summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/29712-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '29712-8.txt')
-rw-r--r--29712-8.txt5541
1 files changed, 5541 insertions, 0 deletions
diff --git a/29712-8.txt b/29712-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..f8d984f
--- /dev/null
+++ b/29712-8.txt
@@ -0,0 +1,5541 @@
+The Project Gutenberg EBook of Uit het leven van Dik Trom, by C. Joh. Kieviet
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Uit het leven van Dik Trom
+
+Author: C. Joh. Kieviet
+
+Illustrator: Joh. Braakensiek
+
+Release Date: August 17, 2009 [EBook #29712]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK UIT HET LEVEN VAN DIK TROM ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+ Uit het leven van
+
+ Dik Trom
+
+ Door
+
+ C. Joh. Kieviet
+
+ Zesde druk
+
+ Geïllustreerd door
+
+ Joh. Braakensiek
+
+ Alkmaar--P. Kluitman.
+
+
+
+
+
+
+ Boekdrukkerij Firma P. Kluitman--Alkmaar.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+Dirk wordt geboren en krijgt een naam 1
+Dirk en de baker worden kwade vrienden 7
+Dirk begint te kruipen en kattekwaad te doen 11
+Dirk wordt in een dubbelen zin dik en gaat op den ingeslagen weg
+voort 19
+Dik ondergaat eene gedaanteverwisseling en blijft toch dezelfde 31
+Hoe Dik uit varen ging 41
+Dik gaat naar school 51
+Dik en de juffrouw 63
+Dik en de heks van den Achterweg 75
+Eene eerzame weduwe en een zeldzame ezel 91
+Hoe Dik kwaad deed, en Bruin er een pak slaag voor kreeg 105
+Flipsen wordt nog boozer 117
+Boontje komt om zijn loontje 129
+Hoe Dik op vrije voeten geraakte en een goed besluit nam 147
+Paarden en ezels 161
+Hoe Dik de heks voorthielp 175
+Een ongeluk komt zelden alleen 191
+Het slot van de geschiedenis 205
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DIRK WORDT GEBOREN EN KRIJGT EEN NAAM.
+
+
+Moeder was ziek; al sedert vier dagen had zij hevige koortsen,
+die haar dwongen het bed te houden. Doch hoe ziek zij ook was, toch
+klopte haar hart van blijdschap, want dezen morgen was haar liefste
+wensch vervuld; de goede God had haar een zoon geschonken.
+
+Haar man wist nog niet, welk groot geluk hem te beurt was gevallen,
+want hij werkte op grooten afstand van zijne woning, zoodat het
+gewoonlijk reeds laat in den avond was, als hij thuis kwam. Nu
+verwachtte Moeder hem evenwel vroeger, want zij had hem een bode
+gezonden, om hem het groote nieuws mede te deelen.
+
+Daar ging de deur open. Zou hij het wezen? Neen, 't was eene buurvrouw,
+die eens even naar den kleine kwam zien. De baker nam hem uit de
+wieg en hield hem de buurvrouw voor. Doch nauwelijks zag deze hem,
+of zij sloeg van verbazing hare handen in elkander, en riep uit:
+
+"Wel, wel, wat een driedubbeldikke jongen is dat! Zoo 'n dikzak
+heb ik nog nooit gezien! 't Is zoo waar een natuurwonder! Welke
+bolle wangen, en zie me die beenen eens aan! Als die jongen zoo moet
+blijven doorgroeien, kan hij later niet meer door de deur. Och, och,
+wat een jongen! Nu, moedertje, van harte gefeliciteerd, hoor; ik wed,
+dat je genoegen aan dien jongen zult beleven. Hij kan wel voor twee
+tellen, en wat ziet hij er lief uit. Ik vind hem een recht lieven
+jongen,--maar wat zal hij kunnen eten!"
+
+"Of hij, buurvrouw," viel de baker in, "daar kun je op rekenen! Hij
+zal den hollebollen Gijs wel nadoen, die eene koe en een kalf en een
+dood paard half opat. Och, m'n lieve mensen, wil je wel gelooven, dat
+ik van hem geschrokken ben? Die jongen heeft wangen als oliebollen!"
+
+"Ik zou hem nu maar in de wieg leggen, baker," zei Moeder. "Anders
+mocht hij eens kou vatten."
+
+Hij zelf zeide niets; praten kon hij nog niet en schreeuwen scheen hij
+niet te willen. Hij blikte voor zijn leeftijd buitengewoon verstandig
+in het rond, alsof hij zich aan de vreemde omgeving wilde gewennen,
+keek toen gedurende langen tijd zijne moeder aan, die hem, te oordeelen
+naar zijn tevreden gelaat, zeer goed scheen te bevallen, en richtte
+zijn blik daarna op de baker. Deze viel blijkbaar minder in zijn
+smaak, want hij trok een heel vies gezicht, draaide zijn hoofd met
+duidelijke teekenen van afkeer om en liet zijn oog op de wieg vallen,
+waarvan het gezicht hem, naar het scheen, veel aangenamer aandeed. De
+tevreden uitdrukking van straks gleed weer over zijn gelaat, en zijn
+mond plooide zich tot een welbehaaglijk glimlachje.
+
+De baker trok hem zijn nachtgoed aan, waarvan wel de helft te klein
+bleek te zijn, en legde hem in de wieg, waarin hij zich zeer op zijn
+gemak gevoelde. Met een vergenoegd gezicht sliep hij in.
+
+Een poosje later kwam zijn Vader thuis. Deze was timmermansknecht
+bij baas Meyer. Dadelijk na het ontvangen van de heuglijke tijding
+had hij zich op weg begeven. Vol blijdschap over de geboorte van
+zijn zoontje stapte hij de kamer binnen, gaf zijne vrouw een kus en
+spoedde zich toen naar de wieg, waarvan de baker het kleed al had
+opgeslagen. Hoe groot was ook zijne verbazing bij 't aanschouwen
+van zijn welgedanen zoon! Toch uitte hij die niet in een stortvloed
+van woorden en uitroepen. Hij spalkte zijne oogen wagenwijd open,
+streelde met zijne ruwe hand de dikke wangen van zijn spruitje, keek
+de baker eenige seconden wezenloos aan, en.... ging zijn boterham eten.
+
+"Nu, man, vind je het geen bijzonder lief kind?" vroeg zijne vrouw. "En
+wat is hij dik, niet waar?"
+
+Vader had juist, onverstandig genoeg, een grooten hap brood genomen,
+nog vóór hij den vorigen, even grooten hap had doorgeslikt. Zijn mond
+was daardoor zóó vol, dat hij met den besten wil van de wereld geen
+woord kon uitbrengen. Het duurde dus eenigen tijd, eer hij in staat
+was te antwoorden:
+
+"Dik? Of hij dik is,--dat is-ie."
+
+Nauwelijks waren die gewichtige woorden zijn mond ontgleden, of met
+een nog grooteren hap maakte hij zich opnieuw het spreken onmogelijk.
+
+"Maar man," vervolgde zijne vrouw, "hoe zullen we hem nu noemen? Hij
+moet zeker naar je vader vernoemd worden? Heette die niet Arie?"
+
+"Hij zal Dirk heeten, dat zal-ie," klonk het uit den vollen mond
+van den heer des huizes. "Mijn broer, die naar Amerika is gegaan,
+heet ook zoo, dat doet-ie, en daarom, zie je.... hap!"
+
+Het laatste stuk brood verdween in 's mans mond en maakte een einde
+aan zijne schitterende redevoering. Toen hij weer spreken kon, draaide
+hij zich om, boog zich nog eenmaal over het wiegje, ging bedaard voor
+het bed van zijn vrouw staan en zeide:
+
+"Wat zullen we er aan doen, Griet? 't Is een bijzonder kind,--dat
+is-ie."
+
+Daarna stapte hij, bedenkelijk zijn hoofd schuddende, naar den
+burgemeester, om het bijzondere kind te doen inschrijven onder den
+naam van Dirk. En daar hij zelf Jan Trom genoemd werd, zou zijn zoon
+later luisteren naar den naam van Dirk Trom.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DIRK EN DE BAKER WORDEN KWADE VRIENDEN.
+
+
+Dirk Trom was geen gewone jongen, dat toonde hij duidelijk. Schreeuwen,
+wat andere kinderen blijkbaar voor eene aangename tijdkorting
+houden en waarin velen van hen het soms buitengewoon ver brengen,
+vond hij volstrekt niet aardig, ja, hij scheen het zelfs beneden
+zijne waardigheid te vinden. Hij deed het dan ook nooit, zelfs niet,
+toen de baker hem per ongeluk tamelijk diep met eene speld prikte. Hij
+gaf geen kik, maar keek haar alleen met een zoo verwijtenden blik aan,
+dat zij niet wist, hoe zij het met hem had. Over het geheel scheen hij
+met deze goede vrouw weinig op te hebben, en dat verdiende ze toch niet
+aan hem, want zij verzorgde hem zoo goed als in haar vermogen was. Ook
+zijne zieke moeder verpleegde zij met groote hartelijkheid. Doch
+Dirk waardeerde dat niet, integendeel, hij was norsch en stug tegen
+haar. Hij wilde uit hare hand zelfs geen voedsel aannemen, hoe
+vriendelijk zij hem ook toelachte. Liever was hij in de armen van
+zijne moeder. Niet dat hij het dan uitkraaide van pleizier, o neen,
+hij was blijkbaar heel kalm van natuur en verre van luidruchtig, maar
+als hij bij moeder was, lag er een waas van tevredenheid over zijne
+dikke wangen en keek hij haar vriendelijk in de liefdevolle oogen,
+terwijl hij met zijne vingertjes op zijn buik trommelde, alsof hij
+piano speelde.
+
+Toen hij tien dagen oud was, kwam het tusschen hem en de baker
+tot eene bepaalde vredebreuk. De vrouw van Meyer, den timmerman,
+die vrouw Trom tijdens hare ziekte had bezocht, stuurde een lekker
+soepje, met de boodschap, dat ze spoedig nog eens zou komen zien, hoe
+moeder en kind het maakten. De baker zette de soep op een vuurtje,
+om die warm te houden, plaatste het comfoortje vóór zich op tafel,
+en nam den kleinen Dirk op haar schoot, om hem te verkleeden. Dirks
+moeder, die zeer zwak was, lag in een gerusten slaap. Af en toe roerde
+de baker eens in de soep, opdat deze niet zou aanbranden, en nam
+dan telkens een paar lepels vol, om te proeven, hoe warm ze was. Ze
+had er geen erg in, dat die handelwijze den jongeheer volstrekt niet
+scheen te bevallen, maar spoedig zou zij het tot haar grooten schrik
+bemerken. Toen zij Dirk verkleed had en gereed was, hem in de wieg te
+leggen, kwam het haar voor, dat de soep aanbrandde. Dadelijk nam zij
+den schotel in de hand en schoof het comfoortje op zijde. Nu nam zij
+den lepel in de andere hand, en wilde zich overtuigen, of zij zich
+ook bedrogen had. Juist bracht zij den lepel in den mond en bemerkte
+ze, dat zij in de haast ook een balletje gehakt had opgeschept, toen
+Dirk plotseling de beide beenen met zulk eene kracht omhoog wierp,
+dat hij haar den schotel uit de hand schopte, zoodat de inhoud haar
+schoone jurk in een ommezien in eene soepjurk veranderde. De goede
+vrouw schrikte daar zoo hevig van, dat het lekkere balletje gehakt
+haar in het verkeerde keelgat schoot, waardoor zij eene hoestbui
+kreeg, die haar het angstzweet deed uitbreken. Dirk Trom keek haar
+zegevierend aan. Van dat oogenblik af vreesde de baker hem.
+
+Kort daarna begon Moeder langzamerhand sterker te worden, en toen zij
+hare krachten teruggekregen had, vertrok de baker. Bij die gelegenheid
+liet Dirk voor 't eerst zijn geluid hooren: hij nam afscheid van haar
+met eene langgerekte a!
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DIRK BEGINT TE KRUIPEN EN KATTEKWAAD TE DOEN.
+
+
+Een fatsoenlijke jongen zorgt er voor, op éénjarigen leeftijd te
+kunnen loopen. Ook in dit opzicht was Dirk geen gewoon kind. Toen hij
+elf maanden oud was, lag hij nog even bedaard en stil in de wieg, als
+toen hij elf dagen was. Schreeuwen deed hij nooit, zooals ik reeds
+verteld heb. Als iets niet naar zijn zin was, gaf hij alleen door
+zijn voorhoofd te fronsen duidelijk zijn ongenoegen te kennen. Gaf
+men hem daarentegen reden tot tevredenheid, dan was dat te merken aan
+een zacht gesnor, ongeveer gelijk aan het spinnen van eene poes. En
+was hij bijzonder in zijne nopjes, dan legde hij zijne handen op zijn
+buik en begon zich zoo lang heen en weer te schommelen, tot de wieg
+ten slotte ook in beweging kwam. Zoo kon hij zich uren lang vermaken,
+en misschien zou dit de eenige lichaamsbeweging gebleven zijn, die
+hij nam, indien de kat niet tusschenbeide gekomen ware. Dit beest was
+bijzonder groot, en voelde zich zoozeer tot den rustigen wiegbewoner
+aangetrokken, dat zij hem soms uren lang gezelschap hield. Toen Dirk
+zich weer eens op zoo 'n wonderlijke manier aan het wiegen was, zoodat
+zijn dik, rond lichaampje van de eene naar de andere zijde rolde,
+sprong plotseling de kat op de wieg, juist toen deze op het punt van
+omvallen stond. Wat nu gebeurde, is licht te begrijpen: het gewicht van
+de kat was juist voldoende om de wieg te doen kantelen, en Dirk--plofte
+op den grond, rolde als een knikker een eind voort en bleef eindelijk
+onder de tafel liggen, omdat hij door eene stoof in zijne vaart werd
+gestuit. Gedurende de eerste oogenblikken was hij zeer verbaasd over
+dit voorval, doch toen hij de kat in het oog kreeg, die te vergeefs
+alle pogingen in het werk stelde, om onder het beddegoed vandaan te
+kruipen, dat haar bedolven had, begon hij er het vermakelijke van
+in te zien, en lachte hij er hartelijk om. Zijne moeder was in den
+tuin en had er dus niets van gemerkt. Toen hij genoeg gelachen had,
+begreep hij, dat de arme kat toch verlost moest worden, want hij droeg
+het beest een zeer goed hart toe. Hij keerde zich om, zoodat hij op
+zijn buik kwam te liggen, begon met armen en beenen tegelijk te werken,
+en jawel, daar kroop hij vooruit. Die beweging vond hij alleraardigst,
+zóó aardig, dat hij de kat stilletjes liet tobben, en doodbedaard door
+de kamer bleef rondkruipen. Toen zijne moeder eenige minuten later
+binnen kwam, stond ze wat verbaasd te kijken. Ze verloste de kat,
+die bijna buiten adem was van inspanning, zette de wieg overeind,
+en legde met het beddegoed ook den kleinen kamergymnast er weer
+in. Vader moest het bij zijne thuiskomst dadelijk van haar hooren;
+zij vertelde hem het voorval in kleuren en geuren. Trom hoorde haar
+hoogst ernstig aan, en toen het verhaal ten einde was, keek hij
+eenigen tijd peinzend voor zich, haalde zijn zakdoek voor den dag,
+stak hem dadelijk weer in den zak, en zeide:
+
+"'t Is een bijzonder kind, Griet,--dat is-ie."
+
+Van dien dag af kon moeder den kleinen Dirk niet meer in de wieg
+houden. Zoo gauw het liggen hem verveelde, liet hij zich bedaard
+op den grond zakken en kroop hij vergenoegd rond. Dan wist hij zich
+met allerlei kleinigheden uitstekend te vermaken. Hij schoof nu eens
+de stoof zijner moeder tamelijk onzacht over den vloer, zoodat het
+er veel van had of er asch in de kamer gezaaid was, dan weer dronk
+hij de melk uit het kattenschoteltje op, of wel, hij legde zich heel
+bedaard in de broodkast neder, om zijn middagdutje te doen. Toen hij
+dat voor de eerste maal deed, zocht zijne moeder tevergeefs de geheele
+kamer rond, liep in haar angst zelfs den tuin in, om te zien, of hij
+daar ook was, en zag hem eindelijk doodkalm uit de kast te voorschijn
+kruipen. Als hij later weer eens zoek was, kon ze er staat op maken,
+dat hij onder de laagste kastplank lag.
+
+Eens had Moeder eenige buurvrouwen op de thee genoodigd. Dirk kreeg
+zijne witte jurk aan, die alleen des Zondags zijne schoonheid mocht
+verhoogen; zijne dikke beenen werden in hagelwitte kousjes en zijne
+voeten in glimmende schoentjes gestoken. Toen hij zoo op zijn mooist
+was uitgedost, legde Moeder hem in de wieg en spoedde zich naar de
+andere kamer, om zich ook wat op te knappen. Nog was ze niet geheel
+gereed, toen zij reeds de buurvrouwen hoorde binnenkomen, zoodat
+ze in allerijl de laatste hand aan haar toilet legde en zich naar
+binnen begaf, waar zij met luid gelach ontvangen werd. Verbeeld u
+haar schrik! In plaats van ordentelijk in de wieg te blijven liggen,
+was de ondeugd over den vloer naar den steenkolenbak gekropen. Zijn
+eerste werk was geweest, er zijne beide handen in te begraven, en toen
+daar het nieuwtje wat af was, had hij zich eens goed met het zwarte
+gruis ingesmeerd en er zijn mond mee volgepropt. Hij zag zoo zwart
+als roet, en hij niet alleen, maar óók zijne jurk, zijne kousen, ja,
+zelfs de vloer. De buurvrouwtjes lachten er smakelijk om, maar Moeder
+vond het niet aardig. Doch toen Dirk haar met de meeste gulheid ook
+een paar handjes steenkolen aanbood, en daarbij zijn zwart gezicht
+tot een vriendelijk lachje plooide, proestte ook zij het uit en noemde
+zij hem toch haar lieveling.
+
+De kat en zijne moeder had hij het meest van alles lief. Aan
+wie van die twee hij echter de voorkeur gaf, wist hij, geloof ik,
+langen tijd zelf niet, totdat het pleit ten laatste in het voordeel
+der kat beslist werd. Het beest kreeg namelijk drie jongen, over
+welke gebeurtenis ons jongmensch zoo verrukt was, dat hij poes den
+geheelen dag gezelschap hield. Moeder was volstrekt niet van plan,
+al die beesten den kost te geven en wilde er twee van verdrinken,
+doch ze vond dat zoo 'n akelig werk, dat ze alleen bij de gedachte
+daaraan reeds kippevel kreeg. Ze besloot dus, die operatie tot den
+volgenden dag uit te stellen. Toen was ze echter niet meer noodig. Ze
+ging 's morgens een paar boodschappen doen en vond, terugkomende,
+de kat in een zeer zenuwachtigen toestand. Dirk zat doodbedaard en
+met een hoogst ernstig gezicht bij den doofpot, terwijl poes driftig
+heen en weer liep en voortdurend een klagend gemauw deed hooren.
+
+"Toe poes, ga naar je mandje, anders worden je kindertjes koud,"
+zeide vrouw Trom.
+
+Maar jawel, de kat bleef onrustig rondloopen, snuffelde in alle hoeken
+en gaten, en sprong ten slotte tegen den doofpot op. Nu ging der moeder
+een licht op. Haastig liep ze naar den pot, tilde het deksel er af,
+en, och arme, daar vond ze de beestjes, boven op de doovekoolen,
+alle drie dood. Dirk had ze er ingestopt, zeker in de meening, dat ze
+het daar beter naar hun zin zouden hebben, en hij keek heel treurig,
+toen hij bemerkte, dat ze zich niet meer verroerden.
+
+Op een anderen keer was vader bezig zich te kleeden voor eene treurige
+plechtigheid. Er was in de buurt iemand gestorven, en Trom was op de
+begrafenis genoodigd. Hij trok zijne beste kleeren aan en legde zijn
+hoogen hoed op een stoel, terwijl zijne vrouw hem eene zijden das om
+den hals knoopte. De hooge hoed trok weldra Dirks aandacht. Hij kroop
+er heen, richtte zich aan den stoel overeind, bemachtigde zijne prooi,
+en rolde er heel genoeglijk mede over den vloer, om er ten slotte
+doodbedaard op te gaan zitten.
+
+"Vrouw, waar is m'n hoed,--waar is-ie?" vroeg Trom.
+
+"Je hebt hem zelf ergens neergelegd, Jan."
+
+"Ja, op dezen stoel, en nu zie ik hem niet meer, Griet,--dat doe ik."
+
+"O, o, kijk zoo 'n ondeugd nu toch eens! Kijk eens Jan, hij zit er
+zoo waar boven op!"
+
+Oogenblikkelijk bevrijdde Moeder den hoed uit zijn gedrukten toestand,
+maar helaas, hij was in elkaar gevouwen als eene harmonica. Dirks
+Moeder was radeloos. Vader stak er echter zijne vuist in, duwde hem
+weer in de hoogte, en zette hem op, terwijl hij zeide:
+
+"Wat zal ik er aan doen? Hij is een bijzonder kind,--dat is-ie."
+
+Toen ging hij naar de begrafenis.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DIRK WORDT IN EEN DUBBELEN ZIN DIK EN GAAT OP DEN INGESLAGEN WEG VOORT.
+
+
+Dirk was ongeveer anderhalf jaar oud, toen hij begon te loopen en te
+praten. Het laatste deed hij zeer weinig, hoewel geen enkele letter,
+behalve de r, hem veel moeite opleverde. Sommigen zijner kennissen
+waren van meening, dat hij geen gedachten had en daarom gewoonlijk
+zweeg, doch die hem goed kenden, wisten wel beter. Hij had eenvoudig
+een hekel aan praten; een ander geheim schuilde er niet achter. Sprak
+hij dus weinig, loopen deed hij zooveel te meer, en al spoedig,
+nadat hij die kunst machtig geworden was, begaf hij zich in alle weer
+en wind naar buiten, zeer tot ongerief van zijne moeder, die aldoor
+vreesde, dat hij in het water zou loopen. Spoedig trok hij door twee
+eigenaardigheden de aandacht zijner medeburgers. Ten eerste door zijne
+buitengewone dikte, en ten tweede door het zeldzaam stel beenen,
+dat hij er op nahield. Zijn lichaampje was voor zijne onderdanen
+wat al te zwaar geweest, zoodat zij geheel uit hun fatsoen geraakt
+waren en langzamerhand den vorm van eene o hadden aangenomen. Dirk
+was dus in het gelukkige bezit geraakt, van wat men wel eens een
+paar varkensvangertjes noemt. Nu, een flink biggetje kon dan ook wel
+tusschen zijne beentjes door, zonder dat hij zijne voeten van elkaar
+behoefde te zetten. De meeste menschen maakten wel eens een praatje
+met hem, of liever, zij trachtten dat te doen, want omdat hij nooit
+antwoord gaf, bleef het gewoonlijk bij eene alleenspraak. Slechts als
+men hem vroeg, hoe hij heette, gaf hij antwoord, doch de r sloeg hij
+dan maar over, omdat hij die wat moeilijk uit te spreken vond. Zijn
+antwoord luidde dus altijd "Dik", waarvan het gevolg was, dat hij nooit
+meer anders genoemd werd. Die naam werd zoo algemeen, dat hij eindelijk
+zelf geloofde zoo te heeten, en ten slotte noemden zelfs zijne ouders
+hem zoo. Hij was dus nu dik geworden in eene dubbele beteekenis.
+
+Het was de achtste Februari, Diks tweede verjaardag. Het had den
+geheelen morgen verbazend hard geregend, zoo hard, dat de goten al het
+water niet bergen konden en overliepen. Dik mocht van zijne moeder niet
+naar buiten, wat hij erg vervelend vond, vooral nu er zooveel water
+viel. Toch wist hij nog eventjes te ontsnappen, van welk oogenblik
+hij gebruik maakte om met een zeer tevreden en vergenoegd gezicht
+juist op de plaats te gaan staan, waar de overstrooming het hevigst
+was. Moeder haalde hem echter gauw weer binnen, waar hij verdrietig
+voor het raam ging zitten. 's Middags hield de regen gelukkig op,
+en nu was Dik ook niet meer in huis te houden. De tuin en het erf
+waren geheel in een modderpoel herschapen, doch dat was juist naar
+zijn zin. Hij plompte met zijne klompjes door de plassen heen, zoodat
+de modder hem om de ooren spatte, maakte met een stokje kanalen en
+meertjes en liet die vol water loopen, rolde driemaal midden in een
+plas, en vermaakte zich onder al die bedrijven kostelijk. Daar zag
+hij iemand het erf opstappen, en die iemand herkende hij dadelijk
+als de baker. Deze goede vrouw had de gewoonte, al de verjaardagen
+te onthouden van de kindertjes, die zij gebakerd had, en aan hunne
+ouders op dien dag een bezoek te brengen. Zij wist wel, dat die zich
+daardoor gestreeld gevoelden en uit dankbaarheid gewoonlijk op een
+likeurtje en een koekje trakteerden.
+
+Zij kwam regelrecht op den jarige af, en zeide:
+
+"Wel, wel, m'n kleine Dikje-lief, mag jij zoo door de modder
+loopen? Kind, kind, wat zie je er vreeselijk uit. Kom, ga mee naar
+je moe."
+
+"Neen."
+
+"Niet? Waarom niet? Toe, ga maar met baker meê. Ken je me nog wel?"
+
+"Jawel!"
+
+"Nu, wie ben ik dan? Toe Dik, zeg eens, wie ik ben?"
+
+Dik bewaarde een plechtig stilzwijgen en keek haar zoo stug mogelijk
+aan.
+
+De baker meende, dat hij een beetje verlegen was; ze boog zich daarom
+vriendelijk lachend naar hem over, tikte hem aanmoedigend op de bolle
+wangen, die rood zagen van de kou, en hernam:
+
+"Kom Dikje, kijk me eens goed aan. Zeg nu eens zoet, wie ik ben?"
+
+"Leelijk!" zei Dik kortaf, terwijl hij zich omdraaide.
+
+"O foei, wat een akelig kind! 't Is altijd al zoo 'n nare jongen
+geweest!" zei de baker, aan den soepschotel denkende. Ze keek Dik
+verstoord aan en ging naar de achterdeur. Daar trok ze hare klompen
+uit, want om de morsigheid van den weg had ze niet op hare geliefkoosde
+pantoffeltjes kunnen komen, en stapte naar binnen. Nog half boos
+féliciteerde ze Diks moeder met den verjaardag van haar zoontje,
+maar weldra vergat zij hare boosheid geheel onder het genot van een
+glaasje anisette.
+
+Dik bleef buiten rondplassen. Hij zag er ontoonbaar uit, maar vermaakte
+zich onuitsprekelijk. Hij had een stok gevonden en zat er nu mede in
+het water te slaan, dat de droppels in het rond vlogen. De modder
+zat hem tot in de haren. Een poosje later liep hij het keukentje
+binnen en kwam weldra met een tinnen lepel terug. Nu kende zijn genot
+geene grenzen meer. Hij schepte het water van den eenen plas in den
+anderen, stak af en toe een lepel vol in den mond, en zag ten slotte
+de klompen van de baker staan. Vol moed toog hij aan het werk. Hij
+schepte een lepel vol water, droeg dat voorzichtig naar de deur en
+goot het in een van de klompen. Hij herhaalde dit zoo dikwijls, tot
+de klompen geheel vol waren, wat hem heel veel inspanning en heel wat
+tijd kostte. Hij was er juist mede klaar, toen de baker het tijd vond,
+om een einde aan hare visite te maken. Moeder deed haar uitgeleide tot
+aan de achterdeur, waar Dik nog met groote voldoening naar de klompen
+stond te kijken. De baker nam afscheid, bedankte voor de vriendelijke
+ontvangst, en zeide, terwijl zij hare voeten in de klompen en dus
+ook in het water stak:
+
+"Kom Dikje, wees nu zoet en geef baker eens gauw een zoe.... O jakkes,
+wat is dat? Mijne voeten worden nat! Zie eens, mijne klompen zijn vol
+water! Dat heeft me die akelige jongen gedaan, die rakker, die schelm!"
+
+Sneller dan ooit trok ze de klompen weer uit, maar--het was te
+laat. Hare voeten waren sliknat, en Dikje-lief stond haar doodbedaard,
+smerig en wel, met groote oogen en bolle wangen aan te staren, alsof
+hij haar een groot pleizier had aangedaan. Zij vertrok zonder groeten,
+met een gezicht, dat rood was van gramschap, en met kousen, waar bij
+elken voetstap het water uitsijpelde.
+
+Een paar dagen later had het gesneeuwd, en geen beetje ook. De
+sneeuw lag wel een voet dik, en was hier en daar tot heele bergen
+opgewaaid. Dik vond het prachtig. Zoodra hij gekleed was en ontbeten
+had, ging hij naar buiten, wreef zich danig in, en sprong pardoes in
+een van de grootste sneeuwhoopen, om daar eens naar hartelust in rond
+te buitelen. Toen stond hij op, nam de beide handjes vol sneeuw,
+ging naar binnen en legde den geheelen voorraad op de boterham,
+die zijn vader bezig was op te eten.
+
+"Daar!" zeide hij met verheugd gelaat.
+
+"Wel, heb ik van mijn leven!" riep zijn vader. "'t Is toch een
+bijzonder kind,--dat is-ie!" Hij schudde de sneeuw van zijn brood en
+ging voort met eten.
+
+Dik spoedde zich weer naar buiten. Ha, hoe genoot hij, toen hij
+een twintigtal jongens elkander met sneeuwballen zag gooien, dat de
+haren er bijna afvlogen; toen hij zag, hoe ze elkander in de sneeuw
+wierpen en inwreven, en hoe ze hem met hunne sleetjes in dolle vaart
+voorbijgleden. Fluks maakte hij zich van de kat meester en volgde
+het voorbeeld der knapen, totdat poes in allerijl de vlucht nam,
+wat hem zeer speet, vooral omdat hij er de reden niet van begrijpen
+kon. Daar hij echter zag, dat het beest niet terug kwam, besloot hij
+eene slede te maken. Hij vroeg Moeder om een touw, bond het eene einde
+aan een plankje, nam het andere einde in de hand, en liep er zoo snel
+als zijne kromme beentjes en zijn dikke buik hem dat veroorloofden,
+het huis mede om. Die bezigheid beviel hem vrij goed, maar toen hij
+na een poosje in de keuken kwam en daar een pasgeverfden kleerbak
+zag staan, was de aardigheid van het plankje af. Dien bak vond hij
+veel mooier en geschikter. Hij sleepte hem naar buiten, bond zijn
+touwtje aan een der ooren, en--daar viel plotseling zijne aandacht
+op een buitengewoon grooten hond, die doodbedaard vóór het huis op
+den weg lag, met zijn neus in de sneeuw. Dik trok zijn bak er heen,
+stak het touw door een lusje aan het losse einde, en deed het om den
+staart van het groote beest, dat nog altoos rustig bleef liggen. Toen
+ging hij zeer voldaan op den bak zitten, en riep:
+
+"Huup paard!"
+
+De hond hief bedaard zijn kop op en keek om, ten einde te zien, wie
+zoo brutaal was, zijne rust te durven storen, doch ziende, dat hij
+slechts met een klein kereltje te doen had, vond hij het geval niet
+de moeite waard, om er zich voor op te richten. Hij legde daarom
+zijn kop weer stilletjes in de sneeuw en kneep opnieuw zijne oogen
+dicht. Dat was echter volstrekt de bedoeling van onzen Dik niet. Deze
+wilde hem overeind en aan het loopen hebben; daarom schopte hij met
+zijne kromme beentjes zoo hard hij kon tegen den bak, en riep nog eens:
+
+"Huup paard!"
+
+Doch de hond verroerde zich in het geheel niet. Hij bleef kalm
+doorslapen. Nu nam Dik, die een eens gevormd plan niet gauw opgaf,
+het touw en begon er aan te trekken, nogmaals roepende:
+
+"Huup paard!"
+
+Dat trekken beviel den hond bitter slecht, want daardoor werd de strik,
+die om zijn staart zat, aangehaald en veroorzaakte hem tamelijk
+veel pijn. Het dier stond op en begon te brommen. Dik liet zich
+niet afschrikken. Hij rukte opnieuw aan het touw, en wel zoo hard,
+dat de hond opsprong en het één, twee, drie op een loopen zette,
+met den kleerbak achter zich. Dik sloeg van den schok achterover,
+doch richtte zich dadelijk weer overeind en hield zich met beide
+handen aan de kanten van den bak vast.
+
+"Huup paard!" riep hij, terwijl hij vergenoegd naar den staart van
+den hond keek, waar het touwtje al vaster en vaster omheen klemde. De
+arme hond, die volstrekt niet begreep, wat dat vreemde toestel achter
+hem beteekenen moest en maar al te goed bemerkte, dat het hem pijn
+deed, vloog als een razende langs den weg, tot groot genoegen van
+den kleinen Dik.
+
+"Huup paard! Huup paard!"
+
+Voort vloog het! De menschen, die het zonderlinge voertuig en den
+kleinen koetsier met verbazing aangaapten, moesten in allerijl op zijde
+springen, wilden zij den bak niet tegen de beenen krijgen. Plotseling
+sprong er een man midden op den weg, om den hond tot staan te
+brengen. Het was Diks vader, die vol angst over den afloop van dit
+avontuur zijn zoontje had zien aankomen. Doch de hond, door den bak
+en Dik gevolgd, kwam met zooveel kracht tegen hem aan, dat hij wel
+twee meters ver door de sneeuw rolde. Het ging hoe langer hoe harder,
+want de hond werd steeds angstiger, en trachtte door een snellen
+loop dat wonderlijke gevaarte achter zich te ontvluchten. Dik vond
+het heerlijk, zoo heerlijk dat hij het uitgierde van de pret. Toch
+liep hij gevaar, dat het slecht met hem zou afloopen, want de bak
+slingerde geducht heen en weer, en kon elk oogenblik tegen een boom
+of een paal terecht komen. Maar Dik zag geen gevaar.
+
+"Huup paard! Vooruit!" schreeuwde hij.
+
+En voort ging het, in dollen galop. Daar stoof het de brug over,
+nu den hoek om, en... krak, daar brak het touwtje! De hond vloog
+vooruit, zonder dat hij zelf wist waarheen, en Dik bonsde met zijn
+hoofd tegen een boom, dat hij er een blauwe plek van kreeg, zoo groot
+als een stuiter.
+
+Zijn vader was hem nagesneld en bereikte hem spoedig. Dik stond
+teleurgesteld bij den bak, en keek met treurigen blik overal naar
+den hond rond. Toen zijn vader bij hem kwam, zei Dik:
+
+"Wat ging dat mooi. Waar is de hond?"
+
+"Heb-je je niet bezeerd, Dik,--heb-je niet?"
+
+Dik gaf geen antwoord. Daarom nam zijn vader hem en den bak op,
+ging naar huis en zei tegen zijne vrouw, toen hij binnen kwam:
+
+"'t Is toch een bijzonder kind, Griet,--dat is-ie."
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DIK ONDERGAAT EENE GEDAANTEVERWISSELING EN BLIJFT TOCH DEZELFDE.
+
+
+Toen Dik ruim drie jaren oud was, achtte zijne moeder het oogenblik
+gekomen, waarop hij de jurk uit- en de broek moest aantrekken. Bij
+die gedaante-verwisseling liet hij dat eigenaardige gesnor hooren,
+dat steeds getuigde van zijne bijzondere tevredenheid. Moeder, die
+door hare liefde voor den kleinen dikzak niet zoo verblind was,
+om te meenen, dat zijne kromme beentjes geschikt waren om zijne
+schoonheid te verhoogen, had, om ze wat rechter te doen schijnen,
+de pijpen heel wijd gemaakt, zoo wijd, dat een Volendammer visscher
+er mede in zijn schik zou zijn geweest. Twee draagbanden, of galgen,
+zooals Moeder ze noemde, zorgden er voor, dat hij zijne broek niet zou
+verliezen. Een lakensche jas, gesneden uit een afdankertje van Vader,
+bedekte dat gedeelte van zijn lichaam, dat tusschen hals en middel
+gelegen was, terwijl twee korte slipjes, elk van een knoop voorzien,
+van achteren nog eventjes over zijne broek neerhingen. Onder dat jasje
+droeg hij een blauw geruit boezeroentje, en op zijn hoofd eene pet,
+waarvan de klep gewoonlijk naar zijn rug wees.
+
+Dik was met zijn nieuwe pak bijzonder in zijn schik. Zoodra hij het
+aan had, stak hij zijne vuisten in zijne broekzakken, duwde ze zoover
+mogelijk van zijne beenen af, om er maar erg breed uit te zien, trok
+zijne klompen aan en stapte naar buiten. Hij was op dat oogenblik
+uitermate trotsch. Onophoudelijk keek hij naar beneden, om zichzelf
+te bewonderen, en daarbij nam hij stappen als een dragonder. Dat had
+hij niet moeten doen, want daardoor merkte hij niet, voor het te
+laat was, dat hij tegen een muur liep. Bom! Het kwam geducht aan;
+hij kreeg er sterretjes van voor zijne oogen en eene blauwe plek,
+die zijne schoonheid sterk verminderde, onder zijne pet. Gelukkig was
+er niet dikwijls wat van te zien, want hij zette zijne pet nooit af,
+dan als hij naar bed ging. Hij stond eenige oogenblikken beteuterd
+te kijken, zette zijne pet weer goed, dat wil zeggen, met de klep
+naar achteren, en wandelde toen den weg op. Daar stond bij een boom
+een meisje, dat ongeveer van denzelfden leeftijd was als hij. Dik
+liep naar haar toe en keek haar geruimen tijd strak aan, wat zij op
+dezelfde wijze beantwoordde. Toen draaide hij met de handen in de
+zakken langzaam om haar heen, ten einde haar goed aan alle zijden te
+bekijken. De uitslag scheen bevredigend te zijn, want hij bleef weer
+vóór haar stilstaan, zweeg nog eenigen tijd, en zeide toen:
+
+"Dag."
+
+Het kind gaf geen antwoord, maar stak den vinger in den mond en bleef
+hem onbeweeglijk aankijken.
+
+"'k Heb eene broek aan!" vervolgde Dik met trots.
+
+"En ik heb suikerballetjes. Die heb jij niet, lekkertjes," was het
+antwoord van de jonge dame, terwijl ze haar hoofd langzaam op en
+neer bewoog.
+
+"Laat eens zien? Zijn ze lekker?" vroeg Dik, die een liefhebber was
+van alles, wat goed smaakte.
+
+"Neen, ik houd ze zelf. Hoe heet jij?"
+
+"Dik."
+
+"Ik niet, ik ben Anneke."
+
+"En waar zijn de suikerballetjes?" vroeg Dik, die er grooten trek
+in had.
+
+"In mijn zak, maar je krijgt ze niet."
+
+"Laat ze eens zien? Ze zijn toch niet eens lekker," meende Dik.
+
+Anneke tastte in den zak en liet den schat zien. Diks oogen blonken
+van begeerigheid, en terwijl hij de hand uitstak, zeide hij:
+
+"Ik wil ze hebben. Toe, dan mag je met me spelen."
+
+Anneke vond dat aanbod nog al aannemelijk. Ze stak een balletje in
+den mond, beet het in twee stukken, en gaf een ervan aan Dik, die
+het dadelijk opat.
+
+"Van wien heb je ze?" vroeg hij.
+
+"Gekocht, dààr, voor een cent."
+
+Dik volgde met zijne oogen de richting van haar vinger. Daarop stak hij
+de handen weer in zijne zakken en ging regelrecht op den winkel af. Hij
+stapte naar binnen, en zei tegen de vrouw, die achter de toonbank kwam:
+
+"Voor twee centen suikerballetjes."
+
+De vrouw nam een blikken trommel, deed het deksel eraf en legde een
+tiental balletjes op de toonbank. Dik nam ze op, deed zijn mond zoover
+open, alsof die nooit weer dicht moest, stak er eenige balletjes in, en
+wilde met de rest doodbedaard den winkel verlaten, toen de vrouw zeide:
+
+"Ho, ho, ventje, waar zijn de centen?"
+
+"Centen?" vroeg Dik met een vollen mond en een tevreden uiterlijk.
+
+"Ja, waar zijn je centen?"
+
+"Ik heb geen centen, wel balletjes," zei Dik, die niet recht begreep,
+wat zij bedoelde.
+
+"Geef ze dan maar weer gauw terug, kwâjongen. Dat gaat zoo niet! Als
+je wat koopen wilt, moet je centen meebrengen."
+
+"O," zeide Dik, die haar nog maar half begreep.
+
+Hij legde de rest van de balletjes weer op de toonbank en ging met
+een vollen mond naar buiten, waar Anneke op hem stond te wachten. Uit
+dankbaarheid nam hij een balletje uit zijn mond en gaf het haar. Van
+toen af waren zij vriendjes en speelden altoos met elkander.
+
+Een dag of wat later kwam Vader thuis met een paar groote snoeken. Hij
+hielp aan het leggen van eene brug, en had met andere werklieden
+een gedeelte van het breede kanaal, dat midden door het dorp liep,
+droog gemaakt, bij welke gelegenheid de arbeiders vrij wat visch
+hadden gevangen. Zoo was hij aan snoek gekomen. Hij legde ze in de
+keuken neer en ging naar binnen. Dik vond de dieren heel mooi. Hij
+streek er met zijne vingers over, trok aan hunne vinnen, en stak
+ten slotte zijn wijsvinger in een van de wijdgeopende bekken. Maar
+och, wat beviel hem dat slecht. Pas zat zijn vinger er in, of de bek
+sloot zich en de tanden van het dier drongen hem aan alle kanten in
+het vleesch. Hij schrikte er geducht van; zijne dikke wangen werden
+zelfs bleek, en zeer zeker zou hij het op een schreeuwen gezet hebben,
+indien hij van die bezigheid niet zoo 'n onoverwinnelijken afkeer had
+gehad. Intusschen zat hij geducht in de knel. Hij begon het dier met
+zijne vrije hand op den kop te slaan, in de meening, dat het hem dan
+wel zou loslaten, doch het hielp niets, want he beest was al sedert
+een paar uur dood, en voelde er dus bitter weinig van. Dik was ten
+einde raad. Bewegen durfde hij zich niet, want elke beweging deed
+hem pijn, zoodat hij er stellig nog zou gestaan hebben, indien zijne
+ouders het niet bemerkt en hem verlost hadden.
+
+"Waar wonen de snoeken?" vroeg hij, toen de eerste schrik wat
+voorbij was.
+
+"Waar de snoeken wonen, jongen," zei zijne moeder, "wel, ze zwemmen
+in het water."
+
+Dik stapte de deur uit, en ging Anneke halen.
+
+"Ga-je meê snoeken vangen?"
+
+"Ja, waar zijn ze?"
+
+"In de sloot, achter het huis."
+
+Welgemoed ging het tweetal op weg. Ze liepen den tuin door en kwamen
+aan eene sloot, die ongeveer 2 meter breed was.
+
+"Hier zijn ze," zei Dik, op het water wijzende. "Geef me eene hand."
+
+"Ik niet. Vang jij ze maar, dan zal ik er op passen."
+
+"Goed. Daar ga ik."
+
+Dik zette één been vooruit, en stapte pardoes te water. Hij zakte
+dadelijk een eind in de modder, zoodat het water hem tot aan de borst
+kwam en in de ademhaling belemmerde.
+
+"I-i-ik z-zie-ze ni-niet," stotterde hij.
+
+"Ik ook niet," zei Anneke.
+
+Dik stapte heen en weer, en greep met beide handen links en rechts
+in het water, maar snoeken ving hij niet. Juist wilde hij zich wat
+verder in de sloot begeven, toen zijn vader hem kwam zoeken, om te
+komen eten. Toen hij Dik daar door de sloot zag wandelen, kon hij
+van schrik bijna niet spreken. Hij liep naar den kant, zwaaide met
+beide armen wanhopig in het rond, en riep:
+
+"Dik, wat-wat doe je, w-wa-wat moet dat? Kom h-hi-hier, jongen,
+je-zult-je verdrinken--dat zul-je. Kom gauw!"
+
+"Ik vang snoeken!" zei Dik, naar den kant stappende. Vader greep hem
+bij de hand en hielp hem op het droge. Toen trok hij hem voort naar
+huis, en riep tegen zijne vrouw:
+
+"Griet, 't is toch een bijzonder kind,--dat is-ie." Dik werd uitgekleed
+en te bed gelegd.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+HOE DIK UIT VAREN GING.
+
+
+Dik werd met den dag ouder, dikker en ondeugender. Dat hij ouder werd,
+kon niemand helpen; dat hij dikker werd, was de schuld van zijne
+moeder, die hem altoos reusachtig groote boterhammen liet opeten,
+en dat hij ondeugender werd, was de schuld van zijn vader en moeder
+samen. De laatste hield dolveel van haar dikken jongen, zoo veel,
+dat zij hem in alles toegaf, hem nooit iets verbood, en, pakte een of
+ander verkeerd met hem uit, hem nog voorsprak en beklaagde op den koop
+toe. 't Was dus geen wonder, dat hij met den dag ondeugender werd en,
+zooals de menschen zeiden, opgroeide voor galg en rad. Zijn vader
+hield ook veel van hem, maar de man sprak geen tien woorden op een
+dag en vond alles, wat Dik deed, heel mooi. Waarschuwden de menschen
+hem er soms al eens voor, dat het nooit goed met Dik zou afloopen,
+dan haalde hij de schouders slechts op, en zeide:
+
+"Och ja, wat zal ik er al aan doen; 't is een bijzonder kind,--dat
+is-ie."
+
+Toen Dikje vier jaar oud was, had hij wel al tienmaal in het water
+gelegen, en tweemaal was hij er zelfs bewusteloos uitgehaald. Eénmaal
+was hij van het dak gevallen, waarop hij geklommen was om vogeltjes te
+vangen. Hij had een beetje zout in de hand, om hun dat op den staart te
+leggen en ze dan te grijpen. Dat had de molenaar hem wijs gemaakt. Bij
+die gelegenheid had hij een beentje en een ribje gebroken. Tweemaal had
+hij een steentje in zijn neus gestopt, en wel zoo diep, dat hij het
+er niet meer uit kon krijgen. Hij had er niets van gezegd, maar toen
+zijn neus begon op te zetten en eindelijk zelfs eene onrustbarende
+grootte kreeg, zoodat de dokter bijna niet wist, wat hij er aan doen
+zou, en alle drankjes en pillen niet hielpen, zei hij:
+
+"Er zit een steen in."
+
+En het was maar goed ook, dat hij het zeide, want anders zou hij
+zijn neus waarschijnlijk kwijt geraakt zijn, daar de dokter al over
+eene operatie begon te spreken. Nu was die gelukkig niet noodig. De
+dokter haalde met een tangetje het steentje er uit, en weldra was de
+neus weer tot zijne gewone grootte teruggekeerd.
+
+Driemaal was hij overreden geworden. Eens door een gewoon rijtuig,
+waarvan een wiel hem over den linkerarm ging, hetgeen hem veel pijn
+deed en ten gevolge had, dat hij dien arm drie weken lang in een
+doek moest dragen,--eens door eene hondenkar, waar hij lachend onder
+vandaan kroop, en eens door een draaiorgel, waaronder hij was gaan
+liggen om het beest te zien, dat er, naar zijne meening, inzat en dat
+zoo verbazend schreeuwen kon, als de man aan zijn poot draaide. Hij
+zag namelijk den slinger van het orgel voor den poot van een dier aan,
+dat er in opgesloten was.
+
+Dikje was dus een tamelijk woelige jongen, die zijne goede moeder
+dikwijls veel last veroorzaakte en haar soms door zijne gevaarlijke
+ondernemingen het angstzweet deed uitbreken.
+
+Op zekeren dag had zij het verbazend druk, want zij moest de groote
+wasch doen. Het liep haar echter volstrekt niet mede. Eerst kon ze,
+wat ze ook deed, geen groot vuur krijgen. De schoorsteen wilde in
+het geheel maar niet trekken, en toen daar verbetering in kwam, en ze
+gauw de kopjes ging wasschen, terwijl het water dan vast aan de kook
+kon gaan, brak zij door te groote haast haar mooien koffiepot, wat
+haar zeer speet. Eindelijk was haar werk af en kon ze aan de wasch
+beginnen. Ze spoedde zich naar de keuken, maar, o wee, het water
+was nog maar ternauwernood warm. Dikje was binnen gekomen, en toen
+hij het groote vuur had gezien, was hij er telkens een kopje water
+op gaan gooien, omdat het dan zoo mooi siste. Maar daardoor was het
+groote vuur al kleiner geworden en eindelijk geheel uitgedoofd. Dik
+zat op eene stoof vóór den haard trouw te wachten, tot het weer aan
+zou gaan, om dan zijn spelletje voort te zetten.
+
+"Akelige jongen," riep zijne moeder, met tranen van spijt in de oogen,
+"wat heb je nu weer gedaan? Nu kan ik nog in geen uur aan de wasch
+beginnen!"
+
+"'t Ging sss-sss-sss," zei Dik. "'t Ging mooi."
+
+"Zoo, ging het mooi! Ga maar gauw naar buiten; je komt vooreerst niet
+weer binnen, hoor je. Voort, gauw!"
+
+Dik stapte naar buiten. De goede jongen begreep zeer goed, dat hij
+het verbruid had, en toch had hij het niet met eene kwade bedoeling
+gedaan. Daarvoor hield hij te veel van zijne moeder.
+
+Een beetje mistroostig ging hij naar Anneke, die een paar huizen
+verder woonde, en toen hij vijf minuten met haar gespeeld had, was
+hij het geval al weer vergeten. Hij bleef bij haar, tot zijne maag hem
+niet onduidelijk te kennen gaf, dat het tijd was, om zijn middagmaal
+te gaan gebruiken. Hij nam daarom op zijne gewone wijze afscheid,
+dat wil zeggen, zonder groeten, en begaf zich op weg naar huis. Toch
+duurde het nog een geruimen tijd, eer hij werkelijk thuis kwam. Langs
+den weg, dien hij volgde, liep een breed kanaal, dat evenwel niet
+zoo diep was als de breedte wel deed vermoeden. Vóór Diks huis was
+aan den oever eene houten stoep getimmerd, waarvan Moeder gebruik
+maakte, als zij wat te spoelen of te wasschen had. Dik zag nu, dat
+eene groote waschtobbe met een touwtje aan die stoep vastgemaakt was
+en in het water dreef. Waartoe dat diende, begreep hij niet, maar hij
+zag wel, dat het de tobbe van zijne moeder was. Hij besloot, de tobbe
+van naderbij te gaan bekijken, doch dat was gemakkelijker gezegd dan
+gedaan, want het water stond vrij laag en de kant was zeer steil. Nu
+was niets moeielijker voor onzen Dik, dan in een boom klimmen of van
+eene helling afklauteren, want bij het klimmen zat zijn dikke buik
+hem in den weg, en voor het dalen was hij te topzwaar. Hij deed dan
+ook nauwelijks een paar stappen naar beneden, of hij verloor zijn
+evenwicht en tuimelde hals over kop naar beneden, terwijl hij zich
+al vallende verdiepte in allerlei gissingen, waar hij nu toch wel
+terecht zou komen. Dat pakte echter beter uit, dan hij had kunnen
+denken. Drie vierde van zijn lichaam viel op de stoep, en de rest,
+zijn linkerbeen, in het water. Hij was dan ook uitermate tevreden over
+den afloop en haastte zich, het natte vierdepartje ook op de stoep te
+trekken. Toen rolde hij zich op zijn buik en begon zich met de tobbe te
+vermaken. Het touwtje, waaraan deze bevestigd was, was tamelijk lang,
+zoodat Dik haar beurtelings van den kant duwen en naar zich toehalen
+kon. Soms pakte hij haar bij het oor en drukte haar met kracht naar
+beneden, zoodat zij bijna water schepte. Eindelijk trok hij haar zoo
+dicht mogelijk naar de stoep, en liet zich er in glijden. De vracht
+was wel wat zwaar voor de tobbe, zoodat zij eerst een poos geweldig
+heen en weer schommelde, maar zij bleef toch drijven. Nu had Dik
+eerst recht veel pleizier. Wel twintigmaal stuurde hij het kanaal in,
+zoover het touwtje reikte, en dan trok hij zich bedaard naar de stoep
+terug, om een oogenblik later weer van wal te steken. Dat spelletje
+duurde zoo lang, tot het touwtje brak, en Dikje met zijne tobbe,
+zonder dralen, naar het midden van het kanaal dreef. De wind had
+juist dezelfde richting als het kanaal, zoodat hij ongeveer in het
+midden van het water bleef voortdrijven. Zijn breed bovenlijf en
+zijne dikke wangen deden dienst als zeilen. Vlug ging het wel niet,
+maar Dik vond het toch alleraardigst. Dit onverwachte zeiltochtje
+was een buitenkansje, waarop hij niet had durven hopen, en zijne
+oogen straalden dan ook van genot. Hij bleef gelukkig rustig zitten,
+want had hij dat niet gedaan, dan zou zijn vaartuig zeker omgeslagen
+en hijzelf, zoo dik als hij was, verdronken zijn.
+
+Intusschen zaten zijne ouders op hem te wachten met het middagmaal,
+want, hoe uithuizig hij anders ook was, met het eten zorgde hij
+altoos binnen te zijn. Hij begon gewoonlijk het eerst en hield het
+laatst op. Ditmaal liet hij zich, vreemd genoeg, wachten, zoodat
+zijne moeder ten laatste zei:
+
+"Waar zou onze Dik toch zitten?"
+
+"Ik weet het niet, vrouw,--dat doe ik."
+
+"Hij komt anders altoos om twaalf uur thuis. Ik begrijp er niets
+van. Ik zal eens eventjes op den weg gaan zien."
+
+Vlug liep ze de deur uit en keek overal rond, behalve naar het
+water. Ze zag hem dus nergens.
+
+"Dik, eten!" riep ze, zoo hard als haar mogelijk was. Geen antwoord
+volgde.
+
+"Dik! Di-i-i-k! Waar zou die jongen nu toch weer zitten? Hij zal toch
+niet in het water liggen?"
+
+Haastig liep ze naar de stoep, en ze verschoot van kleur, toen ze zag,
+dat de tobbe verdwenen was, welk feit ze dadelijk met het wegblijven
+van Dik in verband bracht. Pijlsnel volgden hare oogen de richting
+van het water, en--daar ontwaarde ze tot hare groote ontzetting de
+verloren tobbe en daarin haar verloren zoon. Ze stak beide armen in
+de hoogte en gaf een schreeuw, die haar man deed opspringen en naar
+buiten snellen. Ook de buren kwamen toeschieten.
+
+"Griet, wat doe-je? Wat is er?" vroeg Jan Trom.
+
+"O, dáár! Kijk eens, midden in het kanaal!"
+
+Aller oogen vestigden zich op den kleinen deugniet, die voortging
+met zich uitstekend te vermaken.
+
+"Jan, blijf daar toch niet staan! Aanstonds slaat de tobbe om, en
+dan verdrinkt hij. Gauw, ga hem halen!"
+
+"Ja vrouw, zie je, ik wil wel, zie je, maar...."
+
+"Allo Jan, zeur nu niet, maar haal hem. Gauw wat!"
+
+"Ja Griet, zie je, maar hoe? Ik wil hem wel halen,--dat wil ik,
+maar...."
+
+"Nu, doe het dan, schielijk! Haal gauw het bootje van Teun, den
+visscher. Toe, maak voort, want aanstonds drijft hij onder de brug,
+en dan is het te laat."
+
+"Teun is niet thuis, vrouw Trom, en zijn bootje ook niet," zeiden
+de buren.
+
+"O, hemel!" schreeuwde Griet opeens, "daar gaat hij nog schommelen
+ook! Jan, te water, toe dan toch, ga hem halen. Gauw wat, er
+in! Vooruit dan!"
+
+"Ja vrouw, zie je, maar het water is zoo nat,--dat is het, weet je."
+
+"Nat? Vooruit, te water, ga hem halen! Kijk me nu dien bengel
+eens. Jan, zul-je gaan?"
+
+Griet nam een kort besluit. Ze greep Jan bij den arm en duwde hem
+rechtuit het water in, en toen hij er eenmaal in was, stapte hij
+hijgende en hikkende op de tobbe los. Daar had hij haar bereikt. Hij
+nam Dik er uit, gaf de tobbe een duw, die haar naar den kant deed
+drijven, en sukkelde weer naar den oever. Bijna had hij dien bereikt,
+toen hij onverwachts in een gat trapte, en plotseling met Dik onder
+water verdween.
+
+"O, hemel!" gilde Griet. "Ze verdrinken!"
+
+Doch neen, na enkele oogenblikken kwam Jan, met Dik in zijne armen,
+weer boven, terwijl ze beiden voortdurend de oogen dichtknepen van
+het water, dat van hun hoofd afstroomde. Jan reikte zijn zoon over aan
+zijne vrouw, en zeide hikkende, terwijl hij den hoogen kant opkroop:
+
+"Grie-iet, (hik), 't is to-toch (hik) een bij-bijzonder (hik)
+kind,--dat (hik) dat is-ie!"
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DIK GAAT NAAR SCHOOL.
+
+
+Op den achtsten Februari was Dik zes jaar geworden, en op den
+eenendertigsten Maart daaraanvolgende stapte Jan Trom de kamer van
+den hoofdonderwijzer binnen, om dien te vragen, of zijn zoon den
+volgenden morgen op school zou kunnen komen.
+
+"Goeden avond, meester."
+
+"Goeden avond, Trom. Hoe gaat het? Ga zitten."
+
+Jan Trom nam plaats op de punt van een stoel, en begon verlegen aan
+zijne vlassige bakkebaardjes te plukken.
+
+"'t Is mooi weertje, niet waar?" vervolgde de meester.
+
+"Ja meester, 't is mooi weertje,--dat is het," zeide Trom.
+
+"En wat is er van uw dienst?"
+
+"Van mijn dienst? Niets, niemendal, meester. Ik wou u maar komen
+vragen, en dat wou ik, ziet u, of.... affijn, ziet u, of Dik morgen
+op school mag komen, ziet u."
+
+"Dik? Wie is dat?"
+
+"Jawel, hij is dik, ziet u,--dat is-ie."
+
+"Zoo, dat doet me genoegen. Maar ik bedoel eigenlijk, of het een kind
+van u is?"
+
+"Jawel, ziet u, 't is onze Dik,--dat is-ie."
+
+"Mooi, nu begrijp ik het. Dus zijn naam is Dik Trom?"
+
+"Jawel, meester, hij heet Dik Trom,--dat doet-ie."
+
+"U hebt den jongen toch een zonderlingen naam gegeven, dunkt me. Is
+hij zoo gedoopt ook?"
+
+"Neen meester, dat niet. Hij is Dirk gedoopt--dat is-ie."
+
+"O, dus hij heet eigenlijk Dirk Trom? Nu ben ik er."
+
+"Ja, meester."
+
+"En is hij gevaccineerd?"
+
+"Neen meester, gevekseleerd, dat geloof ik niet, maar hij is anders
+een bijzonder kind,--dat is-ie."
+
+"Is hij niet gevaccineerd? Maar Trom, dan kan hij niet op school
+komen. Dan mag ik hem niet aannemen."
+
+"Zoo meester, dat is een gekke boel,--dat is het. Het zal Griet ook
+erg spijten,--dat zal het."
+
+"Ja, het spijt mij ook. Of heeft hij soms de pokken gehad?"
+
+"Ja, meester, dat wel, koepokken, en groote ook. Hij had er op elken
+arm drie, dat had-ie."
+
+"O, dus hij is wèl ingeënt?" riep de meester, die moeite had om niet
+in lachen uit te barsten.
+
+"Ja meester, dat is hij wel en dat is-ie. Hier heb ik zijn
+pokkenbriefje."
+
+"Zoo Trom, dan is het geheel in orde. Stuur hem dan morgen maar."
+
+"Goed meester, asjeblief."
+
+Trom vertrok. Den volgenden morgen kreeg Dik een nieuw pak aan, dat,
+wat snit en kleur betrof, precies op al de voorgaande geleek. Daarna
+sneed Moeder hem zulk een dikke boterham, dat het scheen, of ze
+bang was, dat Dik anders doodgehongerd weer thuis zou komen. Om het
+feestelijke van de gelegenheid legde ze er zelfs plakken snijkoek
+op. Dik vond het heerlijk, en viel er met moed op aan. Nu was hij niet
+zoo gauw bang voor een boterhammetje, maar deze was toch zoo groot,
+dat hij bijna geen raad met haar wist. Doch de aanhouder wint, dat
+ondervond hij ook, en eindelijk kwam hij er mede klaar.
+
+"Lust je nog een stukje brood, Dik?"
+
+"Met koek?" vroeg deze.
+
+"Jawel, een stukje koek mag je óók nog wel hebben."
+
+"Dan nog twee boterhammen, moeder," zeide Dik.
+
+"Wat? Nog twee?"
+
+"Ja, moeder."
+
+Dik kreeg, wat hij vroeg, maar in het brood had hij geen trek meer;
+het was hem alleen maar om de koek te doen. Die at hij er dus netjes
+af, en toen stak hij de boterhammen in zijn zak.
+
+Te kwart voor negen bracht Moeder hem naar het schoolplein, waar de
+hoofdonderwijzer zijne nieuwe leerlingen stond op te wachten. Toen
+moeder vertrokken was, nam de meester Dik en de andere nieuwelingen
+mede naar een lokaal, waar eene buitengewoon lange, magere juffrouw
+onderwijzeres was. Ze zag er niet vriendelijk uit, en ze was zoo
+bleek en schraal, dat Dik haar, al stond ze hem niet aan, met innig
+medelijden aanstaarde. Hij voelde zich vrij wel op zijn gemak, en
+was bijzonder goed gemutst. Dat was hij trouwens onder alle mogelijke
+omstandigheden des levens, behalve wanneer hij honger had. De juffrouw
+zette de kleintjes twee aan twee op eene bank, en liep de klasse eens
+door, om een praatje met hen te maken. Weldra kwam ze ook bij Dik, die
+haar, hoe meer zij naderde, met des te grooter medelijden beschouwde.
+
+"Wel, jongetje, hoe heet jij?" vroeg ze op korten, doch niet
+onvriendelijken toon.
+
+"Dik."
+
+"Dik? Ja, mannetje, dat ben je, maar ik vraag, hoe je heet."
+
+Dik gaf geen antwoord, want hij had het al eenmaal gezegd, en dat
+vond hij genoeg.
+
+"Kom, ventje, je kent toch je eigen naam wel? Hoe heet je?"
+
+Gedreven door een gevoel van medelijden zei hij nog eens: "Dik."
+
+"Jawel, jongetje, dat ben je, maar ik wil weten, hoe je heet! Hoe is
+je naam?" riep de juffrouw eenigszins ongeduldig.
+
+Diks medelijden werd hoe langer hoe grooter, want hij meende duidelijk
+te hooren, dat de juffrouw boos werd, en omdat hij zelf nooit boos
+was, dan als hij honger had, begon hij te gelooven, dat ze niet genoeg
+gegeten had, in welke meening haar uiterlijk hem wel moest versterken.
+
+"Nu jongen, kun je niet meer spreken? Hoe heet je?" De juffrouw was nu
+werkelijk een beetje driftig geworden, en daardoor klonk haar toon zoo
+scherp, dat Dik niet langer twijfelde, of ze had grooten honger. Op
+eenmaal schoot hem te binnen, dat hij nog twee boterhammen in zijn
+broekzak had. Met een tevreden gelaat haalde hij ze voor den dag,
+en stak ze de juffrouw toe.
+
+"Daar!" zei hij. "Eet ze maar op, dan zal het wel beter worden!"
+
+Alle kinderen begonnen te lachen, en de juffrouw deed dapper mee.
+
+"Dank-je wel, ventje. Je bent zeer vriendelijk. Och Jan Vos, kom
+eens hier, om dat brood op het schoolplein te brengen. Dan kunnen de
+vogeltjes het opeten."
+
+Jan Vos kwam, maar het brood kreeg hij niet, want Dik hield er veel
+te veel van, om het zoo maar te laten weggooien. Hij nam er dus een
+paar flinke happen van, en stak de rest weer in zijne zakken. Nu had
+de juffrouw volstrekt geen lust om het er zelf uit te halen, en daar
+Dik even weinig lust had, om het vrijwillig over te geven, besloot ze,
+den dikken lummel vooreerst maar aan zijn lot over te laten. Van de
+andere kinderen kwam ze te weten, dat hij eigenlijk Dirk Trom heette,
+maar gewoonlijk Dik genoemd werd. Ze gaf elk kind eene lei en eene
+griffel, om wat te teekenen, en ging toen naar de andere klasse, om
+daar te laten lezen. 't Was zeer stil in de school. De nieuwelingen
+zaten met een verlegen gezicht rond te kijken, of zoo mooi zij konden,
+links en rechts strepen te trekken.
+
+Ook Dik weerde zich dapper. Hij drukte zijne griffel op de lei,
+alsof hij daar een gaatje in wilde duwen, en maakte zulk een gekras,
+dat de juffrouw rillingen over de magere leden kreeg.
+
+"Jongetje, niet zoo krassen. Ik word er bijna ziek van."
+
+Doch Dik knarste maar door. Hij bemerkte in het geheel niet, dat de
+juffrouw het tegen hem had, en bovendien vermaakte hij zich kostelijk.
+
+"Knars!" ging het weer.
+
+"O foei, wat een jongen!" riep de juffrouw. "Dik Trom, kom eens hier."
+
+Dik deed zijn mond dicht, want die stond altijd open, als hij zich
+in de eene of andere bezigheid verdiepte, en keek de juffrouw aan
+met een paar oogen, waarin te lezen stond: "Wat is er nu weer?"
+
+"Dik Trom, ik zeg, dat je eens hier moet komen!"
+
+Dik legde zijne handen boven op de boterhammen, wierp zijne kromme
+beentjes over de bank, en stapte naar de juffrouw, die voor de
+klasse stond.
+
+"Dik, je moet gehoorzaam zijn. Alle kinderen hier op school zijn
+dat. Als ik je dus iets verbied, moet je het dadelijk laten."
+
+"Zoo," zei Dik.
+
+"Wat zeg je?" vroeg de juffrouw, die zich over dit antwoord verbaasde,
+en hare ooren bijna niet gelooven kon.
+
+"Ik zing geen twee liedjes voor één cent," zei Dik, die eene grappige
+bui had en er zelf om lachen moest, tot zijne dikke buik er van
+schudde.
+
+"Wel, heb ik van mijn leven!" riep de juffrouw. "Wat ben jij een
+brutaaltje! Van wien leer je dat?"
+
+"Van Moeder," zei Dik zeer tevreden.
+
+"Zoo! Nu, zulke dingen mag je hier volstrekt niet zeggen. Je blijft
+hier maar bij me staan, hoor, en je moet bedaard zijn."
+
+"Ja," zei Dik.
+
+"Je moet zeggen: Ja juffrouw."
+
+"Zoo."
+
+"Nu, doe het dan!"
+
+Dik, die nog altijd zijn medelijden niet overwinnen kon, besloot haar
+dat genoegen maar te doen, en zeide:
+
+"Je moet zeggen ja juffrouw."
+
+De juffrouw schudde moedeloos het hoofd, ging met haar werk voort,
+en liet Dik maar weer aan zichzelven over. Deze had nu niets meer te
+doen, en daarom haalde hij zijn brood weer voor den dag, en begon
+het op te peuzelen, tot groot vermaak van de andere kinderen, die
+proestten van het lachen. Plotseling kreeg hij Anneke in het oog,
+die hij den geheelen morgen nog niet opgemerkt had, en met een vollen
+mond riep hij, zoo hard hij kon:
+
+"Dag!--Wil je ook wat?"
+
+Hij liep naar haar toe, en legde zijn brood op hare lei, doch de
+juffrouw wist het spoedig te bemachtigen, en liet het buiten brengen
+voor de vogeltjes, waardoor Dik zich diep beleedigd gevoelde. Hij
+keek haar met groote oogen aan.
+
+"Dik, wil je nu zoet zijn?"
+
+Dik was te boos, om antwoord te geven.
+
+"Dik, beloof me, dat je zoet zult zijn, dan mag je weer gaan zitten."
+
+"Ik ben altijd zoet!" riep Dik, die zich volstrekt van geen kwaad
+bewust was.
+
+"Nu, ga dan maar zitten, doch geen leven maken, hoor."
+
+Dik stapte weer naar zijne plaats, maar van teekenen had hij zijn
+bekomst. Hij keek een poosje rond, en vestigde toen zijne aandacht
+op zijn buurjongen, die zich in de school zoo weinig op zijn gemak
+gevoelde, dat het huilen hem nader stond dan het lachen, hetgeen dan
+ook duidelijk op zijn gezicht te lezen stond.
+
+"Wat kijk jij leelijk," zei Dik, "heb je honger?"
+
+De jongen bleef hem even leelijk aanzien, zonder antwoord te geven.
+
+"Ben je ziek?" vroeg Dik, die er het zijne van wilde hebben.
+
+De jongen gaf geen antwoord, maar begon in plaats daarvan hardop te
+huilen, tot groote verbazing van Dik.
+
+De juffrouw kwam op den schreienden knaap af, en vroeg:
+
+"Wat scheelt er aan?"
+
+"Hij knijpt me!" schreeuwde de jongen, op Dik wijzende.
+
+Diks verbazing steeg ten top, en ging over in hevige
+verontwaardiging. In een oogenblik stond hij boven op de bank,
+nam zijne lei, en begon daarmee zoo geweldig op zijn buurman los te
+timmeren, dat de scherven in het rond vlogen. Toen stak hij zijne
+handen weer in zijne zakken en liep de deur uit, naar huis. 't Was
+hem op school volstrekt niet bevallen, en 's middags had zijne moeder
+groote moeite, om hem er weer heen te krijgen.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+DIK EN DE JUFFROUW.
+
+
+Het was voor Griet Trom een lastig geval, dat Dik en de juffrouw
+elkander zoo slecht bevielen, want als ze hem niet zelf naar school
+bracht, kon ze er zeker van zijn, dat Dik er niet heen ging. En
+voor de juffrouw was het geval nog veel lastiger, want Dik leerde
+volstrekt niets, verscheurde zijne boeken, nog eer hij ze lezen kon,
+maakte ieder oogenblik eene lei stuk, kraste met spijkers op muren
+en banken, kortom deed niets dan kattekwaad, en was voor de juffrouw
+eene onuitputtelijke bron van verdriet. Zijn buurjongen, die Bruin
+Boon heette, viel óók volstrekt niet in zijn smaak, hetgeen hij
+hem door een groot aantal knepen en stompen ten duidelijkste deed
+gevoelen. Bruin was dan ook geen aardige jongen, want vooreerst
+was hij niet eerlijk, ten tweede sprak hij nooit de waarheid, ten
+derde was hij valsch en ten vierde laf, hoewel hij zich gaarne voor
+dapper uitgaf. Van al deze ondeugden bezat Dik er niet één. Dik zou
+zich nooit iets toeëigenen, wat van een ander was, ten tweede sprak
+hij altoos de waarheid, en ten slotte: vrees kende hij niet en van
+bluffen had hij een afkeer. In één woord, Dik was een ondeugende,
+maar flinke jongen. Toen hij ongeveer drie jaar had school gegaan,
+wist hij nog evenveel, als toen hij er voor het eerst heen ging;
+alleen in het bedrijven van kattekwaad was hij merkbaar knapper
+en handiger geworden, zoodat er op 't laatst bijna niets meer kon
+gebeuren, of Dik kreeg er de schuld van, of hij het gedaan had of
+niet. "Die den naam heeft, krijgt ook de daad," zegt het spreekwoord.
+
+Op zekeren morgen vermaakte Dik zich in school met een zeer grooten,
+groenen kikvorsch, dien hij 's morgens gevangen en in zijn zak
+gestoken had. Hij hield hem aan zijn poot vast, en liet hem dan
+allerlei bewegingen maken, wel tot genoegen van Bruin Boon, maar
+tevens tot diens grooten angst, want hij was wel een beetje erg bang
+van het lieve dier. Door op den kikvorsch te letten, gaf Bruin echter
+geen acht op zijne lei, en plotseling viel deze kletterend tegen den
+grond. Haastig stak Dik zijn kikvorsch weer in den zak, en toen de
+juffrouw bij hen kwam, zat hij dapper te werken.
+
+"Bruin Boon, valt jouw lei daar met zoo 'n gedruisch op den grond?"
+
+"Ja, juffrouw, Dik Trom gooide haar van de bank af."
+
+"Dat is niet waar!" riep Dik.
+
+"'t Is wèl, juffrouw, hij deed het wèl, en hij heeft ook een kikvorsch
+in zijn zak," riep Bruin weer.
+
+"Zoo'n leugenaar!" riep Dik.
+
+"'t Is wèl, juffrouw!"
+
+"Wat moet ik weer hooren, Dik? Ben je weer bezig? Eerst eene lei van
+de bank gooien, en nog jokken ook? Foei, je moest je schamen. En dan
+nog een kikvorsch in je zak? Je weet wel, dat zulke dieren niet in
+de school behooren. Laat zien, dat beest!"
+
+"Ik heb de lei niet op den grond laten vallen, juffrouw, hij deed
+het zelf, want hij zat te spelen."
+
+"'t Is niet waar, juffrouw, Dik duwde haar van de bank, en toen
+viel ze."
+
+"Zoo, Dik, jok nu maar niet langer. Ik hoor het al, jij hebt de lei op
+den grond geworpen, en bovendien zit je met een kikker te spelen. Laat
+zien, dat beestje."
+
+De juffrouw, die er volstrekt geen begrip van had, wat de zakken van
+een flinken jongen zooal bevatten kunnen, was in de meening, dat het
+een klein, dood kikkertje zou zijn, doch wie beschrijft haar schrik,
+toen Dik haar plotseling een grooten, groenen kikvorsch toestak,
+die springlevend was. Ze werd doodsbleek, en sprong wel twee passen
+op zijde, terwijl ze riep:
+
+"O foei, doe weg, dat akelige dier!"
+
+Dik zag met leedvermaak, dat de juffrouw doodelijk bang van het
+dier was, en daarom gaf hij het dadelijk de vrijheid, waarvan het
+gebruik maakte, om met groote sprongen regelrecht op de juffrouw aan
+te wippen. De juffrouw sprong radeloos in het rond en ging eindelijk
+op de vlucht. In de algemeene verwarring gaf Dik zijn buurman een
+pak slaag, zooals deze nog maar zelden van een kameraad gehad had.
+
+"Leelijke bruine boon," beet hij hem toe, "dat klikken zal ik je
+later nog wel eens beter betaald zetten!"
+
+Intusschen was de juffrouw wat van den schrik bekomen, en herstelde
+zij de orde. Zij liet den kikvorsch grijpen en naar buiten brengen,
+en Dikje moest voor straf in het portaal staan. Daar gaf hij echter
+niet veel om, want de verbolgenheid van de juffrouw liet hem geheel
+onverschillig, daar hij volstrekt niet van haar hield, en in het
+portaal kon hij zich vermaken, zooveel hij maar wilde. Hij begon met
+de klompen, die netjes twee aan twee stonden, door elkander te zetten;
+toen verhing hij alle petten en hoeden, en stak zelfs sommige er van
+in de jaszakken. Den hoed van Bruin Boon liet hij zinken in den emmer,
+waaruit de schoolkinderen mochten drinken. Daar viel zijn oog op den
+hoed en den mantel van de juffrouw, die aan den binnenkant van de
+portaaldeur aan een kapstok hingen. Fluks maakte hij er zich meester
+van, zette den hoed, die hem veel te klein was, op, en trok den mantel,
+die hem nog meer te groot was, aan. Zoo uitgedost wandelde hij deftig
+het schoolplein op en neer, terwijl de mooie mantel over den grond
+sleepte, die door den regen nat en morsig was. Hij vermaakte zich
+kostelijk, en misschien zou hij ten slotte nog wel het schoolplein
+af en het dorp ingewandeld zijn, indien de juffrouw niet toevallig
+door het raam gekeken en den kleinen deugniet bemerkt had. Zij stoof
+naar buiten en trok hem aan den arm de school binnen, waar de overige
+kinderen niet weinig pret hadden met Diks nieuwe pak. Wat was de
+juffrouw boos!
+
+"Wel jou brutale, kwade jongen! Trek uit, gauw wat! Hoe durf je mijne
+kleêren aan te trekken! Trek uit, zeg ik, of....!"
+
+Dik begon met een vergenoegd gezicht te doen, wat de juffrouw, bevend
+van boosheid, hem beval. In hare verbolgenheid trok deze aan eene mouw
+van den mantel, om te helpen, doch zij deed dit zoo driftig, dat de
+mouw scheurde, waardoor hare boosheid nog heviger werd. Eindelijk stond
+Dikje, doodkalm en bedaard, weer in zijne gewone plunje voor haar.
+
+"Voort, de school uit, en je kunt vandaag wel wegblijven ook. Je
+moogt er niet weer in, begrepen?"
+
+"Ja, juffrouw, maar Bruin heeft gejokt."
+
+Dik trok zijne klompen aan, en ging naar huis.
+
+Een poosje later sloeg de dorpsklok twaalf uur en ging de school uit,
+maar nu kwam de drukte voor de juffrouw pas goed aan. Geen enkel kind
+kon zijne klompen vinden; bijna allen trokken verkeerde aan. Hoeden
+en petten waren zoek, en de jassen hingen op verkeerde plaatsen.
+
+"Juffrouw, mijne klompen zijn weg!"
+
+"Juffrouw, ik zie mijne jas niet!"
+
+"Juffrouw, ik kan mijn mantel niet vinden!"
+
+Het was een tieren en schreeuwen, dat de juffrouw hooren en zien
+verging, en wat nog het ergste was: ze wist volstrekt geen raad,
+om aan die algemeene verwarring een einde te maken.
+
+"Hier heb ik mijne jas!" riep Jan Vos. "Zij hing op eene verkeerde
+plaats!"
+
+"Jij hebt mijne klompen aan!" riep Bruin Boon. "Zie je mijn hoed
+nergens?"
+
+"Dat heeft die nare Dik gedaan," zuchtte de juffrouw. "Kinderen,"
+riep zij met krachtige stem, "allen weer naar binnen."
+
+De kinderen gehoorzaamden.
+
+"Zie zoo, nu één voor één naar buiten. Jan Vos, jij eerst!"
+
+"Ik ben klaar, juffrouw."
+
+"Goed. Nu jij, Bruin Boon."
+
+Bruin ging. Zijne klompen en zijne jas vond hij al spoedig, maar hoe
+hij ook zocht, zijn hoed was nergens te zien. "Juffrouw, mijn hoed
+is weg!"
+
+"Nu, dan moet je maar zoeken, tot je hem gevonden hebt. Nu jij,
+Jansje Slooten."
+
+Zoo ging de geheele klasse een voor een naar buiten.
+
+Na lang zoeken vond ieder het zijne, behalve Bruin Boon. Huilend keek
+hij overal rond, maar zijn hoed was nergens te ontdekken. Eindelijk
+zag de juffrouw den emmer staan, en dadelijk vermoedde zij, dat de
+verlorene dáár wel gezocht zou moeten worden.
+
+"Kijk eens hier, Bruin, in dien emmer. Is daar je hoed niet?"
+
+Bruin keek, en jawel, daar lag zijn hoofddeksel te weeken in het
+water. Bruintje vischte hem op, maar wijl hij niet veel lust had,
+dat natte voorwerp op zijn hoofd, te zetten, was hij verplicht
+blootshoofds naar huis te gaan.
+
+De juffrouw zag hem met genoegen vertrekken. "Goddank,
+eindelijk!" zuchtte ze. Ze kleedde zich haastig aan en
+vertrok. Onderweg kwam ze Diks vader tegen, en ze besloot, hem eens
+goed te vertellen, hoe ondeugend zijn zoontje was.
+
+"Trom, ik wil u wel eens eventjes spreken."
+
+"Zoo juffrouw, ziet u, dat kan, en dat doet het."
+
+"Ja Trom, het spijt me wel, dat ik het zeggen moet, maar ik heb zoo
+vreeselijk veel last van uw jongen, dat het meer dan noodig is, om
+hem eens voorbeeldig te straffen. Van morgen heb ik hem naar huis
+moeten zenden."
+
+"Zoo juffrouw, dat is erg, ziet u,--dat is het."
+
+"Ja, 't is heel erg. Eerst jokt hij me wat voor, daarna gooit hij me
+een grooten, groenen kikvorsch bijna in het gezicht, zoodat de schrik
+me nog in de beenen zit, en eindelijk werpt hij al de kleeren van de
+kinderen door elkander, en loopt met mijn mantel aan en mijn hoed
+op over het schoolplein. Zoo brutaal heb ik het nog nooit gezien,
+en het wordt hoog tijd, dat u hem eens flink onder handen neemt."
+
+Trom keek de juffrouw verlegen en verbaasd aan, en toen zij aanstalten
+maakte, om haar weg te vervolgen, zeide hij:
+
+"Ja juffrouw, 't is een bijzonder kind, ziet u,--dat is-ie."
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+DIK EN DE HEKS VAN DEN ACHTERWEG.
+
+
+Om half vier, 's middags, toen de school uitging, liep Dik, die
+zijn vrijen tijd genoeglijk bij den molenaar had doorgebracht, de
+schoolkinderen tegemoet, met het vaste plan, Bruin Boon een goed pak
+slaag te geven.
+
+"Jongens, daar is Dik!--Heb je niet gehad, toen je thuis kwam?"
+
+"Wel neen, wat denk je wel? Moeder moest er braaf om lachen, toen
+ze het hoorde, en Vader schudde zijn hoofd maar even. Ha, daar komt
+bruine boon aan. Kom eens hier, boontje, klikspaan, kom jij eens om
+je loontje, als je durft?"
+
+Maar Bruin durfde niet. Zoo gauw hij Dik in het oog kreeg, zette hij
+het op een loopen, en daarin was hij Dik de baas. Dik kon niet hard
+loopen, wat hem genoeg speet. Zijn dikke buik belette het hem.
+
+"Ha, ha," riepen de jongens. "Die lafaard! Daar gaat hij loopen."
+
+"Nu," zeide Dik, "laat hem maar gaan. "Ik zal hem wel krijgen, dat
+beloof ik hem. Willen we op de markt wat gaan spelen?"
+
+"Ja, aanstonds. Eerst moeten we even naar huis."
+
+Een uurtje later waren de jongens op het marktplein bijeen, waar zij
+zich met allerlei spelletjes vermaakten. Nu, de markt bood er dan
+ook uitstekende gelegenheid voor. Het was een groot vierkant plein,
+waarop in het midden een prachtige, dikke eikeboom prijkte, en dat
+als bezaaid was met palen, waaraan het vee op de marktdagen werd
+vastgebonden. Eerst sprongen de jongens op eene rij achter elkander
+over de palen heen, waar Dikje even zoo goed slag van had als de
+grootste jongen, en daarna klom de heele troep in den boom. Dik
+moest geholpen worden, want alléén kon hij het niet, omdat zoowel
+hij als de boom er te dik voor waren. Daar bleven zij zitten, tot
+de veldwachter op hen afkwam en hun dat boompje-klimmen eens en voor
+altijd verbood, met de bedreiging, dat hij hen zou bekeuren, als ze
+het weer deden. Toen vermaakten zij zich met boompje-verwisselen,
+bij welk spelletje zij de palen voor boomen namen, tot het donker
+begon te worden. Sommige jongens waren al naar huis gegaan, en er
+waren er nog maar acht over, toen Jan Vos plotseling zeide:
+
+"Kijkt eens, jongens, daar gaat de heks van den Achterweg!"
+
+Alle jongens zwegen en vestigden hunne blikken op een oud vrouwtje,
+dat langzaam kwam aanstrompelen, en wier uiterlijk wel in staat was,
+om de aandacht te trekken. Ze was mogelijk niet ouder dan zestig
+jaar, maar ze zag er uit, alsof ze wel al tachtig was. Haar gelaat
+was doorploegd van diepe rimpels, en haar mond was zoo ingevallen,
+dat haar kromme neus bijna in hare vooruitstekende kin prikte. Ze
+liep erg gebogen, en moest zich bij het gaan ondersteunen met een
+stokje. Ze had een ouden, versleten doek om het hoofd; een paars
+jak bedekte hare magere leden, en om haar hals droeg zij een rooden
+zakdoek, waarvan de punten haar op den rug neerhingen. Een oude rok,
+die vroeger zwart geweest was, doch nu nog slechts eene twijfelachtige,
+vale kleur had, kwam van onder haar jak te voorschijn, terwijl hare
+voeten in schoenen staken, die haar veel te groot waren en daardoor
+aan de punten geheel opkrulden. In zichzelve mompelend en zonder
+groeten ging zij de jongens voorbij, en toen zij uit het gezicht was,
+zei Jan Vos:
+
+"Die leelijke heks! Ze moesten haar in de gevangenis zetten! Dat
+leelijke wijf heeft al heel wat kwaad gedaan!"
+
+"Wat dan? Wat dan?" riepen de jongens nieuwsgierig.
+
+"Wat dan? Wel, weet je dat dan niet? Vader vertelde gisteren nog,
+hoe zij iedereen betooveren kan, die niet doet, wat zij wil. Ze heeft
+laatst nog al de kippen van onzen buurman ziek gemaakt, alleen omdat
+hij haar geene eieren wou geven voor haar zieken man, zooals ze zei,
+en ze zou ze later wel betalen; ja, dat begrijp je! Buurman bedankte
+daar hartelijk voor, en liet haar door den hond van het erf jagen. Maar
+een paar weken later had hij er spijt genoeg van, want al zijne kippen
+werden ziek, en de eene na de andere ging dood. Dat had die leelijke
+heks gedaan!"
+
+"Bij wien was dat dan? Bij Mulder?"
+
+"Ja, bij Mulder. Als hij het wijf nu in de verte maar ziet aankomen,
+gaat hij al naar binnen. Hij is bang van haar geworden."
+
+"Nu, die rijke boer had ook licht een paar eieren kunnen geven,"
+zei Piet van Dril, "maar hij is zoo gierig als wat. En dan nog wel
+voor een ziek mensch!"
+
+"Denk je dan waarlijk, dat haar man ziek was? Dat was maar een
+praatje van die leelijke heks, om in huis te kunnen komen, en als
+je haar eenmaal binnenlaat, betoovert ze je, zonder dat je het zelf
+weet, maar later merk je het wel. Vader vertelde ook nog, hoe ze het
+kindje van vrouw Smul, je weet wel, van die baker, behekst heeft,
+zoodat het binnen drie dagen dood was. En dat was toch maar bij eene
+arme vrouw, zie-je. Neen, die heks moesten ze maar gevangen zetten,
+dat zou mooi opruimen."
+
+"En hoe wist vrouw Smul dan, dat haar kind betooverd was?" vroeg een
+der jongens.
+
+"Wel, dat is gemakkelijk genoeg te zien. Je tornt het kussen, waarop
+het gelegen heeft, open, en als dan de veertjes in den vorm van een
+krans liggen, geloof dan maar gerust, dat het niet zuiver is. Dat
+was bij vrouw Smul ook het geval."
+
+"Maar dan zou eigenlijk niemand zijn leven zeker zijn," riep Piet van
+Dril, "want dan kan zoo 'n wijf je betooveren, zooveel ze maar wil."
+
+"Ja zeker, dat is ook zoo. Vader heeft zelf gezien, dat zij zoo maar
+op een bezemsteel door de lucht vloog, of het niets was. Dat gebeurde
+op een Oudejaarsavond. Vader had bij een kennis, onder een stevig glas
+pons, het oude in het nieuwe gevierd. Om één uur ging hij naar huis,
+maar vlak bij het kerkhof hoorde hij wat door de lucht vliegen, en
+toen hij goed keek, zag hij duidelijk, dat het die heks was. Ze dreigde
+hem nog met hare vuist, maar ze deed hem gelukkig toch geen kwaad."
+
+"Nu," riepen de jongens, "dan weet ik wel, dat ik haar voortaan uit
+den weg zal blijven. Ik ben bang voor zulk volk."
+
+"Ik ook," zei Jan Vos, "maar toch zou ik graag eens bij haar door de
+ramen willen gluren. Wie weet, welke kunsten ze nu al weer uithaalt."
+
+"Laten we gaan kijken," zei Dik opeens, "dan weten we het."
+
+"Ik zou je danken!" riep Jan Vos. "Als ze je ziet, is het met je
+gedaan, want ze verandert je zoo maar in een spinnekop of zoo iets. Ik
+ga niet meê!"
+
+Alle jongens zwegen, want hetgeen Jan Vos verteld had, was erg genoeg
+geweest, om zelfs den dapperste eenigszins vreesachtig te maken. Dik
+was ook onder den indruk van het gehoorde, maar toch besloot hij om
+te gaan kijken. De heks mocht dan doen, wat zij niet laten kon. Hij
+stak zijne handen in zijne zakken, en zei:
+
+"Toch ga ik kijken. Wie gaat er meê?"
+
+Die uitdaging vonden de jongens toch wel wat beschamend, want Dik was
+de kleinste en ook de jongste van allen. De meesten van hen riepen
+dan ook:
+
+"Ik ga meê! Wat Dik durft, durf ik ook. Vooruit maar!"
+
+Daar gingen ze, Dik voorop. Ze hadden allen een tak van den eikeboom
+in de hand, en stapten er moedig en zelfs tamelijk luidruchtig op los.
+
+"Jongens, we zullen aan de ramen tikken!" riep Piet van Dril.
+
+"Ja, en tegen de deur schoppen, zoo hard, dat zelfs eene heks er bang
+van wordt!" schreeuwde Jan van Bakel.
+
+Dik zeide niets, maar stapte flink door, en aan zijn gezicht was
+duidelijk te zien, dat hij vast besloten was, de heks eens goed op
+te nemen. De jongens liepen de dorpsstraat uit en sloegen een zijweg
+in. Vreemd! De luidruchtige troep werd hoe langer hoe bedaarder,
+en eindelijk was Dik zijne kameraden zelfs een aardig eindje vooruit
+geraakt.
+
+"Waar blijf jullie toch?" riep hij, toen hij dat bemerkte. Langzaam
+kwamen de anderen nader, en zonder spreken vervolgden zij hun weg.
+
+'t Was intusschen geheel donker geworden, en de najaarswind gierde
+door de takken der boomen. Op eenigen afstand brandde een lichtje. Dáár
+woonde de heks.
+
+"Zeg, nu moesten we haar eens onverwachts tegenkomen," fluisterde
+Piet van Dril. "Wat zou je dan doen?"
+
+"St, stil, wat vloog daar?" riep Jan van Bakel, terwijl hij doodsbleek
+werd. "Hoor je dat geschreeuw wel?"
+
+Allen stonden stil en luisterden vol spanning.
+
+Weer suisde er wat door de lucht.
+
+"Oe-hoe! Oe-hoe!" klonk het boven hun hoofd.
+
+"Dat is ze!" fluisterde Jan Vos. "Ze heeft zich in een uil
+veranderd. St, houdt je stil!"
+
+"Komt jongens, vooruit!" riep Dik. "Of durf je niet?--Ik wel!"
+
+Dik stapte moedig vooruit, en toen de anderen dat zagen, schaamden
+zij zich, om achter te blijven. Langzaam volgden zij hem, en weldra
+zagen zij het hutje, waarin de oude heks woonde, voor zich. 't Stond
+eenzaam aan een achterweg, tamelijk ver van het dorp. De jongens
+vertraagden opnieuw hunne schreden en stonden eindelijk geheel stil,
+terwijl ze bijna in elkanders zak kropen.
+
+"Er brandt licht," fluisterde Barend Zwart. "Zou ze thuis wezen?"
+
+"Oe-hoe! Oe-hoe! Oe-hoe!" klonk het plotseling boven hun hoofd,
+en weer zagen zij een donker voorwerp door de lucht vliegen.
+
+"Daar is ze weer!" fluisterde Jan Vos. "Wie durft nu te gaan kijken?"
+
+Allen zwegen.
+
+"Oe-hoe! Oe-hoe!"
+
+"Hu, hoe akelig!" fluisterde Jan van Bakel, die eerst van plan geweest
+was, om hard tegen de deur te schoppen.
+
+"Ze kan je zoo maar in een vleermuis veranderen," fluisterde Jan Vos.
+
+"Oe-hoe! Oe-hoe!" klonk het nogmaals, en het was, of het geluid uit
+den ouden schoorsteen van het hutje kwam.
+
+"Komt jongens," zei Dik, "we moeten kiezen of deelen. Wie gaat er meê?"
+
+"Ik niet!" zei de een.
+
+"Ik dank je!" fluisterde een ander.
+
+"Dan ga ik alleen!" zei Dik vastberaden.
+
+Doodsbleek, maar zonder aarzelen, stapte hij op het hutje aan.
+
+"Oe-hoe! Oe-hoe!" vernam hij weer.
+
+Toch liep hij voort, tot hij op weinige schreden na het raam bereikt
+had. Hij tuurde door de kleine ruitjes, maar was nog te ver af,
+om daarbinnen iets te kunnen onderscheiden.
+
+"Neen," mompelde hij, "zoo gaat het niet. Ik zal er vlak voor gaan
+staan. Ik moet weten, wat er gebeurt."
+
+Op de teenen sloop hij, terwijl de anderen hem vol angst, maar tevens
+met bewondering nakeken, naar het raam, en gluurde naar binnen.
+
+"Oe-hoe! Oe-hoe!" klonk het boven hem, doch hij stoorde zich daar
+niet aan. Ha, nu kon hij goed zien! Daar zat de heks, dat leelijke
+wijf, maar--daar achter in het vertrek, wat was dat? Die hoop vodden
+moet toch geen bed verbeelden? Ja toch, er ligt zoowaar een mensch
+op! Vreeselijk, wat een levend geraamte! Zie, nu richt de gestalte
+zich op, en beweegt de lippen. Dik legt zijn oor tegen het raam. Hij
+wil hooren, wat er gesproken wordt.
+
+"Kee, goede Kee, ach, wat voel ik me ziek!" hoort hij met zwakke
+stem zeggen.
+
+De heks richt zich op, en gaat naar het bed.
+
+"Kom Willem, moed houden, m'n goede Willem, als de nood het hoogst is,
+is Gods hulp het meest nabij. Wil je nog eens drinken?"
+
+"Neen, neen, maar ik voel me zoo flauw, zoo wee, en toch, dat harde
+roggebrood kan ik niet eten. Had ik maar een kopje melk, Kee."
+
+Dik ziet, hoe de heks haar gelaat met beide handen bedekt, en in
+tranen uitbarst.
+
+"Niet huilen, Kee, niet huilen, lieve vrouw. Ik weet wel, dat we het
+niet hebben, dat we te arm zijn. Maar ik voel me zoo ziek, zoo zwak."
+
+"Och, Willem, wat is het toch hard, dat ik niets voor je heb," snikt
+de heks. "Maar de menschen willen me niet meer borgen en schreeuwen
+me na, dat ik eene heks ben. O, Willem, dat we ook zoo arm zijn! Al
+in twee dagen heb ik geen kruimel brood geproefd, om de laatste korst
+maar voor jou te kunnen bewaren. Toe Willem, toe, beproef het nog
+maar eens. Misschien lust je het wel."
+
+De heks veegt zich de tranen van het gerimpeld gelaat, en gaat
+naar eene kast in den hoek van het vertrek. Ze neemt er eene korst
+droog roggebrood uit, weekt die in water en geeft haar aan den
+zieke. Tevergeefs beproeft deze, het onsmakelijke brood te nuttigen;
+hij is te zwak om het te kauwen; het wil hem niet door de keel.
+
+"Toe Kee, eet jij het maar op, toe. Je moet ook wat eten, Kee, anders
+val je er nog bij neer."
+
+Kee neemt een paar kleine beten, en zet het overschot dan weer in de
+kast, terwijl de tranen haar opnieuw langs de wangen vloeien. Dan vouwt
+ze plotseling de handen en slaat de betraande oogen naar boven. De
+heks bidt. Ze vraagt God om hulp voor haar ouden, zieken man, want
+de nood heeft het toppunt bereikt.
+
+"Kee, kom, ga ook maar te bed," zegt de zieke met zwakke stem. "Och
+Kee, dat de goede God ons dezen nacht maar weghaalde, jou en mij
+te zamen, Kee. Wat zou dat gelukkig wezen. Samen hebben we geleefd,
+samen gewerkt, samen lief en leed gedeeld, och, dat we nu ook maar
+samen mochten sterven...."
+
+Dik verliet het raam. Hij had genoeg gezien, en de tranen liepen
+hem langs de bolle wangen. "O, welk een droevig lot hebben die oude
+menschen," dacht hij. "Maar waar zijn de jongens gebleven?" Hij zag
+ze nergens; toen hij naar het raam sloop, hadden zij het hazenpad
+gekozen, en wellicht zaten ze nu al hoog en droog thuis. Een goed
+kwartier later was ook Dik weer bij zijne ouders.
+
+"Moeder, kan u niet wat wittebrood missen?"
+
+"Waarvoor, m'n jongen?"
+
+Dik vertelde alles, wat hij gezien had, en toen zijn verhaal uit was,
+stond zijne moeder met tranen in de oogen op, en ging naar de kast.
+
+Trom zat aan zijne bakkebaardjes te trekken.
+
+Griet nam eene mand, en vulde die met van alles en nog wat: met brood,
+een stuk worst, een lestje aardappelen en bloemkool, een hompje zoete
+kaas, een fleschje met melk en nog meer kleinigheden.
+
+"Dik, kun-je dit dragen?" vroeg ze.
+
+"Best, Moeder, geef maar hier."
+
+"Griet," zei Jan Trom, "zie je, ik wil maar zeggen en dat wil ik,
+dat we nog wel twee kwartjes ook kunnen missen,--dat doen we."
+
+"Ja Jan, dat is goed. Hier Dik, niet verliezen, hoor."
+
+"Neen, Moeder."
+
+Dik ging met zijn vrachtje weer op weg naar de heks, en toen hij goed
+en wel buiten was, zeide Jan Trom:
+
+"Griet, die Dik is toch een bijzonder kind,--dat is-ie."
+
+Dik liep zoo hard hij kon. Het was een donkere avond, de regen
+sloeg hem in het gezicht, maar Dik stoorde zich aan regen noch
+duisternis. Hij sloeg den modderigen Achterweg in, en bereikte voor de
+tweede maal het hutje. Nog brandde het lampje, dus de heks was nog op.
+
+"De heks? Neen, de arme ziel zal niemand leed doen," dacht Dik. "'t
+Is een goede, oude vrouw."
+
+Hij lichtte de deurklink op, en stapte naar binnen. "Hier," zei hij,
+"Moeder stuurt wat voor den zieken man en voor u."
+
+"O, ben jij daar, Dik? Kom, dat is braaf van je, m'n jongen. We hadden
+bijna geen kruimel meer in huis. Wel bedankt, mijn lieve jongen,
+wel bedankt. Zie eens, Willem, God heeft ons nog niet verlaten. Nu
+kun-je wat versterkends krijgen, m'n arme tobberd."
+
+"En jij ook, Kee," zegt de oude man. "Zul-je wel vriendelijk voor
+ons bedanken, beste jongen?"
+
+"Dat is niet noodig," zeide Dik. "Hier heb ik nog twee kwartjes;
+daarvoor kun-je eieren koopen. Goeden avond."
+
+Dik nam de mand, en was de deur weer uit, vóór de oude menschen er
+erg in hadden; zij vouwden de handen en dankten God.
+
+Dik keerde naar het dorp terug, en liep eerst bij den molenaar aan,
+om hem alles te vertellen.
+
+"Zoo, zoo, Dik," zei deze, "dat is erg. Gelukkig, dat ik armvoogd ben;
+ik zal wel zorgen, dat die menschen geholpen worden."
+
+Dik ging naar huis en naar bed, waar hij spoedig in slaap viel. En
+de beide oudjes in het hutje droomden, dat er een engel in huis
+geweest was, die aan hunne armoede en hun kommer voor goed een einde
+had gemaakt.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN EERZAME WEDUWE EN EEN ZELDZAME EZEL.
+
+
+Het was een geluk voor Dik, dat niet iedereen zoo weinig ophad
+met de schooljuffrouw als hij, want dan zou hij stellig nooit iets
+geleerd hebben, en altijd een dikke domoor gebleven zijn. Er waren
+gelukkig ook menschen, die van haar hielden, en het meest deed dit
+de gemeente-ontvanger, een zeer lange, magere man. Deze vond haar
+zóó lief, dat hij zich met haar verloofde en weldra met haar in het
+huwelijk trad. Dik's blijdschap over deze gebeurtenis was zoo groot,
+dat de juffrouw zelve ten slotte dacht: "Dik is toch nog zoo kwaad
+niet; hij is wel een hartelijke jongen." Maar had de juffrouw geweten,
+dat Dik zich meer verheugde in het vooruitzicht, dat hij van haar
+ontslagen zou worden, dan wel over het blijde feest, dat zij ging
+vieren, dan zou haar oordeel over Dik een weinig minder vleiënd
+zijn geweest.
+
+Hare opvolgster was een klein dametje met een vroolijk en prettig
+gezicht, dat alle kinderen aantrok, en wat Dik nog het meest beviel,
+was hare buitengewone dikte. Met deze stal zij al dadelijk zijn hart,
+terwijl zij van haar kant zich ook tot den kleinen dikzak voelde
+aangetrokken. Zoodra ze hem zag, ging ze naar hem toe, en zei ze met
+haar heldere stem en haar vroolijken lach:
+
+"Ha, ha, daar zie ik een kleinen lotgenoot. Wel dikkerd, hoe heet jij?"
+
+"Dik, juffrouw."
+
+"Dik? Zoo, dat is een eigenaardige naam. Kom, geef mij de hand eens. Ik
+geloof, dat wij wel gauw dikke vrienden zullen worden."
+
+En zoo gebeurde het ook. Dik begon al spoedig dolveel van de juffrouw
+te houden, en het gevolg daarvan was, dat hij beter zijn best ging
+doen en hard begon te leeren.
+
+Met Bruin Boon lag hij nog altijd overhoop. Hij had een geduchten hekel
+aan hem, en als hij hem te pakken kon nemen, zou hij het niet laten.
+
+Op zekeren dag begaf Dik zich na schooltijd naar de markt, om
+zijne speelmakkers te zoeken, toen hij Anneke huilend op den weg zag
+staan. Een eindje verder stond Bruin Boon aan den kant van het kanaal
+te hengelen.
+
+"Wat scheelt er aan, Anneke?" vroeg Dik.
+
+"Bruin heeft mijn appel afgenomen, en nu staat hij hem op te eten,"
+snikte Anneke.
+
+Dik liep zonder spreken op zijn vijand aan. Hij had ook nog een ander
+appeltje met hem te schillen, want Bruin had hem 's middags eenige
+knikkers ontkaapt en er zich snel mee uit de voeten gemaakt. Zoodra
+Dik bij hem was, gaf hij hem een duw, dat hij voorover in het water
+plompte, kopje-onder.
+
+"Hè, hè, pfff," snikte Bruin hijgend. "Help, help!"
+
+"Schreeuw maar zoo leelijk niet, bruine boon," zei Dik, die hem
+den hengelstok toestak. "Daar, houd vast, dan zal ik je er weer
+uittrekken. Één, twee, drie, hoepla!"
+
+Daar stond Bruin, druipnat. Hij schreeuwde erbarmelijk.
+
+"Hier, dief, neem je hengel, en ga het maar gauw aan je moeder
+vertellen. Als ze me spreken wil, kan ze me op de markt vinden."
+
+Dik draaide zich om en ging heen, en Bruin liep huilend naar huis,
+waar hij dadelijk zijn nood begon te klagen.
+
+Het duurde niet heel lang, of Dik, die met de andere jongens
+haasje-over deed, zag Bruin's moeder aankomen.
+
+"Dik, daar komt vrouw Boon! Maak, dat je wegkomt!"
+
+"Stilletjes laten komen, jongens, ik ben er ook," zei Dik bedaard.
+
+Daar kwam vrouw Boon aan, zoo groot en zoo plomp als ze was. Ze
+zwaaide met hare armen en nam stappen als een dragonder, 't Was een
+leelijk, grof mensch, met een grooten mond, brutale oogen en een dikken
+stompneus, die paars-blauw zag van de vele brandewijntjes, welke zij
+in haar leven al had geslikt. Ze was weduwe; haar man was vijf jaar
+geleden gestorven, waarschijnlijk van verdriet, want de brave man had
+sedert zijn huwelijk geen gelukkigen dag meer gehad. Bruin's moeder
+stond op het geheele dorp te slechter naam en faam bekend; ieder
+fatsoenlijk mensch schuwde en vermeed haar. Dik stak zijne handen
+in zijne zakken, en wachtte bedaard af, wat er volgen zou. Daar had
+de eerzame weduwe hem bereikt. Zij hield hem de gebalde vuist vlak
+voor het gezicht, en schreeuwde, terwijl ze van haar mond bijna een
+hooischuur maakte:
+
+"Kwade bengel van een jongen, durf jij mijn Bruin in het water te
+gooien? Je kunt het arme kind nooit met rust laten, het schaap, hij
+doet jou toch immers ook niets? Leelijke, brutale deugniet, wat denk
+je wel? Geloof je soms, dat iedereen naar jouw pijpen moet dansen,
+zeg, en dat je maar doen moogt, wat je wilt? Raak hem nog eens aan,
+als je durft, dan zal ik je de oogen uit je hoofd krabben, versta-je
+dat, uilskuiken opgeblazen luchtbol?"
+
+Dik knikte zeer vriendelijk van ja; hij vermaakte zich kostelijk.
+
+"Raak hem nog eens met een vinger aan, als je het hart hebt, en dan
+zul-je met mij te doen krijgen, versta-je, met mij, en dan verzeker
+ik je, dat je van eene koude kermis zult thuiskomen. Wat verbeeld jij
+je wel? Denk je soms, dat iedereen bang is voor je galgentronie? Ik
+niet, dat beloof ik je. Je loopt voor schandaal langs den weg! Je
+vader en je moeder zullen nog pleizier van je beleven, let op, wat
+ik je zeg! In 't spinhuis wachten ze je al, of op 't oorlogsschip,
+jou straatslender, gauwdief, galgenaas....!"
+
+Ze stikte bijna van woede, en zeker zouden nog tal van lieve woordjes
+haar lieven mond ontgleden zijn, indien Dik niet met groote waardigheid
+haar gewenkt had te zwijgen. Doodkalm en deftig zeide hij:
+
+"Vrouw Boon, een oogenblikje asjeblieft."
+
+Even kalm en bedaard draaide hij zich om, legde beide handen op een
+paal, nam een sprong, en wipte er op.
+
+Toen wees hij met vriendelijk gebaar naar een anderen paal, en zei:
+
+"Zie zoo, ga nu maar door, asjeblieft; wilt u liever ook niet gaan
+zitten? Geneer u niet."
+
+Een algemeen gelach overtuigde vrouw Boon, dat zij de eenige was,
+die Dik niet aardig vond. Zoo verwonderd als ze eerst geweest was
+over Diks plechtig gebaar en indrukwekkende kalmte, zoo woedend werd
+ze nu, vooral toen eenige omstanders, die nieuwsgierig waren komen
+toeloopen, riepen:
+
+"Ga maar naar huis, vrouw Boon, die jongen is je toch de baas!"
+
+"Je moest gaan zitten, vrouw Boon, het aanbod is te vriendelijk,
+om het af te wijzen."
+
+"Willen we je helpen, vrouw Boon?"
+
+Die spotternij was te veel. Met tien scherpe nagels liep ze op Dik toe,
+vast van plan, om hem zoo te tatoueeren, dat een Papoea er jaloersch
+op kon zijn, maar in hare drift stapte ze in een greppel, die ze niet
+gezien had, en viel met haar hoofd zoo hard tegen den paal van Dik,
+dat het bonsde.
+
+Een schaterend gelach was haar troost. Ze koos nu echter de
+verstandigste partij, stond op en ging naar huis, doch--met een neus,
+die tweemaal zoo groot was, als toen ze kwam.
+
+"Ha, ha, neem maar een brandewijntje voor den schrik!" riep het volk
+haar na, en ging lachend uiteen.
+
+Dat de jongens pret hadden, is licht te begrijpen, en dat Dik de
+held van den dag was, spreekt ook van zelf. Ze bleven nog eenigen
+tijd spelen, tot Jan van Bakel plotseling zeide:
+
+"Zou Bertels al thuis zijn? Dik moet op den ezel!"
+
+"Misschien wel. Komt jongens, laten we gaan kijken!"
+
+Bertels was een manufacturier, en iemand, die er uitstekend slag
+van had, met jongens om te gaan. Doch dat was de eenige reden niet,
+waarom zij elken avond zoo graag naar hem toegingen. De grootste
+aantrekkingskracht van den vroolijken koopman schuilde in den ezel,
+die hem en zijn wagen elken morgen het dorp uit trok, als hij zijne
+waren aan de boerinnetjes ging verkoopen, en hem 's avonds onder
+vroolijk gebalk thuisbracht. Van dien ezel hielden de jongens nog meer
+dan van zijn baas. En geen wonder. 't Was een alleraardigst dier, dat
+hard kon loopen niet alleen, maar het deed ook. Nooit liep hij echter
+harder, dan wanneer hij 's avonds naar het land ging. Dan was hij in
+den letterlijken zin van het woord niet te houden. Nauwelijks waren
+de strengen losgemaakt en de tuigen afgenomen, of hij stak den kop
+naar omlaag en zijn staart als een vlaggestok in de hoogte, en rende,
+zonder op of om te zien, alles omverwerpende wat niet tijdig uitweek,
+als een dolle naar het land, terwijl hij dien woesten galop opluisterde
+door een vervaarlijk gebalk, dat over het geheele dorp weergalmde. Als
+hij het land bereikt had, bleef hij bedaard voor het hek staan wachten,
+tot zijn baas hem ingehaald had en hem in de weide hielp.
+
+Nu kenden de dorpsjongens bijna geen grooter genoegen, dan dien ezel
+'s avonds naar het land te brengen, en gewoonlijk stonden zij dan
+ook Bertels op te wachten, als hij thuiskwam.
+
+Bertels had er evenveel pret in als de jongens, en hij niet alleen,
+maar ook ieder, die den ezel zag gaan, want allen wisten, dat het
+nog aan niemand gelukt was, tot aan het land toe op den ezel te
+blijven zitten. De weide lag aan de overzijde van het kanaal, op tien
+minuten afstands van het huis van Bertels. Tot aan de brug ging het
+gewoonlijk goed, maar daar vloog het het dier zoo woest met een korten
+draai op, dat zijn berijder meestal zandruiter werd. Gebeurde dat
+evenwel niet, dan bleef grauwtje midden op de brug plotseling staan,
+zette de voorpooten vooruit, stak zijn kop er tusschen, wierp zijne
+achterpooten in de hoogte en zijn berijder netjes over zich heen,
+om daarna in galop zijn weg te vervolgen.
+
+Dat was nu al verscheidene malen gebeurd, en nog niemand was het
+gelukt om den weerbarstigen ezel te temmen. Dik had iederen keer
+zijne kameraden uitgelachen en hun gezegd, dat ze stumpers waren,
+die maar liever op een hobbelpaard moesten rijden.
+
+"Ha, ha," lachten de jongens. "Wat heeft die Dik een praats. Omdat
+hij 's avonds de paarden van den molenaar naar het land brengt,
+denkt hij zeker, dat hij beter kan rijden dan wij. Maar het is een
+groot verschil, of je een paard naar het land brengt of dien wilden
+ezel. Geloof maar gerust, dat je er evenmin op kunt blijven zitten
+als wij. Ik wed, dat je niet eens durft!"
+
+"Niet durven!" riep Dik. "Ik durf bijna alles, en ik wil wedden,
+dat hij mij er niet afgooit."
+
+"Ja, dat begrijp je. Als hij zijn kop naar beneden en zijne
+achterpooten in de hoogte werpt, is het onmogelijk, om er op te
+blijven. Je tuimelt er netjes voorover af."
+
+"Wedden, dat ik er op blijf?" riep Dik.
+
+"Goed. We willen er jou ook wel eens af zien tuimelen."
+
+Pas hadden de jongens het huis van Bertels bereikt, of daar kwam hij
+al aan.
+
+"Dag Bertels!" riepen ze hem toe.
+
+"Zoo jongens, kom-je weer eens een arm of een been breken? Dat doet
+me pleizier. Wie moet er van avond op?"
+
+"Dik moet er op, Bertels. Hij zegt, dat de ezel hem er niet af kan
+krijgen. Ha, ha, wat zullen wij lachen, aanstonds op de brug!"
+
+"Wat Dik, moet jij er op, jongen? Zou jij niet te zwaar wezen? Pas
+maar op, dat je niet door hem heenzakt, want dan kom je op den harden
+grond terecht."
+
+"Dat is niet eens noodig, Bertels, daar zal hij toch wel op terecht
+komen!" riepen de jongens. "Houdt den ezel vast, hoor, anders ontsnapt
+hij, en dan kunnen we Dik niet zien rollen."
+
+Bertels wierp de tuigen in de kar. De ezel werd al onrustig, maar de
+jongens hielden hem goed vast.
+
+"Nu, Dik, bedenk je je niet?" vroeg Bertels. "Ik waarschuw je, dat
+hij niet pluis is, hoor."
+
+"Dat ben ik ook niet, Bertels. Wil u me even een beentje geven?"
+
+"Jawel. Moet je er maar overheen?" vroeg hij lachend. "Of je nu valt
+of aanstonds, dat komt op hetzelfde neer."
+
+"'t Liefst er op, Bertels. Asjeblieft!"
+
+"Jongen, dat is je verkeerde been!"
+
+"Neen, het goede. Toe maar!"
+
+"Het goede?" vroeg Bertels, schaterend van 't lachen. "Dan kom je er
+achterste-voor op. Maar 't is mij goed.--Hoepla!"
+
+Wip! Daar zat Dik, maar met zijn rug naar den kop van den ezel. Zoodra
+het beest voelde, dat er iemand op hem zat, stak hij zijn staart in
+de hoogte, zoodat Dik dien grijpen kon, hield zijn kop naar omlaag,
+en....--
+
+"Los maar!" riep Bertels.
+
+Daar vloog het er op los. De ezel, die wel merkte, dat het niet
+geheel in den haak was op zijn rug, maakte allerlei malle sprongen,
+en balkte en liep nog harder dan gewoonlijk. Jongens, wat ging er
+dat door! Het schemerde Dik voor de oogen, maar hij hield zich goed;
+hij had niet voor niets zoo dikwijls te paard gezeten. Hij sloeg
+zooals hij daar zat, een allergekst figuur, en de voorbijgangers,
+die zich haastig uit de voeten maakten, schaterden het uit, maar dat
+was Dik onverschillig. Evenmin stoorde hij zich aan de sprongen van
+zijn viervoet, die alles in het werk stelde, om zich van zijn berijder
+te ontdoen. Dik bleef bedaard zitten, waar hij zat.
+
+Nu naderde hij de brug, en zoowel hij als de ezel waren vast besloten,
+hun uiterste best te doen. Grauwtje liep in vliedenden galop rechtuit
+tot bij de brug, en sloeg toen plotseling rechtsom, in de vaste
+meening, dat hij zijn vrachtje dan wel kwijt zou raken. Doch het
+was mis. Veel scheelde het wel niet, of Dikje was er af geslingerd,
+maar hij bleef toch zitten. Voort ging het weer, zoo hard het maar
+kon, tot midden op de brug de ezel plotseling zijn vaart stuitte,
+zijn voorpooten vooruitstak, en zijne achterpooten in de hoogte
+wierp. Hij deed het met zoo'n vaart, dat het weinig scheelde, of hij
+buitelde zelf over den kop. Dik drukte zijne knieën krachtig tegen den
+ezel aan, en hield met beide handen den staart vast, zoodat, wat nog
+nooit gebeurd was, de ezel in vliegenden galop zijn weg vervolgde,
+zonder zijn berijder afgeworpen te hebben. Dikje had het gewonnen,
+en toen hij de jongens aan den overkant van het kanaal zag, zwaaide
+hij vroolijk met zijn hoed, en riep uit alle macht:
+
+"Hoera! Hoera!"
+
+Van dat oogenblik af erkenden zijne kameraden hem stilzwijgend als
+hun meerdere.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+HOE DIK KWAAD DEED, EN BRUIN ER EEN PAK SLAAG VOOR KREEG.
+
+
+Op een herfstavond was Dik, die toen ongeveer twaalf jaar oud zal
+geweest zijn, met zijne makkers op de markt aan het spelen, tot het
+donker werd.
+
+"Jongens," riep Bruin Boon, die ook meêdeed, "willen we vrouw van
+Aken eens voor den gek gaan houden?"
+
+"Ja, ja, dat is goed," klonk het van alle kanten. "We zullen de deur
+opengooien, dan komt ze weer naar buiten met den bezem. Zeg, Dik,
+daar had je verleden week bij moeten zijn! Jongen, jongen, wat was
+ze kwaad!"
+
+"Of ze!" riep Bruin. "Op 't laatst kwam ze met de tang. Ik dacht,
+dat ik me ziek zou lachen. Komt jongens, ga-je meê?"
+
+"Ja, vooruit.--Kom Dik, ga jij niet meê?"
+
+"Ik niet," zei Dik. "Ik dank je."
+
+"Wat, ga jij niet meê? Durf je soms niet?" riepen zijne kameraden.
+
+Dik begon te lachen.
+
+"Niet durven!" zei hij. "'t Is ook nog al eene heldendaad, om zoo
+'n oude vrouw kwaad te maken, vooral als je vooruit weet, dat ze je
+toch niet krijgen kan. Dank je, die grap is me te gewaagd."
+
+"Nu, wat zou jij dan willen?"
+
+"Wat ik wil? In elk geval, zoo 'n flauwe aardigheid niet. Neen, ik weet
+wat beters. Wie kan me eene speld en een klos zwart garen brengen?"
+
+"Ik wel!" riep Jan Vos, en hij voegde de daad bij het woord. Een
+oogenblik later was Dik al in het bezit van hetgeen hij gevraagd had.
+
+"En wat wil je nu doen, Dik?" vroeg hij.
+
+"Wel jongens, dat zal ik je zeggen. Die speld steken we bij den een of
+den ander tegen een vensterruit in de stopverf, en den draad garen,
+met een steentje er aan, binden we er aan vast. We winden den draad
+zoover af, als we willen, en gaan er dan aan trekken. Jongens, dat
+is zoo aardig, want dan tikt het steentje telkens tegen het glas aan,
+en dan komen de menschen naar buiten, om te kijken, of er volk is."
+
+"Ha, ja, die is mooi! Bij wien zullen we het doen?"
+
+"Bij vrouw van Aken!" riep Bruin.
+
+"Dank je!" zei Dik. "Weet je, bij wien? Bij den veldwachter. Dan
+hebben we er eer van. Dat is in elk geval geen oude vrouw."
+
+"Maar dan ga ik niet meê," zei Bruin.
+
+"Dat dacht ik wel!" riep Dik. "Jij plaagt liever oude menschen, niet
+waar? Ga jij maar naar huis, Boontje, jij hoort er ook eigenlijk niet
+bij.--Komt, wie gaat er meê?"
+
+Dik ging vooruit, en alle jongens, behalve Bruin, volgden hem. Weldra
+waren zij, waar zij wezen moesten. Ze hielden zich doodstil, want
+voor den veldwachter hadden zij niet weinig ontzag. Hij was dan ook
+lang geen gemakkelijk heer. Kruipend voor zijn meerderen, was hij ruw
+tegen zijne minderen. In plaats van de menschen te waarschuwen tegen
+overtredingen, die zij uit onkunde of onnadenkendheid zouden begaan,
+spitste hij zich er op, om iemand te kunnen bekeuren. En door zijn
+leedvermaak, als hij daarin geslaagd was, had hij zich de minachting
+van zijn dorpsgenooten op den hals gehaald.
+
+"Nu vooral doodstil zijn, hoor!" fluisterde Dik. Hij bond den draad
+met het steentje aan de speld vast, en sloop onhoorbaar zacht den
+tuin in. Er brandde al licht binnen, dus vandaar kon men hem niet
+zien. Hij naderde het raam, en stak de speld, zonder gedruisch,
+stevig in de stopverf. Toen rolde hij den draad af, en keerde even
+zacht weer naar zijne kameraden terug.
+
+"Zeg jongens, nu moet je allen op een flinken afstand gaan staan,
+zoodat je dadelijk de vlucht kunt nemen, als de veldwachter buiten
+komt. Wanneer hij je dan hoort loopen, denkt hij natuurlijk, dat
+een van jelui de dader is. Op die manier heeft hij in mij geen erg,
+en jelui kan hij toch niet krijgen. Wat zal hij dan kwaad worden!"
+
+"Goed, uitstekend! Maar waar blijf jij dan, Dik?"
+
+"Ja, dat is het mooiste van de grap, jongens. Ik blijf doodbedaard
+in zijn eigen tuin tusschen de aalbesseboomen zitten, en zoo gauw
+hij weer binnen is, begin ik opnieuw te trekken. Vooruit nu!"
+
+De jongens maakten, dat zij op een behoorlijken afstand kwamen, ver
+genoeg, om den veldwachter in de duisternis te kunnen ontloopen,
+en toch dicht genoeg bij, om te kunnen hooren en zien, wat er
+gebeurde. Dik sloop opnieuw den tuin in, en verschool zich tusschen de
+besseboompjes, waar hij bijna geheel onder kroop. Nauwelijks zat hij,
+of hij trok aan den draad.
+
+"Rikketik, rikketik!" klonk het tegen de vensterruit.
+
+De veldwachter zat aan de tafel te schrijven, en was in die bezigheid
+zoo verdiept, dat hij het getik niet hoorde. Maar zijne vrouw, die
+kousen zat te stoppen, hoorde het wel.
+
+"Flipsen," zei ze, "ik denk, dat er volk is. Er wordt, geloof ik,
+aan de ruiten getikt."
+
+"Zoo? Ik heb er niets van gehoord. Nu, dan moeten ze nog maar eens
+tikken."
+
+De veldwachter ging voort met zijn schrijfwerk.
+
+"Rikketik, rikketik!" klonk het opnieuw.
+
+"Hoor je wel?" riep de vrouw.
+
+"Ja, nu hoor ik het ook. Waarom tikt dat volk niet aan de deur, zou je
+zeggen?--Is daar iemand?" riep hij, zonder van zijn stoel op te staan.
+
+Er volgde geen antwoord.
+
+"Ik denk, dat het een vogeltje is, vrouw, of een takje van een boom. Ik
+krijg ten minste geen antwoord."
+
+De veldwachter schreef verder, en zijne vrouw stak haar arm weer in
+de kous, om met stoppen voort te gaan.
+
+"Rikketik, rikketik!"
+
+"Wel, wat drommel, daar heb je het weer! Wie is daar?"
+
+Geen antwoord volgde.
+
+"Kom anders maar binnen, hoor!" riep de veldwachter; maar er kwam
+natuurlijk niemand. Dik, die alles duidelijk kon verstaan, lag onder
+de besseboomen te lachen, dat zijn dikke buik er van schudde.
+
+"Hij is nogal stoelvast," dacht Dik, "maar ik zal hem wel overeind
+krijgen."
+
+"Rikketik, rikketik, rikketik!"
+
+"Duizend bommen en granaten!" riep Flipsen, die vroeger in dienst
+was geweest. "Daar heb-je dat getik weer! Vrouw, ga eens kijken,
+of er ook iemand is."
+
+De vrouw stond op, en deed de voordeur open.
+
+"Is er volk?" riep ze.
+
+Alweer geen antwoord.
+
+"Is er volk?" riep ze nog eens, met verheffing van stem. Doodelijke
+stilte. Ze deed de deur dicht, en ging weer naar binnen.
+
+"Er is niemand," zei ze, "en het is erg donker."
+
+"Zoo, dat dacht ik wel."
+
+Flipsen en zijne vrouw gingen weer aan den arbeid. Maar nauwelijks
+waren ze bezig, of.....
+
+"Rikketik, rikketik, rikketik!" klonk het weer.
+
+De veldwachter vloog overeind, greep zijne pet, en stoof naar de
+voordeur.
+
+"Wie is hier?" schreeuwde hij. "Kun-je niet behoorlijk aan de deur
+tikken, in plaats van aan de ramen? Nu, kom dan voor den dag! Waar
+blijf je dan toch? Wat moet je?"
+
+Maar het bleef stil, doodstil, daarbuiten.
+
+"Wat drommel, spreek dan!" schreeuwde de veldwachter, die buiten
+zichzelven geraakte van kwaadheid. Doch geen antwoord volgde. Loerend
+keek hij in de duisternis rond, maar daar hij niets zag, ging hij weer
+naar binnen, en zette zich met een boos gezicht aan 't werk. Hij was
+echter nog geen twee minuten aan den gang, of daar ging het weer:
+
+"Rikketik, rikketik, rikketik!"
+
+Fluks tilde hij het gordijn op en drukte zijn gelaat tegen het glas,
+om naar buiten te kijken, wat zoo'n dwaas schouwspel opleverde,
+dat de jongens het uitgierden van pret. Hij zag natuurlijk niets,
+en liet spoedig het gordijn weer vallen.
+
+"Daar begrijp ik niets van, vrouw!" zei hij, en nauwelijks had hij
+uitgesproken, of opnieuw vernam hij:
+
+"Rikketik, rikketik, rikketik!"
+
+"Wel heb ik van mijn leven!" riep hij, terwijl hij zich naar buiten
+spoedde. "Nu moet ik weten, wat dat beteekent, al zou de nikker er
+meê spelen!"
+
+"Wie is hier toch? Wat moet je?" schreeuwde hij zoo hard hij
+kon. "Houdt iemand me soms voor den gek, of hoe is het? Kom voor den
+dag, als je durft, dan zal ik je mores leeren!"
+
+Maar het bleef nog altijd even stil. Flipsen liep langs de ramen,
+maar hij zag niemand, en in den draad had hij geen erg, omdat Dik
+dien vlug zoover had afgekluwd, dat hij slap neêrhing. Toen liep
+Flipsen den tuin in, en keek overal nauwlettend rond, maar Dik,
+die doodbedaard eenige late bessen oppeuzelde, zag hij niet.
+
+"Ik denk, dat ik met den een of anderen kwâjongen te doen heb,"
+mompelde hij eindelijk, terwijl hij weer naar binnen ging, "maar ik
+zal hem wel krijgen, wacht maar!"
+
+Zoodra hij in huis was, zocht hij een dikken stok, en legde dien bij
+zich op de tafel.
+
+"Zie je ook niets?" vroeg zijne vrouw.
+
+"Neen, nog niet, maar ik zal hem wel krijgen!"
+
+Hij bleef bedaard wachten, en het duurde ook niet lang, of het
+begon weer.
+
+"Rikketik, rikketik, rikketik!"
+
+Hij greep den stok, en vloog naar buiten. Eerst langs de ramen,
+maar daar was niets; toen den tuin door en den weg op.
+
+"Daar is hij! Daar is hij!" klonk het plotseling aan alle kanten,
+en zoo hard zij konden, stoven de jongens uit elkaar. De veldwachter
+snelde hen na.
+
+"Ha, rakkers," schreeuwde hij, "nu is het mijne beurt!"
+
+Maar de goede man had zich misrekend. In een oogenblik sprongen de
+jongens hekken en hagen over, en verborgen zich in alle hoeken en
+gaten, en door de duisternis kon Flipsen hen niet vinden. Ze waren
+spoorloos verdwenen. Neen, wacht, daar hoorde hij er een heel zacht
+aankomen. Snel verborg hij zich achter een boom. Het geluid kwam
+al nader, en eindelijk klonk het vlak bij hem. Hij sprong pijlsnel
+vooruit, en greep den ondeugd bij den kraag.
+
+"Ha, schelm!" schreeuwde hij, "dat had-je niet gedacht, hé? Wacht,
+vriend, ik zal je die grappen eens en voor altijd afleeren!"
+
+"O, neen, neen," huilde de jongen, die niemand anders was dan Bruin
+Boon, "ik heb het niet gedaan, echt niet!"
+
+Nu, dat was waar. Bruin had echt niet meêgedaan, want hij durfde
+niet. Doch toen de jongens zoo lang wegbleven, was hij langzaam
+naderbij gekomen, om te kijken, of ze er nog waren. Maar ongelukkig
+geloofde Flipsen er geen woord van, en in zijne kwaadheid legde
+hij Bruin over de knie, en begon er met zijn stok geducht op los
+te kloppen.
+
+"Daar! daar! daar!" riep hij bij elken slag.
+
+"Au, au, houd op! Au, au, ik heb het niet gedaan! O, o, au, au,
+houd toch op!"
+
+"Daar! daar!" riep Flipsen, wiens woede nog niet bekoeld was. Eindelijk
+liet hij Bruin los, en riep:
+
+"Probeer het nu nog eens, kwajongen, om me voor den gek te houden,
+als je durft!"
+
+"Au, au, o wat doet het zeer, en ik heb het niet eens gedaan!" huilde
+Bruin, terwijl hij zich met beide handen op de pijnlijke plaatsen
+wreef.
+
+"Ja, dat begrijp je!"
+
+"Neen, echt niet, gerust niet! O, wat doet het zeer!"
+
+"Niet gedaan? Nu, wie dan? Zeg jij dan eens, wie het wèl gedaan
+heeft. Gauw wat, of...."
+
+"O, o, ik heb het niet gedaan. Dik Trom en de andere jongens deden het,
+maar Dik het meest. Ik heb het gerust niet gedaan."
+
+"Zoo, zoo, deed Dik Trom het? Nu, weet je, wat jij dan doen moet? Geef
+dat pak slaag dan maar aan hem, en als je niet genoeg hebt, kun-je
+nog meer krijgen, begrepen? En dien Dik zal ik het zelf ook nog wel
+eens betaald zetten, beloof hem dat maar."
+
+Nu, dat was niet noodig, want Dik had alles gehoord.
+
+"Die lafaard!" zei hij tegen de andere jongens, die, toen de
+veldwachter in huis gegaan was, weer uit hunne schuilhoeken te
+voorschijn kwamen, "die lafaard!"
+
+"Nu Dik, maar we hebben toch pleizier gehad, en Bruintje heeft zijne
+straf al te pakken."
+
+"Dat is zoo!" zei Dik. "Jongens, wat kreeg hij een zeldzaam pak
+slaag. Maar nu gaan wij naar huis; ik denk, dat het al laat is."
+
+Een oogenblik later was alles stil op het dorp.
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+FLIPSEN WORDT NOG BOOZER.
+
+
+Den volgenden morgen stapte Flipsen met zijn verkeerde been uit bed. De
+man was meer dan knorrig; hij was kwaad, door en door kwaad. Zijne
+vrouw zag het hem al aan, zoo gauw hij zijn neus buiten de bedgordijnen
+stak en met een verstoord gelaat in de kamer rondkeek.
+
+"O jé," dacht zij, "hij heeft de bokkepruik weer op. Ik zal me maar
+doodstil houden."
+
+"Vrouw, heb je ook heele kousen voor me?" vroeg hij gemelijk. "Gauw
+een beetje, want ik heb haast. Door die verwenschte jongens heb ik
+gisteravond mijn schrijfwerk niet half afgekregen, en aanstonds moet
+de burgemeester het al hebben".
+
+"Heele kousen, man, neen, die heb ik niet. Je begrijpt...."
+
+"Niet? Moet ik dan met gaten in mijne kousen loopen? Ik heb je gisteren
+toch gezegd, dat ze stuk waren? Of moet ik ze misschien zelf stoppen?"
+
+"Neen, Flipsen, dat weet je wel beter, maar door dat leven van gisteren
+tegen de ruiten...."
+
+"Wat drommel, wat hebben die kwâjongens met mijne stukkende kousen
+te maken? Je zeurt leelijk, hoor!"
+
+"Zoo?" zei de vrouw, die nu ook boos werd, "en wat hebben dan die
+kwâjongens met je schrijfwerk te maken, dat je ook niet afhebt? Je
+hebt immers evenmin kunnen werken als ik?"
+
+"Ja, dat is heel wat anders!" bromde Flipsen, uit zijn bed
+stappende. Hij trok de kousen van den vorigen dag weer aan, stapte
+met zijn rechterbeen in zijn linker-broekspijp, wat hem slecht beviel,
+want zoo kon hij zijne broek niet anders dan achterste-voor aankrijgen,
+en dat was zijne bedoeling niet,--wiesch en kleedde zich, en zette zich
+aan tafel, om te ontbijten. Doch het ontbijt stond nog niet klaar,
+want zijne vrouw had zich dadelijk aan het werk gezet, om hem nog
+heele kousen te bezorgen, vóór hij de deur uitging.
+
+Flipsen keek gramstorig rond, en zeide:
+
+"Moet het brood nog gebakken worden, of zijn er geen bakkers meer in
+het land?"
+
+"Wou je je boterham hebben, Flipsen?" zei zijne vrouw opstaande,
+om het noodige daarvoor uit de kast te halen.
+
+"Wel neen, vrouw, ik kan best van den wind leven, net zoo goed ten
+minste als jij."
+
+Zijne vrouw koos de verstandigste partij, en zweeg. Flipsen
+gebruikte zijn ontbijt zoo haastig mogelijk, en zette zich aan zijn
+schrijfwerk. Doch nauwelijks was hij daarmede bezig, of er kwam
+eene boodschap van den burgemeester, dat hij dadelijk op het kantoor
+moest komen.
+
+"Daar heb je 't nu al, met je getalm en je gezeur. Nu moet ik dadelijk
+op het kantoor komen, en mijn werk is nog niet half af. Daar zal
+weer wat voor me opzitten, hoewel dat jou zeker wel koud zal laten,
+dat kan ik me best begrijpen."
+
+"Maar, Flipsen," zeide zijne vrouw, "is het nu mijne schuld, dat jij
+gisteravond je werk niet hebt kunnen afmaken? Neen, man, je weet zelf
+wel beter! Maar weet je, wat je doen moet? Zeg maar ronduit tegen
+den burgemeester, dat die jongens het je zóó lastig gemaakt hebben,
+dat je onmogelijk hebt kunnen werken."
+
+"Wel, nu nog mooier!" riep Flipsen schamper lachende uit. "Zoo onnoozel
+heb ik het nog nooit gehoord! Dus ik, de veldwachter, zou aan den
+burgemeester moeten vertellen, dat de jongens zóó weinig ontzag voor
+me hebben, dat ze me in mijn eigen huis voor den gek komen houden? Ha,
+ha, dommer kan het al niet. Neen, dat nooit! Ik zal ze die grappen
+wel afleeren, en goed ook, geloof dat maar, en bij den burgemeester
+moet ik er me maar doorslaan. Ik ga. Goeden morgen."
+
+Eenige minuten later klopte hij aan de deur van 's burgemeesters
+kamer. Hij had zijn schrijfwerk onder den arm.
+
+"Binnen."
+
+"Morgen, burgemeester."
+
+"Goeden morgen. Heb je het schrijfwerk af? Laat eens zien."
+
+"Ja, burgemeester, ziet u...."
+
+"Heb je het niet af? Dan moet je geen "ja, burgemeester" zeggen. Hoe is
+'t? Heb je het af, of niet?"
+
+"Ja, burgemeester, ziet u...."
+
+"Ja?--Geef dan maar hier."
+
+"Neen, burgemeester, af is het niet, ziet u. Ik...."
+
+"En je zegt van wèl. Houd-je me dan voor den gek?"
+
+"Volstrekt niet, burgemeester, maar...."
+
+"Zeur nu maar niet langer, asjeblief. Dus je hebt het niet af?"
+
+"Neen, burgemeester, af is het niet."
+
+"Zoo, hoe komt dat? Je wist toch, dat er haast bij was?"
+
+"Ja, burgemeester, maar ik ben bijna niet thuis geweest, want de
+jongens worden tegenwoordig zoo brutaal, dat het meer dan erg is,
+en daarom heb ik ze eens goed nagereden."
+
+"Zoo," zei de burgemeester. "Dat is goed. Daar wilde ik je
+juist eens over spreken. En wat hebben ze gisteravond dan zoo al
+uitgevoerd? Vertel me dat eens haarfijn."
+
+"Ja, burgemeester," zei Flipsen, die met zijne leugens in de klem
+begon te raken, "ziet u...."
+
+"Laat dat "ziet u" nu maar weg, asjeblief. Ik zie nog zeer goed,
+dat beloof ik je. Ik zie nu zelfs duidelijk, dat je leelijk staat te
+liegen, is 't zoo niet?"
+
+"Ja, burgemeester, ziet u, ik bedoel.... dat.... weet u...."
+
+"Zwijg nu maar verder, Flipsen. Ik merk het al. Je bent eenvoudig
+te lui geweest, om te doen, wat ik je opgedragen had; je hebt
+waarschijnlijk dood op je gemak hier of daar eene pijp zitten rooken,
+en komt me nu met leugens aan boord, om je baantje weer schoon te
+vegen. Is 't zoo niet?"
+
+"Neen, burgemeester, waarlijk niet! De jongens..."
+
+"O, dus je hebt toch de jongens achterna gezeten?"
+
+"Jawel, burgemeester."
+
+"Zoo.--Zeg me dan maar eens kort en goed, waar ze het meest geweest
+zijn. Zonder omwegen, versta-je?"
+
+"Eerst, burgemeester,--eerst zaten ze,--ziet u, hm, hm, ziet u,--in
+den boom op de markt, en dat had ik ze al zoo dikwijls verboden,
+dat, dat...."
+
+"Zoo.--Eerst in den boom op de markt. En toen?"
+
+"En toen.... en toen.... ziet u, toen later waren ze.... hm, hm,
+later waren ze bij de kerk, burgemeester."
+
+"O.--En wat deden ze daar?"
+
+"Bij de kerk, burgemeester?"
+
+"Ja, daar waren ze immers, zeg je?"
+
+"Jawel, burgemeester. Daar deden ze, hm, hm, ziet u, daar deden
+ze.... hm, hm, niets, burgemeester."
+
+"Zoo, dat is een beetje.--En toen?"
+
+"Toen zijn ze, hm, hm.... ik ben er verkouden van geworden, ziet u."
+
+"Och kom,--en wat deden ze toen?"
+
+"Toen zijn ze, ziet u, toen.... toen gingen ze naar huis."
+
+"En welk kwaad hebben ze dus gedaan?"
+
+"Eerst in de boom, ziet u, en later.... later niets meer."
+
+"Zoo, zoo, Flipsen, je bent er daar leelijk ingeloopen, hoor, want ze
+hebben wel degelijk kwaad gedaan, en niet zoo heel weinig ook. Maar
+ik merk wel, dat jij er niets van weet, en dat je nog liegt op den
+koop toe. Dat gaat me slecht naar den zin, vriendje, dat kan zoo
+niet langer. 't Is een schandaal, zooals die kwade bengels hebben
+huisgehouden, en daar jij het niet gemerkt hebt, zal ik een veldwachter
+zien te krijgen, die wèl opmerkt, wat er voorvalt. 't Spijt me voor
+jou, maar...."
+
+"Ach, burgemeester," viel Flipsen plotseling in, daar hij begon te
+vreezen, dat de burgemeester hem zijne betrekking zou ontnemen, "ach
+burgemeester! neem me niet kwalijk, dat ik het u niet dadelijk gezegd
+heb, maar waarlijk, ik weet maar al te wel, hoever de brutaliteit van
+die bengels gaat, en als ik me er niet zoo voor schaamde, zou ik het
+u wel dadelijk gezegd hebben."
+
+"Wel, wel, is het zoo erg? Nu, vertel dan maar op, en zonder omwegen
+of leugens, versta-je?"
+
+"Jawel, burgemeester. Die rakkers ontzien zich zelfs niet, ons,
+autoriteiten en gezaghebbers, tot mikpunten voor hunne aardigheden
+te kiezen."
+
+De burgemeester begon onbedaarlijk te lachen, zeer tot verbazing
+van Flipsen.
+
+"Zoo, wat hebben ze dan gedaan?"
+
+"Wel burgemeester, ik zat pas te schrijven, of daar begonnen die
+deugnieten bij me aan de ruiten te tikken, zonder ophouden, en zoo
+brutaal mogelijk. En als ik buiten kwam, was er geen jongen meer te
+zien. Dat heeft, tot mijne groote ergernis, den geheelen avond geduurd,
+zoodat ik bijna uit mijn vel sprong, mijn schrijfwerk niet heb kunnen
+afmaken, en ten slotte nog een onschuldige, die toevallig voorbijliep,
+een geducht pak slaag heb gegeven."
+
+"Ha-ha-ha-ha!" lachte de burgemeester. "Die grap is in elk geval niet
+onaardig! En durfde je dat niet vertellen? 'k Vind het toch waarlijk
+zoo erg niet, dat ze jou ook eens in 't ootje nemen, of beschouw jij
+dat als majesteitsschennis?"
+
+"Dat nu juist niet, burgemeester, maar dat ze zelfs bij autoriteiten
+en gezaghe...."
+
+"Och wat, vent, jij met je autoriteiten en gezaghebbers. Ik vind
+de grap kostelijk, onbetaalbaar, dat moet ik zeggen, hoewel ik toch
+dacht, dat jij er den schrik beter in hadt. Maar ik heb je nog wat
+anders te vertellen. Er zijn klachten bij me ingekomen."
+
+"Klachten, burgemeester?"
+
+"Ja zeker, klachten, dat dacht je niet, hè? Eerst heb ik Geurs
+bij me gehad, en die klaagde steen en been, dat de jongens zijn
+boomgaard zoo plunderen. De man was door en door kwaad en vroeg, of
+er geen veldwachter op het dorp was, om te zorgen, dat ieder in het
+rustige bezit kon blijven van hetgeen zijn eigendom is. Hij wilde
+eene aanklacht tegen je indienen wegens plichtsverzuim, en dat is
+geen kleinigheid, Flipsen."
+
+Flipsen vond dat ook, en daar hij er weinig tegen kon inbrengen,
+begon hij zich verlegen achter het oor te krabben.
+
+"En dan is Mulder ook nog hier geweest met dezelfde boodschap. Die was
+ook al uit zijn humeur, en had heel wat noten op zijn zang. Dus je
+begrijpt, dat er een einde aan moet komen. Dergelijke klachten zijn
+voor mij zeer onaangenaam, vooral wanneer men ze voorkomen kan. Het
+dorp is zoo groot niet, of je kunt er wel voor zorgen, dat de jongens
+niet al te baldadig worden, begrepen? Dan moet je je maar wat meer
+moeite getroosten. Als het niet anders kan, moet je maar eens een
+van die knapen onder het raadhuis opsluiten, dan zal de schrik er
+wel voor een geruimen tijd inzitten. Liefst een van de belhamels,
+dat spreekt van zelf. Wie is de ergste?"
+
+"De ergste, burgemeester? Dat is Dik Trom," zei de veldwachter,
+die blijde was, dat hij er toch nog wat van kon zeggen. "Dat is een
+door en door brutale jongen, die alles durft en de andere jongens
+tot allerlei kattekwaad overhaalt, maar hij is haantje de voorste."
+
+"Zoo? Ik vind dien Dik anders zoo onaardig niet, maar dat doet er
+niet toe. Die kwaad doet, moet maar straf hebben, onverschillig wie
+het is. Je kunt nu je schrijfwerk gaan afmaken, en zorg dan verder,
+dat ik geene klachten meer ontvang. Maar daar valt me nog iets in:
+als je er nu toch achterheen zit, let dan wat op mijn tuin ook,
+want we hebben van morgen eenige perziken gemist, die gisteren nog
+aan den boom hingen."
+
+"Jawel, burgemeester."
+
+Flipsen ging in een ander vertrek zijn schrijfwerk afmaken. Hij was
+nu nog veel meer uit zijn humeur, dan toen hij opstond; dat standje
+van den burgemeester had er geen goed aan gedaan.
+
+"Die verwenschte jongens!" mompelde hij. "Wacht maar, dat zal me geen
+tweemaal gebeuren. Snappen zal ik ze, al zou ik er drie nachten voor
+moeten opblijven. En die Dik Trom zal spoediger onder het raadhuis
+zitten, dan hij denkt. Dat beloof ik hem. Van avond zal ik me in alle
+stilte in een van die boomgaarden verschuilen, en als dan de vos niet
+in de val loopt, is mijn naam geen Flipsen. Daar kunnen ze op rekenen!"
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+BOONTJE KOMT OM ZIJN LOONTJE.
+
+
+Toen het 's avonds donker geworden was, begaf Flipsen zich naar den
+tuin van Geurs, en verborg zich daar achter eenig kreupelhout. Het
+regende hard, doch daaraan stoorde hij zich niet.
+
+"Die deugnieten zal ik snappen, al gaat het ook keisteenen regenen,"
+mompelde hij, terwijl hij den kraag van zijne jas opsloeg.
+
+Geduldig als eene kat, die op een muisje loert, bleef Flipsen drie
+uren lang in zijne schuilplaats. Hij had toen geen drogen draad meer
+aan het lijf. Daarom, en ook omdat de jongens nu wel niet meer zouden
+komen, besloot hij, naar huis te gaan.
+
+Den volgenden avond vatte hij post in den tuin van Mulder, doch ook
+daar bereikte hij zijn doel niet.
+
+Den derden avond verschool hij zich achter het huis van den
+burgemeester,--maar hij moest weer onverrichter zake naar huis
+terugkeeren.
+
+De reden hiervan was, dat de jongens hun aanvoerder misten. Dik Trom
+had zich al drie dagen lang niet in het dorp vertoond. Hij had er geen
+lust in, want zijne moeder, die hij zoo innig liefhad, was ernstig
+ziek. Zij had eene longontsteking. Lang zweefde zij tusschen leven
+en dood. Zij leed vreeselijk. Dik verzorgde haar nacht en dag met
+de teederste liefde. Hij ontzegde zich zelfs de noodige rust, om te
+kunnen waken aan hare sponde. Hoe vreesde hij, dat hij zijne lieve
+moeder zou verliezen. Hoe zorgvol waakte hij over haar, met welk een
+angst bespiedde hij haar bleek gelaat, en met welk eene teederheid
+sprak hij haar aan. Doch zij hoorde hem niet; zij kende haar kind niet
+meer. Wat was het Dik bang om het hart! O, als hij haar eens moest
+verliezen! Bij die gedachte welden hem telkens de tranen in de oogen,
+en gaf zijn geprangde boezem zich lucht in een hevig snikken.
+
+Doch dat vreeselijk lot trof hem niet; hij mocht zijne lieve moeder
+behouden. Na negen bange dagen en nachten zei de dokter, dat het
+gevaar geweken was.
+
+"Dat heb je naast God aan je braven jongen te danken, moedertje," zei
+hij tegen vrouw Trom, terwijl hij Dik op den schouder klopte. "Hij
+heeft je onverbeterlijk opgepast en verzorgd. Maar nu moet hij zelf
+wat rust nemen en morgen maar weer eens flink met zijne makkers gaan
+spelen. Dat zal hem opfrisschen."
+
+Toen de dokter vertrokken was, viel Dik zijn moedertje om den hals.
+
+"O, Moeder, wat ben ik blij!" fluisterde hij aan haar oor.
+
+Zijne moeder kuste hem.
+
+"Je bent mijn lieve jongen," zei ze met zwakke stem, terwijl haar de
+tranen in de oogen kwamen. "Als je vader straks thuis komt, moet je
+naar bed gaan, mijn lieveling, anders word je misschien ook ziek."
+
+Wat sliep Dik dien nacht heerlijk. In langen tijd had hij den nacht
+niet zoo rustig doorgebracht. Toch was hij 's morgens al weer vroeg
+bij de hand, want daar zijn vader naar de werkplaats moest, zou Moeder
+anders zonder oppassing geweest zijn. Doch toen Vader 's avonds van
+den arbeid teruggekeerd was, begaf Dik zich voor het eerst sedert de
+ziekte van zijne moeder naar zijne kameraden.
+
+"Wel Dik, hoe is het thuis?" vroeg Jan Vos.
+
+"Gelukkig veel beter, maar Moeder is nog erg zwak, Jan."
+
+"Ze is zwaar ziek geweest, niet waar?"
+
+"Ja, ernstig ziek, maar zeg, jongens, we moesten nu eens een of ander
+spelletje doen. Eigenlijk heb ik net een gevoel, of ik...."
+
+"Of je ook ziek bent?" viel Jan Vos hem in de rede.
+
+"Ha, ha!" lachte Piet van Dril, "Dik ziek? Dat kun-je aan zijn dikken
+buik wel beter zien!"
+
+"Hij heeft de eetkoorts!" riep Jan van Bakel.
+
+"Neen, jongens," zei Dik, "ziek ben ik gelukkig niet, nooit geweest
+zelfs, maar toch heb ik een gevoel, of ik...."
+
+"Nu, of je...."
+
+"Of ik wel een appeltje zou lusten."
+
+"Ha-ha-ha!" lachten de anderen. "Die is goed! Zoo 'n gevoel heb ik
+ook wel. Ik geloof, dat ik er zelfs wel twee zou lusten."
+
+"Hé, dat is vreemd," lachte Dik. "Ik zou er ook wel twee lusten, als
+ze bijzonder lekker waren. Zeg, jongens, zouden die bellefleurtjes
+van Geurs al goed zijn? Verleden week waren ze nog een beetje wrang."
+
+"Hoe weet jij dat, Dik?" vroeg Jan Vos lachend.
+"Ben je bij Geurs op visite geweest?"
+
+"Ja, en ik moet zeggen, dat ik er een prettig tijdje heb doorgebracht,"
+zei Dik met een onnoozel gezicht.
+
+"En was Geurs vriendelijk?" vroeg Jan van Bakel.
+
+"Dat weet ik niet, Jan, ik heb Geurs zelf niet gezien, maar het beviel
+me er toch zeer goed."
+
+"Er was zeker niemand van de familie thuis, is 't wel?"
+
+"Asjeblieft, ze waren allemaal thuis, maar dat hinderde niet."
+
+"Zoo.--Ben je nog binnen geweest?"
+
+"Neen, man, ik ben alleen maar in den boomgaard geweest. Eene andere
+boodschap had ik er niet."
+
+"En hebben ze er niets van gemerkt?"
+
+"Dat denk ik wel, want ik heb er goed mijn best gedaan, dat verzeker
+ik je, doch zoolang ik er was, heb ik niemand gezien. Ze bleven allen
+binnen, wat ik heel vriendelijk van hen vond. Willen we er nog eens
+heengaan, want ik heb wonder veel trek in zoo 'n bellefleurtje."
+
+"Dat is goed; ik ga meê!" zei Jan Vos.
+
+"Ik ook!" riep Piet van Dril.
+
+"En jij, Jan?"
+
+"Jongens, dat weet ik niet," zei Jan van Bakel met een bedenkelijk
+gezicht. "Geurs is lang niet pluis, dat beloof ik je, en ik weet
+zeker, dat hij tegenwoordig op de loer staat. Ik heb zelfs gehoord,
+dat hij bij den burgemeester geweest is, om over ons te klagen."
+
+"Och kom, Jan, laat je niet bang maken. Geurs zal ons gerust niet
+opeten; wij zijn geen appelen. Nu, ga je meê, of durf je niet?"
+
+"Niet durven? Je moet niet denken, dat ik bang ben, in 't geheel niet,
+hoor, maar als je nu vooruit weet, dat ze staan te loeren, dan...."
+
+"Och, kom, gebruik je verstand toch," riep Dik. "Denk je dan, dat die
+man daar avond aan avond in den boomgaard staat? Hij zal wel wijzer
+wezen. En bovendien, 't is geen diefstal. We nemen enkel maar een
+paar appelen weg."
+
+Dik verkeerde werkelijk in de dwaling, dat het ontvreemden van eenige
+vruchten geen diefstal was. Hij zou het ver beneden zich geacht hebben
+een gevonden halven cent, waarvan hij den eigenaar kende, voor zichzelf
+te behouden, en een onrechtmatig verkregen knikker brandde hem in zijn
+zak, maar hij zag er volstrekt geen kwaad in, zoo hier en daar, als
+hij er trek in had, uit een boomgaard wat appelen of peren te kapen.
+
+"Dik heeft gelijk," zei Jan Vos. "Kom, zeg, ga maar gerust meê. Je
+bent in goed gezelschap, hoor."
+
+"Nu, vooruit dan maar," zei Jan van Bakel.
+
+Daar ging het viertal, de brug over en naar het schoolplein. Hier keken
+ze eerst behoedzaam rond, om te zien, of er ook onraad was, staken
+toen het plein over, en verdwenen in een elzenboschje. Dat liepen ze
+dwars door, en nu waren ze nog alleen door eene sloot van den boomgaard
+gescheiden, 't Was intusschen vrij donker geworden, en vooral daar,
+onder de boomen, was het moeilijk, om voor zich uit te zien.
+
+"Zeg, jongens, er is immers geen kou aan de lucht?" fluisterde Dik.
+
+"Ik hoor of zie niets," antwoordden de anderen even zacht.
+
+"Dan er maar over," zei Dik.
+
+Een oogenblik later stonden ze alle vier aan de overzijde van de
+sloot en dus in den boomgaard.
+
+"Jongens," zei Jan Vos, "Dik moet maar beneden blijven, want hij
+kan het slechtst klimmen. Als wij in de boomen klauteren, kan hij de
+appels oprapen, en meteen een oogje in het zeil houden."
+
+"Dat is goed."
+
+Dik hielp hen met zijne krachtige armen vlug in een prachtigen
+appelboom, en al spoedig rolden de appels bij tientallen op den
+grond. Dik raapte, wat hij kon, maar nauwelijks had hij er acht in
+zijne diepe zakken geladen, of daar klonk de stem van Geurs.
+
+"Ha!" schreeuwde deze. "Daar heb ik ze eindelijk, die appeldieven,
+die schelmen! Wacht, die kunsten zal ik je wel afleeren! Trijn,
+mijn geweer! Gauw!"
+
+Doch Geurs wachtte de komst van de meid niet eens af.
+
+Hij stoof naar binnen, en kwam met een geweer in de hand vloekend op
+de jongens af.
+
+Maar dezen hadden gebruik gemaakt van het oogenblik, dat Geurs naar
+binnen ging. Dik wachtte de anderen op, tot ze weer in het gras
+stonden, want hij liet nooit een kameraad in den steek, al kon hij
+ook nog zoo gemakkelijk ontkomen, en als de wind repte het viertal
+zich naar het elzenboschje. Maar nog voor zij de sloot overgesprongen
+waren, hoorden zij Geurs al razend en tierend aankomen.
+
+"O, hij zal schieten," steende Jan van Bakel, die de bangste was van
+de vier.
+
+"Vooruit, niet zeuren!" riep Dik. "Er over!"
+
+Wip! Jan Vos was aan den overkant. Wip! Wip! Dik en Piet van Dril waren
+er ook. Jan van Bakel sprong niet. Hij scheen verbouwereerd te zijn.
+
+"Spring dan toch!" riep Dik.
+
+Daar sprong hij; maar in zijn angst keek hij eerst nog even om, of
+Geurs al dicht achter hem was, en dat was zijn ongeluk. Hij nam nu
+zijn sprong te kort, en kwam midden in de moddersloot terecht.
+
+"Paf!" Daar viel een schot. "Paf!" Nog een.
+
+
+
+------
+FIGURE
+------
+
+
+
+"O, o, ik ben getroffen!" kermde Jan, die naar den kant kroop.
+
+"Geef me eene hand, dan zal ik je er uittrekken!" riep Dik, die
+hem zelfs niet voor een gouden tientje aan zijn lot zou hebben
+overgelaten. "Hier, gauw!"
+
+"Wacht, jullie schelmen!" schreeuwde Geurs aan den anderen kant van
+de sloot. "Daar heb ik je eindelijk!"
+
+Maar zoo ver was het nog niet. Dik en de anderen trokken Jan van
+Bakel uit de modder, en snelden het boschje in. Dik trok Jan met
+geweld voort, in de stellige meening, dat deze getroffen was. Achter
+de school hielden zij stand.
+
+"Jan, waar doet het je pijn?" vroeg Dik.
+
+"O, dat weet ik niet," huilde Jan, terwijl de modder hem van de
+kleeren droop.
+
+"Maar als je getroffen bent, moet het je toch ergens pijn doen?" zeiden
+de andere jongens.
+
+"Och ja, dat weet ik wel, maar ik ben zoo geschrokken," kreunde Jan.
+
+"Dat is niet erg, als je maar niet getroffen bent. Je bent anders lang
+geen held, dat verzeker ik je. Dus hij heeft je echt niet geraakt?"
+
+"Neen, geraakt niet, maar de kogels vlogen me toch om de ooren."
+
+"Zoo," zei Dik. "Weet je wat, ga maar naar huis; dat is in elk geval
+het beste voor je."
+
+Jan van Bakel droop in een dubbelen zin af, en de andere jongens
+wandelden het dorp weer in. Plotseling zei Dik:
+
+"Ik begin te gelooven, dat we ons leelijk bang hebben laten maken
+door niemendal."
+
+"Hoe dan?" vroegen zijne makkers.
+
+"Wel, je begrijpt toch, dat Geurs geen hagel op ons durft afschieten;
+hij zal wel los kruit gebruikt hebben."
+
+"Jongen, Dik, dat weet ik nog zoo net niet. Als hij nuchter was,
+dan wel, maar een dronken mensch doet wel meer dingen, daar hij later
+spijt van heeft, en Geurs is niet dikwijls nuchter."
+
+"Dat is waar," zei Dik. "Doch hoe het ook zij, aan zijne appeltjes
+zullen we ons niet ziek eten. Hier heb ik ze; er zijn er acht. Dat
+is voor ieder twee."
+
+"Dan schieten er twee over, Dik," zei Piet, "wie moet die dan
+hebben? We zijn immers met ons drieën."
+
+"En Jan van Bakel dan?" vroeg Dik.
+
+"O, die is er niet, en bovendien zal zijn vader nu wel een ander
+appeltje met hem schillen. Ik wed, dat hij er geen eens trek meer
+in heeft."
+
+"Ja, dat geloof ik ook wel, maar toch, eerlijk is eerlijk. Ik vind,
+dat we ze voor hem moeten bewaren. Ze komen hem eerlijk toe."
+
+"Je hebt gelijk, Dik, die appels zijn van hem. Laten we ze hier bij
+dezen boom neêrleggen, met een weinig zand er over, dan kunnen we ze
+hem morgenochtend geven."
+
+"Goed," zeiden Piet en Dik.
+
+Zij begroeven de twee appels op de aangeduide plaats en wandelden
+weer verder, terwijl ze de geroofde waar met ijver naar binnen werkten.
+
+"Nu, smaken ze niet goed?" vroeg Dik op den toon van iemand, die er
+trotsch op is, anderen eene weldaad te hebben bewezen.
+
+"Of ze!" zei Piet van Dril. "Ik wou, dat ik er nog maar een stuk of
+wat had."
+
+"En ik!" riep Jan Vos. "Hoewel, ik moet eerlijk zeggen, dat ze toch
+lang zoo lekker niet zijn, als de perziken van den burgemeester."
+
+"Perziken?" vroeg Dik. "Heeft de burgemeester dan een perzikboom? Dat
+wist ik niet."
+
+"Een mooien, hoor. Ik geloof zeker, dat er wel meer dan tweehonderd
+aanzitten," zei Jan.
+
+"Hoe weet je dat?"
+
+"Wel, toen we laatst den veldwachter zoo geplaagd hadden, ben ik
+bij den burgemeester nog even in den tuin gaan kijken, en zoo heb
+ik het gemerkt. Jongen, jongen, wat waren ze lekker; ik heb er drie
+opgepeuzeld."
+
+"Dus je weet er goed den weg, hè?" vroeg Dik.
+
+"Ja, waarom?"
+
+"Wel, dan moesten we er, dunkt me, ook eens van proeven. Het zou toch
+al wonder toevallig zijn, als we daar weer gesnapt werden."
+
+"Mij goed," zei Jan Vos, "ik durf wel."
+
+"Ik weet het niet; 't lijkt wel, of de schrik er bij mij een beetje
+in zit," sprak Piet van Dril.
+
+"Den moed niet zoo gauw opgeven, Piet," zei Dik. "Willen we het doen?"
+
+"Nu, vooruit dan maar weer!"
+
+"Vooral voorzichtig wezen, jongens," zei Dik, "want we komen nu in
+het hol van den leeuw."
+
+"Ik zou ten minste niet graag gesnapt worden, Dik,--en jij?"
+
+"Dank je hartelijk!"
+
+Spoedig bereikten de jongens het raadhuis. Daar naast woonde de
+burgemeester. Tusschen de beide gebouwen in lag een grasveld, dat met
+boomen beplant was. Dat veld overstekende, kwamen ze aan eene breede,
+dichte haag, welker scherpe dorens hun het doordringen onmogelijk
+maakte.
+
+"Gaat maar meê, jongens," fluisterde Jan Vos. "Achteraan is een gat,
+waar we gemakkelijk doorheen kunnen kruipen."
+
+De jongens liepen de haag langs, tot aan de achterzijde van den tuin.
+
+"Hier is het," fluisterde Jan. "Ik zal er wel het eerst doorgaan;
+volgt me maar."
+
+Jan kroop er door, toen Dik, en daarna Piet. Nu stonden ze in den
+tuin van den burgemeester, 't Was pikdonker geworden, zoodat Dik en
+Piet bijna niet konden zien, waar Jan liep. Niemand had er ook erg in,
+dat Flipsen aan den anderen kant van de haag langzaam naderbij sloop.
+
+"Blijft maar dicht achter me," zei Jan Vos zacht. "Hier is een smal
+pad. Je merkt toch geen onraad?"
+
+"Ik zie niets," zei Dik. "Maar waar staat nu die boom?"
+
+"Tegen den muur van het huis, vlak bij den regenbak."
+
+"Jongens, wat is het hier donker; zouden we maar niet
+terugkeeren?" vroeg Piet van Dril, die zich niet op zijn gemak
+gevoelde.
+
+"Wel neen, Piet," zei Dik. "We zijn er nu zeker dadelijk, is 't
+niet, Jan?"
+
+"Ja, zoo aanstonds! Nu dezen kant op. Hier hebben we hem!"
+
+"Ha, wat een prachtige boom! Hier heb ik al wat!" fluisterde Dik in
+verrukking. "Plukken, hoor, haast je je niet, dan heb-je niet!"
+
+Nu, de drie jongens deden hun best. In een oogenblik waren Dik's zakken
+meer dan vol; de perziken vielen er haast uit. Bij Jan en Piet evenzoo.
+
+"Ben je klaar?" fluisterde Dik.
+
+"Dadelijk, wacht nog heel eventjes," zei Piet, wiens moed begon te
+herleven, en die er het zijne nu eens goed van wilde nemen.
+
+Doch dat oogenblik wachten werd hun noodlottig, want achter het huis
+kwam de veldwachter op de teenen aansluipen. Behoedzaam verborg hij
+zich achter den regenbak.
+
+"Hoor ik daar niets?" vroeg Jan Vos.
+
+"Ik meende ook iets te hooren," zei Dik. "Laten we ons in elk geval
+uit de voeten maken."
+
+Zacht namen zij den terugtocht aan, maar toen zij langs den regenbak
+kwamen, sprong plotseling Flipsen uit zijn schuilhoek te voorschijn.
+
+"Wacht, deugnieten, nu heb ik...."
+
+Pof, daar viel hij, zoo lang als hij was, voorover op den grond. Zijn
+voet was in den ketting van het akertje verward geraakt.
+
+"Au!" riep hij. "Verwenschte jongens!"
+
+Hij krabbelde overeind, en snelde de knapen na, die al bijna het
+gat in de haag hadden bereikt. Jan Vos en Piet van Dril, die vlugger
+konden loopen dan hun makker, kropen er het eerst door, waarvan het
+gevolg was, dat Dik een oogenblik moest wachten, en zich door den
+veldwachter bij den kraag voelde grijpen.
+
+"Ha, hier heb ik er een! Wie ben jij? Wacht, ik zie het al, net de
+rechte! Nu is het mijn beurt, manneke!" Maar vóór Flipsen er erg in
+had, rukte Dik zich onverwachts los, en zette het op een loopen. De
+veldwachter hem na! Dik liep den tuin door, het huis om en den weg op,
+in de richting van zijn ouderlijk huis, maar ongelukkig kon hij niet
+snel genoeg uit de voeten, en weldra hoorde hij Flipsen weer achter
+zich. Al meer en meer won deze op hem, en eindelijk werd Dik voor de
+tweede maal gegrepen.
+
+"Nu zal je me niet meer ontsnappen, baasje. Allo, meê, onder het
+raadhuis! Voort! Daar mag-je appels en peren stelen, zooveel je maar
+wilt, en aan de ruiten tikken ook! Sla ze maar niet stuk, ha-ha-ha!"
+
+Dik sprak geen woord, en liet zich gewillig meêvoeren. Spoedig hadden
+zij de deur der zoogenaamde gevangenis bereikt. Flipsen opende haar,
+en duwde zijn gevangene naar binnen. Flap, de deur sloeg dicht,--en
+Dik was alleen.
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HOE DIK OP VRIJE VOETEN GERAAKTE EN EEN GOED BESLUIT NAM.
+
+
+Het was daarbinnen pikdonker. Dik kon geen hand voor oogen zien. Hij
+bleef eerst een oogenblik bij de deur staan, en deed toen een paar
+stappen vooruit. Weldra bemerkte hij, dat hij nog niet in de eigenlijke
+cel aangekomen was, maar eerst nog eene trap moest afdalen. Nu, dat
+afdalen was nog al te doen want de trap, die geheel van steen was,
+telde maar vijf treden. Dik ging op den tast naar beneden, en kwam nu
+in een duf hok, waarin slechts een enkel venster was, maar natuurlijk
+zonder glas. Het was een vierkant gat met een dikken, ijzeren bout er
+voor, die hem alle hoop benam, om te ontvluchten. In den hoek stond
+een steenen bankje. Een paar bossen stroo op den grond verspreidden
+een muffen geur en konden Dik volstrekt niet verleiden, zijne dikke
+ledematen er op uit te strekken. Hij ging op de steenen bank zitten.
+
+"Jongen, Dik," zei hij, "die Flipsen is toch handiger, dan je dacht,
+'t Is een leelijk geval. Wat zal Moeder schrikken, als ze merkt, dat ik
+niet thuis kom. 't Zou me wat waard zijn, als ik hier goed en wel weer
+uit was. En Moeder is nog zoo zwak; het is best mogelijk, dat zij weer
+zieker wordt, als zij hoort, dat ik hier opgesloten zit. Ik hoop maar,
+dat Jan en Piet het bij mij thuis verteld hebben, en dat Vader het voor
+Moeder verzwijgt. Doch neen, dat zal wel niet kunnen, want Moeder zal
+wel geen rust hebben, voor zij het naadje van de kous weet. 't Is een
+leelijk geval. 'k Wou, dat ik die heele historie maar niet begonnen
+was, dan zat ik nu misschien kalm en wel thuis. Als het nu met Moeder
+erger wordt, heb ik het op mijn geweten. Zouden ze nog proces-verb...."
+
+"Dik, zit je hier?" hoorde hij plotseling heel zacht vragen. Het
+geluid kwam door het venstergat.
+
+"Ja! Ben jij daar, Jan?"
+
+"Ja, Piet ook. Ben je niet bang?"
+
+"Neen, bang niet, maar wel ongerust, over Moeder, weet je. Ze is
+nog zoo zwak, en zal zeker hevig ontstellen, als zij het hoort. Ik
+ben erg blij, dat je me niet in den steek laat. Heb-je het bij me
+thuis verteld?"
+
+"Neen, nog niet. We hebben gewacht, tot Flipsen naar huis ging,
+en zijn toen dadelijk hierheen gekomen."
+
+Jan en Piet lagen plat op den grond, met hun hoofd voor de
+tralie. Het venster was laag bij den grond, ongeveer zoo lag als
+een keldervenster. De gevangenis was trouwens niet veel meer dan een
+kelder, en diende alleen, om bedelaars of dronkaards voor ten hoogste
+één nacht op te sluiten.
+
+"Ik zit hier leelijk, hè? Hoe laat zou het al wezen?"
+
+"'t Is half negen. De klok heeft pas geslagen," zei Piet.
+
+"Zeg Dik," zei Jan, "als die tralie er maar niet was, dan kon je best
+door dit gat kruipen, en naar huis gaan."
+
+"Ja," zei Dik, "maar die tralie is er."
+
+Piet van Dril, wiens vader smid was, vatte het ijzer aan, en begon
+er met kracht aan te trekken.
+
+"'t IJzertje zit goed vast, hè Piet?" vroeg Dik.
+
+"Niet erg!" antwoordde deze. "Ik kan het gemakkelijk heen en weer
+bewegen. De bout is sterk genoeg, maar het kozijn niet. Dat is al
+tamelijk vermolmd. Heb-je geen mes?"
+
+"Of ik," zei Dik, wiens moed begon te herleven, "en een goed
+ook. Hier! Zou je het los kunnen krijgen?"
+
+"Dat zullen we probeeren, Piet!" riep Jan Vos vol vuur. "'t Zou me
+wat waard zijn, om je er uit te krijgen, jô! Wacht, ik heb ook nog
+een mes. Kijk, het wordt lichter ook. De maan komt op."
+
+Jan en Piet togen met moed aan het werk. Dik volgde met de grootste
+belangstelling al hunne bewegingen, en begon onderwijl eene perzik
+op te eten.
+
+"Ik geloof, dat jelui prachtig opschiet," zei hij, terwijl hij het
+sap van zijne kin veegde. "Dat maantje komt ons nog bij tijds een
+handje helpen."
+
+"'t Gaat best, Dik, 't gaat uitstekend!" riep Piet van Dril op
+gedempten toon. "Kijk maar, de stang zit al losser. Over tien minuten
+kunnen we haar er uit halen."
+
+"Hoera!" riep Dik, terwijl hij van pleizier in het rond sprong. "Wat
+ben ik daar blij om, vooral om Moeder, en wat zal die Flipsen morgen
+raar kijken, als de vogel gevlogen is!"
+
+"Dat begrijp je!" lachte Jan Vos. "Hij zal razend wezen!"
+
+"Toe, Jan, niet babbelen," riep Piet, "voortwerken, zoo hard we
+kunnen. Kijk ik al eens een grooten hoop molm hebben, 't Lijkt wel
+turf. Zeg, Dik, je opvolger zal zoo gemakkelijk niet ontsnappen,
+want ze zullen het morgen wel wat sterker maken, denk ik."
+
+"Ja, maar ik ben er ook nog niet uit! Zou het echt gelukken?"
+
+"Wacht nog maar een oogenblik. Kijk, de stang zit al los."
+
+Jan schudde haar nu al met gemak heen en weer, wat Dik zoo 'n pleizier
+deed, dat hij opnieuw begon te springen. De jongens werkten ijverig
+voort. De hoop molm werd voortdurend grooter, en eindelijk zei Piet:
+
+"Laten we 't nu eens probeeren, Jan. Eerst zoo hoog
+mogelijk opschuiven, en dan het ondereinde uit de gleuf
+lichten. Een--twee--drie!"
+
+Zij spanden al hunne krachten in, en krak!....
+
+"Hoera, Dik, 't is gelukt! Kom er nu maar gezwind uit!"
+
+"Prachtig, heerlijk!" riep Dik. "Maar zeg, ik ben er nog niet
+uit. Mijne armen en mijn hoofd kan ik er wel doorsteken, maar meer
+niet. Ik heb hier niets, waarop ik staan kan."
+
+"Kom maar, we zullen er je wel uittrekken, maar 't zal wel pijn doen,
+vrees ik."
+
+"Dat hindert niet; voor een paar schrammen ben ik niet bang."
+
+Dik stak zijne armen en zijn hoofd door de opening. Jan en Piet pakten
+hem stevig beet, en trokken hem naar boven, 't Was een tamelijk zwaar
+vrachtje, en de opening bleek nauwelijks groot genoeg. Dik vulde haar
+geheel met zijn lichaam.
+
+"Hè-hè! Dat is zwaar! Ik moet even rusten," zei Jan.
+
+Dik hing nu halverwege buiten het kozijn. Zijne beenen hingen nog in
+de donkere ruimte achter hem.
+
+"Kom Piet, vooruit maar weer!"
+
+"Trekt maar, zoo hard je kunt," riep Dik. "Doet maar gerust, of je
+thuis bent; je behoeft me niet te ontzien."
+
+De jongens trokken uit alle macht, maar toch ging het den
+slakkengang. Dik was te dik, en daarbij zaten zijne zakken zoo vol
+perziken, dat hij nog dikker was dan gewoonlijk.
+
+"Trekken, trekken!" riep hij.
+
+"Daar komt volk aan!" riep Jan Vos plotseling, "'t Is Flipsen. Maak,
+dat je wegkomt, Piet!"
+
+In een oogenblik waren zij verdwenen. Ze kropen achter eene haag, dicht
+bij het raadhuis, vanwaar ze alles konden hooren en zien. Flipsen kwam
+naderbij met nog een bos stroo en eene kan water. Daar viel zijn oog
+op Dik, die niet achter- of vooruit kon. De andere jongens had hij
+niet gezien.
+
+"Ha-ha!" riep hij lachend. "Daar kom ik juist van pas. Wou je me
+ontsnappen, m'n jongen? Wacht, ik zal je helpen. Ik ben zoo kwaad
+nog niet, als je wel denkt."
+
+Hij pakte Dik beet en trok zoo hard hij kon, maar de perziken hielden
+den gevangene tegen. Hij kon er Dik onmogelijk doorkrijgen.
+
+"Zoo, baasje, je hebt je daar leelijk vastgewerkt. Die tralie was voor
+jou niet noodig, merk ik wel. Je kunt er toch niet uit. Ha-ha-ha! Dat
+is grappig! Wacht, m'n beste jongen, ik kom bij je; dan zal ik je
+aan den anderen kant wel helpen. Hier heb ik meteen een bed voor
+je. Ha-ha-ha!"
+
+De veldwachter nam het stroo weer op, ontsloot de deur en trad het
+hok binnen. Nauwelijks was hij daar, of Jan Vos sprong voor den dag,
+en zei:
+
+"Kom Piet, we moeten Dik niet aan zijn lot overlaten. Laten we
+probeeren, wie het hardst trekken kan, Flipsen of wij."
+
+Jan en Piet pakten Dik opnieuw beet, en trokken wat zij konden. De
+veldwachter nam hem bij de beenen, en trok ook uit alle macht. Het
+gevolg was, dat Dik bleef, waar hij was, en het mooiste was nog,
+dat Flipsen niet eens merkte, dat Dik daarbuiten helpers had. Hij
+zette zijne beide beenen tegen den muur, en trok met geweld aan Diks
+broekspijpen, die nog altijd bijzonder wijd waren.
+
+"Laat me eventjes los, jongens," fluisterde Dik, die een nieuwen
+inval kreeg, en niet zoodra had hij zijne handen vrij, of hij maakte
+met groote behendigheid de draagbanden los, waaraan zijne broek
+was bevestigd.
+
+"Trekt nu!" zei hij, zijne handen uitstekende.
+
+Dat geschiedde, en wel met het zotte gevolg, dat Flipsen met Diks
+broek in de hand achterover tegen den muur bonsde, en Dik zonder
+broek naar buiten gleed.
+
+"Hoera!" riep hij. "Nu zit de oude rat zelf in de val!"
+
+Vlug liep hij naar de deur, en vóór Flipsen zich nog goed van den
+schrik hersteld had, trok Dik de deur op slot, en maakte zich met
+zijne trouwe helpers uit de voeten.
+
+"Nu naar huis toe, jongens!" riep hij, "voor we ten derden male
+gesnapt worden!"
+
+Vijf minuten later stond hij voor zijne woning. Toch scheen hij nog
+geene lust te hebben, om naar binnen te gaan, althans, hij opende de
+deur niet.
+
+"Zou Moeder niet schrikken, als ik zoo half gekleed thuis
+kom?" mompelde hij. "Als ze gezond was, zou ze zeker om het
+voorgevallene lachen, maar nu--neen, nu gaat het niet. En dien Flipsen
+kan ik daar toch ook niet laten zitten. Ik weet nu bij ondervinding,
+hoe onaangenaam het er is. Neen, dat gun ik den man toch niet, al is
+hij een beetje lastig. Ik zal hem er weer uitlaten. Zijne vrouw maakt
+zich anders misschien ook nog ongerust, en zij is een goed mensch. Zij
+heeft Moeder in de laatste dagen dikwijls hare belangstelling
+getoond. Alleen reeds daarom zou ik Flipsen er uitlaten."
+
+Dik keerde naar het raadhuis terug. In de verte hoorde hij Flipsen
+al om hulp roepen.
+
+"Help, help!" klonk het. "O! die rakkers! Die schelmen! Help!"
+
+"Hier ben ik al, Flipsen!" zei Dik, zich voor het gat plaatsende. "Als
+je mij belooft, dat ik vrij naar huis mag gaan, zal ik je verlossen."
+
+"Vrij?" schreeuwde Flipsen. "Dat nooit, nooit, versta-je? Jou
+aartsschelm! Wacht maar, ik zal je wel krijgen!"
+
+"Nu, Flipsen, dan blijf je er in, dat begrijp je. 't Spijt me
+wel, want ik zou je graag vrijlaten. Ik ben met dat doel alleen
+teruggekomen. Maar als je niet wilt, moet je het zelf weten. Goeden
+avond."
+
+Dik keerde zich om, en wilde vertrekken.
+
+"Ho, ho, Dik, zoo bedoel ik het niet!" riep Flipsen, die nu begreep,
+dat het Dik ernst was. "Ik dacht, dat je gekomen waart, om den spot
+met me te drijven, maar als je het werkelijk meent, is het wat anders."
+
+"Ik meen het," zei Dik ernstig. "Ik weet nu bij ondervinding, hoe
+onaangenaam het daarbinnen is, en zie je, ik kan het niet van me
+verkrijgen, om je hier den geheelen nacht te laten zitten. Maar eerst
+moet ik mijne broek hebben."
+
+"Hier is ze, Dik," zei Flipsen, haar door het gat stekende. Dik trok
+haar dadelijk aan.
+
+"Laat mij er nu uit, Dik," vroeg Flipsen.
+
+"Maar wie waarborgt mij dan, dat je me niet dadelijk weer zult
+opsluiten? Je kunt veel harder loopen dan ik."
+
+"Ik beloof het je, Dik. Een anderen waarborg kan ik je niet geven. Toe,
+laat mij er nu uit."
+
+"Kun-je de deur van binnen openen, als ik je den sleutel geef?"
+
+"Ja, geef maar hier."
+
+Dik haalde den sleutel uit het slot, en wond er een dun touwtje om,
+dat hij stevig vastknoopte.
+
+"Hier heb-je hem, Flipsen. Eer je het touwtje er af hebt, ben ik
+thuis."
+
+"Je behoeft me anders niet te wantrouwen, Dik, want eene belofte
+breek ik nooit. Maar zoo is het ook goed."
+
+Dik gaf den sleutel en ging naar huis.
+
+Toen hij binnentrad, lag Moeder in eene lichte sluimering, en Vader
+zat met de handen onder het hoofd bij de tafel te dommelen. Beiden
+ontwaakten door zijne komst. Dik ging naar het bed zijner moeder.
+
+"Hoe is het nu met u?" vroeg hij.
+
+"Veel beter, Dik, veel beter, maar nog zwak."
+
+"O, dat zal elken dag wel wat beter worden. Wil u niet wat eten,
+voor we naar bed gaan?"
+
+"Neen kind, dank-je, ik heb volstrekt geen eetlust. Alleen heb ik trek
+in een lekker, zacht peertje. Zouden de onze nog niet rijp zijn? Of
+zijn ze al opgegeten?"
+
+"Neen, Moeder, zeker niet. We hebben ze juist voor u aan den boom
+gelaten. Wil ik er een paar halen? Er zitten er twaalf aan; ik heb
+ze van middag nog geteld."
+
+"Ja, Dik, dat is goed. Ik heb er veel trek in. Mijn mond is zoo droog."
+
+Dik ging naar buiten. In den tuin, achter het huis, stond een klein
+pereboompje, dat zijn vader daar een paar jaar geleden geplant
+had. Meer vruchtboomen bezaten zij niet. Het vorige jaar had het
+boompje nog geene vrucht gedragen, maar dezen zomer waren er twaalf
+heerlijke peren aan gegroeid. Dik had er al menigmaal een begeerigen
+blik op geworpen, maar hij had er toch geen van opgegeten, waar hij
+thans dubbel blijde om was, omdat zijne zieke moeder er nu zooveel
+genot van hebben kon.
+
+Hij liep het huis om, en kwam in den tuin. Doch plotseling bleef hij
+staan. Hoorde hij daar geen geritsel in den tuin? Ja, zie, daar vlogen
+donkere gedaanten langs hem heen. Het waren jongens, die bij zijne
+komst de vlucht namen. Weldra waren ze in de duisternis verdwenen.
+
+Dik vloog naar het pereboompje. Zouden de jongens die heerlijke
+peren gestolen hebben, juist nu zijne moeder er zulk eene behoefte
+aan had? Ja waarlijk, zij waren verdwenen. Hoe hij ook zocht, hij
+kon er geen enkele vinden.
+
+Tranen van spijt kwamen hem in de oogen. Zoo gaarne zou hij Moeder
+die versnapering hebben aangeboden, en nu waren zij gestolen.
+
+"'t Is gemeen!" riep hij met gebalde vuisten, "'t Is slecht, maar ik
+zal...." Doch plotseling zweeg hij, en het schaamrood bedekte hem
+de kaken. "Ik heb het zelf ook gedaan," mompelde hij. "Ik ben even
+slecht als zij, ik ben ook--een dief, een leelijke dief! O, ik gevoel
+nu eerst goed, hoe slecht het van mij was, en ik weet nu, dat stelen
+stelen is, onverschillig of het een gulden betreft of een appel. Maar
+het zal mij nooit weer gebeuren; een dief wil ik niet wezen!"
+
+Met loome schreden ging hij naar binnen, en met neergeslagen oogen
+zeide hij, wat er gebeurd was. Voor de eerste maal van zijn leven
+durfde hij Moeder niet in de eerlijke oogen te zien, en hij gevoelde
+zich, alsof hij zelf haar de peren ontstolen had. Hij had zooveel
+berouw over hetgeen dien avond gebeurd was, dat hij er bijna den
+geheelen nacht niet van slapen kon. Na dien tijd stal hij nooit weer.
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+PAARDEN EN EZELS.
+
+
+In het volgende voorjaar ging Dik van school, en niet hij alleen,
+maar ook bijna alle kinderen, die gelijk met hem op school gekomen
+waren. Piet van Dril kwam bij zijn vader in de smederij, waar hij
+gewoonlijk met een zwart gezicht aan de blaasbalg stond te trekken,
+of zóó lustig met een zwaren hamer op het gloeiende ijzer sloeg,
+dat de vonken door de smidse spatten. Zijn vader beweerde, dat er
+een flinke smid van hem zou groeien.
+
+Jan Vos kwam in de leer bij Langerijs, den metselaar. Zijn voornaamste
+werk bestond gedurende het eerste jaar in steenen aandragen en kalk
+maken. Deze bezigheid werd de oorzaak, dat hij altoos net zoo wit zag,
+als Piet van Dril zwart, 't Was dan ook een mal gezicht, als die twee
+soms samen over den weg liepen.
+
+"Precies de dag en de nacht, die elkaar een handje geven," zei Dik
+dan, als hij hen tegenkwam. Doch hoe ze er ook mochten uitzien,
+zij waren degelijke jongens, die flinke mannen beloofden te worden.
+
+Bruin Boon kwam bij zijne moeder in "de zaak", welke bestond uit een
+klein winkeltje in kruidenierswaren, bijna zonder klanten. Hij moest nu
+elken dag "den boer op", om nieuwe klanten te winnen en de zaak aldus
+uit te breiden. Zijne moeder kocht hem een ouden ezel, die bijna even
+lui was als haar veelbelovende zoon, liet eene kar maken en stuurde
+hem nu elken dag er op uit. Maar van zaken doen kwam niet veel. Hij
+dobbelde liever met de jongens, die hij tegenkwam, en ging al gauw in
+de kleine herbergen buiten het dorp zijn tijd verluieren, en het geld
+zijner moeder verkwisten. De ezel had een allertreurigst leven bij
+hem, want het arme dier kreeg veel meer slaag dan eten. Geen wonder,
+dat het beest op 't laatst zoo koppig werd, dat Bruin er niets meer
+van gedaan kon krijgen.
+
+Dik, die volstrekt geen lust had om, evenals zijn vader, timmerman te
+worden, had eerst in het geheel niet geweten, wat hij worden zou. Niet
+alleen in het timmeren schepte hij geen behagen, maar er werd ook geen
+enkel ander vak op het dorp beoefend, dat hem aantrok. Eindelijk kreeg
+hij een baantje, dat hem aanstond. Hij werd door den ouden dorpsdokter
+in dienst genomen. Deze had zulk eene uitgebreide praktijk en zijne
+patiënten woonden zoover uit elkander, dat hij verplicht was paard
+en rijtuig te houden. Zijn paarden en rijtuigen moesten er altoos
+keurig netjes uitzien, daar was hij op gesteld. Wijl nu zijn oude
+koetsier sukkelend was geworden en hoogstwaarschijnlijk nooit weer
+geheel herstellen zou, zag de dokter zich genoodzaakt, andere hulp
+te zoeken, en omdat Dik uitstekend met paarden kon omgaan, had de
+dokter het oog op hem laten vallen. Nu had Dik een leventje naar
+zijn zin. 's Morgens moest hij eerst de rijtuigen schoonmaken en
+de paarden uit het land halen, of, als het winter was, den stal in
+orde brengen. Dan spande hij in, om den dokter naar zijne patiënten
+te rijden, die soms wel twee of drie uren buiten het dorp woonden,
+en als hij dan 's middags thuis kwam, hielp hij pillen en poeders,
+drankjes en zalfjes klaarmaken.
+
+De dokter begon al spoedig veel van Dik te houden. Geen wonder
+ook! Dik was ijverig en flink, en bij alles wat hij deed, behulpzaam
+en beleefd. Hij stond altijd klaar om in te spannen, zelfs midden in
+den nacht, en het gebeurde nog al eens, dat de dokter dan geroepen
+werd. Bovendien was hij opgeruimd en vroolijk van aard, wat de dokter
+prettig vond, omdat hij het zelf ook was. Één ding beviel den ouden
+heer echter maar half, en hoeveel moeite hij ook deed, om het Dik
+af te leeren, het gelukte hem niet. Dik had namelijk de gewoonte om,
+als hij op den bok van het dokterskoetsje zat, tegen bijna iedereen
+een praatje te maken of eene grap te verkoopen, wat uit den aard der
+zaak niet fluisterend kon geschieden. Het ging den dokter dan ook
+veel te luidruchtig en maakte hem soms wel knorrig.
+
+"Dik, geen praatjes maken op den bok, asjeblieft!" klonk het dan
+gewoonlijk. "Begrepen?"
+
+"Jawel, dokter."
+
+"Ik wil het nu volstrekt niet meer hebben, hoor-je? 't Staat in het
+geheel niet netjes."
+
+"Ja, dokter."
+
+"Ik heb het je nu al zoo dikwijls gezegd, dat je het wel eens onthouden
+mocht, dunkt me."
+
+"Ja, dokter."
+
+"Jawel, jij geeft me altoos gelijk, dat weet ik wel, maar een oogenblik
+later doe je het toch weer, en dat verkies ik niet langer."
+
+Nu, Dik deed dan ook wel zijn best, maar het duurde nooit lang, of
+hij verviel weer in zijne oude gewoonte, vooral wanneer hij goede
+kennissen tegenkwam.
+
+Eens op een schoonen zomer-namiddag reed Dik het dorp uit, om den
+dokter naar een zieke te brengen, die op grooten afstand van het
+dorp woonde. Het zonnetje blonk aan den blauwen hemel en deed het
+koper flikkeren, dat zich aan het tuig van het paard bevond. Lustig
+liet Dik zijne lange zweep door de lucht klappen, zoodat de musschen
+verschrikt uit de boomen opvlogen, en Zwart de ooren tot bijna op
+den nek terugtrok, en liep, wat hij loopen kon. Zoo ging het Dik
+volkomen naar den zin, en den dokter ook, want die hield ook wel van
+zoo 'n ritje. Het stof van den uitgedroogden weg dwarrelde boven de
+boomen uit.
+
+"Vooruit, Zwartje, lustig hoor!" zei Dik, terwijl hij met de zweep
+de vliegen verdreef, die het paard blijkbaar als hunne zuigflesch
+beschouwden. "Maar wat zie ik daar? Wie is die hardlooper? Ha, ha! Kijk
+eens, dokter, daar aan den overkant van het kanaal rijdt de veearts
+met zijn nieuwen schimmel. Hij wil ons voorbij rijden. Toe Zwart!"
+
+"Ik geloof het waarlijk ook, Dik," antwoordde de dokter door het
+geopende voorraampje. "'t Is een mooi beest en het loopt hard."
+
+"Hard? Hard?" zei Dik. "Hij loopt niet harder dan de Zwart, dokter. Wil
+ik het eens probeeren?"
+
+"Jongen, jongen, Dik, 'k weet het niet. Die schimmel loopt uitstekend,
+en...."
+
+"Kijk eens, dokter," riep Dik plotseling met vuur, "kijk eens, hij
+wenkt met de zweep, om ons uit te lachen. Dat is tergen! Vooruit,
+Zwart, laat je niet van de vliegen steken. Huupla!"
+
+Vroolijk klapte Dik met zijne zweep, en met vaste hand trok hij de
+leidsels aan. Klets, klets, klonk het boven het rijtuig. Zwart legde
+zijne ooren bijna in zijn hals en liep uit alle macht.
+
+"Ha, dokter, ziet u wel, Zwart heeft zelfs geen tikje noodig. Als
+hij de zweep maar hoort, weet hij al, hoe laat het is. Vooruit,
+Zwartje! Houd-je goed, jongen! Die schimmel loopt best, dokter."
+
+"Ja, Dik," zei de dokter, terwijl hij met genoegen bemerkte, dat
+zijn Zwartje niet voor den schimmel behoefde onder te doen, "ja Dik,
+hij loopt best, maar Zwart nog beter. Wij halen hem in, geloof ik."
+
+"Gelooven, dokter? Ik weet het zeker! Ha, dat is flauw, hij gaat de
+zweep gebruiken. Neen, man, niet noodig, hoor, want hij loopt al zoo
+hard, als hij kan. Toe, Zwart, huupla, vooruit, huup Zwart!"
+
+De zweep snorde opnieuw door de lucht, doch Dik zorgde er voor,
+zijn paard er niet mede aan te raken. Hij sloeg die beesten nooit,
+uitgezonderd als zij koppig waren. Dan alleen achtte hij het noodig.
+
+"Voort, Zwart, nog eventjes, jongen! Kijk, dokter, we hebben hem al
+ingehaald. Toe Zwart; laat zien, wat je kunt. Hoera, we zijn voor!"
+
+Dik keek triomfantelijk om en klapte met zijne zweep. Toen hield hij
+de teugels in.
+
+"Bedaar maar weer, Zwartje. Je hebt je goed gehouden. Ho maar, m'n
+jongen, hij weet al, dat je hem de baas bent. Laat hem nu maar gaan."
+
+Langzamerhand kwam Zwart weer tot bedaren, en Dik en de dokter
+zochten ook hun gemak. De laatste ging welbehaaglijk achterover in
+zijn koetsje leunen, en Dik zag met ergernis, hoe de veearts zijn
+paard bleef voortjagen.
+
+"Flauw, man," mompelde hij, "'t beest kon immers niet harder. Als je
+zoo met hem wilt leven, zul-je niet lang pleizier van hem hebben."
+
+Eindelijk kwamen zij, waar zij wezen moesten. De dokter verliet het
+rijtuig en Dik ging bij het paard staan, dat hij tevreden op den
+glanzenden nek klopte. Nog maar een paar minuten was hij van den bok
+af, toen hij in de verte Bruin Boon met zijn ezelwagen zag aankomen. En
+hij zag het niet alleen, maar hij hoorde het ook, want Bruin sloeg er
+met een dikken stok zoo geducht op los, en hij schreeuwde zoo luid,
+om zijn grauwtje vooruit te krijgen, dat men het wel vijf minuten
+ver hooren kon. En toch hielp al dat slaan en schreeuwen al bitter
+weinig; de ezel liep uiterst langzaam en bleef zelfs nu en dan geheel
+stilstaan. Dan had Bruin weer reuzenkracht noodig, om hem vooruit te
+doen gaan. Eindelijk, na veel schreeuwen en nog meer slaan, bereikte
+hij Dik, maar nu scheen de ezel er ook genoeg van te hebben. Hij bleef
+staan en wilde geen poot meer verzetten. Bruin sloeg er onbarmhartig op
+los en schreeuwde als een bezetene, maar niets hielp. Grauwtje bleef,
+waar hij was, en Dik ergerde zich geweldig.
+
+"Zeg eens, dierenbeul," riep hij eindelijk, "als je dat beest
+nu nog langer slaat, krijg je met mij te doen, en dan zal het je
+niet meêvallen, geloof dat! Zie je niet, dat het arme dier niet
+meer kan. Kijk eens aan, 't is schande: het bloed staat hem op de
+huid. Geef het beest liever wat meer te eten; misschien dat hij je
+luie lichaam dan wel weer trekken wil. Zijne ribben steken bijna door
+zijn vel heen."
+
+"Dat gaat jou toch zeker niet aan, wel?" riep Bruin, die echter toch
+te veel ontzag voor Dik had, om met slaan voort te durven gaan. "Hij
+krijgt eten genoeg; 't is niet anders dan luiheid."
+
+"Ja, dat geloof ik wel," riep Dik. "Hij is bijna net zoo lui als zijn
+baas, ha, ha, en dat is geen klein beetje."
+
+"Vooruit!" riep Bruin, terwijl hij den ezel aan het bit trok. Doch
+'t was moeite voor niet. Grauwtje zette zijne pooten zoover mogelijk
+van elkander en bleef als een standbeeld staan.
+
+"Vooruit!" riep Bruin, terwijl hij nog harder trok. "Vooruit, ezel,
+allo!"
+
+Maar jawel, 't hielp niets. Er was geen beweging in het dier te
+krijgen, en Bruin werd hoe langer hoe boozer, vooral toen Dik begon
+te schateren van lachen. Bruin liet den kop van den ezel los en begon
+van achteren tegen den wagen te duwen, al schreeuwende: "Vooruit,
+ezel, vooruit!"
+
+Doch ook die moeite werd niet beloond. De dokter kwam terug, gevolgd
+door de meid en een paar knechts van de boerderij, en nu beproefde men
+met vereenigde kracht, den ezel aan het loopen te krijgen. Men duwde
+tegen den wagen en trok tegelijkertijd den ezel aan het bit voort,
+zoodat het dier wel moest toegeven, doch zoodra men hem losliet,
+bleef hij weer staan.
+
+"Nog maar eens geprobeerd!" riep men, en voort ging het weer. Juist
+meende men den gang er in te hebben, toen de ezel op den grond ging
+liggen en zoo ten duidelijkste een bewijs van het tegendeel gaf.
+
+"Ik denk, dat het beest ziek is," zei de dokter. "Wat is het dier
+verschrikkelijk mager."
+
+"Ja, dokter," zei Dik, "hij krijgt meer slaag dan eten."
+
+"Dat zal wel," riepen de omstanders, die elk oogenblik talrijker
+werden. "Hij heeft ook een besten baas. Ik geloof, dat de ezel nog
+beter is dan hij."
+
+"Ho, hop! Hop!" riep men, doch het dier bleef liggen. Er was geen
+verwikken aan.
+
+"Weet je, wat je doen moet, Bruintje?" riep Dik. "Span hem maar gerust
+af, want hij trekt toch niet meer vandaag. Dan zullen we je helpen,
+om hem op den wagen te leggen, en trek hem dan zelf naar huis; anders
+kom je er nooit."
+
+"Ha-ha-ha!" klonk het overal. "Bruin, dan speel jij voor ezel; dat
+zal aardig wezen. Dan trekt de eene ezel den anderen!"
+
+"Och, dat gebeurde toch al," zei Dik lachend. "Kom, Bruin, zullen we
+je helpen?"
+
+"Hij moet wel," riep het volk. "Die ezel kan hier toch niet blijven
+liggen? Pakt maar aan, jongens!"
+
+"Ja, er zit niet anders op," zei de dokter. "Help ook even, Dik,
+en dan rijden we gauw naar huis."
+
+Alle man toog aan het werk. De tuigen werden losgemaakt, en de
+ezel werd met vereenigde kracht en onder luid gelach op den wagen
+gelegd. Dat gelach werd er niet minder op, toen Bruin het lemoen opnam,
+en met zijn viervoetigen passagier langzaam dorpwaarts toog.
+
+"Goede reis, met je beiden!" riep de een.
+
+"Wil ik den stuurman je stok geven?" vroeg een ander.
+
+"Dat heeft hij wel verdiend!" meende een derde.
+
+"Kom, Dik, we gaan," zei de dokter lachend, "'t Is een grappig
+gezicht."
+
+Dik klom op den bok en reed weg. Hij kon echter niet nalaten, zoo
+nu en dan eens met een spottend gezicht om te kijken naar Bruin,
+die met dat warme weêr zijne handen vol had aan zijn vrachtje.
+
+Toen hij een paar uur later de paarden naar het land bracht, zag hij
+juist, hoe Bruin, door een groot aantal jongens omringd, zijn intocht
+in het dorp deed. Het was een gejoel en gelach, zonder ophouden. Bruin
+mocht er niet over klagen, dat hij dien avond geen bekijks had,
+want het halve dorp keek hem lachend na, en aan grappen ontbrak het
+niet. Men gunde het hem, dat zijn grauwtje hem zoo had te pakken
+genomen, omdat hij het meer dan dubbel aan het dier had verdiend.
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HOE DIK DE HEKS VOORTHIELP.
+
+
+Dik zal ongeveer zestien jaar geweest zijn, toen hij op een guren
+Novemberdag het huisje van de heks voorbij moest. 't Was vinnig
+koud. De wind gierde over de vlakte en joeg hem groote, natte
+sneeuwvlokken in het gelaat, die dan dadelijk in water overgingen, dat
+hem langs den hals tusschen zijne kleeren droop. Aan elk haartje, dat
+van onder zijne muts te voorschijn kwam, hing een druppel water. Zijne
+bolle wangen en zijne ooren zagen paars-blauw van de koude.
+
+"Brrr, wat een weêr!" mompelde hij, zijne handen diep in de
+jaszakken stekende en het water van zijne lippen blazende. "Brrr, echt
+hondenweer! Wacht, nu komt de regen er ook nog bij, en de sneeuwjacht
+wordt er niet minder op. Weet je wat, ik moest maar even bij de heks
+gaan schuilen, anders word ik nog doornat."
+
+Dik versnelde zijn pas, en bereikte weldra het hutje. Hij opende de
+deur en trad binnen.
+
+"Hè, hè, wat een weêr! Mag ik even schuilen, moedertje?"
+
+"O, Dik, ben jij daar? Kom er gerust in, hoor. Ga zitten, 't Is een
+verschrikkelijk weêr."
+
+Dik nam plaats en droogde met zijn zakdoek gelaat en hals af.
+
+"Wat zie ik?" zei hij plotseling, "ligt de oude man weer te bed? Is
+hij weer ziek?"
+
+"Ach ja, Dik, 't is weer heelemaal mis met hem. 't Is zijne oude kwaal;
+aldoor maar hoesten, hoesten, hoesten."
+
+"Zoo, zoo! Hoe lang ligt hij al?"
+
+"Dat wordt morgen vijf weken, Dik. Ja, ja, 't is een bedroefde tijd."
+
+De oude vrouw wendde het hoofd af en veegde zich een traan uit het
+oog. Dik keek haar vol medelijden aan.
+
+"Arme ziel," zeide hij, "dan zal het er wel weer niet breed zitten,
+denk ik?"
+
+"Armoê, Dik, armoê. Niets anders dan armoede en ellende. In vijf
+weken hebben we nu al geen cent ontvangen, en als er geen hulp komt,
+weet ik niet, waar het belanden moet. O, Dik, 't is verschrikkelijk!"
+
+"Ja, zeg dat wel. 't Is verschrikkelijk! Maar waarom vraag je niet
+eens hier of daar hulp! Er wonen toch menschen genoeg in het dorp,
+die wel wat missen kunnen. Daar heb je bij voorbeeld Mulder, die
+alleen is rijk genoeg om...."
+
+"Mulder?" riep de oude vrouw, "Mulder? Praat me niet van Mulder, want
+die kent geen medelijden. 't Is mijn eigen huisbaas, en van middag
+is hij nog hier geweest, om de huur van vijf weken te halen. Maar
+ik kon hem onmogelijk betalen en heb hem om uitstel gevraagd, met
+de belofte, dat we zullen betalen, zoo gauw we weer wat verdienen
+kunnen. Doch hij wil van geen uitstel hooren, en morgen moeten we
+dit huisje verlaten. 't Is verschrikkelijk, Dik, met dien zieken man,
+en ik weet nog niet eens, waarheen ik hem brengen moet. Vijfendertig
+jaar hebben we hier gewoond...."
+
+De oude vrouw begon luide te snikken.
+
+"Het huisje uit?" riep Dik verontwaardigd. "En dat met een zieken
+man? Maar dat is schandelijk! Dat mag niet gebeuren! Hoeveel geld
+moet hij van u hebben?"
+
+"We betalen negentig centen in de week, dus dat is vier en een halven
+gulden in het geheel. 't Is geen groote som, Dik, maar als men zelfs
+geen vier en een halven cent in huis heeft...."
+
+"Hier, pak aan," zei Dik, haar eenig kopergeld toestoppende, "'t is
+wel niet veel, maar ik heb niet meer. En als...."
+
+"Dank je wel, Dik, als alle menschen waren, zooals jij...."
+
+"Stil, niet danken, asjeblieft. Ik zal zien, wat ik voor je doen
+kan. In elk geval, die huishuur zal wel terecht komen. Bekommer je daar
+maar niet over. En nu ga ik verder; de regen is wat minder geworden."
+
+Dik vertrok, en toen 's avonds zijn werk af was, liep hij het dorp
+in en ging naar Piet van Dril, die in de smederij aan het werk was.
+
+"Piet, ik heb eene wijde ijzeren of looden pijp noodig, met eene
+bocht er in. Heb jij er een voor me te leen tot van avond?"
+
+"Is eene kachelpijp goed? Hier heb ik er een met een elleboog. Wat
+moet je er mede doen, of--is het een geheim?"
+
+"Neen Piet, 't is voor jou geen geheim, maar voor anderen wel. Voor
+jou is het dat niet, omdat je me helpen moet, weet je. Die kachelpijp
+staat me wel aan. Daar zal het wel mede gelukken."
+
+"Nu, wat moet je dan doen?" vroeg Piet nieuwsgierig. "Eene grap?"
+
+"Ja, zoo ongeveer wel. Luister, ik zal het je vertellen. Je kent toch
+de heks wel van den Achterweg?"
+
+"Of ik! Weet je nog wel, Dik, hoe we jaren geleden nog eens op een
+avond naar haar huisje gegaan zijn, om haar bang te maken, en wat
+waren we toch eigenlijk zelf bang. Nu, ik geloof, dat er nog wel
+groote menschen bang voor haar zijn, want nog altoos staat ze in
+geen goed blaadje. Niet, dat ik het nog ben, volstrekt niet, hoor;
+ik geloof zulke dwaze praatjes niet meer, maar er zijn nog domme
+menschen genoeg, die ze wèl gelooven."
+
+"Juist, Piet, dat denk ik ook, en ik wil van avond er de proef eens
+van nemen. Die arme vrouw lijdt tegenwoordig weer vreeselijk armoê;
+vooreerst is het winter, dus valt er weinig te verdienen, en bovendien
+is oude Willem nu al vijf weken ziek. Nu behoef je niet te vragen,
+hoe het met hen gesteld is. En tot overmaat van ramp komt daar die
+oude Mulder, die vrek, om de huishuur, en nu zij niet betalen kan,
+moet zij morgen met haar ouden, zieken man het huis uit. Is dat niet
+verregaand onbarmhartig?"
+
+"Dat is het!" riep Piet verontwaardigd uit. "Die vrek! Wie weet,
+hoeveel geld hij heeft, en nu zulke arme menschen bij ziekte en kou
+op straat te willen zetten. 't Is onmenschelijk!"
+
+"Juist zoo!" zei Dik. "Maar het zal niet gebeuren, Piet. Ik heb al
+dikwijls hooren vertellen, dat hij erg bang van aard is, vooral 's
+avonds, en op de heks heeft hij het in 't geheel niet begrepen. Nu
+ben ik van plan, om hem van avond zoo bang te maken, dat hij het niet
+zal durven wagen, haar morgen het huis uit te zetten."
+
+"Maar welk plan heb je dan toch, Dik?"
+
+"Ik ga van avond voor heks spelen, Piet, en als jij me helpt, zal
+hem het lachen wel vergaan. Doe je het?"
+
+"Goed zoo; ik doe meê, dat beloof ik je!"
+
+Mulder woonde in een van de kleinste huisjes van het dorp, aan den
+eenen kant naast de kerk en aan de andere zijde naast eene groote
+schuur. Vroeger was hij boer geweest, doch toen hij, na den dood van
+zijne vrouw, in de gelegenheid kwam, zijne boerderij voor veel geld te
+verkoopen, had hij dat gedaan, en was in dat huisje gaan wonen. Daar
+leefde hij, uit gierigheid, geheel als een kluizenaar. Hij veegde zelf
+den vloer aan en kookte zijn eigen potje. Dat het er dientengevolge
+tamelijk vuil bij hem uitzag, hinderde hem niet. Het leven was op
+deze wijze goedkoop, en dat was bij hem het voornaamste. De ijzeren
+geldkist, die onder zijne bedstede stond, was het eenige voorwerp
+op de wereld, dat hij liefhad. Zijn geld was zijn afgod. Het had
+hem moeite genoeg gekost, zoo 'n schat bij elkander te krijgen, en
+menige leelijke daad had hij daarvoor op zijn geweten genomen. Maar
+toch had hij het lief, zoo lief, dat hij het voor geen gerust geweten
+had willen ruilen. Elken avond, als deuren en vensters goed gesloten
+waren, zat hij te tellen, en dan glinsterden zijne oogen van begeerte
+en genot. Zoo ook op den avond, waarop Dik en Piet hem een bezoek
+zouden brengen. Hij zat voor den haard, waarop eenige glimmende kolen
+lagen. De tafel had hij naast zich geschoven. Een klein spaarlampje
+verlichtte de armoedige woning. Hij liet het goud door zijne vingers
+glijden.
+
+"'t Is eene groote som," mompelde hij, "en zij zal nog grooter
+worden. Elk jaar komt er bij, en er gaat maar weinig af. Dat
+die leelijke heks me nu niet betalen kan! Maar ik waag het niet
+langer. Die man kan wel zoo lang ziek blijven en misschien wel
+sterven ook. Dan betaalt ze in het geheel niet meer, en word ik het
+kind van de rekening. Jawel, dat begrijp-je, daarvoor moet ze net
+bij Mulder wezen. Morgen zal ze het huis uit, ziek of niet ziek,
+daar geef ik niet om; wil hij doodgaan, dat moet hij weten. Zou ze
+waarlijk eene heks wezen? Brrr, dat zou akelig zijn! Ze kan me soms
+zoo vreemd aankijken, net of... Als ze nu eens plotseling door den
+schoorsteen kwam, hu, 't is om je dood te schrikken! Maar neen,
+'t is toch ook eigenlijk te mal, om er van te praten. Heksen! Wie
+gelooft er nog aan heksen? Maar er moet toch wel wat van waar wezen,
+want hoe komen zulke praatjes anders in de wereld? Ik heb er mijn
+vader zoo dikwijls over hooren spreken, vroeger; neen, 't is toch
+niet heelemaal weg te redeneeren. Als er vroeger heksen waren, zie
+ik niet in, waarom ze er nu niet meer zouden zijn. Verbeeld je, dat
+zoo 'n heks nu eens op een bezemstok door de lucht kwam aanvliegen,
+en hier door den schoorsteen...."
+
+Op eenmaal werd Mulder doodsbleek en keek hij met strakke oogen naar
+het vuur. Langzaam zag hij wat naar beneden vallen, en plotseling
+werden de geel-roode vlammetjes van het haardvuur onnatuurlijk groot,
+en wat hem nog het meest deed schrikken, helderblauw. Tegelijkertijd
+klonk er zulk een schrille kreet door den schoorsteen, dat hij op
+zijn stoel zat te beven.
+
+"O, o," kermde hij, "daar is ze al, o, o, wat moet ik beginnen.--Hu!"
+
+Opnieuw klonk er een akelige kreet uit den schoorsteen, en een
+geweldige slag tegen de achterdeur deed hem het bloed in de aderen
+stollen. De blauwe vlammen in den haard, die langzamerhand kleiner
+geworden waren, flikkerden opnieuw hoog op. Het vuur siste.
+
+"O, o, genade!" kermde de vrek.
+
+"Hier is de heks,--de heks,--de heks!" gilde eene hooge stem, als
+van eene vrouw, door den schoorsteen. "Ze moet haar huis uit, de
+heks,--de heks,--de heks!"
+
+"Ssss!" siste het, en nu zagen de vlammen groen.
+
+"Vreeselijk!" kermde Mulder, "wat zal me nu overkomen? Genade,
+genade! O, je behoeft het huis niet uit; je moogt er wel altoos in
+blijven wonen, voor niemendal wel. Genade!"
+
+"Hier is de heks, de heks op den bezem!" gilde het daar boven, en er
+werd geweldig tegen de luiken gebonsd. "Hier is de heks met zwavel
+en salpeter! De heks op den bezem! Hi-i-i-i!"
+
+De vrek viel kermende op de knieën. In doodsangst keek hij naar den
+schoorsteen, waardoor, naar hij vreesde, de heks zou binnenkomen.
+
+"O, heb medelijden, genade!" kermde hij. "Ach, ach, kom toch niet hier;
+ik zal het je nooit weer lastig maken!"
+
+Plotseling flikkerden de vlammen, die blauw en groen zagen, weer
+hoog op, het gebulder werd heviger en het gegil in den schoorsteen
+klonk in één woord ontzettend. Het angstzweet brak den vrek uit. Hij
+was radeloos. Daar zag hij, hoe een ijzeren bak, waaruit ook kleine
+blauwe vlammetjes opstegen, langzaam aan een ketting naar beneden
+zakte, en boven het vuur bleef hangen.
+
+"Geld! Geld!" klonk het daarboven gillend. "Hier is de heks met
+salpeter en zwavel, geld, geld, de heks met den bezem, de vleermuizen
+en de hagedis! Geld, geld, hi-i-i-i!"
+
+"O, geld!" kermde de oude gierigaard, met een wanhopigen blik op zijn
+schat. "Ook dat nog! Genade, genade!"
+
+"Hier is de heks, de heks met den bezem! Wat moet zij maken van den
+ouden woekeraar? Moet hij eene vleermuis worden, of..."
+
+"O, neen, neen, genade, geen vleermuis!" kreunde Mulder, terwijl hij
+in doodsangst twee handen met geldstukken in den bak wierp, waaruit
+opnieuw groote blauwe vlammen opstegen.
+
+".... Of moet hij een nachtuil worden, die over het kerkhof vliegt?"
+
+"Neen, neen, o neen, geen nachtuil, o, goede heks, vergeef het
+mij!" riep Mulder, terwijl hij opnieuw een aantal geldstukken in den
+bak wierp.
+
+".... Of een slang met giftige tanden, of een draak met zeven
+koppen? Ja, een draak, een draak! Hij wordt een draak! Hier is de heks,
+ze komt om het geld, om het geld van den vrek! Ze komt, ze komt met
+zwavel en salpeter! Waar is de woekeraar? Hi-i-i-i!"
+
+"Help, help, o genade! Hier is mijn geld, dáár, dáár!" En de oude man
+wierp sidderend handenvol geld in den bak. "Ach, genade! Laat me toch
+asjeblieft geen draak worden! O, o!"
+
+Plotseling werd het gegil nog heviger en akeliger, en groote blauwe
+en groene vlammen stegen van het haardvuur op. Het gebulder tegen
+de luiken duurde onophoudelijk voort. Vol ontzetting bedekte Mulder
+zijne oogen met beide handen en kroop in den donkersten hoek onder
+de tafel, waar hij voorover op den grond ging liggen. Elk oogenblik
+verwachtte hij de heks te hooren binnenkomen.
+
+Doch neen, langzamerhand werd het stiller; eindelijk hoorde hij nog een
+gil, en toen niets meer. Toch durfde hij nog niet opkijken, maar toen
+hij eindelijk gedurende een geruimen tijd geen verdacht geluid meer
+hoorde, kwam hij voorzichtig uit zijn schuilhoek te voorschijn en keek
+in de kamer rond. Gelukkig, er was niets geheimzinnigs meer te zien;
+het vuur was weer gewoon, zelfs bijna uitgedoofd, en geen verdacht
+geluid trof zijne ooren. Hij bekeek en betastte zich aan alle zijden,
+om te onderzoeken, of hij ook betooverd was, doch dat onderzoek stelde
+hem gerust. Hij bevond zich nog onveranderd en ongedeerd.
+
+"Maar het heeft me geld genoeg gekost," zuchtte hij, met een treurigen
+blik op zijn geldkist. "Laten de menschen me nu nooit weer zeggen,
+dat er geen heksen zijn, hu, hoe akelig! Ik weet er nu alles van!"
+
+Nog over al zijne leden bevende, borg hij zijn schat weer weg en
+legde zich te bed, waar hij den ganschen nacht door akelige droomen
+werd gekweld.
+
+Had de man geweten, dat de heks niemand anders was geweest dan Dik,
+die door de kachelpijp heen al dien onzin naar beneden had getoeterd,
+terwijl zijn makker Piet de deur en de vensters beukte, dan zeker zou
+hij niet zoo gemakkelijk afstand hebben gedaan van zijne geliefde
+goudstukken. Den volgenden morgen keek hij telkens naar den haard,
+om te zien, of er nog blauwe en groene vlammen uit opstegen, doch de
+stukjes zwavel en salpeter, die Dik uit de apotheek had meegenomen
+en op het vuur geworpen, waren al lang verbrand.
+
+Niemand was echter meer verbaasd dan de heks, toen zij 's
+morgens wakker werd. Op de tafel namelijk lag eene beurs gevuld
+met goudstukken, die zeker door de gebroken ruit heen daar was
+neergelegd. En in die beurs zat een briefje, waarop met duidelijke
+letters geschreven stond:
+
+"Een geschenk van Mulder aan de heks van den Achterweg, die levenslang
+voor niet haar huisje mag blijven bewonen."
+
+O, wat lachte die Mulder vreemd, toen de oude vrouw hem met tranen
+in de oogen bedankte voor de weldaad, die haar bewezen was,--net als
+een boer, die kiespijn heeft.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN ONGELUK KOMT ZELDEN ALLEEN.
+
+
+Zes jaar lang had Dik zijn heer trouw en eerlijk gediend, toen een
+treurig voorval hem zijne betrekking deed verliezen. In een kouden
+herfstnacht werd hij gewekt, om dadelijk in te spannen. Haastig
+kleedde hij zich aan en begaf zich naar de dokterswoning, in de
+stellige meening, dat een zieke buiten het dorp onverwachts de hulp
+van zijn heer had ingeroepen, zooals dat al zoo menigmaal gebeurd
+was. Doch neen, dat was het niet. De goede jongen, die dolveel van
+zijn meester hield, kon van schrik bijna niet spreken, toen hij van
+het dienstmeisje hoorde, wat er gaande was.
+
+"O Dik, ben je daar? Je moet dadelijk inspannen om dokter Marling
+uit de stad te halen, 't Is verschrikkelijk, Dik, o...."
+
+"Dokter Marling halen? Voor wien? Kan de dokter dan zelf niet gaan?"
+
+"Neen, neen, Dik, o neen! 't Is verschrikkelijk! Gauw, maak voort...."
+
+"Maar wat is er dan toch aan de hand? Je staat daar maar te huilen
+en te jammeren, en je zegt niets!"
+
+"Ach, 't is toch zoo erg, Dik. O, ik ben er heelemaal akelig van. De
+dokter.... o, o!"
+
+"Maar spreek dan toch! Is de dokter ziek?"
+
+"Ja, Dik, 't is vreeselijk....eene beroerte...."
+
+"Wat?" riep Dik ontsteld. "Wat zeg je, heeft de dokter eene beroerte
+gehad! En hoe is het nu met hem?"
+
+"O, Dik, zoo erg. Hij is geheel bewusteloos. Mevrouw heeft gezegd,
+dat je zoo hard moest rijden, als je kunt, en niet zonder dokter
+thuiskomen."
+
+"Dat spreekt vanzelf," bromde Dik. In een oogenblik had hij het beste
+paard uit den stal voor het rijtuig gespannen, en nu ging het in dolle
+vaart het erf af, naar de stad, die hij een uur later binnenreed. Hij
+hield voor het huis van dokter Marling stil, wierp een dekkleed
+over zijn dampend paard, dat hijgde van vermoeienis, en trok aan de
+schel. Spoedig werd de deur geopend, en Dik deed zijne boodschap.
+
+"Ik zal den dokter wekken," klonk het antwoord.
+
+"Voortmaken!" riep Dik, die vol angstig ongeduld bij zijn paard heen
+en weder liep. Nu, er werd ook voortgemaakt, want er waren nog geen
+tien minuten verloopen, toen dokter Marling reeds geheel gekleed naar
+buiten kwam en in het rijtuig stapte.
+
+"Vooruit maar, koetsier, zoo hard je paard kan!"
+
+"Laat dat maar aan mij over, dokter," zei Dik. "Het beest heeft anders
+al een heeten rit achter den rug."
+
+"Dat wil ik wel gelooven. Hoe was het met den ouden heer, toen je
+wegreedt?"
+
+"Hij was geheel buiten kennis, dokter. Eene beroerte is zeer
+gevaarlijk, niet waar?"
+
+"Meestal wel."
+
+"Voort, Zwart, voort!" riep Dik, en het scheen wel, of Zwart begreep,
+dat er iets ernstigs plaats had. Het beest liep, of het vleugels
+had, en nog geen vol uur, nadat zij de stad verlaten hadden, kwamen
+zij alweer op het dorp aan. Dokter Marling begaf zich naar binnen,
+waar de zieke nog geheel in denzelfden toestand lag. Dik bracht zijn
+paard op stal, wierp het nog een paar dekens op den rug, en begaf
+zich toen naar de apotheek, om af te wachten, wat hij verder zou
+moeten doen. Hij was bedroefd, want de berichten omtrent den zieke
+werden voortdurend ongunstiger, en eindelijk, 's morgens om zes uur,
+kwam de tijding, dat de oude dokter overleden was.
+
+Dat bericht schokte Dik zeer, want hij had altoos evenveel van den
+dokter gehouden als deze van hem. Zonder een woord te spreken, spande
+hij een ander paard voor het rijtuig, en bracht dokter Marling naar
+de stad terug.
+
+Drie dagen later reed Dik zijn heer voor het laatst, doch het was nu
+een treurige rit, want--hij voerde naar het kerkhof.
+
+Dik was dus zijne betrekking kwijt, en het bleek al spoedig, dat
+een tweede niet zoo gemakkelijk te vinden was. Eerst hoopte Dik nog,
+dat de nieuwe dokter hem in dienst zou nemen, doch dat gebeurde niet,
+omdat die heer zich in de eerste jaren geen eigen paarden aanschafte,
+doch zich door een stalhouder liet rijden. Dat was eene groote
+teleurstelling voor Dik. Toen deed hij moeite, om hier of daar op
+eene buitenplaats als koetsier aangesteld te worden, doch tevergeefs;
+men was overal voorzien. Dat speet hem erg, want hij was ijverig van
+aard en leegloopen stond hem niet aan. Hij verveelde zich van dat
+hij opstond, totdat hij naar bed ging, en daarbij hinderde het hem
+geducht, op kosten van zijne ouders te moeten leven. Wel had zijn
+vader vast werk, doch 't was winter, de dagen duurden maar kort,
+en daarmede hielden de verdiensten gelijken tred.
+
+"Moeder," zeide hij dikwijls, "wat is het toch verdrietig, zoo gezond
+en sterk te zijn, als ik ben, en niets te kunnen verdienen."
+
+"Kom jongen," kreeg hij dan gewoonlijk ten antwoord, "je moet den
+moed niet zoo gauw laten zakken; er zal wel eens hier of daar wat
+open komen, en we lijden toch gelukkig nog geen gebrek."
+
+"Neen, Moeder, gelukkig niet. Als dat ook het geval was, zou ik
+anderen raad schaffen."
+
+"Nu, wat dan?"
+
+"Och, dat weet ik niet. 't Is gelukkig nog zoover niet."
+
+Neen, dat was waar, doch 't zou toch zoover wel komen, en spoediger
+dan zij dachten. Op zekeren morgen was Dik van verveling het dorp
+ingeloopen en had zich naar zijn vader begeven, die met andere
+werklieden bezig was, een huis te verbouwen. Het binnenwerk werd bijna
+geheel weggebroken en moest door een nieuwe binnenbetimmering vervangen
+worden. Het oude geraamte was blijven staan en werd door een groot
+aantal palen ondersteund, opdat het niet zou invallen. Ook de zolder
+was onderschraagd door groote balken en dwarsliggers. De werklieden
+hamerden er lustig op los, en de jongeren onder hen deden hun arbeid
+met een vroolijk gezang gepaard gaan. Daar kwam de baas binnen.
+
+"Jongens," riep hij, toen hij eenige oogenblikken rondgekeken had,
+"die zolder is niet genoeg ondersteund. Als we storm krijgen, komt de
+boel naar beneden. Daar moet onmiddellijk werk van gemaakt worden. Me
+dunkt, Trom en Bakker konden dat wel doen, dan kunnen de anderen mij
+buiten even helpen. Er is een karweitje in de schuur te doen."
+
+Allen, behalve Trom en Bakker, gingen met den baas meê. Dik ook, en dat
+was gelukkig, want nog geen vijf minuten later viel met een donderend
+geraas het voorste deel van het huis in. Het gaf een geweldigen slag,
+die door het geheele dorp gehoord werd. Iedereen snelde naar buiten
+en spoedde zich naar de plaats des onheils. Baas Meyer en zijne
+knechts meenden eerst, dat de schuur, waarin zij zich bevonden,
+inviel, en sprakeloos staarden zij elkander aan. Niemand bewoog zich;
+de schrik had hen als het ware verlamd. Dik was de eerste, die tot
+bezinning kwam.
+
+"Het huis stort in!" riep hij, terwijl hij naar buiten
+snelde. "Vader,--Vader!--Laten we ons haasten!"
+
+Allen volgden hem, en van alle kanten kwamen de menschen verschrikt
+toeloopen. 't Was eene vreeselijke ruïne. Balken, steenen, planken
+en pannen lagen tot een berg opeengestapeld, terwijl vier naakte,
+afgebrokkelde muren het geheel omringden. Dik, die bleek zag van angst
+en ontroering, liep overal rond, om zijn vader te zoeken. Nog altoos
+hoopte hij, dat deze niet onder het puin begraven zou zijn.
+
+"Vader!--Vader!" riep hij met krachtige stem, terwijl hij zijn blik
+over de menigte liet ronddwalen. "Heeft iemand mijn vader ook gezien?"
+
+"Neen, Dik, we hebben hem niet gezien. Is hij nog niet gevonden?"
+
+"Neen, neen," zeide Dik zuchtend, zijne schreden weer naar elders
+richtende, om te zien, of hij daar ook was. Doch al zijn zoeken
+was vruchteloos; niemand had den vermiste ontmoet, en Diks vrees,
+dat zijn vader onder dien puinhoop bedolven zou zijn, werd met elk
+oogenblik grooter en kreeg meer schijn van zekerheid. Daar kwam ook
+zijne moeder aanloopen. Ook zij zag bleek en keek angstig rond.
+
+"Er zijn toch geen ongelukken bij gebeurd?" vroeg ze, vol vrees,
+dat het antwoord voor haar eene Jobstijding zou zijn.
+
+De menschen antwoordden niet; zij zagen er tegen op, de arme vrouw
+met haar ongeluk bekend te maken. Daar kwam Dik aan.
+
+"Dik, waar is je vader?" vroeg ze met angstig ongeduld.
+
+"Heeft u hem ook nog niet gezien, Moeder? Ik zoek hem al overal,
+doch vind hem nergens. Ik vrees, Moeder, dat...."
+
+"O!" gilde de arme vrouw, "dan ligt hij onder het puin! O, Dik,
+mijn arme man!"
+
+"Ja, Moeder, 't zal wel zoo zijn, want hij was juist in het huis
+aan het werk. Ga nu naar huis, Moeder, dan zullen wij het puin
+wegruimen. Misschien loopt alles nog goed af. 't Is meer gebeurd...."
+
+"Naar huis gaan, Dik?" zeide zijne moeder, de tranen wegvegende, die
+haar langs de wangen liepen. "Neen, jongen, ga jij maar helpen. Ik
+blijf."
+
+Dik begreep, dat aan dit besluit van zijne moeder niets te veranderen
+viel. Hij drukte haar de hand en zeide, zich naar den puinhoop
+keerende: "Moed houden, Moeder, misschien leeft hij nog."
+
+Dik voegde zich bij de werklieden, die onder toezicht van den baas
+al druk bezig waren, het puin weg te ruimen. Iedereen was er nu van
+overtuigd, dat zoowel Bakker als Trom onder den puinhoop lagen. Er werd
+ijverig doorgewerkt. Niemand sprak, want allen waren onder den indruk
+van hetgeen gebeurd was en verdiepten zich in gissingen, of de twee
+ongelukkigen nog in leven zouden zijn. Dik werkte voor twee, en zoodra
+er weer eene opening gemaakt was, wierp hij zich op de knieën en riep:
+
+"Vader! Vader!"
+
+Dan luisterde hij met gespannen aandacht, of er ook antwoord kwam,
+doch telkens tevergeefs. Hij kwam meer en meer tot de overtuiging,
+dat zijn vader dood zou zijn en Bakker ook.
+
+"Vooruit maar weer!" riep de baas, en allen togen weer aan het werk. De
+puinhoop werd voortdurend kleiner. Eindelijk, na een paar uren van
+ingespannen arbeid, werden de beide ongelukkigen gevonden. Zij lagen
+als dooden, doch toen zij eenigen tijd de frissche lucht hadden
+ingeademd, kwamen ze weer bij. Bakker werd met een gebroken been en
+eene gapende wond aan het hoofd naar zijne woning gedragen. Trom
+had een zwaren balk tegen de borst gekregen; de arme man had het
+erg benauwd en leed verschrikkelijk veel pijn. Men droeg hem op een
+kleed naar huis, waar de dokter hem dadelijk in behandeling nam. Dik
+en zijne moeder stonden bij het bed.
+
+"Wat dunkt u er van, dokter?" vroeg vrouw Trom angstig.
+
+"Ik geloof niet, dat er gevaar is voor zijn leven," was het antwoord,
+"maar...."
+
+"Nu, maar?"
+
+"Ik vrees, goede vrouw, dat hij altoos een tobber zal blijven."
+
+En zoo was het ook. In tegenstelling met Bakker, die na enkele weken
+zijn arbeid weer hervatten kon, bleef Trom langen tijd aan het ziekbed
+gekluisterd, en toen hij het eindelijk mocht verlaten, was er van hem
+niet meer overgebleven dan een zwakke, uitgeteerde man, die niet meer
+in staat was, het brood te verdienen voor zich en voor zijn gezin. 't
+Was wel eene groote ramp. Dik kon, hoeveel moeite hij er ook toe deed,
+maar geen betrekking meer vinden, en daar het midden in den winter
+was, viel er aan losse karweitjes ook bitter weinig te verdienen. De
+betrekkelijke welvaart, waarin Trom en de zijnen zich vroeger mochten
+verheugen, was verdwenen, en had plaats gemaakt voor bittere armoede,
+die zich te sterker liet gevoelen, omdat zij er in het geheel niet
+aan gewend waren. En met de welvaart had ook de vroolijkheid het
+huisje verlaten. Trom was verdrietig en gevoelde zich ongelukkig, nu
+hij, in plaats van kostwinner, een zwakke, hulpbehoevende sukkelaar
+geworden was. O, hoe bedroefde het hem, hamer en beitel niet meer
+te kunnen hanteeren, evenals vroeger,--doch die tijd was voor goed
+voorbij. Nimmer zou hij weer in staat zijn, het dagelijksche brood
+te verdienen.
+
+En ook vrouw Trom ging diep onder haar leed gebukt. De vroolijke lach
+van vroeger, hare opgeruimdheid, haar gezellige toon,--zij waren
+verdwenen. De arme vrouw was neerslachtig en somber geworden. Ja,
+'t was wel eene vreeselijke ramp geweest!
+
+Ook Dik was zoo vroolijk niet meer als vroeger. Het maakte hem
+verdrietig en stil, zijne goede ouders zoo ongelukkig te zien, en het
+ging hem aan het hart, de blozende wangen zijner lieve moeder bij den
+dag bleeker te zien worden. O, hoe verlangde hij er naar, haar nog eens
+te hooren lachen als weleer, doch--het gebeurde niet. Wel lachte zij
+hem soms vriendelijk toe, als zij bemerkte, hoe bedroefd hij haar nu en
+dan aankeek, doch dat was het niet, wat Dik wilde. Hij zou haar weer
+zoo graag vroolijk en gelukkig willen zien, als in de vroegere goede
+dagen. Maar de nood bleef voortdurend stijgen. Het gezin verviel tot
+bittere armoede, en eindelijk werd het zelfs zoo erg, dat op zekeren
+avond de tafel niet meer gedekt werd; voor de eerste maal van hun leven
+ontbrak hun het noodige voedsel. Somber en zwijgend begaven zij zich
+te bed, doch van slapen kwam niet veel. Allen waren te veel vervuld
+van den ongelukkigen toestand, waarin zij verkeerden. Dik wendde en
+keerde zich onrustig om en om, en voelde zich de tranen in de oogen
+komen, toen hij zijne moeder zacht hoorde snikken.
+
+"Dat kan zoo niet langer," mompelde hij. "Mijn besluit is
+genomen. Morgen moet het er toe komen!"
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET SLOT VAN DE GESCHIEDENIS.
+
+
+Den volgenden morgen stond Dik vroeg op en begaf zich naar Piet
+van Dril.
+
+"Morgen, Dik! Al zoo vroeg hier?"
+
+"Ja, Piet. Ik kom je hulp inroepen, 't Is nood bij ons, jongen, en
+dan gaat men het eerst naar zijne vrienden. Heb-je ook wat geld voor
+me te leen?"
+
+"Geld?" vroeg Piet, terwijl hij zijn vriend met medelijden
+aankeek. "Hoeveel wil-je hebben?"
+
+"Een paar dubbeltjes maar. Als ik gezond blijf, krijg je ze binnen
+enkele dagen terug."
+
+"Ja, Dik, dat weet ik wel. Hier heb-je ze, en als je ze nooit
+teruggeeft, is het ook goed."
+
+"Dank-je, Piet. Zooals ik gezegd heb: als ik geen ongeluk krijg,
+ontvang je ze binnen enkele dagen terug. En nu ga ik weer heen,
+want ik heb nog wat te doen. Dag, Piet, tot ziens."
+
+"Gegroet!" zei Piet. "Arme menschen!" mompelde hij. "Ik wou, dat ik
+hen helpen kon."
+
+Dik ging regelrecht naar den bakker.
+
+"Jansen," zeide hij, zijn geld op de toonbank leggende, "wil u even
+twee brooden naar mijne moeder brengen? Maar liefst dadelijk; er is
+haast bij."
+
+"'k Zal er voor zorgen, Dik."
+
+Vandaar ging Dik naar vrouw Boon, die nog altoos in haar winkeltje
+woonde. Hij deed de deur open en stapte naar binnen.
+
+"Goeden morgen, vrouw Boon."
+
+"Goeden morgen! Hé, Dik, ben jij daar? Dat is, geloof ik, wel voor
+het eerst van je leven."
+
+"Dat is ook zoo, vrouw Boon, maar ik wenschte u wel eens te
+spreken. Hebt ge een oogenblikje tijd?"
+
+"Jawel, zeker, kom maar in de kamer. 't Is te koud, om in den winkel
+te staan."
+
+"Ja, 't is koud," zei Dik, binnentredende.
+
+Vrouw Boon gaf hem een stoel, en nam zelf ook plaats, tamelijk
+nieuwsgierig, wat Dik toch wel te zeggen zou hebben.
+
+"Ik heb gehoord," begon Dik, "dat ge van plan zijt, het dorp te
+verlaten en in de stad te gaan wonen?"
+
+"Ja, dat is te zeggen," was het antwoord, "als ik mijn boeltje hier
+naar mijn zin verkoopen kan. Ik ben niet van plan, om zoo maar weg
+te loopen."
+
+"Neen, dat begrijp ik. Ik ben dan ook juist gekomen, om daar eens
+over te praten. U woont hier in een huurhuis, niet waar?"
+
+"Ja, 't is een huis van den molenaar, en ik heb er nog zes jaar huur
+aan, doch ik mag de huur wel aan een ander overdoen, ten minste,
+als het een knap persoon is."
+
+"Nu, wat dat betreft, zal de molenaar wel geen bezwaar maken, denk ik,"
+meende Dik. "En hoe staat het met den winkel?"
+
+"Alles, wat in den winkel staat, is mijn eigendom," antwoordde de
+weduwe. "Toonbank, weegschalen, gewichten, bakken en laden, kortom,
+al wat er in is, behoort mij."
+
+"En dat wilt ge dus verkoopen?"
+
+"Ja, voor driehonderd gulden is het te koop, maar dadelijk betalen,
+dat spreekt vanzelf. Borgen doe ik niet."
+
+"Dat is ook niet noodig," zei Dik. "Als ik het koop, betaal ik contant,
+maar driehonderd gulden geef ik er niet voor. Als de winkel nog,
+evenals vroeger, beklant was, zou ik er misschien over denken, maar nu
+de zaak bijna verloopen is, bied ik er juist de helft voor, namelijk
+voor alles, zooals het reilt en zeilt, en dan nog op voorwaarde, dat
+ik pas over drie dagen behoef te zeggen, of de koop doorgaat of niet."
+
+"Neen, Dik, dat gaat niet. Tegen de voorwaarde heb ik geen bezwaar,
+maar honderdenvijftig gulden is te weinig. Ga zelf maar kijken,
+of er niet voor meer waarde in staat. 't Is wel waar, wat je zegt,
+dat de zaak verminderd is, maar er gaat toch nog wel zooveel in om,
+dat een kleine burgerhuishouding er van leven kan. Als ik niet aan
+trouwen dacht, verkocht ik haar niet."
+
+Dik en vrouw Boon gingen den winkel rond en namen alles nauwkeurig
+op. De voorraad van een en ander viel Dik meê, zoodat zij het eindelijk
+eens werden voor eene som van tweehonderd gulden.
+
+"Maar à contant," zeide vrouw Boon, die maar niet begrijpen kon,
+waar Dik zooveel geld vandaan moest halen.
+
+"Dat is afgesproken. Uiterlijk over drie dagen kom ik u mijn besluit
+mededeelen."
+
+Dik vertrok en begaf zich naar den burgemeester, bij wien hij na een
+oogenblik wachtens werd toegelaten.
+
+"Wel, Dik, wat is er van je dienst?"
+
+"Burgemeester, ik heb gehoord, dat er in de West, om een oproer onder
+de negers, soldaten aangeworven worden. Zou u me daaromtrent niet
+wat nader willen inlichten?"
+
+"Wel zeker, met genoegen. Of eigenlijk gezegd weet je er alles al
+van. Er is onder de negers in Suriname een oproer uitgebroken, dat
+met kracht van wapenen gedempt moet worden, en nu zijn er flinke
+jongens noodig. Waarom vraag je dat zoo? Je wilt toch zelf niet gaan?"
+
+"Misschien wel, burgemeester. Hoeveel handgeld wordt er gegeven?"
+
+"Vierhonderd gulden; dat is nog al een mooi sommetje, niet waar? Hoe
+oud ben je?"
+
+"Achttien jaar, burgemeester, en goed gezond."
+
+"Zoo, achttien? Dan heb je de jaren. Maar toch durf ik het je niet
+aanraden, Dik. 't Is een erg ongezond land. De meeste Hollanders gaan
+er weg aan de gele koorts."
+
+"Ja, burgemeester, dat heb ik ook gehoord, maar--ik kan niet
+anders. Waar kan ik mij aanmelden?"
+
+"In elke garnizoensplaats, Dik. Dus je bent er toe besloten?"
+
+"Ja, burgemeester, de nood dwingt er mij toe. Ik dank u wel voor
+uwe inlichtingen."
+
+Dik vertrok en ging naar huis. Hij vond zijne ouders in eene sombere
+stemming bij de tafel zitten. Er stond eene boterham voor hem klaar,
+welke hij dadelijk begon op te eten, want hij had grooten honger.
+
+"Hoe ben je aan dat geld gekomen, Dik?" vroeg Moeder.
+
+"Dat heb ik geleend, Moeder."
+
+"Geleend? Waarvan moeten we het dan teruggeven? We hebben immers
+niets meer?" De ongelukkige vrouw kreeg tranen in de oogen.
+
+"Dat is waar, Moeder, doch droog uwe tranen, want binnen enkele
+dagen zal ik u geld genoeg verschaffen, om den winter verder door
+te komen. Ik ben met vrouw Boon in onderhandeling getreden, om haar
+winkeltje over te nemen. Voor tweehonderd gulden word ik eigenaar
+van de geheele zaak, en...."
+
+"Maar jongen, hoe heb ik het nu met je?" vroeg Moeder, die hem in de
+grootste verbazing aanstaarde, terwijl Vader bedenkelijk het hoofd
+schudde. "We hebben immers geen cent in huis? Hoe zouden we die som
+ooit kunnen betalen?"
+
+"Dat zal ik u aanstonds meedeelen, Moeder. Zeg nu eerst maar eens,
+hoe u het zou vinden, om in dat zaakje te komen."
+
+"Ach, kind, daar is immers geen denken aan! Wat zou het anders heerlijk
+wezen! Er gaat wel niet zoo erg veel om, maar toch nog wel genoeg,
+om er van te kunnen leven, dat is zeker. Vroeger was het zelfs een
+best zaakje, en dat zou het wel gebleven zijn ook, als die vrouw
+Boon maar niet zoo 'n ruw, onhebbelijk mensen was. Ik geloof zelfs,
+dat het zaakje wel weer druk zou worden, als er knappe menschen in
+kwamen. Och ja, wat zou het heerlijk wezen, als wij het eens koopen
+konden, Jan. Dan konden we de toekomst onbezorgd te gemoet gaan,
+en dan behoefde je ook niet meer te werken, ten minste niet harder,
+dan je krachten het toelaten. We zouden gered zijn, Jan,.... maar och,
+dat ongelukkige geld!"
+
+"Welnu, Moeder," zei Dik, "ik weet een middel, om aan geld te komen."
+
+"Welk middel dan?" vroeger Moeder nieuwsgierig, maar toch vol angst,
+daar zij wel begreep, dat er heel wat voor gevergd zou worden.
+
+Dik keek haar een oogenblik aarzelend aan. De goede jongen zag er
+tegen op, haar zijn besluit mede te deelen.
+
+"Toe Dik, zeg het dan, of is het zóó erg? Ik brand van
+nieuwsgierigheid."
+
+"Ja, Dik," zei Vader, "ik ook,--dat doe ik."
+
+"Welnu, Moeder, ik zal het u zeggen. In de West...."
+
+Moeder liet hem niet uitspreken. Met tranen in de oogen sprong ze op
+en sloeg hem hare armen om den hals.
+
+"Wou je weggaan, mijn Dik, mijn jongen?" snikte ze. "Wou je je
+moeder verlaten en je vader, Dik? Begrijp je dan niet, hoe lief we
+je hebben? O, Dik, we hebben immers niets op de wereld dan jou?"
+
+Dik gaf zijne moeder een kus en maakte zich zacht uit hare omarming
+los. Ook hij voelde het hart week worden, want het kostte hem veel
+moeite, om van zijne ouders te scheiden, maar toch wilde hij zijne
+lieve moeder niet toonen, dat het hem zwaar viel.
+
+"Moeder," zeide hij, "luister, 't Is het eenige middel, om u en Vader
+voor gebrek en zorg te behoeden. Hier blijven kan ik toch niet;
+ik mag u niet langer tot last zijn, en dat wil ik ook niet. Viel
+er hier nog wat te verdienen, dan zou ik er niet over denken om
+weg te gaan, maar nu zit er niets anders op. Weken lang loop ik al
+zonder werk rond, en 't is de vraag, of dat niet nog maanden zal
+duren. Maar toch, Moeder, al gelukte het mij nu, hier of daar eene
+betrekking te vinden, dan zou dat u toch nog bitter weinig baten,
+want veel zou er nooit van kunnen overschieten. Vader is zwak; hij
+kan in de eerste jaren stellig niets verdienen, en hoe zou u dan
+in het levensonderhoud voor u beiden moeten voorzien? Neen, Moeder,
+'t is beter, dat ik ga. Ik behoef mij slechts te verbinden voor drie
+jaren en ik ben gezond en sterk. Vierhonderd gulden krijg ik vooruit,
+Moeder, vierhonderd gulden! Dat is geene kleinigheid. We kunnen er het
+winkeltje voor koopen, en u houdt nog tweehonderd gulden over om alles
+netjes in orde te brengen. Denk eens, wat een genot! Vader koopt een
+hit en een wagentje, om buiten het dorp te gaan venten, en u zorgt voor
+den winkel. Is 't niet prachtig, Moeder? Wat zegt u er van, Vader?"
+
+"Ja, jongen, 't zou mooi wezen,--dat zou het."
+
+"En voor dat alles behoef ik slechts een paar jaartjes in de West te
+gaan doorbrengen, Moeder, 't Is toch waarlijk zoo erg niet."
+
+Moeder keek langer, tijd peinzend voor zich, terwijl nu en dan een
+paar groote tranen op haar voorschoot rolden. Eindelijk stond ze op
+en omhelsde Dik opnieuw.
+
+"Dik, 't moet! Ga, m'n lieve, goede jongen, ga, en dat God je
+bescherme!"
+
+Schreiënd verliet ze de kamer. Trom volgde haar.
+
+"Ach, Jan," zeide ze snikkend, "wat heeft hij toch een braaf hart!"
+
+"Ja Griet, 't is een bijzonder kind,--dat is-ie, en dat heb ik altoos
+wel gezegd,--dat heb ik."
+
+Dienzelfden middag nog trok Dik zijne beste kleeren aan, om zich naar
+de stad te begeven.
+
+"Ach Dik, m'n kind," zuchtte zijne moeder, "moet het nu al zoo gauw
+gebeuren? 't Scheiden valt me zoo zwaar."
+
+"Ja, Moeder, 't is hier ook: hoe eer, hoe beter, We hebben geen cent
+meer in huis, en ik krijg toch nog eenigen tijd verlof. Wat vind ik
+dat heerlijk, Moeder. Dan kan ik u helpen verhuizen en alles in orde
+brengen, en voor Vader een hit koopen en een wagentje. Neen, Moeder,
+'t is beter vandaag, dan morgen. Ik heb geen rust, voor dat u goed
+en wel in het winkeltje woont."
+
+'t Was een teêr afscheid, bijna alsof hij reeds voor goed wegging.
+
+"Kom, Moedertje, nu flink, hoor! Morgen of overmorgen kom ik weer
+terug. Tot zoolang dus!"
+
+Dik maakte zich uit hare omarming los en snelde de deur uit. Wat had
+hij zich in de tegenwoordigheid zijner ouders goed moeten houden, om
+niet in tranen uit te barsten, want nooit had hij sterker gevoeld,
+hoe lief hij hen had, dan nu op het oogenblik, dat hij weldra
+voor goed van hen zou moeten scheiden. Voor goed, ja, want 't was
+bekend, hoe weinigen er terugkeerden uit dat verre, vreemde land,
+waar wreede vijanden en nog wreeder koortsen zoo menigeen een vroegen
+dood deden vinden.
+
+Nauwelijks had hij dan ook het laatste huis van zijn dorp achter
+den rug, of de brave jongen barstte in tranen uit, en wrong zich in
+vertwijfeling de handen.
+
+"O, wat is het hard! Wat is het hard! Ik heb hen zoo lief!" mompelde
+hij, terwijl de tranen hem langs de wangen vloeiden. Doch
+opeens bedwong hij zich. Hij wierp nog eenmaal een blik op zijn
+geboortedorpje, dat hem zoo lief was, zocht met zijne oogen nog eenmaal
+het roode dak van de kleine woning, waar hij zooveel jaren gelukkig
+was geweest en waarin hij achterliet, wat hem het dierbaarst was op
+de geheele wereld, en toen vervolgde hij zijn weg naar de stad.
+
+In diepe, smartelijke gedachten verzonken liep hij voort, het voorhoofd
+gefronst en met een droevigen trek om den mond. Een gure wind woei
+hem vlak in het gelaat, maar hij voelde het niet. Hij liep met gebogen
+hoofd, en nu en dan prevelde hij overluid.
+
+"'t Kan niet anders," komt hem afgebroken over de lippen, "'t
+Moet! Vader en Moeder mogen geen broodsgebrek lijden, zoolang ik er
+ben, en 't zou schande wezen, als ik anders handelde, dan ik doe.--Wat
+zullen mijne vrienden vreemd opkijken, als ik als koloniaal terugkom,
+want dat verwacht zeker niemand van me. Toch zal het een troost voor
+me wezen daar ginds in het verre Westen, te weten, dat Vader en Moeder
+het goed hebben, en dat zij op hun ouden dag vrij zullen wezen van
+zorgen en broodsgebrek. En daarom--'t moet, hoe hard het ook is!"
+
+Dik was zoozeer in zijne gedachten verdiept, dat hij niet eens
+bemerkte, dat hem een rijtuig achterop reed. Hij ontdekte dat pas, toen
+het vlak achter hem was, en een glimlach verhelderde zijn gelaat, toen
+hij den breeden molenwagen herkende, beladen met zakken, en bestuurd
+door den eigenaar zelven. Hierover verheugde hij zich nog het meest,
+want de molenaar was een oud vriend van hem, voor wien hij zijn hart
+eens kon uitstorten.
+
+De wagen hield stil.
+
+"Meêrijden, Dik?" klonk het hem toe. De molenaar was geen vriend
+van veel woorden. Hij sprak gewoonlijk zeer weinig, maar hij had een
+goed hart.
+
+Zwijgend stapte Dik op het krat, en zwijgend vervolgden zij hun weg.
+
+Dat had zoo eenige minuten geduurd, toen de molenaar, die van
+terzijde zijn jongen vriend al eens een paar malen had aangekeken,
+plotseling vroeg:
+
+"Wat scheelt er aan? Ben je ziek?"
+
+"Neen, Van Dijk, niet ziek, maar toch--lang niet vroolijk. 't Is
+armoê thuis, armoê, Van Dijk, en nog eens armoê! Er mòèt een einde
+aan komen!"
+
+De molenaar zei niets. Hij floot iets tusschen de tanden en zag
+weer van terzijde Dik aan, die met moeite een traan terugdrong. Ook
+Dik zweeg.
+
+Zoo gingen weer enkele minuten voorbij. Toen zei de molenaar:
+
+"Armoê thuis? En welk einde moet er aan gemaakt worden, jongen?"
+
+"Ik ga naar de stad, om te teekenen als koloniaal. Ik ga naar de
+West. Vierhonderd gulden handgeld zijn voldoende om het zaakje van
+vrouw Boon over te nemen, die naar de stad wil verhuizen, zooals
+u wel weten zal. Als u dan het huis zou willen verhuren aan Vader,
+waren zij uit den nood. Maar dat wilt gij wel, niet waar?"
+
+De molenaar keek stijf op de ruggen van zijn twee paarden. Hij knikte
+bevestigend, terwijl hij weer iets tusschen de tanden floot.
+
+"En hoe vindt je moeder dat, Dik?" vroeg hij na eene pauze.
+
+"Zij vindt het hard,--erg hard."
+
+Weer volgde eene pauze.
+
+"Ja, 't is hard!" klonk het eindelijk naast Dik.
+
+Zij waren nu eene boerderij genaderd, waar Van Dijk het erf opreed.
+
+"Wacht even, Dik, dan gaan we straks samen verder," zei de molenaar,
+terwijl hij van het krat afsprong, en de zakken naar binnen ging
+dragen.
+
+Dik was geen jongen, die van toekijken hield, als er gewerkt moest
+worden. Dadelijk nam hij ook een zak op den schouder en volgde den
+molenaar. Spoedig was de wagen afgeladen, en waren 's molenaars zaken
+met den boer afgedaan.
+
+Zij namen weder plaats op het krat en reden het erf af. Tot Diks
+verbazing sloeg de molenaar echter den weg in naar huis, wat hij
+niet verwacht had. Hij legde zijne hand op den schouder van Van Dijk,
+en zeide:
+
+"U gaat naar huis terug, en..."
+
+"Ja, dat weet ik wel. Wat zou dat?--Huup paarden!"
+
+"Dan scheiden hier onze wegen, want..."
+
+"Niet waar.--Huup paarden!"
+
+"Ja wel, ik moet naar de stad, om..."
+
+"Huup paarden! Huup!--Dat moet je niet, Dik! Je gaat meê naar huis."
+
+"Onmogelijk, onmogelijk, Van Dijk! Ik móét, want ik kan niet
+anders. Laat mij hier afstappen."
+
+"Jij stapt niet af, en je gaat niet naar de stad, heb je mij begrepen,
+Dik? Ik zou me schamen, jongen, schamen, als ik jou voor een ellendige
+vierhonderd gulden naar de West liet gaan, om daar een graf te
+vinden. Je gaat naar huis, zeg ik je. Dat geld kun-je van mij wel
+krijgen,--begrepen? Je ouders kunnen je niet missen."
+
+De molenaar keek Dik aan en knikte hem nog eens met eene krachtige
+beweging toe. Hij had al veel meer gesproken dan hij gewoon was,
+en meende er verder ook geen woord meer over te verspillen. De zaak
+was afgedaan, naar hij meende.
+
+O, wat werd het Dik plotseling licht en vroolijk te moede. Weg was als
+met een tooverslag al zijn zorg en al zijn verdriet, en in gedachten
+zag hij reeds, hoe zijne lieve Moeder zou schreien van vreugde,
+als zij het hoorde.
+
+"Wil u mij dat geld leenen?" vroeg hij opgetogen, en elk woord klonk
+als een juichkreet.
+
+Van Dijk knikte.
+
+"O, ik wist, dat u een edel hart bezat, maar nu--nu maakt u drie
+menschen tegelijk gelukkig. Wat ben ik u dankbaar!"
+
+Weer knikte Van Dijk.
+
+"'t Is goed, hoor," sprak hij. "Praat er nu verder maar niet over. De
+zaak is beklonken.--Huup paarden!"
+
+Wat keken Jan Trom en zijne vrouw korten tijd later vreemd op, toen
+Dik onverwachts weer binnentrad, en o, wat verhelderden die gezichten,
+toen Dik vertelde, wat er gebeurd was. Hoe blonk de vreugde uit hunne
+oogen, hoe klonk in dit eenvoudige huisje hun vroolijke lach. De dagen
+van leed en droefheid waren voorbij, de armoede vloog het venster
+uit, en er was geen sprake meer van eene scheiding, die hunne harten
+dreigde te doen bersten.
+
+Enkele weken later betrokken zij de woning van vrouw Boon, waar
+het hun weldra zeer goed ging. Trom nam den winkel waar, bij welke
+bezigheid zijne vrouw hem onvermoeid ter zijde stond, en Dik ging er
+dagelijks met paard en rijtuig op uit, om de klanten buiten het dorp
+te bedienen en er nieuwe bij te werven.
+
+En het scheen wel, of men gaarne van hem bediend wilde wezen, want
+elke week werd zijn omzet grooter, en klommen zijne verdiensten. Al
+spoedig konden zij het geleende geld bij den molenaar aflossen,
+en na een paar jaren reeds moesten zij den winkel vergrooten. In
+korten tijd hadden zij de beste zaak van het geheele dorp, en elken
+Oudejaarsavond konden Trom en zijne vrouw een mooi sommetje ter zijde
+leggen van hetgeen zij hadden oververdiend.
+
+Dan keken zij elkander dankbaar en gelukkig in de oogen, en zeiden:
+
+"Voor onzen Dik!"
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+De zes volgende boeken zijn ware prachtwerken voor de jeugd,
+uitmuntende zoowel door inhoud als illustratie.
+
+Prijs van ieder boek f 1.50, in prachtb. f 1.90.
+
+
+
+Mijn Jongensjaren
+
+door Koen van Dam, geïllustreerd met 50 platen door Joh. Braakensiek.
+
+
+
+Weggeloopen
+
+2e druk, door Adona, geïllustreerd met 60 platen door Cecil Alden.
+
+
+
+Karel Vermeer
+
+door Ch. Krienen, geïllustreerd met 50 platen door W. K. de Bruin.
+
+
+
+Uit het leven van Dik Trom
+
+6e druk, door C. Joh. Kieviet, geïllustreerd met 50 platen door
+Joh. Braakensiek.
+
+
+
+Frits Wardland
+
+3e druk, door C. Joh. Kieviet, geïllustreerd met 50 platen door
+Joh. Braakensiek.
+
+
+
+De Twee Neven
+
+2e druk, door C. Joh. Kieviet, geïllustreerd met 50 platen door
+W. K. de Bruin.
+
+
+
+
+
+
+DE DRIE MATROZEN VAN MICHIEL DE RUIJTER
+
+
+door Joh. H. Been,
+
+geïllustreerd met 32 platen door J. H. Isings Jr.
+
+Prijs f 2.50, in prachtband f 2.90.
+
+
+De Nederlandsche Spectator van 26 Januari 1907 schrijft:
+
+Een ware "De Ruijter" hulde.
+
+
+In het stedeke Brielle waren nog de schimmen van onze zeehelden
+rond: Witte de Witt, de Trompen, Evertsen enz. en wie daar met een
+dichterlijken geest woont, wordt van hun geestkracht vervuld. De
+Brielsche Archivaris, de man in wiens hoofd dat heele prachtige
+verleden zich geconcentreerd heeft, de heer Joh. H. Been, heeft de
+mooiste "De Ruijter"-hulde denkbaar in dat kloeke boek van De drie
+matrozen van Michiel de Ruijter gegeven.
+
+Gevoel voor het grootsche in deze persoonlijkheid, voor het roemrijke
+verleden samen met de gave van het boeien door echte, spannende
+romantiek en van zich indenken in het menschelijk gemoed in vele
+gevallen van karakterstrijd en onrust maken dit boek tot een hoog
+boek, een, waar een jongen, z'n idealen in vindt, en dat zaden in zijn
+gemoed zal strooien, die veel later welig zullen kunnen opschieten
+tot heil van hem zelf, van het vaderland.
+
+Waarlijk, al is het een dik boek, misschien met z'n 379 blz. het
+dikste jongensboek dat we hebben, ik twijfel niet of het zal tot het
+eind gelezen, het zal her- en weer-herlezen worden, omdat er zooveel
+moois in is, dat meesleept, ontroert.
+
+En het mooiste zal voor de jonge lezers dunkt mij, nog dit zijn:
+dat het alles waar gebeurd is, dat er werkelijk voor Algiers vijf
+Christenslaven op de door Been beschreven manier op de vloot gekomen
+zijn; dat werkelijk op de Goudkust drie matrozen samen gevochten
+hebben met de in het boek beschreven gevolgen, even goed als het
+in de steek laten van het zinkende Engelsche schip in de West de
+waarheid bevat. Gerard Brandt vertelt het in zijn leven van Michiel
+de Ruijter. De dichter heeft alleen de letters op papier leven
+ingeblazen. Tegen zooveel goeds vallen kleine fouten of liever
+oppervlakkigheidjes weg.
+
+G.
+
+J. d. V.
+
+
+
+
+
+IN DEN OPGANG
+
+
+door Anna de Savornin Lohman. Geïllustr. door Willy Sluiter. Prijs
+f 2.50, in prachtband f 2.90.
+
+
+Freule Lohman laat zich met dit vlot geschreven boek ook eens als
+schrijfster voor jonge meisjes kennen. En 't is haar gelukt. Zij heeft
+den toon te pakken, die in den smaak valt der vrouwelijke "aankomende"
+jeugd. De handeling heeft plaats in een Hollandsch provinciestadje en
+zeer raak is het leven op zoo 'n plaatsje getypeerd. De "draad" van
+het verhaal: een in schooltijd aangeknoopt vrijagetje van het mooie,
+oudste dochtertje der Langeveldts met een gymnasiast-baronnetje,
+voor wien zij, als onbemiddeld en niet-adellijk meisje, later blijkt,
+geen geschikte partij te zijn. Rita, die haar stille verloving als
+geheim bij zich ronddraagt, ontdekt de vernedering, als haar Govert,
+die in Leiden studeert, met de vacantie door zijn ouders naar een
+buitenverblijf wordt gestuurd. En zij lijdt onder de desillusie,
+alléén. Dan volgt de bekentenis aan moeder, die haar over alles
+heen helpt.
+
+Daaromheen groepeeren zich de anderen, de openhartige zuster Mien,
+de goede broer Hein, de verwaande Sanny, de lieve moeder Langeveldt
+en niet te vergeten tante Poppie, de goedhartige, goedgeefsche,
+gezellige Indische. "In den Opgang", (bedoeld wordt in den opgang
+van den jongemeisjestijd naar het volwassen zijn) is, èn door de
+behandeling der stof èn door de strekking een aan te bevelen lectuur
+voor onze meisjes.
+
+Telegraaf, 5 Dec. 1906
+
+
+
+
+
+Zooeven verschenen!
+
+OP VIJVERHOEK
+
+door F. J. Hoffman.
+
+Geïllustreerd met 26 platen door W. K. de Bruin.
+
+Prijs f 1.50, in prachtband f 1.90.
+
+
+Dat ook in den winter het buitenleven zijn aantrekkelijke zijden
+heeft, kunnen we uit dit boek bespeuren. Karel en Wim gaan in de
+Kerstvacantie bij oom Van der Horst, den Boschbaas op het buitengoed
+"Vijverhoek", te logeeren. Ze vermaken er zich best, maar niet alleen
+aan guitenstreken is hun tijd gewijd; onder leiding van hun oom,
+komen ze heel wat belangwekkends aan den weet van vogels vooral,
+maar ook van andere dieren, visschen bij voorbeeld, en van planten.
+
+Aangrijpend is de passage van dien boer, die zijn hond zoo slecht
+behandelde, terwijl het trouwe dier, hem voor den brand in zijn
+hooiberg waarschuwde. Maar de man was te eigenwijs om op het geblaf
+acht te geven.
+
+Ook de Nederlandsche Vereeniging tot bescherming van vogels zal de
+verschijning van dit boek met vreugde begroeten.
+
+
+
+
+
+
+FLORIS DE VIJFDE
+
+
+door E. Molt.
+
+Geïllustreerd door H. C. Louwerse.
+
+Prijs f 1.50, in prachtb. f 1.90.
+
+
+Welke Hollandsche jongen kent niet uit de geschiedenis "Graaf Floris
+de Vijfde, der keerlen God", en zijn treurig einde?
+
+
+Hij toch was het, die ten tijde der lijfeigenschap het voor den kleinen
+man opnam en de macht der edelen fnuikte, om later als slachtoffer
+zijner menschlievendheid door verraad te vallen.
+
+Waar dan ook de schrijver zijn leven teekent, zonder opsmuk of
+overdrijving, is het een boek dat in afwijking der vele onmogelijke
+"jongenslectuur", met gerustheid der jeugd in handen kan worden gegeven
+en dat door hen zonder het hoofd op hol te brengen met graagte zal
+worden gelezen, terwijl het hunne kennis van den tijd der edelen
+blijvend zal verrijken.
+
+Van een viertal zéér mooie illustraties door H. C. Louwerse voorzien,
+en in keurigen prachtband is het een aanbevelenswaardig geschenk voor
+de jeugd.
+
+Dordrechtsche Courant, 26 Nov. 1906.
+
+
+
+
+
+
+
+UIT DE GEDENKSCHRIFTEN VAN EEN SCHOOLJONGEN
+
+
+door Joh. H. Been.
+
+Geïllustreerd door Jan Bleys,
+
+Bandteekening van R. W. P. de Vries Jr.
+
+Prijs f 1.50, in prachtband f 1.90.
+
+
+Een geestig, prettig, mooi geschreven jongensboek. Men kan het
+niet anders dan met groote belangstelling lezen; men gaat een warme
+sympathie voelen voor Hein, den bengel met zijn eerlijk hart, z'n
+jongensstreken, zijn strijd tegen het leeren en zijn strijd tegen zijn
+fantastische denkbeelden, die hem zoo vaak hinderen in het nuchtere,
+praktische leven. Hoe mooi is hier beschreven, dat langzame lief
+krijgen van een vak, waar hij eerst niet van houdt, de eerbied en
+genegenheid, die de jongen gaat voelen voor den onderwijzer, die hem
+zoo taktvol door dien strijd heen helpt....
+
+.... We zitten met hem in de benauwdheid voor het overgangsexamen,
+dat zoo meesterlijk beschreven is, en we juichen met hem, als hij
+"er door" is, als hij in de armen van zijn ouders vliegt, als hij
+even meneer Straalders, den helper in de booze wiskunde de hand
+gaat drukken en deze in zijn ontroering niet anders kan zeggen dan:
+"beste jongen, beste jongen...."
+
+Dan hollen we met hem en z'n trouwe gezel "Lie", den hond, naar
+buiten--den zomer, de vroolijke kermis, de zalige vacantie, tegemoet!
+
+Het is een boek vol eerlijke, gezonde, nobele denkbeelden, een in
+alle opzichten aan te bevelen werk.
+
+Commissie ter beoordeeling van Kinderlectuur.
+
+
+
+Van deze zalige vacantie vertelt het boek:
+
+HEINTJE'S GROOTE VACANTIE
+
+door Joh. H. Been.
+
+Geïllustreerd door Joh. Braakensiek.
+
+Bandteekening van R. W. P. de Vries Jr.
+
+Prijs f 1.50, in prachtband f 1.90.
+
+
+We durven een weddenschap aan te gaan, dat geen jongen "Heintje's
+Vacantie" zal gelezen hebben zonder, uit het diepst van een vol gemoed,
+te verklaren: in tijden heb ik zoo 'n prettig, aldoor boeiend boek niet
+gelezen. En als de ouderen 't overnemen, zullen zij het óók zeggen. Met
+ons zullen zij in hun hart den goeden schrijver dankbaar wezen die,
+zonder een oogenblik zwaar-avontuurlijke onwaarschijnlijkheden op
+te dienen, eigenlijk van allergewoonste dingen vertellend, zoo 'n
+geestig en zoo 'n spannend boek heeft kunnen leveren.
+
+Wie zijn kinderen en zichzelven ter Sinterklaasgelegenheid waarlijk
+een tractatie bereiden wil, die nog wel tot tien Sinterklaasfeesten
+ver zal worden geproefd, koope Been's nieuwste jongensboek.
+
+Rotterd. Nieuwsbl.
+
+
+
+
+
+
+JUFFERTJE WILDZANG
+
+door Bertha Clément,
+
+prachtig geïllustreerd met meer dan 50 platen.
+
+Prijs f 1.50, in prachtband f 1.90.
+
+
+De Meisjesboeken van Bertha Clement zijn eveneens gunstig bekend. Ook
+in dit nieuwe werk vinden we zulk een frisschen geest, zulk een
+vroolijke ongedwongenheid, dat men wel van de heldin moet gaan houden
+en haar lotgevallen met dezelfde belangstelling volgt als waren ze
+aan een meisje uit onze naaste omgeving overkomen.
+
+Bertha Clement is een vriendin van het jonge lezende publiek,
+en haar Juffertje Wildzang, waarvan bij P. Kluitman, te Alkmaar,
+een geïllustreerde uitgaaf in prachtband verscheen, zal zeker even
+gunstig worden ontvangen als hare vroegere verhalen.
+
+'t Is de geschiedenis van een vroolijk "juffertje Wildzang" in den
+grond een zeer lief meisje, dat ook wel iets van den ernst des levens
+leert en van hare verschillend geaarde vriendinnetjes. Een aardig,
+natuurlijk geschreven, onderhoudend meisjesboek.
+
+Nieuws van den Dag.
+
+
+
+
+
+
+IN DE VACANTIE
+
+Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.
+
+
+Prijs per deel f 0.90, in prachtband f 1.25
+
+De boeken in deze serie zijn met bijzonder veel zorg uitgevoerd,
+met minstens 4 prachtige platen geïllustreerd en keurig gebonden.
+
+
+A. voor Jongens:
+
+
+1. Het Beleg van Alkmaar door P. Visser. Geïllustreerd door
+H. C. Louwerse.
+
+2. Jaepie-Jaepie door C. Joh. Kieviet. Geïllustreerd door A. Rünckel.
+
+3. Frans van Dorentil door C. Joh. Kieviet. Geïllustreerd door
+A. Rünckel.
+
+4. Hollandsche Jongens door Chr. v. Abkoude. Geïllustreerd door
+A. Rünckel.
+
+
+B. voor Meisjes:
+
+
+1. De Zusjes van de Berkenhoeve. door Hermanna. Geïllustreerd door
+A. Rünckel.
+
+2. Het Badreisje van Cor Slung door C. Joh. Kieviet. Geïllustreerd
+door A. Rünckel.
+
+3. De Beschermeling van het Viertal door L. van der Meer. Geïllustreerd
+met 55 platen.
+
+
+
+Deze serie wordt vervolgd.
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Uit het leven van Dik Trom, by C. Joh. Kieviet
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK UIT HET LEVEN VAN DIK TROM ***
+
+***** This file should be named 29712-8.txt or 29712-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/9/7/1/29712/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.