summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/29719-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '29719-8.txt')
-rw-r--r--29719-8.txt4316
1 files changed, 4316 insertions, 0 deletions
diff --git a/29719-8.txt b/29719-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..0d5caa6
--- /dev/null
+++ b/29719-8.txt
@@ -0,0 +1,4316 @@
+Project Gutenberg's Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes, by Nescio
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes
+
+Author: Nescio
+
+Release Date: August 17, 2009 [EBook #29719]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DICHTERTJE - DE UITVRETER ***
+
+
+
+
+Produced by Mark C. Orton and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Nescio
+
+ Dichtertje
+
+ De Uitvreter
+
+ Titaantjes
+
+
+ J. H. de Bois - Haarlem.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ "Dichtertje" is hier voor het eerst gepubliceerd.
+ "De Uitvreter" verscheen in "De Gids" van Januari
+ 1911. "Titaantjes" in "Groot-Nederland" van Juni 1915.
+
+
+
+
+
+
+DICHTERTJE.
+
+ In 't derde oorlogsjaar.
+ Bellum transit, amor manet.
+
+
+I.
+
+
+Tweemaal schudde de God van Nederland zijn eerbiedwaardig hoofd en
+tweemaal schoven z'n eerbiedwaardige grauwe bakkebaarden heen en weer
+over z'n vest.
+
+'t Klopte niet. Ergens moest een fout zijn. Een dichter met nergens
+haar, dat was heel vreemd. Sedert dertig jaar hield de God van
+Nederland niet van dichters. Je wist niet meer, wat je er aan
+had. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, je kon er niet uit wijs. En nu dit.
+
+"Hij heeft gezegd, dat hij vol van mij is. Vroeger kon je daar op aan."
+
+God zuchtte. Hij zou er morgen eens met Potgieter over spreken. Je
+had tegenwoordig niets dan narigheid aan je hoofd.
+
+Daar beneden in de Leidsche straat liep een meisje. Met vaderlijk
+welgevallen zag God op haar neer. Het meisje was als honderde andere
+meisjes dien zomer, heelemaal in 't wit, zijden blouse, korte frotté
+rok, witte kousen, fijne enkeltjes en lage witte schoentjes en had
+lieve oogen als honderde andere meisjes in Amsterdam. Oogen die kijken
+alsof ze iets heel bijzonders weten. Dat vonden ze ook weer niet
+goed. Nooit had ons Lieve Heer daar vroeger iets bij gedacht. En nu
+hatti kwestie. 't Was begonnen met versjes over "wetende oogen." Toen
+zei er één, dat 't allemaal bedrog was, een vroom bedrog van God. Dat
+ze niets wisten en alleen maar keken alsof, zonder dat ze 't konden
+helpen. Nooit had God er over nagedacht.
+
+Tegenwoordig brachten ze hem over alles aan 't denken. En 't was toch
+zoo noodig, dat de hoofden bij de zaken werden gehouden. De keizer had
+'t nog onlangs weer gezegd: "Der Tüchtigkeit ist die Welt".
+
+Maar als je eenmaal over iets aan 't prakkizeeren raakte kwam je er
+zoo makkelijk niet weer af. Nu i er eenmaal op lette, zag i honderde,
+duizende van die meisjes, telkens weer anderen en telkens weer
+dezelfden. Zoodat i soms niet meer wist of i er tienduizend had gezien
+of één, tienduizendmaal. "Heer in den hemel had hij al die meisjes
+geschapen? Of was 't een grapje van den duivel, al die wetende oogen?"
+
+Kijk, daar gaat 't dichtertje. Toch wel een knap, jong ventje,
+zoo slank, zoo'n aardig gladgeschoren jongensgezicht, alleen een
+paar stutten voor de ooren, en zoo verbrand door de zon. Hij groet
+iemand. Z'n strooien hoedje lichtten-i even op van zijn kort geknipte
+haren.
+
+Raar toch, zoo kaal, maar 't was toch vast wel een dichtertje, want
+God begreep niets van 'm en Potgieter ook niet. En professor Volmer
+verachttenem.
+
+En hij leed ijselijk van die wetende oogen, zooals geen rechtschapen
+mensch. De duivel hattem leelijk te pakken. Hij was een zwak
+dichtertje, kindsch werti er van. Hij bleef fatsoenlijk van zwakte. Dat
+was weer zoo iets raars, waar God vroeger nooit over gedacht had,
+fatsoenlijk was fatsoenlijk en daarmee uit. 't Dichtertje wist niet
+op wie hij verliefd moest worden. Als hij in twee wetende oogen
+had gekeken, zag hij er dadelijk weer twee. Hij was zoo zwak, zoo
+lekker zwak. Maar als i 't vijfentwintigste meisje zag, voeldeni zoo
+iets raars in z'n hersens. Hij had al eens in 't voorbijloopen op 't
+terras van een café een stoeltje omgeschopt van kwaadaardigheid. Want
+hij wist wel, dat ze niets wisten, dat ze dom giggelden, alleen al
+als i z'n hoed voor hen af nam, of strak keken, omdat ze stonken van
+burgerjuffrouwen-ingebeeldheid. En toch kon i 't niet laten. En dan
+moest i vluchten naar ergens, waar geen vrouwen waren en dan maakteni
+zich kwaad op God en den duivel tegelijk en zei datti idioot werd
+en datti nog eens met open mond jaren lang kwijlen zou, een leeren
+slabbetje voor, zonder datti 't zelf wist. Maar den volgenden dag
+keeki weer en dacht daarbij: "Mon âme prend son élan vers l'infini."
+
+Potgieter zei dat de vent gek was en dat in den tijd van Piet
+Hein........
+
+Dichtend vervolgde 't dichtertje z'n tocht door de woestenijen van
+Amsterdam. Zoover 't oog reikte, niets dan Nederlandsche menschen. Weer
+groette-n-i iemand, een heer met hoogen hoed en gekleede jas, uit
+een stuk van Verkade. Nu spraken ze elkaar aan. Daar stonden ze, op
+'t plein voor 't Centraalstation.
+
+Op den beganen grond liep God nu met z'n gelen strooien deukhoed,
+z'n wandelstok met zilveren greep, z'n jas hing slobberig en breed
+en ondefinieerbaar bruinig over z'n rug, op z'n kraag lag roos,
+z'n broekspijpen waren te wijd en te lang en lagen met plooien op
+z'n schoenen. Z'n bakkebaarden kon je van achteren zien en toen i
+bezadiglijk de twee treden opstapte om in 't station te gaan, glom
+de lage avondzon in Gods gepoetsten linkerschoen.
+
+"Wie was die meneer?" vroeg 't dichtertje. "God" zei de duivel en
+de knobbels op z'n voorhoofd werden grooter. 't Dichtertje sprak
+niet. "Jouw God, de God van je baas en van je schoonvader en van je
+baas z'n boekhouder en van den gérant van de "Nieuwe Karseboom". De
+God van je tante, die zei, dat je moest groeten als je langs 't
+huis van je baas kwam in Delft of Oldenzaal, waar was 't ook weer,
+ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie 't zag. Van je tante,
+die je zuster altijd liet breien. "Een vrouw mag niet stilzitten." De
+God van al die menschen, die zullen zeggen: "Dat had ik van jou niet
+gedacht," als je nog eens probeert te leven en die zullen zeggen:
+"Dat had ik altijd wel gedacht, dat kon niet goed gaan," als je
+later in 't werkhuis moet. De God, die niet hebben kan, dat je 's
+Zaterdagsmiddags vrij bent, de God van meneer Volmer, hoogleeraar in
+'t boekhouden en de bedrijfsleer, die vindt, dat je veel te veel
+naar de lucht kijkt. De God van allen die geen andere keus hebben
+dan werken of vervelen. De God van Nederland, van heel Nederland,
+van Surhuisterveen en Spekholzerheide, donateur van den Bond van
+hoofden van groote gezinnen en van de Vereeniging tot opheffing van
+gevallen vrouwen. Dat noemen ze vallen. Ik ben ook gevallen."
+
+"De beeldspraak is inderdaad gebrekkig", zei 't dichtertje, absent.
+
+Hij had al dien tijd gekeken naar een dame, die daar stond te
+wachten. Naar de aardige scherpe achterkantjes van haar beenen,
+vlak boven de lage witte schoentjes. Natuurlijk had ze lage witte
+schoentjes aan met korte rokken en erg open geweven kousen, waar haar
+beenen wit doorheen schemerden. "Nu vallen", dacht 't dichtertje.
+
+"Mon âme prend son élan vers l'infini," zei de Duivel en glimlachte
+ironisch, zooals hij een eeuwigheid lang geglimlacht had.
+
+Toen zag 't dichtertje 't stationsplein weer en den duivel en hoorde
+wat die gezegd had.
+
+"Duivel" zei-di, "mij belazer je niet."
+
+De duivel haalde even z'n schouders op en keek naar de
+stationsklok. Tien minuten over zevenen. Hij gaapte achter z'n
+hand. De eeuwigheid schoot niet op. En eigenlijk hatti ook al zooveel
+dichtertjes gekend. Waarom sprak i nog zooveel?
+
+'t Dichtertje liep naar huis en keek in de hoogte naar 't gevleugelde
+wiel, dat midden op de leuning van de hooge spoorbrug over de
+westelijke doorvaart op een kleine ijzeren zuil staat en vliegen
+wil en nooit van z'n plaats komt en gezien wordt uit vertetjes waar
+'t nooit komt, wel heel van de Torensluis, 't Singel af. De blauwe
+lucht was er nog zoo hopeloos ver boven. Zelfs de palen met de
+booglampen, aan 't begin en 't eind van de brug, staken hoog boven
+'t wieltje uit. 't Geeft niet veel of je op een spoorbrug staat op
+een ijzeren zuiltje. Je kunt er hoogstens van aan 't denken raken
+en dat deugt heelemaal niet. En 't dichtertje dacht, dat je beter
+zoo'n wiel kunt wezen dan een dichtertje. Zoo'n wiel is van ijzer,
+maar een dichtertje niet.
+
+Onderwijl zat God alleen in een coupé eerste klas in den trein naar
+Delft en staarde uit 't raampje, maar zag niets. Uitkijken deed hij
+nooit. In z'n hand hielti een rapport. Naast 'm lagen dossiers.
+
+De God van Nederland dacht. Het was een rare tijd. Weer las God:
+
+"Het lot van den mensch is verdriet te hebben, wanneer hij z'n doel
+niet bereikt en wanneer hij z'n doel bereikt heeft.
+
+"Er is geen troost in de deugd en er is geen troost in de zonde.
+
+"Daarom laat blijmoediglijk af van alle verwachting. Stel uw hoop op
+de eeuwigheid: uit dezen droom is geen ontwaken."
+
+Het was wel een rare tijd. Zoo kon 't niet goed gaan. En nou hatti
+nog wel gezegd, dat een nieuw tijdvak was aangebroken. De tijd van het
+"ironisch dilettantisme" was voorbij, een nieuwe tijd van "baanbrekend
+optimisme" en "frissche daadkracht" was begonnen. Dat hatti zoo maar
+'s gezegd. En weer zuchtend begon God toen 't manuscript te lezen
+van een dik boek over 't Taylor systeem.
+
+
+
+
+II.
+
+
+'t Dichtertje was nooit gevallen.
+
+Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Als 't dichtertje er over
+dacht, wat hij eigenlijk 't liefst zou willen, dan was 't dat. De
+wereld ééns te verbazen en ééns een liaisonnetje te hebben met een
+dichteres. Jarenlang had hij dit telkens weer gedacht, naïvelijk.
+
+'t Dichtertje was fatsoenlijk getrouwd met een lief, jong, levendig,
+natuurlijk vrouwtje. Natuurlijk was hij onmiddellijk verliefd geworden,
+toen hij de wereld begon te zien. 's Morgens zag hij haar als hij naar
+kantoor ging en zij naar school, en 's middags om kwart over eenen "in
+'t beursuur", als hij op straat mocht en zij uit de melkinrichting
+kwam, waar zij haar boterhammen met een glas melk at en soms een
+roomhorentje of een taartje met slagroom, haar boterhammen.
+
+En ze was wat kwaad op 'm, omdat i daar altijd zoo stond, gewoon
+bespottelijk. De andere meisjes noemden 'm "'t Ideaaltje", omdat
+i een keep droeg en zulk mooi zwart haar had, (toen liet-i 't nog
+niet kortknippen). En ze keken naar 'm, als ze met hun drieën gearmd
+langs hem heen liepen, heel even keken ze en giggelden tegen elkaar,
+de beide buitensten de hoofden gebogen naar de binnenste, die ook
+giggelde en naar den grond keek. Maar zij liep statig voorbij en zag
+hem niet en zei tegen Mien Bus datti om haar kwam en dan lachten ze
+allemaal, want ze wist wel beter. Op den grond stampte ze met haar
+schoolmeisjesvoetje van zeventien jaar. "Om mij? die engert?" en
+hield haar hoofd achterover.
+
+En hij was ongelukkig en telde de uren. 's Avonds om elf uur keek
+i naar de lucht, de helft was om tusschen 's middags half twee en
+'s morgens half negen. En hij dichtte.
+
+Hij maakte gedichten naar Heine, Hollandsche en Duitsche, en naar
+Héléne Swarth en naar Kloos en van Eeden. "De Uren":
+
+
+ "Hoe gaan de uren zoo zwaar met loggen tred".
+
+
+"Die Kreuzfahrer":
+
+
+ "Dort unten lag die heilge Stadt in ihrer Glorie".
+
+
+Dat was zij. Maar de poorten waren dicht. En hij vroeg zich af waarom
+hij verder leefde. En hij werd opstandig tegen God.
+
+
+ "Mijn God, zal dan mijn kwelling nimmer einden?"
+
+
+En de lui op kantoor kon i niet zien en hooren, als i om kwart over
+negenen op kantoor kwam hatti er wel een willen slaan, zoo maar. En
+van somber werti extatisch. En dichtte weer. "Mijn heilig lief". "Nu
+is de wereld een groot zomerland".
+
+
+ "God gooide de poorten des hemels open,
+ Mijn zoete lief zat op een gouden troon".
+
+
+Dat duurde zoo elf maanden. Daar kwamen nog drie maanden bij datti
+buiten was, een klein betrekkingkje had in een stadje, waar ze nu
+nog praten over dien mallen kerel.
+
+Toen kreeg i haar. Negentien jaar was i. Hij schreef haar een briefje
+datti twee dagen in Amsterdam was en datti haar graag wilde spreken. Ze
+kenden elkaars namen, Amsterdam is ten slotte ook maar een dorp. Ze
+hattem die honderd dagen erg gemist en ze kwam. Haar moe vond 't goed,
+"als 't een nette burgerjongen was en ze hield van 'm....., maar
+geen scharrelpartij." Ze kwam, 's avonds bij de Muiderpoort en hij
+zei dat ze zeker wel begreep, watti haar vragen wou. 't Was zoo raar,
+zoo gewoon, hij kon heelemaal niet dichten. En ze zei natuurlijk dat
+ze 't niet begreep, maar toch liepen ze samen maar de Sarphatistraat
+op. 't Gesprek liep wat moeilijk, wat moest je mekaar vertellen, je
+kende mekaar nog zoo heelemaal niet. Hij had gedacht, dat i wonder
+wat zeggen zou, dat de woorden zóó maar zouden komen met geweld,
+zooals de breede Waal jaagt langs de schuitjes van den ponton-steiger
+bij Nijmegen.
+
+En nu spraken ze over z'n betrekking in dat stadje en over hun
+ouders. En voor haar huis namen ze afscheid en hij gaf haar een zoen,
+heel links, op haar voorhoofd. En ze was wat in haar schik, ze had een
+vrijer en zoo'n knappe, wat zou Loe wel zeggen. Jammer datti buiten
+woonde. Zoo vervelend, vooral 's Zondagsmiddags als i dan niet over
+kwam, dan moest je thuis blijven.
+
+Den tweeden avond mochti boven komen, 't moest gauw gaan, want hij
+had maar twee dagen vrij.
+
+Z'n pa was bij haar vader op bezoek geweest en nu mochti
+bovenkomen. Daar zaten haar vader en de zijne en haar moeder en een
+grootmoeder en een tante. Haar twee kleine zusjes waren vroeg naar
+bed gestuurd. En toen kreeg i haar en de tante zei later "wat een
+nette jongen".
+
+'s Zondagsmiddags natuurlijk zij op visite bij hem thuis en daar
+was toevallig een nicht met scheeve schouders in een scheeve groene
+hobbezak en een lorgnet op, die bier dronk en Coba was allerliefst
+voor haar aanstaande schoonmoeder en die was allerliefst voor Coba.
+
+"Wat heb je daar een snoezig taschje." "Uit 't City-magazijn?" "Nee,
+van Liberty". "Je ziet tegenwoordig heel veel van die taschjes met
+een klein taschje buitenop." "Nee, die vind ik om de waarheid te
+zeggen niet zoo aardig." "Och, ieder z'n smaak. Onze Riek heeft zoo
+één en die vind ik ook heel aardig". En hij zat er bij en begreep er
+niets van. Had hij 's nachts op straat geloopen en gezegd, dat God
+de poorten des hemels open gooide? Wat raar.
+
+Maar ze was heel lief, jong, levendig en natuurlijk en zoende 'm niet
+op z'n voorhoofd, maar flink op z'n lippen en op zij in z'n nek, in
+den gang, voor ze de kamer binnen gingen. Daar moest ze voor op haar
+teenen gaan staan en z'n schouders beetpakken. En ze ging heel veel van
+'m houden en hij hield ook veel van haar en drukte haar tegen zich aan.
+
+Maar de zaak bleef 'm duister en dichten deedi niet meer tot i
+getrouwd was.
+
+En nu waren ze zes jaar getrouwd en hadden een kindje, een meisje van
+vijf jaar, een snoes die door alle tantes geknuffeld werd. Zij had
+een beetje geld en hij had een beetje geld en hij had in Amsterdam
+een baantje gevonden, datti niet al te slecht waarnam en ze waren
+ten naaste bij gelukkig.
+
+Maar daar i een echt dichtertje was, moest hem iets ontbreken. Wat is
+voor een dichtertje iets dat hij heeft? Datti zoo maar heeft, dag in,
+dag uit. Al die dagen. En altijd getrouwd is zoo erg lang. En een
+heel lief, jong, levendig en natuurlijk vrouwtje, dat veel van haar
+man houdt en zijn manuscripten in 't net schrijft, maar tweeduizend
+nachten naast 'm heeft geslapen en weet datti niet tegen tocht kan
+en 's morgens niet uit zijn bed kan komen en niet van de jam af kan
+blijven, al is i een dichter, dat is nu echt iets voor den Duivel.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat
+van, want als je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjes
+altijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z'n heele leven
+één gedicht, wat ook vervelend wordt.
+
+In de tram zat hij en dichtte zoo stilletjes voor zich heen, met
+z'n twee handen op den knop van z'n wandelstok zatti te staren en
+onderwijl te denken, datti zulke mooie blanke, fijne en slanke handen
+had, zooals dichtertjes dat doen. 't Was Zondagavond in November
+tegen zessen, de straten waren donker en verlaten. Een dame van een
+jaar of zes en twintig kwam de tram binnen, statiglijk, rijzig in
+haar bruine mantelpak, de opstaande kraag, manchetten en onderkant
+van mantel en rok afgezet met zwart bont, de handen in een groote,
+afhangende mof van 't zelfde bruine laken met 't zelfde bont bezet,
+klein bruin hoedje met zwart bont op 't fijne gezichtje. Alles echt
+lijn 2, Museumkwartier.
+
+'t Dichtertje keek even op, recht in haar oogen, maar zij zag alleen
+'t leege plaatsje in den hoek en ging hem voorbij, statiglijk. Achter
+haar kwam haar man, gladgeschoren, in 't zwart, met een hoogen hoed
+op z'n grijzend, kort geknipt haar.
+
+Toen ze zat kon 't dichtertje haar niet zien, want hij zat op de
+zelfde bank vooraan en er waren vier menschen tusschen.
+
+Meneer zat correct rechtop tegenover haar, keek op z'n horloge en
+zei iets, hoe laat 't was natuurlijk. Daarna spraken ze niet meer. Ze
+waren ongetwijfeld getrouwd.
+
+'t Dichtertje dacht, dat ze op bezoek waren geweest en naar huis gingen
+om te eten. En of ze een kindje zou hebben of kindertjes. En of haar
+man zich correct zou gedragen in de slaapkamer. God liet 't gebeuren,
+dat hij hem duidelijk voor zich zag, daar in die tram, in z'n enkele
+hemd en sokken, een jaegerhemd, ja natuurlijk jaeger, grijs, niet
+mooi wit, hij was zeker in de veertig en met wat malle, uitstekende
+haartjes op z'n bloote beenen, en z'n hooge dop op. Jammer dat i
+niet brilde. En hij hoorde hem vragen met z'n correcte Museumkwartier
+geluid: "Zal ik 't licht aan laten, Clara?" Want ze heette natuurlijk
+Clara, de schitterende. En 't dichtertje dacht datti "pardon" tegen
+haar zou zeggen op een gegeven oogenblik. Ja, God laat de gedachten
+van een mensch raar dolen en er komen vreemde passages voor in zoo'n
+gedicht zonder eind.
+
+Toen keek 't dichtertje op door 't ruit van de tram tegenover hem. De
+huizen waren alle donker en de dames die dit lezen weten wel, dat je
+dan alle passagiers heel duidelijk weerspiegeld ziet, buiten.
+
+En de peinzende oogen van 't dichtertje zagen toen recht in de
+peinzende oogen van Clara, de schitterende, die keken alsof ze iets
+heel bijzonders wisten, wat bedrog is. Even werden de vier peinzende
+oogen grooter en schitterden, toen dorst 't dichtertje niet meer,
+want hij was een welopgevoed mannetje, al hatti rare kronkels in z'n
+eindelooze gedicht en hij keek naar 't bruine laken en 't zwarte bont
+en naar den vagen vorm van haar beenen in den rok en toen keek hij
+met geweld naar een onderhuis, waar een melkboer woonde, 't gordijn
+was neer om den Zondag. Als je wilt kun je door die weerspiegeling
+heen kijken en de P. C. Hooftstraat is erg achteruitgegaan, jaren
+geleden had je daar geen melkboer, nu is er zelfs een aardappelen
+en groentenwinkel.
+
+Maar toeni daarna weer keek hoe een van haar haren los was gegaan en
+voor haar linkerslaap hing, zoo lief, zoo gegolfd, toen ontmoetten hun
+oogen elkaar weer, even. "Ik vind jou mooi, vind jij mij mooi?" "Ik
+wil je hebben als ik durf, wil jij mij hebben als je durft?" "Even
+wil ik een levend mensch zijn, even vrij, een Godin, geen dame van 't
+Museumkwartier, geen dochter van die, zuster van die, vrouw van die,
+moeder van die, vriendin van Mevr. die. Even, in mijn gedachten. Mijn
+gedachten gaan naar jou door mijn oogen, mijn gedachten kunnen wijd
+en zijd gaan, vooruit en achteruit in den tijd, door alle bedeksels
+gaan mijn gedachten. Niemand kan hen vatten of deeren, naar jou gaan
+mijn gedachten door mijn oogen."
+
+En zoo gingen zijn gedachten naar haar, door zijn oogen in de hare
+in deze luttele seconden. En niemand wist er van.
+
+En een hooge toren verrees uit zijn geest en een hooge toren uit
+den hare. En ze zagen wijd en zijd over alles heen en alleen elkaar
+zagen ze.
+
+Zoo dichtte 't dichtertje z'n eindelooze gedicht verder en de domste
+vrouw kan dat meedichten.
+
+Maar bij elkaar komen konden ze niet en dat was misschien juist
+'t mooie.
+
+Bij de Hobbemastraat keek haar man even naar den conducteur en direct
+ging die z'n hand naar de schel. En ze stond op en liep achter haar
+man door de tram, correct en statig en zag niemand.
+
+Maar terwijl meneer afstapte en zij wachten moest op 't balcon voor
+den ingang, haar linkerschouder naar 't dichtertje, en toen 't bijna
+gedaan was, toen overwon ze nog even één ondeelbaar oogenblik 't
+Museumkwartier en keek.
+
+"Ik vind je mooi en jij vindt mij ook mooi. Mijn hart zingt in mijn
+lijf en m'n hersens zingen onder m'n haren. Mooi haar, hé?"
+
+En 't dichtertje dichtte z'n gedicht voort, eindeloos. Maar 't werd een
+somber gedicht, zoolang 't duurde, en Amsterdam was donker en ledig.
+
+Als een echt belachelijk dichtertje heeft i daarna nog een paar maal
+'s middags in 't Museumkwartier gedwaald, waar i zich altijd erg arm
+voelde en nooit zeker was of z'n das wel goed zat en z'n boordje wel
+schoon was en of i er heelemaal wel beschaafd genoeg uitzag. Maar hij
+zag haar natuurlijk niet meer, mogelijk woonde ze heelemaal niet eens
+in Amsterdam. Er was een huis op een hoek met een klein tuintje er
+om en daar groeide een klimstruik tegen den muur. Die bloeide in 't
+zachte Novemberweer zonder blad, met kleine gele sterbloemetjes. En
+hij maakte voor zich zelf uit, dat ze daar woonde en de bloeiende
+struik noemde hij "Clara".
+
+Toch hield i wel van z'n vrouwtje en z'n vrouwtje hield veel van hem
+en ze lieten 't mekaar aan niets ontbreken.
+
+Waarom heeft God ook een mensch tot dichtertje gemaakt?
+
+
+
+
+IV.
+
+
+De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge, natuurlijke vrouwtjes,
+die veel van hun wettigen man houden. Als ze een jaar of wat getrouwd
+zijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maar
+ze zijn er toch nooit geweest. Hoe kunnen ze verlangen naar iets dat ze
+niet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent? Vreemd, wat
+missen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de balkondeuren
+open en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch? C'est là,
+c'est là qu'il faut être. La? Waar? "'k Ben mal". En ze drukken hun
+kindje tegen zich aan en zoenen 't erg.
+
+Coba zit op 't terras van de "Beursbengel", op 't Damrak, aan zoo'n
+tafeltje met zwaar rond marmeren blad, met een koperen band om den
+kant. Haar kindje zit tegenover haar, de bloote beentjes van het kindje
+met witte halve kousjes bengelen voor haar stoeltje. Het krijgt een
+taartje met een glas melk. 't Eet met haar kleine vingertjes, haar
+lekkere oogen zijn zoo groot en kijken zoo overal heen. 't Kindje
+is onder den indruk van zoo iets heerlijks en al die menschen, maar
+'t is erg blij. Moedertje kijkt of 't kleintje niet morst en helpt
+haar zachtjes, maar zegt niet veel.
+
+In den hoek zit de duivel en draait z'n snor op. Eens heb ik een
+vrouw hooren zeggen, een hoogstaande vrouw: "Zoo'n vent, wat verbeeldt
+zich die wel? Een man die denkt dat ik verliefd zal worden, omdat i
+zich zelf aan een brok haar trekt, bah." Vertrouw die vrouw niet te
+veel. Nu ligt ze 's nachts wakker en bijt in haar natte kussen.
+
+Coba trekt haar manteltje uit, legt 't over haar knieën, 't is te
+warm voor een blauw cheviotten mantelpakje. Een wit bloesje heeft ze
+aan, haar armen schijnen er door, zoo rose-bruin en 't allerbovenste
+van haar rug en borst. Je ziet waar haar hemd eindigt en dat 't
+met kanten strooken van haar schoudertjes hangt. Nu trekt ze haar
+bovenlip even naar binnen en maakt haar onderkaak langer en strijkt
+met de rechterhand haar haar glad, ze draait even met haar hoofd en
+'t puntje van haar tong komt te zien en strijkt langs haar bovenlip en
+verdwijnt schielijk. De duivel draait aan z'n snor. Nu praat ze lief
+met haar kindje, ze lacht, al haar tanden laat ze zien; ze heeft een
+sterk gebit, alle tanden staan aangesloten en ze zijn schitterend wit,
+om haar zoo je hand voor te houden, dat ze er in bijten kan, aan den
+buitenkant tusschen pink en pols. Het is in 't begin van Mei. Voor 't
+eerst van 't jaar heeft ze een bloese aan die driehoekig is uitgesneden
+en ook haar borst is wit, zoo erg wit, dat de duivel moet denken aan
+het licht uit den hemel. En de hoeken van haar sleutelbeenderen bij 't
+kuiltje van haar hals staan zoo pittig. Met haar slanke vingers strijkt
+ze langs den rand van haar bloese. Nu veegt ze de handjes van haar
+kindje af en haar toetje, met haar zakdoekje, dat een opengewerkten
+rand heeft. En ze neemt 't handje van 't kind in haar twee handen
+en drukt 't en geeft haar een zoentje op haar groote oogjes en 't
+kindje vraagt: "Maatje, waarom doet u dat?" En ze kleurt en vraagt:
+"Wat, Bobi?" "Waarom zoent u me ineens?" "Maar kindje, maatje zoent
+je toch wel meer ineens? Wil Bobi nog een taartje? Maar dan moet
+je je niet zoo vuil maken, hoor. Zal mammi 't zelf gaan uitzoeken
+voor kindje? Zoet blijven zitten hoor!" En maatje gaat naar binnen,
+haar heupen draaien heel even en haar blauw cheviotten rok gaat heen
+en weer. En dan komt ze terug met 't taartje op een schaaltje en uit
+de deur lacht ze tegen haar kindje en ze gaat weer zitten. De duivel
+draait aan z'n snor. En dan in eens wordt ze bang. Als i haar eens
+aansprak? Wat moest ze doen? "Kom Bobi, maak voort, wacht, zal ik je
+helpen?" En op de punt van 't vorkje steekt ze haar 't halve taartje in
+'t mondje, 't is of de dikke dame naast haar draait. 't Kindje heeft
+'t toetje vol slagroom. "Bah, wat een vies kindje." "Mammi, dat doe
+je zelf." Daar is Pa. Hij groet en neemt z'n hoed af voor den duivel
+en de duivel neemt z'n hoed af voor Pa. Maatje kleurt weer, nu tot
+'t kuiltje van haar hals. Maar 't dichtertje ziet dat niet, hij is
+te lang getrouwd.
+
+Ze staat op en helpt 't kindje van haar stoel. "Wil je meteen weg?" "Ik
+moet nog wol koopen om mijn manteltje af te breien. Ik kan nergens de
+kleur krijgen. 'k Ben in wel vier winkels geweest en toen dacht ik,
+ik zal maar eerst hier naar toe gaan, want 't werd zoo laat." De oogen
+van 't kindje worden heel groot en kijken naar boven naar maatje. "Nou
+vooruit dan maar, heb je betaald? aanneme!" Dichtertje dopt, de duivel
+dopt, maatje knikt stijf. Bobi wuift met haar handje en zegt met een
+hoog stemmetje: "Dag meneer." De duivel knikt en lacht en knijpt een
+oog dicht. "Maatje, die meneer heeft al dien tijd naar u gekeken."
+
+Gelukkig, 't dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind is weer
+in een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat terras al
+die vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. "O God," denkt i,
+"als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens in eens van al die
+vrouwen al de kleeren afvielen?" Een dichtertje dat den waanzin nabij
+is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn
+lezeressen..... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Zes jaar waren ze getrouwd. En terwijl zij iederen morgen brood sneed
+en boterhammen smeerde en thee schonk voor hem, voor kleine Bobi, voor
+'t dienstmeisje en soms voor de werkster.... Snijd eens één keer brood
+en smeer eens boterhammen voor vier kinderen, als je 't niet gewend
+bent, wat de ongelukkige schrijver van deze geschiedenis eens gedaan
+heeft, volslagen uitzinnig word je d'r van. Op d'n duur zal 't wel
+wennen, maar o lieve Heer, op den duur moet 't toch ook afgrijselijk
+vervelend wezen, als je 't ongeluk hebt er over na te denken.
+
+Nu dan, terwijl zij voortdurend dit alles weer deed, behaagde 't
+God, den echten God van hemel en aarde, Dora, haar zusje, te doen
+opgroeien en vrouw worden, zoo mooi als een renpaardje. Zij was een
+van die twee zusjes, die in bed waren gestopt, toen i voor 't eerst
+boven mocht komen.
+
+Het duurde lang voor hij haar zag. Maar zij had hem allang
+gezien. Vijftien jaar was ze toen. Hij was pas getrouwd, iets meer
+dan een jaar en kwam van een reis terug, heelemaal verbrand. Een
+licht grijs pak had hij aan en bruine schoenen en een wit hoedje
+met heelemaal neergeslagen rand. Toendertijd gooiden ze je in de
+Reinwardtstraat nog met steenen als je den rand van je hoed heelemaal
+neergeslagen had, nu mag 't. Zijn schoonouders woonden toen op 't
+land, ergens bij den IJsel in een wit huisje met een serre, en een
+weranda langs de bovenverdieping. Ze was nog nauwelijks meer dan een
+kind, haar rokje kwam maar halverwege tusschen knie en enkel. Nu
+loopen de volwassen vrouwen zoo. Ze had een jurkje aan met banden
+over de schouders, met dikke roode strepen verticaal, daartusschen
+smalle witte strepen. De schouderbanden waren enkel rood. In dit
+hooge jurkje dat over de borsten reikte, droeg ze een wit bloesje
+met stijven opstaanden kraag. Ook haar gezichtje was gebruind. 't
+Donkere haar droeg ze met een scheiding en van achteren loshangend
+in een zwarten strik. Ze was blootshoofds en speelde op 't gras voor
+'t huis als een kind diabolo, voor 't laatst, maar dat wist ze niet.
+
+'t Was in 't begin van Juni, de hooge boomen achter en op zij van
+'t huis waren een groene berg, massief. Hier en daar stond er een
+bruine beuk tusschen. De roode meidoorn was uitgebloeid, de roode
+bloemen van de kastanjes waren afgevallen, de ijle kaarsjes, die er
+van waren overgebleven, stonden rechtop. De accaciá's bloeiden en
+de jasmijn. De serre en alle drie de deuren aan de weranda stonden
+wijd open. Er was een klein rond vijvertje voor 't huis met bladen
+en witte bloemen van de waterlelie er in en riet en gele irissen aan
+den kant. Voor den tuin liep de grindweg en aan den overkant van
+den weg en ook aan deze zij er van, links en rechts van den tuin,
+stond alom de groene rog manshoog.
+
+Met de geheven armen wijduit ving ze de diabolo op 't touw, maar hij
+viel en toen ze zich bukken wilde zag ze den man van haar zuster.
+
+"Dag Dora, ken je me niet meer?"
+
+Hij zag een kind en 't grasveld, en 't vijvertje en 't witte huis en
+de hooge boomen en de accacia's en jasmijn in bloei, op zij. Hij was
+pas getrouwd en nog niet begonnen aan z'n gedicht zonder einde. Maar
+zij zag hem, haar oogen werden groot, 't bloed gutste in haar lijf
+naar boven. Waarom vloog ze haar zwagertje niet om z'n hals en zoende
+'m? Dat had ze altijd gedaan, want hij was een lief zwagertje, die
+bonbons en brochjes meebracht en rumboonen, de rumboonen stilletjes.
+
+"Dag Ee," zei ze en gaf 'm een hand.
+
+"Dora, wat zie je d'r lief uit, is m'n schoonmama thuis en m'n
+schoonvader?" Hij wilde in haar wang knijpen, zooals hij dat "de
+kinderen" altijd gedaan had, maar ze liep hard weg en viel 't huis
+binnen. "Daar is Ee."
+
+De diabolo lag op 't pad en de stokjes met 't touw op 't grasveld. Hij
+raapte ze op en zoende z'n schoonmoeder en schudde den ouden heer de
+hand met geweld. "Hier zusje, daar heb je je speelgoed! Is Em nog op
+de kostschool?" En schoonmama, die graag zag zoenen in eer en deugd,
+vroeg: "Hebben jelui mekaar al behoorlijk goeien dag gezegd?" Maar
+zij ging haastig de kamer uit met 't speelgoed en liep naar boven en
+stond op haar kamertje voor 't open raam. Gek, ze hijgde anders nooit,
+nu haalde ze diep adem. En ze voelde met haar handen dat haar borsten
+groot werden. En 't grasveld voor 't huis en 't vijvertje met de bladen
+en de witte bloemen, met 't riet, dat zachtjes heen en weer ging en de
+gele lissen en links aan den kant van den tuin de bloeiende accacia's
+en de jasmijn bij het rhododendronboschje, dat uitgebloeid was en de
+rogge over den weg, die golvend glansde, al die dingen leken zoo nieuw
+en zoo mooi. De leeuwerikken zongen overal, een reiger vloog, de lucht
+was zoo hoog en de boomen ruischten om 't huis en 't licht--kun je 't
+licht pakken en aan je drukken en in je? Ze deed haar handen samen om
+haar achterhoofd en voelde haar borsten optrekken. Toen rekte ze zich
+heelemaal uit. De armen wijduit omhoog, als bij 't diabolospel. En
+ze voelde de lucht doordringen tot onder in haar longen.
+
+Kalm kwam ze de trap af en zong 't koor uit de Maccabeeën: "Dag vol
+licht en hemelgloed," wat ze vaak had gezongen, zonder er veel bij
+te denken. Toen ging ze de kamer binnen en zei: "Dag Ee", en ging
+op haar teenen staan en rekte zich uit en zoende 'm op z'n mond, als
+vroeger, zusterlijk. En hij, die een gesprek had met z'n schoonvader
+over lijnolie, pas van de reis terug, wat moet een dichtertje al niet
+doen, hij zei enkel:
+
+"Kind, wat wor je groot, ik hoef je waarachtig niet eens meer op
+te tillen."
+
+En toen hield ze al zooveel van 'm, dat ze niet eens kwaad was omdat
+ie dat zei. "Haar borsten werden immers al groot, wacht maar."
+
+"Dora, de melk kookt over, Maartje is naar 't dorp." En Dora vlug
+naar de keuken om 't stel uit te draaien.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten door
+m'n vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaal
+niet begrijpt. Dat Coba coquetteerde vindt ze niet zoo erg, dat kwam
+doordat 't dichtertje haar verwaarloosde. Die dame in de tram had
+een klap op haar gezicht moeten hebben en 't dichtertje ook. Gek,
+in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zoo erg. 'k Denk dat
+'t komt doordat ik dit geschreven heb. Ze moet toch den auteur weten
+te onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog. De
+situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord,
+toch ga ik door.
+
+Daar wandelt de God van Nederland weer op 't Damrak over 't gloeiende
+asfalt. Weer heeft hij 't zelfde bruinige pak aan en denzelfden hoed
+op en schilfertjes op z'n kraag. Nu heeft hij een zakdoek om z'n
+boordje gelegd, voor 't zweten. Z'n wandelstok zetti een heel eind
+van z'n lichaam neer. Z'n grauwige bakkebaarden wandelen mee.
+
+God van hemel en aarde, van land en zee, neem deze benauwenis van mij
+weg, schep 'm op uw ééne hand van 't Damrak en leg 'm zoetjes neer
+op een belt, bij blauwe pannen zonder bodems en vertrapte blikjes en
+verroeste hoepels van vaten en asch en garnalendoppen, ergens waar
+ik nooit kom.
+
+Nu kan mijn geest mijn verdomde zelf verlaten en recht naar boven
+gaan als blauwe rook in een stillen zomeravond, als een verre koe
+klagelijk loeit.
+
+En nu is alles weg dat geweest is en ik ben Dora en in een nieuwe
+wereld, die dezelfde is als de oude, maar gezien van de voeten des
+Vaders, van waar ik ook neerzie op Dora, die ikzelf ben, een vrouw nu,
+een meisje, zoolang de genade duurt.
+
+En zooals de wereld thans nieuw is voor mij, zoo lag ze nieuw en
+maagdelijk en goedertieren uitgespreid voor Dora na dien dag. O,
+ze aanvaardde 't wonder, maar ze begreep 't niet en ze begreep zich
+zelven niet, zooals de aarde zich zelve niet begrijpt, waaruit 't
+koren groeit, dat groen is en geel wordt en wordt gemaaid en de hooge
+garven staan op de gele stoppels en de aarde weet er niet van.
+
+En haar borsten werden grooter, ze bewogen bij 't loopen. Toch was
+ze een tenger meisje met een duidelijk kuiltje in haar hals, met
+duidelijke peesjes en 't begin van haar sleutelbeenderen duidelijk
+afgeteekend, net als haar zuster. En als ze 't hoofd op zij deed, zag
+je een diep kuiltje op haar schouder als ze haar losse kiel aan had,
+die vierkant was uitgesneden. In haar bruine gezichtje waren haar oogen
+zoo wit en zoo donker blauw. Het wit was zooals ik eens de bevroren
+Zuiderzee gezien heb. Maar uit 't blauw scheen al de warmte van haar
+lijfje, dat toch niet koeler werd. En als ze dan met haar handjes op
+haar rug stond, stevig op de beenen, de voeten een eindje van elkaar,
+dan zag je de punten van haar schouderbladen en een holte daartusschen,
+als een gedicht, die de gedachten trok naar verten, als een rivier,
+die gestrekt ligt, ver, en zich dan wendt en waarvan je 't eind niet
+ziet. En als ze haar hals boog, ze droeg 't haar nu opgenomen, dan
+keek de God van hemel en aarde even op van z'n eeuwige contemplatie
+der eeuwige landen en zeeën en leunde z'n hoofd op z'n rechterhand,
+die steunde op z'n dij, de duim onder den kin en de wijsvinger langs
+zijn wang en aanschouwde het bruine knobbeltje boven de holte, die
+een gedicht was en de kleine haartjes die glinsterden in de zon en
+glimlachte. Daarna keek hij weer ernstig langs z'n voeten en zag zijn
+Rijn wenden tusschen zijn bergen en peinsde: "Hoe was hij er ook weer
+toe gekomen, 't Duitsche rijk te laten stichten? Die Pruisen....."
+
+En z'n edel, hareloos gelaat versomberde, er kwamen twee diepe plooien
+boven z'n rechten sterken neus.
+
+Maar zij dacht aan geen Pruisen. Zij dacht hoe een lieven man haar
+zuster had en dat 't goed was van haar zwager te houden. Hij was toch
+haar broer. En een dichter. Dat had Coba haar verteld. En een dichter
+dat was een van hen, die God lief had. Dat had ze in een boek gelezen.
+
+Ze was nu zoo oud, dat ze verheven boeken las met een mondje vol
+chocola en de rest van de reep op 't tafeltje.
+
+Als zij ook eens dichten kon of--schrijven. Een boek over jonge
+liefde. Jonge liefde, daar las je toen veel van. En als ze 's avonds
+aan den IJseldijk lag, de fiets naast haar plat in 't gras, met een
+grasje in haar mond, dat ze om en om draaide en over 't water keek,
+waar 't zeil van een tjalk met geraas zakte langs den mast en slap
+viel, dan probeerde ze het. Maar er kwam niet veel. Ze werd wel heel
+week van binnen, haar hartje en haar longetjes werden zoo groot en
+zoo weemoedig vol. Ze voelde 't avondlandschap in haar ruggestreng
+van boven tot onder. De koeien, die in 't water stonden en dronken
+en zichzelf zagen, 't rammelen van de ankerketting, 't licht dat
+opgetrokken werd aan den mast van de tjalk, ze brachten tranen in
+haar groote oogen. Maar er kwam niets. 't Grasje in haar mond spleet
+ze in de lengte met haar twee nageltjes, maar er kwam niets.
+
+Ze stond op. Aan de bleeke lucht schenen de sterren, 't water rimpelde
+en warrelde en draaide en stroomde alsof er geen Dora stond in den
+kleureloozen zomeravond. Een zware wagen kraakte moeizaam over den
+grindweg in de verte. Weemoed steeg op uit 't duisterende land,
+'t water hield nog wat licht.
+
+Toen strekte ze de handen uit, maar er was niemand die antwoordde. Toen
+wist ze niet of ze sterven wilde of leven en reed langzaam op haar
+fiets naar huis terug, waar moeder zat te gapen met 't Nieuws van den
+Dag onder de petroleumlamp en haar bril op de punt van haar neus. Zoo
+keek ze Dora strak aan. Daarna zette ze haar bril af, vouwde 'm op,
+voelde op de krant naar 't huisje er van en bukte omdat 't andere stuk
+wel onder tafel zou liggen. "Hier moe." Toen stond moe op, vouwde
+gapend de krant dubbel, keek op 't wekkertje dat op den schoorsteen
+stond en zei geeuwend: "Kwart-over tienen."
+
+Op haar kamertje kleedde Dora zich uit en rook de geur van haar eigen
+warme schoone lichaampje. En een groot verlangen vulde haar opnieuw,
+zooals 't avondlijke land haar met een groot verlangen had vervuld,
+en ook de donkere rivier, die uitliep in een punt, die even lichtte
+waar i zich wendde en verdween. Maar wat 't was, wist ze niet.
+
+En in eens zag ze alles weer voor zich in 't donker van de kamer,
+'t water met de tjalk die geankerd lag met z'n licht in de mast,
+de koeien aan 't water aan den overkant, dichterbij. Ze zag dat de
+avond niet viel, maar opkroop uit 't land, voor 't eerst gaf ze zich
+daarvan rekenschap. En ze zag vooral 't end van de rivier, de bocht,
+die in een punt uitliep, waar een groenige lichte plek in 't water
+was, daar waar de oever rondboog. En ze hoorde 't verre kraken van
+den zwaren wagen over den grindweg.
+
+"God, als 't eens waar was, dat U mij lief heeft," zei ze kinderlijk.
+
+En ze droomde dien nacht, dat Ee wandelde met Coba op een wei, zij
+in een wit linnen mantelpakje en hij heelemaal in wit flanel, met een
+omgeslagen rand aan zijn broek en een platten stroohoed op en bruine
+schoenen. En dat ze tegen elkaar lachten en hij haar zoende op haar
+mond, vier zoenen achter elkaar en dat ze zich lachend losmaakte. En
+dat zij, Dora, op haar zuster toeliep en haar armen om haar hals
+sloeg en haar hoofd tegen haar schouder legde en zei: "Coba wat ben
+je toch lief." En toen stond daar in eens haar moeder, nu met haar
+bril boven op haar voorhoofd en zei, "dertien minuten over half twee."
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Intusschen liep 't beminde dichtertje kalmpjes als een net
+burgerheertje zijn wegje af naar z'n graf en op 't Damrak en op
+'t Rokin en in heel Amsterdam en overal ging 't verkeer z'n gang,
+alsof er aan 't dichtertje niets gelegen was.
+
+Hij maakte wat promotie in z'n betrekking en erfde een kleinigheid,
+veranderde gaandeweg van kleermaker en schoenenwinkel, kocht toen ook
+dat witte flanellen pak, rookte geregeld sigaren van vier cent inplaats
+van tweeëneenhalf, had ten slotte zelfs een kistje in huis, droeg fijne
+overhemden en niet meer van die dikke wollen sokken, waschte z'n handen
+voor en na 't eten, en gaf iedere week enkele guldens uit in cafés,
+alleen en met z'n vrouw. Hij verheugde zich in den beleefden groet
+van z'n sigarenwinkelier en in de eerbiedige familiariteit van den
+conducteur op lijn twee. Op kantoor werti door de jaren wat ijveriger,
+begon wat van z'n werk te maken en het gebeurde zelfs datti 's avonds
+terugkwam, ofschoon z'n baas de lui daar nooit om vroeg. De concierge
+respecteerde hem steeds meer, hield 'm voor een heele geleerde. Zelfs
+zijn tante uit Delft of Oldenzaal begon tegen 'm op te zien en knikte
+goedkeurend als Coba haar verhaalde hoe haar neef vooruitging. Hij zelf
+sprak er nooit over. Hij was nu geabonneerd op 't Volk, 't Handelsblad
+en de Groene, lid van de Partij en den Algemeenen Nederlandschen Bond
+van Handels en Kantoorbedienden. Op vergaderingen kwam i niet, maar
+als ze bij hem kwamen met een steunlijst voor een werkstaking of om een
+uur loon voor de Partijkas, dan gaf hij hun een sigaar en Coba schonk
+een kopje thee en dan praatte-n-i heelemaal niet uit de hoogte met ze
+en teekende voor een riks of vijf gulden en bracht ze tot de trap en
+trok de deur voor hen open. Hij was toch zelf ook maar in loondienst en
+had als jongen ook zoolbeslag en hoefijzers onder z'n schoenen gehad
+en heel vroeger in een huis gewoond waar de buren altijd de trapdeur
+open lieten staan en aan tafel gezeten met een pan rijst, voor dat
+z'n vader dat werk had gehad waar i zoo aardig aan had verdiend.
+
+En toen i weer opslag had gekregen aten ze voortaan iederen dag soep
+vooraf en Coba kocht drie zilveren servetringen, voor Bobi ook één,
+en wilde voortaan geen brood meer meenemen als ze 's Zondags de stad
+uitgingen, wat ze nog heel lang gedaan hadden.
+
+Ook z'n vrinden waren vooruitgekomen in de wereld. Bonger, de dokter
+en Graafland, die hoofdcommies was bij de post en 't boekenschrijven
+had opgegeven en van der Meer, die in automobielen dee en 't dichten
+verachtte. Die niet vooruitgekomen waren zag je heelemaal niet
+meer. Daar had je Kool, die altijd z'n brood met z'n twee handen at
+en die zoo lang had geprakkizeerd om de wereld te hervormen, datti
+koloniaal was geworden. God weet waar die nu zat, eerst hadden ze
+mekaar geschreven, maar toen had dat opgehouden, je wist niet meer wat
+je schrijven moest. Hein hatti een tijdje geleden nog eens ontmoet. Die
+moest en die zou schilderen. De ziel der dingen schilderdeni, maar
+'t bracht nix op en toen z'n vader was gestorven hatti heelemaal
+nix. In jaren had 't dichtertje hem niet gezien.
+
+Op een dag loopti door de Pietervlamingstraat en daar ziet i 'm, als
+kraai verkleed. Hein, die één maal geexposeerd had: "Portrait d'un
+jeune homme poitrinaire et syphilitique," theosofisch "opgevat." Er
+moest een groenteboer begraven worden. De kraaien stonden op de kleine
+steentjes te wachten, ze hadden parapluies bij zich, Hein ook. 't Was
+druilerig weer. Scheef op z'n kop stond een rouwhoogehoed, die 'm te
+klein was. Z'n gekleede rouwjas met tressen hatti dicht geknoopt. 't
+Ding was veel te nauw en barstte haast open en zat vol malle plooien
+om z'n ribbekast. "Jonge," zegt Hein, "wat ben jij een fijne man
+geworden." Meteen dragen ze, Goddank, den dooien groenteboer z'n deur
+uit. 't Is niet zoo makkelijk iets te wezen in de wereld, ook al ben je
+een dichtertje en heb je jezelf wel zoo wat in de gaten. Hij liep toch
+al niet zoo graag meer in die straten, na dien tijd kwam i er liever
+heelemaal niet meer. En dan moet je mee uit eten genomen worden en een
+spijskaart voor je krijgen waar geen regel op staat die je begrijpt. En
+dan neem je den eersten keer overal te veel van omdat je niet precies
+weet wat er komt en nooit weet hoe ver je bent. En de volgende maal
+zal je 't beter doen en dan krijg je lang niet genoeg en moet een
+groote zware sigaar rooken met een leege maag. Dan wensch je dat je
+vader je maar bij de stadsreiniging had gedaan indertijd, om met een
+blauwe kiel en een ratel en een glimmende leeren pet met een koperen
+nummer op een stil, zonnig grachtje te loopen ratelen in de vroegte,
+zonder er wat bij te denken, op schoenklompen met dubbele zoolen.
+
+En achtentwintig jaar voor hem uit, op 't wegje naar z'n graf zag i
+'t grijze hoofd van z'n vader loopen, dien 't ook altijd goed was
+gegaan en die ook nooit iets bijzonders had bereikt. Hij zag zichzelf
+al loopen over 28 jaar, met net zoo'n hoofd en kreeg 't gevoel of i
+z'n eigen vader was. En drieentwintig jaar achter 'm liep z'n dochter,
+nu nog z'n dochtertje. Z'n Bobi van nu zou over drieentwintig jaar
+nergens wezen en toch zou ze den weg afloopen dan, dezelfde en toch
+een ander. En 't dichtertje vond 't een zinnelooze optocht, die
+'m droefgeestig maakte.
+
+Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog
+iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood
+wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht,
+om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan
+al 't onverschillige levende en doode, dat maar dee of hij er niet
+was en zich wederom zat wilde vreten tot 't alles opgevreten had en
+alleen over was met 't niet.
+
+Maar daar hij niet wist hoe i beginnen moest, kwam er nooit iets
+van. Hij bracht 't niet verder dan dat nu en dan één van z'n gedichten
+in een tijdschrift werd opgenomen en dat 't Handelsblad 'm prees, maar
+dat prijst zooveel, en dat meneer Scharten hem, Goddank "veelbelovend"
+noemde. En z'n vrienden, die ernstige mannen waren geworden, zeiden een
+enkel waardeerend woord er over, als ze 'm bij gelegenheid eens zagen,
+die dweepten niet meer. En de afleveringen der tijdschriften begonnen
+langzaam te vergaan, zooals 't leven van 't dichtertje en overigens
+gebeurde er niets. De lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hij
+schreef trouwens toch onder een anderen naam.
+
+Eens op de Zaandammerboot zat een verloofd stel naar 't water te
+kijken, hij had zijn rechterarm om haar schouder en hield haar
+rechterpols vast en zij legde weer haar linkerhand op zijn rechter
+en zoo zaten ze dicht tegen elkaar aan. 't Dichtertje keek naar hen,
+zoo'n net verloofd stel is zoo aardig om te zien. Dat die kinderen
+onrustig zijn omdat ze meer willen en zich warm maken om wat ze niet
+kunnen en niet durven en nooit weten waar ze zullen ophouden, dat zie
+je niet en daar denk je niet over. 't Was heel aardig en misschien
+waren ze nog maar pas verloofd en tevreden met elkaar vast te houden
+en te dwepen. Toen keken ze elkaar lachend aan en hij zei:
+
+
+ "Ik kijk van terzij in je groote oogen.
+ En zie een blauw' en een gouden vonk"
+
+
+en zoende haar op haar mond. Zij bloosde: "Die meneer keek net."
+
+Dat was de eenigste keer dat 't dichtertje zijn leven voelde leven
+in 't hoofd van een ander mensch en toen werti nog verlegener dan
+'t meisje en bloosde ook en gaf een kwartje aan den man die geld kwam
+ophalen voor de muziek.
+
+Daarna was noch aan de doode, noch aan de levende dingen meer te
+merken, dat ze weet hadden van wat 't dichtertje beleefd had in z'n
+dichterhoofd, datti meedroeg op weg naar z'n roemlooze graf.
+
+'t Dichtertje kreeg er genoeg van. Hij had nog iets heel moois liggen:
+
+"Mijn doode hart is zoo zwaar te dragen". Dat gooideni maar in 't
+keukenfornuis, de haard brandde niet, want 't was zomer.
+
+En toen werti zoo kwaad op alle levende en doode dingen, datti z'n
+eindelooze erotiek onderbrak en een grimmig boek schreef, dat 'm in
+eens beroemd maakte. Maar dat was later pas, dat komt straks.
+
+Voorloopig deeti alleen nog maar z'n gave tanden en kiezen op elkaar
+en daarna zeidi, alleen in z'n kamer, hardop: "Een groot dichter
+worden en dan vallen, Godverdomme." Z'n schoenen hatti losgemaakt
+en i schopte er één van z'n voeten datti een slag gaf, waar mevrouw
+beneden van schrikte.
+
+
+
+
+VIII.
+
+Dat was in den zomer en in 't najaar was 't dichtertje zoo ver
+datti "onmogelijk" van kantoor weg kon. Z'n tante had reden tot
+tevredenheid. Haar neef "hattet druk". Drie, vier avonden in de week
+zat i op kantoor. Hij had een week bij haar zullen logeeren in Velp,
+waar zij tegenwoordig stil leefde, de zaak had ze verkocht. Maar hij
+kon niet weg, als een heusche heer.
+
+'s Zondags las i thuis de mail, om toch maar vooral niet te denken
+en als er visite kwam, zei Coba: "Ik geloof uit Shanghai, is 't
+niet Shanghai, Eduard?" En tante zag in gedachte al een circulaire
+waarin stond "dat wij onzen langjarigen medewerker, met ingang van
+1 Januari,--dat is wat gauw, met ingang van 1 Juli tot mededirecteur
+hebben benoemd."
+
+Maar 't kwam even anders.
+
+Pa was dood. Pa had altijd buiten willen wonen. Vier jaar lang hatti
+kippen gehouden en de pauw voer gegeven en vruchtboompjes geplant,
+die dood waren gegaan. En boekgehouden. Als de eieren in 't dorp zes
+centen kostten in 't winkeltje, kwamen ze hem op acht. Maar als i de
+keuken binnenkwam met zes eieren en z'n voeten naveegde op de mat,
+vontti dat je voor die twaalf centen meer, ook waar kreeg.
+
+En moe had zich geschikt en zoo veel mogelijk meegeleefd en nix
+laten merken, als een echte goeie ouwerwetsche moe. En 's avonds,
+alleen onder de lamp, op d'r krant gestaard over haar bril en aan de
+Linnaeusstraat gedacht. Zij kon niet om negen uur naar bed. Ze zag de
+trams rijden in den avond over 't pleintje bij de Mauritskade, waar
+ze op uitkeek van haar bovenwoning, ze zag de lichten schuiven. En
+de boomen van het Muiderbosch, die bladerloos heen en weer gingen
+langs de donkere lucht, met de zwarte kraaiennesten. Dan kon je zoo
+echt naar 's zomers buiten verlangen. En ze dacht aan de winkels op
+Zaterdagavond en de drukte van 't winkelen en hoe ze zelf door de
+van Swindenstraat liep met 't boodschappenmandje onder haar schort,
+in den tijd dat 't hun nog niet zoo goed ging.
+
+Zoo echt gezellig kon je dan nog eens praten. Hè jà, en de
+Dapperstraat met twee rijen karren, groenten en visch en kaas en
+kopjes en schoteltjes, met olielampen, die walmden en rustig wit
+licht in witte ballonnetjes van eigengemaakt gas. En overal herrie
+en geraas. Toen ze al lang deftig waren geworden, ging ze nog wel
+'s Zaterdagsavonds gerookte aaltjes koopen aan de kar met al die
+zwarte stangen rechtop, met van die genoegerige koperen knoppen. Tot
+een meisje met een groot bont schort en gekapt hoofd, zonder hoed,
+had gezegd: "Jeisis, de raakdom komt oltjes kaupe." Zoo'n flodder,
+met bruine schoenen aan.
+
+En dan begon moe te soezen in de suizende stilte en met haar bril in
+haar rechterhand zat ze te knikkebollen, tot ze wakker werd doordat
+ze te veel voorover knikte. "Hè, mensche, 'k dacht waarachtig dattik
+de tram hoorde bellen."
+
+Onderwijl schreef Dora op haar slaapkamer in schoolschriften van een
+dubbeltje proza over "Hem" en maakte zichzelf wijs dat hij iemand
+was, dien ze niet kende en die komen moest. En die schriften werden
+weggestopt in een la, waar niemand in kon, ze bloosde, ofschoon ze
+alleen was en niemand er van wist.
+
+Em was verloofd, met een boekhouder in Amsterdam en praatte over haar
+huis, dat nog gezocht moest worden en dacht aan een kindje. Raar, zoo'n
+vrijer, die "op stuk van zaken" en "eventueel" zei en met een scherpe
+plooi in z'n zwarte kamgaren broek bij 't kippehok stond. En altijd
+hatti 't weer met pa over "de Bovenkerken," meneer Bovenkerk, die in
+steenkolen dee en mevrouw Bovenkerk, die 's zomers in Zandvoort woonde
+op "Mon Désir", en den jongeheer Bovenkerk, die eindexamen vijfjarige
+zou doen. En de rest. Em was erg kwaad geworden, omdat Dora eens had
+gezegd: "Daar heb je Bovenkerk". "Vrij jij met den IJseldijk", had ze
+gezegd en bijna had ze er bij gezegd: "Ouwe kneut." Dora was een jaar
+ouder. Maar haar opvoeding was haar gelukkig de baas gebleven. Dora had
+erg gekleurd en niets teruggezegd. "Zou ze in één van m'n schriften
+hebben gekeken? Ik laat er toch nooit één zwerven." Jasses wat een
+zwager. En als i z'n witte vest aan had! En die oogen. Zoo echt een
+heer, die bij den weg naar nix anders kijkt dan of i ook een kennis
+tegen komt. En zoo slap. Hoe kon Em tegen zoo'n man aanstaan! Zij
+leunde nog liever tegen een dennestam. Nee dan was Coba heel wat
+beter af. Zoo'n man als een zee! En meteen kreeg ze een visioen van
+wit zand en zon en golven en branding, en roode en blauwe badpakjes en
+witte jurken en witte en roode parasols. En van duinen met uitgeholde
+flank, met helmsprieten, gebogen waaiend, er bovenop. En van een golf
+die haar omsloeg in 't water, ze proefde zout.
+
+Nu was pa dood en zouden ze verhuizen. Moe ging weer in de
+Linnaeusstraat wonen, over 't Oosterpark. Em zou 't volgend jaar
+trouwen en Dora moest maar naar kantoor. Zoo'n beetje helpen in 't
+huishouden en nu eens hier logeeren en dan eens daar en eigenlijk nix
+doen maakt maar ongedurig. Ze zou nog eerst een paar weken naar een
+vriendin gaan bij Berg en Dal om wat te bekomen van al de narigheid
+en dan kon ze meteen naar Amsterdam in 't nieuwe huis trekken.
+
+Ee zou haar wegbrengen. Hij kon wel moeilijk nog een dag van kantoor
+weg, maar hij zou 't er dan maar afnemen.
+
+Dora keek al eens naar 'm: wat praatte n-i-raar.
+
+In den trein waren ze beleefd en welwillend voor elkaar, maar erg
+stil. Ze reden over den IJsel en over den Rijn en Dora staarde met
+groote stille oogen naar de rivieren, rechtop in haar zwarte jurk,
+de handjes in haar schoot, tot zij ze niet meer zag en ook daarna
+zat ze en staarde.
+
+En hij keek zoo nu en dan naar haar gezichtje en dan weer naar buiten,
+om haar vooral niet te hinderen. En dan probeerde 'n-i of hij haar
+zien kon in z'n verbeelding, eerst telkens een brok, haar voorhoofd,
+en hoe de haren er boven waren, golvend, en haar oogleden en haar
+lange donkere wimpers en dan haar zwarte wenkbrauwen daar boven, even
+gebogen en dan dat alles bij elkaar en haar oogen, haar oogen vooral,
+die zag hij telkens boven de akkers, en 't neusje dat nauwelijks
+wipte, zoo fijn en haar kleinen mond, dicht gesloten de roode lippen,
+en de kleine oortjes, die rose doorschenen, met 't haar er boven en
+losse haren er voor en haar onderkaak, zoo edel lang, met een spits
+kinnetje, waar een zoenkuiltje in was. En dan moesti telkens weer
+kijken naar de twee rechtoppe richeltjes onder haar neusje.
+
+Hij sloot even z'n oogen en zag 't heele gezichtje duidelijk voor zich,
+de bruine wangen nu ook. En daar was 't ook heel duidelijk buiten,
+voor de rij populieren, die nog maar weinig blad hadden. Want 't was
+al October. Hij moest even lachen om de menschen, die hem voor een
+degelijk heer hielden.
+
+"Zeg is 't waar, dat je tegenwoordig iederen avond op kantoor zit?" Hij
+knikte. "Moet dat?" Hij haalde z'n schouders op. "Waarom doe je 't
+dan?" Hij lachte weer. "Om vooruit te komen in de wereld. 't Wordt
+je niet cadeau gedaan." 't Leek haar nix prettig... "Wat zou jij
+dan willen?"
+
+"Kijken... en denken... en schrijven," zei ze en bloosde heel
+even... "ten minste als je dat kunt."
+
+Hij glimlachte akelig wijs. "Nix gedaan, Doortje. Je wordt er nix
+beter van, 't stomste vee is 't beste af. Geloof je niet dat Bovenkerk
+een gelukkige kerel is?" Haar groote oogen gingen wijd open in stille
+ontzetting. "Hè, schrijven wat je denkt is zoo fijn, zoo roef, roef,
+je weet zelf niet hoe je 't doet. 't Staat er ineens precies zooals
+'t er staan moet. En als je 't dan naderhand leest, dan leef je in
+eens weer je eigen leven van toen en toch weet je niet, of je dat
+nu zelf bent of een ander." Haar oogen schitterden, er waren tranen
+in. Ze bloosde niet meer over zichzelf. Ze zat stil met haar hoofdje
+op haar rechterhand, haar elboog op de richel voor 't raampje en
+staarde naar buiten. En 't dichtertje dacht: "dat is een echte,"
+en dat ze hem nu voor een degelijk heer hielden.
+
+Maar hij bleef grimmig en wijs, "God brengt ons op een hoogte, om
+ons te laten afdalen. De weg over den top is kort, maar de dalen zijn
+lang. Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in verdriet."
+
+Zij schudde langzaam haar meisjeskopje, zoo lief en toch zoo
+nadenkelijk: "Ik leef altijd op den top."
+
+Hij wou zeggen: "Goed zoo," maar hij zei niets. Zij staarde in den
+Waal. "Mooi hè?" En in eens stond ze op, nam haar hoed uit 't rek,
+stak er vlug de pennen door en met haar beide handen aan haar hoed, de
+voeten wat van elkaar om stevig te staan, lachte ze in eens overmoedig
+met al haar tanden, als een kwaaie meid, haar oogen in de zijne:
+"Aan mijn lijf geen Bovenkerk." Toen leunde ze haar bovenlijf uit
+'t raampje en keek naar Nijmegen, dat daar lag op de heuvels aan de
+rivier, zoo on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen en
+boomen boven boomen, en zong tegen den wind en 't gerammel van den
+trein over de brug.
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Een groot dichter zijn en dan vallen. In de volheid der tijden.
+
+'t Was wel een dag om eens even de 36" white shirtings en coloured
+satteens te vergeten.
+
+Zij werden niet afgehaald. De vriendin kon niet van huis, want haar
+moeder kon niet loopen en ze zaten zonder meid. Een meid is een zuster,
+niet van u of mij, maar van een letterzetter of een brievenbesteller,
+die bij u of mij op haar knieën door de kamer kruipt om den grond te
+vegen en 't vuilnisvat buiten zet en de kopjes breekt.
+
+Dora en 't dichtertje dronken dus koffie in Lent, over 't water,
+in 't gezicht van de stad en de heuvels. 't Was een stille,
+zonnige herfstmiddag geworden. De kastanjes waren al kaal, de gele
+vijfvingerige bladen met hun dikke kleverige stelen lagen op de aarde
+en dorre en gouden bladen lagen overal. Er was de geur van bladen,
+die vergaan, die 't dichtertje altijd zoo week maakte onder zijn vest,
+alsof i dood zou gaan en onsterfelijk wakker worden in net zoo'n
+stillen blauwen en gouden herfstdag, die niet zou eindigen. En hij
+streek een herfstdraad van z'n voorhoofd. De lucht was zoo blauw en
+wolkeloos en zag zichzelf in 't water en de zon scheen gouden.
+
+En uit 't water steeg de stad naar de blauwe lucht, de kade en de
+huizen en daarboven weer huizen, half of heel uit boven andere, met
+vele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teeken voor God
+om z'n stad te herkennen en twee spitse torens, die hoog en onmachtig
+zich rekten naar nog hooger. Zoo reikt een dichtertje uit de rivier
+zijner dichterlijkheid machtig en onmachtig naar God, die niet te zien
+komt achter de blauwe lucht. Toen moest 't dichtertje toch weer even
+lachen om 't wonder dat in zijn oogen was, die daar een monument van
+heerlijkheid zagen, terwijl er niets was dan veel hokken vol miezerig,
+nog niet eens Hollandsch, maar Geldersch kleinsteedsch leven.
+
+Zij keken juist recht in een straat, die van de kade steil en
+recht naar boven liep, er begon wat schaduw in te komen aan den
+rechterkant. En ergens in de hoogte was een groot plat met een ijzeren
+hek er om en ergens anders een waschtobbe op een ander plat en iemand
+zette, meer dan halfweg tusschen de rivier en God, een raam open,
+dat even de zon fel weerkaatste.
+
+En links van de stad was 't lage walletje der begroeide heuvels,
+een rechte lijn tot "ins grosse Vaterland".
+
+Een gouden laantje liep langzaam hellend, schuin naar boven. De
+gouden letters van het Fransche pensionaat "Notre Dame aux anges"
+blonken in de verte, hoog, aan het hooge huis, dat aan den voet van
+de heuvels staat, waar de grasvlakte eindigt.
+
+"Notre Dame aux anges", onschuldig naakte engeltjes en onschuldige,
+geheel gekleede pensionnaires. De God van Nederland heeft wel gelijk,
+je weet nooit wat je aan die dichters hebt, zijn ze nou netjes of
+niet netjes?
+
+Toen hervond 't dichtertje ineens de zwakke romantiek in dat heele
+geval. God bedoelde er heelemaal niets mee. Hij speelde maar wat en
+had maar eens een heel nieuwe ensceneering bedacht om die Leiden des
+jungen Werthers op te voeren, als hij daar lust in zou hebben.
+
+En zoo praatten zij en speelden met woorden en gedachten en fantasieën
+en zagen aan de schittering van elkaars oogen, als een nieuwe inval
+uit zou flitsen. En daarna stapten ze op en gingen de rivier over. Zij
+wilde datti een mooi cadeau voor Coba meebracht, als i 's avonds naar
+huis ging. Dat zouden ze eerst samen koopen. Ze hing aan z'n arm,
+haar linker door zijn rechter en zoo hielden haar kleine handjes in
+zwarte glacétjes elkaar vast.
+
+Een zacht-lila, zijden sjaal met geknoopte franje moest i koopen,
+hè ja, daar zou Coba vast heel blij mee zijn. Toe, dan was i een
+lief zwagertje. Ze keek in z'n oogen en drukte z'n arm, voor haar
+zuster. Er was geen valschheid in haar hoofdje, haar bloed joeg,
+maar in haar hoofdje was geen valschheid. "Kijk eens wat leuk". Ze
+stonden in de laagte en keken naar boven onder de brug door, die daar
+in de hoogte naar de Belvédère voert. En de boog van de brug omlijstte
+een schilderijtje. Een brok verlaten buitengrindweg, ietwat stijgend,
+aan weerszijden de blauwe band der voetpaden en kleine boompjes met
+schel oranjegele kruintjes, en de takken, door de bladen heen al
+goed zichtbaar en een paar lantaarns, ver van elkaar, met melkglas
+van boven, fel wit, een prentje om "5 October" onder te schrijven.
+
+Er was geen valschheid in haar hoofdje toen ze in eens kalmer werd
+door de afleiding, die dat prentje aan het gesprek gaf, ofschoon
+ze 't zelf voelde. Maar ze begreep 't niet, zooals Adam en Eva hun
+naaktheid niet begrepen en de "Anges" van Notre Dame hun engelenstaat
+en de pensionnaires hun geheel gekleedheid niet. Mijn God, wat is
+een vrouw, die zichzelf begrijpt.
+
+Maar hij begreep zichzelf wel, akelig duidelijk en daarom gebeurde
+er niets. Hij zag haar aan en de dichter in hem aanbad haar en hief
+haar ten troon naast den God van hemel en aarde en durfde haar niet
+aanraken.
+
+En te gelijk zat diep in 't dichtertje 't beest gedoken voor den
+sprong, dat zich zat wilde vreten aan alles wat als een temptatie in
+onverschilligheid om hem heen had gestaan en langs hem was geloopen
+en hem niet erkend had. En haar eerst, 't mooie, 't beminde eerst, zoo
+dat er geen pardon meer zou zijn voor al 't mindere. Haar te verheffen
+zoo hoog als de sterren in de winternacht en met haar 't ergste te
+genieten en haar dan te laten vallen in 't zwarte grondelooze. Op
+haar te wreken in 't genot de tempteerende onverschilligheid. En wat
+zou een dichteres je ook beter verlangen, dan zóó te vallen?
+
+Dit dachtti terwijl een muschje van een paardevijg op den grindweg
+in een van de oranje boomen vloog. Maar hij zei: "Weet jij een goeie
+winkel?"
+
+Ze kochten een heel mooie shawl, fijn en zwierig. Jammer, dat ze in
+'t zwart was. Zij pastte zelf net zoo'n doek, maar een zwarte, om
+te zien hoe die viel en deed er haar bovenlijfje een klein beetje
+bij achterover. Maar die lila, die was prachtig. Coba zou vast een
+gilletje geven van plezier.
+
+En zoo was ze tegelijk en beurtelings dien dag zuster en vrouw en
+dichteresje en courtisane en kende haar verdeeldheid niet en begreep
+er niets van.
+
+Maar wat een dag der dagen.
+
+Luid zong ze op den weg naar Beek, die ook verlaten was en ze liep
+steigerend, ze kon 't niet laten, ze kon de heuvels vertillen voor
+een lolletje en de zon met één hand van de lucht halen en over haar
+hoofd in den Waal gooien, datti siste.
+
+De electrische tram haalde hen in en trok een lange rij dorre en
+gele bladen warrelend en schuifelend, ritselend achter zich aan,
+een lolletje Gods, datti zich wel veroorloven kon op zoo'n dag.
+
+Van Beek stegen ze naar Berg en Dal slingerend door de heuvels. En
+de heuvels waren te laag en niet steil genoeg, hoe kon je daar moe
+worden? En moe moest ze worden of ze sprong uit elkaar van kracht, in
+scherven van dichteresje en vrouw en zuster en courtisane. Bovenop
+keken ze in een dalletje met hellende zwarte en gele en groene
+rechthoekige veldjes en denneboschjes en eiken hakhout er tusschen
+op de hellingen. En daaroverheen in de vlakte, uren ver met niets
+markants er in, alleen een recht brok rivier, dat breed van hen
+wegliep, tot waar i zich in een bocht verloor. Daaraan, heel klein,
+de roode afdaken van steenbakkerijen en hun schoorsteenen, hoog en
+toch verloren in de wijdte.
+
+Daar stonden ze en op eens merkten ze dat ze niets konden dan weer
+weggaan.
+
+Maar 's avonds in bed kon ze niet slapen, in haar hoofdje wilde de
+helderheid niet wijken. Ze doorleefde den heelen dag telkens opnieuw en
+zag alles weer heel duidelijk. En in eens werd 't onder haar schedel
+als de zon zelf: "Ik houd van hem. Ik kan niet anders. Ik wil. God
+sta me bij." Ze ging uit bed en dronk haar karaf achter elkaar leeg.
+
+Den volgenden ochtend zat ze in haar pon op den rand van 't ledikant
+en keek naar haar enkels en prakkizeerde: "'t Zal wel zoo zijn,"
+maar de helderheid was geweken.
+
+Hij wilde niet denken. Als een net en degelijk heer zat i kalmpjes
+en gereserveerd in lijn twee en reed naar kantoor.
+
+"Môgge, dames en heeren." En grimmig ging i aan z'n lessenaar zitten
+en schiftte de post.
+
+
+
+
+X.
+
+
+'t Was in 't laatst van Maart toen de tijden vol waren.
+
+Den heelen dag hadden ze drukproeven nagezien, Dora en hij, heel droog
+en zakelijk. Coba logeerde met Bobi in den Haag bij een rijke nicht
+uit Indië. Zij hadden beiden eenige dagen vrij genomen van kantoor.
+
+Om vijf uur had ze thuis gegeten en daarna was ze nog even
+teruggekomen, om 't werk af te maken. Toen de schemering begon waren
+ze klaar, 't pak lag op tafel, de brief voor den uitgever lag er naast,
+er moesten alleen nog maar postzegels op.
+
+'t Was in de stad op een bovenhuis, maar het was aan den kant, er
+was een vaart voor 't huis en aan den overkant was 't weiland. Dora
+zat op een stoel voor den haard, mantel aan en hoed op en keek in
+'t vuur en dacht aan de volheid der tijden, de volheid voor haar
+heel ver af. Hij lag plat op de rustbank, tusschen 't venster en den
+haard, zoo plat dat ze hem nauwelijks zien kon in de donkere kamer,
+en keek naar 't gele licht van de straatlantaarn op 't plafond en naar
+'t roode schijnsel van den haard op de vloer.
+
+Achter 't huis was de stad en 't lamplicht in vele vensters, maar
+dat zagen ze niet, want ze zaten voòr en als Dora opkeek zag ze 't
+land, waar 't laatste licht de hooge lucht verliet, over de aarde was
+'t reeds donker.
+
+'t Dichtertje had nu van alles genoeg. Z'n boek was af, z'n gedicht
+zonder eind hatti vermoord, z'n positie in de maatschappij was een
+farce. Coba en Bobi hadden genoeg om te leven zonder hem, God zou
+hen troosten, de tijd heelt alle wonden. Dat was een wandtekst van
+z'n tante in Velp.
+
+'t Was lente. Het leek nog winter, maar 't was lente. Het sneeuwde
+nog wat in die dagen, 't was nog wat koud en 't vroor nu en dan,
+maar dat was maar een aardigheidje en zoo erg niet gemeend.
+
+De dagen werden lang, om zeven uur deden de menschen de lichten aan. En
+als om half zeven de gaslantaarns werden aangestoken op de gracht,
+stonden ze daar zoo bleek en verwonderd. Dan warrelde de sneeuw er wat
+om heen in kleine voorjaarsvlokjes en smolt voor dat ze op straat viel.
+
+En ze dachten beiden aan de zomerregens, die komen zouden en hun
+neuzen van niet te rangeeren bohemiens, die zichzelf niet vermoorden
+konden, rooken 't versche hooi. Hij, grimmig als de titel van z'n boek,
+"Djengis Kan," en grimmig als 't boek zelf en met de gedachte dattie
+'t niet meer ruiken zou, datti ook dit koninklijk abandonneerde, zij
+vol vaag verlangen en zoo bewogen in haar hart. Haar handen vouwde
+ze op haar rok waar die gespannen stond tusschen haar knieën. Die
+hield ze van elkaar en zoo zat ze, voorovergebogen, op haar stoel.
+
+De koeien waren al in 't land geweest, op een zonnigen dag hadden
+zij ze gezien. Het land had de koeien direct herkend en ze stonden er
+heel vertrouwelijk in en de zon was er blijde om geweest. Naderhand
+waren de dagen weer kouder geworden en de koeien moesten zoo lang
+weer binnen. Maar de hagel kon de lente niet tegenhouden.
+
+De berkestammen waren toen zilverwit, maar mooier dan zilver. De taal
+is armoedig, doodarmoedig. Die de werken des Vaders kent, weet dit.
+
+De weilanden leken minder verzadigd van water, de landen werden
+gemest, de zon steeg hooger en was trager in 't zinken. En Dora
+dacht hoe de zon groot, rood en koud had gestaan in December, laag
+boven de kim, om vier uur en verging in een kouden nevel en verdween,
+zwak en weerloos. Maar dat was lang geleden. En hoe in den winter de
+menschen om vier uur hun lichten aandoen en hopen dat 't nog weer
+eens dag zal worden. Maar nu wist ze al weer zeker dat de zon zou
+opkomen den volgenden morgen. En dan, wat dan nog?
+
+Ze spraken nog altijd niet.
+
+Hij dacht aan den tijd toen i gewerkt had, wat men noemt "hard
+gewerkt." En hoe z'n familie gezegd had, datti wijzer begon te
+worden. En datti eens had geklaagd, datti 't zoo erg druk had en
+dat allerlei dingen op kantoor tegenliepen en hij er 's nachts van
+droomde. En dat toen z'n tante had gezegd: "Ja jongen, de ernst des
+levens." Ze zou vast z'n boek lezen, hopen op een presentexemplaar,
+wachten of 't in de portefeuille zou komen. En er van willen schrikken,
+maar dat niet durven als allerlei menschen 't geprezen hadden. Hij
+zag zichzelf al circuleeren in de portefeuille in Velp, 't was wel
+de moeite waard.
+
+"En wat dan nog?" dacht Dora. De sneeuw had ze weer zien smelten en
+de knoppen wat grooter worden. En daarna werden de kruinen van de
+hooge boomen alom bruin.
+
+Het leek haar alsof ze dit heel lang geleden ook zoo gezien had, met
+haar handen gevouwen op haar rok, de knieën wijduit, voorovergebogen
+op haar stoel.
+
+De zon scheen weer, ze zag de huizen in 't licht en de boomen en den
+gouden schijn in 't water. Den treurwilg zag zij gelen, zijn takken
+hingen, ze trokken naar 't water, in doodstille gele aanbidding hingen
+ze er stom boven en zagen 't gele licht in den vijver. De wollige
+witte wolken zeilden in den vijver, ze schoven voor den blauwen hemel,
+maar dekten hem niet. Zoo staan de treurwilgen in de stad in de vroege
+lente, materialisatie Gods tusschen de klompige huizen, die zoo hoog
+zijn, en ze wekken 't verlangen, dat geluk is en verdriet. Je komt den
+hoek om, een abjecten goren hoek bij een haringstalletje, dat stinkt
+naar gemarineerde haring en op eens gaat een slag van je oogen naar
+je hart, je ziet 't goud neerstorten als een zee en je staat en een
+klein jongetje veegt z'n neus af met den rug van z'n hand en roept:
+"Kakmadam." Dat is Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, in 't
+vroege voorjaar.
+
+'t Was nu bijna nacht. De kolen in den haard rommelden plotseling,
+vlammetjes schoten uit en hun licht was in de kamer.
+
+"Dora," zei hij in eens, "hoe vind je Penning?" Penning was ook
+een vrind uit z'n jeugd. Jaren lang hatti 'm niet gezien, hij wist
+alleen datti ingenieur was geworden. En nu voor veertien dagen hatti 'm
+ontmoet en hij was een paar maal komen oploopen, terwijl ze bezig waren
+met de drukproeven en had dan telkens een uurtje zitten praten. Hij
+was een groote, frissche jongen, aardig op weg om carrière te maken
+en toch buiten z'n werk nog heelemaal een jongen. Hij had verteld
+datti over enkele maanden voor een jaar of wat naar Zuid-Amerika zou
+vertrekken om ergens iets uit te baggeren of een pier te leggen of
+iets dergelijks. 't Dichtertje hattem ook een keer meegenomen naar
+z'n schoonmoeder, die dadelijk erg met 'm ingenomen was. Em hield
+niet vannem.
+
+"Hoe vind je Penning?" "Gaat nogal," zei Dora absent. Stilte. In
+'t schijnsel van de straatlantaarn op 't plafond zag je de schaduwen
+van de sneeuwvlokjes die nu wat grooter vielen.
+
+"Komende maand trouwt Em." Ze keek op. Wat praatte-n-i weer raar,
+hij leek wel Bovenkerk met Em. Ze gaf geen antwoord.
+
+Als een lang vergeten ding zag ze in eens een breede rivier voor
+zich, die naar zee stuwde. Zijn golven stuwden 't zonlicht naar zee,
+maar het water en het licht waren zonder einde. Op een blauwe en
+gouden baan trok een klein sleepbootje een langen sleep. Nietig was
+'t bootje, zijn pijp stak heel klein de lucht in, de rook was gering,
+z'n schor geroep ging verloren in de ruimte. Uren en uren ging dit
+door het water, tusschen de velden onder de ontzaggelijke lucht.
+
+En ze zag een langen weg vol stof en zon en verlatenheid. En weer wat
+anders: een weide, eindeloos, en een laan van hooge boomen, er in de
+zon, van terzij, al wat lager en alles vol van levend goud en blauwe
+lucht. En toen: een rivier, wat in de diepte, donker al in 't Oosten,
+in 't Westen stierf de dag, geel eerst, vol droevig, bleek groen er
+boven, de dag die niet sterven wilde, de duisternis die machtig steeg,
+van de landen in het Oosten steeg in de lucht en machtig trok naar 't
+Westen, daar was de rivier rood en schreide en wilde 't licht houden,
+'t licht dat blijven wilde. Zoo vloeide de rivier, met 't licht naar
+de zee, die ze niet zag.
+
+Toen zei hij "Penning komt om jou". Ze schrok, 't Duurde even voor
+dat ze begreep wat ze had hooren zeggen.
+
+"Luister goed Dora, neem hem. Hij zal je vragen, ik weet 't. Neem hem,
+trouw met 'm. Verval niet aan de kunst of iets dat er op lijkt."
+
+Ze zat zoo als ze gezeten had. Alleen haar hoofdje hield ze wat
+hooger, ze keek naar 't venster, dat donker glansde, met ergens
+enkele gele stipjes er in, van 't licht van den straatlantaarn. Een
+van de spaarzame groote sneeuwvlokken raakte 't glas en smolt. Ze
+begreep niet.
+
+Hij legde zijn hand om haar gevouwen handen, z'n vingers raakten
+de hare in hun geheele lengte. Toen steeg zoo een wild verlangen
+uit haar lijf naar haar hoofdje met haar bloed, dat al haar kleeren
+haar onverdragelijk waren, één oogenblik. Maar ze stond kalm op, één
+hand hield ze op de leuning van den stoel. "Ik trouw niet". Ze zei 't
+alsof ze vertelde dat de boekhouder z'n ontslag had genomen. Alsof hij
+niets gezegd had, kwam hij van de bank af. "Hier" zeidi, "wil je dien
+sleutel meenemen? Die is van de straatdeur. Bonger zou tegen tienen
+bij jelui komen om 'm te halen. Hij zou vannacht hier slapen. Hij
+moest vandaag van z'n kast af en kan pas morgen op de de nieuwe. 'k
+Had 'm gezegd dat ik niet zeker wist of ik thuis zou zijn."
+
+"Ga je dan nog uit?" Ze was nu volkomen rustig, voelde op tafel naar
+de lucifers en stak 't gas aan. Hè, ze konden nix zien. "Ga je dan
+nog uit?" Hij haalde z'n schouders op. "Misschien." Ze keek 'm strak
+aan, maar aan z'n gezicht was nix byzonders te merken, zóó had hij
+de laatste dagen dikwijls gekeken, als i een goede plaats oplas uit
+"Djengis Kan" en ze even opzag van 't nakijken.
+
+Hij bracht haar tot de trap.
+
+"Dag Ee, tot morgenavond bij moe". Hij drukte haar hand. "Dag Dora,
+au revoir camarade." Even hoorde ze iets in z'n toon, dat er altijd was
+als i vertelde wat z'n tante had gezegd. Gek was dat. "Nou dag". "Dag
+hoor," riep i haar na, alsof i een meisje van zestien jaar nadee. Toen
+sloeg de deur dicht.
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Ze stapte hard door, moest telkens uitwijken voor de plassen. Het
+sneeuwen had bijna opgehouden, de natte vlokken die nog vielen
+warrelden langzaam naar beneden, een enkele viel op haar gezicht,
+dat deed haar goed. In 't licht van een lantaarn zag ze de dikke
+knoppen aan een van de kleine kastanjeboompjes op de gracht, met
+glinsterlichtjes waar ze 't dikst waren.
+
+Een gele, rechte streep licht was op den stam van boven naar beneden.
+
+Wat was er eigenlijk gebeurd? Alweer een plas, wat leek die diep met
+de weerspiegeling van de lucht er in, de weerschijn van een ster
+pinkte in een opening tusschen de wolken. Duizelig zou je er van
+worden van aldoor zoo in die plassen te kijken, loopende. Ze kende
+een sentimenteel Duitsch liedje van 't geluk dat "Jenseits der Sterne"
+was. Of misschien diep in zoo'n plas, heelemaal onderaan. Malligheid,
+der stond mogelijk geen centimeter water. Haar dag zou ook komen. Ze
+wou. Wat wilde ze? Kon zij iets willen?
+
+Fijn, zoo alleen te loopen in den avond en je gedachten te laten
+komen en gaan en weer komen. En daar ze een dichteresje was citeerde
+ze Perk, terwijl ze op zij stapte voor weer een plas en haast in een
+andere trapte: "Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden."
+
+De natte, zoele wind sloeg om haar heen, ze haalde diep
+adem. "Makkelijk praten". Waarachtig, daar liep ze bijna tegen een stel
+aan, dat onder een lantaarn stond te zoenen. En in eens voelde ze zich
+dame: "Wat een vulgair stel". "Der minnen vruchten ic u mildelijck
+gaf, Maer een ewich zuchten houde ic daer af". Weg was de dame, toch
+bloosde ze in haar eentje onder de donkere lucht om die "vruchten",
+die ze gegeven zou hebben. En in eens herinnerde ze zich dat gevoel,
+dat ze zooeven gehad had, God, nog geen tien minuten geleden, dat
+al haar kleeren haar onverdraaglijk waren. Ze voelde haar wangen
+branden. "'t Zal niet zijn." Meteen stond ze op haar stoep. Half acht.
+
+"Dag moe, ik kom direct beneden".
+
+Maar toen ze op haar kamer was en hoed en mantel had afgegooid, toen
+werd haar duidelijk wat er zooeven gebeurd was. Een groot gevoel van
+verlatenheid en dat 't leven de moeite niet waard was kwam in haar
+hoofd. Ze begreep zichzelf niet.
+
+Waarom had ze niet z'n hand gepakt en gezegd: "Ik houd van jou". Waarom
+wilde ze niet, wat ze zoo erg wilde? Wat kon haar gebeuren, erger
+dan deze dood levend om te dragen? Waarom was ze? Waarom moest ze
+ongezoend dood gaan? Niet zoo maar 's gezoend, maar heel erg. Ze
+gloeide overal, haar hart werd groot. Ze maakte haar goed open voor
+den spiegel en bekeek haar borsten, zoo wit in haar zwarte japon en
+hield ze op haar beide handen.
+
+Rein en onaangeraakt was zij. Ook een lolletje. En in haar groote
+verwarring bad ze, dat God haar onteeren zou. "Zou ik gek worden?"
+
+Haar manteltje gleed van 't bed met een slag. Dat was de sleutel. Een
+gedachte schoot door haar hoofd als een vlam: "hij had afscheid van
+haar genomen, er was iets niet in orde, ze moest terug." Kalm waschte
+ze haar gezicht wat en kleedde zich weer aan. "Ik heb iets vergeten,
+over een half uurtje ben ik weer terug."
+
+Om acht uur stond ze weer voor zijn deur en schelde. Geen gehoor. Ze
+schelde nog eens en maakte toen resoluut de deur met den sleutel
+open. Nergens licht. Ze griezelde van 't leege, donkere, stille huis,
+haar hart klopte hevig, maar moedig ging ze naar boven. De deur van
+de voorkamer stond open, 't licht van de straatlantaarn scheen op 't
+plafond, 't roode licht van den haard was in de kamer. "Ee, waar ben
+je"? Wat klonk dat akelig. Ze liep door de kamers, bang en moedig. Toen
+ging ze de tweede trap op. Door een kier van de slaapkamerdeur kwam
+licht. Haastig gooide ze de deur open, bang dat ze zich omdraaien en
+vluchten zou.
+
+"Ee, wat doe je?" Hij zat heel stil op den rand van 't bed tusschen
+zijn knieën door naar 't kleed te staren. Hij stond op: "Dora". In
+dat eene woord was alles en ze hoorde 't.
+
+Toen vielen ze samen peilloos diep door 't licht en ze voelden hun
+lijven als zingende zonnen.
+
+Maar in z'n achterhoofd was een plek ijskoud en daar dacht hij:
+"Dit is de wraak, zij boet voor een wereld"...
+
+De Duivel zat in "de Kroon," in 't midden, bij een pilaar. Hij legde
+z'n dunne gouden horloge voor zich op 't tafeltje. De twee knobbels
+op z'n voorhoofd waren grooter dan ooit.
+
+"Kwart over achten. Consummatum est."
+
+Iemand tikte op z'n schouder.
+
+De God van hemel en aarde stond achter hem: "Consummatum est, ga mee
+en zie."
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Om half elf vonden hem Bonger en Graafland. Bonger had den sleutel
+bij z'n schoonmoeder gehaald.
+
+Geheel naakt stond hij in 't midden van de kamer. Z'n linkerarm hing
+langs z'n lijf, de vuist was gebald, de rechterarm was geheven en wees
+met den wijsvinger naar boven. Er was een zwakke geur van lelietjes van
+dalen, op den grond lag een blauwe haarspeld. 't Bed lag in wanorde.
+
+"Eduard" riepen ze beiden tegelijk.
+
+"Ik ben God", zeidi. "Ik ben meer dan God. Ik ben de onwrikbare, de
+onbarmhartige. Ik ken geen goed of kwaad. Ik doe wat ik moet. Wat ik
+doe is goed."
+
+Bonger nam een laken van 't bed en trad op hem toe.
+
+"Ga weg", zeidi en deed een stap achteruit.
+
+Bonger bleef staan.
+
+"Zei ik, dat ik God was? Ik ben 't eeuwige leven. Ik ben de
+vruchtbaarheid. God heeft me gezonden. Bedek me niet".
+
+Weer stapte hij achteruit.
+
+"Bedek me niet. Ik ben de vruchtbaarheid. Breng alle vrouwen hier,
+alle jonge vrouwen. Alle zeg ik. Ik ken je wel. Jij bent Bonger,
+die andere is Graafland. Ik ken jelui wel. Leg dat laken op bed. Zij
+moet er op liggen. Leg haar er op, de eerste, heelemaal naakt. De
+anderen hoeven niet weg te gaan. Ze moeten zien. Je kunt gaan Bonger,
+en jij ook, Graafland".
+
+Bonger legde z'n hand op z'n schouder. "Sta stil, doe je arm omlaag".
+
+De arm zakte en Bonger sloeg 't laken om hem heen. "Ga op dien stoel
+zitten". Hij ging zitten. Graafland zocht z'n kleeren bij elkaar,
+van 't bed, van de stoelen, van den grond.
+
+"Kleed je aan".
+
+Toen trok hij gedwee en langzaam al z'n kleeren aan.
+
+
+
+'t Dichtertje is nu dood. Die lui daar in Delft of Oldenzaal hebben
+schitterend gelijk gekregen. Hij was vast nooit goed bij z'n hoofd
+geweest.
+
+Z'n boek is driemaal herdrukt, z'n verzamelde gedichten zijn uitgegeven
+met een inleiding, van meneer Scharten of een ander. 't Fretje, dat 't
+gebracht heeft tot financieel redacteur van de Provinciale Arnhemsche
+en Geldersche Courant vertelt overal, dat i met 'm op school geweest
+is. En alsi in Amsterdam komt, wat nog al eens gebeurt, dan schiet
+i Bonger aan en begint telkens weer een gesprek over 't dichtertje
+en z'n werk en doet erg zwaar op de hand en vertelt datti naast
+'m heeft gezeten op school.
+
+Coba is zachtzinnig en vergevingsgezind en natuurlijk, zooals ze
+altijd geweest was. Ze is godsdienstig geworden zonder wandtext
+en gaat iederen Zondag naar de Nederlandsch Hervormde kerk aan den
+Boezemsingel, want ze woont in Rotterdam, als straf omdat ze wel eens
+met een ander heeft gecoquetteerd toen ze getrouwd was. Zachtzinnig
+en vergevingsgezind denkt ze er aan, hoe zij ook langs den rand van
+den afgrond is gegaan.
+
+Dora is een "ongehuwde moeder". Zij is op kantoor in Rotterdam, haar
+baas kent haar geschiedenis en veracht haar niet, integendeel. Wat
+iets heel bizonders is voor een Rotterdammer.
+
+En ik denk dat om dezen éénen man deze wanstaltige stad mogelijk nog
+gespaard zal blijven op den grooten dag. Wat weer een nadeel is.
+
+Ze woont met haar kindje bij Coba en Bobi en gaat rechtop en trotsch
+en zwijgend door haar leven. Ze wil staatsexamen doen en dan in de
+rechten gaan studeeren van 't geld van haar pa, die dood is. Vooral
+niet in de letteren. Werken wil ze en niet denken. Maar ik geloof niet,
+dat zij zich zelf zal kunnen vermoorden. Zij die God werkelijk lief
+heeft boven allen, moeten de last daarvan dragen tot het einde.
+
+
+ Juni-Juli 1917.
+
+
+
+
+
+
+DE UITVRETER.
+
+
+I.
+
+
+Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond,
+heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.
+
+Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen,
+als je 's avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren
+oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je
+kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen op-droeg en een
+jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. Den uitvreter,
+die altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als een
+vorst jenever zat te drinken op 't terras van "Hollandais" voor de
+centen van de lui; die parapluies leende en nooit terugbracht; die
+een barst stookte in de tweede hands kachel van Bavink; die dubbele
+boorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van Appi, en
+buitenlandsche reizen maakte als-i z'n ouwe heer weer had afgezet,
+en pakken droeg, die hij nooit betaalde.
+
+
+
+Z'n naam was Japi. Z'n achternaam heb ik nooit geweten. Bavink kwam
+met hem aanzetten toen-i uit Veere terugkwam.
+
+Een heelen zomer had Bavink in Zeeland geschilderd. In Veere had-i Japi
+voor 't eerst gezien. Japi zat daar maar. Bavink had al enkele malen
+gedacht: wat is dat toch voor een kerel? Niemand wist 't, altijd vond
+je hem ergens aan den waterkant. Daar zat hij maar, uren achtereen,
+onbewegelijk. Om twaalf uur en om zes uur ging i voor een uurtje naar
+binnen om te eten; de rest van den dag zat i. Dat duurde een week of
+drie; toen zag Bavink hem niet meer.
+
+Een paar dagen daarna kwam Bavink van Rotterdam. Af en toe had hij
+behoefte om veel menschen om zich heen te zien. Hij had enkele
+dagen in Rotterdam langs de havens gesjouwd en had er meer dan
+genoeg van. Aan boord van de boot tusschen Numansdorp en de Zijpe,
+daar zat i weer. Het woei nog al, dien ochtend; er stond een flink
+koudje wind en het water liep met witte koppen. Af en toe spatte
+'t op 't voorschip over de verschansing. De glazen tochtdeuren op 't
+voordek waren dicht; op 't voorschip zat niemand. Alleen Japi zat daar,
+tuurde over de verschansing en werd deerlijk nat. "Kijk," dacht Bavink,
+"daar heb je waarachtig diezelfde kerel." Hij ging bij hem staan. De
+boot rolde en steigerde. Japi zat op z'n bankje, hield z'n pet vast en
+liet zich nat worden. Het duurde nog al wat, voordat i merkte, dat er
+iemand bij hem stond. "Lekker weertje, meester", zei Bavink. Japi keek
+'m aan met z'n groote blauwe oogen en hield aldoor z'n pet vast. Meteen
+kwam er een plons water over boord, de droppels stonden op z'n gezicht.
+
+"Nogal", zei Japi. Met een plof kwam 't voorschip op 't water neer
+en stootte. Een heer trachtte tevergeefs de deur van den glazen
+salon open te maken, waar de wind op stond. "We zijn mooi op tijd",
+zei Bavink, om wat te zeggen. "Zoo?" zei Japi, "ik weet van geen tijd."
+
+'t Gesprek hokte wat. Japi keek in de golven. Bavink keek naar de
+grijze pet van Japi en dacht wat dat toch voor een kerel zou zijn. In
+eens zei Japi: "kijk eens, een regenboog in 't water." Je kon in 't
+water een eindje regenboog zien, aan de lucht stond niets. Nog eens
+keek Japi Bavink met z'n groote blauwe oogen aan en werd plotseling
+spraakzaam.
+
+"Ik vind 't hier verdomd leuk", zei-i, "'t is jammer, dat 't zoo niet
+altijd blijft." "Over een uurtje zijn we aan", zei Bavink.
+
+"Moet u naar Zierikzee?" vroeg Japi.
+
+"Dat wil zeggen", zei Bavink, "ik ga vanavond door naar Veere." "Zoo",
+zei Japi, "is u daar gelogeerd?"
+
+"Ja, daar ben ik gelogeerd en is u niet die heer uit Amsterdam, die
+altijd maar aan den waterkant zit?" Toen moest Japi lachen en zei:
+"Ik zit nog al eens aan den waterkant, altijd is een beetje sterk. 's
+Nachts lig ik op m'n bed, ik heb een uur noodig om me aan te kleeden
+en te ontbijten, een half uur zit ik aan mijn lunch en om zes uur moet
+ik weer eten. Maar ik zit nog al eens aan den waterkant. Daarvoor kom
+ik naar Zeeland. Ik maak me nog veel te druk. Van de week ben ik naar
+Amsterdam geweest. Ik moest wel, m'n centen waren op."
+
+"Is u Amsterdammer?" vroeg Bavink. "Ja, Goddank", zei Japi. "Ik
+ook", zei Bavink. "U schildert niet?" vroeg Bavink. Het was een
+rare burgermansvraag, maar Bavink dacht aldoor maar: wat zou dat
+toch voor een kerel wezen? "Nee Goddank", zei Japi, "en ik dicht ook
+niet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddank
+heelemaal niks."
+
+Dat kon Bavink wel bekoren.
+
+Het schip steigerde, kwakte, rolde en slingerde; het water spatte
+en plenste over de verschansing; niemand anders was aan dek te
+bekennen. Vóóruit was het water onafzienbaar, vol witte koppen, de
+schaduw van een groote wolk was een drijvend eiland; heel in de verte
+voer stampend een zwarte vrachtboot voor hen uit. "Kijk", zei Japi,
+"de ""Stad Gent."" Je zag in de verte het water aan weerszijden van
+de boeg hoog opvliegen; om de schroef zag je het woelen en bruisen en
+schuimen. Hol liepen de golven met scherpe kammen, groen en blauw en
+geel en grijs en wit, al naar de diepte en de weerspiegeling van de
+wolken, nergens en geen oogenblik 't zelfde. Een klein sleepbootje
+sleepte een aak en twee tjalken.
+
+"Nee", zei Japi, "ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog
+veel te veel. Ik ben bezig te versterven. Het beste is, dat ik maar
+stil zit, bewegen en denken is goed voor domme menschen. Ik denk ook
+niet. 't Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en
+nacht blijven doorzitten."
+
+Bavink begon 't geval interessant te vinden. Hij knikte maar. Nog
+altijd hield Japi z'n pet vast met z'n rechterhand, z'n rechterarm
+steunde op de verschansing. 't Woei zoo hard, dat Bavink z'n hand
+opzij van z'n neus moest houden om adem te halen. Japi zat daar maar,
+alsof hij thuis was. Toen vertelde Japi dat i van plan was, nog enkele
+weken in Veere te zitten, tot zijn geld op was.
+
+Schilderen leek 'm wel aardig, als je 't goed kon. Hij kon niks, en
+daarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo weergeven als
+je ze onderging. Hij had maar één wensch: te versterven, onaandoenlijk
+te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je groote
+vijanden. Eeuwig en altijd moest je weer eten en slapen, moest je
+weg van de kou, werd je nat en beroerd of moe. Zoo'n waterplas heeft
+'t maar goed, die golft maar en weerspiegelt de wolken, is aldoor
+anders en blijft toch gelijk. Heeft nergens last van.
+
+Al dien tijd stond Bavink schrap in den wind op z'n stok geleund en
+knikte Japi maar toe. Dat is zoo mal nog niet, dacht i. En droogjes
+weg vroeg i, of Japi ook door ging naar Veere. En zoo kwam 't gesprek
+op Zierikzee, op Middelburg, op Arnemuiden en al die oorden, waar ze
+allebei uit en te na hadden rondgeloopen en gestaan en gezeten. Want
+Japi had van z'n leven toch ook nog wel iets anders gedaan dan in
+Veere aan den waterkant gezeten. En toen merkte Bavink al gauw dat
+Japi niet alleen loopen en staan en zitten kon, maar kijken ook. En
+boomen honderd uit. En toen ze samen aan de Zijpe aan wal stapten, toen
+wees Japi naar 't Zuidwesten, naar den dikken toren van Zierikzee die
+heel flauwtjes aan den horizon zichtbaar was en zei: "Dikke Jan, die
+oue geduldige dikke Jan, hij staat er nog. Ik dacht 't wel. Ja hoor,
+hij staat er nog." En toen vroeg Bavink of i altijd zoo'n lol had en
+toen zei Japi: "Ja", meer niks. En toen ze in Zierikzee arriveerden
+en uit de tram waren gestapt toen liet Japi zijn zoolen klepperen
+op de heete keien van een of ander schaduwloos straatje dat maar
+bakte en bakte in de zon en rekte zich uit en zei dat 't leven toch
+verduiveld lollig was. En toen dreigde i de zon met z'n wandelstok
+en zei: "Zoo'n zon toch, hij schijnt maar, maar i daalt, hij rijst
+niet meer, 't is over twaalven, hij moet onder; van avond is 't weer
+koel. De lui zouden raar kijken als i niet daalde. Lekker warm hé,
+mijn goed plakt aan mijn lijf. De zeelucht stoomt mijn boordje uit."
+
+En toen bleek dat je dat versterven niet zoo letterlijk moest nemen.
+
+Aan tafel was Japi meer dan spraakzaam. Hij praatte voor drie, at
+voor zes. "Die zeelucht graaft", zeggen ze in Veere. Hij dronk voor
+zes anderen en zong 't heele liedje van de Nancy Brig. Kortom hij
+was zeer bedrijvig en luidruchtig, en Bavink dacht dat zoo'n kerel
+goud waard was.
+
+En dat was i. 's Middags nam i Bavink mee naar de singels en liet
+'m driemaal Zierikzee rond loopen. Z'n mond stond niet stil en z'n
+wandelstok wees maar en als de Zierikzeeënaars bleven staan en keken,
+dan ging i op ze af en sprak ze aan met "jongeheer" en vroeg of ze
+wel gezond waren en klopte ze op den schouder, dat Bavink zijn zijen
+hield van 't lachen. Dat kon Japi goed: met 't welwillende beschaafde
+Hollandsche publiek afrekenen, dat niemand duldt die er niet minstens
+even dom en smakeloos uitziet als zij, en hoont en hardop over je
+praat alsof niet zelfs op 't kleinste dorp sedert eeuwen dominees
+en pastoors bezig zijn 't volk op te voeden. Japi was een kerel als
+een karrepaard en sloeg er op in als 't moest met een kracht en een
+bedrevenheid waartegen de plompste kinkel 't moest afleggen. Zoover
+kwam 't in Zierikzee niet. De Zeeuwen zijn de beroerdsten niet. Japi
+placht te zeggen: "'t Eenigste wat me spijt is dat je op Walcheren
+niet eens af en toe een relletje hebt."
+
+
+
+
+II.
+
+
+Twee dagen sjouwden Bavink en Japi in Veere rond en toen jijden
+en jouwden ze elkaar al. Urenlang zaten ze samen op 't dak van 't
+Hospitaal en keken over Walcheren, over de Kreek en 't Veergat en den
+ingang van de Oosterschelde en de duinen van Schouwen. En daar had
+je dikke Jan ook weer, den toren van Zierikzee, nu in 't Noorden. En
+daar had je Goes en Lange Jan, den toren van Middelburg, de spil van
+Walcheren, het hart dier wereld. En 't tij kwam in en 't tij ging uit;
+'t water rees en viel. En iederen avond kwam de manke havenmeester en
+maakte eerst 't groene lichtje aan op 't Noorderhoofd, de palenwering;
+en dan kwam i daar af, dan moest i om 't heele haventje heen en dan
+zag je 'm weer bij den toren en dan maakte i het houten hek open en
+klom de houten trap op en stak ook 't licht aan den toren aan. En dan
+zei Japi: "alweer een dag, meester", en dan zei de manke havenmeester:
+"Ja mijnheer, al weer een." En als je dan naar den kant van Schouwen
+keek dan zag je 't draaiende licht aan en uitgaan. En een uur weg
+naar zee lag de lichtboei en scheen en doofde. En 't water klotste
+en rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zag
+door 't Noorden. En 't laatste licht van den dag schoof mee door 't
+Noorden en werd 't eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte
+de eene dag aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is.
+
+Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om z'n
+as en vervolgde z'n baan om de zon en had er geen weet van. Maar
+de menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet door
+de dagen, alsof 't zonder die moeite, die zorg en dat verdriet geen
+avond zou worden.
+
+Japi wist wel beter. De zon kwam van zelf wel weer bij de Walchersche
+duinen in zee terecht. Maar Bavink had 't bij tijden leelijk te pakken.
+
+Bavink was een kerel, die gemeenlijk hard werkte. De menschen dachten
+dat i nog al wat kon. Hij lachte er om. Als i niet moest verkocht i
+niets; zijn beste werk zette i weg, keek er niet meer naar om, altijd
+ontevreden. Zoolang i werkte ging het goed, als i klaar was hatti er
+pijn van; bij tijden was i dood op. Als de menschen wisten hoe i de
+dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk,
+om zijn akelige knoeierige reproductie dier heerlijkheid. Bavink
+had heele tijden dat i niets deed, zich maar liet gaan, lekkertjes
+de dingen aankeek en er doorheen sukkelde, 't prettig vond dat de
+boel zoo "verdomd mooi was", zooals i dat zei. Dat i pijn in zijn
+schedel voelde als i dacht aan al zijn vergeefsche pogingen, aan
+zijn "verdienstelijke werk." Verdienstelijke werk! Spuwen moest i
+als i er aan dacht. "Verdienstelijke werk", zeiden ze. Ze wisten er
+wat van. Je kon wel merken dat de dingen hen niet te grazen hadden
+genomen en door elkaar geschud zooals hem.
+
+Hij wou dat i 't schilderen maar laten kon, maar dat gaat ook maar
+zoo niet; als 't er in zit wil 't er uit. En dan begon de marteling
+weer, werken, werken dag en nacht, daags schilderen, 's nachts er
+over piekeren, er bij blijven, doorwerken, zorgen dat je de dingen nu
+goed vasthield. Dan sliep en at i nauwelijks; in 't begin rookte i dan
+enorm veel sigaren achter elkaar maar na den eersten dag hield dat ook
+op. Dan had i oogenblikken van 't hoogste geluk zooals zelfs het loome
+wegzinken in al dat "lekkere mooi" hem niet geven kon. En dan kwam die
+kijken, en die, en dan stonden ze met hun tweeën, met hun drieën, met
+hun vieren achter hem en keken en knikten en wezen. En dan ineens was
+'t uit. Dan zei i: "Verdomme", en ging op zijn brits liggen en liet
+een klein spatje jenever halen, en deed niets meer. Dan werd na een
+paar dagen het doek bij de rest gezet. De dagen die daarop volgden was
+i ellendig, moe, miserabel, onvatbaar, ziek, en ging i weer "sloffen"
+zooals i dat noemde: niets doen, luieren, rond loopen. Als i centen
+noodig had dan haalde i 't een of ander uit de "vullis", dan zocht
+i een "doekje" uit waarvoor "ze wel 't een of ander zouden geven",
+en dat verkocht i dan. Niemand kon 'm van die manieren afbrengen. Hij
+was nu eenmaal zoo. Z'n kracht en zijn zwakte hoorden onverbrekelijk
+bij elkaar. En als i wat had verkocht dan stopte i de centen los in
+zijn zak, dan rammelde i met de guldens en riksdaalders, dan liep i
+in de Kalverstraat een liedje te fluiten. Dan groette i joviaal met
+zijn hand boven zijn hoofd als je 'm tegen kwam.
+
+Dan kwam i vertrouwelijk bij je staan, liet je geheimzinnig de "spieën"
+zien, lachte hardop en zei: "De stakkers toch hè?" Papier nam i nooit
+aan: daar kon je niet mee rammelen. Goud moest i hebben en zilver,
+en als 't 'm te veel werd "kwam i de rest later wel eens halen."
+
+Dat was Bavink; en je begrijpt dat een heer die zich oefende
+in 't versterven hem degelijk interesseerde. Daar kon i wat van
+leeren. Zoo'n kerel die 't prettig vond om zich te laten uitwaaien,
+zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den natten zouten
+wind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien zeesmaak zoo
+"verdomde lekker" vond; die 's avonds aan zijn handen zat te snuffelen
+om de zee op te snuiven. Zoo'n kerel die tevreden was omdat i bestond
+en gezond was en genoegerig zich bewoog tusschen Gods hemel en Gods
+aarde, en 't dwaas vond dat de menschen zich zooveel moeite gaven,
+en hardop om ze lachte en die eeuwig met een besten glimlach zich
+stilletjes zat te verheugen in 't water en de lucht en de wolken en
+'t veld en zich doornat liet regenen zonder 't te merken en dan zei:
+"ik geloof dat ik nat ben", en lachte. Een kerel die smakelijk duur
+kon dineeren en smakelijk dure jenever wist te drinken als de eerste
+in Nederland, en op andere tijden op marsch (want i zat niet altijd,
+hij was af en toe dagen op de been) dag in dag uit droge fijntjes at
+en tot tranen toe bewogen was omdat in 't veld "zoo'n brokkie brood
+zoo lekker smaken kon."
+
+En als Bavink werkte dan zat Japi er bij in 't gras of binnen,
+omgekeerd op een stoel en rookte. En als ze binnen waren dan had Japi
+een tweede stoel erbij slaan met een borreltje er op, waar i af en toe
+de hand naar uitstak. En hij hield Bavink aan den gang. Tegen niemand
+anders had Bavink ooit een woord gezegd als i werkte; met Japi sprak i.
+
+"Wat duvel", zei Japi, "'t dondert toch niet of 't goed is, je doet wat
+je kunt, je bent nu eenmaal een stakker. Je moet schilderen. Je kunt
+'t toch niet laten. 't Hindert immers aan de dingen niet of jij ze nou
+niet heelemaal zoo krijgen kunt als ze zijn. En de lui, die snappen
+er toch niets van. Van de dingen niet en van je werk niet en van jou
+niet. Ik kon mijn tijd toch ook een boel beter besteden dan hier te
+zitten zuipen en naar die verfboel te koekeloeren. Word ik er minder
+van?" "Neen, dat deugt niet", zei i dan, "veel te blauw; je weet toch
+wat we gisteren afgesproken hebben? Veel te blauw, kerel. Denk je dat
+'t je zoo zou aangepakt hebben als 't die rare blauwe kleur had?"
+
+Japi was goud waard voor Bavink. Bavink sleepte 'm overal mee. Bavink
+heeft Japi gemaakt tot wat i was, toen Bavink in Amsterdam met hem
+kwam aanzetten.
+
+Japi was al heel gauw erger dan schraal bij kas. Voor geen geld ter
+wereld had Bavink hem laten gaan. Japi moest maar zelf in de "vullis"
+gaan zoeken. En dat vak verstond Japi gauw. Nooit had "de belt" zoo
+gerendeerd. En sedert betaalde Bavink alles of bijna alles. Af en
+toe kreeg Japi een klein beetje geld van huis gestuurd. Maar dat was
+de moeite niet, want bij tijden leefden de heeren als kapitalisten;
+als ze een bui kregen gingen ze voor een paar dagen naar Amsterdam,
+naar Brussel, naar Parijs, naar Luxemburg; veertien dagen zaten ze
+in Normandië. Japi sleepte geregeld een klein beltje mee: een "jonki
+van den grooten belt", zooals hij dat noemde. In Frankrijk en België
+klampte i de menschen op straat aan, schelde aan de huizen. Van niemand
+anders zou Bavink 't geringste van dien aard hebben geduld. Maar
+niemand anders verstond de kunst Bavink in 't leven te houden, zooals
+Bavink zei. Z'n conversatie was onuitputtelijk. En een geheugen hatti
+voor landschap dat aan 't wonderbaarlijke grensde. Langs de spoorlijn
+van Middelburg naar Amsterdam kende i alles, elk veld, elke sloot,
+elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in Brabant,
+elken wissel van 't spoor. Als je uren in donker had gereden en Japi
+had al dien tijd geslapen languit op de bank en je maakte 'm wakker
+en je vroeg: "Japi waar zijn we?" dan moest je even wachten tot i
+goed wakker was en dan lag i even te luisteren naar den klank van 't
+rijden en dan zei i: "Ik denk dat we bij Etten-Leur zijn." En dan kwam
+'t uit ook. Hij kon je precies vertellen hoe op dien en dien dag de
+schaduw van die en die boomen bij Zalt-Bommel op die en die laan viel
+en welke schepen toen en toen langs Kuilenburg vaarden in de Lek, toen
+je met Japi over de spoorbrug reed. En dan zat i maar bij 't raampje
+in afwachting: "nu komt dit, nu komt dat". Uren lang. En als i iets
+zag dat i bijzonder goed kende dan knikte i en lachte. Of hij zei:
+"Kijk, die boom is weg"; of: "Hé, nu zitten er appeltjes aan, die heb
+ik den vorigen keer nog niet gezien." Of: "Voor veertien dagen stond
+de zon net achter de kruin van dien boom, nu staat i een eindje links
+er van en wat lager, dat komt omdat we veertien dagen verder zijn en
+we zijn ook 10 minuten te laat."
+
+
+
+
+III.
+
+
+En zoo kwamen ze met den winter naar Amsterdam en zat Japi op een
+avond op mijn kamer en rookte de eene sigaar na de andere, die voor
+'t wegnemen op mijn tafel lagen, mijn sigaren.
+
+Ik had dien avond juist den langen Hoyer op bezoek, die weer eens van
+Parijs was komen aanwaaien en nu zat op te hakken over z'n werk en
+over de meiden, met een stroohoed op, in November, en een zalmkleurige
+jas aan. Hij was bezig aan een onbegrijpelijk verhaal van een jonge
+dame en een huurkoetsier en een mandje met paling, toen we op de trap
+gestommel hoorden. 't Was in een volksbuurt, je kon gewoonlijk zoo
+maar naar boven loopen, de straatdeur stond meestal open.
+
+Bavink kwam 't eerst binnen en zei: "Hoe maak je 't kerel? ja ik
+ben 't zelf. Ha, ha, Hoyertje. Hoe gaat 't, Hoyertje, nog altijd
+een ophakker? Nogmaals hartelijk gefeliciteerd hoor. En jij ook,
+Koekebakker, dat je er lang getuige van mag wezen." In de deur stond
+Japi. Een lucht van zoutwater en gras brachten ze mee. "Kom binnen,
+kerel, kom binnen!" inviteerde Bavink, op mijn zolder.
+
+"Och mijnheer", zei Hoyer, "wees zoo goed de deur achter je dicht te
+maken." "Koekebakker", zei Bavink, "dit is Japi, een kerel waar je
+plezier van kunt beleven. Hoyer is nog even welgemanierd als altijd,
+hoor ik". "Ga zitten Japi", inviteerde Bavink en liet zich met
+een plof vallen op de eenige stoel die vrij was; "neem dat kistje
+maar." Er stond een schavotkleurige matrozenkist, daar had ik een
+schoon hemd in en de brieven van mijn zuster. "Wacht ik zal u helpen",
+zei ik. Toen schoven wij de kist bij tafel, Japi en ik, en toen zag
+Japi een leeg stijfselkistje staan van Hoffmann met een kat er op,
+daar had ik aard ingehad, maar er had niets in willen groeien. "Zie
+zoo", zei Japi "anders zit ik zoo laag." "Ik zal er maar eentje nemen",
+zei Bavink en stak een van mijn sigaren op. "Ga je gang maar Japi". En
+Japi beviel dat wel. "Wat heb je daar?" zei Bavink. Op mijn tafel lag
+"Le Lys dans la Vallée" van Balzac. "Aha, Balzac. Geen kwajongen,
+die oue heer. Dood hè? Al lang dood. Natuurlijk. Waar kom je vandaan,
+Hoyer? Wat heb je daar een mooie jas aan. Ga eens staan. Te kort,
+kerel, veel te kort". Bavink was genoegerig. "Dat weet ik potdome
+ook", zei Hoyer. "Vertel liever eens waar jij gezeten hebt. En wie
+is die heer?"
+
+En toen kwam het verhaal, met begeleiding van Japi met knikken en
+grijnzen. En af en toe ging die hand naar mijn tafel en ook Hoyer
+werkte als een fabriek en ik rookte maar niet meer. "Wacht", zei
+Bavink, "dat is waar ook." "Goeie hoor. Kamper Middelburgers, van
+Bessem en Hoogenkamp van de Lange Delft." "Bekend", zei ik.
+
+"'s Jonge", zei Japi, en zat m'n hok rond te kijken; "'s jonge, "'t
+ziet er hier gezellig uit. Waarachtig, 't is hier gezellig". Hij stond
+op en liep naar den muur. "Aha, Breitner. Heel goed. En wat hebben we
+daar? 't Is hier een beetje donker. Zoo, mijn vriend Mauve. En daar heb
+je waarachtig ons stadhuis ook." 't Was een schetsje van 't raadhuis
+in Veere. "Bavink", zei Japi, "'k geloof, dat je daar kennis aan hebt;
+ik zoek zoo een baantje, als dat niet een dingetje van jou is."
+
+"Daar kom je goed af", zei Bavink. "Dat dacht ik wel", zei Japi en
+ging weer zitten. "Nee maar, ik kom hier vast terug. Ik zit hier goed."
+
+Op dat oogenblik begon de gramophoon van den diamantslijper
+aan den overkant ter werken. "Klappen", zei Japi. En wij aan
+'t applaudisseeren. Met z'n vieren stonden we bij 't open raam en
+applaudisseerden honderd uit. Overal hoorde je op de waranda's deuren
+opengaan, de menschen kwamen buiten. Sommigen applaudisseerden mee;
+een kind begon te huilen; een hond jankte alsof binnen een maand 't
+heele blok zou komen uit te sterven. De diamantslijper hield prachtig
+vol. Een juffrouw aan den overkant riep: "Halve garen!" Een klein
+meisje schreeuwde enkele malen. "Papus", "Zeppelin!" Een jongetje
+ging op een mondharmonica spelen. "We moesten de straat maar opgaan",
+zei Hoyer.
+
+En zoo stommelden wij de trappen af. Drie- en tweehoog werd binnen
+druk gepraat. "Over ons", zei Japi. Eenhoog was niemand thuis. "Zeg
+Japi" zei Bavink op straat, "nu moest jij eens een rondje geven." "O
+ja", zei Japi, "vooruit dan maar". En zoo leerde ik Japi dienzelfden
+avond nog in zijn kwaliteit kennen. Hoyer had een theorie dat bier
+nooit kwaad kon. Wij dronken er dus zeer aanzienlijke hoeveelheden
+van. Japi had geen cent; Hoyer verdomde 't; Bavink was zat, zat
+wezenloos te staren en te beweren dat "deze heer een verdomd goeie
+kerel was en dat hij een rondje gaf (dat was Japi), en dat de kelner
+ook een verdomd goeie kerel was." Ik kwam op negentien cent; Hoyer was
+uitgeknepen. Ik besloot "'t geval" maar schuldig te blijven; de kelner
+kende me; en om één uur liepen we met z'n drieën op 't Frederiksplein
+vreedzaam te jodelen. Die centen kreeg ik later van Bavink terug;
+hij wilde met geweld hebben dat ik ze aanpakte. Japi vond 't geval
+kostelik, zat drie dagen later op den rand van mijn ledekant en liet
+zijn beenen bengelen; zei dat 't stom van Bavink was geweest om zich
+te bezatten, maar "die zaak kwam in orde." Toen hij wegging had hij
+"Le Lys dans la Vallée" te pakken.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Het was een maand later. Een veertien dagen had het wat gevroren,
+maar in 't begin van die week was 't weer plotseling omgeslagen. En
+nu was 't avond en 't stortregende. Den heelen dag had het bijna
+zonder ophouden gestortregend. Het water liep bij stralen langs
+mijn ruiten. Ik voelde me behagelijk. Ik mocht dat wel. Ik had
+geen kachel en m'n demi stond nog bij Oome Jan. Een winterjas heb
+ik nooit bezeten. Die vorst had me gehinderd: van armoede moest je
+naar bed. Anders kon ik in dergelijke omstandigheden nog wel eens bij
+Bavink terecht. Maar juist nu had die heer de aardigheid gehad om over
+dag te slapen en 's nachts bij den weg te loopen. Een heele nacht had
+ik moederziel alleen bij zijn kachel gezeten; hij had dat zoo willen
+hebben maar lollig was 't niet geweest. En nu zat ik te luisteren
+naar 't kletteren van den regen op 't dak en was blij dat 't dooide,
+hard dooide. Op tafel lag mijn brood, twee dikke pillen; mijn laatste
+bordje was den avond tevoren gebroken. En daarnaast lagen de centen:
+vier blauwe papiertjes, twee rijksdaalders, drie guldens en enkele
+centen. En in den hoek op den grond stond mijn éénvlams stelletje en
+in 't kleine keteltje begon 't water te razen. Daarnaast stond m'n
+theepot, zonder deksel, te wachten tot 't water zou koken; de thee
+was er al in. En ik zat met mijn beenen onder tafel uitgestrekt,
+met bloote voeten, in mijn hemd, mijn handen in m'n broekzakken en
+keek naar m'n boterhammen, naar m'n lieve geldje, naar de vlam van
+mijn olielamp, naar 't licht van mijn stelletje, en luisterde naar
+de regen en was tevreden.
+
+'t Was acht uur. 'k Legde m'n klokje op tafel naast m'n centen,
+'t klokje dat nu niet naar Oome Jan hoefde en zei: "Jij blijft
+voorloopig bij Oome Koekebakker, klokje", en stak m'n hand weer
+in mijn zak. Dat converseeren met m'n dingetjes was ik zoo gewoon,
+omdat je met de meeste menschen zoo weinig praten kunt.
+
+Voorloopig was ik uit den brand, 't Lieve najaar had me niet
+bedrogen. Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomen
+aan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten,
+die 't klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die den
+toren had doen zwiepen en trillen, bang onder de zwarte wolken, ik
+had ze dan eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik en
+keek er naar, naar mijn eigen geld, 't geld daar je op aan kunt,
+dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat. Doornat was ik
+een uur geleden thuisgekomen, met een brood, een half pond boter,
+twee ons boterhammenworst, een half pond suiker, een ons thee en een
+kistje sigaren, 25 sigaren van 4 cent, een rijkdom die ik sedert
+mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden. De
+boterhammenworst had ik weggezet, die was voor morgen. Ze hadden
+een kastje voor me getimmerd, naast 't raam en daar lag op den bodem
+alles op een rijtje: de boter, de thee, de suiker, de worst, al die
+dingetjes die zoo lekker kunnen wezen, als je er een tijdje af bent
+geweest. En 't aangesneden brood lag er boven, op 't plankje.
+
+En op den zolder van drie hoog hingen mijn kleeren te drogen: jas,
+vest, broek, onderbroek, overhemd en sokken. 't Water begon te koken,
+'t deksel van 't keteltje ging rammelend op en neer. Ik keek naar den
+stoom en begon plannen te maken om morgen m'n demi uit den lommerd te
+halen en voor een keer niet in 't koschere restaurant te dineeren:
+biefstuk met appies 30 cent, erwtensoep met vleesch 35 cent. En ik
+bedacht juist dat ik er wel aan had kunnen denken om een druppeltje
+drank in huis te halen, toen ik in mijn gepeinzen gestoord werd
+door een zwaren stap buiten de deur. Er rommelde iemand aan mijn
+deur. Kloppen ging niet, want mijn deur was van behangselpapier op een
+paar latten geplakt, en als je klopte ging je er door. Dat wisten de
+lui. "Zeker Hoyer", dacht ik, "die kan nooit den haak vinden." De haak
+zat van binnen maar de deur sloot niet; je kon net je vinger door de
+reet steken en zoo van buiten de deur openmaken. "Kom binnen", riep ik,
+te lui om op te staan. "Makkelijk praten", hoorde ik zeggen, "hoe zit
+dat?" "Die stem ken ik niet", dacht ik, "wie kan dat zijn?" Ik stond
+op en deed open, meteen liep een straal water over mijn hand. "Japi",
+zei de man. "Kom binnen", zei ik weer. Daar stond i; 't water liep
+van alle kanten uit zijn kleeren en van z'n hoed.
+
+"'t Regent nog al", zei Japi, "mag ik even mijn jas uitdoen? Wacht,
+dan zullen we dit eerst neerzetten." Onder z'n jas vandaan haalde i
+een pak in een Handelsblad: boeken, dat kon je direct zien, en zette
+'t op tafel. "Ziezoo, kan dit ergens uitgehangen worden?" zei i en
+gaf me z'n jas. Z'n hoed zette i overeind tegen m'n stelletje.
+
+"Een oogenblik, ouwe heer", zei ik en nam z'n jas en hoed mee, hing
+de jas bij m'n eigen natte kleeren, sloeg den hoed uit en legde die
+toen plat op den grond in den hoek.
+
+Japi zat al, wrong de knieën van z'n broek uit en keek rond. "Wat
+verschaft me het genoegen?" "Zeg maar Japi", zei i, maakte 't
+pakje los en legde "Le Lys dans la Vallée" op tafel. "Zie hier,
+burger". "Mooi zoo", zei ik, "en wat hebben we daar?" "O", zei Japi,
+"boeken van Appi."--"Leest Appi tegenwoordig 't Handelsblad?" "Neen,"
+zei Japi, "die krant is van mijn ouwe heer, daar stond een advertentie
+in."--"Een advertentie?"--"Een advertentie; zie hier, daar even van
+den ouwen heer gekregen."
+
+""Assistent correspondent gevraagd op druk exportkantoor", let wel,
+druk exportkantoor--"grondig bekend met de moderne talen, stenografie
+en machineschrijven. Zij die reeds in den export werkzaam waren
+(let op dat waren!) genieten de voorkeur. (Genieten de voorkeur, dat
+genieten kan me wel bekoren). Salaris f 3 à 400 per jaar. Brieven onder
+No. 1296 bureau Alg. Handelsblad"--1296, slag op 't vlotje. Floris de
+stijve springt over de Overtoom. Nooit van gehoord? En waarom hebben
+ze dan de Overtoom gedempt? 't Was geen gezicht om dien stijven kerel
+er over te zien springen, dat wilden ze niet meer hebben. Die f 300
+à 400 bevallen me wel, de rest trekt me minder aan"
+
+"Wilt u daarop schrijven?" vroeg ik--"Jij, als 't ublieft," zei
+Japi. "Willen? Ik moet van de ouwe heer. Hij zegt: 't kan zoo
+niet blijven doorgaan. Ik zie niet in, wat niet. Heeft hij last
+van me? In vijf weken heb ik maar twee maal thuis geslapen. Geen
+cent zie ik van hem. Kijk eens hier." Hij stak z'n been uit. Ik zag
+een splinternieuwen, gelen schoen. "Wat bliksem, dien schoen ken
+ik."--Waar zie je zulke gele schoenen?--"Ze zijn nu wat donker van
+'t water", zei Japi, en zette den anderen voet bij den eenen. "Van
+Appi! En hoe komt dat? Ik ben m'n ouwen heer niet tot last. Ik loop
+rond met mijn schoenen tot ze zoo lek zijn als een mand. Appi is een
+fideele kerel. Schilderen kan i niet, zal i nooit leeren, dat zie ik
+wel, maar hij is een fideele kerel. Sokken hat i niet over de hand,
+ik zit met m'n bloote voeten in z'n schoenen", zei Japi, en liet heel
+gemoedelijk een stuk van z'n bloote been zien. "En boeken heeft i,
+in geen jaar kom ik er doorheen, al lees ik dag en nacht."
+
+Appi z'n vader had een goed beklante slagerij en kon 't doen. Dat Appi
+nooit schilderen zou leeren heeft Japi goed gezien; z'n vader heeft
+hem later in een huis-, reclame- en decoratieschilderswerkplaats gezet.
+
+Ik zette thee. Gehurkt bij mijn stelletje, goot ik 't water op en zette
+'t theepotje op 't waterketeltje. Japi snoof.
+
+"Goeie bullen", zei i, draaide zich heelemaal om en verschoof z'n
+stoel tot hij met z'n neus boven de theepot zat. "Ik heb mot gehad
+met Bavink". zei i. "Is 't waarachtig?" zei ik. Van Hoyer had ik al
+gehoord dat ze bij dag en bij nacht samen rondscharrelden, dat ze
+in één bed sliepen, Japi onder 't laken en Bavink er boven, dat ze
+om beurten jenever hadden gedronken uit 't ééne bierglas dat Bavink
+nog had. "Ik heb z'n kacheltje kaduuk gestookt, Zondagavond."
+
+In één avond hatti 't kapot gestookt. Hij had maar zitten opladen en
+zitten poken, en naar den gloeienden pot zitten kijken en z'n pijp
+gerookt, de kachel zoo te zeggen tusschen z'n knieën. En niks gezegd
+hatti, tot Bavink plotseling gezien had dat er een groote scheur in den
+pot was en vreeselijk had opgespeeld. Japi had 'm laten uitrazen, hij
+was opgestaan en had z'n stoel weggenomen, en Bavink had met de pook
+'t schuifdeurtje open gemaakt en een gat gebrand in den grond met 't
+uitscheppen van de gloeiende kolen. En toen Bavink was blijven razen
+had Japie gezegd: "Verrek met je kachel", en was kalmpjes weggegaan
+naar 't huis van z'n ouwe heer en had een schoone boord omgedaan van
+z'n broer, en van z'n moeder een stuk taart gekregen dat van 't dessert
+was overgebleven. En had een nacht thuis geslapen en den volgenden
+middag was i op straat Loef tegengekomen dien i ook al kende. Loef die
+later met zwemmen verdronken is, juist toen i er zoon beetje begon te
+komen; en die had hem weer meegenomen naar Bavink en gezegd: "Bavink
+ik breng je kaduukstoker mee." En Bavink had om 't geval gelachen,
+En Japi was dadelijk naar 't plankje geloopen en had, op 't bekende
+plaatsje "naast Dante", een nieuw kruikje Bols gevonden. En met z'n
+drieën hadden ze 't een heel eind soldaat gemaakt en toen had Japi
+dikke boterhammen gesneden van Bavink z'n brood en toen waren ze met
+hun drieën naar 't Amstelveld gegaan en hadden voor 70 cent een nieuw
+kacheltje gekocht ('t was Maandag), een kachel van een voorwereldlijk
+model; en met z' drieën hadden ze die op een handkar naar huis gekruid.
+
+Ik presenteerde Japi een kop thee. Hij dronk uit een spoelkom, een
+kopje had ik niet voor 'm, steunde behagelijk en zette de kom hard
+neer. "Nu wou ik wel een stukje brood hebben", zei i; "neem me niet
+kwalijk, ik geloof dat ik den weg al weet." Hij had m'n kast al in de
+gaten gehad "Kerel", zei i, "weet je dat je worst in huis hebt?" Of ik
+'t wist. Hij kwam er al mee aanzetten. "Boterhammenworst, een ordinair
+volksvoedsel." Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het onderwerp van
+mijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor morgen wilde
+bewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen hij vergat mij niet,
+hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch genoeg. Japi
+at. Wat kon die kerel eten! Het brood lag naast 'm op tafel en
+hij sneed maar. Ik begon er schik in te krijgen. "Geneer je niet
+Japi, centen genoeg." Japi had ze nog niet gezien. "Goddome", zei i,
+"vetpot!" "Ze hebben zeker weer wat van je geplaatst". Ik knikte. "Zoo
+moet je maar doen", zei i, "die kerels zijn toch nergens anders goed
+voor dan om ons de kost te geven. Ik heb van m'n leven ook nog eens
+iets geschreven." Hij propte z'n mond vol brood en worst en veegde z'n
+handen af met 't Handelsblad, dat i daarna in elkaar frommelde. "Ik
+zal er maar niet op schrijven, ik deug daar toch niet voor."
+
+En toen kwam uit een binnenzak een oud vermolmd onwelriekend krantje,
+op de vouwen doorgesleten: "De Vlachtwedder Grensbode." Hij liet me een
+artikeltje zien: "Brieven uit Amsterdam" stond er boven. Zes hatti er
+geschreven, zei i, de vijf andere had z'n broer zoek gemaakt. Japi nam
+nog een sneedje brood. "Moet je niet meer?" vroeg hij. Ik bedankte en
+Japi nam 't laatste van m'n twee ons worst, "'t Ordinaire volksvoedsel"
+ging er goed in. "'s Nachts gemaakt" zei Japi met z'n mond vol en
+wees met 't mes naar 't krantje. "Na kantoortijd, 's Avonds moest ik
+altijd op kantoor terugkomen. Af en toe moest ik m'n hoofd onder de
+kraan houden om wakker te blijven. Ik zou je nu danken. Wat heb ik
+er aan? Niks, moe word je er van. 'k Loop liever bij den weg en kijk
+naar de menschen en de wagens en de huizen. Speciaal kijk ik naar de
+lieve jonge meisjes en de pas getrouwde vrouwtjes. Die pas getrouwde
+vrouwtjes pik je er zoo uit, die herken je dadelijk. En dan denk ik
+aan 't plezier dat ik van al die lieve diertjes niet heb. Dat doe
+ik liever dan dat ik er over schrijf. Wat gaat 't die kaffers aan,
+wat ik zie. Zelf loopen ze bij de straat te sloffen en naar den grond
+te kijken en trekken vervelende gezichten omdat 't zoo ver is, en
+'t leven zoo moeilijk, dat je er akelig van wordt. Doen zij iets voor
+mij? Die paar centen kunnen ze houden."
+
+'t Artikeltje was wel aardig, maar Hoyer zei later dat i vast niet
+geloofde dat 't van hem was.
+
+"Nu zou ik wel een potje bier lusten", zei Japi en leunde
+achterover. "'t Spijt me kerel", zei ik, "ik heb niets in huis,
+geen bier en geen jenever en geen kleeren om over straat te gaan,
+maar steek een sigaar op."
+
+De regen kletterde op 't dak alsof i er door zou komen, de ruiten waren
+wit van 't water. Japi had geen zin er uit te gaan, dat zag ik wel. Hij
+stak een sigaar op, keek een poosje naar den rook en vroeg toen: "Die
+Hoyer, wat is dat toch eigenlijk voor een kerel?" Hoyer en hij konden
+'t niet goed vinden. Dat had ik wel gedacht. Hoyer was op de penning
+en een ruwe vent. "Die kerel deugt niet", zei Japi, "die moet vooral
+maar veel met verf knoeien, voor iets beters is ie toch niet goed."
+
+Bavink was een dag uit de stad geweest: "voor zaken" zei Japi en
+toen was hij (Japi) van Houten tegengekomen op weg van kantoor naar
+huis. Van Houten (een kennis van Bavink) was een kantoorbediende
+die dacht datti schrijven kon. Hij had indertijd een dikken roman
+gepubliceerd, waar de uitgever heel wat aan te kort gekomen was. Japi
+had zich door hem mee laten nemen en zich te eten laten nooden. Hoyer
+was er ook en 't eerste wat i gezegd had was: "Zoo, uitvreter!" Japi
+vond dat prachtig. We waren toch allemaal uitvreters. "De burgerman
+moet ons toch allemaal de kost geven." En dienzelfden avond had hij
+Hoyer een riks te leen gevraagd, enkel om te pesten. Want hij wist
+wel dat Hoyer toevallig geen geld bij zich zou hebben. Toch heeft
+zelfs de lange Hoyer er naderhand aan moeten gelooven. Japie heeft
+die malle zalmkleurige jas van 'm geleend en nooit teruggebracht. Maar
+veel plezier heeft Japie er niet van gehad. Ieder oogenblik moest hij
+er mee in den slag, en in Ouderkerk op de brug hebben de pummels er
+een mouw uitgetrokken.
+
+"Kom", zei Japi, "kwart over negenen, ik stap op. Hoor dien regen
+eens." Hij ging voor 't raam staan. "Niks te zien", zei i. "Je kunt
+niks zien door dien regen. Foei ik ben rillerig geworden, mijn knieën
+zijn nog nat. Jammer dat je niks in huis hebt." Ik haalde zijn jas. Hij
+was nog zwaar van 't water.
+
+"Moet je ver door dat weer?" vroeg ik. "Ik kan wel naar de ouwe
+gaan", zei Japi, "maar dat is ook nog een half uur. Dat is je nest,
+hè?" Japi schoof 't gordijn weg en ging op m'n ledikant zitten en
+gaapte. "Ik geloof dat ik ziek ben", zei i; "weet je wat je doen
+moest, haal voor mijn rekening een half maatje ouwe klare, ik zal
+'t je bij gelegenheid wel teruggeven." Ik stond daar nog met z'n jas
+over m'n arm. "Trek mijn jas aan", zei i. Ik scharrelde naar zolder;
+m'n vest was tamelik droog. De tapper woonde vlak bij. Ik schoot Japi
+z'n jas over m'n vest. 't Natte ding maakte me koud en akelig. Zoo
+ging ik al die trappen af en de straat over. Bij den tapper was niks
+te doen, ik bleef geen tien minuten weg. Toen ik boven kwam lag Japi
+te ronken, aangekleed, z'n schoenen nog aan. "Hallo", riep ik en
+schudde aan z'n schouder. Hij mompelde wat. "Hallo, jenever." Hij
+keek me lodderig aan en kwam langzaam overeind. "O", zei i, "ik zie
+'t al". Hij dronk een spatje. "Daar knap ik van op." "Zeg", zei i,
+"kan ik hier niet maffen? Ik ben vannacht niet op mijn bed geweest en
+vandaag kon ik niet slapen." Wat moest ik doen? Hij kon wel op den
+grond slapen, zei i, als i maar wat onder z'n hoofd had. "Goddank",
+zei i en smeet zijn twee schoenen tegelijk over den vloer. "Goddank,
+dat ik uit die natte krengen ben." Toen hing i z'n broek over de
+leuning van een stoel "om te drogen." Mijn stelletje schoof i op zij;
+in den hoek legde i de boeken van Appi, z'n jasje legde i er over heen,
+z'n vest hield i aan. Toen nam i mijn beste deken, rolde zich er in,
+dronk nog een spatje en ging met z'n hoofd op 't stapeltje liggen en
+zei: "Wel te rusten."
+
+En ik ging weer aan tafel zitten, keek naar mijn centen en dutte
+in. Toen ik wakker werd knetterde de lamp, de olie was op. Ik kroop in
+mijn ledekant en sliep slecht, door de kou. Japi had nergens weet van.
+
+Toen de dag aanbrak en ik voor de zooveelste maal wakker werd, hoorde
+ik hem rammelen. Hij was bezig thee te zetten, had zelf beneden
+water gehaald, en zich aan m'n ontstelde buren voor een neef van mij
+uitgegeven. Hij had best geslapen, hij was alleen een beetje stijf. Hij
+hoopte dat i me niet wakker had gemaakt. "Ik heb al gegeten", zei i
+"ik geloof dat je niet al te veel brood meer hebt." Hij moest weg. Hij
+wilde Bavink nog spreken die toen gemeenlijk 's morgens om een uur
+of tien ging slapen. Hij bracht mij een kom thee in bed en stond bij
+'t raam z'n kom leeg te slurpen. Met twee handen hield i die vast en
+keek naar buiten. "Allemaal armoed", zeidi. "Nou bonjour hoor, mijn
+jas kan ik zelf wel van de lijn halen." Bij de deur draaide i zich
+nog even om. "'s Avonds ziet zoo'n hok er een boel gezelliger uit."
+
+Dat vond ik ook. Ik scharrelde mijn bed uit, koud en beroerd. Op tafel
+lagen m'n centen nog. Hij zegt dat hij z'n ouwe heer niet noodig heeft,
+dacht ik, en de centen van den burgerman evenmin. Zegt u dat wel.
+
+
+
+
+V.
+
+
+"Koekebakker", zei Japi, "ik voel me zoo raar van binnen." 't Was op
+een middag bij Bavink. Ik had Bavink willen spreken, maar die was
+uit. Japi zat aan tafel met een fleschje inkt van een stuiver en een
+pak kranten voor zich. "Koekebakker, ik voel me zoo raar van binnen."
+
+"Je ruikt tenminste degelijk naar jenever", zei ik.
+
+"Nee", zei Japi, "de jenever is 't niet. Ik geloof dat mijn
+ziel te groot is." Zoo'n uitvreter toch! "Wat moeten die kranten,
+Japi?" vroeg ik. Japi gaf een klap op 't pak. "Nieuwzen van den Dag,
+Koekebakker, Nieuwzen van den dag. Er zijn er bij van een maand
+oud." "Moet je weer solliciteeren, Japi?" "Juist geraden man. 't
+Gaat zoo niet langer. Pak een stoel. Kijk eens aan, K H 14684
+Nieuws van den Dag. WelEdl. Heeren."--"De hoeveelste is dat?" vroeg
+ik.--"De eerste pas. Dat gaat niet zoo gauw. Dat komt, omdat jelui
+nooit in den handel zijn geweest, jelui weet niet, hoe 'n toer dat
+is. Wat zal je drinken, kerel? Je neemt me wel niet kwalijk?" en hij
+doopte z'n pen in de inkt en staarde op z'n papier. "Koekebakker",
+zei Japi, keek hulpeloos rond en legde z'n pen neer. "'t Gaat niet,
+ik ben er geen kerel voor. Eenmaal ben ik in den handel geweest. Ik
+deug er niet voor. Ik weet 't bij ondervinding. Ik begrijp er niks
+van. Waar is dat allemaal goed voor? Ik ben zoo best tevreden. We
+zullen dat maar weer wegbergen." En hij nam het pak kranten en legde
+'t zorgvuldig onder tafel.
+
+"Zie zoo, nu zie ik ze niet meer. Jij weet niet wat handel is,
+Koekebakker, anders zou je der niet om lachen. Om te beginnen ga
+je tot je achtiende jaar op school. Heb jij ooit geweten hoeveel
+schapen er in Australië zijn en hoe diep 't Suezkanaal is? Nou juist,
+daar heb je het. Ik heb dat geweten. Weet jij wat polarisatie is? Ik
+ook niet, maar ik heb 't geweten. De raarste dingen heb ik moeten
+leeren. Vertaal in 't Fransch: "onder benefice van inventaris." Ga der
+maar tegen aan staan. Je hebt er geen begrip van, Koekebakker. Dat
+duurt zoo jaren. Dan doet je ouwe heer je op een kantoor. Dan merk
+je, dat je al die dingen geleerd hebt om met een kwast papier nat te
+maken. Overigens is 't 't ouwe gedonderjaag, 's morgens om negen uur
+present en urenlang stil zitten. Ik vond dat ik op die manier niet
+opschoot. Ik kwam altijd te laat, ik probeerde wel op tijd te komen,
+maar 't wou niet meer, ik had 't zooveel jaren gedaan. En taai. Ze
+zeiden dat ik alles verkeerd deed, daar zullen ze wel gelijk aan
+gehad hebben. Ik wilde wel, maar ik kon niet, ik ben geen kerel om te
+werken. Ze zeiden, dat ik de anderen van hun werk hield. Ook daarin
+zullen ze wel gelijk gehad hebben. Als ik klaagde, dat ik 't niks
+lollig vond en vroeg of ik daarvoor nu op school al die wonderlijke
+dingen had geleerd, dan zei de oue boekhouder: "Ja jongetje, het
+leven is geen roman." Bakken vertellen, dat kon ik en dat vonden
+ze leuk ook, maar ze waren er niet tevreden mee. De ouwe boekhouder
+wist al heel gauw niet wat hij met me doen moest. Als de baas er niet
+was maakte ik dierengeluiden, zong komieke liedjes, die ze nog nooit
+hadden gehoord. De zoon van den baas was een ingebeelde kwajongen;
+af en toe kwam i op kantoor om centen te halen. Hij sprak vreeselijk
+gemaakt en keek met een allerellendigst, door niets gemotiveerd vertoon
+van superioriteit naar de bedienden van zijn pa. De lui lachten zich
+een beroerte als ik dien jongeheer nadeed. Ik heb daar ook nog een
+schrijfmachine bedorven en een boek weggemaakt. Toen hebben ze me
+aan een toestel gezet, dat ze de "guillotine" noemden. Daar moest
+ik monsters mee knippen. Dagen lang heb ik daaraan gestaan: alle
+monsters werden scheef. De lui hadden 't wel in de gaten, ze hadden
+niets anders verwacht. Ze hadden me daar alleen maar aan gezet om
+erger te voorkomen. Die monsters werden weggegooid; die gingen nooit
+naar de klanten. Toch had ik in die dagen nog gelegenheid om een brief
+verkeerd in te sluiten. Natuurlijk was 't erg; de man die den brief
+kreeg mocht niet weten, dat de baas zaken deed met den man waaraan
+i geschreven was. De boekhouder was totaal van streek. Toen begreep
+ik, dat ik maar liever heen moest gaan. Ik kreeg een poot van den
+baas. Ik was zelf ook blij dat ik wegging en heb hem hartelijk de
+hand geschud. Ik heb gezegd, dat 't me speet, maar dat ik er niets
+aan doen kon en ik geloof, dat 'k 't meende. Zie je, Koekebakker,
+dat is handel. Ik ben daarna nog drie weken volontair geweest op een
+effectenkantoortje, krantjes nakijken met een boek om te zien of de
+stukken van de klanten waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voor
+bewaard blijven. Ze moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Er
+was geen denken aan, dat ze uit 't copieboek konden wijs worden. Ik
+zag wel in dat 't zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden.
+
+"Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat 't met de jaren
+wel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. 't Lijkt er nog niet veel
+op. 'k Heb 't nog veel te goed zoo. Weet je dat Bavink pas een bom
+duiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef met een hooibergje
+en een kalf. Als je blieft." En hij haalde zijn portemonnaie voor
+den dag. "Hij puilt van de centen. Koekebakker, jong, hij puilt van
+de centen. Harde riksjes. Morgen ga ik op reis."
+
+"Met Bavink?" vroeg ik. "Neen," zei Japi, "niet met Bavink, alleen. Ik
+ga naar Friesland." "Midden in den winter?" Japi knikte. "Wat
+doen?" Hij haalde z'n schouders op. "Doen? Niks doen. Jelui kerels
+zijn zoo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga
+naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin
+in heb."
+
+Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker, naar den sneltrein
+van zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel te
+wijd was, een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aan
+z'n voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z'n hand hatti een
+papieren sigarenpijpje met een reclame. "Wacht even", zei i, toen
+we al beneden waren. "Ik heb nog wat vergeten." Even daarna kwam i
+terug met een vischhengel.
+
+Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgen
+wat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een half
+uur vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan het
+portier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabak
+voor hem had.
+
+Na zes weken kwam hij terug met zes knoopen aan zijn jas en een
+paar rooie pluche pantoffels aan zijn voeten. Hij weigerde alle
+opheldering. Waar zijn vischhengel was? Oh, die had i uit den trein
+laten vallen. Hij was ook nog een keer in 't water gevallen, zei
+i. Meer liet hij niet los. Blijkbaar had i zich al dien tijd niet
+laten scheren, hij had een kleur van roode baksteen en een lucht
+van koemest bij zich. Hij bracht twee pond tabak mee, die niemand
+rooken kon. Hij was er aan verslaafd en kwam in veertien dagen niet
+om een sigaar. Toen waren de twee pond op, plus een peukie dat hij
+ook nog had meegebracht. Toen bleek dat hij nergens in Amsterdam
+die tabak kon krijgen. Hij schreef er om naar Friesland, maar kreeg
+geen antwoord. Hij was er beroerd van. Maar na een paar dagen zag
+ik hem toch weer bij Bavink zitten met een sigaar in 't hoofd, van
+Bavink natuurlijk.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Den zomer daarop was Japi weer verdwenen. Toen kwam ik hem tegen op den
+Boulevard du Nord in Brussel. Mijnheer was piekfijn, glad geschoren,
+een grijs hoedje, een goudgeel smal zijden dasje, een geruit overhemd,
+een gordel, een wit flanellen jasje met dunne blauwe streepjes, een
+witte linnen broek, van onderen onberispelijk omgestreken, bruine
+sokken met witte ruiten, lage schoenen.
+
+Hoe het ging? Patent. Wat hij daar deed? Op en neer loopen van het
+Gare du Nord naar het Gare du Midi over de boulevards. Of hij zich
+amuseerde? Uitstekend. Waar hij woonde? In Uccle. Wie hij uitvrat? Hij
+lachte, maar gaf geen antwoord. In het Maastrichtsche bierhuis op
+de Place Brouckère dronken wij ettelijke potjes zuur bier, waar hij
+verzot op was geworden. Eigenlijk dronk hij al die ettelijke potjes
+op een na, dat ik staan liet. Hij zat weer prinselijk achterover op
+zijn stoel en dronk met waardigheid en smaak, hield een beschouwing
+over asphalt, over de groote markt, over het mooie weer, zei toen dat
+hij naar huis moest en vroeg waar ik logeerde. Dan zou hij mij eens
+komen opzoeken. Daarna betaalde hij de potjes bier, en liet mij in
+verbazing achter.
+
+Begin Augustus kwam hij in Amsterdam terug met een verbonden
+hoofd. In Marchienne aux Ponts had hem een mijnwerker een geëmailleerd
+etens-pannetje op 't hoofd stukgeslagen. Hij was gesjochtener dan
+ooit, zijn ouwe heer hield hem schrikkelijk krap. Tot diep in November
+droeg hij zijn witte broek, die toen allang niet wit meer was. Hij
+was de oude niet meer, hij sprak weinig en rookte veel minder. Als
+hij bij Bavink op 't hok kwam en Bavink legde zijn sigaren op tafel,
+dan liet i zich op zijn stoel vallen, hield zijn jas aan en zijn
+hoed op, nam moeizaam een sigaar, beet er langzaam het puntje af en
+had moeite om de lucifers te vinden, knoeide met aansteken, rookte
+langzaam en zelden meer dan één sigaar op een avond. Stak hij een
+tweede op, dan gooide hij een groot stuk weg, wat hij vroeger nooit
+deed. Toen rookte i tot 't endje te klein werd om vast te houden,
+dan stak hij er een speld in en rookte 't zoo op. Het duurde niet
+lang of i rookte scheef. Eens liet hij bij Bavink de kachel uitgaan.
+
+Toen gaven wij hem op.
+
+En toen op een nacht dat het hard vroor, tusschen Kerstmis en
+Nieuwjaar, toen kwam Hoyer dien wij in maanden niet gezien hadden,
+en nadat we een tijd hadden zitten kletsen, vroeg i naar Japi. En toen
+begon i herinneringen op te halen. Of we nog wisten hoe Japi verleden
+zomer (dat was toen zoowat een half jaar geleden) 's nachts mee ging
+roeien op den Amstel. Hij zou in de punt gaan zitten om uit te kijken,
+want de Volharding voer toen alles kapot, had nog pas een tjalk in
+den grond gevaren aan den Omval. En Japi zat in het water te kijken
+naar de weerkaatsing van de sterren en zat met zijn rechterhand in
+het water en zag geen Volharding, zoodat de Volharding om voor ons
+uit te wijken bijna in de bocht aan den grond voer. De kerels werden
+toen kwaad en een van hen kwam op de achterplecht en schold ons uit
+voor nakende verdommelingen, en smeet met een steen die een heel eind
+voor onzen boeg in 't water plofte. Toen had Bavink gezegd, dat hij
+'t wel gedacht had en Japi zei: daar zijn we netjes afgekomen.
+
+"Apropos", zei Hoyer toen plotseling (Hoyer werkte nog al met
+burgermanstermen). "Apropos, ik heb Japi in Veere gezien met een
+Fransche dame, een verdomd lief wijf. Den heelen avond hadden die
+twee samen op 't steenen havenhoofd staan praten en over de balustrade
+gekeken naar de lichtboei en 't draaiende licht van Schouwen en naar
+de branding geluisterd, en "bekgetrokken" zooals Hoyer 't ordinair
+uitdrukte. Bavink zei weer dat i 't wel gedacht had en ik zei: "ook
+stom, dat hadden we kunnen weten," en toen kwamen wij los over Japi
+en dat hij niet meer zoo uitvrat als we dat van hem gewoon waren.
+
+'t Duurde nog een maand voor dat Japi los kwam. Zijn ouwe heer
+had een betrekking voor hem gevonden en den eersten Maart zou hij
+aantreden. Hij zei niet dat ie 't beroerd vond. Hij zou eens zien wat
+i er van maken kon. Hij zou vijftig gulden per maand verdienen. Dien
+avond vroor het weer hard. De sterren waren helder en ontzettend
+hoog. De kachel was niet aan. Wij zaten met ons drieën, jassen aan,
+kragen in de hoogte, hoeden op zoo als wij zoo vaak hadden gezeten
+als wij harder waren dan het kapitalistische gemoed en niets meer
+hadden om te verstoken.
+
+Toen begon Japi allerakeligst te boomen. Je zeilde maar met de aarde
+door de ijzige donkere ruimte, de nacht zou niet meer ophouden, de zon
+was weg en ging niet meer op. De aarde joeg voort in de duisternis,
+de ijzige wind huilde er achter aan. Al die werelden zeilden verlaten
+door de ruimte. Als er een tegen je aan zeilde was je verloren,
+verloren met al die 1500 millioen ongelukkige menschen. Japi zat te
+rillen in zijn jas, het vroor in de kamer.
+
+Toen begon i weer anders. De zon kon zoo mooi in de Waal schijnen. Bij
+Zaltbommel had i de zon in de Waal zien schijnen toen i de laatste maal
+met den trein over de brug kwam. Tusschen de brug en de stad maakte
+de zon een groote lichtplek in het water. Het water stroomde maar,
+de zon scheen er maar in, honderd, duizend, honderdduizend maal. Voor
+tweeduizend jaar scheen de zon er al in en stroomde het water maar. God
+weet hoe lang al. Meer dan 700,000 maal was de zon sedert al opgegaan,
+meer dan 700,000 maal was i ondergegaan, al dien tijd had het water
+gestroomd. Hij werd beroerd van dat getal. Hoeveel regendagen zouden
+daarbij geweest zijn? Hoeveel nachten zou het zoo hard gevroren
+hebben als nu, en harder? Hoeveel menschen zouden dat water hebben
+zien stroomen en de zon er in zien schijnen en al die sterren gezien
+hebben in de nachten dat 't zoo vroor? Hoeveel menschen die nu dood
+zijn? en hoeveel menschen zouden dat water nog zien stroomen? En 2000
+jaar was nog niets; duizende jaren langer had de aarde al bestaan,
+duizende jaren kon i nog bestaan. Duizende jaren kon het water nog
+stroomen, zonder dat hij het zien zou. En als de aarde verging dan
+was er eigenlijk nog niks gebeurd. Daarna kwam nog zooveel tijd,
+er kwam geen einde aan den tijd. En al dien tijd zou hij dood zijn.
+
+Japies tanden klapperden; er was geen spatje jenever in huis en niets
+meer te krijgen op de pof.
+
+Toen werd Japi week. Toen begon i te spreken over Jeanne, zonder
+eenige aanleiding, alsof wij er alles van wisten. En dat haar
+handjes zoo zacht en zoo warm waren, dat haar oogen zoo konden
+schitteren. Donkere oogen had ze en zwart haar. Wij begonnen er mee
+te zitten. Hij deed de akeligste confidenties, over een witte rok met
+kantjes, over een rok van lila zij; over haar kleine witte voetjes,
+over allerlei lichaamsdeelen waar men niet over schrijft.
+
+Op 't laatst begon i Fransch te praten, eenige tientallen malen hoorden
+wij het woord "chéri" en "chérie". De laatste "e" van chérie sprak i
+uit. Toen sprak i weer Hollandsch en werd zakelijker. Zij zou scheiden
+van haar man, een misselijken droogpruimer, twintig jaar ouder dan
+zij. Dat vonden wij nog al banaal. En 1 Maart moest i aantreden op
+kantoor. Toen wreef i zijn gezicht met zijn beide handen en zei:
+"Ik ga weg, geef me een poot." Op de trap stommelde i.
+
+Een Maart trad i niet aan. Het werd April voordat hij weer zoover
+was dat hij aan het werk kon gaan. Uitvreten deed i niet meer.
+
+Maanden later op een avond zag Bavink hem zitten ergens drie hoog
+in een kantoorgebouw. Hij zat aan 't raam te werken en 't lokaal
+was hel verlicht. Bavink liep naar boven. Hij zat alleen en was
+druk bezig. Bavink kon niets uit hem krijgen. Hij werkte maar en
+zei weinig. Bavink snorde overal rond, pakte hier en daar een boek
+uit de rekken, keek er in, zette 't weer weg, schudde zijn hoofd,
+zei enkele malen: "'s jonge, 's jonge", draaide aan de copieerpers,
+keek op straat, zette alle ramen open om te luchten.
+
+Buiten viel een fijne sneeuw. Vlokken woeien naar binnen. "Doe als
+je blieft de ramen dicht", zei Japi en bleef schrijven. Toen kreeg
+Bavink een copieboek te pakken, bladerde en las er in, schudde weer
+herhaaldelijk zijn hoofd en kwam toen bij Japi staan, 't copieboek
+geopend in zijn handen.
+
+"Zeg, schrijf jij dat allemaal?" Japi keek nauwelijks op en zei enkel:
+"Niet allemaal." "Je bent toch een verdomd knappe kerel," zei Bavink,
+"die handel is niet makkelijk." Daarna ging Bavink weg.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Japi was een harde werker geworden. Kort na het bezoek van Bavink
+zonden ze hem naar Afrika. Binnen de twee jaar was i terug: ziek, half
+dood. Niemand hoorde iets van hem, tot ik hem op een November-namiddag
+zag staan achter den steenen wal bij het haventje van Wijk bij
+Duurstede. Daar stond i naar den modder te staren. Ik had eenige
+moeite hem te herkennen. Hij stak in een enorm wijde grijze jas, die
+hem veel te groot was, een enorme grijze pet zat hem diep in de oogen
+en over de ooren. Hij had een paar enorme breede bruine schoenen aan
+met stompe neuzen, en enkele jongens achter zich.
+
+Ik dacht: dat lijkt waarachtig Japi wel; en, ja hoor, het was 'm,
+wat bleek en mager en zonder baard of snor en met een wonderlijk
+starende uitdrukking in zijn oogen, maar het was Japi ongetwijfeld.
+
+Japi zag niets, hoorde niets. Ik tikte 'm op zijn schouder en zei:
+"Wat doe jij hier, hoe gaat het, hoe kom je hier?" Hij gaf me een hand,
+zei niets, was niet verwonderd. "Ik sta maar te staren," zei i toen.
+
+"Dat heb ik in de gaten," zei ik, "ga je mee een borreltje
+pakken?" "Goed," zei Japi. De pummels die op eenigen afstand,
+achterover tegen den steenen wal geleund, zich eenigen tijd geamuseerd
+hadden met zeer luide en onhebbelijke glossen, groetten nu zeer
+eerbiedig, omdat ik nogal wat geld verteerd had in Wijk bij Duurstede
+en 's Zondags den notaris op zijn schouder had geklopt.
+
+Na een borreltje kwam er wat leven in Japi. Gewerkt had i in Afrika,
+last gehad van de hitte en van de beesten en koorts geleden, meer
+koorts geleden dan gewerkt of iets anders. Als een geraamte was i
+van den zomer teruggekomen.
+
+Zijn Française leefde in Parijs met een Hollandsch jongmensch,
+sedert onheugelijke tijden volontair op een kantoor. Had nog een
+vriend die kolonel was. Had hem in Parijs getracteerd en hem in haar
+gebroken Hollandsch een "goeie beest" genoemd en uitgelachen. Had haar
+kousenband vastgemaakt waar hij bij was, zoodat hij een stukje van
+haar bloote knie had gezien. Had hem daarna weggestuurd. Hij moest er
+om lachen. Verliefd was i niet meer. Een licht blauwe zijden onderrok
+had zij aan gehad. Een keer had i haar met den kolonel op het terras
+van een kroeg gezien. De kolonel deed zeer zelfgenoegzaam en keek woest
+en verwaten. Achter zijn rug om had ze Japi een oogje gegeven. Ze had
+een borstkwaal en haar maanden waren geteld. En altijd even opgewekt;
+maar loopen kon ze nog maar heel slecht.
+
+En wat Japi nu van plan was? of hij nog uitvrat? Z'n kantoor vrat i
+uit; iederen laatsten van de maand ging i zijn centen halen.
+
+Of i van plan was nog weer eens zoo'n woeste werker te worden?
+
+O nee. Te sappel had i zich gemaakt. Vijftien jaar ouder geworden
+was i in de laatste drie, vier jaar.
+
+Toen stak i een versche sigaar op, van mij, een sigaar van een
+dubbeltje, met een bandje, ik was toen in goeden doen. Het bandje
+deed i er af.
+
+Geploeterd hatti, misère gezien hatti. In Marchienne aux Ponts
+en Charleroi was het begonnen. Voor de aardigheid was i daar met
+Jeanne heen gegaan. Na drie dagen had ze er genoeg van gehad. Hij was
+gebleven. Een portretje liet i mij zien; een grijnzend doodskopje,
+het dochtertje van een werkman uit een glasfabriek. Zeven kinderen
+gehad, vijf dood, het zesde stierf terwijl hij er in den kost
+lag, daar was dat portretje van. Daar hatti leeren kijken, gezien
+wat werken was. Geld uitgeven hatti altijd verdomde leuk gekund,
+anderen brachten 't op. Te sappel hatti zich gemaakt. Socialist had
+i willen worden. Voor z'n brood hatti gewerkt, voortgejaagd was i,
+voortgejaagd en gedrukt door menschen en de noodzakelijkheid zooals al
+die anderen. Nachten hatti gewerkt: om één, twee uur was i in Amsterdam
+van kantoor thuisgekomen en daarna hatti opgezeten, gepiekerd, gepend,
+heele romans hatti geschreven en de paperassen verbrand.
+
+Wat kon i doen? Wat bereikten ze met hun allen? Te sappel hatti zich
+gemaakt, gloeiende speechen, woeste artikelen hatti gefantaseerd,
+terwijl i op kantoor zat en werkte voor den handel van zijn baas,
+hard werkte en iedereen zich verwonderde over de massa's werk, die
+i verstouwde. De wereld was blijven draaien, draaide precies zooals
+altijd, zou wel blijven draaien zonder hem. Te sappel had i zich
+gemaakt. Hij was nu wijzer. Hij trok er zijn handen van af. Er waren
+kooplui genoeg en schrijvers en praters en lui die zich te sappel
+maakten, meer dan genoeg.
+
+En altijd zaten ze in angst ergens voor en hadden verdriet ergens
+over. Altijd waren ze bang ergens te laat te komen of van iemand een
+standje te krijgen, of zij kwamen niet uit met hun tractement, of hun
+plee was verstopt, of ze hadden een zweertje, of hun Zondagsche pak
+begon te slijten, of de huur moest betaald worden; dit konden ze niet
+doen hierom en dát moesten ze laten daarom. In zijn jongen tijd was
+i nog zoo dom niet geweest. Een sigaartje rooken, een beetje kletsen,
+wat rondkoekeloeren, je verheugen in het zonnetje als 't er was en in
+den regen als 't er niet was, en niet denken aan den dag van morgen,
+niets willen worden, niets te verlangen dan af en toe wat mooi weer.
+
+Je kon 't niet volhouden. Dat wist i wel. Het kon nu eenmaal niet
+bestaan of je moest een bom duiten hebben. En die hatti niet. Wat zijn
+ouwe hem kon nalaten was de moeite niet waard. En hij, Japi, vond het
+nu welletjes ook. Hij was nu bezig zijn tijd te verstaren. Bereiken kon
+je toch niets. Hij scharrelde nog wat rond op de plaatsen waar i zich
+vroeger geamuseerd had. Speciaal hield i zich bezig met in rivieren
+te staren. In Dordrecht had i enkele weken starende versleten. In
+Veere had i dagen lang boven op 't Hospitaal gekampeerd. September
+had i in Nijmegen doorgebracht.
+
+En toen met eenige variatie herhaalde i zijn oude rêverie over
+'t water. Van 't water dat maar altijd naar 't westen stroomde,
+dat iederen avond naar de zon stroomde. In Nijmegen liep een ouwe
+dokter rond, die drie-en-vijftig jaar lang 's morgens op 't zelfde uur
+dezelfde wandeling had gemaakt. Over 't Valkhof en aan de Noordzijde
+naar beneden en de Waalkade af tot aan de brug. Dat is meer dan 19300
+maal. En altijd stroomde 't water naar het westen. En dat beteekende
+nog niets. Het heeft zeker honderd maal drie en vijftig jaar naar
+dien kant gestroomd. En langer. Nu ligt de brug er over. Nog maar
+kort, nog maar wat jaren. En toch heel lang. Ieder jaar is 365 dagen,
+tien jaar is 3650 zonnen. Iedere dag is 24 uur, en ieder uur gaat er
+meer door de hoofden van al die tobbende menschen dan je in duizende
+boeken zou kunnen opschrijven. Duizende tobbers die de brug gezien
+hebben, zijn nu dood. En toch ligt i er nog maar kort. Veel, veel
+langer stroomde het water daar. En er was een tijd toen dat water
+er niet stroomde. Die tijd is nog veel langer geweest. Dood zijn
+de tobbers gegaan bij honderde en honderde millioenen. Wie kent
+ze nog? En hoeveel zullen er sterven na dezen? Ze tobben maar, tot
+God ze wegraapt. En je zou denken: God zou ze een lol doen als i ze
+plotseling te grazen nam. Maar God weet beter dan jij of ik. Tobben
+willen ze, blijven voorttobben. En onderwijl gaat de zon op en onder,
+de rivier daar stroomt naar 't Westen en blijft stroomen tot daar
+ook een eind aan komt.
+
+Neen plannen hatti niet meer, en te sappel maken zou i zich niet
+meer. Daarvoor zou Japi wel oppassen. Een diner accepteerde i dien
+avond nog wel. Zelfs zong i een komiek liedje en stak een malle speech
+af, staande op een stoel.
+
+Eenige maanden heeft Japi nog verstaard. Met zijn gezondheid ging
+het niet al te best en de toelage van zijn kantoor hield op. Den
+winter bracht i in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren,
+mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten,
+al tobbende.
+
+In Mei trok i naar Nijmegen.
+
+Daar schreef i me op een briefkaartje, dat Jeanne aan haar borstkwaal
+gestorven was. Daar hatti op gewacht, schreef i.
+
+Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is
+hij van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de
+gaten. "Maak je niet druk, ouwe jongen," had Japi gezegd, en toen
+was i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten.
+
+Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er
+afgestapt.
+
+Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord en aan
+de muur zes briefjes met G.v.d. er op en één met "Ziezoo".
+
+De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen
+zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond
+krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog.
+
+Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.
+
+
+
+
+
+
+TITAANTJES.
+
+
+I.
+
+
+Jongens waren we--maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn
+nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal
+geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden
+hun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n
+vijven. Alle andere menschen waren "ze". "Ze", die niets snapten
+en niets zagen. "Wat?" zei Bavink, "God? je praat over God? Hun
+warme eten is hun God." Op enkele "goeie kerels" na werd iedereen
+door ons veracht. Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: "En niet ten
+onrechte," maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je
+weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer
+vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor
+je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'm
+op den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer
+dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu,
+alweer behalve Bavink en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg
+tegen Hoyer: "we zijn er niet op vooruit gegaan." Maar Hoyer is al
+te ver heen, hij begint bij de bonzen van de S. D. A. P. te hooren,
+en maakt een gebaar van twijfel met z'n handen en z'n schouders.
+
+Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geweest. Iets
+zouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde
+afbreken, Ploeger wilde zijn baas z'n eigen klokken laten inpakken
+en er bij gaan staan met een sigaar in z'n hoofd en vloeken op die
+kerels die nooit iets goed konden doen. Eéns waren we 't, dat we
+"eruit" moesten. Waaruit, en hoe? Eigenlijk deden we niets anders dan
+praten, rooken, drinken en boeken lezen. Bavink vrijde bovendien nog
+met Lien. Achteraf bedenk ik, dat we een prachtig stel kerels geweest
+waren om rijk te zijn, maar "centen hebben" vonden we verachtelijk;
+alleen Hoyer begon daar vrij gauw anders over te denken. Bavink begreep
+niet, waarom die kerels zoo maar in rijtuigen mochten rijden en dure
+jassen aanhebben en andere lui commandeeren, die niet stommer waren
+dan zij. Automobielen zag je toen zoo nog niet.
+
+Heele zomernachten stonden we tegen 't hek van 't Oosterpark te leunen
+en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan
+hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er
+wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.
+
+Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van 't trottoir
+zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en
+waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar
+de sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z'n
+baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i
+opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte,
+zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan
+zat Bavink met z'n hoofd in z'n handen, over de zon te praten, bij
+'t sentimenteele af. En we vonden dat 't zonde was naar bed te gaan,
+dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat
+zouden we veranderen. Kees zat te slapen.
+
+En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees,
+die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker
+wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk
+met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de
+dansende gouden pijltjes die de zon in 't water maakte. Stapelmal
+werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange
+schitterende streep. Maar aan den kant van 't water bleef-i toch
+maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer
+aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim
+stond. Bavink sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte:
+"God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit." Nu zit-i in
+een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd niets
+zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel
+slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er
+beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meer
+dan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen
+te staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen.
+
+Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naar
+den Ringdijk. Daar zaten we in 't gras tusschen de boterbloemetjes
+beneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hun
+groote oogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien. En dan kon
+je ervan opaan, dat Bavink over Lien begon. Op de een of andere manier
+moeten die koeienoogen daar iets mee uit te staan gehad hebben. En
+dan begon 't te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er
+vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m'n eene voet lag bijna
+in de sloot. Andere hoorde je zachtjes, ver, heel ver weg. Een koe,
+die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je
+'t gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Een
+paard holde heen en weer, je hoorde 't maar zag 't niet. De koe bij
+ons blies en werd onrustig. Bekker zei: "'t Is hier goeie. Zoo moest
+'t maar blijven." Bavink stond overeind en breidde z'n armen uit en
+luisterde, en ging daarna weer zitten en zei dat we der ook nooit iets
+van zouden snappen, hij zelf ook niet, en dat we eigenlijk niet veel
+beter waren dan al die andere lui, en ik geloof, dat-i daar heel na
+aan de waarheid was.
+
+Neen, we deden eigenlijk niets. Ons werk op kantoor deden we niet
+al te best, en onze bazen verachtten we, behalve Bavink en Hoyer,
+die geen bazen hadden en niet begrepen, waarom we iederen dag weer
+naar die bazen toegingen.
+
+We wachtten maar. Waarop? Dat hebben we nooit geweten. Bekker zei:
+"Op 't koninkrijk Gods." Dat wil zeggen, dat heeft-i een keer gezegd
+zonder zich nader te verklaren. Bavink had 't altijd over "het einde,
+dat meteen 't begin zou wezen." Wij vonden dat allemaal volkomen
+duidelijk en weidden er niet verder over uit.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Op den zolder van Kees kwamen we dien zomer bijna iederen avond
+bij elkaar. Kees had ook een "hok" moeten hebben. Zijn hok was 't
+grootste en voor allen makkelijk te bereiken. De buren vonden 't niks
+leuk iederen avond dat geloop op de trap. Kees z'n vader begreep er
+niks van. Tegenwoordig groet-i me heel beleefd en noemt me "mijnheer
+Koekebakker", omdat-i m'n naam in 't Handelsblad heeft gezien.
+
+Bekker had Kees gezegd, hoe-i 't doen moest. Ze hadden goedkoop
+bloemetjesbehangsel van 3 centen de rol gekocht en dat achterstevoren
+tegen den muur geplakt, de effe groene achterkant buiten. Bekker had
+een spreuk geschreven met sier-letters en die aan den muur geplakt
+naast de deur. "J'ai attendu le Seigneur avec une grande patience,
+enfin il s'est abaissé jusqu'à moi."
+
+Ik weet niet meer waar-i dat vandaan had gehaald. Kees kon 't niet
+lezen. Maar Kees had óók iets gedaan. Hij had een spa gemaakt en Bekker
+had die diagonaalsgewijs aan den muur geprakkizeerd in 't aangezicht
+van de spreuk. Het was eerst niet duidelijk, wat dat moest beteekenen,
+maar naderhand bleek, dat Bekker zich in zijn hoofd had gehaald, dat-i
+metdertijd op de hei zou gaan wonen en daar een brokje land bewerken,
+dan hoefde-i niet meer naar kantoor. Bavink vond dat een mooi idee,
+maar-i was bang dat Lien er geen zin in zou hebben en Hoyer zat liever
+in de kroeg.
+
+Daar zaten we dan en lieten niets heel. Tenminste niet veel. Ik
+herinner me, dat Zola en Jaap Maris tamelijk ongeschonden bleven
+en misschien nog wel de een of ander. Bekker las uit Dante voor,
+de Prediker en 't Hooglied en 't boek Job kende-i uit z'n hoofd. 't
+Was heel indrukwekkend. Van de buitenwereld merkte je niet veel op
+dat hok. Het eenige raam was bijna schouderhoogte van den grond;
+als je aan tafel zat, zag je niet veel meer dan een stuk lucht,
+waar langzamerhand de kleur uitweek, en wat sterren, als 't donker was.
+
+Schilderen? Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde? Alles
+lieten de lui zich voorzetten, letterlijk alles. Ik moest maar eens een
+schilderij maken. Dat was ik zelf, Koekebakker. Hij zou me zeggen wat
+ik doen moest. "Je schildert twee horizontale banen, onder elkaar, even
+breed, een blauwe en een goudgele en in 't midden van die blauwe baan
+maak je een ronde goudgele vlek. En dan zetten we in den catalogus:
+No. 666 De Gedachte, schilderij. En dan zenden we 't in op mijn naam:
+Johannes Bavink, 2de Jan Steenstraat, nummer zooveel en we prijzen
+'t voor f 800. Je zult eens zien wat ze er in ontdekken. Van alles,
+waar je zelf nooit een flauw benul van gehad hebt."
+
+Bavink was toen nog erg jong.--Naderhand kwam Lien daar ook en zette
+thee. Eén keer heeft ze den grond geboend en alles afgestoft; maar
+dat was heel ongezellig. Kees kwam er door in verlegenheid, want
+tegen die juffrouw had de ouwe heer bepaald bezwaar. En Bavink was
+niet zooals we hem graag zagen, wanneer Lien er bij was en had een
+neiging om haar voortdurend te knijpen. Dat was hinderlijk.
+
+Gelukkig liet hij haar al heel gauw weer thuis, omdat-i dacht, dat
+Lien mij oogjes gaf. Bekker zei: "Meiden, dat is niks" en rookte
+met bizonder welbehagen z'n steenen pijpje toen ze er voor 't eerst
+weer niet bij was. Het was dien avond ook heel genoegelijk. Uren lang
+zaten we in donker. De lamp was gaan zakken en daarna uitgegaan. We
+bleven maar zitten en rookten, uren lang. Af en toe zei iemand eens
+wat. Bavink vond schilderen 't stomste dat iemand doen kon. Kees
+begreep er weer niks van. "Je moest zoo maar stilletjes blijven
+zitten," zei Bavink en keek naar de lucht. Een groote groenachtige ster
+stond daar te donkeren. "Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten
+te verlangen zonder te weten waarnaar." En hij stopte een versche pijp.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet
+die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien,
+twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.
+
+Wij waren boven de wereld en de wereld was boven ons en drukte zwaar
+op ons. Heel in de diepte zagen wij de wereld vol bedrijvigheid
+en verachtten de menschen, de gewichtige heeren vooral, de heeren,
+die 't druk hebben en die denken dat zij 't aardig ver in de wereld
+hebben gebracht.
+
+Maar wij waren arm. Bekker en ik moesten 't grootste deel van onzen
+tijd op kantoor doorbrengen en doen wat die heeren zeiden en hun domme
+opinies aanhooren, als ze met elkaar spraken en verdragen, dat zij
+zichzelf veel flinker en knapper vonden dan ons. En als zij vonden,
+dat 't koud was, dan moesten alle ramen dicht en 's winters moest
+'t licht veel te vroeg op en de gordijnen moesten neer, zoodat wij
+de roode lucht niet zagen en 't schemeren in de straat niet, en wij
+hadden niets te vertellen.
+
+En wij moesten in straten wonen, heel bekrompen, met uitzicht op
+de lancaster gordijnen van den overkant en de balletjesfranje en de
+aspedistra in een pot met een onbestaanbare bloem er op.
+
+O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit
+gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen,
+wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden. 's
+Zondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooit
+kwamen en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden,
+die wij gezien hadden en terwijl de heeren ons bevalen dingen te doen,
+waarvan wij 't nut niet begrepen, dachten wij eraan, hoe Zondagavond
+de zon was ondergegaan achter Abcoû. En hoe wij woordeloos 't heelal
+doordacht hadden, hoe God ons hoofd, ons hart en ons ruggemerg gevuld
+had en hoe mal zij zouden kijken, als wij hun dat zouden zeggen. En
+hoe zij met al hun geld en hun reizen naar Zwitserland en Italië en
+Godweetwaarheen en met al hun knapheid en bedrijvigheid dat nooit
+zouden kunnen beleven.
+
+Maar met dat al hadden ze ons toch in hun macht, ze legden beslag op
+'t grootste deel van onzen tijd, zij hielden ons uit de zon en van
+de weilanden en den waterkant vandaan. Ze dwongen ons voortdurend
+onze gedachten bezig te houden met hun onbegrijpelijke zaken. Maar
+dat ging zoo ver als 't voeten had. En zij gaven ons standjes; niks
+waren wij op kantoor. "O, Bekker" zeiden ze tegen elkaar. Welopgevoed
+waren de heeren; de juffrouw van tweehoog zei: "die halvegare",
+daar waren de heeren te welopgevoed voor. En ze waren knap, veel
+knapper dan de juffrouw van tweehoog, wier man lantaarnopsteker was,
+een leuk vak, waar weinig geleerdheid voor noodig is. M'n baas vroeg
+me of ik misschien gedichten maakte. Bekker vond dat zoo'n man dat
+woord eigenlijk niet mocht uitspreken, dat moest niet mogen. "Wat
+zei je tegen hem?" Ik had niks gezegd, ik had maar naar z'n gezicht
+gekeken en gevonden dat-i zoo'n dikken kop had en gedacht: "hij weet
+niet wien hij voor heeft, daar is hij te dom voor." En ze betaalden
+ons slecht de heeren.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+En verliefd waren we. Bekker liep maanden lang iederen morgen over
+de Sarphatistraat waar hij niets te maken had. Hij hield van een
+schoolmeisje van een jaar of zeventien en liep vijftig pas achter
+haar of aan de overzij van de straat en keek naar haar. Hij heeft
+nooit geweten hoe zij heette, nooit een woord met haar gesproken. In
+de Kerstvacantie was-i ongelukkig. In Februari nam hij een middag
+vrij om haar op te wachten, als de school uitging. Daar stond-i op 't
+stille grachtje in de sneeuw en een vent reed voorbij op een wit paard,
+met een blauwe kiel aan en een stroohoed op. Wat raar dat je juist op
+zoo'n middag zoo iets geks moet zien. Maar om vijf minuten voor vieren
+ging Bekker weg, hij dorst niet te blijven staan. Langzaam slenterde-i
+weg en op de Weteringschans haalde ze hem in. Ze lachte luid tegen een
+vriendin. Ik geloof niet dat zij ooit geweten heeft dat Bekker bestond,
+
+Van mij wilde Bekker weten waar dat op uit moest loopen, dat kon
+toch zoo niet doorgaan. En 't ging ook zoo niet door, want na de
+zomervacantie kwam ze niet meer terug.
+
+"Meiden," zei Bekker, "dat is niks gedaan... Ze veerde als ze
+liep." Hij draaide de lamp wat op en sloeg een blad om van 't
+boek waar-i in las. "Waar zou ze nu zijn?" "Zou ze zoenen?" Een
+stukje vuur uit zijn pijp viel op 't boek. Hij doofde 't met een
+lucifersdoosje. "Verdomme, een gat, dat heb ik stom gedaan." "'t Is
+beter zoo, meiden is niks gedaan, je schiet er niet mee op, ze leiden
+je maar af. Op een afstand zijn ze aardig, om gedichten op te maken."
+
+Hij las. Na een poosje keek hij weer op... "Weet je wat een raar
+ding is? Toen ze me dien middag inhaalde ging ze rakelings langs
+me heen. Er was zoo te zeggen niks tusschen ons, een beetje kleeren
+van haar en zoo goed als geen kleeren van mij." (Bekker liep zomer
+en winter met z'n overhemd op z'n bloote lijf). "Dat is niet veel,
+vind je wel?" Ik vond dat niet veel; tusschen den toren van Naarden
+en de kamer van Bekker b.v. was veel meer. "Tusschen den toren van
+Naarden en deze snor," zei Bekker, "is veel minder, veel minder dan
+er toen was tusschen haar schouder en de mijne. 't Haalt er niet bij
+Koekebakker." Hij sloeg weer een blad om, keek in 't licht, en zei:
+"zoo is 't" en ging door met lezen.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Zoo was 't: God liet zijn aangezicht zien en verhulde 't
+beurtelings. Je schoot er niet mee op, ook al bewonderde je de meisjes
+alleen maar uit de verte en al liet je hun bekjes zoenen door anderen,
+door die gewichtige heeren, waar ze over 't algemeen meer mee op hadden
+dan met ons. Die waren zooveel netter en praatten zoo aardig. En wij
+waren armoedzaaiers.
+
+Van God was niets te hopen, die gaat zijn eigen weg en geeft geen
+rekenschap. Als we wat wilden moesten we 't zelf doen. Maar wij vonden,
+dat Bavink en Hoyer makkelijk praten hadden, die konden wat, die konden
+laten zien hoe 't moest, maar wij, Bekker en Kees en ik, wij konden
+hoogstens "socialen" worden en dat leek toch wel wat erg armoedig,
+nadat je aan Gods tafel had gezeten, adressen te gaan schrijven
+voor drukwerk of lid te worden van de "vrije groep Kastanjeplein en
+omstreken." En van dat wonen op de hei zou ook wel niets komen, want
+als Bekker een paar centen bij elkaar had, dan moesten zijn schoenen
+gelapt worden. In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen
+gaan, maar toen we op een Zondag er heen waren geloopen, vier uur
+gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele
+schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds,
+in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en
+z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar
+weer naar Amsterdam terug en liepen achter elkaar langs de Naarder
+trekvaart en zongen, en een boerenmeid zei tegen een boerenjongen:
+"D'r het niks van in de krant 'estaan jong, hoe vin je dat nou? wist
+jai d'r van?"
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Dus deden we maar niks. Ja toch, in dien tijd maakte Bekker z'n
+eerste gedicht.
+
+'k Weet 't nog heel goed, 't was op een Zondag, natuurlijk. Als er
+iets gebeurde, dan was 't op Zondag. Want de zes andere dagen van de
+week droegen drie van ons onze ketenen van negen tot zes.
+
+Ik was uit solliciteeren geweest in Hillegom bij een bollenhandelaar
+met dikke roode gladgeschoren wangetjes. En de anderen hadden er
+meteen een uitgangsdag van gemaakt. Bavink, Hoyer en Bekker hadden
+alle drie al zoo vaak naar 't oudheidkundig museum in Leiden gewild
+en nu zou 't er dan van komen. En Kees moest mee, die deed wat de
+anderen deden. In Leiden zou ik hen vinden.
+
+'t Was in December. Ik stond achter op de tram, heelemaal achter op. De
+tram reed maar door 't land en stond stil en reed weer, uren duurde 't,
+de landen lagen eindeloos. En de lucht werd hoe langer hoe blauwer en
+de zon scheen alsof er bloemen moesten groeien uit de boerenkinkels. En
+de roode daken in de dorpen en de zwarte boomen en de akkers, veel met
+riet gedekt, hadden het lekker warm, en de duinen stonden in de zon
+met hun bloote hoofd. En de straatweg lag daar wit en pijnlijk in 't
+licht en kon de zon niet verdragen en de ruiten van de dorpslantaarns
+flikkerden, ook zij verdroegen met moeite 't felle licht.
+
+Maar ik werd hoe langer hoe kouder. En zoo lang als de zon scheen,
+reed de tram. 't Is een lange rit van Hillegom naar Leiden en de dag
+is kort in December. En op 't laatst stond er een lijk op de tram te
+staren in die malle groote koude zon, die vlamde als of de revolutie
+moest beginnen, alsof ze in Amsterdam bezig waren de kantoren af te
+breken, en die geen vonkje leven in m'n koude voeten en dooie beenen
+kon brengen. En de zon werd steeds grooter en kouder en ik werd steeds
+kouder en bleef even groot. En de blauwe lucht keek vreeselijk ernstig:
+"Wat moest ik toch op die tram?"
+
+Dien middag maakte Bekker z'n eerste gedicht. En toen ik met 't
+aansteken van de gaslantarens in Leiden aankwam en de onsterfelijken
+naast elkaar op een lange bank vond zitten in de derde klas
+wachtkamer van 't station, bij de kachel, toen moest ik mee 't gedicht
+ondergaan. 't Was heel mooi. Of 't geen naam had? Bekker schudde van
+nee. Maar Bavink en Hoyer schreeuwden, dat ze gezien hadden, dat er
+iets boven stond. Een burgerheer zei: "Opscheppers" tegen den man,
+die aan de deur z'n kaartje knipte. Bavink had 't papier te pakken,
+Wat stond er boven? Natuurlijk? "Aan haar." Dat had ik zóo wel geweten.
+
+Bavink vond dat er een schepje op de kachel moest, maar kon de
+kolenschep niet vinden. Ze nemen in die wachtkamers altijd den
+kolenschep mee, anders stookt 't publiek te hard.
+
+Toen gooide Bavink de steenkolen met z'n handen in de kachel en kreeg
+mot met een kerel met een witte kiel aan.
+
+'t Was heel lollig dien avond. In den trein vielen Kees en Hoyer in
+slaap. Bavink zat te praten met een Haagsch juffertje en de lucht
+van heliotroop op te snuiven die haar lieve leden ontsteeg.
+
+Toen begon Bekker weer over de hei te praten. Daar wilde-i stilletjes
+wonen en maar afwachten wat God met 'm voorhad. Doen kon je niks. Hij
+was erg weemoedig. Ik had bezwaar tegen die hei: 't is er zoo droog. En
+ik vroeg Bekker waar-i van leven wilde, dat boeren van kantoorheeren
+lukt gemeenlijk niet al te best, behalve in Amerika, waar allerlei
+leugens van geloofd worden. Maar hij maakte zich daarover geen
+zorg. Hij had niks noodig.
+
+Nu weet hij beter. God alleen heeft niks noodig. En dat is nu juist
+'t groote verschil tusschen God en ons.
+
+Er is dan ook niks van gekomen van die hei.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Wij zaten met z'n vieren bij Zandvoort in 't fijne witte zand aan den
+voet van 't duin en keken naar zee. Kees was er niet bij. 't Was in
+'t laatst van Juli. Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee,
+maakte, alweer, ik kan 't niet helpen, 't is God zelf die steeds
+in herhalingen vervalt, maakte alweer een lange gouden streep op
+'t water en scheen op onze gelaten.
+
+Aan den gezichtseinder voer een sleepboot en rees en daalde; als-i
+daalde zag je enkel de stoompijp.
+
+Bekker zou den volgenden dag naar Duitschland gaan. Door zijn groote
+talenkennis had-i een betrekking gekregen als correspondent op een
+fabriek. En Hoyer ging naar Parijs, schilderen.
+
+Bekker vooral was weer erg weemoedig. Hij wou dat-i dat baantje
+maar niet aangenomen had. Hij begreep niet goed meer waarom-i 't
+gedaan had. Twee uur was-i in dat ellendige fabrieksstadje geweest
+om zich voor te stellen. Ziek was-i er geworden, heimwee had-i er
+gekregen. Zoo gauw mogelijk was-i naar 't station gevlucht. Daar lagen
+gelukkig de rails nog, onafzienbaar, recht, tot aan den horizon, de
+weg naar Amsterdam. En zijn biljet had-i voor den dag gehaald. En er
+had nog duidelijk opgestaan: "nach Amsterdam". En op tijd was de trein
+gekomen en had 'm over de rails naar huis gereden. En toen-i aan 't
+Centraal station was afgestapt, toen had-i in de volheid zijns gemoeds
+een praatje gemaakt met den machinist en hem een sigaar gegeven,
+een dure, en even de locomotief met z'n hand aangeraakt en gedacht:
+"aai locomotief". En toch had-i dat baantje aangenomen. 't Gaf een boel
+meer dan-i hier verdiende. En nu moest-i weg en zou den Ringdijk niet
+meer zien. En al dien tijd zouden die rails daar liggen, maar hij zou
+hoogstens daarginds op 't perron kunnen staan en er naar kijken en de
+treinen zien vertrekken, 's avonds, en 's Zondags den geheelen dag,
+vele malen.
+
+Nu was de zon lager en rood, de gouden streep was weg. 't Was een
+warme, stille avond. Het roode water rimpelde wat, de branding rolde
+langzaam en ruischte maar zacht.
+
+Bekker had een theorie, dat-i zou sparen en terugkomen en op de hei
+gaan wonen. Maar hij geloofde er zelf niet aan in zijn hart. En wij
+probeerden 't te gelooven, zelfs Hoyer probeerde 't en wij overtuigden
+ons zelf dat 't zoo gaan zou, maar wij geloofden 't niet. En 't is
+ook zoo niet gegaan. Na een jaar is Bekker teruggekomen. Hij had een
+paar honderd gulden overgehouden en liep weer iederen morgen om half
+negen in de Linnaeusstraat met z'n brood in een zeiltje. Een mensch
+heeft veel noodig.
+
+Maar dien avond dachten wij niet aan zeiltjes met brood. Wij deden erg
+ons best om te gelooven, dat wij er nog heel wat van terecht zouden
+brengen. Verbazen zouden wij de wereld, zoo kalm en onaanzienlijk
+als wij daar zaten met opgetrokken beenen en onze acht handen om
+onze knieën. Hoyer had zich voorgenomen allerlei gemeene dingen te
+schilderen. In een tijdschrift had-i een artikel gelezen over de
+sociale taak van den kunstenaar, hij was er nu achter. Hij begon een
+dispuut met Bekker over de hei. Het was mirakel geleerd. Hij probeerde
+Bekker te overtuigen, dat 't verkeerd was zich af te zonderen van
+de wereld en naar die hei te gaan, waar-i toch nooit naar toe zou
+gaan. Een kunstenaar behoort te staan midden in 't moderne leven.
+
+Van mij wilde Hoyer weten hoe ik er over dacht. Ik zei maar, dat ik
+er nooit over gedacht had. Ik begreep ook niet wat-i wilde, hij wist
+'t immers, waarom moest-i nu nog weten hoe ik er over dacht.
+
+Alleen Bavink zei niets, hij zat met z'n kin op z'n knieën en ontving
+de zon in z'n hart. De zon was nu zoo plat als een suikerboon en dof
+rood, hij was bijna weg.
+
+Hoyer kon er niet bij blijven zitten. Hij sprong op en nam Bekker
+mee. Zij wandelden langs 't strand, in de verte hoorde we Hoyer
+schreeuwen, blijkbaar wond-i zich op. Bavink en ik bleven nog even
+zitten, toen drentelden wij zachtjes achter hen aan. 't Leek me niets
+leuk een levensbeschouwing te hebben, Hoyer schreeuwde zoo.
+
+Bavink en ik stonden stil en keken naar de punten van onze schoenen
+en naar 't aanrollen van de verloopende golven. De zon was weg, de
+roode schijn op 't water begon te verbleken, in 't zuiden klom een
+blauwige duisternis. Er was een geur van modder. In de verte, bij
+'t dorp, gingen plotseling de booglampen aan bij 't strand.
+
+"Begrijp jij dat," vroeg Bavink, "van die sociale taak?"
+
+Ik haalde m'n schouders op. "Wat zou dat voor 'n vent zijn, die
+dat artikel geschreven heeft? Heb jij verantwoordelijkheidsgevoel,
+Koekebakker?" Daar had Hoyer 't ook over gehad.
+
+"Hoyer praat machtig mooi," zei Bavink. "Machtig mooi. Ik heb geen
+verantwoordelijkheidsgevoel. Ik kan me daar niet mee ophouden. Ik moet
+schilderen. Een lolletje is 't niet. Wat zei-di ook weer?" "Wie?" vroeg
+ik. "Die vent in dat boek, wat zei-di ook weer dat kunstenaars
+waren?" "Gebenedijden, Bavink." "Weet je wat ik denk, Koekebakker? Dat
+'t dezelfde vent is, die de spoorboekjes gemaakt heeft. Daar heb ik
+ook nooit iets van begrepen, hoe iemand dat kon. Gebenedijden... God
+is overal? Of niet, Koekebakker? Dat zeggen ze toch?"
+
+Ik knikte. De duisternis begon nu overal uit 't water te klimmen,
+in 't noordwesten hield de kim nog wat gelige en groenige gloed,
+boven onze hoofden trok 't laatste licht weg. Wolken waren er niet.
+
+"Dus hij is overal," zei Bavink. "Daar en daar en daar." Met
+uitgestrekte arm wees hij om ons heen. "En daar achter die zee, in
+'t land dat wij niet zien. En daar, bij Driehuis, waar de booglampen
+staan. En in de Kalverstraat. Ga eens met je rug naar 't water staan
+en luister. Kan jij eruit blijven?"
+
+"Waaruit?"
+
+"Uit die zee?" Ik knikte van ja, dat kon ik best.
+
+"Ik nauwelijks," zei Bavink. "'t Is zoo raar dat weemoedige geluid
+achter je. 't Is net of zoo'n zee wat van me wil. Daarin is God
+ook, God roept. 't Is waarachtig geen lolletje, overal is-i. En
+overal roept-i Bavink. Je wordt mal van je eigen naam, als-i zoo
+dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moet
+God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink "God." En
+zoo blijven ze mekaar roepen. Voor God is 't een spelletje, die is
+oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar éen dom
+hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje te
+gelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en
+verf. Dan is God overal, behalve waar Bavink 'm hebben wil. En dan
+komt er een vent en schrijft dat Bavink gebenedijd is. En Hoyer leert
+dat uit z'n hoofd en loopt er over te zwetsen tegen Bekker. Zeg wel
+gebenedijd. Weet je wat ik wou? Dat ik spoorwegboekjes kon maken. Zoo'n
+vent laat God met vrede, die is 'm de moeite niet waard."
+
+Ik presenteerde Bavink een sigaar en stelde voor naar Driehuis te
+gaan. Ik had trek in koffie. Ik vond het niet mooi van Bavink een
+verdienstelijk heer zoo te kleineeren. Achter ons aan kwamen Hoyer
+en Bekker terug en hadden 't nog erg druk.
+
+Om elf uur stonden we dien avond nog weer aan 't strand in de nacht. Er
+was wat wind komen opzetten, de golven ruischten. Een weinig drank
+had de weemoed en de somberheid verdreven. Een nieuwe tijd zou
+aanbreken. Bekker zou in de eenzaamheid van zijn Duitsche kosthuis
+Dante vertalen, zooals nog nooit iemand 't gedaan had. Bavink had een
+groot doek in z'n hoofd, een gezicht op Rhenen, hij was daar eens een
+dag geweest, duidelijk zag hij alles voor zich. En Hoyer ging werken
+aan z'n sociale taak; ze zouden er van opkijken. En ik probeerde
+'t allemaal te gelooven.
+
+De koele wind woei om ons heen. De zee ruischte klagend, de zee, die
+klaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan 't land. Mijn
+gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen.
+
+Een nieuwe tijd zou aanbreken, nog konden wij groote dingen tot stand
+brengen. Ik deed mijn best 't te gelooven, héél erg mijn best.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+In Rhenen stond ik in de schemering op de brug over den spoorweg
+en keek naar 't Noorden. In de diepte lag de spoorlijn tot den
+gezichtseinder, aan beide zijden er van rees de berg steil op, begroeid
+met lichtgroen gras en donkergroene brem vol gele bloemen. Ik keek
+er naar hoe de bergwanden geleidelijk lager werden, tot ze, heel ver,
+overgingen in de vlakte.
+
+Weer begon de duisternis geheimzinnig naar boven te kruipen uit de
+aarde, zooals ik dat zoo dikwijls gezien had. Bevreesd en bangelijk lag
+'t laatste licht van den dag op den berg, de spleet was vol duisternis,
+een rood licht was opgetrokken aan een paal aan de spoorlijn. De lucht
+was wat grijs beslagen en keek kleurloos neer op den verslagen dag.
+
+Zes jaar was ik weggeweest en nu stond ik daar, pas in Holland terug,
+op de plaats waaraan ik zoo vaak had gedacht, waarover ze mij in bijna
+iederen brief hadden geschreven. (Bavink schreef me ieder jaar zeker
+wel twee keer en Bekker wat vaker), op den berg waarvan Bavink mij
+in den loop van den tijd zeven teekeningetjes had gestuurd en waarop
+Bekker twee heel kleine versjes had gemaakt.
+
+Naar Holland was ik gekomen om armoe te lijden en artikeltjes en
+verhaaltjes te schrijven in 't buurtje waar ik zoo lang gewoond had. En
+mijn laatste twee rijksdaalders wilde ik verteren in de stad die in
+mijn afwezigheid een korte poos de hoofdstad der wereld was geweest.
+
+In 't Noorden verslond de duisternis 't licht mateloos, nu was de
+berg weldra verzwolgen, 't laatste geleide van den dag vluchtte in
+'t Noordwesten overhaast en ik stond op 't bruggetje aan 't niet,
+omspoeld door de oneindigheid.
+
+Ik legde mijn elboog op de leuning en hield m'n kin met m'n hand
+vast en keek in de duisternis en dacht aan de platte roode zon,
+die, lang geleden, in de groene golven van den Atlantischen oceaan
+was ondergegaan, de golven die opliepen met scherpe randen en holle
+flanken en vielen en opliepen en nu nog oploopen en vallen. En aan
+de gele lichten in de armelijke buurtwinkeltjes in Amsterdam, die
+ik nu spoedig weer zou zien en die iederen avond hadden geschenen,
+terwijl de oceaan golfde.
+
+En de vage verwachtingen van vroeger stegen weer in mij op en het
+verlangen, zonder te weten waarnaar.
+
+Doch er kwam een gevoel bij, dat ik vroeger niet gekend had. Voorbij
+waren al die dagen gegaan en voorbij zouden nog vele dagen gaan,
+en al die dagen zouden mijn verwachtingen onvervuld blijven en mijn
+verlangens onbevredigd. Jaren had Bavink met tusschenpoozen gewerkt
+aan zijn gezicht op Rhenen, aan de rivier, den berg, den Cuneratoren,
+de bloeiende appelboomen, de roode daken van 't stadje, de kastanjes
+met hun witte en roode bloemen en de bruine beuken tusschen de huizen
+in de hoogte, en 't molentje ergens op den berg. Jaren had Bekker in
+'t villaatje op den berg, dat Bavink gehuurd had, iederen Zondag
+Dante vertaald en gedichtjes geschreven soms, jaren had ik over de
+wereld gezworven. En wat was er nu nog gebeurd? Wat beteekende dat
+alles voor de wereld, voor God, voor ons zelf?
+
+Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, en
+mijn hart had naar de verte getrokken en naar de roode luchten in 't
+westen. Doch al had ik van den toren kunnen vliegen naar de verten, dan
+zou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden
+en opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben. En wat baat
+mij de wijsheid, die mij leert dat 't niet anders kan en zoo blijven
+zal in eeuwigheid?
+
+Iederen dag hadden wij verlangd zonder te weten waarnaar. En eentonig
+was 't geworden. Eentonig werd 't opgaan van de zon en 't ondergaan en
+'t schijnen van de zon in 't water en 't schuiven der witte wolken. En
+ook de donkere luchten werden eentonig, en 't bruin en geel worden
+van de bladen, en de bladerlooze kruinen en de armoedige drassige
+weilanden in den winter, al die dingen die ik zoo vaak gezien had
+en waaraan ik zoo vaak had gedacht in mijn afwezigheid en die ik zoo
+vaak weer zou zien, als ik niet stierf. Wie kan z'n leven doorbrengen
+met te kijken naar al deze dingen, die zich steeds herhalen, wie kan
+blijven verlangen naar niets? Hopen op een God die er niet is?
+
+En nu bloeiden weer de brem en de seringen en de appelboomen en de
+kastanjes en de zon had al weer fel gebrand. En vol ontroering had
+ik dit alles weergezien.
+
+En terwijl ik daaraan dacht, weken de vage verwachtingen en verlangens.
+
+God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen
+staan er vol schoone bloemen, die niet sterven en statige vrouwen
+wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en
+schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindelooze gebied is eindeloos
+'t zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er
+door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht
+naar de zee.
+
+En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk
+en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie
+'t water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende.
+
+En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de
+schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor de
+wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid,
+dat dit alles bestaat, omdat ik 't zoo verkies te denken. En ik ben
+dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan
+en voel mij God, de oneindigheid zelf.
+
+Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.
+
+
+
+Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Toen ik den volgenden ochtend tegen negenen in Amsterdam aankwam en op
+'t plein voor 't Centraalstation stond, zag ik allerlei electrische
+trammen die ik daar nog nooit gezien had en huurauto's en agenten van
+politie met petten op inplaats van helmen. Maar 't Damrak hadden ze nog
+niet gedempt, ik zag de achterkanten van de huizen van de Warmoesstraat
+weer vlak aan 't water staan en den toren van de Oudekerk aan 't eind
+er boven uit. Dat was dus nog in orde.
+
+En daar liepen ook weer diezelfde nette heeren, wier haar altijd even
+netjes zit, die nooit een kreukel in hun jas of een spatje modder
+op hun schoenen hebben. En ze zagen er weer uit als of ze 't nog
+altijd enorm goed wisten, en vonden dat ze vrijwel geslaagd waren in
+'t leven. En vriendelijk en beleefd waren ze weer tegen elkaar. Hun
+kleeding was een kleinigheid anders dan een jaar of wat geleden, maar
+nog even degelijk. En je kon zien dat zij nog altijd met alles in
+'t reine waren. Een jas was nog altijd een jas en een vest een vest,
+en een fatsoenlijke vrouw een fatsoenlijke vrouw en een meid een
+meid. Het kwam allemaal nog precies uit. Ook wisten ze nog precies
+wie en wat beneden hun stand was; ik twijfelde er niet aan. En ook
+'t Rokin zou wel gedempt komen als ze er aan toe waren.
+
+Met lijn twee reed ik over de Nieuwezijds Voorburgwal. Het was maar
+goed dat ze die gedempt hadden lang geleden, anders had de tram daar
+allicht niet kunnen rijden en je kon nu ook overal makkelijk van den
+eenen kant naar den anderen oversteken.
+
+Met lijn twee, de lijn bij uitnemendheid der nette en gewichtige
+heeren. Een paar vreeselijk gewichtige heeren waren in de tram, niets
+was ik daarbij. Vroolijk scheen het zonnetje op den Voorburgwal,
+'t groen der boompjes was nog wat licht en ik zag dat de schaduw van
+de Nieuwe kerk den overkant der straat niet raakte, lang niet. En
+ik herinnerde me, dat ik jaren geleden, ook in 't laatst van Mei
+dezelfde schaduw precies zoo gezien had. En dat ik op een zonnigen
+winterdag, toen over de Voorburgwal nog geen tram reed, door de
+schaduw van die kerk geloopen had, die toen de heele breedte van de
+straat bedekte. Nu raakte hij de rails niet, de tram reed in de zon
+voorbij de kerk. En over enkele maanden zou dezelfde wagen (hij was
+nog heel nieuw) op dezelfde plaats door die schaduw rijden. En toen
+ik weer naar die twee vreeselijk gewichtige heeren keek vond ik,
+dat al dien tijd dat Rhenen de hoofdstad der wereld geweest was,
+er eigenlijk al heel weinig in die wereld veranderd was.
+
+En ik dacht, wanneer die twee heeren dood zouden gaan en naakt zouden
+aankomen voor de rechtbank des Heeren, en hier vergeten zouden zijn. En
+dat er vreeselijk gewichtige heeren na hen zouden komen. En of ze hun
+stomme aplomb zouden bewaren, als ze daar boven zouden aankomen zonder
+hun gepoetste schoenen? En hoe 't gaan zou met die nette scheidingen
+in hun haar? En of ze dan zouden uitkomen met hun stupide vertoon van
+meerderheid, of er niet een kleinigheid op die gezichten te lezen zou
+zijn, als ze daar die andere, nog gewichtiger heeren zouden ontmoeten,
+die ze zooveel jaren hadden hooggeacht, ook naakt?
+
+En hoeveel idealistische jongelingen in dien tijd opstellen geschreven
+en gedichtjes en schilderijtjes gemaakt en zich opgewonden en gedweept
+zouden hebben. En gezoend. En daarna ook gewichtig zouden zijn geworden
+misschien, en ook vergeten.
+
+Toen kwam er een meisje met een viool in de tram en keek met haar
+zwarte oogjes naar de puntjes van haar schoentjes, en ik keek naar
+de ronding van haar zomermanteltje en vergat die nette heeren.
+
+
+
+
+X.
+
+
+Hoyer vond ik thuis. Hij woonde heel netjes in een straatje van
+den tweeden rang, achter 't Concertgebouw. Hij ontving me in een
+zitkamer, waar ik niet durfde loopen, er lag zoo'n duur kleed. Zijn
+gordijnen waren van pluche, z'n stoelen bekleed met geel moquette,
+op den schoorsteen stond een zwarte pendule met candelabres en ik
+meen dat ik ook nog ergens een bronzen paard heb gezien, allemaal
+dingen uit dure bazars. Goed zitten durfde ik ook niet, ik zat al
+dien tijd op de punt van een stoei, maar ik geloof niet, dat Hoyer
+daar iets van gesnapt heeft.
+
+Hoyer had kolossaal geboft. Ze hadden de ouwe stomme streek uitgehaald
+een naaktfiguur van hem te weigeren. De Wellust had hij de dame
+genoemd en ze was inderdaad, laat ik maar zeggen, omdat ik voor een
+fatsoenlijk tijdschrift schrijf "heel lief." En nu woonde Hoyer heel
+duur op gemeubileerde kamers, bij een nette weduwe met drie namen,
+waar ook een vrouwelijke advocaat in huis was en een assistent-resident
+met verlof, met vrouw en kind. En hij at buitenshuis, want de weduwe
+was veel te net om voor eten te zorgen. Schoenen poetsen was extra.
+
+En ik zat al dien tijd op de punt van mijn stoel en keek naar
+de gedraaide poot van de tafel en naar de vergulde lijst van den
+spiegel. Het was erg vervelend. Ik moest natuurlijk vertellen van
+mijn reis, maar ik wist niet wat, ik hoorde mezelf praten en luisterde
+als een daas naar mijn eigen geluid. Er was een naargeestig licht in
+de kamer, ik denk dat de weduwe bang was voor inkijken. Ik wou dat
+ik maar weg was en keek langs de drie muren, die ik zien kon zonder
+al te veel te draaien, maar ze weken niet en ik kon er niet doorheen
+zien. Ik keek naar de deur, ik kon er mijn oogen niet van afhouden,
+hulpeloos zat ik daar te staren. De deur trok. Vage visioenen had ik
+van de Cunera, van den hoek van den Grebbeberg met de rivier en van
+'t zonnige plein voor 't Centraalstation en de blinkende wijzerplaat
+van de Oudekerk en daar doorheen zag ik de geschilderde vlammen van
+'t nagemaakte eikenhout van die deur. En onderwijl ging iemand door met
+praten, o ja, dat was Hoyer. En nu antwoordde ik zelf, of eigenlijk ik
+zelf niet, maar mijn tong bewoog toch en er kwam geluid uit m'n mond,
+ik hoorde 't duidelijk.
+
+Niets merkte Hoyer. Z'n atelier was boven. Of hij me maar even
+voor mocht gaan. Wezenloos liep ik achter 'm aan "Dit is zeker
+'t privaat?" Ik dacht dat 't hoorde zoo iets te zeggen, als een
+heer je z'n huis liet zien. Niets merkte Hoyer: "Nee, dat is een
+kast" zeide-i. En ik dacht, waarom zegt-i niet: "Pardon, dat is een
+kast." Dat zoud-i zeker later zeggen, over een jaar of zoo.
+
+De gangetjes waren nauw, de loopertjes smal, de trapjes naar rato,
+met dunne spijltjes, een beetje gedraaid, maar alles was netjes,
+keurig netjes, dat moest ik zeggen. Nog merkte Hoyer niets.
+
+Daar boven knapte ik wat op, daar was ten minste licht, 't bekende
+licht van 't atelier. De ezel was leeg. Er stond een dure stoel,
+een clubstoel waar ik in wegzakte, nog nooit had ik in zoo'n stoel
+gezeten. Hoyer schilderde tegenwoordig portretten, dames en heeren,
+allemaal netjes aangekleed. Hij liet me ook een pas begonnen portret
+van de vrouwelijke advocaat zien. Zij was nu op reis. Eerst had
+Hoyer z'n atelier buitenshuis gehad, maar de advocate had "mevrouw"
+overgehaald toe te staan, dat een deel van de zolder voor atelier werd
+vertimmerd. Dat overhalen had eenige moeite gekost en was pas gelukt,
+toen de weduwe had gehoord, dat Hoyer het portret zou schilderen van
+een juffrouw van den Willemsparkweg met winterhoed, boa en mof. En
+de rest van haar kleeren natuurlijk. En dat hij voorgedragen was als
+lid van "Arti".
+
+Of Bavink wel eens hier kwam? Nooit, hij was er nog niet geweest. En
+of hij nog wel eens iets van Kees had gehoord? Ja, Bavink had hem een
+tijdje geleden op straat gesproken. Drie of vier betrekkingen had Kees
+in een paar jaar versleten en daar tusschendoor was hij lange tijden
+werkeloos geweest. Z'n vader had eindelijk een betrekkinkje voor
+'m gevonden bij de gasfabriek.
+
+"Hij loopt nu met een uniformpet op met drie kruisjes en G. G. boven
+z'n voorhoofd en een boekje onder z'n arm. En een vent bij 'm met
+een zwarte zak." Bavink had 't een heel gezicht gevonden. Hij moet
+de halve stuivers uit de muntmeters halen en de andere vent moet die
+dragen in dien zak. En als ze de halve stuivers uit de meter hebben
+gehaald, dan moet Kees vragen of de juffrouw die halve stuivers weer
+in wil wisselen. Hij klaagde dat-i zoo weinig verdiende. Bavink was
+een eindje met 'm mee gegaan, hij had nog nooit naast zoo iemand
+geloopen. Maar 't had hem gauw verveeld. Hij deed 't nooit weer.
+
+Ik tuurde naar 't Bokharakleedje, dat voor den clubstoel lag en
+zag heel duidelijk de verlaten keien van de Linnaeusstraat en den
+hardsteenen trottoirband en de voeg, waar twee stukken daarvan tegen
+elkaar gezet waren en de klinkertjes van 't trottoir. En ik zag ons
+daar zitten in de zomernacht. Bavink en Bekker en Kees en Hoyer en
+mijzelf. Ik zag dat de keien en 't stof nat waren, de sproeiwagen
+was er over heen gegaan, ergens lag een nat stuk krant. En ik hoorde
+Hoyer zeggen, dat-i opstond, want dat die blauwe steen zoo optrok. En
+nu hoorde ik weer diezelfde stem, maar wat beschaafder, met wat meer
+modulatie: "Je zult me excuseeren, Koekebakker, om elf uur heb ik
+een conferentie."
+
+Buiten scheen de lentezon in de troostelooze straat. Mijn God, hoe
+kon zoo'n straat bestaan. 't Meisje in de tram had ik vast niet mogen
+zoenen, maar zoo'n straat mocht bestaan. Dat mocht.
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Op een van de grachten was 't. Ik stond op de stoep en las:
+"P. Bekker, Agentuur en Commissiehandel." Ik schelde en wachtte. 't
+Duurde nog al lang. Toen ging de bovenste helft van de deur open en
+ik zag een jongmensch met een vierkant hoofd. "Is m'nheer Bekker op
+kantoor?" Raar klonk dat. En terwijl 't jonge mensch met eenige moeite
+de onderdeur open maakte, herinnerde ik me hoe vroeger de straatdeur
+werd opengetrokken zonder dat je iemand zag en dat ik dan riep "Hallo
+Bekker!" "Is mijnheer op kantoor?" Er was iemand bij mijnheer.
+
+In den marmeren gang stond een groote rol loopergoed. "Wie kan ik
+zeggen dat er is?" "Koekebakker." "Wilt u mij maar volgen?" 't Jonge
+mensch ging mij voor, een smalle trap op, die ettelijke malen draaide.
+
+Boven, aan 't eind van een nauwen donkeren gang stond hij stil. In
+'t schemerige licht kon ik nog net even 't woord "Monsterkamer"
+lezen. "Moet ik hier zijn vriend?" vroeg ik en wees naar dat woord. Ik
+zag dat de vriend mij een rare vond. "Dat staat er nog van vroeger,
+mijnheer." Hij klopte.
+
+Ik hoorde Bekkers stem die "Ja", riep. De vriend ging naar binnen,
+de deur ging weer dicht en daar stond ik.
+
+Of ik zoo goed wilde zijn hier even te wachten. Ik werd in een klein
+achterkantoortje gelaten met een uitzicht op een blinden muur. Aan
+den zolder hing een zware rol pakpapier aan een spil, een eind papier
+hing naar beneden boven een groote, leege paktafel. 't Jongmensch
+ging aan een lessenaartje zitten, dat tegen 't raam stond en begon te
+tikken op een schrijfmachine met z'n rug naar me toe. Ik zag 't stuk
+papier hangen, ik zag dat 't schuin was afgescheurd, ik keek op den
+breeden bollen rug en de bonkige schouders van den kantoorbediende en
+naar den blinden muur. Een van de baksteenen was kapot en van binnen
+donkerrood; dat brok steen was 't mooiste dat ik zag.
+
+De bediende tikte maar, God weet wat-i tikte. Als-i even ophield,
+hoorde ik de stemmen van twee menschen door de gesloten deur,
+ik herkende 't geluid van Bekker, maar de woorden verstond ik
+niet. Twintig minuten zat ik daar te sterven. "Per me si va nella
+città dolente."
+
+Toen ging de deur open en Bekker verscheen. Hij was zenuwachtig
+en verlegen. Hoe het mij ging. Ik zag er goed uit. Het speet hem
+vreeselijk. Hij had een klant over uit Bordeaux. Die mijnheer was
+speciaal overgekomen om met hem te spreken. Hij geloofde niet, dat
+hij hem voor vanavond laat kwijt zou raken... "Je begrijpt--kerel
+wat zie je d'r toch goed uit. Kom je nu van Algiers?" Ik begreep
+'t volkomen. Ja, ik kwam van Algiers. "Waar logeer je, als 't kan,
+kom ik vanavond om 9 uur bij je." Ik logeerde nergens, mijn geld
+was op, maar dat kun je toch niet zeggen op een kantoor, waar een
+vreemde bij is. Ik zei maar dat ik 't nog niet wist, ik kwam nog
+wel eens aan. "Ik hoop dat je 't dan beter treft." Ik wist dat-i
+dat zeggen zou. D'r zijn zoo van die gesprekken onder nette lui,
+waarbij je heelemaal niet hoeft te luisteren.
+
+Hij bracht me tot de straatdeur. Hij vond 't verdomd beroerd. Ik keek
+naar 't bordje, "P. Bekker, Agentuur en commissiehandel" en toen naar
+z'n oogen.
+
+En toen zag ik dat ook hij plotseling weer die koe hoorde loeien,
+die tien jaar geleden geloeid had in de schemering, de koe die je
+hoorde en niet zag.
+
+Wij gaven elkaar de hand. "Per me si va tra la perduta gente,
+Koekebakker." Hij hield mijn hand nog vast en legde z'n andere hand
+op m'n schouder. "Zeg eens, als je geld noodig hebt?"
+
+Ik ging de stoep af, de klant stond voor 't raam met z'n handen in z'n
+zijden, de beenen van elkaar en keek naar buiten. Rijk en welverzorgd
+zag hij er uit. Ik nam eerbiedig mijn hoed voor 'm af en hij groette
+terug, beleefd en minzaam.
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Ik kom nu zoo gaandeweg tot 't einde. Goddank, zal hier of daar iemand
+zeggen. Och, ik wist vooruit dat 't op niet veel zou uitloopen. Waar
+loopt tegenwoordig 't leven van een Amsterdammer op uit? In mijn
+jongenstijd heb ik vaak genoeg gewenscht, dat er nu eindelijk eens
+iets zou gebeuren. Maar er gebeurde nooit iets. Zelfs verhuisd zijn
+we nooit. En later....
+
+Alleen Hoyer weet waar de boel op uitloopt. Hij heeft wat geërfd en zit
+flink in de duiten. Hij is lid van de S. D. A. P. en leest "Het Volk".
+
+'s Avonds zit-i op 't Leesmuseum en leest 't Berliner
+Tageblatt. Schilderen doet-i niet meer. Hij weet ook waarom hij niet
+meer schildert: wij zijn in een tijd van verval. Een nieuwe kunst is
+in opkomst. Daar wacht-i zeker op. Hij brengt ondertusschen Kunst aan
+het Volk, hoe, dat weet ik niet. Een metselaar heeft hem eens gevraagd,
+"wat-i voor die smoessies kocht." Ook daarvoor had Hoyer een verklaring
+"Wij sociaal democraten weten maar al te goed----"
+
+Hij zegt een boel dingen, die erg waar zijn en als je denkt, "nou wordt
+'t interessant", dan gaat-i niet verder. Op een middag in "Polen",
+sprak-i heel veel over "proletarisch sentiment" en "burgerlijke
+ideologieën." Ik luisterde maar naar 'm. Eén keer heb ik tegen 'm
+gezegd: "'t Is toch mooi dat je alles zoo zeker weten kunt."
+
+Hij ging daar direct op in en ik kon in een half uur niet meer aan 't
+woord komen. En 't is inderdaad heel mooi voor iemand die zijn heele
+leven lang te doen heeft wat een ander 'm commandeert, zonder dat-i er
+zelf veel van snapt en voortdurend wordt gesnauwd en altijd margarine
+moet eten en in de benauwde luchten wonen. Als ik maar een beetje
+twijfelen mocht, dan zou ik ook wel lid van de S. D. A. P. worden. Eén
+geluk: de menschen, die altijd in de benauwde luchten verkeeren,
+hebben me niet noodig. En misschien zou 't zonder Hoyer ook nog wel
+gaan. 'k Zal toch eens informeeren of 't mag, dat twijfelen.
+
+Met den agentuur en commissiehandel is 't slecht gegaan. Die
+commissiehandel was heelemaal larie, dat had Bekker er maar bij laten
+zetten omdat 't goed stond. En iemand die Dante vertaald heeft en
+gedichtjes gemaakt, al zijn 't er maar dertien, die moet geen agent
+van binnen- en buitenlandsche huizen worden. Op een regenachtigen
+Decemberdag, toen de lantaarns op de gracht werden opgestoken, vond
+ik Bekker scheef aan z'n lessenaar zitten met z'n hand onder z'n
+hoofd. De kamer was half donker. Hij bewoog niet. Ik stak 't gas op. De
+prullemand stond achter 'm en daarin lag al z'n post van drie dagen,
+ongeopend. Met z'n elleboog hat-i de heele rommel erin geschoven,
+opzettelijk, zonder er naar te kijken. Z'n bediende hat-i maanden
+geleden gedaan gegeven, de telefoon hadden ze weggenomen. Daar
+zat-i. Aan de muur hing een lijst met afvaarten van stoombooten,
+waarvan de laatste al weer lang was binnengekomen en na dien tijd weer
+uitgevaren, herhaalde malen. En op den schoorsteen stond een dik boek,
+een prachtuitgave van de Divina Commedia.
+
+Buiten stonden de lantaarns te branden, bleek en vreemd in 't laatste
+daglicht, als een wonderlijke vergissing, zooals ze zoo dikwijls
+gestaan hadden. Een wonderlijke vergissing leek alles.
+
+Nu zit Bekker weer ergens op een kantoortje. Hij heeft een goeie baas,
+die hem respecteert, omdat hij Dante vertaald heeft. Op mooie dagen
+stuurt-i Bekker 's middags weg, dan mag-i een beetje in 't zonnetje
+wandelen.
+
+Aan den drank is Bekker niet gegaan. Hij lost schaakproblemen op of
+slaapt. Een voorstelling van de toekomst heeft-i niet. Hij verlangt
+zelfs niet naar zes uur. Dat geeft toch niets. Z'n tractement beurt-i
+met een weemoedig welbehagen, met weemoedig welbehagen koopt-i er
+dassen en schoenen voor. Z'n kleeren zijn netjes geborsteld. Bij
+tijden is hij een weinig ingenomen met zichzelf, om dat-i vroeger
+"een geestelijk leven geleid heeft."
+
+Hij ziet nog weleens een schilderijtje. Onlangs kwam ik hem nog
+eens tegen. Toen had-i 't over de intocht van de koningin, dat
+schilderijtje van Eerelman, waar 't woord "Odol" zoo natuurlijk op
+geschilderd staat. Hij vroeg of 't niet een mooi schilderij was om
+in een deftige apotheek op te hangen.
+
+Kees loopt nog altijd voor de gasfabriek en verkeert in de benauwde
+luchten, waar ik 't zoo even ook over gehad heb. Hij weet niet waar
+'t volgende kind zal moeten slapen. De kinderen zijn nu nog klein,
+maar over een jaar of wat kibbelen ze 's morgens bij die ééne kraan
+en dat ééne privaat, zooals dat altijd in district III gegaan is. Hij
+tobt met wat Hoyer noemt: "'t Chronische tekort in 't huishouden van
+den werkman," en koopt alleen 's Zaterdagsavonds sigaren. 's Zondags
+moet-i de kinderen verbieden. Hij moppert dat-i 't zooveel beter had
+kunnen hebben, als-i eerder naar z'n vader geluisterd had.
+
+Z'n vrouw is goed voor 'm. Midden in de week heeft-i een schoone
+zakdoek. Maar ze zal de lusten niet opwekken van iemand, die niet
+aan haar gewend is, zooals Kees. Zes jaar geleden was dat anders.
+
+En op zolder bij z'n vader, waar vroeger z'n hok was, daar hangen nu
+de onderlijfjes van z'n zusters te droogen.
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+En Bavink?
+
+Bavink heeft 't tegen die "Godverdomde dingen" afgelegd. Die dingen die
+geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: "dan moet 't ook maar
+gebeuren," dan wilden ze weer niet. Hij begon wat opgang te maken,
+toen de strijd al op 't eind liep.
+
+Twee maanden na mijn terugkomst kwam-i me heel kalm vertellen,
+dat-i zijn gezicht op Rhenen in stukken had gesneden. En zoo was
+'t. De rivier, den berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de
+roode daken van Rhenen, de kastanjes met hun witte en roode bloemen,
+de bruine beuken en 't molentje ergens in de hoogte, 64 gelijke,
+rechthoekige brokken van 15 bij 12-1/2 centimeter hat-i er van
+gesneden, met een bot knipmes. Een heel werk was 't geweest.
+
+'t Ding had 'm geërgerd. 't Was niks, totaal niks, vodden. Hij wou van
+mij weten, waarom iemand schilderde. Hij begreep zelf niets meer. Hij
+stak z'n arm uit en wees in de ruimte. Dààr waren de dingen. Hij sloeg
+met z'n vuist tegen z'n voorhoofd. En daar waren ze. Er uit wilden ze,
+maar ze deden 't niet. Stapelgek werd je ervan.
+
+Bijna een jaar daarna vond ik hem aan 't Centraalstation aan de
+Parijzer trein van 8 uur. Hij bracht een of anderen kennis weg, een
+haarboer met lange zwarte lokken en heel veel baard, meer haar dan
+mensch, en een hoog voorhoofd met niets er achter. De ondergaande zon
+stond te schijnen, groot en rood, aan 't eind van de kap stond-i,
+er was een rossig schijnsel in de ruiten en 't vernis van de
+spoorwagens. Bavink was dronken. De trein vertrok, schoof onder de
+kap vandaan en boog even om naar links. Bij 't ombuigen flikkerde
+'t licht fel op de wagens.
+
+Wij wandelden naar 't eind van 't perron. Een man met een seinlicht
+kwamen wij tegen, ik zag, dat hij in 't voorbijloopen naar een
+conducteur keek, die daar stond bij een anderen trein en een beweging
+maakte van drinken met de hand aan den mond.
+
+Wij stonden stil buiten de kap en keken naar de zon. "Zie je die
+zon, Koekebakker?" De zon was bijzonder duidelijk, hij stond recht
+voor ons uit en dicht bij, zoo groot en zoo rood was-i nog nooit
+geweest. Hij raakte bijna de rails van den spoorweg, hij maakte geen
+flikkeringen meer op de dingen, en alleen in de matglazen ruiten van
+den locomotievenstal, rechts van den spoorweg, was een dof schijnsel.
+
+"Je denkt dat ik dronken ben?" Dat dacht ik inderdaad. "Het maakt
+geen verschil, Koekebakker, als ik nuchter ben, begrijp ik er toch
+ook niks van."
+
+"Begrijp jij wat die zon van mij wil? Vier en dertig ondergaande
+zonnen heb ik tegen de muur staan, achter elkaar, omgekeerd. En toch
+staat-i daar weer iederen avond."
+
+"Als er geen wolken zijn," zei ik. Maar hij liet zich niet afleiden.
+
+"Koekebakker jij bent altijd mijn beste vrind geweest. Ik ken jou
+al--hoe lang al?"
+
+"Omtrent dertien jaar Bavink." "Dertien jaar. Dat is lang. Weet je
+wat jij doen moet? Doe me een lol. Heb je een hoedendoos?"
+
+Ik zweeg.
+
+"Doe 'm in een hoedendoos, Koekebakker. In een hoedendoos. Ik wil
+met vrede gelaten worden. Doe 'm in een hoedendoos, in een ordinaire
+hoedendoos. Hij verdient niet beter."
+
+Bavink griende dronkemanstranen. Ik keek hulpeloos rond. Een heer in
+een uniformjas en met gele biezen om z'n pet kwam op ons af en sprak
+mij aan.
+
+"Ik geloof mijnheer, dat u beter doet, als u dezen heer naar huis
+brengt."
+
+Ik salueerde en gaf Bavink een arm. Hij ging gewillig mee. In de
+huurauto viel-i in slaap. Op de Nieuwe Zijds-Voorburgwal werd-i even
+wakker toen wij door een kuil reden en wilde weer over die hoedendoos
+beginnen. Maar meteen viel-i weer in slaap.
+
+Op een morgen zat-i wezenloos te staren voor z'n laatste
+zonsondergang. Ik kwam op z'n hok met Hoyer. Hij herkende ons
+niet. Hij keek maar naar die zon, een groote, koude, roode zon,
+die in wolken onderging.
+
+"Hij kijkt me maar aan, wij begrijpen geen van beiden wat we van
+elkaar moeten." Verder kwam-i niet.
+
+Hij is nu in een gesticht voor zenuwpatienten. Hij is heel rustig. Hij
+kijkt maar naar boven, naar de lucht of tuurt naar den horizon of
+zit in de zon te staren tot z'n oogen pijn doen. Dat mag-i niet,
+maar ze kunnen niets met 'm beginnen. Aan 't praten kunnen ze 'm niet
+krijgen. Z'n schilderijen doen tegenwoordig aardige prijzen.
+
+En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijft
+maar, ontvangt z'n schamel loon en geeft geen ergernis.
+
+Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af
+en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat
+ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine
+rotsblokjes op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dan
+de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt:
+"Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan
+die mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en dat
+ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar." En zoo
+gaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?
+
+
+
+
+
+
+EEN WOORD NA.
+
+
+Voor hen die gaarne weten hoe het met de liefde gesteld is, wil ik
+nog mededeelen, dat Dichtertje's Dora ontstaan is uit de idealisatie
+van een jong meisje, waarvoor ik uit de verte de genegenheid van een
+oud man voelde.
+
+Toen zij het manuscript gelezen had, vertelde ik haar dat, en haar
+antwoord was: "Ik heb toch nooit diabolo gespeeld." Ze zei dit niet
+uit coquetterie of uit verlegenheid, ze had er niets van begrepen.
+
+
+ NESCIO.
+
+5 Jan. 1918.
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes, by Nescio
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DICHTERTJE - DE UITVRETER ***
+
+***** This file should be named 29719-8.txt or 29719-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/9/7/1/29719/
+
+Produced by Mark C. Orton and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.