summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:48:05 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:48:05 -0700
commitd6e6a3f777f184da4da6471512c1dd76e5bb28bc (patch)
tree961ed372f8a374a7020d8a705bce1169ccdb1b5d
initial commit of ebook 29719HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--29719-8.txt4316
-rw-r--r--29719-8.zipbin0 -> 88735 bytes
-rw-r--r--29719-h.zipbin0 -> 103444 bytes
-rw-r--r--29719-h/29719-h.htm6257
-rw-r--r--29719-h/images/book.pngbin0 -> 364 bytes
-rw-r--r--29719-h/images/card.pngbin0 -> 357 bytes
-rw-r--r--29719-h/images/external.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
10 files changed, 10589 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/29719-8.txt b/29719-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..0d5caa6
--- /dev/null
+++ b/29719-8.txt
@@ -0,0 +1,4316 @@
+Project Gutenberg's Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes, by Nescio
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes
+
+Author: Nescio
+
+Release Date: August 17, 2009 [EBook #29719]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DICHTERTJE - DE UITVRETER ***
+
+
+
+
+Produced by Mark C. Orton and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Nescio
+
+ Dichtertje
+
+ De Uitvreter
+
+ Titaantjes
+
+
+ J. H. de Bois - Haarlem.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ "Dichtertje" is hier voor het eerst gepubliceerd.
+ "De Uitvreter" verscheen in "De Gids" van Januari
+ 1911. "Titaantjes" in "Groot-Nederland" van Juni 1915.
+
+
+
+
+
+
+DICHTERTJE.
+
+ In 't derde oorlogsjaar.
+ Bellum transit, amor manet.
+
+
+I.
+
+
+Tweemaal schudde de God van Nederland zijn eerbiedwaardig hoofd en
+tweemaal schoven z'n eerbiedwaardige grauwe bakkebaarden heen en weer
+over z'n vest.
+
+'t Klopte niet. Ergens moest een fout zijn. Een dichter met nergens
+haar, dat was heel vreemd. Sedert dertig jaar hield de God van
+Nederland niet van dichters. Je wist niet meer, wat je er aan
+had. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, je kon er niet uit wijs. En nu dit.
+
+"Hij heeft gezegd, dat hij vol van mij is. Vroeger kon je daar op aan."
+
+God zuchtte. Hij zou er morgen eens met Potgieter over spreken. Je
+had tegenwoordig niets dan narigheid aan je hoofd.
+
+Daar beneden in de Leidsche straat liep een meisje. Met vaderlijk
+welgevallen zag God op haar neer. Het meisje was als honderde andere
+meisjes dien zomer, heelemaal in 't wit, zijden blouse, korte frotté
+rok, witte kousen, fijne enkeltjes en lage witte schoentjes en had
+lieve oogen als honderde andere meisjes in Amsterdam. Oogen die kijken
+alsof ze iets heel bijzonders weten. Dat vonden ze ook weer niet
+goed. Nooit had ons Lieve Heer daar vroeger iets bij gedacht. En nu
+hatti kwestie. 't Was begonnen met versjes over "wetende oogen." Toen
+zei er één, dat 't allemaal bedrog was, een vroom bedrog van God. Dat
+ze niets wisten en alleen maar keken alsof, zonder dat ze 't konden
+helpen. Nooit had God er over nagedacht.
+
+Tegenwoordig brachten ze hem over alles aan 't denken. En 't was toch
+zoo noodig, dat de hoofden bij de zaken werden gehouden. De keizer had
+'t nog onlangs weer gezegd: "Der Tüchtigkeit ist die Welt".
+
+Maar als je eenmaal over iets aan 't prakkizeeren raakte kwam je er
+zoo makkelijk niet weer af. Nu i er eenmaal op lette, zag i honderde,
+duizende van die meisjes, telkens weer anderen en telkens weer
+dezelfden. Zoodat i soms niet meer wist of i er tienduizend had gezien
+of één, tienduizendmaal. "Heer in den hemel had hij al die meisjes
+geschapen? Of was 't een grapje van den duivel, al die wetende oogen?"
+
+Kijk, daar gaat 't dichtertje. Toch wel een knap, jong ventje,
+zoo slank, zoo'n aardig gladgeschoren jongensgezicht, alleen een
+paar stutten voor de ooren, en zoo verbrand door de zon. Hij groet
+iemand. Z'n strooien hoedje lichtten-i even op van zijn kort geknipte
+haren.
+
+Raar toch, zoo kaal, maar 't was toch vast wel een dichtertje, want
+God begreep niets van 'm en Potgieter ook niet. En professor Volmer
+verachttenem.
+
+En hij leed ijselijk van die wetende oogen, zooals geen rechtschapen
+mensch. De duivel hattem leelijk te pakken. Hij was een zwak
+dichtertje, kindsch werti er van. Hij bleef fatsoenlijk van zwakte. Dat
+was weer zoo iets raars, waar God vroeger nooit over gedacht had,
+fatsoenlijk was fatsoenlijk en daarmee uit. 't Dichtertje wist niet
+op wie hij verliefd moest worden. Als hij in twee wetende oogen
+had gekeken, zag hij er dadelijk weer twee. Hij was zoo zwak, zoo
+lekker zwak. Maar als i 't vijfentwintigste meisje zag, voeldeni zoo
+iets raars in z'n hersens. Hij had al eens in 't voorbijloopen op 't
+terras van een café een stoeltje omgeschopt van kwaadaardigheid. Want
+hij wist wel, dat ze niets wisten, dat ze dom giggelden, alleen al
+als i z'n hoed voor hen af nam, of strak keken, omdat ze stonken van
+burgerjuffrouwen-ingebeeldheid. En toch kon i 't niet laten. En dan
+moest i vluchten naar ergens, waar geen vrouwen waren en dan maakteni
+zich kwaad op God en den duivel tegelijk en zei datti idioot werd
+en datti nog eens met open mond jaren lang kwijlen zou, een leeren
+slabbetje voor, zonder datti 't zelf wist. Maar den volgenden dag
+keeki weer en dacht daarbij: "Mon âme prend son élan vers l'infini."
+
+Potgieter zei dat de vent gek was en dat in den tijd van Piet
+Hein........
+
+Dichtend vervolgde 't dichtertje z'n tocht door de woestenijen van
+Amsterdam. Zoover 't oog reikte, niets dan Nederlandsche menschen. Weer
+groette-n-i iemand, een heer met hoogen hoed en gekleede jas, uit
+een stuk van Verkade. Nu spraken ze elkaar aan. Daar stonden ze, op
+'t plein voor 't Centraalstation.
+
+Op den beganen grond liep God nu met z'n gelen strooien deukhoed,
+z'n wandelstok met zilveren greep, z'n jas hing slobberig en breed
+en ondefinieerbaar bruinig over z'n rug, op z'n kraag lag roos,
+z'n broekspijpen waren te wijd en te lang en lagen met plooien op
+z'n schoenen. Z'n bakkebaarden kon je van achteren zien en toen i
+bezadiglijk de twee treden opstapte om in 't station te gaan, glom
+de lage avondzon in Gods gepoetsten linkerschoen.
+
+"Wie was die meneer?" vroeg 't dichtertje. "God" zei de duivel en
+de knobbels op z'n voorhoofd werden grooter. 't Dichtertje sprak
+niet. "Jouw God, de God van je baas en van je schoonvader en van je
+baas z'n boekhouder en van den gérant van de "Nieuwe Karseboom". De
+God van je tante, die zei, dat je moest groeten als je langs 't
+huis van je baas kwam in Delft of Oldenzaal, waar was 't ook weer,
+ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie 't zag. Van je tante,
+die je zuster altijd liet breien. "Een vrouw mag niet stilzitten." De
+God van al die menschen, die zullen zeggen: "Dat had ik van jou niet
+gedacht," als je nog eens probeert te leven en die zullen zeggen:
+"Dat had ik altijd wel gedacht, dat kon niet goed gaan," als je
+later in 't werkhuis moet. De God, die niet hebben kan, dat je 's
+Zaterdagsmiddags vrij bent, de God van meneer Volmer, hoogleeraar in
+'t boekhouden en de bedrijfsleer, die vindt, dat je veel te veel
+naar de lucht kijkt. De God van allen die geen andere keus hebben
+dan werken of vervelen. De God van Nederland, van heel Nederland,
+van Surhuisterveen en Spekholzerheide, donateur van den Bond van
+hoofden van groote gezinnen en van de Vereeniging tot opheffing van
+gevallen vrouwen. Dat noemen ze vallen. Ik ben ook gevallen."
+
+"De beeldspraak is inderdaad gebrekkig", zei 't dichtertje, absent.
+
+Hij had al dien tijd gekeken naar een dame, die daar stond te
+wachten. Naar de aardige scherpe achterkantjes van haar beenen,
+vlak boven de lage witte schoentjes. Natuurlijk had ze lage witte
+schoentjes aan met korte rokken en erg open geweven kousen, waar haar
+beenen wit doorheen schemerden. "Nu vallen", dacht 't dichtertje.
+
+"Mon âme prend son élan vers l'infini," zei de Duivel en glimlachte
+ironisch, zooals hij een eeuwigheid lang geglimlacht had.
+
+Toen zag 't dichtertje 't stationsplein weer en den duivel en hoorde
+wat die gezegd had.
+
+"Duivel" zei-di, "mij belazer je niet."
+
+De duivel haalde even z'n schouders op en keek naar de
+stationsklok. Tien minuten over zevenen. Hij gaapte achter z'n
+hand. De eeuwigheid schoot niet op. En eigenlijk hatti ook al zooveel
+dichtertjes gekend. Waarom sprak i nog zooveel?
+
+'t Dichtertje liep naar huis en keek in de hoogte naar 't gevleugelde
+wiel, dat midden op de leuning van de hooge spoorbrug over de
+westelijke doorvaart op een kleine ijzeren zuil staat en vliegen
+wil en nooit van z'n plaats komt en gezien wordt uit vertetjes waar
+'t nooit komt, wel heel van de Torensluis, 't Singel af. De blauwe
+lucht was er nog zoo hopeloos ver boven. Zelfs de palen met de
+booglampen, aan 't begin en 't eind van de brug, staken hoog boven
+'t wieltje uit. 't Geeft niet veel of je op een spoorbrug staat op
+een ijzeren zuiltje. Je kunt er hoogstens van aan 't denken raken
+en dat deugt heelemaal niet. En 't dichtertje dacht, dat je beter
+zoo'n wiel kunt wezen dan een dichtertje. Zoo'n wiel is van ijzer,
+maar een dichtertje niet.
+
+Onderwijl zat God alleen in een coupé eerste klas in den trein naar
+Delft en staarde uit 't raampje, maar zag niets. Uitkijken deed hij
+nooit. In z'n hand hielti een rapport. Naast 'm lagen dossiers.
+
+De God van Nederland dacht. Het was een rare tijd. Weer las God:
+
+"Het lot van den mensch is verdriet te hebben, wanneer hij z'n doel
+niet bereikt en wanneer hij z'n doel bereikt heeft.
+
+"Er is geen troost in de deugd en er is geen troost in de zonde.
+
+"Daarom laat blijmoediglijk af van alle verwachting. Stel uw hoop op
+de eeuwigheid: uit dezen droom is geen ontwaken."
+
+Het was wel een rare tijd. Zoo kon 't niet goed gaan. En nou hatti
+nog wel gezegd, dat een nieuw tijdvak was aangebroken. De tijd van het
+"ironisch dilettantisme" was voorbij, een nieuwe tijd van "baanbrekend
+optimisme" en "frissche daadkracht" was begonnen. Dat hatti zoo maar
+'s gezegd. En weer zuchtend begon God toen 't manuscript te lezen
+van een dik boek over 't Taylor systeem.
+
+
+
+
+II.
+
+
+'t Dichtertje was nooit gevallen.
+
+Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Als 't dichtertje er over
+dacht, wat hij eigenlijk 't liefst zou willen, dan was 't dat. De
+wereld ééns te verbazen en ééns een liaisonnetje te hebben met een
+dichteres. Jarenlang had hij dit telkens weer gedacht, naïvelijk.
+
+'t Dichtertje was fatsoenlijk getrouwd met een lief, jong, levendig,
+natuurlijk vrouwtje. Natuurlijk was hij onmiddellijk verliefd geworden,
+toen hij de wereld begon te zien. 's Morgens zag hij haar als hij naar
+kantoor ging en zij naar school, en 's middags om kwart over eenen "in
+'t beursuur", als hij op straat mocht en zij uit de melkinrichting
+kwam, waar zij haar boterhammen met een glas melk at en soms een
+roomhorentje of een taartje met slagroom, haar boterhammen.
+
+En ze was wat kwaad op 'm, omdat i daar altijd zoo stond, gewoon
+bespottelijk. De andere meisjes noemden 'm "'t Ideaaltje", omdat
+i een keep droeg en zulk mooi zwart haar had, (toen liet-i 't nog
+niet kortknippen). En ze keken naar 'm, als ze met hun drieën gearmd
+langs hem heen liepen, heel even keken ze en giggelden tegen elkaar,
+de beide buitensten de hoofden gebogen naar de binnenste, die ook
+giggelde en naar den grond keek. Maar zij liep statig voorbij en zag
+hem niet en zei tegen Mien Bus datti om haar kwam en dan lachten ze
+allemaal, want ze wist wel beter. Op den grond stampte ze met haar
+schoolmeisjesvoetje van zeventien jaar. "Om mij? die engert?" en
+hield haar hoofd achterover.
+
+En hij was ongelukkig en telde de uren. 's Avonds om elf uur keek
+i naar de lucht, de helft was om tusschen 's middags half twee en
+'s morgens half negen. En hij dichtte.
+
+Hij maakte gedichten naar Heine, Hollandsche en Duitsche, en naar
+Héléne Swarth en naar Kloos en van Eeden. "De Uren":
+
+
+ "Hoe gaan de uren zoo zwaar met loggen tred".
+
+
+"Die Kreuzfahrer":
+
+
+ "Dort unten lag die heilge Stadt in ihrer Glorie".
+
+
+Dat was zij. Maar de poorten waren dicht. En hij vroeg zich af waarom
+hij verder leefde. En hij werd opstandig tegen God.
+
+
+ "Mijn God, zal dan mijn kwelling nimmer einden?"
+
+
+En de lui op kantoor kon i niet zien en hooren, als i om kwart over
+negenen op kantoor kwam hatti er wel een willen slaan, zoo maar. En
+van somber werti extatisch. En dichtte weer. "Mijn heilig lief". "Nu
+is de wereld een groot zomerland".
+
+
+ "God gooide de poorten des hemels open,
+ Mijn zoete lief zat op een gouden troon".
+
+
+Dat duurde zoo elf maanden. Daar kwamen nog drie maanden bij datti
+buiten was, een klein betrekkingkje had in een stadje, waar ze nu
+nog praten over dien mallen kerel.
+
+Toen kreeg i haar. Negentien jaar was i. Hij schreef haar een briefje
+datti twee dagen in Amsterdam was en datti haar graag wilde spreken. Ze
+kenden elkaars namen, Amsterdam is ten slotte ook maar een dorp. Ze
+hattem die honderd dagen erg gemist en ze kwam. Haar moe vond 't goed,
+"als 't een nette burgerjongen was en ze hield van 'm....., maar
+geen scharrelpartij." Ze kwam, 's avonds bij de Muiderpoort en hij
+zei dat ze zeker wel begreep, watti haar vragen wou. 't Was zoo raar,
+zoo gewoon, hij kon heelemaal niet dichten. En ze zei natuurlijk dat
+ze 't niet begreep, maar toch liepen ze samen maar de Sarphatistraat
+op. 't Gesprek liep wat moeilijk, wat moest je mekaar vertellen, je
+kende mekaar nog zoo heelemaal niet. Hij had gedacht, dat i wonder
+wat zeggen zou, dat de woorden zóó maar zouden komen met geweld,
+zooals de breede Waal jaagt langs de schuitjes van den ponton-steiger
+bij Nijmegen.
+
+En nu spraken ze over z'n betrekking in dat stadje en over hun
+ouders. En voor haar huis namen ze afscheid en hij gaf haar een zoen,
+heel links, op haar voorhoofd. En ze was wat in haar schik, ze had een
+vrijer en zoo'n knappe, wat zou Loe wel zeggen. Jammer datti buiten
+woonde. Zoo vervelend, vooral 's Zondagsmiddags als i dan niet over
+kwam, dan moest je thuis blijven.
+
+Den tweeden avond mochti boven komen, 't moest gauw gaan, want hij
+had maar twee dagen vrij.
+
+Z'n pa was bij haar vader op bezoek geweest en nu mochti
+bovenkomen. Daar zaten haar vader en de zijne en haar moeder en een
+grootmoeder en een tante. Haar twee kleine zusjes waren vroeg naar
+bed gestuurd. En toen kreeg i haar en de tante zei later "wat een
+nette jongen".
+
+'s Zondagsmiddags natuurlijk zij op visite bij hem thuis en daar
+was toevallig een nicht met scheeve schouders in een scheeve groene
+hobbezak en een lorgnet op, die bier dronk en Coba was allerliefst
+voor haar aanstaande schoonmoeder en die was allerliefst voor Coba.
+
+"Wat heb je daar een snoezig taschje." "Uit 't City-magazijn?" "Nee,
+van Liberty". "Je ziet tegenwoordig heel veel van die taschjes met
+een klein taschje buitenop." "Nee, die vind ik om de waarheid te
+zeggen niet zoo aardig." "Och, ieder z'n smaak. Onze Riek heeft zoo
+één en die vind ik ook heel aardig". En hij zat er bij en begreep er
+niets van. Had hij 's nachts op straat geloopen en gezegd, dat God
+de poorten des hemels open gooide? Wat raar.
+
+Maar ze was heel lief, jong, levendig en natuurlijk en zoende 'm niet
+op z'n voorhoofd, maar flink op z'n lippen en op zij in z'n nek, in
+den gang, voor ze de kamer binnen gingen. Daar moest ze voor op haar
+teenen gaan staan en z'n schouders beetpakken. En ze ging heel veel van
+'m houden en hij hield ook veel van haar en drukte haar tegen zich aan.
+
+Maar de zaak bleef 'm duister en dichten deedi niet meer tot i
+getrouwd was.
+
+En nu waren ze zes jaar getrouwd en hadden een kindje, een meisje van
+vijf jaar, een snoes die door alle tantes geknuffeld werd. Zij had
+een beetje geld en hij had een beetje geld en hij had in Amsterdam
+een baantje gevonden, datti niet al te slecht waarnam en ze waren
+ten naaste bij gelukkig.
+
+Maar daar i een echt dichtertje was, moest hem iets ontbreken. Wat is
+voor een dichtertje iets dat hij heeft? Datti zoo maar heeft, dag in,
+dag uit. Al die dagen. En altijd getrouwd is zoo erg lang. En een
+heel lief, jong, levendig en natuurlijk vrouwtje, dat veel van haar
+man houdt en zijn manuscripten in 't net schrijft, maar tweeduizend
+nachten naast 'm heeft geslapen en weet datti niet tegen tocht kan
+en 's morgens niet uit zijn bed kan komen en niet van de jam af kan
+blijven, al is i een dichter, dat is nu echt iets voor den Duivel.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat
+van, want als je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjes
+altijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z'n heele leven
+één gedicht, wat ook vervelend wordt.
+
+In de tram zat hij en dichtte zoo stilletjes voor zich heen, met
+z'n twee handen op den knop van z'n wandelstok zatti te staren en
+onderwijl te denken, datti zulke mooie blanke, fijne en slanke handen
+had, zooals dichtertjes dat doen. 't Was Zondagavond in November
+tegen zessen, de straten waren donker en verlaten. Een dame van een
+jaar of zes en twintig kwam de tram binnen, statiglijk, rijzig in
+haar bruine mantelpak, de opstaande kraag, manchetten en onderkant
+van mantel en rok afgezet met zwart bont, de handen in een groote,
+afhangende mof van 't zelfde bruine laken met 't zelfde bont bezet,
+klein bruin hoedje met zwart bont op 't fijne gezichtje. Alles echt
+lijn 2, Museumkwartier.
+
+'t Dichtertje keek even op, recht in haar oogen, maar zij zag alleen
+'t leege plaatsje in den hoek en ging hem voorbij, statiglijk. Achter
+haar kwam haar man, gladgeschoren, in 't zwart, met een hoogen hoed
+op z'n grijzend, kort geknipt haar.
+
+Toen ze zat kon 't dichtertje haar niet zien, want hij zat op de
+zelfde bank vooraan en er waren vier menschen tusschen.
+
+Meneer zat correct rechtop tegenover haar, keek op z'n horloge en
+zei iets, hoe laat 't was natuurlijk. Daarna spraken ze niet meer. Ze
+waren ongetwijfeld getrouwd.
+
+'t Dichtertje dacht, dat ze op bezoek waren geweest en naar huis gingen
+om te eten. En of ze een kindje zou hebben of kindertjes. En of haar
+man zich correct zou gedragen in de slaapkamer. God liet 't gebeuren,
+dat hij hem duidelijk voor zich zag, daar in die tram, in z'n enkele
+hemd en sokken, een jaegerhemd, ja natuurlijk jaeger, grijs, niet
+mooi wit, hij was zeker in de veertig en met wat malle, uitstekende
+haartjes op z'n bloote beenen, en z'n hooge dop op. Jammer dat i
+niet brilde. En hij hoorde hem vragen met z'n correcte Museumkwartier
+geluid: "Zal ik 't licht aan laten, Clara?" Want ze heette natuurlijk
+Clara, de schitterende. En 't dichtertje dacht datti "pardon" tegen
+haar zou zeggen op een gegeven oogenblik. Ja, God laat de gedachten
+van een mensch raar dolen en er komen vreemde passages voor in zoo'n
+gedicht zonder eind.
+
+Toen keek 't dichtertje op door 't ruit van de tram tegenover hem. De
+huizen waren alle donker en de dames die dit lezen weten wel, dat je
+dan alle passagiers heel duidelijk weerspiegeld ziet, buiten.
+
+En de peinzende oogen van 't dichtertje zagen toen recht in de
+peinzende oogen van Clara, de schitterende, die keken alsof ze iets
+heel bijzonders wisten, wat bedrog is. Even werden de vier peinzende
+oogen grooter en schitterden, toen dorst 't dichtertje niet meer,
+want hij was een welopgevoed mannetje, al hatti rare kronkels in z'n
+eindelooze gedicht en hij keek naar 't bruine laken en 't zwarte bont
+en naar den vagen vorm van haar beenen in den rok en toen keek hij
+met geweld naar een onderhuis, waar een melkboer woonde, 't gordijn
+was neer om den Zondag. Als je wilt kun je door die weerspiegeling
+heen kijken en de P. C. Hooftstraat is erg achteruitgegaan, jaren
+geleden had je daar geen melkboer, nu is er zelfs een aardappelen
+en groentenwinkel.
+
+Maar toeni daarna weer keek hoe een van haar haren los was gegaan en
+voor haar linkerslaap hing, zoo lief, zoo gegolfd, toen ontmoetten hun
+oogen elkaar weer, even. "Ik vind jou mooi, vind jij mij mooi?" "Ik
+wil je hebben als ik durf, wil jij mij hebben als je durft?" "Even
+wil ik een levend mensch zijn, even vrij, een Godin, geen dame van 't
+Museumkwartier, geen dochter van die, zuster van die, vrouw van die,
+moeder van die, vriendin van Mevr. die. Even, in mijn gedachten. Mijn
+gedachten gaan naar jou door mijn oogen, mijn gedachten kunnen wijd
+en zijd gaan, vooruit en achteruit in den tijd, door alle bedeksels
+gaan mijn gedachten. Niemand kan hen vatten of deeren, naar jou gaan
+mijn gedachten door mijn oogen."
+
+En zoo gingen zijn gedachten naar haar, door zijn oogen in de hare
+in deze luttele seconden. En niemand wist er van.
+
+En een hooge toren verrees uit zijn geest en een hooge toren uit
+den hare. En ze zagen wijd en zijd over alles heen en alleen elkaar
+zagen ze.
+
+Zoo dichtte 't dichtertje z'n eindelooze gedicht verder en de domste
+vrouw kan dat meedichten.
+
+Maar bij elkaar komen konden ze niet en dat was misschien juist
+'t mooie.
+
+Bij de Hobbemastraat keek haar man even naar den conducteur en direct
+ging die z'n hand naar de schel. En ze stond op en liep achter haar
+man door de tram, correct en statig en zag niemand.
+
+Maar terwijl meneer afstapte en zij wachten moest op 't balcon voor
+den ingang, haar linkerschouder naar 't dichtertje, en toen 't bijna
+gedaan was, toen overwon ze nog even één ondeelbaar oogenblik 't
+Museumkwartier en keek.
+
+"Ik vind je mooi en jij vindt mij ook mooi. Mijn hart zingt in mijn
+lijf en m'n hersens zingen onder m'n haren. Mooi haar, hé?"
+
+En 't dichtertje dichtte z'n gedicht voort, eindeloos. Maar 't werd een
+somber gedicht, zoolang 't duurde, en Amsterdam was donker en ledig.
+
+Als een echt belachelijk dichtertje heeft i daarna nog een paar maal
+'s middags in 't Museumkwartier gedwaald, waar i zich altijd erg arm
+voelde en nooit zeker was of z'n das wel goed zat en z'n boordje wel
+schoon was en of i er heelemaal wel beschaafd genoeg uitzag. Maar hij
+zag haar natuurlijk niet meer, mogelijk woonde ze heelemaal niet eens
+in Amsterdam. Er was een huis op een hoek met een klein tuintje er
+om en daar groeide een klimstruik tegen den muur. Die bloeide in 't
+zachte Novemberweer zonder blad, met kleine gele sterbloemetjes. En
+hij maakte voor zich zelf uit, dat ze daar woonde en de bloeiende
+struik noemde hij "Clara".
+
+Toch hield i wel van z'n vrouwtje en z'n vrouwtje hield veel van hem
+en ze lieten 't mekaar aan niets ontbreken.
+
+Waarom heeft God ook een mensch tot dichtertje gemaakt?
+
+
+
+
+IV.
+
+
+De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge, natuurlijke vrouwtjes,
+die veel van hun wettigen man houden. Als ze een jaar of wat getrouwd
+zijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maar
+ze zijn er toch nooit geweest. Hoe kunnen ze verlangen naar iets dat ze
+niet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent? Vreemd, wat
+missen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de balkondeuren
+open en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch? C'est là,
+c'est là qu'il faut être. La? Waar? "'k Ben mal". En ze drukken hun
+kindje tegen zich aan en zoenen 't erg.
+
+Coba zit op 't terras van de "Beursbengel", op 't Damrak, aan zoo'n
+tafeltje met zwaar rond marmeren blad, met een koperen band om den
+kant. Haar kindje zit tegenover haar, de bloote beentjes van het kindje
+met witte halve kousjes bengelen voor haar stoeltje. Het krijgt een
+taartje met een glas melk. 't Eet met haar kleine vingertjes, haar
+lekkere oogen zijn zoo groot en kijken zoo overal heen. 't Kindje
+is onder den indruk van zoo iets heerlijks en al die menschen, maar
+'t is erg blij. Moedertje kijkt of 't kleintje niet morst en helpt
+haar zachtjes, maar zegt niet veel.
+
+In den hoek zit de duivel en draait z'n snor op. Eens heb ik een
+vrouw hooren zeggen, een hoogstaande vrouw: "Zoo'n vent, wat verbeeldt
+zich die wel? Een man die denkt dat ik verliefd zal worden, omdat i
+zich zelf aan een brok haar trekt, bah." Vertrouw die vrouw niet te
+veel. Nu ligt ze 's nachts wakker en bijt in haar natte kussen.
+
+Coba trekt haar manteltje uit, legt 't over haar knieën, 't is te
+warm voor een blauw cheviotten mantelpakje. Een wit bloesje heeft ze
+aan, haar armen schijnen er door, zoo rose-bruin en 't allerbovenste
+van haar rug en borst. Je ziet waar haar hemd eindigt en dat 't
+met kanten strooken van haar schoudertjes hangt. Nu trekt ze haar
+bovenlip even naar binnen en maakt haar onderkaak langer en strijkt
+met de rechterhand haar haar glad, ze draait even met haar hoofd en
+'t puntje van haar tong komt te zien en strijkt langs haar bovenlip en
+verdwijnt schielijk. De duivel draait aan z'n snor. Nu praat ze lief
+met haar kindje, ze lacht, al haar tanden laat ze zien; ze heeft een
+sterk gebit, alle tanden staan aangesloten en ze zijn schitterend wit,
+om haar zoo je hand voor te houden, dat ze er in bijten kan, aan den
+buitenkant tusschen pink en pols. Het is in 't begin van Mei. Voor 't
+eerst van 't jaar heeft ze een bloese aan die driehoekig is uitgesneden
+en ook haar borst is wit, zoo erg wit, dat de duivel moet denken aan
+het licht uit den hemel. En de hoeken van haar sleutelbeenderen bij 't
+kuiltje van haar hals staan zoo pittig. Met haar slanke vingers strijkt
+ze langs den rand van haar bloese. Nu veegt ze de handjes van haar
+kindje af en haar toetje, met haar zakdoekje, dat een opengewerkten
+rand heeft. En ze neemt 't handje van 't kind in haar twee handen
+en drukt 't en geeft haar een zoentje op haar groote oogjes en 't
+kindje vraagt: "Maatje, waarom doet u dat?" En ze kleurt en vraagt:
+"Wat, Bobi?" "Waarom zoent u me ineens?" "Maar kindje, maatje zoent
+je toch wel meer ineens? Wil Bobi nog een taartje? Maar dan moet
+je je niet zoo vuil maken, hoor. Zal mammi 't zelf gaan uitzoeken
+voor kindje? Zoet blijven zitten hoor!" En maatje gaat naar binnen,
+haar heupen draaien heel even en haar blauw cheviotten rok gaat heen
+en weer. En dan komt ze terug met 't taartje op een schaaltje en uit
+de deur lacht ze tegen haar kindje en ze gaat weer zitten. De duivel
+draait aan z'n snor. En dan in eens wordt ze bang. Als i haar eens
+aansprak? Wat moest ze doen? "Kom Bobi, maak voort, wacht, zal ik je
+helpen?" En op de punt van 't vorkje steekt ze haar 't halve taartje in
+'t mondje, 't is of de dikke dame naast haar draait. 't Kindje heeft
+'t toetje vol slagroom. "Bah, wat een vies kindje." "Mammi, dat doe
+je zelf." Daar is Pa. Hij groet en neemt z'n hoed af voor den duivel
+en de duivel neemt z'n hoed af voor Pa. Maatje kleurt weer, nu tot
+'t kuiltje van haar hals. Maar 't dichtertje ziet dat niet, hij is
+te lang getrouwd.
+
+Ze staat op en helpt 't kindje van haar stoel. "Wil je meteen weg?" "Ik
+moet nog wol koopen om mijn manteltje af te breien. Ik kan nergens de
+kleur krijgen. 'k Ben in wel vier winkels geweest en toen dacht ik,
+ik zal maar eerst hier naar toe gaan, want 't werd zoo laat." De oogen
+van 't kindje worden heel groot en kijken naar boven naar maatje. "Nou
+vooruit dan maar, heb je betaald? aanneme!" Dichtertje dopt, de duivel
+dopt, maatje knikt stijf. Bobi wuift met haar handje en zegt met een
+hoog stemmetje: "Dag meneer." De duivel knikt en lacht en knijpt een
+oog dicht. "Maatje, die meneer heeft al dien tijd naar u gekeken."
+
+Gelukkig, 't dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind is weer
+in een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat terras al
+die vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. "O God," denkt i,
+"als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens in eens van al die
+vrouwen al de kleeren afvielen?" Een dichtertje dat den waanzin nabij
+is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn
+lezeressen..... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Zes jaar waren ze getrouwd. En terwijl zij iederen morgen brood sneed
+en boterhammen smeerde en thee schonk voor hem, voor kleine Bobi, voor
+'t dienstmeisje en soms voor de werkster.... Snijd eens één keer brood
+en smeer eens boterhammen voor vier kinderen, als je 't niet gewend
+bent, wat de ongelukkige schrijver van deze geschiedenis eens gedaan
+heeft, volslagen uitzinnig word je d'r van. Op d'n duur zal 't wel
+wennen, maar o lieve Heer, op den duur moet 't toch ook afgrijselijk
+vervelend wezen, als je 't ongeluk hebt er over na te denken.
+
+Nu dan, terwijl zij voortdurend dit alles weer deed, behaagde 't
+God, den echten God van hemel en aarde, Dora, haar zusje, te doen
+opgroeien en vrouw worden, zoo mooi als een renpaardje. Zij was een
+van die twee zusjes, die in bed waren gestopt, toen i voor 't eerst
+boven mocht komen.
+
+Het duurde lang voor hij haar zag. Maar zij had hem allang
+gezien. Vijftien jaar was ze toen. Hij was pas getrouwd, iets meer
+dan een jaar en kwam van een reis terug, heelemaal verbrand. Een
+licht grijs pak had hij aan en bruine schoenen en een wit hoedje
+met heelemaal neergeslagen rand. Toendertijd gooiden ze je in de
+Reinwardtstraat nog met steenen als je den rand van je hoed heelemaal
+neergeslagen had, nu mag 't. Zijn schoonouders woonden toen op 't
+land, ergens bij den IJsel in een wit huisje met een serre, en een
+weranda langs de bovenverdieping. Ze was nog nauwelijks meer dan een
+kind, haar rokje kwam maar halverwege tusschen knie en enkel. Nu
+loopen de volwassen vrouwen zoo. Ze had een jurkje aan met banden
+over de schouders, met dikke roode strepen verticaal, daartusschen
+smalle witte strepen. De schouderbanden waren enkel rood. In dit
+hooge jurkje dat over de borsten reikte, droeg ze een wit bloesje
+met stijven opstaanden kraag. Ook haar gezichtje was gebruind. 't
+Donkere haar droeg ze met een scheiding en van achteren loshangend
+in een zwarten strik. Ze was blootshoofds en speelde op 't gras voor
+'t huis als een kind diabolo, voor 't laatst, maar dat wist ze niet.
+
+'t Was in 't begin van Juni, de hooge boomen achter en op zij van
+'t huis waren een groene berg, massief. Hier en daar stond er een
+bruine beuk tusschen. De roode meidoorn was uitgebloeid, de roode
+bloemen van de kastanjes waren afgevallen, de ijle kaarsjes, die er
+van waren overgebleven, stonden rechtop. De accaciá's bloeiden en
+de jasmijn. De serre en alle drie de deuren aan de weranda stonden
+wijd open. Er was een klein rond vijvertje voor 't huis met bladen
+en witte bloemen van de waterlelie er in en riet en gele irissen aan
+den kant. Voor den tuin liep de grindweg en aan den overkant van
+den weg en ook aan deze zij er van, links en rechts van den tuin,
+stond alom de groene rog manshoog.
+
+Met de geheven armen wijduit ving ze de diabolo op 't touw, maar hij
+viel en toen ze zich bukken wilde zag ze den man van haar zuster.
+
+"Dag Dora, ken je me niet meer?"
+
+Hij zag een kind en 't grasveld, en 't vijvertje en 't witte huis en
+de hooge boomen en de accacia's en jasmijn in bloei, op zij. Hij was
+pas getrouwd en nog niet begonnen aan z'n gedicht zonder einde. Maar
+zij zag hem, haar oogen werden groot, 't bloed gutste in haar lijf
+naar boven. Waarom vloog ze haar zwagertje niet om z'n hals en zoende
+'m? Dat had ze altijd gedaan, want hij was een lief zwagertje, die
+bonbons en brochjes meebracht en rumboonen, de rumboonen stilletjes.
+
+"Dag Ee," zei ze en gaf 'm een hand.
+
+"Dora, wat zie je d'r lief uit, is m'n schoonmama thuis en m'n
+schoonvader?" Hij wilde in haar wang knijpen, zooals hij dat "de
+kinderen" altijd gedaan had, maar ze liep hard weg en viel 't huis
+binnen. "Daar is Ee."
+
+De diabolo lag op 't pad en de stokjes met 't touw op 't grasveld. Hij
+raapte ze op en zoende z'n schoonmoeder en schudde den ouden heer de
+hand met geweld. "Hier zusje, daar heb je je speelgoed! Is Em nog op
+de kostschool?" En schoonmama, die graag zag zoenen in eer en deugd,
+vroeg: "Hebben jelui mekaar al behoorlijk goeien dag gezegd?" Maar
+zij ging haastig de kamer uit met 't speelgoed en liep naar boven en
+stond op haar kamertje voor 't open raam. Gek, ze hijgde anders nooit,
+nu haalde ze diep adem. En ze voelde met haar handen dat haar borsten
+groot werden. En 't grasveld voor 't huis en 't vijvertje met de bladen
+en de witte bloemen, met 't riet, dat zachtjes heen en weer ging en de
+gele lissen en links aan den kant van den tuin de bloeiende accacia's
+en de jasmijn bij het rhododendronboschje, dat uitgebloeid was en de
+rogge over den weg, die golvend glansde, al die dingen leken zoo nieuw
+en zoo mooi. De leeuwerikken zongen overal, een reiger vloog, de lucht
+was zoo hoog en de boomen ruischten om 't huis en 't licht--kun je 't
+licht pakken en aan je drukken en in je? Ze deed haar handen samen om
+haar achterhoofd en voelde haar borsten optrekken. Toen rekte ze zich
+heelemaal uit. De armen wijduit omhoog, als bij 't diabolospel. En
+ze voelde de lucht doordringen tot onder in haar longen.
+
+Kalm kwam ze de trap af en zong 't koor uit de Maccabeeën: "Dag vol
+licht en hemelgloed," wat ze vaak had gezongen, zonder er veel bij
+te denken. Toen ging ze de kamer binnen en zei: "Dag Ee", en ging
+op haar teenen staan en rekte zich uit en zoende 'm op z'n mond, als
+vroeger, zusterlijk. En hij, die een gesprek had met z'n schoonvader
+over lijnolie, pas van de reis terug, wat moet een dichtertje al niet
+doen, hij zei enkel:
+
+"Kind, wat wor je groot, ik hoef je waarachtig niet eens meer op
+te tillen."
+
+En toen hield ze al zooveel van 'm, dat ze niet eens kwaad was omdat
+ie dat zei. "Haar borsten werden immers al groot, wacht maar."
+
+"Dora, de melk kookt over, Maartje is naar 't dorp." En Dora vlug
+naar de keuken om 't stel uit te draaien.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten door
+m'n vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaal
+niet begrijpt. Dat Coba coquetteerde vindt ze niet zoo erg, dat kwam
+doordat 't dichtertje haar verwaarloosde. Die dame in de tram had
+een klap op haar gezicht moeten hebben en 't dichtertje ook. Gek,
+in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zoo erg. 'k Denk dat
+'t komt doordat ik dit geschreven heb. Ze moet toch den auteur weten
+te onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog. De
+situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord,
+toch ga ik door.
+
+Daar wandelt de God van Nederland weer op 't Damrak over 't gloeiende
+asfalt. Weer heeft hij 't zelfde bruinige pak aan en denzelfden hoed
+op en schilfertjes op z'n kraag. Nu heeft hij een zakdoek om z'n
+boordje gelegd, voor 't zweten. Z'n wandelstok zetti een heel eind
+van z'n lichaam neer. Z'n grauwige bakkebaarden wandelen mee.
+
+God van hemel en aarde, van land en zee, neem deze benauwenis van mij
+weg, schep 'm op uw ééne hand van 't Damrak en leg 'm zoetjes neer
+op een belt, bij blauwe pannen zonder bodems en vertrapte blikjes en
+verroeste hoepels van vaten en asch en garnalendoppen, ergens waar
+ik nooit kom.
+
+Nu kan mijn geest mijn verdomde zelf verlaten en recht naar boven
+gaan als blauwe rook in een stillen zomeravond, als een verre koe
+klagelijk loeit.
+
+En nu is alles weg dat geweest is en ik ben Dora en in een nieuwe
+wereld, die dezelfde is als de oude, maar gezien van de voeten des
+Vaders, van waar ik ook neerzie op Dora, die ikzelf ben, een vrouw nu,
+een meisje, zoolang de genade duurt.
+
+En zooals de wereld thans nieuw is voor mij, zoo lag ze nieuw en
+maagdelijk en goedertieren uitgespreid voor Dora na dien dag. O,
+ze aanvaardde 't wonder, maar ze begreep 't niet en ze begreep zich
+zelven niet, zooals de aarde zich zelve niet begrijpt, waaruit 't
+koren groeit, dat groen is en geel wordt en wordt gemaaid en de hooge
+garven staan op de gele stoppels en de aarde weet er niet van.
+
+En haar borsten werden grooter, ze bewogen bij 't loopen. Toch was
+ze een tenger meisje met een duidelijk kuiltje in haar hals, met
+duidelijke peesjes en 't begin van haar sleutelbeenderen duidelijk
+afgeteekend, net als haar zuster. En als ze 't hoofd op zij deed, zag
+je een diep kuiltje op haar schouder als ze haar losse kiel aan had,
+die vierkant was uitgesneden. In haar bruine gezichtje waren haar oogen
+zoo wit en zoo donker blauw. Het wit was zooals ik eens de bevroren
+Zuiderzee gezien heb. Maar uit 't blauw scheen al de warmte van haar
+lijfje, dat toch niet koeler werd. En als ze dan met haar handjes op
+haar rug stond, stevig op de beenen, de voeten een eindje van elkaar,
+dan zag je de punten van haar schouderbladen en een holte daartusschen,
+als een gedicht, die de gedachten trok naar verten, als een rivier,
+die gestrekt ligt, ver, en zich dan wendt en waarvan je 't eind niet
+ziet. En als ze haar hals boog, ze droeg 't haar nu opgenomen, dan
+keek de God van hemel en aarde even op van z'n eeuwige contemplatie
+der eeuwige landen en zeeën en leunde z'n hoofd op z'n rechterhand,
+die steunde op z'n dij, de duim onder den kin en de wijsvinger langs
+zijn wang en aanschouwde het bruine knobbeltje boven de holte, die
+een gedicht was en de kleine haartjes die glinsterden in de zon en
+glimlachte. Daarna keek hij weer ernstig langs z'n voeten en zag zijn
+Rijn wenden tusschen zijn bergen en peinsde: "Hoe was hij er ook weer
+toe gekomen, 't Duitsche rijk te laten stichten? Die Pruisen....."
+
+En z'n edel, hareloos gelaat versomberde, er kwamen twee diepe plooien
+boven z'n rechten sterken neus.
+
+Maar zij dacht aan geen Pruisen. Zij dacht hoe een lieven man haar
+zuster had en dat 't goed was van haar zwager te houden. Hij was toch
+haar broer. En een dichter. Dat had Coba haar verteld. En een dichter
+dat was een van hen, die God lief had. Dat had ze in een boek gelezen.
+
+Ze was nu zoo oud, dat ze verheven boeken las met een mondje vol
+chocola en de rest van de reep op 't tafeltje.
+
+Als zij ook eens dichten kon of--schrijven. Een boek over jonge
+liefde. Jonge liefde, daar las je toen veel van. En als ze 's avonds
+aan den IJseldijk lag, de fiets naast haar plat in 't gras, met een
+grasje in haar mond, dat ze om en om draaide en over 't water keek,
+waar 't zeil van een tjalk met geraas zakte langs den mast en slap
+viel, dan probeerde ze het. Maar er kwam niet veel. Ze werd wel heel
+week van binnen, haar hartje en haar longetjes werden zoo groot en
+zoo weemoedig vol. Ze voelde 't avondlandschap in haar ruggestreng
+van boven tot onder. De koeien, die in 't water stonden en dronken
+en zichzelf zagen, 't rammelen van de ankerketting, 't licht dat
+opgetrokken werd aan den mast van de tjalk, ze brachten tranen in
+haar groote oogen. Maar er kwam niets. 't Grasje in haar mond spleet
+ze in de lengte met haar twee nageltjes, maar er kwam niets.
+
+Ze stond op. Aan de bleeke lucht schenen de sterren, 't water rimpelde
+en warrelde en draaide en stroomde alsof er geen Dora stond in den
+kleureloozen zomeravond. Een zware wagen kraakte moeizaam over den
+grindweg in de verte. Weemoed steeg op uit 't duisterende land,
+'t water hield nog wat licht.
+
+Toen strekte ze de handen uit, maar er was niemand die antwoordde. Toen
+wist ze niet of ze sterven wilde of leven en reed langzaam op haar
+fiets naar huis terug, waar moeder zat te gapen met 't Nieuws van den
+Dag onder de petroleumlamp en haar bril op de punt van haar neus. Zoo
+keek ze Dora strak aan. Daarna zette ze haar bril af, vouwde 'm op,
+voelde op de krant naar 't huisje er van en bukte omdat 't andere stuk
+wel onder tafel zou liggen. "Hier moe." Toen stond moe op, vouwde
+gapend de krant dubbel, keek op 't wekkertje dat op den schoorsteen
+stond en zei geeuwend: "Kwart-over tienen."
+
+Op haar kamertje kleedde Dora zich uit en rook de geur van haar eigen
+warme schoone lichaampje. En een groot verlangen vulde haar opnieuw,
+zooals 't avondlijke land haar met een groot verlangen had vervuld,
+en ook de donkere rivier, die uitliep in een punt, die even lichtte
+waar i zich wendde en verdween. Maar wat 't was, wist ze niet.
+
+En in eens zag ze alles weer voor zich in 't donker van de kamer,
+'t water met de tjalk die geankerd lag met z'n licht in de mast,
+de koeien aan 't water aan den overkant, dichterbij. Ze zag dat de
+avond niet viel, maar opkroop uit 't land, voor 't eerst gaf ze zich
+daarvan rekenschap. En ze zag vooral 't end van de rivier, de bocht,
+die in een punt uitliep, waar een groenige lichte plek in 't water
+was, daar waar de oever rondboog. En ze hoorde 't verre kraken van
+den zwaren wagen over den grindweg.
+
+"God, als 't eens waar was, dat U mij lief heeft," zei ze kinderlijk.
+
+En ze droomde dien nacht, dat Ee wandelde met Coba op een wei, zij
+in een wit linnen mantelpakje en hij heelemaal in wit flanel, met een
+omgeslagen rand aan zijn broek en een platten stroohoed op en bruine
+schoenen. En dat ze tegen elkaar lachten en hij haar zoende op haar
+mond, vier zoenen achter elkaar en dat ze zich lachend losmaakte. En
+dat zij, Dora, op haar zuster toeliep en haar armen om haar hals
+sloeg en haar hoofd tegen haar schouder legde en zei: "Coba wat ben
+je toch lief." En toen stond daar in eens haar moeder, nu met haar
+bril boven op haar voorhoofd en zei, "dertien minuten over half twee."
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Intusschen liep 't beminde dichtertje kalmpjes als een net
+burgerheertje zijn wegje af naar z'n graf en op 't Damrak en op
+'t Rokin en in heel Amsterdam en overal ging 't verkeer z'n gang,
+alsof er aan 't dichtertje niets gelegen was.
+
+Hij maakte wat promotie in z'n betrekking en erfde een kleinigheid,
+veranderde gaandeweg van kleermaker en schoenenwinkel, kocht toen ook
+dat witte flanellen pak, rookte geregeld sigaren van vier cent inplaats
+van tweeëneenhalf, had ten slotte zelfs een kistje in huis, droeg fijne
+overhemden en niet meer van die dikke wollen sokken, waschte z'n handen
+voor en na 't eten, en gaf iedere week enkele guldens uit in cafés,
+alleen en met z'n vrouw. Hij verheugde zich in den beleefden groet
+van z'n sigarenwinkelier en in de eerbiedige familiariteit van den
+conducteur op lijn twee. Op kantoor werti door de jaren wat ijveriger,
+begon wat van z'n werk te maken en het gebeurde zelfs datti 's avonds
+terugkwam, ofschoon z'n baas de lui daar nooit om vroeg. De concierge
+respecteerde hem steeds meer, hield 'm voor een heele geleerde. Zelfs
+zijn tante uit Delft of Oldenzaal begon tegen 'm op te zien en knikte
+goedkeurend als Coba haar verhaalde hoe haar neef vooruitging. Hij zelf
+sprak er nooit over. Hij was nu geabonneerd op 't Volk, 't Handelsblad
+en de Groene, lid van de Partij en den Algemeenen Nederlandschen Bond
+van Handels en Kantoorbedienden. Op vergaderingen kwam i niet, maar
+als ze bij hem kwamen met een steunlijst voor een werkstaking of om een
+uur loon voor de Partijkas, dan gaf hij hun een sigaar en Coba schonk
+een kopje thee en dan praatte-n-i heelemaal niet uit de hoogte met ze
+en teekende voor een riks of vijf gulden en bracht ze tot de trap en
+trok de deur voor hen open. Hij was toch zelf ook maar in loondienst en
+had als jongen ook zoolbeslag en hoefijzers onder z'n schoenen gehad
+en heel vroeger in een huis gewoond waar de buren altijd de trapdeur
+open lieten staan en aan tafel gezeten met een pan rijst, voor dat
+z'n vader dat werk had gehad waar i zoo aardig aan had verdiend.
+
+En toen i weer opslag had gekregen aten ze voortaan iederen dag soep
+vooraf en Coba kocht drie zilveren servetringen, voor Bobi ook één,
+en wilde voortaan geen brood meer meenemen als ze 's Zondags de stad
+uitgingen, wat ze nog heel lang gedaan hadden.
+
+Ook z'n vrinden waren vooruitgekomen in de wereld. Bonger, de dokter
+en Graafland, die hoofdcommies was bij de post en 't boekenschrijven
+had opgegeven en van der Meer, die in automobielen dee en 't dichten
+verachtte. Die niet vooruitgekomen waren zag je heelemaal niet
+meer. Daar had je Kool, die altijd z'n brood met z'n twee handen at
+en die zoo lang had geprakkizeerd om de wereld te hervormen, datti
+koloniaal was geworden. God weet waar die nu zat, eerst hadden ze
+mekaar geschreven, maar toen had dat opgehouden, je wist niet meer wat
+je schrijven moest. Hein hatti een tijdje geleden nog eens ontmoet. Die
+moest en die zou schilderen. De ziel der dingen schilderdeni, maar
+'t bracht nix op en toen z'n vader was gestorven hatti heelemaal
+nix. In jaren had 't dichtertje hem niet gezien.
+
+Op een dag loopti door de Pietervlamingstraat en daar ziet i 'm, als
+kraai verkleed. Hein, die één maal geexposeerd had: "Portrait d'un
+jeune homme poitrinaire et syphilitique," theosofisch "opgevat." Er
+moest een groenteboer begraven worden. De kraaien stonden op de kleine
+steentjes te wachten, ze hadden parapluies bij zich, Hein ook. 't Was
+druilerig weer. Scheef op z'n kop stond een rouwhoogehoed, die 'm te
+klein was. Z'n gekleede rouwjas met tressen hatti dicht geknoopt. 't
+Ding was veel te nauw en barstte haast open en zat vol malle plooien
+om z'n ribbekast. "Jonge," zegt Hein, "wat ben jij een fijne man
+geworden." Meteen dragen ze, Goddank, den dooien groenteboer z'n deur
+uit. 't Is niet zoo makkelijk iets te wezen in de wereld, ook al ben je
+een dichtertje en heb je jezelf wel zoo wat in de gaten. Hij liep toch
+al niet zoo graag meer in die straten, na dien tijd kwam i er liever
+heelemaal niet meer. En dan moet je mee uit eten genomen worden en een
+spijskaart voor je krijgen waar geen regel op staat die je begrijpt. En
+dan neem je den eersten keer overal te veel van omdat je niet precies
+weet wat er komt en nooit weet hoe ver je bent. En de volgende maal
+zal je 't beter doen en dan krijg je lang niet genoeg en moet een
+groote zware sigaar rooken met een leege maag. Dan wensch je dat je
+vader je maar bij de stadsreiniging had gedaan indertijd, om met een
+blauwe kiel en een ratel en een glimmende leeren pet met een koperen
+nummer op een stil, zonnig grachtje te loopen ratelen in de vroegte,
+zonder er wat bij te denken, op schoenklompen met dubbele zoolen.
+
+En achtentwintig jaar voor hem uit, op 't wegje naar z'n graf zag i
+'t grijze hoofd van z'n vader loopen, dien 't ook altijd goed was
+gegaan en die ook nooit iets bijzonders had bereikt. Hij zag zichzelf
+al loopen over 28 jaar, met net zoo'n hoofd en kreeg 't gevoel of i
+z'n eigen vader was. En drieentwintig jaar achter 'm liep z'n dochter,
+nu nog z'n dochtertje. Z'n Bobi van nu zou over drieentwintig jaar
+nergens wezen en toch zou ze den weg afloopen dan, dezelfde en toch
+een ander. En 't dichtertje vond 't een zinnelooze optocht, die
+'m droefgeestig maakte.
+
+Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog
+iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood
+wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht,
+om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan
+al 't onverschillige levende en doode, dat maar dee of hij er niet
+was en zich wederom zat wilde vreten tot 't alles opgevreten had en
+alleen over was met 't niet.
+
+Maar daar hij niet wist hoe i beginnen moest, kwam er nooit iets
+van. Hij bracht 't niet verder dan dat nu en dan één van z'n gedichten
+in een tijdschrift werd opgenomen en dat 't Handelsblad 'm prees, maar
+dat prijst zooveel, en dat meneer Scharten hem, Goddank "veelbelovend"
+noemde. En z'n vrienden, die ernstige mannen waren geworden, zeiden een
+enkel waardeerend woord er over, als ze 'm bij gelegenheid eens zagen,
+die dweepten niet meer. En de afleveringen der tijdschriften begonnen
+langzaam te vergaan, zooals 't leven van 't dichtertje en overigens
+gebeurde er niets. De lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hij
+schreef trouwens toch onder een anderen naam.
+
+Eens op de Zaandammerboot zat een verloofd stel naar 't water te
+kijken, hij had zijn rechterarm om haar schouder en hield haar
+rechterpols vast en zij legde weer haar linkerhand op zijn rechter
+en zoo zaten ze dicht tegen elkaar aan. 't Dichtertje keek naar hen,
+zoo'n net verloofd stel is zoo aardig om te zien. Dat die kinderen
+onrustig zijn omdat ze meer willen en zich warm maken om wat ze niet
+kunnen en niet durven en nooit weten waar ze zullen ophouden, dat zie
+je niet en daar denk je niet over. 't Was heel aardig en misschien
+waren ze nog maar pas verloofd en tevreden met elkaar vast te houden
+en te dwepen. Toen keken ze elkaar lachend aan en hij zei:
+
+
+ "Ik kijk van terzij in je groote oogen.
+ En zie een blauw' en een gouden vonk"
+
+
+en zoende haar op haar mond. Zij bloosde: "Die meneer keek net."
+
+Dat was de eenigste keer dat 't dichtertje zijn leven voelde leven
+in 't hoofd van een ander mensch en toen werti nog verlegener dan
+'t meisje en bloosde ook en gaf een kwartje aan den man die geld kwam
+ophalen voor de muziek.
+
+Daarna was noch aan de doode, noch aan de levende dingen meer te
+merken, dat ze weet hadden van wat 't dichtertje beleefd had in z'n
+dichterhoofd, datti meedroeg op weg naar z'n roemlooze graf.
+
+'t Dichtertje kreeg er genoeg van. Hij had nog iets heel moois liggen:
+
+"Mijn doode hart is zoo zwaar te dragen". Dat gooideni maar in 't
+keukenfornuis, de haard brandde niet, want 't was zomer.
+
+En toen werti zoo kwaad op alle levende en doode dingen, datti z'n
+eindelooze erotiek onderbrak en een grimmig boek schreef, dat 'm in
+eens beroemd maakte. Maar dat was later pas, dat komt straks.
+
+Voorloopig deeti alleen nog maar z'n gave tanden en kiezen op elkaar
+en daarna zeidi, alleen in z'n kamer, hardop: "Een groot dichter
+worden en dan vallen, Godverdomme." Z'n schoenen hatti losgemaakt
+en i schopte er één van z'n voeten datti een slag gaf, waar mevrouw
+beneden van schrikte.
+
+
+
+
+VIII.
+
+Dat was in den zomer en in 't najaar was 't dichtertje zoo ver
+datti "onmogelijk" van kantoor weg kon. Z'n tante had reden tot
+tevredenheid. Haar neef "hattet druk". Drie, vier avonden in de week
+zat i op kantoor. Hij had een week bij haar zullen logeeren in Velp,
+waar zij tegenwoordig stil leefde, de zaak had ze verkocht. Maar hij
+kon niet weg, als een heusche heer.
+
+'s Zondags las i thuis de mail, om toch maar vooral niet te denken
+en als er visite kwam, zei Coba: "Ik geloof uit Shanghai, is 't
+niet Shanghai, Eduard?" En tante zag in gedachte al een circulaire
+waarin stond "dat wij onzen langjarigen medewerker, met ingang van
+1 Januari,--dat is wat gauw, met ingang van 1 Juli tot mededirecteur
+hebben benoemd."
+
+Maar 't kwam even anders.
+
+Pa was dood. Pa had altijd buiten willen wonen. Vier jaar lang hatti
+kippen gehouden en de pauw voer gegeven en vruchtboompjes geplant,
+die dood waren gegaan. En boekgehouden. Als de eieren in 't dorp zes
+centen kostten in 't winkeltje, kwamen ze hem op acht. Maar als i de
+keuken binnenkwam met zes eieren en z'n voeten naveegde op de mat,
+vontti dat je voor die twaalf centen meer, ook waar kreeg.
+
+En moe had zich geschikt en zoo veel mogelijk meegeleefd en nix
+laten merken, als een echte goeie ouwerwetsche moe. En 's avonds,
+alleen onder de lamp, op d'r krant gestaard over haar bril en aan de
+Linnaeusstraat gedacht. Zij kon niet om negen uur naar bed. Ze zag de
+trams rijden in den avond over 't pleintje bij de Mauritskade, waar
+ze op uitkeek van haar bovenwoning, ze zag de lichten schuiven. En
+de boomen van het Muiderbosch, die bladerloos heen en weer gingen
+langs de donkere lucht, met de zwarte kraaiennesten. Dan kon je zoo
+echt naar 's zomers buiten verlangen. En ze dacht aan de winkels op
+Zaterdagavond en de drukte van 't winkelen en hoe ze zelf door de
+van Swindenstraat liep met 't boodschappenmandje onder haar schort,
+in den tijd dat 't hun nog niet zoo goed ging.
+
+Zoo echt gezellig kon je dan nog eens praten. Hè jà, en de
+Dapperstraat met twee rijen karren, groenten en visch en kaas en
+kopjes en schoteltjes, met olielampen, die walmden en rustig wit
+licht in witte ballonnetjes van eigengemaakt gas. En overal herrie
+en geraas. Toen ze al lang deftig waren geworden, ging ze nog wel
+'s Zaterdagsavonds gerookte aaltjes koopen aan de kar met al die
+zwarte stangen rechtop, met van die genoegerige koperen knoppen. Tot
+een meisje met een groot bont schort en gekapt hoofd, zonder hoed,
+had gezegd: "Jeisis, de raakdom komt oltjes kaupe." Zoo'n flodder,
+met bruine schoenen aan.
+
+En dan begon moe te soezen in de suizende stilte en met haar bril in
+haar rechterhand zat ze te knikkebollen, tot ze wakker werd doordat
+ze te veel voorover knikte. "Hè, mensche, 'k dacht waarachtig dattik
+de tram hoorde bellen."
+
+Onderwijl schreef Dora op haar slaapkamer in schoolschriften van een
+dubbeltje proza over "Hem" en maakte zichzelf wijs dat hij iemand
+was, dien ze niet kende en die komen moest. En die schriften werden
+weggestopt in een la, waar niemand in kon, ze bloosde, ofschoon ze
+alleen was en niemand er van wist.
+
+Em was verloofd, met een boekhouder in Amsterdam en praatte over haar
+huis, dat nog gezocht moest worden en dacht aan een kindje. Raar, zoo'n
+vrijer, die "op stuk van zaken" en "eventueel" zei en met een scherpe
+plooi in z'n zwarte kamgaren broek bij 't kippehok stond. En altijd
+hatti 't weer met pa over "de Bovenkerken," meneer Bovenkerk, die in
+steenkolen dee en mevrouw Bovenkerk, die 's zomers in Zandvoort woonde
+op "Mon Désir", en den jongeheer Bovenkerk, die eindexamen vijfjarige
+zou doen. En de rest. Em was erg kwaad geworden, omdat Dora eens had
+gezegd: "Daar heb je Bovenkerk". "Vrij jij met den IJseldijk", had ze
+gezegd en bijna had ze er bij gezegd: "Ouwe kneut." Dora was een jaar
+ouder. Maar haar opvoeding was haar gelukkig de baas gebleven. Dora had
+erg gekleurd en niets teruggezegd. "Zou ze in één van m'n schriften
+hebben gekeken? Ik laat er toch nooit één zwerven." Jasses wat een
+zwager. En als i z'n witte vest aan had! En die oogen. Zoo echt een
+heer, die bij den weg naar nix anders kijkt dan of i ook een kennis
+tegen komt. En zoo slap. Hoe kon Em tegen zoo'n man aanstaan! Zij
+leunde nog liever tegen een dennestam. Nee dan was Coba heel wat
+beter af. Zoo'n man als een zee! En meteen kreeg ze een visioen van
+wit zand en zon en golven en branding, en roode en blauwe badpakjes en
+witte jurken en witte en roode parasols. En van duinen met uitgeholde
+flank, met helmsprieten, gebogen waaiend, er bovenop. En van een golf
+die haar omsloeg in 't water, ze proefde zout.
+
+Nu was pa dood en zouden ze verhuizen. Moe ging weer in de
+Linnaeusstraat wonen, over 't Oosterpark. Em zou 't volgend jaar
+trouwen en Dora moest maar naar kantoor. Zoo'n beetje helpen in 't
+huishouden en nu eens hier logeeren en dan eens daar en eigenlijk nix
+doen maakt maar ongedurig. Ze zou nog eerst een paar weken naar een
+vriendin gaan bij Berg en Dal om wat te bekomen van al de narigheid
+en dan kon ze meteen naar Amsterdam in 't nieuwe huis trekken.
+
+Ee zou haar wegbrengen. Hij kon wel moeilijk nog een dag van kantoor
+weg, maar hij zou 't er dan maar afnemen.
+
+Dora keek al eens naar 'm: wat praatte n-i-raar.
+
+In den trein waren ze beleefd en welwillend voor elkaar, maar erg
+stil. Ze reden over den IJsel en over den Rijn en Dora staarde met
+groote stille oogen naar de rivieren, rechtop in haar zwarte jurk,
+de handjes in haar schoot, tot zij ze niet meer zag en ook daarna
+zat ze en staarde.
+
+En hij keek zoo nu en dan naar haar gezichtje en dan weer naar buiten,
+om haar vooral niet te hinderen. En dan probeerde 'n-i of hij haar
+zien kon in z'n verbeelding, eerst telkens een brok, haar voorhoofd,
+en hoe de haren er boven waren, golvend, en haar oogleden en haar
+lange donkere wimpers en dan haar zwarte wenkbrauwen daar boven, even
+gebogen en dan dat alles bij elkaar en haar oogen, haar oogen vooral,
+die zag hij telkens boven de akkers, en 't neusje dat nauwelijks
+wipte, zoo fijn en haar kleinen mond, dicht gesloten de roode lippen,
+en de kleine oortjes, die rose doorschenen, met 't haar er boven en
+losse haren er voor en haar onderkaak, zoo edel lang, met een spits
+kinnetje, waar een zoenkuiltje in was. En dan moesti telkens weer
+kijken naar de twee rechtoppe richeltjes onder haar neusje.
+
+Hij sloot even z'n oogen en zag 't heele gezichtje duidelijk voor zich,
+de bruine wangen nu ook. En daar was 't ook heel duidelijk buiten,
+voor de rij populieren, die nog maar weinig blad hadden. Want 't was
+al October. Hij moest even lachen om de menschen, die hem voor een
+degelijk heer hielden.
+
+"Zeg is 't waar, dat je tegenwoordig iederen avond op kantoor zit?" Hij
+knikte. "Moet dat?" Hij haalde z'n schouders op. "Waarom doe je 't
+dan?" Hij lachte weer. "Om vooruit te komen in de wereld. 't Wordt
+je niet cadeau gedaan." 't Leek haar nix prettig... "Wat zou jij
+dan willen?"
+
+"Kijken... en denken... en schrijven," zei ze en bloosde heel
+even... "ten minste als je dat kunt."
+
+Hij glimlachte akelig wijs. "Nix gedaan, Doortje. Je wordt er nix
+beter van, 't stomste vee is 't beste af. Geloof je niet dat Bovenkerk
+een gelukkige kerel is?" Haar groote oogen gingen wijd open in stille
+ontzetting. "Hè, schrijven wat je denkt is zoo fijn, zoo roef, roef,
+je weet zelf niet hoe je 't doet. 't Staat er ineens precies zooals
+'t er staan moet. En als je 't dan naderhand leest, dan leef je in
+eens weer je eigen leven van toen en toch weet je niet, of je dat
+nu zelf bent of een ander." Haar oogen schitterden, er waren tranen
+in. Ze bloosde niet meer over zichzelf. Ze zat stil met haar hoofdje
+op haar rechterhand, haar elboog op de richel voor 't raampje en
+staarde naar buiten. En 't dichtertje dacht: "dat is een echte,"
+en dat ze hem nu voor een degelijk heer hielden.
+
+Maar hij bleef grimmig en wijs, "God brengt ons op een hoogte, om
+ons te laten afdalen. De weg over den top is kort, maar de dalen zijn
+lang. Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in verdriet."
+
+Zij schudde langzaam haar meisjeskopje, zoo lief en toch zoo
+nadenkelijk: "Ik leef altijd op den top."
+
+Hij wou zeggen: "Goed zoo," maar hij zei niets. Zij staarde in den
+Waal. "Mooi hè?" En in eens stond ze op, nam haar hoed uit 't rek,
+stak er vlug de pennen door en met haar beide handen aan haar hoed, de
+voeten wat van elkaar om stevig te staan, lachte ze in eens overmoedig
+met al haar tanden, als een kwaaie meid, haar oogen in de zijne:
+"Aan mijn lijf geen Bovenkerk." Toen leunde ze haar bovenlijf uit
+'t raampje en keek naar Nijmegen, dat daar lag op de heuvels aan de
+rivier, zoo on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen en
+boomen boven boomen, en zong tegen den wind en 't gerammel van den
+trein over de brug.
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Een groot dichter zijn en dan vallen. In de volheid der tijden.
+
+'t Was wel een dag om eens even de 36" white shirtings en coloured
+satteens te vergeten.
+
+Zij werden niet afgehaald. De vriendin kon niet van huis, want haar
+moeder kon niet loopen en ze zaten zonder meid. Een meid is een zuster,
+niet van u of mij, maar van een letterzetter of een brievenbesteller,
+die bij u of mij op haar knieën door de kamer kruipt om den grond te
+vegen en 't vuilnisvat buiten zet en de kopjes breekt.
+
+Dora en 't dichtertje dronken dus koffie in Lent, over 't water,
+in 't gezicht van de stad en de heuvels. 't Was een stille,
+zonnige herfstmiddag geworden. De kastanjes waren al kaal, de gele
+vijfvingerige bladen met hun dikke kleverige stelen lagen op de aarde
+en dorre en gouden bladen lagen overal. Er was de geur van bladen,
+die vergaan, die 't dichtertje altijd zoo week maakte onder zijn vest,
+alsof i dood zou gaan en onsterfelijk wakker worden in net zoo'n
+stillen blauwen en gouden herfstdag, die niet zou eindigen. En hij
+streek een herfstdraad van z'n voorhoofd. De lucht was zoo blauw en
+wolkeloos en zag zichzelf in 't water en de zon scheen gouden.
+
+En uit 't water steeg de stad naar de blauwe lucht, de kade en de
+huizen en daarboven weer huizen, half of heel uit boven andere, met
+vele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teeken voor God
+om z'n stad te herkennen en twee spitse torens, die hoog en onmachtig
+zich rekten naar nog hooger. Zoo reikt een dichtertje uit de rivier
+zijner dichterlijkheid machtig en onmachtig naar God, die niet te zien
+komt achter de blauwe lucht. Toen moest 't dichtertje toch weer even
+lachen om 't wonder dat in zijn oogen was, die daar een monument van
+heerlijkheid zagen, terwijl er niets was dan veel hokken vol miezerig,
+nog niet eens Hollandsch, maar Geldersch kleinsteedsch leven.
+
+Zij keken juist recht in een straat, die van de kade steil en
+recht naar boven liep, er begon wat schaduw in te komen aan den
+rechterkant. En ergens in de hoogte was een groot plat met een ijzeren
+hek er om en ergens anders een waschtobbe op een ander plat en iemand
+zette, meer dan halfweg tusschen de rivier en God, een raam open,
+dat even de zon fel weerkaatste.
+
+En links van de stad was 't lage walletje der begroeide heuvels,
+een rechte lijn tot "ins grosse Vaterland".
+
+Een gouden laantje liep langzaam hellend, schuin naar boven. De
+gouden letters van het Fransche pensionaat "Notre Dame aux anges"
+blonken in de verte, hoog, aan het hooge huis, dat aan den voet van
+de heuvels staat, waar de grasvlakte eindigt.
+
+"Notre Dame aux anges", onschuldig naakte engeltjes en onschuldige,
+geheel gekleede pensionnaires. De God van Nederland heeft wel gelijk,
+je weet nooit wat je aan die dichters hebt, zijn ze nou netjes of
+niet netjes?
+
+Toen hervond 't dichtertje ineens de zwakke romantiek in dat heele
+geval. God bedoelde er heelemaal niets mee. Hij speelde maar wat en
+had maar eens een heel nieuwe ensceneering bedacht om die Leiden des
+jungen Werthers op te voeren, als hij daar lust in zou hebben.
+
+En zoo praatten zij en speelden met woorden en gedachten en fantasieën
+en zagen aan de schittering van elkaars oogen, als een nieuwe inval
+uit zou flitsen. En daarna stapten ze op en gingen de rivier over. Zij
+wilde datti een mooi cadeau voor Coba meebracht, als i 's avonds naar
+huis ging. Dat zouden ze eerst samen koopen. Ze hing aan z'n arm,
+haar linker door zijn rechter en zoo hielden haar kleine handjes in
+zwarte glacétjes elkaar vast.
+
+Een zacht-lila, zijden sjaal met geknoopte franje moest i koopen,
+hè ja, daar zou Coba vast heel blij mee zijn. Toe, dan was i een
+lief zwagertje. Ze keek in z'n oogen en drukte z'n arm, voor haar
+zuster. Er was geen valschheid in haar hoofdje, haar bloed joeg,
+maar in haar hoofdje was geen valschheid. "Kijk eens wat leuk". Ze
+stonden in de laagte en keken naar boven onder de brug door, die daar
+in de hoogte naar de Belvédère voert. En de boog van de brug omlijstte
+een schilderijtje. Een brok verlaten buitengrindweg, ietwat stijgend,
+aan weerszijden de blauwe band der voetpaden en kleine boompjes met
+schel oranjegele kruintjes, en de takken, door de bladen heen al
+goed zichtbaar en een paar lantaarns, ver van elkaar, met melkglas
+van boven, fel wit, een prentje om "5 October" onder te schrijven.
+
+Er was geen valschheid in haar hoofdje toen ze in eens kalmer werd
+door de afleiding, die dat prentje aan het gesprek gaf, ofschoon
+ze 't zelf voelde. Maar ze begreep 't niet, zooals Adam en Eva hun
+naaktheid niet begrepen en de "Anges" van Notre Dame hun engelenstaat
+en de pensionnaires hun geheel gekleedheid niet. Mijn God, wat is
+een vrouw, die zichzelf begrijpt.
+
+Maar hij begreep zichzelf wel, akelig duidelijk en daarom gebeurde
+er niets. Hij zag haar aan en de dichter in hem aanbad haar en hief
+haar ten troon naast den God van hemel en aarde en durfde haar niet
+aanraken.
+
+En te gelijk zat diep in 't dichtertje 't beest gedoken voor den
+sprong, dat zich zat wilde vreten aan alles wat als een temptatie in
+onverschilligheid om hem heen had gestaan en langs hem was geloopen
+en hem niet erkend had. En haar eerst, 't mooie, 't beminde eerst, zoo
+dat er geen pardon meer zou zijn voor al 't mindere. Haar te verheffen
+zoo hoog als de sterren in de winternacht en met haar 't ergste te
+genieten en haar dan te laten vallen in 't zwarte grondelooze. Op
+haar te wreken in 't genot de tempteerende onverschilligheid. En wat
+zou een dichteres je ook beter verlangen, dan zóó te vallen?
+
+Dit dachtti terwijl een muschje van een paardevijg op den grindweg
+in een van de oranje boomen vloog. Maar hij zei: "Weet jij een goeie
+winkel?"
+
+Ze kochten een heel mooie shawl, fijn en zwierig. Jammer, dat ze in
+'t zwart was. Zij pastte zelf net zoo'n doek, maar een zwarte, om
+te zien hoe die viel en deed er haar bovenlijfje een klein beetje
+bij achterover. Maar die lila, die was prachtig. Coba zou vast een
+gilletje geven van plezier.
+
+En zoo was ze tegelijk en beurtelings dien dag zuster en vrouw en
+dichteresje en courtisane en kende haar verdeeldheid niet en begreep
+er niets van.
+
+Maar wat een dag der dagen.
+
+Luid zong ze op den weg naar Beek, die ook verlaten was en ze liep
+steigerend, ze kon 't niet laten, ze kon de heuvels vertillen voor
+een lolletje en de zon met één hand van de lucht halen en over haar
+hoofd in den Waal gooien, datti siste.
+
+De electrische tram haalde hen in en trok een lange rij dorre en
+gele bladen warrelend en schuifelend, ritselend achter zich aan,
+een lolletje Gods, datti zich wel veroorloven kon op zoo'n dag.
+
+Van Beek stegen ze naar Berg en Dal slingerend door de heuvels. En
+de heuvels waren te laag en niet steil genoeg, hoe kon je daar moe
+worden? En moe moest ze worden of ze sprong uit elkaar van kracht, in
+scherven van dichteresje en vrouw en zuster en courtisane. Bovenop
+keken ze in een dalletje met hellende zwarte en gele en groene
+rechthoekige veldjes en denneboschjes en eiken hakhout er tusschen
+op de hellingen. En daaroverheen in de vlakte, uren ver met niets
+markants er in, alleen een recht brok rivier, dat breed van hen
+wegliep, tot waar i zich in een bocht verloor. Daaraan, heel klein,
+de roode afdaken van steenbakkerijen en hun schoorsteenen, hoog en
+toch verloren in de wijdte.
+
+Daar stonden ze en op eens merkten ze dat ze niets konden dan weer
+weggaan.
+
+Maar 's avonds in bed kon ze niet slapen, in haar hoofdje wilde de
+helderheid niet wijken. Ze doorleefde den heelen dag telkens opnieuw en
+zag alles weer heel duidelijk. En in eens werd 't onder haar schedel
+als de zon zelf: "Ik houd van hem. Ik kan niet anders. Ik wil. God
+sta me bij." Ze ging uit bed en dronk haar karaf achter elkaar leeg.
+
+Den volgenden ochtend zat ze in haar pon op den rand van 't ledikant
+en keek naar haar enkels en prakkizeerde: "'t Zal wel zoo zijn,"
+maar de helderheid was geweken.
+
+Hij wilde niet denken. Als een net en degelijk heer zat i kalmpjes
+en gereserveerd in lijn twee en reed naar kantoor.
+
+"Môgge, dames en heeren." En grimmig ging i aan z'n lessenaar zitten
+en schiftte de post.
+
+
+
+
+X.
+
+
+'t Was in 't laatst van Maart toen de tijden vol waren.
+
+Den heelen dag hadden ze drukproeven nagezien, Dora en hij, heel droog
+en zakelijk. Coba logeerde met Bobi in den Haag bij een rijke nicht
+uit Indië. Zij hadden beiden eenige dagen vrij genomen van kantoor.
+
+Om vijf uur had ze thuis gegeten en daarna was ze nog even
+teruggekomen, om 't werk af te maken. Toen de schemering begon waren
+ze klaar, 't pak lag op tafel, de brief voor den uitgever lag er naast,
+er moesten alleen nog maar postzegels op.
+
+'t Was in de stad op een bovenhuis, maar het was aan den kant, er
+was een vaart voor 't huis en aan den overkant was 't weiland. Dora
+zat op een stoel voor den haard, mantel aan en hoed op en keek in
+'t vuur en dacht aan de volheid der tijden, de volheid voor haar
+heel ver af. Hij lag plat op de rustbank, tusschen 't venster en den
+haard, zoo plat dat ze hem nauwelijks zien kon in de donkere kamer,
+en keek naar 't gele licht van de straatlantaarn op 't plafond en naar
+'t roode schijnsel van den haard op de vloer.
+
+Achter 't huis was de stad en 't lamplicht in vele vensters, maar
+dat zagen ze niet, want ze zaten voòr en als Dora opkeek zag ze 't
+land, waar 't laatste licht de hooge lucht verliet, over de aarde was
+'t reeds donker.
+
+'t Dichtertje had nu van alles genoeg. Z'n boek was af, z'n gedicht
+zonder eind hatti vermoord, z'n positie in de maatschappij was een
+farce. Coba en Bobi hadden genoeg om te leven zonder hem, God zou
+hen troosten, de tijd heelt alle wonden. Dat was een wandtekst van
+z'n tante in Velp.
+
+'t Was lente. Het leek nog winter, maar 't was lente. Het sneeuwde
+nog wat in die dagen, 't was nog wat koud en 't vroor nu en dan,
+maar dat was maar een aardigheidje en zoo erg niet gemeend.
+
+De dagen werden lang, om zeven uur deden de menschen de lichten aan. En
+als om half zeven de gaslantaarns werden aangestoken op de gracht,
+stonden ze daar zoo bleek en verwonderd. Dan warrelde de sneeuw er wat
+om heen in kleine voorjaarsvlokjes en smolt voor dat ze op straat viel.
+
+En ze dachten beiden aan de zomerregens, die komen zouden en hun
+neuzen van niet te rangeeren bohemiens, die zichzelf niet vermoorden
+konden, rooken 't versche hooi. Hij, grimmig als de titel van z'n boek,
+"Djengis Kan," en grimmig als 't boek zelf en met de gedachte dattie
+'t niet meer ruiken zou, datti ook dit koninklijk abandonneerde, zij
+vol vaag verlangen en zoo bewogen in haar hart. Haar handen vouwde
+ze op haar rok waar die gespannen stond tusschen haar knieën. Die
+hield ze van elkaar en zoo zat ze, voorovergebogen, op haar stoel.
+
+De koeien waren al in 't land geweest, op een zonnigen dag hadden
+zij ze gezien. Het land had de koeien direct herkend en ze stonden er
+heel vertrouwelijk in en de zon was er blijde om geweest. Naderhand
+waren de dagen weer kouder geworden en de koeien moesten zoo lang
+weer binnen. Maar de hagel kon de lente niet tegenhouden.
+
+De berkestammen waren toen zilverwit, maar mooier dan zilver. De taal
+is armoedig, doodarmoedig. Die de werken des Vaders kent, weet dit.
+
+De weilanden leken minder verzadigd van water, de landen werden
+gemest, de zon steeg hooger en was trager in 't zinken. En Dora
+dacht hoe de zon groot, rood en koud had gestaan in December, laag
+boven de kim, om vier uur en verging in een kouden nevel en verdween,
+zwak en weerloos. Maar dat was lang geleden. En hoe in den winter de
+menschen om vier uur hun lichten aandoen en hopen dat 't nog weer
+eens dag zal worden. Maar nu wist ze al weer zeker dat de zon zou
+opkomen den volgenden morgen. En dan, wat dan nog?
+
+Ze spraken nog altijd niet.
+
+Hij dacht aan den tijd toen i gewerkt had, wat men noemt "hard
+gewerkt." En hoe z'n familie gezegd had, datti wijzer begon te
+worden. En datti eens had geklaagd, datti 't zoo erg druk had en
+dat allerlei dingen op kantoor tegenliepen en hij er 's nachts van
+droomde. En dat toen z'n tante had gezegd: "Ja jongen, de ernst des
+levens." Ze zou vast z'n boek lezen, hopen op een presentexemplaar,
+wachten of 't in de portefeuille zou komen. En er van willen schrikken,
+maar dat niet durven als allerlei menschen 't geprezen hadden. Hij
+zag zichzelf al circuleeren in de portefeuille in Velp, 't was wel
+de moeite waard.
+
+"En wat dan nog?" dacht Dora. De sneeuw had ze weer zien smelten en
+de knoppen wat grooter worden. En daarna werden de kruinen van de
+hooge boomen alom bruin.
+
+Het leek haar alsof ze dit heel lang geleden ook zoo gezien had, met
+haar handen gevouwen op haar rok, de knieën wijduit, voorovergebogen
+op haar stoel.
+
+De zon scheen weer, ze zag de huizen in 't licht en de boomen en den
+gouden schijn in 't water. Den treurwilg zag zij gelen, zijn takken
+hingen, ze trokken naar 't water, in doodstille gele aanbidding hingen
+ze er stom boven en zagen 't gele licht in den vijver. De wollige
+witte wolken zeilden in den vijver, ze schoven voor den blauwen hemel,
+maar dekten hem niet. Zoo staan de treurwilgen in de stad in de vroege
+lente, materialisatie Gods tusschen de klompige huizen, die zoo hoog
+zijn, en ze wekken 't verlangen, dat geluk is en verdriet. Je komt den
+hoek om, een abjecten goren hoek bij een haringstalletje, dat stinkt
+naar gemarineerde haring en op eens gaat een slag van je oogen naar
+je hart, je ziet 't goud neerstorten als een zee en je staat en een
+klein jongetje veegt z'n neus af met den rug van z'n hand en roept:
+"Kakmadam." Dat is Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, in 't
+vroege voorjaar.
+
+'t Was nu bijna nacht. De kolen in den haard rommelden plotseling,
+vlammetjes schoten uit en hun licht was in de kamer.
+
+"Dora," zei hij in eens, "hoe vind je Penning?" Penning was ook
+een vrind uit z'n jeugd. Jaren lang hatti 'm niet gezien, hij wist
+alleen datti ingenieur was geworden. En nu voor veertien dagen hatti 'm
+ontmoet en hij was een paar maal komen oploopen, terwijl ze bezig waren
+met de drukproeven en had dan telkens een uurtje zitten praten. Hij
+was een groote, frissche jongen, aardig op weg om carrière te maken
+en toch buiten z'n werk nog heelemaal een jongen. Hij had verteld
+datti over enkele maanden voor een jaar of wat naar Zuid-Amerika zou
+vertrekken om ergens iets uit te baggeren of een pier te leggen of
+iets dergelijks. 't Dichtertje hattem ook een keer meegenomen naar
+z'n schoonmoeder, die dadelijk erg met 'm ingenomen was. Em hield
+niet vannem.
+
+"Hoe vind je Penning?" "Gaat nogal," zei Dora absent. Stilte. In
+'t schijnsel van de straatlantaarn op 't plafond zag je de schaduwen
+van de sneeuwvlokjes die nu wat grooter vielen.
+
+"Komende maand trouwt Em." Ze keek op. Wat praatte-n-i weer raar,
+hij leek wel Bovenkerk met Em. Ze gaf geen antwoord.
+
+Als een lang vergeten ding zag ze in eens een breede rivier voor
+zich, die naar zee stuwde. Zijn golven stuwden 't zonlicht naar zee,
+maar het water en het licht waren zonder einde. Op een blauwe en
+gouden baan trok een klein sleepbootje een langen sleep. Nietig was
+'t bootje, zijn pijp stak heel klein de lucht in, de rook was gering,
+z'n schor geroep ging verloren in de ruimte. Uren en uren ging dit
+door het water, tusschen de velden onder de ontzaggelijke lucht.
+
+En ze zag een langen weg vol stof en zon en verlatenheid. En weer wat
+anders: een weide, eindeloos, en een laan van hooge boomen, er in de
+zon, van terzij, al wat lager en alles vol van levend goud en blauwe
+lucht. En toen: een rivier, wat in de diepte, donker al in 't Oosten,
+in 't Westen stierf de dag, geel eerst, vol droevig, bleek groen er
+boven, de dag die niet sterven wilde, de duisternis die machtig steeg,
+van de landen in het Oosten steeg in de lucht en machtig trok naar 't
+Westen, daar was de rivier rood en schreide en wilde 't licht houden,
+'t licht dat blijven wilde. Zoo vloeide de rivier, met 't licht naar
+de zee, die ze niet zag.
+
+Toen zei hij "Penning komt om jou". Ze schrok, 't Duurde even voor
+dat ze begreep wat ze had hooren zeggen.
+
+"Luister goed Dora, neem hem. Hij zal je vragen, ik weet 't. Neem hem,
+trouw met 'm. Verval niet aan de kunst of iets dat er op lijkt."
+
+Ze zat zoo als ze gezeten had. Alleen haar hoofdje hield ze wat
+hooger, ze keek naar 't venster, dat donker glansde, met ergens
+enkele gele stipjes er in, van 't licht van den straatlantaarn. Een
+van de spaarzame groote sneeuwvlokken raakte 't glas en smolt. Ze
+begreep niet.
+
+Hij legde zijn hand om haar gevouwen handen, z'n vingers raakten
+de hare in hun geheele lengte. Toen steeg zoo een wild verlangen
+uit haar lijf naar haar hoofdje met haar bloed, dat al haar kleeren
+haar onverdragelijk waren, één oogenblik. Maar ze stond kalm op, één
+hand hield ze op de leuning van den stoel. "Ik trouw niet". Ze zei 't
+alsof ze vertelde dat de boekhouder z'n ontslag had genomen. Alsof hij
+niets gezegd had, kwam hij van de bank af. "Hier" zeidi, "wil je dien
+sleutel meenemen? Die is van de straatdeur. Bonger zou tegen tienen
+bij jelui komen om 'm te halen. Hij zou vannacht hier slapen. Hij
+moest vandaag van z'n kast af en kan pas morgen op de de nieuwe. 'k
+Had 'm gezegd dat ik niet zeker wist of ik thuis zou zijn."
+
+"Ga je dan nog uit?" Ze was nu volkomen rustig, voelde op tafel naar
+de lucifers en stak 't gas aan. Hè, ze konden nix zien. "Ga je dan
+nog uit?" Hij haalde z'n schouders op. "Misschien." Ze keek 'm strak
+aan, maar aan z'n gezicht was nix byzonders te merken, zóó had hij
+de laatste dagen dikwijls gekeken, als i een goede plaats oplas uit
+"Djengis Kan" en ze even opzag van 't nakijken.
+
+Hij bracht haar tot de trap.
+
+"Dag Ee, tot morgenavond bij moe". Hij drukte haar hand. "Dag Dora,
+au revoir camarade." Even hoorde ze iets in z'n toon, dat er altijd was
+als i vertelde wat z'n tante had gezegd. Gek was dat. "Nou dag". "Dag
+hoor," riep i haar na, alsof i een meisje van zestien jaar nadee. Toen
+sloeg de deur dicht.
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Ze stapte hard door, moest telkens uitwijken voor de plassen. Het
+sneeuwen had bijna opgehouden, de natte vlokken die nog vielen
+warrelden langzaam naar beneden, een enkele viel op haar gezicht,
+dat deed haar goed. In 't licht van een lantaarn zag ze de dikke
+knoppen aan een van de kleine kastanjeboompjes op de gracht, met
+glinsterlichtjes waar ze 't dikst waren.
+
+Een gele, rechte streep licht was op den stam van boven naar beneden.
+
+Wat was er eigenlijk gebeurd? Alweer een plas, wat leek die diep met
+de weerspiegeling van de lucht er in, de weerschijn van een ster
+pinkte in een opening tusschen de wolken. Duizelig zou je er van
+worden van aldoor zoo in die plassen te kijken, loopende. Ze kende
+een sentimenteel Duitsch liedje van 't geluk dat "Jenseits der Sterne"
+was. Of misschien diep in zoo'n plas, heelemaal onderaan. Malligheid,
+der stond mogelijk geen centimeter water. Haar dag zou ook komen. Ze
+wou. Wat wilde ze? Kon zij iets willen?
+
+Fijn, zoo alleen te loopen in den avond en je gedachten te laten
+komen en gaan en weer komen. En daar ze een dichteresje was citeerde
+ze Perk, terwijl ze op zij stapte voor weer een plas en haast in een
+andere trapte: "Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden."
+
+De natte, zoele wind sloeg om haar heen, ze haalde diep
+adem. "Makkelijk praten". Waarachtig, daar liep ze bijna tegen een stel
+aan, dat onder een lantaarn stond te zoenen. En in eens voelde ze zich
+dame: "Wat een vulgair stel". "Der minnen vruchten ic u mildelijck
+gaf, Maer een ewich zuchten houde ic daer af". Weg was de dame, toch
+bloosde ze in haar eentje onder de donkere lucht om die "vruchten",
+die ze gegeven zou hebben. En in eens herinnerde ze zich dat gevoel,
+dat ze zooeven gehad had, God, nog geen tien minuten geleden, dat
+al haar kleeren haar onverdraaglijk waren. Ze voelde haar wangen
+branden. "'t Zal niet zijn." Meteen stond ze op haar stoep. Half acht.
+
+"Dag moe, ik kom direct beneden".
+
+Maar toen ze op haar kamer was en hoed en mantel had afgegooid, toen
+werd haar duidelijk wat er zooeven gebeurd was. Een groot gevoel van
+verlatenheid en dat 't leven de moeite niet waard was kwam in haar
+hoofd. Ze begreep zichzelf niet.
+
+Waarom had ze niet z'n hand gepakt en gezegd: "Ik houd van jou". Waarom
+wilde ze niet, wat ze zoo erg wilde? Wat kon haar gebeuren, erger
+dan deze dood levend om te dragen? Waarom was ze? Waarom moest ze
+ongezoend dood gaan? Niet zoo maar 's gezoend, maar heel erg. Ze
+gloeide overal, haar hart werd groot. Ze maakte haar goed open voor
+den spiegel en bekeek haar borsten, zoo wit in haar zwarte japon en
+hield ze op haar beide handen.
+
+Rein en onaangeraakt was zij. Ook een lolletje. En in haar groote
+verwarring bad ze, dat God haar onteeren zou. "Zou ik gek worden?"
+
+Haar manteltje gleed van 't bed met een slag. Dat was de sleutel. Een
+gedachte schoot door haar hoofd als een vlam: "hij had afscheid van
+haar genomen, er was iets niet in orde, ze moest terug." Kalm waschte
+ze haar gezicht wat en kleedde zich weer aan. "Ik heb iets vergeten,
+over een half uurtje ben ik weer terug."
+
+Om acht uur stond ze weer voor zijn deur en schelde. Geen gehoor. Ze
+schelde nog eens en maakte toen resoluut de deur met den sleutel
+open. Nergens licht. Ze griezelde van 't leege, donkere, stille huis,
+haar hart klopte hevig, maar moedig ging ze naar boven. De deur van
+de voorkamer stond open, 't licht van de straatlantaarn scheen op 't
+plafond, 't roode licht van den haard was in de kamer. "Ee, waar ben
+je"? Wat klonk dat akelig. Ze liep door de kamers, bang en moedig. Toen
+ging ze de tweede trap op. Door een kier van de slaapkamerdeur kwam
+licht. Haastig gooide ze de deur open, bang dat ze zich omdraaien en
+vluchten zou.
+
+"Ee, wat doe je?" Hij zat heel stil op den rand van 't bed tusschen
+zijn knieën door naar 't kleed te staren. Hij stond op: "Dora". In
+dat eene woord was alles en ze hoorde 't.
+
+Toen vielen ze samen peilloos diep door 't licht en ze voelden hun
+lijven als zingende zonnen.
+
+Maar in z'n achterhoofd was een plek ijskoud en daar dacht hij:
+"Dit is de wraak, zij boet voor een wereld"...
+
+De Duivel zat in "de Kroon," in 't midden, bij een pilaar. Hij legde
+z'n dunne gouden horloge voor zich op 't tafeltje. De twee knobbels
+op z'n voorhoofd waren grooter dan ooit.
+
+"Kwart over achten. Consummatum est."
+
+Iemand tikte op z'n schouder.
+
+De God van hemel en aarde stond achter hem: "Consummatum est, ga mee
+en zie."
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Om half elf vonden hem Bonger en Graafland. Bonger had den sleutel
+bij z'n schoonmoeder gehaald.
+
+Geheel naakt stond hij in 't midden van de kamer. Z'n linkerarm hing
+langs z'n lijf, de vuist was gebald, de rechterarm was geheven en wees
+met den wijsvinger naar boven. Er was een zwakke geur van lelietjes van
+dalen, op den grond lag een blauwe haarspeld. 't Bed lag in wanorde.
+
+"Eduard" riepen ze beiden tegelijk.
+
+"Ik ben God", zeidi. "Ik ben meer dan God. Ik ben de onwrikbare, de
+onbarmhartige. Ik ken geen goed of kwaad. Ik doe wat ik moet. Wat ik
+doe is goed."
+
+Bonger nam een laken van 't bed en trad op hem toe.
+
+"Ga weg", zeidi en deed een stap achteruit.
+
+Bonger bleef staan.
+
+"Zei ik, dat ik God was? Ik ben 't eeuwige leven. Ik ben de
+vruchtbaarheid. God heeft me gezonden. Bedek me niet".
+
+Weer stapte hij achteruit.
+
+"Bedek me niet. Ik ben de vruchtbaarheid. Breng alle vrouwen hier,
+alle jonge vrouwen. Alle zeg ik. Ik ken je wel. Jij bent Bonger,
+die andere is Graafland. Ik ken jelui wel. Leg dat laken op bed. Zij
+moet er op liggen. Leg haar er op, de eerste, heelemaal naakt. De
+anderen hoeven niet weg te gaan. Ze moeten zien. Je kunt gaan Bonger,
+en jij ook, Graafland".
+
+Bonger legde z'n hand op z'n schouder. "Sta stil, doe je arm omlaag".
+
+De arm zakte en Bonger sloeg 't laken om hem heen. "Ga op dien stoel
+zitten". Hij ging zitten. Graafland zocht z'n kleeren bij elkaar,
+van 't bed, van de stoelen, van den grond.
+
+"Kleed je aan".
+
+Toen trok hij gedwee en langzaam al z'n kleeren aan.
+
+
+
+'t Dichtertje is nu dood. Die lui daar in Delft of Oldenzaal hebben
+schitterend gelijk gekregen. Hij was vast nooit goed bij z'n hoofd
+geweest.
+
+Z'n boek is driemaal herdrukt, z'n verzamelde gedichten zijn uitgegeven
+met een inleiding, van meneer Scharten of een ander. 't Fretje, dat 't
+gebracht heeft tot financieel redacteur van de Provinciale Arnhemsche
+en Geldersche Courant vertelt overal, dat i met 'm op school geweest
+is. En alsi in Amsterdam komt, wat nog al eens gebeurt, dan schiet
+i Bonger aan en begint telkens weer een gesprek over 't dichtertje
+en z'n werk en doet erg zwaar op de hand en vertelt datti naast
+'m heeft gezeten op school.
+
+Coba is zachtzinnig en vergevingsgezind en natuurlijk, zooals ze
+altijd geweest was. Ze is godsdienstig geworden zonder wandtext
+en gaat iederen Zondag naar de Nederlandsch Hervormde kerk aan den
+Boezemsingel, want ze woont in Rotterdam, als straf omdat ze wel eens
+met een ander heeft gecoquetteerd toen ze getrouwd was. Zachtzinnig
+en vergevingsgezind denkt ze er aan, hoe zij ook langs den rand van
+den afgrond is gegaan.
+
+Dora is een "ongehuwde moeder". Zij is op kantoor in Rotterdam, haar
+baas kent haar geschiedenis en veracht haar niet, integendeel. Wat
+iets heel bizonders is voor een Rotterdammer.
+
+En ik denk dat om dezen éénen man deze wanstaltige stad mogelijk nog
+gespaard zal blijven op den grooten dag. Wat weer een nadeel is.
+
+Ze woont met haar kindje bij Coba en Bobi en gaat rechtop en trotsch
+en zwijgend door haar leven. Ze wil staatsexamen doen en dan in de
+rechten gaan studeeren van 't geld van haar pa, die dood is. Vooral
+niet in de letteren. Werken wil ze en niet denken. Maar ik geloof niet,
+dat zij zich zelf zal kunnen vermoorden. Zij die God werkelijk lief
+heeft boven allen, moeten de last daarvan dragen tot het einde.
+
+
+ Juni-Juli 1917.
+
+
+
+
+
+
+DE UITVRETER.
+
+
+I.
+
+
+Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond,
+heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.
+
+Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen,
+als je 's avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren
+oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je
+kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen op-droeg en een
+jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. Den uitvreter,
+die altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als een
+vorst jenever zat te drinken op 't terras van "Hollandais" voor de
+centen van de lui; die parapluies leende en nooit terugbracht; die
+een barst stookte in de tweede hands kachel van Bavink; die dubbele
+boorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van Appi, en
+buitenlandsche reizen maakte als-i z'n ouwe heer weer had afgezet,
+en pakken droeg, die hij nooit betaalde.
+
+
+
+Z'n naam was Japi. Z'n achternaam heb ik nooit geweten. Bavink kwam
+met hem aanzetten toen-i uit Veere terugkwam.
+
+Een heelen zomer had Bavink in Zeeland geschilderd. In Veere had-i Japi
+voor 't eerst gezien. Japi zat daar maar. Bavink had al enkele malen
+gedacht: wat is dat toch voor een kerel? Niemand wist 't, altijd vond
+je hem ergens aan den waterkant. Daar zat hij maar, uren achtereen,
+onbewegelijk. Om twaalf uur en om zes uur ging i voor een uurtje naar
+binnen om te eten; de rest van den dag zat i. Dat duurde een week of
+drie; toen zag Bavink hem niet meer.
+
+Een paar dagen daarna kwam Bavink van Rotterdam. Af en toe had hij
+behoefte om veel menschen om zich heen te zien. Hij had enkele
+dagen in Rotterdam langs de havens gesjouwd en had er meer dan
+genoeg van. Aan boord van de boot tusschen Numansdorp en de Zijpe,
+daar zat i weer. Het woei nog al, dien ochtend; er stond een flink
+koudje wind en het water liep met witte koppen. Af en toe spatte
+'t op 't voorschip over de verschansing. De glazen tochtdeuren op 't
+voordek waren dicht; op 't voorschip zat niemand. Alleen Japi zat daar,
+tuurde over de verschansing en werd deerlijk nat. "Kijk," dacht Bavink,
+"daar heb je waarachtig diezelfde kerel." Hij ging bij hem staan. De
+boot rolde en steigerde. Japi zat op z'n bankje, hield z'n pet vast en
+liet zich nat worden. Het duurde nog al wat, voordat i merkte, dat er
+iemand bij hem stond. "Lekker weertje, meester", zei Bavink. Japi keek
+'m aan met z'n groote blauwe oogen en hield aldoor z'n pet vast. Meteen
+kwam er een plons water over boord, de droppels stonden op z'n gezicht.
+
+"Nogal", zei Japi. Met een plof kwam 't voorschip op 't water neer
+en stootte. Een heer trachtte tevergeefs de deur van den glazen
+salon open te maken, waar de wind op stond. "We zijn mooi op tijd",
+zei Bavink, om wat te zeggen. "Zoo?" zei Japi, "ik weet van geen tijd."
+
+'t Gesprek hokte wat. Japi keek in de golven. Bavink keek naar de
+grijze pet van Japi en dacht wat dat toch voor een kerel zou zijn. In
+eens zei Japi: "kijk eens, een regenboog in 't water." Je kon in 't
+water een eindje regenboog zien, aan de lucht stond niets. Nog eens
+keek Japi Bavink met z'n groote blauwe oogen aan en werd plotseling
+spraakzaam.
+
+"Ik vind 't hier verdomd leuk", zei-i, "'t is jammer, dat 't zoo niet
+altijd blijft." "Over een uurtje zijn we aan", zei Bavink.
+
+"Moet u naar Zierikzee?" vroeg Japi.
+
+"Dat wil zeggen", zei Bavink, "ik ga vanavond door naar Veere." "Zoo",
+zei Japi, "is u daar gelogeerd?"
+
+"Ja, daar ben ik gelogeerd en is u niet die heer uit Amsterdam, die
+altijd maar aan den waterkant zit?" Toen moest Japi lachen en zei:
+"Ik zit nog al eens aan den waterkant, altijd is een beetje sterk. 's
+Nachts lig ik op m'n bed, ik heb een uur noodig om me aan te kleeden
+en te ontbijten, een half uur zit ik aan mijn lunch en om zes uur moet
+ik weer eten. Maar ik zit nog al eens aan den waterkant. Daarvoor kom
+ik naar Zeeland. Ik maak me nog veel te druk. Van de week ben ik naar
+Amsterdam geweest. Ik moest wel, m'n centen waren op."
+
+"Is u Amsterdammer?" vroeg Bavink. "Ja, Goddank", zei Japi. "Ik
+ook", zei Bavink. "U schildert niet?" vroeg Bavink. Het was een
+rare burgermansvraag, maar Bavink dacht aldoor maar: wat zou dat
+toch voor een kerel wezen? "Nee Goddank", zei Japi, "en ik dicht ook
+niet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddank
+heelemaal niks."
+
+Dat kon Bavink wel bekoren.
+
+Het schip steigerde, kwakte, rolde en slingerde; het water spatte
+en plenste over de verschansing; niemand anders was aan dek te
+bekennen. Vóóruit was het water onafzienbaar, vol witte koppen, de
+schaduw van een groote wolk was een drijvend eiland; heel in de verte
+voer stampend een zwarte vrachtboot voor hen uit. "Kijk", zei Japi,
+"de ""Stad Gent."" Je zag in de verte het water aan weerszijden van
+de boeg hoog opvliegen; om de schroef zag je het woelen en bruisen en
+schuimen. Hol liepen de golven met scherpe kammen, groen en blauw en
+geel en grijs en wit, al naar de diepte en de weerspiegeling van de
+wolken, nergens en geen oogenblik 't zelfde. Een klein sleepbootje
+sleepte een aak en twee tjalken.
+
+"Nee", zei Japi, "ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog
+veel te veel. Ik ben bezig te versterven. Het beste is, dat ik maar
+stil zit, bewegen en denken is goed voor domme menschen. Ik denk ook
+niet. 't Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en
+nacht blijven doorzitten."
+
+Bavink begon 't geval interessant te vinden. Hij knikte maar. Nog
+altijd hield Japi z'n pet vast met z'n rechterhand, z'n rechterarm
+steunde op de verschansing. 't Woei zoo hard, dat Bavink z'n hand
+opzij van z'n neus moest houden om adem te halen. Japi zat daar maar,
+alsof hij thuis was. Toen vertelde Japi dat i van plan was, nog enkele
+weken in Veere te zitten, tot zijn geld op was.
+
+Schilderen leek 'm wel aardig, als je 't goed kon. Hij kon niks, en
+daarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo weergeven als
+je ze onderging. Hij had maar één wensch: te versterven, onaandoenlijk
+te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je groote
+vijanden. Eeuwig en altijd moest je weer eten en slapen, moest je
+weg van de kou, werd je nat en beroerd of moe. Zoo'n waterplas heeft
+'t maar goed, die golft maar en weerspiegelt de wolken, is aldoor
+anders en blijft toch gelijk. Heeft nergens last van.
+
+Al dien tijd stond Bavink schrap in den wind op z'n stok geleund en
+knikte Japi maar toe. Dat is zoo mal nog niet, dacht i. En droogjes
+weg vroeg i, of Japi ook door ging naar Veere. En zoo kwam 't gesprek
+op Zierikzee, op Middelburg, op Arnemuiden en al die oorden, waar ze
+allebei uit en te na hadden rondgeloopen en gestaan en gezeten. Want
+Japi had van z'n leven toch ook nog wel iets anders gedaan dan in
+Veere aan den waterkant gezeten. En toen merkte Bavink al gauw dat
+Japi niet alleen loopen en staan en zitten kon, maar kijken ook. En
+boomen honderd uit. En toen ze samen aan de Zijpe aan wal stapten, toen
+wees Japi naar 't Zuidwesten, naar den dikken toren van Zierikzee die
+heel flauwtjes aan den horizon zichtbaar was en zei: "Dikke Jan, die
+oue geduldige dikke Jan, hij staat er nog. Ik dacht 't wel. Ja hoor,
+hij staat er nog." En toen vroeg Bavink of i altijd zoo'n lol had en
+toen zei Japi: "Ja", meer niks. En toen ze in Zierikzee arriveerden
+en uit de tram waren gestapt toen liet Japi zijn zoolen klepperen
+op de heete keien van een of ander schaduwloos straatje dat maar
+bakte en bakte in de zon en rekte zich uit en zei dat 't leven toch
+verduiveld lollig was. En toen dreigde i de zon met z'n wandelstok
+en zei: "Zoo'n zon toch, hij schijnt maar, maar i daalt, hij rijst
+niet meer, 't is over twaalven, hij moet onder; van avond is 't weer
+koel. De lui zouden raar kijken als i niet daalde. Lekker warm hé,
+mijn goed plakt aan mijn lijf. De zeelucht stoomt mijn boordje uit."
+
+En toen bleek dat je dat versterven niet zoo letterlijk moest nemen.
+
+Aan tafel was Japi meer dan spraakzaam. Hij praatte voor drie, at
+voor zes. "Die zeelucht graaft", zeggen ze in Veere. Hij dronk voor
+zes anderen en zong 't heele liedje van de Nancy Brig. Kortom hij
+was zeer bedrijvig en luidruchtig, en Bavink dacht dat zoo'n kerel
+goud waard was.
+
+En dat was i. 's Middags nam i Bavink mee naar de singels en liet
+'m driemaal Zierikzee rond loopen. Z'n mond stond niet stil en z'n
+wandelstok wees maar en als de Zierikzeeënaars bleven staan en keken,
+dan ging i op ze af en sprak ze aan met "jongeheer" en vroeg of ze
+wel gezond waren en klopte ze op den schouder, dat Bavink zijn zijen
+hield van 't lachen. Dat kon Japi goed: met 't welwillende beschaafde
+Hollandsche publiek afrekenen, dat niemand duldt die er niet minstens
+even dom en smakeloos uitziet als zij, en hoont en hardop over je
+praat alsof niet zelfs op 't kleinste dorp sedert eeuwen dominees
+en pastoors bezig zijn 't volk op te voeden. Japi was een kerel als
+een karrepaard en sloeg er op in als 't moest met een kracht en een
+bedrevenheid waartegen de plompste kinkel 't moest afleggen. Zoover
+kwam 't in Zierikzee niet. De Zeeuwen zijn de beroerdsten niet. Japi
+placht te zeggen: "'t Eenigste wat me spijt is dat je op Walcheren
+niet eens af en toe een relletje hebt."
+
+
+
+
+II.
+
+
+Twee dagen sjouwden Bavink en Japi in Veere rond en toen jijden
+en jouwden ze elkaar al. Urenlang zaten ze samen op 't dak van 't
+Hospitaal en keken over Walcheren, over de Kreek en 't Veergat en den
+ingang van de Oosterschelde en de duinen van Schouwen. En daar had
+je dikke Jan ook weer, den toren van Zierikzee, nu in 't Noorden. En
+daar had je Goes en Lange Jan, den toren van Middelburg, de spil van
+Walcheren, het hart dier wereld. En 't tij kwam in en 't tij ging uit;
+'t water rees en viel. En iederen avond kwam de manke havenmeester en
+maakte eerst 't groene lichtje aan op 't Noorderhoofd, de palenwering;
+en dan kwam i daar af, dan moest i om 't heele haventje heen en dan
+zag je 'm weer bij den toren en dan maakte i het houten hek open en
+klom de houten trap op en stak ook 't licht aan den toren aan. En dan
+zei Japi: "alweer een dag, meester", en dan zei de manke havenmeester:
+"Ja mijnheer, al weer een." En als je dan naar den kant van Schouwen
+keek dan zag je 't draaiende licht aan en uitgaan. En een uur weg
+naar zee lag de lichtboei en scheen en doofde. En 't water klotste
+en rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zag
+door 't Noorden. En 't laatste licht van den dag schoof mee door 't
+Noorden en werd 't eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte
+de eene dag aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is.
+
+Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om z'n
+as en vervolgde z'n baan om de zon en had er geen weet van. Maar
+de menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet door
+de dagen, alsof 't zonder die moeite, die zorg en dat verdriet geen
+avond zou worden.
+
+Japi wist wel beter. De zon kwam van zelf wel weer bij de Walchersche
+duinen in zee terecht. Maar Bavink had 't bij tijden leelijk te pakken.
+
+Bavink was een kerel, die gemeenlijk hard werkte. De menschen dachten
+dat i nog al wat kon. Hij lachte er om. Als i niet moest verkocht i
+niets; zijn beste werk zette i weg, keek er niet meer naar om, altijd
+ontevreden. Zoolang i werkte ging het goed, als i klaar was hatti er
+pijn van; bij tijden was i dood op. Als de menschen wisten hoe i de
+dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk,
+om zijn akelige knoeierige reproductie dier heerlijkheid. Bavink
+had heele tijden dat i niets deed, zich maar liet gaan, lekkertjes
+de dingen aankeek en er doorheen sukkelde, 't prettig vond dat de
+boel zoo "verdomd mooi was", zooals i dat zei. Dat i pijn in zijn
+schedel voelde als i dacht aan al zijn vergeefsche pogingen, aan
+zijn "verdienstelijke werk." Verdienstelijke werk! Spuwen moest i
+als i er aan dacht. "Verdienstelijke werk", zeiden ze. Ze wisten er
+wat van. Je kon wel merken dat de dingen hen niet te grazen hadden
+genomen en door elkaar geschud zooals hem.
+
+Hij wou dat i 't schilderen maar laten kon, maar dat gaat ook maar
+zoo niet; als 't er in zit wil 't er uit. En dan begon de marteling
+weer, werken, werken dag en nacht, daags schilderen, 's nachts er
+over piekeren, er bij blijven, doorwerken, zorgen dat je de dingen nu
+goed vasthield. Dan sliep en at i nauwelijks; in 't begin rookte i dan
+enorm veel sigaren achter elkaar maar na den eersten dag hield dat ook
+op. Dan had i oogenblikken van 't hoogste geluk zooals zelfs het loome
+wegzinken in al dat "lekkere mooi" hem niet geven kon. En dan kwam die
+kijken, en die, en dan stonden ze met hun tweeën, met hun drieën, met
+hun vieren achter hem en keken en knikten en wezen. En dan ineens was
+'t uit. Dan zei i: "Verdomme", en ging op zijn brits liggen en liet
+een klein spatje jenever halen, en deed niets meer. Dan werd na een
+paar dagen het doek bij de rest gezet. De dagen die daarop volgden was
+i ellendig, moe, miserabel, onvatbaar, ziek, en ging i weer "sloffen"
+zooals i dat noemde: niets doen, luieren, rond loopen. Als i centen
+noodig had dan haalde i 't een of ander uit de "vullis", dan zocht
+i een "doekje" uit waarvoor "ze wel 't een of ander zouden geven",
+en dat verkocht i dan. Niemand kon 'm van die manieren afbrengen. Hij
+was nu eenmaal zoo. Z'n kracht en zijn zwakte hoorden onverbrekelijk
+bij elkaar. En als i wat had verkocht dan stopte i de centen los in
+zijn zak, dan rammelde i met de guldens en riksdaalders, dan liep i
+in de Kalverstraat een liedje te fluiten. Dan groette i joviaal met
+zijn hand boven zijn hoofd als je 'm tegen kwam.
+
+Dan kwam i vertrouwelijk bij je staan, liet je geheimzinnig de "spieën"
+zien, lachte hardop en zei: "De stakkers toch hè?" Papier nam i nooit
+aan: daar kon je niet mee rammelen. Goud moest i hebben en zilver,
+en als 't 'm te veel werd "kwam i de rest later wel eens halen."
+
+Dat was Bavink; en je begrijpt dat een heer die zich oefende
+in 't versterven hem degelijk interesseerde. Daar kon i wat van
+leeren. Zoo'n kerel die 't prettig vond om zich te laten uitwaaien,
+zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den natten zouten
+wind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien zeesmaak zoo
+"verdomde lekker" vond; die 's avonds aan zijn handen zat te snuffelen
+om de zee op te snuiven. Zoo'n kerel die tevreden was omdat i bestond
+en gezond was en genoegerig zich bewoog tusschen Gods hemel en Gods
+aarde, en 't dwaas vond dat de menschen zich zooveel moeite gaven,
+en hardop om ze lachte en die eeuwig met een besten glimlach zich
+stilletjes zat te verheugen in 't water en de lucht en de wolken en
+'t veld en zich doornat liet regenen zonder 't te merken en dan zei:
+"ik geloof dat ik nat ben", en lachte. Een kerel die smakelijk duur
+kon dineeren en smakelijk dure jenever wist te drinken als de eerste
+in Nederland, en op andere tijden op marsch (want i zat niet altijd,
+hij was af en toe dagen op de been) dag in dag uit droge fijntjes at
+en tot tranen toe bewogen was omdat in 't veld "zoo'n brokkie brood
+zoo lekker smaken kon."
+
+En als Bavink werkte dan zat Japi er bij in 't gras of binnen,
+omgekeerd op een stoel en rookte. En als ze binnen waren dan had Japi
+een tweede stoel erbij slaan met een borreltje er op, waar i af en toe
+de hand naar uitstak. En hij hield Bavink aan den gang. Tegen niemand
+anders had Bavink ooit een woord gezegd als i werkte; met Japi sprak i.
+
+"Wat duvel", zei Japi, "'t dondert toch niet of 't goed is, je doet wat
+je kunt, je bent nu eenmaal een stakker. Je moet schilderen. Je kunt
+'t toch niet laten. 't Hindert immers aan de dingen niet of jij ze nou
+niet heelemaal zoo krijgen kunt als ze zijn. En de lui, die snappen
+er toch niets van. Van de dingen niet en van je werk niet en van jou
+niet. Ik kon mijn tijd toch ook een boel beter besteden dan hier te
+zitten zuipen en naar die verfboel te koekeloeren. Word ik er minder
+van?" "Neen, dat deugt niet", zei i dan, "veel te blauw; je weet toch
+wat we gisteren afgesproken hebben? Veel te blauw, kerel. Denk je dat
+'t je zoo zou aangepakt hebben als 't die rare blauwe kleur had?"
+
+Japi was goud waard voor Bavink. Bavink sleepte 'm overal mee. Bavink
+heeft Japi gemaakt tot wat i was, toen Bavink in Amsterdam met hem
+kwam aanzetten.
+
+Japi was al heel gauw erger dan schraal bij kas. Voor geen geld ter
+wereld had Bavink hem laten gaan. Japi moest maar zelf in de "vullis"
+gaan zoeken. En dat vak verstond Japi gauw. Nooit had "de belt" zoo
+gerendeerd. En sedert betaalde Bavink alles of bijna alles. Af en
+toe kreeg Japi een klein beetje geld van huis gestuurd. Maar dat was
+de moeite niet, want bij tijden leefden de heeren als kapitalisten;
+als ze een bui kregen gingen ze voor een paar dagen naar Amsterdam,
+naar Brussel, naar Parijs, naar Luxemburg; veertien dagen zaten ze
+in Normandië. Japi sleepte geregeld een klein beltje mee: een "jonki
+van den grooten belt", zooals hij dat noemde. In Frankrijk en België
+klampte i de menschen op straat aan, schelde aan de huizen. Van niemand
+anders zou Bavink 't geringste van dien aard hebben geduld. Maar
+niemand anders verstond de kunst Bavink in 't leven te houden, zooals
+Bavink zei. Z'n conversatie was onuitputtelijk. En een geheugen hatti
+voor landschap dat aan 't wonderbaarlijke grensde. Langs de spoorlijn
+van Middelburg naar Amsterdam kende i alles, elk veld, elke sloot,
+elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in Brabant,
+elken wissel van 't spoor. Als je uren in donker had gereden en Japi
+had al dien tijd geslapen languit op de bank en je maakte 'm wakker
+en je vroeg: "Japi waar zijn we?" dan moest je even wachten tot i
+goed wakker was en dan lag i even te luisteren naar den klank van 't
+rijden en dan zei i: "Ik denk dat we bij Etten-Leur zijn." En dan kwam
+'t uit ook. Hij kon je precies vertellen hoe op dien en dien dag de
+schaduw van die en die boomen bij Zalt-Bommel op die en die laan viel
+en welke schepen toen en toen langs Kuilenburg vaarden in de Lek, toen
+je met Japi over de spoorbrug reed. En dan zat i maar bij 't raampje
+in afwachting: "nu komt dit, nu komt dat". Uren lang. En als i iets
+zag dat i bijzonder goed kende dan knikte i en lachte. Of hij zei:
+"Kijk, die boom is weg"; of: "Hé, nu zitten er appeltjes aan, die heb
+ik den vorigen keer nog niet gezien." Of: "Voor veertien dagen stond
+de zon net achter de kruin van dien boom, nu staat i een eindje links
+er van en wat lager, dat komt omdat we veertien dagen verder zijn en
+we zijn ook 10 minuten te laat."
+
+
+
+
+III.
+
+
+En zoo kwamen ze met den winter naar Amsterdam en zat Japi op een
+avond op mijn kamer en rookte de eene sigaar na de andere, die voor
+'t wegnemen op mijn tafel lagen, mijn sigaren.
+
+Ik had dien avond juist den langen Hoyer op bezoek, die weer eens van
+Parijs was komen aanwaaien en nu zat op te hakken over z'n werk en
+over de meiden, met een stroohoed op, in November, en een zalmkleurige
+jas aan. Hij was bezig aan een onbegrijpelijk verhaal van een jonge
+dame en een huurkoetsier en een mandje met paling, toen we op de trap
+gestommel hoorden. 't Was in een volksbuurt, je kon gewoonlijk zoo
+maar naar boven loopen, de straatdeur stond meestal open.
+
+Bavink kwam 't eerst binnen en zei: "Hoe maak je 't kerel? ja ik
+ben 't zelf. Ha, ha, Hoyertje. Hoe gaat 't, Hoyertje, nog altijd
+een ophakker? Nogmaals hartelijk gefeliciteerd hoor. En jij ook,
+Koekebakker, dat je er lang getuige van mag wezen." In de deur stond
+Japi. Een lucht van zoutwater en gras brachten ze mee. "Kom binnen,
+kerel, kom binnen!" inviteerde Bavink, op mijn zolder.
+
+"Och mijnheer", zei Hoyer, "wees zoo goed de deur achter je dicht te
+maken." "Koekebakker", zei Bavink, "dit is Japi, een kerel waar je
+plezier van kunt beleven. Hoyer is nog even welgemanierd als altijd,
+hoor ik". "Ga zitten Japi", inviteerde Bavink en liet zich met
+een plof vallen op de eenige stoel die vrij was; "neem dat kistje
+maar." Er stond een schavotkleurige matrozenkist, daar had ik een
+schoon hemd in en de brieven van mijn zuster. "Wacht ik zal u helpen",
+zei ik. Toen schoven wij de kist bij tafel, Japi en ik, en toen zag
+Japi een leeg stijfselkistje staan van Hoffmann met een kat er op,
+daar had ik aard ingehad, maar er had niets in willen groeien. "Zie
+zoo", zei Japi "anders zit ik zoo laag." "Ik zal er maar eentje nemen",
+zei Bavink en stak een van mijn sigaren op. "Ga je gang maar Japi". En
+Japi beviel dat wel. "Wat heb je daar?" zei Bavink. Op mijn tafel lag
+"Le Lys dans la Vallée" van Balzac. "Aha, Balzac. Geen kwajongen,
+die oue heer. Dood hè? Al lang dood. Natuurlijk. Waar kom je vandaan,
+Hoyer? Wat heb je daar een mooie jas aan. Ga eens staan. Te kort,
+kerel, veel te kort". Bavink was genoegerig. "Dat weet ik potdome
+ook", zei Hoyer. "Vertel liever eens waar jij gezeten hebt. En wie
+is die heer?"
+
+En toen kwam het verhaal, met begeleiding van Japi met knikken en
+grijnzen. En af en toe ging die hand naar mijn tafel en ook Hoyer
+werkte als een fabriek en ik rookte maar niet meer. "Wacht", zei
+Bavink, "dat is waar ook." "Goeie hoor. Kamper Middelburgers, van
+Bessem en Hoogenkamp van de Lange Delft." "Bekend", zei ik.
+
+"'s Jonge", zei Japi, en zat m'n hok rond te kijken; "'s jonge, "'t
+ziet er hier gezellig uit. Waarachtig, 't is hier gezellig". Hij stond
+op en liep naar den muur. "Aha, Breitner. Heel goed. En wat hebben we
+daar? 't Is hier een beetje donker. Zoo, mijn vriend Mauve. En daar heb
+je waarachtig ons stadhuis ook." 't Was een schetsje van 't raadhuis
+in Veere. "Bavink", zei Japi, "'k geloof, dat je daar kennis aan hebt;
+ik zoek zoo een baantje, als dat niet een dingetje van jou is."
+
+"Daar kom je goed af", zei Bavink. "Dat dacht ik wel", zei Japi en
+ging weer zitten. "Nee maar, ik kom hier vast terug. Ik zit hier goed."
+
+Op dat oogenblik begon de gramophoon van den diamantslijper
+aan den overkant ter werken. "Klappen", zei Japi. En wij aan
+'t applaudisseeren. Met z'n vieren stonden we bij 't open raam en
+applaudisseerden honderd uit. Overal hoorde je op de waranda's deuren
+opengaan, de menschen kwamen buiten. Sommigen applaudisseerden mee;
+een kind begon te huilen; een hond jankte alsof binnen een maand 't
+heele blok zou komen uit te sterven. De diamantslijper hield prachtig
+vol. Een juffrouw aan den overkant riep: "Halve garen!" Een klein
+meisje schreeuwde enkele malen. "Papus", "Zeppelin!" Een jongetje
+ging op een mondharmonica spelen. "We moesten de straat maar opgaan",
+zei Hoyer.
+
+En zoo stommelden wij de trappen af. Drie- en tweehoog werd binnen
+druk gepraat. "Over ons", zei Japi. Eenhoog was niemand thuis. "Zeg
+Japi" zei Bavink op straat, "nu moest jij eens een rondje geven." "O
+ja", zei Japi, "vooruit dan maar". En zoo leerde ik Japi dienzelfden
+avond nog in zijn kwaliteit kennen. Hoyer had een theorie dat bier
+nooit kwaad kon. Wij dronken er dus zeer aanzienlijke hoeveelheden
+van. Japi had geen cent; Hoyer verdomde 't; Bavink was zat, zat
+wezenloos te staren en te beweren dat "deze heer een verdomd goeie
+kerel was en dat hij een rondje gaf (dat was Japi), en dat de kelner
+ook een verdomd goeie kerel was." Ik kwam op negentien cent; Hoyer was
+uitgeknepen. Ik besloot "'t geval" maar schuldig te blijven; de kelner
+kende me; en om één uur liepen we met z'n drieën op 't Frederiksplein
+vreedzaam te jodelen. Die centen kreeg ik later van Bavink terug;
+hij wilde met geweld hebben dat ik ze aanpakte. Japi vond 't geval
+kostelik, zat drie dagen later op den rand van mijn ledekant en liet
+zijn beenen bengelen; zei dat 't stom van Bavink was geweest om zich
+te bezatten, maar "die zaak kwam in orde." Toen hij wegging had hij
+"Le Lys dans la Vallée" te pakken.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Het was een maand later. Een veertien dagen had het wat gevroren,
+maar in 't begin van die week was 't weer plotseling omgeslagen. En
+nu was 't avond en 't stortregende. Den heelen dag had het bijna
+zonder ophouden gestortregend. Het water liep bij stralen langs
+mijn ruiten. Ik voelde me behagelijk. Ik mocht dat wel. Ik had
+geen kachel en m'n demi stond nog bij Oome Jan. Een winterjas heb
+ik nooit bezeten. Die vorst had me gehinderd: van armoede moest je
+naar bed. Anders kon ik in dergelijke omstandigheden nog wel eens bij
+Bavink terecht. Maar juist nu had die heer de aardigheid gehad om over
+dag te slapen en 's nachts bij den weg te loopen. Een heele nacht had
+ik moederziel alleen bij zijn kachel gezeten; hij had dat zoo willen
+hebben maar lollig was 't niet geweest. En nu zat ik te luisteren
+naar 't kletteren van den regen op 't dak en was blij dat 't dooide,
+hard dooide. Op tafel lag mijn brood, twee dikke pillen; mijn laatste
+bordje was den avond tevoren gebroken. En daarnaast lagen de centen:
+vier blauwe papiertjes, twee rijksdaalders, drie guldens en enkele
+centen. En in den hoek op den grond stond mijn éénvlams stelletje en
+in 't kleine keteltje begon 't water te razen. Daarnaast stond m'n
+theepot, zonder deksel, te wachten tot 't water zou koken; de thee
+was er al in. En ik zat met mijn beenen onder tafel uitgestrekt,
+met bloote voeten, in mijn hemd, mijn handen in m'n broekzakken en
+keek naar m'n boterhammen, naar m'n lieve geldje, naar de vlam van
+mijn olielamp, naar 't licht van mijn stelletje, en luisterde naar
+de regen en was tevreden.
+
+'t Was acht uur. 'k Legde m'n klokje op tafel naast m'n centen,
+'t klokje dat nu niet naar Oome Jan hoefde en zei: "Jij blijft
+voorloopig bij Oome Koekebakker, klokje", en stak m'n hand weer
+in mijn zak. Dat converseeren met m'n dingetjes was ik zoo gewoon,
+omdat je met de meeste menschen zoo weinig praten kunt.
+
+Voorloopig was ik uit den brand, 't Lieve najaar had me niet
+bedrogen. Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomen
+aan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten,
+die 't klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die den
+toren had doen zwiepen en trillen, bang onder de zwarte wolken, ik
+had ze dan eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik en
+keek er naar, naar mijn eigen geld, 't geld daar je op aan kunt,
+dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat. Doornat was ik
+een uur geleden thuisgekomen, met een brood, een half pond boter,
+twee ons boterhammenworst, een half pond suiker, een ons thee en een
+kistje sigaren, 25 sigaren van 4 cent, een rijkdom die ik sedert
+mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden. De
+boterhammenworst had ik weggezet, die was voor morgen. Ze hadden
+een kastje voor me getimmerd, naast 't raam en daar lag op den bodem
+alles op een rijtje: de boter, de thee, de suiker, de worst, al die
+dingetjes die zoo lekker kunnen wezen, als je er een tijdje af bent
+geweest. En 't aangesneden brood lag er boven, op 't plankje.
+
+En op den zolder van drie hoog hingen mijn kleeren te drogen: jas,
+vest, broek, onderbroek, overhemd en sokken. 't Water begon te koken,
+'t deksel van 't keteltje ging rammelend op en neer. Ik keek naar den
+stoom en begon plannen te maken om morgen m'n demi uit den lommerd te
+halen en voor een keer niet in 't koschere restaurant te dineeren:
+biefstuk met appies 30 cent, erwtensoep met vleesch 35 cent. En ik
+bedacht juist dat ik er wel aan had kunnen denken om een druppeltje
+drank in huis te halen, toen ik in mijn gepeinzen gestoord werd
+door een zwaren stap buiten de deur. Er rommelde iemand aan mijn
+deur. Kloppen ging niet, want mijn deur was van behangselpapier op een
+paar latten geplakt, en als je klopte ging je er door. Dat wisten de
+lui. "Zeker Hoyer", dacht ik, "die kan nooit den haak vinden." De haak
+zat van binnen maar de deur sloot niet; je kon net je vinger door de
+reet steken en zoo van buiten de deur openmaken. "Kom binnen", riep ik,
+te lui om op te staan. "Makkelijk praten", hoorde ik zeggen, "hoe zit
+dat?" "Die stem ken ik niet", dacht ik, "wie kan dat zijn?" Ik stond
+op en deed open, meteen liep een straal water over mijn hand. "Japi",
+zei de man. "Kom binnen", zei ik weer. Daar stond i; 't water liep
+van alle kanten uit zijn kleeren en van z'n hoed.
+
+"'t Regent nog al", zei Japi, "mag ik even mijn jas uitdoen? Wacht,
+dan zullen we dit eerst neerzetten." Onder z'n jas vandaan haalde i
+een pak in een Handelsblad: boeken, dat kon je direct zien, en zette
+'t op tafel. "Ziezoo, kan dit ergens uitgehangen worden?" zei i en
+gaf me z'n jas. Z'n hoed zette i overeind tegen m'n stelletje.
+
+"Een oogenblik, ouwe heer", zei ik en nam z'n jas en hoed mee, hing
+de jas bij m'n eigen natte kleeren, sloeg den hoed uit en legde die
+toen plat op den grond in den hoek.
+
+Japi zat al, wrong de knieën van z'n broek uit en keek rond. "Wat
+verschaft me het genoegen?" "Zeg maar Japi", zei i, maakte 't
+pakje los en legde "Le Lys dans la Vallée" op tafel. "Zie hier,
+burger". "Mooi zoo", zei ik, "en wat hebben we daar?" "O", zei Japi,
+"boeken van Appi."--"Leest Appi tegenwoordig 't Handelsblad?" "Neen,"
+zei Japi, "die krant is van mijn ouwe heer, daar stond een advertentie
+in."--"Een advertentie?"--"Een advertentie; zie hier, daar even van
+den ouwen heer gekregen."
+
+""Assistent correspondent gevraagd op druk exportkantoor", let wel,
+druk exportkantoor--"grondig bekend met de moderne talen, stenografie
+en machineschrijven. Zij die reeds in den export werkzaam waren
+(let op dat waren!) genieten de voorkeur. (Genieten de voorkeur, dat
+genieten kan me wel bekoren). Salaris f 3 à 400 per jaar. Brieven onder
+No. 1296 bureau Alg. Handelsblad"--1296, slag op 't vlotje. Floris de
+stijve springt over de Overtoom. Nooit van gehoord? En waarom hebben
+ze dan de Overtoom gedempt? 't Was geen gezicht om dien stijven kerel
+er over te zien springen, dat wilden ze niet meer hebben. Die f 300
+à 400 bevallen me wel, de rest trekt me minder aan"
+
+"Wilt u daarop schrijven?" vroeg ik--"Jij, als 't ublieft," zei
+Japi. "Willen? Ik moet van de ouwe heer. Hij zegt: 't kan zoo
+niet blijven doorgaan. Ik zie niet in, wat niet. Heeft hij last
+van me? In vijf weken heb ik maar twee maal thuis geslapen. Geen
+cent zie ik van hem. Kijk eens hier." Hij stak z'n been uit. Ik zag
+een splinternieuwen, gelen schoen. "Wat bliksem, dien schoen ken
+ik."--Waar zie je zulke gele schoenen?--"Ze zijn nu wat donker van
+'t water", zei Japi, en zette den anderen voet bij den eenen. "Van
+Appi! En hoe komt dat? Ik ben m'n ouwen heer niet tot last. Ik loop
+rond met mijn schoenen tot ze zoo lek zijn als een mand. Appi is een
+fideele kerel. Schilderen kan i niet, zal i nooit leeren, dat zie ik
+wel, maar hij is een fideele kerel. Sokken hat i niet over de hand,
+ik zit met m'n bloote voeten in z'n schoenen", zei Japi, en liet heel
+gemoedelijk een stuk van z'n bloote been zien. "En boeken heeft i,
+in geen jaar kom ik er doorheen, al lees ik dag en nacht."
+
+Appi z'n vader had een goed beklante slagerij en kon 't doen. Dat Appi
+nooit schilderen zou leeren heeft Japi goed gezien; z'n vader heeft
+hem later in een huis-, reclame- en decoratieschilderswerkplaats gezet.
+
+Ik zette thee. Gehurkt bij mijn stelletje, goot ik 't water op en zette
+'t theepotje op 't waterketeltje. Japi snoof.
+
+"Goeie bullen", zei i, draaide zich heelemaal om en verschoof z'n
+stoel tot hij met z'n neus boven de theepot zat. "Ik heb mot gehad
+met Bavink". zei i. "Is 't waarachtig?" zei ik. Van Hoyer had ik al
+gehoord dat ze bij dag en bij nacht samen rondscharrelden, dat ze
+in één bed sliepen, Japi onder 't laken en Bavink er boven, dat ze
+om beurten jenever hadden gedronken uit 't ééne bierglas dat Bavink
+nog had. "Ik heb z'n kacheltje kaduuk gestookt, Zondagavond."
+
+In één avond hatti 't kapot gestookt. Hij had maar zitten opladen en
+zitten poken, en naar den gloeienden pot zitten kijken en z'n pijp
+gerookt, de kachel zoo te zeggen tusschen z'n knieën. En niks gezegd
+hatti, tot Bavink plotseling gezien had dat er een groote scheur in den
+pot was en vreeselijk had opgespeeld. Japi had 'm laten uitrazen, hij
+was opgestaan en had z'n stoel weggenomen, en Bavink had met de pook
+'t schuifdeurtje open gemaakt en een gat gebrand in den grond met 't
+uitscheppen van de gloeiende kolen. En toen Bavink was blijven razen
+had Japie gezegd: "Verrek met je kachel", en was kalmpjes weggegaan
+naar 't huis van z'n ouwe heer en had een schoone boord omgedaan van
+z'n broer, en van z'n moeder een stuk taart gekregen dat van 't dessert
+was overgebleven. En had een nacht thuis geslapen en den volgenden
+middag was i op straat Loef tegengekomen dien i ook al kende. Loef die
+later met zwemmen verdronken is, juist toen i er zoon beetje begon te
+komen; en die had hem weer meegenomen naar Bavink en gezegd: "Bavink
+ik breng je kaduukstoker mee." En Bavink had om 't geval gelachen,
+En Japi was dadelijk naar 't plankje geloopen en had, op 't bekende
+plaatsje "naast Dante", een nieuw kruikje Bols gevonden. En met z'n
+drieën hadden ze 't een heel eind soldaat gemaakt en toen had Japi
+dikke boterhammen gesneden van Bavink z'n brood en toen waren ze met
+hun drieën naar 't Amstelveld gegaan en hadden voor 70 cent een nieuw
+kacheltje gekocht ('t was Maandag), een kachel van een voorwereldlijk
+model; en met z' drieën hadden ze die op een handkar naar huis gekruid.
+
+Ik presenteerde Japi een kop thee. Hij dronk uit een spoelkom, een
+kopje had ik niet voor 'm, steunde behagelijk en zette de kom hard
+neer. "Nu wou ik wel een stukje brood hebben", zei i; "neem me niet
+kwalijk, ik geloof dat ik den weg al weet." Hij had m'n kast al in de
+gaten gehad "Kerel", zei i, "weet je dat je worst in huis hebt?" Of ik
+'t wist. Hij kwam er al mee aanzetten. "Boterhammenworst, een ordinair
+volksvoedsel." Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het onderwerp van
+mijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor morgen wilde
+bewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen hij vergat mij niet,
+hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch genoeg. Japi
+at. Wat kon die kerel eten! Het brood lag naast 'm op tafel en
+hij sneed maar. Ik begon er schik in te krijgen. "Geneer je niet
+Japi, centen genoeg." Japi had ze nog niet gezien. "Goddome", zei i,
+"vetpot!" "Ze hebben zeker weer wat van je geplaatst". Ik knikte. "Zoo
+moet je maar doen", zei i, "die kerels zijn toch nergens anders goed
+voor dan om ons de kost te geven. Ik heb van m'n leven ook nog eens
+iets geschreven." Hij propte z'n mond vol brood en worst en veegde z'n
+handen af met 't Handelsblad, dat i daarna in elkaar frommelde. "Ik
+zal er maar niet op schrijven, ik deug daar toch niet voor."
+
+En toen kwam uit een binnenzak een oud vermolmd onwelriekend krantje,
+op de vouwen doorgesleten: "De Vlachtwedder Grensbode." Hij liet me een
+artikeltje zien: "Brieven uit Amsterdam" stond er boven. Zes hatti er
+geschreven, zei i, de vijf andere had z'n broer zoek gemaakt. Japi nam
+nog een sneedje brood. "Moet je niet meer?" vroeg hij. Ik bedankte en
+Japi nam 't laatste van m'n twee ons worst, "'t Ordinaire volksvoedsel"
+ging er goed in. "'s Nachts gemaakt" zei Japi met z'n mond vol en
+wees met 't mes naar 't krantje. "Na kantoortijd, 's Avonds moest ik
+altijd op kantoor terugkomen. Af en toe moest ik m'n hoofd onder de
+kraan houden om wakker te blijven. Ik zou je nu danken. Wat heb ik
+er aan? Niks, moe word je er van. 'k Loop liever bij den weg en kijk
+naar de menschen en de wagens en de huizen. Speciaal kijk ik naar de
+lieve jonge meisjes en de pas getrouwde vrouwtjes. Die pas getrouwde
+vrouwtjes pik je er zoo uit, die herken je dadelijk. En dan denk ik
+aan 't plezier dat ik van al die lieve diertjes niet heb. Dat doe
+ik liever dan dat ik er over schrijf. Wat gaat 't die kaffers aan,
+wat ik zie. Zelf loopen ze bij de straat te sloffen en naar den grond
+te kijken en trekken vervelende gezichten omdat 't zoo ver is, en
+'t leven zoo moeilijk, dat je er akelig van wordt. Doen zij iets voor
+mij? Die paar centen kunnen ze houden."
+
+'t Artikeltje was wel aardig, maar Hoyer zei later dat i vast niet
+geloofde dat 't van hem was.
+
+"Nu zou ik wel een potje bier lusten", zei Japi en leunde
+achterover. "'t Spijt me kerel", zei ik, "ik heb niets in huis,
+geen bier en geen jenever en geen kleeren om over straat te gaan,
+maar steek een sigaar op."
+
+De regen kletterde op 't dak alsof i er door zou komen, de ruiten waren
+wit van 't water. Japi had geen zin er uit te gaan, dat zag ik wel. Hij
+stak een sigaar op, keek een poosje naar den rook en vroeg toen: "Die
+Hoyer, wat is dat toch eigenlijk voor een kerel?" Hoyer en hij konden
+'t niet goed vinden. Dat had ik wel gedacht. Hoyer was op de penning
+en een ruwe vent. "Die kerel deugt niet", zei Japi, "die moet vooral
+maar veel met verf knoeien, voor iets beters is ie toch niet goed."
+
+Bavink was een dag uit de stad geweest: "voor zaken" zei Japi en
+toen was hij (Japi) van Houten tegengekomen op weg van kantoor naar
+huis. Van Houten (een kennis van Bavink) was een kantoorbediende
+die dacht datti schrijven kon. Hij had indertijd een dikken roman
+gepubliceerd, waar de uitgever heel wat aan te kort gekomen was. Japi
+had zich door hem mee laten nemen en zich te eten laten nooden. Hoyer
+was er ook en 't eerste wat i gezegd had was: "Zoo, uitvreter!" Japi
+vond dat prachtig. We waren toch allemaal uitvreters. "De burgerman
+moet ons toch allemaal de kost geven." En dienzelfden avond had hij
+Hoyer een riks te leen gevraagd, enkel om te pesten. Want hij wist
+wel dat Hoyer toevallig geen geld bij zich zou hebben. Toch heeft
+zelfs de lange Hoyer er naderhand aan moeten gelooven. Japie heeft
+die malle zalmkleurige jas van 'm geleend en nooit teruggebracht. Maar
+veel plezier heeft Japie er niet van gehad. Ieder oogenblik moest hij
+er mee in den slag, en in Ouderkerk op de brug hebben de pummels er
+een mouw uitgetrokken.
+
+"Kom", zei Japi, "kwart over negenen, ik stap op. Hoor dien regen
+eens." Hij ging voor 't raam staan. "Niks te zien", zei i. "Je kunt
+niks zien door dien regen. Foei ik ben rillerig geworden, mijn knieën
+zijn nog nat. Jammer dat je niks in huis hebt." Ik haalde zijn jas. Hij
+was nog zwaar van 't water.
+
+"Moet je ver door dat weer?" vroeg ik. "Ik kan wel naar de ouwe
+gaan", zei Japi, "maar dat is ook nog een half uur. Dat is je nest,
+hè?" Japi schoof 't gordijn weg en ging op m'n ledikant zitten en
+gaapte. "Ik geloof dat ik ziek ben", zei i; "weet je wat je doen
+moest, haal voor mijn rekening een half maatje ouwe klare, ik zal
+'t je bij gelegenheid wel teruggeven." Ik stond daar nog met z'n jas
+over m'n arm. "Trek mijn jas aan", zei i. Ik scharrelde naar zolder;
+m'n vest was tamelik droog. De tapper woonde vlak bij. Ik schoot Japi
+z'n jas over m'n vest. 't Natte ding maakte me koud en akelig. Zoo
+ging ik al die trappen af en de straat over. Bij den tapper was niks
+te doen, ik bleef geen tien minuten weg. Toen ik boven kwam lag Japi
+te ronken, aangekleed, z'n schoenen nog aan. "Hallo", riep ik en
+schudde aan z'n schouder. Hij mompelde wat. "Hallo, jenever." Hij
+keek me lodderig aan en kwam langzaam overeind. "O", zei i, "ik zie
+'t al". Hij dronk een spatje. "Daar knap ik van op." "Zeg", zei i,
+"kan ik hier niet maffen? Ik ben vannacht niet op mijn bed geweest en
+vandaag kon ik niet slapen." Wat moest ik doen? Hij kon wel op den
+grond slapen, zei i, als i maar wat onder z'n hoofd had. "Goddank",
+zei i en smeet zijn twee schoenen tegelijk over den vloer. "Goddank,
+dat ik uit die natte krengen ben." Toen hing i z'n broek over de
+leuning van een stoel "om te drogen." Mijn stelletje schoof i op zij;
+in den hoek legde i de boeken van Appi, z'n jasje legde i er over heen,
+z'n vest hield i aan. Toen nam i mijn beste deken, rolde zich er in,
+dronk nog een spatje en ging met z'n hoofd op 't stapeltje liggen en
+zei: "Wel te rusten."
+
+En ik ging weer aan tafel zitten, keek naar mijn centen en dutte
+in. Toen ik wakker werd knetterde de lamp, de olie was op. Ik kroop in
+mijn ledekant en sliep slecht, door de kou. Japi had nergens weet van.
+
+Toen de dag aanbrak en ik voor de zooveelste maal wakker werd, hoorde
+ik hem rammelen. Hij was bezig thee te zetten, had zelf beneden
+water gehaald, en zich aan m'n ontstelde buren voor een neef van mij
+uitgegeven. Hij had best geslapen, hij was alleen een beetje stijf. Hij
+hoopte dat i me niet wakker had gemaakt. "Ik heb al gegeten", zei i
+"ik geloof dat je niet al te veel brood meer hebt." Hij moest weg. Hij
+wilde Bavink nog spreken die toen gemeenlijk 's morgens om een uur
+of tien ging slapen. Hij bracht mij een kom thee in bed en stond bij
+'t raam z'n kom leeg te slurpen. Met twee handen hield i die vast en
+keek naar buiten. "Allemaal armoed", zeidi. "Nou bonjour hoor, mijn
+jas kan ik zelf wel van de lijn halen." Bij de deur draaide i zich
+nog even om. "'s Avonds ziet zoo'n hok er een boel gezelliger uit."
+
+Dat vond ik ook. Ik scharrelde mijn bed uit, koud en beroerd. Op tafel
+lagen m'n centen nog. Hij zegt dat hij z'n ouwe heer niet noodig heeft,
+dacht ik, en de centen van den burgerman evenmin. Zegt u dat wel.
+
+
+
+
+V.
+
+
+"Koekebakker", zei Japi, "ik voel me zoo raar van binnen." 't Was op
+een middag bij Bavink. Ik had Bavink willen spreken, maar die was
+uit. Japi zat aan tafel met een fleschje inkt van een stuiver en een
+pak kranten voor zich. "Koekebakker, ik voel me zoo raar van binnen."
+
+"Je ruikt tenminste degelijk naar jenever", zei ik.
+
+"Nee", zei Japi, "de jenever is 't niet. Ik geloof dat mijn
+ziel te groot is." Zoo'n uitvreter toch! "Wat moeten die kranten,
+Japi?" vroeg ik. Japi gaf een klap op 't pak. "Nieuwzen van den Dag,
+Koekebakker, Nieuwzen van den dag. Er zijn er bij van een maand
+oud." "Moet je weer solliciteeren, Japi?" "Juist geraden man. 't
+Gaat zoo niet langer. Pak een stoel. Kijk eens aan, K H 14684
+Nieuws van den Dag. WelEdl. Heeren."--"De hoeveelste is dat?" vroeg
+ik.--"De eerste pas. Dat gaat niet zoo gauw. Dat komt, omdat jelui
+nooit in den handel zijn geweest, jelui weet niet, hoe 'n toer dat
+is. Wat zal je drinken, kerel? Je neemt me wel niet kwalijk?" en hij
+doopte z'n pen in de inkt en staarde op z'n papier. "Koekebakker",
+zei Japi, keek hulpeloos rond en legde z'n pen neer. "'t Gaat niet,
+ik ben er geen kerel voor. Eenmaal ben ik in den handel geweest. Ik
+deug er niet voor. Ik weet 't bij ondervinding. Ik begrijp er niks
+van. Waar is dat allemaal goed voor? Ik ben zoo best tevreden. We
+zullen dat maar weer wegbergen." En hij nam het pak kranten en legde
+'t zorgvuldig onder tafel.
+
+"Zie zoo, nu zie ik ze niet meer. Jij weet niet wat handel is,
+Koekebakker, anders zou je der niet om lachen. Om te beginnen ga
+je tot je achtiende jaar op school. Heb jij ooit geweten hoeveel
+schapen er in Australië zijn en hoe diep 't Suezkanaal is? Nou juist,
+daar heb je het. Ik heb dat geweten. Weet jij wat polarisatie is? Ik
+ook niet, maar ik heb 't geweten. De raarste dingen heb ik moeten
+leeren. Vertaal in 't Fransch: "onder benefice van inventaris." Ga der
+maar tegen aan staan. Je hebt er geen begrip van, Koekebakker. Dat
+duurt zoo jaren. Dan doet je ouwe heer je op een kantoor. Dan merk
+je, dat je al die dingen geleerd hebt om met een kwast papier nat te
+maken. Overigens is 't 't ouwe gedonderjaag, 's morgens om negen uur
+present en urenlang stil zitten. Ik vond dat ik op die manier niet
+opschoot. Ik kwam altijd te laat, ik probeerde wel op tijd te komen,
+maar 't wou niet meer, ik had 't zooveel jaren gedaan. En taai. Ze
+zeiden dat ik alles verkeerd deed, daar zullen ze wel gelijk aan
+gehad hebben. Ik wilde wel, maar ik kon niet, ik ben geen kerel om te
+werken. Ze zeiden, dat ik de anderen van hun werk hield. Ook daarin
+zullen ze wel gelijk gehad hebben. Als ik klaagde, dat ik 't niks
+lollig vond en vroeg of ik daarvoor nu op school al die wonderlijke
+dingen had geleerd, dan zei de oue boekhouder: "Ja jongetje, het
+leven is geen roman." Bakken vertellen, dat kon ik en dat vonden
+ze leuk ook, maar ze waren er niet tevreden mee. De ouwe boekhouder
+wist al heel gauw niet wat hij met me doen moest. Als de baas er niet
+was maakte ik dierengeluiden, zong komieke liedjes, die ze nog nooit
+hadden gehoord. De zoon van den baas was een ingebeelde kwajongen;
+af en toe kwam i op kantoor om centen te halen. Hij sprak vreeselijk
+gemaakt en keek met een allerellendigst, door niets gemotiveerd vertoon
+van superioriteit naar de bedienden van zijn pa. De lui lachten zich
+een beroerte als ik dien jongeheer nadeed. Ik heb daar ook nog een
+schrijfmachine bedorven en een boek weggemaakt. Toen hebben ze me
+aan een toestel gezet, dat ze de "guillotine" noemden. Daar moest
+ik monsters mee knippen. Dagen lang heb ik daaraan gestaan: alle
+monsters werden scheef. De lui hadden 't wel in de gaten, ze hadden
+niets anders verwacht. Ze hadden me daar alleen maar aan gezet om
+erger te voorkomen. Die monsters werden weggegooid; die gingen nooit
+naar de klanten. Toch had ik in die dagen nog gelegenheid om een brief
+verkeerd in te sluiten. Natuurlijk was 't erg; de man die den brief
+kreeg mocht niet weten, dat de baas zaken deed met den man waaraan
+i geschreven was. De boekhouder was totaal van streek. Toen begreep
+ik, dat ik maar liever heen moest gaan. Ik kreeg een poot van den
+baas. Ik was zelf ook blij dat ik wegging en heb hem hartelijk de
+hand geschud. Ik heb gezegd, dat 't me speet, maar dat ik er niets
+aan doen kon en ik geloof, dat 'k 't meende. Zie je, Koekebakker,
+dat is handel. Ik ben daarna nog drie weken volontair geweest op een
+effectenkantoortje, krantjes nakijken met een boek om te zien of de
+stukken van de klanten waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voor
+bewaard blijven. Ze moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Er
+was geen denken aan, dat ze uit 't copieboek konden wijs worden. Ik
+zag wel in dat 't zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden.
+
+"Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat 't met de jaren
+wel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. 't Lijkt er nog niet veel
+op. 'k Heb 't nog veel te goed zoo. Weet je dat Bavink pas een bom
+duiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef met een hooibergje
+en een kalf. Als je blieft." En hij haalde zijn portemonnaie voor
+den dag. "Hij puilt van de centen. Koekebakker, jong, hij puilt van
+de centen. Harde riksjes. Morgen ga ik op reis."
+
+"Met Bavink?" vroeg ik. "Neen," zei Japi, "niet met Bavink, alleen. Ik
+ga naar Friesland." "Midden in den winter?" Japi knikte. "Wat
+doen?" Hij haalde z'n schouders op. "Doen? Niks doen. Jelui kerels
+zijn zoo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga
+naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin
+in heb."
+
+Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker, naar den sneltrein
+van zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel te
+wijd was, een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aan
+z'n voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z'n hand hatti een
+papieren sigarenpijpje met een reclame. "Wacht even", zei i, toen
+we al beneden waren. "Ik heb nog wat vergeten." Even daarna kwam i
+terug met een vischhengel.
+
+Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgen
+wat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een half
+uur vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan het
+portier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabak
+voor hem had.
+
+Na zes weken kwam hij terug met zes knoopen aan zijn jas en een
+paar rooie pluche pantoffels aan zijn voeten. Hij weigerde alle
+opheldering. Waar zijn vischhengel was? Oh, die had i uit den trein
+laten vallen. Hij was ook nog een keer in 't water gevallen, zei
+i. Meer liet hij niet los. Blijkbaar had i zich al dien tijd niet
+laten scheren, hij had een kleur van roode baksteen en een lucht
+van koemest bij zich. Hij bracht twee pond tabak mee, die niemand
+rooken kon. Hij was er aan verslaafd en kwam in veertien dagen niet
+om een sigaar. Toen waren de twee pond op, plus een peukie dat hij
+ook nog had meegebracht. Toen bleek dat hij nergens in Amsterdam
+die tabak kon krijgen. Hij schreef er om naar Friesland, maar kreeg
+geen antwoord. Hij was er beroerd van. Maar na een paar dagen zag
+ik hem toch weer bij Bavink zitten met een sigaar in 't hoofd, van
+Bavink natuurlijk.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Den zomer daarop was Japi weer verdwenen. Toen kwam ik hem tegen op den
+Boulevard du Nord in Brussel. Mijnheer was piekfijn, glad geschoren,
+een grijs hoedje, een goudgeel smal zijden dasje, een geruit overhemd,
+een gordel, een wit flanellen jasje met dunne blauwe streepjes, een
+witte linnen broek, van onderen onberispelijk omgestreken, bruine
+sokken met witte ruiten, lage schoenen.
+
+Hoe het ging? Patent. Wat hij daar deed? Op en neer loopen van het
+Gare du Nord naar het Gare du Midi over de boulevards. Of hij zich
+amuseerde? Uitstekend. Waar hij woonde? In Uccle. Wie hij uitvrat? Hij
+lachte, maar gaf geen antwoord. In het Maastrichtsche bierhuis op
+de Place Brouckère dronken wij ettelijke potjes zuur bier, waar hij
+verzot op was geworden. Eigenlijk dronk hij al die ettelijke potjes
+op een na, dat ik staan liet. Hij zat weer prinselijk achterover op
+zijn stoel en dronk met waardigheid en smaak, hield een beschouwing
+over asphalt, over de groote markt, over het mooie weer, zei toen dat
+hij naar huis moest en vroeg waar ik logeerde. Dan zou hij mij eens
+komen opzoeken. Daarna betaalde hij de potjes bier, en liet mij in
+verbazing achter.
+
+Begin Augustus kwam hij in Amsterdam terug met een verbonden
+hoofd. In Marchienne aux Ponts had hem een mijnwerker een geëmailleerd
+etens-pannetje op 't hoofd stukgeslagen. Hij was gesjochtener dan
+ooit, zijn ouwe heer hield hem schrikkelijk krap. Tot diep in November
+droeg hij zijn witte broek, die toen allang niet wit meer was. Hij
+was de oude niet meer, hij sprak weinig en rookte veel minder. Als
+hij bij Bavink op 't hok kwam en Bavink legde zijn sigaren op tafel,
+dan liet i zich op zijn stoel vallen, hield zijn jas aan en zijn
+hoed op, nam moeizaam een sigaar, beet er langzaam het puntje af en
+had moeite om de lucifers te vinden, knoeide met aansteken, rookte
+langzaam en zelden meer dan één sigaar op een avond. Stak hij een
+tweede op, dan gooide hij een groot stuk weg, wat hij vroeger nooit
+deed. Toen rookte i tot 't endje te klein werd om vast te houden,
+dan stak hij er een speld in en rookte 't zoo op. Het duurde niet
+lang of i rookte scheef. Eens liet hij bij Bavink de kachel uitgaan.
+
+Toen gaven wij hem op.
+
+En toen op een nacht dat het hard vroor, tusschen Kerstmis en
+Nieuwjaar, toen kwam Hoyer dien wij in maanden niet gezien hadden,
+en nadat we een tijd hadden zitten kletsen, vroeg i naar Japi. En toen
+begon i herinneringen op te halen. Of we nog wisten hoe Japi verleden
+zomer (dat was toen zoowat een half jaar geleden) 's nachts mee ging
+roeien op den Amstel. Hij zou in de punt gaan zitten om uit te kijken,
+want de Volharding voer toen alles kapot, had nog pas een tjalk in
+den grond gevaren aan den Omval. En Japi zat in het water te kijken
+naar de weerkaatsing van de sterren en zat met zijn rechterhand in
+het water en zag geen Volharding, zoodat de Volharding om voor ons
+uit te wijken bijna in de bocht aan den grond voer. De kerels werden
+toen kwaad en een van hen kwam op de achterplecht en schold ons uit
+voor nakende verdommelingen, en smeet met een steen die een heel eind
+voor onzen boeg in 't water plofte. Toen had Bavink gezegd, dat hij
+'t wel gedacht had en Japi zei: daar zijn we netjes afgekomen.
+
+"Apropos", zei Hoyer toen plotseling (Hoyer werkte nog al met
+burgermanstermen). "Apropos, ik heb Japi in Veere gezien met een
+Fransche dame, een verdomd lief wijf. Den heelen avond hadden die
+twee samen op 't steenen havenhoofd staan praten en over de balustrade
+gekeken naar de lichtboei en 't draaiende licht van Schouwen en naar
+de branding geluisterd, en "bekgetrokken" zooals Hoyer 't ordinair
+uitdrukte. Bavink zei weer dat i 't wel gedacht had en ik zei: "ook
+stom, dat hadden we kunnen weten," en toen kwamen wij los over Japi
+en dat hij niet meer zoo uitvrat als we dat van hem gewoon waren.
+
+'t Duurde nog een maand voor dat Japi los kwam. Zijn ouwe heer
+had een betrekking voor hem gevonden en den eersten Maart zou hij
+aantreden. Hij zei niet dat ie 't beroerd vond. Hij zou eens zien wat
+i er van maken kon. Hij zou vijftig gulden per maand verdienen. Dien
+avond vroor het weer hard. De sterren waren helder en ontzettend
+hoog. De kachel was niet aan. Wij zaten met ons drieën, jassen aan,
+kragen in de hoogte, hoeden op zoo als wij zoo vaak hadden gezeten
+als wij harder waren dan het kapitalistische gemoed en niets meer
+hadden om te verstoken.
+
+Toen begon Japi allerakeligst te boomen. Je zeilde maar met de aarde
+door de ijzige donkere ruimte, de nacht zou niet meer ophouden, de zon
+was weg en ging niet meer op. De aarde joeg voort in de duisternis,
+de ijzige wind huilde er achter aan. Al die werelden zeilden verlaten
+door de ruimte. Als er een tegen je aan zeilde was je verloren,
+verloren met al die 1500 millioen ongelukkige menschen. Japi zat te
+rillen in zijn jas, het vroor in de kamer.
+
+Toen begon i weer anders. De zon kon zoo mooi in de Waal schijnen. Bij
+Zaltbommel had i de zon in de Waal zien schijnen toen i de laatste maal
+met den trein over de brug kwam. Tusschen de brug en de stad maakte
+de zon een groote lichtplek in het water. Het water stroomde maar,
+de zon scheen er maar in, honderd, duizend, honderdduizend maal. Voor
+tweeduizend jaar scheen de zon er al in en stroomde het water maar. God
+weet hoe lang al. Meer dan 700,000 maal was de zon sedert al opgegaan,
+meer dan 700,000 maal was i ondergegaan, al dien tijd had het water
+gestroomd. Hij werd beroerd van dat getal. Hoeveel regendagen zouden
+daarbij geweest zijn? Hoeveel nachten zou het zoo hard gevroren
+hebben als nu, en harder? Hoeveel menschen zouden dat water hebben
+zien stroomen en de zon er in zien schijnen en al die sterren gezien
+hebben in de nachten dat 't zoo vroor? Hoeveel menschen die nu dood
+zijn? en hoeveel menschen zouden dat water nog zien stroomen? En 2000
+jaar was nog niets; duizende jaren langer had de aarde al bestaan,
+duizende jaren kon i nog bestaan. Duizende jaren kon het water nog
+stroomen, zonder dat hij het zien zou. En als de aarde verging dan
+was er eigenlijk nog niks gebeurd. Daarna kwam nog zooveel tijd,
+er kwam geen einde aan den tijd. En al dien tijd zou hij dood zijn.
+
+Japies tanden klapperden; er was geen spatje jenever in huis en niets
+meer te krijgen op de pof.
+
+Toen werd Japi week. Toen begon i te spreken over Jeanne, zonder
+eenige aanleiding, alsof wij er alles van wisten. En dat haar
+handjes zoo zacht en zoo warm waren, dat haar oogen zoo konden
+schitteren. Donkere oogen had ze en zwart haar. Wij begonnen er mee
+te zitten. Hij deed de akeligste confidenties, over een witte rok met
+kantjes, over een rok van lila zij; over haar kleine witte voetjes,
+over allerlei lichaamsdeelen waar men niet over schrijft.
+
+Op 't laatst begon i Fransch te praten, eenige tientallen malen hoorden
+wij het woord "chéri" en "chérie". De laatste "e" van chérie sprak i
+uit. Toen sprak i weer Hollandsch en werd zakelijker. Zij zou scheiden
+van haar man, een misselijken droogpruimer, twintig jaar ouder dan
+zij. Dat vonden wij nog al banaal. En 1 Maart moest i aantreden op
+kantoor. Toen wreef i zijn gezicht met zijn beide handen en zei:
+"Ik ga weg, geef me een poot." Op de trap stommelde i.
+
+Een Maart trad i niet aan. Het werd April voordat hij weer zoover
+was dat hij aan het werk kon gaan. Uitvreten deed i niet meer.
+
+Maanden later op een avond zag Bavink hem zitten ergens drie hoog
+in een kantoorgebouw. Hij zat aan 't raam te werken en 't lokaal
+was hel verlicht. Bavink liep naar boven. Hij zat alleen en was
+druk bezig. Bavink kon niets uit hem krijgen. Hij werkte maar en
+zei weinig. Bavink snorde overal rond, pakte hier en daar een boek
+uit de rekken, keek er in, zette 't weer weg, schudde zijn hoofd,
+zei enkele malen: "'s jonge, 's jonge", draaide aan de copieerpers,
+keek op straat, zette alle ramen open om te luchten.
+
+Buiten viel een fijne sneeuw. Vlokken woeien naar binnen. "Doe als
+je blieft de ramen dicht", zei Japi en bleef schrijven. Toen kreeg
+Bavink een copieboek te pakken, bladerde en las er in, schudde weer
+herhaaldelijk zijn hoofd en kwam toen bij Japi staan, 't copieboek
+geopend in zijn handen.
+
+"Zeg, schrijf jij dat allemaal?" Japi keek nauwelijks op en zei enkel:
+"Niet allemaal." "Je bent toch een verdomd knappe kerel," zei Bavink,
+"die handel is niet makkelijk." Daarna ging Bavink weg.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Japi was een harde werker geworden. Kort na het bezoek van Bavink
+zonden ze hem naar Afrika. Binnen de twee jaar was i terug: ziek, half
+dood. Niemand hoorde iets van hem, tot ik hem op een November-namiddag
+zag staan achter den steenen wal bij het haventje van Wijk bij
+Duurstede. Daar stond i naar den modder te staren. Ik had eenige
+moeite hem te herkennen. Hij stak in een enorm wijde grijze jas, die
+hem veel te groot was, een enorme grijze pet zat hem diep in de oogen
+en over de ooren. Hij had een paar enorme breede bruine schoenen aan
+met stompe neuzen, en enkele jongens achter zich.
+
+Ik dacht: dat lijkt waarachtig Japi wel; en, ja hoor, het was 'm,
+wat bleek en mager en zonder baard of snor en met een wonderlijk
+starende uitdrukking in zijn oogen, maar het was Japi ongetwijfeld.
+
+Japi zag niets, hoorde niets. Ik tikte 'm op zijn schouder en zei:
+"Wat doe jij hier, hoe gaat het, hoe kom je hier?" Hij gaf me een hand,
+zei niets, was niet verwonderd. "Ik sta maar te staren," zei i toen.
+
+"Dat heb ik in de gaten," zei ik, "ga je mee een borreltje
+pakken?" "Goed," zei Japi. De pummels die op eenigen afstand,
+achterover tegen den steenen wal geleund, zich eenigen tijd geamuseerd
+hadden met zeer luide en onhebbelijke glossen, groetten nu zeer
+eerbiedig, omdat ik nogal wat geld verteerd had in Wijk bij Duurstede
+en 's Zondags den notaris op zijn schouder had geklopt.
+
+Na een borreltje kwam er wat leven in Japi. Gewerkt had i in Afrika,
+last gehad van de hitte en van de beesten en koorts geleden, meer
+koorts geleden dan gewerkt of iets anders. Als een geraamte was i
+van den zomer teruggekomen.
+
+Zijn Française leefde in Parijs met een Hollandsch jongmensch,
+sedert onheugelijke tijden volontair op een kantoor. Had nog een
+vriend die kolonel was. Had hem in Parijs getracteerd en hem in haar
+gebroken Hollandsch een "goeie beest" genoemd en uitgelachen. Had haar
+kousenband vastgemaakt waar hij bij was, zoodat hij een stukje van
+haar bloote knie had gezien. Had hem daarna weggestuurd. Hij moest er
+om lachen. Verliefd was i niet meer. Een licht blauwe zijden onderrok
+had zij aan gehad. Een keer had i haar met den kolonel op het terras
+van een kroeg gezien. De kolonel deed zeer zelfgenoegzaam en keek woest
+en verwaten. Achter zijn rug om had ze Japi een oogje gegeven. Ze had
+een borstkwaal en haar maanden waren geteld. En altijd even opgewekt;
+maar loopen kon ze nog maar heel slecht.
+
+En wat Japi nu van plan was? of hij nog uitvrat? Z'n kantoor vrat i
+uit; iederen laatsten van de maand ging i zijn centen halen.
+
+Of i van plan was nog weer eens zoo'n woeste werker te worden?
+
+O nee. Te sappel had i zich gemaakt. Vijftien jaar ouder geworden
+was i in de laatste drie, vier jaar.
+
+Toen stak i een versche sigaar op, van mij, een sigaar van een
+dubbeltje, met een bandje, ik was toen in goeden doen. Het bandje
+deed i er af.
+
+Geploeterd hatti, misère gezien hatti. In Marchienne aux Ponts
+en Charleroi was het begonnen. Voor de aardigheid was i daar met
+Jeanne heen gegaan. Na drie dagen had ze er genoeg van gehad. Hij was
+gebleven. Een portretje liet i mij zien; een grijnzend doodskopje,
+het dochtertje van een werkman uit een glasfabriek. Zeven kinderen
+gehad, vijf dood, het zesde stierf terwijl hij er in den kost
+lag, daar was dat portretje van. Daar hatti leeren kijken, gezien
+wat werken was. Geld uitgeven hatti altijd verdomde leuk gekund,
+anderen brachten 't op. Te sappel hatti zich gemaakt. Socialist had
+i willen worden. Voor z'n brood hatti gewerkt, voortgejaagd was i,
+voortgejaagd en gedrukt door menschen en de noodzakelijkheid zooals al
+die anderen. Nachten hatti gewerkt: om één, twee uur was i in Amsterdam
+van kantoor thuisgekomen en daarna hatti opgezeten, gepiekerd, gepend,
+heele romans hatti geschreven en de paperassen verbrand.
+
+Wat kon i doen? Wat bereikten ze met hun allen? Te sappel hatti zich
+gemaakt, gloeiende speechen, woeste artikelen hatti gefantaseerd,
+terwijl i op kantoor zat en werkte voor den handel van zijn baas,
+hard werkte en iedereen zich verwonderde over de massa's werk, die
+i verstouwde. De wereld was blijven draaien, draaide precies zooals
+altijd, zou wel blijven draaien zonder hem. Te sappel had i zich
+gemaakt. Hij was nu wijzer. Hij trok er zijn handen van af. Er waren
+kooplui genoeg en schrijvers en praters en lui die zich te sappel
+maakten, meer dan genoeg.
+
+En altijd zaten ze in angst ergens voor en hadden verdriet ergens
+over. Altijd waren ze bang ergens te laat te komen of van iemand een
+standje te krijgen, of zij kwamen niet uit met hun tractement, of hun
+plee was verstopt, of ze hadden een zweertje, of hun Zondagsche pak
+begon te slijten, of de huur moest betaald worden; dit konden ze niet
+doen hierom en dát moesten ze laten daarom. In zijn jongen tijd was
+i nog zoo dom niet geweest. Een sigaartje rooken, een beetje kletsen,
+wat rondkoekeloeren, je verheugen in het zonnetje als 't er was en in
+den regen als 't er niet was, en niet denken aan den dag van morgen,
+niets willen worden, niets te verlangen dan af en toe wat mooi weer.
+
+Je kon 't niet volhouden. Dat wist i wel. Het kon nu eenmaal niet
+bestaan of je moest een bom duiten hebben. En die hatti niet. Wat zijn
+ouwe hem kon nalaten was de moeite niet waard. En hij, Japi, vond het
+nu welletjes ook. Hij was nu bezig zijn tijd te verstaren. Bereiken kon
+je toch niets. Hij scharrelde nog wat rond op de plaatsen waar i zich
+vroeger geamuseerd had. Speciaal hield i zich bezig met in rivieren
+te staren. In Dordrecht had i enkele weken starende versleten. In
+Veere had i dagen lang boven op 't Hospitaal gekampeerd. September
+had i in Nijmegen doorgebracht.
+
+En toen met eenige variatie herhaalde i zijn oude rêverie over
+'t water. Van 't water dat maar altijd naar 't westen stroomde,
+dat iederen avond naar de zon stroomde. In Nijmegen liep een ouwe
+dokter rond, die drie-en-vijftig jaar lang 's morgens op 't zelfde uur
+dezelfde wandeling had gemaakt. Over 't Valkhof en aan de Noordzijde
+naar beneden en de Waalkade af tot aan de brug. Dat is meer dan 19300
+maal. En altijd stroomde 't water naar het westen. En dat beteekende
+nog niets. Het heeft zeker honderd maal drie en vijftig jaar naar
+dien kant gestroomd. En langer. Nu ligt de brug er over. Nog maar
+kort, nog maar wat jaren. En toch heel lang. Ieder jaar is 365 dagen,
+tien jaar is 3650 zonnen. Iedere dag is 24 uur, en ieder uur gaat er
+meer door de hoofden van al die tobbende menschen dan je in duizende
+boeken zou kunnen opschrijven. Duizende tobbers die de brug gezien
+hebben, zijn nu dood. En toch ligt i er nog maar kort. Veel, veel
+langer stroomde het water daar. En er was een tijd toen dat water
+er niet stroomde. Die tijd is nog veel langer geweest. Dood zijn
+de tobbers gegaan bij honderde en honderde millioenen. Wie kent
+ze nog? En hoeveel zullen er sterven na dezen? Ze tobben maar, tot
+God ze wegraapt. En je zou denken: God zou ze een lol doen als i ze
+plotseling te grazen nam. Maar God weet beter dan jij of ik. Tobben
+willen ze, blijven voorttobben. En onderwijl gaat de zon op en onder,
+de rivier daar stroomt naar 't Westen en blijft stroomen tot daar
+ook een eind aan komt.
+
+Neen plannen hatti niet meer, en te sappel maken zou i zich niet
+meer. Daarvoor zou Japi wel oppassen. Een diner accepteerde i dien
+avond nog wel. Zelfs zong i een komiek liedje en stak een malle speech
+af, staande op een stoel.
+
+Eenige maanden heeft Japi nog verstaard. Met zijn gezondheid ging
+het niet al te best en de toelage van zijn kantoor hield op. Den
+winter bracht i in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren,
+mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten,
+al tobbende.
+
+In Mei trok i naar Nijmegen.
+
+Daar schreef i me op een briefkaartje, dat Jeanne aan haar borstkwaal
+gestorven was. Daar hatti op gewacht, schreef i.
+
+Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is
+hij van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de
+gaten. "Maak je niet druk, ouwe jongen," had Japi gezegd, en toen
+was i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten.
+
+Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er
+afgestapt.
+
+Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord en aan
+de muur zes briefjes met G.v.d. er op en één met "Ziezoo".
+
+De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen
+zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond
+krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog.
+
+Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.
+
+
+
+
+
+
+TITAANTJES.
+
+
+I.
+
+
+Jongens waren we--maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn
+nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal
+geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden
+hun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n
+vijven. Alle andere menschen waren "ze". "Ze", die niets snapten
+en niets zagen. "Wat?" zei Bavink, "God? je praat over God? Hun
+warme eten is hun God." Op enkele "goeie kerels" na werd iedereen
+door ons veracht. Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: "En niet ten
+onrechte," maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je
+weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer
+vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor
+je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'm
+op den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer
+dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu,
+alweer behalve Bavink en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg
+tegen Hoyer: "we zijn er niet op vooruit gegaan." Maar Hoyer is al
+te ver heen, hij begint bij de bonzen van de S. D. A. P. te hooren,
+en maakt een gebaar van twijfel met z'n handen en z'n schouders.
+
+Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geweest. Iets
+zouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde
+afbreken, Ploeger wilde zijn baas z'n eigen klokken laten inpakken
+en er bij gaan staan met een sigaar in z'n hoofd en vloeken op die
+kerels die nooit iets goed konden doen. Eéns waren we 't, dat we
+"eruit" moesten. Waaruit, en hoe? Eigenlijk deden we niets anders dan
+praten, rooken, drinken en boeken lezen. Bavink vrijde bovendien nog
+met Lien. Achteraf bedenk ik, dat we een prachtig stel kerels geweest
+waren om rijk te zijn, maar "centen hebben" vonden we verachtelijk;
+alleen Hoyer begon daar vrij gauw anders over te denken. Bavink begreep
+niet, waarom die kerels zoo maar in rijtuigen mochten rijden en dure
+jassen aanhebben en andere lui commandeeren, die niet stommer waren
+dan zij. Automobielen zag je toen zoo nog niet.
+
+Heele zomernachten stonden we tegen 't hek van 't Oosterpark te leunen
+en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan
+hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er
+wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.
+
+Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van 't trottoir
+zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en
+waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar
+de sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z'n
+baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i
+opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte,
+zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan
+zat Bavink met z'n hoofd in z'n handen, over de zon te praten, bij
+'t sentimenteele af. En we vonden dat 't zonde was naar bed te gaan,
+dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat
+zouden we veranderen. Kees zat te slapen.
+
+En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees,
+die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker
+wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk
+met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de
+dansende gouden pijltjes die de zon in 't water maakte. Stapelmal
+werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange
+schitterende streep. Maar aan den kant van 't water bleef-i toch
+maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer
+aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim
+stond. Bavink sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte:
+"God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit." Nu zit-i in
+een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd niets
+zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel
+slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er
+beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meer
+dan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen
+te staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen.
+
+Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naar
+den Ringdijk. Daar zaten we in 't gras tusschen de boterbloemetjes
+beneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hun
+groote oogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien. En dan kon
+je ervan opaan, dat Bavink over Lien begon. Op de een of andere manier
+moeten die koeienoogen daar iets mee uit te staan gehad hebben. En
+dan begon 't te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er
+vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m'n eene voet lag bijna
+in de sloot. Andere hoorde je zachtjes, ver, heel ver weg. Een koe,
+die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je
+'t gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Een
+paard holde heen en weer, je hoorde 't maar zag 't niet. De koe bij
+ons blies en werd onrustig. Bekker zei: "'t Is hier goeie. Zoo moest
+'t maar blijven." Bavink stond overeind en breidde z'n armen uit en
+luisterde, en ging daarna weer zitten en zei dat we der ook nooit iets
+van zouden snappen, hij zelf ook niet, en dat we eigenlijk niet veel
+beter waren dan al die andere lui, en ik geloof, dat-i daar heel na
+aan de waarheid was.
+
+Neen, we deden eigenlijk niets. Ons werk op kantoor deden we niet
+al te best, en onze bazen verachtten we, behalve Bavink en Hoyer,
+die geen bazen hadden en niet begrepen, waarom we iederen dag weer
+naar die bazen toegingen.
+
+We wachtten maar. Waarop? Dat hebben we nooit geweten. Bekker zei:
+"Op 't koninkrijk Gods." Dat wil zeggen, dat heeft-i een keer gezegd
+zonder zich nader te verklaren. Bavink had 't altijd over "het einde,
+dat meteen 't begin zou wezen." Wij vonden dat allemaal volkomen
+duidelijk en weidden er niet verder over uit.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Op den zolder van Kees kwamen we dien zomer bijna iederen avond
+bij elkaar. Kees had ook een "hok" moeten hebben. Zijn hok was 't
+grootste en voor allen makkelijk te bereiken. De buren vonden 't niks
+leuk iederen avond dat geloop op de trap. Kees z'n vader begreep er
+niks van. Tegenwoordig groet-i me heel beleefd en noemt me "mijnheer
+Koekebakker", omdat-i m'n naam in 't Handelsblad heeft gezien.
+
+Bekker had Kees gezegd, hoe-i 't doen moest. Ze hadden goedkoop
+bloemetjesbehangsel van 3 centen de rol gekocht en dat achterstevoren
+tegen den muur geplakt, de effe groene achterkant buiten. Bekker had
+een spreuk geschreven met sier-letters en die aan den muur geplakt
+naast de deur. "J'ai attendu le Seigneur avec une grande patience,
+enfin il s'est abaissé jusqu'à moi."
+
+Ik weet niet meer waar-i dat vandaan had gehaald. Kees kon 't niet
+lezen. Maar Kees had óók iets gedaan. Hij had een spa gemaakt en Bekker
+had die diagonaalsgewijs aan den muur geprakkizeerd in 't aangezicht
+van de spreuk. Het was eerst niet duidelijk, wat dat moest beteekenen,
+maar naderhand bleek, dat Bekker zich in zijn hoofd had gehaald, dat-i
+metdertijd op de hei zou gaan wonen en daar een brokje land bewerken,
+dan hoefde-i niet meer naar kantoor. Bavink vond dat een mooi idee,
+maar-i was bang dat Lien er geen zin in zou hebben en Hoyer zat liever
+in de kroeg.
+
+Daar zaten we dan en lieten niets heel. Tenminste niet veel. Ik
+herinner me, dat Zola en Jaap Maris tamelijk ongeschonden bleven
+en misschien nog wel de een of ander. Bekker las uit Dante voor,
+de Prediker en 't Hooglied en 't boek Job kende-i uit z'n hoofd. 't
+Was heel indrukwekkend. Van de buitenwereld merkte je niet veel op
+dat hok. Het eenige raam was bijna schouderhoogte van den grond;
+als je aan tafel zat, zag je niet veel meer dan een stuk lucht,
+waar langzamerhand de kleur uitweek, en wat sterren, als 't donker was.
+
+Schilderen? Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde? Alles
+lieten de lui zich voorzetten, letterlijk alles. Ik moest maar eens een
+schilderij maken. Dat was ik zelf, Koekebakker. Hij zou me zeggen wat
+ik doen moest. "Je schildert twee horizontale banen, onder elkaar, even
+breed, een blauwe en een goudgele en in 't midden van die blauwe baan
+maak je een ronde goudgele vlek. En dan zetten we in den catalogus:
+No. 666 De Gedachte, schilderij. En dan zenden we 't in op mijn naam:
+Johannes Bavink, 2de Jan Steenstraat, nummer zooveel en we prijzen
+'t voor f 800. Je zult eens zien wat ze er in ontdekken. Van alles,
+waar je zelf nooit een flauw benul van gehad hebt."
+
+Bavink was toen nog erg jong.--Naderhand kwam Lien daar ook en zette
+thee. Eén keer heeft ze den grond geboend en alles afgestoft; maar
+dat was heel ongezellig. Kees kwam er door in verlegenheid, want
+tegen die juffrouw had de ouwe heer bepaald bezwaar. En Bavink was
+niet zooals we hem graag zagen, wanneer Lien er bij was en had een
+neiging om haar voortdurend te knijpen. Dat was hinderlijk.
+
+Gelukkig liet hij haar al heel gauw weer thuis, omdat-i dacht, dat
+Lien mij oogjes gaf. Bekker zei: "Meiden, dat is niks" en rookte
+met bizonder welbehagen z'n steenen pijpje toen ze er voor 't eerst
+weer niet bij was. Het was dien avond ook heel genoegelijk. Uren lang
+zaten we in donker. De lamp was gaan zakken en daarna uitgegaan. We
+bleven maar zitten en rookten, uren lang. Af en toe zei iemand eens
+wat. Bavink vond schilderen 't stomste dat iemand doen kon. Kees
+begreep er weer niks van. "Je moest zoo maar stilletjes blijven
+zitten," zei Bavink en keek naar de lucht. Een groote groenachtige ster
+stond daar te donkeren. "Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten
+te verlangen zonder te weten waarnaar." En hij stopte een versche pijp.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet
+die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien,
+twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.
+
+Wij waren boven de wereld en de wereld was boven ons en drukte zwaar
+op ons. Heel in de diepte zagen wij de wereld vol bedrijvigheid
+en verachtten de menschen, de gewichtige heeren vooral, de heeren,
+die 't druk hebben en die denken dat zij 't aardig ver in de wereld
+hebben gebracht.
+
+Maar wij waren arm. Bekker en ik moesten 't grootste deel van onzen
+tijd op kantoor doorbrengen en doen wat die heeren zeiden en hun domme
+opinies aanhooren, als ze met elkaar spraken en verdragen, dat zij
+zichzelf veel flinker en knapper vonden dan ons. En als zij vonden,
+dat 't koud was, dan moesten alle ramen dicht en 's winters moest
+'t licht veel te vroeg op en de gordijnen moesten neer, zoodat wij
+de roode lucht niet zagen en 't schemeren in de straat niet, en wij
+hadden niets te vertellen.
+
+En wij moesten in straten wonen, heel bekrompen, met uitzicht op
+de lancaster gordijnen van den overkant en de balletjesfranje en de
+aspedistra in een pot met een onbestaanbare bloem er op.
+
+O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit
+gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen,
+wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden. 's
+Zondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooit
+kwamen en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden,
+die wij gezien hadden en terwijl de heeren ons bevalen dingen te doen,
+waarvan wij 't nut niet begrepen, dachten wij eraan, hoe Zondagavond
+de zon was ondergegaan achter Abcoû. En hoe wij woordeloos 't heelal
+doordacht hadden, hoe God ons hoofd, ons hart en ons ruggemerg gevuld
+had en hoe mal zij zouden kijken, als wij hun dat zouden zeggen. En
+hoe zij met al hun geld en hun reizen naar Zwitserland en Italië en
+Godweetwaarheen en met al hun knapheid en bedrijvigheid dat nooit
+zouden kunnen beleven.
+
+Maar met dat al hadden ze ons toch in hun macht, ze legden beslag op
+'t grootste deel van onzen tijd, zij hielden ons uit de zon en van
+de weilanden en den waterkant vandaan. Ze dwongen ons voortdurend
+onze gedachten bezig te houden met hun onbegrijpelijke zaken. Maar
+dat ging zoo ver als 't voeten had. En zij gaven ons standjes; niks
+waren wij op kantoor. "O, Bekker" zeiden ze tegen elkaar. Welopgevoed
+waren de heeren; de juffrouw van tweehoog zei: "die halvegare",
+daar waren de heeren te welopgevoed voor. En ze waren knap, veel
+knapper dan de juffrouw van tweehoog, wier man lantaarnopsteker was,
+een leuk vak, waar weinig geleerdheid voor noodig is. M'n baas vroeg
+me of ik misschien gedichten maakte. Bekker vond dat zoo'n man dat
+woord eigenlijk niet mocht uitspreken, dat moest niet mogen. "Wat
+zei je tegen hem?" Ik had niks gezegd, ik had maar naar z'n gezicht
+gekeken en gevonden dat-i zoo'n dikken kop had en gedacht: "hij weet
+niet wien hij voor heeft, daar is hij te dom voor." En ze betaalden
+ons slecht de heeren.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+En verliefd waren we. Bekker liep maanden lang iederen morgen over
+de Sarphatistraat waar hij niets te maken had. Hij hield van een
+schoolmeisje van een jaar of zeventien en liep vijftig pas achter
+haar of aan de overzij van de straat en keek naar haar. Hij heeft
+nooit geweten hoe zij heette, nooit een woord met haar gesproken. In
+de Kerstvacantie was-i ongelukkig. In Februari nam hij een middag
+vrij om haar op te wachten, als de school uitging. Daar stond-i op 't
+stille grachtje in de sneeuw en een vent reed voorbij op een wit paard,
+met een blauwe kiel aan en een stroohoed op. Wat raar dat je juist op
+zoo'n middag zoo iets geks moet zien. Maar om vijf minuten voor vieren
+ging Bekker weg, hij dorst niet te blijven staan. Langzaam slenterde-i
+weg en op de Weteringschans haalde ze hem in. Ze lachte luid tegen een
+vriendin. Ik geloof niet dat zij ooit geweten heeft dat Bekker bestond,
+
+Van mij wilde Bekker weten waar dat op uit moest loopen, dat kon
+toch zoo niet doorgaan. En 't ging ook zoo niet door, want na de
+zomervacantie kwam ze niet meer terug.
+
+"Meiden," zei Bekker, "dat is niks gedaan... Ze veerde als ze
+liep." Hij draaide de lamp wat op en sloeg een blad om van 't
+boek waar-i in las. "Waar zou ze nu zijn?" "Zou ze zoenen?" Een
+stukje vuur uit zijn pijp viel op 't boek. Hij doofde 't met een
+lucifersdoosje. "Verdomme, een gat, dat heb ik stom gedaan." "'t Is
+beter zoo, meiden is niks gedaan, je schiet er niet mee op, ze leiden
+je maar af. Op een afstand zijn ze aardig, om gedichten op te maken."
+
+Hij las. Na een poosje keek hij weer op... "Weet je wat een raar
+ding is? Toen ze me dien middag inhaalde ging ze rakelings langs
+me heen. Er was zoo te zeggen niks tusschen ons, een beetje kleeren
+van haar en zoo goed als geen kleeren van mij." (Bekker liep zomer
+en winter met z'n overhemd op z'n bloote lijf). "Dat is niet veel,
+vind je wel?" Ik vond dat niet veel; tusschen den toren van Naarden
+en de kamer van Bekker b.v. was veel meer. "Tusschen den toren van
+Naarden en deze snor," zei Bekker, "is veel minder, veel minder dan
+er toen was tusschen haar schouder en de mijne. 't Haalt er niet bij
+Koekebakker." Hij sloeg weer een blad om, keek in 't licht, en zei:
+"zoo is 't" en ging door met lezen.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Zoo was 't: God liet zijn aangezicht zien en verhulde 't
+beurtelings. Je schoot er niet mee op, ook al bewonderde je de meisjes
+alleen maar uit de verte en al liet je hun bekjes zoenen door anderen,
+door die gewichtige heeren, waar ze over 't algemeen meer mee op hadden
+dan met ons. Die waren zooveel netter en praatten zoo aardig. En wij
+waren armoedzaaiers.
+
+Van God was niets te hopen, die gaat zijn eigen weg en geeft geen
+rekenschap. Als we wat wilden moesten we 't zelf doen. Maar wij vonden,
+dat Bavink en Hoyer makkelijk praten hadden, die konden wat, die konden
+laten zien hoe 't moest, maar wij, Bekker en Kees en ik, wij konden
+hoogstens "socialen" worden en dat leek toch wel wat erg armoedig,
+nadat je aan Gods tafel had gezeten, adressen te gaan schrijven
+voor drukwerk of lid te worden van de "vrije groep Kastanjeplein en
+omstreken." En van dat wonen op de hei zou ook wel niets komen, want
+als Bekker een paar centen bij elkaar had, dan moesten zijn schoenen
+gelapt worden. In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen
+gaan, maar toen we op een Zondag er heen waren geloopen, vier uur
+gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele
+schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds,
+in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en
+z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar
+weer naar Amsterdam terug en liepen achter elkaar langs de Naarder
+trekvaart en zongen, en een boerenmeid zei tegen een boerenjongen:
+"D'r het niks van in de krant 'estaan jong, hoe vin je dat nou? wist
+jai d'r van?"
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Dus deden we maar niks. Ja toch, in dien tijd maakte Bekker z'n
+eerste gedicht.
+
+'k Weet 't nog heel goed, 't was op een Zondag, natuurlijk. Als er
+iets gebeurde, dan was 't op Zondag. Want de zes andere dagen van de
+week droegen drie van ons onze ketenen van negen tot zes.
+
+Ik was uit solliciteeren geweest in Hillegom bij een bollenhandelaar
+met dikke roode gladgeschoren wangetjes. En de anderen hadden er
+meteen een uitgangsdag van gemaakt. Bavink, Hoyer en Bekker hadden
+alle drie al zoo vaak naar 't oudheidkundig museum in Leiden gewild
+en nu zou 't er dan van komen. En Kees moest mee, die deed wat de
+anderen deden. In Leiden zou ik hen vinden.
+
+'t Was in December. Ik stond achter op de tram, heelemaal achter op. De
+tram reed maar door 't land en stond stil en reed weer, uren duurde 't,
+de landen lagen eindeloos. En de lucht werd hoe langer hoe blauwer en
+de zon scheen alsof er bloemen moesten groeien uit de boerenkinkels. En
+de roode daken in de dorpen en de zwarte boomen en de akkers, veel met
+riet gedekt, hadden het lekker warm, en de duinen stonden in de zon
+met hun bloote hoofd. En de straatweg lag daar wit en pijnlijk in 't
+licht en kon de zon niet verdragen en de ruiten van de dorpslantaarns
+flikkerden, ook zij verdroegen met moeite 't felle licht.
+
+Maar ik werd hoe langer hoe kouder. En zoo lang als de zon scheen,
+reed de tram. 't Is een lange rit van Hillegom naar Leiden en de dag
+is kort in December. En op 't laatst stond er een lijk op de tram te
+staren in die malle groote koude zon, die vlamde als of de revolutie
+moest beginnen, alsof ze in Amsterdam bezig waren de kantoren af te
+breken, en die geen vonkje leven in m'n koude voeten en dooie beenen
+kon brengen. En de zon werd steeds grooter en kouder en ik werd steeds
+kouder en bleef even groot. En de blauwe lucht keek vreeselijk ernstig:
+"Wat moest ik toch op die tram?"
+
+Dien middag maakte Bekker z'n eerste gedicht. En toen ik met 't
+aansteken van de gaslantarens in Leiden aankwam en de onsterfelijken
+naast elkaar op een lange bank vond zitten in de derde klas
+wachtkamer van 't station, bij de kachel, toen moest ik mee 't gedicht
+ondergaan. 't Was heel mooi. Of 't geen naam had? Bekker schudde van
+nee. Maar Bavink en Hoyer schreeuwden, dat ze gezien hadden, dat er
+iets boven stond. Een burgerheer zei: "Opscheppers" tegen den man,
+die aan de deur z'n kaartje knipte. Bavink had 't papier te pakken,
+Wat stond er boven? Natuurlijk? "Aan haar." Dat had ik zóo wel geweten.
+
+Bavink vond dat er een schepje op de kachel moest, maar kon de
+kolenschep niet vinden. Ze nemen in die wachtkamers altijd den
+kolenschep mee, anders stookt 't publiek te hard.
+
+Toen gooide Bavink de steenkolen met z'n handen in de kachel en kreeg
+mot met een kerel met een witte kiel aan.
+
+'t Was heel lollig dien avond. In den trein vielen Kees en Hoyer in
+slaap. Bavink zat te praten met een Haagsch juffertje en de lucht
+van heliotroop op te snuiven die haar lieve leden ontsteeg.
+
+Toen begon Bekker weer over de hei te praten. Daar wilde-i stilletjes
+wonen en maar afwachten wat God met 'm voorhad. Doen kon je niks. Hij
+was erg weemoedig. Ik had bezwaar tegen die hei: 't is er zoo droog. En
+ik vroeg Bekker waar-i van leven wilde, dat boeren van kantoorheeren
+lukt gemeenlijk niet al te best, behalve in Amerika, waar allerlei
+leugens van geloofd worden. Maar hij maakte zich daarover geen
+zorg. Hij had niks noodig.
+
+Nu weet hij beter. God alleen heeft niks noodig. En dat is nu juist
+'t groote verschil tusschen God en ons.
+
+Er is dan ook niks van gekomen van die hei.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Wij zaten met z'n vieren bij Zandvoort in 't fijne witte zand aan den
+voet van 't duin en keken naar zee. Kees was er niet bij. 't Was in
+'t laatst van Juli. Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee,
+maakte, alweer, ik kan 't niet helpen, 't is God zelf die steeds
+in herhalingen vervalt, maakte alweer een lange gouden streep op
+'t water en scheen op onze gelaten.
+
+Aan den gezichtseinder voer een sleepboot en rees en daalde; als-i
+daalde zag je enkel de stoompijp.
+
+Bekker zou den volgenden dag naar Duitschland gaan. Door zijn groote
+talenkennis had-i een betrekking gekregen als correspondent op een
+fabriek. En Hoyer ging naar Parijs, schilderen.
+
+Bekker vooral was weer erg weemoedig. Hij wou dat-i dat baantje
+maar niet aangenomen had. Hij begreep niet goed meer waarom-i 't
+gedaan had. Twee uur was-i in dat ellendige fabrieksstadje geweest
+om zich voor te stellen. Ziek was-i er geworden, heimwee had-i er
+gekregen. Zoo gauw mogelijk was-i naar 't station gevlucht. Daar lagen
+gelukkig de rails nog, onafzienbaar, recht, tot aan den horizon, de
+weg naar Amsterdam. En zijn biljet had-i voor den dag gehaald. En er
+had nog duidelijk opgestaan: "nach Amsterdam". En op tijd was de trein
+gekomen en had 'm over de rails naar huis gereden. En toen-i aan 't
+Centraal station was afgestapt, toen had-i in de volheid zijns gemoeds
+een praatje gemaakt met den machinist en hem een sigaar gegeven,
+een dure, en even de locomotief met z'n hand aangeraakt en gedacht:
+"aai locomotief". En toch had-i dat baantje aangenomen. 't Gaf een boel
+meer dan-i hier verdiende. En nu moest-i weg en zou den Ringdijk niet
+meer zien. En al dien tijd zouden die rails daar liggen, maar hij zou
+hoogstens daarginds op 't perron kunnen staan en er naar kijken en de
+treinen zien vertrekken, 's avonds, en 's Zondags den geheelen dag,
+vele malen.
+
+Nu was de zon lager en rood, de gouden streep was weg. 't Was een
+warme, stille avond. Het roode water rimpelde wat, de branding rolde
+langzaam en ruischte maar zacht.
+
+Bekker had een theorie, dat-i zou sparen en terugkomen en op de hei
+gaan wonen. Maar hij geloofde er zelf niet aan in zijn hart. En wij
+probeerden 't te gelooven, zelfs Hoyer probeerde 't en wij overtuigden
+ons zelf dat 't zoo gaan zou, maar wij geloofden 't niet. En 't is
+ook zoo niet gegaan. Na een jaar is Bekker teruggekomen. Hij had een
+paar honderd gulden overgehouden en liep weer iederen morgen om half
+negen in de Linnaeusstraat met z'n brood in een zeiltje. Een mensch
+heeft veel noodig.
+
+Maar dien avond dachten wij niet aan zeiltjes met brood. Wij deden erg
+ons best om te gelooven, dat wij er nog heel wat van terecht zouden
+brengen. Verbazen zouden wij de wereld, zoo kalm en onaanzienlijk
+als wij daar zaten met opgetrokken beenen en onze acht handen om
+onze knieën. Hoyer had zich voorgenomen allerlei gemeene dingen te
+schilderen. In een tijdschrift had-i een artikel gelezen over de
+sociale taak van den kunstenaar, hij was er nu achter. Hij begon een
+dispuut met Bekker over de hei. Het was mirakel geleerd. Hij probeerde
+Bekker te overtuigen, dat 't verkeerd was zich af te zonderen van
+de wereld en naar die hei te gaan, waar-i toch nooit naar toe zou
+gaan. Een kunstenaar behoort te staan midden in 't moderne leven.
+
+Van mij wilde Hoyer weten hoe ik er over dacht. Ik zei maar, dat ik
+er nooit over gedacht had. Ik begreep ook niet wat-i wilde, hij wist
+'t immers, waarom moest-i nu nog weten hoe ik er over dacht.
+
+Alleen Bavink zei niets, hij zat met z'n kin op z'n knieën en ontving
+de zon in z'n hart. De zon was nu zoo plat als een suikerboon en dof
+rood, hij was bijna weg.
+
+Hoyer kon er niet bij blijven zitten. Hij sprong op en nam Bekker
+mee. Zij wandelden langs 't strand, in de verte hoorde we Hoyer
+schreeuwen, blijkbaar wond-i zich op. Bavink en ik bleven nog even
+zitten, toen drentelden wij zachtjes achter hen aan. 't Leek me niets
+leuk een levensbeschouwing te hebben, Hoyer schreeuwde zoo.
+
+Bavink en ik stonden stil en keken naar de punten van onze schoenen
+en naar 't aanrollen van de verloopende golven. De zon was weg, de
+roode schijn op 't water begon te verbleken, in 't zuiden klom een
+blauwige duisternis. Er was een geur van modder. In de verte, bij
+'t dorp, gingen plotseling de booglampen aan bij 't strand.
+
+"Begrijp jij dat," vroeg Bavink, "van die sociale taak?"
+
+Ik haalde m'n schouders op. "Wat zou dat voor 'n vent zijn, die
+dat artikel geschreven heeft? Heb jij verantwoordelijkheidsgevoel,
+Koekebakker?" Daar had Hoyer 't ook over gehad.
+
+"Hoyer praat machtig mooi," zei Bavink. "Machtig mooi. Ik heb geen
+verantwoordelijkheidsgevoel. Ik kan me daar niet mee ophouden. Ik moet
+schilderen. Een lolletje is 't niet. Wat zei-di ook weer?" "Wie?" vroeg
+ik. "Die vent in dat boek, wat zei-di ook weer dat kunstenaars
+waren?" "Gebenedijden, Bavink." "Weet je wat ik denk, Koekebakker? Dat
+'t dezelfde vent is, die de spoorboekjes gemaakt heeft. Daar heb ik
+ook nooit iets van begrepen, hoe iemand dat kon. Gebenedijden... God
+is overal? Of niet, Koekebakker? Dat zeggen ze toch?"
+
+Ik knikte. De duisternis begon nu overal uit 't water te klimmen,
+in 't noordwesten hield de kim nog wat gelige en groenige gloed,
+boven onze hoofden trok 't laatste licht weg. Wolken waren er niet.
+
+"Dus hij is overal," zei Bavink. "Daar en daar en daar." Met
+uitgestrekte arm wees hij om ons heen. "En daar achter die zee, in
+'t land dat wij niet zien. En daar, bij Driehuis, waar de booglampen
+staan. En in de Kalverstraat. Ga eens met je rug naar 't water staan
+en luister. Kan jij eruit blijven?"
+
+"Waaruit?"
+
+"Uit die zee?" Ik knikte van ja, dat kon ik best.
+
+"Ik nauwelijks," zei Bavink. "'t Is zoo raar dat weemoedige geluid
+achter je. 't Is net of zoo'n zee wat van me wil. Daarin is God
+ook, God roept. 't Is waarachtig geen lolletje, overal is-i. En
+overal roept-i Bavink. Je wordt mal van je eigen naam, als-i zoo
+dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moet
+God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink "God." En
+zoo blijven ze mekaar roepen. Voor God is 't een spelletje, die is
+oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar éen dom
+hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje te
+gelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en
+verf. Dan is God overal, behalve waar Bavink 'm hebben wil. En dan
+komt er een vent en schrijft dat Bavink gebenedijd is. En Hoyer leert
+dat uit z'n hoofd en loopt er over te zwetsen tegen Bekker. Zeg wel
+gebenedijd. Weet je wat ik wou? Dat ik spoorwegboekjes kon maken. Zoo'n
+vent laat God met vrede, die is 'm de moeite niet waard."
+
+Ik presenteerde Bavink een sigaar en stelde voor naar Driehuis te
+gaan. Ik had trek in koffie. Ik vond het niet mooi van Bavink een
+verdienstelijk heer zoo te kleineeren. Achter ons aan kwamen Hoyer
+en Bekker terug en hadden 't nog erg druk.
+
+Om elf uur stonden we dien avond nog weer aan 't strand in de nacht. Er
+was wat wind komen opzetten, de golven ruischten. Een weinig drank
+had de weemoed en de somberheid verdreven. Een nieuwe tijd zou
+aanbreken. Bekker zou in de eenzaamheid van zijn Duitsche kosthuis
+Dante vertalen, zooals nog nooit iemand 't gedaan had. Bavink had een
+groot doek in z'n hoofd, een gezicht op Rhenen, hij was daar eens een
+dag geweest, duidelijk zag hij alles voor zich. En Hoyer ging werken
+aan z'n sociale taak; ze zouden er van opkijken. En ik probeerde
+'t allemaal te gelooven.
+
+De koele wind woei om ons heen. De zee ruischte klagend, de zee, die
+klaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan 't land. Mijn
+gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen.
+
+Een nieuwe tijd zou aanbreken, nog konden wij groote dingen tot stand
+brengen. Ik deed mijn best 't te gelooven, héél erg mijn best.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+In Rhenen stond ik in de schemering op de brug over den spoorweg
+en keek naar 't Noorden. In de diepte lag de spoorlijn tot den
+gezichtseinder, aan beide zijden er van rees de berg steil op, begroeid
+met lichtgroen gras en donkergroene brem vol gele bloemen. Ik keek
+er naar hoe de bergwanden geleidelijk lager werden, tot ze, heel ver,
+overgingen in de vlakte.
+
+Weer begon de duisternis geheimzinnig naar boven te kruipen uit de
+aarde, zooals ik dat zoo dikwijls gezien had. Bevreesd en bangelijk lag
+'t laatste licht van den dag op den berg, de spleet was vol duisternis,
+een rood licht was opgetrokken aan een paal aan de spoorlijn. De lucht
+was wat grijs beslagen en keek kleurloos neer op den verslagen dag.
+
+Zes jaar was ik weggeweest en nu stond ik daar, pas in Holland terug,
+op de plaats waaraan ik zoo vaak had gedacht, waarover ze mij in bijna
+iederen brief hadden geschreven. (Bavink schreef me ieder jaar zeker
+wel twee keer en Bekker wat vaker), op den berg waarvan Bavink mij
+in den loop van den tijd zeven teekeningetjes had gestuurd en waarop
+Bekker twee heel kleine versjes had gemaakt.
+
+Naar Holland was ik gekomen om armoe te lijden en artikeltjes en
+verhaaltjes te schrijven in 't buurtje waar ik zoo lang gewoond had. En
+mijn laatste twee rijksdaalders wilde ik verteren in de stad die in
+mijn afwezigheid een korte poos de hoofdstad der wereld was geweest.
+
+In 't Noorden verslond de duisternis 't licht mateloos, nu was de
+berg weldra verzwolgen, 't laatste geleide van den dag vluchtte in
+'t Noordwesten overhaast en ik stond op 't bruggetje aan 't niet,
+omspoeld door de oneindigheid.
+
+Ik legde mijn elboog op de leuning en hield m'n kin met m'n hand
+vast en keek in de duisternis en dacht aan de platte roode zon,
+die, lang geleden, in de groene golven van den Atlantischen oceaan
+was ondergegaan, de golven die opliepen met scherpe randen en holle
+flanken en vielen en opliepen en nu nog oploopen en vallen. En aan
+de gele lichten in de armelijke buurtwinkeltjes in Amsterdam, die
+ik nu spoedig weer zou zien en die iederen avond hadden geschenen,
+terwijl de oceaan golfde.
+
+En de vage verwachtingen van vroeger stegen weer in mij op en het
+verlangen, zonder te weten waarnaar.
+
+Doch er kwam een gevoel bij, dat ik vroeger niet gekend had. Voorbij
+waren al die dagen gegaan en voorbij zouden nog vele dagen gaan,
+en al die dagen zouden mijn verwachtingen onvervuld blijven en mijn
+verlangens onbevredigd. Jaren had Bavink met tusschenpoozen gewerkt
+aan zijn gezicht op Rhenen, aan de rivier, den berg, den Cuneratoren,
+de bloeiende appelboomen, de roode daken van 't stadje, de kastanjes
+met hun witte en roode bloemen en de bruine beuken tusschen de huizen
+in de hoogte, en 't molentje ergens op den berg. Jaren had Bekker in
+'t villaatje op den berg, dat Bavink gehuurd had, iederen Zondag
+Dante vertaald en gedichtjes geschreven soms, jaren had ik over de
+wereld gezworven. En wat was er nu nog gebeurd? Wat beteekende dat
+alles voor de wereld, voor God, voor ons zelf?
+
+Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, en
+mijn hart had naar de verte getrokken en naar de roode luchten in 't
+westen. Doch al had ik van den toren kunnen vliegen naar de verten, dan
+zou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden
+en opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben. En wat baat
+mij de wijsheid, die mij leert dat 't niet anders kan en zoo blijven
+zal in eeuwigheid?
+
+Iederen dag hadden wij verlangd zonder te weten waarnaar. En eentonig
+was 't geworden. Eentonig werd 't opgaan van de zon en 't ondergaan en
+'t schijnen van de zon in 't water en 't schuiven der witte wolken. En
+ook de donkere luchten werden eentonig, en 't bruin en geel worden
+van de bladen, en de bladerlooze kruinen en de armoedige drassige
+weilanden in den winter, al die dingen die ik zoo vaak gezien had
+en waaraan ik zoo vaak had gedacht in mijn afwezigheid en die ik zoo
+vaak weer zou zien, als ik niet stierf. Wie kan z'n leven doorbrengen
+met te kijken naar al deze dingen, die zich steeds herhalen, wie kan
+blijven verlangen naar niets? Hopen op een God die er niet is?
+
+En nu bloeiden weer de brem en de seringen en de appelboomen en de
+kastanjes en de zon had al weer fel gebrand. En vol ontroering had
+ik dit alles weergezien.
+
+En terwijl ik daaraan dacht, weken de vage verwachtingen en verlangens.
+
+God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen
+staan er vol schoone bloemen, die niet sterven en statige vrouwen
+wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en
+schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindelooze gebied is eindeloos
+'t zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er
+door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht
+naar de zee.
+
+En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk
+en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie
+'t water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende.
+
+En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de
+schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor de
+wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid,
+dat dit alles bestaat, omdat ik 't zoo verkies te denken. En ik ben
+dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan
+en voel mij God, de oneindigheid zelf.
+
+Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.
+
+
+
+Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Toen ik den volgenden ochtend tegen negenen in Amsterdam aankwam en op
+'t plein voor 't Centraalstation stond, zag ik allerlei electrische
+trammen die ik daar nog nooit gezien had en huurauto's en agenten van
+politie met petten op inplaats van helmen. Maar 't Damrak hadden ze nog
+niet gedempt, ik zag de achterkanten van de huizen van de Warmoesstraat
+weer vlak aan 't water staan en den toren van de Oudekerk aan 't eind
+er boven uit. Dat was dus nog in orde.
+
+En daar liepen ook weer diezelfde nette heeren, wier haar altijd even
+netjes zit, die nooit een kreukel in hun jas of een spatje modder
+op hun schoenen hebben. En ze zagen er weer uit als of ze 't nog
+altijd enorm goed wisten, en vonden dat ze vrijwel geslaagd waren in
+'t leven. En vriendelijk en beleefd waren ze weer tegen elkaar. Hun
+kleeding was een kleinigheid anders dan een jaar of wat geleden, maar
+nog even degelijk. En je kon zien dat zij nog altijd met alles in
+'t reine waren. Een jas was nog altijd een jas en een vest een vest,
+en een fatsoenlijke vrouw een fatsoenlijke vrouw en een meid een
+meid. Het kwam allemaal nog precies uit. Ook wisten ze nog precies
+wie en wat beneden hun stand was; ik twijfelde er niet aan. En ook
+'t Rokin zou wel gedempt komen als ze er aan toe waren.
+
+Met lijn twee reed ik over de Nieuwezijds Voorburgwal. Het was maar
+goed dat ze die gedempt hadden lang geleden, anders had de tram daar
+allicht niet kunnen rijden en je kon nu ook overal makkelijk van den
+eenen kant naar den anderen oversteken.
+
+Met lijn twee, de lijn bij uitnemendheid der nette en gewichtige
+heeren. Een paar vreeselijk gewichtige heeren waren in de tram, niets
+was ik daarbij. Vroolijk scheen het zonnetje op den Voorburgwal,
+'t groen der boompjes was nog wat licht en ik zag dat de schaduw van
+de Nieuwe kerk den overkant der straat niet raakte, lang niet. En
+ik herinnerde me, dat ik jaren geleden, ook in 't laatst van Mei
+dezelfde schaduw precies zoo gezien had. En dat ik op een zonnigen
+winterdag, toen over de Voorburgwal nog geen tram reed, door de
+schaduw van die kerk geloopen had, die toen de heele breedte van de
+straat bedekte. Nu raakte hij de rails niet, de tram reed in de zon
+voorbij de kerk. En over enkele maanden zou dezelfde wagen (hij was
+nog heel nieuw) op dezelfde plaats door die schaduw rijden. En toen
+ik weer naar die twee vreeselijk gewichtige heeren keek vond ik,
+dat al dien tijd dat Rhenen de hoofdstad der wereld geweest was,
+er eigenlijk al heel weinig in die wereld veranderd was.
+
+En ik dacht, wanneer die twee heeren dood zouden gaan en naakt zouden
+aankomen voor de rechtbank des Heeren, en hier vergeten zouden zijn. En
+dat er vreeselijk gewichtige heeren na hen zouden komen. En of ze hun
+stomme aplomb zouden bewaren, als ze daar boven zouden aankomen zonder
+hun gepoetste schoenen? En hoe 't gaan zou met die nette scheidingen
+in hun haar? En of ze dan zouden uitkomen met hun stupide vertoon van
+meerderheid, of er niet een kleinigheid op die gezichten te lezen zou
+zijn, als ze daar die andere, nog gewichtiger heeren zouden ontmoeten,
+die ze zooveel jaren hadden hooggeacht, ook naakt?
+
+En hoeveel idealistische jongelingen in dien tijd opstellen geschreven
+en gedichtjes en schilderijtjes gemaakt en zich opgewonden en gedweept
+zouden hebben. En gezoend. En daarna ook gewichtig zouden zijn geworden
+misschien, en ook vergeten.
+
+Toen kwam er een meisje met een viool in de tram en keek met haar
+zwarte oogjes naar de puntjes van haar schoentjes, en ik keek naar
+de ronding van haar zomermanteltje en vergat die nette heeren.
+
+
+
+
+X.
+
+
+Hoyer vond ik thuis. Hij woonde heel netjes in een straatje van
+den tweeden rang, achter 't Concertgebouw. Hij ontving me in een
+zitkamer, waar ik niet durfde loopen, er lag zoo'n duur kleed. Zijn
+gordijnen waren van pluche, z'n stoelen bekleed met geel moquette,
+op den schoorsteen stond een zwarte pendule met candelabres en ik
+meen dat ik ook nog ergens een bronzen paard heb gezien, allemaal
+dingen uit dure bazars. Goed zitten durfde ik ook niet, ik zat al
+dien tijd op de punt van een stoei, maar ik geloof niet, dat Hoyer
+daar iets van gesnapt heeft.
+
+Hoyer had kolossaal geboft. Ze hadden de ouwe stomme streek uitgehaald
+een naaktfiguur van hem te weigeren. De Wellust had hij de dame
+genoemd en ze was inderdaad, laat ik maar zeggen, omdat ik voor een
+fatsoenlijk tijdschrift schrijf "heel lief." En nu woonde Hoyer heel
+duur op gemeubileerde kamers, bij een nette weduwe met drie namen,
+waar ook een vrouwelijke advocaat in huis was en een assistent-resident
+met verlof, met vrouw en kind. En hij at buitenshuis, want de weduwe
+was veel te net om voor eten te zorgen. Schoenen poetsen was extra.
+
+En ik zat al dien tijd op de punt van mijn stoel en keek naar
+de gedraaide poot van de tafel en naar de vergulde lijst van den
+spiegel. Het was erg vervelend. Ik moest natuurlijk vertellen van
+mijn reis, maar ik wist niet wat, ik hoorde mezelf praten en luisterde
+als een daas naar mijn eigen geluid. Er was een naargeestig licht in
+de kamer, ik denk dat de weduwe bang was voor inkijken. Ik wou dat
+ik maar weg was en keek langs de drie muren, die ik zien kon zonder
+al te veel te draaien, maar ze weken niet en ik kon er niet doorheen
+zien. Ik keek naar de deur, ik kon er mijn oogen niet van afhouden,
+hulpeloos zat ik daar te staren. De deur trok. Vage visioenen had ik
+van de Cunera, van den hoek van den Grebbeberg met de rivier en van
+'t zonnige plein voor 't Centraalstation en de blinkende wijzerplaat
+van de Oudekerk en daar doorheen zag ik de geschilderde vlammen van
+'t nagemaakte eikenhout van die deur. En onderwijl ging iemand door met
+praten, o ja, dat was Hoyer. En nu antwoordde ik zelf, of eigenlijk ik
+zelf niet, maar mijn tong bewoog toch en er kwam geluid uit m'n mond,
+ik hoorde 't duidelijk.
+
+Niets merkte Hoyer. Z'n atelier was boven. Of hij me maar even
+voor mocht gaan. Wezenloos liep ik achter 'm aan "Dit is zeker
+'t privaat?" Ik dacht dat 't hoorde zoo iets te zeggen, als een
+heer je z'n huis liet zien. Niets merkte Hoyer: "Nee, dat is een
+kast" zeide-i. En ik dacht, waarom zegt-i niet: "Pardon, dat is een
+kast." Dat zoud-i zeker later zeggen, over een jaar of zoo.
+
+De gangetjes waren nauw, de loopertjes smal, de trapjes naar rato,
+met dunne spijltjes, een beetje gedraaid, maar alles was netjes,
+keurig netjes, dat moest ik zeggen. Nog merkte Hoyer niets.
+
+Daar boven knapte ik wat op, daar was ten minste licht, 't bekende
+licht van 't atelier. De ezel was leeg. Er stond een dure stoel,
+een clubstoel waar ik in wegzakte, nog nooit had ik in zoo'n stoel
+gezeten. Hoyer schilderde tegenwoordig portretten, dames en heeren,
+allemaal netjes aangekleed. Hij liet me ook een pas begonnen portret
+van de vrouwelijke advocaat zien. Zij was nu op reis. Eerst had
+Hoyer z'n atelier buitenshuis gehad, maar de advocate had "mevrouw"
+overgehaald toe te staan, dat een deel van de zolder voor atelier werd
+vertimmerd. Dat overhalen had eenige moeite gekost en was pas gelukt,
+toen de weduwe had gehoord, dat Hoyer het portret zou schilderen van
+een juffrouw van den Willemsparkweg met winterhoed, boa en mof. En
+de rest van haar kleeren natuurlijk. En dat hij voorgedragen was als
+lid van "Arti".
+
+Of Bavink wel eens hier kwam? Nooit, hij was er nog niet geweest. En
+of hij nog wel eens iets van Kees had gehoord? Ja, Bavink had hem een
+tijdje geleden op straat gesproken. Drie of vier betrekkingen had Kees
+in een paar jaar versleten en daar tusschendoor was hij lange tijden
+werkeloos geweest. Z'n vader had eindelijk een betrekkinkje voor
+'m gevonden bij de gasfabriek.
+
+"Hij loopt nu met een uniformpet op met drie kruisjes en G. G. boven
+z'n voorhoofd en een boekje onder z'n arm. En een vent bij 'm met
+een zwarte zak." Bavink had 't een heel gezicht gevonden. Hij moet
+de halve stuivers uit de muntmeters halen en de andere vent moet die
+dragen in dien zak. En als ze de halve stuivers uit de meter hebben
+gehaald, dan moet Kees vragen of de juffrouw die halve stuivers weer
+in wil wisselen. Hij klaagde dat-i zoo weinig verdiende. Bavink was
+een eindje met 'm mee gegaan, hij had nog nooit naast zoo iemand
+geloopen. Maar 't had hem gauw verveeld. Hij deed 't nooit weer.
+
+Ik tuurde naar 't Bokharakleedje, dat voor den clubstoel lag en
+zag heel duidelijk de verlaten keien van de Linnaeusstraat en den
+hardsteenen trottoirband en de voeg, waar twee stukken daarvan tegen
+elkaar gezet waren en de klinkertjes van 't trottoir. En ik zag ons
+daar zitten in de zomernacht. Bavink en Bekker en Kees en Hoyer en
+mijzelf. Ik zag dat de keien en 't stof nat waren, de sproeiwagen
+was er over heen gegaan, ergens lag een nat stuk krant. En ik hoorde
+Hoyer zeggen, dat-i opstond, want dat die blauwe steen zoo optrok. En
+nu hoorde ik weer diezelfde stem, maar wat beschaafder, met wat meer
+modulatie: "Je zult me excuseeren, Koekebakker, om elf uur heb ik
+een conferentie."
+
+Buiten scheen de lentezon in de troostelooze straat. Mijn God, hoe
+kon zoo'n straat bestaan. 't Meisje in de tram had ik vast niet mogen
+zoenen, maar zoo'n straat mocht bestaan. Dat mocht.
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Op een van de grachten was 't. Ik stond op de stoep en las:
+"P. Bekker, Agentuur en Commissiehandel." Ik schelde en wachtte. 't
+Duurde nog al lang. Toen ging de bovenste helft van de deur open en
+ik zag een jongmensch met een vierkant hoofd. "Is m'nheer Bekker op
+kantoor?" Raar klonk dat. En terwijl 't jonge mensch met eenige moeite
+de onderdeur open maakte, herinnerde ik me hoe vroeger de straatdeur
+werd opengetrokken zonder dat je iemand zag en dat ik dan riep "Hallo
+Bekker!" "Is mijnheer op kantoor?" Er was iemand bij mijnheer.
+
+In den marmeren gang stond een groote rol loopergoed. "Wie kan ik
+zeggen dat er is?" "Koekebakker." "Wilt u mij maar volgen?" 't Jonge
+mensch ging mij voor, een smalle trap op, die ettelijke malen draaide.
+
+Boven, aan 't eind van een nauwen donkeren gang stond hij stil. In
+'t schemerige licht kon ik nog net even 't woord "Monsterkamer"
+lezen. "Moet ik hier zijn vriend?" vroeg ik en wees naar dat woord. Ik
+zag dat de vriend mij een rare vond. "Dat staat er nog van vroeger,
+mijnheer." Hij klopte.
+
+Ik hoorde Bekkers stem die "Ja", riep. De vriend ging naar binnen,
+de deur ging weer dicht en daar stond ik.
+
+Of ik zoo goed wilde zijn hier even te wachten. Ik werd in een klein
+achterkantoortje gelaten met een uitzicht op een blinden muur. Aan
+den zolder hing een zware rol pakpapier aan een spil, een eind papier
+hing naar beneden boven een groote, leege paktafel. 't Jongmensch
+ging aan een lessenaartje zitten, dat tegen 't raam stond en begon te
+tikken op een schrijfmachine met z'n rug naar me toe. Ik zag 't stuk
+papier hangen, ik zag dat 't schuin was afgescheurd, ik keek op den
+breeden bollen rug en de bonkige schouders van den kantoorbediende en
+naar den blinden muur. Een van de baksteenen was kapot en van binnen
+donkerrood; dat brok steen was 't mooiste dat ik zag.
+
+De bediende tikte maar, God weet wat-i tikte. Als-i even ophield,
+hoorde ik de stemmen van twee menschen door de gesloten deur,
+ik herkende 't geluid van Bekker, maar de woorden verstond ik
+niet. Twintig minuten zat ik daar te sterven. "Per me si va nella
+città dolente."
+
+Toen ging de deur open en Bekker verscheen. Hij was zenuwachtig
+en verlegen. Hoe het mij ging. Ik zag er goed uit. Het speet hem
+vreeselijk. Hij had een klant over uit Bordeaux. Die mijnheer was
+speciaal overgekomen om met hem te spreken. Hij geloofde niet, dat
+hij hem voor vanavond laat kwijt zou raken... "Je begrijpt--kerel
+wat zie je d'r toch goed uit. Kom je nu van Algiers?" Ik begreep
+'t volkomen. Ja, ik kwam van Algiers. "Waar logeer je, als 't kan,
+kom ik vanavond om 9 uur bij je." Ik logeerde nergens, mijn geld
+was op, maar dat kun je toch niet zeggen op een kantoor, waar een
+vreemde bij is. Ik zei maar dat ik 't nog niet wist, ik kwam nog
+wel eens aan. "Ik hoop dat je 't dan beter treft." Ik wist dat-i
+dat zeggen zou. D'r zijn zoo van die gesprekken onder nette lui,
+waarbij je heelemaal niet hoeft te luisteren.
+
+Hij bracht me tot de straatdeur. Hij vond 't verdomd beroerd. Ik keek
+naar 't bordje, "P. Bekker, Agentuur en commissiehandel" en toen naar
+z'n oogen.
+
+En toen zag ik dat ook hij plotseling weer die koe hoorde loeien,
+die tien jaar geleden geloeid had in de schemering, de koe die je
+hoorde en niet zag.
+
+Wij gaven elkaar de hand. "Per me si va tra la perduta gente,
+Koekebakker." Hij hield mijn hand nog vast en legde z'n andere hand
+op m'n schouder. "Zeg eens, als je geld noodig hebt?"
+
+Ik ging de stoep af, de klant stond voor 't raam met z'n handen in z'n
+zijden, de beenen van elkaar en keek naar buiten. Rijk en welverzorgd
+zag hij er uit. Ik nam eerbiedig mijn hoed voor 'm af en hij groette
+terug, beleefd en minzaam.
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Ik kom nu zoo gaandeweg tot 't einde. Goddank, zal hier of daar iemand
+zeggen. Och, ik wist vooruit dat 't op niet veel zou uitloopen. Waar
+loopt tegenwoordig 't leven van een Amsterdammer op uit? In mijn
+jongenstijd heb ik vaak genoeg gewenscht, dat er nu eindelijk eens
+iets zou gebeuren. Maar er gebeurde nooit iets. Zelfs verhuisd zijn
+we nooit. En later....
+
+Alleen Hoyer weet waar de boel op uitloopt. Hij heeft wat geërfd en zit
+flink in de duiten. Hij is lid van de S. D. A. P. en leest "Het Volk".
+
+'s Avonds zit-i op 't Leesmuseum en leest 't Berliner
+Tageblatt. Schilderen doet-i niet meer. Hij weet ook waarom hij niet
+meer schildert: wij zijn in een tijd van verval. Een nieuwe kunst is
+in opkomst. Daar wacht-i zeker op. Hij brengt ondertusschen Kunst aan
+het Volk, hoe, dat weet ik niet. Een metselaar heeft hem eens gevraagd,
+"wat-i voor die smoessies kocht." Ook daarvoor had Hoyer een verklaring
+"Wij sociaal democraten weten maar al te goed----"
+
+Hij zegt een boel dingen, die erg waar zijn en als je denkt, "nou wordt
+'t interessant", dan gaat-i niet verder. Op een middag in "Polen",
+sprak-i heel veel over "proletarisch sentiment" en "burgerlijke
+ideologieën." Ik luisterde maar naar 'm. Eén keer heb ik tegen 'm
+gezegd: "'t Is toch mooi dat je alles zoo zeker weten kunt."
+
+Hij ging daar direct op in en ik kon in een half uur niet meer aan 't
+woord komen. En 't is inderdaad heel mooi voor iemand die zijn heele
+leven lang te doen heeft wat een ander 'm commandeert, zonder dat-i er
+zelf veel van snapt en voortdurend wordt gesnauwd en altijd margarine
+moet eten en in de benauwde luchten wonen. Als ik maar een beetje
+twijfelen mocht, dan zou ik ook wel lid van de S. D. A. P. worden. Eén
+geluk: de menschen, die altijd in de benauwde luchten verkeeren,
+hebben me niet noodig. En misschien zou 't zonder Hoyer ook nog wel
+gaan. 'k Zal toch eens informeeren of 't mag, dat twijfelen.
+
+Met den agentuur en commissiehandel is 't slecht gegaan. Die
+commissiehandel was heelemaal larie, dat had Bekker er maar bij laten
+zetten omdat 't goed stond. En iemand die Dante vertaald heeft en
+gedichtjes gemaakt, al zijn 't er maar dertien, die moet geen agent
+van binnen- en buitenlandsche huizen worden. Op een regenachtigen
+Decemberdag, toen de lantaarns op de gracht werden opgestoken, vond
+ik Bekker scheef aan z'n lessenaar zitten met z'n hand onder z'n
+hoofd. De kamer was half donker. Hij bewoog niet. Ik stak 't gas op. De
+prullemand stond achter 'm en daarin lag al z'n post van drie dagen,
+ongeopend. Met z'n elleboog hat-i de heele rommel erin geschoven,
+opzettelijk, zonder er naar te kijken. Z'n bediende hat-i maanden
+geleden gedaan gegeven, de telefoon hadden ze weggenomen. Daar
+zat-i. Aan de muur hing een lijst met afvaarten van stoombooten,
+waarvan de laatste al weer lang was binnengekomen en na dien tijd weer
+uitgevaren, herhaalde malen. En op den schoorsteen stond een dik boek,
+een prachtuitgave van de Divina Commedia.
+
+Buiten stonden de lantaarns te branden, bleek en vreemd in 't laatste
+daglicht, als een wonderlijke vergissing, zooals ze zoo dikwijls
+gestaan hadden. Een wonderlijke vergissing leek alles.
+
+Nu zit Bekker weer ergens op een kantoortje. Hij heeft een goeie baas,
+die hem respecteert, omdat hij Dante vertaald heeft. Op mooie dagen
+stuurt-i Bekker 's middags weg, dan mag-i een beetje in 't zonnetje
+wandelen.
+
+Aan den drank is Bekker niet gegaan. Hij lost schaakproblemen op of
+slaapt. Een voorstelling van de toekomst heeft-i niet. Hij verlangt
+zelfs niet naar zes uur. Dat geeft toch niets. Z'n tractement beurt-i
+met een weemoedig welbehagen, met weemoedig welbehagen koopt-i er
+dassen en schoenen voor. Z'n kleeren zijn netjes geborsteld. Bij
+tijden is hij een weinig ingenomen met zichzelf, om dat-i vroeger
+"een geestelijk leven geleid heeft."
+
+Hij ziet nog weleens een schilderijtje. Onlangs kwam ik hem nog
+eens tegen. Toen had-i 't over de intocht van de koningin, dat
+schilderijtje van Eerelman, waar 't woord "Odol" zoo natuurlijk op
+geschilderd staat. Hij vroeg of 't niet een mooi schilderij was om
+in een deftige apotheek op te hangen.
+
+Kees loopt nog altijd voor de gasfabriek en verkeert in de benauwde
+luchten, waar ik 't zoo even ook over gehad heb. Hij weet niet waar
+'t volgende kind zal moeten slapen. De kinderen zijn nu nog klein,
+maar over een jaar of wat kibbelen ze 's morgens bij die ééne kraan
+en dat ééne privaat, zooals dat altijd in district III gegaan is. Hij
+tobt met wat Hoyer noemt: "'t Chronische tekort in 't huishouden van
+den werkman," en koopt alleen 's Zaterdagsavonds sigaren. 's Zondags
+moet-i de kinderen verbieden. Hij moppert dat-i 't zooveel beter had
+kunnen hebben, als-i eerder naar z'n vader geluisterd had.
+
+Z'n vrouw is goed voor 'm. Midden in de week heeft-i een schoone
+zakdoek. Maar ze zal de lusten niet opwekken van iemand, die niet
+aan haar gewend is, zooals Kees. Zes jaar geleden was dat anders.
+
+En op zolder bij z'n vader, waar vroeger z'n hok was, daar hangen nu
+de onderlijfjes van z'n zusters te droogen.
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+En Bavink?
+
+Bavink heeft 't tegen die "Godverdomde dingen" afgelegd. Die dingen die
+geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: "dan moet 't ook maar
+gebeuren," dan wilden ze weer niet. Hij begon wat opgang te maken,
+toen de strijd al op 't eind liep.
+
+Twee maanden na mijn terugkomst kwam-i me heel kalm vertellen,
+dat-i zijn gezicht op Rhenen in stukken had gesneden. En zoo was
+'t. De rivier, den berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de
+roode daken van Rhenen, de kastanjes met hun witte en roode bloemen,
+de bruine beuken en 't molentje ergens in de hoogte, 64 gelijke,
+rechthoekige brokken van 15 bij 12-1/2 centimeter hat-i er van
+gesneden, met een bot knipmes. Een heel werk was 't geweest.
+
+'t Ding had 'm geërgerd. 't Was niks, totaal niks, vodden. Hij wou van
+mij weten, waarom iemand schilderde. Hij begreep zelf niets meer. Hij
+stak z'n arm uit en wees in de ruimte. Dààr waren de dingen. Hij sloeg
+met z'n vuist tegen z'n voorhoofd. En daar waren ze. Er uit wilden ze,
+maar ze deden 't niet. Stapelgek werd je ervan.
+
+Bijna een jaar daarna vond ik hem aan 't Centraalstation aan de
+Parijzer trein van 8 uur. Hij bracht een of anderen kennis weg, een
+haarboer met lange zwarte lokken en heel veel baard, meer haar dan
+mensch, en een hoog voorhoofd met niets er achter. De ondergaande zon
+stond te schijnen, groot en rood, aan 't eind van de kap stond-i,
+er was een rossig schijnsel in de ruiten en 't vernis van de
+spoorwagens. Bavink was dronken. De trein vertrok, schoof onder de
+kap vandaan en boog even om naar links. Bij 't ombuigen flikkerde
+'t licht fel op de wagens.
+
+Wij wandelden naar 't eind van 't perron. Een man met een seinlicht
+kwamen wij tegen, ik zag, dat hij in 't voorbijloopen naar een
+conducteur keek, die daar stond bij een anderen trein en een beweging
+maakte van drinken met de hand aan den mond.
+
+Wij stonden stil buiten de kap en keken naar de zon. "Zie je die
+zon, Koekebakker?" De zon was bijzonder duidelijk, hij stond recht
+voor ons uit en dicht bij, zoo groot en zoo rood was-i nog nooit
+geweest. Hij raakte bijna de rails van den spoorweg, hij maakte geen
+flikkeringen meer op de dingen, en alleen in de matglazen ruiten van
+den locomotievenstal, rechts van den spoorweg, was een dof schijnsel.
+
+"Je denkt dat ik dronken ben?" Dat dacht ik inderdaad. "Het maakt
+geen verschil, Koekebakker, als ik nuchter ben, begrijp ik er toch
+ook niks van."
+
+"Begrijp jij wat die zon van mij wil? Vier en dertig ondergaande
+zonnen heb ik tegen de muur staan, achter elkaar, omgekeerd. En toch
+staat-i daar weer iederen avond."
+
+"Als er geen wolken zijn," zei ik. Maar hij liet zich niet afleiden.
+
+"Koekebakker jij bent altijd mijn beste vrind geweest. Ik ken jou
+al--hoe lang al?"
+
+"Omtrent dertien jaar Bavink." "Dertien jaar. Dat is lang. Weet je
+wat jij doen moet? Doe me een lol. Heb je een hoedendoos?"
+
+Ik zweeg.
+
+"Doe 'm in een hoedendoos, Koekebakker. In een hoedendoos. Ik wil
+met vrede gelaten worden. Doe 'm in een hoedendoos, in een ordinaire
+hoedendoos. Hij verdient niet beter."
+
+Bavink griende dronkemanstranen. Ik keek hulpeloos rond. Een heer in
+een uniformjas en met gele biezen om z'n pet kwam op ons af en sprak
+mij aan.
+
+"Ik geloof mijnheer, dat u beter doet, als u dezen heer naar huis
+brengt."
+
+Ik salueerde en gaf Bavink een arm. Hij ging gewillig mee. In de
+huurauto viel-i in slaap. Op de Nieuwe Zijds-Voorburgwal werd-i even
+wakker toen wij door een kuil reden en wilde weer over die hoedendoos
+beginnen. Maar meteen viel-i weer in slaap.
+
+Op een morgen zat-i wezenloos te staren voor z'n laatste
+zonsondergang. Ik kwam op z'n hok met Hoyer. Hij herkende ons
+niet. Hij keek maar naar die zon, een groote, koude, roode zon,
+die in wolken onderging.
+
+"Hij kijkt me maar aan, wij begrijpen geen van beiden wat we van
+elkaar moeten." Verder kwam-i niet.
+
+Hij is nu in een gesticht voor zenuwpatienten. Hij is heel rustig. Hij
+kijkt maar naar boven, naar de lucht of tuurt naar den horizon of
+zit in de zon te staren tot z'n oogen pijn doen. Dat mag-i niet,
+maar ze kunnen niets met 'm beginnen. Aan 't praten kunnen ze 'm niet
+krijgen. Z'n schilderijen doen tegenwoordig aardige prijzen.
+
+En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijft
+maar, ontvangt z'n schamel loon en geeft geen ergernis.
+
+Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af
+en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat
+ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine
+rotsblokjes op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dan
+de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt:
+"Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan
+die mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en dat
+ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar." En zoo
+gaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?
+
+
+
+
+
+
+EEN WOORD NA.
+
+
+Voor hen die gaarne weten hoe het met de liefde gesteld is, wil ik
+nog mededeelen, dat Dichtertje's Dora ontstaan is uit de idealisatie
+van een jong meisje, waarvoor ik uit de verte de genegenheid van een
+oud man voelde.
+
+Toen zij het manuscript gelezen had, vertelde ik haar dat, en haar
+antwoord was: "Ik heb toch nooit diabolo gespeeld." Ze zei dit niet
+uit coquetterie of uit verlegenheid, ze had er niets van begrepen.
+
+
+ NESCIO.
+
+5 Jan. 1918.
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes, by Nescio
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DICHTERTJE - DE UITVRETER ***
+
+***** This file should be named 29719-8.txt or 29719-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/9/7/1/29719/
+
+Produced by Mark C. Orton and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/29719-8.zip b/29719-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..d7dbf71
--- /dev/null
+++ b/29719-8.zip
Binary files differ
diff --git a/29719-h.zip b/29719-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..b1d874e
--- /dev/null
+++ b/29719-h.zip
Binary files differ
diff --git a/29719-h/29719-h.htm b/29719-h/29719-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..234e394
--- /dev/null
+++ b/29719-h/29719-h.htm
@@ -0,0 +1,6257 @@
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta name="generator" content="HTML Tidy, see www.w3.org">
+<meta http-equiv="Content-Type" content=
+"text/html; charset=ISO-8859-1">
+<title>Dichtertje &ndash; De Uitvreter &ndash; Titaantjes</title>
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="Nescio">
+<meta name="DC.Creator" content="Nescio">
+<meta name="DC.Title" content=
+"Dichtertje &ndash; De Uitvreter &ndash; Titaantjes">
+<meta name="DC.Date" content="####">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<style type="text/css">
+ /* Standard CSS stylesheet */
+body
+{
+ font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+ margin: 1.58em 16%;
+ text-align: left;
+}
+.titlePage
+{
+ border: #DDDDDD 2px solid;
+ margin: 3em 0% 7em 0%;
+ padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+h1.docTitle
+{
+ font-size:1.6em;
+ line-height:2em;
+}
+h2.byline
+{
+ font-size:1.1em;
+ font-weight:normal;
+ line-height:1.44em;
+}
+span.docAuthor
+{
+ font-size:1.2em;
+ font-weight:bold;
+}
+h2.docImprint
+{
+ font-size:1.2em;
+ font-weight:normal;
+}
+.transcribernote
+{
+ background-color:#DDE;
+ border:black 1px dotted;
+ color:#000;
+ font-family:sans-serif;
+ font-size:80%;
+ margin:2em 5%;
+ padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+ background-color:#FFFEE0;
+ border:black 1px dotted;
+ color:#000;
+ margin:2em 5%;
+ padding:1em;
+}
+.div0
+{
+ padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+ padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+ font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+ padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+ padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+ padding: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4
+{
+ clear: both;
+ font-style: normal;
+ text-transform: none;
+}
+h3, .pseudoh3
+{
+ font-size:1.2em;
+ line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+ font-size:1em;
+ line-height:1.2em;
+ margin-bottom:0;
+}
+h4, pseudoh4
+{
+ font-size:1em;
+ line-height:1.2em;
+}
+h4.lghead
+{
+ margin-left:10%;
+ margin-right:10%;
+}
+.alignleft
+{
+ text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+ text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+ text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+ margin-top: 1.6em;
+ margin-bottom: 1.6em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ text-align: center;
+}
+p.poetry
+{
+ margin:0 10% 1.58em;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+ color: white;
+}
+p.line
+{
+ margin:0 10%;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+ margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocChapter
+{
+ margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+ margin:0.7em 5%;
+}
+div.epigraph
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ width: 60%;
+ margin-left: auto;
+}
+div.epigraph span.bibl
+{
+ display: block;
+ text-align: right;
+}
+.epigraph .poem
+{
+ margin-left: 0;
+}
+.epigraph .line
+{
+ margin-left: 0;
+ text-indent: 0;
+}
+.trailer
+{
+ clear: both;
+ padding-top: 2.4em;
+ padding-bottom: 1.6em;
+}
+.floatLeft
+{
+ float:left;
+ margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+ float:right;
+ margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+ font-size:100%;
+ text-align:center;
+}
+.figure p
+{
+ font-size:80%;
+ margin-top:0;
+ text-align:center;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+ color:#666666;
+ font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+ font-weight: bold;
+}
+.leftnote
+{
+ font-size:0.8em;
+ height:0;
+ left:1%;
+ line-height:1.2em;
+ position:absolute;
+ text-indent:0;
+ width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+ display:inline;
+ font-size:70%;
+ font-style:normal;
+ margin:0;
+ padding:0;
+ position:absolute;
+ right:1%;
+ text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+ font-size: 80%;
+ text-decoration: none;
+ vertical-align: 0.25em;
+}
+.red
+{
+ color: red;
+}
+.displayfootnote
+{
+ display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+ margin-top: 1em;
+ padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+ margin-left: 0;
+ margin-right: 0;
+ text-align: left;
+ width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+ font-size: 80%;
+ margin-bottom: 0.5em;
+ margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+ float: left;
+ text-align:left;
+ width:2em;
+}
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+ font-size: 80%;
+}
+.centertable
+{
+ /* center the table */
+ margin: 0px auto;
+}
+.poem
+{
+ margin-left:5%;
+ position:relative;
+ text-align:left;
+ width:90%;
+}
+.poem h4
+{
+ font-weight:normal;
+ margin-left:5em;
+}
+.poem .linenum
+{
+ color:#777;
+ font-size:90%;
+ left:-2.5em;
+ margin:0;
+ position:absolute;
+ text-align:center;
+ text-indent:0;
+ top:auto;
+ width:1.75em;
+}
+.versenum
+{
+ font-weight:bold;
+}
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum, .flushright
+{
+ position: absolute;
+ right: 16%;
+ top: auto;
+}
+.footnotes .line
+{
+ font-size:80%;
+ margin:0 5%;
+}
+.poem .i0
+{
+ display:block;
+ margin-left:2em;
+}
+.poem .i1
+{
+ display:block;
+ margin-left:3em;
+}
+.poem .i2
+{
+ display:block;
+ margin-left:4em;
+}
+.poem .i3
+{
+ display:block;
+ margin-left:5em;
+}
+.poem .i4
+{
+ display:block;
+ margin-left:6em;
+}
+.poem .i5
+{
+ display:block;
+ margin-left:7em;
+}
+.poem .i6
+{
+ display:block;
+ margin-left:8em;
+}
+.poem .i7
+{
+ display:block;
+ margin-left:9em;
+}
+.poem .i8
+{
+ display:block;
+ margin-left:10em;
+}
+.poem .i9
+{
+ display:block;
+ margin-left:11em;
+}
+span.corr
+{
+ border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+ border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+ border-bottom:1px dotted green;
+}
+.letterspaced
+{
+ letter-spacing:0.2em;
+}
+.smallcaps
+{
+ font-variant:small-caps;
+}
+.caps
+{
+ text-transform:uppercase;
+}
+.fraktur
+{
+ font-family: 'Walbaum-Fraktur';
+}
+.rm
+{
+ font-style: normal;
+}
+hr
+{
+ clear:both;
+ height:1px;
+ margin-left:auto;
+ margin-right:auto;
+ margin-top:1em;
+ text-align:center;
+ width:45%;
+}
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+ text-align:center;
+}
+h1,h2
+{
+ font-size:1.44em;
+ line-height:1.5em;
+}
+h1.label,h2.label
+{
+ font-size:1.2em;
+ line-height:1.2em;
+ margin-bottom:0;
+}
+h5,h6
+{
+ font-size:1em;
+ font-style:italic;
+ line-height:1em;
+}
+p,p.initial
+{
+ text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+ text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+ float: left;
+ clear: left;
+ margin: 0em 0.05em 0 0;
+ padding: 0px;
+ line-height: 0.8em;
+ font-size: 420%;
+ vertical-align:super;
+}
+.poem
+{
+ padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+ text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: disc; }
+ol { list-style-type: decimal; }
+ol.AL { list-style-type: lower-alpha; }
+ol.AU { list-style-type: upper-alpha; }
+ol.RU { list-style-type: upper-roman; }
+ol.RL { list-style-type: lower-roman; }
+.lsdisc { list-style-type: disc; }
+.lsoff { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+.pglink
+{
+ background: url(images/book.png) center right no-repeat;
+ padding-right: 18px;
+}
+.catlink
+{
+ background: url(images/card.png) center right no-repeat;
+ padding-right: 17px;
+}
+.exlink
+{
+ background: url(images/external.png) center right no-repeat;
+ padding-right: 13px;
+}
+.pglink:hover
+{
+ background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover
+{
+ background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover
+{
+ background-color: #FFDCDC;
+}
+ /* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml
+ " */
+body
+{
+ background: #FFFFFF;
+ font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+ color: black;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4
+{
+ color: #001FA4;
+ font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+p.byline
+{
+ font-style: italic;
+ margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage
+{
+ color: #001FA4;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+ color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+ color: red;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+ color: #001FA4;
+ font-weight: bold;
+}
+sub, sup
+{
+ line-height: 0;
+}
+ /* Standard Aural CSS stylesheet */
+.pagenum, .linenum
+{
+ speak: none;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+Project Gutenberg's Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes, by Nescio
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes
+
+Author: Nescio
+
+Release Date: August 17, 2009 [EBook #29719]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DICHTERTJE - DE UITVRETER ***
+
+
+
+
+Produced by Mark C. Orton and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<div class="front">
+<div class="titlePage">
+<h2 class="byline"><span class="docAuthor">Nescio</span></h2>
+
+<h1 class="docTitle">Dichtertje</h1>
+
+<h1 class="docTitle">De Uitvreter</h1>
+
+<h1 class="docTitle">Titaantjes</h1>
+
+<h2 class="docImprint">J. H. de Bois &ndash; Haarlem.</h2>
+</div>
+
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e83" href="#xd0e83">3</a>]</span>
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<p>&bdquo;Dichtertje&rdquo; is hier voor het eerst gepubliceerd.
+&bdquo;De Uitvreter&rdquo; verscheen in &bdquo;De Gids&rdquo; van
+Januari 1911. &bdquo;Titaantjes&rdquo; in &bdquo;Groot-Nederland&rdquo;
+van Juni 1915.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div class="body"><span class="pagenum">[<a id="xd0e88" href=
+"#xd0e88">5</a>]</span>
+<div id="dichtertje" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Dichtertje.</h2>
+
+<div class="epigraph">
+<div class="poem">
+<p class="line">In &rsquo;t derde oorlogsjaar.</p>
+
+<p class="line">Bellum transit, amor manet.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e98">
+<h3 class="normal">I.</h3>
+
+<p>Tweemaal schudde de God van Nederland zijn eerbiedwaardig hoofd en
+tweemaal schoven z&rsquo;n eerbiedwaardige grauwe bakkebaarden heen en
+weer over z&rsquo;n vest.</p>
+
+<p>&rsquo;t Klopte niet. Ergens moest een fout zijn. Een dichter met
+nergens haar, dat was heel vreemd. Sedert dertig jaar hield de God van
+Nederland niet van dichters. Je wist niet meer, wat je er aan had.
+Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, je kon er niet uit wijs. En nu dit.</p>
+
+<p>&bdquo;Hij heeft gezegd, dat hij vol van mij is. Vroeger kon je daar
+op aan.&rdquo;</p>
+
+<p>God zuchtte. Hij zou er morgen eens met Potgieter over spreken. Je
+had tegenwoordig niets dan narigheid aan je hoofd.</p>
+
+<p>Daar beneden in de Leidsche straat liep een meisje. Met vaderlijk
+welgevallen zag God op haar neer. Het meisje was als honderde andere
+meisjes dien zomer, heelemaal in &rsquo;t wit, zijden blouse, korte
+frott&eacute; rok, witte kousen, fijne enkeltjes en lage witte
+schoentjes en had lieve oogen als honderde andere meisjes in Amsterdam.
+Oogen die kijken alsof ze iets heel bijzonders weten. Dat vonden ze ook
+weer niet goed. Nooit had ons Lieve Heer daar vroeger iets bij gedacht.
+En nu hatti kwestie. &rsquo;t Was begonnen met versjes over
+&bdquo;wetende oogen.&rdquo; Toen zei er &eacute;&eacute;n, dat
+&rsquo;t allemaal bedrog was, een vroom bedrog van God. Dat ze niets
+wisten en alleen maar keken alsof, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e111" href="#xd0e111">6</a>]</span>zonder dat ze &rsquo;t konden
+helpen. Nooit had God er over nagedacht.</p>
+
+<p>Tegenwoordig brachten ze hem over alles aan &rsquo;t denken. En
+&rsquo;t was toch zoo noodig, dat de hoofden bij de zaken werden
+gehouden. De keizer had &rsquo;t nog onlangs weer gezegd: &bdquo;Der
+T&uuml;chtigkeit ist die Welt&rdquo;.</p>
+
+<p>Maar als je eenmaal over iets aan &rsquo;t prakkizeeren raakte kwam
+je er zoo makkelijk niet weer af. Nu i er eenmaal op lette, zag i
+honderde, duizende van die meisjes, telkens weer anderen en telkens
+weer dezelfden. Zoodat i soms niet meer wist of i er tienduizend had
+gezien of &eacute;&eacute;n, tienduizendmaal. &bdquo;Heer in den hemel
+had <i>hij</i> al die meisjes geschapen? Of was &rsquo;t een grapje van
+den duivel, al die wetende oogen?&rdquo;</p>
+
+<p>Kijk, daar gaat &rsquo;t dichtertje. Toch wel een knap, jong ventje,
+zoo slank, zoo&rsquo;n aardig gladgeschoren jongensgezicht, alleen een
+paar stutten voor de ooren, en zoo verbrand door de zon. Hij groet
+iemand. Z&rsquo;n strooien hoedje lichtten-i even op van zijn kort
+geknipte haren.</p>
+
+<p>Raar toch, zoo kaal, maar &rsquo;t was toch vast wel een dichtertje,
+want God begreep niets van &rsquo;m en Potgieter ook niet. En <span
+class="corr" id="xd0e124" title="Bron: professer">professor</span>
+Volmer verachttenem.</p>
+
+<p>En hij leed ijselijk van die wetende oogen, zooals geen rechtschapen
+mensch. De duivel hattem leelijk te pakken. Hij was een zwak
+dichtertje, kindsch werti er van. Hij bleef fatsoenlijk van zwakte. Dat
+was weer zoo iets raars, waar God vroeger nooit over gedacht had,
+fatsoenlijk was fatsoenlijk en daarmee uit. &rsquo;t Dichtertje wist
+niet op wie hij verliefd moest worden. Als hij in twee wetende oogen
+had gekeken, zag hij er dadelijk weer twee. Hij was zoo zwak, zoo
+lekker zwak. Maar als i &rsquo;t vijfentwintigste meisje zag, voeldeni
+zoo iets raars in z&rsquo;n hersens. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e129" href="#xd0e129">7</a>]</span>Hij had al eens in &rsquo;t
+voorbijloopen op &rsquo;t terras van een caf&eacute; een stoeltje
+omgeschopt van kwaadaardigheid. Want hij wist wel, dat ze niets wisten,
+dat ze dom giggelden, alleen al als i z&rsquo;n hoed voor hen af nam,
+of strak keken, omdat ze stonken van burgerjuffrouwen-ingebeeldheid. En
+toch kon i &rsquo;t niet laten. En dan moest i vluchten naar ergens,
+waar geen vrouwen waren en dan maakteni zich kwaad op God en den duivel
+tegelijk en zei datti idioot werd en datti nog eens met open mond jaren
+lang kwijlen zou, een leeren slabbetje voor, zonder datti &rsquo;t zelf
+wist. Maar den volgenden dag keeki <i>weer</i> en dacht daarbij:
+&bdquo;Mon &acirc;me prend son &eacute;lan vers
+l&rsquo;infini.&rdquo;</p>
+
+<p>Potgieter zei dat de vent gek was en dat in den tijd van Piet
+Hein........</p>
+
+<p>Dichtend vervolgde &rsquo;t dichtertje z&rsquo;n tocht door de
+woestenijen van Amsterdam. Zoover &rsquo;t oog reikte, niets dan
+Nederlandsche menschen. Weer groette-n-i iemand, een heer met hoogen
+hoed en gekleede jas, uit een stuk van Verkade. Nu spraken ze elkaar
+aan. Daar stonden ze, op &rsquo;t plein voor &rsquo;t
+Centraalstation.</p>
+
+<p>Op den beganen grond<a id="xd0e140"></a> liep God nu met z&rsquo;n
+gelen strooien deukhoed, z&rsquo;n wandelstok met zilveren greep,
+z&rsquo;n jas hing slobberig en breed en ondefinieerbaar bruinig over
+z&rsquo;n rug, op z&rsquo;n kraag lag roos, z&rsquo;n broekspijpen
+waren te wijd en te lang en lagen met plooien op z&rsquo;n schoenen.
+Z&rsquo;n bakkebaarden kon je van achteren zien en toen i bezadiglijk
+de twee treden opstapte om in &rsquo;t station te gaan, glom de lage
+avondzon in Gods gepoetsten linkerschoen.</p>
+
+<p>&bdquo;Wie was die meneer?&rdquo; vroeg &rsquo;t dichtertje.
+&bdquo;God&rdquo; zei de duivel en de knobbels op z&rsquo;n voorhoofd
+werden grooter. &rsquo;t Dichtertje sprak niet. &bdquo;Jouw God, de God
+van je baas en <span class="pagenum">[<a id="xd0e144" href=
+"#xd0e144">8</a>]</span>van je schoonvader en van je baas z&rsquo;n
+boekhouder en van den g&eacute;rant van de &bdquo;Nieuwe
+Karseboom&rdquo;. De God van je tante, die zei, dat je moest groeten
+als je langs &rsquo;t huis van je baas kwam in Delft of Oldenzaal, waar
+was &rsquo;t ook weer, ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie
+&rsquo;t zag. Van je tante, die je zuster altijd liet breien.
+&bdquo;Een vrouw mag niet stilzitten.&rdquo; De God van al die
+menschen, die zullen zeggen: &bdquo;Dat had ik van jou niet
+gedacht,&rdquo; als je nog eens probeert te leven en die zullen zeggen:
+&bdquo;Dat had ik altijd wel gedacht, dat kon niet goed gaan,&rdquo;
+als je later in &rsquo;t werkhuis moet. De God, die niet hebben kan,
+dat je &rsquo;s Zaterdagsmiddags vrij bent, de God van meneer Volmer,
+hoogleeraar in &rsquo;t boekhouden en de bedrijfsleer, die vindt, dat
+je veel te veel naar de lucht kijkt. De God van allen die geen andere
+keus hebben dan werken of vervelen. De God van Nederland, van heel
+Nederland, van Surhuisterveen en Spekholzerheide, donateur van den Bond
+van hoofden van groote gezinnen en van de Vereeniging tot opheffing van
+gevallen vrouwen. Dat noemen ze vallen. Ik ben ook gevallen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;De beeldspraak is inderdaad gebrekkig&rdquo;, zei &rsquo;t
+dichtertje, absent.</p>
+
+<p>Hij had al dien tijd gekeken naar een dame, die daar stond te
+wachten. Naar de aardige scherpe achterkantjes van haar beenen, vlak
+boven de lage witte schoentjes. Natuurlijk had ze lage witte schoentjes
+aan met korte rokken en erg open geweven kousen, waar haar beenen wit
+doorheen schemerden. &bdquo;Nu vallen&rdquo;, dacht &rsquo;t
+dichtertje.</p>
+
+<p>&bdquo;<span lang="fr">Mon &acirc;me prend son &eacute;lan vers
+l&rsquo;infini</span>,&rdquo; zei de Duivel en <span class="corr" id=
+"xd0e155" title="Bron: glimlachtte">glimlachte</span> ironisch, zooals
+hij een eeuwigheid lang geglimlacht had.</p>
+
+<p>Toen zag &rsquo;t dichtertje &rsquo;t stationsplein weer en den
+duivel en hoorde wat die gezegd had. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e160" href="#xd0e160">9</a>]</span></p>
+
+<p>&bdquo;Duivel&rdquo; zei-di, &bdquo;mij belazer je niet.&rdquo;</p>
+
+<p>De duivel haalde even z&rsquo;n schouders op en keek naar de
+stationsklok. Tien minuten over zevenen. Hij gaapte achter z&rsquo;n
+hand. De eeuwigheid schoot niet op. En eigenlijk hatti ook al zooveel
+dichtertjes gekend. Waarom sprak i nog zooveel?</p>
+
+<p>&rsquo;t Dichtertje liep naar huis en keek in de hoogte naar
+&rsquo;t gevleugelde wiel, dat midden op de leuning van de hooge
+spoorbrug over de westelijke doorvaart op een kleine ijzeren zuil staat
+en vliegen wil en nooit van z&rsquo;n plaats komt en gezien wordt uit
+vertetjes waar &rsquo;t nooit komt, wel heel van de Torensluis,
+&rsquo;t Singel af. De blauwe lucht was er nog zoo hopeloos ver boven.
+Zelfs de palen met de booglampen, aan &rsquo;t begin en &rsquo;t eind
+van de brug, staken hoog boven &rsquo;t wieltje uit. &rsquo;t Geeft
+niet veel of je op een spoorbrug staat op een ijzeren zuiltje. Je kunt
+er hoogstens van aan &rsquo;t denken raken en dat deugt heelemaal niet.
+En &rsquo;t dichtertje dacht, dat je beter zoo&rsquo;n wiel kunt wezen
+dan een dichtertje. Zoo&rsquo;n wiel is van ijzer, maar een dichtertje
+niet.</p>
+
+<p>Onderwijl zat God alleen in een coup&eacute; eerste klas in den
+trein naar Delft en staarde uit &rsquo;t raampje, maar zag niets.
+Uitkijken deed hij nooit. In z&rsquo;n hand hielti een rapport. Naast
+&rsquo;m lagen dossiers.</p>
+
+<p>De God van Nederland dacht. Het was een rare tijd. Weer las God:</p>
+
+<p>&bdquo;Het lot van den mensch is verdriet te hebben, wanneer hij
+z&rsquo;n doel niet bereikt en wanneer hij z&rsquo;n doel bereikt
+heeft.</p>
+
+<p>&bdquo;Er is geen troost in de deugd en er is geen troost in de
+zonde.</p>
+
+<p>&bdquo;Daarom laat blijmoediglijk af van alle verwachting. Stel uw
+<a id="xd0e177"></a>hoop op de eeuwigheid: uit dezen droom is geen
+ontwaken.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="xd0e179" href=
+"#xd0e179">10</a>]</span></p>
+
+<p>Het was <i>wel</i> een rare tijd. Zoo kon &rsquo;t niet goed gaan.
+En nou hatti nog wel gezegd, dat een nieuw tijdvak was aangebroken. De
+tijd van het &bdquo;ironisch dilettantisme&rdquo; was voorbij, een
+nieuwe tijd van &bdquo;baanbrekend optimisme&rdquo; en &bdquo;frissche
+daadkracht&rdquo; was begonnen. Dat hatti zoo maar &rsquo;s gezegd. En
+weer zuchtend begon God toen &rsquo;t manuscript te lezen van een dik
+boek over &rsquo;t Taylor systeem.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e185">
+<h3 class="normal">II.</h3>
+
+<p>&rsquo;t Dichtertje was nooit gevallen.</p>
+
+<p>Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Als &rsquo;t dichtertje
+er over dacht, wat hij eigenlijk &rsquo;t liefst zou willen, dan was
+&rsquo;t dat. De wereld &eacute;&eacute;ns te verbazen en
+&eacute;&eacute;ns een liaisonnetje te hebben met een dichteres.
+Jarenlang had hij dit telkens weer gedacht, na&iuml;velijk.</p>
+
+<p>&rsquo;t Dichtertje was fatsoenlijk getrouwd met een lief, jong,
+levendig, natuurlijk vrouwtje. Natuurlijk was hij onmiddellijk verliefd
+geworden, toen hij de wereld begon te zien. &rsquo;s Morgens zag hij
+haar als hij naar kantoor ging en zij naar school, en &rsquo;s middags
+om kwart over eenen &bdquo;in &rsquo;t beursuur&rdquo;, als hij op
+straat mocht en zij uit de melkinrichting kwam, waar zij haar
+boterhammen met een glas melk at en soms een roomhorentje of een
+taartje met slagroom, <i>haar</i> boterhammen.</p>
+
+<p>En ze was <i>wat</i> kwaad op &rsquo;m, omdat i daar altijd zoo
+stond, gewoon bespottelijk. De andere meisjes noemden &rsquo;m
+&bdquo;&rsquo;t Ideaaltje&rdquo;, omdat i een keep droeg en zulk mooi
+zwart haar had, (toen liet-i &rsquo;t nog niet kortknippen). En ze
+keken naar &rsquo;m, als ze met hun drie&euml;n gearmd langs hem heen
+liepen, heel even keken ze <span class="pagenum">[<a id="xd0e202" href=
+"#xd0e202">11</a>]</span>en giggelden tegen elkaar, de beide buitensten
+de hoofden gebogen naar de binnenste, die ook giggelde en naar den
+grond keek. Maar <i>zij</i> liep statig voorbij en zag hem niet en zei
+tegen Mien Bus datti om <i>haar</i> kwam en dan <span class="corr" id=
+"xd0e210" title="Bron: lachtten">lachten</span> ze allemaal, want ze
+wist wel beter. Op den grond stampte ze met haar schoolmeisjesvoetje
+van zeventien jaar. &bdquo;Om mij? <i>die</i> engert?&rdquo; en hield
+haar hoofd achterover.</p>
+
+<p>En hij was ongelukkig en telde de uren. &rsquo;s Avonds om elf uur
+keek i naar de lucht, de helft was om tusschen &rsquo;s middags half
+twee en &rsquo;s morgens half negen. En hij dichtte.</p>
+
+<p>Hij maakte gedichten naar Heine, Hollandsche en Duitsche, en naar
+H&eacute;l&eacute;ne Swarth en naar Kloos en van <span class="corr" id=
+"xd0e220" title="Bron: Eden">Eeden</span>. &bdquo;De Uren&rdquo;:</p>
+
+<div class="poem">
+<p class="line">&bdquo;Hoe gaan de uren zoo zwaar met loggen
+tred&rdquo;.</p>
+</div>
+
+<p>&bdquo;Die Kreuzfahrer&rdquo;:</p>
+
+<div class="poem" lang="de">
+<p class="line">&bdquo;Dort unten lag die heilge <span class="corr" id=
+"xd0e231" title="Bron: Stad">Stadt</span> in ihrer Glorie&rdquo;.</p>
+</div>
+
+<p>Dat was <i>zij</i>. Maar de poorten waren dicht. En hij vroeg zich
+af waarom hij verder leefde. En hij werd opstandig tegen God.</p>
+
+<div class="poem">
+<p class="line">&bdquo;Mijn God, zal dan mijn kwelling nimmer
+einden?&rdquo;</p>
+</div>
+
+<p>En de lui op kantoor kon i niet zien en hooren, als i om kwart over
+negenen op kantoor kwam hatti er wel een willen slaan, zoo maar. En van
+somber werti extatisch. En dichtte weer. &bdquo;Mijn heilig
+lief&rdquo;. &bdquo;Nu is de wereld een groot zomerland&rdquo;.</p>
+
+<div class="poem">
+<p class="line">&bdquo;God gooide de poorten des hemels open,</p>
+
+<p class="line">Mijn zoete lief zat op een gouden troon&rdquo;.</p>
+</div>
+
+<p>Dat duurde zoo elf maanden. Daar kwamen nog drie maanden bij datti
+buiten was, een klein betrekkingkje had in een stadje, waar ze nu nog
+praten over dien mallen kerel.</p>
+
+<p>Toen kreeg i haar. Negentien jaar was i. Hij schreef haar een
+briefje datti twee dagen in Amsterdam was en datti <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e253" href="#xd0e253">12</a>]</span>haar graag
+wilde spreken. Ze kenden elkaars namen, Amsterdam is ten slotte ook
+maar een dorp. Ze hattem die honderd dagen erg gemist en ze kwam. Haar
+moe vond &rsquo;t goed, &bdquo;als &rsquo;t een nette burgerjongen was
+en ze hield van &rsquo;m....., maar geen scharrelpartij.&rdquo; Ze
+kwam, &rsquo;s avonds bij de Muiderpoort en hij zei dat ze zeker wel
+begreep, watti haar vragen wou. &rsquo;t Was zoo raar, zoo gewoon, hij
+kon heelemaal niet dichten. En ze zei natuurlijk dat ze &rsquo;t niet
+begreep, maar toch liepen ze samen maar de Sarphatistraat op. &rsquo;t
+Gesprek liep wat moeilijk, wat moest je mekaar vertellen, je kende
+mekaar nog zoo heelemaal niet. Hij had gedacht, dat i wonder wat zeggen
+zou, dat de woorden z&oacute;&oacute; maar zouden komen met geweld,
+zooals de breede Waal jaagt langs de schuitjes van den ponton-steiger
+bij Nijmegen.</p>
+
+<p>En nu spraken ze over z&rsquo;n betrekking in dat stadje en over hun
+ouders. En voor haar huis namen ze afscheid en hij gaf haar een zoen,
+heel links, op haar voorhoofd. En ze was <i>wat</i> in haar schik, ze
+had een vrijer en zoo&rsquo;n knappe, wat zou Loe wel zeggen. Jammer
+datti buiten woonde. Zoo vervelend, vooral &rsquo;s Zondagsmiddags als
+i dan niet over kwam, dan moest je thuis blijven.</p>
+
+<p>Den tweeden avond mochti boven komen, &rsquo;t moest gauw gaan, want
+hij had maar twee dagen vrij.</p>
+
+<p>Z&rsquo;n pa was bij haar vader op bezoek geweest en nu mochti
+bovenkomen. Daar zaten haar vader en de zijne en haar moeder en een
+grootmoeder en een tante. Haar twee kleine zusjes waren vroeg naar bed
+gestuurd. En toen kreeg i haar en de tante zei later &bdquo;wat een
+nette jongen&rdquo;.</p>
+
+<p>&rsquo;s Zondagsmiddags natuurlijk zij op visite bij hem thuis en
+daar was toevallig een nicht met scheeve schouders in een <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e266" href="#xd0e266">13</a>]</span>scheeve groene
+hobbezak en een lorgnet op, die bier dronk en Coba was allerliefst voor
+haar aanstaande schoonmoeder en die was allerliefst voor Coba.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat heb je daar een snoezig taschje.<span class="corr" id=
+"xd0e270" title="Niet in bron">&rdquo;</span> &bdquo;Uit &rsquo;t
+City-magazijn?&rdquo; &bdquo;Nee, van Liberty&rdquo;. &bdquo;Je ziet
+tegenwoordig heel veel van die taschjes met een klein taschje
+buitenop.&rdquo; &bdquo;Nee, die vind ik om de waarheid te zeggen niet
+zoo aardig.&rdquo; &bdquo;Och, ieder z&rsquo;n smaak. Onze Riek heeft
+zoo &eacute;&eacute;n en die vind ik ook heel aardig&rdquo;. En hij zat
+er bij en begreep er niets van. Had <i>hij</i> &rsquo;s nachts op
+straat geloopen en gezegd, dat God de poorten des hemels open gooide?
+Wat raar.</p>
+
+<p>Maar ze was heel lief, jong, levendig en natuurlijk en zoende
+&rsquo;m <i>niet</i> op z&rsquo;n voorhoofd, maar flink op z&rsquo;n
+lippen en op zij in z&rsquo;n nek, in den gang, voor ze de kamer binnen
+gingen. Daar moest ze voor op haar teenen gaan staan en z&rsquo;n
+schouders beetpakken. En ze ging heel veel van &rsquo;m houden en hij
+hield ook veel van haar en drukte haar tegen zich aan.</p>
+
+<p>Maar de zaak bleef &rsquo;m duister en dichten deedi niet meer tot i
+getrouwd was.</p>
+
+<p>En nu waren ze zes jaar getrouwd en hadden een kindje, een meisje
+van vijf jaar, een snoes die door alle tantes geknuffeld werd. Zij had
+een beetje geld en hij had een beetje geld en hij had in Amsterdam een
+baantje gevonden, datti niet al te slecht waarnam en ze waren ten
+naaste bij gelukkig.</p>
+
+<p>Maar daar i een echt dichtertje was, <i>moest</i> hem iets
+ontbreken. Wat is voor een dichtertje iets dat hij heeft? Datti zoo
+maar heeft, dag in, dag uit. Al die dagen. En altijd getrouwd is zoo
+erg lang. En een heel lief, jong, levendig en natuurlijk vrouwtje, dat
+veel van haar man houdt en zijn manuscripten in &rsquo;t net schrijft,
+maar tweeduizend nachten naast &rsquo;m heeft geslapen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e290" href="#xd0e290">14</a>]</span>en weet datti
+niet tegen tocht kan en &rsquo;s morgens niet uit zijn bed kan komen en
+niet van de jam af kan blijven, al is i een dichter, dat is nu echt
+iets voor den Duivel.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e292">
+<h3 class="normal">III.</h3>
+
+<p>Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat van,
+want als je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjes altijd
+aan den overkant van de gracht. En zoo werd z&rsquo;n heele leven
+&eacute;&eacute;n gedicht, wat ook vervelend wordt.</p>
+
+<p>In de tram zat hij en dichtte zoo stilletjes voor zich heen, met
+z&rsquo;n twee handen op den knop van z&rsquo;n wandelstok zatti te
+staren en onderwijl te denken, datti zulke mooie blanke, fijne en
+slanke handen had, zooals dichtertjes dat doen. &rsquo;t Was
+Zondagavond in November tegen zessen, de straten waren donker en
+verlaten. Een dame van een jaar of zes en twintig kwam de tram binnen,
+statiglijk, rijzig in haar bruine mantelpak, de opstaande kraag,
+manchetten en onderkant van mantel en rok afgezet met zwart bont, de
+handen in een groote, afhangende mof van &rsquo;t zelfde bruine laken
+met &rsquo;t zelfde bont bezet, klein bruin hoedje met zwart bont op
+&rsquo;t fijne gezichtje. Alles echt lijn 2, Museumkwartier.</p>
+
+<p>&rsquo;t Dichtertje keek even op, recht in haar oogen, maar zij zag
+alleen &rsquo;t leege plaatsje in den hoek en ging hem voorbij,
+statiglijk. Achter haar kwam haar man, gladgeschoren, in &rsquo;t
+zwart, met een hoogen hoed op z&rsquo;n grijzend, kort geknipt
+haar.</p>
+
+<p>Toen ze zat kon &rsquo;t dichtertje haar niet zien, want hij zat op
+de zelfde bank vooraan en er waren vier menschen tusschen.</p>
+
+<p>Meneer zat correct rechtop tegenover haar, keek op z&rsquo;n horloge
+en zei iets, hoe laat &rsquo;t was natuurlijk. Daarna <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e305" href="#xd0e305">15</a>]</span>spraken ze
+niet meer. Ze waren ongetwijfeld getrouwd.</p>
+
+<p>&rsquo;t Dichtertje dacht, dat ze op bezoek waren geweest en naar
+huis gingen om te eten. En of ze een kindje zou hebben of kindertjes.
+En of haar man zich correct zou gedragen in de slaapkamer. God liet
+&rsquo;t gebeuren, dat hij hem duidelijk voor zich zag, daar in die
+tram, in z&rsquo;n enkele hemd en sokken, een jaegerhemd, ja natuurlijk
+jaeger, grijs, niet mooi wit, hij was zeker in de veertig en met wat
+malle, uitstekende haartjes op z&rsquo;n bloote beenen, en z&rsquo;n
+hooge dop op. Jammer dat i niet brilde. En hij hoorde hem vragen met
+z&rsquo;n correcte Museumkwartier geluid: &bdquo;Zal ik &rsquo;t licht
+aan laten, Clara?&rdquo; Want ze heette natuurlijk Clara, de
+schitterende. En &rsquo;t dichtertje dacht datti &bdquo;pardon&rdquo;
+tegen haar zou zeggen op een gegeven oogenblik. Ja, God laat de
+gedachten van een mensch raar dolen en er komen vreemde passages voor
+in zoo&rsquo;n gedicht zonder eind.</p>
+
+<p>Toen keek &rsquo;t dichtertje op door &rsquo;t ruit van de tram
+tegenover hem. De huizen waren alle donker en de dames die dit lezen
+weten wel, dat je dan alle passagiers heel duidelijk weerspiegeld ziet,
+buiten.</p>
+
+<p>En de peinzende oogen van &rsquo;t dichtertje zagen toen recht in de
+peinzende oogen van Clara, de schitterende, die keken alsof ze iets
+heel bijzonders wisten, wat bedrog is. Even werden de vier peinzende
+oogen grooter en schitterden, toen dorst &rsquo;t dichtertje niet meer,
+want hij was een welopgevoed mannetje, al hatti rare kronkels in
+z&rsquo;n eindelooze gedicht en hij keek naar &rsquo;t bruine laken en
+&rsquo;t zwarte bont en naar den vagen vorm van haar beenen in den rok
+en toen keek hij met geweld naar een onderhuis, waar een melkboer
+woonde, &rsquo;t gordijn was neer om den Zondag. Als je wilt kun je
+door die weerspiegeling heen kijken en de P.&nbsp;C. <span class="corr"
+id="xd0e313" title="Bron: Hoofdstraat">Hooftstraat</span> is erg
+achteruitgegaan, jaren <span class="pagenum">[<a id="xd0e316" href=
+"#xd0e316">16</a>]</span>geleden had je daar geen melkboer, nu is er
+zelfs een aardappelen en groentenwinkel.</p>
+
+<p>Maar toeni daarna weer keek hoe een van haar haren los was gegaan en
+voor haar linkerslaap hing, zoo lief, zoo gegolfd, toen ontmoetten hun
+oogen elkaar weer, even. &bdquo;Ik vind jou mooi, <span class="corr"
+id="xd0e320" title="Bron: vindt">vind</span> jij mij mooi?&rdquo;
+&bdquo;Ik wil je hebben als ik durf, wil jij mij hebben als je
+durft?&rdquo; &bdquo;Even wil ik een levend mensch zijn, even vrij, een
+Godin, geen dame van &rsquo;t Museumkwartier, geen dochter van die,
+zuster van die, vrouw van die, moeder van die, vriendin van Mevr. die.
+Even, in mijn gedachten. Mijn gedachten gaan naar jou door mijn oogen,
+mijn gedachten kunnen wijd en zijd gaan, vooruit en achteruit in den
+tijd, door alle bedeksels gaan mijn gedachten. Niemand kan hen vatten
+of deeren, naar jou gaan mijn gedachten door mijn oogen.&rdquo;</p>
+
+<p>En zoo gingen <i>zijn</i> gedachten naar <i>haar</i>, door zijn
+oogen in de hare in deze luttele seconden. En niemand wist er van.</p>
+
+<p>En een hooge toren verrees uit zijn geest en een hooge toren uit den
+hare. En ze zagen wijd en zijd over alles heen en alleen elkaar zagen
+ze.</p>
+
+<p>Zoo dichtte &rsquo;t dichtertje z&rsquo;n eindelooze gedicht verder
+en de domste vrouw kan dat meedichten.</p>
+
+<p>Maar bij elkaar komen konden ze niet en dat was misschien juist
+&rsquo;t mooie.</p>
+
+<p>Bij de Hobbemastraat keek haar man even naar den conducteur en
+direct ging die z&rsquo;n hand naar de schel. En ze stond op en liep
+achter haar man door de tram, correct en statig en zag niemand.</p>
+
+<p>Maar terwijl meneer afstapte en zij wachten moest op &rsquo;t balcon
+voor den ingang, haar linkerschouder naar &rsquo;t dichtertje, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e341" href="#xd0e341">17</a>]</span>en toen
+&rsquo;t bijna gedaan was, toen overwon ze nog even &eacute;&eacute;n
+ondeelbaar oogenblik &rsquo;t <span class="corr" id="xd0e343" title=
+"Bron: Museumkartier">Museumkwartier</span> en keek.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik vind je mooi en jij vindt mij ook mooi. Mijn hart zingt in
+mijn lijf en m&rsquo;n hersens zingen onder m&rsquo;n haren. Mooi haar,
+h&eacute;?&rdquo;</p>
+
+<p>En &rsquo;t dichtertje dichtte z&rsquo;n gedicht voort, eindeloos.
+Maar &rsquo;t werd een somber gedicht, zoolang &rsquo;t duurde, en
+Amsterdam was donker en ledig.</p>
+
+<p>Als een echt belachelijk dichtertje heeft i daarna nog een paar maal
+&rsquo;s middags in &rsquo;t Museumkwartier gedwaald, waar i zich
+altijd erg arm voelde en nooit zeker was of z&rsquo;n das wel goed zat
+en z&rsquo;n boordje wel schoon was en of i er heelemaal wel beschaafd
+genoeg uitzag. Maar hij zag haar natuurlijk niet meer, mogelijk woonde
+ze heelemaal niet eens in Amsterdam. Er was een huis op een hoek met
+een klein tuintje er om en daar groeide een klimstruik tegen den muur.
+Die bloeide in &rsquo;t zachte Novemberweer zonder blad, met kleine
+gele sterbloemetjes. En hij maakte voor zich zelf uit, dat ze daar
+woonde en de bloeiende struik noemde hij &bdquo;Clara&rdquo;.</p>
+
+<p>Toch hield i wel van z&rsquo;n vrouwtje en z&rsquo;n vrouwtje hield
+veel van hem en ze lieten &rsquo;t mekaar aan niets ontbreken.</p>
+
+<p>Waarom heeft God ook een mensch tot dichtertje gemaakt?</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e356">
+<h3 class="normal">IV.</h3>
+
+<p>De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge, natuurlijke vrouwtjes,
+die veel van hun wettigen man houden. Als ze een jaar of wat getrouwd
+zijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maar
+ze zijn er toch nooit geweest. Hoe <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e361" href="#xd0e361">18</a>]</span>kunnen ze verlangen naar iets
+dat ze niet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent?
+Vreemd, wat missen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de
+balkondeuren open en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch?
+<span lang="fr">C&rsquo;est <span class="corr" id="xd0e365" title=
+"Bron: la">l&agrave;</span> , c&rsquo;est <span class="corr" id=
+"xd0e368" title="Bron: la">l&agrave;</span> qu&rsquo;il faut
+&ecirc;tre<span class="corr" id="xd0e371" title="Bron: ,">.</span>
+La?</span> Waar? &bdquo;&rsquo;k Ben mal&rdquo;. En ze drukken hun
+kindje tegen zich aan en zoenen &rsquo;t erg.</p>
+
+<p>Coba zit op &rsquo;t terras van de &bdquo;Beursbengel&rdquo;, op
+&rsquo;t Damrak, aan zoo&rsquo;n tafeltje met zwaar rond marmeren blad,
+met een koperen band om den kant. Haar kindje zit tegenover haar, de
+bloote beentjes van het kindje met witte halve kousjes bengelen voor
+haar stoeltje. Het krijgt een taartje met een glas melk. &rsquo;t Eet
+met haar kleine vingertjes, haar lekkere oogen zijn zoo groot en kijken
+zoo overal heen. &rsquo;t Kindje is onder den indruk van zoo iets
+heerlijks en al die menschen, maar &rsquo;t is erg blij. Moedertje
+kijkt of &rsquo;t kleintje niet morst en helpt haar zachtjes, maar zegt
+niet veel.</p>
+
+<p>In den hoek zit de duivel en draait z&rsquo;n snor op. Eens heb ik
+een vrouw hooren zeggen, een hoogstaande vrouw<span class="corr" id=
+"xd0e379" title="Bron: .">:</span> &bdquo;Zoo&rsquo;n vent, wat
+verbeeldt zich die wel? Een man die denkt dat ik verliefd zal worden,
+omdat i zich zelf aan een brok haar trekt, bah.&rdquo; Vertrouw die
+vrouw niet te veel. Nu ligt ze &rsquo;s nachts wakker en bijt in haar
+natte kussen.</p>
+
+<p>Coba trekt haar manteltje uit, legt &rsquo;t over haar knie&euml;n,
+&rsquo;t is te warm voor een blauw cheviotten mantelpakje. Een wit
+bloesje heeft ze aan, haar armen schijnen er door, zoo rose-bruin en
+&rsquo;t allerbovenste van haar rug en borst. Je ziet waar haar hemd
+eindigt en dat &rsquo;t met kanten strooken van haar schoudertjes
+hangt. Nu trekt ze haar bovenlip even naar binnen en maakt haar
+onderkaak langer en strijkt met de rechterhand haar haar glad, ze
+draait even met haar hoofd <span class="pagenum">[<a id="xd0e384" href=
+"#xd0e384">19</a>]</span>en &rsquo;t puntje van haar tong komt te zien
+en strijkt langs haar bovenlip en verdwijnt schielijk. De duivel draait
+aan z&rsquo;n snor. Nu praat ze lief met haar kindje, ze lacht, al haar
+tanden laat ze zien; ze heeft een sterk gebit, alle tanden staan
+aangesloten en ze zijn schitterend wit, om haar zoo je hand voor te
+houden, dat ze er in bijten kan, aan den buitenkant tusschen pink en
+pols. Het is in &rsquo;t begin van Mei. Voor &rsquo;t eerst van
+&rsquo;t jaar heeft ze een bloese aan die driehoekig is uitgesneden en
+ook haar borst is wit, zoo erg wit, dat de duivel moet denken aan het
+licht uit den hemel. En de hoeken van haar sleutelbeenderen bij
+&rsquo;t kuiltje van haar hals staan zoo pittig. Met haar slanke
+vingers strijkt ze langs den rand van haar bloese. Nu veegt ze de
+handjes van haar kindje af en haar toetje, met haar zakdoekje, dat een
+opengewerkten rand heeft. En ze neemt &rsquo;t handje van &rsquo;t kind
+in haar twee handen en drukt &rsquo;t en geeft haar een zoentje op haar
+groote oogjes en &rsquo;t kindje vraagt: &bdquo;Maatje, waarom doet u
+dat?&rdquo; En ze kleurt en vraagt: &bdquo;Wat, Bobi?&rdquo;
+&bdquo;Waarom zoent u me ineens?&rdquo; &bdquo;Maar kindje, maatje
+zoent je toch wel meer ineens? Wil Bobi nog een taartje? Maar dan moet
+je je niet zoo vuil maken, hoor. Zal mammi &rsquo;t zelf gaan uitzoeken
+voor kindje? Zoet blijven zitten hoor!&rdquo; En maatje gaat naar
+binnen, haar heupen draaien heel even en haar blauw cheviotten rok gaat
+heen en weer. En dan komt ze terug met &rsquo;t taartje op een
+schaaltje en uit de deur lacht ze tegen haar kindje en ze gaat weer
+zitten. De duivel draait aan z&rsquo;n snor. En dan in eens wordt ze
+bang. Als i haar eens aansprak? Wat moest ze doen? &bdquo;Kom Bobi,
+maak voort, wacht, zal ik je helpen?&rdquo; En op de punt van &rsquo;t
+vorkje steekt ze haar &rsquo;t halve taartje in &rsquo;t mondje,
+&rsquo;t is of de dikke dame naast haar draait. &rsquo;t Kindje heeft
+&rsquo;t toetje vol slagroom. &bdquo;Bah, wat een vies kindje.&rdquo;
+&bdquo;Mammi, dat doe je zelf.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e386" href="#xd0e386">20</a>]</span>Daar is Pa. Hij groet en neemt
+z&rsquo;n hoed af voor den duivel en de duivel neemt z&rsquo;n hoed af
+voor Pa. Maatje kleurt weer, nu tot &rsquo;t kuiltje van haar hals.
+Maar &rsquo;t dichtertje ziet dat niet, hij is te lang getrouwd.</p>
+
+<p>Ze staat op en helpt &rsquo;t kindje van haar stoel. &bdquo;Wil je
+meteen weg?&rdquo; &bdquo;Ik moet nog wol koopen om mijn manteltje af
+te breien. Ik kan nergens de kleur krijgen. &rsquo;k Ben in wel vier
+winkels geweest en toen dacht ik, ik zal maar eerst hier naar toe gaan,
+want &rsquo;t werd zoo laat.&rdquo; De oogen van &rsquo;t kindje worden
+heel groot en kijken naar boven naar maatje. &bdquo;Nou vooruit dan
+maar, heb je betaald? aanneme!&rdquo; Dichtertje dopt, de duivel dopt,
+maatje knikt stijf. Bobi wuift met haar handje en zegt met een hoog
+stemmetje: &bdquo;Dag meneer.&rdquo; De duivel knikt en lacht en knijpt
+een oog dicht. &bdquo;Maatje, die meneer heeft al dien tijd naar u
+gekeken.&rdquo;</p>
+
+<p>Gelukkig, &rsquo;t dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind
+is weer in een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat
+terras al die vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. &bdquo;O
+God,&rdquo; denkt i, &bdquo;als er nu eens een wonder gebeurde, als nu
+eens in eens van al die vrouwen al de kleeren afvielen?&rdquo; Een
+dichtertje dat den waanzin nabij is denkt rare dingen. U en ik lezer
+denken nooit zoo iets. En mijn lezeressen..... heilige onschuld, ik
+moet er niet aan denken.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e392">
+<h3 class="normal">V.</h3>
+
+<p>Zes jaar waren ze getrouwd. En terwijl zij iederen morgen brood
+sneed en boterhammen smeerde en thee schonk voor hem, voor kleine Bobi,
+voor &rsquo;t dienstmeisje en soms voor de werkster.... Snijd eens
+&eacute;&eacute;n keer brood en <span class="corr" id="xd0e397" title=
+"Bron: smeert">smeer</span> eens boterhammen <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e400" href="#xd0e400">21</a>]</span>voor vier kinderen, als je
+&rsquo;t niet gewend bent, wat de ongelukkige schrijver van deze
+geschiedenis eens gedaan heeft, volslagen uitzinnig <span class="corr"
+id="xd0e402" title="Bron: wordt">word</span> je d&rsquo;r van. Op
+d&rsquo;n duur zal &rsquo;t wel wennen, maar o lieve Heer, op den duur
+moet &rsquo;t toch ook afgrijselijk vervelend wezen, als je &rsquo;t
+ongeluk hebt er over na te denken.</p>
+
+<p>Nu dan, terwijl zij voortdurend dit alles weer deed, behaagde
+&rsquo;t God, den echten God van hemel en aarde, Dora, haar zusje, te
+doen opgroeien en vrouw worden, zoo mooi als een renpaardje. Zij was
+een van die twee zusjes, die in bed waren gestopt, toen i voor &rsquo;t
+eerst boven mocht komen.</p>
+
+<p>Het duurde lang voor hij haar zag. Maar <i>zij</i> had <i>hem</i>
+allang gezien. Vijftien jaar was ze toen. Hij was pas getrouwd, iets
+meer dan een jaar en kwam van een reis terug, heelemaal verbrand. Een
+licht grijs pak had hij aan en bruine schoenen en een wit hoedje met
+heelemaal neergeslagen rand. Toendertijd gooiden ze je in de
+Reinwardtstraat nog met steenen als je den rand van je hoed heelemaal
+neergeslagen had<span class="corr" id="xd0e415" title="Bron:
+;">,</span> nu mag &rsquo;t. Zijn schoonouders woonden toen op &rsquo;t
+land, ergens bij den IJsel in een wit huisje met een serre, en een
+weranda langs de bovenverdieping. Ze was nog nauwelijks meer dan een
+kind, haar rokje kwam maar halverwege tusschen knie en enkel. Nu loopen
+de volwassen vrouwen zoo. Ze had een jurkje aan met banden over de
+schouders, met dikke roode strepen verticaal, daartusschen smalle witte
+strepen. De schouderbanden waren enkel rood. In dit hooge jurkje dat
+over de borsten reikte, droeg ze een wit bloesje met stijven opstaanden
+kraag. Ook <i>haar</i> gezichtje was gebruind. &rsquo;t Donkere haar
+droeg ze met een scheiding en van achteren loshangend in een zwarten
+strik. Ze was blootshoofds en speelde op &rsquo;t gras voor &rsquo;t
+huis als een kind diabolo, voor &rsquo;t laatst, maar dat wist ze niet.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e421" href=
+"#xd0e421">22</a>]</span></p>
+
+<p>&rsquo;t Was in &rsquo;t begin van Juni, de hooge boomen achter en
+op zij van &rsquo;t huis waren een groene berg, massief. Hier en daar
+stond er een bruine beuk tusschen. De roode meidoorn was uitgebloeid,
+de roode bloemen van de kastanjes waren afgevallen, de ijle kaarsjes,
+die er van waren overgebleven, stonden rechtop. De
+accaci&aacute;&rsquo;s bloeiden en de jasmijn. De serre en alle drie de
+deuren aan de weranda stonden wijd open. Er was een klein rond
+vijvertje voor &rsquo;t huis met bladen en witte bloemen van de
+waterlelie er in en riet en gele irissen aan den kant. Voor den tuin
+liep de grindweg en aan den overkant van den weg en ook aan deze zij er
+van, links en rechts van den tuin, stond alom de groene rog
+manshoog.</p>
+
+<p>Met de geheven armen wijduit ving ze de diabolo op &rsquo;t touw,
+maar hij viel en toen ze zich bukken wilde zag ze den man van haar
+zuster.</p>
+
+<p>&bdquo;Dag Dora, ken je me niet meer?&rdquo;</p>
+
+<p>Hij zag een kind en &rsquo;t grasveld, en &rsquo;t vijvertje en
+&rsquo;t witte huis en de hooge boomen en de accacia&rsquo;s en jasmijn
+in bloei, op zij. Hij was pas getrouwd en nog niet begonnen aan
+z&rsquo;n gedicht zonder einde. Maar zij zag hem, haar oogen werden
+groot, &rsquo;t bloed gutste in haar lijf naar boven. Waarom vloog ze
+haar zwagertje niet om z&rsquo;n hals en zoende &rsquo;m? Dat had ze
+altijd gedaan, want hij was een lief zwagertje, die bonbons en brochjes
+meebracht en rumboonen, de rumboonen stilletjes.</p>
+
+<p>&bdquo;Dag Ee,&rdquo; zei ze en gaf &rsquo;m een hand.</p>
+
+<p>&bdquo;Dora, wat zie je d&rsquo;r lief uit, is m&rsquo;n schoonmama
+thuis en m&rsquo;n schoonvader?&rdquo; Hij wilde in haar wang knijpen,
+zooals hij dat &bdquo;de kinderen&rdquo; altijd gedaan had, maar ze
+liep hard weg en viel &rsquo;t huis binnen. &bdquo;Daar is
+Ee.&rdquo;</p>
+
+<p>De diabolo lag op &rsquo;t pad en de stokjes met &rsquo;t touw op
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e436" href=
+"#xd0e436">23</a>]</span>&rsquo;t grasveld. Hij raapte ze op en zoende
+z&rsquo;n schoonmoeder en schudde den ouden heer de hand met geweld.
+&bdquo;Hier zusje, daar heb je je speelgoed! Is Em nog op de
+kostschool?&rdquo; En schoonmama, die graag zag zoenen in eer en deugd,
+vroeg: &bdquo;Hebben jelui mekaar al behoorlijk goeien dag
+gezegd?&rdquo; Maar zij ging haastig de kamer uit met &rsquo;t
+speelgoed en liep naar boven en stond op haar kamertje voor &rsquo;t
+open raam. Gek, ze hijgde anders nooit, nu haalde ze diep adem. En ze
+voelde met haar handen dat haar borsten groot werden. En &rsquo;t
+grasveld voor &rsquo;t huis en &rsquo;t vijvertje met de bladen en de
+witte bloemen, met &rsquo;t riet, dat zachtjes heen en weer ging en de
+gele lissen en links aan den kant van den tuin de bloeiende
+accacia&rsquo;s en de jasmijn bij het <span class="corr" id="xd0e438"
+title="Bron: rhodondendronboschje">rhododendronboschje</span>, dat
+uitgebloeid was en de rogge over den weg, die golvend glansde, al die
+dingen leken zoo nieuw en zoo mooi. De leeuwerikken zongen overal, een
+reiger vloog, de lucht was zoo hoog en de boomen ruischten om &rsquo;t
+huis en &rsquo;t licht&mdash;kun je &rsquo;t licht pakken en aan je
+drukken en in je? Ze deed haar handen samen om haar achterhoofd en
+voelde haar borsten optrekken. Toen rekte ze zich heelemaal uit. De
+armen wijduit omhoog, als bij &rsquo;t diabolospel. En ze voelde de
+lucht doordringen tot onder in haar longen.</p>
+
+<p>Kalm kwam ze de trap af en zong &rsquo;t koor uit de
+Maccabee&euml;n: &bdquo;Dag vol licht en hemelgloed,&rdquo; wat ze vaak
+had gezongen, zonder er veel bij te denken. Toen ging ze de kamer
+binnen en zei: &bdquo;Dag Ee&rdquo;, en ging op haar teenen staan en
+rekte zich uit en zoende &rsquo;m op z&rsquo;n mond, als vroeger,
+zusterlijk. En hij, die een gesprek had met z&rsquo;n schoonvader over
+lijnolie, pas van de reis terug, wat moet een dichtertje al niet doen,
+hij zei enkel:</p>
+
+<p>&bdquo;Kind, wat wor je groot, ik hoef je waarachtig niet eens meer
+op te tillen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="xd0e445" href=
+"#xd0e445">24</a>]</span></p>
+
+<p>En toen hield ze al zooveel van &rsquo;m, dat ze niet eens kwaad was
+omdat ie dat zei. &bdquo;Haar borsten werden immers al groot, wacht
+maar.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dora, de melk kookt over, Maartje is naar &rsquo;t
+dorp.&rdquo; En Dora vlug naar de keuken om &rsquo;t stel uit te
+draaien.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e450">
+<h3 class="normal">VI.</h3>
+
+<p>Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten
+door m&rsquo;n vrouw worden overgeschreven en dat ze de po&euml;zie in
+dit verhaal niet begrijpt. Dat Coba coquetteerde vindt ze niet zoo erg,
+dat kwam doordat &rsquo;t dichtertje haar verwaarloosde. Die dame in de
+tram had een klap op haar gezicht moeten hebben en &rsquo;t dichtertje
+ook. Gek, in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet <i>zoo</i> erg.
+&rsquo;k Denk dat &rsquo;t komt doordat <i>ik</i> dit geschreven heb.
+Ze moet toch den auteur weten te onderscheiden van meneer Nescio, maar
+dat gaat haar te hoog. De situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk
+geluk is ietwat gestoord, <i>toch</i> ga ik door.</p>
+
+<p>Daar wandelt de God van Nederland weer op &rsquo;t Damrak over
+&rsquo;t gloeiende asfalt. Weer heeft hij &rsquo;t zelfde bruinige pak
+aan en denzelfden hoed op en schilfertjes op z&rsquo;n kraag. Nu heeft
+hij een zakdoek om z&rsquo;n boordje gelegd, voor &rsquo;t zweten.
+Z&rsquo;n wandelstok zetti een heel eind van z&rsquo;n lichaam neer.
+Z&rsquo;n grauwige bakkebaarden wandelen mee.</p>
+
+<p>God van hemel en aarde, van land en zee, neem deze benauwenis van
+mij weg, schep &rsquo;m op uw &eacute;&eacute;ne hand van &rsquo;t
+Damrak en leg &rsquo;m zoetjes neer op een belt, bij blauwe pannen
+zonder <span class="pagenum">[<a id="xd0e468" href=
+"#xd0e468">25</a>]</span>bodems en vertrapte blikjes en verroeste
+hoepels van vaten en asch en garnalendoppen, ergens waar ik nooit
+kom.</p>
+
+<p>Nu kan mijn geest mijn verdomde zelf verlaten en recht naar boven
+gaan als blauwe rook in een stillen zomeravond, als een verre koe
+klagelijk loeit.</p>
+
+<p>En nu is alles weg dat geweest is en ik ben Dora en in een nieuwe
+wereld, die dezelfde is als de oude, maar gezien van de voeten des
+Vaders, van waar ik ook neerzie op Dora, die ikzelf ben, een vrouw nu,
+een meisje, zoolang de genade duurt.</p>
+
+<p>En zooals de wereld thans nieuw is voor mij, zoo lag ze nieuw en
+maagdelijk en goedertieren uitgespreid voor Dora na dien dag. O, ze
+<span class="corr" id="xd0e476" title="Bron: aanvaarde">
+aanvaardde</span> &rsquo;t wonder, maar ze begreep &rsquo;t niet en ze
+begreep zich zelven niet, zooals de aarde zich zelve niet begrijpt,
+waaruit &rsquo;t koren groeit, dat groen is en geel wordt en wordt
+gemaaid en de hooge garven staan op de gele stoppels en de aarde weet
+er niet van.</p>
+
+<p>En haar borsten <i>werden</i> grooter, ze bewogen bij &rsquo;t
+loopen. Toch was ze een tenger meisje met een duidelijk kuiltje in haar
+hals, met duidelijke peesjes en &rsquo;t begin van haar
+sleutelbeenderen duidelijk afgeteekend, net als haar zuster. En als ze
+&rsquo;t hoofd op zij deed, zag je een diep kuiltje op haar schouder
+als ze haar losse kiel aan had, die vierkant was uitgesneden. In haar
+bruine gezichtje waren haar oogen zoo wit en zoo donker blauw. Het wit
+was zooals ik eens de bevroren Zuiderzee gezien heb. Maar uit &rsquo;t
+blauw scheen al de warmte van haar lijfje, dat toch niet koeler werd.
+En als ze dan met haar handjes op haar rug stond, stevig op de beenen,
+de voeten een eindje van elkaar, dan zag je de punten van haar
+schouderbladen en een holte daartusschen, als een gedicht, die de
+gedachten trok naar verten, als een rivier, die gestrekt ligt, ver, en
+zich dan wendt en waarvan <span class="pagenum">[<a id="xd0e484" href=
+"#xd0e484">26</a>]</span>je &rsquo;t eind niet ziet. En als ze haar
+hals boog, ze droeg &rsquo;t haar nu opgenomen, dan keek de God van
+hemel en aarde even op van z&rsquo;n eeuwige contemplatie der eeuwige
+landen en zee&euml;n en leunde z&rsquo;n hoofd op z&rsquo;n
+rechterhand, die steunde op z&rsquo;n dij, de duim onder den kin en de
+wijsvinger langs zijn wang en aanschouwde het bruine knobbeltje boven
+de holte, die een gedicht was en de kleine haartjes die glinsterden in
+de zon en glimlachte. Daarna keek hij weer ernstig langs z&rsquo;n
+voeten en zag zijn Rijn wenden tusschen zijn bergen en peinsde:
+&bdquo;Hoe was hij er ook weer toe gekomen, &rsquo;t Duitsche rijk te
+laten stichten? Die Pruisen.....&rdquo;</p>
+
+<p>En z&rsquo;n edel, hareloos gelaat versomberde, er kwamen twee diepe
+plooien boven z&rsquo;n rechten sterken neus.</p>
+
+<p>Maar <i>zij</i> dacht aan geen Pruisen. Zij dacht hoe een lieven man
+haar zuster had en dat &rsquo;t goed was van haar zwager te houden. Hij
+was toch haar broer. En een dichter. Dat had Coba haar verteld. En een
+dichter dat was een van hen, die God lief had. Dat had ze in een boek
+gelezen.</p>
+
+<p>Ze was nu zoo oud, dat ze verheven boeken las met een mondje vol
+chocola en de rest van de reep op &rsquo;t tafeltje.</p>
+
+<p>Als zij ook eens dichten kon of&mdash;schrijven. Een boek over jonge
+liefde. Jonge liefde, daar las je toen veel van. En als ze &rsquo;s
+avonds aan den IJseldijk lag, de fiets naast haar plat in &rsquo;t
+gras, met een grasje in haar mond, dat ze om en om draaide en over
+&rsquo;t water keek, waar &rsquo;t zeil van een tjalk met geraas zakte
+langs den mast en slap viel, dan probeerde ze het. Maar er kwam niet
+veel. Ze werd wel heel week van binnen, haar hartje en haar longetjes
+werden zoo groot en zoo weemoedig vol. Ze voelde &rsquo;t
+avondlandschap in haar ruggestreng van boven tot onder. De koeien, die
+in &rsquo;t water stonden en dronken en zichzelf zagen, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e497" href="#xd0e497">27</a>]</span>&rsquo;t
+rammelen van de ankerketting, &rsquo;t licht dat opgetrokken werd aan
+den mast van de tjalk, ze brachten tranen in haar groote oogen. Maar er
+kwam niets. &rsquo;t Grasje in haar mond spleet ze in de lengte met
+haar twee nageltjes, maar er kwam niets.</p>
+
+<p>Ze stond op. Aan de bleeke lucht schenen de sterren, &rsquo;t water
+rimpelde en warrelde en draaide en stroomde alsof er geen Dora stond in
+den kleureloozen zomeravond. Een zware wagen kraakte moeizaam over den
+grindweg in de verte. Weemoed steeg op uit &rsquo;t duisterende land,
+&rsquo;t water hield nog wat licht.</p>
+
+<p>Toen strekte ze de handen uit, maar er was niemand die antwoordde.
+Toen wist ze niet of ze sterven wilde of leven en reed langzaam op haar
+fiets naar huis terug, waar moeder zat te gapen met &rsquo;t Nieuws van
+den Dag onder de petroleumlamp en haar bril op de punt van haar neus.
+Zoo keek ze Dora strak aan. Daarna zette ze haar bril af, vouwde
+&rsquo;m op, voelde op de krant naar &rsquo;t huisje er van en bukte
+omdat &rsquo;t andere stuk wel onder tafel zou liggen. &bdquo;Hier
+moe.&rdquo; Toen stond moe op, vouwde gapend de krant dubbel, keek op
+&rsquo;t wekkertje dat op den schoorsteen stond en zei geeuwend:
+&bdquo;Kwart-over tienen.&rdquo;</p>
+
+<p>Op haar kamertje kleedde Dora zich uit en rook de geur van haar
+eigen warme schoone lichaampje. En een groot verlangen vulde haar
+opnieuw, zooals &rsquo;t avondlijke land haar met een groot verlangen
+had vervuld, en ook de donkere rivier, die uitliep in een punt, die
+even lichtte waar i zich wendde en verdween. Maar wat &rsquo;t was,
+wist ze niet.</p>
+
+<p>En in eens zag ze alles weer voor zich in &rsquo;t donker van de
+kamer, &rsquo;t water met de tjalk die geankerd lag met z&rsquo;n licht
+in de mast, de koeien aan &rsquo;t water aan den overkant, dichterbij.
+Ze zag dat de avond niet viel, maar opkroop uit &rsquo;t land, voor
+&rsquo;t eerst <span class="pagenum">[<a id="xd0e507" href=
+"#xd0e507">28</a>]</span>gaf ze zich daarvan rekenschap. En ze zag
+vooral &rsquo;t end van de rivier, de bocht, die in een punt uitliep,
+waar een groenige lichte plek in &rsquo;t water was, daar waar de oever
+rondboog. En ze hoorde &rsquo;t verre kraken van den zwaren wagen over
+den grindweg.</p>
+
+<p>&bdquo;God, als &rsquo;t eens waar was, dat U mij lief heeft,&rdquo;
+zei ze kinderlijk.</p>
+
+<p>En ze droomde dien nacht, dat Ee wandelde met Coba op een wei, zij
+in een wit linnen mantelpakje en hij heelemaal in wit flanel, met een
+omgeslagen rand aan zijn broek en een platten stroohoed op en bruine
+schoenen. En dat ze tegen elkaar lachten en hij haar zoende op haar
+mond, vier zoenen achter elkaar en dat ze zich lachend losmaakte. En
+dat zij, Dora, op haar zuster toeliep en haar armen om haar hals sloeg
+en haar hoofd tegen haar schouder legde en zei: &bdquo;Coba wat ben je
+toch lief.&rdquo; En toen stond daar in eens haar moeder, nu met haar
+bril boven op haar voorhoofd en zei, &bdquo;dertien minuten over half
+twee.&rdquo;</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e513">
+<h3 class="normal">VII.</h3>
+
+<p>Intusschen liep &rsquo;t beminde dichtertje kalmpjes als een net
+burgerheertje zijn wegje af naar z&rsquo;n graf en op &rsquo;t Damrak
+en op &rsquo;t Rokin en in heel Amsterdam en overal ging &rsquo;t
+verkeer z&rsquo;n gang, alsof er aan &rsquo;t dichtertje niets gelegen
+was.</p>
+
+<p>Hij maakte wat promotie in z&rsquo;n betrekking en erfde een
+kleinigheid, veranderde gaandeweg van kleermaker en schoenenwinkel,
+kocht toen ook dat witte flanellen pak, rookte geregeld sigaren van
+vier cent inplaats van twee&euml;neenhalf, had ten slotte zelfs een
+kistje in huis, droeg fijne overhemden en niet <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e520" href="#xd0e520">29</a>]</span>meer van die dikke
+wollen sokken, waschte z&rsquo;n handen voor en na &rsquo;t eten, en
+gaf iedere week enkele guldens uit in caf&eacute;s, alleen en met
+z&rsquo;n vrouw. Hij verheugde zich in den beleefden groet van
+z&rsquo;n sigarenwinkelier en in de eerbiedige familiariteit van den
+conducteur op lijn twee. Op kantoor werti door de jaren wat ijveriger,
+begon wat van z&rsquo;n werk te maken en het gebeurde zelfs datti
+&rsquo;s avonds terugkwam, ofschoon z&rsquo;n baas de lui daar nooit om
+vroeg. De concierge respecteerde hem steeds meer, hield &rsquo;m voor
+een heele geleerde. Zelfs zijn tante uit Delft of Oldenzaal begon tegen
+&rsquo;m op te zien en knikte goedkeurend als Coba haar verhaalde hoe
+haar neef vooruitging. Hij zelf sprak er nooit over. Hij was nu
+geabonneerd op &rsquo;t Volk, &rsquo;t Handelsblad en de Groene, lid
+van de Partij en den Algemeenen Nederlandschen Bond van Handels en
+Kantoorbedienden. Op vergaderingen kwam i niet, maar als ze bij hem
+kwamen met een steunlijst voor een werkstaking of om een uur loon voor
+de Partijkas, dan gaf hij hun een sigaar en Coba schonk een kopje thee
+en dan praatte-n-i heelemaal niet uit de hoogte met ze en teekende voor
+een riks of vijf gulden en bracht ze tot de trap en trok de deur voor
+hen open. Hij was toch zelf ook maar in loondienst en had als jongen
+ook zoolbeslag en hoefijzers onder z&rsquo;n schoenen gehad en heel
+vroeger in een huis gewoond waar de buren altijd de trapdeur open
+lieten staan en aan tafel gezeten met een pan rijst, voor dat z&rsquo;n
+vader dat werk had gehad waar i zoo aardig aan had verdiend.</p>
+
+<p>En toen i weer opslag had gekregen aten ze voortaan iederen dag soep
+vooraf en Coba kocht drie zilveren servetringen, voor Bobi ook
+&eacute;&eacute;n, en wilde voortaan geen brood meer meenemen als ze
+&rsquo;s Zondags de stad uitgingen, wat ze nog heel lang gedaan hadden.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e524" href=
+"#xd0e524">30</a>]</span></p>
+
+<p>Ook z&rsquo;n vrinden waren vooruitgekomen in de wereld. Bonger, de
+dokter en Graafland, die hoofdcommies was bij de post en &rsquo;t
+boekenschrijven had opgegeven en van der Meer, die in automobielen dee
+en &rsquo;t dichten verachtte. Die niet vooruitgekomen waren zag je
+heelemaal niet meer. Daar had je Kool, die altijd z&rsquo;n brood met
+z&rsquo;n twee handen at en die zoo lang had geprakkizeerd om de wereld
+te hervormen, datti koloniaal was geworden. God weet waar die nu zat,
+eerst hadden ze mekaar geschreven, maar toen had dat opgehouden, je
+wist niet meer wat je schrijven moest. Hein hatti een tijdje geleden
+nog eens ontmoet. Die moest en die zou schilderen. De ziel der dingen
+schilderdeni, maar &rsquo;t bracht nix op en toen z&rsquo;n vader was
+gestorven hatti heelemaal nix. In jaren had &rsquo;t dichtertje hem
+niet gezien.</p>
+
+<p>Op een dag loopti door de Pietervlamingstraat en daar ziet i
+&rsquo;m, als kraai verkleed. Hein, die &eacute;&eacute;n maal
+geexposeerd had: &bdquo;Portrait d&rsquo;un jeune homme poitrinaire et
+syphilitique,&rdquo; theosofisch &bdquo;opgevat.&rdquo; Er moest een
+groenteboer begraven worden. De kraaien stonden op de kleine steentjes
+te wachten, ze hadden parapluies bij zich, Hein ook. &rsquo;t Was
+druilerig weer. Scheef op z&rsquo;n kop stond een rouwhoogehoed, die
+&rsquo;m te klein was. Z&rsquo;n gekleede rouwjas met tressen hatti
+dicht geknoopt. &rsquo;t Ding was veel te nauw en barstte haast open en
+zat vol malle plooien om z&rsquo;n ribbekast. &bdquo;Jonge,&rdquo; zegt
+Hein, &bdquo;wat ben jij een fijne man geworden.&rdquo; Meteen dragen
+ze, Goddank, den dooien groenteboer z&rsquo;n deur uit. &rsquo;t Is
+niet zoo makkelijk iets te wezen in de wereld, ook al ben je een
+dichtertje en heb je jezelf wel zoo wat in de gaten. Hij liep toch al
+niet zoo graag meer in die straten, na dien tijd kwam i er liever
+heelemaal niet meer. En dan moet je mee uit eten genomen worden en een
+spijskaart <span class="pagenum">[<a id="xd0e529" href=
+"#xd0e529">31</a>]</span>voor je krijgen waar geen regel op staat die
+je begrijpt. En dan neem je den eersten keer overal te veel van omdat
+je niet precies weet wat er komt en nooit weet hoe ver je bent. En de
+volgende maal zal je &rsquo;t beter doen en dan krijg je lang niet
+genoeg en moet een groote zware sigaar rooken met een leege maag. Dan
+wensch je dat je vader je maar bij de stadsreiniging had gedaan
+indertijd, om met een blauwe kiel en een ratel en een glimmende leeren
+pet met een koperen nummer op een stil, zonnig grachtje te loopen
+ratelen in de vroegte, zonder er wat bij te denken, op schoenklompen
+met dubbele zoolen.</p>
+
+<p>En achtentwintig jaar voor hem uit, op &rsquo;t wegje naar z&rsquo;n
+graf zag i &rsquo;t grijze hoofd van z&rsquo;n vader loopen, dien
+&rsquo;t ook altijd goed was gegaan en die ook nooit iets bijzonders
+had bereikt. Hij zag zichzelf al loopen over 28 jaar, met net
+zoo&rsquo;n hoofd en kreeg &rsquo;t gevoel of i z&rsquo;n eigen vader
+was. En drieentwintig jaar achter &rsquo;m liep z&rsquo;n dochter, nu
+nog z&rsquo;n dochtertje. Z&rsquo;n Bobi van nu zou over drieentwintig
+jaar nergens wezen en toch zou ze den weg afloopen dan, dezelfde en
+toch een ander. En &rsquo;t dichtertje vond &rsquo;t een zinnelooze
+optocht, die &rsquo;m droefgeestig maakte.</p>
+
+<p>Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog
+iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood wou
+gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht, om te
+staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan al
+&rsquo;t onverschillige levende en doode, dat maar dee of hij er niet
+was en zich wederom zat <span class="corr" id="xd0e535" title="Niet in
+bron">wilde</span> vreten tot &rsquo;t alles opgevreten had en alleen
+over was met &rsquo;t niet.</p>
+
+<p>Maar daar hij niet wist hoe i beginnen moest, kwam er nooit iets
+van. Hij bracht &rsquo;t niet verder dan dat nu en dan
+&eacute;&eacute;n van z&rsquo;n gedichten in een tijdschrift werd
+opgenomen en dat &rsquo;t Handelsblad &rsquo;m prees, maar dat prijst
+zooveel, en dat meneer <span class="pagenum">[<a id="xd0e540" href=
+"#xd0e540">32</a>]</span>Scharten hem, Goddank
+&bdquo;veelbelovend&rdquo; noemde. En z&rsquo;n vrienden, die ernstige
+mannen waren geworden, zeiden een enkel waardeerend woord er over, als
+ze &rsquo;m bij gelegenheid eens zagen, die dweepten niet meer. En de
+afleveringen der tijdschriften begonnen langzaam te vergaan, zooals
+&rsquo;t leven van &rsquo;t dichtertje en overigens gebeurde er niets.
+De lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hij schreef trouwens toch
+onder een anderen naam.</p>
+
+<p>Eens op de Zaandammerboot zat een verloofd stel naar &rsquo;t water
+te kijken, hij had zijn rechterarm om haar schouder en hield haar
+rechterpols vast en zij legde weer haar linkerhand op zijn rechter en
+zoo zaten ze dicht tegen elkaar aan. &rsquo;t Dichtertje keek naar hen,
+zoo&rsquo;n net verloofd stel is zoo aardig om te zien. Dat die
+kinderen onrustig zijn omdat ze meer willen en zich warm maken om wat
+ze niet kunnen en niet durven en nooit weten waar ze zullen ophouden,
+dat zie je niet en daar denk je niet over. &rsquo;t Was heel aardig en
+misschien waren ze nog maar pas verloofd en tevreden met elkaar vast te
+houden en te dwepen. Toen keken ze elkaar lachend aan en hij zei:</p>
+
+<div class="poem">
+<p class="line">&bdquo;Ik kijk van terzij in je groote oogen.</p>
+
+<p class="line">En zie een blauw&rsquo; en een gouden vonk&rdquo;</p>
+</div>
+
+<p>en zoende haar op haar mond. Zij bloosde: &bdquo;Die meneer keek
+net.&rdquo;</p>
+
+<p>Dat was de eenigste keer dat &rsquo;t dichtertje zijn leven voelde
+leven in &rsquo;t hoofd van een ander mensch en toen werti nog
+verlegener dan &rsquo;t meisje en bloosde ook en gaf een kwartje aan
+den man die geld kwam ophalen voor de muziek.</p>
+
+<p>Daarna was noch aan de doode, noch aan de levende dingen meer te
+merken, dat ze weet hadden van wat &rsquo;t dichtertje beleefd had in
+z&rsquo;n dichterhoofd, datti meedroeg <span class="corr" id="xd0e555"
+title="Bron: opweg">op weg</span> naar z&rsquo;n roemlooze graf. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e558" href="#xd0e558">33</a>]</span></p>
+
+<p>&rsquo;t Dichtertje kreeg er genoeg van. Hij had nog iets heel moois
+liggen:</p>
+
+<p>&bdquo;Mijn doode hart is zoo zwaar te dragen&rdquo;. Dat gooideni
+maar in &rsquo;t keukenfornuis, de haard brandde niet, want &rsquo;t
+was zomer.</p>
+
+<p>En toen werti zoo kwaad op alle levende en doode dingen, datti
+z&rsquo;n eindelooze erotiek onderbrak en een grimmig boek schreef, dat
+&rsquo;m in eens beroemd maakte. Maar dat was later pas, dat komt <span
+class="corr" id="xd0e565" title="Bron: strak">straks</span>.</p>
+
+<p>Voorloopig deeti alleen nog maar z&rsquo;n gave tanden en kiezen op
+elkaar en daarna zeidi, alleen in z&rsquo;n kamer, hardop: &bdquo;Een
+groot dichter worden en dan vallen, Godverdomme.&rdquo; Z&rsquo;n
+schoenen hatti losgemaakt en i schopte er &eacute;&eacute;n van
+z&rsquo;n voeten datti een slag gaf, waar mevrouw beneden van
+schrikte.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e570">
+<h3 class="normal">VIII.</h3>
+
+<p>Dat was in den zomer en in &rsquo;t najaar was &rsquo;t dichtertje
+zoo ver datti &bdquo;onmogelijk&rdquo; van kantoor weg kon. Z&rsquo;n
+tante had reden tot tevredenheid. Haar neef &bdquo;hattet druk&rdquo;.
+Drie, vier avonden in de week zat i op kantoor. Hij had een week bij
+haar zullen logeeren in Velp, waar zij tegenwoordig stil leefde, de
+zaak had ze verkocht. Maar hij kon niet weg, als een heusche heer.</p>
+
+<p>&rsquo;s Zondags las i thuis de mail, om toch maar vooral niet te
+denken en als er visite kwam, zei Coba: &bdquo;Ik geloof uit Shanghai,
+is &rsquo;t niet Shanghai, Eduard?&rdquo; En tante zag in gedachte al
+een circulaire waarin stond &bdquo;dat wij onzen langjarigen
+medewerker, met ingang van 1 Januari,&mdash;dat is wat gauw, met ingang
+van 1 Juli tot mededirecteur hebben benoemd.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e577" href="#xd0e577">34</a>]</span></p>
+
+<p>Maar &rsquo;t kwam even anders.</p>
+
+<p>Pa was dood. Pa had altijd buiten willen wonen. Vier jaar lang hatti
+kippen gehouden en de pauw voer gegeven en vruchtboompjes geplant, die
+dood waren gegaan. En boekgehouden. Als de eieren in &rsquo;t dorp zes
+centen <span class="corr" id="xd0e582" title="Bron: kosten">
+kostten</span> in &rsquo;t winkeltje, kwamen ze hem op acht. Maar als i
+de keuken binnenkwam met zes eieren en z&rsquo;n voeten naveegde op de
+mat, vontti dat je voor die twaalf centen meer, <i>ook</i> waar
+kreeg.</p>
+
+<p>En moe had zich geschikt en zoo veel mogelijk meegeleefd en nix
+laten merken, als een echte goeie ouwerwetsche moe. En &rsquo;s avonds,
+alleen onder de lamp, op d&rsquo;r krant gestaard over haar bril en aan
+de Linnaeusstraat gedacht. <i>Zij</i> kon niet om negen uur naar bed.
+Ze zag de trams rijden in den avond over &rsquo;t pleintje bij de
+Mauritskade, waar ze op uitkeek van haar bovenwoning, ze zag de lichten
+schuiven. En de boomen van het Muiderbosch, die bladerloos heen en weer
+gingen langs de donkere lucht, met de zwarte kraaiennesten. Dan kon je
+zoo echt naar &rsquo;s zomers buiten verlangen. En ze dacht aan de
+winkels op Zaterdagavond en de drukte van &rsquo;t winkelen en hoe ze
+zelf door de van Swindenstraat liep met &rsquo;t boodschappenmandje
+onder haar schort, in den tijd dat &rsquo;t hun nog niet zoo goed
+ging.</p>
+
+<p>Zoo echt gezellig kon je dan nog eens praten. <span class="corr" id=
+"xd0e595" title="Bron: He">H&egrave;</span> j&agrave;, en de
+Dapperstraat met twee rijen karren, groenten en visch en kaas en kopjes
+en schoteltjes, met olielampen, die walmden en rustig wit licht in
+witte ballonnetjes van eigengemaakt gas. En overal herrie en geraas.
+Toen ze al lang deftig waren geworden, ging ze nog wel &rsquo;s
+Zaterdagsavonds gerookte aaltjes koopen aan de kar met al die zwarte
+stangen rechtop, met van die genoegerige koperen knoppen. Tot een
+meisje met een groot bont schort en <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e598" href="#xd0e598">35</a>]</span>gekapt hoofd, zonder hoed<span
+class="corr" id="xd0e600" title="Niet in bron">,</span> had gezegd:
+&bdquo;Jeisis, de raakdom komt oltjes kaupe.&rdquo; Zoo&rsquo;n
+flodder, met bruine schoenen aan.</p>
+
+<p>En dan begon moe te soezen in de suizende stilte en met haar bril in
+haar rechterhand zat ze te knikkebollen, tot ze wakker werd doordat ze
+te veel voorover knikte. &bdquo;H&egrave;, mensche, &rsquo;k dacht
+waarachtig dattik de tram hoorde bellen.&rdquo;</p>
+
+<p>Onderwijl schreef Dora op haar slaapkamer in schoolschriften van een
+dubbeltje proza over &bdquo;Hem&rdquo; en maakte zichzelf wijs dat hij
+iemand was, dien ze niet kende en die komen moest<span class="corr" id=
+"xd0e607" title="Niet in bron">.</span> En die schriften werden
+weggestopt in een la, waar niemand in kon, ze bloosde, ofschoon ze
+alleen was en niemand er van wist.</p>
+
+<p>Em was verloofd, met een boekhouder in Amsterdam en praatte over
+haar huis, dat nog gezocht moest worden en dacht aan een kindje. Raar,
+zoo&rsquo;n vrijer, die &bdquo;op stuk van zaken&rdquo; en
+&bdquo;eventueel&rdquo; zei en met een scherpe plooi in z&rsquo;n
+zwarte kamgaren broek bij &rsquo;t kippehok stond. En altijd hatti
+&rsquo;t weer met pa over &bdquo;de Bovenkerken,&rdquo; meneer
+Bovenkerk, die in steenkolen dee en mevrouw Bovenkerk, die &rsquo;s
+zomers in Zandvoort woonde op &bdquo;<span lang="fr">Mon <span class=
+"corr" id="xd0e614" title="Bron: Desir">
+D&eacute;sir</span></span>&rdquo;, en den jongeheer Bovenkerk, die
+eindexamen vijfjarige zou doen. En de rest. Em was erg kwaad geworden,
+omdat Dora eens had gezegd: &bdquo;Daar heb je Bovenkerk&rdquo;.
+&bdquo;Vrij jij met den IJseldijk&rdquo;, had ze gezegd en bijna had ze
+er bij gezegd: &bdquo;Ouwe kneut.&rdquo; Dora was een jaar ouder. Maar
+haar opvoeding was haar gelukkig de baas gebleven. Dora had erg
+gekleurd en niets teruggezegd. &bdquo;Zou ze in &eacute;&eacute;n van
+m&rsquo;n schriften hebben gekeken? Ik laat er toch nooit
+&eacute;&eacute;n zwerven.&rdquo; Jasses wat een zwager. En als i
+z&rsquo;n witte vest aan had! En die oogen. Zoo echt een heer, die bij
+den weg naar nix anders kijkt dan of i ook een kennis tegen komt. En
+zoo slap. Hoe kon Em tegen zoo&rsquo;n man aanstaan! <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e617" href="#xd0e617">36</a>]</span><i>Zij</i>
+leunde nog liever tegen een dennestam. Nee dan was Coba heel wat beter
+af. Zoo&rsquo;n man als een zee! En meteen kreeg ze een visioen van wit
+zand en zon en golven en branding, en roode en blauwe badpakjes en
+witte jurken en witte en roode parasols. En van duinen met uitgeholde
+flank, met helmsprieten, gebogen waaiend, er bovenop. En van een golf
+die haar omsloeg in &rsquo;t water, ze proefde zout.</p>
+
+<p>Nu was pa dood en zouden ze verhuizen. Moe ging weer in de
+Linnaeusstraat wonen, over &rsquo;t Oosterpark. Em zou &rsquo;t volgend
+jaar trouwen en Dora moest maar naar kantoor. Zoo&rsquo;n beetje helpen
+in &rsquo;t huishouden en nu eens hier logeeren en dan eens daar en
+eigenlijk nix doen maakt maar ongedurig. Ze zou nog eerst een paar
+weken naar een vriendin gaan bij Berg en Dal om wat te bekomen van al
+de narigheid en dan kon ze meteen naar Amsterdam in &rsquo;t nieuwe
+huis trekken.</p>
+
+<p>Ee zou haar wegbrengen. Hij kon wel moeilijk nog een dag van kantoor
+weg, maar hij zou &rsquo;t er dan maar afnemen.</p>
+
+<p>Dora keek al eens naar &rsquo;m: wat praatte n-i-raar.</p>
+
+<p>In den trein waren ze beleefd en welwillend voor elkaar, maar erg
+stil. Ze reden over den IJsel en over den Rijn en Dora staarde met
+groote stille oogen naar de rivieren, rechtop in haar zwarte jurk, de
+handjes in haar schoot, tot zij ze niet meer zag en ook daarna zat ze
+en staarde.</p>
+
+<p>En hij keek zoo nu en dan naar haar gezichtje en dan weer naar
+buiten, om haar vooral niet te hinderen. En dan probeerde &rsquo;n-i of
+hij haar zien kon in z&rsquo;n verbeelding, eerst telkens een brok,
+haar voorhoofd, en hoe de haren er boven waren, golvend, en haar
+oogleden en haar lange donkere wimpers en dan haar zwarte wenkbrauwen
+daar boven, even gebogen en dan dat alles bij elkaar en haar oogen,
+haar oogen vooral, die zag hij telkens <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e631" href="#xd0e631">37</a>]</span>boven de akkers, en &rsquo;t
+neusje dat nauwelijks wipte, zoo fijn en haar kleinen mond, dicht
+gesloten de roode lippen, en de kleine oortjes, die rose doorschenen,
+met &rsquo;t haar er boven en losse haren er voor en haar onderkaak,
+zoo edel lang, met een spits kinnetje, waar een zoenkuiltje in was. En
+dan moesti telkens weer kijken naar de twee rechtoppe richeltjes onder
+haar neusje.</p>
+
+<p>Hij sloot even z&rsquo;n oogen en zag &rsquo;t heele gezichtje
+duidelijk voor zich, de bruine wangen nu ook. En daar was &rsquo;t ook
+heel duidelijk buiten, voor de rij populieren, die nog maar weinig blad
+hadden. Want &rsquo;t was al October. Hij moest even lachen om de
+menschen, die hem voor een degelijk heer hielden.</p>
+
+<p>&bdquo;Zeg is &rsquo;t waar, dat je tegenwoordig iederen avond op
+kantoor zit?&rdquo; Hij knikte. &bdquo;Moet dat?&rdquo; Hij haalde
+z&rsquo;n schouders op. &bdquo;Waarom doe je &rsquo;t dan?&rdquo; Hij
+<span class="corr" id="xd0e637" title="Bron: lachtte">lachte</span>
+weer. &bdquo;Om vooruit te komen in de wereld. &rsquo;t Wordt je niet
+cadeau gedaan.&rdquo; &rsquo;t Leek haar nix prettig... &bdquo;Wat zou
+jij dan willen?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Kijken... en denken... en schrijven,&rdquo; zei ze en bloosde
+heel even... &bdquo;ten minste als je dat kunt.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij glimlachte akelig wijs. &bdquo;Nix gedaan, Doortje. Je <span
+class="corr" id="xd0e644" title="Bron: word">wordt</span> er nix beter
+van, &rsquo;t stomste vee is &rsquo;t beste af. Geloof je niet dat
+Bovenkerk een gelukkige kerel is?&rdquo; Haar groote oogen gingen wijd
+open in stille ontzetting. &bdquo;<span class="corr" id="xd0e647"
+title="Bron: H&eacute;">H&egrave;</span>, schrijven wat je denkt is zoo
+fijn, zoo roef, roef, je weet zelf niet hoe je &rsquo;t doet. &rsquo;t
+Staat er ineens precies<a id="xd0e650"></a> zooals &rsquo;t er staan
+moet. En als je &rsquo;t dan naderhand leest, dan leef je in eens weer
+je eigen leven van toen en toch weet je niet, of je dat nu zelf bent of
+een ander.&rdquo; Haar oogen schitterden, er waren tranen in. Ze
+bloosde niet meer over zichzelf. Ze zat stil met haar hoofdje op haar
+rechterhand, haar elboog op de richel voor &rsquo;t raampje en staarde
+naar buiten. <span class="pagenum">[<a id="xd0e652" href=
+"#xd0e652">38</a>]</span>En &rsquo;t dichtertje dacht: &bdquo;dat is
+een echte,&rdquo; en dat ze hem nu voor een degelijk heer hielden.</p>
+
+<p>Maar hij bleef grimmig en wijs, &bdquo;God brengt ons op een hoogte,
+om ons te laten afdalen. De weg over den top is kort, maar de dalen
+zijn lang. Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in
+verdriet.&rdquo;</p>
+
+<p>Zij schudde langzaam haar meisjeskopje, zoo lief en toch zoo
+nadenkelijk: &bdquo;Ik leef altijd op den top.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij wou zeggen: &bdquo;Goed zoo,&rdquo; maar hij zei niets. Zij
+staarde in den Waal. &bdquo;Mooi h&egrave;?&rdquo; En in eens stond ze
+op, nam haar hoed uit &rsquo;t rek, stak er vlug de pennen door en met
+haar beide handen aan haar hoed, de voeten wat van elkaar om stevig te
+staan, <span class="corr" id="xd0e660" title="Bron: lachtte">
+lachte</span> ze in eens overmoedig met al haar tanden, als een kwaaie
+meid, haar oogen in de zijne: &bdquo;Aan mijn lijf geen
+Bovenkerk.&rdquo; Toen leunde ze haar bovenlijf uit &rsquo;t raampje en
+keek naar Nijmegen, dat daar lag op de heuvels aan de rivier, zoo
+on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen en boomen boven
+boomen, en zong tegen den wind en &rsquo;t gerammel van den trein over
+de brug.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e663">
+<h3 class="normal">IX.</h3>
+
+<p>Een groot dichter zijn en dan vallen. In de volheid der tijden.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was <i>wel</i> een dag om eens even de 36&rdquo; white
+shirtings en coloured satteens te vergeten.</p>
+
+<p>Zij werden niet afgehaald. De vriendin kon niet van huis, want haar
+moeder kon niet loopen en ze zaten zonder meid. Een meid is een zuster,
+niet van u of mij, maar van een letterzetter of een brievenbesteller,
+die bij u of mij op haar knie&euml;n <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e675" href="#xd0e675">39</a>]</span>door de kamer kruipt om den
+grond te vegen en &rsquo;t vuilnisvat buiten zet en de kopjes
+breekt.</p>
+
+<p>Dora en &rsquo;t dichtertje dronken dus koffie in Lent, over
+&rsquo;t water, in &rsquo;t gezicht van de stad en de heuvels. &rsquo;t
+Was een stille, zonnige herfstmiddag geworden. De kastanjes waren al
+kaal, de gele vijfvingerige bladen met hun dikke kleverige stelen lagen
+op de aarde en dorre en gouden bladen lagen overal. Er was de geur van
+bladen, die vergaan, die &rsquo;t dichtertje altijd zoo week maakte
+onder zijn vest, alsof i dood zou gaan en onsterfelijk wakker worden in
+net zoo&rsquo;n stillen blauwen en gouden herfstdag, die niet zou
+eindigen. En hij streek een herfstdraad van z&rsquo;n voorhoofd. De
+lucht was zoo blauw en wolkeloos en zag zichzelf in &rsquo;t water en
+de zon scheen gouden.</p>
+
+<p>En uit &rsquo;t water steeg de stad naar de blauwe lucht, de kade en
+de huizen en daarboven weer huizen, half of heel uit boven andere, met
+vele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teeken voor God om
+z&rsquo;n stad te herkennen en twee spitse torens, die hoog en
+onmachtig zich rekten naar nog hooger. Zoo reikt een dichtertje uit de
+rivier zijner dichterlijkheid machtig en onmachtig naar God, die niet
+te zien komt achter de blauwe lucht. Toen moest &rsquo;t dichtertje
+toch weer even lachen om &rsquo;t wonder dat in zijn oogen was, die
+daar een monument van heerlijkheid zagen, terwijl er niets was dan veel
+hokken vol miezerig, nog niet eens Hollandsch, maar Geldersch
+kleinsteedsch leven.</p>
+
+<p>Zij keken juist recht in een straat, die van de kade steil en recht
+naar boven liep, er begon wat schaduw in te komen aan den rechterkant.
+En ergens in de hoogte was een groot plat met een ijzeren hek er om en
+ergens anders een waschtobbe op een ander plat en iemand zette, meer
+dan halfweg tusschen de <span class="pagenum">[<a id="xd0e683" href=
+"#xd0e683">40</a>]</span>rivier en God, een raam open, dat even de zon
+fel weerkaatste.</p>
+
+<p>En links van de stad was &rsquo;t lage walletje der begroeide
+heuvels, een rechte lijn tot &bdquo;ins grosse Vaterland&rdquo;.</p>
+
+<p>Een gouden laantje liep langzaam hellend, schuin naar boven. De
+gouden letters van het Fransche pensionaat &bdquo;<span lang="fr">Notre
+Dame aux anges</span>&rdquo; blonken in de verte<span class="corr" id=
+"xd0e692" title="Niet in bron">,</span> hoog, aan het hooge huis, dat
+aan den voet van de heuvels staat, waar de grasvlakte eindigt.</p>
+
+<p>&bdquo;<span lang="fr">Notre Dame aux anges</span>&rdquo;,
+onschuldig naakte engeltjes en onschuldige, geheel gekleede
+pensionnaires. De God van Nederland heeft wel gelijk, je weet nooit wat
+je aan die dichters hebt, zijn ze nou netjes of niet netjes?</p>
+
+<p>Toen hervond &rsquo;t dichtertje ineens de zwakke romantiek in dat
+heele geval. God bedoelde er heelemaal niets mee. Hij speelde maar wat
+en had maar eens een heel nieuwe ensceneering bedacht om <span lang=
+"de">die Leiden des jungen <span class="corr" id="xd0e704" title="Bron:
+Werther">Werthers</span></span> op te voeren, als hij daar lust in zou
+hebben.</p>
+
+<p>En zoo praatten zij en speelden met woorden en gedachten en
+fantasie&euml;n en zagen aan de schittering van elkaars oogen, als een
+nieuwe inval uit zou flitsen. En daarna stapten ze op en gingen de
+rivier over. Zij wilde datti een mooi cadeau voor Coba meebracht, als i
+&rsquo;s avonds naar huis ging. Dat zouden ze eerst samen koopen. Ze
+hing aan z&rsquo;n arm, haar linker door zijn rechter en zoo hielden
+haar kleine handjes in zwarte glac&eacute;tjes elkaar vast.</p>
+
+<p>Een zacht-lila, zijden sjaal met geknoopte franje moest i koopen,
+<span class="corr" id="xd0e711" title="Bron: h&eacute;">
+h&egrave;</span> ja, daar zou Coba vast heel blij mee zijn. Toe, dan
+was i een lief zwagertje. Ze keek in z&rsquo;n oogen en drukte
+z&rsquo;n arm, voor haar zuster. Er was geen valschheid in haar
+hoofdje, haar bloed joeg, maar in haar hoofdje was geen valschheid.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e714" href=
+"#xd0e714">41</a>]</span>&bdquo;Kijk eens wat leuk&rdquo;. Ze stonden
+in de laagte en keken naar boven onder de brug door, die daar in de
+hoogte naar de Belv&eacute;d&egrave;re voert. En de boog van de brug
+omlijstte een schilderijtje. Een brok verlaten buitengrindweg, ietwat
+<span class="corr" id="xd0e716" title="Bron: steigend">stijgend</span>,
+aan weerszijden de blauwe band der voetpaden en kleine boompjes met
+schel oranjegele kruintjes, en de takken, door de bladen heen al goed
+zichtbaar en een paar lantaarns, ver van elkaar, met melkglas van
+boven, fel wit, een prentje om &bdquo;5 October&rdquo; onder te
+schrijven.</p>
+
+<p>Er was geen valschheid in haar hoofdje toen ze in eens kalmer werd
+door de afleiding, die dat prentje aan het gesprek gaf, ofschoon ze
+&rsquo;t zelf voelde. Maar ze begreep &rsquo;t niet, zooals Adam en Eva
+hun naaktheid niet begrepen en de &bdquo;Anges&rdquo; van Notre Dame
+hun engelenstaat en de pensionnaires hun geheel gekleedheid niet. Mijn
+God, wat is een vrouw, die zichzelf begrijpt.</p>
+
+<p>Maar hij begreep zichzelf wel, akelig duidelijk en daarom gebeurde
+er niets. Hij zag haar aan en de dichter in hem aanbad haar en hief
+haar ten troon naast den God van hemel en aarde en durfde haar niet
+aanraken.</p>
+
+<p>En te gelijk zat diep in &rsquo;t dichtertje &rsquo;t beest gedoken
+voor den sprong, dat zich zat wilde vreten aan alles wat als een
+temptatie in onverschilligheid om hem heen had gestaan en langs hem was
+geloopen en hem niet erkend had. En haar eerst, &rsquo;t mooie,
+&rsquo;t beminde eerst, zoo dat er geen pardon meer zou zijn voor al
+&rsquo;t mindere. Haar te verheffen zoo hoog als de sterren in de
+winternacht en met haar &rsquo;t ergste te genieten en haar dan te
+laten vallen in &rsquo;t zwarte grondelooze. Op haar te wreken in
+&rsquo;t genot de tempteerende onverschilligheid. En wat zou een
+dichteres je ook beter verlangen<span class="corr" id="xd0e725" title=
+"Bron: .">,</span> dan z&oacute;&oacute; te vallen? <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e728" href="#xd0e728">42</a>]</span></p>
+
+<p>Dit dachtti terwijl een muschje van een paardevijg op den grindweg
+in een van de oranje boomen vloog. Maar hij zei: &bdquo;Weet jij een
+goeie winkel?&rdquo;</p>
+
+<p>Ze kochten een heel mooie shawl, fijn en zwierig. Jammer, dat ze in
+&rsquo;t zwart was. Zij pastte zelf net zoo&rsquo;n doek, maar een
+zwarte, om te zien hoe die viel en deed er haar bovenlijfje een klein
+beetje bij achterover. Maar die lila, <i>die</i> was prachtig. Coba zou
+vast een gilletje geven van plezier.</p>
+
+<p>En zoo was ze tegelijk en beurtelings dien dag zuster en vrouw en
+dichteresje en courtisane en kende haar verdeeldheid niet en begreep er
+niets van.</p>
+
+<p>Maar wat een dag der dagen.</p>
+
+<p>Luid zong ze op den weg naar Beek, die ook verlaten was en ze liep
+steigerend, ze kon &rsquo;t niet laten, ze kon de heuvels vertillen
+voor een lolletje en de zon met &eacute;&eacute;n hand van de lucht
+halen en over haar hoofd in den Waal gooien, datti siste.</p>
+
+<p>De electrische tram haalde hen in en trok een lange rij dorre en
+gele bladen warrelend en schuifelend, ritselend achter zich aan, een
+lolletje Gods, datti zich wel veroorloven kon op zoo&rsquo;n dag.</p>
+
+<p>Van Beek stegen ze naar Berg en Dal slingerend door de heuvels. En
+de heuvels waren te laag en niet steil genoeg, hoe kon je daar moe
+worden? En moe moest ze worden of ze sprong uit elkaar van kracht, in
+scherven van dichteresje en vrouw en zuster en courtisane. Bovenop
+keken ze in een dalletje met hellende zwarte en gele en groene
+rechthoekige veldjes en denneboschjes en eiken hakhout er tusschen op
+de hellingen. En daaroverheen in de vlakte, uren ver met niets markants
+er in, alleen een recht brok rivier, dat breed van hen wegliep, tot
+waar i zich in een bocht verloor. Daaraan<span class="corr" id=
+"xd0e746" title="Niet in bron">,</span> heel<a id="xd0e749"></a> klein,
+de roode afdaken van steenbakkerijen en hun schoorsteenen, hoog en toch
+verloren in de wijdte. <span class="pagenum">[<a id="xd0e751" href=
+"#xd0e751">43</a>]</span></p>
+
+<p>Daar stonden ze en op eens merkten ze dat ze niets konden dan weer
+weggaan.</p>
+
+<p>Maar &rsquo;s avonds in bed kon ze niet slapen, in haar hoofdje
+wilde de helderheid niet wijken. Ze doorleefde den heelen dag telkens
+opnieuw en zag alles weer heel duidelijk. En in eens werd &rsquo;t
+onder haar schedel als de zon zelf: &bdquo;Ik houd van hem. Ik kan niet
+anders. Ik wil. God sta me bij.&rdquo; Ze ging uit bed en dronk haar
+karaf achter elkaar leeg.</p>
+
+<p>Den volgenden ochtend zat ze in haar pon op den rand van &rsquo;t
+ledikant en keek naar haar enkels en prakkizeerde: &bdquo;&rsquo;t Zal
+wel zoo zijn,&rdquo; maar de helderheid was geweken.</p>
+
+<p><i>Hij</i> wilde niet denken. Als een net en degelijk heer zat i
+kalmpjes en gereserveerd in lijn twee en reed naar kantoor.</p>
+
+<p>&bdquo;M&ocirc;gge, dames en heeren.&rdquo; En grimmig ging i aan
+z&rsquo;n lessenaar zitten en <span class="corr" id="xd0e764" title=
+"Bron: schifte">schiftte</span> de post.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e767">
+<h3 class="normal">X.</h3>
+
+<p>&rsquo;t Was in &rsquo;t laatst van Maart toen de tijden vol
+waren.</p>
+
+<p>Den heelen dag hadden ze drukproeven nagezien, Dora en hij, heel
+droog en zakelijk. Coba logeerde met Bobi in den Haag bij een rijke
+nicht uit Indi&euml;. Zij hadden beiden eenige dagen vrij genomen van
+kantoor.</p>
+
+<p>Om vijf uur had ze thuis gegeten en daarna was ze nog even
+teruggekomen, om &rsquo;t werk af te maken. Toen de schemering begon
+waren ze klaar, &rsquo;t pak lag op tafel, de brief voor den uitgever
+lag er naast, er moesten alleen nog maar postzegels op.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was in de stad op een bovenhuis, maar het was aan den kant,
+er was een vaart voor &rsquo;t huis en aan den overkant was &rsquo;t
+weiland. Dora zat op een stoel voor den haard, mantel aan en <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e778" href="#xd0e778">44</a>]</span>hoed op
+en keek in &rsquo;t vuur en dacht aan de volheid der tijden, de volheid
+voor <i>haar</i> heel ver af. Hij lag plat op de rustbank, tusschen
+&rsquo;t venster en den haard, zoo plat dat ze hem nauwelijks zien kon
+in de donkere kamer, en keek naar &rsquo;t gele licht van de
+straatlantaarn op &rsquo;t plafond en naar &rsquo;t roode schijnsel van
+den haard op de vloer.</p>
+
+<p>Achter &rsquo;t huis was de stad en &rsquo;t lamplicht in vele
+vensters, maar dat zagen ze niet, want ze zaten vo&ograve;r en als Dora
+opkeek zag ze &rsquo;t land, waar &rsquo;t laatste licht de hooge lucht
+verliet, over de aarde was &rsquo;t reeds donker.</p>
+
+<p>&rsquo;t Dichtertje had nu van alles genoeg. Z&rsquo;n boek was af,
+z&rsquo;n gedicht zonder eind hatti vermoord, z&rsquo;n positie in de
+maatschappij was een farce. Coba en Bobi hadden genoeg om te leven
+zonder hem, God zou hen troosten, de tijd heelt alle wonden. Dat was
+een wandtekst van z&rsquo;n tante in Velp.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was lente. Het leek nog winter, maar &rsquo;t was lente.
+Het sneeuwde nog wat in die dagen, &rsquo;t was nog wat koud en
+&rsquo;t vroor nu en dan, maar dat was maar een aardigheidje en zoo erg
+niet gemeend.</p>
+
+<p>De dagen werden lang, om zeven uur deden de menschen de lichten aan.
+En als om half zeven de gaslantaarns werden aangestoken op de gracht,
+stonden ze daar zoo bleek en verwonderd. Dan warrelde de sneeuw er wat
+om heen in kleine voorjaarsvlokjes en smolt voor dat ze op straat
+viel.</p>
+
+<p>En ze dachten beiden aan de zomerregens, die komen zouden en hun
+neuzen van niet te rangeeren bohemiens, die zichzelf niet vermoorden
+<i>konden</i>, rooken &rsquo;t versche hooi. Hij, grimmig als de titel
+van z&rsquo;n boek, &bdquo;Djengis Kan,&rdquo; en grimmig als &rsquo;t
+boek zelf en met de gedachte dattie &rsquo;t niet meer ruiken zou,
+datti ook dit koninklijk abandonneerde, zij vol vaag verlangen <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e796" href="#xd0e796">45</a>]</span>en zoo
+bewogen in haar hart. Haar handen vouwde ze op haar rok waar die
+gespannen stond tusschen haar knie&euml;n. Die hield ze van elkaar en
+zoo zat ze, voorovergebogen, op haar stoel.</p>
+
+<p>De koeien waren al in &rsquo;t land geweest, op een zonnigen dag
+hadden zij ze gezien. Het land had de koeien direct herkend en ze
+stonden er heel vertrouwelijk in en de zon was er blijde om geweest.
+Naderhand waren de dagen weer kouder geworden en de koeien moesten zoo
+lang weer binnen. Maar de hagel kon de lente niet tegenhouden.</p>
+
+<p>De berkestammen waren toen zilverwit, maar mooier dan zilver. De
+taal is armoedig, doodarmoedig. Die de werken des Vaders kent, weet
+dit.</p>
+
+<p>De weilanden leken minder verzadigd van water, de landen werden
+gemest, de zon steeg hooger en was trager in &rsquo;t zinken. En Dora
+dacht hoe de zon groot, rood en koud had gestaan in December, laag
+boven de kim, om vier uur en verging in een kouden nevel en verdween,
+zwak en weerloos. Maar dat was lang geleden. En hoe in den winter de
+menschen om vier uur hun lichten aandoen en hopen dat &rsquo;t nog weer
+eens dag zal worden. Maar nu wist ze al weer zeker dat de zon zou
+opkomen den volgenden morgen. En dan, wat dan nog?</p>
+
+<p>Ze spraken nog altijd niet.</p>
+
+<p>Hij dacht aan den tijd toen i gewerkt had, wat men noemt &bdquo;hard
+gewerkt.&rdquo; En hoe z&rsquo;n familie gezegd had, datti wijzer begon
+te worden. En datti eens had geklaagd, datti &rsquo;t zoo erg druk had
+en dat allerlei dingen op kantoor tegenliepen en hij er &rsquo;s nachts
+van droomde. En dat toen z&rsquo;n tante had gezegd: &bdquo;Ja jongen,
+de ernst des levens.&rdquo; Ze zou vast z&rsquo;n boek lezen, hopen op
+een presentexemplaar, wachten of &rsquo;t in de portefeuille zou komen.
+En er van willen schrikken, maar dat niet durven als <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e808" href="#xd0e808">46</a>]</span>allerlei
+menschen &rsquo;t geprezen hadden. Hij zag zichzelf al circuleeren in
+de portefeuille in Velp, &rsquo;t was <i>wel</i> de moeite waard.</p>
+
+<p>&bdquo;En wat dan nog?&rdquo; dacht Dora. De sneeuw had ze weer zien
+smelten en de knoppen wat grooter worden. En daarna werden de kruinen
+van de hooge boomen alom bruin.</p>
+
+<p>Het leek haar alsof ze dit heel lang geleden ook zoo gezien had, met
+haar handen gevouwen op haar rok, de knie&euml;n wijduit,
+voorovergebogen op haar stoel.</p>
+
+<p>De zon scheen weer, ze zag de huizen in &rsquo;t licht en de boomen
+en den gouden schijn in &rsquo;t water. Den treurwilg zag zij gelen,
+zijn takken hingen, ze trokken naar &rsquo;t water, in doodstille gele
+aanbidding hingen ze er stom boven en zagen &rsquo;t gele licht in den
+vijver. De wollige witte wolken zeilden in den vijver, ze schoven voor
+den blauwen hemel, maar dekten hem niet. Zoo staan de treurwilgen in de
+stad in de vroege lente, materialisatie Gods tusschen de klompige <span
+class="corr" id="xd0e819" title="Bron: huisen">huizen</span>, die zoo
+hoog zijn, en ze wekken &rsquo;t verlangen, dat geluk is en verdriet.
+Je komt den hoek om, een abjecten goren hoek bij een haringstalletje,
+dat stinkt naar gemarineerde haring en op eens gaat een slag van je
+oogen naar je hart, je ziet &rsquo;t goud neerstorten als een zee en je
+staat en een klein jongetje veegt z&rsquo;n neus af met den rug van
+z&rsquo;n hand en roept: &bdquo;Kakmadam.&rdquo; Dat is Amsterdam, de
+hoofdstad van Nederland, in &rsquo;t vroege voorjaar.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was nu bijna nacht. De kolen in den haard rommelden
+plotseling, vlammetjes schoten uit en hun licht was in de kamer.</p>
+
+<p>&bdquo;Dora,&rdquo; zei hij in eens, &bdquo;hoe <span class="corr"
+id="xd0e826" title="Bron: vindt">vind</span> je Penning?&rdquo; Penning
+was ook een vrind uit z&rsquo;n jeugd. Jaren lang hatti &rsquo;m niet
+gezien, hij wist alleen datti ingenieur was geworden. En nu voor
+veertien dagen hatti &rsquo;m ontmoet en hij was een paar maal komen
+oploopen, terwijl ze bezig waren met de drukproeven en had <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e829" href="#xd0e829">47</a>]</span>dan telkens
+een uurtje zitten praten. Hij was een groote, frissche jongen, aardig
+op weg om carri&egrave;re te maken en toch buiten z&rsquo;n werk nog
+heelemaal een jongen. Hij had verteld datti over enkele maanden voor
+een jaar of wat naar Zuid-Amerika zou vertrekken om ergens iets uit te
+baggeren of een pier te leggen of iets dergelijks. &rsquo;t Dichtertje
+hattem ook een keer meegenomen naar z&rsquo;n schoonmoeder, die
+dadelijk erg met &rsquo;m ingenomen was. Em hield niet <span class=
+"corr" id="xd0e831" title="Bron: vanem">vannem</span>.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe <span class="corr" id="xd0e836" title="Bron: vindt">
+vind</span> je Penning?&rdquo; &bdquo;Gaat nogal,&rdquo; zei Dora
+absent. Stilte. In &rsquo;t schijnsel van de straatlantaarn op &rsquo;t
+plafond zag je de schaduwen van de sneeuwvlokjes die nu wat grooter
+vielen.</p>
+
+<p>&bdquo;Komende maand trouwt Em.&rdquo; Ze keek op. Wat praatte-n-i
+weer raar, hij leek wel Bovenkerk met Em. Ze gaf geen antwoord.</p>
+
+<p>Als een lang vergeten ding zag ze in eens een breede rivier voor
+zich, die naar zee stuwde. Zijn golven stuwden &rsquo;t zonlicht naar
+zee, maar het water en het licht waren zonder einde. Op een blauwe en
+gouden baan trok een klein sleepbootje een langen sleep. Nietig was
+&rsquo;t bootje, zijn pijp stak heel klein de lucht in, de rook was
+gering, z&rsquo;n schor geroep ging verloren in de ruimte. Uren en uren
+ging dit door het water, tusschen de velden onder de ontzaggelijke
+lucht.</p>
+
+<p>En ze zag een langen weg vol stof en zon en verlatenheid. En weer
+wat anders: een weide, eindeloos, en een laan van hooge boomen, er in
+de zon, van terzij, al wat lager en alles vol van levend goud en blauwe
+lucht. En toen: een rivier, wat in de diepte, donker al in &rsquo;t
+Oosten, in &rsquo;t Westen stierf de dag, geel eerst, vol droevig,
+bleek groen er boven, de dag die niet sterven wilde, de duisternis die
+machtig steeg, van de landen in het Oosten steeg in de lucht en machtig
+trok naar &rsquo;t Westen, <span class="pagenum">[<a id="xd0e845" href=
+"#xd0e845">48</a>]</span>daar was de rivier rood en schreide en wilde
+&rsquo;t licht houden, &rsquo;t licht dat blijven wilde. Zoo vloeide de
+rivier, met &rsquo;t licht naar de zee, die ze niet zag.</p>
+
+<p>Toen zei hij &bdquo;Penning komt om jou&rdquo;. Ze schrok, &rsquo;t
+Duurde even voor dat ze begreep wat ze had hooren zeggen.</p>
+
+<p>&bdquo;Luister goed Dora, neem hem. Hij zal je vragen, ik weet
+&rsquo;t. Neem hem, trouw met &rsquo;m. Verval niet aan de kunst of
+iets dat er op lijkt.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze zat zoo als ze gezeten had. Alleen haar hoofdje hield ze wat
+hooger, ze keek naar &rsquo;t venster, dat donker glansde, met ergens
+enkele gele stipjes er in, van &rsquo;t licht van den straatlantaarn.
+Een van de spaarzame groote sneeuwvlokken raakte &rsquo;t glas en
+smolt. Ze begreep niet.</p>
+
+<p>Hij legde zijn hand om haar gevouwen handen, z&rsquo;n vingers
+raakten de hare in hun geheele lengte. Toen steeg zoo een wild
+verlangen uit haar lijf naar haar hoofdje met haar bloed, dat al haar
+kleeren haar onverdragelijk waren, &eacute;&eacute;n oogenblik. Maar ze
+stond kalm op, &eacute;&eacute;n hand hield ze op de leuning van den
+stoel. &bdquo;Ik trouw niet&rdquo;. Ze zei &rsquo;t alsof ze vertelde
+dat de boekhouder z&rsquo;n ontslag had genomen. Alsof hij niets gezegd
+had, kwam hij van de bank af. &bdquo;Hier&rdquo; zeidi, &bdquo;wil je
+dien sleutel meenemen? Die is van de straatdeur. Bonger zou tegen
+tienen bij jelui komen om &rsquo;m te halen. Hij zou vannacht hier
+slapen. Hij moest vandaag van z&rsquo;n kast af en kan pas morgen op de
+de nieuwe. &rsquo;k Had &rsquo;m gezegd dat ik niet zeker wist of ik
+thuis zou zijn.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ga je dan nog uit?&rdquo; Ze was nu volkomen rustig, voelde
+op tafel naar de lucifers en stak &rsquo;t gas aan. <span class="corr"
+id="xd0e857" title="Bron: He">H&egrave;</span>, ze konden nix zien.
+&bdquo;Ga je dan nog uit?&rdquo; Hij haalde z&rsquo;n schouders op.
+&bdquo;Misschien.&rdquo; Ze keek &rsquo;m strak aan, maar aan z&rsquo;n
+gezicht was <span class="pagenum">[<a id="xd0e860" href=
+"#xd0e860">49</a>]</span>nix byzonders te merken, z&oacute;&oacute; had
+hij de laatste dagen dikwijls gekeken, als i een goede plaats oplas uit
+&bdquo;Djengis Kan&rdquo; en ze even opzag van &rsquo;t nakijken.</p>
+
+<p>Hij bracht haar tot de trap.</p>
+
+<p>&bdquo;Dag Ee, tot morgenavond bij moe&rdquo;. Hij drukte haar hand.
+&bdquo;Dag Dora, au revoir camarade.&rdquo; Even hoorde ze iets in
+z&rsquo;n toon, dat er altijd was als i vertelde wat z&rsquo;n tante
+had gezegd. Gek was dat. &bdquo;Nou dag&rdquo;. &bdquo;Dag hoor,&rdquo;
+riep i haar na, alsof i een meisje van zestien jaar nadee. Toen sloeg
+de deur dicht.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e866">
+<h3 class="normal">XI.</h3>
+
+<p>Ze stapte hard door, moest telkens uitwijken voor de plassen. Het
+sneeuwen had bijna opgehouden, de natte vlokken die nog vielen
+warrelden langzaam naar beneden, een enkele viel op haar gezicht, dat
+deed haar goed. In &rsquo;t licht van een lantaarn zag ze de dikke
+knoppen aan een van de kleine kastanjeboompjes op de gracht, met
+glinsterlichtjes waar ze &rsquo;t dikst waren.</p>
+
+<p>Een gele, rechte streep licht was op den stam van boven naar
+beneden.</p>
+
+<p>Wat was er eigenlijk gebeurd? Alweer een plas, wat leek die diep met
+de weerspiegeling van de lucht er in, de weerschijn van een ster pinkte
+in een opening tusschen de wolken. Duizelig zou je er van worden van
+aldoor zoo in die plassen te kijken, loopende. Ze kende een
+sentimenteel Duitsch liedje van &rsquo;t geluk dat &bdquo;Jenseits der
+Sterne&rdquo; was. Of misschien diep in zoo&rsquo;n plas, heelemaal
+onderaan. Malligheid, der stond mogelijk geen centimeter water. <i>
+Haar</i> dag zou ook komen. Ze <i>wou</i>. Wat wilde ze? Kon <i>zij</i>
+iets willen? <span class="pagenum">[<a id="xd0e884" href=
+"#xd0e884">50</a>]</span></p>
+
+<p>Fijn, zoo alleen te loopen in den avond en je gedachten te laten
+komen en gaan en weer komen. En daar ze een dichteresje was citeerde ze
+Perk, terwijl ze op zij stapte voor weer een plas en haast in een
+andere trapte: &bdquo;Voelt zich aan zich <span class="corr" id=
+"xd0e887" title="Niet in bron">door zich</span> alleen
+verbonden.&rdquo;</p>
+
+<p>De natte, zoele wind sloeg om haar heen, ze haalde diep adem.
+&bdquo;Makkelijk praten&rdquo;. Waarachtig, daar liep ze bijna tegen
+een stel aan, dat onder een lantaarn stond te zoenen. En in eens voelde
+ze zich dame: &bdquo;Wat een vulgair stel&rdquo;. &bdquo;Der minnen
+vruchten ic u mildelijck gaf, Maer een ewich zuchten houde ic daer
+af&rdquo;. Weg was de dame, toch bloosde ze in haar eentje onder de
+donkere lucht om die &bdquo;vruchten&rdquo;, die ze gegeven zou hebben.
+En in eens herinnerde ze zich dat gevoel, dat ze zooeven gehad had,
+God, nog geen tien minuten geleden, dat al haar kleeren haar
+onverdraaglijk waren. Ze voelde haar wangen branden<span class="corr"
+id="xd0e892" title="Niet in bron">.</span> &bdquo;&rsquo;t Zal niet
+zijn.&rdquo; Meteen stond ze op haar stoep. Half acht.</p>
+
+<p>&bdquo;Dag moe, ik kom direct beneden&rdquo;.</p>
+
+<p>Maar toen ze op haar kamer was en hoed en mantel had afgegooid, toen
+werd haar duidelijk wat er zooeven gebeurd was. Een groot gevoel van
+verlatenheid en dat &rsquo;t leven de moeite niet waard was kwam in
+haar hoofd. Ze begreep <span class="corr" id="xd0e899" title="Bron:
+haar zelf">zichzelf</span> niet.</p>
+
+<p>Waarom had ze niet z&rsquo;n hand gepakt en gezegd: &bdquo;Ik houd
+van jou&rdquo;. Waarom wilde ze niet, wat ze zoo erg wilde? Wat kon
+haar gebeuren, erger dan deze dood levend om te dragen? Waarom was ze?
+Waarom moest ze ongezoend dood gaan? Niet zoo maar &rsquo;s gezoend,
+maar heel erg. Ze gloeide overal, haar hart werd groot. Ze maakte haar
+goed open voor den spiegel en bekeek haar borsten, zoo wit in haar
+zwarte japon en hield ze op haar beide handen. <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e904" href="#xd0e904">51</a>]</span></p>
+
+<p>Rein en onaangeraakt was zij. Ook een lolletje. En in haar groote
+verwarring bad ze, dat God haar onteeren zou. &bdquo;Zou ik gek
+worden?&rdquo;</p>
+
+<p>Haar manteltje gleed van &rsquo;t bed met een slag. Dat was de
+sleutel. Een gedachte schoot door haar hoofd als een vlam: &bdquo;hij
+had afscheid van haar genomen, er was iets niet in orde, ze moest
+terug.&rdquo; Kalm waschte ze haar gezicht wat en kleedde zich weer
+aan. &bdquo;Ik heb iets vergeten, over een half uurtje ben ik weer
+terug.&rdquo;</p>
+
+<p>Om acht uur stond ze weer voor zijn deur en schelde. Geen gehoor. Ze
+schelde nog eens en maakte toen resoluut de deur met den sleutel open.
+Nergens licht. Ze griezelde van &rsquo;t leege, donkere, stille huis,
+haar hart klopte hevig, maar moedig ging ze naar boven. De deur van de
+voorkamer stond open, &rsquo;t licht van de straatlantaarn scheen op
+&rsquo;t plafond, &rsquo;t roode licht van den haard was in de kamer.
+&bdquo;Ee, waar ben je&rdquo;? Wat klonk dat akelig. Ze liep door de
+kamers, bang en moedig. Toen ging ze de tweede trap op. Door een kier
+van de slaapkamerdeur kwam licht. Haastig gooide ze de deur open, bang
+dat ze zich omdraaien en vluchten zou.</p>
+
+<p>&bdquo;Ee, wat doe je?&rdquo; Hij zat heel stil op den rand van
+&rsquo;t bed tusschen zijn knie&euml;n door naar &rsquo;t kleed te
+staren. Hij stond op: &bdquo;Dora&rdquo;. In dat eene woord was alles
+en ze hoorde &rsquo;t.</p>
+
+<p>Toen vielen ze samen peilloos diep door &rsquo;t licht en ze voelden
+hun lijven als zingende zonnen.</p>
+
+<p>Maar in z&rsquo;n achterhoofd was een plek ijskoud en daar dacht
+hij: &bdquo;Dit is de wraak, zij boet voor een wereld&rdquo;...</p>
+
+<p>De Duivel zat in &bdquo;de Kroon,&rdquo; in &rsquo;t midden, bij een
+pilaar. Hij legde z&rsquo;n dunne gouden horloge voor zich op &rsquo;t
+tafeltje. De twee knobbels op z&rsquo;n voorhoofd waren grooter dan
+ooit. <span class="pagenum">[<a id="xd0e919" href=
+"#xd0e919">52</a>]</span></p>
+
+<p>&bdquo;Kwart over achten. Consummatum est.&rdquo;</p>
+
+<p>Iemand tikte op z&rsquo;n schouder.</p>
+
+<p>De God van hemel en aarde stond achter hem: &bdquo;Consummatum est,
+ga mee en zie.&rdquo;</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e926">
+<h3 class="normal">XII.</h3>
+
+<p>Om half elf vonden hem Bonger en Graafland. Bonger had den sleutel
+bij z&rsquo;n schoonmoeder gehaald.</p>
+
+<p>Geheel naakt stond hij in &rsquo;t midden van de kamer. Z&rsquo;n
+linkerarm hing langs z&rsquo;n lijf, de vuist was gebald, de rechterarm
+was geheven en wees met den wijsvinger naar boven. Er was een zwakke
+geur van lelietjes van dalen, op den grond lag een blauwe haarspeld.
+&rsquo;t Bed lag in wanorde.</p>
+
+<p>&bdquo;Eduard&rdquo; riepen ze beiden tegelijk.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik ben God&rdquo;, zeidi. &bdquo;Ik ben meer dan God. Ik ben
+de onwrikbare, de onbarmhartige. Ik ken geen goed of kwaad. Ik doe wat
+ik moet. Wat ik doe is goed.&rdquo;</p>
+
+<p>Bonger nam een laken van &rsquo;t bed en trad op hem toe.</p>
+
+<p>&bdquo;Ga weg&rdquo;, zeidi en deed een stap achteruit.</p>
+
+<p>Bonger bleef staan.</p>
+
+<p>&bdquo;Zei ik, dat ik God was? Ik ben &rsquo;t eeuwige leven. Ik ben
+de vruchtbaarheid. God heeft me gezonden. Bedek me niet&rdquo;.</p>
+
+<p>Weer stapte hij achteruit.</p>
+
+<p>&bdquo;Bedek me niet. Ik ben de vruchtbaarheid. Breng alle vrouwen
+hier, alle jonge vrouwen. Alle zeg ik. Ik ken je wel. Jij bent Bonger,
+die andere is Graafland. Ik ken jelui wel. Leg dat laken op bed. Zij
+moet er op liggen. Leg haar er op, de eerste, heelemaal naakt. De
+anderen hoeven niet weg te gaan. Ze moeten zien. Je kunt gaan Bonger,
+en jij ook, Graafland&rdquo;. <span class="pagenum">[<a id="xd0e949"
+href="#xd0e949">53</a>]</span></p>
+
+<p>Bonger legde z&rsquo;n hand op z&rsquo;n schouder. &bdquo;Sta stil,
+doe je arm omlaag&rdquo;.</p>
+
+<p>De arm zakte en Bonger sloeg &rsquo;t laken om hem heen. &bdquo;Ga
+op dien stoel zitten&rdquo;. Hij ging zitten. Graafland zocht z&rsquo;n
+kleeren bij elkaar, van &rsquo;t bed, van de stoelen, van den
+grond.</p>
+
+<p>&bdquo;Kleed je aan&rdquo;.</p>
+
+<p>Toen trok hij gedwee en langzaam al z&rsquo;n kleeren aan.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>&rsquo;t Dichtertje is nu dood. Die lui daar in Delft of Oldenzaal
+hebben schitterend gelijk gekregen. Hij was vast nooit goed bij
+z&rsquo;n hoofd geweest.</p>
+
+<p>Z&rsquo;n boek is driemaal herdrukt, z&rsquo;n verzamelde gedichten
+zijn uitgegeven met een inleiding, van meneer Scharten of een ander.
+&rsquo;t Fretje, dat &rsquo;t gebracht heeft tot financieel redacteur
+van de Provinciale Arnhemsche en Geldersche Courant vertelt overal, dat
+i met &rsquo;m op school geweest is. En alsi in Amsterdam komt, wat nog
+al eens gebeurt, dan schiet i Bonger aan en begint telkens weer een
+gesprek over &rsquo;t dichtertje en z&rsquo;n werk en doet erg zwaar op
+de hand en vertelt datti naast &rsquo;m heeft gezeten op school.</p>
+
+<p>Coba is zachtzinnig en vergevingsgezind en natuurlijk, zooals ze
+altijd geweest was. Ze is godsdienstig geworden zonder wandtext en gaat
+iederen Zondag naar de Nederlandsch Hervormde kerk aan den
+Boezemsingel, want ze woont in Rotterdam, als straf omdat ze wel eens
+met een ander heeft <span class="corr" id="xd0e966" title="Bron:
+gecoqueteerd">gecoquetteerd</span> toen ze getrouwd was. Zachtzinnig en
+vergevingsgezind denkt ze er aan, hoe zij ook langs den rand van den
+afgrond is gegaan.</p>
+
+<p>Dora is een &bdquo;ongehuwde moeder&rdquo;. Zij is op kantoor in
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e971" href=
+"#xd0e971">54</a>]</span>Rotterdam, haar baas kent haar geschiedenis en
+veracht haar niet, integendeel. Wat iets heel bizonders is voor een
+Rotterdammer.</p>
+
+<p>En ik denk dat om dezen &eacute;&eacute;nen man deze wanstaltige
+stad mogelijk nog gespaard zal blijven op den grooten dag. Wat weer een
+nadeel is.</p>
+
+<p>Ze woont met haar kindje bij Coba en Bobi en gaat rechtop en trotsch
+en zwijgend door haar leven. Ze wil staatsexamen doen en dan in de
+rechten gaan studeeren van &rsquo;t geld van haar pa, die dood is.
+Vooral niet in de letteren. Werken wil ze en niet denken. Maar ik
+geloof niet, dat zij zich zelf zal kunnen vermoorden. Zij die God
+werkelijk lief heeft boven allen, moeten de last daarvan dragen tot het
+einde.</p>
+
+<p class="alignright">Juni&ndash;Juli 1917. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e979" href="#xd0e979">55</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="uitvreter" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">De Uitvreter.</h2>
+
+<div class="div2" id="xd0e983">
+<h3 class="normal">I.</h3>
+
+<p>Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa
+vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.</p>
+
+<p>Den uitvreter, dien je in je bed <span class="corr" id="xd0e990"
+title="Bron: vondt">vond</span> liggen met zijn vuile schoenen, als je
+&rsquo;s avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren
+oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je
+kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen op-droeg en een jas
+van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. Den uitvreter, die
+altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als een vorst
+jenever zat te drinken op &rsquo;t terras van &bdquo;Hollandais&rdquo;
+voor de centen van de lui; die parapluies leende en nooit terugbracht;
+die een barst stookte in de tweede hands kachel van Bavink; die dubbele
+boorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van Appi, en
+buitenlandsche reizen maakte als-i z&rsquo;n ouwe heer weer had
+afgezet, en pakken droeg, die hij nooit betaalde.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Z&rsquo;n naam was Japi. Z&rsquo;n achternaam heb ik nooit geweten.
+Bavink kwam met hem aanzetten toen-i uit Veere terugkwam.</p>
+
+<p>Een heelen zomer had Bavink in Zeeland geschilderd. In Veere had-i
+Japi voor &rsquo;t eerst gezien. Japi zat daar maar. Bavink had al
+enkele malen gedacht: wat is dat toch voor een kerel? Niemand wist
+&rsquo;t, altijd vond je hem ergens aan den waterkant. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e999" href="#xd0e999">56</a>]</span>Daar zat hij
+maar, uren achtereen, onbewegelijk. Om twaalf uur en om zes uur ging i
+voor een uurtje naar binnen om te eten; de rest van den dag zat i. Dat
+duurde een week of drie; toen zag Bavink hem niet meer.</p>
+
+<p>Een paar dagen daarna kwam Bavink van Rotterdam. Af en toe had hij
+behoefte om veel menschen om zich heen te zien. Hij had enkele dagen in
+Rotterdam langs de havens gesjouwd en had er meer dan genoeg van. Aan
+boord van de boot tusschen Numansdorp en de Zijpe, daar zat i weer. Het
+woei nog al, dien ochtend; er stond een flink koudje wind en het water
+liep met witte koppen. Af en toe spatte &rsquo;t op &rsquo;t voorschip
+over de verschansing. De glazen tochtdeuren op &rsquo;t voordek waren
+dicht; op &rsquo;t voorschip zat niemand. Alleen Japi zat daar, tuurde
+over de verschansing en werd deerlijk nat. &bdquo;Kijk,&rdquo; dacht
+Bavink, &bdquo;daar heb je waarachtig diezelfde kerel.&rdquo; Hij ging
+bij hem staan. De boot rolde en steigerde. Japi zat op z&rsquo;n
+bankje, hield z&rsquo;n pet vast en liet zich nat worden. Het duurde
+nog al wat, voordat i merkte, dat er iemand bij hem stond.
+&bdquo;Lekker weertje, meester&rdquo;, zei Bavink. Japi keek &rsquo;m
+aan met z&rsquo;n groote blauwe oogen en hield aldoor z&rsquo;n pet
+vast. Meteen kwam er een plons water over boord, de droppels stonden op
+z&rsquo;n gezicht.</p>
+
+<p>&bdquo;Nogal&rdquo;, zei Japi. Met een plof kwam &rsquo;t voorschip
+op &rsquo;t water neer en stootte. Een heer trachtte tevergeefs de deur
+van den glazen salon open te maken, waar de wind op stond. &bdquo;We
+zijn mooi op tijd&rdquo;, zei Bavink, om wat te zeggen.
+&bdquo;Zoo?&rdquo; zei Japi, &bdquo;ik weet van geen tijd.&rdquo;</p>
+
+<p>&rsquo;t Gesprek hokte wat. Japi keek in de golven. Bavink keek naar
+de grijze pet van Japi en dacht wat dat toch voor een kerel zou zijn.
+In eens zei Japi: &bdquo;kijk eens, een regenboog in &rsquo;t <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1007" href=
+"#xd0e1007">57</a>]</span>water.&rdquo; Je kon in &rsquo;t water een
+eindje regenboog zien, aan de lucht stond niets. Nog eens keek Japi
+Bavink met z&rsquo;n groote blauwe oogen aan en werd plotseling
+spraakzaam.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik vind &rsquo;t hier verdomd leuk&rdquo;, zei-i,
+&bdquo;&rsquo;t is jammer, dat &rsquo;t zoo niet altijd blijft.&rdquo;
+&bdquo;Over een uurtje zijn we aan&rdquo;, zei Bavink.</p>
+
+<p>&bdquo;Moet u naar Zierikzee?&rdquo; vroeg Japi.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat wil zeggen&rdquo;, zei Bavink, &bdquo;ik ga vanavond door
+naar Veere.&rdquo; &bdquo;Zoo&rdquo;, zei Japi, &bdquo;is u daar
+gelogeerd?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, daar ben ik gelogeerd en is u niet die heer uit
+Amsterdam, die altijd maar aan den waterkant zit?&rdquo; <span class=
+"corr" id="xd0e1017" title="Niet in bron">Toen</span> moest Japi lachen
+en zei: &bdquo;Ik zit nog al eens aan den waterkant, <i>altijd</i> is
+een beetje sterk. &rsquo;s Nachts lig ik op m&rsquo;n bed, ik heb een
+uur noodig om me aan te kleeden en te ontbijten, een half uur zit ik
+aan mijn lunch en om zes uur moet ik weer eten. Maar ik zit nog al eens
+aan den waterkant. Daarvoor kom ik naar Zeeland. Ik maak me nog veel te
+druk. Van de week ben ik naar Amsterdam geweest. Ik moest wel,
+m&rsquo;n centen waren op.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Is u Amsterdammer?&rdquo; vroeg Bavink. &bdquo;Ja,
+Goddank&rdquo;, zei Japi. &bdquo;Ik ook&rdquo;, zei Bavink. &bdquo;U
+schildert niet?&rdquo; vroeg Bavink. Het was een rare burgermansvraag,
+maar Bavink dacht aldoor maar: wat zou dat toch voor een kerel wezen?
+&bdquo;Nee Goddank&rdquo;, zei Japi, &bdquo;en ik dicht ook niet en ik
+ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddank heelemaal
+niks.&rdquo;</p>
+
+<p>Dat kon Bavink wel bekoren.</p>
+
+<p>Het schip steigerde, kwakte, rolde en slingerde; het water spatte en
+plenste over de verschansing; niemand anders was aan dek te bekennen.
+V&oacute;&oacute;ruit was het water onafzienbaar, vol witte koppen, de
+schaduw van een groote wolk was een drijvend eiland; heel in de verte
+voer stampend een zwarte vrachtboot voor hen uit. &bdquo;Kijk&rdquo;,
+zei Japi, &bdquo;de &bdquo;&bdquo;Stad Gent.&rdquo;&rdquo; Je <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1029" href="#xd0e1029">58</a>]</span>zag in
+de verte het water aan weerszijden van de boeg hoog opvliegen; om de
+schroef zag je het woelen en bruisen en schuimen. Hol liepen de golven
+met scherpe kammen, groen en blauw en geel en grijs en wit, al naar de
+diepte en de weerspiegeling van de wolken, nergens en geen oogenblik
+&rsquo;t zelfde. Een klein sleepbootje sleepte een aak en twee
+tjalken.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee&rdquo;, zei Japi, &bdquo;ik ben niks en ik doe niks.
+Eigenlijk doe ik nog veel te veel. Ik ben bezig te versterven. Het
+beste is, dat ik maar stil zit, bewegen en denken is goed voor domme
+menschen. Ik denk ook niet. &rsquo;t Is jammer dat ik eten en slapen
+moet. Liefst zou ik dag en nacht blijven doorzitten.&rdquo;</p>
+
+<p>Bavink begon &rsquo;t geval interessant te vinden. Hij knikte maar.
+Nog altijd hield Japi z&rsquo;n pet vast met z&rsquo;n rechterhand,
+z&rsquo;n rechterarm steunde op de verschansing. &rsquo;t Woei zoo
+hard, dat Bavink z&rsquo;n hand opzij van z&rsquo;n neus moest houden
+om adem te halen. Japi zat daar maar, alsof hij thuis was. Toen
+vertelde Japi dat i van plan was, nog enkele weken in Veere te zitten,
+tot zijn geld op was.</p>
+
+<p>Schilderen leek &rsquo;m wel aardig, als je &rsquo;t goed kon. Hij
+kon niks, en daarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo
+weergeven als je ze onderging. Hij had maar &eacute;&eacute;n wensch:
+te versterven, onaandoenlijk te worden voor honger en slaap, voor kou
+en nat. Dat waren je groote vijanden. Eeuwig en altijd moest je weer
+eten en slapen, moest je weg van de kou, werd je nat en beroerd of moe.
+Zoo&rsquo;n waterplas heeft &rsquo;t maar goed, die golft maar en
+weerspiegelt de wolken, is aldoor anders en blijft toch gelijk. Heeft
+nergens last van.</p>
+
+<p>Al dien tijd stond Bavink schrap in den wind op z&rsquo;n stok
+geleund en knikte Japi maar toe. Dat is zoo mal nog niet, dacht i. En
+droogjes weg vroeg i, of Japi ook door ging naar Veere. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1039" href="#xd0e1039">59</a>]</span>En zoo kwam
+&rsquo;t gesprek op Zierikzee, op Middelburg, op Arnemuiden en al die
+oorden, waar ze allebei uit en te na hadden rondgeloopen en gestaan en
+gezeten. Want Japi had van z&rsquo;n leven toch ook nog wel iets anders
+gedaan dan in Veere aan den waterkant gezeten. En toen merkte Bavink al
+gauw dat Japi niet alleen loopen en staan en zitten kon, maar kijken
+ook. En boomen honderd uit. En toen ze samen aan de Zijpe aan wal
+stapten, toen wees Japi naar &rsquo;t Zuidwesten, naar den dikken toren
+van Zierikzee die heel flauwtjes aan den horizon zichtbaar was en zei:
+&bdquo;Dikke Jan, die oue geduldige dikke Jan, hij staat er nog. Ik
+dacht &rsquo;t wel. Ja hoor, hij staat er nog.&rdquo; En toen vroeg
+Bavink of i altijd zoo&rsquo;n lol had en toen zei Japi:
+&bdquo;Ja&rdquo;, meer niks. En toen ze in Zierikzee arriveerden en uit
+de tram waren gestapt toen liet Japi zijn zoolen klepperen op de heete
+keien van een of ander schaduwloos straatje dat maar bakte en bakte in
+de zon en rekte zich uit en zei dat &rsquo;t leven toch verduiveld
+lollig was. En toen dreigde i de zon met z&rsquo;n wandelstok en zei:
+&bdquo;Zoo&rsquo;n zon toch, hij schijnt maar, maar i daalt, hij rijst
+niet meer, &rsquo;t is over twaalven, hij moet onder; van avond is
+&rsquo;t weer koel. De lui zouden raar kijken als i niet daalde. Lekker
+warm h&eacute;, mijn goed plakt aan mijn lijf. De zeelucht <span class=
+"corr" id="xd0e1041" title="Bron: stroomt">stoomt</span> mijn boordje
+uit.&rdquo;</p>
+
+<p>En toen bleek dat je dat versterven niet zoo letterlijk moest
+nemen.</p>
+
+<p>Aan tafel was Japi meer dan spraakzaam. Hij praatte voor drie, at
+voor zes. &bdquo;Die zeelucht graaft&rdquo;, zeggen ze in Veere. Hij
+dronk voor zes anderen en zong &rsquo;t heele liedje van de <a class=
+"exlink" title="Externe link" href=
+"http://www.victorianweb.org/mt/gilbert/yarn.html">Nancy <span class=
+"corr" id="xd0e1050" title="Bron: brick">Brig</span></a>. Kortom hij
+was zeer bedrijvig en luidruchtig, en Bavink dacht dat zoo&rsquo;n
+kerel goud waard was.</p>
+
+<p>En dat was i. &rsquo;s Middags nam i Bavink mee naar de singels
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1055" href=
+"#xd0e1055">60</a>]</span>en liet &rsquo;m driemaal Zierikzee rond
+loopen. Z&rsquo;n mond stond niet stil en z&rsquo;n wandelstok wees
+maar en als de Zierikzee&euml;naars bleven staan en keken, dan ging i
+op ze af en sprak ze aan met &bdquo;jongeheer&rdquo; en vroeg of ze wel
+gezond waren en klopte ze op den schouder, dat Bavink zijn zijen hield
+van &rsquo;t lachen. Dat kon Japi goed: met &rsquo;t welwillende
+beschaafde Hollandsche publiek afrekenen, dat niemand duldt die er niet
+minstens even dom en smakeloos uitziet als zij, en hoont en hardop over
+je praat alsof niet zelfs op &rsquo;t kleinste dorp sedert eeuwen
+dominees en pastoors bezig zijn &rsquo;t volk op te voeden. Japi was
+een kerel als een karrepaard en sloeg er op in als &rsquo;t moest met
+een kracht en een bedrevenheid waartegen de plompste kinkel &rsquo;t
+moest afleggen. Zoover kwam &rsquo;t in Zierikzee niet. De Zeeuwen zijn
+de beroerdsten niet. Japi placht te zeggen: &bdquo;&rsquo;t Eenigste
+wat me spijt is dat je op Walcheren niet eens af en toe een relletje
+hebt.&rdquo;</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1057">
+<h3 class="normal">II.</h3>
+
+<p>Twee dagen sjouwden Bavink en Japi in Veere rond en toen jijden en
+jouwden ze elkaar al. Urenlang zaten ze samen op &rsquo;t dak van
+&rsquo;t Hospitaal en keken over Walcheren, over de Kreek en &rsquo;t
+Veergat en den ingang van de Oosterschelde en de duinen van Schouwen.
+En daar had je dikke Jan ook weer, den toren van Zierikzee, nu in
+&rsquo;t Noorden. En daar had je Goes en Lange Jan, den toren van
+Middelburg, de spil van Walcheren, het hart dier wereld. En &rsquo;t
+tij kwam in en &rsquo;t tij ging uit; &rsquo;t water rees en viel. En
+iederen avond kwam de manke havenmeester en maakte eerst &rsquo;t
+groene lichtje aan op <span class="pagenum">[<a id="xd0e1062" href=
+"#xd0e1062">61</a>]</span>&rsquo;t Noorderhoofd, de palenwering; en dan
+kwam i daar af, dan moest i om &rsquo;t heele haventje heen en dan zag
+je &rsquo;m weer bij den toren en dan maakte i het houten hek open en
+klom de houten trap op en stak ook &rsquo;t licht aan den toren aan. En
+dan zei Japi: &bdquo;alweer een dag, meester&rdquo;, en dan zei de
+manke havenmeester: &bdquo;Ja mijnheer, al weer een.&rdquo; En als je
+dan naar den kant van Schouwen keek dan zag je &rsquo;t draaiende licht
+aan en uitgaan. En een uur weg naar zee lag de lichtboei en scheen en
+doofde. En &rsquo;t water klotste en rees en daalde, en door de nacht
+schoof de zon die je niet zag door &rsquo;t Noorden. En &rsquo;t
+laatste licht van den dag schoof mee door &rsquo;t Noorden en werd
+&rsquo;t eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte de eene dag
+aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is.</p>
+
+<p>Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om
+z&rsquo;n as en vervolgde z&rsquo;n baan om de zon en had er geen weet
+van. Maar de menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet
+door de dagen, alsof &rsquo;t zonder die moeite, die zorg en dat
+verdriet geen avond zou worden.</p>
+
+<p>Japi wist wel beter. De zon kwam van zelf wel weer bij de
+Walchersche duinen in zee terecht. Maar Bavink had &rsquo;t bij tijden
+leelijk te pakken.</p>
+
+<p>Bavink was een kerel, die gemeenlijk hard werkte. De menschen
+dachten dat i nog al wat kon. Hij lachte er om. Als i niet moest
+verkocht i niets; zijn beste werk zette i weg, keek er niet meer naar
+om, altijd ontevreden. Zoolang i werkte ging het goed, als i klaar was
+hatti er pijn van; bij tijden was i dood op. Als de menschen wisten hoe
+i de dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn
+prutswerk, om zijn akelige knoeierige reproductie dier heerlijkheid.
+Bavink had heele tijden dat i niets deed, zich maar liet gaan,
+lekkertjes de <span class="pagenum">[<a id="xd0e1070" href=
+"#xd0e1070">62</a>]</span>dingen aankeek en er doorheen sukkelde,
+&rsquo;t prettig vond dat de boel zoo &bdquo;verdomd mooi was&rdquo;,
+zooals i dat zei. Dat i pijn in zijn schedel voelde als i dacht aan al
+zijn vergeefsche pogingen, aan zijn &bdquo;verdienstelijke werk.&rdquo;
+Verdienstelijke werk! Spuwen moest i als i er aan dacht.
+&bdquo;Verdienstelijke werk&rdquo;, zeiden ze. Ze wisten er wat van. Je
+kon wel merken dat de dingen hen niet te grazen hadden genomen en door
+elkaar geschud zooals hem.</p>
+
+<p>Hij wou dat i &rsquo;t schilderen maar laten kon, maar dat gaat ook
+maar zoo niet; als &rsquo;t er in zit wil &rsquo;t er uit. En dan begon
+de marteling weer, werken, werken dag en nacht, daags schilderen,
+&rsquo;s nachts er over piekeren, er bij blijven, doorwerken, zorgen
+dat je de dingen nu goed vasthield. Dan sliep en at i nauwelijks; in
+&rsquo;t begin rookte i dan enorm veel sigaren achter elkaar maar na
+den eersten dag hield dat ook op. Dan had i oogenblikken van &rsquo;t
+hoogste geluk zooals zelfs het loome wegzinken in al dat &bdquo;lekkere
+mooi&rdquo; hem niet geven kon. En dan kwam die kijken, en die, en dan
+stonden ze met hun twee&euml;n, met hun drie&euml;n, met hun vieren
+achter hem en keken en knikten en wezen. En dan ineens was &rsquo;t
+uit. Dan zei i: &bdquo;Verdomme&rdquo;, en ging op zijn brits liggen en
+liet een klein spatje jenever halen, en deed niets meer. Dan werd na
+een paar dagen het doek bij de rest gezet. De dagen die daarop volgden
+was i ellendig, moe, miserabel, onvatbaar, ziek, en ging i weer
+&bdquo;sloffen&rdquo; zooals i dat noemde: niets doen, luieren, rond
+loopen. Als i centen noodig had dan haalde i &rsquo;t een of ander uit
+de &bdquo;vullis&rdquo;, dan zocht i een &bdquo;doekje&rdquo; uit
+waarvoor &bdquo;ze wel &rsquo;t een of ander zouden geven&rdquo;, en
+dat verkocht i dan. Niemand kon &rsquo;m van die manieren afbrengen.
+Hij was nu eenmaal zoo. Z&rsquo;n kracht en zijn zwakte hoorden
+onverbrekelijk bij elkaar. En als i wat <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1074" href="#xd0e1074">63</a>]</span>had verkocht dan stopte i de
+centen los in zijn zak, dan rammelde i met de guldens en riksdaalders,
+dan liep i in de Kalverstraat een liedje te fluiten. Dan groette i
+joviaal met zijn hand boven zijn hoofd als je &rsquo;m tegen kwam.</p>
+
+<p>Dan kwam i vertrouwelijk bij je staan, liet je geheimzinnig de
+&bdquo;spie&euml;n&rdquo; zien, lachte hardop en zei: &bdquo;De
+stakkers toch <span class="corr" id="xd0e1078" title="Bron: h&eacute;">
+h&egrave;</span>?&rdquo; Papier nam i nooit aan: daar kon je niet mee
+rammelen. Goud moest i hebben en zilver, en als &rsquo;t &rsquo;m te
+veel werd &bdquo;kwam i de rest later wel eens halen.&rdquo;</p>
+
+<p>Dat was Bavink; en je begrijpt dat een heer die zich oefende in
+&rsquo;t versterven hem degelijk interesseerde. Daar kon i wat van
+leeren. Zoo&rsquo;n kerel die &rsquo;t prettig vond om zich te laten
+uitwaaien, zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den
+natten zouten wind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien
+zeesmaak zoo &bdquo;verdomde lekker&rdquo; vond; die &rsquo;s avonds
+aan zijn handen zat te snuffelen om de zee op te snuiven. Zoo&rsquo;n
+kerel die tevreden was omdat i bestond en gezond was en genoegerig zich
+bewoog tusschen Gods hemel en Gods aarde, en &rsquo;t dwaas vond dat de
+menschen zich zooveel moeite gaven, en hardop om ze lachte en die
+eeuwig met een <span class="corr" id="xd0e1083" title="Bron: beaten">
+besten</span> glimlach zich stilletjes zat te verheugen in &rsquo;t
+water en de lucht en de wolken en &rsquo;t veld en zich doornat liet
+regenen zonder &rsquo;t te merken en dan zei: &bdquo;ik geloof dat ik
+nat ben&rdquo;, en lachte. Een kerel die smakelijk duur kon dineeren en
+smakelijk dure jenever wist te drinken als de eerste in Nederland, en
+op andere tijden op marsch (want i zat niet altijd, hij was af en toe
+dagen op de been) dag in dag uit droge fijntjes at en tot tranen toe
+bewogen was omdat in &rsquo;t veld &bdquo;zoo&rsquo;n brokkie brood zoo
+lekker smaken kon.&rdquo;</p>
+
+<p>En als Bavink werkte dan zat Japi er bij in &rsquo;t gras of <span
+class="corr" id="xd0e1088" title="Bron: binnne">binnen</span>, <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1091" href=
+"#xd0e1091">64</a>]</span>omgekeerd op een stoel en rookte. En als ze
+binnen waren dan had Japi een tweede stoel erbij slaan met een
+borreltje er op, waar i af en toe de hand naar uitstak. En hij hield
+Bavink aan den gang. Tegen niemand anders had Bavink ooit een woord
+gezegd als i werkte; met Japi sprak i.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat duvel&rdquo;, zei Japi, &bdquo;&rsquo;t dondert toch niet
+of &rsquo;t goed is, je doet wat je kunt, je bent nu eenmaal een
+stakker. Je moet schilderen. Je kunt &rsquo;t toch niet laten. &rsquo;t
+Hindert immers aan de dingen niet of jij ze nou niet heelemaal zoo
+krijgen kunt als ze zijn. En de lui, die snappen er toch niets van. Van
+de dingen niet en van je werk niet en van jou niet. Ik kon mijn tijd
+toch ook een boel beter besteden dan hier te zitten zuipen en naar die
+verfboel te koekeloeren. Word <i>ik</i> er minder van?&rdquo;
+&bdquo;Neen, dat deugt niet&rdquo;, zei i dan, &bdquo;veel te blauw; je
+weet toch wat we gisteren afgesproken hebben? Veel te blauw, kerel.
+Denk je dat &rsquo;t je zoo zou aangepakt hebben als &rsquo;t die rare
+blauwe kleur had?&rdquo;</p>
+
+<p>Japi was goud waard voor Bavink. Bavink sleepte &rsquo;m overal mee.
+Bavink heeft Japi gemaakt tot wat i was, toen Bavink in Amsterdam met
+hem kwam aanzetten.</p>
+
+<p>Japi was al heel gauw erger dan schraal bij kas. Voor geen geld ter
+wereld had Bavink hem laten gaan. Japi moest maar zelf in de
+&bdquo;vullis&rdquo; gaan zoeken. En dat vak verstond Japi gauw. Nooit
+had &bdquo;de belt&rdquo; zoo gerendeerd. En sedert betaalde Bavink
+alles of bijna alles. Af en toe kreeg Japi een klein beetje geld van
+huis gestuurd. Maar dat was de moeite niet, want bij tijden leefden de
+heeren als kapitalisten; als ze een bui kregen gingen ze voor een paar
+dagen naar Amsterdam, naar Brussel, naar Parijs, naar Luxemburg;
+veertien dagen zaten ze in Normandi&euml;. Japi sleepte geregeld een
+klein beltje mee: een &bdquo;jonki <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1102" href="#xd0e1102">65</a>]</span>van den grooten belt&rdquo;,
+zooals hij dat noemde. In Frankrijk en Belgi&euml; klampte i de
+menschen op straat aan, schelde aan de huizen. Van niemand anders zou
+Bavink &rsquo;t geringste van dien aard hebben geduld. Maar niemand
+anders verstond de kunst Bavink in &rsquo;t leven te houden, zooals
+Bavink zei. Z&rsquo;n conversatie was onuitputtelijk. En een geheugen
+hatti voor landschap dat aan &rsquo;t wonderbaarlijke grensde. Langs de
+spoorlijn van Middelburg naar Amsterdam kende i alles, elk veld, elke
+sloot, elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in
+Brabant, elken wissel van &rsquo;t spoor. Als je uren in donker had
+gereden en Japi had al dien tijd geslapen languit op de bank en je
+maakte &rsquo;m wakker en je vroeg: &bdquo;Japi waar zijn we?&rdquo;
+dan moest je even wachten tot i goed wakker was en dan lag i even te
+luisteren naar den klank van &rsquo;t rijden en dan zei i: &bdquo;Ik
+denk dat we bij Etten-Leur zijn.&rdquo; En dan kwam &rsquo;t uit ook.
+Hij kon je precies vertellen hoe op dien en dien dag de schaduw van die
+en die boomen bij Zalt-Bommel op die en die laan viel en welke schepen
+toen en toen langs Kuilenburg vaarden in de Lek, toen je met Japi over
+de spoorbrug reed. En dan zat i maar bij &rsquo;t raampje in
+afwachting: &bdquo;nu komt dit, nu komt dat&rdquo;. Uren lang. En als i
+iets zag dat i bijzonder goed kende dan knikte i en lachte. Of hij zei:
+&bdquo;Kijk, die boom is weg&rdquo;; of: &bdquo;<span class="corr" id=
+"xd0e1104" title="Bron: He">H&eacute;</span>, nu zitten er appeltjes
+aan, die heb ik den vorigen keer nog niet gezien.&rdquo; Of:
+&bdquo;Voor veertien dagen stond de zon net achter de kruin van dien
+boom, nu staat i een eindje links er van en wat lager, dat komt omdat
+we veertien dagen verder zijn en we zijn ook 10 minuten te laat.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1107" href=
+"#xd0e1107">66</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1108">
+<h3 class="normal">III.</h3>
+
+<p>En zoo kwamen ze met den winter naar Amsterdam en zat Japi op een
+avond op mijn kamer en rookte de eene sigaar na de andere, die voor
+&rsquo;t wegnemen op mijn tafel lagen, <i>mijn</i> sigaren.</p>
+
+<p>Ik had dien avond juist den langen Hoyer op bezoek, die weer eens
+van Parijs was komen aanwaaien en nu zat op te hakken over z&rsquo;n
+werk en over de meiden, met een stroohoed op, in November, en een
+zalmkleurige jas aan. Hij was bezig aan een onbegrijpelijk verhaal van
+een jonge dame en een huurkoetsier en een mandje met paling, toen we op
+de trap gestommel hoorden. &rsquo;t Was in een volksbuurt, je kon
+gewoonlijk zoo maar naar boven loopen, de straatdeur stond meestal
+open.</p>
+
+<p>Bavink kwam &rsquo;t eerst binnen en zei: &bdquo;Hoe maak je
+&rsquo;t kerel? ja ik ben &rsquo;t zelf. Ha, ha, Hoyertje. Hoe gaat
+&rsquo;t, Hoyertje, nog altijd een ophakker? Nogmaals hartelijk
+gefeliciteerd hoor. En jij ook, Koekebakker, dat je er lang getuige van
+mag wezen.&rdquo; In de deur stond Japi. Een lucht van zoutwater en
+gras brachten ze mee. &bdquo;Kom binnen, kerel, kom binnen!&rdquo;
+inviteerde Bavink, op <i>mijn</i> zolder.</p>
+
+<p>&bdquo;Och mijnheer&rdquo;, zei Hoyer, &bdquo;wees zoo goed de deur
+achter je dicht te maken.&rdquo; &bdquo;Koekebakker&rdquo;, zei Bavink,
+&bdquo;dit is Japi, een kerel waar je plezier van kunt beleven. Hoyer
+is nog even welgemanierd als altijd, hoor ik&rdquo;. &bdquo;Ga zitten
+Japi&rdquo;, inviteerde Bavink en liet zich met een plof vallen op de
+eenige stoel die vrij was; &bdquo;neem dat kistje maar.&rdquo; Er stond
+een schavotkleurige matrozenkist, daar had ik een schoon hemd in en de
+brieven van mijn zuster. &bdquo;Wacht ik zal u helpen&rdquo;, zei ik.
+Toen schoven wij de kist bij tafel, Japi en ik, en toen zag Japi een
+leeg stijfselkistje staan van Hoffmann met een kat er op, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1125" href="#xd0e1125">67</a>]</span>daar had ik
+aard ingehad, maar er had niets in willen groeien. &bdquo;Zie
+zoo&rdquo;, zei Japi &bdquo;anders zit ik zoo laag.&rdquo; &bdquo;Ik
+zal er maar eentje nemen&rdquo;, zei Bavink en stak een van <i>mijn</i>
+sigaren op. &bdquo;Ga je gang maar Japi&rdquo;. En Japi beviel dat wel.
+&bdquo;Wat heb je daar?&rdquo; zei Bavink. Op mijn tafel lag &bdquo;Le
+Lys dans la Vall&eacute;e&rdquo; van Balzac. &bdquo;Aha, Balzac. Geen
+kwajongen, die oue heer. Dood <span class="corr" id="xd0e1130" title=
+"Bron: h&eacute;">h&egrave;</span>? Al lang dood. Natuurlijk. Waar kom
+je vandaan, Hoyer? Wat heb je daar een mooie jas aan. Ga eens staan. Te
+kort, kerel, veel te kort&rdquo;. Bavink was genoegerig. &bdquo;Dat
+weet ik potdome ook&rdquo;, zei Hoyer. &bdquo;Vertel liever eens waar
+jij gezeten hebt. En wie is die heer?&rdquo;</p>
+
+<p>En toen kwam het verhaal, met begeleiding van Japi met knikken en
+grijnzen. En af en toe ging die hand naar mijn tafel en ook Hoyer
+werkte als een fabriek en ik rookte maar niet meer.
+&bdquo;Wacht&rdquo;, zei Bavink, &bdquo;dat is waar ook.&rdquo;
+&bdquo;Goeie hoor. Kamper Middelburgers, van <a id="xd0e1135">
+</a>Bessem en Hoogenkamp van de Lange Delft.&rdquo;
+&bdquo;Bekend&rdquo;, zei ik.</p>
+
+<p>&bdquo;&rsquo;s Jonge&rdquo;, zei Japi, en zat m&rsquo;n hok rond te
+kijken; &bdquo;&rsquo;s jonge, &bdquo;&rsquo;t ziet er hier gezellig
+uit. Waarachtig, &rsquo;t is hier gezellig&rdquo;. Hij stond op en liep
+naar den muur. &bdquo;Aha, Breitner. Heel goed. En wat hebben we daar?
+&rsquo;t Is hier een beetje donker. Zoo, mijn vriend Mauve. En daar heb
+je waarachtig ons stadhuis ook.&rdquo; &rsquo;t Was een schetsje van
+&rsquo;t raadhuis in Veere. &bdquo;Bavink&rdquo;, zei Japi,
+&bdquo;&rsquo;k geloof, dat je daar kennis aan hebt; ik zoek <i>zoo</i>
+een baantje, als dat niet een dingetje van jou is.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Daar kom je goed af&rdquo;, zei Bavink. &bdquo;Dat dacht ik
+wel&rdquo;, zei Japi en ging weer zitten. &bdquo;Nee maar, ik kom hier
+vast terug. Ik zit hier goed.&rdquo;</p>
+
+<p>Op dat oogenblik begon de gramophoon van den diamantslijper aan den
+overkant ter werken. &bdquo;Klappen&rdquo;, zei Japi. En <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1146" href="#xd0e1146">68</a>]</span>wij aan
+&rsquo;t applaudisseeren. Met z&rsquo;n vieren stonden we bij &rsquo;t
+open raam en applaudisseerden honderd uit. Overal hoorde je op de
+waranda&rsquo;s deuren opengaan, de menschen kwamen buiten. Sommigen
+applaudisseerden mee; een kind begon te huilen; een hond jankte alsof
+binnen een maand &rsquo;t heele blok zou komen uit te sterven. De
+diamantslijper hield prachtig vol. Een juffrouw aan den overkant riep:
+&bdquo;Halve garen!&rdquo; Een klein meisje schreeuwde enkele malen.
+&bdquo;Papus&rdquo;, &bdquo;Zeppelin!&rdquo; Een jongetje ging op een
+mondharmonica spelen. &bdquo;We moesten de straat maar opgaan&rdquo;,
+zei Hoyer.</p>
+
+<p>En zoo stommelden wij de trappen af. Drie- en tweehoog werd binnen
+druk gepraat. &bdquo;Over ons&rdquo;, zei Japi. Eenhoog was niemand
+thuis. &bdquo;Zeg Japi&rdquo; zei Bavink op straat, &bdquo;nu moest jij
+eens een rondje geven.&rdquo; &bdquo;O ja&rdquo;, zei Japi,
+&bdquo;vooruit dan maar&rdquo;. En zoo leerde ik Japi dienzelfden avond
+nog in zijn kwaliteit kennen. Hoyer had een theorie dat bier nooit
+kwaad kon. Wij dronken er dus zeer aanzienlijke hoeveelheden van. Japi
+had geen cent; Hoyer verdomde &rsquo;t; Bavink was zat, zat wezenloos
+te staren en te beweren dat &bdquo;deze heer een verdomd goeie kerel
+was en dat hij een rondje gaf (dat was Japi), en dat de kelner ook een
+verdomd goeie kerel was.&rdquo; Ik kwam op negentien cent; Hoyer was
+uitgeknepen. Ik besloot &bdquo;&rsquo;t geval&rdquo; maar schuldig te
+blijven; de kelner kende me; en om &eacute;&eacute;n uur liepen we met
+z&rsquo;n drie&euml;n op &rsquo;t Frederiksplein vreedzaam te jodelen.
+Die centen kreeg ik later van Bavink terug; hij wilde met geweld hebben
+dat ik ze aanpakte. Japi vond &rsquo;t geval kostelik, zat drie dagen
+later op den rand van mijn ledekant en liet zijn beenen bengelen; zei
+dat &rsquo;t stom van Bavink was geweest om zich te bezatten, maar
+&bdquo;die zaak kwam in orde.&rdquo; Toen hij wegging had hij &bdquo;Le
+Lys dans la Vall&eacute;e&rdquo; te pakken. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1150" href="#xd0e1150">69</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1151">
+<h3 class="normal">IV.</h3>
+
+<p>Het was een maand later. Een veertien dagen had het wat gevroren,
+maar in &rsquo;t begin van die week was &rsquo;t weer plotseling
+omgeslagen. En nu was &rsquo;t avond en &rsquo;t stortregende. Den
+heelen dag had het bijna zonder ophouden gestortregend. Het water liep
+bij stralen langs mijn ruiten. Ik voelde me behagelijk. Ik mocht dat
+wel. Ik had geen kachel en m&rsquo;n demi stond nog bij Oome Jan. Een
+winterjas heb ik nooit bezeten. Die vorst had me gehinderd: van armoede
+moest je naar bed. Anders kon ik in dergelijke omstandigheden nog wel
+eens bij Bavink terecht. Maar juist nu had die heer de aardigheid gehad
+om over dag te slapen en &rsquo;s nachts bij den weg te loopen. Een
+heele nacht had ik moederziel alleen bij zijn kachel gezeten; hij had
+dat zoo willen hebben maar lollig was &rsquo;t niet geweest. En nu zat
+ik te luisteren naar &rsquo;t kletteren van den regen op &rsquo;t dak
+en was blij dat &rsquo;t dooide, hard dooide. Op tafel lag mijn brood,
+twee dikke pillen; mijn laatste bordje was den avond tevoren gebroken.
+En daarnaast lagen de centen: vier blauwe papiertjes, twee
+rijksdaalders, drie guldens en enkele centen. En in den hoek op den
+grond stond mijn &eacute;&eacute;nvlams stelletje en in &rsquo;t kleine
+keteltje begon &rsquo;t water te razen. Daarnaast stond m&rsquo;n
+theepot, zonder deksel, te wachten tot &rsquo;t water zou koken; de
+thee was er al in. En ik zat met mijn beenen onder tafel uitgestrekt,
+met bloote voeten, in mijn hemd, mijn handen in m&rsquo;n broekzakken
+en keek naar m&rsquo;n boterhammen, naar m&rsquo;n lieve geldje, naar
+de vlam van mijn olielamp, naar &rsquo;t licht van mijn stelletje, en
+luisterde naar de regen en was tevreden.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was acht uur. &rsquo;k Legde m&rsquo;n klokje op tafel
+naast m&rsquo;n centen, &rsquo;t klokje dat nu niet naar Oome Jan
+hoefde en zei: &bdquo;Jij <span class="pagenum">[<a id="xd0e1158" href=
+"#xd0e1158">70</a>]</span>blijft voorloopig bij Oome Koekebakker,
+klokje&rdquo;, en stak m&rsquo;n hand weer in mijn zak. Dat
+converseeren met m&rsquo;n dingetjes was ik zoo gewoon, omdat je met de
+meeste menschen zoo weinig praten kunt.</p>
+
+<p>Voorloopig was ik uit den brand, &rsquo;t Lieve najaar had me niet
+bedrogen. Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomen
+aan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten,
+die &rsquo;t klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die den
+toren had doen <span class="corr" id="xd0e1162" title="Bron: zwierpen">
+zwiepen</span> en trillen, bang onder de zwarte wolken, ik had ze dan
+eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik en keek er naar,
+naar mijn eigen geld, &rsquo;t geld daar je op aan kunt, dat je nooit
+bedriegt en nooit in de steek laat. Doornat was ik een uur geleden
+thuisgekomen, met een brood, een half pond boter, twee ons
+boterhammenworst, een half pond suiker, een ons thee en een kistje
+sigaren, 25 sigaren van 4 cent, een rijkdom die ik sedert mijn
+verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden. De
+boterhammenworst had ik weggezet, die was voor morgen. Ze hadden een
+kastje voor me getimmerd, naast &rsquo;t raam en daar lag op den bodem
+alles op een rijtje: de boter, de thee, de suiker, de worst, al die
+dingetjes die zoo lekker kunnen wezen, als je er een tijdje af bent
+geweest. En &rsquo;t aangesneden brood lag er boven, op &rsquo;t
+plankje.</p>
+
+<p>En op den zolder van drie hoog hingen mijn kleeren te drogen: jas,
+vest, broek, onderbroek, overhemd en sokken. &rsquo;t Water begon te
+koken<span class="corr" id="xd0e1167" title="Niet in bron">,</span>
+&rsquo;t deksel van &rsquo;t keteltje ging rammelend op en neer. Ik
+keek naar den stoom en begon plannen te maken om morgen m&rsquo;n demi
+uit den lommerd te halen en voor een keer niet in &rsquo;t koschere
+restaurant te dineeren: biefstuk met appies 30 cent, erwtensoep met
+vleesch 35 cent. En ik <span class="pagenum">[<a id="xd0e1170" href=
+"#xd0e1170">71</a>]</span>bedacht juist dat ik er wel aan had kunnen
+denken om een druppeltje drank in huis te halen, toen ik in mijn
+gepeinzen gestoord werd door een zwaren stap buiten de deur. Er
+rommelde iemand aan mijn deur. Kloppen ging niet, want mijn deur was
+van behangselpapier op een paar latten geplakt, en als je klopte ging
+je er door. Dat wisten de lui. &bdquo;Zeker Hoyer&rdquo;, dacht ik,
+&bdquo;die kan nooit den haak vinden.&rdquo; De haak zat van binnen
+maar de deur sloot niet; je kon net je vinger door de reet steken en
+zoo van buiten de deur openmaken. &bdquo;Kom binnen&rdquo;, riep ik, te
+lui om op te staan. &bdquo;Makkelijk praten&rdquo;, hoorde ik zeggen,
+&bdquo;hoe zit dat?&rdquo; &bdquo;Die stem ken ik niet&rdquo;, dacht
+ik, &bdquo;wie kan dat zijn?&rdquo; Ik stond op en deed open, meteen
+liep een straal water over mijn hand. &bdquo;Japi&rdquo;, zei de man.
+&bdquo;Kom binnen&rdquo;, zei ik weer. Daar stond i; &rsquo;t water
+liep van alle kanten uit zijn kleeren en van z&rsquo;n hoed.</p>
+
+<p>&bdquo;&rsquo;t Regent nog al&rdquo;, zei Japi, &bdquo;mag ik even
+mijn jas uitdoen? Wacht, dan zullen we dit eerst neerzetten.&rdquo;
+Onder z&rsquo;n jas vandaan haalde i een pak in een Handelsblad:
+boeken, dat kon je direct zien, en zette &rsquo;t op tafel.
+&bdquo;Ziezoo, kan dit ergens uitgehangen worden?&rdquo; zei i en gaf
+me z&rsquo;n jas. Z&rsquo;n hoed zette i overeind tegen m&rsquo;n
+stelletje.</p>
+
+<p>&bdquo;Een oogenblik, ouwe heer&rdquo;, zei ik en nam z&rsquo;n jas
+en hoed mee, hing de jas bij m&rsquo;n eigen natte kleeren, sloeg den
+hoed uit en legde die toen plat op den grond in den hoek.</p>
+
+<p>Japi zat al, wrong de knie&euml;n van z&rsquo;n broek uit en keek
+rond. &bdquo;Wat verschaft me het genoegen?&rdquo; &bdquo;Zeg maar
+Japi&rdquo;, zei i, maakte &rsquo;t pakje los en legde &bdquo;<span
+lang="fr">Le <span class="corr" id="xd0e1180" title="Bron: lys">
+Lys</span> dans la Vall&eacute;e</span>&rdquo; op tafel. &bdquo;Zie
+hier, burger&rdquo;. &bdquo;Mooi zoo&rdquo;, zei ik, &bdquo;en wat
+hebben we daar?&rdquo; &bdquo;O&rdquo;, zei Japi, &bdquo;boeken van
+Appi.&rdquo;&mdash;&bdquo;Leest Appi tegenwoordig &rsquo;t
+Handelsblad?&rdquo; &bdquo;Neen,&rdquo; zei Japi, &bdquo;die krant
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1184" href=
+"#xd0e1184">72</a>]</span>is van mijn ouwe heer, daar stond een
+advertentie in.&rdquo;&mdash;&bdquo;Een
+advertentie?&rdquo;&mdash;&bdquo;Een advertentie; zie hier, daar even
+van den ouwen heer gekregen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;&bdquo;Assistent correspondent gevraagd op druk
+exportkantoor&rdquo;, let wel, druk exportkantoor&mdash;<span class=
+"corr" id="xd0e1188" title="Niet in bron">&bdquo;</span>grondig bekend
+met de moderne talen, stenografie en machineschrijven. Zij die reeds in
+den export werkzaam waren (let op dat <i>waren</i>!) genieten de
+voorkeur. (<a id="xd0e1194"></a><i>Genieten de voorkeur</i>, dat
+genieten kan me wel bekoren). Salaris f 3 &agrave; 400 per jaar.
+Brieven onder No. 1296 bureau Alg. Handelsblad&rdquo;&mdash;1296, slag
+op &rsquo;t vlotje. Floris de stijve springt over de Overtoom. Nooit
+van gehoord? En waarom hebben ze dan de Overtoom gedempt? &rsquo;t Was
+geen gezicht om dien stijven kerel er over te zien springen, dat wilden
+ze niet meer hebben. Die f 300 &agrave; 400 bevallen me wel, de rest
+trekt me minder aan&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wilt u daarop schrijven?&rdquo; vroeg ik&mdash;&bdquo;Jij,
+als &rsquo;t ublieft,&rdquo; zei Japi. &bdquo;Willen? Ik <i>moet</i>
+van de ouwe heer. Hij zegt: &rsquo;t kan zoo niet blijven doorgaan. Ik
+zie niet in, wat niet. Heeft hij last van me? In vijf weken heb ik maar
+twee maal thuis geslapen. Geen cent zie ik van hem. Kijk eens
+hier.&rdquo; Hij stak z&rsquo;n been uit. Ik zag een splinternieuwen,
+gelen schoen. &bdquo;Wat bliksem, dien schoen ken ik.&rdquo;&mdash;Waar
+zie je zulke gele schoenen?&mdash;&bdquo;Ze zijn nu wat donker van
+&rsquo;t water&rdquo;, zei Japi, en zette den anderen voet bij den
+eenen. &bdquo;Van Appi! En hoe komt dat? <i>Ik</i> ben m&rsquo;n ouwen
+heer niet tot last. <i>Ik</i> loop rond met mijn schoenen tot ze zoo
+lek zijn als een mand. Appi is een fideele kerel. Schilderen kan i
+niet, zal i nooit leeren, dat zie ik wel, maar hij is een fideele
+kerel. Sokken hat i niet over de hand, ik zit met m&rsquo;n bloote
+voeten in z&rsquo;n schoenen&rdquo;, zei Japi, en liet heel gemoedelijk
+een stuk van z&rsquo;n bloote been <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1209" href="#xd0e1209">73</a>]</span>zien. &bdquo;En boeken heeft
+i, in geen jaar kom ik er doorheen, al lees ik dag en nacht.&rdquo;</p>
+
+<p>Appi z&rsquo;n vader had een goed beklante slagerij en kon &rsquo;t
+doen. Dat Appi nooit schilderen zou leeren heeft Japi goed gezien;
+z&rsquo;n vader heeft hem later in een huis-, reclame- en
+decoratieschilderswerkplaats gezet.</p>
+
+<p>Ik zette thee. Gehurkt bij mijn stelletje, goot ik &rsquo;t water op
+en zette &rsquo;t theepotje op &rsquo;t waterketeltje. Japi snoof.</p>
+
+<p>&bdquo;Goeie bullen&rdquo;, zei i, draaide zich heelemaal om en
+verschoof z&rsquo;n stoel tot hij met z&rsquo;n neus boven de theepot
+zat. &bdquo;Ik heb mot gehad met Bavink&rdquo;. zei i. &bdquo;Is
+&rsquo;t waarachtig?&rdquo; zei ik. Van Hoyer had ik al gehoord dat ze
+bij dag en bij nacht samen rondscharrelden, dat ze in &eacute;&eacute;n
+bed sliepen, Japi onder &rsquo;t laken en Bavink er boven, dat ze om
+beurten jenever hadden gedronken uit &rsquo;t &eacute;&eacute;ne
+bierglas dat Bavink nog had. &bdquo;Ik heb z&rsquo;n kacheltje kaduuk
+gestookt, Zondagavond.&rdquo;</p>
+
+<p>In &eacute;&eacute;n avond hatti &rsquo;t kapot gestookt. Hij had
+maar zitten opladen en zitten poken, en naar den gloeienden pot zitten
+kijken en z&rsquo;n pijp gerookt, de kachel zoo te zeggen tusschen
+z&rsquo;n knie&euml;n. En niks gezegd hatti, tot Bavink plotseling
+gezien had dat er een groote scheur in den pot was en vreeselijk had
+opgespeeld. Japi had &rsquo;m laten uitrazen, hij was opgestaan en had
+z&rsquo;n stoel weggenomen, en Bavink had met de pook &rsquo;t
+schuifdeurtje open gemaakt en een gat gebrand in den grond met &rsquo;t
+uitscheppen van de gloeiende kolen. En toen Bavink was blijven razen
+had Japie gezegd: &bdquo;Verrek met je kachel&rdquo;, en was kalmpjes
+weggegaan naar &rsquo;t huis van z&rsquo;n ouwe heer en had een schoone
+boord omgedaan van z&rsquo;n broer, en van z&rsquo;n moeder een stuk
+taart gekregen dat van &rsquo;t dessert was overgebleven. En had een
+nacht thuis geslapen en den volgenden middag <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1219" href="#xd0e1219">74</a>]</span>was i op straat Loef
+tegengekomen dien i ook al kende. Loef die later met zwemmen verdronken
+is, juist toen i er zoon beetje begon te komen; en die had hem weer
+meegenomen naar Bavink en gezegd: &bdquo;Bavink ik breng je
+kaduukstoker mee.&rdquo; En Bavink had om &rsquo;t geval gelachen, En
+Japi was dadelijk naar &rsquo;t plankje geloopen <span class="corr" id=
+"xd0e1221" title="Niet in bron">en</span> had, op &rsquo;t bekende
+plaatsje &bdquo;naast Dante&rdquo;, een nieuw kruikje Bols gevonden. En
+met z&rsquo;n drie&euml;n hadden ze &rsquo;t een heel eind soldaat
+gemaakt en toen had Japi dikke boterhammen gesneden van Bavink
+z&rsquo;n brood en toen waren ze met hun drie&euml;n naar &rsquo;t
+Amstelveld gegaan en hadden voor 70 cent een nieuw kacheltje gekocht
+(&rsquo;t was Maandag), een kachel van een voorwereldlijk model; en met
+z&rsquo; drie&euml;n hadden ze die op een handkar naar huis
+gekruid.</p>
+
+<p>Ik presenteerde Japi een kop thee. Hij dronk uit een spoelkom, een
+kopje had ik niet voor &rsquo;m, steunde behagelijk en zette de kom
+hard neer. &bdquo;Nu wou ik wel een stukje brood hebben&rdquo;, zei i;
+&bdquo;neem me niet kwalijk, ik geloof dat ik den weg al weet.&rdquo;
+Hij had m&rsquo;n kast al in de gaten gehad &bdquo;Kerel&rdquo;, zei i,
+&bdquo;weet je dat je worst in huis hebt?&rdquo; Of ik &rsquo;t wist.
+Hij kwam er al mee aanzetten. &bdquo;Boterhammenworst, een ordinair
+volksvoedsel.&rdquo; Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het
+onderwerp van mijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor
+morgen wilde bewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen hij
+vergat mij niet, hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch
+genoeg. Japi at. Wat kon die kerel eten! Het brood lag naast &rsquo;m
+op tafel en hij sneed maar. Ik begon er schik in te krijgen.
+&bdquo;Geneer je niet Japi, centen genoeg.&rdquo; Japi had ze nog niet
+gezien. &bdquo;Goddome&rdquo;, zei i, &bdquo;vetpot!&rdquo; &bdquo;Ze
+hebben zeker weer wat van je geplaatst&rdquo;. Ik knikte. &bdquo;Zoo
+moet je maar doen&rdquo;, zei i, &bdquo;die kerels zijn toch <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1226" href=
+"#xd0e1226">75</a>]</span>nergens anders goed voor dan om ons de kost
+te geven. Ik heb van m&rsquo;n leven ook nog eens iets
+geschreven.&rdquo; Hij propte z&rsquo;n mond vol brood en worst en
+veegde z&rsquo;n handen af met &rsquo;t Handelsblad, dat i daarna in
+elkaar frommelde. &bdquo;Ik zal er maar niet op schrijven, ik deug daar
+toch niet voor.&rdquo;</p>
+
+<p>En toen kwam uit een binnenzak een oud vermolmd onwelriekend
+krantje, op de vouwen doorgesleten: &bdquo;De Vlachtwedder
+Grensbode.&rdquo; Hij liet me een artikeltje zien: &bdquo;Brieven uit
+Amsterdam&rdquo; stond er boven. Zes hatti er geschreven, zei i, de
+vijf <span class="corr" id="xd0e1230" title="Bron: anderen">
+andere</span> had z&rsquo;n broer zoek gemaakt. Japi nam nog een
+sneedje brood. &bdquo;Moet je niet meer?&rdquo; vroeg hij. Ik bedankte
+en Japi nam &rsquo;t laatste van m&rsquo;n twee ons worst,
+&bdquo;&rsquo;t Ordinaire volksvoedsel&rdquo; ging er goed in. <span
+class="corr" id="xd0e1233" title="Niet in bron">&bdquo;</span>&rsquo;s
+Nachts gemaakt&rdquo; zei Japi met z&rsquo;n mond vol en wees met
+&rsquo;t mes naar &rsquo;t krantje. &bdquo;Na kantoortijd, &rsquo;s
+Avonds moest ik altijd op kantoor terugkomen. Af en toe moest ik
+m&rsquo;n hoofd onder de kraan houden om wakker te blijven. Ik zou je
+nu danken. Wat heb ik er aan? Niks, moe <span class="corr" id=
+"xd0e1236" title="Bron: wordt">word</span> je er van. &rsquo;k Loop
+liever bij den weg en kijk naar de menschen en de wagens en de huizen.
+Speciaal kijk ik naar de lieve jonge meisjes en de pas getrouwde
+vrouwtjes. Die pas getrouwde vrouwtjes pik je er zoo uit, die herken je
+dadelijk. En dan denk ik aan &rsquo;t plezier dat ik van al die lieve
+diertjes niet heb. Dat doe ik liever dan dat ik er over schrijf. Wat
+gaat &rsquo;t die kaffers aan, wat ik zie. Zelf loopen ze bij de straat
+te sloffen en naar den grond te kijken en trekken vervelende gezichten
+omdat &rsquo;t zoo ver is, en &rsquo;t leven zoo moeilijk, dat je er
+akelig van wordt. Doen zij iets voor mij? Die paar centen kunnen ze
+houden.&rdquo;</p>
+
+<p>&rsquo;t Artikeltje was wel aardig, maar Hoyer zei later dat i vast
+niet geloofde dat &rsquo;t van hem was. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1241" href="#xd0e1241">76</a>]</span></p>
+
+<p>&bdquo;Nu zou ik wel een potje bier lusten&rdquo;, zei Japi en
+leunde achterover. &bdquo;&rsquo;t Spijt me kerel&rdquo;, zei ik,
+&bdquo;ik heb niets in huis, geen bier en geen jenever en geen kleeren
+om over straat te gaan, maar steek een sigaar op.&rdquo;</p>
+
+<p>De regen kletterde op &rsquo;t dak alsof i er door zou komen, de
+ruiten waren wit van &rsquo;t water. Japi had geen zin er uit te gaan,
+dat zag ik wel. Hij stak een sigaar op, keek een poosje naar den rook
+en vroeg toen: &bdquo;Die Hoyer, wat is dat toch eigenlijk voor een
+kerel?&rdquo; Hoyer en hij konden &rsquo;t niet goed vinden. Dat had ik
+wel gedacht. Hoyer was op de penning en een ruwe vent. &bdquo;Die kerel
+deugt niet&rdquo;, zei Japi, &bdquo;die moet vooral maar veel met verf
+knoeien, voor iets beters is ie toch niet goed.&rdquo;</p>
+
+<p>Bavink was een dag uit de stad geweest: &bdquo;voor zaken&rdquo; zei
+Japi en toen was hij (Japi) van Houten tegengekomen op weg van kantoor
+naar huis. Van Houten (een kennis van Bavink) was een kantoorbediende
+die dacht datti schrijven kon. Hij had indertijd een dikken roman
+gepubliceerd, waar de uitgever heel wat aan te kort gekomen was. Japi
+had zich door hem mee laten nemen en zich te eten laten nooden. Hoyer
+was er ook en &rsquo;t eerste wat i gezegd had was: &bdquo;Zoo,
+uitvreter!&rdquo; Japi vond dat prachtig. We waren toch allemaal
+uitvreters. &bdquo;De burgerman moet ons toch allemaal de kost
+geven.&rdquo; En dienzelfden avond had hij Hoyer een riks te leen
+gevraagd, enkel om te pesten. Want hij wist wel dat Hoyer toevallig
+geen geld bij zich zou hebben. Toch heeft zelfs de lange Hoyer er
+naderhand aan moeten gelooven. Japie heeft die malle zalmkleurige jas
+van &rsquo;m geleend en nooit teruggebracht. Maar veel plezier heeft
+Japie er niet van gehad. Ieder oogenblik moest hij er mee in den slag,
+en in Ouderkerk op de brug hebben de pummels er een mouw uitgetrokken.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1248" href=
+"#xd0e1248">77</a>]</span></p>
+
+<p>&bdquo;Kom&rdquo;, zei Japi, &bdquo;kwart over negenen, ik stap op.
+Hoor dien regen eens.&rdquo; Hij ging voor &rsquo;t raam staan.
+&bdquo;Niks te zien&rdquo;, zei i. &bdquo;Je kunt niks zien door dien
+regen. Foei ik ben rillerig geworden, mijn knie&euml;n zijn nog nat.
+Jammer dat je niks in huis hebt.&rdquo; Ik haalde zijn jas. Hij was nog
+zwaar van &rsquo;t water.</p>
+
+<p>&bdquo;Moet je ver door dat weer?&rdquo; vroeg ik. &bdquo;Ik kan wel
+naar de ouwe gaan&rdquo;, zei Japi, &bdquo;maar dat is ook nog een half
+uur. Dat is je nest, <span class="corr" id="xd0e1253" title="Bron: he">
+h&egrave;</span>?&rdquo; Japi schoof &rsquo;t gordijn weg en ging op
+m&rsquo;n ledikant zitten en gaapte. &bdquo;Ik geloof dat ik ziek
+ben&rdquo;, zei i; &bdquo;weet je wat je doen moest, haal voor mijn
+rekening een half maatje ouwe klare, ik zal &rsquo;t je bij gelegenheid
+wel teruggeven.&rdquo; Ik stond daar nog met z&rsquo;n jas over
+m&rsquo;n arm. &bdquo;Trek mijn jas aan&rdquo;, zei i. Ik scharrelde
+naar zolder; m&rsquo;n vest was tamelik droog. De tapper woonde vlak
+bij. Ik schoot Japi z&rsquo;n jas over m&rsquo;n vest. &rsquo;t Natte
+ding maakte me koud en akelig. Zoo ging ik al die trappen af en de
+straat over. Bij den tapper was niks te doen, ik bleef geen tien
+minuten weg. Toen ik boven kwam lag Japi te ronken, aangekleed,
+z&rsquo;n schoenen nog aan. &bdquo;Hallo&rdquo;, riep ik en schudde aan
+z&rsquo;n schouder. Hij mompelde wat. &bdquo;Hallo, jenever.&rdquo; Hij
+keek me lodderig aan en kwam langzaam overeind. &bdquo;O&rdquo;, zei i,
+&bdquo;ik zie &rsquo;t al&rdquo;. Hij dronk een spatje. &bdquo;Daar
+knap ik van op.&rdquo; &bdquo;Zeg&rdquo;, zei i, &bdquo;kan ik hier
+niet maffen? Ik ben vannacht niet op mijn bed geweest en vandaag kon ik
+niet slapen.&rdquo; Wat moest ik doen? Hij kon wel op den grond slapen,
+zei i, als i maar wat onder z&rsquo;n hoofd had. &bdquo;Goddank&rdquo;,
+zei i en smeet zijn twee schoenen tegelijk over den vloer.
+&bdquo;Goddank, dat ik uit die natte krengen ben.&rdquo; Toen hing i
+z&rsquo;n broek over de leuning van een stoel &bdquo;om te
+drogen.&rdquo; Mijn stelletje schoof i op zij; in den hoek legde i de
+boeken van Appi, z&rsquo;n jasje legde i er over heen, z&rsquo;n vest
+hield i aan. Toen <span class="pagenum">[<a id="xd0e1256" href=
+"#xd0e1256">78</a>]</span>nam i mijn beste deken, rolde zich er in,
+dronk nog een spatje en ging met z&rsquo;n hoofd op &rsquo;t stapeltje
+liggen en zei: &bdquo;Wel te rusten.&rdquo;</p>
+
+<p>En ik ging weer aan tafel zitten, keek naar mijn centen en dutte in.
+Toen ik wakker werd knetterde de lamp, de olie was op. Ik kroop in mijn
+ledekant en sliep slecht, door de kou. Japi had nergens weet van.</p>
+
+<p>Toen de dag aanbrak en ik voor de zooveelste maal wakker werd,
+hoorde ik hem rammelen. Hij was bezig thee te zetten, had zelf beneden
+water gehaald, en zich aan m&rsquo;n ontstelde buren voor een neef van
+mij uitgegeven. Hij had best geslapen, hij was alleen een beetje stijf.
+Hij hoopte dat i me niet wakker had gemaakt. &bdquo;Ik heb al
+gegeten&rdquo;, zei i &bdquo;ik geloof dat je niet al te veel brood
+meer hebt.&rdquo; Hij moest weg. Hij wilde Bavink nog spreken die toen
+gemeenlijk &rsquo;s morgens om een uur of tien ging slapen. Hij bracht
+mij een kom thee in bed en stond bij &rsquo;t raam z&rsquo;n kom leeg
+te slurpen. Met twee handen hield i die vast en keek naar buiten.
+&bdquo;Allemaal armoed&rdquo;, zeidi. &bdquo;Nou bonjour hoor, mijn jas
+kan ik zelf wel van de lijn halen.&rdquo; Bij de deur draaide i zich
+nog even om. &bdquo;&rsquo;s Avonds ziet zoo&rsquo;n hok er een boel
+gezelliger uit.&rdquo;</p>
+
+<p>Dat vond ik ook. Ik scharrelde mijn bed uit, koud en beroerd. Op
+tafel lagen m&rsquo;n centen nog. Hij zegt dat hij z&rsquo;n ouwe heer
+niet noodig heeft, dacht ik, en de centen van den burgerman evenmin.
+Zegt u <i>dat</i> wel.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1267">
+<h3 class="normal">V.</h3>
+
+<p>&bdquo;Koekebakker&rdquo;, zei Japi, &bdquo;ik voel me zoo raar van
+binnen.&rdquo; &rsquo;t Was op een middag bij Bavink. Ik had Bavink
+willen spreken, <span class="pagenum">[<a id="xd0e1272" href=
+"#xd0e1272">79</a>]</span>maar die was uit. Japi zat aan tafel met een
+fleschje inkt van een stuiver en een pak kranten voor zich.
+&bdquo;Koekebakker, ik voel me zoo raar van binnen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Je ruikt tenminste degelijk naar jenever&rdquo;, zei ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee&rdquo;, zei Japi, &bdquo;de jenever is &rsquo;t niet. Ik
+geloof dat mijn ziel te groot is.&rdquo; Zoo&rsquo;n uitvreter toch!
+&bdquo;Wat moeten die kranten, Japi?&rdquo; vroeg ik. Japi gaf een klap
+op &rsquo;t pak. &bdquo;Nieuwzen van den Dag, Koekebakker, Nieuwzen van
+den dag. Er zijn er bij van een maand oud.&rdquo; &bdquo;Moet je weer
+solliciteeren, Japi?&rdquo; &bdquo;Juist geraden man. &rsquo;t Gaat zoo
+niet langer. Pak een stoel. Kijk eens aan, K H 14684 Nieuws van den
+Dag. WelEdl. Heeren.&rdquo;&mdash;&bdquo;De hoeveelste is dat?&rdquo;
+vroeg ik.&mdash;&bdquo;De eerste pas. Dat gaat niet zoo gauw. Dat komt,
+omdat jelui nooit in den handel zijn geweest, jelui weet niet, hoe
+&rsquo;n toer dat is. Wat zal je drinken, kerel? Je neemt me wel niet
+kwalijk?&rdquo; en hij doopte z&rsquo;n pen in de inkt en staarde op
+z&rsquo;n papier. &bdquo;Koekebakker&rdquo;, zei Japi, keek hulpeloos
+rond en legde z&rsquo;n pen neer. &bdquo;&rsquo;t Gaat niet, ik ben er
+geen kerel voor. Eenmaal ben ik in den handel geweest. Ik deug er niet
+voor. Ik weet &rsquo;t bij ondervinding. Ik begrijp er niks van. Waar
+is dat allemaal goed voor? Ik ben zoo best tevreden. We zullen dat maar
+weer wegbergen.&rdquo; En hij nam het pak kranten en legde &rsquo;t
+zorgvuldig onder tafel.</p>
+
+<p>&bdquo;Zie zoo, nu zie ik ze niet meer. Jij weet niet wat handel is,
+Koekebakker, anders zou je der niet om lachen. Om te beginnen ga je tot
+je achtiende jaar op school. Heb jij ooit geweten hoeveel schapen er in
+Australi&euml; zijn en hoe diep &rsquo;t Suezkanaal is? Nou juist, daar
+heb je het. <i>Ik</i> heb dat geweten. Weet jij wat polarisatie is? Ik
+ook niet, maar ik <i>heb</i> &rsquo;t geweten. De raarste dingen heb ik
+moeten leeren. Vertaal in &rsquo;t Fransch: <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1286" href="#xd0e1286">80</a>]</span>&bdquo;onder benefice van
+inventaris.&rdquo; Ga der maar tegen aan staan. Je hebt er geen begrip
+van, Koekebakker. Dat duurt zoo jaren. Dan doet je ouwe heer je op een
+kantoor. Dan merk je, dat je al die dingen geleerd hebt om met een
+kwast papier nat te maken. Overigens is &rsquo;t &rsquo;t ouwe
+gedonderjaag, &rsquo;s morgens om negen uur present en urenlang stil
+zitten. Ik vond dat ik op die manier niet opschoot. Ik kwam altijd te
+laat, ik probeerde wel op tijd te komen, maar &rsquo;t wou niet meer,
+ik had &rsquo;t zooveel jaren gedaan. En taai. Ze zeiden dat ik alles
+verkeerd deed, daar <span class="corr" id="xd0e1288" title="Niet in
+bron">zullen</span> ze wel gelijk aan gehad hebben. Ik wilde wel, maar
+ik kon niet<span class="corr" id="xd0e1291" title="Bron: .">,</span> ik
+ben geen kerel om te werken. Ze zeiden, dat ik de anderen van hun werk
+hield. Ook daarin zullen ze wel gelijk gehad hebben. Als ik klaagde,
+dat ik &rsquo;t niks lollig vond en vroeg of ik daarvoor nu op school
+al die wonderlijke dingen had geleerd, dan zei de oue boekhouder:
+&bdquo;Ja jongetje, het leven is geen roman.&rdquo; Bakken vertellen,
+dat kon ik en dat vonden ze leuk ook, maar ze waren er niet tevreden
+mee. De ouwe boekhouder wist al heel gauw niet wat hij met me doen
+moest. Als de baas er niet was maakte ik dierengeluiden, zong komieke
+liedjes, die ze nog nooit hadden gehoord. De zoon van den baas was een
+ingebeelde kwajongen; af en toe kwam i op kantoor om centen te halen.
+Hij sprak vreeselijk gemaakt en keek met een allerellendigst, door
+niets gemotiveerd vertoon van superioriteit naar de bedienden van zijn
+pa. De lui lachten zich een beroerte als ik dien jongeheer nadeed. Ik
+heb daar ook nog een schrijfmachine bedorven en een boek weggemaakt.
+Toen hebben ze me aan een toestel gezet, dat ze de
+&bdquo;guillotine&rdquo; noemden. Daar moest ik monsters mee knippen.
+Dagen lang heb ik daaraan gestaan: alle monsters werden scheef. De lui
+hadden &rsquo;t wel in de gaten, ze hadden niets <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1294" href="#xd0e1294">81</a>]</span>anders verwacht. Ze
+hadden me daar alleen maar aan gezet om erger te voorkomen. Die
+monsters werden weggegooid; die gingen nooit naar de klanten. Toch had
+ik in die dagen nog gelegenheid om een brief verkeerd in te sluiten.
+Natuurlijk was &rsquo;t erg; de man die den brief kreeg mocht niet
+weten, dat de baas zaken deed met den man waaraan i geschreven was. De
+boekhouder was totaal van streek. Toen begreep ik, dat ik maar liever
+heen moest gaan. Ik kreeg een poot van den baas. Ik was zelf ook blij
+dat ik wegging en heb hem hartelijk de hand geschud. Ik heb gezegd, dat
+&rsquo;t me speet, maar dat ik er niets aan doen kon en ik geloof, dat
+&rsquo;k &rsquo;t meende. Zie je, Koekebakker, dat is handel. Ik ben
+daarna nog drie weken volontair geweest op een effectenkantoortje,
+krantjes nakijken met een boek om te zien of de stukken van de klanten
+waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voor bewaard blijven. Ze
+moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Er was geen denken
+aan, dat ze uit &rsquo;t copieboek konden wijs worden. Ik zag wel in
+dat &rsquo;t zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden.</p>
+
+<p>&bdquo;Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat &rsquo;t
+met de jaren wel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. &rsquo;t Lijkt er
+nog niet veel op. &rsquo;k Heb &rsquo;t nog veel te goed zoo. Weet je
+dat Bavink pas een bom duiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef
+met een hooibergje en een kalf. Als je blieft.&rdquo; En hij haalde
+zijn portemonnaie voor den dag. &bdquo;Hij puilt van de centen.
+Koekebakker, jong, hij puilt van de centen. Harde riksjes. Morgen ga ik
+op reis.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Met Bavink?&rdquo; vroeg ik. &bdquo;Neen,&rdquo; zei Japi,
+&bdquo;niet met Bavink, alleen. Ik ga naar Friesland.&rdquo;
+&bdquo;Midden in den winter?&rdquo; Japi knikte. &bdquo;Wat
+doen?&rdquo; Hij haalde z&rsquo;n schouders op. &bdquo;Doen? Niks doen.
+Jelui kerels zijn zoo akelig wijs: alles <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1300" href="#xd0e1300">82</a>]</span>moet een reden en een doel
+hebben. Ik ga naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden.
+Omdat ik er zin in heb.&rdquo;</p>
+
+<p>Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker<span class="corr"
+id="xd0e1304" title="Niet in bron">,</span> naar den sneltrein van
+zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel te wijd was,
+een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aan z&rsquo;n
+voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z&rsquo;n hand hatti een
+papieren sigarenpijpje met een reclame. &bdquo;Wacht even&rdquo;, zei
+i, toen we al beneden waren. &bdquo;Ik heb nog wat vergeten.&rdquo;
+Even daarna kwam i terug met een vischhengel.</p>
+
+<p>Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgen
+wat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een half uur
+vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan het
+portier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabak
+voor hem had.</p>
+
+<p>Na zes weken kwam hij terug met zes knoopen aan zijn jas en een paar
+rooie pluche pantoffels aan zijn voeten. Hij weigerde alle opheldering.
+Waar zijn vischhengel was? Oh, die had i uit den trein laten vallen.
+Hij was ook nog een keer in &rsquo;t water gevallen, zei i. Meer liet
+hij niet los. Blijkbaar had i zich al dien tijd niet laten scheren, hij
+had een kleur van roode baksteen en een lucht van koemest bij zich. Hij
+bracht twee pond tabak mee, die niemand rooken kon. Hij was er aan
+verslaafd en kwam in veertien dagen niet om een sigaar. Toen waren de
+twee pond op, plus een peukie dat hij ook nog had meegebracht. Toen
+bleek dat hij nergens in Amsterdam die tabak kon krijgen. Hij schreef
+er om naar Friesland, maar kreeg geen antwoord. Hij was er beroerd van.
+Maar na een paar dagen zag ik hem toch weer bij Bavink zitten met een
+sigaar in &rsquo;t hoofd, van Bavink natuurlijk. <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1311" href="#xd0e1311">83</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1312">
+<h3 class="normal">VI.</h3>
+
+<p>Den zomer daarop was Japi weer verdwenen. Toen kwam ik hem tegen op
+den Boulevard du Nord in Brussel. Mijnheer was piekfijn, glad
+geschoren, een grijs hoedje, een goudgeel smal zijden dasje, een geruit
+overhemd, een gordel, een wit flanellen jasje met dunne blauwe
+streepjes, een witte linnen broek, van onderen onberispelijk
+omgestreken, bruine sokken met witte ruiten, lage schoenen.</p>
+
+<p>Hoe het ging? Patent. Wat hij daar deed? Op en neer loopen van het
+Gare du Nord naar het Gare du Midi over de boulevards. Of hij zich
+amuseerde? Uitstekend. Waar hij woonde? In Uccle. Wie hij uitvrat? Hij
+lachte, maar gaf geen antwoord. In het Maastrichtsche bierhuis op de
+Place Brouck&egrave;re dronken wij ettelijke potjes zuur bier, waar hij
+verzot op was geworden. Eigenlijk dronk hij al die ettelijke potjes op
+een na, dat ik staan liet. Hij zat weer prinselijk achterover op zijn
+stoel en dronk met waardigheid en smaak, hield een beschouwing over
+asphalt, over de groote markt, over het mooie weer, zei toen dat hij
+naar huis moest en vroeg waar ik logeerde. Dan zou hij mij eens komen
+opzoeken. Daarna betaalde hij de potjes bier, en liet mij in verbazing
+achter.</p>
+
+<p>Begin Augustus kwam hij in Amsterdam terug met een verbonden hoofd.
+In Marchienne aux Ponts had hem een mijnwerker een ge&euml;mailleerd
+etens-pannetje op &rsquo;t hoofd stukgeslagen. Hij was gesjochtener dan
+ooit, zijn ouwe heer hield hem schrikkelijk krap. Tot diep in November
+droeg hij zijn witte broek, die toen allang niet wit meer was. Hij was
+de oude niet meer, hij sprak weinig en rookte veel minder. Als hij bij
+Bavink op &rsquo;t hok kwam en Bavink legde zijn sigaren op tafel, dan
+liet i <span class="pagenum">[<a id="xd0e1321" href=
+"#xd0e1321">84</a>]</span>zich op zijn stoel vallen, hield zijn jas aan
+en zijn hoed op, nam moeizaam een sigaar, beet er langzaam het puntje
+af<a id="xd0e1323"></a> en had moeite om de lucifers te vinden, knoeide
+met aansteken, rookte langzaam en zelden meer dan &eacute;&eacute;n
+sigaar op een avond. Stak hij een tweede op, dan gooide hij een groot
+stuk weg, wat hij vroeger nooit deed. Toen rookte i tot &rsquo;t endje
+te klein werd om vast te houden, dan stak hij er een speld in en rookte
+&rsquo;t zoo op. Het duurde niet lang of i rookte scheef. Eens liet hij
+bij Bavink de kachel uitgaan.</p>
+
+<p>Toen gaven wij hem op.</p>
+
+<p>En toen op een nacht dat het hard vroor, tusschen Kerstmis en
+Nieuwjaar, toen kwam Hoyer dien wij in maanden niet gezien hadden<span
+class="corr" id="xd0e1329" title="Bron: ;">,</span> en nadat we een
+tijd hadden zitten kletsen, vroeg i naar Japi. En toen begon i
+herinneringen op te halen. Of we nog wisten hoe Japi verleden zomer
+(dat was toen zoowat een half jaar geleden) &rsquo;s nachts mee ging
+roeien op den Amstel. Hij zou in de punt gaan zitten om uit te kijken,
+want de Volharding voer toen alles kapot, had nog pas een tjalk in den
+grond gevaren aan den Omval. En Japi zat in het water te kijken naar de
+weerkaatsing van de sterren en zat met zijn rechterhand in het water en
+zag geen Volharding, zoodat de Volharding om voor ons uit te wijken
+bijna in de bocht aan den grond voer. De kerels werden toen kwaad en
+een van hen kwam op de achterplecht en schold ons uit voor nakende
+verdommelingen, en smeet met een steen die een heel eind voor onzen
+boeg in &rsquo;t water plofte. Toen had Bavink gezegd, dat hij &rsquo;t
+wel gedacht had en Japi zei: daar zijn we netjes afgekomen.</p>
+
+<p>&bdquo;Apropos&rdquo;, zei Hoyer toen plotseling (Hoyer werkte nog
+al met burgermanstermen). &bdquo;Apropos, ik heb Japi in Veere gezien
+met een Fransche dame, een verdomd lief wijf. Den <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1334" href="#xd0e1334">85</a>]</span>heelen avond
+hadden die twee samen op &rsquo;t steenen havenhoofd staan praten en
+over de balustrade gekeken naar de lichtboei en &rsquo;t draaiende
+licht van Schouwen en naar de branding geluisterd, en
+&bdquo;bekgetrokken&rdquo; zooals Hoyer &rsquo;t ordinair uitdrukte.
+Bavink zei weer dat i &rsquo;t wel gedacht had en ik zei: &bdquo;ook
+stom, dat hadden we kunnen weten,&rdquo; en toen kwamen wij los over
+Japi en dat hij niet meer zoo uitvrat als we dat van hem gewoon
+waren.</p>
+
+<p>&rsquo;t Duurde nog een maand voor dat Japi los kwam. Zijn ouwe heer
+had een betrekking voor hem gevonden en den eersten Maart zou hij
+aantreden. Hij zei niet dat ie &rsquo;t beroerd vond. Hij zou eens zien
+wat i er van maken kon. Hij zou vijftig gulden per maand verdienen.
+Dien avond vroor het weer hard. De sterren waren helder en ontzettend
+hoog. De kachel was niet aan. Wij zaten met ons drie&euml;n, jassen
+aan, kragen in de hoogte, hoeden op zoo als wij zoo vaak hadden gezeten
+als wij harder waren dan het kapitalistische gemoed en niets meer
+hadden om te verstoken.</p>
+
+<p>Toen begon Japi allerakeligst te boomen. Je zeilde maar met de aarde
+door de ijzige donkere ruimte, de nacht zou niet meer ophouden, de zon
+was weg en ging niet meer op. De aarde joeg voort in de duisternis, de
+ijzige wind huilde er achter aan. Al die werelden zeilden verlaten door
+de ruimte. Als er een tegen je aan zeilde was je verloren, verloren met
+al die 1500 millioen ongelukkige menschen. Japi zat te rillen in zijn
+jas, het vroor in de kamer.</p>
+
+<p>Toen begon i weer anders. De zon kon zoo mooi in de Waal schijnen.
+Bij Zaltbommel had i de zon in de Waal zien schijnen toen i de laatste
+maal met den trein over de brug kwam. Tusschen de brug en de stad
+maakte de zon een groote lichtplek <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1342" href="#xd0e1342">86</a>]</span>in het water. Het water
+stroomde maar, de zon scheen er maar in, honderd, duizend,
+honderdduizend maal. Voor tweeduizend jaar scheen de zon er al in en
+stroomde het water maar. God weet hoe lang al. Meer dan 700,000 maal
+was de zon sedert al opgegaan, meer dan 700,000 maal was i ondergegaan,
+al dien tijd had het water gestroomd. Hij werd beroerd van dat getal.
+Hoeveel regendagen zouden daarbij geweest zijn? Hoeveel nachten zou het
+zoo hard gevroren hebben als nu, en harder? Hoeveel menschen zouden dat
+water hebben zien stroomen en de zon er in zien schijnen en al die
+sterren gezien hebben in de nachten dat &rsquo;t zoo vroor? Hoeveel
+menschen die nu dood zijn? en hoeveel menschen zouden dat water nog
+zien stroomen? En 2000 jaar was nog niets; duizende jaren langer had de
+aarde al bestaan, duizende jaren kon i nog bestaan. Duizende jaren kon
+het water nog stroomen, zonder dat hij het zien zou. En als de aarde
+verging dan was er eigenlijk nog niks gebeurd. Daarna kwam nog zooveel
+tijd, er kwam geen einde aan den tijd. En al dien tijd zou hij dood
+zijn.</p>
+
+<p>Japies tanden klapperden; er was geen spatje jenever in huis en
+niets meer te krijgen op de pof.</p>
+
+<p>Toen werd Japi week. Toen begon i te spreken over Jeanne, zonder
+eenige aanleiding, alsof wij er alles van wisten. En dat haar handjes
+zoo zacht en zoo warm waren, dat haar oogen zoo konden schitteren.
+Donkere oogen had ze en zwart haar. Wij begonnen er mee te zitten. Hij
+deed de akeligste confidenties, over een witte rok met kantjes, over
+een rok van lila zij; over haar kleine witte voetjes, over allerlei
+lichaamsdeelen waar men niet over schrijft.</p>
+
+<p>Op &rsquo;t laatst begon i Fransch te praten, eenige tientallen
+malen hoorden wij het woord &bdquo;ch&eacute;ri&rdquo; en
+&bdquo;ch&eacute;rie&rdquo;. De laatste <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1350" href="#xd0e1350">87</a>]</span>&bdquo;e&rdquo; van
+ch&eacute;rie sprak i uit. Toen sprak i weer Hollandsch en werd
+zakelijker. Zij zou scheiden van haar man, een misselijken
+droogpruimer, twintig jaar ouder dan zij. Dat vonden wij nog al banaal.
+En 1 Maart moest i aantreden op kantoor. Toen wreef i zijn gezicht met
+zijn beide handen en zei: &bdquo;Ik ga weg, geef me een poot.&rdquo; Op
+de trap stommelde i.</p>
+
+<p>Een Maart trad i niet aan. Het werd April voordat hij weer zoover
+was dat hij aan het werk kon gaan. Uitvreten deed i niet meer.</p>
+
+<p>Maanden later op een avond zag Bavink hem zitten ergens drie hoog in
+een kantoorgebouw. Hij zat aan &rsquo;t raam te werken en &rsquo;t
+lokaal was hel verlicht. Bavink liep naar boven. Hij zat alleen en was
+druk bezig. Bavink kon niets uit hem krijgen. Hij werkte maar en zei
+weinig. Bavink snorde overal rond, pakte hier en daar een boek uit de
+rekken, keek er in, zette &rsquo;t weer weg, schudde zijn hoofd, zei
+enkele malen: &bdquo;&rsquo;s jonge, &rsquo;s jonge&rdquo;, draaide aan
+de copieerpers, keek op straat, zette alle ramen open om te
+luchten.</p>
+
+<p>Buiten viel een fijne sneeuw. Vlokken woeien naar binnen. &bdquo;Doe
+<span class="corr" id="xd0e1358" title="Bron: als &rsquo;s">als</span>
+je blieft de ramen dicht&rdquo;, zei Japi en bleef schrijven. Toen
+kreeg Bavink een copieboek te pakken, bladerde en las er in, schudde
+weer herhaaldelijk zijn hoofd en kwam toen bij Japi staan, &rsquo;t
+copieboek geopend in zijn handen.</p>
+
+<p>&bdquo;Zeg, schrijf jij dat allemaal?&rdquo; Japi keek nauwelijks op
+en zei enkel: &bdquo;Niet allemaal.&rdquo; &bdquo;Je bent toch een
+verdomd knappe kerel,&rdquo; zei Bavink, &bdquo;die handel is niet
+makkelijk.&rdquo; Daarna ging Bavink weg. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1363" href="#xd0e1363">88</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1364">
+<h3 class="normal">VII.</h3>
+
+<p>Japi was een harde werker geworden. Kort na het bezoek van Bavink
+zonden ze hem naar Afrika. Binnen de twee jaar was i terug: ziek, half
+dood. Niemand hoorde iets van hem, tot ik hem op een November-namiddag
+zag staan achter den steenen wal bij het haventje van Wijk bij
+Duurstede. Daar stond i naar den modder te staren. Ik had eenige moeite
+hem te herkennen. Hij stak in een enorm wijde grijze jas, die hem veel
+te groot was, een <span class="corr" id="xd0e1369" title="Bron: enorm">
+enorme</span> grijze pet zat hem diep in de oogen en over de ooren. Hij
+had een paar enorme breede bruine schoenen aan met stompe neuzen, en
+enkele jongens achter zich.</p>
+
+<p>Ik dacht: dat lijkt waarachtig Japi wel; en, ja hoor, het was
+&rsquo;m, wat bleek en mager en zonder baard of snor en met een
+wonderlijk starende uitdrukking in zijn oogen, maar het was Japi
+ongetwijfeld.</p>
+
+<p>Japi zag niets, hoorde niets. Ik tikte &rsquo;m op zijn schouder en
+zei: &bdquo;Wat doe jij hier, hoe gaat het, hoe kom je hier?&rdquo; Hij
+gaf me een hand, zei niets, was niet verwonderd. &bdquo;Ik sta maar te
+staren,&rdquo; zei i toen.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat heb ik in de gaten,&rdquo; zei ik, &bdquo;ga je mee een
+borreltje pakken?&rdquo; &bdquo;Goed,&rdquo; zei Japi. De pummels die
+op eenigen afstand, achterover tegen den steenen wal geleund, zich
+eenigen tijd geamuseerd hadden met zeer luide en onhebbelijke glossen,
+groetten nu zeer eerbiedig, omdat ik nogal wat geld verteerd had in
+Wijk bij Duurstede en &rsquo;s Zondags den notaris op zijn schouder had
+geklopt.</p>
+
+<p>Na een borreltje kwam er wat leven in Japi. Gewerkt had i in Afrika,
+last gehad van de hitte en van de beesten en koorts <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1380" href="#xd0e1380">89</a>]</span>geleden,
+meer koorts geleden dan gewerkt of iets anders. Als een geraamte was i
+van den zomer teruggekomen.</p>
+
+<p>Zijn Fran&ccedil;aise leefde in Parijs met een Hollandsch
+jongmensch, sedert onheugelijke tijden <a id="xd0e1384"></a>volontair
+op een kantoor. Had nog een vriend die kolonel was. Had hem in Parijs
+getracteerd en hem in haar gebroken Hollandsch een &bdquo;goeie
+beest&rdquo; genoemd en uitgelachen. Had haar kousenband vastgemaakt
+waar hij bij was, zoodat hij een stukje van haar bloote knie had
+gezien. Had hem daarna weggestuurd. Hij moest er om lachen. Verliefd
+was i niet meer. Een licht blauwe zijden onderrok had zij aan gehad.
+Een keer had i haar met den kolonel op het terras van een kroeg gezien.
+De kolonel deed zeer zelfgenoegzaam en keek woest en verwaten. Achter
+zijn rug om had ze Japi een oogje gegeven. Ze had een borstkwaal en
+haar maanden waren geteld. En altijd even opgewekt; maar loopen kon ze
+nog maar heel slecht.</p>
+
+<p>En wat Japi nu van plan was? of hij nog uitvrat? Z&rsquo;n kantoor
+vrat i uit; iederen laatsten van de maand ging i zijn centen halen.</p>
+
+<p>Of i van plan was nog weer eens zoo&rsquo;n woeste werker te
+worden?</p>
+
+<p>O nee. Te sappel had i zich gemaakt. Vijftien jaar ouder geworden
+was i in de laatste drie, vier jaar.</p>
+
+<p>Toen stak i een versche sigaar op, van mij, een sigaar van een
+dubbeltje, met een bandje, ik was toen in goeden doen. Het bandje deed
+i er af.</p>
+
+<p>Geploeterd hatti, mis&egrave;re gezien hatti. In Marchienne aux
+Ponts en Charleroi was het begonnen. Voor de aardigheid was i daar met
+Jeanne heen gegaan. Na drie dagen had ze er genoeg van gehad. Hij was
+gebleven. Een portretje liet i mij zien; een <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1396" href="#xd0e1396">90</a>]</span>grijnzend doodskopje, het
+dochtertje van een werkman uit een glasfabriek. Zeven kinderen gehad,
+vijf dood, het zesde stierf terwijl hij er in den kost lag, daar was
+dat portretje van. Daar hatti leeren kijken, gezien wat werken was.
+Geld uitgeven hatti altijd verdomde leuk gekund, anderen brachten
+&rsquo;t op. Te sappel hatti zich gemaakt. Socialist had i willen
+worden. Voor z&rsquo;n brood hatti gewerkt, voortgejaagd was i,
+voortgejaagd en gedrukt door menschen en de noodzakelijkheid zooals al
+die anderen. Nachten hatti gewerkt: om &eacute;&eacute;n, twee uur was
+i in Amsterdam van kantoor thuisgekomen en daarna hatti opgezeten,
+gepiekerd, gepend, heele romans hatti geschreven en de paperassen
+verbrand.</p>
+
+<p>Wat kon i doen? Wat bereikten ze met hun allen? Te sappel hatti zich
+gemaakt, gloeiende speechen, woeste artikelen hatti gefantaseerd,
+terwijl i op kantoor zat en werkte voor den handel van zijn baas, hard
+werkte en iedereen zich verwonderde over de massa&rsquo;s werk, die i
+verstouwde. De wereld was blijven draaien, draaide precies zooals
+altijd, zou wel blijven draaien zonder hem. Te sappel had i zich
+gemaakt. Hij was nu wijzer. Hij trok er zijn handen van af. Er waren
+kooplui genoeg en schrijvers en praters en lui die zich te sappel
+maakten, meer dan genoeg.</p>
+
+<p>En altijd zaten ze in angst ergens voor en hadden verdriet ergens
+over. Altijd waren ze bang ergens te laat te komen of van iemand een
+standje te krijgen, of zij kwamen niet uit met hun tractement, of hun
+plee was verstopt, of ze hadden een zweertje, of hun Zondagsche pak
+begon te slijten, of de huur moest betaald worden; dit konden ze niet
+doen hierom en d&aacute;t moesten ze laten daarom. In zijn jongen tijd
+was i nog zoo dom niet geweest. Een sigaartje rooken, een beetje
+kletsen, wat <span class="pagenum">[<a id="xd0e1402" href=
+"#xd0e1402">91</a>]</span>rondkoekeloeren, je verheugen in het zonnetje
+als &rsquo;t er was en in den regen als &rsquo;t er niet was, en niet
+denken aan den dag van morgen, niets willen worden, niets te verlangen
+dan af en toe wat mooi weer.</p>
+
+<p>Je kon &rsquo;t niet volhouden. Dat wist i wel. Het kon nu eenmaal
+niet bestaan of je moest een bom duiten hebben. En die hatti niet. Wat
+zijn ouwe hem kon nalaten was de moeite niet waard. En hij, Japi, vond
+het nu welletjes ook. Hij was nu bezig zijn tijd te verstaren. Bereiken
+kon je toch niets. Hij scharrelde nog wat rond op de plaatsen waar i
+zich vroeger geamuseerd had. Speciaal hield i zich bezig met in
+rivieren te staren. In Dordrecht had i enkele weken starende versleten.
+In Veere had i dagen lang boven op &rsquo;t Hospitaal gekampeerd.
+September had i in Nijmegen doorgebracht.</p>
+
+<p>En toen met eenige variatie herhaalde i zijn oude r&ecirc;verie over
+&rsquo;t water. Van &rsquo;t water dat maar altijd naar &rsquo;t westen
+stroomde, dat iederen avond naar de zon stroomde. In Nijmegen liep een
+ouwe dokter rond, die drie-en-vijftig jaar lang &rsquo;s morgens op
+&rsquo;t zelfde uur dezelfde wandeling had gemaakt. Over &rsquo;t
+Valkhof en aan de Noordzijde naar beneden en de Waalkade af tot aan de
+brug. Dat is meer dan 19300 maal. En altijd stroomde &rsquo;t water
+naar het westen. En dat beteekende nog niets. Het heeft zeker honderd
+maal drie en vijftig jaar naar dien kant gestroomd. En langer. Nu ligt
+de brug er over. Nog maar kort, nog maar wat jaren. En toch heel lang.
+Ieder jaar is 365 dagen, tien jaar is 3650 zonnen. Iedere dag is 24
+uur, en ieder uur gaat er meer door de hoofden van al die tobbende
+menschen dan je in duizende boeken zou kunnen opschrijven. Duizende
+tobbers die de brug gezien hebben, zijn nu dood. En toch ligt i er nog
+maar kort. Veel, veel langer stroomde het <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1408" href="#xd0e1408">92</a>]</span>water daar. En er was een
+tijd toen dat water er niet stroomde. Die tijd is nog veel langer
+geweest. Dood zijn de tobbers gegaan bij honderde en honderde
+millioenen. Wie kent ze nog? En hoeveel zullen er sterven na dezen? Ze
+tobben maar, tot God ze wegraapt. En je zou denken: God zou ze een lol
+doen als i ze plotseling te grazen nam. Maar God weet beter dan jij of
+ik. Tobben willen ze, blijven voorttobben. En onderwijl gaat de zon op
+en onder, de rivier daar stroomt naar &rsquo;t Westen en blijft
+stroomen tot daar ook een eind aan komt.</p>
+
+<p>Neen plannen hatti niet meer, en te sappel maken zou i zich niet
+meer. Daarvoor zou Japi wel oppassen. Een diner accepteerde i dien
+avond nog wel. Zelfs zong i een komiek liedje en stak een malle speech
+af, staande op een stoel.</p>
+
+<p>Eenige maanden heeft Japi nog verstaard. Met zijn gezondheid ging
+het niet al te best en de toelage van zijn kantoor hield op. Den winter
+bracht i in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren, mooie
+huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten, al
+tobbende.</p>
+
+<p>In Mei trok i naar Nijmegen.</p>
+
+<p>Daar schreef i me op een briefkaartje, dat Jeanne aan haar
+borstkwaal gestorven was. Daar hatti op gewacht, schreef i.</p>
+
+<p>Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij
+van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de gaten.
+&bdquo;Maak je niet druk, ouwe jongen,&rdquo; had Japi gezegd, en toen
+was i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten.</p>
+
+<p>Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er
+afgestapt.</p>
+
+<p>Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1424" href="#xd0e1424">93</a>]</span>en aan
+de muur zes briefjes met G.v.d. er op en &eacute;&eacute;n met
+&bdquo;Ziezoo&rdquo;.</p>
+
+<p>De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen
+zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond
+krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog.</p>
+
+<p>Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1430" href="#xd0e1430">94</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="titaantjes" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Titaantjes.</h2>
+
+<div class="div2" id="xd0e1434">
+<h3 class="normal">I.</h3>
+
+<p>Jongens waren we&mdash;maar aardige jongens. Al zeg ik &rsquo;t
+zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink,
+die mal geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden
+hun wel <span class="corr" id="xd0e1439" title="Bron: een">eens</span>
+laten zien hoe &rsquo;t moest. We, dat waren wij<span class="corr" id=
+"xd0e1442" title="Bron: ;">,</span> met z&rsquo;n vijven. Alle andere
+menschen waren &bdquo;ze&rdquo;. &bdquo;Ze&rdquo;, die niets snapten en
+niets zagen. &bdquo;Wat?&rdquo; zei Bavink, &bdquo;God? je praat over
+God? Hun warme eten is hun God.&rdquo; Op enkele &bdquo;goeie kerels<a
+id="xd0e1445"></a>&rdquo; na werd iedereen door ons veracht. Heel
+stilletjes zeg ik daar nu bij: &bdquo;En niet ten onrechte,&rdquo; maar
+dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je weet niet hoe je
+de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer vindt ook dat je geen
+aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor je niks meer. En Kees
+Ploeger praat van die rare kerels die &rsquo;m op den slechten weg
+brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer dwaasheid, de
+uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu, alweer behalve
+Bavink en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg tegen Hoyer:
+&bdquo;we zijn er niet op vooruit gegaan.&rdquo; Maar Hoyer is al te
+ver heen, hij begint bij de bonzen van de <span class="abbr" title=
+"Sociaal Democratische Arbeiders Partij"><abbr title="Sociaal
+Democratische Arbeiders Partij">S. D. A. P.</abbr></span> te hooren, en
+maakt een gebaar van twijfel met z&rsquo;n handen en z&rsquo;n
+schouders.</p>
+
+<p>Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geweest. <i>
+Iets</i> zouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren
+wilde afbreken, Ploeger wilde zijn baas z&rsquo;n eigen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1455" href="#xd0e1455">95</a>]</span>klokken
+laten inpakken en er bij gaan staan met een sigaar in z&rsquo;n hoofd
+en vloeken op die kerels die nooit iets goed konden doen. <i>
+E&eacute;ns</i> waren we &rsquo;t, dat we &bdquo;eruit&rdquo; moesten.
+Waaruit, en hoe? Eigenlijk deden we niets anders dan praten, rooken,
+drinken en boeken lezen. Bavink vrijde bovendien nog met Lien. Achteraf
+bedenk ik, dat we een prachtig stel kerels geweest waren om rijk te
+zijn, maar &bdquo;centen hebben&rdquo; vonden we verachtelijk; alleen
+Hoyer begon daar vrij gauw anders over te denken. Bavink begreep niet,
+waarom die kerels zoo maar in rijtuigen mochten rijden en dure jassen
+aanhebben en andere lui commandeeren, die niet stommer waren dan zij.
+Automobielen zag je toen zoo nog niet.</p>
+
+<p>Heele zomernachten stonden we tegen &rsquo;t hek van &rsquo;t
+Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel
+kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat
+allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zooveel geschreven
+tegenwoordig.</p>
+
+<p>Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van &rsquo;t
+trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en
+waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de
+sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z&rsquo;n
+baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i
+opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte,
+zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan zat
+Bavink met z&rsquo;n hoofd in z&rsquo;n handen, over de zon te praten,
+bij &rsquo;t sentimenteele af. En we vonden dat &rsquo;t zonde was naar
+bed te gaan, dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven.
+Ook dat zouden we veranderen. Kees zat te slapen.</p>
+
+<p>En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1466" href="#xd0e1466">96</a>]</span>behalve
+Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en
+Bekker wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den
+zeedijk met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door
+naar de dansende gouden pijltjes die de zon in &rsquo;t water maakte.
+Stapelmal werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange,
+lange schitterende streep. Maar aan den kant van &rsquo;t water bleef-i
+toch maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer
+aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim stond.
+Bavink sloeg met z&rsquo;n vuist tegen z&rsquo;n voorhoofd en vloekte:
+&bdquo;God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit.&rdquo; Nu
+zit-i in een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd
+niets zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel
+slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er
+beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te <span class="corr"
+id="xd0e1468" title="Bron: snuffen">suffen</span> en meer dan ooit naar
+de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen te staren en erger
+dan ooit naar zes uur te verlangen.</p>
+
+<p>Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naar
+den Ringdijk. Daar zaten we in &rsquo;t gras tusschen de
+boterbloemetjes beneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige
+koeien met hun groote oogen en keken naar ons en wij keken naar de
+koeien. En dan kon je ervan opaan, dat Bavink over Lien begon. Op de
+een of andere manier moeten die koeienoogen daar iets mee uit te staan
+gehad hebben. En dan begon &rsquo;t te schemeren, de kikkers gingen
+kwaken, &eacute;&eacute;n ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn
+schoen, m&rsquo;n eene voet lag bijna in de sloot. Andere hoorde je
+zachtjes, ver, heel ver weg. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien
+in de halve duisternis, hoorde je &rsquo;t gras afschuren. In de verte
+begon er een <span class="pagenum">[<a id="xd0e1473" href=
+"#xd0e1473">97</a>]</span>klagelijk te loeien. Een paard holde heen en
+weer, je hoorde &rsquo;t maar zag &rsquo;t niet. De koe bij ons blies
+en werd onrustig. Bekker zei: &bdquo;&rsquo;t Is hier goeie. Zoo moest
+&rsquo;t maar blijven.&rdquo; Bavink stond overeind en breidde
+z&rsquo;n armen uit en luisterde, en ging daarna weer zitten en zei dat
+we der ook nooit iets van zouden snappen, hij zelf ook niet, en dat we
+eigenlijk niet veel beter waren dan al die andere lui, en ik geloof,
+dat-i daar heel na aan de waarheid was.</p>
+
+<p>Neen, we deden eigenlijk niets. Ons werk op kantoor deden we niet al
+te best, en onze bazen verachtten we, behalve Bavink en Hoyer, die geen
+bazen hadden en niet begrepen, waarom we iederen dag weer naar die
+bazen toegingen.</p>
+
+<p>We wachtten maar. Waarop? Dat hebben we nooit geweten. Bekker zei:
+&bdquo;Op &rsquo;t <span class="corr" id="xd0e1479" title="Bron:
+koninkrijks">koninkrijk</span> Gods.&rdquo; Dat wil zeggen, dat heeft-i
+een keer gezegd zonder zich nader te verklaren. Bavink had &rsquo;t
+altijd over &bdquo;het einde, dat meteen &rsquo;t begin zou
+wezen.&rdquo; Wij vonden dat allemaal volkomen duidelijk en weidden er
+niet verder over uit.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1482">
+<h3 class="normal">II.</h3>
+
+<p>Op den zolder van Kees kwamen we dien zomer bijna iederen avond bij
+elkaar. Kees had ook een &bdquo;hok&rdquo; moeten hebben. Zijn hok was
+&rsquo;t grootste en voor allen makkelijk te bereiken. De buren vonden
+&rsquo;t niks leuk iederen avond dat geloop op de trap. Kees z&rsquo;n
+vader begreep er niks van. Tegenwoordig groet-i me heel beleefd en
+noemt me &bdquo;mijnheer Koekebakker&rdquo;, omdat-i m&rsquo;n naam in
+&rsquo;t Handelsblad heeft gezien.</p>
+
+<p>Bekker had Kees gezegd, hoe-i &rsquo;t doen moest. Ze hadden <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1489" href=
+"#xd0e1489">98</a>]</span>goedkoop bloemetjesbehangsel van 3 centen de
+rol gekocht en dat achterstevoren tegen den muur geplakt, de effe
+groene achterkant buiten. Bekker had een spreuk geschreven met
+sier-letters en die aan den muur geplakt naast de deur.
+&bdquo;J&rsquo;ai attendu le Seigneur avec une grande patience, enfin
+il s&rsquo;est abaiss&eacute; jusqu&rsquo;&agrave; moi.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik weet niet meer waar-i dat vandaan had gehaald. Kees kon &rsquo;t
+niet lezen. Maar Kees had &oacute;&oacute;k iets gedaan. Hij had een
+spa gemaakt en Bekker had die diagonaalsgewijs aan den muur
+geprakkizeerd in &rsquo;t aangezicht van de spreuk. Het was eerst niet
+duidelijk, wat dat moest beteekenen, maar naderhand bleek, dat Bekker
+zich in zijn hoofd had gehaald, dat-i metdertijd op de hei zou gaan
+wonen en daar een brokje land bewerken, dan hoefde-i niet meer naar
+kantoor. Bavink vond dat een mooi idee, maar-i was bang dat Lien er
+geen zin in zou hebben en Hoyer zat liever in de kroeg.</p>
+
+<p>Daar zaten we dan en lieten niets heel. Tenminste niet veel. Ik
+herinner me, dat Zola en Jaap Maris tamelijk ongeschonden bleven en
+misschien nog wel de een of ander. Bekker las uit Dante voor, de
+Prediker en &rsquo;t Hooglied en &rsquo;t boek Job kende-i uit
+z&rsquo;n hoofd. &rsquo;t Was heel indrukwekkend. Van de buitenwereld
+merkte je niet veel op dat hok. Het eenige raam was bijna
+schouderhoogte van den grond; als je aan tafel zat, zag je niet veel
+meer dan een stuk lucht, waar langzamerhand de kleur uitweek, en wat
+sterren, als &rsquo;t donker was.</p>
+
+<p>Schilderen? Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde? Alles
+lieten de lui zich voorzetten, letterlijk alles. Ik moest maar eens een
+schilderij maken. Dat was ik zelf, Koekebakker. Hij zou me zeggen wat
+ik doen moest. &bdquo;Je schildert twee horizontale banen, onder
+elkaar, even breed, een blauwe en <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1497" href="#xd0e1497">99</a>]</span>een goudgele en in &rsquo;t
+midden van die blauwe baan maak je een ronde goudgele vlek. En dan
+zetten <span class="corr" id="xd0e1499" title="Niet in bron">we</span>
+in den catalogus: No. 666 <i>De Gedachte</i>, schilderij. En dan zenden
+we &rsquo;t in op mijn naam: Johannes Bavink, 2de Jan Steenstraat,
+nummer zooveel en we prijzen &rsquo;t voor f 800. Je zult eens zien wat
+ze er in ontdekken. Van alles, waar je zelf nooit een flauw benul van
+gehad hebt.&rdquo;</p>
+
+<p>Bavink was toen nog erg jong.&mdash;Naderhand kwam Lien daar ook en
+zette thee. E&eacute;n keer heeft ze den grond geboend en alles
+afgestoft; maar dat was heel ongezellig. Kees kwam er door in
+verlegenheid, want tegen die juffrouw had de ouwe heer bepaald bezwaar.
+En Bavink was niet zooals we hem graag zagen, wanneer Lien er bij was
+en had een neiging om haar voortdurend te knijpen. Dat was
+hinderlijk.</p>
+
+<p>Gelukkig liet hij haar al heel gauw weer thuis, omdat-i dacht, dat
+Lien mij oogjes gaf. Bekker zei: &bdquo;Meiden, dat is niks&rdquo; en
+rookte met bizonder welbehagen z&rsquo;n steenen pijpje toen ze er voor
+&rsquo;t eerst weer niet bij was. Het was dien avond ook heel
+genoegelijk. Uren lang zaten we in donker. De lamp was gaan zakken en
+daarna uitgegaan. We bleven maar zitten en rookten, uren lang. Af en
+toe zei iemand eens wat. Bavink vond schilderen &rsquo;t stomste dat
+iemand doen kon. Kees begreep er weer niks van. &bdquo;Je moest zoo
+maar stilletjes blijven zitten,&rdquo; zei Bavink en keek naar de
+lucht. Een groote groenachtige ster stond daar te donkeren. &bdquo;Je
+moest zoo maar stilletjes blijven zitten te verlangen zonder te weten
+waarnaar.&rdquo; En hij stopte een versche pijp. <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e1509" href="#xd0e1509">100</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1510">
+<h3 class="normal">III.</h3>
+
+<p>Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet
+die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien,
+twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.</p>
+
+<p>Wij waren boven de wereld en de wereld was boven ons en drukte zwaar
+op ons. Heel in de diepte zagen wij de wereld vol bedrijvigheid en
+verachtten de menschen, de gewichtige heeren vooral, de heeren, die
+&rsquo;t druk hebben en die denken dat zij &rsquo;t aardig ver in de
+wereld hebben gebracht.</p>
+
+<p>Maar wij waren arm. Bekker en ik moesten &rsquo;t grootste deel van
+onzen tijd op kantoor doorbrengen en doen wat die heeren zeiden en hun
+domme opinies aanhooren, als ze met elkaar spraken en verdragen, dat
+zij zichzelf veel flinker en knapper vonden dan ons. En als zij vonden,
+dat &rsquo;t koud was, dan moesten alle ramen dicht en &rsquo;s winters
+moest &rsquo;t licht veel te vroeg op en de gordijnen moesten neer,
+zoodat wij de roode lucht niet zagen en &rsquo;t schemeren in de straat
+niet, en wij hadden niets te vertellen.</p>
+
+<p>En wij moesten in straten wonen, heel bekrompen, met uitzicht op de
+lancaster gordijnen van den overkant en de balletjesfranje en de
+aspedistra in een pot met een onbestaanbare bloem er op.</p>
+
+<p>O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit
+gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen,
+wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden.
+&rsquo;s Zondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooit
+kwamen en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden, die
+wij gezien <span class="pagenum">[<a id="xd0e1523" href=
+"#xd0e1523">101</a>]</span>hadden en terwijl de heeren ons bevalen
+dingen te doen, waarvan wij &rsquo;t nut niet begrepen, dachten wij
+eraan, hoe Zondagavond de zon was ondergegaan achter Abco&ucirc;. En
+hoe wij woordeloos &rsquo;t heelal doordacht hadden, hoe God ons hoofd,
+ons hart en ons ruggemerg gevuld had en hoe mal zij zouden kijken, als
+wij hun dat zouden zeggen. En hoe zij met al hun geld en hun reizen
+naar Zwitserland en Itali&euml; en Godweetwaarheen en met al hun
+knapheid en bedrijvigheid dat nooit zouden kunnen beleven.</p>
+
+<p>Maar met dat al hadden ze ons toch in hun macht, ze legden beslag op
+&rsquo;t grootste deel van onzen tijd, zij hielden ons uit de zon en
+van de weilanden en den waterkant vandaan. Ze dwongen ons voortdurend
+onze gedachten bezig te houden met hun onbegrijpelijke zaken. Maar dat
+ging zoo ver als &rsquo;t voeten had. En zij gaven ons standjes; niks
+waren wij op kantoor. &bdquo;O, Bekker&rdquo; zeiden ze tegen elkaar.
+Welopgevoed waren de heeren; de juffrouw van tweehoog zei: &bdquo;die
+halvegare&rdquo;, daar waren de heeren te welopgevoed voor. En ze waren
+knap, veel knapper dan de juffrouw van tweehoog, wier man
+lantaarnopsteker was, een leuk vak, waar weinig geleerdheid voor noodig
+is. M&rsquo;n baas vroeg me of ik misschien gedichten maakte. Bekker
+vond dat zoo&rsquo;n man dat woord eigenlijk niet mocht uitspreken, dat
+moest niet mogen. &bdquo;Wat zei je tegen hem?<a id=
+"xd0e1527"></a>&rdquo; Ik had niks gezegd, ik had maar naar z&rsquo;n
+gezicht gekeken en gevonden dat-i zoo&rsquo;n dikken kop had en
+gedacht: &bdquo;hij weet niet wien hij voor heeft, daar is hij te dom
+voor.&rdquo; En ze betaalden ons slecht de heeren. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1529" href="#xd0e1529">102</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1530">
+<h3 class="normal">IV.</h3>
+
+<p>En verliefd waren we. Bekker liep maanden <span class="corr" id=
+"xd0e1535" title="Bron: land">lang</span> iederen morgen over de
+Sarphatistraat waar hij niets te maken had. Hij hield van een
+schoolmeisje van een jaar of zeventien en liep vijftig pas achter haar
+of aan de overzij van de straat en keek naar haar. Hij heeft nooit
+geweten hoe zij heette, nooit een woord met haar gesproken. In de
+Kerstvacantie was-i ongelukkig. In Februari nam hij een middag vrij om
+haar op te wachten, als de school uitging. Daar stond-i op &rsquo;t
+stille grachtje in de sneeuw en een vent reed voorbij op een wit paard,
+met een blauwe kiel aan en een stroohoed op. Wat raar dat je juist op
+zoo&rsquo;n middag zoo iets geks moet zien. Maar om vijf minuten voor
+vieren ging Bekker weg, hij dorst niet te blijven staan. Langzaam
+slenterde-i weg en op de Weteringschans haalde ze hem in. Ze <span
+class="corr" id="xd0e1538" title="Bron: lachtte">lachte</span> luid
+tegen een vriendin. Ik geloof niet dat zij ooit geweten heeft dat
+Bekker bestond,</p>
+
+<p>Van mij wilde Bekker weten waar dat op uit moest loopen, dat kon
+toch zoo niet doorgaan. En &rsquo;t ging ook zoo niet door, want na de
+zomervacantie kwam ze niet meer terug.</p>
+
+<p>&bdquo;Meiden,&rdquo; zei Bekker, &bdquo;dat is niks gedaan... <a
+id="xd0e1545"></a>Ze veerde als ze liep.&rdquo; Hij draaide de lamp wat
+op en sloeg een blad om van &rsquo;t boek waar-i in las. &bdquo;Waar
+zou ze nu zijn?&rdquo; &bdquo;Zou ze zoenen?&rdquo; Een stukje vuur uit
+zijn pijp viel op &rsquo;t boek. Hij doofde &rsquo;t met een <span
+class="corr" id="xd0e1547" title="Bron: lucifersdoofje">
+lucifersdoosje</span>. &bdquo;Verdomme, een gat, dat heb ik stom
+gedaan.&rdquo; &bdquo;&rsquo;t Is beter zoo, meiden is niks gedaan, je
+schiet er niet mee op, ze leiden je maar af. Op een afstand zijn ze
+aardig, om gedichten op te maken.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij las. Na een poosje keek hij weer op... &bdquo;Weet je wat een
+raar ding is? Toen ze me dien middag inhaalde ging ze <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1552" href="#xd0e1552">103</a>]</span>rakelings
+langs me heen. Er was zoo te zeggen niks tusschen ons, een beetje
+kleeren van haar en zoo goed als geen kleeren van mij.&rdquo; (Bekker
+liep zomer en winter met z&rsquo;n overhemd op z&rsquo;n bloote lijf).
+&bdquo;Dat is niet veel, <span class="corr" id="xd0e1554" title="Bron:
+vindt">vind</span> je wel?&rdquo; Ik vond dat niet veel; tusschen den
+toren van Naarden en de kamer van Bekker b.v. was veel meer.
+&bdquo;Tusschen den toren van Naarden en deze snor,&rdquo; zei Bekker,
+&bdquo;is veel minder, veel minder dan er toen was<a id="xd0e1557"></a>
+tusschen haar schouder en de mijne. &rsquo;t Haalt er niet bij
+Koekebakker.&rdquo; Hij sloeg weer een blad om, keek in &rsquo;t licht,
+en zei: &bdquo;zoo is &rsquo;t&rdquo; en ging door met lezen.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1559">
+<h3 class="normal">V.</h3>
+
+<p>Zoo was &rsquo;t: God liet zijn aangezicht zien en verhulde &rsquo;t
+beurtelings. Je schoot er niet mee op, ook al bewonderde je de meisjes
+alleen maar uit de verte en al liet je hun bekjes zoenen door anderen,
+door die gewichtige heeren, waar ze over &rsquo;t algemeen meer mee op
+hadden dan met ons. Die waren zooveel netter en praatten zoo aardig. En
+wij waren armoedzaaiers.</p>
+
+<p>Van God was niets te hopen, die gaat zijn eigen weg en geeft geen
+rekenschap. Als we wat wilden moesten we &rsquo;t zelf doen. Maar wij
+vonden, dat Bavink en Hoyer makkelijk praten hadden, die konden
+wat<span class="corr" id="xd0e1566" title="Bron: .">,</span> die konden
+laten zien hoe &rsquo;t moest, maar wij, Bekker en Kees en ik, wij
+konden hoogstens &bdquo;socialen&rdquo; worden en dat leek toch wel wat
+erg armoedig, nadat je aan Gods tafel <span class="corr" id="xd0e1569"
+title="Bron: hadt">had</span> gezeten, adressen te gaan schrijven voor
+drukwerk of lid te worden van de &bdquo;vrije groep Kastanjeplein en
+omstreken.&rdquo; En van dat wonen op de hei zou ook wel niets komen,
+want als Bekker een paar centen bij elkaar had, dan <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1572" href="#xd0e1572">104</a>]</span>moesten
+zijn schoenen gelapt worden. In de kolonie van Van Eeden hadden we
+misschien kunnen gaan, maar toen we op een Zondag er heen waren
+geloopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel,
+met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak,
+blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen
+genoemd werd, en z&rsquo;n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet
+verder en liepen maar weer naar Amsterdam terug en liepen achter elkaar
+langs de Naarder trekvaart en zongen, en een boerenmeid zei tegen een
+boerenjongen: &bdquo;D&rsquo;r het niks van in de krant &rsquo;estaan
+jong, hoe vin je dat nou? wist jai d&rsquo;r van?&rdquo;</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1574">
+<h3 class="normal">VI.</h3>
+
+<p>Dus deden we maar niks. Ja toch, in dien tijd maakte Bekker
+z&rsquo;n eerste gedicht.</p>
+
+<p>&rsquo;k Weet &rsquo;t nog heel goed, &rsquo;t was op een Zondag,
+natuurlijk. Als er iets gebeurde, dan was &rsquo;t op Zondag. Want de
+zes andere dagen van de week droegen drie van ons onze ketenen van
+negen tot zes.</p>
+
+<p>Ik was uit solliciteeren geweest in Hillegom bij een bollenhandelaar
+met dikke roode gladgeschoren wangetjes. En de anderen hadden er meteen
+een uitgangsdag van gemaakt. Bavink, Hoyer en Bekker hadden alle drie
+al zoo vaak naar &rsquo;t oudheidkundig museum in Leiden gewild en nu
+zou &rsquo;t er dan van komen. En Kees moest mee, die deed wat de
+anderen deden. In Leiden zou ik hen vinden.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was in December. Ik stond achter op de tram, heelemaal
+achter op. De tram reed maar door &rsquo;t land en stond stil en reed
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1585" href=
+"#xd0e1585">105</a>]</span>weer, uren duurde &rsquo;t, de landen lagen
+eindeloos. En de lucht werd hoe langer hoe blauwer en de zon scheen
+alsof er bloemen moesten groeien uit de boerenkinkels. En de roode
+daken in de dorpen en de zwarte boomen en de akkers, veel met riet
+gedekt, hadden het lekker warm, en de duinen stonden in de zon met hun
+bloote hoofd. En de straatweg lag daar wit en pijnlijk in &rsquo;t
+licht en kon de zon niet verdragen en de ruiten van de dorpslantaarns
+flikkerden, ook zij verdroegen met moeite &rsquo;t felle licht.</p>
+
+<p>Maar <i>ik</i> werd hoe langer hoe kouder. En zoo lang als de zon
+scheen, reed de tram. &rsquo;t Is een lange rit van Hillegom naar
+Leiden en de dag is kort in December. En op &rsquo;t laatst stond er
+een lijk op de tram te staren in die malle groote koude zon, die vlamde
+als of de revolutie moest beginnen, alsof ze in Amsterdam bezig waren
+de kantoren af te breken, en die geen vonkje leven in m&rsquo;n koude
+voeten en dooie beenen kon brengen. En de zon werd steeds grooter en
+kouder en ik werd steeds kouder en bleef even groot. En de blauwe lucht
+keek vreeselijk ernstig: &bdquo;Wat moest ik toch op die
+tram?&rdquo;</p>
+
+<p><i>Dien</i> middag maakte Bekker z&rsquo;n eerste gedicht. En toen
+ik met &rsquo;t aansteken van de gaslantarens in Leiden aankwam en de
+onsterfelijken naast elkaar op een lange bank vond zitten in de derde
+klas wachtkamer van &rsquo;t station, bij de kachel, toen moest ik mee
+&rsquo;t gedicht ondergaan. &rsquo;t Was heel mooi. Of &rsquo;t geen
+naam had? Bekker schudde van nee. Maar Bavink en Hoyer schreeuwden, dat
+ze gezien hadden, dat er iets boven stond. Een burgerheer zei:
+&bdquo;Opscheppers&rdquo; tegen den man, die aan de deur z&rsquo;n
+kaartje knipte. Bavink had &rsquo;t papier te pakken, Wat stond er
+boven? <a id="xd0e1596"></a>Natuurlijk? &bdquo;Aan haar.&rdquo; Dat had
+ik z&oacute;o wel geweten. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1598"
+href="#xd0e1598">106</a>]</span></p>
+
+<p>Bavink vond dat er een schepje op de kachel moest, maar kon de
+kolenschep niet vinden. Ze nemen in die wachtkamers altijd den
+kolenschep mee, anders stookt &rsquo;t publiek te hard.</p>
+
+<p>Toen gooide Bavink de steenkolen met z&rsquo;n handen in de kachel
+en kreeg mot met een kerel met een witte kiel aan.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was heel lollig dien avond. In den trein vielen Kees en
+Hoyer in slaap. Bavink zat te praten met een Haagsch juffertje en de
+lucht van heliotroop op te snuiven die haar lieve leden ontsteeg.</p>
+
+<p>Toen begon Bekker weer over de hei te praten. Daar wilde-i
+stilletjes wonen en maar afwachten wat God met &rsquo;m voorhad. <i>
+Doen</i> kon je niks. Hij was erg weemoedig. Ik had bezwaar tegen die
+hei: &rsquo;t is er zoo droog. En ik vroeg Bekker waar-i van leven
+wilde<span class="corr" id="xd0e1610" title="Bron: ;">,</span> dat
+boeren van kantoorheeren lukt gemeenlijk niet al te best, behalve in
+Amerika, waar allerlei leugens van geloofd worden. Maar hij maakte zich
+daarover geen zorg. Hij had niks noodig.</p>
+
+<p>Nu weet hij beter. God alleen heeft niks noodig. En dat is nu juist
+&rsquo;t groote verschil tusschen God en ons.</p>
+
+<p>Er is dan ook niks van gekomen van die hei.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1617">
+<h3 class="normal">VII.</h3>
+
+<p>Wij zaten met z&rsquo;n vieren bij Zandvoort in &rsquo;t fijne witte
+zand aan den voet van &rsquo;t duin en keken naar zee. Kees was er niet
+bij. &rsquo;t Was in &rsquo;t laatst van Juli. Om zeven uur stond de
+zon nog hoog boven de zee, maakte, alweer, ik kan &rsquo;t niet helpen,
+&rsquo;t is God zelf die steeds in herhalingen vervalt, maakte alweer
+een lange gouden streep op &rsquo;t water en scheen op onze gelaten.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1622" href=
+"#xd0e1622">107</a>]</span></p>
+
+<p>Aan den gezichtseinder voer een sleepboot en rees en daalde; als-i
+daalde zag je enkel de stoompijp.</p>
+
+<p>Bekker zou den volgenden dag naar Duitschland gaan. Door zijn groote
+talenkennis had-i een betrekking gekregen als correspondent op een
+fabriek. En Hoyer ging naar Parijs, schilderen.</p>
+
+<p>Bekker vooral was weer erg weemoedig. Hij wou dat-i dat baantje maar
+niet aangenomen had. Hij begreep niet goed meer waarom-i &rsquo;t
+gedaan had. Twee uur was-i in dat ellendige fabrieksstadje geweest om
+zich voor te stellen. Ziek was-i er geworden, heimwee had-i er
+gekregen. Zoo gauw mogelijk was-i naar &rsquo;t station gevlucht. Daar
+lagen gelukkig de rails nog, onafzienbaar, recht, tot aan den horizon,
+de weg naar Amsterdam. En zijn biljet had-i voor den dag gehaald. En er
+had nog duidelijk opgestaan: &bdquo;nach Amsterdam&rdquo;. En op tijd
+was de trein gekomen en had &rsquo;m over de rails naar huis gereden.
+En toen-i aan &rsquo;t Centraal station was afgestapt, toen had-i in de
+volheid zijns gemoeds een praatje gemaakt met den machinist en hem een
+sigaar gegeven, een dure, en even de locomotief met z&rsquo;n hand
+aangeraakt en gedacht: &bdquo;aai locomotief&rdquo;. En toch had-i dat
+baantje aangenomen. &rsquo;t Gaf een boel meer dan-i hier verdiende. En
+nu moest-i weg en zou den Ringdijk niet meer zien. En al dien tijd
+zouden die rails daar liggen, maar hij zou hoogstens daarginds op
+&rsquo;t perron kunnen staan en er naar kijken en de treinen zien
+vertrekken, &rsquo;s avonds, en &rsquo;s Zondags den geheelen dag, vele
+malen.</p>
+
+<p>Nu was de zon lager en rood, de gouden streep was weg. &rsquo;t Was
+een warme, stille avond. Het roode water rimpelde wat, de branding
+rolde langzaam en ruischte maar zacht.</p>
+
+<p>Bekker had een theorie, dat-i zou sparen en terugkomen en <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1633" href="#xd0e1633">108</a>]</span>op de
+hei gaan wonen. Maar hij geloofde er zelf niet aan in zijn hart. En wij
+probeerden &rsquo;t te gelooven, zelfs Hoyer probeerde &rsquo;t en wij
+overtuigden ons zelf dat &rsquo;t zoo gaan zou, maar wij geloofden
+&rsquo;t niet. En &rsquo;t is ook zoo niet gegaan. Na een jaar is
+Bekker teruggekomen. Hij had een paar honderd gulden overgehouden en
+liep weer iederen morgen om half negen in de Linnaeusstraat met
+z&rsquo;n brood in een zeiltje. Een mensch heeft veel noodig.</p>
+
+<p>Maar dien avond dachten wij niet aan zeiltjes met brood. Wij deden
+erg ons best om te gelooven, dat wij er nog heel wat van terecht zouden
+brengen. Verbazen zouden wij de wereld, zoo kalm en onaanzienlijk als
+wij daar zaten met opgetrokken beenen en onze acht handen om onze
+knie&euml;n. Hoyer had zich voorgenomen allerlei gemeene dingen te
+schilderen. In een tijdschrift had-i een artikel gelezen over de
+sociale taak van den kunstenaar, hij was er nu achter. Hij begon een
+dispuut met Bekker over de hei. Het was mirakel geleerd. Hij probeerde
+Bekker te overtuigen, dat &rsquo;t verkeerd was zich af te zonderen van
+de wereld en naar die hei te gaan, waar-i toch nooit naar toe zou gaan.
+Een kunstenaar behoort te staan midden in &rsquo;t moderne leven.</p>
+
+<p>Van mij wilde Hoyer weten hoe <i>ik</i> er over dacht. Ik zei maar,
+dat ik er nooit over gedacht had. Ik begreep ook niet wat-i wilde, hij
+<i>wist</i> &rsquo;t immers, waarom moest-i nu nog weten hoe ik er over
+dacht.</p>
+
+<p>Alleen Bavink zei niets, hij zat met z&rsquo;n kin op z&rsquo;n
+knie&euml;n en ontving de zon in z&rsquo;n hart. De zon was nu zoo plat
+als een suikerboon en dof rood, hij was bijna weg.</p>
+
+<p>Hoyer kon er niet bij blijven zitten. Hij sprong op en nam Bekker
+mee. Zij wandelden langs &rsquo;t strand, in de verte hoorde <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1649" href="#xd0e1649">109</a>]</span>we
+Hoyer schreeuwen, blijkbaar wond-i zich op. Bavink en ik bleven nog
+even zitten, toen drentelden wij zachtjes achter hen aan. &rsquo;t Leek
+me niets leuk een levensbeschouwing te hebben, Hoyer schreeuwde
+zoo.</p>
+
+<p>Bavink en ik stonden stil en keken naar de punten van onze schoenen
+en naar &rsquo;t aanrollen van de verloopende golven. De zon was weg,
+de roode schijn op &rsquo;t water begon te verbleken, in &rsquo;t
+zuiden klom een blauwige duisternis. Er was een geur van modder. In de
+verte, bij &rsquo;t dorp, gingen plotseling de booglampen aan bij
+&rsquo;t strand.</p>
+
+<p>&bdquo;Begrijp jij dat,&rdquo; vroeg Bavink, &bdquo;van die sociale
+taak?&rdquo;</p>
+
+<p>Ik haalde m&rsquo;n schouders op. &bdquo;Wat zou dat voor &rsquo;n
+vent zijn, die dat artikel geschreven heeft? Heb jij
+verantwoordelijkheidsgevoel, Koekebakker<span class="corr" id=
+"xd0e1657" title="Bron: .">?</span>&rdquo; Daar had Hoyer &rsquo;t ook
+over gehad.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoyer praat machtig mooi,&rdquo; zei Bavink. &bdquo;Machtig
+mooi. <i>Ik</i> heb geen verantwoordelijkheidsgevoel. Ik kan me daar
+niet mee ophouden. Ik moet schilderen. Een lolletje is &rsquo;t niet.
+Wat zei-di ook weer?&rdquo; &bdquo;Wie?&rdquo; vroeg ik. &bdquo;Die
+vent in dat boek, wat zei-di ook weer dat kunstenaars waren?&rdquo;
+&bdquo;Gebenedijden, Bavink.&rdquo; &bdquo;Weet je wat ik denk,
+Koekebakker? Dat &rsquo;t dezelfde vent is, die de spoorboekjes gemaakt
+heeft. Daar heb ik ook nooit iets van begrepen, hoe iemand dat kon. <a
+id="xd0e1665"></a>Gebenedijden<span class="corr" id="xd0e1667" title=
+"Bron: ..">...</span> God is overal? Of niet, Koekebakker? Dat zeggen
+ze toch?&rdquo;</p>
+
+<p>Ik knikte. De duisternis begon nu overal uit &rsquo;t water te
+klimmen, in &rsquo;t noordwesten hield de kim nog wat gelige en
+groenige gloed, boven onze hoofden trok &rsquo;t laatste licht weg.
+Wolken waren er niet.</p>
+
+<p>&bdquo;Dus hij is overal,&rdquo; zei Bavink. &bdquo;Daar en daar en
+daar.&rdquo; Met uitgestrekte arm wees hij om ons heen. &bdquo;En daar
+achter <span class="pagenum">[<a id="xd0e1674" href=
+"#xd0e1674">110</a>]</span>die zee, in &rsquo;t land dat wij niet zien.
+En daar, bij Driehuis, waar de booglampen staan. En in de Kalverstraat.
+Ga eens met je rug naar &rsquo;t water staan en luister. Kan jij eruit
+blijven?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Waaruit?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Uit die zee?&rdquo; Ik knikte van ja, dat kon ik best.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik nauwelijks,&rdquo; zei Bavink. &bdquo;&rsquo;t Is zoo raar
+dat weemoedige geluid achter je. &rsquo;t Is net of zoo&rsquo;n zee wat
+van me wil. Daarin is God ook, God roept. &rsquo;t Is waarachtig geen
+lolletje, overal is-i. En overal roept-i Bavink. Je wordt mal van je
+eigen naam, als-i zoo dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink
+schilderen. Dan moet God op een brokkie linnen met verf. Dan roept
+Bavink &bdquo;God.&rdquo; En zoo blijven ze mekaar roepen. Voor God is
+&rsquo;t een spelletje, die is oneindig en overal. Hij roept maar. Maar
+Bavink heeft maar &eacute;en dom hoofd en &eacute;&eacute;n domme
+rechterhand en kan maar aan &eacute;&eacute;n schilderijtje te gelijk
+werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en verf. Dan
+is God overal, behalve waar Bavink &rsquo;m hebben wil. En dan komt er
+een vent en schrijft dat Bavink gebenedijd is. En Hoyer leert dat uit
+z&rsquo;n hoofd en loopt er over te zwetsen tegen Bekker. Zeg wel
+gebenedijd. Weet je wat ik wou? Dat ik spoorwegboekjes kon maken.
+Zoo&rsquo;n vent laat God met vrede, die is &rsquo;m de moeite niet
+waard.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik presenteerde Bavink een sigaar en stelde voor naar Driehuis te
+gaan. Ik had trek in koffie. Ik vond het niet mooi van Bavink een
+verdienstelijk heer zoo te kleineeren. Achter ons aan kwamen Hoyer en
+Bekker terug en hadden &rsquo;t nog erg druk.</p>
+
+<p>Om elf uur stonden we dien avond nog weer aan &rsquo;t strand in de
+nacht. Er was wat wind komen opzetten, de golven ruischten. Een weinig
+drank had de weemoed en de somberheid verdreven. Een nieuwe tijd zou
+aanbreken. Bekker zou in de eenzaamheid <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1686" href="#xd0e1686">111</a>]</span>van zijn Duitsche kosthuis
+Dante vertalen, zooals nog nooit iemand &rsquo;t gedaan had. Bavink had
+een groot doek in z&rsquo;n hoofd, een gezicht op Rhenen, hij was daar
+eens een dag geweest, duidelijk zag hij alles voor zich. En Hoyer ging
+werken aan z&rsquo;n sociale taak; ze zouden er van opkijken. En ik
+probeerde &rsquo;t allemaal te gelooven.</p>
+
+<p>De koele wind woei om ons heen. De zee ruischte klagend, de zee, die
+klaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan &rsquo;t land.
+Mijn gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen.</p>
+
+<p>Een nieuwe tijd zou aanbreken, nog konden wij groote dingen tot
+stand brengen. Ik deed mijn best &rsquo;t te gelooven,
+h&eacute;&eacute;l erg mijn best.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1692">
+<h3 class="normal">VIII.</h3>
+
+<p>In Rhenen stond ik in de schemering op de brug over den spoorweg en
+keek naar &rsquo;t Noorden. In de diepte lag de spoorlijn tot den
+gezichtseinder, aan beide zijden er van rees de berg steil op, begroeid
+met lichtgroen gras en donkergroene brem vol gele bloemen. Ik keek er
+naar hoe de bergwanden <span class="corr" id="xd0e1697" title="Bron:
+geleidedelijk">geleidelijk</span> lager werden, tot ze<span class=
+"corr" id="xd0e1700" title="Niet in bron">,</span> heel ver<span class=
+"corr" id="xd0e1703" title="Niet in bron">,</span> overgingen in de
+vlakte.</p>
+
+<p>Weer begon de duisternis geheimzinnig naar boven te kruipen uit de
+aarde, zooals ik dat zoo dikwijls gezien had. Bevreesd en bangelijk lag
+&rsquo;t laatste licht van den dag op den berg, de spleet was vol
+duisternis, een rood licht was opgetrokken aan een paal aan de
+spoorlijn. De lucht was wat grijs beslagen en keek kleurloos neer op
+den verslagen dag.</p>
+
+<p>Zes jaar was ik weggeweest en nu stond ik daar, pas in <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1710" href="#xd0e1710">112</a>]</span>Holland
+terug, op de plaats waaraan ik zoo vaak had gedacht, waarover ze mij in
+bijna iederen brief hadden geschreven. (Bavink schreef me ieder jaar
+zeker wel twee keer en Bekker wat vaker), op den berg waarvan Bavink
+mij in den loop van den tijd zeven teekeningetjes had gestuurd en
+waarop Bekker twee heel kleine versjes had gemaakt.</p>
+
+<p>Naar Holland was ik gekomen om armoe te lijden en artikeltjes en
+verhaaltjes te schrijven in &rsquo;t buurtje waar ik zoo lang gewoond
+had. En mijn laatste twee rijksdaalders wilde ik verteren in de stad
+die in mijn afwezigheid een korte poos de hoofdstad der wereld was
+geweest.</p>
+
+<p>In &rsquo;t Noorden verslond de duisternis &rsquo;t licht mateloos,
+nu was de berg weldra verzwolgen, &rsquo;t laatste geleide van den dag
+vluchtte in &rsquo;t Noordwesten overhaast en ik stond op &rsquo;t
+bruggetje aan &rsquo;t niet, omspoeld door de oneindigheid.</p>
+
+<p>Ik legde mijn elboog op de leuning en hield m&rsquo;n kin met
+m&rsquo;n hand vast en keek in de duisternis en dacht aan de platte
+roode zon, die<span class="corr" id="xd0e1718" title="Niet in
+bron">,</span> lang geleden, in de groene golven van den Atlantischen
+oceaan was ondergegaan, de golven die opliepen met scherpe randen en
+holle flanken en vielen en opliepen en nu nog oploopen en vallen. En
+aan de gele lichten in de armelijke buurtwinkeltjes in Amsterdam, die
+ik nu spoedig weer zou zien en die iederen avond hadden geschenen,
+terwijl de oceaan golfde.</p>
+
+<p>En de vage verwachtingen van vroeger stegen weer in mij op en het
+verlangen, zonder te weten waarnaar.</p>
+
+<p>Doch er kwam een gevoel bij, dat ik vroeger niet gekend had. Voorbij
+waren al die dagen gegaan en voorbij zouden nog vele dagen gaan, en al
+die dagen zouden mijn verwachtingen onvervuld blijven en mijn
+verlangens onbevredigd. Jaren had <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1725" href="#xd0e1725">113</a>]</span>Bavink met tusschenpoozen
+gewerkt aan zijn gezicht op Rhenen, aan de rivier, den berg, den
+Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de roode daken van &rsquo;t
+stadje, de kastanjes met hun witte en roode bloemen en de bruine beuken
+tusschen de huizen in de hoogte, en &rsquo;t molentje ergens op den
+berg. Jaren had Bekker in &rsquo;t villaatje op <span class="corr" id=
+"xd0e1727" title="Bron: een">den</span> berg, dat Bavink gehuurd had,
+iederen Zondag Dante vertaald en gedichtjes geschreven soms, jaren had
+ik over de wereld gezworven. En wat was er nu nog gebeurd? Wat
+beteekende dat alles voor de wereld, voor God, voor ons zelf?</p>
+
+<p>Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, en mijn
+hart had <span class="corr" id="xd0e1732" title="Niet in bron">
+naar</span> de verte getrokken en naar de roode luchten in &rsquo;t
+westen. Doch al had ik van den toren kunnen vliegen naar de verten, dan
+zou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden en
+opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben. En wat baat mij
+de wijsheid, die mij leert dat &rsquo;t niet anders kan en zoo blijven
+zal in eeuwigheid?</p>
+
+<p>Iederen dag hadden wij verlangd zonder te weten waarnaar. En
+eentonig was &rsquo;t geworden. Eentonig werd &rsquo;t opgaan van de
+zon en &rsquo;t ondergaan en &rsquo;t schijnen van de zon in &rsquo;t
+water en &rsquo;t schuiven der witte wolken. En ook de donkere luchten
+werden eentonig, en &rsquo;t bruin en geel worden van de bladen, en de
+bladerlooze kruinen en de armoedige drassige weilanden in den winter,
+al die dingen die ik zoo vaak gezien had en waaraan ik zoo vaak had
+gedacht in mijn afwezigheid en die ik zoo vaak weer zou zien, als ik
+niet stierf. Wie kan z&rsquo;n leven doorbrengen met te kijken naar al
+deze dingen, die zich steeds herhalen, wie kan blijven verlangen naar
+niets? Hopen op een God die er niet is? <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1737" href="#xd0e1737">114</a>]</span></p>
+
+<p>En nu bloeiden weer de brem en de seringen en de appelboomen en de
+kastanjes en de zon had al weer fel gebrand. En vol ontroering had ik
+dit alles weergezien.</p>
+
+<p>En terwijl ik daaraan dacht, weken de vage verwachtingen en
+verlangens.</p>
+
+<p>God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen
+staan er vol schoone bloemen, die niet sterven en statige vrouwen
+wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en
+schijnt laag en hoog en weer laag en &rsquo;t eindelooze gebied is
+eindeloos &rsquo;t zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren
+stroomen er door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren
+&rsquo;t licht naar de zee.</p>
+
+<p>En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk
+en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie
+&rsquo;t water stroomen, voortdurend stroomen naar &rsquo;t
+onbekende.</p>
+
+<p>En &rsquo;t onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de
+schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor de wind
+ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid, dat dit
+alles bestaat, omdat ik &rsquo;t zoo verkies te denken. En ik ben
+dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan en
+voel mij God, de oneindigheid zelf.</p>
+
+<p>Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te
+beseffen. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1754" href=
+"#xd0e1754">115</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1755">
+<h3 class="normal">IX.</h3>
+
+<p>Toen ik den volgenden ochtend tegen negenen in Amsterdam aankwam en
+op &rsquo;t plein voor &rsquo;t Centraalstation stond, zag ik allerlei
+electrische trammen die ik daar nog nooit gezien had en
+huurauto&rsquo;s en agenten van politie met petten op inplaats van
+helmen. Maar &rsquo;t Damrak hadden ze nog niet gedempt, ik zag de
+achterkanten van de huizen van de Warmoesstraat weer vlak aan &rsquo;t
+water staan en den toren van de Oudekerk aan &rsquo;t eind er boven
+uit. Dat was dus nog in orde.</p>
+
+<p>En daar liepen ook weer diezelfde nette heeren, wier haar altijd
+even netjes zit, die nooit een kreukel in hun jas of een spatje modder
+op hun schoenen hebben. En ze zagen er weer uit als of ze &rsquo;t nog
+altijd enorm goed wisten, en vonden dat ze vrijwel geslaagd waren in
+&rsquo;t leven. En vriendelijk en beleefd waren ze weer tegen elkaar.
+Hun kleeding was een kleinigheid anders dan een jaar of wat geleden,
+maar nog even degelijk. En je kon zien dat zij nog altijd met alles in
+&rsquo;t reine waren. Een jas was nog altijd een jas en een vest een
+vest, en een fatsoenlijke vrouw een fatsoenlijke vrouw en een meid een
+meid. Het kwam allemaal nog precies uit. Ook wisten ze nog precies wie
+en wat beneden hun stand was; ik twijfelde er niet aan. En ook &rsquo;t
+Rokin zou wel gedempt komen als ze er aan toe waren.</p>
+
+<p>Met lijn twee reed ik over de Nieuwezijds Voorburgwal. Het was maar
+goed dat ze die gedempt hadden lang geleden, anders had de tram daar
+allicht niet kunnen rijden en je kon nu ook overal makkelijk van den
+eenen kant naar den anderen oversteken.</p>
+
+<p>Met lijn twee, de lijn bij uitnemendheid der nette en gewichtige
+heeren. Een paar vreeselijk gewichtige heeren waren in de <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1766" href="#xd0e1766">116</a>]</span>tram, <i>
+niets</i> was ik daarbij. Vroolijk scheen het zonnetje op den
+Voorburgwal, &rsquo;t groen der boompjes was nog wat licht en ik zag
+dat de schaduw van de Nieuwe kerk den overkant der straat niet raakte,
+lang niet. En ik herinnerde me, dat ik jaren geleden, ook in &rsquo;t
+laatst van Mei dezelfde schaduw precies zoo gezien had. En dat ik op
+een zonnigen winterdag, toen over de Voorburgwal nog geen tram reed,
+door de schaduw van die kerk geloopen had, die toen de heele breedte
+van de straat bedekte. Nu raakte hij de rails niet, de tram reed in de
+zon voorbij de kerk. En over enkele maanden zou dezelfde wagen (hij was
+nog heel nieuw) op dezelfde plaats door die schaduw rijden. En toen ik
+weer naar die twee vreeselijk gewichtige heeren keek vond ik, dat al
+dien tijd dat Rhenen de hoofdstad der wereld geweest was, er eigenlijk
+al heel weinig in die wereld veranderd was.</p>
+
+<p>En ik dacht, wanneer die twee heeren dood zouden gaan en naakt
+zouden aankomen voor de rechtbank des Heeren, en hier vergeten zouden
+zijn. En dat er vreeselijk gewichtige heeren na hen zouden komen. En of
+ze hun stomme aplomb zouden bewaren, als ze daar boven zouden aankomen
+zonder hun gepoetste schoenen? En hoe &rsquo;t gaan zou met die nette
+scheidingen in hun haar? En of ze dan zouden uitkomen met hun stupide
+vertoon van meerderheid, of er niet een kleinigheid op die gezichten te
+lezen zou zijn, als ze daar die andere, nog gewichtiger heeren zouden
+ontmoeten, die ze zooveel jaren hadden hooggeacht, ook naakt?</p>
+
+<p>En hoeveel idealistische jongelingen in dien tijd opstellen
+geschreven en gedichtjes en schilderijtjes gemaakt en zich opgewonden
+en gedweept zouden hebben. En gezoend. En daarna ook gewichtig zouden
+zijn geworden misschien, en ook vergeten. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e1775" href="#xd0e1775">117</a>]</span></p>
+
+<p>Toen kwam er een meisje met een viool in de tram en keek met haar
+zwarte <span class="corr" id="xd0e1778" title="Bron: ooges">
+oogjes</span> naar de puntjes van haar schoentjes, en ik keek naar de
+ronding van haar zomermanteltje en vergat die nette heeren.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1781">
+<h3 class="normal">X.</h3>
+
+<p>Hoyer vond ik thuis. Hij woonde heel netjes in een straatje van den
+tweeden rang, achter &rsquo;t Concertgebouw. Hij ontving me in een
+zitkamer, waar ik niet durfde loopen, er lag zoo&rsquo;n duur kleed.
+Zijn gordijnen waren van pluche, z&rsquo;n stoelen bekleed met geel
+moquette, op den schoorsteen stond een zwarte pendule met candelabres
+en ik meen dat ik ook nog ergens een bronzen paard heb gezien, allemaal
+dingen uit dure bazars. Goed zitten durfde ik ook niet, ik zat al dien
+tijd op de punt van een stoei, maar ik geloof niet, dat Hoyer daar iets
+van gesnapt heeft.</p>
+
+<p>Hoyer had kolossaal geboft. Ze hadden de ouwe stomme streek
+uitgehaald een naaktfiguur van hem te weigeren. De <i>Wellust</i> had
+hij de dame genoemd en ze was inderdaad, laat ik maar zeggen, omdat ik
+voor een fatsoenlijk tijdschrift schrijf &bdquo;heel lief.&rdquo; En nu
+woonde Hoyer heel duur op gemeubileerde kamers, bij een nette weduwe
+met drie namen, waar ook een vrouwelijke advocaat in huis was en een
+assistent-resident met verlof, met vrouw en kind. En hij at
+buitenshuis, want de weduwe was veel te net om voor eten te zorgen.
+Schoenen poetsen was extra.</p>
+
+<p>En ik zat al dien tijd op de punt van mijn stoel en keek naar de
+gedraaide poot van de tafel en naar de vergulde lijst van den spiegel.
+Het was erg vervelend. Ik moest natuurlijk vertellen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1793" href="#xd0e1793">118</a>]</span>van mijn
+reis, maar ik wist niet wat, ik hoorde mezelf praten en luisterde als
+een daas naar mijn eigen geluid. Er was een naargeestig licht in de
+kamer, ik denk dat de weduwe bang was voor inkijken. Ik wou dat ik maar
+weg was en keek langs de drie muren, die ik zien kon zonder al te veel
+te draaien, maar ze weken niet en ik kon er niet doorheen zien. Ik keek
+naar de deur, ik kon er mijn oogen niet van afhouden, hulpeloos zat ik
+daar te staren. De deur trok. Vage visioenen had ik van de Cunera, van
+den hoek van den Grebbeberg met de rivier en van &rsquo;t zonnige plein
+voor &rsquo;t Centraalstation en de blinkende wijzerplaat van de
+Oudekerk en daar doorheen zag ik de geschilderde vlammen van &rsquo;t
+nagemaakte eikenhout van die deur. En onderwijl ging iemand door met
+praten, o ja, dat was Hoyer. En nu antwoordde ik zelf<span class="corr"
+id="xd0e1795" title="Bron: .">,</span> of eigenlijk ik zelf niet, maar
+mijn tong bewoog toch en er kwam geluid uit m&rsquo;n mond, ik hoorde
+&rsquo;t duidelijk.</p>
+
+<p><i>Niets</i> merkte Hoyer. Z&rsquo;n atelier was boven. Of hij me
+maar even voor mocht gaan. Wezenloos liep ik achter &rsquo;m aan
+&bdquo;Dit is zeker &rsquo;t privaat?&rdquo; Ik dacht dat &rsquo;t
+hoorde zoo iets te zeggen, als een heer je z&rsquo;n huis liet zien.
+<i>Niets</i> merkte Hoyer: &bdquo;Nee, dat is een kast&rdquo; zeide-i.
+En ik dacht, waarom zegt-i niet: &bdquo;Pardon, dat is een kast.&rdquo;
+Dat zoud-i zeker later zeggen, over een jaar of zoo.</p>
+
+<p>De gangetjes waren nauw, de loopertjes smal, de trapjes naar rato,
+met dunne spijltjes, een beetje gedraaid, maar alles was netjes, keurig
+netjes, dat moest ik zeggen. Nog merkte Hoyer niets.</p>
+
+<p>Daar boven knapte ik wat op, daar was ten minste licht, &rsquo;t
+bekende licht van &rsquo;t atelier. De ezel was leeg. Er stond een dure
+stoel, een clubstoel waar ik in wegzakte, nog nooit had ik <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1809" href="#xd0e1809">119</a>]</span>in
+zoo&rsquo;n stoel gezeten. Hoyer schilderde tegenwoordig portretten,
+dames en heeren, allemaal netjes aangekleed. Hij liet me ook een pas
+begonnen portret van de vrouwelijke advocaat zien. Zij was nu op reis.
+Eerst had Hoyer z&rsquo;n atelier buitenshuis gehad, maar de advocate
+had &bdquo;mevrouw&rdquo; overgehaald toe te staan, dat een deel van de
+zolder voor atelier werd vertimmerd. Dat overhalen had eenige moeite
+gekost en was pas gelukt, toen de weduwe had gehoord, dat Hoyer het
+portret zou schilderen van een juffrouw van den Willemsparkweg met
+winterhoed, boa en mof. En de rest van haar kleeren natuurlijk. En dat
+hij voorgedragen was als lid van &bdquo;Arti&rdquo;.</p>
+
+<p>Of Bavink wel eens hier kwam? Nooit, hij was er nog niet geweest. En
+of hij nog wel eens iets van Kees had gehoord? Ja, Bavink had hem een
+tijdje geleden op straat gesproken. Drie of vier betrekkingen had Kees
+in een paar jaar versleten en daar tusschendoor was hij lange tijden
+werkeloos geweest. Z&rsquo;n vader had eindelijk een betrekkinkje voor
+&rsquo;m gevonden bij de gasfabriek.</p>
+
+<p>&bdquo;Hij loopt nu met een uniformpet op met drie kruisjes en G. G.
+boven z&rsquo;n voorhoofd en een boekje onder z&rsquo;n arm. En een
+vent bij &rsquo;m met een zwarte zak.&rdquo; Bavink had &rsquo;t een
+heel gezicht gevonden. Hij moet de halve stuivers uit de muntmeters
+halen en de andere vent moet die dragen in dien zak. En als ze de halve
+stuivers uit de meter hebben gehaald, dan moet Kees vragen of de
+juffrouw die halve stuivers weer in wil wisselen. Hij klaagde dat-i zoo
+weinig verdiende. Bavink was een eindje met &rsquo;m mee gegaan, hij
+had nog nooit naast zoo iemand geloopen. Maar &rsquo;t had hem gauw
+verveeld. Hij deed &rsquo;t nooit weer.</p>
+
+<p>Ik tuurde naar &rsquo;t Bokharakleedje, dat voor den clubstoel lag
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1817" href=
+"#xd0e1817">120</a>]</span>en zag heel duidelijk de verlaten keien van
+de Linnaeusstraat en den hardsteenen trottoirband en de voeg, waar twee
+stukken daarvan tegen elkaar gezet waren en de klinkertjes van &rsquo;t
+trottoir. En ik zag ons daar zitten in de zomernacht. Bavink en Bekker
+en Kees en Hoyer en mijzelf. Ik zag dat de keien en &rsquo;t stof nat
+waren, de sproeiwagen was er over heen gegaan, ergens lag een nat stuk
+krant. En ik hoorde Hoyer zeggen, dat-i opstond, want dat die blauwe
+steen zoo optrok. En nu hoorde ik weer diezelfde stem, maar wat
+beschaafder<span class="corr" id="xd0e1819" title="Niet in
+bron">,</span> met wat meer modulatie: &bdquo;Je zult me excuseeren,
+Koekebakker, om elf uur heb ik een conferentie.&rdquo;</p>
+
+<p>Buiten scheen de lentezon in de troostelooze straat. Mijn God, hoe
+kon zoo&rsquo;n straat bestaan. &rsquo;t Meisje in de tram had ik vast
+niet mogen zoenen, maar zoo&rsquo;n straat mocht bestaan. <i>Dat</i>
+mocht.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1827">
+<h3 class="normal">XI.</h3>
+
+<p>Op een van de grachten was &rsquo;t. Ik stond op de stoep en las:
+&bdquo;P. Bekker, Agentuur en Commissiehandel.&rdquo; Ik schelde en
+wachtte. &rsquo;t Duurde nog al lang. Toen ging de bovenste helft van
+de deur open en ik zag een jongmensch <span class="corr" id="xd0e1832"
+title="Bron: met met">met</span> een vierkant hoofd. &bdquo;Is
+m&rsquo;nheer Bekker op kantoor?&rdquo; Raar klonk dat. En terwijl
+&rsquo;t jonge mensch met eenige moeite de onderdeur open maakte,
+herinnerde ik me hoe vroeger de straatdeur werd opengetrokken zonder
+dat je iemand zag en dat ik dan riep &bdquo;Hallo Bekker!&rdquo;
+&bdquo;Is mijnheer op kantoor?&rdquo; Er was iemand bij mijnheer.</p>
+
+<p>In den marmeren gang stond een groote rol loopergoed. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e1837" href="#xd0e1837">121</a>]</span>&bdquo;Wie
+kan ik zeggen dat er is?&rdquo; &bdquo;Koekebakker.&rdquo; &bdquo;Wilt
+u mij maar volgen?&rdquo; &rsquo;t Jonge mensch ging mij voor, een
+smalle trap op, die ettelijke malen draaide.</p>
+
+<p>Boven<span class="corr" id="xd0e1841" title="Niet in bron">,</span>
+aan &rsquo;t eind van een nauwen donkeren gang stond hij stil. In
+&rsquo;t schemerige licht kon ik nog net even &rsquo;t woord
+&bdquo;Monsterkamer&rdquo; lezen. &bdquo;Moet ik hier zijn
+vriend?&rdquo; vroeg ik en wees naar dat woord. Ik zag dat de vriend
+mij een rare vond. &bdquo;Dat staat er nog van vroeger<span class=
+"corr" id="xd0e1844" title="Niet in bron">,</span> mijnheer.&rdquo; Hij
+klopte.</p>
+
+<p>Ik hoorde Bekkers stem die &bdquo;Ja&rdquo;, riep. De vriend ging
+naar binnen, de deur ging weer dicht en daar stond ik.</p>
+
+<p>Of ik zoo goed wilde zijn hier even te wachten. Ik werd in een klein
+achterkantoortje gelaten met een uitzicht op een blinden muur. Aan den
+zolder hing een zware rol pakpapier aan een spil, een eind papier hing
+naar beneden boven een groote<span class="corr" id="xd0e1851" title=
+"Niet in bron">,</span> leege paktafel. &rsquo;t <span class="corr" id=
+"xd0e1854" title="Bron: Jongemensch">Jongmensch</span> ging aan een
+lessenaartje zitten, dat tegen &rsquo;t raam stond en begon te tikken
+op een schrijfmachine met z&rsquo;n rug naar me toe. Ik zag &rsquo;t
+stuk papier hangen, ik zag dat &rsquo;t schuin was afgescheurd, ik keek
+op den breeden bollen rug en de bonkige schouders van den
+kantoorbediende en naar den blinden muur. Een van de baksteenen was
+kapot en van binnen donkerrood; dat brok steen was &rsquo;t mooiste dat
+ik zag.</p>
+
+<p>De bediende tikte maar, God weet wat-i tikte. Als-i even ophield,
+hoorde ik de stemmen van twee menschen door de gesloten deur, ik
+herkende &rsquo;t geluid van Bekker, maar de woorden verstond ik niet.
+Twintig minuten zat ik daar te sterven. &bdquo;<span lang="it">Per me
+si va <span class="corr" id="xd0e1861" title="Bron: n&rsquo;ella
+citta">nella citt&agrave;</span> dolente</span>.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen ging de deur open en Bekker verscheen. Hij was zenuwachtig en
+verlegen. Hoe het mij ging. Ik zag er goed uit. Het speet hem
+vreeselijk. Hij had een klant over uit Bordeaux. Die mijnheer was
+speciaal overgekomen om met hem te spreken. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1867" href="#xd0e1867">122</a>]</span>Hij geloofde niet, dat
+hij hem voor vanavond laat kwijt zou raken... &bdquo;Je
+begrijpt&mdash;kerel wat zie je d&rsquo;r toch goed uit. Kom je nu van
+Algiers?&rdquo; Ik begreep &rsquo;t volkomen. Ja, ik kwam van Algiers.
+&bdquo;Waar logeer je, als &rsquo;t kan, kom ik vanavond om 9 uur bij
+je.&rdquo; Ik logeerde nergens, mijn geld was op, maar dat kun je toch
+niet zeggen op een kantoor, waar een vreemde bij is. Ik zei maar dat ik
+&rsquo;t nog niet wist, ik kwam nog wel eens aan. &bdquo;Ik hoop dat je
+&rsquo;t dan beter treft.&rdquo; Ik wist dat-i dat zeggen zou.
+D&rsquo;r zijn zoo van die gesprekken onder nette lui, waarbij je
+heelemaal niet hoeft te luisteren.</p>
+
+<p>Hij bracht me tot de straatdeur. Hij vond &rsquo;t verdomd beroerd.
+Ik keek naar &rsquo;t bordje, &bdquo;P. Bekker, Agentuur en
+commissiehandel&rdquo; en toen naar z&rsquo;n oogen.</p>
+
+<p>En toen zag ik dat ook hij plotseling weer die koe hoorde loeien,
+die tien jaar geleden geloeid had in de schemering, de koe die je
+hoorde en niet zag.</p>
+
+<p>Wij gaven elkaar de hand. &bdquo;<span lang="it">Per me si va tra
+<span class="corr" id="xd0e1877" title="Bron: le perdute">la
+perduta</span> gente</span>, Koekebakker.&rdquo; Hij hield mijn hand
+nog vast en legde z&rsquo;n andere hand op m&rsquo;n schouder.
+&bdquo;Zeg eens, als je geld noodig hebt?&rdquo;</p>
+
+<p>Ik ging de stoep af, de klant stond voor &rsquo;t raam met z&rsquo;n
+handen in z&rsquo;n zijden, de beenen van elkaar en keek naar buiten.
+Rijk en welverzorgd zag hij er uit. Ik nam eerbiedig mijn hoed voor
+&rsquo;m af en hij groette terug, beleefd en minzaam.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1883">
+<h3 class="normal">XII.</h3>
+
+<p>Ik kom nu zoo gaandeweg tot &rsquo;t einde. Goddank, zal hier of
+daar iemand zeggen. Och, ik wist vooruit dat &rsquo;t op niet veel zou
+uitloopen. Waar loopt tegenwoordig &rsquo;t leven van een Amsterdammer
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1888" href=
+"#xd0e1888">123</a>]</span>op uit? In mijn jongenstijd heb ik vaak
+genoeg gewenscht, dat er nu eindelijk eens iets zou gebeuren. Maar er
+gebeurde nooit iets. Zelfs verhuisd zijn we nooit. En later....</p>
+
+<p>Alleen Hoyer weet waar de boel op uitloopt. Hij heeft wat
+ge&euml;rfd en zit flink in de duiten. Hij is lid van de S. D. A. P. en
+leest &bdquo;Het Volk&rdquo;.</p>
+
+<p>&rsquo;s Avonds zit-i op &rsquo;t <span class="corr" id="xd0e1894"
+title="Bron: leesmuseum">Leesmuseum</span> en leest &rsquo;t Berliner
+Tageblatt. Schilderen doet-i niet meer. Hij weet ook waarom hij niet
+meer schildert: wij zijn in een tijd van verval. Een nieuwe kunst is in
+opkomst. Daar wacht-i zeker op. Hij brengt ondertusschen Kunst aan het
+Volk, hoe, dat weet ik niet. Een metselaar heeft hem eens gevraagd,
+&bdquo;wat-i voor die smoessies kocht.&rdquo; Ook daarvoor had Hoyer
+een verklaring &bdquo;Wij sociaal democraten weten maar al te
+goed&mdash;&mdash;&rdquo;</p>
+
+<p>Hij zegt een boel dingen, die erg waar zijn en als je denkt,
+&bdquo;nou wordt &rsquo;t interessant&rdquo;, dan gaat-i niet verder.
+Op een middag in <span class="corr" id="xd0e1899" title="Niet in bron">
+&bdquo;</span>Polen<span class="corr" id="xd0e1902" title="Niet in
+bron">&rdquo;</span>, sprak-i heel veel over &bdquo;proletarisch
+sentiment&rdquo; en &bdquo;burgerlijke <span class="corr" id="xd0e1905"
+title="Bron: ideologien">ideologie&euml;n</span>.&rdquo; Ik luisterde
+maar naar &rsquo;m. E&eacute;n keer heb ik tegen &rsquo;m gezegd:
+&bdquo;&rsquo;t Is toch mooi dat je alles zoo zeker weten
+kunt.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij ging daar direct op in en ik kon in een half uur niet meer aan
+&rsquo;t woord komen. En &rsquo;t is inderdaad heel mooi voor iemand
+die zijn heele leven lang te doen heeft wat een ander &rsquo;m
+commandeert, zonder dat-i er zelf veel van snapt en voortdurend wordt
+gesnauwd en altijd margarine moet eten en in de benauwde luchten wonen.
+Als ik maar een beetje twijfelen mocht, dan zou ik ook wel lid van de
+S. D. A. P. worden. E&eacute;n geluk: de menschen, die altijd in de
+benauwde luchten verkeeren, hebben me niet noodig. En misschien zou
+&rsquo;t zonder Hoyer ook nog wel gaan. &rsquo;k Zal toch eens
+informeeren of &rsquo;t mag, dat twijfelen. <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e1910" href="#xd0e1910">124</a>]</span></p>
+
+<p>Met den agentuur en commissiehandel is &rsquo;t slecht gegaan. Die
+commissiehandel was heelemaal larie, dat had Bekker er maar bij laten
+zetten omdat &rsquo;t goed stond. En iemand die Dante vertaald heeft en
+gedichtjes gemaakt, al zijn &rsquo;t er maar dertien, die moet geen
+agent van binnen- en buitenlandsche huizen worden. Op een regenachtigen
+Decemberdag, toen de lantaarns op de gracht werden opgestoken, vond ik
+Bekker scheef aan z&rsquo;n lessenaar zitten met z&rsquo;n hand onder
+z&rsquo;n hoofd. De kamer was half donker. Hij bewoog niet. Ik stak
+&rsquo;t gas op. De prullemand stond achter &rsquo;m en daarin lag al
+z&rsquo;n post van drie dagen, ongeopend. Met z&rsquo;n elleboog hat-i
+de heele rommel erin geschoven, opzettelijk, zonder er naar te kijken.
+Z&rsquo;n bediende hat-i maanden geleden gedaan gegeven, de telefoon
+hadden ze weggenomen. Daar zat-i. Aan de muur hing een lijst met
+afvaarten van stoombooten, waarvan de laatste al weer lang was
+binnengekomen en na dien tijd weer uitgevaren, herhaalde malen. En op
+den schoorsteen stond een dik boek, een prachtuitgave van de <span
+lang="it">Divina <span class="corr" id="xd0e1915" title="Bron:
+Comedia">Commedia</span></span>.</p>
+
+<p>Buiten stonden de lantaarns te branden, bleek en vreemd in &rsquo;t
+laatste daglicht, als een wonderlijke vergissing, zooals ze zoo
+dikwijls gestaan hadden. Een wonderlijke vergissing leek alles.</p>
+
+<p>Nu zit Bekker weer ergens op een kantoortje. Hij heeft een goeie
+baas, die hem respecteert, omdat hij Dante vertaald heeft. Op mooie
+dagen stuurt-i Bekker &rsquo;s middags weg, dan mag-i een beetje in
+&rsquo;t zonnetje wandelen.</p>
+
+<p>Aan den drank is Bekker niet gegaan. Hij lost schaakproblemen op of
+slaapt. Een voorstelling van de toekomst heeft-i niet. Hij verlangt
+zelfs niet naar zes uur. Dat geeft toch niets. Z&rsquo;n tractement
+beurt-i met een weemoedig welbehagen, met weemoedig welbehagen koopt-i
+er dassen en schoenen voor. <span class="pagenum">[<a id="xd0e1924"
+href="#xd0e1924">125</a>]</span>Z&rsquo;n kleeren zijn netjes
+geborsteld. Bij tijden is hij een weinig ingenomen met zichzelf, om
+dat-i vroeger &bdquo;een geestelijk leven geleid heeft.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij ziet nog weleens een schilderijtje. Onlangs kwam ik hem nog eens
+tegen. Toen had-i &rsquo;t over de intocht van de koningin, dat
+schilderijtje van Eerelman, waar &rsquo;t woord &bdquo;Odol&rdquo; zoo
+natuurlijk op geschilderd staat. Hij vroeg of &rsquo;t niet een mooi
+schilderij was<a id="xd0e1928"></a> om in een deftige apotheek op te
+hangen.</p>
+
+<p>Kees loopt nog altijd voor de gasfabriek en verkeert in de benauwde
+luchten, waar ik &rsquo;t zoo even ook over gehad heb. Hij weet niet
+waar &rsquo;t volgende kind zal moeten slapen. De kinderen zijn nu nog
+klein, maar over een jaar of wat kibbelen ze &rsquo;s morgens bij die
+&eacute;&eacute;ne kraan en dat &eacute;&eacute;ne privaat, zooals dat
+altijd in district III gegaan is. Hij tobt met wat Hoyer noemt:
+&bdquo;&rsquo;t Chronische tekort in &rsquo;t huishouden van den
+werkman,&rdquo; en koopt alleen &rsquo;s Zaterdagsavonds sigaren.<a id=
+"xd0e1932"></a> &rsquo;s Zondags moet-i de kinderen verbieden. Hij
+moppert dat-i &rsquo;t zooveel beter had kunnen hebben, als-i eerder
+naar z&rsquo;n vader geluisterd had.</p>
+
+<p>Z&rsquo;n vrouw is goed voor &rsquo;m. Midden in de week heeft-i een
+schoone zakdoek. Maar ze zal de lusten niet opwekken van iemand, die
+niet aan haar gewend is, zooals Kees. Zes jaar geleden was dat
+anders.</p>
+
+<p>En op zolder bij z&rsquo;n vader, waar vroeger z&rsquo;n hok was,
+daar hangen nu de onderlijfjes van z&rsquo;n zusters te droogen.</p>
+</div>
+
+<div class="div2" id="xd0e1938">
+<h3 class="normal">XIII.</h3>
+
+<p>En Bavink?</p>
+
+<p>Bavink heeft &rsquo;t tegen die &bdquo;Godverdomde dingen&rdquo;
+afgelegd. Die dingen die geschilderd wilden wezen en als je dan dacht:
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1945" href=
+"#xd0e1945">126</a>]</span>&bdquo;dan moet &rsquo;t ook maar
+gebeuren,&rdquo; dan wilden ze weer niet. Hij begon wat opgang te
+maken, toen de strijd al op &rsquo;t eind liep.</p>
+
+<p>Twee maanden na mijn terugkomst kwam-i me heel kalm vertellen, dat-i
+zijn gezicht op Rhenen in stukken had gesneden. En zoo was &rsquo;t. De
+rivier, den berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de roode
+daken van Rhenen, de kastanjes met hun witte en roode bloemen, de
+bruine beuken en &rsquo;t molentje ergens in de hoogte, 64 gelijke,
+rechthoekige brokken van 15 bij 12&frac12; centimeter hat-i er van
+gesneden, met een bot knipmes. Een heel werk was &rsquo;t geweest.</p>
+
+<p>&rsquo;t Ding had &rsquo;m ge&euml;rgerd. &rsquo;t Was niks, totaal
+niks, vodden. Hij wou van mij weten, waarom iemand schilderde. Hij
+begreep zelf niets meer. Hij stak z&rsquo;n arm uit en wees in de
+ruimte. D&agrave;&agrave;r waren de dingen. Hij sloeg met z&rsquo;n
+vuist tegen z&rsquo;n voorhoofd. En <i>daar</i> waren ze. Er uit wilden
+ze, maar ze deden &rsquo;t niet. Stapelgek werd je ervan.</p>
+
+<p>Bijna een jaar daarna vond ik hem aan &rsquo;t Centraalstation aan
+de Parijzer trein van 8 uur. Hij bracht een of anderen kennis weg, een
+haarboer met lange zwarte lokken en heel veel baard, meer haar dan
+mensch, en een hoog voorhoofd met niets er achter. De ondergaande zon
+stond te schijnen, groot en rood, aan &rsquo;t eind van de kap stond-i,
+er was een rossig schijnsel in de ruiten en &rsquo;t vernis van de
+spoorwagens. Bavink was dronken. De trein vertrok, schoof onder de kap
+vandaan en boog even om naar links. Bij &rsquo;t ombuigen flikkerde
+&rsquo;t licht fel op de wagens.</p>
+
+<p>Wij wandelden naar &rsquo;t eind van &rsquo;t perron. Een man met
+een seinlicht kwamen wij tegen, ik zag, dat hij in &rsquo;t
+voorbijloopen naar een conducteur keek, die daar stond bij een anderen
+trein en een beweging maakte van drinken met de hand aan den mond.
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1958" href=
+"#xd0e1958">127</a>]</span></p>
+
+<p>Wij stonden stil buiten de kap en keken naar de zon. &bdquo;Zie je
+die zon, Koekebakker?&rdquo; De zon was bijzonder duidelijk, hij stond
+recht voor ons uit en dicht bij, zoo groot en zoo rood was-i nog nooit
+geweest. Hij raakte bijna de rails van den spoorweg, hij maakte geen
+flikkeringen meer op de dingen, en alleen in de matglazen ruiten van
+den locomotievenstal, rechts van den spoorweg, was een dof
+schijnsel.</p>
+
+<p>&bdquo;Je denkt dat ik dronken ben?&rdquo; Dat dacht ik inderdaad.
+&bdquo;Het maakt geen verschil, Koekebakker, als ik nuchter ben,
+begrijp ik er toch ook niks van.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Begrijp jij wat die zon van mij wil? Vier en dertig
+ondergaande zonnen heb ik tegen de muur staan, achter elkaar,
+omgekeerd. En toch staat-i daar weer iederen avond.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Als er geen wolken zijn,&rdquo; zei ik. Maar hij liet zich
+niet afleiden.</p>
+
+<p>&bdquo;Koekebakker jij bent altijd mijn beste vrind geweest. Ik ken
+jou al&mdash;hoe lang al?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Omtrent dertien jaar Bavink.&rdquo; &bdquo;Dertien jaar. Dat
+is lang. Weet je wat jij doen moet? Doe me een lol. Heb je een
+hoedendoos?&rdquo;</p>
+
+<p>Ik zweeg.</p>
+
+<p>&bdquo;Doe <span class="corr" id="xd0e1975" title="Bron: m&rsquo;">
+&rsquo;m</span> in een hoedendoos, Koekebakker. In een hoedendoos. Ik
+wil met vrede gelaten worden. Doe &rsquo;m in een hoedendoos, in een
+ordinaire hoedendoos. Hij verdient niet beter.&rdquo;</p>
+
+<p>Bavink griende dronkemanstranen. Ik keek hulpeloos rond. Een heer in
+een uniformjas en met gele biezen om z&rsquo;n pet kwam op ons af en
+sprak mij aan.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik geloof mijnheer, dat u beter doet, als u dezen heer naar
+huis brengt.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik salueerde en gaf Bavink een arm. Hij ging gewillig mee. <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1984" href="#xd0e1984">128</a>]</span>In de
+huurauto viel-i in slaap. Op de Nieuwe Zijds-Voorburgwal werd-i even
+wakker toen wij door een kuil reden en wilde weer over die hoedendoos
+beginnen. Maar meteen viel-i weer in slaap.</p>
+
+<p>Op een morgen zat-i wezenloos te staren voor z&rsquo;n laatste
+zonsondergang. Ik kwam op z&rsquo;n hok met Hoyer. Hij herkende ons
+niet. Hij keek maar naar die zon, een groote, koude, roode zon, die in
+wolken onderging.</p>
+
+<p>&bdquo;Hij kijkt me maar aan, wij begrijpen geen van beiden wat we
+van elkaar moeten.&rdquo; Verder kwam-i niet.</p>
+
+<p>Hij is nu in een gesticht voor zenuwpatienten. Hij is heel rustig.
+Hij kijkt maar naar boven, naar de lucht of tuurt naar den horizon of
+zit in de zon te staren tot z&rsquo;n oogen pijn doen. Dat mag-i niet,
+maar ze kunnen niets met &rsquo;m beginnen. Aan &rsquo;t praten kunnen
+ze &rsquo;m niet krijgen. Z&rsquo;n schilderijen doen tegenwoordig
+aardige prijzen.</p>
+
+<p>En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijft
+maar, ontvangt z&rsquo;n schamel loon en geeft geen ergernis.</p>
+
+<p>Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af en
+toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel
+wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokjes
+op te stapelen om &rsquo;m van z&rsquo;n verhevenheid te storten en dan
+de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt:
+&bdquo;Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan
+die mooie wijze heeren. &rsquo;t Spijt me dat je je nek moet breken en
+dat ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar.<span
+class="corr" id="xd0e1996" title="Niet in bron">&rdquo;</span> En zoo
+gaat alles z&rsquo;n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom? <span
+class="pagenum">[<a id="xd0e1999" href="#xd0e1999">129</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="nawoord" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Een woord na.</h2>
+
+<p>Voor hen die gaarne weten hoe het met de liefde gesteld is, wil ik
+nog mededeelen, dat Dichtertje&rsquo;s Dora ontstaan is uit de
+idealisatie van een jong meisje, waarvoor ik uit de verte de
+genegenheid van een oud man voelde.</p>
+
+<p>Toen zij het manuscript gelezen had, vertelde ik haar dat, en haar
+antwoord was: &bdquo;Ik heb toch nooit diabolo gespeeld.&rdquo; Ze zei
+dit niet uit coquetterie of uit verlegenheid, ze had er niets van
+begrepen.</p>
+
+<p class="alignright"><span class="smallcaps">Nescio.</span></p>
+
+<p>5 Jan. 1918.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div class="back">
+<div class="div1" id="toc">
+<h2 class="normal">Inhoudsopgave</h2>
+
+<ul>
+<li><a href="#dichtertje">Dichtertje.</a>
+<ul>
+<li><a href="#xd0e98">I.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e185">II.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e292">III.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e356">IV.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e392">V.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e450">VI.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e513">VII.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e570">VIII.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e663">IX.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e767">X.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e866">XI.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e926">XII.</a></li>
+</ul>
+</li>
+
+<li><a href="#uitvreter">De Uitvreter.</a>
+<ul>
+<li><a href="#xd0e983">I.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1057">II.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1108">III.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1151">IV.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1267">V.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1312">VI.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1364">VII.</a></li>
+</ul>
+</li>
+
+<li><a href="#titaantjes">Titaantjes.</a>
+<ul>
+<li><a href="#xd0e1434">I.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1482">II.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1510">III.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1530">IV.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1559">V.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1574">VI.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1617">VII.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1692">VIII.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1755">IX.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1781">X.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1827">XI.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1883">XII.</a></li>
+
+<li><a href="#xd0e1938">XIII.</a></li>
+</ul>
+</li>
+
+<li><a href="#nawoord">Een woord na.</a></li>
+</ul>
+</div>
+
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met
+vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a class=
+"exlink" title="Externe link" href="http://www.gutenberg.org/">
+www.gutenberg.org</a>.</p>
+
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door Mark C. Orton en het on-line
+gedistribueerd correctie team op <a class="exlink" title="Externe link"
+href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+
+<h3>Codering</h3>
+
+<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan
+de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel
+zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
+gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het
+corr-element.</p>
+
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+
+<ol class="lsoff">
+<li>2009-08-14 Begonnen.</li>
+</ol>
+
+<h3>Externe Referenties</h3>
+
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+
+<h3>Verbeteringen</h3>
+
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+
+<table width="75%" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in
+de tekst.">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e124">6</a></td>
+<td width="40%">professer</td>
+<td width="40%">professor</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e140">7</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e155">8</a></td>
+<td width="40%">glimlachtte</td>
+<td width="40%">glimlachte</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e177">9</a></td>
+<td width="40%">&bdquo;</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e210">11</a></td>
+<td width="40%">lachtten</td>
+<td width="40%">lachten</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e220">11</a></td>
+<td width="40%">Eden</td>
+<td width="40%">Eeden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e231">11</a></td>
+<td width="40%">Stad</td>
+<td width="40%">Stadt</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e270">13</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">&rdquo;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e313">15</a></td>
+<td width="40%">Hoofdstraat</td>
+<td width="40%">Hooftstraat</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e320">16</a></td>
+<td width="40%">vindt</td>
+<td width="40%">vind</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e343">17</a></td>
+<td width="40%">Museumkartier</td>
+<td width="40%">Museumkwartier</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e365">18</a></td>
+<td width="40%">la</td>
+<td width="40%">l&agrave;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e368">18</a></td>
+<td width="40%">la</td>
+<td width="40%">l&agrave;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e371">18</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e379">18</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">:</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e397">20</a></td>
+<td width="40%">smeert</td>
+<td width="40%">smeer</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e402">21</a></td>
+<td width="40%">wordt</td>
+<td width="40%">word</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e415">21</a></td>
+<td width="40%">;</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e438">23</a></td>
+<td width="40%">rhodondendronboschje</td>
+<td width="40%">rhododendronboschje</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e476">25</a></td>
+<td width="40%">aanvaarde</td>
+<td width="40%">aanvaardde</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e535">31</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">wilde</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e555">32</a></td>
+<td width="40%">opweg</td>
+<td width="40%">op weg</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e565">33</a></td>
+<td width="40%">strak</td>
+<td width="40%">straks</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e582">34</a></td>
+<td width="40%">kosten</td>
+<td width="40%">kostten</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e595">34</a></td>
+<td width="40%">He</td>
+<td width="40%">H&egrave;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e600">35</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e607">35</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e614">35</a></td>
+<td width="40%">Desir</td>
+<td width="40%">D&eacute;sir</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e637">37</a></td>
+<td width="40%">lachtte</td>
+<td width="40%">lachte</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e644">37</a></td>
+<td width="40%">word</td>
+<td width="40%">wordt</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e647">37</a></td>
+<td width="40%">H&eacute;</td>
+<td width="40%">H&egrave;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e650">37</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e660">38</a></td>
+<td width="40%">lachtte</td>
+<td width="40%">lachte</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e692">40</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e704">40</a></td>
+<td width="40%">Werther</td>
+<td width="40%">Werthers</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e711">40</a></td>
+<td width="40%">h&eacute;</td>
+<td width="40%">h&egrave;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e716">41</a></td>
+<td width="40%">steigend</td>
+<td width="40%">stijgend</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e725">41</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e746">42</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e749">42</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e764">43</a></td>
+<td width="40%">schifte</td>
+<td width="40%">schiftte</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e819">46</a></td>
+<td width="40%">huisen</td>
+<td width="40%">huizen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e826">46</a></td>
+<td width="40%">vindt</td>
+<td width="40%">vind</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e831">47</a></td>
+<td width="40%">vanem</td>
+<td width="40%">vannem</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e836">47</a></td>
+<td width="40%">vindt</td>
+<td width="40%">vind</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e857">48</a></td>
+<td width="40%">He</td>
+<td width="40%">H&egrave;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e887">50</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">door zich</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e892">50</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e899">50</a></td>
+<td width="40%">haar zelf</td>
+<td width="40%">zichzelf</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e966">53</a></td>
+<td width="40%">gecoqueteerd</td>
+<td width="40%">gecoquetteerd</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e990">55</a></td>
+<td width="40%">vondt</td>
+<td width="40%">vond</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1017">57</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">Toen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1041">59</a></td>
+<td width="40%">stroomt</td>
+<td width="40%">stoomt</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1050">59</a></td>
+<td width="40%">brick</td>
+<td width="40%">Brig</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1078">63</a></td>
+<td width="40%">h&eacute;</td>
+<td width="40%">h&egrave;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1083">63</a></td>
+<td width="40%">beaten</td>
+<td width="40%">besten</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1088">63</a></td>
+<td width="40%">binnne</td>
+<td width="40%">binnen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1104">65</a></td>
+<td width="40%">He</td>
+<td width="40%">H&eacute;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1130">67</a></td>
+<td width="40%">h&eacute;</td>
+<td width="40%">h&egrave;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1135">67</a></td>
+<td width="40%">&bdquo;</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1162">70</a></td>
+<td width="40%">zwierpen</td>
+<td width="40%">zwiepen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1167">70</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1180">71</a></td>
+<td width="40%">lys</td>
+<td width="40%">Lys</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1188">72</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">&bdquo;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1194">72</a></td>
+<td width="40%">&bdquo;</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1221">74</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">en</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1230">75</a></td>
+<td width="40%">anderen</td>
+<td width="40%">andere</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1233">75</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">&bdquo;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1236">75</a></td>
+<td width="40%">wordt</td>
+<td width="40%">word</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1253">77</a></td>
+<td width="40%">he</td>
+<td width="40%">h&egrave;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1288">80</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">zullen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1291">80</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1304">82</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1323">84</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1329">84</a></td>
+<td width="40%">;</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1358">87</a></td>
+<td width="40%">als &rsquo;s</td>
+<td width="40%">als</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1369">88</a></td>
+<td width="40%">enorm</td>
+<td width="40%">enorme</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1384">89</a></td>
+<td width="40%">als</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1439">94</a></td>
+<td width="40%">een</td>
+<td width="40%">eens</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1442">94</a></td>
+<td width="40%">;</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1445">94</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1468">96</a></td>
+<td width="40%">snuffen</td>
+<td width="40%">suffen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1479">97</a></td>
+<td width="40%">koninkrijks</td>
+<td width="40%">koninkrijk</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1499">99</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">we</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1527">101</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1535">102</a></td>
+<td width="40%">land</td>
+<td width="40%">lang</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1538">102</a></td>
+<td width="40%">lachtte</td>
+<td width="40%">lachte</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1545">102</a></td>
+<td width="40%">&bdquo;</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1547">102</a></td>
+<td width="40%">lucifersdoofje</td>
+<td width="40%">lucifersdoosje</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1554">103</a></td>
+<td width="40%">vindt</td>
+<td width="40%">vind</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1557">103</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1566">103</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1569">103</a></td>
+<td width="40%">hadt</td>
+<td width="40%">had</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1596">105</a></td>
+<td width="40%">&bdquo;</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1610">106</a></td>
+<td width="40%">;</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1657">109</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">?</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1665">109</a></td>
+<td width="40%">&bdquo;</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1667">109</a></td>
+<td width="40%">..</td>
+<td width="40%">...</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1697">111</a></td>
+<td width="40%">geleidedelijk</td>
+<td width="40%">geleidelijk</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1700">111</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1703">111</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1718">112</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1727">113</a></td>
+<td width="40%">een</td>
+<td width="40%">den</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1732">113</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">naar</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1778">117</a></td>
+<td width="40%">ooges</td>
+<td width="40%">oogjes</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1795">118</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1819">120</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1832">120</a></td>
+<td width="40%">met met</td>
+<td width="40%">met</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1841">121</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1844">121</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1851">121</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1854">121</a></td>
+<td width="40%">Jongemensch</td>
+<td width="40%">Jongmensch</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1861">121</a></td>
+<td width="40%">n&rsquo;ella citta</td>
+<td width="40%">nella citt&agrave;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1877">122</a></td>
+<td width="40%">le perdute</td>
+<td width="40%">la perduta</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1894">123</a></td>
+<td width="40%">leesmuseum</td>
+<td width="40%">Leesmuseum</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1899">123</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">&bdquo;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1902">123</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">&rdquo;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1905">123</a></td>
+<td width="40%">ideologien</td>
+<td width="40%">ideologie&euml;n</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1915">124</a></td>
+<td width="40%">Comedia</td>
+<td width="40%">Commedia</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1928">125</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1932">125</a></td>
+<td width="40%">&rdquo;</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1975">127</a></td>
+<td width="40%">m&rsquo;</td>
+<td width="40%">&rsquo;m</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1996">128</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">&rdquo;</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes, by Nescio
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DICHTERTJE - DE UITVRETER ***
+
+***** This file should be named 29719-h.htm or 29719-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/9/7/1/29719/
+
+Produced by Mark C. Orton and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
+
diff --git a/29719-h/images/book.png b/29719-h/images/book.png
new file mode 100644
index 0000000..963d165
--- /dev/null
+++ b/29719-h/images/book.png
Binary files differ
diff --git a/29719-h/images/card.png b/29719-h/images/card.png
new file mode 100644
index 0000000..69f4fd4
--- /dev/null
+++ b/29719-h/images/card.png
Binary files differ
diff --git a/29719-h/images/external.png b/29719-h/images/external.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/29719-h/images/external.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..3110d43
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #29719 (https://www.gutenberg.org/ebooks/29719)