diff options
Diffstat (limited to '29719-8.txt')
| -rw-r--r-- | 29719-8.txt | 4316 |
1 files changed, 4316 insertions, 0 deletions
diff --git a/29719-8.txt b/29719-8.txt new file mode 100644 index 0000000..0d5caa6 --- /dev/null +++ b/29719-8.txt @@ -0,0 +1,4316 @@ +Project Gutenberg's Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes, by Nescio + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes + +Author: Nescio + +Release Date: August 17, 2009 [EBook #29719] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DICHTERTJE - DE UITVRETER *** + + + + +Produced by Mark C. Orton and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Nescio + + Dichtertje + + De Uitvreter + + Titaantjes + + + J. H. de Bois - Haarlem. + + + + + + + + + "Dichtertje" is hier voor het eerst gepubliceerd. + "De Uitvreter" verscheen in "De Gids" van Januari + 1911. "Titaantjes" in "Groot-Nederland" van Juni 1915. + + + + + + +DICHTERTJE. + + In 't derde oorlogsjaar. + Bellum transit, amor manet. + + +I. + + +Tweemaal schudde de God van Nederland zijn eerbiedwaardig hoofd en +tweemaal schoven z'n eerbiedwaardige grauwe bakkebaarden heen en weer +over z'n vest. + +'t Klopte niet. Ergens moest een fout zijn. Een dichter met nergens +haar, dat was heel vreemd. Sedert dertig jaar hield de God van +Nederland niet van dichters. Je wist niet meer, wat je er aan +had. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, je kon er niet uit wijs. En nu dit. + +"Hij heeft gezegd, dat hij vol van mij is. Vroeger kon je daar op aan." + +God zuchtte. Hij zou er morgen eens met Potgieter over spreken. Je +had tegenwoordig niets dan narigheid aan je hoofd. + +Daar beneden in de Leidsche straat liep een meisje. Met vaderlijk +welgevallen zag God op haar neer. Het meisje was als honderde andere +meisjes dien zomer, heelemaal in 't wit, zijden blouse, korte frotté +rok, witte kousen, fijne enkeltjes en lage witte schoentjes en had +lieve oogen als honderde andere meisjes in Amsterdam. Oogen die kijken +alsof ze iets heel bijzonders weten. Dat vonden ze ook weer niet +goed. Nooit had ons Lieve Heer daar vroeger iets bij gedacht. En nu +hatti kwestie. 't Was begonnen met versjes over "wetende oogen." Toen +zei er één, dat 't allemaal bedrog was, een vroom bedrog van God. Dat +ze niets wisten en alleen maar keken alsof, zonder dat ze 't konden +helpen. Nooit had God er over nagedacht. + +Tegenwoordig brachten ze hem over alles aan 't denken. En 't was toch +zoo noodig, dat de hoofden bij de zaken werden gehouden. De keizer had +'t nog onlangs weer gezegd: "Der Tüchtigkeit ist die Welt". + +Maar als je eenmaal over iets aan 't prakkizeeren raakte kwam je er +zoo makkelijk niet weer af. Nu i er eenmaal op lette, zag i honderde, +duizende van die meisjes, telkens weer anderen en telkens weer +dezelfden. Zoodat i soms niet meer wist of i er tienduizend had gezien +of één, tienduizendmaal. "Heer in den hemel had hij al die meisjes +geschapen? Of was 't een grapje van den duivel, al die wetende oogen?" + +Kijk, daar gaat 't dichtertje. Toch wel een knap, jong ventje, +zoo slank, zoo'n aardig gladgeschoren jongensgezicht, alleen een +paar stutten voor de ooren, en zoo verbrand door de zon. Hij groet +iemand. Z'n strooien hoedje lichtten-i even op van zijn kort geknipte +haren. + +Raar toch, zoo kaal, maar 't was toch vast wel een dichtertje, want +God begreep niets van 'm en Potgieter ook niet. En professor Volmer +verachttenem. + +En hij leed ijselijk van die wetende oogen, zooals geen rechtschapen +mensch. De duivel hattem leelijk te pakken. Hij was een zwak +dichtertje, kindsch werti er van. Hij bleef fatsoenlijk van zwakte. Dat +was weer zoo iets raars, waar God vroeger nooit over gedacht had, +fatsoenlijk was fatsoenlijk en daarmee uit. 't Dichtertje wist niet +op wie hij verliefd moest worden. Als hij in twee wetende oogen +had gekeken, zag hij er dadelijk weer twee. Hij was zoo zwak, zoo +lekker zwak. Maar als i 't vijfentwintigste meisje zag, voeldeni zoo +iets raars in z'n hersens. Hij had al eens in 't voorbijloopen op 't +terras van een café een stoeltje omgeschopt van kwaadaardigheid. Want +hij wist wel, dat ze niets wisten, dat ze dom giggelden, alleen al +als i z'n hoed voor hen af nam, of strak keken, omdat ze stonken van +burgerjuffrouwen-ingebeeldheid. En toch kon i 't niet laten. En dan +moest i vluchten naar ergens, waar geen vrouwen waren en dan maakteni +zich kwaad op God en den duivel tegelijk en zei datti idioot werd +en datti nog eens met open mond jaren lang kwijlen zou, een leeren +slabbetje voor, zonder datti 't zelf wist. Maar den volgenden dag +keeki weer en dacht daarbij: "Mon âme prend son élan vers l'infini." + +Potgieter zei dat de vent gek was en dat in den tijd van Piet +Hein........ + +Dichtend vervolgde 't dichtertje z'n tocht door de woestenijen van +Amsterdam. Zoover 't oog reikte, niets dan Nederlandsche menschen. Weer +groette-n-i iemand, een heer met hoogen hoed en gekleede jas, uit +een stuk van Verkade. Nu spraken ze elkaar aan. Daar stonden ze, op +'t plein voor 't Centraalstation. + +Op den beganen grond liep God nu met z'n gelen strooien deukhoed, +z'n wandelstok met zilveren greep, z'n jas hing slobberig en breed +en ondefinieerbaar bruinig over z'n rug, op z'n kraag lag roos, +z'n broekspijpen waren te wijd en te lang en lagen met plooien op +z'n schoenen. Z'n bakkebaarden kon je van achteren zien en toen i +bezadiglijk de twee treden opstapte om in 't station te gaan, glom +de lage avondzon in Gods gepoetsten linkerschoen. + +"Wie was die meneer?" vroeg 't dichtertje. "God" zei de duivel en +de knobbels op z'n voorhoofd werden grooter. 't Dichtertje sprak +niet. "Jouw God, de God van je baas en van je schoonvader en van je +baas z'n boekhouder en van den gérant van de "Nieuwe Karseboom". De +God van je tante, die zei, dat je moest groeten als je langs 't +huis van je baas kwam in Delft of Oldenzaal, waar was 't ook weer, +ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie 't zag. Van je tante, +die je zuster altijd liet breien. "Een vrouw mag niet stilzitten." De +God van al die menschen, die zullen zeggen: "Dat had ik van jou niet +gedacht," als je nog eens probeert te leven en die zullen zeggen: +"Dat had ik altijd wel gedacht, dat kon niet goed gaan," als je +later in 't werkhuis moet. De God, die niet hebben kan, dat je 's +Zaterdagsmiddags vrij bent, de God van meneer Volmer, hoogleeraar in +'t boekhouden en de bedrijfsleer, die vindt, dat je veel te veel +naar de lucht kijkt. De God van allen die geen andere keus hebben +dan werken of vervelen. De God van Nederland, van heel Nederland, +van Surhuisterveen en Spekholzerheide, donateur van den Bond van +hoofden van groote gezinnen en van de Vereeniging tot opheffing van +gevallen vrouwen. Dat noemen ze vallen. Ik ben ook gevallen." + +"De beeldspraak is inderdaad gebrekkig", zei 't dichtertje, absent. + +Hij had al dien tijd gekeken naar een dame, die daar stond te +wachten. Naar de aardige scherpe achterkantjes van haar beenen, +vlak boven de lage witte schoentjes. Natuurlijk had ze lage witte +schoentjes aan met korte rokken en erg open geweven kousen, waar haar +beenen wit doorheen schemerden. "Nu vallen", dacht 't dichtertje. + +"Mon âme prend son élan vers l'infini," zei de Duivel en glimlachte +ironisch, zooals hij een eeuwigheid lang geglimlacht had. + +Toen zag 't dichtertje 't stationsplein weer en den duivel en hoorde +wat die gezegd had. + +"Duivel" zei-di, "mij belazer je niet." + +De duivel haalde even z'n schouders op en keek naar de +stationsklok. Tien minuten over zevenen. Hij gaapte achter z'n +hand. De eeuwigheid schoot niet op. En eigenlijk hatti ook al zooveel +dichtertjes gekend. Waarom sprak i nog zooveel? + +'t Dichtertje liep naar huis en keek in de hoogte naar 't gevleugelde +wiel, dat midden op de leuning van de hooge spoorbrug over de +westelijke doorvaart op een kleine ijzeren zuil staat en vliegen +wil en nooit van z'n plaats komt en gezien wordt uit vertetjes waar +'t nooit komt, wel heel van de Torensluis, 't Singel af. De blauwe +lucht was er nog zoo hopeloos ver boven. Zelfs de palen met de +booglampen, aan 't begin en 't eind van de brug, staken hoog boven +'t wieltje uit. 't Geeft niet veel of je op een spoorbrug staat op +een ijzeren zuiltje. Je kunt er hoogstens van aan 't denken raken +en dat deugt heelemaal niet. En 't dichtertje dacht, dat je beter +zoo'n wiel kunt wezen dan een dichtertje. Zoo'n wiel is van ijzer, +maar een dichtertje niet. + +Onderwijl zat God alleen in een coupé eerste klas in den trein naar +Delft en staarde uit 't raampje, maar zag niets. Uitkijken deed hij +nooit. In z'n hand hielti een rapport. Naast 'm lagen dossiers. + +De God van Nederland dacht. Het was een rare tijd. Weer las God: + +"Het lot van den mensch is verdriet te hebben, wanneer hij z'n doel +niet bereikt en wanneer hij z'n doel bereikt heeft. + +"Er is geen troost in de deugd en er is geen troost in de zonde. + +"Daarom laat blijmoediglijk af van alle verwachting. Stel uw hoop op +de eeuwigheid: uit dezen droom is geen ontwaken." + +Het was wel een rare tijd. Zoo kon 't niet goed gaan. En nou hatti +nog wel gezegd, dat een nieuw tijdvak was aangebroken. De tijd van het +"ironisch dilettantisme" was voorbij, een nieuwe tijd van "baanbrekend +optimisme" en "frissche daadkracht" was begonnen. Dat hatti zoo maar +'s gezegd. En weer zuchtend begon God toen 't manuscript te lezen +van een dik boek over 't Taylor systeem. + + + + +II. + + +'t Dichtertje was nooit gevallen. + +Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Als 't dichtertje er over +dacht, wat hij eigenlijk 't liefst zou willen, dan was 't dat. De +wereld ééns te verbazen en ééns een liaisonnetje te hebben met een +dichteres. Jarenlang had hij dit telkens weer gedacht, naïvelijk. + +'t Dichtertje was fatsoenlijk getrouwd met een lief, jong, levendig, +natuurlijk vrouwtje. Natuurlijk was hij onmiddellijk verliefd geworden, +toen hij de wereld begon te zien. 's Morgens zag hij haar als hij naar +kantoor ging en zij naar school, en 's middags om kwart over eenen "in +'t beursuur", als hij op straat mocht en zij uit de melkinrichting +kwam, waar zij haar boterhammen met een glas melk at en soms een +roomhorentje of een taartje met slagroom, haar boterhammen. + +En ze was wat kwaad op 'm, omdat i daar altijd zoo stond, gewoon +bespottelijk. De andere meisjes noemden 'm "'t Ideaaltje", omdat +i een keep droeg en zulk mooi zwart haar had, (toen liet-i 't nog +niet kortknippen). En ze keken naar 'm, als ze met hun drieën gearmd +langs hem heen liepen, heel even keken ze en giggelden tegen elkaar, +de beide buitensten de hoofden gebogen naar de binnenste, die ook +giggelde en naar den grond keek. Maar zij liep statig voorbij en zag +hem niet en zei tegen Mien Bus datti om haar kwam en dan lachten ze +allemaal, want ze wist wel beter. Op den grond stampte ze met haar +schoolmeisjesvoetje van zeventien jaar. "Om mij? die engert?" en +hield haar hoofd achterover. + +En hij was ongelukkig en telde de uren. 's Avonds om elf uur keek +i naar de lucht, de helft was om tusschen 's middags half twee en +'s morgens half negen. En hij dichtte. + +Hij maakte gedichten naar Heine, Hollandsche en Duitsche, en naar +Héléne Swarth en naar Kloos en van Eeden. "De Uren": + + + "Hoe gaan de uren zoo zwaar met loggen tred". + + +"Die Kreuzfahrer": + + + "Dort unten lag die heilge Stadt in ihrer Glorie". + + +Dat was zij. Maar de poorten waren dicht. En hij vroeg zich af waarom +hij verder leefde. En hij werd opstandig tegen God. + + + "Mijn God, zal dan mijn kwelling nimmer einden?" + + +En de lui op kantoor kon i niet zien en hooren, als i om kwart over +negenen op kantoor kwam hatti er wel een willen slaan, zoo maar. En +van somber werti extatisch. En dichtte weer. "Mijn heilig lief". "Nu +is de wereld een groot zomerland". + + + "God gooide de poorten des hemels open, + Mijn zoete lief zat op een gouden troon". + + +Dat duurde zoo elf maanden. Daar kwamen nog drie maanden bij datti +buiten was, een klein betrekkingkje had in een stadje, waar ze nu +nog praten over dien mallen kerel. + +Toen kreeg i haar. Negentien jaar was i. Hij schreef haar een briefje +datti twee dagen in Amsterdam was en datti haar graag wilde spreken. Ze +kenden elkaars namen, Amsterdam is ten slotte ook maar een dorp. Ze +hattem die honderd dagen erg gemist en ze kwam. Haar moe vond 't goed, +"als 't een nette burgerjongen was en ze hield van 'm....., maar +geen scharrelpartij." Ze kwam, 's avonds bij de Muiderpoort en hij +zei dat ze zeker wel begreep, watti haar vragen wou. 't Was zoo raar, +zoo gewoon, hij kon heelemaal niet dichten. En ze zei natuurlijk dat +ze 't niet begreep, maar toch liepen ze samen maar de Sarphatistraat +op. 't Gesprek liep wat moeilijk, wat moest je mekaar vertellen, je +kende mekaar nog zoo heelemaal niet. Hij had gedacht, dat i wonder +wat zeggen zou, dat de woorden zóó maar zouden komen met geweld, +zooals de breede Waal jaagt langs de schuitjes van den ponton-steiger +bij Nijmegen. + +En nu spraken ze over z'n betrekking in dat stadje en over hun +ouders. En voor haar huis namen ze afscheid en hij gaf haar een zoen, +heel links, op haar voorhoofd. En ze was wat in haar schik, ze had een +vrijer en zoo'n knappe, wat zou Loe wel zeggen. Jammer datti buiten +woonde. Zoo vervelend, vooral 's Zondagsmiddags als i dan niet over +kwam, dan moest je thuis blijven. + +Den tweeden avond mochti boven komen, 't moest gauw gaan, want hij +had maar twee dagen vrij. + +Z'n pa was bij haar vader op bezoek geweest en nu mochti +bovenkomen. Daar zaten haar vader en de zijne en haar moeder en een +grootmoeder en een tante. Haar twee kleine zusjes waren vroeg naar +bed gestuurd. En toen kreeg i haar en de tante zei later "wat een +nette jongen". + +'s Zondagsmiddags natuurlijk zij op visite bij hem thuis en daar +was toevallig een nicht met scheeve schouders in een scheeve groene +hobbezak en een lorgnet op, die bier dronk en Coba was allerliefst +voor haar aanstaande schoonmoeder en die was allerliefst voor Coba. + +"Wat heb je daar een snoezig taschje." "Uit 't City-magazijn?" "Nee, +van Liberty". "Je ziet tegenwoordig heel veel van die taschjes met +een klein taschje buitenop." "Nee, die vind ik om de waarheid te +zeggen niet zoo aardig." "Och, ieder z'n smaak. Onze Riek heeft zoo +één en die vind ik ook heel aardig". En hij zat er bij en begreep er +niets van. Had hij 's nachts op straat geloopen en gezegd, dat God +de poorten des hemels open gooide? Wat raar. + +Maar ze was heel lief, jong, levendig en natuurlijk en zoende 'm niet +op z'n voorhoofd, maar flink op z'n lippen en op zij in z'n nek, in +den gang, voor ze de kamer binnen gingen. Daar moest ze voor op haar +teenen gaan staan en z'n schouders beetpakken. En ze ging heel veel van +'m houden en hij hield ook veel van haar en drukte haar tegen zich aan. + +Maar de zaak bleef 'm duister en dichten deedi niet meer tot i +getrouwd was. + +En nu waren ze zes jaar getrouwd en hadden een kindje, een meisje van +vijf jaar, een snoes die door alle tantes geknuffeld werd. Zij had +een beetje geld en hij had een beetje geld en hij had in Amsterdam +een baantje gevonden, datti niet al te slecht waarnam en ze waren +ten naaste bij gelukkig. + +Maar daar i een echt dichtertje was, moest hem iets ontbreken. Wat is +voor een dichtertje iets dat hij heeft? Datti zoo maar heeft, dag in, +dag uit. Al die dagen. En altijd getrouwd is zoo erg lang. En een +heel lief, jong, levendig en natuurlijk vrouwtje, dat veel van haar +man houdt en zijn manuscripten in 't net schrijft, maar tweeduizend +nachten naast 'm heeft geslapen en weet datti niet tegen tocht kan +en 's morgens niet uit zijn bed kan komen en niet van de jam af kan +blijven, al is i een dichter, dat is nu echt iets voor den Duivel. + + + + +III. + + +Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat +van, want als je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjes +altijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z'n heele leven +één gedicht, wat ook vervelend wordt. + +In de tram zat hij en dichtte zoo stilletjes voor zich heen, met +z'n twee handen op den knop van z'n wandelstok zatti te staren en +onderwijl te denken, datti zulke mooie blanke, fijne en slanke handen +had, zooals dichtertjes dat doen. 't Was Zondagavond in November +tegen zessen, de straten waren donker en verlaten. Een dame van een +jaar of zes en twintig kwam de tram binnen, statiglijk, rijzig in +haar bruine mantelpak, de opstaande kraag, manchetten en onderkant +van mantel en rok afgezet met zwart bont, de handen in een groote, +afhangende mof van 't zelfde bruine laken met 't zelfde bont bezet, +klein bruin hoedje met zwart bont op 't fijne gezichtje. Alles echt +lijn 2, Museumkwartier. + +'t Dichtertje keek even op, recht in haar oogen, maar zij zag alleen +'t leege plaatsje in den hoek en ging hem voorbij, statiglijk. Achter +haar kwam haar man, gladgeschoren, in 't zwart, met een hoogen hoed +op z'n grijzend, kort geknipt haar. + +Toen ze zat kon 't dichtertje haar niet zien, want hij zat op de +zelfde bank vooraan en er waren vier menschen tusschen. + +Meneer zat correct rechtop tegenover haar, keek op z'n horloge en +zei iets, hoe laat 't was natuurlijk. Daarna spraken ze niet meer. Ze +waren ongetwijfeld getrouwd. + +'t Dichtertje dacht, dat ze op bezoek waren geweest en naar huis gingen +om te eten. En of ze een kindje zou hebben of kindertjes. En of haar +man zich correct zou gedragen in de slaapkamer. God liet 't gebeuren, +dat hij hem duidelijk voor zich zag, daar in die tram, in z'n enkele +hemd en sokken, een jaegerhemd, ja natuurlijk jaeger, grijs, niet +mooi wit, hij was zeker in de veertig en met wat malle, uitstekende +haartjes op z'n bloote beenen, en z'n hooge dop op. Jammer dat i +niet brilde. En hij hoorde hem vragen met z'n correcte Museumkwartier +geluid: "Zal ik 't licht aan laten, Clara?" Want ze heette natuurlijk +Clara, de schitterende. En 't dichtertje dacht datti "pardon" tegen +haar zou zeggen op een gegeven oogenblik. Ja, God laat de gedachten +van een mensch raar dolen en er komen vreemde passages voor in zoo'n +gedicht zonder eind. + +Toen keek 't dichtertje op door 't ruit van de tram tegenover hem. De +huizen waren alle donker en de dames die dit lezen weten wel, dat je +dan alle passagiers heel duidelijk weerspiegeld ziet, buiten. + +En de peinzende oogen van 't dichtertje zagen toen recht in de +peinzende oogen van Clara, de schitterende, die keken alsof ze iets +heel bijzonders wisten, wat bedrog is. Even werden de vier peinzende +oogen grooter en schitterden, toen dorst 't dichtertje niet meer, +want hij was een welopgevoed mannetje, al hatti rare kronkels in z'n +eindelooze gedicht en hij keek naar 't bruine laken en 't zwarte bont +en naar den vagen vorm van haar beenen in den rok en toen keek hij +met geweld naar een onderhuis, waar een melkboer woonde, 't gordijn +was neer om den Zondag. Als je wilt kun je door die weerspiegeling +heen kijken en de P. C. Hooftstraat is erg achteruitgegaan, jaren +geleden had je daar geen melkboer, nu is er zelfs een aardappelen +en groentenwinkel. + +Maar toeni daarna weer keek hoe een van haar haren los was gegaan en +voor haar linkerslaap hing, zoo lief, zoo gegolfd, toen ontmoetten hun +oogen elkaar weer, even. "Ik vind jou mooi, vind jij mij mooi?" "Ik +wil je hebben als ik durf, wil jij mij hebben als je durft?" "Even +wil ik een levend mensch zijn, even vrij, een Godin, geen dame van 't +Museumkwartier, geen dochter van die, zuster van die, vrouw van die, +moeder van die, vriendin van Mevr. die. Even, in mijn gedachten. Mijn +gedachten gaan naar jou door mijn oogen, mijn gedachten kunnen wijd +en zijd gaan, vooruit en achteruit in den tijd, door alle bedeksels +gaan mijn gedachten. Niemand kan hen vatten of deeren, naar jou gaan +mijn gedachten door mijn oogen." + +En zoo gingen zijn gedachten naar haar, door zijn oogen in de hare +in deze luttele seconden. En niemand wist er van. + +En een hooge toren verrees uit zijn geest en een hooge toren uit +den hare. En ze zagen wijd en zijd over alles heen en alleen elkaar +zagen ze. + +Zoo dichtte 't dichtertje z'n eindelooze gedicht verder en de domste +vrouw kan dat meedichten. + +Maar bij elkaar komen konden ze niet en dat was misschien juist +'t mooie. + +Bij de Hobbemastraat keek haar man even naar den conducteur en direct +ging die z'n hand naar de schel. En ze stond op en liep achter haar +man door de tram, correct en statig en zag niemand. + +Maar terwijl meneer afstapte en zij wachten moest op 't balcon voor +den ingang, haar linkerschouder naar 't dichtertje, en toen 't bijna +gedaan was, toen overwon ze nog even één ondeelbaar oogenblik 't +Museumkwartier en keek. + +"Ik vind je mooi en jij vindt mij ook mooi. Mijn hart zingt in mijn +lijf en m'n hersens zingen onder m'n haren. Mooi haar, hé?" + +En 't dichtertje dichtte z'n gedicht voort, eindeloos. Maar 't werd een +somber gedicht, zoolang 't duurde, en Amsterdam was donker en ledig. + +Als een echt belachelijk dichtertje heeft i daarna nog een paar maal +'s middags in 't Museumkwartier gedwaald, waar i zich altijd erg arm +voelde en nooit zeker was of z'n das wel goed zat en z'n boordje wel +schoon was en of i er heelemaal wel beschaafd genoeg uitzag. Maar hij +zag haar natuurlijk niet meer, mogelijk woonde ze heelemaal niet eens +in Amsterdam. Er was een huis op een hoek met een klein tuintje er +om en daar groeide een klimstruik tegen den muur. Die bloeide in 't +zachte Novemberweer zonder blad, met kleine gele sterbloemetjes. En +hij maakte voor zich zelf uit, dat ze daar woonde en de bloeiende +struik noemde hij "Clara". + +Toch hield i wel van z'n vrouwtje en z'n vrouwtje hield veel van hem +en ze lieten 't mekaar aan niets ontbreken. + +Waarom heeft God ook een mensch tot dichtertje gemaakt? + + + + +IV. + + +De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge, natuurlijke vrouwtjes, +die veel van hun wettigen man houden. Als ze een jaar of wat getrouwd +zijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maar +ze zijn er toch nooit geweest. Hoe kunnen ze verlangen naar iets dat ze +niet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent? Vreemd, wat +missen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de balkondeuren +open en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch? C'est là, +c'est là qu'il faut être. La? Waar? "'k Ben mal". En ze drukken hun +kindje tegen zich aan en zoenen 't erg. + +Coba zit op 't terras van de "Beursbengel", op 't Damrak, aan zoo'n +tafeltje met zwaar rond marmeren blad, met een koperen band om den +kant. Haar kindje zit tegenover haar, de bloote beentjes van het kindje +met witte halve kousjes bengelen voor haar stoeltje. Het krijgt een +taartje met een glas melk. 't Eet met haar kleine vingertjes, haar +lekkere oogen zijn zoo groot en kijken zoo overal heen. 't Kindje +is onder den indruk van zoo iets heerlijks en al die menschen, maar +'t is erg blij. Moedertje kijkt of 't kleintje niet morst en helpt +haar zachtjes, maar zegt niet veel. + +In den hoek zit de duivel en draait z'n snor op. Eens heb ik een +vrouw hooren zeggen, een hoogstaande vrouw: "Zoo'n vent, wat verbeeldt +zich die wel? Een man die denkt dat ik verliefd zal worden, omdat i +zich zelf aan een brok haar trekt, bah." Vertrouw die vrouw niet te +veel. Nu ligt ze 's nachts wakker en bijt in haar natte kussen. + +Coba trekt haar manteltje uit, legt 't over haar knieën, 't is te +warm voor een blauw cheviotten mantelpakje. Een wit bloesje heeft ze +aan, haar armen schijnen er door, zoo rose-bruin en 't allerbovenste +van haar rug en borst. Je ziet waar haar hemd eindigt en dat 't +met kanten strooken van haar schoudertjes hangt. Nu trekt ze haar +bovenlip even naar binnen en maakt haar onderkaak langer en strijkt +met de rechterhand haar haar glad, ze draait even met haar hoofd en +'t puntje van haar tong komt te zien en strijkt langs haar bovenlip en +verdwijnt schielijk. De duivel draait aan z'n snor. Nu praat ze lief +met haar kindje, ze lacht, al haar tanden laat ze zien; ze heeft een +sterk gebit, alle tanden staan aangesloten en ze zijn schitterend wit, +om haar zoo je hand voor te houden, dat ze er in bijten kan, aan den +buitenkant tusschen pink en pols. Het is in 't begin van Mei. Voor 't +eerst van 't jaar heeft ze een bloese aan die driehoekig is uitgesneden +en ook haar borst is wit, zoo erg wit, dat de duivel moet denken aan +het licht uit den hemel. En de hoeken van haar sleutelbeenderen bij 't +kuiltje van haar hals staan zoo pittig. Met haar slanke vingers strijkt +ze langs den rand van haar bloese. Nu veegt ze de handjes van haar +kindje af en haar toetje, met haar zakdoekje, dat een opengewerkten +rand heeft. En ze neemt 't handje van 't kind in haar twee handen +en drukt 't en geeft haar een zoentje op haar groote oogjes en 't +kindje vraagt: "Maatje, waarom doet u dat?" En ze kleurt en vraagt: +"Wat, Bobi?" "Waarom zoent u me ineens?" "Maar kindje, maatje zoent +je toch wel meer ineens? Wil Bobi nog een taartje? Maar dan moet +je je niet zoo vuil maken, hoor. Zal mammi 't zelf gaan uitzoeken +voor kindje? Zoet blijven zitten hoor!" En maatje gaat naar binnen, +haar heupen draaien heel even en haar blauw cheviotten rok gaat heen +en weer. En dan komt ze terug met 't taartje op een schaaltje en uit +de deur lacht ze tegen haar kindje en ze gaat weer zitten. De duivel +draait aan z'n snor. En dan in eens wordt ze bang. Als i haar eens +aansprak? Wat moest ze doen? "Kom Bobi, maak voort, wacht, zal ik je +helpen?" En op de punt van 't vorkje steekt ze haar 't halve taartje in +'t mondje, 't is of de dikke dame naast haar draait. 't Kindje heeft +'t toetje vol slagroom. "Bah, wat een vies kindje." "Mammi, dat doe +je zelf." Daar is Pa. Hij groet en neemt z'n hoed af voor den duivel +en de duivel neemt z'n hoed af voor Pa. Maatje kleurt weer, nu tot +'t kuiltje van haar hals. Maar 't dichtertje ziet dat niet, hij is +te lang getrouwd. + +Ze staat op en helpt 't kindje van haar stoel. "Wil je meteen weg?" "Ik +moet nog wol koopen om mijn manteltje af te breien. Ik kan nergens de +kleur krijgen. 'k Ben in wel vier winkels geweest en toen dacht ik, +ik zal maar eerst hier naar toe gaan, want 't werd zoo laat." De oogen +van 't kindje worden heel groot en kijken naar boven naar maatje. "Nou +vooruit dan maar, heb je betaald? aanneme!" Dichtertje dopt, de duivel +dopt, maatje knikt stijf. Bobi wuift met haar handje en zegt met een +hoog stemmetje: "Dag meneer." De duivel knikt en lacht en knijpt een +oog dicht. "Maatje, die meneer heeft al dien tijd naar u gekeken." + +Gelukkig, 't dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind is weer +in een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat terras al +die vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. "O God," denkt i, +"als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens in eens van al die +vrouwen al de kleeren afvielen?" Een dichtertje dat den waanzin nabij +is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn +lezeressen..... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken. + + + + +V. + + +Zes jaar waren ze getrouwd. En terwijl zij iederen morgen brood sneed +en boterhammen smeerde en thee schonk voor hem, voor kleine Bobi, voor +'t dienstmeisje en soms voor de werkster.... Snijd eens één keer brood +en smeer eens boterhammen voor vier kinderen, als je 't niet gewend +bent, wat de ongelukkige schrijver van deze geschiedenis eens gedaan +heeft, volslagen uitzinnig word je d'r van. Op d'n duur zal 't wel +wennen, maar o lieve Heer, op den duur moet 't toch ook afgrijselijk +vervelend wezen, als je 't ongeluk hebt er over na te denken. + +Nu dan, terwijl zij voortdurend dit alles weer deed, behaagde 't +God, den echten God van hemel en aarde, Dora, haar zusje, te doen +opgroeien en vrouw worden, zoo mooi als een renpaardje. Zij was een +van die twee zusjes, die in bed waren gestopt, toen i voor 't eerst +boven mocht komen. + +Het duurde lang voor hij haar zag. Maar zij had hem allang +gezien. Vijftien jaar was ze toen. Hij was pas getrouwd, iets meer +dan een jaar en kwam van een reis terug, heelemaal verbrand. Een +licht grijs pak had hij aan en bruine schoenen en een wit hoedje +met heelemaal neergeslagen rand. Toendertijd gooiden ze je in de +Reinwardtstraat nog met steenen als je den rand van je hoed heelemaal +neergeslagen had, nu mag 't. Zijn schoonouders woonden toen op 't +land, ergens bij den IJsel in een wit huisje met een serre, en een +weranda langs de bovenverdieping. Ze was nog nauwelijks meer dan een +kind, haar rokje kwam maar halverwege tusschen knie en enkel. Nu +loopen de volwassen vrouwen zoo. Ze had een jurkje aan met banden +over de schouders, met dikke roode strepen verticaal, daartusschen +smalle witte strepen. De schouderbanden waren enkel rood. In dit +hooge jurkje dat over de borsten reikte, droeg ze een wit bloesje +met stijven opstaanden kraag. Ook haar gezichtje was gebruind. 't +Donkere haar droeg ze met een scheiding en van achteren loshangend +in een zwarten strik. Ze was blootshoofds en speelde op 't gras voor +'t huis als een kind diabolo, voor 't laatst, maar dat wist ze niet. + +'t Was in 't begin van Juni, de hooge boomen achter en op zij van +'t huis waren een groene berg, massief. Hier en daar stond er een +bruine beuk tusschen. De roode meidoorn was uitgebloeid, de roode +bloemen van de kastanjes waren afgevallen, de ijle kaarsjes, die er +van waren overgebleven, stonden rechtop. De accaciá's bloeiden en +de jasmijn. De serre en alle drie de deuren aan de weranda stonden +wijd open. Er was een klein rond vijvertje voor 't huis met bladen +en witte bloemen van de waterlelie er in en riet en gele irissen aan +den kant. Voor den tuin liep de grindweg en aan den overkant van +den weg en ook aan deze zij er van, links en rechts van den tuin, +stond alom de groene rog manshoog. + +Met de geheven armen wijduit ving ze de diabolo op 't touw, maar hij +viel en toen ze zich bukken wilde zag ze den man van haar zuster. + +"Dag Dora, ken je me niet meer?" + +Hij zag een kind en 't grasveld, en 't vijvertje en 't witte huis en +de hooge boomen en de accacia's en jasmijn in bloei, op zij. Hij was +pas getrouwd en nog niet begonnen aan z'n gedicht zonder einde. Maar +zij zag hem, haar oogen werden groot, 't bloed gutste in haar lijf +naar boven. Waarom vloog ze haar zwagertje niet om z'n hals en zoende +'m? Dat had ze altijd gedaan, want hij was een lief zwagertje, die +bonbons en brochjes meebracht en rumboonen, de rumboonen stilletjes. + +"Dag Ee," zei ze en gaf 'm een hand. + +"Dora, wat zie je d'r lief uit, is m'n schoonmama thuis en m'n +schoonvader?" Hij wilde in haar wang knijpen, zooals hij dat "de +kinderen" altijd gedaan had, maar ze liep hard weg en viel 't huis +binnen. "Daar is Ee." + +De diabolo lag op 't pad en de stokjes met 't touw op 't grasveld. Hij +raapte ze op en zoende z'n schoonmoeder en schudde den ouden heer de +hand met geweld. "Hier zusje, daar heb je je speelgoed! Is Em nog op +de kostschool?" En schoonmama, die graag zag zoenen in eer en deugd, +vroeg: "Hebben jelui mekaar al behoorlijk goeien dag gezegd?" Maar +zij ging haastig de kamer uit met 't speelgoed en liep naar boven en +stond op haar kamertje voor 't open raam. Gek, ze hijgde anders nooit, +nu haalde ze diep adem. En ze voelde met haar handen dat haar borsten +groot werden. En 't grasveld voor 't huis en 't vijvertje met de bladen +en de witte bloemen, met 't riet, dat zachtjes heen en weer ging en de +gele lissen en links aan den kant van den tuin de bloeiende accacia's +en de jasmijn bij het rhododendronboschje, dat uitgebloeid was en de +rogge over den weg, die golvend glansde, al die dingen leken zoo nieuw +en zoo mooi. De leeuwerikken zongen overal, een reiger vloog, de lucht +was zoo hoog en de boomen ruischten om 't huis en 't licht--kun je 't +licht pakken en aan je drukken en in je? Ze deed haar handen samen om +haar achterhoofd en voelde haar borsten optrekken. Toen rekte ze zich +heelemaal uit. De armen wijduit omhoog, als bij 't diabolospel. En +ze voelde de lucht doordringen tot onder in haar longen. + +Kalm kwam ze de trap af en zong 't koor uit de Maccabeeën: "Dag vol +licht en hemelgloed," wat ze vaak had gezongen, zonder er veel bij +te denken. Toen ging ze de kamer binnen en zei: "Dag Ee", en ging +op haar teenen staan en rekte zich uit en zoende 'm op z'n mond, als +vroeger, zusterlijk. En hij, die een gesprek had met z'n schoonvader +over lijnolie, pas van de reis terug, wat moet een dichtertje al niet +doen, hij zei enkel: + +"Kind, wat wor je groot, ik hoef je waarachtig niet eens meer op +te tillen." + +En toen hield ze al zooveel van 'm, dat ze niet eens kwaad was omdat +ie dat zei. "Haar borsten werden immers al groot, wacht maar." + +"Dora, de melk kookt over, Maartje is naar 't dorp." En Dora vlug +naar de keuken om 't stel uit te draaien. + + + + +VI. + + +Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten door +m'n vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaal +niet begrijpt. Dat Coba coquetteerde vindt ze niet zoo erg, dat kwam +doordat 't dichtertje haar verwaarloosde. Die dame in de tram had +een klap op haar gezicht moeten hebben en 't dichtertje ook. Gek, +in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zoo erg. 'k Denk dat +'t komt doordat ik dit geschreven heb. Ze moet toch den auteur weten +te onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog. De +situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord, +toch ga ik door. + +Daar wandelt de God van Nederland weer op 't Damrak over 't gloeiende +asfalt. Weer heeft hij 't zelfde bruinige pak aan en denzelfden hoed +op en schilfertjes op z'n kraag. Nu heeft hij een zakdoek om z'n +boordje gelegd, voor 't zweten. Z'n wandelstok zetti een heel eind +van z'n lichaam neer. Z'n grauwige bakkebaarden wandelen mee. + +God van hemel en aarde, van land en zee, neem deze benauwenis van mij +weg, schep 'm op uw ééne hand van 't Damrak en leg 'm zoetjes neer +op een belt, bij blauwe pannen zonder bodems en vertrapte blikjes en +verroeste hoepels van vaten en asch en garnalendoppen, ergens waar +ik nooit kom. + +Nu kan mijn geest mijn verdomde zelf verlaten en recht naar boven +gaan als blauwe rook in een stillen zomeravond, als een verre koe +klagelijk loeit. + +En nu is alles weg dat geweest is en ik ben Dora en in een nieuwe +wereld, die dezelfde is als de oude, maar gezien van de voeten des +Vaders, van waar ik ook neerzie op Dora, die ikzelf ben, een vrouw nu, +een meisje, zoolang de genade duurt. + +En zooals de wereld thans nieuw is voor mij, zoo lag ze nieuw en +maagdelijk en goedertieren uitgespreid voor Dora na dien dag. O, +ze aanvaardde 't wonder, maar ze begreep 't niet en ze begreep zich +zelven niet, zooals de aarde zich zelve niet begrijpt, waaruit 't +koren groeit, dat groen is en geel wordt en wordt gemaaid en de hooge +garven staan op de gele stoppels en de aarde weet er niet van. + +En haar borsten werden grooter, ze bewogen bij 't loopen. Toch was +ze een tenger meisje met een duidelijk kuiltje in haar hals, met +duidelijke peesjes en 't begin van haar sleutelbeenderen duidelijk +afgeteekend, net als haar zuster. En als ze 't hoofd op zij deed, zag +je een diep kuiltje op haar schouder als ze haar losse kiel aan had, +die vierkant was uitgesneden. In haar bruine gezichtje waren haar oogen +zoo wit en zoo donker blauw. Het wit was zooals ik eens de bevroren +Zuiderzee gezien heb. Maar uit 't blauw scheen al de warmte van haar +lijfje, dat toch niet koeler werd. En als ze dan met haar handjes op +haar rug stond, stevig op de beenen, de voeten een eindje van elkaar, +dan zag je de punten van haar schouderbladen en een holte daartusschen, +als een gedicht, die de gedachten trok naar verten, als een rivier, +die gestrekt ligt, ver, en zich dan wendt en waarvan je 't eind niet +ziet. En als ze haar hals boog, ze droeg 't haar nu opgenomen, dan +keek de God van hemel en aarde even op van z'n eeuwige contemplatie +der eeuwige landen en zeeën en leunde z'n hoofd op z'n rechterhand, +die steunde op z'n dij, de duim onder den kin en de wijsvinger langs +zijn wang en aanschouwde het bruine knobbeltje boven de holte, die +een gedicht was en de kleine haartjes die glinsterden in de zon en +glimlachte. Daarna keek hij weer ernstig langs z'n voeten en zag zijn +Rijn wenden tusschen zijn bergen en peinsde: "Hoe was hij er ook weer +toe gekomen, 't Duitsche rijk te laten stichten? Die Pruisen....." + +En z'n edel, hareloos gelaat versomberde, er kwamen twee diepe plooien +boven z'n rechten sterken neus. + +Maar zij dacht aan geen Pruisen. Zij dacht hoe een lieven man haar +zuster had en dat 't goed was van haar zwager te houden. Hij was toch +haar broer. En een dichter. Dat had Coba haar verteld. En een dichter +dat was een van hen, die God lief had. Dat had ze in een boek gelezen. + +Ze was nu zoo oud, dat ze verheven boeken las met een mondje vol +chocola en de rest van de reep op 't tafeltje. + +Als zij ook eens dichten kon of--schrijven. Een boek over jonge +liefde. Jonge liefde, daar las je toen veel van. En als ze 's avonds +aan den IJseldijk lag, de fiets naast haar plat in 't gras, met een +grasje in haar mond, dat ze om en om draaide en over 't water keek, +waar 't zeil van een tjalk met geraas zakte langs den mast en slap +viel, dan probeerde ze het. Maar er kwam niet veel. Ze werd wel heel +week van binnen, haar hartje en haar longetjes werden zoo groot en +zoo weemoedig vol. Ze voelde 't avondlandschap in haar ruggestreng +van boven tot onder. De koeien, die in 't water stonden en dronken +en zichzelf zagen, 't rammelen van de ankerketting, 't licht dat +opgetrokken werd aan den mast van de tjalk, ze brachten tranen in +haar groote oogen. Maar er kwam niets. 't Grasje in haar mond spleet +ze in de lengte met haar twee nageltjes, maar er kwam niets. + +Ze stond op. Aan de bleeke lucht schenen de sterren, 't water rimpelde +en warrelde en draaide en stroomde alsof er geen Dora stond in den +kleureloozen zomeravond. Een zware wagen kraakte moeizaam over den +grindweg in de verte. Weemoed steeg op uit 't duisterende land, +'t water hield nog wat licht. + +Toen strekte ze de handen uit, maar er was niemand die antwoordde. Toen +wist ze niet of ze sterven wilde of leven en reed langzaam op haar +fiets naar huis terug, waar moeder zat te gapen met 't Nieuws van den +Dag onder de petroleumlamp en haar bril op de punt van haar neus. Zoo +keek ze Dora strak aan. Daarna zette ze haar bril af, vouwde 'm op, +voelde op de krant naar 't huisje er van en bukte omdat 't andere stuk +wel onder tafel zou liggen. "Hier moe." Toen stond moe op, vouwde +gapend de krant dubbel, keek op 't wekkertje dat op den schoorsteen +stond en zei geeuwend: "Kwart-over tienen." + +Op haar kamertje kleedde Dora zich uit en rook de geur van haar eigen +warme schoone lichaampje. En een groot verlangen vulde haar opnieuw, +zooals 't avondlijke land haar met een groot verlangen had vervuld, +en ook de donkere rivier, die uitliep in een punt, die even lichtte +waar i zich wendde en verdween. Maar wat 't was, wist ze niet. + +En in eens zag ze alles weer voor zich in 't donker van de kamer, +'t water met de tjalk die geankerd lag met z'n licht in de mast, +de koeien aan 't water aan den overkant, dichterbij. Ze zag dat de +avond niet viel, maar opkroop uit 't land, voor 't eerst gaf ze zich +daarvan rekenschap. En ze zag vooral 't end van de rivier, de bocht, +die in een punt uitliep, waar een groenige lichte plek in 't water +was, daar waar de oever rondboog. En ze hoorde 't verre kraken van +den zwaren wagen over den grindweg. + +"God, als 't eens waar was, dat U mij lief heeft," zei ze kinderlijk. + +En ze droomde dien nacht, dat Ee wandelde met Coba op een wei, zij +in een wit linnen mantelpakje en hij heelemaal in wit flanel, met een +omgeslagen rand aan zijn broek en een platten stroohoed op en bruine +schoenen. En dat ze tegen elkaar lachten en hij haar zoende op haar +mond, vier zoenen achter elkaar en dat ze zich lachend losmaakte. En +dat zij, Dora, op haar zuster toeliep en haar armen om haar hals +sloeg en haar hoofd tegen haar schouder legde en zei: "Coba wat ben +je toch lief." En toen stond daar in eens haar moeder, nu met haar +bril boven op haar voorhoofd en zei, "dertien minuten over half twee." + + + + +VII. + + +Intusschen liep 't beminde dichtertje kalmpjes als een net +burgerheertje zijn wegje af naar z'n graf en op 't Damrak en op +'t Rokin en in heel Amsterdam en overal ging 't verkeer z'n gang, +alsof er aan 't dichtertje niets gelegen was. + +Hij maakte wat promotie in z'n betrekking en erfde een kleinigheid, +veranderde gaandeweg van kleermaker en schoenenwinkel, kocht toen ook +dat witte flanellen pak, rookte geregeld sigaren van vier cent inplaats +van tweeëneenhalf, had ten slotte zelfs een kistje in huis, droeg fijne +overhemden en niet meer van die dikke wollen sokken, waschte z'n handen +voor en na 't eten, en gaf iedere week enkele guldens uit in cafés, +alleen en met z'n vrouw. Hij verheugde zich in den beleefden groet +van z'n sigarenwinkelier en in de eerbiedige familiariteit van den +conducteur op lijn twee. Op kantoor werti door de jaren wat ijveriger, +begon wat van z'n werk te maken en het gebeurde zelfs datti 's avonds +terugkwam, ofschoon z'n baas de lui daar nooit om vroeg. De concierge +respecteerde hem steeds meer, hield 'm voor een heele geleerde. Zelfs +zijn tante uit Delft of Oldenzaal begon tegen 'm op te zien en knikte +goedkeurend als Coba haar verhaalde hoe haar neef vooruitging. Hij zelf +sprak er nooit over. Hij was nu geabonneerd op 't Volk, 't Handelsblad +en de Groene, lid van de Partij en den Algemeenen Nederlandschen Bond +van Handels en Kantoorbedienden. Op vergaderingen kwam i niet, maar +als ze bij hem kwamen met een steunlijst voor een werkstaking of om een +uur loon voor de Partijkas, dan gaf hij hun een sigaar en Coba schonk +een kopje thee en dan praatte-n-i heelemaal niet uit de hoogte met ze +en teekende voor een riks of vijf gulden en bracht ze tot de trap en +trok de deur voor hen open. Hij was toch zelf ook maar in loondienst en +had als jongen ook zoolbeslag en hoefijzers onder z'n schoenen gehad +en heel vroeger in een huis gewoond waar de buren altijd de trapdeur +open lieten staan en aan tafel gezeten met een pan rijst, voor dat +z'n vader dat werk had gehad waar i zoo aardig aan had verdiend. + +En toen i weer opslag had gekregen aten ze voortaan iederen dag soep +vooraf en Coba kocht drie zilveren servetringen, voor Bobi ook één, +en wilde voortaan geen brood meer meenemen als ze 's Zondags de stad +uitgingen, wat ze nog heel lang gedaan hadden. + +Ook z'n vrinden waren vooruitgekomen in de wereld. Bonger, de dokter +en Graafland, die hoofdcommies was bij de post en 't boekenschrijven +had opgegeven en van der Meer, die in automobielen dee en 't dichten +verachtte. Die niet vooruitgekomen waren zag je heelemaal niet +meer. Daar had je Kool, die altijd z'n brood met z'n twee handen at +en die zoo lang had geprakkizeerd om de wereld te hervormen, datti +koloniaal was geworden. God weet waar die nu zat, eerst hadden ze +mekaar geschreven, maar toen had dat opgehouden, je wist niet meer wat +je schrijven moest. Hein hatti een tijdje geleden nog eens ontmoet. Die +moest en die zou schilderen. De ziel der dingen schilderdeni, maar +'t bracht nix op en toen z'n vader was gestorven hatti heelemaal +nix. In jaren had 't dichtertje hem niet gezien. + +Op een dag loopti door de Pietervlamingstraat en daar ziet i 'm, als +kraai verkleed. Hein, die één maal geexposeerd had: "Portrait d'un +jeune homme poitrinaire et syphilitique," theosofisch "opgevat." Er +moest een groenteboer begraven worden. De kraaien stonden op de kleine +steentjes te wachten, ze hadden parapluies bij zich, Hein ook. 't Was +druilerig weer. Scheef op z'n kop stond een rouwhoogehoed, die 'm te +klein was. Z'n gekleede rouwjas met tressen hatti dicht geknoopt. 't +Ding was veel te nauw en barstte haast open en zat vol malle plooien +om z'n ribbekast. "Jonge," zegt Hein, "wat ben jij een fijne man +geworden." Meteen dragen ze, Goddank, den dooien groenteboer z'n deur +uit. 't Is niet zoo makkelijk iets te wezen in de wereld, ook al ben je +een dichtertje en heb je jezelf wel zoo wat in de gaten. Hij liep toch +al niet zoo graag meer in die straten, na dien tijd kwam i er liever +heelemaal niet meer. En dan moet je mee uit eten genomen worden en een +spijskaart voor je krijgen waar geen regel op staat die je begrijpt. En +dan neem je den eersten keer overal te veel van omdat je niet precies +weet wat er komt en nooit weet hoe ver je bent. En de volgende maal +zal je 't beter doen en dan krijg je lang niet genoeg en moet een +groote zware sigaar rooken met een leege maag. Dan wensch je dat je +vader je maar bij de stadsreiniging had gedaan indertijd, om met een +blauwe kiel en een ratel en een glimmende leeren pet met een koperen +nummer op een stil, zonnig grachtje te loopen ratelen in de vroegte, +zonder er wat bij te denken, op schoenklompen met dubbele zoolen. + +En achtentwintig jaar voor hem uit, op 't wegje naar z'n graf zag i +'t grijze hoofd van z'n vader loopen, dien 't ook altijd goed was +gegaan en die ook nooit iets bijzonders had bereikt. Hij zag zichzelf +al loopen over 28 jaar, met net zoo'n hoofd en kreeg 't gevoel of i +z'n eigen vader was. En drieentwintig jaar achter 'm liep z'n dochter, +nu nog z'n dochtertje. Z'n Bobi van nu zou over drieentwintig jaar +nergens wezen en toch zou ze den weg afloopen dan, dezelfde en toch +een ander. En 't dichtertje vond 't een zinnelooze optocht, die +'m droefgeestig maakte. + +Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog +iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood +wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht, +om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan +al 't onverschillige levende en doode, dat maar dee of hij er niet +was en zich wederom zat wilde vreten tot 't alles opgevreten had en +alleen over was met 't niet. + +Maar daar hij niet wist hoe i beginnen moest, kwam er nooit iets +van. Hij bracht 't niet verder dan dat nu en dan één van z'n gedichten +in een tijdschrift werd opgenomen en dat 't Handelsblad 'm prees, maar +dat prijst zooveel, en dat meneer Scharten hem, Goddank "veelbelovend" +noemde. En z'n vrienden, die ernstige mannen waren geworden, zeiden een +enkel waardeerend woord er over, als ze 'm bij gelegenheid eens zagen, +die dweepten niet meer. En de afleveringen der tijdschriften begonnen +langzaam te vergaan, zooals 't leven van 't dichtertje en overigens +gebeurde er niets. De lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hij +schreef trouwens toch onder een anderen naam. + +Eens op de Zaandammerboot zat een verloofd stel naar 't water te +kijken, hij had zijn rechterarm om haar schouder en hield haar +rechterpols vast en zij legde weer haar linkerhand op zijn rechter +en zoo zaten ze dicht tegen elkaar aan. 't Dichtertje keek naar hen, +zoo'n net verloofd stel is zoo aardig om te zien. Dat die kinderen +onrustig zijn omdat ze meer willen en zich warm maken om wat ze niet +kunnen en niet durven en nooit weten waar ze zullen ophouden, dat zie +je niet en daar denk je niet over. 't Was heel aardig en misschien +waren ze nog maar pas verloofd en tevreden met elkaar vast te houden +en te dwepen. Toen keken ze elkaar lachend aan en hij zei: + + + "Ik kijk van terzij in je groote oogen. + En zie een blauw' en een gouden vonk" + + +en zoende haar op haar mond. Zij bloosde: "Die meneer keek net." + +Dat was de eenigste keer dat 't dichtertje zijn leven voelde leven +in 't hoofd van een ander mensch en toen werti nog verlegener dan +'t meisje en bloosde ook en gaf een kwartje aan den man die geld kwam +ophalen voor de muziek. + +Daarna was noch aan de doode, noch aan de levende dingen meer te +merken, dat ze weet hadden van wat 't dichtertje beleefd had in z'n +dichterhoofd, datti meedroeg op weg naar z'n roemlooze graf. + +'t Dichtertje kreeg er genoeg van. Hij had nog iets heel moois liggen: + +"Mijn doode hart is zoo zwaar te dragen". Dat gooideni maar in 't +keukenfornuis, de haard brandde niet, want 't was zomer. + +En toen werti zoo kwaad op alle levende en doode dingen, datti z'n +eindelooze erotiek onderbrak en een grimmig boek schreef, dat 'm in +eens beroemd maakte. Maar dat was later pas, dat komt straks. + +Voorloopig deeti alleen nog maar z'n gave tanden en kiezen op elkaar +en daarna zeidi, alleen in z'n kamer, hardop: "Een groot dichter +worden en dan vallen, Godverdomme." Z'n schoenen hatti losgemaakt +en i schopte er één van z'n voeten datti een slag gaf, waar mevrouw +beneden van schrikte. + + + + +VIII. + +Dat was in den zomer en in 't najaar was 't dichtertje zoo ver +datti "onmogelijk" van kantoor weg kon. Z'n tante had reden tot +tevredenheid. Haar neef "hattet druk". Drie, vier avonden in de week +zat i op kantoor. Hij had een week bij haar zullen logeeren in Velp, +waar zij tegenwoordig stil leefde, de zaak had ze verkocht. Maar hij +kon niet weg, als een heusche heer. + +'s Zondags las i thuis de mail, om toch maar vooral niet te denken +en als er visite kwam, zei Coba: "Ik geloof uit Shanghai, is 't +niet Shanghai, Eduard?" En tante zag in gedachte al een circulaire +waarin stond "dat wij onzen langjarigen medewerker, met ingang van +1 Januari,--dat is wat gauw, met ingang van 1 Juli tot mededirecteur +hebben benoemd." + +Maar 't kwam even anders. + +Pa was dood. Pa had altijd buiten willen wonen. Vier jaar lang hatti +kippen gehouden en de pauw voer gegeven en vruchtboompjes geplant, +die dood waren gegaan. En boekgehouden. Als de eieren in 't dorp zes +centen kostten in 't winkeltje, kwamen ze hem op acht. Maar als i de +keuken binnenkwam met zes eieren en z'n voeten naveegde op de mat, +vontti dat je voor die twaalf centen meer, ook waar kreeg. + +En moe had zich geschikt en zoo veel mogelijk meegeleefd en nix +laten merken, als een echte goeie ouwerwetsche moe. En 's avonds, +alleen onder de lamp, op d'r krant gestaard over haar bril en aan de +Linnaeusstraat gedacht. Zij kon niet om negen uur naar bed. Ze zag de +trams rijden in den avond over 't pleintje bij de Mauritskade, waar +ze op uitkeek van haar bovenwoning, ze zag de lichten schuiven. En +de boomen van het Muiderbosch, die bladerloos heen en weer gingen +langs de donkere lucht, met de zwarte kraaiennesten. Dan kon je zoo +echt naar 's zomers buiten verlangen. En ze dacht aan de winkels op +Zaterdagavond en de drukte van 't winkelen en hoe ze zelf door de +van Swindenstraat liep met 't boodschappenmandje onder haar schort, +in den tijd dat 't hun nog niet zoo goed ging. + +Zoo echt gezellig kon je dan nog eens praten. Hè jà, en de +Dapperstraat met twee rijen karren, groenten en visch en kaas en +kopjes en schoteltjes, met olielampen, die walmden en rustig wit +licht in witte ballonnetjes van eigengemaakt gas. En overal herrie +en geraas. Toen ze al lang deftig waren geworden, ging ze nog wel +'s Zaterdagsavonds gerookte aaltjes koopen aan de kar met al die +zwarte stangen rechtop, met van die genoegerige koperen knoppen. Tot +een meisje met een groot bont schort en gekapt hoofd, zonder hoed, +had gezegd: "Jeisis, de raakdom komt oltjes kaupe." Zoo'n flodder, +met bruine schoenen aan. + +En dan begon moe te soezen in de suizende stilte en met haar bril in +haar rechterhand zat ze te knikkebollen, tot ze wakker werd doordat +ze te veel voorover knikte. "Hè, mensche, 'k dacht waarachtig dattik +de tram hoorde bellen." + +Onderwijl schreef Dora op haar slaapkamer in schoolschriften van een +dubbeltje proza over "Hem" en maakte zichzelf wijs dat hij iemand +was, dien ze niet kende en die komen moest. En die schriften werden +weggestopt in een la, waar niemand in kon, ze bloosde, ofschoon ze +alleen was en niemand er van wist. + +Em was verloofd, met een boekhouder in Amsterdam en praatte over haar +huis, dat nog gezocht moest worden en dacht aan een kindje. Raar, zoo'n +vrijer, die "op stuk van zaken" en "eventueel" zei en met een scherpe +plooi in z'n zwarte kamgaren broek bij 't kippehok stond. En altijd +hatti 't weer met pa over "de Bovenkerken," meneer Bovenkerk, die in +steenkolen dee en mevrouw Bovenkerk, die 's zomers in Zandvoort woonde +op "Mon Désir", en den jongeheer Bovenkerk, die eindexamen vijfjarige +zou doen. En de rest. Em was erg kwaad geworden, omdat Dora eens had +gezegd: "Daar heb je Bovenkerk". "Vrij jij met den IJseldijk", had ze +gezegd en bijna had ze er bij gezegd: "Ouwe kneut." Dora was een jaar +ouder. Maar haar opvoeding was haar gelukkig de baas gebleven. Dora had +erg gekleurd en niets teruggezegd. "Zou ze in één van m'n schriften +hebben gekeken? Ik laat er toch nooit één zwerven." Jasses wat een +zwager. En als i z'n witte vest aan had! En die oogen. Zoo echt een +heer, die bij den weg naar nix anders kijkt dan of i ook een kennis +tegen komt. En zoo slap. Hoe kon Em tegen zoo'n man aanstaan! Zij +leunde nog liever tegen een dennestam. Nee dan was Coba heel wat +beter af. Zoo'n man als een zee! En meteen kreeg ze een visioen van +wit zand en zon en golven en branding, en roode en blauwe badpakjes en +witte jurken en witte en roode parasols. En van duinen met uitgeholde +flank, met helmsprieten, gebogen waaiend, er bovenop. En van een golf +die haar omsloeg in 't water, ze proefde zout. + +Nu was pa dood en zouden ze verhuizen. Moe ging weer in de +Linnaeusstraat wonen, over 't Oosterpark. Em zou 't volgend jaar +trouwen en Dora moest maar naar kantoor. Zoo'n beetje helpen in 't +huishouden en nu eens hier logeeren en dan eens daar en eigenlijk nix +doen maakt maar ongedurig. Ze zou nog eerst een paar weken naar een +vriendin gaan bij Berg en Dal om wat te bekomen van al de narigheid +en dan kon ze meteen naar Amsterdam in 't nieuwe huis trekken. + +Ee zou haar wegbrengen. Hij kon wel moeilijk nog een dag van kantoor +weg, maar hij zou 't er dan maar afnemen. + +Dora keek al eens naar 'm: wat praatte n-i-raar. + +In den trein waren ze beleefd en welwillend voor elkaar, maar erg +stil. Ze reden over den IJsel en over den Rijn en Dora staarde met +groote stille oogen naar de rivieren, rechtop in haar zwarte jurk, +de handjes in haar schoot, tot zij ze niet meer zag en ook daarna +zat ze en staarde. + +En hij keek zoo nu en dan naar haar gezichtje en dan weer naar buiten, +om haar vooral niet te hinderen. En dan probeerde 'n-i of hij haar +zien kon in z'n verbeelding, eerst telkens een brok, haar voorhoofd, +en hoe de haren er boven waren, golvend, en haar oogleden en haar +lange donkere wimpers en dan haar zwarte wenkbrauwen daar boven, even +gebogen en dan dat alles bij elkaar en haar oogen, haar oogen vooral, +die zag hij telkens boven de akkers, en 't neusje dat nauwelijks +wipte, zoo fijn en haar kleinen mond, dicht gesloten de roode lippen, +en de kleine oortjes, die rose doorschenen, met 't haar er boven en +losse haren er voor en haar onderkaak, zoo edel lang, met een spits +kinnetje, waar een zoenkuiltje in was. En dan moesti telkens weer +kijken naar de twee rechtoppe richeltjes onder haar neusje. + +Hij sloot even z'n oogen en zag 't heele gezichtje duidelijk voor zich, +de bruine wangen nu ook. En daar was 't ook heel duidelijk buiten, +voor de rij populieren, die nog maar weinig blad hadden. Want 't was +al October. Hij moest even lachen om de menschen, die hem voor een +degelijk heer hielden. + +"Zeg is 't waar, dat je tegenwoordig iederen avond op kantoor zit?" Hij +knikte. "Moet dat?" Hij haalde z'n schouders op. "Waarom doe je 't +dan?" Hij lachte weer. "Om vooruit te komen in de wereld. 't Wordt +je niet cadeau gedaan." 't Leek haar nix prettig... "Wat zou jij +dan willen?" + +"Kijken... en denken... en schrijven," zei ze en bloosde heel +even... "ten minste als je dat kunt." + +Hij glimlachte akelig wijs. "Nix gedaan, Doortje. Je wordt er nix +beter van, 't stomste vee is 't beste af. Geloof je niet dat Bovenkerk +een gelukkige kerel is?" Haar groote oogen gingen wijd open in stille +ontzetting. "Hè, schrijven wat je denkt is zoo fijn, zoo roef, roef, +je weet zelf niet hoe je 't doet. 't Staat er ineens precies zooals +'t er staan moet. En als je 't dan naderhand leest, dan leef je in +eens weer je eigen leven van toen en toch weet je niet, of je dat +nu zelf bent of een ander." Haar oogen schitterden, er waren tranen +in. Ze bloosde niet meer over zichzelf. Ze zat stil met haar hoofdje +op haar rechterhand, haar elboog op de richel voor 't raampje en +staarde naar buiten. En 't dichtertje dacht: "dat is een echte," +en dat ze hem nu voor een degelijk heer hielden. + +Maar hij bleef grimmig en wijs, "God brengt ons op een hoogte, om +ons te laten afdalen. De weg over den top is kort, maar de dalen zijn +lang. Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in verdriet." + +Zij schudde langzaam haar meisjeskopje, zoo lief en toch zoo +nadenkelijk: "Ik leef altijd op den top." + +Hij wou zeggen: "Goed zoo," maar hij zei niets. Zij staarde in den +Waal. "Mooi hè?" En in eens stond ze op, nam haar hoed uit 't rek, +stak er vlug de pennen door en met haar beide handen aan haar hoed, de +voeten wat van elkaar om stevig te staan, lachte ze in eens overmoedig +met al haar tanden, als een kwaaie meid, haar oogen in de zijne: +"Aan mijn lijf geen Bovenkerk." Toen leunde ze haar bovenlijf uit +'t raampje en keek naar Nijmegen, dat daar lag op de heuvels aan de +rivier, zoo on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen en +boomen boven boomen, en zong tegen den wind en 't gerammel van den +trein over de brug. + + + + +IX. + + +Een groot dichter zijn en dan vallen. In de volheid der tijden. + +'t Was wel een dag om eens even de 36" white shirtings en coloured +satteens te vergeten. + +Zij werden niet afgehaald. De vriendin kon niet van huis, want haar +moeder kon niet loopen en ze zaten zonder meid. Een meid is een zuster, +niet van u of mij, maar van een letterzetter of een brievenbesteller, +die bij u of mij op haar knieën door de kamer kruipt om den grond te +vegen en 't vuilnisvat buiten zet en de kopjes breekt. + +Dora en 't dichtertje dronken dus koffie in Lent, over 't water, +in 't gezicht van de stad en de heuvels. 't Was een stille, +zonnige herfstmiddag geworden. De kastanjes waren al kaal, de gele +vijfvingerige bladen met hun dikke kleverige stelen lagen op de aarde +en dorre en gouden bladen lagen overal. Er was de geur van bladen, +die vergaan, die 't dichtertje altijd zoo week maakte onder zijn vest, +alsof i dood zou gaan en onsterfelijk wakker worden in net zoo'n +stillen blauwen en gouden herfstdag, die niet zou eindigen. En hij +streek een herfstdraad van z'n voorhoofd. De lucht was zoo blauw en +wolkeloos en zag zichzelf in 't water en de zon scheen gouden. + +En uit 't water steeg de stad naar de blauwe lucht, de kade en de +huizen en daarboven weer huizen, half of heel uit boven andere, met +vele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teeken voor God +om z'n stad te herkennen en twee spitse torens, die hoog en onmachtig +zich rekten naar nog hooger. Zoo reikt een dichtertje uit de rivier +zijner dichterlijkheid machtig en onmachtig naar God, die niet te zien +komt achter de blauwe lucht. Toen moest 't dichtertje toch weer even +lachen om 't wonder dat in zijn oogen was, die daar een monument van +heerlijkheid zagen, terwijl er niets was dan veel hokken vol miezerig, +nog niet eens Hollandsch, maar Geldersch kleinsteedsch leven. + +Zij keken juist recht in een straat, die van de kade steil en +recht naar boven liep, er begon wat schaduw in te komen aan den +rechterkant. En ergens in de hoogte was een groot plat met een ijzeren +hek er om en ergens anders een waschtobbe op een ander plat en iemand +zette, meer dan halfweg tusschen de rivier en God, een raam open, +dat even de zon fel weerkaatste. + +En links van de stad was 't lage walletje der begroeide heuvels, +een rechte lijn tot "ins grosse Vaterland". + +Een gouden laantje liep langzaam hellend, schuin naar boven. De +gouden letters van het Fransche pensionaat "Notre Dame aux anges" +blonken in de verte, hoog, aan het hooge huis, dat aan den voet van +de heuvels staat, waar de grasvlakte eindigt. + +"Notre Dame aux anges", onschuldig naakte engeltjes en onschuldige, +geheel gekleede pensionnaires. De God van Nederland heeft wel gelijk, +je weet nooit wat je aan die dichters hebt, zijn ze nou netjes of +niet netjes? + +Toen hervond 't dichtertje ineens de zwakke romantiek in dat heele +geval. God bedoelde er heelemaal niets mee. Hij speelde maar wat en +had maar eens een heel nieuwe ensceneering bedacht om die Leiden des +jungen Werthers op te voeren, als hij daar lust in zou hebben. + +En zoo praatten zij en speelden met woorden en gedachten en fantasieën +en zagen aan de schittering van elkaars oogen, als een nieuwe inval +uit zou flitsen. En daarna stapten ze op en gingen de rivier over. Zij +wilde datti een mooi cadeau voor Coba meebracht, als i 's avonds naar +huis ging. Dat zouden ze eerst samen koopen. Ze hing aan z'n arm, +haar linker door zijn rechter en zoo hielden haar kleine handjes in +zwarte glacétjes elkaar vast. + +Een zacht-lila, zijden sjaal met geknoopte franje moest i koopen, +hè ja, daar zou Coba vast heel blij mee zijn. Toe, dan was i een +lief zwagertje. Ze keek in z'n oogen en drukte z'n arm, voor haar +zuster. Er was geen valschheid in haar hoofdje, haar bloed joeg, +maar in haar hoofdje was geen valschheid. "Kijk eens wat leuk". Ze +stonden in de laagte en keken naar boven onder de brug door, die daar +in de hoogte naar de Belvédère voert. En de boog van de brug omlijstte +een schilderijtje. Een brok verlaten buitengrindweg, ietwat stijgend, +aan weerszijden de blauwe band der voetpaden en kleine boompjes met +schel oranjegele kruintjes, en de takken, door de bladen heen al +goed zichtbaar en een paar lantaarns, ver van elkaar, met melkglas +van boven, fel wit, een prentje om "5 October" onder te schrijven. + +Er was geen valschheid in haar hoofdje toen ze in eens kalmer werd +door de afleiding, die dat prentje aan het gesprek gaf, ofschoon +ze 't zelf voelde. Maar ze begreep 't niet, zooals Adam en Eva hun +naaktheid niet begrepen en de "Anges" van Notre Dame hun engelenstaat +en de pensionnaires hun geheel gekleedheid niet. Mijn God, wat is +een vrouw, die zichzelf begrijpt. + +Maar hij begreep zichzelf wel, akelig duidelijk en daarom gebeurde +er niets. Hij zag haar aan en de dichter in hem aanbad haar en hief +haar ten troon naast den God van hemel en aarde en durfde haar niet +aanraken. + +En te gelijk zat diep in 't dichtertje 't beest gedoken voor den +sprong, dat zich zat wilde vreten aan alles wat als een temptatie in +onverschilligheid om hem heen had gestaan en langs hem was geloopen +en hem niet erkend had. En haar eerst, 't mooie, 't beminde eerst, zoo +dat er geen pardon meer zou zijn voor al 't mindere. Haar te verheffen +zoo hoog als de sterren in de winternacht en met haar 't ergste te +genieten en haar dan te laten vallen in 't zwarte grondelooze. Op +haar te wreken in 't genot de tempteerende onverschilligheid. En wat +zou een dichteres je ook beter verlangen, dan zóó te vallen? + +Dit dachtti terwijl een muschje van een paardevijg op den grindweg +in een van de oranje boomen vloog. Maar hij zei: "Weet jij een goeie +winkel?" + +Ze kochten een heel mooie shawl, fijn en zwierig. Jammer, dat ze in +'t zwart was. Zij pastte zelf net zoo'n doek, maar een zwarte, om +te zien hoe die viel en deed er haar bovenlijfje een klein beetje +bij achterover. Maar die lila, die was prachtig. Coba zou vast een +gilletje geven van plezier. + +En zoo was ze tegelijk en beurtelings dien dag zuster en vrouw en +dichteresje en courtisane en kende haar verdeeldheid niet en begreep +er niets van. + +Maar wat een dag der dagen. + +Luid zong ze op den weg naar Beek, die ook verlaten was en ze liep +steigerend, ze kon 't niet laten, ze kon de heuvels vertillen voor +een lolletje en de zon met één hand van de lucht halen en over haar +hoofd in den Waal gooien, datti siste. + +De electrische tram haalde hen in en trok een lange rij dorre en +gele bladen warrelend en schuifelend, ritselend achter zich aan, +een lolletje Gods, datti zich wel veroorloven kon op zoo'n dag. + +Van Beek stegen ze naar Berg en Dal slingerend door de heuvels. En +de heuvels waren te laag en niet steil genoeg, hoe kon je daar moe +worden? En moe moest ze worden of ze sprong uit elkaar van kracht, in +scherven van dichteresje en vrouw en zuster en courtisane. Bovenop +keken ze in een dalletje met hellende zwarte en gele en groene +rechthoekige veldjes en denneboschjes en eiken hakhout er tusschen +op de hellingen. En daaroverheen in de vlakte, uren ver met niets +markants er in, alleen een recht brok rivier, dat breed van hen +wegliep, tot waar i zich in een bocht verloor. Daaraan, heel klein, +de roode afdaken van steenbakkerijen en hun schoorsteenen, hoog en +toch verloren in de wijdte. + +Daar stonden ze en op eens merkten ze dat ze niets konden dan weer +weggaan. + +Maar 's avonds in bed kon ze niet slapen, in haar hoofdje wilde de +helderheid niet wijken. Ze doorleefde den heelen dag telkens opnieuw en +zag alles weer heel duidelijk. En in eens werd 't onder haar schedel +als de zon zelf: "Ik houd van hem. Ik kan niet anders. Ik wil. God +sta me bij." Ze ging uit bed en dronk haar karaf achter elkaar leeg. + +Den volgenden ochtend zat ze in haar pon op den rand van 't ledikant +en keek naar haar enkels en prakkizeerde: "'t Zal wel zoo zijn," +maar de helderheid was geweken. + +Hij wilde niet denken. Als een net en degelijk heer zat i kalmpjes +en gereserveerd in lijn twee en reed naar kantoor. + +"Môgge, dames en heeren." En grimmig ging i aan z'n lessenaar zitten +en schiftte de post. + + + + +X. + + +'t Was in 't laatst van Maart toen de tijden vol waren. + +Den heelen dag hadden ze drukproeven nagezien, Dora en hij, heel droog +en zakelijk. Coba logeerde met Bobi in den Haag bij een rijke nicht +uit Indië. Zij hadden beiden eenige dagen vrij genomen van kantoor. + +Om vijf uur had ze thuis gegeten en daarna was ze nog even +teruggekomen, om 't werk af te maken. Toen de schemering begon waren +ze klaar, 't pak lag op tafel, de brief voor den uitgever lag er naast, +er moesten alleen nog maar postzegels op. + +'t Was in de stad op een bovenhuis, maar het was aan den kant, er +was een vaart voor 't huis en aan den overkant was 't weiland. Dora +zat op een stoel voor den haard, mantel aan en hoed op en keek in +'t vuur en dacht aan de volheid der tijden, de volheid voor haar +heel ver af. Hij lag plat op de rustbank, tusschen 't venster en den +haard, zoo plat dat ze hem nauwelijks zien kon in de donkere kamer, +en keek naar 't gele licht van de straatlantaarn op 't plafond en naar +'t roode schijnsel van den haard op de vloer. + +Achter 't huis was de stad en 't lamplicht in vele vensters, maar +dat zagen ze niet, want ze zaten voòr en als Dora opkeek zag ze 't +land, waar 't laatste licht de hooge lucht verliet, over de aarde was +'t reeds donker. + +'t Dichtertje had nu van alles genoeg. Z'n boek was af, z'n gedicht +zonder eind hatti vermoord, z'n positie in de maatschappij was een +farce. Coba en Bobi hadden genoeg om te leven zonder hem, God zou +hen troosten, de tijd heelt alle wonden. Dat was een wandtekst van +z'n tante in Velp. + +'t Was lente. Het leek nog winter, maar 't was lente. Het sneeuwde +nog wat in die dagen, 't was nog wat koud en 't vroor nu en dan, +maar dat was maar een aardigheidje en zoo erg niet gemeend. + +De dagen werden lang, om zeven uur deden de menschen de lichten aan. En +als om half zeven de gaslantaarns werden aangestoken op de gracht, +stonden ze daar zoo bleek en verwonderd. Dan warrelde de sneeuw er wat +om heen in kleine voorjaarsvlokjes en smolt voor dat ze op straat viel. + +En ze dachten beiden aan de zomerregens, die komen zouden en hun +neuzen van niet te rangeeren bohemiens, die zichzelf niet vermoorden +konden, rooken 't versche hooi. Hij, grimmig als de titel van z'n boek, +"Djengis Kan," en grimmig als 't boek zelf en met de gedachte dattie +'t niet meer ruiken zou, datti ook dit koninklijk abandonneerde, zij +vol vaag verlangen en zoo bewogen in haar hart. Haar handen vouwde +ze op haar rok waar die gespannen stond tusschen haar knieën. Die +hield ze van elkaar en zoo zat ze, voorovergebogen, op haar stoel. + +De koeien waren al in 't land geweest, op een zonnigen dag hadden +zij ze gezien. Het land had de koeien direct herkend en ze stonden er +heel vertrouwelijk in en de zon was er blijde om geweest. Naderhand +waren de dagen weer kouder geworden en de koeien moesten zoo lang +weer binnen. Maar de hagel kon de lente niet tegenhouden. + +De berkestammen waren toen zilverwit, maar mooier dan zilver. De taal +is armoedig, doodarmoedig. Die de werken des Vaders kent, weet dit. + +De weilanden leken minder verzadigd van water, de landen werden +gemest, de zon steeg hooger en was trager in 't zinken. En Dora +dacht hoe de zon groot, rood en koud had gestaan in December, laag +boven de kim, om vier uur en verging in een kouden nevel en verdween, +zwak en weerloos. Maar dat was lang geleden. En hoe in den winter de +menschen om vier uur hun lichten aandoen en hopen dat 't nog weer +eens dag zal worden. Maar nu wist ze al weer zeker dat de zon zou +opkomen den volgenden morgen. En dan, wat dan nog? + +Ze spraken nog altijd niet. + +Hij dacht aan den tijd toen i gewerkt had, wat men noemt "hard +gewerkt." En hoe z'n familie gezegd had, datti wijzer begon te +worden. En datti eens had geklaagd, datti 't zoo erg druk had en +dat allerlei dingen op kantoor tegenliepen en hij er 's nachts van +droomde. En dat toen z'n tante had gezegd: "Ja jongen, de ernst des +levens." Ze zou vast z'n boek lezen, hopen op een presentexemplaar, +wachten of 't in de portefeuille zou komen. En er van willen schrikken, +maar dat niet durven als allerlei menschen 't geprezen hadden. Hij +zag zichzelf al circuleeren in de portefeuille in Velp, 't was wel +de moeite waard. + +"En wat dan nog?" dacht Dora. De sneeuw had ze weer zien smelten en +de knoppen wat grooter worden. En daarna werden de kruinen van de +hooge boomen alom bruin. + +Het leek haar alsof ze dit heel lang geleden ook zoo gezien had, met +haar handen gevouwen op haar rok, de knieën wijduit, voorovergebogen +op haar stoel. + +De zon scheen weer, ze zag de huizen in 't licht en de boomen en den +gouden schijn in 't water. Den treurwilg zag zij gelen, zijn takken +hingen, ze trokken naar 't water, in doodstille gele aanbidding hingen +ze er stom boven en zagen 't gele licht in den vijver. De wollige +witte wolken zeilden in den vijver, ze schoven voor den blauwen hemel, +maar dekten hem niet. Zoo staan de treurwilgen in de stad in de vroege +lente, materialisatie Gods tusschen de klompige huizen, die zoo hoog +zijn, en ze wekken 't verlangen, dat geluk is en verdriet. Je komt den +hoek om, een abjecten goren hoek bij een haringstalletje, dat stinkt +naar gemarineerde haring en op eens gaat een slag van je oogen naar +je hart, je ziet 't goud neerstorten als een zee en je staat en een +klein jongetje veegt z'n neus af met den rug van z'n hand en roept: +"Kakmadam." Dat is Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, in 't +vroege voorjaar. + +'t Was nu bijna nacht. De kolen in den haard rommelden plotseling, +vlammetjes schoten uit en hun licht was in de kamer. + +"Dora," zei hij in eens, "hoe vind je Penning?" Penning was ook +een vrind uit z'n jeugd. Jaren lang hatti 'm niet gezien, hij wist +alleen datti ingenieur was geworden. En nu voor veertien dagen hatti 'm +ontmoet en hij was een paar maal komen oploopen, terwijl ze bezig waren +met de drukproeven en had dan telkens een uurtje zitten praten. Hij +was een groote, frissche jongen, aardig op weg om carrière te maken +en toch buiten z'n werk nog heelemaal een jongen. Hij had verteld +datti over enkele maanden voor een jaar of wat naar Zuid-Amerika zou +vertrekken om ergens iets uit te baggeren of een pier te leggen of +iets dergelijks. 't Dichtertje hattem ook een keer meegenomen naar +z'n schoonmoeder, die dadelijk erg met 'm ingenomen was. Em hield +niet vannem. + +"Hoe vind je Penning?" "Gaat nogal," zei Dora absent. Stilte. In +'t schijnsel van de straatlantaarn op 't plafond zag je de schaduwen +van de sneeuwvlokjes die nu wat grooter vielen. + +"Komende maand trouwt Em." Ze keek op. Wat praatte-n-i weer raar, +hij leek wel Bovenkerk met Em. Ze gaf geen antwoord. + +Als een lang vergeten ding zag ze in eens een breede rivier voor +zich, die naar zee stuwde. Zijn golven stuwden 't zonlicht naar zee, +maar het water en het licht waren zonder einde. Op een blauwe en +gouden baan trok een klein sleepbootje een langen sleep. Nietig was +'t bootje, zijn pijp stak heel klein de lucht in, de rook was gering, +z'n schor geroep ging verloren in de ruimte. Uren en uren ging dit +door het water, tusschen de velden onder de ontzaggelijke lucht. + +En ze zag een langen weg vol stof en zon en verlatenheid. En weer wat +anders: een weide, eindeloos, en een laan van hooge boomen, er in de +zon, van terzij, al wat lager en alles vol van levend goud en blauwe +lucht. En toen: een rivier, wat in de diepte, donker al in 't Oosten, +in 't Westen stierf de dag, geel eerst, vol droevig, bleek groen er +boven, de dag die niet sterven wilde, de duisternis die machtig steeg, +van de landen in het Oosten steeg in de lucht en machtig trok naar 't +Westen, daar was de rivier rood en schreide en wilde 't licht houden, +'t licht dat blijven wilde. Zoo vloeide de rivier, met 't licht naar +de zee, die ze niet zag. + +Toen zei hij "Penning komt om jou". Ze schrok, 't Duurde even voor +dat ze begreep wat ze had hooren zeggen. + +"Luister goed Dora, neem hem. Hij zal je vragen, ik weet 't. Neem hem, +trouw met 'm. Verval niet aan de kunst of iets dat er op lijkt." + +Ze zat zoo als ze gezeten had. Alleen haar hoofdje hield ze wat +hooger, ze keek naar 't venster, dat donker glansde, met ergens +enkele gele stipjes er in, van 't licht van den straatlantaarn. Een +van de spaarzame groote sneeuwvlokken raakte 't glas en smolt. Ze +begreep niet. + +Hij legde zijn hand om haar gevouwen handen, z'n vingers raakten +de hare in hun geheele lengte. Toen steeg zoo een wild verlangen +uit haar lijf naar haar hoofdje met haar bloed, dat al haar kleeren +haar onverdragelijk waren, één oogenblik. Maar ze stond kalm op, één +hand hield ze op de leuning van den stoel. "Ik trouw niet". Ze zei 't +alsof ze vertelde dat de boekhouder z'n ontslag had genomen. Alsof hij +niets gezegd had, kwam hij van de bank af. "Hier" zeidi, "wil je dien +sleutel meenemen? Die is van de straatdeur. Bonger zou tegen tienen +bij jelui komen om 'm te halen. Hij zou vannacht hier slapen. Hij +moest vandaag van z'n kast af en kan pas morgen op de de nieuwe. 'k +Had 'm gezegd dat ik niet zeker wist of ik thuis zou zijn." + +"Ga je dan nog uit?" Ze was nu volkomen rustig, voelde op tafel naar +de lucifers en stak 't gas aan. Hè, ze konden nix zien. "Ga je dan +nog uit?" Hij haalde z'n schouders op. "Misschien." Ze keek 'm strak +aan, maar aan z'n gezicht was nix byzonders te merken, zóó had hij +de laatste dagen dikwijls gekeken, als i een goede plaats oplas uit +"Djengis Kan" en ze even opzag van 't nakijken. + +Hij bracht haar tot de trap. + +"Dag Ee, tot morgenavond bij moe". Hij drukte haar hand. "Dag Dora, +au revoir camarade." Even hoorde ze iets in z'n toon, dat er altijd was +als i vertelde wat z'n tante had gezegd. Gek was dat. "Nou dag". "Dag +hoor," riep i haar na, alsof i een meisje van zestien jaar nadee. Toen +sloeg de deur dicht. + + + + +XI. + + +Ze stapte hard door, moest telkens uitwijken voor de plassen. Het +sneeuwen had bijna opgehouden, de natte vlokken die nog vielen +warrelden langzaam naar beneden, een enkele viel op haar gezicht, +dat deed haar goed. In 't licht van een lantaarn zag ze de dikke +knoppen aan een van de kleine kastanjeboompjes op de gracht, met +glinsterlichtjes waar ze 't dikst waren. + +Een gele, rechte streep licht was op den stam van boven naar beneden. + +Wat was er eigenlijk gebeurd? Alweer een plas, wat leek die diep met +de weerspiegeling van de lucht er in, de weerschijn van een ster +pinkte in een opening tusschen de wolken. Duizelig zou je er van +worden van aldoor zoo in die plassen te kijken, loopende. Ze kende +een sentimenteel Duitsch liedje van 't geluk dat "Jenseits der Sterne" +was. Of misschien diep in zoo'n plas, heelemaal onderaan. Malligheid, +der stond mogelijk geen centimeter water. Haar dag zou ook komen. Ze +wou. Wat wilde ze? Kon zij iets willen? + +Fijn, zoo alleen te loopen in den avond en je gedachten te laten +komen en gaan en weer komen. En daar ze een dichteresje was citeerde +ze Perk, terwijl ze op zij stapte voor weer een plas en haast in een +andere trapte: "Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden." + +De natte, zoele wind sloeg om haar heen, ze haalde diep +adem. "Makkelijk praten". Waarachtig, daar liep ze bijna tegen een stel +aan, dat onder een lantaarn stond te zoenen. En in eens voelde ze zich +dame: "Wat een vulgair stel". "Der minnen vruchten ic u mildelijck +gaf, Maer een ewich zuchten houde ic daer af". Weg was de dame, toch +bloosde ze in haar eentje onder de donkere lucht om die "vruchten", +die ze gegeven zou hebben. En in eens herinnerde ze zich dat gevoel, +dat ze zooeven gehad had, God, nog geen tien minuten geleden, dat +al haar kleeren haar onverdraaglijk waren. Ze voelde haar wangen +branden. "'t Zal niet zijn." Meteen stond ze op haar stoep. Half acht. + +"Dag moe, ik kom direct beneden". + +Maar toen ze op haar kamer was en hoed en mantel had afgegooid, toen +werd haar duidelijk wat er zooeven gebeurd was. Een groot gevoel van +verlatenheid en dat 't leven de moeite niet waard was kwam in haar +hoofd. Ze begreep zichzelf niet. + +Waarom had ze niet z'n hand gepakt en gezegd: "Ik houd van jou". Waarom +wilde ze niet, wat ze zoo erg wilde? Wat kon haar gebeuren, erger +dan deze dood levend om te dragen? Waarom was ze? Waarom moest ze +ongezoend dood gaan? Niet zoo maar 's gezoend, maar heel erg. Ze +gloeide overal, haar hart werd groot. Ze maakte haar goed open voor +den spiegel en bekeek haar borsten, zoo wit in haar zwarte japon en +hield ze op haar beide handen. + +Rein en onaangeraakt was zij. Ook een lolletje. En in haar groote +verwarring bad ze, dat God haar onteeren zou. "Zou ik gek worden?" + +Haar manteltje gleed van 't bed met een slag. Dat was de sleutel. Een +gedachte schoot door haar hoofd als een vlam: "hij had afscheid van +haar genomen, er was iets niet in orde, ze moest terug." Kalm waschte +ze haar gezicht wat en kleedde zich weer aan. "Ik heb iets vergeten, +over een half uurtje ben ik weer terug." + +Om acht uur stond ze weer voor zijn deur en schelde. Geen gehoor. Ze +schelde nog eens en maakte toen resoluut de deur met den sleutel +open. Nergens licht. Ze griezelde van 't leege, donkere, stille huis, +haar hart klopte hevig, maar moedig ging ze naar boven. De deur van +de voorkamer stond open, 't licht van de straatlantaarn scheen op 't +plafond, 't roode licht van den haard was in de kamer. "Ee, waar ben +je"? Wat klonk dat akelig. Ze liep door de kamers, bang en moedig. Toen +ging ze de tweede trap op. Door een kier van de slaapkamerdeur kwam +licht. Haastig gooide ze de deur open, bang dat ze zich omdraaien en +vluchten zou. + +"Ee, wat doe je?" Hij zat heel stil op den rand van 't bed tusschen +zijn knieën door naar 't kleed te staren. Hij stond op: "Dora". In +dat eene woord was alles en ze hoorde 't. + +Toen vielen ze samen peilloos diep door 't licht en ze voelden hun +lijven als zingende zonnen. + +Maar in z'n achterhoofd was een plek ijskoud en daar dacht hij: +"Dit is de wraak, zij boet voor een wereld"... + +De Duivel zat in "de Kroon," in 't midden, bij een pilaar. Hij legde +z'n dunne gouden horloge voor zich op 't tafeltje. De twee knobbels +op z'n voorhoofd waren grooter dan ooit. + +"Kwart over achten. Consummatum est." + +Iemand tikte op z'n schouder. + +De God van hemel en aarde stond achter hem: "Consummatum est, ga mee +en zie." + + + + +XII. + + +Om half elf vonden hem Bonger en Graafland. Bonger had den sleutel +bij z'n schoonmoeder gehaald. + +Geheel naakt stond hij in 't midden van de kamer. Z'n linkerarm hing +langs z'n lijf, de vuist was gebald, de rechterarm was geheven en wees +met den wijsvinger naar boven. Er was een zwakke geur van lelietjes van +dalen, op den grond lag een blauwe haarspeld. 't Bed lag in wanorde. + +"Eduard" riepen ze beiden tegelijk. + +"Ik ben God", zeidi. "Ik ben meer dan God. Ik ben de onwrikbare, de +onbarmhartige. Ik ken geen goed of kwaad. Ik doe wat ik moet. Wat ik +doe is goed." + +Bonger nam een laken van 't bed en trad op hem toe. + +"Ga weg", zeidi en deed een stap achteruit. + +Bonger bleef staan. + +"Zei ik, dat ik God was? Ik ben 't eeuwige leven. Ik ben de +vruchtbaarheid. God heeft me gezonden. Bedek me niet". + +Weer stapte hij achteruit. + +"Bedek me niet. Ik ben de vruchtbaarheid. Breng alle vrouwen hier, +alle jonge vrouwen. Alle zeg ik. Ik ken je wel. Jij bent Bonger, +die andere is Graafland. Ik ken jelui wel. Leg dat laken op bed. Zij +moet er op liggen. Leg haar er op, de eerste, heelemaal naakt. De +anderen hoeven niet weg te gaan. Ze moeten zien. Je kunt gaan Bonger, +en jij ook, Graafland". + +Bonger legde z'n hand op z'n schouder. "Sta stil, doe je arm omlaag". + +De arm zakte en Bonger sloeg 't laken om hem heen. "Ga op dien stoel +zitten". Hij ging zitten. Graafland zocht z'n kleeren bij elkaar, +van 't bed, van de stoelen, van den grond. + +"Kleed je aan". + +Toen trok hij gedwee en langzaam al z'n kleeren aan. + + + +'t Dichtertje is nu dood. Die lui daar in Delft of Oldenzaal hebben +schitterend gelijk gekregen. Hij was vast nooit goed bij z'n hoofd +geweest. + +Z'n boek is driemaal herdrukt, z'n verzamelde gedichten zijn uitgegeven +met een inleiding, van meneer Scharten of een ander. 't Fretje, dat 't +gebracht heeft tot financieel redacteur van de Provinciale Arnhemsche +en Geldersche Courant vertelt overal, dat i met 'm op school geweest +is. En alsi in Amsterdam komt, wat nog al eens gebeurt, dan schiet +i Bonger aan en begint telkens weer een gesprek over 't dichtertje +en z'n werk en doet erg zwaar op de hand en vertelt datti naast +'m heeft gezeten op school. + +Coba is zachtzinnig en vergevingsgezind en natuurlijk, zooals ze +altijd geweest was. Ze is godsdienstig geworden zonder wandtext +en gaat iederen Zondag naar de Nederlandsch Hervormde kerk aan den +Boezemsingel, want ze woont in Rotterdam, als straf omdat ze wel eens +met een ander heeft gecoquetteerd toen ze getrouwd was. Zachtzinnig +en vergevingsgezind denkt ze er aan, hoe zij ook langs den rand van +den afgrond is gegaan. + +Dora is een "ongehuwde moeder". Zij is op kantoor in Rotterdam, haar +baas kent haar geschiedenis en veracht haar niet, integendeel. Wat +iets heel bizonders is voor een Rotterdammer. + +En ik denk dat om dezen éénen man deze wanstaltige stad mogelijk nog +gespaard zal blijven op den grooten dag. Wat weer een nadeel is. + +Ze woont met haar kindje bij Coba en Bobi en gaat rechtop en trotsch +en zwijgend door haar leven. Ze wil staatsexamen doen en dan in de +rechten gaan studeeren van 't geld van haar pa, die dood is. Vooral +niet in de letteren. Werken wil ze en niet denken. Maar ik geloof niet, +dat zij zich zelf zal kunnen vermoorden. Zij die God werkelijk lief +heeft boven allen, moeten de last daarvan dragen tot het einde. + + + Juni-Juli 1917. + + + + + + +DE UITVRETER. + + +I. + + +Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, +heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter. + +Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen, +als je 's avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren +oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je +kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen op-droeg en een +jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. Den uitvreter, +die altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als een +vorst jenever zat te drinken op 't terras van "Hollandais" voor de +centen van de lui; die parapluies leende en nooit terugbracht; die +een barst stookte in de tweede hands kachel van Bavink; die dubbele +boorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van Appi, en +buitenlandsche reizen maakte als-i z'n ouwe heer weer had afgezet, +en pakken droeg, die hij nooit betaalde. + + + +Z'n naam was Japi. Z'n achternaam heb ik nooit geweten. Bavink kwam +met hem aanzetten toen-i uit Veere terugkwam. + +Een heelen zomer had Bavink in Zeeland geschilderd. In Veere had-i Japi +voor 't eerst gezien. Japi zat daar maar. Bavink had al enkele malen +gedacht: wat is dat toch voor een kerel? Niemand wist 't, altijd vond +je hem ergens aan den waterkant. Daar zat hij maar, uren achtereen, +onbewegelijk. Om twaalf uur en om zes uur ging i voor een uurtje naar +binnen om te eten; de rest van den dag zat i. Dat duurde een week of +drie; toen zag Bavink hem niet meer. + +Een paar dagen daarna kwam Bavink van Rotterdam. Af en toe had hij +behoefte om veel menschen om zich heen te zien. Hij had enkele +dagen in Rotterdam langs de havens gesjouwd en had er meer dan +genoeg van. Aan boord van de boot tusschen Numansdorp en de Zijpe, +daar zat i weer. Het woei nog al, dien ochtend; er stond een flink +koudje wind en het water liep met witte koppen. Af en toe spatte +'t op 't voorschip over de verschansing. De glazen tochtdeuren op 't +voordek waren dicht; op 't voorschip zat niemand. Alleen Japi zat daar, +tuurde over de verschansing en werd deerlijk nat. "Kijk," dacht Bavink, +"daar heb je waarachtig diezelfde kerel." Hij ging bij hem staan. De +boot rolde en steigerde. Japi zat op z'n bankje, hield z'n pet vast en +liet zich nat worden. Het duurde nog al wat, voordat i merkte, dat er +iemand bij hem stond. "Lekker weertje, meester", zei Bavink. Japi keek +'m aan met z'n groote blauwe oogen en hield aldoor z'n pet vast. Meteen +kwam er een plons water over boord, de droppels stonden op z'n gezicht. + +"Nogal", zei Japi. Met een plof kwam 't voorschip op 't water neer +en stootte. Een heer trachtte tevergeefs de deur van den glazen +salon open te maken, waar de wind op stond. "We zijn mooi op tijd", +zei Bavink, om wat te zeggen. "Zoo?" zei Japi, "ik weet van geen tijd." + +'t Gesprek hokte wat. Japi keek in de golven. Bavink keek naar de +grijze pet van Japi en dacht wat dat toch voor een kerel zou zijn. In +eens zei Japi: "kijk eens, een regenboog in 't water." Je kon in 't +water een eindje regenboog zien, aan de lucht stond niets. Nog eens +keek Japi Bavink met z'n groote blauwe oogen aan en werd plotseling +spraakzaam. + +"Ik vind 't hier verdomd leuk", zei-i, "'t is jammer, dat 't zoo niet +altijd blijft." "Over een uurtje zijn we aan", zei Bavink. + +"Moet u naar Zierikzee?" vroeg Japi. + +"Dat wil zeggen", zei Bavink, "ik ga vanavond door naar Veere." "Zoo", +zei Japi, "is u daar gelogeerd?" + +"Ja, daar ben ik gelogeerd en is u niet die heer uit Amsterdam, die +altijd maar aan den waterkant zit?" Toen moest Japi lachen en zei: +"Ik zit nog al eens aan den waterkant, altijd is een beetje sterk. 's +Nachts lig ik op m'n bed, ik heb een uur noodig om me aan te kleeden +en te ontbijten, een half uur zit ik aan mijn lunch en om zes uur moet +ik weer eten. Maar ik zit nog al eens aan den waterkant. Daarvoor kom +ik naar Zeeland. Ik maak me nog veel te druk. Van de week ben ik naar +Amsterdam geweest. Ik moest wel, m'n centen waren op." + +"Is u Amsterdammer?" vroeg Bavink. "Ja, Goddank", zei Japi. "Ik +ook", zei Bavink. "U schildert niet?" vroeg Bavink. Het was een +rare burgermansvraag, maar Bavink dacht aldoor maar: wat zou dat +toch voor een kerel wezen? "Nee Goddank", zei Japi, "en ik dicht ook +niet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddank +heelemaal niks." + +Dat kon Bavink wel bekoren. + +Het schip steigerde, kwakte, rolde en slingerde; het water spatte +en plenste over de verschansing; niemand anders was aan dek te +bekennen. Vóóruit was het water onafzienbaar, vol witte koppen, de +schaduw van een groote wolk was een drijvend eiland; heel in de verte +voer stampend een zwarte vrachtboot voor hen uit. "Kijk", zei Japi, +"de ""Stad Gent."" Je zag in de verte het water aan weerszijden van +de boeg hoog opvliegen; om de schroef zag je het woelen en bruisen en +schuimen. Hol liepen de golven met scherpe kammen, groen en blauw en +geel en grijs en wit, al naar de diepte en de weerspiegeling van de +wolken, nergens en geen oogenblik 't zelfde. Een klein sleepbootje +sleepte een aak en twee tjalken. + +"Nee", zei Japi, "ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog +veel te veel. Ik ben bezig te versterven. Het beste is, dat ik maar +stil zit, bewegen en denken is goed voor domme menschen. Ik denk ook +niet. 't Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en +nacht blijven doorzitten." + +Bavink begon 't geval interessant te vinden. Hij knikte maar. Nog +altijd hield Japi z'n pet vast met z'n rechterhand, z'n rechterarm +steunde op de verschansing. 't Woei zoo hard, dat Bavink z'n hand +opzij van z'n neus moest houden om adem te halen. Japi zat daar maar, +alsof hij thuis was. Toen vertelde Japi dat i van plan was, nog enkele +weken in Veere te zitten, tot zijn geld op was. + +Schilderen leek 'm wel aardig, als je 't goed kon. Hij kon niks, en +daarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo weergeven als +je ze onderging. Hij had maar één wensch: te versterven, onaandoenlijk +te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je groote +vijanden. Eeuwig en altijd moest je weer eten en slapen, moest je +weg van de kou, werd je nat en beroerd of moe. Zoo'n waterplas heeft +'t maar goed, die golft maar en weerspiegelt de wolken, is aldoor +anders en blijft toch gelijk. Heeft nergens last van. + +Al dien tijd stond Bavink schrap in den wind op z'n stok geleund en +knikte Japi maar toe. Dat is zoo mal nog niet, dacht i. En droogjes +weg vroeg i, of Japi ook door ging naar Veere. En zoo kwam 't gesprek +op Zierikzee, op Middelburg, op Arnemuiden en al die oorden, waar ze +allebei uit en te na hadden rondgeloopen en gestaan en gezeten. Want +Japi had van z'n leven toch ook nog wel iets anders gedaan dan in +Veere aan den waterkant gezeten. En toen merkte Bavink al gauw dat +Japi niet alleen loopen en staan en zitten kon, maar kijken ook. En +boomen honderd uit. En toen ze samen aan de Zijpe aan wal stapten, toen +wees Japi naar 't Zuidwesten, naar den dikken toren van Zierikzee die +heel flauwtjes aan den horizon zichtbaar was en zei: "Dikke Jan, die +oue geduldige dikke Jan, hij staat er nog. Ik dacht 't wel. Ja hoor, +hij staat er nog." En toen vroeg Bavink of i altijd zoo'n lol had en +toen zei Japi: "Ja", meer niks. En toen ze in Zierikzee arriveerden +en uit de tram waren gestapt toen liet Japi zijn zoolen klepperen +op de heete keien van een of ander schaduwloos straatje dat maar +bakte en bakte in de zon en rekte zich uit en zei dat 't leven toch +verduiveld lollig was. En toen dreigde i de zon met z'n wandelstok +en zei: "Zoo'n zon toch, hij schijnt maar, maar i daalt, hij rijst +niet meer, 't is over twaalven, hij moet onder; van avond is 't weer +koel. De lui zouden raar kijken als i niet daalde. Lekker warm hé, +mijn goed plakt aan mijn lijf. De zeelucht stoomt mijn boordje uit." + +En toen bleek dat je dat versterven niet zoo letterlijk moest nemen. + +Aan tafel was Japi meer dan spraakzaam. Hij praatte voor drie, at +voor zes. "Die zeelucht graaft", zeggen ze in Veere. Hij dronk voor +zes anderen en zong 't heele liedje van de Nancy Brig. Kortom hij +was zeer bedrijvig en luidruchtig, en Bavink dacht dat zoo'n kerel +goud waard was. + +En dat was i. 's Middags nam i Bavink mee naar de singels en liet +'m driemaal Zierikzee rond loopen. Z'n mond stond niet stil en z'n +wandelstok wees maar en als de Zierikzeeënaars bleven staan en keken, +dan ging i op ze af en sprak ze aan met "jongeheer" en vroeg of ze +wel gezond waren en klopte ze op den schouder, dat Bavink zijn zijen +hield van 't lachen. Dat kon Japi goed: met 't welwillende beschaafde +Hollandsche publiek afrekenen, dat niemand duldt die er niet minstens +even dom en smakeloos uitziet als zij, en hoont en hardop over je +praat alsof niet zelfs op 't kleinste dorp sedert eeuwen dominees +en pastoors bezig zijn 't volk op te voeden. Japi was een kerel als +een karrepaard en sloeg er op in als 't moest met een kracht en een +bedrevenheid waartegen de plompste kinkel 't moest afleggen. Zoover +kwam 't in Zierikzee niet. De Zeeuwen zijn de beroerdsten niet. Japi +placht te zeggen: "'t Eenigste wat me spijt is dat je op Walcheren +niet eens af en toe een relletje hebt." + + + + +II. + + +Twee dagen sjouwden Bavink en Japi in Veere rond en toen jijden +en jouwden ze elkaar al. Urenlang zaten ze samen op 't dak van 't +Hospitaal en keken over Walcheren, over de Kreek en 't Veergat en den +ingang van de Oosterschelde en de duinen van Schouwen. En daar had +je dikke Jan ook weer, den toren van Zierikzee, nu in 't Noorden. En +daar had je Goes en Lange Jan, den toren van Middelburg, de spil van +Walcheren, het hart dier wereld. En 't tij kwam in en 't tij ging uit; +'t water rees en viel. En iederen avond kwam de manke havenmeester en +maakte eerst 't groene lichtje aan op 't Noorderhoofd, de palenwering; +en dan kwam i daar af, dan moest i om 't heele haventje heen en dan +zag je 'm weer bij den toren en dan maakte i het houten hek open en +klom de houten trap op en stak ook 't licht aan den toren aan. En dan +zei Japi: "alweer een dag, meester", en dan zei de manke havenmeester: +"Ja mijnheer, al weer een." En als je dan naar den kant van Schouwen +keek dan zag je 't draaiende licht aan en uitgaan. En een uur weg +naar zee lag de lichtboei en scheen en doofde. En 't water klotste +en rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zag +door 't Noorden. En 't laatste licht van den dag schoof mee door 't +Noorden en werd 't eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte +de eene dag aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is. + +Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om z'n +as en vervolgde z'n baan om de zon en had er geen weet van. Maar +de menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet door +de dagen, alsof 't zonder die moeite, die zorg en dat verdriet geen +avond zou worden. + +Japi wist wel beter. De zon kwam van zelf wel weer bij de Walchersche +duinen in zee terecht. Maar Bavink had 't bij tijden leelijk te pakken. + +Bavink was een kerel, die gemeenlijk hard werkte. De menschen dachten +dat i nog al wat kon. Hij lachte er om. Als i niet moest verkocht i +niets; zijn beste werk zette i weg, keek er niet meer naar om, altijd +ontevreden. Zoolang i werkte ging het goed, als i klaar was hatti er +pijn van; bij tijden was i dood op. Als de menschen wisten hoe i de +dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk, +om zijn akelige knoeierige reproductie dier heerlijkheid. Bavink +had heele tijden dat i niets deed, zich maar liet gaan, lekkertjes +de dingen aankeek en er doorheen sukkelde, 't prettig vond dat de +boel zoo "verdomd mooi was", zooals i dat zei. Dat i pijn in zijn +schedel voelde als i dacht aan al zijn vergeefsche pogingen, aan +zijn "verdienstelijke werk." Verdienstelijke werk! Spuwen moest i +als i er aan dacht. "Verdienstelijke werk", zeiden ze. Ze wisten er +wat van. Je kon wel merken dat de dingen hen niet te grazen hadden +genomen en door elkaar geschud zooals hem. + +Hij wou dat i 't schilderen maar laten kon, maar dat gaat ook maar +zoo niet; als 't er in zit wil 't er uit. En dan begon de marteling +weer, werken, werken dag en nacht, daags schilderen, 's nachts er +over piekeren, er bij blijven, doorwerken, zorgen dat je de dingen nu +goed vasthield. Dan sliep en at i nauwelijks; in 't begin rookte i dan +enorm veel sigaren achter elkaar maar na den eersten dag hield dat ook +op. Dan had i oogenblikken van 't hoogste geluk zooals zelfs het loome +wegzinken in al dat "lekkere mooi" hem niet geven kon. En dan kwam die +kijken, en die, en dan stonden ze met hun tweeën, met hun drieën, met +hun vieren achter hem en keken en knikten en wezen. En dan ineens was +'t uit. Dan zei i: "Verdomme", en ging op zijn brits liggen en liet +een klein spatje jenever halen, en deed niets meer. Dan werd na een +paar dagen het doek bij de rest gezet. De dagen die daarop volgden was +i ellendig, moe, miserabel, onvatbaar, ziek, en ging i weer "sloffen" +zooals i dat noemde: niets doen, luieren, rond loopen. Als i centen +noodig had dan haalde i 't een of ander uit de "vullis", dan zocht +i een "doekje" uit waarvoor "ze wel 't een of ander zouden geven", +en dat verkocht i dan. Niemand kon 'm van die manieren afbrengen. Hij +was nu eenmaal zoo. Z'n kracht en zijn zwakte hoorden onverbrekelijk +bij elkaar. En als i wat had verkocht dan stopte i de centen los in +zijn zak, dan rammelde i met de guldens en riksdaalders, dan liep i +in de Kalverstraat een liedje te fluiten. Dan groette i joviaal met +zijn hand boven zijn hoofd als je 'm tegen kwam. + +Dan kwam i vertrouwelijk bij je staan, liet je geheimzinnig de "spieën" +zien, lachte hardop en zei: "De stakkers toch hè?" Papier nam i nooit +aan: daar kon je niet mee rammelen. Goud moest i hebben en zilver, +en als 't 'm te veel werd "kwam i de rest later wel eens halen." + +Dat was Bavink; en je begrijpt dat een heer die zich oefende +in 't versterven hem degelijk interesseerde. Daar kon i wat van +leeren. Zoo'n kerel die 't prettig vond om zich te laten uitwaaien, +zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den natten zouten +wind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien zeesmaak zoo +"verdomde lekker" vond; die 's avonds aan zijn handen zat te snuffelen +om de zee op te snuiven. Zoo'n kerel die tevreden was omdat i bestond +en gezond was en genoegerig zich bewoog tusschen Gods hemel en Gods +aarde, en 't dwaas vond dat de menschen zich zooveel moeite gaven, +en hardop om ze lachte en die eeuwig met een besten glimlach zich +stilletjes zat te verheugen in 't water en de lucht en de wolken en +'t veld en zich doornat liet regenen zonder 't te merken en dan zei: +"ik geloof dat ik nat ben", en lachte. Een kerel die smakelijk duur +kon dineeren en smakelijk dure jenever wist te drinken als de eerste +in Nederland, en op andere tijden op marsch (want i zat niet altijd, +hij was af en toe dagen op de been) dag in dag uit droge fijntjes at +en tot tranen toe bewogen was omdat in 't veld "zoo'n brokkie brood +zoo lekker smaken kon." + +En als Bavink werkte dan zat Japi er bij in 't gras of binnen, +omgekeerd op een stoel en rookte. En als ze binnen waren dan had Japi +een tweede stoel erbij slaan met een borreltje er op, waar i af en toe +de hand naar uitstak. En hij hield Bavink aan den gang. Tegen niemand +anders had Bavink ooit een woord gezegd als i werkte; met Japi sprak i. + +"Wat duvel", zei Japi, "'t dondert toch niet of 't goed is, je doet wat +je kunt, je bent nu eenmaal een stakker. Je moet schilderen. Je kunt +'t toch niet laten. 't Hindert immers aan de dingen niet of jij ze nou +niet heelemaal zoo krijgen kunt als ze zijn. En de lui, die snappen +er toch niets van. Van de dingen niet en van je werk niet en van jou +niet. Ik kon mijn tijd toch ook een boel beter besteden dan hier te +zitten zuipen en naar die verfboel te koekeloeren. Word ik er minder +van?" "Neen, dat deugt niet", zei i dan, "veel te blauw; je weet toch +wat we gisteren afgesproken hebben? Veel te blauw, kerel. Denk je dat +'t je zoo zou aangepakt hebben als 't die rare blauwe kleur had?" + +Japi was goud waard voor Bavink. Bavink sleepte 'm overal mee. Bavink +heeft Japi gemaakt tot wat i was, toen Bavink in Amsterdam met hem +kwam aanzetten. + +Japi was al heel gauw erger dan schraal bij kas. Voor geen geld ter +wereld had Bavink hem laten gaan. Japi moest maar zelf in de "vullis" +gaan zoeken. En dat vak verstond Japi gauw. Nooit had "de belt" zoo +gerendeerd. En sedert betaalde Bavink alles of bijna alles. Af en +toe kreeg Japi een klein beetje geld van huis gestuurd. Maar dat was +de moeite niet, want bij tijden leefden de heeren als kapitalisten; +als ze een bui kregen gingen ze voor een paar dagen naar Amsterdam, +naar Brussel, naar Parijs, naar Luxemburg; veertien dagen zaten ze +in Normandië. Japi sleepte geregeld een klein beltje mee: een "jonki +van den grooten belt", zooals hij dat noemde. In Frankrijk en België +klampte i de menschen op straat aan, schelde aan de huizen. Van niemand +anders zou Bavink 't geringste van dien aard hebben geduld. Maar +niemand anders verstond de kunst Bavink in 't leven te houden, zooals +Bavink zei. Z'n conversatie was onuitputtelijk. En een geheugen hatti +voor landschap dat aan 't wonderbaarlijke grensde. Langs de spoorlijn +van Middelburg naar Amsterdam kende i alles, elk veld, elke sloot, +elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in Brabant, +elken wissel van 't spoor. Als je uren in donker had gereden en Japi +had al dien tijd geslapen languit op de bank en je maakte 'm wakker +en je vroeg: "Japi waar zijn we?" dan moest je even wachten tot i +goed wakker was en dan lag i even te luisteren naar den klank van 't +rijden en dan zei i: "Ik denk dat we bij Etten-Leur zijn." En dan kwam +'t uit ook. Hij kon je precies vertellen hoe op dien en dien dag de +schaduw van die en die boomen bij Zalt-Bommel op die en die laan viel +en welke schepen toen en toen langs Kuilenburg vaarden in de Lek, toen +je met Japi over de spoorbrug reed. En dan zat i maar bij 't raampje +in afwachting: "nu komt dit, nu komt dat". Uren lang. En als i iets +zag dat i bijzonder goed kende dan knikte i en lachte. Of hij zei: +"Kijk, die boom is weg"; of: "Hé, nu zitten er appeltjes aan, die heb +ik den vorigen keer nog niet gezien." Of: "Voor veertien dagen stond +de zon net achter de kruin van dien boom, nu staat i een eindje links +er van en wat lager, dat komt omdat we veertien dagen verder zijn en +we zijn ook 10 minuten te laat." + + + + +III. + + +En zoo kwamen ze met den winter naar Amsterdam en zat Japi op een +avond op mijn kamer en rookte de eene sigaar na de andere, die voor +'t wegnemen op mijn tafel lagen, mijn sigaren. + +Ik had dien avond juist den langen Hoyer op bezoek, die weer eens van +Parijs was komen aanwaaien en nu zat op te hakken over z'n werk en +over de meiden, met een stroohoed op, in November, en een zalmkleurige +jas aan. Hij was bezig aan een onbegrijpelijk verhaal van een jonge +dame en een huurkoetsier en een mandje met paling, toen we op de trap +gestommel hoorden. 't Was in een volksbuurt, je kon gewoonlijk zoo +maar naar boven loopen, de straatdeur stond meestal open. + +Bavink kwam 't eerst binnen en zei: "Hoe maak je 't kerel? ja ik +ben 't zelf. Ha, ha, Hoyertje. Hoe gaat 't, Hoyertje, nog altijd +een ophakker? Nogmaals hartelijk gefeliciteerd hoor. En jij ook, +Koekebakker, dat je er lang getuige van mag wezen." In de deur stond +Japi. Een lucht van zoutwater en gras brachten ze mee. "Kom binnen, +kerel, kom binnen!" inviteerde Bavink, op mijn zolder. + +"Och mijnheer", zei Hoyer, "wees zoo goed de deur achter je dicht te +maken." "Koekebakker", zei Bavink, "dit is Japi, een kerel waar je +plezier van kunt beleven. Hoyer is nog even welgemanierd als altijd, +hoor ik". "Ga zitten Japi", inviteerde Bavink en liet zich met +een plof vallen op de eenige stoel die vrij was; "neem dat kistje +maar." Er stond een schavotkleurige matrozenkist, daar had ik een +schoon hemd in en de brieven van mijn zuster. "Wacht ik zal u helpen", +zei ik. Toen schoven wij de kist bij tafel, Japi en ik, en toen zag +Japi een leeg stijfselkistje staan van Hoffmann met een kat er op, +daar had ik aard ingehad, maar er had niets in willen groeien. "Zie +zoo", zei Japi "anders zit ik zoo laag." "Ik zal er maar eentje nemen", +zei Bavink en stak een van mijn sigaren op. "Ga je gang maar Japi". En +Japi beviel dat wel. "Wat heb je daar?" zei Bavink. Op mijn tafel lag +"Le Lys dans la Vallée" van Balzac. "Aha, Balzac. Geen kwajongen, +die oue heer. Dood hè? Al lang dood. Natuurlijk. Waar kom je vandaan, +Hoyer? Wat heb je daar een mooie jas aan. Ga eens staan. Te kort, +kerel, veel te kort". Bavink was genoegerig. "Dat weet ik potdome +ook", zei Hoyer. "Vertel liever eens waar jij gezeten hebt. En wie +is die heer?" + +En toen kwam het verhaal, met begeleiding van Japi met knikken en +grijnzen. En af en toe ging die hand naar mijn tafel en ook Hoyer +werkte als een fabriek en ik rookte maar niet meer. "Wacht", zei +Bavink, "dat is waar ook." "Goeie hoor. Kamper Middelburgers, van +Bessem en Hoogenkamp van de Lange Delft." "Bekend", zei ik. + +"'s Jonge", zei Japi, en zat m'n hok rond te kijken; "'s jonge, "'t +ziet er hier gezellig uit. Waarachtig, 't is hier gezellig". Hij stond +op en liep naar den muur. "Aha, Breitner. Heel goed. En wat hebben we +daar? 't Is hier een beetje donker. Zoo, mijn vriend Mauve. En daar heb +je waarachtig ons stadhuis ook." 't Was een schetsje van 't raadhuis +in Veere. "Bavink", zei Japi, "'k geloof, dat je daar kennis aan hebt; +ik zoek zoo een baantje, als dat niet een dingetje van jou is." + +"Daar kom je goed af", zei Bavink. "Dat dacht ik wel", zei Japi en +ging weer zitten. "Nee maar, ik kom hier vast terug. Ik zit hier goed." + +Op dat oogenblik begon de gramophoon van den diamantslijper +aan den overkant ter werken. "Klappen", zei Japi. En wij aan +'t applaudisseeren. Met z'n vieren stonden we bij 't open raam en +applaudisseerden honderd uit. Overal hoorde je op de waranda's deuren +opengaan, de menschen kwamen buiten. Sommigen applaudisseerden mee; +een kind begon te huilen; een hond jankte alsof binnen een maand 't +heele blok zou komen uit te sterven. De diamantslijper hield prachtig +vol. Een juffrouw aan den overkant riep: "Halve garen!" Een klein +meisje schreeuwde enkele malen. "Papus", "Zeppelin!" Een jongetje +ging op een mondharmonica spelen. "We moesten de straat maar opgaan", +zei Hoyer. + +En zoo stommelden wij de trappen af. Drie- en tweehoog werd binnen +druk gepraat. "Over ons", zei Japi. Eenhoog was niemand thuis. "Zeg +Japi" zei Bavink op straat, "nu moest jij eens een rondje geven." "O +ja", zei Japi, "vooruit dan maar". En zoo leerde ik Japi dienzelfden +avond nog in zijn kwaliteit kennen. Hoyer had een theorie dat bier +nooit kwaad kon. Wij dronken er dus zeer aanzienlijke hoeveelheden +van. Japi had geen cent; Hoyer verdomde 't; Bavink was zat, zat +wezenloos te staren en te beweren dat "deze heer een verdomd goeie +kerel was en dat hij een rondje gaf (dat was Japi), en dat de kelner +ook een verdomd goeie kerel was." Ik kwam op negentien cent; Hoyer was +uitgeknepen. Ik besloot "'t geval" maar schuldig te blijven; de kelner +kende me; en om één uur liepen we met z'n drieën op 't Frederiksplein +vreedzaam te jodelen. Die centen kreeg ik later van Bavink terug; +hij wilde met geweld hebben dat ik ze aanpakte. Japi vond 't geval +kostelik, zat drie dagen later op den rand van mijn ledekant en liet +zijn beenen bengelen; zei dat 't stom van Bavink was geweest om zich +te bezatten, maar "die zaak kwam in orde." Toen hij wegging had hij +"Le Lys dans la Vallée" te pakken. + + + + +IV. + + +Het was een maand later. Een veertien dagen had het wat gevroren, +maar in 't begin van die week was 't weer plotseling omgeslagen. En +nu was 't avond en 't stortregende. Den heelen dag had het bijna +zonder ophouden gestortregend. Het water liep bij stralen langs +mijn ruiten. Ik voelde me behagelijk. Ik mocht dat wel. Ik had +geen kachel en m'n demi stond nog bij Oome Jan. Een winterjas heb +ik nooit bezeten. Die vorst had me gehinderd: van armoede moest je +naar bed. Anders kon ik in dergelijke omstandigheden nog wel eens bij +Bavink terecht. Maar juist nu had die heer de aardigheid gehad om over +dag te slapen en 's nachts bij den weg te loopen. Een heele nacht had +ik moederziel alleen bij zijn kachel gezeten; hij had dat zoo willen +hebben maar lollig was 't niet geweest. En nu zat ik te luisteren +naar 't kletteren van den regen op 't dak en was blij dat 't dooide, +hard dooide. Op tafel lag mijn brood, twee dikke pillen; mijn laatste +bordje was den avond tevoren gebroken. En daarnaast lagen de centen: +vier blauwe papiertjes, twee rijksdaalders, drie guldens en enkele +centen. En in den hoek op den grond stond mijn éénvlams stelletje en +in 't kleine keteltje begon 't water te razen. Daarnaast stond m'n +theepot, zonder deksel, te wachten tot 't water zou koken; de thee +was er al in. En ik zat met mijn beenen onder tafel uitgestrekt, +met bloote voeten, in mijn hemd, mijn handen in m'n broekzakken en +keek naar m'n boterhammen, naar m'n lieve geldje, naar de vlam van +mijn olielamp, naar 't licht van mijn stelletje, en luisterde naar +de regen en was tevreden. + +'t Was acht uur. 'k Legde m'n klokje op tafel naast m'n centen, +'t klokje dat nu niet naar Oome Jan hoefde en zei: "Jij blijft +voorloopig bij Oome Koekebakker, klokje", en stak m'n hand weer +in mijn zak. Dat converseeren met m'n dingetjes was ik zoo gewoon, +omdat je met de meeste menschen zoo weinig praten kunt. + +Voorloopig was ik uit den brand, 't Lieve najaar had me niet +bedrogen. Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomen +aan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten, +die 't klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die den +toren had doen zwiepen en trillen, bang onder de zwarte wolken, ik +had ze dan eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik en +keek er naar, naar mijn eigen geld, 't geld daar je op aan kunt, +dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat. Doornat was ik +een uur geleden thuisgekomen, met een brood, een half pond boter, +twee ons boterhammenworst, een half pond suiker, een ons thee en een +kistje sigaren, 25 sigaren van 4 cent, een rijkdom die ik sedert +mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden. De +boterhammenworst had ik weggezet, die was voor morgen. Ze hadden +een kastje voor me getimmerd, naast 't raam en daar lag op den bodem +alles op een rijtje: de boter, de thee, de suiker, de worst, al die +dingetjes die zoo lekker kunnen wezen, als je er een tijdje af bent +geweest. En 't aangesneden brood lag er boven, op 't plankje. + +En op den zolder van drie hoog hingen mijn kleeren te drogen: jas, +vest, broek, onderbroek, overhemd en sokken. 't Water begon te koken, +'t deksel van 't keteltje ging rammelend op en neer. Ik keek naar den +stoom en begon plannen te maken om morgen m'n demi uit den lommerd te +halen en voor een keer niet in 't koschere restaurant te dineeren: +biefstuk met appies 30 cent, erwtensoep met vleesch 35 cent. En ik +bedacht juist dat ik er wel aan had kunnen denken om een druppeltje +drank in huis te halen, toen ik in mijn gepeinzen gestoord werd +door een zwaren stap buiten de deur. Er rommelde iemand aan mijn +deur. Kloppen ging niet, want mijn deur was van behangselpapier op een +paar latten geplakt, en als je klopte ging je er door. Dat wisten de +lui. "Zeker Hoyer", dacht ik, "die kan nooit den haak vinden." De haak +zat van binnen maar de deur sloot niet; je kon net je vinger door de +reet steken en zoo van buiten de deur openmaken. "Kom binnen", riep ik, +te lui om op te staan. "Makkelijk praten", hoorde ik zeggen, "hoe zit +dat?" "Die stem ken ik niet", dacht ik, "wie kan dat zijn?" Ik stond +op en deed open, meteen liep een straal water over mijn hand. "Japi", +zei de man. "Kom binnen", zei ik weer. Daar stond i; 't water liep +van alle kanten uit zijn kleeren en van z'n hoed. + +"'t Regent nog al", zei Japi, "mag ik even mijn jas uitdoen? Wacht, +dan zullen we dit eerst neerzetten." Onder z'n jas vandaan haalde i +een pak in een Handelsblad: boeken, dat kon je direct zien, en zette +'t op tafel. "Ziezoo, kan dit ergens uitgehangen worden?" zei i en +gaf me z'n jas. Z'n hoed zette i overeind tegen m'n stelletje. + +"Een oogenblik, ouwe heer", zei ik en nam z'n jas en hoed mee, hing +de jas bij m'n eigen natte kleeren, sloeg den hoed uit en legde die +toen plat op den grond in den hoek. + +Japi zat al, wrong de knieën van z'n broek uit en keek rond. "Wat +verschaft me het genoegen?" "Zeg maar Japi", zei i, maakte 't +pakje los en legde "Le Lys dans la Vallée" op tafel. "Zie hier, +burger". "Mooi zoo", zei ik, "en wat hebben we daar?" "O", zei Japi, +"boeken van Appi."--"Leest Appi tegenwoordig 't Handelsblad?" "Neen," +zei Japi, "die krant is van mijn ouwe heer, daar stond een advertentie +in."--"Een advertentie?"--"Een advertentie; zie hier, daar even van +den ouwen heer gekregen." + +""Assistent correspondent gevraagd op druk exportkantoor", let wel, +druk exportkantoor--"grondig bekend met de moderne talen, stenografie +en machineschrijven. Zij die reeds in den export werkzaam waren +(let op dat waren!) genieten de voorkeur. (Genieten de voorkeur, dat +genieten kan me wel bekoren). Salaris f 3 à 400 per jaar. Brieven onder +No. 1296 bureau Alg. Handelsblad"--1296, slag op 't vlotje. Floris de +stijve springt over de Overtoom. Nooit van gehoord? En waarom hebben +ze dan de Overtoom gedempt? 't Was geen gezicht om dien stijven kerel +er over te zien springen, dat wilden ze niet meer hebben. Die f 300 +à 400 bevallen me wel, de rest trekt me minder aan" + +"Wilt u daarop schrijven?" vroeg ik--"Jij, als 't ublieft," zei +Japi. "Willen? Ik moet van de ouwe heer. Hij zegt: 't kan zoo +niet blijven doorgaan. Ik zie niet in, wat niet. Heeft hij last +van me? In vijf weken heb ik maar twee maal thuis geslapen. Geen +cent zie ik van hem. Kijk eens hier." Hij stak z'n been uit. Ik zag +een splinternieuwen, gelen schoen. "Wat bliksem, dien schoen ken +ik."--Waar zie je zulke gele schoenen?--"Ze zijn nu wat donker van +'t water", zei Japi, en zette den anderen voet bij den eenen. "Van +Appi! En hoe komt dat? Ik ben m'n ouwen heer niet tot last. Ik loop +rond met mijn schoenen tot ze zoo lek zijn als een mand. Appi is een +fideele kerel. Schilderen kan i niet, zal i nooit leeren, dat zie ik +wel, maar hij is een fideele kerel. Sokken hat i niet over de hand, +ik zit met m'n bloote voeten in z'n schoenen", zei Japi, en liet heel +gemoedelijk een stuk van z'n bloote been zien. "En boeken heeft i, +in geen jaar kom ik er doorheen, al lees ik dag en nacht." + +Appi z'n vader had een goed beklante slagerij en kon 't doen. Dat Appi +nooit schilderen zou leeren heeft Japi goed gezien; z'n vader heeft +hem later in een huis-, reclame- en decoratieschilderswerkplaats gezet. + +Ik zette thee. Gehurkt bij mijn stelletje, goot ik 't water op en zette +'t theepotje op 't waterketeltje. Japi snoof. + +"Goeie bullen", zei i, draaide zich heelemaal om en verschoof z'n +stoel tot hij met z'n neus boven de theepot zat. "Ik heb mot gehad +met Bavink". zei i. "Is 't waarachtig?" zei ik. Van Hoyer had ik al +gehoord dat ze bij dag en bij nacht samen rondscharrelden, dat ze +in één bed sliepen, Japi onder 't laken en Bavink er boven, dat ze +om beurten jenever hadden gedronken uit 't ééne bierglas dat Bavink +nog had. "Ik heb z'n kacheltje kaduuk gestookt, Zondagavond." + +In één avond hatti 't kapot gestookt. Hij had maar zitten opladen en +zitten poken, en naar den gloeienden pot zitten kijken en z'n pijp +gerookt, de kachel zoo te zeggen tusschen z'n knieën. En niks gezegd +hatti, tot Bavink plotseling gezien had dat er een groote scheur in den +pot was en vreeselijk had opgespeeld. Japi had 'm laten uitrazen, hij +was opgestaan en had z'n stoel weggenomen, en Bavink had met de pook +'t schuifdeurtje open gemaakt en een gat gebrand in den grond met 't +uitscheppen van de gloeiende kolen. En toen Bavink was blijven razen +had Japie gezegd: "Verrek met je kachel", en was kalmpjes weggegaan +naar 't huis van z'n ouwe heer en had een schoone boord omgedaan van +z'n broer, en van z'n moeder een stuk taart gekregen dat van 't dessert +was overgebleven. En had een nacht thuis geslapen en den volgenden +middag was i op straat Loef tegengekomen dien i ook al kende. Loef die +later met zwemmen verdronken is, juist toen i er zoon beetje begon te +komen; en die had hem weer meegenomen naar Bavink en gezegd: "Bavink +ik breng je kaduukstoker mee." En Bavink had om 't geval gelachen, +En Japi was dadelijk naar 't plankje geloopen en had, op 't bekende +plaatsje "naast Dante", een nieuw kruikje Bols gevonden. En met z'n +drieën hadden ze 't een heel eind soldaat gemaakt en toen had Japi +dikke boterhammen gesneden van Bavink z'n brood en toen waren ze met +hun drieën naar 't Amstelveld gegaan en hadden voor 70 cent een nieuw +kacheltje gekocht ('t was Maandag), een kachel van een voorwereldlijk +model; en met z' drieën hadden ze die op een handkar naar huis gekruid. + +Ik presenteerde Japi een kop thee. Hij dronk uit een spoelkom, een +kopje had ik niet voor 'm, steunde behagelijk en zette de kom hard +neer. "Nu wou ik wel een stukje brood hebben", zei i; "neem me niet +kwalijk, ik geloof dat ik den weg al weet." Hij had m'n kast al in de +gaten gehad "Kerel", zei i, "weet je dat je worst in huis hebt?" Of ik +'t wist. Hij kwam er al mee aanzetten. "Boterhammenworst, een ordinair +volksvoedsel." Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het onderwerp van +mijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor morgen wilde +bewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen hij vergat mij niet, +hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch genoeg. Japi +at. Wat kon die kerel eten! Het brood lag naast 'm op tafel en +hij sneed maar. Ik begon er schik in te krijgen. "Geneer je niet +Japi, centen genoeg." Japi had ze nog niet gezien. "Goddome", zei i, +"vetpot!" "Ze hebben zeker weer wat van je geplaatst". Ik knikte. "Zoo +moet je maar doen", zei i, "die kerels zijn toch nergens anders goed +voor dan om ons de kost te geven. Ik heb van m'n leven ook nog eens +iets geschreven." Hij propte z'n mond vol brood en worst en veegde z'n +handen af met 't Handelsblad, dat i daarna in elkaar frommelde. "Ik +zal er maar niet op schrijven, ik deug daar toch niet voor." + +En toen kwam uit een binnenzak een oud vermolmd onwelriekend krantje, +op de vouwen doorgesleten: "De Vlachtwedder Grensbode." Hij liet me een +artikeltje zien: "Brieven uit Amsterdam" stond er boven. Zes hatti er +geschreven, zei i, de vijf andere had z'n broer zoek gemaakt. Japi nam +nog een sneedje brood. "Moet je niet meer?" vroeg hij. Ik bedankte en +Japi nam 't laatste van m'n twee ons worst, "'t Ordinaire volksvoedsel" +ging er goed in. "'s Nachts gemaakt" zei Japi met z'n mond vol en +wees met 't mes naar 't krantje. "Na kantoortijd, 's Avonds moest ik +altijd op kantoor terugkomen. Af en toe moest ik m'n hoofd onder de +kraan houden om wakker te blijven. Ik zou je nu danken. Wat heb ik +er aan? Niks, moe word je er van. 'k Loop liever bij den weg en kijk +naar de menschen en de wagens en de huizen. Speciaal kijk ik naar de +lieve jonge meisjes en de pas getrouwde vrouwtjes. Die pas getrouwde +vrouwtjes pik je er zoo uit, die herken je dadelijk. En dan denk ik +aan 't plezier dat ik van al die lieve diertjes niet heb. Dat doe +ik liever dan dat ik er over schrijf. Wat gaat 't die kaffers aan, +wat ik zie. Zelf loopen ze bij de straat te sloffen en naar den grond +te kijken en trekken vervelende gezichten omdat 't zoo ver is, en +'t leven zoo moeilijk, dat je er akelig van wordt. Doen zij iets voor +mij? Die paar centen kunnen ze houden." + +'t Artikeltje was wel aardig, maar Hoyer zei later dat i vast niet +geloofde dat 't van hem was. + +"Nu zou ik wel een potje bier lusten", zei Japi en leunde +achterover. "'t Spijt me kerel", zei ik, "ik heb niets in huis, +geen bier en geen jenever en geen kleeren om over straat te gaan, +maar steek een sigaar op." + +De regen kletterde op 't dak alsof i er door zou komen, de ruiten waren +wit van 't water. Japi had geen zin er uit te gaan, dat zag ik wel. Hij +stak een sigaar op, keek een poosje naar den rook en vroeg toen: "Die +Hoyer, wat is dat toch eigenlijk voor een kerel?" Hoyer en hij konden +'t niet goed vinden. Dat had ik wel gedacht. Hoyer was op de penning +en een ruwe vent. "Die kerel deugt niet", zei Japi, "die moet vooral +maar veel met verf knoeien, voor iets beters is ie toch niet goed." + +Bavink was een dag uit de stad geweest: "voor zaken" zei Japi en +toen was hij (Japi) van Houten tegengekomen op weg van kantoor naar +huis. Van Houten (een kennis van Bavink) was een kantoorbediende +die dacht datti schrijven kon. Hij had indertijd een dikken roman +gepubliceerd, waar de uitgever heel wat aan te kort gekomen was. Japi +had zich door hem mee laten nemen en zich te eten laten nooden. Hoyer +was er ook en 't eerste wat i gezegd had was: "Zoo, uitvreter!" Japi +vond dat prachtig. We waren toch allemaal uitvreters. "De burgerman +moet ons toch allemaal de kost geven." En dienzelfden avond had hij +Hoyer een riks te leen gevraagd, enkel om te pesten. Want hij wist +wel dat Hoyer toevallig geen geld bij zich zou hebben. Toch heeft +zelfs de lange Hoyer er naderhand aan moeten gelooven. Japie heeft +die malle zalmkleurige jas van 'm geleend en nooit teruggebracht. Maar +veel plezier heeft Japie er niet van gehad. Ieder oogenblik moest hij +er mee in den slag, en in Ouderkerk op de brug hebben de pummels er +een mouw uitgetrokken. + +"Kom", zei Japi, "kwart over negenen, ik stap op. Hoor dien regen +eens." Hij ging voor 't raam staan. "Niks te zien", zei i. "Je kunt +niks zien door dien regen. Foei ik ben rillerig geworden, mijn knieën +zijn nog nat. Jammer dat je niks in huis hebt." Ik haalde zijn jas. Hij +was nog zwaar van 't water. + +"Moet je ver door dat weer?" vroeg ik. "Ik kan wel naar de ouwe +gaan", zei Japi, "maar dat is ook nog een half uur. Dat is je nest, +hè?" Japi schoof 't gordijn weg en ging op m'n ledikant zitten en +gaapte. "Ik geloof dat ik ziek ben", zei i; "weet je wat je doen +moest, haal voor mijn rekening een half maatje ouwe klare, ik zal +'t je bij gelegenheid wel teruggeven." Ik stond daar nog met z'n jas +over m'n arm. "Trek mijn jas aan", zei i. Ik scharrelde naar zolder; +m'n vest was tamelik droog. De tapper woonde vlak bij. Ik schoot Japi +z'n jas over m'n vest. 't Natte ding maakte me koud en akelig. Zoo +ging ik al die trappen af en de straat over. Bij den tapper was niks +te doen, ik bleef geen tien minuten weg. Toen ik boven kwam lag Japi +te ronken, aangekleed, z'n schoenen nog aan. "Hallo", riep ik en +schudde aan z'n schouder. Hij mompelde wat. "Hallo, jenever." Hij +keek me lodderig aan en kwam langzaam overeind. "O", zei i, "ik zie +'t al". Hij dronk een spatje. "Daar knap ik van op." "Zeg", zei i, +"kan ik hier niet maffen? Ik ben vannacht niet op mijn bed geweest en +vandaag kon ik niet slapen." Wat moest ik doen? Hij kon wel op den +grond slapen, zei i, als i maar wat onder z'n hoofd had. "Goddank", +zei i en smeet zijn twee schoenen tegelijk over den vloer. "Goddank, +dat ik uit die natte krengen ben." Toen hing i z'n broek over de +leuning van een stoel "om te drogen." Mijn stelletje schoof i op zij; +in den hoek legde i de boeken van Appi, z'n jasje legde i er over heen, +z'n vest hield i aan. Toen nam i mijn beste deken, rolde zich er in, +dronk nog een spatje en ging met z'n hoofd op 't stapeltje liggen en +zei: "Wel te rusten." + +En ik ging weer aan tafel zitten, keek naar mijn centen en dutte +in. Toen ik wakker werd knetterde de lamp, de olie was op. Ik kroop in +mijn ledekant en sliep slecht, door de kou. Japi had nergens weet van. + +Toen de dag aanbrak en ik voor de zooveelste maal wakker werd, hoorde +ik hem rammelen. Hij was bezig thee te zetten, had zelf beneden +water gehaald, en zich aan m'n ontstelde buren voor een neef van mij +uitgegeven. Hij had best geslapen, hij was alleen een beetje stijf. Hij +hoopte dat i me niet wakker had gemaakt. "Ik heb al gegeten", zei i +"ik geloof dat je niet al te veel brood meer hebt." Hij moest weg. Hij +wilde Bavink nog spreken die toen gemeenlijk 's morgens om een uur +of tien ging slapen. Hij bracht mij een kom thee in bed en stond bij +'t raam z'n kom leeg te slurpen. Met twee handen hield i die vast en +keek naar buiten. "Allemaal armoed", zeidi. "Nou bonjour hoor, mijn +jas kan ik zelf wel van de lijn halen." Bij de deur draaide i zich +nog even om. "'s Avonds ziet zoo'n hok er een boel gezelliger uit." + +Dat vond ik ook. Ik scharrelde mijn bed uit, koud en beroerd. Op tafel +lagen m'n centen nog. Hij zegt dat hij z'n ouwe heer niet noodig heeft, +dacht ik, en de centen van den burgerman evenmin. Zegt u dat wel. + + + + +V. + + +"Koekebakker", zei Japi, "ik voel me zoo raar van binnen." 't Was op +een middag bij Bavink. Ik had Bavink willen spreken, maar die was +uit. Japi zat aan tafel met een fleschje inkt van een stuiver en een +pak kranten voor zich. "Koekebakker, ik voel me zoo raar van binnen." + +"Je ruikt tenminste degelijk naar jenever", zei ik. + +"Nee", zei Japi, "de jenever is 't niet. Ik geloof dat mijn +ziel te groot is." Zoo'n uitvreter toch! "Wat moeten die kranten, +Japi?" vroeg ik. Japi gaf een klap op 't pak. "Nieuwzen van den Dag, +Koekebakker, Nieuwzen van den dag. Er zijn er bij van een maand +oud." "Moet je weer solliciteeren, Japi?" "Juist geraden man. 't +Gaat zoo niet langer. Pak een stoel. Kijk eens aan, K H 14684 +Nieuws van den Dag. WelEdl. Heeren."--"De hoeveelste is dat?" vroeg +ik.--"De eerste pas. Dat gaat niet zoo gauw. Dat komt, omdat jelui +nooit in den handel zijn geweest, jelui weet niet, hoe 'n toer dat +is. Wat zal je drinken, kerel? Je neemt me wel niet kwalijk?" en hij +doopte z'n pen in de inkt en staarde op z'n papier. "Koekebakker", +zei Japi, keek hulpeloos rond en legde z'n pen neer. "'t Gaat niet, +ik ben er geen kerel voor. Eenmaal ben ik in den handel geweest. Ik +deug er niet voor. Ik weet 't bij ondervinding. Ik begrijp er niks +van. Waar is dat allemaal goed voor? Ik ben zoo best tevreden. We +zullen dat maar weer wegbergen." En hij nam het pak kranten en legde +'t zorgvuldig onder tafel. + +"Zie zoo, nu zie ik ze niet meer. Jij weet niet wat handel is, +Koekebakker, anders zou je der niet om lachen. Om te beginnen ga +je tot je achtiende jaar op school. Heb jij ooit geweten hoeveel +schapen er in Australië zijn en hoe diep 't Suezkanaal is? Nou juist, +daar heb je het. Ik heb dat geweten. Weet jij wat polarisatie is? Ik +ook niet, maar ik heb 't geweten. De raarste dingen heb ik moeten +leeren. Vertaal in 't Fransch: "onder benefice van inventaris." Ga der +maar tegen aan staan. Je hebt er geen begrip van, Koekebakker. Dat +duurt zoo jaren. Dan doet je ouwe heer je op een kantoor. Dan merk +je, dat je al die dingen geleerd hebt om met een kwast papier nat te +maken. Overigens is 't 't ouwe gedonderjaag, 's morgens om negen uur +present en urenlang stil zitten. Ik vond dat ik op die manier niet +opschoot. Ik kwam altijd te laat, ik probeerde wel op tijd te komen, +maar 't wou niet meer, ik had 't zooveel jaren gedaan. En taai. Ze +zeiden dat ik alles verkeerd deed, daar zullen ze wel gelijk aan +gehad hebben. Ik wilde wel, maar ik kon niet, ik ben geen kerel om te +werken. Ze zeiden, dat ik de anderen van hun werk hield. Ook daarin +zullen ze wel gelijk gehad hebben. Als ik klaagde, dat ik 't niks +lollig vond en vroeg of ik daarvoor nu op school al die wonderlijke +dingen had geleerd, dan zei de oue boekhouder: "Ja jongetje, het +leven is geen roman." Bakken vertellen, dat kon ik en dat vonden +ze leuk ook, maar ze waren er niet tevreden mee. De ouwe boekhouder +wist al heel gauw niet wat hij met me doen moest. Als de baas er niet +was maakte ik dierengeluiden, zong komieke liedjes, die ze nog nooit +hadden gehoord. De zoon van den baas was een ingebeelde kwajongen; +af en toe kwam i op kantoor om centen te halen. Hij sprak vreeselijk +gemaakt en keek met een allerellendigst, door niets gemotiveerd vertoon +van superioriteit naar de bedienden van zijn pa. De lui lachten zich +een beroerte als ik dien jongeheer nadeed. Ik heb daar ook nog een +schrijfmachine bedorven en een boek weggemaakt. Toen hebben ze me +aan een toestel gezet, dat ze de "guillotine" noemden. Daar moest +ik monsters mee knippen. Dagen lang heb ik daaraan gestaan: alle +monsters werden scheef. De lui hadden 't wel in de gaten, ze hadden +niets anders verwacht. Ze hadden me daar alleen maar aan gezet om +erger te voorkomen. Die monsters werden weggegooid; die gingen nooit +naar de klanten. Toch had ik in die dagen nog gelegenheid om een brief +verkeerd in te sluiten. Natuurlijk was 't erg; de man die den brief +kreeg mocht niet weten, dat de baas zaken deed met den man waaraan +i geschreven was. De boekhouder was totaal van streek. Toen begreep +ik, dat ik maar liever heen moest gaan. Ik kreeg een poot van den +baas. Ik was zelf ook blij dat ik wegging en heb hem hartelijk de +hand geschud. Ik heb gezegd, dat 't me speet, maar dat ik er niets +aan doen kon en ik geloof, dat 'k 't meende. Zie je, Koekebakker, +dat is handel. Ik ben daarna nog drie weken volontair geweest op een +effectenkantoortje, krantjes nakijken met een boek om te zien of de +stukken van de klanten waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voor +bewaard blijven. Ze moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Er +was geen denken aan, dat ze uit 't copieboek konden wijs worden. Ik +zag wel in dat 't zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden. + +"Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat 't met de jaren +wel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. 't Lijkt er nog niet veel +op. 'k Heb 't nog veel te goed zoo. Weet je dat Bavink pas een bom +duiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef met een hooibergje +en een kalf. Als je blieft." En hij haalde zijn portemonnaie voor +den dag. "Hij puilt van de centen. Koekebakker, jong, hij puilt van +de centen. Harde riksjes. Morgen ga ik op reis." + +"Met Bavink?" vroeg ik. "Neen," zei Japi, "niet met Bavink, alleen. Ik +ga naar Friesland." "Midden in den winter?" Japi knikte. "Wat +doen?" Hij haalde z'n schouders op. "Doen? Niks doen. Jelui kerels +zijn zoo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga +naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin +in heb." + +Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker, naar den sneltrein +van zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel te +wijd was, een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aan +z'n voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z'n hand hatti een +papieren sigarenpijpje met een reclame. "Wacht even", zei i, toen +we al beneden waren. "Ik heb nog wat vergeten." Even daarna kwam i +terug met een vischhengel. + +Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgen +wat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een half +uur vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan het +portier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabak +voor hem had. + +Na zes weken kwam hij terug met zes knoopen aan zijn jas en een +paar rooie pluche pantoffels aan zijn voeten. Hij weigerde alle +opheldering. Waar zijn vischhengel was? Oh, die had i uit den trein +laten vallen. Hij was ook nog een keer in 't water gevallen, zei +i. Meer liet hij niet los. Blijkbaar had i zich al dien tijd niet +laten scheren, hij had een kleur van roode baksteen en een lucht +van koemest bij zich. Hij bracht twee pond tabak mee, die niemand +rooken kon. Hij was er aan verslaafd en kwam in veertien dagen niet +om een sigaar. Toen waren de twee pond op, plus een peukie dat hij +ook nog had meegebracht. Toen bleek dat hij nergens in Amsterdam +die tabak kon krijgen. Hij schreef er om naar Friesland, maar kreeg +geen antwoord. Hij was er beroerd van. Maar na een paar dagen zag +ik hem toch weer bij Bavink zitten met een sigaar in 't hoofd, van +Bavink natuurlijk. + + + + +VI. + + +Den zomer daarop was Japi weer verdwenen. Toen kwam ik hem tegen op den +Boulevard du Nord in Brussel. Mijnheer was piekfijn, glad geschoren, +een grijs hoedje, een goudgeel smal zijden dasje, een geruit overhemd, +een gordel, een wit flanellen jasje met dunne blauwe streepjes, een +witte linnen broek, van onderen onberispelijk omgestreken, bruine +sokken met witte ruiten, lage schoenen. + +Hoe het ging? Patent. Wat hij daar deed? Op en neer loopen van het +Gare du Nord naar het Gare du Midi over de boulevards. Of hij zich +amuseerde? Uitstekend. Waar hij woonde? In Uccle. Wie hij uitvrat? Hij +lachte, maar gaf geen antwoord. In het Maastrichtsche bierhuis op +de Place Brouckère dronken wij ettelijke potjes zuur bier, waar hij +verzot op was geworden. Eigenlijk dronk hij al die ettelijke potjes +op een na, dat ik staan liet. Hij zat weer prinselijk achterover op +zijn stoel en dronk met waardigheid en smaak, hield een beschouwing +over asphalt, over de groote markt, over het mooie weer, zei toen dat +hij naar huis moest en vroeg waar ik logeerde. Dan zou hij mij eens +komen opzoeken. Daarna betaalde hij de potjes bier, en liet mij in +verbazing achter. + +Begin Augustus kwam hij in Amsterdam terug met een verbonden +hoofd. In Marchienne aux Ponts had hem een mijnwerker een geëmailleerd +etens-pannetje op 't hoofd stukgeslagen. Hij was gesjochtener dan +ooit, zijn ouwe heer hield hem schrikkelijk krap. Tot diep in November +droeg hij zijn witte broek, die toen allang niet wit meer was. Hij +was de oude niet meer, hij sprak weinig en rookte veel minder. Als +hij bij Bavink op 't hok kwam en Bavink legde zijn sigaren op tafel, +dan liet i zich op zijn stoel vallen, hield zijn jas aan en zijn +hoed op, nam moeizaam een sigaar, beet er langzaam het puntje af en +had moeite om de lucifers te vinden, knoeide met aansteken, rookte +langzaam en zelden meer dan één sigaar op een avond. Stak hij een +tweede op, dan gooide hij een groot stuk weg, wat hij vroeger nooit +deed. Toen rookte i tot 't endje te klein werd om vast te houden, +dan stak hij er een speld in en rookte 't zoo op. Het duurde niet +lang of i rookte scheef. Eens liet hij bij Bavink de kachel uitgaan. + +Toen gaven wij hem op. + +En toen op een nacht dat het hard vroor, tusschen Kerstmis en +Nieuwjaar, toen kwam Hoyer dien wij in maanden niet gezien hadden, +en nadat we een tijd hadden zitten kletsen, vroeg i naar Japi. En toen +begon i herinneringen op te halen. Of we nog wisten hoe Japi verleden +zomer (dat was toen zoowat een half jaar geleden) 's nachts mee ging +roeien op den Amstel. Hij zou in de punt gaan zitten om uit te kijken, +want de Volharding voer toen alles kapot, had nog pas een tjalk in +den grond gevaren aan den Omval. En Japi zat in het water te kijken +naar de weerkaatsing van de sterren en zat met zijn rechterhand in +het water en zag geen Volharding, zoodat de Volharding om voor ons +uit te wijken bijna in de bocht aan den grond voer. De kerels werden +toen kwaad en een van hen kwam op de achterplecht en schold ons uit +voor nakende verdommelingen, en smeet met een steen die een heel eind +voor onzen boeg in 't water plofte. Toen had Bavink gezegd, dat hij +'t wel gedacht had en Japi zei: daar zijn we netjes afgekomen. + +"Apropos", zei Hoyer toen plotseling (Hoyer werkte nog al met +burgermanstermen). "Apropos, ik heb Japi in Veere gezien met een +Fransche dame, een verdomd lief wijf. Den heelen avond hadden die +twee samen op 't steenen havenhoofd staan praten en over de balustrade +gekeken naar de lichtboei en 't draaiende licht van Schouwen en naar +de branding geluisterd, en "bekgetrokken" zooals Hoyer 't ordinair +uitdrukte. Bavink zei weer dat i 't wel gedacht had en ik zei: "ook +stom, dat hadden we kunnen weten," en toen kwamen wij los over Japi +en dat hij niet meer zoo uitvrat als we dat van hem gewoon waren. + +'t Duurde nog een maand voor dat Japi los kwam. Zijn ouwe heer +had een betrekking voor hem gevonden en den eersten Maart zou hij +aantreden. Hij zei niet dat ie 't beroerd vond. Hij zou eens zien wat +i er van maken kon. Hij zou vijftig gulden per maand verdienen. Dien +avond vroor het weer hard. De sterren waren helder en ontzettend +hoog. De kachel was niet aan. Wij zaten met ons drieën, jassen aan, +kragen in de hoogte, hoeden op zoo als wij zoo vaak hadden gezeten +als wij harder waren dan het kapitalistische gemoed en niets meer +hadden om te verstoken. + +Toen begon Japi allerakeligst te boomen. Je zeilde maar met de aarde +door de ijzige donkere ruimte, de nacht zou niet meer ophouden, de zon +was weg en ging niet meer op. De aarde joeg voort in de duisternis, +de ijzige wind huilde er achter aan. Al die werelden zeilden verlaten +door de ruimte. Als er een tegen je aan zeilde was je verloren, +verloren met al die 1500 millioen ongelukkige menschen. Japi zat te +rillen in zijn jas, het vroor in de kamer. + +Toen begon i weer anders. De zon kon zoo mooi in de Waal schijnen. Bij +Zaltbommel had i de zon in de Waal zien schijnen toen i de laatste maal +met den trein over de brug kwam. Tusschen de brug en de stad maakte +de zon een groote lichtplek in het water. Het water stroomde maar, +de zon scheen er maar in, honderd, duizend, honderdduizend maal. Voor +tweeduizend jaar scheen de zon er al in en stroomde het water maar. God +weet hoe lang al. Meer dan 700,000 maal was de zon sedert al opgegaan, +meer dan 700,000 maal was i ondergegaan, al dien tijd had het water +gestroomd. Hij werd beroerd van dat getal. Hoeveel regendagen zouden +daarbij geweest zijn? Hoeveel nachten zou het zoo hard gevroren +hebben als nu, en harder? Hoeveel menschen zouden dat water hebben +zien stroomen en de zon er in zien schijnen en al die sterren gezien +hebben in de nachten dat 't zoo vroor? Hoeveel menschen die nu dood +zijn? en hoeveel menschen zouden dat water nog zien stroomen? En 2000 +jaar was nog niets; duizende jaren langer had de aarde al bestaan, +duizende jaren kon i nog bestaan. Duizende jaren kon het water nog +stroomen, zonder dat hij het zien zou. En als de aarde verging dan +was er eigenlijk nog niks gebeurd. Daarna kwam nog zooveel tijd, +er kwam geen einde aan den tijd. En al dien tijd zou hij dood zijn. + +Japies tanden klapperden; er was geen spatje jenever in huis en niets +meer te krijgen op de pof. + +Toen werd Japi week. Toen begon i te spreken over Jeanne, zonder +eenige aanleiding, alsof wij er alles van wisten. En dat haar +handjes zoo zacht en zoo warm waren, dat haar oogen zoo konden +schitteren. Donkere oogen had ze en zwart haar. Wij begonnen er mee +te zitten. Hij deed de akeligste confidenties, over een witte rok met +kantjes, over een rok van lila zij; over haar kleine witte voetjes, +over allerlei lichaamsdeelen waar men niet over schrijft. + +Op 't laatst begon i Fransch te praten, eenige tientallen malen hoorden +wij het woord "chéri" en "chérie". De laatste "e" van chérie sprak i +uit. Toen sprak i weer Hollandsch en werd zakelijker. Zij zou scheiden +van haar man, een misselijken droogpruimer, twintig jaar ouder dan +zij. Dat vonden wij nog al banaal. En 1 Maart moest i aantreden op +kantoor. Toen wreef i zijn gezicht met zijn beide handen en zei: +"Ik ga weg, geef me een poot." Op de trap stommelde i. + +Een Maart trad i niet aan. Het werd April voordat hij weer zoover +was dat hij aan het werk kon gaan. Uitvreten deed i niet meer. + +Maanden later op een avond zag Bavink hem zitten ergens drie hoog +in een kantoorgebouw. Hij zat aan 't raam te werken en 't lokaal +was hel verlicht. Bavink liep naar boven. Hij zat alleen en was +druk bezig. Bavink kon niets uit hem krijgen. Hij werkte maar en +zei weinig. Bavink snorde overal rond, pakte hier en daar een boek +uit de rekken, keek er in, zette 't weer weg, schudde zijn hoofd, +zei enkele malen: "'s jonge, 's jonge", draaide aan de copieerpers, +keek op straat, zette alle ramen open om te luchten. + +Buiten viel een fijne sneeuw. Vlokken woeien naar binnen. "Doe als +je blieft de ramen dicht", zei Japi en bleef schrijven. Toen kreeg +Bavink een copieboek te pakken, bladerde en las er in, schudde weer +herhaaldelijk zijn hoofd en kwam toen bij Japi staan, 't copieboek +geopend in zijn handen. + +"Zeg, schrijf jij dat allemaal?" Japi keek nauwelijks op en zei enkel: +"Niet allemaal." "Je bent toch een verdomd knappe kerel," zei Bavink, +"die handel is niet makkelijk." Daarna ging Bavink weg. + + + + +VII. + + +Japi was een harde werker geworden. Kort na het bezoek van Bavink +zonden ze hem naar Afrika. Binnen de twee jaar was i terug: ziek, half +dood. Niemand hoorde iets van hem, tot ik hem op een November-namiddag +zag staan achter den steenen wal bij het haventje van Wijk bij +Duurstede. Daar stond i naar den modder te staren. Ik had eenige +moeite hem te herkennen. Hij stak in een enorm wijde grijze jas, die +hem veel te groot was, een enorme grijze pet zat hem diep in de oogen +en over de ooren. Hij had een paar enorme breede bruine schoenen aan +met stompe neuzen, en enkele jongens achter zich. + +Ik dacht: dat lijkt waarachtig Japi wel; en, ja hoor, het was 'm, +wat bleek en mager en zonder baard of snor en met een wonderlijk +starende uitdrukking in zijn oogen, maar het was Japi ongetwijfeld. + +Japi zag niets, hoorde niets. Ik tikte 'm op zijn schouder en zei: +"Wat doe jij hier, hoe gaat het, hoe kom je hier?" Hij gaf me een hand, +zei niets, was niet verwonderd. "Ik sta maar te staren," zei i toen. + +"Dat heb ik in de gaten," zei ik, "ga je mee een borreltje +pakken?" "Goed," zei Japi. De pummels die op eenigen afstand, +achterover tegen den steenen wal geleund, zich eenigen tijd geamuseerd +hadden met zeer luide en onhebbelijke glossen, groetten nu zeer +eerbiedig, omdat ik nogal wat geld verteerd had in Wijk bij Duurstede +en 's Zondags den notaris op zijn schouder had geklopt. + +Na een borreltje kwam er wat leven in Japi. Gewerkt had i in Afrika, +last gehad van de hitte en van de beesten en koorts geleden, meer +koorts geleden dan gewerkt of iets anders. Als een geraamte was i +van den zomer teruggekomen. + +Zijn Française leefde in Parijs met een Hollandsch jongmensch, +sedert onheugelijke tijden volontair op een kantoor. Had nog een +vriend die kolonel was. Had hem in Parijs getracteerd en hem in haar +gebroken Hollandsch een "goeie beest" genoemd en uitgelachen. Had haar +kousenband vastgemaakt waar hij bij was, zoodat hij een stukje van +haar bloote knie had gezien. Had hem daarna weggestuurd. Hij moest er +om lachen. Verliefd was i niet meer. Een licht blauwe zijden onderrok +had zij aan gehad. Een keer had i haar met den kolonel op het terras +van een kroeg gezien. De kolonel deed zeer zelfgenoegzaam en keek woest +en verwaten. Achter zijn rug om had ze Japi een oogje gegeven. Ze had +een borstkwaal en haar maanden waren geteld. En altijd even opgewekt; +maar loopen kon ze nog maar heel slecht. + +En wat Japi nu van plan was? of hij nog uitvrat? Z'n kantoor vrat i +uit; iederen laatsten van de maand ging i zijn centen halen. + +Of i van plan was nog weer eens zoo'n woeste werker te worden? + +O nee. Te sappel had i zich gemaakt. Vijftien jaar ouder geworden +was i in de laatste drie, vier jaar. + +Toen stak i een versche sigaar op, van mij, een sigaar van een +dubbeltje, met een bandje, ik was toen in goeden doen. Het bandje +deed i er af. + +Geploeterd hatti, misère gezien hatti. In Marchienne aux Ponts +en Charleroi was het begonnen. Voor de aardigheid was i daar met +Jeanne heen gegaan. Na drie dagen had ze er genoeg van gehad. Hij was +gebleven. Een portretje liet i mij zien; een grijnzend doodskopje, +het dochtertje van een werkman uit een glasfabriek. Zeven kinderen +gehad, vijf dood, het zesde stierf terwijl hij er in den kost +lag, daar was dat portretje van. Daar hatti leeren kijken, gezien +wat werken was. Geld uitgeven hatti altijd verdomde leuk gekund, +anderen brachten 't op. Te sappel hatti zich gemaakt. Socialist had +i willen worden. Voor z'n brood hatti gewerkt, voortgejaagd was i, +voortgejaagd en gedrukt door menschen en de noodzakelijkheid zooals al +die anderen. Nachten hatti gewerkt: om één, twee uur was i in Amsterdam +van kantoor thuisgekomen en daarna hatti opgezeten, gepiekerd, gepend, +heele romans hatti geschreven en de paperassen verbrand. + +Wat kon i doen? Wat bereikten ze met hun allen? Te sappel hatti zich +gemaakt, gloeiende speechen, woeste artikelen hatti gefantaseerd, +terwijl i op kantoor zat en werkte voor den handel van zijn baas, +hard werkte en iedereen zich verwonderde over de massa's werk, die +i verstouwde. De wereld was blijven draaien, draaide precies zooals +altijd, zou wel blijven draaien zonder hem. Te sappel had i zich +gemaakt. Hij was nu wijzer. Hij trok er zijn handen van af. Er waren +kooplui genoeg en schrijvers en praters en lui die zich te sappel +maakten, meer dan genoeg. + +En altijd zaten ze in angst ergens voor en hadden verdriet ergens +over. Altijd waren ze bang ergens te laat te komen of van iemand een +standje te krijgen, of zij kwamen niet uit met hun tractement, of hun +plee was verstopt, of ze hadden een zweertje, of hun Zondagsche pak +begon te slijten, of de huur moest betaald worden; dit konden ze niet +doen hierom en dát moesten ze laten daarom. In zijn jongen tijd was +i nog zoo dom niet geweest. Een sigaartje rooken, een beetje kletsen, +wat rondkoekeloeren, je verheugen in het zonnetje als 't er was en in +den regen als 't er niet was, en niet denken aan den dag van morgen, +niets willen worden, niets te verlangen dan af en toe wat mooi weer. + +Je kon 't niet volhouden. Dat wist i wel. Het kon nu eenmaal niet +bestaan of je moest een bom duiten hebben. En die hatti niet. Wat zijn +ouwe hem kon nalaten was de moeite niet waard. En hij, Japi, vond het +nu welletjes ook. Hij was nu bezig zijn tijd te verstaren. Bereiken kon +je toch niets. Hij scharrelde nog wat rond op de plaatsen waar i zich +vroeger geamuseerd had. Speciaal hield i zich bezig met in rivieren +te staren. In Dordrecht had i enkele weken starende versleten. In +Veere had i dagen lang boven op 't Hospitaal gekampeerd. September +had i in Nijmegen doorgebracht. + +En toen met eenige variatie herhaalde i zijn oude rêverie over +'t water. Van 't water dat maar altijd naar 't westen stroomde, +dat iederen avond naar de zon stroomde. In Nijmegen liep een ouwe +dokter rond, die drie-en-vijftig jaar lang 's morgens op 't zelfde uur +dezelfde wandeling had gemaakt. Over 't Valkhof en aan de Noordzijde +naar beneden en de Waalkade af tot aan de brug. Dat is meer dan 19300 +maal. En altijd stroomde 't water naar het westen. En dat beteekende +nog niets. Het heeft zeker honderd maal drie en vijftig jaar naar +dien kant gestroomd. En langer. Nu ligt de brug er over. Nog maar +kort, nog maar wat jaren. En toch heel lang. Ieder jaar is 365 dagen, +tien jaar is 3650 zonnen. Iedere dag is 24 uur, en ieder uur gaat er +meer door de hoofden van al die tobbende menschen dan je in duizende +boeken zou kunnen opschrijven. Duizende tobbers die de brug gezien +hebben, zijn nu dood. En toch ligt i er nog maar kort. Veel, veel +langer stroomde het water daar. En er was een tijd toen dat water +er niet stroomde. Die tijd is nog veel langer geweest. Dood zijn +de tobbers gegaan bij honderde en honderde millioenen. Wie kent +ze nog? En hoeveel zullen er sterven na dezen? Ze tobben maar, tot +God ze wegraapt. En je zou denken: God zou ze een lol doen als i ze +plotseling te grazen nam. Maar God weet beter dan jij of ik. Tobben +willen ze, blijven voorttobben. En onderwijl gaat de zon op en onder, +de rivier daar stroomt naar 't Westen en blijft stroomen tot daar +ook een eind aan komt. + +Neen plannen hatti niet meer, en te sappel maken zou i zich niet +meer. Daarvoor zou Japi wel oppassen. Een diner accepteerde i dien +avond nog wel. Zelfs zong i een komiek liedje en stak een malle speech +af, staande op een stoel. + +Eenige maanden heeft Japi nog verstaard. Met zijn gezondheid ging +het niet al te best en de toelage van zijn kantoor hield op. Den +winter bracht i in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren, +mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten, +al tobbende. + +In Mei trok i naar Nijmegen. + +Daar schreef i me op een briefkaartje, dat Jeanne aan haar borstkwaal +gestorven was. Daar hatti op gewacht, schreef i. + +Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is +hij van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de +gaten. "Maak je niet druk, ouwe jongen," had Japi gezegd, en toen +was i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten. + +Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er +afgestapt. + +Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord en aan +de muur zes briefjes met G.v.d. er op en één met "Ziezoo". + +De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen +zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond +krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog. + +Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven. + + + + + + +TITAANTJES. + + +I. + + +Jongens waren we--maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn +nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal +geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden +hun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n +vijven. Alle andere menschen waren "ze". "Ze", die niets snapten +en niets zagen. "Wat?" zei Bavink, "God? je praat over God? Hun +warme eten is hun God." Op enkele "goeie kerels" na werd iedereen +door ons veracht. Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: "En niet ten +onrechte," maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je +weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer +vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor +je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'm +op den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer +dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu, +alweer behalve Bavink en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg +tegen Hoyer: "we zijn er niet op vooruit gegaan." Maar Hoyer is al +te ver heen, hij begint bij de bonzen van de S. D. A. P. te hooren, +en maakt een gebaar van twijfel met z'n handen en z'n schouders. + +Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geweest. Iets +zouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde +afbreken, Ploeger wilde zijn baas z'n eigen klokken laten inpakken +en er bij gaan staan met een sigaar in z'n hoofd en vloeken op die +kerels die nooit iets goed konden doen. Eéns waren we 't, dat we +"eruit" moesten. Waaruit, en hoe? Eigenlijk deden we niets anders dan +praten, rooken, drinken en boeken lezen. Bavink vrijde bovendien nog +met Lien. Achteraf bedenk ik, dat we een prachtig stel kerels geweest +waren om rijk te zijn, maar "centen hebben" vonden we verachtelijk; +alleen Hoyer begon daar vrij gauw anders over te denken. Bavink begreep +niet, waarom die kerels zoo maar in rijtuigen mochten rijden en dure +jassen aanhebben en andere lui commandeeren, die niet stommer waren +dan zij. Automobielen zag je toen zoo nog niet. + +Heele zomernachten stonden we tegen 't hek van 't Oosterpark te leunen +en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan +hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er +wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig. + +Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van 't trottoir +zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en +waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar +de sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z'n +baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i +opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte, +zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan +zat Bavink met z'n hoofd in z'n handen, over de zon te praten, bij +'t sentimenteele af. En we vonden dat 't zonde was naar bed te gaan, +dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat +zouden we veranderen. Kees zat te slapen. + +En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, +die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker +wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk +met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de +dansende gouden pijltjes die de zon in 't water maakte. Stapelmal +werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange +schitterende streep. Maar aan den kant van 't water bleef-i toch +maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer +aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim +stond. Bavink sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte: +"God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit." Nu zit-i in +een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd niets +zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel +slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er +beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meer +dan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen +te staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen. + +Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naar +den Ringdijk. Daar zaten we in 't gras tusschen de boterbloemetjes +beneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hun +groote oogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien. En dan kon +je ervan opaan, dat Bavink over Lien begon. Op de een of andere manier +moeten die koeienoogen daar iets mee uit te staan gehad hebben. En +dan begon 't te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er +vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m'n eene voet lag bijna +in de sloot. Andere hoorde je zachtjes, ver, heel ver weg. Een koe, +die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je +'t gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Een +paard holde heen en weer, je hoorde 't maar zag 't niet. De koe bij +ons blies en werd onrustig. Bekker zei: "'t Is hier goeie. Zoo moest +'t maar blijven." Bavink stond overeind en breidde z'n armen uit en +luisterde, en ging daarna weer zitten en zei dat we der ook nooit iets +van zouden snappen, hij zelf ook niet, en dat we eigenlijk niet veel +beter waren dan al die andere lui, en ik geloof, dat-i daar heel na +aan de waarheid was. + +Neen, we deden eigenlijk niets. Ons werk op kantoor deden we niet +al te best, en onze bazen verachtten we, behalve Bavink en Hoyer, +die geen bazen hadden en niet begrepen, waarom we iederen dag weer +naar die bazen toegingen. + +We wachtten maar. Waarop? Dat hebben we nooit geweten. Bekker zei: +"Op 't koninkrijk Gods." Dat wil zeggen, dat heeft-i een keer gezegd +zonder zich nader te verklaren. Bavink had 't altijd over "het einde, +dat meteen 't begin zou wezen." Wij vonden dat allemaal volkomen +duidelijk en weidden er niet verder over uit. + + + + +II. + + +Op den zolder van Kees kwamen we dien zomer bijna iederen avond +bij elkaar. Kees had ook een "hok" moeten hebben. Zijn hok was 't +grootste en voor allen makkelijk te bereiken. De buren vonden 't niks +leuk iederen avond dat geloop op de trap. Kees z'n vader begreep er +niks van. Tegenwoordig groet-i me heel beleefd en noemt me "mijnheer +Koekebakker", omdat-i m'n naam in 't Handelsblad heeft gezien. + +Bekker had Kees gezegd, hoe-i 't doen moest. Ze hadden goedkoop +bloemetjesbehangsel van 3 centen de rol gekocht en dat achterstevoren +tegen den muur geplakt, de effe groene achterkant buiten. Bekker had +een spreuk geschreven met sier-letters en die aan den muur geplakt +naast de deur. "J'ai attendu le Seigneur avec une grande patience, +enfin il s'est abaissé jusqu'à moi." + +Ik weet niet meer waar-i dat vandaan had gehaald. Kees kon 't niet +lezen. Maar Kees had óók iets gedaan. Hij had een spa gemaakt en Bekker +had die diagonaalsgewijs aan den muur geprakkizeerd in 't aangezicht +van de spreuk. Het was eerst niet duidelijk, wat dat moest beteekenen, +maar naderhand bleek, dat Bekker zich in zijn hoofd had gehaald, dat-i +metdertijd op de hei zou gaan wonen en daar een brokje land bewerken, +dan hoefde-i niet meer naar kantoor. Bavink vond dat een mooi idee, +maar-i was bang dat Lien er geen zin in zou hebben en Hoyer zat liever +in de kroeg. + +Daar zaten we dan en lieten niets heel. Tenminste niet veel. Ik +herinner me, dat Zola en Jaap Maris tamelijk ongeschonden bleven +en misschien nog wel de een of ander. Bekker las uit Dante voor, +de Prediker en 't Hooglied en 't boek Job kende-i uit z'n hoofd. 't +Was heel indrukwekkend. Van de buitenwereld merkte je niet veel op +dat hok. Het eenige raam was bijna schouderhoogte van den grond; +als je aan tafel zat, zag je niet veel meer dan een stuk lucht, +waar langzamerhand de kleur uitweek, en wat sterren, als 't donker was. + +Schilderen? Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde? Alles +lieten de lui zich voorzetten, letterlijk alles. Ik moest maar eens een +schilderij maken. Dat was ik zelf, Koekebakker. Hij zou me zeggen wat +ik doen moest. "Je schildert twee horizontale banen, onder elkaar, even +breed, een blauwe en een goudgele en in 't midden van die blauwe baan +maak je een ronde goudgele vlek. En dan zetten we in den catalogus: +No. 666 De Gedachte, schilderij. En dan zenden we 't in op mijn naam: +Johannes Bavink, 2de Jan Steenstraat, nummer zooveel en we prijzen +'t voor f 800. Je zult eens zien wat ze er in ontdekken. Van alles, +waar je zelf nooit een flauw benul van gehad hebt." + +Bavink was toen nog erg jong.--Naderhand kwam Lien daar ook en zette +thee. Eén keer heeft ze den grond geboend en alles afgestoft; maar +dat was heel ongezellig. Kees kwam er door in verlegenheid, want +tegen die juffrouw had de ouwe heer bepaald bezwaar. En Bavink was +niet zooals we hem graag zagen, wanneer Lien er bij was en had een +neiging om haar voortdurend te knijpen. Dat was hinderlijk. + +Gelukkig liet hij haar al heel gauw weer thuis, omdat-i dacht, dat +Lien mij oogjes gaf. Bekker zei: "Meiden, dat is niks" en rookte +met bizonder welbehagen z'n steenen pijpje toen ze er voor 't eerst +weer niet bij was. Het was dien avond ook heel genoegelijk. Uren lang +zaten we in donker. De lamp was gaan zakken en daarna uitgegaan. We +bleven maar zitten en rookten, uren lang. Af en toe zei iemand eens +wat. Bavink vond schilderen 't stomste dat iemand doen kon. Kees +begreep er weer niks van. "Je moest zoo maar stilletjes blijven +zitten," zei Bavink en keek naar de lucht. Een groote groenachtige ster +stond daar te donkeren. "Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten +te verlangen zonder te weten waarnaar." En hij stopte een versche pijp. + + + + +III. + + +Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet +die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien, +twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij. + +Wij waren boven de wereld en de wereld was boven ons en drukte zwaar +op ons. Heel in de diepte zagen wij de wereld vol bedrijvigheid +en verachtten de menschen, de gewichtige heeren vooral, de heeren, +die 't druk hebben en die denken dat zij 't aardig ver in de wereld +hebben gebracht. + +Maar wij waren arm. Bekker en ik moesten 't grootste deel van onzen +tijd op kantoor doorbrengen en doen wat die heeren zeiden en hun domme +opinies aanhooren, als ze met elkaar spraken en verdragen, dat zij +zichzelf veel flinker en knapper vonden dan ons. En als zij vonden, +dat 't koud was, dan moesten alle ramen dicht en 's winters moest +'t licht veel te vroeg op en de gordijnen moesten neer, zoodat wij +de roode lucht niet zagen en 't schemeren in de straat niet, en wij +hadden niets te vertellen. + +En wij moesten in straten wonen, heel bekrompen, met uitzicht op +de lancaster gordijnen van den overkant en de balletjesfranje en de +aspedistra in een pot met een onbestaanbare bloem er op. + +O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit +gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen, +wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden. 's +Zondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooit +kwamen en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden, +die wij gezien hadden en terwijl de heeren ons bevalen dingen te doen, +waarvan wij 't nut niet begrepen, dachten wij eraan, hoe Zondagavond +de zon was ondergegaan achter Abcoû. En hoe wij woordeloos 't heelal +doordacht hadden, hoe God ons hoofd, ons hart en ons ruggemerg gevuld +had en hoe mal zij zouden kijken, als wij hun dat zouden zeggen. En +hoe zij met al hun geld en hun reizen naar Zwitserland en Italië en +Godweetwaarheen en met al hun knapheid en bedrijvigheid dat nooit +zouden kunnen beleven. + +Maar met dat al hadden ze ons toch in hun macht, ze legden beslag op +'t grootste deel van onzen tijd, zij hielden ons uit de zon en van +de weilanden en den waterkant vandaan. Ze dwongen ons voortdurend +onze gedachten bezig te houden met hun onbegrijpelijke zaken. Maar +dat ging zoo ver als 't voeten had. En zij gaven ons standjes; niks +waren wij op kantoor. "O, Bekker" zeiden ze tegen elkaar. Welopgevoed +waren de heeren; de juffrouw van tweehoog zei: "die halvegare", +daar waren de heeren te welopgevoed voor. En ze waren knap, veel +knapper dan de juffrouw van tweehoog, wier man lantaarnopsteker was, +een leuk vak, waar weinig geleerdheid voor noodig is. M'n baas vroeg +me of ik misschien gedichten maakte. Bekker vond dat zoo'n man dat +woord eigenlijk niet mocht uitspreken, dat moest niet mogen. "Wat +zei je tegen hem?" Ik had niks gezegd, ik had maar naar z'n gezicht +gekeken en gevonden dat-i zoo'n dikken kop had en gedacht: "hij weet +niet wien hij voor heeft, daar is hij te dom voor." En ze betaalden +ons slecht de heeren. + + + + +IV. + + +En verliefd waren we. Bekker liep maanden lang iederen morgen over +de Sarphatistraat waar hij niets te maken had. Hij hield van een +schoolmeisje van een jaar of zeventien en liep vijftig pas achter +haar of aan de overzij van de straat en keek naar haar. Hij heeft +nooit geweten hoe zij heette, nooit een woord met haar gesproken. In +de Kerstvacantie was-i ongelukkig. In Februari nam hij een middag +vrij om haar op te wachten, als de school uitging. Daar stond-i op 't +stille grachtje in de sneeuw en een vent reed voorbij op een wit paard, +met een blauwe kiel aan en een stroohoed op. Wat raar dat je juist op +zoo'n middag zoo iets geks moet zien. Maar om vijf minuten voor vieren +ging Bekker weg, hij dorst niet te blijven staan. Langzaam slenterde-i +weg en op de Weteringschans haalde ze hem in. Ze lachte luid tegen een +vriendin. Ik geloof niet dat zij ooit geweten heeft dat Bekker bestond, + +Van mij wilde Bekker weten waar dat op uit moest loopen, dat kon +toch zoo niet doorgaan. En 't ging ook zoo niet door, want na de +zomervacantie kwam ze niet meer terug. + +"Meiden," zei Bekker, "dat is niks gedaan... Ze veerde als ze +liep." Hij draaide de lamp wat op en sloeg een blad om van 't +boek waar-i in las. "Waar zou ze nu zijn?" "Zou ze zoenen?" Een +stukje vuur uit zijn pijp viel op 't boek. Hij doofde 't met een +lucifersdoosje. "Verdomme, een gat, dat heb ik stom gedaan." "'t Is +beter zoo, meiden is niks gedaan, je schiet er niet mee op, ze leiden +je maar af. Op een afstand zijn ze aardig, om gedichten op te maken." + +Hij las. Na een poosje keek hij weer op... "Weet je wat een raar +ding is? Toen ze me dien middag inhaalde ging ze rakelings langs +me heen. Er was zoo te zeggen niks tusschen ons, een beetje kleeren +van haar en zoo goed als geen kleeren van mij." (Bekker liep zomer +en winter met z'n overhemd op z'n bloote lijf). "Dat is niet veel, +vind je wel?" Ik vond dat niet veel; tusschen den toren van Naarden +en de kamer van Bekker b.v. was veel meer. "Tusschen den toren van +Naarden en deze snor," zei Bekker, "is veel minder, veel minder dan +er toen was tusschen haar schouder en de mijne. 't Haalt er niet bij +Koekebakker." Hij sloeg weer een blad om, keek in 't licht, en zei: +"zoo is 't" en ging door met lezen. + + + + +V. + + +Zoo was 't: God liet zijn aangezicht zien en verhulde 't +beurtelings. Je schoot er niet mee op, ook al bewonderde je de meisjes +alleen maar uit de verte en al liet je hun bekjes zoenen door anderen, +door die gewichtige heeren, waar ze over 't algemeen meer mee op hadden +dan met ons. Die waren zooveel netter en praatten zoo aardig. En wij +waren armoedzaaiers. + +Van God was niets te hopen, die gaat zijn eigen weg en geeft geen +rekenschap. Als we wat wilden moesten we 't zelf doen. Maar wij vonden, +dat Bavink en Hoyer makkelijk praten hadden, die konden wat, die konden +laten zien hoe 't moest, maar wij, Bekker en Kees en ik, wij konden +hoogstens "socialen" worden en dat leek toch wel wat erg armoedig, +nadat je aan Gods tafel had gezeten, adressen te gaan schrijven +voor drukwerk of lid te worden van de "vrije groep Kastanjeplein en +omstreken." En van dat wonen op de hei zou ook wel niets komen, want +als Bekker een paar centen bij elkaar had, dan moesten zijn schoenen +gelapt worden. In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen +gaan, maar toen we op een Zondag er heen waren geloopen, vier uur +gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele +schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, +in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en +z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar +weer naar Amsterdam terug en liepen achter elkaar langs de Naarder +trekvaart en zongen, en een boerenmeid zei tegen een boerenjongen: +"D'r het niks van in de krant 'estaan jong, hoe vin je dat nou? wist +jai d'r van?" + + + + +VI. + + +Dus deden we maar niks. Ja toch, in dien tijd maakte Bekker z'n +eerste gedicht. + +'k Weet 't nog heel goed, 't was op een Zondag, natuurlijk. Als er +iets gebeurde, dan was 't op Zondag. Want de zes andere dagen van de +week droegen drie van ons onze ketenen van negen tot zes. + +Ik was uit solliciteeren geweest in Hillegom bij een bollenhandelaar +met dikke roode gladgeschoren wangetjes. En de anderen hadden er +meteen een uitgangsdag van gemaakt. Bavink, Hoyer en Bekker hadden +alle drie al zoo vaak naar 't oudheidkundig museum in Leiden gewild +en nu zou 't er dan van komen. En Kees moest mee, die deed wat de +anderen deden. In Leiden zou ik hen vinden. + +'t Was in December. Ik stond achter op de tram, heelemaal achter op. De +tram reed maar door 't land en stond stil en reed weer, uren duurde 't, +de landen lagen eindeloos. En de lucht werd hoe langer hoe blauwer en +de zon scheen alsof er bloemen moesten groeien uit de boerenkinkels. En +de roode daken in de dorpen en de zwarte boomen en de akkers, veel met +riet gedekt, hadden het lekker warm, en de duinen stonden in de zon +met hun bloote hoofd. En de straatweg lag daar wit en pijnlijk in 't +licht en kon de zon niet verdragen en de ruiten van de dorpslantaarns +flikkerden, ook zij verdroegen met moeite 't felle licht. + +Maar ik werd hoe langer hoe kouder. En zoo lang als de zon scheen, +reed de tram. 't Is een lange rit van Hillegom naar Leiden en de dag +is kort in December. En op 't laatst stond er een lijk op de tram te +staren in die malle groote koude zon, die vlamde als of de revolutie +moest beginnen, alsof ze in Amsterdam bezig waren de kantoren af te +breken, en die geen vonkje leven in m'n koude voeten en dooie beenen +kon brengen. En de zon werd steeds grooter en kouder en ik werd steeds +kouder en bleef even groot. En de blauwe lucht keek vreeselijk ernstig: +"Wat moest ik toch op die tram?" + +Dien middag maakte Bekker z'n eerste gedicht. En toen ik met 't +aansteken van de gaslantarens in Leiden aankwam en de onsterfelijken +naast elkaar op een lange bank vond zitten in de derde klas +wachtkamer van 't station, bij de kachel, toen moest ik mee 't gedicht +ondergaan. 't Was heel mooi. Of 't geen naam had? Bekker schudde van +nee. Maar Bavink en Hoyer schreeuwden, dat ze gezien hadden, dat er +iets boven stond. Een burgerheer zei: "Opscheppers" tegen den man, +die aan de deur z'n kaartje knipte. Bavink had 't papier te pakken, +Wat stond er boven? Natuurlijk? "Aan haar." Dat had ik zóo wel geweten. + +Bavink vond dat er een schepje op de kachel moest, maar kon de +kolenschep niet vinden. Ze nemen in die wachtkamers altijd den +kolenschep mee, anders stookt 't publiek te hard. + +Toen gooide Bavink de steenkolen met z'n handen in de kachel en kreeg +mot met een kerel met een witte kiel aan. + +'t Was heel lollig dien avond. In den trein vielen Kees en Hoyer in +slaap. Bavink zat te praten met een Haagsch juffertje en de lucht +van heliotroop op te snuiven die haar lieve leden ontsteeg. + +Toen begon Bekker weer over de hei te praten. Daar wilde-i stilletjes +wonen en maar afwachten wat God met 'm voorhad. Doen kon je niks. Hij +was erg weemoedig. Ik had bezwaar tegen die hei: 't is er zoo droog. En +ik vroeg Bekker waar-i van leven wilde, dat boeren van kantoorheeren +lukt gemeenlijk niet al te best, behalve in Amerika, waar allerlei +leugens van geloofd worden. Maar hij maakte zich daarover geen +zorg. Hij had niks noodig. + +Nu weet hij beter. God alleen heeft niks noodig. En dat is nu juist +'t groote verschil tusschen God en ons. + +Er is dan ook niks van gekomen van die hei. + + + + +VII. + + +Wij zaten met z'n vieren bij Zandvoort in 't fijne witte zand aan den +voet van 't duin en keken naar zee. Kees was er niet bij. 't Was in +'t laatst van Juli. Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee, +maakte, alweer, ik kan 't niet helpen, 't is God zelf die steeds +in herhalingen vervalt, maakte alweer een lange gouden streep op +'t water en scheen op onze gelaten. + +Aan den gezichtseinder voer een sleepboot en rees en daalde; als-i +daalde zag je enkel de stoompijp. + +Bekker zou den volgenden dag naar Duitschland gaan. Door zijn groote +talenkennis had-i een betrekking gekregen als correspondent op een +fabriek. En Hoyer ging naar Parijs, schilderen. + +Bekker vooral was weer erg weemoedig. Hij wou dat-i dat baantje +maar niet aangenomen had. Hij begreep niet goed meer waarom-i 't +gedaan had. Twee uur was-i in dat ellendige fabrieksstadje geweest +om zich voor te stellen. Ziek was-i er geworden, heimwee had-i er +gekregen. Zoo gauw mogelijk was-i naar 't station gevlucht. Daar lagen +gelukkig de rails nog, onafzienbaar, recht, tot aan den horizon, de +weg naar Amsterdam. En zijn biljet had-i voor den dag gehaald. En er +had nog duidelijk opgestaan: "nach Amsterdam". En op tijd was de trein +gekomen en had 'm over de rails naar huis gereden. En toen-i aan 't +Centraal station was afgestapt, toen had-i in de volheid zijns gemoeds +een praatje gemaakt met den machinist en hem een sigaar gegeven, +een dure, en even de locomotief met z'n hand aangeraakt en gedacht: +"aai locomotief". En toch had-i dat baantje aangenomen. 't Gaf een boel +meer dan-i hier verdiende. En nu moest-i weg en zou den Ringdijk niet +meer zien. En al dien tijd zouden die rails daar liggen, maar hij zou +hoogstens daarginds op 't perron kunnen staan en er naar kijken en de +treinen zien vertrekken, 's avonds, en 's Zondags den geheelen dag, +vele malen. + +Nu was de zon lager en rood, de gouden streep was weg. 't Was een +warme, stille avond. Het roode water rimpelde wat, de branding rolde +langzaam en ruischte maar zacht. + +Bekker had een theorie, dat-i zou sparen en terugkomen en op de hei +gaan wonen. Maar hij geloofde er zelf niet aan in zijn hart. En wij +probeerden 't te gelooven, zelfs Hoyer probeerde 't en wij overtuigden +ons zelf dat 't zoo gaan zou, maar wij geloofden 't niet. En 't is +ook zoo niet gegaan. Na een jaar is Bekker teruggekomen. Hij had een +paar honderd gulden overgehouden en liep weer iederen morgen om half +negen in de Linnaeusstraat met z'n brood in een zeiltje. Een mensch +heeft veel noodig. + +Maar dien avond dachten wij niet aan zeiltjes met brood. Wij deden erg +ons best om te gelooven, dat wij er nog heel wat van terecht zouden +brengen. Verbazen zouden wij de wereld, zoo kalm en onaanzienlijk +als wij daar zaten met opgetrokken beenen en onze acht handen om +onze knieën. Hoyer had zich voorgenomen allerlei gemeene dingen te +schilderen. In een tijdschrift had-i een artikel gelezen over de +sociale taak van den kunstenaar, hij was er nu achter. Hij begon een +dispuut met Bekker over de hei. Het was mirakel geleerd. Hij probeerde +Bekker te overtuigen, dat 't verkeerd was zich af te zonderen van +de wereld en naar die hei te gaan, waar-i toch nooit naar toe zou +gaan. Een kunstenaar behoort te staan midden in 't moderne leven. + +Van mij wilde Hoyer weten hoe ik er over dacht. Ik zei maar, dat ik +er nooit over gedacht had. Ik begreep ook niet wat-i wilde, hij wist +'t immers, waarom moest-i nu nog weten hoe ik er over dacht. + +Alleen Bavink zei niets, hij zat met z'n kin op z'n knieën en ontving +de zon in z'n hart. De zon was nu zoo plat als een suikerboon en dof +rood, hij was bijna weg. + +Hoyer kon er niet bij blijven zitten. Hij sprong op en nam Bekker +mee. Zij wandelden langs 't strand, in de verte hoorde we Hoyer +schreeuwen, blijkbaar wond-i zich op. Bavink en ik bleven nog even +zitten, toen drentelden wij zachtjes achter hen aan. 't Leek me niets +leuk een levensbeschouwing te hebben, Hoyer schreeuwde zoo. + +Bavink en ik stonden stil en keken naar de punten van onze schoenen +en naar 't aanrollen van de verloopende golven. De zon was weg, de +roode schijn op 't water begon te verbleken, in 't zuiden klom een +blauwige duisternis. Er was een geur van modder. In de verte, bij +'t dorp, gingen plotseling de booglampen aan bij 't strand. + +"Begrijp jij dat," vroeg Bavink, "van die sociale taak?" + +Ik haalde m'n schouders op. "Wat zou dat voor 'n vent zijn, die +dat artikel geschreven heeft? Heb jij verantwoordelijkheidsgevoel, +Koekebakker?" Daar had Hoyer 't ook over gehad. + +"Hoyer praat machtig mooi," zei Bavink. "Machtig mooi. Ik heb geen +verantwoordelijkheidsgevoel. Ik kan me daar niet mee ophouden. Ik moet +schilderen. Een lolletje is 't niet. Wat zei-di ook weer?" "Wie?" vroeg +ik. "Die vent in dat boek, wat zei-di ook weer dat kunstenaars +waren?" "Gebenedijden, Bavink." "Weet je wat ik denk, Koekebakker? Dat +'t dezelfde vent is, die de spoorboekjes gemaakt heeft. Daar heb ik +ook nooit iets van begrepen, hoe iemand dat kon. Gebenedijden... God +is overal? Of niet, Koekebakker? Dat zeggen ze toch?" + +Ik knikte. De duisternis begon nu overal uit 't water te klimmen, +in 't noordwesten hield de kim nog wat gelige en groenige gloed, +boven onze hoofden trok 't laatste licht weg. Wolken waren er niet. + +"Dus hij is overal," zei Bavink. "Daar en daar en daar." Met +uitgestrekte arm wees hij om ons heen. "En daar achter die zee, in +'t land dat wij niet zien. En daar, bij Driehuis, waar de booglampen +staan. En in de Kalverstraat. Ga eens met je rug naar 't water staan +en luister. Kan jij eruit blijven?" + +"Waaruit?" + +"Uit die zee?" Ik knikte van ja, dat kon ik best. + +"Ik nauwelijks," zei Bavink. "'t Is zoo raar dat weemoedige geluid +achter je. 't Is net of zoo'n zee wat van me wil. Daarin is God +ook, God roept. 't Is waarachtig geen lolletje, overal is-i. En +overal roept-i Bavink. Je wordt mal van je eigen naam, als-i zoo +dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moet +God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink "God." En +zoo blijven ze mekaar roepen. Voor God is 't een spelletje, die is +oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar éen dom +hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje te +gelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en +verf. Dan is God overal, behalve waar Bavink 'm hebben wil. En dan +komt er een vent en schrijft dat Bavink gebenedijd is. En Hoyer leert +dat uit z'n hoofd en loopt er over te zwetsen tegen Bekker. Zeg wel +gebenedijd. Weet je wat ik wou? Dat ik spoorwegboekjes kon maken. Zoo'n +vent laat God met vrede, die is 'm de moeite niet waard." + +Ik presenteerde Bavink een sigaar en stelde voor naar Driehuis te +gaan. Ik had trek in koffie. Ik vond het niet mooi van Bavink een +verdienstelijk heer zoo te kleineeren. Achter ons aan kwamen Hoyer +en Bekker terug en hadden 't nog erg druk. + +Om elf uur stonden we dien avond nog weer aan 't strand in de nacht. Er +was wat wind komen opzetten, de golven ruischten. Een weinig drank +had de weemoed en de somberheid verdreven. Een nieuwe tijd zou +aanbreken. Bekker zou in de eenzaamheid van zijn Duitsche kosthuis +Dante vertalen, zooals nog nooit iemand 't gedaan had. Bavink had een +groot doek in z'n hoofd, een gezicht op Rhenen, hij was daar eens een +dag geweest, duidelijk zag hij alles voor zich. En Hoyer ging werken +aan z'n sociale taak; ze zouden er van opkijken. En ik probeerde +'t allemaal te gelooven. + +De koele wind woei om ons heen. De zee ruischte klagend, de zee, die +klaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan 't land. Mijn +gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen. + +Een nieuwe tijd zou aanbreken, nog konden wij groote dingen tot stand +brengen. Ik deed mijn best 't te gelooven, héél erg mijn best. + + + + +VIII. + + +In Rhenen stond ik in de schemering op de brug over den spoorweg +en keek naar 't Noorden. In de diepte lag de spoorlijn tot den +gezichtseinder, aan beide zijden er van rees de berg steil op, begroeid +met lichtgroen gras en donkergroene brem vol gele bloemen. Ik keek +er naar hoe de bergwanden geleidelijk lager werden, tot ze, heel ver, +overgingen in de vlakte. + +Weer begon de duisternis geheimzinnig naar boven te kruipen uit de +aarde, zooals ik dat zoo dikwijls gezien had. Bevreesd en bangelijk lag +'t laatste licht van den dag op den berg, de spleet was vol duisternis, +een rood licht was opgetrokken aan een paal aan de spoorlijn. De lucht +was wat grijs beslagen en keek kleurloos neer op den verslagen dag. + +Zes jaar was ik weggeweest en nu stond ik daar, pas in Holland terug, +op de plaats waaraan ik zoo vaak had gedacht, waarover ze mij in bijna +iederen brief hadden geschreven. (Bavink schreef me ieder jaar zeker +wel twee keer en Bekker wat vaker), op den berg waarvan Bavink mij +in den loop van den tijd zeven teekeningetjes had gestuurd en waarop +Bekker twee heel kleine versjes had gemaakt. + +Naar Holland was ik gekomen om armoe te lijden en artikeltjes en +verhaaltjes te schrijven in 't buurtje waar ik zoo lang gewoond had. En +mijn laatste twee rijksdaalders wilde ik verteren in de stad die in +mijn afwezigheid een korte poos de hoofdstad der wereld was geweest. + +In 't Noorden verslond de duisternis 't licht mateloos, nu was de +berg weldra verzwolgen, 't laatste geleide van den dag vluchtte in +'t Noordwesten overhaast en ik stond op 't bruggetje aan 't niet, +omspoeld door de oneindigheid. + +Ik legde mijn elboog op de leuning en hield m'n kin met m'n hand +vast en keek in de duisternis en dacht aan de platte roode zon, +die, lang geleden, in de groene golven van den Atlantischen oceaan +was ondergegaan, de golven die opliepen met scherpe randen en holle +flanken en vielen en opliepen en nu nog oploopen en vallen. En aan +de gele lichten in de armelijke buurtwinkeltjes in Amsterdam, die +ik nu spoedig weer zou zien en die iederen avond hadden geschenen, +terwijl de oceaan golfde. + +En de vage verwachtingen van vroeger stegen weer in mij op en het +verlangen, zonder te weten waarnaar. + +Doch er kwam een gevoel bij, dat ik vroeger niet gekend had. Voorbij +waren al die dagen gegaan en voorbij zouden nog vele dagen gaan, +en al die dagen zouden mijn verwachtingen onvervuld blijven en mijn +verlangens onbevredigd. Jaren had Bavink met tusschenpoozen gewerkt +aan zijn gezicht op Rhenen, aan de rivier, den berg, den Cuneratoren, +de bloeiende appelboomen, de roode daken van 't stadje, de kastanjes +met hun witte en roode bloemen en de bruine beuken tusschen de huizen +in de hoogte, en 't molentje ergens op den berg. Jaren had Bekker in +'t villaatje op den berg, dat Bavink gehuurd had, iederen Zondag +Dante vertaald en gedichtjes geschreven soms, jaren had ik over de +wereld gezworven. En wat was er nu nog gebeurd? Wat beteekende dat +alles voor de wereld, voor God, voor ons zelf? + +Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, en +mijn hart had naar de verte getrokken en naar de roode luchten in 't +westen. Doch al had ik van den toren kunnen vliegen naar de verten, dan +zou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden +en opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben. En wat baat +mij de wijsheid, die mij leert dat 't niet anders kan en zoo blijven +zal in eeuwigheid? + +Iederen dag hadden wij verlangd zonder te weten waarnaar. En eentonig +was 't geworden. Eentonig werd 't opgaan van de zon en 't ondergaan en +'t schijnen van de zon in 't water en 't schuiven der witte wolken. En +ook de donkere luchten werden eentonig, en 't bruin en geel worden +van de bladen, en de bladerlooze kruinen en de armoedige drassige +weilanden in den winter, al die dingen die ik zoo vaak gezien had +en waaraan ik zoo vaak had gedacht in mijn afwezigheid en die ik zoo +vaak weer zou zien, als ik niet stierf. Wie kan z'n leven doorbrengen +met te kijken naar al deze dingen, die zich steeds herhalen, wie kan +blijven verlangen naar niets? Hopen op een God die er niet is? + +En nu bloeiden weer de brem en de seringen en de appelboomen en de +kastanjes en de zon had al weer fel gebrand. En vol ontroering had +ik dit alles weergezien. + +En terwijl ik daaraan dacht, weken de vage verwachtingen en verlangens. + +God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen +staan er vol schoone bloemen, die niet sterven en statige vrouwen +wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en +schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindelooze gebied is eindeloos +'t zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er +door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht +naar de zee. + +En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk +en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie +'t water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende. + +En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de +schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor de +wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid, +dat dit alles bestaat, omdat ik 't zoo verkies te denken. En ik ben +dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan +en voel mij God, de oneindigheid zelf. + +Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid. + + + +Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen. + + + + +IX. + + +Toen ik den volgenden ochtend tegen negenen in Amsterdam aankwam en op +'t plein voor 't Centraalstation stond, zag ik allerlei electrische +trammen die ik daar nog nooit gezien had en huurauto's en agenten van +politie met petten op inplaats van helmen. Maar 't Damrak hadden ze nog +niet gedempt, ik zag de achterkanten van de huizen van de Warmoesstraat +weer vlak aan 't water staan en den toren van de Oudekerk aan 't eind +er boven uit. Dat was dus nog in orde. + +En daar liepen ook weer diezelfde nette heeren, wier haar altijd even +netjes zit, die nooit een kreukel in hun jas of een spatje modder +op hun schoenen hebben. En ze zagen er weer uit als of ze 't nog +altijd enorm goed wisten, en vonden dat ze vrijwel geslaagd waren in +'t leven. En vriendelijk en beleefd waren ze weer tegen elkaar. Hun +kleeding was een kleinigheid anders dan een jaar of wat geleden, maar +nog even degelijk. En je kon zien dat zij nog altijd met alles in +'t reine waren. Een jas was nog altijd een jas en een vest een vest, +en een fatsoenlijke vrouw een fatsoenlijke vrouw en een meid een +meid. Het kwam allemaal nog precies uit. Ook wisten ze nog precies +wie en wat beneden hun stand was; ik twijfelde er niet aan. En ook +'t Rokin zou wel gedempt komen als ze er aan toe waren. + +Met lijn twee reed ik over de Nieuwezijds Voorburgwal. Het was maar +goed dat ze die gedempt hadden lang geleden, anders had de tram daar +allicht niet kunnen rijden en je kon nu ook overal makkelijk van den +eenen kant naar den anderen oversteken. + +Met lijn twee, de lijn bij uitnemendheid der nette en gewichtige +heeren. Een paar vreeselijk gewichtige heeren waren in de tram, niets +was ik daarbij. Vroolijk scheen het zonnetje op den Voorburgwal, +'t groen der boompjes was nog wat licht en ik zag dat de schaduw van +de Nieuwe kerk den overkant der straat niet raakte, lang niet. En +ik herinnerde me, dat ik jaren geleden, ook in 't laatst van Mei +dezelfde schaduw precies zoo gezien had. En dat ik op een zonnigen +winterdag, toen over de Voorburgwal nog geen tram reed, door de +schaduw van die kerk geloopen had, die toen de heele breedte van de +straat bedekte. Nu raakte hij de rails niet, de tram reed in de zon +voorbij de kerk. En over enkele maanden zou dezelfde wagen (hij was +nog heel nieuw) op dezelfde plaats door die schaduw rijden. En toen +ik weer naar die twee vreeselijk gewichtige heeren keek vond ik, +dat al dien tijd dat Rhenen de hoofdstad der wereld geweest was, +er eigenlijk al heel weinig in die wereld veranderd was. + +En ik dacht, wanneer die twee heeren dood zouden gaan en naakt zouden +aankomen voor de rechtbank des Heeren, en hier vergeten zouden zijn. En +dat er vreeselijk gewichtige heeren na hen zouden komen. En of ze hun +stomme aplomb zouden bewaren, als ze daar boven zouden aankomen zonder +hun gepoetste schoenen? En hoe 't gaan zou met die nette scheidingen +in hun haar? En of ze dan zouden uitkomen met hun stupide vertoon van +meerderheid, of er niet een kleinigheid op die gezichten te lezen zou +zijn, als ze daar die andere, nog gewichtiger heeren zouden ontmoeten, +die ze zooveel jaren hadden hooggeacht, ook naakt? + +En hoeveel idealistische jongelingen in dien tijd opstellen geschreven +en gedichtjes en schilderijtjes gemaakt en zich opgewonden en gedweept +zouden hebben. En gezoend. En daarna ook gewichtig zouden zijn geworden +misschien, en ook vergeten. + +Toen kwam er een meisje met een viool in de tram en keek met haar +zwarte oogjes naar de puntjes van haar schoentjes, en ik keek naar +de ronding van haar zomermanteltje en vergat die nette heeren. + + + + +X. + + +Hoyer vond ik thuis. Hij woonde heel netjes in een straatje van +den tweeden rang, achter 't Concertgebouw. Hij ontving me in een +zitkamer, waar ik niet durfde loopen, er lag zoo'n duur kleed. Zijn +gordijnen waren van pluche, z'n stoelen bekleed met geel moquette, +op den schoorsteen stond een zwarte pendule met candelabres en ik +meen dat ik ook nog ergens een bronzen paard heb gezien, allemaal +dingen uit dure bazars. Goed zitten durfde ik ook niet, ik zat al +dien tijd op de punt van een stoei, maar ik geloof niet, dat Hoyer +daar iets van gesnapt heeft. + +Hoyer had kolossaal geboft. Ze hadden de ouwe stomme streek uitgehaald +een naaktfiguur van hem te weigeren. De Wellust had hij de dame +genoemd en ze was inderdaad, laat ik maar zeggen, omdat ik voor een +fatsoenlijk tijdschrift schrijf "heel lief." En nu woonde Hoyer heel +duur op gemeubileerde kamers, bij een nette weduwe met drie namen, +waar ook een vrouwelijke advocaat in huis was en een assistent-resident +met verlof, met vrouw en kind. En hij at buitenshuis, want de weduwe +was veel te net om voor eten te zorgen. Schoenen poetsen was extra. + +En ik zat al dien tijd op de punt van mijn stoel en keek naar +de gedraaide poot van de tafel en naar de vergulde lijst van den +spiegel. Het was erg vervelend. Ik moest natuurlijk vertellen van +mijn reis, maar ik wist niet wat, ik hoorde mezelf praten en luisterde +als een daas naar mijn eigen geluid. Er was een naargeestig licht in +de kamer, ik denk dat de weduwe bang was voor inkijken. Ik wou dat +ik maar weg was en keek langs de drie muren, die ik zien kon zonder +al te veel te draaien, maar ze weken niet en ik kon er niet doorheen +zien. Ik keek naar de deur, ik kon er mijn oogen niet van afhouden, +hulpeloos zat ik daar te staren. De deur trok. Vage visioenen had ik +van de Cunera, van den hoek van den Grebbeberg met de rivier en van +'t zonnige plein voor 't Centraalstation en de blinkende wijzerplaat +van de Oudekerk en daar doorheen zag ik de geschilderde vlammen van +'t nagemaakte eikenhout van die deur. En onderwijl ging iemand door met +praten, o ja, dat was Hoyer. En nu antwoordde ik zelf, of eigenlijk ik +zelf niet, maar mijn tong bewoog toch en er kwam geluid uit m'n mond, +ik hoorde 't duidelijk. + +Niets merkte Hoyer. Z'n atelier was boven. Of hij me maar even +voor mocht gaan. Wezenloos liep ik achter 'm aan "Dit is zeker +'t privaat?" Ik dacht dat 't hoorde zoo iets te zeggen, als een +heer je z'n huis liet zien. Niets merkte Hoyer: "Nee, dat is een +kast" zeide-i. En ik dacht, waarom zegt-i niet: "Pardon, dat is een +kast." Dat zoud-i zeker later zeggen, over een jaar of zoo. + +De gangetjes waren nauw, de loopertjes smal, de trapjes naar rato, +met dunne spijltjes, een beetje gedraaid, maar alles was netjes, +keurig netjes, dat moest ik zeggen. Nog merkte Hoyer niets. + +Daar boven knapte ik wat op, daar was ten minste licht, 't bekende +licht van 't atelier. De ezel was leeg. Er stond een dure stoel, +een clubstoel waar ik in wegzakte, nog nooit had ik in zoo'n stoel +gezeten. Hoyer schilderde tegenwoordig portretten, dames en heeren, +allemaal netjes aangekleed. Hij liet me ook een pas begonnen portret +van de vrouwelijke advocaat zien. Zij was nu op reis. Eerst had +Hoyer z'n atelier buitenshuis gehad, maar de advocate had "mevrouw" +overgehaald toe te staan, dat een deel van de zolder voor atelier werd +vertimmerd. Dat overhalen had eenige moeite gekost en was pas gelukt, +toen de weduwe had gehoord, dat Hoyer het portret zou schilderen van +een juffrouw van den Willemsparkweg met winterhoed, boa en mof. En +de rest van haar kleeren natuurlijk. En dat hij voorgedragen was als +lid van "Arti". + +Of Bavink wel eens hier kwam? Nooit, hij was er nog niet geweest. En +of hij nog wel eens iets van Kees had gehoord? Ja, Bavink had hem een +tijdje geleden op straat gesproken. Drie of vier betrekkingen had Kees +in een paar jaar versleten en daar tusschendoor was hij lange tijden +werkeloos geweest. Z'n vader had eindelijk een betrekkinkje voor +'m gevonden bij de gasfabriek. + +"Hij loopt nu met een uniformpet op met drie kruisjes en G. G. boven +z'n voorhoofd en een boekje onder z'n arm. En een vent bij 'm met +een zwarte zak." Bavink had 't een heel gezicht gevonden. Hij moet +de halve stuivers uit de muntmeters halen en de andere vent moet die +dragen in dien zak. En als ze de halve stuivers uit de meter hebben +gehaald, dan moet Kees vragen of de juffrouw die halve stuivers weer +in wil wisselen. Hij klaagde dat-i zoo weinig verdiende. Bavink was +een eindje met 'm mee gegaan, hij had nog nooit naast zoo iemand +geloopen. Maar 't had hem gauw verveeld. Hij deed 't nooit weer. + +Ik tuurde naar 't Bokharakleedje, dat voor den clubstoel lag en +zag heel duidelijk de verlaten keien van de Linnaeusstraat en den +hardsteenen trottoirband en de voeg, waar twee stukken daarvan tegen +elkaar gezet waren en de klinkertjes van 't trottoir. En ik zag ons +daar zitten in de zomernacht. Bavink en Bekker en Kees en Hoyer en +mijzelf. Ik zag dat de keien en 't stof nat waren, de sproeiwagen +was er over heen gegaan, ergens lag een nat stuk krant. En ik hoorde +Hoyer zeggen, dat-i opstond, want dat die blauwe steen zoo optrok. En +nu hoorde ik weer diezelfde stem, maar wat beschaafder, met wat meer +modulatie: "Je zult me excuseeren, Koekebakker, om elf uur heb ik +een conferentie." + +Buiten scheen de lentezon in de troostelooze straat. Mijn God, hoe +kon zoo'n straat bestaan. 't Meisje in de tram had ik vast niet mogen +zoenen, maar zoo'n straat mocht bestaan. Dat mocht. + + + + +XI. + + +Op een van de grachten was 't. Ik stond op de stoep en las: +"P. Bekker, Agentuur en Commissiehandel." Ik schelde en wachtte. 't +Duurde nog al lang. Toen ging de bovenste helft van de deur open en +ik zag een jongmensch met een vierkant hoofd. "Is m'nheer Bekker op +kantoor?" Raar klonk dat. En terwijl 't jonge mensch met eenige moeite +de onderdeur open maakte, herinnerde ik me hoe vroeger de straatdeur +werd opengetrokken zonder dat je iemand zag en dat ik dan riep "Hallo +Bekker!" "Is mijnheer op kantoor?" Er was iemand bij mijnheer. + +In den marmeren gang stond een groote rol loopergoed. "Wie kan ik +zeggen dat er is?" "Koekebakker." "Wilt u mij maar volgen?" 't Jonge +mensch ging mij voor, een smalle trap op, die ettelijke malen draaide. + +Boven, aan 't eind van een nauwen donkeren gang stond hij stil. In +'t schemerige licht kon ik nog net even 't woord "Monsterkamer" +lezen. "Moet ik hier zijn vriend?" vroeg ik en wees naar dat woord. Ik +zag dat de vriend mij een rare vond. "Dat staat er nog van vroeger, +mijnheer." Hij klopte. + +Ik hoorde Bekkers stem die "Ja", riep. De vriend ging naar binnen, +de deur ging weer dicht en daar stond ik. + +Of ik zoo goed wilde zijn hier even te wachten. Ik werd in een klein +achterkantoortje gelaten met een uitzicht op een blinden muur. Aan +den zolder hing een zware rol pakpapier aan een spil, een eind papier +hing naar beneden boven een groote, leege paktafel. 't Jongmensch +ging aan een lessenaartje zitten, dat tegen 't raam stond en begon te +tikken op een schrijfmachine met z'n rug naar me toe. Ik zag 't stuk +papier hangen, ik zag dat 't schuin was afgescheurd, ik keek op den +breeden bollen rug en de bonkige schouders van den kantoorbediende en +naar den blinden muur. Een van de baksteenen was kapot en van binnen +donkerrood; dat brok steen was 't mooiste dat ik zag. + +De bediende tikte maar, God weet wat-i tikte. Als-i even ophield, +hoorde ik de stemmen van twee menschen door de gesloten deur, +ik herkende 't geluid van Bekker, maar de woorden verstond ik +niet. Twintig minuten zat ik daar te sterven. "Per me si va nella +città dolente." + +Toen ging de deur open en Bekker verscheen. Hij was zenuwachtig +en verlegen. Hoe het mij ging. Ik zag er goed uit. Het speet hem +vreeselijk. Hij had een klant over uit Bordeaux. Die mijnheer was +speciaal overgekomen om met hem te spreken. Hij geloofde niet, dat +hij hem voor vanavond laat kwijt zou raken... "Je begrijpt--kerel +wat zie je d'r toch goed uit. Kom je nu van Algiers?" Ik begreep +'t volkomen. Ja, ik kwam van Algiers. "Waar logeer je, als 't kan, +kom ik vanavond om 9 uur bij je." Ik logeerde nergens, mijn geld +was op, maar dat kun je toch niet zeggen op een kantoor, waar een +vreemde bij is. Ik zei maar dat ik 't nog niet wist, ik kwam nog +wel eens aan. "Ik hoop dat je 't dan beter treft." Ik wist dat-i +dat zeggen zou. D'r zijn zoo van die gesprekken onder nette lui, +waarbij je heelemaal niet hoeft te luisteren. + +Hij bracht me tot de straatdeur. Hij vond 't verdomd beroerd. Ik keek +naar 't bordje, "P. Bekker, Agentuur en commissiehandel" en toen naar +z'n oogen. + +En toen zag ik dat ook hij plotseling weer die koe hoorde loeien, +die tien jaar geleden geloeid had in de schemering, de koe die je +hoorde en niet zag. + +Wij gaven elkaar de hand. "Per me si va tra la perduta gente, +Koekebakker." Hij hield mijn hand nog vast en legde z'n andere hand +op m'n schouder. "Zeg eens, als je geld noodig hebt?" + +Ik ging de stoep af, de klant stond voor 't raam met z'n handen in z'n +zijden, de beenen van elkaar en keek naar buiten. Rijk en welverzorgd +zag hij er uit. Ik nam eerbiedig mijn hoed voor 'm af en hij groette +terug, beleefd en minzaam. + + + + +XII. + + +Ik kom nu zoo gaandeweg tot 't einde. Goddank, zal hier of daar iemand +zeggen. Och, ik wist vooruit dat 't op niet veel zou uitloopen. Waar +loopt tegenwoordig 't leven van een Amsterdammer op uit? In mijn +jongenstijd heb ik vaak genoeg gewenscht, dat er nu eindelijk eens +iets zou gebeuren. Maar er gebeurde nooit iets. Zelfs verhuisd zijn +we nooit. En later.... + +Alleen Hoyer weet waar de boel op uitloopt. Hij heeft wat geërfd en zit +flink in de duiten. Hij is lid van de S. D. A. P. en leest "Het Volk". + +'s Avonds zit-i op 't Leesmuseum en leest 't Berliner +Tageblatt. Schilderen doet-i niet meer. Hij weet ook waarom hij niet +meer schildert: wij zijn in een tijd van verval. Een nieuwe kunst is +in opkomst. Daar wacht-i zeker op. Hij brengt ondertusschen Kunst aan +het Volk, hoe, dat weet ik niet. Een metselaar heeft hem eens gevraagd, +"wat-i voor die smoessies kocht." Ook daarvoor had Hoyer een verklaring +"Wij sociaal democraten weten maar al te goed----" + +Hij zegt een boel dingen, die erg waar zijn en als je denkt, "nou wordt +'t interessant", dan gaat-i niet verder. Op een middag in "Polen", +sprak-i heel veel over "proletarisch sentiment" en "burgerlijke +ideologieën." Ik luisterde maar naar 'm. Eén keer heb ik tegen 'm +gezegd: "'t Is toch mooi dat je alles zoo zeker weten kunt." + +Hij ging daar direct op in en ik kon in een half uur niet meer aan 't +woord komen. En 't is inderdaad heel mooi voor iemand die zijn heele +leven lang te doen heeft wat een ander 'm commandeert, zonder dat-i er +zelf veel van snapt en voortdurend wordt gesnauwd en altijd margarine +moet eten en in de benauwde luchten wonen. Als ik maar een beetje +twijfelen mocht, dan zou ik ook wel lid van de S. D. A. P. worden. Eén +geluk: de menschen, die altijd in de benauwde luchten verkeeren, +hebben me niet noodig. En misschien zou 't zonder Hoyer ook nog wel +gaan. 'k Zal toch eens informeeren of 't mag, dat twijfelen. + +Met den agentuur en commissiehandel is 't slecht gegaan. Die +commissiehandel was heelemaal larie, dat had Bekker er maar bij laten +zetten omdat 't goed stond. En iemand die Dante vertaald heeft en +gedichtjes gemaakt, al zijn 't er maar dertien, die moet geen agent +van binnen- en buitenlandsche huizen worden. Op een regenachtigen +Decemberdag, toen de lantaarns op de gracht werden opgestoken, vond +ik Bekker scheef aan z'n lessenaar zitten met z'n hand onder z'n +hoofd. De kamer was half donker. Hij bewoog niet. Ik stak 't gas op. De +prullemand stond achter 'm en daarin lag al z'n post van drie dagen, +ongeopend. Met z'n elleboog hat-i de heele rommel erin geschoven, +opzettelijk, zonder er naar te kijken. Z'n bediende hat-i maanden +geleden gedaan gegeven, de telefoon hadden ze weggenomen. Daar +zat-i. Aan de muur hing een lijst met afvaarten van stoombooten, +waarvan de laatste al weer lang was binnengekomen en na dien tijd weer +uitgevaren, herhaalde malen. En op den schoorsteen stond een dik boek, +een prachtuitgave van de Divina Commedia. + +Buiten stonden de lantaarns te branden, bleek en vreemd in 't laatste +daglicht, als een wonderlijke vergissing, zooals ze zoo dikwijls +gestaan hadden. Een wonderlijke vergissing leek alles. + +Nu zit Bekker weer ergens op een kantoortje. Hij heeft een goeie baas, +die hem respecteert, omdat hij Dante vertaald heeft. Op mooie dagen +stuurt-i Bekker 's middags weg, dan mag-i een beetje in 't zonnetje +wandelen. + +Aan den drank is Bekker niet gegaan. Hij lost schaakproblemen op of +slaapt. Een voorstelling van de toekomst heeft-i niet. Hij verlangt +zelfs niet naar zes uur. Dat geeft toch niets. Z'n tractement beurt-i +met een weemoedig welbehagen, met weemoedig welbehagen koopt-i er +dassen en schoenen voor. Z'n kleeren zijn netjes geborsteld. Bij +tijden is hij een weinig ingenomen met zichzelf, om dat-i vroeger +"een geestelijk leven geleid heeft." + +Hij ziet nog weleens een schilderijtje. Onlangs kwam ik hem nog +eens tegen. Toen had-i 't over de intocht van de koningin, dat +schilderijtje van Eerelman, waar 't woord "Odol" zoo natuurlijk op +geschilderd staat. Hij vroeg of 't niet een mooi schilderij was om +in een deftige apotheek op te hangen. + +Kees loopt nog altijd voor de gasfabriek en verkeert in de benauwde +luchten, waar ik 't zoo even ook over gehad heb. Hij weet niet waar +'t volgende kind zal moeten slapen. De kinderen zijn nu nog klein, +maar over een jaar of wat kibbelen ze 's morgens bij die ééne kraan +en dat ééne privaat, zooals dat altijd in district III gegaan is. Hij +tobt met wat Hoyer noemt: "'t Chronische tekort in 't huishouden van +den werkman," en koopt alleen 's Zaterdagsavonds sigaren. 's Zondags +moet-i de kinderen verbieden. Hij moppert dat-i 't zooveel beter had +kunnen hebben, als-i eerder naar z'n vader geluisterd had. + +Z'n vrouw is goed voor 'm. Midden in de week heeft-i een schoone +zakdoek. Maar ze zal de lusten niet opwekken van iemand, die niet +aan haar gewend is, zooals Kees. Zes jaar geleden was dat anders. + +En op zolder bij z'n vader, waar vroeger z'n hok was, daar hangen nu +de onderlijfjes van z'n zusters te droogen. + + + + +XIII. + + +En Bavink? + +Bavink heeft 't tegen die "Godverdomde dingen" afgelegd. Die dingen die +geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: "dan moet 't ook maar +gebeuren," dan wilden ze weer niet. Hij begon wat opgang te maken, +toen de strijd al op 't eind liep. + +Twee maanden na mijn terugkomst kwam-i me heel kalm vertellen, +dat-i zijn gezicht op Rhenen in stukken had gesneden. En zoo was +'t. De rivier, den berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de +roode daken van Rhenen, de kastanjes met hun witte en roode bloemen, +de bruine beuken en 't molentje ergens in de hoogte, 64 gelijke, +rechthoekige brokken van 15 bij 12-1/2 centimeter hat-i er van +gesneden, met een bot knipmes. Een heel werk was 't geweest. + +'t Ding had 'm geërgerd. 't Was niks, totaal niks, vodden. Hij wou van +mij weten, waarom iemand schilderde. Hij begreep zelf niets meer. Hij +stak z'n arm uit en wees in de ruimte. Dààr waren de dingen. Hij sloeg +met z'n vuist tegen z'n voorhoofd. En daar waren ze. Er uit wilden ze, +maar ze deden 't niet. Stapelgek werd je ervan. + +Bijna een jaar daarna vond ik hem aan 't Centraalstation aan de +Parijzer trein van 8 uur. Hij bracht een of anderen kennis weg, een +haarboer met lange zwarte lokken en heel veel baard, meer haar dan +mensch, en een hoog voorhoofd met niets er achter. De ondergaande zon +stond te schijnen, groot en rood, aan 't eind van de kap stond-i, +er was een rossig schijnsel in de ruiten en 't vernis van de +spoorwagens. Bavink was dronken. De trein vertrok, schoof onder de +kap vandaan en boog even om naar links. Bij 't ombuigen flikkerde +'t licht fel op de wagens. + +Wij wandelden naar 't eind van 't perron. Een man met een seinlicht +kwamen wij tegen, ik zag, dat hij in 't voorbijloopen naar een +conducteur keek, die daar stond bij een anderen trein en een beweging +maakte van drinken met de hand aan den mond. + +Wij stonden stil buiten de kap en keken naar de zon. "Zie je die +zon, Koekebakker?" De zon was bijzonder duidelijk, hij stond recht +voor ons uit en dicht bij, zoo groot en zoo rood was-i nog nooit +geweest. Hij raakte bijna de rails van den spoorweg, hij maakte geen +flikkeringen meer op de dingen, en alleen in de matglazen ruiten van +den locomotievenstal, rechts van den spoorweg, was een dof schijnsel. + +"Je denkt dat ik dronken ben?" Dat dacht ik inderdaad. "Het maakt +geen verschil, Koekebakker, als ik nuchter ben, begrijp ik er toch +ook niks van." + +"Begrijp jij wat die zon van mij wil? Vier en dertig ondergaande +zonnen heb ik tegen de muur staan, achter elkaar, omgekeerd. En toch +staat-i daar weer iederen avond." + +"Als er geen wolken zijn," zei ik. Maar hij liet zich niet afleiden. + +"Koekebakker jij bent altijd mijn beste vrind geweest. Ik ken jou +al--hoe lang al?" + +"Omtrent dertien jaar Bavink." "Dertien jaar. Dat is lang. Weet je +wat jij doen moet? Doe me een lol. Heb je een hoedendoos?" + +Ik zweeg. + +"Doe 'm in een hoedendoos, Koekebakker. In een hoedendoos. Ik wil +met vrede gelaten worden. Doe 'm in een hoedendoos, in een ordinaire +hoedendoos. Hij verdient niet beter." + +Bavink griende dronkemanstranen. Ik keek hulpeloos rond. Een heer in +een uniformjas en met gele biezen om z'n pet kwam op ons af en sprak +mij aan. + +"Ik geloof mijnheer, dat u beter doet, als u dezen heer naar huis +brengt." + +Ik salueerde en gaf Bavink een arm. Hij ging gewillig mee. In de +huurauto viel-i in slaap. Op de Nieuwe Zijds-Voorburgwal werd-i even +wakker toen wij door een kuil reden en wilde weer over die hoedendoos +beginnen. Maar meteen viel-i weer in slaap. + +Op een morgen zat-i wezenloos te staren voor z'n laatste +zonsondergang. Ik kwam op z'n hok met Hoyer. Hij herkende ons +niet. Hij keek maar naar die zon, een groote, koude, roode zon, +die in wolken onderging. + +"Hij kijkt me maar aan, wij begrijpen geen van beiden wat we van +elkaar moeten." Verder kwam-i niet. + +Hij is nu in een gesticht voor zenuwpatienten. Hij is heel rustig. Hij +kijkt maar naar boven, naar de lucht of tuurt naar den horizon of +zit in de zon te staren tot z'n oogen pijn doen. Dat mag-i niet, +maar ze kunnen niets met 'm beginnen. Aan 't praten kunnen ze 'm niet +krijgen. Z'n schilderijen doen tegenwoordig aardige prijzen. + +En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijft +maar, ontvangt z'n schamel loon en geeft geen ergernis. + +Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af +en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat +ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine +rotsblokjes op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dan +de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt: +"Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan +die mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en dat +ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar." En zoo +gaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom? + + + + + + +EEN WOORD NA. + + +Voor hen die gaarne weten hoe het met de liefde gesteld is, wil ik +nog mededeelen, dat Dichtertje's Dora ontstaan is uit de idealisatie +van een jong meisje, waarvoor ik uit de verte de genegenheid van een +oud man voelde. + +Toen zij het manuscript gelezen had, vertelde ik haar dat, en haar +antwoord was: "Ik heb toch nooit diabolo gespeeld." Ze zei dit niet +uit coquetterie of uit verlegenheid, ze had er niets van begrepen. + + + NESCIO. + +5 Jan. 1918. + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes, by Nescio + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DICHTERTJE - DE UITVRETER *** + +***** This file should be named 29719-8.txt or 29719-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/9/7/1/29719/ + +Produced by Mark C. Orton and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
