moet gij de booze lusten
+wegdoen, opdat gij alle rein wordt van binnen en van buiten. Wij
+willen gelooven, dat de raad goed is, zeiden de priesters, maar zeg
+ons, hoe zullen wij daar alle menschen toe krijgen, die onder onze
+heerschappij zijn? Toen stond Hellenia op van haren zetel en sprak:
+De musschen volgen den zaaijer, de volken hunne goede vorsten, daarom
+betaamt het u te beginnen met u zelven alzoo rein te maken, dat gij
+uwe blikken naar binnen en naar buiten moogt richten zonder schaamrood
+te worden voor uw eigen gemoed. Doch in plaats van het volk rein te
+maken, hebt gij vuile feesten uitgevonden, waarop het volk alzoo lang
+zuipt, dat zij ten laatsten, gelijk de zwijnen in het slik wroeten,
+omdat gij uwe lusten boeten moogt. Het volk begon te joelen en te
+spotten, daardoor durfden zij geen strijd weder aan te spinnen. Nu
+zoude ieder wanen dat zij overal het volk te hoop geroepen hadden, om
+ons allen te zamen het land uit te drijven. Neen, in plaats van haar
+te beschimpen gingen zij allerwegen, ook naar het heinde Krekaland
+tot aan de Alpen uitroepen: dat het den Oppersten God behaagd had
+zijne verstandige dochter Minerva, bijgenaamd Nyhellenia, onder de
+menschen te zenden van over zee met eene wolk, om de menschen goede
+raad te geven, en opdat alle menschen die haar hooren wilden rijk
+en gelukkig zouden worden, en eens meester zouden worden over alle
+koningrijken der aarde. Zij stelden haar beeld op hunne altaren,
+zij verkondigden of verkochten aan de domme menschen allerwegen
+raadgevingen die zij nimmer gegeven had, en vertelden wonderen die zij
+nooit gedaan had. Door list wisten zij zich meester te maken van onze
+wetten en inzettingen en door listen en drogredenen wisten zij alles te
+bewijzen en te verbreiden. Zij stelden ook priesteressen onder hunne
+hoede, die schijnbaar onder de hoede van Festa onze eerste eeremoeder
+(waren) om over het heilige licht te waken, maar dat licht hadden zij
+zelve ontstoken, en in plaats van de priesteressen wijs te maken en
+naderhand onder het volk te zenden om de zieken te verplegen en de
+jeugd te onderwijzen, maakten zij ze dom en duister, en zij mochten
+nimmer buiten komen. Ook werden zij als raadgeefsters gebezigd, maar
+die raad was voor den schijn uit hare monden, want hare monden waren
+niet anders dan de roepers, waardoor de priesters hunne begeerten
+uitspraken. Toen Nyhellenia gestorven was, wilden wij eene andere
+moeder kiezen. Sommigen wilden naar Texland om aldaar eene te vragen;
+maar de priesters die bij hun eigen volk het rijk weder in hadden,
+wilden dat niet gedoogen, en kreten ons bij het volk als onheilig uit.
+
+
+
+
+
+UIT DE SCHRIFTEN VAN MINNO.
+
+
+Toen ik aldus weggevaren was met mijne lieden van Athenia, kwamen wij
+ten laatsten aan een eiland, door mijne manschappen Kreta geheeten,
+wegens de woeste kreten die het volk aanhief bij onze komst. Toen zij
+echter zagen, dat wij geen oorlog in het schild voerden, werden zij
+gedwee, zoodat ik ten laatsten voor een boot met ijzer gereedschap
+eene havenmond en een plek grond inruilde, doch toen wij daar eene
+poos gezeten waren, en zij bespeurden dat wij geene slaven hadden,
+toen waren zij daarover versteld. Maar toen dat ik hun nu verteld
+had, dat wij wetten hadden om gelijk recht te doen over allen, toen
+wilde het volk ook zulke hebben, doch nauwlijks hadden zij die, of
+het geheele land kwam in de war. De vorsten en priesteren kwamen en
+gaven voor dat wij hunne onderdanen oproerig gemaakt hadden, en het
+volk kwam tot ons om heul en schut te vragen. Doch toen de vorsten
+zagen dat zij hun rijk zouden verliezen, toen gaven zij aan het volk
+vrijheid en kwamen bij mij om een Asegaboek. Doch het volk was aan
+geen vrijheid gewoon, en de heeren bleven heerschen, naardat hun goed
+dacht. Nadat die storm over was, begonnen zij tweespalt tusschen ons
+te zaaijen. Zij zeiden aan mijn volk, dat ik hunne hulp had ingeroepen,
+om bestendig koning te worden. Eens vond ik vergif in mijne spijs. Doch
+als er eens een schip van Flyland bij ons verzeilde, ben ik daarmede
+stilletjes weggetogen. Doch mijn eigen wedervaren daarlatende, wil ik
+met deze geschiedenis alleen zeggen, dat wij ons niet moeten inlaten
+met Finda's volk, van waar het ook zij, omdat zij vol zijn van valsche
+ranken, even te vreezen als hunne zoete wijnen met doodend vergif.
+
+
+Einde van Menno's schriften.
+
+
+
+
+
+HIERONDER ZIJN DRIE BEGINSELEN, DAARNAAR ZIJN DEZE INZETTINGEN GEMAAKT.
+
+
+1. Iedereen weet dat hij zijn nooddruft moet hebben, maar wordt aan
+iemand zijne nooddruft onthouden, dan weet niemand wat hij doen zal,
+om zijn lijf te behouden.
+
+2. Alle volwassen menschen worden gedrongen kinderen te verwekken,
+zoo dat geweerd wordt, weet niemand, wat kwaads daarvan kan komen.
+
+3. Een ieder weet dat hij vrij en onverlet wil leven, en dat anderen
+dat ook willen. Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen
+gemaakt.
+
+Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze
+zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en
+vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en moord.
+
+1. Bijaldien iemand gebrek heeft en hij kan hem zelf niet helpen,
+zoo moeten de Maagden dat ter kennis brengen van den graaf, om reden
+dat het een hooghartigen Fries niet past dat zelf te doen.
+
+2. Zoo iemand arm wordt, doordien hij niet werken wil, die moet uit
+den lande uitgedreven worden; want de laffen en tragen zijn lastig
+en ergdenkend, daarom behoort men hen te weren.
+
+3. Ieder jong man behoort eene bruid te zoeken, en is hij vijf en
+twintig jaar oud, dan behoort hij eene vrouw te hebben.
+
+4. Is iemand vijf en twintig jaar, en heeft hij nog geene echtgenoot,
+dan behoort men hem uit zijn huis te weren, de knapen behooren hem
+te vermijden. Neemt hij dan nog geene vrouw, dan moet men hem dood
+verklaren, opdat hij uit het land vertrekke, en hier geen ergernis
+mag geven.
+
+5. Is iemand machteloos, dan moet hij openbaar zeggen dat niemand
+van hem te vreezen heeft, dan mag hij komen, waar hij wil.
+
+6. Pleegt hij naderhand ontucht, dan mag hij vluchten; vlucht hij niet,
+dan wordt hij aan de wraak der bedrogene overgelaten en niemand mag
+hem helpen.
+
+7. Bijaldien iemand eenig goed heeft, en een ander begeert dat
+dermate, dat hij zich daaraan vergrijpt, dan moet hij dat drievoudig
+vergelden. Steelt hij dan nog eens weer, dan moet hij naar de
+tinlanden; wil de bestolene hem vrij laten, dan mag hij dat doen,
+maar gebeurt het voor de derde reis, dan mag niemand hem de vrijheid
+schenken.
+
+
+
+
+
+DEZE BEPALINGEN ZIJN GEMAAKT VOOR TOORNIGE MENSCHEN.
+
+
+Zoo iemand in drift of uit boosheid een ander leden breekt, een oog
+uitstoot, ofte tand, wat het ook zij, zoo moet de beleediger betalen,
+wat de beleedigde eischt. Kan hij dat niet doen, zoo moet er openbaar
+aan hem gedaan worden, wat hij aan den ander deed. Wil hij dat niet
+uitstaan, dan moet hij zich tot zijne burgtmaagd wenden, of hij in
+de ijzer- of tinlanden mag werken, tot dat zijne schuld voldaan is
+volgens de algemeene bepaling.
+
+2. Wanneer iemand gevonden wordt zoo boos, dat hij een Fries dood
+slaat, dan moet hij dat met zijn lijf betalen. Doch kan zijne
+burgtmaagd hem voor altijd naar de tinlanden helpen, voor dat hij
+gevat wordt, dan mag zij dat doen.
+
+3. Bijaldien de gevangene kan bewijzen met erkende getuigen, dat het
+bij ongeluk geschied is, zoo zal hij vrij wezen. Maar gebeurt het
+nog eenmaal, dan moet hij toch naar de tinlanden, opdat men daardoor
+vermijde alle onbehoorlijke wraak en veete.
+
+
+
+
+
+DIT ZIJN BEPALINGEN VOOR DE HOERENKINDEREN.
+
+
+1. Wie eens anders huis uit boosheid den rooden haan opzet, is geen
+Fries, hij is een hoerenkind, met basterd bloed. Kan men hem op heeter
+daad vatten, dan moet men hem in het vuur werpen. Hij mag vlieden
+zoo hij kan, nergens zal hij veilig wezen voor de wrekende hand.
+
+2. Geen echte Fries zal over de misslagen zijns naaste mallen of
+kwaadspreken. Is iemand misdadig jegens hem zelven, maar niet te
+vreezen voor anderen, dan mag hij zijn eigen rechter wezen. Wordt hij
+zoo slecht, dat hij gevaarlijk wordt, dan moet men het aan den graaf
+openbaren. Maar is er iemand die een ander achter zijn rug aantijgt,
+in plaats van het bij den graaf te doen, die is een hoerenkind,
+op de markt moet hij aan den paal gebonden worden, zoodat het jong
+volk hem mag aanspuwen; daarna leidt men hem over de grenzen, maar
+niet naar de tinlanden, want een eerrover is ook te vreezen.
+
+3. Bijaldien er eens iemand zoo slecht was, dat hij ons ging verraden,
+aan den vijand de paden en bijpaden wees om onze vliedburgten
+te genaken, of des nachts daar in te sluipen, die zoude alleen
+gesproten zijn uit Finda's bloed, men zoude hem moeten verbranden,
+de zeelieden zouden zijne moeder en al zijne bloedverwanten naar
+een afgelegen eiland moeten brengen, en daar zijn asch verstuiven,
+opdat er geen vergiftige kruiden van mochten groeijen. De maagden
+moeten zijn naam vervloeken over alle onze staten, opdat geen kind
+zijn naam moge krijgen, en de ouden hem mogen verwerpen.
+
+Oorlog was voorbij gegaan, maar nood was in zijne plaats gekomen; nu
+waren er drie menschen die elk een zak koorn stalen van afzonderlijke
+eigenaren. Doch zij werden alle gevangen. Nu ging de eerste (eigenaar)
+heen en bracht den dief bij den schout, de maagden zeiden daarvan
+allerwege, dat hij gehandeld had naar het recht. De andere nam den
+dief het koorn af, en liet hem voorts met vrede; de maagden zeiden,
+hij heeft wel gedaan. Maar de derde eigenaar ging naar den dief in
+zijn huis. Toen hij nu zag, hoe de nood daar zijn zetel had opgesteld,
+ging hij terug en keerde weder met een wagen vol nooddruftigheden,
+waarmede hij den nood van den haard verdreef. Frya's maagden hadden
+bij hem rondgewaard en zijne daad in het eeuwige boek geschreven,
+terwijl zij al zijne zonden hadden uitgewischt. Het werd gezegd aan
+de eeremoeder, en deze liet het verkondigen over het geheele land.
+
+
+
+
+
+HETGENE HIERONDER STAAT IS AAN DE WANDEN VAN DE WARABURGT GEGRIFT.
+
+
+(Zie plaat I.)
+
+Wat hier boven staat, dat zijn de teekens van het Juul, dat is het
+eerste zinnebeeld van Wralda, ook van den aanvang of het begin, waaruit
+de Tijd is voortgekomen; deze is de Kroder, die eeuwig met het Juul
+moet rondloopen. Hiernaar heeft Frya het staand schrift gevormd,
+'t welk zij gebruikte voor hare tex. Toen Fasta eeremoeder was,
+heeft zij er het run of loopend schrift van gemaakt. De Witkoning
+d. i. Zeekoning Godfried, de oude, heeft er afzonderlijke getalteekens
+van gemaakt voor het staand en loopend schrift beide. Het is daarom
+niet te veel dat wij er jaarlijks eenmaal feest voor vieren. Wij
+mogen Wralda eeuwig dank wijden, dat hij zijn geest zoo krachtig
+over onze voorvaderen heeft laten varen. In haren tijd heeft Finda
+ook een schrift uitgevonden; maar dat was zoo hoogdravend en vol
+met franjes en krullen, dat de nakomelingen de beteekenis daarvan
+spoedig verloren hebben. Naderhand hebben zij ons schrift geleerd,
+met name de Finnen, de Thyriers en de Krekalander. Maar zij wisten
+niet goed, dat het van het Juul gemaakt was, en dat het daarom altijd
+moest geschreven worden met de zon om. Bovendien wilden zij dat hun
+schrift voor andere volken onleesbaar zoude wezen, omdat zij altijd
+geheimnissen hebben. Zoodoende zijn zij zeer van de wijs geraakt,
+dermate, dat de kinderen de schriften hunner ouderen bezwaarlijk kunnen
+lezen; terwijl wij onze alleroudste schriften even gemakkelijk kunnen
+lezen als die, die gisteren geschreven zijn.
+
+Hieronder is het staand schrift, daaronder het loopend schrift,
+vervolgens de getalteekens op beide wijzen.
+
+(Zie plaat II.)
+
+
+
+
+
+DIT STAAT OP ALLE BURGTEN GESCHREVEN.
+
+
+Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De zon
+rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters groeiden
+vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten hadden
+wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als goud
+blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden
+niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan
+de eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk
+behalve wij, mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij
+door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor
+het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het
+wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee,
+en ten westen aan de Middellandsche zee, zoodat wij buiten de kleine
+rivieren wel twaalf groot zoetwater stroomen hadden, ons door Wralda
+gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den weg
+naar zijne zee te wijzen.
+
+De oevers van deze stroomen werden somtijds alle door ons volk bezeten,
+ook de velden aan den Rijn, van 't eene einde tot het andere toe.
+
+Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met
+eene burgtmaagd. Van daar trokken wij koper en ijzer, benevens teer,
+pik en sommige andere benoodigdheden. Tegenover ons voormalig Westland
+hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der
+ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun
+lijf te behouden. Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst
+een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf,
+de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden
+en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie)
+en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land
+zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke
+gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd,
+uithoofde zij dikwijls anders niet deden dan barnsteen jutten
+(aan het strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden
+Letten geheeten, omdat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en
+kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde,
+werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren zoo
+noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of
+hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van
+daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers
+genoemd, omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven). Die
+in de hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden,
+werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd gewapend waren tegen
+het wild gedierte en de verwilderde Britten. Daarenboven hadden wij
+de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten.
+
+
+
+
+
+HOE DE BANGE TIJD KWAM.
+
+
+Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde
+zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor
+rook en damp als zeilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd
+aldus droef en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch
+vreugde. Te midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij
+stervende was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen;
+andere zonken in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had,
+hief zij nu bergen omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten,
+zonk neder, en de woeste golven traden zoo verre over bergen en
+dalen, dat alles onder de zee bedolven was. Vele menschen werden
+in de aarde begraven, en velen die aan het vuur ontkomen waren,
+kwamen daarna in het water om. Niet alleen in het land van Finda
+spuwden de bergen vuur, maar ook in het Twiskland. Wouden brandden
+daardoor achterelkander weg, en toen de wind daar van daan kwam,
+waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden verlegd en bij hunne
+monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend vee. Drie jaren was
+de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon men hare wouden
+zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee opgerezen
+en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk kwamen de
+ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd, of zij
+werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel geboden,
+en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt is.
+
+
+
+
+
+DIT STAAT AAN DE WARABURGT BIJ DE ALDEGAMUDE GEGRIFT.
+
+
+De Waraburgt is geen Maagdeburgt, maar daarin werden alle uitheemsche
+en buitenlandsche dingen bewaard, die mede gebracht zijn door de
+zeelieden. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uren) zuidwaarts
+van Medeasblik gelegen. Aldus is de voorafspraak: Bergen neigt uwe
+kruinen, wolken en stroomen weent. Ja, Schoonland bloost, slavenvolken
+stappen op uw kleed, o Frya.
+
+
+
+
+
+ZOO IS DE GESCHIEDENIS.
+
+
+100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam uit het oosten een volk
+weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons Twiskland,
+kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en elk ging
+zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons gekomen,
+maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland. Schoonland was
+schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van al. Daarom
+mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij anders geen
+leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij hen hebben
+leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en daarna hoe het
+ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk vele geslachten
+van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij hebben priesters,
+even als deze, en in de kerken hebben zij ook beelden. De priesters
+zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf Magyaren, hun opperste
+heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met een; al het andere volk
+is nul in 't cijfer en gelijk, en allen zijn onder hun geweld. Het
+volk heeft niet eens een naam; door ons worden zij Finnen genoemd;
+want ofschoon hunne feesten allemaal treurig en bloedig zijn, zijn
+zij daar toch zoo fijn op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn
+zij niet te benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters,
+maar nog veel meer van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol
+is van booze geesten, die in de menschen en dieren sluipen; maar van
+Wraldas geest weten zij niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren
+koperen. De Magyaren verhalen, dat zij de booze geesten kunnen bannen
+en verbannen, daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun
+gelaat is nimmer vrolijkheid te zien.
+
+Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij ons,
+zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen,
+die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen,
+en hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte
+onze waakzaamheid.
+
+Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij
+onverwacht, gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze
+landen toeloopen. Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd
+aangeroepen, maar de Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen
+werden krachten verzameld, drie palen van Godasburgt werden zij
+wederstaan, de oorlog bleef. Kat of Katerinne, zoo heette de
+priesteres, die burgtmaagd op Godasburgt was. Kat was trotsch en
+hooghartig, daarom liet zij noch raad, noch helpers aan de Moeder
+vragen. Maar toen de burgtheeren dat begrepen, zonden zij zelve boden
+naar Texland tot de Eeremoeder. Minna, zoo was de naam der Moeder, liet
+al de zeelieden oproepen en al het andere jong volk van Oostflyland
+en van de Dennemarken. Uit deze tocht is de geschiedenis van Wodin
+ontstaan, die op de burgten gegrift is, en hier is uitgeschreven.
+
+Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn
+naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven;
+Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij
+zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren
+zeestrijders, en juist nu bij hunne vaderen aan de Aldergamude. Toen
+nu de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun
+heerman of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning
+en Inka tot hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar
+de Dennemarken varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige
+landweer aan boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien
+in Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij elkander gevoegd
+hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya
+was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof
+het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal
+omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot
+Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch
+al wat wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij
+uwe broeders met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze
+vijanden voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij
+hebben dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft
+zich om ons niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander
+voor de helft vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen
+en ons allen vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij
+heeft gezien, dat Frya veel machtiger is als alle onze geesten te
+zamen. Hij wil zijn hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de
+krijgshaftigste koning der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze
+koning, en wij allen willen uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol
+voor u wezen, als gij de wilden weder terug kondt drijven, onze
+basuinen zouden het rondblazen, en onze berichten zouden u overal
+vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en krijgshaftig, maar hij was
+niet helder ziende, daardoor werd hij in hunne strikken gevangen en
+door den Magy gekroond. Zeer velen van de zeelieden en de landweer,
+dien deze keuze niet naar den zin was, vertrokken in stilte, Kat
+medenemende. Maar Kat die niet voor de Moeder, noch voor de algemeene
+vergadering, wilde verschijnen, sprong over boord. Toen kwam de
+stormwind en dreef de schepen op de schorren van de Dennemarken,
+zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben zij die straat het
+Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij op de wilden los;
+zij waren allen ruiters; gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins
+heer aan, maar als een dwarrelwind wendden zij om, en durfden niet
+weder verschijnen. Toen Wodin nu terug kwam, gaf de Magy hem zijne
+dochter tot vrouw. Daarop werd hij met kruiden berookt, doch er waren
+tooverkruiden onder; want Wodin werd trapsgewijze zoo zeer vermetel,
+dat hij Frya en Wraldas geest durfde miskennen en bespotten, terwijl
+hij zijn vrije hals boog voor de valsche gedrochtelijke beelden. Zijn
+rijk duurde zeven jaren, toen verdween hij. De Magy zeide dat hij onder
+hunne goden was opgenomen, en dat hij van daar over hen heerschte,
+maar ons volk lachte om zijne taal. Toen Wodin eene poos weg geweest
+was, kwam er tweespalt; wij wilden een anderen koning kiezen, maar
+dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij beweerde dat het een recht was,
+hem door zijne afgoden gegeven. Maar buiten en behalve deze twist,
+was nog eene tusschen de Magiaren en Finnen, die Frya noch Wodin
+wilden eeren, doch de Magy deed zoo als hem goed dacht, want zijne
+dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu wilde de Magy dat deze
+zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl allen keven en twisten,
+kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich zelven tot voogd of
+raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf, dan van het recht,
+lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele Magiaren vloden
+met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen scheep en een
+heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met hun.
+
+Nu komen de geschiedenissen van neef Teunis en zijn neef Inka eerst
+recht op het pad.
+
+
+
+
+
+DIT ALLES STAAT NIET ALLEEN OP DE WARABURGT, MAAR OOK OP DE BURGT
+STAVIA, DIE GELEGEN IS ACHTER DE HAVEN VAN STAVRE
+
+
+Toen Teunis met zijne schepen naar huis wilde keeren, ging hij
+het eerst op de Dennemarken af, maar hij mocht daar niet landen,
+dat had de Moeder besteld. Ook te Flyland mocht hij niet landen en
+voorts nergens. Hij zoude alzoo met zijne manschappen van kommer en
+gebrek omgekomen zijn; daarom gingen zij des nachts aan land om te
+rooven, en voeren bij dag verder. Aldus langs de kust voort varende
+kwamen zij tot de volkplanting Kadik, zoo geheeten omdat zij door een
+steenen kadijk gevormd was. Hier kochten zij allerhande leeftocht,
+maar Tuntia de burgtmaagd wilde niet gedoogen, dat zij zich daar
+nederzetteden. Toen zij gereed waren, kregen zij twist. Teunis wilde
+door de straat van de Middellandsche zee, om te varen voor den rijken
+koning van Egyptenland, gelijk hij wel eer gedaan had. Maar Inka zeide
+dat hij zijn bekomst had van al dat Findas volk. Inka meende dat er
+misschien wel een hooggelegen deel van Atland, bij wijze van eiland,
+zoude overgebleven wezen, waar hij met zijne manschappen vredig
+leven mocht. Als de beide neven het aldus niet eens konden worden,
+ging Teunis heen en stak een roode banier in het strand, en Inka
+eene blaauwe. Daarna mocht ieder kiezen, wien hij volgen wilde, en o
+wonder, tot Inka die er een afkeer van had, om de koningen van Findas
+volk te dienen, liepen de meeste Finnen en Magyaren over. Toen zij
+nu het volk geteld en de schepen daarnaar verdeeld hadden, scheidden
+de vloten van elkander; van neef Teunis is naderhand bericht gekomen,
+van neef Inka nimmer.
+
+Neef Teunis voer langs de kust door de straat der Middellandsche
+zee. Toen het Atland verzonken is, was het aan de oevers der
+Middellandsche zee ook erg toegegaan. Daardoor waren vele menschen van
+het Findas volk naar onze heinde en verre Krekalanden gekomen en ook
+velen van Lydas land. Daarentegen waren ook velen van ons volk naar
+Lydas land gegaan. Dat alles had uitgewerkt, dat de heinde en verre
+Krekalanden voor het oppergezag der Moeder verloren waren. Daar had
+Teunis op gerekend, daarom wilde hij daar een goede haven kiezen en
+van daaruit voor de rijke vorsten varen doch omdat zijne vloot en zijn
+volk er zoo haveloos uitzagen, meenden de Kadhemers (kustbewoners),
+dat zij roovers waren en daarom werden zij overal geweerd. Doch
+ten laatste kwamen zij aan Phoenisius kust, dat was 193 jaren nadat
+Atland gezonken is. Nabij de kust vonden zij een eiland met twee diepe
+golven, zoodat het als drie eilanden uitzag. Op het middelste daarvan
+stelden zij hunne schuilplaats op, naderhand bouwden zij daar eenen
+burgtwal om toe. Toen zij nu daaraan een naam, wilden geven, werden
+zij oneens, sommigen wilden het Fryasburgt heeten, andere Neettunia,
+maar de Magyaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburgt zoude
+heeten. Thyr noemden zij een hunner afgoden, en op diens verjaardag
+waren zij daar geland; tot eene vergelding wilden zij Teunis eeuwig
+als hun koning erkennen. Teunis liet hem belezen, en de anderen
+wilden daarover geen oorlog hebben. Toen zij nu goed zaten zonden
+zij sommige oude zeelieden en Magyaren aan den wal en verder naar
+de burgt Sydon, maar in het eerst wilden de Kadhemers niets van hen
+weten. Gij zijt veraf wonende zwervers, zeiden zij, die wij niet achten
+kunnen. Doch toen wij hun van onze ijzeren wapenen wilden verkoopen,
+ging ten laatsten alles goed. Ook waren zij zeer begeerig naar onze
+barnsteenen, en het vragen daarnaar nam geen einde. Maar Teunis, die
+verziende was, deed alsof hij geen ijzeren wapenen noch barnsteenen
+meer had. Toen kwamen de kooplieden en baden hem, hij zoude twintig
+schepen geven die zij alle met de fijnste waren wilden bevrachten,
+en zij wilden hem zoovele lieden tot roeijers geven als hij begeerde.
+
+Twaalf schepen liet hij bevrachten met wijn, honig, toebereid leder,
+daarbij kwamen toomen en zadels met goud overtrokken, gelijk men
+ze nimmer gezien had. Met al dien schat viel Teunis het Flymeer
+binnen. De grevetman van Westflyland werd door al deze dingen verrukt,
+hij bewerkte dat Teunis bij de mond van het Flymeer een pakhuis bouwen
+mocht. Naderhand is die plaats Almanaland genoemd en de markt, waarop
+zij naderhand te Wyringen ruilhandel mochten drijven, Toelaatmarkt. De
+Moeder raadde dat wij hun alles zouden verkoopen behalve ijzeren
+wapenen, maar men sloeg geen acht op haar. Daar de Thyriers dus vrij
+spel hadden, kwamen zij steeds weder om onze waren heinde en ver te
+vervoeren, tot schade van onze eigene zeelieden. Daarna is besloten
+op eene algemeene vergadering, jaarlijks zeven Tyrische schepen toe
+te laten en niet meer.
+
+
+
+
+
+WAT DAARVAN GEWORDEN IS.
+
+
+In de noordelijkste hoek van de Middellandsche zee ligt een eiland
+bij die kust. Nu kwamen zij dat te koop vragen. Daarover werd eene
+algemeene vergadering belegd. Moeders raad werd ingewonnen, maar Moeder
+zag hen liefst ver af. Daarom meende zij dat er geen kwaad in stak,
+doch als wij achterna zagen, hoe wij verkeerd gedaan hadden, noemden
+wij dat eiland Mis.sellia. [5] Hierachter zal blijken, hoe wij hiertoe
+reden hadden. De Golen, zoo heetten de zendeling-priesters van Sydon,
+hadden wel gezien dat het land daar schaars bevolkt was en ver van
+de Moeder was. Om nu zich zelven een goeden schijn te geven, lieten
+zij zich zelve in onze taal aan de trouw gewijden heeten, maar dat was
+beter geweest, als zij zich zelve van de trouw gewenden genoemd hadden
+of kort weg Triuwenden, gelijk onze zeelieden later gedaan hebben.
+
+Toen zij wel gezeten waren, ruilden hunne kooplieden schoone koperen
+wapenen en allerlei sieraden tegen onze ijzeren wapenen en huiden
+van wilde dieren, die in onze zuidelijke landen in menigte te bekomen
+waren, maar de Golen vierden allerhande vuile gedrochtelijke feesten,
+en dan dienden de Kadheimers die door toedoen van hunne wulpsche
+meisjes en de zoetheid van hunne vergiftige wijn. Was er iemand van
+ons volk die het zoo erg verbruid had, dat zijn leven in gevaar kwam,
+dan verleenden de Golen hem heul en schuilplaats, en voerden hem
+naar Phonisia, dat is Palmland. Was hij daar gezeten, dan moest hij
+aan zijne bloedverwanten, vrienden en aanverwanten schrijven, dat het
+land zoo goed was en de menschen zoo gelukkig, als niemand zich konde
+verbeelden. In Brittania waren zeer vele mannen, doch weinig vrouwen,
+toen de Golen dat wisten, lieten zij allerwege meisjes schaken, en
+deze gaven zij aan de Britten om niet. Doch al deze meisjes waren
+hunne dienaren die kinderen van Wralda stalen om ze aan hunne valsche
+afgoden te geven.
+
+
+
+
+
+NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN OVER DEN OORLOG DER BURGTMAAGDEN KALTA EN
+MIN-ERVA.
+
+
+En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de
+Golen verloren hebben.
+
+Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden, genoemd
+naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene eiland is
+de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de volgende
+geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en waak.
+
+563 jaar nadat Atland verzonken is zat hier eene wijze burgtpriesteres,
+Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd Nyhellenia. Deze
+bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij verleende was nieuw
+en helder boven alle andere.
+
+Over de Schelde op de Flyburgt, zat Sijrhed; deze burgtmaagd was vol
+ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare tong; maar de raad die zij
+gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden
+Kalta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de
+uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva
+het tweede en Syrhed het derde als opvolgster beschreven. Minerva
+had daar geen weet van, maar Syrhed was er door geknakt. Even als
+eene buitenlandsche vorstin wilde zij geëerd, gevreesd en gebeden
+wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen
+alle zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken
+en van het Flymeer. Dat kwetste Syrhed, want zij wilde boven Minerva
+uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude
+hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen
+en maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond,
+zeide zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt
+over de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar
+de haan heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne
+hoovaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten
+geworden. Als Kalta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van
+kwaad tot erger; in stilte liet zij de Magyaren bij zich komen om
+toverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich
+in de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet
+beteren. Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken,
+wilde zij hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig,
+dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij
+alle zouden vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts
+verblindde zij hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor
+water hielden, daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op
+het eerste krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren,
+liet zij hun tonne bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank
+gedaan. Toen het volk nu allen te zamen dronken waren, ging zij boven
+op haar strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het
+morgenrood kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen
+op haar gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en
+dochteren van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatste tijd veel
+schade en gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer
+komen om ons schrijfvilt te koopen, maar gij weet niet, waardoor dat
+gekomen is. Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu
+kan ik het niet langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt,
+waarnaar gij bijten moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij van
+tijd tot tijd de vaart van alle zeeën hebben, daar maken zij heden
+ten dage schrijfvilt van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit,
+en kunnen zij ons ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd
+ons voornaamste bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat
+men het van ons zoude leeren. Maar Minerva heeft al het volk behekst,
+ja behekst, vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven
+is. Er uit moet het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd,
+ik zoude het wel weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen
+zij het laatste woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar
+het beschonken volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet
+vermocht te waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal,
+en nadien de nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek
+op de burcht los. Doch Kalta miste al weder haar doel, want Minerva
+en hare maagden en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered.
+
+
+
+
+
+HIERBIJ KOMT DE GESCHIEDENIS VAN JON.
+
+
+Jon, Jôn, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan de
+uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het
+verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was
+zeekoning, geboren te Alderga, het Flymeer uitgevaren met 127 schepen
+uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin,
+koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en
+konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch
+toen Jon hier kwam en zag, hoe Kalta onze roemrijke burgt verwoest had,
+toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op
+Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar
+door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden
+de lamp en de maagden gered; doch Syrhed of Kalta mochten zij niet
+vatten. Zij klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in
+de vlammen moest omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden
+stokstijf van schrik stonden, kwam zij schooner als te voren op haren
+klepper, hun toeroepende: naar Kalta         . Toen stroomde het
+andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij:
+wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende
+gesneuveld zijn.
+
+Te dier tijde was Rosamund, dat is Rosamuda Moeder; zij had veel
+in der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam,
+maakte zij korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en
+liet een algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landsverdedigers
+uit alle oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon
+bergde zich met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide
+lampen, benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk,
+de heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan
+de overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer
+en terstond daarna naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele
+van ons volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag,
+dat men hem en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok
+hij heimelijk. Hij deed terecht, want al onze eilanders en al het
+andere Schelde volk, die gevochten hadden, werden naar Brittanje
+gebracht. Deze stap was verkeerd, want nu kwam het begin van het einde.
+
+Kalta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op
+het land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia
+af. Toen kwamen de Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee
+naar Kadix varen en geheel ons buitenland langs en vielen op en over
+Brittannia, doch daar konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de
+bestuurders machtig en de bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam
+Kalta en sprak: gij zijt vrij geboren en om kleine gebreken heeft men
+u tot verworpenen gemaakt, niet om u te verbeteren, maar om tin te
+winnen door uwe handen. Wilt gij weer vrij wezen en onder mijn raad
+en hoede leven, trekt dan uit, wapenen zullen u gegeven worden en ik
+zal over u waken. Als bliksemvuur ging het over de landen, en eer
+des Kroders juul eens omgeloopen was, was zij meesteres over allen
+te zamen en de Thyriers van al onze zuiderstaten tot de Seine. Om dat
+Kalta haar zelve niet betrouwde, liet zij in het noordelijke bergland
+een burgt bouwen. Kaltasburch werd zij geheeten, zij is nog in wezen
+maar nu heet zij Kerenak. Van deze burgt uit heerschte zij als eene
+echte moeder, doch niet ter wille van, maar over hare volgelingen,
+die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen heerschten allengs
+over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat zij geen burgten
+meer hadden, anderdeels omdat zij daar geene burgtmaagden hadden en
+in de derde plaats omdat zij geene echte lamp hadden. Door al deze
+oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom en dwaas en werd
+eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd en ten laatste
+als een stier bij de neus omgeleid.
+
+
+
+
+
+NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN HOE HET JON VERGAAN IS. HET STAAT TE TEXLAND
+GESCHREVEN.
+
+
+Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het
+Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen); en van
+hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven.
+
+Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hun
+overal vooruitgegaan, zoodat zij aan de kusten van het naastbijzijnde
+Krekaland (Italie) nergens veilig waren. Hij stak dus met zijne vloot
+naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie). Daar wilden de zwarte
+menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus,
+maar Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest
+door de priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk
+wij later hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben,
+die daar naar hun begrip van overlang was (?) hadden zij Teunis tot
+een God verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus
+achter den rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede
+rooven. Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet
+terug winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende
+Jon zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een
+land, dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond.
+
+Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of
+priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden
+beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet
+ruim genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te
+laf om verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en
+vaan, het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde
+scharen. Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste
+deel voegde zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij
+Jon. Jon nam de lamp van Kalta en hare maagden mede; Minerva behield
+hare eigene lamp en hare eigene maagden.
+
+Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige
+eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het
+woud tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden
+uit ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen,
+daarom zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische
+eilanden genoemd.
+
+Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika genoemd
+is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij onderhielden
+hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en honing. Zij waren
+met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen op de hellingen
+der bergen. Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers geheeten.
+
+In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet
+taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote
+vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten
+nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden
+helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne
+kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij
+eene burgt anderhalve paal (uurgaans) van de haven. Op raad van Minerva
+werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren
+te weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar
+als vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen
+de voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden,
+behaagde hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken,
+omdat zij dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde:
+hoe zijt gij wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoorden: sommige
+hebben wij gekocht, andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide:
+bijaldien niemand menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen
+rooven, en gij zoudt daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus onze
+bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten.
+
+Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar
+de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen,
+die wij nu van steen maken.
+
+Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva.
+
+Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om ijzeren
+burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig; doch zoo
+wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als zij daarin
+toegestemd hadden, vroegen die lieden of Fryas zeden te Athene en in
+de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder antwoorde: Indien de
+verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya behooren, zoo zullen zij
+daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe, dan zal er lang over
+gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog vijfduizend jaren
+met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor de vrijheid is.
+
+
+
+
+
+DIT IS OVER DE GEERTMANNEN.
+
+
+Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich
+als of zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude,
+hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij
+geene andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden,
+dat er onder hare maagden geene zouden wezen, die zij zoo zouden
+kunnen vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar
+wij wilden Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve
+ons gezegd had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas
+geest. Daarom kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder.
+
+Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet mochten
+braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij Minerva niet als
+eene Godin wilden bekennen uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel
+liefde had bewezen. Daarop gaven zij het volk beeldtenissen van hare
+gelijkenis, betuigende dat zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang
+zij gehoorzaam bleven. Door al deze verhalen werd het domme volk van
+ons afkeerig gemaakt, en ten laatsten vielen zij ons te lijf. Maar
+wij hadden onze steenen burgtwal met twee hoornen omgebogen tot
+aan de zee. Zij konden ons daarom niet genaken. Doch wat gebeurde,
+een Egyptenaar die een overpriester was, helder van oogen, klaar
+van brein, en verlicht van geest, zijn naam was Cecrops, hij kwam om
+raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met zijne lieden onze wal
+niet bestormen kon, toen zond hij boden naar Thyrus. Daarop kwamen
+driehonderd schepen vol soldaten van de wilde bergvolken onverwacht
+in onze haven varen, terwijl wij met al onze mannen op den wal
+strijdende waren.
+
+Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het
+dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje
+geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische
+zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij
+dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij
+zult uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden
+noch van verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te
+eischen, zij mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en
+dragende have, en hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der
+burgtheeren heel goed ziende, dat zij de burgt niet konden houden,
+raadden Geert aan, dat zij gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops
+woedend werd en anders begon en drie maanden daarna, vertrok Geert
+met met de beste Fryaszonen en zeven maal twaalf schepen. Toen zij
+een poos buiten de haven waren, kwamen er wel dertig schepen van
+Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene gaan, doch
+als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen zij met
+Geert. De zeekoning der Thyriers bracht allen te zamen door de straat,
+die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landen zij
+aan Pangab, dat is in onze spraak vijf wateren, omdat vijf rivieren
+met elkander naar de zee toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat
+land hebben zij Geertmania genoemd. De koning van Thyrus later ziende,
+dat zijne allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen
+met zijne wilde soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als
+zij bij de straat kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief
+aarde haar lijf daar zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep,
+en dat alle wadden en schorren als een burgtwal voor hen oprezen.
+
+Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen
+klaar en duidelijk zien kan.
+
+
+
+
+
+IN HET JAAR 1005 NADAT ATLAND GEZONKEN IS, IS DIT OP DE OOSTERWAND
+VAN FRIJASBURGT GESCHREVEN.
+
+
+Nadat wij in twaalf jaren tijd geen Krekalander te Almanland gezien
+hadden, kwamen hier drie schepen zoo sierlijk als wij er geen hadden,
+en te voren nimmer hadden gezien. Op het grootste van deze was een
+koning der Jonische eilanden; zijn naam was Ulysus en de roep zijner
+wijsheid groot. Aan dezen koning was door eene priesteres voorzegd
+dat hij koning zoude worden over alle Krekalanden, zoo hij raad wist
+om eene lamp te krijgen, die opgestoken was aan de lamp te Texland. Om
+die te verkrijgen had hij vele schatten medegebracht, bovenal vrouwen
+sieraden, gelijk er in de wereld niet schooner gemaakt werden. Zij
+waren afkomstig van Troje, eene stad, die de Krekalanders hadden
+ingenomen. Al deze schatten bood hij de Moeder aan; maar de Moeder
+wilde nergens van weten. Als hij ten laatsten zag, dat zij niet te
+winnen was, ging hij naar Walhallagara. Daar was eene burgtmaagd
+gezeten, wier naam was Kaat; doch in de wandeling werd zij Kalip
+genoemd, omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak. Bij deze
+heeft hij jaren vertoefd tot ergernis van allen die het wisten. Naar
+het zeggen der maagden heeft hij van haar ten laatste eene lamp
+gekregen; doch zij heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam,
+is zijn schip vergaan, en hij naakt en bloot opgenomen door de
+andere schepen.
+
+Van dezen koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver
+Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en hetgene hier
+volgt heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag
+besluiten, hoe waar de Moeder Hellicht gesproken heeft toen zij zeide
+dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de
+andere Krekalanders hebt gij zeker veel kwaad over Cecrops gehoord,
+want hij was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, hij was een
+verlicht man, hoogelijk geroemd, zoowel bij de inwoners als bij ons,
+want hij was er niet voor om de menschen te onderdrukken, gelijk de
+andere priesteren, maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid der ver
+afwonende volken naar waarde te schatten. Daarom, omdat hij dat wist
+heeft hij ons toegestaan, dat wij mochten leven naar ons eigenlijk
+Asegaboek. Er liep een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij
+geboren zoude wezen uit een Friesch meisje en een Egyptisch priester,
+uithoofde dat bij blauwe oogen had, en dat er vele meisjes bij ons
+geschaakt waren en verkocht naar Egypte. Doch zelf heeft hij dit
+nimmer bevestigd. Hoe het daarmede is, zeker is het dat hij ons meer
+vriendschap bewees, als alle andere priesteren te zamen. Maar toen
+hij gestorven was, gingen zijne opvolgers al spoedig aan onze wetten
+tornen, en allengs zoo vele ongeschikte keuren maken, dat er ten langen
+laatste van gelijkheid en van vrijheid niet anders, als de schijn en
+de naam overbleef. Verder wilden zij niet gedoogen dat de inzettingen
+in schrift werden gebracht, waardoor de wetenschap daarvan voor ons
+verborgen werd. Te voren werden alle zaken binnen Athene in onze taal
+bepleit, naderhand moest het in beide talen geschieden, en ten laatste
+alleen in de landstaal. In de eerste jaren nam het manvolk te Athene
+enkel vrouwen van ons eigen geslacht, maar het jongvolk opgewassen
+met de meisjes der landzaten namen daar ook van. De basterd kinderen
+die daarvan kwamen, waren de schoonste en schranderste van de wereld,
+maar zij waren ook de slechtste. Hinkende over beide zijden, zich
+bekreunende noch om wet, noch om gewoonte, tenzij dat het was voor hun
+eigen belang. Alzoo lang er nog een straal van Fryas geest opwelde,
+werd al de bouwstof tot gemeene werken verarbeid, en niemand mocht een
+huis bouwen, dat ruimer en rijker was als dat van zijn buurman. Doch
+toen sommige verbasterde stedelingen rijk waren door onze zeevaart
+en door het zilver, dat de slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen
+zij buiten op de hellingen (der bergen) of in de dalen wonen. Aldaar
+achter hooge wallen van loof of van steen, bouwden zij hoven (paleizen)
+met kostbaar huisraad, en om bij de vuile priesteren in een goeden
+dunk te wezen, plaatsten zij daar op valsche goden gelijkende en
+ontuchtige beelden in. Bij de vuile priesteren en vorsten werden soms
+de knapen meer begeerd, als de dochteren, en vaak door rijke giften
+of door geweld van het pad der deugd afgeleid. Naardien rijkdom bij
+het verwende en verbasterde geslacht ver boven deugd en eere gold, zag
+men altemet knapen, die zich met wijde prachtige kleederen versierden,
+hunne ouders en de maagden tot schande en hunne sekse ten spot. Kwamen
+onze eenvoudige ouders te Athene op de algemeene volksvergadering,
+en wilden daar zich beklagen, dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar
+zal een zeegedrocht spreken. Zoo is Athene geworden, gelijk een moeras
+in de heete landen vol bloedzuigers, padden en vergiftige slangen,
+waarin geen mensch van strenge zeden zijn voet kan wagen.
+
+
+
+
+
+DIT STAAT OP AL ONZE BURGEN.
+
+
+Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat Atland
+was verzonken. Door Wodins dwaze dartelheid, was de Magy meester
+geworden over het oosterdeel van Schoonland. Over de bergen en over
+de zee durfden zij niet komen. De Moeder wilde het niet weren, zij
+sprak zeggende: Ik zie geen gevaar in zijne wapenen, maar wel om de
+Schoonlanden weer te nemen, omdat zij verbasterd en verdorven zijn. Op
+de algemeene vergadering dacht men gelijkerwijze. Daarom is het aan
+hem gelaten. Groot honderd jaren geleden begonnen de Denemarkers met
+hun handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapenen, daarvoor ruilden
+zij gouden sieraden benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boden
+en raadde hun, zij zouden den ruilhandel laten varen. Daar was gevaar,
+zeide zij, voor hunne zeden, en indien zij hunne zeden verloren, dan
+zouden zij ook hunne vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden
+nergens ooren naar; zij wilden niet begrijpen, dat hunne zeden verloren
+konden gaan; daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste
+brachten zij hunne eigene wapenen en leeftocht zoek. Maar dit kwaad
+veroorzaakte hunne straf. Hunne ligchamen werden overladen met glans
+en schijn, maar hunne kisten, kasten en schuren werden ledig. Juist
+honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee
+gestoken was, kwam armoede en gebrek door de vensters binnen, honger
+spreidde zijne wieken uit en streek op het land neder, tweespalt liep
+trotsch over de straat, en voorts de huizen in, liefde kon geen steun
+langer vinden, en eendracht liep weg. Het kind vroeg eten van zijne
+moeder, en die had geene spijs, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen
+tot hunne mannen, deze gingen tot de graven, de graven hadden zelve
+niets, of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkoopen,
+maar terwijl de zeelieden daarmede vertrokken waren, kwam de vorst en
+legde een plank neder op de zee en op de straat (de Sond). Toen de
+vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het land
+uit, en het verraad klom op zijn zetel. In plaats van de oevers te
+bewaken, spanden hij hunne paarden voor hunne sleden, en reden naar
+Schoonland. Doch de Schoonlanders, die begeerig waren naar het land
+hunner voorvaderen, kwamen naar de Denemarken. Op een heldere nacht
+kwamen zij alle. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land hunner
+voorvaderen, en terwijl men daarover streed, kwamen de Finnen in de
+verlatene dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en dat zij
+geene goede wapenen hadden, deed hun de strijd verliezen en daarmede
+de vrijheid, want de Magy werd meester. Dat kwam daar van daan, dat
+zij Fryas tex niet lazen en hare raadgevingen verwaarloosd hadden. Er
+zijn sommigen, die meenen, dat zij door de graven verraden zijn, en dat
+de maagden dat al lang bespeurd hadden. Doch zoodra iemand daarover
+spreken wilde, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketens. Wij
+kunnen daarover niet oordeel vellen, maar wij willen u toeroepen:
+Verlaat u niet te zeer op de wijsheid en deugd noch van uwe vorsten
+noch van uwe maagden; want zal het stand houden, dan moet iedereen
+waken over zijn eigene hartstochten en voor het algemeene welzijn.
+
+Twee jaren daarna kwam de Magy zelf met eene vloot van lichte booten
+om aan de Moeder van Texland de lamp te ontrooven. Deze booze daad
+bestond hij bij nacht in den winter bij stormweder, terwijl de wind
+gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter,
+die meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijne toorts. Zoodra als het
+licht van den toren op het ronddeel neder viel, zag hij dat reeds vele
+gewapende mannen over de burgtwal waren. Nu ging hij om de klok te
+luiden, doch het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren reeds twee
+duizend in de weer om de poort te rammeijen. De strijd duurde daarom
+kort, want omdat de krijgslieden geene goede wacht gehouden hadden,
+kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten was, was er een
+leelijke Fin in de (fleete) of het slaapvertrek van de Moeder binnen
+geslopen, en wilde haar geweld aandoen. De Moeder weerde hem af, dat
+hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weder op de been was,
+stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wilt gij mijne roede
+niet, zoo zult gij mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een zeeman van
+de Denemarken, deze nam zijn zwaard en kloofde den Fin den kop. Daaruit
+stroomde zwart bloed en daarboven zweefde eene blaauwe vlam.
+
+De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen. Toen zij nu zoo
+verre hersteld en beter was, dat zij helder spreken konde, zeide
+de Magy, dat zij met hem mede varen moest, doch dat zij hare lamp
+en hare maagden zoude behouden, dat zij een staat zoude voeren,
+zoo hoog als zij nooit te voren gekend had. Voorts zeide hij, dat
+hij haar vragen zoude in tegenwoordigheid van zijne voornaamsten,
+of hij meester zoude worden over alle landen en volken van Frya. Hij
+zeide, dat zij dit bevestigen en verzekeren moest, anders zoude hij
+haar onder vele smarten laten sterven. Toen hij daarna alle zijne
+voornaamsten om haar leger vergaderd had, vroeg hij luide: Frana,
+vermits ge helderziende zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester
+zal worden over alle landen en volken van Frya. Frana deed, als sloeg
+zij geen acht op hem. Ten langen laatste opende zij hare lippen, en
+sprak: Mijne oogen worden verduisterd, doch het andere licht daagt
+op in mijne ziel. Ja, ik zie het. Hoor Irtha, en wees blijde met
+mij. In de tijden, dat Atland verzonken is, stond de eerste spaak
+van het Juul in top. Daarna is zij nedergegaan en onze vrijheid met
+haar. Als het twee spaken of twee duizend jaren nedergewenteld heeft,
+zullen de zonen opstaan, die de vorsten en priesteren in ontucht bij
+het volk geteeld hebben, en die tegen hunne vaderen getuigen. Die
+allen zullen door moord bezwijken; maar wat zij verkondigd hebben,
+zal voortdurend blijven en vruchtbaar worden in den boezem der kloeke
+menschen, gelijk goede zaden die neergelegd worden in uwen schoot. Nog
+duizend jaren zal de spaak naar beneden dalen en al meer neder zijgen
+in de duisternis en in het bloed over u uitgestort door de lagen der
+vorsten en priesteren. Daarna zal het morgenrood weder aanvangen te
+gloren. Dit ziende zullen de valsche vorsten en priesters allen te
+zamen tegen de vrijheid kampen en worstelen; maar vrijheid, liefde en
+eendracht zullen het volk in hare hoede nemen, en met het juul uit
+de vuile poel rijzen. Het licht, dat eerst alleen gloorde, zal dan
+van lieverlede tot eene vlam worden. Het bloed der boozen zal over uw
+ligchaam stroomen, maar gij moogt het niet tot u nemen. Ten laatste
+zal het vergiftige gedierte daarop azen en daarvan sterven. Alle vuile
+geschiedenissen, die verzonnen zijn om de vorsten en priesteren te
+roemen, zullen aan de vlam geofferd worden. Voortaan zullen alle
+uwe kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken had, zeeg zij
+neder. Maar de Magy, die haar niet wel verstaan had, schreeuwde: ik
+heb u gevraagd of ik meester zoude worden over alle landen en volken
+van Frya, en nu hebt gij tot een ander gesproken. Frana richtte zich
+weder op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven etmalen om zijn,
+zal uwe ziel met de nachtvogels bij de graven rond waren, en uw lijk
+zal liggen op den bodem van de zee. Heel goed, zeide de Magy met
+verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij tot zijn
+gerigtsdienaars: werpt dat wijf over scheepsboord. Zoo was het einde
+van de laatste der Moeders. Wraak willen wij daarover niet roepen,
+die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij Frya
+na roepen: waak! waak! waak!
+
+
+
+
+
+HOE HET DEN MAGY VERDER GEGAAN IS.
+
+
+Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar zijn
+schip brengen, benevens allen inboedel, die hem behaagde. Vervolgens
+ging hij het Flymeer op, want hij wilde de maagd van Medeasblik of
+van Stavoren rooven, en die tot Moeder aanstellen. Doch daar waren
+zij op hunne hoede gebracht. De zeelieden van Staveren en Alderga
+hadden zich gaarne tot Jon begeven, maar de groote vloot was op eene
+verre tocht uit. Nu gingen zij heen en voeren met hunne kleine vloot
+naar Medeasblik en hielden zich schuil achter de luwte der boomen. De
+Magy naderde Medeasblik, bij helderen dag en schijnende zon. Evenwel
+gingen zijne manschappen stoutweg op de burgt aanstormen. Maar als
+al het volk met de booten geland was, kwamen onze zeelieden uit de
+kreek weg en schoten hunne pijlen met brandende terpentijnballen op
+zijne vloot. Zij waren zoo goed gericht, dat vele van zijne schepen
+terstond in brand waren. Die op de schepen de wacht hielden, schoten
+ook naar ons, doch zij raakten niets. Toen ten laatste een schip al
+brandende naar het schip van den Magy dreef, beval hij zijn stuurman
+af te houden; maar die stuurman was de Denemarker, die den Fin geveld
+had; deze zeide: gij hebt onze Eeremoeder naar den bodem van de
+zee gezonden om te melden, dat gij komen zoudt, dat zoudt gij door
+de drukte wel vergeten; nu wil ik zorgen, dat gij uw woord gestand
+doet. De Magy wilde hem afweren, maar de stuurman een echte Fries en
+sterk als een jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem
+over boord in de golvende zee. Vervolgens heesch hij zijn bruin schild
+in top en voer recht toe recht aan naar onze vloot. Daardoor kwamen
+de maagden ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan, en niemand
+wist, hoe het gekomen was. Toen zij op de onvernielde schepen hoorden,
+dat de Magy verdronken was, trokken zij weg, want de zeelieden daarvan
+waren meest Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, wendden onze
+zeelieden en schoten hunne brandpijlen op de Finnen af. Toen de Finnen
+dat zagen en hoe zij verraden waren, liep alles door elkander en er
+was langer geen gehoorzaamheid noch bevel. Op dat tijdstip liep de
+bezetting hen uit de burgt. Die niet vluchtte werd afgemaakt en die
+vluchtte vond zijn einde in de poelen van het Krylinger woud.
+
+
+
+
+
+NASCHRIFT.
+
+
+Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren
+onder hun, die zeide Medea mag wel lachen, als wij haar uit hare burgt
+redden. Daarom hebben de maagden die Kreek Medea mêilakkia genoemd. De
+gebeurtenissen, die daarna geschied zijn, mogen iedereen heugen. De
+maagden behooren die op hare wijze te verhalen en goed te laten
+beschrijven. Daarom rekenen wij hiermede onzen arbeid volbracht. Heil.
+
+
+ Einde van het Boek.
+
+
+
+
+
+DE SCHRIFTEN VAN ADELBROST EN APOLLONIA.
+
+
+Mijn naam is Adelbrost, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk ben
+ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit boek
+vervolgen, op zoodanige wijze als mijne moeder gesproken heeft.
+
+Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest
+er eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare
+opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te
+vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en
+wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksamarken paalt. Mijne
+moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het
+leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen,
+nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder
+van haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder
+behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt,
+en even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief
+heb boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet
+wezen. Zoo sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden
+wilden alle Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd
+en wilde niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk
+dus bandeloos. Uit het volgende moogt gij het begrijpen. Liudgert
+de koning die onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder
+gekozen, blijkbaar door alle staten met liefde en vertrouwen. Het
+was zijne beurt op het groote hof te Dokhem te wonen; en bij het
+leven der Moeder, werd hem daar groote eer bewezen; want het was er
+altijd zoo vol boden en ridders, als men er nooit te voren gezien
+had. Doch nu was hij eenzaam en verlaten; want iedereen was bevreesd,
+dat hij zich meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk
+de slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed,
+als hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den
+ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde
+op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten
+haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde
+er eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene
+maagd ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten
+voordeele van haar eigen staat. Door dusdanige ranken brachten zij
+tweespalt over de staten, en tornden zij den band zoodanig van een,
+dat het volk van de eene staat nijdig was op het volk van de andere
+staat, en voor het allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg
+daarvan is geweest, dat de Golen of Truwenden al ons land afgewonnen
+hebben tot aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het
+hierbij toegegaan is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het
+boek niet geschreven geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb,
+dat het helpen zal ten bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat
+ik daardoor het land zal winnen of behouden, dat is mijns achtens
+ondoenlijk. Ik schrijf alleen voor het nakomende geslacht, opdat
+zij al te zamen mogen weten, op hoedanige wijze wij verloren gingen,
+en opdat ieder daaruit leeren mag, dat alle kwaad zijne straf teelt.
+
+Mij heeft men Apollonia genoemd. Tweeëndertig dagen na moeders dood,
+heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf,
+zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader,
+die ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere
+broeder, van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar
+heeft hij eene burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om daar ons leed
+te wreken. Wralda heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf
+zonen gewonnen. Die alle brengen den Magy schrik en mijn broeder roem
+aan. Na den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten
+van onze landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten,
+Adelbond geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij
+mij en mijn jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de
+maagden en mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud
+was, heeft men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig
+was, werd hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder
+de zesde, maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne
+nakomelingen niet overa Linda achter hunne namen voeren; maar iedereen
+wilde het hebben ter eere van mijne moeder. Daarenboven heeft men ons
+ook een afschrift gegeven van het boek van Adela's aanhangers. Daarmede
+ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid kwam het
+in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften gevonden, ook
+lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter schrijven.
+
+Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest
+is op deze burgt. Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten
+overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift
+was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene
+vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd
+Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne
+Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij
+Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van
+waar meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund
+was, opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt
+zeer te hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet
+sluiten noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan,
+dat gij haar zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig,
+zoo is zij te voren hier Burgtmaagd geweest; is zij daarom wijzer en
+beter als ik en alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden
+en gewoonten? Was dat het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden
+zijn, toen zij daartoe gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk
+hebben met alle vreugde en genoegens, die daaraan verbonden zijn,
+in plaats van eenzaam over haar zelve en het volk te waken. Zij is
+zeer helderziende, goed, maar mijne oogen zijn verre van verduisterd
+te wezen. Ik heb gezien dat zij haren echtgenoot grootelijks bemint,
+nu goed, dat is loffelijk, maar ik heb verder gezien, dat Teuntje
+Apols nicht is. Wijders wil ik niets zeggen.
+
+De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar
+onder het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier
+kwam, wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden
+geëindigd: de messen uit den zak gehaald, en er werd geene Moeder
+gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot
+nu toe was hij braaf geweest, daarom had mijne burgtmaagd verlof hem
+buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar
+het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts
+naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde
+haar aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer,
+zij zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij
+meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin
+van Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder
+geworden. Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar
+bode zijne krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft
+haar bode zelf beleden.
+
+
+
+
+
+HET TWEEDE GESCHRIFT.
+
+
+Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was
+het Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan lustige
+vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na
+te jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid
+niet mag verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel
+onze oorden in dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de
+waakzaamheid wilde niet terugkeeren. De strandwakers waren van
+hunne noodvuren weggeloopen, en op de toegangen was niemand te
+zien. Toen de nevel optrok, keek de zon door de reeten der wolken
+op aarde neder. Iedereen kwam weder uit om te juichen en te joelen,
+het jongvolk trok zingende met de (zakpijp?), en deze vervulde de
+lucht met haar lieffelijken adem. Maar, terwijl daar iedereen zich in
+vreugde baadde, was verraad geland met paarden en ruiters; gelijk al
+het booze waren zij geholpen door de duisternis, en binnengeslopen
+door de paden van Lindaswoud. Voor de deur van Adela trokken twaalf
+meisjes met twaalf lammeren en twaalf knapen met twaalf hokkelingen,
+een jonge Saksman bereed een wilden buffel, dien hij zelf gevangen
+en getemd had. Met allerlei bloemen waren zij versierd, en de linnen
+jurken der meisjes waren omboord met goud uit den Rijn.
+
+Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op haar
+hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken
+boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier
+vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep
+Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en
+haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar
+binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees
+waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste
+der roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den
+tweede en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne
+ouders hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De
+roovers zouden hen spoedig gevangen genomen hebben, maar Adela kwam
+(op de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was
+zij lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over
+haar hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras.
+
+Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden
+geveld en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem
+getroffen. Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en
+daaraan stierf zij.
+
+
+
+
+
+DE LOFSPRAAK DER BURGTMAAGD.
+
+
+Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere
+zijn op weg.
+
+Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.
+
+Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste geweest.
+
+O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare
+tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij
+hare schoonheid verhoogen? Niet met parelen, want hare tanden zijn
+witter; niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met
+edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch
+te gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat
+spreek ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya
+die zeven schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene,
+hoogstens drie geërfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch
+zoude zij ons dierbaar wezen.
+
+Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van
+onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog
+grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.
+
+Zie hier, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op gindschen
+grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de
+moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij, roept
+zij, tracht hulp te verleenen, en Wralda zal u krachten geven. Daarop
+ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht eene brug te
+maken; nu helpt ook de andere en de kinderen zijn gered.
+
+Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen neêrleggen.
+
+Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden
+mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat
+de onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat
+zij onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een
+spinrok vast. De uitheemsche heeren kwamen hunne lieden opeischen;
+toen zij zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op;
+doch men verhaalde hun, hoe het gebeurd was.
+
+Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van
+haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten voor
+de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid hooren.
+
+Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt,
+is moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden
+gegrift.
+
+
+ LOOP NIET TE SCHIELIJK, WANT HIER LIGT ADELA.
+
+
+De oude leer, die gegrift is op de buitenwand des burgttorens, is niet
+geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten is,
+weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil
+ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten.
+
+
+
+
+
+OUDSTE LEER.
+
+
+Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor zal het
+zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is
+het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda
+is alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal
+tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest
+genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door
+zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen
+en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde,
+alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want
+alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda
+komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is
+hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem.
+
+Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het geschapene,
+en er zijn geene goede wetten, of zij moeten daarnaar ingericht
+zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der menschen
+is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid
+of domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda
+nimmer. Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft,
+zijn de boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid
+te vinden, noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele
+dingen zien; maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele
+dingen leeren, maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele
+dingen ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen
+zijn mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen
+beminnen en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is
+Wralda alleen goed, en er zijn geene goeden buiten hem. Met het Juul
+verandert en wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen
+onveranderlijk. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; en
+omdat hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn.
+
+
+
+
+
+HET TWEEDE DEEL VAN DE OUDSTE LEER.
+
+
+Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid
+zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden
+doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest
+het beste deel is van Wralda's geest, en dat Wralda alleen kan denken
+door hulp van hun brein.
+
+Dat ieder schepsel een deel is van Wralda's oneindig wezen, dat hebben
+zij van ons gestolen.
+
+Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid
+heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan
+zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want
+hun geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij
+naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon
+de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo
+hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen
+allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat
+daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en geëerd
+willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen en schatting
+eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf godsdienaren
+of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en vergaderen dat alles
+voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te behouden. Dat alles
+bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij zich zelven goden
+wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn er sommigen die
+hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden zij door hunne
+rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met vele statelijke
+plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in trouwe, alleen opdat
+zij hun niet schaden zouden. Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen
+tegen hunne afgodische leer, zoo behooren de maagden hen te doen van
+buiten leeren, wat hier zal volgen.
+
+Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij
+wezen. Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets
+buiten hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle
+dingen geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze
+zaken moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat
+zij het aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre
+gewonnen, dan zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo
+zijn wij een deel van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het
+geschapene. Doch wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen
+geest en al onze bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit
+alles zijn vluchtige dingen, die door Wraldas leven verschijnen;
+doch door zijne wijsheid zoodanig en niet anders verschijnen. Maar
+doordien zijn leven steeds voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne
+plaats blijven. Daarom verwisselen alle geschapene dingen van plaats,
+van gedaante en ook van denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch
+eenig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch
+zeggen: ik denk, maar bloot: ik dacht. De knaap is grooter en anders
+als toen hij een kind was. Hij heeft andere begeerten, neigingen en
+denkwijze. De man en vader is en denkt anders als toen hij knaap
+was. Even zoo de oude van dagen. Dat weet iedereen. Bijaldien nu
+iedereen weet, en moet erkennen, dat hij steeds wisselt, zoo moet hij
+ook bekennen, dat hij ieder oogenblik wisselt; ook terwijl hij zegt:
+ik ben; en dat zijne denkbeelden veranderen, terwijl hij zegt: ik denk.
+
+In plaats dus, van dat wij de boose Finda's op eene onwaardige wijze
+napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel Wraldas,
+ja door ons alleen mag hij denken, zoo willen wij verkondigen
+overal en allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn
+verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot:
+doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo
+goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda's geest,
+hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep, heeft
+hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele goede
+eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en zijne
+wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen wij
+spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene
+zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden
+nog redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe
+en door vloed.
+
+
+
+
+
+DIT STAAT OP SCHRIJFFILT GESCHREVEN. TAAL EN ANTWOORD AAN ANDERE
+MAAGDEN TOT EEN VOORBEELD.
+
+
+Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te
+Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda
+gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte
+Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan,
+zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het
+kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide:
+toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed
+tegen de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand,
+die haar hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in
+haar gemoed neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich;
+hare neiging koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder
+de beschuttende lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was,
+dat zij nat werd. Doch zij had gezien, hoe het water bij de hellende
+bladeren neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden,
+op staken maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen
+daaronder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij
+heen en maakte eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde
+en vervolgens aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als
+te voren, en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda,
+noch tegen Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen
+daarop. Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben,
+zoo beduidde zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze
+handelden en dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen
+gekomen met stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde
+tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en
+vervolgens al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest,
+dan moet gij trachten het andere beter te maken. Mijn huis was
+sterk genoeg, zeide hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd
+en de stormwind heeft het andere gedaan. Waar stond uw huis dan,
+vroeg Troost. Aan den oever van den Rijn, antwoordde de man. Stond
+het dan niet op eene nol (ronde hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen,
+zeide de man, mijn huis stond eenzaam bij den oever; alleen heb ik het
+gebouwd, maar ik kon daar alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel,
+antwoordde Troost, de maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw
+leven een afkeer gehad van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven
+of doen moest voor hun. Doch daarmede kan men niet verre komen. Want
+Wralda die mild is, keert hem af van de gierigen. Fåsta heeft ons
+geraden en boven de deuren van alle onze burgten is 't gegrift in
+steen: zijt ge erg baatzuchtig, zeide Fåsta, behoed dan uwe naasten,
+onderricht dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het
+u wederom doen. Is u deze raad niet goed genoeg, ik weet geene betere
+voor u. De man werd schaamrood en droop stil af.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK ZELF SCHRIJVEN, EERST OVER MIJNE BURGT EN DAN OVER HETGENE
+IK HEB MOGEN ZIEN.
+
+
+Mijne burgt ligt aan 't noordeinde van de Liudgaarde. De toren heeft
+zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een klein
+huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde van
+den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven
+voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van
+hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is
+een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed
+driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden,
+dan ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de
+zuidelijke huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre,
+daarvan moeten de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de
+noordelijke huizen is alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn
+vol koorn en andere benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor
+de maagden, om school te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is
+de woning der Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van
+den toren zijn gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de
+Tex gegrift. Aan de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan
+de linkerzijde de wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere
+zijden. Tegen den dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven
+en de meelmolen door vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is
+de plaats, waarop de burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk
+daaromheen is een uur groot, niet een zeemans, maar een zonne uur,
+waarvan tweemaal twaalf in een etmaal gaan. Aan de binnenzijde
+van den dijk is een plat, vijf voet beneden de kruin. Daarop zijn
+drie honderd kraanbogen, gedekt met hout en leder. Behalve de
+huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den dijk nog drie maal
+twaalf noodhuizen voor de omwoners. Het veld dient tot kamp en tot
+weide. Aan de zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Liudgaarde
+omtuind door het groote Lindenwoud. Hare gedaante is driehoekig,
+met de breede zijde naar buiten, opdat de zon daarin mag zien. Want
+daar zijn vele buitenlandsche boomen en bloemen, door de zeevaarders
+medegebracht. Gelijk de gedaante van onze burgt is, zoo zijn alle
+andere; doch onze burgt is de grootste; maar de allergrootste is die
+van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog, dat hij de wolken
+tornt, en in evenredigheid van den toren is al het overige.
+
+Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken
+bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij
+huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest,
+dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne
+zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest,
+dan mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan.
+
+De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De
+grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde,
+kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen,
+benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De
+Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij
+de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij
+door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie
+oude maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis
+is langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen
+oever benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de
+menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat
+daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te
+winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen
+waren er meer geweest, maar sedert wij Schoonland misten, zijn zij
+naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar zij ijzer van
+maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik Marsaten
+gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren wonen. Hunne
+huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild gedierte en booze
+menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte afgrijselijke leeuwen. En
+zij zijn de naburen of aangrenzenden van de heinde Krekalanden, der
+Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle begeerig naar roof en
+buit. De Marsaten generen zich met visschen en jagen. De huiden worden
+door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors van berken. De kleine
+huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te Fryasburgt zeide ons,
+dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch had ik haar niet vooraf
+hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat zij geen Fryas volk waren,
+maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er uit. Hunne vachten en kruiden
+werden door de Rijnbewoners verhandeld en door de schippers buiten
+gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn was het eveneens tot
+aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of mare. Op deze vliet
+waren ook menschen, die huizen op palen hadden. Doch dat was geen
+Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen, die gediend
+hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te helpen. Zij
+moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok.
+
+Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat
+de Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns,
+wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden
+medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote
+vliet omzoomd met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In
+die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei
+verf. Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken
+gelijk de zon. De schilden van den zeekoning en den schout bij nacht
+waren met goud omboord. Van uit die vliet was eene gracht gegraven
+van daar voortloopende langs de burgt Forana en voorts met eene enge
+mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en het Fly de ingang. Aan
+beide zijden der gracht zijn schoone huizen met helder blinkende verwen
+geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene hagen omheind. Ik heb
+daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen, als of het schrijffilt
+was. Even als te Staveren waren de meisjes met gouden kroonen op hare
+hoofden en met ringen om de armen en voeten gesierd. Zuidwaarts van
+Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of vliet, daarin ligt een
+eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine menschen verwijlen,
+even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana zeide mij, dat de
+burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te leeren, wat echte
+vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren te leven om
+zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die hooren wilde
+en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij volleerd
+was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken, en
+om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de
+burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien,
+als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de
+Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes
+daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt
+gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en
+hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar
+van daan is 't gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de vrouwen
+overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag of
+schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk op
+zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een dier,
+dat hij geveld heeft. En eindelijk, daarvan daan is het gekomen, dat
+zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even dom zijn
+als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de Twisklanders,
+met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee geschapen. Alle
+onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het Findasvolk zullen
+elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen bevolken. In het
+heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de bovenlanders deel
+hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u een raad geven. Laat
+het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare vrijers te vragen,
+eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld rondgevaren? wat
+kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en over verwonende
+volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige knapen tot ons
+komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen geen behoefte
+langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de maagden, die bij
+mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te huis kwamen,
+heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand is zij daar
+Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat heden ten
+dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.
+
+
+ Einde van Apollonias boek.
+
+
+
+
+
+DE GESCHRIFTEN VAN FRÊTHORIK EN WILJOW.
+
+
+Mijn naam is Frêthorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen over
+de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is een
+nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgaarda, waarvan de
+naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel
+had ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen
+gemeld. Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek
+schrijven, de goede menschen tot eere, de slechten tot oneer.
+
+In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze
+tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes
+terug gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze
+landpalen gevonden.
+
+Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt
+strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende
+over de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de
+kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de
+beelden eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de
+burgt. Een grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen,
+zeide ik. Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders
+mag het u niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver
+leeren. Acht jaren later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht
+had bedreven en dat sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden
+met den Magy. En vele menschen waren op hunne zijde. Overal kwam
+tweespalt. Er waren kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In
+'t geheim werden de brave menschen vermoord. Het oude vrouwtje, dat
+alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel. Mijn vader,
+die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd hij in zijn
+huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder strijd. De
+Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten alle goede
+menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de anderen. De Magy
+verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem toonen, dat zij
+geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige schoot, waaruit
+zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen schudt, nadat
+het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo schudde Irtha
+hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden gespreid. De zee
+kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij gespuwd hadden,
+slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang van Arnemaand
+(oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder, al lager
+en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken van
+Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren,
+werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst
+in de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank
+(ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind
+uit het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen
+springvloed kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam
+en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne of Minnemaand
+(bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met
+eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De
+wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was,
+was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield,
+en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik
+een steen; onze schrijver had daar zijn naam ingegrift; dat was mij
+een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was het ook met
+de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de aarde, en in
+de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht op Texland
+werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts gelegen had,
+was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan dezen oever
+van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute plassen gekomen,
+ontstaan door de wouden, die met grond en al weg gedreven waren. Te
+Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga dwars door het
+land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden en ander
+varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met magen en
+bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van Lydasburgt en
+Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten zuidwaarts dreven,
+hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand kwam om ze op
+te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De menschen die
+terug kwamen, gingen alle binnen de ringdijken der burgten wonen,
+omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude huizen
+werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en schapen,
+en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd waren,
+werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit geschiedde
+1888 jaren nadat Atland verzonken was.
+
+In 282 jaren hadden wij geene Eeremoeder gehad en nu alles misschien
+verloren scheen, ging men eene kiezen. Het lot viel op Gosa toegenaamd
+Makonta. Zij was Burgtmaagd op Fryasburgt te Texland. Helder van hoofd
+en klaar van zin, heel goed, en omdat hare burgt alleen gespaard was,
+zag iedereen daaruit hare roeping. Tien jaren later kwamen de zeelieden
+van Forana en van Lydasburgt. Zij wilden de zwarte mannen met vrouw
+en kinderen uit het land drijven. Daarover wilden zij de raad der
+Moeder inwinnen. Maar Gosa vroeg: kunt gij een en ander terug voeren
+naar hunne landen, dan behoort gij spoed te maken, anders zullen zij
+hunne bloedverwanten niet weder vinden. Neen, zeiden zij. Toen zeide
+Gosa: Zij hebben uw zout geproefd en uw brood gegeten. Hun lijf en
+leven hebben zij onder uwe hoede gesteld. Gij moet uw eigen hart
+onderzoeken. Maar ik wil u een raad geven. Houdt hen tot dat gij
+in staat zijt om hen weder naar huis te voeren. Maar houdt hen bij
+uwe burgten daar buiten. Waakt over hunne zeden, en onderwijs hen
+alsof zij Fryas zonen waren. Hunne vrouwen zijn hier de sterkste. Als
+rook zal hun bloed vervliegen, tot er ten laatsten niets anders dan
+Fryas bloed in hunne nakomelingen zal overblijven. Zoo zijn zij hier
+gebleven. Nu wenschte ik wel dat mijne nakomelingen daar op letten,
+in hoeverre Gosa waarheid sprak.--Toen onze landen weder te begaan
+waren, kwamen er benden arme Saxmannen en vrouwen naar de oorden van
+Staveren en het Alderga, om gouden en andere sieraden te zoeken uit de
+drassige bodem. Doch de zeelieden wilden hen niet toelaten. Toen gingen
+zij de ledige dorpen bewonen te West Flyland, om hun lijf te behouden.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK SCHRIJVEN HOE DE GEERTMANNEN EN VELE VOLGELINGEN VAN HELENIA
+TERUG KWAMEN.
+
+
+Twee jaren nadat Gosa moeder werd, kwam er eene vloot het Flymeer in
+vallen. Het volk riep ho.n.sêen. (welk een zegen!) Zij voeren naar
+Staveren, daar riepen zij nog eenmaal. De banieren waren in top en
+des nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad
+was, roeiden sommige met eene snik de haven in, zij riepen weder
+hoezee. Toen zij landden, wipte een jong kerel op den wal. In zijne
+handen had hij een schild, daarop was brood en zout gelegd. Na hem
+kwam een grijze; hij zeide wij komen van de verre Krekalanden weg, om
+onze zeden te bewaren. Nu wenschten wij, dat gij zoo vriendelijk zoudt
+wezen, om ons zoo veel land te geven, dat wij daarop mogen wonen. Hij
+vertelde eene heele geschiedenis, die ik hierna beter beschrijven
+wil. De grijzen wisten niet wat te doen, zij zonden boden allerwege,
+ook tot mij. Ik ging heen en zeide: nu wij eene Moeder hebben,
+behooren wij haar raad te vragen. Ik zelf ging mede. De Moeder,
+die alles reeds wist, zeide: laat hen komen, zoo mogen zij ons land
+helpen behouden: maar laat hen niet op ééne plek blijven, opdat zij
+niet machtig worden over ons. Wij deden gelijk zij gezegd had. Dat
+was heel naar hun zin. Fryso bleef met zijne lieden te Staveren dat
+zij weder tot eene zeestad maakten, zoo goed zij konden. Wichhirte
+ging met zijne lieden oostwaarts naar de Emude. Sommige der Joniers,
+die meenden dat zij van het Alderga volk gesproten waren, gingen
+daarheen. Een klein deel, die waanden, dat hunne voorvaderen van de
+Zeven eilanden weg kwamen, gingen heen en zetten zich neder binnen
+den ringdijk van de burgt Walhallagara. Liudgert de schout bij nacht
+van Wichhirte werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn
+dagboek heb ik de geschiedenis die hier achter zal volgen.
+
+Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren gezeten
+waren, terwijl onze zeestrijders alle zeeën bevoeren, die er te vinden
+waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van boven langs
+den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem wederstaan. Doch
+wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze
+have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk eene groote vloot
+hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat hij alle dorpen
+aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug komen. Wichhirte
+lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, tot
+dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam sprekende;
+doch hij bedroog gelijk hij vroeger gedaan had. Wichhirte antwoordde:
+o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen allerwege, wij
+hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol eerbied
+jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij
+anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven
+niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen
+sterven, want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide:
+ik wil uw land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne
+slaven. Ik wil alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil
+ik zweeren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden
+zal zijn. Toen Alexander naderhand brood en zout met hem deelde,
+heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen
+door zijn zoon. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle
+gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar den heiligen Ganges voeren,
+dien hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij toe en koos al
+degene uit zijn volk en zijne soldaten, die gewoon waren over zee te
+varen. Wichhirte was weder ziek geworden, daarom ging ik alleen mede
+en Nearchus van des konings wege. De tocht liep zonder voordeel ten
+einde, uithoofde de Joniers altijd in onmin waren tegen de Pheniciers,
+zoodat Nearchus zelf er geen meester over blijven kon. Intusschen
+had de koning niet stil gezeten. Hij had zijne soldaten boomen laten
+kappen en tot planken maken. Met hulp van onze timmerlieden had
+hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden,
+en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de soldaten die
+uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden,
+dat zij moesten, staken zij de timmerschuren in den brand. Daardoor
+werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij dat
+Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen. Maar
+Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk
+laten ombrengen. Maar Nearchus, die niet alleen zijn eerste vorst,
+maar ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij
+zich als of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij
+durfde zijn tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer
+hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra
+hij dat wist, liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw
+dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen
+te temmen en om eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen
+mede nemen. Als wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten
+wij daar eene plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even
+gaarne toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen
+waren, liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn
+ander volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land,
+dat Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze
+voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen.
+
+Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven,
+die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten
+wij Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie
+dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen,
+ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch
+hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij
+zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van
+de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen
+kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat
+vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds
+uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen,
+medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen
+(touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche
+zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek ons raar toe; maar Nearchus
+verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat
+hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij
+zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij
+moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen,
+dat wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen
+waren. Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was,
+werd hij zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen,
+Irtha ten spot. Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij
+in den wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na
+zijn dood, werd het rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk
+een deel voor zijne zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk
+wilde zijn deel behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog
+en wij konden niet terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden
+nederzetten aan de kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij
+zeiden het liever te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen
+bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte
+Fryaskinderen voormaals heen getogen waren. Voorts gingen wij soldaten,
+leeftocht en wapenen voeren. Onder de vele vorsten had Nearchus een
+vriend met name Antigonus. Deze streden beide om één doel, gelijk zij
+zeiden, als helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle
+Grieksche landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had
+onder vele anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd
+de stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar
+een geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot
+van Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst, die heerschte over
+Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten,
+maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit
+vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed,
+door zijne blanke huid met blauwe oogen en wit haar. Naderhand ging
+Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten en
+leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de
+oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij
+in de haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso,
+die koning was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis,
+zoo bijster frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo
+wonderschoon als niemand heugen mocht. De roep daarvan ging over alle
+Krekalanden en kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en
+onzedelijk, en hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter
+openlijk schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen
+de schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij
+zoethart. De schippers noemen hunne wijven troost en fro of frow,
+dat is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren
+man niet durfde opwachten, ging zij met haren zoon naar Demetrius,
+en smeekte, dat hij haar hare dochter weer zoude geven. Maar als
+Demetrius haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en
+deed met hem eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de
+moeder zond hij een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen
+zij thuis kwam werd zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat:
+(roepende) hebt gij mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij
+u eene schuilplaats zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat
+ik zijne kinderen verloren heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso
+weer thuis was, zond hij een bode tot hem zeggende, dat hij zijne
+kinderen tot zich genomen had om hen te voeren tot eene hoogen staat,
+en om hem te beloonen voor zijne diensten. Maar Friso, die trotsch en
+hartstochtig was, zond een bode met een brief naar zijne kinderen,
+daarin vermaande hij hen, zij zouden Demetrius te wille zijn,
+vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode had nog een anderen
+brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te nemen; want,
+zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam verontreinigd, dat zal u
+niet toegerekend worden, doch indien gij uwe ziel verontreinigt,
+zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen zullen dan over de
+aarde omwaren, zonder het licht te mogen zien; gelijk de vleermuizen
+en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe holen schuilen en des
+nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen en huilen, dewijl
+Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen deden gelijk hun
+vader hun bevolen had. De bode liet hunne lijken in de zee werpen, en
+aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu wilde Friso
+met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger geweest was;
+maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen en schoot
+het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon en
+durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren;
+behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij
+waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap.
+
+Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging hij
+met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand
+in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen
+zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval
+ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene
+breede linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts
+gebood hij, dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en
+aan den achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al
+vluchtende te vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden
+vijand te vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl
+wij daarmede reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg
+tot schrik van de lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven
+hadden, dan die ons vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand
+dus niet door roeijen ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij
+zoo deed. En Friso, die het vatte, liet spoedig de brandpijlen op
+de kraanbogen leggen. Tevens gebood hij dat niemand schieten mogt,
+voor dat hij geschoten had. Daarop zeide hij, dat wij alle naar het
+middelste schip moesten schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij,
+dan zullen de andere hem te hulp komen, dan moet ieder schieten,
+zoo hij best kan. Toen wij nu ander half ketting (kabelslengte)
+van hen af waren, begonnen de Pheniciers te schieten, maar Friso
+beantwoordde dat niet voor dat de eerste pijl op zes vademen van
+zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de anderen volgden, het geleek
+wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met den wind medegingen,
+bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de derde laag. Alle
+mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer tegenstanders waren
+zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen Friso meende, dat het
+wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden ons weg. Doch na dat
+wij twee dagen voort gesukkeld hadden, kwam er eene andere vloot in
+'t gezicht van dertig schepen, die ons steeds inwon. Friso liet ons
+weer klaar maken; maar de anderen zonden eene lichte snik met roeijers
+bemand vooruit. Hunne boden baden uit aller naam, of zij met ons mede
+varen mogten. Zij waren Joniers. Door Demetrius waren zij gewelddadig
+naar de oude haven gestuurd; daar hadden zij van dit gevecht gehoord;
+nu hadden zij het stoute zwaard aangegord, en waren ons gevolgd. Friso,
+die veel met Joniers gevaren had, zeide ja; maar Wichhirte onze koning
+zeide neen. De Joniers zijn afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb
+gehoord hoe zij die aanriepen. Friso zeide, dat komt door den omgang
+met de echte Krekalanders. Dat heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben
+ik zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was de man, die ons naar
+Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers mede. Ook scheen het
+naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden verloopen waren, gingen
+wij langs Brittania, en drie dagen later mochten wij hoezee roepen.
+
+
+
+
+
+DIT GESCHRIFT IS MIJ OVER NOORDLAND OF SCHOONLAND GEGEVEN.
+
+
+Ten tijde dat ons land neder zonk, was ik in Schoonland. Daar ging
+het zoo toe. Er waren groote meeren, die van den bodem als een
+blaas uitzetten, dan spleten zij vaneen, uit de scheuren kwam eene
+stof, alsof het gloeijend ijzer was. Er waren bergen, wier kruinen
+aftuimelden, deze stortten neder en vernielden wouden en dorpen. Ik
+zelf zag, dat een berg van een ander werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij
+neder. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen
+de aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindasburgt met zijn
+volk en eene maagd, die alom uitriep: de Magy is schuldig aan al
+het leed, dat wij geleden hebben. Zij trokken steeds voort en het
+heer werd al grooter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk,
+hij had zich zelf omgebracht. Toen werden de Finnen verdreven naar
+ééne plaats, daar mochten zij leven. Er waren ook van gemengd bloed,
+deze mochten blijven, doch velen gingen met de Finnen mede. De hertog
+werd tot koning gekozen. De kerken, die heel gebleven waren, werden
+vernield. Sedert dien tijd komen de goede Noormannen dikwijls op
+Texland om raad van de Moeder. Doch wij kunnen hen niet voor rechte
+Friezen meer houden. In de Dennemarken is het zeker gegaan, als bij
+ons. De zeelieden, die zich zelven stoutelijk zeekampers noemen,
+zijn op hunne schepen gegaan, en naderhand zijn zij terug getrokken.
+
+
+ HEIL!
+
+
+Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de
+nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen
+medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor
+wil ik waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik
+gezien heb. Over de Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen. Ik
+heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb,
+zijn zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik
+niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden weg komen, zijn
+kwaad ter taal, en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben
+bruine oogen en haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door
+bijgeloovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop,
+die het laatst komen moesten. Tegen âld zeggen zij âd, tegen sâlt,
+sât, ma voor man, sol voor skil, sode voor skolde, te veel om
+te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge en verkorte namen,
+waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers spreken beter,
+doch zij verzwijgen de h, en waar die niet wezen moet, wordt zij
+uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene
+en het gelijkt, dan gelooven zij, dat de geest des overledene daarin
+vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van Frya, Fâsta,
+Medea, Thiania, Hellenia en vele andere. Wordt er een kind geboren,
+dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot Frya, dat zij hare
+dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden
+hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren. Begint het kind
+te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een kwaad teeken,
+en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven heeft. Daarvan
+heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat
+een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in den slaap,
+dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd. Vervolgens gelooven
+zij aan booze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof
+zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik,
+dat ik meer geschreven heb, als een mijner voorvaderen. Frethorik.
+
+Frethorik mijn echtgenoot is drieenzestig jaren oud geworden. Sints
+honderd en acht jaren is hij de eerste van zijn geslacht, die vreedzaam
+gestorven is; alle anderen zijn onder de slagen bezweken, daarom dat
+allen kampten met eigen volk en vreemden om recht en plicht.
+
+Mijn naam is Wiljo, ik ben de maagd, die met hem uit de Saksenmarken
+naar huis voer. Door taal en omgang kwam het uit, dat wij alle beide
+van Adelas geslacht waren; toen ontstond liefde en daarna zijn wij
+man en vrouw geworden. Hij heeft mij vijf kinderen nagelaten, twee
+zonen en drie dochters. Konereed, zoo heet mijne oudste, Hachgana mijn
+tweede, mijne oudste dochter heet Adela, de tweede Frulik en de jongste
+Nocht. Toen ik naar de Saksenmarken voer, heb ik drie boeken gered,
+het boek der zangen, het boek der verhalen en het Hellenia boek. Ik
+schrijf dit, opdat men niet moge denken, dat zij van Apollonia
+zijn; ik heb daar veel verdriet over gehad, nu wil dus de eere ook
+hebben. Ook heb ik meer gedaan; toen Gosa-Makonta gestorven is, wier
+goedheid en helderziendheid tot een spreekwoord geworden is, toen
+ben ik alleen naar Texland gegaan, om de schriften over te schrijven,
+die zij nagelaten had, en toen de laatste wil gevonden is van Frana,
+en de nagelaten schriften van Adela of Hellenia heb ik dat nog eens
+gedaan. Dit zijn de schriften van Hellenia. Ik heb ze voorop geplaatst,
+omdat zij de alleroudsten zijn.
+
+
+ ALLE ECHTE FRIESEN HEIL!
+
+
+In oude tijden wisten de Slavonische volken niet van vrijheid. Gelijk
+ossen werden zij onder het juk gebracht. Zij werden in de ingewanden
+der aarde gejaagd om metaal te delven, en uit de harde bergen moesten
+zij huizen houwen, tot woningen voor vorsten en priesters. Bij alles
+wat zij deden was niets voor hun zelven, maar alles moest dienen, om
+de vorsten en priesteren nog rijker en geweldiger te maken, om zich
+te verzadigen. Onder dezen arbeid werden zij grijs en stram eer zij
+oud waren en stierven zonder genot, ofschoon de aarde dat overvloedig
+veel geeft ter bate van al hare kinderen. Maar onze weggeloopenen en
+ballingen kwamen door Twiskland over in hunne marken trekken, en onze
+zeelieden kwamen in hunne havens. Van deze hoorden zij spreken over
+gelijke vrijheid en recht en over wetten, waar niemand buiten kan. Dit
+alles werd door de droeve menschen ingezogen als dauw door de dorre
+velden. Toen zij vol daar van waren, begonnen de stoutmoedigsten
+te klippen met hunne ketenen, zoodat het den vorsten wee deed. De
+vorsten zijn trotsch en krijgshaftig, daarom is er ook nog deugd in
+hunne harten, zij raadpleegden te zamen, en deelden iets mede van
+hunnen overvloed. Maar de laffe schijnvrome priesters konden dat
+niet dulden, onder hunne verdichte goden hadden zij ook booze wreede
+gedrochten geschapen. De pest kwam over het land, toen zeiden zij dat
+de goden toornig waren over de overheersching der boozen. Toen werden
+de stoutmoedigste menschen met hunne ketenen gewurgd. De aarde heeft
+hun bloed gedronken, met dat bloed voedde zij vruchten en koorn en
+al die daarvan aten werden wijs.
+
+Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken, en te dier tijde
+gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had.
+
+In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte die
+geheeten is Kasamyr, dat is, zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren,
+zijne moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een
+opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen
+bloed verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme
+menschen. Intusschen was den knaap (toen hij grooter werd) niets
+verheeld geworden; daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en
+te vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles begreep,
+wat hij zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de
+priesters werden beangst voor zijne vragen. Toen hij meerderjarig
+werd, ging hij naar zijne ouders. Zij moesten harde dingen hooren; om
+hem kwijt te worden, gaven zij hem een overvloed van edelgesteenten;
+maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met
+droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij
+omdwalen. Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die
+als slaaf diende, van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij
+kocht hem vrij, en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven. Alom
+waar hij voorts henen trok, leerde hij aan de menschen dat zij noch
+rijken noch priesters moesten toelaten; dat zij zich moesten hoeden
+tegen de valsche schaamte, die allerwegen kwaad doet aan de liefde. De
+aarde, zeide hij, schenkt hare gaven naarmate men hare huid krabt,
+dat men daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaijen, zoo men
+daarvan maaijen wil. Doch, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor
+een ander, zoo het niet met gemeene wil of uit liefde geschiedt. Hij
+leerde dat niemand in hare ingewanden mocht wroeten om goud of zilver
+of edelgesteenten, waar nijd aan kleeft en liefde van vliedt. Om uwe
+meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft haar de rivier water
+genoeg. Niemand, zeide hij, is machtig alle menschen tevens rijkdom
+en gelijk geluk te geven; doch het is aller menschen plicht om de
+menschen alzoo tevens rijk te maken en zooveel genoegen te geven als
+te bereiken is. Geene wetenschap, zeide hij, mag men minachten, doch
+rechtvaardigheid, is de grootste wetenschap, die de tijd ons leeren
+mag. Daarom, dat zij ergernis van de aarde weert, en de liefde voedt.
+
+Zijn eerste naam was Jessos, doch de priesters, die hem zeer haatten,
+heetten hem Fo, dat is valsch, het volk heette hem Krishna, dat is
+herder, en zijn Friesche vriend noemde hem Buddha (buidel), omdat hij
+in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een schat
+van liefde.
+
+Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesteren, maar overal
+waar hij kwam was zijne leer hem vooruitgegaan, en overal waar hij
+ging volgden hem zijne vijanden als zijne schaduw. Toen Jessos zoo
+twaalf jaren rondgereisd had, stierf hij, maar zijne vrienden bewaarden
+zijne leer en verkondigden die, waar zij ooren vond.
+
+Wat meent gij nu dat de priesters deden? dat moet ik u melden;
+ook moet gij er zeer acht op geven, voorts moet gij waken voor
+hun bedrijf en ranken met alle krachten, die Wralda in u gelegd
+heeft. Terwijl de leer van Jessos over de aarde zich uitbreidde,
+gingen de valsche priesters naar het land zijner geboorte, om zijn
+dood bekend te maken; zij zeiden dat zij van zijne vrienden waren,
+zij veinsden eene groote droefheid door hunne kleederen in stukken
+te scheuren en hun hoofd kaal te scheeren. Zij gingen in de holen
+der bergen wonen, doch hierin hadden zij hunne schatten gebracht,
+daar binnen maakten zij beelden van Jessos. Deze beelden gaven ze aan
+de onergdenkende lieden; ten langen laatste zeiden zij dat Jessos een
+godheid was, dat hij zelf dit aan hun had beleden, en dat allen die
+aan hem en zijne leer gelooven wilden, hiernamaals in zijn koningrijk
+zouden komen, waar vreugde is en genietingen zijn. Vermits zij wisten
+dat Jessos tegen de rijken was te velde getrokken, verkondigden zij
+allerwegen, dat armoede lijden en eenvoudig zijn de deur was om in
+zijn rijk te komen, dat degene die op aarde het meeste geleden hadden,
+hier namaals de meeste vreugde hebben zouden. Ofschoon zij wisten,
+dat Jessos geleerd had, dat men zijne hartstochten overmeesteren en
+besturen moest, zoo leerden zij dat men alle zijne hartstochten dooden
+moest en dat de volkomenheid des menschen daarin bestond, dat hij
+even gevoelloos werd als de koude steen. Ten einde nu het volk wijs
+te maken, dat zij zelve zoo deden, veinsden zij armoede op straat,
+en om voorts te bewijzen, dat zij al hunne zinnelijke lusten gedood
+hadden, namen zij geene vrouwen. Doch zoo ergens eene jonge dochter
+een misstap gedaan had, werd haar dat spoedig vergeven; de zwakken,
+zeiden zij, moest men helpen, en om zijne eigene ziel te behouden,
+moest men veel aan de kerk geven. Dusdoende hadden zij vrouw en
+kinderen zonder huishouding, en werden zij rijk zonder werken; maar
+het volk werd veel armer en meer ellendig als ooit te voren. Deze
+leer, waarbij de priesters geen andere wetenschap noodig hebben,
+als bedriegelijk te redeneren, een vrome schijn en ongerechtigheden,
+breidde zich zelve van 't oosten naar het westen, en zal ook over
+ons land komen.
+
+Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya
+en van Jessos leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden
+menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en
+voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk
+bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas
+bloed. Deze zullen hunne fakkels en het licht buiten brengen, zoodat
+alle man de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der
+priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het
+recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen,
+maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Findas volk
+zal zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lydas volk
+zijne krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters
+weggevaagd worden van de aarde; Wraldas geest zal alom en allerwege
+geëerd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang
+in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene
+andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij
+algemeene wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en de Irtha zal
+hare gaven alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal
+aanvangen vierduizend jaren nadat Atland verzonken is, en duizend
+jaren later zal er langer geen priester noch dwang op aarde zijn.
+
+Dela toegenaamd Hellenia, waak!
+
+Zoo luidde Franas uiterste wil. Alle edele Friesen, heil! In den
+naam van Wralda, van Frya en der vrijheid groet ik u, en bid u zoo
+ik sterven mocht, eer ik eene opvolgster benoemd heb, dan beveel ik
+u Teuntja aan, die Burgtmaagd is op de burgt Medeasblik, tot op heden
+is zij de beste.
+
+Dit heeft Gôsa nagelaten. Alle menschen heil. Ik heb geene Eeremoeder
+benoemd, omdat ik geene wist, en omdat het u beter is geene Moeder
+te hebben, dan eene waarop gij u niet verlaten kunt. Een booze tijd
+is voorbijgegaan, maar daar komt nog een andere. Irtha heeft hem niet
+gebaard, en Wralda heeft hem niet beschoren. Hij komt uit het oosten,
+uit den boezem der priesteren weg. Zoo veel leed zal hij broeden,
+dat Irtha het bloed niet zal kunnen drinken van hare verslagene
+kinderen. Duisternis zal hij over den geest der menschen spreiden,
+gelijk onweerswolken over het zonnelicht. Alom en allerwege zullen
+list en bedrog met vrijheid en recht kampen. Vrijheid en recht
+zullen bezwijken en wij met haar. Maar deze winst zal haar verlies
+uitwerken. Van drie woorden zullen onze nakomelingen aan hunne lieden
+en slaven de beteekenis leeren. Zij zijn algemeene liefde, vrijheid
+en recht. In het eerst zullen zij schitteren, daarna met duisternis
+kampen, totdat het helder en klaar wordt in ieders hart en hoofd. Dan
+zal de dwang van de aarde geveegd worden, gelijk de donderwolken door
+den stormwind, en alle bedrog zal niets meer daar tegen vermogen. Gôsa.
+
+
+
+
+
+HET GESCHRIFT VAN KONERÊD.
+
+
+Mijne voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit wil
+ik bovenal doen, omdat in mijne staat geene burgt overig is, waarin
+de gebeurtenissen opgeschreven worden gelijk te voren. Mijn naam is
+Konereed (Koenraad), mijn vaders naam was Frethorik, mijne moeders naam
+was Wiliow. Na mijn vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen. Toen
+ik vijftig jaren telde, koos men mij tot opperste Grevetman. Mijn
+vader heeft geschreven, hoe de Lindaoorden en de Liudgaarden verwoest
+zijn. Lindahem is nog weg, de Lindaoorden voor een deel, de noordelijke
+Liudgaarden zijn door de zoute zee bedolven. Het bruissende zeewater
+slikt aan den ringdijk der burgt. Gelijk mijn vader vermeld heeft, zijn
+de van have beroofde menschen heengegaan en hebben huisjes gebouwd
+binnen den ringdijk der burgt, daarom is dat ronddeel nu Liudwerd
+geheeten. De zeelieden zeggen Liuwerd, maar dat is wanspraak. In mijne
+jeugd was het andere land, dat buiten den ringdijk ligt, alles poel en
+broek. Maar Fryas volk is wakker en vlijtig, zij werden moede noch mat,
+omdat hun doel ten beste geleidde. Door slooten te delven en kadijken
+te maken van de aarde die uit de slooten kwam, hebben wij weder een
+goede hemrik buiten den ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef,
+drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts
+gemeten. Heden ten dage zijn wij bezig waterpalen te heijen om eene
+haven te maken en meteen om onzen ringdijk te beschermen. Als het werk
+gereed is, zullen wij zeelieden uitlokken. In mijne jeugd stond het er
+hier raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen die in
+reijen staan. Leken en gebreken, die met de armoede waren ingeslopen,
+zijn door vlijt uitgedreven. Hier uit kan iedereen leeren, dat Wralda,
+onze Alvader, alle zijne schepselen voedt, mits dat zij moed houden
+en elkanderen willen helpen.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK OVER FRISO SCHRIJVEN.
+
+
+Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot
+opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanden. Hij spotte
+met onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft
+hij eene school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de
+wijze der Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om
+het jongvolk aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar
+heen gezonden, dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij
+geene Moeder langer hebben, om den een tegen den ander te beschermen,
+behoor ik dubbel te waken, opdat hij niet meester over ons wordt.
+
+Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen oordeel
+vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die meenen, dat
+zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa gestorven was,
+wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder kiezen. Maar
+Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te maken, Friso
+begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden der Landsaten
+tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was verziende
+geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij geen
+licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen moed
+gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen die
+twijfelachtig was daar heeft zij kwaad ingezien: daarom heeft zij in
+hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben
+als eene, op welke gij u niet verlaten kunt. Friso had veel gezien,
+hij was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en listen der Golen
+en vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig
+had om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe
+hij daarmede is te werk gegaan.
+
+Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van
+Wilfrêthe, die bij zijn leven opperste Graaf te Stavoren geweest
+was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door
+zijn beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder
+uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helia
+geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch
+verbonden. Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van
+Wichhirte den koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed
+Friesch en moet Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer
+medegebracht, als goede zeden.
+
+Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren.
+
+Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele
+Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij
+Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust,
+en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens geen menschen
+in het gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar
+hunnen naam hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen
+wel vele Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich
+zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan
+waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze
+schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen
+gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen
+of geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van
+de Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan
+de zuidwestelijke hoek van Schoonland, aldaar ligt Lindasburgt,
+toegenaamd Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek
+geschreven staat. Alle kustbewoners en ommelanders waren daar echt
+Friesch gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en
+tegen de Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen;
+maar dat zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders
+hadden vele verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de
+booze Magyaren, Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich
+zelven rooven, maar als het te pas kwam, dan stonden zij malkander
+getrouwelijk bij. Doch ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek
+te krijgen aan goede schepen. Hunne scheepmakers waren omgekomen,
+en hunne wouden waren met grond en al van het land weggevaagd. Nu
+kwamen er onverwacht drie schepen bij den ringdijk van onze burgt
+voor anker. Door de inbraken van onze landen waren zij verdwaald en
+den Flymond misgevaren. De koopman die mede gegaan was, wilde van ons
+nieuwe schepen hebben, daartoe hadden zij allerlei kostelijke waren
+medegebracht, die zij geroofd hadden van de Kaltanarlanden en van
+de Pheniciers schepen. Nadien wij zelve geene schepen hadden, gaf ik
+hun flinke paarden en vier gewapende renboden mede naar Friso. Want
+te Staveren en langs het Alderga, daar werden de beste oorlogschepen
+gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting in komt. Terwijl
+de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen Jutten naar Texland
+gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De Zeelanders hadden
+vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten op hunne banken
+roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze kinderen te
+verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren, doordien
+zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld hadden,
+en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten laatste,
+of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja, antwoordden
+zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist gelijk
+uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen
+wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch
+burgtwapenen, om de roofschepen er uit te houden. Dan moest gij er
+eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten; maar
+wij hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn
+visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge
+landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden
+met de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten,
+hoe Friso allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen
+en ten bate van zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij,
+zij zouden jaarlijks vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en
+voor vaste gelden, toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en
+met volle tuig, gelijk het voor krijgsschepen noodig en nuttig is;
+maar de Jutten zouden zij dan met vrede laten, en al het volk, dat
+tot Fryaskinderen behoorde. Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze
+zeekampers uitnoodigen, dat zij mede zouden vechten en rooven. Toen de
+Zeelanders vertrokken waren, liet hij veertig oude schepen beladen met
+burgtwapenen, hout, hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren, en
+smeden om daarmede burgten te bouwen. Witto, dat is witte, zijn zoon,
+zond hij mede om toe te zien. Wat er al is voorgevallen, is mij niet
+gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk geworden, dat aan beide zijden
+van den havenmond eene versterkte burgt gebouwd is, en daarin is volk
+gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken trok. Witto heeft Siuchthirte
+bevrijd en tot zijne vrouw genomen. Wilhem, zoo heette haar vader,
+hij was opperste Olderman der Jutten, dat is opperste Grevetman of
+Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en Witto is in zijne plaats
+gekozen.
+
+
+
+
+
+WAT FRISO VERDER DEED.
+
+
+Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer
+kloek waren. Hetto, dat is heete, den jongste zond hij als zendbode
+naar Kattaburgt, dat diep in de Saksenmarken ligt. Hij had van
+Friso medegekregen zeven paarden, behalve zijn eigen, beladen met
+kostbare zaken door de zeekampers geroofd. Bij ieder paard waren twee
+jonge zeekampers en twee jonge ruiters met rijke kleederen gekleed,
+en met geld in hunne buidels. Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt
+zond, zoo zond hij Bruno, dat is bruine, den anderen zwager naar
+Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda
+forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede
+hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en
+vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de
+gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven
+met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze
+boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle
+geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten,
+en op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu
+gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij
+goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden,
+dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog
+vorstelijker vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn
+getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand
+kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar
+het Flymeer afzakken. De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare
+vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom
+spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar
+babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan
+zijne zaak. Zij zeiden allomme: wij hebben langer geene Moeder meer,
+maar dat komt daar vandaan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig
+past ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de
+Moeders verloren hebben door hare onvoorzichtigheid. Verder spraken
+zij: Aan ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten
+hooren, voor dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst,
+maar als het zoover komen mogt, dat gij u weder een koning kiest,
+dan wil ik ook mijne meening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is
+Friso daartoe door Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier
+heen geleid. Friso kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt,
+hij kan dus tegen hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog
+te houden: welken graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de
+anderen daar wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de
+jonge maagden gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal,
+tapten hunne redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en
+tot iedereen: Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen,
+des nachts spant hij zijne netten naar alle zijden en des daags
+verschalkt hij daarin zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat
+hij geene priesteren noch vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg,
+hij mag niemand lijden dan hem zelven. Daarom wil hij niet gedogen,
+dat de burgt Stavia weder opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder
+weêr hebben. Vandaag is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw
+koning worden, opdat hij over u allen rechten mag. In den boezem des
+volks ontstonden nu twee partijen. De ouden en armen wilden nu weder
+eene Moeder hebben, maar het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde
+een Vader of koning hebben. De eersten noemden zich Moederszonen,
+en de anderen noemden zich Vaderszonen; maar de Moederszonen werden
+niet geteld; want omdat er vele schepen gemaakt werden, was hier
+overvloed voor de scheepmakers, smeden, zeilmakers, reepmakers en
+voor alle andere ambachtslieden. Daarenboven brachten de zeekampers
+allerhande sieraden mede. Daarvan hadden de vrouwen genoegen, de
+maagden genoegen, de meisjes genoegen, en daarvan hadden alle hunne
+bloedverwanten genoegen, en alle hunne goede kennissen en vrienden.
+
+Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden,
+stierf hij. Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot
+malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet
+bevestigen. Van alle Graven, die voor hem waren, was er niemand zoo
+befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge
+maagden spraken zijn lof, terwijl de oude vrouwen alles deden om hem
+te laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de
+oude vrouwen hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij
+hadden met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven
+is zonder dat hij koning was.
+
+
+
+
+
+NU WIL IK SCHRIJVEN OVER ZIJN ZOON ADEL.
+
+
+Friso die onze geschiedenis had leeren kennen uit het boek der
+Adelingen, had alles gedaan om hunne vriendschap te winnen. Zijn
+eersten zoon, dien hij hier won bij zijne vrouw Swethirte heeft hij
+terstond Adel genoemd. En ofschoon hij kampte met al zijne macht,
+om geene burgten te herstellen noch op te bouwen, zond hij toch Adel
+naar de burgt te Texland, opdat hij hoe eer hoe beter bekend worden
+mocht met alles wat tot onze wetten, taal en zeden behoort. Toen Adel
+twintig jaren telde, liet Friso hem naar zijn eigen school komen, en
+toen hij daar volleerd was, liet hij hem door alle staten reizen. Adel
+was een beminnenswaardige jongman; op zijne reizen heeft hij vele
+vrienden gewonnen, daardoor is het gekomen, dat het volk hem Atharik
+(vriendenrijk) genoemd heeft, iets dat hem naderhand zoo wel te pas
+is gekomen, want toen zijn vader gestorven was, bleef hij in zijne
+plaats, zonder dat er over het kiezen van een anderen Graaf sprake
+kwam. Terwijl Adel te Texland in de leer was, bevond zich aldaar tevens
+eene heel lieve maagd op de burgt. Zij kwam uit de Saksenmarken weg,
+uit de staat die genoemd is Suobaland, daarom werd zij te Texland
+Suobene genoemd, ofschoon haar naam Ifkja was. Adel had haar lief
+gekregen, en zij had Adel lief; maar zijn vader verzocht hem, dat
+hij nog wat wachten zoude. Adel was gehoorzaam, maar zoodra zijn
+vader gestorven was en hij gezeten, zond hij terstond boden naar
+Berthold haren vader (met verzoek) of hij zijne dochter tot vrouw
+mogt hebben. Berthold was een vorst van onverbasterde zeden, hij
+had Ifkja naar Texland in de leer gezonden in de hoop, dat zij eens
+tot burgtmaagd zoude gekozen worden in zijn land. Doch hij had hun
+beider begeerte leeren kennen, daarom ging hij heen en gaf hun zijnen
+zegen. Ifkja was eene flinke Friesin. Voor zoo verre ik haar heb leeren
+kennen, heeft zij steeds gewerkt en gewroet, opdat Fryaskinderen weder
+mochten komen onder dezelfde wet en onder eenen bond. Om de menschen
+op hare zijde te krijgen, was zij met haren echtgenoot van haren vader
+door alle Saksenmarken gereisd en voorts naar Geertmannia. Geertmannia,
+zoo hadden de Geertmannen hunne staat geheeten, die zij door Gosas
+bemoeijing gekregen hadden. Daarop gingen zij naar de Denemarken. Van
+de Denemarken gingen zij te scheep naar Texland. Van Texland gingen
+zij naar Westflyland en zoo langs de zee naar Walhallagara. Van
+Walhallagara vertrokken zij langs den Zuiderrijn (de Waal), totdat zij
+met groote vrees boven den Rijn bij de Marsaten kwamen, waarvan onze
+Apollonia geschreven heeft. Toen zij hier eene wijle geweest waren,
+gingen zij weer naar de laagte. Als zij nu een tijdlang naar de laagte
+afgevaren waren, totdat zij in de streek van de oude burgt Aken kwamen,
+zijn er onverhoeds vier knechten vermoord en naakt uitgekleed. Zij
+waren een weinig achteraan gekomen. Mijn broeder, die overal bij was,
+had hun vaak verboden, doch zij hadden niet geluisterd. De moordenaars
+die dat gedaan hadden, waren Twisklanders, die heden ten dage stoutweg
+over den Rijn komen te moorden en te rooven. De Twisklanders, dat
+zijn gebannen en weggeloopen Fryaskinderen, maar hunne vrouwen hebben
+zij van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een bruin Findasvolk,
+aldus genoemd, omdat zij alle volken ten strijde uittarten. Zij zijn
+allen ruiters en roovers. Daar van daan zijn de Twisklanders evenzoo
+bloeddorstig geworden. De Twisklanders, welke die boosheid bedreven
+hadden, noemden zich zelven Frijen of Franken. Er waren, zeide mijn
+broeder, roode, bruine en witte onder. Die, welke rood of bruin waren,
+beten hun haar met kalkwater wit. Naardien echter hunne aangezichten
+bruin bleven, werden zij des te leelijker daardoor. Even als Apollonia
+beschouwden zij naderhand Lydasburgt en het Alderga. Daarna trokken
+zij over Staverens oorden bij hunne lieden rond. Zij hadden zich
+zoo beminnelijk aangesteld, dat de menschen hen allerwege houden
+wilden. Drie maanden later zond Adel boden naar alle vrienden die hij
+gewonnen had en liet hun verzoeken, dat zij in de Minnemaand wijze
+lieden tot hem zouden zenden,†
+
+zijne vrouw, zeide hij, die maagd geweest was te Texland had daarvan
+een afschrift gekregen. Te Texland, worden nog vele geschriften
+gevonden, die niet in het boek der Adelingen overgeschreven zijn. Van
+deze schriften had Gosa een bij haar uiterste wil gelegd, 't welk
+door de oudste maagd Albetha openbaar gemaakt moest worden, zoodra
+Friso gestorven was.
+
+
+
+
+
+HIER IS DIT GESCHRIFT MET GOSAS RAAD.
+
+
+Toen Wralda kinderen gaf aan de moeders van het menschelijk geslacht,
+toen legde hij ééne taal in aller tongen en op aller lippen. Dit
+geschenk had Wralda aan de menschen gegeven, opdat zij elkander
+daarmede mochten kenbaar maken, wat men vermijden moet en wat men
+najagen moet om zaligheid te vinden en zaligheid te houden in alle
+eeuwigheid. Wralda is wijs en goed en alles voorziende. Naardien hij nu
+wist, dat geluk en zaligheid van de aarde moet vlieden, als de boosheid
+de deugd bedriegen kan, zoo heeft hij aan de taal eene regtvaardige
+eigenschap verbonden. Deze eigenschap is hierin gelegen, dat men
+daarmede geen leugen zeggen, noch bedriegelijke woorden spreken kan
+zonder stamelen, noch zonder blozen, waardoor men de boozen van harte
+terstond onderkennen kan. Naardien dus onze taal tot geluk en zaligheid
+den weg baant, en dus mede waakt tegen de booze neigingen, daarom
+is zij met alle recht godestaal (de taal des goeds) genoemd, en alle
+degene, die haar in eere houden, hebben daar eere van. Doch wat is er
+gebeurd. Zoodra er onder onze halfzusteren en halfbroederen bedriegers
+opkwamen, die zich zelf voor dienaren des goeds uitgaven, is dat weldra
+anders geworden. De bedriegelijke priesters en de boosaardige vorsten,
+die altijd te zamen heulden, wilden naar willekeur leven en buiten de
+wetten des goeds handelen. In hunne ondeugendheid zijn zij heen gegaan
+en hebben andere talen verzonnen, opdat zij heimelijk konden spreken in
+tegenwoordigheid van ieder ander over alle booze dingen en over alle
+onwaardige zaken, zonder dat stamelen hen zoude verraden, noch blozen
+hun gelaat ontsieren. Maar wat is daaruit geboren? Even gemakkelijk
+als het zaad van goede kruiden van onder den grond weg ontkiemt, dat
+in 't openbaar gezaaid is door goede menschen bij lichten dag, even
+gemakkelijk brengt de tijd de schadelijke kruiden aan het licht, die
+gezaaid zijn door booze menschen in het verborgene en bij duisternis.
+
+De wulpsche meisjes en verwijfde knapen, die met de onzedelijke
+priesters en vorsten boeleerden, ontlokten die nieuwe talen aan
+hunne boelen, derwijze zijn zij verspreid onder de volken, tot dat
+zij godestaal glad vergeten hebben. Wilt gij nu weten, wat daarvan
+geworden is? Nu het stamelen en de gelaatskleur hunne booze driften
+niet meer verrieden, is de deugd van uit haar midden geweken,
+de wijsheid is gevolgd en de vrijheid is medegegaan; de eendracht
+is te zoek geraakt, en tweespalt heeft hare plaats ingenomen; de
+liefde is gevlucht, en de ontucht zit met nijd aan tafel; en waar
+vroeger rechtvaardigheid heerschte, heerscht nu het zwaard. Allen
+zijn slaven, de lieden van hunne heeren van nijd, booze lusten en
+begeerlijkheid. Hadden zij nu maar ééne taal uitgevonden, mogelijk
+was het dan nog eene wijle goed gegaan. Maar zij hebben zoo vele talen
+uitgevonden als er staten zijn. Daardoor kan het eene volk het andere
+volk even min verstaan als de koe den hond of de wolf het schaap. Dit
+kunnen de zeelieden betuigen. Doch daar van daan is het nu gekomen,
+dat alle slavenvolken elkander als andere menschen beschouwen, en dat
+zij tot straf van hunne onbezonnenheid en vermetelheid elkander zoo
+lang moeten beoorlogen en bestrijden tot dat zij alle verdelgd zijn.
+
+
+
+
+
+HIER IS NU MIJN RAAD.
+
+
+Zijt gij alzoo begeerig, dat gij de aarde alleen wilt beërven, zoo
+behoort gij nimmer meer eene andere taal over uwe lippen te laten komen
+als godestaal, en dan behoort gij te zorgen, dat uw eigen taal vrij
+blijft van uitheemsche klanken. Wilt gij nu dat er sommige van Lydas
+kinderen en van Findas kinderen blijven, dan doet gij even zoo. De
+taal der Oost Schoonlanders is door de vuile Magyaren verdraaid; de
+taal der Keltana volgers is door de smerige Golen verdorven. Nu zijn
+wij zoo mild geweest om de terugkeerende Hellenia volgers weder in
+ons midden te nemen, maar ik schroom en ben zeer bezorgd, dat zij onze
+mildheid zullen vergelden met verontreiniging van onze zuivere taal.
+
+Veel hebben wij wedervaren, maar van alle burgten die door de booze
+tijd verstoord en verdelgd zijn, heeft Irtha Fryasburgt onverlet
+behouden; ook mag ik daar bij vermelden dat Fryas of Gods taal hier
+even ongeschonden behouden is.
+
+Hier op Texland moest men dus scholen stichten; van alle staten, die
+het met de oude zeden houden, moest het jong volk hier heen gezonden
+worden; daarna mochten zij die volleerd waren, de anderen helpen die
+te huis verbeiden. Willen de andere volken ijzerwaren van u koopen
+en daarover met u spreken en dingen, dan moeten zij tot godestaal
+terugkeeren. Leeren zij Godstaal, dan zullen de woorden vrij zijn en
+recht hebben tot hen inkomen, in hun brein zal het dan beginnen te
+glimmen en te gloren tot dat alles tot eene vlam wordt. Deze vlam
+zal alle slechte vorsten verteeren en alle schijnvrome en smerige
+priesters.
+
+De inlandsche en uitlandsche zendboden hadden genoegen van dat
+geschrift, doch er kwamen geene scholen. Toen stichtte Adel zelf
+scholen, na hem deden de andere vorsten hetzelfde. Jaarlijks gingen
+Adel en Ifkja de scholen in oogenschouw nemen. Bevonden zij dan onder
+de inlanders of buitenlanders zoodanige, die elkander vriendschap
+toedroegen, dan lieten zij beide groote blijdschap blijken. Hadden
+sommige zoodanige elkander vriendschap gezworen, dan lieten zij
+alle menschen bij elkander komen, en met groote staatsie lieten
+zij dan hunne namen in een boek schrijven, door hun het boek der
+vriendschap genoemd: daarna werd feest gevierd. Al deze gebruiken
+werden onderhouden om de afzonderlijke takken van Fryas stam weder
+te zamen te snoeren. Doch de maagden die op Adel en Ifkja afgunstig
+waren zeiden, dat zij het nergens anders om deden, dan om een goeden
+roep en om allengs te heerschen over een anders staat.
+
+Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door
+Luidgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen
+aangaan, geef ik hier het andere ten beste.
+
+Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is
+eene rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd,
+omdat vier andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel
+verre oostwaarts is nog eene groote rivier, de heilige of vrome
+Ganges geheeten. Tusschen deze beide rivieren is het land der
+Hindos. De beide rivieren loopen van de hooge bergen naar de laagte
+neer. Die bergen, waar zij van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij
+tot den hemel reiken (laia), daarom wordt het gebergte Himmellaia
+gebergte genoemd. Onder de Hindos en andere uit die landen zijn er
+sommige lieden die in stilte bij elkander komen. Zij gelooven dat
+zij onverbasterde kinderen van Finda zijn. Zij gelooven dat Finda
+van uit het Himmellaia gebergte geboren is, van waar zij met hare
+kinderen naar de delte of de laagte getrokken is. Sommigen onder hen
+gelooven, dat zij met hare kinderen op het schuim van de heilige Ganges
+naar beneden gegaan is. Daarom zoude die rivier de heilige Ganges
+heeten. Maar de priesters die uit een ander land weg komen lieten
+die menschen opsporen en verbranden; daarom durven zij voor hunne
+zaak niet openlijk uitkomen. In dit land zijn alle priesters dik en
+rijk. In hunne kerken worden allerlei gedrochtelijke beelden gevonden,
+daaronder zijn vele van goud. Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers)
+of wrangen (Drangianen), de Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen,
+en de Urgetten          of vergetenen. Al deze namen zijn hun door de
+nijdige priesters gegeven, omdat zij hen ontvlieden wegens de zeden
+en het geloof. Bij hunne komst hadden onze voorouders zich ook aan
+den oostelijken oever van den Pangab neergezet, maar om der priesteren
+wille zijn zij ook naar den westelijken oever gevaren. Daardoor hebben
+wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren zijn geen wilden,
+maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch aanbidden: ook
+willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even als wij het
+heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege vuur
+in hunne huizen brandende. Komt men later heel westelijk, zoo komt
+men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken
+verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn
+wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de
+velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten
+verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder
+houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de
+Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden
+en wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat
+daar bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze
+hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten
+worden: maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindos zijn
+even bloode en vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de
+wolven zijn. Daarom hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd,
+dat hinden beteekent. Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk
+misbruik gemaakt. Komen er uitheemsche kooplieden om koren te koopen,
+dan wordt alles te gelde gemaakt, en door de priesters wordt het niet
+geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te
+zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels
+komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten
+lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte
+lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die
+soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte
+en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren
+zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende
+dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte
+van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar
+de kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen
+bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die
+ze willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven,
+want tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de
+menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar
+allerlei soort van hagedissen, schildpadden en krokodillen; al deze
+disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot;
+naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle
+niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators omdat zij
+even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven
+naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen
+overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen,
+en waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en
+granen als aan de oostzyde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende
+dieren gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen
+verbrand, en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er
+slechts weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab,
+dan vindt men nevens vetten kleigrond ook dorre geestlanden, die
+eindeloos schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken,
+waaraan het oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn
+er vele, die ik hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er
+ook goudgeel; ook goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als
+honing, en andere zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden
+zoo groot als kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze
+oud dan maakt men er olie van; van de bast maakt men touw, en van de
+kernen maakt men kelken en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik
+kruip- en steekbessen gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als
+uwe lindeboomen, waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter
+zijn als uwe doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn
+en de zon uit het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw
+hoofd neder. Is men dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren,
+en men des middags met zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo
+schijnt de zon tegen uwe linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe
+rechterzijde doet. Hiermede wil ik eindigen, maar na mijn schrijven
+zal het u licht genoeg vallen, om de leugenachtige verhalen te kunnen
+schiften van de ware berichten. Uw Liudgert.
+
+
+
+
+
+HET GESCHRIFT VAN BEEDEN.
+
+
+Mijn naam is Beeden, zoon van Hachgane. Konereed mijn oom is nooit
+getrouwd geweest en alzoo kinderloos gestorven. Mij heeft men in zijne
+plaats gekozen. Adel, de derde koning van dezen naam, heeft die keuze
+goedgekeurd, mits ik hem als mijn meester erkennen wilde. Behalve
+het volle erf van mijn oom, heeft hij mij eene plek gronds gegeven,
+die aan mijn erf paalde, onder voorwaarde, dat ik daarop menschen
+zoude stellen, die zijne lieden nimmer zouden ...
+
+daarom wil ik dit hier eene plaats vergunnen.
+
+
+
+
+
+BRIEF VAN RIKA DE OUDMAAGD, VOORGELEZEN TE STAVEREN BIJ HET JUULFEEST.
+
+
+Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis
+tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar
+wil ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek
+wijzen, dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet,
+hoe Wralda duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat
+hij Alvoeder wordt genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt
+en wast tot voeding van zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha
+bijwijlen ook Alvoedster genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en
+granen baart, waarmede mensen en dier zich voeden. Doch zij zoude
+geene vruchten en granen baren, bijaldien Wralda haar geene krachten
+gaf. Ook vrouwen, die hare kinderen zogen aan hare borsten, worden
+voedsters genoemd. Doch gaf Wralda daar geene melk in, zoo zouden
+de kinderen daar geen baat bij vinden. Zoodat bij slot van rekening
+Wralda alleen de voeder blijft. Dat Irtha bijwijlen Alvoedster
+geheeten wordt, en eene mem (moeder) voedster, kan nog door eene
+wending (overdrachtelijke spreekwijze): maar dat een taat (vader)
+zich voeder laat noemen, omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden.
+
+Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt
+van onze vijanden (lëtha) en wanneer die gevolgd worden, zoo zult
+gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen
+hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is,
+daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur
+leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet
+wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen
+dat een koning niet over den wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding
+door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne
+vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij
+in het eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben
+het volk eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam,
+huurden zij buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven
+legden. Vervolgens namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en
+de kleine vorsten en heeren deden eveneens. Toen naderhand twist
+en tweespalt in de huishouding sloop, en daarover klachten kwamen,
+hebben zij gezegd: ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin,
+daarom zal hij ook meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de
+willekeur, en even als die met de mannen over het huisgezin heerschte,
+ging zij ook met de koningen over de volken doen. Toen de koningen het
+zoo ver gebracht hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij
+heen en lieten beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten
+zij in de kerken stellen naast de beelden der afgoden, en degene die
+daar niet voor buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe
+voorvaderen en de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan,
+daarvan hebben zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige
+uwer mannen zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik
+mij over vele uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden,
+die zich met Wralda op eene lijn willen stellen, er worden bij u ook
+wijven gevonden, die dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen
+gebaard hebben, laten zij zich moeder noemen. Doch zij vergeten, dat
+Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet alleen hebben
+zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen berooven,
+met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen het even
+zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich vrouwe
+laten noemen, ofschoon zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen
+van vorsten toebehoort. Ook laten zij hare dochters maagden noemen,
+ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag, tenzij
+zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat naam
+stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aankleeft, en
+dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal
+de tijd daar wasdom aan geven, zoo sterk, dat men er het eind niet
+van kan zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden;
+zij zullen niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar
+ofschoon gij de maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat,
+toch zullen er blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij
+zullen uwe nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig
+aan zijt. Dan zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit
+hunne graven oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare
+maagden aanroepen, doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren,
+bevorens het Juul een anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst
+gebeuren als drie duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw.
+
+
+ Einde van Rikas brief.
+
+
+
+
+
+daarom wil ik eerst over zwarte Adel schrijven. Zwarte Adel was de
+vierde koning na Friso. In zijne jeugd heeft hij op Texland geleerd,
+naderhand heeft hij te Staveren geleerd, en vervolgens heeft hij door
+alle staten gereisd. Toen hij vier en twintig jaar oud was, heeft zijn
+vader gemaakt dat hij tot Asega Asker gekozen is. Toen hij eenmaal
+Asker was, eischte hij altijd in het voordeel van de armen. De rijken,
+zeide hij, plegen genoeg ongerechte dingen door middel van hun geld,
+daarom behooren wij te zorgen, dat de armen naar ons omzien. Door
+deze en andere redeneringen, was hij de vriend der armen en de schrik
+der rijken. Het is zoo erg gekomen, dat zijn vader hem naar de oogen
+zag. Toen zijn vader gestorven was, heeft hij diens zetel beklommen,
+toen wilde hij even goed zijn ambt behouden gelijk de koningen van
+het oosten plegen te doen. De rijken wilden dat niet dulden, maar
+nu liep al het andere volk te hoop, en de rijken waren blijde dat
+zij heelhuids van de vergadering afkwamen. Van toen aan hoorde men
+nimmer meer over gelijkheid van recht praten. Hij veroordeelde de
+rijken en hij vleide de armen, met wier hulp hij alle zaken eischte,
+daar hij bestek op had. Koning Askar, gelijk hij altijd genoemd werd,
+was bij de zeven aardvoet lang, en zoo groot zijne gestalte was,
+waren ook zijne krachten. Hij had een helder verstand, zoodat hij
+alles verstond, waarover gesproken werd, doch in zijn doen kon men
+geene wijsheid bespeuren. Bij een schoon gelaat had hij eene gladde
+tong, maar nog zwarter als zijn haar is zijne ziel bevonden. Toen
+hij een jaar koning was, noodzaakte hij alle jongelingen uit zijn
+staat, om jaarlijks in het kamp te komen en daar een schijnoorlog te
+maken. In het eerst had hij daar moeite mede, maar ten laatste werd
+het zoo manierlijk, dat oud en jong uit alle oorden weg kwamen, om te
+vragen, of zij mochten mede doen. Toen hij het zoo ver gebracht had
+liet hij krijgscholen stichten. De rijken kwamen te klagen en zeiden,
+dat hunne kinderen geen lezen of schrijven meer leerden. Askar sloeg
+er geen acht op, maar toen er kort daarop weer schijnoorlog gehouden
+werd, ging hij op een gestoelte staan en sprak luidde. De rijken zijn
+tot mij gekomen te klagen, dat hunne knapen geen lezen of schrijven
+genoeg leeren; ik heb daar niets op gezegd; doch hier wil ik mijne
+meening zeggen, en de algemeene vergadering laten beslissen. Toen
+elk nu nieuwsgierig tot hem op zag zeide hij verder: Naar mijn begrip
+moet men tegenwoordig het lezen en schrijven aan de maagden en wijze
+lieden overlaten. Ik wil geen kwaad spreken van onze voorvaderen,
+ik wil alleen zeggen, in die tijden, waarop door sommigen zoo hoog
+geroemd wordt, hebben de Burgtmaagden tweespalt over onze landen
+gebracht en de Moeders voor en na konden de tweespalt niet weder
+uit het land drijven. Nog erger, terwijl zij praatten en keuvelden
+over noodelooze gewoonten, zijn de Golen gekomen en hebben al
+onze schoone zuiderlanden geroofd. Heden ten dage zijn zij met onze
+verbasterde broeders en hunne soldaten reeds over de Schelde gekomen,
+er schiet ons dus over te kiezen tusschen het dragen van een juk of
+een zwaard. Willen wij vrij zijn en vrij blijven, zoo behooren de
+jongelieden het lezen en schrijven voorhands achterwege te laten,
+en in stede dat zij op hun gezelschappen wip en zwik spelen, moeten
+zij met zwaard en speer spelen. Zijn wij in allen deele geoefend,
+en de knapen groot genoeg om helm en schild te dragen en de wapenen
+te hanteeren, dan zal ik mij met uwe hulp op de vijanden werpen. De
+Golen mogen dan de nederlagen van hunne helpers en soldaten op onze
+velden schrijven met het bloed dat uit hunne wonden druipt. Hebben
+wij den vijand eenmaal voor ons uitgedreven, zoo moeten wij daarmede
+voortgaan, tot dat er geen Golen, noch Slaven, noch Tartaren meer
+van Fryas erf te verdrijven zijn.--Dat is recht, riepen de meesten,
+en de rijken durfden hunne monden niet open doen. Deze toespraak had
+hij zeker te voren bedacht en laten overschrijven, want des avonds van
+dien zelfden dag waren de afschriften daarvan in wel twintig handen;
+en die alle waren eensluidend. Naderhand beval hij de scheepslieden,
+zij moesten dubbele voorstevens maken, waaraan men eene stalen
+kraanboog kon bevestigen. Die hierin achterwege bleef werd beboet;
+kon iemand zweeren, dat hij geene middelen bezat, dan moesten de
+rijken van het dorp het betalen. Nu zal men zien, waarop al dat boha
+uitgeloopen is. Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge
+bergen is, daar zit een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas
+bloed gesproten; voor het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers,
+voor het ander gedeelte uit Britten en vluchtelingen, die allengs met
+der tijd uit de tinlanden derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden
+kwamen, hebben al te gader buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch
+ras. Zij zijn alle onder de heerschappij der Golen, hunne wapenen
+zijn houten bogen en sprieten met punten van hertshoornen, of ook van
+flinten. Hunne huizen zijn van zoden en stroo, en sommigen wonen in
+de holen der bergen. Schapen, die zij geroofd hebben, is hun eenige
+schat. Onder de afstammelingen van de Keltanavolgers hebben sommigen
+nog ijzeren wapenen, die zij van hunne voorvaderen geërfd hebben. Om nu
+goed verstaan te worden, moet ik mijn verhaal over het Schotsche volk
+laten rusten, en iets van de heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De
+heinde Krekalanden hebben te voren ons alleen toebehoord, maar sedert
+onheugelijke tijden hebben zich daar ook nakomelingen van Lyda en
+Finda nedergezet, van deze laatsten kwamen eindelijk een heele hoop
+van Troje. Troja alzoo heeft eene stad geheeten, die het volk van de
+verre Krekalanden (Griekenland) heeft ingenomen en verwoest. Toen de
+Trojanen in de heinde Krekalanden genesteld waren, toen hebben zij
+daar met tijd en vlijt eene sterke stad met wallen en burgten gebouwd,
+Rome, dat is Ruim, geheeten. Toen dat gedaan was, heeft het volk
+zich door list en geweld van het geheele land meester gemaakt. Het
+volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche zee huist, is voor
+het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De Phoeniciers (Puniers)
+zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed en van Findas bloed
+en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als slaven, maar door
+de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al het andere
+volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome kampen
+gestadig om het meesterschap van de Middellandsche Zee. Voorts leven
+die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne priesteren,
+die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen de Golen
+niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia afgenomen,
+daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts
+liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij
+de Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn
+duizende Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar
+de opperste der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak,
+dat is hoek, van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was
+daar al hun goud te zamen gebracht. Keeren herne (uitverkoren hoek) of
+Kerenak is eene steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden
+de Maagden van de nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder
+hebben. Alzoo was door de vijandschap der Maagden en der Golen veete
+en twist over het Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden
+kwamen daar dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden
+en linnen. Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de
+Maagden en met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden,
+om de Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam,
+gaf hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen
+bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen
+bloed bij de hellingen der bergen neder. Toen Askar meende, dat de kans
+hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen, en nam Kerenak en den
+opperste der Golen met al zijn goud. Het volk waarmede hij tegen de
+soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de Saksenmarken gelokt
+met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus werd den Golen niets
+gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot bergplaats voor zijne
+schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle Phoenicische schepen
+en steden te berooven, die hij beloopen konde. Toen hij terug kwam
+bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van het Schotsche
+bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven waren, opdat
+hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden blijven;
+doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn hof,
+waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren van
+allerlei wapenen. De Dennemarkers, die zich sinds lang boven alle
+andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra
+niet van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop
+afgunstig, dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over
+zijne landen. Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen
+de bouwvallen van de verwoeste burgt Stavia was nog een schrandere
+Burgtmaagd met eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er
+ging een groote roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar
+hare hulp aan, onder beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude
+laten opbouwen. Toen hij zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met
+drie Maagden naar Hals; 's nachts ging zij reizen, en bij dag sprak
+zij op alle markten en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij,
+had haar door donder laten toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden
+moest worden, als zusters en broeders vereenigd; anders zoude Findas
+volk komen en hen alle van de aarde verdelgen. Na dien donder waren
+Fryas zeven waakmaagden haar in den droom verschenen, zeven nachten
+achtereen; zij hadden gezegd: boven Fryas landen zwabbert ramp met juk
+en ketenen. Daarom moeten alle volken, die uit Fryas bloed gesproten
+zijn, hunne toenamen wegwerpen en zich alleen Fryaskinderen of Fryas
+volk noemen. Voorts moeten allen opstaan en Findas volk van Fryas
+erf verdrijven. Willen ze dat niet doen, zoo zullen zij slavenbanden
+om hunne halzen krijgen; zoo zullen de buitenlandsche heeren hunne
+kinderen misbruiken en laten geesselen, totdat het bloed zijgt in uwe
+graven. Dan zullen de schimmen uwer voorvaderen u komen wekken en u
+bekijven over uwe lafheid en onbezonnenheid. Het domme volk, dat door
+toedoen der Magyaren reeds aan zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde
+alles wat zij zeide, en de moeders klemden hare kinderen tegen hare
+borsten aan. Toen Reintja den koning van Hals en alle andere menschen
+tot eendracht had overgehaald, zond zij boden naar Askar en toog zelve
+langs de Baltische zee; van daar ging zij bij de Lithauers, alzoo
+genoemd omdat zij hunne vijanden altijd naar het aangezicht houwen. De
+Lithauwers zijn voortvluchtigen en verbannenen van ons eigen volk, dat
+in de Twisklanden zit en omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle
+van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht,
+en aldus door de Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede
+willen, maar de menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging
+zij achter de Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen,
+om allerwege dat zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren,
+kwam zij langs den Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich
+zelve voor Moeder uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije
+en franke menschen terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn
+gaan, en de Gola volgers uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat
+deden, dan zoude haar koning Askar over de Schelde gaan en daar het
+land afwinnen. Bij de Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de
+Tartaren en Magyaren binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze
+zeden gebleven. Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen
+onderwijzen en de ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja
+vijandig, maar ten laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en
+allerwege geprezen, waar het nuttig en noodig was. Zoodra Askar van
+Reintjas boden vernam, hoe de Jutten gezind waren, zond hij terstond
+boden van zijnentwege naar den koning van Hals. Het schip, waarmede de
+boden gingen, was vol geladen met vrouwen sieraden, en daarbij was een
+gouden schild, waarop Askars gedaante kunstig was afgebeeld. Deze boden
+moesten vragen of Askar des konings dochter Frethogunsta tot zijne
+vrouw mocht hebben. Frethogunsta kwam een jaar later te Staveren;
+bij haar gevolg was ook een Magy, want de Jutten waren sedert lang
+verdorven. Kort nadat Askar met Frethogunsta getrouwd was, werd er te
+Staveren eene kerk gebouwd; in de kerk werden booze gedrochtelijke
+beelden gesteld, met goud doorwevene kleederen. Ook is er beweerd
+dat Askar bij nacht en bij ontijde met Frethogunsta zich daar voor
+nederboog. Maar zooveel is zeker, de burgt Stavia werd niet weder
+opgebouwd.
+
+Reintja was reeds teruggekomen, en ging nijdig naar Prontlik de Moeder
+te Texland zich beklagen. Prontlik ging heen en zond allerwege boden,
+die verkondigden: Askar is overgeven aan afgoderij. Askar deed alsof
+hij het niet merkte, maar onverwacht kwam er een vloot uit Hals. Des
+nachts werden de Maagden uit de burgt gedreven, en des ochtens konde
+men van de burgt slechts eene gloeijende puinhoop zien. Prontlik en
+Reintja kwamen bij mij om eene schuilplaats; toen ik daar later over
+nadacht, scheen het mij toe dat het kwaad voor mijne staat bedijen
+konde. Daarom hebben wij te zamen eene list verzonnen, die ons
+allen moest baten. Zie hier hoe wij te werk gegaan zijn. Midden in
+het Krijlwoud beoosten Liudwerd ligt onze vlied of weerburg, die men
+alleen langs doolpaden kan genaken. Op deze burgt had ik sints langen
+tijd jonge wachters gesteld, die alle een afschuw van Askar hadden en
+alle andere menschen daar vandaan hielden. Nu was het bij ons al zoo
+ver gekomen, dat vele vrouwen en ook mannen al praatten over spoken,
+witte wijven en kabouter mannekes even als de Denemarkers. Askar had al
+deze dwaasheden tot zijn voordeel aangewend, en dat wilden wij nu ook
+tot ons voordeel doen. Bij eene duistere nacht bragt ik de Maagden naar
+de burgt en daarna gingen zij met hare dienaressen langs de doolpaden
+spoken in witte kleederen gehuld, zoo dat er naderhand geen mensch
+meer durfde komen. Toen Askar meende dat hij de handen ruim had,
+liet hij de Magjaren onder allerlei namen door zijne staten reizen
+en behalve mijne staat werden zij nergens geweerd. Nadat Askar alzoo
+met de Jutten en de andere Denemarkers was verbonden gingen zij alle
+te zamen rooven; doch dat heeft geene goede vruchten gebaard. Zij
+brachten allerhande buitenlandsche schatten te huis. Maar juist
+daardoor wilden de jonge mannen geen ambacht leeren, noch op het
+veld arbeiden; zoodat hij ten laatste wel slaven nemen moest. Maar
+dat was geheel tegen Wraldas wil en tegen Fryas raad. Daarom konde de
+straf niet achterwege blijven. Zie hier hoe de straf gekomen is. Eens
+hadden zij te zamen eene geheele vloot gewonnen, deze kwam uit de
+Middellandsche zee. Deze vloot was geladen met purperen kleederen
+en andere kostbaarheden, die uit Phoenicie kwamen. Het zwakke volk
+der vloot werd bezuiden de Seine aan wal gezet, maar het sterke volk
+werd gehouden. Dat moest hun als slaven dienen. De schoonsten werden
+gehouden om op het land te blijven, en de leelijkste en zwartste werden
+aan boord gehouden om op de banken te roeijen. In het Fly werd de
+boedel gedeeld, maar zonder hun weten werd ook de straf gedeeld. Van
+de menschen, die op de buitenlandsche schepen gesteld waren, werden
+zes door buikpijn gedood. Men dacht dat het eten en drinken vergiftigd
+waren, daarom werd alles over boord gegooid. Doch de buikpijn bleef
+en allerwege, waar slaven of goederen kwamen, kwam ook de buikpijn
+binnen. De Saksmannen brachten ze over hunne marken; met de Jutten
+voer zij naar Schoonland en langs de kusten van de Baltische zee;
+met Askar zijne zeelieden voer zij naar Brittannia. Wij en die van
+Grenega lieten geene goederen noch menschen over onze landpalen komen,
+en daarom bleven wij van de buikpijn bevrijd. Hoevele menschen de
+buikpijn heeft weggeraapt, weet ik niet te schrijven, maar Prontlik
+die het naderhand van de andere Maagden hoorde heeft mij gemeld, dat
+Askar duizendmaal meer vrije menschen uit zijne staten geholpen heeft,
+als hij er vuile slaven in bracht. Toen de pest voor goed geweken
+was, kwamen de vrij geworden Twisklanders naar den Rijn, maar Askar
+wilde met de vorsten van dat vuile verbasterde volk niet op eene lijn
+staan. Hij wilde niet dulden dat zij zich Fryas kinderen zouden noemen,
+gelijk Reintja aangeboden had; maar hij vergat daarbij dat hij zelf
+zwart haar had. Onder de Twisklanders waren er twee volken, die zich
+zelve geen Twisklanders noemden. Het eene volk kwam heel ver uit het
+zuidoosten weg, ze noemden zich Allemannen. Dezen naam hadden zij zich
+gegeven, toen zij nog zonder vrouwen in de wouden als bannelingen
+omdwaalden. Later hebben zij van het Slavenvolk vrouwen geroofd,
+evenals de Lithauwers, maar zij hebben hun naam behouden. Het andere
+volk, dat meer in de nabijheid omdwaalde, noemde zich Franken, niet
+omdat zij vrij waren, maar Frank zoo had de eerste koning geheeten,
+die zich zelf met hulp van de ontaarde Maagden tot erflijk koning
+over zijn volk gemaakt had. De volken, die aan hem grensden, noemden
+zich Thioth-his zonen dat is volkszonen, zij waren vrije menschen
+gebleven, naardien zij nimmer een koning, noch vorst, noch meester
+erkennen wilden, als dengene die bij algemeene wil gekozen was op de
+algemeene vergadering. Askar had reeds van Reintja vernomen, dat de
+Twisklander vorsten meest altijd met elkander in vijandschap en veete
+waren. Nu stelde hij hun voor, dat zij één hertog van zijn volk zouden
+kiezen, omdat hij bang was, gelijk hij zeide, dat zij met elkander
+zouden twisten om het meesterschap. Ook zeide hij dat zijne vorsten
+met de Golen konden spreken. Dat zeide hij was ook de meening der
+Moeder. Toen kwamen de vorsten der Twisklanders bij elkander, en na
+driemalen zeven etmalen kozen zij Alrik tot hertog. Alrik was Askars
+neef, hij gaf hem tweehonderd Schotten en honderd van de grootste
+Saksmannen mede tot eene lijfwacht. De vorsten moesten driemaal zeven
+van hunne zonen naar Staveren zenden tot borg van hunne trouw. Tot nu
+toe was alles naar zijn wensch gegaan, maar toen men over den Rijn
+zoude varen, wilde de koning der Franken niet onder Alriks bevelen
+staan. Daardoor liep alles in de war. Askar, die meende, dat alles
+goed ging, landde met zijne schepen aan de overkant der Schelde, maar
+daar was men reeds van zijne komst ingelicht en op zijne hoede. Zij
+moesten even haastig vluchten als zij gekomen waren, en Askar werd
+zelf gevangen genomen. De Golen wisten niet, wien zij gevangen hadden,
+en zoo werd hij naderhand uitgewisseld voor een aanzienlijken Gole,
+dien Askars volk had medegevoerd. Terwijl dit alles gebeurde,
+liepen de Magyaren nog stoutmoediger over de landen onzer naburen
+heen. Bij Egmuda, waar te voren de burgt Forana gestaan had, lieten
+zij eene kerk bouwen nog grooter en rijker als Askar te Staveren gedaan
+had. Naderhand zeiden zij, dat Askar den strijd had verloren tegen de
+Golen, omdat het volk niet wilde gelooven, dat Wodan hen konde helpen,
+en dat zij hem daarom niet wilden aanbidden. Voorts gingen zij heen
+en schaakten jonge kinderen, die zij bij zich hielden en opvoedden in
+de geheimenissen van hunne verfoeijelijke leer. Waren er menschen, die
+
+
+
+
+
+
+
+ADELA.
+
+
+OKKE MIN SVN.
+
+
+Thissa boka mot i mith lif ånd sêle wârja. Se vmbifattath thju skêdnise
+fon vs êle folk âk fon vsa êthlum. Vrlêden jêr håb ik tham ut-er
+flod hred tolik mith thi ånd thinra moder. Tha hja wêron wet wrden;
+thêr thrvch gvngon hja åfternei vrdarva. Vmbe hja navt to vrlysa håb
+ik-ra vp wrlandisk pampyer wrskrêven. Sa hwersa thu se erve, mot hu
+se âk wrskryva. Thin bårn alsa til thju hja nimmerthe wêi navt ne kvma.
+
+Skrêven to Ljuwert. Nêi âtland svnken is [6] thåt thria thûsond
+fjvwer hvndred ånd njugon ånd fjvwertigoste jêr, thåt is nei kersten
+rêknong that tvelfhvndred sex ånd fiftigoste jêr. Hidde tobinomath
+oera Linda.--Wâk.
+
+
+
+Ljawa ervnôma. Vmb vsa ljawa êthlas wille ånd vmb vsa ljawa fridoms
+wille, thusand wâra sâ bidd-ik to jo. Och ljawa ne lêt tha âgon
+ênis pâpekappe tach nimmerthe over thissa skrifta ne wêja. Hja
+sprêkath swêta wirda: men hja tornath vnmårksêm an alles hwat fon
+vs fryas trefth. Vmbe rika prebende to winnande sâ hêlath hja mith
+tha poppa kêninggar. Thissa wêtath that wi hjara grâteste fianda
+send. thrvchdam wi hjara liuda to sprêke thvra vr frijdom, rjucht
+ånd forstne plicht. Thervmbe lêtath hja alles vrdiligja, hwat fon
+vsa êthlum kvmt ånd hwat thêr jeta rest fon vsa alda sêdum. Och ljawa
+ik håv by tham et hove wêst. Wil Wr.alda-t thjelda ånd willath wi vs
+navt sterik ne mâkja hja skilun vs algâdur vrdiligja.
+
+Skrêven to Ljudwerd. Acht hondred ånd thrju jèr nei kersten
+bigrip. Liko tonômath ovira Linda.
+
+
+
+
+
+THET BOK THÊRA ADELA FOLSTAR.
+
+
+Thrittich jêr åftere dêi that thju folksmoder wmbrocht was thrvch
+thêne vreste Mâgy [7] stand et er årg vm to. Alle stâta thêr-er lidsa
+anda ôre syde thêre Wrsara, wêron fon vs ofkêrth ånd vnder-et weld thes
+Magy kêmen, ånd-et stand to frêsane, that er weldig skolde wertha vr-et
+êlle lând. Vmbe thåt vnluk to wêrane hêde mån êne mêna âcht bilidsen,
+hwêr gâdurath wêron âllera månnelik, thêr ann-en gode hrop stande by
+tha fâmna. Tha nêi thât-er mâr vrlâpen wêron as thrjv etmelda, was al
+go-rêd anda tys ånd al-ên sa by hjara kvmste. Thâ to tha lesta frêge
+Adela thåt wird, ånde kêth. J alle wêt-et that ik thrjv jêr burchfâm
+wêsen sy. Ak wêt j that ik kêren sy to moder, ånd âk, that ik nên moder
+nêsa [8] navt nilde [9], thrvchdam ik Apol to min êngâ jêrde. Thach
+hwat j navt nête [10], thåt is, that ik alle bêrtnisa nêigvngen håw,
+êvin as ik en wrentlike folksmoder wêsen wêre. Ik håv al-an fon ånd
+witherfâren to sjande hwåt-er bêrde. Thêr thrvch send my fêlo sêka
+bâr wrden, thêr ôra navt nête. J håweth jester sêith, thåt vsa sibba
+an tha ôra syd thêre Wrsara njvt ånd lâf wêre. Thâ ik mêi sedsa to jv,
+thåt-er Mâgy se nên yne gâ of wnnen heth thrvch thåt weld synra wêpne,
+men blât thrvch årgelestige renka, ånd jeta mâr thrvch thåt gyrich
+sa thêra hyrtogum ånd thêra êthelinga. Frya heth sêit wi ne skoldon
+nên vnfrya ljvd by vs tolêta, thâ hwat håvon hja dên? hja håvon vsa
+fjand nêi folged: hwand an stêd fon hjara fensenum to dêiande, jeftha
+fry to lêtane, håvon hja Fryas rêd minacht ånd se to hjara slâfonum
+mâked. Thrvchdam hja sok dêdon, macht Frya navt longer wâka ovir hjam:
+hja håvon ynes ôtheris frydom binimen, ånd thåt is êrsêke, thåt hja
+hjara åjn vrlêren håwe. Thach thåt ella is jo selva âken. Men ik wil
+sedsa to jo, ho hja nêi grâdum sâ lêg vrsylth send. Thêra finnum hjara
+wiva krêjon bårn. Thissa waxton vppa mith vsa frya bårn. Altomet
+tvildon ånd joldon hja to samne vppa hêm, jeftha hja wêron mith
+ekkorum by thêre hêrd. Thêr hêrdon hja mith lustum nêi tha vrdwâlska
+finna sâgum, thrvchdam hja thjvd ånd nêi wêron. Sâ send hja vntfryast
+vnthônkes thene wald hjarar aldrum. As tha bårn grât wrdon ånd sagon
+thåt tha finna-ra bårn nên wêpne hantêra machte, ånd blât wårka moste,
+thâ krêjon hja anneth wårka en gryns ånd wrdon hårde hâchfârande. Tha
+bâsa ånd hjara storsta svnum krupton by tha lodderiga finna mangêrtum;
+ånd hjara åjne toghatera thrvch thåt vvle fârbild fon-a wêi brocht,
+lêton hjara selva bigorda thrvch tha skênesta finna knâpa, hjara vvle
+aldrum to spot. Tha thêne Magy thåt anda nôs kryg, tha nam-er tha
+skênesta sinar Finna ånd Magyara vrlovende râ ky mith golden horna, sa
+hja ra thrvch vs folk fata dêdon, åfterdam sina lêr vtbrêda. Men sin
+ljuda dêdon mâr: bern wrdon to sok makad, nei vpsalândum wêibrocht,
+ånd sâhwersa hja vpbrocht wêron an sina vvla lêr, thån wrdon hja to
+bek sendon. Thâ tha skinslâvona vsa tâl måchtich wêron, thâ klivadon
+hja tha hêrtoga ånd êthelinga an bord, ånd kêthon, hja moston thene
+Magy hêroch wertha, sa kvndon hjara svnum vpfolgja tham, oni [11]
+thrvch-et folk kêron to wrdane. Thêra thêr vmbe goda dêdum en fârdêl
+to-ra hus kryen hêde-vrlovadon hja fon sinant wêgum jeta-n åfter-dêl
+bij; hoka tham en fâr ånd åfter-dêl kryen hêde sêidon hja en rond-dêl
+to, ånd tham en rond-dêl hêde en êlle stât. Wêron tha êthla to hårde
+fryas, thâ wendon hja tha stêwen ånd hildon vppar vrbastera svnum
+an. Jesterdêi wêron-er mong [12] jo tham allet folk to hâpa hropa
+wilde vmb tha âstlike stâta wither to hjara plyga to tvangande. Thach
+nêi min ynfalda myning skolde thât falikant [13] utkvmma. Thånk ynes
+thêr was wêsen en hårde lvngsyakte among-eth fja, ånd thåt-er thêr
+jeta årg vvde, skolde j-eth thån wel wâgja vmbe jvw hêlena fja to
+fârande among hjara syaka fja? åmmer nâ. Sâhwersa allra månnelik nw
+biâma ånd bijechta mot, thåt-eth thêr mitha stapel årg of kvma skolde,
+hwa skolde thån alsa dryst wêsa vmbe sina bårn to wagande among en folk
+thåt êlle ånd al vrdêren is. Macht ik jo rêd jêva, ik skolde sedsa
+to jo, j moste bifara alle dingum jo en nêie folksmoder kyasa. Ik
+wêt wel thåt j thêrmitha anda brvd sitte, vt hawede thåt-er fon tha
+thredtine burchfâmna than wi jeta ower håve wel achte send thêr nêi
+thêre êra dinge, men thåt skold ik navt ne melda. Tüntja thêr fâm
+is et-er burch Mêdêasblik het er nåmmer nêi tâlth; tach is hja fol
+witskip ånd klarsyan, ånd wel sa hårde vppir folk ånd usa plyga stålth
+as all ôthera etsamne. Forth skold-ik rêda j moste nêi tha burgum gâ,
+ånd thêr vpskrywa alle êwa fryas tex, bijvnka alle skydnisa, jâ ella
+thåt er to finda sy vppa wâgum, til thju ella navt vrlêren ni gâ,
+ånd mitha burgum alsa vrdên navt ne werth. Thêr ståt askriwen: thiu
+moder ånd jahwelik burchfàm skil håva buta helpar ånd senda bodon,
+yn and twintich fâmna ånd sjugon lêrfâmkis. Macht ik thêr hwat to
+dvande, thâ skol-ik skrywa, ånd alsa fêlo êrsêma toghatera vmbe to
+lêrane, sa thêr vppa burgum wêsa müge; hwand ik seg an trowe ånd tid
+skil-eth jechta, sâhwersa j åfta Fryas bårn wille nåmmer to winnande,
+hor thrvch lesta ner thvch wêpne, sa hagath j to nvdande thåt jvwe
+toghatera åfta frya wiva wrde. Bårn mot mån lêre, ho grât vs lând êr
+wêsen sy, hokke grâte månniska vsa ethla wêron, ho grât wi jeta send,
+sa wi vs dål ledsath bij ôra, mån mot tâla hjam fon tha wicharda ånd
+fon hjara wichandlika dêdum, åk wra fâra sêtochta. Al thissa tållinga
+hagath dên to werthande bij thêre hêrd, vppa hêm ånd hwêr et wêsa mêi,
+sâ bij blyskip as bij târum. Men skil-et standfåst kvma an dat bryn
+ånd andåt hirta, thån moton alle lêringa overa wêra jvwera wiva ånd
+toghatera thêr-in strâma. Adelas rêd is vpfolgath.
+
+Thit send tha nâma thêra grêvetmanna, vnder hwam-mis wald thit bok
+awrochten is. Apol, Adelas man, Thria is-er sêkening wêsen, nw is-er
+grêvetman over Ast-flylând ånd ovir-a Linda-wrda. Tha bvrga Ljvdgârda,
+Lindahêm, ånd Stâvja send vnder sin hod.
+
+Ther Saxman Storo, Sytjas man, grêvetman ovir-a hâga fenna ånd
+walda. Njvgun wâra is-er to hêrtoga, thåt is to hyrman, kêren. Tha
+burga Bvda ånd Manna-gârda-forda send vnder sin hod.
+
+Abêlo, Jaltjas man, grêvetman ovir tha Sûdar Flylânda. Fjvwers is-er
+hyrman wêsen. Tha burga Aken, Ljvdburch ånd Kâtsburch send vnder
+sin hod.
+
+Enoch Dywek his man, grêvetman ovir West-flylând ånd Texland. Njvgun
+mel is-er to sêkening kêren. Thiu Wâraburch, Mêdêasblik, Forâna ånd
+ald Fryasburch send vnder sin hod.
+
+Foppa, man fon Dunrôs, grêvetman ovir tha Sjvgon êlânda. Fif mel
+is-er sêkening wêsen. Thju burch Walhallagâra is vnder sin hod.
+
+Thit stand vppa tha wâgum et Fryasburch to Texland askrywen, thåt
+stêt âk to Stâvia ånd to Mêdêas blik.
+
+Thåt was Frya his dêi ånd to thêre stonde was et vrlêden sjvgun wâra
+sjvgun jêr, thåt Fåsta was anståld as folksmoder nêi Fryas jêrta. Thju
+burch Mêdêasblik was rêd ånd en fâm was kêren. Nw skolde Fåsta thju
+nêja foddik vpstêka, ånd thâ thåt dên was an åjnwarda fon thåt folk,
+thâ hrop Frya fon hira wâkståre, sâ thåt allera månnalik thåt hêra
+machte: Fåsta nim thinra stifte ånd writ tha thinga thêr ik êr navt
+sedsa ne machte. Fåsta dêde alsa hja boden wårth. Sâ send wy Fryas
+bårn an vsa forma skêdnise kêmen.
+
+Thåt is vsa forma skêdnise.
+
+Wr.alda [14] tham allêna god ånd êvg is, mâkade t.anfang, dana kêm
+tid, tid wrochte alle thinga âk jrtha. Jrtha bârde alle gârsa, krûdon
+ånd boma, allet djara kwik ånd allet årge kwik. Alhwat god ånd djar
+is, brocht hju by dêgum ånd alhwat kwâd ånd årg is, brocht hju thes
+nachtis forth. Afteret twilifte jol-fêrste bârde hja thrja mangêrta.
+
+Lyda wårth ut glyande,
+
+Finda wårth ut hêta ånd
+
+Frya ut warme stof.
+
+Thâ hja blât kêmon spisde Wr.alda hjam mith sina âdama; til thju tha
+månneska an him skolde bvnden wêsa. Ring as hja rip wêron krêjon hja
+früchda ånd nochta anda drâma Wr.aldas. Od [15] trâd to-ra binna: ånd
+nw bârdon ek twilif svna ånd twilif togathera ek joltid twên. Thêrof
+send alle månneska kêmen.
+
+Lyda was swart, krolhêred alsa tha lômera: lik ståra blonken hjra ôgon;
+ja thes gyrfügels blikkar wêron vnmodich by hjras.
+
+Skårpe Lyda. Annen sanâka kvn hju kruppa hêra, ånd hwersa thêr fiska
+invr wêter wêre n-vntgong thåt hira nostera navt.
+
+Rådbvwde Lyda. En store bâm kvn hju bûgja ånd sahwersa hja run ne
+bråk nêne blomstâl vnder hjara fyt.
+
+Weldige Lyda. Hård was hjra steme ånd krêt hju ut grimme sâ run ek
+flux wêi.
+
+Wonderfvlle Lyda. Fon êwa nilde hju navt nêta: hjra dêda wrdon thrvch
+hjra tochta stjvrat. Vmbe tha têdra to helpâne, dâde hju tha stôra
+ånd hwersa hju-t dên hêde grâjde hju by-t lik.
+
+Arme Lyda. Hju wårth gris fon-t vnwisse bihjelda ånd vpp-it ende
+sturf hja fon hirtsêr vmbe tha bårn-ra kwâd.
+
+Vnwisa bårn. Hja tichtegadon ekkorum, fen måm-ra dâd, hja gråjadon
+lik wolva, fjvchtadon alsa ånd dahwile hja that dêdon êton tha fügelon
+thåt lik. Hwâ mêi sin târa hwither to haldane.
+
+Finda. Was gêl ånd hjr hêr sâ tha mâna êner hors: êne thrê ne kv hja
+navt ni bûgja; men hwêr Lyda annen lavwa macht to dêjande, thêr dâde
+hja wel tjån.
+
+Vrlêdalike Finda. Svet was hjra stemme ånd nannen fügel kvn sjonga
+lik hju. Hjra êgon lokton ånd lordon, men thêrer ansach wårth slâf.
+
+Vnrêdalika Finda. Hju skrêf thûsande êwa, tha hju ne folgde nên er
+fon vp. Hja vrfyade tha goda vmbe hjara frymod, thâ an slikmåmkes
+jêf hju hjr selva hast wêi.
+
+That was hir vnluk. Hjra hâved was to fvl: tha hjr hirte to ydel;
+hju ne minde nimmån sa hja selva ånd hju wilde thåt ek hja lyaf
+håwe skolde.
+
+Falske Finda. Hüning swet wêron hjra wirda, thâ hok tham hja trjvwade
+wêre vnluk nêi by.
+
+Selvsjochta Finda. Ovir ella wilde hju welda, ånd hjra svnum wêron
+lik hju; fon hjara susterum lêton hja ra thjanja ånd ekkorum slogon
+hja vmb-et mâsterskip dâd.
+
+Dubbelhirta Finda. Vmbe skotse wirda wårth hju yre, ånd tha årgste
+dêda ne rorde hja navt. Sach hju en nyndask en spinne vrslynna,
+thån wårth hju omm-et hirte sa ys; men sach hju hjra bårn en fryas
+vrmorde sâ swol hjra bosm fon nocht.
+
+Vnluke Finda. Hju sturf anda blomtid fon hjra lêva, ånd-t is jeta
+tjvester ho hju fallen sy.
+
+Skinhêliga bårn. Vnder kestlike stêna lêidon hja hjra lik dêl, mit
+kwabbjana skriftum smukton hja tham vppa, togrâjande vmbe hêrath to
+wårthande men an stilnise ne wênadon hja nênen ênge târ.
+
+Vrijfalik folk. Thi tex thêr Finda nêi lêt was in golden blêdar wryt:
+thach tha besta hwêr-far i mâkad was, wêr i nåmmer to not. Tha goda
+êwa wrdon utfâgad ånd selfv sjocht wryte thêr kwâda far in.
+
+O Finda. Tha wårth jrtha fvl blod, ånd tha hâveda thêr månneska
+måjadon thin bårn lik gårs hålma of. Ja Finda thåt send tha früchda
+thinera ydlenise. Sjan dål fon thinre wâkstår ånd wên.
+
+Frya. Was wit lik snêi bij-t môrnerâd ånd thåt blâw hjrar ôgnum wn-et
+jeta thêre rêinbôge of.
+
+Skêne Frya. Lik strêlon thêre middêi svnne blikadon hjra hêron,
+thêr sa fin wêron as rach.
+
+Abela Frya. Vntlvkton hjra wêra, thån swêgon tha fügelon ånd ne rordon
+tha blêdar navt mar.
+
+Weldige Frya. Thrvch thêne kråft hjrar blikkar strêk thene lâwa to
+fara hjara fyt dål ånd held thene addur sin gif tobåk.
+
+Rêne Frya. Hjra yta was hüning ånd hjra drank was dâwa, gâdvrad anda
+bôsma thêra blommur.
+
+Lichte Frya. Thåt forma hwat hju hjra bårn lêrde was selv-twang, thåt
+ôthera was lyafte to düged, ånd thâ hja jêroch wrdon, thâ lêrde hju
+hjam thju wêrtha fon tha frijdom kånna: hwand sêide hju svnder frijdom
+send alle ôthera dügedon allêna god vmbe jo to slâvona to mâkjande,
+jvwe ofkvmste to êvge skantha.
+
+Milde Frya. Nåmmer lyt hju mêtal ut jrtha dålva vmb åjnbât, men
+sâhwersa hja-t dêde wêr-et to jahwelikis not.
+
+Lukigoste Frya. Alsa tha ståra om jrtha omswyrmia swirmadon hjara
+bårn om hja.
+
+Wise Frya. Thâ hju hjra bårn vpbrocht hêde alto thêre sjugonde kny,
+thâ hrop hju-ra alle a Flylând to såmne. Thêr jêf se hjam hjra tex,
+ånd sêide, lêt tham jvwe wêiwisar wêsa, thâ ne skil thåt jo nâ navt
+kwalik ni gâ.
+
+Utforkêrena Frya. Thâ hju-t sêid hêde, bêvade jrtha lîk Wr.aldas sê,
+Flylândis bodem svnk an grâda vnder hjara fyt dål. Thju loft wârt swart
+ånd nylof [16] fon târa to stirtane ånd thâ hja nêi moder omsâgon,
+was hju al lang vppira wâkstår. Thâ to tha lesta språk tongar ut-a
+wolka ånd blixen schrêf an thåt loftrvm, wâk.
+
+Farsjanda Frya. Thåt lând fon hwêr hju was vpfaren was nw en strâm ånd
+buta hira tex was thêr in ella bidvlwen hwat fon hjra hôndum kêmen was.
+
+Hêriga bårn. Thâ hja to-ra selva wêron, thâ mâkadon hja thit hâge
+therp, bvwadon thâs burch thêrvppa, anda wågrum thessa wryton hja
+thene tex, ånd vmbe that allera mannalik hja skolde müga finda,
+håvath hja thåt lând rondomme Texlând hêten. Thêrvmbe skil-åt bilywa
+al wenne jrtha jrtha sy.
+
+
+
+
+
+TEX FRYAS.
+
+
+Held bêid tha Frya, to tha lesta skilun hja my hwiter sja. Thach thêra
+allêna mêi ik as fry kånna thêr nên slâf is fon ên ôther ni fon sine
+tochta. Hyr is min rêd.
+
+Sâhwersa thju nêd årg sy ånd gode rêd ånd gode dêd nawet mâr ne
+formüge, hrop thån thi gâst Wr.aldas an, men j ne mot-im navt anhropa
+bifâra alle thinga prvvath send. Tha ik segs to jo mith rêdene ånd
+tid skil-et wâra, tha modelâsa skilun åmmar swika vnder hjar åjn lêd.
+
+2. Wr.aldas gâst mêi mån allêna knibuwgjande thânk to wya, jâ thrju
+wâra far hwat jv fon him noten håve, far hwat jv nith, ånd fara hâpe
+thêr hy jo lêt an ånga tida.
+
+3. J håwed sjan ho ring ik helpe lênde, dva al ên mith jo nêston,
+men ne tof navt til mån jo bêden heth, tha lydande skolde jo floka,
+min fâmna skoldon jvwa nâma utfaga ut-åt bok ånd ik skolde jo lik
+vnbikånnade ofwisa mota.
+
+4. Nim nåmmar knibuwgjande tânk fon jv nêston an, thjus âgath Wr.aldas
+gâst. Nid skolde j bikrjupa, wisdom solde j bilâka ånd min fâmna
+skoldon jo bityga fon fâderrâv.
+
+5. Fjuwer thinga send to jvwe not jêven, mith nâma, loft, wêter, lând
+ånd fjur. Men Wr.alda wil thêr allêna bisittar of wêsa. Thêrvmbe rêd
+ik jo, j skilun jo rjuchtfêrdiga manna kyasa, tham thju arbêd ånd tha
+früchda nêi rjuchta dêla, sâ that nåmman fry fon wârka ni fon wêra sy.
+
+6. Sâhwersa thêr åmman among jo fvnden wårth, thêr sin åjn frydom
+vrsellath, tham-n is navt fon jvw folk: hi is en horning mith basterd
+blod. Ik rêde jo that j him ånd sin måm to thåt lând utdriva, sêgs
+that to jvwa bårn, thes mornes, thes middêis ånd thes êwendes, til
+thju hja thêrof drâme thes nachtis.
+
+7. Allera månnalik thêr en ôther fon sine frydom birâwath, al wêre
+thêne ôre him skeldech, mot ik anda bårntâm êner slâfinne fâra
+lêta. Thach ik rêde jo vmbe sin lik ånd that sinera måm vpp êne kåle
+stêd to vrbarnande, åfternêi hjara aske fiftich fyt anda grvnd to
+dålvane, til hju thêr nênen gårshålm vp waxa ni mêi, hwand aldulkera
+gårs skolde jvw diaroste kvik dêja.
+
+8. Ne grip nâ thåt folk fon Lyda ner fon Finda an. Wr.alda skolde
+helpa hjam, sa that-åt weld that fon jo utgong vppa jvwa åjne hâveda
+skolde witherkvma.
+
+9. Sâhwersa thåt machte bêra that hja fon juwe rêd jefta awet owers
+wilde, alsa aghat j to helpane hjam. Men kvmath hja to râwande;
+fal than vppa tham nither lik blixenande fjvr.
+
+10. Sâhwersa annen fon hjam êner jvwer toghaterum to wif gêrth ånd
+hju that wil, thån skolun j hja hjra dvmhêd bitjvtha; thach wil hju
+toch hjra frêjar folgja, that hja than mith frêtho gâ.
+
+11. Willath jvw svna fon hjara toghaterum, sâ mot j alsa dva as mith
+jvwa toghaterum. Thach hor tha êna nor tha ôthera mêi witherkvma;
+hwand hja skoldvn uthêmeda sêda ånd plêga mith fara; ånd drêi thessa
+by jo heldgad wrde, mêi ik navt longer ovir jo wâka.
+
+12. Vppa minre fâm Fåsta håv ik min hâp fåstegth, thêrvmbe most j hja
+to êremoder nêma, Folgath j min rêd, thån skil hju nêmels min fâm
+bilywa ånd alla frâna fâmna thêr hja folgja; thån skil thju foddik
+nåmer utgâ thêr ik far jo vpstoken håv. Thåt ljucht thêra skil thån
+êvg jvwe bryn vpklarja, ånd j skilun thån êvin fry bilyva fon vnfrya
+weld as jvwa swite rinstrâma fon thåt salte wêter thêr åndelâse sê.
+
+
+
+
+
+THET HET FASTA SÊID.
+
+
+Alle setma thêr en êw, thåt is hvndred jêr, omhlâpa müge mith tha
+krodar ånd sin jol, thêra mügon vppa rêd thêre moder, ånd by mêna
+willa vppa wêgar thêra burgum writ hwertha; send hja uppa wêgar writ,
+thân send hja êwa, ånd thåt is vsa plicht vmbe altham an êra to
+haldande. Kvmth nêd ånd tvang vs setma to jêvane, stridande wither
+vsa êwa ånd plêgum, sâ mot månneska dva alsa hja askja; thach send
+hja wêken, thån mot mån åmmer to thåt alda witherkêra. Thåt is Fryas
+willa, ånd thåt mot wêsa tham fon al hjra bårn.
+
+
+
+
+
+FASTA SÊIDE.
+
+
+Alle thinga, thêr mån anfangja wil, hoka thåt-åt môga wêsa, vppa tha
+dêi, thêr wy Frya heldgad håwa, tham skilun êvg falykant utkvma:
+nêidam tid nw biwysd heth thåt hju riucht hêde, sâ is thåt en êwa
+wrdon, thåt mån svnder nêd ånd tvang a Frya hjra dêi nawet owers ni
+dva ne mêi, tha blyda fêrsta fyrja.
+
+
+
+
+
+THAT SEND THA ÊWA THÊR TO THÊRA BURGUM HÊRA.
+
+
+1. Sâhwersa thêr årne êne burch bvwet is, sâ mot thju foddik thêra an
+tha forma foddik et Texlând vpstêken wrda. Thach thåt ne mêi nåmmer
+owers as troch tha moder skên.
+
+2. Ek moder skil hjra åjn fâmna kjasa; alsa thêra thêr vppa thêra
+ôthera burgum as moder send.
+
+3. Thju moder to Texlând mêi hjra folgster kjasa, thach sâhwersa hju
+falth êr hju-t dên heth, sa mot thas kêren hwertha vppa êna mêna acht,
+by rêdum fon alle stata et sêmne.
+
+4. Thju moder to Texlând mêi ên ånd tvintich fâmna ånd sjvgun spille
+mangêrta håva, til thju thêr åmmer sjvgun by thêre foddik muge wâkja
+dêilikes ånd thes nachtes. By tha fâmna thêr vppa ora burgum as moder
+thjanja alsa fêlo.
+
+5. Sâhwersa en fâm annen gâda wil, sa mot hju-t thêre moder melda,
+ånd bistonda to tha månniska kêra, êr hju mith hjra tochtige âdama
+thåt ljucht bivvlath.
+
+6. Thju moder ånd alrek burchfâm skil mån tofogjande ên ånd tvintich
+burchhêran, sjvgun alda wisa, sjvgun alda kåmpar, ånd sjvgun alda
+sêkåmper.
+
+7. Ther fon skilun alle jêron to honk kêra thrim fon elik sjvgun,
+thach hja ne mügon navt vpfolgath ne wertha thrvch hjara sibtal nêjar
+sa tha fjarda kny.
+
+8. Aider mêi thrê hvndred jonga burchwêrar håva.
+
+9. Far thissa thjanesta skilun hja lêra Fryas tex ånd tha êwa, fon
+tha wisa mannon thêne wisdom, fon tha alda hêrmannon thene kunst fon
+tha orloch ånd fond tha sêkeningar thene kunsta thêr bi thåt butafâra
+nêthlik send.
+
+10. Fon thissa wêrar skilun jêrlikes hvndred to bek kêra. Thach send
+thêr svme vrlåmth wrden, sa mügon hja vpper burch bilywa hjara êlle
+lêva long.
+
+11. By thåt kjasa fon tha wêrar ne mêi nimmen fon thêra burch nên
+stem navt ne håva, ni tha grêvetmanna jefta ôthera hâveda, mån thåt
+blåta folk allêna.
+
+12. Thju moder et Texlând skil mån jêva thrja sjvgun flinka bodon mith
+thrja twilif rappa horsa. Vppa ora burgum ek burchfâm thrê bodon mith
+sjvgun horsa.
+
+13. Ak skil åjder burchfâm håva fiftich bvwara thrvch thåt folk
+akêren. Men thêrto mêi mån allêna jêva sokka, thêr navt abel ånd
+stora for wêra ner to butafârar send.
+
+14. Ajder burch mot hiri selva bidruppa ånd genêra fon hjra åjn
+ronddêl ånd fon thåt dêl that hju fon thåt mårkjeld bürth.
+
+15. Is thêr åmman kêren vmbe vppa burgum to thjanjande ånd nil-er navt,
+thån ne mêi-er na nên burchhêr wertha, ånd dus nên stem navt ni håva,
+is er al burchhêr sa skil hi thju êr vrljasa.
+
+16. Sâhwersa åmman rêd gêrt fon thêre moder, tha fon êne burchfâm,
+sa mot hi him selva melde by tha skrivwer. Thesse brångth-im by
+tha burchmâster.
+
+Forth mot-i nêi tha lêtsa, thåt is thêne hêlener. Thêr mot sja jef er
+âk bisêken is fon kvada tochtum. Is-er god sêid, tha vndvath hi him
+selva fon sinum wêpna, ånd sjvgun wêrar brångath him by thêre moder.
+
+17. Is thju sêk vr êne stâte sa ne mügon thêr navt miner thån thrê
+bodon kvma: is-t vr-t êlla Fryaslând, thån moton thêr jeta sjvgun
+tjuga bywêsa. Thêrumbe thåt er nên kva formvda navt risa ne mêi nor
+skalkhêd dên ne wrde.
+
+18. By alle sêkum mot tha moder walda ånd njvda thåt hjra bårn,
+thåt is Fryas folk, sâ mêt-rik bilywa as thåt wêsa mêi. Thåt is thi
+grâtesta hjrar plichta, ånd vs alra vmb-er thêr an to hêlpande.
+
+19. Håt mån hja by êne rjuchtlika sêke anhropen vmb-er utsprêk twisk
+annen grêvetman ånd tha mênte, ånd findath hju thju sêke tvivelik,
+sâ mot hju to bâte fon thêr mênte sprêka til thju thêr frêtho kvma,
+ånd thrvchtham thåt bêtre sy that ên man vnrjucht dên wrde thån fêlo.
+
+20. Kvmth hwa vmb rêd ånd wêt thju moder rêd, sa âch hju tham bystonda
+to jêvane, wêt hju bystonda nên rêd, sâ mêi hju wachtja lêta sjvgun
+dêgum. Wêt hju thån nach nên rêd, sa mügon hja hinne brûda, ånd hja
+mügon hjra selva navt biklagja, til thju nên rêd bêtre is thån kva rêd.
+
+21. Heth en moder årge rêd jêven ut kvada willa, sâ mot mân hja dêja
+jefta ut of lândum dryva stoknaken ånd blât.
+
+22. Send hjra burchhêra mêdeplichtich, thån dvath mån alsa mith tham.
+
+23. Is hjra skild tvivelik jefta blât formoda, sâ mot mån thêr-vr
+thingja ånd sprêka, is-t nêdich, ên ånd twintich wyka long. Stemth tha
+halfdêl skildich, sâ halde mån hja vr vnskildich, twêde sâ wacht mån
+jeta en fvl jêr. Stemth mån thån alsa, sâ mêi mån hja skildich halda,
+tha navt ni dêja.
+
+24. Sâhwersa svme among thåt thrimna send tham hja alsa sêr vnskildich
+mêne that hja hja folgja wille, sâ mügon hja thåt dva mith al hjara
+driwande ånd tilbara hâva ånd nåmman acht hjam thêr ovir min to
+achtiane, til thju thåt mâra dêl alsa blyd kån dwâla sa thåt minra del.
+
+
+
+
+
+MÊNA ÊWA.
+
+
+1. Alle frya bårn send a êlike wysa bårn. Thêrvmbe moton hja âk êlika
+rjuchte håva, alsa blyd vpp-åt lând as vpp-åth ê, thåt is wêter ånd
+vp ella thåt Wr.alda jefth.
+
+2. Allera mannalik mêi-t wif sinra kêsa frêja ånd ek toghater mêi
+efter hjra helddrvnk bjada thêr hju minth.
+
+3. Heth hwa en wif nimth, sâ jêft mån hjam hus ånd wårv. N-is thêr nên,
+sa mot-åt bvwat wrde.
+
+4. Is-er nêi en ôther thorp gongon vmb en wif ånd wil hi thêr bilywa,
+sâ mot mån him thêr en hus en wårf jêwa bijonka thåt not fon tha
+hêmrik.
+
+5. Allera mannalik mot mån en åfterdêl as wårf by sina hus jêva. Tha
+nimman ne mêi en fardêl by sin hus nåva, fül min en ronddêl. Allêna ief
+hwa en dâd dên heth to mêna nitha, sâ mêi him thåt jêven wrde. Ak mêi
+sin jongste svn that erva. After tham mot thåt thorp that wither nima.
+
+6. Ek thorp skil en hêmrik håva nêi sina bihof ånd thêne grêva skil
+njvda that alra ek sin dêl bidongth ånd god hald, til thju tha åfter
+kvmmande nên skåde navt ne lyda ne muge.
+
+7. Ek thorp mêi en mårk hava to kâp ånd to vrkâp iefta to
+wandelja. Alle-t ôra lând skil bvw ånd wald bilyva. Thâ tha bâma thêra
+ne mêi nimman navt fålla, buta mêna rêda ånd buta wêta thes waldgrêva,
+hwand tha walda send to mêna nitha. Thêrvmbe ne mêi nimman thêr måster
+of sa.
+
+8. As mårkjeld ne mêi thåt thorp navt mâr ni nimma sa tha tillifte
+dêl fon tha skat, hor fon tha inhêmar ner fon tha fêrhêmande. Ak ne
+mêi tha mårk skat navt êr vrsellath [17] ne wertha as thåt ôra god.
+
+9. Alle-t mårkjeld mot jêrlikes dêlath wrde, thrja dêgan far thêre
+joldêi, an hvndred dêlun to dêlande.
+
+10. Thi grêvetman mit sinum grêvum skil thêr of büra twintich dêla;
+thêne mårk rjuchter tian dêla, ånd sinum helpar, fif dêla; thju
+folkesmoder ên dêl; thju gâ moder fjvwer dêla; thåt thorp tian dêla;
+tha årma, thåt is thêra tham navt wårka ni kunna ni müge, fiftich dêla.
+
+11. Thêra, tham to mårka kvma, ne mügon navt ni wokeria, kvmath thêr
+svm, sa is-t thêra famna plicht hjam kånbêr to makjana in-vr thåt êlle
+lând, til thju hja nimmerthe kêren navt wrde to eng ampt, hwand soka
+håvath en gyra-lik hirte, vmbe skåt to garja skolde hja ella vrrêda,
+thåt folk, thjv moder, hjara sibben ånd tho tha lesta hjara selva.
+
+12. Is thêr åmman alsa årg that-er sjvcht-siak fja jeftha vrdêren
+wêr vrsellath vr hêl god, sa mot thene mårk-rjuchtar him wêra ånd
+tha famna him noma invr-et êlle lând.
+
+In êra tyda hêmadon Findas folk mêst algadur invr hjara moders
+bårta-lând, mit nôma ald-lând that nw vnder-ne sê lêith; hja wêron
+thus fêr-of, thêrvmbe nêdon wi âk nên orloch, tha hja vrdrêven send
+ånd hêinda kêmon to râwane, thâ kêm-er fon selva lândwêr hêrmanna
+kêninggar ånd orloch, vr altham kêmon setma ånd uta setma kêmon êwa.
+
+
+
+
+
+HYR FOLGATH THA ÊWA THÊR THÊRUT TAVLIKT SEND.
+
+
+1. Ek Fryas mot-a lêtha jeftha fyanda wêra mith aldulkera wåpne as-er
+forsinna, bikvma ånd hândtêra mêi.
+
+2. Is en boi twilif jer, sa mot-i tha sjvgunde dêi miste fon sin
+lêr-tid vmbe rêd to werthande mith-a wåpne.
+
+3. Is hi bikvmen, sa jêve mån him wåpne ånd hi warth to wêrar slâgen.
+
+4. Is hi thrê jêr wêrar, sâ wårth-i burch-hêr ånd mêi hi hêlpa sin
+hâwed-manna to kjasane.
+
+5. Is hwa sjvgun jêr kjasar, sâ mêi hi hêlpa en hêrman jeftha kêning
+to kjasane, thêr to âk kêren wrde.
+
+6. Alle jêr mot-er ovir kêren wertha.
+
+7. Buta tha kêning mügon alle ambtmanna wither kêren wertha, tham
+rjucht dva ånd nêi fryas rêd.
+
+8. Annen kêning ne mêi navt ni lônger as thrê jêr kêning bilywa,
+til thju hi navt biklywa ne mêi.
+
+9. Heth-i sjvgun jêr rest, sâ mêi hi wither kêren wertha.
+
+10. Is thi kêning thruch thene fyand fallen, sâ mügon sina sibba âk
+nêi thêre êre thinga.
+
+11. Is-er vppa sin tid ofgvngen jeftha binna sin tid sturven, sâ ne
+mêi nên sibba him vpfolgja, thêr-im nêiar sy sa tha fjarde kny.
+
+12. Thêra tham strida mitha wåpne an hjara handa ne kunnath navt
+forsinna ånd wis bilywa, thêrvmbe ne focht-eth nêne kêning wåpne to
+hantêra an tha strid. Sin wisdom mot sin wåpen wêsa ånd thju ljafte
+siura kåmpona mot sin skyld wêsa.
+
+
+
+
+
+HYR SEND THA RJUCHTA THÊRE MODER AND THÊRA KÊNINGGAR.
+
+
+1. Sahwersa orloch kumth, send tha moder hira bodon nêi tha kêning,
+thi kêning send bodon nêi tha grêvetmanna vmbe lând-wêr.
+
+2. Tha grêvetmanna hropath alle burch-hêra et sêmne ånd birêdath ho
+fêlo manna hja skilun stjura.
+
+3. Alle bisluta thêra moton ring nêi thêre moder senden wertha mith
+bodon ånd tjugum.
+
+4. Thju moder lêth alle bisluta gaderja ånd jêfth et guldnetal,
+thåt is thåt middeltal fon alle bisluta etsêmne, thêrmitha mot mån
+far thåt forma frêto ha ånd thene kening alsa.
+
+5. Is thju wêra a kåmp, thån hoft thi kêning allêna mith sinum
+havedmanna to rêda, thach thêr moton åmmerthe thrê burch-hêra fon thêre
+moder fôrana sitta svnder stem. Thissa burch-hêra moton dêjalikis
+bodon nêi thêre moder senda, til thju hju wêta müge jef thêr awet
+dên wârth, stridande with-a êwa jeftha with Fryas rêdjevinga.
+
+6. Wil thi kêning dva ånd sina rêda navt, sâ mêi hi thåt navt
+vnderstonda.
+
+7. Kvmth-ene fyand vnwarlinga, thån mot mån dva sa thene kêning bith.
+
+8. Nis thene kêning navt vppet pat, sâ mot mån sin folgar hêrich wêsa
+of tham-is folgar alont tha lesta.
+
+9. Nis thêr nên havedman, sâ kjase mån hwa.
+
+10. Nis thêr nên tid, sâ wårpa hi him to havedman thêrim weldich
+fêleth.
+
+11. Heth thene kêning en frêsalik folk ofslagen, sâ mügon sina after
+kvmande sin nâma åfter hjara åjne fora; wil thene kêning, sâ mêi-er
+vppen vnbibvwade stêd en plåk utkjasa to hus ånd erv. Thåt erv mêi
+en rond-dêl wêsa sa grât thåt hi fon alle sidum sjvgun hvndred trêdun
+ut of sine hus mêi hlapa, êr hi an sina rêna kvmth.
+
+12. Sin jongste svn mêi thåt god erva, åfte tham thamis jongste,
+thån skil mån that wither nimma.
+
+
+
+
+
+HYR SEND THA RJUCHTA ALLER FRYAS VMBE SÊKUR TO WÊSANDE.
+
+
+1. Sahwersa thêr êwa vrwrocht wrde jefta nêja setma tavlikt, alsa
+mot-et to mêna nitha skên, men nåmmer to bâta fon enkeldera månniska,
+her fon enkeldera slachta, ner fon enkeldera stâta, nach fon awet
+that enkel sy.
+
+2. Sahwersa orloch kvmt ånd thêr wrde husa homljat jeftha skêpa,
+hok that et sy, sy-et thrvch thene fyand, tha by mêna rêdum, sâ ach
+tha mêna mênta, thåt is al-et folk to sêmne that wither to hêlene;
+thêr vmbe that nåmman tha mêna sêka skil helpa vrljasa vmbe sin åjn
+god to bihaldane.
+
+3. Is orloch vrthêjan, ånd send thêr svm, alsa vrdêren that hja navt
+longer wårka ne mügon, sâ mot tha mêna mênte hjam vnderhalda, by tha
+fêrstum achon hja forana to sittana, til thju tha jüged skil êra hjam.
+
+4. Send thêr wêdvon ånd wêson kêmon, sâ mot mån hja âk vnderhalda
+ånd tha svna mügon thi nâma hjarar tâta vpp-ira skildum writa hjara
+slachtha to êrane.
+
+5. Send thêr svm thrvch thene fyand fat ånd kvmath hja to båk, sâ
+mot mån hjam fêr fon thåt kåmp of fora, hwand hja machton fry lêten
+wêsa by arge loftum ånd than ne mügon hja hjara lofta navt ni halda
+ånd toch êrlik bilywa.
+
+6. Jef wi selwa fyanda fâta, sâ brånge mon tham djap anda landa wêi,
+mån lêrth hja vsa frya sêde.
+
+7. Lêt mån hja åfternêi hlâpa, sâ lêt mån thåt mith welhêd thrvch tha
+fâmna dva, til thju wi âtha ånd frjunda winna fori lêtha ånd fyandun.
+
+
+
+
+
+UT MINNOS SKRIFTUN.
+
+
+Sahwersa thêr ênman is thêrmêta årg that hi vsa swetsar birawath,
+morth-dedun dvat, husa barnth, mangêrtha skånth, hok thåt-et sy,
+thåt årg sy, ånd vsa swetnata willon thåt wroken håva, sâ is thåt
+rjucht thåt mån thene dêder fâtath ånd an hjara åjn-warda dêjath,
+til thju thêr vr nên orloch ne kvme, wêrthrvch tha vnskêldiga skolde
+bota fori tha skêldiga. Willath hja him sin lif bihalda lêta ând
+thju wrêka ofkâpja lêta, sâ mêi mån thåt dâja. Thach is then bona en
+kêning, grêvetman, grêva hwa thåt-et sy, tham ovira sêda mot wâka,
+sâ moton wi thåt kwad bêterja men ta bona mot sin straf hâ.
+
+Forth hi en êrenâma vppa sine skeld fon sina êthelun, sâ ne mügon
+sina sibba thi nâma navt lônger ne fora. Thêrvmbe thåt hi êne sibba
+svrg skil håva ovira sêda thêra ôthera.
+
+
+
+
+
+ÊWA FARA STJURAR [18]. STJURAR IS THI ÈRENOMA THÊRA BUTAFARAR.
+
+
+Alle fryas svna håva lika rjuchta, thêrvmb mügon âlle flinka knâpa
+hjara self as butafârar melda by tha ôldermôn ånd thisse ne mêi him
+nit ofwisa, wara thåt er nên sted is.
+
+2. Tha stjurar mügon hjara åjn måstrun noma.
+
+3. Tha kâpljvd moton kêren ånd binomath wertha thrvch tha mênte
+thêr-et god hêreth ånd tha stjurar ne mügon thêr by nên stem håva.
+
+4. Jef mån vppe rêis bifinth thåt thene kêning årg jefta vnbikvmmen
+is, sâ mügon hja en ôra nimma; kvmon hja to båk, sâ mêi thene kêning
+him self biklagja by tha ôldermôn.
+
+5. Kvmth thêr flâte to honk ånd sin thêr bâta, sâ moton tha stjurar
+thêr of en thrimene håva, althus to dêlande, thi witkêning twilf môn-is
+dêla, thi skolt by nacht sjugun dêla, tha bôtmônna ek twa dêla, thi
+skiprun ek thrê dêla, that ôra skip-is folk ek ên dêl. Tha jongste
+prentar ek en thrimnath, tha midlosta ek en half-dêl ånd tha ôldesta
+ek en twêdnath.
+
+6. Sin thêr svme vrlameth, sâ mot-a mêna mênte njvda far hjara lif,
+âk moton hja fôrana sitta by tha mêna fêrsta, by huslika fêrsta,
+jâ by alle fêrsta.
+
+7. Sin thêr vppa tocht vmkume, sâ moton hjara nêstun hjara dêl erva.
+
+8. Sin thêr wêdven ånd wêson fon kvmen, sâ mot thju mênte hja
+vnderhalda; sin hja an ênre kase felth, sa mügon tha svna thi nôma
+hjarar tâta vppira skeldun fora.
+
+9. Sin thêr prentara [19] forfaren, sa moton sina erva en êl mannis
+dêl håva.
+
+10. Was hi forsêith, sâ mêi sin brud sjugun mannis dêlun aska vmbe
+hira fryadulf en stên to to wjande, mar thån mot hja for tha êre
+wêdve bilyva lêva lông.
+
+11. Sahwersa en mênte en flåte to rêth, moton tha rêdar njvda fâra
+beste liftochtun ånd fâr wif ånd bårn.
+
+12. Jef en stjurar of ånd årm is, ånd hi heth hus nach erv, sâ mot
+im that jon wertha. Nil hy nên hus nach erv, sa mügon sin friundun
+hem tus nêma ånd thju mênte mot et bêtera nêi sina ståt, wara thåt
+sin friunda thene bâta wêigerja
+
+
+
+
+
+NETLIKA SÊKA UT-A NÊILÊTNE SKRIFTUM MINNOS.
+
+
+Minno [20] was en alde sêkêning, sjaner ånd wisgyrich. An tha
+Krêtar heth-i êwa jêven. Hi is bårn an tha Lindawrda, ånd nêi al sin
+witherfâra heth hi thåt luk noten umbe to Lindahêm to sterva.
+
+Sahwersa vsa swethnata en dêl lând håve jeftha wêtir, that vs god
+tolikt, sa focht-et vs vmbe that a kâp to frêja, nillath hja thåt navt
+ne dva, than mot mån hja that bihalda lêta. That is nêi Frya-his tex
+ånd-et skolde vnrjucht wêsa to vnthandana that.
+
+Sahwersa thêr swethnata et sêmna kyva ånd sana vr enga sêka, tha
+vr lând, ånd hja vs frêja en ordêl to sprêka, sa ach man thåt rêder
+åfterwêja to lêtane, tach sa man thêr navt buta ne kan, sa mot man
+thåt êrlik ånd rjuchtfêrdich dva.
+
+Kvmth thêr hwa ånd sêith, ik håv orloch, nw most-v mi helpa; jeftha en
+ôra kvmth ånd sêith, min svn is vnjêrich ånd vnbikvmmen, ånd ik bin
+ald, nw wild-ik thi to wâranstew ovir hini ånd ovir min lând stålla,
+til hi jêrich sy, sa ach man that wêigarja, til thju wi nawt an twist
+ne kvme ne müge vr sêka stridande with vsa frya sêdum.
+
+Sahwersa thêr kvmth en vrlandisk kapman vppa tolêtmårk et Wyringga
+tha to Almanland ånd hi bidroght, sa warth-er bistonda mårk-bêten ånd
+kanbêr mâkad trvch tha fâmna invr et êle land. Kvmth-er thån to båk, sa
+ne skil nimman kâpja fon him, hy mêi hinne brûda sa-r kvmen is. Thus,
+sahwersa-r kâpljud kêren wrde vmbe wr-a merka to gâ, jeftha mith-e
+flât to fârane, sa ach man allêna aldulkera to kjasane tham mån tyge
+by tyge kånth ånd an en goda hrop stâne by tha fâmna. Bêrth-et navt
+to min that-er en årg man mông sy, tham tha ljud bitrogha wil, sa
+agon tha ora thåt to wêrane. Het-i-t-al dên sa mot mån thåt bêterja,
+ånd thene misdêdar ut of lândum banna, til thju vsa nâma vral mith
+êrane skil wertha binomath.
+
+Men jef wir vs vppen vrlandiska mårkt finda, sy-et hêinde jeftha fêr,
+ånd bêrth-et thåt-et folk vs lêt dvath jeftha bistêlleth, sâ agon wy
+mith haste hêi to to slâna, hwand afskên wy êlla agon to dvande vmbe
+frêtho willa, vsa halfbrothar ne mügon vs nimmer minachtja nach wâna
+that wi ange send.
+
+In min jüged håv ik wel ênis mort overa bånda thêra êwa, åfter håv ik
+Frya often tanked vr hjra tex, ånd vsa êthla vr tha êwa thêr thêrnêi
+tavlikt send.
+
+Wr.alda jeftha Alfoder heth mi fêlo jêren jêven, invr fêlo landa ånd
+sêa håv ik omme fâren ånd nêi al hwa ik sjan hå, bin ik vrtjûgad that
+wi allêna trvch Alfoder utforkêren send, êwa to håvande. Lydas folk
+ne mêi nên êwa to mâkjande ni to hâldande, hja send to dvm ånd wild
+thêrto. Fêlo slachta Findas send snôd enoch, men hja send gyrich,
+hâchfârande, falsk, vnkûs ånd mortsjochtich. Poga blêsath hjara selva
+vppa, ånd hja ne mügath nawet than krupa. Forska hropath wårk, wårk,
+ånd hja ne dvath nawet as hippa ånd kluchtmâkja. Tha roka hropath
+spâr, spâr, men hja stêlon ånd vrslynath al wat vnder hjara snavela
+kvmath. Lik al tham is thåt Findas folk, hja bogath immer ovir goda
+êwa; ek wil setma mâkja vmb-et kwâd to wêrane, men selva nil nimman
+theran bonden wêsa. Thêra hwam-his gâst that lestigoste sy ånd
+thêrtrvch sterik, tham-his hône krêjath kêning ånd tha ôra moton
+alwenna an sin weld vnderwurpen wêsa, til en ôther kvmth thêr-im
+fon-a sêtel drywet. Thåt word êwa is to frân vmbe an mêna sêka to
+nomande. Thervmbe heth mån vs êvin sega lêrth. Êwa thåt sêit setma
+thêr bi aller månniska êlik an hjara mod prenth send, til thju hja
+müge wêta hwat rjucht ånd vnrjucht sy ånd hwêrtrhvch hja weldich send
+vmbe hjara åjne dêda ånd tham fon ôrum to birjuchtande, thåt wil sedsa
+alsanâka hja god ånd navt misdêdich vpbrocht send. Ak is-er jet-en ôra
+sin an fåst. Êwa seit ak, êlik wêter-lik; rjucht ånd sljucht as wêter
+that thrvch nên stornewind jeftha awet owers vrstoren is. Warth wêter
+vrstoren, sa warth-et vnêwa, vnrjucht, men et nygt êvg vmbe wither êwa
+to werthande, that lêith an sin fonselvhêd, alsa tha nygung to rjucht
+ånd frydom in Fryas bern leith. Thessa nygung håvath wi trvch Wr.aldas
+gâst, vsa foders, thêr in Fryas bern bogth, thêrvm be skil hju vs âk
+êvg biklywa. Êwa is âk thet ôra sinnebyld fon Wr.aldas gâst, thêr êvg
+rjucht ånd vnforstoren bilywath, afskên-et an lichême årg to gêit. Êwa
+ånd vnforstoren send tha mårka thêra wisdom ånd rjuchtfêrdichhêd thêr
+fon alla frêmo månniska socht ånd trvch alla rjuchtera bisêten wrden
+mot. Willath tha månniska thus setma ånd domar mâkja, thêr alan god
+bilywa ånd allerwêikes, sa moton hja êlik wêsa to fara alle månniska;
+nêi thisse êwa achath tha rjuchtera hjara ordêl ut to kêthande. Is
+thêr eng kwâd dên, hwêrvr nên êwa tavlikt send, sa mot mån êne mêna
+acht bilidsa; thêr ordêlth mån nêi tha sin thêr Wr.aldas gâst an vs
+kêth vmbe over ella rjuchtfêrdich to birjuchtande, althus to dvande
+ne skil vs ordêl nåmmer fâlikant ut ne kvma. Ne dvath mån nên rjucht
+men vnrjucht, alsa rist thêr twist ånd twispalt emong tha månniska
+ånd stâta, thêrut sprût inlandiska orloch, hwêrthrvch ella homljath
+ånd vrdåren wårth. Men, o dvmhêd. Dâhwila wi to dvande send ekkorum
+to skâdane, kvmth-et nidige folk Findas mith hjara falska presterum
+jvw hâva to râwande, jvwa toghatera to skåndane, jvwa sêda to vrdva
+ånd to tha lesta klåppath hja slâvona banda om jahwelikes frya hals.
+
+
+
+
+
+UT-A SKRIFTA MINNOS.
+
+
+Tha Nyhellênia [21] tham fon hira åjn nôme Min-erva hête, god sêten
+was ånd tha Krêkalander [22] hja to met even hårde minade as vs
+åjn folk, thâ kêmon thêr svme forsta ånd prestera vppe-ra burch
+ånd frêjon Min-erva hwêr of hjra erva lêjon. Nyhellênia andere,
+mina erva drêg ik om in mina bosm, hwåt ik urven håv is ljafde vr
+wisdom, rjucht ånd frydom, håv ik tham vrlêren, alsa ben ik êlik
+an tha minniste jvvar slâvonena. Nw jêv ik rêd vm nawet, men than
+skold ik vrkâpja tham. Tha hêra gvngon wêi, ånd hripon al lakande,
+jvwer hêroga thjanra, wisa Hellênia. Thach thêrmitha miston hja
+hjara dol, hwand thåt folk thåt hja minnade ånd hja folgade, nam
+this nôme to-n êre nôme an. Tha hja sâgon thåt hjara skot mist hêde,
+thâ gvngon hja hja bihlvda ånd sêidon that hju-t folk hexnad hêde,
+men vs folk ånd tha goda Krêkalandar wêrde aller wêikes that-et laster
+wêre. Enis kêmon hja ånd frêgon, as thv thån nên thjonster ne biste,
+hwat dêist thân mitha åjar tham thv altid bi thi heste. Min-erva
+andere, thisse åjar send that sinebyld fon Fryas rêdjêvinga, wêrin
+vsa tokvmste forholen hlêit ånd fon êl thåt månneskalik slachte; tid
+mot hja utbroda ånd wi moton wâka thåt-er nên lêth an ne kvmth. Tha
+prestera, god sêid; men hwêrto thjanath thene hund an thina fêra
+hand. Hellênia andere, heth thene hårder nên skêper vmbe sin kidde at
+sêmene to haldande? hwat thene hvnd is inna thjanest thes skêphårder,
+bin ik in Fryas tjanest, ik mot ovir Fryas kidde wâka. That likath vs
+god to, sêdon tha prestera; men seg vs, hwat is thju bitjvtenise fon
+thi nachtule, ther immer boppa thin hole sit, is that ljuchtskvwande
+djar altomet thet têken thinra klârsjanhêd. Nêan andere Hellênia,
+hi helpt my hügja that er en slach fon månniska ovir hirtha omme
+dwâlth, thêr evin lik hi in kårka ånd hola hêma; thêr an tjuster
+frota, tach navt as hi, vmb vs fon mûsa ånd ôra plåga to helpane,
+men renka to forsinna, tha ôra månniska hjara witskip to râwane, til
+thju hja tham to bêtre müge fâta vmber slavona fon to mâkjande ånd
+hjara blod ut to sûgane, even as vampyra dva. Enis kêmon hja mith en
+benda folk. Pest was over-et land kvmen, hja sêidon, wi alle send to
+dvande, tha Goda to offerja, til thju hja pest wêra müge. Nilst thv
+then navt ne helpa hjara grimskip to stilane, jeftha hethste pest
+selva ovir-et lând brocht mith thinra kunsta. Nêan sêide Min-erva,
+men ik ne kån nêne goda, thêr årg dvande send; thêrvmbe ne kan ik navt
+frêja jef hja beter wrda willa. Ik kån ên gode, thåt is Wr.aldas gâst;
+men thrvch tham er god is, dvath-er âk nen kwâd. Hwanath kvmth-et kwâd
+thån wêi, frêjath tha prestera. Allet kwâd kvmth fon jow ånd fon thêre
+dvmhêd thêra månniska, tham hjara selva fon jow fensa lêta. Jef thin
+drochten thån sâ bjustre god is, wêrvmb wêrther-et kwâd thån navt,
+frêjath tha prestera. Hellenia andere, Frya het vs vppe wêi brocht
+ånd thene kroder thåt is tid, tham mot thåt ovrige dva. With alle
+rampum is rêd ånd help to findande, tha Wr.alda wil thåt wi hja
+selva soka skilon, til thju wi sterik skile wertha ånd wis. Nillath
+wi navt, thån lêt-er vsa trul ut trulla, til thju wi skilon erfâra,
+hwat nêi wisa dêdum ånd hwat nêi dvma dêdum folgath. Tha sêide-ne
+forst, ik skolde wâna, that wêre betre, that to wêrande. Hwel müglik,
+andere Hellênia, hwand than skolde tha månniska bilywa lik tåmade
+skêpa; thv ånd tha prestera skolde-r than hoda willa, men âk skêra
+ånd nêi thêre slacht benke fora. Tach alsa nil-t vs drochten navt,
+hi wil that wi ekkorum helpa, men hi wil âk thåt jahweder fry sy ånd
+wis wrde. Thåt is âk vsa wille, thêrvmbe kjasth vs folk sin forsta,
+grêva, rêdjêvar ånd alle bâsa ånd mâstera ut-a wisesta thêra goda
+månniska, til thju allemånnalik sin best skil dva vmbe wis ånd god to
+werthande. Althus to dvande skilun wi ênis wêta ånd anda folka lêra,
+that wis wêsa ånd wis dva allêna lêith to salichhêd. That likt en
+ordêl, sêidon tha prestera, men aste nv mênste, that pest thrvch
+vsa dvmhêd kvmth, skolde Nyhellênia thån wel sa god wêsa wille,
+vmbe vs ewat fon thåt nya ljucht to lênande, hwêr vppa hju sa stolte
+is. Jes sêide Hellênia; tha rokka ånd ôra füglon kvmath allêna falla
+vp vûl âs, men pest minth navt allêna vûl âs, men vûla sêd-plegum ånd
+fangnisa. Wilstv nv that pest fon-i wika ånd na wither ne kvma, thån
+mostv tha fangnisa wêi dva, ånd that i alla rên wrde fon binna ånd fon
+bûta. Wi willath bilâwa thåt thin rêd god sy, sêidon tha prestera,
+men seg vs, ho skilum wi thêr alla månniska to krêja, thêr vnder vs
+weld send. Tha stand Hellênia vp fon hira sêtel ånd kêth: Tha muska
+folgath thene sêjar, tha folka hjara goda forsta, thêrvmbe ach-stv
+to bijinnande mith thin selva ålsa rên to mâkjande, that stv thinna
+blikka in ånd utward mêi rjuchta svnder skâmrâd to werthande to fara
+thin åjn mod. Men in stêde fon thåt folk rên to mâkjande heste vûla
+fêrsta utfonden, hwêr vppa thåt folk al sa nâka sûpth, that hja to
+lesta lik tha barga annath slip frota, vmbe that stv thin vûla lusta
+bota mêi. Thåt folk bigost to jolande ånd to spotande. Thêr thrvch ne
+thuradon hja nên strid wither an to spinnande. Nv skolde åjder wâna,
+thåt hja vral-et folk to hâpe hropen hêde vmbe vs algadur to-t land ut
+to driwande. Nêan an stêde fon hja to bihluda gvngon hja allerwêikes,
+âk to tha hêinde Krêkalana til tha Alpa ut to kêthane, thåt et thene
+allervrste drochten hâgth hêde sin wisa toghater Min-erva, to nômth
+Nyhellênia êmong tha månniska to sendane in overa sê mith-en ulk,
+vmbe tha manniska gode rêd to jêvane ånd that allermannalik, thêr
+hja hêra wilde, rik ånd lukich skolde wertha, ånd ênis bâs skolde
+wertha ovir alle kêningkrik irtha.s. Hira byldnese ståldon hja vppe
+hjara åltårum, jeftha hja vrsellade-t anda dvma månniska. Hja kêthon
+allerwêikes rêd-jêvinga, thêr hju nimmer jêven hêde, ånd tåladon
+wondera, thêr hju nå dên hêde. Thrvch lesta wiston hja-ra selva master
+to mâkjande fon vsa êwa ånd setma, ånd thrvch wankêthinga wiston hja
+alles to wisa ånd to vrbruda. Hja ståldon âk fâmma vnder hjara hode,
+tha skinber vndere hoda fon Fåsta [23] vsa forma êre moder, vmbe over
+thåt frâna ljucht to wâkane. Men thåt ljucht hêde hja selva vpstoken,
+ånd in stêde fon tha fâmkes wis to mâkjande, ånd afternêi êmong
+thåt folk to senda, ta sjaka to lêvande ånd tha bårn to lêrande,
+mâkadon hja-ra dvm ånd dimme bi-t ljucht ånd ne machten hja nâ buta
+ne kvma. Ak wrdon hja to rêdjêvstare brukath, tach thi rêd was by
+skin ut hjara mvlun; hwand hjara mvla wêron navt owers as tha hropar,
+hwêr trvch tha prestera hjara gêrta utkêthon.
+
+Tha Nyhellênia fallen was, wilden wi en ore moder kjasa, svme wildon
+nêi Texlând vmbe thêr êne to frêjande, men tha prestera tham by hira
+åjn folk thåt rik wither in hêde, nildon that ni hengja ånd kêthon
+vs by-ra folk as vn-frâna ut.
+
+
+
+
+
+III. UT-A SKRIFTA MINNOS.
+
+
+Tha-k althus wêi faren was mith mina ljvd fon Athenia, kêmon wi to tha
+lesta an en êland thrvch min ljvd Krêta hêten vm-a wilda krêta tham
+et folk anhyv by vsa kvmste. Tha as hja sagon thåt wi nên orloch an-t
+skêld foron, wrdon hja mak, alsa-k et lest far en bota mit yserark en
+havesmode ånd en stada land wandelde. Thach tha wi en stut sêten hêde
+ånd hja spêradon that wi nên slavona nêde, tha wêron hja vrstålath,
+men tha-k-ra nw talt hêde that wi êwa hêdon êlik to birjuchtande vr
+alla, tha wilde-t folk âk fon sokka hâ. Tach skêrs hêdon hja tham,
+jefta thåt êlle land kêm anda tys. Tha forsta ånd prestera kêmon
+bârja, that wi hjara tjvth over hêrich mâkad hêde ånd thåt folk kêm
+to vs vmbe hul ånd skul. Tach thâ tha forsta sagon thåt hja hjara
+rik vrljasa skolda, thâ jêvon hja thåt folk frydom ånd kêmon to my
+vmb-en êsega bok. Thach thåt folk was nên frydom wenth ånd tha hêra
+bilêvon welda nêi that ir god thochte. Thâ thi storn wr wêr, bigoston
+hja twispalt among vs to sêja. Hja sêidon to min folk that ik hjara
+help anhropen hêde vmbe standfåst kêning to werthande. Enis fand ik
+gif in min met, thâ as er ênis en skip fon-t Fly by vs vrsêilde, ben
+ik thêrmith stolkens hinne brith.--Tach min witherfara to lêtande,
+sa wil-k mith thesa skêdnesa allêna sêga, that wi navt müge hêma mith
+et Findas folk fon wêr thåt et sy, hwand thåt hja fvl send mith falska
+renka, êwa to frêsane as hjara swête wina mith dêjande fenin.
+
+
+ Ende wra skrifta Minnos.
+
+
+
+
+
+HIR VNDER SEND THRÊ WÊTA, THÊR AFTER SEND THISSA SETMA MAKAD.
+
+
+1. Allera mannalik wêt, thåt i sin bihof mot, men wårth åmmon sin bihof
+vnthalden, sa nêt nên man hwat er skil dva vmbe sin lif to bihaldande.
+
+2. Alle elte minniska werthat drongen a bårn to têlande, wårth that
+wêrth, sa nêt nim man wath årges thêrof kvme mei.
+
+3. Alrek wêt thåt-i fry ånd vnforlêth wil lêva, ånd that ôre that âk
+wille. Umbe sekur to wêsande send thesa setma ånd domar makad.
+
+Thåt folk Findas heth âk setma ånd domar: men thissa ne send navt nêi
+tha rjucht, men allêna to bâta thêra prestera ånd forsta, thana send
+hjara stâta immerthe fvl twispalt ånd mord.
+
+1. Sahwersa imman nâd heth ånd hi ne kan him selva navt ne helpe,
+sa moton tha fâmna thåt kvndich dva an tha grêva. Thêrfar thåt et en
+stolte Fryas navt ne focht thåt selva to dva.
+
+2. Sa hwa årm wårth thrvch tham hi navt wårka nil, thêr mot to thåt
+lând ut drêven wertha, hwand tha låfa ånd loma send lestich ånd årg
+tånkande: thêrvmbe âch mån to wêrane tham.
+
+3. Jahwêder jong kerdel âch en brud to sêka ånd is er fif ånd twintich
+sa âcht-er en wif to håva.
+
+4. Is hwa fif ånd twintich, ånd heth er nên êngâ, sa âch ek man him
+ut sin hus to wêrane. Ta knâpa âchon him te formyda. Nimth er thån
+nach nên êngâ, sâ mot mån hin dâd sêga, til thju hi ut of lande brude
+ånd hir nên årgenese nêva ne mêi.
+
+5. Is hwa wrak, thån mot-er avbêr sêga, that nimman fon him to frêsane
+nach to duchtane heth. Sâ mêi er kvma hwêr er wil.
+
+6. Plêcht er åfternêi hordom, sâ mêi-r fluchta, ne fluchter navt, sâ
+is er an tha wrêke thêr bitrogna vrlêten, ånd nimman ne mêi helpa him.
+
+7. Sahwersa åmmon eng god heth, ånd en ôther likt that thermête that
+i him thêran vrfate, sa mot-i thåt thrja vrjelda. Stêlth-i jeta rêis,
+thån mot hi nêi tha tinlânum. Wil thene bistêlne him fry jêva, sâ
+mêi-r thåt dva. Tha bêrth et wither sa ne mêi nimman him frydom jêva.
+
+
+
+
+
+THISSA DOMAR SEND MAKAD FARA NYDIGA MANNISKA.
+
+
+1. Sa hwa in hâste mode tha ut nid an nen otheris lêja brekth, âgna
+ut stât, jeftha thoth, hok thåt et sy, sa mot thi lêtha bitallja
+hwat thene lêdar askth. Ne kan hi håt ni dva, sâ mot-er avbêr an im
+dên wertha, sa hi an thene ôre dêth. Nil hi thåt navt ut ne stonda,
+sa mot-i him to sina burch-fâm wenda, jef-i inna yser jeftha tin lâna
+mêi werka til sin skeld an sy, nêi thêr mêne dom.
+
+2. Jef ther imman fvnden wårth alsa årg that-i en Fryas felth, hi
+mot et mit sina lif bitallja. Kan sina burch-fâm hin far altid nei
+tha tinlâna helpa êr er fat wrde, sy mêi thåt dva.
+
+3. Sahwersa thi bona mêi biwisa mith vrkånda tju-gum that et by vnluk
+skên is, sa skil hi fry wêsa, men bêrth et jetta rêis, sa mot i tach
+nêi tha tinlânum, til thju mân thêr thrvch formitha all vnerimde
+wrêka ånd fêitha.
+
+
+
+
+
+THIS SEND DOMAR FARA HORNINGA.
+
+
+1. Hwa en ôtheris hvs ut nid thene râde hôn anstekt nis nên Fryas,
+hi is en horning mith basterde blod. Mêi mån hin bi thêr dêd bifâra,
+sa mot mån hin vppet fjvr werpa. Hy mêi flya sa-r kån tach nårne
+skil-i sêkur wêsa fara wrêkande hand.
+
+2. Nên åfta Fryas skil ovira misslêga sinra nêste malja nach kalta. Is
+hwa misdêdoch far-im selva, tha navt frêselik far en ôra, sâ mêi hi
+him selva riuchta. Wårth-i alsa årg that er frêslik wårth, sa mot mån-t
+anda grêva bara; men is thêr hwa thêr en ôther åfterbåkis bitighat in
+stêde fon-t to dvande by tha grêva, tham is en horning. Vpper mårk
+mot-i anda pêle bvnden wrde, sa that et jong folk im anspêja mêi;
+åfter lâdath mån him overa mårka, men navt nêi tha tinlâna, thrvch
+that en êrerâwer âk is to frêsane.
+
+3. Sahwersa thêr ênis imman wêre sa årg that i vs gvng vrrêde by tha
+fyand, pâda ånd to pâda wes, vmbe vsa flyburga to nâka, jeftha thes
+nachtis thêrin to glupa, tham wêre allêna wrocht ut Findas blod. Him
+skolde mån mota barna. Tha stjurar skoldon sin måm ånd al sina sibba
+nêi en fêr êland mota brånga ånd thêr sin ask forstuva, til thju-r
+hyr nên feninige krûdon fon waxa ne müge. Tha fâmna moton thån sin
+nâm utspêja in vr al vsa stâta, til thju nên bårn sin nâm ne krêje
+ånd tha alda him müge vrwerpa.
+
+Orloch was vrtigen, men nêd was kvmen an sin stêd. Nw wêron hyr thrê
+månniska thêr-ek en buda kêren stêlon fon asvndergane êjnhêra. Tha
+hja wrdon alle fat. Nw gong thene êrosta to ånd brocht thene thjaf by
+tha skelte. Tha fâmna thêr-vr kêthande sêidon allerwêis, that i dên
+hêde nêi rjucht. Thi ôra nom thene thjaf thåt kêren of ånd lêth im
+forth mith frêto. Tha fåmna sêidon, hi heth wel dên. Men thi thredde
+êjnhêr gvng nêi tha thjaf sin hus thâ. Asser nw sach ho nêd thêr
+sin sêtel vpstålth hêde, thâ gvng hi to båk ånd kêrde wither mith en
+wêin fol nêdthreftum, thêr hi nêd mith fon thêre hêrd of driwe. Fryas
+fâmna hêdon by him omme wârath ånd sin dêd an dat êvge bok skrêven,
+dahwile hja al sina lêka ut fâchth hêde. Thju êremoder was et sêid
+ånd hju lêt het kvndich dva thrvch thåt êle lând.
+
+
+
+
+
+THAT HYR VNDER STAT IS IN UT THA WAGAR THÊRE WARABURGH WRITEN.
+
+
+(Zie plaat I.)
+
+Hwat hyr boppa ståt send thi têkna fon thåt jol. Thåt is thåt forma
+sinnebild Wr.aldas, âk fon t-anfang jeftha-t bijin, wêrut tid kêm,
+thåt is thene Kroder thêr êvg mith thåt jol mot ommehlâpa. Thana
+heth Frya thåt standskrift mâkad, thåt hja brukte to hira tex. Thâ
+Fåsta êremoder wêre, heth hju-r thåt run ieftha hlâpande skrift fon
+mâkad. Ther Witkêning thåt is Sêkêning, Godfrêiath thene alda heth
+thêr asvndergana telnomar fon mâkad fâr stand ånd rvnskrift bêde. T is
+thêrvmbe navt to drok that wi-r jêrliks ênis fêst vr fyrja. Wy mügon
+Wr.alda êvg thank to wya thåt hi sin gâst sa herde in vr vsa êthla
+heth fâra lêtn. Vnder hira tid heth Finda âk en skrift utfvnden,
+men thåt wêre sa hâgfârende ånd fvl mith frisla ånd krolum, thåt
+tha afterkvmanda thêrof thju bitjudnese ring vrlêren hâve. Afternêi
+håvon hja vs skrift lêred binoma tha Finna, tha Thyrjar ånd tha
+Krekalander. Men hja niston navt god, thåt-et fon et jol mâkad was ånd
+that-et thêrumbe altid skrêven wrde moste mith son om. Thêrby wildon
+hja thåt hjara skrift vnlêsbêr skolde wêsa far ora folkum, hwand hja
+håvath altid hêmnesa. Thus to dvanda send hja herde fon-a wis râkath,
+thêrmêtha, that ta bårn tha skriftun hjarar aldrum amper lêsa en mûga;
+dahwile wy vsa alderaldesta skriftun êvin rêd lêsa mûga as thêra thêr
+jester skrêven send.
+
+Hir is thåt stand skrift, thêrvnder thåt run skrift, forth tha tålnomar
+a byder wisa.
+
+(Zie plaat II.)
+
+
+
+
+
+THAT STÊT VP ALLE BURGUM ESKRÊVEN.
+
+
+Êr thêre årge tid kêm was vs lånd thåt skênneste in wr.alda. Svnne
+rês hager ånd thêr was sjelden frost. Anda bâma ånd trêjon waxton
+frügda ând nochta, thêr nw vrlêren send. Among tha gårs-sêdum hedon
+wi navt alena kêren, ljaver ånd blyde, men âk swete thêr lik gold
+blikte ånd thåt mån vndera svnnastrêla bakja kvste. Jêron ne wrde
+navt ne telath, hwand thåt êne jêr was alsa blyd as et ôthera. An
+tha êne side wrdon wi thrvch Wr.aldas sê bisloten, hwêrvp nên folk
+buta vs navt fara ne mochte nach kvnde. Anda ôre side wrden wi thrvch
+thåt brêde Twisklând vmtunad, hwêr thrvch thåt Findas folk navt kvma
+ne thvradon, fon ovira tichta walda ånd ovir it wilde kwik. By morne
+paldon wi ovir it uter ende thes aster-sê, by êvind an thene middelsê,
+alsa wi buta tha littiga wel twelif grâta swete rinstrama hêdon, vs
+thrvch Wr.alda jêven vmb vs lând elte to haldane ånd vmb us wigandlik
+folk tha wêi to wisana nêi sina sê.
+
+Tha owira thissar rin strama wrdon tomet algadur thrvch vs folk
+bisêton, âk tha fjelda an thju Rêne fon-t êna enda alon et ôre
+ende thâ.
+
+To jenst-vr tha Dênamarka ånd that Juttarlând hêdon wi folkplantinga
+mith en burchfâm, dâna wonon wi kâper ånd yser, bijvnka târ, påk
+ånd svma ôr bihof. To jenst vr vs formêlich Westland thêr hêdon wi
+Brittanja mith sina tinlâna. Brittanja thåt was thåt lând thêra
+bannalinga, thêr mith hulpe hjarar burchfâm wêi brith wêron vmbe
+hira lif to bihâldana. Thach for that hja navt to båk kvma ne skolde,
+warth er êrost en B to fâra hjara står priked, tha bana mith râde blod
+farve ånd tha ôra misdêdar mith blâwe farve. Buta ånd bihalva hêdon vsa
+stjurar ånd kâpljvd mêni loge anda hêinde Krêkalanda ånd to Lydia. In
+vr Lydia thêr send tha swarta minniska. Thâ vs lând sâ rum ånd grât
+wêre, hêdon wi fêlo asondergana nâmon. Thêra tham saton biâsten tha
+Dênemarka wrdon Juttar hêton, uthâvede hja tomet navt owers ne dêdon
+as barn-stên juta. Hja tham thêr saton vppa êlanda wrdon Lêtne hêten,
+thrvchdam hja mêst al vrlêten lêvadon. Alle strând ånd skor hêmar
+fon-a Dênemarka alont thêre Såndfal nw Skelda wrdon Stjurar [24],
+Sêkåmpar [25] ånd Angelara [26] hêton. Angelara sâ hêton mân to
+fora tha butafiskar vmbe that hja alan mith angel jefta kol fiskton
+ånd nimmer nên netum. Thêra thêr thâna til tha hêinde Krêkalânda
+sâton, wrdon blât Kâd-hêmar hêten, thrvch tham hja ninmerthe buta
+foron. Thêra thêr in da hâge marka sâton, thêr anna Twisklanda pâlon,
+wrdon Saxmanna hêton, uthâwede hja immer wêpned wêron vr thåt wilde
+kwik ånd vrwildarda Britne. Thêr to boppa hêdon wi tha nôma Landsâton,
+Mârsata [27] ånd Holtjefta Wodsâta.
+
+
+
+
+
+HO ARGE TID KÊM.
+
+
+Hêl thene sümer was svnne åftere wolkum skolen, as wilde hja irtha
+navt ne sja. Wind reston in sina bûdar, werthrvch rêk ånd stom lik sêla
+boppa hus ånd polon stand. Loft wårth althus drov ånd dimme, ånd inna
+tha hirta thêra månniska was blydskip nach früchda. To midden thisre
+stilnise fång irtha an to bêvande lik as hju stårvande wêre. Berga
+splyton fon ekkorum to spêjande fjvr ånd logha, ôra svnkon in hira skât
+del, ånd thêr hju êrost fjelda hêde; hêjade hju berga vppa. Aldland
+[28] trvch tha stjurar Atland hêten svnk nyther ånd thåt wilde hef
+stâpton alsa nâka wr berg ånd dêlon, that ella vndere sê bidvlwen
+wêre. Fêlo månniska wrdon in irtha bidobben, ånd fêlo thêr et fjvr
+vnkêmen wêron, kêmon thêrnêi innet wêter vm. Navt allêna inda landa
+Findas spêidon berga fjvr, men âk in-t Twisk-land. Walda bårnadon
+thêrthrvch åfter ekkorum ånd thâ wind dâna wêi kêm, thâ wâjadon vsa
+landa fvl ask. Rinstrâma wrdon vrlêid ånd by hjara mvda kêmon nêja
+êlanda fon sand ånd drivande kwik. Thrju jêr was irtha alsa to lydande;
+men tha hju bêter wêre macht mån hira vvnda sja. Fêlo landa wêron
+vrsvnken, ôra uta sê rêsen ånd thåt Twisk-land to fâra-n halfdêl
+vntwalt. Bånda Findas folk kêmon tha lêtogha rumtne bifâra. Vsa
+wêibritne vrdon vrdelgen jefta hja wrdon hjara harlinga. Thâ warth
+wâkandom vs dvbbeld boden ånd tid lêrd vs that êndracht vsa stårikste
+burch is.
+
+
+
+
+
+THIT STÊT INNA WARABURCH BY THÊRE ALDEGA MVDA WRYT.
+
+
+Thju wâraburch nis nên fâmnaburch, men thêr in wrdon alla uthêmeda
+ånd vrlandeska thinga wârath, thêr mitbrocht binne thrvch tha
+stjurar. Hju is thri pêla, thåt is en half ty sûdwarth fon Mêdêa-sblik
+lêgen. Alsa is thåt fôrword: berga nygath thinna krunna, wolka ånd
+strâma wên. Jes. Skênland [29] blôst, slâvona folka stôppath vppat
+thin klât, o Frya.
+
+
+ Alsa is thju skêdnesse.
+
+
+100 ånd 1 jêr [30] nêi that âldland svnken is, kêm thêr ut-et âsta en
+folk wêi. Thåt folk was vrdrêven thrvch en ôther folk, åfter vs twisk
+land krêjon hja twispalt, hja skifton hjara selva an twam hâpa, ek hêr
+gvng sines wêiges. Fon-t êne dêl nis nên tâl to vs ne kêmen, men thåt
+ôre dêl fyl åfter to vs Skênland. Skênland was sunnich bifolkath,
+ånd anda åfter-kâd thåt sunnichste fon al. Thêrvmbe machton hja-t
+svnder strid wrwinna, ånd uthâwede hja ôwers nên lêth ne dêdon,
+nildon wi thêrvr nên orloch hâ. Nw wi hjam håvon kånna lêred,
+sâ willath wi ovir hjara sêda skriwa, åfternêi ho-t vs mith hjam
+forgungen is. Thåt folk was navt ne wild lik fêlo slachta Findas,
+men êlik anda Égipta-landar, hja håvath prestera lik tham ånd nw hja
+kårka håve âk byldon. Tha prestera send tha engosta hêra, hja hêton
+hjara selva Mâgjara, hjara aller ovirste hêt Magy, hi is hâvedprester
+ånd kêning mith ên, allet ôre folk is nul in-t siffer ånd êllik ånd
+al vnder hjara weld. Thåt folk nêth navt ênis en nôme, thrvch vs send
+hja Finna hêten, hwand afskên hjara fêrsta algadur drov ånd blodich
+send, thach send hja thêr alsa fin vp, that wi thêr bi åfter stâne,
+forth ne send hja navt to binydane, hwand hja send slâvona fon tha
+presterum ånd jeta fül årger fon hjara mêninga. Hja mênath that ella
+fvl kvada gâston is, thêr inda månniska ånd djara gluppe, men fon
+Wr.aldas gâst nêton hja nawet. Hja håvath stêne wêpne, tha Magjara
+kâpra. Tha Magjara tellath that hja tha årge gâston banna ånd vrbanna
+mügon, thêr vr is-t folk ôlan in ange frêse ånd vppira wêsa nis nimmer
+nên blydskip to bisjan. Thâ hja god sêten wêron, sochton tha Magjara
+athskip bi vs, hja bogadon vp vsa tâl ånd sêdum, vp vs fja ånd vppa vs
+ysere wêpne, thêr hja gêrn to fori hjara goldun ånd sulvere syrhedum
+wandela wilde, ånd hjara tjoth hildon hja immerthe binna tha pêlon,
+men thåt vrskalkton vsa wâkendom. Achtantich jêr forther, just wêr-et
+jol-fêrste, thêr kêmon hja vnwarlinge lik snêi thrvch stornewind drêwen
+ovir vsa landa to runnande. Thêr navt flya machton wrdon vrdên, Frya
+wårth anhropen, men tha Skênlandar hêdon hira rêd warlâsed. Thâ wrdon
+kråfta sâmlath, thri pêlun fon Goda-his burch [31] wrdon hja wither
+stonden, tha orloch bilêv. Kât jefta Kâter-inne, alsa hête thju fâm,
+thêr burchfâm to Goda burch was. Kât was stolte ånd hâchfâranda,
+thêrvmbe ne lêt hju nên rêd ni follistar anda Moder ne frêja. Men
+thâ tha burchhêra thåt fâta, thâ svndon hja selva bodon nêi Texlând
+nêi thêre Moder thâ. Minna alsa was thêre Moder-is nôme, lêt âla tha
+stjurar mânja ånd âl-et othera jongk folk fon Ast-flyland ånd fon
+tha Dênnemarkum. Ut thesse tocht is thju skydnese fon Wodin bern,
+sa-r vppa burgum wryten is ånd hir êskrêven. Anda Alder-gâmude [32]
+thêr reste en alde sêkåning. Sterik was sin nôme ånd tha hrop vr sina
+dêda was grât. Thisse alde rob hêde thrê nêva; Wodin thene aldeste
+hêmde to Lumka-mâkja [33] bi thêre Ê-mude to Ast-flyland by sin eldrum
+t-us. Ênes was er hêrman wêst. Tünis ånd Inka wêron sêkåmper ånd just
+nw bi hjara fåderja anda Aldergâ-mude t-vs. As tha jonga kåmpar nw
+bi ekkôrum kêmon, kêron hja Wodin to hjara hêrman jefta kåning ut,
+ånd tha sêkåmpar kêron Tünis to-ra sêkåning ånd Inka to hjara skelte
+bî thêr nacht. Tha stjurar gvngon thâ nêi tha Dênnemarka fâra, thêr
+nâmon hja Wodin mith sin wigandlika landwêr in. Wînd was rum ånd alsa
+wêron hja an en âmerîng [34] to Skên land. Thâ tha northeska brothar ra
+selva by-m fogath hêde, dêlde Wodîn sin weldich hêr an thri wiga. Frya
+was hjara wêpenhrop ånd sâ hi båkward sloch tha Finnen ånd Mâgjara
+as of et bårn wêron. Thâ thene Mâgy fornôm ho sin ljvd al ombrocht
+wrdon, thâ sand hi bodon mith ståf ånd krone. Hja sêidon to Wodin,
+o thv alra grâteste thêra kåningar, wi send skeldich, thach al hwat
+wi dên håve is ut nêd dên. Je mêne that wi jvw brothar willengklik
+anfat håve, men wi send thrvch vsa fyanda forth-fêtereth ånd thi alle
+send vs jeta vppa hakka. Wi håvath often helpe an thinre burchfâm
+frêjath, men hja neth vs navt ne meld. Thene Mâgy sêith, sâ hwersa
+wi ekkôrum to tha hålte vrdva, sâ skilun tha wilda skephårdar kêmon
+ånd vs algâdur vrdva. Thene Mâgy heth fül rikdom, men hi heth sjan
+that Frya weldiger is as al vsa gâston et sêmine. Hi wil sin hâved in
+hira skât del ledsa. Thv bist thene wigandlikste kåning irthas, thin
+folk is fon yser. Warth vsa kåning ånd wi alle willath thin slâvona
+wêsa. Hwat skolde that êr-rik fâr-i wêsa, aste tha wilda wither to
+låk driwa koste, vsa sêfyra skolde-t rondblêsa ånd vsa mâra skoldon
+jv vral fârut gâ.
+
+Wodin was sterik, wost ånd wigandlîk, men hi nas navt klâr sjande,
+thêrthrvch wårth i in hjar mêra fvngen ånd thrvch thene Mâgy
+kroneth. Rju fêlo stjurar ånd land-wêrar, tham thisse kêr navt ne
+sinde, brûdon stolkes hinne, Kât mith nêmande, men Kât thêr navt to
+fâra thêre Moder ner to fâra thêre mêna acht forskine nilde, jompade
+wr bord. Thâ kêm stornewind ånd fêtere tha skêpa vppa skorra fonna
+Dennemarkum del svnder enkel man to mistane. Afternêi håvon hja tha
+strêt Kâtsgat [35] hêten. Thâ Wodin kroned was, gvng-er vppa wilda
+lôs; thi wêron al rutar, lik een hêjel buje kêmon hja ajn Wodin-is
+hêr, men lik en twyrne wind wendon hja omme ånd ne thvradon nâ wither
+forskina. As Wodin nw to båk kêm, jav thene Mâgy him sin toghater to-n
+wîf. Afternei wårth-i mith krûdon birêkad, men thêr wêron tawerkrûdon
+mong, hwand Wodin warth bi grâdum alsa sêr vrmêten, that-i Frya ånd
+Wraldas gâst miskåna ând spota thvrade, thawyla hi sin frya hals bog
+to fâra falska drochten-likande byldum. Sin rik hilde sjvgun jêr, thâ
+vrdwind-ir. Thene Mâgy sêide that-er mong hjara godon [36] vpnimeth
+wêre, ånd that hi fon thêr over hjam welda, men vs folk lakton vmbe
+tin tâl. Thâ Wodin en stût wêi wêst hêde, kêm thêr twispalt, wi wildon
+en ôra kåning kjasa, men thåt nilde thene Mâgy navt me hengja. Hi
+wêrde that et en rjucht wêre, him thrvch sina drochtne jêven. Buta ånd
+bihalva thissa twist, sa was thêr jet-ên emong sin Mâgjara ånd Finna,
+thêr Frya ner Wodin êra navt nilde, men thi Mâgy dêde as-t im sinde,
+hwand sin toghater hêde en svn bi Wodin wvnen, ând nw wilde thene
+Mâgy that thisse fon en hâge kom-of wêsa skolde. Thawyla alle sanade
+ånd twista, krônade hi thene knâp to kåning ånd stålade hin sels as
+foged ånd foramond jefta rêdjêvar an. Thêra thêr mâr hildon fon hjara
+balg as fon thåt rjucht, tham lêton him bidobba, men tha goda brûdon
+wêi. Fêlo Mâgjara flodon mith hjara ljvda båk ward, ånd tha stjurar
+gvngon to skip ånd en hêr fon drista Finna gvngen as rojar mitha.
+
+Nw kvmath tha skêdnese fon nêf Tünis ånd sin nêf Inka êrost rjucht
+vppet pat.
+
+
+
+
+
+THIT ELLA STET NAVT ALLÊNA VPPER WARABURGH MEN OK TO THÊRE BURCH
+STAVIA, THÊR IS LIDSEN AFTERE HAVE FON STAVRE.
+
+
+Tha Tünis mith sinum skêpum to honk kêra wilde, gvng-i thet forma vppa
+Dânnemarka of, men hi ne macht thêr navt ne landa, thåt hêde thju Moder
+bisjowath. Ak et Flyland ne macht-er navt ne landa ånd forth nårne. Hi
+skold alsa mith sinum ljvdum fon lek ånd brek omkomth håve, thêr vmbe
+gvngon hja thes nachtis tha landa birâwa ånd fâra bi dêi. Alsa alinga
+thêre kâd forth farande kêmon hja to thêre folkplanting Kâdik [37],
+althus hêten vmbe that hjara have thrvch êne stênene kâdik formath
+was. Hir selladon hja allerhanne liftochta, men Tutja thju burchfâm
+nilde navt dâja that hja-ra selva nither setta. Thâ hja rêd wêron
+krêjon hja twist. Tünis wilde thrvch thju strête fon tha middelsê
+vmbe to fârane fâr tha rika kåning fon Egiptalandum, lik hi wel
+êr dên hêde, men Inka sêide, that-i sin nocht hêde fon al et Findas
+folk. Inka mênde that er byskin wel en hach dêl fon Atland by wysa fon
+êland vrbilêwen skolde wêsa, thêr hi mith tha ljvdum frêthoch lêva
+machte. As tha bêda nêva-t-althus navt ênes wrde koste, gvng Tünis
+to ånd stek en râde fône in-t strând, ånd Inka êne blâwe. Thêr åfter
+macht jahwêder kjasa, hwam ek folgja wilde, ånd wonder, by Inka thêr
+en gryns hêde vmbe tha kåningar fon Findas folk to thjanja, hlipon
+tha mâsta Finna ånd Mâgjara ovir. As hja nw thåt folk tellath ånd
+tha skêpa thêr nêi dêlath hêde, tha skêdon tha flâta fon ekkorum;
+fon nêf Tünis is åfternêi tâl kêmen, fon nêf Inka ninmer.
+
+Nêf Tünis for allinggen thêre kâd al thrvch thju porte thêre
+middelsê. Tha Atland svnken is, was-t-inna middelsê ra owera âk årg
+to gvngen. Thêrthrvch wêron thêr fêlo månniska fon-t Findas land
+nêi vsa hêinde ånd fêre Krêkalanda kvmen ånd âk fêlo fon Lyda-his
+land. Thêr åjn wêron âk fêlo fon vs folk nêi Lydas land gvngon. Thåt
+ella hêde wrocht, that tha hêinde ånd fêre Krêkalanda far thåt weld
+hêre Moder vrlêren was. Thêr hêde Tünis vp rêkned. Thêrvmbe wilde
+hi thêr en gode hâve kjasa ånd fon thêr ut fara rikka forsta fâra,
+men thrvchdam sine flâte ånd sin folk sa wanhâven utsagon, mêndon tha
+Kâdhêmer that hja râwera wêron, ånd thêrvmbe wrdon hja vral wêrath. Tha
+to tha lesta kêmon hja an to Phonisivs kâd, that wêre 100 ånd 93 jêr
+[38] nêi Âtland svnken is. Nêi bi thêre kâd fvndon hja en êland mith
+twam diapa slinka, alsa-t as thrju êlanda utsach. Vppet midloste thêra
+staldon hja hjara skula vp, åfternêi bvwadon hja thêr en burchwal
+om to. As hja thêran nw en nôme jêva wilde, wrdon hja vnênes, svme
+wild-et Fryasburch hêta, ôra Nêf tünia, men tha Mâgjara ånd tha Finna
+bâdon thåt skolde Thyrhisburch [39] hête. Thyr [40] alsa hêton hja
+ên hjarar drochtena ånd vppe tham-is jêrdêi wêron hja thêr land,
+to wither-jeld wildon hja Tünis êvg as hjara kåning bikånne. Tünis
+lêt im bilêsa ånd tha ôra nildon thêrvr nên orloch ne hâ. Thâ hja nw
+god sâton, thâ sandon hja svme alde stjvrar ånd mâgjara ana wâl ånd
+forthnêi thêre burch Sydon, men that forma nildon tha Kâdhêmar nawet
+fon-ra nêta. Thv bist fêrhêmanda swårvar sêidon hja, thêr wi navt
+hachta ne müge. Tha thâ wi hjam fon vsa ysera wêpne vrsella wilde,
+gvng to lersta ella god, âk wêron hja sêr ny nêi vsa bårnstênum ånd
+thåt frêja thêr nêi nam nên ende. Men Tünis thêr fårsjande wêre,
+bårde that er nên ysere wêpne ner bårnstêne mâr hêde. Thâ kêmon tha
+kâpljvd ånd bâdon hi skolde twintich skêpa jêva, thêr hja alle mith-a
+finneste wêrum tho hrêda wilde, ånd hja wildon him alsa fêlo ljvda
+to rojar jêva as-er jêrde. Twê-lif skêpa lêt-i-to hrêda mith win
+hvning ånd tomâkad lêther, thêr bi wêron tåmar ånd sitlun mith gold
+wrtêin sa mån hja ninmer nêde sjan. Mith al thi skåt fyl Tünis thåt
+Flymar binna. Thi grêvaman fon Westflyland wårth thrvch al thessa
+thinga bigâstered, hi wrochte that Tünis bi thêre mvde fon-t Flymar
+en loge bvwa mâchte, åfternêi is thju stêd Almanaland [41] heten
+ånd tha mark thêr hja åfternêi to Wyringgâ [42] vp wandelja machton
+tolêtmark. Thju Moder rêde that wi ra ella vrkâpja skolde buta ysere
+wêpne, men mån ne melde hja navt. Thâ tha Tyrjar thus fry spel hêdon,
+kêmon hja âlan wither to farand vsa wêron sâ hêinde as fêre vsa ajn
+sêkåmpar to skâdne. Thêråfter is bisloten vpper mêna acht, jêrlikes
+sjvgun Thyrjar skêpa to to lêtane ånd navt mar.
+
+
+
+
+
+HWAT THÊR OF WRDEN IS.
+
+
+Inner northlikste herne fon tha Middelsê, thêr lêid en êland
+by thêre kâd. Nw kêmon hja thåt a kâp to frêjande. Thêrvr wårth
+ene mêna acht bilêid. Moder-is rêd wårth wnnen, men Moder sach ra
+lyast fêr of. Thêrvmbe mênde hju that er nên kwâ an stek, thach as
+wi åfternêi sâgon ho wi misdên hêde håvon wi thåt êland Missellja
+[43] hêten. Hiråfter skil blika ho wi thêr to rêde hêde. Tha Gola,
+[44] alsa heton tha såndalinga prestera Sydon-is, tha Gola hêdon
+wel sjan thet et land thêr skares bifolkad was ånd fêr fon thêre
+Moder wêre. Vmb ira selva nw en gode skin to jêvane, lêton hja ra
+selva in vsa tâl ana trowe wydena hêta, men that wêre bêtre wêst,
+as hja ra selva fon thêre trowe wendena nômath hêde, jefta kirt wei
+trjuwendne lik vsa stjurar lêter dên håve. Thâ hja wel sêton wêron,
+tha wandeldon hjara kâpljuda skêne kâpre wêpne ånd allerlêja syrhêdon
+to fara vsa ysere wêpne ånd wilde djara huda, wêrfon in vsa suder landa
+fêlo to bikvma wêron. Men tha Gola fyradon allerhâna wla drochtenlika
+fêrsta ând to tyadon tha kadhêmar thêra thrvch todvan hjarar horiga
+manghêrtne ånd tha swêt hêd fon hjara fininnige win. Was thêr hwa
+fon vs folk thêr-et alsa årg vrbrud hêde, that sin lif in frêse
+kêm, than lênadon tha gola him hul ånd foradon him nêi Phonisia,
+that is palmland. Was hi thêr sêten, thån most-i an sina sibba ånd
+âtha skriwa, that-et land sâ god wêre ând tha månniska sâ luklik, as
+ninmån hin selva mocht forbylde. A Brittannja wêron rju fêlo manna,
+tha lith wiva, thâ tha Gola that wiston, lêton hja alwêis manghêrtne
+skâka ånd thessa javon hja tha Britne vmb nawet. Thach al thissa
+manghêrtne wêron hjara thjansterum, thêr tha bern fon Wrâlda stolon
+vmb-ar an hjara falske drochtne to jêvane.
+
+
+
+
+
+NW WILLATH WI SKRIWA VR THA ORLOCH THÊRA BURCHFAMNA KALTA AND MIN-ERVA
+
+
+And ho wi thêr thrvch al vsa sûderlanda ånd Brittanja anda Gola
+vrlêren håve.
+
+Bi thêre Sûder-rên-mvda ånd thêre Skelda, thêr send sjvgun ålanda,
+nômath nêi Fryas sjvgum wâkfâmkes there wêk. Middel vppet êne åland is
+thju burch [45] Walhallagâra, inut tha wâgrum thêra is thju folgjande
+skêdnesse wrîten. Thêr bvppa stêt: lês, lêr ånd wâk.
+
+563 jêr [46] nêi âldland svnken is, sat hir en wise burch fâm,
+Min-erva was hira nôma. Thrvch tha stjurar Nyhellênja tonômath. This
+tonôma was god kêren, hwand tha rêd, thêr hju lênade, was ny ånd hel
+bvppa alle ôtherum. Overa Skelda et thêre Flyburch sat Syrhêd. Thjus
+fâm was fvl renka, skên was r-anhlith ånd kwik was hira tvnge,
+men thi rêd thêr hju jef, was immer in thjustere worde. Thêr vmbe
+warth hju thrvch tha stjurar Kålta hêten, tha landsâta mênadon that
+et en êrnôma wêra. Inna ûtroste wille thêre vrsturvene Moder stand
+Rôsa-mvda thet forma, Min-erva thet twêde ånd Syrhêd thet thredde as
+folgstere biskreven. Min-erva nêde thêr nên wit fon, men Syrhêd was
+er thrvch knaked. Lik en wrlandeske forstinne wilde hju êrath frêsath
+ånd bêden wêsa, men Min-erva wilde enkel minth wêsa. To tha lesta
+kêmon alle stjurar hiri hjara held bjada, selva fon tha Dena-marka
+ånd fon-t Flymar. That vvnde Syrhêd, hwand hju wilde bvppa Min-erva
+utminthja. Til thju mån en grôte thånk ovir hira wâkendum håva skolde,
+myk [47] hju ennen hôna vpper fâne. Thâ gvng Min-erva to ånd myk en
+hårder hvnd ånd en nachtul in vppira fâne. Thene hvnd sêide hju wâkt
+ovir sin hêr ånd ovira kidda ånd thene nachtul wâkt ovira fjelda til
+thju hja thrvch tha musa navt vrdên ne wrde. Men thene hôna neth
+far nimman frjundskip, ånd thrvch sin vntocht ånd hâchfârenhêd is
+er vaken thene bâna sinra nêista sibba wrden. As Kalta sach that er
+wårk falikant ut kêm, to gvng hju fon kwad to årger. Stolkes lêt hju
+Mâgjara to hiri kvma vmbe tâwery to lârane. As hju thêr hira nocht
+fon hêde, werpte hju hira selva anda årma thêra Golum, thach fon
+al thi misdêdon ne macht hju navt bêtre ne wrde. As hju sach that
+tha stjurar mâr ånd mâr fon iri wêke, tha wilde hju ra thrvch frêse
+winna. Was tha mône fvl ånd thene sê vnstumich, than hlip hju over
+et wilde hef, tha stjurar to hropande that hja alle skolde vrgân,
+sahwersa hja hiri navt anbidda nilde. Forth vrblinde hju hira âgun
+hwêr thrvch hja wêter fori land ånd land fori wêter hildon, thêrthrvch
+is mâni skip vrgvngen mith mån ånd mus. Vppet forma wêrfêrste tha al
+hira landsâta wêpned wêron, lêt hju bårga bjar skånka, in thåt bjar
+hêde hju tâverdrank dên. As et folk nv algâdur drunken wêre, gvng hju
+bvppen vp hira stridhros standa, to lênande mith hira hole tojenst hira
+spêri, môrnerâd ne kv navt skêner. Tha hja sach that alle ôgon vpper
+fåstigath wêron êpende hju hira wêra ånd kêth, svnum ånd thogatrum
+Fryas, i wêt wel that wi inna lerste tyd fûl lek ånd brek lêden håve,
+thrvchdam tha stjurar navt lônger kvme vmb vs skriffilt to vrsella, men
+i nête navt hwêrthrvch et kvmen is. Lông håv ik my thêr vr inhalden,
+thach nv kån-k-e tnavt lônger ôn. Hark then frjunda til thju i wêta
+müge hwêrnêi i bita mêi. Anda ôra syde thêre Skelda hwêr hja tomet
+tha fêrt fon alle sêa håve, thêr mâkath hja hjvd dêgon skriffilt fon
+pompa blêdar, thêr mith sparath hja linnent ut ånd kånnath hja vs wel
+miste. Nêidam thåt skriffilt mâkja nv alti vs grâteste bydriv wêst is,
+sâ heth thju Moder wilt that mån et vs lêra skolde. Men Minerva heth
+al et folk bihexnath, jes bihexnath frjunda, ivin as al vs fja thåt
+låsten sturven is. Er-ut mot-et, ik wil thi tella, nas-k nên burchfâm
+ik skold et wel wêta, ik skolde thju hex in hjara nest vrbarne. Thâ
+hju thi lerste worda ut hêde, spode hju hira selva nêi hira burch tha,
+men thåt vrdrvnken folk was althus dênera bigâstered, that et vr sin
+rêde navt mocht to wâkane. In dvl-dryste iver gvngon hja overa Sand
+fal ånd nêidam nacht midlerwil del strêk gvngon hja evin drist vpper
+burch lôs. Thach Kålta miste al hwither hira dol, hwand Minerva ånd
+hira fâmna ånd tha foddik wrdon alle thrvch tha råppa stjurar hreth.
+
+
+
+
+
+HIRBY KVMTH THA SKÊDNESSE FON JON.
+
+
+Jon, Jôn, Jhon ånd Jân is al ên mith jêven, thach thet lêit anda
+utsprêk thêra stjurar, thêr thrvch wenhêd ellas bikirta vmbit fâra ånd
+hard hropa to mvgane. Jon thåt is jêva was sêkêning, bern to-t-Aldergâ,
+to-t Flymar ut fâren mith 100 ånd 27 skêpum, tohrêth fâr en grôte
+butarêis, rik to lêden mith bårnstên, tin, kâper, yser, lêken, linnent,
+filt, fâmna filt fon otter, bêver ånd kanina hêr. Nw skold er fon
+hir jeta skriffilt mith nimma; tha to Jon hir kêm ånd sach ho Kålta
+vsa rom rika burch vrdên hêde, thâ wårther sâ uter mête heftich, that
+er mith al sinum ljudum vpper Flyburch of gvng ånd thêr to witterjeld
+thene râda hône an stek. Men thrvch sin skelta bi nacht ånd svme sinra
+ljudum wårth thju foddik ånd tha fåmna hret. Tach Syrhêd jefta Kålta
+ne mochton hja navt to fâtane, hju klvwde vppa utroste tinne, jahweder
+tochte that hju inna logha omkvma moste, thâ hwat bêrde? Dahwile al
+hira ljuda ståk ånd stif fon skrik standon, kêm hju skêner as â-to
+fora vp hira klêppar to hropande nêi Kålta min-âis [48]. Thâ strâmada
+thåt ora Skelde folk to hâpa. As tha stjurar that sâgon hripon hja fâr
+Minerva wy. En orloch is thêrut kvmen, hwêrthrvch thvsande fallen send.
+
+Under thesse tidon was Rôsamond thåt is Rôsa mvda Moder, hju hêde
+fûl in thêre minne dên vmbe frêtho to wârja, tach nw-t alsa årg kêm,
+myk hju kirte mête. Bistonda sand hju bodun thrvch tha land pâla
+ånd lêt en mêna nêdban utkètha, thâ kêmon thâ landwêrar ut alle wrda
+wêi. Thåt strydande land folk wårth al fat, men Jon burch hin selva
+mith sin ljud vppa sina flâte, mith nimand bêda tha foddika, byonka
+Minerva ånd tha fâmna fon bêdar burchum. Helprik thene hêrman lêt-im
+in banna, men tha hwila alle wêrar jeta o-ra Skelda wêron for Jon
+to bek nêi-t Flymar ånd forth wither nêi vsa ålandum. Sin ljud ånd
+fêlo fon vs folk namon wif ånd bern skêp, ånd as Jon nw sach that
+mån hin ånd sin ljud lik misdêdar strafja wilde, brudon hi stolkes
+hinne. Hi dêde rjucht, hwand al vsa landar ånd allet ora Skelda folk
+thêr fjuchten hêdon wrdon nêi Brittanja brocht. Thius stap was mis dên,
+hwand nv kêm t-anfang fon thåt ende:
+
+Kålta thêr nêi-t segse êven blyd vppet wêter as vppet land hlâpa
+machte, gvng nêi tha fåsta wal, ånd forth vppa Missellja of. Thâ kêmon
+tha Gola mith hjara skepum ut-a Middelsê Kâdik bifâra ånd êl vs uter
+land, forth fylon hja vp ånd over Brittannja thach hja ne mochton thêr
+nên fåsta fot ne krêja, vmbe thåt tha sjvrda weldich ånd tha bannalinga
+jeta fryas wêron. Men nw kêm Kålta ånd kêth, thv bist fry bern ånd vmbe
+litha lêka heth mån thi to vrwurpene mâkad, navt vmbe thi to bêterja,
+men vmbe tin to winnande thrvch thina handa. Wilst wêr fry wêsa ånd
+vnder mina rêd ånd hoda lêva, tjån ut then, wêpne skilun thi wrda,
+ånd ik skil wâka o-er thi. Lik blixen fjur gvng et o-era ålanda, ånd
+êr thes Kroders jol ênis omhlâpen hêde, was hju mâsterinne over al
+gadur ånd tha Thyrjar fon al vsa suder stâta til thêre Sêjene. [49]
+Vmbe that Kålta hira selva navt to fül bitrowada, lêt hju in-et
+northlika berchland êne burch bvwa Kålta-s burch wårth hju hêten, hju
+is jet anwêsa, men nv hêt hja Kêren-åk. Fon thjus burch welde hju lik
+en efte moder, navt to wille fâr men over hira folgar ånd tham hjara
+selva forth Kåltana [50] hêton. Men tha Gola weldon by grâdon over êl
+Brittanja, thåt kêm ênis dêlis that hju nên mâr burga nêde, twyas that
+hju thêr nên burchfâmna nêde ånd thryas thrvchdam hju nên efte foddik
+navt nêde. Thrvch al thessa êrsêka kvn hira folk navt ni lêra, thåt
+wrde dvm ånd dor ånd wrde endelik thrvch tha Gola fon al hira ysera
+wêpne birâwath ånd to thåt lesta lik en buhl by thêre nôse omme lêid.
+
+
+
+
+
+NV WILLATH WI SKRIVA HO-T JON VRGVNGEN IS, THIT STÊT TO TEXLAND
+SKRÊVEN.
+
+
+10 jêr åfter Jon wêi brit was, kêmon hyr thrju skêpa in-t Flymar falla,
+thåt folk hrip ho-n-sêjen, fon hira tålinga heth thju Moder thit skrywa
+lêten. Thâ Jon antha Middelsê kêm was then mâra thêra Gola hin vral
+fâr ut gvngen, alsa hi an thêri kâd fon tha hêinda Krêkalanda nårne
+fêlich nêre. Hi stêk thus mith sinum flâte nêi Lydia, thåt is Lyda his
+lând, thêr wildon tha swarta månniska fâta hjam ånd êta. To tha lesta
+kêmon hja et Thyrhis, men Minerva sêide hald of, hwand hir is thju loft
+ôlangne vrpest thrvch tha prestera. Thi kåning was fon Tünis ofstamed,
+sâ wi lêter hêrdon, men til thju tha prestera en kåning wilde håve thêr
+alderlangne nêi hjara bigrip wêre, alsa hêde hja Tünis to en gode up
+hêjad, to årgnisse sinra folgar. As hja nv Thyr åfter bek wêre, kêmon,
+tha Thyriar en skip uta åfte hoda râwa, nêidam thåt skip to fêr was,
+kvndon wi-t navt wither wina, men Jon swor wrêka thêrvr. Tha nacht
+kêm kêrde Jon nêi tha fêre Krêkalandum, to lesten kêmon hja by en
+land thåt bjustre skryl ut sa, men hja fondon thêr en havesmvda. Hir
+sêide Minerva skil by skin nên frêse to fara forstum nach presterum
+nêdich wêsa, nêidam hja algadur feta etta minna, thach thâ hja inner
+have hlipon fonth mån hja navt rum noch vmbe alle skêpa to bislûta,
+ånd thach wêron mêst alle to låf vmbe wider to gane. Alsa gvng Jon
+thêr forth wilde mith sin spêr ånd fône thåt jongk folk to hropande,
+hwa willinglik bi-m skâra wilde. Minerva thêr biliwa wilde dêde
+alsa. Thåt grâteste dêl gvng nêi Minerva, men tha jonggoste stjurar
+gvngon by Jon. Jon nam thêre foddik fon Kålta ånd hira fâmna mitha,
+ånd Minerva hild hira ajn foddik ånd hira ajn fâmna.
+
+Bitwiska tha fêrum ånd heinda Krêkalandum fand Jon svma êlanda thêr
+im likte, vppet grâteste gvng-er inna tha walda twisk thåt berchta en
+burch bvwa. Fon uta litha êlanda gvng-er ut wrêka tha Thyrjar skêpa
+ånd landa birâwa, thêrvmbe send tha êlanda evin blyd Râwer êlanda,
+as Jonhis êlanda [51] hêten.
+
+Tha Minerva thåt land bisjan hêde, thåt thrvch tha inhêmar Attika is
+hêten, sach hju that thåt folk al jêita hoder wêron, hja hildon hjara
+lif mith flesk, krûdum, wilde wotelum ånd hvning. Hja wêron mith felum
+tekad ånd hju hêdon hjara skula vppa hellinga thêra bergum. Thêrthrvch
+send hja thrvch vs folk Hellinggar hêten.
+
+Thåt forma gvngon hja vppa run, tha as hja sâgon that wi navt ne
+tâldon nêi hjara skåt, thâ kêmon hja tobek ånd lêton grâte âtskip
+blika. Minerva frêjde jef wi vs in thêre minna machte nither
+setta. That wrde to staden vnder biding that wi skolde helpa hjam
+with hjara swetsar to stridande, thêr alan kêmon hjara bern to
+skâkana ånd hjara skât to râwana. Thâ bvwadon wi êne burch arhalf
+pâl fon thêr have. Vppa rêd Minervas wårth hju Athenia [52] heten:
+hwand sêide hju, tha åfter kvmand agon to wêtane, that wi hir navt
+thrvch lest ner weld kvmen send, men lik âtha vntfongen. Dahwile wi
+an thêre burch wrochton kêmon tha forsta, as hja hja nv sagon that
+wi nên slavona hêde, sind er sok navt, ånd lêton-t an Minerva blika,
+til thju hja tochton that en forstene wêre. Men Minerva frêja, ho bist
+wel an thina slâvona kvmen? Hja andere, svme håvath wi kâpad, ôra anna
+strid wnnen. Minerva sêide, sâhwersa ninman månneska kâpja nilda sa
+ne skolde ninman jvw bern râwa ånd i ne skolda thêrvr nên orloch håve,
+wilst thus vsa harlinga biliwa sâ mot-i thina slâvona fry lêta.
+
+That nv willath tha forsta navt, hja willath vs wêi driwa. Men thâ
+klokeste hjarar ljuda kvmath helpa vsa burch ta bvmande, thêr wi nv
+fon stên mâkja.
+
+Thit is thju skêdnesse fon Jon ånd Minerva.
+
+As hja that nw ella tellad hêde, frêjath hja mith êrbjadenesse vm
+yrsene burchwêpne, hwand sêidon hja vsa lêtha send weldich, tha sa
+wi efta wâpne håve, skillon wi ra wel wither worda. As hju thêran
+to stemad hêde, frêjath tha ljuda jef tha Fryas sêda to Athenia ånd
+tha ôra Krêkalanda bloja skolde, thju Moder andere, jef tha fêre
+Krêkalanda to tha erva Fryas hêra, alsa skilum hja thêr bloja, ne
+hêrath hja navt thêr to, alsa skil thêr lang over kåmpad wrda mote,
+hwand thene kroder skil jeva fifthusand jêr mith sin Jol ommehlâpa,
+bifara thåt Findas folk rip to fâra frydom sy. [53]
+
+
+
+
+
+THIT IS OVER THA GÊRTMANNA.
+
+
+Thâ Hellênja jefta Minerva sturven was, tha bâradon tha prestera
+as jef hja mith vs wêron, til thju that hel blika skolde havon hja
+Hellênia to-ne godene ute kêth. Ak nildon hja nêne ore Moder kjasa
+lêta, to segande, hja hêde frêse that er emong hira fâmna nimman wêre,
+thêr hja sa god kvnde trowa as Minerva thêr Nyhellênia tonomt was. Men
+wi nildon Minerva navt as êne godene navt bikånna, nêidam hja selva
+seid hêde that nimman god jefta fvlkvma wêsa ne kvnde thån Wr.aldas
+gâst. Thêrumbe kêron wi Gêrt Pire his toghater to vsa Moder ut.
+
+As tha prestera sagon that hja hjara hering navt vp vsa fjvr brêda
+ne mochton, thâ gvngon hja buta Athenia ånd sêidon that wi Minerva
+navt to-ne godene bikåna nilda ut nyd, vmbe that hju tha inhêmar
+sâ fûl ljafde biwêsen hede. Forth javon hja that folk byldnisse fon
+hira liknese, tjûgande that hja thêrlan ella frêja machte alsa naka
+hja hêroch bilewon. Thrvch al thissa tellinga warth thåt dvma folk
+fon vs ofkêrad ånd to tha lesta fylon hja vs to lif. Men wi hêdon vsa
+stêne burchwal mith twam hornum om têjen al to tha sê. Hja ne machton
+vs thervmbe navt nâka. Thach hwat bêrde, an Êgiptalanda thêr wêre en
+overprester, hel fon âgnum, klâr fon bryn ånd licht fon gâst, sin nâm
+wêre Sêkrops, [54] hy kêm vmb rêd to jêvane. As Sêkrops sach that er
+mith sinum ljuda vsa wal navt biranna ne kv, thâ sand hi bodon nêi
+Thyrhis. Afternêi kêmon er thrja hvndred skipun fvl salt-âtha fon
+tha wilde berchfolkum vnwarlinga, vsa hâva bifâra, dahwila wy mith
+alle mannum vppa wallum to strydande wêron.
+
+Drêi as hja thju hâva innomth hêde wildon tha wilda salt-âtha thåt
+thorp ånd vsa skipa birâwa. Ên salt-âthe hêde al en bukja skånd,
+men Sêkrops wilde thåt navt ne hångja, ånd tha Thyrjar stjurar thêr
+jeta Fryas blod int lif hêde sêidon, aste that dêiste sâ skilun
+wi tha râde hône in vsa skypa stêka ånd thv ne skilst thina berga
+na withera-sja. Sêkrops tham navt ne hilde ni fon morthja nor fon
+hommelja, sand bodon nêi Gêrt vmbir tha burch of to askja, hju
+macht frya uttochte hâ mith al hira drywande ånd bêrande hâva, hira
+folgar alsa fül. Tha wista thêra burchhêrum êl god sjande thåt hja
+tha burch navt hâlda ne kvnde, rêden Gêrt hja skolde gaw to bitta,
+bi fira Sêkrops wodin wrde ånd overs bigvnde, thrê mônatha åfter
+brûde Gêrt hinne mith tha alder besta Fryas bern ånd sjugum wara twilf
+skypum. Thâ hja en stût buta thêre have wêron kêmon thêr wel thritich
+skêpun fon Thyrhis mit wif ånd bern. Hja wilde nêi Athênia gâ, tha as
+hja hêrdon ha-t thêr eskêpen stande gvngon hja mit Gêrt. Thi wêtking
+thêra Thyrjar brocht algadur thrvch tha strête [55] thêr vnder thisse
+tida vppa tha râde sê uthlip. Et leste lândon hja et Pangab, that is
+in vsa sprêke fif wêtervm, vmbe that fif rinstrâma mith hiri nêi tha
+sê to strâme. Hyr seton hja hjara selva nithar. That lånd håvon hja
+Gêrtmannja hêton. Thene kêning fon Thyrhis åfternêi sjande that sin
+alderbesta stjurar wei brit wêren sand al sin skipa mith sina wilde
+saltâtha vmb-er dâd jefta lêvand to fâtane. Men as hjå by thêre strête
+kêm bêvadon bêde sê ånd irtha. Forth hêf irtha hira lif thêr vppa,
+sâ hâg that al et wêter to thêre strête uthlip, ånd that alle wata
+ånd skorra lik en burchwal to fâra hjam vp rêson. That skêde over
+tha Gêrtmanna hjara dügda lik as allera mannalik hel ånd klâr mêi sja.
+
+
+
+
+
+AN THA JÊRA 1000 AND 5 [56] NÊI ALDLAND SVNKEN IS, IS THIT VPP-INA
+ASTERWACH IT FRYAS BURCH WRITEN.
+
+
+Nêi that wi in twilif jêr tid nên Krêkalandar to Almanlând sjân
+hêde, kêmon thêr thrju skêpa sa syrlik as wi nên hêdon ånd to fara
+nimmer nêde sjan. Vppet storoste thêra wêre-n kêning thêra Jhonhis
+êlandum. Sin nôme wêre Ulysus ånd tha hrop ovir sin wisdom grât. This
+kêning was thrvch êne presteresse forsêid, that er kêning wertha
+skolde ovir alla Krêkalanda sa-r rêd wiste vmbe-n foddik to krêjande,
+thêr vpstêken was anda foddik it Texland. Vmbe-r to fensane hêder
+fêle skåta mith brocht, boppa ella fâmne syrhêdum, alsa thêr in
+wralda navt skênener mâkad wrde. Hja kêmon fon Troja en stede tham
+tha Krêkalandar innimth hêdon. Al thissa skåta bâd hi tha Moder an,
+men thju Moder nilde nârne fon nêta. As er to lesta sa, that hju navt
+to winne wêre, gvng er nêi Walhallagara [57].
+
+Thêr was en fâm sêten, hjra nôme wêre Kât, tha inna wandel wrde hju
+Kalip [58] hêten ut hawede that hjara vnderlip as en utkikbored
+farutståk. Thêrby heth er jêron hwilth to årgenisse fon al tham
+et wiston. Nêi thêra fâmna hrop heth er to lesta en foddik fon hir
+krêjen, tha hja heth im navt ne bât, hwand as er in sê kêm is sin
+skip vrgvngon ånd hy nâked ånd blât vpnimth thrvch tha ôthera skêpa.
+
+Fon thisse kêning is hyr en skryver åfterbilêwen fon rên Fryas blod,
+bårn to thêre nêie have fon Athênia ånd hwat hyr folgath het er vs
+fon ovir Athênia skrêven, thêrut mêi mån bisluta, ho wêr thja Moder
+Hel-licht sproken heth, thâ hja sêide thåt Fryas sêda to Athênia nên
+stand holde ne kvste.
+
+Fon tha ôthera Krêkalander hetste sêkur fül kwâd ovir Sêkrops hêred,
+hwand hi wêre in nên gode hrop. Men ik dâr segse, hi wêre-n lichte man,
+hâchlik romed alsa sêr bi tha inhêmar as wel bi vs, hwand hi wêre
+navt vmbe tha månniska to diapana sa tha ôra prestera, men hi wêre
+dügedsêm ånd hi wist tha wisdom thêra fêrhêmanda folkum nêi wêrde to
+skåtande. Thêrvmbe that er that wiste, hêde-r vs to stonden that wi
+machte lêva nêi vs ajn êlik Sêgabok. Thêr gvng en telling that er vs
+nygen were, vmbe that er tjucht wêsa skolde ut en Fryaske mangêrte ånd
+Êgiptiska prester, uthawede that er blâwe âga hêde, ånd that er fül
+mangêrta fon vs skâkt wêron ånd in ovir Egiptalande vrsellath. Tha
+selva heth er nimmerte jecht. Ho-t thêrmêi sy, sêkur is-t that er
+vs mâra âthskip biwês as alle ôthera prestum to sêmne. Men as er
+fallen was, gvngon sina nêimanninga alring an vsa êwa torena ånd bi
+grâdum sa fêlo mislikanda kêra to mâkjande, that er to lônge lesta
+fon êlik sa ånd fon frydom ha navt ôwers as tha skin ånd tha nôme
+vrbilêf. Forth nildon hja navt ne dâja that-a setma an skrift brocht
+wrde, hwerthrvch tha witskip thêra far vs forborgen wårth. To fâra
+wrdon alle sêkum binna Athênia in vsa tâl bithongon, åfternêi most
+et in bêda tâla skên ånd to lesta allêna in tha landis tal. In tha
+êrosta jêra nam that manfolk to Athênia enkel wiva fon vs ajn slacht,
+men that jongkfolk vpwoxen mitha mangêrta thêr landsâton namen thêr âk
+fon. Tha bâstera bern tham thêrof kemon wêron tha skênsta ånd snodsta
+in wralda, men hja wêron âk tha årgsta. To hinkande vr byde syda,
+to mâlande her vm sêda ner vm plêga, hit ne sy that et wêre for hjara
+ajne held. Alsa nâka thêr jeta-n strêl fon Fryas gâst weldande wêre
+wårth al et bvwspul to mêna werka forwrochten ånd nimmån ne mocht en
+hus to bvwande, thåt rumer ånd riker wêre as thåt sinra nêstum. Tha
+thâ svme vrbastere stêdjar rik wêron thrvch vs fâra ånd thrvch et
+sulver, thåt tha slâvona uta sulverlôna wnnon, thâ gvngon hja buta
+vppa hellinga jefta inda dêla hêma. Thêr beftha hâga wallum fon lôf
+tha fon stên bvwadon hja hova mith kestlik husark, ånd vmbe by tha wla
+prestrum in en goda hrop to wêsande, ståldon hja thêr falska drochten
+likanda ånd vntuchtiga bilda in. By tha wla prestrum ånd forstum wrdon
+tha knâpa al tomet mâra gêrt as tha toghatera, ånd fâken thrvch rika
+jefta thrvch weld fon et pad thêre düged ofhlêid. Nêidam rikdom by
+thåt vrbrûde ånd vrbasterde slachte fêr bvppa düged ånd êre jelde, sach
+mån altomet knâpa tham hjara selva mit rûma rika klâtar syradon, hjara
+aldrum ånd fâmna to skônda ånd hjara kvnna to spot. Kêmon vsa ênfalda
+aldera to Athênia vppe thêre mêna acht ånd wildon hja thêrvr bâra,
+sâ warth ther hropen, hark, hark, thêr skil en sêmomma kêtha. Alsa
+is Athênia wrdon êlik en brokland anda hête landa, fol blodsûgar,
+pogga ånd feniniga snâka, hwêrin nên månniske fon herde sêdum sin
+fot navt wâga ne mêi.
+
+
+
+
+
+THIT STAT IN AL VSA BURGA.
+
+
+Ho vsa Dênamarka [59] fâra vs vlêren gvngon 1600 ånd 2 jêr [60] nêi
+Aldland vrgongen is. Thrvch Wodins dor ånd dertenhêd was thene Magy
+bâs wrden ovir Skênlandis astardêl. Wra berga ånd wr-n sê ne tvrade
+hi navt ne kvma. Thju Moder wildet navt wêrha, hja sprêk ånde kêth,
+ik sja nên frêse an sina wêpne, men wel vmbe tha Skênlander wêr to
+nimmande, thrvchdam hja bastered ånd vrdêren sind. Vppa mêna acht
+toch te man alên. Thêrvmbe is-t im lêten. Grât 100 jêr lêden byondon
+tha Dênemarkar to wandelja mith hjam. Hja jêvon him ysere wêpne ånd
+rêdskip thêr fori wandeldon hja golden syrhêdon bijunka kâper ånd
+yserirtha. Thju Moder sand bodon ånd rêd-er, hja skolde thju wandel
+fâra lêta. Thêr wêre frêse sêide hju fori hjara sêdum, ånd bitham
+hja hjara sêde vrlêren, thån skolde hja âk hjara frydom vrljasa. Men
+tha Dênemarkar nêde narne âra nei, hja nilda navt bigrippa that hjara
+sêde vrbrûde kvste, thêrvmbe ne meldon hja hja navt. To lônga lesta
+brochton hja ajne wêpne ånd liftochta wêi. Men thåt kwâd wrocht hjara
+gêia. Hjara lichêma wrdon bilâden mêi blik ånd skin, men hjara arka
+spynton ånd skvra wrdon lêtoch. Krek hondred jêr eftere dêi that et
+forma skip mit liftochta fona kâd fâren was, kêm ermode ånd lek thrvch
+tha anderna binna, honger sprêda sina wjvka ånd strêk vppet land
+del, twispalt hlip stolte in overe strêta ånd forth to tha hûsa in,
+ljafde ne kv nên stek lônger navt finda ånd êntracht run êwêi. Thåt
+bårn wilde êta fon sina måm ånd thju måm hêde wel syrhêdon tha nên
+êta. Tha wiva kêmon to hjara manna, thissa gvngon nêi tha grêva, tha
+grêva nêdon selva nawet of hildon-t skul. Nw most mån tha syrhêdon
+vrsella, men thawila tha stjurar thêrmêi wêi brit wêron kêm frost
+ånd lêi-n plônk del vppa sê ånd wra strête. Tha frost thju brigge
+rêd hêde, stop wâkandon thêrwr to-t land ut ånd vrêd klywade vpper
+sêtel. In stêde fon tha owera to biwâkande spandon hja hjara horsa
+for hjara togum ånd runon nêi Skênland thâ. Tha Skênlander, tham nêy
+wêron nêi that land hjarar êthla kêmon nêi tha Dênemarkum. Vppen helle
+nacht kêmon hja alla. Nw sêidon hja that hja rjucht hêde vppet land
+hjarar êthlon ånd thahwil that mån thêrvr kåmpade kêmon tha Finna in
+tha lêtoga thorpa ånd runadon mith tha bern ewêi. Thêrtrvch ånd that
+hja nên goda wêpne navt nêdon, dêd hjam tha kåsa vrljasa ånd thêrmêi
+hjari frydom, hwand thene Magy wrde bâs. That kêm that hja Fryas tex
+navt lêsde ånd hira rêdjêvinga warlâsed hêde.
+
+Ther send svme thêr mêne that hja thrvch tha grêva vrrêden send,
+that tha fâmna thåt lông spêrath hêdon, tha sa hvam sa thêr vr kêtha
+wilde, tham is mvla wrdon to smôrath mith golden kêdne. Wi ne mügan
+thêrvr nên ordêl to fellande, men wi willath jo tohropa, ne lên navt
+to sêre vppa wisdom ånd düged ni fon jvwa Forsta, ni fon jowa fâmna,
+hwand skel et halda sa mot allera mannalik wâka ovir sin ajna tochta
+ånd for-t mêna held.
+
+Twa jêr nêidam kêm thene Magy selva mith en flâte fon lichte kânum,
+tha Moder fon Texland ånd tha foddik to râwane.
+
+Thås årge sêke bistonde-r thes nachtis anda winter by storne tydum
+as wind gûlde ånd hêjel to jenst tha andêrna fêtere. Thi utkik thêr
+mênde thater awet hêrde ståk sin balle vp. Tha drêi as et ljucht
+fon êr tore vppet ronddêl falda, sa-r that al fêlo wêpende manna wra
+burchwal wêron. Nw gvng-er to vmbe tha klokke to lettane, tha et wêre
+to lêt. Êr tha wêre rêd wêre, wêron al twa thusand ina wêr vmbe tha
+porte to rammande. Strid hwilde thervmbe kirt, hwand thrvchdam tha
+wêra navt nên gode wacht halden nêde, kêmon alle om.
+
+Hwil that alrek drok to kåmpane wêre, was thêr en wla Fin to
+thêre flête jefta bedrum fon thêre Moder inglupth, ând wilde hja
+nêdgja. Tha thju Moder wêrd-im of that er bekwârd tojênst tha wâch
+strumpelde. Thâ-r wither vpa bên wêre stek er sin swêrd to ir buk in
+segsande, nilst min kul navt sâ skilst min swêrd ha. After im kêm
+en skiper fona Dênemarka, thisse nam sin swêrd ånd hif thêne Fin
+thrvch sina hole. Thêrut flât swart blod ånd thêrvr swêfde-n blâwe
+logha. Thi Magy lêt thju Moder vpa sinra skip forplêgja. As hju
+nw wither alsa fêre hêl ånd bêter wêr that hju fåst sprêka machte,
+sêide thene Magy that hju mith fâra moste, tha that hju hira foddik
+ånd fâmna halda skolde, that hju en stât skolde nyta sâ hâch as hju
+to fara na nêde kenth. Forth sêide-r thåt hi hiri frêja skolde in
+ajnwarde fon sinum forsta, jef er mâster skolde wertha over alle
+lânda ånd folkra Fryas. Hi sêide that hju that bijâe ånd bijechta
+most, owers skolde-r vnder fêlo wêja sterva lêta. As er thêr after al
+sinra forsta om ira lêger to gadurad hêde frêjer lûd, Frâna vrmites
+i klârsjande biste most m.ênis segsa of ik mâster skil wertha over
+alle lânda ånd folkra Fryas. Frâna dêde as melde hja him navt. To
+lônga lesta êpende hju hira wêra ånde kêth, min âgun wrde thjûstred,
+tha that ôre ljucht dêgth vp in minara sêle. Jes, ik sja-t. Hark
+Irtha ånd wês blyde mith my. Vndera tydum that Aldland svnken is,
+stand thju forma spêke fon thet Jol an top. Thêrnêi is hju del gvngon
+ånd vsa frydom mith tham. As er twa spêka jeftha 2000 jêr del trûled
+het, sâ skilun tha svna vpstonda thêr tha forsta ånd prestera thrvch
+hordom bi-t folk têled håve, ånd tojenst hjara tâta tjugha. Thi alle
+skilum thrvch mort swika, men hwat hja kêth håve skil forth bilywa
+ånd frûchdber wertha in-a bosme thêra kloke månniska, alsa lik gode
+sêdum thêr del lêid wrde in thinra skât. Jeta thûsand jêr skil thju
+spêke then del nyga ånd al mâra syga anda thjusternesse ånd in blod,
+ovir thi utstirt thrvch tha lâga thêr forsta ånd prestera. Thêrnêi
+skil thet mornerâd wither anfanga to glora. Thit sjande skilun tha
+falska forsta ånd prester alsamen with frydom kåmpa ånd woxelja, men
+frydom, ljafde ånd êndracht skil-et folk in hjara wach nêma ånd mit
+thet jol risa uta wla pol. Thåt rjucht thåt erost allêna glorade,
+skil than fon lêjar laja to-n logha wertha. That blod thêra årgum
+skil ovir thin lif strâma, men thu ne mügth et navt to thi nêma. To
+tha lesta skil thåt feninige kwik thêr vp âsa ånd thêrof sterva. Alle
+wla skêdnese tham forsunnen send vmbe tha forsta ånd prestera to boga,
+skilun an logha ofred wertha. Forth skilun al thinra bern mith frêtho
+lêva. Thâ hju utspreken hêde, sêg hju del. Men thene Mâgy tham hja
+navt wel forstân hêde krêth, ik håv thi frêjeth, jef ik bâs skilde
+wertha ovir alle lânda ånd folkra Fryas, ånd nw håste to en other
+sproken. Frâna rjuchte hiri wither, sach im star an ånd kêthe: êr
+sjugun etmelde om send, skil thin sêle mitha nachtfüglon to tha grâwa
+omme wâra ånd thin lik skil ledsa vppa bodem fona se. Êl wel sêide
+thene Magy mith vrborgne wodin, segs men thåt ik kvme. Forth sêider
+to jenst ên sinar rakkarum, werp that wif vr skippes bord. Althus
+wêr-et ende fon-re leste thêra Moderum [61]. Wrêke willath wi thêr
+vr navt ne hropa, tham skil tyd nima. Men thûsand wâra thûsand mêl
+willath wi Frya åfternêi hropa: wâk-wâk-wâk.
+
+
+
+
+
+HO-T THENE MAGY FORTH VRGVNGON IS.
+
+
+Nêi that tha modder vrdên was, lêter tha foddik ånd tha fâmna to
+sina skip to brenga bijunka alle inbold thêr im likte. Forth gvng
+er thåt Flymâr vp, hwand hi wilde tha fâm fon Mêdêasblik jeftha fon
+Stâvora gabja ånd tham to Moder mâkja. Tha thêr wêron hja vp hjara
+hodum brocht. Tha stjurar fon Stâvora ånd fon thåt Alderga hêdon hini
+gêrn to Jonis togen, men tha grâte flâte wêre vppen fêre tocht ût. Nw
+gvngon hja to ånd foron mith hjra littige flâte nêi Mêdêasblik ånd
+hildon hja skul after thât ly thêra bâmun. Thi Mâgy nâkade Mêdêasblik
+bi helle dêi ånd skynander svnne. Thach gvngon sina ljuda drist drist
+wêi vppera burch to runnande. Men as allet folk mith tha bôtum land
+was, kemon vsa stjurar utêre krêke wêi ånd skâton hjara pila mith
+târbarntin bollum vp sinra flâte. Hja wêron alsa wel rjucht that fêlo
+sinra skêpun bistonda anna brônd wêron. Tham vppa skêpun wachton,
+skâton âk nêi vs thâ, thach thåt ne rojade nawet. As er to lesta en
+skip al barnande nêi-t skip thes Mâgy dryf, bifel-er sin skiper hi
+skolde ofhâde, men thene skiper that wêre thene Dênemarker thêr thene
+Fin felad hêde, andere, thv hest vse Êremoder nêi tha bodem fona sê
+svnden to meldande thatste kvma skolde, thit skoste thrvch tha drokhêd
+wel vrjetta; nw wil ik njude thatste thin word jecht. Thi Mâgy wild-im
+ofwêra; men thene skiper, en åfte Fryas ånd sterik lik en jokoxe,
+klipade bêda sinum hônda om sin hole ånd hif hini vr bord into thåt
+wellande hef. Forth hês er sin brune skild an top ånd for rjucht to
+rjucht an nêi vsa flâte. Thêrthrvch kêmon tha fâmna vnforlet to vs,
+men tha foddik was utgvngon ånd nimman wiste ho-t kêmen was. Tha hja
+vppa vnfordene skêpa heradon, that thene Mâgy vrdrvnken was, brûde
+hja hinne, hwand tha stjurar thêra mêst Dênemarkar wêron. Nêi that tha
+flâte fêr enoch ewêi wêre, wendon vsa stjurar ånd skâton hjara barnpila
+vppa tha Finna del. Thâ tha Finna thus sagon, ho hja vrrêden wêron,
+hlip alrik thrvch vr ekkdrum ånd thêr nêre lônger nên hêrichhêd ni
+bod. To thisre stonde run tha wêre hju ut têre burch. Tham navt ne
+fljuchte, werth afmakad, ånd thêr fljuchte fvnd sin ende into tha
+polum fon et Krylinger wald.
+
+
+
+
+
+NÊISCHRIFT.
+
+
+Thâ tha stjurar an da kreke lêjon was thêr en spotter fon ut
+Stavora mank, thêr sêide, Mêdêa mei lakkja, sa wi hyr ut hjra burch
+reda. Thêrvmbe håvon tha fâmna thju krêke Mêdêa mêi lakkja [62] hêten.
+
+Tha bêrtnissa thêr afternêi skêd send, mêi alra mannalik hügja. Tha
+fâmna hagon tham nei hjara wysa to tella ånd wel biskriwa
+lêta. Thêrvmbe rêkenjath wi hirmitha vsa arbêd fvlbrocht. Held.
+
+
+ Ende fon 't Bok.
+
+
+
+
+
+THA SKRIFTA FON ADELBROST AND APOLLONIA
+
+
+Min nôm is Adelbrost svn fon Apol ånd fon Adela. Thrvch min folk
+ben ik kêren to Grêvetman ovira Linda wrda. Thêrvmbe wil ik thit bok
+forfolgja vp alsa dênera wisa as mine mem sproken heth.
+
+Nêi that thene Mâgy felt was ånd Fryasburch vp stel brocht, most er
+en moder kêren wertha. Bi-ra lêva nêde thju Moder hira folgstera navt
+nômth. Hira lersta wille was sok ånd narne to findne. Sjugun mônatha
+åfter werth er en mêna acht bilidsen ånd wel to Grênegâ [63] ut êrsêke
+that anna Saxanamarka pâlth. Min mem werth kêren, men hju nilde nên
+Moder wêsa. Hju hêde heth lif minar tât hrêd, thêrthruch hêden hja
+ekkorum lyaf krêjen ånd nw wildon hja âk gâdath wertha. Fêlon wildon
+min mem fon er bislut ofbrenga; men min mem sêide, en Êremoder âcht
+alsa rên in -ra mod to wêsana as hja buta blikt ånd êven mild far al
+hjara bern. Nêidam ik Apol nw lyaf håv boppa ella in wralda, sâ ne
+kån ik sâ-ne Moder navt nêsa. Sâ sprek ånd kêth Adela, men tha ôra
+burchfâmna wildon algâder Moder wêsa. Alrek stât thong fori sinera
+åjne fâm ånd nilde navt fyra. Therthrvch nis er nêne kêren ånd heth
+rik thus bandlâs. Hyr åfter müg-it bigripa.
+
+Ljudgêrt, tham kêning thêr hêmesdêga fallen is, was bi thêre Moder-is
+lêva kêren blikbêr trvch alle stâtha mith lyafde ånd trjvw. Heth
+wêre sin torn vmbe vppin eth grâte hof to Dok-hêm [64] to hêmande,
+ånd bi thêre Moder-is lêva wrd-im ther grâte êr biwêsen, hwand et
+wêre immer sa ful mith bodon ånd riddarum fon hêinde ånd fêre as-m-å
+to fora na nêde sjan. Tach nw wêr-er ênsêm and vrlêten, hwand alrek
+wêre ange that-er him mâster skolde mâkja boppa heth rjucht ånd welda
+ê-lik tha slâvona kêninggar. Elk forst wânde forth that-er enoch
+dêde as er wâkade ovir sin åjn stât; ånd thi ên ne jêf nawet tâ antha
+ôthera. Mith-êra burchfamna gvnget jeta årger to. Alrek thisra bogade
+vppira åjne wisdom ånd sahwersa tha Grêvetmanna awet dêdon buta hjam,
+sâ wrochten hja mistryvwa bitwiska tham ånd sinum ljudum. Skêder en
+sêke thêr fêlon stâtha trof ånd hêde mån thju rêd êner fâm in wnnen,
+sâ kêthon alle ôthera that hju sproken hêde to fêre fon hjra åjne
+stât. Thrvch althus dênera renka brochton hja twyspalt in ovira stâtha
+ånd torendon hja that band sâdêne fon ên, that et folk fon tha ênne
+stât nythich wêre vppet folk fon en ora stât ånd fâret alderminesta
+lik fêrhêmande biskôwade. Thju fêre thêra is wêst that tha Gola jeftha
+Trowyda vs al-êt lând of wnnen håven al ont thêra Skelda ånd thi Magy
+al to thêre Wrsâra. Ho-r thêrby to gvngen is, heth min mem vntlêth,
+owers nas thit bok navt skrêven ne wrden, afskên ik alle hâpe vrlêren
+håv tha-et skil helpa thâ bâta. Ik ne skryw thus navt inna wân,
+thet ik thêrthrvch thet lånd skil winna jeftha bihaldane, that is
+minra achtne vndvalik, ik skryw allêna fâr et åfter kvmande slacht,
+til thju hja algâdur wêta müge vp hvdêna wisa wy vrlêren gvnge,
+ånd tha alra mannalik hyr ut lêra mêi that elk kwâd sin gêja têlath.
+
+My heth mån Apollônja hêten. Twyia thritich dêga nêi måm hira dâd heth
+mån Adelbrost min brother vrslêjen fonden vppa wårf, sin hawed split
+ånd sina lithne ût ên hrêten. Min tât thêr siak lêide is fon skrik
+vrsturven. Thâ is Apol min jungere brother fon hyr nêi thêre westsyde
+fon Skênlând fâren. Thêr heth er en burch ebuwad, Lindasburch [65]
+hêten, vmbe dâna to wrekana vs lêth. Wr.alda heth-im thêr to fêlo
+jêra lênad. Hy heth fif svna wnnen. Altham brengath thêne Magy skrik
+ånd min brother gôma. After måm ånd brother-is dâd send tha fromesta
+fon-ut-a lândum to ekkôrum kvmen, hja havon en bând sloten Adelbând
+hêten. Til thju vs nên leth witherfâra ne skolde, håvath hja my ånd
+Adelhirt min jungste brother vpper burch brocht, my by tha fâmna ånd
+min brother by tha wêrar. Thâ ik thritich jêr werê heth man my to
+Burchfâm kêren, ånd thâ min brother fiftich wêre, werth-er keren to
+Grêvetman. Fon måm-is syde wêre min brother thene sexte, men fon tât
+his syde thene thride. Nêi rjucht machton sine åfterkvmande thus nên
+overa Linda åfter hjara nômun navt ne fora, men alra månnalik wildet
+håva to êre fon mina måm. Thêr to boppa heth mån vs åk en ofskrifte
+jêven fon thet bok thêra Adela follistar. Thêr mitha ben ik thet
+blydeste, hwand thrvch min måm hjra wisdom kêm-et in wralda. In thas
+burch håv ik jeta ôra skrifta fvnden, thêr navt in 't bok ne stan,
+åk lovsprêka ovir min måm, altham wil ik åfter skriva.
+
+Thit send tha nêilêtne skrifta Brunnos, ther skrywer wêsen is to
+thisre burch. After that tha Adela follistar ella hêde lêta overskryva
+elk in sin rik, hwat wryt was in vppa wâgarum thêra burgum, bisloton
+hja en Moder to kjasane. Thêrto wårth en mêna acht bilêid vp thisra
+hêm. After tha forme rêd Adelas wårth Tüntja bifolen. Ak skoldet slâcht
+håve. Thach nw frêge min Burgtfâm thet wort, hju hede immerthe wênich
+wêst thåt hju Moder skolde wertha, ut êrsêke thåt hju hyr vpper burch
+sat, hwana mêst alle Moderum kêren wêron. Tha hju thet word gund was,
+êpende hju hira falxa wêra ånde kêth: I alle skinth årg to heftane
+an Adelas rêd, tha thåt ne skil thêrvmde min mvla navt ne sluta ner
+snôra. Hwa tach is Adela ånd hwâna kvmt et wêi thåtster sokke hâge
+love to swikth. Lik ik hjuddêga is hju to fara hyr burchfâm wêst. Tha
+is hju thêr vmbe wiser jefta bêtre as ik ånd alle ôthera, jefta is hju
+mâr stelet vppvsa sêd ånd plêgum. Hwêre thåt et fal, sâ skolde hju wel
+Moder wrden wêsa, thâ hju thêrto kêren is, men nêan hju wilde rêder
+ennen bosta ha mith all joi ånd nochta thêr er anebonden send, in stêd
+fon ênsum over hjam ånd et folk to wâkane. Hju is êl klarsjande, god,
+men min âgne ne send fêr fon vrthjustred to wêsane. Ik håv sjan thåt
+hju hira fryadelf herde minth, nw god, thåt is lovelik, men ik håv
+forther sjan thåt Tüntja Apol-is nift is. Wyder wil ik navt ne sedsa.
+
+Tha forsta bigripen êl god, hwêr hju hly sochte, men emong et folk
+kêm twyspalt, ånd nêidam heth maradêl fon hyr wei kêm, wilde-t Tüntja
+thiu êre navt ne guna. Rêdne wrde stopth, tha saxne tâgon uta skådne,
+men thêr ne wårth nêne Moder kêren. Kirt åfter hêde annen vsera bodne
+sin makker fåleth. Til hjuddêga hêde der frod wêsen, thêrvmbe hede
+min burchfâm orlovi vmb-im buta tha lândpâla to helpane. Thach in
+stêd fon im to helpane nêi thet Twiskland, alsa fljuchte hju selva
+mith im overe Wrsara ånd forth nêi tha Mâgy. Thi Mâgy tham sina
+Fryas svna hagja wilde stald-iri as Moder to Godaburch et Skênland,
+mên hju wilde mâr, hju sêid-im thåt sahwersa hi Adela vpruma koste,
+hi måster skolde wertha over êl Fryas land. Hju wêr en fyand fon Adele
+sêide hju, hwand thrvch hjra renka nas hju nên Moder wrden. Sahwersa
+hy hir Texland forspreka wilde, sa skolde hjra boda sina wichar to
+wêiwyser thjanja. Al thissa sêka heth hjra boda selva bilyad.
+
+
+
+
+
+THET OTHERA SKRIFT.
+
+
+Fiftian monatha nêi thêre lerste acht wêr-et Frjunskip jeftha
+Winnemônath. Alleramånnelik jef to an mery mery fru ånd bly, ånd nimman
+nêde diger than to âkane sina nocht. Thach Wr.alda wild vs wysa, thåt
+wâkendom navt vrgamlath wrde ne mêi. To midne fon-et fêst fyrja kêm
+nêvil to hullande vsa wrda in thikke thjusternise. Nocht runde wêi, tha
+wâkendom nilde navt ne kêra. Tha strandwâkar wêron fon hjara nêd fjura
+hlâpen ånd vppa tha topâdum nas nênen to bisja. Thâ nêvil ewêi tâch,
+lokte svnne thrvch tha rêta thêra wolkum vp irtha. Alrek kêm wither
+ut to juwgande ånd to jolande, thet jungk folk tâch sjongande mitha
+gürbâm [66] ånd thisse overfulde luft mith sina liaflika âdam. Men
+thahwila thêr alrek in nocht bâjada, was vrrêd lând mith horsum ånd
+ridderum. Lik alle årga wêron hja helpen thrvch thjusternisse, ånd
+hinne glupath thrvch Linda waldis pâda. To fâra Adelas dure tagon
+twilif mangêrtne mith twilif låmkes ånd twilif knâpa mith twilif
+hoklinga, en junge Saxmån birêd en wilde bufle thêr er selva fensen
+hêde ånd tåmad. Mith allerlêja blomma wêron hja siarad, ånd tha linnen
+tohnekna thêra mångêrtne wêron omborad mith gold ut-er Rêne.
+
+Thâ Adela to hira hus ut vppet slecht kêm, fol en blomrêin del vppira
+hole, alle juwgade herde ånd tha tot-horne thêra knâpum gûldon boppa
+ella ut. Arme Adela, årm folk, ho kirt skil frü hir bydja. Thâ
+thju lônge skåre ut sjocht wêre kêm er en hloth mâgjara ridderum
+linrjucht to rinnande vp Adelas hêm. Hira tât ånd gâde wêron jeta
+vppa stoppenbenke sêten. Thju dure stond êpen ånd thêr binna stand
+Adelbrost hira svna. As er sach ho sina eldra in frêse wêron, gripter
+sine bôge fon-ere wâch wêi ånd skât nêi tha foresta thêra râwarum;
+this swikt ånd trulde vppet gårs del; overne twade ånd thride was
+en êlik lôt biskêren. Intwiska hêdon sina eldra hjara wêpne fat, ånd
+tagon vndyger to Jonis. Tha râwera skoldon hjam ring fensen ha, men
+Adela kêm, vppere burch hêde hja alle wêpne to hantêra lêrad, sjugun
+irthfêt wêre hju lông ånd hira gêrt sâ fêlo, thryja swikte hja tham or
+hjra hole ånd as er del kêm wêr en ridder gårsfallich. Follistar kêmon
+omme herne thêre lône wêi. Tha râwar wrdon fålath ånd fensen. Thach
+to lêt, en pil hêde hjra bosme trefth. Vrrêdelika Magy! In fenin was
+sin pint dipth ånd thêrof is hju sturven.
+
+
+
+
+
+THÊRE BURCHFAMS LOV.
+
+
+Jes ferhêmande âthe, thusande send al kumen ånd jet mâra send vp wêi.
+
+Wel, hja willath Adelas wisdom hêra.
+
+Sekur is hju forstine, hwand hju is immer thja forste wêst.
+
+O wach hwêrto skolde hja thjanja. Hira hemeth is linnen, hira tohnekka
+[67] wol, thåt hjv selva spon ånd wêvade. Hwêrmêi skolde hja hjra
+skênhêd hâga. Navt mith pårlum, hwand hjra tuskar send witter; navt
+mith gold, hwand hjra hêr is blikkander; navt mith stêna, wel send
+hjra âgon saft as lamkes âgon, thach to lik sa glander thåt mån thêr
+skrômlik in sja ne mêi.
+
+Men hwat kålt ik fon skên. Frya wêre wis navt skêner.
+
+Ja âthe, Frya thêr sjugun skênhêde hêde, hwêrfon hjra toghâtera men
+êne elk hâchstens thria urven håve. Men al wêre hju lêdlik, thach
+skolde hju vs djura wêsa.
+
+Jef hju wygandlik sy. Hark âthe, Adela is thet ênge bern vsar
+grêvetman. Sjugun jrthfet is hju hâch, jeta grâter then hjra licheme
+is hjra wishêd ånd hjra mod is lik bêde to sêmine.
+
+Lok thêr, thêr wêre ênis en fênbrônd, thrju bern wêron vp jenske
+gråfstên sprongen. Wind blos fel. Alrek krêta ånd thju måm wêre
+rêdalâs. Thêr kvmt Adela: ho stêitst ånd têmethste hropth hju,
+tragd help to lê-nande ånd Wr.alda skil jo krefta jêva. Thêr hipth
+hja nêi-t Krylwod, gript elsne trêjon, tragd en breg to makjande,
+nw helpath âk tha ôthera ånd tha bern send hred.
+
+Jêrlikes kêmon tha bern hyr blomma ledsa.
+
+Thêr kêmon thrê Fonysjar skipljuda thêr hja wrêvela wilde, men Adela
+kêm, hju hêde hjara hwop (hrop) hêrad, in swim slêith hju tha lêtha ånd
+til thju hja selva jechta skolde, thet hja vnwêrthelike manna wêron,
+bint hju alsêmen an en spinrok fest. Tha fêrhêmanda hêra kêmon hjara
+thjud askja. Tha hja sagon ho skots hja misdên wêron, kêm torn vp,
+thach mån tellade ho-t bêrd was.
+
+Hwat hja forth dêdon, hja buwgdon to fâra Adela ånd keston thju slyp
+hyrar tohnekka.
+
+Kvm fêrhêmande âthe, tha wald füglon fljuchtath to fâra tha fêlo
+forsykar. Kvm âthe sâ mêist hjara wishêd hêra.
+
+By tha gråfstên hwer fon in tha lovsprêke meld wårth, is måm hira
+lik bigråven. Vppira gråfstên heth mån thissa worda hwryten.
+
+
+ NE HLAP NAVT TO HASTICH HWAND HYR LÊID ADELA.
+
+
+Thju formlêre thêr is hwryten inutere wâch thêr burchtore, nis navt
+wither eskrêven in thåt bok thêra Adela follistar. Hwêrvmbe thet lêten
+is nêt ik navt to skriwand. Tha thit bok is min ajn, thêrvmbe wil ik
+hja thêr inna setta to wille minra mågum.
+
+
+
+
+
+FORMLÊRE.
+
+
+Alle god minnanda Fryas bern sy held. Hwand thrvch tham skil et
+sêlich wertha vp jrtha. Lêr ånd kêth to tha folkum. Wr.alda is thet
+alderaldesta jeftha overaldesta, hwand thet skop alla thinga. Wr.alda
+is ella in ella, hwand thet is êvg ånd vnendlik. Wr.alda is overal
+ainwardich, men narne to bisja, thêrvmbe wårth thet wêsa gâst hêten. Al
+hwat wi fon him sja müge send tha skepsela thêr thrvch sin lêva kvme
+ånd wither henne ga, hwand inut Wr.alda kvmath alle thinga ånd kêrath
+alle thinga. Fon ut Wralda kvmth t anfang ånd et ende, alra thinga
+gêith in im vppa. Wr.alda is thet êne ella machtige wêsa, hwand alle
+ôre macht is fon him lênad ånd kêrath to him wither. In ut Wr.alda
+kvmath alle krefta ånd alle krefta kêrath to him wither. Thêrvmbe is
+hi allêna theth skeppande wêsa ånd thêr nis nawet eskêpen buta him.
+
+Wr.alda lêide êvge setma thet is êwa in al et skêpne, ånd thêr ne send
+nên gode setma jeftha hja moton thêrnêi tavlikt wêsa. Men afskên ella
+in Wr.alda sy, tha boshêd thêra månniska nis navt fon him. Boshêd
+kvmth thrvch lômhêd vndigerhed ånd domhêd. Thêrvmbe kån hju wel tha
+månniska skâda, Wr.alda nimmer. Wr.alda is thju wishêd, ånd tha êwa
+thêr hju tavlikt heth, send tha boka wêrût wy lêra müge, ånd thêr nis
+nêne wishêd to findande ner to garjande buta tham. Tha månniska mügon
+fêlo thinga sja, men Wr.alda sjath alle thinga. Tha månniska mügon
+fêlo thinga lêra, men Wr.alda wêt alle thinga. Tha månniska mügon fêlo
+thinga vntslûta, men to fâra Wr.alda is ella êpned. Tha månniska send
+månnalik ånd berlik, men Wr.alda skept bêde. Tha månniska minnath ånd
+håtath, tha Wr.alda is allêna rjuchtfêrdich. Thêrvmbe is Wr.alda allêne
+god, ånd thêr ne send nêne goda bûta him. Mith thet Jol wandelath
+ånd wixlat allet eskêpne, men god is allêna vnforanderlik. Thruch
+that Wr.alda god is, alsa ne mei hi âk navt foranderja; ånd thrvch
+thet er bilywath, thêrvmbe is hy allêna wêsa ånd al et ora skin.
+
+
+
+
+
+THET OTHERA DÊL FONRE FORMLÊR.
+
+
+Emong Findas folk send wanwysa, thêr thrvch hjara overfindingrikhêd
+alsa årg send, thåt hja hjara selva wis mâkja ånd tha inewida bitjuga,
+thåt hja thet besta dêl send fon Wr.alda; thåt hjara gâst thet beste
+dêl is fon Wr.aldas gâst ånd thet Wr.alda allêna mêi thånkja thrvch
+helpe hjaris bryn [68].
+
+Thåt aider skepsle en dêl is fon Wr.aldas vnendlik wêsa, thåt håvon
+hja fon vs gâbad.
+
+Men hjara falxe rêdne ånd hjara tåmlâse hâchfarenhêd heth ra vppen
+dwâlwêi brocht. Wêre hjara gâst Wr.aldas gâst, sâ skolde Wr.alda
+êl dvm wêsa in stêde fon licht and wis. Hwand hjara gâst slâvth him
+selva immer of vmbe skêne bylda to mâkjande, thêr y åfternêi anbid. Men
+Findas folk is en årg folk, hwand afskên tha wanwysa thêra hjara selva
+wis mâkja thåt hja drochtne send, sa håvon hja to fâra tha vnewida
+falxa drochtne eskêpen, to kêthande allerwêikes, thåt thissa drochtne
+Wr.alda eskêpen håve, mith al hwat thêr inne is; gyriga drochtne
+fvl nyd ånd torn, tham êrath ånd thjanath willath wêsa thrvch tha
+månniska, thêr blod ånd offer willa ånd skât askja. Men thi wanwisa
+falxa manna, tham hjara selva godis skalka jeftha prestera nôma lêta,
+bürath ånd sâmnath ånd gethath aldam to fâra drochtne thêr er navt
+ne send, vmbet selva to bihaldande. Aldam bidrywath hja mith en rum
+emod, thrvchdam hja hjara selva drochtne wâne, thêr an ninman andert
+skeldich ne send. Send thêr svme tham hjara renka froda ånd bâr mâkja,
+alsa wrdon hja thrvch hjara rakkera fåt ånd vmbira laster vrbarnad,
+ella mith fêlo stâtska plêgum, hjara falxa drochtne to-n êre. Men
+in trvth, allêna vmbe thåt hja ra navt skâda ne skolde. Til thju vsa
+bern nw wêpned müge wêsa tojenst hjara drochtenlika lêre, alsa hâgon
+tha fâmna hjam fon buta to lêrande hwat hyr skil folgja.
+
+Wr.alda was êr alle thinga, ånd nêi alle thinga skil er wêsa. Wr.alda
+is alsa êvg ånd hi is vnendlik, thervmb nis thêr nawet buta him. Thrvch
+ut Wr.aldas lêva warth tid ånd alle thinga bern, ånd sin lêva nimth
+tid ånd alle thinga wêi. Thissa sêka moton klâr ånd bâr mâkad wrda
+by alle wisa, sâ thåt hja-t an ôthera bithjuta ånd biwisa müge. Is-t
+sâ fâr wnnen, sa sêith mån forther: Hwat thus vsa ommefang treft,
+alsa send wy en dêl fon Wr.aldas vnendelik wêsa, alsa tha ommefang
+fon al et eskêpne, thach hwat angâ vsa dânte, vsa ainskipa, vsa gâst
+ånd al vsa bithånkinga, thissa ne hêra navt to thet wêsa. Thit ella
+send fljuchtiga thinga tham thrvch Wr.aldas lêva forskina, thach
+thêr thrvch sin wishêd sâdâne ånd navt owers navt ne forskina. Men
+thrvchdam sin lêva stêdes forthga, alsa ne mêi thêr nawet vppa sin
+stêd navt bilywa. Thêrvmbe forwixlath alle eskêpne thinga fon stêd,
+fon dânte ånd âk fon thånkwisa. Thervmbe ne mêi irtha selva, ner eng
+skepsle ni sedsa: ik ben, men wel ik was. Ak ne mêi nên månniska navt
+ne sedsa ik thånk, men blât, ik thochte. Thi knâp is grâter ånd owers
+as tha-r bern wêre. Hy heth ora gêrtne, tochta ånd thånkwisa. Thi
+man en tât is ånd thånkth owers as thâ-r knâp wêre. Êvin tha alda
+fon dêgum. Thât wêt allera mannelik. Sâhwersa allera mannalik nw wêt
+ånd jechta mot, thåt hy alon wixlath, sâ mot hy âk bijechta, that er
+jahweder âgeblik wixlath, âk thahwila-r sêid: ik ben, ånd thåt sina
+thånk bylda wixle, tha hwile-r sêid: ik thånk.
+
+Instêde thåt wy tha årga Findas althus vnwerthlik afternêi snakka ånd
+kålta, ik ben, jeftha wel, ik ben thet beste dêl Wr.aldas, ja thrvch
+vs allêna mêi-r thånkja, sâ willath wy kêtha wral ånd allerwêikes
+wêr et nêdlik sy: wy Fryas bern send forskinsla thrvch Wr.aldas
+lêva; by-t anfang min ånd blât, thach immer wårthande ånd nâkande to
+fvlkvmenlikhêd, svnder â sa god to wrda as Wr.alda selva. Vsa gâst nis
+navt Wr.aldas gâst, hi is thêrfon allêna en afskinsle. Tha Wr.alda
+vs skop, heth er vs in thrvch sine wishêd-bryn-sintûga, hügia ånd
+fêlo goda ainskipa lênad. Hyrmêi mugon wy sina êwa bitrachta. Thêrof
+mügon wy lêra ånd thêrvr mügon wy rêda, ella ånd allêna to vs ain
+held. Hêde Wr.alda vs nêne sinna jêven, sa ne skolde wy narne of nêta
+ånd wy skolde jeta reddalasser as en sêkwale wêsa, thêr forthdryven
+wårth thrvch ebbe ånd thrvch flod.
+
+
+
+
+
+THIT STAT VP SKRIVFILT SKRÊVEN. TAL AND ANDWORDE ORA FAMNA TO-N
+FORBYLD.
+
+
+En vnsels gyrich mån kêm to bârande by Trâst thêr fâm wêre to
+Stavia. Hy sêide vnwêder hêde sin hus wêi brocht. Hy hêde to Wr.alda
+bêden, men Wr.alda nêdim nêne helpe lênad. Bist en åfte Fryas, frêje
+Trâst. Fon elder t elder, andere thene mån. Thån sêide hju wil ik åwet
+in thin mod sêja in bitrouwa, thåt et kyma groja ånd früchda jêva
+mêi. Forth sprêk hju ånde kêth. Thâ Frya bern was, stand vs moder
+naked ånd blât, vnbihod to jenst tha strêlum thêre svnne. Ninman
+macht hju frêja ånd thêr wêre ninman thêr hja help macht lêna. Thâ
+gvng Wr.alda to ånd wrochte in hjra mod nigung ånd liavde anggost ånd
+skrik. Hju sach rondomme, hjra nigung kâs thet beste ånd hju sochte
+skul vndera wârande linda. Men rêin kêm ånd t onhlest wêre thât hju
+wet wrde. Thach hju hêde sjan ho thet wêter to tha hellanda blådar of
+drupte. Nw mâkade hju en hrof mith hellanda sidum, vp stôka mâkade hju
+tham. Men stornewind kêm ånd blos rêin thêr vnder. Nw hêde hja sjan
+thåt tha stam hly jef, åfter gong hja to ånd mâkade en wâch fon plâga
+ând sâdum, thet forma an êne syda ånd forth an alle syda. Storne wind
+kêm to bek jeta wodander as to fora ånd blos thju hrof ewêi. Men hju ne
+bârade navt over Wr.alda ner to jenst Wr.alda. Men hja mâkade en reitne
+hrof ånd leide stêne thêr vppa. Bifvnden håvande ho sêr thet dvath
+vmb allêna to tobbande, alsa bithjude hju hira bern ho ånd hwêrvmbe
+hju alsa hêde dên. Thissa wrochton ånd tochton to sêmine. A sadenera
+wise send wy an hûsa kêmen mith stoppenbånkum, en slecht ånd warande
+linda with tha svnnestrêlum. To tha lesta håvon hja en burch mâkad
+ånd forth alle ôthera. Nis thin hus thus navt sterk noch wêst, alsa
+mot i trachda vmbet ôre bêter to mâkjande. Min hus wêre sterk enoch,
+sêider, men thet hâge wêter heth et vp bêrad ånd stornewind heth et
+ore dên. Hwêr stand thin hus thån, frêje Trâst. Alingen thêre Rêne,
+andere thene man. Ne stand et thån navt vppen nol jeftha therp, frêje
+Trâst. Nean sêider, min hus stand ênsum by tha overe, allêna håv ik
+et buwad, men ik ne macht thêr allêna nên therp to makane. Ik wist
+wel, sêide Trâst, tha fâmna håv et my meld. Thv hest al thin lêva
+en grûwel had an tha månniska, ut frêse thåtste awet jêva jeftha
+dva moste to fara hjam. Thach thêr mitha ne mêi mån navt fêr ne
+kvma. Hwand Wr.alda thêr mild is, kêrath him fona gyriga. Fåsta het
+vs rêden ånd buppa tha dura fon alle burgum is t in stên ut wryten:
+bist årg bâtsjochtig sêide Fåsta, bihod thån jvwe nêsta, bithjod thån
+jvwe nêsta, help thån juwe nesta, sâ skilun hja t thi witherdva. Is
+i thina rêd navt god noch, ik nêt fâr thi nên bêtera. Skâmrâd wårth
+then mån ånd hi drupte stolkes hinne.
+
+
+
+
+
+NW WIL IK SELVA SKRIWA ÊROST FON OVER MIN BURCH AND THAN OVER HWAT
+IK HAV MUGE SJAN.
+
+
+Min burch lêid an-t north-ende thêre Liudgârda. Thju tore heth sex
+syda. Thrya thrittich fêt is hju hâch. Flåt fon boppa. En lyth huske
+thêr vppa, hwâna mån tha ståra bisjath. An aider syd thêre tore ståt
+en hus, long thrya hondred, brêd thrya sjugun fêt, êlika hâch bihalva
+thju hrof, thêr rondlik is. Altham fon hyrbakken stên, ånd fon buta ne
+send nênen ôthera. Om tha burch is en hringdik, thêrom en gråft diap
+thrya sjugun fêt, wyd thrya twilif fêt. Siath hwa fonêre tore del,
+sa siath hi thju dânte fon et Jol. Vppa grvnd twisk tha sûdlika hûsa
+thêre, send allerlêja krûda fon hêinde ånd fêr, thêrof moton tha fâmna
+tha krefta lêra. Twisk tha nortlika hûsa is allêna fjeld. Tha thrju
+nortlika hûsa send fol kêren ånd ôther bihof. Twa sûdar send to fâra
+tha fâmkes vmbe to skola ånd to hêma. Thet sûdlikoste hus is thêre
+Burchfâm his hêm. Inna tore hangt thju foddik. Tha wagar thêre tore
+send mith kestlika stêna smukad. In vppa thêre sûderwach is thêne
+Tex wrytten. An tha fêre syde thêra finth mån thju formlêre; anna
+winstere syde tha êwa. Tha ora sêka finth mån vppa ôra thrja. Tojenst
+tha dik by-t hus thêr fâm stêt thju owne ånd thju molmâk thrvch fjuwer
+bufla kroden. Buta vsa burchwal is-t hêm, thêr vppa tha burchhêra
+ånda wêrar hême. Thju ringdik thêra is en stonde grât, nên stjurar,
+men svnna stonde, hwêrfon twya twilif vppen etmelde kvma. In vpper
+binnasyde fona dik is en flåt, fif fêt vndera krûn. Thêr vppa send
+thrya hondred krânboga, todekt mith wod ånd lêther. Bihalva tha hûsa
+thêra inhêmar send thêr binna alingne tha dik jeta thrya twilif nêdhûsa
+to fâra tha omhêmar. Thet fjeld thjanath to kåmp ånd to wêde. Anna
+sûdsyde fon tha bûtenste hringdik is thju Liudgârde omtûnad thrvch
+thet grâte Lindawald. Hjra dânte is thrju hernich, thet brêde buta,
+til thju svnne thêr in sia mêi. Hwand thêr send fêlo fêrlandeska
+thrêja ånd blommen thrvch tha stjurar mith brocht. Alsa thju dânte
+vsar burch is, send alle ôthera; thach vs-is is thju grâteste; men
+thi fon Texland is tha aldergrâteste. Thju tore fon Fryasburch is
+alsa hâch thåt hju tha wolka torent, nêi thêre tore is al et ôthera.
+
+By vs vppa burch ist alsa dêlad. Sjugun jonge fâmna wâkath by thêre
+foddik. Aider wâk thrja stonda. In ha ôre tid moton hja huswårk dva,
+lêra ånd slêpa. Send hja sjugun jêr wâkande wêsen, alsa send hja
+fry. Thân mügon hja emong tha månniska gâ, vp-ra sêd to letane ånd
+rêd to jêvane. Is hwa thrju jêr fâm wêst, sâ mêi hju alto met mith
+tha alda fâmna mith gâ.
+
+Thi skrywer mot tha fâmkes lêra lêsa, skrywa ånd rêkenja. Tha grysa
+jeftha grêva moton lêra hjam rjucht ånd plicht, sêdkunda, krûdkunda,
+hêlkunda, skêdnesa, tellinga ånd sanga, bijunka allerlêja thinga thêr
+hjam nêdlik send vmbe rêd to jêva. Thju Burchfâm mot lêra hjam ho hja
+thêrmith to wårk gâ mota by thå månniska. Êr en Burchfâm hjra stêd
+innimt, mot hju thrvch thet lând fâra en fvl jêr. Thrê grêva burchhêra
+ånd thrja alda fâmna gan mith hiri mitha. Alsa is-t âk my gvngon. Min
+fârt is alingen thêre Rêne wêst, thjus kâd opward, alingen thêre ôre
+syde ofward. Ho hâger ik upkêm, to årmer likte mi tha månniska. Wral
+inna Rêne hêde mån utstekka makad. Thet sôn thåt thêr ain kêm, wrde
+mith wêter wr skêpfachta gâten vmbe gold to winnande. Men tha mångêrta
+ne drogon thêr nêne golden krone fon. Êr wêron thêr mâr wêst, men sont
+wi Skênland miste, send hja nêi tha berga gvngon. Thêr delvath hja
+yserirtha, thêr hja yser of mâkja. Boppa thêre Rêne twisk thet berchta,
+thêr håv ik Mârsåta sjan. Tha Mârsâta thåt send månniska thêr invppa
+mâra hêma. Hjara husa send vp pålum buwad. Thåt is vret wilde kwik ånda
+bose månniska. Thêr send wolva, bâra ånd swârte grislika lâwa [69]. And
+hja send tha swetsar [70] jeftha pålingar fonda hêinde Krêkalandar,
+thêra Kålta folgar ånd tha vrwildere Twiskar, alle gyrich nêi râv ånd
+but. Tha Mârsâta helpath hjara selva mith fiska ånd jâga. Tha huda
+wrdat thrvch tha wiva tomâkad ånd birhet mith skors fon berkum. Tha
+litha huda saft lik fâmnafilt. Thju burchfâm et Fryasburch [71]
+sêide vs thåt hja gode ênfalde månniska weron. Thach hêd ik hja êr
+navt sprêken hêred, ik skolde mênath håve thåt hja nên Fryas wêre,
+men wilda, sâ ryst sâgon hja ut. Hjra fachta ånd kruda wrdon thrvch
+tha Rênhêmar vrwandelath ånd thrvch tha stjurar buta brocht. Alingen
+thêre Rêne wêr et alên, til Lydasburch [72]. Thêr was en grâte flyt
+[73]. Invppa thisra flyt wêron âk månniska, thêr husa vp påla hêde. Men
+thåt nêr nên Fryas folk, men thåt wêron swarte ånd bruna månniska,
+thêr thjanath hêde to rojar vmbe tha butafârar to honk to helpane. Hja
+moston thêr bilywa til thju thju flâte wither wêi brûda.
+
+To tha lersta kêmon wi to-t Alderga. By-t suderhâvahâved stêt thju
+Wâraburch, en stênhus, thêrin send allerlêja skulpa, hulka, wêpne ånd
+klathar wârad, fon fêre landum, thrvch tha stjurar mith brocht. En
+fjardêl dâna is-t Alderga. En grâte flyt omborad mith lothum, husa
+ånd gârdum ella riklik sjarad. Invpper flyt lêi en grâte flâte rêd,
+mith fônon fon allerlêja farwa. Et Fryas dêi hongon tha skilda omma
+tha borda to. Svme blikton lik svnna. Tha skilda thêr witking ånd
+thêra skolta bi tha nachtum wêron mith gold vmborad. Abefta thêre flyt
+was en gråft gråven, to hlâpande dâna alingen thêre burch Forâna [74]
+ånd forth mith en ênga muda [75] in sê. To fâra thêre flâte wêre thit
+tha utgvng ånd et Fly tha ingvng. A bêde syda thêre gråft send skêne
+husa mith hel blikanda farwa mâlad. Tha gârdne send mit altid grêne
+hâgvm omtunad. Ik håv thêr wiva sian, thêr filtne tohnekna drogon as t
+skriffilt wêre. Lik to Stavere wêron tha mångêrtne mith golden kronum
+vppira holum ånd mith hringum [76] om årma ånd fêt sjarad. Sudward
+fon Forâna lêid Alkmârum. Alkmârum is en mâre jefta flyt, thêrin lêid
+en êland, vppa thåt êland moton tha swarte ånd bruna månniska hwila
+êvin as to Lydahisburch. Thju Burchfâm fon Forâna sêide my, thåt tha
+burchhêra dêistik to-râ gvngon vmb ra to lêrande, hwat åfte frydom
+sy, ånd ho tha månniska an thêre minne agon to lêvane vmbe sêjen to
+winnande fon Wr.aldas gâst. Was thêr hwa thêr hêra wilde ånd bigripa
+machte, sa wårth er halden, alont er fvl lêrad wêre. Thåt wrde dên vmbe
+tha fêrhêmande folka wis to mâkane, ånd vmbe vral âtha to winnande. Êr
+hêd ik anda Sâxanamarka to thêr burch Månnagârda forda [77] wêst. Thach
+thêr hêd ik mâr skâmelhêd sjan, as-k hyr rikdom spêrde. Hju andere:
+sâ hwersa thêr an da Sâxanamarka en frêjar kvmath en mangêrte to bi
+frêjande, alsa frêjath tha mångêrtne thêr, kanst thin hus fry wêra
+tojenst tha bannane Twisklandar, håst nach nêne fålad, ho fêlo bufle
+håst al fånsen ånd ho fêlo bâra ånd wolva huda håst al vppa thêre
+mårk brocht? Dâna ist kvmen thåt tha Saxmanna thju buw anda wiva
+vrlêten håve. Thåt fon hvndred to sêmine nên êne lêsa mêi ner skriwa
+ne kån. Dâna is-t kvmen, thåt nimman nên sprêk vppa sin skild neth,
+men blât en mislikande dânte fon en diar, thåt er fålad heth. And
+åndlik, dâna is-t kvmen, thåt hja sêr wichandlik ewrden send, men
+to met êvin dvm send as et kwik, thåt hja fånsa, ånd êvin erm as
+tha Twisklândar, hwêr mith hja orloge. To fâra Fryas folk is irtha
+ånd sê eskêpen. Al vsa rinstrâma runath vppa sê to. Thåt Lydas folk
+ånd thåt Findas folk skil ekkorum vrdelgja, ånd wy moton tha lêthoga
+landa bifolka. In-t fon ånd omme fâra lêid vs held. Wilst nw thåt tha
+boppalânder dêl håve an vsa rikdom ånd wisdom, sâ skil ik thi en rêd
+jêva. Lêt et tha mangêrtne to wênhêd wrde hjara frêjar to frêjande,
+êr hja ja segsa: hwêr håst al in wralda ommefâren, hwad kånst thin
+bern tella wra fêra landa ånd wra fêrhêmanda folka? Dvath hja alsa,
+sâ skilun tha wichandlika knâpa to vs kvma. Hja skilun wiser wårtha
+ånd rikkâr ånd wi ne skilun nên bihof longer navt nåve an thåt wla
+thjud. Tha jongste thêr fâmna fon thêra thêr by mi wêron, kêm uta
+Saxsanamarka wêi. As wi nw to hongk kêmon, heth hju orlovi frêjad
+vmbe nêi hjra hus to gâne. Afternêi is hju thêr Burchfâm wrden, ånd
+dâna is-t kvmen thåt er hjudêga sâ felo Saxmånna by tha stjurar fâre.
+
+
+ Ende fon thet Apollonia bok.
+
+
+
+
+
+THA SKRIFTA FON FRETHORIK AND WILJOW.
+
+
+Min nôm is Frêthorik to nomath oera Linda, thåt wil segsa ovir tha
+Linda. To Ljudwardja bin ik to Asga kêren. Ljudwardja is en ny thorp,
+binna thene ringdik fon thêr burch Ljudgarda, hwêrfon tha nôma an vnêr
+kvmen is. Vnder mina tida is er fül bêred. Fül hêd ik thêr vr skrêven,
+men åfternêi send mi âk fêlo thinga meld. Fon ên ånd ôther wil ik en
+skêdnese åfter thit bok skrywa, tha goda månniska to-n êre tha årga
+to vnêre.
+
+In min jüged hêrd ik grêdwird alomme, årge tid kêm, årge tid was
+kvmen, Frya hêd vs lêton, hjra wâkfâmkes hêde hju abefta halden,
+hwand drochten likande bylda wêron binna vsa lândpåla fvnden.
+
+Ik brônde fon nysgyr vmbe thi bylda to bisjan. In vsa bûrt strompele
+en ôld fâmke to tha husa uta in, immer to kêthande vr årge tid. Ik
+gyrde hja ling syde. Hju strik mi omme kin to. Nw wrd ik drist ånd
+frêje jef hju mi årge tid ånd tha bylda rêis wisa wilde. Hju lakte
+godlik ånd brocht mi vpper burch. En grêve mån frêje my jef ik al
+lêsa ånd skrywa kv. Nê sêid ik. Thån most êrost to ga ånd lêra,
+sêid-er owers ne mêi-t jow navt wysen wrde. Dystik gvng ik bi tha
+skriwer lêra. Acht jêr lêtter hêrd ik, vsa burchfâm hêde hordom
+bidryven ånd svme burchhêra hêdon vrrêd plêgad mith tha Magy, ånd
+fêlo månniska wêron vp hjara syde. Vral kêm twispalt. Thêr wêron bern,
+thêr vpstandon ajen hjara eldrum. Inna gluppa wrdon tha froda månniska
+morth. Thet alde fâmke, thêr ella bâr mâkade, wårth dâd fvnden in
+en grupe. Min tât, thêr rjuchter wêre, wilde hja wrêken hâ. Nachtis
+wårth er in sin hus vrmorth. Thrju jêr lêtter wêr thene Mâgy bâs
+svnder strid. Tha Saxmånna wêron frome ånd frod bilywen. Nêi tham
+fljuchton alle gode månniska. Min måm bistvrv-et. Nw dêd ik lik tha
+ôthera. Thi Mâgy bogade vppa sinra snôdhêd. Men Irtha skold im thâna,
+thåt hja nên Mâgy ner afgoda to lêta ne mochte to thêre hêlge skêta,
+hwêrut hju Frya bêrade. Êvin sa thet wilde hors sina månna sked,
+nêi thåt thet sina ridder gersfallich mâkad heth, êvin sâ skodde
+Irtha hjra walda ånd berga. Rinstrâma wrdon ovira fjelda sprêd. Sê
+kokade. Berga spydon nêi tha wolkum, ånd hwad hja spyth hêde, swikton
+tha wolka wither vp jrtha. By-t anfang there Arnemônath nigade jrtha
+northward, hju sêg del, ôl lêgor ånd lêgor. Anna Wolfamônath lêidon tha
+Dênemarka fon Fryas lând vnder-ne sê bidobben. Tha walda thêr bylda in
+wêron, wrdon vphyvath ånd thêr windum spel. Thet jêr åfter kêm frost
+inna Herdemônath ånd lêid ôld Fryas lând vnder en plônke skul. In
+Sellamônath kêm stornewind ut et northa wêi, mith forande berga fon
+ise ånd stênum. Tha spring kêm, hyf jrtha hjra selva vp. Ise smolt
+wêi. Ebbe kêm ånd tha walda mith byldum drêvon nêi sê. Inner Winna
+jeftha Minnamônath gvng aider thurvar wither hêm fâra. Ik kêm mith en
+fâm to thêre burch Ljudgârda. Ho drove sach et ut. Tha walda thêra
+Lindawrda wêron mêst wêi. Thêr tha Ljudgârde wêst hêde, was sê. Sin
+hef fêtere thene hringdik. Ise hêde tha tore wêi brocht ånd tha husa
+lêide in thrvch ekkôrum. Anna helde fonna dik fond ik en stên. vsa
+skriver hêd er sin nôm inwryten, thåt wêre my en bâken. Sâ-t mith
+vsa burch gvngen was, was-t mith mitha ôra gvngon. Inna hâga lânda
+wêron hja thrvch jrtha, inna dêna landa thrvch wêter vrdên. Allêna
+Fryasburch to Texland wårth vnedêrad fvnden. Men al et lånd thet
+northward lêid hêde, wêre vnder sê. Noch nis-t navt boppa brocht. An
+thås kâd fon-t Flymâre wêron nêi meld wrde thrichtich salta mâra
+kvmen, vnstonden thrvch tha walda, thêr mith grvnd ånd al vrdrêven
+wêron. To Westflyland fiftich. Thi gråft thêr fon-t Alderga thweres
+to het land thrvchlâpen hêde, was vrsôndath ånd vrdên. Tha stjurar
+ånd ôr fârande folk, thêr to honk wêron, hêde hjara selva mith mâga
+ånd sibba vppira skepum hret. Men thåt swarte folk fon Lydasburch
+ånd Alikmarum hêde alên dên. Thawil tha swarta sûdward dryvon,
+hêdon hja fêlo mångêrtne hret, ånd nêidam nimman ne kêm to aska
+tham, hildon hja tham to hjara wiva. Tha månniska thêr to bek kêmon,
+gvngon alle binna tha hringdika thêra burgum hêma, thrvchdam et thêr
+buta al slyp ånd broklând wêre. Tha gamla husa wrde byên klust. Fona
+boppalândum kâpade mån ky ånd skêp, ånd inna tha grâte husa thêr to
+fâra tha fâmna sêten hêde, wrde nw lêken ånd filt mâkad, vmbe thes
+lêvens willa. Thåt skêd 1888 [78] jêr nêi thåt Atlând svnken was.
+
+In 282 jêr [79] nêdon wi nên Êremoder navt hat, ånd nw ella tomet
+vrlêren skinde, gvng mån êne kjasa. Thet hlot falde vp Gosa to
+nômath Makonta. Hju wêre Burchfâm et Fryasburch to Texlând. Hel fon
+hawed ånd klâr fon sin, êlle god, ånd thrvchdam hira burch allêna
+spârad was, sach alrik thêrut hira hropang. Tjan jêr lêttere kêmon
+tha stjurar fon Forana ånd fon Lydas burch. Hja wildon tha swarta
+månniska mith wif ånd bern to thet lând utdryva. Thêrwr wildon hja
+thêre Moder is rêd biwinna. Men Gosa frêje, kånst ên ånd ôr to bek
+fora nêi hjra lândum, thån âchste spod to mâkjande, owers ne skilun
+hja hjara mâga navt wither ne finda. Nê sêide hja. Thâ sêide Gosa:
+Hja håvon thin salt provad ånd thin bråd êten. Hjara lif ånd lêva
+håvon hja vnder jow hod stålad. I moste jow ajne hirta bisêka. Men ik
+wil thi en rêd jeva. Hald hjam alond jow wåldich biste vm ra wither
+honk to fora. Men hald hjam bi jow burgum thêr bûta. Wâk ovir hjara
+sêd ånd lêr hjam as jef hja Fryas svna wêre. Hjra wiva send hyr tha
+steriksta. As rêk skil hjara blod vrfljuchta, til er tha lesta navt
+owers as Fryas blod in hjara åfterkvmande skil bilywa. Sâ send hja
+hyr bilêwen. Nw winst ik wel thåt mina åfterkvmande thêr vp letta,
+ho fêr Gosa wêrhêd sprek. Thâ vsa lânda wither to bigana wêr, kêmon
+thêr banda erma Saxmanna ånd wiva nêi tha vvrdum fon Stavere ånd thåt
+Alderga, vmbe golden ånd ôra sjarhêd to sêkane fon ut tha wasige
+bodeme. Thach tha stjurar nildon hja navt to lêta. Tha gvngon hja
+tha lêthoga thorpa bihêma to West Flyland, vmbe ra lif to bihaldane.
+
+
+
+
+
+NW WIL IK SKRIWA HO THA GÊRTMANNA AND FÊLO HÊLÊNJA FOLGAR TOBEK KÊMON.
+
+
+Twa jêr nêi thåt Gosa Moder wrde [80], kêm er en flâte to thet
+Flymara in fala. Thet folk hropte ho.n.sêen. Hja foron til Stavere,
+thêr hropton hja jeta rêis. Tha fôna wêron an top ånd thes nachtes
+skâton hja barnpila [81] anda loft. Thâ dêirêd wêre rojadon svme mith
+en snâke to thêre hava in. Hja hropton wither ho.n. sêen. Thâ hja
+landa hipte-n jong kerdel wal vp. In sina handa hêdi-n skild, thêrvp
+was bråd ånd salt lêid. Afterdam kêm en grêva, hi sêide wi kvmath
+fona fere Krêkalandum wêi, vmb vsa sêd to warjande, nw winstath wi i
+skolde alsa mild wêsa vs alsa fül lând to jêvane thåt wi thêrvp müge
+hêma. Hi telade-n êle skêdnese thêr ik åfter bêtre skryva wil. Tha
+grêva niston navt hwat to dvande, hja sandon bodon allerwêikes, âk
+to my. Ik gvng to ånd sêide: nw wi-n Moder håve agon wi hjra rêd to
+frêjande. Ik selva gvng mitha. Thju Moder, thêr ella wiste, sêide, lêt
+hja kvme, sâ mügon hja vs lând helpa bihalda: men lêt hjam navt vp êne
+stêd ne bilyva, til thju hja navt waldich ne wrde ovir vs. Wi dêdon
+as hju sêid hêde. That wêre êl nêi hjra hêi. Fryso reste mith sinâ
+ljudum to Stavere, that hja wither to êne sêstêde mâkade, sa god hja
+machte. Wichhirte gvng mith sinum ljudum astward nêi there Êmude. Svme
+thêra Johnjar, thêr mênde thåt hja font Alderga folk sproten wêre,
+gvngen thêr hinne. En lyth dêl thêr wânde thåt hjara êthla fon tha
+sjugon êlanda wei kêmon, gvngon hinne ånd setton hjara selva binna
+tha hringdik fon thêre burch Walhallagâra del. Ljudgêrt thene skolte
+bi nachte fon Wichhirte wårth min åthe åfternêi min frjund. Fon ut
+sin dêibok håv ik thju skêdnese thêr hir åfter skil folgja.
+
+Nei thåt wi 12 mel 100 ånd twia 12 jêr bi tha fif wêtrum sêten hêde,
+thahwila vsa sêkåmpar alle sêa bifâren hêde thêr to findane, kêm
+Alexandre [82] tham kêning mith en weldich hêr fon boppa allingen
+thêr strâm vsa thorpa bifâra. Nimman ne måcht im wither worda. Thach
+wi stjurar thêr by tha sê sâton, wi skêpt vs mith al vsa tilbêre
+hava in ånd brûda hinna. Tha Alexandre fornom thåt im sâ ne grâte
+flâte vntfâra was, wårth er wodinlik, to swêrande hi skolde alle
+thorpa an logha offerja jef wi navt to bek kvma nilde. Wichhirte
+lêide siak to bedde. Thâ Alexandre thåt fornom heth er wacht
+alont er bêter wêre. Afternêi kêm er to him sêr kindlyk snakkande,
+thach hi thrjvchde lik hi êr dên hêde. Wichhirte andere thêr åfter,
+o aldergrâteste thêra kêningar. Wi stjurar kvmath allerwêikes, wi
+hâven fon jow grâte dêdun hêred. Thêrvmbe send wi fvl êrbidenese to
+fara jowa wêpne, tha jet mar vr thina witskip. Men wi ôthera wy send
+frybern Fryas bern. Wy ne mügon nêne slâfona navt ne wrde. Jef ik
+wilde, tha ôra skolde rêder sterva willa, hwand alsa ist thrvch vsa
+êwa bifôlen. Alexandre sêide: ik wil thin lând navt ne mâkja to min
+bût, ner thin folk to mina slâfona. Ik wil blât thåt ste my thjanja
+skolste vmb lân. Thêrvr wil ik swêra by vs bêdar godum, thåt nimman vr
+my wrogja skil. Tha Alexandre åfternei bråd ånd salt mith im dêlade,
+heth Wichhirte that wiste dêl kâsen. Hi lêt tha skêpa hala thrvch sin
+svne. Tha thi alle tobek wêron, heth Alexandre thi alle hêred. Thêr
+mitha wilde hi sin folk nêi tha helge Gônga fâra, thêr hi to land
+navt hêde müge nâka. Nw gvng er to ånd kâs altham ut sin folk ånd
+ut sina salt-atha thêr wenath wêron vvr-ne sê to fârane. Wichhirte
+was wither siak wrden, thêrvmbe gvng ik allêna mitha ånd Nearchus
+fon thes keningis wêga. Thi tocht hlip svnder fardêl to-n-ende,
+uthâvede tha Johnjar immerthe an vnmin wêron with tha Phonisjar,
+alsa Nêarchus thêr selva nên bâs ovir bilywe ne kv. Intwiska hêde
+tham kêning navt stile nêst. Hi hêde sina salt-atha bâma kapja
+lêta ånd to planka mâkja. Thrvch help vsar timberljud hêder thêr of
+skêpa mâkad. Nw wilder selva sêkêning wertha, ånd mith êl sin hêr
+thju Gonga vpfâra. Thach tha salt-atha thêr fon thet bergland kêmon,
+wêron ang to fara sê. As hja hêradon thåt hja mith moste, stakon hja
+tha timberhlotha ane brônd. Thêr thrvch wrde vs êle thorp anda aska
+lêid. Thet forma wânde wy thåt Alexandre thåt bifalen hêde ånd jahwêder
+stand rêd vmb sê to kjasane. Men Alexander wêre wodin, hi wilde tha
+salt-atha thrvch sin ajn folk ombrensa lêta. Men Nêarchus tham navt
+allêna sin êroste forst men ak sin frjund wêre, rêde him owers to
+dvande. Nw bêrad er as wen der lavade thet vnluk et dên hêde. Tha hi
+ne thvrade sin tocht navt vrfata. Nw wild er to bek kêra, thach êr
+hi thåt dêde, lêt hi thet forma bisêka hwa-r skeldich wêron. Dry-r
+thåt wiste lêt er altham svnder wêpne bilywa, vmb en ny thorp to
+mâkjande. Fon sin ajn folk lêt er wepned vmbe tha ôra to tåmma, ånd
+vmbe êne burch to bvwande. Wy moston wiv ånd bern mith nimma. Kêmon
+wi anda muda thêre Êuphrat, sa machton wi thêr en stêd kiasa jeftha
+omkêra, vs lân skold vs êvin blyd to dêlath wrde. An tha nya skêpa,
+thêr tha brônd vntkvma wêron, let-er Johniar ånd Krêkalandar gâ. Hi
+selva gvng mith sin ôra folk allingen thêre kâd thrvch tha dorra
+wostêna, thåt is thrvch et land thåt Irtha vphêid hêde uta sê, tha
+hju thju strête after vsa êthela vphêide as hja inna Râde sê kêmon.
+
+Tha wy to ny Gêrtmanja kêmon (ny Gêrtmanja is en hâva thêr wi
+selva makad hede, vmbe thêr to wêterja) mêton wi Alexandre mith sin
+hêr. Nêarchus gvng wal vp ånd bêide thrja dêga. Tha gvng et wither
+forth. Tha wi bi thêre Êuphrat kêmon, gvng Nêarchus mith sina salt-atha
+ånd fêlo fon sin folk wal vp. Tha hi kêm hring wither. Hi sêide, thi
+kêning lêt jow bidda, i skille jet en lithge tocht to sinra wille dvan,
+alont et ende fona Râde sê. Thêrnêi skil jawehder sâ fül gold krêja
+as er bêra mêi. Tha wi thêr kêmon, lêt er vs wysa hwêr thju strête
+êr wêst hêde. Thêr nêi wylader ên ånd thritich dêga, alan ut sjande
+vvra wostêne.
+
+Tho tha lesta kêm er en hloth månniska mith forande twa hondred
+êlephanta thvsend kêmlun tolêden mith woden balkum, râpum ånd allerlêja
+ark vmbe vsa flâte nêi tha Middelsê to tyande. Thåt bisâwd-vs, ånd
+likt vs bal to, men Nêarchus teld vs, sin kêning wilde tha ôthera
+kêninggar tâna that i weldiger wêre, sâ tha kêninggar fon Thyris êr
+wêsen hêde. Wi skoldon men mith helpa, sêkur skolde vs thåt nên skâda
+navt dva. Wi moston wel swika, ånd Nearchus wiste ella sâ pront to
+birjuchte thåt wi inna Middelsê lêide êr thrja mônatha forby wêron. Tha
+Alexandre fornom ho-t mith sinra onwerp ofkvmen was, wårth er sa
+vrmêten thåt er tha drage strête utdiapa wilde Irtha to-n spot. Men
+Wr.alda lêt sine sêle lâs, thêrvmbe vrdronk er inna win ånd in sina
+ovirmodichhêd, êr thåt er bijinna kvste. After sin dâd wrde thet rik
+dêlad thrvch sina forsta. Hja skolde alrek en dêl to fara sina svnum
+wârja, thach hja wêron vnmênis. Elk wilde sin dêl bihalda ånd selva
+formâra. Tha kêm orloch ånd wi ne kvste navt omme kêra. Nêarchus
+wilde nw, wi skolde vs del setta an Phonisi his kâd, men thåt nilde
+nimman navt ne dva. Wi sêide, rêder willath wi wâga nêi Fryasland to
+gâna. Tha brocht-er vs nei thêre nya hâva fon Athenia, hwêr alle åfte
+Fryas bern formels hin têin wêron. Forth gvngon wi salt-âtha liftochta
+ånd wêpne fâra. Among tha fêlo forsta hêde Nêarchus en frjund mith nôme
+Antigonus. Thisse strêdon bêde vmb ên dol, sâ hja sêidon as follistar
+to fâra-t kêninglike slachte ånd forth vmbe alle Krêkalanda hjara alda
+frydom wither to jêvane. Antigonus hêde among fêlo ôtherum ênnen svn,
+thi hête Demêtrius, åfter tonômad thene stêda winner. Thisse gvng
+ênis vpper stêde Salâmis of. Nêi thåt er thêr en stût mêi strêden hêde
+most er mith thêre flâte strida fon Ptholemeus. Ptholemêus, alsa hête
+thene forst thêr welda ovir Êgiptaland. Dêmêtrius wn thêre kêse, tha
+navt thrvch sina salt-âtha, men thrvch dam wy him helpen hêde. Thit
+hêde wi dên thrvch athskip to fâra Nêarchus, hwand wi him far basterd
+blod bikånde thrvch sin friska hûd ånd blâwa âgon mith wit hêr. After
+nêi gvng Dêmêtrius lâs vp Hrodus [83] thêr hinne brochton wi sina
+salt-âtha ând liftochta wr. Thâ wi tha leste rêis to Hrodus kêmon,
+was orloch vrtyan. Dêmêtrius was nêi Athenia fâren. Tha vs kêning
+thåt vnderstande, lêd-er vs tobek. Tha wi anda hâve kêmon, wêre êl et
+thorp in row bidobben. Friso thêr kêning wêr ovir-a flâte, hêde en svn
+ånd en toghater tûs, sâ bjustre fres, as jef hja pâs ut Fryasland wêi
+kvmen wêren, ånd sâ wonderskên as nimman mocht hügja. Thjv hrop thêrvr
+gvng vvr alle Krêkalanda ånd kêm in tha âra fon Dêmêtrius. Dêmêtrius
+wêre vvl ånd vnsêdlik, ånd hi thogte thåt-im ella fry stvnde. Hi lêt
+thju toghater avbêr skâkja. Thju moder ne thvrade hjra joi [84] navt
+wachtja, joi nomath tha stjurar wiva hira mâna, thåt is blideskip,
+ak segsath hja swêthirte. Tha stjurar hêton hjra wiva trâst, ånd fro
+jefta frow thåt is frü âk frolik, thåt is êlik an frü. Thrvchdam hju
+hjra man navt wachtja thurade, gvng hju mith hjra svne nêi Dêmêtrius
+ånd bad, hi skolde hja hjra toghater wither jêva. Men as Dêmêtrius
+hira svn sa, lêt-er tham nêi sinra hove fora, ånd dêde alên mith him,
+as-er mith tham his suster dên hêde. Anda moder sand hi en buda gold,
+thach hju stirt-et in sê. As hju thûs kêm, warth hju wansinnich,
+allerwêikes run hju vvra strête: nåst min kindar navt sjan, o wach,
+lêt mi to jow skul sêka, wand min joi wil mi dêja for tha-k sina kindar
+wêi brocht håv. Tha Dêmêtrius fornom, thåt Friso to honk wêre, sand-i
+en bodja to him segsande, thåt hi sina bern to him nomen hêde wmbe ra
+to fora to-n hâge stât vmbe to lânja him to fâra sina thjanesta. Men
+Friso thêr stolte ånd herdfochtich wêre, sand en bodja mith en brêve
+nêi sinum bern tha, thêrin mânde hi hjam, hja skolde Dêmêtrius to
+willa wêsa, vrmithis tham hjara luk jêrde. Thach thene bodja hêde
+jeta-n ora brêve mith fenin, thêrmêi bifâl-er hja skolde thåt innimma,
+hwand sêid-er-vnwillinglik is thin lif bivvllad, thåt ne skil jow
+navt to rêkned ni wrde, thach sâhwersa jow jowe sêle bivvlath sa ne
+skil jow nimmerthe to Walhâlla ne kvma, jow sêle skil thån ovir irtha
+ommewâra, svnder å thet ljucht sja to mugande, lik tha flâramusa ånd
+nachtula skilstv alra dystik in thina hola skula, thes nachtis utkvma,
+then vp vsa gråva grâja ånd hûla, thahwila Frya hjra haved fon jow
+ofwenda mot. Tha bern dêde lik-ra bifâlen warth. Dêmêtrius lêt ra
+likka in sê werpa ånd to tha månniska wrde sêid, thåt hja fljucht
+wêron. Nw wilde Friso mith alleman nêi Fryasland fâra, thêr-i êr wêst
+hêde, men tha mêst nilde thåt navt ne dva. Nw gvng Friso to ånd skât
+thet thorp mith-a kêninglika fârrêdskûrum anda brônd. Hjud ne kv ni
+thvrade ninman ne bilywa, ånd alle wêron blyde, that hja bûta wêre,
+bihalva wif ånd bern hêdon wi ella abefta lêten, thach wi wêron to
+lêden mith liftochtum ånd orlochtuch.
+
+Friso nêde nach nên fretho. Tha wi by tha alda hâve kêmon gvnger
+mith sina drista ljudum to ånd skât vnwarlinga tha brônd inna skêpa,
+thêr-i mith sina pilum bigâna kv. After sex dêgum sâgon wi tha
+orlochflâte fon Dêmêtrius vp vs to kvma. Friso bifâl vs, wi moston
+tha lithste skêpa åfterhâde in êne brêde line, tha stora mith wif
+ånd bern fârut. Forth bâd er wi skoldon tha krânboga fon for nimma
+ånd anda åftestêwen fåstigja, hwand sêid er, wi achon al ffjuchtande
+to fjuchtane. Nimman ne mêi him formêta vmb en enkeldera fyand to
+forfolgjande, alsa sêid-er is min bislut. Tha hwila wi thêrmitha al
+dvande wêron, kêm wind vs vppa kop, to thêra låfa ånd thêra wiva skrik,
+thrvchdam wi nêne slâvona navt nêde as thêra thêr vs bi ajn willa
+folgan wêre. Wi ne machton hja thus navt thruch roja ni vntkvma. Men
+Wralda wiste wel, hwêrvmb-er sâ dêde, ånd Friso thêr-et fata, lêt
+tha bårnpila ring inna krânboga lidsa. To lik bâd-er thåt nimman
+skiata ne machte, êr hy skâten hêde. Forth sêid-er thåt wi alle nêi
+thåt midloste skip skiata moste, is thåt dol god biracht sêid-er,
+sâ skilun tha ôra him to helpane kvma ånd thån mot alrik skiata sa-r
+alderbesta mêi. As wi nw arhalf ketting fon-ra of wêre, bigoston tha
+Phonisiar to skiata. Men Friso n-andere navt bi fâra tha êroste pil
+del falde a sex fadema fon sin skip. Nw skât-er. Tha ôra folgade,
+thet likte en fjurrêin ånd thrvchdam vsa pila mith wind mêi gvngon,
+bilêvon hja alle an brônd, ånd nâkade selva tha thridde lâge. Allera
+månnelik gyradon ånd jûwgade. Men tha krêta vsar witherlâgum wêron
+sa herde, thet-et vs thet hirte binêpen warth. As Friso mênde thåt
+et to koste, lêt-er ofhalde ånd wi spode hinne. Thach nêi that
+wi twa dêga forth pilath hêde, kêm thêr en ôre flâte ant sjocht,
+fon thrittich skêpun, thêr vs stêdis in wnne. Friso lêt vs wither
+rêd makja. Men tha ôthera sandon en lichte snâka fvl rojar forut,
+tha bodon thêra bâdon ut alera nôma jef hja mith fâra machte. Hja
+wêron Johniar, thrvch Dêmêtrius wêron hja wåldantlik nêi there alda
+hâve skikad. Thêr hêdon hja fon thêre kêse hêrad ånd nw hêdon hja
+thet stolta swêrd antjan, ånd wêron vs folgad. Friso thêr fül mitha
+Johnjar faren hêde sêide jå, men Wichhirte vsa kêning sêide nê. Tha
+Johnjar send afgoda thjanjar sêid-er, ik selva håv hêrad, ho hja thi
+an hropte. Friso sêide thet kvmath thrvch tha wandel mith tha åfta
+Krêkalandar. Thåt håv ik vâken selva dên. Thach ben ik alsa herde
+Fryas as tha finste fon jow. Friso wêre thene mån thêr vs to Fryasland
+wisa moste. Thus gvngon tha Johnjar mith. Ak likt-et nei Wr.aldas hêi,
+hwand êr thrja mônathe om hlâpen wêron, gvngon wi allingen Britannja,
+ånd thrja dêga lêter machton wi ho.n sêen hropa.
+
+
+
+
+
+THIT SKRIFT IS MIJ OWER NORTLAND JEFTHA SKÊNLAND JÊVEN.
+
+
+Vndera tida thåt vs land del sêg, wêre ik to Skênland. Thêr gvng et
+alsa to. Thêr wêron grâte mâra, thêr fon tha bodeme lik en blêse vt
+setta, then spliton hja vt-ên. Uta rêta kêm stof as-t gliande yser
+wêre. Thêr wêron berga thêr tha krunna of swikte. Thesse truldon
+nêther ånd brochton walda ånd thorpa wêi. Ik self sâ thåt en berch
+fon tha ôra of torent wrde. Linrjucht sêg er del. As ik afternêi
+sjan gvng, was thêr en mâre kvmen. Tha irtha bêterad was, kêm er
+en hêrtoga fon Lindasburch wêi, mit sin folk ånd en fâm, thju fâm
+kêthe allomme: Thene Mâgy is skeldich an al-eth lêt thåt wi lêden
+håve. Hja tâgon immer forth en thet hêr wårth al grâter. Thene Mâgy
+fluchte hinne, mån fand sin lik, hi hêde sin self vrdên. Tha wrdon
+tha Finna vrdrêven nêi ênre stêd, thêr machton hja lêva. Thêr wêron
+fon basterde blode. Thissa machton biliwa, thach fêlo gvngon mith tha
+Finna mêi. Thi hêrtoga warth to kêning kêren. Tha kårka thêr êl bilêven
+wêron wrde vrdên. Sont komath tha gode Northljud vâken to Texland vmb
+there Moder-is rêd. Thâ wi ne mügath hjam for nêne rjuchta Fryas mar
+ne halde. Inna Dênamarka ist sêkur as bi vs gvngon. Tha stjurar, tham
+hjara self thêr stoltelika sêkåmpar hêton, send vppira skêpa gvngon,
+ånd åfternêi sind hja to bek gvngon.
+
+
+ Held!
+
+
+Hwersa thene Kroder en tid forth kroden heth, thån skilun tha
+åfterkomanda wâna thåt tha lêka and brêka, thêr tha Brokmanna mith
+brocht håve, åjen were an hjara êthla. Thêr vr wil ik wâka ånd thus
+sâ fül vr hjåra plêga skriva as ik sjan hå. Vr tha Gêrtmanna kån
+ik rêd hinne stappa. Ik nåv navt fül mithra omme gvngen. Tha sâ
+fêr ik sjan hå send hja thåt mast bi tâl ånd sêd bilêwen. Thåt ne
+mêi ik navt segsa fon tha ôthera. Thêr fon.a Krêkalânda wêi kvme,
+send kwâd ther tâl ånd vppira sêd ne mêi mån êl navt boga. Fêlo
+håvath brûna âgon ånd hêr. Hja send nidich ånd drist ånd ång thrvch
+overbilâwichhêd. Hwêrsa hja sprêka, sâ nômath hja the worda fâr vppa
+thêr lerst kvma mosta. Ajen ald segath hja âd, åjen salt sâd, mâ fori
+mån, sel fori skil, sode fori skolde, to fül vmb to nomande. Ak forath
+hja mêst vrdvaliske ånd bikirte nôma, hwêran mån nên sin an hefta ne
+mêi. Tha Johniar sprêkath bêtre, thach hja swygath thi h ånd hwêri
+navt nêsa mot, wårth er ûtekêth. Hwersa imman en byld mâkath åfter
+ênnen vrstvrven ånd thet likt, sâ lâwath hja, thåt thene gâst thes
+vrsturvene thêr inne fârath. Thêrvr håvath hja alle bylda vrburgen
+fon Frya, Fåsta, Mêdêa, Thjanja, Hellênja ånd fêlo ôthera. Hwerth
+thêr en bern ebern, sâ kvmath tha sibba et sêmne ånd biddath an Frya
+thåt hju hjara fâmkes mêi kvma lêta thåt bern to sêenande. Håvon hja
+bêden sa ne mêi nimman him rora ni hêra lêta. Kvmt et bern to gråjande
+ånd halt thit en stvnde an, alsa is thåt en kwâd têken ånd man is an
+formoda, thåt thju måm hordom dên heth. Thêrvr håv ik al årge thinga
+sjan. Kvmt et bern to slêpande, sâ is thåt en têken, thåt tha fâmkes
+vr-et kvmen send. Lakt et inna slêp, sâ håvon tha fâmkes thåt bern
+luk to sêit. Olon lâwath hja an bosa gâsta, hexna, kolla, aldermankes
+ånd elfun, as jef hja fon tha Finna wei kêmen. Hyrmitha wil ik enda
+ånd nw mên ik tha-k mår skrêven hå, as ên minra êthla. Frêthorik.
+
+Frêthorik min gâd is 63 jêr wrden. Sont 100 ând 8 jêr is hi thene
+êroste fon sin folk, thêr frêdsum sturven is, alle ôthera send vndera
+slêga swikt, thêrvr thåt alle kåmpade with ajn ånd fêrhêmande vmb
+rjucht ånd plicht.
+
+Min nôm is Wil-jo, ik bin tha fâm thêr mith him fona Saxanamarka to
+honk for. Thrvch tâl ånd ommegang kêm et ut, thåt wi alle bêde fon
+Adela his folk wêron, thâ kêm ljafde ånd åfternêi send wi man ånd wif
+wrden. Hi heth mi fyf bern lêten, 2 suna ånd thrju toghatera. Konerêd
+alsa hêt min forma, Hâchgâna min ôthera, mine aldeste toghater
+hêth Adela, thju ôthera Frulik ånd tha jongeste Nocht. Thâ-k nêi
+tha Saxanamarka for, håv ik thrju boka hret. Thet bok thêra sanga,
+thêra tellinga, ånd thet Hêlênja bok. Ik skrif thit til thju mån navt
+thånka ne mêi thåt hja fon Apollânja send; ik håv thêr fül lêt vr
+had ând wil thus âk thju êre hå. Ak håv ik mâr dên, tha Gosa-Makonta
+fallen is, hwames godhêd ånd klârsjanhêd to en sprêkword is wrden,
+thâ ben ik allêna nêi Texland gvngen vmbe tha skrifta vr to skrivane,
+thêr hju åfter lêten heth, ånd thâ tha lerste wille fonden is fon
+Frâna ånd tha nêilêtne skrifta fon Adela jefta Hellênja, håv ik thåt
+jetta rêis dên. Thit send tha skrifta Hellênjas. Ik set hjam fâr vppa
+vmbe thåt hja tha aldesta send.
+
+
+ ALLE AFTA FRYAS HELD.
+
+
+In êra tida niston tha Slâvona folkar nawet fon fryhêd. Lik oxa wrdon
+hja vnder et juk brocht. In irthas wand wrdon hja jâgath vmbe mêtal
+to delvane ånd ut-a herde bergum moston hja hûsa hâwa to forst ånd
+presterums hêm. Bi al hwat hja dêdon, thêr nas nawet to fâra hjara
+selva, men ella moste thjanja vmbe tha forsta ånd prestera jeta riker
+ånd weldiger to mâkjane hjara selva to sådene. Vnder thesse arbêd
+wrdon hja grêv ånd stråm êr hja jêrich wêron, ånd sturvon svnder n
+ochta afskên irtha tham overflodlik fvl jêf to bâta al hjara bern. Men
+vsa britna kêmon ånd vsa bânnalinga thrvch tha Twisklânda vr in hjara
+marka fâra ånd vsa stjurar kêmon in hjara hâvna. Fon hjam hêradon hja
+kålta vr êlika frydom ånd rjucht ånd overa êwa, hwêr bûta nimman omme
+ne mêi. Altham wrde vpsugon thrvch tha drova månniska lik dâwa thrvch
+tha dorra fjelde. As hju fvl wêron bijonnon tha alderdrista månniska to
+klippane mith hjara kêdne, alsa-t tha forsta wê dêde. Tha forste send
+stolte ånd wichandlik, thêrvmbe is thêr âk noch düged in hjara hirta,
+hja birêdon et sêmine ând javon awet fon hjara overflodalikhêd. Men
+tha låfa skin frâna prestara ne machton thåt navt ne lyda, emong
+hjara forsinde godum hêdon hja âk wrangwråda drochtne eskêpen. Pest
+kêm inovera lânda. Nw sêidon hja, tha drochtna send tornich overa
+overhêrichhêd thêra bosa. Tha wrdon tha alderdrista månniska mith
+hjara kêdne wirgad. Irtha heth hjara blod dronken, mith thåt blod
+fode hju früchda ånd nochta, ånd alle tham thêr of êton wrdon wis.
+
+16 wâra 100 jêr lêden [85] is Atland svnken, ånd to thêra tidum
+bêrade thêr awat hwêr vppa nimman rêkned nêde. In-t hirte fon Findas
+lând vppet berchta lêid en del, thêr is kêthen Kasamyr [86], thet is
+sjeldsum. Thêr werth en bern ebern, sin måm wêre thju toghater enis
+kêning ånd sin tât wêre-n hâvedprester. Vmb skôm to vnkvma mosten hja
+hjara åjen blod vnkvma. Thêrvmbe wårth er bûta thêre stêde brocht bi
+årma månniska. In twiska was-t im navt forhêlad ne wrden, thêr vmbe
+dêd er ella vmbe wisdom to gêtane ånd gârane. Sin forstân wêre sâ grât
+thåt er ella forstânde hwat er sâ ånd hêrade. Thåt folk skowde him mit
+êrbêdenese and tha prestera wr don ang vr sina frêga. Thå-r jêrich
+wrde gvnger nêi sinum aldrum. Hja moston herda thinga hêra, vmb-im
+kwit to werthane javon hja him vrflod fon kestlika stênum; men hja ne
+thvradon him navt avbêr bikânnâ as hjara åjne blod. Mith drovenese
+in vrdelven overa falxe skôm sinra aldrum gvng-er ommedwâla. Al
+forth fârande mête hi en Fryas stjurar thêr as slâv thjanade, fon
+tham lêrd-i vsa sêd ånd plêgum. Hi kâpade him fry, ånd to ther dâd
+send hja frjunda bilêwen. Alomme hwêr er forth hinne tâch, lêrd-i
+an tha ljuda thåt hja nêne rika ner prestera tolêta moston, thåt hja
+hjara selva hode moston åjen falxe skôm, ther allerwêikes kvad dvat
+an tha ljavde. Irtha sêid-er skånkath hjara jêva nêi mêta men hjara
+hûd klâwat, thåt mån thêrin âch to delvane to êrane ånd to sêjane,
+sâ mån thêrof skêra wil. Thach sêid-er nimman hovat thit to dvande
+fori ennen ôthera hit ne sy, thåt et bi mêne wille jef ut ljavade
+skêd. Hi lêrde thåt nimman in hjara wand machte frota vmbe gold
+her silver ner kestlika stêna, hwêr nid an klywath ånd ljavde fon
+fljuchth. Vmbe jow manghêrta ånd wiva to sjarane, sêid-er, jêvath
+hjara rin strâma ênoch. Nimman sêid-er is weldich alle månniska
+mêtrik ånd êlika luk to jân. Tha thåt it alra månniska plicht vmbe
+tha månniska alsa mêtrik to mâkjane ånd sa fêlo nocht to jân, as to
+binâka is. Nêne witskip seid-er ne mêi mån minachtja, thach êlika
+dêla is tha grâteste witskip, thêr tid vs lêra mêi. Thêrvmbe thåt
+hjv argenese fon irtha wêrath ånd ljavde feth.
+
+Sin forme nôm wêre Jes-us [87], thach tha prestera thêr-im sêralik
+håton hêton him Fo thåt is falx, thåt folk hête him Kris-en thåt is
+herder, ånd sin Fryaske frjund hêta him Bûda, vmbe that hi in sin
+hâvad en skåt fon wisdom hêde ånd in sin hirt en skåt fon ljavde.
+
+To tha lersta most-er fluchta vr tha wrêka thêra prestera, men vral
+hwêr er kêm was sine lêre him fârut gvngen ånd vral hwêr-er gvng
+folgadon him sina lêtha lik sine skâde nêi. Thâ Jes-vs alsa twilif
+jêr om fâren hêde, sturv-er, men sina frjunda wâradon sine lêre ånd
+kêthon hwêr-et âron fvnde.
+
+Hwat mênst nw thåt tha prestera dêdon, thåt mot ik jo melde, âk mot-i
+thêr sêralik acht vp jân, forth mot-i over hjara bidryv ånd renka wâka
+mith alle kråftum, thêr Wralda in jo lêid heth. Thahwila Jes-us lêre
+vr irtha for, gvngon tha falxe prestera nêi-t lând sinra berta sin
+dâd avbêra, hja sêidon thåt hja fon sinum frjundum wêron, hja bêradon
+grâte rowa, torennande hjara klâthar to flardum ånd to skêrande hjara
+hola kâl. Inna hôla thêra berga gvngon hja hêma, thach thêrin hêdon hja
+hjara skåt brocht, thêr binna mâkadon hja byldon åfter Jes-us, thessa
+byldon jâvon hja antha vnårg thånkanda ljuda, to longa lersta sêidon
+hja thåt Jes-us en drochten wêre, thåt-i thåt selva an hjam bilêden
+hêde, ånd thåt alle thêr an him ånd an sina lêra lâwa wilde, nêimels
+in sin kêningkrik kvme skolde, hwêr frü is ånd nochta send. Vrmites
+hja wiston thåt Jes-us åjen tha rika to fjelda tâgen hêde, sâ kêthon
+hja allerwêikes, that årmode hâ ånd ênfald sâ thju düre wêre vmbe in
+sin rik to kvmane, thåt thêra thêr hyr vp irtha thåt mâste lêden hêde,
+nêimels tha mâsta nochta håva skolde. Thahwila hja wiston thåt Jes-us
+lêrad hêde thåt mån sina tochta welda ånd bistjura moste, sâ lêrdon
+hja thåt mån alle sina tochta dêja moste, ånd thåt tha fvlkvminhêd
+thêra månniska thêrin bistande thåt er êvin vnforstoren wrde sâ thåt
+kalde stên. Vmbe thåt folk nw wis to mâkjande thåt hja alsa dêdon,
+alsa bêradon hja årmode overa strêta ånd vmb forth to biwisane thåt
+hja al hjara tochta dâd hêde, nâmon hja nêne wiwa. Thach sahwêrsa en
+toghater en misstap hêde, sâ wårth hja that ring forjân, tha wrakka
+sêidon hja most mån helpa and vmbe sin åjn sêle to bihaldane most
+mån fül anda cherke jân. Thus todvande hêde hja wiv ånd bern svnder
+hûshalden ånd wrdon hja rik svnder werka, men that folk wårth fül
+årmer ånd mâr êlåndich as â to fâra. Thas lêre hwêrbi tha prestera nên
+ôre witskip hova as drochtlik rêda, frâna skin ånd vnrjuchta plêga,
+brêd hiri selva ut fon-t âsta to-t westa ånd skil âk vr vsa landa kvma.
+
+Men astha prestera skilun wâna, thåt hja allet ljucht fon Frya ånd
+fon Jes-us lêre vtdâvath håva, sâ skilum thêr in alle vvrda månniska
+vpstonda, tham wêrhêd in stilnise among ekkorum wârath ånd to fâra
+tha prestera forborgen håve. Thissa skilun wêsa ut forsta blod, fon
+presterum blod, fon Slâvonum blod, ånd fon Fryas blod. Tham skilun
+hjara foddikum ånd thåt ljucht bûta bringa, sâ thåt allera månnalik
+wêrhêd mêi sjan; hja skilun wê hropa overa dêda thêra prestera ånd
+forsta. Tha forsta thêr wêrhêd minna ånd rjucht tham skilun fon
+tha prestera wika, blod skil strâma, men thêrut skil-et folk nye
+kråfta gâra. Findas folk skil sina findingrikhêd to mêna nitha wenda,
+thåt Lydas folk sina kråfta ånd wi vsa wisdom. Tha skilun tha falxa
+prestera wêi fâgath wertha fon irtha. Wralda his gâst skil alomme ånd
+allerwêikes êrath ånd bihropa wertha. Tha êwa thêr Wralda bi-t anfang
+in vs mod lêide, skilun allêna hêrad wertha, thêr ne skilun nêne ôra
+mâstera, noch forsta, ner bâsa navt nêsa, as thêra thêr bi mêna wille
+kêren send. Thån skil Frya juwgja ånd Irtha skil hira jêva allêna
+skånka an tha werkande månnisk. Altham skil anfanga fjuwer thusand
+jêr nêi Atland svnken is ånd thusand jêr lêter skil thêr longer nên
+prester ner tvang vp irtha sa.
+
+Dela tonômath Hellênja, wâk!
+
+Sâ lûda Frânas ûtroste wille. Alle welle Fryas held. An tha nôme
+Wraldas, fon Frya, ånd thêre fryhêd grête ik jo, ånd bidde jo,
+sahwersa ik falla machte êr ik en folgster nômath hêde, sâ bifêl ik
+jo Tüntja thêr Burchfâm is to thêre burch Mêdêasblik, til hjud dêgum
+is hja tha besta.
+
+Thet heth Gôsa nêi lêten. Alle månniska held. Ik nåv nêne êremoder
+binomad thrvchdam ik nêne niste, ånd et is jo bêter nêne Moder to
+håvande as êne hwêr vp-i jo navt forlêta ne mêi. Arge tid is forbi
+fâren, men thêr kvmt en ôthere. Irtha heth hja navt ne bårad ånd
+Wralda heth hja navt ne skêren. Hju kvmt ut et âsta ut-a bosma thêra
+prestera wêi. Sâ fêlo lêd skil hju broda, thåt Irtha-t blod algâdvr
+navt drinka ne kån fon hira vrslêjana bernum. Thjustrenesse skil
+hju in overne gâst thêra månniska sprêda, lik tongar-is wolka oviret
+svnneljucht. Alom ånd allerwêikes skil lest ånd drochten bidryf with
+fryhêd kâmpa ånd rjucht. Rjucht ånd fryhêd skilun swika ånd wi mith
+tham. Men thesse winst skil hjara vrlias wrochta. Fon thrju worda
+skilun vsa åfterkvmande an hjara ljuda ånd slâvona tha bithjutnesse
+lêra. Hja send mêna ljavde, fryhêd ånd rjucht. Thåt forma skilun
+hja glora, åfternêi with thjustrenesse kåmpa al ont et hel ånd klår
+in hjawlikes hirt ånd holle wårth. Thån skil tvang fon irtha fâgad
+wertha, lik tongarswolka thrvch stornewind, ånd alle drochten bidryv
+ne skil thêr åjen nawet navt ne formüga. Gôsa.
+
+
+
+
+
+THET SKRIFT FON KONERÊD.
+
+
+Min êthla håvon in åfter thit bok skrêven. Thit wil ik boppa ella
+dva, vmbe thåt er in min stât nên burch ovir is, hwêrin tha bêrtnesa
+vp skrêven wrde lik to fâra. Min nôme is Konerêd, min tât-his nôme
+was Frêthorik, min mem his nôme Wiljow. After tât his dâd ben ik to
+sina folgar kêren, ånd tha-k fiftich jêr tålde kâs men mij to vrste
+grêvetmån. Min tât heth skrêven ho tha Linda-wrda ånd tha Ljudgârdne
+vrdilgen send. Lindahêm is jeta wêi, tha Linda-wrda far en dêl,
+tha northlikka Ljudgârdne send thrvch thene salta sê bidelven. That
+brûwsende hef slikt an tha hringdik thêre burch. Lik tât melth heth, sâ
+send tha hâvalâsa månniska to gvngen ånd hâvon hûskes bvwad binna tha
+hringdik thêra burch. Thêrvmbe is thåt ronddêl nw Ljvdwerd hêten. Tha
+stjurar segath Ljvwrd, men thåt is wansprêke. Bi mina jüged was-t ôre
+lând, thåt bûta tha hringdik lêid, al pol ånd brok. Men Fryas folk
+is diger ånd flitich, hja wrdon mod ner wirg, thrvchdam hjara dol to
+tha besta lêide. Thrvch slâta to delvane ånd kâdika to mâkjane fon
+tha grvnd thêr ût-a slâta kêm, alsa håvon wi wither en gode hêm bûta
+tha hringdik, thêr thju dânte het fon en hof, thrê pêla âstwarth,
+thrê pêla sûdwarth ånd thrê pêla wêstwarth mêten. Hjud dêgum send
+wi to dvande å-pêla to hêjande, vmb êne hâve to winnande ånd mith
+ên vmb-vsa hringdik to biskirmande. Jef et werk rêd sy, sâ skilun
+wi stjurar utlvka. Bi min jüged stand-et hyr bjûstre om-to, men hjud
+send tha hûskes al hûsa thêr an rêja stân. And lek ånd brek thêr mith
+ermode hir in glupt wêron, send thrvch flit a-buta drêven. Fon hir ut
+mêi allera månnalik lêra, thåt Wr.alda vsa Alfoder, al sina skepsela
+fot, mits thåt hja mod halde ånd månlik ôtherum helpa wille.
+
+
+
+
+
+NV WIL IK VR FRISO SKRIVA.
+
+
+Friso thêr al weldich wêre thrvch sin ljud, wårth âk to vrste
+grêve kêren thrvch Staverens ommelandar. Hi spot mith vsa wisa fon
+lând-wêr ånd sêkåmpa, thêrvmbe heth-er en skol stift hwêr in tha knâpa
+fjuchta lêra nêi Krêkalandar wysa. Thån ik lâv thåt i thåt dên heth
+vmb thåt jongk-folk an sin snôr to bindane. Ik håv min brother thêr
+âk hin skikt, tha-s nv thjan jêr lêden. Hwand tocht ik nv wi nêne
+Moder lônger navt nåve, vmbe tha ênen åjen tha ôre to bi skirmande,
+âch ik dubbel to wâkane thåt hi vs nên mâster ne wårth.
+
+Gosa neth vs nêne folgstere nômeth, thêr vr nil ik nên ordêl ne fella,
+men thêr send jeta alda årg thenkande månniska, thêr mêne thåt hju-t
+thêr-vr mith Friso ênis wrden is. Thâ Gosa fallen was, thâ wildon tha
+ljud fon alle wrda êne ôthere Moder kjasa. Men Friso thêr to dvande
+wêre vmb-en rik to fara him selva to mâkjane, Friso ne gêrde nên
+rêd ner bodo fon Texland. As tha bodon thêra Landsâtum to him kêmon,
+sprek-i ånde kêth. Gosa sêid-er was fêrsjande wêst ånd wiser as alle
+grêva êtsêmne ånd thach nêde hju nên ljucht nêr klârhêd in thjuse
+sêke ne fvnden, thêrvmbe nêde hju nêne mod hân vmb êne folgstere to
+kjasane, ånd vmb êne folgstere to kjasane thêr tvyvelik wêre, thêr heth
+hju bald in sjan, thêrvmbe heth hju in hjara ûtroste wille skrêven,
+thåt is jow bêtre nêne Moder to håvande as êne hwêr vpp-i jo selva
+navt forlêta ne mêi. Friso hêde fül sjan, bi orloch was er vpbrocht,
+ånd fon tha hrenkum ånd lestum thêra Golum ånd forstum hêder krek sa
+fül lêred ånd geth, as-er nêdich hêde vmbe tha ôra grêva to wêiande
+hwêr hi hjam wilde. Sjan hir ho-r thêrmith to gvngen is.
+
+Friso hêde hir-ne ôther wif nimth, thju toghater fon Wil-frêthe,
+bi sin lêve was-er vrste Grêva to Staveren wêst. Thêr bi hêder twên
+svna wnnen ånd twa toghatera. Thrvch sin bilêid is Kornêlja sin jongste
+toghater mith min brother mant. Kornêlja is wan Fryas and mot Kornhêlja
+skrêven wrde. Wêmod sin aldeste heth er an Kavch bonden. Kavch thêr
+âk bi him to skole gvng is thi svnv fon Wichhirte thene Gêrtmanna
+kåning. Men Kavch is âk wan Fryas ånd mot Kâp wêsa. Men kvade tâle
+håvon hja mar mithbrocht as gode sêda.
+
+Nw mot ik mith mine skêdnese a-befta kêra.
+
+Aftre grâte flod hwêr vr min tât skrêven heth, wêron fêlo Juttar
+ånd Lêtne mith ebbe uta Balda jefta kvade sê [88] fored. Bi Kât his
+gat drêvon hja in hjara kâna mith yse vppa tha Dênemarka fåst ånd
+thêr vp send hja sitten bilêwen. Thêr nêron narne nên månniska an-t
+sjocht. Thêrvmbe håvon hja thåt lând int, nêi hjara nôme håvon hja
+thåt land Juttarland hêten. Afternêi kêmon wel fêlo Denemarker to bek
+fon tha hâga landum, men thissa setton hjara selva sûdliker del. And
+as tha stjurar to bek kêmon thêr navt vrgvngen navt nêron, gvng
+thi êna mith tha ôthera nei tha sê jefta êlandum. [89] Thrvch thisse
+skikking mochton tha Juttar thåt land halda, hwêr-vppa Wr.alda ra wêjad
+hêde. Tha Sêlandar stjurar tham hjara selva mith blâte fisk navt helpa
+ner nêra nilde, ånd thêr en årge grins hêde an tha Gola, tham gvngon
+dâna tha Phonisjar skêpa birâwa. An tha sûdwester herne fon Skênland,
+thêr lêid Lindasburcht tonômath Lindasnôse, thrvch vsa Apol stift,
+alsa in thit bok [90] biskrêwen stât. Alle kâdhêmar ånd ommelandar
+dâna wêron eft Fryas bilêven, men thrvch tha lust thêre wrêke åjen tha
+Golum ånd åjen tha Kåltana folgar gvngon hja mitha Sêlandar sâma dvan,
+men that sâma dva neth nen stek navt ne halden. Hwand tha Sêlandar
+hêde felo mislika plêga ånd wenhêde ovir nommen fon tha vvla Mâgjarum,
+Fryas folk to-n spot. Forth gvng ek to fara him selva râwa, thach jef
+et to pase kêm thån standon hja månlik ôtherum trvlik by. Thach to
+tha lesta bijondon tha Sêlandar brek to krêjande an goda skêpa. Hjara
+skipmâkar weron omkvmen ånd hjara walda wêron mith grvnd ånd al fon-t
+land of fâged. Nw kêmon thêr vnwarlingen thry skêpa by tha ringdik
+fon vsa burch mêra. Thrvch tha inbrêka vsra landum wêron hja vrdvaled
+ånd tha Flymvda misfaren. Thi kâpmon thêr mith gvngen was, wilde fon
+vs nya skêpa hå, thêrto hêdon hja mithbrocht allerlêja kestlika wêra,
+thêr hja râwed hêdon fon tha Kåltanarlandum ånd fon tha Phonisjar [91]
+skêpum. Nêidam wy selva nêne skêpa navt n-êde, jêf ik hjam flingka
+horsa ånd fjvwer wêpende rinbodon mith nei Friso. Hwand to Stâveren
+ånd allingen thåt Aldergâ thêr wrdon tha besta wêrskêpa maked fon herde
+êken wod thêr nimmerthe nên rot an ne kvmth. Thahwila tha sêkampar by
+my byde, wêron svme Juttar nêi Texland fâren ånd dânâ wêron hja nêi
+Friso wêsen. Tha Sêlandar hêdon felo fon hjara storeste knâpum râwed,
+thi moston vppa hjara benka roja, ånd fon hjara storeste toghtera vmb
+thêr by bern to têjande. Tha stora Juttar ne mochton et navt to wêrane,
+thrvchdam hja nêne gode wêpne navt nêde. Thâ hja hjara lêth telad hêde
+ånd thêrvr fêlo wordon wixlad wêron, frêje Friso to tha lesta jef hja
+nêne gode have in hjara gâ navt n-êde. O-jes, anderon hja, êne besta
+ên, êne thrvch Wr.alda skêpen. Hju is net krek lik jow bjarkrûk thêr,
+hira hals is eng, thâ in hira bålg kånnath wel thvsanda grâte kâna
+lidsa, men wi nâvath nêna burch ner burchwêpne, vmbe tha râwskêpa thêr
+ut to haldane. Thån mosten jow gvnst mâkja sêide Friso. God rêden
+anderon tha Juttar, men wi n-åvath nêne ambachtisljud ner bvwark,
+wi alle send fiskar ånd juttar. Tha ora send vrdrvnken jefta nêi tha
+hâga landum fljucht. Midlar hwila hja thus kålta, kêmon mina bodon
+mitha Sêlândar hêra et sina hove. Hir most nw letta ho Friso alle
+to bidobbe wiste to nocht fon bêde partja ånd to bâte fon sin åjn
+dol. Tha Sêlandar sêider to, hja skoldon jêrlikes fiftech skêpa håve,
+nêi fåsta mêtum ånd nêi fåsta jeldum, to hrêd mith ysere kêdne ånd
+krânbogum ånd mith fvlle tjuch alsa far wêrskêpa hof ånd nêdlik sy,
+men tha Juttar skoldon hja thån mith frêthe lêta, ånd all-et folk thåt
+to Fryasbern hêred. Jâ hi wilde mar dva, hi wilde al vsa sêkåmpar
+utnêda thåt hja skolde mith fjuchta ånd râwa. Thâ tha Sêlandar wêi
+brit wêron, thâ lêt er fjuwertich alda skêpa to laja mith burchwêpne,
+wod, hirbaken stên, timberljud, mirtselêra ånd smêda vmbe thêr mith
+burga to bvwande. Witto, that is witte sin svn, sand hi mith vmb to
+to sjanande. Hwat thêr al fâr fallen is, n-is my navt ni meld, men sa
+fül is mi bâr wrden, an byde sida thêre haves mvde is êne withburch
+bvwed, thêr in is folk lêid that Friso uta Saxanamarka tâch. Witto heth
+Sjuchthirte bifrêjad ånd to sin wiv nomen. Wilhem alsa hête hira tat,
+hi was vreste Aldermån thêra Juttar, that is vrste Grêvetman jefta
+Grêve. Wilhem is kirt after sturven ånd Witto is in sin stêd koren.
+
+
+
+
+
+HO FRISO FORTHER DÊDE.
+
+
+Fon sin êrosta wif hêder twên sviaringa bihalda, thêr sêr klok
+wêron. Hetto, that is hête, thene jongste skikt er as senda boda
+nêi Kattaburch thåt djap inna Saxanamarka lêid. Hi hêde fon Friso
+mith krêjen sjugon horsa buta sin åjn, to lêden mith kestlika sêkum,
+thrvch tha sêkåmpar râwed. Bi jahweder hors wêron twên jonga sêkåmpar
+ånd twên jonga hrutar mith rika klâdarum klâth ånd jeld in hiara
+bûdar. Êvin as er Hetto nêi Kattaburch skikte, skikter Bruno, thåt
+is brûne, thene ôthera svjaring nêi Mannagårda wrda, Mannagårda
+wrda is fâr in thit bok [92] Mannagårda forda skrêven, men thât is
+misdên. Alle rikdoma thêr hja mith hede wrdon nêi omstand wêi skånkt
+an tha forsta and forstene ånd an tha utforkêrne mangêrtne. Kêmon thâ
+sine knapa vppa thêre mêid vmbe thêr mith et jongkfolk to dônsjane,
+sa lêton hja kvra mith krûdkok kvma ånd bårgum jeftha tonnum fon
+tha besta bjar. After thissa bodon lêt-er immer jongkfolk over tha
+Saxanarmarka fâra, thêr alle jeld inna budar hêde ånd alle mêida
+jeftha skånkadja mith brochton, ånd vppa thêre mêid têradon hja alon
+vnkvmmerlik wêi. Jef-t nv bêrde thåt tha Saxana knâpa thêr nydich nêi
+utsâgon, thån lakton hja godlik ånd sêidon, aste thvrath thene mêna
+fyand to bikåmpane, sâ kånst thin brêid jet fül riker mêida jân ånd
+jet forstelik têra. Al bêda sviaringa fon Friso send bostigjad mith
+toghaterum thêra romriksta forstum, ånd åfkernêi kêmon tha Saxanar
+knâpa ånd mangêrtne by êlle keddum nêi thåt Flymar del.
+
+Tha burchfâmna ånd tha alda fâmna thêr jeta fon hjar êre grâthêd wiste,
+nygadon navt vr nêi Frisos bedriv, thêrvmbe ne kêthon hja nên god fon
+him. Men Friso snôder as hja lêt-ra snâka. Men tha jonga fâmna spônd-er
+mith goldne fingrum an sina sêk. Hja sêidon alomme wy nåvath longer
+nên Moder mâr, men thåt kvmth dâna thåt wit jêroch send. Jvd past vs
+ne kâning, til thju wi vsa landa wither winna, thêr tha Modera vrlêren
+håve thrvch hjara vndigerhêd. Forth kêthon hja, alrek Fryasbern is
+frydom jêven, sin stem hêra to lêtane bi fara thêr bisloten wårth bi
+t kjasa ênre forste, men ast alsa wyd kvma machte thåt i jo wither ne
+kåning kjasa, sâ wil ik âk min mêne segse. Nêi al hwat ik skoja mêi,
+sâ is Friso thêr to thrvch Wr.alda kêren, hwand hi heth im wonderlik
+hir hinne wêiad. Friso wêt tha hrenka thêra Golum, hwam his tâle hi
+sprêkt, hi kån thus åjen hjara lestum wâka. Thån is thêr jeta awet to
+skojande, hok Grêva skolde mån to kåning kjasa svnder that tha ôra
+thêr nidich vr wêron. Aldulkera tâlum wårth thrvch tha jonga fâmnn
+kethen, men tha alde fâmma afskên fê an tal, tapadon hjara rêdne ut en
+ôthera bårg. Hja kêthon allerwêikes ånd to alla mannalik: Friso kêthon
+hja dvath sâ tha spinna dvan, thes nachtis spônth-i netta nêi alle
+sidum ånd thes dêis vrskalkth-i thêr sina vnåftertochtlika frjunda
+in. Friso sêith that-er nêne prestera ner poppa forsta lyde ne mêi,
+men ik seg, hi ne mêi nimman lyda as him selva. Thêrvmbe nil hi navt
+ne dâja thåt thju burch Stavia wither vp hêjath warth. Thêrvmbe wil
+hi nêne Moder wêr hâ. Jud is Friso jow rêd jêvar, men morne wil hi
+jow kåning wertha, til thju hi over jo alle rjuchta mei. Inna bosm
+thes folk-is antstondon nw twa partyja. Tha alda ånd årma wildon
+wither êne Moder hâ, men thåt jongkfolk, thåt fvl strêdlust wêre
+wilde ne tât jeftha kåning hâ. Tha êrosta hêton hjara selva moder
+his svna ånd tha ôthera hêton hjara selva tât his svna, men tha Moder
+his svna ne wrde wrde navt ni meld, hwand thrvchdam thêr fêlo skêpa
+mâked wrde, was thêr ovirflod to fâra skipmâkar, smêda, sylmâkar,
+rêpmâkar ånd to fâra alle ôra ambachtisljud. Thêr to boppa brochton
+tha sêkåmpar allerlêja syrhêda mith. Thêr fon hêdon tha wiva nocht,
+tha fâmna nocht, tha mangêrtne nocht, ånd thêrof hêdon al hjara mêgum
+nocht ånd al hjara frjundum ånd âthum.
+
+Tha Friso bi fjuwertich jêr et Stâveren hushalden hêde sturf-er. [93]
+Thrvch sin bijelda hêde-r fêlo stâta wither to manlik ôtherum brocht,
+thach jef wi thêr thrvch bêter wrde thvr ik navt bijechta. Fon
+alle Grêva thêr bifâra him wêron n-as thêr nimman sâ bifâmed lik
+Friso wêst. Tha sâ as-k êr sêide, tha jonge fâmna kêthon sina love,
+thahwila tha alda fâmna ella dêdon vmb-im to achtjane ånd hâtlik to
+mâkjane bi alle månniska. Nw ne machton tha alda fâmna him thêr mitha
+wel navt ne stôra in sina bijeldinga, men hja håvon mith hjara bâra
+thach alsa fül utrjucht thåt-er sturven is svnder thåt er kåning wêre.
+
+
+
+
+
+NW WIL IK SKRIWA VR ADEL SIN SVNV.
+
+
+Friso thêr vsa skidnese lêred hêde ut-et bok thêra Adellinga, hêde
+ella dên vmbe hjara frjundskip to winnande. Sin êroste svnv thêr hi hir
+won by Swêthirte sin wif, heth-er bi stonda Adel hêten. And afskên hi
+kåmpade mith alle sin weld, vmbe nêne burga to forstålane ner wither
+vp to bvwande, thach sand hi Adel nêi thêre burch et Texland til thju
+hi diger bi diger kvd wertha machta, mith ella hwat to vsa êwa, tâle
+ånd sedum hêreth. Tha Adel twintich jêr tålde lêt Friso him to sin
+åjn skol kvma, ånd as er thêr utlêred was, lêt-er him thrvch ovir alle
+stâta fâra. Adel was-ne minlika skalk, bi sin fâra heth-er fêlo âtha
+wnnen. Dâna is-t kvmen thåt et folk him Atha-rik hêten heth, awet hwat
+him åfternêi sa wel to pase kêm, hwand as sin tât fallen was, bilêv
+er in sin stêd svnder that er vr-et kjasa êner ôthera Grêva sprêka kêm.
+
+Thahwila Adel to Texland inna lêre wêre, was thêr tefta en êlle
+ljawe fâm in vpper burch. Hju kêm fon ut tha Saxanamarkum wêi,
+fon ut-êre stâtha thêr is kêthen Svôbaland thêr thrvch wårth hju to
+Texland Svôbene [94] hêten, afskên hjra nôme Ifkja wêre. Adel hêde
+hja ljaf krêjen ånd hju hêde Adel ljaf, men sin tåt bêd-im hi skolde
+jet wachtja. Adel was hêrich, men alsa ring sin tât fallen was ånd hi
+sêten, sand hi bistonda bodon nei Berth-holda hira tât hin, as-er sine
+toghter to wif håva machte. Bertholda wêr-ne forste fon vnforbastere
+sêd, hi hêde Ifkja nêi Texland inna lêre svnden inner hâpe that hja
+ênis to burchfâm kêre wrde skolde in sine åjn land. Thach hi hêde
+hjara bêder gêrte kånna lêred, thêrvmbe gvng-er to ånd jef hjam sina
+sêjen. Ifkja wêr-ne kante Fryas. Far sa fêre ik hja håv kånna lêred,
+heth hju alôn wrocht ånd wrot til thju Fryasbern wither kvma machte
+vndera selva êwa ånd vnder ênen bôn. Vmbe tha månniska vppa hira syd
+to krêjande, was hju mith hira frjudelf fon of hira tât thrvch alle
+Saxanamarka fâren and forth nêi Gêrtmånnja. Gêrtmannja alsa hêdon
+tha Gêrtmanna hjara stât hêten, thêr hja thrvch Gosa hira bijeldinga
+krêjen hêde. Dâna gvngen hja nei tha Dênemarka. Fon tha Dênemarka
+gvngon hja skip nei Texland. Fon Texland gvngon hja nêi Westflyland
+en sa allingen tha sê nêi Walhallagâra hin. Fon Walhallagâra brûdon
+hja allingen thêra sûder Hrênum al ont hja mith grâta frêse boppa
+thêre Rêne bi tha Marsâta kêmon [95] hwêrfon vsa Apollânja skrêven
+heth. Tho hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja wither nêi tha delta
+[96]. As hja nw en tid lông nêi tha delta offâren wêron al ont hja inna
+strêk fon thêre alda burch Aken [97] kêmon, sind thêr vnwarlinga fjuwer
+skalka morth and naked uteklât. Hja wêron en lith åfter an kvmen. Min
+brother thêr vral by was hêde hja often vrbêden, thach hja nêde navt
+ne hêred. Tha bônar thêr thåt dên hêde wêron Twisklândar thêr juddêga
+drist wêi ovira Hrêna kvma to morda and to râwande. Tha Twislândar thåt
+sind bannane ånd wêi britne Fryasbern, men hjara wiva håvath hja fon
+tha Tartarum râwet. Tha Tartara is en brûn Findas folk, althus hêten
+thrvchdam hja alle folka to strida uttarta. Hja send al hrutar ånd
+râwar. Thêr fon send tha Twisklândar alsa blod thorstich wrden. Tha
+Twisklândar tham thju årgnise dên hêde, hêton hjara selva Frya jeftha
+Franka. Ther wêron sêide min brother râda bruna ånd wita mong. Thêre
+thêr râd jeftha brun wêron biton hjara hêre mith sjalkwêter [98]
+wit. Nêidam hjara ônthlita thêr brun by wêr, alsa wrdon hja thesto
+lêdliker thêr thrvch. Êvin as Apollânja biskojadon hja åfternêi
+Lydasburch ånd et Aldergâ. Dâna tâgon hju in over Stâverens wrde by
+hjara ljuda rond. Alsa minlik hêdon hja hjara selva anståled that
+tha månniska ra allerwêikes halda wilde. Thrê mônatha forther sand
+Adel bodon nêi alle âthum thêr hi biwnnen hêde ånd lêt tham bidda,
+hja skoldon inna Minna mônath lichta ljuda to him senda. [99]
+
+sin wif sêid er thêr fâm wêst hêde to Texlând, hêde dâna en ovirskrift
+krêjen. To Texland warthat jeta fêlo skrifta fvnden, thêr navt in-t
+bok thêra Adelinga vrskrêven send. Fon thissa skriftum hêde Gosa ên
+bi hira utroste wille lêid, thêr thrvch tha aldeste fâm Albêthe avbêr
+mâkt wertha most, alsa ringen Friso fallen was.
+
+
+
+
+
+HYR IS THAT SKRIFT MITH GOSAS RÊD.
+
+
+Tha Wralda bern jêf an tha modera fon thåt månniskelik slachte,
+thâ lêid er êne tâle in aller tonga ånd vp aller lippa. Thjus mêide
+hêde Wralda an tha månniska jêven, til thju hja månlik ôthera thêrmith
+machte kånbêr mâkja, hwat mån formyde mot ånd hwat mån bijagja mot vmbe
+sêlighêd to findane ånd sêlighêd to haldane in al êvghêd. Wralda is
+wis ånd god ånd al fårsjande. Nêidam er nw wist, thåt luk ånd sêlighêd
+fon irtha flya mot, jef boshêd düged bidroga mêi, alsa heth er an thju
+tâl êne rjuchtfêrdige åjendomlikhêd fåst bonden. Thjus åjendomlikhêd
+is thêr an lêgen, thåt mån thêr mith nên lêjen sêge, ner bidroglika
+worda sprêka ne mêi svnder stem lêth noch svnder skâmrâd, thrvch hvam
+mån tha bosa fon hirte bistonda vrkånna mêi. Nêidam vsa tâle thus to
+luk ånd to sêlighêd wêjath, ånd thus mith wâkt åjen tha bosa nygonga,
+thêrvmbe is hju mith alle rjucht godis tâle hêten, ånd alle tha jêna
+hwam hja an êre halda hâvath thêr gôme fon. Tha hwat is bêrth. Alsa
+ring thêr mong vsa halfsusterum ånd halfbrotharum bidrogar vpkêmon,
+tham hjara selva fori godis skalkum utjavon, also ring is thåt owers
+wrden. Tha bidroglika prestera ånd tha wrangwrêja forsta thêr immer
+sêmin hêladon, wildon nêi wilkêr lêva ånd buta god-is êwa dvan. In
+hjara tsjodishêd send hja to gvngen ånd håvon ôthera tâla forsvnnen,
+til thju hja hêmlik machte sprêka in åjenwårtha fon alrek ôtherum,
+vr alle bosa thinga ånd vr alle vnwêrthlika thinga svnder thåt
+stemlêth hjam vrrêda mocht nach skâmrâd hjara gelât vrderva. Men
+hwat is thêrut bern. Êvin blyd as-t sêd thêra goda krûdum fon vnder
+ne grvnd ut vntkêmth, thåt avbêr sêjed is thrvch goda ljuda by helle
+dêi, êven blyd brength tyd tha skâdlika krûda an-t ljucht, thêr sêjed
+send thrvch bosa ljuda in-t forborgne ånd by thjustrenesse.
+
+Tha lodderiga mangertne ånd tha vnmånlika knâpa thêr mitha vvla
+presterum ånd forstum horadon vntlvkadon tha nya tâla an hjara bola,
+thêrwisa send hja forth kvmen êmong tha folkrum, til thju hja god-is
+tâle glâd vrjetten håve. Wilst nw wêta hwat thêr of wrden is? Nv
+stemlêth ner gelât hjara bosa tochta navt longer mar vrrêdon, nv is
+düged fon ut hjara midden wêken, wisdom is folgth ånd frydom is mith
+gvngen, êndracht is sok râkt ånd twispalt heth sin stêd innommen,
+ljafde is fljucht ånd hordom sith mith nyd an têfel, ånd thêr êr
+rjuchtfêrdichhêd welde, welth nv thåt swêrd. Alle send slâvona wrden,
+tha ljuda fon hjara hêra, fon nyd, bosa lusta ånd bigyrlikhêd. Hêde hja
+nvmâr êne tâle forsvnnen, müglik was-t thån jet en lith god gvngen. Men
+hja håvon alsa fêlo tâla utfonden as thêr stâta send. Thêrthrvch mêi
+thåt êne folk thåt ôre folk êvin min forstân as thju kv thene hvnd
+ånd thi wolf thåt skêp. Thit mügath tha stjurar bitjuga. Thach dânâ
+is-t nv wêi kvmen, thåt alle slâvona folkar månlik ôthara lik ôra
+månniska biskoja ånd thåt hja to straffe hjarar vndigerhêd ånd fon
+hjara vrmêtenhêd, månlik ôthera alsa long biorloge ånd bikampa moton
+til thju alle vrdilgad send.
+
+
+
+
+
+HYR IS NV MIN RÊD.
+
+
+Bist thv alsa gyrich that thu irtha allêna erva wilste, alsa achst thv
+nimmer mâre nên ôre tâle ovir thina wêra ni kvma to lêtane as god-is
+tâle, ånd thån achst thv to njodane, til thju thin åjn tâle fry fon
+uthêmeda klinka bilyweth. Wilst thv thåt er svme fon Lydas bern ånd
+fon Findas bern resta, sâ dvath stv êvin alsa. Thju tâle thêra Ast
+Skênlandar is thrvch tha wla Mâgjara vrbrûd; thju tâle thêra Kaltana
+folgar is thrvch tha smûgrige Gole vrderven. Nv send wi alsa mild wêst
+vmbe tha witherkvmande Hellêna folgar wither in vs midden to nêmande,
+men ik skrom ånd ben sêrelik ange, thåt hja vs mild-sa vrjelda skilun
+mith vrbrûding vsra rêne tâle.
+
+Fül håvon wi witherfâren, men fon alle burgum, thêr thrvch arge
+tyd vrhomlath send ånd vrdiligad, heth Irtha Fryasburch vnforleth
+bihalden; åk mêi ik thêr by melda thåt Fryas jeftha god-is tâle hir
+evin vnforleth bihalden is.
+
+Hyr to Texland most mån thus skola stifta, fon alle stâtum thêr
+et mitha alda sêdum halda, most-et jongk folk hyr hinne senden
+wrde, åfterdam mochton thêra utlêred wêre tha ôra helpa thêr to
+honk vrbêide. Willath tha ôra folkar ysre wêron fon thi sella ênd
+thêrvr mith thi sprêka ånd thinga, sâ moton hja to god-istâle wither
+kêra. Lêrath hja god-is tâle sâ skilun tha worda fry-sâ ånd rjucht-hâ
+to hjara inkvma, in hjara brêin skilet thån bijina to glimmande ånd
+to glorande til thju ella to-ne logha warth. Thissa logha skil alle
+balda forsta vrtêra ånd alle skinfrâna ånd smûgriga prestera.
+
+Tha hêinde ånd fêrhêmande sendabodon hêdon nocht fon vr thåt skrift,
+thach thêr ne kêmon nêne skola. Thå stifte Adel selva skola, åfter
+him dêdon tha ôra forsta lik hy. Jêrlikis gvngon Adel ånd Ifkja tha
+skola skoja. Fandon hja thån êmong tha inhêmar ånd uthêmar seliga thêr
+ekkorum frjundskip bâradon, sâ lêton bêde grâte blidskip blika. Hêdon
+svme seliga ekkorum frjundskip sworen, alsa lêton hja alra mannalik
+to manlik ôrum kvma, mith grâte stât lêton hja thån hjara nôma in en
+bok skriva, thrvch hjam thåt bok thêra frjundskip hêten, åfter dam
+warth fêrst halden. Al thissa plêga wrde dên vmbe tha asvndergana
+twyga fon Fryas stam wither et sêmene to snôrane. Men tha famna thêr
+Adel ånd Ifkja nydich wêron, sêidon that hja-t niwerth ôre vr dêdon
+as vmb en gode hrop, ånd vmb bi grâdum to weldana in ovir ênis ôther
+man his stât.
+
+By min tât sinra skriftum håv ik ênen brêf funden, skrêvin thrvch
+Ljudgêrth thene Gêrtmån [100], bihalva svmlika sêka thêr min tât
+allêna jelde, jêf ik hyr thåt ôthera to thåt besta.
+
+Pang-ab, thât is fyf wåtera ånd hwêr neffen wi wech kvme, is-ne
+runstrâme fon afsvnderlika skênhêd, ånd fif wåtera hêten vmb thet
+fjuwer ôra runstrama thrvch sine mvnd in sê floja. Êl fere âstwarth is
+noch ne grâte runstrâme thêr hêlige jeftha frâna Gong-ga hêten. Twisk
+thysum runstrâmne is-t lônd thêra Hindos. Bêda runstrâma runath fon
+tha hâga bergum nêi tha delta del. Tha berga hwanâ se del strâme
+sind alsa hâch thet se to tha himel låja. Thêrvmbe wårth-et berchta
+Himellâja berchta hêten. Vnder tha Hindos ånd ôthera ut-a lôndum sind
+welka ljuda mank thêr an stilnise by malkorum kvma. Se gelâvath thet
+se vnforbastere bern Findas sind. Se gelâvath thet Finda fon ut-et
+Himmellåja berchta bern is, hvanâ se mith hjara bern nêi tha delta
+jeftha lêgte togen is. Welke vnder tham gelâvath thet se mith hjra
+bern vppet skum thêr hêlige Gongga del gonggen is. Thêrvmbe skolde thi
+runstrâme hêlige Gongga hêta. Mâr tha prestera thêr ut en ôr lônd wech
+kvma lêton thi ljuda vpspêra ånd vrbarna, thêrvmbe ne thurvath se far
+hjara sêk nit ôpentlik ut ni kvma. In thet lônd sind ôlle prestera tjok
+ånd rik. In hjara chårka werthat ôllerlêja drochtenlika byldon fvnden,
+thêr vnder sind fêlo golden mank. Biwesta Pangab thêr sind tha Yra
+jeftha wranga, tha Gedrostne jeftha britne, ånd tha Orjetten jeftha
+vrjetne. Ol thisa nôma sind-ar thrvch tha nydige prestera jêven,
+thrvchdam hja fon ar fljuchte, vmb sêda ånd gelâv. bi hjara kvmste
+hêdon vsa êthla hjara selva âk an tha âstlika ower fon Pangab del
+set, men vmb thêra prestera wille sind se âk nêi thêr wester ower
+fâren. Thêrthrvch håvon wi tha Yra ånd tha ôthera kenna lêrth. Tha
+Yra ne sind nêne yra mâr gôda minska thêr nêna byldon to lêta nach
+ônbidda, âk willath se nêna chårka nach prestar doga, ånd êvin als
+wi-t frâna ljucht fon Fåsta vpholda, êvin sâ holdon se ôllerwechs fjur
+in hjara hûsa vp. Kvmth môn efter êl westlik, ôlsâ kvmth môn by tha
+Gedrostne. Fon tha Gedrostne. Thisa sind mith ôra folkrum bastered ånd
+sprêkath ôlle afsvnderlika tâla. Thisa minska sind wêrentlik yra bonar,
+thêr ammer mith hjara horsa vp overa fjelda dwâla, thêr ammer jâgja
+ånd râwa ånd thêr hjara selva als salt-âtha forhêra an tha omhêmmande
+forsta, ther wille hwam se alles nither hâwa hwat se birêka müge.
+
+Thet lônd twisk Pangab ånd ther Gongga is like flet as Fryaslônd an tha
+sê, afwixlath mith fjeldum ånd waldum, fruchtbâr an alle dêlum, mâr
+thet mach nit vrletta that thêr bi hwila thûsanda by thûsanda thrvch
+honger biswike. Thisa hongernêde mach thêrvmbe nit an Wr.alda nach
+an Irtha wyten nit wertha, mâr allêna an tha forsta and prestera. Tha
+Hindos sind ivin blode ånd forfêred from hjara forstum, als tha hindne
+from tha wolva sind. Thêrvmbe håvon tha Yra ånd ôra ra Hindos hêten,
+thêt hindne bitjoth. Mâr fon hjara blodhêd wårth afgrislika misbruk
+mâkth. Kvmat thêr fêrhêmande kâpljud vmb kêren to kâpjande, alsa warth
+alles to jeldum mâkth. Thrvch tha prestera ni warth et nit wêrth,
+hwand thisa noch snoder ånd jyriger als alle forsta to samene, wytath
+êl god, thet al-et jeld endlik in hjara bûdar kvmth. Buta ånd bihalva
+thet tha ljuda thêr fül fon hjara forsta lyda, moton hja âk noch fül
+fon thet fenynige ånd wilde kwik lyda. Thêr send store elefante thêr
+by êle keddum hlâpa, thêr bihwyla êle fjelda kêren vrtrappe ånd êle
+thorpa. Thêr sind bonte ånd swarte katta, tigrum hêten, thêr sâ grât
+als grâte kalvar sind, thêr minsk ånd djar vrslynne. Bûta fêlo ôra
+wriggum sind thêr snâka fon af tha grâte êner wyrme âl to tha grâte
+êner bâm. Tha grâteste kennath en êle kv vrslynna, mâr tha lythste sind
+noch frêsliker als tham. Se holdon hjara selva twisk blom ånd fruchta
+skul vmb tha minska to bigâna tham thêr of plokja wille. Is môn thêr
+fon byten, sâ mot môn stårva, hwand åjen hjara fenyn heth Irtha nêna
+krûda jêven, ôlsânâka tha minska hjara selva håvon skildich mâkt an
+afgodie. Forth sind thêr ôllerlêja slacht fon hâchdiska nyndiska ånd
+adiska, ôl thisa diska sind yvin als tha snâka fon of ne wyrme til-ne
+bâmstame grât, nêi that hja grât jof frêslik sind, sind hjara nôma,
+thêr ik alle nit noma ni ken, tha aldergrâtesta âdiska sind algåttar
+hêten, thrvchdam se yvin grûsich bitte an thet rotte kwik, that mith-a
+strâma fon boppa nêi tha delta dryweth as an thet lêvande kwik, that
+se bigâna müge. An tha westsyde fon Pangab, wânâ wi wech kvme ånd hwer
+ik bern ben, thêr blojath ånd waxath tha selva frûchta ånd nochta as
+an tha âstsyde. To fâra wrdon er âk tha selva wrigga fonden, mår vsa
+êthla havon alle krylwalda vrbårnath ånd alsânâka åfter et wilde kwik
+jâged, that ther fê mår resta. Kvmth man êl westlik fon Pangab, then
+finth man neffen fette etta âk dorra gêstlanda thêr vnendlik skina,
+bihwila ofwixlath mith ljaflika strêka, hwêran thet âg forbonden
+bilywet. Vnder tha fruchta fon min land sind fêlo slachta mank, thêr
+ik hyr nit fvnden håv. Vnder allerlêja kêren is er âk golden mank,
+åk goldgêle aple, hwêrfon welke sâ swêt as hûning sind, ånd welka
+sa wrang as êk. By vs werthat nochta fonden lik bern-hâveda sâ grât,
+thêr sit tsys ånd melok in, werthat se ald sâ mâkt man ther ôlja fon,
+fon tha bastum mâkt mån tâw ånd fon tha kernum mâkt mån chelka ånd ôr
+gerâd. Hyr inna walda håv ik krup ånd stâkbêja sjan. By vs sind bêibâma
+als jow lindabâma, hwêrfon tha bêja fül swêter ånd thrêwâra grâter
+as stâkbêja sind. Hwersa tha dêga vppa sin olderlôngste sind ånd thju
+svnne fon top skinth, then skinth se linrjucht vppa jow hole del. Is
+mån then mith sin skip êl fêr sûdlik faren, ånd mån thes middêis
+mith sin gelât nêi-t âsten kêred, sâ skinth svnne åjen thine winstere
+syde lik se ôwers åjen thine fêre syde dvath. Hyrmitha wil ik enda,
+mâr after min skrywe skil-et thi licht nog falla, vmb tha lêjenaftiga
+teltjas to müge skiftane fon tha wara tellinga. Jow Ljudgêrt.
+
+
+
+
+
+THET SKRIFT FON BÊDEN.
+
+
+Mine nôm is Bêden, Hachgâna his svn. Konerêd min êm is nimmer
+bostigjath ånd alsa bernlâs sturven. My heth mån in sin stêd
+koren. Adel thene thredde kåning fon thjuse nôme heth thju kêse
+godkêrth, mites ik him as mina måstre bikenna wilde. Buta thåt fvlle
+erv minre êm heth-er mi en êle plek grvnd jêven thåt an mina erva
+pâlade, vnder fârwêrde that ik thêrvp skolde månniska stålla ther
+sina ljuda nimmerthe skolde [101].
+
+
+
+thêrvmbe wil ik thet hir-ne sted forjune.
+
+
+
+
+
+BRÊF FON RIKA THJU ALDFAM, VPSEID TO STAVEREN BY-T JOLFÊRSTE.
+
+
+Jy alle hwam his êthla mith Friso hir kêmon, min êrbydnesse to jo. Alsa
+jy mêne, send jy vnskeldich an afgodie. Thêr nil ik jvd navt vr sprêka,
+men jvd wil ik jo vppen brek wysa, thåt fê bêtre sy. Jy wêtath jeftha
+jy nêtath navt, ho Wralda thusand glornôma heth, thach thåt wêtath
+jy alle thåt hy warth Alfêder hêten, ut êrsêke thåt alles in ut him
+warth ånd waxth to fêding sinra skepsela. T-is wêr, thåt Irtha warth
+bihwyla âk Alfêdstre hêten, thrvchdam hju alle früchd ånd nochta
+bêrth, hwermitha månnisk ånd djar hjara selva fêde. Thach ne skolde
+hju nêne früchd ner nocht navt ne bêra, bydam Wralda hja nêne krefta
+ne jêf. Ak wiva ther hjara bern måma lêta an hjara brosta, werthat
+fêdstra hêten. Thâ ne jêf Wralda thêr nên melok in, sa ne skoldon
+tha bern thêr nêne bâte by finda. Sâ thåt by slot fon reknong Wralda
+allêna fêder bilywet. Thåt Irtha bihwyla warth Alfêdstre heten, ånd
+êne måm fêdstre, kån jeta thrvch-ne wende, men thåt-ne mån him lêt
+fêder hête vmbe thåt er tât sy, thåt strid with-åjen alle rêdnum. Thâ
+ik wêt wânât thjus dwêshêd wêi kvmth. Hark hyr, se kvmth fon vsa lêtha,
+ånd sâhwersa thi folgath werthe, sâ skilun jy thêrthrvch slâvona wertha
+to smert fon Frya ånd jowe hâgmod to.ne straf. Ik skil jo melda ho-t
+by tha slâvona folkar to gvngen is, thêr åfter mêi jy lêra. Tha poppa
+kåningar tham nêi wilkêr lêva, stêkath Wralda nêi thêre krône, ut nyd
+that Wralda Alfêder hêt, sa wildon hja fêdrum thêra folkar hêta. Nw
+wêt allera mannalik thåt-ne kêning navt ovir-ne waxdom ne welth,
+ånd thåt im sin fêding thrvch thåt folk brocht warth, men thach
+wildon hja fvlherdja by hjara formêtenhêd. Til thju hja to-ra dol
+kvma machte, alsa hâvon hja thet forma navt fvldên wêst mith tha frya
+jefta, men håvon hja thåt folk êne tins vplêid. Fori thene skåt, tham
+thêrof kêm, hêradon hja vrlandiska salt-âtha, tham hja in-om hjara
+hova lêidon. Forth namon hja alsa fêlo wiva, as-ra luste, ånd tha
+lithiga forsta ånd hêra dêdon al-ên. As twist ånd tvyspalt åfternêi
+inna hûshaldne glupte ånd thêr-vr klâchta kêmon, thâ håvon hja sêid,
+ja-hweder mån is thêne fêder fon sin hûshalden, thêrvmbe skil-er thêr
+âk bâs ånd rjuchter ovir wêsa. Thâ kêm wilkêr ånd êvin as tham mitha
+månnum in ovir tha hûshaldne welde, gvng er mit tha kåningar in ovir
+hjara stât ånd folkar dvan. Thâ tha kåningar et alsa wyd brocht hêdon,
+thåt hja fêderum thêra folkar hête, thâ gvngon hja to ånd lêton
+byldon åfter hjara dântne mâkja, thissa byldon lêton hja inna tha
+cherka stalla nêst tha byldon thêra drochtne ånd thi jena tham thêr
+navt far bûgja nilde, warth ombrocht jeftha an kêdne dên. Jow êthla
+ånd tha Twisklandar håvon mitha poppa forsta ommegvngen, dâna håvon
+hja thjuse dwêshêd lêred. Tha navt allêna thåt svme jower mån hjara
+selva skeldich mâkja an glornôma râw, âk mot ik my vr fêlo jower wiva
+biklâgja. Werthat by jo mån fvnden, tham mith Wralda an ên lin wille,
+thêr werthat by jo wiva fvnden, thêr et mêi Frya wille. Vmbe thåt hja
+bern bêred håve, lêtath hja hjara selva modar hêta. Tha hja vrjettath,
+that Frya bern bêrde svnder jengong ênis mån. Jå navt allêna thåt
+hja Frya ånd tha êremodar fon hjara glor-rika nôma birâwa wille,
+hwêran hja navt nâka ne müge, hja dvath alên mitha glornôma fon hjara
+nêsta. Thêr send wiva thêr hjara selva lêtath frovva hêta, afsken
+hja wête thåt thjuse nôme allêna to forsta wiva hêreth. Ak lêtath hja
+hjara toghatera fâmna hêta, vntankes hja wête, thåt nêne mangêrt alsa
+hêta ne mêi, wâra hju to êne burch hêrth. Jy alle wânath thåt jy thruch
+thåt nôm râwa bêtre werthe, thach jy vrjettath thåt nyd thêr an klywet
+ånd thåt elk kwâd sine tuchtrode sêjath. Kêrath jy navt ne wither,
+sâ skil tid thêr waxdom an jêva, alsa stêrik thåt mån et ende thêr of
+navt bisjâ ne mêi. Jow åfterkvmanda skilun thêr mith fêterath wertha,
+hja ne skilun navt ne bigripa hwânat thi slâga wêi kvme. Men afskên jy
+tha fâmna nêne burch bvwe ånd an lot vrlête, thach skilun thêr bilywa,
+hja skilun fon ut wald ånd holum kvma, hja skilun jow åfterkvmande
+biwysa thåt jy thêr willens skildech an send. Thån skil mån jo vrdema,
+jow skina skilun vrfêrth fon ut-a grêvum rysa, hja skilun Wr.alda,
+hja skilun Frya ånd hjara fâmna anhropa, thâ nimman skil-er åwet an
+bêtra ne müge, bifâre thåt Jol in op en ore hlâphring trêth, men thåt
+skil êrist bêra as thrê thûsand jêr vrhlâpen send åfter thisse êw.
+
+
+ Ende fon Rikas brêf. [102]
+
+
+
+thêrvmbe wil ik thåt forma vr swarte Adel skriva. Swarte Adel wêre
+thene fjurde kening åfter Friso. Bi sin jüged heth-er to Texland
+lêred, åfternêi heth-er to Stâveren lêred, ånd forth heth-er thrvch
+ovir alle stâta fâren. Thâ thåt er fjuwer ånd tvintich jêr wêre,
+heth sin tât mâked thåt-er to Asega-âskar kêren is. Thâ-er ênmel
+âskar wêre, âskte hi altid in-t fârdêl thêra årma. Tha rika, sêd-er,
+plêgath ênoch vnrjuchta thinga thrvch middel fon hjara jeld, thêrvmbe
+âgon wi to njvdane thåt tha årma nêi vs omme sjan. Thrvch thâ-s ånd
+ôra rêdne wêr-i thene frjund thêra årma ånd thêra rika skrik. Alsa
+årg is-t kvmen thåt sin tât him nêi tha âgum sach. Thâ sin tât fallen
+was, ând hy vppa tham-his sêtel klywed, thâ wild-er êvin god sin ambt
+bihalda, lik as tha keningar fon-t âsta plêgath. Tha rika nildon thåt
+navt ne dâja, men nw hlip allet ôra folk to hâpe, ånd tha rika wêron
+blyde that hja hêl-hûd-is fon thêre acht ofkêmon. Fon to ne hêrade
+mån nimmar mâra ovir êlika rjucht petârja. Hi dumde tha rika ånd hi
+strykte tha årma, mith hwam his helpe hi alle sêkum âskte, thêr-er
+bistek vp hêde. Kening Askar lik-er immer hêten warth, wêre by sjugun
+irthfêt lônge, sâ grât sin tôl wêr, wêron âk sina krefta. Hi hêde-n
+hel forstân, sâ thåt-er alles forstânde, hwêrwr that sprêken warth,
+thach in sin dvan ne macht mån nêne wisdom spêra. Bi-n skên ônhlite
+hêd-er êne glade tonge, men jeta swarter as sin hêr is sine sêle
+fvnden. Thâ that-er ên jêr kening wêre, nêdsêkte hi alle knâpa fon
+sin stât, hja skoldon jerlikis vppet kåmp kvma ånd thêr skin-orloch
+mâkja. In-t êrost hêde-r thêr spul mith, men to tha lersta warth-et
+sâ menêrlik, that ald ånd jong ut alle wrdum wêi kêmon to frêjande
+jef hja machte mith dva. Thâ hi-t alsa fêre brocht hêde, lêt-er
+wêrskola stifta. Tha rika kêmon to bârane ånd sêidon, that hjara
+bern nw nên lêsa nach skryva navt ne lêrade. Askar ne melde-t navt,
+men as thêr kirt åfter wither skin-orloch halden warth, gvng-er vppen
+vpstal stonda, ånd kêtha hlûd. Tha rika sind to my kvmen to bârana,
+thåt hjara knâpa nên lêsa nach skryva noch lêra, ik n.åv thêr nawet
+vp sêith, thach hir wil ik mine mênong sedsa, ånd an tha mêna acht
+bithinga lêta. Thâ alrek nw nêisgyrich nêi him vpsach, sêid-er forther,
+nêi min bigrip mot mån hjud thåt lêsa ånd skriva tha fâmna ånd alda
+lichta vrlêta. Ik n-il nên kwâd sprêka vr vsa êthla, ik wil allêna
+sega, vndera tyda hwêrvp thrvch svme sâ herde bogath warth, håvon tha
+burchfâmna twyspalt inovir vsa lânda brocht, ånd tha Modera für ånd
+nêi ne kvndôn twyspalt navt wither to-t land ut ne dryva. Jeta årger,
+thahwila hja kålta ånd petårade vr nâdelâsa plêga, send tha Gola
+kvmen ånd hâvon al vsa skêna sûdarlanda râweth. Hêmisdêga send hja
+mith vsa vrbrûda brotharum ånd hjara salt-âthum al overa Skelda kvmen,
+vs rest thus to kjasane twisk-et bêra fon juk jef swêrd. Willath wi fry
+bilywâ, alsa âgon tha knâpa thåt lêsa ånd skryva fârhôndis åfterwêi-n
+to lêtane ånd in stêde that hja invppa mêide hwip ånd swik spêle,
+moton hja mith swêrd ånd spêr spêla. Send wi in alle dêla ofned ånd
+tha knâpa stor enoch vmb helmet ånd skild to bêrane ånd tha wêpne
+to hôntêrane, then skil ik my mith jower helpa vppa thene fjand
+werpa. Tha Gola mêieath then tha nitherlêga fon hjara helpar ånd
+salt-âthum vppa vsa fjeldum skryva mith-et blod, thåt ût hjara wndum
+drjupth. Håvon wi thene fyand ên mel far vs ût drêven, alsa moton wi
+thêrmith forth gvnga, alhwenne thêr nên Gola ner Slâvona nach Tartara
+mâra fon Fryas erv to vrdryvane send. Tha-s rjucht, hrypon tha mâsta
+ånd tha rika ne thvradon hjara mvla navt êpen ne dva. Thjus tosprêke
+hêd er sekur to fara forsonnen ånd vrskriva lêten, hwand s-êwendis fon
+thêre selvare dêi wêron tha ofskriftum thêra hwel in twintich hônda
+ånd thi alle wêron ênishlûdende. Afternêi bifel-er tha skipmanna,
+hja skoldon dubbele fârstêwene mâkja lêta, hwêran mån êne stêlen
+krânboga macht fåstigja. Thêra thêr åfterwêi bilêv warth bibot,
+kvn imman swêra that-er nêne midle navt nêde, alsa moston tha rika
+fon sin gâ-t bitalja. Hjud skil mån sjan hwêr vppa al thåt bâ hêi
+ûthlâpen is. An-t north-ende fon Britanja thåt fvl mith hâga bergum
+is, thêr sit en Skots folk, vr-et mâradêl ût Fryas blod sproten,
+vr-a êne helte send hja ût Kåltanafolgar, vr-et ôra dêl ût Britne
+ånd bannane, thêr by grâdum mith tyd fon-ût-a tinlônum thêr hinna
+fljuchte. Thêr ut-a tinlôna kêmon, håvath algadur vrlandiska wiva
+jeftha fon vrlandis tuk. Thi alle send vnder-et weld thêra Golum,
+hjara wêpne send woden boga ånd spryta mith pintum fon herthis-hornum
+âk fon flintum. Hjara hûsa send fon sâdum ånd strê ånd svme hêmath
+inna hola thêra bergum. Skêpon thêr hja râwed håve, is hjara ênge
+skåt. Mong tha åfterkvmanda thêra Kåltanafolgar håvath svme jeta ysera
+wêpne, thêr hja fon hjara êthlum urven håve. Vmbe nw god forstân to
+werthande, môt ik min telling vr thåt Skotse folk resta lêta, ånd
+êwet fon tha hêinda Krêkalanda skriva. Tha hêinda Krêkalanda håvon vs
+to fara allêna to hêrath, men sunt vnhüglika tidum håvon ra thêr âk
+åfterkvmanda fon Lyda ånd fon Finda nitherset, fon tha lersta kêmon
+to tha lersta en êle hâpe fon Trôje. Trôje alsa heth êne stêde hêten,
+thêr et folk fon tha fêre Krêkalanda innomth ånd vrhomelt heth. Thâ
+tha Trôjana to tha hêinda Krêkalandum nestled wêron, tha håvon hja
+thêr mith tid ånd flit êne sterke stêd mith wâlla ånd burgum bvwed,
+Rome, that is Rum, hêten. Thâ thåt dên was, heth thåt folk him selva
+thrvch lest ånd weld fon thåt êle lând mâster mâked. Thåt folk thåt
+anda sûdside thêre Middelsê hêmth, is fâr-et mâra dêl fon Fhonysja wêi
+kvmen. Tha Fhonysjar [103] send en bastred folk, hja send fon Fryas
+blod ånd fon Findas blod ånd fon Lyda his blod. Thåt folk fon Lyda send
+thêr as slâvona, men thrvch tha vntucht thêr wyva håvon thissa swarte
+månniska al-et ôra folk bastered ånd brun vrfårvet. Thit folk ånd
+tham fon Rome kåmpath ôlân vmb-et mâsterskip fon tha Middelsê. Forth
+lêvath tham fon Roma an fjandskip with tha Fonysjar, ånd hjara prestera
+thêr-et rik allêna welda wille wr irtha, ne mügon tha Gola navt ne
+sjan. Thåt forma håvon hja tha Fphonysjar Mis-selja ofnomen, dânâ alle
+landa, thêr sûdward, westward ånd northward lidsa, âk et sûdardêl
+fon Britanja, ånd allerwêikes håvon hja tha Fonysjar prestera, that
+hêth tha Gola vrjâgeth, dânâ sind thusanda Gola nêi north Brittanja
+brit. Kirt vrlêden was thêr tha vreste thêra Golum sêten vppa thêre
+burch, thêr is kêthen Kêrenåk that is herne, hwanath hi sin bifêla jef
+an alle ôra Gola. Ak was thêr al hjara gold togadur brocht. Kêren herne
+jeftha Kêrenåk is êne stênen burch, thêr êr an Kålta hêrde. Thêrvmbe
+wildon tha fâmna fon tha åfterkvmande thêra Kåltana-folgar tha burch
+wither hâ. Alsa was thrvch tha fyanskip thêra fâmna ånd thêra Golum
+faithe ånd twist in ovir thåt Berchland kvmen mith morth ånd brônd. Vsa
+stjûrar kêmon thêr fâken wol hâlja, thåt hja sellade fori tobirêde
+hûdum ånd linne. Askar was often mith wêst, an stilnesse hêd-er mith
+tha fâmna ånd mith svme forstum âtskip sloten, ånd him selva forbonden
+vmbe tha Gola to vrjâgane ût Kêrenåk. As-er thêrnêi wither kêm jêf hi
+tha forsta ånd wigandliksta manna ysere helma ånd stêla boga. Orloch
+was mith kvmen ånd kirt åfter flojadon strâma blod by tha hellinga
+thêra bergum del. Thâ Askar mênde that kans him tolâkte, gvng-er mith
+fjuwertich skêpum hin ånd nam Kêrenåk ånd thene vreste thêra Golum
+mith al sine gold. Thåt folk wêrmith hi with tha salt-âthum thera
+Golum kåmped hêde, hêd-er ût-a Saxanamarkum lvkt mith lofte fon grâte
+hêra-râve ånd but. Thus warth tha Gola nêwet lêten. Afternêi nam-er
+twâ êlanda to berch far sinum skêpum, ånd hwânath hi lêter ûtgvng vmb
+alle Fonysjar skêpa ånd stêda to birâwane thêr hi bigâna kv. Tha er
+tobek kêm brocht-i tomet sexhvndred thêra storeste knâpum fon thåt
+Skotse berchfolk mith. Hi sêide that hja him to borgum jêven wêren,
+til thju hi sêkur wêsa machte thåt tha eldra him skolde trow bilywa,
+men-t was jok, hi hild ra as lifwêre et sina hova, thêr hja allera
+distik les krêjon in-t ryda ånd in-t hôndtêra fon allerlêja wêpne. Tha
+Denamarkar tham hjara selva sunt lông boppa alle ôra stjûrar stoltlike
+sêkåmpar hête, hêdon sâ ringe navt fon Askar sina glorrika dêdum navt
+ne hêred, jef hja wrdon nydich thêr vr, thêrmête, that hja wilde orloch
+brensa over-ne sê ånd over sina landa. Sjan hyr, ho hi orloch formitha
+machte. Twisk tha bvwfala thêre vrhomelde burch Stavja was jeta êne
+snode burchfâm mith svme fâmna sêten. Hjra nôme was Rêintja ånd thêr
+gvng en grâte hrop fon hira wishêd ût. Thjus fâm bâd an Askar hjra
+helpe vnder bithing, that Askar skolde tha burch Stavja wither vpbvwa
+lête. As-er him thêr to forbonden hêde, gvng Rêintja mith thrim fâmna
+nêi Hals, [104] nachtis gvng hju rêisa ånd thes dêis kêthe hju vppa
+alle markum ånd binna alle mêidum. Wralda sêide hju hêde hja thrvch
+thongar tohropa lêta thåt allet Fryas folk moston frjunda wertha, lik
+sustar ånd brothar tâmed, owers skolde Findas folk kvma ånd ra alle
+fon irtha vrdilligja. Nêi thongar wêron Fryas sjvgun wâkfâmkes hja
+anda drâme forskinnen, sjvgun nachta åfter ekkô-rum. Hja hêde seith
+boppa Fryas landum swabbert ramp mith juk ånd kêdne omme. Thêrvmbe
+moton alle folkar thêr ût Frya sproten send hjara tonôma wêi werpa
+ånd hjara selva allêna Fryas bern jeftha folk hêta. Forth moton alle
+vpstonda ånd et Findas folk fon Fryas erv dryva. Nillath hja thåt
+navt ne dva, alsa skilun hja slâvona benda vmbe hjara halsa krêja,
+alsa skilun tha vrlandaska hêra hjara bern misbruka ånd frytra
+lêta, til thju thåt blod sygath inna jowre grêva. Thån skilun tha
+skinna jowre êthla jo kvma wekja ånd jo bikyvja vr jo lefhêd ånd
+vndigerhêd. Thåt dvme folk, thåt thrvch todvan thêra Mâgyara al
+an sa fül dwêshêd wenth was, lâvadon alles hwat hju sêide ånd tha
+måmma klimdon hjara bern åjen hjara brosta an. Thâ Rêintja thene
+kening fon Hals ånd alle ôthera manniska to êndracht vrwrocht hede,
+sand hju bodon nêi Askar ånd tâg selva alingen thene Balda sê. Dânâ
+gvng hju by tha Hlith-hâwar, althus hêten vmbe that hja hjara fyanda
+immer nêi thet ônhlite hâwe. Tha Hlithhâwar send britne ând bannene
+fon vs åjn folk thåt inna tha Twisklanda sit ånd omme dwarelt. Hjara
+wyva hâvon hja mêst algadur fon tha Tartara râwed. Tha Tartara sênd
+en dêl fon Findas slachte ånd althus thrvch tha Twisklandar hêten
+vmbe thåt hja nimmerthe nên frêtho wille, men tha månniska alti ût
+tarta to strydande. Forth gvng hju åftera Saxnamarka tweres thrvch tha
+ôra Twisklanda hin, allerwêikes thåt selva ûtkêtha. Nêi twam jêr om
+wêron, kêm hju allingen thêre Rêne to honk. By tha Twisklandar hede
+hju hjara selva as Moder ûtjân ånd sêid thåt hja mochton as fry ånd
+franka månniska wither kvma, men thån mosten hja ovir tha Rêne gvngga
+ånd tha Gola folgar ût Fryas sûdarlandum jâgja. As hja thåt dêde,
+sa skolde hjra kêning Askar overa Skelda gvngga ånd thêr thåt land
+ofwinna. By tha Twisklandar send fêlo tjoda plêga fon tha Tartarum ånd
+Mâgjara binna glupt, men âk fül send thêr fon vsa sêdum bilêwen. Thêr
+thrvch håvath hja jeta fâmna thêr tha bern lêra ånd tha alda rêd
+jeva. Bit-anfang wêron hja Reintja nydich, men to tha lesta wårth
+hju thrvch hjam folgath ånd thjanjath ånd allerwêikes bogath, hwêr-et
+nette ånd nêdlik wêre.
+
+Alsa ringen Askar fon Rêintja hjra bodon fornom ho tha Juttar nygath
+wêron, sand hi bistonda bodon fon sinant wegum nêi tha kåning fon
+Hals. Thåt skip, wêrmith tha bodon gvngon, was fvl lêden mith fâmna
+syrhêdum ånd thêr by wêr en golden skild, hwêrvppa Askar his dânte
+kunstalik was utebyld. Thissa bodon mosten frêja jêf Askar thes kåning
+his toghter Frêthogunsta to sin wif håve machte. Frêthogunsta kêm en
+jêr lêter to Stâveren, bi hjara folgar wêre âk ênen Mâgy, hwand tha
+Juttar wêron sunt lông vrbrud. Kirt åfter that Askar mith Frêthogunsta
+bostigjath was, wårth thêr to Stâveren êne scherke bvwad, inna thju
+scherke wrdon tjoda drochten lykanda byldon stålth mith gold trvch
+wrochtne klâthar. Ak is er biwêrath that Askar thêr nachtis ånd vntydis
+mith Frêthogunsta fâr nitherbuwgade. Men sâ fül is sêkur, thju burch
+Stavia ne wårth navt wither vpebvwed. Rêintja was al to bek kvmen,
+ånd gvng nydich nêi Prontlik thju Moder et Texland bârja. Prontlik
+gvng to ånd sand allerwêikes bodon thêr ûtkêthon, Askar is vrjêven
+an afgodie. Askar dêde as murk-i-t navt, men vnwarlingen kêm thêr êne
+flâte ût Hals. Nachtis wrdon tha fâmna ût-êre burch drywen, ånd ogtins
+kvn mån fon thêre burch allêna êne glandere hâpe sjan. Prontlik ånd
+Rêintja kêmon to my vmb skul. Thå ik thêr åfternêi vr nêi tochte, lêk
+it my to, that it kwâdlik fâr min stât bidêja kvste. Thêrvmbe håvon
+wi to sêmne êne lest forsonnen, thêr vs alle bâta most. Sjan hyr ho
+wi to gvngen send. Middel in-t Krylwald biasten Ljvwerde lêith vsa
+fly jeftha wêra, thêr mån allêna thrvch dwarlpâda mêi nâka. In vppa
+thjus burch hêd ik sunt lônge jonga wâkar stald, thêr alle êne grins
+an Askar hêde, ånd alle ôra månniska dânath halden. Nv wast bi vs âk
+al sa wyd kvmen, thåt fêlo wyva ånd âk manna al patêrade vr spoka,
+witte wyva ånd uldermankes, lik tha Dênamarkar. Askar hêde al thissa
+dwâshêde to sin bâta anwenth ånd thåt wildon wi nv âk to vsa bâta
+dva. Bi-ne thjustre nacht brocht ik tha fâmna nêi thêre burch ånd
+dânâ gongen hia mith hjara fâmna in thrvch tha dwarl-pâda spokka in
+wttta klâthar huled, sâ that thêr afternêi nên månnisk mâra kvma ne
+thvrade. Tha Askar mênde thåt-er thu hônda rum hêde, lêt-i tha Mâgjara
+vnder allerlêja nôma thrvch ovir sina stâta fâra ând bûta Grênegâ
+ând bûta mina stât ne wrdon hja nårne navt ne wêrath. Nêi that Askar
+alsa mith tha Juttar ånd tha ôra Dênamarkar forbonden was, gvngon hja
+alsêmina râwa; thach that neth nêne gode früchda bâred. Hja brochton
+allerlêja vrlandiska skåta to honk. Men just thêr thrvch nildon thåt
+jong folk nên ambacht lêra, nach vppa tha fjeldum navt ne werka,
+sâ that hi to tha lersta wel slâvona nimma moste. Men thit was êl
+al åjen Wralda his wille ånd åjen Fryas rêd. Thêrvmbe kv straf navt
+åfterwêga ne bilywa. Sjan hyr ho straffe kvmen is. Ênis hêdon hja to
+sêmine êne êle flâte wnnen, hju kêm fon ûta Middelsê. Thjus flâte was
+to lêden mith purpera klâthar ånd ôra kostelikhêd, thêr alle fon of
+Phonisja kêmon. Thåt wraka folk thêre flâte wårth bisûda thêre Sêjene
+an wal set, men thåt stora folk wårth halden. Thåt most ra as slâvona
+thianja. Tha skêneste wrdon halden vmbe vppet land to bilywane ånd
+tha lêdliksta ånd swartste wrdon an bord halden vmbe vppa tha benka to
+rojande. An-t Fly wårth tha bodel dêlath, men svnder hjara wêta wårth
+âk hjara straf dêlath. Fon tha månniska thêr vppa tha vrlandiska skepum
+stalt wêron, wêron sex thrvch bukpin felth. Mån tochte thåt et eta
+ånd drinka vrjêven wêre, thêrvmbe wårth alles ovir bord jompth. Men
+bûkpin reste ånd allerwêikes, hwêr slâvona jeftha god kêm, kêm âk
+bûkpin binna. Tha Saxmanna brochten hju ovir hjara marka, mith tha
+Juttar for hju nêi Skênland ånd alingen thêre kâd fon tha Balda-sê,
+mith Askar his stjûrar for hju nêi Britanja. Wi ånd tham fon Grênegâ
+ne lêton nên god ner minniska ovir vsa pâla navt ne kvma, ånd thêrvmbe
+bilêwon wi fon tha bûkpin fry. Ho fêlo månniska bûkpin wêirâpth heth,
+nêt ik navt to skrywane, men Prontlik thêr et åfternêi fon tha ôra
+fâmna hêrde, heth my meld, thåt Askar thûsandmel mâra frya månniska
+ût sina stâtum hulpen heth, as er vvla slâvona inbrochte. Thâ pest
+far god wyken was, tha kêmon tha fri wrden Twisklandar nêi thêre Rêne,
+men Askar nilde mith tha forstum fon thåt vvla vrbasterde folk navt an
+êne lyne navt ne stonda. Hi nilde navt ne dâja, that hja skoldon hjara
+selva Fryas bern hêta, lik Rêintja biboden hêde, men hi vrjet thêrbi
+that-i selva swarte hêra hêde. Emong tha Twisklandar wêron thêr twâ
+folkar, thêr hjara selva nêne Twisklandar hêton. Thåt êne folk kêm
+êl fêr ût-et sûd-âsten wêi, hja hêton hjara selva Allemanna. Thissa
+nôma hêdon hja hjara selva jêven, thâ hja jeta svnder wiva inna
+tha walda as bannane ommedwarelde. Lêtar håvon hja fon-et slâvona
+folk wiva râvath, êvin sa tha Hlithâwar, men hja håvon hjara nôme
+bihalden. Thåt ôra folk, thåt mâra hêinde ommedwarelde, hêton hjara
+selva Franka, navt vmbe that hja fry wêron, men Frank alsa hêde thene
+êroste kåning hêten, tham him selva mith hulpe fon tha vrbrûda fâmna
+to ervlik kåning ovir sin folk mâkad hêde. Tha folkar tham an him
+pâladon, hêton hjara selva Thjoth-his svna, that is folk-his svna,
+hja wêron frya månniska bilêwen, nêidam hja nimmer ênen kåning ner
+forste nach mâster bikånnna nilde, as thene jenge tham by mêna willa
+was kêren vppa thêre mêna acht. Askar hêde al fon Rêintja fornommen,
+that tha Twisklandar forsta mêst alti in fiandskip ånd faitha
+wêron. Nw stald-i hjam to fâra, hjâ skolde ênen hêrtoga fon sin
+folk kjasa vmbe that-er ang wêre seid-er that hja skolde mit manlik
+ôtherum skoldon twista ovir-et mâsterskip. Ak sêid-er kvndon sina
+forsta mith-a Golum sprêka. Thåt sêid-er wêre âk Moder his mêne. Thâ
+kêmon tha forsta thêra Twislandar to ekkôrum ånd nêi thrija sjugun
+etmelde kêron hja Alrik to-ra hertoga ut. Alrik wêre Askar his nêva,
+hi jef him twên hvndred skotse ånda hvndred thêra storosta Saxmanna
+mith to lifwêra. Tha forsta moston thrija sjvgun fon hjara svnum nêi
+Stâveren senda to borg hjarar trow. To nv was alles nêi winsk gvngen,
+men thâ mån ovire Rêne fara skolde, nildon thene kåning thêra Franka
+navt vnder Alrikis bifêla navt ne stonda. Thêrthrvch lip alles an tha
+tys. Askar thêr mênde thåt alles god gvng, lande mith sina skêpa anna
+tha ôre syde thêre Skelda, men thêr was was man long fon sin kvmste
+to ljucht ånd vppa sin hod. Hja moston alsa ring fljuchta as hja kvmen
+wêron, ånd Askar wrde selva fath. Tha Gola niston navt hwa hja fensen
+hêde, ånd alsa warth hi åfternêi ûtwixlath fori ênnen hâge Gol, thêr
+Askar his folk mith forath hêde. Thawila thåt-et alles bêrade, hlipon
+tha Mâgjara jeta dryster as to fâra ovir vsa bûra ra landa hinna. By
+Egmvda hwêr to fâra tha burch Forâna stân hêde, lêton hja êne cherka
+bvwa jeta grâter ånd rikar as Askar to Stâveren dên hêde. Afternêi
+sêidon hja that Askar thju kåse vrlêren hêde with tha Gola, thrvchdam
+et folk navt lâwa navt nilde, that Wodin hjam helpa kvste, ånd that
+hja him thêrvmbe navt anbidda nilde. Forth gvngon hja to ånd skâkton
+jonga bern tham hja by ra hildon ånd vpbrochten in tha hemnissa fon
+hjara vrbruda lêre. Wêron thêr månniska tham
+
+
+
+Het overige ontbreekt.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Het woord Bok wordt in het Handschrift overal zoo geschreven;
+en daarmede stemmen alle Oud-Friesche Rechtboeken overeen. De
+woordenboeken van v. Richthofen en Hettema schrijven Bok of Boc. De
+spelling Bôk is Kamper wanspraak.
+
+[2] Als verslag voorgelezen in eene vergadering van het Friesch
+Genootschap Februarij 1871 en bij deze uitgave onveranderd gelaten.
+
+[3] Verg. G. Meerman, Admonitio de Chartae nostratis
+origine. Vad. Letteroef. 1762. bl. 630.
+
+Mr. J. H. de Stoppelaar, Het papier in de Nederlanden, Middelburg,
+1869. bl. 4.
+
+[4] Min-erva werd Nyhellenia genoemd, omdat hare raadgevingen ny en
+hel, nieuw en helder waren. Desgelijks heet het in Pauli Epitome van
+S. Pomponius Festus de verborum Significatione, Min-erva dicta quod
+bene moneat.
+
+Zie Preller, Rom. Myth. p. 258.
+
+[5] Mis.sellia, miskoop, verkeerde koop.
+
+[6] 3449 - 1256 = 2193 voor Chr.
+
+[7] Magy, Koning der Magyaren en Finnen.
+
+[8] nêsa = ne wêsa.
+
+[9] nilde = ne wilde.
+
+[10] nête = ne wête.
+
+[11] Oni, oud Holl. ane, Duitsch ohne = zonder.
+
+[12] Mong, among, emong = onder.
+
+[13] Falikant, fâ likande = weinig gelijkende, niet conform.
+
+[14] Wr.alda. Altijd geschreven als samengesteld woord beteekent:
+de overoude, het oudste wezen.
+
+[15] Od, wortel van het Lat. odi, ik haat.
+
+[16] Nylof; de kleur van nieuw loof? geel groen.
+
+[17] De mårkskat werd in goederen betaald.
+
+[18] Stjurar, van hier de naam Sturii by Plinius.
+
+[19] Prentar, nog op Texel een (stuurmans) leerling.
+
+[20] Minno, Minos (de oude).
+
+[21] Nyhellenia, Nehalennia.
+
+[22] Krekaland, het Krekenland, zoowel Groot Griekenland als
+Griekenland zelf.
+
+[23] Fâsta, Vesta, en de Vestaalsche maagden.
+
+[24] Stjurar, Sturii.
+
+[25] Sêkåmpar, Sicambri.
+
+[26] Angelara, Angli.
+
+[27] Mârsata, Marsacii.
+
+[28] Aldland, Atlantis.
+
+[29] Skênland, Scania, Scandinavia.
+
+[30] 2198 - 101 = 2092 v. Chr.
+
+[31] Goda-hisburch, Gothenburg.
+
+[32] Alderga, Ouddorp (bij Alkmaar).
+
+[33] Lumkamâkja bithêre Emuda, Embden.
+
+[34] Amering, nog in N.-Holland in gebruik, beteekent daar: ademtocht,
+oogenblik. Cf. Kiliaan in voce.
+
+[35] Kâtsgat, het Kattegat.
+
+[36] Wodin, Odin, Wodan.
+
+[37] Kâdik, Cadix.
+
+[38] 2193 - 193 = 2000 v. Chr.
+
+[39] Thyrhisburch, Tyrus.
+
+[40] Thyr, de zoon van Odin.
+
+[41] Almanaland, Ameland.
+
+[42] Wyringgâ, Wieringen.
+
+[43] Missellja, Marseille.
+
+[44] Gola, Galli, Gaulois.
+
+[45] Middelburg.
+
+[46] 2193 - 563 = 1630 v. Chr.
+
+[47] Myk wordt nog op Walcheren gehoord.
+
+[48] Kâlta Min-his, Minnesdochter?
+
+[49] Sêjene, de Seine.
+
+[50] Kåltana, Celtae.
+
+[51] Jonhis êlanda, Insulae Joniae, Insulae piratarum.
+
+[52] Athenia, Athene.
+
+[53] Vervolg hier het verhaal van bl. 48-56.
+
+[54] Sêkrops, Cecrops.
+
+[55] Strête, thans hersteld als Kanaal van Suez. Pangab, de Indus.
+
+[56] 2193 - 1005 = 1188 v. Chr.
+
+[57] Wallahagara, Walcheren.
+
+[58] Kalip, bij Homerus Kalipso.
+
+[59] Dêna marka, de lage marken.
+
+[60] 2193 - 1602 = 591 v. Chr.
+
+[61] Verg. bl 4.
+
+[62] Medemi'lacus.
+
+[63] Grênegâ, Groningen.
+
+[64] Dokhêm, Dokkum.
+
+[65] Lindasburch, op kaap Lindanaes, Noorwegen.
+
+[66] Gürbam. C. Niebuhr Reize enz. I 174, eene zakpijp bij de
+Egyptenaren Sumâra elKürbe genoemd.
+
+[67] To hnekka, eene hooge, tot aan de nek reikende, japon.
+
+[68] Cf. Hegel a. h. l.
+
+[69] Leeuwen in Europa, Herodotus, VII, 125.
+
+[70] Swetsar, Switsers.
+
+[71] Fryasburch, Freiburg.
+
+[72] Lydasburch, Leiden, de burcht.
+
+[73] Flyt, jeftha mâre, de Mare.
+
+[74] Forana, Vroonen.
+
+[75] Engamuda, Egmond.
+
+[76] Diod. Sic. V 27, van de Galliers.
+
+[77] Mannagârdaforda, Munster.
+
+[78] 2193 - 1888 = 305 voor Chr.
+
+[79] Sedert 587 voor Chr. Verg. pag. 110, 112.
+
+[80] 303 v. Chr.
+
+[81] Barnpila. De falarica by Livius XXI. 8.
+
+[82] Alexander aan den Indus 327 v. Chr. 327 + 1224 = 1551 v. Chr.
+
+[83] 305 voor Chr.
+
+[84] Joi en trâst. Te Scheveningen hoort men nog: joei en troos. Joi,
+Fransch joye.
+
+[85] 2193 - 1600 = 593 v. Chr.
+
+[86] Kasamyr, Kashmir.
+
+[87] Jes-us, evenmin te verwarren met Jezus, als Krisen (Krishna)
+met Christus.
+
+[88] Balda jefta kvada sê, de Baltische zee. Juttarland, Jutland.
+
+[89] Zeeland, de Deensche Eilanden.
+
+[90] Zie bl. 124.
+
+[91] Phonisiar, hier Puniers, Carthagers.
+
+[92] Zie bl. 11.
+
+[93] 263 v. Chr.
+
+[94] Hamconius. p. 8. Suobinna.
+
+[95] Zie bl. 150.
+
+[96] Delte nog in N. Holland in gebruik, laagte.
+
+[97] Aken, Aken.
+
+[98] Diod Sic. V. 28.
+
+[99] Hier heeft de afschrijver Hiddo oera Linda een blad te veel
+omgeslagen, en daardoor twee bladzijden overgeslagen.
+
+[100] Zie bl. 164.
+
+[101] Hier ontbreken in het H. S. twintig bladzijden (misschien meer),
+waarin Beeden geschreven heeft over dien koning Adel III. (Bij onze
+kronijk schrijvers Ubbo genoemd).
+
+[102] Hier eindigde het schrijven van Beeden. In het H. S. ontbreken
+twee bladzijden volgens de paginatuur. Maar zonder twijfel ontbreekt
+er meer. De afgebroken aanhef van het volgende wijst aan, dat de
+aanvang van het volgende geschrift verloren gegaan is en daarmede ook
+de aanduiding van den naam des schrijvers, die een zoon of kleinzoon
+van Beeden kan geweest zijn.
+
+[103] Fhonysiar, Carthagers.
+
+[104] Hals, Holstein.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Thet Oera Linda Bok, by Anonymous
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK THET OERA LINDA BOK ***
+
+***** This file should be named 30467-8.txt or 30467-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/0/4/6/30467/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This book was
+produced from scanned images of public domain material
+from the Google Print project.)
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/old/2009-11-13-30467-8.zip b/old/old/2009-11-13-30467-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..12158f5
--- /dev/null
+++ b/old/old/2009-11-13-30467-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/old/2009-11-13-30467-h.zip b/old/old/2009-11-13-30467-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..cd888b2
--- /dev/null
+++ b/old/old/2009-11-13-30467-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/old/2009-11-13-30467-h/30467-h.htm b/old/old/2009-11-13-30467-h/30467-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..cb1a86c
--- /dev/null
+++ b/old/old/2009-11-13-30467-h/30467-h.htm
@@ -0,0 +1,13033 @@
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using the tei2html XSLT stylesheet. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta name="generator" content="HTML Tidy, see www.w3.org">
+<title>Thet Oera Linda Bok</title>
+<meta http-equiv="Content-Type" content=
+"text/html; charset=ISO-8859-1">
+<meta name="author" content="J. G. Ottema">
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="DC.Creator" content="J. G. Ottema">
+<meta name="DC.Title" content="Thet Oera Linda Bok">
+<meta name="DC.Date" content="#####">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<style type="text/css">
+ /* Standard CSS stylesheet */
+body
+{
+ font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+ margin: 1.58em 16%;
+ text-align: left;
+}
+/***** Titlepage *****/
+.titlePage
+{
+ border: #DDDDDD 2px solid;
+ margin: 3em 0% 7em 0%;
+ padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+h1.docTitle
+{
+ font-size:1.6em;
+ line-height:2em;
+}
+h2.byline
+{
+ font-size:1.1em;
+ font-weight:normal;
+ line-height:1.44em;
+}
+span.docAuthor
+{
+ font-size:1.2em;
+ font-weight:bold;
+}
+h2.docImprint
+{
+ font-size:1.2em;
+ font-weight:normal;
+}
+/***** End Titlepage *****/
+.transcribernote
+{
+ background-color:#DDE;
+ border:black 1px dotted;
+ color:#000;
+ font-family:sans-serif;
+ font-size:80%;
+ margin:2em 5%;
+ padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+ background-color:#FFFEE0;
+ border:black 1px dotted;
+ color:#000;
+ margin:2em 5%;
+ padding:1em;
+}
+.div0
+{
+ padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+ padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+ font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+ padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+ padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+ padding: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4
+{
+ clear: both;
+ font-style: normal;
+ text-transform: none;
+}
+h3, .pseudoh3
+{
+ font-size:1.2em;
+ line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+ font-size:1em;
+ line-height:1.2em;
+ margin-bottom:0;
+}
+h4, pseudoh4
+{
+ font-size:1em;
+ line-height:1.2em;
+}
+.alignleft
+{
+ text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+ text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+ text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+ margin-top: 1.6em;
+ margin-bottom: 1.6em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+ margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocChapter
+{
+ margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+ margin:0.7em 5%;
+}
+.epigraph
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ width: 60%;
+ margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl
+{
+ display: block;
+ text-align: right;
+}
+.trailer
+{
+ clear: both;
+ padding-top: 2.4em;
+ padding-bottom: 1.6em;
+}
+.floatLeft
+{
+ float:left;
+ margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+ float:right;
+ margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+ font-size:100%;
+ text-align:center;
+}
+.figAnnotation
+{
+ font-size:80%;
+ position:relative;
+ margin: 0 auto; /* center this */
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft
+{
+ float: left;
+}
+.figTop, .figBottom
+{
+}
+.figTopRight, .figBottomRight
+{
+ float: right;
+}
+.figure p
+{
+ font-size:80%;
+ margin-top:0;
+ text-align:center;
+}
+img
+{
+ border-width:0;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+ color:#666666;
+ font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+ font-weight: bold;
+}
+.leftnote
+{
+ font-size:0.8em;
+ height:0;
+ left:1%;
+ line-height:1.2em;
+ position:absolute;
+ text-indent:0;
+ width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+ display:inline;
+ font-size:70%;
+ font-style:normal;
+ margin:0;
+ padding:0;
+ position:absolute;
+ right:1%;
+ text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+ font-size: 80%;
+ text-decoration: none;
+ vertical-align: 0.25em;
+}
+.displayfootnote
+{
+ display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+ margin-top: 1em;
+ padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+ margin-left: 0;
+ margin-right: 0;
+ text-align: left;
+ width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+ font-size: 80%;
+ margin-bottom: 0.5em;
+ margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+ float:left;
+ width:2em;
+ height:12pt;
+ display:block;
+}
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+ font-size: 80%;
+}
+.centertable
+{
+ /* center the table */
+ margin: 0px auto;
+ display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+/****** Poetry ******/
+.lgouter
+{
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+.lg
+{
+ text-align: left;
+}
+.lg h4, .lgouter h4
+{
+ font-weight: normal;
+}
+.lg .linenum
+{
+ color:#777;
+ font-size:90%;
+ left:-2.5em;
+ margin:0;
+ position:absolute;
+ text-align:center;
+ text-indent:0;
+ top:auto;
+ width:1.75em;
+}
+p.line
+{
+ margin: 0 0% 0 0%;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+ color: white;
+}
+.versenum
+{
+ font-weight:bold;
+}
+/***** Drama *****/
+.speaker
+{
+ font-weight: bold;
+ margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line
+{
+ margin: 0 10%;
+ text-align: left;
+}
+/***** End Drama *****/
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum, .flushright
+{
+ position: absolute;
+ right: 16%;
+ top: auto;
+}
+.footnotes .line
+{
+ font-size:80%;
+}
+span.corr
+{
+ border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+ border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+ border-bottom:1px dotted green;
+}
+/****** Font Styles and Colors *****/
+.letterspaced
+{
+ letter-spacing:0.2em;
+}
+.smallcaps
+{
+ font-variant:small-caps;
+}
+.caps
+{
+ text-transform:uppercase;
+}
+.fraktur
+{
+ font-family: 'Walbaum-Fraktur';
+}
+.rm
+{
+ font-style: normal;
+}
+.red
+{
+ color: red;
+}
+/***** End Font Styles and Colors *****/
+hr
+{
+ clear:both;
+ height:1px;
+ margin-left:auto;
+ margin-right:auto;
+ margin-top:1em;
+ text-align:center;
+ width:45%;
+}
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+ text-align:center;
+}
+h1,h2
+{
+ font-size:1.44em;
+ line-height:1.5em;
+}
+h1.label,h2.label
+{
+ font-size:1.2em;
+ line-height:1.2em;
+ margin-bottom:0;
+}
+h5,h6
+{
+ font-size:1em;
+ font-style:italic;
+ line-height:1em;
+}
+p,p.initial
+{
+ text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+ text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+ float: left;
+ clear: left;
+ margin: 0em 0.05em 0 0;
+ padding: 0px;
+ line-height: 0.8em;
+ font-size: 420%;
+ vertical-align:super;
+}
+.lg
+{
+ padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+ text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: disc; }
+ol { list-style-type: decimal; }
+ol.AL { list-style-type: lower-alpha; }
+ol.AU { list-style-type: upper-alpha; }
+ol.RU { list-style-type: upper-roman; }
+ol.RL { list-style-type: lower-roman; }
+.lsdisc { list-style-type: disc; }
+.lsoff { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+/***** External Links *****/
+.pglink
+{
+ background: url(images/book.png) center right no-repeat;
+ padding-right: 18px;
+}
+.catlink
+{
+ background: url(images/card.png) center right no-repeat;
+ padding-right: 17px;
+}
+.exlink
+{
+ background: url(images/external.png) center right no-repeat;
+ padding-right: 13px;
+}
+.pglink:hover
+{
+ background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover
+{
+ background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover
+{
+ background-color: #FFDCDC;
+}
+ /* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml
+ " */
+body
+{
+ background: #FFFFFF;
+ font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+ color: black;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4
+{
+ color: #001FA4;
+ font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+p.byline
+{
+ font-style: italic;
+ margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage
+{
+ color: #001FA4;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+ color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+ color: red;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+ color: #001FA4;
+ font-weight: bold;
+}
+sub, sup
+{
+ line-height: 0;
+}
+ /* Standard Aural CSS stylesheet */
+.pagenum, .linenum
+{
+ speak: none;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Thet Oera Linda Bok, by Anonymous
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Thet Oera Linda Bok
+ Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw
+
+Author: Anonymous
+
+Translator: J.G. Ottema
+
+Release Date: November 13, 2009 [EBook #30467]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK THET OERA LINDA BOK ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This book was
+produced from scanned images of public domain material
+from the Google Print project.)
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<div class="front">
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<p class="aligncenter">Thet Oera Linda Bok.</p>
+</div>
+
+<div class="titlePage">
+<h1 class="docTitle">Thet Oera Linda Bok</h1>
+
+<h2 class="docTitle">Naar een handschrift uit de dertiende eeuw.</h2>
+
+<h2 class="byline">Eigendom der familie Over de Linden,<br>
+<br>
+Aan Den Helder,<br>
+<br>
+Bewerkt, vertaald en uitgegeven door<br>
+<br>
+<span class="docAuthor">Dr. J. G. Ottema.</span></h2>
+
+<h2 class="docImprint">Tweede uitgave.<br>
+<br>
+Te Leeuwarden, bij<br>
+<br>
+<span class="letterspaced">H. Kuipers.</span><br>
+<br>
+1876.</h2>
+</div>
+
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<p class="aligncenter">Gedrukt bij J. R. Miedema te Leeuwarden. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e153" href="#xd0e153">V</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e155" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Voorbericht.</h2>
+
+<p>De eerste druk van het Oera Linda Boek is uitverkocht, en daardoor
+de gelegenheid ontstaan, om eene tweede uitgave ter perse te leggen.
+Voor mij is dit eene gewenschte zaak, omdat ik nu in staat gesteld ben
+hier en daar eene ingeslopen fout te herstellen of eene minder juiste
+vertaling te verbeteren.</p>
+
+<p>Van zijne eerste verschijning af, ja zelfs reeds voor dat het
+gedrukt was, heeft het boek eene groote tegenspraak en veroordeeling
+ondervonden. Vele pennen zijn daarover in beweging gebracht, eerst om
+de uitgave te beletten en vervolgens om de verspreiding tegen te
+gaan.</p>
+
+<p>Niet alleen binnen &rsquo;s lands, maar ook daar buiten is men tegen
+dat boek te velde getrokken, als of van de echtheid of onechtheid
+daarvan het welzijn van land en volk afhing.</p>
+
+<p>Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en
+verbittering op te wekken? Is het zoo&rsquo;n bespottelijk prulschrift,
+zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men
+leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat ik
+er bij en over geschreven heb in de <span class="letterspaced">
+Inleiding</span>, de <span class="letterspaced">Geschiedkundige <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e171" href=
+"#xd0e171">VI</a>]</span>Aanteekeningen</span>, de <span class=
+"letterspaced">Koninklijke Akademie</span> en het <span class=
+"letterspaced">Oera Linda Boek</span>, en de <span class=
+"letterspaced">Deventer Courant</span> en het <span class=
+"letterspaced">Oera Linda Boek</span>. Doch dat is juist wat men niet
+doet. Men wil niet ingelicht wezen over den aard, de strekking en de
+wetenschappelijke waarde van het boek. Het is veel gemakkelijker en
+pleizieriger in den blinde te schermen en in het wilde te schreeuwen,
+dan zich te zetten tot een ernstig onderzoek. Ieder, die maar even het
+boek oppervlakkig heeft ingezien, of er wat over heeft hooren praten,
+waant zich gerechtigd om er een afkeurend oordeel over uit te spreken.
+Dat oordeel maakt een triumftocht door alle nieuwsbladen, wordt door
+het van de zaak onkundig publiek toegejuicht, en het land is gered.</p>
+
+<p>Nu hebben de Heeren F. Muller en P. Smidt van Gelder, te Amsterdam,
+het papier van het Handschrift zoo het heet onderzocht, en beweren in
+de Nederlandsche Spectator no. 32 van den 5 Augustus 1876, dat het
+papier in deze eeuw is vervaardigd en wel in de laatste 25 jaren, dat
+het machinaal papier verg&eacute; is en afkomstig uit de fabriek van de
+Heeren Tielens en Schrammen te Maastricht.</p>
+
+<p>De Heer Muller schrijft, dit gevoelen steunt op de navolgende
+gronden:</p>
+
+<p>1. Het papier was in de 13e eeuw geheel van katoen, dik, ongelijk,
+wollig, met zeer ongelijke onduidelijke waterlijnen,&mdash;dit papier
+is dun, gelijk, hard, hier en daar doorschijnend, met geregelde
+duidelijke waterlijnen.</p>
+
+<p>Antw. Het katoenpapier uit de 13e en vroegere eeuwen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e194" href="#xd0e194">VII</a>]</span>moest, eer
+men er op kon schrijven, daarvoor opzettelijk geprepareerd worden door
+polijsten. De Arabieren en Gothen hebben dit gedaan op dezelfde wijze
+als de Egyptenaren hun papier en de Romeinen de fijnere
+perkamentsoorten glansden, namelijk door sterke wrijving met de
+slagtand van een wildzwijn, apri dente levigatur (Plinius). Tot een
+gelijk doel bedienen de boekbinders zich van een agaat. Door de sterke
+wrijving werden de papiervezelen dichter ineen geperst en daardoor het
+papier glad en effen en iets dunner als het was.</p>
+
+<p>Doch daarom kan men het papier van het H. S. niet dun noemen<span
+class="corr" id="xd0e198" title="Niet in bron">.</span> Het H. S.
+bestaat uit 96 bladen, die tusschen eene pers gezet eene gezamenlijke
+dikte hebben van ruim 12 m.M., waartegen de dikte van 2 boek best
+hollandsch schrijfpapier 12&frac12; m.M. bedraagt, zoodat de dikte van
+die beide papiersoorten gelijk staat. En best hollandsch schrijfpapier
+behoort toch niet onder de dunne papiersoorten.</p>
+
+<p>Ik moet het er voor houden, dat de monsters papier, welke de Heer
+Muller vroeger gezien heeft, nog ongeprepareerd en ongepolijst geweest
+zijn, en dat hierdoor het verschil verklaard moet worden, &rsquo;t welk
+hij bij deze vergelijking heeft opgemerkt.</p>
+
+<p>2. Het papier is van oudsher tot ongeveer 1800 in het midden
+tusschen de waterlijnen dunner dan ter weerszijde dicht bij de
+waterlijnen,&mdash;dit papier is bij de waterlijnen egaal, gelijk
+alleen het papier van deze eeuw is.</p>
+
+<p>Antw. Ik merk hierbij op, dat die uitdrukking <span class=
+"letterspaced">van oudsher</span> niet verder gaat dan tot het midden
+der 14e eeuw, toen het linnenpapier in de plaats van het katoenpapier
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e210" href=
+"#xd0e210">VIII</a>]</span>is getreden en de papier-fabrikatie zich al
+meer en meer over Europa heeft uitgebreid. Die vergelijking heeft dus
+geene betrekking op het katoenpapier van de 13e eeuw, en leidt tot
+geene gevolgtrekking tegen het papier van het Handschrift, namelijk dat
+dit van de tegenwoordige zijn zoude.</p>
+
+<p>Het onderscheidt zich juist van het tegenwoordig papier in vier hier
+zeer belangrijke punten.</p>
+
+<p><i>a.</i> De breedte der horizontale waterlijnen. Want in een
+afstand van 33 millimeters telt men daarbij 16 horizontale waterlijnen,
+zoodat de breedte van elke lijn voluit 2 m.M. bedraagt. Het machinaal
+papier wijst in dien afstand 17 tot 18 zulke lijnen aan, of voor elke
+lijn eene breedte van niet meer dan 1.85 m.M. Zwaar Engelsch postpapier
+heeft op dien afstand 20 lijnen, elk ter breedte van 1.65 m.M.</p>
+
+<p><i>b.</i> De afwezigheid van chloor. Eene proef, genomen in mijne
+tegenwoordigheid door wijlen den heer A. P. H. Kuipers, heeft
+aangetoond dat het papier in het minst niet reageert op zilver en dus
+volstrekt geen chloor bevat. Terwijl in deze eeuw geen papier
+vervaardigd wordt of het is met chloor behandeld en laat bij dezelfde
+proef op zilver een witten aanslag achter.</p>
+
+<p><i>c.</i> De afwezigheid van stijfsel, amylum. De proef met eene
+oplossing van iodium, die op machinaal papier eene zuivere en heldere
+violette kleur te voorschijn brengt, heeft op dit papier geene
+uitwerking en laat de bruine kleur van het iodium onveranderd, althans
+niet meer dan bij elke uit zuivere planten vezelen vervaardigde stof
+wordt waargenomen, <span class="pagenum">[<a id="xd0e226" href=
+"#xd0e226">IX</a>]</span>omdat in alle planten vezelstof als natuurlijk
+bestanddeel eenig amylum aanwezig is. Dit papier is derhalve
+vervaardigd zonder toevoeging van stijfsel en dus niet in de
+tegenwoordige eeuw.</p>
+
+<p><i>d.</i> Ten aanzien van die waterlijnen is er nog een groot
+verschil tusschen machinaal papier en dat van het Handschrift. Bij het
+eerste zijn de lijnen van de vergeering uitwendig zichtbaar en vallen
+terstond in het oog. Bij het laatste zijn de waterlijnen van buiten
+bijna onzichtbaar, zoo zelfs, dat Dr. E. Verwijs in een brief, d.d.
+Leiden 1 Dec. 1870, (d.i. nadat het Handschrift gedurende <span class=
+"letterspaced">drie jaren</span> in zijne handen geweest was,) aan mij
+gericht, schreef: Verder het papier, dat &egrave;n om den vorm
+&egrave;n om de stof mij verdacht voorkomt. Oogenschijnlijk is het
+<span class="letterspaced">velijnpapier</span>, dat in den rook heeft
+gehangen.&mdash;Scheurt men de bladen in, dan vertoont het zich op de
+scheur veel witter. Een watermerk is nergens te vinden, en ik heb nooit
+middeleeuwsch papier gezien zonder watermerk en kan mij het zelfs niet
+denken.&rdquo;</p>
+
+<p>Dr. Verwijs heeft dus in al dien tijd de waterlijnen niet gezien,
+zelfs niet toen hij naar een watermerk zocht. Dit was niet mogelijk,
+wanneer hij gevergeerd machinaal papier voor zich had gehad.</p>
+
+<p>3. Dit papier is geel gekleurd en niet van nature geel, gelijk veele
+plaatsen bewijzen.</p>
+
+<p>Antw. Als het papier gekleurd, d. i. geverfd was, dan moest de
+kleurstof in het papier zijn ingedrongen, doch dit is niet het geval.
+Op de breuk ziet men duidelijk dat van <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e244" href="#xd0e244">X</a>]</span>binnen de vezel wit is. De vuile
+geelachtig zwarte kleur van het papier is alleen het gevolg van den
+tijd, en de uitwerking van den ouderdom in een verloop van meer dan zes
+eeuwen.</p>
+
+<p>Dat overigens het papier nog zoo goed geconserveerd is en vooral
+door vocht of mot niet geleden heeft, is een bewijs voor de zorgvuldige
+bewaring van het H. S. als een om het zoo te noemen
+familie-heiligdom.</p>
+
+<p>4. Dit papier is afgesneden, gelijk duidelijk zichtbaar is; het
+papier der 13e eeuw laat zich niet afsnijden noch afknippen zonder
+vezels achter te laten.</p>
+
+<p>Antw. Dit laatste mag in zeker opzicht waar zijn bij ongepolijst
+papier, maar bewijst niets ten opzichte van gepolijst en daardoor
+dichter zamengeperst papier, en hangt in allen gevalle af van de
+meerdere of mindere scherpte van mes of schaar.</p>
+
+<p>5. Het afsnijden doet mij denken aan machinaal papier, waarin wel de
+perpendiculaire waterlijnen (pontuseaux) kunnen gebracht worden, doch
+het is mij onbekend of daarin de horizontale lijnen van papierramen
+kunnen zijn; indien ja, dan houd ik dit voor goed machinaal papier, wat
+daarom niet ouder dan 25 of 30 jaar kan zijn, vroeger kon men in
+machinaal papier die lijnen niet maken.</p>
+
+<p>Antw. Ik heb voor mij liggen eene authentieke verklaring van de
+Heeren E. van Berk, P. Uurbanus, A. J. Leijer en T. Mooy aan den Helder
+woonachtig, waarin zij verzekeren, dat bij hen bepaaldelijk tusschen de
+jaren 1848 en 50 bekend is geweest <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e256" href="#xd0e256">XI</a>]</span>het bestaan van het
+handschrift, toebehoorende aan de familie over de Linden, dat later is
+uitgegeven onder den titel van Thet Oera Linda Bok.</p>
+
+<p>Deze verklaring is in zijn geheel opgenomen in de Heldersche Courant
+van den 12 Maart 1876.</p>
+
+<p>Daarmede vervalt de geheele redeneering van den Heer Muller omtrent
+het machinaal papier, dat volgens zijne verklaring voor 25 of 30 jaar,
+d. i. v&oacute;&oacute;r het jaar 1848, nog niet met horizontale
+waterlijnen gemaakt kon worden.</p>
+
+<p>Het papier van het H. S. is dus niet in deze 19e eeuw gemaakt. Van
+de 14e tot de 18e eeuw is geen papier bekend of het is voorzien van een
+fabriekmerk (watermerk); maar in het papier van het H. S. is nergens
+een spoor van fabriekmerk aanwezig.</p>
+
+<p>Het is dus ook niet vervaardigd in de 14e of latere eeuwen. Zoodat
+er geen ander besluit overblijft, dan dat het papier uit de 13e eeuw
+afkomstig moet zijn.</p>
+
+<p>6. Dit papier is tot boek ingenaaid geweest, blijkens de gaatjes;
+het is veel te hard rondom die gaatjes om oud te zijn; ook is de wijze
+van innaaijen geheel modern en geheel anders als bij oude
+handschriften; daarbij gebruikte men minder gaten en dikker touw of
+perkament, dan hiervoor kan bezigd zijn.</p>
+
+<p>Antw. Indien de Heer Muller het <span class="letterspaced">
+geheele</span> H. S. gezien had, dan zoude hij hebben opgemerkt, dat de
+rugzijde der katerns (of liever sexterns) nergens eene spoor van lijm
+of ander plaksel vertoont. Dit bewijst, dat het niet ingenaaid is
+geweest <span class="pagenum">[<a id="xd0e273" href=
+"#xd0e273">XII</a>]</span>op eenige moderne manier, noch op touwtjes,
+noch op reepjes perkament, noch op strookjes, maar daarentegen op eene
+zeer eenvoudige en primitieve manier, door onmiddellijke vasthechting
+met naald en draad in een perkamenten omslag, gelijk men in den handel
+nog wel aantreft bij kleine boekjes, zoogenaamd los ineengehangen
+goedje, als almanakken en dergelijke.</p>
+
+<p>Dit kan iedereen doen, en dit zal Hiddo oera Linda ook wel
+eigenhandig gedaan hebben, en wel reeds daarom, omdat hij zijn
+Handschrift niet kon toevertrouwen aan een boekbinder, dewijl die kunst
+in de kloosters werd uitgeoefend, en zijn voorzaat Liko dringend
+gewaarschuwd had voor de monniken, papekappa, wier oogen vooral niet
+mochten gaan over deze schriften.</p>
+
+<p>7. Het schrift is veel te nieuw voor een hoogen ouderdom; de inkt
+ligt op het papier; heeft het papier niet aangetast, wat bij hoogen
+ouderdom van den inkt noodzakelijk moet gebeuren.</p>
+
+<p>De inkt is veel te zwart voor hoogen ouderdom, die was oudtijds
+lichter en werd na langen tijd geheel bruin.</p>
+
+<p>Antw. Hiertegenover stel ik de woorden van Wattenbach, das
+Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871) S. 137: &raquo;<span lang=
+"de">In alten Handschriften ist die Dinte schwarz oder br&auml;unlich,
+immer von ausgezeichnet guter Beschaffenheit. Nachdem aber von 13
+Jahrhundert an immer massenhafter geschrieben wird, erscheint die Dinte
+h&auml;ufig grau oder gelblich, und ist zuweilen ganz
+verblasst.</span>&rdquo;</p>
+
+<p lang="de">&raquo;Als Bestandtheile des atramentum librarium giebt
+Plinius <span class="pagenum">[<a id="xd0e288" href=
+"#xd0e288">XIII</a>]</span>Russ (lampenroet) und Gummi an. Marcianus
+Capella erw&auml;hnt zuerst die Gall&auml;pfel: gallarum gummeosque
+commixtio.&rdquo;</p>
+
+<p lang="de">&raquo;Eine Mischung von Kupfervitriol und Gall&auml;pfeln
+soll am h&auml;ufigsten sein.&rdquo;</p>
+
+<p>Uit welke bestanddeelen nu de inkt, waarmede het H. S. geschreven
+is, kan bereid zijn, is mij onbekend; doch ik hecht aan de getuigenis
+van Wattenbach voor de goede hoedanigheid der inkt tot in de 13e eeuw,
+als bewijs voor de herkomst van het H. S. uit de 13e eeuw.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Om deze redenen kan ik mij niet vereenigen met of berusten in het
+oordeel van de Heeren Muller en Van Gelder, welk oordeel bovendien niet
+geheel vrij is van eenzijdigheid. Zij hebben zich hoofdzakelijk de
+vraag gesteld: komt het papier van het H. S. in meerdere of mindere
+mate overeen met eene papiersoort van den tegenwoordigen tijd, <span
+class="letterspaced">papier verg&eacute;</span>. Dit is echter de
+tweede helft der kwestie. De eerste en voornaamste helft is: in
+hoeverre komt het Handschrift overeen met andere Manuscripten op papier
+die ouder zijn dan van het jaar 1300.</p>
+
+<p>In betrekking hiertoe heb ik hier nog eene opmerking bij te voegen.
+Het Handschrift is gelinieerd geweest, waarschijnlijk met lood, doch de
+hooge ouderdom heeft die lijnen doen verbleeken en bijna uitgewischt,
+zoozeer dat ik in den eersten tijd ze wel vermoedde, maar niet
+onderscheiden kon, <span class="corr" id="xd0e303" title="Bron: voor
+dat">voordat</span> Jhr. Hooft van Iddekinge er mij opmerkzaam op
+maakte. Zoodra <span class="pagenum">[<a id="xd0e306" href=
+"#xd0e306">XIV</a>]</span>deze een deel van het Handschrift onder oogen
+kreeg, zeide hij: dat is gelinieerd geweest, en d&aacute;&aacute;r kan
+men de sporen er van zien.&rdquo; En toen ik zoo die sporen eens had
+leeren zien, viel het mij gemakkelijk ze overal op elke bladzijde te
+onderkennen.</p>
+
+<p>Daarom heb ik ook op het facsimil&eacute; van bl. 45 de linieering
+hersteld, teneinde te doen blijken hoe nauwkeurig en zorgvuldig die
+lijnen getrokken, en de letters <span class="corr" id="xd0e310" title=
+"Bron: daar tusschen">daartusschen</span> geschreven waren, en tevens
+om te doen beseffen, hoeveel tijd en vlijt er aan dat H. S., waarvan
+slechts een paar honderd bladzijden zijn overgebleven, besteed is.
+Daarvan heb ik de proef genomen door op gewoon gelinieerd papier pagina
+voor pagina het H. S. in zijn eigen schrift te copieeren, en aan dat
+werk 300 uren moeten besteden. Dat is nog maar alleen overschrijven, en
+dan zoude een verdichter nog eerst het geheele boek moeten zamengesteld
+hebben, in eene taal, die van de bekende dialekten van het Oud-friesch
+even onderscheiden is, als deze alle onderling verschillen; want die
+oude Friesche wetten d. i. het wester Lauwers, het Hunsingo&euml;r, het
+Fivelgo&euml;r, het Oldampster, het Emsingo&euml;r, het Brokmer, het
+Rustringer recht, zijn in even zooveele verschillende dialecten
+geschreven en wijken in spelling en woordvormen van elkander af.
+Tegenover die alle zoude hij een afzonderlijk dialect moeten uitvinden,
+dat gesproken is tusschen het Flie en de Schelde. En ten slotte had hij
+nog een letterschrift moeten bedenken, dat meer en beter dan eenig
+ander voor de Friesche taal geschikt is. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e313" href="#xd0e313">XV</a>]</span></p>
+
+<p>Ten aanzien van dat letterschrift moet ik eindelijk nog wijzen op
+eene zeer kenmerkende bijzonderheid:</p>
+
+<p>Het alfabet heeft nog geen <i>q</i> en <i>z</i>. De verbindingen <i>
+qu</i>, <i>sc</i>, <i>sch</i> en de <i>c</i> aan het begin van een
+woord zijn nog niet bekend, ten bewijze, dat deze geschriften zijn uit
+den v&oacute;&oacute;r Romeinschen tijd.</p>
+
+<p>De <i>c</i> wordt niet anders gebruikt dan in de verbinding <i>
+ch</i>, als geadspireerde of verscherpte <i>g</i> b.v. <i>burch</i>
+m.v. <i>burga</i>.</p>
+
+<p>In de Friesche Rechtboeken daarentegen heeft de taal die
+schrijfwijze uit het Latijn aangenomen, en afzonderlijke teekens voor
+verlengde vocalen verloren, gelijk mede die voor <i>gs</i>, <i>ng</i>
+en <i>th</i>. Die invloed van het Latijn heeft vooral sedert Karel den
+Groote het alfabet door vermindering van het getal der letters
+vereenvoudigd, maar daardoor ook bedorven en minder geschikt gemaakt
+voor de aanduiding van aan de Friesche taal eigendommelijke klanken. In
+dit opzicht heeft de Friesche schrijfwijze of spelling een verbastering
+ondergaan, waarvan de gevolgen bij de tegenwoordige schrijvers diep
+gevoeld worden.</p>
+
+<p>Een verdichter zoude zich wel gewacht hebben aan de spelling en het
+alfabet van de oud-Friesche wetten iets te veranderen, en wel gezorgd
+hebben door eenige verandering geen wantrouwen te wekken.</p>
+
+<p>Zie dat is niet een werkje, dat een of andere guit voor de grap
+uitvoert, alleen om iemand te foppen. Dit te veronderstellen is immers
+eene ongerijmdheid. Doch dat is niets. De negative kritiek der moderne
+wetenschap staat voor geene <span class="pagenum">[<a id="xd0e368"
+href="#xd0e368">XVI</a>]</span>ongerijmdheden. Als zij zich eenmaal in
+het hoofd gezet heeft niet te willen dulden dat het Oera Linda Boek
+echt is, dan moet het onecht wezen, het koste wat het wil. Nu loopt zij
+overal rond om den bedrieger te zoeken; er is zelfs sprake van geld
+bijeen te brengen om een prijs op zijn hoofd te stellen en den
+aanbrenger te beloonen. Doch alles even vruchteloos, om de eenvoudige
+en natuurlijke reden, dat die man niet bestaat en nooit bestaan
+heeft.</p>
+
+<p>Intusschen meent zij overal het publiek af te schrikken en richt tot
+iedereen de inquisitoriale vraag: geloof jij nog aan het Oera Linda
+Boek? Mijn antwoord is: ja Mijne Heeren. Ik heb nu bijna zes jaren lang
+dat boek door en door als &rsquo;t ware van binnen en van buiten
+bestudeerd, in verband met de geheele oude Grieksche en Latijnsche
+literatuur, maar nergens heb ik iets kunnen vinden, wat mij eenigen
+grond tot twijfel aanbood. Daarom geloof ik nog aan de echtheid van
+<span class="letterspaced">thet Oera Linda Bok</span>,<a class=
+"noteref" id="xd0e375src" href="#xd0e375">1</a> en om deze reden heb ik
+de eer u eene tweede uitgave daarvan aan te bieden.</p>
+
+<p><span class="smallcaps">Leeuwarden</span>, Sept. 1876.</p>
+
+<p><span class="smallcaps">Dr. J. G. Ottema.</span> <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e398" href="#xd0e398">XVII</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e375src" id="xd0e375">1</a></span> Het woord <span class=
+"letterspaced">Bok</span> wordt in het Handschrift overal zoo
+geschreven; en daarmede stemmen alle Oud-Friesche Rechtboeken overeen.
+De woordenboeken van v. Richthofen en Hettema schrijven <span class=
+"letterspaced">Bok</span> of <span class="letterspaced">Boc</span>. De
+spelling <span class="letterspaced">B&ocirc;k</span> is Kamper
+wanspraak.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e400" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Inleiding<a class="noteref" id="xd0e403src" href=
+"#xd0e403">1</a>.</h2>
+
+<p>De heer C. over de Linden aan den Helder, eerste Meesterknecht bij
+&rsquo;s Rijks Marine-werf, bezit een overoud Handschrift, dat sinds
+onheugelijke jaren in zijne familie vererfd en bewaard is, zonder dat
+iemand meer de herkomst daarvan wist, of den inhoud er van kende,
+wegens de onbekendheid van taal en schrift. Alleen wist men, dat eene
+daaraan verbondene traditie van geslacht tot geslacht de zorgvuldige
+bewaring daarvan had aanbevolen. Het is gebleken, dat die traditie
+berustte op den inhoud van twee brieven, waarmede het Handschrift
+aanvangt; van Hiddo oera Linda Ao. 1256 en van Liko oera Linda Ao.
+803.</p>
+
+<p>Het was aan hem gekomen volgens beschikking van zijn grootvader den
+heer Andries over de Linden, wonende te Enkhuizen en aldaar overleden
+den 15 April 1820, in den ouderdom van 61 jaren. Daar de kleinzoon
+echter destijds nog slechts 10 jaren oud was, moest het H. S. voor hem
+bewaard worden door zijne tante Aafje Meylhoff geb. over de Linden,
+wonende te Enkhuizen, die het in Augs. 1848 aan den tegenwoordigen
+eigenaar ten hand gesteld heeft.</p>
+
+<p>Dr. E. Verwijs daarvan kennis gekregen hebbende, verzocht van dit
+stuk inzage te mogen hebben en herkende het terstond voor zeer oud
+Friesch. Hij bekwam tevens vergunning er een afschrift van te
+vervaardigen ten behoeve van het Friesch Genootschap, en was van
+oordeel, dat het een stuk van groot belang kon wezen, bijaldien het
+niet een ondergeschoven en met bedriegelijke oogmerken verdicht
+geschrift <span class="pagenum">[<a id="xd0e412" href=
+"#xd0e412">XVIII</a>]</span>was, waarvoor hij vreesde. Het afschrift in
+mijne handen gesteld zijnde, liet ook mij in den aanvang nog in het
+onzekere, schoon ik minder bevreesd was, omdat ik niet konde begrijpen,
+dat iemand een valsch geschrift zoude opstellen zonder eenig doel, en
+alleen om het geheim te houden. Doch de onzekerheid bleef bestaan, tot
+dat ik naauwkeurige facsimil&eacute;s van een paar fragmenten en later
+het Handschrift zelf onder oogen kreeg. Het eerste gezicht daarvan
+stelde mij terstond omtrent den hoogen ouderdom van het geschrift
+gerust.</p>
+
+<p>Oogenblikkelijk toch stonden mij Caesars woorden voor den geest, als
+hij van het letterschrift der Galliers en Helvetiers sprekende B. G. I.
+29 en VI. 14 zegt: Graecis utuntur literis. Echter blijkt uit V. 48 dat
+het niet geheel grieksche letters waren. Caesar maakt dus slechts eene
+vergelijking en wel eene zeer juiste. Want het schrift, dat met geen
+bekende lettervormen geheel overeenkomt, gelijkt oppervlakkig nog het
+meest op het Grieksche schrift, zoo als het op monumenten of in de
+oudste handschriften voorkomt, en behoort tot den vorm, dien men
+lapidair of steenschrift noemt. Daarbij is mij later gebleken, dat de
+schrijver van het laatste gedeelte des boeks een tijdgenoot van Caesar
+geweest is. De vorm en oorsprong van dit schrift is in het eerste
+gedeelte des boeks zoo omstandig en uitvoerig beschreven, als men het
+van geene taal kan aanwijzen. Het is zeer volkomen en bestaat uit 34
+letterteekens, waaronder drie afzonderlijke vormen voor de a en u en
+twee voor de e, i, y en o, benevens vier zamengestelde of dubbelde
+medeklinkers: ng, th, ks en gs. De ng, die als neusklank in geene
+andere westersche taal een afzonderlijk teeken heeft, is eene
+ondeelbare verbinding, de th is zacht als in het Engelsen en wordt
+somwijlen door d vervangen, en de gs komt slechts zeer zelden voor, ik
+geloof alleen in het woord <i>segse</i>, zeggen, in het hedendaagsche
+Friesch <i>sidse</i>, uitgesproken <i>sisze</i>. <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e425" href="#xd0e425">XIX</a>]</span></p>
+
+<p>Het papier, groot kwarto formaat, is katoen papier, vrij dik, zonder
+water- of fabriekmerk, op een raam of draadvorm geschept, met niet zeer
+wijde perpendiculaire lijnen.</p>
+
+<p>Een inleidende brief geeft het jaar 1256 op als het jaar, waarin het
+afschrift vervaardigd is door Hiddo overa Linda op <i>overlandsch</i>
+of <i>buitenlandsch</i> papier. Diensvolgens zoude het afkomstig moeten
+zijn uit Spanje, waar de Arabieren destijds katoenpapier vervaardigden
+en in den handel brachten. Hieromtrent schrijft W. Wattenbach, das
+Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871), S. 93:</p>
+
+<p>&raquo;De vervaardiging van papier uit katoen moet bij de Chinezen
+sedert overoude tijden in gebruik geweest zijn, en bij de verovering
+van Samarkand omstreeks den jare 704 aan de Arabieren bekend geworden.
+Te Damascus werd dat fabriekaat een levendige tak van industrie, waarom
+het Charta Damascena genoemd werd. Door de Arabieren werd de kunst naar
+de Grieken overgebracht. Men beweert Grieksche handschriften uit de
+tiende eeuw op katoenpapier te hebben, en in de dertiende eeuw komen
+deze reeds menigvuldiger voor dan die op perkament.</p>
+
+<p>Men noemde het, om het van Egyptisch papier te onderscheiden, Charta
+bombycina, gossypina, cuttunea, xylina. Eene onderscheiding van het
+linnenpapier was toen nog niet noodig.</p>
+
+<p>Tot de vervaardiging van het katoenpapier bezigde men oorspronkelijk
+de ruwe boomwol. Papier uit lompen vindt men het eerst vermeld bij
+Petrus Clusiacensis (1122&ndash;1150.)</p>
+
+<p>Van de Arabieren leerden de Spanjaarden en de Italianen de
+vervaardiging van dit papier. De voornaamste fabrieken waren te Jativa,
+Valencia, Toledo, benevens Fabriano in de Mark Ancona.<a class=
+"noteref" id="xd0e444src" href="#xd0e444">2</a> <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e453" href="#xd0e453">XX</a>]</span></p>
+
+<p>In Duitschland is het gebruik van deze stof wel niet zeer verbreid
+geweest, tenzij het papier uit Italie of Spanje ingevoerd werd. Doch
+hoe meer de vervaardiging zich uit het oosten en de daarmede in verkeer
+staande landen uitbreidde, des te meer moest ook linnen in de plaats
+van katoen treden. Eene oorkonde van Kaufbeuren op linnenpapier uit het
+jaar 1318 is van twijfelachtige echtheid. Bodmann stelt het oudste
+zuiver linnenpapier in het jaar 1324; tot aan 1350 komt er ook nog
+gemengd papier voor.</p>
+
+<p>Alle zorgvuldig geschrevene Manuscripten uit den oudsten tijd toonen
+reeds door de regelmatigheid van de regels, dat zij gelinieerd geweest
+zijn, ook waar de sporen daarvan niet meer herkend kunnen worden.</p>
+
+<p>Tot het linieeren bezigde men eene dunne schijf van lood, een
+liniaal en een passer om de afstanden te bepalen.</p>
+
+<p>In oude handschriften is de inkt donker zwart of bruinachtig. Naar
+mate echter sedert de 13e eeuw meer geschreven werd, vertoont de inkt
+zich vaak grijs of geelachtig, of somtijds geheel verbleekt, ten
+bewijze dat zij ijzerhoudend is.&rdquo;</p>
+
+<p>Dit alles is volkomen van toepassing op het voor ons liggend
+Handschrift uit het midden der dertiende eeuw, beschreven met helder
+zwarte letters tusschen fijne naauwkeurig met lood getrokken lijnen. De
+kleur van de inkt toont duidelijk aan, dat zij niet ijzerhoudend is.
+Door deze kenteekenen wordt het opgegeven jaartal 1256 geheel gewettigd
+en valt er aan geen lateren oorsprong te denken. Maar daarmede vervalt
+ook alle verdacht van bedrog uit lateren tijd.</p>
+
+<p>De taal is overoud Friesch, nog ouder en veel zuiverder dan de taal
+van het Friesch <i>Rjuchtboek</i> of oude Friesche wetten en daarvan in
+vele vormen en spelling verschillende, zoodat zij een geheel
+afzonderlijken tongval of dialekt vertoont, en blijkens de lokaliteiten
+de taal moet geweest zijn, zoo als die gesproken werd van het Vlie tot
+aan de Schelde.</p>
+
+<p>De stijl is hoogst eenvoudig, beknopt, in korte volzinnen, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e471" href=
+"#xd0e471">XXI</a>]</span>ongedwongen zich bewegende, even als de
+dagelijksche spreektaal, en vrij in de vormen der woorden.</p>
+
+<p>De spelling is eveneens eenvoudig en gemakkelijk, zoodat de lezing
+geene de minste moeite kost; en bij alle regelmatigheden toch zoo vrij,
+dat ieder van de verschillende schrijvers, die aan het boek gewerkt
+hebben, zijne eigene bijzonderheden heeft, die voortkomen uit de
+wijziging van den klank der vokalen in verloop van lange tijdruimten,
+hetgeen natuurlijk het geval moet zijn, daar het laatste gedeelte vijf
+eeuwen later geschreven is als het eerste.</p>
+
+<p>Als antiquiteit van taal en schrift, geloof ik te kunnen zeggen, dat
+dit boek geheel eenig in zijne soort is.</p>
+
+<p>Het schrift geeft aanleiding tot eene misschien zeer gewichtige
+opmerking.</p>
+
+<p>De Grieken weten en erkennen, dat zij hun schrift niet hebben
+uitgevonden. Zij schrijven de invoering daarvan toe aan Kadmus, een
+Phenicier. De namen hunner oudste letters van de Alfa tot de Tau komen
+zoo geheel overeen met de namen der letters in het Hebreeuwsche
+Alfabet, waaraan het Phenicische wel naauw verwant zal geweest zijn,
+dat de Phenicische herkomst dier namen wel niet betwijfeld kan worden.
+Maar de vorm hunner letters verschilt zoo geheel en al van die in het
+Phenicisch en Hebreeuwsch schrift, dat in dit opzigt aan geene
+verwantschap te denken valt. Van waar hebben dus de Grieken die letter
+<i>vormen</i> ontvangen?</p>
+
+<p>Uit <i>thet bok th&ecirc;ra Adela follistar</i> (<i>het boek van
+Adelas helpers</i>) leeren wij, dat in den tijd, waarin die Kadmus moet
+geleefd hebben, omstreeks 16 eeuwen voor Christus, een levendig
+handelsverkeer bestond tusschen de Friesen en de Pheniciers, die zij
+Kadhemar, kustbewoners, noemden. De naam Kadmus komt te nabij dat woord
+Kadhemar, om niet te besluiten, dat Kadmus eenvoudig een Phenicier
+beteekent.</p>
+
+<p>Voorts lezen wij, dat omstreeks denzelfden tijd eene Priesteres van
+de Burgt op Walcheren, Min-erva, ook Nyhellenia <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e494" href="#xd0e494">XXII</a>]</span>genoemd, aan het hoofd
+eener Friesche kolonie, zich neergezet heeft in Attika en daar de burgt
+Athene gesticht heeft. Alsmede uit de berichten, opgeteekend aan de
+wanden der Waraburch, dat Findas volk ook een eigen schrift bezat, doch
+zeer omslachtig en moeijelijk om te lezen; en dat daarom de Tyriers en
+de Krekalanders het schrift van Frya hebben geleerd.</p>
+
+<p>Bij deze voorstelling verklaart de geheele zaak zich zelve, en is
+het duidelijk, waardoor die uiterlijke gelijkenis tusschen het
+Grieksche en oud Friesche schrift ontstaan is, welke ook Caesar in het
+oog gevallen is bij de Galliers; alsmede op welke wijze de Grieken de
+namen van Findas en de vormen van Fryas schrift nevens elkander hebben
+gekregen en behouden.</p>
+
+<p>Even opmerkelijk zijn de vormen der cijfers. Men noemt onze
+getalteekens gewoonlijk Arabische cijfers, ofschoon zij met de
+Arabische getalteekens niet de minste overeenkomst hebben. De Arabieren
+in Spanje hebben hunne cijfers niet uit het oosten medegebracht, want
+de Semitische volken bezigden het geheele alfabet tot het opschrijven
+van getallen. De wijze van met 10 teekens alle getallen uit te drukken
+hebben de Arabieren in het westen geleerd, doch daar vormen voor
+gekozen eenigermate in overeenstemming met die van hun letterschrift,
+en toch geschreven van de linker naar de rechterhand op Westersche
+manier. Onze cijfers blijken hier oorspronkelijk Friesche cijfers
+(siffar) te wezen, wier vorm denzelfden oorsprong heeft als het
+letterschrift en aan de lijnen van het Juul ontleend is.</p>
+
+<p>Het boek, zooals het voor ons ligt, bestaat uit twee van elkander
+zeer verschillende, en in tijd vrij ver verwijderde gedeelten. Als
+schrijfster van het eerste gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van
+Apol, grevetman over de Lindaoorden. Dit is vervolgd door haren zoon
+Adelbrost en hare dochter Apollonia. Het eerste boek loopende van pag.
+1&ndash;88 (hier <span class="pagenum">[<a id="xd0e502" href=
+"#xd0e502">XXIII</a>]</span>p. 4&ndash;120) is geschreven door Adela.
+Een vervolg van pag. 88&ndash;94 (122&ndash;128) is begonnen door
+Adelbrost en voortgezet door Apollonia. Het tweede boek loopende van
+pag. 94&ndash;114 (128&ndash;154) is geschreven door Apollonia. Veel
+tijd, misschien 250 jaren later, is een derde boek geschreven van pag.
+114&ndash;134 (156&ndash;180) door Frethorik. Vervolgens van pag. 134
+tot 143 (180&ndash;192) door zijne weduwe Wiljow, daarna van pag.
+144&ndash;169 (194&ndash;226) door hun zoon Konereed, alsdan van pag.
+169&ndash;192 (226&ndash;232) door hun kleinzoon Beeden; nu ontbreken
+bl. 193 en 194, waarmede het laatste stuk pag. 195&ndash;210
+(235&ndash;253) moet hebben aangevangen, daardoor is de schrijver ons
+onbekend, hij zal wel een zoon van Beeden geweest zijn. Door Wiljow
+worden op bl. 134 (182) nog andere geschriften genoemd; daar vermeldt
+zij thet bok th&ecirc;ra sanga, (thet bok) th&ecirc;ra tellinga, and
+thet Hell&ecirc;nia bok; en vervolgens tha skrifta fon Dela jeftha
+Hell&ecirc;nia.</p>
+
+<p>Voor de tijdsbepalingen moeten wij uitgaan van het jaar 1256 na
+Christus, waarin Hiddo overa Linda het afschrift vervaardigd heeft, en
+waarvan hij zegt, dat het was het 3449 jaar nadat Atland verzonken is.
+Dit vergaan van het oude land, &acirc;ldland, &acirc;tland, is bij de
+Grieken ook in geheugen geweest en Plato maakt in zijn Timaeus, 24, nog
+melding van het verdwenen Atlantis, van welks ligging niets anders
+bekend was, dan dat het ver buiten de zuilen van Herkules had gelegen.
+Uit dit geschrift blijkt, dat het een uitgestrekt land geweest is ten
+westen van Jutland, waarvan Helgoland en de Noordfriesche eilanden de
+laatste schamele overblijfselen zijn. Deze gebeurtenis, waardoor het
+schijnt dat een groote verstrooijing van den Frieschen stam veroorzaakt
+is, was het aanvangspunt eener eigene tijdrekening, overeenkomende met
+2193 voor Chr. Bij de geologen bekend als de eerste <i>Cimbrische
+vloed</i>.</p>
+
+<p>Op bladzijde 80 (110) begint een verhaal in het jaar 1602 nadat
+Atland verzonken is en dus met 591 voor Chr., en bl. 82 (112) <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e511" href="#xd0e511">XXIV</a>]</span>het
+verhaal van den moord gepleegd aan Fr&acirc;na, Eeremoeder op Texland,
+twee jaren later, en dus 589. Wanneer nu Adela haar geschrift aanvangt
+met haar eigen optreden in eene volksvergadering, 30 jaren na den dag
+dat de Eeremoeder was omgebracht, dan zijn wij in het jaar 559 voor
+Chr. Uit het schrijven van hare dochter Apollonia vernemen wij, dat
+Adela 15 maanden na die vergadering, bij eene overrompeling van Texland
+door de Finnen, verslagen is; dit moet dus gebeurd zijn in 557 voor
+Chr. en hieruit volgt, dat het eerste boek door Adela geschreven is in
+558 voor Chr. Het tweede boek, door Apollonia geschreven, mag dus
+gesteld worden omstreeks het jaar 530 voor Chr.</p>
+
+<p>Het latere gedeelte behelst de geschiedenis van de bekende Koningen
+van Friesland, Friso, Adel (Ubbo) en Asega Askar, genaamd zwarte Adel.
+Evenwel is van den derden Koning Ubbo niets gemeld, of liever dit stuk
+is verloren gegaan, bl. 169&ndash;188 (zie bl. 226) ontbreken.
+Frethorik, de eerste schrijver, die hier voorkomt, is een tijdgenoot
+van de gebeurtenissen, die hij verhaalt, namelijk de komst van Friso.
+Hij is een vriend van Liudgert, den Geertman, die als skelta bi
+th&ecirc;r nacht op de vloot van Wichhirte den s&ecirc;kening met Friso
+hier was gekomen, in &rsquo;t jaar 303 voor Chr., 1890 jaren nadat
+Atland verzonken was. Uit het dagboek van Liudgert heeft hij vele van
+zijne berichten ontleend.</p>
+
+<p>De laatste schrijver geeft zich zelven zeer duidelijk te kennen als
+een tijdgenoot van Zwarte Adel of Askar, omstreeks het midden van diens
+regering, welke bij Furmerius gesteld wordt van 70 v&oacute;&oacute;r
+11 na Chr. gelijktijdig met Julius Ceasar en Augustus. Hij schreef dus
+in het midden der eerste eeuw voor Chr. en droeg kennis van de
+verovering van het land der Golen (Galliers) door de Romeinen.</p>
+
+<p>Er liggen dientengevolge ruim twee eeuwen tusschen de beide
+afdeelingen van het handschrift.</p>
+
+<p>Van die G&ocirc;la lezen wij bl. 84: alsa h&ecirc;ton tha
+s&aring;ndalinga <span class="pagenum">[<a id="xd0e521" href=
+"#xd0e521">XXV</a>]</span>prestera Sidonis. En op bl. 124: tha Gola
+jeftha Trowyda.</p>
+
+<p>De Golen zijn dus de Druiden, en de naam Galli, overgedragen op het
+geheele volk, eigenlijk de naam van eene Priesterorde of Priesterstam
+van oostersche herkomst, even als bij de Romeinen de Galli, Priesters
+van Cybele.</p>
+
+<p>De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw, namelijk er
+staat bijna niets in, dat wij van elders reeds wisten. Hetgeen wij hier
+van Friso, Adel en Askar lezen, verschilt gansch en al van hetgeen onze
+bekende kronijkschrijvers weten te vertellen, of wel doet zulks in een
+geheel ander daglicht beschouwen. B. v. allen verhalen dat Friso uit
+Indie gekomen is, en dat dus de Friesen uit Indie afkomstig zijn, en
+toch voegen zij er bij dat Friso een Germaan was en behoorde tot een
+Persische stam, dien Herodotus Germanen noemt <span class="trans"
+title="Germanioi"><span class="Greek" lang="el">
+&Gamma;&epsilon;&rho;&mu;&#8049;&nu;&iota;&omicron;&iota;</span></span>.
+Naar de berichten, die we hier ontmoeten, is Friso ook uit Indie
+gekomen en wel met de vloot van Nearchus, maar hij is daarom geen
+Indi&euml;r, hij is van Friesche afkomst, van Fryas volk. Hij behoort
+namelijk tot eene kolonie Friesen, die na den dood van
+Nijhell&ecirc;nia, 15&frac12; eeuwen voor Chr., onder aanvoering eener
+Priesteres Geert, zich aan den Pangab (Indus) neergezet en den naam
+Geertmannen aangenomen hebben. Die Geertmannen zijn slechts bij een van
+de Grieksche schrijvers bekend, namelijk bij Strabo, die hen vermeld
+als <span class="trans" title="Germanes"><span class="Greek" lang="el">
+&Gamma;&epsilon;&rho;&mu;&#8118;&nu;&epsilon;&sigmaf;</span></span>
+eene van de <span class="trans" title="Brachmanes"><span class="Greek"
+lang="el">
+&Beta;&rho;&alpha;&chi;&mu;&#8118;&nu;&epsilon;&sigmaf;</span></span>
+in zeden, taal en godsdienst geheel en al verschillende volkstam.</p>
+
+<p>Bij de schrijvers van Alexanders tochten worden noch Friesen noch
+Geertmannen genoemd, doch zij spreken van Indoscythae; en geven
+daardoor te kennen een volk, dat wel in Indie woont, maar uit het verre
+onbekende Noorden afkomstig is.</p>
+
+<p>In de berichten van Liudgert worden geene namen genoemd van
+plaatsen, waar die Friesen in Indie gewoond hebben. Wij vernemen
+alleen, dat zij zich eerst in het land ten oosten van den Pangab hebben
+nedergezet, en later verhuisd <span class="pagenum">[<a id="xd0e555"
+href="#xd0e555">XXVI</a>]</span>zijn naar den westelijken oever dier
+rivier. Verder wordt als eene bijzonderheid medegedeeld, dat in den
+zomer de zon op den middag recht boven hun hoofd stond. Zij woonden dus
+nagenoeg onder den keerkring. En nu vinden wij bij Ptolomeus (zie b. v.
+de kaarten van Kiepert) juist daar op 24&deg; N. B. aan den westelijken
+oever van den Indus den naam Minnagara, en een graad of zes oostelijk
+van daar op 22&deg; N. B. nog een Minnagara. Die naam is zuiver
+Friesch, gelijk Walhallagara, Folsgara, en gevormd van Minna, den naam
+eener Eeremoeder (zie pag. 74), in wier tijd de tochten van Teunis en
+zijn neef Inka plaats vonden.</p>
+
+<p>Die overeenkomst is te opmerkelijk om enkel toevallig te wezen, en
+niet dat Minnagara voor de hoofdplaats dier Friesche kolonie te
+houden.</p>
+
+<p>De vestiging van die kolonie in Indie aan den Pangab in 1551 voor
+Chr. en hunne reis derwaarts, vinden wij in Adela&rsquo;s boek vrij
+uitvoerig beschreven, en wel met de bijvoeging van eene uiterst
+merkwaardige bijzonderheid, namelijk dat die Friesche zeelieden gevaren
+zijn <i>door de straat welke in die tijden nog op de Roode Zee
+uitliep</i>. Uit een bericht bij Strabo L. I fol. 38 en 50 blijkt dat
+Eratosthenes nog kennis gedragen heeft van die voormalige
+zee&euml;ngte, waarvan de latere geografen geene melding meer maken.
+Zij bestond nog in de dagen van Mozes, Exod. XIV : V, daar hij zich
+legerde bij <i>Pi ha chiroht</i>, den <i>mond der zee&euml;ngte</i>.
+Strabo vermeldt bovendien, dat Sesostris eene poging gedaan heeft om de
+landengte door te graven, maar dat plan niet heeft kunnen
+uitvoeren.</p>
+
+<p>Dat daar werkelijk eertijds de zee doorgestroomd heeft, bewijzen de
+uitkomsten van het geologisch onderzoek van de landengte door de
+commissie voor het kanaal van Suez, waarvan de heer Renaud op den 19
+Junij 1856 een rapport heeft uitgebracht bij de Academie des Sciences.
+In dat rapport komt onder anderen voor: <span lang="fr">Une question
+fort controvers&eacute;e <span class="pagenum">[<a id="xd0e574" href=
+"#xd0e574">XXVII</a>]</span>est celle de savoir, si &agrave;
+l&rsquo;&eacute;poque o&ugrave; les Hebreux fuyaient de l&rsquo;Egypte
+sous la conduite de Mo&iuml;se, les lacs am&egrave;rs faisaient encore
+partie de la mer rouge. Cette derni&egrave;re hypoth&egrave;se
+s&rsquo;accorderait mieux que l&rsquo;hypoth&egrave;se contraire avec
+le texte des livres sacr&eacute;s, mais alors il faudrait admettre que
+depuis l&rsquo;&eacute;poque de Mo&iuml;se le seuil de Suez serait
+sorti des eaux.</span></p>
+
+<p>Ten aanzien van deze vraag is het zeker van belang in dit Friesche
+handschrift een bericht te ontmoeten, waaruit blijkt dat in het midden
+der 16e eeuw voor Chr. de verbinding van de Bittermeeren met de Roode
+Zee nog bestond en de straat nog bevaarbaar was.</p>
+
+<p>Het handschrift bericht verder, dat kort na die doorvaart van de
+Geertmannen <i>beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo
+hoog ophief, dat al het water de straat uitliep en dat alle wadden en
+schorren als een wal oprezen</i>.</p>
+
+<p>Deze dingen zullen dus na den tijd van Mozes geschied zijn, zoodat
+tijdens de uittocht (1564) de streek tusschen Suez en de Bittermeeren
+nog wel bevaarbaar was, maar bij lagen waterstand droogvoets kon worden
+doorgetrokken.</p>
+
+<p>Dit punt is dus de oorspronkelijke Isthmus, na welks vorming zeker
+spoedig de verdere inham noordwaarts tot aan de golf van Pelusium
+geheel is opgeslibd.</p>
+
+<p>Een duidelijk overzicht over de formatie van dit terrein geeft de
+kaart gevoegd bij: <span lang="fr">l&rsquo;ann&eacute;e scientifique et
+industrielle etc. par Louis Figuier (premi&egrave;re ann&eacute;e).
+Paris, Hachette, 1857.</span></p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Een ander bericht, dat ook alleen bij Strabo voorkomt, vindt hier
+insgelijks eene opheldering en bevestiging. Strabo namelijk is onder de
+Grieksche schrijvers de eenige die vermeldt, dat Nearchus na zijne
+troepen in de Persische golf aan den mond van de Pasitigris te hebben
+ontscheept, op bevel van Alexander met zijne vloot weer de Persische
+golf uitgezeild en om Arabie heen door de Arabische golf gestevend
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e597" href=
+"#xd0e597">XXVIII</a>]</span>is. Zoo als dit bericht daar staat, is het
+niet duidelijk wat Nearchus daar te maken had en wat het doel van die
+verdere tocht wezen kon; enkel tot het doen van geographische
+onderzoekingen, zoo als Strabo meent, behoefde hij toch niet eene
+gansche vloot mede te nemen, daartoe was een schip of twee voldoende.
+Wij lezen ook niet dat hij weer teruggevaren is; waar is hij dan met
+die vloot gebleven?</p>
+
+<p>Op deze vraag vinden wij hier het antwoord in de Friesche lezing van
+de geschiedenis. Alexander had die schepen aan den Indus gekocht van,
+of laten bouwen door de daar gevestigde afstammelingen van de Friesen,
+de Geertmannen, en van hen scheepsvolk in dienst genomen, en aan het
+hoofd van deze bevond zich Friso. Alexander had na de volbragte tocht
+en het transport van de troepen, die schepen in de Persische Golf niet
+meer noodig, maar wilde ze in de Middellandsche zee gebruiken. Dat had
+hij in zijn hoofd gezet en dat moest gebeuren. Alexander wilde iets
+doen, dat niemand voor hem gedaan had. Te dien einde moest Nearchus de
+Roode zee opvaren, en aan het eind daarvan gekomen (bij Suez), vond hij
+daar 200 elephanten en duizend kameelen en werklieden en gereedschap,
+balken, touwen enz., om de schepen op het land te halen en over de
+landengte te slepen. Dit werk werd met zooveel overleg en ijver
+ondernomen en voltooid, dat na een arbeid van drie maanden de vloot in
+de Middellandsche zee weer te water gelaten werd. Dat de vloot
+werkelijk in de Middellandsche zee gebracht is, blijkt uit het bericht
+van Plutarchus (vit. Alexandri), doch deze laat te dien einde Nearchus
+met de vloot om Afrika heen door de straat van Hercules zeilen. Na de
+nederlaag bij Actium heeft Kleopatra, in navolging van dit voorbeeld,
+getracht hare vloot over den Isthmus te brengen, om naar Indie te
+ontsnappen. Zij is daarin verhinderd door de Petraeische Arabieren, die
+hare schepen in brand staken. (Zie Plutarchus vit. Antonii.) <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e601" href="#xd0e601">XXIX</a>]</span></p>
+
+<p>Friso is, toen kort daarop Alexander stierf, in dienst gebleven van
+Antigonus en Demetrius, totdat hij door den laatste op eene
+schandelijke wijze beleedigd zijnde, besloot met zijne manschappen het
+oorspronkelijke moederland, Friesland, op te zoeken. Naar Indie
+terugkeeren kon hij trouwens niet. Zoo vullen de berichten elkander aan
+en helderen elkander op, en verleenen daardoor eene wederkeerige
+bevestiging.</p>
+
+<p>Zulke enkele trekken en verrassende uitkomsten leiden mij tot het
+besluit, dat wij hier met meer te doen hebben, dan met bloote sagen of
+legenden.</p>
+
+<p>Sints een twintigtal jaren is de aandacht getrokken door de
+overblijfselen van paalwoningen, het eerst opgemerkt in de meeren van
+Zwitserland en vervolgens in een aantal streken van Europa gevonden.
+Men zie daarover Dr. E. R&uuml;ckert, Die Pfalhbauten. W&uuml;rtzburg
+1869, of Dr. T. C. Winkler, in de Volksalmanak t. N. v. A. 1867. Toen
+men ze gevonden had, trachtte men uit de onder het water aanwezige
+fragmenten van wapens, gereedschappen en huisraad na te sporen, door
+wie en wanneer deze verblijfplaatsen bewoond geweest waren. Uit
+berichten van historieschrijvers bleek daaromtrent niets meer, dan
+hetgene Herodotus Lib. v. c. 16 van de Paeonen schrijft. Alleen vond
+men eene spoor in een der tafereelen op de zuil van Trajanus, waarin de
+verwoesting van een paaldorp in Dacie is afgebeeld. Dubbel belangrijk
+is het daarom uit het geschrift van Apollonia te vernemen, dat zij als
+burgtmaagd (omstreeks 540 v. Chr.) eene reis langs den Rijn gedaan,
+Switserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners (Marsaten)
+heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op palen gebouwde
+woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze. Zij vermeldt, dat
+die Marsaten van vischvangst en jacht leven, en de huiden van het wild
+bereiden met de schors van berkenboomen, om die pelterij te verkoopen
+aan de Rijnschippers, die ze verder in den handel brengen. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e608" href="#xd0e608">XXX</a>]</span></p>
+
+<p>Dit bericht omtrent de paalwoningen in de meeren van Switserland kan
+niet geschreven zijn, dan in een tijd toen die paaldorpen nog bestonden
+en bewoond werden.</p>
+
+<p>In het tweede gedeelte van het Handschrift wordt door Koner&ecirc;d
+oera Linda vermeld, dat Adel de zoon van Friso (&plusmn; 260 j. v.
+Chr.) met zijne vrouw Ifkja ook die paaldorpen in Switserland bezocht
+heeft, &raquo;fon Walhallag&acirc;ra br&ucirc;don hja alingen
+th&ecirc;ra s&ucirc;der Hr&ecirc;num al-ont hja mith gr&acirc;te
+fr&ecirc;se boppa th&ecirc;re R&ecirc;ne by tha M&acirc;rs&acirc;ta
+k&ecirc;mon, hw&ecirc;rfon vsa Apoll&ocirc;nja skr&ecirc;ven heth. Tha
+hja th&ecirc;r en st&ucirc;t w&ecirc;st h&ecirc;de, gvngon hja wither
+n&ecirc;i tha delta.&rdquo;</p>
+
+<p>Later als dit bericht komt bij geen schrijver ergens eenige
+vermelding van die paalwoningen voor en is die zaak gedurende twintig
+eeuwen volkomen onbekend gebleven, totdat in den jare 1853, bij
+buitengewoon lagen waterstand, overblijfselen van zulke woningen
+ontdekt zijn. Daarom heeft niemand zulk een bericht in lateren tijd
+kunnen verzinnen.</p>
+
+<p>Hoewel een groot gedeelte van het eerste stuk, het Boek van Adela,
+geheel valt in het Mythologisch Tijdvak v&oacute;&oacute;r den
+Trojaanschen oorlog, is hier in de verhalen een groot verschil met de
+Grieksche Mythen in het oogloopend. De Mythen kennen geene
+tijdsbepaling, veel min eene geregelde tijdrekening. Bij de Mythen
+bestaat geen inwendige zamenhang of consequentie. De vrije verdichting
+ontwikkelt zich in iedere sage afzonderlijk en onafhankelijk. De
+Mythologische verhalen weerspreken elkander bijna op ieder punt. <i
+lang="fr">Les Mythes ne se tiennnent pas</i> is de eenige sleutel op de
+Grieksche Mythologie<span class="corr" id="xd0e620" title="Niet in
+bron">.</span></p>
+
+<p>Hier daarentegen ontmoeten wij eene geregelde jaartelling uitgaande
+van een vast punt, het vergaan van Atland (2193 voor Chr.) De verhalen,
+natuurlijk, eenvoudig, vaak na&iuml;f, weerspreken elkander nimmer, en
+zijn altijd met elkander bestaanbaar, ook in plaats en tijd. Als b. v.
+de komst en het verblijf van Ulysses bij de Burgtmaagd Kalip op
+Walhallagara <span class="pagenum">[<a id="xd0e625" href=
+"#xd0e625">XXXI</a>]</span>(Walcheren), &rsquo;t gene wel het meest
+sagenhafte stuk is van allen, hier gesteld is op 1005 jaren nadat
+Atland verzonken is, dan komt dat uit op 1188 jaren voor Chr. en dus
+vrij nabij overeen met den tijd, waarin de Grieken meenen, dat de
+Trojaansche oorlog heeft plaats gehad. Die Ulysses-sage is hier niet
+door de Romeinen aangebracht. Tacitus vond ze reeds in Neder Germanie
+(zie Germania cap. 3) en zegt er bij, dat te Asciburgium een altaar
+was, waarop de naam van Ulysses en die van zijn vader La&euml;rtes
+gelezen werd.</p>
+
+<p>Een ander kenmerkend onderscheid bestaat daarin, dat de Mythe geene
+herkomst kent, voor hare verhalen nooit berichtgevers of schrijvers
+noemt, en dus nimmer eenig gezag weet aan te voeren. In Adelas boek
+daarentegen wordt bij ieder verhaal opgegeven, waar het gevonden of
+waaruit het ontleend is, b. v. dit is uit Minno&rsquo;s schriften, dit
+is aan de Wanden der Waraburch gegrift, dit aan de Fryas burch, dit te
+Stavia, dit op Walhallagara.</p>
+
+<p>En dan is er nog iets. Wetten, geregelde wetgevingen, gelijk zij in
+Adelas boek in vrij grooten getale voorkomen, zijn in de Mythologie
+eene onbekende en met haar wezen onvereenigbare zaak. Zelfs als de
+Mythe aan Minos toeschrijft de invoering van eene wetgeving op Kreta,
+dan weet zij van die wetgeving zelve niet het geringste te berichten.
+Ook in de Mythische godenwereld bestaat geene wetgeving, de eenige wet
+is daar het onveranderlijke Noodlot, of de wil van den oppermachtigen
+Zeus.</p>
+
+<p>Ten opzichte van de Mythologie is dit geschrift, dat zelf geen
+mythisch karakter draagt, niet minder merkwaardig dan voor de
+geschiedenis. Ondanks de vele en velerlei betrekkingen met Denemarken,
+Zweden (Sk&ecirc;nland = Schonen) en Noorwegen (Northland), vindt men
+hier geene sporen van bekendheid met de Noordsche of Scandinavische
+mythologie. Alleen schijnt Wodan hier voor te komen als Wodin, een
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e633" href=
+"#xd0e633">XXXII</a>]</span>Friesch heerman, die door een Magy, koning
+der Finnen, tot schoonzoon aangenomen en na zijn dood vergood is.</p>
+
+<p>De Friesche godenleer of liever godsdienst, is hoogst eenvoudig en
+zuiver Monotheisme. Wralda of Wralda&rsquo;s geest is het eenige,
+eeuwige, onveranderlijke, volmaakte en almachtige wezen. Wralda heeft
+alle dingen geschapen; alles komt uit hem voort, eerst de aanvang, dan
+de tijd, en vervolgens Irtha, de Aarde. Irtha baart drie dochters Lyda,
+Finda en Frya, de stammoeders van de drie menschenrassen, het zwarte,
+het geele en het blanke (Afrika, Asia en Europa). Als zoodanig is Frya
+de moeder van Frya&rsquo;s volk, de Friezen. Zij is de
+vertegenwoordigster van Wralda en wordt als zoodanig vereerd. Frya
+heeft hare <i>tex</i> gegeven, de eerste wet, en de eeredienst
+ingesteld van het eeuwige licht. Die dienst bestaat in het onderhouden
+van de altijd brandende lamp, foddik, door priesteressen, maagden; aan
+het hoofd dier maagden staat op alle burgten eene Burgtmaagd; de
+opperste van alle Burgtmaagden, is de Eeremoeder op de Fryasburgt op
+Texland. De Eeremoeder heerscht over het geheele land; de Koningen
+mogen niets doen, er mag niets geschieden, buiten hare raad en
+goedkeuring. De eerste Eeremoeder is door Frya zelve aangesteld, zij
+heette F&aring;sta. Met &eacute;&eacute;n woord, wij ontmoeten hier de
+prototype van de Romeinsche Vestadienst en de Vestaalsche maagden.</p>
+
+<p>Men denke hierbij aan Velleda (Welda) en Aurinia bij Tacitus Germ. 8
+Hist. IV. 61. 65. V. 22. 24. Annal. I. 51 en Gauna de opvolgster van
+Velleda bij Dio Cassius fragm. 49.</p>
+
+<p>Van de burgt van Velleda spreekt Tacitus als eene <i lang="la">edita
+turris</i>; Verg. hier bl. 146. Zij was de burgt Mannagarda forda
+(Munster). In het land der Marsi noemt hij deze burgt Templum Tanfane
+(Tanfanc) zoo genoemd naar het teeken van het Juul. Zie <a href=
+"#plaat1">plaat I</a>.</p>
+
+<p>De laatste dier burgten is de F&aring;staburgt op Ameland geweest,
+templum Foste, volgens Occa Scarlensis verwoest in het jaar 806. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e652" href="#xd0e652">XXXIII</a>]</span></p>
+
+<p>Ontmoeten wij hier bij de Friezen een Godsbegrip en godsdienstige
+denkbeelden, geheel verschillende van de mythologien bij andere volken,
+nog onverwachter komen ons hier zaken voor, die in het nauwste verband
+staan met de Grieksch-Romeinsche Mythologie en wel met de herkomst van
+twee godheden van den eersten rang, Minerva en Neptunus. Min erva
+(Ath&eacute;n&egrave;), is oorspronkelijk eene burgtmaagd, priesteres
+van Frya op de burgt Walhallagara, Middelburg, of Domburg, op
+Walcheren. En deze zelfde Min erva is tevens die geheimzinnige,
+raadselachtige godin, van welker vereering bijna geene sporen zijn
+overgebleven, dan alleen op Walcheren in de votivsteenen te Domburg,
+Nehalennia<a class="noteref" id="xd0e655src" href="#xd0e655">3</a>, van
+welke geene mythologie iets naders weet dan enkel den naam, waarvan de
+etymologie zich heeft meester gemaakt tot het uitvinden van allerlei
+fantastische afleidingen.</p>
+
+<p>De andere, Neptunus, bij de Etruriers Nethunus, de God van de <span
+class="corr" id="xd0e672" title="Bron: Middelandsche">
+Middellandsche</span> zee, blijkt hier bij zijn leven een Friesche
+Viking, zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga
+(Ouddorp niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Teunis, in de wandeling
+bij zijne manschappen Neef Teunis genoemd, die vooral de Middellandsche
+zee tot het doel en tooneel zijner tochten gekozen had, en door de
+Tyriers vergood zoude zijn, in den tijd toen de Phenicische zeevaart
+zich aanmerkelijk begon uit te breiden en naar Friesland stevende, om
+hier Britsch tin, Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balda (Baltische)
+zee te halen, omstreeks 2000 jaren v. Chr.</p>
+
+<p>Behalve dit tweetal ontmoeten wij nog een derde Mythologisch
+persoon, Minos, de wetgever van Kreta, die alsmede verschijnt als een
+Friesche zeekoning Minno, geboren te Lindaoord tusschen Wieringen en
+Kreyl, die aan de Kreters <span class="pagenum">[<a id="xd0e677" href=
+"#xd0e677">XXXIV</a>]</span>een Asegaboek heeft medegedeeld. Namelijk
+die Minos, die met zijn broeder Rhadamanthus en Aeakus als rechter in
+de onderwereld over het lot der schimmen beslist. Niet te verwarren met
+den lateren Minos, den tijdgenoot van Aegeus en Theseus, die voorkomt
+in de Atheensche sage.</p>
+
+<p>Bij deze voorstelling kan misschien iemand zijn lachen niet
+bedwingen, en kaatst hij mij het straks gebezigde woord fantastisch
+terug met dat van avontuurlijk. Ook ik kon eerst mijne oogen niet
+gelooven, en toch ben ik bij nadere overweging gekomen tot de
+ontdekking van verrassende overeenkomsten, die de zaak vrij wat minder
+avontuurlijk maken, als de geboorte van Athene uit het hoofd van Zeus
+door een bijlslag van Hephaistos.&mdash;B. v.</p>
+
+<p>De Grieksche Mythologie kent van alle Goden eene jeugd, alleen
+Pallas heeft geene jeugd, zij is niet anders bekend dan als volwassen.
+Minerva komt als opperpriesteres uit den vreemde, uit een den
+Krekalanders onbekend land, in Attica. Pallas is eene maagdelijke
+godin, Minerva is eene burgtmaagd. De blonde, blaauwoogige Pallas
+onderscheidt zich door deze type van de overige goden en godinnen, als
+behoorende tot Fryas volk. De wijsheid van beide en de zinnebeeldige
+attributen zijn dezelfde, inzonderheid de uil. Pallas geeft aan de
+nieuwe stad haren naam Ath&egrave;nai, die overigens in &rsquo;t
+Grieksch geene beteekenis heeft: Minerva geeft aan de door haar
+gestichte burgt den naam Athene, die in het Friesch wel eene beteekenis
+heeft en te kennen geeft dat zij als vrienden <i>&acirc;then</i> daar
+gekomen zijn. Minerva komt in Attica omstreeks 1600 jaren voor Chr. in
+het tijdperk, waarin zich de Grieksche godenleer begint te vormen.
+Minerva is met de vloot van Jon aan het hoofd van eene kolonie in
+Attica geland; op Walcheren vindt men haar in later tijd blijkens de
+Romeinsche votivsteenen onder den naam Nehalennia vereerd als eene
+godin van de scheepvaart; en bij de Atheners is Pallas de beschermgodin
+van scheepsbouw en zeevaart. <span class="pagenum">[<a id="xd0e686"
+href="#xd0e686">XXXV</a>]</span></p>
+
+<p>De Tijd is de Kroder, de kruijer, die eeuwig met het <i>jol</i>, het
+wiel, moet rondloopen, en voeren de zon langs hare baan door het
+stergewelf van winter-zonnestand tot winter-zonnestand. Zoo vormt hij
+de jaren, waarbij elke omwenteling van het wiel een dag uitmaakt. Te
+midwinter wordt het Jolfeest gevierd op Fryasdag. Dan worden koeken
+gebakken in den vorm van het zonnerad, want van dat Jol heeft Fryas de
+letters gemaakt, toen zij hare Tex schreef, en het Jolfeest is daarom
+ook een feest ter eere van Frya als uitvindster van het
+letterschrift.</p>
+
+<p>Even zoo als dit Jolfeest in Denemarken en geheel Duitschland door
+de Christenheid op &rsquo;t Kerstfeest en in ons land op St.
+Nikolaasdag verplaatst is, even zoo zeker zijn onze St. Nikolaaspoppen,
+de vrijster en de vrijer, eene herinnering aan Frya, en onze St.
+Nikolaas (banket) letters eene gedachtenis aan Fryas van het Zonnerad
+gevormd letterschrift.</p>
+
+<p>Ik kan niet den geheelen inhoud van dit merkwaardige geschrift
+ontleden en moet mij vergenoegen met de gemaakte opmerkingen. Zij mogen
+eenig denkbeeld geven van den rijkdom en belangrijkheid van dien
+inhoud. Want al loopen er Sagen onder, ook als Sagen moeten zij waarde
+hebben voor ons, dewijl van den Sagenschat van ons voorgeslacht zoo
+goed als niets was overgebleven.</p>
+
+<p>Een inwendig bewijs voor de oudheid van deze geschriften ligt ook
+daarin, dat de naam Batavieren er nog niet in voorkomt. De inwoners van
+het geheele land tot aan de Schelde zijn Fryas volk, Friezen. De
+Batavieren zijn niet een afzonderlijk volk geweest. De naam Batavi is
+eene uitvinding van de Romeinen, die dezen naam gegeven hebben aan de
+bewoners van het land ter weerzijde van de Waal, welke rivier op de
+Tabula Peutingeriana den naam Patabus draagt. Die naam Batavi komt ook
+niet vroeger voor dan bij Tacitus en Plinius, want de bekende plaats
+bij Caesar B. G. IV. 10, is geinterpoleerd. Zie mijne verhandeling over
+den loop der <span class="pagenum">[<a id="xd0e698" href=
+"#xd0e698">XXXVI</a>]</span>rivieren door het land der Friesen en
+Batavieren bl. 49 in de Vrije Fries, IV Deel 1e Stuk, 1845.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Met nog eene opmerking betreffende de taal wil ik eindigen.</p>
+
+<p>Zij die nog slechts eene oppervlakkige inzage van het H. S. hebben
+kunnen nemen, zijn getroffen door de beschaafdheid van de taal en de
+overeenkomst met het tegenwoordige Friesch en Hollandsch. Hierin meenen
+zij een grond te zien voor twijfel aan de oudheid van het
+geschrift.</p>
+
+<p>Maar ik vraag: is dan de taal van Homerus veel minder beschaafd dan
+die van Plato of Demosthenes? en leeft niet het grootste deel van den
+Homerischen woordenschat nog voort in het Grieksch van onze dagen?</p>
+
+<p>Het is waar, eene taal beweegt zich altijd, en is steeds aan kleine
+veranderingen onderhevig, waardoor men verschil vindt bij dezelfde taal
+in onderscheidene tijdperken. Deze wisseling van de taal geeft juist in
+dit H. S. stof tot belangrijke opmerkingen voor den taalbeoefenaar.
+Want niet alleen, dat van de acht schrijfsters en schrijvers, die
+achtereenvolgende aan dit boek gewerkt hebben, ieder zich kenmerkt door
+kleine eigenaardigheden in stijl, taal en spelling; maar vooral
+tusschen de beide afdeelingen van het boek, waar tusschen een
+tijdverloop van meer dan twee eeuwen ligt, is een in het oog vallend
+verschil aanwezig, dat aantoont, welk een langzaam voortgaande
+wijziging de taal in dat bestek ondervonden heeft.</p>
+
+<p>Als slotsom van deze beschouwingen kom ik tot het besluit, dat ik
+geene reden vinden kan, om aan de echtheid van dit geschrift te
+twijfelen. Verdichting kan het niet zijn. In de eerste plaats het
+afschrift van 1256 kan het niet zijn. Wie had in dien tijd zoo iets
+kunnen verdichten? Zeker niemand, en vroeger nog veel minder. In
+lateren tijd is eene verdichting evenzeer onmogelijk, om de eenvoudige
+reden, dat niemand meer die taal machtig was. Buiten de namen van Rask,
+Richthofen en Hettema, is er geen te noemen, die <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e712" href="#xd0e712">XXXVII</a>]</span>als taalkundige in
+dit vak bekend is geweest, of de taal zoo bestudeerd heeft, dat hij
+daar in schrijven kon. En al kon iemand zulks, dan stond hem nog geen
+ruimer woordenschat ten dienste, dan de beperkte voorraad, dien de O.
+F. Wetten aanboden. Daarom is in de laatstverloopen eeuwen de
+vervaardiging van dit geschrift eene onmogelijkheid geweest. Wie dit in
+twijfel wil trekken, beginne met aan te toonen, waar, wanneer, door
+wien en waartoe zulk eene vervalsching had kunnen gepleegd worden, en
+wijze uit lateren tijd de weergade aan van dit papier, dit schrift en
+deze taal.</p>
+
+<p>Dat het H. S. van 1256 bovendien geen <span class="corr" id=
+"xd0e716" title="Bron: orgineel">origineel</span>, maar eene kopie is,
+bewijzen zoowel gedurige schrijffouten, als enkele ophelderingen van
+woorden, die in des afschrijvers tijd reeds verouderd en weinig meer
+bekend waren; b. v. bl. 82 (114) to th&ecirc;ra <i>fl&ecirc;te</i>
+jeftha <i>bedrum</i>; op bl. 151 (204) <i>bargum</i> jefta <i>
+tonnum</i> fon tha besta bjar.</p>
+
+<p>Nog sterker bewijs is, dat tusschen bladzijde 157 en 158 een of meer
+bladen ontbroken hebben, die uit dit H. S. niet hebben kunnen verloren
+gaan, omdat bl. 167 en 168 (212&ndash;214) de paginas recta en versa
+zijn van hetzelfde blad.</p>
+
+<p>Bl. 157 eindigt: Drie maanden daarna zond Adel boden naar alle
+vrienden, die hij gewonnen had, en liet hen bidden, dat zij in de
+Minnemaand verstandige lieden tot hem zouden zenden.</p>
+
+<p>Keert men nu het blad om, dan begint de keerzijde: zijne vrouw,
+zeide hij, die maagd geweest was te Texland, had daarvan een afschrift
+gekregen.</p>
+
+<p>Daar tusschen is geen zamenhang. Voor het minst ontbreekt er: de
+komst dier genoodigden, en het verhaal van hetgene bij die zamenkomst
+is voorgevallen. De afschrijver moet dus in het door hem gevolgde
+exemplaar twee bladen in plaats van een hebben omgeslagen. Er bestond
+dus een vroeger exemplaar, en wel dat in den jare 803 door Liko oera
+Linda was geschreven. <span class="pagenum">[<a id="xd0e739" href=
+"#xd0e739">XXXVIII</a>]</span></p>
+
+<p>Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift, waarvan het eerste
+gedeelte is opgesteld in de zesde eeuw voor onze jaartelling, het
+oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europesche
+letterkunde ontmoeten. En daar vinden wij in ons vaderland eene
+eeuwenoude bevolking, in &rsquo;t bezit van eene ontwikkeling,
+beschaving, nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere
+verhevene Godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden
+hebben gehad. In onze voorstelling reikten de geschiedkundige
+herinneringen van ons volk niet hooger, dan tot de komst van Friso, den
+vermeenden stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die
+herinneringen opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor Christus,
+en in hoogen ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Isra&euml;l
+evenaren.</p>
+
+<div class="div2" id="xd0e744">
+<h3 class="normal">Bijlage tot Pag. XX.</h3>
+
+<p>Vergelijkende Taalproeve van de oud Friesche Wetten en de taal van
+het Handschrift.</p>
+
+<div class="table">
+<table>
+<tr valign="top">
+<td valign="top">
+<div class="blockquote" lang="fy-1400">
+<p>Dyo forme need is: hweerso en kynd jongh is finsen ende fitered
+noerd wr hef, jefta (sud) wr birgh. Soe moet die moder her kindes eerwe
+setta ende sella ende her kynd lesa ende des lives bihelpa.</p>
+
+<p>Dioe oder need is: jef da jere diore wirdat, ende di heta honger wr
+dat land faert, ende dat kynd honger stere wil, so moet dio moder her
+kindes eerwe setta ende sella ende capia her bern ky ende ey ende coern
+deerma da kinde des lives mede helpe.</p>
+
+<p>Dyo tredde need is: Als dat kind is al stocnaken, jefta huus laes,
+ende dan di tiuestera nevil ende calde winter oen comt sa faert
+allermanick oen syn hof ende oen sin huis ende an waranne gaten, ende
+da wiilda dier seket diin holla baem ende der birgha hlii, aldeer hit
+siin liif oen bihalda mey. Soe weinet ende scryt dat onieriga kind ende
+wyst dan syn nakena lyae ende syn huuslaes, ende syn fader deer him
+reda schuld, to ienst dyn honger ende winter nevil cald, dat hi so
+diepe ende dimme mitta fiower neylen is onder eke ende onder da eerda
+bisloten ende bitacht, so moet dio moder her kindes eerwe setta ende
+sella omdat hio da bahield habbe ende biwaer also lang so hit onierich
+is, dat hit oen forste ner oen honger naet forfare.</p>
+
+<p lang="nl-1900">Anjumer druk e.i.i..</p>
+
+<p>(1466.)</p>
+</div>
+</td>
+<td valign="top">
+<div class="blockquote" lang="fy-oer">
+<p>Thju forma n&ecirc;d is: S&acirc;hwersa en b&aring;rn jvng is fensen
+&aring;nd f&ecirc;terad northward vr-et hef jeftha s&ucirc;dward vr tha
+berga, sa &acirc;ch thju m&aring;m hjara b&aring;rns erva to settande
+&aring;nd to seljande &aring;nde hjra b&aring;rn to l&ecirc;sane
+&aring;nd thes lives to bihelpane.</p>
+
+<p>Thju &ocirc;thera n&ecirc;d is: jef tha j&ecirc;ra djura
+w&aring;rthat &aring;nd thi h&ecirc;te hvnger wr thet l&acirc;nd
+f&acirc;rth &aring;nd th&aring;t b&aring;rn sterva wil, sa mot thju
+m&aring;m hjara b&aring;rns erva setta &aring;nd selja &aring;nd
+k&acirc;pja hiri b&aring;rne ky &aring;nd sk&ecirc;p &aring;nd
+k&ecirc;ren th&ecirc;r mitha m&aring;n thet b&aring;rn thes lives
+bihelpe.</p>
+
+<p>Thju tredde n&ecirc;d is: s&acirc;hwersa th&aring;t b&aring;rn is
+stokn&acirc;ked jefta h&ucirc;sl&acirc;s &aring;nd then thi tjustera
+n&ecirc;vil &aring;nd kalda winter ankvmth, sa f&acirc;rth allera
+m&aring;nnalik an sin hof &aring;nd an sin hus &aring;nd an
+w&acirc;rande g&acirc;ta, &aring;nd thet wilde kwik sykath thene hola
+b&acirc;m &aring;nd th&ecirc;re berga hly th&ecirc;r-it sin lif an
+bihalda m&ecirc;i, sa w&ecirc;nath &aring;nd krytath th&aring;t
+vnj&ecirc;rich b&aring;rn &aring;nd wyst then sin n&acirc;keda litha
+&aring;nd siu h&ucirc;sl&acirc;s-s&acirc; &aring;nd sin t&acirc;t
+th&ecirc;r him hr&ecirc;da skolde tojenst tha hvnger &aring;nd tha
+kalda winter n&ecirc;vil, that hi sa djap &aring;nd dimme mith fjuwer
+n&ecirc;ilum vndera &ecirc;ke &aring;nd vnder tha irtha bisletten
+&aring;nd bidobben is, sa mot thju m&aring;m hjara b&aring;rns erva
+setta and selja vmbe that hju tha bihield h&aring;ve &aring;nd tha
+w&acirc;ringa al sa long sa hit vnj&ecirc;rich sy, til thju-t hor an
+forst ner an hvnger navt vmkvma ne m&ecirc;i.</p>
+
+<p>Vertaald door J. G. O.</p>
+</div>
+</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e403src" id="xd0e403">1</a></span> Als verslag voorgelezen in eene
+vergadering van het Friesch Genootschap Februarij 1871 en bij deze
+uitgave onveranderd gelaten.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e444src" id="xd0e444">2</a></span> Verg. G. Meerman, <span lang=
+"la">Admonitio de Chartae nostratis origine</span>. Vad. Letteroef.
+1762. bl. 630.</p>
+
+<p class="footnote">Mr. J. H. de Stoppelaar, Het papier in de
+Nederlanden, Middelburg, 1869. bl. 4.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e655src" id="xd0e655">3</a></span> Min-erva werd Nyhellenia
+genoemd, omdat hare raadgevingen <i>ny</i> en <i>hel</i>, nieuw en
+helder waren. Desgelijks heet het in Pauli Epitome van S. Pomponius
+Festus de verborum Significatione, Min-erva dicta quod <i>bene
+moneat</i>.</p>
+
+<p class="footnote">Zie Preller, Rom. Myth. p. 258.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e778" href="#xd0e778">1</a>]</span>
+<div class="body">
+<div class="div0" id="xd0e780">
+<h2 class="normal">Adela.</h2>
+
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e783" href="#xd0e783">3</a>]</span>
+<div id="xd0e784" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Okke mijn zoon.</h2>
+
+<p>Deze boeken moet gij met lijf en ziel bewaren, zij bevatten de
+geschiedenis van ons geheele volk, en ook van onze voorvaderen.
+Verleden jaar heb ik die uit den vloed gered tegelijk met u en met uwe
+moeder. Doch zij waren nat geworden, daardoor gingen zij naderhand
+bederven. Om ze niet te verliezen, heb ik ze op overlandsch papier
+overgeschreven. Bijaldien gij ze erft, moet gij ze ook overschrijven.
+Uwe kinderen desgelijks, opdat zij nimmer verloren gaan. Geschreven te
+Liuwert, nadat Atland verzonken is, het drie duizend vier honderd negen
+en veertigste jaar, dat is naar de Christen-rekening het twaalf honderd
+zes en vijftigste jaar, Hiddo bijgenaamd Over de Linde. Waak.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Lieve erfgenamen, om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve
+vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de oogen van een
+monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete
+woorden, maar zij tornen ongemerkt, aan alles wat ons Fries betreft. Om
+rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze
+weten dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden
+toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten
+zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig
+is van onze oude zeden. Och lieve, ik ben bij hen aan het hof geweest;
+wil Wralda het gehengen, en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij
+ons altegader verdelgen. Geschreven te Liudwert, acht honderd en drie
+jaar, na de Christen meening. Liko bijgenaamd Over de Linde. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e793" href="#xd0e793">5</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e795" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het boek van Adela&rsquo;s aanhangers.</h2>
+
+<p>Dertig jaren na den dag, waarop de volksmoeder omgebracht was, door
+den overste Magy, stond het er erg aan toe. Alle Staten, die er liggen
+aan de andere zijde der Weser, waren van ons afgescheurd en onder het
+geweld des Magy gekomen; en het stond te vreezen, dat hij geweldig
+zoude worden over het geheele land. Om dat ongeluk te weeren, had men
+eene algemeene volksvergadering belegd, alwaar vergaderd waren alle
+manspersonen, die in een goeden roep stonden bij de maagden
+(priesteressen). Doch nadat er meer verloopen waren dan drie etmalen,
+was de geheele Go-raad in de war, en alles even als bij hunne komst.
+Toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak: Gij allen weet, dat
+ik drie jaren burgtmaagd geweest ben; ook weet gij, dat ik gekozen ben
+tot volksmoeder en dat ik niet volksmoeder wezen wilde, omdat ik Apol
+tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet, dat is, dat ik
+alle gebeurtenissen nagegaan heb, evenals of ik een wezenlijke
+volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weder gereisd,
+toeziende wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veele zaken openbaar
+geworden, die anderen niet weten. Gij hebt gisteren gezegd, dat onze
+stamverwanten aan de andere zijde der Wezer tam en laf waren; doch ik
+mag tot u zeggen, dat de Magy hun niet &eacute;&eacute;n dorp
+afgewonnen heeft door het geweld zijner wapenen, maar bloot door
+arglistige ranken en nog meer door de hebzucht der hertogen en
+edelingen. Frya heeft gezegd: wij moesten geene onvrije lieden bij ons
+toelaten; doch wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden
+nagevolgd; want in plaats van hunne gevangenen te dooden of vrij te
+laten, hebben zij Fryas raad veracht en hen tot hunne slaven gemaakt.
+Omdat zij zulks deden, had Frya geene lust meer langer over hen te
+waken; zij hebben eens anders vrijheid benomen, en dat is oorzaak, dat
+zij hunne <span class="pagenum">[<a id="xd0e803" href=
+"#xd0e803">7</a>]</span>eigene verloren hebben. Doch dat alles is u
+zelven ook bekend; maar ik wil tot u zeggen, hoe zij allengs zoo laag
+verzeild zijn. De vrouwen der Finnen kregen kinderen; deze groeiden op
+met onze vrije kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij te zamen op
+het hiem, of zij waren met elkander bij den haard. Daar hoorden zij met
+welgevallen naar de losbandige sagen der Finnen, omdat die slecht en
+nieuw waren. Zoo zijn zij ontfriesd ondanks de macht hunner ouders.
+Toen de kinderen groot werden en zagen dat de kinderen der Finnen geene
+wapenen mochten hanteeren en slechts moesten werken, kregen zij van het
+werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De meesters en hunne
+kloekste zoonen kropen bij de wulpsche meisjes der Finnen; en hunne
+eigene dochteren, door het slechte voorbeeld van den weg gebracht,
+lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, ten spot van
+hare verdorvene ouders. Toen de Magy dat in de neus kreeg, toen nam hij
+de schoonste zijner Finnen en Magyaren, en beloofde hun roode koeijen
+met gouden hoornen, zoo zij zich door ons volk lieten gevangen nemen,
+ten einde zijne leer te verbreiden. Maar zijne lieden deden meer;
+kinderen werden te zoek gemaakt, naar de bovenlanden weggevoerd, en
+nadat zij opgevoed waren in zijne verderfelijke leer, dan werden zij
+terug gezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren, klampten
+zij de Hertogen en Edelingen aan boord en zeiden, dat zij den Magy
+onderhoorig moesten worden, dan konden hunne zoonen hen opvolgen zonder
+door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om hunne goede daden een
+v&oacute;&oacute;rdeel tot hun huis gekregen hadden, beloofden zij van
+zijnentwege ook nog een achterdeel er bij; zulken die een voor- en
+achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe; en die een
+ronddeel hadden eene geheele State. Waren de ouders te hard
+Fryasgezind, dan wenden zij den boeg en hielden aan op hunne
+verbasterde zoonen. Gisteren waren er onder u, die al het volk te hoop
+roepen wilden <span class="pagenum">[<a id="xd0e805" href=
+"#xd0e805">9</a>]</span>om de oostelijke Staten weder tot hare plicht
+te dwingen. Doch naar mijne eenvoudige meening zou dat verkeerd
+uitkomen. Denk eens, daar was er eene hevige longziekte onder het vee,
+en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen om uw
+gezonde vee te voeren onder hun ziek vee? Immers neen. Bijaldien nu
+iedereen beamen en toestemmen moet, dat het dan met de (vee)stapel erg
+afloopen zoude; wie zoude dan zoo onvoorzichtig wezen om zijne kinderen
+te wagen onder een volk, dat geheel en al verdorven is?</p>
+
+<p>Mocht ik u een raad geven, ik zoude tot u zeggen, gij moest voor
+alle dingen eene nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel dat gij
+daarmede aan den grond zit, uithoofde dat er van de dertien
+burgtmaagden, die wij nog overig hebben, wel acht zijn, die naar die
+eere dingen, maar daar zoude ik geen acht op slaan. Teuntia, die maagd
+is op de burgt <span class="corr" id="xd0e809" title="Bron: Medeablik">
+Medeasblik</span>, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand
+van wetenschap en helder inzicht en wel zoo sterk op haar volk en onze
+gewoonten gesteld, als alle andere te zamen. Voorts zoude ik aanraden,
+gij moest naar de burgten gaan en daar opschrijven alle wetten van
+Fryas tex, benevens alle geschiedenissen, ja alles wat er te vinden is
+op de wanden, opdat die alle niet verloren gaan, en met de burgten
+tevens niet worde vernield. Daar staat geschreven: De moeder en elke
+burgtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden, eenentwintig maagden
+en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bijvoegen, dan zoude ik
+schrijven, en alzoo veele eerzame dochteren om te leeren, als daar op
+de burgten wezen mogen. Want ik zeg in trouwe en de tijd zal het
+bevestigen, bijaldien gij echte Fryas kinderen wilt zijn, nimmer te
+overwinnen noch door list noch door wapenen, zoo behoort gij er voor te
+waken, dat uwe dochters echte Fryas vrouwen worden. Den kinderen moet
+men leeren, hoe groot ons land weleer geweest is, hoe groote mannen
+onze voorvaderen waren, hoe groot wij nog zijn, zoo wij ons neder
+liggen <span class="pagenum">[<a id="xd0e812" href=
+"#xd0e812">11</a>]</span>(vergelijken) bij anderen: men moet hun
+vertellen van de zeehelden en van hunne heldhaftige daden, ook over de
+verre zeetochten. Alle deze verhalen behooren gedaan te worden bij den
+haard, op het hiem, en waar het wezen moge, zoo in blijdschap, als bij
+tranen. Maar zal het standhoudend komen in het brein en in het hart,
+dan moeten alle leeringen over de lippen uwer vrouwen en dochteren
+daarin vloeijen. Adelas raad is opgevolgd.</p>
+
+<p>Deze zijn de grevetmannen onder wier bestuur dit boek is
+vervaardigd.</p>
+
+<p>Apol, Adelas man, driewerf is hij zeekoning geweest, nu is hij
+grevetman over Oostflyland en over de Lindeoorden, de burgten
+Liudgarda, Lindahem en Stavia zijn onder zijne hoede.</p>
+
+<p>De Saxman Storo, Sytias man, grevetman over de Hoogefennen en
+Wouden, negenwerf is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen; de
+burgten Buda en Manna-garda-forda zijn onder zijne hoede.</p>
+
+<p>Abelo, Jaltias man, grevetman over de Zuiderflylanden, driewerf is
+hij heerman geweest, de burgten Aken, Liudburg en Katsburg zijn onder
+zijne hoede.</p>
+
+<p>Enoch, Dywekes man, grevetman over Westflyland en Texel, negenmaal
+is hij tot zeekoning gekozen, Waraburg, Medeasblik, Forana en Fryasburg
+zijn onder zijne hoede.</p>
+
+<p>Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, vijf
+maal is hij zeekoning geweest, de burgt Walhallagara is onder zijne
+hoede.</p>
+
+<p>Dit stond op de wanden der Fryasburg te Texland geschreven, dat
+staat ook te Stavia, ook te Medeasblik.</p>
+
+<p>Het was Fryasdag en te dier tijd was het zeven maal zeven jaren
+geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder, naar Fryas begeerte.
+De burgt Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen. Nu zoude
+Festa hare nieuwe lamp opsteken, en toen dat gedaan was in
+tegenwoordigheid <span class="pagenum">[<a id="xd0e830" href=
+"#xd0e830">13</a>]</span>van het volk, toen riep Frya van hare
+waakstar, zoodat iedereen het hooren konde: Festa neem uwe stift en
+schrijf de dingen, die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzoo als haar
+geboden was. Zoo zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis
+gekomen.</p>
+
+<p>Dit is onze vroegste geschiedenis.</p>
+
+<p>Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte den aanvang, alsdan kwam
+de tijd, de tijd wrochte alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde
+alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het booze
+gedierte. Alles wat goed en liefelijk is, bragt zij bij dag voort, en
+alles wat boos en kwaad is, bragt zij bij nacht voort. Na het twaalfde
+Juulfeest bragt zij voort drie maagden:</p>
+
+<p>Lyda uit gloeijende stof,</p>
+
+<p>Finda uit heete stof, en</p>
+
+<p>Frya uit warme stof.</p>
+
+<p>Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem,
+opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen
+waren, kregen zij vermaak en genoegen in de droomen van Wralda. Haat
+trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf
+dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle menschen
+gekomen.</p>
+
+<p>Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren
+fonkelden hare oogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig
+bij de hare.</p>
+
+<p>Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen hooren, en wanneer er
+visschen in het water waren, ontging dat hare neusgaten niet.</p>
+
+<p>Snelgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij
+liep brak geen bloemstengel onder hare voet.</p>
+
+<p>Geweldige Lyda. Hard was hare stem, en schreeuwde zij uit
+verbittering, dan liep ieder schielijk weg. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e852" href="#xd0e852">15</a>]</span></p>
+
+<p>Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; hare daden werden
+door hare driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de
+sterken, en wanneer zij dat gedaan had, weende zij bij het lijk.</p>
+
+<p>Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste
+stierf zij van hartseer over de boosheid harer kinderen.</p>
+
+<p>Onverstandige Kinderen. Zij betichteden elkander van hunne moeders
+dood, zij huilden als wolven en vochten evenzoo, en terwijl zij zoo
+deden, vraten de vogels aan het lijk. Wie mag daarbij zijne tranen
+weerhouden.</p>
+
+<p>Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard; een boom
+kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij wel
+tien.</p>
+
+<p>Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen
+gelijk zij, hare oogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een
+slaaf.</p>
+
+<p>Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er
+niet eene van op. Zij verfoeide de goeden wegens hunne vrijmoedigheid,
+maar aan flikflooisters gaf zij bijna haar zelve weg. Dat was haar
+ongeluk. Haar hoofd was te vol, doch haar hart te ijdel. Zij beminde
+niemand dan haar zelve, en zij wilde dat elk haar lief zoude
+hebben.</p>
+
+<p>Valsche Finda. Honingzoet waren hare woorden; doch wie haar
+vertrouwde, dien was ongeluk nabij.</p>
+
+<p>Zelfzuchtige Finda, Over allen wilde zij heerschen, en hare zoonen
+waren gelijk zij. Zij lieten zich bedienen van hunne zusteren, en
+elkander sloegen zij om het meesterschap dood.</p>
+
+<p>Dubbelhartige Finda. Om een schuins woord werd zij gram, en de
+ergste daden roerden haar niet. Zag zij een hagedis eene spin
+verslinden, dan werd zij om het hart als ijs; maar zag zij hare
+kinderen een Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e871" href="#xd0e871">17</a>]</span></p>
+
+<p>Ongelukkige Finda. Zij stierf in den bloeitijd van haar leven, en
+het is nog duister hoe zij gevallen is.</p>
+
+<p>Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij
+haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op, luid
+weenende om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet een
+eenige traan.</p>
+
+<p>Verfoeijelijk volk. De tex (inzetting), die Finda naliet, was op
+gouden bladen geschreven, doch de besten, waarvoor zij gemaakt was, was
+zij nimmer tot nut; de goede wetten werden uitgewischt en zelfzucht
+schreef daar slechte voor in de plaats. O Finda, toen werd de aarde vol
+bloed, en de hoofden der menschen maaiden uwe kinderen af gelijk
+grashalmen. Ja Finda, dat zijn de vruchten van uwe ijdelheid, zie neer
+van uwe waakstar en ween.</p>
+
+<p>Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw
+harer oogen won het de regenboog af.</p>
+
+<p>Schoone Frya. Als stralen der middagzon schitterden hare haarlokken,
+die zoo fijn waren als spinrag.</p>
+
+<p>Bekwame Frya. Ontsloten zich hare lippen, dan zwegen de vogelen en
+geen bladeren bewogen zich meer.</p>
+
+<p>Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor
+hare voeten neder, en hield de adder zijn gift terug.</p>
+
+<p>Reine Frya. Hare spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in
+de boesem der bloemen.</p>
+
+<p>Verstandige Frya. Het eerste wat zij hare kinderen leerde was
+zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij
+volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. Want,
+zeide zij, zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om u
+tot slaven te maken, uwe afkomst tot eene eeuwige schande.</p>
+
+<p>Milde Frya. Nimmer liet zij metaal uit de aarde delven om eigen
+voordeel, maar wanneer zij het deed, was het tot nut van iedereen.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e892" href=
+"#xd0e892">19</a>]</span></p>
+
+<p>Gelukkigste Frya. Gelijk de sterren de aarde omzwermen, zoo zwermden
+hare kinderen om haar.</p>
+
+<p>Wijze Frya. Toen zij hare kinderen had opgevoed tot in het zevende
+lid, toen riep zij ze alle naar Flyland te zamen. Daar gaf zij hun hare
+tex, en zeide laat die uw wegwijzer wezen, dan zal het u nimmer kwalijk
+gaan.</p>
+
+<p>Uitverkoren Frya. Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als
+Wraldas zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten neder, de
+lucht werd zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar
+hunne moeder omzagen, was zij al lang opgerezen tot hare waakstar. Toen
+ten laatste sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het
+luchtruim: waak!</p>
+
+<p>Verziende Frya. Het land van waar zij was opgevaren, was nu een
+stroom, en behalve hare tex was daarin alles bedolven, wat van hare
+handen gekomen was.</p>
+
+<p>Gehoorzame kinderen. Toen zij tot hun zelven kwamen, toen maakten
+zij dit hooge terp, bouwden deze burgt daarop, aan diens wanden
+schreven zij de tex, en omdat iedereen die zoude mogen vinden, hebben
+zij het land daarom heen Texland geheeten. Daarom zal het blijven
+bestaan, zoo lang de aarde aarde is.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e903" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Fryas Tex.</h2>
+
+<p>Heil verbeidt de vrijen. Ten laatste zullen zij mij weder zien. Doch
+hem alleen mag ik als vrij erkennen die geen slaaf is van een ander
+noch van zijne driften. Hier is mijn raad.</p>
+
+<p>1. Zoo wanneer de nood erg is, en goede raad en goede daad niets
+meer vermogen, roep dan den geest van Wralda aan; maar gij moet hem
+niet aanroepen, bevorens alle dingen beproefd zijn. Doch ik zeg u met
+redenen, en de tijd zal het waar maken: De moedeloozen zullen immer
+bezwijken onder hun eigen leed. <span class="pagenum">[<a id="xd0e910"
+href="#xd0e910">21</a>]</span></p>
+
+<p>2. Wraldas geest mag men alleen kniebuigende dank toewijden, ja
+driewerf, voor hetgene gij van hem genoten hebt, voor hetgene gij
+geniet en voor de hoop, die hij u laat in angstige tijden.</p>
+
+<p>3. Gij hebt gezien, hoe spoedig ik hulp verleende. Doe al eender met
+uwen naaste; maar en toef niet tot dat men u gebeden heeft; de lijdende
+zoude u vloeken, mijne maagden zouden uwen naam uitwisschen uit het
+boek en ik zoude u als een onbekende moeten afwijzen.</p>
+
+<p>4. Neem nimmer kniebuigende van uwen naaste dank aan, deze behoort
+aan Wraldas geest. De nijd zoude u bekruipen; de wijsheid zoude u
+belagchen; mijne maagden zouden u betigten van vaderroof.</p>
+
+<p>5. Vier dingen zijn tot uw genot gegeven, met name lucht, water,
+land en vuur; maar Wralda wil alleen daarvan bezitter wezen. Daarom
+raad ik u, gij zult u rechtvaardige mannen kiezen, die den arbeid en de
+vruchten naar recht verdeelen, zoodat niemand vrij van werken noch van
+verdedigen zij.</p>
+
+<p>6. Zoo wanneer daar iemand onder u gevonden wordt, die zijne eigene
+vrijheid verkoopt, die is niet van uw volk, hij is een bastaard met
+verbasterd bloed. Ik raad u, dat gij hem en zijne moeder uit het land
+drijft. Zeg dat tot uwe kinderen des morgens en des middags en des
+avonds, tot dat zij daar van droomen des nachts.</p>
+
+<p>7. Een iegelijk die een ander van zijne vrijheid berooft, al ware de
+ander hem schuldig, dien moet ik aan den leiband eener slavin laten
+voeren. Doch ik raad u om zijn lijk en dat zijner moeder op eene kale
+plaats te verbranden en daarna hunne asch vijftig voet onder den grond
+te begraven, opdat daar geen grashalm op groeijen moge, want zoodanig
+gras zoude uw kostelijkste vee dooden.</p>
+
+<p>8. Tast nooit aan het volk van Lyda, noch van Finda, omdat Wralda
+zoude hen helpen; zoodat al het geweld, dat van u uitging, op uw eigen
+hoofd zoude terugkeeren. <span class="pagenum">[<a id="xd0e925" href=
+"#xd0e925">23</a>]</span></p>
+
+<p>9. Zoo wanneer het mocht gebeuren, dat zij van u raadgeving of iets
+anders begeerden, zoo behoort gij hen te helpen. Maar komen zij om te
+rooven, val dan op hen neder als het bliksemende vuur.</p>
+
+<p>10. Zoo wanneer een van hun eene uwer dochteren tot vrouw begeert,
+en zij dat wil, dan zult gij haar hare dwaasheid beduiden, doch wil zij
+toch haren vrijer volgen, dat zij dan met vrede ga.</p>
+
+<p>11. Wil uw zoon eene van hunne dochteren, dan moet gij even zoo doen
+als met uwe dochter. Maar noch de een, noch de ander mag terugkeeren,
+want zij zouden uitheemsche zeden en gewoonten medevoeren, en zoodra
+deze bij u gehuldigd worden, mag ik niet langer over u waken.</p>
+
+<p>12. Op mijne dienares Fasta heb ik al mijne hoop gevestigd. Daarom
+moet gij haar tot uwe Eeremoeder nemen. Volgt gij mijn raad, dan zal
+zij namaals mijne dienares blijven en alle vrome maagden die haar
+volgen. Dan zal de lamp nimmer uitgaan, die ik voor u opgestoken heb.
+Het licht daarvan zal dan eeuwig uw brein verlichten, en gij zult dan
+even vrij blijven van onvrij geweld, als uwe zoete rivierwateren van
+het zoute water der eindelooze zee.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e934" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit heeft Fasta gezegd.</h2>
+
+<p>Alle inzettingen die eene eeuw, dat is honderd jaren, mogen omloopen
+met den Kroder (kruijer) en zijn Juul, die mogen op raad der Eeremoeder
+en bij gemeene wil op de wanden der burgten gegrift worden; zijn zij op
+de wanden geschreven, dan zijn zij wetten (ewa), en het is onze plicht
+om die alle in eere te houden. Komt nood en dwang ons inzettingen te
+geven, strijdende met onze wetten en gewoonten, zoo moet de mensch doen
+gelijk zij eischen; doch zijn zij geweken, dan moet men immer tot het
+oude terugkeeren. Dat is Fryas wil en dat moet wezen die van alle hare
+kinderen. <span class="pagenum">[<a id="xd0e939" href=
+"#xd0e939">25</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e941" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Fasta zeide</h2>
+
+<p>Alle dingen die men aanvangen wil, hoedanig zij mogen wezen, op den
+dag, waarop wij Frya gehuldigd hebben, zullen eeuwig falikant uitkomen.
+Nadat de tijd nu bewezen heeft, dat zij recht had, zoo is dat eene wet
+geworden, dat men zonder nood en dwang op Frya haren dag niets anders
+doen mag dan blijde feesten vieren.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e946" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit zijn de wetten die tot de burgten betrekking
+hebben.</h2>
+
+<p>1. Zoo wanneer ergens eene burgt gebouwd is, dan moet de lamp aldaar
+aan de eerste lamp te Texland aangestoken worden, doch dat mag nimmer
+anders dan door de Moeder geschieden.</p>
+
+<p>2. Elke moeder zal hare eigene maagden kiezen. Eveneens die welke op
+andere burgen moeder zijn.</p>
+
+<p>3. De Moeder te Texland mag hare opvolgster kiezen, doch bijaldien
+zij sterft voor dat zij het gedaan heeft, dan moet die gekozen worden
+op eene algemeene vergadering bij raad van alle staten te zamen.</p>
+
+<p>4. De Moeder op Texland mag eenentwintig maagden hebben en zeven
+spinmeisjes, opdat er altijd zeven bij de lamp mogen waken des daags en
+des nachts. Bij de maagden die op de andere burgten als moeder dienen,
+even zoo vele.</p>
+
+<p>5. Bijaldien eene maagd aan iemand huwen wil, zoo moet zij dat aan
+de moeder berichten, en op staande voet tot de menschen terugkeeren,
+eer zij met haar tochtige adem het licht verontreinigt.</p>
+
+<p>6. Aan de Moeder en aan iedere burgtmaagd zal men toevoegen
+eenentwintig burgtheeren, zeven bejaarde wijzen, zeven bejaarde
+krijgslieden en zeven oude zeestrijders. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e961" href="#xd0e961">27</a>]</span></p>
+
+<p>7. Daarvan zullen alle jaren naar huis keeren drie van elk zevental,
+maar zij mogen niet opgevolgd worden door hunne nabestaanden, nader dan
+het vierde lid.</p>
+
+<p>8. Ieder mag drie honderd jonge burgtverdedigers hebben.</p>
+
+<p>9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van
+de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den
+oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren
+noodig zijn.</p>
+
+<p>10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren;
+doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten
+blijven hun geheele leven lang.</p>
+
+<p>11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene
+stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel
+het volk alleen.</p>
+
+<p>12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden,
+met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd
+drie boden met zeven paarden.</p>
+
+<p>15. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het
+volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet
+geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders
+zijn.</p>
+
+<p>14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren
+zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld
+ontvangt.</p>
+
+<p>15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet,
+dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem
+hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen.</p>
+
+<p>16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene
+burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt hem
+bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is naar
+den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade tochten.
+Is hij goedgekeurd, <span class="pagenum">[<a id="xd0e982" href=
+"#xd0e982">29</a>]</span>dan ontdoet hij zich van zijne wapenen en
+zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder.</p>
+
+<p>17. Is de zaak over &eacute;&eacute;ne state, dan mogen er niet
+minder dan drie boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan
+moeten er nog driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen
+kwaad vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde.</p>
+
+<p>18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare
+kinderen, dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan,
+dat is de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om
+haar daar in te helpen.</p>
+
+<p>19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om
+uitspraak te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij
+de zaak twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken,
+opdat er vrede kome, en omdat het beter is dat aan &eacute;&eacute;n
+man onrecht gedaan wordt dan aan velen.</p>
+
+<p>20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op
+het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad, dan
+mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad, dan
+mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen raad
+beter is dan een verkeerde raad.</p>
+
+<p>21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan
+moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en
+bloot.</p>
+
+<p>22. Zijn hare burgtheeren medeplichtig, dan doet men even zoo met
+hen.</p>
+
+<p>23. Is hare schuld twijfelachtig of bloot vermoeden, dan moet men
+hier over beraadslagen en spreken, zoo het noodig is, eenentwintig
+weken lang. Stemt het half deel schuldig, zoo houde men haar voor
+onschuldig. Twee derde, zoo wacht men nog een vol jaar. Stemt men dan
+ook nog zoo, dan mag men haar voor schuldig houden, maar niet dooden.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e998" href=
+"#xd0e998">31</a>]</span></p>
+
+<p>24. Bijaldien er onder het derde deel sommigen zijn, die haar voor
+zoo onschuldig houden, dat zij haar willen volgen, zoo mogen zij dat
+doen met al hunne drijvende en tilbare have en niemand behoort hen
+daarom te minachten, aangezien de meerderheid even goed kan dwalen als
+de minderheid.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1001" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Algemeene wet.</h2>
+
+<p>1. Alle vrijgeborenen zijn op gelijke wijze geboren. Daarom moeten
+zij ook gelijke rechten hebben, even goed op het land als op het ee,
+dat is water, en op alles dat Wralda geeft.</p>
+
+<p>2. Elk manspersoon mag de vrouw zijner keuze vrijen, en elke dochter
+mag haren heildrank aanbieden aan hem, dien zij bemint.</p>
+
+<p>3. Heeft iemand eene vrouw genomen, dan geeft men hem huis en werf.
+Is er geen, dan moet het gebouwd worden.</p>
+
+<p>4. Is hij naar een ander dorp gegaan, om eene vrouw en wil hij daar
+blijven, dan moet men hem aldaar een huis en werf geven, benevens het
+genot van de hemrik.</p>
+
+<p>5. Aan ieder manspersoon moet men een achterdeel als werf bij zijn
+huis geven: want niemand mag een voordeel bij zijn huis hebben, veel
+min een ronddeel. Alleen wanneer iemand eene daad verricht heeft tot
+gemeenen nutte, dan mag hem dat gegeven worden. Ook mag zijn jongste
+zoon dat erven. Na dezen moet het dorp dat terugnemen.</p>
+
+<p>6. Elk dorp zal een hemrik hebben naar zijne behoefte en de graaf
+zal hoeden dat elk zijn deel bemest en goed houdt, opdat de
+nakomelingen geene schade lijden mogen.</p>
+
+<p>7. Elk dorp mag eene markt hebben ter koop en verkoop, of tot
+ruilhandel, Al het andere land zal bouw en bosch blijven. Doch de
+boomen daarin zal niemand vellen, buiten gemeene raad, en buiten weten
+van den woudgraaf. Want <span class="corr" id="xd0e1018" title="Bron:
+dewouden">de wouden</span> zijn ten gemeenen nutte, daarom mag niemand
+er meester van zijn. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1021" href=
+"#xd0e1021">33</a>]</span></p>
+
+<p>8. Als marktgeld mag het dorp niet meer nemen dan het twaalfde
+gedeelte van den koopschat, noch van de inwoners, noch van den
+verafwonenden. Ook mag de marktschatting niet eerder verkocht worden
+als het andere goed.</p>
+
+<p>9. Al het marktgeld moet jaarlijks verdeeld worden, drie dagen voor
+den Juuldag, in honderd deelen te verdeelen.</p>
+
+<p>10. De grevetman met zijne graven zal daarvan ontvangen twintig
+deelen; de marktrechter tien deelen en zijne helpers vijf deelen; de
+volksmoeder een deel; de vroedvrouw vier deelen; het dorp tien deelen;
+de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen, vijftig
+deelen.</p>
+
+<p>11. Degene die te markt komen mogen niet woekeren. Komen er sommige,
+dan is het de plicht der maagden, hen kenbaar te maken over het geheele
+land, opdat zij nimmer gekozen worden tot eenig ambt, want zulke hebben
+een gierig hart. Om rijkdom te vergaderen zouden zij alles verraden,
+het volk, de Moeder, hunne nabestaanden en ten laatsten zich
+zelven.</p>
+
+<p>12. Is er iemand zoo boos dat hij zuchtziek vee of bedorven waar
+voor heel goed verkoopt, dan moet de marktrechter hem weren en de
+maagden hem noemen over het geheele land.</p>
+
+<p>In vroegere tijden huisde Findas volk meest al te gader over hun
+moeders geboorteland, met name Aldland, dat nu in zee ligt. Zij waren
+dus ver af. Daarom hadden wij ook geen oorlog. Toen zij verdreven zijn
+en herwaarts kwamen om te rooven, toen kwam er van zelf
+landverdediging, heermannen, koningen en oorlog. Voor die alle kwamen
+inzettingen, en uit de inzettingen kwamen wetten.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1034" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hier volgen de wetten die daaruit zamengesteld
+zijn.</h2>
+
+<p>1. Elke Fries moet de beleedigers of vijanden afweren, met al zulke
+wapenen, als hij verzinnen, bekomen en hanteren mag. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1039" href="#xd0e1039">35</a>]</span></p>
+
+<p>2. Is een knaap twaalf jaar, dan moet hij de zevende dag missen van
+zijn leertijd om vaardig te worden met de wapenen.</p>
+
+<p>3. Is hij bekwaam geworden, dan geve men hem wapenen en hij wordt
+tot krijgsman geslagen.</p>
+
+<p>4. Is hij drie jaren krijgsman, dan wordt hij burgtheer en mag hij
+helpen zijn hoofdman te kiezen.</p>
+
+<p>5. Is hij zeven jaren kiezer, dan mag hij helpen een heerman of
+koning te kiezen en dan zelf ook gekozen worden.</p>
+
+<p>6. Alle jaren moet hij herkozen worden.</p>
+
+<p>7. Behalve de koning mogen alle ambtmannen wedergekozen worden, die
+recht doen en naar Fryas raad.</p>
+
+<p>8. Geen koning mag langer dan drie jaren koning blijven, opdat hij
+niet bestendig moge worden.</p>
+
+<p>9. Heeft hij zeven jaren gerust, dan mag hij weer gekozen
+worden.</p>
+
+<p>10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne
+nabestaanden ook naar die eer dingen.</p>
+
+<p>11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven,
+dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan het
+vierde lid.</p>
+
+<p>12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets
+verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te
+hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de
+liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1062" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit zijn de rechten der moeder en der koningen.</h2>
+
+<p>1. Zoo wanneer er oorlog komt, zende de Moeder hare boden naar den
+koning, de koning zende boden naar de grevetmannen om de landweer.</p>
+
+<p>2. De grevetmannen roepen alle burgtheeren te zamen en <span class=
+"corr" id="xd0e1069" title="Bron: bespreekt">bespreken</span> hoe vele
+mannen zij zullen zenden. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1072" href=
+"#xd0e1072">37</a>]</span></p>
+
+<p>3. Alle besluiten van dezen moeten dadelijk naar de Moeder gezonden
+worden, met boden en getuigen.</p>
+
+<p>4 De Moeder laat alle besluiten verzamelen en geeft het guldengetal,
+dat is het middengetal van alle besluiten te zamen. Hiermede moet men
+vooreerst vrede hebben, en de koning eveneens.</p>
+
+<p>5. Is het leger te velde, dan behoeft de koning slechts met zijne
+hoofdmannen te raadplegen, doch daarbij moeten altijd de drie
+burgtheeren der Moeder vooraan zitten zonder stem. Deze burgtheeren
+moeten dagelijks boden naar de Moeder zenden, opdat zij weten moge of
+er iets gedaan wordt, strijdende met Fryas raadgeving.</p>
+
+<p>6. Wil de koning iets doen, en zijne raden niet, zoo mag hij het
+niet onderstaan.</p>
+
+<p>7. Komt een vijand onverwacht, dan moet men doen, zooals de koning
+gebiedt.</p>
+
+<p>8. Is de koning niet op het pad, dan moet men zijn volger gehoorzaam
+wezen, of die op dezen volgt, tot den laatsten toe.</p>
+
+<p>9. Is er geen hoofdman, dan moet men een kiezen.</p>
+
+<p>10. Is daar geen tijd toe, dan werpe zich een tot hoofdman op, die
+zich sterk gevoelt.</p>
+
+<p>11. Heeft de koning een gevreesd volk afgeslagen, dan mogen zijne
+nakomelingen zijnen naam achter hun eigen naam voeren. De koning mag,
+zoo hij wil, op eene onbebouwde plaats eene plek uitkiezen tot een huis
+en erf. Dat erf mag een ronddeel zijn, zoo groot, dat hij naar alle
+zijden zeven honderd treden van zijn huis af loopen mag, eer hij aan
+zijn grensscheiding komt.</p>
+
+<p>12. Zijn jongste zoon mag dat goed erven, na hem diens jongste zoon,
+dan zal men het terug nemen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1093" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hier zijn de rechten aller Friesen om veilig te
+wezen.</h2>
+
+<p>Zoo wanneer er wetten gemaakt worden, of nieuwe inzettingen <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1098" href=
+"#xd0e1098">39</a>]</span>zamengesteld, alsdan moet het ten gemeenen
+nutte geschieden, maar nimmer ten bate van enkelde menschen, noch van
+enkelde geslachten, noch van enkelde staten, noch van iets dat enkeld
+is.</p>
+
+<p>2. Zoo wanneer er oorlog komt en daar worden huizen vernield of
+schepen, hoedanig het ook wezen mogen, hetzij door den vijand, hetzij
+bij gemeenen rade, zoo behoort de gemeene gemeente, dat is al het volk
+te zamen, dit weder te vergoeden, daarom opdat niemand de algemeene
+zaak zal helpen verliezen, om zijn eigen goed te behouden.</p>
+
+<p>3. Is de oorlog voorbij gegaan, en zijn er sommige zoodanig
+verminkt, dat zij niet langer werken kunnen, dan moet de gemeene
+gemeente hen onderhouden, bij de feesten behooren zij vooraan te
+zitten, opdat de jeugd hen zal eeren.</p>
+
+<p>4. Zijn er weduwen en weezen gekomen, dan moet men haar ook
+onderhouden, en de zonen mogen de namen hunner vaderen op hunne
+schilden schrijven tot eere van hun geslacht.</p>
+
+<p>5. Zijn er sommigen door den vijand gevangen genomen en komen zij
+terug, dan moet men hen verre van het kamp wegvoeren, want zij mochten
+vrij gelaten zijn onder kwade beloften, en dan mogen zij hunne beloften
+niet houden en toch eerlijk blijven.</p>
+
+<p>6. Indien wij zelve vijanden gevangen nemen, dan voere men die diep
+in het land weg, en leert hen onze vrije zeden.</p>
+
+<p>7. Indien men hen naderhand vrijlaat, dan laat men dat met goedheid
+door de Maagden doen, opdat wij makkers en vrienden winnen in plaats
+van haters en vijanden.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1112" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Uit Minno&rsquo;s geschriften.</h2>
+
+<p>Zoo wanneer daar een man is dermate boos, dat hij onze naburen
+berooft, doodslagen pleegt, huizen in brand steekt, maagden schendt,
+wat het ook zij dat boos is, en onze landgenooten willen dat gewroken
+hebben, dan is het recht, dat men den dader vatte en in hunne
+tegenwoordigheid <span class="pagenum">[<a id="xd0e1117" href=
+"#xd0e1117">41</a>]</span>doode, opdat daar over geen oorlog kome,
+waardoor de onschuldige zoude boeten voor den schuldige. Willen zij hem
+zijn lijf laten behouden en de wraak laten afkoopen, zoo mag men dat
+gedoogen. Is de schuldige een koning, grevetman, grevet, wie dat het
+zij, die over de zeden moet waken, zoo moeten wij het kwaad herstellen,
+maar hij moet zijne straf hebben. Voert hij een eernaam op zijn schild
+van zijne voorvaderen, dan mogen zijne nabestaanden dien naam niet
+langer voeren, daarom dat de eene bloedverwant zorgdragen zal over de
+zeden des anderen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1119" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Wetten voor de stuurlieden. Stuurman is een titel
+voor de buitenvaarders.</h2>
+
+<p>1. Alle Fryas zonen hebben gelijke rechten, daarom mogen alle flinke
+knapen zich als buitenvaarders aanmelden bij den olderman, en deze mag
+hen niet afwijzen, ten ware dat er geen plaats is.</p>
+
+<p>2. De stuurlieden mogen hun eigen meesters benoemen.</p>
+
+<p>3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente,
+aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen stem
+hebben.</p>
+
+<p>4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is,
+dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning
+zich beklagen bij den olderman.</p>
+
+<p>5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de
+zeelieden daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning
+twaalf mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen
+elk twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk
+elk een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de
+middelste jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een
+tweederde deel.</p>
+
+<p>6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen
+voor hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene
+feesten, bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1134" href="#xd0e1134">43</a>]</span></p>
+
+<p>7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun deel
+erven.</p>
+
+<p>8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene
+gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld, dan
+mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren.</p>
+
+<p>9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een
+geheel mansdeel hebben.</p>
+
+<p>10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen
+om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor deze
+eer weduw blijven haar leven lang.</p>
+
+<p>11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders
+zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen.</p>
+
+<p>12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch
+erf, dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo
+mogen zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat
+vergoeden naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel
+weigeren.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1147" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nuttige zaken uit de nagelaten schriften van
+Minno.</h2>
+
+<p>Minno was een oude zeekoning, een ziener en wijsgeer; hij heeft aan
+de Kretensen wetten gegeven. Hij is geboren aan de Lindeoord, en na al
+zijne omzwervingen heeft hij het geluk genoten om te Lindahem te
+sterven.</p>
+
+<p>Zoo wanneer onze naburen een stuk land hebben of water, dat ons goed
+toeschijnt, zoo voegt het ons dat te koop te vragen; willen zij dat
+niet doen, zoo moet men hun dat laten behouden: dat is naar Fryas tex
+en het zoude onrecht wezen dat afhandig te maken.</p>
+
+<p>Wanneer er naburen te zamen kijven en twisten over eenige zaak
+(anders) dan over land, en zij ons verzoeken een oordeel uit te
+spreken, zoo behoort men dat liever achterwege <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1156" href="#xd0e1156">45</a>]</span>te laten; doch als men
+daar niet buiten kan, zoo moet men dat eerlijk en rechtvaardig
+doen.</p>
+
+<p>Komt er iemand en zegt: ik heb oorlog en nu moet gij mij helpen. Of
+een ander komt en zegt: mijn zoon is minderjarig en onbekwaam en ik ben
+oud, nu wilde ik u tot voogd over hem en over mijn land stellen, totdat
+hij meerderjarig is, zoo behoort men dat te weigeren, opdat wij niet in
+twist mogen komen over zaken strijdende met onze vrije zeden.</p>
+
+<p>Wanneer een buitenlandsch koopman komt op de toegelatene markt te
+Wyringen of te Almanland en hij bedriegt, zoo wordt hij terstond in de
+marktboete geslagen en door de maagden kenbaar gemaakt over het geheele
+land. Komt hij dan terug, dan zal niemand van hem koopen, en hij mag
+vertrekken gelijk hij gekomen is. Dus wanneer er kooplieden gekozen
+worden om ter markt te gaan, of met de vloot te varen, dan behoort men
+alleen dezulken te kiezen, die men door en door kent en in een goeden
+roep staan bij de maagden. Gebeurt het desniettemin, dat er een slecht
+man onder is, die de menschen bedriegen wil, zoo behooren de anderen
+dat te weren. Heeft hij het reeds gedaan, dan moet men dat herstellen,
+en den misdadiger uit het land verbannen, opdat onze naam overal met
+eere genoemd mag worden.</p>
+
+<p>Maar zoo wij ons op eene buitenlandsche markt bevinden, hetzij nabij
+of ver af en het volk ons leed doet of besteelt, dan behooren wij met
+een haastigen aanval toe te slaan, want ofschoon wij alles behooren te
+doen om des vredes wille, mogen onze halfbroeders ons nimmer minachten
+of wanen dat wij bang zijn.</p>
+
+<p>In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten,
+achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze
+voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda of
+Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en zee&euml;n
+heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik overtuigd,
+dat wij alleen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1166" href=
+"#xd0e1166">47</a>]</span>door Alfader uitverkoren zijn, om wetten te
+hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden, zij
+zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Velen gelijken op Finda, zijn
+schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hovaardig, valsch, onkuisch
+en moordzuchtig. De padde blaast zich op en zij kan slechts kruipen. De
+kikvorsch roept <span class="letterspaced">werk</span>, <span class=
+"letterspaced">werk</span>, en zij doet niets als huppelen en
+grappenmaken. De raven roepen <span class="letterspaced">spaar</span>,
+<span class="letterspaced">spaar</span>, maar zij stelen en verslinden
+al wat onder hun snavel komt. Aan die allen gelijk is het Findas volk,
+zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil inzettingen maken
+om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan gebonden wezen.
+Diegene wiens geest het listigste is en daardoor sterk, diens haan
+kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn wil onderworpen
+wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel verdrijft. Het woord
+<span class="letterspaced">ewa</span> is te heilig om eene gemeene zaak
+te benoemen, daarom heeft men ons <span class="letterspaced">
+evin</span> leeren zeggen. <span class="letterspaced">Ewa</span>
+beteekent <span class="letterspaced">inzettingen</span>, die bij alle
+menschen gelijkelijk in hun gemoed geprent zijn, opdat zij weten mogen
+wat recht en onrecht is, en waardoor zij in staat zijn hunne eigene
+daden en die van anderen te beoordeelen, dat wil zeggen: alzoo verre
+zij goed en niet misdadig opgevoed zijn. Ook is er nog een andere zin
+aan vast: <span class="letterspaced">Ewa</span> (effen) beteekent ook
+<span class="letterspaced">gelijk</span>, <span class="letterspaced">
+vlak</span> als water, recht en slecht gelijk water dat door geen
+hevige wind of iets anders verstoord is. Wordt het water verstoord, dan
+wordt het oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weder effen te
+worden. Dat ligt in zijn wezen, even als de neiging tot recht en
+vrijheid in Fryas kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door den geest
+van Wralda onzen vader, die luide spreekt in Fryas kinderen. Daarom zal
+die ook eeuwig beklijven. <span class="letterspaced">Ewa</span>
+(eeuwig) is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die eeuwig recht en
+onverstoord blijft, ofschoon het in zijn ligchaam erg toe gaat. Eeuwig
+en onverstoord zijn de kenmerken der wijsheid en rechtvaardigheid die
+door <span class="pagenum">[<a id="xd0e1204" href=
+"#xd0e1204">49</a>]</span>alle vrome menschen gezocht en door alle
+rechteren moeten bezeten worden. Willen dus de menschen inzettingen en
+bepalingen maken, die steeds goed blijven en aller wege, zoo moeten zij
+gelijk wezen voor alle menschen. Naar deze wetten behooren de rechteren
+hun oordeel uit te spreken. Is er eenig kwaad bedreven, waaromtrent
+geene wetten gemaakt zijn, zoo moet men eene algemeene vergadering
+beleggen, daar oordeelt men naar den zin, dien Wraldas geest in ons
+spreekt, om over alles rechtvaardig te oordeelen. Zoo doende zal ons
+oordeel nimmer falikant uitkomen. Doet men geen recht, maar onrecht,
+dan rijst er twist en tweespalt onder de menschen en staten; daaruit
+ontspruit binnenlandsche oorlog, waardoor alles in de war gebragt en in
+&rsquo;t verderf gestort wordt. Maar o domheid. Terwijl wij bezig zijn
+elkander te schaden, komt het nijdige volk Findas met zijne valsche
+priesteren om uwe have te rooven, uwe dochteren te schenden, uwe zeden
+te verderven, en ten laatste sluiten zij slavenbanden om een ieders
+vrijen hals.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1206" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Uit Minnos schriften.</h2>
+
+<p>Toen Nyhalennia, die van haar eigen naam <span class="letterspaced">
+Min-erva</span> heette, goed gezeten was, en de Krekalanders haar soms
+evenzeer lief hadden als ons eigen volk, toen kwamen daar eenige
+vorsten en priesteren op hare burgt en vraagden Min-erva, waar hare
+erven gelegen waren. Hellenia antwoorde <span class="letterspaced">
+mijne erven</span> draag ik om in mijn boezem, &rsquo;t gene ik
+ge&euml;rfd heb is liefde tot wijsheid, rechtvaardigheid en vrijheid.
+Heb ik die verloren, dan ben ik gelijk aan den minste van uwe slaven.
+Nu geef ik raad om niet, maar dan zoude ik die verkoopen. De heeren
+gingen heen en riepen al lachende, uwe gehoorzame dienaren, wijze <span
+class="letterspaced">Hellenia</span>. Doch daarmede misten zij hun
+doel, want het volk dat haar beminde en volgde nam dezen naam als een
+eernaam op. Toen zij zagen, dat <span class="pagenum">[<a id="xd0e1220"
+href="#xd0e1220">51</a>]</span>hun schot gemist had, toen gingen zij
+haar belasteren, en zeiden dat zij het volk behekst had; maar ons volk
+en de goede Krekalanders beweerden allerwege dat het laster was. Eens
+kwamen zij en vroegen: als gij dan geen tioenster (heks) zijt, wat doet
+gij dan met de eijeren, die gij altijd bij u hebt. Minerva antwoordde:
+Deze eijeren zijn het zinnebeeld van Frya&rsquo;s raadgevingen, waarin
+onze toekomst verholen ligt en die van het geheele menschelijk
+geslacht. De tijd moet ze uitbroeden, en wij moeten waken dat er geen
+leed aan komt. De priesteren (zeiden): goed gezegd, maar waartoe dient
+de hond aan uwe rechter hand. Hellenia antwoorde: Heeft de herder geen
+schaapshond om zijne kudde bijeen te houden? wat de hond is in de
+dienst des schaapsherders, dat ben ik in Frya&rsquo;s dienst. Ik moet
+over Frya&rsquo;s kudde waken. Dat komt ons goed voor zeiden de
+priesters, maar zeg ons wat is de beteekenis van de nachtuil, die
+altijd boven uw hoofd zit; is dat lichtschuwende dier soms het teeken
+van uw helder zien? Neen, antwoorde Hellenia, hij helpt mij herinneren
+dat er een slag van menschen over de aarde omdwaalt, dat even gelijk
+hij in kerken en holen huist, die in duister omwroeten, doch niet als
+hij, om ons van muizen en andere plagen te bevrijden, maar om ranken te
+verzinnen, andere menschen hunne wetenschap te rooven, opdat zij hen
+des te beter mogen vatten om er slaven van te maken, en hun bloed uit
+te zuigen even als de bloedzuigers doen. Eens kwamen zij met eene bende
+volks (de pest was over het land gekomen), zij zeiden: wij alle zijn
+bezig de goden te offeren, opdat zij de pest mogen weren, wilt gij dan
+niet helpen hunne gramschap te stillen, of hebt gij zelve de pest over
+het land gebracht met uwe kunsten. Neen, zeide Minerva, maar ik ken
+geene goden die kwaaddoende zijn, daarom kan ik niet vragen of zij
+beter willen worden. Ik ken slechts een goede, dat is Wralda&rsquo;s
+geest, maar omdat hij goed is, doet hij ook geen kwaad. Waar komt het
+kwaad dan weg, vroegen de <span class="pagenum">[<a id="xd0e1222" href=
+"#xd0e1222">53</a>]</span>priesteren. Alle kwaad komt van u en van de
+domheid der menschen, die zich van u laten vangen. Indien uwe godheid
+dan zoo bijster goed is, waarom weert hij dan het kwaad niet, vroegen
+de priesters. Hellenia antwoorde: Frya heeft ons op den weg gebracht,
+en de Kroder, dat is de Tijd, die moet het overige doen; voor alle
+rampen is raad en hulp te vinden, doch Wralda wil dat wij die zelve
+zullen zoeken, opdat wij sterk zullen worden en wijs. Willen wij niet,
+dan laat hij onze verbastering uitrazen, opdat wij zullen ervaren, wat
+na verstandige daden en wat na dwaze daden volgt.</p>
+
+<p>Toen zeide een vorst: Ik zoude wanen, dat het beter ware, die te
+weeren. Wel mogelijk, <span class="corr" id="xd0e1226" title="Bron:
+antwoorde">antwoordde</span> Hellenia, want dan zouden de menschen
+blijven gelijk makke schapen, gij en de priesters zoudt hen willen
+hoeden, maar ook scheren en naar de slachtbank voeren. Doch zoo wil het
+onze godheid niet, hij wil, dat wij elkander helpen, maar hij wil ook
+dat iedereen vrij zij en wijs worde. En dat is ook onze wil, en daarom
+kiest ons volk zijne vorsten, graven, raadgevers en alle bazen en
+meesters uit de wijsten der goede menschen, opdat alle man even zeer
+zijn best zal doen, om wijs en goed te worden. Zoodoende zullen wij
+eens weten en aan het volk leeren, dat wijs zijn en wijs doen alleen
+leidt tot zaligheid. Dat schijnt wel een oordeel, zeiden de priesters,
+maar als gij nu meent dat de pest door onze domheid ontstaat, zoude
+Nyhellenia dan wel zoo goed willen wezen, om ons wat van dat nieuwe
+licht te leenen, waarop zij zoo trotsch is. Ja, zeide Hellenia, de
+raven en andere vogelen komen alleen af op bedorven aas, maar de pest
+bemint niet alleen bedorven aas, maar ook bedorven zeden en gewoonten
+en booze lusten; wilt gij nu dat de pest van u zal wijken en niet
+terugkomen, dan moet gij de booze lusten wegdoen, opdat gij alle rein
+wordt van binnen en van buiten. Wij willen gelooven, dat de raad goed
+is, zeiden de priesters, maar zeg ons, hoe zullen wij daar alle
+menschen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1229" href=
+"#xd0e1229">55</a>]</span>toe krijgen, die onder onze heerschappij
+zijn? Toen stond Hellenia op van haren zetel en sprak: De musschen
+volgen den zaaijer, de volken hunne goede vorsten, daarom betaamt het u
+te beginnen met u zelven alzoo rein te maken, dat gij uwe blikken naar
+binnen en naar buiten moogt richten zonder schaamrood te worden voor uw
+eigen gemoed. Doch in plaats van het volk rein te maken, hebt gij vuile
+feesten uitgevonden, waarop het volk alzoo lang zuipt, dat zij ten
+laatsten, gelijk de zwijnen in het slik wroeten, omdat gij uwe lusten
+boeten moogt. Het volk begon te joelen en te spotten, daardoor durfden
+zij geen strijd weder aan te spinnen. Nu zoude ieder wanen dat zij
+overal het volk te hoop geroepen hadden, om ons allen te zamen het land
+uit te drijven. Neen, in plaats van haar te beschimpen gingen zij
+allerwegen, ook naar het heinde Krekaland tot aan de Alpen uitroepen:
+dat het den Oppersten God behaagd had zijne verstandige dochter
+Minerva, bijgenaamd Nyhellenia, onder de menschen te zenden van over
+zee met eene wolk, om de menschen goede raad te geven, en opdat alle
+menschen die haar hooren wilden rijk en gelukkig zouden worden, en eens
+meester zouden worden over alle koningrijken der aarde. Zij stelden
+haar beeld op hunne altaren, zij verkondigden of verkochten aan de
+domme menschen allerwegen raadgevingen die zij nimmer gegeven had, en
+vertelden wonderen die zij nooit gedaan had. Door list wisten zij zich
+meester te maken van onze wetten en inzettingen en door listen en
+drogredenen wisten zij alles te bewijzen en te verbreiden. Zij stelden
+ook priesteressen onder hunne hoede, die schijnbaar onder de hoede van
+Festa onze eerste eeremoeder (waren) om over het heilige licht te
+waken, maar dat licht hadden zij zelve ontstoken, en in plaats van de
+priesteressen wijs te maken en naderhand onder het volk te zenden om de
+zieken te verplegen en de jeugd te onderwijzen, maakten zij ze dom en
+duister, en zij mochten nimmer buiten komen. Ook werden <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1231" href="#xd0e1231">57</a>]</span>zij als
+raadgeefsters gebezigd, maar die raad was voor den schijn uit hare
+monden, want hare monden waren niet anders dan de roepers, waardoor de
+priesters hunne begeerten uitspraken. Toen Nyhellenia gestorven was,
+wilden wij eene andere moeder kiezen. Sommigen wilden naar Texland om
+aldaar eene te vragen; maar de priesters die bij hun eigen volk het
+rijk weder in hadden, wilden dat niet gedoogen, en kreten ons bij het
+volk als onheilig uit.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1233" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Uit de schriften van Minno.</h2>
+
+<p>Toen ik aldus weggevaren was met mijne lieden van Athenia, kwamen
+wij ten laatsten aan een eiland, door mijne manschappen Kreta geheeten,
+wegens de woeste kreten die het volk aanhief bij onze komst. Toen zij
+echter zagen, dat wij geen oorlog in het schild voerden, werden zij
+gedwee, zoodat ik ten laatsten voor een boot met ijzer gereedschap eene
+havenmond en een plek grond inruilde, doch toen wij daar eene poos
+gezeten waren, en zij bespeurden dat wij geene slaven hadden, toen
+waren zij daarover versteld. Maar toen dat ik hun nu verteld had, dat
+wij wetten hadden om gelijk recht te doen over allen, toen wilde het
+volk ook zulke hebben, doch nauwlijks hadden zij die, of het geheele
+land kwam in de war. De vorsten en priesteren kwamen en gaven voor dat
+wij hunne onderdanen oproerig gemaakt hadden, en het volk kwam tot ons
+om heul en schut te vragen. Doch toen de vorsten zagen dat zij hun rijk
+zouden verliezen, toen gaven zij aan het volk vrijheid en kwamen bij
+mij om een Asegaboek. Doch het volk was aan geen vrijheid gewoon, en de
+heeren bleven heerschen, naardat hun goed dacht. Nadat die storm over
+was, begonnen zij tweespalt tusschen ons te zaaijen. Zij zeiden aan
+mijn volk, dat ik hunne hulp had ingeroepen, om bestendig koning te
+worden. Eens vond ik vergif in mijne spijs. Doch als er eens een schip
+van <span class="pagenum">[<a id="xd0e1238" href=
+"#xd0e1238">59</a>]</span>Flyland bij ons verzeilde, ben ik daarmede
+stilletjes weggetogen. Doch mijn eigen wedervaren daarlatende, wil ik
+met deze geschiedenis alleen zeggen, dat wij ons niet moeten inlaten
+met Finda&rsquo;s volk, van waar het ook zij, omdat zij vol zijn van
+valsche ranken, even te vreezen als hunne zoete wijnen met doodend
+vergif.</p>
+
+<p>Einde van Menno&rsquo;s schriften.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1242" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hieronder zijn drie beginselen, daarnaar zijn deze
+inzettingen gemaakt.</h2>
+
+<p>1. Iedereen weet dat hij zijn nooddruft moet hebben, maar wordt aan
+iemand zijne nooddruft onthouden, dan weet niemand wat hij doen zal, om
+zijn lijf te behouden.</p>
+
+<p>2. Alle volwassen menschen worden gedrongen kinderen te verwekken,
+zoo dat geweerd wordt, weet niemand, wat kwaads daarvan kan komen.</p>
+
+<p>3. Een ieder weet dat hij vrij en onverlet wil leven, en dat anderen
+dat ook willen. Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen
+gemaakt.</p>
+
+<p>Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze
+zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en
+vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en
+moord.</p>
+
+<p>1. Bijaldien iemand gebrek heeft en hij kan hem zelf niet helpen,
+zoo moeten de Maagden dat ter kennis brengen van den graaf, om reden
+dat het een hooghartigen Fries niet past dat zelf te doen.</p>
+
+<p>2. Zoo iemand arm wordt, doordien hij niet werken wil, die moet uit
+den lande uitgedreven worden; want de laffen en tragen zijn lastig en
+ergdenkend, daarom behoort men hen te weren.</p>
+
+<p>3. Ieder jong man behoort eene bruid te zoeken, en is hij vijf en
+twintig jaar oud, dan behoort hij eene vrouw te hebben. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1259" href="#xd0e1259">61</a>]</span></p>
+
+<p>4. Is iemand vijf en twintig jaar, en heeft hij nog geene
+echtgenoot, dan behoort men hem uit zijn huis te weren, de knapen
+behooren hem te vermijden. Neemt hij dan nog geene vrouw, dan moet men
+hem dood verklaren, opdat hij uit het land vertrekke, en hier geen
+ergernis mag geven.</p>
+
+<p>5. Is iemand machteloos, dan moet hij openbaar zeggen dat niemand
+van hem te vreezen heeft, dan mag hij komen, waar hij wil.</p>
+
+<p>6. Pleegt hij naderhand ontucht, dan mag hij vluchten; vlucht hij
+niet, dan wordt hij aan de wraak der bedrogene overgelaten en niemand
+mag hem helpen.</p>
+
+<p>7. Bijaldien iemand eenig goed heeft, en een ander begeert dat
+dermate, dat hij zich daaraan vergrijpt, dan moet hij dat drievoudig
+vergelden. Steelt hij dan nog eens weer, dan moet hij naar de
+tinlanden; wil de bestolene hem vrij laten, dan mag hij dat doen, maar
+gebeurt het voor de derde reis, dan mag niemand hem de vrijheid
+schenken.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1268" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Deze bepalingen zijn gemaakt voor toornige
+menschen.</h2>
+
+<p>Zoo iemand in drift of uit boosheid een ander leden breekt, een oog
+uitstoot, ofte tand, wat het ook zij, zoo moet de beleediger betalen,
+wat de beleedigde eischt. Kan hij dat niet doen, zoo moet er openbaar
+aan hem gedaan worden, wat hij aan den ander deed. Wil hij dat niet
+uitstaan, dan moet hij zich tot zijne burgtmaagd wenden, of hij in de
+ijzer- of tinlanden mag werken, tot dat zijne schuld voldaan is volgens
+de algemeene bepaling.</p>
+
+<p>2. Wanneer iemand gevonden wordt zoo boos, dat hij een Fries dood
+slaat, dan moet hij dat met zijn lijf betalen. Doch kan zijne
+burgtmaagd hem voor altijd naar de tinlanden helpen, voor dat hij gevat
+wordt, dan mag zij dat doen.</p>
+
+<p>3. Bijaldien de gevangene kan bewijzen met erkende getuigen, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1277" href="#xd0e1277">63</a>]</span>dat
+het bij ongeluk geschied is, zoo zal hij vrij wezen. Maar gebeurt het
+nog eenmaal, dan moet hij toch naar de tinlanden, opdat men daardoor
+vermijde alle onbehoorlijke wraak en veete.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1279" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit zijn bepalingen voor de hoerenkinderen.</h2>
+
+<p>1. Wie eens anders huis uit boosheid den rooden haan opzet, is geen
+Fries, hij is een hoerenkind, met basterd bloed. Kan men hem op heeter
+daad vatten, dan moet men hem in het vuur werpen. Hij mag vlieden zoo
+hij kan, nergens zal hij veilig wezen voor de wrekende hand.</p>
+
+<p>2. Geen echte Fries zal over de misslagen zijns naaste mallen of
+kwaadspreken. Is iemand misdadig jegens hem zelven, maar niet te
+vreezen voor anderen, dan mag hij zijn eigen rechter wezen. Wordt hij
+zoo slecht, dat hij gevaarlijk wordt, dan moet men het aan den graaf
+openbaren. Maar is er iemand die een ander achter zijn rug aantijgt, in
+plaats van het bij den graaf te doen, die is een hoerenkind, op de
+markt moet hij aan den paal gebonden worden, zoodat het jong volk hem
+mag aanspuwen; daarna leidt men hem over de grenzen, maar niet naar de
+tinlanden, want een eerrover is ook te vreezen.</p>
+
+<p>3. Bijaldien er eens iemand zoo slecht was, dat hij ons ging
+verraden, aan den vijand de paden en bijpaden wees om onze vliedburgten
+te genaken, of des nachts daar in te sluipen, die zoude alleen
+gesproten zijn uit Finda&rsquo;s bloed, men zoude hem moeten
+verbranden, de zeelieden zouden zijne moeder en al zijne bloedverwanten
+naar een afgelegen eiland moeten brengen, en daar zijn asch verstuiven,
+opdat er geen vergiftige kruiden van mochten groeijen. De maagden
+moeten zijn naam vervloeken over alle onze staten, opdat geen kind zijn
+naam moge krijgen, en de ouden hem mogen verwerpen. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1288" href="#xd0e1288">65</a>]</span></p>
+
+<p>Oorlog was voorbij gegaan, maar nood was in zijne plaats gekomen; nu
+waren er drie menschen die elk een zak koorn stalen van afzonderlijke
+eigenaren. Doch zij werden alle gevangen. Nu ging de eerste (eigenaar)
+heen en bracht den dief bij den schout, de maagden zeiden daarvan
+allerwege, dat hij gehandeld had naar het recht. De andere nam den dief
+het koorn af, en liet hem voorts met vrede; de maagden zeiden, hij
+heeft wel gedaan. Maar de derde eigenaar ging naar den dief in zijn
+huis. Toen hij nu zag, hoe de nood daar zijn zetel had opgesteld, ging
+hij terug en keerde weder met een wagen vol nooddruftigheden, waarmede
+hij den nood van den haard verdreef. Frya&rsquo;s maagden hadden bij
+hem rondgewaard en zijne daad in het eeuwige boek geschreven, terwijl
+zij al zijne zonden hadden uitgewischt. Het werd gezegd aan de
+eeremoeder, en deze liet het verkondigen over het geheele land.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1291" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hetgene hieronder staat is aan de wanden van de
+Waraburgt gegrift.</h2>
+
+<p>(Zie <a href="#plaat1">plaat I</a>.)</p>
+
+<p>Wat hier boven staat, dat zijn de teekens van het Juul, dat is het
+eerste zinnebeeld van Wralda, ook van den aanvang of het begin, waaruit
+de Tijd is voortgekomen; deze is de Kroder, die eeuwig met het Juul
+moet rondloopen. Hiernaar heeft Frya het staand schrift gevormd,
+&rsquo;t welk zij gebruikte voor hare tex. Toen Fasta eeremoeder was,
+heeft zij er het run of loopend schrift van gemaakt. De Witkoning d. i.
+Zeekoning Godfried, de oude, heeft er afzonderlijke getalteekens van
+gemaakt voor het staand en loopend schrift beide. Het is daarom niet te
+veel dat wij er jaarlijks eenmaal feest voor vieren. Wij mogen Wralda
+eeuwig dank wijden, dat hij zijn geest zoo krachtig over onze
+voorvaderen heeft laten varen. In haren tijd heeft Finda ook een
+schrift <span class="pagenum">[<a id="xd0e1301" href=
+"#xd0e1301">67</a>]</span>uitgevonden; maar dat was zoo hoogdravend en
+vol met franjes en krullen, dat de nakomelingen de beteekenis daarvan
+spoedig verloren hebben. Naderhand hebben zij ons schrift geleerd, met
+name de Finnen, de Thyriers en de Krekalander. Maar zij wisten niet
+goed, dat het van het Juul gemaakt was, en dat het daarom altijd moest
+geschreven worden met de zon om. Bovendien wilden zij dat hun schrift
+voor andere volken onleesbaar zoude wezen, omdat zij altijd
+geheimnissen hebben. Zoodoende zijn zij zeer van de wijs geraakt,
+dermate, dat de kinderen de schriften hunner ouderen bezwaarlijk kunnen
+lezen; terwijl wij onze alleroudste schriften even gemakkelijk kunnen
+lezen als die, die gisteren geschreven zijn.</p>
+
+<p>Hieronder is het staand schrift, daaronder het loopend schrift,
+vervolgens de getalteekens op beide wijzen.</p>
+
+<p>(Zie <a href="#plaat2">plaat II</a>.)</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1310" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit staat op alle burgten geschreven.</h2>
+
+<p>Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De
+zon rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters
+groeiden vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten
+hadden wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als
+goud blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden
+niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan de
+eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk
+behalve wij, mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij
+door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor
+het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het
+wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee, en
+ten westen aan de Middellandsche <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1315" href="#xd0e1315">69</a>]</span>zee, zoodat wij buiten de
+kleine rivieren wel twaalf groot zoetwater stroomen hadden, ons door
+Wralda gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den
+weg naar zijne zee te wijzen.</p>
+
+<p>De oevers van deze stroomen werden somtijds alle door ons volk
+bezeten, ook de velden aan den Rijn, van &rsquo;t eene einde tot het
+andere toe.</p>
+
+<p>Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen
+met eene burgtmaagd. Van daar trokken wij koper en ijzer, benevens
+teer, pik en sommige andere benoodigdheden. Tegenover ons voormalig
+Westland hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het
+land der ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken
+waren, om hun lijf te behouden. Maar opdat zij niet terug zouden komen,
+werd eerst een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode
+bloedverf, de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden
+onze zeelieden en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde
+Krekalanden (Italie) en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte
+menschen. Daar ons land zoo ruim en groot was, hadden wij vele
+afzonderlijke namen. Die welke gezeten waren ten oosten van de
+Denemarken, werden Jutten genoemd, uithoofde zij dikwijls anders niet
+deden dan barnsteen <span class="letterspaced">jutten</span> (aan het
+strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden Letten
+geheeten, omdat zij meestal <span class="letterspaced">verlaten</span>
+leefden. Alle strand en kustbewoners van de Denemarken af tot aan de
+Sandval, nu Schelde, werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren
+geheeten. Angelaren zoo noemde men te voren de buitenvisschers, omdat
+zij alleen met <span class="letterspaced">angel</span> of hoekwant
+vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van daar tot aan
+het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers genoemd, omdat
+zij nimmer buiten voeren (maar aan de <span class="letterspaced">
+kade</span> bleven). Die in de hooge marken gezeten waren, welke aan de
+Twisklanden paalden, werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd
+gewapend waren tegen het wild gedierte en de verwilderde Britten.
+Daarenboven <span class="pagenum">[<a id="xd0e1333" href=
+"#xd0e1333">71</a>]</span>hadden wij de namen Landzaten, Marzaten en
+Hout- of Woudzaten.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1335" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hoe de bange tijd kwam.</h2>
+
+<p>Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde
+zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor rook en
+damp als zeilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd aldus droef
+en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch vreugde. Te
+midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij stervende
+was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen; andere zonken
+in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had, hief zij nu bergen
+omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten, zonk neder, en de
+woeste golven traden zoo verre over bergen en dalen, dat alles onder de
+zee bedolven was. Vele menschen werden in de aarde begraven, en velen
+die aan het vuur ontkomen waren, kwamen daarna in het water om. Niet
+alleen in het land van Finda spuwden de bergen vuur, maar ook in het
+Twiskland. Wouden brandden daardoor achterelkander weg, en toen de wind
+daar van daan kwam, waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden
+verlegd en bij hunne monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend
+vee. Drie jaren was de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon
+men hare wouden zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee
+opgerezen en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk
+kwamen de ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd,
+of zij werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel
+geboden, en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt
+is.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1340" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit staat aan de Waraburgt bij de Aldegamude
+gegrift.</h2>
+
+<p>De Waraburgt is geen Maagdeburgt, maar daarin werden <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1345" href="#xd0e1345">73</a>]</span>alle
+uitheemsche en buitenlandsche dingen bewaard, die mede gebracht zijn
+door de zeelieden. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uren)
+zuidwaarts van Medeasblik gelegen. Aldus is de voorafspraak: Bergen
+neigt uwe kruinen, wolken en stroomen weent. Ja, Schoonland bloost,
+slavenvolken stappen op uw kleed, o Frya.</p>
+
+<p class="aligncenter">Zoo is de geschiedenis.</p>
+
+<p>100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam uit het oosten een
+volk weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons
+Twiskland, kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en
+elk ging zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons
+gekomen, maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland.
+Schoonland was schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van
+al. Daarom mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij
+anders geen leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij
+hen hebben leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en
+daarna hoe het ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk
+vele geslachten van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij
+hebben priesters, even als deze, en in de kerken hebben zij ook
+beelden. De priesters zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf
+Magyaren, hun opperste heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met
+een; al het andere volk is nul in &rsquo;t cijfer en gelijk, en allen
+zijn onder hun geweld. Het volk heeft niet eens een naam; door ons
+worden zij Finnen genoemd; want ofschoon hunne feesten allemaal treurig
+en bloedig zijn, zijn zij daar toch zoo <span class="letterspaced">
+fijn</span> op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn zij niet te
+benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters, maar nog veel meer
+van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol is van booze geesten,
+die in de menschen en dieren sluipen; maar van Wraldas geest weten zij
+niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren koperen. De Magyaren
+verhalen, dat zij de booze geesten <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1354" href="#xd0e1354">75</a>]</span>kunnen bannen en verbannen,
+daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun gelaat is nimmer
+vrolijkheid te zien.</p>
+
+<p>Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij
+ons, zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen,
+die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen, en
+hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte onze
+waakzaamheid.</p>
+
+<p>Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij onverwacht,
+gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze landen toeloopen.
+Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd aangeroepen, maar de
+Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen werden krachten
+verzameld, drie palen van Godasburgt werden zij wederstaan, de oorlog
+bleef. Kat of Katerinne, zoo heette de priesteres, die burgtmaagd op
+Godasburgt was. Kat was trotsch en hooghartig, daarom liet zij noch
+raad, noch helpers aan de Moeder vragen. Maar toen de burgtheeren dat
+begrepen, zonden zij zelve boden naar Texland tot de Eeremoeder. Minna,
+zoo was de naam der Moeder, liet al de zeelieden oproepen en al het
+andere jong volk van Oostflyland en van de Dennemarken. Uit deze tocht
+is de geschiedenis van Wodin ontstaan, die op de burgten gegrift is, en
+hier is uitgeschreven.</p>
+
+<p>Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn
+naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven;
+Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij
+zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren
+zeestrijders, en juist nu bij hunne vaderen aan de Aldergamude. Toen nu
+de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun heerman
+of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning en Inka tot
+hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar de Dennemarken
+varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige landweer <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1362" href="#xd0e1362">77</a>]</span>aan
+boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien in
+Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij elkander gevoegd
+hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya
+was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof
+het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal
+omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot
+Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch al wat
+wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij uwe broeders
+met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze vijanden
+voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij hebben
+dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft zich om ons
+niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander voor de helft
+vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen en ons allen
+vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij heeft gezien, dat
+Frya veel machtiger is als alle onze geesten te zamen. Hij wil zijn
+hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de krijgshaftigste koning
+der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze koning, en wij allen willen
+uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol voor u wezen, als gij de wilden
+weder terug kondt drijven, onze basuinen zouden het rondblazen, en onze
+berichten zouden u overal vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en
+krijgshaftig, maar hij was niet helder ziende, daardoor werd hij in
+hunne strikken gevangen en door den Magy gekroond. Zeer velen van de
+zeelieden en de landweer, dien deze keuze niet naar den zin was,
+vertrokken in stilte, Kat medenemende. Maar Kat die niet voor de
+Moeder, noch voor de algemeene vergadering, wilde verschijnen, sprong
+over boord. Toen kwam de stormwind en dreef de schepen op de schorren
+van de Dennemarken, zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben
+zij die straat het Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij
+op <span class="pagenum">[<a id="xd0e1364" href=
+"#xd0e1364">79</a>]</span>de wilden los; zij waren allen ruiters;
+gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins heer aan, maar als een
+dwarrelwind <span class="corr" id="xd0e1366" title="Bron: wenden">
+wendden</span> zij om, en durfden niet weder verschijnen. Toen Wodin nu
+terug kwam, gaf de Magy hem zijne dochter tot vrouw. Daarop werd hij
+met kruiden berookt, doch er waren tooverkruiden onder; want Wodin werd
+trapsgewijze zoo zeer vermetel, dat <span class="corr" id="xd0e1369"
+title="Bron: hy">hij</span> Frya en Wraldas geest durfde miskennen en
+bespotten, terwijl hij zijn vrije hals boog voor de valsche
+gedrochtelijke beelden. Zijn rijk duurde zeven jaren, toen verdween
+hij. De Magy zeide dat hij onder hunne goden was opgenomen, en dat hij
+van daar over hen heerschte, maar ons volk lachte om zijne taal. Toen
+Wodin eene poos weg geweest was, kwam er tweespalt; wij wilden een
+anderen koning kiezen, maar dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij
+beweerde dat het een recht was, hem door zijne afgoden gegeven. Maar
+buiten en behalve deze twist, was nog eene tusschen de Magiaren en
+Finnen, die Frya noch Wodin wilden eeren, doch de Magy deed zoo als hem
+goed dacht, want zijne dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu
+wilde de Magy dat deze zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl
+allen keven en twisten, kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich
+zelven tot voogd of raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf,
+dan van het recht, lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele
+Magiaren vloden met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen
+scheep en een heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met
+hun.</p>
+
+<p>Nu komen de geschiedenissen van neef Teunis en zijn neef Inka eerst
+recht op het pad.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1374" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit alles staat niet alleen op de Waraburgt, maar
+ook op de burgt Stavia, die gelegen is achter de haven van Stavre</h2>
+
+<p>Toen Teunis met zijne schepen naar huis wilde keeren, ging hij het
+eerst op de Dennemarken af, maar hij mocht daar <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1379" href="#xd0e1379">81</a>]</span>niet landen, dat had
+de Moeder besteld. Ook te Flyland mocht hij niet landen en voorts
+nergens. Hij zoude alzoo met zijne manschappen van kommer en gebrek
+omgekomen zijn; daarom gingen zij des nachts aan land om te rooven, en
+voeren bij dag verder. Aldus langs de kust voort varende kwamen zij tot
+de volkplanting Kadik, zoo geheeten omdat zij door een steenen kadijk
+gevormd was. Hier kochten zij allerhande leeftocht, maar Tuntia de
+burgtmaagd wilde niet gedoogen, dat zij zich daar nederzetteden. Toen
+zij gereed waren, kregen zij twist. Teunis wilde door de straat van de
+Middellandsche zee, om te varen voor den rijken koning van Egyptenland,
+gelijk hij wel eer gedaan had. Maar Inka zeide dat hij zijn bekomst had
+van al dat Findas volk. Inka meende dat er misschien wel een
+hooggelegen deel van Atland, bij wijze van eiland, zoude overgebleven
+wezen, waar hij met zijne manschappen vredig leven mocht. Als de beide
+neven het aldus niet eens konden worden, ging Teunis heen en stak een
+roode banier in het strand, en Inka eene blaauwe. Daarna mocht ieder
+kiezen, wien hij volgen wilde, en o wonder, tot Inka die er een afkeer
+van had, om de koningen van Findas volk te dienen, liepen de meeste
+Finnen en Magyaren over. Toen zij nu het volk geteld en de schepen
+daarnaar verdeeld hadden, scheidden de vloten van elkander; van neef
+Teunis is naderhand bericht gekomen, van neef Inka nimmer.</p>
+
+<p>Neef Teunis voer langs de kust door de straat der Middellandsche
+zee. Toen het Atland verzonken is, was het aan de oevers der
+Middellandsche zee ook erg toegegaan. Daardoor waren vele menschen van
+het Findas volk naar onze heinde en verre Krekalanden gekomen en ook
+velen van Lydas land. Daarentegen waren ook velen van ons volk naar
+Lydas land gegaan. Dat alles had uitgewerkt, dat de heinde en verre
+Krekalanden voor het oppergezag der Moeder verloren waren. Daar had
+Teunis <span class="corr" id="xd0e1383" title="Bron: opgerekend">op
+gerekend</span>, daarom wilde hij daar een goede <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1386" href="#xd0e1386">83</a>]</span>haven kiezen en van
+daaruit voor de rijke vorsten varen doch omdat zijne vloot en zijn volk
+er zoo haveloos uitzagen, meenden de Kadhemers (kustbewoners), dat zij
+roovers waren en daarom werden zij overal geweerd. Doch ten laatste
+kwamen zij aan Phoenisius kust, dat was 193 jaren nadat Atland gezonken
+is. Nabij de kust vonden zij een eiland met twee diepe golven, zoodat
+het als drie eilanden uitzag. Op het middelste daarvan stelden zij
+hunne schuilplaats op, naderhand bouwden zij daar eenen burgtwal om
+toe. Toen zij nu daaraan een naam, wilden geven, werden zij oneens,
+sommigen wilden het Fryasburgt heeten, andere Neettunia, maar de
+Magyaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburgt zoude heeten. Thyr
+noemden zij een hunner afgoden, en op diens verjaardag waren zij daar
+geland; tot eene vergelding wilden zij Teunis eeuwig als hun koning
+erkennen. Teunis liet hem belezen, en de anderen wilden daarover geen
+oorlog hebben. Toen zij nu goed zaten zonden zij sommige oude zeelieden
+en Magyaren aan den wal en verder naar de burgt Sydon, maar in het
+eerst wilden de Kadhemers niets van hen weten. Gij zijt veraf wonende
+zwervers, zeiden zij, die wij niet achten kunnen. Doch toen wij hun van
+onze ijzeren wapenen wilden verkoopen, ging ten laatsten alles goed.
+Ook waren zij zeer begeerig naar onze barnsteenen, en het vragen
+daarnaar nam geen einde. Maar Teunis, die verziende was, deed alsof hij
+geen ijzeren wapenen noch barnsteenen meer had. Toen kwamen de
+kooplieden en baden hem, hij zoude twintig schepen geven die zij alle
+met de fijnste waren wilden bevrachten, en zij wilden hem zoovele
+lieden tot roeijers geven als hij begeerde.</p>
+
+<p>Twaalf schepen liet hij bevrachten met wijn, honig, toebereid leder,
+daarbij kwamen toomen en zadels met goud overtrokken, gelijk men ze
+nimmer gezien had. Met al dien schat viel Teunis het Flymeer binnen. De
+grevetman van Westflyland werd door al deze dingen verrukt, hij
+bewerkte <span class="pagenum">[<a id="xd0e1390" href=
+"#xd0e1390">85</a>]</span>dat Teunis bij de mond van het Flymeer een
+pakhuis bouwen mocht. Naderhand is die plaats Almanaland genoemd en de
+markt, waarop zij naderhand te Wyringen ruilhandel mochten drijven,
+Toelaatmarkt. De Moeder raadde dat wij hun alles zouden verkoopen
+behalve ijzeren wapenen, maar men sloeg geen acht op haar. Daar de
+Thyriers dus vrij spel hadden, kwamen zij steeds weder om onze waren
+heinde en ver te vervoeren, tot schade van onze eigene zeelieden.
+Daarna is besloten op eene algemeene vergadering, jaarlijks zeven
+Tyrische schepen toe te laten en niet meer.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1392" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Wat daarvan geworden is.</h2>
+
+<p>In de noordelijkste hoek van de Middellandsche zee ligt een eiland
+bij die kust. Nu kwamen zij dat te koop vragen. Daarover werd eene
+algemeene vergadering belegd. Moeders raad werd ingewonnen, maar Moeder
+zag hen liefst ver af. Daarom meende zij dat er geen kwaad in stak,
+doch als wij achterna zagen, hoe wij verkeerd gedaan hadden, noemden
+wij dat eiland Mis.sellia.<a class="noteref" id="xd0e1397src" href=
+"#xd0e1397">1</a> Hierachter zal blijken, hoe wij hiertoe reden hadden.
+De Golen, zoo heetten de zendeling-priesters van Sydon, hadden wel
+gezien dat het land daar schaars bevolkt was en ver van de Moeder was.
+Om nu zich zelven een goeden schijn te geven, lieten zij zich zelve in
+onze taal <span class="letterspaced">aan de trouw gewijden</span>
+heeten, maar dat was beter geweest, als zij zich zelve <span class=
+"letterspaced">van de trouw gewenden</span> genoemd hadden of kort weg
+<span class="letterspaced">Triuwenden</span>, gelijk onze zeelieden
+later gedaan hebben.</p>
+
+<p>Toen zij wel gezeten waren, ruilden hunne kooplieden schoone koperen
+wapenen en allerlei sieraden tegen onze ijzeren wapenen en huiden van
+wilde dieren, die in onze <span class="pagenum">[<a id="xd0e1411" href=
+"#xd0e1411">87</a>]</span>zuidelijke landen in menigte te bekomen
+waren, maar de Golen vierden allerhande vuile gedrochtelijke feesten,
+en dan dienden de Kadheimers die door toedoen van hunne wulpsche
+meisjes en de zoetheid van hunne vergiftige wijn. Was er iemand van ons
+volk die het zoo erg verbruid had, dat zijn leven in gevaar kwam, dan
+verleenden de Golen hem heul en schuilplaats, en voerden hem naar
+Phonisia, dat is Palmland. Was hij daar gezeten, dan moest hij aan
+zijne bloedverwanten, vrienden en aanverwanten schrijven, dat het land
+zoo goed was en de menschen zoo gelukkig, als niemand zich konde
+verbeelden. In Brittania waren zeer vele mannen, doch weinig vrouwen,
+toen de Golen dat wisten, lieten zij allerwege meisjes schaken, en deze
+gaven zij aan de Britten om niet. Doch al deze meisjes waren hunne
+dienaren die kinderen van Wralda stalen om ze aan hunne valsche afgoden
+te geven.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e1397src" id="xd0e1397">1</a></span> Mis.sellia, miskoop,
+verkeerde koop.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e1413" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu willen wij schrijven over den oorlog der
+burgtmaagden Kalta en Min-erva.</h2>
+
+<p>En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de
+Golen verloren hebben.</p>
+
+<p>Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden,
+genoemd naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene
+eiland is de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de
+volgende geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en
+waak.</p>
+
+<p>563 jaar nadat Atland verzonken is zat hier eene wijze
+burgtpriesteres, Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd
+Nyhellenia. Deze bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij
+verleende was nieuw en helder boven alle andere.</p>
+
+<p>Over de Schelde op de Flyburgt, zat Sijrhed; deze burgtmaagd was vol
+ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1424" href="#xd0e1424">89</a>]</span>tong; maar de raad die zij
+gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden
+Kalta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de
+uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva
+het tweede en Syrhed het derde als opvolgster beschreven. Minerva had
+daar geen weet van, maar Syrhed was er door geknakt. Even als eene
+buitenlandsche vorstin wilde zij ge&euml;erd, gevreesd en gebeden
+wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen alle
+zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken en van
+het Flymeer. Dat kwetste Syrhed, want zij wilde boven Minerva
+uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude
+hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen en
+maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond, zeide
+zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt over
+de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar de haan
+heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne
+hoovaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten
+geworden. Als Kalta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van
+kwaad tot erger; in stilte liet zij de Magyaren bij zich komen om
+toverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich in
+de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet beteren.
+Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken, wilde zij
+hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig, dan liep
+zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij alle zouden
+vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts <span class=
+"corr" id="xd0e1426" title="Bron: verblinde">verblindde</span> zij
+hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor water hielden,
+daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op het eerste
+krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren, liet zij hun
+tonne bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank gedaan. Toen
+het volk nu allen te zamen dronken <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1429" href="#xd0e1429">91</a>]</span>waren, ging zij boven op haar
+strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het morgenrood
+kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen op haar
+gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en dochteren
+van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatste tijd veel schade en
+gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer komen om ons
+schrijfvilt te koopen, maar gij weet niet, waardoor dat gekomen is.
+Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu kan ik het niet
+langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt, waarnaar gij bijten
+moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij van tijd tot tijd de vaart
+van alle zee&euml;n hebben, daar maken zij heden ten dage schrijfvilt
+van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit, en kunnen zij ons
+ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd ons voornaamste
+bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat men het van ons
+zoude leeren. Maar Minerva heeft al het volk behekst, ja behekst,
+vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven is. Er uit moet
+het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd, ik zoude het wel
+weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen zij het laatste
+woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar het beschonken
+volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet vermocht te
+waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal, en nadien de
+nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek op de burcht
+los. Doch Kalta miste al weder haar doel, want Minerva en hare maagden
+en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1431" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hierbij komt de geschiedenis van Jon.</h2>
+
+<p>Jon, J&ocirc;n, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan
+de uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het
+verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was
+zeekoning, geboren te Alderga, het Flymeer <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1436" href="#xd0e1436">93</a>]</span>uitgevaren met 127 schepen
+uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin,
+koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en
+konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch
+toen Jon hier kwam en zag, hoe Kalta onze roemrijke burgt verwoest had,
+toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op
+Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar
+door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden de lamp
+en de maagden gered; doch Syrhed of Kalta mochten zij niet vatten. Zij
+klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in de vlammen moest
+omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden stokstijf van schrik
+stonden, kwam zij schooner als te voren op haren klepper, hun
+toeroepende: naar Kalta
+&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;. Toen stroomde het
+andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij:
+wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende
+gesneuveld zijn.</p>
+
+<p>Te dier tijde was Rosamund, dat is Rosamuda Moeder; zij had veel in
+der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam, maakte
+zij korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en liet een
+algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landsverdedigers uit alle
+oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon bergde zich
+met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide lampen,
+benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk, de
+heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan de
+overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer en
+terstond daarna naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele van ons
+volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag, dat men hem
+en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok hij heimelijk.
+Hij deed terecht, want al onze eilanders en al het andere Schelde volk,
+die gevochten hadden, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1443" href=
+"#xd0e1443">95</a>]</span>werden naar Brittanje <span class="corr" id=
+"xd0e1445" title="Bron: gehracht">gebracht</span>. Deze stap was
+verkeerd, want nu kwam het begin van het einde.</p>
+
+<p>Kalta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op het
+land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia af<span
+class="corr" id="xd0e1450" title="Niet in bron">.</span> Toen kwamen de
+Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee naar Kadix varen en
+geheel ons buitenland langs en vielen op en over Brittannia, doch daar
+konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de bestuurders machtig en de
+bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam Kalta en sprak: gij zijt
+vrij geboren en om kleine gebreken heeft men u tot verworpenen gemaakt,
+niet om u te verbeteren, maar om tin te winnen door uwe handen. Wilt
+gij weer vrij wezen en onder mijn raad en hoede leven, trekt dan uit,
+wapenen zullen u gegeven worden en ik zal over u waken. Als bliksemvuur
+ging het over de landen, en eer des Kroders juul eens omgeloopen was,
+was zij meesteres over allen te zamen en de Thyriers van al onze
+zuiderstaten tot de Seine. Om dat Kalta haar zelve niet betrouwde, liet
+zij in het noordelijke bergland een burgt bouwen. Kaltasburch werd zij
+geheeten, zij is nog in wezen maar nu heet zij Kerenak. Van deze burgt
+uit heerschte zij als eene echte moeder, doch niet ter wille van, maar
+over hare volgelingen, die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen
+heerschten allengs over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat
+zij geen burgten meer hadden, anderdeels omdat zij daar geene
+burgtmaagden hadden en in de derde plaats omdat zij geene echte lamp
+hadden. Door al deze oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom
+en dwaas en werd eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd
+en ten laatste als een stier bij de neus omgeleid. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1453" href="#xd0e1453">97</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1455" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu willen wij schrijven hoe het Jon vergaan is. Het
+staat te Texland geschreven.</h2>
+
+<p>Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het
+Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen); en van
+hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven.</p>
+
+<p>Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hun
+overal vooruitgegaan, zoodat zij aan de kusten van het naastbijzijnde
+Krekaland (Italie) nergens veilig waren. Hij stak dus met zijne vloot
+naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie). Daar wilden de zwarte
+menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus, maar
+Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest door de
+priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk wij later
+hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben, die daar
+naar hun begrip van overlang was (?) hadden zij Teunis tot een God
+verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus achter den
+rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede rooven.
+Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet terug
+winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende Jon
+zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een land,
+dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond.</p>
+
+<p>Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of
+priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden
+beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet ruim
+genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te laf om
+verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en vaan,
+het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde scharen.
+Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste deel voegde
+zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij Jon. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1464" href="#xd0e1464">99</a>]</span>Jon
+nam de lamp van Kalta en hare maagden mede; Minerva behield hare eigene
+lamp en hare eigene maagden.</p>
+
+<p>Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige
+eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het woud
+tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden uit
+ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen, daarom
+zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische
+eilanden genoemd.</p>
+
+<p>Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika
+genoemd is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij
+onderhielden hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en
+honing. Zij waren met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen
+op de hellingen der bergen. Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers
+geheeten.</p>
+
+<p>In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet
+taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote
+vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten
+nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden
+helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne
+kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij
+eene burgt anderhalve paal (uurgaans) van de haven. Op raad van Minerva
+werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren te
+weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar als
+vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen de
+voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden, behaagde
+hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken, omdat zij
+dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde: hoe zijt gij
+wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoorden: sommige hebben wij gekocht,
+andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide: bijaldien niemand
+menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen rooven, en gij zoudt
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1472" href=
+"#xd0e1472">101</a>]</span>daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus
+onze bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten.</p>
+
+<p>Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar
+de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen, die
+wij nu van steen maken.</p>
+
+<p>Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva.</p>
+
+<p>Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om
+ijzeren burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig;
+doch zoo wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als
+zij daarin toegestemd hadden, vroegen die lieden of Fryas zeden te
+Athene en in de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder
+antwoorde: Indien de verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya
+behooren, zoo zullen zij daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe,
+dan zal er lang over gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog
+vijfduizend jaren met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor
+de vrijheid is.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1480" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit is over de Geertmannen.</h2>
+
+<p>Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich
+als of zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude,
+hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij geene
+andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden, dat er
+onder hare maagden geene zouden wezen, die zij zoo zouden kunnen
+vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar wij wilden
+Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve ons gezegd
+had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas geest. Daarom
+kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder.</p>
+
+<p>Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet
+mochten braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1487" href=
+"#xd0e1487">103</a>]</span>Minerva niet als eene Godin wilden bekennen
+uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel liefde had bewezen. Daarop
+gaven zij het volk beeldtenissen van hare gelijkenis, betuigende dat
+zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang zij gehoorzaam bleven. Door
+al deze verhalen werd het domme volk van ons afkeerig gemaakt, en ten
+laatsten vielen zij ons te lijf. Maar wij hadden onze steenen burgtwal
+met twee hoornen omgebogen tot aan de zee. Zij konden ons daarom niet
+genaken. Doch wat gebeurde, een Egyptenaar die een overpriester was,
+helder van oogen, klaar van brein, en verlicht van geest, zijn naam was
+Cecrops, hij kwam om raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met
+zijne lieden onze wal niet bestormen kon, toen zond hij boden naar
+Thyrus. Daarop kwamen driehonderd schepen vol soldaten van de wilde
+bergvolken onverwacht in onze haven varen, terwijl wij met al onze
+mannen op den wal strijdende waren.</p>
+
+<p>Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het
+dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje
+geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische
+zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij
+dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij zult
+uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden noch van
+verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te eischen, zij
+mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en dragende have, en
+hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der burgtheeren heel goed
+ziende, dat zij de burgt niet konden houden, raadden Geert aan, dat zij
+gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops woedend werd en anders <span
+class="corr" id="xd0e1491" title="Bron: bogon">begon</span> en drie
+maanden daarna, vertrok Geert met met de beste Fryaszonen en zeven maal
+twaalf schepen. Toen zij een poos buiten de haven waren, kwamen er wel
+dertig schepen van Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene
+gaan, doch als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen
+zij met Geert. De zeekoning der <span class="pagenum">[<a id="xd0e1494"
+href="#xd0e1494">105</a>]</span>Thyriers bracht allen te zamen door de
+straat, die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landen
+zij aan Pangab, dat is in onze spraak <span class="letterspaced">vijf
+wateren</span>, omdat vijf rivieren met elkander naar de zee
+toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat land hebben zij Geertmania
+genoemd. De koning van Thyrus later ziende, dat zijne allerbeste
+zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen met zijne wilde
+soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als zij bij de straat
+kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief aarde haar lijf daar
+zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep, en dat alle wadden en
+schorren als een burgtwal voor hen oprezen.</p>
+
+<p>Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen
+klaar en duidelijk zien kan.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1501" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">In het jaar 1005 nadat Atland gezonken is, is dit op
+de oosterwand van Frijasburgt geschreven.</h2>
+
+<p>Nadat wij in twaalf jaren tijd geen Krekalander te Almanland gezien
+hadden, kwamen hier drie schepen zoo sierlijk als wij er geen hadden,
+en te voren nimmer hadden gezien. Op het grootste van deze was een
+koning der Jonische eilanden; zijn naam was Ulysus en de roep zijner
+wijsheid groot. Aan dezen koning was door eene priesteres voorzegd dat
+hij koning zoude worden over alle Krekalanden, zoo hij raad wist om
+eene lamp te krijgen, die opgestoken was aan de lamp te Texland. Om die
+te verkrijgen had hij vele schatten medegebracht, bovenal vrouwen
+sieraden, gelijk er in de wereld niet schooner gemaakt werden. Zij
+waren afkomstig van Troje, eene stad, die de Krekalanders hadden <span
+class="corr" id="xd0e1506" title="Bron: inge-genomen">ingenomen</span>.
+Al deze schatten bood hij de Moeder aan; maar de Moeder wilde nergens
+van weten. Als hij ten laatsten zag, dat zij niet te winnen was, ging
+hij naar Walhallagara. Daar was eene burgtmaagd gezeten, wier naam was
+Kaat; doch <span class="pagenum">[<a id="xd0e1509" href=
+"#xd0e1509">107</a>]</span>in de wandeling werd zij Kalip genoemd,
+omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak. Bij deze heeft hij
+jaren vertoefd tot ergernis van allen die het wisten. Naar het zeggen
+der maagden heeft hij van haar ten laatste eene lamp gekregen; doch zij
+heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam, is zijn schip
+vergaan, en hij naakt en bloot opgenomen door de andere schepen.</p>
+
+<p>Van dezen koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver
+Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en hetgene hier
+volgt heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag
+besluiten, hoe waar de Moeder Hellicht gesproken heeft toen zij zeide
+dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de andere
+Krekalanders hebt gij zeker veel kwaad over Cecrops gehoord, want hij
+was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, hij was een verlicht man,
+hoogelijk geroemd, zoowel bij de inwoners als bij ons, want hij was er
+niet voor om de menschen te onderdrukken, gelijk de andere priesteren,
+maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid der ver afwonende volken
+naar waarde te schatten. Daarom, omdat hij dat wist heeft hij ons
+toegestaan, dat wij mochten leven naar ons eigenlijk Asegaboek. Er liep
+een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij geboren zoude wezen uit
+een Friesch meisje en een Egyptisch priester, uithoofde dat bij blauwe
+oogen had, en dat er vele meisjes bij ons geschaakt waren en verkocht
+naar Egypte. Doch zelf heeft hij dit nimmer bevestigd. Hoe het daarmede
+is, zeker is het dat hij ons meer vriendschap bewees, als alle andere
+priesteren te zamen. Maar toen hij gestorven was, gingen zijne
+opvolgers al spoedig aan onze wetten tornen, en allengs zoo vele
+ongeschikte keuren maken, dat er ten langen laatste van gelijkheid en
+van vrijheid niet anders, als de schijn en de naam overbleef. Verder
+wilden zij niet gedoogen dat de inzettingen in schrift werden gebracht,
+waardoor de wetenschap daarvan voor ons verborgen werd. Te voren werden
+alle zaken binnen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1513" href=
+"#xd0e1513">109</a>]</span>Athene in onze taal bepleit, naderhand moest
+het in beide talen geschieden, en ten laatste alleen in de landstaal.
+In de eerste jaren nam het manvolk te Athene enkel vrouwen van ons
+eigen geslacht, maar het jongvolk opgewassen met de meisjes der
+landzaten namen daar ook van. De basterd kinderen die daarvan kwamen,
+waren de schoonste en schranderste van de wereld, maar zij waren ook de
+slechtste. Hinkende over beide zijden, zich bekreunende noch om wet,
+noch om gewoonte, tenzij dat het was voor hun eigen belang. Alzoo lang
+er nog een straal van Fryas geest opwelde, werd al de bouwstof tot
+gemeene werken verarbeid, en niemand mocht een huis bouwen, dat ruimer
+en rijker was als dat van zijn buurman. Doch toen sommige verbasterde
+stedelingen rijk waren door onze zeevaart en door het zilver, dat de
+slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen zij buiten op de hellingen
+(der bergen) of in de dalen wonen. Aldaar achter hooge wallen van loof
+of van steen, bouwden zij hoven (paleizen) met kostbaar huisraad, en om
+bij de vuile priesteren in een goeden dunk te wezen, plaatsten zij daar
+op valsche goden gelijkende en ontuchtige beelden in. Bij de vuile
+priesteren en vorsten werden soms de knapen meer begeerd, als de
+dochteren, en vaak door rijke giften of door geweld van het pad der
+deugd afgeleid. Naardien rijkdom bij het verwende en verbasterde
+geslacht ver boven deugd en eere gold, zag men altemet knapen, die zich
+met wijde prachtige kleederen versierden, hunne ouders en de maagden
+tot schande en hunne sekse ten spot. Kwamen onze eenvoudige ouders te
+Athene op de algemeene volksvergadering, en wilden daar zich beklagen,
+dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar zal een zeegedrocht spreken. Zoo
+is Athene geworden, gelijk een moeras in de heete landen vol
+bloedzuigers, padden en vergiftige slangen, waarin geen mensch van
+strenge zeden zijn voet kan wagen. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1515" href="#xd0e1515">111</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1517" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit staat op al onze burgen.</h2>
+
+<p>Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat
+Atland was verzonken. Door Wodins dwaze dartelheid, was de Magy meester
+geworden over het oosterdeel van Schoonland<span class="corr" id=
+"xd0e1522" title="Niet in bron">.</span> Over de bergen en over de zee
+durfden zij niet komen. De Moeder wilde het niet weren, zij sprak
+zeggende: Ik zie geen gevaar in zijne wapenen, maar wel om de
+Schoonlanden weer te nemen, omdat zij verbasterd en verdorven zijn. Op
+de algemeene vergadering dacht men gelijkerwijze. Daarom is het aan hem
+gelaten. Groot honderd jaren geleden begonnen de Denemarkers met hun
+handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapenen, daarvoor ruilden zij
+gouden sieraden benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boden en
+raadde hun, zij zouden den ruilhandel laten varen. Daar was gevaar,
+zeide zij, voor hunne zeden, en indien zij hunne zeden verloren, dan
+zouden zij ook hunne vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden
+nergens ooren naar; zij wilden niet begrijpen, dat hunne zeden verloren
+konden gaan; daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste
+brachten zij hunne eigene wapenen en leeftocht zoek. Maar dit kwaad
+veroorzaakte hunne straf. Hunne ligchamen werden overladen met glans en
+schijn, maar hunne kisten, kasten en schuren werden ledig. Juist
+honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee
+gestoken was, kwam armoede en gebrek door de vensters binnen, honger
+spreidde zijne wieken uit en streek op het land neder, tweespalt liep
+trotsch over de straat, en voorts de huizen in, liefde kon geen steun
+langer vinden, en eendracht liep weg. Het kind vroeg eten van zijne
+moeder, en die had geene spijs, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen
+tot hunne mannen, deze gingen tot de graven, de graven hadden zelve
+niets, of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkoopen,
+maar terwijl de zeelieden daarmede <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1525" href="#xd0e1525">113</a>]</span>vertrokken waren, kwam de
+vorst en legde een plank neder op de zee en op de straat (de Sond).
+Toen de vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het
+land uit, en het verraad klom op zijn zetel. In plaats van de oevers te
+bewaken, spanden hij hunne paarden voor hunne sleden, en reden naar
+Schoonland. Doch de Schoonlanders, die begeerig waren naar het land
+hunner voorvaderen, kwamen naar de Denemarken. Op een heldere nacht
+kwamen zij alle. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land hunner
+voorvaderen, en terwijl men daarover streed, kwamen de Finnen in de
+verlatene dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en dat zij
+geene goede wapenen hadden, deed hun de strijd verliezen en daarmede de
+vrijheid, want de Magy werd meester. Dat kwam daar van daan, dat zij
+Fryas tex niet lazen en hare raadgevingen verwaarloosd hadden. Er zijn
+sommigen, die meenen, dat zij door de graven verraden zijn, en dat de
+maagden dat al lang bespeurd hadden. Doch zoodra iemand daarover
+spreken wilde, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketens. Wij kunnen
+daarover niet oordeel vellen, maar wij willen u toeroepen: Verlaat u
+niet te zeer op de wijsheid en deugd noch van uwe vorsten noch van uwe
+maagden; want zal het stand houden, dan moet iedereen waken over zijn
+eigene hartstochten en voor het algemeene welzijn.</p>
+
+<p>Twee jaren daarna kwam de Magy zelf met eene vloot van lichte booten
+om aan de Moeder van Texland de lamp te ontrooven. Deze booze daad
+bestond hij bij nacht in den winter bij stormweder, terwijl de wind
+gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter, die
+meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijne toorts. Zoodra als het licht
+van den toren op het ronddeel neder viel, zag hij dat reeds vele
+gewapende mannen over de burgtwal waren. Nu ging hij om de klok te
+luiden, doch het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren reeds twee
+duizend in de weer om de poort te rammeijen. De strijd duurde daarom
+kort, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1532" href=
+"#xd0e1532">115</a>]</span>want omdat de krijgslieden geene goede wacht
+gehouden hadden, kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten
+was, was er een leelijke Fin in de (fleete) of het slaapvertrek van de
+Moeder binnen geslopen, en wilde haar geweld aandoen. De Moeder weerde
+hem af, dat hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weder op de
+been was, stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wilt gij
+mijne roede niet, zoo zult gij mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een
+zeeman van de Denemarken, deze nam zijn zwaard en kloofde den Fin den
+kop. Daaruit stroomde zwart bloed en daarboven zweefde eene blaauwe
+vlam.</p>
+
+<p>De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen. Toen zij nu zoo
+verre hersteld en beter was, dat zij helder spreken konde, zeide de
+Magy, dat zij met hem mede varen moest, doch dat zij hare lamp en hare
+maagden zoude behouden, dat zij een staat zoude voeren, zoo hoog als
+zij nooit te voren gekend had. Voorts zeide hij, dat hij haar vragen
+zoude in tegenwoordigheid van zijne voornaamsten, of hij meester zoude
+worden over alle landen en volken van Frya. Hij zeide, dat zij dit
+bevestigen en verzekeren moest, anders zoude hij haar onder vele
+smarten laten sterven. Toen hij daarna alle zijne voornaamsten om haar
+leger vergaderd had, vroeg hij luide: Frana, vermits ge helderziende
+zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester zal worden over alle
+landen en volken van Frya. Frana deed, als sloeg zij geen acht op hem.
+Ten langen laatste opende zij hare lippen, en sprak: Mijne oogen worden
+verduisterd, doch het andere licht daagt op in mijne ziel. Ja, ik zie
+het. Hoor Irtha, en wees blijde met mij. In de tijden, dat Atland
+verzonken is, stond de eerste spaak van het Juul in top. Daarna is zij
+nedergegaan en onze vrijheid met haar. Als het twee spaken of twee
+duizend jaren nedergewenteld heeft, zullen de zonen opstaan, die de
+vorsten en priesteren in ontucht bij het volk geteeld hebben, en die
+tegen hunne vaderen getuigen. Die allen zullen door moord bezwijken;
+maar wat zij verkondigd hebben, zal voortdurend <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1536" href="#xd0e1536">117</a>]</span>blijven en vruchtbaar
+worden in den boezem der kloeke menschen, gelijk goede zaden die
+neergelegd worden in uwen schoot. Nog duizend jaren zal de spaak naar
+beneden dalen en al meer neder zijgen in de duisternis en in het bloed
+over u uitgestort door de lagen der vorsten en priesteren. Daarna zal
+het morgenrood weder aanvangen te gloren. Dit ziende zullen de valsche
+vorsten en priesters allen te zamen tegen de vrijheid kampen en
+worstelen; maar vrijheid, liefde en eendracht zullen het volk in hare
+hoede nemen, en met het juul uit de vuile poel rijzen. Het licht, dat
+eerst alleen gloorde, zal dan van lieverlede tot eene vlam worden. Het
+bloed der boozen zal over uw ligchaam stroomen, maar gij moogt het niet
+tot u nemen. Ten laatste zal het vergiftige gedierte daarop azen en
+daarvan sterven. Alle vuile geschiedenissen, die verzonnen zijn om de
+vorsten en priesteren te roemen, zullen aan de vlam geofferd worden.
+Voortaan zullen alle uwe kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken
+had, zeeg zij neder. Maar de Magy, die haar niet wel verstaan had,
+schreeuwde: ik heb u gevraagd of ik meester zoude worden over alle
+landen en volken van Frya, en nu hebt gij tot een ander gesproken.
+Frana richtte zich weder op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven
+etmalen om zijn, zal uwe ziel met de nachtvogels bij de graven rond
+waren, en uw lijk zal liggen op den bodem van de zee. Heel goed, zeide
+de Magy met verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij
+tot zijn gerigtsdienaars: werpt dat wijf over scheepsboord. Zoo was het
+einde van de laatste der Moeders. Wraak willen wij daarover niet
+roepen, die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij
+Frya na roepen: waak! waak! waak!</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1538" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hoe het den Magy verder gegaan is.</h2>
+
+<p>Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar
+zijn schip brengen, benevens allen inboedel, <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1543" href="#xd0e1543">119</a>]</span>die hem behaagde.
+Vervolgens ging hij het Flymeer op, want hij wilde de maagd van
+Medeasblik of van Stavoren rooven, en die tot Moeder aanstellen. Doch
+daar waren zij op hunne hoede gebracht. De zeelieden van Staveren en
+Alderga hadden zich gaarne tot Jon begeven, maar de groote vloot was op
+eene verre tocht uit. Nu gingen zij heen en voeren met hunne kleine
+vloot naar Medeasblik en hielden zich schuil achter de luwte der
+boomen. De Magy naderde Medeasblik, bij helderen dag en schijnende zon.
+Evenwel gingen zijne manschappen stoutweg op de burgt aanstormen. Maar
+als al het volk met de booten geland was, kwamen onze zeelieden uit de
+kreek weg en schoten hunne pijlen met brandende terpentijnballen op
+zijne vloot. Zij waren zoo goed gericht, dat vele van zijne schepen
+terstond in brand waren. Die op de schepen de wacht hielden, schoten
+ook naar ons, doch zij raakten niets. Toen ten laatste een schip al
+brandende naar het schip van den Magy dreef, beval hij zijn stuurman af
+te houden; maar die stuurman was de Denemarker, die den Fin geveld had;
+deze zeide: gij hebt onze Eeremoeder naar den bodem van de zee gezonden
+om te melden, dat gij komen zoudt, dat zoudt gij door de drukte wel
+vergeten; nu wil ik zorgen, dat gij uw woord gestand doet. De Magy
+wilde hem afweren, maar de stuurman een echte Fries en sterk als een
+jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem over boord in de
+golvende zee. Vervolgens heesch hij zijn bruin schild in top en voer
+recht toe recht aan naar onze vloot. Daardoor kwamen de maagden
+ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan, en niemand wist, hoe het
+gekomen was. Toen zij op de onvernielde schepen hoorden, dat de Magy
+verdronken was, trokken zij weg, want de zeelieden daarvan waren meest
+Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, <span class="corr" id=
+"xd0e1545" title="Bron: wenden">wendden</span> onze zeelieden en
+schoten hunne brandpijlen op de Finnen af. Toen de Finnen dat zagen en
+hoe zij verraden waren, liep alles door elkander en er was langer geen
+gehoorzaamheid noch bevel. Op dat tijdstip liep de bezetting hen uit
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1548" href=
+"#xd0e1548">121</a>]</span>de burgt. Die niet vluchtte werd afgemaakt
+en die vluchtte vond zijn einde in de poelen van het Krylinger
+woud.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1550" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Naschrift.</h2>
+
+<p>Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren
+onder hun, die zeide Medea mag wel lachen, als wij haar uit hare burgt
+redden. Daarom hebben de maagden die Kreek <span class="letterspaced">
+Medea m&ecirc;ilakkia</span> genoemd. De gebeurtenissen, die daarna
+geschied zijn, mogen iedereen heugen. De maagden behooren die op hare
+wijze te verhalen en goed te laten beschrijven. Daarom rekenen wij
+hiermede onzen arbeid volbracht. Heil.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Einde van het
+Boek.</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e1562" href=
+"#xd0e1562">123</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1564" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">De schriften van Adelbrost en Apollonia.</h2>
+
+<p>Mijn naam is Adelbrost, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk
+ben ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit
+boek vervolgen, op zoodanige wijze als mijne moeder gesproken
+heeft.</p>
+
+<p>Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest er
+eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare
+opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te
+vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en
+wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksamarken paalt. Mijne
+moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het
+leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen,
+nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder van
+haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder
+behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt, en
+even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief heb
+boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet wezen. Zoo
+sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden wilden alle
+Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd en wilde
+niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk dus bandeloos.
+Uit het volgende moogt gij het begrijpen. Liudgert de koning die
+onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder gekozen, blijkbaar
+door alle staten met liefde en vertrouwen. Het was zijne beurt op het
+groote hof te Dokhem te wonen; en bij het leven der Moeder, werd hem
+daar groote eer bewezen; want het was er altijd zoo vol boden en
+ridders, als men er nooit te voren gezien had. Doch nu was hij eenzaam
+en verlaten; <span class="pagenum">[<a id="xd0e1571" href=
+"#xd0e1571">125</a>]</span>want iedereen was bevreesd, dat hij zich
+meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk de
+slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed, als
+hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den
+ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde
+op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten
+haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde er
+eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene maagd
+ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten voordeele
+van haar eigen staat. Door dusdanige ranken brachten zij tweespalt over
+de staten, en tornden zij den band zoodanig van een, dat het volk van
+de eene staat nijdig was op het volk van de andere staat, en voor het
+allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg daarvan is
+geweest, dat de Golen of Truwenden al ons land afgewonnen hebben tot
+aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het hierbij toegegaan
+is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het boek niet geschreven
+geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb, dat het helpen zal ten
+bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat ik daardoor het land zal
+winnen of behouden, dat is mijns achtens ondoenlijk. Ik schrijf alleen
+voor het nakomende geslacht, opdat zij al te zamen mogen weten, op
+hoedanige wijze wij verloren gingen, en opdat ieder daaruit leeren mag,
+dat alle kwaad zijne straf teelt.</p>
+
+<p>Mij heeft men Apollonia genoemd. Twee&euml;ndertig dagen na moeders
+dood, heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf,
+zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader, die
+ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere broeder,
+van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar heeft hij eene
+burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om daar ons leed te wreken. Wralda
+heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf zonen gewonnen.
+Die alle brengen den Magy schrik <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1575" href="#xd0e1575">127</a>]</span>en mijn broeder roem aan. Na
+den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten van onze
+landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten, Adelbond
+geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij mij en mijn
+jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de maagden en
+mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud was, heeft
+men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig was, werd
+hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder de zesde,
+maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne
+nakomelingen niet <span class="letterspaced">overa Linda</span> achter
+hunne namen voeren; maar iedereen wilde het hebben ter eere van mijne
+moeder. Daarenboven heeft men ons ook een afschrift gegeven van <span
+class="letterspaced">het boek van Adela&rsquo;s aanhangers</span>.
+Daarmede ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid
+kwam het in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften
+gevonden, ook lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter
+schrijven.</p>
+
+<p>Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest
+is op deze burgt. Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten
+overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift
+was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene
+vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd
+Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne
+Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij
+Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van waar
+meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund was,
+opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt zeer te
+hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet sluiten
+noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan, dat gij haar
+zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig, zoo is zij te
+voren hier Burgtmaagd geweest; <span class="pagenum">[<a id="xd0e1585"
+href="#xd0e1585">129</a>]</span>is zij daarom wijzer en beter als ik en
+alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden en gewoonten? Was dat
+het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden zijn, toen zij daartoe
+gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk hebben met alle vreugde
+en genoegens, die daaraan verbonden zijn, in plaats van eenzaam over
+haar zelve en het volk te waken. Zij is zeer helderziende, goed, maar
+mijne oogen zijn verre van verduisterd te wezen. Ik heb gezien dat zij
+haren echtgenoot grootelijks bemint, nu goed, dat is loffelijk, maar ik
+heb verder gezien, dat Teuntje Apols nicht is. Wijders wil ik niets
+zeggen.</p>
+
+<p>De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar onder
+het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier kwam,
+wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden
+ge&euml;indigd: de messen uit den zak gehaald, en er werd geene Moeder
+gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot nu
+toe was hij braaf geweest, daarom had mijne burgtmaagd verlof hem
+buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar
+het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts
+naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde haar
+aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer, zij
+zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij
+meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin van
+Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder geworden.
+Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar bode zijne
+krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft haar bode zelf
+beleden.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1589" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het tweede geschrift.</h2>
+
+<p>Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was het
+Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1594" href="#xd0e1594">131</a>]</span>lustige
+vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na te
+jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid niet mag
+verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel onze oorden in
+dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de waakzaamheid wilde
+niet terugkeeren. De strandwakers waren van hunne noodvuren
+weggeloopen, en op de toegangen was niemand te zien. Toen de nevel
+optrok, keek de zon door de reeten der wolken op aarde neder. Iedereen
+kwam weder uit om te juichen en te joelen, het jongvolk trok zingende
+met de (zakpijp?), en deze vervulde de lucht <span class="corr" id=
+"xd0e1596" title="Bron: me t">met</span> haar lieffelijken adem. Maar,
+terwijl daar iedereen zich in vreugde baadde, was verraad geland met
+paarden en ruiters; gelijk al het booze waren zij geholpen door de
+duisternis, en binnengeslopen door de paden van Lindaswoud. Voor de
+deur van Adela trokken twaalf meisjes met twaalf lammeren en twaalf
+knapen met twaalf hokkelingen, een jonge Saksman bereed een wilden
+buffel, dien hij zelf gevangen en getemd had. Met allerlei bloemen
+waren zij versierd, en de linnen jurken der meisjes waren omboord met
+goud uit den Rijn.</p>
+
+<p>Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op
+haar hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken
+boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier
+vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep
+Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en
+haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar
+binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees
+waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste der
+roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den tweede
+en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne ouders
+hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De roovers
+zouden hen spoedig gevangen genomen <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1601" href="#xd0e1601">133</a>]</span>hebben, maar Adela kwam (op
+de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was zij
+lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over haar
+hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras.</p>
+
+<p>Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden geveld
+en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem getroffen.
+Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en daaraan
+stierf zij.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1605" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">De lofspraak der burgtmaagd.</h2>
+
+<p>Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere
+zijn op weg.</p>
+
+<p>Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.</p>
+
+<p>Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste
+geweest.</p>
+
+<p>O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare
+tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij hare
+schoonheid verhoogen? Niet met parelen, want hare tanden zijn witter;
+niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met
+edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch te
+gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat spreek
+ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya die zeven
+schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene, hoogstens drie
+ge&euml;rfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch zoude zij ons
+dierbaar wezen.</p>
+
+<p>Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van
+onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog
+grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.</p>
+
+<p>Zie hier, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op
+gindschen grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde
+en de moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij,
+roept zij, tracht hulp te verleenen, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1620" href="#xd0e1620">135</a>]</span>en Wralda zal u krachten
+geven. Daarop ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht
+eene brug te maken; nu helpt ook de andere en de kinderen zijn
+gered.</p>
+
+<p>Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen ne&ecirc;rleggen.</p>
+
+<p>Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden
+mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat de
+onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat zij
+onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een spinrok
+vast. De uitheemsche heeren kwamen hunne lieden opeischen; toen zij
+zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op; doch men
+verhaalde hun, hoe het gebeurd was.</p>
+
+<p>Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip
+van haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten
+voor de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid
+hooren.</p>
+
+<p>Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt, is
+moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden
+gegrift.</p>
+
+<div class="blockquote">
+<p>LOOP NIET TE SCHIELIJK, WANT HIER LIGT ADELA.</p>
+</div>
+
+<p>De oude leer, die gegrift is op de buitenwand des burgttorens, is
+niet geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten
+is, weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil
+ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1636" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Oudste leer.</h2>
+
+<p>Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1641" href="#xd0e1641">137</a>]</span>zal
+het zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is
+het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda is
+alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal
+tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest
+genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door
+zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen
+en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde,
+alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want
+alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda
+komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is
+hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem.</p>
+
+<p>Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het
+geschapene, en er zijn geene goede wetten, of zij moeten daarnaar
+ingericht zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der
+menschen is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid of
+domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda nimmer.
+Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft, zijn de
+boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid te vinden,
+noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele dingen zien;
+maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen leeren,
+maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen
+ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen zijn
+mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen beminnen
+en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is Wralda alleen
+goed, en er zijn geene goeden buiten hem. Met het Juul verandert en
+wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen onveranderlijk.
+Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1645" href="#xd0e1645">139</a>]</span>en omdat
+hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1647" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het tweede deel van de oudste leer.</h2>
+
+<p>Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid
+zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden
+doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest
+het beste deel is van Wralda&rsquo;s geest, en dat Wralda alleen kan
+denken door hulp van hun brein.</p>
+
+<p>Dat ieder schepsel een deel is van Wralda&rsquo;s oneindig wezen,
+dat hebben zij van ons gestolen.</p>
+
+<p>Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid
+heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan
+zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want hun
+geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij
+naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon
+de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo
+hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen
+allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat
+daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en
+ge&euml;erd willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen
+en schatting eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf
+godsdienaren of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en
+vergaderen dat alles voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te
+behouden. Dat alles bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij
+zich zelven goden wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn
+er sommigen die hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden
+zij door hunne rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met
+vele statelijke plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in
+trouwe, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1656" href=
+"#xd0e1656">141</a>]</span>alleen opdat zij hun niet schaden zouden.
+Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen tegen hunne afgodische leer,
+zoo behooren de maagden hen te doen van buiten leeren, wat hier zal
+volgen.</p>
+
+<p>Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij wezen.
+Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets buiten
+hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle dingen
+geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze zaken
+moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat zij het
+aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre gewonnen, dan
+zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo zijn wij een deel
+van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het geschapene. Doch
+wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen geest en al onze
+bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit alles zijn vluchtige
+dingen, die door Wraldas leven verschijnen; doch door zijne wijsheid
+zoodanig en niet anders verschijnen. Maar doordien zijn leven steeds
+voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne plaats blijven. Daarom
+verwisselen alle geschapene dingen van plaats, van gedaante en ook van
+denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch eenig schepsel zeggen: ik
+ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch zeggen: ik denk, maar bloot:
+ik dacht. De knaap is grooter en anders als toen hij een kind was. Hij
+heeft andere begeerten, neigingen en denkwijze. De man en vader is en
+denkt anders als toen hij knaap was. Even zoo de oude van dagen. Dat
+weet iedereen. Bijaldien nu iedereen weet, en moet erkennen, dat hij
+steeds wisselt, zoo moet hij ook bekennen, dat hij ieder oogenblik
+wisselt; ook terwijl hij zegt: ik ben; en dat zijne denkbeelden
+veranderen, terwijl hij zegt: ik denk.</p>
+
+<p>In plaats dus, van dat wij de boose Finda&rsquo;s op eene onwaardige
+wijze napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel
+Wraldas, ja door ons alleen mag hij denken, <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1662" href="#xd0e1662">143</a>]</span>zoo willen wij
+verkondigen <span class="corr" id="xd0e1664" title="Bron: overalen">
+overal en</span> allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn
+verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot:
+doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo
+goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda&rsquo;s
+geest, hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep,
+heeft hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele
+goede eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en
+zijne wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen
+wij spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene
+zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden nog
+redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe en
+door vloed.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1667" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit staat op schrijffilt geschreven. Taal en
+antwoord aan andere maagden tot een voorbeeld.</h2>
+
+<p>Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te
+Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda
+gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte
+Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan,
+zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het
+kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide:
+toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed tegen
+de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand, die haar
+hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in haar gemoed
+neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich; hare neiging
+koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder de beschuttende
+lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was, dat zij nat werd.
+Doch zij had gezien, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1672" href=
+"#xd0e1672">145</a>]</span>hoe het water bij de hellende bladeren
+neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden, op staken
+maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen daaronder. Nu
+had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij heen en maakte
+eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde en vervolgens
+aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als te voren, en
+blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda, noch tegen
+Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen daarop.
+Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben, zoo beduidde
+zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze handelden en
+dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen gekomen met
+stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde tegen de
+zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en vervolgens
+al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest, dan moet gij
+trachten het andere beter te maken. Mijn huis was sterk genoeg, zeide
+hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd en de stormwind heeft het
+andere gedaan. Waar stond uw huis dan, vroeg Troost. Aan den oever van
+den Rijn, antwoordde de man. Stond het dan niet op eene nol (ronde
+hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen, zeide de man, mijn huis stond
+eenzaam bij den oever; alleen heb ik het gebouwd, maar ik kon daar
+alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel, antwoordde Troost, de
+maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw leven een afkeer gehad
+van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven of doen moest voor hun.
+Doch daarmede kan men niet verre komen. Want Wralda die mild is, keert
+hem af van de gierigen. F&aring;sta heeft ons geraden en boven de
+deuren van alle onze burgten is &rsquo;t gegrift in steen: zijt ge erg
+baatzuchtig, zeide F&aring;sta, behoed <span class="corr" id="xd0e1674"
+title="Bron: van">dan</span> uwe naasten, onderricht dan uwe naasten,
+help dan uwe naasten, zoo zullen zij het u wederom doen. Is u deze raad
+niet goed genoeg, ik weet geene betere voor u. De man werd schaamrood
+en droop stil af. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1677" href=
+"#xd0e1677">147</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1679" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu wil ik zelf schrijven, eerst over mijne burgt en
+dan over hetgene ik heb mogen zien.</h2>
+
+<p>Mijne burgt ligt aan &rsquo;t noordeinde van de Liudgaarde. De toren
+heeft zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een
+klein huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde
+van den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven
+voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van
+hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is
+een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed
+driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden, dan
+ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de zuidelijke
+huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre, daarvan moeten
+de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de noordelijke huizen is
+alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn vol koorn en andere
+benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor de maagden, om school
+te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is de woning der
+Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van den toren zijn
+gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de Tex gegrift. Aan
+de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan de linkerzijde de
+wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere zijden. Tegen den
+dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven en de meelmolen door
+vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is de plaats, waarop de
+burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk daaromheen is een uur
+groot, niet een zeemans, maar een zonne uur, waarvan tweemaal twaalf in
+een etmaal gaan. Aan de binnenzijde van den dijk is een plat, vijf voet
+beneden de kruin. Daarop zijn drie honderd kraanbogen, gedekt met hout
+en leder. Behalve de huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1684" href=
+"#xd0e1684">149</a>]</span>dijk nog drie maal twaalf noodhuizen voor de
+omwoners. Het veld dient tot kamp en tot weide. Aan de zuidzijde van de
+buitenste ringdijk is de Liudgaarde omtuind door het groote Lindenwoud.
+Hare gedaante is driehoekig, met de breede zijde naar buiten, opdat de
+zon daarin mag zien. Want daar zijn vele buitenlandsche boomen en
+bloemen, door de zeevaarders medegebracht. Gelijk de gedaante van onze
+burgt is, zoo zijn alle andere; doch onze burgt is de grootste; maar de
+allergrootste is die van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog,
+dat hij de wolken tornt, en in evenredigheid van den toren is al het
+overige.</p>
+
+<p>Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken
+bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij
+huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest,
+dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne
+zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest, dan
+mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan.</p>
+
+<p>De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De
+grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde,
+kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen,
+benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De
+Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij
+de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij
+door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie oude
+maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis is
+langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen oever
+benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de
+menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat
+daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te
+winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen
+waren <span class="pagenum">[<a id="xd0e1690" href=
+"#xd0e1690">151</a>]</span>er meer geweest, maar sedert wij Schoonland
+misten, zijn zij naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar
+zij ijzer van maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik
+Marsaten gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren
+wonen. Hunne huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild
+gedierte en booze menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte
+afgrijselijke leeuwen. En zij zijn de naburen of aangrenzenden van de
+heinde Krekalanden, der Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle
+begeerig naar roof en buit. De Marsaten generen zich met visschen en
+jagen. De huiden worden door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors
+van berken. De kleine huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te
+Fryasburgt zeide ons, dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch
+had ik haar niet vooraf hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat
+zij geen Fryas volk waren, maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er
+uit. Hunne vachten en kruiden werden door de Rijnbewoners verhandeld en
+door de schippers buiten gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn
+was het eveneens tot aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of
+mare. Op deze vliet waren ook menschen, die huizen op palen hadden.
+Doch dat was geen Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen,
+die gediend hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te
+helpen. Zij moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok.</p>
+
+<p>Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat de
+Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns,
+wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden
+medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote
+vliet <span class="corr" id="xd0e1694" title="Bron: omzoond">
+omzoomd</span> met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In
+die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei verf.
+Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1697" href=
+"#xd0e1697">153</a>]</span>gelijk de zon. De schilden van den zeekoning
+en den schout bij nacht waren met goud omboord. Van uit die vliet was
+eene gracht gegraven van daar voortloopende langs de burgt Forana en
+voorts met eene enge mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en
+het Fly de ingang. Aan beide zijden der gracht zijn schoone huizen met
+helder blinkende verwen geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene
+hagen omheind. Ik heb daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen,
+als of het schrijffilt was. Even als te Staveren waren de meisjes met
+gouden kroonen op hare hoofden en met ringen om de armen en voeten
+gesierd. Zuidwaarts van Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of
+vliet, daarin ligt een eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine
+menschen verwijlen, even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana
+zeide mij, dat de burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te
+leeren, wat echte vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren
+te leven om zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die
+hooren wilde en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij
+volleerd was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken,
+en om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de
+burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien,
+als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de
+Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes
+daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt
+gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en
+hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar
+van daan is &rsquo;t gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de
+vrouwen overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag
+of schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk
+op zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een
+dier, dat hij geveld <span class="pagenum">[<a id="xd0e1699" href=
+"#xd0e1699">155</a>]</span>heeft. En eindelijk, daarvan daan is het
+gekomen, dat zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even
+dom zijn als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de
+Twisklanders, met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee
+geschapen. Alle onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het
+Findasvolk zullen elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen
+bevolken. In het heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de
+bovenlanders deel hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u
+een raad geven. Laat het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare
+vrijers te vragen, eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld
+rondgevaren? wat kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en
+over verwonende volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige
+knapen tot ons komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen
+geen behoefte langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de
+maagden, die bij mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te
+huis kwamen, heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand
+is zij daar Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat
+heden ten dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Einde van Apollonias
+boek.</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e1705" href=
+"#xd0e1705">157</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1707" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">De geschriften van Fr&ecirc;thorik en Wiljow.</h2>
+
+<p>Mijn naam is Fr&ecirc;thorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen
+over de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is
+een nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgaarda, waarvan de
+naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel had
+ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen gemeld.
+Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek schrijven, de
+goede menschen tot eere, de slechten tot oneer.</p>
+
+<p>In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze
+tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes terug
+gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze
+landpalen gevonden.</p>
+
+<p>Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt
+strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende over
+de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de kin. Nu
+werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de beelden
+eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de burgt. Een
+grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen, zeide ik.
+Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders mag het u niet
+getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver leeren. Acht jaren
+later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht had bedreven en dat
+sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden met den Magy. En vele
+menschen waren op hunne zijde. Overal kwam tweespalt. Er waren
+kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In &rsquo;t geheim <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1716" href=
+"#xd0e1716">159</a>]</span>werden de brave menschen vermoord. Het oude
+vrouwtje, dat alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel.
+Mijn vader, die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd
+hij in zijn huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder
+strijd. De Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten
+alle goede menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de
+anderen. De Magy verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem
+toonen, dat zij geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige
+schoot, waaruit zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen
+schudt, nadat het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo
+schudde Irtha hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden
+gespreid. De zee kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij
+gespuwd hadden, slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang
+van Arnemaand (oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder,
+al lager en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken
+van Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren,
+werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst in
+de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank
+(ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind uit
+het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen
+springvloed kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam
+en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne of Minnemaand
+(bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met
+eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De
+wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was,
+was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield,
+en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik
+een steen; <span class="pagenum">[<a id="xd0e1718" href=
+"#xd0e1718">161</a>]</span>onze schrijver had daar zijn naam ingegrift;
+dat was mij een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was
+het ook met de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de
+aarde, en in de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht
+op Texland werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts
+gelegen had, was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan
+dezen oever van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute
+plassen gekomen, ontstaan door de wouden, die met grond en al weg
+gedreven waren. Te Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga
+dwars door het land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden
+en ander varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met
+magen en bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van
+Lydasburgt en Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten
+zuidwaarts dreven, hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand
+kwam om ze op te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De
+menschen die terug kwamen, gingen alle binnen de ringdijken der burgten
+wonen, omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude
+huizen werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en
+schapen, en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd
+waren, werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit
+geschiedde 1888 jaren nadat Atland verzonken was.</p>
+
+<p>In 282 jaren hadden wij geene Eeremoeder gehad en nu alles misschien
+verloren scheen, ging men eene kiezen. Het lot viel op Gosa toegenaamd
+Makonta. Zij was Burgtmaagd op Fryasburgt te Texland. Helder van hoofd
+en klaar van zin, heel goed, en omdat hare burgt alleen gespaard was,
+zag iedereen daaruit hare roeping. Tien jaren later kwamen de zeelieden
+van Forana en van Lydasburgt. Zij wilden de zwarte mannen met vrouw en
+kinderen uit het land drijven. Daarover wilden zij de raad der Moeder
+inwinnen. Maar Gosa <span class="pagenum">[<a id="xd0e1722" href=
+"#xd0e1722">163</a>]</span>vroeg: kunt gij een en ander terug voeren
+naar hunne landen, dan behoort gij spoed te maken, anders zullen zij
+hunne bloedverwanten niet weder vinden. Neen, zeiden zij. Toen zeide
+Gosa: Zij hebben uw zout geproefd en uw brood gegeten. Hun lijf en
+leven hebben zij onder uwe hoede gesteld. Gij moet uw eigen hart
+onderzoeken. Maar ik wil u een raad geven. Houdt hen tot dat gij in
+staat zijt om hen weder naar huis te voeren. Maar houdt hen bij uwe
+burgten daar buiten. Waakt over hunne zeden, en onderwijs hen alsof zij
+Fryas zonen waren. Hunne vrouwen zijn hier de sterkste. Als rook zal
+hun bloed vervliegen, tot er ten laatsten niets anders dan Fryas bloed
+in hunne nakomelingen zal overblijven. Zoo zijn zij hier gebleven. Nu
+wenschte ik wel dat mijne nakomelingen daar op letten, in hoeverre Gosa
+waarheid sprak.&mdash;Toen onze landen weder te begaan waren, kwamen er
+benden arme Saxmannen en vrouwen naar de oorden van Staveren en het
+Alderga, om gouden en andere sieraden te zoeken uit de drassige bodem.
+Doch de zeelieden wilden hen niet toelaten. Toen gingen zij de ledige
+dorpen bewonen te West Flyland, om hun lijf te behouden.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1724" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu wil ik schrijven hoe de Geertmannen en vele
+volgelingen van Helenia terug kwamen.</h2>
+
+<p>Twee jaren nadat Gosa moeder werd, kwam er eene vloot het Flymeer in
+vallen. Het volk riep ho.n.s&ecirc;en. (welk een zegen!) Zij voeren
+naar Staveren, daar riepen zij nog eenmaal. De banieren waren in top en
+des nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad was,
+roeiden sommige met eene snik de haven in, zij riepen weder hoezee.
+Toen zij landden, wipte een jong kerel op den wal. In zijne handen had
+hij een schild, daarop was brood en zout gelegd. Na hem kwam een
+grijze; hij zeide wij komen van <span class="pagenum">[<a id="xd0e1729"
+href="#xd0e1729">165</a>]</span>de verre Krekalanden weg, om onze zeden
+te bewaren. Nu wenschten wij, dat gij zoo vriendelijk zoudt wezen, om
+ons zoo veel land te geven, dat wij daarop mogen wonen. Hij vertelde
+eene heele geschiedenis, die ik hierna beter beschrijven wil. De
+grijzen wisten niet wat te doen, zij zonden boden allerwege, ook tot
+mij. Ik ging heen en zeide: nu wij eene Moeder hebben, behooren wij
+haar raad te vragen. Ik zelf ging mede. De Moeder, die alles reeds
+wist, zeide: laat hen komen, zoo mogen zij ons land helpen behouden:
+maar laat hen niet op &eacute;&eacute;ne plek blijven, opdat zij niet
+machtig worden over ons. Wij deden gelijk zij gezegd had. Dat was heel
+naar hun zin. Fryso bleef met zijne lieden te Staveren dat zij weder
+tot eene zeestad maakten, zoo goed zij konden. Wichhirte ging met zijne
+lieden oostwaarts naar de Emude. Sommige der Joniers, die meenden dat
+zij van het Alderga volk gesproten waren, gingen daarheen. Een klein
+deel, die waanden, dat hunne voorvaderen van de Zeven eilanden weg
+kwamen, gingen heen en zetten zich neder binnen den ringdijk van de
+burgt Walhallagara. Liudgert de schout bij nacht van Wichhirte werd
+mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn dagboek heb ik de
+geschiedenis die hier achter zal volgen.</p>
+
+<p>Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren
+gezeten waren, terwijl onze zeestrijders alle zee&euml;n bevoeren, die
+er te vinden waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van
+boven langs den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem
+wederstaan. Doch wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten
+ons met al onze have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk
+eene groote vloot hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat
+hij alle dorpen aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug
+komen. Wichhirte lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij
+gewacht, tot dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam
+sprekende; doch hij bedroog gelijk <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1733" href="#xd0e1733">167</a>]</span>hij vroeger gedaan had.
+Wichhirte antwoordde: o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen
+allerwege, wij hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol
+eerbied jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij
+anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven niet
+worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen sterven,
+want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide: ik wil uw
+land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne slaven. Ik wil
+alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil ik zweeren bij ons
+beider goden, dat niemand over mij ontevreden zal zijn. Toen Alexander
+naderhand brood en zout met hem deelde, heeft Wichhirte het wijste deel
+gekozen. Hij liet de schepen halen door zijn zoon. Toen zij alle terug
+waren, heeft Alexander die alle gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk
+naar den heiligen Ganges voeren, dien hij te land niet had kunnen
+genaken. Nu ging hij toe en koos al degene uit zijn volk en zijne
+soldaten, die gewoon waren over zee te varen. Wichhirte was weder ziek
+geworden, daarom ging ik alleen mede en Nearchus van des konings wege.
+De tocht liep zonder voordeel ten einde, uithoofde de Joniers altijd in
+onmin waren tegen de Pheniciers, zoodat Nearchus zelf er geen meester
+over blijven kon. Intusschen had de koning niet stil gezeten. Hij had
+zijne soldaten boomen laten kappen en tot planken maken. Met hulp van
+onze timmerlieden had hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf
+zeekoning worden, en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de
+soldaten die uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij
+hoorden, dat zij moesten, staken zij de timmerschuren in den brand.
+Daardoor werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij
+dat Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen.
+Maar Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk
+laten ombrengen. Maar Nearchus, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1735"
+href="#xd0e1735">169</a>]</span>die niet alleen zijn eerste vorst, maar
+ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij zich als
+of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij durfde zijn
+tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer hij dat deed,
+liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra hij dat wist,
+liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw dorp te maken.
+Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen te temmen en om
+eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen mede nemen. Als
+wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten wij daar eene
+plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even gaarne
+toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen waren,
+liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn ander
+volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land, dat
+Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze
+voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen.</p>
+
+<p>Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven,
+die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten wij
+Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie
+dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen,
+ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch
+hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij
+zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van
+de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen
+kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat
+vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds
+uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen,
+medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen
+(touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche
+zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1739" href="#xd0e1739">171</a>]</span>ons raar toe; maar Nearchus
+verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat
+hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij
+zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij
+moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen, dat
+wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen waren.
+Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was, werd hij
+zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen, Irtha ten spot.
+Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij in den wijn en in
+zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na zijn dood, werd het
+rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk een deel voor zijne
+zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk wilde zijn deel
+behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog en wij konden niet
+terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden nederzetten aan de
+kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij zeiden het liever
+te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen bracht hij ons naar de
+nieuwe haven van Athene, waar alle echte Fryaskinderen voormaals heen
+getogen waren. Voorts gingen wij soldaten, leeftocht en wapenen voeren.
+Onder de vele vorsten had Nearchus een vriend met name Antigonus. Deze
+streden beide om &eacute;&eacute;n doel, gelijk zij zeiden, als
+helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle Grieksche
+landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had onder vele
+anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd de
+stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar een
+geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot van
+Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst, die heerschte over
+Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten,
+maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit
+vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed,
+door zijne blanke huid met blauwe oogen en <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1741" href="#xd0e1741">173</a>]</span>wit haar. Naderhand ging
+Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten en
+leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de
+oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij in de
+haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso, die koning
+was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis, zoo bijster
+frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo wonderschoon
+als niemand heugen mocht. De roep daarvan ging over alle Krekalanden en
+kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en onzedelijk, en
+hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter openlijk
+schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen de
+schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij
+zoethart. De schippers noemen hunne wijven troost en fro of frow, dat
+is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren man
+niet durfde opwachten, ging zij met haren zoon naar Demetrius, en
+smeekte, dat hij haar hare dochter weer zoude geven. Maar als Demetrius
+haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en deed met hem
+eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de moeder zond hij
+een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen zij thuis kwam werd
+zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat: (roepende) hebt gij
+mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij u eene schuilplaats
+zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat ik zijne kinderen verloren
+heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso weer thuis was, zond hij een bode
+tot hem zeggende, dat hij zijne kinderen tot zich genomen had om hen te
+voeren tot eene hoogen staat, en om hem te beloonen voor zijne
+diensten. Maar Friso, die trotsch en hartstochtig was, zond een bode
+met een brief naar zijne kinderen, daarin vermaande hij hen, zij zouden
+Demetrius te wille zijn, vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode
+had nog een anderen brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te
+nemen; want, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1743" href=
+"#xd0e1743">175</a>]</span>zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam
+verontreinigd, dat zal u niet toegerekend worden, doch indien gij uwe
+ziel verontreinigt, zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen
+zullen dan over de aarde omwaren, zonder het licht te mogen zien;
+gelijk de vleermuizen en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe
+holen schuilen en des nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen
+en huilen, dewijl Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen
+deden gelijk hun vader hun bevolen had. De bode liet hunne lijken in de
+zee werpen, en aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu
+wilde Friso met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger
+geweest was; maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen
+en schoot het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon
+en durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren;
+behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij
+waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap.</p>
+
+<p>Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging
+hij met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand
+in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen
+zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval
+ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene breede
+linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts gebood hij,
+dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en aan den
+achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al vluchtende te
+vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden vijand te
+vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl wij daarmede
+reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg tot schrik van de
+lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven hadden, dan die ons
+vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand dus niet door roeijen
+ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1747" href="#xd0e1747">177</a>]</span>zoo deed. En Friso, die
+het vatte, liet spoedig de brandpijlen op de kraanbogen leggen. Tevens
+gebood hij dat niemand schieten mogt, voor dat hij geschoten had.
+Daarop zeide hij, dat wij alle naar het middelste schip moesten
+schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij, dan zullen de andere hem
+te hulp komen, dan moet ieder schieten, zoo hij best kan. Toen wij nu
+ander half ketting (kabelslengte) van hen af waren, begonnen de
+Pheniciers te schieten, maar Friso beantwoordde dat niet voor dat de
+eerste pijl op zes vademen van zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de
+anderen volgden, het geleek wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met
+den wind medegingen, bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de
+derde laag. Alle mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer
+tegenstanders waren zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen
+Friso meende, dat het wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden
+ons weg. Doch na dat wij twee dagen voort gesukkeld hadden, kwam er
+eene andere vloot in &rsquo;t gezicht van dertig schepen, die ons
+steeds inwon. Friso liet ons weer klaar maken; maar de anderen zonden
+eene lichte snik met roeijers bemand vooruit. Hunne boden baden uit
+aller naam, of zij met ons mede varen mogten. Zij waren Joniers. Door
+Demetrius waren zij gewelddadig naar de oude haven gestuurd; daar
+hadden zij van dit gevecht gehoord; nu hadden zij het stoute zwaard
+aangegord, en waren ons gevolgd. Friso, die veel met Joniers gevaren
+had, zeide ja; maar <span class="corr" id="xd0e1749" title="Bron:
+Wichirte">Wichhirte</span> onze koning zeide neen. De Joniers zijn
+afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb gehoord hoe zij die aanriepen.
+Friso zeide, dat komt door den omgang met de echte Krekalanders. Dat
+heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben <span class="corr" id="xd0e1752"
+title="Bron: is">ik</span> zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was
+de man, die ons naar Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers
+mede. Ook scheen het naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden
+verloopen waren, gingen wij langs Brittania, en drie dagen later
+mochten wij hoezee roepen. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1755"
+href="#xd0e1755">179</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1757" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dit geschrift is mij over Noordland of Schoonland
+gegeven.</h2>
+
+<p>Ten tijde dat ons land neder zonk, was ik in Schoonland. Daar ging
+het zoo toe. Er waren groote meeren, die van den bodem als een blaas
+uitzetten, dan spleten zij vaneen, uit de scheuren kwam eene stof,
+alsof het gloeijend ijzer was. Er waren bergen, wier kruinen
+aftuimelden, deze stortten neder en vernielden wouden en dorpen. Ik
+zelf zag, dat een berg van een ander werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij
+neder. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen de
+aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindasburgt met zijn volk en
+eene maagd, die alom uitriep: de Magy is schuldig aan al het leed, dat
+wij geleden hebben. Zij trokken steeds voort en het heer werd al
+grooter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk, hij had zich zelf
+omgebracht. Toen werden de Finnen verdreven naar &eacute;&eacute;ne
+plaats, daar mochten zij leven. Er waren ook van gemengd bloed, deze
+mochten blijven, doch velen gingen met de Finnen mede. De hertog werd
+tot koning gekozen. De kerken, die heel gebleven waren, werden
+vernield. Sedert dien tijd komen de goede Noormannen dikwijls op
+Texland om raad van de Moeder. Doch wij kunnen hen niet voor rechte
+Friezen meer houden. In de Dennemarken is het zeker gegaan, als bij
+ons. De zeelieden, die zich zelven stoutelijk zeekampers noemen, zijn
+op hunne schepen gegaan, en naderhand zijn zij terug getrokken.</p>
+
+<p class="aligncenter">HEIL!</p>
+
+<p>Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de
+nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen
+medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor wil ik
+waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik gezien
+heb. Over de <span class="pagenum">[<a id="xd0e1766" href=
+"#xd0e1766">181</a>]</span>Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen.
+Ik heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb, zijn
+zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik niet zeggen
+van de anderen. Die van de Krekalanden weg komen, zijn kwaad ter taal,
+en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben bruine oogen en
+haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door bijgeloovigheid.
+Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop, die het laatst komen
+moesten. Tegen <span class="letterspaced">&acirc;ld</span> zeggen zij
+<span class="letterspaced">&acirc;d</span>, tegen <span class=
+"letterspaced">s&acirc;lt</span>, <span class="letterspaced">
+s&acirc;t</span>, <span class="letterspaced">ma</span> voor <span
+class="letterspaced">man</span>, <span class="letterspaced">sol</span>
+voor <span class="letterspaced">skil</span>, <span class=
+"letterspaced">sode</span> voor <span class="letterspaced">
+skolde</span>, te veel om te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge
+en verkorte namen, waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers
+spreken beter, doch zij verzwijgen de <i>h</i>, en waar die niet wezen
+moet, wordt zij uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een
+afgestorvene en het gelijkt, dan gelooven zij, dat de geest des
+overledene daarin vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van
+Frya, F&acirc;sta, Medea, Thiania, Hellenia en vele andere. Wordt er
+een kind geboren, dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot
+Frya, dat zij hare dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen.
+Als zij gebeden hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren.
+Begint het kind te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een
+kwaad teeken, en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven
+heeft. Daarvan heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen,
+dan is dat een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in
+den slaap, dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd.
+Vervolgens gelooven zij aan booze geesten, heksen, kollen,
+aardmannetjes en elfen, alsof zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil
+ik eindigen en nu meen ik, dat ik meer geschreven heb, als een mijner
+voorvaderen. Frethorik.</p>
+
+<p>Frethorik mijn echtgenoot is drieenzestig jaren oud geworden. Sints
+honderd en acht jaren is hij de eerste van zijn geslacht, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1803" href="#xd0e1803">183</a>]</span>die
+vreedzaam gestorven is; alle anderen zijn onder de slagen bezweken,
+daarom dat allen kampten met eigen volk en vreemden om recht en
+plicht.</p>
+
+<p>Mijn naam is Wiljo, ik ben de maagd, die met hem uit de Saksenmarken
+naar huis voer. Door taal en omgang kwam het uit, dat wij alle beide
+van Adelas geslacht waren; toen ontstond liefde en daarna zijn wij man
+en vrouw geworden. Hij heeft mij vijf kinderen nagelaten, twee zonen en
+drie dochters. Konereed, zoo heet mijne oudste, Hachgana mijn tweede,
+mijne oudste dochter heet Adela, de tweede Frulik en de jongste Nocht.
+Toen ik naar de Saksenmarken voer, heb ik drie boeken gered, het boek
+der zangen, het boek der verhalen en het <span class="corr" id=
+"xd0e1807" title="Bron: Helenia">Hellenia</span> boek. Ik schrijf dit,
+opdat men niet moge denken, dat zij van Apollonia zijn; ik heb daar
+veel verdriet over gehad, nu wil dus de eere ook hebben. Ook heb ik
+meer gedaan; toen Gosa-Makonta gestorven is, wier goedheid en
+helderziendheid tot een spreekwoord geworden is, toen ben ik alleen
+naar Texland gegaan, om de schriften over te schrijven, die zij
+nagelaten had, en toen de laatste wil gevonden is van Frana, en de
+nagelaten schriften van Adela of Hellenia heb ik dat nog eens gedaan.
+Dit zijn de schriften van Hellenia. Ik heb ze voorop geplaatst, omdat
+zij de alleroudsten zijn.</p>
+
+<p class="aligncenter">ALLE ECHTE FRIESEN HEIL!</p>
+
+<p>In oude tijden wisten de Slavonische volken niet van vrijheid.
+Gelijk ossen werden zij onder het juk gebracht. Zij werden in de
+ingewanden der aarde gejaagd om metaal te delven, en uit de harde
+bergen moesten zij huizen houwen, tot woningen voor vorsten en
+priesters. Bij alles wat zij deden was niets voor hun zelven, maar
+alles moest dienen, om de vorsten en priesteren nog rijker en
+geweldiger te maken, om zich te verzadigen. Onder dezen arbeid werden
+zij <span class="pagenum">[<a id="xd0e1814" href=
+"#xd0e1814">185</a>]</span>grijs en stram eer zij oud waren en stierven
+zonder genot, ofschoon de aarde dat overvloedig veel geeft ter bate van
+al hare kinderen. Maar onze weggeloopenen en ballingen kwamen door
+Twiskland over in hunne marken trekken, en onze zeelieden kwamen in
+hunne havens. Van deze hoorden zij spreken over gelijke vrijheid en
+recht en over wetten, waar niemand buiten kan. Dit alles werd door de
+droeve menschen ingezogen als dauw door de dorre velden. Toen zij vol
+daar van waren, begonnen de stoutmoedigsten te klippen met hunne
+ketenen, zoodat het den vorsten wee deed. De vorsten zijn trotsch en
+krijgshaftig, daarom is er ook nog deugd in hunne harten, zij
+raadpleegden te zamen, en deelden iets mede van hunnen overvloed. Maar
+de laffe schijnvrome priesters konden dat niet dulden, onder hunne
+verdichte goden hadden zij ook booze wreede gedrochten geschapen. De
+pest kwam over het land, toen zeiden zij dat de goden toornig waren
+over de overheersching der boozen. Toen werden de stoutmoedigste
+menschen met hunne ketenen gewurgd. De aarde heeft hun bloed gedronken,
+met dat bloed voedde zij vruchten en koorn en al die daarvan aten
+werden wijs.</p>
+
+<p>Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken, en te dier tijde
+gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had.</p>
+
+<p>In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte die
+geheeten is Kasamyr, dat is, zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren,
+zijne moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een
+opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen bloed
+verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme menschen.
+Intusschen was den knaap (toen hij grooter werd) niets verheeld
+geworden; daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en te
+vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles begreep, wat hij
+zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de priesters
+werden beangst voor zijne vragen. Toen hij meerderjarig werd, ging hij
+naar zijne <span class="pagenum">[<a id="xd0e1820" href=
+"#xd0e1820">187</a>]</span>ouders. Zij moesten harde dingen hooren; om
+hem kwijt te worden, gaven zij hem een overvloed van edelgesteenten;
+maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met
+droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij
+omdwalen. Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die als
+slaaf diende, van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij kocht
+hem vrij, en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven. Alom waar hij
+voorts henen trok, leerde hij aan de menschen dat zij noch rijken noch
+priesters moesten toelaten; dat zij zich moesten hoeden tegen de
+valsche schaamte, die allerwegen kwaad doet aan de liefde. De aarde,
+zeide hij, schenkt hare gaven naarmate men hare huid krabt, dat men
+daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaijen, zoo men daarvan
+maaijen wil. Doch, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor een
+ander, zoo het niet met gemeene wil of uit liefde geschiedt. Hij leerde
+dat niemand in hare ingewanden mocht wroeten om goud of zilver of
+edelgesteenten, waar nijd aan kleeft en liefde van vliedt. Om uwe
+meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft haar de rivier water
+genoeg. Niemand, zeide hij, is machtig alle menschen tevens rijkdom en
+gelijk geluk te geven; doch het is aller menschen plicht om de menschen
+alzoo tevens rijk te maken en zooveel genoegen te geven als te bereiken
+is. Geene wetenschap, zeide hij, mag men minachten, doch
+rechtvaardigheid, is de grootste wetenschap, die de tijd ons leeren
+mag. Daarom, dat zij ergernis van de aarde weert, en de liefde
+voedt.</p>
+
+<p>Zijn eerste naam was Jessos, doch de priesters, die hem zeer
+haatten, heetten hem Fo, dat is valsch, het volk heette hem Krishna,
+dat is herder, en zijn Friesche vriend noemde hem Buddha (buidel),
+omdat hij in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een
+schat van liefde.</p>
+
+<p>Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesteren, maar
+overal waar hij kwam was zijne leer hem vooruitgegaan, en overal waar
+hij ging volgden hem zijne vijanden <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1826" href="#xd0e1826">189</a>]</span>als zijne schaduw. Toen
+Jessos zoo twaalf jaren rondgereisd had, stierf hij, maar zijne
+vrienden bewaarden zijne leer en verkondigden die, waar zij ooren
+vond.</p>
+
+<p>Wat meent gij nu dat de priesters deden? dat moet ik u melden; ook
+moet gij er zeer acht op geven, voorts moet gij waken voor hun bedrijf
+en ranken met alle krachten, die Wralda in u gelegd heeft. Terwijl de
+leer van Jessos over de aarde zich uitbreidde, gingen de valsche
+priesters naar het land zijner geboorte, om zijn dood bekend te maken;
+zij zeiden dat zij van zijne vrienden waren, zij veinsden eene groote
+droefheid door hunne kleederen in stukken te scheuren en hun hoofd kaal
+te scheeren. Zij gingen in de holen der bergen wonen, doch hierin
+hadden zij hunne schatten gebracht, daar binnen maakten zij beelden van
+Jessos. Deze beelden gaven ze aan de onergdenkende lieden; ten langen
+laatste zeiden zij dat Jessos een godheid was, dat hij zelf dit aan hun
+had beleden, en dat allen die aan hem en zijne leer gelooven wilden,
+hiernamaals in zijn koningrijk zouden komen, waar vreugde is en
+genietingen zijn. Vermits zij wisten dat Jessos tegen de rijken was te
+velde getrokken, verkondigden zij allerwegen, dat armoede lijden en
+eenvoudig zijn de deur was om in zijn rijk te komen, dat degene die op
+aarde het meeste geleden hadden, hier namaals de meeste vreugde hebben
+zouden. Ofschoon zij wisten, dat Jessos geleerd had, dat men zijne
+hartstochten overmeesteren en besturen moest, zoo leerden zij dat men
+alle zijne hartstochten dooden moest en dat de volkomenheid des
+menschen daarin bestond, dat hij even gevoelloos werd als de koude
+steen. Ten einde nu het volk wijs te maken, dat zij zelve zoo deden,
+veinsden zij armoede op straat, en om voorts te bewijzen, dat zij al
+hunne zinnelijke lusten gedood hadden, namen zij geene vrouwen. Doch
+zoo ergens eene jonge dochter een misstap gedaan had, werd haar dat
+spoedig vergeven; de zwakken, zeiden zij, moest men helpen, en om zijne
+eigene <span class="pagenum">[<a id="xd0e1830" href=
+"#xd0e1830">191</a>]</span>ziel te behouden, moest men veel aan de kerk
+geven. Dusdoende hadden zij vrouw en kinderen zonder huishouding, en
+werden zij rijk zonder werken; maar het volk werd veel armer en meer
+ellendig als ooit te voren. Deze leer, waarbij de priesters geen andere
+wetenschap noodig hebben, als bedriegelijk te redeneren, een vrome
+schijn en ongerechtigheden, breidde zich zelve van &rsquo;t oosten naar
+het westen, en zal ook over ons land komen.</p>
+
+<p>Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya en
+van Jessos leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden
+menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en
+voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk
+bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas bloed.
+Deze zullen hunne fakkels en het licht buiten brengen, zoodat alle man
+de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der
+priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het
+recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen,
+maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Findas volk zal
+zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lydas volk zijne
+krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters
+weggevaagd worden van de aarde; Wraldas geest zal alom en allerwege
+ge&euml;erd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang
+in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene
+andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij
+algemeene wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en de <span class=
+"corr" id="xd0e1834" title="Bron: Irhta">Irtha</span> zal hare gaven
+alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal aanvangen
+vierduizend jaren nadat Atland verzonken is, en duizend jaren later zal
+er langer geen priester noch dwang op aarde zijn.</p>
+
+<p>Dela toegenaamd Hellenia, waak! <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1839" href="#xd0e1839">193</a>]</span></p>
+
+<p>Zoo luidde Franas uiterste wil. Alle edele Friesen, heil! In den
+naam van Wralda, van Frya en der vrijheid groet ik u, en bid u zoo ik
+sterven mocht, eer ik eene opvolgster benoemd heb, dan beveel ik u
+Teuntja aan, die Burgtmaagd is op de burgt Medeasblik, tot op heden is
+zij de beste.</p>
+
+<p>Dit heeft G&ocirc;sa nagelaten. Alle menschen heil. Ik heb geene
+Eeremoeder benoemd, omdat ik geene wist, en omdat het u beter is geene
+Moeder te hebben, dan eene waarop gij u niet verlaten kunt. Een booze
+tijd is voorbijgegaan, maar daar komt nog een andere. Irtha heeft hem
+niet gebaard, en Wralda heeft hem niet beschoren. Hij komt uit het
+oosten, uit den boezem der priesteren weg. Zoo veel leed zal hij
+broeden, dat Irtha het bloed niet zal kunnen drinken van hare
+verslagene kinderen. Duisternis zal hij over den geest der menschen
+spreiden, gelijk onweerswolken over het zonnelicht. Alom en allerwege
+zullen list en bedrog met vrijheid en recht kampen. Vrijheid en recht
+zullen bezwijken en wij met haar. Maar deze winst zal haar verlies
+uitwerken. Van drie woorden zullen onze nakomelingen aan hunne lieden
+en slaven de beteekenis leeren. Zij zijn <span class="letterspaced">
+algemeene liefde</span>, <span class="letterspaced">vrijheid</span> en
+<span class="letterspaced">recht</span>. In het eerst zullen zij
+schitteren, daarna met duisternis kampen, totdat het helder en klaar
+wordt in ieders hart en hoofd. Dan zal de dwang van de aarde geveegd
+worden, gelijk de donderwolken door den stormwind, en alle bedrog zal
+niets meer daar tegen vermogen. G&ocirc;sa. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1853" href="#xd0e1853">195</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1855" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het geschrift van Koner&ecirc;d.</h2>
+
+<p>Mijne voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit
+wil ik bovenal doen, omdat in mijne staat geene burgt overig is, waarin
+de gebeurtenissen opgeschreven worden gelijk te voren. Mijn naam is
+Konereed (Koenraad), mijn vaders naam was Frethorik, mijne moeders naam
+was Wiliow. Na mijn vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen. Toen
+ik vijftig jaren telde, koos men mij tot opperste Grevetman. Mijn vader
+heeft geschreven, hoe de Lindaoorden en de Liudgaarden verwoest zijn.
+Lindahem is nog weg, de Lindaoorden voor een deel, de noordelijke
+Liudgaarden zijn door de zoute zee bedolven. Het bruissende zeewater
+slikt aan den ringdijk der burgt. Gelijk mijn vader vermeld heeft, zijn
+de van have beroofde menschen heengegaan en hebben huisjes gebouwd
+binnen den ringdijk der burgt, daarom is dat ronddeel nu Liudwerd
+geheeten. De zeelieden zeggen Liuwerd, maar dat is wanspraak. In mijne
+jeugd was het andere land, dat buiten den ringdijk ligt, alles poel en
+broek. Maar Fryas volk is wakker en vlijtig, zij werden moede noch mat,
+omdat hun doel ten beste geleidde. Door slooten te delven en kadijken
+te maken van de aarde die uit de slooten kwam, hebben wij weder een
+goede hemrik buiten den ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef,
+drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts
+gemeten. Heden ten dage zijn wij bezig waterpalen te heijen om eene
+haven te maken en meteen om onzen ringdijk te beschermen. Als het werk
+gereed is, zullen wij zeelieden uitlokken. In mijne jeugd stond het er
+hier raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen die in
+reijen staan. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1860" href=
+"#xd0e1860">197</a>]</span>Leken en gebreken, die met de armoede waren
+ingeslopen, zijn door vlijt uitgedreven<span class="corr" id="xd0e1862"
+title="Niet in bron">.</span> Hier uit kan iedereen leeren, dat Wralda,
+onze Alvader, alle zijne schepselen voedt, mits dat zij moed houden en
+elkanderen willen helpen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1865" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu wil ik over Friso schrijven.</h2>
+
+<p>Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot
+opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanden. Hij spotte met
+onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft hij eene
+school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de wijze der
+Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om het jongvolk
+aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar heen gezonden,
+dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij geene Moeder langer
+hebben, om den een tegen den ander te beschermen, behoor ik dubbel te
+waken, opdat hij niet meester over ons wordt.</p>
+
+<p>Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen
+oordeel vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die
+meenen, dat zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa
+gestorven was, wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder
+kiezen. Maar Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te
+maken, Friso begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden
+der Landsaten tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was
+verziende geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij
+geen licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen
+moed gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen
+die twijfelachtig was daar heeft zij kwaad ingezien: daarom heeft zij
+in hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben
+als eene, op welke gij u niet verlaten kunt. Friso had veel gezien, hij
+was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1872" href="#xd0e1872">199</a>]</span>listen der Golen en
+vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig had
+om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe hij
+daarmede is te werk gegaan.</p>
+
+<p>Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van
+Wilfr&ecirc;the, die bij zijn leven opperste Graaf te Stavoren geweest
+was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door zijn
+beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder
+uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helia
+geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch verbonden.
+Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van Wichhirte den
+koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed Friesch en moet
+Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer medegebracht, als
+goede zeden.</p>
+
+<p>Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren.</p>
+
+<p>Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele
+Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij
+Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust,
+en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens geen menschen in het
+gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar hunnen naam
+hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen wel vele
+Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich
+zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan
+waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze
+schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen
+gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen of
+geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van de
+Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan de
+zuidwestelijke hoek van Schoonland, aldaar ligt Lindasburgt, toegenaamd
+Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek geschreven
+staat. Alle kustbewoners <span class="pagenum">[<a id="xd0e1880" href=
+"#xd0e1880">201</a>]</span>en ommelanders waren daar echt Friesch
+gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en tegen de
+Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen; maar dat
+zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders hadden vele
+verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de booze Magyaren,
+Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich zelven rooven, maar
+als het te pas kwam, dan stonden zij malkander getrouwelijk bij. Doch
+ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek te krijgen aan goede schepen.
+Hunne scheepmakers waren omgekomen, en hunne wouden waren met grond en
+al van het land weggevaagd. Nu kwamen er onverwacht drie schepen bij
+den ringdijk van onze burgt voor anker. Door de inbraken van onze
+landen waren zij verdwaald en den Flymond misgevaren. De koopman die
+mede gegaan was, wilde van ons nieuwe schepen hebben, daartoe hadden
+zij allerlei kostelijke waren medegebracht, die zij geroofd hadden van
+de Kaltanarlanden en van de Pheniciers schepen. Nadien wij zelve geene
+schepen hadden, gaf ik hun flinke paarden en vier gewapende renboden
+mede naar Friso. Want te Staveren en langs het Alderga, daar werden de
+beste oorlogschepen gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting
+in komt. Terwijl de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen
+Jutten naar Texland gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De
+Zeelanders hadden vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten
+op hunne banken roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze
+kinderen te verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren,
+doordien zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld
+hadden, en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten
+laatste, of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja,
+antwoordden zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist
+gelijk uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen
+wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch
+burgtwapenen, om de roofschepen er uit <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1882" href="#xd0e1882">203</a>]</span>te houden. Dan moest gij er
+eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten; maar wij
+hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn
+visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge
+landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden met
+de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten, hoe Friso
+allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen en ten bate van
+zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij, zij zouden jaarlijks
+vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en voor vaste gelden,
+toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en met volle tuig, gelijk
+het voor krijgsschepen noodig en nuttig is; maar de Jutten zouden zij
+dan met vrede laten, en al het volk, dat tot Fryaskinderen behoorde.
+Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze zeekampers uitnoodigen, dat
+zij mede zouden vechten en rooven. Toen de Zeelanders vertrokken waren,
+liet hij veertig oude schepen beladen met burgtwapenen, hout,
+hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren, en smeden om daarmede
+burgten te bouwen. Witto, dat is <span class="letterspaced">
+witte</span>, zijn zoon, zond hij mede om toe te zien. Wat er al is
+voorgevallen, is mij niet gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk
+geworden, dat aan beide zijden van den havenmond eene versterkte burgt
+gebouwd is, en daarin is volk gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken
+trok. Witto heeft Siuchthirte bevrijd en tot zijne vrouw genomen.
+Wilhem, zoo heette haar vader, hij was opperste Olderman der Jutten,
+dat is opperste Grevetman of Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en
+Witto is in zijne plaats gekozen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1887" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Wat Friso verder deed.</h2>
+
+<p>Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer
+kloek waren. Hetto, dat is <span class="letterspaced">heete</span>, den
+jongste zond hij als zendbode naar Kattaburgt, <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1895" href="#xd0e1895">205</a>]</span>dat diep in de
+Saksenmarken ligt. Hij had van Friso medegekregen zeven paarden,
+behalve zijn eigen, beladen met kostbare zaken door de zeekampers
+geroofd. Bij ieder paard waren twee jonge zeekampers en twee jonge
+ruiters met rijke kleederen gekleed, en met geld in hunne buidels.
+Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt zond, zoo zond hij Bruno, dat is
+<span class="letterspaced">bruine</span>, den anderen zwager naar
+Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda
+forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede
+hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en
+vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de
+gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven
+met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze
+boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle
+geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten, en
+op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu
+gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij
+goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden,
+dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog
+vorstelijker vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn
+getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand
+kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar het
+Flymeer afzakken. De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare
+vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom
+spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar
+babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan
+zijne zaak. Zij zeiden allomme: wij hebben langer geene Moeder meer,
+maar dat komt daar vandaan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig past
+ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de Moeders
+verloren hebben door hare onvoorzichtigheid. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1900" href="#xd0e1900">207</a>]</span>Verder spraken zij: Aan
+ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten hooren, voor
+dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst, maar als het zoover
+komen mogt, dat gij u weder een koning kiest, dan wil ik ook mijne
+meening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is Friso daartoe door
+Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier heen geleid. Friso
+kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt, hij kan dus tegen
+hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog te houden: welken
+graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de anderen daar
+wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de jonge maagden
+gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal, tapten hunne
+redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en tot iedereen:
+Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen, des nachts spant
+hij zijne netten naar alle zijden en des daags verschalkt hij daarin
+zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat hij geene priesteren noch
+vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg, hij mag niemand lijden dan hem
+zelven. Daarom wil hij niet gedogen, dat de burgt Stavia weder
+opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder we&ecirc;r hebben. Vandaag
+is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw koning worden, opdat hij
+over u allen rechten mag. In den boezem des volks ontstonden nu twee
+partijen. De ouden en armen wilden nu weder eene Moeder hebben, maar
+het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde een Vader of koning hebben.
+De eersten noemden zich Moederszonen, en de anderen noemden zich
+Vaderszonen; maar de Moederszonen werden niet geteld; want omdat er
+vele schepen gemaakt werden, was hier overvloed voor de scheepmakers,
+smeden, zeilmakers, reepmakers en voor alle andere ambachtslieden.
+Daarenboven brachten de zeekampers allerhande sieraden mede. Daarvan
+hadden de vrouwen genoegen, de maagden genoegen, de meisjes genoegen,
+en daarvan hadden alle hunne bloedverwanten genoegen, en alle hunne
+goede kennissen en vrienden. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1902"
+href="#xd0e1902">209</a>]</span></p>
+
+<p>Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden,
+stierf hij. Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot
+malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet
+bevestigen. Van alle Graven, die voor hem waren, was er niemand zoo
+befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge
+maagden spraken zijn lof, terwijl de oude vrouwen alles deden om hem te
+laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de
+oude vrouwen hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij
+hadden met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven is
+zonder dat hij koning was.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1905" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nu wil ik schrijven over zijn zoon adel.</h2>
+
+<p>Friso die onze geschiedenis had leeren kennen uit het boek der
+Adelingen, had alles gedaan om hunne vriendschap te winnen. Zijn
+eersten zoon, dien hij hier won bij zijne vrouw Swethirte heeft hij
+terstond Adel genoemd. En ofschoon hij kampte met al zijne macht, om
+geene burgten te herstellen noch op te bouwen, zond hij toch Adel naar
+de burgt te Texland, opdat hij hoe eer hoe beter bekend worden mocht
+met alles wat tot onze wetten, taal en zeden behoort. Toen Adel twintig
+jaren telde, liet Friso hem naar zijn eigen school komen, en toen hij
+daar volleerd was, liet hij hem door alle staten reizen. Adel was een
+beminnenswaardige jongman; op zijne reizen heeft hij vele vrienden
+gewonnen, daardoor is het gekomen, dat het volk hem Atharik
+(vriendenrijk) genoemd heeft, iets dat hem naderhand zoo wel te pas is
+gekomen, want toen zijn vader gestorven was, bleef hij in zijne plaats,
+zonder dat er over het kiezen van een anderen Graaf sprake kwam.
+Terwijl Adel te Texland in de leer was, bevond zich aldaar tevens eene
+heel lieve maagd op de burgt. Zij kwam uit de Saksenmarken weg, uit de
+staat die genoemd is Suobaland, daarom werd zij te Texland <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1910" href="#xd0e1910">211</a>]</span>Suobene
+genoemd, ofschoon haar naam Ifkja was. Adel had haar lief gekregen, en
+zij had Adel lief; maar zijn vader verzocht hem, dat hij nog wat
+wachten zoude. Adel was gehoorzaam, maar zoodra zijn vader gestorven
+was en hij gezeten, zond hij terstond boden naar Berthold haren vader
+(met verzoek) of hij zijne dochter tot vrouw mogt hebben. Berthold was
+een vorst van onverbasterde zeden, hij had Ifkja naar Texland in de
+leer gezonden in de hoop, dat zij eens tot burgtmaagd zoude gekozen
+worden in zijn land. Doch hij had hun beider begeerte leeren kennen,
+daarom ging hij heen en gaf hun zijnen zegen. Ifkja was eene flinke
+Friesin. Voor zoo verre ik haar heb leeren kennen, heeft zij steeds
+gewerkt en gewroet, opdat Fryaskinderen weder mochten komen onder
+dezelfde wet en onder eenen bond. Om de menschen op hare zijde te
+krijgen, was zij met haren echtgenoot van haren vader door alle
+Saksenmarken gereisd en voorts naar Geertmannia. Geertmannia, zoo
+hadden de Geertmannen hunne staat geheeten, die zij door Gosas
+bemoeijing gekregen hadden. Daarop gingen zij naar de Denemarken. Van
+de Denemarken gingen zij te scheep naar Texland. Van Texland gingen zij
+naar Westflyland en zoo langs de zee naar Walhallagara. Van
+Walhallagara vertrokken zij langs den Zuiderrijn (de Waal), totdat zij
+met groote vrees boven den Rijn bij de Marsaten kwamen, waarvan onze
+Apollonia geschreven heeft. Toen zij hier eene wijle geweest waren,
+gingen zij weer naar de laagte. Als zij nu een tijdlang naar de laagte
+afgevaren waren, totdat zij in de streek van de oude burgt Aken kwamen,
+zijn er onverhoeds vier knechten vermoord en naakt uitgekleed. Zij
+waren een weinig achteraan gekomen. Mijn broeder, die overal bij was,
+had hun vaak verboden, doch zij hadden niet geluisterd. De moordenaars
+die dat gedaan hadden, waren Twisklanders, die heden ten dage stoutweg
+over den Rijn komen te moorden en te rooven. De Twisklanders, dat zijn
+gebannen en weggeloopen Fryaskinderen, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1912" href="#xd0e1912">213</a>]</span>maar hunne vrouwen hebben
+zij van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een bruin Findasvolk,
+aldus genoemd, omdat zij alle volken ten strijde uittarten. Zij zijn
+allen ruiters en roovers. Daar van daan zijn de Twisklanders evenzoo
+bloeddorstig geworden. De Twisklanders, welke die boosheid bedreven
+hadden, noemden zich zelven Frijen of Franken. Er waren, zeide mijn
+broeder, roode, bruine en witte onder. Die, welke rood of bruin waren,
+beten hun haar met kalkwater wit. Naardien echter hunne aangezichten
+bruin bleven, werden zij des te leelijker daardoor. Even als Apollonia
+beschouwden zij naderhand Lydasburgt en het Alderga. Daarna trokken zij
+over Staverens oorden bij hunne lieden rond. Zij hadden zich zoo
+beminnelijk aangesteld, dat de menschen hen allerwege houden wilden.
+Drie maanden later zond Adel boden naar alle vrienden die hij gewonnen
+had en liet hun verzoeken, dat zij in de Minnemaand wijze lieden tot
+hem zouden zenden,<a class="pseudonoteref" href="#n212.2">6</a> <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1917" href="#xd0e1917">215</a>]</span></p>
+
+<p>zijne vrouw, zeide hij, die maagd geweest was te Texland had daarvan
+een afschrift gekregen. Te Texland, worden nog vele geschriften
+gevonden, die niet in het boek der Adelingen overgeschreven zijn. Van
+deze schriften had Gosa een bij haar uiterste wil gelegd, &rsquo;t welk
+door de oudste maagd Albetha openbaar gemaakt moest worden, zoodra
+Friso gestorven was.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1920" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hier is dit geschrift met Gosas raad.</h2>
+
+<p>Toen Wralda kinderen gaf aan de moeders van het menschelijk
+geslacht, toen legde hij &eacute;&eacute;ne taal in aller tongen en op
+aller lippen. Dit geschenk had Wralda aan de menschen gegeven, opdat
+zij elkander daarmede mochten kenbaar maken, wat men vermijden moet en
+wat men najagen moet om zaligheid te vinden en zaligheid te houden in
+alle eeuwigheid. Wralda is wijs en goed en alles voorziende. Naardien
+hij nu wist, dat geluk en zaligheid van de aarde moet vlieden, als de
+boosheid de deugd bedriegen kan, zoo heeft hij aan de taal eene
+regtvaardige eigenschap verbonden. Deze eigenschap is hierin gelegen,
+dat men daarmede geen leugen zeggen, noch bedriegelijke woorden spreken
+kan zonder stamelen, noch zonder blozen, waardoor men de boozen van
+harte terstond onderkennen kan. Naardien dus onze taal tot geluk en
+zaligheid den weg baant, en dus mede waakt tegen de booze neigingen,
+daarom is zij met alle recht godestaal (de taal des goeds) genoemd, en
+alle degene, die haar in eere houden, hebben daar eere van. Doch wat is
+er gebeurd. Zoodra er onder onze halfzusteren en halfbroederen
+bedriegers opkwamen, die zich zelf voor dienaren des goeds uitgaven, is
+dat weldra anders geworden. De bedriegelijke priesters en de
+boosaardige vorsten, die altijd te zamen heulden, wilden naar willekeur
+leven en buiten de wetten des goeds handelen. In hunne ondeugendheid
+zijn zij heen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1925" href=
+"#xd0e1925">217</a>]</span>gegaan en hebben andere talen verzonnen,
+opdat zij heimelijk konden spreken in tegenwoordigheid van ieder ander
+over alle booze dingen en over alle onwaardige zaken, zonder dat
+stamelen hen zoude verraden, noch blozen hun gelaat ontsieren. Maar wat
+is daaruit geboren? Even gemakkelijk als het zaad van goede kruiden van
+onder den grond weg ontkiemt, dat in &rsquo;t openbaar gezaaid is door
+goede menschen bij lichten dag, even gemakkelijk brengt de tijd de
+schadelijke kruiden aan het licht, die gezaaid zijn door booze menschen
+in het verborgene en bij duisternis.</p>
+
+<p>De wulpsche meisjes en verwijfde knapen, die met de onzedelijke
+priesters en vorsten boeleerden, ontlokten die nieuwe talen aan hunne
+boelen, derwijze zijn zij verspreid onder de volken, tot dat zij
+godestaal glad vergeten hebben. Wilt gij nu weten, wat daarvan geworden
+is? Nu het stamelen en de gelaatskleur hunne booze driften niet meer
+verrieden, is de deugd van uit haar midden geweken, de wijsheid is
+gevolgd en de vrijheid is medegegaan; de eendracht is te zoek geraakt,
+en tweespalt heeft hare plaats ingenomen; de liefde is gevlucht, en de
+ontucht zit met nijd aan tafel; en waar vroeger rechtvaardigheid
+heerschte, heerscht nu het zwaard. Allen zijn slaven, de lieden van
+hunne heeren van nijd, booze lusten en begeerlijkheid. Hadden zij nu
+maar &eacute;&eacute;ne taal uitgevonden, mogelijk was het dan nog eene
+wijle goed gegaan. Maar zij hebben zoo vele talen uitgevonden als er
+staten zijn. Daardoor kan het eene volk het andere volk even min
+verstaan als de koe den hond of de wolf het schaap. Dit kunnen de
+zeelieden betuigen. Doch daar van daan is het nu gekomen, dat alle
+slavenvolken elkander als andere menschen beschouwen, en dat zij tot
+straf van hunne onbezonnenheid en vermetelheid elkander zoo lang moeten
+beoorlogen en bestrijden tot dat zij alle verdelgd zijn. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1929" href="#xd0e1929">219</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1931" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hier is nu mijn raad.</h2>
+
+<p>Zijt gij alzoo begeerig, dat gij de aarde alleen wilt be&euml;rven,
+zoo behoort gij nimmer meer eene andere taal over uwe lippen te laten
+komen als godestaal, en dan behoort gij te zorgen, dat uw eigen taal
+vrij blijft van uitheemsche klanken. Wilt gij nu dat er sommige van
+Lydas kinderen en van Findas kinderen blijven, dan doet gij even zoo.
+De taal der Oost Schoonlanders is door de vuile Magyaren verdraaid; de
+taal der Keltana volgers is door de smerige Golen verdorven. Nu zijn
+wij zoo mild geweest om de terugkeerende Hellenia volgers weder in ons
+midden te nemen, maar ik schroom en ben zeer bezorgd, dat zij onze
+mildheid zullen vergelden met verontreiniging van onze zuivere
+taal.</p>
+
+<p>Veel hebben wij wedervaren, maar van alle burgten die door de booze
+tijd verstoord en verdelgd zijn, heeft Irtha Fryasburgt onverlet
+behouden; ook mag ik daar bij vermelden dat Fryas of Gods taal hier
+even ongeschonden behouden is.</p>
+
+<p>Hier op Texland moest men dus scholen stichten; van alle staten, die
+het met de oude zeden houden, moest het jong volk hier heen gezonden
+worden; daarna mochten zij die volleerd waren, de anderen helpen die te
+huis verbeiden. Willen de andere volken ijzerwaren van u koopen en
+daarover met u spreken en dingen, dan moeten zij tot godestaal
+terugkeeren. Leeren zij Godstaal, dan zullen de woorden <i>vrij
+zijn</i> en <i>recht hebben</i> tot hen inkomen, in hun brein zal het
+dan beginnen te glimmen en te gloren tot dat alles tot eene vlam wordt.
+Deze vlam zal alle slechte vorsten verteeren en alle schijnvrome en
+smerige priesters.</p>
+
+<p>De inlandsche en uitlandsche zendboden hadden genoegen van dat
+geschrift, doch er kwamen geene scholen. Toen stichtte Adel zelf
+scholen, na hem deden de andere vorsten hetzelfde. Jaarlijks gingen
+Adel en Ifkja de scholen in oogenschouw nemen. Bevonden zij dan onder
+de inlanders of buitenlanders <span class="pagenum">[<a id="xd0e1948"
+href="#xd0e1948">221</a>]</span>zoodanige, die elkander vriendschap
+toedroegen, dan lieten zij beide groote blijdschap blijken. Hadden
+sommige zoodanige elkander vriendschap gezworen, dan lieten zij alle
+menschen bij elkander komen, en met groote staatsie lieten zij dan
+hunne namen in een boek schrijven, door hun het boek der vriendschap
+genoemd: daarna werd feest gevierd. Al deze gebruiken werden
+onderhouden om de afzonderlijke takken van Fryas stam weder te zamen te
+snoeren. Doch de maagden die op Adel en Ifkja afgunstig waren zeiden,
+dat zij het nergens anders om deden, dan om een goeden roep en om
+allengs te heerschen over een anders staat.</p>
+
+<p>Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door
+Luidgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen
+aangaan, geef ik hier het andere ten beste.</p>
+
+<p>Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is eene
+rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd, omdat vier
+andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel verre oostwaarts
+is nog eene groote rivier, de heilige of vrome Ganges geheeten.
+Tusschen deze beide rivieren is het land der Hindos. De beide rivieren
+loopen van de hooge bergen naar de laagte neer. Die bergen, waar zij
+van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij tot den hemel reiken (laia),
+daarom wordt het gebergte Himmellaia gebergte genoemd. Onder de Hindos
+en andere uit die landen zijn er sommige lieden die in stilte bij
+elkander komen. Zij gelooven dat zij onverbasterde kinderen van Finda
+zijn. Zij gelooven dat Finda van uit het Himmellaia gebergte geboren
+is, van waar zij met hare kinderen naar de delte of de laagte getrokken
+is. Sommigen onder hen gelooven, dat zij met hare kinderen op het
+schuim van de heilige Ganges naar beneden gegaan is. Daarom zoude die
+rivier de heilige Ganges heeten. Maar de priesters die uit een ander
+land weg komen lieten die menschen opsporen en verbranden; daarom
+durven <span class="pagenum">[<a id="xd0e1954" href=
+"#xd0e1954">223</a>]</span>zij voor hunne zaak niet openlijk uitkomen.
+In dit land zijn alle priesters dik en rijk. In hunne kerken worden
+allerlei gedrochtelijke beelden gevonden, daaronder zijn vele van goud.
+Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers) of wrangen (Drangianen), de
+Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen, en de Urgetten
+&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; of vergetenen. Al deze
+namen zijn hun door de nijdige priesters gegeven, omdat zij hen
+ontvlieden wegens de zeden en het geloof. Bij hunne komst hadden onze
+voorouders zich ook aan den oostelijken oever van den Pangab neergezet,
+maar om der priesteren wille zijn zij ook naar den westelijken oever
+gevaren. Daardoor hebben wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren
+zijn geen wilden, maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch
+aanbidden: ook willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even
+als wij het heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege
+vuur in hunne huizen brandende. Komt men later heel westelijk, zoo komt
+men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken
+verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn
+wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de
+velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten
+verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder
+houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de
+Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden en
+wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat daar
+bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze
+hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten worden:
+maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindos zijn even bloode en
+vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de wolven zijn. Daarom
+hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd, dat hinden beteekent.
+Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk misbruik gemaakt. Komen er
+uitheemsche kooplieden om koren te koopen, dan wordt alles te gelde
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1959" href=
+"#xd0e1959">225</a>]</span>gemaakt, en door de priesters wordt het niet
+geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te
+zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels
+komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten
+lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte
+lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die
+soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte
+en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren
+zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende
+dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte
+van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar de
+kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen
+bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die ze
+willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven, want
+tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de
+menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar
+allerlei soort van hagedissen, schildpadden en krokodillen; al deze
+disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot;
+naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle
+niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators omdat zij
+even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven
+naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen
+overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen, en
+waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en granen
+als aan de oostzyde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende dieren
+gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen verbrand,
+en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er slechts
+weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab, dan vindt
+men nevens vetten kleigrond ook <span class="pagenum">[<a id="xd0e1961"
+href="#xd0e1961">227</a>]</span>dorre geestlanden, die eindeloos
+schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken, waaraan het
+oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn er vele, die ik
+hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er ook goudgeel; ook
+goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als honing, en andere
+zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden zoo groot als
+kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze oud dan maakt men er
+olie van; van de bast maakt men touw, en van de kernen maakt men kelken
+en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik kruip- en steekbessen
+gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als uwe lindeboomen,
+waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter zijn als uwe
+doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn en de zon uit
+het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw hoofd neder. Is men
+dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren, en men des middags met
+zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo schijnt de zon tegen uwe
+linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe rechterzijde doet. Hiermede wil
+ik eindigen, maar na mijn schrijven zal het u licht genoeg vallen, om
+de leugenachtige verhalen te kunnen schiften van de ware berichten. Uw
+Liudgert.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1963" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Het geschrift van Beeden.</h2>
+
+<p>Mijn naam is Beeden, zoon van Hachgane. Konereed mijn oom is nooit
+getrouwd geweest en alzoo kinderloos gestorven. Mij heeft men in zijne
+plaats gekozen. Adel, de derde koning van dezen naam, heeft die keuze
+goedgekeurd, mits ik hem als mijn meester erkennen wilde. Behalve het
+volle erf van mijn oom, heeft hij mij eene plek gronds gegeven, die aan
+mijn erf paalde, onder voorwaarde, dat ik daarop menschen zoude
+stellen, die zijne lieden nimmer zouden ...<a class="pseudonoteref"
+href="#n226">1</a> <span class="pagenum">[<a id="xd0e1971" href=
+"#xd0e1971">229</a>]</span></p>
+
+<p>daarom wil ik dit hier eene plaats vergunnen.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e1974" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Brief van Rika de oudmaagd, voorgelezen te Staveren
+bij het juulfeest.</h2>
+
+<p>Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis
+tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar wil
+ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek wijzen,
+dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet, hoe Wralda
+duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat hij Alvoeder wordt
+genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt en wast tot voeding van
+zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha bijwijlen ook Alvoedster
+genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en granen baart, waarmede mensen
+en dier zich voeden. Doch zij zoude geene vruchten en granen baren,
+bijaldien Wralda haar geene krachten gaf. Ook vrouwen, die hare
+kinderen zogen aan hare borsten, worden voedsters genoemd. Doch gaf
+Wralda daar geene melk in, zoo zouden de kinderen daar geen baat bij
+vinden. Zoodat bij slot van rekening Wralda alleen de voeder blijft.
+Dat Irtha bijwijlen Alvoedster geheeten wordt, en eene <span class=
+"letterspaced">mem</span> (moeder) <span class="letterspaced">
+voedster</span>, kan nog door eene wending (overdrachtelijke
+spreekwijze): maar dat een <span class="letterspaced">taat</span>
+(vader) zich <span class="letterspaced">voeder</span> laat noemen,
+omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden.</p>
+
+<p>Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt
+van onze vijanden (l&euml;tha) en wanneer die gevolgd worden, zoo zult
+gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen
+hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is,
+daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur
+leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet
+wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen dat
+een koning niet over den <span class="pagenum">[<a id="xd0e1993" href=
+"#xd0e1993">231</a>]</span>wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding
+door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne
+vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij in het
+eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben het volk
+eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam, huurden zij
+buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven legden. Vervolgens
+namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en de kleine vorsten en
+heeren deden eveneens. Toen naderhand twist en tweespalt in de
+huishouding sloop, en daarover klachten kwamen, hebben zij gezegd:
+ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin, daarom zal hij ook
+meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de willekeur, en even als
+die met de mannen over het huisgezin heerschte, ging zij ook met de
+koningen over de volken doen. Toen de koningen het zoo ver gebracht
+hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij heen en lieten
+beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten zij in de kerken
+stellen naast de beelden der afgoden, en degene die daar niet voor
+buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe voorvaderen en
+de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan, daarvan hebben
+zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige uwer mannen
+zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik mij over vele
+uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden, die zich met Wralda
+op eene lijn willen stellen, er worden bij u ook wijven gevonden, die
+dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen gebaard hebben, laten zij
+zich <span class="letterspaced">moeder</span> noemen. Doch zij
+vergeten, dat Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet
+alleen hebben zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen
+berooven, met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen
+het even zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich
+<span class="letterspaced">vrouwe</span> laten noemen, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2001" href="#xd0e2001">233</a>]</span>ofschoon
+zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen van vorsten toebehoort. Ook
+laten zij hare dochters <span class="letterspaced">maagden</span>
+noemen, ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag,
+tenzij zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat
+naam stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aankleeft, en
+dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal de
+tijd daar wasdom aan geven, zoo sterk, dat men er het eind niet van kan
+zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden; zij zullen
+niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar ofschoon gij de
+maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat, toch zullen er
+blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij zullen uwe
+nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig aan zijt. Dan
+zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit hunne graven
+oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare maagden aanroepen,
+doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren, bevorens het Juul een
+anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst gebeuren als drie
+duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Einde van Rikas
+brief.</span><a class="pseudonoteref" href="#n232">1</a></p>
+
+<hr class="tb">
+<p> <span class="pagenum">[<a id="xd0e2014" href=
+"#xd0e2014">235</a>]</span></p>
+
+<p>daarom wil ik eerst over zwarte Adel schrijven. Zwarte Adel was de
+vierde koning na Friso. In zijne jeugd heeft hij op Texland geleerd,
+naderhand heeft hij te Staveren geleerd, en vervolgens heeft hij door
+alle staten gereisd. Toen hij vier en twintig jaar oud was, heeft zijn
+vader gemaakt dat hij tot Asega Asker gekozen is. Toen hij eenmaal
+Asker was, eischte hij altijd in het voordeel van de armen. De rijken,
+zeide hij, plegen genoeg ongerechte dingen door middel van hun geld,
+daarom behooren wij te zorgen, dat de armen naar ons omzien. Door deze
+en andere redeneringen, was hij de vriend der armen en de schrik der
+rijken. Het is zoo erg gekomen, dat zijn vader hem naar de oogen zag.
+Toen zijn vader gestorven was, heeft hij diens zetel beklommen, toen
+wilde hij even goed zijn ambt behouden gelijk de koningen van het
+oosten plegen te doen. De rijken wilden dat niet dulden, maar nu liep
+al het andere volk te hoop, en de rijken waren blijde dat zij heelhuids
+van de vergadering afkwamen. Van toen aan hoorde men nimmer meer over
+gelijkheid van recht praten. Hij veroordeelde de rijken en hij vleide
+de armen, met wier hulp hij alle zaken eischte, daar hij bestek op had.
+Koning Askar, gelijk hij altijd genoemd werd, was bij de zeven aardvoet
+lang, en zoo groot zijne gestalte was, waren ook zijne krachten. Hij
+had een helder verstand, zoodat hij alles verstond, waarover gesproken
+werd, doch in zijn doen kon men geene wijsheid bespeuren. Bij een
+schoon gelaat had hij eene gladde tong, maar nog zwarter als zijn haar
+is zijne ziel bevonden. Toen hij een jaar koning was, noodzaakte hij
+alle jongelingen uit zijn staat, om jaarlijks in het kamp te komen en
+daar een schijnoorlog te maken. In het eerst had hij daar moeite mede,
+maar ten laatste werd het zoo manierlijk, dat oud en jong uit alle
+oorden weg kwamen, om te vragen, of zij mochten mede doen. Toen hij het
+zoo ver gebracht had liet hij krijgscholen stichten. De rijken kwamen
+te klagen en <span class="pagenum">[<a id="xd0e2020" href=
+"#xd0e2020">237</a>]</span>zeiden, dat hunne kinderen geen lezen of
+schrijven meer leerden. Askar sloeg er geen acht op, maar toen er kort
+daarop weer schijnoorlog gehouden werd, ging hij op een gestoelte staan
+en sprak luidde. De rijken zijn tot mij gekomen te klagen, dat hunne
+knapen geen lezen of schrijven genoeg leeren; ik heb daar niets op
+gezegd; doch hier wil ik mijne meening zeggen, en de algemeene
+vergadering laten beslissen. Toen elk nu nieuwsgierig tot hem op zag
+zeide hij verder: Naar mijn begrip moet men tegenwoordig het lezen en
+schrijven aan de maagden en wijze lieden overlaten. Ik wil geen kwaad
+spreken van onze voorvaderen, ik wil alleen zeggen, in die tijden,
+waarop door sommigen zoo hoog geroemd wordt, hebben de Burgtmaagden
+tweespalt over onze landen gebracht en de Moeders voor en na konden de
+tweespalt niet weder uit het land drijven. Nog erger, terwijl zij
+praatten en keuvelden over noodelooze gewoonten, zijn de Golen gekomen
+en hebben al onze schoone zuiderlanden geroofd. Heden ten dage zijn zij
+met onze verbasterde broeders en hunne soldaten reeds over de Schelde
+gekomen, er schiet ons dus over te kiezen tusschen het dragen van een
+juk of een zwaard. Willen wij vrij zijn en vrij blijven, zoo behooren
+de jongelieden het lezen en schrijven voorhands achterwege te laten, en
+in stede dat zij op hun gezelschappen wip en zwik spelen, moeten zij
+met zwaard en speer spelen. Zijn wij in allen deele geoefend, en de
+knapen groot genoeg om helm en schild te dragen en de wapenen te
+hanteeren, dan zal ik mij met uwe hulp op de vijanden werpen. De Golen
+mogen dan de nederlagen van hunne helpers en soldaten op onze velden
+schrijven met het bloed dat uit hunne wonden druipt. Hebben wij den
+vijand eenmaal voor ons uitgedreven, zoo moeten wij daarmede voortgaan,
+tot dat er geen Golen, noch Slaven, noch Tartaren meer van Fryas erf te
+verdrijven zijn.&mdash;Dat is recht, riepen de meesten, en de rijken
+durfden hunne monden niet open doen. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2022" href="#xd0e2022">239</a>]</span>Deze toespraak had hij zeker
+te voren bedacht en laten overschrijven, want des avonds van dien
+zelfden dag waren de afschriften daarvan in wel twintig handen; en die
+alle waren eensluidend. Naderhand beval hij de scheepslieden, zij
+moesten dubbele voorstevens maken, waaraan men eene stalen kraanboog
+kon bevestigen. Die hierin achterwege bleef werd beboet; kon iemand
+zweeren, dat hij geene middelen bezat, dan moesten de rijken van het
+dorp het betalen. Nu zal men zien, waarop al dat boha uitgeloopen is.
+Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge bergen is, daar zit
+een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas bloed gesproten; voor
+het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers, voor het ander gedeelte
+uit Britten en vluchtelingen, die allengs met der tijd uit de tinlanden
+derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden kwamen, hebben al te gader
+buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch ras. Zij zijn alle onder de
+heerschappij der Golen, hunne wapenen zijn houten bogen en sprieten met
+punten van hertshoornen, of ook van flinten. Hunne huizen zijn van
+zoden en stroo, en sommigen wonen in de holen der bergen. Schapen, die
+zij geroofd hebben, is hun eenige schat. Onder de afstammelingen van de
+Keltanavolgers hebben sommigen nog ijzeren wapenen, die zij van hunne
+voorvaderen ge&euml;rfd hebben. Om nu goed verstaan te worden, moet ik
+mijn verhaal over het Schotsche volk laten rusten, en iets van de
+heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De heinde Krekalanden hebben te
+voren ons alleen toebehoord, maar sedert onheugelijke tijden hebben
+zich daar ook nakomelingen van Lyda en Finda nedergezet, van deze
+laatsten kwamen eindelijk een heele hoop van Troje. Troja alzoo heeft
+eene stad geheeten, die het volk van de verre Krekalanden (Griekenland)
+heeft ingenomen en verwoest. Toen de Trojanen in de heinde Krekalanden
+genesteld waren, toen hebben zij daar met tijd en vlijt eene sterke
+stad met wallen en burgten gebouwd, Rome, dat <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2024" href="#xd0e2024">241</a>]</span>is Ruim, geheeten. Toen
+dat gedaan was, heeft het volk zich door list en geweld van het geheele
+land meester gemaakt. Het volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche
+zee huist, is voor het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De
+Phoeniciers (Puniers) zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed
+en van Findas bloed en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als
+slaven, maar door de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al
+het andere volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome
+kampen gestadig om het meesterschap van de Middellandsche Zee. Voorts
+leven die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne
+priesteren, die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen
+de Golen niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia
+afgenomen, daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts
+liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij de
+Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn duizende
+Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar de opperste
+der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak, dat is hoek,
+van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was daar al hun goud
+te zamen gebracht. Keeren herne (uitverkoren hoek) of Kerenak is eene
+steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden de Maagden van de
+nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder hebben. Alzoo was door
+de vijandschap der Maagden en der Golen veete en twist over het
+Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden kwamen daar
+dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden en linnen.
+Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de Maagden en
+met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden, om de
+Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam, gaf
+hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen
+bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen
+bloed bij <span class="pagenum">[<a id="xd0e2026" href=
+"#xd0e2026">243</a>]</span>de hellingen der bergen neder. Toen Askar
+meende, dat de kans hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen,
+en nam Kerenak en den opperste der Golen met al zijn goud. Het volk
+waarmede hij tegen de soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de
+Saksenmarken gelokt met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus
+werd den Golen niets gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot
+bergplaats voor zijne schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle
+Phoenicische schepen en steden te berooven, die hij beloopen konde.
+Toen hij terug kwam bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van
+het Schotsche bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven
+waren, opdat hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden
+blijven; doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn
+hof, waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren
+van allerlei wapenen. De Dennemarkers, die zich sinds lang boven alle
+andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra niet
+van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop afgunstig,
+dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over zijne landen.
+Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen de bouwvallen
+van de verwoeste burgt Stavia was nog een <span class="corr" id=
+"xd0e2028" title="Bron: schandere">schrandere</span> Burgtmaagd met
+eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er ging een groote
+roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar hare hulp aan, onder
+beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude laten opbouwen. Toen hij
+zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met drie Maagden naar Hals;
+&rsquo;s nachts ging zij reizen, en bij dag sprak zij op alle markten
+en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij, had haar door donder laten
+toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden moest worden, als zusters en
+broeders vereenigd; anders zoude Findas volk komen en hen alle van de
+aarde verdelgen. Na dien donder waren Fryas zeven waakmaagden haar in
+den droom verschenen, zeven nachten achtereen; zij hadden gezegd: <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2031" href="#xd0e2031">245</a>]</span>boven
+Fryas landen zwabbert ramp met juk en ketenen. Daarom moeten alle
+volken, die uit Fryas bloed gesproten zijn, hunne toenamen wegwerpen en
+zich alleen Fryaskinderen of Fryas volk noemen. Voorts moeten allen
+opstaan en Findas volk van Fryas erf verdrijven. Willen ze dat niet
+doen, zoo zullen zij slavenbanden om hunne halzen krijgen; zoo zullen
+de buitenlandsche heeren hunne kinderen misbruiken en laten geesselen,
+totdat het bloed zijgt in uwe graven. Dan zullen de schimmen uwer
+voorvaderen u komen wekken en u bekijven over uwe lafheid en
+onbezonnenheid. Het domme volk, dat door toedoen der Magyaren reeds aan
+zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde alles wat zij zeide, en de
+moeders klemden hare kinderen tegen hare borsten aan. Toen Reintja den
+koning van Hals en alle andere menschen tot eendracht had overgehaald,
+zond zij boden naar Askar en toog zelve langs de Baltische zee; van
+daar ging zij bij de Lithauers, alzoo genoemd omdat zij hunne vijanden
+altijd naar het aangezicht houwen. De Lithauwers zijn voortvluchtigen
+en verbannenen van ons eigen volk, dat in de Twisklanden zit en
+omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle van de Tartaren geroofd.
+De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht, en aldus door de
+Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede willen, maar de
+menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging zij achter de
+Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen, om allerwege dat
+zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren, kwam zij langs den
+Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich zelve voor Moeder
+uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije en franke menschen
+terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn gaan, en de Gola volgers
+uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat deden, dan zoude haar
+koning Askar over de Schelde gaan en daar het land afwinnen. Bij de
+Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de Tartaren en Magyaren
+binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2033" href="#xd0e2033">247</a>]</span>zeden gebleven.
+Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen onderwijzen en de
+ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja vijandig, maar ten
+laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en allerwege geprezen,
+waar het nuttig en noodig was. Zoodra Askar van Reintjas boden vernam,
+hoe de Jutten gezind waren, zond hij terstond boden van zijnentwege
+naar den koning van Hals. Het schip, waarmede de boden gingen, was vol
+geladen met vrouwen sieraden, en daarbij was een gouden schild, waarop
+Askars gedaante kunstig was afgebeeld. Deze boden moesten vragen of
+Askar des konings dochter Frethogunsta tot zijne vrouw mocht hebben.
+Frethogunsta kwam een jaar later te Staveren; bij haar gevolg was ook
+een Magy, want de Jutten waren sedert lang verdorven. Kort nadat Askar
+met Frethogunsta getrouwd was, werd er te Staveren eene kerk gebouwd;
+in de kerk werden booze gedrochtelijke beelden gesteld, met goud
+doorwevene kleederen. Ook is er beweerd dat Askar bij nacht en bij
+ontijde met Frethogunsta zich daar voor nederboog. Maar zooveel is
+zeker, de burgt Stavia werd niet weder opgebouwd.</p>
+
+<p>Reintja was reeds teruggekomen, en ging nijdig naar Prontlik de
+Moeder te Texland zich beklagen. Prontlik ging heen en zond allerwege
+boden, die verkondigden: Askar is overgeven aan afgoderij. Askar deed
+alsof hij het niet merkte, maar onverwacht kwam er een vloot uit Hals.
+Des nachts werden de Maagden uit de burgt gedreven, en des ochtens
+konde men van de burgt slechts eene gloeijende puinhoop zien. Prontlik
+en Reintja kwamen bij mij om eene schuilplaats; toen ik daar later over
+nadacht, scheen het mij toe dat het kwaad voor mijne staat bedijen
+konde. Daarom hebben wij te zamen eene list verzonnen, die ons allen
+moest baten. Zie hier hoe wij te werk gegaan zijn. Midden in het
+Krijlwoud beoosten Liudwerd ligt onze vlied of weerburg, die men alleen
+langs doolpaden kan genaken. Op deze burgt had ik sints langen <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2037" href="#xd0e2037">249</a>]</span>tijd
+jonge wachters gesteld, die alle een afschuw van Askar hadden en alle
+andere menschen daar vandaan hielden. Nu was het bij ons al zoo ver
+gekomen, dat vele vrouwen en ook mannen al praatten over spoken, witte
+wijven en kabouter mannekes even als de Denemarkers. Askar had al deze
+dwaasheden tot zijn voordeel aangewend, en dat wilden wij nu ook tot
+ons voordeel doen. Bij eene duistere nacht bragt ik de Maagden naar de
+burgt en daarna gingen zij met hare dienaressen langs de doolpaden
+spoken in witte kleederen gehuld, zoo dat er naderhand geen mensch meer
+durfde komen. Toen Askar meende dat hij de handen ruim had, liet hij de
+Magjaren onder allerlei namen door zijne staten reizen en behalve mijne
+staat werden zij nergens geweerd. Nadat Askar alzoo met de Jutten en de
+andere Denemarkers was verbonden gingen zij alle te zamen rooven; doch
+dat heeft geene goede vruchten gebaard. Zij brachten allerhande
+buitenlandsche schatten te huis. Maar juist daardoor wilden de jonge
+mannen geen ambacht leeren, noch op het veld arbeiden; zoodat hij ten
+laatste wel slaven nemen moest. Maar dat was geheel tegen Wraldas wil
+en tegen Fryas raad. Daarom konde de straf niet achterwege blijven. Zie
+hier hoe de straf gekomen is. Eens hadden zij te zamen eene geheele
+vloot gewonnen, deze kwam uit de Middellandsche zee. Deze vloot was
+geladen met purperen kleederen en andere kostbaarheden, die uit
+Phoenicie kwamen. Het zwakke volk der vloot werd bezuiden de Seine aan
+wal gezet, maar het sterke volk werd gehouden. Dat moest hun als slaven
+dienen. De schoonsten werden gehouden om op het land te blijven, en de
+leelijkste en zwartste werden aan boord gehouden om op de banken te
+roeijen. In het Fly werd de boedel gedeeld, maar zonder hun weten werd
+ook de straf gedeeld. Van de menschen, die op de buitenlandsche schepen
+gesteld waren, werden zes door buikpijn gedood. Men dacht dat het eten
+en <span class="pagenum">[<a id="xd0e2039" href=
+"#xd0e2039">251</a>]</span>drinken vergiftigd waren, daarom werd alles
+over boord gegooid. Doch de buikpijn bleef en allerwege, waar slaven of
+goederen kwamen, kwam ook de buikpijn binnen. De Saksmannen brachten ze
+over hunne marken; met de Jutten voer zij naar Schoonland en langs de
+kusten van de Baltische zee; met Askar zijne zeelieden voer zij naar
+Brittannia. Wij en die van Grenega lieten geene goederen noch menschen
+over onze landpalen komen, en daarom bleven wij van de buikpijn
+bevrijd. Hoevele menschen de buikpijn heeft weggeraapt, weet ik niet te
+schrijven, maar Prontlik die het naderhand van de andere Maagden hoorde
+heeft mij gemeld, dat Askar duizendmaal meer vrije menschen uit zijne
+staten geholpen heeft, als hij er vuile slaven in bracht. Toen de pest
+voor goed geweken was, kwamen de vrij geworden Twisklanders naar den
+Rijn, maar Askar wilde met de vorsten van dat vuile verbasterde volk
+niet op eene lijn staan. Hij wilde niet dulden dat zij zich Fryas
+kinderen zouden noemen, gelijk Reintja aangeboden had; maar hij vergat
+daarbij dat hij zelf zwart haar had. Onder de Twisklanders waren er
+twee volken, die zich zelve geen Twisklanders noemden. Het eene volk
+kwam heel ver uit het zuidoosten weg, ze noemden zich Allemannen. Dezen
+naam hadden zij zich gegeven, toen zij nog zonder vrouwen in de wouden
+als bannelingen omdwaalden. Later hebben zij van het Slavenvolk vrouwen
+geroofd, evenals de Lithauwers, maar zij hebben hun naam behouden. Het
+andere volk, dat meer in de nabijheid omdwaalde, noemde zich Franken,
+niet omdat zij vrij waren, maar Frank zoo had de eerste koning
+geheeten, die zich zelf met hulp van de ontaarde Maagden tot erflijk
+koning over zijn volk gemaakt had. De volken, die aan hem grensden,
+noemden zich Thioth-his zonen dat is volkszonen, zij waren vrije
+menschen gebleven, naardien zij nimmer een koning, noch vorst, noch
+meester erkennen wilden, als dengene die bij algemeene wil gekozen was
+op de algemeene vergadering. Askar had <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2041" href="#xd0e2041">253</a>]</span>reeds van Reintja vernomen,
+dat de Twisklander vorsten meest altijd met elkander in vijandschap en
+veete waren. Nu stelde hij hun voor, dat zij &eacute;&eacute;n hertog
+van zijn volk zouden kiezen, omdat hij bang was, gelijk hij zeide, dat
+zij met elkander zouden twisten om het meesterschap. Ook zeide hij dat
+zijne vorsten met de Golen konden spreken. Dat zeide hij was ook de
+meening der Moeder. Toen kwamen de vorsten der Twisklanders bij
+elkander, en na driemalen zeven etmalen kozen zij Alrik tot hertog.
+Alrik was Askars neef, hij gaf hem tweehonderd Schotten en honderd van
+de grootste Saksmannen mede tot eene lijfwacht. De vorsten moesten
+driemaal zeven van hunne zonen naar Staveren zenden tot borg van hunne
+trouw. Tot nu toe was alles naar zijn wensch gegaan, maar toen men over
+den Rijn zoude varen, wilde de koning der Franken niet onder Alriks
+bevelen staan. Daardoor liep alles in de war. Askar, die meende, dat
+alles goed ging, landde met zijne schepen aan de overkant der Schelde,
+maar daar was men reeds van zijne komst ingelicht en op zijne hoede.
+Zij moesten even haastig vluchten als zij gekomen waren, en Askar werd
+zelf gevangen genomen. De Golen wisten niet, wien zij gevangen hadden,
+en zoo werd hij naderhand uitgewisseld voor een aanzienlijken Gole,
+dien Askars volk had medegevoerd. Terwijl dit alles gebeurde, liepen de
+Magyaren nog stoutmoediger over de landen onzer naburen heen. Bij
+Egmuda, waar te voren de burgt Forana gestaan had, lieten zij eene kerk
+bouwen nog grooter en rijker als Askar te Staveren gedaan had.
+Naderhand zeiden zij, dat Askar den strijd had verloren tegen de Golen,
+omdat het volk niet wilde gelooven, dat Wodan hen konde helpen, en dat
+zij hem daarom niet wilden aanbidden. Voorts gingen zij heen en
+schaakten jonge kinderen, die zij bij zich hielden en opvoedden in de
+geheimenissen van hunne verfoeijelijke leer. Waren er menschen, die
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2043" href=
+"#xd0e2043">2</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+
+<div class="div0" id="xd0e2045" lang="fy-oer">
+<h2 class="normal">Adela.</h2>
+
+<div id="xd0e2048" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Okke min svn.</h2>
+
+<p>Thissa boka mot i mith lif &aring;nd s&ecirc;le w&acirc;rja. Se
+vmbifattath thju sk&ecirc;dnise fon vs &ecirc;le folk &acirc;k fon vsa
+&ecirc;thlum. Vrl&ecirc;den j&ecirc;r h&aring;b ik tham ut-er flod hred
+tolik mith thi &aring;nd thinra moder. Tha hja w&ecirc;ron wet wrden;
+th&ecirc;r thrvch gvngon hja &aring;fternei vrdarva. Vmbe hja navt to
+vrlysa h&aring;b ik-ra vp wrlandisk pampyer wrskr&ecirc;ven. Sa hwersa
+thu se erve, mot hu se &acirc;k wrskryva. Thin b&aring;rn alsa til thju
+hja nimmerthe w&ecirc;i navt ne kvma.</p>
+
+<p>Skr&ecirc;ven to Ljuwert. N&ecirc;i &acirc;tland svnken is<a class=
+"noteref" id="xd0e2055src" href="#xd0e2055">1</a> th&aring;t thria
+<span class="corr" id="xd0e2058" title="Bron: th&ucirc; sond">
+th&ucirc;sond</span> fjvwer hvndred &aring;nd njugon &aring;nd
+fjvwertigoste j&ecirc;r, th&aring;t is nei kersten r&ecirc;knong that
+tvelfhvndred sex &aring;nd fiftigoste j&ecirc;r. Hidde tobinomath oera
+Linda.&mdash;W&acirc;k.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Ljawa ervn&ocirc;ma. Vmb vsa ljawa &ecirc;thlas wille &aring;nd vmb
+vsa ljawa fridoms wille, thusand w&acirc;ra s&acirc; bidd-ik to jo. Och
+ljawa ne l&ecirc;t tha &acirc;gon &ecirc;nis p&acirc;pekappe tach
+nimmerthe over thissa skrifta ne w&ecirc;ja. Hja spr&ecirc;kath
+sw&ecirc;ta wirda: men hja tornath vnm&aring;rks&ecirc;m an alles hwat
+fon vs fryas trefth. Vmbe rika prebende to winnande s&acirc;
+h&ecirc;lath hja mith tha poppa k&ecirc;ninggar. Thissa w&ecirc;tath
+that wi hjara gr&acirc;teste fianda send. thrvchdam wi hjara liuda to
+spr&ecirc;ke thvra vr frijdom, rjucht &aring;nd forstne plicht.
+Thervmbe l&ecirc;tath hja alles vrdiligja, hwat fon vsa &ecirc;thlum
+kvmt &aring;nd hwat th&ecirc;r jeta rest fon vsa alda s&ecirc;dum. Och
+ljawa ik h&aring;v by tham et hove w&ecirc;st. Wil Wr.alda-t thjelda
+&aring;nd willath wi vs navt sterik ne m&acirc;kja hja skilun vs
+alg&acirc;dur vrdiligja.</p>
+
+<p>Skr&ecirc;ven to Ljudwerd. Acht hondred &aring;nd thrju j&egrave;r
+nei kersten bigrip. Liko ton&ocirc;math ovira Linda. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2067" href="#xd0e2067">4</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2055src" id="xd0e2055">1</a></span> 3449 - 1256 = 2193 voor
+Chr.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2069" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet bok th&ecirc;ra Adela folstar.</h2>
+
+<p>Thrittich j&ecirc;r &aring;ftere d&ecirc;i that thju folksmoder
+wmbrocht was thrvch th&ecirc;ne vreste M&acirc;gy<a class="noteref" id=
+"xd0e2074src" href="#xd0e2074">1</a> stand et er &aring;rg vm to. Alle
+st&acirc;ta th&ecirc;r-er lidsa anda &ocirc;re syde th&ecirc;re Wrsara,
+w&ecirc;ron fon vs ofk&ecirc;rth &aring;nd vnder-et weld thes Magy
+k&ecirc;men, &aring;nd-et stand to fr&ecirc;sane, that er weldig skolde
+wertha vr-et &ecirc;lle l&acirc;nd. Vmbe th&aring;t vnluk to
+w&ecirc;rane h&ecirc;de m&aring;n &ecirc;ne m&ecirc;na &acirc;cht
+bilidsen, hw&ecirc;r g&acirc;durath w&ecirc;ron &acirc;llera
+m&aring;nnelik, th&ecirc;r ann-en gode hrop stande by tha f&acirc;mna.
+Tha n&ecirc;i th&acirc;t-er m&acirc;r vrl&acirc;pen w&ecirc;ron as
+thrjv etmelda, was al go-r&ecirc;d anda tys &aring;nd al-&ecirc;n sa by
+hjara kvmste. Th&acirc; to tha lesta fr&ecirc;ge Adela th&aring;t wird,
+&aring;nde k&ecirc;th. J alle w&ecirc;t-et that ik thrjv j&ecirc;r
+burchf&acirc;m w&ecirc;sen sy. Ak w&ecirc;t j that ik k&ecirc;ren sy to
+moder, &aring;nd &acirc;k, that ik n&ecirc;n moder n&ecirc;sa<a class=
+"noteref" id="xd0e2077src" href="#xd0e2077">2</a> navt nilde<a class=
+"noteref" id="xd0e2080src" href="#xd0e2080">3</a>, thrvchdam ik Apol to
+min &ecirc;ng&acirc; j&ecirc;rde. Thach hwat j navt n&ecirc;te<a class=
+"noteref" id="xd0e2083src" href="#xd0e2083">4</a>, th&aring;t is, that
+ik alle b&ecirc;rtnisa n&ecirc;igvngen h&aring;w, &ecirc;vin as ik en
+wrentlike folksmoder w&ecirc;sen w&ecirc;re. Ik h&aring;v al-an fon
+&aring;nd witherf&acirc;ren to sjande hw&aring;t-er b&ecirc;rde.
+Th&ecirc;r thrvch send my f&ecirc;lo s&ecirc;ka b&acirc;r wrden,
+th&ecirc;r &ocirc;ra navt n&ecirc;te. J h&aring;weth jester
+s&ecirc;ith, th&aring;t vsa sibba an tha &ocirc;ra syd th&ecirc;re
+Wrsara njvt &aring;nd l&acirc;f w&ecirc;re. Th&acirc; ik m&ecirc;i
+sedsa to jv, th&aring;t-er M&acirc;gy se n&ecirc;n yne g&acirc; of
+wnnen heth thrvch th&aring;t weld synra w&ecirc;pne, men bl&acirc;t
+thrvch &aring;rgelestige renka, &aring;nd jeta m&acirc;r thrvch
+th&aring;t gyrich sa th&ecirc;ra hyrtogum &aring;nd th&ecirc;ra
+&ecirc;thelinga. Frya heth s&ecirc;it wi ne skoldon n&ecirc;n vnfrya
+ljvd by vs tol&ecirc;ta, th&acirc; hwat h&aring;von hja d&ecirc;n? hja
+h&aring;von vsa fjand n&ecirc;i folged: hwand an st&ecirc;d fon hjara
+fensenum to d&ecirc;iande, jeftha fry to l&ecirc;tane, h&aring;von hja
+Fryas r&ecirc;d minacht &aring;nd se to hjara sl&acirc;fonum
+m&acirc;ked. Thrvchdam hja sok d&ecirc;don, macht Frya navt longer
+w&acirc;ka ovir hjam: hja h&aring;von ynes &ocirc;theris frydom
+binimen, &aring;nd th&aring;t is &ecirc;rs&ecirc;ke, th&aring;t hja
+hjara &aring;jn vrl&ecirc;ren <span class="pagenum">[<a id="xd0e2086"
+href="#xd0e2086">6</a>]</span>h&aring;we. Thach th&aring;t ella is jo
+selva &acirc;ken. Men ik wil sedsa to jo, ho hja n&ecirc;i gr&acirc;dum
+s&acirc; l&ecirc;g vrsylth send. Th&ecirc;ra finnum hjara wiva
+kr&ecirc;jon b&aring;rn. Thissa waxton vppa mith vsa frya b&aring;rn.
+Altomet tvildon &aring;nd joldon hja to samne vppa h&ecirc;m, jeftha
+hja w&ecirc;ron mith ekkorum by th&ecirc;re h&ecirc;rd. Th&ecirc;r
+h&ecirc;rdon hja mith lustum n&ecirc;i tha vrdw&acirc;lska finna
+s&acirc;gum, thrvchdam hja thjvd &aring;nd n&ecirc;i w&ecirc;ron.
+S&acirc; send hja vntfryast vnth&ocirc;nkes thene wald hjarar aldrum.
+As tha b&aring;rn gr&acirc;t wrdon &aring;nd sagon th&aring;t tha
+finna-ra b&aring;rn n&ecirc;n w&ecirc;pne hant&ecirc;ra machte,
+&aring;nd bl&acirc;t w&aring;rka moste, th&acirc; kr&ecirc;jon hja
+anneth w&aring;rka en gryns &aring;nd wrdon h&aring;rde
+h&acirc;chf&acirc;rande. Tha b&acirc;sa &aring;nd hjara storsta svnum
+krupton by tha lodderiga finna mang&ecirc;rtum; &aring;nd hjara
+&aring;jne toghatera thrvch th&aring;t vvle f&acirc;rbild fon-a
+w&ecirc;i brocht, l&ecirc;ton hjara selva bigorda thrvch tha
+sk&ecirc;nesta finna kn&acirc;pa, hjara vvle aldrum to spot. Tha
+th&ecirc;ne Magy th&aring;t anda n&ocirc;s kryg, tha nam-er tha
+sk&ecirc;nesta sinar Finna &aring;nd Magyara vrlovende r&acirc; ky mith
+golden horna, sa hja ra thrvch vs folk fata d&ecirc;don, &aring;fterdam
+sina l&ecirc;r vtbr&ecirc;da. Men sin ljuda d&ecirc;don m&acirc;r: bern
+wrdon to sok makad, nei vpsal&acirc;ndum w&ecirc;ibrocht, &aring;nd
+s&acirc;hwersa hja vpbrocht w&ecirc;ron an sina vvla l&ecirc;r,
+th&aring;n wrdon hja to bek sendon. Th&acirc; tha skinsl&acirc;vona vsa
+t&acirc;l m&aring;chtich w&ecirc;ron, th&acirc; klivadon hja tha
+h&ecirc;rtoga &aring;nd &ecirc;thelinga an bord, &aring;nd
+k&ecirc;thon, hja moston thene Magy h&ecirc;roch wertha, sa kvndon
+hjara svnum vpfolgja tham, oni<a class="noteref" id="xd0e2088src" href=
+"#xd0e2088">5</a> thrvch-et folk k&ecirc;ron to wrdane. Th&ecirc;ra
+th&ecirc;r vmbe goda d&ecirc;dum en f&acirc;rd&ecirc;l to-ra hus kryen
+h&ecirc;de-vrlovadon hja fon sinant w&ecirc;gum jeta-n
+&aring;fter-d&ecirc;l bij; hoka tham en f&acirc;r &aring;nd
+&aring;fter-d&ecirc;l kryen h&ecirc;de s&ecirc;idon hja en
+rond-d&ecirc;l to, &aring;nd tham en rond-d&ecirc;l h&ecirc;de en
+&ecirc;lle st&acirc;t. W&ecirc;ron tha &ecirc;thla to h&aring;rde
+fryas, th&acirc; wendon hja tha st&ecirc;wen &aring;nd hildon vppar
+vrbastera svnum an. Jesterd&ecirc;i w&ecirc;ron-er mong<a class=
+"noteref" id="xd0e2091src" href="#xd0e2091">6</a> jo tham allet folk to
+h&acirc;pa hropa wilde <span class="pagenum">[<a id="xd0e2094" href=
+"#xd0e2094">8</a>]</span>vmb tha &acirc;stlike st&acirc;ta wither to
+hjara plyga to tvangande. Thach n&ecirc;i min ynfalda myning skolde
+th&acirc;t falikant<a class="noteref" id="xd0e2096src" href=
+"#xd0e2096">7</a> utkvmma. Th&aring;nk ynes th&ecirc;r was w&ecirc;sen
+en h&aring;rde lvngsyakte among-eth fja, &aring;nd th&aring;t-er
+th&ecirc;r jeta &aring;rg vvde, skolde j-eth th&aring;n wel w&acirc;gja
+vmbe jvw h&ecirc;lena fja to f&acirc;rande among hjara syaka fja?
+&aring;mmer n&acirc;. S&acirc;hwersa allra m&aring;nnelik nw
+bi&acirc;ma &aring;nd bijechta mot, th&aring;t-eth th&ecirc;r mitha
+stapel &aring;rg of kvma skolde, hwa skolde th&aring;n alsa dryst
+w&ecirc;sa vmbe sina b&aring;rn to wagande among en folk th&aring;t
+&ecirc;lle &aring;nd al vrd&ecirc;ren is. Macht ik jo r&ecirc;d
+j&ecirc;va, ik skolde sedsa to jo, j moste bifara alle dingum jo en
+n&ecirc;ie folksmoder kyasa. Ik w&ecirc;t wel th&aring;t j
+th&ecirc;rmitha anda brvd sitte, vt hawede th&aring;t-er fon tha
+thredtine burchf&acirc;mna than wi jeta ower h&aring;ve wel achte send
+th&ecirc;r n&ecirc;i th&ecirc;re &ecirc;ra dinge, men th&aring;t skold
+ik navt ne melda. T&uuml;ntja th&ecirc;r f&acirc;m is et-er burch
+M&ecirc;d&ecirc;asblik het er n&aring;mmer n&ecirc;i t&acirc;lth; tach
+is hja fol witskip &aring;nd klarsyan, &aring;nd wel sa h&aring;rde
+vppir folk &aring;nd usa plyga st&aring;lth as all &ocirc;thera
+etsamne. Forth skold-ik r&ecirc;da j moste n&ecirc;i tha burgum
+g&acirc;, &aring;nd th&ecirc;r vpskrywa alle &ecirc;wa fryas tex,
+bijvnka alle skydnisa, j&acirc; ella th&aring;t er to finda sy vppa
+w&acirc;gum, til thju ella navt vrl&ecirc;ren ni g&acirc;, &aring;nd
+mitha burgum alsa vrd&ecirc;n navt ne werth. Th&ecirc;r st&aring;t
+askriwen: thiu moder &aring;nd jahwelik burchf&agrave;m skil h&aring;va
+buta helpar &aring;nd senda bodon, yn and twintich f&acirc;mna
+&aring;nd sjugon l&ecirc;rf&acirc;mkis. Macht ik th&ecirc;r hwat to
+dvande, th&acirc; skol-ik skrywa, &aring;nd alsa f&ecirc;lo
+&ecirc;rs&ecirc;ma toghatera vmbe to l&ecirc;rane, sa th&ecirc;r vppa
+burgum w&ecirc;sa m&uuml;ge; hwand ik seg an trowe &aring;nd tid
+skil-eth jechta, s&acirc;hwersa j &aring;fta Fryas b&aring;rn wille
+n&aring;mmer to winnande, hor thrvch lesta ner thvch w&ecirc;pne, sa
+hagath j to nvdande th&aring;t jvwe toghatera &aring;fta frya wiva
+wrde. B&aring;rn mot m&aring;n l&ecirc;re, ho gr&acirc;t vs l&acirc;nd
+&ecirc;r w&ecirc;sen sy, hokke gr&acirc;te m&aring;nniska vsa ethla
+w&ecirc;ron, ho gr&acirc;t wi jeta send, sa wi vs d&aring;l ledsath bij
+&ocirc;ra, m&aring;n <span class="pagenum">[<a id="xd0e2099" href=
+"#xd0e2099">10</a>]</span>mot t&acirc;la hjam fon tha wicharda
+&aring;nd fon hjara wichandlika d&ecirc;dum, &aring;k wra f&acirc;ra
+s&ecirc;tochta. Al thissa t&aring;llinga hagath d&ecirc;n to werthande
+bij th&ecirc;re h&ecirc;rd, vppa h&ecirc;m &aring;nd hw&ecirc;r et
+w&ecirc;sa m&ecirc;i, s&acirc; bij blyskip as bij t&acirc;rum. Men
+skil-et standf&aring;st kvma an dat bryn &aring;nd and&aring;t hirta,
+th&aring;n moton alle l&ecirc;ringa overa w&ecirc;ra jvwera wiva
+&aring;nd toghatera th&ecirc;r-in str&acirc;ma. Adelas r&ecirc;d is
+vpfolgath.</p>
+
+<p>Thit send tha n&acirc;ma th&ecirc;ra gr&ecirc;vetmanna, vnder
+hwam-mis wald thit bok awrochten is. Apol, Adelas man, Thria is-er
+s&ecirc;kening w&ecirc;sen, nw is-er gr&ecirc;vetman over
+Ast-flyl&acirc;nd &aring;nd ovir-a Linda-wrda. Tha bvrga
+Ljvdg&acirc;rda, Lindah&ecirc;m, &aring;nd St&acirc;vja send vnder sin
+hod.</p>
+
+<p>Ther Saxman Storo, Sytjas man, gr&ecirc;vetman ovir-a h&acirc;ga
+fenna &aring;nd walda. Njvgun w&acirc;ra is-er to h&ecirc;rtoga,
+th&aring;t is to hyrman, k&ecirc;ren. Tha burga Bvda &aring;nd
+Manna-g&acirc;rda-forda send vnder sin hod.</p>
+
+<p>Ab&ecirc;lo, Jaltjas man, gr&ecirc;vetman ovir tha S&ucirc;dar
+Flyl&acirc;nda. Fjvwers is-er hyrman w&ecirc;sen. Tha burga Aken,
+Ljvdburch &aring;nd K&acirc;tsburch send vnder sin hod.</p>
+
+<p>Enoch Dywek his man, gr&ecirc;vetman ovir West-flyl&acirc;nd
+&aring;nd Texland. Njvgun mel is-er to s&ecirc;kening k&ecirc;ren. Thiu
+W&acirc;raburch, M&ecirc;d&ecirc;asblik, For&acirc;na &aring;nd ald
+Fryasburch send vnder sin hod.</p>
+
+<p>Foppa, man fon Dunr&ocirc;s, gr&ecirc;vetman ovir tha Sjvgon
+&ecirc;l&acirc;nda. Fif mel is-er s&ecirc;kening w&ecirc;sen. Thju
+burch Walhallag&acirc;ra is vnder sin hod.</p>
+
+<p>Thit stand vppa tha w&acirc;gum et Fryasburch to Texland askrywen,
+th&aring;t st&ecirc;t &acirc;k to St&acirc;via &aring;nd to
+M&ecirc;d&ecirc;as blik.</p>
+
+<p>Th&aring;t was Frya his d&ecirc;i &aring;nd to th&ecirc;re stonde
+was et vrl&ecirc;den sjvgun w&acirc;ra sjvgun j&ecirc;r, th&aring;t
+F&aring;sta was anst&aring;ld as folksmoder n&ecirc;i Fryas
+j&ecirc;rta. Thju burch M&ecirc;d&ecirc;asblik was r&ecirc;d &aring;nd
+en f&acirc;m was k&ecirc;ren. Nw skolde F&aring;sta thju n&ecirc;ja
+foddik vpst&ecirc;ka, &aring;nd th&acirc; th&aring;t d&ecirc;n was an
+&aring;jnwarda fon th&aring;t folk, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2115" href="#xd0e2115">12</a>]</span>th&acirc; hrop Frya fon hira
+w&acirc;kst&aring;re, s&acirc; th&aring;t allera m&aring;nnalik
+th&aring;t h&ecirc;ra machte: F&aring;sta nim thinra stifte &aring;nd
+writ tha thinga th&ecirc;r ik &ecirc;r navt sedsa ne machte.
+F&aring;sta d&ecirc;de alsa hja boden w&aring;rth. S&acirc; send wy
+Fryas b&aring;rn an vsa forma sk&ecirc;dnise k&ecirc;men.</p>
+
+<p>Th&aring;t is vsa forma sk&ecirc;dnise.</p>
+
+<p>Wr.alda<a class="noteref" id="xd0e2121src" href="#xd0e2121">8</a>
+tham all&ecirc;na god &aring;nd &ecirc;vg is, m&acirc;kade t.anfang,
+dana k&ecirc;m tid, tid wrochte alle thinga &acirc;k jrtha. Jrtha
+b&acirc;rde alle g&acirc;rsa, kr&ucirc;don &aring;nd boma, allet djara
+kwik &aring;nd allet &aring;rge kwik. Alhwat god &aring;nd djar is,
+brocht hju by d&ecirc;gum &aring;nd alhwat kw&acirc;d &aring;nd
+&aring;rg is, brocht hju thes nachtis forth. Afteret twilifte
+jol-f&ecirc;rste b&acirc;rde hja thrja mang&ecirc;rta.</p>
+
+<p>Lyda w&aring;rth ut glyande,</p>
+
+<p>Finda w&aring;rth ut h&ecirc;ta &aring;nd</p>
+
+<p>Frya ut warme stof.</p>
+
+<p>Th&acirc; hja bl&acirc;t k&ecirc;mon spisde Wr.alda hjam mith sina
+&acirc;dama; til thju tha m&aring;nneska an him skolde bvnden
+w&ecirc;sa. Ring as hja rip w&ecirc;ron kr&ecirc;jon hja fr&uuml;chda
+&aring;nd nochta anda dr&acirc;ma Wr.aldas. Od<a class="noteref" id=
+"xd0e2132src" href="#xd0e2132">9</a> tr&acirc;d to-ra binna: &aring;nd
+nw b&acirc;rdon ek twilif svna &aring;nd twilif togathera ek joltid
+tw&ecirc;n. Th&ecirc;rof send alle m&aring;nneska k&ecirc;men.</p>
+
+<p>Lyda was swart, krolh&ecirc;red alsa tha l&ocirc;mera: lik
+st&aring;ra blonken hjra &ocirc;gon; ja thes gyrf&uuml;gels blikkar
+w&ecirc;ron vnmodich by hjras.</p>
+
+<p>Sk&aring;rpe Lyda. Annen san&acirc;ka kvn hju kruppa h&ecirc;ra,
+&aring;nd hwersa th&ecirc;r fiska invr w&ecirc;ter w&ecirc;re n-vntgong
+th&aring;t hira nostera navt.</p>
+
+<p>R&aring;dbvwde Lyda. En store b&acirc;m kvn hju b&ucirc;gja
+&aring;nd sahwersa hja run ne br&aring;k n&ecirc;ne blomst&acirc;l
+vnder hjara fyt.</p>
+
+<p>Weldige Lyda. H&aring;rd was hjra steme &aring;nd kr&ecirc;t hju ut
+grimme s&acirc; run ek flux w&ecirc;i. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2143" href="#xd0e2143">14</a>]</span></p>
+
+<p>Wonderfvlle Lyda. Fon &ecirc;wa nilde hju navt n&ecirc;ta: hjra
+d&ecirc;da wrdon thrvch hjra tochta stjvrat. Vmbe tha t&ecirc;dra to
+help&acirc;ne, d&acirc;de hju tha st&ocirc;ra &aring;nd hwersa hju-t
+d&ecirc;n h&ecirc;de gr&acirc;jde hju by-t lik.</p>
+
+<p>Arme Lyda. Hju w&aring;rth gris fon-t vnwisse bihjelda &aring;nd
+vpp-it ende sturf hja fon hirts&ecirc;r vmbe tha b&aring;rn-ra
+kw&acirc;d.</p>
+
+<p>Vnwisa b&aring;rn. Hja tichtegadon ekkorum, fen m&aring;m-ra
+d&acirc;d, hja gr&aring;jadon lik wolva, fjvchtadon alsa &aring;nd
+dahwile hja that d&ecirc;don &ecirc;ton tha f&uuml;gelon th&aring;t
+lik. Hw&acirc; m&ecirc;i sin t&acirc;ra hwither to haldane.</p>
+
+<p>Finda. Was g&ecirc;l &aring;nd hjr h&ecirc;r s&acirc; tha m&acirc;na
+&ecirc;ner hors: &ecirc;ne thr&ecirc; ne kv hja navt ni b&ucirc;gja;
+men hw&ecirc;r Lyda annen lavwa macht to d&ecirc;jande, th&ecirc;r
+d&acirc;de hja wel tj&aring;n.</p>
+
+<p>Vrl&ecirc;dalike Finda. Svet was hjra stemme &aring;nd nannen
+f&uuml;gel kvn sjonga lik hju. Hjra &ecirc;gon lokton &aring;nd lordon,
+men th&ecirc;rer ansach w&aring;rth sl&acirc;f.</p>
+
+<p>Vnr&ecirc;dalika Finda. Hju skr&ecirc;f th&ucirc;sande &ecirc;wa,
+tha hju ne folgde n&ecirc;n er fon vp. Hja vrfyade tha goda vmbe hjara
+frymod, th&acirc; an slikm&aring;mkes j&ecirc;f hju hjr selva hast
+w&ecirc;i<span class="corr" id="xd0e2156" title="Niet in
+bron">.</span></p>
+
+<p>That was hir vnluk. Hjra h&acirc;ved was to fvl: tha hjr hirte to
+ydel; hju ne minde nimm&aring;n sa hja selva &aring;nd hju wilde
+th&aring;t ek hja lyaf h&aring;we skolde.</p>
+
+<p>Falske Finda. H&uuml;ning swet w&ecirc;ron hjra wirda, th&acirc; hok
+tham hja trjvwade w&ecirc;re vnluk n&ecirc;i by.</p>
+
+<p>Selvsjochta Finda. Ovir ella wilde hju welda, &aring;nd hjra svnum
+w&ecirc;ron lik hju; fon hjara susterum l&ecirc;ton hja ra thjanja
+&aring;nd ekkorum slogon hja vmb-et m&acirc;sterskip d&acirc;d.</p>
+
+<p>Dubbelhirta Finda. Vmbe skotse wirda w&aring;rth hju yre, &aring;nd
+tha &aring;rgste d&ecirc;da ne rorde hja navt. Sach hju en nyndask en
+spinne vrslynna, th&aring;n w&aring;rth hju omm-et hirte sa ys; men
+sach hju hjra b&aring;rn en fryas vrmorde s&acirc; swol hjra bosm fon
+nocht. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2167" href=
+"#xd0e2167">16</a>]</span></p>
+
+<p>Vnluke Finda. Hju sturf anda blomtid fon hjra l&ecirc;va,
+&aring;nd-t is jeta tjvester ho hju fallen sy.</p>
+
+<p>Skinh&ecirc;liga b&aring;rn. Vnder kestlike st&ecirc;na l&ecirc;idon
+hja hjra lik d&ecirc;l, mit kwabbjana skriftum smukton hja tham vppa,
+togr&acirc;jande vmbe h&ecirc;rath to w&aring;rthande men an stilnise
+ne w&ecirc;nadon hja n&ecirc;nen &ecirc;nge t&acirc;r.</p>
+
+<p>Vrijfalik folk. Thi tex th&ecirc;r Finda n&ecirc;i l&ecirc;t was in
+golden bl&ecirc;dar wryt: thach tha besta hw&ecirc;r-far i m&acirc;kad
+was, w&ecirc;r i n&aring;mmer to not. Tha goda &ecirc;wa wrdon
+utf&acirc;gad &aring;nd selfv sjocht wryte th&ecirc;r kw&acirc;da far
+in.</p>
+
+<p>O Finda. Tha w&aring;rth jrtha fvl blod, &aring;nd tha h&acirc;veda
+th&ecirc;r m&aring;nneska m&aring;jadon thin b&aring;rn lik g&aring;rs
+h&aring;lma of. Ja Finda th&aring;t send tha fr&uuml;chda thinera
+ydlenise. Sjan d&aring;l fon thinre w&acirc;kst&aring;r &aring;nd
+w&ecirc;n.</p>
+
+<p>Frya. Was wit lik sn&ecirc;i bij-t m&ocirc;rner&acirc;d &aring;nd
+th&aring;t bl&acirc;w hjrar &ocirc;gnum wn-et jeta th&ecirc;re
+r&ecirc;inb&ocirc;ge of.</p>
+
+<p>Sk&ecirc;ne Frya. Lik str&ecirc;lon th&ecirc;re midd&ecirc;i svnne
+blikadon hjra h&ecirc;ron, th&ecirc;r sa fin w&ecirc;ron as rach.</p>
+
+<p>Abela Frya. Vntlvkton hjra w&ecirc;ra, th&aring;n sw&ecirc;gon tha
+f&uuml;gelon &aring;nd ne rordon tha bl&ecirc;dar navt mar.</p>
+
+<p>Weldige Frya. Thrvch th&ecirc;ne kr&aring;ft hjrar blikkar
+str&ecirc;k thene l&acirc;wa to fara hjara fyt d&aring;l &aring;nd held
+thene addur sin gif tob&aring;k.</p>
+
+<p>R&ecirc;ne Frya. Hjra yta was h&uuml;ning &aring;nd hjra drank was
+d&acirc;wa, g&acirc;dvrad anda b&ocirc;sma th&ecirc;ra blommur.</p>
+
+<p>Lichte Frya. Th&aring;t forma hwat hju hjra b&aring;rn l&ecirc;rde
+was selv-twang, th&aring;t &ocirc;thera was lyafte to d&uuml;ged,
+&aring;nd th&acirc; hja j&ecirc;roch wrdon, th&acirc; l&ecirc;rde hju
+hjam thju w&ecirc;rtha fon tha frijdom k&aring;nna: hwand s&ecirc;ide
+hju svnder frijdom send alle &ocirc;thera d&uuml;gedon all&ecirc;na god
+vmbe jo to sl&acirc;vona to m&acirc;kjande, jvwe ofkvmste to &ecirc;vge
+skantha.</p>
+
+<p>Milde Frya. N&aring;mmer lyt hju m&ecirc;tal ut jrtha d&aring;lva
+vmb &aring;jnb&acirc;t, men s&acirc;hwersa hja-t d&ecirc;de
+w&ecirc;r-et to jahwelikis not. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2190"
+href="#xd0e2190">18</a>]</span></p>
+
+<p>Lukigoste Frya. Alsa tha st&aring;ra om jrtha omswyrmia swirmadon
+hjara b&aring;rn om hja.</p>
+
+<p>Wise Frya. Th&acirc; hju hjra b&aring;rn vpbrocht h&ecirc;de alto
+th&ecirc;re sjugonde kny, th&acirc; hrop hju-ra alle a Flyl&acirc;nd to
+s&aring;mne. Th&ecirc;r j&ecirc;f se hjam hjra tex, &aring;nd
+s&ecirc;ide, l&ecirc;t tham jvwe w&ecirc;iwisar w&ecirc;sa, th&acirc;
+ne skil th&aring;t jo n&acirc; navt kwalik ni g&acirc;.</p>
+
+<p>Utfork&ecirc;rena Frya. Th&acirc; hju-t s&ecirc;id h&ecirc;de,
+b&ecirc;vade jrtha l&icirc;k Wr.aldas s&ecirc;, Flyl&acirc;ndis bodem
+svnk an gr&acirc;da vnder hjara fyt d&aring;l. Thju loft w&acirc;rt
+swart &aring;nd nylof<a class="noteref" id="xd0e2197src" href=
+"#xd0e2197">10</a> fon t&acirc;ra to stirtane &aring;nd th&acirc; hja
+n&ecirc;i moder oms&acirc;gon, was hju al lang vppira
+w&acirc;kst&aring;r. Th&acirc; to tha lesta spr&aring;k tongar ut-a
+wolka &aring;nd blixen schr&ecirc;f an th&aring;t loftrvm,
+w&acirc;k.</p>
+
+<p>Farsjanda Frya. Th&aring;t l&acirc;nd fon hw&ecirc;r hju was vpfaren
+was nw en str&acirc;m &aring;nd buta hira tex was th&ecirc;r in ella
+bidvlwen hwat fon hjra h&ocirc;ndum k&ecirc;men was.</p>
+
+<p>H&ecirc;riga b&aring;rn. Th&acirc; hja to-ra selva w&ecirc;ron,
+th&acirc; m&acirc;kadon hja thit h&acirc;ge therp, bvwadon th&acirc;s
+burch th&ecirc;rvppa, anda w&aring;grum thessa wryton hja thene tex,
+&aring;nd vmbe that allera mannalik hja skolde m&uuml;ga finda,
+h&aring;vath hja th&aring;t l&acirc;nd rondomme Texl&acirc;nd
+h&ecirc;ten. Th&ecirc;rvmbe skil-&aring;t bilywa al wenne jrtha jrtha
+sy.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2074src" id="xd0e2074">1</a></span> Magy, Koning der Magyaren en
+Finnen.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2077src" id="xd0e2077">2</a></span> n&ecirc;sa = ne
+w&ecirc;sa.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2080src" id="xd0e2080">3</a></span> nilde = ne wilde.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2083src" id="xd0e2083">4</a></span> n&ecirc;te = ne
+w&ecirc;te.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2088src" id="xd0e2088">5</a></span> Oni, oud Holl. ane, Duitsch
+ohne = zonder.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2091src" id="xd0e2091">6</a></span> Mong, among, emong =
+onder.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2096src" id="xd0e2096">7</a></span> Falikant, f&acirc; likande =
+weinig gelijkende, niet conform.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2121src" id="xd0e2121">8</a></span> Wr.alda. Altijd geschreven
+als samengesteld woord beteekent: de overoude, het oudste wezen.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2132src" id="xd0e2132">9</a></span> Od, wortel van het Lat. odi,
+ik haat.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2197src" id="xd0e2197">10</a></span> Nylof; de kleur van nieuw
+loof? geel groen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2204" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Tex Fryas.</h2>
+
+<p>Held b&ecirc;id tha Frya, to tha lesta skilun hja my hwiter sja.
+Thach th&ecirc;ra all&ecirc;na m&ecirc;i ik as fry k&aring;nna
+th&ecirc;r n&ecirc;n sl&acirc;f is fon &ecirc;n &ocirc;ther ni fon sine
+tochta. Hyr is min r&ecirc;d.</p>
+
+<p>S&acirc;hwersa thju n&ecirc;d &aring;rg sy &aring;nd gode r&ecirc;d
+&aring;nd gode d&ecirc;d nawet m&acirc;r ne form&uuml;ge, hrop
+th&aring;n thi g&acirc;st Wr.aldas an, men j ne mot-im navt anhropa
+bif&acirc;ra alle thinga prvvath send. Tha ik segs to jo mith
+r&ecirc;dene &aring;nd tid skil-et w&acirc;ra, tha model&acirc;sa
+skilun &aring;mmar swika vnder hjar &aring;jn l&ecirc;d. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2211" href="#xd0e2211">20</a>]</span></p>
+
+<p>2. Wr.aldas g&acirc;st m&ecirc;i m&aring;n all&ecirc;na knibuwgjande
+th&acirc;nk to wya, j&acirc; thrju w&acirc;ra far hwat jv fon him noten
+h&aring;ve, far hwat jv nith, &aring;nd fara h&acirc;pe th&ecirc;r hy
+jo l&ecirc;t an &aring;nga tida.</p>
+
+<p>3. J h&aring;wed sjan ho ring ik helpe l&ecirc;nde, dva al &ecirc;n
+mith jo n&ecirc;ston, men ne tof navt til m&aring;n jo b&ecirc;den
+heth, tha lydande skolde jo floka, min f&acirc;mna skoldon jvwa
+n&acirc;ma utfaga ut-&aring;t bok &aring;nd ik skolde jo lik
+vnbik&aring;nnade ofwisa mota.</p>
+
+<p>4. Nim n&aring;mmar knibuwgjande t&acirc;nk fon jv n&ecirc;ston an,
+thjus &acirc;gath Wr.aldas g&acirc;st. Nid skolde j bikrjupa, wisdom
+solde j bil&acirc;ka &aring;nd min f&acirc;mna skoldon jo bityga fon
+f&acirc;derr&acirc;v.</p>
+
+<p>5. Fjuwer thinga send to jvwe not j&ecirc;ven, mith n&acirc;ma,
+loft, w&ecirc;ter, l&acirc;nd &aring;nd fjur. Men Wr.alda wil
+th&ecirc;r all&ecirc;na bisittar of w&ecirc;sa. Th&ecirc;rvmbe
+r&ecirc;d ik jo, j skilun jo rjuchtf&ecirc;rdiga manna kyasa, tham thju
+arb&ecirc;d &aring;nd tha fr&uuml;chda n&ecirc;i rjuchta d&ecirc;la,
+s&acirc; that n&aring;mman fry fon w&acirc;rka ni fon w&ecirc;ra
+sy.</p>
+
+<p>6. S&acirc;hwersa th&ecirc;r &aring;mman among jo fvnden
+w&aring;rth, th&ecirc;r sin &aring;jn frydom vrsellath, tham-n is navt
+fon jvw folk: hi is en horning mith basterd blod. Ik r&ecirc;de jo that
+j him &aring;nd sin m&aring;m to th&aring;t l&acirc;nd utdriva,
+s&ecirc;gs that to jvwa b&aring;rn, thes mornes, thes midd&ecirc;is
+&aring;nd thes &ecirc;wendes, til thju hja th&ecirc;rof dr&acirc;me
+thes nachtis.</p>
+
+<p>7. Allera m&aring;nnalik th&ecirc;r en &ocirc;ther fon sine frydom
+bir&acirc;wath, al w&ecirc;re th&ecirc;ne &ocirc;re him skeldech, mot
+ik anda b&aring;rnt&acirc;m &ecirc;ner sl&acirc;finne f&acirc;ra
+l&ecirc;ta. Thach ik r&ecirc;de jo vmbe sin lik &aring;nd that sinera
+m&aring;m vpp &ecirc;ne k&aring;le st&ecirc;d to vrbarnande,
+&aring;ftern&ecirc;i hjara aske fiftich fyt anda grvnd to
+d&aring;lvane, til hju th&ecirc;r n&ecirc;nen g&aring;rsh&aring;lm vp
+waxa ni m&ecirc;i, hwand aldulkera g&aring;rs skolde jvw diaroste kvik
+d&ecirc;ja.</p>
+
+<p>8. Ne grip n&acirc; th&aring;t folk fon Lyda ner fon Finda an.
+Wr.alda skolde helpa hjam, sa that-&aring;t weld that fon jo utgong
+vppa jvwa &aring;jne h&acirc;veda skolde witherkvma. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2226" href="#xd0e2226">22</a>]</span></p>
+
+<p>9. S&acirc;hwersa th&aring;t machte b&ecirc;ra that hja fon juwe
+r&ecirc;d jefta awet owers wilde, alsa aghat j to helpane hjam. Men
+kvmath hja to r&acirc;wande; fal than vppa tham nither lik blixenande
+fjvr.</p>
+
+<p>10. S&acirc;hwersa annen fon hjam &ecirc;ner jvwer toghaterum to wif
+g&ecirc;rth &aring;nd hju that wil, th&aring;n skolun j hja hjra
+dvmh&ecirc;d bitjvtha; thach wil hju toch hjra fr&ecirc;jar folgja,
+that hja than mith fr&ecirc;tho g&acirc;.</p>
+
+<p>11. Willath jvw svna fon hjara toghaterum, s&acirc; mot j alsa dva
+as mith jvwa toghaterum. Thach hor tha &ecirc;na nor tha &ocirc;thera
+m&ecirc;i witherkvma; hwand hja skoldvn uth&ecirc;meda s&ecirc;da
+&aring;nd pl&ecirc;ga mith fara; &aring;nd dr&ecirc;i thessa by jo
+heldgad wrde, m&ecirc;i ik navt longer ovir jo w&acirc;ka.</p>
+
+<p>12. Vppa minre f&acirc;m F&aring;sta h&aring;v ik min h&acirc;p
+f&aring;stegth, th&ecirc;rvmbe most j hja to &ecirc;remoder n&ecirc;ma,
+Folgath j min r&ecirc;d, th&aring;n skil hju n&ecirc;mels min f&acirc;m
+bilywa &aring;nd alla fr&acirc;na f&acirc;mna th&ecirc;r hja folgja;
+th&aring;n skil thju foddik n&aring;mer utg&acirc; th&ecirc;r ik far jo
+vpstoken h&aring;v. Th&aring;t ljucht th&ecirc;ra skil th&aring;n
+&ecirc;vg jvwe bryn vpklarja, &aring;nd j skilun th&aring;n &ecirc;vin
+fry bilyva fon vnfrya weld as jvwa swite rinstr&acirc;ma fon th&aring;t
+salte w&ecirc;ter th&ecirc;r &aring;ndel&acirc;se s&ecirc;.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2235" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet het Fasta s&ecirc;id.</h2>
+
+<p>Alle setma th&ecirc;r en &ecirc;w, th&aring;t is hvndred j&ecirc;r,
+omhl&acirc;pa m&uuml;ge mith tha krodar &aring;nd sin jol, th&ecirc;ra
+m&uuml;gon vppa r&ecirc;d th&ecirc;re moder, &aring;nd by m&ecirc;na
+willa vppa w&ecirc;gar th&ecirc;ra burgum writ hwertha; send hja uppa
+w&ecirc;gar writ, th&acirc;n send hja &ecirc;wa, &aring;nd th&aring;t
+is vsa plicht vmbe altham an &ecirc;ra to haldande. Kvmth n&ecirc;d
+&aring;nd tvang vs setma to j&ecirc;vane, stridande wither vsa
+&ecirc;wa &aring;nd pl&ecirc;gum, s&acirc; mot m&aring;nneska dva alsa
+hja askja; thach send hja w&ecirc;ken, th&aring;n mot m&aring;n
+&aring;mmer to th&aring;t alda witherk&ecirc;ra. Th&aring;t is Fryas
+willa, &aring;nd th&aring;t mot w&ecirc;sa tham fon al hjra b&aring;rn.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2240" href=
+"#xd0e2240">24</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2242" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Fasta s&ecirc;ide.</h2>
+
+<p>Alle thinga, th&ecirc;r m&aring;n anfangja wil, hoka
+th&aring;t-&aring;t m&ocirc;ga w&ecirc;sa, vppa tha d&ecirc;i,
+th&ecirc;r wy Frya heldgad h&aring;wa, tham skilun &ecirc;vg falykant
+utkvma: n&ecirc;idam tid nw biwysd heth th&aring;t hju riucht
+h&ecirc;de, s&acirc; is th&aring;t en &ecirc;wa wrdon, th&aring;t
+m&aring;n svnder n&ecirc;d &aring;nd tvang a Frya hjra d&ecirc;i nawet
+owers ni dva ne m&ecirc;i, tha blyda f&ecirc;rsta fyrja.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2247" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">That send tha &ecirc;wa th&ecirc;r to th&ecirc;ra
+burgum h&ecirc;ra.</h2>
+
+<p>1. S&acirc;hwersa th&ecirc;r &aring;rne &ecirc;ne burch bvwet is,
+s&acirc; mot thju foddik th&ecirc;ra an tha forma foddik et
+Texl&acirc;nd vpst&ecirc;ken wrda. Thach th&aring;t ne m&ecirc;i
+n&aring;mmer owers as troch tha moder sk&ecirc;n.</p>
+
+<p>2. Ek moder skil hjra &aring;jn f&acirc;mna kjasa; alsa th&ecirc;ra
+th&ecirc;r vppa th&ecirc;ra &ocirc;thera burgum as moder send.</p>
+
+<p>3. Thju moder to Texl&acirc;nd m&ecirc;i hjra folgster kjasa, thach
+s&acirc;hwersa hju falth &ecirc;r hju-t d&ecirc;n heth, sa mot thas
+k&ecirc;ren hwertha vppa &ecirc;na m&ecirc;na acht, by r&ecirc;dum fon
+alle stata et s&ecirc;mne.</p>
+
+<p>4. Thju moder to Texl&acirc;nd m&ecirc;i &ecirc;n &aring;nd tvintich
+f&acirc;mna &aring;nd sjvgun spille mang&ecirc;rta h&aring;va, til thju
+th&ecirc;r &aring;mmer sjvgun by th&ecirc;re foddik muge w&acirc;kja
+d&ecirc;ilikes &aring;nd thes nachtes. By tha f&acirc;mna th&ecirc;r
+vppa ora burgum as moder thjanja alsa f&ecirc;lo.</p>
+
+<p>5. S&acirc;hwersa en f&acirc;m annen g&acirc;da wil, sa mot hju-t
+th&ecirc;re moder melda, &aring;nd bistonda to tha m&aring;nniska
+k&ecirc;ra, &ecirc;r hju mith hjra tochtige &acirc;dama th&aring;t
+ljucht bivvlath.</p>
+
+<p>6. Thju moder &aring;nd alrek burchf&acirc;m skil m&aring;n
+tofogjande &ecirc;n &aring;nd tvintich burchh&ecirc;ran, sjvgun alda
+wisa, sjvgun alda k&aring;mpar, &aring;nd sjvgun alda
+s&ecirc;k&aring;mper. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2262" href=
+"#xd0e2262">26</a>]</span></p>
+
+<p>7. Ther fon skilun alle j&ecirc;ron to honk k&ecirc;ra thrim fon
+elik sjvgun, thach hja ne m&uuml;gon navt vpfolgath ne wertha thrvch
+hjara sibtal n&ecirc;jar sa tha fjarda kny.</p>
+
+<p>8. Aider m&ecirc;i thr&ecirc; hvndred jonga burchw&ecirc;rar
+h&aring;va.</p>
+
+<p>9. Far thissa thjanesta skilun hja l&ecirc;ra Fryas tex &aring;nd
+tha &ecirc;wa, fon tha wisa mannon th&ecirc;ne wisdom, fon tha alda
+h&ecirc;rmannon thene kunst fon tha orloch &aring;nd fond tha
+s&ecirc;keningar thene kunsta th&ecirc;r bi th&aring;t butaf&acirc;ra
+n&ecirc;thlik send.</p>
+
+<p>10. Fon thissa w&ecirc;rar skilun j&ecirc;rlikes hvndred to bek
+k&ecirc;ra. Thach send th&ecirc;r svme vrl&aring;mth wrden, sa
+m&uuml;gon hja vpper burch bilywa hjara &ecirc;lle l&ecirc;va long.</p>
+
+<p>11. By th&aring;t kjasa fon tha w&ecirc;rar ne m&ecirc;i nimmen fon
+th&ecirc;ra burch n&ecirc;n stem navt ne h&aring;va, ni tha
+gr&ecirc;vetmanna jefta &ocirc;thera h&acirc;veda, m&aring;n th&aring;t
+bl&aring;ta folk all&ecirc;na.</p>
+
+<p>12. Thju moder et Texl&acirc;nd skil m&aring;n j&ecirc;va thrja
+sjvgun flinka bodon mith thrja twilif rappa horsa. Vppa ora burgum ek
+burchf&acirc;m thr&ecirc; bodon mith sjvgun horsa.</p>
+
+<p>13. Ak skil &aring;jder burchf&acirc;m h&aring;va fiftich bvwara
+thrvch th&aring;t folk ak&ecirc;ren. Men th&ecirc;rto m&ecirc;i
+m&aring;n all&ecirc;na j&ecirc;va sokka, th&ecirc;r navt abel &aring;nd
+stora for w&ecirc;ra ner to butaf&acirc;rar send.</p>
+
+<p>14. Ajder burch mot hiri selva bidruppa &aring;nd gen&ecirc;ra fon
+hjra &aring;jn rondd&ecirc;l &aring;nd fon th&aring;t d&ecirc;l that
+hju fon th&aring;t m&aring;rkjeld b&uuml;rth.</p>
+
+<p>15. Is th&ecirc;r &aring;mman k&ecirc;ren vmbe vppa burgum to
+thjanjande &aring;nd nil-er navt, th&aring;n ne m&ecirc;i-er na
+n&ecirc;n burchh&ecirc;r wertha, &aring;nd dus n&ecirc;n stem navt ni
+h&aring;va, is er al burchh&ecirc;r sa skil hi thju &ecirc;r
+vrljasa.</p>
+
+<p>16. S&acirc;hwersa &aring;mman r&ecirc;d g&ecirc;rt fon th&ecirc;re
+moder, tha fon &ecirc;ne burchf&acirc;m, sa mot hi him selva melde by
+tha skrivwer. Thesse br&aring;ngth-im by tha burchm&acirc;ster.</p>
+
+<p>Forth mot-i n&ecirc;i tha l&ecirc;tsa, th&aring;t is th&ecirc;ne
+h&ecirc;lener. Th&ecirc;r mot sja jef er &acirc;k bis&ecirc;ken is fon
+kvada tochtum. Is-er god s&ecirc;id, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2285" href="#xd0e2285">28</a>]</span>tha vndvath hi him selva fon
+sinum w&ecirc;pna, &aring;nd sjvgun w&ecirc;rar br&aring;ngath him by
+th&ecirc;re moder.</p>
+
+<p>17. Is thju s&ecirc;k vr &ecirc;ne st&acirc;te sa ne m&uuml;gon
+th&ecirc;r navt miner th&aring;n thr&ecirc; bodon kvma: is-t vr-t
+&ecirc;lla Fryasl&acirc;nd, th&aring;n moton th&ecirc;r jeta sjvgun
+tjuga byw&ecirc;sa. Th&ecirc;rumbe th&aring;t er n&ecirc;n kva formvda
+navt risa ne m&ecirc;i nor skalkh&ecirc;d d&ecirc;n ne wrde.</p>
+
+<p>18. By alle s&ecirc;kum mot tha moder walda &aring;nd njvda
+th&aring;t hjra b&aring;rn, th&aring;t is Fryas folk, s&acirc;
+m&ecirc;t-rik bilywa as th&aring;t w&ecirc;sa m&ecirc;i. Th&aring;t is
+thi gr&acirc;testa hjrar plichta, &aring;nd vs alra vmb-er th&ecirc;r
+an to h&ecirc;lpande.</p>
+
+<p>19. H&aring;t m&aring;n hja by &ecirc;ne rjuchtlika s&ecirc;ke
+anhropen vmb-er utspr&ecirc;k twisk annen gr&ecirc;vetman &aring;nd tha
+m&ecirc;nte, &aring;nd findath hju thju s&ecirc;ke tvivelik, s&acirc;
+mot hju to b&acirc;te fon th&ecirc;r m&ecirc;nte spr&ecirc;ka til thju
+th&ecirc;r fr&ecirc;tho kvma, &aring;nd thrvchtham th&aring;t
+b&ecirc;tre sy that &ecirc;n man vnrjucht d&ecirc;n wrde th&aring;n
+f&ecirc;lo.</p>
+
+<p>20. Kvmth hwa vmb r&ecirc;d &aring;nd w&ecirc;t thju moder
+r&ecirc;d, sa &acirc;ch hju tham bystonda to j&ecirc;vane, w&ecirc;t
+hju bystonda n&ecirc;n r&ecirc;d, s&acirc; m&ecirc;i hju wachtja
+l&ecirc;ta sjvgun d&ecirc;gum. W&ecirc;t hju th&aring;n nach n&ecirc;n
+r&ecirc;d, sa m&uuml;gon hja hinne br&ucirc;da, &aring;nd hja
+m&uuml;gon hjra selva navt biklagja, til thju n&ecirc;n r&ecirc;d
+b&ecirc;tre is th&aring;n kva r&ecirc;d.</p>
+
+<p>21. Heth en moder &aring;rge r&ecirc;d j&ecirc;ven ut kvada willa,
+s&acirc; mot m&acirc;n hja d&ecirc;ja jefta ut of l&acirc;ndum dryva
+stoknaken &aring;nd bl&acirc;t.</p>
+
+<p>22. Send hjra burchh&ecirc;ra m&ecirc;deplichtich, th&aring;n dvath
+m&aring;n alsa mith tham.</p>
+
+<p>23. Is hjra skild tvivelik jefta bl&acirc;t formoda, s&acirc; mot
+m&aring;n th&ecirc;r-vr thingja &aring;nd spr&ecirc;ka, is-t
+n&ecirc;dich, &ecirc;n &aring;nd twintich wyka long. Stemth tha
+halfd&ecirc;l skildich, s&acirc; halde m&aring;n hja vr vnskildich,
+tw&ecirc;de s&acirc; wacht m&aring;n jeta en fvl j&ecirc;r. Stemth
+m&aring;n th&aring;n alsa, s&acirc; m&ecirc;i m&aring;n hja skildich
+halda, tha navt ni d&ecirc;ja. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2301"
+href="#xd0e2301">30</a>]</span></p>
+
+<p>24. S&acirc;hwersa svme among th&aring;t thrimna send tham hja alsa
+s&ecirc;r vnskildich m&ecirc;ne that hja hja folgja wille, s&acirc;
+m&uuml;gon hja th&aring;t dva mith al hjara driwande &aring;nd tilbara
+h&acirc;va &aring;nd n&aring;mman acht hjam th&ecirc;r ovir min to
+achtiane, til thju th&aring;t m&acirc;ra d&ecirc;l alsa blyd k&aring;n
+dw&acirc;la sa th&aring;t minra del.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2304" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">M&ecirc;na &ecirc;wa.</h2>
+
+<p>1. Alle frya b&aring;rn send a &ecirc;like wysa b&aring;rn.
+Th&ecirc;rvmbe moton hja &acirc;k &ecirc;lika rjuchte h&aring;va, alsa
+blyd vpp-&aring;t l&acirc;nd as vpp-&aring;th &ecirc;, th&aring;t is
+w&ecirc;ter &aring;nd vp ella th&aring;t Wr.alda jefth.</p>
+
+<p>2. Allera mannalik m&ecirc;i-t wif sinra k&ecirc;sa fr&ecirc;ja
+&aring;nd ek toghater m&ecirc;i efter hjra helddrvnk bjada th&ecirc;r
+hju minth.</p>
+
+<p>3. Heth hwa en wif nimth, s&acirc; j&ecirc;ft m&aring;n hjam hus
+&aring;nd w&aring;rv. N-is th&ecirc;r n&ecirc;n, sa mot-&aring;t bvwat
+wrde.</p>
+
+<p>4. Is-er n&ecirc;i en &ocirc;ther thorp gongon vmb en wif &aring;nd
+wil hi th&ecirc;r bilywa, s&acirc; mot m&aring;n him th&ecirc;r en hus
+en w&aring;rf j&ecirc;wa bijonka th&aring;t not fon tha
+h&ecirc;mrik.</p>
+
+<p>5. Allera mannalik mot m&aring;n en &aring;fterd&ecirc;l as
+w&aring;rf by sina hus j&ecirc;va. Tha nimman ne m&ecirc;i en
+fard&ecirc;l by sin hus n&aring;va, f&uuml;l min en rondd&ecirc;l.
+All&ecirc;na ief hwa en d&acirc;d d&ecirc;n heth to m&ecirc;na nitha,
+s&acirc; m&ecirc;i him th&aring;t j&ecirc;ven wrde. Ak m&ecirc;i sin
+jongste svn that erva. After tham mot th&aring;t thorp that wither
+nima.</p>
+
+<p>6. Ek thorp skil en h&ecirc;mrik h&aring;va n&ecirc;i sina bihof
+&aring;nd th&ecirc;ne gr&ecirc;va skil njvda that alra ek sin d&ecirc;l
+bidongth &aring;nd god hald, til thju tha &aring;fter kvmmande
+n&ecirc;n sk&aring;de navt ne lyda ne muge.</p>
+
+<p>7. Ek thorp m&ecirc;i en m&aring;rk hava to k&acirc;p &aring;nd to
+vrk&acirc;p iefta to wandelja. Alle-t &ocirc;ra l&acirc;nd skil bvw
+&aring;nd wald bilyva. Th&acirc; tha b&acirc;ma th&ecirc;ra ne
+m&ecirc;i nimman navt f&aring;lla, buta m&ecirc;na r&ecirc;da &aring;nd
+buta w&ecirc;ta thes waldgr&ecirc;va, hwand tha walda send to
+m&ecirc;na nitha. Th&ecirc;rvmbe ne m&ecirc;i nimman th&ecirc;r
+m&aring;ster of sa. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2321" href=
+"#xd0e2321">32</a>]</span></p>
+
+<p>8. As m&aring;rkjeld ne m&ecirc;i th&aring;t thorp navt m&acirc;r ni
+nimma sa tha tillifte d&ecirc;l fon tha skat, hor fon tha inh&ecirc;mar
+ner fon tha f&ecirc;rh&ecirc;mande. Ak ne m&ecirc;i tha m&aring;rk skat
+navt &ecirc;r vrsellath<a class="noteref" id="xd0e2324src" href=
+"#xd0e2324">1</a> ne wertha as th&aring;t &ocirc;ra god.</p>
+
+<p>9. Alle-t m&aring;rkjeld mot j&ecirc;rlikes d&ecirc;lath wrde, thrja
+d&ecirc;gan far th&ecirc;re jold&ecirc;i, an hvndred d&ecirc;lun to
+d&ecirc;lande.</p>
+
+<p>10. Thi gr&ecirc;vetman mit sinum gr&ecirc;vum skil th&ecirc;r of
+b&uuml;ra twintich d&ecirc;la; th&ecirc;ne m&aring;rk rjuchter tian
+d&ecirc;la, &aring;nd sinum helpar, fif d&ecirc;la; thju folkesmoder
+&ecirc;n d&ecirc;l; thju g&acirc; moder fjvwer d&ecirc;la; th&aring;t
+thorp tian d&ecirc;la; tha &aring;rma, th&aring;t is th&ecirc;ra tham
+navt w&aring;rka ni kunna ni m&uuml;ge, fiftich d&ecirc;la.</p>
+
+<p>11. Th&ecirc;ra, tham to m&aring;rka kvma, ne m&uuml;gon navt ni
+wokeria, kvmath th&ecirc;r svm, sa is-t th&ecirc;ra famna plicht hjam
+k&aring;nb&ecirc;r to makjana in-vr th&aring;t &ecirc;lle l&acirc;nd,
+til thju hja nimmerthe k&ecirc;ren navt wrde to eng ampt, hwand soka
+h&aring;vath en gyra-lik hirte, vmbe sk&aring;t to garja skolde hja
+ella vrr&ecirc;da, th&aring;t folk, thjv moder, hjara sibben &aring;nd
+tho tha lesta hjara selva.</p>
+
+<p>12. Is th&ecirc;r &aring;mman alsa &aring;rg that-er sjvcht-siak fja
+jeftha vrd&ecirc;ren w&ecirc;r vrsellath vr h&ecirc;l god, sa mot thene
+m&aring;rk-rjuchtar him w&ecirc;ra &aring;nd tha famna him noma invr-et
+&ecirc;lle l&acirc;nd.</p>
+
+<p>In &ecirc;ra tyda h&ecirc;madon Findas folk m&ecirc;st algadur invr
+hjara moders b&aring;rta-l&acirc;nd, mit n&ocirc;ma ald-l&acirc;nd that
+nw vnder-ne s&ecirc; l&ecirc;ith; hja w&ecirc;ron thus f&ecirc;r-of,
+th&ecirc;rvmbe n&ecirc;don wi &acirc;k n&ecirc;n orloch, tha hja
+vrdr&ecirc;ven send &aring;nd h&ecirc;inda k&ecirc;mon to r&acirc;wane,
+th&acirc; k&ecirc;m-er fon selva l&acirc;ndw&ecirc;r h&ecirc;rmanna
+k&ecirc;ninggar &aring;nd orloch, vr altham k&ecirc;mon setma &aring;nd
+uta setma k&ecirc;mon &ecirc;wa.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2324src" id="xd0e2324">1</a></span> De <span class="corr" id=
+"xd0e2326" title="Bron: m&acirc;rkskat">m&aring;rkskat</span> werd in
+goederen betaald.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2340" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr folgath tha &ecirc;wa th&ecirc;r th&ecirc;rut
+tavlikt send.</h2>
+
+<p>1. Ek Fryas mot-a l&ecirc;tha jeftha fyanda w&ecirc;ra mith
+aldulkera w&aring;pne as-er forsinna, bikvma &aring;nd
+h&acirc;ndt&ecirc;ra m&ecirc;i. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2345"
+href="#xd0e2345">34</a>]</span></p>
+
+<p>2. Is en boi twilif jer, sa mot-i tha sjvgunde d&ecirc;i miste fon
+sin l&ecirc;r-tid vmbe r&ecirc;d to werthande mith-a w&aring;pne.</p>
+
+<p>3. Is hi bikvmen, sa j&ecirc;ve m&aring;n him w&aring;pne &aring;nd
+hi warth to w&ecirc;rar sl&acirc;gen.</p>
+
+<p>4. Is hi thr&ecirc; j&ecirc;r w&ecirc;rar, s&acirc; w&aring;rth-i
+burch-h&ecirc;r &aring;nd m&ecirc;i hi h&ecirc;lpa sin
+h&acirc;wed-manna to kjasane.</p>
+
+<p>5. Is hwa sjvgun j&ecirc;r kjasar, s&acirc; m&ecirc;i hi h&ecirc;lpa
+en h&ecirc;rman jeftha k&ecirc;ning to kjasane, th&ecirc;r to &acirc;k
+k&ecirc;ren wrde.</p>
+
+<p>6. Alle j&ecirc;r mot-er ovir k&ecirc;ren wertha.</p>
+
+<p>7. Buta tha k&ecirc;ning m&uuml;gon alle ambtmanna wither
+k&ecirc;ren wertha, tham rjucht dva &aring;nd n&ecirc;i fryas
+r&ecirc;d.</p>
+
+<p>8. Annen k&ecirc;ning ne m&ecirc;i navt ni l&ocirc;nger as
+thr&ecirc; j&ecirc;r k&ecirc;ning bilywa, til thju hi navt biklywa ne
+m&ecirc;i.</p>
+
+<p>9. Heth-i sjvgun j&ecirc;r rest, s&acirc; m&ecirc;i hi wither
+k&ecirc;ren wertha.</p>
+
+<p>10. Is thi k&ecirc;ning thruch thene fyand fallen, s&acirc;
+m&uuml;gon sina sibba &acirc;k n&ecirc;i th&ecirc;re &ecirc;re
+thinga.</p>
+
+<p>11. Is-er vppa sin tid ofgvngen jeftha binna sin tid sturven,
+s&acirc; ne m&ecirc;i n&ecirc;n sibba him vpfolgja, th&ecirc;r-im
+n&ecirc;iar sy sa tha fjarde kny.</p>
+
+<p>12. Th&ecirc;ra tham strida mitha w&aring;pne an hjara handa ne
+kunnath navt forsinna &aring;nd wis bilywa, th&ecirc;rvmbe ne focht-eth
+n&ecirc;ne k&ecirc;ning w&aring;pne to hant&ecirc;ra an tha strid. Sin
+wisdom mot sin w&aring;pen w&ecirc;sa &aring;nd thju ljafte siura
+k&aring;mpona mot sin skyld w&ecirc;sa.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2368" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr send tha rjuchta th&ecirc;re moder and
+th&ecirc;ra k&ecirc;ninggar.</h2>
+
+<p>1. Sahwersa orloch kumth, send tha moder hira bodon n&ecirc;i tha
+k&ecirc;ning, thi k&ecirc;ning send bodon n&ecirc;i tha
+gr&ecirc;vetmanna vmbe l&acirc;nd-w&ecirc;r.</p>
+
+<p>2. Tha gr&ecirc;vetmanna hropath alle burch-h&ecirc;ra et
+s&ecirc;mne &aring;nd bir&ecirc;dath ho f&ecirc;lo manna hja skilun
+stjura. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2375" href=
+"#xd0e2375">36</a>]</span></p>
+
+<p>3. Alle bisluta th&ecirc;ra moton ring n&ecirc;i th&ecirc;re moder
+senden wertha mith bodon &aring;nd tjugum.</p>
+
+<p>4. Thju moder l&ecirc;th alle bisluta gaderja &aring;nd j&ecirc;fth
+et guldnetal, th&aring;t is th&aring;t middeltal fon alle bisluta
+ets&ecirc;mne, th&ecirc;rmitha mot m&aring;n far th&aring;t forma
+fr&ecirc;to ha &aring;nd thene kening alsa.</p>
+
+<p>5. Is thju w&ecirc;ra a k&aring;mp, th&aring;n hoft thi k&ecirc;ning
+all&ecirc;na mith sinum havedmanna to r&ecirc;da, thach th&ecirc;r
+moton &aring;mmerthe thr&ecirc; burch-h&ecirc;ra fon th&ecirc;re moder
+f&ocirc;rana sitta svnder stem. Thissa burch-h&ecirc;ra moton
+d&ecirc;jalikis bodon n&ecirc;i th&ecirc;re moder senda, til thju hju
+w&ecirc;ta m&uuml;ge jef th&ecirc;r awet d&ecirc;n w&acirc;rth,
+stridande with-a &ecirc;wa jeftha with Fryas r&ecirc;djevinga.</p>
+
+<p>6. Wil thi k&ecirc;ning dva &aring;nd sina r&ecirc;da navt, s&acirc;
+m&ecirc;i hi th&aring;t navt vnderstonda.</p>
+
+<p>7. Kvmth-ene fyand vnwarlinga, th&aring;n mot m&aring;n dva sa thene
+k&ecirc;ning bith.</p>
+
+<p>8. Nis thene k&ecirc;ning navt vppet pat, s&acirc; mot m&aring;n sin
+folgar h&ecirc;rich w&ecirc;sa of tham-is folgar alont tha lesta.</p>
+
+<p>9. Nis th&ecirc;r n&ecirc;n havedman, s&acirc; kjase m&aring;n
+hwa.</p>
+
+<p>10. Nis th&ecirc;r n&ecirc;n tid, s&acirc; w&aring;rpa hi him to
+havedman th&ecirc;rim weldich f&ecirc;leth.</p>
+
+<p>11. Heth thene k&ecirc;ning en fr&ecirc;salik folk ofslagen,
+s&acirc; m&uuml;gon sina after kvmande sin n&acirc;ma &aring;fter hjara
+&aring;jne fora; wil thene k&ecirc;ning, s&acirc; m&ecirc;i-er vppen
+vnbibvwade st&ecirc;d en pl&aring;k utkjasa to hus &aring;nd erv.
+Th&aring;t erv m&ecirc;i en rond-d&ecirc;l w&ecirc;sa sa gr&acirc;t
+th&aring;t hi fon alle sidum sjvgun hvndred tr&ecirc;dun ut of sine hus
+m&ecirc;i hlapa, &ecirc;r hi an sina r&ecirc;na kvmth.</p>
+
+<p>12. Sin jongste svn m&ecirc;i th&aring;t god erva, &aring;fte tham
+thamis jongste, th&aring;n skil m&aring;n that wither nimma.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2396" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr send tha rjuchta aller Fryas vmbe s&ecirc;kur to
+w&ecirc;sande.</h2>
+
+<p>1. Sahwersa th&ecirc;r &ecirc;wa vrwrocht wrde jefta n&ecirc;ja
+setma tavlikt, <span class="pagenum">[<a id="xd0e2401" href=
+"#xd0e2401">38</a>]</span>alsa mot-et to m&ecirc;na nitha sk&ecirc;n,
+men n&aring;mmer to b&acirc;ta fon enkeldera m&aring;nniska, her fon
+enkeldera slachta, ner fon enkeldera st&acirc;ta, nach fon awet that
+enkel sy.</p>
+
+<p>2. Sahwersa orloch kvmt &aring;nd th&ecirc;r wrde husa homljat
+jeftha sk&ecirc;pa, hok that et sy, sy-et thrvch thene fyand, tha by
+m&ecirc;na r&ecirc;dum, s&acirc; ach tha m&ecirc;na m&ecirc;nta,
+th&aring;t is al-et folk to s&ecirc;mne that wither to h&ecirc;lene;
+th&ecirc;r vmbe that n&aring;mman tha m&ecirc;na s&ecirc;ka skil helpa
+vrljasa vmbe sin &aring;jn god to bihaldane.</p>
+
+<p>3. Is orloch vrth&ecirc;jan, &aring;nd send th&ecirc;r svm, alsa
+vrd&ecirc;ren that hja navt longer w&aring;rka ne m&uuml;gon, s&acirc;
+mot tha m&ecirc;na m&ecirc;nte hjam vnderhalda, by tha f&ecirc;rstum
+achon hja forana to sittana, til thju tha j&uuml;ged skil &ecirc;ra
+hjam.</p>
+
+<p>4. Send th&ecirc;r w&ecirc;dvon &aring;nd w&ecirc;son k&ecirc;mon,
+s&acirc; mot m&aring;n hja &acirc;k vnderhalda &aring;nd tha svna
+m&uuml;gon thi n&acirc;ma hjarar t&acirc;ta vpp-ira skildum writa hjara
+slachtha to &ecirc;rane.</p>
+
+<p>5. Send th&ecirc;r svm thrvch thene fyand fat &aring;nd kvmath hja
+to b&aring;k, s&acirc; mot m&aring;n hjam f&ecirc;r fon th&aring;t
+k&aring;mp of fora, hwand hja machton fry l&ecirc;ten w&ecirc;sa by
+arge loftum &aring;nd than ne m&uuml;gon hja hjara lofta navt ni halda
+&aring;nd toch &ecirc;rlik bilywa.</p>
+
+<p>6. Jef wi selwa fyanda f&acirc;ta, s&acirc; br&aring;nge mon tham
+djap anda landa w&ecirc;i, m&aring;n l&ecirc;rth hja vsa frya
+s&ecirc;de.</p>
+
+<p>7. L&ecirc;t m&aring;n hja &aring;ftern&ecirc;i hl&acirc;pa,
+s&acirc; l&ecirc;t m&aring;n th&aring;t mith welh&ecirc;d thrvch tha
+f&acirc;mna dva, til thju wi &acirc;tha &aring;nd frjunda winna fori
+l&ecirc;tha &aring;nd fyandun.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2415" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ut Minnos skriftun.</h2>
+
+<p>Sahwersa th&ecirc;r &ecirc;nman is th&ecirc;rm&ecirc;ta &aring;rg
+that hi vsa swetsar birawath, morth-dedun dvat, husa barnth,
+mang&ecirc;rtha sk&aring;nth, hok th&aring;t-et sy, th&aring;t
+&aring;rg sy, &aring;nd vsa swetnata willon th&aring;t wroken
+h&aring;va, s&acirc; is th&aring;t rjucht th&aring;t m&aring;n thene
+d&ecirc;der f&acirc;tath &aring;nd an hjara &aring;jn-warda <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2420" href=
+"#xd0e2420">40</a>]</span>d&ecirc;jath, til thju th&ecirc;r vr
+n&ecirc;n orloch ne kvme, w&ecirc;rthrvch tha vnsk&ecirc;ldiga skolde
+bota fori tha sk&ecirc;ldiga. Willath hja him sin lif bihalda
+l&ecirc;ta &acirc;nd thju wr&ecirc;ka ofk&acirc;pja l&ecirc;ta,
+s&acirc; m&ecirc;i m&aring;n th&aring;t d&acirc;ja. Thach is then bona
+en k&ecirc;ning, gr&ecirc;vetman, gr&ecirc;va hwa th&aring;t-et sy,
+tham ovira s&ecirc;da mot w&acirc;ka, s&acirc; moton wi th&aring;t kwad
+b&ecirc;terja men ta bona mot sin straf h&acirc;.</p>
+
+<p>Forth hi en &ecirc;ren&acirc;ma vppa sine skeld fon sina
+&ecirc;thelun, s&acirc; ne m&uuml;gon sina sibba thi n&acirc;ma navt
+l&ocirc;nger ne fora. Th&ecirc;rvmbe th&aring;t hi &ecirc;ne sibba svrg
+skil h&aring;va ovira s&ecirc;da th&ecirc;ra &ocirc;thera.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2424" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">&Ecirc;wa fara stjurar<a class="noteref" id=
+"xd0e2427src" href="#xd0e2427">1</a>. Stjurar is thi &egrave;renoma
+th&ecirc;ra butafarar.</h2>
+
+<p>Alle fryas svna h&aring;va lika rjuchta, th&ecirc;rvmb m&uuml;gon
+&acirc;lle flinka kn&acirc;pa hjara self as butaf&acirc;rar melda by
+tha &ocirc;lderm&ocirc;n &aring;nd thisse ne m&ecirc;i him nit ofwisa,
+wara th&aring;t er n&ecirc;n sted is.</p>
+
+<p>2. Tha stjurar m&uuml;gon hjara &aring;jn m&aring;strun noma.</p>
+
+<p>3. Tha k&acirc;pljvd moton k&ecirc;ren &aring;nd binomath wertha
+thrvch tha m&ecirc;nte th&ecirc;r-et god h&ecirc;reth &aring;nd tha
+stjurar ne m&uuml;gon th&ecirc;r by n&ecirc;n stem h&aring;va.</p>
+
+<p>4. Jef m&aring;n vppe r&ecirc;is bifinth th&aring;t thene
+k&ecirc;ning &aring;rg jefta vnbikvmmen is, s&acirc; m&uuml;gon hja en
+&ocirc;ra nimma; kvmon hja to b&aring;k, s&acirc; m&ecirc;i thene
+k&ecirc;ning him self biklagja by tha &ocirc;lderm&ocirc;n.</p>
+
+<p>5. Kvmth th&ecirc;r fl&acirc;te to honk &aring;nd sin th&ecirc;r
+b&acirc;ta, s&acirc; moton tha stjurar th&ecirc;r of en thrimene
+h&aring;va, althus to d&ecirc;lande, thi witk&ecirc;ning twilf
+m&ocirc;n-is d&ecirc;la, thi skolt by nacht sjugun d&ecirc;la, tha
+b&ocirc;tm&ocirc;nna ek twa d&ecirc;la, thi skiprun ek thr&ecirc;
+d&ecirc;la, that &ocirc;ra skip-is folk ek &ecirc;n d&ecirc;l. Tha
+jongste prentar ek en thrimnath, tha midlosta ek en half-d&ecirc;l
+&aring;nd tha &ocirc;ldesta ek en tw&ecirc;dnath.</p>
+
+<p>6. Sin th&ecirc;r svme vrlameth, s&acirc; mot-a m&ecirc;na
+m&ecirc;nte njvda far hjara lif, &acirc;k moton hja f&ocirc;rana sitta
+by tha m&ecirc;na f&ecirc;rsta, by huslika f&ecirc;rsta, j&acirc; by
+alle f&ecirc;rsta. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2442" href=
+"#xd0e2442">42</a>]</span></p>
+
+<p>7. Sin th&ecirc;r vppa tocht vmkume, s&acirc; moton hjara
+n&ecirc;stun hjara d&ecirc;l erva.</p>
+
+<p>8. Sin th&ecirc;r w&ecirc;dven &aring;nd w&ecirc;son fon kvmen,
+s&acirc; mot thju m&ecirc;nte hja vnderhalda; sin hja an &ecirc;nre
+kase felth, sa m&uuml;gon tha svna thi n&ocirc;ma hjarar t&acirc;ta
+vppira skeldun fora.</p>
+
+<p>9. Sin th&ecirc;r prentara<a class="noteref" id="xd0e2449src" href=
+"#xd0e2449">2</a> forfaren, sa moton sina erva en &ecirc;l mannis
+d&ecirc;l h&aring;va.</p>
+
+<p>10. Was hi fors&ecirc;ith, s&acirc; m&ecirc;i sin brud sjugun mannis
+d&ecirc;lun aska vmbe hira fryadulf en st&ecirc;n to to wjande, mar
+th&aring;n mot hja for tha &ecirc;re w&ecirc;dve bilyva l&ecirc;va
+l&ocirc;ng.</p>
+
+<p>11. Sahwersa en m&ecirc;nte en fl&aring;te to r&ecirc;th, moton tha
+r&ecirc;dar njvda f&acirc;ra beste liftochtun &aring;nd f&acirc;r wif
+&aring;nd b&aring;rn.</p>
+
+<p>12. Jef en stjurar of &aring;nd &aring;rm is, &aring;nd hi heth hus
+nach erv, s&acirc; mot im that jon wertha. Nil hy n&ecirc;n hus nach
+erv, sa m&uuml;gon sin friundun hem tus n&ecirc;ma &aring;nd thju
+m&ecirc;nte mot et b&ecirc;tera n&ecirc;i sina st&aring;t, wara
+th&aring;t sin friunda thene b&acirc;ta w&ecirc;igerja</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2427src" id="xd0e2427">1</a></span> Stjurar, van hier de naam
+Sturii by Plinius.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2449src" id="xd0e2449">2</a></span> Prentar, nog op Texel een
+(stuurmans) leerling.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2458" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Netlika s&ecirc;ka ut-a n&ecirc;il&ecirc;tne
+skriftum Minnos.</h2>
+
+<p>Minno<a class="noteref" id="xd0e2463src" href="#xd0e2463">1</a> was
+en alde s&ecirc;k&ecirc;ning, sjaner &aring;nd wisgyrich. An tha
+Kr&ecirc;tar heth-i &ecirc;wa j&ecirc;ven. Hi is b&aring;rn an tha
+Lindawrda, &aring;nd n&ecirc;i al sin witherf&acirc;ra heth hi
+th&aring;t luk noten umbe to Lindah&ecirc;m to sterva.</p>
+
+<p>Sahwersa vsa swethnata en d&ecirc;l l&acirc;nd h&aring;ve jeftha
+w&ecirc;tir, that vs god tolikt, sa focht-et vs vmbe that a k&acirc;p
+to fr&ecirc;ja, nillath hja th&aring;t navt ne dva, than mot m&aring;n
+hja that bihalda l&ecirc;ta. That is n&ecirc;i Frya-his tex
+&aring;nd-et skolde vnrjucht w&ecirc;sa to vnthandana that.</p>
+
+<p>Sahwersa th&ecirc;r swethnata et s&ecirc;mna kyva &aring;nd sana vr
+enga s&ecirc;ka, tha vr l&acirc;nd, &aring;nd hja vs fr&ecirc;ja en
+ord&ecirc;l to spr&ecirc;ka, sa ach man th&aring;t r&ecirc;der
+&aring;fterw&ecirc;ja <span class="pagenum">[<a id="xd0e2470" href=
+"#xd0e2470">44</a>]</span>to l&ecirc;tane, tach sa man th&ecirc;r navt
+buta ne kan, sa mot man th&aring;t &ecirc;rlik &aring;nd
+rjuchtf&ecirc;rdich dva.</p>
+
+<p>Kvmth th&ecirc;r hwa &aring;nd s&ecirc;ith, ik h&aring;v orloch, nw
+most-v mi helpa; jeftha en &ocirc;ra kvmth &aring;nd s&ecirc;ith, min
+svn is vnj&ecirc;rich &aring;nd vnbikvmmen, &aring;nd ik bin ald, nw
+wild-ik thi to w&acirc;ranstew ovir hini &aring;nd ovir min l&acirc;nd
+st&aring;lla, til hi j&ecirc;rich sy, sa ach man that w&ecirc;igarja,
+til thju wi nawt an twist ne kvme ne m&uuml;ge vr s&ecirc;ka stridande
+with vsa frya s&ecirc;dum.</p>
+
+<p>Sahwersa th&ecirc;r kvmth en vrlandisk kapman vppa
+tol&ecirc;tm&aring;rk et Wyringga tha to Almanland &aring;nd hi
+bidroght, sa warth-er bistonda m&aring;rk-b&ecirc;ten &aring;nd
+kanb&ecirc;r m&acirc;kad trvch tha f&acirc;mna invr et &ecirc;le land.
+Kvmth-er th&aring;n to b&aring;k, sa ne skil nimman k&acirc;pja fon
+him, hy m&ecirc;i hinne br&ucirc;da sa-r kvmen is. Thus, sahwersa-r
+k&acirc;pljud k&ecirc;ren wrde vmbe wr-a merka to g&acirc;, jeftha
+mith-e fl&acirc;t to f&acirc;rane, sa ach man all&ecirc;na aldulkera to
+kjasane tham m&aring;n tyge by tyge k&aring;nth &aring;nd an en goda
+hrop st&acirc;ne by tha f&acirc;mna. B&ecirc;rth-et navt to min that-er
+en &aring;rg man m&ocirc;ng sy, tham tha ljud bitrogha wil, sa agon tha
+ora th&aring;t to w&ecirc;rane. Het-i-t-al d&ecirc;n sa mot m&aring;n
+th&aring;t b&ecirc;terja, &aring;nd thene misd&ecirc;dar ut of
+l&acirc;ndum banna, til thju vsa n&acirc;ma vral mith &ecirc;rane skil
+wertha binomath.</p>
+
+<p>Men jef wir vs vppen vrlandiska m&aring;rkt finda, sy-et
+h&ecirc;inde jeftha f&ecirc;r, &aring;nd b&ecirc;rth-et th&aring;t-et
+folk vs l&ecirc;t dvath jeftha bist&ecirc;lleth, s&acirc; agon wy mith
+haste h&ecirc;i to to sl&acirc;na, hwand afsk&ecirc;n wy &ecirc;lla
+agon to dvande vmbe fr&ecirc;tho willa, vsa halfbrothar ne m&uuml;gon
+vs nimmer minachtja nach w&acirc;na that wi ange send.</p>
+
+<p>In min j&uuml;ged h&aring;v ik wel &ecirc;nis mort overa b&aring;nda
+th&ecirc;ra &ecirc;wa, &aring;fter h&aring;v ik Frya often tanked vr
+hjra tex, &aring;nd vsa &ecirc;thla vr tha &ecirc;wa th&ecirc;r
+th&ecirc;rn&ecirc;i tavlikt send.</p>
+
+<p>Wr.alda jeftha Alfoder heth mi f&ecirc;lo j&ecirc;ren j&ecirc;ven,
+invr f&ecirc;lo landa &aring;nd s&ecirc;a h&aring;v ik omme f&acirc;ren
+&aring;nd n&ecirc;i al hwa ik sjan h&aring;, bin ik vrtj&ucirc;gad that
+wi all&ecirc;na <span class="pagenum">[<a id="xd0e2482" href=
+"#xd0e2482">46</a>]</span>trvch Alfoder utfork&ecirc;ren send,
+&ecirc;wa to h&aring;vande. Lydas folk ne m&ecirc;i n&ecirc;n &ecirc;wa
+to m&acirc;kjande ni to h&acirc;ldande, hja send to dvm &aring;nd wild
+th&ecirc;rto. F&ecirc;lo slachta Findas send sn&ocirc;d enoch, men hja
+send gyrich, h&acirc;chf&acirc;rande, falsk, vnk&ucirc;s &aring;nd
+mortsjochtich. Poga bl&ecirc;sath hjara selva vppa, &aring;nd hja ne
+m&uuml;gath nawet than krupa. Forska hropath w&aring;rk, w&aring;rk,
+&aring;nd hja ne dvath nawet as hippa &aring;nd kluchtm&acirc;kja. Tha
+roka hropath sp&acirc;r, sp&acirc;r, men hja st&ecirc;lon &aring;nd
+vrslynath al wat vnder hjara snavela kvmath. Lik al tham is th&aring;t
+Findas folk, hja bogath immer ovir goda &ecirc;wa; ek wil setma
+m&acirc;kja vmb-et kw&acirc;d to w&ecirc;rane, men selva nil nimman
+theran bonden w&ecirc;sa. Th&ecirc;ra hwam-his g&acirc;st that
+lestigoste sy &aring;nd th&ecirc;rtrvch sterik, tham-his h&ocirc;ne
+kr&ecirc;jath k&ecirc;ning &aring;nd tha &ocirc;ra moton alwenna an sin
+weld vnderwurpen w&ecirc;sa, til en &ocirc;ther kvmth th&ecirc;r-im
+fon-a s&ecirc;tel drywet. Th&aring;t word &ecirc;wa is to fr&acirc;n
+vmbe an m&ecirc;na s&ecirc;ka to nomande. Thervmbe heth m&aring;n vs
+&ecirc;vin sega l&ecirc;rth. &Ecirc;wa th&aring;t s&ecirc;it setma
+th&ecirc;r bi aller m&aring;nniska &ecirc;lik an hjara mod prenth send,
+til thju hja m&uuml;ge w&ecirc;ta hwat rjucht &aring;nd vnrjucht sy
+&aring;nd hw&ecirc;rtrhvch hja weldich send vmbe hjara &aring;jne
+d&ecirc;da &aring;nd tham fon &ocirc;rum to birjuchtande, th&aring;t
+wil sedsa alsan&acirc;ka hja god &aring;nd navt misd&ecirc;dich
+vpbrocht send. Ak is-er jet-en &ocirc;ra sin an f&aring;st. &Ecirc;wa
+seit ak, &ecirc;lik w&ecirc;ter-lik; rjucht &aring;nd sljucht as
+w&ecirc;ter that thrvch n&ecirc;n stornewind jeftha awet owers vrstoren
+is. Warth w&ecirc;ter vrstoren, sa warth-et vn&ecirc;wa, vnrjucht, men
+et nygt &ecirc;vg vmbe wither &ecirc;wa to werthande, that l&ecirc;ith
+an sin fonselvh&ecirc;d, alsa tha nygung to rjucht &aring;nd frydom in
+Fryas bern leith. Thessa nygung h&aring;vath wi trvch Wr.aldas
+g&acirc;st, vsa foders, th&ecirc;r in Fryas bern bogth, th&ecirc;rvm be
+skil hju vs &acirc;k &ecirc;vg biklywa. &Ecirc;wa is &acirc;k thet
+&ocirc;ra sinnebyld fon Wr.aldas g&acirc;st, th&ecirc;r &ecirc;vg
+rjucht &aring;nd vnforstoren bilywath, afsk&ecirc;n-et an lich&ecirc;me
+&aring;rg to g&ecirc;it. &Ecirc;wa &aring;nd vnforstoren send tha
+m&aring;rka th&ecirc;ra wisdom &aring;nd rjuchtf&ecirc;rdichh&ecirc;d
+th&ecirc;r fon <span class="pagenum">[<a id="xd0e2484" href=
+"#xd0e2484">48</a>]</span>alla fr&ecirc;mo m&aring;nniska socht
+&aring;nd trvch alla rjuchtera bis&ecirc;ten wrden mot. Willath tha
+m&aring;nniska thus setma &aring;nd domar m&acirc;kja, th&ecirc;r alan
+god bilywa &aring;nd allerw&ecirc;ikes, sa moton hja &ecirc;lik
+w&ecirc;sa to fara alle m&aring;nniska; n&ecirc;i thisse &ecirc;wa
+achath tha rjuchtera hjara ord&ecirc;l ut to k&ecirc;thande. Is
+th&ecirc;r eng kw&acirc;d d&ecirc;n, hw&ecirc;rvr n&ecirc;n &ecirc;wa
+tavlikt send, sa mot m&aring;n &ecirc;ne m&ecirc;na acht bilidsa;
+th&ecirc;r ord&ecirc;lth m&aring;n n&ecirc;i tha sin th&ecirc;r
+Wr.aldas g&acirc;st an vs k&ecirc;th vmbe over ella rjuchtf&ecirc;rdich
+to birjuchtande, althus to dvande ne skil vs ord&ecirc;l n&aring;mmer
+f&acirc;likant ut ne kvma. Ne dvath m&aring;n n&ecirc;n rjucht men
+vnrjucht, alsa rist th&ecirc;r twist &aring;nd twispalt emong tha
+m&aring;nniska &aring;nd st&acirc;ta, th&ecirc;rut spr&ucirc;t
+inlandiska orloch, hw&ecirc;rthrvch ella homljath &aring;nd
+vrd&aring;ren w&aring;rth. Men, o dvmh&ecirc;d. D&acirc;hwila wi to
+dvande send ekkorum to sk&acirc;dane, kvmth-et nidige folk Findas mith
+hjara falska presterum jvw h&acirc;va to r&acirc;wande, jvwa toghatera
+to sk&aring;ndane, jvwa s&ecirc;da to vrdva &aring;nd to tha lesta
+kl&aring;ppath hja sl&acirc;vona banda om jahwelikes frya hals.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2463src" id="xd0e2463">1</a></span> Minno, Minos (de oude).</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2486" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ut-a skrifta Minnos.</h2>
+
+<p>Tha Nyhell&ecirc;nia<a class="noteref" id="xd0e2491src" href=
+"#xd0e2491">1</a> tham fon hira &aring;jn n&ocirc;me Min-erva
+h&ecirc;te, god s&ecirc;ten was &aring;nd tha Kr&ecirc;kalander<a
+class="noteref" id="xd0e2494src" href="#xd0e2494">2</a> hja to met even
+h&aring;rde minade as vs &aring;jn folk, th&acirc; k&ecirc;mon
+th&ecirc;r svme forsta &aring;nd prestera vppe-ra burch &aring;nd
+fr&ecirc;jon Min-erva hw&ecirc;r of hjra erva l&ecirc;jon.
+Nyhell&ecirc;nia andere, mina erva dr&ecirc;g ik om in mina bosm,
+hw&aring;t ik urven h&aring;v is ljafde vr wisdom, rjucht &aring;nd
+frydom, h&aring;v ik tham vrl&ecirc;ren, alsa ben ik &ecirc;lik an tha
+minniste jvvar sl&acirc;vonena. Nw j&ecirc;v ik r&ecirc;d vm nawet, men
+than skold ik vrk&acirc;pja tham. Tha h&ecirc;ra gvngon w&ecirc;i,
+&aring;nd hripon al lakande, jvwer h&ecirc;roga thjanra, wisa
+Hell&ecirc;nia. Thach th&ecirc;rmitha miston hja hjara dol, hwand
+th&aring;t folk th&aring;t hja minnade &aring;nd hja folgade, nam this
+n&ocirc;me to-n &ecirc;re n&ocirc;me an. Tha hja s&acirc;gon th&aring;t
+hjara skot mist h&ecirc;de, <span class="pagenum">[<a id="xd0e2497"
+href="#xd0e2497">50</a>]</span>th&acirc; gvngon hja hja bihlvda
+&aring;nd s&ecirc;idon that hju-t folk hexnad h&ecirc;de, men vs folk
+&aring;nd tha goda Kr&ecirc;kalandar w&ecirc;rde aller w&ecirc;ikes
+that-et laster w&ecirc;re. Enis k&ecirc;mon hja &aring;nd fr&ecirc;gon,
+as thv th&aring;n n&ecirc;n thjonster ne biste, hwat d&ecirc;ist
+th&acirc;n mitha &aring;jar tham thv altid bi thi heste. Min-erva
+andere, thisse &aring;jar send that sinebyld fon Fryas
+r&ecirc;dj&ecirc;vinga, w&ecirc;rin vsa tokvmste forholen hl&ecirc;it
+&aring;nd fon &ecirc;l th&aring;t m&aring;nneskalik slachte; tid mot
+hja utbroda &aring;nd wi moton w&acirc;ka th&aring;t-er n&ecirc;n
+l&ecirc;th an ne kvmth. Tha prestera, god s&ecirc;id; men hw&ecirc;rto
+thjanath thene hund an thina f&ecirc;ra hand. Hell&ecirc;nia andere,
+heth thene h&aring;rder n&ecirc;n sk&ecirc;per vmbe sin kidde at
+s&ecirc;mene to haldande? hwat thene hvnd is inna thjanest thes
+sk&ecirc;ph&aring;rder, bin ik in Fryas tjanest, ik mot ovir Fryas
+kidde w&acirc;ka. That likath vs god to, s&ecirc;don tha prestera; men
+seg vs, hwat is thju bitjvtenise fon thi nachtule, ther immer boppa
+thin hole sit, is that ljuchtskvwande djar altomet thet t&ecirc;ken
+thinra kl&acirc;rsjanh&ecirc;d. N&ecirc;an andere Hell&ecirc;nia, hi
+helpt my h&uuml;gja that er en slach fon m&aring;nniska ovir hirtha
+omme dw&acirc;lth, th&ecirc;r evin lik hi in k&aring;rka &aring;nd hola
+h&ecirc;ma; th&ecirc;r an tjuster frota, tach navt as hi, vmb vs fon
+m&ucirc;sa &aring;nd &ocirc;ra pl&aring;ga to helpane, men renka to
+forsinna, tha &ocirc;ra m&aring;nniska hjara witskip to r&acirc;wane,
+til thju hja tham to b&ecirc;tre m&uuml;ge f&acirc;ta vmber slavona fon
+to m&acirc;kjande &aring;nd hjara blod ut to s&ucirc;gane, even as
+vampyra dva. Enis k&ecirc;mon hja mith en benda folk. Pest was over-et
+land kvmen, hja s&ecirc;idon, wi alle send to dvande, tha Goda to
+offerja, til thju hja pest w&ecirc;ra m&uuml;ge. Nilst thv then navt ne
+helpa hjara grimskip to stilane, jeftha hethste pest selva ovir-et
+l&acirc;nd brocht mith thinra kunsta. N&ecirc;an s&ecirc;ide Min-erva,
+men ik ne k&aring;n n&ecirc;ne goda, th&ecirc;r &aring;rg dvande send;
+th&ecirc;rvmbe ne kan ik navt fr&ecirc;ja jef hja beter wrda willa. Ik
+k&aring;n &ecirc;n gode, th&aring;t is Wr.aldas g&acirc;st; men thrvch
+tham er god is, dvath-er &acirc;k nen kw&acirc;d. Hwanath kvmth-et
+kw&acirc;d th&aring;n w&ecirc;i, fr&ecirc;jath <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2499" href="#xd0e2499">52</a>]</span>tha prestera. Allet
+kw&acirc;d kvmth fon jow &aring;nd fon th&ecirc;re dvmh&ecirc;d
+th&ecirc;ra m&aring;nniska, tham hjara selva fon jow fensa l&ecirc;ta.
+Jef thin drochten th&aring;n s&acirc; bjustre god is, w&ecirc;rvmb
+w&ecirc;rther-et kw&acirc;d th&aring;n navt, fr&ecirc;jath tha
+prestera. Hellenia andere, Frya het vs vppe w&ecirc;i brocht &aring;nd
+thene kroder th&aring;t is tid, tham mot th&aring;t ovrige dva. With
+alle rampum is r&ecirc;d &aring;nd help to findande, tha <span class=
+"corr" id="xd0e2501" title="Bron: W.ralda">Wr.alda</span> wil
+th&aring;t wi hja selva soka skilon, til thju wi sterik skile wertha
+&aring;nd wis. Nillath wi navt, th&aring;n l&ecirc;t-er vsa trul ut
+trulla, til thju wi skilon erf&acirc;ra, hwat n&ecirc;i wisa
+d&ecirc;dum &aring;nd hwat n&ecirc;i dvma d&ecirc;dum folgath. Tha
+s&ecirc;ide-ne forst, ik skolde w&acirc;na, that w&ecirc;re betre, that
+to w&ecirc;rande. Hwel m&uuml;glik, andere Hell&ecirc;nia, hwand than
+skolde tha m&aring;nniska bilywa lik t&aring;made sk&ecirc;pa; thv
+&aring;nd tha prestera skolde-r than hoda willa, men &acirc;k
+sk&ecirc;ra &aring;nd n&ecirc;i th&ecirc;re slacht benke fora. Tach
+alsa nil-t vs drochten navt, hi wil that wi ekkorum helpa, men hi wil
+&acirc;k th&aring;t jahweder fry sy &aring;nd wis wrde. Th&aring;t is
+&acirc;k vsa wille, th&ecirc;rvmbe kjasth vs folk sin forsta,
+gr&ecirc;va, r&ecirc;dj&ecirc;var &aring;nd alle b&acirc;sa &aring;nd
+m&acirc;stera ut-a wisesta th&ecirc;ra goda m&aring;nniska, til thju
+allem&aring;nnalik sin best skil dva vmbe wis &aring;nd god to
+werthande. Althus to dvande skilun wi &ecirc;nis w&ecirc;ta &aring;nd
+anda folka l&ecirc;ra, that wis w&ecirc;sa &aring;nd wis dva
+all&ecirc;na l&ecirc;ith to salichh&ecirc;d. That likt en ord&ecirc;l,
+s&ecirc;idon tha prestera, men aste nv m&ecirc;nste, that pest thrvch
+vsa dvmh&ecirc;d kvmth, skolde Nyhell&ecirc;nia th&aring;n wel sa god
+w&ecirc;sa wille, vmbe vs ewat fon th&aring;t nya ljucht to
+l&ecirc;nande, hw&ecirc;r vppa hju sa stolte is. Jes s&ecirc;ide
+Hell&ecirc;nia; tha rokka &aring;nd &ocirc;ra f&uuml;glon kvmath
+all&ecirc;na falla vp v&ucirc;l &acirc;s, men pest minth navt
+all&ecirc;na v&ucirc;l &acirc;s, men v&ucirc;la s&ecirc;d-plegum
+&aring;nd fangnisa. Wilstv nv that pest fon-i wika &aring;nd na wither
+ne kvma, th&aring;n mostv tha fangnisa w&ecirc;i dva, &aring;nd that i
+alla r&ecirc;n wrde fon binna &aring;nd fon b&ucirc;ta. Wi willath
+bil&acirc;wa th&aring;t thin r&ecirc;d god sy, s&ecirc;idon tha
+prestera, men seg vs, ho skilum wi th&ecirc;r alla <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2504" href=
+"#xd0e2504">54</a>]</span>m&aring;nniska to kr&ecirc;ja, th&ecirc;r
+vnder vs weld send. Tha stand Hell&ecirc;nia vp fon hira s&ecirc;tel
+&aring;nd k&ecirc;th: Tha muska folgath thene s&ecirc;jar, tha folka
+hjara goda forsta, th&ecirc;rvmbe ach-stv to bijinnande mith thin selva
+&aring;lsa r&ecirc;n to m&acirc;kjande, that stv thinna blikka in
+&aring;nd utward m&ecirc;i rjuchta svnder sk&acirc;mr&acirc;d to
+werthande to fara thin &aring;jn mod. Men in st&ecirc;de fon th&aring;t
+folk r&ecirc;n to m&acirc;kjande heste v&ucirc;la f&ecirc;rsta
+utfonden, hw&ecirc;r vppa th&aring;t folk al sa n&acirc;ka s&ucirc;pth,
+that hja to lesta lik tha barga annath slip frota, vmbe that stv thin
+v&ucirc;la lusta bota m&ecirc;i. Th&aring;t folk bigost to jolande
+&aring;nd to spotande. Th&ecirc;r thrvch ne thuradon hja n&ecirc;n
+strid wither an to spinnande. Nv skolde &aring;jder w&acirc;na,
+th&aring;t hja vral-et folk to h&acirc;pe hropen h&ecirc;de vmbe vs
+algadur to-t land ut to driwande. N&ecirc;an an st&ecirc;de fon hja to
+bihluda gvngon hja allerw&ecirc;ikes, &acirc;k to tha h&ecirc;inde
+Kr&ecirc;kalana til tha Alpa ut to k&ecirc;thane, th&aring;t et thene
+allervrste drochten h&acirc;gth h&ecirc;de sin wisa toghater Min-erva,
+to n&ocirc;mth Nyhell&ecirc;nia &ecirc;mong tha m&aring;nniska to
+sendane in overa s&ecirc; mith-en ulk, vmbe tha manniska gode r&ecirc;d
+to j&ecirc;vane &aring;nd that allermannalik, th&ecirc;r hja h&ecirc;ra
+wilde, rik &aring;nd lukich skolde wertha, &aring;nd &ecirc;nis
+b&acirc;s skolde wertha ovir alle k&ecirc;ningkrik irtha.s. Hira
+byldnese st&aring;ldon hja vppe hjara &aring;lt&aring;rum, jeftha hja
+vrsellade-t anda dvma m&aring;nniska. Hja k&ecirc;thon
+allerw&ecirc;ikes r&ecirc;d-j&ecirc;vinga, th&ecirc;r hju nimmer
+j&ecirc;ven h&ecirc;de, &aring;nd t&aring;ladon wondera, th&ecirc;r hju
+n&aring; d&ecirc;n h&ecirc;de. Thrvch lesta wiston hja-ra selva master
+to m&acirc;kjande fon vsa &ecirc;wa &aring;nd setma, &aring;nd thrvch
+wank&ecirc;thinga wiston hja alles to wisa &aring;nd to vrbruda. Hja
+st&aring;ldon &acirc;k f&acirc;mma vnder hjara hode, tha skinber vndere
+hoda fon F&aring;sta<a class="noteref" id="xd0e2506src" href=
+"#xd0e2506">3</a> vsa forma &ecirc;re moder, vmbe over th&aring;t
+fr&acirc;na ljucht to w&acirc;kane. Men th&aring;t ljucht h&ecirc;de
+hja selva vpstoken, &aring;nd in st&ecirc;de fon tha f&acirc;mkes wis
+to m&acirc;kjande, &aring;nd aftern&ecirc;i &ecirc;mong th&aring;t folk
+to senda, ta sjaka to l&ecirc;vande &aring;nd tha b&aring;rn to
+l&ecirc;rande, m&acirc;kadon hja-ra dvm &aring;nd dimme bi-t ljucht
+&aring;nd ne machten hja n&acirc; buta ne kvma. Ak wrdon <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2509" href="#xd0e2509">56</a>]</span>hja to
+r&ecirc;dj&ecirc;vstare brukath, tach thi r&ecirc;d was by skin ut
+hjara mvlun; hwand hjara mvla w&ecirc;ron navt owers as tha hropar,
+hw&ecirc;r trvch tha prestera hjara g&ecirc;rta utk&ecirc;thon<span
+class="corr" id="xd0e2511" title="Niet in bron">.</span></p>
+
+<p>Tha Nyhell&ecirc;nia fallen was, wilden wi en ore moder kjasa, svme
+wildon n&ecirc;i Texl&acirc;nd vmbe th&ecirc;r &ecirc;ne to
+fr&ecirc;jande, men tha prestera tham by hira &aring;jn folk th&aring;t
+rik wither in h&ecirc;de, nildon that ni hengja &aring;nd k&ecirc;thon
+vs by-ra folk as vn-fr&acirc;na ut.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2491src" id="xd0e2491">1</a></span> Nyhellenia, Nehalennia.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2494src" id="xd0e2494">2</a></span> Krekaland, het Krekenland,
+zoowel Groot Griekenland als Griekenland zelf.</p>
+
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" href="#xd0e2506src" id="xd0e2506">3</a></span> F&acirc;sta,
+Vesta, en de Vestaalsche maagden.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2516" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">III. Ut-a skrifta Minnos.</h2>
+
+<p>Tha-k althus w&ecirc;i faren was mith mina ljvd fon Athenia,
+k&ecirc;mon wi to tha lesta an en &ecirc;land thrvch min ljvd
+Kr&ecirc;ta h&ecirc;ten vm-a wilda kr&ecirc;ta tham et folk anhyv by
+vsa kvmste. Tha as hja sagon th&aring;t wi n&ecirc;n orloch an-t
+sk&ecirc;ld foron, wrdon hja mak, alsa-k et lest far en bota mit
+yserark en havesmode &aring;nd en stada land wandelde. Thach tha wi en
+stut s&ecirc;ten h&ecirc;de &aring;nd hja sp&ecirc;radon that wi
+n&ecirc;n slavona n&ecirc;de, tha w&ecirc;ron hja vrst&aring;lath, men
+tha-k-ra nw talt h&ecirc;de that wi &ecirc;wa h&ecirc;don &ecirc;lik to
+birjuchtande vr alla, tha wilde-t folk &acirc;k fon sokka h&acirc;.
+Tach sk&ecirc;rs h&ecirc;don hja tham, jefta th&aring;t &ecirc;lle land
+k&ecirc;m anda tys. Tha forsta &aring;nd prestera k&ecirc;mon
+b&acirc;rja, that wi hjara tjvth over h&ecirc;rich m&acirc;kad
+h&ecirc;de &aring;nd th&aring;t folk k&ecirc;m to vs vmbe hul &aring;nd
+skul. Tach th&acirc; tha forsta sagon th&aring;t hja hjara rik vrljasa
+skolda, th&acirc; j&ecirc;von hja th&aring;t folk frydom &aring;nd
+k&ecirc;mon to my vmb-en &ecirc;sega bok. Thach th&aring;t folk was
+n&ecirc;n frydom wenth &aring;nd tha h&ecirc;ra bil&ecirc;von welda
+n&ecirc;i that ir god thochte. Th&acirc; thi storn wr w&ecirc;r,
+bigoston hja twispalt among vs to s&ecirc;ja. Hja s&ecirc;idon to min
+folk that ik hjara help anhropen h&ecirc;de vmbe standf&aring;st
+k&ecirc;ning to werthande. Enis fand ik gif in min met, th&acirc; as er
+&ecirc;nis en skip <span class="pagenum">[<a id="xd0e2521" href=
+"#xd0e2521">58</a>]</span>fon-t Fly by vs vrs&ecirc;ilde, ben ik
+th&ecirc;rmith stolkens hinne brith.&mdash;Tach min witherfara to
+l&ecirc;tande, sa wil-k mith thesa sk&ecirc;dnesa all&ecirc;na
+s&ecirc;ga, that wi navt m&uuml;ge h&ecirc;ma mith et Findas folk fon
+w&ecirc;r th&aring;t et sy, hwand th&aring;t hja fvl send mith falska
+renka, &ecirc;wa to fr&ecirc;sane as hjara sw&ecirc;te wina mith
+d&ecirc;jande fenin.</p>
+
+<p>Ende wra skrifta Minnos.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2525" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hir vnder send thr&ecirc; w&ecirc;ta, th&ecirc;r
+after send thissa setma makad.</h2>
+
+<p>1. Allera mannalik w&ecirc;t, th&aring;t i sin bihof mot, men
+w&aring;rth &aring;mmon sin bihof vnthalden, sa n&ecirc;t n&ecirc;n man
+hwat er skil dva vmbe sin lif to bihaldande.</p>
+
+<p>2. Alle elte minniska werthat drongen a b&aring;rn to t&ecirc;lande,
+w&aring;rth that w&ecirc;rth, sa n&ecirc;t nim man wath &aring;rges
+th&ecirc;rof kvme mei.</p>
+
+<p>3. Alrek w&ecirc;t th&aring;t-i fry &aring;nd vnforl&ecirc;th wil
+l&ecirc;va, &aring;nd that &ocirc;re that &acirc;k wille. Umbe sekur to
+w&ecirc;sande send thesa setma &aring;nd domar makad.</p>
+
+<p>Th&aring;t folk Findas heth &acirc;k setma &aring;nd domar: men
+thissa ne send navt n&ecirc;i tha rjucht, men all&ecirc;na to
+b&acirc;ta th&ecirc;ra prestera &aring;nd forsta, thana send hjara
+st&acirc;ta immerthe fvl twispalt &aring;nd mord.</p>
+
+<p>1. Sahwersa imman n&acirc;d heth &aring;nd hi ne kan him selva navt
+ne helpe, sa moton tha f&acirc;mna th&aring;t kvndich dva an tha
+gr&ecirc;va. Th&ecirc;rfar th&aring;t et en stolte Fryas navt ne focht
+th&aring;t selva to dva.</p>
+
+<p>2. Sa hwa &aring;rm w&aring;rth thrvch tham hi navt w&aring;rka nil,
+th&ecirc;r mot to th&aring;t l&acirc;nd ut dr&ecirc;ven wertha, hwand
+tha l&aring;fa &aring;nd loma send lestich &aring;nd &aring;rg
+t&aring;nkande: th&ecirc;rvmbe &acirc;ch m&aring;n to w&ecirc;rane
+tham.</p>
+
+<p>3. Jahw&ecirc;der jong kerdel &acirc;ch en brud to s&ecirc;ka
+&aring;nd is er fif &aring;nd twintich sa &acirc;cht-er en wif to
+h&aring;va. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2542" href=
+"#xd0e2542">60</a>]</span></p>
+
+<p>4. Is hwa fif &aring;nd twintich, &aring;nd heth er n&ecirc;n
+&ecirc;ng&acirc;, sa &acirc;ch ek man him ut sin hus to w&ecirc;rane.
+Ta kn&acirc;pa &acirc;chon him te formyda. Nimth er th&aring;n nach
+n&ecirc;n &ecirc;ng&acirc;, s&acirc; mot m&aring;n hin d&acirc;d
+s&ecirc;ga, til thju hi ut of lande brude &aring;nd hir n&ecirc;n
+&aring;rgenese n&ecirc;va ne m&ecirc;i.</p>
+
+<p>5. Is hwa wrak, th&aring;n mot-er avb&ecirc;r s&ecirc;ga, that
+nimman fon him to fr&ecirc;sane nach to duchtane heth. S&acirc; <span
+class="corr" id="xd0e2547" title="Bron: mei">m&ecirc;i</span> er kvma
+hw&ecirc;r er wil.</p>
+
+<p>6. Pl&ecirc;cht er &aring;ftern&ecirc;i hordom, s&acirc; m&ecirc;i-r
+fluchta, ne fluchter navt, s&acirc; is er an tha wr&ecirc;ke th&ecirc;r
+bitrogna vrl&ecirc;ten, &aring;nd nimman ne m&ecirc;i helpa him.</p>
+
+<p>7. Sahwersa &aring;mmon eng god heth, &aring;nd en &ocirc;ther likt
+that therm&ecirc;te that i him th&ecirc;ran vrfate, sa mot-i th&aring;t
+thrja vrjelda. St&ecirc;lth-i jeta r&ecirc;is, th&aring;n mot hi
+n&ecirc;i tha tinl&acirc;num. Wil thene bist&ecirc;lne him fry
+j&ecirc;va, s&acirc; m&ecirc;i-r th&aring;t dva. Tha b&ecirc;rth et
+wither sa ne m&ecirc;i nimman him frydom j&ecirc;va.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2554" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thissa domar send makad fara nydiga manniska.</h2>
+
+<p>1. Sa hwa in h&acirc;ste mode tha ut nid an nen otheris l&ecirc;ja
+brekth, &acirc;gna ut st&acirc;t, jeftha thoth, hok th&aring;t et sy,
+sa mot thi l&ecirc;tha bitallja hwat thene l&ecirc;dar askth. Ne kan hi
+h&aring;t ni dva, s&acirc; mot-er avb&ecirc;r an im d&ecirc;n wertha,
+sa hi an thene &ocirc;re d&ecirc;th. Nil hi th&aring;t navt ut ne
+stonda, sa mot-i him to sina burch-f&acirc;m wenda, jef-i inna yser
+jeftha tin l&acirc;na m&ecirc;i werka til sin skeld an sy, n&ecirc;i
+th&ecirc;r m&ecirc;ne dom.</p>
+
+<p>2. Jef ther imman fvnden w&aring;rth alsa &aring;rg that-i en Fryas
+felth, hi mot et mit sina lif bitallja. Kan sina burch-f&acirc;m hin
+far altid nei tha tinl&acirc;na helpa &ecirc;r er fat wrde, sy
+m&ecirc;i th&aring;t dva.</p>
+
+<p>3. Sahwersa thi bona m&ecirc;i biwisa mith vrk&aring;nda tju-gum
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2563" href=
+"#xd0e2563">62</a>]</span>that et by vnluk sk&ecirc;n is, sa skil hi
+fry w&ecirc;sa, men b&ecirc;rth et jetta r&ecirc;is, sa mot i tach
+n&ecirc;i tha tinl&acirc;num, til thju m&acirc;n th&ecirc;r thrvch
+formitha all vnerimde wr&ecirc;ka &aring;nd f&ecirc;itha.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2565" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">This send domar fara horninga.</h2>
+
+<p>1. Hwa en &ocirc;theris hvs ut nid thene r&acirc;de h&ocirc;n
+anstekt nis n&ecirc;n Fryas, hi is en horning mith basterde blod.
+M&ecirc;i m&aring;n hin bi th&ecirc;r d&ecirc;d bif&acirc;ra, sa mot
+m&aring;n hin vppet fjvr werpa. Hy m&ecirc;i flya sa-r k&aring;n tach
+n&aring;rne skil-i s&ecirc;kur w&ecirc;sa fara wr&ecirc;kande hand.</p>
+
+<p>2. N&ecirc;n &aring;fta Fryas skil ovira missl&ecirc;ga sinra
+n&ecirc;ste malja nach kalta. Is hwa misd&ecirc;doch far-im selva, tha
+navt fr&ecirc;selik far en &ocirc;ra, s&acirc; m&ecirc;i hi him selva
+riuchta. W&aring;rth-i alsa &aring;rg that er fr&ecirc;slik
+w&aring;rth, sa mot m&aring;n-t anda gr&ecirc;va bara; men is
+th&ecirc;r hwa th&ecirc;r en &ocirc;ther &aring;fterb&aring;kis
+bitighat in st&ecirc;de fon-t to dvande by tha gr&ecirc;va, tham is en
+horning. Vpper m&aring;rk mot-i anda p&ecirc;le bvnden wrde, sa that et
+jong folk im ansp&ecirc;ja m&ecirc;i; &aring;fter l&acirc;dath
+m&aring;n him overa m&aring;rka, men navt n&ecirc;i tha tinl&acirc;na,
+thrvch that en &ecirc;rer&acirc;wer &acirc;k is to fr&ecirc;sane.</p>
+
+<p>3. Sahwersa th&ecirc;r &ecirc;nis imman w&ecirc;re sa &aring;rg that
+i vs gvng vrr&ecirc;de by tha fyand, p&acirc;da &aring;nd to p&acirc;da
+wes, vmbe vsa flyburga to n&acirc;ka, jeftha thes nachtis th&ecirc;rin
+to glupa, tham w&ecirc;re all&ecirc;na wrocht ut Findas blod. Him
+skolde m&aring;n mota barna. Tha stjurar skoldon sin m&aring;m
+&aring;nd al sina sibba n&ecirc;i en f&ecirc;r &ecirc;land mota
+br&aring;nga &aring;nd th&ecirc;r sin ask forstuva, til thju-r hyr
+n&ecirc;n feninige kr&ucirc;don fon waxa ne m&uuml;ge. Tha f&acirc;mna
+moton th&aring;n sin n&acirc;m utsp&ecirc;ja in vr al vsa st&acirc;ta,
+til thju n&ecirc;n b&aring;rn sin n&acirc;m ne kr&ecirc;je &aring;nd
+tha alda him m&uuml;ge vrwerpa. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2574"
+href="#xd0e2574">64</a>]</span></p>
+
+<p>Orloch was vrtigen, men n&ecirc;d was kvmen an sin st&ecirc;d. Nw
+w&ecirc;ron hyr thr&ecirc; m&aring;nniska th&ecirc;r-ek en buda
+k&ecirc;ren st&ecirc;lon fon asvndergane &ecirc;jnh&ecirc;ra. Tha hja
+wrdon alle fat. Nw gong thene &ecirc;rosta to &aring;nd brocht thene
+thjaf by tha skelte. Tha f&acirc;mna th&ecirc;r-vr k&ecirc;thande
+s&ecirc;idon allerw&ecirc;is, that i d&ecirc;n h&ecirc;de n&ecirc;i
+rjucht. Thi &ocirc;ra nom thene thjaf th&aring;t k&ecirc;ren of
+&aring;nd l&ecirc;th im forth mith fr&ecirc;to. Tha f&aring;mna
+s&ecirc;idon, hi heth wel d&ecirc;n. Men thi thredde &ecirc;jnh&ecirc;r
+gvng n&ecirc;i tha thjaf sin hus th&acirc;. Asser nw sach ho n&ecirc;d
+th&ecirc;r sin s&ecirc;tel vpst&aring;lth h&ecirc;de, th&acirc; gvng hi
+to b&aring;k &aring;nd k&ecirc;rde wither mith en w&ecirc;in fol
+n&ecirc;dthreftum, th&ecirc;r hi n&ecirc;d mith fon th&ecirc;re
+h&ecirc;rd of driwe. Fryas f&acirc;mna h&ecirc;don by him omme
+w&acirc;rath &aring;nd sin d&ecirc;d an dat &ecirc;vge bok
+skr&ecirc;ven, dahwile hja al sina l&ecirc;ka ut f&acirc;chth
+h&ecirc;de. Thju &ecirc;remoder was et s&ecirc;id &aring;nd hju
+l&ecirc;t het kvndich dva thrvch th&aring;t &ecirc;le l&acirc;nd.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2577" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">That hyr vnder stat is in ut tha wagar th&ecirc;re
+Waraburgh writen.</h2>
+
+<p lang="nl-1900">(Zie <a href="#plaat1">plaat I</a>.)</p>
+
+<div class="figure" id="plaat1"><img src="images/p064.gif" alt=
+"bl. 45 van het H.S. thet Bok th&ecirc;ra Adela folstar." width="720"
+height="1015">
+<p class="figureHead">bl. 45 van het H.S. thet Bok th&ecirc;ra Adela
+folstar.</p>
+</div>
+
+<p>Hwat hyr boppa st&aring;t send thi t&ecirc;kna fon th&aring;t jol.
+Th&aring;t is th&aring;t forma sinnebild Wr.aldas, &acirc;k fon
+t-anfang jeftha-t bijin, w&ecirc;rut tid k&ecirc;m, th&aring;t is thene
+Kroder th&ecirc;r &ecirc;vg mith th&aring;t jol mot ommehl&acirc;pa.
+Thana heth Frya th&aring;t standskrift m&acirc;kad, th&aring;t hja
+brukte to hira tex. Th&acirc; F&aring;sta &ecirc;remoder w&ecirc;re,
+heth hju-r th&aring;t run ieftha hl&acirc;pande skrift fon m&acirc;kad.
+Ther Witk&ecirc;ning th&aring;t is S&ecirc;k&ecirc;ning,
+Godfr&ecirc;iath thene alda heth th&ecirc;r asvndergana telnomar fon
+m&acirc;kad f&acirc;r stand &aring;nd rvnskrift b&ecirc;de. T is
+th&ecirc;rvmbe navt to drok that wi-r j&ecirc;rliks &ecirc;nis
+f&ecirc;st vr fyrja. Wy m&uuml;gon Wr.alda &ecirc;vg thank to wya
+th&aring;t hi sin g&acirc;st sa herde in vr vsa &ecirc;thla heth
+f&acirc;ra l&ecirc;tn. Vnder hira tid heth Finda &acirc;k en skrift
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2592" href=
+"#xd0e2592">66</a>]</span>utfvnden, men th&aring;t w&ecirc;re sa
+h&acirc;gf&acirc;rende &aring;nd fvl mith frisla &aring;nd krolum,
+th&aring;t tha afterkvmanda th&ecirc;rof thju bitjudnese ring
+vrl&ecirc;ren h&acirc;ve. Aftern&ecirc;i h&aring;von hja vs skrift
+l&ecirc;red binoma tha Finna, tha Thyrjar &aring;nd tha Krekalander.
+Men hja niston navt god, th&aring;t-et fon et jol m&acirc;kad was
+&aring;nd that-et th&ecirc;rumbe altid skr&ecirc;ven wrde moste mith
+son om. Th&ecirc;rby wildon hja th&aring;t hjara skrift
+vnl&ecirc;sb&ecirc;r skolde w&ecirc;sa far ora folkum, hwand hja
+h&aring;vath altid h&ecirc;mnesa. Thus to dvanda send hja herde fon-a
+wis r&acirc;kath, th&ecirc;rm&ecirc;tha, that ta b&aring;rn tha
+skriftun hjarar aldrum amper l&ecirc;sa en m&ucirc;ga; dahwile wy vsa
+alderaldesta skriftun &ecirc;vin r&ecirc;d l&ecirc;sa m&ucirc;ga as
+th&ecirc;ra th&ecirc;r jester skr&ecirc;ven send.</p>
+
+<p>Hir is th&aring;t stand skrift, th&ecirc;rvnder th&aring;t run
+skrift, forth tha t&aring;lnomar a byder wisa.</p>
+
+<p lang="nl-1900">(Zie <a href="#plaat2">plaat II</a>.)</p>
+
+<div class="figure" id="plaat2"><img src="images/p066.gif" alt=
+"Overzicht van het &ldquo;Oud Friese&rdquo; alfabet." width="720"
+height="883"></div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2606" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">That st&ecirc;t vp alle burgum eskr&ecirc;ven.</h2>
+
+<p>&Ecirc;r th&ecirc;re &aring;rge tid k&ecirc;m was vs l&aring;nd
+th&aring;t sk&ecirc;nneste in wr.alda. Svnne r&ecirc;s hager &aring;nd
+th&ecirc;r was sjelden frost. Anda b&acirc;ma &aring;nd tr&ecirc;jon
+waxton fr&uuml;gda &acirc;nd nochta, th&ecirc;r nw vrl&ecirc;ren send.
+Among tha g&aring;rs-s&ecirc;dum hedon wi navt alena k&ecirc;ren,
+ljaver &aring;nd blyde, men &acirc;k swete th&ecirc;r lik gold blikte
+&aring;nd th&aring;t m&aring;n vndera svnnastr&ecirc;la bakja kvste.
+J&ecirc;ron ne wrde navt ne telath, hwand th&aring;t &ecirc;ne
+j&ecirc;r was alsa blyd as et &ocirc;thera. An tha &ecirc;ne side wrdon
+wi thrvch Wr.aldas s&ecirc; bisloten, hw&ecirc;rvp n&ecirc;n folk buta
+vs navt fara ne mochte nach kvnde. Anda &ocirc;re side wrden wi thrvch
+th&aring;t br&ecirc;de Twiskl&acirc;nd vmtunad, hw&ecirc;r thrvch
+th&aring;t Findas folk navt kvma ne thvradon, fon ovira tichta walda
+&aring;nd ovir it wilde kwik. By morne paldon wi ovir it uter ende thes
+aster-s&ecirc;, by &ecirc;vind an thene <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2611" href="#xd0e2611">68</a>]</span>middels&ecirc;, alsa wi buta
+tha littiga wel twelif gr&acirc;ta swete rinstrama h&ecirc;don, vs
+thrvch Wr.alda j&ecirc;ven vmb vs l&acirc;nd elte to haldane &aring;nd
+vmb us wigandlik folk tha w&ecirc;i to wisana n&ecirc;i sina
+s&ecirc;.</p>
+
+<p>Tha owira thissar rin strama wrdon tomet algadur thrvch vs folk
+bis&ecirc;ton, &acirc;k tha fjelda an thju R&ecirc;ne fon-t &ecirc;na
+enda alon et &ocirc;re ende th&acirc;.</p>
+
+<p>To jenst-vr tha D&ecirc;namarka &aring;nd that Juttarl&acirc;nd
+h&ecirc;don wi folkplantinga mith en burchf&acirc;m, d&acirc;na wonon
+wi k&acirc;per &aring;nd yser, bijvnka t&acirc;r, p&aring;k &aring;nd
+svma &ocirc;r bihof. To jenst vr vs form&ecirc;lich Westland th&ecirc;r
+h&ecirc;don wi Brittanja mith sina tinl&acirc;na. Brittanja th&aring;t
+was th&aring;t l&acirc;nd th&ecirc;ra bannalinga, th&ecirc;r mith hulpe
+hjarar burchf&acirc;m w&ecirc;i brith w&ecirc;ron vmbe hira lif to
+bih&acirc;ldana. Thach for that hja navt to b&aring;k kvma ne skolde,
+warth er &ecirc;rost en B to f&acirc;ra hjara st&aring;r priked, tha
+bana mith r&acirc;de blod farve &aring;nd tha &ocirc;ra misd&ecirc;dar
+mith bl&acirc;we farve. Buta &aring;nd bihalva h&ecirc;don vsa stjurar
+&aring;nd k&acirc;pljvd m&ecirc;ni loge anda h&ecirc;inde
+Kr&ecirc;kalanda &aring;nd to Lydia. In vr Lydia th&ecirc;r send tha
+swarta minniska. Th&acirc; vs l&acirc;nd s&acirc; rum &aring;nd
+gr&acirc;t w&ecirc;re, h&ecirc;don wi f&ecirc;lo asondergana
+n&acirc;mon. Th&ecirc;ra tham saton bi&acirc;sten tha D&ecirc;nemarka
+wrdon Juttar h&ecirc;ton, uth&acirc;vede hja tomet navt owers ne
+d&ecirc;don as barn-st&ecirc;n juta. Hja tham th&ecirc;r saton vppa
+&ecirc;landa wrdon L&ecirc;tne h&ecirc;ten, thrvchdam hja m&ecirc;st al
+vrl&ecirc;ten l&ecirc;vadon. Alle str&acirc;nd &aring;nd skor
+h&ecirc;mar fon-a D&ecirc;nemarka alont th&ecirc;re S&aring;ndfal nw
+Skelda wrdon Stjurar<a class="noteref" id="xd0e2617src" href=
+"#xd0e2617">1</a>, S&ecirc;k&aring;mpar<a class="noteref" id=
+"xd0e2620src" href="#xd0e2620">2</a> &aring;nd Angelara<a class=
+"noteref" id="xd0e2625src" href="#xd0e2625">3</a> h&ecirc;ton. Angelara
+s&acirc; h&ecirc;ton m&acirc;n to fora tha butafiskar vmbe that hja
+alan mith angel jefta kol fiskton &aring;nd nimmer n&ecirc;n netum.
+Th&ecirc;ra th&ecirc;r th&acirc;na til tha h&ecirc;inde
+Kr&ecirc;kal&acirc;nda s&acirc;ton, wrdon bl&acirc;t
+K&acirc;d-h&ecirc;mar h&ecirc;ten, thrvch tham hja ninmerthe buta
+foron. Th&ecirc;ra th&ecirc;r in da h&acirc;ge marka s&acirc;ton,
+th&ecirc;r anna Twisklanda p&acirc;lon, wrdon Saxmanna h&ecirc;ton,
+uth&acirc;wede hja immer w&ecirc;pned w&ecirc;ron vr th&aring;t wilde
+kwik &aring;nd vrwildarda Britne. Th&ecirc;r to <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2628" href="#xd0e2628">70</a>]</span>boppa h&ecirc;don wi
+tha n&ocirc;ma Lands&acirc;ton, M&acirc;rsata<a class="noteref" id=
+"xd0e2630src" href="#xd0e2630">4</a> &aring;nd Holtjefta
+Wods&acirc;ta.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2617src" id="xd0e2617">1</a></span> Stjurar, Sturii.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2620src" id="xd0e2620">2</a></span> <span class="corr" id=
+"xd0e2621" title="Bron: S&ecirc;k&acirc;mpar">
+S&ecirc;k&aring;mpar</span>, Sicambri.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2625src" id="xd0e2625">3</a></span> Angelara, Angli.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2630src" id="xd0e2630">4</a></span> M&acirc;rsata, Marsacii.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2633" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ho arge tid k&ecirc;m.</h2>
+
+<p>H&ecirc;l thene s&uuml;mer was svnne &aring;ftere wolkum skolen, as
+wilde hja irtha navt ne sja. Wind reston in sina b&ucirc;dar, werthrvch
+r&ecirc;k &aring;nd stom lik s&ecirc;la boppa hus &aring;nd polon
+stand. Loft w&aring;rth althus drov &aring;nd dimme, &aring;nd inna tha
+hirta th&ecirc;ra m&aring;nniska was blydskip nach fr&uuml;chda. To
+midden thisre stilnise f&aring;ng irtha an to b&ecirc;vande lik as hju
+st&aring;rvande w&ecirc;re. Berga splyton fon ekkorum to sp&ecirc;jande
+fjvr &aring;nd logha, &ocirc;ra svnkon in hira sk&acirc;t del,
+&aring;nd th&ecirc;r hju &ecirc;rost fjelda h&ecirc;de; h&ecirc;jade
+hju berga vppa. Aldland<a class="noteref" id="xd0e2638src" href=
+"#xd0e2638">1</a> trvch tha stjurar Atland h&ecirc;ten svnk nyther
+&aring;nd th&aring;t wilde hef st&acirc;pton alsa n&acirc;ka wr berg
+&aring;nd d&ecirc;lon, that ella vndere s&ecirc; bidvlwen w&ecirc;re.
+F&ecirc;lo m&aring;nniska wrdon in irtha bidobben, &aring;nd f&ecirc;lo
+th&ecirc;r et fjvr vnk&ecirc;men w&ecirc;ron, k&ecirc;mon
+th&ecirc;rn&ecirc;i innet w&ecirc;ter vm. Navt all&ecirc;na inda landa
+Findas sp&ecirc;idon berga fjvr, men &acirc;k in-t Twisk-land. Walda
+b&aring;rnadon th&ecirc;rthrvch &aring;fter ekkorum &aring;nd th&acirc;
+wind d&acirc;na w&ecirc;i k&ecirc;m, th&acirc; w&acirc;jadon vsa landa
+fvl ask. Rinstr&acirc;ma wrdon vrl&ecirc;id &aring;nd by hjara mvda
+k&ecirc;mon n&ecirc;ja &ecirc;landa fon sand &aring;nd drivande kwik.
+Thrju j&ecirc;r was irtha alsa to lydande; men tha hju b&ecirc;ter
+w&ecirc;re macht m&aring;n hira vvnda sja. F&ecirc;lo landa w&ecirc;ron
+vrsvnken, &ocirc;ra uta s&ecirc; r&ecirc;sen &aring;nd th&aring;t
+Twisk-land to f&acirc;ra-n halfd&ecirc;l vntwalt. B&aring;nda Findas
+folk k&ecirc;mon tha l&ecirc;togha rumtne bif&acirc;ra. Vsa
+w&ecirc;ibritne vrdon vrdelgen jefta hja wrdon hjara harlinga.
+Th&acirc; warth w&acirc;kandom vs dvbbeld boden &aring;nd tid
+l&ecirc;rd vs that &ecirc;ndracht vsa st&aring;rikste burch is.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2638src" id="xd0e2638">1</a></span> Aldland, Atlantis.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2641" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit st&ecirc;t inna Waraburch by th&ecirc;re Aldega
+mvda wryt.</h2>
+
+<p>Thju w&acirc;raburch nis n&ecirc;n f&acirc;mnaburch, men th&ecirc;r
+in wrdon <span class="pagenum">[<a id="xd0e2646" href=
+"#xd0e2646">72</a>]</span>alla uth&ecirc;meda &aring;nd vrlandeska
+thinga w&acirc;rath, th&ecirc;r mitbrocht binne thrvch tha stjurar. Hju
+is thri p&ecirc;la, th&aring;t is en half ty s&ucirc;dwarth fon
+M&ecirc;d&ecirc;a-sblik l&ecirc;gen. Alsa is th&aring;t f&ocirc;rword:
+berga nygath thinna krunna, wolka &aring;nd str&acirc;ma w&ecirc;n.
+Jes. Sk&ecirc;nland<a class="noteref" id="xd0e2648src" href=
+"#xd0e2648">1</a> bl&ocirc;st, sl&acirc;vona folka st&ocirc;ppath vppat
+thin kl&acirc;t, o Frya.</p>
+
+<p class="aligncenter">Alsa is thju sk&ecirc;dnesse.</p>
+
+<p>100 &aring;nd 1 j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e2655src" href=
+"#xd0e2655">2</a> n&ecirc;i that &acirc;ldland svnken is, k&ecirc;m
+th&ecirc;r ut-et &acirc;sta en folk w&ecirc;i. Th&aring;t folk was
+vrdr&ecirc;ven thrvch en &ocirc;ther folk, &aring;fter vs twisk land
+kr&ecirc;jon hja twispalt, hja skifton hjara selva an twam h&acirc;pa,
+ek h&ecirc;r gvng sines w&ecirc;iges. Fon-t &ecirc;ne d&ecirc;l nis
+n&ecirc;n t&acirc;l to vs ne k&ecirc;men, men th&aring;t &ocirc;re
+d&ecirc;l fyl &aring;fter to vs Sk&ecirc;nland. Sk&ecirc;nland was
+sunnich bifolkath, &aring;nd anda &aring;fter-k&acirc;d th&aring;t
+sunnichste fon al. Th&ecirc;rvmbe machton hja-t svnder strid wrwinna,
+&aring;nd uth&acirc;wede hja &ocirc;wers n&ecirc;n l&ecirc;th ne
+d&ecirc;don, nildon wi th&ecirc;rvr n&ecirc;n orloch h&acirc;. Nw wi
+hjam h&aring;von k&aring;nna l&ecirc;red, s&acirc; willath wi ovir
+hjara s&ecirc;da skriwa, &aring;ftern&ecirc;i ho-t vs mith hjam
+forgungen is. Th&aring;t folk was navt ne wild lik f&ecirc;lo slachta
+Findas, men &ecirc;lik anda &Eacute;gipta-landar, hja h&aring;vath
+prestera lik tham &aring;nd nw hja k&aring;rka h&aring;ve &acirc;k
+byldon. Tha prestera send tha engosta h&ecirc;ra, hja h&ecirc;ton hjara
+selva M&acirc;gjara, hjara aller ovirste h&ecirc;t Magy, hi is
+h&acirc;vedprester &aring;nd k&ecirc;ning mith &ecirc;n, allet
+&ocirc;re folk is nul in-t siffer &aring;nd &ecirc;llik &aring;nd al
+vnder hjara weld. Th&aring;t folk n&ecirc;th navt &ecirc;nis en
+n&ocirc;me, thrvch vs send hja Finna h&ecirc;ten, hwand afsk&ecirc;n
+hjara f&ecirc;rsta algadur drov &aring;nd blodich send, thach send hja
+th&ecirc;r alsa fin vp, that wi th&ecirc;r bi &aring;fter st&acirc;ne,
+forth ne send hja navt to binydane, hwand hja send sl&acirc;vona fon
+tha presterum &aring;nd jeta f&uuml;l &aring;rger fon hjara
+m&ecirc;ninga. Hja m&ecirc;nath that ella fvl kvada g&acirc;ston is,
+th&ecirc;r inda m&aring;nniska &aring;nd djara gluppe, men fon Wr.aldas
+g&acirc;st n&ecirc;ton hja nawet. Hja h&aring;vath st&ecirc;ne
+w&ecirc;pne, tha Magjara k&acirc;pra. Tha Magjara tellath that hja tha
+&aring;rge g&acirc;ston <span class="pagenum">[<a id="xd0e2658" href=
+"#xd0e2658">74</a>]</span>banna &aring;nd vrbanna m&uuml;gon,
+th&ecirc;r vr is-t folk &ocirc;lan in ange fr&ecirc;se &aring;nd vppira
+w&ecirc;sa nis nimmer n&ecirc;n blydskip to bisjan. Th&acirc; hja god
+s&ecirc;ten w&ecirc;ron, sochton tha Magjara athskip bi vs, hja bogadon
+vp vsa t&acirc;l &aring;nd s&ecirc;dum, vp vs fja &aring;nd vppa vs
+ysere w&ecirc;pne, th&ecirc;r hja g&ecirc;rn to fori hjara goldun
+&aring;nd sulvere syrhedum wandela wilde, &aring;nd hjara tjoth hildon
+hja immerthe binna tha p&ecirc;lon, men th&aring;t vrskalkton vsa
+w&acirc;kendom. Achtantich j&ecirc;r forther, just w&ecirc;r-et
+jol-f&ecirc;rste, th&ecirc;r k&ecirc;mon hja vnwarlinge lik sn&ecirc;i
+thrvch stornewind dr&ecirc;wen ovir vsa landa to runnande. Th&ecirc;r
+navt flya machton wrdon vrd&ecirc;n, Frya w&aring;rth anhropen, men tha
+Sk&ecirc;nlandar h&ecirc;don hira r&ecirc;d warl&acirc;sed. Th&acirc;
+wrdon kr&aring;fta s&acirc;mlath, thri p&ecirc;lun fon Goda-his burch<a
+class="noteref" id="xd0e2660src" href="#xd0e2660">3</a> wrdon hja
+wither stonden, tha orloch bil&ecirc;v. K&acirc;t jefta
+K&acirc;ter-inne, alsa h&ecirc;te thju f&acirc;m, th&ecirc;r
+burchf&acirc;m to Goda burch was. K&acirc;t was stolte &aring;nd
+h&acirc;chf&acirc;randa, th&ecirc;rvmbe ne l&ecirc;t hju n&ecirc;n
+r&ecirc;d ni follistar anda Moder ne fr&ecirc;ja. Men th&acirc; tha
+burchh&ecirc;ra th&aring;t f&acirc;ta, th&acirc; svndon hja selva bodon
+n&ecirc;i Texl&acirc;nd n&ecirc;i th&ecirc;re Moder th&acirc;. Minna
+alsa was th&ecirc;re Moder-is n&ocirc;me, l&ecirc;t &acirc;la tha
+stjurar m&acirc;nja &aring;nd &acirc;l-et othera jongk folk fon
+Ast-flyland &aring;nd fon tha D&ecirc;nnemarkum. Ut thesse tocht is
+thju skydnese fon Wodin bern, sa-r vppa burgum wryten is &aring;nd hir
+&ecirc;skr&ecirc;ven. Anda Alder-g&acirc;mude<a class="noteref" id=
+"xd0e2663src" href="#xd0e2663">4</a> th&ecirc;r reste en alde
+s&ecirc;k&aring;ning. Sterik was sin n&ocirc;me &aring;nd tha hrop vr
+sina d&ecirc;da was gr&acirc;t. Thisse alde rob h&ecirc;de thr&ecirc;
+n&ecirc;va; Wodin thene aldeste h&ecirc;mde to Lumka-m&acirc;kja<a
+class="noteref" id="xd0e2666src" href="#xd0e2666">5</a> bi th&ecirc;re
+&Ecirc;-mude to Ast-flyland by sin eldrum t-us. &Ecirc;nes was er
+h&ecirc;rman w&ecirc;st. T&uuml;nis &aring;nd Inka w&ecirc;ron
+s&ecirc;k&aring;mper &aring;nd just nw bi hjara f&aring;derja anda
+Alderg&acirc;-mude t-vs. As tha jonga k&aring;mpar nw bi ekk&ocirc;rum
+k&ecirc;mon, k&ecirc;ron hja Wodin to hjara h&ecirc;rman jefta
+k&aring;ning ut, &aring;nd tha s&ecirc;k&aring;mpar k&ecirc;ron
+T&uuml;nis to-ra s&ecirc;k&aring;ning &aring;nd Inka to hjara skelte
+b&icirc; th&ecirc;r nacht. Tha stjurar gvngon th&acirc; n&ecirc;i tha
+D&ecirc;nnemarka f&acirc;ra, th&ecirc;r n&acirc;mon hja Wodin mith sin
+wigandlika landw&ecirc;r in. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2669"
+href="#xd0e2669">76</a>]</span>W&icirc;nd was rum &aring;nd alsa
+w&ecirc;ron hja an en &acirc;mer&icirc;ng<a class="noteref" id=
+"xd0e2671src" href="#xd0e2671">6</a> to Sk&ecirc;n land. Th&acirc; tha
+northeska brothar ra selva by-m fogath h&ecirc;de, d&ecirc;lde
+Wod&icirc;n sin weldich h&ecirc;r an thri wiga. Frya was hjara
+w&ecirc;penhrop &aring;nd s&acirc; hi b&aring;kward sloch tha Finnen
+&aring;nd M&acirc;gjara as of et b&aring;rn w&ecirc;ron. Th&acirc;
+thene M&acirc;gy forn&ocirc;m ho sin ljvd al ombrocht wrdon, th&acirc;
+sand hi bodon mith st&aring;f &aring;nd krone. Hja s&ecirc;idon to
+Wodin, o thv alra gr&acirc;teste th&ecirc;ra k&aring;ningar, wi send
+skeldich, thach al hwat wi d&ecirc;n h&aring;ve is ut n&ecirc;d
+d&ecirc;n. Je m&ecirc;ne that wi jvw brothar willengklik anfat
+h&aring;ve, men wi send thrvch vsa fyanda forth-f&ecirc;tereth
+&aring;nd thi alle send vs jeta vppa hakka. Wi h&aring;vath often helpe
+an thinre burchf&acirc;m fr&ecirc;jath, men hja neth vs navt ne meld.
+Thene M&acirc;gy s&ecirc;ith, s&acirc; hwersa wi ekk&ocirc;rum to tha
+h&aring;lte vrdva, s&acirc; skilun tha wilda skeph&aring;rdar
+k&ecirc;mon &aring;nd vs alg&acirc;dur vrdva. Thene M&acirc;gy heth
+f&uuml;l rikdom, men hi heth sjan that Frya weldiger is as al vsa
+g&acirc;ston et s&ecirc;mine. Hi wil sin h&acirc;ved in hira sk&acirc;t
+del ledsa. Thv bist thene wigandlikste k&aring;ning irthas, thin folk
+is fon yser. Warth vsa k&aring;ning &aring;nd wi alle willath thin
+sl&acirc;vona w&ecirc;sa. Hwat skolde that &ecirc;r-rik f&acirc;r-i
+w&ecirc;sa, aste tha wilda wither to l&aring;k driwa koste, vsa
+s&ecirc;fyra skolde-t rondbl&ecirc;sa &aring;nd vsa m&acirc;ra skoldon
+jv vral f&acirc;rut g&acirc;.</p>
+
+<p>Wodin was sterik, wost &aring;nd wigandl&icirc;k, men hi nas navt
+kl&acirc;r sjande, th&ecirc;rthrvch w&aring;rth i in hjar m&ecirc;ra
+fvngen &aring;nd thrvch thene M&acirc;gy kroneth. Rju f&ecirc;lo
+stjurar &aring;nd land-w&ecirc;rar, tham thisse k&ecirc;r navt ne
+sinde, br&ucirc;don stolkes hinne, K&acirc;t mith n&ecirc;mande, men
+K&acirc;t th&ecirc;r navt to f&acirc;ra th&ecirc;re Moder ner to
+f&acirc;ra th&ecirc;re m&ecirc;na acht forskine nilde, jompade wr bord.
+Th&acirc; k&ecirc;m stornewind &aring;nd f&ecirc;tere tha sk&ecirc;pa
+vppa skorra fonna <span class="corr" id="xd0e2676" title="Bron:
+Dennemar kum">Dennemarkum</span> del svnder enkel man to mistane.
+Aftern&ecirc;i h&aring;von hja tha str&ecirc;t K&acirc;tsgat<a class=
+"noteref" id="xd0e2679src" href="#xd0e2679">7</a> h&ecirc;ten.
+Th&acirc; Wodin kroned was, gvng-er <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2682" href="#xd0e2682">78</a>]</span>vppa wilda l&ocirc;s; thi
+w&ecirc;ron al rutar, lik een h&ecirc;jel buje k&ecirc;mon hja ajn
+Wodin-is h&ecirc;r, men lik en twyrne wind wendon hja omme &aring;nd ne
+thvradon n&acirc; wither forskina. As Wodin nw to b&aring;k k&ecirc;m,
+jav thene M&acirc;gy him sin toghater to-n w&icirc;f. Afternei
+w&aring;rth-i mith kr&ucirc;don bir&ecirc;kad, men th&ecirc;r
+w&ecirc;ron tawerkr&ucirc;don mong, hwand Wodin warth bi gr&acirc;dum
+alsa s&ecirc;r vrm&ecirc;ten, that-i Frya &aring;nd Wraldas g&acirc;st
+misk&aring;na &acirc;nd spota thvrade, thawyla hi sin frya hals bog to
+f&acirc;ra falska drochten-likande byldum<span class="corr" id=
+"xd0e2684" title="Niet in bron">.</span> Sin rik hilde sjvgun
+j&ecirc;r, th&acirc; vrdwind-ir<span class="corr" id="xd0e2687" title=
+"Bron: ,">.</span> Thene M&acirc;gy s&ecirc;ide that-er mong hjara
+godon<a class="noteref" id="xd0e2690src" href="#xd0e2690">8</a>
+vpnimeth w&ecirc;re, &aring;nd that hi fon th&ecirc;r over hjam welda,
+men vs folk lakton vmbe tin t&acirc;l. Th&acirc; Wodin en st&ucirc;t
+w&ecirc;i w&ecirc;st h&ecirc;de, k&ecirc;m th&ecirc;r twispalt, wi
+wildon en &ocirc;ra k&aring;ning kjasa, men th&aring;t nilde thene
+M&acirc;gy navt me hengja. Hi w&ecirc;rde that et en rjucht w&ecirc;re,
+him thrvch sina drochtne j&ecirc;ven. Buta &aring;nd bihalva thissa
+twist, sa was th&ecirc;r jet-&ecirc;n emong sin M&acirc;gjara &aring;nd
+Finna, th&ecirc;r Frya ner Wodin &ecirc;ra navt nilde, men thi
+M&acirc;gy d&ecirc;de as-t im sinde, hwand sin toghater h&ecirc;de en
+svn bi Wodin wvnen, &acirc;nd nw wilde thene M&acirc;gy that thisse fon
+en h&acirc;ge kom-of w&ecirc;sa skolde. Thawyla alle sanade &aring;nd
+twista, kr&ocirc;nade hi thene kn&acirc;p to k&aring;ning &aring;nd
+st&aring;lade hin sels as foged &aring;nd foramond jefta
+r&ecirc;dj&ecirc;var an. Th&ecirc;ra th&ecirc;r m&acirc;r hildon fon
+hjara balg as fon th&aring;t rjucht, tham l&ecirc;ton him bidobba, men
+tha goda br&ucirc;don w&ecirc;i. F&ecirc;lo M&acirc;gjara flodon mith
+hjara ljvda b&aring;k ward, &aring;nd tha stjurar gvngon to skip
+&aring;nd en h&ecirc;r fon drista Finna gvngen as rojar mitha.</p>
+
+<p>Nw kvmath tha sk&ecirc;dnese fon n&ecirc;f T&uuml;nis &aring;nd sin
+n&ecirc;f Inka &ecirc;rost rjucht vppet pat.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2648src" id="xd0e2648">1</a></span> Sk&ecirc;nland, Scania,
+Scandinavia.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2655src" id="xd0e2655">2</a></span> 2198 - 101 = 2092 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2660src" id="xd0e2660">3</a></span> Goda-hisburch,
+Gothenburg.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2663src" id="xd0e2663">4</a></span> Alderga, Ouddorp (bij
+Alkmaar).</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2666src" id="xd0e2666">5</a></span> Lumkam&acirc;kja
+bith&ecirc;re Emuda, Embden.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2671src" id="xd0e2671">6</a></span> Amering, nog in N.-Holland in
+gebruik, beteekent daar: ademtocht, oogenblik. Cf. Kiliaan in voce.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2679src" id="xd0e2679">7</a></span> K&acirc;tsgat, het
+Kattegat.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2690src" id="xd0e2690">8</a></span> Wodin, Odin, Wodan.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2695" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit ella stet navt all&ecirc;na vpper Waraburgh men
+ok to th&ecirc;re burch Stavia, th&ecirc;r is lidsen aftere have fon
+Stavre.</h2>
+
+<p>Tha T&uuml;nis mith sinum sk&ecirc;pum to honk k&ecirc;ra wilde,
+gvng-i thet forma vppa D&acirc;nnemarka of, men hi ne macht th&ecirc;r
+navt <span class="pagenum">[<a id="xd0e2700" href=
+"#xd0e2700">80</a>]</span>ne landa, th&aring;t h&ecirc;de thju Moder
+bisjowath. Ak et Flyland ne macht-er navt ne landa &aring;nd forth
+n&aring;rne. Hi skold alsa mith sinum ljvdum fon lek &aring;nd brek
+omkomth h&aring;ve, th&ecirc;r vmbe gvngon hja thes nachtis tha landa
+bir&acirc;wa &aring;nd f&acirc;ra bi d&ecirc;i. Alsa alinga th&ecirc;re
+k&acirc;d forth farande k&ecirc;mon hja to th&ecirc;re folkplanting
+K&acirc;dik<a class="noteref" id="xd0e2702src" href="#xd0e2702">1</a>,
+althus h&ecirc;ten vmbe that hjara have thrvch &ecirc;ne st&ecirc;nene
+k&acirc;dik formath was. Hir selladon hja allerhanne liftochta, men
+Tutja thju burchf&acirc;m nilde navt d&acirc;ja that hja-ra selva
+nither setta. Th&acirc; hja r&ecirc;d w&ecirc;ron kr&ecirc;jon hja
+twist. T&uuml;nis wilde thrvch thju str&ecirc;te fon tha middels&ecirc;
+vmbe to f&acirc;rane f&acirc;r tha rika k&aring;ning fon Egiptalandum,
+lik hi wel &ecirc;r d&ecirc;n h&ecirc;de, men Inka s&ecirc;ide, that-i
+sin nocht h&ecirc;de fon al et Findas folk. Inka m&ecirc;nde that er
+byskin wel en hach d&ecirc;l fon Atland by wysa fon &ecirc;land
+vrbil&ecirc;wen skolde w&ecirc;sa, th&ecirc;r hi mith tha ljvdum
+fr&ecirc;thoch l&ecirc;va machte. As tha b&ecirc;da n&ecirc;va-t-althus
+navt &ecirc;nes wrde koste, gvng T&uuml;nis to &aring;nd stek en
+r&acirc;de f&ocirc;ne in-t str&acirc;nd, &aring;nd Inka &ecirc;ne
+bl&acirc;we. Th&ecirc;r &aring;fter macht jahw&ecirc;der kjasa, hwam ek
+folgja wilde, &aring;nd wonder, by Inka th&ecirc;r en gryns h&ecirc;de
+vmbe tha k&aring;ningar fon Findas folk to thjanja, hlipon tha
+m&acirc;sta Finna &aring;nd M&acirc;gjara ovir. As hja nw th&aring;t
+folk tellath &aring;nd tha sk&ecirc;pa th&ecirc;r n&ecirc;i
+d&ecirc;lath h&ecirc;de, tha sk&ecirc;don tha fl&acirc;ta fon ekkorum;
+fon n&ecirc;f T&uuml;nis is &aring;ftern&ecirc;i t&acirc;l k&ecirc;men,
+fon n&ecirc;f Inka ninmer.</p>
+
+<p>N&ecirc;f T&uuml;nis for allinggen th&ecirc;re k&acirc;d al thrvch
+thju porte th&ecirc;re middels&ecirc;. Tha Atland svnken is, was-t-inna
+middels&ecirc; ra owera &acirc;k &aring;rg to gvngen. Th&ecirc;rthrvch
+w&ecirc;ron th&ecirc;r f&ecirc;lo m&aring;nniska fon-t Findas land
+n&ecirc;i vsa h&ecirc;inde &aring;nd f&ecirc;re Kr&ecirc;kalanda kvmen
+&aring;nd &acirc;k f&ecirc;lo fon Lyda-his land. Th&ecirc;r &aring;jn
+w&ecirc;ron &acirc;k f&ecirc;lo fon vs folk n&ecirc;i Lydas land
+gvngon. Th&aring;t ella h&ecirc;de wrocht, that tha h&ecirc;inde
+&aring;nd f&ecirc;re Kr&ecirc;kalanda far th&aring;t weld h&ecirc;re
+Moder vrl&ecirc;ren was. Th&ecirc;r h&ecirc;de T&uuml;nis vp
+r&ecirc;kned. Th&ecirc;rvmbe wilde hi th&ecirc;r en gode h&acirc;ve
+kjasa &aring;nd fon th&ecirc;r ut fara <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2707" href="#xd0e2707">82</a>]</span>rikka forsta f&acirc;ra, men
+thrvchdam sine fl&acirc;te &aring;nd sin folk sa wanh&acirc;ven
+utsagon, m&ecirc;ndon tha K&acirc;dh&ecirc;mer that hja r&acirc;wera
+w&ecirc;ron, &aring;nd th&ecirc;rvmbe wrdon hja vral w&ecirc;rath. Tha
+to tha lesta k&ecirc;mon hja an to Phonisivs k&acirc;d, that w&ecirc;re
+100 &aring;nd 93 j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e2709src" href=
+"#xd0e2709">2</a> n&ecirc;i <span class="corr" id="xd0e2712" title=
+"Bron: &acirc;tland">&Acirc;tland</span> svnken is. N&ecirc;i bi
+th&ecirc;re k&acirc;d fvndon hja en &ecirc;land mith twam diapa slinka,
+alsa-t as thrju &ecirc;landa utsach. Vppet midloste th&ecirc;ra staldon
+hja hjara skula vp, &aring;ftern&ecirc;i bvwadon hja th&ecirc;r en
+burchwal om to. As hja th&ecirc;ran nw en n&ocirc;me j&ecirc;va wilde,
+wrdon hja vn&ecirc;nes, svme wild-et Fryasburch h&ecirc;ta, &ocirc;ra
+N&ecirc;f t&uuml;nia, men tha M&acirc;gjara &aring;nd tha Finna
+b&acirc;don th&aring;t skolde Thyrhisburch<a class="noteref" id=
+"xd0e2715src" href="#xd0e2715">3</a> h&ecirc;te. Thyr<a class="noteref"
+id="xd0e2718src" href="#xd0e2718">4</a> alsa h&ecirc;ton hja &ecirc;n
+hjarar drochtena &aring;nd vppe tham-is j&ecirc;rd&ecirc;i w&ecirc;ron
+hja th&ecirc;r land, to wither-jeld wildon hja T&uuml;nis &ecirc;vg as
+hjara k&aring;ning bik&aring;nne. T&uuml;nis l&ecirc;t im bil&ecirc;sa
+&aring;nd tha &ocirc;ra nildon th&ecirc;rvr n&ecirc;n orloch ne
+h&acirc;. Th&acirc; hja nw god s&acirc;ton, th&acirc; sandon hja svme
+alde stjvrar &aring;nd m&acirc;gjara ana w&acirc;l &aring;nd
+forthn&ecirc;i th&ecirc;re burch Sydon, men that forma nildon tha
+K&acirc;dh&ecirc;mar nawet fon-ra n&ecirc;ta. Thv bist
+f&ecirc;rh&ecirc;manda sw&aring;rvar s&ecirc;idon hja, th&ecirc;r wi
+navt hachta ne m&uuml;ge. Tha th&acirc; wi hjam fon vsa ysera
+w&ecirc;pne vrsella wilde, gvng to lersta ella god, &acirc;k
+w&ecirc;ron hja s&ecirc;r ny n&ecirc;i vsa b&aring;rnst&ecirc;num
+&aring;nd th&aring;t fr&ecirc;ja th&ecirc;r n&ecirc;i nam n&ecirc;n
+ende. Men T&uuml;nis th&ecirc;r f&aring;rsjande w&ecirc;re, b&aring;rde
+that er n&ecirc;n ysere w&ecirc;pne ner b&aring;rnst&ecirc;ne m&acirc;r
+h&ecirc;de. Th&acirc; k&ecirc;mon tha k&acirc;pljvd &aring;nd
+b&acirc;don hi skolde twintich sk&ecirc;pa j&ecirc;va, th&ecirc;r hja
+alle mith-a finneste w&ecirc;rum tho hr&ecirc;da wilde, &aring;nd hja
+wildon him alsa f&ecirc;lo ljvda to rojar j&ecirc;va as-er j&ecirc;rde.
+Tw&ecirc;-lif sk&ecirc;pa l&ecirc;t-i-to hr&ecirc;da mith win hvning
+&aring;nd tom&acirc;kad l&ecirc;ther, th&ecirc;r bi w&ecirc;ron
+t&aring;mar &aring;nd sitlun mith gold wrt&ecirc;in sa m&aring;n hja
+ninmer n&ecirc;de sjan. Mith al thi sk&aring;t fyl T&uuml;nis
+th&aring;t Flymar binna. Thi gr&ecirc;vaman fon Westflyland w&aring;rth
+thrvch al thessa thinga big&acirc;stered, hi <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2721" href="#xd0e2721">84</a>]</span>wrochte that T&uuml;nis bi
+th&ecirc;re mvde fon-t Flymar en loge bvwa m&acirc;chte,
+&aring;ftern&ecirc;i is thju st&ecirc;d Almanaland<a class="noteref"
+id="xd0e2723src" href="#xd0e2723">5</a> heten &aring;nd tha mark
+th&ecirc;r hja <span class="corr" id="xd0e2726" title="Bron:
+&aring;fternei">&aring;ftern&ecirc;i</span> to Wyringg&acirc;<a class=
+"noteref" id="xd0e2729src" href="#xd0e2729">6</a> vp wandelja machton
+tol&ecirc;tmark. Thju Moder r&ecirc;de that wi ra ella vrk&acirc;pja
+skolde buta ysere w&ecirc;pne, men m&aring;n ne melde hja navt.
+Th&acirc; tha Tyrjar thus fry spel h&ecirc;don, k&ecirc;mon hja
+&acirc;lan wither to farand vsa w&ecirc;ron s&acirc; h&ecirc;inde as
+f&ecirc;re vsa ajn s&ecirc;k&aring;mpar to sk&acirc;dne.
+Th&ecirc;r&aring;fter is bisloten vpper m&ecirc;na acht, j&ecirc;rlikes
+sjvgun Thyrjar sk&ecirc;pa to to l&ecirc;tane &aring;nd navt mar.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2702src" id="xd0e2702">1</a></span> K&acirc;dik, Cadix.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2709src" id="xd0e2709">2</a></span> 2193 - 193 = 2000 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2715src" id="xd0e2715">3</a></span> Thyrhisburch, Tyrus.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2718src" id="xd0e2718">4</a></span> Thyr, de zoon van Odin.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2723src" id="xd0e2723">5</a></span> Almanaland, Ameland.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2729src" id="xd0e2729">6</a></span> <span class="corr" id=
+"xd0e2730" title="Bron: Wyring&acirc;">Wyringg&acirc;</span>,
+Wieringen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2734" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hwat th&ecirc;r of wrden is.</h2>
+
+<p>Inner northlikste herne fon tha Middels&ecirc;, th&ecirc;r
+l&ecirc;id en &ecirc;land by th&ecirc;re k&acirc;d. Nw k&ecirc;mon hja
+th&aring;t a k&acirc;p to fr&ecirc;jande. Th&ecirc;rvr w&aring;rth ene
+m&ecirc;na acht bil&ecirc;id. Moder-is r&ecirc;d w&aring;rth wnnen, men
+Moder sach ra lyast f&ecirc;r of. Th&ecirc;rvmbe m&ecirc;nde hju that
+er n&ecirc;n kw&acirc; an stek, thach as wi &aring;ftern&ecirc;i
+s&acirc;gon ho wi misd&ecirc;n h&ecirc;de h&aring;von wi th&aring;t
+&ecirc;land Missellja<a class="noteref" id="xd0e2739src" href=
+"#xd0e2739">1</a> h&ecirc;ten. Hir&aring;fter skil blika ho wi
+th&ecirc;r to r&ecirc;de h&ecirc;de. Tha Gola,<a class="noteref" id=
+"xd0e2742src" href="#xd0e2742">2</a> alsa heton tha s&aring;ndalinga
+prestera Sydon-is<span class="corr" id="xd0e2745" title="Bron:
+.">,</span> tha Gola h&ecirc;don wel sjan thet et land th&ecirc;r
+skares bifolkad was &aring;nd f&ecirc;r fon th&ecirc;re Moder
+w&ecirc;re. Vmb ira selva nw en gode skin to j&ecirc;vane, l&ecirc;ton
+hja ra selva in vsa t&acirc;l ana trowe wydena h&ecirc;ta, men that
+w&ecirc;re b&ecirc;tre w&ecirc;st, as hja ra selva fon th&ecirc;re
+trowe wendena n&ocirc;math h&ecirc;de, jefta kirt wei trjuwendne lik
+vsa stjurar l&ecirc;ter d&ecirc;n h&aring;ve. Th&acirc; hja wel
+s&ecirc;ton w&ecirc;ron, tha wandeldon hjara k&acirc;pljuda sk&ecirc;ne
+k&acirc;pre w&ecirc;pne &aring;nd allerl&ecirc;ja syrh&ecirc;don to
+fara vsa ysere w&ecirc;pne &aring;nd wilde djara huda, w&ecirc;rfon in
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2748" href=
+"#xd0e2748">86</a>]</span>vsa suder landa f&ecirc;lo to bikvma
+w&ecirc;ron. Men tha Gola fyradon allerh&acirc;na wla drochtenlika
+f&ecirc;rsta &acirc;nd to tyadon tha kadh&ecirc;mar th&ecirc;ra thrvch
+todvan hjarar horiga mangh&ecirc;rtne &aring;nd tha sw&ecirc;t
+h&ecirc;d fon hjara fininnige win. Was th&ecirc;r hwa fon vs folk
+th&ecirc;r-et alsa &aring;rg vrbrud h&ecirc;de, that sin lif in
+fr&ecirc;se k&ecirc;m, than l&ecirc;nadon tha gola him hul &aring;nd
+foradon him n&ecirc;i Phonisia, that is palmland. Was hi th&ecirc;r
+s&ecirc;ten, th&aring;n most-i an sina sibba &aring;nd &acirc;tha
+skriwa, that-et land s&acirc; god w&ecirc;re &acirc;nd tha
+m&aring;nniska s&acirc; luklik, as ninm&aring;n hin selva mocht
+forbylde. A Brittannja w&ecirc;ron rju f&ecirc;lo manna, tha lith wiva,
+th&acirc; tha Gola that wiston, l&ecirc;ton hja alw&ecirc;is
+mangh&ecirc;rtne sk&acirc;ka &aring;nd thessa javon hja tha Britne vmb
+nawet. Thach al thissa mangh&ecirc;rtne <span class="corr" id=
+"xd0e2750" title="Bron: weron">w&ecirc;ron</span> hjara thjansterum,
+th&ecirc;r tha bern fon Wr&acirc;lda stolon vmb-ar an hjara falske
+drochtne to j&ecirc;vane.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2739src" id="xd0e2739">1</a></span> Missellja, Marseille.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2742src" id="xd0e2742">2</a></span> Gola, Galli, Gaulois.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2753" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nw willath wi skriwa vr tha orloch th&ecirc;ra
+burchfamna Kalta and Min-erva</h2>
+
+<p>And ho wi th&ecirc;r thrvch al vsa s&ucirc;derlanda &aring;nd
+Brittanja anda Gola vrl&ecirc;ren h&aring;ve.</p>
+
+<p>Bi th&ecirc;re S&ucirc;der-r&ecirc;n-mvda &aring;nd th&ecirc;re
+Skelda, th&ecirc;r send sjvgun &aring;landa, n&ocirc;math n&ecirc;i
+Fryas sjvgum w&acirc;kf&acirc;mkes there w&ecirc;k. Middel vppet
+&ecirc;ne &aring;land is thju burch<a class="noteref" id="xd0e2760src"
+href="#xd0e2760">1</a> Walhallag&acirc;ra, inut tha w&acirc;grum
+th&ecirc;ra is thju folgjande sk&ecirc;dnesse wr&icirc;ten. Th&ecirc;r
+bvppa st&ecirc;t: l&ecirc;s, l&ecirc;r &aring;nd w&acirc;k.</p>
+
+<p>563 j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e2765src" href=
+"#xd0e2765">2</a> n&ecirc;i &acirc;ldland svnken is, sat hir en wise
+burch f&acirc;m, Min-erva was hira n&ocirc;ma. Thrvch tha stjurar
+Nyhell&ecirc;nja ton&ocirc;math. This ton&ocirc;ma was god k&ecirc;ren,
+hwand tha r&ecirc;d, th&ecirc;r hju l&ecirc;nade, was ny &aring;nd hel
+bvppa alle &ocirc;therum. Overa Skelda et th&ecirc;re Flyburch sat
+Syrh&ecirc;d. Thjus f&acirc;m was fvl renka, sk&ecirc;n was r-anhlith
+&aring;nd kwik was <span class="pagenum">[<a id="xd0e2771" href=
+"#xd0e2771">88</a>]</span>hira tvnge, men thi r&ecirc;d th&ecirc;r hju
+jef, was immer in thjustere worde. Th&ecirc;r vmbe warth hju thrvch tha
+stjurar K&aring;lta h&ecirc;ten, tha lands&acirc;ta m&ecirc;nadon that
+et en &ecirc;rn&ocirc;ma w&ecirc;ra. Inna &ucirc;troste wille
+th&ecirc;re vrsturvene Moder stand R&ocirc;sa-mvda thet forma, Min-erva
+thet tw&ecirc;de &aring;nd Syrh&ecirc;d thet thredde as folgstere
+biskreven. Min-erva n&ecirc;de th&ecirc;r n&ecirc;n wit fon, men
+Syrh&ecirc;d was er thrvch knaked. Lik en wrlandeske forstinne wilde
+hju &ecirc;rath fr&ecirc;sath &aring;nd b&ecirc;den w&ecirc;sa, men
+Min-erva wilde enkel minth w&ecirc;sa. To tha lesta k&ecirc;mon alle
+stjurar hiri hjara held bjada, selva fon tha Dena-marka &aring;nd <span
+class="corr" id="xd0e2773" title="Bron: fon t">fon-t</span> Flymar.
+That vvnde Syrh&ecirc;d, hwand hju wilde bvppa Min-erva utminthja. Til
+thju m&aring;n en gr&ocirc;te th&aring;nk ovir hira w&acirc;kendum
+h&aring;va skolde, myk<a class="noteref" id="xd0e2776src" href=
+"#xd0e2776">3</a> hju ennen h&ocirc;na vpper f&acirc;ne. Th&acirc; gvng
+Min-erva to &aring;nd myk en h&aring;rder hvnd &aring;nd en nachtul in
+vppira f&acirc;ne. Thene hvnd s&ecirc;ide hju w&acirc;kt ovir sin
+h&ecirc;r &aring;nd ovira kidda &aring;nd thene nachtul w&acirc;kt
+ovira fjelda til thju hja thrvch tha musa navt vrd&ecirc;n ne wrde. Men
+thene h&ocirc;na neth far nimman frjundskip, &aring;nd thrvch sin
+vntocht &aring;nd h&acirc;chf&acirc;renh&ecirc;d is er vaken thene
+b&acirc;na sinra n&ecirc;ista sibba wrden. As Kalta sach that er
+w&aring;rk falikant ut k&ecirc;m, to gvng hju fon kwad to &aring;rger.
+Stolkes l&ecirc;t hju M&acirc;gjara to hiri kvma vmbe t&acirc;wery to
+l&acirc;rane. As hju th&ecirc;r hira nocht fon h&ecirc;de, werpte hju
+hira selva anda &aring;rma th&ecirc;ra Golum, thach fon al thi
+misd&ecirc;don ne macht hju navt b&ecirc;tre ne wrde. As hju sach that
+tha stjurar m&acirc;r &aring;nd m&acirc;r fon iri w&ecirc;ke, tha wilde
+hju ra thrvch fr&ecirc;se winna. Was tha m&ocirc;ne fvl &aring;nd thene
+s&ecirc; vnstumich, than hlip hju over et wilde hef, tha stjurar to
+hropande that hja alle skolde vrg&acirc;n, sahwersa hja hiri navt
+anbidda nilde. Forth vrblinde hju hira &acirc;gun hw&ecirc;r thrvch hja
+w&ecirc;ter fori land &aring;nd land fori w&ecirc;ter hildon,
+th&ecirc;rthrvch is m&acirc;ni skip vrgvngen mith m&aring;n &aring;nd
+mus. Vppet forma w&ecirc;rf&ecirc;rste tha al hira lands&acirc;ta
+w&ecirc;pned w&ecirc;ron, l&ecirc;t hju b&aring;rga bjar sk&aring;nka,
+in th&aring;t bjar h&ecirc;de hju t&acirc;verdrank d&ecirc;n. As et
+folk nv alg&acirc;dur <span class="pagenum">[<a id="xd0e2779" href=
+"#xd0e2779">90</a>]</span>drunken w&ecirc;re, gvng hju bvppen vp hira
+stridhros standa, to l&ecirc;nande mith hira hole tojenst hira
+sp&ecirc;ri, m&ocirc;rner&acirc;d ne kv navt sk&ecirc;ner. Tha hja sach
+that alle &ocirc;gon vpper f&aring;stigath w&ecirc;ron &ecirc;pende hju
+hira w&ecirc;ra &aring;nd k&ecirc;th, svnum &aring;nd thogatrum Fryas,
+i w&ecirc;t wel that wi inna lerste tyd f&ucirc;l lek &aring;nd brek
+l&ecirc;den h&aring;ve, thrvchdam tha stjurar navt l&ocirc;nger kvme
+vmb vs skriffilt to vrsella, men i n&ecirc;te navt hw&ecirc;rthrvch et
+kvmen is. L&ocirc;ng h&aring;v ik my th&ecirc;r vr inhalden, thach nv
+k&aring;n-k-e tnavt l&ocirc;nger &ocirc;n. Hark then frjunda til thju i
+w&ecirc;ta m&uuml;ge hw&ecirc;rn&ecirc;i i bita m&ecirc;i. Anda
+&ocirc;ra syde th&ecirc;re Skelda hw&ecirc;r hja tomet tha f&ecirc;rt
+fon alle s&ecirc;a h&aring;ve, th&ecirc;r m&acirc;kath hja hjvd
+d&ecirc;gon skriffilt fon pompa bl&ecirc;dar, th&ecirc;r mith sparath
+hja linnent ut &aring;nd k&aring;nnath hja vs wel miste. N&ecirc;idam
+th&aring;t skriffilt m&acirc;kja nv alti vs gr&acirc;teste bydriv
+w&ecirc;st is, s&acirc; heth thju Moder wilt that m&aring;n et vs
+l&ecirc;ra skolde. Men Minerva heth al et folk bihexnath, jes bihexnath
+frjunda, ivin as al vs fja th&aring;t l&aring;sten sturven is. Er-ut
+mot-et, ik wil thi tella, nas-k n&ecirc;n burchf&acirc;m ik skold et
+wel w&ecirc;ta, ik skolde thju hex in hjara nest vrbarne. Th&acirc; hju
+thi lerste worda ut h&ecirc;de, spode hju hira selva n&ecirc;i hira
+burch tha, men th&aring;t vrdrvnken folk was althus d&ecirc;nera
+big&acirc;stered, that et vr sin r&ecirc;de navt mocht to w&acirc;kane.
+In dvl-dryste iver gvngon hja overa Sand fal &aring;nd n&ecirc;idam
+nacht midlerwil del str&ecirc;k gvngon hja evin drist vpper burch
+l&ocirc;s<span class="corr" id="xd0e2781" title="Bron: ,">.</span>
+Thach K&aring;lta miste al hwither hira dol, hwand Minerva &aring;nd
+hira f&acirc;mna &aring;nd tha foddik wrdon alle thrvch tha r&aring;ppa
+stjurar hreth.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2760src" id="xd0e2760">1</a></span> Middelburg.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2765src" id="xd0e2765">2</a></span> 2193 - 563 = <span class=
+"corr" id="xd0e2767" title="Bron: 1600">1630</span> v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2776src" id="xd0e2776">3</a></span> Myk wordt nog op Walcheren
+gehoord.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2784" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hirby kvmth tha sk&ecirc;dnesse fon Jon.</h2>
+
+<p>Jon, J&ocirc;n, Jhon &aring;nd J&acirc;n is al &ecirc;n mith
+j&ecirc;ven, thach thet l&ecirc;it anda utspr&ecirc;k th&ecirc;ra
+stjurar, th&ecirc;r thrvch wenh&ecirc;d ellas bikirta vmbit f&acirc;ra
+&aring;nd hard hropa to mvgane. Jon th&aring;t is j&ecirc;va was
+s&ecirc;k&ecirc;ning, bern to-t-Alderg&acirc;, to-t Flymar ut <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2789" href=
+"#xd0e2789">92</a>]</span>f&acirc;ren mith 100 &aring;nd 27
+sk&ecirc;pum, tohr&ecirc;th f&acirc;r en gr&ocirc;te butar&ecirc;is,
+rik to l&ecirc;den mith b&aring;rnst&ecirc;n, tin, k&acirc;per, yser,
+l&ecirc;ken, linnent, filt, f&acirc;mna filt fon otter, b&ecirc;ver
+&aring;nd kanina h&ecirc;r. Nw skold er fon hir jeta skriffilt mith
+nimma; tha to Jon hir k&ecirc;m &aring;nd sach ho K&aring;lta vsa rom
+rika burch vrd&ecirc;n h&ecirc;de, th&acirc; w&aring;rther s&acirc;
+uter m&ecirc;te heftich, that er mith al sinum ljudum vpper Flyburch of
+gvng &aring;nd th&ecirc;r to witterjeld thene r&acirc;da h&ocirc;ne an
+stek. Men thrvch sin skelta bi nacht &aring;nd svme sinra ljudum
+w&aring;rth thju foddik &aring;nd tha f&aring;mna hret. Tach
+Syrh&ecirc;d jefta K&aring;lta ne mochton hja navt to f&acirc;tane, hju
+klvwde vppa utroste tinne, jahweder tochte that hju inna logha omkvma
+moste, th&acirc; hwat b&ecirc;rde? Dahwile al hira ljuda st&aring;k
+&aring;nd stif fon skrik standon, k&ecirc;m hju sk&ecirc;ner as
+&acirc;-to fora vp hira kl&ecirc;ppar to hropande n&ecirc;i K&aring;lta
+min-&acirc;is<a class="noteref" id="xd0e2791src" href=
+"#xd0e2791">1</a><span class="corr" id="xd0e2793" title="Niet in
+bron">.</span> Th&acirc; str&acirc;mada th&aring;t ora Skelde folk to
+h&acirc;pa. As tha stjurar that s&acirc;gon hripon hja f&acirc;r
+Minerva wy. En orloch is th&ecirc;rut kvmen, hw&ecirc;rthrvch thvsande
+fallen send.</p>
+
+<p>Under thesse tidon was R&ocirc;samond th&aring;t is R&ocirc;sa mvda
+Moder, hju h&ecirc;de f&ucirc;l in th&ecirc;re minne d&ecirc;n vmbe
+fr&ecirc;tho to w&acirc;rja, tach nw-t alsa &aring;rg k&ecirc;m, myk
+hju kirte m&ecirc;te. Bistonda sand hju bodun thrvch tha land
+p&acirc;la &aring;nd l&ecirc;t en m&ecirc;na n&ecirc;dban
+utk&egrave;tha, th&acirc; k&ecirc;mon th&acirc; landw&ecirc;rar ut alle
+wrda w&ecirc;i. Th&aring;t strydande land folk w&aring;rth al fat, men
+Jon burch hin selva mith sin ljud vppa sina fl&acirc;te, mith nimand
+b&ecirc;da tha foddika, byonka Minerva &aring;nd tha f&acirc;mna fon
+b&ecirc;dar burchum. Helprik thene h&ecirc;rman l&ecirc;t-im in banna,
+men tha hwila alle w&ecirc;rar jeta o-ra Skelda w&ecirc;ron for Jon to
+bek n&ecirc;i-t Flymar &aring;nd forth wither n&ecirc;i vsa
+&aring;landum. Sin ljud &aring;nd f&ecirc;lo fon vs folk namon wif
+&aring;nd bern sk&ecirc;p, &aring;nd as Jon nw sach that m&aring;n hin
+&aring;nd sin ljud lik misd&ecirc;dar strafja wilde, brudon hi stolkes
+hinne. Hi d&ecirc;de rjucht, hwand al vsa landar &aring;nd allet ora
+Skelda folk th&ecirc;r fjuchten h&ecirc;don <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2801" href="#xd0e2801">94</a>]</span>wrdon n&ecirc;i Brittanja
+brocht. Thius stap was mis d&ecirc;n, hwand nv k&ecirc;m t-anfang fon
+th&aring;t ende:</p>
+
+<p>K&aring;lta th&ecirc;r n&ecirc;i-t segse &ecirc;ven blyd vppet
+w&ecirc;ter as vppet land hl&acirc;pa machte, gvng n&ecirc;i tha
+f&aring;sta wal, &aring;nd forth vppa Missellja of. Th&acirc;
+k&ecirc;mon tha Gola mith hjara skepum ut-a Middels&ecirc; K&acirc;dik
+bif&acirc;ra &aring;nd &ecirc;l vs uter land, forth fylon hja vp
+&aring;nd over Brittannja thach hja ne mochton th&ecirc;r n&ecirc;n
+f&aring;sta fot ne kr&ecirc;ja, vmbe th&aring;t tha sjvrda weldich
+&aring;nd tha bannalinga jeta fryas w&ecirc;ron. Men nw k&ecirc;m
+K&aring;lta &aring;nd k&ecirc;th, thv bist fry bern &aring;nd vmbe
+litha l&ecirc;ka heth m&aring;n thi to vrwurpene m&acirc;kad, navt vmbe
+thi to b&ecirc;terja, men vmbe tin to winnande thrvch thina handa.
+Wilst w&ecirc;r fry w&ecirc;sa &aring;nd vnder mina r&ecirc;d &aring;nd
+hoda l&ecirc;va, tj&aring;n ut then, w&ecirc;pne skilun thi wrda,
+&aring;nd ik skil w&acirc;ka o-er thi. Lik blixen fjur gvng et o-era
+&aring;landa, &aring;nd &ecirc;r thes Kroders jol &ecirc;nis
+omhl&acirc;pen h&ecirc;de, was hju m&acirc;sterinne over al gadur
+&aring;nd tha Thyrjar fon al vsa suder st&acirc;ta til th&ecirc;re
+S&ecirc;jene.<a class="noteref" id="xd0e2805src" href="#xd0e2805">2</a>
+Vmbe that K&aring;lta hira selva navt to f&uuml;l bitrowada, l&ecirc;t
+hju in-et northlika berchland &ecirc;ne burch bvwa K&aring;lta-s burch
+w&aring;rth hju h&ecirc;ten, hju is jet anw&ecirc;sa, men nv h&ecirc;t
+hja K&ecirc;ren-&aring;k. Fon thjus burch welde hju lik en efte moder,
+navt to wille f&acirc;r men over hira folgar &aring;nd tham hjara selva
+forth K&aring;ltana<a class="noteref" id="xd0e2808src" href=
+"#xd0e2808">3</a> h&ecirc;ton. Men tha Gola weldon by gr&acirc;don over
+&ecirc;l Brittanja, th&aring;t k&ecirc;m &ecirc;nis d&ecirc;lis that
+hju n&ecirc;n m&acirc;r burga n&ecirc;de, twyas that hju th&ecirc;r
+n&ecirc;n burchf&acirc;mna n&ecirc;de &aring;nd thryas thrvchdam hju
+n&ecirc;n efte foddik navt n&ecirc;de. Thrvch al thessa
+&ecirc;rs&ecirc;ka kvn hira folk navt ni l&ecirc;ra, th&aring;t wrde
+dvm &aring;nd dor &aring;nd wrde endelik thrvch tha Gola fon al hira
+ysera w&ecirc;pne bir&acirc;wath &aring;nd to th&aring;t lesta lik en
+buhl by th&ecirc;re n&ocirc;se omme l&ecirc;id. <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2813" href="#xd0e2813">96</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2791src" id="xd0e2791">1</a></span> K&acirc;lta Min-his,
+Minnesdochter?</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2805src" id="xd0e2805">2</a></span> S&ecirc;jene, de Seine.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2808src" id="xd0e2808">3</a></span> <span class="corr" id=
+"xd0e2809" title="Bron: K&acirc;ltana">K&aring;ltana</span>,
+Celtae.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2815" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nv willath wi skriva ho-t Jon vrgvngen is, thit
+st&ecirc;t to Texland skr&ecirc;ven.</h2>
+
+<p>10 j&ecirc;r &aring;fter Jon w&ecirc;i brit was, k&ecirc;mon hyr
+thrju sk&ecirc;pa in-t Flymar falla, th&aring;t folk hrip
+ho-n-s&ecirc;jen, fon hira t&aring;linga heth thju Moder thit skrywa
+l&ecirc;ten. Th&acirc; Jon antha Middels&ecirc; k&ecirc;m was then
+m&acirc;ra th&ecirc;ra Gola hin vral f&acirc;r ut gvngen, alsa hi an
+th&ecirc;ri k&acirc;d fon tha h&ecirc;inda Kr&ecirc;kalanda n&aring;rne
+f&ecirc;lich n&ecirc;re. Hi st&ecirc;k thus mith sinum fl&acirc;te
+n&ecirc;i Lydia, th&aring;t is Lyda his l&acirc;nd, th&ecirc;r wildon
+tha swarta m&aring;nniska f&acirc;ta hjam &aring;nd &ecirc;ta. To tha
+lesta k&ecirc;mon hja et Thyrhis, men Minerva s&ecirc;ide hald of,
+hwand hir is thju loft &ocirc;langne vrpest thrvch tha prestera. Thi
+k&aring;ning was fon T&uuml;nis ofstamed, s&acirc; wi l&ecirc;ter
+h&ecirc;rdon, men til thju tha prestera en k&aring;ning wilde
+h&aring;ve th&ecirc;r alderlangne n&ecirc;i hjara bigrip w&ecirc;re,
+alsa h&ecirc;de hja T&uuml;nis to en gode up h&ecirc;jad, to
+&aring;rgnisse sinra folgar. As hja nv Thyr &aring;fter bek w&ecirc;re,
+k&ecirc;mon, tha Thyriar en skip uta &aring;fte hoda r&acirc;wa,
+n&ecirc;idam th&aring;t skip to f&ecirc;r was, kvndon wi-t navt wither
+wina, men Jon swor wr&ecirc;ka th&ecirc;rvr. Tha nacht k&ecirc;m
+k&ecirc;rde Jon n&ecirc;i tha f&ecirc;re Kr&ecirc;kalandum, to lesten
+k&ecirc;mon hja by en land th&aring;t bjustre skryl ut sa, men hja
+fondon th&ecirc;r en havesmvda. Hir s&ecirc;ide Minerva skil by skin
+n&ecirc;n fr&ecirc;se to fara forstum nach presterum n&ecirc;dich
+w&ecirc;sa, n&ecirc;idam hja algadur feta etta minna, thach th&acirc;
+hja inner have hlipon fonth m&aring;n hja navt rum noch vmbe alle
+sk&ecirc;pa to bisl&ucirc;ta, &aring;nd thach w&ecirc;ron m&ecirc;st
+alle to l&aring;f vmbe wider to gane. Alsa gvng Jon th&ecirc;r forth
+wilde mith sin sp&ecirc;r &aring;nd f&ocirc;ne th&aring;t jongk folk to
+hropande, hwa willinglik bi-m sk&acirc;ra wilde. Minerva th&ecirc;r
+biliwa wilde d&ecirc;de alsa. Th&aring;t gr&acirc;teste d&ecirc;l gvng
+n&ecirc;i Minerva, men tha jonggoste stjurar gvngon by Jon. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e2820" href="#xd0e2820">98</a>]</span>Jon
+nam th&ecirc;re foddik fon K&aring;lta &aring;nd hira f&acirc;mna
+mitha, &aring;nd Minerva hild hira ajn foddik &aring;nd hira ajn
+f&acirc;mna.</p>
+
+<p>Bitwiska tha f&ecirc;rum &aring;nd heinda Kr&ecirc;kalandum fand Jon
+svma &ecirc;landa th&ecirc;r im likte, vppet gr&acirc;teste gvng-er
+inna tha walda twisk th&aring;t berchta en burch bvwa. Fon uta litha
+&ecirc;landa gvng-er ut wr&ecirc;ka tha Thyrjar sk&ecirc;pa &aring;nd
+landa bir&acirc;wa, th&ecirc;rvmbe send tha &ecirc;landa evin blyd
+R&acirc;wer &ecirc;landa, as Jonhis &ecirc;landa<a class="noteref" id=
+"xd0e2824src" href="#xd0e2824">1</a> h&ecirc;ten.</p>
+
+<p>Tha Minerva th&aring;t land bisjan h&ecirc;de, th&aring;t thrvch tha
+inh&ecirc;mar Attika is h&ecirc;ten, sach hju that th&aring;t folk al
+j&ecirc;ita hoder w&ecirc;ron, hja hildon hjara lif mith flesk,
+kr&ucirc;dum, wilde wotelum &aring;nd hvning. Hja w&ecirc;ron mith
+felum tekad &aring;nd hju h&ecirc;don hjara skula vppa hellinga
+th&ecirc;ra bergum. Th&ecirc;rthrvch send hja thrvch vs folk Hellinggar
+h&ecirc;ten.</p>
+
+<p>Th&aring;t forma gvngon hja vppa run, tha as hja s&acirc;gon that wi
+navt ne t&acirc;ldon n&ecirc;i hjara sk&aring;t, th&acirc; k&ecirc;mon
+hja tobek &aring;nd l&ecirc;ton gr&acirc;te &acirc;tskip blika. Minerva
+fr&ecirc;jde jef wi vs in th&ecirc;re minna machte nither setta. That
+wrde to staden vnder biding that wi skolde helpa hjam with hjara
+swetsar to stridande, th&ecirc;r alan k&ecirc;mon hjara bern to
+sk&acirc;kana &aring;nd hjara sk&acirc;t to r&acirc;wana. Th&acirc;
+bvwadon wi &ecirc;ne burch arhalf p&acirc;l fon th&ecirc;r have. Vppa
+r&ecirc;d Minervas w&aring;rth hju Athenia<a class="noteref" id=
+"xd0e2831src" href="#xd0e2831">2</a> heten: hwand s&ecirc;ide hju, tha
+&aring;fter kvmand agon to w&ecirc;tane, that wi hir navt thrvch lest
+ner weld kvmen send, men lik &acirc;tha vntfongen. Dahwile wi an
+th&ecirc;re burch wrochton k&ecirc;mon tha forsta, as hja hja nv sagon
+that wi n&ecirc;n slavona h&ecirc;de, sind er sok navt, &aring;nd
+l&ecirc;ton-t an Minerva blika, til thju hja tochton that en forstene
+w&ecirc;re. Men Minerva fr&ecirc;ja, ho bist wel an thina sl&acirc;vona
+kvmen? Hja andere, svme h&aring;vath wi k&acirc;pad, &ocirc;ra anna
+strid wnnen. Minerva s&ecirc;ide, s&acirc;hwersa ninman m&aring;nneska
+k&acirc;pja nilda sa ne skolde ninman jvw bern r&acirc;wa &aring;nd i
+ne skolda <span class="pagenum">[<a id="xd0e2834" href=
+"#xd0e2834">100</a>]</span>th&ecirc;rvr n&ecirc;n orloch h&aring;ve,
+wilst thus vsa harlinga biliwa s&acirc; mot-i thina sl&acirc;vona fry
+l&ecirc;ta.</p>
+
+<p>That nv willath tha forsta navt, hja willath vs w&ecirc;i driwa. Men
+th&acirc; klokeste hjarar ljuda kvmath helpa vsa burch ta bvmande,
+th&ecirc;r wi nv fon st&ecirc;n m&acirc;kja.</p>
+
+<p>Thit is thju sk&ecirc;dnesse fon Jon &aring;nd Minerva.</p>
+
+<p>As hja that nw ella tellad h&ecirc;de, fr&ecirc;jath hja mith
+&ecirc;rbjadenesse vm yrsene burchw&ecirc;pne, hwand s&ecirc;idon hja
+vsa l&ecirc;tha send weldich, tha sa wi efta w&acirc;pne h&aring;ve,
+skillon wi ra wel wither worda. As hju th&ecirc;ran to stemad
+h&ecirc;de, fr&ecirc;jath tha ljuda jef tha Fryas s&ecirc;da to Athenia
+&aring;nd tha &ocirc;ra <span class="corr" id="xd0e2842" title="Bron:
+Krekalanda">Kr&ecirc;kalanda</span> bloja skolde, thju Moder andere,
+jef tha f&ecirc;re Kr&ecirc;kalanda to tha erva Fryas h&ecirc;ra, alsa
+skilum hja th&ecirc;r bloja, ne h&ecirc;rath hja navt th&ecirc;r to,
+alsa skil th&ecirc;r lang over k&aring;mpad wrda mote, hwand thene
+kroder skil jeva fifthusand j&ecirc;r mith sin Jol ommehl&acirc;pa,
+bifara th&aring;t Findas folk rip to f&acirc;ra frydom sy.<a class=
+"noteref" id="xd0e2845src" href="#xd0e2845">3</a></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2824src" id="xd0e2824">1</a></span> Jonhis &ecirc;landa, Insulae
+Joniae, Insulae piratarum.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2831src" id="xd0e2831">2</a></span> Athenia, Athene.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2845src" id="xd0e2845">3</a></span> Vervolg hier het verhaal van
+bl. 48&ndash;56.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2848" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit is over tha G&ecirc;rtmanna.</h2>
+
+<p>Th&acirc; Hell&ecirc;nja jefta Minerva sturven was, tha
+b&acirc;radon tha prestera as jef hja mith vs w&ecirc;ron, til thju
+that hel blika skolde havon hja Hell&ecirc;nia to-ne godene ute
+k&ecirc;th. Ak nildon hja n&ecirc;ne ore Moder kjasa l&ecirc;ta, to
+segande, hja h&ecirc;de fr&ecirc;se that er emong hira f&acirc;mna
+nimman w&ecirc;re, th&ecirc;r hja sa god kvnde trowa as Minerva
+th&ecirc;r Nyhell&ecirc;nia tonomt was. Men wi nildon Minerva navt as
+&ecirc;ne godene navt bik&aring;nna, n&ecirc;idam hja selva seid
+h&ecirc;de that nimman god jefta fvlkvma w&ecirc;sa ne kvnde th&aring;n
+Wr.aldas g&acirc;st. Th&ecirc;rumbe k&ecirc;ron wi G&ecirc;rt Pire his
+toghater to vsa Moder ut.</p>
+
+<p>As tha prestera sagon that hja hjara hering navt vp vsa fjvr
+br&ecirc;da ne mochton, th&acirc; gvngon hja buta Athenia &aring;nd
+s&ecirc;idon that wi <span class="pagenum">[<a id="xd0e2855" href=
+"#xd0e2855">102</a>]</span>Minerva navt to-ne godene bik&aring;na nilda
+ut nyd, vmbe that hju tha inh&ecirc;mar s&acirc; f&ucirc;l ljafde
+biw&ecirc;sen hede. Forth javon hja that folk byldnisse fon hira
+liknese, tj&ucirc;gande that hja th&ecirc;rlan ella fr&ecirc;ja machte
+alsa naka hja h&ecirc;roch bilewon. Thrvch al thissa tellinga warth
+th&aring;t dvma folk fon vs ofk&ecirc;rad &aring;nd to tha lesta fylon
+hja vs to lif. Men wi h&ecirc;don vsa st&ecirc;ne burchwal mith twam
+hornum om t&ecirc;jen al to tha s&ecirc;. Hja ne machton vs thervmbe
+navt n&acirc;ka. Thach hwat b&ecirc;rde, an &Ecirc;giptalanda
+th&ecirc;r w&ecirc;re en overprester, hel fon &acirc;gnum, kl&acirc;r
+fon bryn &aring;nd licht fon g&acirc;st, sin n&acirc;m w&ecirc;re
+S&ecirc;krops,<a class="noteref" id="xd0e2857src" href=
+"#xd0e2857">1</a> hy k&ecirc;m vmb r&ecirc;d to j&ecirc;vane. As
+S&ecirc;krops sach that er mith sinum ljuda vsa wal navt biranna ne kv,
+th&acirc; sand hi bodon n&ecirc;i Thyrhis. Aftern&ecirc;i k&ecirc;mon
+er thrja hvndred skipun fvl salt-&acirc;tha fon tha wilde berchfolkum
+vnwarlinga, vsa h&acirc;va bif&acirc;ra, dahwila wy mith alle mannum
+vppa wallum to strydande w&ecirc;ron.</p>
+
+<p>Dr&ecirc;i as hja thju h&acirc;va innomth h&ecirc;de wildon tha
+wilda salt-&acirc;tha th&aring;t thorp &aring;nd vsa skipa
+bir&acirc;wa. &Ecirc;n salt-&acirc;the h&ecirc;de al en bukja
+sk&aring;nd, men S&ecirc;krops wilde th&aring;t navt ne h&aring;ngja,
+&aring;nd tha Thyrjar stjurar th&ecirc;r jeta Fryas blod int lif
+h&ecirc;de s&ecirc;idon, aste that d&ecirc;iste s&acirc; skilun wi tha
+r&acirc;de h&ocirc;ne in vsa skypa st&ecirc;ka &aring;nd thv ne skilst
+thina berga na withera-sja. S&ecirc;krops tham navt ne hilde ni fon
+morthja nor fon hommelja, sand bodon n&ecirc;i G&ecirc;rt vmbir tha
+burch of to askja, hju macht frya uttochte h&acirc; mith al hira
+drywande &aring;nd b&ecirc;rande h&acirc;va, hira folgar alsa f&uuml;l.
+Tha wista th&ecirc;ra burchh&ecirc;rum &ecirc;l god sjande th&aring;t
+hja tha burch navt h&acirc;lda ne kvnde, r&ecirc;den G&ecirc;rt hja
+skolde gaw to bitta, bi fira S&ecirc;krops wodin wrde &aring;nd overs
+bigvnde, thr&ecirc; m&ocirc;natha &aring;fter br&ucirc;de G&ecirc;rt
+hinne mith tha alder besta Fryas bern &aring;nd sjugum wara twilf
+skypum. Th&acirc; hja en st&ucirc;t buta th&ecirc;re have w&ecirc;ron
+k&ecirc;mon th&ecirc;r wel thritich sk&ecirc;pun fon Thyrhis mit wif
+&aring;nd bern. Hja wilde n&ecirc;i Ath&ecirc;nia g&acirc;, tha as hja
+h&ecirc;rdon ha-t th&ecirc;r esk&ecirc;pen stande gvngon hja mit
+G&ecirc;rt. Thi w&ecirc;tking th&ecirc;ra <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e2862" href="#xd0e2862">104</a>]</span>Thyrjar brocht algadur
+thrvch tha str&ecirc;te<a class="noteref" id="xd0e2864src" href=
+"#xd0e2864">2</a> th&ecirc;r vnder thisse tida vppa tha r&acirc;de
+s&ecirc; uthlip. Et leste l&acirc;ndon hja et Pangab, that is in vsa
+spr&ecirc;ke fif w&ecirc;tervm, vmbe that fif rinstr&acirc;ma mith hiri
+n&ecirc;i tha s&ecirc; to str&acirc;me. Hyr seton hja hjara selva
+nithar. That l&aring;nd h&aring;von hja G&ecirc;rtmannja h&ecirc;ton.
+Thene k&ecirc;ning fon Thyrhis &aring;ftern&ecirc;i sjande that sin
+alderbesta stjurar wei brit w&ecirc;ren sand al sin skipa mith sina
+wilde salt&acirc;tha vmb-er d&acirc;d jefta l&ecirc;vand to
+f&acirc;tane. Men as hj&aring; by th&ecirc;re str&ecirc;te k&ecirc;m
+b&ecirc;vadon b&ecirc;de s&ecirc; &aring;nd irtha. Forth h&ecirc;f
+irtha hira lif th&ecirc;r vppa, s&acirc; h&acirc;g that al et
+w&ecirc;ter to th&ecirc;re str&ecirc;te uthlip, &aring;nd that alle
+wata &aring;nd skorra lik en burchwal to f&acirc;ra hjam vp
+r&ecirc;son. That sk&ecirc;de over tha G&ecirc;rtmanna hjara d&uuml;gda
+lik as allera mannalik hel &aring;nd kl&acirc;r m&ecirc;i sja.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2857src" id="xd0e2857">1</a></span> S&ecirc;krops, Cecrops.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2864src" id="xd0e2864">2</a></span> Str&ecirc;te, thans hersteld
+als Kanaal van Suez. Pangab, de Indus<span class="corr" id="xd0e2866"
+title="Bron: ,">.</span></p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2869" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">An tha j&ecirc;ra 1000 and 5<a class="noteref" id=
+"xd0e2872src" href="#xd0e2872">1</a> n&ecirc;i Aldland svnken is, is
+thit vpp-ina asterwach it Fryas burch writen.</h2>
+
+<p>N&ecirc;i that wi in twilif j&ecirc;r tid n&ecirc;n
+Kr&ecirc;kalandar to Almanl&acirc;nd sj&acirc;n h&ecirc;de, k&ecirc;mon
+th&ecirc;r thrju sk&ecirc;pa sa syrlik as wi n&ecirc;n h&ecirc;don
+&aring;nd to fara nimmer n&ecirc;de sjan. Vppet storoste th&ecirc;ra
+w&ecirc;re-n k&ecirc;ning th&ecirc;ra Jhonhis &ecirc;landum. Sin
+n&ocirc;me w&ecirc;re Ulysus &aring;nd tha hrop ovir sin wisdom
+gr&acirc;t. This k&ecirc;ning was thrvch &ecirc;ne presteresse
+fors&ecirc;id, that er k&ecirc;ning wertha skolde ovir alla
+Kr&ecirc;kalanda sa-r r&ecirc;d wiste vmbe-n foddik to kr&ecirc;jande,
+th&ecirc;r vpst&ecirc;ken was anda foddik it Texland. Vmbe-r to fensane
+h&ecirc;der f&ecirc;le sk&aring;ta mith brocht, boppa ella f&acirc;mne
+syrh&ecirc;dum, alsa th&ecirc;r in wralda navt sk&ecirc;nener
+m&acirc;kad wrde. Hja k&ecirc;mon fon Troja en stede tham tha
+Kr&ecirc;kalandar innimth h&ecirc;don. Al thissa sk&aring;ta b&acirc;d
+hi tha Moder an, men thju Moder nilde n&acirc;rne fon n&ecirc;ta. As er
+to lesta sa, that hju navt to winne w&ecirc;re, gvng er n&ecirc;i
+Walhallagara<a class="noteref" id="xd0e2877src" href=
+"#xd0e2877">2</a>.</p>
+
+<p>Th&ecirc;r was en f&acirc;m s&ecirc;ten, hjra n&ocirc;me w&ecirc;re
+K&acirc;t, tha <span class="pagenum">[<a id="xd0e2882" href=
+"#xd0e2882">106</a>]</span>inna wandel wrde hju Kalip<a class="noteref"
+id="xd0e2884src" href="#xd0e2884">3</a> h&ecirc;ten ut hawede that
+hjara vnderlip as en utkikbored farutst&aring;k. Th&ecirc;rby heth er
+j&ecirc;ron hwilth to &aring;rgenisse fon al tham et wiston. N&ecirc;i
+th&ecirc;ra f&acirc;mna hrop heth er to lesta en foddik fon hir
+kr&ecirc;jen, tha hja heth im navt ne b&acirc;t, hwand as er in
+s&ecirc; k&ecirc;m is sin skip vrgvngon &aring;nd hy n&acirc;ked
+&aring;nd bl&acirc;t vpnimth thrvch tha &ocirc;thera sk&ecirc;pa.</p>
+
+<p>Fon thisse k&ecirc;ning is hyr en skryver &aring;fterbil&ecirc;wen
+fon r&ecirc;n Fryas blod, b&aring;rn to th&ecirc;re n&ecirc;ie have fon
+Ath&ecirc;nia &aring;nd hwat hyr folgath het er vs fon ovir
+Ath&ecirc;nia skr&ecirc;ven, th&ecirc;rut m&ecirc;i m&aring;n bisluta,
+ho w&ecirc;r thja Moder Hel-licht sproken heth, th&acirc; hja
+s&ecirc;ide th&aring;t Fryas s&ecirc;da to Ath&ecirc;nia n&ecirc;n
+stand holde ne kvste.</p>
+
+<p>Fon tha &ocirc;thera Kr&ecirc;kalander hetste s&ecirc;kur f&uuml;l
+kw&acirc;d ovir S&ecirc;krops h&ecirc;red, hwand hi w&ecirc;re in
+n&ecirc;n gode hrop. Men ik d&acirc;r segse, hi w&ecirc;re-n lichte
+man, h&acirc;chlik romed alsa s&ecirc;r bi tha inh&ecirc;mar as wel bi
+vs, hwand hi w&ecirc;re navt vmbe tha m&aring;nniska to diapana sa tha
+&ocirc;ra prestera, men hi w&ecirc;re d&uuml;geds&ecirc;m &aring;nd hi
+wist tha wisdom th&ecirc;ra f&ecirc;rh&ecirc;manda folkum n&ecirc;i
+w&ecirc;rde to sk&aring;tande. Th&ecirc;rvmbe that er that wiste,
+h&ecirc;de-r vs to stonden that wi machte l&ecirc;va n&ecirc;i vs ajn
+&ecirc;lik S&ecirc;gabok. Th&ecirc;r gvng en telling that er vs nygen
+were, vmbe that er tjucht w&ecirc;sa skolde ut en Fryaske
+mang&ecirc;rte &aring;nd &Ecirc;giptiska prester, uthawede that er
+bl&acirc;we &acirc;ga h&ecirc;de, &aring;nd that er f&uuml;l
+mang&ecirc;rta fon vs sk&acirc;kt w&ecirc;ron &aring;nd in ovir
+Egiptalande vrsellath. Tha selva heth er nimmerte jecht. Ho-t
+th&ecirc;rm&ecirc;i sy, s&ecirc;kur is-t that er vs m&acirc;ra
+&acirc;thskip biw&ecirc;s as alle &ocirc;thera prestum to s&ecirc;mne.
+Men as er fallen was, gvngon sina n&ecirc;imanninga alring an vsa
+&ecirc;wa torena &aring;nd bi gr&acirc;dum sa f&ecirc;lo mislikanda
+k&ecirc;ra to m&acirc;kjande, that er to l&ocirc;nge lesta fon
+&ecirc;lik sa &aring;nd fon frydom ha navt &ocirc;wers as tha skin
+&aring;nd tha n&ocirc;me vrbil&ecirc;f. Forth nildon hja navt ne
+d&acirc;ja that-a setma an skrift brocht wrde, hwerthrvch tha witskip
+th&ecirc;ra far <span class="pagenum">[<a id="xd0e2894" href=
+"#xd0e2894">108</a>]</span>vs forborgen w&aring;rth. To f&acirc;ra
+wrdon alle s&ecirc;kum binna Ath&ecirc;nia in vsa t&acirc;l bithongon,
+&aring;ftern&ecirc;i most et in b&ecirc;da t&acirc;la sk&ecirc;n
+&aring;nd to lesta all&ecirc;na in tha landis tal. In tha &ecirc;rosta
+j&ecirc;ra nam that manfolk to Ath&ecirc;nia enkel wiva fon vs ajn
+slacht, men that jongkfolk vpwoxen mitha mang&ecirc;rta th&ecirc;r
+lands&acirc;ton namen th&ecirc;r &acirc;k fon. Tha b&acirc;stera bern
+tham th&ecirc;rof kemon w&ecirc;ron tha sk&ecirc;nsta &aring;nd snodsta
+in wralda, men hja w&ecirc;ron &acirc;k tha &aring;rgsta. To hinkande
+vr byde syda, to m&acirc;lande her vm s&ecirc;da ner vm pl&ecirc;ga,
+hit ne sy that et w&ecirc;re for hjara ajne held. Alsa n&acirc;ka
+th&ecirc;r jeta-n str&ecirc;l fon Fryas g&acirc;st weldande w&ecirc;re
+w&aring;rth al et bvwspul to m&ecirc;na werka forwrochten &aring;nd
+nimm&aring;n ne mocht en hus to bvwande, th&aring;t rumer &aring;nd
+riker w&ecirc;re as th&aring;t sinra n&ecirc;stum. Tha th&acirc; svme
+vrbastere st&ecirc;djar rik w&ecirc;ron thrvch vs f&acirc;ra &aring;nd
+thrvch et sulver, th&aring;t tha sl&acirc;vona uta sulverl&ocirc;na
+wnnon, th&acirc; gvngon hja buta vppa hellinga jefta inda d&ecirc;la
+h&ecirc;ma. Th&ecirc;r beftha h&acirc;ga wallum fon l&ocirc;f tha fon
+st&ecirc;n bvwadon hja hova mith kestlik husark, &aring;nd vmbe by tha
+wla prestrum in en goda hrop to w&ecirc;sande, st&aring;ldon hja
+th&ecirc;r falska drochten likanda &aring;nd vntuchtiga bilda in. By
+tha wla prestrum &aring;nd forstum wrdon tha kn&acirc;pa al tomet
+m&acirc;ra g&ecirc;rt as tha toghatera, &aring;nd f&acirc;ken thrvch
+rika jefta thrvch weld fon et pad th&ecirc;re d&uuml;ged ofhl&ecirc;id.
+N&ecirc;idam rikdom by th&aring;t vrbr&ucirc;de &aring;nd vrbasterde
+slachte f&ecirc;r bvppa d&uuml;ged &aring;nd &ecirc;re jelde, sach
+m&aring;n altomet kn&acirc;pa tham hjara selva mit r&ucirc;ma rika
+kl&acirc;tar syradon, hjara aldrum &aring;nd f&acirc;mna to
+sk&ocirc;nda &aring;nd hjara kvnna to spot. K&ecirc;mon vsa
+&ecirc;nfalda aldera to Ath&ecirc;nia vppe th&ecirc;re m&ecirc;na acht
+&aring;nd wildon hja th&ecirc;rvr b&acirc;ra, s&acirc; warth ther
+hropen, hark, hark, th&ecirc;r skil en s&ecirc;momma k&ecirc;tha. Alsa
+is Ath&ecirc;nia wrdon &ecirc;lik en brokland anda h&ecirc;te landa,
+fol blods&ucirc;gar, pogga &aring;nd feniniga sn&acirc;ka, hw&ecirc;rin
+n&ecirc;n m&aring;nniske fon herde s&ecirc;dum sin fot navt w&acirc;ga
+ne m&ecirc;i. <span class="pagenum">[<a id="xd0e2896" href=
+"#xd0e2896">110</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2872src" id="xd0e2872">1</a></span> 2193 - 1005 = 1188 v.
+Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2877src" id="xd0e2877">2</a></span> Wallahagara, Walcheren.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2884src" id="xd0e2884">3</a></span> Kalip, bij Homerus
+Kalipso.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2898" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit stat in al vsa burga.</h2>
+
+<p>Ho vsa D&ecirc;namarka<a class="noteref" id="xd0e2903src" href=
+"#xd0e2903">1</a> f&acirc;ra vs vl&ecirc;ren gvngon 1600 &aring;nd 2
+j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e2906src" href="#xd0e2906">2</a>
+n&ecirc;i Aldland vrgongen is. Thrvch Wodins dor &aring;nd
+dertenh&ecirc;d was thene Magy b&acirc;s wrden ovir Sk&ecirc;nlandis
+astard&ecirc;l. Wra berga &aring;nd wr-n s&ecirc; ne tvrade hi navt ne
+kvma. Thju Moder wildet navt w&ecirc;rha, hja spr&ecirc;k &aring;nde
+k&ecirc;th, ik sja n&ecirc;n fr&ecirc;se an sina w&ecirc;pne, men wel
+vmbe tha Sk&ecirc;nlander w&ecirc;r to nimmande, thrvchdam hja bastered
+&aring;nd vrd&ecirc;ren sind. Vppa m&ecirc;na acht toch te man
+al&ecirc;n. Th&ecirc;rvmbe is-t im l&ecirc;ten. Gr&acirc;t 100
+j&ecirc;r l&ecirc;den byondon tha D&ecirc;nemarkar to wandelja mith
+hjam. Hja j&ecirc;von him ysere w&ecirc;pne &aring;nd r&ecirc;dskip
+th&ecirc;r fori wandeldon hja golden syrh&ecirc;don bijunka k&acirc;per
+&aring;nd yserirtha. Thju Moder sand bodon &aring;nd r&ecirc;d-er, hja
+skolde thju wandel f&acirc;ra l&ecirc;ta. Th&ecirc;r w&ecirc;re
+fr&ecirc;se s&ecirc;ide hju fori hjara s&ecirc;dum, &aring;nd bitham
+hja hjara s&ecirc;de vrl&ecirc;ren, th&aring;n skolde hja &acirc;k
+hjara frydom vrljasa. Men tha D&ecirc;nemarkar n&ecirc;de narne
+&acirc;ra nei, hja nilda navt bigrippa that hjara s&ecirc;de
+vrbr&ucirc;de kvste, th&ecirc;rvmbe ne meldon hja hja navt. To
+l&ocirc;nga lesta brochton hja ajne w&ecirc;pne &aring;nd liftochta
+w&ecirc;i. Men th&aring;t kw&acirc;d wrocht hjara g&ecirc;ia. Hjara
+lich&ecirc;ma wrdon bil&acirc;den m&ecirc;i blik &aring;nd skin, men
+hjara arka spynton &aring;nd skvra wrdon l&ecirc;toch. Krek hondred
+j&ecirc;r eftere d&ecirc;i that et forma skip mit liftochta fona
+k&acirc;d f&acirc;ren was, k&ecirc;m ermode &aring;nd lek thrvch tha
+anderna binna, honger spr&ecirc;da sina wjvka &aring;nd str&ecirc;k
+vppet land del, twispalt hlip stolte in overe str&ecirc;ta &aring;nd
+forth to tha h&ucirc;sa in, ljafde ne kv n&ecirc;n stek l&ocirc;nger
+navt finda &aring;nd &ecirc;ntracht run &ecirc;w&ecirc;i. Th&aring;t
+b&aring;rn wilde &ecirc;ta fon sina m&aring;m &aring;nd thju m&aring;m
+h&ecirc;de wel syrh&ecirc;don tha n&ecirc;n &ecirc;ta. Tha wiva
+k&ecirc;mon to hjara manna, thissa gvngon n&ecirc;i tha gr&ecirc;va,
+tha gr&ecirc;va n&ecirc;don selva nawet of hildon-t skul. Nw most
+m&aring;n tha syrh&ecirc;don vrsella, men thawila tha stjurar
+th&ecirc;rm&ecirc;i <span class="pagenum">[<a id="xd0e2909" href=
+"#xd0e2909">112</a>]</span>w&ecirc;i brit w&ecirc;ron k&ecirc;m frost
+&aring;nd l&ecirc;i-n pl&ocirc;nk del vppa s&ecirc; &aring;nd wra
+str&ecirc;te. Tha frost thju brigge r&ecirc;d h&ecirc;de, stop
+w&acirc;kandon th&ecirc;rwr to-t land ut &aring;nd vr&ecirc;d klywade
+vpper s&ecirc;tel. In st&ecirc;de fon tha owera to biw&acirc;kande
+spandon hja hjara horsa for hjara togum &aring;nd runon n&ecirc;i
+Sk&ecirc;nland th&acirc;. Tha Sk&ecirc;nlander, tham n&ecirc;y
+w&ecirc;ron n&ecirc;i that land hjarar &ecirc;thla k&ecirc;mon
+n&ecirc;i tha D&ecirc;nemarkum. Vppen helle nacht k&ecirc;mon hja alla.
+Nw s&ecirc;idon hja that hja rjucht h&ecirc;de vppet land hjarar
+&ecirc;thlon &aring;nd thahwil that m&aring;n th&ecirc;rvr
+k&aring;mpade k&ecirc;mon tha Finna in tha l&ecirc;toga thorpa
+&aring;nd runadon mith tha bern ew&ecirc;i. Th&ecirc;rtrvch &aring;nd
+that hja n&ecirc;n goda w&ecirc;pne navt n&ecirc;don, d&ecirc;d hjam
+tha k&aring;sa vrljasa &aring;nd th&ecirc;rm&ecirc;i hjari frydom,
+hwand thene Magy wrde b&acirc;s. That k&ecirc;m that hja Fryas tex navt
+l&ecirc;sde &aring;nd hira r&ecirc;dj&ecirc;vinga warl&acirc;sed
+h&ecirc;de.</p>
+
+<p>Ther send svme th&ecirc;r m&ecirc;ne that hja thrvch tha gr&ecirc;va
+vrr&ecirc;den send, that tha f&acirc;mna th&aring;t l&ocirc;ng
+sp&ecirc;rath h&ecirc;don, tha sa hvam sa th&ecirc;r vr k&ecirc;tha
+wilde, tham is mvla wrdon to sm&ocirc;rath mith golden k&ecirc;dne. Wi
+ne m&uuml;gan th&ecirc;rvr n&ecirc;n ord&ecirc;l to fellande, men wi
+willath jo tohropa, ne l&ecirc;n navt to s&ecirc;re vppa wisdom
+&aring;nd d&uuml;ged ni fon jvwa Forsta, ni fon jowa f&acirc;mna, hwand
+skel et halda sa mot allera mannalik w&acirc;ka ovir sin ajna tochta
+&aring;nd for-t m&ecirc;na held.</p>
+
+<p>Twa j&ecirc;r n&ecirc;idam k&ecirc;m thene Magy selva mith en
+fl&acirc;te fon lichte k&acirc;num, tha Moder fon Texland &aring;nd tha
+foddik to r&acirc;wane.</p>
+
+<p>Th&aring;s &aring;rge s&ecirc;ke bistonde-r thes nachtis anda winter
+by storne tydum as wind g&ucirc;lde &aring;nd h&ecirc;jel to jenst tha
+and&ecirc;rna f&ecirc;tere. Thi utkik th&ecirc;r m&ecirc;nde thater
+awet h&ecirc;rde st&aring;k sin balle vp. Tha dr&ecirc;i as et ljucht
+fon &ecirc;r tore vppet rondd&ecirc;l falda, sa-r that al f&ecirc;lo
+w&ecirc;pende manna wra burchwal w&ecirc;ron. Nw gvng-er to vmbe tha
+klokke to lettane, tha et w&ecirc;re to l&ecirc;t. &Ecirc;r tha
+w&ecirc;re r&ecirc;d w&ecirc;re, <span class="corr" id="xd0e2917"
+title="Bron: weron">w&ecirc;ron</span> al twa thusand ina w&ecirc;r
+vmbe tha porte to rammande. Strid hwilde thervmbe kirt, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2920" href="#xd0e2920">114</a>]</span>hwand
+thrvchdam tha w&ecirc;ra navt n&ecirc;n gode wacht halden n&ecirc;de,
+k&ecirc;mon alle om.</p>
+
+<p>Hwil that alrek drok to k&aring;mpane w&ecirc;re, was th&ecirc;r en
+wla Fin to th&ecirc;re fl&ecirc;te jefta bedrum fon th&ecirc;re Moder
+inglupth, &acirc;nd wilde hja n&ecirc;dgja. Tha thju Moder
+w&ecirc;rd-im of that er bekw&acirc;rd toj&ecirc;nst tha w&acirc;ch
+strumpelde. Th&acirc;-r wither vpa b&ecirc;n w&ecirc;re stek er sin
+sw&ecirc;rd to ir buk in segsande, nilst min kul navt s&acirc; skilst
+min sw&ecirc;rd ha. After im k&ecirc;m en skiper fona D&ecirc;nemarka,
+thisse nam sin sw&ecirc;rd &aring;nd hif th&ecirc;ne Fin thrvch sina
+hole. Th&ecirc;rut fl&acirc;t swart blod &aring;nd th&ecirc;rvr
+sw&ecirc;fde-n bl&acirc;we logha. Thi Magy l&ecirc;t thju Moder vpa
+sinra skip forpl&ecirc;gja. As hju nw wither alsa f&ecirc;re h&ecirc;l
+&aring;nd b&ecirc;ter w&ecirc;r that hju f&aring;st spr&ecirc;ka
+machte, s&ecirc;ide thene Magy that hju mith f&acirc;ra moste, tha that
+hju hira foddik &aring;nd f&acirc;mna halda skolde, that hju en
+st&acirc;t skolde nyta s&acirc; h&acirc;ch as hju to fara na n&ecirc;de
+kenth. Forth s&ecirc;ide-r th&aring;t hi hiri fr&ecirc;ja skolde in
+ajnwarde fon sinum forsta, jef er m&acirc;ster skolde wertha over alle
+l&acirc;nda &aring;nd folkra Fryas. Hi s&ecirc;ide that hju that
+bij&acirc;e &aring;nd bijechta most, owers skolde-r vnder f&ecirc;lo
+w&ecirc;ja sterva l&ecirc;ta. As er th&ecirc;r after al sinra forsta om
+ira l&ecirc;ger to gadurad h&ecirc;de fr&ecirc;jer l&ucirc;d,
+Fr&acirc;na vrmites i kl&acirc;rsjande biste most m.&ecirc;nis segsa of
+ik m&acirc;ster skil wertha over alle l&acirc;nda &aring;nd folkra
+Fryas. Fr&acirc;na d&ecirc;de as melde hja him navt. To l&ocirc;nga
+lesta &ecirc;pende hju hira w&ecirc;ra &aring;nde k&ecirc;th, min
+&acirc;gun wrde thj&ucirc;stred, tha that &ocirc;re ljucht d&ecirc;gth
+vp in minara s&ecirc;le. Jes, ik sja-t. Hark Irtha &aring;nd w&ecirc;s
+blyde mith my. Vndera tydum that Aldland svnken is, stand thju forma
+sp&ecirc;ke fon thet Jol an top. Th&ecirc;rn&ecirc;i is hju del gvngon
+&aring;nd vsa frydom mith tham. As er twa sp&ecirc;ka jeftha 2000
+j&ecirc;r del tr&ucirc;led het, s&acirc; skilun tha svna vpstonda
+th&ecirc;r tha forsta &aring;nd prestera thrvch hordom bi-t folk
+t&ecirc;led h&aring;ve, &aring;nd tojenst hjara t&acirc;ta tjugha. Thi
+alle skilum thrvch mort swika, men hwat hja k&ecirc;th h&aring;ve skil
+forth <span class="pagenum">[<a id="xd0e2927" href=
+"#xd0e2927">116</a>]</span>bilywa &aring;nd fr&ucirc;chdber wertha in-a
+bosme th&ecirc;ra kloke m&aring;nniska, alsa lik gode s&ecirc;dum
+th&ecirc;r del l&ecirc;id wrde in thinra sk&acirc;t. Jeta th&ucirc;sand
+j&ecirc;r skil thju sp&ecirc;ke then del nyga &aring;nd al m&acirc;ra
+syga anda thjusternesse &aring;nd in blod, ovir thi utstirt thrvch tha
+l&acirc;ga th&ecirc;r forsta &aring;nd prestera. Th&ecirc;rn&ecirc;i
+skil thet morner&acirc;d wither anfanga to glora. Thit sjande skilun
+tha falska forsta &aring;nd prester alsamen with frydom k&aring;mpa
+&aring;nd woxelja, men frydom, ljafde &aring;nd &ecirc;ndracht skil-et
+folk in hjara wach n&ecirc;ma &aring;nd mit thet jol risa uta wla pol.
+Th&aring;t rjucht th&aring;t erost all&ecirc;na glorade, skil than fon
+l&ecirc;jar laja to-n logha wertha. That blod th&ecirc;ra &aring;rgum
+skil ovir thin lif str&acirc;ma, men thu ne m&uuml;gth et navt to thi
+n&ecirc;ma. To tha lesta skil th&aring;t feninige kwik th&ecirc;r vp
+&acirc;sa &aring;nd th&ecirc;rof sterva. Alle wla sk&ecirc;dnese tham
+forsunnen send vmbe tha forsta &aring;nd prestera to boga, skilun an
+logha ofred wertha. Forth skilun al thinra bern mith fr&ecirc;tho
+l&ecirc;va. Th&acirc; hju utspreken h&ecirc;de, s&ecirc;g hju del. Men
+thene M&acirc;gy tham hja navt wel forst&acirc;n h&ecirc;de
+kr&ecirc;th, ik h&aring;v thi fr&ecirc;jeth, jef ik b&acirc;s skilde
+wertha ovir alle l&acirc;nda &aring;nd folkra Fryas, &aring;nd nw
+h&aring;ste to en other sproken. Fr&acirc;na rjuchte hiri wither, sach
+im star an &aring;nd k&ecirc;the: &ecirc;r sjugun etmelde om send, skil
+thin s&ecirc;le mitha nachtf&uuml;glon to tha gr&acirc;wa omme
+w&acirc;ra &aring;nd thin lik skil ledsa vppa bodem fona se. &Ecirc;l
+wel s&ecirc;ide thene Magy mith vrborgne wodin, segs men th&aring;t ik
+kvme. Forth s&ecirc;ider to jenst &ecirc;n sinar rakkarum, werp that
+wif vr skippes bord. Althus w&ecirc;r-et ende fon-re leste th&ecirc;ra
+Moderum<a class="noteref" id="xd0e2929src" href="#xd0e2929">3</a>.
+Wr&ecirc;ke willath wi th&ecirc;r vr navt ne hropa, tham skil tyd nima.
+Men th&ucirc;sand w&acirc;ra th&ucirc;sand m&ecirc;l willath wi Frya
+&aring;ftern&ecirc;i hropa: w&acirc;k-w&acirc;k-w&acirc;k.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2903src" id="xd0e2903">1</a></span> D&ecirc;na marka, de lage
+marken.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2906src" id="xd0e2906">2</a></span> 2193 - 1602 = 591 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2929src" id="xd0e2929">3</a></span> Verg. bl 4.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2932" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ho-t thene Magy forth vrgvngon is.</h2>
+
+<p>N&ecirc;i that tha modder vrd&ecirc;n was, l&ecirc;ter tha foddik
+&aring;nd tha f&acirc;mna to sina skip to brenga bijunka alle inbold
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e2937" href=
+"#xd0e2937">118</a>]</span>th&ecirc;r im likte. Forth gvng er
+th&aring;t Flym&acirc;r vp, hwand hi wilde tha f&acirc;m fon
+M&ecirc;d&ecirc;asblik jeftha fon St&acirc;vora gabja &aring;nd tham to
+Moder m&acirc;kja. Tha th&ecirc;r w&ecirc;ron hja vp hjara hodum
+brocht. Tha stjurar fon St&acirc;vora &aring;nd fon th&aring;t Alderga
+h&ecirc;don hini g&ecirc;rn to Jonis togen, men tha gr&acirc;te
+fl&acirc;te w&ecirc;re vppen f&ecirc;re tocht &ucirc;t. Nw gvngon hja
+to &aring;nd foron mith hjra littige fl&acirc;te n&ecirc;i
+M&ecirc;d&ecirc;asblik &aring;nd hildon hja skul after th&acirc;t ly
+th&ecirc;ra b&acirc;mun. Thi M&acirc;gy n&acirc;kade
+M&ecirc;d&ecirc;asblik bi helle d&ecirc;i &aring;nd skynander svnne.
+Thach gvngon sina ljuda drist drist w&ecirc;i vppera burch to runnande.
+Men as allet folk mith tha b&ocirc;tum land was, kemon vsa stjurar
+ut&ecirc;re kr&ecirc;ke w&ecirc;i &aring;nd sk&acirc;ton hjara pila
+mith t&acirc;rbarntin bollum vp sinra fl&acirc;te. Hja w&ecirc;ron alsa
+wel rjucht that f&ecirc;lo sinra sk&ecirc;pun bistonda anna br&ocirc;nd
+w&ecirc;ron. Tham vppa sk&ecirc;pun wachton, sk&acirc;ton &acirc;k
+n&ecirc;i vs th&acirc;, thach th&aring;t ne rojade nawet. As er to
+lesta en skip al barnande n&ecirc;i-t skip thes M&acirc;gy dryf,
+bifel-er sin skiper hi skolde ofh&acirc;de, men thene skiper that
+w&ecirc;re thene D&ecirc;nemarker th&ecirc;r thene Fin felad
+h&ecirc;de, andere, thv hest vse &Ecirc;remoder n&ecirc;i tha bodem
+fona s&ecirc; svnden to meldande thatste kvma skolde, thit skoste
+thrvch tha drokh&ecirc;d wel vrjetta; nw wil ik njude thatste thin word
+jecht. Thi M&acirc;gy wild-im ofw&ecirc;ra; men thene skiper, en
+&aring;fte Fryas &aring;nd sterik lik en jokoxe, klipade b&ecirc;da
+sinum h&ocirc;nda om sin hole &aring;nd hif hini vr bord into
+th&aring;t wellande hef. Forth h&ecirc;s er sin brune skild an top
+&aring;nd for rjucht to rjucht an n&ecirc;i vsa fl&acirc;te.
+Th&ecirc;rthrvch k&ecirc;mon tha f&acirc;mna vnforlet to vs, men tha
+foddik was utgvngon &aring;nd nimman wiste ho-t k&ecirc;men was. Tha
+hja vppa vnfordene sk&ecirc;pa heradon, that thene M&acirc;gy vrdrvnken
+was, br&ucirc;de hja hinne, hwand tha stjurar th&ecirc;ra m&ecirc;st
+D&ecirc;nemarkar w&ecirc;ron. N&ecirc;i that tha fl&acirc;te f&ecirc;r
+enoch ew&ecirc;i w&ecirc;re, wendon vsa stjurar &aring;nd sk&acirc;ton
+hjara barnpila vppa tha Finna del. Th&acirc; tha Finna thus sagon, ho
+hja vrr&ecirc;den w&ecirc;ron, hlip alrik thrvch vr ekkdrum &aring;nd
+th&ecirc;r n&ecirc;re l&ocirc;nger n&ecirc;n h&ecirc;richh&ecirc;d ni
+bod. To thisre stonde run tha w&ecirc;re hju ut <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e2939" href="#xd0e2939">120</a>]</span>t&ecirc;re burch.
+Tham navt ne fljuchte, werth afmakad, &aring;nd th&ecirc;r fljuchte
+fvnd sin ende into tha polum fon et Krylinger wald.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e2941" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">N&ecirc;ischrift.</h2>
+
+<p>Th&acirc; tha stjurar an da kreke l&ecirc;jon was th&ecirc;r en
+spotter fon ut Stavora mank, th&ecirc;r s&ecirc;ide, M&ecirc;d&ecirc;a
+mei lakkja, sa wi hyr ut hjra burch reda. Th&ecirc;rvmbe h&aring;von
+tha f&acirc;mna thju kr&ecirc;ke M&ecirc;d&ecirc;a m&ecirc;i lakkja<a
+class="noteref" id="xd0e2946src" href="#xd0e2946">1</a>
+h&ecirc;ten.</p>
+
+<p>Tha b&ecirc;rtnissa th&ecirc;r aftern&ecirc;i sk&ecirc;d send,
+m&ecirc;i alra mannalik h&uuml;gja. Tha f&acirc;mna hagon tham nei
+hjara wysa to tella &aring;nd wel biskriwa l&ecirc;ta. Th&ecirc;rvmbe
+r&ecirc;kenjath wi hirmitha vsa arb&ecirc;d fvlbrocht. Held.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Ende fon &rsquo;t
+Bok.</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e2955" href=
+"#xd0e2955">122</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2946src" id="xd0e2946">1</a></span> Medemi&rsquo;lacus.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e2957" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Tha skrifta fon Adelbrost and Apollonia</h2>
+
+<p>Min n&ocirc;m is Adelbrost svn fon Apol &aring;nd fon Adela. Thrvch
+min folk ben ik k&ecirc;ren to Gr&ecirc;vetman ovira Linda wrda.
+Th&ecirc;rvmbe wil ik thit bok forfolgja vp alsa d&ecirc;nera wisa as
+mine mem sproken heth.</p>
+
+<p>N&ecirc;i that thene M&acirc;gy felt was &aring;nd Fryasburch vp
+stel brocht, most er en moder k&ecirc;ren wertha. Bi-ra l&ecirc;va
+n&ecirc;de thju Moder hira folgstera navt n&ocirc;mth. Hira lersta
+wille was sok &aring;nd narne to findne. Sjugun m&ocirc;natha
+&aring;fter werth er en m&ecirc;na acht bilidsen &aring;nd wel to
+Gr&ecirc;neg&acirc;<a class="noteref" id="xd0e2964src" href=
+"#xd0e2964">1</a> ut &ecirc;rs&ecirc;ke that anna Saxanamarka
+p&acirc;lth. Min mem werth k&ecirc;ren, men hju nilde n&ecirc;n Moder
+w&ecirc;sa. Hju h&ecirc;de heth lif minar t&acirc;t hr&ecirc;d,
+th&ecirc;rthruch h&ecirc;den hja ekkorum lyaf kr&ecirc;jen &aring;nd nw
+wildon hja &acirc;k g&acirc;dath wertha. F&ecirc;lon wildon min mem fon
+er bislut ofbrenga; men min mem s&ecirc;ide, en &Ecirc;remoder
+&acirc;cht alsa r&ecirc;n in -ra mod to w&ecirc;sana as hja buta blikt
+&aring;nd &ecirc;ven mild far al hjara bern. N&ecirc;idam ik Apol nw
+lyaf h&aring;v boppa ella in wralda, s&acirc; ne k&aring;n ik
+s&acirc;-ne Moder navt n&ecirc;sa. S&acirc; sprek &aring;nd k&ecirc;th
+Adela, men tha &ocirc;ra burchf&acirc;mna wildon alg&acirc;der Moder
+w&ecirc;sa. Alrek st&acirc;t thong fori sinera &aring;jne f&acirc;m
+&aring;nd nilde navt fyra. Therthrvch nis er n&ecirc;ne k&ecirc;ren
+&aring;nd heth rik thus bandl&acirc;s. Hyr &aring;fter m&uuml;g-it
+bigripa.</p>
+
+<p>Ljudg&ecirc;rt, tham k&ecirc;ning th&ecirc;r h&ecirc;mesd&ecirc;ga
+fallen is, was bi th&ecirc;re Moder-is l&ecirc;va k&ecirc;ren
+blikb&ecirc;r trvch alle st&acirc;tha mith lyafde &aring;nd trjvw. Heth
+w&ecirc;re sin torn vmbe vppin eth gr&acirc;te hof to Dok-h&ecirc;m<a
+class="noteref" id="xd0e2972src" href="#xd0e2972">2</a> to
+h&ecirc;mande, &aring;nd bi th&ecirc;re Moder-is l&ecirc;va wrd-im ther
+gr&acirc;te &ecirc;r biw&ecirc;sen, hwand et w&ecirc;re immer sa ful
+mith bodon &aring;nd riddarum fon h&ecirc;inde &aring;nd f&ecirc;re
+as-m-&aring; to fora na n&ecirc;de sjan. Tach nw w&ecirc;r-er
+&ecirc;ns&ecirc;m and <span class="pagenum">[<a id="xd0e2975" href=
+"#xd0e2975">124</a>]</span>vrl&ecirc;ten, hwand alrek w&ecirc;re ange
+that-er him m&acirc;ster skolde m&acirc;kja boppa heth rjucht &aring;nd
+welda &ecirc;-lik tha sl&acirc;vona k&ecirc;ninggar. Elk forst
+w&acirc;nde forth that-er enoch d&ecirc;de as er w&acirc;kade ovir sin
+&aring;jn st&acirc;t; &aring;nd thi &ecirc;n ne j&ecirc;f nawet
+t&acirc; antha &ocirc;thera. Mith-&ecirc;ra burchfamna gvnget jeta
+&aring;rger to. Alrek thisra bogade vppira &aring;jne wisdom &aring;nd
+sahwersa tha Gr&ecirc;vetmanna awet d&ecirc;don buta hjam, s&acirc;
+wrochten hja mistryvwa bitwiska tham &aring;nd sinum ljudum.
+Sk&ecirc;der en s&ecirc;ke th&ecirc;r f&ecirc;lon st&acirc;tha trof
+&aring;nd h&ecirc;de m&aring;n thju r&ecirc;d &ecirc;ner f&acirc;m in
+wnnen, s&acirc; k&ecirc;thon alle &ocirc;thera that hju sproken
+h&ecirc;de to f&ecirc;re fon hjra &aring;jne st&acirc;t. Thrvch althus
+d&ecirc;nera renka brochton hja twyspalt in ovira st&acirc;tha
+&aring;nd torendon hja that band s&acirc;d&ecirc;ne fon &ecirc;n, that
+et folk fon tha &ecirc;nne st&acirc;t nythich w&ecirc;re vppet folk fon
+en ora st&acirc;t &aring;nd f&acirc;ret alderminesta lik
+f&ecirc;rh&ecirc;mande bisk&ocirc;wade. Thju f&ecirc;re th&ecirc;ra is
+w&ecirc;st that tha Gola jeftha Trowyda vs al-&ecirc;t l&acirc;nd of
+wnnen h&aring;ven al ont th&ecirc;ra Skelda &aring;nd thi Magy al to
+th&ecirc;re Wrs&acirc;ra. Ho-r th&ecirc;rby to gvngen is, heth min mem
+vntl&ecirc;th, owers nas thit bok navt skr&ecirc;ven ne wrden,
+afsk&ecirc;n ik alle h&acirc;pe vrl&ecirc;ren h&aring;v tha-et skil
+helpa th&acirc; b&acirc;ta. Ik ne skryw thus navt inna w&acirc;n, thet
+ik th&ecirc;rthrvch thet l&aring;nd skil winna jeftha bihaldane, that
+is minra achtne vndvalik, ik skryw all&ecirc;na f&acirc;r et
+&aring;fter kvmande slacht, til thju hja alg&acirc;dur w&ecirc;ta
+m&uuml;ge vp hvd&ecirc;na wisa wy vrl&ecirc;ren gvnge, &aring;nd tha
+alra mannalik hyr ut l&ecirc;ra m&ecirc;i that elk kw&acirc;d sin
+g&ecirc;ja t&ecirc;lath.</p>
+
+<p>My heth m&aring;n Apoll&ocirc;nja h&ecirc;ten. Twyia thritich
+d&ecirc;ga n&ecirc;i m&aring;m hira d&acirc;d heth m&aring;n Adelbrost
+min brother vrsl&ecirc;jen fonden vppa w&aring;rf, sin hawed split
+&aring;nd sina lithne &ucirc;t &ecirc;n hr&ecirc;ten. Min t&acirc;t
+th&ecirc;r siak l&ecirc;ide is fon skrik vrsturven. Th&acirc; is Apol
+min jungere brother fon hyr n&ecirc;i th&ecirc;re westsyde fon
+Sk&ecirc;nl&acirc;nd f&acirc;ren. Th&ecirc;r heth er en burch ebuwad,
+Lindasburch<a class="noteref" id="xd0e2979src" href="#xd0e2979">3</a>
+h&ecirc;ten, vmbe d&acirc;na to wrekana vs l&ecirc;th. Wr.alda heth-im
+th&ecirc;r to f&ecirc;lo j&ecirc;ra l&ecirc;nad. Hy heth fif svna
+wnnen. Altham brengath th&ecirc;ne Magy skrik <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e2982" href="#xd0e2982">126</a>]</span>&aring;nd min brother
+g&ocirc;ma. After m&aring;m &aring;nd brother-is d&acirc;d send tha
+fromesta fon-ut-a l&acirc;ndum to ekk&ocirc;rum kvmen, hja havon en
+b&acirc;nd sloten Adelb&acirc;nd h&ecirc;ten. Til thju vs n&ecirc;n
+leth witherf&acirc;ra ne skolde, h&aring;vath hja my &aring;nd Adelhirt
+min jungste brother vpper burch brocht, my by tha f&acirc;mna &aring;nd
+min brother by tha w&ecirc;rar. Th&acirc; ik thritich j&ecirc;r
+wer&ecirc; heth man my to Burchf&acirc;m k&ecirc;ren, &aring;nd
+th&acirc; min brother fiftich w&ecirc;re, werth-er keren to
+Gr&ecirc;vetman. Fon m&aring;m-is syde w&ecirc;re min brother thene
+sexte, men fon t&acirc;t his syde thene thride. N&ecirc;i rjucht
+machton sine &aring;fterkvmande thus n&ecirc;n <span class=
+"letterspaced">overa Linda</span> &aring;fter hjara n&ocirc;mun navt ne
+fora, men alra m&aring;nnalik wildet h&aring;va to &ecirc;re fon mina
+m&aring;m. Th&ecirc;r to boppa heth m&aring;n vs &aring;k en ofskrifte
+j&ecirc;ven fon <span class="letterspaced">thet bok th&ecirc;ra Adela
+follistar</span>. Th&ecirc;r mitha ben ik thet blydeste, hwand thrvch
+min m&aring;m hjra wisdom k&ecirc;m-et in wralda. In thas burch
+h&aring;v ik jeta &ocirc;ra skrifta fvnden, th&ecirc;r navt in &rsquo;t
+bok ne stan, &aring;k lovspr&ecirc;ka ovir min m&aring;m, altham wil ik
+&aring;fter skriva.</p>
+
+<p>Thit send tha n&ecirc;il&ecirc;tne skrifta Brunnos, ther skrywer
+w&ecirc;sen is to thisre burch. After that tha Adela follistar ella
+h&ecirc;de l&ecirc;ta overskryva elk in sin rik, hwat wryt was in vppa
+w&acirc;garum th&ecirc;ra burgum, bisloton hja en Moder to kjasane.
+Th&ecirc;rto w&aring;rth en m&ecirc;na acht bil&ecirc;id vp thisra
+h&ecirc;m. After tha forme r&ecirc;d Adelas w&aring;rth T&uuml;ntja
+bifolen. Ak skoldet sl&acirc;cht h&aring;ve. Thach nw fr&ecirc;ge min
+Burgtf&acirc;m thet wort, hju hede immerthe w&ecirc;nich w&ecirc;st
+th&aring;t hju Moder skolde wertha, ut &ecirc;rs&ecirc;ke th&aring;t
+hju hyr vpper burch sat, hwana m&ecirc;st alle Moderum k&ecirc;ren
+w&ecirc;ron. Tha hju thet word gund was, &ecirc;pende hju hira falxa
+w&ecirc;ra &aring;nde k&ecirc;th: I alle skinth &aring;rg to heftane an
+Adelas r&ecirc;d, tha th&aring;t ne skil th&ecirc;rvmde min mvla navt
+ne sluta ner sn&ocirc;ra. Hwa tach is Adela &aring;nd hw&acirc;na kvmt
+et w&ecirc;i th&aring;tster sokke h&acirc;ge love to swikth. Lik ik
+hjudd&ecirc;ga is hju to fara hyr <span class="corr" id="xd0e2995"
+title="Bron: burchfam">burchf&acirc;m</span> w&ecirc;st. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e2998" href="#xd0e2998">128</a>]</span>Tha is hju
+th&ecirc;r vmbe wiser jefta b&ecirc;tre as ik &aring;nd alle
+&ocirc;thera, jefta is hju m&acirc;r stelet vppvsa s&ecirc;d &aring;nd
+pl&ecirc;gum. Hw&ecirc;re th&aring;t et fal, s&acirc; skolde hju wel
+Moder wrden w&ecirc;sa, th&acirc; hju th&ecirc;rto k&ecirc;ren is, men
+n&ecirc;an hju wilde r&ecirc;der ennen bosta ha mith all joi &aring;nd
+nochta th&ecirc;r er anebonden send, in st&ecirc;d fon &ecirc;nsum over
+hjam &aring;nd et folk to w&acirc;kane. Hju is &ecirc;l klarsjande,
+god, men min &acirc;gne ne send f&ecirc;r fon vrthjustred to
+w&ecirc;sane. Ik h&aring;v sjan th&aring;t hju hira fryadelf herde
+minth, nw god, th&aring;t is lovelik, men ik h&aring;v forther sjan
+th&aring;t T&uuml;ntja Apol-is nift is. Wyder wil ik navt ne sedsa.</p>
+
+<p>Tha forsta bigripen &ecirc;l god, hw&ecirc;r hju hly sochte, men
+emong et folk k&ecirc;m twyspalt, &aring;nd n&ecirc;idam heth
+marad&ecirc;l fon hyr wei k&ecirc;m, wilde-t T&uuml;ntja thiu &ecirc;re
+navt ne guna. R&ecirc;dne wrde stopth, tha saxne t&acirc;gon uta
+sk&aring;dne, men th&ecirc;r ne w&aring;rth n&ecirc;ne Moder
+k&ecirc;ren. Kirt &aring;fter h&ecirc;de annen vsera bodne sin makker
+f&aring;leth. Til hjudd&ecirc;ga h&ecirc;de der frod w&ecirc;sen,
+th&ecirc;rvmbe hede min burchf&acirc;m orlovi vmb-im buta tha
+l&acirc;ndp&acirc;la to helpane. Thach in st&ecirc;d fon im to helpane
+n&ecirc;i thet Twiskland, alsa fljuchte hju selva mith im overe Wrsara
+&aring;nd forth n&ecirc;i tha M&acirc;gy. Thi M&acirc;gy tham sina
+Fryas svna hagja wilde stald-iri as Moder to Godaburch et
+Sk&ecirc;nland, m&ecirc;n hju wilde m&acirc;r, hju s&ecirc;id-im
+th&aring;t sahwersa hi Adela vpruma koste, hi m&aring;ster skolde
+wertha over &ecirc;l Fryas land. Hju w&ecirc;r en fyand fon Adele
+s&ecirc;ide hju, hwand thrvch hjra renka nas hju n&ecirc;n Moder wrden.
+Sahwersa hy hir Texland forspreka wilde, sa skolde hjra boda sina
+wichar to w&ecirc;iwyser thjanja. Al thissa s&ecirc;ka heth hjra boda
+selva bilyad.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2964src" id="xd0e2964">1</a></span> Gr&ecirc;neg&acirc;,
+Groningen.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2972src" id="xd0e2972">2</a></span> Dokh&ecirc;m, Dokkum.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e2979src" id="xd0e2979">3</a></span> Lindasburch, op kaap
+Lindanaes, Noorwegen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3002" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet othera skrift.</h2>
+
+<p>Fiftian monatha n&ecirc;i th&ecirc;re lerste acht w&ecirc;r-et
+Frjunskip jeftha Winnem&ocirc;nath. Alleram&aring;nnelik jef to an mery
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e3007" href=
+"#xd0e3007">130</a>]</span>mery fru &aring;nd bly, &aring;nd nimman
+n&ecirc;de diger than to &acirc;kane sina nocht. Thach Wr.alda wild vs
+wysa, th&aring;t w&acirc;kendom navt vrgamlath wrde ne m&ecirc;i. To
+midne fon-et f&ecirc;st fyrja k&ecirc;m n&ecirc;vil to hullande vsa
+wrda in thikke thjusternise. Nocht runde w&ecirc;i, tha w&acirc;kendom
+nilde navt ne k&ecirc;ra. Tha strandw&acirc;kar w&ecirc;ron fon hjara
+n&ecirc;d fjura hl&acirc;pen &aring;nd vppa tha top&acirc;dum nas
+n&ecirc;nen to bisja. Th&acirc; n&ecirc;vil ew&ecirc;i t&acirc;ch,
+lokte svnne thrvch tha r&ecirc;ta th&ecirc;ra wolkum vp irtha. Alrek
+k&ecirc;m wither ut to juwgande &aring;nd to jolande, thet jungk folk
+t&acirc;ch sjongande mitha g&uuml;rb&acirc;m<a class="noteref" id=
+"xd0e3009src" href="#xd0e3009">1</a> &aring;nd thisse overfulde luft
+mith sina liaflika &acirc;dam. Men thahwila th&ecirc;r alrek in nocht
+b&acirc;jada, was vrr&ecirc;d l&acirc;nd mith horsum &aring;nd
+ridderum. Lik alle &aring;rga w&ecirc;ron hja helpen thrvch
+thjusternisse, &aring;nd hinne glupath thrvch Linda waldis p&acirc;da.
+To f&acirc;ra Adelas dure tagon twilif mang&ecirc;rtne mith twilif
+l&aring;mkes &aring;nd twilif kn&acirc;pa mith twilif hoklinga, en
+junge Saxm&aring;n bir&ecirc;d en wilde bufle th&ecirc;r er selva
+fensen h&ecirc;de &aring;nd t&aring;mad. Mith allerl&ecirc;ja blomma
+w&ecirc;ron hja siarad, &aring;nd tha linnen tohnekna th&ecirc;ra
+m&aring;ng&ecirc;rtne w&ecirc;ron omborad mith gold ut-er
+R&ecirc;ne.</p>
+
+<p>Th&acirc; Adela to hira hus ut vppet slecht k&ecirc;m, fol en
+blomr&ecirc;in del vppira hole, alle juwgade herde &aring;nd tha
+tot-horne th&ecirc;ra kn&acirc;pum g&ucirc;ldon boppa ella ut. Arme
+Adela, &aring;rm folk, ho kirt skil fr&uuml; hir bydja. Th&acirc; thju
+l&ocirc;nge sk&aring;re ut sjocht w&ecirc;re k&ecirc;m er en hloth
+m&acirc;gjara ridderum linrjucht to rinnande vp Adelas h&ecirc;m. Hira
+t&acirc;t &aring;nd g&acirc;de w&ecirc;ron jeta vppa stoppenbenke
+s&ecirc;ten. Thju dure stond &ecirc;pen &aring;nd th&ecirc;r binna
+stand Adelbrost hira svna. As er sach ho sina eldra in fr&ecirc;se
+w&ecirc;ron, gripter sine b&ocirc;ge fon-ere w&acirc;ch w&ecirc;i
+&aring;nd sk&acirc;t n&ecirc;i tha foresta th&ecirc;ra r&acirc;warum;
+this swikt &aring;nd trulde vppet g&aring;rs del; overne twade
+&aring;nd thride was en &ecirc;lik l&ocirc;t bisk&ecirc;ren. Intwiska
+h&ecirc;don sina eldra hjara w&ecirc;pne fat, &aring;nd tagon vndyger
+to Jonis. Tha r&acirc;wera skoldon hjam ring fensen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3017" href="#xd0e3017">132</a>]</span>ha, men
+Adela k&ecirc;m, vppere burch h&ecirc;de hja alle w&ecirc;pne to
+hant&ecirc;ra l&ecirc;rad, sjugun irthf&ecirc;t w&ecirc;re hju
+l&ocirc;ng &aring;nd hira g&ecirc;rt s&acirc; f&ecirc;lo, thryja swikte
+hja tham or hjra hole &aring;nd as er del k&ecirc;m w&ecirc;r en ridder
+g&aring;rsfallich. Follistar k&ecirc;mon omme herne th&ecirc;re
+l&ocirc;ne w&ecirc;i. Tha r&acirc;war wrdon f&aring;lath &aring;nd
+fensen. Thach to l&ecirc;t, en pil h&ecirc;de hjra bosme trefth.
+Vrr&ecirc;delika Magy! In fenin was sin pint dipth &aring;nd
+th&ecirc;rof is hju sturven.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3009src" id="xd0e3009">1</a></span> G&uuml;rbam. C. Niebuhr Reize
+enz. I 174, eene zakpijp bij de Egyptenaren <i>Sum&acirc;ra
+elK&uuml;rbe</i> genoemd.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3019" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Th&ecirc;re burchfams lov.</h2>
+
+<p>Jes ferh&ecirc;mande &acirc;the, thusande send al kumen &aring;nd
+jet m&acirc;ra send vp w&ecirc;i.</p>
+
+<p>Wel, hja willath Adelas wisdom h&ecirc;ra.</p>
+
+<p>Sekur is hju forstine, hwand hju is immer thja forste
+w&ecirc;st.</p>
+
+<p>O wach hw&ecirc;rto skolde hja thjanja. Hira hemeth is linnen, hira
+tohnekka<a class="noteref" id="xd0e3030src" href="#xd0e3030">1</a> wol,
+th&aring;t hjv selva spon &aring;nd w&ecirc;vade. Hw&ecirc;rm&ecirc;i
+skolde hja hjra sk&ecirc;nh&ecirc;d h&acirc;ga. Navt mith p&aring;rlum,
+hwand hjra tuskar send witter; navt mith gold, hwand hjra h&ecirc;r is
+blikkander; navt mith st&ecirc;na, wel send hjra &acirc;gon saft as
+lamkes &acirc;gon, thach to lik sa glander th&aring;t m&aring;n
+th&ecirc;r skr&ocirc;mlik in sja ne m&ecirc;i.</p>
+
+<p>Men hwat k&aring;lt ik fon sk&ecirc;n. Frya w&ecirc;re wis navt
+sk&ecirc;ner.</p>
+
+<p>Ja &acirc;the, Frya th&ecirc;r sjugun sk&ecirc;nh&ecirc;de
+h&ecirc;de, hw&ecirc;rfon hjra togh&acirc;tera men &ecirc;ne elk
+h&acirc;chstens thria urven h&aring;ve. Men al w&ecirc;re hju
+l&ecirc;dlik, thach skolde hju vs djura w&ecirc;sa.</p>
+
+<p>Jef hju wygandlik sy. Hark &acirc;the, Adela is thet &ecirc;nge bern
+vsar gr&ecirc;vetman. Sjugun jrthfet is hju h&acirc;ch, jeta
+gr&acirc;ter then hjra licheme is hjra wish&ecirc;d &aring;nd hjra mod
+is lik b&ecirc;de to s&ecirc;mine.</p>
+
+<p>Lok th&ecirc;r, th&ecirc;r w&ecirc;re &ecirc;nis en
+f&ecirc;nbr&ocirc;nd, thrju bern w&ecirc;ron vp jenske
+gr&aring;fst&ecirc;n sprongen. Wind blos fel. Alrek kr&ecirc;ta
+&aring;nd thju m&aring;m w&ecirc;re r&ecirc;dal&acirc;s. Th&ecirc;r
+kvmt Adela: ho st&ecirc;itst &aring;nd t&ecirc;methste hropth hju,
+tragd help to l&ecirc;-nande <span class="pagenum">[<a id="xd0e3044"
+href="#xd0e3044">134</a>]</span>&aring;nd Wr.alda skil jo krefta
+j&ecirc;va. Th&ecirc;r hipth hja n&ecirc;i-t Krylwod, gript elsne
+tr&ecirc;jon, tragd en breg to makjande, nw helpath &acirc;k tha
+&ocirc;thera &aring;nd tha bern send hred.</p>
+
+<p>J&ecirc;rlikes k&ecirc;mon tha bern hyr blomma ledsa.</p>
+
+<p>Th&ecirc;r k&ecirc;mon thr&ecirc; Fonysjar skipljuda th&ecirc;r hja
+wr&ecirc;vela wilde, men Adela k&ecirc;m, hju h&ecirc;de hjara hwop
+(hrop) h&ecirc;rad, in swim sl&ecirc;ith hju tha l&ecirc;tha &aring;nd
+til thju hja selva jechta skolde, thet hja vnw&ecirc;rthelike manna
+w&ecirc;ron, bint hju als&ecirc;men an en spinrok fest. Tha
+f&ecirc;rh&ecirc;manda h&ecirc;ra k&ecirc;mon hjara thjud askja. Tha
+hja sagon ho skots hja misd&ecirc;n w&ecirc;ron, k&ecirc;m torn vp,
+thach m&aring;n tellade ho-t b&ecirc;rd was.</p>
+
+<p>Hwat hja forth d&ecirc;don, hja buwgdon to f&acirc;ra Adela
+&aring;nd keston thju slyp hyrar tohnekka.</p>
+
+<p>Kvm f&ecirc;rh&ecirc;mande &acirc;the, tha wald f&uuml;glon
+fljuchtath to f&acirc;ra tha f&ecirc;lo forsykar. Kvm &acirc;the
+s&acirc; m&ecirc;ist hjara wish&ecirc;d h&ecirc;ra.</p>
+
+<p>By tha gr&aring;fst&ecirc;n hwer fon in tha lovspr&ecirc;ke meld
+w&aring;rth, is m&aring;m hira lik bigr&aring;ven. Vppira
+gr&aring;fst&ecirc;n heth m&aring;n thissa worda hwryten.</p>
+
+<div class="blockquote">
+<p>NE HLAP NAVT TO HASTICH HWAND HYR L&Ecirc;ID ADELA.</p>
+</div>
+
+<p>Thju forml&ecirc;re th&ecirc;r is hwryten inutere w&acirc;ch
+th&ecirc;r burchtore, nis navt wither eskr&ecirc;ven in th&aring;t bok
+th&ecirc;ra Adela follistar. Hw&ecirc;rvmbe thet l&ecirc;ten is
+n&ecirc;t ik navt to skriwand. Tha thit bok is min ajn, th&ecirc;rvmbe
+wil ik hja th&ecirc;r inna setta to wille minra m&aring;gum.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" href="#xd0e3030src" id="xd0e3030">1</a></span> To hnekka,
+eene hooge, <i>tot aan de nek</i> reikende, japon.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3062" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Forml&ecirc;re.</h2>
+
+<p>Alle god minnanda Fryas bern sy held. Hwand thrvch tham <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3067" href="#xd0e3067">136</a>]</span>skil et
+s&ecirc;lich wertha vp jrtha. L&ecirc;r &aring;nd k&ecirc;th to tha
+folkum. Wr.alda is thet alderaldesta jeftha overaldesta, hwand thet
+skop alla thinga. Wr.alda is ella in ella, hwand thet is &ecirc;vg
+&aring;nd vnendlik. Wr.alda is overal ainwardich, men narne to bisja,
+th&ecirc;rvmbe w&aring;rth thet w&ecirc;sa g&acirc;st h&ecirc;ten. Al
+hwat wi fon him sja m&uuml;ge send tha skepsela th&ecirc;r thrvch sin
+l&ecirc;va kvme &aring;nd wither henne ga, hwand inut Wr.alda kvmath
+alle thinga &aring;nd k&ecirc;rath alle thinga. Fon ut Wralda kvmth t
+anfang &aring;nd et ende, alra thinga g&ecirc;ith in im vppa. Wr.alda
+is thet &ecirc;ne ella machtige w&ecirc;sa, hwand alle &ocirc;re macht
+is fon him l&ecirc;nad &aring;nd k&ecirc;rath to him wither. In ut
+Wr.alda kvmath alle krefta &aring;nd alle krefta k&ecirc;rath to him
+wither. Th&ecirc;rvmbe is hi all&ecirc;na theth skeppande w&ecirc;sa
+&aring;nd th&ecirc;r nis nawet esk&ecirc;pen buta him.</p>
+
+<p>Wr.alda l&ecirc;ide &ecirc;vge setma thet is &ecirc;wa in al et
+sk&ecirc;pne, &aring;nd th&ecirc;r ne send n&ecirc;n gode setma jeftha
+hja moton th&ecirc;rn&ecirc;i tavlikt w&ecirc;sa. Men afsk&ecirc;n ella
+in Wr.alda sy, tha bosh&ecirc;d th&ecirc;ra m&aring;nniska nis navt fon
+him. Bosh&ecirc;d kvmth thrvch l&ocirc;mh&ecirc;d vndigerhed &aring;nd
+domh&ecirc;d. Th&ecirc;rvmbe k&aring;n hju wel tha m&aring;nniska
+sk&acirc;da, Wr.alda nimmer. Wr.alda is thju wish&ecirc;d, &aring;nd
+tha &ecirc;wa th&ecirc;r hju tavlikt heth, send tha boka
+w&ecirc;r&ucirc;t wy l&ecirc;ra m&uuml;ge, &aring;nd th&ecirc;r nis
+n&ecirc;ne wish&ecirc;d to findande ner to garjande buta tham. Tha
+m&aring;nniska m&uuml;gon f&ecirc;lo thinga sja, men Wr.alda sjath alle
+thinga. Tha m&aring;nniska m&uuml;gon f&ecirc;lo thinga l&ecirc;ra, men
+Wr.alda w&ecirc;t alle thinga. Tha m&aring;nniska m&uuml;gon <span
+class="corr" id="xd0e3074" title="Bron: felo">f&ecirc;lo</span> thinga
+vntsl&ucirc;ta, men to f&acirc;ra Wr.alda is ella &ecirc;pned. Tha
+m&aring;nniska send m&aring;nnalik &aring;nd berlik, men Wr.alda skept
+b&ecirc;de. Tha m&aring;nniska minnath &aring;nd h&aring;tath, tha
+Wr.alda is all&ecirc;na rjuchtf&ecirc;rdich. Th&ecirc;rvmbe is Wr.alda
+all&ecirc;ne god, &aring;nd th&ecirc;r ne send n&ecirc;ne goda
+b&ucirc;ta him. Mith thet Jol wandelath &aring;nd wixlat allet
+esk&ecirc;pne, men god is all&ecirc;na vnforanderlik. Thruch that
+Wr.alda god is, alsa ne mei hi &acirc;k navt foranderja; <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3077" href="#xd0e3077">138</a>]</span>&aring;nd
+thrvch thet er bilywath, th&ecirc;rvmbe is hy all&ecirc;na w&ecirc;sa
+&aring;nd al et ora skin.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e3079" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet othera d&ecirc;l fonre forml&ecirc;r.</h2>
+
+<p>Emong Findas folk send wanwysa, th&ecirc;r thrvch hjara
+overfindingrikh&ecirc;d alsa &aring;rg send, th&aring;t hja hjara selva
+wis m&acirc;kja &aring;nd tha inewida bitjuga, th&aring;t hja thet
+besta d&ecirc;l send fon Wr.alda; th&aring;t hjara g&acirc;st thet
+beste d&ecirc;l is fon Wr.aldas g&acirc;st &aring;nd thet Wr.alda
+all&ecirc;na m&ecirc;i th&aring;nkja thrvch helpe hjaris bryn<a class=
+"noteref" id="xd0e3084src" href="#xd0e3084">1</a>.</p>
+
+<p>Th&aring;t aider skepsle en d&ecirc;l is fon Wr.aldas vnendlik
+w&ecirc;sa, th&aring;t h&aring;von hja fon vs g&acirc;bad.</p>
+
+<p>Men hjara falxe r&ecirc;dne &aring;nd hjara t&aring;ml&acirc;se
+h&acirc;chfarenh&ecirc;d heth ra vppen dw&acirc;lw&ecirc;i brocht.
+W&ecirc;re hjara g&acirc;st Wr.aldas g&acirc;st, s&acirc; skolde
+Wr.alda &ecirc;l dvm w&ecirc;sa in st&ecirc;de fon licht and wis. Hwand
+hjara g&acirc;st sl&acirc;vth him selva immer of vmbe sk&ecirc;ne bylda
+to m&acirc;kjande, th&ecirc;r y &aring;ftern&ecirc;i anbid. Men Findas
+folk is en &aring;rg folk, hwand afsk&ecirc;n tha wanwysa th&ecirc;ra
+hjara selva wis m&acirc;kja th&aring;t hja drochtne send, sa
+h&aring;von hja to f&acirc;ra tha vnewida falxa drochtne esk&ecirc;pen,
+to k&ecirc;thande allerw&ecirc;ikes, th&aring;t thissa drochtne Wr.alda
+esk&ecirc;pen h&aring;ve, mith al hwat th&ecirc;r inne is; gyriga
+drochtne fvl nyd &aring;nd torn, tham &ecirc;rath &aring;nd thjanath
+willath w&ecirc;sa thrvch tha m&aring;nniska, th&ecirc;r blod &aring;nd
+offer willa &aring;nd sk&acirc;t askja. Men thi wanwisa falxa manna,
+tham hjara selva godis skalka jeftha prestera n&ocirc;ma l&ecirc;ta,
+b&uuml;rath &aring;nd s&acirc;mnath &aring;nd gethath aldam to
+f&acirc;ra drochtne th&ecirc;r er navt ne send, vmbet selva to
+bihaldande. Aldam bidrywath hja mith en rum emod, thrvchdam hja hjara
+selva drochtne w&acirc;ne, th&ecirc;r an ninman andert skeldich ne
+send. Send th&ecirc;r svme tham hjara renka froda &aring;nd b&acirc;r
+m&acirc;kja, alsa wrdon hja thrvch hjara rakkera f&aring;t &aring;nd
+vmbira laster vrbarnad, ella mith f&ecirc;lo st&acirc;tska
+pl&ecirc;gum, hjara falxa drochtne to-n &ecirc;re. Men in trvth, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3091" href=
+"#xd0e3091">140</a>]</span>all&ecirc;na vmbe th&aring;t hja ra navt
+sk&acirc;da ne skolde. Til thju vsa bern nw w&ecirc;pned m&uuml;ge
+w&ecirc;sa tojenst hjara drochtenlika l&ecirc;re, alsa h&acirc;gon tha
+f&acirc;mna hjam fon buta to l&ecirc;rande hwat hyr skil folgja.</p>
+
+<p>Wr.alda was &ecirc;r alle thinga, &aring;nd n&ecirc;i alle thinga
+skil er w&ecirc;sa. Wr.alda is alsa &ecirc;vg &aring;nd hi is vnendlik,
+thervmb nis th&ecirc;r nawet buta him. Thrvch ut Wr.aldas l&ecirc;va
+warth tid &aring;nd alle thinga bern, &aring;nd sin l&ecirc;va nimth
+tid &aring;nd alle thinga w&ecirc;i. Thissa s&ecirc;ka moton kl&acirc;r
+&aring;nd b&acirc;r m&acirc;kad wrda by alle wisa, s&acirc; th&aring;t
+hja-t an &ocirc;thera bithjuta &aring;nd biwisa m&uuml;ge. Is-t
+s&acirc; f&acirc;r wnnen, sa s&ecirc;ith m&aring;n forther: Hwat thus
+vsa ommefang treft, alsa send wy en d&ecirc;l fon Wr.aldas vnendelik
+w&ecirc;sa, alsa tha ommefang fon al et esk&ecirc;pne, thach hwat
+ang&acirc; vsa d&acirc;nte, vsa ainskipa, vsa g&acirc;st &aring;nd al
+vsa bith&aring;nkinga, thissa ne h&ecirc;ra navt to thet w&ecirc;sa.
+Thit ella send fljuchtiga thinga tham thrvch Wr.aldas l&ecirc;va
+forskina, thach th&ecirc;r thrvch sin wish&ecirc;d s&acirc;d&acirc;ne
+&aring;nd navt owers navt ne forskina. Men thrvchdam sin l&ecirc;va
+st&ecirc;des forthga, alsa ne m&ecirc;i th&ecirc;r nawet vppa sin
+st&ecirc;d navt bilywa. Th&ecirc;rvmbe forwixlath alle esk&ecirc;pne
+thinga fon st&ecirc;d, fon d&acirc;nte &aring;nd &acirc;k fon
+th&aring;nkwisa. Thervmbe ne m&ecirc;i irtha selva, ner eng skepsle ni
+sedsa: ik ben, men wel ik was. Ak ne m&ecirc;i n&ecirc;n m&aring;nniska
+navt ne sedsa ik th&aring;nk, men bl&acirc;t, ik thochte. Thi
+kn&acirc;p is gr&acirc;ter &aring;nd owers as tha-r bern w&ecirc;re. Hy
+heth ora g&ecirc;rtne, tochta &aring;nd th&aring;nkwisa. Thi man en
+t&acirc;t is &aring;nd th&aring;nkth owers as th&acirc;-r kn&acirc;p
+w&ecirc;re. &Ecirc;vin tha alda fon d&ecirc;gum. Th&acirc;t w&ecirc;t
+allera mannelik. S&acirc;hwersa allera mannalik nw w&ecirc;t &aring;nd
+jechta mot, th&aring;t hy alon wixlath, s&acirc; mot hy &acirc;k
+bijechta, that er jahweder &acirc;geblik wixlath, &acirc;k thahwila-r
+s&ecirc;id: ik ben, &aring;nd th&aring;t sina th&aring;nk bylda wixle,
+tha hwile-r s&ecirc;id: ik th&aring;nk.</p>
+
+<p>Inst&ecirc;de th&aring;t wy tha &aring;rga Findas althus vnwerthlik
+aftern&ecirc;i snakka &aring;nd k&aring;lta, ik ben, jeftha wel, ik ben
+thet beste d&ecirc;l Wr.aldas, ja thrvch vs all&ecirc;na m&ecirc;i-r
+th&aring;nkja, <span class="pagenum">[<a id="xd0e3097" href=
+"#xd0e3097">142</a>]</span>s&acirc; willath wy k&ecirc;tha wral
+&aring;nd allerw&ecirc;ikes w&ecirc;r et n&ecirc;dlik sy: wy Fryas bern
+send forskinsla thrvch Wr.aldas l&ecirc;va; by-t anfang min &aring;nd
+bl&acirc;t, thach immer w&aring;rthande &aring;nd n&acirc;kande to
+fvlkvmenlikh&ecirc;d, svnder &acirc; sa god to wrda as Wr.alda selva.
+Vsa g&acirc;st nis navt Wr.aldas g&acirc;st, hi is th&ecirc;rfon
+all&ecirc;na en afskinsle. Tha Wr.alda vs skop, heth er vs in thrvch
+sine wish&ecirc;d-bryn-sint&ucirc;ga, h&uuml;gia &aring;nd f&ecirc;lo
+goda ainskipa l&ecirc;nad. Hyrm&ecirc;i mugon wy sina &ecirc;wa
+bitrachta. Th&ecirc;rof m&uuml;gon wy l&ecirc;ra &aring;nd th&ecirc;rvr
+m&uuml;gon wy r&ecirc;da, ella &aring;nd all&ecirc;na to vs ain held.
+H&ecirc;de Wr.alda vs n&ecirc;ne sinna j&ecirc;ven, sa ne skolde wy
+narne of n&ecirc;ta &aring;nd wy skolde jeta reddalasser as en
+s&ecirc;kwale w&ecirc;sa, th&ecirc;r forthdryven w&aring;rth thrvch
+ebbe &aring;nd thrvch flod.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3084src" id="xd0e3084">1</a></span> Cf. Hegel a. h. l.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3099" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit stat vp skrivfilt skr&ecirc;ven. Tal and
+andworde ora famna to-n forbyld.</h2>
+
+<p>En vnsels gyrich m&aring;n k&ecirc;m to b&acirc;rande by Tr&acirc;st
+th&ecirc;r f&acirc;m w&ecirc;re to Stavia. Hy s&ecirc;ide vnw&ecirc;der
+h&ecirc;de sin hus w&ecirc;i brocht. Hy h&ecirc;de to Wr.alda
+b&ecirc;den, men Wr.alda n&ecirc;dim n&ecirc;ne helpe l&ecirc;nad. Bist
+en &aring;fte Fryas, fr&ecirc;je Tr&acirc;st. Fon elder t elder, andere
+thene m&aring;n. Th&aring;n s&ecirc;ide hju wil ik &aring;wet in thin
+mod s&ecirc;ja in bitrouwa, th&aring;t et kyma groja &aring;nd
+fr&uuml;chda j&ecirc;va m&ecirc;i. Forth spr&ecirc;k hju &aring;nde
+k&ecirc;th. Th&acirc; Frya bern was, stand vs moder naked &aring;nd
+bl&acirc;t, vnbihod to jenst tha str&ecirc;lum th&ecirc;re svnne.
+Ninman macht hju fr&ecirc;ja &aring;nd th&ecirc;r w&ecirc;re ninman
+th&ecirc;r hja help macht l&ecirc;na. Th&acirc; gvng Wr.alda to
+&aring;nd wrochte in hjra mod nigung &aring;nd liavde anggost &aring;nd
+skrik. Hju sach rondomme, hjra nigung k&acirc;s thet beste &aring;nd
+hju sochte skul vndera w&acirc;rande linda. Men r&ecirc;in k&ecirc;m
+&aring;nd t onhlest w&ecirc;re th&acirc;t hju wet wrde. Thach hju
+h&ecirc;de sjan <span class="pagenum">[<a id="xd0e3104" href=
+"#xd0e3104">144</a>]</span>ho thet w&ecirc;ter to tha hellanda
+bl&aring;dar of drupte. Nw m&acirc;kade hju en hrof mith hellanda
+sidum, vp st&ocirc;ka m&acirc;kade hju tham. Men stornewind k&ecirc;m
+&aring;nd blos r&ecirc;in th&ecirc;r vnder. Nw h&ecirc;de hja sjan
+th&aring;t tha stam hly jef, &aring;fter gong hja to &aring;nd
+m&acirc;kade en w&acirc;ch fon pl&acirc;ga &acirc;nd s&acirc;dum, thet
+forma an &ecirc;ne syda &aring;nd forth an alle syda. Storne wind
+k&ecirc;m to bek jeta wodander as to fora &aring;nd blos thju hrof
+ew&ecirc;i. Men hju ne b&acirc;rade navt over Wr.alda ner to jenst
+Wr.alda. Men hja m&acirc;kade en reitne hrof &aring;nd leide
+st&ecirc;ne th&ecirc;r vppa. Bifvnden h&aring;vande ho s&ecirc;r thet
+dvath vmb all&ecirc;na to tobbande, alsa bithjude hju hira bern ho
+&aring;nd hw&ecirc;rvmbe hju alsa h&ecirc;de d&ecirc;n. Thissa wrochton
+&aring;nd tochton to s&ecirc;mine. A sadenera wise send wy an
+h&ucirc;sa k&ecirc;men mith stoppenb&aring;nkum, en slecht &aring;nd
+warande linda with tha svnnestr&ecirc;lum. To tha lesta h&aring;von hja
+en burch m&acirc;kad &aring;nd forth alle &ocirc;thera. Nis thin hus
+thus navt sterk noch w&ecirc;st, alsa mot i trachda vmbet &ocirc;re
+b&ecirc;ter to m&acirc;kjande. Min hus w&ecirc;re sterk enoch,
+s&ecirc;ider, men thet h&acirc;ge w&ecirc;ter heth et vp b&ecirc;rad
+&aring;nd stornewind heth et ore d&ecirc;n. Hw&ecirc;r stand thin hus
+th&aring;n, fr&ecirc;je Tr&acirc;st. Alingen th&ecirc;re R&ecirc;ne,
+andere thene man. Ne stand et th&aring;n navt vppen nol jeftha therp,
+fr&ecirc;je Tr&acirc;st. Nean s&ecirc;ider, min hus stand &ecirc;nsum
+by tha overe, all&ecirc;na h&aring;v ik et buwad, men ik ne macht
+th&ecirc;r all&ecirc;na n&ecirc;n therp to makane. Ik wist wel,
+s&ecirc;ide Tr&acirc;st, tha f&acirc;mna h&aring;v et my meld. Thv hest
+al thin l&ecirc;va en gr&ucirc;wel had an tha m&aring;nniska, ut
+fr&ecirc;se th&aring;tste awet j&ecirc;va jeftha dva moste to fara
+hjam. Thach th&ecirc;r mitha ne m&ecirc;i m&aring;n navt f&ecirc;r ne
+kvma. Hwand Wr.alda th&ecirc;r mild is, k&ecirc;rath him fona gyriga.
+F&aring;sta het vs r&ecirc;den &aring;nd buppa tha dura fon alle burgum
+is t in st&ecirc;n ut wryten: bist &aring;rg b&acirc;tsjochtig
+s&ecirc;ide F&aring;sta, bihod th&aring;n jvwe n&ecirc;sta, bithjod
+th&aring;n jvwe n&ecirc;sta, help th&aring;n juwe nesta, s&acirc;
+skilun hja t thi witherdva. Is i thina r&ecirc;d navt god noch, ik
+n&ecirc;t f&acirc;r thi n&ecirc;n b&ecirc;tera. Sk&acirc;mr&acirc;d
+w&aring;rth then m&aring;n &aring;nd hi drupte stolkes hinne. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3106" href="#xd0e3106">146</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e3108" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nw wil ik selva skriwa &ecirc;rost fon over min
+burch and than over hwat ik hav muge sjan.</h2>
+
+<p>Min burch l&ecirc;id an-t north-ende th&ecirc;re Liudg&acirc;rda.
+Thju tore heth sex syda. Thrya thrittich f&ecirc;t is hju h&acirc;ch.
+Fl&aring;t fon boppa. En lyth huske th&ecirc;r vppa, hw&acirc;na
+m&aring;n tha st&aring;ra bisjath. An aider syd th&ecirc;re tore
+st&aring;t en hus, long thrya hondred, br&ecirc;d thrya sjugun
+f&ecirc;t, &ecirc;lika h&acirc;ch bihalva thju hrof, th&ecirc;r rondlik
+is. Altham fon hyrbakken st&ecirc;n, &aring;nd fon buta ne send
+n&ecirc;nen &ocirc;thera. Om tha burch is en hringdik, th&ecirc;rom en
+gr&aring;ft diap thrya sjugun f&ecirc;t, wyd thrya twilif f&ecirc;t.
+Siath hwa fon&ecirc;re tore del, sa siath hi thju d&acirc;nte fon et
+Jol. Vppa grvnd twisk tha s&ucirc;dlika h&ucirc;sa th&ecirc;re, send
+allerl&ecirc;ja kr&ucirc;da fon h&ecirc;inde &aring;nd f&ecirc;r,
+th&ecirc;rof moton tha f&acirc;mna tha krefta l&ecirc;ra. Twisk tha
+nortlika h&ucirc;sa is all&ecirc;na fjeld. Tha thrju nortlika
+h&ucirc;sa send fol k&ecirc;ren &aring;nd &ocirc;ther bihof. Twa
+s&ucirc;dar send to f&acirc;ra tha f&acirc;mkes vmbe to skola &aring;nd
+to h&ecirc;ma<span class="corr" id="xd0e3113" title="Niet in
+bron">.</span> Thet s&ucirc;dlikoste hus is th&ecirc;re Burchf&acirc;m
+his h&ecirc;m. Inna tore hangt thju foddik. Tha wagar th&ecirc;re tore
+send mith kestlika st&ecirc;na smukad. In vppa th&ecirc;re
+s&ucirc;derwach is th&ecirc;ne Tex wrytten. An tha f&ecirc;re syde
+th&ecirc;ra finth m&aring;n thju forml&ecirc;re; anna winstere syde tha
+&ecirc;wa. Tha ora s&ecirc;ka finth m&aring;n vppa &ocirc;ra thrja.
+Tojenst tha dik by-t hus th&ecirc;r f&acirc;m st&ecirc;t thju owne
+&aring;nd thju molm&acirc;k thrvch fjuwer bufla kroden. Buta vsa
+burchwal is-t h&ecirc;m, th&ecirc;r vppa tha burchh&ecirc;ra &aring;nda
+w&ecirc;rar h&ecirc;me. Thju ringdik th&ecirc;ra is en stonde
+gr&acirc;t, n&ecirc;n stjurar, men svnna stonde, hw&ecirc;rfon twya
+twilif vppen etmelde kvma. In vpper binnasyde fona dik is en
+fl&aring;t, fif f&ecirc;t vndera kr&ucirc;n. Th&ecirc;r vppa send thrya
+hondred kr&acirc;nboga, todekt mith wod &aring;nd l&ecirc;ther. Bihalva
+tha h&ucirc;sa th&ecirc;ra inh&ecirc;mar send th&ecirc;r binna alingne
+tha <span class="pagenum">[<a id="xd0e3116" href=
+"#xd0e3116">148</a>]</span>dik jeta thrya twilif n&ecirc;dh&ucirc;sa to
+f&acirc;ra tha omh&ecirc;mar. Thet fjeld thjanath to k&aring;mp
+&aring;nd to w&ecirc;de. Anna s&ucirc;dsyde fon tha b&ucirc;tenste
+hringdik is thju Liudg&acirc;rde omt&ucirc;nad thrvch thet gr&acirc;te
+Lindawald. Hjra d&acirc;nte is thrju hernich, thet br&ecirc;de buta,
+til thju svnne th&ecirc;r in sia m&ecirc;i. Hwand th&ecirc;r send
+f&ecirc;lo f&ecirc;rlandeska thr&ecirc;ja &aring;nd blommen thrvch tha
+stjurar mith brocht. Alsa thju d&acirc;nte vsar burch is, send alle
+&ocirc;thera; thach vs-is is thju gr&acirc;teste; men thi fon Texland
+is tha aldergr&acirc;teste. Thju tore fon Fryasburch is alsa h&acirc;ch
+th&aring;t hju tha wolka torent, n&ecirc;i th&ecirc;re tore is al et
+&ocirc;thera.</p>
+
+<p>By vs vppa burch ist alsa d&ecirc;lad. Sjugun jonge f&acirc;mna
+w&acirc;kath by th&ecirc;re foddik. Aider w&acirc;k thrja stonda. In ha
+&ocirc;re tid moton hja husw&aring;rk dva, l&ecirc;ra &aring;nd
+sl&ecirc;pa. Send hja sjugun j&ecirc;r w&acirc;kande w&ecirc;sen, alsa
+send hja fry. Th&acirc;n m&uuml;gon hja emong tha m&aring;nniska
+g&acirc;, vp-ra s&ecirc;d to letane &aring;nd r&ecirc;d to
+j&ecirc;vane. Is hwa thrju j&ecirc;r f&acirc;m w&ecirc;st, s&acirc;
+m&ecirc;i hju alto met mith tha alda f&acirc;mna mith g&acirc;.</p>
+
+<p>Thi skrywer mot tha f&acirc;mkes l&ecirc;ra l&ecirc;sa, skrywa
+&aring;nd r&ecirc;kenja. Tha grysa jeftha gr&ecirc;va moton l&ecirc;ra
+hjam rjucht &aring;nd plicht, s&ecirc;dkunda, kr&ucirc;dkunda,
+h&ecirc;lkunda, sk&ecirc;dnesa, tellinga &aring;nd sanga, bijunka
+allerl&ecirc;ja thinga th&ecirc;r hjam n&ecirc;dlik send vmbe r&ecirc;d
+to j&ecirc;va. Thju Burchf&acirc;m mot l&ecirc;ra hjam ho hja
+th&ecirc;rmith to w&aring;rk g&acirc; mota by th&aring; m&aring;nniska.
+&Ecirc;r en Burchf&acirc;m hjra st&ecirc;d innimt, mot hju thrvch thet
+l&acirc;nd f&acirc;ra en fvl j&ecirc;r. Thr&ecirc; gr&ecirc;va
+burchh&ecirc;ra &aring;nd thrja alda f&acirc;mna gan mith hiri mitha.
+Alsa is-t &acirc;k my gvngon. Min f&acirc;rt is alingen th&ecirc;re
+R&ecirc;ne w&ecirc;st, thjus k&acirc;d opward, alingen th&ecirc;re
+&ocirc;re syde ofward. Ho h&acirc;ger ik upk&ecirc;m, to &aring;rmer
+likte mi tha m&aring;nniska. Wral inna R&ecirc;ne h&ecirc;de m&aring;n
+utstekka makad. Thet s&ocirc;n th&aring;t th&ecirc;r ain k&ecirc;m,
+wrde mith w&ecirc;ter wr sk&ecirc;pfachta g&acirc;ten vmbe gold to
+winnande. Men tha m&aring;ng&ecirc;rta ne drogon th&ecirc;r n&ecirc;ne
+golden krone fon. &Ecirc;r w&ecirc;ron th&ecirc;r <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3122" href="#xd0e3122">150</a>]</span>m&acirc;r
+w&ecirc;st, men sont wi Sk&ecirc;nland miste, send hja n&ecirc;i tha
+berga gvngon. Th&ecirc;r delvath hja yserirtha, th&ecirc;r hja yser of
+m&acirc;kja. Boppa th&ecirc;re R&ecirc;ne twisk thet berchta,
+th&ecirc;r h&aring;v ik M&acirc;rs&aring;ta sjan. Tha
+M&acirc;rs&acirc;ta th&aring;t send m&aring;nniska th&ecirc;r invppa
+m&acirc;ra h&ecirc;ma. Hjara husa send vp p&aring;lum buwad. Th&aring;t
+is vret wilde kwik &aring;nda bose m&aring;nniska. Th&ecirc;r send
+wolva, b&acirc;ra &aring;nd sw&acirc;rte grislika l&acirc;wa<a class=
+"noteref" id="xd0e3127src" href="#xd0e3127">1</a>. And hja send tha
+swetsar<a class="noteref" id="xd0e3130src" href="#xd0e3130">2</a>
+jeftha p&aring;lingar fonda h&ecirc;inde Kr&ecirc;kalandar, th&ecirc;ra
+K&aring;lta folgar &aring;nd tha vrwildere Twiskar, alle gyrich
+n&ecirc;i r&acirc;v &aring;nd but. Tha M&acirc;rs&acirc;ta helpath
+hjara selva mith fiska &aring;nd j&acirc;ga. Tha huda wrdat thrvch tha
+wiva tom&acirc;kad &aring;nd birhet mith skors fon berkum. Tha litha
+huda saft lik f&acirc;mnafilt. Thju burchf&acirc;m et Fryasburch<a
+class="noteref" id="xd0e3133src" href="#xd0e3133">3</a> s&ecirc;ide vs
+th&aring;t hja gode &ecirc;nfalde m&aring;nniska weron. Thach h&ecirc;d
+ik hja &ecirc;r navt spr&ecirc;ken h&ecirc;red, ik skolde m&ecirc;nath
+h&aring;ve th&aring;t hja n&ecirc;n Fryas w&ecirc;re, men wilda,
+s&acirc; ryst s&acirc;gon hja ut. Hjra fachta &aring;nd kruda wrdon
+thrvch tha R&ecirc;nh&ecirc;mar vrwandelath &aring;nd thrvch tha
+stjurar buta brocht. Alingen th&ecirc;re R&ecirc;ne w&ecirc;r et
+al&ecirc;n, til Lydasburch<a class="noteref" id="xd0e3136src" href=
+"#xd0e3136">4</a>. Th&ecirc;r was en gr&acirc;te flyt<a class="noteref"
+id="xd0e3139src" href="#xd0e3139">5</a>. Invppa thisra flyt w&ecirc;ron
+&acirc;k m&aring;nniska, th&ecirc;r husa vp p&aring;la h&ecirc;de. Men
+th&aring;t n&ecirc;r n&ecirc;n Fryas folk, men th&aring;t w&ecirc;ron
+swarte &aring;nd bruna m&aring;nniska, th&ecirc;r thjanath h&ecirc;de
+to rojar vmbe tha butaf&acirc;rar to honk to helpane. Hja moston
+th&ecirc;r bilywa til thju thju fl&acirc;te wither w&ecirc;i
+br&ucirc;da.</p>
+
+<p>To tha lersta k&ecirc;mon wi to-t Alderga. By-t
+suderh&acirc;vah&acirc;ved st&ecirc;t thju W&acirc;raburch, en
+st&ecirc;nhus, th&ecirc;rin send allerl&ecirc;ja skulpa, hulka,
+w&ecirc;pne &aring;nd klathar w&acirc;rad, fon f&ecirc;re landum,
+thrvch tha stjurar mith brocht. En fjard&ecirc;l d&acirc;na is-t
+Alderga. En gr&acirc;te flyt omborad mith lothum, husa &aring;nd
+g&acirc;rdum ella riklik sjarad. Invpper flyt l&ecirc;i en gr&acirc;te
+fl&acirc;te r&ecirc;d, mith f&ocirc;non fon allerl&ecirc;ja farwa. Et
+Fryas d&ecirc;i hongon tha skilda omma tha borda to. Svme blikton <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3144" href="#xd0e3144">152</a>]</span>lik
+svnna. Tha skilda th&ecirc;r witking &aring;nd th&ecirc;ra skolta bi
+tha nachtum w&ecirc;ron mith gold vmborad. Abefta th&ecirc;re flyt was
+en gr&aring;ft gr&aring;ven, to hl&acirc;pande d&acirc;na alingen
+th&ecirc;re burch For&acirc;na<a class="noteref" id="xd0e3146src" href=
+"#xd0e3146">6</a> &aring;nd forth mith en &ecirc;nga muda<a class=
+"noteref" id="xd0e3149src" href="#xd0e3149">7</a> in s&ecirc;. To
+f&acirc;ra th&ecirc;re fl&acirc;te w&ecirc;re thit tha utgvng &aring;nd
+et Fly tha ingvng. A b&ecirc;de syda th&ecirc;re gr&aring;ft send
+sk&ecirc;ne husa mith hel blikanda farwa m&acirc;lad. Tha g&acirc;rdne
+send mit altid gr&ecirc;ne h&acirc;gvm omtunad. Ik h&aring;v th&ecirc;r
+wiva sian, th&ecirc;r filtne tohnekna drogon as t skriffilt w&ecirc;re.
+Lik to Stavere w&ecirc;ron tha m&aring;ng&ecirc;rtne mith golden kronum
+vppira holum &aring;nd mith hringum<a class="noteref" id="xd0e3152src"
+href="#xd0e3152">8</a> om &aring;rma &aring;nd f&ecirc;t sjarad.
+Sudward fon For&acirc;na l&ecirc;id Alkm&acirc;rum. Alkm&acirc;rum is
+en m&acirc;re jefta flyt, th&ecirc;rin l&ecirc;id en &ecirc;land, vppa
+th&aring;t &ecirc;land moton tha swarte &aring;nd bruna m&aring;nniska
+hwila &ecirc;vin as to Lydahisburch. Thju Burchf&acirc;m fon
+For&acirc;na s&ecirc;ide my, th&aring;t tha burchh&ecirc;ra
+d&ecirc;istik to-r&acirc; gvngon vmb ra to l&ecirc;rande, hwat
+&aring;fte frydom sy, &aring;nd ho tha m&aring;nniska an th&ecirc;re
+minne agon to l&ecirc;vane vmbe s&ecirc;jen to winnande fon Wr.aldas
+g&acirc;st. Was th&ecirc;r hwa th&ecirc;r h&ecirc;ra wilde &aring;nd
+bigripa machte, sa w&aring;rth er halden, alont er fvl l&ecirc;rad
+w&ecirc;re. Th&aring;t wrde d&ecirc;n vmbe tha f&ecirc;rh&ecirc;mande
+folka wis to m&acirc;kane, &aring;nd vmbe vral &acirc;tha to winnande.
+&Ecirc;r h&ecirc;d ik anda S&acirc;xanamarka to th&ecirc;r burch
+M&aring;nnag&acirc;rda forda<a class="noteref" id="xd0e3155src" href=
+"#xd0e3155">9</a> w&ecirc;st. Thach th&ecirc;r h&ecirc;d ik m&acirc;r
+sk&acirc;melh&ecirc;d sjan, as-k hyr rikdom sp&ecirc;rde. Hju andere:
+s&acirc; hwersa th&ecirc;r an da S&acirc;xanamarka en fr&ecirc;jar
+kvmath en mang&ecirc;rte to bi fr&ecirc;jande, alsa fr&ecirc;jath tha
+m&aring;ng&ecirc;rtne th&ecirc;r, kanst thin hus fry w&ecirc;ra tojenst
+tha bannane Twisklandar, h&aring;st nach n&ecirc;ne f&aring;lad, ho
+f&ecirc;lo bufle h&aring;st al f&aring;nsen &aring;nd ho f&ecirc;lo
+b&acirc;ra &aring;nd wolva huda h&aring;st al vppa th&ecirc;re
+m&aring;rk brocht? D&acirc;na ist kvmen th&aring;t tha Saxmanna thju
+buw anda wiva vrl&ecirc;ten h&aring;ve. Th&aring;t fon hvndred to
+s&ecirc;mine n&ecirc;n &ecirc;ne l&ecirc;sa m&ecirc;i ner skriwa ne
+k&aring;n. D&acirc;na is-t kvmen, th&aring;t nimman n&ecirc;n
+spr&ecirc;k vppa sin skild neth, men bl&acirc;t en mislikande
+d&acirc;nte fon en diar, th&aring;t er f&aring;lad <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3158" href="#xd0e3158">154</a>]</span>heth. And
+&aring;ndlik, d&acirc;na is-t kvmen, th&aring;t hja s&ecirc;r
+wichandlik ewrden send, men to met &ecirc;vin dvm send as et kwik,
+th&aring;t hja f&aring;nsa, &aring;nd &ecirc;vin erm as tha
+Twiskl&acirc;ndar, hw&ecirc;r mith hja orloge. To f&acirc;ra Fryas folk
+is irtha &aring;nd s&ecirc; esk&ecirc;pen. Al vsa rinstr&acirc;ma
+runath vppa s&ecirc; to. Th&aring;t Lydas folk &aring;nd th&aring;t
+Findas folk skil ekkorum vrdelgja, &aring;nd wy moton tha l&ecirc;thoga
+landa bifolka. In-t fon &aring;nd omme f&acirc;ra l&ecirc;id vs held.
+Wilst nw th&aring;t tha boppal&acirc;nder d&ecirc;l h&aring;ve an vsa
+rikdom &aring;nd wisdom, s&acirc; skil ik thi en r&ecirc;d j&ecirc;va.
+L&ecirc;t et tha mang&ecirc;rtne to w&ecirc;nh&ecirc;d wrde hjara
+fr&ecirc;jar to fr&ecirc;jande, &ecirc;r hja ja segsa: hw&ecirc;r
+h&aring;st al in wralda ommef&acirc;ren, hwad k&aring;nst thin bern
+tella wra f&ecirc;ra landa &aring;nd wra f&ecirc;rh&ecirc;manda folka?
+Dvath hja alsa, s&acirc; skilun tha wichandlika kn&acirc;pa to vs kvma.
+Hja skilun wiser w&aring;rtha &aring;nd rikk&acirc;r &aring;nd wi ne
+skilun n&ecirc;n bihof longer navt n&aring;ve an th&aring;t wla thjud.
+Tha jongste th&ecirc;r f&acirc;mna fon th&ecirc;ra th&ecirc;r by mi
+w&ecirc;ron, k&ecirc;m uta Saxsanamarka w&ecirc;i. As wi nw to hongk
+k&ecirc;mon, heth hju orlovi fr&ecirc;jad vmbe n&ecirc;i hjra hus to
+g&acirc;ne. Aftern&ecirc;i is hju th&ecirc;r Burchf&acirc;m wrden,
+&aring;nd d&acirc;na is-t kvmen th&aring;t er hjud&ecirc;ga s&acirc;
+felo Saxm&aring;nna by tha stjurar f&acirc;re.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Ende fon thet Apollonia
+bok.</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e3164" href=
+"#xd0e3164">156</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3127src" id="xd0e3127">1</a></span> Leeuwen in Europa, Herodotus,
+VII, 125.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3130src" id="xd0e3130">2</a></span> Swetsar, Switsers.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3133src" id="xd0e3133">3</a></span> Fryasburch, Freiburg.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3136src" id="xd0e3136">4</a></span> Lydasburch, Leiden, de
+burcht.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3139src" id="xd0e3139">5</a></span> Flyt, jeftha m&acirc;re, de
+Mare.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3146src" id="xd0e3146">6</a></span> Forana, Vroonen.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3149src" id="xd0e3149">7</a></span> Engamuda, Egmond.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3152src" id="xd0e3152">8</a></span> Diod. Sic. V 27, van de
+Galliers.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3155src" id="xd0e3155">9</a></span> Mannag&acirc;rdaforda,
+Munster.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3166" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Tha skrifta fon Frethorik and Wiljow.</h2>
+
+<p>Min n&ocirc;m is Fr&ecirc;thorik to nomath oera Linda, th&aring;t
+wil segsa ovir tha Linda. To Ljudwardja bin ik to Asga k&ecirc;ren.
+Ljudwardja is en ny thorp, binna thene ringdik fon th&ecirc;r burch
+Ljudgarda, hw&ecirc;rfon tha n&ocirc;ma an vn&ecirc;r kvmen is. Vnder
+mina tida is er f&uuml;l b&ecirc;red. F&uuml;l h&ecirc;d ik th&ecirc;r
+vr skr&ecirc;ven, men &aring;ftern&ecirc;i send mi &acirc;k f&ecirc;lo
+thinga meld. Fon &ecirc;n &aring;nd &ocirc;ther wil ik en
+sk&ecirc;dnese &aring;fter thit bok skrywa, tha goda m&aring;nniska
+to-n &ecirc;re tha &aring;rga to vn&ecirc;re.</p>
+
+<p>In min j&uuml;ged h&ecirc;rd ik gr&ecirc;dwird alomme, &aring;rge
+tid k&ecirc;m, &aring;rge tid was kvmen, Frya h&ecirc;d vs l&ecirc;ton,
+hjra w&acirc;kf&acirc;mkes h&ecirc;de hju abefta halden, hwand drochten
+likande bylda w&ecirc;ron binna vsa l&acirc;ndp&aring;la fvnden.</p>
+
+<p>Ik br&ocirc;nde fon nysgyr vmbe thi bylda to bisjan. In vsa
+b&ucirc;rt strompele en &ocirc;ld f&acirc;mke to tha husa uta in, immer
+to k&ecirc;thande vr &aring;rge tid. Ik gyrde hja ling syde. Hju strik
+mi omme kin to. Nw wrd ik drist &aring;nd fr&ecirc;je jef hju mi
+&aring;rge tid &aring;nd tha bylda r&ecirc;is wisa wilde. Hju lakte
+godlik &aring;nd brocht mi vpper burch. En gr&ecirc;ve m&aring;n
+fr&ecirc;je my jef ik al l&ecirc;sa &aring;nd skrywa kv. N&ecirc;
+s&ecirc;id ik. Th&aring;n most &ecirc;rost to ga &aring;nd l&ecirc;ra,
+s&ecirc;id-er owers ne m&ecirc;i-t jow navt wysen wrde. Dystik gvng ik
+bi tha skriwer l&ecirc;ra. Acht j&ecirc;r l&ecirc;tter h&ecirc;rd ik,
+vsa burchf&acirc;m h&ecirc;de hordom bidryven &aring;nd svme
+burchh&ecirc;ra h&ecirc;don vrr&ecirc;d pl&ecirc;gad mith tha Magy,
+&aring;nd f&ecirc;lo m&aring;nniska w&ecirc;ron vp hjara syde. Vral
+k&ecirc;m twispalt. Th&ecirc;r w&ecirc;ron bern, th&ecirc;r vpstandon
+ajen hjara eldrum. Inna gluppa <span class="pagenum">[<a id="xd0e3175"
+href="#xd0e3175">158</a>]</span>wrdon tha froda m&aring;nniska morth.
+Thet alde f&acirc;mke, th&ecirc;r ella b&acirc;r m&acirc;kade,
+w&aring;rth d&acirc;d fvnden in en grupe. Min t&acirc;t, th&ecirc;r
+rjuchter w&ecirc;re, wilde hja wr&ecirc;ken h&acirc;. Nachtis
+w&aring;rth er in sin hus vrmorth. Thrju j&ecirc;r l&ecirc;tter
+w&ecirc;r thene M&acirc;gy b&acirc;s svnder strid. Tha Saxm&aring;nna
+w&ecirc;ron frome &aring;nd frod bilywen. N&ecirc;i tham fljuchton alle
+gode m&aring;nniska. Min m&aring;m bistvrv-et. Nw d&ecirc;d ik lik tha
+&ocirc;thera. Thi M&acirc;gy bogade vppa sinra sn&ocirc;dh&ecirc;d. Men
+Irtha skold im th&acirc;na, th&aring;t hja n&ecirc;n M&acirc;gy ner
+afgoda to l&ecirc;ta ne mochte to th&ecirc;re h&ecirc;lge sk&ecirc;ta,
+hw&ecirc;rut hju Frya b&ecirc;rade. &Ecirc;vin sa thet wilde hors sina
+m&aring;nna sked, n&ecirc;i th&aring;t thet sina ridder gersfallich
+m&acirc;kad heth, &ecirc;vin s&acirc; skodde Irtha hjra walda &aring;nd
+berga. Rinstr&acirc;ma wrdon ovira fjelda spr&ecirc;d. S&ecirc; kokade.
+Berga spydon n&ecirc;i tha wolkum, &aring;nd hwad hja spyth h&ecirc;de,
+swikton tha wolka wither vp jrtha. By-t anfang there Arnem&ocirc;nath
+nigade jrtha northward, hju s&ecirc;g del, &ocirc;l l&ecirc;gor
+&aring;nd l&ecirc;gor. Anna Wolfam&ocirc;nath l&ecirc;idon tha
+D&ecirc;nemarka fon Fryas l&acirc;nd vnder-ne s&ecirc; bidobben. Tha
+walda th&ecirc;r bylda in w&ecirc;ron, wrdon vphyvath &aring;nd
+th&ecirc;r windum spel. Thet j&ecirc;r &aring;fter k&ecirc;m frost inna
+Herdem&ocirc;nath &aring;nd l&ecirc;id &ocirc;ld Fryas l&acirc;nd vnder
+en pl&ocirc;nke skul. In Sellam&ocirc;nath k&ecirc;m stornewind ut et
+northa w&ecirc;i, mith forande berga fon ise &aring;nd st&ecirc;num.
+Tha spring k&ecirc;m, hyf jrtha hjra selva vp. Ise smolt w&ecirc;i.
+Ebbe k&ecirc;m &aring;nd tha walda mith byldum dr&ecirc;von n&ecirc;i
+s&ecirc;. Inner Winna jeftha Minnam&ocirc;nath gvng aider thurvar
+wither h&ecirc;m f&acirc;ra. Ik k&ecirc;m mith en f&acirc;m to
+th&ecirc;re burch Ljudg&acirc;rda. Ho drove sach et ut. Tha walda
+th&ecirc;ra Lindawrda w&ecirc;ron m&ecirc;st w&ecirc;i. Th&ecirc;r tha
+Ljudg&acirc;rde w&ecirc;st h&ecirc;de, was s&ecirc;. Sin hef
+f&ecirc;tere thene hringdik. Ise h&ecirc;de tha tore w&ecirc;i brocht
+&aring;nd tha husa l&ecirc;ide in thrvch ekk&ocirc;rum. Anna helde
+fonna dik fond ik en st&ecirc;n. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3177" href="#xd0e3177">160</a>]</span>vsa skriver h&ecirc;d er sin
+n&ocirc;m inwryten, th&aring;t w&ecirc;re my en b&acirc;ken. S&acirc;-t
+mith vsa burch gvngen was, was-t mith mitha &ocirc;ra gvngon. Inna
+h&acirc;ga l&acirc;nda w&ecirc;ron hja thrvch jrtha, inna d&ecirc;na
+landa thrvch w&ecirc;ter vrd&ecirc;n. All&ecirc;na Fryasburch to
+Texland w&aring;rth vned&ecirc;rad fvnden. Men al et l&aring;nd thet
+northward l&ecirc;id h&ecirc;de, w&ecirc;re vnder s&ecirc;. Noch nis-t
+navt boppa brocht. An th&aring;s k&acirc;d fon-t Flym&acirc;re
+w&ecirc;ron n&ecirc;i meld wrde thrichtich salta m&acirc;ra kvmen,
+vnstonden thrvch tha walda, th&ecirc;r mith grvnd &aring;nd al
+vrdr&ecirc;ven w&ecirc;ron. To Westflyland fiftich. Thi gr&aring;ft
+th&ecirc;r fon-t Alderga thweres to het land thrvchl&acirc;pen
+h&ecirc;de, was vrs&ocirc;ndath &aring;nd vrd&ecirc;n. Tha stjurar
+&aring;nd &ocirc;r f&acirc;rande folk, th&ecirc;r to honk w&ecirc;ron,
+h&ecirc;de hjara selva mith m&acirc;ga &aring;nd sibba vppira skepum
+hret. Men th&aring;t swarte folk fon Lydasburch &aring;nd Alikmarum
+h&ecirc;de al&ecirc;n d&ecirc;n. Thawil tha swarta s&ucirc;dward
+dryvon, h&ecirc;don hja f&ecirc;lo m&aring;ng&ecirc;rtne hret,
+&aring;nd n&ecirc;idam nimman ne k&ecirc;m to aska tham, hildon hja
+tham to hjara wiva. Tha m&aring;nniska th&ecirc;r to bek k&ecirc;mon,
+gvngon alle binna tha hringdika th&ecirc;ra burgum h&ecirc;ma,
+thrvchdam et th&ecirc;r buta al slyp &aring;nd brokl&acirc;nd
+w&ecirc;re. Tha gamla husa wrde by&ecirc;n klust. Fona
+boppal&acirc;ndum k&acirc;pade m&aring;n ky &aring;nd sk&ecirc;p,
+&aring;nd inna tha gr&acirc;te husa th&ecirc;r to f&acirc;ra tha
+f&acirc;mna s&ecirc;ten h&ecirc;de, wrde nw l&ecirc;ken &aring;nd filt
+m&acirc;kad, vmbe thes l&ecirc;vens willa. Th&aring;t sk&ecirc;d 1888<a
+class="noteref" id="xd0e3179src" href="#xd0e3179">1</a> j&ecirc;r
+n&ecirc;i th&aring;t Atl&acirc;nd svnken was.</p>
+
+<p>In 282 j&ecirc;r<a class="noteref" id="xd0e3184src" href=
+"#xd0e3184">2</a> n&ecirc;don wi n&ecirc;n &Ecirc;remoder navt hat,
+&aring;nd nw ella tomet vrl&ecirc;ren skinde, gvng m&aring;n &ecirc;ne
+kjasa. Thet hlot falde vp Gosa to n&ocirc;math Makonta. Hju w&ecirc;re
+Burchf&acirc;m et Fryasburch to Texl&acirc;nd. Hel fon hawed &aring;nd
+kl&acirc;r fon sin, &ecirc;lle god, &aring;nd thrvchdam hira burch
+all&ecirc;na sp&acirc;rad was, sach alrik th&ecirc;rut hira hropang.
+Tjan j&ecirc;r l&ecirc;ttere k&ecirc;mon tha stjurar fon Forana
+&aring;nd fon Lydas burch. Hja wildon tha swarta m&aring;nniska mith
+wif &aring;nd bern to thet l&acirc;nd utdryva. Th&ecirc;rwr wildon hja
+th&ecirc;re Moder is r&ecirc;d biwinna. Men Gosa <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e3187" href="#xd0e3187">162</a>]</span>fr&ecirc;je,
+k&aring;nst &ecirc;n &aring;nd &ocirc;r to bek fora n&ecirc;i hjra
+l&acirc;ndum, th&aring;n &acirc;chste spod to m&acirc;kjande, owers ne
+skilun hja hjara m&acirc;ga navt wither ne finda. N&ecirc; s&ecirc;ide
+hja. Th&acirc; s&ecirc;ide Gosa: Hja h&aring;von thin salt provad
+&aring;nd thin br&aring;d &ecirc;ten. Hjara lif &aring;nd l&ecirc;va
+h&aring;von hja vnder jow hod st&aring;lad. I moste jow ajne hirta
+bis&ecirc;ka. Men ik wil thi en r&ecirc;d jeva. Hald hjam alond jow
+w&aring;ldich biste vm ra wither honk to fora. Men hald hjam bi jow
+burgum th&ecirc;r b&ucirc;ta. W&acirc;k ovir hjara s&ecirc;d &aring;nd
+l&ecirc;r hjam as jef hja Fryas svna w&ecirc;re. Hjra wiva send hyr tha
+steriksta. As r&ecirc;k skil hjara blod vrfljuchta, til er tha lesta
+navt owers as Fryas blod in hjara &aring;fterkvmande skil bilywa.
+S&acirc; send hja hyr bil&ecirc;wen. Nw winst ik wel th&aring;t mina
+&aring;fterkvmande th&ecirc;r vp letta, ho f&ecirc;r Gosa
+w&ecirc;rh&ecirc;d sprek. Th&acirc; vsa l&acirc;nda wither to bigana
+w&ecirc;r, k&ecirc;mon th&ecirc;r banda erma Saxmanna &aring;nd wiva
+n&ecirc;i tha vvrdum fon Stavere &aring;nd th&aring;t Alderga, vmbe
+golden &aring;nd &ocirc;ra sjarh&ecirc;d to s&ecirc;kane fon ut tha
+wasige bodeme. Thach tha stjurar nildon hja navt to l&ecirc;ta. Tha
+gvngon hja tha l&ecirc;thoga thorpa bih&ecirc;ma to West Flyland, vmbe
+ra lif to bihaldane.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3179src" id="xd0e3179">1</a></span> 2193 - 1888 = 305 voor
+Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3184src" id="xd0e3184">2</a></span> Sedert 587 voor Chr. Verg.
+pag. 110, 112.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3189" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nw wil ik skriwa ho tha G&ecirc;rtmanna and
+f&ecirc;lo H&ecirc;l&ecirc;nja folgar tobek k&ecirc;mon.</h2>
+
+<p>Twa j&ecirc;r n&ecirc;i th&aring;t Gosa Moder wrde<a class="noteref"
+id="xd0e3194src" href="#xd0e3194">1</a>, k&ecirc;m er en fl&acirc;te to
+thet Flymara in fala. Thet folk hropte ho.n.s&ecirc;en. Hja foron til
+Stavere, th&ecirc;r hropton hja jeta r&ecirc;is. Tha f&ocirc;na
+w&ecirc;ron an top &aring;nd thes nachtes sk&acirc;ton hja barnpila<a
+class="noteref" id="xd0e3197src" href="#xd0e3197">2</a> anda loft.
+Th&acirc; d&ecirc;ir&ecirc;d w&ecirc;re rojadon svme mith en
+sn&acirc;ke to th&ecirc;re hava in. Hja hropton wither ho.n.
+s&ecirc;en. Th&acirc; hja landa hipte-n jong kerdel wal vp. In sina
+handa h&ecirc;di-n skild, th&ecirc;rvp was br&aring;d &aring;nd salt
+l&ecirc;id. Afterdam k&ecirc;m en gr&ecirc;va, hi s&ecirc;ide wi kvmath
+fona <span class="pagenum">[<a id="xd0e3203" href=
+"#xd0e3203">164</a>]</span>fere Kr&ecirc;kalandum w&ecirc;i, vmb vsa
+s&ecirc;d to warjande, nw winstath wi i skolde alsa mild w&ecirc;sa vs
+alsa f&uuml;l l&acirc;nd to j&ecirc;vane th&aring;t wi th&ecirc;rvp
+m&uuml;ge h&ecirc;ma. Hi telade-n &ecirc;le sk&ecirc;dnese th&ecirc;r
+ik &aring;fter b&ecirc;tre skryva wil. Tha gr&ecirc;va niston navt hwat
+to dvande, hja sandon bodon allerw&ecirc;ikes, &acirc;k to my. Ik gvng
+to &aring;nd s&ecirc;ide: nw wi-n Moder h&aring;ve agon wi hjra
+r&ecirc;d to fr&ecirc;jande. Ik selva gvng mitha. Thju Moder,
+th&ecirc;r ella wiste, s&ecirc;ide, l&ecirc;t hja kvme, s&acirc;
+m&uuml;gon hja vs l&acirc;nd helpa bihalda: men l&ecirc;t hjam navt vp
+&ecirc;ne st&ecirc;d ne bilyva, til thju hja navt waldich ne wrde ovir
+vs. Wi d&ecirc;don as hju s&ecirc;id h&ecirc;de. That w&ecirc;re
+&ecirc;l n&ecirc;i hjra h&ecirc;i. Fryso reste mith sin&acirc; ljudum
+to Stavere, that hja wither to &ecirc;ne s&ecirc;st&ecirc;de
+m&acirc;kade, sa god hja machte. Wichhirte gvng mith sinum ljudum
+astward n&ecirc;i there &Ecirc;mude. Svme th&ecirc;ra Johnjar,
+th&ecirc;r m&ecirc;nde th&aring;t hja font Alderga folk sproten
+w&ecirc;re, gvngen th&ecirc;r hinne. En lyth d&ecirc;l th&ecirc;r
+w&acirc;nde th&aring;t hjara &ecirc;thla fon tha sjugon &ecirc;landa
+wei k&ecirc;mon, gvngon hinne &aring;nd setton hjara selva binna tha
+hringdik fon th&ecirc;re burch Walhallag&acirc;ra del. Ljudg&ecirc;rt
+thene skolte bi nachte fon Wichhirte w&aring;rth min &aring;the
+&aring;ftern&ecirc;i min frjund. Fon ut sin d&ecirc;ibok h&aring;v ik
+thju sk&ecirc;dnese th&ecirc;r hir &aring;fter skil folgja.</p>
+
+<p>Nei th&aring;t wi 12 mel 100 &aring;nd twia 12 j&ecirc;r bi tha fif
+w&ecirc;trum s&ecirc;ten h&ecirc;de, thahwila vsa s&ecirc;k&aring;mpar
+alle s&ecirc;a bif&acirc;ren h&ecirc;de th&ecirc;r to findane,
+k&ecirc;m Alexandre<a class="noteref" id="xd0e3207src" href=
+"#xd0e3207">3</a> tham k&ecirc;ning mith en weldich h&ecirc;r fon boppa
+allingen th&ecirc;r str&acirc;m vsa thorpa bif&acirc;ra. Nimman ne
+m&aring;cht im wither worda. Thach wi stjurar th&ecirc;r by tha
+s&ecirc; s&acirc;ton, wi sk&ecirc;pt vs mith al vsa tilb&ecirc;re hava
+in &aring;nd br&ucirc;da hinna. Tha Alexandre fornom th&aring;t im
+s&acirc; ne gr&acirc;te fl&acirc;te vntf&acirc;ra was, w&aring;rth er
+wodinlik, to sw&ecirc;rande hi skolde alle thorpa an logha offerja jef
+wi navt to bek kvma nilde. Wichhirte l&ecirc;ide siak to bedde.
+Th&acirc; Alexandre th&aring;t fornom heth er wacht alont er
+b&ecirc;ter w&ecirc;re. Aftern&ecirc;i k&ecirc;m er to him s&ecirc;r
+kindlyk snakkande, thach hi thrjvchde lik <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3210" href="#xd0e3210">166</a>]</span>hi &ecirc;r d&ecirc;n
+h&ecirc;de. Wichhirte andere th&ecirc;r &aring;fter, o
+aldergr&acirc;teste th&ecirc;ra k&ecirc;ningar. Wi stjurar kvmath
+allerw&ecirc;ikes, wi h&acirc;ven fon jow gr&acirc;te d&ecirc;dun
+h&ecirc;red. Th&ecirc;rvmbe send wi fvl &ecirc;rbidenese to fara jowa
+w&ecirc;pne, tha jet mar vr thina witskip. Men wi &ocirc;thera wy send
+frybern Fryas bern. Wy ne m&uuml;gon n&ecirc;ne sl&acirc;fona navt ne
+wrde. Jef ik wilde, tha &ocirc;ra skolde r&ecirc;der sterva willa,
+hwand alsa ist thrvch vsa &ecirc;wa bif&ocirc;len. Alexandre
+s&ecirc;ide: ik wil thin l&acirc;nd navt ne m&acirc;kja to min
+b&ucirc;t, ner thin folk to mina sl&acirc;fona. Ik wil bl&acirc;t
+th&aring;t ste my thjanja skolste vmb l&acirc;n. Th&ecirc;rvr wil ik
+sw&ecirc;ra by vs b&ecirc;dar godum, th&aring;t nimman vr my wrogja
+skil. Tha Alexandre &aring;fternei br&aring;d &aring;nd salt mith im
+d&ecirc;lade, heth Wichhirte that wiste d&ecirc;l k&acirc;sen. Hi
+l&ecirc;t tha sk&ecirc;pa hala thrvch sin svne. Tha thi alle tobek
+w&ecirc;ron, heth Alexandre thi alle h&ecirc;red. Th&ecirc;r mitha
+wilde hi sin folk n&ecirc;i tha helge G&ocirc;nga f&acirc;ra,
+th&ecirc;r hi to land navt h&ecirc;de m&uuml;ge n&acirc;ka. Nw gvng er
+to &aring;nd k&acirc;s altham ut sin folk &aring;nd ut sina salt-atha
+th&ecirc;r wenath w&ecirc;ron vvr-ne s&ecirc; to f&acirc;rane.
+Wichhirte was wither siak wrden, th&ecirc;rvmbe gvng ik all&ecirc;na
+mitha &aring;nd Nearchus fon thes keningis w&ecirc;ga. Thi tocht hlip
+svnder fard&ecirc;l to-n-ende, uth&acirc;vede tha Johnjar immerthe an
+vnmin w&ecirc;ron with tha Phonisjar, alsa N&ecirc;archus th&ecirc;r
+selva n&ecirc;n b&acirc;s ovir bilywe ne kv. Intwiska h&ecirc;de tham
+k&ecirc;ning navt stile n&ecirc;st. Hi h&ecirc;de sina salt-atha
+b&acirc;ma kapja l&ecirc;ta &aring;nd to planka m&acirc;kja. Thrvch
+help vsar timberljud h&ecirc;der th&ecirc;r of sk&ecirc;pa m&acirc;kad.
+Nw wilder selva s&ecirc;k&ecirc;ning wertha, &aring;nd mith &ecirc;l
+sin h&ecirc;r thju Gonga vpf&acirc;ra. Thach tha salt-atha th&ecirc;r
+fon thet bergland k&ecirc;mon, w&ecirc;ron ang to fara s&ecirc;. As hja
+h&ecirc;radon th&aring;t hja mith moste, stakon hja tha timberhlotha
+ane br&ocirc;nd. Th&ecirc;r thrvch wrde vs &ecirc;le thorp anda aska
+l&ecirc;id. Thet forma w&acirc;nde wy th&aring;t Alexandre th&aring;t
+bifalen h&ecirc;de &aring;nd jahw&ecirc;der stand r&ecirc;d vmb
+s&ecirc; to kjasane. Men Alexander w&ecirc;re wodin, hi wilde tha
+salt-atha thrvch sin ajn folk ombrensa l&ecirc;ta. Men N&ecirc;archus
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e3215" href=
+"#xd0e3215">168</a>]</span>tham navt all&ecirc;na sin &ecirc;roste
+forst men ak sin frjund w&ecirc;re, r&ecirc;de him owers to dvande. Nw
+b&ecirc;rad er as wen der lavade thet vnluk et d&ecirc;n h&ecirc;de.
+Tha hi ne thvrade sin tocht navt vrfata. Nw wild er to bek k&ecirc;ra,
+thach &ecirc;r hi th&aring;t d&ecirc;de, l&ecirc;t hi thet forma
+bis&ecirc;ka hwa-r skeldich w&ecirc;ron. Dry-r th&aring;t wiste
+l&ecirc;t er altham svnder w&ecirc;pne bilywa, vmb en ny thorp to
+m&acirc;kjande. Fon sin ajn folk l&ecirc;t er wepned vmbe tha &ocirc;ra
+to t&aring;mma, &aring;nd vmbe &ecirc;ne burch to bvwande. Wy moston
+wiv &aring;nd bern mith nimma. K&ecirc;mon wi anda muda th&ecirc;re
+&Ecirc;uphrat, sa machton wi th&ecirc;r en st&ecirc;d kiasa jeftha
+omk&ecirc;ra, vs l&acirc;n skold vs &ecirc;vin blyd to d&ecirc;lath
+wrde. An tha nya sk&ecirc;pa, th&ecirc;r tha br&ocirc;nd vntkvma
+w&ecirc;ron, let-er Johniar &aring;nd Kr&ecirc;kalandar g&acirc;. Hi
+selva gvng mith sin &ocirc;ra folk allingen th&ecirc;re k&acirc;d
+thrvch tha dorra wost&ecirc;na, th&aring;t is thrvch et land th&aring;t
+Irtha vph&ecirc;id h&ecirc;de uta s&ecirc;, tha hju thju str&ecirc;te
+after vsa &ecirc;thela vph&ecirc;ide as hja inna R&acirc;de s&ecirc;
+k&ecirc;mon.</p>
+
+<p>Tha wy to ny G&ecirc;rtmanja k&ecirc;mon (ny G&ecirc;rtmanja is en
+h&acirc;va th&ecirc;r wi selva makad hede, vmbe th&ecirc;r to
+w&ecirc;terja) m&ecirc;ton wi Alexandre mith sin h&ecirc;r.
+N&ecirc;archus gvng wal vp &aring;nd b&ecirc;ide thrja d&ecirc;ga. Tha
+gvng et wither forth. Tha wi bi th&ecirc;re &Ecirc;uphrat k&ecirc;mon,
+gvng N&ecirc;archus mith sina salt-atha &aring;nd f&ecirc;lo fon sin
+folk wal vp. Tha hi k&ecirc;m hring wither. Hi s&ecirc;ide, thi
+k&ecirc;ning l&ecirc;t jow bidda, i skille jet en lithge tocht to sinra
+wille dvan, alont et ende fona R&acirc;de s&ecirc;. Th&ecirc;rn&ecirc;i
+skil jawehder s&acirc; f&uuml;l gold kr&ecirc;ja as er b&ecirc;ra
+m&ecirc;i. Tha wi th&ecirc;r k&ecirc;mon, l&ecirc;t er vs wysa
+hw&ecirc;r thju str&ecirc;te &ecirc;r w&ecirc;st h&ecirc;de. Th&ecirc;r
+n&ecirc;i wylader &ecirc;n &aring;nd thritich d&ecirc;ga, alan ut
+sjande vvra wost&ecirc;ne.</p>
+
+<p>Tho tha lesta k&ecirc;m er en hloth m&aring;nniska mith forande twa
+hondred &ecirc;lephanta thvsend k&ecirc;mlun tol&ecirc;den mith woden
+balkum, r&acirc;pum &aring;nd allerl&ecirc;ja ark vmbe vsa fl&acirc;te
+n&ecirc;i tha Middels&ecirc; to tyande. Th&aring;t bis&acirc;wd-vs,
+&aring;nd likt <span class="pagenum">[<a id="xd0e3221" href=
+"#xd0e3221">170</a>]</span>vs bal to, men N&ecirc;archus teld vs, sin
+k&ecirc;ning wilde tha &ocirc;thera k&ecirc;ninggar t&acirc;na that i
+weldiger w&ecirc;re, s&acirc; tha k&ecirc;ninggar fon Thyris &ecirc;r
+w&ecirc;sen h&ecirc;de. Wi skoldon men mith helpa, s&ecirc;kur skolde
+vs th&aring;t n&ecirc;n sk&acirc;da navt dva. Wi moston wel swika,
+&aring;nd Nearchus wiste ella s&acirc; pront to birjuchte th&aring;t wi
+inna Middels&ecirc; l&ecirc;ide &ecirc;r thrja m&ocirc;natha forby
+w&ecirc;ron. Tha Alexandre fornom ho-t mith sinra onwerp ofkvmen was,
+w&aring;rth er sa vrm&ecirc;ten th&aring;t er tha drage str&ecirc;te
+utdiapa wilde Irtha to-n spot. Men Wr.alda l&ecirc;t sine s&ecirc;le
+l&acirc;s, th&ecirc;rvmbe vrdronk er inna win &aring;nd in sina
+ovirmodichh&ecirc;d, &ecirc;r th&aring;t er bijinna kvste. After sin
+d&acirc;d wrde thet rik d&ecirc;lad thrvch sina forsta. Hja skolde
+alrek en d&ecirc;l to fara sina svnum w&acirc;rja, thach hja
+w&ecirc;ron vnm&ecirc;nis. Elk wilde sin d&ecirc;l bihalda &aring;nd
+selva form&acirc;ra. Tha k&ecirc;m orloch &aring;nd wi ne kvste navt
+omme k&ecirc;ra. N&ecirc;archus wilde nw, wi skolde vs del setta an
+Phonisi his k&acirc;d, men th&aring;t nilde nimman navt ne dva. Wi
+s&ecirc;ide, r&ecirc;der willath wi w&acirc;ga n&ecirc;i Fryasland to
+g&acirc;na. Tha brocht-er vs nei th&ecirc;re nya h&acirc;va fon
+Athenia, hw&ecirc;r alle &aring;fte Fryas bern formels hin t&ecirc;in
+w&ecirc;ron. Forth gvngon wi salt-&acirc;tha liftochta &aring;nd
+w&ecirc;pne f&acirc;ra. Among tha f&ecirc;lo forsta h&ecirc;de
+N&ecirc;archus en frjund mith n&ocirc;me Antigonus. Thisse
+str&ecirc;don b&ecirc;de vmb &ecirc;n dol, s&acirc; hja s&ecirc;idon as
+follistar to f&acirc;ra-t k&ecirc;ninglike slachte &aring;nd forth vmbe
+alle Kr&ecirc;kalanda hjara alda frydom wither to j&ecirc;vane.
+Antigonus h&ecirc;de among f&ecirc;lo &ocirc;therum &ecirc;nnen svn,
+thi h&ecirc;te Dem&ecirc;trius, &aring;fter ton&ocirc;mad thene
+st&ecirc;da winner. Thisse gvng &ecirc;nis vpper st&ecirc;de
+Sal&acirc;mis of. N&ecirc;i th&aring;t er th&ecirc;r en st&ucirc;t
+m&ecirc;i str&ecirc;den h&ecirc;de most er mith th&ecirc;re fl&acirc;te
+strida fon Ptholemeus. Ptholem&ecirc;us, alsa h&ecirc;te thene forst
+th&ecirc;r welda ovir &Ecirc;giptaland. D&ecirc;m&ecirc;trius wn
+th&ecirc;re k&ecirc;se, tha navt thrvch sina salt-&acirc;tha, men
+thrvch dam wy him helpen h&ecirc;de. Thit h&ecirc;de wi d&ecirc;n
+thrvch athskip to f&acirc;ra N&ecirc;archus, hwand wi him far basterd
+blod bik&aring;nde thrvch sin friska h&ucirc;d &aring;nd bl&acirc;wa
+&acirc;gon mith <span class="pagenum">[<a id="xd0e3229" href=
+"#xd0e3229">172</a>]</span>wit h&ecirc;r. After n&ecirc;i gvng
+D&ecirc;m&ecirc;trius l&acirc;s vp Hrodus<a class="noteref" id=
+"xd0e3231src" href="#xd0e3231">4</a> th&ecirc;r hinne brochton wi sina
+salt-&acirc;tha &acirc;nd liftochta wr. Th&acirc; wi tha leste
+r&ecirc;is to Hrodus k&ecirc;mon, was orloch vrtyan.
+D&ecirc;m&ecirc;trius was n&ecirc;i Athenia f&acirc;ren. Tha vs
+k&ecirc;ning th&aring;t vnderstande, l&ecirc;d-er vs tobek. Tha wi anda
+h&acirc;ve k&ecirc;mon, w&ecirc;re &ecirc;l et thorp in row bidobben.
+Friso th&ecirc;r k&ecirc;ning w&ecirc;r ovir-a fl&acirc;te, h&ecirc;de
+en svn &aring;nd en toghater t&ucirc;s, s&acirc; bjustre fres, as jef
+hja p&acirc;s ut Fryasland w&ecirc;i kvmen w&ecirc;ren, &aring;nd
+s&acirc; wondersk&ecirc;n as nimman mocht h&uuml;gja. Thjv hrop
+th&ecirc;rvr gvng vvr alle Kr&ecirc;kalanda &aring;nd k&ecirc;m in tha
+&acirc;ra fon D&ecirc;m&ecirc;trius. D&ecirc;m&ecirc;trius w&ecirc;re
+vvl &aring;nd vns&ecirc;dlik, &aring;nd hi thogte th&aring;t-im ella
+fry stvnde. Hi l&ecirc;t thju toghater avb&ecirc;r sk&acirc;kja. Thju
+moder ne thvrade hjra joi<a class="noteref" id="xd0e3234src" href=
+"#xd0e3234">5</a> navt wachtja, joi nomath tha stjurar wiva hira
+m&acirc;na, th&aring;t is blideskip, ak segsath hja sw&ecirc;thirte.
+Tha stjurar h&ecirc;ton hjra wiva tr&acirc;st, &aring;nd fro jefta frow
+th&aring;t is fr&uuml; &acirc;k frolik, th&aring;t is &ecirc;lik an
+fr&uuml;. Thrvchdam hju hjra man navt wachtja thurade, gvng hju mith
+hjra svne n&ecirc;i D&ecirc;m&ecirc;trius &aring;nd bad, hi skolde hja
+hjra toghater wither j&ecirc;va. Men as D&ecirc;m&ecirc;trius hira svn
+sa, l&ecirc;t-er tham n&ecirc;i sinra hove fora, &aring;nd d&ecirc;de
+al&ecirc;n mith him, as-er mith tham his suster d&ecirc;n h&ecirc;de.
+Anda moder sand hi en buda gold, thach hju stirt-et in s&ecirc;. As hju
+th&ucirc;s k&ecirc;m, warth hju wansinnich, allerw&ecirc;ikes run hju
+vvra str&ecirc;te: n&aring;st min kindar navt sjan, o wach, l&ecirc;t
+mi to jow skul s&ecirc;ka, wand min joi wil mi d&ecirc;ja for tha-k
+sina kindar w&ecirc;i brocht h&aring;v. Tha D&ecirc;m&ecirc;trius
+fornom, th&aring;t Friso to honk w&ecirc;re, sand-i en bodja to him
+segsande, th&aring;t hi sina bern to him nomen h&ecirc;de wmbe ra to
+fora to-n h&acirc;ge st&acirc;t vmbe to l&acirc;nja him to f&acirc;ra
+sina thjanesta. Men Friso th&ecirc;r stolte &aring;nd herdfochtich
+w&ecirc;re, sand en bodja mith en br&ecirc;ve n&ecirc;i sinum bern tha,
+th&ecirc;rin m&acirc;nde hi hjam, hja skolde D&ecirc;m&ecirc;trius to
+willa w&ecirc;sa, vrmithis tham hjara luk j&ecirc;rde. Thach thene
+bodja h&ecirc;de jeta-n ora br&ecirc;ve mith fenin, th&ecirc;rm&ecirc;i
+bif&acirc;l-er hja skolde th&aring;t innimma, hwand <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3240" href=
+"#xd0e3240">174</a>]</span>s&ecirc;id-er-vnwillinglik is thin lif
+bivvllad, th&aring;t ne skil jow navt to r&ecirc;kned ni wrde, thach
+s&acirc;hwersa jow jowe s&ecirc;le bivvlath sa ne skil jow nimmerthe to
+Walh&acirc;lla ne kvma, jow s&ecirc;le skil th&aring;n ovir irtha
+ommew&acirc;ra, svnder &aring; thet ljucht sja to mugande, lik tha
+fl&acirc;ramusa &aring;nd nachtula skilstv alra dystik in thina hola
+skula, thes nachtis utkvma, then vp vsa gr&aring;va gr&acirc;ja
+&aring;nd h&ucirc;la, thahwila Frya hjra haved fon jow ofwenda mot. Tha
+bern d&ecirc;de lik-ra bif&acirc;len warth. D&ecirc;m&ecirc;trius
+l&ecirc;t ra likka in s&ecirc; werpa &aring;nd to tha m&aring;nniska
+wrde s&ecirc;id, th&aring;t hja fljucht w&ecirc;ron. Nw wilde Friso
+mith alleman n&ecirc;i Fryasland f&acirc;ra, th&ecirc;r-i &ecirc;r
+w&ecirc;st h&ecirc;de, men tha m&ecirc;st nilde th&aring;t navt ne dva.
+Nw gvng Friso to &aring;nd sk&acirc;t thet thorp mith-a
+k&ecirc;ninglika f&acirc;rr&ecirc;dsk&ucirc;rum anda br&ocirc;nd. Hjud
+ne kv ni thvrade ninman ne bilywa, &aring;nd alle w&ecirc;ron blyde,
+that hja b&ucirc;ta w&ecirc;re, bihalva wif &aring;nd bern h&ecirc;don
+wi ella abefta l&ecirc;ten, thach wi w&ecirc;ron to l&ecirc;den mith
+liftochtum &aring;nd orlochtuch.</p>
+
+<p>Friso n&ecirc;de nach n&ecirc;n fretho. Tha wi by tha alda
+h&acirc;ve k&ecirc;mon gvnger mith sina drista ljudum to &aring;nd
+sk&acirc;t vnwarlinga tha br&ocirc;nd inna sk&ecirc;pa, th&ecirc;r-i
+mith sina pilum big&acirc;na kv. After sex d&ecirc;gum s&acirc;gon wi
+tha orlochfl&acirc;te fon D&ecirc;m&ecirc;trius vp vs to kvma. Friso
+bif&acirc;l vs, wi moston tha lithste sk&ecirc;pa &aring;fterh&acirc;de
+in &ecirc;ne br&ecirc;de line, tha stora mith wif &aring;nd bern
+f&acirc;rut. Forth b&acirc;d er wi skoldon tha kr&acirc;nboga fon for
+nimma &aring;nd anda &aring;ftest&ecirc;wen f&aring;stigja, hwand
+s&ecirc;id er, wi achon al ffjuchtande to fjuchtane. Nimman ne
+m&ecirc;i him form&ecirc;ta vmb en enkeldera fyand to forfolgjande,
+alsa s&ecirc;id-er is min bislut. Tha hwila wi th&ecirc;rmitha al
+dvande w&ecirc;ron, k&ecirc;m wind vs vppa kop, to th&ecirc;ra
+l&aring;fa &aring;nd th&ecirc;ra wiva skrik, thrvchdam wi n&ecirc;ne
+sl&acirc;vona navt n&ecirc;de as th&ecirc;ra th&ecirc;r vs bi ajn willa
+folgan w&ecirc;re. Wi ne machton hja thus navt thruch roja ni vntkvma.
+Men Wralda wiste wel, hw&ecirc;rvmb-er <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3244" href="#xd0e3244">176</a>]</span>s&acirc; d&ecirc;de,
+&aring;nd Friso th&ecirc;r-et fata, l&ecirc;t tha b&aring;rnpila ring
+inna kr&acirc;nboga lidsa. To lik b&acirc;d-er th&aring;t nimman skiata
+ne machte, &ecirc;r hy sk&acirc;ten h&ecirc;de. Forth s&ecirc;id-er
+th&aring;t wi alle n&ecirc;i th&aring;t midloste skip skiata moste, is
+th&aring;t dol god biracht s&ecirc;id-er, s&acirc; skilun tha &ocirc;ra
+him to helpane kvma &aring;nd th&aring;n mot alrik skiata sa-r
+alderbesta m&ecirc;i. As wi nw arhalf ketting fon-ra of w&ecirc;re,
+bigoston tha Phonisiar to skiata. Men Friso n-andere navt bi f&acirc;ra
+tha &ecirc;roste pil del falde a sex fadema fon sin skip. Nw
+sk&acirc;t-er. Tha &ocirc;ra folgade, thet likte en fjurr&ecirc;in
+&aring;nd thrvchdam vsa pila mith wind m&ecirc;i gvngon, bil&ecirc;von
+hja alle an br&ocirc;nd, &aring;nd n&acirc;kade selva tha thridde
+l&acirc;ge. Allera m&aring;nnelik gyradon &aring;nd j&ucirc;wgade. Men
+tha kr&ecirc;ta vsar witherl&acirc;gum w&ecirc;ron sa herde, thet-et vs
+thet hirte bin&ecirc;pen warth. As Friso m&ecirc;nde th&aring;t et to
+koste, l&ecirc;t-er ofhalde &aring;nd wi spode hinne. Thach n&ecirc;i
+that wi twa d&ecirc;ga forth pilath h&ecirc;de, k&ecirc;m th&ecirc;r en
+&ocirc;re fl&acirc;te ant sjocht, fon thrittich sk&ecirc;pun,
+th&ecirc;r vs st&ecirc;dis in wnne. Friso l&ecirc;t vs wither r&ecirc;d
+makja. Men tha &ocirc;thera sandon en lichte sn&acirc;ka fvl rojar
+forut, tha bodon th&ecirc;ra b&acirc;don ut alera n&ocirc;ma jef hja
+mith f&acirc;ra machte. Hja w&ecirc;ron Johniar, thrvch
+D&ecirc;m&ecirc;trius w&ecirc;ron hja w&aring;ldantlik n&ecirc;i there
+alda h&acirc;ve skikad. Th&ecirc;r h&ecirc;don hja fon th&ecirc;re
+k&ecirc;se h&ecirc;rad &aring;nd nw h&ecirc;don hja thet stolta
+sw&ecirc;rd antjan, &aring;nd w&ecirc;ron vs folgad. Friso th&ecirc;r
+f&uuml;l mitha Johnjar faren h&ecirc;de s&ecirc;ide j&aring;, men
+Wichhirte vsa k&ecirc;ning s&ecirc;ide n&ecirc;<span class="corr" id=
+"xd0e3246" title="Bron: ,">.</span> Tha Johnjar send afgoda thjanjar
+s&ecirc;id-er, ik selva h&aring;v h&ecirc;rad, ho hja thi an hropte.
+Friso s&ecirc;ide thet kvmath thrvch tha wandel mith tha &aring;fta
+Kr&ecirc;kalandar. Th&aring;t h&aring;v ik v&acirc;ken selva d&ecirc;n.
+Thach ben ik alsa herde Fryas as tha finste fon jow. Friso w&ecirc;re
+thene m&aring;n th&ecirc;r vs to Fryasland wisa moste. Thus gvngon tha
+Johnjar mith. Ak likt-et nei Wr.aldas h&ecirc;i, hwand &ecirc;r thrja
+m&ocirc;nathe om hl&acirc;pen w&ecirc;ron, gvngon wi allingen
+Britannja, &aring;nd thrja d&ecirc;ga l&ecirc;ter machton wi ho.n
+s&ecirc;en hropa. <span class="pagenum">[<a id="xd0e3249" href=
+"#xd0e3249">178</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3194src" id="xd0e3194">1</a></span> 303 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3197src" id="xd0e3197">2</a></span> Barnpila. De <i>falarica</i>
+by Livius XXI. 8.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3207src" id="xd0e3207">3</a></span> Alexander aan den Indus 327
+v. Chr. 327 + 1224 = 1551 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3231src" id="xd0e3231">4</a></span> 305 voor Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3234src" id="xd0e3234">5</a></span> Joi en tr&acirc;st. Te
+Scheveningen hoort men nog: joei en troos. Joi, Fransch <i>
+joye</i>.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3251" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thit skrift is mij ower Nortland jeftha
+Sk&ecirc;nland j&ecirc;ven.</h2>
+
+<p>Vndera tida th&aring;t vs land del s&ecirc;g, w&ecirc;re ik to
+Sk&ecirc;nland. Th&ecirc;r gvng et alsa to. Th&ecirc;r w&ecirc;ron
+gr&acirc;te m&acirc;ra, th&ecirc;r fon tha bodeme lik en bl&ecirc;se vt
+setta, then spliton hja vt-&ecirc;n. Uta r&ecirc;ta k&ecirc;m stof as-t
+gliande yser w&ecirc;re. Th&ecirc;r w&ecirc;ron berga th&ecirc;r tha
+krunna of swikte. Thesse truldon n&ecirc;ther &aring;nd brochton walda
+&aring;nd thorpa w&ecirc;i. Ik self s&acirc; th&aring;t en berch fon
+tha &ocirc;ra of torent wrde. Linrjucht s&ecirc;g er del. As ik
+aftern&ecirc;i sjan gvng, was th&ecirc;r en m&acirc;re kvmen. Tha irtha
+b&ecirc;terad was, k&ecirc;m er en h&ecirc;rtoga fon Lindasburch
+w&ecirc;i, mit sin folk &aring;nd en f&acirc;m, thju f&acirc;m
+k&ecirc;the allomme: Thene M&acirc;gy is skeldich an al-eth l&ecirc;t
+th&aring;t wi l&ecirc;den h&aring;ve. Hja t&acirc;gon immer forth en
+thet h&ecirc;r w&aring;rth al gr&acirc;ter. Thene M&acirc;gy fluchte
+hinne, m&aring;n fand sin lik, hi h&ecirc;de sin self vrd&ecirc;n. Tha
+wrdon tha Finna vrdr&ecirc;ven n&ecirc;i &ecirc;nre st&ecirc;d,
+th&ecirc;r machton hja l&ecirc;va. Th&ecirc;r w&ecirc;ron fon basterde
+blode. Thissa machton biliwa, thach f&ecirc;lo gvngon mith tha Finna
+m&ecirc;i<span class="corr" id="xd0e3256" title="Bron: .">.</span> Thi
+h&ecirc;rtoga warth to k&ecirc;ning k&ecirc;ren. Tha k&aring;rka
+th&ecirc;r &ecirc;l bil&ecirc;ven w&ecirc;ron wrde vrd&ecirc;n. Sont
+komath tha gode Northljud v&acirc;ken to Texland vmb there Moder-is
+r&ecirc;d. Th&acirc; wi ne m&uuml;gath hjam for n&ecirc;ne rjuchta
+Fryas mar ne halde. Inna D&ecirc;namarka ist s&ecirc;kur as bi vs
+gvngon. Tha stjurar, tham hjara self th&ecirc;r stoltelika
+s&ecirc;k&aring;mpar h&ecirc;ton, send vppira sk&ecirc;pa gvngon,
+&aring;nd &aring;ftern&ecirc;i sind hja to bek gvngon.</p>
+
+<p class="aligncenter"><span class="letterspaced">Held!</span></p>
+
+<p>Hwersa thene Kroder en tid forth kroden heth, th&aring;n skilun tha
+&aring;fterkomanda w&acirc;na th&aring;t tha l&ecirc;ka and
+br&ecirc;ka, th&ecirc;r tha Brokmanna mith brocht h&aring;ve,
+&aring;jen were an hjara &ecirc;thla. Th&ecirc;r vr wil ik w&acirc;ka
+&aring;nd thus s&acirc; f&uuml;l vr hj&aring;ra pl&ecirc;ga skriva as
+ik sjan h&aring;. Vr tha <span class="pagenum">[<a id="xd0e3265" href=
+"#xd0e3265">180</a>]</span>G&ecirc;rtmanna k&aring;n ik r&ecirc;d hinne
+stappa. Ik n&aring;v navt f&uuml;l mithra omme gvngen. Tha s&acirc;
+f&ecirc;r ik sjan h&aring; send hja th&aring;t mast bi t&acirc;l
+&aring;nd s&ecirc;d bil&ecirc;wen. Th&aring;t ne m&ecirc;i ik navt
+segsa fon tha &ocirc;thera. Th&ecirc;r fon.a Kr&ecirc;kal&acirc;nda
+w&ecirc;i kvme, send kw&acirc;d ther t&acirc;l &aring;nd vppira
+s&ecirc;d ne m&ecirc;i m&aring;n &ecirc;l navt boga. F&ecirc;lo
+h&aring;vath br&ucirc;na &acirc;gon &aring;nd h&ecirc;r. Hja send
+nidich &aring;nd drist &aring;nd &aring;ng thrvch
+overbil&acirc;wichh&ecirc;d. Hw&ecirc;rsa hja spr&ecirc;ka, s&acirc;
+n&ocirc;math hja the worda f&acirc;r vppa th&ecirc;r lerst kvma mosta.
+Ajen ald segath hja &acirc;d, &aring;jen salt s&acirc;d, m&acirc; fori
+m&aring;n, sel fori skil, sode fori skolde, to f&uuml;l vmb to nomande.
+Ak forath hja m&ecirc;st vrdvaliske &aring;nd bikirte n&ocirc;ma,
+hw&ecirc;ran m&aring;n n&ecirc;n sin an hefta ne m&ecirc;i. Tha Johniar
+spr&ecirc;kath b&ecirc;tre, thach hja swygath thi h &aring;nd
+hw&ecirc;ri navt n&ecirc;sa mot, w&aring;rth er &ucirc;tek&ecirc;th.
+Hwersa imman en byld m&acirc;kath &aring;fter &ecirc;nnen vrstvrven
+&aring;nd thet likt, s&acirc; l&acirc;wath hja, th&aring;t thene
+g&acirc;st thes vrsturvene th&ecirc;r inne f&acirc;rath. Th&ecirc;rvr
+h&aring;vath hja alle bylda vrburgen fon Frya, F&aring;sta,
+M&ecirc;d&ecirc;a, Thjanja, Hell&ecirc;nja &aring;nd f&ecirc;lo
+&ocirc;thera. Hwerth th&ecirc;r en bern ebern, s&acirc; kvmath tha
+sibba et s&ecirc;mne &aring;nd biddath an Frya th&aring;t hju hjara
+f&acirc;mkes m&ecirc;i kvma l&ecirc;ta th&aring;t bern to
+s&ecirc;enande. H&aring;von hja b&ecirc;den sa ne m&ecirc;i nimman him
+rora ni h&ecirc;ra l&ecirc;ta. Kvmt et bern to gr&aring;jande &aring;nd
+halt thit en stvnde an, alsa is th&aring;t en kw&acirc;d t&ecirc;ken
+&aring;nd man is an formoda, th&aring;t thju m&aring;m hordom d&ecirc;n
+heth. Th&ecirc;rvr h&aring;v ik al &aring;rge thinga sjan. Kvmt et bern
+to sl&ecirc;pande, s&acirc; is th&aring;t en t&ecirc;ken, th&aring;t
+tha f&acirc;mkes vr-et kvmen send. Lakt et inna sl&ecirc;p, s&acirc;
+h&aring;von tha f&acirc;mkes th&aring;t bern luk to s&ecirc;it. Olon
+l&acirc;wath hja an bosa g&acirc;sta, hexna, kolla, aldermankes
+&aring;nd elfun, as jef hja fon tha Finna wei k&ecirc;men. Hyrmitha wil
+ik enda &aring;nd nw m&ecirc;n ik tha-k m&aring;r skr&ecirc;ven
+h&aring;, as &ecirc;n minra &ecirc;thla. Fr&ecirc;thorik.</p>
+
+<p>Fr&ecirc;thorik min g&acirc;d is 63 j&ecirc;r wrden. Sont 100
+&acirc;nd 8 j&ecirc;r is hi thene &ecirc;roste fon sin folk, th&ecirc;r
+fr&ecirc;dsum <span class="pagenum">[<a id="xd0e3269" href=
+"#xd0e3269">182</a>]</span>sturven is, alle &ocirc;thera send vndera
+sl&ecirc;ga swikt, th&ecirc;rvr th&aring;t alle k&aring;mpade with ajn
+&aring;nd f&ecirc;rh&ecirc;mande vmb rjucht &aring;nd plicht.</p>
+
+<p>Min n&ocirc;m is Wil-jo, ik bin tha f&acirc;m th&ecirc;r mith him
+fona Saxanamarka to honk for. Thrvch t&acirc;l &aring;nd ommegang
+k&ecirc;m et ut, th&aring;t wi alle b&ecirc;de fon Adela his folk
+w&ecirc;ron, th&acirc; k&ecirc;m ljafde &aring;nd &aring;ftern&ecirc;i
+send wi man &aring;nd wif wrden. Hi heth mi fyf bern l&ecirc;ten, 2
+suna &aring;nd thrju toghatera. Koner&ecirc;d alsa h&ecirc;t min forma,
+H&acirc;chg&acirc;na min &ocirc;thera, mine aldeste toghater h&ecirc;th
+Adela, thju &ocirc;thera Frulik &aring;nd tha jongeste Nocht.
+Th&acirc;-k n&ecirc;i tha Saxanamarka for, h&aring;v ik thrju boka
+hret. Thet bok th&ecirc;ra sanga, th&ecirc;ra tellinga, &aring;nd thet
+H&ecirc;l&ecirc;nja bok. Ik skrif thit til thju m&aring;n navt
+th&aring;nka ne m&ecirc;i th&aring;t hja fon Apoll&acirc;nja send; ik
+h&aring;v th&ecirc;r f&uuml;l l&ecirc;t vr had &acirc;nd wil thus
+&acirc;k thju &ecirc;re h&aring;. Ak h&aring;v ik m&acirc;r d&ecirc;n,
+tha Gosa-Makonta fallen is, hwames godh&ecirc;d &aring;nd
+kl&acirc;rsjanh&ecirc;d to en spr&ecirc;kword is wrden, th&acirc; ben
+ik all&ecirc;na n&ecirc;i Texland gvngen vmbe tha skrifta vr to
+skrivane, th&ecirc;r hju &aring;fter l&ecirc;ten heth, &aring;nd
+th&acirc; tha lerste wille fonden is fon Fr&acirc;na &aring;nd tha
+n&ecirc;il&ecirc;tne skrifta fon Adela jefta Hell&ecirc;nja, h&aring;v
+ik th&aring;t jetta r&ecirc;is d&ecirc;n. Thit send tha skrifta
+Hell&ecirc;njas. Ik set hjam f&acirc;r vppa vmbe th&aring;t hja tha
+aldesta send.</p>
+
+<p>ALLE AFTA FRYAS HELD.</p>
+
+<p>In &ecirc;ra tida niston tha Sl&acirc;vona folkar nawet fon
+fryh&ecirc;d. Lik oxa wrdon hja vnder et juk brocht. In irthas wand
+wrdon hja j&acirc;gath vmbe m&ecirc;tal to delvane &aring;nd ut-a herde
+bergum moston hja h&ucirc;sa h&acirc;wa to forst &aring;nd presterums
+h&ecirc;m. Bi al hwat hja d&ecirc;don, th&ecirc;r nas nawet to
+f&acirc;ra hjara selva, men ella moste thjanja vmbe tha forsta
+&aring;nd prestera jeta riker &aring;nd weldiger to m&acirc;kjane hjara
+selva to s&aring;dene. Vnder thesse arb&ecirc;d wrdon hja <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3278" href="#xd0e3278">184</a>]</span>gr&ecirc;v
+&aring;nd str&aring;m &ecirc;r hja j&ecirc;rich w&ecirc;ron, &aring;nd
+sturvon svnder n ochta afsk&ecirc;n irtha tham overflodlik fvl
+j&ecirc;f to b&acirc;ta al hjara bern. Men vsa britna k&ecirc;mon
+&aring;nd vsa b&acirc;nnalinga thrvch tha Twiskl&acirc;nda vr in hjara
+marka f&acirc;ra &aring;nd vsa stjurar k&ecirc;mon in hjara
+h&acirc;vna. Fon hjam h&ecirc;radon hja k&aring;lta vr &ecirc;lika
+frydom &aring;nd rjucht &aring;nd overa &ecirc;wa, hw&ecirc;r
+b&ucirc;ta nimman omme ne m&ecirc;i. Altham wrde vpsugon thrvch tha
+drova m&aring;nniska lik d&acirc;wa thrvch tha dorra fjelde. As hju fvl
+w&ecirc;ron bijonnon tha alderdrista m&aring;nniska to klippane mith
+hjara k&ecirc;dne, alsa-t tha forsta w&ecirc; d&ecirc;de. Tha forste
+send stolte &aring;nd wichandlik, th&ecirc;rvmbe is th&ecirc;r &acirc;k
+noch d&uuml;ged in hjara hirta, hja bir&ecirc;don et s&ecirc;mine
+&acirc;nd javon awet fon hjara overflodalikh&ecirc;d. Men tha
+l&aring;fa skin fr&acirc;na prestara ne machton th&aring;t navt ne
+lyda, emong hjara forsinde godum h&ecirc;don hja &acirc;k
+wrangwr&aring;da drochtne esk&ecirc;pen. Pest k&ecirc;m inovera
+l&acirc;nda. Nw s&ecirc;idon hja, tha drochtna send tornich overa
+overh&ecirc;richh&ecirc;d th&ecirc;ra bosa. Tha wrdon tha alderdrista
+m&aring;nniska mith hjara k&ecirc;dne wirgad. Irtha heth hjara blod
+dronken, mith th&aring;t blod fode hju fr&uuml;chda &aring;nd nochta,
+&aring;nd alle tham th&ecirc;r of &ecirc;ton wrdon wis.</p>
+
+<p>16 w&acirc;ra 100 j&ecirc;r l&ecirc;den<a class="noteref" id=
+"xd0e3282src" href="#xd0e3282">1</a> is Atland svnken, &aring;nd to
+th&ecirc;ra tidum b&ecirc;rade th&ecirc;r awat hw&ecirc;r vppa nimman
+r&ecirc;kned n&ecirc;de. In-t hirte fon Findas l&acirc;nd vppet berchta
+l&ecirc;id en del, th&ecirc;r is k&ecirc;then Kasamyr<a class="noteref"
+id="xd0e3285src" href="#xd0e3285">2</a>, thet is sjeldsum. Th&ecirc;r
+werth en bern ebern, sin m&aring;m w&ecirc;re thju toghater enis
+k&ecirc;ning &aring;nd sin t&acirc;t w&ecirc;re-n h&acirc;vedprester.
+Vmb sk&ocirc;m to vnkvma mosten hja hjara &aring;jen blod vnkvma.
+Th&ecirc;rvmbe w&aring;rth er b&ucirc;ta th&ecirc;re st&ecirc;de brocht
+bi &aring;rma m&aring;nniska. In twiska was-t im navt forh&ecirc;lad ne
+wrden, th&ecirc;r vmbe d&ecirc;d er ella vmbe wisdom to g&ecirc;tane
+&aring;nd g&acirc;rane. Sin forst&acirc;n w&ecirc;re s&acirc;
+gr&acirc;t th&aring;t er ella forst&acirc;nde hwat er s&acirc;
+&aring;nd h&ecirc;rade. Th&aring;t folk skowde him mit
+&ecirc;rb&ecirc;denese and tha prestera wr don ang vr sina fr&ecirc;ga.
+Th&aring;-r j&ecirc;rich wrde gvnger n&ecirc;i sinum <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3288" href="#xd0e3288">186</a>]</span>aldrum. Hja
+moston herda thinga h&ecirc;ra, vmb-im kwit to werthane javon hja him
+vrflod fon kestlika st&ecirc;num; men hja ne thvradon him navt
+avb&ecirc;r bik&acirc;nn&acirc; as hjara &aring;jne blod. Mith
+drovenese in vrdelven overa falxe sk&ocirc;m sinra aldrum gvng-er
+ommedw&acirc;la. Al forth f&acirc;rande m&ecirc;te hi en Fryas stjurar
+th&ecirc;r as sl&acirc;v thjanade, fon tham l&ecirc;rd-i vsa s&ecirc;d
+&aring;nd pl&ecirc;gum. Hi k&acirc;pade him fry, &aring;nd to ther
+d&acirc;d send hja frjunda bil&ecirc;wen. Alomme hw&ecirc;r er forth
+hinne t&acirc;ch, l&ecirc;rd-i an tha ljuda th&aring;t hja n&ecirc;ne
+rika ner prestera tol&ecirc;ta moston, th&aring;t hja hjara selva hode
+moston &aring;jen falxe sk&ocirc;m, ther allerw&ecirc;ikes kvad dvat an
+tha ljavde. Irtha s&ecirc;id-er sk&aring;nkath hjara j&ecirc;va
+n&ecirc;i m&ecirc;ta men hjara h&ucirc;d kl&acirc;wat, th&aring;t
+m&aring;n th&ecirc;rin &acirc;ch to delvane to &ecirc;rane &aring;nd to
+s&ecirc;jane, s&acirc; m&aring;n th&ecirc;rof sk&ecirc;ra wil. Thach
+s&ecirc;id-er nimman hovat thit to dvande fori ennen &ocirc;thera hit
+ne sy, th&aring;t et bi m&ecirc;ne wille jef ut ljavade sk&ecirc;d. Hi
+l&ecirc;rde th&aring;t nimman in hjara wand machte frota vmbe gold her
+silver ner kestlika st&ecirc;na, hw&ecirc;r nid an klywath &aring;nd
+ljavde fon fljuchth. Vmbe jow mangh&ecirc;rta &aring;nd wiva to
+sjarane, s&ecirc;id-er, j&ecirc;vath hjara rin str&acirc;ma
+&ecirc;noch. Nimman s&ecirc;id-er is weldich alle m&aring;nniska
+m&ecirc;trik &aring;nd &ecirc;lika luk to j&acirc;n. Tha th&aring;t it
+alra m&aring;nniska plicht vmbe tha m&aring;nniska alsa m&ecirc;trik to
+m&acirc;kjane &aring;nd sa f&ecirc;lo nocht to j&acirc;n, as to
+bin&acirc;ka is. N&ecirc;ne witskip seid-er ne m&ecirc;i m&aring;n
+minachtja, thach &ecirc;lika d&ecirc;la is tha gr&acirc;teste witskip,
+th&ecirc;r tid vs l&ecirc;ra m&ecirc;i. Th&ecirc;rvmbe th&aring;t hjv
+argenese fon irtha w&ecirc;rath &aring;nd ljavde feth.</p>
+
+<p>Sin forme n&ocirc;m w&ecirc;re Jes-us<a class="noteref" id=
+"xd0e3292src" href="#xd0e3292">3</a>, thach tha prestera th&ecirc;r-im
+s&ecirc;ralik h&aring;ton h&ecirc;ton him Fo th&aring;t is falx,
+th&aring;t folk h&ecirc;te him Kris-en th&aring;t is herder, &aring;nd
+sin Fryaske frjund h&ecirc;ta him B&ucirc;da, vmbe that hi in sin
+h&acirc;vad en sk&aring;t fon wisdom h&ecirc;de &aring;nd in sin hirt
+en sk&aring;t fon ljavde.</p>
+
+<p>To tha lersta most-er fluchta vr tha wr&ecirc;ka th&ecirc;ra
+prestera, men vral hw&ecirc;r er k&ecirc;m was sine l&ecirc;re him
+f&acirc;rut gvngen <span class="pagenum">[<a id="xd0e3297" href=
+"#xd0e3297">188</a>]</span>&aring;nd vral hw&ecirc;r-er gvng folgadon
+him sina l&ecirc;tha lik sine sk&acirc;de n&ecirc;i. Th&acirc; Jes-vs
+alsa twilif j&ecirc;r om f&acirc;ren h&ecirc;de, sturv-er, men sina
+frjunda w&acirc;radon sine l&ecirc;re &aring;nd k&ecirc;thon
+hw&ecirc;r-et &acirc;ron fvnde.</p>
+
+<p>Hwat m&ecirc;nst nw th&aring;t tha prestera d&ecirc;don, th&aring;t
+mot ik jo melde, &acirc;k mot-i th&ecirc;r s&ecirc;ralik acht vp
+j&acirc;n, forth mot-i over hjara bidryv &aring;nd renka w&acirc;ka
+mith alle kr&aring;ftum, th&ecirc;r Wralda in jo l&ecirc;id heth.
+Thahwila Jes-us l&ecirc;re vr irtha for, gvngon tha falxe prestera
+n&ecirc;i-t l&acirc;nd sinra berta sin d&acirc;d avb&ecirc;ra, hja
+s&ecirc;idon th&aring;t hja fon sinum frjundum w&ecirc;ron, hja
+b&ecirc;radon gr&acirc;te rowa, torennande hjara kl&acirc;thar to
+flardum &aring;nd to sk&ecirc;rande hjara hola k&acirc;l. Inna
+h&ocirc;la th&ecirc;ra berga gvngon hja h&ecirc;ma, thach th&ecirc;rin
+h&ecirc;don hja hjara sk&aring;t brocht, th&ecirc;r binna m&acirc;kadon
+hja byldon &aring;fter Jes-us, thessa byldon j&acirc;von hja antha
+vn&aring;rg th&aring;nkanda ljuda, to longa lersta s&ecirc;idon hja
+th&aring;t Jes-us en drochten w&ecirc;re, th&aring;t-i th&aring;t selva
+an hjam bil&ecirc;den h&ecirc;de, &aring;nd th&aring;t alle th&ecirc;r
+an him &aring;nd an sina l&ecirc;ra l&acirc;wa wilde, n&ecirc;imels in
+sin k&ecirc;ningkrik kvme skolde, hw&ecirc;r fr&uuml; is &aring;nd
+nochta send. Vrmites hja wiston th&aring;t Jes-us &aring;jen tha rika
+to fjelda t&acirc;gen h&ecirc;de, s&acirc; k&ecirc;thon hja
+allerw&ecirc;ikes, that &aring;rmode h&acirc; &aring;nd &ecirc;nfald
+s&acirc; thju d&uuml;re w&ecirc;re vmbe in sin rik to kvmane,
+th&aring;t th&ecirc;ra th&ecirc;r hyr vp irtha th&aring;t m&acirc;ste
+l&ecirc;den h&ecirc;de, n&ecirc;imels tha m&acirc;sta nochta h&aring;va
+skolde. Thahwila hja wiston th&aring;t Jes-us l&ecirc;rad h&ecirc;de
+th&aring;t m&aring;n sina tochta welda &aring;nd bistjura moste,
+s&acirc; l&ecirc;rdon hja th&aring;t m&aring;n alle sina tochta
+d&ecirc;ja moste, &aring;nd th&aring;t tha fvlkvminh&ecirc;d
+th&ecirc;ra m&aring;nniska th&ecirc;rin bistande th&aring;t er
+&ecirc;vin vnforstoren wrde s&acirc; th&aring;t kalde st&ecirc;n. Vmbe
+th&aring;t folk nw wis to m&acirc;kjande th&aring;t hja alsa
+d&ecirc;don, alsa b&ecirc;radon hja &aring;rmode overa str&ecirc;ta
+&aring;nd vmb forth to biwisane th&aring;t hja al hjara tochta
+d&acirc;d h&ecirc;de, n&acirc;mon hja n&ecirc;ne wiwa. Thach
+sahw&ecirc;rsa en toghater en misstap h&ecirc;de, s&acirc; w&aring;rth
+hja that ring forj&acirc;n, tha wrakka s&ecirc;idon hja most m&aring;n
+helpa and vmbe sin &aring;jn <span class="pagenum">[<a id="xd0e3301"
+href="#xd0e3301">190</a>]</span>s&ecirc;le to bihaldane most m&aring;n
+f&uuml;l anda cherke j&acirc;n. Thus todvande h&ecirc;de hja wiv
+&aring;nd bern svnder h&ucirc;shalden &aring;nd wrdon hja rik svnder
+werka, men that folk w&aring;rth f&uuml;l &aring;rmer &aring;nd
+m&acirc;r &ecirc;l&aring;ndich as &acirc; to f&acirc;ra. Thas
+l&ecirc;re hw&ecirc;rbi tha prestera n&ecirc;n &ocirc;re witskip hova
+as drochtlik r&ecirc;da, fr&acirc;na skin &aring;nd vnrjuchta
+pl&ecirc;ga, br&ecirc;d hiri selva ut fon-t &acirc;sta to-t westa
+&aring;nd skil &acirc;k vr vsa landa kvma.</p>
+
+<p>Men astha prestera skilun w&acirc;na, th&aring;t hja allet ljucht
+fon Frya &aring;nd fon Jes-us l&ecirc;re vtd&acirc;vath h&aring;va,
+s&acirc; skilum th&ecirc;r in alle vvrda m&aring;nniska vpstonda, tham
+w&ecirc;rh&ecirc;d in stilnise among ekkorum w&acirc;rath &aring;nd to
+f&acirc;ra tha prestera forborgen h&aring;ve. Thissa skilun w&ecirc;sa
+ut forsta blod, fon presterum blod, fon Sl&acirc;vonum blod, &aring;nd
+fon Fryas blod. Tham skilun hjara foddikum &aring;nd th&aring;t ljucht
+b&ucirc;ta bringa, s&acirc; th&aring;t allera m&aring;nnalik
+w&ecirc;rh&ecirc;d m&ecirc;i sjan; hja skilun w&ecirc; hropa overa
+d&ecirc;da th&ecirc;ra prestera &aring;nd forsta. Tha forsta th&ecirc;r
+w&ecirc;rh&ecirc;d minna &aring;nd rjucht tham skilun fon tha prestera
+wika, blod skil str&acirc;ma, men th&ecirc;rut skil-et folk nye
+kr&aring;fta g&acirc;ra. Findas folk skil sina findingrikh&ecirc;d to
+m&ecirc;na nitha wenda, th&aring;t Lydas folk sina kr&aring;fta
+&aring;nd wi vsa wisdom. Tha skilun tha falxa prestera w&ecirc;i
+f&acirc;gath wertha fon irtha. Wralda his g&acirc;st skil alomme
+&aring;nd allerw&ecirc;ikes &ecirc;rath &aring;nd bihropa wertha. Tha
+&ecirc;wa th&ecirc;r Wralda bi-t anfang in vs mod l&ecirc;ide, skilun
+all&ecirc;na h&ecirc;rad wertha, th&ecirc;r ne skilun n&ecirc;ne
+&ocirc;ra m&acirc;stera, noch forsta, ner b&acirc;sa navt n&ecirc;sa,
+as th&ecirc;ra th&ecirc;r bi m&ecirc;na wille k&ecirc;ren send.
+Th&aring;n skil Frya juwgja &aring;nd Irtha skil hira j&ecirc;va
+all&ecirc;na sk&aring;nka an tha werkande m&aring;nnisk. Altham skil
+anfanga fjuwer thusand j&ecirc;r n&ecirc;i Atland svnken is &aring;nd
+thusand j&ecirc;r l&ecirc;ter skil th&ecirc;r longer n&ecirc;n prester
+ner tvang vp irtha sa.</p>
+
+<p>Dela ton&ocirc;math Hell&ecirc;nja, w&acirc;k! <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3307" href="#xd0e3307">192</a>]</span></p>
+
+<p>S&acirc; l&ucirc;da Fr&acirc;nas &ucirc;troste wille. Alle welle
+Fryas held. An tha n&ocirc;me Wraldas, fon Frya, &aring;nd th&ecirc;re
+fryh&ecirc;d gr&ecirc;te ik jo, &aring;nd bidde jo, sahwersa ik falla
+machte &ecirc;r ik en folgster n&ocirc;math h&ecirc;de, s&acirc;
+bif&ecirc;l ik jo T&uuml;ntja th&ecirc;r Burchf&acirc;m is to
+th&ecirc;re burch M&ecirc;d&ecirc;asblik, til hjud d&ecirc;gum is hja
+tha besta.</p>
+
+<p>Thet heth G&ocirc;sa n&ecirc;i l&ecirc;ten. Alle m&aring;nniska
+held. Ik n&aring;v n&ecirc;ne &ecirc;remoder binomad thrvchdam ik
+n&ecirc;ne niste, &aring;nd et is jo b&ecirc;ter n&ecirc;ne Moder to
+h&aring;vande as &ecirc;ne hw&ecirc;r vp-i jo navt forl&ecirc;ta ne
+m&ecirc;i. Arge tid is forbi f&acirc;ren, men th&ecirc;r kvmt en
+&ocirc;there. Irtha heth hja navt ne b&aring;rad &aring;nd Wralda heth
+hja navt ne sk&ecirc;ren. Hju kvmt ut et &acirc;sta ut-a bosma
+th&ecirc;ra prestera w&ecirc;i. S&acirc; f&ecirc;lo l&ecirc;d skil hju
+broda, th&aring;t Irtha-t blod alg&acirc;dvr navt drinka ne k&aring;n
+fon hira vrsl&ecirc;jana bernum. Thjustrenesse skil hju in overne
+g&acirc;st th&ecirc;ra m&aring;nniska spr&ecirc;da, lik tongar-is wolka
+oviret svnneljucht. Alom &aring;nd allerw&ecirc;ikes skil lest
+&aring;nd drochten bidryf with fryh&ecirc;d k&acirc;mpa &aring;nd
+rjucht. Rjucht &aring;nd fryh&ecirc;d skilun swika &aring;nd wi mith
+tham. Men thesse winst skil hjara vrlias wrochta. Fon thrju worda
+skilun vsa &aring;fterkvmande an hjara ljuda &aring;nd sl&acirc;vona
+tha bithjutnesse l&ecirc;ra. Hja send m&ecirc;na ljavde, fryh&ecirc;d
+&aring;nd rjucht. Th&aring;t forma skilun hja glora,
+&aring;ftern&ecirc;i with thjustrenesse k&aring;mpa al ont et hel
+&aring;nd kl&aring;r in hjawlikes hirt &aring;nd holle w&aring;rth.
+Th&aring;n skil tvang fon irtha f&acirc;gad wertha, lik tongarswolka
+thrvch stornewind, &aring;nd alle drochten bidryv ne skil th&ecirc;r
+&aring;jen nawet navt ne form&uuml;ga. G&ocirc;sa. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3312" href="#xd0e3312">194</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3282src" id="xd0e3282">1</a></span> 2193 - 1600 = 593 v. Chr.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3285src" id="xd0e3285">2</a></span> Kasamyr, Kashmir.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3292src" id="xd0e3292">3</a></span> Jes-us, evenmin te verwarren
+met Jezus, als Krisen (Krishna) met Christus.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3314" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet skrift fon Koner&ecirc;d.</h2>
+
+<p>Min &ecirc;thla h&aring;von in &aring;fter thit bok skr&ecirc;ven.
+Thit wil ik boppa ella dva, vmbe th&aring;t er in min st&acirc;t
+n&ecirc;n burch ovir is, hw&ecirc;rin tha b&ecirc;rtnesa vp
+skr&ecirc;ven wrde lik to f&acirc;ra. Min n&ocirc;me is Koner&ecirc;d,
+min t&acirc;t-his n&ocirc;me was Fr&ecirc;thorik, min mem his
+n&ocirc;me Wiljow. After t&acirc;t his d&acirc;d ben ik to sina folgar
+k&ecirc;ren, &aring;nd tha-k fiftich j&ecirc;r t&aring;lde k&acirc;s
+men mij to vrste gr&ecirc;vetm&aring;n. Min t&acirc;t heth
+skr&ecirc;ven ho tha Linda-wrda &aring;nd tha Ljudg&acirc;rdne vrdilgen
+send. Lindah&ecirc;m is jeta w&ecirc;i, tha Linda-wrda far en
+d&ecirc;l, tha northlikka Ljudg&acirc;rdne send thrvch thene salta
+s&ecirc; bidelven. That br&ucirc;wsende hef slikt an tha hringdik
+th&ecirc;re burch. Lik t&acirc;t melth heth, s&acirc; send tha
+h&acirc;val&acirc;sa m&aring;nniska to gvngen &aring;nd h&acirc;von
+h&ucirc;skes bvwad binna tha hringdik th&ecirc;ra burch. Th&ecirc;rvmbe
+is th&aring;t rondd&ecirc;l nw Ljvdwerd h&ecirc;ten. Tha stjurar segath
+Ljvwrd, men th&aring;t is wanspr&ecirc;ke. Bi mina j&uuml;ged was-t
+&ocirc;re l&acirc;nd, th&aring;t b&ucirc;ta tha hringdik l&ecirc;id, al
+pol &aring;nd brok. Men Fryas folk is diger &aring;nd flitich, hja
+wrdon mod ner wirg, thrvchdam hjara dol to tha besta l&ecirc;ide.
+Thrvch sl&acirc;ta to delvane &aring;nd k&acirc;dika to m&acirc;kjane
+fon tha grvnd th&ecirc;r &ucirc;t-a sl&acirc;ta k&ecirc;m, alsa
+h&aring;von wi wither en gode h&ecirc;m b&ucirc;ta tha hringdik,
+th&ecirc;r thju d&acirc;nte het fon en hof, thr&ecirc; p&ecirc;la
+&acirc;stwarth, thr&ecirc; p&ecirc;la s&ucirc;dwarth &aring;nd
+thr&ecirc; p&ecirc;la w&ecirc;stwarth m&ecirc;ten. Hjud d&ecirc;gum
+send wi to dvande &aring;-p&ecirc;la to h&ecirc;jande, vmb &ecirc;ne
+h&acirc;ve to winnande &aring;nd mith &ecirc;n vmb-vsa hringdik to
+biskirmande. Jef et werk r&ecirc;d sy, s&acirc; skilun wi stjurar
+utlvka. Bi min j&uuml;ged stand-et hyr bj&ucirc;stre om-to, men hjud
+send tha h&ucirc;skes <span class="pagenum">[<a id="xd0e3319" href=
+"#xd0e3319">196</a>]</span>al h&ucirc;sa th&ecirc;r an r&ecirc;ja
+st&acirc;n. And lek &aring;nd brek th&ecirc;r mith ermode hir in glupt
+w&ecirc;ron, send thrvch flit a-buta dr&ecirc;ven. Fon hir ut m&ecirc;i
+allera m&aring;nnalik l&ecirc;ra, th&aring;t Wr.alda vsa Alfoder, al
+sina skepsela fot, mits th&aring;t hja mod halde &aring;nd m&aring;nlik
+&ocirc;therum helpa wille.</p>
+</div>
+
+<div id="xd0e3321" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nv wil ik vr Friso skriva.</h2>
+
+<p>Friso th&ecirc;r al weldich w&ecirc;re thrvch sin ljud, w&aring;rth
+&acirc;k to vrste gr&ecirc;ve k&ecirc;ren thrvch Staverens ommelandar.
+Hi spot mith vsa wisa fon l&acirc;nd-w&ecirc;r &aring;nd
+s&ecirc;k&aring;mpa, th&ecirc;rvmbe heth-er en skol stift hw&ecirc;r in
+tha kn&acirc;pa fjuchta l&ecirc;ra n&ecirc;i Kr&ecirc;kalandar wysa.
+Th&aring;n ik l&acirc;v th&aring;t i th&aring;t d&ecirc;n heth vmb
+th&aring;t jongk-folk an sin sn&ocirc;r to bindane. Ik h&aring;v min
+brother th&ecirc;r &acirc;k hin skikt, tha-s nv thjan j&ecirc;r
+l&ecirc;den. Hwand tocht ik nv wi n&ecirc;ne Moder l&ocirc;nger navt
+n&aring;ve, vmbe tha &ecirc;nen &aring;jen tha &ocirc;re to bi
+skirmande, &acirc;ch ik dubbel to w&acirc;kane th&aring;t hi vs
+n&ecirc;n m&acirc;ster ne w&aring;rth.</p>
+
+<p>Gosa neth vs n&ecirc;ne folgstere n&ocirc;meth, th&ecirc;r vr nil ik
+n&ecirc;n ord&ecirc;l ne fella, men th&ecirc;r send jeta alda &aring;rg
+thenkande m&aring;nniska, th&ecirc;r m&ecirc;ne th&aring;t hju-t
+th&ecirc;r-vr mith Friso &ecirc;nis wrden is. Th&acirc; Gosa fallen
+was, th&acirc; wildon tha ljud fon alle wrda &ecirc;ne &ocirc;there
+Moder kjasa. Men Friso th&ecirc;r to dvande w&ecirc;re vmb-en rik to
+fara him selva to m&acirc;kjane, Friso ne g&ecirc;rde n&ecirc;n
+r&ecirc;d ner bodo fon Texland. As tha bodon th&ecirc;ra
+Lands&acirc;tum to him k&ecirc;mon, sprek-i &aring;nde k&ecirc;th. Gosa
+s&ecirc;id-er was f&ecirc;rsjande w&ecirc;st &aring;nd wiser as alle
+gr&ecirc;va &ecirc;ts&ecirc;mne &aring;nd thach n&ecirc;de hju
+n&ecirc;n ljucht n&ecirc;r kl&acirc;rh&ecirc;d in thjuse s&ecirc;ke ne
+fvnden, th&ecirc;rvmbe n&ecirc;de hju n&ecirc;ne mod h&acirc;n vmb
+&ecirc;ne folgstere to kjasane, &aring;nd vmb &ecirc;ne folgstere to
+kjasane th&ecirc;r tvyvelik w&ecirc;re, th&ecirc;r heth hju bald in
+sjan, th&ecirc;rvmbe heth hju in hjara &ucirc;troste wille
+skr&ecirc;ven, th&aring;t is jow b&ecirc;tre n&ecirc;ne Moder to
+h&aring;vande as &ecirc;ne hw&ecirc;r vpp-i jo selva navt forl&ecirc;ta
+ne m&ecirc;i. Friso h&ecirc;de f&uuml;l sjan, bi orloch was er
+vpbrocht, &aring;nd fon <span class="pagenum">[<a id="xd0e3328" href=
+"#xd0e3328">198</a>]</span>tha hrenkum &aring;nd lestum th&ecirc;ra
+Golum &aring;nd forstum h&ecirc;der krek sa f&uuml;l l&ecirc;red
+&aring;nd geth, as-er n&ecirc;dich h&ecirc;de vmbe tha &ocirc;ra
+gr&ecirc;va to w&ecirc;iande hw&ecirc;r hi hjam wilde. Sjan hir ho-r
+th&ecirc;rmith to gvngen is.</p>
+
+<p>Friso h&ecirc;de hir-ne &ocirc;ther wif nimth, thju toghater fon
+Wil-fr&ecirc;the, bi sin l&ecirc;ve was-er vrste Gr&ecirc;va to
+Staveren w&ecirc;st. Th&ecirc;r bi h&ecirc;der tw&ecirc;n svna wnnen
+&aring;nd twa toghatera. Thrvch sin bil&ecirc;id is Korn&ecirc;lja sin
+jongste toghater mith min brother mant. Korn&ecirc;lja is wan Fryas and
+mot Kornh&ecirc;lja skr&ecirc;ven wrde. W&ecirc;mod sin aldeste heth er
+an Kavch bonden. Kavch th&ecirc;r &acirc;k bi him to skole gvng is thi
+svnv fon Wichhirte thene G&ecirc;rtmanna k&aring;ning. Men Kavch is
+&acirc;k wan Fryas &aring;nd mot K&acirc;p w&ecirc;sa. Men kvade
+t&acirc;le h&aring;von hja mar mithbrocht as gode s&ecirc;da.</p>
+
+<p>Nw mot ik mith mine sk&ecirc;dnese a-befta k&ecirc;ra.</p>
+
+<p>Aftre gr&acirc;te flod hw&ecirc;r vr min t&acirc;t skr&ecirc;ven
+heth, w&ecirc;ron f&ecirc;lo Juttar &aring;nd L&ecirc;tne mith ebbe uta
+Balda jefta kvade s&ecirc;<a class="noteref" id="xd0e3336src" href=
+"#xd0e3336">1</a> fored. Bi K&acirc;t his gat dr&ecirc;von hja in hjara
+k&acirc;na mith yse vppa tha D&ecirc;nemarka f&aring;st &aring;nd
+th&ecirc;r vp send hja sitten bil&ecirc;wen. Th&ecirc;r n&ecirc;ron
+narne n&ecirc;n m&aring;nniska an-t sjocht. Th&ecirc;rvmbe h&aring;von
+hja th&aring;t l&acirc;nd int, n&ecirc;i hjara n&ocirc;me h&aring;von
+hja th&aring;t land Juttarland h&ecirc;ten. Aftern&ecirc;i k&ecirc;mon
+wel f&ecirc;lo Denemarker to bek fon tha h&acirc;ga landum, men thissa
+setton hjara selva s&ucirc;dliker del. And as tha stjurar to bek
+k&ecirc;mon th&ecirc;r navt vrgvngen navt n&ecirc;ron, gvng thi
+&ecirc;na mith tha &ocirc;thera nei tha s&ecirc; jefta &ecirc;landum.<a
+class="noteref" id="xd0e3339src" href="#xd0e3339">2</a> Thrvch thisse
+skikking mochton tha Juttar th&aring;t land halda, hw&ecirc;r-vppa
+Wr.alda ra w&ecirc;jad h&ecirc;de. Tha S&ecirc;landar stjurar tham
+hjara selva mith bl&acirc;te fisk navt helpa ner n&ecirc;ra nilde,
+&aring;nd th&ecirc;r en &aring;rge grins h&ecirc;de an tha Gola, tham
+gvngon d&acirc;na tha Phonisjar sk&ecirc;pa bir&acirc;wa. An tha
+s&ucirc;dwester herne fon Sk&ecirc;nland, th&ecirc;r l&ecirc;id
+Lindasburcht ton&ocirc;math Lindasn&ocirc;se, thrvch vsa Apol stift,
+alsa in thit bok<a class="noteref" id="xd0e3342src" href=
+"#xd0e3342">3</a> biskr&ecirc;wen st&acirc;t. Alle k&acirc;dh&ecirc;mar
+&aring;nd <span class="pagenum">[<a id="xd0e3345" href=
+"#xd0e3345">200</a>]</span>ommelandar d&acirc;na w&ecirc;ron eft Fryas
+bil&ecirc;ven, men thrvch tha lust th&ecirc;re wr&ecirc;ke &aring;jen
+tha Golum &aring;nd &aring;jen tha K&aring;ltana folgar gvngon hja
+mitha S&ecirc;landar s&acirc;ma dvan, men that s&acirc;ma dva neth nen
+stek navt ne halden. Hwand tha S&ecirc;landar h&ecirc;de felo mislika
+pl&ecirc;ga &aring;nd wenh&ecirc;de ovir nommen fon tha vvla
+M&acirc;gjarum, Fryas folk to-n spot. Forth gvng ek to fara him selva
+r&acirc;wa, thach jef et to pase k&ecirc;m th&aring;n standon hja
+m&aring;nlik &ocirc;therum trvlik by. Thach to tha lesta bijondon tha
+S&ecirc;landar brek to kr&ecirc;jande an goda sk&ecirc;pa. Hjara
+skipm&acirc;kar weron omkvmen &aring;nd hjara walda w&ecirc;ron mith
+grvnd &aring;nd al fon-t land of f&acirc;ged. Nw k&ecirc;mon th&ecirc;r
+vnwarlingen thry sk&ecirc;pa by tha ringdik fon vsa burch m&ecirc;ra.
+Thrvch tha inbr&ecirc;ka vsra landum w&ecirc;ron hja vrdvaled &aring;nd
+tha Flymvda misfaren. Thi k&acirc;pmon th&ecirc;r mith gvngen was,
+wilde fon vs nya sk&ecirc;pa h&aring;, th&ecirc;rto h&ecirc;don hja
+mithbrocht allerl&ecirc;ja kestlika w&ecirc;ra, th&ecirc;r hja
+r&acirc;wed h&ecirc;don fon tha K&aring;ltanarlandum &aring;nd fon tha
+Phonisjar<a class="noteref" id="xd0e3347src" href="#xd0e3347">4</a>
+sk&ecirc;pum. N&ecirc;idam wy selva n&ecirc;ne sk&ecirc;pa navt
+n-&ecirc;de, j&ecirc;f ik hjam flingka horsa &aring;nd fjvwer
+w&ecirc;pende rinbodon mith nei Friso. Hwand to St&acirc;veren
+&aring;nd allingen th&aring;t Alderg&acirc; th&ecirc;r wrdon tha besta
+w&ecirc;rsk&ecirc;pa maked fon herde &ecirc;ken wod th&ecirc;r
+nimmerthe n&ecirc;n rot an ne kvmth. Thahwila tha s&ecirc;kampar by my
+byde, w&ecirc;ron svme Juttar n&ecirc;i Texland f&acirc;ren &aring;nd
+d&acirc;n&acirc; w&ecirc;ron hja n&ecirc;i Friso w&ecirc;sen. Tha
+S&ecirc;landar h&ecirc;don felo fon hjara storeste kn&acirc;pum
+r&acirc;wed, thi moston vppa hjara benka roja, &aring;nd fon hjara
+storeste toghtera vmb th&ecirc;r by bern to t&ecirc;jande. Tha stora
+Juttar ne mochton et navt to w&ecirc;rane, thrvchdam hja n&ecirc;ne
+gode w&ecirc;pne navt n&ecirc;de. Th&acirc; hja hjara l&ecirc;th telad
+h&ecirc;de &aring;nd th&ecirc;rvr f&ecirc;lo wordon wixlad w&ecirc;ron,
+fr&ecirc;je Friso to tha lesta jef hja n&ecirc;ne gode have in hjara
+g&acirc; navt n-&ecirc;de. O-jes, anderon hja, &ecirc;ne besta
+&ecirc;n, &ecirc;ne thrvch Wr.alda sk&ecirc;pen. Hju is net krek lik
+jow bjarkr&ucirc;k th&ecirc;r, hira hals is eng, th&acirc; in hira
+b&aring;lg k&aring;nnath wel thvsanda gr&acirc;te k&acirc;na lidsa, men
+wi n&acirc;vath n&ecirc;na burch ner burchw&ecirc;pne, vmbe tha
+r&acirc;wsk&ecirc;pa th&ecirc;r ut <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3350" href="#xd0e3350">202</a>]</span>to haldane. Th&aring;n
+mosten jow gvnst m&acirc;kja s&ecirc;ide Friso. God r&ecirc;den anderon
+tha Juttar, men wi n-&aring;vath n&ecirc;ne ambachtisljud ner bvwark,
+wi alle send fiskar &aring;nd juttar. Tha ora send vrdrvnken jefta
+n&ecirc;i tha h&acirc;ga landum fljucht. Midlar hwila hja thus
+k&aring;lta, k&ecirc;mon mina bodon mitha S&ecirc;l&acirc;ndar
+h&ecirc;ra et sina hove. Hir most nw letta ho Friso alle to bidobbe
+wiste to nocht fon b&ecirc;de partja &aring;nd to b&acirc;te fon sin
+&aring;jn dol. Tha S&ecirc;landar s&ecirc;ider to, hja skoldon
+j&ecirc;rlikes fiftech sk&ecirc;pa h&aring;ve, n&ecirc;i f&aring;sta
+m&ecirc;tum &aring;nd n&ecirc;i f&aring;sta jeldum, to hr&ecirc;d mith
+ysere k&ecirc;dne &aring;nd kr&acirc;nbogum &aring;nd mith fvlle tjuch
+alsa far w&ecirc;rsk&ecirc;pa hof &aring;nd n&ecirc;dlik sy, men tha
+Juttar skoldon hja th&aring;n mith fr&ecirc;the l&ecirc;ta, &aring;nd
+all-et folk th&aring;t to Fryasbern h&ecirc;red. J&acirc; hi wilde mar
+dva, hi wilde al vsa s&ecirc;k&aring;mpar utn&ecirc;da th&aring;t hja
+skolde mith fjuchta &aring;nd r&acirc;wa. Th&acirc; tha S&ecirc;landar
+w&ecirc;i brit w&ecirc;ron, th&acirc; l&ecirc;t er fjuwertich alda
+sk&ecirc;pa to laja mith burchw&ecirc;pne, wod, hirbaken st&ecirc;n,
+timberljud, mirtsel&ecirc;ra &aring;nd sm&ecirc;da vmbe th&ecirc;r mith
+burga to bvwande. Witto, that is witte sin svn, sand hi mith vmb to to
+sjanande. Hwat th&ecirc;r al f&acirc;r fallen is, n-is my navt ni meld,
+men sa f&uuml;l is mi b&acirc;r wrden, an byde sida th&ecirc;re haves
+mvde is &ecirc;ne withburch bvwed, th&ecirc;r in is folk l&ecirc;id
+that Friso uta Saxanamarka t&acirc;ch. Witto heth Sjuchthirte
+bifr&ecirc;jad &aring;nd to sin wiv nomen. Wilhem alsa h&ecirc;te hira
+tat, hi was vreste Alderm&aring;n th&ecirc;ra Juttar, that is vrste
+Gr&ecirc;vetman jefta Gr&ecirc;ve. Wilhem is kirt after sturven
+&aring;nd Witto is in sin st&ecirc;d koren.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3336src" id="xd0e3336">1</a></span> Balda jefta kvada s&ecirc;,
+de Baltische zee. Juttarland, Jutland.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3339src" id="xd0e3339">2</a></span> Zeeland, de Deensche
+Eilanden.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3342src" id="xd0e3342">3</a></span> Zie bl. 124.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3347src" id="xd0e3347">4</a></span> Phonisiar, hier Puniers,
+Carthagers.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3352" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Ho Friso forther d&ecirc;de.</h2>
+
+<p>Fon sin &ecirc;rosta wif h&ecirc;der tw&ecirc;n sviaringa bihalda,
+th&ecirc;r s&ecirc;r klok w&ecirc;ron. Hetto, that is h&ecirc;te, thene
+jongste skikt er as <span class="pagenum">[<a id="xd0e3357" href=
+"#xd0e3357">204</a>]</span>senda boda n&ecirc;i Kattaburch th&aring;t
+djap inna Saxanamarka l&ecirc;id. Hi h&ecirc;de fon Friso mith
+kr&ecirc;jen sjugon horsa buta sin &aring;jn, to l&ecirc;den mith
+kestlika s&ecirc;kum, thrvch tha s&ecirc;k&aring;mpar r&acirc;wed. Bi
+jahweder hors w&ecirc;ron tw&ecirc;n jonga s&ecirc;k&aring;mpar
+&aring;nd tw&ecirc;n jonga hrutar mith rika kl&acirc;darum kl&acirc;th
+&aring;nd jeld in hiara b&ucirc;dar. &Ecirc;vin as er Hetto n&ecirc;i
+Kattaburch skikte, skikter Bruno, th&aring;t is br&ucirc;ne, thene
+&ocirc;thera svjaring n&ecirc;i Mannag&aring;rda wrda, Mannag&aring;rda
+wrda is f&acirc;r in thit bok<a class="noteref" id="xd0e3359src" href=
+"#xd0e3359">1</a> Mannag&aring;rda forda skr&ecirc;ven, men th&acirc;t
+is misd&ecirc;n. Alle rikdoma th&ecirc;r hja mith hede wrdon n&ecirc;i
+omstand w&ecirc;i sk&aring;nkt an tha forsta and forstene &aring;nd an
+tha utfork&ecirc;rne mang&ecirc;rtne. K&ecirc;mon th&acirc; sine knapa
+vppa th&ecirc;re m&ecirc;id vmbe th&ecirc;r mith et jongkfolk to
+d&ocirc;nsjane, sa l&ecirc;ton hja kvra mith kr&ucirc;dkok kvma
+&aring;nd b&aring;rgum jeftha tonnum fon tha besta bjar. After thissa
+bodon l&ecirc;t-er immer jongkfolk over tha Saxanarmarka f&acirc;ra,
+th&ecirc;r alle jeld inna budar h&ecirc;de &aring;nd alle m&ecirc;ida
+jeftha sk&aring;nkadja mith brochton, &aring;nd vppa th&ecirc;re
+m&ecirc;id t&ecirc;radon hja alon vnkvmmerlik w&ecirc;i. Jef-t nv
+b&ecirc;rde th&aring;t tha Saxana kn&acirc;pa th&ecirc;r nydich
+n&ecirc;i uts&acirc;gon, th&aring;n lakton hja godlik &aring;nd
+s&ecirc;idon, aste thvrath thene m&ecirc;na fyand to bik&aring;mpane,
+s&acirc; k&aring;nst thin br&ecirc;id jet f&uuml;l riker m&ecirc;ida
+j&acirc;n &aring;nd jet forstelik t&ecirc;ra. Al b&ecirc;da sviaringa
+fon Friso send bostigjad mith toghaterum th&ecirc;ra romriksta forstum,
+&aring;nd &aring;fkern&ecirc;i k&ecirc;mon tha Saxanar kn&acirc;pa
+&aring;nd mang&ecirc;rtne by &ecirc;lle keddum n&ecirc;i th&aring;t
+Flymar del.</p>
+
+<p>Tha burchf&acirc;mna &aring;nd tha alda f&acirc;mna th&ecirc;r jeta
+fon hjar &ecirc;re gr&acirc;th&ecirc;d wiste, nygadon navt vr n&ecirc;i
+Frisos bedriv, th&ecirc;rvmbe ne k&ecirc;thon hja n&ecirc;n god fon
+him. Men Friso sn&ocirc;der as hja l&ecirc;t-ra sn&acirc;ka. Men tha
+jonga f&acirc;mna sp&ocirc;nd-er mith goldne fingrum an sina s&ecirc;k.
+Hja s&ecirc;idon alomme wy n&aring;vath longer n&ecirc;n Moder
+m&acirc;r, men th&aring;t kvmth d&acirc;na th&aring;t wit j&ecirc;roch
+send. Jvd past vs ne k&acirc;ning, til thju wi vsa landa wither winna,
+th&ecirc;r tha Modera vrl&ecirc;ren h&aring;ve thrvch hjara <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3367" href=
+"#xd0e3367">206</a>]</span>vndigerh&ecirc;d. Forth k&ecirc;thon hja,
+alrek Fryasbern is frydom j&ecirc;ven, sin stem h&ecirc;ra to
+l&ecirc;tane bi fara th&ecirc;r bisloten w&aring;rth bi t kjasa
+&ecirc;nre forste, men ast alsa wyd kvma machte th&aring;t i jo wither
+ne k&aring;ning kjasa, s&acirc; wil ik &acirc;k min m&ecirc;ne segse.
+N&ecirc;i al hwat ik skoja m&ecirc;i, s&acirc; is Friso th&ecirc;r to
+thrvch Wr.alda k&ecirc;ren, hwand hi heth im wonderlik hir hinne
+w&ecirc;iad. Friso w&ecirc;t tha hrenka th&ecirc;ra Golum, hwam his
+t&acirc;le hi spr&ecirc;kt, hi k&aring;n thus &aring;jen hjara lestum
+w&acirc;ka. Th&aring;n is th&ecirc;r jeta awet to skojande, hok
+Gr&ecirc;va skolde m&aring;n to k&aring;ning kjasa svnder that tha
+&ocirc;ra th&ecirc;r nidich vr w&ecirc;ron. Aldulkera t&acirc;lum
+w&aring;rth thrvch tha jonga f&acirc;mnn kethen, men tha alde
+f&acirc;mma afsk&ecirc;n f&ecirc; an tal, tapadon hjara r&ecirc;dne ut
+en &ocirc;thera b&aring;rg. Hja k&ecirc;thon allerw&ecirc;ikes
+&aring;nd to alla mannalik: Friso k&ecirc;thon hja dvath s&acirc; tha
+spinna dvan, thes nachtis sp&ocirc;nth-i netta n&ecirc;i alle sidum
+&aring;nd thes d&ecirc;is vrskalkth-i th&ecirc;r sina
+vn&aring;ftertochtlika frjunda in. Friso s&ecirc;ith that-er n&ecirc;ne
+prestera ner poppa forsta lyde ne m&ecirc;i, men ik seg, hi ne
+m&ecirc;i nimman lyda as him selva. Th&ecirc;rvmbe nil hi navt ne
+d&acirc;ja th&aring;t thju burch Stavia wither vp h&ecirc;jath warth.
+Th&ecirc;rvmbe wil hi n&ecirc;ne Moder w&ecirc;r h&acirc;. Jud is Friso
+jow r&ecirc;d j&ecirc;var, men morne wil hi jow k&aring;ning wertha,
+til thju hi over jo alle rjuchta mei. Inna bosm thes folk-is antstondon
+nw twa partyja. Tha alda &aring;nd &aring;rma wildon wither &ecirc;ne
+Moder h&acirc;, men th&aring;t jongkfolk, th&aring;t fvl
+str&ecirc;dlust w&ecirc;re wilde ne t&acirc;t jeftha k&aring;ning
+h&acirc;. Tha &ecirc;rosta h&ecirc;ton hjara selva moder his svna
+&aring;nd tha &ocirc;thera h&ecirc;ton hjara selva t&acirc;t his svna,
+men tha Moder his svna ne wrde wrde navt ni meld, hwand thrvchdam
+th&ecirc;r f&ecirc;lo sk&ecirc;pa m&acirc;ked wrde, was th&ecirc;r
+ovirflod to f&acirc;ra skipm&acirc;kar, sm&ecirc;da, sylm&acirc;kar,
+r&ecirc;pm&acirc;kar &aring;nd to f&acirc;ra alle &ocirc;ra
+ambachtisljud. Th&ecirc;r to boppa brochton tha s&ecirc;k&aring;mpar
+allerl&ecirc;ja syrh&ecirc;da mith. Th&ecirc;r fon h&ecirc;don tha wiva
+nocht, tha f&acirc;mna nocht, tha mang&ecirc;rtne nocht, &aring;nd
+th&ecirc;rof h&ecirc;don al hjara m&ecirc;gum nocht &aring;nd al hjara
+frjundum &aring;nd &acirc;thum. <span class="pagenum">[<a id="xd0e3372"
+href="#xd0e3372">208</a>]</span></p>
+
+<p>Tha Friso bi fjuwertich j&ecirc;r et St&acirc;veren hushalden
+h&ecirc;de sturf-er.<a class="noteref" id="xd0e3375src" href=
+"#xd0e3375">2</a> Thrvch sin bijelda h&ecirc;de-r f&ecirc;lo
+st&acirc;ta wither to manlik &ocirc;therum brocht, thach jef wi
+th&ecirc;r thrvch b&ecirc;ter wrde thvr ik navt bijechta. Fon alle
+Gr&ecirc;va th&ecirc;r bif&acirc;ra him w&ecirc;ron n-as th&ecirc;r
+nimman s&acirc; bif&acirc;med lik Friso w&ecirc;st. Tha s&acirc; as-k
+&ecirc;r s&ecirc;ide, tha jonge f&acirc;mna k&ecirc;thon sina love,
+thahwila tha alda f&acirc;mna ella d&ecirc;don vmb-im to achtjane
+&aring;nd h&acirc;tlik to m&acirc;kjane bi alle m&aring;nniska. Nw ne
+machton tha alda f&acirc;mna him th&ecirc;r mitha wel navt ne
+st&ocirc;ra in sina bijeldinga, men hja h&aring;von mith hjara
+b&acirc;ra thach alsa f&uuml;l utrjucht th&aring;t-er sturven is svnder
+th&aring;t er k&aring;ning w&ecirc;re.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3359src" id="xd0e3359">1</a></span> Zie bl. 11.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3375src" id="xd0e3375">2</a></span> 263 v. Chr.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3378" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Nw wil ik skriwa vr Adel sin svnv.</h2>
+
+<p>Friso th&ecirc;r vsa skidnese l&ecirc;red h&ecirc;de ut-et bok
+th&ecirc;ra Adellinga, h&ecirc;de ella d&ecirc;n vmbe hjara frjundskip
+to winnande. Sin &ecirc;roste svnv th&ecirc;r hi hir won by
+Sw&ecirc;thirte sin wif, heth-er bi stonda Adel h&ecirc;ten. And
+afsk&ecirc;n hi k&aring;mpade mith alle sin weld, vmbe n&ecirc;ne burga
+to forst&aring;lane ner wither vp to bvwande, thach sand hi Adel
+n&ecirc;i th&ecirc;re burch et Texland til thju hi diger bi diger kvd
+wertha machta, mith ella hwat to vsa &ecirc;wa, t&acirc;le &aring;nd
+sedum h&ecirc;reth. Tha Adel twintich j&ecirc;r t&aring;lde l&ecirc;t
+Friso him to sin &aring;jn skol kvma, &aring;nd as er th&ecirc;r
+utl&ecirc;red was, l&ecirc;t-er him thrvch ovir alle st&acirc;ta
+f&acirc;ra. Adel was-ne minlika skalk, bi sin f&acirc;ra heth-er
+f&ecirc;lo &acirc;tha wnnen. D&acirc;na is-t kvmen th&aring;t et folk
+him Atha-rik h&ecirc;ten heth, awet hwat him &aring;ftern&ecirc;i sa
+wel to pase k&ecirc;m, hwand as sin t&acirc;t fallen was, bil&ecirc;v
+er in sin st&ecirc;d svnder that er vr-et kjasa &ecirc;ner &ocirc;thera
+Gr&ecirc;va spr&ecirc;ka k&ecirc;m.</p>
+
+<p>Thahwila Adel to Texland inna l&ecirc;re w&ecirc;re, was th&ecirc;r
+tefta en &ecirc;lle ljawe f&acirc;m in vpper burch. Hju k&ecirc;m fon
+ut tha Saxanamarkum w&ecirc;i, fon ut-&ecirc;re st&acirc;tha th&ecirc;r
+is k&ecirc;then Sv&ocirc;baland th&ecirc;r thrvch w&aring;rth hju to
+Texland Sv&ocirc;bene<a class="noteref" id="xd0e3385src" href=
+"#xd0e3385">1</a> h&ecirc;ten, afsk&ecirc;n <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e3388" href="#xd0e3388">210</a>]</span>hjra n&ocirc;me Ifkja
+w&ecirc;re. Adel h&ecirc;de hja ljaf kr&ecirc;jen &aring;nd hju
+h&ecirc;de Adel ljaf, men sin t&aring;t b&ecirc;d-im hi skolde jet
+wachtja. Adel was h&ecirc;rich, men alsa ring sin t&acirc;t fallen was
+&aring;nd hi s&ecirc;ten, sand hi bistonda bodon nei Berth-holda hira
+t&acirc;t hin, as-er sine toghter to wif h&aring;va machte. Bertholda
+w&ecirc;r-ne forste fon vnforbastere s&ecirc;d, hi h&ecirc;de Ifkja
+n&ecirc;i Texland inna l&ecirc;re svnden inner h&acirc;pe that hja
+&ecirc;nis to burchf&acirc;m k&ecirc;re wrde skolde in sine &aring;jn
+land. Thach hi h&ecirc;de hjara b&ecirc;der g&ecirc;rte k&aring;nna
+l&ecirc;red, th&ecirc;rvmbe gvng-er to &aring;nd jef hjam sina
+s&ecirc;jen. Ifkja w&ecirc;r-ne kante Fryas. Far sa f&ecirc;re ik hja
+h&aring;v k&aring;nna l&ecirc;red, heth hju al&ocirc;n wrocht &aring;nd
+wrot til thju Fryasbern wither kvma machte vndera selva &ecirc;wa
+&aring;nd vnder &ecirc;nen b&ocirc;n. Vmbe tha m&aring;nniska vppa hira
+syd to kr&ecirc;jande, was hju mith hira frjudelf fon of hira t&acirc;t
+thrvch alle Saxanamarka f&acirc;ren and forth n&ecirc;i
+G&ecirc;rtm&aring;nnja. G&ecirc;rtmannja alsa h&ecirc;don tha
+G&ecirc;rtmanna hjara st&acirc;t h&ecirc;ten, th&ecirc;r hja thrvch
+Gosa hira bijeldinga kr&ecirc;jen h&ecirc;de. D&acirc;na gvngen hja nei
+tha D&ecirc;nemarka. Fon tha D&ecirc;nemarka gvngon hja skip nei
+Texland. Fon Texland gvngon hja n&ecirc;i Westflyland en sa allingen
+tha s&ecirc; n&ecirc;i Walhallag&acirc;ra hin. Fon Walhallag&acirc;ra
+br&ucirc;don hja allingen th&ecirc;ra s&ucirc;der Hr&ecirc;num al ont
+hja mith gr&acirc;ta fr&ecirc;se boppa th&ecirc;re R&ecirc;ne bi tha
+Mars&acirc;ta k&ecirc;mon<a class="noteref" id="xd0e3393src" href=
+"#xd0e3393">2</a> hw&ecirc;rfon vsa Apoll&acirc;nja skr&ecirc;ven heth.
+Tho hja th&ecirc;r en st&ucirc;t w&ecirc;st h&ecirc;de, gvngon hja
+wither n&ecirc;i tha delta<a class="noteref" id="xd0e3396src" href=
+"#xd0e3396">3</a><span class="corr" id="xd0e3398" title="Niet in
+bron">.</span> As hja nw en tid l&ocirc;ng n&ecirc;i tha delta
+off&acirc;ren w&ecirc;ron al ont hja inna str&ecirc;k fon th&ecirc;re
+alda burch Aken<a class="noteref" id="xd0e3401src" href=
+"#xd0e3401">4</a> k&ecirc;mon, sind th&ecirc;r vnwarlinga fjuwer skalka
+morth and naked utekl&acirc;t. Hja w&ecirc;ron en lith &aring;fter an
+kvmen. Min brother th&ecirc;r vral by was h&ecirc;de hja often
+vrb&ecirc;den, thach hja n&ecirc;de navt ne h&ecirc;red. Tha
+b&ocirc;nar th&ecirc;r th&aring;t d&ecirc;n h&ecirc;de w&ecirc;ron
+Twiskl&acirc;ndar th&ecirc;r judd&ecirc;ga drist w&ecirc;i ovira
+Hr&ecirc;na kvma to morda and to r&acirc;wande. Tha Twisl&acirc;ndar
+th&aring;t sind bannane &aring;nd w&ecirc;i britne Fryasbern, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3404" href="#xd0e3404">212</a>]</span>men
+hjara wiva h&aring;vath hja fon tha Tartarum r&acirc;wet. Tha Tartara
+is en br&ucirc;n Findas folk, althus h&ecirc;ten thrvchdam hja alle
+folka to strida uttarta. Hja send al hrutar &aring;nd r&acirc;war.
+Th&ecirc;r fon send tha Twiskl&acirc;ndar alsa blod thorstich wrden.
+Tha Twiskl&acirc;ndar tham thju &aring;rgnise d&ecirc;n h&ecirc;de,
+h&ecirc;ton hjara selva Frya jeftha Franka. Ther w&ecirc;ron
+s&ecirc;ide min brother r&acirc;da bruna &aring;nd wita mong.
+Th&ecirc;re th&ecirc;r r&acirc;d jeftha brun w&ecirc;ron biton hjara
+h&ecirc;re mith sjalkw&ecirc;ter<a class="noteref" id="xd0e3406src"
+href="#xd0e3406">5</a> wit. N&ecirc;idam hjara &ocirc;nthlita
+th&ecirc;r brun by w&ecirc;r, alsa wrdon hja thesto l&ecirc;dliker
+th&ecirc;r thrvch. &Ecirc;vin as Apoll&acirc;nja biskojadon hja
+&aring;ftern&ecirc;i Lydasburch &aring;nd et Alderg&acirc;. D&acirc;na
+t&acirc;gon hju in over St&acirc;verens wrde by hjara ljuda rond. Alsa
+minlik h&ecirc;don hja hjara selva anst&aring;led that tha
+m&aring;nniska ra allerw&ecirc;ikes halda wilde. Thr&ecirc;
+m&ocirc;natha forther sand Adel bodon n&ecirc;i alle &acirc;thum
+th&ecirc;r hi biwnnen h&ecirc;de &aring;nd l&ecirc;t tham bidda, hja
+skoldon inna Minna m&ocirc;nath lichta ljuda to him senda.<a class=
+"noteref" id="n212.2src" href="#n212.2">6</a></p>
+
+<p><span class="pagenum">[<a id="xd0e3413" href=
+"#xd0e3413">214</a>]</span>sin wif s&ecirc;id er th&ecirc;r f&acirc;m
+w&ecirc;st h&ecirc;de to Texl&acirc;nd, h&ecirc;de d&acirc;na en
+ovirskrift kr&ecirc;jen. To Texland warthat jeta f&ecirc;lo skrifta
+fvnden, th&ecirc;r navt in-t bok th&ecirc;ra Adelinga vrskr&ecirc;ven
+send. Fon thissa skriftum h&ecirc;de Gosa &ecirc;n bi hira utroste
+wille l&ecirc;id, th&ecirc;r thrvch tha aldeste f&acirc;m Alb&ecirc;the
+avb&ecirc;r m&acirc;kt wertha most, alsa ringen Friso fallen was.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3385src" id="xd0e3385">1</a></span> Hamconius. p. 8.
+Suobinna.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3393src" id="xd0e3393">2</a></span> Zie bl. 150.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3396src" id="xd0e3396">3</a></span> Delte nog in N. Holland in
+gebruik, laagte.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3401src" id="xd0e3401">4</a></span> Aken, Aken.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3406src" id="xd0e3406">5</a></span> Diod Sic. V. 28.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#n212.2src" id="n212.2">6</a></span> Hier heeft de afschrijver Hiddo
+oera Linda een blad te veel omgeslagen, en daardoor twee bladzijden
+overgeslagen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3415" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr is that skrift mith Gosas r&ecirc;d.</h2>
+
+<p>Tha Wralda bern j&ecirc;f an tha modera fon th&aring;t
+m&aring;nniskelik slachte, th&acirc; l&ecirc;id er &ecirc;ne t&acirc;le
+in aller tonga &aring;nd vp aller lippa. Thjus m&ecirc;ide h&ecirc;de
+Wralda an tha m&aring;nniska j&ecirc;ven, til thju hja m&aring;nlik
+&ocirc;thera th&ecirc;rmith machte k&aring;nb&ecirc;r m&acirc;kja, hwat
+m&aring;n formyde mot &aring;nd hwat m&aring;n bijagja mot vmbe
+s&ecirc;ligh&ecirc;d to findane &aring;nd s&ecirc;ligh&ecirc;d to
+haldane in al &ecirc;vgh&ecirc;d. Wralda is wis &aring;nd god &aring;nd
+al f&aring;rsjande. N&ecirc;idam er nw wist, th&aring;t luk &aring;nd
+s&ecirc;ligh&ecirc;d fon irtha flya mot, jef bosh&ecirc;d d&uuml;ged
+bidroga m&ecirc;i, alsa heth er an thju t&acirc;l &ecirc;ne
+rjuchtf&ecirc;rdige &aring;jendomlikh&ecirc;d f&aring;st bonden. Thjus
+&aring;jendomlikh&ecirc;d is th&ecirc;r an l&ecirc;gen, th&aring;t
+m&aring;n th&ecirc;r mith n&ecirc;n l&ecirc;jen s&ecirc;ge, ner
+bidroglika worda spr&ecirc;ka ne m&ecirc;i svnder stem l&ecirc;th noch
+svnder sk&acirc;mr&acirc;d, thrvch hvam m&aring;n tha bosa fon hirte
+bistonda vrk&aring;nna m&ecirc;i. N&ecirc;idam vsa t&acirc;le thus to
+luk &aring;nd to s&ecirc;ligh&ecirc;d w&ecirc;jath, &aring;nd thus mith
+w&acirc;kt &aring;jen tha bosa nygonga, th&ecirc;rvmbe is hju mith alle
+rjucht godis t&acirc;le h&ecirc;ten, &aring;nd alle tha j&ecirc;na hwam
+hja an &ecirc;re halda h&acirc;vath th&ecirc;r g&ocirc;me fon. Tha hwat
+is b&ecirc;rth. Alsa ring th&ecirc;r mong vsa halfsusterum &aring;nd
+halfbrotharum bidrogar vpk&ecirc;mon, tham hjara selva fori godis
+skalkum utjavon, also ring is th&aring;t owers wrden. Tha bidroglika
+prestera &aring;nd tha wrangwr&ecirc;ja forsta th&ecirc;r immer
+s&ecirc;min h&ecirc;ladon, wildon n&ecirc;i wilk&ecirc;r l&ecirc;va
+&aring;nd buta god-is &ecirc;wa dvan. In hjara <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e3420" href="#xd0e3420">216</a>]</span>tsjodish&ecirc;d send
+hja to gvngen &aring;nd h&aring;von &ocirc;thera t&acirc;la forsvnnen,
+til thju hja h&ecirc;mlik machte spr&ecirc;ka in &aring;jenw&aring;rtha
+fon alrek &ocirc;therum, vr alle bosa thinga &aring;nd vr alle
+vnw&ecirc;rthlika thinga svnder th&aring;t steml&ecirc;th hjam
+vrr&ecirc;da mocht nach sk&acirc;mr&acirc;d hjara gel&acirc;t vrderva.
+Men hwat is th&ecirc;rut bern. &Ecirc;vin blyd as-t s&ecirc;d
+th&ecirc;ra goda kr&ucirc;dum fon vnder ne grvnd ut vntk&ecirc;mth,
+th&aring;t avb&ecirc;r s&ecirc;jed is thrvch goda ljuda by helle
+d&ecirc;i, &ecirc;ven blyd brength tyd tha sk&acirc;dlika kr&ucirc;da
+an-t ljucht, th&ecirc;r s&ecirc;jed send thrvch bosa ljuda in-t
+forborgne &aring;nd by thjustrenesse.</p>
+
+<p>Tha lodderiga mangertne &aring;nd tha vnm&aring;nlika kn&acirc;pa
+th&ecirc;r mitha vvla presterum &aring;nd forstum horadon vntlvkadon
+tha nya t&acirc;la an hjara bola, th&ecirc;rwisa send hja forth kvmen
+&ecirc;mong tha folkrum, til thju hja god-is t&acirc;le gl&acirc;d
+vrjetten h&aring;ve. Wilst nw w&ecirc;ta hwat th&ecirc;r of wrden is?
+Nv steml&ecirc;th ner gel&acirc;t hjara bosa tochta navt longer mar
+vrr&ecirc;don, nv is d&uuml;ged fon ut hjara midden w&ecirc;ken, wisdom
+is folgth &aring;nd frydom is mith gvngen, &ecirc;ndracht is sok
+r&acirc;kt &aring;nd twispalt heth sin st&ecirc;d innommen, ljafde is
+fljucht &aring;nd hordom sith mith nyd an t&ecirc;fel, &aring;nd
+th&ecirc;r &ecirc;r rjuchtf&ecirc;rdichh&ecirc;d welde, welth nv
+th&aring;t sw&ecirc;rd. Alle send sl&acirc;vona wrden, tha ljuda fon
+hjara h&ecirc;ra, fon nyd, bosa lusta &aring;nd bigyrlikh&ecirc;d.
+H&ecirc;de hja nvm&acirc;r &ecirc;ne t&acirc;le forsvnnen, m&uuml;glik
+was-t th&aring;n jet en lith god gvngen. Men hja h&aring;von alsa
+f&ecirc;lo t&acirc;la utfonden as th&ecirc;r st&acirc;ta send.
+Th&ecirc;rthrvch m&ecirc;i th&aring;t &ecirc;ne folk th&aring;t
+&ocirc;re folk &ecirc;vin min forst&acirc;n as thju kv thene hvnd
+&aring;nd thi wolf th&aring;t sk&ecirc;p. Thit m&uuml;gath tha stjurar
+bitjuga. Thach d&acirc;n&acirc; is-t nv w&ecirc;i kvmen, th&aring;t
+alle sl&acirc;vona folkar m&aring;nlik &ocirc;thara lik &ocirc;ra
+m&aring;nniska biskoja &aring;nd th&aring;t hja to straffe hjarar
+vndigerh&ecirc;d &aring;nd fon hjara vrm&ecirc;tenh&ecirc;d,
+m&aring;nlik &ocirc;thera alsa long biorloge &aring;nd bikampa moton
+til thju alle vrdilgad send. <span class="pagenum">[<a id="xd0e3424"
+href="#xd0e3424">218</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="xd0e3426" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Hyr is nv min r&ecirc;d.</h2>
+
+<p>Bist thv alsa gyrich that thu irtha all&ecirc;na erva wilste, alsa
+achst thv nimmer m&acirc;re n&ecirc;n &ocirc;re t&acirc;le ovir thina
+w&ecirc;ra ni kvma to l&ecirc;tane as god-is t&acirc;le, &aring;nd
+th&aring;n achst thv to njodane, til thju thin &aring;jn t&acirc;le fry
+fon uth&ecirc;meda klinka bilyweth. Wilst thv th&aring;t er svme fon
+Lydas bern &aring;nd fon Findas bern resta, s&acirc; dvath stv
+&ecirc;vin alsa. Thju t&acirc;le th&ecirc;ra Ast Sk&ecirc;nlandar is
+thrvch tha wla M&acirc;gjara vrbr&ucirc;d; thju t&acirc;le th&ecirc;ra
+Kaltana folgar is thrvch tha sm&ucirc;grige Gole vrderven. Nv send wi
+alsa mild w&ecirc;st vmbe tha witherkvmande Hell&ecirc;na folgar wither
+in vs midden to n&ecirc;mande, men ik skrom &aring;nd ben s&ecirc;relik
+ange, th&aring;t hja vs mild-sa vrjelda skilun mith vrbr&ucirc;ding
+vsra r&ecirc;ne t&acirc;le.</p>
+
+<p>F&uuml;l h&aring;von wi witherf&acirc;ren, men fon alle burgum,
+th&ecirc;r thrvch arge tyd vrhomlath send &aring;nd vrdiligad, heth
+Irtha <span class="corr" id="xd0e3433" title="Bron: Fryasbnrch">
+Fryasburch</span> vnforleth bihalden; &aring;k m&ecirc;i ik th&ecirc;r
+by melda th&aring;t Fryas jeftha god-is t&acirc;le hir evin vnforleth
+bihalden is.</p>
+
+<p>Hyr to Texland most m&aring;n thus skola stifta, fon alle
+st&acirc;tum th&ecirc;r et mitha alda s&ecirc;dum halda, most-et jongk
+folk hyr hinne senden wrde, &aring;fterdam mochton th&ecirc;ra
+utl&ecirc;red w&ecirc;re tha &ocirc;ra helpa th&ecirc;r to honk
+vrb&ecirc;ide. Willath tha &ocirc;ra folkar ysre w&ecirc;ron fon thi
+sella &ecirc;nd th&ecirc;rvr mith thi spr&ecirc;ka &aring;nd thinga,
+s&acirc; moton hja to god-ist&acirc;le wither k&ecirc;ra. L&ecirc;rath
+hja god-is t&acirc;le s&acirc; skilun tha worda fry-s&acirc; &aring;nd
+rjucht-h&acirc; to hjara inkvma, in hjara br&ecirc;in skilet th&aring;n
+bijina to glimmande &aring;nd to glorande til thju ella to-ne logha
+warth. Thissa logha skil alle balda forsta vrt&ecirc;ra &aring;nd alle
+skinfr&acirc;na &aring;nd sm&ucirc;griga prestera.</p>
+
+<p>Tha h&ecirc;inde &aring;nd f&ecirc;rh&ecirc;mande sendabodon
+h&ecirc;don nocht fon vr th&aring;t skrift, thach th&ecirc;r ne
+k&ecirc;mon n&ecirc;ne skola. Th&aring; stifte Adel selva skola,
+&aring;fter him d&ecirc;don tha &ocirc;ra forsta lik hy. J&ecirc;rlikis
+gvngon Adel &aring;nd Ifkja tha skola skoja. Fandon hja th&aring;n
+&ecirc;mong tha inh&ecirc;mar &aring;nd uth&ecirc;mar seliga th&ecirc;r
+ekkorum <span class="pagenum">[<a id="xd0e3440" href=
+"#xd0e3440">220</a>]</span>frjundskip b&acirc;radon, s&acirc;
+l&ecirc;ton b&ecirc;de gr&acirc;te blidskip blika. H&ecirc;don svme
+seliga ekkorum frjundskip sworen, alsa l&ecirc;ton hja alra mannalik to
+manlik &ocirc;rum kvma, mith gr&acirc;te st&acirc;t l&ecirc;ton hja
+th&aring;n hjara n&ocirc;ma in en bok skriva, thrvch hjam th&aring;t
+bok th&ecirc;ra frjundskip h&ecirc;ten, &aring;fter dam warth
+f&ecirc;rst halden. Al thissa pl&ecirc;ga wrde d&ecirc;n vmbe tha
+asvndergana twyga fon Fryas stam wither et s&ecirc;mene to
+sn&ocirc;rane. Men tha famna th&ecirc;r Adel &aring;nd Ifkja nydich
+w&ecirc;ron, s&ecirc;idon that hja-t niwerth &ocirc;re vr d&ecirc;don
+as vmb en gode hrop, &aring;nd vmb bi gr&acirc;dum to weldana in ovir
+&ecirc;nis &ocirc;ther man his st&acirc;t.</p>
+
+<p>By min t&acirc;t sinra skriftum h&aring;v ik &ecirc;nen br&ecirc;f
+funden, skr&ecirc;vin thrvch Ljudg&ecirc;rth thene
+G&ecirc;rtm&aring;n<a class="noteref" id="xd0e3444src" href=
+"#xd0e3444">1</a>, bihalva svmlika s&ecirc;ka th&ecirc;r min t&acirc;t
+all&ecirc;na jelde, j&ecirc;f ik hyr th&aring;t &ocirc;thera to
+th&aring;t besta.</p>
+
+<p>Pang-ab, th&acirc;t is fyf w&aring;tera &aring;nd hw&ecirc;r neffen
+wi wech kvme, is-ne runstr&acirc;me fon afsvnderlika
+sk&ecirc;nh&ecirc;d, &aring;nd fif w&aring;tera h&ecirc;ten vmb thet
+fjuwer &ocirc;ra runstrama thrvch sine mvnd in s&ecirc; floja. &Ecirc;l
+fere &acirc;stwarth is noch ne gr&acirc;te runstr&acirc;me th&ecirc;r
+h&ecirc;lige jeftha fr&acirc;na Gong-ga h&ecirc;ten. Twisk thysum
+runstr&acirc;mne is-t l&ocirc;nd th&ecirc;ra Hindos. B&ecirc;da
+runstr&acirc;ma runath fon tha h&acirc;ga bergum n&ecirc;i tha delta
+del. Tha berga hwan&acirc; se del str&acirc;me sind alsa h&acirc;ch
+thet se to tha himel l&aring;ja. Th&ecirc;rvmbe w&aring;rth-et berchta
+Himell&acirc;ja berchta h&ecirc;ten. Vnder tha Hindos &aring;nd
+&ocirc;thera ut-a l&ocirc;ndum sind welka ljuda mank th&ecirc;r an
+stilnise by malkorum kvma. Se gel&acirc;vath thet se vnforbastere bern
+Findas sind. Se gel&acirc;vath thet Finda fon ut-et Himmell&aring;ja
+berchta bern is, hvan&acirc; se mith hjara bern n&ecirc;i tha delta
+jeftha l&ecirc;gte togen is. Welke vnder tham gel&acirc;vath thet se
+mith hjra bern vppet skum th&ecirc;r h&ecirc;lige Gongga del gonggen
+is. Th&ecirc;rvmbe skolde thi runstr&acirc;me h&ecirc;lige Gongga
+h&ecirc;ta. M&acirc;r tha prestera th&ecirc;r ut en &ocirc;r l&ocirc;nd
+wech kvma l&ecirc;ton thi ljuda vpsp&ecirc;ra &aring;nd vrbarna,
+th&ecirc;rvmbe <span class="pagenum">[<a id="xd0e3449" href=
+"#xd0e3449">222</a>]</span>ne thurvath se far hjara s&ecirc;k nit
+&ocirc;pentlik ut ni kvma. In thet l&ocirc;nd sind &ocirc;lle prestera
+tjok &aring;nd rik. In hjara ch&aring;rka werthat &ocirc;llerl&ecirc;ja
+drochtenlika byldon fvnden, th&ecirc;r vnder sind f&ecirc;lo golden
+mank. Biwesta Pangab th&ecirc;r sind tha Yra jeftha wranga, tha
+Gedrostne jeftha britne, &aring;nd tha Orjetten jeftha vrjetne. Ol
+thisa n&ocirc;ma sind-ar thrvch tha nydige prestera j&ecirc;ven,
+thrvchdam hja fon ar fljuchte, vmb s&ecirc;da &aring;nd gel&acirc;v. bi
+hjara kvmste h&ecirc;don vsa &ecirc;thla hjara selva &acirc;k an tha
+&acirc;stlika ower fon Pangab del set, men vmb th&ecirc;ra prestera
+wille sind se &acirc;k n&ecirc;i th&ecirc;r wester ower f&acirc;ren.
+Th&ecirc;rthrvch h&aring;von wi tha Yra &aring;nd tha &ocirc;thera
+kenna l&ecirc;rth. Tha Yra ne sind n&ecirc;ne yra m&acirc;r g&ocirc;da
+minska th&ecirc;r n&ecirc;na byldon to l&ecirc;ta nach &ocirc;nbidda,
+&acirc;k willath se n&ecirc;na ch&aring;rka nach prestar doga,
+&aring;nd &ecirc;vin als wi-t fr&acirc;na ljucht fon F&aring;sta
+vpholda, &ecirc;vin s&acirc; holdon se &ocirc;llerwechs fjur in hjara
+h&ucirc;sa vp. Kvmth m&ocirc;n efter &ecirc;l westlik, &ocirc;ls&acirc;
+kvmth m&ocirc;n by tha Gedrostne. Fon tha Gedrostne. Thisa sind mith
+&ocirc;ra folkrum bastered &aring;nd spr&ecirc;kath &ocirc;lle
+afsvnderlika t&acirc;la. Thisa minska sind w&ecirc;rentlik yra bonar,
+th&ecirc;r ammer mith hjara horsa vp overa fjelda dw&acirc;la,
+th&ecirc;r ammer j&acirc;gja &aring;nd r&acirc;wa &aring;nd th&ecirc;r
+hjara selva als salt-&acirc;tha forh&ecirc;ra an tha omh&ecirc;mmande
+forsta, ther wille hwam se alles nither h&acirc;wa hwat se bir&ecirc;ka
+m&uuml;ge.</p>
+
+<p>Thet l&ocirc;nd twisk Pangab &aring;nd ther Gongga is like flet as
+Fryasl&ocirc;nd an tha s&ecirc;, afwixlath mith fjeldum &aring;nd
+waldum, fruchtb&acirc;r an alle d&ecirc;lum, m&acirc;r thet mach nit
+vrletta that th&ecirc;r bi hwila th&ucirc;sanda by th&ucirc;sanda
+thrvch honger biswike. Thisa hongern&ecirc;de mach th&ecirc;rvmbe nit
+an Wr.alda nach an Irtha wyten nit wertha, m&acirc;r all&ecirc;na an
+tha forsta and prestera. Tha Hindos sind ivin blode &aring;nd
+forf&ecirc;red from hjara forstum, als tha hindne from tha wolva sind.
+Th&ecirc;rvmbe h&aring;von tha Yra &aring;nd &ocirc;ra ra Hindos
+h&ecirc;ten, th&ecirc;t hindne bitjoth. M&acirc;r fon hjara
+blodh&ecirc;d w&aring;rth afgrislika misbruk m&acirc;kth. Kvmat
+th&ecirc;r f&ecirc;rh&ecirc;mande k&acirc;pljud vmb k&ecirc;ren to
+k&acirc;pjande, alsa warth alles to jeldum <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e3456" href="#xd0e3456">224</a>]</span>m&acirc;kth. Thrvch tha
+prestera ni warth et nit w&ecirc;rth, hwand thisa noch snoder &aring;nd
+jyriger als alle forsta to samene, wytath &ecirc;l god, thet al-et jeld
+endlik in hjara b&ucirc;dar kvmth. Buta &aring;nd bihalva thet tha
+ljuda th&ecirc;r f&uuml;l fon hjara forsta lyda, moton hja &acirc;k
+noch f&uuml;l fon thet fenynige &aring;nd wilde kwik lyda. Th&ecirc;r
+send store elefante th&ecirc;r by &ecirc;le keddum hl&acirc;pa,
+th&ecirc;r bihwyla &ecirc;le fjelda k&ecirc;ren vrtrappe &aring;nd
+&ecirc;le thorpa. Th&ecirc;r sind bonte &aring;nd swarte katta, tigrum
+h&ecirc;ten, th&ecirc;r s&acirc; gr&acirc;t als gr&acirc;te kalvar
+sind, th&ecirc;r minsk &aring;nd djar vrslynne. B&ucirc;ta f&ecirc;lo
+&ocirc;ra wriggum sind th&ecirc;r sn&acirc;ka fon af tha gr&acirc;te
+&ecirc;ner wyrme &acirc;l to tha gr&acirc;te &ecirc;ner b&acirc;m. Tha
+gr&acirc;teste kennath en &ecirc;le kv vrslynna, m&acirc;r tha lythste
+sind noch fr&ecirc;sliker als tham. Se holdon hjara selva twisk blom
+&aring;nd fruchta skul vmb tha minska to big&acirc;na tham th&ecirc;r
+of plokja wille. Is m&ocirc;n th&ecirc;r fon byten, s&acirc; mot
+m&ocirc;n st&aring;rva, hwand &aring;jen hjara fenyn heth Irtha
+n&ecirc;na kr&ucirc;da j&ecirc;ven, &ocirc;ls&acirc;n&acirc;ka tha
+minska hjara selva h&aring;von skildich m&acirc;kt an afgodie. Forth
+sind th&ecirc;r &ocirc;llerl&ecirc;ja slacht fon h&acirc;chdiska
+nyndiska &aring;nd adiska, &ocirc;l thisa diska sind yvin als tha
+sn&acirc;ka fon of ne wyrme til-ne b&acirc;mstame gr&acirc;t, n&ecirc;i
+that hja gr&acirc;t jof fr&ecirc;slik sind, sind hjara n&ocirc;ma,
+th&ecirc;r ik alle nit noma ni ken, tha aldergr&acirc;testa
+&acirc;diska sind alg&aring;ttar h&ecirc;ten, thrvchdam se yvin
+gr&ucirc;sich bitte an thet rotte kwik, that mith-a str&acirc;ma fon
+boppa n&ecirc;i tha delta dryweth as an thet l&ecirc;vande kwik, that
+se big&acirc;na m&uuml;ge. An tha westsyde fon Pangab, w&acirc;n&acirc;
+wi wech kvme &aring;nd hwer ik bern ben, th&ecirc;r blojath &aring;nd
+waxath tha selva fr&ucirc;chta &aring;nd nochta as an tha
+&acirc;stsyde. To f&acirc;ra wrdon er &acirc;k tha selva wrigga fonden,
+m&aring;r vsa &ecirc;thla havon alle krylwalda vrb&aring;rnath
+&aring;nd als&acirc;n&acirc;ka &aring;fter et wilde kwik j&acirc;ged,
+that ther f&ecirc; m&aring;r resta. Kvmth man &ecirc;l westlik fon
+Pangab, then finth man neffen fette etta &acirc;k <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3458" href="#xd0e3458">226</a>]</span>dorra
+g&ecirc;stlanda th&ecirc;r vnendlik skina, bihwila ofwixlath mith
+ljaflika str&ecirc;ka, hw&ecirc;ran thet &acirc;g forbonden bilywet.
+Vnder tha fruchta fon min land sind f&ecirc;lo slachta mank, th&ecirc;r
+ik hyr nit fvnden h&aring;v. Vnder allerl&ecirc;ja k&ecirc;ren is er
+&acirc;k golden mank, &aring;k goldg&ecirc;le aple, hw&ecirc;rfon welke
+s&acirc; sw&ecirc;t as h&ucirc;ning sind, &aring;nd welka sa wrang as
+&ecirc;k. By vs werthat nochta fonden lik bern-h&acirc;veda s&acirc;
+gr&acirc;t, th&ecirc;r sit tsys &aring;nd melok in, werthat se ald
+s&acirc; m&acirc;kt man ther &ocirc;lja fon, fon tha bastum m&acirc;kt
+m&aring;n t&acirc;w &aring;nd fon tha kernum m&acirc;kt m&aring;n
+chelka &aring;nd &ocirc;r ger&acirc;d. Hyr inna walda h&aring;v ik krup
+&aring;nd st&acirc;kb&ecirc;ja sjan. By vs sind b&ecirc;ib&acirc;ma als
+jow lindab&acirc;ma, hw&ecirc;rfon tha b&ecirc;ja f&uuml;l sw&ecirc;ter
+&aring;nd thr&ecirc;w&acirc;ra gr&acirc;ter as st&acirc;kb&ecirc;ja
+sind. Hwersa tha d&ecirc;ga vppa sin olderl&ocirc;ngste sind &aring;nd
+thju svnne fon top skinth, then skinth se linrjucht vppa jow hole del.
+Is m&aring;n then mith sin skip &ecirc;l f&ecirc;r s&ucirc;dlik faren,
+&aring;nd m&aring;n thes midd&ecirc;is mith sin gel&acirc;t n&ecirc;i-t
+&acirc;sten k&ecirc;red, s&acirc; skinth svnne &aring;jen thine
+winstere syde lik se &ocirc;wers &aring;jen thine f&ecirc;re syde
+dvath. Hyrmitha wil ik enda, m&acirc;r after min skrywe skil-et thi
+licht nog falla, vmb tha l&ecirc;jenaftiga teltjas to m&uuml;ge
+skiftane fon tha wara tellinga. Jow Ljudg&ecirc;rt.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3444src" id="xd0e3444">1</a></span> Zie bl. 164.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3460" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Thet skrift fon B&ecirc;den.</h2>
+
+<p>Mine n&ocirc;m is B&ecirc;den, Hachg&acirc;na his svn. Koner&ecirc;d
+min &ecirc;m is nimmer bostigjath &aring;nd alsa bernl&acirc;s sturven.
+My heth m&aring;n in sin st&ecirc;d koren. Adel thene thredde
+k&aring;ning fon thjuse n&ocirc;me heth thju k&ecirc;se godk&ecirc;rth,
+mites ik him as mina m&aring;stre bikenna wilde. Buta th&aring;t fvlle
+erv minre &ecirc;m heth-er mi en &ecirc;le plek grvnd j&ecirc;ven
+th&aring;t an mina erva p&acirc;lade, vnder f&acirc;rw&ecirc;rde that
+ik th&ecirc;rvp skolde m&aring;nniska st&aring;lla ther sina ljuda
+nimmerthe skolde<a class="noteref" id="n226src" href="#n226">1</a>.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e3471" href=
+"#xd0e3471">228</a>]</span></p>
+
+<p>th&ecirc;rvmbe wil ik thet hir-ne sted forjune.</p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#n226src" id="n226">1</a></span> Hier ontbreken in het H. S. twintig
+bladzijden (misschien meer<span class="corr" id="xd0e3467" title="Niet
+in bron">)</span>, waarin Beeden geschreven heeft over dien koning Adel
+III. (Bij onze kronijk schrijvers Ubbo genoemd).</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="xd0e3475" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Br&ecirc;f fon Rika thju aldfam, vpseid to Staveren
+by-t jolf&ecirc;rste.</h2>
+
+<p>Jy alle hwam his &ecirc;thla mith Friso hir k&ecirc;mon, min
+&ecirc;rbydnesse to jo. Alsa jy m&ecirc;ne, send jy vnskeldich an
+afgodie. Th&ecirc;r nil ik jvd navt vr spr&ecirc;ka, men jvd wil ik jo
+vppen brek wysa, th&aring;t f&ecirc; b&ecirc;tre sy. Jy w&ecirc;tath
+jeftha jy n&ecirc;tath navt, ho Wralda thusand glorn&ocirc;ma heth,
+thach th&aring;t w&ecirc;tath jy alle th&aring;t hy warth Alf&ecirc;der
+h&ecirc;ten, ut &ecirc;rs&ecirc;ke th&aring;t alles in ut him warth
+&aring;nd waxth to f&ecirc;ding sinra skepsela. T-is w&ecirc;r,
+th&aring;t Irtha warth bihwyla &acirc;k Alf&ecirc;dstre h&ecirc;ten,
+thrvchdam hju alle fr&uuml;chd &aring;nd nochta b&ecirc;rth, hwermitha
+m&aring;nnisk &aring;nd djar hjara selva f&ecirc;de. Thach ne skolde
+hju n&ecirc;ne fr&uuml;chd ner nocht navt ne b&ecirc;ra, bydam Wralda
+hja n&ecirc;ne krefta ne j&ecirc;f. Ak wiva ther hjara bern m&aring;ma
+l&ecirc;ta an hjara brosta, werthat f&ecirc;dstra h&ecirc;ten.
+Th&acirc; ne j&ecirc;f Wralda th&ecirc;r n&ecirc;n melok in, sa ne
+skoldon tha bern th&ecirc;r n&ecirc;ne b&acirc;te by finda. S&acirc;
+th&aring;t by slot fon reknong Wralda all&ecirc;na f&ecirc;der bilywet.
+Th&aring;t Irtha bihwyla warth Alf&ecirc;dstre heten, &aring;nd
+&ecirc;ne m&aring;m f&ecirc;dstre, k&aring;n jeta thrvch-ne wende, men
+th&aring;t-ne m&aring;n him l&ecirc;t f&ecirc;der h&ecirc;te vmbe
+th&aring;t er t&acirc;t sy, th&aring;t strid with-&aring;jen alle
+r&ecirc;dnum. Th&acirc; ik w&ecirc;t w&acirc;n&acirc;t thjus
+dw&ecirc;sh&ecirc;d w&ecirc;i kvmth. Hark hyr, se kvmth fon vsa
+l&ecirc;tha, &aring;nd s&acirc;hwersa thi folgath werthe, s&acirc;
+skilun jy th&ecirc;rthrvch sl&acirc;vona wertha to smert fon Frya
+&aring;nd jowe h&acirc;gmod to.ne straf. Ik skil jo melda ho-t by tha
+sl&acirc;vona folkar to gvngen is, th&ecirc;r &aring;fter m&ecirc;i jy
+l&ecirc;ra. Tha poppa k&aring;ningar tham n&ecirc;i wilk&ecirc;r
+l&ecirc;va, st&ecirc;kath Wralda n&ecirc;i th&ecirc;re kr&ocirc;ne, ut
+nyd that Wralda Alf&ecirc;der h&ecirc;t, sa wildon hja f&ecirc;drum
+th&ecirc;ra folkar h&ecirc;ta. Nw w&ecirc;t allera mannalik
+th&aring;t-ne k&ecirc;ning navt ovir-ne waxdom <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e3483" href="#xd0e3483">230</a>]</span>ne welth, &aring;nd
+th&aring;t im sin f&ecirc;ding thrvch th&aring;t folk brocht warth, men
+thach wildon hja fvlherdja by hjara form&ecirc;tenh&ecirc;d. Til thju
+hja to-ra dol kvma machte, alsa h&acirc;von hja thet forma navt
+fvld&ecirc;n w&ecirc;st mith tha frya jefta, men h&aring;von hja
+th&aring;t folk &ecirc;ne tins vpl&ecirc;id. Fori thene sk&aring;t,
+tham th&ecirc;rof k&ecirc;m, h&ecirc;radon hja vrlandiska
+salt-&acirc;tha, tham hja in-om hjara hova l&ecirc;idon. Forth namon
+hja alsa f&ecirc;lo wiva, as-ra luste, &aring;nd tha lithiga forsta
+&aring;nd h&ecirc;ra d&ecirc;don al-&ecirc;n. As twist &aring;nd
+tvyspalt &aring;ftern&ecirc;i inna h&ucirc;shaldne glupte &aring;nd
+th&ecirc;r-vr kl&acirc;chta k&ecirc;mon, th&acirc; h&aring;von hja
+s&ecirc;id, ja-hweder m&aring;n is th&ecirc;ne f&ecirc;der fon sin
+h&ucirc;shalden, th&ecirc;rvmbe skil-er th&ecirc;r &acirc;k b&acirc;s
+&aring;nd rjuchter ovir w&ecirc;sa. Th&acirc; k&ecirc;m wilk&ecirc;r
+&aring;nd &ecirc;vin as tham mitha m&aring;nnum in ovir tha
+h&ucirc;shaldne welde, gvng er mit tha k&aring;ningar in ovir hjara
+st&acirc;t &aring;nd folkar dvan. Th&acirc; tha k&aring;ningar et alsa
+wyd brocht h&ecirc;don, th&aring;t hja f&ecirc;derum th&ecirc;ra folkar
+h&ecirc;te, th&acirc; gvngon hja to &aring;nd l&ecirc;ton byldon
+&aring;fter hjara d&acirc;ntne m&acirc;kja, thissa byldon l&ecirc;ton
+hja inna tha cherka stalla n&ecirc;st tha byldon th&ecirc;ra drochtne
+&aring;nd thi jena tham th&ecirc;r navt far b&ucirc;gja nilde, warth
+ombrocht jeftha an k&ecirc;dne d&ecirc;n. Jow &ecirc;thla &aring;nd tha
+Twisklandar h&aring;von mitha poppa forsta ommegvngen, d&acirc;na
+h&aring;von hja thjuse dw&ecirc;sh&ecirc;d l&ecirc;red. Tha navt
+all&ecirc;na th&aring;t svme jower m&aring;n hjara selva skeldich
+m&acirc;kja an glorn&ocirc;ma r&acirc;w, &acirc;k mot ik my vr
+f&ecirc;lo jower wiva bikl&acirc;gja. Werthat by jo m&aring;n fvnden,
+tham mith Wralda an &ecirc;n lin wille, th&ecirc;r werthat by jo wiva
+fvnden, th&ecirc;r et m&ecirc;i Frya wille. Vmbe th&aring;t hja bern
+b&ecirc;red h&aring;ve, l&ecirc;tath hja hjara selva modar h&ecirc;ta.
+Tha hja vrjettath, that Frya bern b&ecirc;rde svnder jengong &ecirc;nis
+m&aring;n. J&aring; navt all&ecirc;na th&aring;t hja Frya &aring;nd tha
+&ecirc;remodar fon hjara glor-rika n&ocirc;ma bir&acirc;wa wille,
+hw&ecirc;ran hja navt n&acirc;ka ne m&uuml;ge, hja dvath al&ecirc;n
+mitha glorn&ocirc;ma fon hjara n&ecirc;sta. Th&ecirc;r send wiva
+th&ecirc;r hjara selva l&ecirc;tath frovva h&ecirc;ta, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3485" href="#xd0e3485">232</a>]</span>afsken hja
+w&ecirc;te th&aring;t thjuse n&ocirc;me all&ecirc;na to forsta wiva
+h&ecirc;reth. Ak l&ecirc;tath hja hjara toghatera f&acirc;mna
+h&ecirc;ta, vntankes hja w&ecirc;te, th&aring;t n&ecirc;ne
+mang&ecirc;rt alsa h&ecirc;ta ne m&ecirc;i, w&acirc;ra hju to &ecirc;ne
+burch h&ecirc;rth. Jy alle w&acirc;nath th&aring;t jy thruch th&aring;t
+n&ocirc;m r&acirc;wa b&ecirc;tre werthe, thach jy vrjettath th&aring;t
+nyd th&ecirc;r an klywet &aring;nd th&aring;t elk kw&acirc;d sine
+tuchtrode s&ecirc;jath. K&ecirc;rath jy navt ne wither, s&acirc; skil
+tid th&ecirc;r waxdom an j&ecirc;va, alsa st&ecirc;rik th&aring;t
+m&aring;n et ende th&ecirc;r of navt bisj&acirc; ne m&ecirc;i. Jow
+&aring;fterkvmanda skilun th&ecirc;r mith f&ecirc;terath wertha, hja ne
+skilun navt ne bigripa hw&acirc;nat thi sl&acirc;ga w&ecirc;i kvme. Men
+afsk&ecirc;n jy tha f&acirc;mna n&ecirc;ne burch bvwe &aring;nd an lot
+vrl&ecirc;te, thach skilun th&ecirc;r bilywa, hja skilun fon ut wald
+&aring;nd holum kvma, hja skilun jow &aring;fterkvmande biwysa
+th&aring;t jy th&ecirc;r willens skildech an send. Th&aring;n skil
+m&aring;n jo vrdema, jow skina skilun vrf&ecirc;rth fon ut-a
+gr&ecirc;vum rysa, hja skilun Wr.alda, hja skilun Frya &aring;nd hjara
+f&acirc;mna anhropa, th&acirc; nimman skil-er &aring;wet an b&ecirc;tra
+ne m&uuml;ge, bif&acirc;re th&aring;t Jol in op en ore hl&acirc;phring
+tr&ecirc;th, men th&aring;t skil &ecirc;rist b&ecirc;ra as thr&ecirc;
+th&ucirc;sand j&ecirc;r vrhl&acirc;pen send &aring;fter thisse
+&ecirc;w.</p>
+
+<p><span class="smallcaps">Ende fon Rikas br&ecirc;f.</span><a class=
+"noteref" id="n232src" href="#n232">1</a></p>
+
+<hr class="tb">
+<p> <span class="pagenum">[<a id="xd0e3498" href=
+"#xd0e3498">234</a>]</span></p>
+
+<p>th&ecirc;rvmbe wil ik th&aring;t forma vr swarte Adel skriva. Swarte
+Adel w&ecirc;re thene fjurde kening &aring;fter Friso. Bi sin
+j&uuml;ged heth-er to Texland l&ecirc;red, &aring;ftern&ecirc;i heth-er
+to St&acirc;veren l&ecirc;red, &aring;nd forth heth-er thrvch ovir alle
+st&acirc;ta f&acirc;ren. Th&acirc; th&aring;t er fjuwer &aring;nd
+tvintich j&ecirc;r w&ecirc;re, heth sin t&acirc;t m&acirc;ked
+th&aring;t-er to Asega-&acirc;skar k&ecirc;ren is. Th&acirc;-er
+&ecirc;nmel &acirc;skar w&ecirc;re, &acirc;skte hi altid in-t
+f&acirc;rd&ecirc;l th&ecirc;ra &aring;rma. Tha rika, s&ecirc;d-er,
+pl&ecirc;gath &ecirc;noch vnrjuchta thinga thrvch middel fon hjara
+jeld, th&ecirc;rvmbe &acirc;gon wi to njvdane th&aring;t tha &aring;rma
+n&ecirc;i vs omme sjan. Thrvch th&acirc;-s &aring;nd &ocirc;ra
+r&ecirc;dne w&ecirc;r-i thene frjund th&ecirc;ra &aring;rma &aring;nd
+th&ecirc;ra rika skrik. Alsa &aring;rg is-t kvmen th&aring;t sin
+t&acirc;t him n&ecirc;i tha &acirc;gum sach. Th&acirc; sin t&acirc;t
+fallen was, &acirc;nd hy vppa tham-his s&ecirc;tel klywed, th&acirc;
+wild-er &ecirc;vin god sin ambt bihalda, lik as tha keningar fon-t
+&acirc;sta pl&ecirc;gath. Tha rika nildon th&aring;t navt ne
+d&acirc;ja, men nw hlip allet &ocirc;ra folk to h&acirc;pe, &aring;nd
+tha rika w&ecirc;ron blyde that hja h&ecirc;l-h&ucirc;d-is fon
+th&ecirc;re acht ofk&ecirc;mon. Fon to ne h&ecirc;rade m&aring;n nimmar
+m&acirc;ra ovir &ecirc;lika rjucht pet&acirc;rja. Hi dumde tha rika
+&aring;nd hi strykte tha &aring;rma, mith hwam his helpe hi alle
+s&ecirc;kum &acirc;skte, th&ecirc;r-er bistek vp h&ecirc;de. Kening
+Askar lik-er immer h&ecirc;ten warth, w&ecirc;re by sjugun
+irthf&ecirc;t l&ocirc;nge, s&acirc; gr&acirc;t sin t&ocirc;l w&ecirc;r,
+w&ecirc;ron &acirc;k sina krefta. Hi h&ecirc;de-n hel forst&acirc;n,
+s&acirc; th&aring;t-er alles forst&acirc;nde, hw&ecirc;rwr that
+spr&ecirc;ken warth, thach in sin dvan ne macht m&aring;n n&ecirc;ne
+wisdom sp&ecirc;ra. Bi-n sk&ecirc;n &ocirc;nhlite h&ecirc;d-er
+&ecirc;ne glade tonge, men jeta swarter as sin h&ecirc;r is sine
+s&ecirc;le fvnden. Th&acirc; that-er &ecirc;n j&ecirc;r kening
+w&ecirc;re, n&ecirc;ds&ecirc;kte hi alle kn&acirc;pa fon sin
+st&acirc;t, hja skoldon jerlikis vppet k&aring;mp kvma &aring;nd
+th&ecirc;r skin-orloch m&acirc;kja. In-t &ecirc;rost h&ecirc;de-r
+th&ecirc;r spul mith, men to tha lersta warth-et s&acirc;
+men&ecirc;rlik, that ald &aring;nd jong ut alle wrdum w&ecirc;i
+k&ecirc;mon to fr&ecirc;jande jef hja machte mith dva. Th&acirc; hi-t
+alsa f&ecirc;re brocht h&ecirc;de, l&ecirc;t-er w&ecirc;rskola stifta.
+Tha rika k&ecirc;mon to b&acirc;rane &aring;nd s&ecirc;idon, that <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e3501" href="#xd0e3501">236</a>]</span>hjara
+bern nw n&ecirc;n l&ecirc;sa nach skryva navt ne l&ecirc;rade. Askar ne
+melde-t navt, men as th&ecirc;r kirt &aring;fter wither skin-orloch
+halden warth, gvng-er vppen vpstal stonda, &aring;nd k&ecirc;tha
+hl&ucirc;d. Tha rika sind to my kvmen to b&acirc;rana, th&aring;t hjara
+kn&acirc;pa n&ecirc;n l&ecirc;sa nach skryva noch l&ecirc;ra, ik
+n.&aring;v th&ecirc;r nawet vp s&ecirc;ith, thach hir wil ik mine
+m&ecirc;nong sedsa, &aring;nd an tha m&ecirc;na acht bithinga
+l&ecirc;ta. Th&acirc; alrek nw n&ecirc;isgyrich n&ecirc;i him vpsach,
+s&ecirc;id-er forther, n&ecirc;i min bigrip mot m&aring;n hjud
+th&aring;t l&ecirc;sa &aring;nd skriva tha f&acirc;mna &aring;nd alda
+lichta vrl&ecirc;ta. Ik n-il n&ecirc;n kw&acirc;d spr&ecirc;ka vr vsa
+&ecirc;thla, ik wil all&ecirc;na sega, vndera tyda hw&ecirc;rvp thrvch
+svme s&acirc; herde bogath warth, h&aring;von tha burchf&acirc;mna
+twyspalt inovir vsa l&acirc;nda brocht, &aring;nd tha Modera f&uuml;r
+&aring;nd n&ecirc;i ne kvnd&ocirc;n twyspalt navt wither to-t land ut
+ne dryva. Jeta &aring;rger, thahwila hja k&aring;lta &aring;nd
+pet&aring;rade vr n&acirc;del&acirc;sa pl&ecirc;ga, send tha Gola kvmen
+&aring;nd h&acirc;von al vsa sk&ecirc;na s&ucirc;darlanda r&acirc;weth.
+H&ecirc;misd&ecirc;ga send hja mith vsa vrbr&ucirc;da brotharum
+&aring;nd hjara salt-&acirc;thum al overa Skelda kvmen, vs rest thus to
+kjasane twisk-et b&ecirc;ra fon juk jef sw&ecirc;rd. Willath wi fry
+bilyw&acirc;, alsa &acirc;gon tha kn&acirc;pa th&aring;t l&ecirc;sa
+&aring;nd skryva f&acirc;rh&ocirc;ndis &aring;fterw&ecirc;i-n to
+l&ecirc;tane &aring;nd in st&ecirc;de that hja invppa m&ecirc;ide hwip
+&aring;nd swik sp&ecirc;le, moton hja mith sw&ecirc;rd &aring;nd
+sp&ecirc;r sp&ecirc;la. Send wi in alle d&ecirc;la ofned &aring;nd tha
+kn&acirc;pa stor enoch vmb helmet &aring;nd skild to b&ecirc;rane
+&aring;nd tha w&ecirc;pne to h&ocirc;nt&ecirc;rane, then skil ik my
+mith jower helpa vppa thene fjand werpa. Tha Gola m&ecirc;ieath then
+tha nitherl&ecirc;ga fon hjara helpar &aring;nd salt-&acirc;thum vppa
+vsa fjeldum skryva mith-et blod, th&aring;t &ucirc;t hjara wndum
+drjupth. H&aring;von wi thene fyand &ecirc;n mel far vs &ucirc;t
+dr&ecirc;ven, alsa moton wi th&ecirc;rmith forth gvnga, alhwenne
+th&ecirc;r n&ecirc;n Gola ner Sl&acirc;vona nach Tartara m&acirc;ra fon
+Fryas erv to vrdryvane send. Tha-s rjucht, hrypon tha m&acirc;sta
+&aring;nd tha rika ne thvradon hjara mvla navt &ecirc;pen ne dva. Thjus
+tospr&ecirc;ke h&ecirc;d <span class="pagenum">[<a id="xd0e3503" href=
+"#xd0e3503">238</a>]</span>er sekur to fara forsonnen &aring;nd
+vrskriva l&ecirc;ten, hwand s-&ecirc;wendis fon th&ecirc;re selvare
+d&ecirc;i w&ecirc;ron tha ofskriftum th&ecirc;ra hwel in twintich
+h&ocirc;nda &aring;nd thi alle w&ecirc;ron &ecirc;nishl&ucirc;dende.
+Aftern&ecirc;i bifel-er tha skipmanna, hja skoldon dubbele
+f&acirc;rst&ecirc;wene m&acirc;kja l&ecirc;ta, hw&ecirc;ran m&aring;n
+&ecirc;ne st&ecirc;len kr&acirc;nboga macht f&aring;stigja. Th&ecirc;ra
+th&ecirc;r &aring;fterw&ecirc;i bil&ecirc;v warth bibot, kvn imman
+sw&ecirc;ra that-er n&ecirc;ne midle navt n&ecirc;de, alsa moston tha
+rika fon sin g&acirc;-t bitalja. Hjud skil m&aring;n sjan hw&ecirc;r
+vppa al th&aring;t b&acirc; h&ecirc;i &ucirc;thl&acirc;pen is. An-t
+north-ende fon Britanja th&aring;t fvl mith h&acirc;ga bergum is,
+th&ecirc;r sit en Skots folk, vr-et m&acirc;rad&ecirc;l &ucirc;t Fryas
+blod sproten, vr-a &ecirc;ne helte send hja &ucirc;t
+K&aring;ltanafolgar, vr-et &ocirc;ra d&ecirc;l &ucirc;t Britne
+&aring;nd bannane, th&ecirc;r by gr&acirc;dum mith tyd fon-&ucirc;t-a
+tinl&ocirc;num th&ecirc;r hinna fljuchte. Th&ecirc;r ut-a tinl&ocirc;na
+k&ecirc;mon, h&aring;vath algadur vrlandiska wiva jeftha fon vrlandis
+tuk. Thi alle send vnder-et weld th&ecirc;ra Golum, hjara w&ecirc;pne
+send woden boga &aring;nd spryta mith pintum fon herthis-hornum
+&acirc;k fon flintum. Hjara h&ucirc;sa send fon s&acirc;dum &aring;nd
+str&ecirc; &aring;nd svme h&ecirc;math inna hola th&ecirc;ra bergum.
+Sk&ecirc;pon th&ecirc;r hja r&acirc;wed h&aring;ve, is hjara &ecirc;nge
+sk&aring;t. Mong tha &aring;fterkvmanda th&ecirc;ra K&aring;ltanafolgar
+h&aring;vath svme jeta ysera w&ecirc;pne, th&ecirc;r hja fon hjara
+&ecirc;thlum urven h&aring;ve. Vmbe nw god forst&acirc;n to werthande,
+m&ocirc;t ik min telling vr th&aring;t Skotse folk resta l&ecirc;ta,
+&aring;nd &ecirc;wet fon tha h&ecirc;inda Kr&ecirc;kalanda skriva. Tha
+h&ecirc;inda Kr&ecirc;kalanda h&aring;von vs to fara all&ecirc;na to
+h&ecirc;rath, men sunt vnh&uuml;glika tidum h&aring;von ra th&ecirc;r
+&acirc;k &aring;fterkvmanda fon Lyda &aring;nd fon Finda nitherset, fon
+tha lersta k&ecirc;mon to tha lersta en &ecirc;le h&acirc;pe fon
+Tr&ocirc;je. Tr&ocirc;je alsa heth &ecirc;ne st&ecirc;de h&ecirc;ten,
+th&ecirc;r et folk fon tha f&ecirc;re Kr&ecirc;kalanda innomth
+&aring;nd vrhomelt heth. Th&acirc; tha Tr&ocirc;jana to tha
+h&ecirc;inda Kr&ecirc;kalandum nestled w&ecirc;ron, tha h&aring;von hja
+th&ecirc;r mith tid &aring;nd flit &ecirc;ne sterke st&ecirc;d mith
+w&acirc;lla &aring;nd burgum bvwed, Rome, that is <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e3505" href="#xd0e3505">240</a>]</span>Rum,
+h&ecirc;ten. Th&acirc; th&aring;t d&ecirc;n was, heth th&aring;t folk
+him selva thrvch lest &aring;nd weld fon th&aring;t &ecirc;le
+l&acirc;nd m&acirc;ster m&acirc;ked. Th&aring;t folk th&aring;t anda
+s&ucirc;dside th&ecirc;re Middels&ecirc; h&ecirc;mth, is f&acirc;r-et
+m&acirc;ra d&ecirc;l fon Fhonysja w&ecirc;i kvmen. Tha Fhonysjar<a
+class="noteref" id="xd0e3507src" href="#xd0e3507">2</a> send en bastred
+folk, hja send fon Fryas blod &aring;nd fon Findas blod &aring;nd fon
+Lyda his blod. Th&aring;t folk fon Lyda send th&ecirc;r as
+sl&acirc;vona, men thrvch tha vntucht th&ecirc;r wyva h&aring;von
+thissa swarte m&aring;nniska al-et &ocirc;ra folk bastered &aring;nd
+brun vrf&aring;rvet<span class="corr" id="xd0e3510" title="Niet in
+bron">.</span> Thit folk &aring;nd tham fon Rome k&aring;mpath
+&ocirc;l&acirc;n vmb-et m&acirc;sterskip fon tha Middels&ecirc;. Forth
+l&ecirc;vath tham fon Roma an fjandskip with tha Fonysjar, &aring;nd
+hjara prestera th&ecirc;r-et rik all&ecirc;na welda wille wr irtha, ne
+m&uuml;gon tha Gola navt ne sjan. Th&aring;t forma h&aring;von hja tha
+Fphonysjar Mis-selja ofnomen, d&acirc;n&acirc; alle landa, th&ecirc;r
+s&ucirc;dward, westward &aring;nd northward lidsa, &acirc;k et
+s&ucirc;dard&ecirc;l fon Britanja, &aring;nd allerw&ecirc;ikes
+h&aring;von hja tha Fonysjar prestera, that h&ecirc;th tha Gola
+vrj&acirc;geth, d&acirc;n&acirc; sind thusanda Gola n&ecirc;i north
+Brittanja brit. Kirt vrl&ecirc;den was th&ecirc;r tha vreste
+th&ecirc;ra Golum s&ecirc;ten vppa th&ecirc;re burch, th&ecirc;r is
+k&ecirc;then K&ecirc;ren&aring;k that is herne, hwanath hi sin
+bif&ecirc;la jef an alle &ocirc;ra Gola. Ak was th&ecirc;r al hjara
+gold togadur brocht. K&ecirc;ren herne jeftha K&ecirc;ren&aring;k is
+&ecirc;ne st&ecirc;nen burch, th&ecirc;r &ecirc;r an K&aring;lta
+h&ecirc;rde. Th&ecirc;rvmbe wildon tha f&acirc;mna fon tha
+&aring;fterkvmande th&ecirc;ra K&aring;ltana-folgar tha burch wither
+h&acirc;. Alsa was thrvch tha fyanskip th&ecirc;ra f&acirc;mna
+&aring;nd th&ecirc;ra Golum faithe &aring;nd twist in ovir th&aring;t
+Berchland kvmen mith morth &aring;nd br&ocirc;nd. Vsa stj&ucirc;rar
+k&ecirc;mon th&ecirc;r f&acirc;ken wol h&acirc;lja, th&aring;t hja
+sellade fori tobir&ecirc;de h&ucirc;dum &aring;nd linne. Askar was
+often mith w&ecirc;st, an stilnesse h&ecirc;d-er mith tha f&acirc;mna
+&aring;nd mith svme forstum &acirc;tskip sloten, &aring;nd him selva
+forbonden vmbe tha Gola to vrj&acirc;gane &ucirc;t K&ecirc;ren&aring;k.
+As-er th&ecirc;rn&ecirc;i wither k&ecirc;m j&ecirc;f hi tha forsta
+&aring;nd wigandliksta manna ysere helma &aring;nd st&ecirc;la boga.
+Orloch was mith kvmen &aring;nd kirt &aring;fter flojadon str&acirc;ma
+blod by <span class="pagenum">[<a id="xd0e3516" href=
+"#xd0e3516">242</a>]</span>tha hellinga th&ecirc;ra bergum del.
+Th&acirc; Askar m&ecirc;nde that kans him tol&acirc;kte, gvng-er mith
+fjuwertich sk&ecirc;pum hin &aring;nd nam K&ecirc;ren&aring;k &aring;nd
+thene vreste th&ecirc;ra Golum mith al sine gold. Th&aring;t folk
+w&ecirc;rmith hi with tha salt-&acirc;thum thera Golum k&aring;mped
+h&ecirc;de, h&ecirc;d-er &ucirc;t-a Saxanamarkum lvkt mith lofte fon
+gr&acirc;te h&ecirc;ra-r&acirc;ve &aring;nd but. Thus warth tha Gola
+n&ecirc;wet l&ecirc;ten. Aftern&ecirc;i nam-er tw&acirc; &ecirc;landa
+to berch far sinum sk&ecirc;pum, &aring;nd hw&acirc;nath hi l&ecirc;ter
+&ucirc;tgvng vmb alle Fonysjar sk&ecirc;pa &aring;nd st&ecirc;da to
+bir&acirc;wane th&ecirc;r hi big&acirc;na kv. Tha er tobek k&ecirc;m
+brocht-i tomet sexhvndred th&ecirc;ra storeste kn&acirc;pum fon
+th&aring;t Skotse berchfolk mith. Hi s&ecirc;ide that hja him to borgum
+j&ecirc;ven w&ecirc;ren, til thju hi s&ecirc;kur w&ecirc;sa machte
+th&aring;t tha eldra him skolde trow bilywa, men-t was jok, hi hild ra
+as lifw&ecirc;re et sina hova, th&ecirc;r hja allera distik les
+kr&ecirc;jon in-t ryda &aring;nd in-t h&ocirc;ndt&ecirc;ra fon
+allerl&ecirc;ja w&ecirc;pne. Tha Denamarkar tham hjara selva sunt
+l&ocirc;ng boppa alle &ocirc;ra stj&ucirc;rar stoltlike
+s&ecirc;k&aring;mpar h&ecirc;te, h&ecirc;don s&acirc; ringe navt fon
+Askar sina glorrika d&ecirc;dum navt ne h&ecirc;red, jef hja wrdon
+nydich th&ecirc;r vr, th&ecirc;rm&ecirc;te, that hja wilde orloch
+brensa over-ne s&ecirc; &aring;nd over sina landa. Sjan hyr, ho hi
+orloch formitha machte. Twisk tha bvwfala th&ecirc;re vrhomelde burch
+Stavja was jeta &ecirc;ne snode burchf&acirc;m mith svme f&acirc;mna
+s&ecirc;ten. Hjra n&ocirc;me was R&ecirc;intja &aring;nd th&ecirc;r
+gvng en gr&acirc;te hrop fon hira wish&ecirc;d &ucirc;t. Thjus
+f&acirc;m b&acirc;d an Askar hjra helpe vnder bithing, that Askar
+skolde tha burch Stavja wither vpbvwa l&ecirc;te. As-er him th&ecirc;r
+to forbonden h&ecirc;de, gvng R&ecirc;intja mith thrim f&acirc;mna
+n&ecirc;i Hals,<a class="noteref" id="xd0e3518src" href=
+"#xd0e3518">3</a> nachtis gvng hju r&ecirc;isa &aring;nd thes
+d&ecirc;is k&ecirc;the hju vppa alle markum &aring;nd binna alle
+m&ecirc;idum. Wralda s&ecirc;ide hju h&ecirc;de hja thrvch thongar
+tohropa l&ecirc;ta th&aring;t allet Fryas folk moston frjunda wertha,
+lik sustar &aring;nd brothar t&acirc;med, owers skolde Findas folk kvma
+&aring;nd ra alle fon irtha vrdilligja. N&ecirc;i thongar w&ecirc;ron
+Fryas sjvgun w&acirc;kf&acirc;mkes hja anda dr&acirc;me forskinnen,
+sjvgun nachta &aring;fter ekk&ocirc;-rum. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3521" href="#xd0e3521">244</a>]</span>Hja h&ecirc;de seith boppa
+Fryas landum swabbert ramp mith juk &aring;nd k&ecirc;dne omme.
+Th&ecirc;rvmbe moton alle folkar th&ecirc;r &ucirc;t Frya sproten send
+hjara ton&ocirc;ma w&ecirc;i werpa &aring;nd hjara selva all&ecirc;na
+Fryas bern jeftha folk h&ecirc;ta. Forth moton alle vpstonda &aring;nd
+et Findas folk fon Fryas erv dryva. Nillath hja th&aring;t navt ne dva,
+alsa skilun hja sl&acirc;vona benda vmbe hjara halsa kr&ecirc;ja, alsa
+skilun tha vrlandaska h&ecirc;ra hjara bern misbruka &aring;nd frytra
+l&ecirc;ta, til thju th&aring;t blod sygath inna jowre gr&ecirc;va.
+Th&aring;n skilun tha skinna jowre &ecirc;thla jo kvma wekja &aring;nd
+jo bikyvja vr jo lefh&ecirc;d &aring;nd vndigerh&ecirc;d. Th&aring;t
+dvme folk, th&aring;t thrvch todvan th&ecirc;ra M&acirc;gyara al an sa
+f&uuml;l dw&ecirc;sh&ecirc;d wenth was, l&acirc;vadon alles hwat hju
+s&ecirc;ide &aring;nd tha m&aring;mma klimdon hjara bern &aring;jen
+hjara brosta an. Th&acirc; R&ecirc;intja thene kening fon Hals
+&aring;nd alle &ocirc;thera manniska to &ecirc;ndracht vrwrocht hede,
+sand hju bodon n&ecirc;i Askar &aring;nd t&acirc;g selva alingen thene
+Balda s&ecirc;. D&acirc;n&acirc; gvng hju by tha Hlith-h&acirc;war,
+althus h&ecirc;ten vmbe that hja hjara fyanda immer n&ecirc;i thet
+&ocirc;nhlite h&acirc;we. Tha Hlithh&acirc;war send britne &acirc;nd
+bannene fon vs &aring;jn folk th&aring;t inna tha Twisklanda sit
+&aring;nd omme dwarelt. Hjara wyva h&acirc;von hja m&ecirc;st algadur
+fon tha Tartara r&acirc;wed. Tha Tartara s&ecirc;nd en d&ecirc;l fon
+Findas slachte &aring;nd althus thrvch tha Twisklandar h&ecirc;ten vmbe
+th&aring;t hja nimmerthe n&ecirc;n fr&ecirc;tho wille, men tha
+m&aring;nniska alti &ucirc;t tarta to strydande. Forth gvng hju
+&aring;ftera Saxnamarka tweres thrvch tha &ocirc;ra Twisklanda hin,
+allerw&ecirc;ikes th&aring;t selva &ucirc;tk&ecirc;tha. N&ecirc;i twam
+j&ecirc;r om w&ecirc;ron, k&ecirc;m hju allingen th&ecirc;re R&ecirc;ne
+to honk. By tha Twisklandar hede hju hjara selva as Moder
+&ucirc;tj&acirc;n &aring;nd s&ecirc;id th&aring;t hja mochton as fry
+&aring;nd franka m&aring;nniska wither kvma, men th&aring;n mosten hja
+ovir tha R&ecirc;ne gvngga &aring;nd tha Gola folgar &ucirc;t Fryas
+s&ucirc;darlandum j&acirc;gja. As hja th&aring;t d&ecirc;de, sa skolde
+hjra k&ecirc;ning Askar overa Skelda gvngga &aring;nd th&ecirc;r
+th&aring;t land ofwinna. By tha Twisklandar send f&ecirc;lo tjoda
+pl&ecirc;ga fon tha Tartarum &aring;nd M&acirc;gjara binna glupt, men
+&acirc;k f&uuml;l send <span class="pagenum">[<a id="xd0e3523" href=
+"#xd0e3523">246</a>]</span>th&ecirc;r fon vsa s&ecirc;dum
+bil&ecirc;wen. Th&ecirc;r thrvch h&aring;vath hja jeta f&acirc;mna
+th&ecirc;r tha bern l&ecirc;ra &aring;nd tha alda r&ecirc;d jeva.
+Bit-anfang w&ecirc;ron hja Reintja nydich, men to tha lesta w&aring;rth
+hju thrvch hjam folgath &aring;nd thjanjath &aring;nd allerw&ecirc;ikes
+bogath, hw&ecirc;r-et nette &aring;nd n&ecirc;dlik w&ecirc;re.</p>
+
+<p>Alsa ringen Askar fon R&ecirc;intja hjra bodon fornom ho tha Juttar
+nygath w&ecirc;ron, sand hi bistonda bodon fon sinant wegum n&ecirc;i
+tha k&aring;ning fon Hals. Th&aring;t skip, w&ecirc;rmith tha bodon
+gvngon, was fvl l&ecirc;den mith f&acirc;mna syrh&ecirc;dum &aring;nd
+th&ecirc;r by w&ecirc;r en golden skild, hw&ecirc;rvppa Askar his
+d&acirc;nte kunstalik was utebyld. Thissa bodon mosten fr&ecirc;ja
+j&ecirc;f Askar thes k&aring;ning his toghter Fr&ecirc;thogunsta to sin
+wif h&aring;ve machte. Fr&ecirc;thogunsta k&ecirc;m en j&ecirc;r
+l&ecirc;ter to St&acirc;veren, bi hjara folgar w&ecirc;re &acirc;k
+&ecirc;nen M&acirc;gy, hwand tha Juttar w&ecirc;ron sunt l&ocirc;ng
+vrbrud. Kirt &aring;fter that Askar mith Fr&ecirc;thogunsta bostigjath
+was, w&aring;rth th&ecirc;r to St&acirc;veren &ecirc;ne scherke bvwad,
+inna thju scherke wrdon tjoda drochten lykanda byldon st&aring;lth mith
+gold trvch wrochtne kl&acirc;thar. Ak is er biw&ecirc;rath that Askar
+th&ecirc;r nachtis &aring;nd vntydis mith Fr&ecirc;thogunsta f&acirc;r
+nitherbuwgade. Men s&acirc; f&uuml;l is s&ecirc;kur, thju burch Stavia
+ne w&aring;rth navt wither vpebvwed. R&ecirc;intja was al to bek kvmen,
+&aring;nd gvng nydich n&ecirc;i Prontlik thju Moder et Texland
+b&acirc;rja. Prontlik gvng to &aring;nd sand allerw&ecirc;ikes bodon
+th&ecirc;r &ucirc;tk&ecirc;thon, Askar is vrj&ecirc;ven an afgodie.
+Askar d&ecirc;de as murk-i-t navt, men vnwarlingen k&ecirc;m th&ecirc;r
+&ecirc;ne fl&acirc;te &ucirc;t Hals. Nachtis wrdon tha f&acirc;mna
+&ucirc;t-&ecirc;re burch drywen, &aring;nd ogtins kvn m&aring;n fon
+th&ecirc;re burch all&ecirc;na &ecirc;ne glandere h&acirc;pe sjan.
+Prontlik &aring;nd R&ecirc;intja k&ecirc;mon to my vmb skul. Th&aring;
+ik th&ecirc;r &aring;ftern&ecirc;i vr n&ecirc;i tochte, l&ecirc;k it my
+to, that it kw&acirc;dlik f&acirc;r min st&acirc;t bid&ecirc;ja kvste.
+Th&ecirc;rvmbe h&aring;von wi to s&ecirc;mne &ecirc;ne lest forsonnen,
+th&ecirc;r vs alle b&acirc;ta most. Sjan hyr ho wi to gvngen send.
+Middel in-t Krylwald biasten Ljvwerde l&ecirc;ith vsa fly jeftha
+w&ecirc;ra, th&ecirc;r m&aring;n all&ecirc;na thrvch dwarlp&acirc;da
+m&ecirc;i n&acirc;ka. In vppa thjus burch h&ecirc;d ik sunt l&ocirc;nge
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e3527" href=
+"#xd0e3527">248</a>]</span>jonga w&acirc;kar stald, th&ecirc;r alle
+&ecirc;ne grins an Askar h&ecirc;de, &aring;nd alle &ocirc;ra
+m&aring;nniska d&acirc;nath halden. Nv wast bi vs &acirc;k al sa wyd
+kvmen, th&aring;t f&ecirc;lo wyva &aring;nd &acirc;k manna al
+pat&ecirc;rade vr spoka, witte wyva &aring;nd uldermankes, lik tha
+D&ecirc;namarkar. Askar h&ecirc;de al thissa dw&acirc;sh&ecirc;de to
+sin b&acirc;ta anwenth &aring;nd th&aring;t wildon wi nv &acirc;k to
+vsa b&acirc;ta dva. Bi-ne thjustre nacht brocht ik tha f&acirc;mna
+n&ecirc;i th&ecirc;re burch &aring;nd d&acirc;n&acirc; gongen hia mith
+hjara f&acirc;mna in thrvch tha dwarl-p&acirc;da spokka in wttta
+kl&acirc;thar huled, s&acirc; that th&ecirc;r aftern&ecirc;i n&ecirc;n
+m&aring;nnisk m&acirc;ra kvma ne thvrade. Tha Askar m&ecirc;nde
+th&aring;t-er thu h&ocirc;nda rum h&ecirc;de, l&ecirc;t-i tha
+M&acirc;gjara vnder allerl&ecirc;ja n&ocirc;ma thrvch ovir sina
+st&acirc;ta f&acirc;ra &acirc;nd b&ucirc;ta Gr&ecirc;neg&acirc;
+&acirc;nd b&ucirc;ta mina st&acirc;t ne wrdon hja n&aring;rne navt ne
+w&ecirc;rath. N&ecirc;i that Askar alsa mith tha Juttar &aring;nd tha
+&ocirc;ra D&ecirc;namarkar forbonden was, gvngon hja als&ecirc;mina
+r&acirc;wa; thach that neth n&ecirc;ne gode fr&uuml;chda b&acirc;red.
+Hja brochton allerl&ecirc;ja vrlandiska sk&aring;ta to honk. Men just
+th&ecirc;r thrvch nildon th&aring;t jong folk n&ecirc;n ambacht
+l&ecirc;ra, nach vppa tha fjeldum navt ne werka, s&acirc; that hi to
+tha lersta wel sl&acirc;vona nimma moste. Men thit was &ecirc;l al
+&aring;jen Wralda his wille &aring;nd &aring;jen Fryas r&ecirc;d.
+Th&ecirc;rvmbe kv straf navt &aring;fterw&ecirc;ga ne bilywa. Sjan hyr
+ho straffe kvmen is. &Ecirc;nis h&ecirc;don hja to s&ecirc;mine
+&ecirc;ne &ecirc;le fl&acirc;te wnnen, hju k&ecirc;m fon &ucirc;ta
+Middels&ecirc;. Thjus fl&acirc;te was to l&ecirc;den mith purpera
+kl&acirc;thar &aring;nd &ocirc;ra kostelikh&ecirc;d, th&ecirc;r alle
+fon of Phonisja k&ecirc;mon. Th&aring;t wraka folk th&ecirc;re
+fl&acirc;te w&aring;rth bis&ucirc;da th&ecirc;re S&ecirc;jene an wal
+set, men th&aring;t stora folk w&aring;rth halden. Th&aring;t most ra
+as sl&acirc;vona thianja. Tha sk&ecirc;neste wrdon halden vmbe vppet
+land to bilywane &aring;nd tha l&ecirc;dliksta &aring;nd swartste wrdon
+an bord halden vmbe vppa tha benka to rojande. An-t Fly w&aring;rth tha
+bodel d&ecirc;lath, men svnder hjara w&ecirc;ta w&aring;rth &acirc;k
+hjara straf d&ecirc;lath. Fon tha m&aring;nniska th&ecirc;r vppa tha
+vrlandiska skepum stalt w&ecirc;ron, w&ecirc;ron sex thrvch bukpin
+felth. M&aring;n tochte th&aring;t et eta &aring;nd drinka
+vrj&ecirc;ven w&ecirc;re, <span class="pagenum">[<a id="xd0e3532" href=
+"#xd0e3532">250</a>]</span>th&ecirc;rvmbe w&aring;rth alles ovir bord
+jompth. Men b&ucirc;kpin reste &aring;nd allerw&ecirc;ikes, hw&ecirc;r
+sl&acirc;vona jeftha god k&ecirc;m, k&ecirc;m &acirc;k b&ucirc;kpin
+binna. Tha Saxmanna brochten hju ovir hjara marka, mith tha Juttar for
+hju n&ecirc;i Sk&ecirc;nland &aring;nd alingen th&ecirc;re k&acirc;d
+fon tha Balda-s&ecirc;, mith Askar his stj&ucirc;rar for hju n&ecirc;i
+Britanja. Wi &aring;nd tham fon Gr&ecirc;neg&acirc; ne l&ecirc;ton
+n&ecirc;n god ner minniska ovir vsa p&acirc;la navt ne kvma, &aring;nd
+th&ecirc;rvmbe bil&ecirc;won wi fon tha b&ucirc;kpin fry. Ho f&ecirc;lo
+m&aring;nniska b&ucirc;kpin w&ecirc;ir&acirc;pth heth, n&ecirc;t ik
+navt to skrywane, men Prontlik th&ecirc;r et &aring;ftern&ecirc;i fon
+tha &ocirc;ra f&acirc;mna h&ecirc;rde, heth my meld, th&aring;t Askar
+th&ucirc;sandmel m&acirc;ra frya m&aring;nniska &ucirc;t sina
+st&acirc;tum hulpen heth, as er vvla sl&acirc;vona inbrochte. Th&acirc;
+pest far god wyken was, tha k&ecirc;mon tha fri wrden Twisklandar
+n&ecirc;i th&ecirc;re R&ecirc;ne, men Askar nilde mith tha forstum fon
+th&aring;t vvla vrbasterde folk navt an &ecirc;ne lyne navt ne stonda.
+Hi nilde navt ne d&acirc;ja, that hja skoldon hjara selva Fryas bern
+h&ecirc;ta, lik R&ecirc;intja biboden h&ecirc;de, men hi vrjet
+th&ecirc;rbi that-i selva swarte h&ecirc;ra h&ecirc;de. Emong tha
+Twisklandar w&ecirc;ron th&ecirc;r tw&acirc; folkar, th&ecirc;r hjara
+selva n&ecirc;ne Twisklandar h&ecirc;ton. Th&aring;t &ecirc;ne folk
+k&ecirc;m &ecirc;l f&ecirc;r &ucirc;t-et s&ucirc;d-&acirc;sten
+w&ecirc;i, hja h&ecirc;ton hjara selva Allemanna. Thissa n&ocirc;ma
+h&ecirc;don hja hjara selva j&ecirc;ven, th&acirc; hja jeta svnder wiva
+inna tha walda as bannane ommedwarelde. L&ecirc;tar h&aring;von hja
+fon-et sl&acirc;vona folk wiva r&acirc;vath, &ecirc;vin sa tha
+Hlith&acirc;war, men hja h&aring;von hjara n&ocirc;me bihalden.
+Th&aring;t &ocirc;ra folk, th&aring;t m&acirc;ra h&ecirc;inde
+ommedwarelde, h&ecirc;ton hjara selva Franka, navt vmbe that hja fry
+w&ecirc;ron, men Frank alsa h&ecirc;de thene &ecirc;roste k&aring;ning
+h&ecirc;ten, tham him selva mith hulpe fon tha vrbr&ucirc;da
+f&acirc;mna to ervlik k&aring;ning ovir sin folk m&acirc;kad
+h&ecirc;de. Tha folkar tham an him p&acirc;ladon, h&ecirc;ton hjara
+selva Thjoth-his svna, that is folk-his svna, hja w&ecirc;ron frya
+m&aring;nniska bil&ecirc;wen, n&ecirc;idam hja nimmer &ecirc;nen
+k&aring;ning ner forste nach m&acirc;ster bik&aring;nnna nilde, as
+thene jenge tham by m&ecirc;na willa was k&ecirc;ren vppa th&ecirc;re
+m&ecirc;na acht. Askar h&ecirc;de <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e3534" href="#xd0e3534">252</a>]</span>al fon R&ecirc;intja
+fornommen, that tha Twisklandar forsta m&ecirc;st alti in fiandskip
+&aring;nd faitha w&ecirc;ron. Nw stald-i hjam to f&acirc;ra, hj&acirc;
+skolde &ecirc;nen h&ecirc;rtoga fon sin folk kjasa vmbe that-er ang
+w&ecirc;re seid-er that hja skolde mit manlik &ocirc;therum skoldon
+twista ovir-et m&acirc;sterskip. Ak s&ecirc;id-er kvndon sina forsta
+mith-a Golum spr&ecirc;ka. Th&aring;t s&ecirc;id-er w&ecirc;re &acirc;k
+Moder his m&ecirc;ne. Th&acirc; k&ecirc;mon tha forsta th&ecirc;ra
+Twislandar to ekk&ocirc;rum &aring;nd n&ecirc;i thrija sjugun etmelde
+k&ecirc;ron hja Alrik to-ra hertoga ut. Alrik w&ecirc;re Askar his
+n&ecirc;va, hi jef him tw&ecirc;n hvndred skotse &aring;nda hvndred
+th&ecirc;ra storosta Saxmanna mith to lifw&ecirc;ra. Tha forsta moston
+thrija sjvgun fon hjara svnum n&ecirc;i St&acirc;veren senda to borg
+hjarar trow. To nv was alles n&ecirc;i winsk gvngen, men th&acirc;
+m&aring;n ovire R&ecirc;ne fara skolde, nildon thene k&aring;ning
+th&ecirc;ra Franka navt vnder Alrikis bif&ecirc;la navt ne stonda.
+Th&ecirc;rthrvch lip alles an tha tys. Askar th&ecirc;r m&ecirc;nde
+th&aring;t alles god gvng, lande mith sina sk&ecirc;pa anna tha
+&ocirc;re syde th&ecirc;re Skelda, men th&ecirc;r was was man long fon
+sin kvmste to ljucht &aring;nd vppa sin hod. Hja moston alsa ring
+fljuchta as hja kvmen w&ecirc;ron, &aring;nd Askar wrde selva fath. Tha
+Gola niston navt hwa hja fensen h&ecirc;de, &aring;nd alsa warth hi
+&aring;ftern&ecirc;i &ucirc;twixlath fori &ecirc;nnen h&acirc;ge Gol,
+th&ecirc;r Askar his folk mith forath h&ecirc;de. Thawila th&aring;t-et
+alles b&ecirc;rade, hlipon tha M&acirc;gjara jeta dryster as to
+f&acirc;ra ovir vsa b&ucirc;ra ra landa hinna. By Egmvda hw&ecirc;r to
+f&acirc;ra tha burch For&acirc;na st&acirc;n h&ecirc;de, l&ecirc;ton
+hja &ecirc;ne cherka bvwa jeta gr&acirc;ter &aring;nd rikar as Askar to
+St&acirc;veren d&ecirc;n h&ecirc;de. Aftern&ecirc;i s&ecirc;idon hja
+that Askar thju k&aring;se vrl&ecirc;ren h&ecirc;de with tha Gola,
+thrvchdam et folk navt l&acirc;wa navt nilde, that Wodin hjam helpa
+kvste, &aring;nd that hja him th&ecirc;rvmbe navt anbidda nilde. Forth
+gvngon hja to &aring;nd sk&acirc;kton jonga bern tham hja by ra hildon
+&aring;nd vpbrochten in tha hemnissa fon hjara vrbruda l&ecirc;re.
+W&ecirc;ron th&ecirc;r m&aring;nniska tham</p>
+
+<p lang="nl-1900">Het overige ontbreekt.</p>
+
+<div class="figure"><img src="images/p238.gif" alt=
+"Afbeelding van een Schip met voor en achterplecht, bewaard op een oud zegel van Staveren."
+ width="265" height="269">
+<p class="figureHead">Afbeelding van een Schip met voor en
+achterplecht, bewaard op een oud zegel van Staveren.</p>
+</div>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" href="#n232src" id="n232">1</a></span> Hier eindigde het
+schrijven van Beeden. In het H. S<span class="corr" id="xd0e3492"
+title="Niet in bron">.</span> ontbreken twee bladzijden volgens de
+paginatuur. Maar zonder twijfel ontbreekt er meer. De afgebroken aanhef
+van het volgende wijst aan, dat de aanvang van het volgende geschrift
+verloren gegaan is en daarmede ook de aanduiding van den naam des
+schrijvers, die een zoon of kleinzoon van Beeden kan geweest zijn.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3507src" id="xd0e3507">2</a></span> Fhonysiar, Carthagers.</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e3518src" id="xd0e3518">3</a></span> Hals, Holstein.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+
+<div class="back">
+<div class="div1" id="toc">
+<h2 class="normal">Inhoudsopgave</h2>
+
+<ul>
+<li><a href="#xd0e155">Voorbericht.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e400">Inleiding.</a>
+<ul>
+<li><a href="#xd0e744">Bijlage tot Pag. XX.</a></li>
+</ul>
+</li>
+
+<li><a href="#xd0e780">Adela.</a>
+<ul>
+<li><a href="#xd0e784">Okke mijn zoon.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e795">Het boek van Adela&rsquo;s aanhangers.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e903">Fryas Tex.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e934">Dit heeft Fasta gezegd.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e941">Fasta zeide</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e946">Dit zijn de wetten die tot de burgten betrekking
+hebben.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1001">Algemeene wet.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1034">Hier volgen de wetten die daaruit zamengesteld
+zijn.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1062">Dit zijn de rechten der moeder en der
+koningen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1093">Hier zijn de rechten aller Friesen om veilig te
+wezen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1112">Uit Minno&rsquo;s geschriften.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1119">Wetten voor de stuurlieden. Stuurman is een
+titel voor de buitenvaarders.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1147">Nuttige zaken uit de nagelaten schriften van
+Minno.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1206">Uit Minnos schriften.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1233">Uit de schriften van Minno.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1242">Hieronder zijn drie beginselen, daarnaar zijn
+deze inzettingen gemaakt.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1268">Deze bepalingen zijn gemaakt voor toornige
+menschen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1279">Dit zijn bepalingen voor de
+hoerenkinderen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1291">Hetgene hieronder staat is aan de wanden van de
+Waraburgt gegrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1310">Dit staat op alle burgten geschreven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1335">Hoe de bange tijd kwam.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1340">Dit staat aan de Waraburgt bij de Aldegamude
+gegrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1374">Dit alles staat niet alleen op de Waraburgt,
+maar ook op de burgt Stavia, die gelegen is achter de haven van
+Stavre</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1392">Wat daarvan geworden is.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1413">Nu willen wij schrijven over den oorlog der
+burgtmaagden Kalta en Min-erva.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1431">Hierbij komt de geschiedenis van Jon.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1455">Nu willen wij schrijven hoe het Jon vergaan is.
+Het staat te Texland geschreven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1480">Dit is over de Geertmannen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1501">In het jaar 1005 nadat Atland gezonken is, is
+dit op de oosterwand van Frijasburgt geschreven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1517">Dit staat op al onze burgen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1538">Hoe het den Magy verder gegaan is.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1550">Naschrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1564">De schriften van Adelbrost en
+Apollonia.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1589">Het tweede geschrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1605">De lofspraak der burgtmaagd.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1636">Oudste leer.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1647">Het tweede deel van de oudste leer.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1667">Dit staat op schrijffilt geschreven. Taal en
+antwoord aan andere maagden tot een voorbeeld.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1679">Nu wil ik zelf schrijven, eerst over mijne
+burgt en dan over hetgene ik heb mogen zien.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1707">De geschriften van Fr&ecirc;thorik en
+Wiljow.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1724">Nu wil ik schrijven hoe de Geertmannen en vele
+volgelingen van Helenia terug kwamen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1757">Dit geschrift is mij over Noordland of
+Schoonland gegeven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1855">Het geschrift van Koner&ecirc;d.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1865">Nu wil ik over Friso schrijven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1887">Wat Friso verder deed.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1905">Nu wil ik schrijven over zijn zoon
+adel.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1920">Hier is dit geschrift met Gosas raad.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1931">Hier is nu mijn raad.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1963">Het geschrift van Beeden.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1974">Brief van Rika de oudmaagd, voorgelezen te
+Staveren bij het juulfeest.</a></li>
+</ul>
+</li>
+
+<li><a href="#xd0e2045">Adela.</a>
+<ul>
+<li><a href="#xd0e2048">Okke min svn.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2069">Thet bok th&ecirc;ra Adela folstar.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2204">Tex Fryas.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2235">Thet het Fasta s&ecirc;id.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2242">Fasta s&ecirc;ide.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2247">That send tha &ecirc;wa th&ecirc;r to
+th&ecirc;ra burgum h&ecirc;ra.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2304">M&ecirc;na &ecirc;wa.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2340">Hyr folgath tha &ecirc;wa th&ecirc;r
+th&ecirc;rut tavlikt send.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2368">Hyr send tha rjuchta th&ecirc;re moder and
+th&ecirc;ra k&ecirc;ninggar.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2396">Hyr send tha rjuchta aller Fryas vmbe
+s&ecirc;kur to w&ecirc;sande.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2415">Ut Minnos skriftun.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2424">&Ecirc;wa fara stjurar. Stjurar is thi
+&egrave;renoma th&ecirc;ra butafarar.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2458">Netlika s&ecirc;ka ut-a n&ecirc;il&ecirc;tne
+skriftum Minnos.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2486">Ut-a skrifta Minnos.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2516">III. Ut-a skrifta Minnos.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2525">Hir vnder send thr&ecirc; w&ecirc;ta,
+th&ecirc;r after send thissa setma makad.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2554">Thissa domar send makad fara nydiga
+manniska.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2565">This send domar fara horninga.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2577">That hyr vnder stat is in ut tha wagar
+th&ecirc;re Waraburgh writen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2606">That st&ecirc;t vp alle burgum
+eskr&ecirc;ven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2633">Ho arge tid k&ecirc;m.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2641">Thit st&ecirc;t inna Waraburch by th&ecirc;re
+Aldega mvda wryt.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2695">Thit ella stet navt all&ecirc;na vpper
+Waraburgh men ok to th&ecirc;re burch Stavia, th&ecirc;r is lidsen
+aftere have fon Stavre.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2734">Hwat th&ecirc;r of wrden is.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2753">Nw willath wi skriwa vr tha orloch th&ecirc;ra
+burchfamna Kalta and Min-erva</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2784">Hirby kvmth tha sk&ecirc;dnesse fon
+Jon.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2815">Nv willath wi skriva ho-t Jon vrgvngen is, thit
+st&ecirc;t to Texland skr&ecirc;ven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2848">Thit is over tha G&ecirc;rtmanna.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2869">An tha j&ecirc;ra 1000 and 5 n&ecirc;i Aldland
+svnken is, is thit vpp-ina asterwach it Fryas burch writen.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2898">Thit stat in al vsa burga.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2932">Ho-t thene Magy forth vrgvngon is.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2941">N&ecirc;ischrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e2957">Tha skrifta fon Adelbrost and
+Apollonia</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3002">Thet othera skrift.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3019">Th&ecirc;re burchfams lov.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3062">Forml&ecirc;re.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3079">Thet othera d&ecirc;l fonre
+forml&ecirc;r.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3099">Thit stat vp skrivfilt skr&ecirc;ven. Tal and
+andworde ora famna to-n forbyld.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3108">Nw wil ik selva skriwa &ecirc;rost fon over min
+burch and than over hwat ik hav muge sjan.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3166">Tha skrifta fon Frethorik and Wiljow.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3189">Nw wil ik skriwa ho tha G&ecirc;rtmanna and
+f&ecirc;lo H&ecirc;l&ecirc;nja folgar tobek k&ecirc;mon.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3251">Thit skrift is mij ower Nortland jeftha
+Sk&ecirc;nland j&ecirc;ven.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3314">Thet skrift fon Koner&ecirc;d.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3321">Nv wil ik vr Friso skriva.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3352">Ho Friso forther d&ecirc;de.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3378">Nw wil ik skriwa vr Adel sin svnv.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3415">Hyr is that skrift mith Gosas
+r&ecirc;d.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3426">Hyr is nv min r&ecirc;d.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3460">Thet skrift fon B&ecirc;den.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e3475">Br&ecirc;f fon Rika thju aldfam, vpseid to
+Staveren by-t jolf&ecirc;rste.</a></li>
+</ul>
+</li>
+</ul>
+</div>
+
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met
+vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a class=
+"exlink" title="Externe link" href="http://www.gutenberg.org/">
+www.gutenberg.org</a>.</p>
+
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman het on-line
+gedistribueerd correctie team op <a class="exlink" title="Externe link"
+href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+
+<p>Het Oera Linda Boek is een van de merkwaardigste handschriften uit
+de Friese literatuur. Geschreven in zogenaamd oud-Fries in een
+geconstrueerd schrift, is deze collectie van teksten onmiskenbaar een
+vervalsing. Het pretendeerd een door de leden van de Friese familie
+Oera Linda (Over de Linden) verzamelde collectie van teksten te zijn.
+De classicus Jan Gerhardus Ottema, gaf het boek in 1872 voor het eerst
+uit. Sindsdien is de tekst controversieel.</p>
+
+<p>De vraag is echter niet of het een vervalsing is, daar is vrijwijl
+iedereen het over eens, maar door wie die gemaakt is. Sommigen wijzen
+Cornelis Over de Linden zelf aan, anderen de Friese historicus Eelco
+Verwijs. Meer recent is de theorie van cultuurhistoricus Goffe Theunis
+Jensma die het toeschrijft aan de dominee en dichter Fran&ccedil;ois
+Haverschmidt (ook bekend onder zijn pseudoniem Piet Paaltjens), die in
+dit werk de tegenstellingen in reformatorische kring in de 19e eeuw tot
+uitdrukking zou hebben willen brengen.</p>
+
+<p>Op het internet zijn verschillende kopie&euml;n van het werk
+beschikbaar. Deze tekst is gemaakt aan de hand van de tweede druk (met
+een extra voorwoord) uit 1876. Voor de productie van dit werk zijn
+verschillende exemplaren gebruikt.</p>
+
+<ol class="lsoff">
+<li><a class="exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.wumkes.nl/index.php?&amp;volg=6&amp;id=21">Digitale
+Historische Bibliotheek Friesland</a></li>
+
+<li><a class="exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.archive.org/details/thetoeralindabo01ottegoog">The Internet
+Archive. (Google)</a></li>
+
+<li><a class="exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.archive.org/details/thetoeralindabo02ottegoog">The Internet
+Archive. (Google)</a></li>
+</ol>
+
+<p>Een beschrijving van het werk is te vinden op <a class="exlink"
+title="Externe link" href="http://nl.wikipedia.org/wiki/Oera_Linda">
+Wikipedia</a>, en is er zelfs een website gewijd aan het <a class=
+"exlink" title="Externe link" href="http://www.oeralindaboek.nl/">Oera
+Linda boek</a>. Tenslotte is de tekst ook beschikbaar in de <a class=
+"exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.dbnl.org/tekst/_the002thet01_01/">DBNL</a>.</p>
+
+<p>De &ldquo;Oud Friese&rdquo; tekst is na het proeflezen vergeleken
+met de versie in de DBNL. Hierbij zijn alle gevonden fouten, na
+verificatie op de oorspronkelijke scans gecorrigeerd.</p>
+
+<h3>Codering</h3>
+
+<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan
+de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel
+zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
+gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het
+corr-element.</p>
+
+<p>De letter &aring; is gebruikt om de letter a met een kleine e
+erboven weer te geven. Zodra dit teken voldoende breed ondersteund
+wordt zal de oorspronkelijke letter hersteld worden (a&#868;).</p>
+
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+
+<ol class="lsoff">
+<li>2009-05-13 Begonnen.</li>
+</ol>
+
+<h3>Externe Referenties</h3>
+
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+
+<h3>Verbeteringen</h3>
+
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+
+<table width="75%" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in
+de tekst.">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e198">VII</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e303">XIII</a></td>
+<td style="width: 40%">voor dat</td>
+<td style="width: 40%">voordat</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e310">XIV</a></td>
+<td style="width: 40%">daar tusschen</td>
+<td style="width: 40%">daartusschen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e620">XXX</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e672">
+XXXIII</a></td>
+<td style="width: 40%">Middelandsche</td>
+<td style="width: 40%">Middellandsche</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e716">
+XXXVII</a></td>
+<td style="width: 40%">orgineel</td>
+<td style="width: 40%">origineel</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e809">9</a></td>
+<td style="width: 40%">Medeablik</td>
+<td style="width: 40%">Medeasblik</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1018">31</a></td>
+<td style="width: 40%">dewouden</td>
+<td style="width: 40%">de wouden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1069">35</a></td>
+<td style="width: 40%">bespreekt</td>
+<td style="width: 40%">bespreken</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1226">53</a></td>
+<td style="width: 40%">antwoorde</td>
+<td style="width: 40%">antwoordde</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1366">79</a></td>
+<td style="width: 40%">wenden</td>
+<td style="width: 40%">wendden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1369">79</a></td>
+<td style="width: 40%">hy</td>
+<td style="width: 40%">hij</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1383">81</a></td>
+<td style="width: 40%">opgerekend</td>
+<td style="width: 40%">op gerekend</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1426">89</a></td>
+<td style="width: 40%">verblinde</td>
+<td style="width: 40%">verblindde</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1445">95</a></td>
+<td style="width: 40%">gehracht</td>
+<td style="width: 40%">gebracht</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1450">95</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1491">103</a></td>
+<td style="width: 40%">bogon</td>
+<td style="width: 40%">begon</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1506">105</a></td>
+<td style="width: 40%">inge-genomen</td>
+<td style="width: 40%">ingenomen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1522">111</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1545">119</a></td>
+<td style="width: 40%">wenden</td>
+<td style="width: 40%">wendden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1596">131</a></td>
+<td style="width: 40%">me t</td>
+<td style="width: 40%">met</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1664">143</a></td>
+<td style="width: 40%">overalen</td>
+<td style="width: 40%">overal en</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1674">145</a></td>
+<td style="width: 40%">van</td>
+<td style="width: 40%">dan</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1694">151</a></td>
+<td style="width: 40%">omzoond</td>
+<td style="width: 40%">omzoomd</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1749">177</a></td>
+<td style="width: 40%">Wichirte</td>
+<td style="width: 40%">Wichhirte</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1752">177</a></td>
+<td style="width: 40%">is</td>
+<td style="width: 40%">ik</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1807">183</a></td>
+<td style="width: 40%">Helenia</td>
+<td style="width: 40%">Hellenia</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1834">191</a></td>
+<td style="width: 40%">Irhta</td>
+<td style="width: 40%">Irtha</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e1862">197</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2028">243</a></td>
+<td style="width: 40%">schandere</td>
+<td style="width: 40%">schrandere</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2058">2</a></td>
+<td style="width: 40%">th&ucirc; sond</td>
+<td style="width: 40%">th&ucirc;sond</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2156">14</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2326">32</a></td>
+<td style="width: 40%">m&acirc;rkskat</td>
+<td style="width: 40%">m&aring;rkskat</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2501">52</a></td>
+<td style="width: 40%">W.ralda</td>
+<td style="width: 40%">Wr.alda</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2511">56</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2547">60</a></td>
+<td style="width: 40%">mei</td>
+<td style="width: 40%">m&ecirc;i</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2621">68</a></td>
+<td style="width: 40%">S&ecirc;k&acirc;mpar</td>
+<td style="width: 40%">S&ecirc;k&aring;mpar</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2676">76</a></td>
+<td style="width: 40%">Dennemar kum</td>
+<td style="width: 40%">Dennemarkum</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2684">78</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2687">78</a></td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2712">82</a></td>
+<td style="width: 40%">&acirc;tland</td>
+<td style="width: 40%">&Acirc;tland</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2726">84</a></td>
+<td style="width: 40%">&aring;fternei</td>
+<td style="width: 40%">&aring;ftern&ecirc;i</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2730">84</a></td>
+<td style="width: 40%">Wyring&acirc;</td>
+<td style="width: 40%">Wyringg&acirc;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2745">84</a></td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2750">86</a></td>
+<td style="width: 40%">weron</td>
+<td style="width: 40%">w&ecirc;ron</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2767">86</a></td>
+<td style="width: 40%">1600</td>
+<td style="width: 40%">1630</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2773">88</a></td>
+<td style="width: 40%">fon t</td>
+<td style="width: 40%">fon-t</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2781">90</a></td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2793">92</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2809">94</a></td>
+<td style="width: 40%">K&acirc;ltana</td>
+<td style="width: 40%">K&aring;ltana</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2842">100</a></td>
+<td style="width: 40%">Krekalanda</td>
+<td style="width: 40%">Kr&ecirc;kalanda</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2866">104</a></td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2917">112</a></td>
+<td style="width: 40%">weron</td>
+<td style="width: 40%">w&ecirc;ron</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e2995">126</a></td>
+<td style="width: 40%">burchfam</td>
+<td style="width: 40%">burchf&acirc;m</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3074">136</a></td>
+<td style="width: 40%">felo</td>
+<td style="width: 40%">f&ecirc;lo</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3113">146</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3246">176</a></td>
+<td style="width: 40%">,</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3256">178</a></td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3398">210</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3433">218</a></td>
+<td style="width: 40%">Fryasbnrch</td>
+<td style="width: 40%">Fryasburch</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3467">226</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">)</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3492">232</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td style="width: 20%"><a class="pageref" href="#xd0e3510">240</a></td>
+<td style="width: 40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td style="width: 40%">.</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Thet Oera Linda Bok, by Anonymous
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK THET OERA LINDA BOK ***
+
+***** This file should be named 30467-h.htm or 30467-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/0/4/6/30467/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This book was
+produced from scanned images of public domain material
+from the Google Print project.)
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
+
diff --git a/old/old/2009-11-13-30467-h/images/book.png b/old/old/2009-11-13-30467-h/images/book.png
new file mode 100644
index 0000000..963d165
--- /dev/null
+++ b/old/old/2009-11-13-30467-h/images/book.png
Binary files differ
diff --git a/old/old/2009-11-13-30467-h/images/external.png b/old/old/2009-11-13-30467-h/images/external.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/old/old/2009-11-13-30467-h/images/external.png
Binary files differ
diff --git a/old/old/2009-11-13-30467-h/images/p064.gif b/old/old/2009-11-13-30467-h/images/p064.gif
new file mode 100644
index 0000000..7845d31
--- /dev/null
+++ b/old/old/2009-11-13-30467-h/images/p064.gif
Binary files differ
diff --git a/old/old/2009-11-13-30467-h/images/p066.gif b/old/old/2009-11-13-30467-h/images/p066.gif
new file mode 100644
index 0000000..b95ff15
--- /dev/null
+++ b/old/old/2009-11-13-30467-h/images/p066.gif
Binary files differ
diff --git a/old/old/2009-11-13-30467-h/images/p238.gif b/old/old/2009-11-13-30467-h/images/p238.gif
new file mode 100644
index 0000000..ee30c0c
--- /dev/null
+++ b/old/old/2009-11-13-30467-h/images/p238.gif
Binary files differ