diff options
Diffstat (limited to '29712-8.txt')
| -rw-r--r-- | 29712-8.txt | 5541 |
1 files changed, 5541 insertions, 0 deletions
diff --git a/29712-8.txt b/29712-8.txt new file mode 100644 index 0000000..f8d984f --- /dev/null +++ b/29712-8.txt @@ -0,0 +1,5541 @@ +The Project Gutenberg EBook of Uit het leven van Dik Trom, by C. Joh. Kieviet + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Uit het leven van Dik Trom + +Author: C. Joh. Kieviet + +Illustrator: Joh. Braakensiek + +Release Date: August 17, 2009 [EBook #29712] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK UIT HET LEVEN VAN DIK TROM *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + Uit het leven van + + Dik Trom + + Door + + C. Joh. Kieviet + + Zesde druk + + Geïllustreerd door + + Joh. Braakensiek + + Alkmaar--P. Kluitman. + + + + + + + Boekdrukkerij Firma P. Kluitman--Alkmaar. + + + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + +Dirk wordt geboren en krijgt een naam 1 +Dirk en de baker worden kwade vrienden 7 +Dirk begint te kruipen en kattekwaad te doen 11 +Dirk wordt in een dubbelen zin dik en gaat op den ingeslagen weg +voort 19 +Dik ondergaat eene gedaanteverwisseling en blijft toch dezelfde 31 +Hoe Dik uit varen ging 41 +Dik gaat naar school 51 +Dik en de juffrouw 63 +Dik en de heks van den Achterweg 75 +Eene eerzame weduwe en een zeldzame ezel 91 +Hoe Dik kwaad deed, en Bruin er een pak slaag voor kreeg 105 +Flipsen wordt nog boozer 117 +Boontje komt om zijn loontje 129 +Hoe Dik op vrije voeten geraakte en een goed besluit nam 147 +Paarden en ezels 161 +Hoe Dik de heks voorthielp 175 +Een ongeluk komt zelden alleen 191 +Het slot van de geschiedenis 205 + + + + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DIRK WORDT GEBOREN EN KRIJGT EEN NAAM. + + +Moeder was ziek; al sedert vier dagen had zij hevige koortsen, +die haar dwongen het bed te houden. Doch hoe ziek zij ook was, toch +klopte haar hart van blijdschap, want dezen morgen was haar liefste +wensch vervuld; de goede God had haar een zoon geschonken. + +Haar man wist nog niet, welk groot geluk hem te beurt was gevallen, +want hij werkte op grooten afstand van zijne woning, zoodat het +gewoonlijk reeds laat in den avond was, als hij thuis kwam. Nu +verwachtte Moeder hem evenwel vroeger, want zij had hem een bode +gezonden, om hem het groote nieuws mede te deelen. + +Daar ging de deur open. Zou hij het wezen? Neen, 't was eene buurvrouw, +die eens even naar den kleine kwam zien. De baker nam hem uit de +wieg en hield hem de buurvrouw voor. Doch nauwelijks zag deze hem, +of zij sloeg van verbazing hare handen in elkander, en riep uit: + +"Wel, wel, wat een driedubbeldikke jongen is dat! Zoo 'n dikzak +heb ik nog nooit gezien! 't Is zoo waar een natuurwonder! Welke +bolle wangen, en zie me die beenen eens aan! Als die jongen zoo moet +blijven doorgroeien, kan hij later niet meer door de deur. Och, och, +wat een jongen! Nu, moedertje, van harte gefeliciteerd, hoor; ik wed, +dat je genoegen aan dien jongen zult beleven. Hij kan wel voor twee +tellen, en wat ziet hij er lief uit. Ik vind hem een recht lieven +jongen,--maar wat zal hij kunnen eten!" + +"Of hij, buurvrouw," viel de baker in, "daar kun je op rekenen! Hij +zal den hollebollen Gijs wel nadoen, die eene koe en een kalf en een +dood paard half opat. Och, m'n lieve mensen, wil je wel gelooven, dat +ik van hem geschrokken ben? Die jongen heeft wangen als oliebollen!" + +"Ik zou hem nu maar in de wieg leggen, baker," zei Moeder. "Anders +mocht hij eens kou vatten." + +Hij zelf zeide niets; praten kon hij nog niet en schreeuwen scheen hij +niet te willen. Hij blikte voor zijn leeftijd buitengewoon verstandig +in het rond, alsof hij zich aan de vreemde omgeving wilde gewennen, +keek toen gedurende langen tijd zijne moeder aan, die hem, te oordeelen +naar zijn tevreden gelaat, zeer goed scheen te bevallen, en richtte +zijn blik daarna op de baker. Deze viel blijkbaar minder in zijn +smaak, want hij trok een heel vies gezicht, draaide zijn hoofd met +duidelijke teekenen van afkeer om en liet zijn oog op de wieg vallen, +waarvan het gezicht hem, naar het scheen, veel aangenamer aandeed. De +tevreden uitdrukking van straks gleed weer over zijn gelaat, en zijn +mond plooide zich tot een welbehaaglijk glimlachje. + +De baker trok hem zijn nachtgoed aan, waarvan wel de helft te klein +bleek te zijn, en legde hem in de wieg, waarin hij zich zeer op zijn +gemak gevoelde. Met een vergenoegd gezicht sliep hij in. + +Een poosje later kwam zijn Vader thuis. Deze was timmermansknecht +bij baas Meyer. Dadelijk na het ontvangen van de heuglijke tijding +had hij zich op weg begeven. Vol blijdschap over de geboorte van +zijn zoontje stapte hij de kamer binnen, gaf zijne vrouw een kus en +spoedde zich toen naar de wieg, waarvan de baker het kleed al had +opgeslagen. Hoe groot was ook zijne verbazing bij 't aanschouwen +van zijn welgedanen zoon! Toch uitte hij die niet in een stortvloed +van woorden en uitroepen. Hij spalkte zijne oogen wagenwijd open, +streelde met zijne ruwe hand de dikke wangen van zijn spruitje, keek +de baker eenige seconden wezenloos aan, en.... ging zijn boterham eten. + +"Nu, man, vind je het geen bijzonder lief kind?" vroeg zijne vrouw. "En +wat is hij dik, niet waar?" + +Vader had juist, onverstandig genoeg, een grooten hap brood genomen, +nog vóór hij den vorigen, even grooten hap had doorgeslikt. Zijn mond +was daardoor zóó vol, dat hij met den besten wil van de wereld geen +woord kon uitbrengen. Het duurde dus eenigen tijd, eer hij in staat +was te antwoorden: + +"Dik? Of hij dik is,--dat is-ie." + +Nauwelijks waren die gewichtige woorden zijn mond ontgleden, of met +een nog grooteren hap maakte hij zich opnieuw het spreken onmogelijk. + +"Maar man," vervolgde zijne vrouw, "hoe zullen we hem nu noemen? Hij +moet zeker naar je vader vernoemd worden? Heette die niet Arie?" + +"Hij zal Dirk heeten, dat zal-ie," klonk het uit den vollen mond +van den heer des huizes. "Mijn broer, die naar Amerika is gegaan, +heet ook zoo, dat doet-ie, en daarom, zie je.... hap!" + +Het laatste stuk brood verdween in 's mans mond en maakte een einde +aan zijne schitterende redevoering. Toen hij weer spreken kon, draaide +hij zich om, boog zich nog eenmaal over het wiegje, ging bedaard voor +het bed van zijn vrouw staan en zeide: + +"Wat zullen we er aan doen, Griet? 't Is een bijzonder kind,--dat +is-ie." + +Daarna stapte hij, bedenkelijk zijn hoofd schuddende, naar den +burgemeester, om het bijzondere kind te doen inschrijven onder den +naam van Dirk. En daar hij zelf Jan Trom genoemd werd, zou zijn zoon +later luisteren naar den naam van Dirk Trom. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DIRK EN DE BAKER WORDEN KWADE VRIENDEN. + + +Dirk Trom was geen gewone jongen, dat toonde hij duidelijk. Schreeuwen, +wat andere kinderen blijkbaar voor eene aangename tijdkorting +houden en waarin velen van hen het soms buitengewoon ver brengen, +vond hij volstrekt niet aardig, ja, hij scheen het zelfs beneden +zijne waardigheid te vinden. Hij deed het dan ook nooit, zelfs niet, +toen de baker hem per ongeluk tamelijk diep met eene speld prikte. Hij +gaf geen kik, maar keek haar alleen met een zoo verwijtenden blik aan, +dat zij niet wist, hoe zij het met hem had. Over het geheel scheen hij +met deze goede vrouw weinig op te hebben, en dat verdiende ze toch niet +aan hem, want zij verzorgde hem zoo goed als in haar vermogen was. Ook +zijne zieke moeder verpleegde zij met groote hartelijkheid. Doch +Dirk waardeerde dat niet, integendeel, hij was norsch en stug tegen +haar. Hij wilde uit hare hand zelfs geen voedsel aannemen, hoe +vriendelijk zij hem ook toelachte. Liever was hij in de armen van +zijne moeder. Niet dat hij het dan uitkraaide van pleizier, o neen, +hij was blijkbaar heel kalm van natuur en verre van luidruchtig, maar +als hij bij moeder was, lag er een waas van tevredenheid over zijne +dikke wangen en keek hij haar vriendelijk in de liefdevolle oogen, +terwijl hij met zijne vingertjes op zijn buik trommelde, alsof hij +piano speelde. + +Toen hij tien dagen oud was, kwam het tusschen hem en de baker +tot eene bepaalde vredebreuk. De vrouw van Meyer, den timmerman, +die vrouw Trom tijdens hare ziekte had bezocht, stuurde een lekker +soepje, met de boodschap, dat ze spoedig nog eens zou komen zien, hoe +moeder en kind het maakten. De baker zette de soep op een vuurtje, +om die warm te houden, plaatste het comfoortje vóór zich op tafel, +en nam den kleinen Dirk op haar schoot, om hem te verkleeden. Dirks +moeder, die zeer zwak was, lag in een gerusten slaap. Af en toe roerde +de baker eens in de soep, opdat deze niet zou aanbranden, en nam +dan telkens een paar lepels vol, om te proeven, hoe warm ze was. Ze +had er geen erg in, dat die handelwijze den jongeheer volstrekt niet +scheen te bevallen, maar spoedig zou zij het tot haar grooten schrik +bemerken. Toen zij Dirk verkleed had en gereed was, hem in de wieg te +leggen, kwam het haar voor, dat de soep aanbrandde. Dadelijk nam zij +den schotel in de hand en schoof het comfoortje op zijde. Nu nam zij +den lepel in de andere hand, en wilde zich overtuigen, of zij zich +ook bedrogen had. Juist bracht zij den lepel in den mond en bemerkte +ze, dat zij in de haast ook een balletje gehakt had opgeschept, toen +Dirk plotseling de beide beenen met zulk eene kracht omhoog wierp, +dat hij haar den schotel uit de hand schopte, zoodat de inhoud haar +schoone jurk in een ommezien in eene soepjurk veranderde. De goede +vrouw schrikte daar zoo hevig van, dat het lekkere balletje gehakt +haar in het verkeerde keelgat schoot, waardoor zij eene hoestbui +kreeg, die haar het angstzweet deed uitbreken. Dirk Trom keek haar +zegevierend aan. Van dat oogenblik af vreesde de baker hem. + +Kort daarna begon Moeder langzamerhand sterker te worden, en toen zij +hare krachten teruggekregen had, vertrok de baker. Bij die gelegenheid +liet Dirk voor 't eerst zijn geluid hooren: hij nam afscheid van haar +met eene langgerekte a! + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DIRK BEGINT TE KRUIPEN EN KATTEKWAAD TE DOEN. + + +Een fatsoenlijke jongen zorgt er voor, op éénjarigen leeftijd te +kunnen loopen. Ook in dit opzicht was Dirk geen gewoon kind. Toen hij +elf maanden oud was, lag hij nog even bedaard en stil in de wieg, als +toen hij elf dagen was. Schreeuwen deed hij nooit, zooals ik reeds +verteld heb. Als iets niet naar zijn zin was, gaf hij alleen door +zijn voorhoofd te fronsen duidelijk zijn ongenoegen te kennen. Gaf +men hem daarentegen reden tot tevredenheid, dan was dat te merken aan +een zacht gesnor, ongeveer gelijk aan het spinnen van eene poes. En +was hij bijzonder in zijne nopjes, dan legde hij zijne handen op zijn +buik en begon zich zoo lang heen en weer te schommelen, tot de wieg +ten slotte ook in beweging kwam. Zoo kon hij zich uren lang vermaken, +en misschien zou dit de eenige lichaamsbeweging gebleven zijn, die +hij nam, indien de kat niet tusschenbeide gekomen ware. Dit beest was +bijzonder groot, en voelde zich zoozeer tot den rustigen wiegbewoner +aangetrokken, dat zij hem soms uren lang gezelschap hield. Toen Dirk +zich weer eens op zoo 'n wonderlijke manier aan het wiegen was, zoodat +zijn dik, rond lichaampje van de eene naar de andere zijde rolde, +sprong plotseling de kat op de wieg, juist toen deze op het punt van +omvallen stond. Wat nu gebeurde, is licht te begrijpen: het gewicht van +de kat was juist voldoende om de wieg te doen kantelen, en Dirk--plofte +op den grond, rolde als een knikker een eind voort en bleef eindelijk +onder de tafel liggen, omdat hij door eene stoof in zijne vaart werd +gestuit. Gedurende de eerste oogenblikken was hij zeer verbaasd over +dit voorval, doch toen hij de kat in het oog kreeg, die te vergeefs +alle pogingen in het werk stelde, om onder het beddegoed vandaan te +kruipen, dat haar bedolven had, begon hij er het vermakelijke van +in te zien, en lachte hij er hartelijk om. Zijne moeder was in den +tuin en had er dus niets van gemerkt. Toen hij genoeg gelachen had, +begreep hij, dat de arme kat toch verlost moest worden, want hij droeg +het beest een zeer goed hart toe. Hij keerde zich om, zoodat hij op +zijn buik kwam te liggen, begon met armen en beenen tegelijk te werken, +en jawel, daar kroop hij vooruit. Die beweging vond hij alleraardigst, +zóó aardig, dat hij de kat stilletjes liet tobben, en doodbedaard door +de kamer bleef rondkruipen. Toen zijne moeder eenige minuten later +binnen kwam, stond ze wat verbaasd te kijken. Ze verloste de kat, +die bijna buiten adem was van inspanning, zette de wieg overeind, +en legde met het beddegoed ook den kleinen kamergymnast er weer +in. Vader moest het bij zijne thuiskomst dadelijk van haar hooren; +zij vertelde hem het voorval in kleuren en geuren. Trom hoorde haar +hoogst ernstig aan, en toen het verhaal ten einde was, keek hij +eenigen tijd peinzend voor zich, haalde zijn zakdoek voor den dag, +stak hem dadelijk weer in den zak, en zeide: + +"'t Is een bijzonder kind, Griet,--dat is-ie." + +Van dien dag af kon moeder den kleinen Dirk niet meer in de wieg +houden. Zoo gauw het liggen hem verveelde, liet hij zich bedaard +op den grond zakken en kroop hij vergenoegd rond. Dan wist hij zich +met allerlei kleinigheden uitstekend te vermaken. Hij schoof nu eens +de stoof zijner moeder tamelijk onzacht over den vloer, zoodat het +er veel van had of er asch in de kamer gezaaid was, dan weer dronk +hij de melk uit het kattenschoteltje op, of wel, hij legde zich heel +bedaard in de broodkast neder, om zijn middagdutje te doen. Toen hij +dat voor de eerste maal deed, zocht zijne moeder tevergeefs de geheele +kamer rond, liep in haar angst zelfs den tuin in, om te zien, of hij +daar ook was, en zag hem eindelijk doodkalm uit de kast te voorschijn +kruipen. Als hij later weer eens zoek was, kon ze er staat op maken, +dat hij onder de laagste kastplank lag. + +Eens had Moeder eenige buurvrouwen op de thee genoodigd. Dirk kreeg +zijne witte jurk aan, die alleen des Zondags zijne schoonheid mocht +verhoogen; zijne dikke beenen werden in hagelwitte kousjes en zijne +voeten in glimmende schoentjes gestoken. Toen hij zoo op zijn mooist +was uitgedost, legde Moeder hem in de wieg en spoedde zich naar de +andere kamer, om zich ook wat op te knappen. Nog was ze niet geheel +gereed, toen zij reeds de buurvrouwen hoorde binnenkomen, zoodat +ze in allerijl de laatste hand aan haar toilet legde en zich naar +binnen begaf, waar zij met luid gelach ontvangen werd. Verbeeld u +haar schrik! In plaats van ordentelijk in de wieg te blijven liggen, +was de ondeugd over den vloer naar den steenkolenbak gekropen. Zijn +eerste werk was geweest, er zijne beide handen in te begraven, en toen +daar het nieuwtje wat af was, had hij zich eens goed met het zwarte +gruis ingesmeerd en er zijn mond mee volgepropt. Hij zag zoo zwart +als roet, en hij niet alleen, maar óók zijne jurk, zijne kousen, ja, +zelfs de vloer. De buurvrouwtjes lachten er smakelijk om, maar Moeder +vond het niet aardig. Doch toen Dirk haar met de meeste gulheid ook +een paar handjes steenkolen aanbood, en daarbij zijn zwart gezicht +tot een vriendelijk lachje plooide, proestte ook zij het uit en noemde +zij hem toch haar lieveling. + +De kat en zijne moeder had hij het meest van alles lief. Aan +wie van die twee hij echter de voorkeur gaf, wist hij, geloof ik, +langen tijd zelf niet, totdat het pleit ten laatste in het voordeel +der kat beslist werd. Het beest kreeg namelijk drie jongen, over +welke gebeurtenis ons jongmensch zoo verrukt was, dat hij poes den +geheelen dag gezelschap hield. Moeder was volstrekt niet van plan, +al die beesten den kost te geven en wilde er twee van verdrinken, +doch ze vond dat zoo 'n akelig werk, dat ze alleen bij de gedachte +daaraan reeds kippevel kreeg. Ze besloot dus, die operatie tot den +volgenden dag uit te stellen. Toen was ze echter niet meer noodig. Ze +ging 's morgens een paar boodschappen doen en vond, terugkomende, +de kat in een zeer zenuwachtigen toestand. Dirk zat doodbedaard en +met een hoogst ernstig gezicht bij den doofpot, terwijl poes driftig +heen en weer liep en voortdurend een klagend gemauw deed hooren. + +"Toe poes, ga naar je mandje, anders worden je kindertjes koud," +zeide vrouw Trom. + +Maar jawel, de kat bleef onrustig rondloopen, snuffelde in alle hoeken +en gaten, en sprong ten slotte tegen den doofpot op. Nu ging der moeder +een licht op. Haastig liep ze naar den pot, tilde het deksel er af, +en, och arme, daar vond ze de beestjes, boven op de doovekoolen, +alle drie dood. Dirk had ze er ingestopt, zeker in de meening, dat ze +het daar beter naar hun zin zouden hebben, en hij keek heel treurig, +toen hij bemerkte, dat ze zich niet meer verroerden. + +Op een anderen keer was vader bezig zich te kleeden voor eene treurige +plechtigheid. Er was in de buurt iemand gestorven, en Trom was op de +begrafenis genoodigd. Hij trok zijne beste kleeren aan en legde zijn +hoogen hoed op een stoel, terwijl zijne vrouw hem eene zijden das om +den hals knoopte. De hooge hoed trok weldra Dirks aandacht. Hij kroop +er heen, richtte zich aan den stoel overeind, bemachtigde zijne prooi, +en rolde er heel genoeglijk mede over den vloer, om er ten slotte +doodbedaard op te gaan zitten. + +"Vrouw, waar is m'n hoed,--waar is-ie?" vroeg Trom. + +"Je hebt hem zelf ergens neergelegd, Jan." + +"Ja, op dezen stoel, en nu zie ik hem niet meer, Griet,--dat doe ik." + +"O, o, kijk zoo 'n ondeugd nu toch eens! Kijk eens Jan, hij zit er +zoo waar boven op!" + +Oogenblikkelijk bevrijdde Moeder den hoed uit zijn gedrukten toestand, +maar helaas, hij was in elkaar gevouwen als eene harmonica. Dirks +Moeder was radeloos. Vader stak er echter zijne vuist in, duwde hem +weer in de hoogte, en zette hem op, terwijl hij zeide: + +"Wat zal ik er aan doen? Hij is een bijzonder kind,--dat is-ie." + +Toen ging hij naar de begrafenis. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DIRK WORDT IN EEN DUBBELEN ZIN DIK EN GAAT OP DEN INGESLAGEN WEG VOORT. + + +Dirk was ongeveer anderhalf jaar oud, toen hij begon te loopen en te +praten. Het laatste deed hij zeer weinig, hoewel geen enkele letter, +behalve de r, hem veel moeite opleverde. Sommigen zijner kennissen +waren van meening, dat hij geen gedachten had en daarom gewoonlijk +zweeg, doch die hem goed kenden, wisten wel beter. Hij had eenvoudig +een hekel aan praten; een ander geheim schuilde er niet achter. Sprak +hij dus weinig, loopen deed hij zooveel te meer, en al spoedig, +nadat hij die kunst machtig geworden was, begaf hij zich in alle weer +en wind naar buiten, zeer tot ongerief van zijne moeder, die aldoor +vreesde, dat hij in het water zou loopen. Spoedig trok hij door twee +eigenaardigheden de aandacht zijner medeburgers. Ten eerste door zijne +buitengewone dikte, en ten tweede door het zeldzaam stel beenen, +dat hij er op nahield. Zijn lichaampje was voor zijne onderdanen +wat al te zwaar geweest, zoodat zij geheel uit hun fatsoen geraakt +waren en langzamerhand den vorm van eene o hadden aangenomen. Dirk +was dus in het gelukkige bezit geraakt, van wat men wel eens een +paar varkensvangertjes noemt. Nu, een flink biggetje kon dan ook wel +tusschen zijne beentjes door, zonder dat hij zijne voeten van elkaar +behoefde te zetten. De meeste menschen maakten wel eens een praatje +met hem, of liever, zij trachtten dat te doen, want omdat hij nooit +antwoord gaf, bleef het gewoonlijk bij eene alleenspraak. Slechts als +men hem vroeg, hoe hij heette, gaf hij antwoord, doch de r sloeg hij +dan maar over, omdat hij die wat moeilijk uit te spreken vond. Zijn +antwoord luidde dus altijd "Dik", waarvan het gevolg was, dat hij nooit +meer anders genoemd werd. Die naam werd zoo algemeen, dat hij eindelijk +zelf geloofde zoo te heeten, en ten slotte noemden zelfs zijne ouders +hem zoo. Hij was dus nu dik geworden in eene dubbele beteekenis. + +Het was de achtste Februari, Diks tweede verjaardag. Het had den +geheelen morgen verbazend hard geregend, zoo hard, dat de goten al het +water niet bergen konden en overliepen. Dik mocht van zijne moeder niet +naar buiten, wat hij erg vervelend vond, vooral nu er zooveel water +viel. Toch wist hij nog eventjes te ontsnappen, van welk oogenblik +hij gebruik maakte om met een zeer tevreden en vergenoegd gezicht +juist op de plaats te gaan staan, waar de overstrooming het hevigst +was. Moeder haalde hem echter gauw weer binnen, waar hij verdrietig +voor het raam ging zitten. 's Middags hield de regen gelukkig op, +en nu was Dik ook niet meer in huis te houden. De tuin en het erf +waren geheel in een modderpoel herschapen, doch dat was juist naar +zijn zin. Hij plompte met zijne klompjes door de plassen heen, zoodat +de modder hem om de ooren spatte, maakte met een stokje kanalen en +meertjes en liet die vol water loopen, rolde driemaal midden in een +plas, en vermaakte zich onder al die bedrijven kostelijk. Daar zag +hij iemand het erf opstappen, en die iemand herkende hij dadelijk +als de baker. Deze goede vrouw had de gewoonte, al de verjaardagen +te onthouden van de kindertjes, die zij gebakerd had, en aan hunne +ouders op dien dag een bezoek te brengen. Zij wist wel, dat die zich +daardoor gestreeld gevoelden en uit dankbaarheid gewoonlijk op een +likeurtje en een koekje trakteerden. + +Zij kwam regelrecht op den jarige af, en zeide: + +"Wel, wel, m'n kleine Dikje-lief, mag jij zoo door de modder +loopen? Kind, kind, wat zie je er vreeselijk uit. Kom, ga mee naar +je moe." + +"Neen." + +"Niet? Waarom niet? Toe, ga maar met baker meê. Ken je me nog wel?" + +"Jawel!" + +"Nu, wie ben ik dan? Toe Dik, zeg eens, wie ik ben?" + +Dik bewaarde een plechtig stilzwijgen en keek haar zoo stug mogelijk +aan. + +De baker meende, dat hij een beetje verlegen was; ze boog zich daarom +vriendelijk lachend naar hem over, tikte hem aanmoedigend op de bolle +wangen, die rood zagen van de kou, en hernam: + +"Kom Dikje, kijk me eens goed aan. Zeg nu eens zoet, wie ik ben?" + +"Leelijk!" zei Dik kortaf, terwijl hij zich omdraaide. + +"O foei, wat een akelig kind! 't Is altijd al zoo 'n nare jongen +geweest!" zei de baker, aan den soepschotel denkende. Ze keek Dik +verstoord aan en ging naar de achterdeur. Daar trok ze hare klompen +uit, want om de morsigheid van den weg had ze niet op hare geliefkoosde +pantoffeltjes kunnen komen, en stapte naar binnen. Nog half boos +féliciteerde ze Diks moeder met den verjaardag van haar zoontje, +maar weldra vergat zij hare boosheid geheel onder het genot van een +glaasje anisette. + +Dik bleef buiten rondplassen. Hij zag er ontoonbaar uit, maar vermaakte +zich onuitsprekelijk. Hij had een stok gevonden en zat er nu mede in +het water te slaan, dat de droppels in het rond vlogen. De modder +zat hem tot in de haren. Een poosje later liep hij het keukentje +binnen en kwam weldra met een tinnen lepel terug. Nu kende zijn genot +geene grenzen meer. Hij schepte het water van den eenen plas in den +anderen, stak af en toe een lepel vol in den mond, en zag ten slotte +de klompen van de baker staan. Vol moed toog hij aan het werk. Hij +schepte een lepel vol water, droeg dat voorzichtig naar de deur en +goot het in een van de klompen. Hij herhaalde dit zoo dikwijls, tot +de klompen geheel vol waren, wat hem heel veel inspanning en heel wat +tijd kostte. Hij was er juist mede klaar, toen de baker het tijd vond, +om een einde aan hare visite te maken. Moeder deed haar uitgeleide tot +aan de achterdeur, waar Dik nog met groote voldoening naar de klompen +stond te kijken. De baker nam afscheid, bedankte voor de vriendelijke +ontvangst, en zeide, terwijl zij hare voeten in de klompen en dus +ook in het water stak: + +"Kom Dikje, wees nu zoet en geef baker eens gauw een zoe.... O jakkes, +wat is dat? Mijne voeten worden nat! Zie eens, mijne klompen zijn vol +water! Dat heeft me die akelige jongen gedaan, die rakker, die schelm!" + +Sneller dan ooit trok ze de klompen weer uit, maar--het was te +laat. Hare voeten waren sliknat, en Dikje-lief stond haar doodbedaard, +smerig en wel, met groote oogen en bolle wangen aan te staren, alsof +hij haar een groot pleizier had aangedaan. Zij vertrok zonder groeten, +met een gezicht, dat rood was van gramschap, en met kousen, waar bij +elken voetstap het water uitsijpelde. + +Een paar dagen later had het gesneeuwd, en geen beetje ook. De +sneeuw lag wel een voet dik, en was hier en daar tot heele bergen +opgewaaid. Dik vond het prachtig. Zoodra hij gekleed was en ontbeten +had, ging hij naar buiten, wreef zich danig in, en sprong pardoes in +een van de grootste sneeuwhoopen, om daar eens naar hartelust in rond +te buitelen. Toen stond hij op, nam de beide handjes vol sneeuw, +ging naar binnen en legde den geheelen voorraad op de boterham, +die zijn vader bezig was op te eten. + +"Daar!" zeide hij met verheugd gelaat. + +"Wel, heb ik van mijn leven!" riep zijn vader. "'t Is toch een +bijzonder kind,--dat is-ie!" Hij schudde de sneeuw van zijn brood en +ging voort met eten. + +Dik spoedde zich weer naar buiten. Ha, hoe genoot hij, toen hij +een twintigtal jongens elkander met sneeuwballen zag gooien, dat de +haren er bijna afvlogen; toen hij zag, hoe ze elkander in de sneeuw +wierpen en inwreven, en hoe ze hem met hunne sleetjes in dolle vaart +voorbijgleden. Fluks maakte hij zich van de kat meester en volgde +het voorbeeld der knapen, totdat poes in allerijl de vlucht nam, +wat hem zeer speet, vooral omdat hij er de reden niet van begrijpen +kon. Daar hij echter zag, dat het beest niet terug kwam, besloot hij +eene slede te maken. Hij vroeg Moeder om een touw, bond het eene einde +aan een plankje, nam het andere einde in de hand, en liep er zoo snel +als zijne kromme beentjes en zijn dikke buik hem dat veroorloofden, +het huis mede om. Die bezigheid beviel hem vrij goed, maar toen hij +na een poosje in de keuken kwam en daar een pasgeverfden kleerbak +zag staan, was de aardigheid van het plankje af. Dien bak vond hij +veel mooier en geschikter. Hij sleepte hem naar buiten, bond zijn +touwtje aan een der ooren, en--daar viel plotseling zijne aandacht +op een buitengewoon grooten hond, die doodbedaard vóór het huis op +den weg lag, met zijn neus in de sneeuw. Dik trok zijn bak er heen, +stak het touw door een lusje aan het losse einde, en deed het om den +staart van het groote beest, dat nog altoos rustig bleef liggen. Toen +ging hij zeer voldaan op den bak zitten, en riep: + +"Huup paard!" + +De hond hief bedaard zijn kop op en keek om, ten einde te zien, wie +zoo brutaal was, zijne rust te durven storen, doch ziende, dat hij +slechts met een klein kereltje te doen had, vond hij het geval niet +de moeite waard, om er zich voor op te richten. Hij legde daarom +zijn kop weer stilletjes in de sneeuw en kneep opnieuw zijne oogen +dicht. Dat was echter volstrekt de bedoeling van onzen Dik niet. Deze +wilde hem overeind en aan het loopen hebben; daarom schopte hij met +zijne kromme beentjes zoo hard hij kon tegen den bak, en riep nog eens: + +"Huup paard!" + +Doch de hond verroerde zich in het geheel niet. Hij bleef kalm +doorslapen. Nu nam Dik, die een eens gevormd plan niet gauw opgaf, +het touw en begon er aan te trekken, nogmaals roepende: + +"Huup paard!" + +Dat trekken beviel den hond bitter slecht, want daardoor werd de strik, +die om zijn staart zat, aangehaald en veroorzaakte hem tamelijk +veel pijn. Het dier stond op en begon te brommen. Dik liet zich +niet afschrikken. Hij rukte opnieuw aan het touw, en wel zoo hard, +dat de hond opsprong en het één, twee, drie op een loopen zette, +met den kleerbak achter zich. Dik sloeg van den schok achterover, +doch richtte zich dadelijk weer overeind en hield zich met beide +handen aan de kanten van den bak vast. + +"Huup paard!" riep hij, terwijl hij vergenoegd naar den staart van +den hond keek, waar het touwtje al vaster en vaster omheen klemde. De +arme hond, die volstrekt niet begreep, wat dat vreemde toestel achter +hem beteekenen moest en maar al te goed bemerkte, dat het hem pijn +deed, vloog als een razende langs den weg, tot groot genoegen van +den kleinen Dik. + +"Huup paard! Huup paard!" + +Voort vloog het! De menschen, die het zonderlinge voertuig en den +kleinen koetsier met verbazing aangaapten, moesten in allerijl op zijde +springen, wilden zij den bak niet tegen de beenen krijgen. Plotseling +sprong er een man midden op den weg, om den hond tot staan te +brengen. Het was Diks vader, die vol angst over den afloop van dit +avontuur zijn zoontje had zien aankomen. Doch de hond, door den bak +en Dik gevolgd, kwam met zooveel kracht tegen hem aan, dat hij wel +twee meters ver door de sneeuw rolde. Het ging hoe langer hoe harder, +want de hond werd steeds angstiger, en trachtte door een snellen +loop dat wonderlijke gevaarte achter zich te ontvluchten. Dik vond +het heerlijk, zoo heerlijk dat hij het uitgierde van de pret. Toch +liep hij gevaar, dat het slecht met hem zou afloopen, want de bak +slingerde geducht heen en weer, en kon elk oogenblik tegen een boom +of een paal terecht komen. Maar Dik zag geen gevaar. + +"Huup paard! Vooruit!" schreeuwde hij. + +En voort ging het, in dollen galop. Daar stoof het de brug over, +nu den hoek om, en... krak, daar brak het touwtje! De hond vloog +vooruit, zonder dat hij zelf wist waarheen, en Dik bonsde met zijn +hoofd tegen een boom, dat hij er een blauwe plek van kreeg, zoo groot +als een stuiter. + +Zijn vader was hem nagesneld en bereikte hem spoedig. Dik stond +teleurgesteld bij den bak, en keek met treurigen blik overal naar +den hond rond. Toen zijn vader bij hem kwam, zei Dik: + +"Wat ging dat mooi. Waar is de hond?" + +"Heb-je je niet bezeerd, Dik,--heb-je niet?" + +Dik gaf geen antwoord. Daarom nam zijn vader hem en den bak op, +ging naar huis en zei tegen zijne vrouw, toen hij binnen kwam: + +"'t Is toch een bijzonder kind, Griet,--dat is-ie." + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DIK ONDERGAAT EENE GEDAANTEVERWISSELING EN BLIJFT TOCH DEZELFDE. + + +Toen Dik ruim drie jaren oud was, achtte zijne moeder het oogenblik +gekomen, waarop hij de jurk uit- en de broek moest aantrekken. Bij +die gedaante-verwisseling liet hij dat eigenaardige gesnor hooren, +dat steeds getuigde van zijne bijzondere tevredenheid. Moeder, die +door hare liefde voor den kleinen dikzak niet zoo verblind was, +om te meenen, dat zijne kromme beentjes geschikt waren om zijne +schoonheid te verhoogen, had, om ze wat rechter te doen schijnen, +de pijpen heel wijd gemaakt, zoo wijd, dat een Volendammer visscher +er mede in zijn schik zou zijn geweest. Twee draagbanden, of galgen, +zooals Moeder ze noemde, zorgden er voor, dat hij zijne broek niet zou +verliezen. Een lakensche jas, gesneden uit een afdankertje van Vader, +bedekte dat gedeelte van zijn lichaam, dat tusschen hals en middel +gelegen was, terwijl twee korte slipjes, elk van een knoop voorzien, +van achteren nog eventjes over zijne broek neerhingen. Onder dat jasje +droeg hij een blauw geruit boezeroentje, en op zijn hoofd eene pet, +waarvan de klep gewoonlijk naar zijn rug wees. + +Dik was met zijn nieuwe pak bijzonder in zijn schik. Zoodra hij het +aan had, stak hij zijne vuisten in zijne broekzakken, duwde ze zoover +mogelijk van zijne beenen af, om er maar erg breed uit te zien, trok +zijne klompen aan en stapte naar buiten. Hij was op dat oogenblik +uitermate trotsch. Onophoudelijk keek hij naar beneden, om zichzelf +te bewonderen, en daarbij nam hij stappen als een dragonder. Dat had +hij niet moeten doen, want daardoor merkte hij niet, voor het te +laat was, dat hij tegen een muur liep. Bom! Het kwam geducht aan; +hij kreeg er sterretjes van voor zijne oogen en eene blauwe plek, +die zijne schoonheid sterk verminderde, onder zijne pet. Gelukkig was +er niet dikwijls wat van te zien, want hij zette zijne pet nooit af, +dan als hij naar bed ging. Hij stond eenige oogenblikken beteuterd +te kijken, zette zijne pet weer goed, dat wil zeggen, met de klep +naar achteren, en wandelde toen den weg op. Daar stond bij een boom +een meisje, dat ongeveer van denzelfden leeftijd was als hij. Dik +liep naar haar toe en keek haar geruimen tijd strak aan, wat zij op +dezelfde wijze beantwoordde. Toen draaide hij met de handen in de +zakken langzaam om haar heen, ten einde haar goed aan alle zijden te +bekijken. De uitslag scheen bevredigend te zijn, want hij bleef weer +vóór haar stilstaan, zweeg nog eenigen tijd, en zeide toen: + +"Dag." + +Het kind gaf geen antwoord, maar stak den vinger in den mond en bleef +hem onbeweeglijk aankijken. + +"'k Heb eene broek aan!" vervolgde Dik met trots. + +"En ik heb suikerballetjes. Die heb jij niet, lekkertjes," was het +antwoord van de jonge dame, terwijl ze haar hoofd langzaam op en +neer bewoog. + +"Laat eens zien? Zijn ze lekker?" vroeg Dik, die een liefhebber was +van alles, wat goed smaakte. + +"Neen, ik houd ze zelf. Hoe heet jij?" + +"Dik." + +"Ik niet, ik ben Anneke." + +"En waar zijn de suikerballetjes?" vroeg Dik, die er grooten trek +in had. + +"In mijn zak, maar je krijgt ze niet." + +"Laat ze eens zien? Ze zijn toch niet eens lekker," meende Dik. + +Anneke tastte in den zak en liet den schat zien. Diks oogen blonken +van begeerigheid, en terwijl hij de hand uitstak, zeide hij: + +"Ik wil ze hebben. Toe, dan mag je met me spelen." + +Anneke vond dat aanbod nog al aannemelijk. Ze stak een balletje in +den mond, beet het in twee stukken, en gaf een ervan aan Dik, die +het dadelijk opat. + +"Van wien heb je ze?" vroeg hij. + +"Gekocht, dààr, voor een cent." + +Dik volgde met zijne oogen de richting van haar vinger. Daarop stak hij +de handen weer in zijne zakken en ging regelrecht op den winkel af. Hij +stapte naar binnen, en zei tegen de vrouw, die achter de toonbank kwam: + +"Voor twee centen suikerballetjes." + +De vrouw nam een blikken trommel, deed het deksel eraf en legde een +tiental balletjes op de toonbank. Dik nam ze op, deed zijn mond zoover +open, alsof die nooit weer dicht moest, stak er eenige balletjes in, en +wilde met de rest doodbedaard den winkel verlaten, toen de vrouw zeide: + +"Ho, ho, ventje, waar zijn de centen?" + +"Centen?" vroeg Dik met een vollen mond en een tevreden uiterlijk. + +"Ja, waar zijn je centen?" + +"Ik heb geen centen, wel balletjes," zei Dik, die niet recht begreep, +wat zij bedoelde. + +"Geef ze dan maar weer gauw terug, kwâjongen. Dat gaat zoo niet! Als +je wat koopen wilt, moet je centen meebrengen." + +"O," zeide Dik, die haar nog maar half begreep. + +Hij legde de rest van de balletjes weer op de toonbank en ging met +een vollen mond naar buiten, waar Anneke op hem stond te wachten. Uit +dankbaarheid nam hij een balletje uit zijn mond en gaf het haar. Van +toen af waren zij vriendjes en speelden altoos met elkander. + +Een dag of wat later kwam Vader thuis met een paar groote snoeken. Hij +hielp aan het leggen van eene brug, en had met andere werklieden +een gedeelte van het breede kanaal, dat midden door het dorp liep, +droog gemaakt, bij welke gelegenheid de arbeiders vrij wat visch +hadden gevangen. Zoo was hij aan snoek gekomen. Hij legde ze in de +keuken neer en ging naar binnen. Dik vond de dieren heel mooi. Hij +streek er met zijne vingers over, trok aan hunne vinnen, en stak +ten slotte zijn wijsvinger in een van de wijdgeopende bekken. Maar +och, wat beviel hem dat slecht. Pas zat zijn vinger er in, of de bek +sloot zich en de tanden van het dier drongen hem aan alle kanten in +het vleesch. Hij schrikte er geducht van; zijne dikke wangen werden +zelfs bleek, en zeer zeker zou hij het op een schreeuwen gezet hebben, +indien hij van die bezigheid niet zoo 'n onoverwinnelijken afkeer had +gehad. Intusschen zat hij geducht in de knel. Hij begon het dier met +zijne vrije hand op den kop te slaan, in de meening, dat het hem dan +wel zou loslaten, doch het hielp niets, want he beest was al sedert +een paar uur dood, en voelde er dus bitter weinig van. Dik was ten +einde raad. Bewegen durfde hij zich niet, want elke beweging deed +hem pijn, zoodat hij er stellig nog zou gestaan hebben, indien zijne +ouders het niet bemerkt en hem verlost hadden. + +"Waar wonen de snoeken?" vroeg hij, toen de eerste schrik wat +voorbij was. + +"Waar de snoeken wonen, jongen," zei zijne moeder, "wel, ze zwemmen +in het water." + +Dik stapte de deur uit, en ging Anneke halen. + +"Ga-je meê snoeken vangen?" + +"Ja, waar zijn ze?" + +"In de sloot, achter het huis." + +Welgemoed ging het tweetal op weg. Ze liepen den tuin door en kwamen +aan eene sloot, die ongeveer 2 meter breed was. + +"Hier zijn ze," zei Dik, op het water wijzende. "Geef me eene hand." + +"Ik niet. Vang jij ze maar, dan zal ik er op passen." + +"Goed. Daar ga ik." + +Dik zette één been vooruit, en stapte pardoes te water. Hij zakte +dadelijk een eind in de modder, zoodat het water hem tot aan de borst +kwam en in de ademhaling belemmerde. + +"I-i-ik z-zie-ze ni-niet," stotterde hij. + +"Ik ook niet," zei Anneke. + +Dik stapte heen en weer, en greep met beide handen links en rechts +in het water, maar snoeken ving hij niet. Juist wilde hij zich wat +verder in de sloot begeven, toen zijn vader hem kwam zoeken, om te +komen eten. Toen hij Dik daar door de sloot zag wandelen, kon hij +van schrik bijna niet spreken. Hij liep naar den kant, zwaaide met +beide armen wanhopig in het rond, en riep: + +"Dik, wat-wat doe je, w-wa-wat moet dat? Kom h-hi-hier, jongen, +je-zult-je verdrinken--dat zul-je. Kom gauw!" + +"Ik vang snoeken!" zei Dik, naar den kant stappende. Vader greep hem +bij de hand en hielp hem op het droge. Toen trok hij hem voort naar +huis, en riep tegen zijne vrouw: + +"Griet, 't is toch een bijzonder kind,--dat is-ie." Dik werd uitgekleed +en te bed gelegd. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +HOE DIK UIT VAREN GING. + + +Dik werd met den dag ouder, dikker en ondeugender. Dat hij ouder werd, +kon niemand helpen; dat hij dikker werd, was de schuld van zijne +moeder, die hem altoos reusachtig groote boterhammen liet opeten, +en dat hij ondeugender werd, was de schuld van zijn vader en moeder +samen. De laatste hield dolveel van haar dikken jongen, zoo veel, +dat zij hem in alles toegaf, hem nooit iets verbood, en, pakte een of +ander verkeerd met hem uit, hem nog voorsprak en beklaagde op den koop +toe. 't Was dus geen wonder, dat hij met den dag ondeugender werd en, +zooals de menschen zeiden, opgroeide voor galg en rad. Zijn vader +hield ook veel van hem, maar de man sprak geen tien woorden op een +dag en vond alles, wat Dik deed, heel mooi. Waarschuwden de menschen +hem er soms al eens voor, dat het nooit goed met Dik zou afloopen, +dan haalde hij de schouders slechts op, en zeide: + +"Och ja, wat zal ik er al aan doen; 't is een bijzonder kind,--dat +is-ie." + +Toen Dikje vier jaar oud was, had hij wel al tienmaal in het water +gelegen, en tweemaal was hij er zelfs bewusteloos uitgehaald. Eénmaal +was hij van het dak gevallen, waarop hij geklommen was om vogeltjes te +vangen. Hij had een beetje zout in de hand, om hun dat op den staart te +leggen en ze dan te grijpen. Dat had de molenaar hem wijs gemaakt. Bij +die gelegenheid had hij een beentje en een ribje gebroken. Tweemaal had +hij een steentje in zijn neus gestopt, en wel zoo diep, dat hij het +er niet meer uit kon krijgen. Hij had er niets van gezegd, maar toen +zijn neus begon op te zetten en eindelijk zelfs eene onrustbarende +grootte kreeg, zoodat de dokter bijna niet wist, wat hij er aan doen +zou, en alle drankjes en pillen niet hielpen, zei hij: + +"Er zit een steen in." + +En het was maar goed ook, dat hij het zeide, want anders zou hij +zijn neus waarschijnlijk kwijt geraakt zijn, daar de dokter al over +eene operatie begon te spreken. Nu was die gelukkig niet noodig. De +dokter haalde met een tangetje het steentje er uit, en weldra was de +neus weer tot zijne gewone grootte teruggekeerd. + +Driemaal was hij overreden geworden. Eens door een gewoon rijtuig, +waarvan een wiel hem over den linkerarm ging, hetgeen hem veel pijn +deed en ten gevolge had, dat hij dien arm drie weken lang in een +doek moest dragen,--eens door eene hondenkar, waar hij lachend onder +vandaan kroop, en eens door een draaiorgel, waaronder hij was gaan +liggen om het beest te zien, dat er, naar zijne meening, inzat en dat +zoo verbazend schreeuwen kon, als de man aan zijn poot draaide. Hij +zag namelijk den slinger van het orgel voor den poot van een dier aan, +dat er in opgesloten was. + +Dikje was dus een tamelijk woelige jongen, die zijne goede moeder +dikwijls veel last veroorzaakte en haar soms door zijne gevaarlijke +ondernemingen het angstzweet deed uitbreken. + +Op zekeren dag had zij het verbazend druk, want zij moest de groote +wasch doen. Het liep haar echter volstrekt niet mede. Eerst kon ze, +wat ze ook deed, geen groot vuur krijgen. De schoorsteen wilde in +het geheel maar niet trekken, en toen daar verbetering in kwam, en ze +gauw de kopjes ging wasschen, terwijl het water dan vast aan de kook +kon gaan, brak zij door te groote haast haar mooien koffiepot, wat +haar zeer speet. Eindelijk was haar werk af en kon ze aan de wasch +beginnen. Ze spoedde zich naar de keuken, maar, o wee, het water +was nog maar ternauwernood warm. Dikje was binnen gekomen, en toen +hij het groote vuur had gezien, was hij er telkens een kopje water +op gaan gooien, omdat het dan zoo mooi siste. Maar daardoor was het +groote vuur al kleiner geworden en eindelijk geheel uitgedoofd. Dik +zat op eene stoof vóór den haard trouw te wachten, tot het weer aan +zou gaan, om dan zijn spelletje voort te zetten. + +"Akelige jongen," riep zijne moeder, met tranen van spijt in de oogen, +"wat heb je nu weer gedaan? Nu kan ik nog in geen uur aan de wasch +beginnen!" + +"'t Ging sss-sss-sss," zei Dik. "'t Ging mooi." + +"Zoo, ging het mooi! Ga maar gauw naar buiten; je komt vooreerst niet +weer binnen, hoor je. Voort, gauw!" + +Dik stapte naar buiten. De goede jongen begreep zeer goed, dat hij +het verbruid had, en toch had hij het niet met eene kwade bedoeling +gedaan. Daarvoor hield hij te veel van zijne moeder. + +Een beetje mistroostig ging hij naar Anneke, die een paar huizen +verder woonde, en toen hij vijf minuten met haar gespeeld had, was +hij het geval al weer vergeten. Hij bleef bij haar, tot zijne maag hem +niet onduidelijk te kennen gaf, dat het tijd was, om zijn middagmaal +te gaan gebruiken. Hij nam daarom op zijne gewone wijze afscheid, +dat wil zeggen, zonder groeten, en begaf zich op weg naar huis. Toch +duurde het nog een geruimen tijd, eer hij werkelijk thuis kwam. Langs +den weg, dien hij volgde, liep een breed kanaal, dat evenwel niet +zoo diep was als de breedte wel deed vermoeden. Vóór Diks huis was +aan den oever eene houten stoep getimmerd, waarvan Moeder gebruik +maakte, als zij wat te spoelen of te wasschen had. Dik zag nu, dat +eene groote waschtobbe met een touwtje aan die stoep vastgemaakt was +en in het water dreef. Waartoe dat diende, begreep hij niet, maar hij +zag wel, dat het de tobbe van zijne moeder was. Hij besloot, de tobbe +van naderbij te gaan bekijken, doch dat was gemakkelijker gezegd dan +gedaan, want het water stond vrij laag en de kant was zeer steil. Nu +was niets moeielijker voor onzen Dik, dan in een boom klimmen of van +eene helling afklauteren, want bij het klimmen zat zijn dikke buik +hem in den weg, en voor het dalen was hij te topzwaar. Hij deed dan +ook nauwelijks een paar stappen naar beneden, of hij verloor zijn +evenwicht en tuimelde hals over kop naar beneden, terwijl hij zich +al vallende verdiepte in allerlei gissingen, waar hij nu toch wel +terecht zou komen. Dat pakte echter beter uit, dan hij had kunnen +denken. Drie vierde van zijn lichaam viel op de stoep, en de rest, +zijn linkerbeen, in het water. Hij was dan ook uitermate tevreden over +den afloop en haastte zich, het natte vierdepartje ook op de stoep te +trekken. Toen rolde hij zich op zijn buik en begon zich met de tobbe te +vermaken. Het touwtje, waaraan deze bevestigd was, was tamelijk lang, +zoodat Dik haar beurtelings van den kant duwen en naar zich toehalen +kon. Soms pakte hij haar bij het oor en drukte haar met kracht naar +beneden, zoodat zij bijna water schepte. Eindelijk trok hij haar zoo +dicht mogelijk naar de stoep, en liet zich er in glijden. De vracht +was wel wat zwaar voor de tobbe, zoodat zij eerst een poos geweldig +heen en weer schommelde, maar zij bleef toch drijven. Nu had Dik +eerst recht veel pleizier. Wel twintigmaal stuurde hij het kanaal in, +zoover het touwtje reikte, en dan trok hij zich bedaard naar de stoep +terug, om een oogenblik later weer van wal te steken. Dat spelletje +duurde zoo lang, tot het touwtje brak, en Dikje met zijne tobbe, +zonder dralen, naar het midden van het kanaal dreef. De wind had +juist dezelfde richting als het kanaal, zoodat hij ongeveer in het +midden van het water bleef voortdrijven. Zijn breed bovenlijf en +zijne dikke wangen deden dienst als zeilen. Vlug ging het wel niet, +maar Dik vond het toch alleraardigst. Dit onverwachte zeiltochtje +was een buitenkansje, waarop hij niet had durven hopen, en zijne +oogen straalden dan ook van genot. Hij bleef gelukkig rustig zitten, +want had hij dat niet gedaan, dan zou zijn vaartuig zeker omgeslagen +en hijzelf, zoo dik als hij was, verdronken zijn. + +Intusschen zaten zijne ouders op hem te wachten met het middagmaal, +want, hoe uithuizig hij anders ook was, met het eten zorgde hij +altoos binnen te zijn. Hij begon gewoonlijk het eerst en hield het +laatst op. Ditmaal liet hij zich, vreemd genoeg, wachten, zoodat +zijne moeder ten laatste zei: + +"Waar zou onze Dik toch zitten?" + +"Ik weet het niet, vrouw,--dat doe ik." + +"Hij komt anders altoos om twaalf uur thuis. Ik begrijp er niets +van. Ik zal eens eventjes op den weg gaan zien." + +Vlug liep ze de deur uit en keek overal rond, behalve naar het +water. Ze zag hem dus nergens. + +"Dik, eten!" riep ze, zoo hard als haar mogelijk was. Geen antwoord +volgde. + +"Dik! Di-i-i-k! Waar zou die jongen nu toch weer zitten? Hij zal toch +niet in het water liggen?" + +Haastig liep ze naar de stoep, en ze verschoot van kleur, toen ze zag, +dat de tobbe verdwenen was, welk feit ze dadelijk met het wegblijven +van Dik in verband bracht. Pijlsnel volgden hare oogen de richting +van het water, en--daar ontwaarde ze tot hare groote ontzetting de +verloren tobbe en daarin haar verloren zoon. Ze stak beide armen in +de hoogte en gaf een schreeuw, die haar man deed opspringen en naar +buiten snellen. Ook de buren kwamen toeschieten. + +"Griet, wat doe-je? Wat is er?" vroeg Jan Trom. + +"O, dáár! Kijk eens, midden in het kanaal!" + +Aller oogen vestigden zich op den kleinen deugniet, die voortging +met zich uitstekend te vermaken. + +"Jan, blijf daar toch niet staan! Aanstonds slaat de tobbe om, en +dan verdrinkt hij. Gauw, ga hem halen!" + +"Ja vrouw, zie je, ik wil wel, zie je, maar...." + +"Allo Jan, zeur nu niet, maar haal hem. Gauw wat!" + +"Ja Griet, zie je, maar hoe? Ik wil hem wel halen,--dat wil ik, +maar...." + +"Nu, doe het dan, schielijk! Haal gauw het bootje van Teun, den +visscher. Toe, maak voort, want aanstonds drijft hij onder de brug, +en dan is het te laat." + +"Teun is niet thuis, vrouw Trom, en zijn bootje ook niet," zeiden +de buren. + +"O, hemel!" schreeuwde Griet opeens, "daar gaat hij nog schommelen +ook! Jan, te water, toe dan toch, ga hem halen. Gauw wat, er +in! Vooruit dan!" + +"Ja vrouw, zie je, maar het water is zoo nat,--dat is het, weet je." + +"Nat? Vooruit, te water, ga hem halen! Kijk me nu dien bengel +eens. Jan, zul-je gaan?" + +Griet nam een kort besluit. Ze greep Jan bij den arm en duwde hem +rechtuit het water in, en toen hij er eenmaal in was, stapte hij +hijgende en hikkende op de tobbe los. Daar had hij haar bereikt. Hij +nam Dik er uit, gaf de tobbe een duw, die haar naar den kant deed +drijven, en sukkelde weer naar den oever. Bijna had hij dien bereikt, +toen hij onverwachts in een gat trapte, en plotseling met Dik onder +water verdween. + +"O, hemel!" gilde Griet. "Ze verdrinken!" + +Doch neen, na enkele oogenblikken kwam Jan, met Dik in zijne armen, +weer boven, terwijl ze beiden voortdurend de oogen dichtknepen van +het water, dat van hun hoofd afstroomde. Jan reikte zijn zoon over aan +zijne vrouw, en zeide hikkende, terwijl hij den hoogen kant opkroop: + +"Grie-iet, (hik), 't is to-toch (hik) een bij-bijzonder (hik) +kind,--dat (hik) dat is-ie!" + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DIK GAAT NAAR SCHOOL. + + +Op den achtsten Februari was Dik zes jaar geworden, en op den +eenendertigsten Maart daaraanvolgende stapte Jan Trom de kamer van +den hoofdonderwijzer binnen, om dien te vragen, of zijn zoon den +volgenden morgen op school zou kunnen komen. + +"Goeden avond, meester." + +"Goeden avond, Trom. Hoe gaat het? Ga zitten." + +Jan Trom nam plaats op de punt van een stoel, en begon verlegen aan +zijne vlassige bakkebaardjes te plukken. + +"'t Is mooi weertje, niet waar?" vervolgde de meester. + +"Ja meester, 't is mooi weertje,--dat is het," zeide Trom. + +"En wat is er van uw dienst?" + +"Van mijn dienst? Niets, niemendal, meester. Ik wou u maar komen +vragen, en dat wou ik, ziet u, of.... affijn, ziet u, of Dik morgen +op school mag komen, ziet u." + +"Dik? Wie is dat?" + +"Jawel, hij is dik, ziet u,--dat is-ie." + +"Zoo, dat doet me genoegen. Maar ik bedoel eigenlijk, of het een kind +van u is?" + +"Jawel, ziet u, 't is onze Dik,--dat is-ie." + +"Mooi, nu begrijp ik het. Dus zijn naam is Dik Trom?" + +"Jawel, meester, hij heet Dik Trom,--dat doet-ie." + +"U hebt den jongen toch een zonderlingen naam gegeven, dunkt me. Is +hij zoo gedoopt ook?" + +"Neen meester, dat niet. Hij is Dirk gedoopt--dat is-ie." + +"O, dus hij heet eigenlijk Dirk Trom? Nu ben ik er." + +"Ja, meester." + +"En is hij gevaccineerd?" + +"Neen meester, gevekseleerd, dat geloof ik niet, maar hij is anders +een bijzonder kind,--dat is-ie." + +"Is hij niet gevaccineerd? Maar Trom, dan kan hij niet op school +komen. Dan mag ik hem niet aannemen." + +"Zoo meester, dat is een gekke boel,--dat is het. Het zal Griet ook +erg spijten,--dat zal het." + +"Ja, het spijt mij ook. Of heeft hij soms de pokken gehad?" + +"Ja, meester, dat wel, koepokken, en groote ook. Hij had er op elken +arm drie, dat had-ie." + +"O, dus hij is wèl ingeënt?" riep de meester, die moeite had om niet +in lachen uit te barsten. + +"Ja meester, dat is hij wel en dat is-ie. Hier heb ik zijn +pokkenbriefje." + +"Zoo Trom, dan is het geheel in orde. Stuur hem dan morgen maar." + +"Goed meester, asjeblief." + +Trom vertrok. Den volgenden morgen kreeg Dik een nieuw pak aan, dat, +wat snit en kleur betrof, precies op al de voorgaande geleek. Daarna +sneed Moeder hem zulk een dikke boterham, dat het scheen, of ze +bang was, dat Dik anders doodgehongerd weer thuis zou komen. Om het +feestelijke van de gelegenheid legde ze er zelfs plakken snijkoek +op. Dik vond het heerlijk, en viel er met moed op aan. Nu was hij niet +zoo gauw bang voor een boterhammetje, maar deze was toch zoo groot, +dat hij bijna geen raad met haar wist. Doch de aanhouder wint, dat +ondervond hij ook, en eindelijk kwam hij er mede klaar. + +"Lust je nog een stukje brood, Dik?" + +"Met koek?" vroeg deze. + +"Jawel, een stukje koek mag je óók nog wel hebben." + +"Dan nog twee boterhammen, moeder," zeide Dik. + +"Wat? Nog twee?" + +"Ja, moeder." + +Dik kreeg, wat hij vroeg, maar in het brood had hij geen trek meer; +het was hem alleen maar om de koek te doen. Die at hij er dus netjes +af, en toen stak hij de boterhammen in zijn zak. + +Te kwart voor negen bracht Moeder hem naar het schoolplein, waar de +hoofdonderwijzer zijne nieuwe leerlingen stond op te wachten. Toen +moeder vertrokken was, nam de meester Dik en de andere nieuwelingen +mede naar een lokaal, waar eene buitengewoon lange, magere juffrouw +onderwijzeres was. Ze zag er niet vriendelijk uit, en ze was zoo +bleek en schraal, dat Dik haar, al stond ze hem niet aan, met innig +medelijden aanstaarde. Hij voelde zich vrij wel op zijn gemak, en +was bijzonder goed gemutst. Dat was hij trouwens onder alle mogelijke +omstandigheden des levens, behalve wanneer hij honger had. De juffrouw +zette de kleintjes twee aan twee op eene bank, en liep de klasse eens +door, om een praatje met hen te maken. Weldra kwam ze ook bij Dik, die +haar, hoe meer zij naderde, met des te grooter medelijden beschouwde. + +"Wel, jongetje, hoe heet jij?" vroeg ze op korten, doch niet +onvriendelijken toon. + +"Dik." + +"Dik? Ja, mannetje, dat ben je, maar ik vraag, hoe je heet." + +Dik gaf geen antwoord, want hij had het al eenmaal gezegd, en dat +vond hij genoeg. + +"Kom, ventje, je kent toch je eigen naam wel? Hoe heet je?" + +Gedreven door een gevoel van medelijden zei hij nog eens: "Dik." + +"Jawel, jongetje, dat ben je, maar ik wil weten, hoe je heet! Hoe is +je naam?" riep de juffrouw eenigszins ongeduldig. + +Diks medelijden werd hoe langer hoe grooter, want hij meende duidelijk +te hooren, dat de juffrouw boos werd, en omdat hij zelf nooit boos +was, dan als hij honger had, begon hij te gelooven, dat ze niet genoeg +gegeten had, in welke meening haar uiterlijk hem wel moest versterken. + +"Nu jongen, kun je niet meer spreken? Hoe heet je?" De juffrouw was nu +werkelijk een beetje driftig geworden, en daardoor klonk haar toon zoo +scherp, dat Dik niet langer twijfelde, of ze had grooten honger. Op +eenmaal schoot hem te binnen, dat hij nog twee boterhammen in zijn +broekzak had. Met een tevreden gelaat haalde hij ze voor den dag, +en stak ze de juffrouw toe. + +"Daar!" zei hij. "Eet ze maar op, dan zal het wel beter worden!" + +Alle kinderen begonnen te lachen, en de juffrouw deed dapper mee. + +"Dank-je wel, ventje. Je bent zeer vriendelijk. Och Jan Vos, kom +eens hier, om dat brood op het schoolplein te brengen. Dan kunnen de +vogeltjes het opeten." + +Jan Vos kwam, maar het brood kreeg hij niet, want Dik hield er veel +te veel van, om het zoo maar te laten weggooien. Hij nam er dus een +paar flinke happen van, en stak de rest weer in zijne zakken. Nu had +de juffrouw volstrekt geen lust om het er zelf uit te halen, en daar +Dik even weinig lust had, om het vrijwillig over te geven, besloot ze, +den dikken lummel vooreerst maar aan zijn lot over te laten. Van de +andere kinderen kwam ze te weten, dat hij eigenlijk Dirk Trom heette, +maar gewoonlijk Dik genoemd werd. Ze gaf elk kind eene lei en eene +griffel, om wat te teekenen, en ging toen naar de andere klasse, om +daar te laten lezen. 't Was zeer stil in de school. De nieuwelingen +zaten met een verlegen gezicht rond te kijken, of zoo mooi zij konden, +links en rechts strepen te trekken. + +Ook Dik weerde zich dapper. Hij drukte zijne griffel op de lei, +alsof hij daar een gaatje in wilde duwen, en maakte zulk een gekras, +dat de juffrouw rillingen over de magere leden kreeg. + +"Jongetje, niet zoo krassen. Ik word er bijna ziek van." + +Doch Dik knarste maar door. Hij bemerkte in het geheel niet, dat de +juffrouw het tegen hem had, en bovendien vermaakte hij zich kostelijk. + +"Knars!" ging het weer. + +"O foei, wat een jongen!" riep de juffrouw. "Dik Trom, kom eens hier." + +Dik deed zijn mond dicht, want die stond altijd open, als hij zich +in de eene of andere bezigheid verdiepte, en keek de juffrouw aan +met een paar oogen, waarin te lezen stond: "Wat is er nu weer?" + +"Dik Trom, ik zeg, dat je eens hier moet komen!" + +Dik legde zijne handen boven op de boterhammen, wierp zijne kromme +beentjes over de bank, en stapte naar de juffrouw, die voor de +klasse stond. + +"Dik, je moet gehoorzaam zijn. Alle kinderen hier op school zijn +dat. Als ik je dus iets verbied, moet je het dadelijk laten." + +"Zoo," zei Dik. + +"Wat zeg je?" vroeg de juffrouw, die zich over dit antwoord verbaasde, +en hare ooren bijna niet gelooven kon. + +"Ik zing geen twee liedjes voor één cent," zei Dik, die eene grappige +bui had en er zelf om lachen moest, tot zijne dikke buik er van +schudde. + +"Wel, heb ik van mijn leven!" riep de juffrouw. "Wat ben jij een +brutaaltje! Van wien leer je dat?" + +"Van Moeder," zei Dik zeer tevreden. + +"Zoo! Nu, zulke dingen mag je hier volstrekt niet zeggen. Je blijft +hier maar bij me staan, hoor, en je moet bedaard zijn." + +"Ja," zei Dik. + +"Je moet zeggen: Ja juffrouw." + +"Zoo." + +"Nu, doe het dan!" + +Dik, die nog altijd zijn medelijden niet overwinnen kon, besloot haar +dat genoegen maar te doen, en zeide: + +"Je moet zeggen ja juffrouw." + +De juffrouw schudde moedeloos het hoofd, ging met haar werk voort, +en liet Dik maar weer aan zichzelven over. Deze had nu niets meer te +doen, en daarom haalde hij zijn brood weer voor den dag, en begon +het op te peuzelen, tot groot vermaak van de andere kinderen, die +proestten van het lachen. Plotseling kreeg hij Anneke in het oog, +die hij den geheelen morgen nog niet opgemerkt had, en met een vollen +mond riep hij, zoo hard hij kon: + +"Dag!--Wil je ook wat?" + +Hij liep naar haar toe, en legde zijn brood op hare lei, doch de +juffrouw wist het spoedig te bemachtigen, en liet het buiten brengen +voor de vogeltjes, waardoor Dik zich diep beleedigd gevoelde. Hij +keek haar met groote oogen aan. + +"Dik, wil je nu zoet zijn?" + +Dik was te boos, om antwoord te geven. + +"Dik, beloof me, dat je zoet zult zijn, dan mag je weer gaan zitten." + +"Ik ben altijd zoet!" riep Dik, die zich volstrekt van geen kwaad +bewust was. + +"Nu, ga dan maar zitten, doch geen leven maken, hoor." + +Dik stapte weer naar zijne plaats, maar van teekenen had hij zijn +bekomst. Hij keek een poosje rond, en vestigde toen zijne aandacht +op zijn buurjongen, die zich in de school zoo weinig op zijn gemak +gevoelde, dat het huilen hem nader stond dan het lachen, hetgeen dan +ook duidelijk op zijn gezicht te lezen stond. + +"Wat kijk jij leelijk," zei Dik, "heb je honger?" + +De jongen bleef hem even leelijk aanzien, zonder antwoord te geven. + +"Ben je ziek?" vroeg Dik, die er het zijne van wilde hebben. + +De jongen gaf geen antwoord, maar begon in plaats daarvan hardop te +huilen, tot groote verbazing van Dik. + +De juffrouw kwam op den schreienden knaap af, en vroeg: + +"Wat scheelt er aan?" + +"Hij knijpt me!" schreeuwde de jongen, op Dik wijzende. + +Diks verbazing steeg ten top, en ging over in hevige +verontwaardiging. In een oogenblik stond hij boven op de bank, +nam zijne lei, en begon daarmee zoo geweldig op zijn buurman los te +timmeren, dat de scherven in het rond vlogen. Toen stak hij zijne +handen weer in zijne zakken en liep de deur uit, naar huis. 't Was +hem op school volstrekt niet bevallen, en 's middags had zijne moeder +groote moeite, om hem er weer heen te krijgen. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +DIK EN DE JUFFROUW. + + +Het was voor Griet Trom een lastig geval, dat Dik en de juffrouw +elkander zoo slecht bevielen, want als ze hem niet zelf naar school +bracht, kon ze er zeker van zijn, dat Dik er niet heen ging. En +voor de juffrouw was het geval nog veel lastiger, want Dik leerde +volstrekt niets, verscheurde zijne boeken, nog eer hij ze lezen kon, +maakte ieder oogenblik eene lei stuk, kraste met spijkers op muren +en banken, kortom deed niets dan kattekwaad, en was voor de juffrouw +eene onuitputtelijke bron van verdriet. Zijn buurjongen, die Bruin +Boon heette, viel óók volstrekt niet in zijn smaak, hetgeen hij +hem door een groot aantal knepen en stompen ten duidelijkste deed +gevoelen. Bruin was dan ook geen aardige jongen, want vooreerst +was hij niet eerlijk, ten tweede sprak hij nooit de waarheid, ten +derde was hij valsch en ten vierde laf, hoewel hij zich gaarne voor +dapper uitgaf. Van al deze ondeugden bezat Dik er niet één. Dik zou +zich nooit iets toeëigenen, wat van een ander was, ten tweede sprak +hij altoos de waarheid, en ten slotte: vrees kende hij niet en van +bluffen had hij een afkeer. In één woord, Dik was een ondeugende, +maar flinke jongen. Toen hij ongeveer drie jaar had school gegaan, +wist hij nog evenveel, als toen hij er voor het eerst heen ging; +alleen in het bedrijven van kattekwaad was hij merkbaar knapper +en handiger geworden, zoodat er op 't laatst bijna niets meer kon +gebeuren, of Dik kreeg er de schuld van, of hij het gedaan had of +niet. "Die den naam heeft, krijgt ook de daad," zegt het spreekwoord. + +Op zekeren morgen vermaakte Dik zich in school met een zeer grooten, +groenen kikvorsch, dien hij 's morgens gevangen en in zijn zak +gestoken had. Hij hield hem aan zijn poot vast, en liet hem dan +allerlei bewegingen maken, wel tot genoegen van Bruin Boon, maar +tevens tot diens grooten angst, want hij was wel een beetje erg bang +van het lieve dier. Door op den kikvorsch te letten, gaf Bruin echter +geen acht op zijne lei, en plotseling viel deze kletterend tegen den +grond. Haastig stak Dik zijn kikvorsch weer in den zak, en toen de +juffrouw bij hen kwam, zat hij dapper te werken. + +"Bruin Boon, valt jouw lei daar met zoo 'n gedruisch op den grond?" + +"Ja, juffrouw, Dik Trom gooide haar van de bank af." + +"Dat is niet waar!" riep Dik. + +"'t Is wèl, juffrouw, hij deed het wèl, en hij heeft ook een kikvorsch +in zijn zak," riep Bruin weer. + +"Zoo'n leugenaar!" riep Dik. + +"'t Is wèl, juffrouw!" + +"Wat moet ik weer hooren, Dik? Ben je weer bezig? Eerst eene lei van +de bank gooien, en nog jokken ook? Foei, je moest je schamen. En dan +nog een kikvorsch in je zak? Je weet wel, dat zulke dieren niet in +de school behooren. Laat zien, dat beest!" + +"Ik heb de lei niet op den grond laten vallen, juffrouw, hij deed +het zelf, want hij zat te spelen." + +"'t Is niet waar, juffrouw, Dik duwde haar van de bank, en toen +viel ze." + +"Zoo, Dik, jok nu maar niet langer. Ik hoor het al, jij hebt de lei op +den grond geworpen, en bovendien zit je met een kikker te spelen. Laat +zien, dat beestje." + +De juffrouw, die er volstrekt geen begrip van had, wat de zakken van +een flinken jongen zooal bevatten kunnen, was in de meening, dat het +een klein, dood kikkertje zou zijn, doch wie beschrijft haar schrik, +toen Dik haar plotseling een grooten, groenen kikvorsch toestak, +die springlevend was. Ze werd doodsbleek, en sprong wel twee passen +op zijde, terwijl ze riep: + +"O foei, doe weg, dat akelige dier!" + +Dik zag met leedvermaak, dat de juffrouw doodelijk bang van het +dier was, en daarom gaf hij het dadelijk de vrijheid, waarvan het +gebruik maakte, om met groote sprongen regelrecht op de juffrouw aan +te wippen. De juffrouw sprong radeloos in het rond en ging eindelijk +op de vlucht. In de algemeene verwarring gaf Dik zijn buurman een +pak slaag, zooals deze nog maar zelden van een kameraad gehad had. + +"Leelijke bruine boon," beet hij hem toe, "dat klikken zal ik je +later nog wel eens beter betaald zetten!" + +Intusschen was de juffrouw wat van den schrik bekomen, en herstelde +zij de orde. Zij liet den kikvorsch grijpen en naar buiten brengen, +en Dikje moest voor straf in het portaal staan. Daar gaf hij echter +niet veel om, want de verbolgenheid van de juffrouw liet hem geheel +onverschillig, daar hij volstrekt niet van haar hield, en in het +portaal kon hij zich vermaken, zooveel hij maar wilde. Hij begon met +de klompen, die netjes twee aan twee stonden, door elkander te zetten; +toen verhing hij alle petten en hoeden, en stak zelfs sommige er van +in de jaszakken. Den hoed van Bruin Boon liet hij zinken in den emmer, +waaruit de schoolkinderen mochten drinken. Daar viel zijn oog op den +hoed en den mantel van de juffrouw, die aan den binnenkant van de +portaaldeur aan een kapstok hingen. Fluks maakte hij er zich meester +van, zette den hoed, die hem veel te klein was, op, en trok den mantel, +die hem nog meer te groot was, aan. Zoo uitgedost wandelde hij deftig +het schoolplein op en neer, terwijl de mooie mantel over den grond +sleepte, die door den regen nat en morsig was. Hij vermaakte zich +kostelijk, en misschien zou hij ten slotte nog wel het schoolplein +af en het dorp ingewandeld zijn, indien de juffrouw niet toevallig +door het raam gekeken en den kleinen deugniet bemerkt had. Zij stoof +naar buiten en trok hem aan den arm de school binnen, waar de overige +kinderen niet weinig pret hadden met Diks nieuwe pak. Wat was de +juffrouw boos! + +"Wel jou brutale, kwade jongen! Trek uit, gauw wat! Hoe durf je mijne +kleêren aan te trekken! Trek uit, zeg ik, of....!" + +Dik begon met een vergenoegd gezicht te doen, wat de juffrouw, bevend +van boosheid, hem beval. In hare verbolgenheid trok deze aan eene mouw +van den mantel, om te helpen, doch zij deed dit zoo driftig, dat de +mouw scheurde, waardoor hare boosheid nog heviger werd. Eindelijk stond +Dikje, doodkalm en bedaard, weer in zijne gewone plunje voor haar. + +"Voort, de school uit, en je kunt vandaag wel wegblijven ook. Je +moogt er niet weer in, begrepen?" + +"Ja, juffrouw, maar Bruin heeft gejokt." + +Dik trok zijne klompen aan, en ging naar huis. + +Een poosje later sloeg de dorpsklok twaalf uur en ging de school uit, +maar nu kwam de drukte voor de juffrouw pas goed aan. Geen enkel kind +kon zijne klompen vinden; bijna allen trokken verkeerde aan. Hoeden +en petten waren zoek, en de jassen hingen op verkeerde plaatsen. + +"Juffrouw, mijne klompen zijn weg!" + +"Juffrouw, ik zie mijne jas niet!" + +"Juffrouw, ik kan mijn mantel niet vinden!" + +Het was een tieren en schreeuwen, dat de juffrouw hooren en zien +verging, en wat nog het ergste was: ze wist volstrekt geen raad, +om aan die algemeene verwarring een einde te maken. + +"Hier heb ik mijne jas!" riep Jan Vos. "Zij hing op eene verkeerde +plaats!" + +"Jij hebt mijne klompen aan!" riep Bruin Boon. "Zie je mijn hoed +nergens?" + +"Dat heeft die nare Dik gedaan," zuchtte de juffrouw. "Kinderen," +riep zij met krachtige stem, "allen weer naar binnen." + +De kinderen gehoorzaamden. + +"Zie zoo, nu één voor één naar buiten. Jan Vos, jij eerst!" + +"Ik ben klaar, juffrouw." + +"Goed. Nu jij, Bruin Boon." + +Bruin ging. Zijne klompen en zijne jas vond hij al spoedig, maar hoe +hij ook zocht, zijn hoed was nergens te zien. "Juffrouw, mijn hoed +is weg!" + +"Nu, dan moet je maar zoeken, tot je hem gevonden hebt. Nu jij, +Jansje Slooten." + +Zoo ging de geheele klasse een voor een naar buiten. + +Na lang zoeken vond ieder het zijne, behalve Bruin Boon. Huilend keek +hij overal rond, maar zijn hoed was nergens te ontdekken. Eindelijk +zag de juffrouw den emmer staan, en dadelijk vermoedde zij, dat de +verlorene dáár wel gezocht zou moeten worden. + +"Kijk eens hier, Bruin, in dien emmer. Is daar je hoed niet?" + +Bruin keek, en jawel, daar lag zijn hoofddeksel te weeken in het +water. Bruintje vischte hem op, maar wijl hij niet veel lust had, +dat natte voorwerp op zijn hoofd, te zetten, was hij verplicht +blootshoofds naar huis te gaan. + +De juffrouw zag hem met genoegen vertrekken. "Goddank, +eindelijk!" zuchtte ze. Ze kleedde zich haastig aan en +vertrok. Onderweg kwam ze Diks vader tegen, en ze besloot, hem eens +goed te vertellen, hoe ondeugend zijn zoontje was. + +"Trom, ik wil u wel eens eventjes spreken." + +"Zoo juffrouw, ziet u, dat kan, en dat doet het." + +"Ja Trom, het spijt me wel, dat ik het zeggen moet, maar ik heb zoo +vreeselijk veel last van uw jongen, dat het meer dan noodig is, om +hem eens voorbeeldig te straffen. Van morgen heb ik hem naar huis +moeten zenden." + +"Zoo juffrouw, dat is erg, ziet u,--dat is het." + +"Ja, 't is heel erg. Eerst jokt hij me wat voor, daarna gooit hij me +een grooten, groenen kikvorsch bijna in het gezicht, zoodat de schrik +me nog in de beenen zit, en eindelijk werpt hij al de kleeren van de +kinderen door elkander, en loopt met mijn mantel aan en mijn hoed +op over het schoolplein. Zoo brutaal heb ik het nog nooit gezien, +en het wordt hoog tijd, dat u hem eens flink onder handen neemt." + +Trom keek de juffrouw verlegen en verbaasd aan, en toen zij aanstalten +maakte, om haar weg te vervolgen, zeide hij: + +"Ja juffrouw, 't is een bijzonder kind, ziet u,--dat is-ie." + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +DIK EN DE HEKS VAN DEN ACHTERWEG. + + +Om half vier, 's middags, toen de school uitging, liep Dik, die +zijn vrijen tijd genoeglijk bij den molenaar had doorgebracht, de +schoolkinderen tegemoet, met het vaste plan, Bruin Boon een goed pak +slaag te geven. + +"Jongens, daar is Dik!--Heb je niet gehad, toen je thuis kwam?" + +"Wel neen, wat denk je wel? Moeder moest er braaf om lachen, toen +ze het hoorde, en Vader schudde zijn hoofd maar even. Ha, daar komt +bruine boon aan. Kom eens hier, boontje, klikspaan, kom jij eens om +je loontje, als je durft?" + +Maar Bruin durfde niet. Zoo gauw hij Dik in het oog kreeg, zette hij +het op een loopen, en daarin was hij Dik de baas. Dik kon niet hard +loopen, wat hem genoeg speet. Zijn dikke buik belette het hem. + +"Ha, ha," riepen de jongens. "Die lafaard! Daar gaat hij loopen." + +"Nu," zeide Dik, "laat hem maar gaan. "Ik zal hem wel krijgen, dat +beloof ik hem. Willen we op de markt wat gaan spelen?" + +"Ja, aanstonds. Eerst moeten we even naar huis." + +Een uurtje later waren de jongens op het marktplein bijeen, waar zij +zich met allerlei spelletjes vermaakten. Nu, de markt bood er dan +ook uitstekende gelegenheid voor. Het was een groot vierkant plein, +waarop in het midden een prachtige, dikke eikeboom prijkte, en dat +als bezaaid was met palen, waaraan het vee op de marktdagen werd +vastgebonden. Eerst sprongen de jongens op eene rij achter elkander +over de palen heen, waar Dikje even zoo goed slag van had als de +grootste jongen, en daarna klom de heele troep in den boom. Dik +moest geholpen worden, want alléén kon hij het niet, omdat zoowel +hij als de boom er te dik voor waren. Daar bleven zij zitten, tot +de veldwachter op hen afkwam en hun dat boompje-klimmen eens en voor +altijd verbood, met de bedreiging, dat hij hen zou bekeuren, als ze +het weer deden. Toen vermaakten zij zich met boompje-verwisselen, +bij welk spelletje zij de palen voor boomen namen, tot het donker +begon te worden. Sommige jongens waren al naar huis gegaan, en er +waren er nog maar acht over, toen Jan Vos plotseling zeide: + +"Kijkt eens, jongens, daar gaat de heks van den Achterweg!" + +Alle jongens zwegen en vestigden hunne blikken op een oud vrouwtje, +dat langzaam kwam aanstrompelen, en wier uiterlijk wel in staat was, +om de aandacht te trekken. Ze was mogelijk niet ouder dan zestig +jaar, maar ze zag er uit, alsof ze wel al tachtig was. Haar gelaat +was doorploegd van diepe rimpels, en haar mond was zoo ingevallen, +dat haar kromme neus bijna in hare vooruitstekende kin prikte. Ze +liep erg gebogen, en moest zich bij het gaan ondersteunen met een +stokje. Ze had een ouden, versleten doek om het hoofd; een paars +jak bedekte hare magere leden, en om haar hals droeg zij een rooden +zakdoek, waarvan de punten haar op den rug neerhingen. Een oude rok, +die vroeger zwart geweest was, doch nu nog slechts eene twijfelachtige, +vale kleur had, kwam van onder haar jak te voorschijn, terwijl hare +voeten in schoenen staken, die haar veel te groot waren en daardoor +aan de punten geheel opkrulden. In zichzelve mompelend en zonder +groeten ging zij de jongens voorbij, en toen zij uit het gezicht was, +zei Jan Vos: + +"Die leelijke heks! Ze moesten haar in de gevangenis zetten! Dat +leelijke wijf heeft al heel wat kwaad gedaan!" + +"Wat dan? Wat dan?" riepen de jongens nieuwsgierig. + +"Wat dan? Wel, weet je dat dan niet? Vader vertelde gisteren nog, +hoe zij iedereen betooveren kan, die niet doet, wat zij wil. Ze heeft +laatst nog al de kippen van onzen buurman ziek gemaakt, alleen omdat +hij haar geene eieren wou geven voor haar zieken man, zooals ze zei, +en ze zou ze later wel betalen; ja, dat begrijp je! Buurman bedankte +daar hartelijk voor, en liet haar door den hond van het erf jagen. Maar +een paar weken later had hij er spijt genoeg van, want al zijne kippen +werden ziek, en de eene na de andere ging dood. Dat had die leelijke +heks gedaan!" + +"Bij wien was dat dan? Bij Mulder?" + +"Ja, bij Mulder. Als hij het wijf nu in de verte maar ziet aankomen, +gaat hij al naar binnen. Hij is bang van haar geworden." + +"Nu, die rijke boer had ook licht een paar eieren kunnen geven," +zei Piet van Dril, "maar hij is zoo gierig als wat. En dan nog wel +voor een ziek mensch!" + +"Denk je dan waarlijk, dat haar man ziek was? Dat was maar een +praatje van die leelijke heks, om in huis te kunnen komen, en als +je haar eenmaal binnenlaat, betoovert ze je, zonder dat je het zelf +weet, maar later merk je het wel. Vader vertelde ook nog, hoe ze het +kindje van vrouw Smul, je weet wel, van die baker, behekst heeft, +zoodat het binnen drie dagen dood was. En dat was toch maar bij eene +arme vrouw, zie-je. Neen, die heks moesten ze maar gevangen zetten, +dat zou mooi opruimen." + +"En hoe wist vrouw Smul dan, dat haar kind betooverd was?" vroeg een +der jongens. + +"Wel, dat is gemakkelijk genoeg te zien. Je tornt het kussen, waarop +het gelegen heeft, open, en als dan de veertjes in den vorm van een +krans liggen, geloof dan maar gerust, dat het niet zuiver is. Dat +was bij vrouw Smul ook het geval." + +"Maar dan zou eigenlijk niemand zijn leven zeker zijn," riep Piet van +Dril, "want dan kan zoo 'n wijf je betooveren, zooveel ze maar wil." + +"Ja zeker, dat is ook zoo. Vader heeft zelf gezien, dat zij zoo maar +op een bezemsteel door de lucht vloog, of het niets was. Dat gebeurde +op een Oudejaarsavond. Vader had bij een kennis, onder een stevig glas +pons, het oude in het nieuwe gevierd. Om één uur ging hij naar huis, +maar vlak bij het kerkhof hoorde hij wat door de lucht vliegen, en +toen hij goed keek, zag hij duidelijk, dat het die heks was. Ze dreigde +hem nog met hare vuist, maar ze deed hem gelukkig toch geen kwaad." + +"Nu," riepen de jongens, "dan weet ik wel, dat ik haar voortaan uit +den weg zal blijven. Ik ben bang voor zulk volk." + +"Ik ook," zei Jan Vos, "maar toch zou ik graag eens bij haar door de +ramen willen gluren. Wie weet, welke kunsten ze nu al weer uithaalt." + +"Laten we gaan kijken," zei Dik opeens, "dan weten we het." + +"Ik zou je danken!" riep Jan Vos. "Als ze je ziet, is het met je +gedaan, want ze verandert je zoo maar in een spinnekop of zoo iets. Ik +ga niet meê!" + +Alle jongens zwegen, want hetgeen Jan Vos verteld had, was erg genoeg +geweest, om zelfs den dapperste eenigszins vreesachtig te maken. Dik +was ook onder den indruk van het gehoorde, maar toch besloot hij om +te gaan kijken. De heks mocht dan doen, wat zij niet laten kon. Hij +stak zijne handen in zijne zakken, en zei: + +"Toch ga ik kijken. Wie gaat er meê?" + +Die uitdaging vonden de jongens toch wel wat beschamend, want Dik was +de kleinste en ook de jongste van allen. De meesten van hen riepen +dan ook: + +"Ik ga meê! Wat Dik durft, durf ik ook. Vooruit maar!" + +Daar gingen ze, Dik voorop. Ze hadden allen een tak van den eikeboom +in de hand, en stapten er moedig en zelfs tamelijk luidruchtig op los. + +"Jongens, we zullen aan de ramen tikken!" riep Piet van Dril. + +"Ja, en tegen de deur schoppen, zoo hard, dat zelfs eene heks er bang +van wordt!" schreeuwde Jan van Bakel. + +Dik zeide niets, maar stapte flink door, en aan zijn gezicht was +duidelijk te zien, dat hij vast besloten was, de heks eens goed op +te nemen. De jongens liepen de dorpsstraat uit en sloegen een zijweg +in. Vreemd! De luidruchtige troep werd hoe langer hoe bedaarder, +en eindelijk was Dik zijne kameraden zelfs een aardig eindje vooruit +geraakt. + +"Waar blijf jullie toch?" riep hij, toen hij dat bemerkte. Langzaam +kwamen de anderen nader, en zonder spreken vervolgden zij hun weg. + +'t Was intusschen geheel donker geworden, en de najaarswind gierde +door de takken der boomen. Op eenigen afstand brandde een lichtje. Dáár +woonde de heks. + +"Zeg, nu moesten we haar eens onverwachts tegenkomen," fluisterde +Piet van Dril. "Wat zou je dan doen?" + +"St, stil, wat vloog daar?" riep Jan van Bakel, terwijl hij doodsbleek +werd. "Hoor je dat geschreeuw wel?" + +Allen stonden stil en luisterden vol spanning. + +Weer suisde er wat door de lucht. + +"Oe-hoe! Oe-hoe!" klonk het boven hun hoofd. + +"Dat is ze!" fluisterde Jan Vos. "Ze heeft zich in een uil +veranderd. St, houdt je stil!" + +"Komt jongens, vooruit!" riep Dik. "Of durf je niet?--Ik wel!" + +Dik stapte moedig vooruit, en toen de anderen dat zagen, schaamden +zij zich, om achter te blijven. Langzaam volgden zij hem, en weldra +zagen zij het hutje, waarin de oude heks woonde, voor zich. 't Stond +eenzaam aan een achterweg, tamelijk ver van het dorp. De jongens +vertraagden opnieuw hunne schreden en stonden eindelijk geheel stil, +terwijl ze bijna in elkanders zak kropen. + +"Er brandt licht," fluisterde Barend Zwart. "Zou ze thuis wezen?" + +"Oe-hoe! Oe-hoe! Oe-hoe!" klonk het plotseling boven hun hoofd, +en weer zagen zij een donker voorwerp door de lucht vliegen. + +"Daar is ze weer!" fluisterde Jan Vos. "Wie durft nu te gaan kijken?" + +Allen zwegen. + +"Oe-hoe! Oe-hoe!" + +"Hu, hoe akelig!" fluisterde Jan van Bakel, die eerst van plan geweest +was, om hard tegen de deur te schoppen. + +"Ze kan je zoo maar in een vleermuis veranderen," fluisterde Jan Vos. + +"Oe-hoe! Oe-hoe!" klonk het nogmaals, en het was, of het geluid uit +den ouden schoorsteen van het hutje kwam. + +"Komt jongens," zei Dik, "we moeten kiezen of deelen. Wie gaat er meê?" + +"Ik niet!" zei de een. + +"Ik dank je!" fluisterde een ander. + +"Dan ga ik alleen!" zei Dik vastberaden. + +Doodsbleek, maar zonder aarzelen, stapte hij op het hutje aan. + +"Oe-hoe! Oe-hoe!" vernam hij weer. + +Toch liep hij voort, tot hij op weinige schreden na het raam bereikt +had. Hij tuurde door de kleine ruitjes, maar was nog te ver af, +om daarbinnen iets te kunnen onderscheiden. + +"Neen," mompelde hij, "zoo gaat het niet. Ik zal er vlak voor gaan +staan. Ik moet weten, wat er gebeurt." + +Op de teenen sloop hij, terwijl de anderen hem vol angst, maar tevens +met bewondering nakeken, naar het raam, en gluurde naar binnen. + +"Oe-hoe! Oe-hoe!" klonk het boven hem, doch hij stoorde zich daar +niet aan. Ha, nu kon hij goed zien! Daar zat de heks, dat leelijke +wijf, maar--daar achter in het vertrek, wat was dat? Die hoop vodden +moet toch geen bed verbeelden? Ja toch, er ligt zoowaar een mensch +op! Vreeselijk, wat een levend geraamte! Zie, nu richt de gestalte +zich op, en beweegt de lippen. Dik legt zijn oor tegen het raam. Hij +wil hooren, wat er gesproken wordt. + +"Kee, goede Kee, ach, wat voel ik me ziek!" hoort hij met zwakke +stem zeggen. + +De heks richt zich op, en gaat naar het bed. + +"Kom Willem, moed houden, m'n goede Willem, als de nood het hoogst is, +is Gods hulp het meest nabij. Wil je nog eens drinken?" + +"Neen, neen, maar ik voel me zoo flauw, zoo wee, en toch, dat harde +roggebrood kan ik niet eten. Had ik maar een kopje melk, Kee." + +Dik ziet, hoe de heks haar gelaat met beide handen bedekt, en in +tranen uitbarst. + +"Niet huilen, Kee, niet huilen, lieve vrouw. Ik weet wel, dat we het +niet hebben, dat we te arm zijn. Maar ik voel me zoo ziek, zoo zwak." + +"Och, Willem, wat is het toch hard, dat ik niets voor je heb," snikt +de heks. "Maar de menschen willen me niet meer borgen en schreeuwen +me na, dat ik eene heks ben. O, Willem, dat we ook zoo arm zijn! Al +in twee dagen heb ik geen kruimel brood geproefd, om de laatste korst +maar voor jou te kunnen bewaren. Toe Willem, toe, beproef het nog +maar eens. Misschien lust je het wel." + +De heks veegt zich de tranen van het gerimpeld gelaat, en gaat +naar eene kast in den hoek van het vertrek. Ze neemt er eene korst +droog roggebrood uit, weekt die in water en geeft haar aan den +zieke. Tevergeefs beproeft deze, het onsmakelijke brood te nuttigen; +hij is te zwak om het te kauwen; het wil hem niet door de keel. + +"Toe Kee, eet jij het maar op, toe. Je moet ook wat eten, Kee, anders +val je er nog bij neer." + +Kee neemt een paar kleine beten, en zet het overschot dan weer in de +kast, terwijl de tranen haar opnieuw langs de wangen vloeien. Dan vouwt +ze plotseling de handen en slaat de betraande oogen naar boven. De +heks bidt. Ze vraagt God om hulp voor haar ouden, zieken man, want +de nood heeft het toppunt bereikt. + +"Kee, kom, ga ook maar te bed," zegt de zieke met zwakke stem. "Och +Kee, dat de goede God ons dezen nacht maar weghaalde, jou en mij +te zamen, Kee. Wat zou dat gelukkig wezen. Samen hebben we geleefd, +samen gewerkt, samen lief en leed gedeeld, och, dat we nu ook maar +samen mochten sterven...." + +Dik verliet het raam. Hij had genoeg gezien, en de tranen liepen +hem langs de bolle wangen. "O, welk een droevig lot hebben die oude +menschen," dacht hij. "Maar waar zijn de jongens gebleven?" Hij zag +ze nergens; toen hij naar het raam sloop, hadden zij het hazenpad +gekozen, en wellicht zaten ze nu al hoog en droog thuis. Een goed +kwartier later was ook Dik weer bij zijne ouders. + +"Moeder, kan u niet wat wittebrood missen?" + +"Waarvoor, m'n jongen?" + +Dik vertelde alles, wat hij gezien had, en toen zijn verhaal uit was, +stond zijne moeder met tranen in de oogen op, en ging naar de kast. + +Trom zat aan zijne bakkebaardjes te trekken. + +Griet nam eene mand, en vulde die met van alles en nog wat: met brood, +een stuk worst, een lestje aardappelen en bloemkool, een hompje zoete +kaas, een fleschje met melk en nog meer kleinigheden. + +"Dik, kun-je dit dragen?" vroeg ze. + +"Best, Moeder, geef maar hier." + +"Griet," zei Jan Trom, "zie je, ik wil maar zeggen en dat wil ik, +dat we nog wel twee kwartjes ook kunnen missen,--dat doen we." + +"Ja Jan, dat is goed. Hier Dik, niet verliezen, hoor." + +"Neen, Moeder." + +Dik ging met zijn vrachtje weer op weg naar de heks, en toen hij goed +en wel buiten was, zeide Jan Trom: + +"Griet, die Dik is toch een bijzonder kind,--dat is-ie." + +Dik liep zoo hard hij kon. Het was een donkere avond, de regen +sloeg hem in het gezicht, maar Dik stoorde zich aan regen noch +duisternis. Hij sloeg den modderigen Achterweg in, en bereikte voor de +tweede maal het hutje. Nog brandde het lampje, dus de heks was nog op. + +"De heks? Neen, de arme ziel zal niemand leed doen," dacht Dik. "'t +Is een goede, oude vrouw." + +Hij lichtte de deurklink op, en stapte naar binnen. "Hier," zei hij, +"Moeder stuurt wat voor den zieken man en voor u." + +"O, ben jij daar, Dik? Kom, dat is braaf van je, m'n jongen. We hadden +bijna geen kruimel meer in huis. Wel bedankt, mijn lieve jongen, +wel bedankt. Zie eens, Willem, God heeft ons nog niet verlaten. Nu +kun-je wat versterkends krijgen, m'n arme tobberd." + +"En jij ook, Kee," zegt de oude man. "Zul-je wel vriendelijk voor +ons bedanken, beste jongen?" + +"Dat is niet noodig," zeide Dik. "Hier heb ik nog twee kwartjes; +daarvoor kun-je eieren koopen. Goeden avond." + +Dik nam de mand, en was de deur weer uit, vóór de oude menschen er +erg in hadden; zij vouwden de handen en dankten God. + +Dik keerde naar het dorp terug, en liep eerst bij den molenaar aan, +om hem alles te vertellen. + +"Zoo, zoo, Dik," zei deze, "dat is erg. Gelukkig, dat ik armvoogd ben; +ik zal wel zorgen, dat die menschen geholpen worden." + +Dik ging naar huis en naar bed, waar hij spoedig in slaap viel. En +de beide oudjes in het hutje droomden, dat er een engel in huis +geweest was, die aan hunne armoede en hun kommer voor goed een einde +had gemaakt. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +EEN EERZAME WEDUWE EN EEN ZELDZAME EZEL. + + +Het was een geluk voor Dik, dat niet iedereen zoo weinig ophad +met de schooljuffrouw als hij, want dan zou hij stellig nooit iets +geleerd hebben, en altijd een dikke domoor gebleven zijn. Er waren +gelukkig ook menschen, die van haar hielden, en het meest deed dit +de gemeente-ontvanger, een zeer lange, magere man. Deze vond haar +zóó lief, dat hij zich met haar verloofde en weldra met haar in het +huwelijk trad. Dik's blijdschap over deze gebeurtenis was zoo groot, +dat de juffrouw zelve ten slotte dacht: "Dik is toch nog zoo kwaad +niet; hij is wel een hartelijke jongen." Maar had de juffrouw geweten, +dat Dik zich meer verheugde in het vooruitzicht, dat hij van haar +ontslagen zou worden, dan wel over het blijde feest, dat zij ging +vieren, dan zou haar oordeel over Dik een weinig minder vleiënd +zijn geweest. + +Hare opvolgster was een klein dametje met een vroolijk en prettig +gezicht, dat alle kinderen aantrok, en wat Dik nog het meest beviel, +was hare buitengewone dikte. Met deze stal zij al dadelijk zijn hart, +terwijl zij van haar kant zich ook tot den kleinen dikzak voelde +aangetrokken. Zoodra ze hem zag, ging ze naar hem toe, en zei ze met +haar heldere stem en haar vroolijken lach: + +"Ha, ha, daar zie ik een kleinen lotgenoot. Wel dikkerd, hoe heet jij?" + +"Dik, juffrouw." + +"Dik? Zoo, dat is een eigenaardige naam. Kom, geef mij de hand eens. Ik +geloof, dat wij wel gauw dikke vrienden zullen worden." + +En zoo gebeurde het ook. Dik begon al spoedig dolveel van de juffrouw +te houden, en het gevolg daarvan was, dat hij beter zijn best ging +doen en hard begon te leeren. + +Met Bruin Boon lag hij nog altijd overhoop. Hij had een geduchten hekel +aan hem, en als hij hem te pakken kon nemen, zou hij het niet laten. + +Op zekeren dag begaf Dik zich na schooltijd naar de markt, om +zijne speelmakkers te zoeken, toen hij Anneke huilend op den weg zag +staan. Een eindje verder stond Bruin Boon aan den kant van het kanaal +te hengelen. + +"Wat scheelt er aan, Anneke?" vroeg Dik. + +"Bruin heeft mijn appel afgenomen, en nu staat hij hem op te eten," +snikte Anneke. + +Dik liep zonder spreken op zijn vijand aan. Hij had ook nog een ander +appeltje met hem te schillen, want Bruin had hem 's middags eenige +knikkers ontkaapt en er zich snel mee uit de voeten gemaakt. Zoodra +Dik bij hem was, gaf hij hem een duw, dat hij voorover in het water +plompte, kopje-onder. + +"Hè, hè, pfff," snikte Bruin hijgend. "Help, help!" + +"Schreeuw maar zoo leelijk niet, bruine boon," zei Dik, die hem +den hengelstok toestak. "Daar, houd vast, dan zal ik je er weer +uittrekken. Één, twee, drie, hoepla!" + +Daar stond Bruin, druipnat. Hij schreeuwde erbarmelijk. + +"Hier, dief, neem je hengel, en ga het maar gauw aan je moeder +vertellen. Als ze me spreken wil, kan ze me op de markt vinden." + +Dik draaide zich om en ging heen, en Bruin liep huilend naar huis, +waar hij dadelijk zijn nood begon te klagen. + +Het duurde niet heel lang, of Dik, die met de andere jongens +haasje-over deed, zag Bruin's moeder aankomen. + +"Dik, daar komt vrouw Boon! Maak, dat je wegkomt!" + +"Stilletjes laten komen, jongens, ik ben er ook," zei Dik bedaard. + +Daar kwam vrouw Boon aan, zoo groot en zoo plomp als ze was. Ze +zwaaide met hare armen en nam stappen als een dragonder, 't Was een +leelijk, grof mensch, met een grooten mond, brutale oogen en een dikken +stompneus, die paars-blauw zag van de vele brandewijntjes, welke zij +in haar leven al had geslikt. Ze was weduwe; haar man was vijf jaar +geleden gestorven, waarschijnlijk van verdriet, want de brave man had +sedert zijn huwelijk geen gelukkigen dag meer gehad. Bruin's moeder +stond op het geheele dorp te slechter naam en faam bekend; ieder +fatsoenlijk mensch schuwde en vermeed haar. Dik stak zijne handen +in zijne zakken, en wachtte bedaard af, wat er volgen zou. Daar had +de eerzame weduwe hem bereikt. Zij hield hem de gebalde vuist vlak +voor het gezicht, en schreeuwde, terwijl ze van haar mond bijna een +hooischuur maakte: + +"Kwade bengel van een jongen, durf jij mijn Bruin in het water te +gooien? Je kunt het arme kind nooit met rust laten, het schaap, hij +doet jou toch immers ook niets? Leelijke, brutale deugniet, wat denk +je wel? Geloof je soms, dat iedereen naar jouw pijpen moet dansen, +zeg, en dat je maar doen moogt, wat je wilt? Raak hem nog eens aan, +als je durft, dan zal ik je de oogen uit je hoofd krabben, versta-je +dat, uilskuiken opgeblazen luchtbol?" + +Dik knikte zeer vriendelijk van ja; hij vermaakte zich kostelijk. + +"Raak hem nog eens met een vinger aan, als je het hart hebt, en dan +zul-je met mij te doen krijgen, versta-je, met mij, en dan verzeker +ik je, dat je van eene koude kermis zult thuiskomen. Wat verbeeld jij +je wel? Denk je soms, dat iedereen bang is voor je galgentronie? Ik +niet, dat beloof ik je. Je loopt voor schandaal langs den weg! Je +vader en je moeder zullen nog pleizier van je beleven, let op, wat +ik je zeg! In 't spinhuis wachten ze je al, of op 't oorlogsschip, +jou straatslender, gauwdief, galgenaas....!" + +Ze stikte bijna van woede, en zeker zouden nog tal van lieve woordjes +haar lieven mond ontgleden zijn, indien Dik niet met groote waardigheid +haar gewenkt had te zwijgen. Doodkalm en deftig zeide hij: + +"Vrouw Boon, een oogenblikje asjeblieft." + +Even kalm en bedaard draaide hij zich om, legde beide handen op een +paal, nam een sprong, en wipte er op. + +Toen wees hij met vriendelijk gebaar naar een anderen paal, en zei: + +"Zie zoo, ga nu maar door, asjeblieft; wilt u liever ook niet gaan +zitten? Geneer u niet." + +Een algemeen gelach overtuigde vrouw Boon, dat zij de eenige was, +die Dik niet aardig vond. Zoo verwonderd als ze eerst geweest was +over Diks plechtig gebaar en indrukwekkende kalmte, zoo woedend werd +ze nu, vooral toen eenige omstanders, die nieuwsgierig waren komen +toeloopen, riepen: + +"Ga maar naar huis, vrouw Boon, die jongen is je toch de baas!" + +"Je moest gaan zitten, vrouw Boon, het aanbod is te vriendelijk, +om het af te wijzen." + +"Willen we je helpen, vrouw Boon?" + +Die spotternij was te veel. Met tien scherpe nagels liep ze op Dik toe, +vast van plan, om hem zoo te tatoueeren, dat een Papoea er jaloersch +op kon zijn, maar in hare drift stapte ze in een greppel, die ze niet +gezien had, en viel met haar hoofd zoo hard tegen den paal van Dik, +dat het bonsde. + +Een schaterend gelach was haar troost. Ze koos nu echter de +verstandigste partij, stond op en ging naar huis, doch--met een neus, +die tweemaal zoo groot was, als toen ze kwam. + +"Ha, ha, neem maar een brandewijntje voor den schrik!" riep het volk +haar na, en ging lachend uiteen. + +Dat de jongens pret hadden, is licht te begrijpen, en dat Dik de +held van den dag was, spreekt ook van zelf. Ze bleven nog eenigen +tijd spelen, tot Jan van Bakel plotseling zeide: + +"Zou Bertels al thuis zijn? Dik moet op den ezel!" + +"Misschien wel. Komt jongens, laten we gaan kijken!" + +Bertels was een manufacturier, en iemand, die er uitstekend slag +van had, met jongens om te gaan. Doch dat was de eenige reden niet, +waarom zij elken avond zoo graag naar hem toegingen. De grootste +aantrekkingskracht van den vroolijken koopman schuilde in den ezel, +die hem en zijn wagen elken morgen het dorp uit trok, als hij zijne +waren aan de boerinnetjes ging verkoopen, en hem 's avonds onder +vroolijk gebalk thuisbracht. Van dien ezel hielden de jongens nog meer +dan van zijn baas. En geen wonder. 't Was een alleraardigst dier, dat +hard kon loopen niet alleen, maar het deed ook. Nooit liep hij echter +harder, dan wanneer hij 's avonds naar het land ging. Dan was hij in +den letterlijken zin van het woord niet te houden. Nauwelijks waren +de strengen losgemaakt en de tuigen afgenomen, of hij stak den kop +naar omlaag en zijn staart als een vlaggestok in de hoogte, en rende, +zonder op of om te zien, alles omverwerpende wat niet tijdig uitweek, +als een dolle naar het land, terwijl hij dien woesten galop opluisterde +door een vervaarlijk gebalk, dat over het geheele dorp weergalmde. Als +hij het land bereikt had, bleef hij bedaard voor het hek staan wachten, +tot zijn baas hem ingehaald had en hem in de weide hielp. + +Nu kenden de dorpsjongens bijna geen grooter genoegen, dan dien ezel +'s avonds naar het land te brengen, en gewoonlijk stonden zij dan +ook Bertels op te wachten, als hij thuiskwam. + +Bertels had er evenveel pret in als de jongens, en hij niet alleen, +maar ook ieder, die den ezel zag gaan, want allen wisten, dat het +nog aan niemand gelukt was, tot aan het land toe op den ezel te +blijven zitten. De weide lag aan de overzijde van het kanaal, op tien +minuten afstands van het huis van Bertels. Tot aan de brug ging het +gewoonlijk goed, maar daar vloog het het dier zoo woest met een korten +draai op, dat zijn berijder meestal zandruiter werd. Gebeurde dat +evenwel niet, dan bleef grauwtje midden op de brug plotseling staan, +zette de voorpooten vooruit, stak zijn kop er tusschen, wierp zijne +achterpooten in de hoogte en zijn berijder netjes over zich heen, +om daarna in galop zijn weg te vervolgen. + +Dat was nu al verscheidene malen gebeurd, en nog niemand was het +gelukt om den weerbarstigen ezel te temmen. Dik had iederen keer +zijne kameraden uitgelachen en hun gezegd, dat ze stumpers waren, +die maar liever op een hobbelpaard moesten rijden. + +"Ha, ha," lachten de jongens. "Wat heeft die Dik een praats. Omdat +hij 's avonds de paarden van den molenaar naar het land brengt, +denkt hij zeker, dat hij beter kan rijden dan wij. Maar het is een +groot verschil, of je een paard naar het land brengt of dien wilden +ezel. Geloof maar gerust, dat je er evenmin op kunt blijven zitten +als wij. Ik wed, dat je niet eens durft!" + +"Niet durven!" riep Dik. "Ik durf bijna alles, en ik wil wedden, +dat hij mij er niet afgooit." + +"Ja, dat begrijp je. Als hij zijn kop naar beneden en zijne +achterpooten in de hoogte werpt, is het onmogelijk, om er op te +blijven. Je tuimelt er netjes voorover af." + +"Wedden, dat ik er op blijf?" riep Dik. + +"Goed. We willen er jou ook wel eens af zien tuimelen." + +Pas hadden de jongens het huis van Bertels bereikt, of daar kwam hij +al aan. + +"Dag Bertels!" riepen ze hem toe. + +"Zoo jongens, kom-je weer eens een arm of een been breken? Dat doet +me pleizier. Wie moet er van avond op?" + +"Dik moet er op, Bertels. Hij zegt, dat de ezel hem er niet af kan +krijgen. Ha, ha, wat zullen wij lachen, aanstonds op de brug!" + +"Wat Dik, moet jij er op, jongen? Zou jij niet te zwaar wezen? Pas +maar op, dat je niet door hem heenzakt, want dan kom je op den harden +grond terecht." + +"Dat is niet eens noodig, Bertels, daar zal hij toch wel op terecht +komen!" riepen de jongens. "Houdt den ezel vast, hoor, anders ontsnapt +hij, en dan kunnen we Dik niet zien rollen." + +Bertels wierp de tuigen in de kar. De ezel werd al onrustig, maar de +jongens hielden hem goed vast. + +"Nu, Dik, bedenk je je niet?" vroeg Bertels. "Ik waarschuw je, dat +hij niet pluis is, hoor." + +"Dat ben ik ook niet, Bertels. Wil u me even een beentje geven?" + +"Jawel. Moet je er maar overheen?" vroeg hij lachend. "Of je nu valt +of aanstonds, dat komt op hetzelfde neer." + +"'t Liefst er op, Bertels. Asjeblieft!" + +"Jongen, dat is je verkeerde been!" + +"Neen, het goede. Toe maar!" + +"Het goede?" vroeg Bertels, schaterend van 't lachen. "Dan kom je er +achterste-voor op. Maar 't is mij goed.--Hoepla!" + +Wip! Daar zat Dik, maar met zijn rug naar den kop van den ezel. Zoodra +het beest voelde, dat er iemand op hem zat, stak hij zijn staart in +de hoogte, zoodat Dik dien grijpen kon, hield zijn kop naar omlaag, +en....-- + +"Los maar!" riep Bertels. + +Daar vloog het er op los. De ezel, die wel merkte, dat het niet +geheel in den haak was op zijn rug, maakte allerlei malle sprongen, +en balkte en liep nog harder dan gewoonlijk. Jongens, wat ging er +dat door! Het schemerde Dik voor de oogen, maar hij hield zich goed; +hij had niet voor niets zoo dikwijls te paard gezeten. Hij sloeg +zooals hij daar zat, een allergekst figuur, en de voorbijgangers, +die zich haastig uit de voeten maakten, schaterden het uit, maar dat +was Dik onverschillig. Evenmin stoorde hij zich aan de sprongen van +zijn viervoet, die alles in het werk stelde, om zich van zijn berijder +te ontdoen. Dik bleef bedaard zitten, waar hij zat. + +Nu naderde hij de brug, en zoowel hij als de ezel waren vast besloten, +hun uiterste best te doen. Grauwtje liep in vliedenden galop rechtuit +tot bij de brug, en sloeg toen plotseling rechtsom, in de vaste +meening, dat hij zijn vrachtje dan wel kwijt zou raken. Doch het +was mis. Veel scheelde het wel niet, of Dikje was er af geslingerd, +maar hij bleef toch zitten. Voort ging het weer, zoo hard het maar +kon, tot midden op de brug de ezel plotseling zijn vaart stuitte, +zijn voorpooten vooruitstak, en zijne achterpooten in de hoogte +wierp. Hij deed het met zoo'n vaart, dat het weinig scheelde, of hij +buitelde zelf over den kop. Dik drukte zijne knieën krachtig tegen den +ezel aan, en hield met beide handen den staart vast, zoodat, wat nog +nooit gebeurd was, de ezel in vliegenden galop zijn weg vervolgde, +zonder zijn berijder afgeworpen te hebben. Dikje had het gewonnen, +en toen hij de jongens aan den overkant van het kanaal zag, zwaaide +hij vroolijk met zijn hoed, en riep uit alle macht: + +"Hoera! Hoera!" + +Van dat oogenblik af erkenden zijne kameraden hem stilzwijgend als +hun meerdere. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +HOE DIK KWAAD DEED, EN BRUIN ER EEN PAK SLAAG VOOR KREEG. + + +Op een herfstavond was Dik, die toen ongeveer twaalf jaar oud zal +geweest zijn, met zijne makkers op de markt aan het spelen, tot het +donker werd. + +"Jongens," riep Bruin Boon, die ook meêdeed, "willen we vrouw van +Aken eens voor den gek gaan houden?" + +"Ja, ja, dat is goed," klonk het van alle kanten. "We zullen de deur +opengooien, dan komt ze weer naar buiten met den bezem. Zeg, Dik, +daar had je verleden week bij moeten zijn! Jongen, jongen, wat was +ze kwaad!" + +"Of ze!" riep Bruin. "Op 't laatst kwam ze met de tang. Ik dacht, +dat ik me ziek zou lachen. Komt jongens, ga-je meê?" + +"Ja, vooruit.--Kom Dik, ga jij niet meê?" + +"Ik niet," zei Dik. "Ik dank je." + +"Wat, ga jij niet meê? Durf je soms niet?" riepen zijne kameraden. + +Dik begon te lachen. + +"Niet durven!" zei hij. "'t Is ook nog al eene heldendaad, om zoo +'n oude vrouw kwaad te maken, vooral als je vooruit weet, dat ze je +toch niet krijgen kan. Dank je, die grap is me te gewaagd." + +"Nu, wat zou jij dan willen?" + +"Wat ik wil? In elk geval, zoo 'n flauwe aardigheid niet. Neen, ik weet +wat beters. Wie kan me eene speld en een klos zwart garen brengen?" + +"Ik wel!" riep Jan Vos, en hij voegde de daad bij het woord. Een +oogenblik later was Dik al in het bezit van hetgeen hij gevraagd had. + +"En wat wil je nu doen, Dik?" vroeg hij. + +"Wel jongens, dat zal ik je zeggen. Die speld steken we bij den een of +den ander tegen een vensterruit in de stopverf, en den draad garen, +met een steentje er aan, binden we er aan vast. We winden den draad +zoover af, als we willen, en gaan er dan aan trekken. Jongens, dat +is zoo aardig, want dan tikt het steentje telkens tegen het glas aan, +en dan komen de menschen naar buiten, om te kijken, of er volk is." + +"Ha, ja, die is mooi! Bij wien zullen we het doen?" + +"Bij vrouw van Aken!" riep Bruin. + +"Dank je!" zei Dik. "Weet je, bij wien? Bij den veldwachter. Dan +hebben we er eer van. Dat is in elk geval geen oude vrouw." + +"Maar dan ga ik niet meê," zei Bruin. + +"Dat dacht ik wel!" riep Dik. "Jij plaagt liever oude menschen, niet +waar? Ga jij maar naar huis, Boontje, jij hoort er ook eigenlijk niet +bij.--Komt, wie gaat er meê?" + +Dik ging vooruit, en alle jongens, behalve Bruin, volgden hem. Weldra +waren zij, waar zij wezen moesten. Ze hielden zich doodstil, want +voor den veldwachter hadden zij niet weinig ontzag. Hij was dan ook +lang geen gemakkelijk heer. Kruipend voor zijn meerderen, was hij ruw +tegen zijne minderen. In plaats van de menschen te waarschuwen tegen +overtredingen, die zij uit onkunde of onnadenkendheid zouden begaan, +spitste hij zich er op, om iemand te kunnen bekeuren. En door zijn +leedvermaak, als hij daarin geslaagd was, had hij zich de minachting +van zijn dorpsgenooten op den hals gehaald. + +"Nu vooral doodstil zijn, hoor!" fluisterde Dik. Hij bond den draad +met het steentje aan de speld vast, en sloop onhoorbaar zacht den +tuin in. Er brandde al licht binnen, dus vandaar kon men hem niet +zien. Hij naderde het raam, en stak de speld, zonder gedruisch, +stevig in de stopverf. Toen rolde hij den draad af, en keerde even +zacht weer naar zijne kameraden terug. + +"Zeg jongens, nu moet je allen op een flinken afstand gaan staan, +zoodat je dadelijk de vlucht kunt nemen, als de veldwachter buiten +komt. Wanneer hij je dan hoort loopen, denkt hij natuurlijk, dat +een van jelui de dader is. Op die manier heeft hij in mij geen erg, +en jelui kan hij toch niet krijgen. Wat zal hij dan kwaad worden!" + +"Goed, uitstekend! Maar waar blijf jij dan, Dik?" + +"Ja, dat is het mooiste van de grap, jongens. Ik blijf doodbedaard +in zijn eigen tuin tusschen de aalbesseboomen zitten, en zoo gauw +hij weer binnen is, begin ik opnieuw te trekken. Vooruit nu!" + +De jongens maakten, dat zij op een behoorlijken afstand kwamen, ver +genoeg, om den veldwachter in de duisternis te kunnen ontloopen, +en toch dicht genoeg bij, om te kunnen hooren en zien, wat er +gebeurde. Dik sloop opnieuw den tuin in, en verschool zich tusschen de +besseboompjes, waar hij bijna geheel onder kroop. Nauwelijks zat hij, +of hij trok aan den draad. + +"Rikketik, rikketik!" klonk het tegen de vensterruit. + +De veldwachter zat aan de tafel te schrijven, en was in die bezigheid +zoo verdiept, dat hij het getik niet hoorde. Maar zijne vrouw, die +kousen zat te stoppen, hoorde het wel. + +"Flipsen," zei ze, "ik denk, dat er volk is. Er wordt, geloof ik, +aan de ruiten getikt." + +"Zoo? Ik heb er niets van gehoord. Nu, dan moeten ze nog maar eens +tikken." + +De veldwachter ging voort met zijn schrijfwerk. + +"Rikketik, rikketik!" klonk het opnieuw. + +"Hoor je wel?" riep de vrouw. + +"Ja, nu hoor ik het ook. Waarom tikt dat volk niet aan de deur, zou je +zeggen?--Is daar iemand?" riep hij, zonder van zijn stoel op te staan. + +Er volgde geen antwoord. + +"Ik denk, dat het een vogeltje is, vrouw, of een takje van een boom. Ik +krijg ten minste geen antwoord." + +De veldwachter schreef verder, en zijne vrouw stak haar arm weer in +de kous, om met stoppen voort te gaan. + +"Rikketik, rikketik!" + +"Wel, wat drommel, daar heb je het weer! Wie is daar?" + +Geen antwoord volgde. + +"Kom anders maar binnen, hoor!" riep de veldwachter; maar er kwam +natuurlijk niemand. Dik, die alles duidelijk kon verstaan, lag onder +de besseboomen te lachen, dat zijn dikke buik er van schudde. + +"Hij is nogal stoelvast," dacht Dik, "maar ik zal hem wel overeind +krijgen." + +"Rikketik, rikketik, rikketik!" + +"Duizend bommen en granaten!" riep Flipsen, die vroeger in dienst +was geweest. "Daar heb-je dat getik weer! Vrouw, ga eens kijken, +of er ook iemand is." + +De vrouw stond op, en deed de voordeur open. + +"Is er volk?" riep ze. + +Alweer geen antwoord. + +"Is er volk?" riep ze nog eens, met verheffing van stem. Doodelijke +stilte. Ze deed de deur dicht, en ging weer naar binnen. + +"Er is niemand," zei ze, "en het is erg donker." + +"Zoo, dat dacht ik wel." + +Flipsen en zijne vrouw gingen weer aan den arbeid. Maar nauwelijks +waren ze bezig, of..... + +"Rikketik, rikketik, rikketik!" klonk het weer. + +De veldwachter vloog overeind, greep zijne pet, en stoof naar de +voordeur. + +"Wie is hier?" schreeuwde hij. "Kun-je niet behoorlijk aan de deur +tikken, in plaats van aan de ramen? Nu, kom dan voor den dag! Waar +blijf je dan toch? Wat moet je?" + +Maar het bleef stil, doodstil, daarbuiten. + +"Wat drommel, spreek dan!" schreeuwde de veldwachter, die buiten +zichzelven geraakte van kwaadheid. Doch geen antwoord volgde. Loerend +keek hij in de duisternis rond, maar daar hij niets zag, ging hij weer +naar binnen, en zette zich met een boos gezicht aan 't werk. Hij was +echter nog geen twee minuten aan den gang, of daar ging het weer: + +"Rikketik, rikketik, rikketik!" + +Fluks tilde hij het gordijn op en drukte zijn gelaat tegen het glas, +om naar buiten te kijken, wat zoo'n dwaas schouwspel opleverde, +dat de jongens het uitgierden van pret. Hij zag natuurlijk niets, +en liet spoedig het gordijn weer vallen. + +"Daar begrijp ik niets van, vrouw!" zei hij, en nauwelijks had hij +uitgesproken, of opnieuw vernam hij: + +"Rikketik, rikketik, rikketik!" + +"Wel heb ik van mijn leven!" riep hij, terwijl hij zich naar buiten +spoedde. "Nu moet ik weten, wat dat beteekent, al zou de nikker er +meê spelen!" + +"Wie is hier toch? Wat moet je?" schreeuwde hij zoo hard hij +kon. "Houdt iemand me soms voor den gek, of hoe is het? Kom voor den +dag, als je durft, dan zal ik je mores leeren!" + +Maar het bleef nog altijd even stil. Flipsen liep langs de ramen, +maar hij zag niemand, en in den draad had hij geen erg, omdat Dik +dien vlug zoover had afgekluwd, dat hij slap neêrhing. Toen liep +Flipsen den tuin in, en keek overal nauwlettend rond, maar Dik, +die doodbedaard eenige late bessen oppeuzelde, zag hij niet. + +"Ik denk, dat ik met den een of anderen kwâjongen te doen heb," +mompelde hij eindelijk, terwijl hij weer naar binnen ging, "maar ik +zal hem wel krijgen, wacht maar!" + +Zoodra hij in huis was, zocht hij een dikken stok, en legde dien bij +zich op de tafel. + +"Zie je ook niets?" vroeg zijne vrouw. + +"Neen, nog niet, maar ik zal hem wel krijgen!" + +Hij bleef bedaard wachten, en het duurde ook niet lang, of het +begon weer. + +"Rikketik, rikketik, rikketik!" + +Hij greep den stok, en vloog naar buiten. Eerst langs de ramen, +maar daar was niets; toen den tuin door en den weg op. + +"Daar is hij! Daar is hij!" klonk het plotseling aan alle kanten, +en zoo hard zij konden, stoven de jongens uit elkaar. De veldwachter +snelde hen na. + +"Ha, rakkers," schreeuwde hij, "nu is het mijne beurt!" + +Maar de goede man had zich misrekend. In een oogenblik sprongen de +jongens hekken en hagen over, en verborgen zich in alle hoeken en +gaten, en door de duisternis kon Flipsen hen niet vinden. Ze waren +spoorloos verdwenen. Neen, wacht, daar hoorde hij er een heel zacht +aankomen. Snel verborg hij zich achter een boom. Het geluid kwam +al nader, en eindelijk klonk het vlak bij hem. Hij sprong pijlsnel +vooruit, en greep den ondeugd bij den kraag. + +"Ha, schelm!" schreeuwde hij, "dat had-je niet gedacht, hé? Wacht, +vriend, ik zal je die grappen eens en voor altijd afleeren!" + +"O, neen, neen," huilde de jongen, die niemand anders was dan Bruin +Boon, "ik heb het niet gedaan, echt niet!" + +Nu, dat was waar. Bruin had echt niet meêgedaan, want hij durfde +niet. Doch toen de jongens zoo lang wegbleven, was hij langzaam +naderbij gekomen, om te kijken, of ze er nog waren. Maar ongelukkig +geloofde Flipsen er geen woord van, en in zijne kwaadheid legde +hij Bruin over de knie, en begon er met zijn stok geducht op los +te kloppen. + +"Daar! daar! daar!" riep hij bij elken slag. + +"Au, au, houd op! Au, au, ik heb het niet gedaan! O, o, au, au, +houd toch op!" + +"Daar! daar!" riep Flipsen, wiens woede nog niet bekoeld was. Eindelijk +liet hij Bruin los, en riep: + +"Probeer het nu nog eens, kwajongen, om me voor den gek te houden, +als je durft!" + +"Au, au, o wat doet het zeer, en ik heb het niet eens gedaan!" huilde +Bruin, terwijl hij zich met beide handen op de pijnlijke plaatsen +wreef. + +"Ja, dat begrijp je!" + +"Neen, echt niet, gerust niet! O, wat doet het zeer!" + +"Niet gedaan? Nu, wie dan? Zeg jij dan eens, wie het wèl gedaan +heeft. Gauw wat, of...." + +"O, o, ik heb het niet gedaan. Dik Trom en de andere jongens deden het, +maar Dik het meest. Ik heb het gerust niet gedaan." + +"Zoo, zoo, deed Dik Trom het? Nu, weet je, wat jij dan doen moet? Geef +dat pak slaag dan maar aan hem, en als je niet genoeg hebt, kun-je +nog meer krijgen, begrepen? En dien Dik zal ik het zelf ook nog wel +eens betaald zetten, beloof hem dat maar." + +Nu, dat was niet noodig, want Dik had alles gehoord. + +"Die lafaard!" zei hij tegen de andere jongens, die, toen de +veldwachter in huis gegaan was, weer uit hunne schuilhoeken te +voorschijn kwamen, "die lafaard!" + +"Nu Dik, maar we hebben toch pleizier gehad, en Bruintje heeft zijne +straf al te pakken." + +"Dat is zoo!" zei Dik. "Jongens, wat kreeg hij een zeldzaam pak +slaag. Maar nu gaan wij naar huis; ik denk, dat het al laat is." + +Een oogenblik later was alles stil op het dorp. + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +FLIPSEN WORDT NOG BOOZER. + + +Den volgenden morgen stapte Flipsen met zijn verkeerde been uit bed. De +man was meer dan knorrig; hij was kwaad, door en door kwaad. Zijne +vrouw zag het hem al aan, zoo gauw hij zijn neus buiten de bedgordijnen +stak en met een verstoord gelaat in de kamer rondkeek. + +"O jé," dacht zij, "hij heeft de bokkepruik weer op. Ik zal me maar +doodstil houden." + +"Vrouw, heb je ook heele kousen voor me?" vroeg hij gemelijk. "Gauw +een beetje, want ik heb haast. Door die verwenschte jongens heb ik +gisteravond mijn schrijfwerk niet half afgekregen, en aanstonds moet +de burgemeester het al hebben". + +"Heele kousen, man, neen, die heb ik niet. Je begrijpt...." + +"Niet? Moet ik dan met gaten in mijne kousen loopen? Ik heb je gisteren +toch gezegd, dat ze stuk waren? Of moet ik ze misschien zelf stoppen?" + +"Neen, Flipsen, dat weet je wel beter, maar door dat leven van gisteren +tegen de ruiten...." + +"Wat drommel, wat hebben die kwâjongens met mijne stukkende kousen +te maken? Je zeurt leelijk, hoor!" + +"Zoo?" zei de vrouw, die nu ook boos werd, "en wat hebben dan die +kwâjongens met je schrijfwerk te maken, dat je ook niet afhebt? Je +hebt immers evenmin kunnen werken als ik?" + +"Ja, dat is heel wat anders!" bromde Flipsen, uit zijn bed +stappende. Hij trok de kousen van den vorigen dag weer aan, stapte +met zijn rechterbeen in zijn linker-broekspijp, wat hem slecht beviel, +want zoo kon hij zijne broek niet anders dan achterste-voor aankrijgen, +en dat was zijne bedoeling niet,--wiesch en kleedde zich, en zette zich +aan tafel, om te ontbijten. Doch het ontbijt stond nog niet klaar, +want zijne vrouw had zich dadelijk aan het werk gezet, om hem nog +heele kousen te bezorgen, vóór hij de deur uitging. + +Flipsen keek gramstorig rond, en zeide: + +"Moet het brood nog gebakken worden, of zijn er geen bakkers meer in +het land?" + +"Wou je je boterham hebben, Flipsen?" zei zijne vrouw opstaande, +om het noodige daarvoor uit de kast te halen. + +"Wel neen, vrouw, ik kan best van den wind leven, net zoo goed ten +minste als jij." + +Zijne vrouw koos de verstandigste partij, en zweeg. Flipsen +gebruikte zijn ontbijt zoo haastig mogelijk, en zette zich aan zijn +schrijfwerk. Doch nauwelijks was hij daarmede bezig, of er kwam +eene boodschap van den burgemeester, dat hij dadelijk op het kantoor +moest komen. + +"Daar heb je 't nu al, met je getalm en je gezeur. Nu moet ik dadelijk +op het kantoor komen, en mijn werk is nog niet half af. Daar zal +weer wat voor me opzitten, hoewel dat jou zeker wel koud zal laten, +dat kan ik me best begrijpen." + +"Maar, Flipsen," zeide zijne vrouw, "is het nu mijne schuld, dat jij +gisteravond je werk niet hebt kunnen afmaken? Neen, man, je weet zelf +wel beter! Maar weet je, wat je doen moet? Zeg maar ronduit tegen +den burgemeester, dat die jongens het je zóó lastig gemaakt hebben, +dat je onmogelijk hebt kunnen werken." + +"Wel, nu nog mooier!" riep Flipsen schamper lachende uit. "Zoo onnoozel +heb ik het nog nooit gehoord! Dus ik, de veldwachter, zou aan den +burgemeester moeten vertellen, dat de jongens zóó weinig ontzag voor +me hebben, dat ze me in mijn eigen huis voor den gek komen houden? Ha, +ha, dommer kan het al niet. Neen, dat nooit! Ik zal ze die grappen +wel afleeren, en goed ook, geloof dat maar, en bij den burgemeester +moet ik er me maar doorslaan. Ik ga. Goeden morgen." + +Eenige minuten later klopte hij aan de deur van 's burgemeesters +kamer. Hij had zijn schrijfwerk onder den arm. + +"Binnen." + +"Morgen, burgemeester." + +"Goeden morgen. Heb je het schrijfwerk af? Laat eens zien." + +"Ja, burgemeester, ziet u...." + +"Heb je het niet af? Dan moet je geen "ja, burgemeester" zeggen. Hoe is +'t? Heb je het af, of niet?" + +"Ja, burgemeester, ziet u...." + +"Ja?--Geef dan maar hier." + +"Neen, burgemeester, af is het niet, ziet u. Ik...." + +"En je zegt van wèl. Houd-je me dan voor den gek?" + +"Volstrekt niet, burgemeester, maar...." + +"Zeur nu maar niet langer, asjeblief. Dus je hebt het niet af?" + +"Neen, burgemeester, af is het niet." + +"Zoo, hoe komt dat? Je wist toch, dat er haast bij was?" + +"Ja, burgemeester, maar ik ben bijna niet thuis geweest, want de +jongens worden tegenwoordig zoo brutaal, dat het meer dan erg is, +en daarom heb ik ze eens goed nagereden." + +"Zoo," zei de burgemeester. "Dat is goed. Daar wilde ik je +juist eens over spreken. En wat hebben ze gisteravond dan zoo al +uitgevoerd? Vertel me dat eens haarfijn." + +"Ja, burgemeester," zei Flipsen, die met zijne leugens in de klem +begon te raken, "ziet u...." + +"Laat dat "ziet u" nu maar weg, asjeblief. Ik zie nog zeer goed, +dat beloof ik je. Ik zie nu zelfs duidelijk, dat je leelijk staat te +liegen, is 't zoo niet?" + +"Ja, burgemeester, ziet u, ik bedoel.... dat.... weet u...." + +"Zwijg nu maar verder, Flipsen. Ik merk het al. Je bent eenvoudig +te lui geweest, om te doen, wat ik je opgedragen had; je hebt +waarschijnlijk dood op je gemak hier of daar eene pijp zitten rooken, +en komt me nu met leugens aan boord, om je baantje weer schoon te +vegen. Is 't zoo niet?" + +"Neen, burgemeester, waarlijk niet! De jongens..." + +"O, dus je hebt toch de jongens achterna gezeten?" + +"Jawel, burgemeester." + +"Zoo.--Zeg me dan maar eens kort en goed, waar ze het meest geweest +zijn. Zonder omwegen, versta-je?" + +"Eerst, burgemeester,--eerst zaten ze,--ziet u, hm, hm, ziet u,--in +den boom op de markt, en dat had ik ze al zoo dikwijls verboden, +dat, dat...." + +"Zoo.--Eerst in den boom op de markt. En toen?" + +"En toen.... en toen.... ziet u, toen later waren ze.... hm, hm, +later waren ze bij de kerk, burgemeester." + +"O.--En wat deden ze daar?" + +"Bij de kerk, burgemeester?" + +"Ja, daar waren ze immers, zeg je?" + +"Jawel, burgemeester. Daar deden ze, hm, hm, ziet u, daar deden +ze.... hm, hm, niets, burgemeester." + +"Zoo, dat is een beetje.--En toen?" + +"Toen zijn ze, hm, hm.... ik ben er verkouden van geworden, ziet u." + +"Och kom,--en wat deden ze toen?" + +"Toen zijn ze, ziet u, toen.... toen gingen ze naar huis." + +"En welk kwaad hebben ze dus gedaan?" + +"Eerst in de boom, ziet u, en later.... later niets meer." + +"Zoo, zoo, Flipsen, je bent er daar leelijk ingeloopen, hoor, want ze +hebben wel degelijk kwaad gedaan, en niet zoo heel weinig ook. Maar +ik merk wel, dat jij er niets van weet, en dat je nog liegt op den +koop toe. Dat gaat me slecht naar den zin, vriendje, dat kan zoo +niet langer. 't Is een schandaal, zooals die kwade bengels hebben +huisgehouden, en daar jij het niet gemerkt hebt, zal ik een veldwachter +zien te krijgen, die wèl opmerkt, wat er voorvalt. 't Spijt me voor +jou, maar...." + +"Ach, burgemeester," viel Flipsen plotseling in, daar hij begon te +vreezen, dat de burgemeester hem zijne betrekking zou ontnemen, "ach +burgemeester! neem me niet kwalijk, dat ik het u niet dadelijk gezegd +heb, maar waarlijk, ik weet maar al te wel, hoever de brutaliteit van +die bengels gaat, en als ik me er niet zoo voor schaamde, zou ik het +u wel dadelijk gezegd hebben." + +"Wel, wel, is het zoo erg? Nu, vertel dan maar op, en zonder omwegen +of leugens, versta-je?" + +"Jawel, burgemeester. Die rakkers ontzien zich zelfs niet, ons, +autoriteiten en gezaghebbers, tot mikpunten voor hunne aardigheden +te kiezen." + +De burgemeester begon onbedaarlijk te lachen, zeer tot verbazing +van Flipsen. + +"Zoo, wat hebben ze dan gedaan?" + +"Wel burgemeester, ik zat pas te schrijven, of daar begonnen die +deugnieten bij me aan de ruiten te tikken, zonder ophouden, en zoo +brutaal mogelijk. En als ik buiten kwam, was er geen jongen meer te +zien. Dat heeft, tot mijne groote ergernis, den geheelen avond geduurd, +zoodat ik bijna uit mijn vel sprong, mijn schrijfwerk niet heb kunnen +afmaken, en ten slotte nog een onschuldige, die toevallig voorbijliep, +een geducht pak slaag heb gegeven." + +"Ha-ha-ha-ha!" lachte de burgemeester. "Die grap is in elk geval niet +onaardig! En durfde je dat niet vertellen? 'k Vind het toch waarlijk +zoo erg niet, dat ze jou ook eens in 't ootje nemen, of beschouw jij +dat als majesteitsschennis?" + +"Dat nu juist niet, burgemeester, maar dat ze zelfs bij autoriteiten +en gezaghe...." + +"Och wat, vent, jij met je autoriteiten en gezaghebbers. Ik vind +de grap kostelijk, onbetaalbaar, dat moet ik zeggen, hoewel ik toch +dacht, dat jij er den schrik beter in hadt. Maar ik heb je nog wat +anders te vertellen. Er zijn klachten bij me ingekomen." + +"Klachten, burgemeester?" + +"Ja zeker, klachten, dat dacht je niet, hè? Eerst heb ik Geurs +bij me gehad, en die klaagde steen en been, dat de jongens zijn +boomgaard zoo plunderen. De man was door en door kwaad en vroeg, of +er geen veldwachter op het dorp was, om te zorgen, dat ieder in het +rustige bezit kon blijven van hetgeen zijn eigendom is. Hij wilde +eene aanklacht tegen je indienen wegens plichtsverzuim, en dat is +geen kleinigheid, Flipsen." + +Flipsen vond dat ook, en daar hij er weinig tegen kon inbrengen, +begon hij zich verlegen achter het oor te krabben. + +"En dan is Mulder ook nog hier geweest met dezelfde boodschap. Die was +ook al uit zijn humeur, en had heel wat noten op zijn zang. Dus je +begrijpt, dat er een einde aan moet komen. Dergelijke klachten zijn +voor mij zeer onaangenaam, vooral wanneer men ze voorkomen kan. Het +dorp is zoo groot niet, of je kunt er wel voor zorgen, dat de jongens +niet al te baldadig worden, begrepen? Dan moet je je maar wat meer +moeite getroosten. Als het niet anders kan, moet je maar eens een +van die knapen onder het raadhuis opsluiten, dan zal de schrik er +wel voor een geruimen tijd inzitten. Liefst een van de belhamels, +dat spreekt van zelf. Wie is de ergste?" + +"De ergste, burgemeester? Dat is Dik Trom," zei de veldwachter, +die blijde was, dat hij er toch nog wat van kon zeggen. "Dat is een +door en door brutale jongen, die alles durft en de andere jongens +tot allerlei kattekwaad overhaalt, maar hij is haantje de voorste." + +"Zoo? Ik vind dien Dik anders zoo onaardig niet, maar dat doet er +niet toe. Die kwaad doet, moet maar straf hebben, onverschillig wie +het is. Je kunt nu je schrijfwerk gaan afmaken, en zorg dan verder, +dat ik geene klachten meer ontvang. Maar daar valt me nog iets in: +als je er nu toch achterheen zit, let dan wat op mijn tuin ook, +want we hebben van morgen eenige perziken gemist, die gisteren nog +aan den boom hingen." + +"Jawel, burgemeester." + +Flipsen ging in een ander vertrek zijn schrijfwerk afmaken. Hij was +nu nog veel meer uit zijn humeur, dan toen hij opstond; dat standje +van den burgemeester had er geen goed aan gedaan. + +"Die verwenschte jongens!" mompelde hij. "Wacht maar, dat zal me geen +tweemaal gebeuren. Snappen zal ik ze, al zou ik er drie nachten voor +moeten opblijven. En die Dik Trom zal spoediger onder het raadhuis +zitten, dan hij denkt. Dat beloof ik hem. Van avond zal ik me in alle +stilte in een van die boomgaarden verschuilen, en als dan de vos niet +in de val loopt, is mijn naam geen Flipsen. Daar kunnen ze op rekenen!" + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +BOONTJE KOMT OM ZIJN LOONTJE. + + +Toen het 's avonds donker geworden was, begaf Flipsen zich naar den +tuin van Geurs, en verborg zich daar achter eenig kreupelhout. Het +regende hard, doch daaraan stoorde hij zich niet. + +"Die deugnieten zal ik snappen, al gaat het ook keisteenen regenen," +mompelde hij, terwijl hij den kraag van zijne jas opsloeg. + +Geduldig als eene kat, die op een muisje loert, bleef Flipsen drie +uren lang in zijne schuilplaats. Hij had toen geen drogen draad meer +aan het lijf. Daarom, en ook omdat de jongens nu wel niet meer zouden +komen, besloot hij, naar huis te gaan. + +Den volgenden avond vatte hij post in den tuin van Mulder, doch ook +daar bereikte hij zijn doel niet. + +Den derden avond verschool hij zich achter het huis van den +burgemeester,--maar hij moest weer onverrichter zake naar huis +terugkeeren. + +De reden hiervan was, dat de jongens hun aanvoerder misten. Dik Trom +had zich al drie dagen lang niet in het dorp vertoond. Hij had er geen +lust in, want zijne moeder, die hij zoo innig liefhad, was ernstig +ziek. Zij had eene longontsteking. Lang zweefde zij tusschen leven +en dood. Zij leed vreeselijk. Dik verzorgde haar nacht en dag met +de teederste liefde. Hij ontzegde zich zelfs de noodige rust, om te +kunnen waken aan hare sponde. Hoe vreesde hij, dat hij zijne lieve +moeder zou verliezen. Hoe zorgvol waakte hij over haar, met welk een +angst bespiedde hij haar bleek gelaat, en met welk eene teederheid +sprak hij haar aan. Doch zij hoorde hem niet; zij kende haar kind niet +meer. Wat was het Dik bang om het hart! O, als hij haar eens moest +verliezen! Bij die gedachte welden hem telkens de tranen in de oogen, +en gaf zijn geprangde boezem zich lucht in een hevig snikken. + +Doch dat vreeselijk lot trof hem niet; hij mocht zijne lieve moeder +behouden. Na negen bange dagen en nachten zei de dokter, dat het +gevaar geweken was. + +"Dat heb je naast God aan je braven jongen te danken, moedertje," zei +hij tegen vrouw Trom, terwijl hij Dik op den schouder klopte. "Hij +heeft je onverbeterlijk opgepast en verzorgd. Maar nu moet hij zelf +wat rust nemen en morgen maar weer eens flink met zijne makkers gaan +spelen. Dat zal hem opfrisschen." + +Toen de dokter vertrokken was, viel Dik zijn moedertje om den hals. + +"O, Moeder, wat ben ik blij!" fluisterde hij aan haar oor. + +Zijne moeder kuste hem. + +"Je bent mijn lieve jongen," zei ze met zwakke stem, terwijl haar de +tranen in de oogen kwamen. "Als je vader straks thuis komt, moet je +naar bed gaan, mijn lieveling, anders word je misschien ook ziek." + +Wat sliep Dik dien nacht heerlijk. In langen tijd had hij den nacht +niet zoo rustig doorgebracht. Toch was hij 's morgens al weer vroeg +bij de hand, want daar zijn vader naar de werkplaats moest, zou Moeder +anders zonder oppassing geweest zijn. Doch toen Vader 's avonds van +den arbeid teruggekeerd was, begaf Dik zich voor het eerst sedert de +ziekte van zijne moeder naar zijne kameraden. + +"Wel Dik, hoe is het thuis?" vroeg Jan Vos. + +"Gelukkig veel beter, maar Moeder is nog erg zwak, Jan." + +"Ze is zwaar ziek geweest, niet waar?" + +"Ja, ernstig ziek, maar zeg, jongens, we moesten nu eens een of ander +spelletje doen. Eigenlijk heb ik net een gevoel, of ik...." + +"Of je ook ziek bent?" viel Jan Vos hem in de rede. + +"Ha, ha!" lachte Piet van Dril, "Dik ziek? Dat kun-je aan zijn dikken +buik wel beter zien!" + +"Hij heeft de eetkoorts!" riep Jan van Bakel. + +"Neen, jongens," zei Dik, "ziek ben ik gelukkig niet, nooit geweest +zelfs, maar toch heb ik een gevoel, of ik...." + +"Nu, of je...." + +"Of ik wel een appeltje zou lusten." + +"Ha-ha-ha!" lachten de anderen. "Die is goed! Zoo 'n gevoel heb ik +ook wel. Ik geloof, dat ik er zelfs wel twee zou lusten." + +"Hé, dat is vreemd," lachte Dik. "Ik zou er ook wel twee lusten, als +ze bijzonder lekker waren. Zeg, jongens, zouden die bellefleurtjes +van Geurs al goed zijn? Verleden week waren ze nog een beetje wrang." + +"Hoe weet jij dat, Dik?" vroeg Jan Vos lachend. +"Ben je bij Geurs op visite geweest?" + +"Ja, en ik moet zeggen, dat ik er een prettig tijdje heb doorgebracht," +zei Dik met een onnoozel gezicht. + +"En was Geurs vriendelijk?" vroeg Jan van Bakel. + +"Dat weet ik niet, Jan, ik heb Geurs zelf niet gezien, maar het beviel +me er toch zeer goed." + +"Er was zeker niemand van de familie thuis, is 't wel?" + +"Asjeblieft, ze waren allemaal thuis, maar dat hinderde niet." + +"Zoo.--Ben je nog binnen geweest?" + +"Neen, man, ik ben alleen maar in den boomgaard geweest. Eene andere +boodschap had ik er niet." + +"En hebben ze er niets van gemerkt?" + +"Dat denk ik wel, want ik heb er goed mijn best gedaan, dat verzeker +ik je, doch zoolang ik er was, heb ik niemand gezien. Ze bleven allen +binnen, wat ik heel vriendelijk van hen vond. Willen we er nog eens +heengaan, want ik heb wonder veel trek in zoo 'n bellefleurtje." + +"Dat is goed; ik ga meê!" zei Jan Vos. + +"Ik ook!" riep Piet van Dril. + +"En jij, Jan?" + +"Jongens, dat weet ik niet," zei Jan van Bakel met een bedenkelijk +gezicht. "Geurs is lang niet pluis, dat beloof ik je, en ik weet +zeker, dat hij tegenwoordig op de loer staat. Ik heb zelfs gehoord, +dat hij bij den burgemeester geweest is, om over ons te klagen." + +"Och kom, Jan, laat je niet bang maken. Geurs zal ons gerust niet +opeten; wij zijn geen appelen. Nu, ga je meê, of durf je niet?" + +"Niet durven? Je moet niet denken, dat ik bang ben, in 't geheel niet, +hoor, maar als je nu vooruit weet, dat ze staan te loeren, dan...." + +"Och, kom, gebruik je verstand toch," riep Dik. "Denk je dan, dat die +man daar avond aan avond in den boomgaard staat? Hij zal wel wijzer +wezen. En bovendien, 't is geen diefstal. We nemen enkel maar een +paar appelen weg." + +Dik verkeerde werkelijk in de dwaling, dat het ontvreemden van eenige +vruchten geen diefstal was. Hij zou het ver beneden zich geacht hebben +een gevonden halven cent, waarvan hij den eigenaar kende, voor zichzelf +te behouden, en een onrechtmatig verkregen knikker brandde hem in zijn +zak, maar hij zag er volstrekt geen kwaad in, zoo hier en daar, als +hij er trek in had, uit een boomgaard wat appelen of peren te kapen. + +"Dik heeft gelijk," zei Jan Vos. "Kom, zeg, ga maar gerust meê. Je +bent in goed gezelschap, hoor." + +"Nu, vooruit dan maar," zei Jan van Bakel. + +Daar ging het viertal, de brug over en naar het schoolplein. Hier keken +ze eerst behoedzaam rond, om te zien, of er ook onraad was, staken +toen het plein over, en verdwenen in een elzenboschje. Dat liepen ze +dwars door, en nu waren ze nog alleen door eene sloot van den boomgaard +gescheiden, 't Was intusschen vrij donker geworden, en vooral daar, +onder de boomen, was het moeilijk, om voor zich uit te zien. + +"Zeg, jongens, er is immers geen kou aan de lucht?" fluisterde Dik. + +"Ik hoor of zie niets," antwoordden de anderen even zacht. + +"Dan er maar over," zei Dik. + +Een oogenblik later stonden ze alle vier aan de overzijde van de +sloot en dus in den boomgaard. + +"Jongens," zei Jan Vos, "Dik moet maar beneden blijven, want hij +kan het slechtst klimmen. Als wij in de boomen klauteren, kan hij de +appels oprapen, en meteen een oogje in het zeil houden." + +"Dat is goed." + +Dik hielp hen met zijne krachtige armen vlug in een prachtigen +appelboom, en al spoedig rolden de appels bij tientallen op den +grond. Dik raapte, wat hij kon, maar nauwelijks had hij er acht in +zijne diepe zakken geladen, of daar klonk de stem van Geurs. + +"Ha!" schreeuwde deze. "Daar heb ik ze eindelijk, die appeldieven, +die schelmen! Wacht, die kunsten zal ik je wel afleeren! Trijn, +mijn geweer! Gauw!" + +Doch Geurs wachtte de komst van de meid niet eens af. + +Hij stoof naar binnen, en kwam met een geweer in de hand vloekend op +de jongens af. + +Maar dezen hadden gebruik gemaakt van het oogenblik, dat Geurs naar +binnen ging. Dik wachtte de anderen op, tot ze weer in het gras +stonden, want hij liet nooit een kameraad in den steek, al kon hij +ook nog zoo gemakkelijk ontkomen, en als de wind repte het viertal +zich naar het elzenboschje. Maar nog voor zij de sloot overgesprongen +waren, hoorden zij Geurs al razend en tierend aankomen. + +"O, hij zal schieten," steende Jan van Bakel, die de bangste was van +de vier. + +"Vooruit, niet zeuren!" riep Dik. "Er over!" + +Wip! Jan Vos was aan den overkant. Wip! Wip! Dik en Piet van Dril waren +er ook. Jan van Bakel sprong niet. Hij scheen verbouwereerd te zijn. + +"Spring dan toch!" riep Dik. + +Daar sprong hij; maar in zijn angst keek hij eerst nog even om, of +Geurs al dicht achter hem was, en dat was zijn ongeluk. Hij nam nu +zijn sprong te kort, en kwam midden in de moddersloot terecht. + +"Paf!" Daar viel een schot. "Paf!" Nog een. + + + +------ +FIGURE +------ + + + +"O, o, ik ben getroffen!" kermde Jan, die naar den kant kroop. + +"Geef me eene hand, dan zal ik je er uittrekken!" riep Dik, die +hem zelfs niet voor een gouden tientje aan zijn lot zou hebben +overgelaten. "Hier, gauw!" + +"Wacht, jullie schelmen!" schreeuwde Geurs aan den anderen kant van +de sloot. "Daar heb ik je eindelijk!" + +Maar zoo ver was het nog niet. Dik en de anderen trokken Jan van +Bakel uit de modder, en snelden het boschje in. Dik trok Jan met +geweld voort, in de stellige meening, dat deze getroffen was. Achter +de school hielden zij stand. + +"Jan, waar doet het je pijn?" vroeg Dik. + +"O, dat weet ik niet," huilde Jan, terwijl de modder hem van de +kleeren droop. + +"Maar als je getroffen bent, moet het je toch ergens pijn doen?" zeiden +de andere jongens. + +"Och ja, dat weet ik wel, maar ik ben zoo geschrokken," kreunde Jan. + +"Dat is niet erg, als je maar niet getroffen bent. Je bent anders lang +geen held, dat verzeker ik je. Dus hij heeft je echt niet geraakt?" + +"Neen, geraakt niet, maar de kogels vlogen me toch om de ooren." + +"Zoo," zei Dik. "Weet je wat, ga maar naar huis; dat is in elk geval +het beste voor je." + +Jan van Bakel droop in een dubbelen zin af, en de andere jongens +wandelden het dorp weer in. Plotseling zei Dik: + +"Ik begin te gelooven, dat we ons leelijk bang hebben laten maken +door niemendal." + +"Hoe dan?" vroegen zijne makkers. + +"Wel, je begrijpt toch, dat Geurs geen hagel op ons durft afschieten; +hij zal wel los kruit gebruikt hebben." + +"Jongen, Dik, dat weet ik nog zoo net niet. Als hij nuchter was, +dan wel, maar een dronken mensch doet wel meer dingen, daar hij later +spijt van heeft, en Geurs is niet dikwijls nuchter." + +"Dat is waar," zei Dik. "Doch hoe het ook zij, aan zijne appeltjes +zullen we ons niet ziek eten. Hier heb ik ze; er zijn er acht. Dat +is voor ieder twee." + +"Dan schieten er twee over, Dik," zei Piet, "wie moet die dan +hebben? We zijn immers met ons drieën." + +"En Jan van Bakel dan?" vroeg Dik. + +"O, die is er niet, en bovendien zal zijn vader nu wel een ander +appeltje met hem schillen. Ik wed, dat hij er geen eens trek meer +in heeft." + +"Ja, dat geloof ik ook wel, maar toch, eerlijk is eerlijk. Ik vind, +dat we ze voor hem moeten bewaren. Ze komen hem eerlijk toe." + +"Je hebt gelijk, Dik, die appels zijn van hem. Laten we ze hier bij +dezen boom neêrleggen, met een weinig zand er over, dan kunnen we ze +hem morgenochtend geven." + +"Goed," zeiden Piet en Dik. + +Zij begroeven de twee appels op de aangeduide plaats en wandelden +weer verder, terwijl ze de geroofde waar met ijver naar binnen werkten. + +"Nu, smaken ze niet goed?" vroeg Dik op den toon van iemand, die er +trotsch op is, anderen eene weldaad te hebben bewezen. + +"Of ze!" zei Piet van Dril. "Ik wou, dat ik er nog maar een stuk of +wat had." + +"En ik!" riep Jan Vos. "Hoewel, ik moet eerlijk zeggen, dat ze toch +lang zoo lekker niet zijn, als de perziken van den burgemeester." + +"Perziken?" vroeg Dik. "Heeft de burgemeester dan een perzikboom? Dat +wist ik niet." + +"Een mooien, hoor. Ik geloof zeker, dat er wel meer dan tweehonderd +aanzitten," zei Jan. + +"Hoe weet je dat?" + +"Wel, toen we laatst den veldwachter zoo geplaagd hadden, ben ik +bij den burgemeester nog even in den tuin gaan kijken, en zoo heb +ik het gemerkt. Jongen, jongen, wat waren ze lekker; ik heb er drie +opgepeuzeld." + +"Dus je weet er goed den weg, hè?" vroeg Dik. + +"Ja, waarom?" + +"Wel, dan moesten we er, dunkt me, ook eens van proeven. Het zou toch +al wonder toevallig zijn, als we daar weer gesnapt werden." + +"Mij goed," zei Jan Vos, "ik durf wel." + +"Ik weet het niet; 't lijkt wel, of de schrik er bij mij een beetje +in zit," sprak Piet van Dril. + +"Den moed niet zoo gauw opgeven, Piet," zei Dik. "Willen we het doen?" + +"Nu, vooruit dan maar weer!" + +"Vooral voorzichtig wezen, jongens," zei Dik, "want we komen nu in +het hol van den leeuw." + +"Ik zou ten minste niet graag gesnapt worden, Dik,--en jij?" + +"Dank je hartelijk!" + +Spoedig bereikten de jongens het raadhuis. Daar naast woonde de +burgemeester. Tusschen de beide gebouwen in lag een grasveld, dat met +boomen beplant was. Dat veld overstekende, kwamen ze aan eene breede, +dichte haag, welker scherpe dorens hun het doordringen onmogelijk +maakte. + +"Gaat maar meê, jongens," fluisterde Jan Vos. "Achteraan is een gat, +waar we gemakkelijk doorheen kunnen kruipen." + +De jongens liepen de haag langs, tot aan de achterzijde van den tuin. + +"Hier is het," fluisterde Jan. "Ik zal er wel het eerst doorgaan; +volgt me maar." + +Jan kroop er door, toen Dik, en daarna Piet. Nu stonden ze in den +tuin van den burgemeester, 't Was pikdonker geworden, zoodat Dik en +Piet bijna niet konden zien, waar Jan liep. Niemand had er ook erg in, +dat Flipsen aan den anderen kant van de haag langzaam naderbij sloop. + +"Blijft maar dicht achter me," zei Jan Vos zacht. "Hier is een smal +pad. Je merkt toch geen onraad?" + +"Ik zie niets," zei Dik. "Maar waar staat nu die boom?" + +"Tegen den muur van het huis, vlak bij den regenbak." + +"Jongens, wat is het hier donker; zouden we maar niet +terugkeeren?" vroeg Piet van Dril, die zich niet op zijn gemak +gevoelde. + +"Wel neen, Piet," zei Dik. "We zijn er nu zeker dadelijk, is 't +niet, Jan?" + +"Ja, zoo aanstonds! Nu dezen kant op. Hier hebben we hem!" + +"Ha, wat een prachtige boom! Hier heb ik al wat!" fluisterde Dik in +verrukking. "Plukken, hoor, haast je je niet, dan heb-je niet!" + +Nu, de drie jongens deden hun best. In een oogenblik waren Dik's zakken +meer dan vol; de perziken vielen er haast uit. Bij Jan en Piet evenzoo. + +"Ben je klaar?" fluisterde Dik. + +"Dadelijk, wacht nog heel eventjes," zei Piet, wiens moed begon te +herleven, en die er het zijne nu eens goed van wilde nemen. + +Doch dat oogenblik wachten werd hun noodlottig, want achter het huis +kwam de veldwachter op de teenen aansluipen. Behoedzaam verborg hij +zich achter den regenbak. + +"Hoor ik daar niets?" vroeg Jan Vos. + +"Ik meende ook iets te hooren," zei Dik. "Laten we ons in elk geval +uit de voeten maken." + +Zacht namen zij den terugtocht aan, maar toen zij langs den regenbak +kwamen, sprong plotseling Flipsen uit zijn schuilhoek te voorschijn. + +"Wacht, deugnieten, nu heb ik...." + +Pof, daar viel hij, zoo lang als hij was, voorover op den grond. Zijn +voet was in den ketting van het akertje verward geraakt. + +"Au!" riep hij. "Verwenschte jongens!" + +Hij krabbelde overeind, en snelde de knapen na, die al bijna het +gat in de haag hadden bereikt. Jan Vos en Piet van Dril, die vlugger +konden loopen dan hun makker, kropen er het eerst door, waarvan het +gevolg was, dat Dik een oogenblik moest wachten, en zich door den +veldwachter bij den kraag voelde grijpen. + +"Ha, hier heb ik er een! Wie ben jij? Wacht, ik zie het al, net de +rechte! Nu is het mijn beurt, manneke!" Maar vóór Flipsen er erg in +had, rukte Dik zich onverwachts los, en zette het op een loopen. De +veldwachter hem na! Dik liep den tuin door, het huis om en den weg op, +in de richting van zijn ouderlijk huis, maar ongelukkig kon hij niet +snel genoeg uit de voeten, en weldra hoorde hij Flipsen weer achter +zich. Al meer en meer won deze op hem, en eindelijk werd Dik voor de +tweede maal gegrepen. + +"Nu zal je me niet meer ontsnappen, baasje. Allo, meê, onder het +raadhuis! Voort! Daar mag-je appels en peren stelen, zooveel je maar +wilt, en aan de ruiten tikken ook! Sla ze maar niet stuk, ha-ha-ha!" + +Dik sprak geen woord, en liet zich gewillig meêvoeren. Spoedig hadden +zij de deur der zoogenaamde gevangenis bereikt. Flipsen opende haar, +en duwde zijn gevangene naar binnen. Flap, de deur sloeg dicht,--en +Dik was alleen. + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +HOE DIK OP VRIJE VOETEN GERAAKTE EN EEN GOED BESLUIT NAM. + + +Het was daarbinnen pikdonker. Dik kon geen hand voor oogen zien. Hij +bleef eerst een oogenblik bij de deur staan, en deed toen een paar +stappen vooruit. Weldra bemerkte hij, dat hij nog niet in de eigenlijke +cel aangekomen was, maar eerst nog eene trap moest afdalen. Nu, dat +afdalen was nog al te doen want de trap, die geheel van steen was, +telde maar vijf treden. Dik ging op den tast naar beneden, en kwam nu +in een duf hok, waarin slechts een enkel venster was, maar natuurlijk +zonder glas. Het was een vierkant gat met een dikken, ijzeren bout er +voor, die hem alle hoop benam, om te ontvluchten. In den hoek stond +een steenen bankje. Een paar bossen stroo op den grond verspreidden +een muffen geur en konden Dik volstrekt niet verleiden, zijne dikke +ledematen er op uit te strekken. Hij ging op de steenen bank zitten. + +"Jongen, Dik," zei hij, "die Flipsen is toch handiger, dan je dacht, +'t Is een leelijk geval. Wat zal Moeder schrikken, als ze merkt, dat ik +niet thuis kom. 't Zou me wat waard zijn, als ik hier goed en wel weer +uit was. En Moeder is nog zoo zwak; het is best mogelijk, dat zij weer +zieker wordt, als zij hoort, dat ik hier opgesloten zit. Ik hoop maar, +dat Jan en Piet het bij mij thuis verteld hebben, en dat Vader het voor +Moeder verzwijgt. Doch neen, dat zal wel niet kunnen, want Moeder zal +wel geen rust hebben, voor zij het naadje van de kous weet. 't Is een +leelijk geval. 'k Wou, dat ik die heele historie maar niet begonnen +was, dan zat ik nu misschien kalm en wel thuis. Als het nu met Moeder +erger wordt, heb ik het op mijn geweten. Zouden ze nog proces-verb...." + +"Dik, zit je hier?" hoorde hij plotseling heel zacht vragen. Het +geluid kwam door het venstergat. + +"Ja! Ben jij daar, Jan?" + +"Ja, Piet ook. Ben je niet bang?" + +"Neen, bang niet, maar wel ongerust, over Moeder, weet je. Ze is +nog zoo zwak, en zal zeker hevig ontstellen, als zij het hoort. Ik +ben erg blij, dat je me niet in den steek laat. Heb-je het bij me +thuis verteld?" + +"Neen, nog niet. We hebben gewacht, tot Flipsen naar huis ging, +en zijn toen dadelijk hierheen gekomen." + +Jan en Piet lagen plat op den grond, met hun hoofd voor de +tralie. Het venster was laag bij den grond, ongeveer zoo lag als +een keldervenster. De gevangenis was trouwens niet veel meer dan een +kelder, en diende alleen, om bedelaars of dronkaards voor ten hoogste +één nacht op te sluiten. + +"Ik zit hier leelijk, hè? Hoe laat zou het al wezen?" + +"'t Is half negen. De klok heeft pas geslagen," zei Piet. + +"Zeg Dik," zei Jan, "als die tralie er maar niet was, dan kon je best +door dit gat kruipen, en naar huis gaan." + +"Ja," zei Dik, "maar die tralie is er." + +Piet van Dril, wiens vader smid was, vatte het ijzer aan, en begon +er met kracht aan te trekken. + +"'t IJzertje zit goed vast, hè Piet?" vroeg Dik. + +"Niet erg!" antwoordde deze. "Ik kan het gemakkelijk heen en weer +bewegen. De bout is sterk genoeg, maar het kozijn niet. Dat is al +tamelijk vermolmd. Heb-je geen mes?" + +"Of ik," zei Dik, wiens moed begon te herleven, "en een goed +ook. Hier! Zou je het los kunnen krijgen?" + +"Dat zullen we probeeren, Piet!" riep Jan Vos vol vuur. "'t Zou me +wat waard zijn, om je er uit te krijgen, jô! Wacht, ik heb ook nog +een mes. Kijk, het wordt lichter ook. De maan komt op." + +Jan en Piet togen met moed aan het werk. Dik volgde met de grootste +belangstelling al hunne bewegingen, en begon onderwijl eene perzik +op te eten. + +"Ik geloof, dat jelui prachtig opschiet," zei hij, terwijl hij het +sap van zijne kin veegde. "Dat maantje komt ons nog bij tijds een +handje helpen." + +"'t Gaat best, Dik, 't gaat uitstekend!" riep Piet van Dril op +gedempten toon. "Kijk maar, de stang zit al losser. Over tien minuten +kunnen we haar er uit halen." + +"Hoera!" riep Dik, terwijl hij van pleizier in het rond sprong. "Wat +ben ik daar blij om, vooral om Moeder, en wat zal die Flipsen morgen +raar kijken, als de vogel gevlogen is!" + +"Dat begrijp je!" lachte Jan Vos. "Hij zal razend wezen!" + +"Toe, Jan, niet babbelen," riep Piet, "voortwerken, zoo hard we +kunnen. Kijk ik al eens een grooten hoop molm hebben, 't Lijkt wel +turf. Zeg, Dik, je opvolger zal zoo gemakkelijk niet ontsnappen, +want ze zullen het morgen wel wat sterker maken, denk ik." + +"Ja, maar ik ben er ook nog niet uit! Zou het echt gelukken?" + +"Wacht nog maar een oogenblik. Kijk, de stang zit al los." + +Jan schudde haar nu al met gemak heen en weer, wat Dik zoo 'n pleizier +deed, dat hij opnieuw begon te springen. De jongens werkten ijverig +voort. De hoop molm werd voortdurend grooter, en eindelijk zei Piet: + +"Laten we 't nu eens probeeren, Jan. Eerst zoo hoog +mogelijk opschuiven, en dan het ondereinde uit de gleuf +lichten. Een--twee--drie!" + +Zij spanden al hunne krachten in, en krak!.... + +"Hoera, Dik, 't is gelukt! Kom er nu maar gezwind uit!" + +"Prachtig, heerlijk!" riep Dik. "Maar zeg, ik ben er nog niet +uit. Mijne armen en mijn hoofd kan ik er wel doorsteken, maar meer +niet. Ik heb hier niets, waarop ik staan kan." + +"Kom maar, we zullen er je wel uittrekken, maar 't zal wel pijn doen, +vrees ik." + +"Dat hindert niet; voor een paar schrammen ben ik niet bang." + +Dik stak zijne armen en zijn hoofd door de opening. Jan en Piet pakten +hem stevig beet, en trokken hem naar boven, 't Was een tamelijk zwaar +vrachtje, en de opening bleek nauwelijks groot genoeg. Dik vulde haar +geheel met zijn lichaam. + +"Hè-hè! Dat is zwaar! Ik moet even rusten," zei Jan. + +Dik hing nu halverwege buiten het kozijn. Zijne beenen hingen nog in +de donkere ruimte achter hem. + +"Kom Piet, vooruit maar weer!" + +"Trekt maar, zoo hard je kunt," riep Dik. "Doet maar gerust, of je +thuis bent; je behoeft me niet te ontzien." + +De jongens trokken uit alle macht, maar toch ging het den +slakkengang. Dik was te dik, en daarbij zaten zijne zakken zoo vol +perziken, dat hij nog dikker was dan gewoonlijk. + +"Trekken, trekken!" riep hij. + +"Daar komt volk aan!" riep Jan Vos plotseling, "'t Is Flipsen. Maak, +dat je wegkomt, Piet!" + +In een oogenblik waren zij verdwenen. Ze kropen achter eene haag, dicht +bij het raadhuis, vanwaar ze alles konden hooren en zien. Flipsen kwam +naderbij met nog een bos stroo en eene kan water. Daar viel zijn oog +op Dik, die niet achter- of vooruit kon. De andere jongens had hij +niet gezien. + +"Ha-ha!" riep hij lachend. "Daar kom ik juist van pas. Wou je me +ontsnappen, m'n jongen? Wacht, ik zal je helpen. Ik ben zoo kwaad +nog niet, als je wel denkt." + +Hij pakte Dik beet en trok zoo hard hij kon, maar de perziken hielden +den gevangene tegen. Hij kon er Dik onmogelijk doorkrijgen. + +"Zoo, baasje, je hebt je daar leelijk vastgewerkt. Die tralie was voor +jou niet noodig, merk ik wel. Je kunt er toch niet uit. Ha-ha-ha! Dat +is grappig! Wacht, m'n beste jongen, ik kom bij je; dan zal ik je +aan den anderen kant wel helpen. Hier heb ik meteen een bed voor +je. Ha-ha-ha!" + +De veldwachter nam het stroo weer op, ontsloot de deur en trad het +hok binnen. Nauwelijks was hij daar, of Jan Vos sprong voor den dag, +en zei: + +"Kom Piet, we moeten Dik niet aan zijn lot overlaten. Laten we +probeeren, wie het hardst trekken kan, Flipsen of wij." + +Jan en Piet pakten Dik opnieuw beet, en trokken wat zij konden. De +veldwachter nam hem bij de beenen, en trok ook uit alle macht. Het +gevolg was, dat Dik bleef, waar hij was, en het mooiste was nog, +dat Flipsen niet eens merkte, dat Dik daarbuiten helpers had. Hij +zette zijne beide beenen tegen den muur, en trok met geweld aan Diks +broekspijpen, die nog altijd bijzonder wijd waren. + +"Laat me eventjes los, jongens," fluisterde Dik, die een nieuwen +inval kreeg, en niet zoodra had hij zijne handen vrij, of hij maakte +met groote behendigheid de draagbanden los, waaraan zijne broek +was bevestigd. + +"Trekt nu!" zei hij, zijne handen uitstekende. + +Dat geschiedde, en wel met het zotte gevolg, dat Flipsen met Diks +broek in de hand achterover tegen den muur bonsde, en Dik zonder +broek naar buiten gleed. + +"Hoera!" riep hij. "Nu zit de oude rat zelf in de val!" + +Vlug liep hij naar de deur, en vóór Flipsen zich nog goed van den +schrik hersteld had, trok Dik de deur op slot, en maakte zich met +zijne trouwe helpers uit de voeten. + +"Nu naar huis toe, jongens!" riep hij, "voor we ten derden male +gesnapt worden!" + +Vijf minuten later stond hij voor zijne woning. Toch scheen hij nog +geene lust te hebben, om naar binnen te gaan, althans, hij opende de +deur niet. + +"Zou Moeder niet schrikken, als ik zoo half gekleed thuis +kom?" mompelde hij. "Als ze gezond was, zou ze zeker om het +voorgevallene lachen, maar nu--neen, nu gaat het niet. En dien Flipsen +kan ik daar toch ook niet laten zitten. Ik weet nu bij ondervinding, +hoe onaangenaam het er is. Neen, dat gun ik den man toch niet, al is +hij een beetje lastig. Ik zal hem er weer uitlaten. Zijne vrouw maakt +zich anders misschien ook nog ongerust, en zij is een goed mensch. Zij +heeft Moeder in de laatste dagen dikwijls hare belangstelling +getoond. Alleen reeds daarom zou ik Flipsen er uitlaten." + +Dik keerde naar het raadhuis terug. In de verte hoorde hij Flipsen +al om hulp roepen. + +"Help, help!" klonk het. "O! die rakkers! Die schelmen! Help!" + +"Hier ben ik al, Flipsen!" zei Dik, zich voor het gat plaatsende. "Als +je mij belooft, dat ik vrij naar huis mag gaan, zal ik je verlossen." + +"Vrij?" schreeuwde Flipsen. "Dat nooit, nooit, versta-je? Jou +aartsschelm! Wacht maar, ik zal je wel krijgen!" + +"Nu, Flipsen, dan blijf je er in, dat begrijp je. 't Spijt me +wel, want ik zou je graag vrijlaten. Ik ben met dat doel alleen +teruggekomen. Maar als je niet wilt, moet je het zelf weten. Goeden +avond." + +Dik keerde zich om, en wilde vertrekken. + +"Ho, ho, Dik, zoo bedoel ik het niet!" riep Flipsen, die nu begreep, +dat het Dik ernst was. "Ik dacht, dat je gekomen waart, om den spot +met me te drijven, maar als je het werkelijk meent, is het wat anders." + +"Ik meen het," zei Dik ernstig. "Ik weet nu bij ondervinding, hoe +onaangenaam het daarbinnen is, en zie je, ik kan het niet van me +verkrijgen, om je hier den geheelen nacht te laten zitten. Maar eerst +moet ik mijne broek hebben." + +"Hier is ze, Dik," zei Flipsen, haar door het gat stekende. Dik trok +haar dadelijk aan. + +"Laat mij er nu uit, Dik," vroeg Flipsen. + +"Maar wie waarborgt mij dan, dat je me niet dadelijk weer zult +opsluiten? Je kunt veel harder loopen dan ik." + +"Ik beloof het je, Dik. Een anderen waarborg kan ik je niet geven. Toe, +laat mij er nu uit." + +"Kun-je de deur van binnen openen, als ik je den sleutel geef?" + +"Ja, geef maar hier." + +Dik haalde den sleutel uit het slot, en wond er een dun touwtje om, +dat hij stevig vastknoopte. + +"Hier heb-je hem, Flipsen. Eer je het touwtje er af hebt, ben ik +thuis." + +"Je behoeft me anders niet te wantrouwen, Dik, want eene belofte +breek ik nooit. Maar zoo is het ook goed." + +Dik gaf den sleutel en ging naar huis. + +Toen hij binnentrad, lag Moeder in eene lichte sluimering, en Vader +zat met de handen onder het hoofd bij de tafel te dommelen. Beiden +ontwaakten door zijne komst. Dik ging naar het bed zijner moeder. + +"Hoe is het nu met u?" vroeg hij. + +"Veel beter, Dik, veel beter, maar nog zwak." + +"O, dat zal elken dag wel wat beter worden. Wil u niet wat eten, +voor we naar bed gaan?" + +"Neen kind, dank-je, ik heb volstrekt geen eetlust. Alleen heb ik trek +in een lekker, zacht peertje. Zouden de onze nog niet rijp zijn? Of +zijn ze al opgegeten?" + +"Neen, Moeder, zeker niet. We hebben ze juist voor u aan den boom +gelaten. Wil ik er een paar halen? Er zitten er twaalf aan; ik heb +ze van middag nog geteld." + +"Ja, Dik, dat is goed. Ik heb er veel trek in. Mijn mond is zoo droog." + +Dik ging naar buiten. In den tuin, achter het huis, stond een klein +pereboompje, dat zijn vader daar een paar jaar geleden geplant +had. Meer vruchtboomen bezaten zij niet. Het vorige jaar had het +boompje nog geene vrucht gedragen, maar dezen zomer waren er twaalf +heerlijke peren aan gegroeid. Dik had er al menigmaal een begeerigen +blik op geworpen, maar hij had er toch geen van opgegeten, waar hij +thans dubbel blijde om was, omdat zijne zieke moeder er nu zooveel +genot van hebben kon. + +Hij liep het huis om, en kwam in den tuin. Doch plotseling bleef hij +staan. Hoorde hij daar geen geritsel in den tuin? Ja, zie, daar vlogen +donkere gedaanten langs hem heen. Het waren jongens, die bij zijne +komst de vlucht namen. Weldra waren ze in de duisternis verdwenen. + +Dik vloog naar het pereboompje. Zouden de jongens die heerlijke +peren gestolen hebben, juist nu zijne moeder er zulk eene behoefte +aan had? Ja waarlijk, zij waren verdwenen. Hoe hij ook zocht, hij +kon er geen enkele vinden. + +Tranen van spijt kwamen hem in de oogen. Zoo gaarne zou hij Moeder +die versnapering hebben aangeboden, en nu waren zij gestolen. + +"'t Is gemeen!" riep hij met gebalde vuisten, "'t Is slecht, maar ik +zal...." Doch plotseling zweeg hij, en het schaamrood bedekte hem +de kaken. "Ik heb het zelf ook gedaan," mompelde hij. "Ik ben even +slecht als zij, ik ben ook--een dief, een leelijke dief! O, ik gevoel +nu eerst goed, hoe slecht het van mij was, en ik weet nu, dat stelen +stelen is, onverschillig of het een gulden betreft of een appel. Maar +het zal mij nooit weer gebeuren; een dief wil ik niet wezen!" + +Met loome schreden ging hij naar binnen, en met neergeslagen oogen +zeide hij, wat er gebeurd was. Voor de eerste maal van zijn leven +durfde hij Moeder niet in de eerlijke oogen te zien, en hij gevoelde +zich, alsof hij zelf haar de peren ontstolen had. Hij had zooveel +berouw over hetgeen dien avond gebeurd was, dat hij er bijna den +geheelen nacht niet van slapen kon. Na dien tijd stal hij nooit weer. + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +PAARDEN EN EZELS. + + +In het volgende voorjaar ging Dik van school, en niet hij alleen, +maar ook bijna alle kinderen, die gelijk met hem op school gekomen +waren. Piet van Dril kwam bij zijn vader in de smederij, waar hij +gewoonlijk met een zwart gezicht aan de blaasbalg stond te trekken, +of zóó lustig met een zwaren hamer op het gloeiende ijzer sloeg, +dat de vonken door de smidse spatten. Zijn vader beweerde, dat er +een flinke smid van hem zou groeien. + +Jan Vos kwam in de leer bij Langerijs, den metselaar. Zijn voornaamste +werk bestond gedurende het eerste jaar in steenen aandragen en kalk +maken. Deze bezigheid werd de oorzaak, dat hij altoos net zoo wit zag, +als Piet van Dril zwart, 't Was dan ook een mal gezicht, als die twee +soms samen over den weg liepen. + +"Precies de dag en de nacht, die elkaar een handje geven," zei Dik +dan, als hij hen tegenkwam. Doch hoe ze er ook mochten uitzien, +zij waren degelijke jongens, die flinke mannen beloofden te worden. + +Bruin Boon kwam bij zijne moeder in "de zaak", welke bestond uit een +klein winkeltje in kruidenierswaren, bijna zonder klanten. Hij moest nu +elken dag "den boer op", om nieuwe klanten te winnen en de zaak aldus +uit te breiden. Zijne moeder kocht hem een ouden ezel, die bijna even +lui was als haar veelbelovende zoon, liet eene kar maken en stuurde +hem nu elken dag er op uit. Maar van zaken doen kwam niet veel. Hij +dobbelde liever met de jongens, die hij tegenkwam, en ging al gauw in +de kleine herbergen buiten het dorp zijn tijd verluieren, en het geld +zijner moeder verkwisten. De ezel had een allertreurigst leven bij +hem, want het arme dier kreeg veel meer slaag dan eten. Geen wonder, +dat het beest op 't laatst zoo koppig werd, dat Bruin er niets meer +van gedaan kon krijgen. + +Dik, die volstrekt geen lust had om, evenals zijn vader, timmerman te +worden, had eerst in het geheel niet geweten, wat hij worden zou. Niet +alleen in het timmeren schepte hij geen behagen, maar er werd ook geen +enkel ander vak op het dorp beoefend, dat hem aantrok. Eindelijk kreeg +hij een baantje, dat hem aanstond. Hij werd door den ouden dorpsdokter +in dienst genomen. Deze had zulk eene uitgebreide praktijk en zijne +patiënten woonden zoover uit elkander, dat hij verplicht was paard +en rijtuig te houden. Zijn paarden en rijtuigen moesten er altoos +keurig netjes uitzien, daar was hij op gesteld. Wijl nu zijn oude +koetsier sukkelend was geworden en hoogstwaarschijnlijk nooit weer +geheel herstellen zou, zag de dokter zich genoodzaakt, andere hulp +te zoeken, en omdat Dik uitstekend met paarden kon omgaan, had de +dokter het oog op hem laten vallen. Nu had Dik een leventje naar +zijn zin. 's Morgens moest hij eerst de rijtuigen schoonmaken en +de paarden uit het land halen, of, als het winter was, den stal in +orde brengen. Dan spande hij in, om den dokter naar zijne patiënten +te rijden, die soms wel twee of drie uren buiten het dorp woonden, +en als hij dan 's middags thuis kwam, hielp hij pillen en poeders, +drankjes en zalfjes klaarmaken. + +De dokter begon al spoedig veel van Dik te houden. Geen wonder +ook! Dik was ijverig en flink, en bij alles wat hij deed, behulpzaam +en beleefd. Hij stond altijd klaar om in te spannen, zelfs midden in +den nacht, en het gebeurde nog al eens, dat de dokter dan geroepen +werd. Bovendien was hij opgeruimd en vroolijk van aard, wat de dokter +prettig vond, omdat hij het zelf ook was. Één ding beviel den ouden +heer echter maar half, en hoeveel moeite hij ook deed, om het Dik +af te leeren, het gelukte hem niet. Dik had namelijk de gewoonte om, +als hij op den bok van het dokterskoetsje zat, tegen bijna iedereen +een praatje te maken of eene grap te verkoopen, wat uit den aard der +zaak niet fluisterend kon geschieden. Het ging den dokter dan ook +veel te luidruchtig en maakte hem soms wel knorrig. + +"Dik, geen praatjes maken op den bok, asjeblieft!" klonk het dan +gewoonlijk. "Begrepen?" + +"Jawel, dokter." + +"Ik wil het nu volstrekt niet meer hebben, hoor-je? 't Staat in het +geheel niet netjes." + +"Ja, dokter." + +"Ik heb het je nu al zoo dikwijls gezegd, dat je het wel eens onthouden +mocht, dunkt me." + +"Ja, dokter." + +"Jawel, jij geeft me altoos gelijk, dat weet ik wel, maar een oogenblik +later doe je het toch weer, en dat verkies ik niet langer." + +Nu, Dik deed dan ook wel zijn best, maar het duurde nooit lang, of +hij verviel weer in zijne oude gewoonte, vooral wanneer hij goede +kennissen tegenkwam. + +Eens op een schoonen zomer-namiddag reed Dik het dorp uit, om den +dokter naar een zieke te brengen, die op grooten afstand van het +dorp woonde. Het zonnetje blonk aan den blauwen hemel en deed het +koper flikkeren, dat zich aan het tuig van het paard bevond. Lustig +liet Dik zijne lange zweep door de lucht klappen, zoodat de musschen +verschrikt uit de boomen opvlogen, en Zwart de ooren tot bijna op +den nek terugtrok, en liep, wat hij loopen kon. Zoo ging het Dik +volkomen naar den zin, en den dokter ook, want die hield ook wel van +zoo 'n ritje. Het stof van den uitgedroogden weg dwarrelde boven de +boomen uit. + +"Vooruit, Zwartje, lustig hoor!" zei Dik, terwijl hij met de zweep +de vliegen verdreef, die het paard blijkbaar als hunne zuigflesch +beschouwden. "Maar wat zie ik daar? Wie is die hardlooper? Ha, ha! Kijk +eens, dokter, daar aan den overkant van het kanaal rijdt de veearts +met zijn nieuwen schimmel. Hij wil ons voorbij rijden. Toe Zwart!" + +"Ik geloof het waarlijk ook, Dik," antwoordde de dokter door het +geopende voorraampje. "'t Is een mooi beest en het loopt hard." + +"Hard? Hard?" zei Dik. "Hij loopt niet harder dan de Zwart, dokter. Wil +ik het eens probeeren?" + +"Jongen, jongen, Dik, 'k weet het niet. Die schimmel loopt uitstekend, +en...." + +"Kijk eens, dokter," riep Dik plotseling met vuur, "kijk eens, hij +wenkt met de zweep, om ons uit te lachen. Dat is tergen! Vooruit, +Zwart, laat je niet van de vliegen steken. Huupla!" + +Vroolijk klapte Dik met zijne zweep, en met vaste hand trok hij de +leidsels aan. Klets, klets, klonk het boven het rijtuig. Zwart legde +zijne ooren bijna in zijn hals en liep uit alle macht. + +"Ha, dokter, ziet u wel, Zwart heeft zelfs geen tikje noodig. Als +hij de zweep maar hoort, weet hij al, hoe laat het is. Vooruit, +Zwartje! Houd-je goed, jongen! Die schimmel loopt best, dokter." + +"Ja, Dik," zei de dokter, terwijl hij met genoegen bemerkte, dat +zijn Zwartje niet voor den schimmel behoefde onder te doen, "ja Dik, +hij loopt best, maar Zwart nog beter. Wij halen hem in, geloof ik." + +"Gelooven, dokter? Ik weet het zeker! Ha, dat is flauw, hij gaat de +zweep gebruiken. Neen, man, niet noodig, hoor, want hij loopt al zoo +hard, als hij kan. Toe, Zwart, huupla, vooruit, huup Zwart!" + +De zweep snorde opnieuw door de lucht, doch Dik zorgde er voor, +zijn paard er niet mede aan te raken. Hij sloeg die beesten nooit, +uitgezonderd als zij koppig waren. Dan alleen achtte hij het noodig. + +"Voort, Zwart, nog eventjes, jongen! Kijk, dokter, we hebben hem al +ingehaald. Toe Zwart; laat zien, wat je kunt. Hoera, we zijn voor!" + +Dik keek triomfantelijk om en klapte met zijne zweep. Toen hield hij +de teugels in. + +"Bedaar maar weer, Zwartje. Je hebt je goed gehouden. Ho maar, m'n +jongen, hij weet al, dat je hem de baas bent. Laat hem nu maar gaan." + +Langzamerhand kwam Zwart weer tot bedaren, en Dik en de dokter +zochten ook hun gemak. De laatste ging welbehaaglijk achterover in +zijn koetsje leunen, en Dik zag met ergernis, hoe de veearts zijn +paard bleef voortjagen. + +"Flauw, man," mompelde hij, "'t beest kon immers niet harder. Als je +zoo met hem wilt leven, zul-je niet lang pleizier van hem hebben." + +Eindelijk kwamen zij, waar zij wezen moesten. De dokter verliet het +rijtuig en Dik ging bij het paard staan, dat hij tevreden op den +glanzenden nek klopte. Nog maar een paar minuten was hij van den bok +af, toen hij in de verte Bruin Boon met zijn ezelwagen zag aankomen. En +hij zag het niet alleen, maar hij hoorde het ook, want Bruin sloeg er +met een dikken stok zoo geducht op los, en hij schreeuwde zoo luid, +om zijn grauwtje vooruit te krijgen, dat men het wel vijf minuten +ver hooren kon. En toch hielp al dat slaan en schreeuwen al bitter +weinig; de ezel liep uiterst langzaam en bleef zelfs nu en dan geheel +stilstaan. Dan had Bruin weer reuzenkracht noodig, om hem vooruit te +doen gaan. Eindelijk, na veel schreeuwen en nog meer slaan, bereikte +hij Dik, maar nu scheen de ezel er ook genoeg van te hebben. Hij bleef +staan en wilde geen poot meer verzetten. Bruin sloeg er onbarmhartig op +los en schreeuwde als een bezetene, maar niets hielp. Grauwtje bleef, +waar hij was, en Dik ergerde zich geweldig. + +"Zeg eens, dierenbeul," riep hij eindelijk, "als je dat beest +nu nog langer slaat, krijg je met mij te doen, en dan zal het je +niet meêvallen, geloof dat! Zie je niet, dat het arme dier niet +meer kan. Kijk eens aan, 't is schande: het bloed staat hem op de +huid. Geef het beest liever wat meer te eten; misschien dat hij je +luie lichaam dan wel weer trekken wil. Zijne ribben steken bijna door +zijn vel heen." + +"Dat gaat jou toch zeker niet aan, wel?" riep Bruin, die echter toch +te veel ontzag voor Dik had, om met slaan voort te durven gaan. "Hij +krijgt eten genoeg; 't is niet anders dan luiheid." + +"Ja, dat geloof ik wel," riep Dik. "Hij is bijna net zoo lui als zijn +baas, ha, ha, en dat is geen klein beetje." + +"Vooruit!" riep Bruin, terwijl hij den ezel aan het bit trok. Doch +'t was moeite voor niet. Grauwtje zette zijne pooten zoover mogelijk +van elkander en bleef als een standbeeld staan. + +"Vooruit!" riep Bruin, terwijl hij nog harder trok. "Vooruit, ezel, +allo!" + +Maar jawel, 't hielp niets. Er was geen beweging in het dier te +krijgen, en Bruin werd hoe langer hoe boozer, vooral toen Dik begon +te schateren van lachen. Bruin liet den kop van den ezel los en begon +van achteren tegen den wagen te duwen, al schreeuwende: "Vooruit, +ezel, vooruit!" + +Doch ook die moeite werd niet beloond. De dokter kwam terug, gevolgd +door de meid en een paar knechts van de boerderij, en nu beproefde men +met vereenigde kracht, den ezel aan het loopen te krijgen. Men duwde +tegen den wagen en trok tegelijkertijd den ezel aan het bit voort, +zoodat het dier wel moest toegeven, doch zoodra men hem losliet, +bleef hij weer staan. + +"Nog maar eens geprobeerd!" riep men, en voort ging het weer. Juist +meende men den gang er in te hebben, toen de ezel op den grond ging +liggen en zoo ten duidelijkste een bewijs van het tegendeel gaf. + +"Ik denk, dat het beest ziek is," zei de dokter. "Wat is het dier +verschrikkelijk mager." + +"Ja, dokter," zei Dik, "hij krijgt meer slaag dan eten." + +"Dat zal wel," riepen de omstanders, die elk oogenblik talrijker +werden. "Hij heeft ook een besten baas. Ik geloof, dat de ezel nog +beter is dan hij." + +"Ho, hop! Hop!" riep men, doch het dier bleef liggen. Er was geen +verwikken aan. + +"Weet je, wat je doen moet, Bruintje?" riep Dik. "Span hem maar gerust +af, want hij trekt toch niet meer vandaag. Dan zullen we je helpen, +om hem op den wagen te leggen, en trek hem dan zelf naar huis; anders +kom je er nooit." + +"Ha-ha-ha!" klonk het overal. "Bruin, dan speel jij voor ezel; dat +zal aardig wezen. Dan trekt de eene ezel den anderen!" + +"Och, dat gebeurde toch al," zei Dik lachend. "Kom, Bruin, zullen we +je helpen?" + +"Hij moet wel," riep het volk. "Die ezel kan hier toch niet blijven +liggen? Pakt maar aan, jongens!" + +"Ja, er zit niet anders op," zei de dokter. "Help ook even, Dik, +en dan rijden we gauw naar huis." + +Alle man toog aan het werk. De tuigen werden losgemaakt, en de +ezel werd met vereenigde kracht en onder luid gelach op den wagen +gelegd. Dat gelach werd er niet minder op, toen Bruin het lemoen opnam, +en met zijn viervoetigen passagier langzaam dorpwaarts toog. + +"Goede reis, met je beiden!" riep de een. + +"Wil ik den stuurman je stok geven?" vroeg een ander. + +"Dat heeft hij wel verdiend!" meende een derde. + +"Kom, Dik, we gaan," zei de dokter lachend, "'t Is een grappig +gezicht." + +Dik klom op den bok en reed weg. Hij kon echter niet nalaten, zoo +nu en dan eens met een spottend gezicht om te kijken naar Bruin, +die met dat warme weêr zijne handen vol had aan zijn vrachtje. + +Toen hij een paar uur later de paarden naar het land bracht, zag hij +juist, hoe Bruin, door een groot aantal jongens omringd, zijn intocht +in het dorp deed. Het was een gejoel en gelach, zonder ophouden. Bruin +mocht er niet over klagen, dat hij dien avond geen bekijks had, +want het halve dorp keek hem lachend na, en aan grappen ontbrak het +niet. Men gunde het hem, dat zijn grauwtje hem zoo had te pakken +genomen, omdat hij het meer dan dubbel aan het dier had verdiend. + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +HOE DIK DE HEKS VOORTHIELP. + + +Dik zal ongeveer zestien jaar geweest zijn, toen hij op een guren +Novemberdag het huisje van de heks voorbij moest. 't Was vinnig +koud. De wind gierde over de vlakte en joeg hem groote, natte +sneeuwvlokken in het gelaat, die dan dadelijk in water overgingen, dat +hem langs den hals tusschen zijne kleeren droop. Aan elk haartje, dat +van onder zijne muts te voorschijn kwam, hing een druppel water. Zijne +bolle wangen en zijne ooren zagen paars-blauw van de koude. + +"Brrr, wat een weêr!" mompelde hij, zijne handen diep in de +jaszakken stekende en het water van zijne lippen blazende. "Brrr, echt +hondenweer! Wacht, nu komt de regen er ook nog bij, en de sneeuwjacht +wordt er niet minder op. Weet je wat, ik moest maar even bij de heks +gaan schuilen, anders word ik nog doornat." + +Dik versnelde zijn pas, en bereikte weldra het hutje. Hij opende de +deur en trad binnen. + +"Hè, hè, wat een weêr! Mag ik even schuilen, moedertje?" + +"O, Dik, ben jij daar? Kom er gerust in, hoor. Ga zitten, 't Is een +verschrikkelijk weêr." + +Dik nam plaats en droogde met zijn zakdoek gelaat en hals af. + +"Wat zie ik?" zei hij plotseling, "ligt de oude man weer te bed? Is +hij weer ziek?" + +"Ach ja, Dik, 't is weer heelemaal mis met hem. 't Is zijne oude kwaal; +aldoor maar hoesten, hoesten, hoesten." + +"Zoo, zoo! Hoe lang ligt hij al?" + +"Dat wordt morgen vijf weken, Dik. Ja, ja, 't is een bedroefde tijd." + +De oude vrouw wendde het hoofd af en veegde zich een traan uit het +oog. Dik keek haar vol medelijden aan. + +"Arme ziel," zeide hij, "dan zal het er wel weer niet breed zitten, +denk ik?" + +"Armoê, Dik, armoê. Niets anders dan armoede en ellende. In vijf +weken hebben we nu al geen cent ontvangen, en als er geen hulp komt, +weet ik niet, waar het belanden moet. O, Dik, 't is verschrikkelijk!" + +"Ja, zeg dat wel. 't Is verschrikkelijk! Maar waarom vraag je niet +eens hier of daar hulp! Er wonen toch menschen genoeg in het dorp, +die wel wat missen kunnen. Daar heb je bij voorbeeld Mulder, die +alleen is rijk genoeg om...." + +"Mulder?" riep de oude vrouw, "Mulder? Praat me niet van Mulder, want +die kent geen medelijden. 't Is mijn eigen huisbaas, en van middag +is hij nog hier geweest, om de huur van vijf weken te halen. Maar +ik kon hem onmogelijk betalen en heb hem om uitstel gevraagd, met +de belofte, dat we zullen betalen, zoo gauw we weer wat verdienen +kunnen. Doch hij wil van geen uitstel hooren, en morgen moeten we +dit huisje verlaten. 't Is verschrikkelijk, Dik, met dien zieken man, +en ik weet nog niet eens, waarheen ik hem brengen moet. Vijfendertig +jaar hebben we hier gewoond...." + +De oude vrouw begon luide te snikken. + +"Het huisje uit?" riep Dik verontwaardigd. "En dat met een zieken +man? Maar dat is schandelijk! Dat mag niet gebeuren! Hoeveel geld +moet hij van u hebben?" + +"We betalen negentig centen in de week, dus dat is vier en een halven +gulden in het geheel. 't Is geen groote som, Dik, maar als men zelfs +geen vier en een halven cent in huis heeft...." + +"Hier, pak aan," zei Dik, haar eenig kopergeld toestoppende, "'t is +wel niet veel, maar ik heb niet meer. En als...." + +"Dank je wel, Dik, als alle menschen waren, zooals jij...." + +"Stil, niet danken, asjeblieft. Ik zal zien, wat ik voor je doen +kan. In elk geval, die huishuur zal wel terecht komen. Bekommer je daar +maar niet over. En nu ga ik verder; de regen is wat minder geworden." + +Dik vertrok, en toen 's avonds zijn werk af was, liep hij het dorp +in en ging naar Piet van Dril, die in de smederij aan het werk was. + +"Piet, ik heb eene wijde ijzeren of looden pijp noodig, met eene +bocht er in. Heb jij er een voor me te leen tot van avond?" + +"Is eene kachelpijp goed? Hier heb ik er een met een elleboog. Wat +moet je er mede doen, of--is het een geheim?" + +"Neen Piet, 't is voor jou geen geheim, maar voor anderen wel. Voor +jou is het dat niet, omdat je me helpen moet, weet je. Die kachelpijp +staat me wel aan. Daar zal het wel mede gelukken." + +"Nu, wat moet je dan doen?" vroeg Piet nieuwsgierig. "Eene grap?" + +"Ja, zoo ongeveer wel. Luister, ik zal het je vertellen. Je kent toch +de heks wel van den Achterweg?" + +"Of ik! Weet je nog wel, Dik, hoe we jaren geleden nog eens op een +avond naar haar huisje gegaan zijn, om haar bang te maken, en wat +waren we toch eigenlijk zelf bang. Nu, ik geloof, dat er nog wel +groote menschen bang voor haar zijn, want nog altoos staat ze in +geen goed blaadje. Niet, dat ik het nog ben, volstrekt niet, hoor; +ik geloof zulke dwaze praatjes niet meer, maar er zijn nog domme +menschen genoeg, die ze wèl gelooven." + +"Juist, Piet, dat denk ik ook, en ik wil van avond er de proef eens +van nemen. Die arme vrouw lijdt tegenwoordig weer vreeselijk armoê; +vooreerst is het winter, dus valt er weinig te verdienen, en bovendien +is oude Willem nu al vijf weken ziek. Nu behoef je niet te vragen, +hoe het met hen gesteld is. En tot overmaat van ramp komt daar die +oude Mulder, die vrek, om de huishuur, en nu zij niet betalen kan, +moet zij morgen met haar ouden, zieken man het huis uit. Is dat niet +verregaand onbarmhartig?" + +"Dat is het!" riep Piet verontwaardigd uit. "Die vrek! Wie weet, +hoeveel geld hij heeft, en nu zulke arme menschen bij ziekte en kou +op straat te willen zetten. 't Is onmenschelijk!" + +"Juist zoo!" zei Dik. "Maar het zal niet gebeuren, Piet. Ik heb al +dikwijls hooren vertellen, dat hij erg bang van aard is, vooral 's +avonds, en op de heks heeft hij het in 't geheel niet begrepen. Nu +ben ik van plan, om hem van avond zoo bang te maken, dat hij het niet +zal durven wagen, haar morgen het huis uit te zetten." + +"Maar welk plan heb je dan toch, Dik?" + +"Ik ga van avond voor heks spelen, Piet, en als jij me helpt, zal +hem het lachen wel vergaan. Doe je het?" + +"Goed zoo; ik doe meê, dat beloof ik je!" + +Mulder woonde in een van de kleinste huisjes van het dorp, aan den +eenen kant naast de kerk en aan de andere zijde naast eene groote +schuur. Vroeger was hij boer geweest, doch toen hij, na den dood van +zijne vrouw, in de gelegenheid kwam, zijne boerderij voor veel geld te +verkoopen, had hij dat gedaan, en was in dat huisje gaan wonen. Daar +leefde hij, uit gierigheid, geheel als een kluizenaar. Hij veegde zelf +den vloer aan en kookte zijn eigen potje. Dat het er dientengevolge +tamelijk vuil bij hem uitzag, hinderde hem niet. Het leven was op +deze wijze goedkoop, en dat was bij hem het voornaamste. De ijzeren +geldkist, die onder zijne bedstede stond, was het eenige voorwerp +op de wereld, dat hij liefhad. Zijn geld was zijn afgod. Het had +hem moeite genoeg gekost, zoo 'n schat bij elkander te krijgen, en +menige leelijke daad had hij daarvoor op zijn geweten genomen. Maar +toch had hij het lief, zoo lief, dat hij het voor geen gerust geweten +had willen ruilen. Elken avond, als deuren en vensters goed gesloten +waren, zat hij te tellen, en dan glinsterden zijne oogen van begeerte +en genot. Zoo ook op den avond, waarop Dik en Piet hem een bezoek +zouden brengen. Hij zat voor den haard, waarop eenige glimmende kolen +lagen. De tafel had hij naast zich geschoven. Een klein spaarlampje +verlichtte de armoedige woning. Hij liet het goud door zijne vingers +glijden. + +"'t Is eene groote som," mompelde hij, "en zij zal nog grooter +worden. Elk jaar komt er bij, en er gaat maar weinig af. Dat +die leelijke heks me nu niet betalen kan! Maar ik waag het niet +langer. Die man kan wel zoo lang ziek blijven en misschien wel +sterven ook. Dan betaalt ze in het geheel niet meer, en word ik het +kind van de rekening. Jawel, dat begrijp-je, daarvoor moet ze net +bij Mulder wezen. Morgen zal ze het huis uit, ziek of niet ziek, +daar geef ik niet om; wil hij doodgaan, dat moet hij weten. Zou ze +waarlijk eene heks wezen? Brrr, dat zou akelig zijn! Ze kan me soms +zoo vreemd aankijken, net of... Als ze nu eens plotseling door den +schoorsteen kwam, hu, 't is om je dood te schrikken! Maar neen, +'t is toch ook eigenlijk te mal, om er van te praten. Heksen! Wie +gelooft er nog aan heksen? Maar er moet toch wel wat van waar wezen, +want hoe komen zulke praatjes anders in de wereld? Ik heb er mijn +vader zoo dikwijls over hooren spreken, vroeger; neen, 't is toch +niet heelemaal weg te redeneeren. Als er vroeger heksen waren, zie +ik niet in, waarom ze er nu niet meer zouden zijn. Verbeeld je, dat +zoo 'n heks nu eens op een bezemstok door de lucht kwam aanvliegen, +en hier door den schoorsteen...." + +Op eenmaal werd Mulder doodsbleek en keek hij met strakke oogen naar +het vuur. Langzaam zag hij wat naar beneden vallen, en plotseling +werden de geel-roode vlammetjes van het haardvuur onnatuurlijk groot, +en wat hem nog het meest deed schrikken, helderblauw. Tegelijkertijd +klonk er zulk een schrille kreet door den schoorsteen, dat hij op +zijn stoel zat te beven. + +"O, o," kermde hij, "daar is ze al, o, o, wat moet ik beginnen.--Hu!" + +Opnieuw klonk er een akelige kreet uit den schoorsteen, en een +geweldige slag tegen de achterdeur deed hem het bloed in de aderen +stollen. De blauwe vlammen in den haard, die langzamerhand kleiner +geworden waren, flikkerden opnieuw hoog op. Het vuur siste. + +"O, o, genade!" kermde de vrek. + +"Hier is de heks,--de heks,--de heks!" gilde eene hooge stem, als +van eene vrouw, door den schoorsteen. "Ze moet haar huis uit, de +heks,--de heks,--de heks!" + +"Ssss!" siste het, en nu zagen de vlammen groen. + +"Vreeselijk!" kermde Mulder, "wat zal me nu overkomen? Genade, +genade! O, je behoeft het huis niet uit; je moogt er wel altoos in +blijven wonen, voor niemendal wel. Genade!" + +"Hier is de heks, de heks op den bezem!" gilde het daar boven, en er +werd geweldig tegen de luiken gebonsd. "Hier is de heks met zwavel +en salpeter! De heks op den bezem! Hi-i-i-i!" + +De vrek viel kermende op de knieën. In doodsangst keek hij naar den +schoorsteen, waardoor, naar hij vreesde, de heks zou binnenkomen. + +"O, heb medelijden, genade!" kermde hij. "Ach, ach, kom toch niet hier; +ik zal het je nooit weer lastig maken!" + +Plotseling flikkerden de vlammen, die blauw en groen zagen, weer +hoog op, het gebulder werd heviger en het gegil in den schoorsteen +klonk in één woord ontzettend. Het angstzweet brak den vrek uit. Hij +was radeloos. Daar zag hij, hoe een ijzeren bak, waaruit ook kleine +blauwe vlammetjes opstegen, langzaam aan een ketting naar beneden +zakte, en boven het vuur bleef hangen. + +"Geld! Geld!" klonk het daarboven gillend. "Hier is de heks met +salpeter en zwavel, geld, geld, de heks met den bezem, de vleermuizen +en de hagedis! Geld, geld, hi-i-i-i!" + +"O, geld!" kermde de oude gierigaard, met een wanhopigen blik op zijn +schat. "Ook dat nog! Genade, genade!" + +"Hier is de heks, de heks met den bezem! Wat moet zij maken van den +ouden woekeraar? Moet hij eene vleermuis worden, of..." + +"O, neen, neen, genade, geen vleermuis!" kreunde Mulder, terwijl hij +in doodsangst twee handen met geldstukken in den bak wierp, waaruit +opnieuw groote blauwe vlammen opstegen. + +".... Of moet hij een nachtuil worden, die over het kerkhof vliegt?" + +"Neen, neen, o neen, geen nachtuil, o, goede heks, vergeef het +mij!" riep Mulder, terwijl hij opnieuw een aantal geldstukken in den +bak wierp. + +".... Of een slang met giftige tanden, of een draak met zeven +koppen? Ja, een draak, een draak! Hij wordt een draak! Hier is de heks, +ze komt om het geld, om het geld van den vrek! Ze komt, ze komt met +zwavel en salpeter! Waar is de woekeraar? Hi-i-i-i!" + +"Help, help, o genade! Hier is mijn geld, dáár, dáár!" En de oude man +wierp sidderend handenvol geld in den bak. "Ach, genade! Laat me toch +asjeblieft geen draak worden! O, o!" + +Plotseling werd het gegil nog heviger en akeliger, en groote blauwe +en groene vlammen stegen van het haardvuur op. Het gebulder tegen +de luiken duurde onophoudelijk voort. Vol ontzetting bedekte Mulder +zijne oogen met beide handen en kroop in den donkersten hoek onder +de tafel, waar hij voorover op den grond ging liggen. Elk oogenblik +verwachtte hij de heks te hooren binnenkomen. + +Doch neen, langzamerhand werd het stiller; eindelijk hoorde hij nog een +gil, en toen niets meer. Toch durfde hij nog niet opkijken, maar toen +hij eindelijk gedurende een geruimen tijd geen verdacht geluid meer +hoorde, kwam hij voorzichtig uit zijn schuilhoek te voorschijn en keek +in de kamer rond. Gelukkig, er was niets geheimzinnigs meer te zien; +het vuur was weer gewoon, zelfs bijna uitgedoofd, en geen verdacht +geluid trof zijne ooren. Hij bekeek en betastte zich aan alle zijden, +om te onderzoeken, of hij ook betooverd was, doch dat onderzoek stelde +hem gerust. Hij bevond zich nog onveranderd en ongedeerd. + +"Maar het heeft me geld genoeg gekost," zuchtte hij, met een treurigen +blik op zijn geldkist. "Laten de menschen me nu nooit weer zeggen, +dat er geen heksen zijn, hu, hoe akelig! Ik weet er nu alles van!" + +Nog over al zijne leden bevende, borg hij zijn schat weer weg en +legde zich te bed, waar hij den ganschen nacht door akelige droomen +werd gekweld. + +Had de man geweten, dat de heks niemand anders was geweest dan Dik, +die door de kachelpijp heen al dien onzin naar beneden had getoeterd, +terwijl zijn makker Piet de deur en de vensters beukte, dan zeker zou +hij niet zoo gemakkelijk afstand hebben gedaan van zijne geliefde +goudstukken. Den volgenden morgen keek hij telkens naar den haard, +om te zien, of er nog blauwe en groene vlammen uit opstegen, doch de +stukjes zwavel en salpeter, die Dik uit de apotheek had meegenomen +en op het vuur geworpen, waren al lang verbrand. + +Niemand was echter meer verbaasd dan de heks, toen zij 's +morgens wakker werd. Op de tafel namelijk lag eene beurs gevuld +met goudstukken, die zeker door de gebroken ruit heen daar was +neergelegd. En in die beurs zat een briefje, waarop met duidelijke +letters geschreven stond: + +"Een geschenk van Mulder aan de heks van den Achterweg, die levenslang +voor niet haar huisje mag blijven bewonen." + +O, wat lachte die Mulder vreemd, toen de oude vrouw hem met tranen +in de oogen bedankte voor de weldaad, die haar bewezen was,--net als +een boer, die kiespijn heeft. + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN ONGELUK KOMT ZELDEN ALLEEN. + + +Zes jaar lang had Dik zijn heer trouw en eerlijk gediend, toen een +treurig voorval hem zijne betrekking deed verliezen. In een kouden +herfstnacht werd hij gewekt, om dadelijk in te spannen. Haastig +kleedde hij zich aan en begaf zich naar de dokterswoning, in de +stellige meening, dat een zieke buiten het dorp onverwachts de hulp +van zijn heer had ingeroepen, zooals dat al zoo menigmaal gebeurd +was. Doch neen, dat was het niet. De goede jongen, die dolveel van +zijn meester hield, kon van schrik bijna niet spreken, toen hij van +het dienstmeisje hoorde, wat er gaande was. + +"O Dik, ben je daar? Je moet dadelijk inspannen om dokter Marling +uit de stad te halen, 't Is verschrikkelijk, Dik, o...." + +"Dokter Marling halen? Voor wien? Kan de dokter dan zelf niet gaan?" + +"Neen, neen, Dik, o neen! 't Is verschrikkelijk! Gauw, maak voort...." + +"Maar wat is er dan toch aan de hand? Je staat daar maar te huilen +en te jammeren, en je zegt niets!" + +"Ach, 't is toch zoo erg, Dik. O, ik ben er heelemaal akelig van. De +dokter.... o, o!" + +"Maar spreek dan toch! Is de dokter ziek?" + +"Ja, Dik, 't is vreeselijk....eene beroerte...." + +"Wat?" riep Dik ontsteld. "Wat zeg je, heeft de dokter eene beroerte +gehad! En hoe is het nu met hem?" + +"O, Dik, zoo erg. Hij is geheel bewusteloos. Mevrouw heeft gezegd, +dat je zoo hard moest rijden, als je kunt, en niet zonder dokter +thuiskomen." + +"Dat spreekt vanzelf," bromde Dik. In een oogenblik had hij het beste +paard uit den stal voor het rijtuig gespannen, en nu ging het in dolle +vaart het erf af, naar de stad, die hij een uur later binnenreed. Hij +hield voor het huis van dokter Marling stil, wierp een dekkleed +over zijn dampend paard, dat hijgde van vermoeienis, en trok aan de +schel. Spoedig werd de deur geopend, en Dik deed zijne boodschap. + +"Ik zal den dokter wekken," klonk het antwoord. + +"Voortmaken!" riep Dik, die vol angstig ongeduld bij zijn paard heen +en weder liep. Nu, er werd ook voortgemaakt, want er waren nog geen +tien minuten verloopen, toen dokter Marling reeds geheel gekleed naar +buiten kwam en in het rijtuig stapte. + +"Vooruit maar, koetsier, zoo hard je paard kan!" + +"Laat dat maar aan mij over, dokter," zei Dik. "Het beest heeft anders +al een heeten rit achter den rug." + +"Dat wil ik wel gelooven. Hoe was het met den ouden heer, toen je +wegreedt?" + +"Hij was geheel buiten kennis, dokter. Eene beroerte is zeer +gevaarlijk, niet waar?" + +"Meestal wel." + +"Voort, Zwart, voort!" riep Dik, en het scheen wel, of Zwart begreep, +dat er iets ernstigs plaats had. Het beest liep, of het vleugels +had, en nog geen vol uur, nadat zij de stad verlaten hadden, kwamen +zij alweer op het dorp aan. Dokter Marling begaf zich naar binnen, +waar de zieke nog geheel in denzelfden toestand lag. Dik bracht zijn +paard op stal, wierp het nog een paar dekens op den rug, en begaf +zich toen naar de apotheek, om af te wachten, wat hij verder zou +moeten doen. Hij was bedroefd, want de berichten omtrent den zieke +werden voortdurend ongunstiger, en eindelijk, 's morgens om zes uur, +kwam de tijding, dat de oude dokter overleden was. + +Dat bericht schokte Dik zeer, want hij had altoos evenveel van den +dokter gehouden als deze van hem. Zonder een woord te spreken, spande +hij een ander paard voor het rijtuig, en bracht dokter Marling naar +de stad terug. + +Drie dagen later reed Dik zijn heer voor het laatst, doch het was nu +een treurige rit, want--hij voerde naar het kerkhof. + +Dik was dus zijne betrekking kwijt, en het bleek al spoedig, dat +een tweede niet zoo gemakkelijk te vinden was. Eerst hoopte Dik nog, +dat de nieuwe dokter hem in dienst zou nemen, doch dat gebeurde niet, +omdat die heer zich in de eerste jaren geen eigen paarden aanschafte, +doch zich door een stalhouder liet rijden. Dat was eene groote +teleurstelling voor Dik. Toen deed hij moeite, om hier of daar op +eene buitenplaats als koetsier aangesteld te worden, doch tevergeefs; +men was overal voorzien. Dat speet hem erg, want hij was ijverig van +aard en leegloopen stond hem niet aan. Hij verveelde zich van dat +hij opstond, totdat hij naar bed ging, en daarbij hinderde het hem +geducht, op kosten van zijne ouders te moeten leven. Wel had zijn +vader vast werk, doch 't was winter, de dagen duurden maar kort, +en daarmede hielden de verdiensten gelijken tred. + +"Moeder," zeide hij dikwijls, "wat is het toch verdrietig, zoo gezond +en sterk te zijn, als ik ben, en niets te kunnen verdienen." + +"Kom jongen," kreeg hij dan gewoonlijk ten antwoord, "je moet den +moed niet zoo gauw laten zakken; er zal wel eens hier of daar wat +open komen, en we lijden toch gelukkig nog geen gebrek." + +"Neen, Moeder, gelukkig niet. Als dat ook het geval was, zou ik +anderen raad schaffen." + +"Nu, wat dan?" + +"Och, dat weet ik niet. 't Is gelukkig nog zoover niet." + +Neen, dat was waar, doch 't zou toch zoover wel komen, en spoediger +dan zij dachten. Op zekeren morgen was Dik van verveling het dorp +ingeloopen en had zich naar zijn vader begeven, die met andere +werklieden bezig was, een huis te verbouwen. Het binnenwerk werd bijna +geheel weggebroken en moest door een nieuwe binnenbetimmering vervangen +worden. Het oude geraamte was blijven staan en werd door een groot +aantal palen ondersteund, opdat het niet zou invallen. Ook de zolder +was onderschraagd door groote balken en dwarsliggers. De werklieden +hamerden er lustig op los, en de jongeren onder hen deden hun arbeid +met een vroolijk gezang gepaard gaan. Daar kwam de baas binnen. + +"Jongens," riep hij, toen hij eenige oogenblikken rondgekeken had, +"die zolder is niet genoeg ondersteund. Als we storm krijgen, komt de +boel naar beneden. Daar moet onmiddellijk werk van gemaakt worden. Me +dunkt, Trom en Bakker konden dat wel doen, dan kunnen de anderen mij +buiten even helpen. Er is een karweitje in de schuur te doen." + +Allen, behalve Trom en Bakker, gingen met den baas meê. Dik ook, en dat +was gelukkig, want nog geen vijf minuten later viel met een donderend +geraas het voorste deel van het huis in. Het gaf een geweldigen slag, +die door het geheele dorp gehoord werd. Iedereen snelde naar buiten +en spoedde zich naar de plaats des onheils. Baas Meyer en zijne +knechts meenden eerst, dat de schuur, waarin zij zich bevonden, +inviel, en sprakeloos staarden zij elkander aan. Niemand bewoog zich; +de schrik had hen als het ware verlamd. Dik was de eerste, die tot +bezinning kwam. + +"Het huis stort in!" riep hij, terwijl hij naar buiten +snelde. "Vader,--Vader!--Laten we ons haasten!" + +Allen volgden hem, en van alle kanten kwamen de menschen verschrikt +toeloopen. 't Was eene vreeselijke ruïne. Balken, steenen, planken +en pannen lagen tot een berg opeengestapeld, terwijl vier naakte, +afgebrokkelde muren het geheel omringden. Dik, die bleek zag van angst +en ontroering, liep overal rond, om zijn vader te zoeken. Nog altoos +hoopte hij, dat deze niet onder het puin begraven zou zijn. + +"Vader!--Vader!" riep hij met krachtige stem, terwijl hij zijn blik +over de menigte liet ronddwalen. "Heeft iemand mijn vader ook gezien?" + +"Neen, Dik, we hebben hem niet gezien. Is hij nog niet gevonden?" + +"Neen, neen," zeide Dik zuchtend, zijne schreden weer naar elders +richtende, om te zien, of hij daar ook was. Doch al zijn zoeken +was vruchteloos; niemand had den vermiste ontmoet, en Diks vrees, +dat zijn vader onder dien puinhoop bedolven zou zijn, werd met elk +oogenblik grooter en kreeg meer schijn van zekerheid. Daar kwam ook +zijne moeder aanloopen. Ook zij zag bleek en keek angstig rond. + +"Er zijn toch geen ongelukken bij gebeurd?" vroeg ze, vol vrees, +dat het antwoord voor haar eene Jobstijding zou zijn. + +De menschen antwoordden niet; zij zagen er tegen op, de arme vrouw +met haar ongeluk bekend te maken. Daar kwam Dik aan. + +"Dik, waar is je vader?" vroeg ze met angstig ongeduld. + +"Heeft u hem ook nog niet gezien, Moeder? Ik zoek hem al overal, +doch vind hem nergens. Ik vrees, Moeder, dat...." + +"O!" gilde de arme vrouw, "dan ligt hij onder het puin! O, Dik, +mijn arme man!" + +"Ja, Moeder, 't zal wel zoo zijn, want hij was juist in het huis +aan het werk. Ga nu naar huis, Moeder, dan zullen wij het puin +wegruimen. Misschien loopt alles nog goed af. 't Is meer gebeurd...." + +"Naar huis gaan, Dik?" zeide zijne moeder, de tranen wegvegende, die +haar langs de wangen liepen. "Neen, jongen, ga jij maar helpen. Ik +blijf." + +Dik begreep, dat aan dit besluit van zijne moeder niets te veranderen +viel. Hij drukte haar de hand en zeide, zich naar den puinhoop +keerende: "Moed houden, Moeder, misschien leeft hij nog." + +Dik voegde zich bij de werklieden, die onder toezicht van den baas +al druk bezig waren, het puin weg te ruimen. Iedereen was er nu van +overtuigd, dat zoowel Bakker als Trom onder den puinhoop lagen. Er werd +ijverig doorgewerkt. Niemand sprak, want allen waren onder den indruk +van hetgeen gebeurd was en verdiepten zich in gissingen, of de twee +ongelukkigen nog in leven zouden zijn. Dik werkte voor twee, en zoodra +er weer eene opening gemaakt was, wierp hij zich op de knieën en riep: + +"Vader! Vader!" + +Dan luisterde hij met gespannen aandacht, of er ook antwoord kwam, +doch telkens tevergeefs. Hij kwam meer en meer tot de overtuiging, +dat zijn vader dood zou zijn en Bakker ook. + +"Vooruit maar weer!" riep de baas, en allen togen weer aan het werk. De +puinhoop werd voortdurend kleiner. Eindelijk, na een paar uren van +ingespannen arbeid, werden de beide ongelukkigen gevonden. Zij lagen +als dooden, doch toen zij eenigen tijd de frissche lucht hadden +ingeademd, kwamen ze weer bij. Bakker werd met een gebroken been en +eene gapende wond aan het hoofd naar zijne woning gedragen. Trom +had een zwaren balk tegen de borst gekregen; de arme man had het +erg benauwd en leed verschrikkelijk veel pijn. Men droeg hem op een +kleed naar huis, waar de dokter hem dadelijk in behandeling nam. Dik +en zijne moeder stonden bij het bed. + +"Wat dunkt u er van, dokter?" vroeg vrouw Trom angstig. + +"Ik geloof niet, dat er gevaar is voor zijn leven," was het antwoord, +"maar...." + +"Nu, maar?" + +"Ik vrees, goede vrouw, dat hij altoos een tobber zal blijven." + +En zoo was het ook. In tegenstelling met Bakker, die na enkele weken +zijn arbeid weer hervatten kon, bleef Trom langen tijd aan het ziekbed +gekluisterd, en toen hij het eindelijk mocht verlaten, was er van hem +niet meer overgebleven dan een zwakke, uitgeteerde man, die niet meer +in staat was, het brood te verdienen voor zich en voor zijn gezin. 't +Was wel eene groote ramp. Dik kon, hoeveel moeite hij er ook toe deed, +maar geen betrekking meer vinden, en daar het midden in den winter +was, viel er aan losse karweitjes ook bitter weinig te verdienen. De +betrekkelijke welvaart, waarin Trom en de zijnen zich vroeger mochten +verheugen, was verdwenen, en had plaats gemaakt voor bittere armoede, +die zich te sterker liet gevoelen, omdat zij er in het geheel niet +aan gewend waren. En met de welvaart had ook de vroolijkheid het +huisje verlaten. Trom was verdrietig en gevoelde zich ongelukkig, nu +hij, in plaats van kostwinner, een zwakke, hulpbehoevende sukkelaar +geworden was. O, hoe bedroefde het hem, hamer en beitel niet meer +te kunnen hanteeren, evenals vroeger,--doch die tijd was voor goed +voorbij. Nimmer zou hij weer in staat zijn, het dagelijksche brood +te verdienen. + +En ook vrouw Trom ging diep onder haar leed gebukt. De vroolijke lach +van vroeger, hare opgeruimdheid, haar gezellige toon,--zij waren +verdwenen. De arme vrouw was neerslachtig en somber geworden. Ja, +'t was wel eene vreeselijke ramp geweest! + +Ook Dik was zoo vroolijk niet meer als vroeger. Het maakte hem +verdrietig en stil, zijne goede ouders zoo ongelukkig te zien, en het +ging hem aan het hart, de blozende wangen zijner lieve moeder bij den +dag bleeker te zien worden. O, hoe verlangde hij er naar, haar nog eens +te hooren lachen als weleer, doch--het gebeurde niet. Wel lachte zij +hem soms vriendelijk toe, als zij bemerkte, hoe bedroefd hij haar nu en +dan aankeek, doch dat was het niet, wat Dik wilde. Hij zou haar weer +zoo graag vroolijk en gelukkig willen zien, als in de vroegere goede +dagen. Maar de nood bleef voortdurend stijgen. Het gezin verviel tot +bittere armoede, en eindelijk werd het zelfs zoo erg, dat op zekeren +avond de tafel niet meer gedekt werd; voor de eerste maal van hun leven +ontbrak hun het noodige voedsel. Somber en zwijgend begaven zij zich +te bed, doch van slapen kwam niet veel. Allen waren te veel vervuld +van den ongelukkigen toestand, waarin zij verkeerden. Dik wendde en +keerde zich onrustig om en om, en voelde zich de tranen in de oogen +komen, toen hij zijne moeder zacht hoorde snikken. + +"Dat kan zoo niet langer," mompelde hij. "Mijn besluit is +genomen. Morgen moet het er toe komen!" + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + +HET SLOT VAN DE GESCHIEDENIS. + + +Den volgenden morgen stond Dik vroeg op en begaf zich naar Piet +van Dril. + +"Morgen, Dik! Al zoo vroeg hier?" + +"Ja, Piet. Ik kom je hulp inroepen, 't Is nood bij ons, jongen, en +dan gaat men het eerst naar zijne vrienden. Heb-je ook wat geld voor +me te leen?" + +"Geld?" vroeg Piet, terwijl hij zijn vriend met medelijden +aankeek. "Hoeveel wil-je hebben?" + +"Een paar dubbeltjes maar. Als ik gezond blijf, krijg je ze binnen +enkele dagen terug." + +"Ja, Dik, dat weet ik wel. Hier heb-je ze, en als je ze nooit +teruggeeft, is het ook goed." + +"Dank-je, Piet. Zooals ik gezegd heb: als ik geen ongeluk krijg, +ontvang je ze binnen enkele dagen terug. En nu ga ik weer heen, +want ik heb nog wat te doen. Dag, Piet, tot ziens." + +"Gegroet!" zei Piet. "Arme menschen!" mompelde hij. "Ik wou, dat ik +hen helpen kon." + +Dik ging regelrecht naar den bakker. + +"Jansen," zeide hij, zijn geld op de toonbank leggende, "wil u even +twee brooden naar mijne moeder brengen? Maar liefst dadelijk; er is +haast bij." + +"'k Zal er voor zorgen, Dik." + +Vandaar ging Dik naar vrouw Boon, die nog altoos in haar winkeltje +woonde. Hij deed de deur open en stapte naar binnen. + +"Goeden morgen, vrouw Boon." + +"Goeden morgen! Hé, Dik, ben jij daar? Dat is, geloof ik, wel voor +het eerst van je leven." + +"Dat is ook zoo, vrouw Boon, maar ik wenschte u wel eens te +spreken. Hebt ge een oogenblikje tijd?" + +"Jawel, zeker, kom maar in de kamer. 't Is te koud, om in den winkel +te staan." + +"Ja, 't is koud," zei Dik, binnentredende. + +Vrouw Boon gaf hem een stoel, en nam zelf ook plaats, tamelijk +nieuwsgierig, wat Dik toch wel te zeggen zou hebben. + +"Ik heb gehoord," begon Dik, "dat ge van plan zijt, het dorp te +verlaten en in de stad te gaan wonen?" + +"Ja, dat is te zeggen," was het antwoord, "als ik mijn boeltje hier +naar mijn zin verkoopen kan. Ik ben niet van plan, om zoo maar weg +te loopen." + +"Neen, dat begrijp ik. Ik ben dan ook juist gekomen, om daar eens +over te praten. U woont hier in een huurhuis, niet waar?" + +"Ja, 't is een huis van den molenaar, en ik heb er nog zes jaar huur +aan, doch ik mag de huur wel aan een ander overdoen, ten minste, +als het een knap persoon is." + +"Nu, wat dat betreft, zal de molenaar wel geen bezwaar maken, denk ik," +meende Dik. "En hoe staat het met den winkel?" + +"Alles, wat in den winkel staat, is mijn eigendom," antwoordde de +weduwe. "Toonbank, weegschalen, gewichten, bakken en laden, kortom, +al wat er in is, behoort mij." + +"En dat wilt ge dus verkoopen?" + +"Ja, voor driehonderd gulden is het te koop, maar dadelijk betalen, +dat spreekt vanzelf. Borgen doe ik niet." + +"Dat is ook niet noodig," zei Dik. "Als ik het koop, betaal ik contant, +maar driehonderd gulden geef ik er niet voor. Als de winkel nog, +evenals vroeger, beklant was, zou ik er misschien over denken, maar nu +de zaak bijna verloopen is, bied ik er juist de helft voor, namelijk +voor alles, zooals het reilt en zeilt, en dan nog op voorwaarde, dat +ik pas over drie dagen behoef te zeggen, of de koop doorgaat of niet." + +"Neen, Dik, dat gaat niet. Tegen de voorwaarde heb ik geen bezwaar, +maar honderdenvijftig gulden is te weinig. Ga zelf maar kijken, +of er niet voor meer waarde in staat. 't Is wel waar, wat je zegt, +dat de zaak verminderd is, maar er gaat toch nog wel zooveel in om, +dat een kleine burgerhuishouding er van leven kan. Als ik niet aan +trouwen dacht, verkocht ik haar niet." + +Dik en vrouw Boon gingen den winkel rond en namen alles nauwkeurig +op. De voorraad van een en ander viel Dik meê, zoodat zij het eindelijk +eens werden voor eene som van tweehonderd gulden. + +"Maar à contant," zeide vrouw Boon, die maar niet begrijpen kon, +waar Dik zooveel geld vandaan moest halen. + +"Dat is afgesproken. Uiterlijk over drie dagen kom ik u mijn besluit +mededeelen." + +Dik vertrok en begaf zich naar den burgemeester, bij wien hij na een +oogenblik wachtens werd toegelaten. + +"Wel, Dik, wat is er van je dienst?" + +"Burgemeester, ik heb gehoord, dat er in de West, om een oproer onder +de negers, soldaten aangeworven worden. Zou u me daaromtrent niet +wat nader willen inlichten?" + +"Wel zeker, met genoegen. Of eigenlijk gezegd weet je er alles al +van. Er is onder de negers in Suriname een oproer uitgebroken, dat +met kracht van wapenen gedempt moet worden, en nu zijn er flinke +jongens noodig. Waarom vraag je dat zoo? Je wilt toch zelf niet gaan?" + +"Misschien wel, burgemeester. Hoeveel handgeld wordt er gegeven?" + +"Vierhonderd gulden; dat is nog al een mooi sommetje, niet waar? Hoe +oud ben je?" + +"Achttien jaar, burgemeester, en goed gezond." + +"Zoo, achttien? Dan heb je de jaren. Maar toch durf ik het je niet +aanraden, Dik. 't Is een erg ongezond land. De meeste Hollanders gaan +er weg aan de gele koorts." + +"Ja, burgemeester, dat heb ik ook gehoord, maar--ik kan niet +anders. Waar kan ik mij aanmelden?" + +"In elke garnizoensplaats, Dik. Dus je bent er toe besloten?" + +"Ja, burgemeester, de nood dwingt er mij toe. Ik dank u wel voor +uwe inlichtingen." + +Dik vertrok en ging naar huis. Hij vond zijne ouders in eene sombere +stemming bij de tafel zitten. Er stond eene boterham voor hem klaar, +welke hij dadelijk begon op te eten, want hij had grooten honger. + +"Hoe ben je aan dat geld gekomen, Dik?" vroeg Moeder. + +"Dat heb ik geleend, Moeder." + +"Geleend? Waarvan moeten we het dan teruggeven? We hebben immers +niets meer?" De ongelukkige vrouw kreeg tranen in de oogen. + +"Dat is waar, Moeder, doch droog uwe tranen, want binnen enkele +dagen zal ik u geld genoeg verschaffen, om den winter verder door +te komen. Ik ben met vrouw Boon in onderhandeling getreden, om haar +winkeltje over te nemen. Voor tweehonderd gulden word ik eigenaar +van de geheele zaak, en...." + +"Maar jongen, hoe heb ik het nu met je?" vroeg Moeder, die hem in de +grootste verbazing aanstaarde, terwijl Vader bedenkelijk het hoofd +schudde. "We hebben immers geen cent in huis? Hoe zouden we die som +ooit kunnen betalen?" + +"Dat zal ik u aanstonds meedeelen, Moeder. Zeg nu eerst maar eens, +hoe u het zou vinden, om in dat zaakje te komen." + +"Ach, kind, daar is immers geen denken aan! Wat zou het anders heerlijk +wezen! Er gaat wel niet zoo erg veel om, maar toch nog wel genoeg, +om er van te kunnen leven, dat is zeker. Vroeger was het zelfs een +best zaakje, en dat zou het wel gebleven zijn ook, als die vrouw +Boon maar niet zoo 'n ruw, onhebbelijk mensen was. Ik geloof zelfs, +dat het zaakje wel weer druk zou worden, als er knappe menschen in +kwamen. Och ja, wat zou het heerlijk wezen, als wij het eens koopen +konden, Jan. Dan konden we de toekomst onbezorgd te gemoet gaan, +en dan behoefde je ook niet meer te werken, ten minste niet harder, +dan je krachten het toelaten. We zouden gered zijn, Jan,.... maar och, +dat ongelukkige geld!" + +"Welnu, Moeder," zei Dik, "ik weet een middel, om aan geld te komen." + +"Welk middel dan?" vroeger Moeder nieuwsgierig, maar toch vol angst, +daar zij wel begreep, dat er heel wat voor gevergd zou worden. + +Dik keek haar een oogenblik aarzelend aan. De goede jongen zag er +tegen op, haar zijn besluit mede te deelen. + +"Toe Dik, zeg het dan, of is het zóó erg? Ik brand van +nieuwsgierigheid." + +"Ja, Dik," zei Vader, "ik ook,--dat doe ik." + +"Welnu, Moeder, ik zal het u zeggen. In de West...." + +Moeder liet hem niet uitspreken. Met tranen in de oogen sprong ze op +en sloeg hem hare armen om den hals. + +"Wou je weggaan, mijn Dik, mijn jongen?" snikte ze. "Wou je je +moeder verlaten en je vader, Dik? Begrijp je dan niet, hoe lief we +je hebben? O, Dik, we hebben immers niets op de wereld dan jou?" + +Dik gaf zijne moeder een kus en maakte zich zacht uit hare omarming +los. Ook hij voelde het hart week worden, want het kostte hem veel +moeite, om van zijne ouders te scheiden, maar toch wilde hij zijne +lieve moeder niet toonen, dat het hem zwaar viel. + +"Moeder," zeide hij, "luister, 't Is het eenige middel, om u en Vader +voor gebrek en zorg te behoeden. Hier blijven kan ik toch niet; +ik mag u niet langer tot last zijn, en dat wil ik ook niet. Viel +er hier nog wat te verdienen, dan zou ik er niet over denken om +weg te gaan, maar nu zit er niets anders op. Weken lang loop ik al +zonder werk rond, en 't is de vraag, of dat niet nog maanden zal +duren. Maar toch, Moeder, al gelukte het mij nu, hier of daar eene +betrekking te vinden, dan zou dat u toch nog bitter weinig baten, +want veel zou er nooit van kunnen overschieten. Vader is zwak; hij +kan in de eerste jaren stellig niets verdienen, en hoe zou u dan +in het levensonderhoud voor u beiden moeten voorzien? Neen, Moeder, +'t is beter, dat ik ga. Ik behoef mij slechts te verbinden voor drie +jaren en ik ben gezond en sterk. Vierhonderd gulden krijg ik vooruit, +Moeder, vierhonderd gulden! Dat is geene kleinigheid. We kunnen er het +winkeltje voor koopen, en u houdt nog tweehonderd gulden over om alles +netjes in orde te brengen. Denk eens, wat een genot! Vader koopt een +hit en een wagentje, om buiten het dorp te gaan venten, en u zorgt voor +den winkel. Is 't niet prachtig, Moeder? Wat zegt u er van, Vader?" + +"Ja, jongen, 't zou mooi wezen,--dat zou het." + +"En voor dat alles behoef ik slechts een paar jaartjes in de West te +gaan doorbrengen, Moeder, 't Is toch waarlijk zoo erg niet." + +Moeder keek langer, tijd peinzend voor zich, terwijl nu en dan een +paar groote tranen op haar voorschoot rolden. Eindelijk stond ze op +en omhelsde Dik opnieuw. + +"Dik, 't moet! Ga, m'n lieve, goede jongen, ga, en dat God je +bescherme!" + +Schreiënd verliet ze de kamer. Trom volgde haar. + +"Ach, Jan," zeide ze snikkend, "wat heeft hij toch een braaf hart!" + +"Ja Griet, 't is een bijzonder kind,--dat is-ie, en dat heb ik altoos +wel gezegd,--dat heb ik." + +Dienzelfden middag nog trok Dik zijne beste kleeren aan, om zich naar +de stad te begeven. + +"Ach Dik, m'n kind," zuchtte zijne moeder, "moet het nu al zoo gauw +gebeuren? 't Scheiden valt me zoo zwaar." + +"Ja, Moeder, 't is hier ook: hoe eer, hoe beter, We hebben geen cent +meer in huis, en ik krijg toch nog eenigen tijd verlof. Wat vind ik +dat heerlijk, Moeder. Dan kan ik u helpen verhuizen en alles in orde +brengen, en voor Vader een hit koopen en een wagentje. Neen, Moeder, +'t is beter vandaag, dan morgen. Ik heb geen rust, voor dat u goed +en wel in het winkeltje woont." + +'t Was een teêr afscheid, bijna alsof hij reeds voor goed wegging. + +"Kom, Moedertje, nu flink, hoor! Morgen of overmorgen kom ik weer +terug. Tot zoolang dus!" + +Dik maakte zich uit hare omarming los en snelde de deur uit. Wat had +hij zich in de tegenwoordigheid zijner ouders goed moeten houden, om +niet in tranen uit te barsten, want nooit had hij sterker gevoeld, +hoe lief hij hen had, dan nu op het oogenblik, dat hij weldra +voor goed van hen zou moeten scheiden. Voor goed, ja, want 't was +bekend, hoe weinigen er terugkeerden uit dat verre, vreemde land, +waar wreede vijanden en nog wreeder koortsen zoo menigeen een vroegen +dood deden vinden. + +Nauwelijks had hij dan ook het laatste huis van zijn dorp achter +den rug, of de brave jongen barstte in tranen uit, en wrong zich in +vertwijfeling de handen. + +"O, wat is het hard! Wat is het hard! Ik heb hen zoo lief!" mompelde +hij, terwijl de tranen hem langs de wangen vloeiden. Doch +opeens bedwong hij zich. Hij wierp nog eenmaal een blik op zijn +geboortedorpje, dat hem zoo lief was, zocht met zijne oogen nog eenmaal +het roode dak van de kleine woning, waar hij zooveel jaren gelukkig +was geweest en waarin hij achterliet, wat hem het dierbaarst was op +de geheele wereld, en toen vervolgde hij zijn weg naar de stad. + +In diepe, smartelijke gedachten verzonken liep hij voort, het voorhoofd +gefronst en met een droevigen trek om den mond. Een gure wind woei +hem vlak in het gelaat, maar hij voelde het niet. Hij liep met gebogen +hoofd, en nu en dan prevelde hij overluid. + +"'t Kan niet anders," komt hem afgebroken over de lippen, "'t +Moet! Vader en Moeder mogen geen broodsgebrek lijden, zoolang ik er +ben, en 't zou schande wezen, als ik anders handelde, dan ik doe.--Wat +zullen mijne vrienden vreemd opkijken, als ik als koloniaal terugkom, +want dat verwacht zeker niemand van me. Toch zal het een troost voor +me wezen daar ginds in het verre Westen, te weten, dat Vader en Moeder +het goed hebben, en dat zij op hun ouden dag vrij zullen wezen van +zorgen en broodsgebrek. En daarom--'t moet, hoe hard het ook is!" + +Dik was zoozeer in zijne gedachten verdiept, dat hij niet eens +bemerkte, dat hem een rijtuig achterop reed. Hij ontdekte dat pas, toen +het vlak achter hem was, en een glimlach verhelderde zijn gelaat, toen +hij den breeden molenwagen herkende, beladen met zakken, en bestuurd +door den eigenaar zelven. Hierover verheugde hij zich nog het meest, +want de molenaar was een oud vriend van hem, voor wien hij zijn hart +eens kon uitstorten. + +De wagen hield stil. + +"Meêrijden, Dik?" klonk het hem toe. De molenaar was geen vriend +van veel woorden. Hij sprak gewoonlijk zeer weinig, maar hij had een +goed hart. + +Zwijgend stapte Dik op het krat, en zwijgend vervolgden zij hun weg. + +Dat had zoo eenige minuten geduurd, toen de molenaar, die van +terzijde zijn jongen vriend al eens een paar malen had aangekeken, +plotseling vroeg: + +"Wat scheelt er aan? Ben je ziek?" + +"Neen, Van Dijk, niet ziek, maar toch--lang niet vroolijk. 't Is +armoê thuis, armoê, Van Dijk, en nog eens armoê! Er mòèt een einde +aan komen!" + +De molenaar zei niets. Hij floot iets tusschen de tanden en zag +weer van terzijde Dik aan, die met moeite een traan terugdrong. Ook +Dik zweeg. + +Zoo gingen weer enkele minuten voorbij. Toen zei de molenaar: + +"Armoê thuis? En welk einde moet er aan gemaakt worden, jongen?" + +"Ik ga naar de stad, om te teekenen als koloniaal. Ik ga naar de +West. Vierhonderd gulden handgeld zijn voldoende om het zaakje van +vrouw Boon over te nemen, die naar de stad wil verhuizen, zooals +u wel weten zal. Als u dan het huis zou willen verhuren aan Vader, +waren zij uit den nood. Maar dat wilt gij wel, niet waar?" + +De molenaar keek stijf op de ruggen van zijn twee paarden. Hij knikte +bevestigend, terwijl hij weer iets tusschen de tanden floot. + +"En hoe vindt je moeder dat, Dik?" vroeg hij na eene pauze. + +"Zij vindt het hard,--erg hard." + +Weer volgde eene pauze. + +"Ja, 't is hard!" klonk het eindelijk naast Dik. + +Zij waren nu eene boerderij genaderd, waar Van Dijk het erf opreed. + +"Wacht even, Dik, dan gaan we straks samen verder," zei de molenaar, +terwijl hij van het krat afsprong, en de zakken naar binnen ging +dragen. + +Dik was geen jongen, die van toekijken hield, als er gewerkt moest +worden. Dadelijk nam hij ook een zak op den schouder en volgde den +molenaar. Spoedig was de wagen afgeladen, en waren 's molenaars zaken +met den boer afgedaan. + +Zij namen weder plaats op het krat en reden het erf af. Tot Diks +verbazing sloeg de molenaar echter den weg in naar huis, wat hij +niet verwacht had. Hij legde zijne hand op den schouder van Van Dijk, +en zeide: + +"U gaat naar huis terug, en..." + +"Ja, dat weet ik wel. Wat zou dat?--Huup paarden!" + +"Dan scheiden hier onze wegen, want..." + +"Niet waar.--Huup paarden!" + +"Ja wel, ik moet naar de stad, om..." + +"Huup paarden! Huup!--Dat moet je niet, Dik! Je gaat meê naar huis." + +"Onmogelijk, onmogelijk, Van Dijk! Ik móét, want ik kan niet +anders. Laat mij hier afstappen." + +"Jij stapt niet af, en je gaat niet naar de stad, heb je mij begrepen, +Dik? Ik zou me schamen, jongen, schamen, als ik jou voor een ellendige +vierhonderd gulden naar de West liet gaan, om daar een graf te +vinden. Je gaat naar huis, zeg ik je. Dat geld kun-je van mij wel +krijgen,--begrepen? Je ouders kunnen je niet missen." + +De molenaar keek Dik aan en knikte hem nog eens met eene krachtige +beweging toe. Hij had al veel meer gesproken dan hij gewoon was, +en meende er verder ook geen woord meer over te verspillen. De zaak +was afgedaan, naar hij meende. + +O, wat werd het Dik plotseling licht en vroolijk te moede. Weg was als +met een tooverslag al zijn zorg en al zijn verdriet, en in gedachten +zag hij reeds, hoe zijne lieve Moeder zou schreien van vreugde, +als zij het hoorde. + +"Wil u mij dat geld leenen?" vroeg hij opgetogen, en elk woord klonk +als een juichkreet. + +Van Dijk knikte. + +"O, ik wist, dat u een edel hart bezat, maar nu--nu maakt u drie +menschen tegelijk gelukkig. Wat ben ik u dankbaar!" + +Weer knikte Van Dijk. + +"'t Is goed, hoor," sprak hij. "Praat er nu verder maar niet over. De +zaak is beklonken.--Huup paarden!" + +Wat keken Jan Trom en zijne vrouw korten tijd later vreemd op, toen +Dik onverwachts weer binnentrad, en o, wat verhelderden die gezichten, +toen Dik vertelde, wat er gebeurd was. Hoe blonk de vreugde uit hunne +oogen, hoe klonk in dit eenvoudige huisje hun vroolijke lach. De dagen +van leed en droefheid waren voorbij, de armoede vloog het venster +uit, en er was geen sprake meer van eene scheiding, die hunne harten +dreigde te doen bersten. + +Enkele weken later betrokken zij de woning van vrouw Boon, waar +het hun weldra zeer goed ging. Trom nam den winkel waar, bij welke +bezigheid zijne vrouw hem onvermoeid ter zijde stond, en Dik ging er +dagelijks met paard en rijtuig op uit, om de klanten buiten het dorp +te bedienen en er nieuwe bij te werven. + +En het scheen wel, of men gaarne van hem bediend wilde wezen, want +elke week werd zijn omzet grooter, en klommen zijne verdiensten. Al +spoedig konden zij het geleende geld bij den molenaar aflossen, +en na een paar jaren reeds moesten zij den winkel vergrooten. In +korten tijd hadden zij de beste zaak van het geheele dorp, en elken +Oudejaarsavond konden Trom en zijne vrouw een mooi sommetje ter zijde +leggen van hetgeen zij hadden oververdiend. + +Dan keken zij elkander dankbaar en gelukkig in de oogen, en zeiden: + +"Voor onzen Dik!" + + + + + + + + + + +De zes volgende boeken zijn ware prachtwerken voor de jeugd, +uitmuntende zoowel door inhoud als illustratie. + +Prijs van ieder boek f 1.50, in prachtb. f 1.90. + + + +Mijn Jongensjaren + +door Koen van Dam, geïllustreerd met 50 platen door Joh. Braakensiek. + + + +Weggeloopen + +2e druk, door Adona, geïllustreerd met 60 platen door Cecil Alden. + + + +Karel Vermeer + +door Ch. Krienen, geïllustreerd met 50 platen door W. K. de Bruin. + + + +Uit het leven van Dik Trom + +6e druk, door C. Joh. Kieviet, geïllustreerd met 50 platen door +Joh. Braakensiek. + + + +Frits Wardland + +3e druk, door C. Joh. Kieviet, geïllustreerd met 50 platen door +Joh. Braakensiek. + + + +De Twee Neven + +2e druk, door C. Joh. Kieviet, geïllustreerd met 50 platen door +W. K. de Bruin. + + + + + + +DE DRIE MATROZEN VAN MICHIEL DE RUIJTER + + +door Joh. H. Been, + +geïllustreerd met 32 platen door J. H. Isings Jr. + +Prijs f 2.50, in prachtband f 2.90. + + +De Nederlandsche Spectator van 26 Januari 1907 schrijft: + +Een ware "De Ruijter" hulde. + + +In het stedeke Brielle waren nog de schimmen van onze zeehelden +rond: Witte de Witt, de Trompen, Evertsen enz. en wie daar met een +dichterlijken geest woont, wordt van hun geestkracht vervuld. De +Brielsche Archivaris, de man in wiens hoofd dat heele prachtige +verleden zich geconcentreerd heeft, de heer Joh. H. Been, heeft de +mooiste "De Ruijter"-hulde denkbaar in dat kloeke boek van De drie +matrozen van Michiel de Ruijter gegeven. + +Gevoel voor het grootsche in deze persoonlijkheid, voor het roemrijke +verleden samen met de gave van het boeien door echte, spannende +romantiek en van zich indenken in het menschelijk gemoed in vele +gevallen van karakterstrijd en onrust maken dit boek tot een hoog +boek, een, waar een jongen, z'n idealen in vindt, en dat zaden in zijn +gemoed zal strooien, die veel later welig zullen kunnen opschieten +tot heil van hem zelf, van het vaderland. + +Waarlijk, al is het een dik boek, misschien met z'n 379 blz. het +dikste jongensboek dat we hebben, ik twijfel niet of het zal tot het +eind gelezen, het zal her- en weer-herlezen worden, omdat er zooveel +moois in is, dat meesleept, ontroert. + +En het mooiste zal voor de jonge lezers dunkt mij, nog dit zijn: +dat het alles waar gebeurd is, dat er werkelijk voor Algiers vijf +Christenslaven op de door Been beschreven manier op de vloot gekomen +zijn; dat werkelijk op de Goudkust drie matrozen samen gevochten +hebben met de in het boek beschreven gevolgen, even goed als het +in de steek laten van het zinkende Engelsche schip in de West de +waarheid bevat. Gerard Brandt vertelt het in zijn leven van Michiel +de Ruijter. De dichter heeft alleen de letters op papier leven +ingeblazen. Tegen zooveel goeds vallen kleine fouten of liever +oppervlakkigheidjes weg. + +G. + +J. d. V. + + + + + +IN DEN OPGANG + + +door Anna de Savornin Lohman. Geïllustr. door Willy Sluiter. Prijs +f 2.50, in prachtband f 2.90. + + +Freule Lohman laat zich met dit vlot geschreven boek ook eens als +schrijfster voor jonge meisjes kennen. En 't is haar gelukt. Zij heeft +den toon te pakken, die in den smaak valt der vrouwelijke "aankomende" +jeugd. De handeling heeft plaats in een Hollandsch provinciestadje en +zeer raak is het leven op zoo 'n plaatsje getypeerd. De "draad" van +het verhaal: een in schooltijd aangeknoopt vrijagetje van het mooie, +oudste dochtertje der Langeveldts met een gymnasiast-baronnetje, +voor wien zij, als onbemiddeld en niet-adellijk meisje, later blijkt, +geen geschikte partij te zijn. Rita, die haar stille verloving als +geheim bij zich ronddraagt, ontdekt de vernedering, als haar Govert, +die in Leiden studeert, met de vacantie door zijn ouders naar een +buitenverblijf wordt gestuurd. En zij lijdt onder de desillusie, +alléén. Dan volgt de bekentenis aan moeder, die haar over alles +heen helpt. + +Daaromheen groepeeren zich de anderen, de openhartige zuster Mien, +de goede broer Hein, de verwaande Sanny, de lieve moeder Langeveldt +en niet te vergeten tante Poppie, de goedhartige, goedgeefsche, +gezellige Indische. "In den Opgang", (bedoeld wordt in den opgang +van den jongemeisjestijd naar het volwassen zijn) is, èn door de +behandeling der stof èn door de strekking een aan te bevelen lectuur +voor onze meisjes. + +Telegraaf, 5 Dec. 1906 + + + + + +Zooeven verschenen! + +OP VIJVERHOEK + +door F. J. Hoffman. + +Geïllustreerd met 26 platen door W. K. de Bruin. + +Prijs f 1.50, in prachtband f 1.90. + + +Dat ook in den winter het buitenleven zijn aantrekkelijke zijden +heeft, kunnen we uit dit boek bespeuren. Karel en Wim gaan in de +Kerstvacantie bij oom Van der Horst, den Boschbaas op het buitengoed +"Vijverhoek", te logeeren. Ze vermaken er zich best, maar niet alleen +aan guitenstreken is hun tijd gewijd; onder leiding van hun oom, +komen ze heel wat belangwekkends aan den weet van vogels vooral, +maar ook van andere dieren, visschen bij voorbeeld, en van planten. + +Aangrijpend is de passage van dien boer, die zijn hond zoo slecht +behandelde, terwijl het trouwe dier, hem voor den brand in zijn +hooiberg waarschuwde. Maar de man was te eigenwijs om op het geblaf +acht te geven. + +Ook de Nederlandsche Vereeniging tot bescherming van vogels zal de +verschijning van dit boek met vreugde begroeten. + + + + + + +FLORIS DE VIJFDE + + +door E. Molt. + +Geïllustreerd door H. C. Louwerse. + +Prijs f 1.50, in prachtb. f 1.90. + + +Welke Hollandsche jongen kent niet uit de geschiedenis "Graaf Floris +de Vijfde, der keerlen God", en zijn treurig einde? + + +Hij toch was het, die ten tijde der lijfeigenschap het voor den kleinen +man opnam en de macht der edelen fnuikte, om later als slachtoffer +zijner menschlievendheid door verraad te vallen. + +Waar dan ook de schrijver zijn leven teekent, zonder opsmuk of +overdrijving, is het een boek dat in afwijking der vele onmogelijke +"jongenslectuur", met gerustheid der jeugd in handen kan worden gegeven +en dat door hen zonder het hoofd op hol te brengen met graagte zal +worden gelezen, terwijl het hunne kennis van den tijd der edelen +blijvend zal verrijken. + +Van een viertal zéér mooie illustraties door H. C. Louwerse voorzien, +en in keurigen prachtband is het een aanbevelenswaardig geschenk voor +de jeugd. + +Dordrechtsche Courant, 26 Nov. 1906. + + + + + + + +UIT DE GEDENKSCHRIFTEN VAN EEN SCHOOLJONGEN + + +door Joh. H. Been. + +Geïllustreerd door Jan Bleys, + +Bandteekening van R. W. P. de Vries Jr. + +Prijs f 1.50, in prachtband f 1.90. + + +Een geestig, prettig, mooi geschreven jongensboek. Men kan het +niet anders dan met groote belangstelling lezen; men gaat een warme +sympathie voelen voor Hein, den bengel met zijn eerlijk hart, z'n +jongensstreken, zijn strijd tegen het leeren en zijn strijd tegen zijn +fantastische denkbeelden, die hem zoo vaak hinderen in het nuchtere, +praktische leven. Hoe mooi is hier beschreven, dat langzame lief +krijgen van een vak, waar hij eerst niet van houdt, de eerbied en +genegenheid, die de jongen gaat voelen voor den onderwijzer, die hem +zoo taktvol door dien strijd heen helpt.... + +.... We zitten met hem in de benauwdheid voor het overgangsexamen, +dat zoo meesterlijk beschreven is, en we juichen met hem, als hij +"er door" is, als hij in de armen van zijn ouders vliegt, als hij +even meneer Straalders, den helper in de booze wiskunde de hand +gaat drukken en deze in zijn ontroering niet anders kan zeggen dan: +"beste jongen, beste jongen...." + +Dan hollen we met hem en z'n trouwe gezel "Lie", den hond, naar +buiten--den zomer, de vroolijke kermis, de zalige vacantie, tegemoet! + +Het is een boek vol eerlijke, gezonde, nobele denkbeelden, een in +alle opzichten aan te bevelen werk. + +Commissie ter beoordeeling van Kinderlectuur. + + + +Van deze zalige vacantie vertelt het boek: + +HEINTJE'S GROOTE VACANTIE + +door Joh. H. Been. + +Geïllustreerd door Joh. Braakensiek. + +Bandteekening van R. W. P. de Vries Jr. + +Prijs f 1.50, in prachtband f 1.90. + + +We durven een weddenschap aan te gaan, dat geen jongen "Heintje's +Vacantie" zal gelezen hebben zonder, uit het diepst van een vol gemoed, +te verklaren: in tijden heb ik zoo 'n prettig, aldoor boeiend boek niet +gelezen. En als de ouderen 't overnemen, zullen zij het óók zeggen. Met +ons zullen zij in hun hart den goeden schrijver dankbaar wezen die, +zonder een oogenblik zwaar-avontuurlijke onwaarschijnlijkheden op +te dienen, eigenlijk van allergewoonste dingen vertellend, zoo 'n +geestig en zoo 'n spannend boek heeft kunnen leveren. + +Wie zijn kinderen en zichzelven ter Sinterklaasgelegenheid waarlijk +een tractatie bereiden wil, die nog wel tot tien Sinterklaasfeesten +ver zal worden geproefd, koope Been's nieuwste jongensboek. + +Rotterd. Nieuwsbl. + + + + + + +JUFFERTJE WILDZANG + +door Bertha Clément, + +prachtig geïllustreerd met meer dan 50 platen. + +Prijs f 1.50, in prachtband f 1.90. + + +De Meisjesboeken van Bertha Clement zijn eveneens gunstig bekend. Ook +in dit nieuwe werk vinden we zulk een frisschen geest, zulk een +vroolijke ongedwongenheid, dat men wel van de heldin moet gaan houden +en haar lotgevallen met dezelfde belangstelling volgt als waren ze +aan een meisje uit onze naaste omgeving overkomen. + +Bertha Clement is een vriendin van het jonge lezende publiek, +en haar Juffertje Wildzang, waarvan bij P. Kluitman, te Alkmaar, +een geïllustreerde uitgaaf in prachtband verscheen, zal zeker even +gunstig worden ontvangen als hare vroegere verhalen. + +'t Is de geschiedenis van een vroolijk "juffertje Wildzang" in den +grond een zeer lief meisje, dat ook wel iets van den ernst des levens +leert en van hare verschillend geaarde vriendinnetjes. Een aardig, +natuurlijk geschreven, onderhoudend meisjesboek. + +Nieuws van den Dag. + + + + + + +IN DE VACANTIE + +Bibliotheek voor Jongens en Meisjes. + + +Prijs per deel f 0.90, in prachtband f 1.25 + +De boeken in deze serie zijn met bijzonder veel zorg uitgevoerd, +met minstens 4 prachtige platen geïllustreerd en keurig gebonden. + + +A. voor Jongens: + + +1. Het Beleg van Alkmaar door P. Visser. Geïllustreerd door +H. C. Louwerse. + +2. Jaepie-Jaepie door C. Joh. Kieviet. Geïllustreerd door A. Rünckel. + +3. Frans van Dorentil door C. Joh. Kieviet. Geïllustreerd door +A. Rünckel. + +4. Hollandsche Jongens door Chr. v. Abkoude. Geïllustreerd door +A. Rünckel. + + +B. voor Meisjes: + + +1. De Zusjes van de Berkenhoeve. door Hermanna. Geïllustreerd door +A. Rünckel. + +2. Het Badreisje van Cor Slung door C. Joh. Kieviet. Geïllustreerd +door A. Rünckel. + +3. De Beschermeling van het Viertal door L. van der Meer. Geïllustreerd +met 55 platen. + + + +Deze serie wordt vervolgd. + + + + + + + +End of Project Gutenberg's Uit het leven van Dik Trom, by C. Joh. Kieviet + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK UIT HET LEVEN VAN DIK TROM *** + +***** This file should be named 29712-8.txt or 29712-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/9/7/1/29712/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
