diff options
Diffstat (limited to '29429-0.txt')
| -rw-r--r-- | 29429-0.txt | 9094 |
1 files changed, 9094 insertions, 0 deletions
diff --git a/29429-0.txt b/29429-0.txt new file mode 100644 index 0000000..9cddc5c --- /dev/null +++ b/29429-0.txt @@ -0,0 +1,9094 @@ +The Project Gutenberg EBook of Papieren Kinderen, by Justus Van Maurik Jr. + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Papieren Kinderen + +Author: Justus Van Maurik Jr. + +Release Date: July 17, 2009 [EBook #29429] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PAPIEREN KINDEREN *** + + + + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + +-------------------deze regel heeft nummer 1------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van de | + | bijbehorende alinea. Bladzijde-nummering is verwijderd. | + | Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn | + | stilzwijgend hersteld. | + | | + | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is | + | in dit e-boek weergegeven als _uitgespatieerd_. | + | | + | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het | + | origineel zijn bijna allemaal gecorrigeerd. Uitzondering | + | zijn de verschillen in spelling bij samentrekkingen. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. | + | | + +--------------------------------------------------------------+ + + + + + PAPIEREN KINDEREN + + + + + PAPIEREN KINDEREN + + NOVELLEN EN SCHETSEN + + DOOR + + JUSTUS VAN MAURIK Jr. + + AMSTERDAM + + Tj. VAN HOLKEMA + + 1888 + + + + +_EEN BENEFIET_. + + + + +EEN BENEFIET. + + +I. + +Daar stond hij dan nu voor de deur, gereed om te schellen. + +Met een zucht, die als een zenuwachtige huivering over zijn lippen +gleed, zei hij in zichzelf: „Hier moet ’t zijn,” en keek oplettend +naar de zwarte letters op ’t porseleinen naambordje aan den deurpost. + +„W. F. Hostein” ’t stond er duidelijk, hij was dus terecht. Zijn hand +beefde een weinig, toen hij den blank geschuurden koperen schelknop +aanvatte, en als geschrikt van den helderen metaalklank trok hij snel +de hand terug en zocht haastig in den achterzak van zijn jas naar de +garen handschoenen, die hij onder weg had gekocht; hij begon ze aan te +trekken. Ze gingen moeilijk over zijn klamme vingers. + +Vragend zag het kleine dienstmeisje, dat de deur opende, hem aan. + +„M’neer thuis?” + +„Wie bedoelt u? Menheer,—of meneer Hostein, die hier binnenshuis +woont?” + +„Meneer Hostein!” + +„Jawel, die is thuis, maar.....” + +„Niet te spreken misschien?” + +„Meneer is aan ’t studeeren voor van avond en....” + +„O zoo! Vraag hem dan even: wanneer of ’t schikt dat ik weerom kom.” +Een ietwat smoezelig naamkaartje, dat haar werd toegereikt, deed het +meisje zeggen: „Wacht u dan maar effentjes.” + +Terwijl zij de gang doorging, las ze halfluid: „Adriaan Walten, +tooneelspeler a/d. K. S.” en onwillekeurig keek zij even om naar den +ouden man, die met zijn hoed in de hand op de vloermat stond. In een +oogwenk zag zij, hoe afgedragen en oud zijn jasje, hoe grauw zijn +linnengoed was en hoe zonderling zijn grijze pantalon hem op de hielen +hing. + +Vóórdat zij nog de trap op kon gaan, riep van boven uit ’t portaal een +welluidende mannenstem: „Is de kapper daar, Antje? Laat hem dan maar +boven komen.” + +„Neen, meneer; ’t is een...” ’t Woord „heer” wilde niet vlot over +Antjes lippen. Vlug wipte zij de trappen op en fluisterde zacht: „’t +Is zoo’n raar persoon, weet u, zoo’n...” Zij reikte ’t kaartje over. + +Beneden in de gang trok Adriaan Walten met zenuwachtige rukjes den +linkerhandschoen verder aan en wischte zich met de beverige +rechterhand een paar droppels van ’t hooge voorhoofd, terwijl hij in +de spiegelruit van de tochtdeur, die op ’t haakje was vastgezet, +trachtte te ontdekken of zijn das en boord goed zaten. + +„Kom boven, meneer Walten!” klonk van het portaal af de mannenstem; ’t +meisje verscheen opnieuw voor den wachtenden oude en zei, lichtlijk +hijgend door ’t haastige trap op- en af snellen: „Gaat u maar naar +m’neers kamer, de trap op linksom; de deur zal u wel zien.” + + * * * * * + +In den deurpost, half beschenen door de zon, die, tusschen de +gedeeltelijk dichtgeslagen overgordijnen door, een baan helder licht +in de kamer werpt, staat een nog jeugdig man, met een joviaal rond, +gladgeschoren gezicht; op ’t kort gesneden haar draagt hij een roode +Fez; een kleurige kamerjapon omgeeft zijn slanke figuur en een witte +pantalon met geborduurde pantoffels voltooien zijn ochtendkleeding. +Den bezoeker afwachtend, roept hij hem vroolijk toe: „Pas op ’t +drempeltje, ouwe heer: ’t is een beetje duister op ’t portaal.” + +De „ouwe heer” nadert met zijn hoed in de hand. Nogmaals klinkt hem +een: „voorzichtig!” tegen en dan hoort hij uit een blauwige wolk van +sigarettenrook de woorden: „Leef je nog, papa Walten?—Kom binnen.” + +Langzaam komt Walten het vertrek binnen; hij ziet even rond, met een +bijna schuwen blik, vóórdat hij antwoordt. + +’t Is alsof die stemmig behangen kamer, met de fraai gesneden +eikenhouten meubels hem ontstemt, alsof dat sierlijke, gemakkelijk +ingericht vertrek hem onaangenaam aandoet, want om zijn mond speelt +eensklaps een pijnlijk droevige trek en zijn wenkbrauwen fronsen zich +merkbaar terwijl hij enkele seconden de oogleden sluit. + +„’t Is hier mooi, fijn!” zegt hij zacht, zóó zacht dat de andere ’t +niet verstaat en vriendelijk vraagt: + +„Zei je wat, Walten?” + +„U woont hier chic, comfortabel, meneer Hostein. Ik hoop niet, dat ik +u erg kom hinderen, maar....” + +„Volstrekt niet, papa Walten; voor u heb ik altijd wel een oogenblikje +over.” + +„Dat dacht ik wel, meneer Hostein.” + +„Hé?” + +„Ik zal u ook niet lang ophouden, meneer Hostein.” + +„Maar Walten, ben je nou heelemaal.....? Zeg je: „Meneer”—en dàt tegen +mij, je ouwen leerling Willem?” + +„Ja, maar meneer Hostein...” + +„Ben je gek, ouwe heer; wat beteekent dat? Weet je niet meer hoe ik +heet?” + +Een glans van vreugde glijdt bij ’t hooren van dien hartelijken toon +als een zonneschijntje over ’t gelaat van den ouden Walten, en als +toegevend aan een plotselinge opwelling van vertrouwelijkheid steekt +hij beide handen uit naar den vóór hem staanden jongen man, terwijl +een: „Willem, beste jongen!” zijn mond ontsnapt. + +„Zoo! dàt mag ik hooren!” Hartelijk drukt Hostein Waltens magere +handen, terwijl hij vraagt: „Waarmee kan ik je dienen, papa?” + +Eenige seconden lang ziet Walten den jongen man diep treurig aan met +doffe, moedelooze oogen en dan barst hij plotseling los met: + +„Ik ben zoo ongelukkig, Willem!” + +Hostein werpt vluchtig een blik op ’t oude beduimelde kaartje, dat hij +in de hand houdt, leest de woorden: „Tooneelspeler a/d K. S.” en +terwijl hij denkt: „Aan den Koninklijken Schouwburg,—dat’s heel lang +geleden, arme vent!” zegt hij met een kleine trilling in zijn stem: +„Is ’t waarachtig?” + +„Ja, ik weet nu geen raad meer.” + +„Arme ouwe kerel!” + +„’t Is hard, hé! dat ik zóó voor jou moet komen staan! Maar....” + +„Kom! kom! je zult wel te helpen zijn.—Is ’t alleen dàt?” Hostein +maakt de beweging van geld tellen. + +„Niet alleen; maar—toch....” + +„Zit je weer in den brand?” + +„Neen, lach niet, Hostein; ik ben niet alleen met geld geholpen.—Ik +wou, hum!—’t is zoo ellendig om.... Ik wil niet leenen, begrijp je? +Waarachtig niet, want ik kan ’t nooit teruggeven en....” + +„Dat is ook niet noodig.” + +„Neen! Willem, dàt wil ik niet. Maar ik—hum! ik wou nog één ding +probeeren en daartoe....” + +„Waarom ben je niet eerder gekomen? Je wist toch wel, dat ik en andere +collega’s je met alle liefde wat assisteeren willen en....” + +„Ja! ja! dat weet ik wel,” knikt Walten; „maar ik begeer niets te +hebben; ik....” + +„Je hart zit nog altijd te hoog, ouwe heer!” + +„Te hoog? Och God! neen, die tijd is er geweest, en je ziet immers +wel, dat ik nu dan toch....” + +„Ja! ik voel er alles voor; ik ken je immers niet van gisteren.—Ga nu +eerst eens bedaard zitten, dáár in dien fauteuil.—Wil je rooken?—Hier +staan sigaren.—Niet?—’n Sigaret?—Ook niet?—’n Glas port dan?—Kom! dat +zou ik nemen, dat geeft ’n beetje toon in de maag.—Wil je niet?—Nu +wacht dan maar even; ik ken je ouwe gewoonten nog wel!”—Hostein +schelt, en als ’t meisje een oogenblik later is binnengetreden, zegt +hij: „Haal eens een kop bouillon, hiernaast in ’t café—en ’n paar +beschuitjes.” + +„Wat heb je dat goed onthouden, Willem?” Een lachje begeleidt die +woorden. + +„Niet waar? Ik heb je voorbeeld trouw gevolgd; ik drink iederen dag +bouillon. ’t Is bepaald een behoud voor de stem.” + +„Zeker! dat heb ik je ook altijd gezegd en....” Plotseling houdt +Walten op: hij heeft toevallig een blik geslagen in de groote Psyché, +die tegenover hem staat. De zonnestralen vallen, tusschen de gordijnen +door, warm en schitterend op den ouden man die, als hij zijn beeld zoo +fel verlicht in den spiegel weerkaatst ziet, met een zucht over de +bijna witte lokken, die spaarzaam zijn kruin bedekken, heenstrijkt en +droevig zegt: „’k Ben ijselijk oud geworden, hé? De laatste jaren +hebben me kapotgemaakt, en hum!—’k zie er zoo echt sjofel uit.—Neen! +zeg maar niet, dat ik ’t me verbeeld; ’t is de waarheid,—ik word +langzaam aan oud; dat voel ik wel.” + +„Kom! kom! Walten, je bent melancholiek, maar....” + +„Ik weet heel goed, dat ik er ellendig uitzie; maar ik heb ’t ook zoo +hard gehad in den laatsten tijd.” + +„Och! heb je gesukkeld, ben je ziek geweest?” + +„Ook al, Willem; maar dat was ’t ergste niet: ’k heb eeuwig en altijd +„Pech” gehad in de laatste jaren.” + +„Ja! voor den wind is ’t je niet gegaan, dat weet ik. Maar waarom +sprak je niet?” + +„Je weet wel, klagen is nooit mijn zwak geweest; ik wou niemand lastig +vallen en scharrelde er altijd nog zoo wat door. Maar nu....” Walten +zucht een paar malen en trommelt met zijn vingers op de leuning van +den stoel, terwijl hij strak voor zich uit staart. + +„Heb je niets om handen op ’t oogenblik?” + +„Niets, Willem. Je weet immers ’t ongeluk, dat mij trof met mijn +schouwburgtent?” + +„’k Heb er destijds van gehoord.” + +„Zoolang ik de kermissen kon afreizen, had ik ten minste een stuk +brood, soms redelijk goed zelfs; maar toen mijn heele rommel afbrandde +en.....” + +„Je was toch geassureerd?” + +„Ja natuurlijk! maar....” Eensklaps worden Waltens oogen rood en +vochtig, en terwijl langzaam en stil een heldere droppel over zijn +wangen rolt, glinsterend in ’t zonnestraaltje, dat zijn gelaat helder +verlicht, vraagt hij zachtkens: „Je weet immers, hoe ik toen bestolen +ben?” + +„Hum ja! ik herinner me wel zoo iets.” + +„Ik heb geen cent van ’t geld gezien.” + +„Dat ’s een ijselijkheid. En kon je niet nagaan, wie je....?” + +„Zeker wel! Ik wist heel goed wie; maar....” + +„O! nu herinner ik ’t me weer, ’t is waar ook; dat ’s een ellendige +historie geweest. Je kondt om je dochter geen gevolg aan die zaak +geven; die gemeene schoelje had haar ’t leven toch al zuur genoeg +gemaakt.—Zij is onlangs gestorven, hé?” + +„Ruim een jaar geleden. Tot zóólang heb ik haar en haar kinderen ook +nog moeten onderhouden; die stumperds zijn nu in ’t weeshuis.” + +„En hij?” + +„Zit ergens in Australië, geloof ik.” + +„Zoo’n schoelje!—En—Annette, je tweede meisje?” + +„Die is nog altijd ’tzelfde.” + +„Dus totaal....?” Hostein wijst met den voorvinger op zijn voorhoofd. + +„Neen! alleen maar van tijd tot tijd; maar ’t wordt gaandeweg erger, +de buien komen nu zoo gauw achter elkaar, dat ik....” + +„Jammer, doodjammer van ’t arme schepsel. Ze had wel wat talent, hé?” + +„Of ze talent had? Kerel, Willem!”—Waltens oogen worden minder +dof—„ik heb nooit zoo’n talent gezien als van dàt kind, ’n geboren +tragédienne! En dat zou ze geworden zijn, dat verzeker ik je, wanneer +die geschiedenis maar niet gebeurd was met dien.... Enfin! je weet er +alles van. Wat ’n debuut maakte zij! Heb jij ooit zoo de Ines de +Castro zien spelen? Je was er immers bij, toen ze voor ’t eerst +optrad? Wat ’n stem, hé? Sonoor, mooi en fluweelig.—O! dat geluid +heeft ze nog, maar—’t loopt alles bij haar door mekaar en als ze kalm +is,—zie je, ik bedoel, als ze zoogenaamd normaal is,—zit ze met de +handen over mekaâr en zegt niets.” Walten wacht even, en als spreekt +hij tot zichzelf, herhaalt hij: „Niets, bijna geen stom woord. Die +vervloekte kale mof met z’n gladde tong had m’n arme Netje totaal +ingepakt en....” + +„En ’t kind, is dat blijven leven?” + +„’t Is drie jaren geworden; toen is ’t goddank gestorven. Wonderlijk, +hé! zij taalde er nooit naar; tusschenbeide was ’t bepaald alsof ze ’t +niet kende. Ja! dàt was al een raar verschijnsel.” + +„’t Is treurig.—O! ben je daar met de bouillon, Antje? Zet den kop +maar neer, voor meneer.—Kom, papa Walten, proef nu eens of ze goed +is.—Ja ’t is een droevig geval met je dochter.” + +„Ja waarachtig, wel is ’t dat! Dadelijk na haar bevalling is ’t al +eens mis geweest, maar ’t liep er toen niet zoo erg door; ze beterde +en daarom kon ik haar weer laten spelen, begrijp je? Daarna is ze een +paar jaren vrij goed gebleven. Ze was toen nog een heele steun voor +mijn zaak. Later had ik niets meer aan haar: ze kon zelfs ’t kleinste +werk niet meer doen, geen geheugen, sufferig—en dan toch weer +oogenblikken, soms een maand lang, dat je zeggen zoudt: ze is goed in +orde. Ja, ’t is ’n ellende! Die muzikant met z’n sentimenteele oogen +heb ik nooit vertrouwd. Netje is wel honderdmaal voor hem +gewaarschuwd, maar ze was als met blindheid geslagen. Enfin! dat hij +haar heeft laten zitten was nog ’t ergste niet, dat gebeurt meer; maar +dat zij door die hum!—die geschiedenis aan ’t malen is geraakt, dat ’s +fataal.” Walten drinkt langzaam een paar teugen en vervolgt dan: „’t +Is zuiver physiek, zie je, want ik geloof, dat ze niet eens zoo +allemachtig dol op dien vent was, ten minste later niet; en daarom heb +ik altijd nog hoop, dat ze niet ongeneeslijk is. Ik geloof bepaald, +dat ze geholpen kan worden, maar—ze moet goede verpleging en rust +kunnen hebben. Vat je, onder dokters handen, in ’n gesticht en....” + +„Zou je dat waarlijk denken, Walten?” + +„Waarachtig! Maar gauw zal ’t niet gaan. Jongens, Willem, als ze van +die talentbuien heeft—zoo noem ik ze, weet je?—dan moest je eens +hooren, hoe ze heele brokken uit haar vroegere rollen zegt en goed +zegt, verduiveld goed zelfs! En dan dat heerlijke geluid! God! God! +wat ’n jammer, dat ze zoo....” + +„’t Is zonderling!” + +„Ja, wel is ’t dàt, en juist daarom wou ik probeeren om haar onder +behandeling te krijgen; lukt me dàt, dan kan ik voor mij altijd nog +wel hier of daar „emplooi” vinden.” Een min of meer ijdel lachje +glijdt vluchtig over Waltens gelaat, terwijl hij vervolgt: „Als ik +wil, kan ik ’t nog wel. Natuurlijk geen eerste komiek meer, dat +begrijp je; maar „père noble”, dat zou best gaan; ik zou nog menig +„jonkie” een lesje kunnen geven.” + +Hostein ziet zijn voormaligen leermeester, zonder dat deze ’t merkt, +met medelijden aan en antwoordt; „Ja, je hebt van de piek op gediend, +je hebt alles meegemaakt en ik was nooit geworden wat ik ben, als +ik....” + +„Als je niet zoo’n gelukkigen aanleg had gehad. Och! beste jongen, +artisten worden niet gemaakt, wel geboren; ik heb ’t je dikwijls +gezegd: je zult carrière maken, want jij voelt goed, jij pakt wat je +pakken moet.” En Walten ziet met eenigen trots naar Hostein als hij +vervolgt: „’k Heb eer met jou ingelegd—en ik heb je altijd graag mogen +lijden omdat je dezelfde gebleven bent voor je ouwe vrinden—daarom kom +ik nu ook bij jou om hulp.” + +„Zoo! En wat kan ik dan eigenlijk voor je doen?” + +„Ik wou probeeren om ’n benefiet te geven!” + +„Ei! Ei!” + +„Ik weet wel, Willem, dat ’t moeilijk zal gaan bij deze directie, want +die kent mij niet. Bij de vorige heb ik eens een benefiet gehad, +maar—dat ’s al lang geleden. Nu dacht ik, dat ’t misschien gaan zou, +als jij mijn voorspraak woudt zijn.” + +„Met pleizier! Ik maak me sterk, dat ik ’t wel voor je in orde speel.” + +„Zou je denken?—Maar, Willem, ’t moet ’n benefiet zijn, waar ik goed +wat van overhoud; ik heb bij ’t vorige, een jaar of vier geleden, maar +’n kleine tweehonderd gulden gemaakt.” + +„Dat’s weinig!” + +„Och! je begrijpt, ’t ging voor ’t derde, na aftrek van de +avondkosten; ik was toen al blij, dat ’k ’t kreeg, al had de Directie +er per saldo ook ’n „goeien” avond aan, want ’t was in den slappen +tijd, en daarom deden ze ’t. De zaal was goed bezet, we hadden ook +hard gewerkt met lijsten. We maakten een recette van zoo wat +negenhonderd gulden; daar ging ’n groote driehonderd gulden af voor +armengeld en avondkosten. Ik kreeg één derde: reken dus maar zelf na.” + +„Ja, dat’s akkoord!” + +„En toen ik ’t geld in handen had, was ’t dadelijk geblazen, want +iedereen, die wat hebben moest, kwam om zijn dubbeltjes; er waren +zelfs lui, die geld van me moesten hebben, ’s avonds aan den +schouwburg. Wat ik overhad, was een mondje vol, meer niet.” + +„Weet je wat, papa Walten: laat mij dat zaakje maar eens voor je +opknappen; ik heb nogal een wit voetje bij de Directie. Ik zal ’t wel +zóó voor je rooien, dat je niets anders hoeft af te geven dan de +avondkosten; dan hou je allicht een goeie vijf, zeshonderd pop over.” + +„Zou ’t lukken, Willem? Zie je, ’t is wel hard om zoo’n +armoe-benefiet[1] te geven, en ik schaam me eigenlijk wel, maar—och! +’t is voor Netje, en daarom....” De oude man zucht diep bij die +woorden. + +[1] Benefiet, geheel ten voordeele van den beneficiant. + +„’t Zal wel gaan. Maar .... wil je soms „en attendant” ’n pop of tien +hebben?” + +„Graag! Van jou neem ik dat aan; ’k zal ’t dadelijk weerom geven na +mijn benefiet.” + +„Ja! dat komt wel terecht; en als ik soms verder iets voor je doen +kan.... Hier heb je een muntje.” + +„Dank je, Willem!—Wanneer zou je denken, dat ’k hooren kan of ’t +lukt?” + +„’k Zal er morgen dadelijk over spreken.” + +„Wil ’k dan overmorgen komen hooren?” + +„’k Zal je wel een boodschap sturen. Waar is je adres?” + +„Hum! och! ik loop toch, ik kom overmorgenmiddag wel even aan.” En na +een groet en een handdruk verlaat Walten de kamer, begeleid door +Hostein, die hem aan de trap nog naroept: „’k Zal ’t wel voor je +klaren.” + + * * * * * + +Niemand zou, wanneer hij den vervallen ouden man had zien heengaan, +hebben vermoed, dat hij Adriaan Walten den eens zoo gevierden eersten +komiek van den Koninklijken Schouwburg zag, en toch was dat zoo. + +Uit fatsoenlijke burgerouders gesproten, had Walten een vrij +zorgvuldige opvoeding genoten en was door zijn vader op een +notaris-kantoor geplaatst, waar ’t droge, iederen dag regelmatig +terugkeerende, werk volstrekt niet met zijn aard en geest strookte. De +kantoorvloer brandde den vroolijken jonkman onder de voeten en over de +brug der Rederijkerij naderde hij, tot ergernis van zijn familie, het +tooneel, waar hij zijn loopbaan met een zeer kleine rol en een nog +kleiner salaris begon. + +Allengs „kwam hij op”, zooals men dat in de tooneelwereld noemt en +binnen eenige jaren was hij de lieveling van het publiek. Als Walten +speelde was de schouwburg eivol; zijn naam op ’t affiche bleek +voldoende om een stuk te doen „trekken.” + +Beminnelijk en vriendelijk van aard, was en bleef hij bij de collega’s +in aanzien. Ze mochten hem lijden, en de vrouwelijke collega’s, en +niet het minst de priesteressen van Terpsichore, zagen hem maar al te +gaarne: zijn „geluk” bij haar evenaarde zijn succes op de planken; en +zeker zou hij evenals Don Juan zijn veroveringen niet hebben kunnen +tellen, wanneer hij niet na een vlinderachtige jeugd op rijperen +leeftijd nòg fladderend, in ’t net van een Fransche danseuse was +gevlogen, die „le beau Valten” zoodanig de baas werd, dat hij zijn +rug—misschien met een zucht—eindelijk onder Hymens juk kromde. Of hij +’t geduldig droeg, blijft de vraag. + +Haar eerzucht, haar drijven en doorzetten waren de oorzaken, die hem +de eerste schreden deden zetten op ’t hellende vlak, waarop hij +langzaam, maar zeker, omlaaggleed. + +Zij wilde hem doen stijgen, zij wilde „Madame la Directrice” heeten—en +ze deed hem vallen. + +„Een eigen troep” was zijn droom geworden. Ongelukkig genoeg duurde +die droom niet lang; ’t ontwaken er uit was ontnuchterend en akelig. + +„De troep” bestond eenigen tijd, werd toen een „troepje” en na veel +tobben, teleurstellingen en wederwaardigheden opnieuw „een troep”, +maar in de andere beteekenis van ’t woord. + +Van stad tot stad trekkend, beproefde hij nu hier dan daar zich te +vestigen en aan die stad een eigen schouwburg, een tooneelgezelschap +te schenken. Telkens werden zijn verwachtingen bedrogen en altijd +verder gleed hij voort op de schuine helling, die hem ten slotte in de +kermistent voerde. + +Had hij toenmaals nog de kracht bezeten om zich los te maken van die +vrouw, die hem, als ’t ware met magnetische kracht vasthield en +beheerschte, zijn gezond verstand benevelend en op allerlei wijze zijn +ijdelheid prikkelend, hem steeds tot de grootste dwaasheden verleidde, +misschien ware het hem dan gelukt weer op de hoogte te komen. Hij deed +het niet; Walten was, zooals men ’t heet, een goeie vent, een +artistieke natuur, prikkelbaar en opvliegend, maar zwak van karakter, +toegevend soms meer dan noodig was en zonder doorzettingsvermogen +dáár, waar ’t hem inspanning kostte zijn wil door te drijven. + +’t Ongeluk bleef hem trouw ter zijde, hij werd arm aan geld en moed, +en toen eindelijk na jaren vol doorworstelde moeilijkheden een +tijdstip kwam, waarop eenige vrienden—gedachtig aan ’t geen hij +vroeger was en rekening houdend met ’t geen hij nog kón zijn—hem een +fatsoenlijk engagement aanboden bij een schouwburg van den 2en rang, +was ’t alweer die vrouw, die hem er toe dreef zijn eischen zóó hoog te +stellen, dat men die niet kon toestaan. + +Hij bleef dus wat hij geworden was, een kermis-artisten-directeur, +zich lavend en bedwelmend door de bravo’s en toejuichingen van een +publiek, dat àl te spoedig tevreden is. Allengs begon hij zijn +oorspronkelijkheid te verliezen, hij deed zijn talent geweld aan, +speelde alles, wanneer ’t slechts „DE ROL” was van ’t stuk; ’t +handgeklap van jan en alleman was hem onontbeerlijk geworden, evenals +de flesch aan den dronkaard. + +Huiselijke onvrede, verdriet dat hij door zijn kinderen ondervond, +zorg en kommer knakten in hem den „artist” voordat de „mensch” Walten +oud was; en toen hij inderdaad op leeftijd kwam, waren zijn oogen dof +geworden, zij zagen slechts schemerend ’t licht der kunst en straalden +’t niet meer uit. ’t Eenige wat hem voor geheelen ondergang behoedde, +was de omstandigheid dat hij niet dronk; hij had een aangeboren afkeer +van „den drank”, en zeker zou hij zonder dien gelukkigen afschuw nog +veel sneller de maatschappelijke ladder zijn afgedaald. + +Arm was hij geworden, zeer arm zelfs, maar een stijfhoofdige trots was +hem bijgebleven. Hij was in zijn eigen oogen—misschien ook in die van +anderen—een „gentleman” gebleven; hij „voelde” zich, niettegenstaande +hij niets meer was. + +Dat zijn talent in die worsteling met het leven gebroken was, begreep +hij niet; zijn stem was rauw en heesch geworden, want hij had in +allerlei rollen zijn geluid verschreeuwd voor een publiek, dat brult +en juicht, als ’t degens en dolken ziet, en dat samenvalt van ’t +lachen, als ’t hansworsterij aanschouwt. Walten was de ruïne van een +kunstenaar,—een bouwval echter, waarvan de overblijfselen aantoonden +hoe schoon het geheel eenmaal was. + +Eindelijk was de vrouw, die hem niet tot zegen was geweest, gestorven; +zijn ondernemingen volgden haar de een na de andere, en eindelijk was +’t gedaan: er bleef hem niets over dan de herinnering aan zijn +zwerven, de afgodische liefde voor zijn arme krankzinnige dochter, +zijn jongste kind, een nakomertje, dat jaren na het andere was +geboren, en het denkbeeld dat hij weer een emplooi moest zoeken. + +Dat „zoeken” vond echter een groot beletsel in de omstandigheid, +dat Walten zijn kind niet kon verlaten, omdat hij de eenige was, +die wist hoe zij behandeld moest worden, als die vlagen van +verstandsverbijstering over haar kwamen. Hij zocht dus en wachtte, +verteerde wat hem nog was overgebleven, en ten slotte vervolgd door +schuldeischers, door den nood geperst, zocht hij hulp en troost bij +zijn vroegeren leerling Hostein, die op dat oogenblik de eerste +acteur, de gevierde artist was bij de Directie en bij ’t publiek. + + * * * * * + +Terwijl de oude man de straat opging, zag Hostein van uit ’t venster +hem na en zei in zichzelf: „Arme kerel! ik zal voor je doen, wat ik +kan”. + +Den volgenden dag wendde hij al zijn invloed aan bij de Directie van +den Koninklijken Schouwburg, en toen Walten een dag later hem weer +bezocht kon hij hem met het blijde bericht verheugen, dat binnenkort +een voorstelling zou worden gegeven, waarvan de geheele opbrengst, na +aftrek van de alleronvermijdelijkste kosten, ten voordeele zou zijn +van den ouden komiek en karakterspeler Adriaan Walten. + + +II. + +’t Is even na den middag. ’t Is koud en guur winterweer, zonder +sneeuw, maar met regen aan de lucht en daardoor nattig, doordringend +kil in de atmosfeer. Nu en dan schijnt een schraal, waterig zonnetje +een oogenblik tegen de gevels der oude burgermanshuizen van de straat +der achterbuurt, waar Walten woont, maar ’t is geen zonneschijn die, +weldadig verwarmend, doordringt in de vertrekken, ’t is alleen een +teringachtig schijntje, een flauwe glans, die even spoedig verdwijnt +als komt. + +Op ’t open erf, achter het huis van den hokkebaas[1], waarvan Walten +de beneden-achterkamer en een heel klein keukentje in huur heeft, +staat een vrouw van middelbare leeftijd met opgestroopte mouwen aan +de waschtobbe! ’t Is een groote, stoere vrouw met een grof, maar +goedhartig gelaat, waarop de kinderpokken hier en daar eenige +herinneringen hebben achtergelaten. Haar lichtblauwe oogen staan +helder in haar hoofd en vestigen zich nu en dan met welgevallen op een +klein, dik ventje van een jaar of acht, dat met inspanning van al zijn +kracht bezig is om tusschen de voegen der klinkertjes, waarmee ’t +plaatsje bestraat is, een gebroken houten lepel te drijven, door er +uit alle macht met een stuk plank op te slaan, en als wilde hij +bewijzen, dat gewillige last licht is, zingt hij het hoogste lied er +bij uit. Zijn schelle kinderstem snijdt door de lucht, en glimlachend +luistert de moeder naar hem, totdat het kloppen den zang overstemt en +„’t lawaai” haar te erg wordt. „Stil, Keesie!” zegt ze, hem even met +den van zeepsop druipenden vinger dreigend; en als van uit de +achterkamer, voor welks ramen haar waschtobbe geplaatst is, een paar +galmende tonen haar oor bereiken, herhaalt zij een weinig luider en +bevelender: „Stil dan toch, joggie!” + +[1] Turf- en houtverkooper. + +Die achterkamer is boven het halfgezonken onderstuk, waarin de turf, +het hout en de cokes van den hokkebaas bewaard worden, en daardoor +zijn de twee, vrij groote ramen op iets meer dan manslengte van den +grond. Een paar wit en blauw gestreepte rolgordijnen zijn tot op +eenige centimeters van de vensterbank neergelaten en beletten zooveel +mogelijk het inkijken in Waltens kamer, die tamelijk duister zou zijn, +wanneer niet, door de openstaande deur van ’t kleine keukentje het +volle daglicht binnenviel. + +Opnieuw bereiken eenige op luiden, bijna galmend zingenden toon geuite +woorden haar oor, en voorzichtig zet de vrouw de zware tobbe van het +bankje, dat als onderstel dienst doet, herhaalt nog eenmaal haar: +„Stil dan toch, Keesie” en klimt behoedzaam op ’t bankje. Nu reikt ze +met haar hoofd juist tot even boven de vensterbank, zoodat zij naar +binnen in de kamer kan zien. + +„Hum!” mompelt zij, „de gordijne benne weer dicht, maar ik ken ze toch +net effetjes zien.” Zij stapt van ’t bankje af en luistert opnieuw, +want binnen klinkt de stem al luider en luider. + +„Kind! hou nou toch ereissies eve je snater; ’n mensch kan niks niet +hoore, als jij aldoor zingt; ’t wordt nou net persies mooi.” Zij doet +een paar passen naar rechts op de plaats en roept halfluid: „Juffrouw +Jaling! Juffro-ou-w!—toe Keesie, hou je mond nou—juffrouw, kom nou +gauw! Nou beginne ze weer. Allo! Keesie, jij zoolang naar achtere, +vort! Roep jij de juffrouw ereis gauw, als een knappe jonge!” + +Uit de openstaande achterdeur van ’t naburig huis, dat eveneens op ’t +erf uitkomt, klinkt een heesch: „Ik kom al!” en dadelijk daarop +waggelt een buitengewoon zwaarlijvige vrouw, als een vette gans, naar +buiten. + +Een katoenen japon hangt haar, als een hier en daar opgeblazen zak, om +’t lijf en haar dikke voeten steken in een paar zwartleeren +pantoffels, die op de straatsteentjes een sloffend gedruisch maken, +als zij nadert. + +„Benne ze weer bezig?” vraagt hijgend de dikke juffrouw, terwijl ze +een paar droppels van haar slapen veegt, want niettegenstaande ’t +koude gure weer heeft zij het erg warm, terwijl ze voortschommelt. + +„Nou! uwé komt nog bijtijds, juffrouw Jaling; ’t is posetief ’n +extratje vandaag. Uwé kan nou nog net profeteere van de kemedie. Gaat +u maar op ’t bankie staan, dan kan je onder de gordijnfranje door in +de kamer zien; ’t eene raam staat een êndje ope, dat tref je. Je mot +nou meteens je oore maar ereissies de kost geve. Wacht ’k zal je +helpe.—Komaan dan!—Ho!—Huup! Eén ootje, twee ootje, mensch! mensch +wat ben je toch dikkig: als m’n bankie ’t maar uithoudt—drie ootje! +oepla!—Zoo! Hou je nou stiekum! Zachies prate.—Nou ben je d’r.—Zie je +wat?” + +„Gut, lieve ziel, wacht effies!—’k Ben blij, dat ik staan, hoor! Voor +’n dikkig persoon is ’t een heele toer om op zoon bankie te komme; ik +ben weer zoo kort van aassem teugenwoordig, weet je? O! nou kan ik +zien.” + +„Zie je wat?” + +„Nou!” + +„Wat dan?—Zeg ’t me maar zoetjes.” + +„Kristemensch! wat is ’r ’n herrie in die kamer.” + +„Nou hé!” + +„Alles leit overhoop; zij zit op ’t bed. O! Gossie! wat ziet ze ’r +raar uit, en hij maakt grimassies voor d’r. Hij buigt. Hè! hè! hè! +hè!” + +„Stil! lach niet zoo hard, anders hoort ie ’t!” + +„Dat’s allemachtig kemiek: hij zoent ’r hand.—Zeg, ’k kan ommers niet +valle, juffrouw Daters?—Hij doet ’t bij wijs alsof ie ’n onderdaan is +of zoo ies, en.... Sjuut! zij zeit ’n soortement vers op.” + +„Nou wat heb ik je gezeid? Allemenschelijk aardig, hé?” + +„Stil dan, mensch, laat me nou hoore.” + +„Vertel dan ereis, wat ie zeit?” + +„Nou persies kan ’k ’t niet verstaan, maar.... Hè! hè! hè! hij gaat op +z’n eene knie legge en zij—o, groote Gerritje, dat’s grappig—zij +vliegt op en pakt die ouwe kerel om z’n hals. Sjuut! nou ken ’k ’r +verstaan. Jij ook?” + +„Ja. Hou je nou koest en spreek toch niet zoo hard!” + +Een diepe volle altstem zegt binnen in de kamer luid en duidelijk: + + „.... Hernani! ’k beef.... In ’s hemels naam, + Spoed, spoed u voort van hier.... Kom! vluchten wij te zaâm.” + +en Waltens stem, antwoordt: + + „Te zaâm?—Neen! neen!.... Hélaas! dat uur is heengevaren, + Toen gij mij, Donna Sol! uw hart woudt openbaren; + Toen gij zoo naamloos goed, tot hulp m’ uw liefde boodt, + Mocht ik u bieden, wat mijne armoê overschoot.” + +„Zeg,” fluistert juffrouw Jaling zich half omwendend, „hij heit ’t +over z’n armoê. Nou! dat ’s geen wonder: ’t is daar ’t noordermarkie +wel.” + +„Nou hé?—Pas op dat je niet om valt; ’t bankie is zwak; je mot +stilstaan, hoor!—Wat ’n malle mensche om zoo met mekaar in d’r eentje +komedie te doen.” + +„Nou!” + +Een poosje luisteren de vrouwen zwijgend en aandachtig toe en, als +eindelijk de vrouwenstem vol innigheid zegt: + + „Neen, ’k volg u, waar gij gaat; ik wil u lijkwa deelen; + ’k Hecht me aan uw schreden .... ik hoor naar smeeken noch bevelen.” + +zegt juffrouw Jaling zachtkens: „Wat ’n mooie stem heit ze’.” + +„Jawel, maar luister nou liever, m’n goeie mensch.” + +Walten antwoordt: + + ....... Laat mij alleen ontvluchten! + +„Gaat ie ’r van door?” vraagt vrouw Daters fluisterend aan de andere, +die voortdurend door de ruiten naar binnen ziet. + +„Wel, mensch, ’t is ommers allemaal spul!—Nou begint zij weer, hoor je +wel?” + + ..... „Ge ontvliedt mij!... Hoe ontzind + Zijn leven te offeren aan den een’gen, dien men mint, + En, weggestooten, nog ’t geluk te moeten derven + Na zooveel liefde en smart met hem te mogen sterven.” + +Deze laatste strofe is zoo melodieus, zoo goed en met gevoel gezegd +geworden, dat de dikke juffrouw, die, zooals meer corpulente menschen, +gevoelig van natuur is, merkt dat haar oogen vochtig worden en tot de +andere zegt: „’k Heb met ’r te doen, juffrouw; ik word er vol van; je +gaat er niet voor naar de komedie, hoor; ’t is waar wat je zei—hè! +dat’s jammer, hij doet de keukedeur dicht, nou wordt ’t zoo donker dat +’k bekans niets zie—maar hoore kan ’k wel.” + +„Haar ken je goed verstaan; ze spreekt zoo duidelijk, is ’t niet?” + +„Nou! Maar hij is van de tand—dat hoor je wat goed.” + +„’t Is net of ie een aardappel in zijn mond heen en weer draait, als +ie praat. Je ken ’m haast niet verstaan tusschenbeie.—O! daar beginne +ze weer; maar....” + +Krak! krak! doet ’t bankje en meteen: „Groote Gerritje, daar heb je ’t +nou,” vangt juffrouw Daters nog bijtijds haar buurvrouw op, houdt haar +tegen en helpt haar veilig op den grond. ’t Bankje is door „de +dikkigheid” van juffrouw Jaling en de bewegingen die zij maakte tot +het uiterste gebracht en bezweken. + +Met een: „Da’s nog net bijtijds” blijft de zwaarlijvige juffrouw een +oogenblik staan, hijgend en blazend; en terwijl ze haar opgeschorte +japon en zwarten rok over de ontzagwekkend dikke beenen neerslaat, +vraagt ze: + +„En is daar nou alle dage weêr-an zoo’n spektakel?” + +„Alle dage, ten minste in den laatsten tijd.” + +„Heere, Heere!—’k Wou dat ’k hier eerder was komme wone; ’t +verdiverteert me wel.” + +„M’n man is ereis op z’n kamer geweest.” + +„Kom?” + +„Waarentig!—’n Rommel, m’n goeie mensch, een rommel, van alles en nog +wat!” + +„Wel, wel!” + +„En speult ie nou nog op den Schouwburg?” + +„Wel neenik, hij kan niet meer, dat hoor je wel.” + +„Wat je zegt!” + +„’t Mot vroeger anders ’n baas zijn geweest.” + +„Zoo!” + +„Jawel, ’n eerste kemiekeling!” + +„Ja! je ken nog wel zien, dat ie kemiekig is, vooral als ie zoo buigt; +anders is z’n gezicht eigentlijk meer mankeliekig, als je ’m zoo +ziet.” + +„Nou!” + +„Zoo’n beetje verloopen ook, hé?” + +„Nou! ’t is een echte ouwe narigheid op sloffen; maar tusschenbeien +zeit ie toch nog wel ereis ’n grappie.” + +„Och kom!” + +„Ja, als Pietersen komt.” + +„Wie is Pietersen?” + +„O! ken je dien nog niet?” + +„Neen!” + +„’t Is ook een eerste kemediant geweest; ze vertelle van hem, dat ie +vroeger bij ’n Fransche opera gezonge heit en gespeuld en later is ie +zooveel als sefleur geworde. O Gunst! juffrouw, dat’s zoo’n mirakel +van ’n vent. Hij heit nog één haar en één tand en de rest is beentjes +met ’n jas van „dankie meneer” er over. ’n Liefhebber van een slokkie, +erg! Maar vinnig, als ’t er op ankomt ook.” + +„Zoo? Ja! die kemediante-lui benne door de bank nogal van: berg ’m +maar weg achter je stropdas.” Juffrouw Jaling maakt met twee vingers +van de rechterhand de beweging van iemand, die een glas uitdrinkt. + +„Hij vooral! Weet je: als ie genoeg heit, lust ie niet meer, als ie +niks krijgt en... Kijk! als je van den duvel spreekt, dan staat ie om +’n hoekie; daar komt ie waarentig de gang in.—O Pietersen!—O! +Pie-ie-ietersen!” + +„Mensch, wat begin je?” + +„Nou! mot je ’m niet ereis zien? ’t Is wat ’n smakelijke poelepetaat; +misschien krijgt ie nog idee in je; zoo’n dikke weduwvrouw zonder +kindere zou ’m nog wel lijke.—Dag, Pietersen; hoe gaat ’t?” + +De aangesprokene, inmiddels genaderd, is inderdaad een zonderling +type. Lang, mager, min of meer met een knik in de knieën loopend, ziet +hij er uit alsof hij op ’t punt is om door te breken. + +Zijn gelaat is groezelig vaalbleek en om den ingevallen mond, zoowel +als op de wangen bewijzen talrijke grijze stoppels, dat de barbier +geen oortje aan hem verdient. Zijn oogen zijn dof, als uitgedoofd, en +’t is alsof hij de oogleden slechts met moeite openhoudt. Nu en dan +sluit hij het linkeroog geheel en ziet met het rechter, eenigszins +scheel en voortdurend knippend, langs den dikken rooden neus. Een +groote breedgerande hooge hoed dekt zijn kalen schedel, terwijl zijn +jas en pantalon er uitzien, alsof ze een aandenken zijn aan een of +anderen menschenvriend. + +Door ’t bijna totaal gemis van tanden, klapt zijn tong nu en dan +dubbel tegen de holle wanden van zijn mond en geeft daardoor aan zijn +stem een klank, die aan ’t klokken van een flesch, die uitgeschonken +wordt, doet denken. Pietersen heeft in zijn leven veel meer dan noodig +was aan Bacchus geofferd en behoort nu tot dat soort van menschen, die +eenvoudig niet meer beschonken worden, omdat ze ’t voortdurend zijn. +Zelfs nu op dit oogenblik is hij niet geheel vrij van den invloed des +alcohols: dronken is hij niet, nuchter evenmin; hij is in een +zoogenaamde „pleizierige bui”, die zich bij hem aankondigt door een +kleine moeilijkheid bij ’t uitspreken van enkele woorden en letters. +Overigens is er aan hem niets bijzonders te bespeuren; zijn gelaat +heeft de gewone vervallen comische uitdrukking en met zijn rechteroog +knipt hij niet vaker dan anders. + +De vrouwen uit de buurt kennen hem allen en mogen hem lijden, want +Pietersen heeft er slag van om door een of ander grappig woord of een +zoogenaamden „ui” op haar lachspieren te werken; hij is de schim van +een galant man en mengt veel Fransche woorden in zijn gesprek, een +eigenaardigheid die hem bij de vrouwtjes uit de buurt een soort van +overwicht bezorgt. „Hij is vroeger een heer geweest,” zeggen ze, en +hoewel ze hem zoodra ze kunnen in ’t ootje nemen, gaan ze nooit te +ver; „dat ken je niet met ’m risekeeren, want dan wordt ie zoo akelig +beleefd dat je dadelijk snapt dat ie je in de maling neemt,” beweert +vrouw Daters. Intusschen is Pietersen genaderd en vraagt met grappigen +ernst: + +„Rr-oept u, schoone dame?” + +„Ja, Pietersen!” + +„Meneer Pietersen, als ik u verz—zoeken mag!” + +Lachend stoot vrouw Daters juffrouw Jaling aan en zegt: „Nou, voor +mijn part mag je „meheer” wezen, maar ’n meheer met angst ben je toch, +ha! ha! ha!” + +„Sans peur et sans reproche! Waarom met angst, schoone f-f-fee?” + +„Och schei maar uit met je parlevinken; je bent toch ’n oud mirakel.” + +„Wanneer u me roept om geridicu—cu—liseerd te worden, beminnelijke, +dan vertrek ik liever vóór ik arriveer, Donna mia.” + +Half achter juffrouw Jalings breede schouders verborgen, giegelt vrouw +Daters: „Hij heit ’m te pakke van middag!” en luid zegt ze: „Ouwe +graantjespikker, ga maar naar Walten; die zit zeker al met smart op je +te wachte. Ha! ha! ’n mooi spannetje voor ’n bokkewage die twee.” + +„Aangenaam kennis te hebben gemaakt. Que le bon Dieu vous protège!” +Pietersen keert zich om en roept plotseling op allesbehalve aangenamen +toon: „Verdikke! die wasch—tobbe ko—kon je wel ergens anders hebben +gezet, lieveling!” + +Schaterend zien de vrouwen, hoe Pietersen, die over de tobbe is +gestruikeld, zijn hoed uit ’t zeepsop opvischt en, tegen den muur +leunend, zijn linker scheenbeen zachtkens wrijft. + +„Kom hier, kraantjelek, dan zal ik je ophelpe,” lacht vrouw Daters, en +juffrouw Jaling, die bij de eerste kennismaking niet erg spraakzaam +was, voegt er bij: „Uwes pootjes benne nog al dun; ze benne immers +niet kapot? Ha! Ha! Ha! Mensch! ’t is de pijne waard om te zien.” + +Tusschen de tanden iets brommend wat de anderen niet verstaan, gaat +Pietersen, eenigszins hinkend, terug de gang in en bereikt de deur, +die toegang geeft tot de trap, die naar Waltens woning leidt. Hij is +door dien onverwachten stoot tegen den scherpen kant der waschtobbe +uit zijn humeur geraakt en volkomen ontnuchterd. + +„Canaille-pak,” zegt hij halfluid, en als hij de deur binnengaat, +keert hij zich nog even om naar de vrouwen, neemt met een spottende +buiging zijn kletsnatten hoed af en roept: „Au revoir, mes anges”. + +Hij hoort nog hoe zijn kwelgeesten schateren, vloekt een paar malen +binnensmonds en gaat dan de trap op. + +’t Zijn slechts acht of negen treden, die hij behoeft op te klimmen, +maar hij wacht toch even in ’t enge donkere portaal, vóórdat hij naar +boven gaat. Hij luistert, want een hem bekende stem klinkt boven uit +de kamer: + + „Ik volg u!” + +„Dat’s Annette,” zegt hij in zich zelf. „Och Heere! zou ’t weer mis +wezen? Jawel zeker, want hij antwoordt haar.” + + „De hertog heeft het al, geluk en goud en eer,” + +klinkt boven hem Waltens stem. + +„Jongens! jongens! ’t is toch ’n ding voor Walten,” vervolgt hij +hoofdschuddend; en behoedzaam, zacht, zonder gedruisch te maken, klimt +hij de treden op. + +Voordat hij aanklopt aan de deur, die in het schier geheel duistere +bovenportaal bijna onzichtbaar is en alleen door een flauwe +lichtstreep onder aan den drempel wordt aangeduid, trekt hij zijn jas +een weinig naar beneden, slaat zijn natten hoed een paar malen uit en +strijkt de enkele haren, die aan zijn slapen welken, glad. + +„Binnen!” roept Walten op gesmoorden toon, zoodra Pietersen heeft +aangeklopt. + +Nauwelijks heeft hij de deur geopend, of Walten wenkt hem toe, dat hij +zwijgen moet. + +Zijn „me voilà monsieur le Directeur” besterft hem op de lippen, als +hij een blik in de kamer werpt. Haastig bijt de oude acteur hem toe: +„Geen grappen, hoor je! ’t Is heelemaal mis, o, zoo erg! ’k Heb ’n +nachtje gehad!—Ze is nu Donna Sol. Begrepen?” + +Pietersen knikt, doet een paar passen voorwaarts in de kamer en slaat +dan langs zijn rooden neus een meêwarigen blik op de vrouw, die op ’t +bed achter in de kamer zit. Als zij Pietersen bemerkt, rijst ze +langzaam op, ziet hem met groote, glazige oogen aan, zonder hem te +herkennen en zegt: + + „Wij gaan op morgen saam—ik wil niets anders meer. + Wil die stoutmoedigheid, hoe vreemd ook, mij vergeven.” + +Ongeduldig wenkt zij met de kleine blanke hand, dat Pietersen naderen +moet; en daar deze aarzelt, fluistert Walten hem haastig toe: „Maar +ga dan toch naast haar zitten; je weet immers, hoe ze is. Gauw!” + +Met een diepe, hoffelijke buiging treedt de oude souffleur tot voor ’t +bed, kust de hem toegestoken hand en zegt: + + „Ik nader, Donna Sol, ik plaats me aan uw voeten.” + +Met de hand zachtkens over Pietersens kalen schedel strijkend, +vervolgt Waltens dochter: + + „O! mijn Hernani, kom! ik kan niet wederstreven. + Zijt gij de engel of de daemon van mijn leven? + Geliefde! ’k weet het niet, maar zeker is ’t, o ja! + _Ik_, ik ben uw slavin. Ga wáár gij wilt, ik ga. + Blijf of vertrek van hier, ik zal steeds de uwe wezen. + Waarom?... ’t Is m’ onbewust... Met u noch angst noch vreezen, + Ik moet u zien altijd! Wanneer gij mij verlaat, + Is ’t of mijn hart niet meer in d’engen boezem slaat. + Hernani! spreek dan toch.....” + +Met de armen over de borst gekruist ziet Walten, met somberen blik +tegen de deur van ’t keukentje leunend, de zonderlinge groep dáár voor +hem aan, en als Pietersen blijft zwijgen, fluistert hij hem toe: „Zeg +maar wat, als ze je de „de wacht”[1] geeft; anders wordt ze zoo +ongeduldig.” + +[1] „Stichwort”—’t laatste woord, waarop de andere speler invallen +moet. + +Met zijn eene oog herhaaldelijk knippend; hij doet ’t nu uit +verlegenheid, antwoordt Pietersen: + +„’k Heb reeds te lang gehoopt, geliefde Donna Sol.” + +Eensklaps lacht de krankzinnige luid en snijdend, ziet den naast haar +zittenden man met groote oogen aan en zegt daarna, schijnbaar kalm: +„Je kent je rol niet; dàt staat er niet. Ha! ha! ha!—wat ’n leelijke +Hernani—maar dat’s minder; ik zal je wel helpen, al ken ik je niet.” + + „Tot morgen Hernani, te middernacht! ’k Zal waken. + ’t Gevoel dat mij doorgloeit zal mij manmoedig maken. + Klap driewerf in de hand, opdat ik u herken; + Aan ’t venster wacht ik u......” + +Pietersen, die niet meer weet wàt hij antwoorden moet, ziet met een +angstigen blik en knipoogend naar Walten, die langzaam nadert, de +armen om de hals van zijn kind slaat en de rol van Hernani vervolgend, +op innigen toon vraagt: + + „Weet gij thans wie ik ben?” + +Voorzichtig, langzaam neemt Walten de plaats in van den souffleur, die +met een meêwarigen blik op vader en dochter terugtreedt en in een hoek +van ’t vertrek zwijgend blijft staan kijken. + +’t Is somber halflicht in die vrij groote achterkamer; onder, tusschen +de rafelige franje der neergelaten gordijnen door, schijnt enkele +malen een flauw, roodgele zonnestraal op ’t vergroende goudgalon van +den purperfluweelen mantel, die over Annette Waltens nachtjapon hangt; +ze weerkaatst eenige seconden in de gekleurde steenen en ’t verguldsel +van den halsketen, waarmee zij getooid is en schittert nu en dan een +ondeelbaar oogenblik in de glazen robijnen en saffieren van de +koningskroon, die op de verward loshangende, zwarte haren van Donna +Sol prijkt. Soms kleurt die zwakke schijn de bleeke wangen der vrouw +met een hooger blosje dat verdwijnt, zoodra de jagende wolken ’t +zonlicht onderscheppen. Eindelijk valt nog een lange matgele +lichtstreep langs de kozijnen heen op den houten vloer der kamer, +blijft daar afwisselend flauwer en helderder een korte poos met de +kwasten en naden van ’t hout spelen en verdwijnt dan, allengs +verbleekend, geheel en al. + +’t Is buiten donkerder geworden, een regenbui komt opzetten en door +de grauwe wolken breekt zich geen enkel zonnestraaltje meer baan. In +de kamer is alles grijs van tint, kil en koud evenals te voren; alle +voorwerpen dommelen weg in één mistigen, vaalgrauwen toon. + + * * * * * + +Inderdaad, vrouw Jaling had gelijk, toen zij het „een rommel” noemde +wat ze in die kamer zag, tusschen de gordijnen door. + +De enkele meubels, die er aanwezig zijn, kunnen bezwaarlijk op den +naam van „ameublement” aanspraak maken; er is van alles zoo wat. Een +latafel, met half opengetrokken laden, toont dat haar inhoud bestaat +uit oude, versleten tooneelkostumes. Een paar gekleurde tricot-kousen +hangen treurig gescheurd uit de bovenste lade, over een verschoten en +geplet fluweelen kleed, dat met slappe mouwen uit de tweede in de +onderste lade schijnt te grijpen naar een zwart en rood geruite +caricatuurjas, die op haar beurt met een der mouwen een poging doet om +in de tweede lade een paar bontgekleurde vesten te bereiken, die +nieuwsgierig over den rand kijken naar een aantal niet te herkennen +zaken, die òf uit de onderste lade zijn gevallen òf daarvoor moeite +doen. Boven op de latafel staan een paar dansschoenen en een +geellederen ridderlaars, die met zijn spoor verward is geraakt in een +kanten kraag, die moeite doet om een broodbak en een melkkan zonder +oor te bedekken. + +Op een der stoelen, die vadzig en gebrekkig achterover tegen den wand +leunt, prijkt Waltens jas, netjes opgehangen over een oud afgedragen +Louis XIIIkostuum, waarvan de degen met zwart gevest zijn einde +verbergt in een zwaar beschadigde infanterietrommel, die onder den +stoel geplaatst, tot bergplaats dient voor een vergulden schepter en +een parapluie, die er eendrachtig uitkijken. + +Een eind verder tegen den wand der kamer ziet men aan een kapstok +ettelijke vrouwenkleederen en een drietal versleten pantalons van +verschillende kleur, terwijl een lias met tooneelaffiches, geel en +grauw door stof en vlekken, er naast is opgehangen. + +Op de tafel, midden in ’t vertrek, liggen in kunstvolle wanorde +allerlei voorwerpen, die bij het toilet van een actrice noodig kunnen +zijn, dooreen. Een kapdoos met spiegel, een blikken trommel met +benoodigdheden voor ’t grimeeren en blanketten; verschillende +haarvlechten, kapsels en damespruiken rusten naast een drietal +armbanden en colliers met valsche steenen, in verguld montuur, op een +kapmantel, die half over de tafel is gehangen. + +Twee vuile witte handschoenen steken hun vingers uit naar een potje +vol rouge de théâtre, met een hazenpootje er in, en een groote +krulstok ligt dwars over een bord met een paar mootjes haring en een +halve boterham heen, terwijl een groote ridderhandschoen geduldig zijn +duim in een half leeggedronken glas met melk doopt. + +Een inktfleschje op een schoteltje leunt schuins tegen een penhouder +en een haarborstel aan, en in een oud sigarenkistje er naast huizen +eenige pakjes entree-kaarten, die er gloednieuw uitzien. + +Het bed, dat aan de andere zijde in de kamer staat, is zonder twijfel +’t beste meubelstuk dat er aanwezig is. ’t Schijnt òf uit beter tijden +te stammen òf bij vergissing in deze armoedige omgeving te zijn +gekomen, want ’t is een zoogenaamd „Lit trône” met een hemel van +donker gebloemd cretonne er boven; en de aan weerszijden afhangende +gordijnen zijn, wel is waar, hier en daar gescheurd en gerafeld, maar +toch met een zekeren smaak gedrapeerd. Een roodkatoenen deken, geheel +over ’t bed gelegd, verbergt de kussens en lakens en geeft inderdaad +iets troonachtigs aan ’t geheel, vooral nu op die roode deken de +rijzige gestalte van Annette in den purperen mantel en met een kroon +op ’t hoofd gezeten is. Haar bloote voeten, die in met goud +geborduurde Turksche muiltjes steken en even van onder het witte +nachtkleed zichtbaar zijn, dragen er toe bij om de illusie te +vergrooten. + +In den tegenovergestelden hoek van ’t vertrek naast een bedstede staat +een geopende koffer, waarvan de inhoud gedeeltelijk op den grond is +verspreid. + +Kostuumstukken van verschillende kleur en vorm liggen bij en over een +paar zwaarden en een gebulten en gedeukten helm, terwijl een +Jacobijnenmuts en een koningskroon in roerende eendracht over elkander +liggen op ’t vuilwitte Pierrotpak, dat te zamen met een duffelsche jas +uit den koffer hangt. + +Het licht van den reeds scheidenden dag, dat zoo spaarzaam mogelijk in +de kamer dringt, is medelijdend genoeg om voor den oppervlakkigen +beschouwer de versletenheid en verschoten tinten van een en ander te +verbergen, en als een flauw zonnestraaltje zich, bij vergissing, nu en +dan nog even vertoont, lacht het, als droevig, over den schijn, die +hier zoo akelig werkelijkheid wordt. + +Pietersen, moe van ’t staan, heeft zonder gedruisch te maken een stoel +genomen, den daarop liggenden zak verwijderd en zit nu met de +ellebogen op de knieën en de handen onder ’t hoofd naar Walten en +Annette, die samen „voortspelen,” te kijken. + +„Kom, lieveling,” zegt de oude man op zacht, overredenden toon „houd +op; je wordt moe; je kent je rol uitstekend. Bravo! Bravo!” en zeer +voorzichtig klapt hij zachtjes in de handen. Pietersen weet nu niets +beters te doen, dan deel te nemen aan ’t applaudissement; hij richt +zich op en slaat met kracht zijn knokige handen ineen, terwijl hij +luidkeels „Bravo! Bravissimo!” roept. + +„Om Godswil! niet zoo hard; zachtjes, zachtjes, anders schrikt ze,” +fluistert Walten, haastig zich omwendend, hem toe. + +„O! dat wist ik niet!” + +„Zachtjes applaudisseeren, heel zacht! dan hoort ze ’t graag.—Zóó,—ja +zóó doe je ’t goed.” + +De ongelukkige ziet met strakke oogen vóór zich uit, rijst op van haar +bed, neemt Waltens hand, en terwijl zich een glimlach om haar mond +vertoont, doet zij een pas vooruit en nijgt diep, twee- of driemaal, +als voor een onzichtbaar publiek. + +„Zie je wel, m’n lieve, dat ze tevreden zijn?—Kom! ga nu wat liggen; +je bent moê, dat zie ik!” smeekt Walten met angstige blikken zijn kind +aanziende. + +Langzaam schudt Annette het hoofd en dan, als door een plotselinge +huivering overvallen, rilt ze, wordt bleek en gaat zitten, met de +handen tegen de borst gedrukt. + +„Zoo m’n kind! zóó is ’t goed. Ben je nu tevreden? Ja hé?—Dan nu +rusten. Kom! doe ’t maar!” + +Nogmaals schudt de krankzinnige zachtkens het hoofd, en opstaande doet +zij een pas of twee vooruit, breidt de armen uit naar Walten, die een +schrede ter zijde is gegaan, en begint dan te zingen, zacht en +langzaam, als droomend, terwijl ze met de diepliggende donkere oogen +voortdurend op één punt staart. + +Aangrijpend schoon klinkt haar diepe altstem door ’t vertrek; ademloos +hoort Pietersen toe, als zij mezzo voce zingt: + + „Onder ’t loof der boomen, + In het donkere woud, + Is mijn lief gekomen, + Heb ik hem vertrouwd: + Hoe ’k hem heb geschonken + Heel mijn ziel en hart, + En hoe trouw mijn liefde + Storm en onweêr tart.” + +„Neen, neen! Stil! niet doen,” fluistert Walten haastig tot Pietersen, +die reeds de handen gereedhoudt om zijn bijval te toonen. „Stil! De +bui loopt op z’n einde; als ze gaat zingen, is ’t gauw gedaan.—Wat ’n +geluid, hé? God! hoe jammer toch van ’t kind!—Dat lied is nog ’n +herinnering aan dien—hm! dien moffen-muzikant—dien hm!—Dàt vergeet ze +niet; hij heeft ’t op muziek gezet, weet je?” + +Terwijl Annette zingt, doet zij eenige passen vooruit, slaat met een +waarlijk schoone beweging den koningsmantel terug en beweegt de ronde +goed gevormde bloote armen, die halverwege uit de wijde mouwen van de +nachtjapon steken, op de maat van ’t lied sierlijk heen en weder. + +De oude souffleur ziet haar, met zijn eene oog knippend, bewonderend +aan en wijst aan Walten door een duidelijke handbeweging, hoe schoon +hij haar bewegingen en gebaren vindt. + +Plotseling stoort een zonderling knorrend geluid den zang. Annette, +die nu ’t tweede couplet van ’t lied meer neuriet dan zingt, hoort het +niet; zij gaat zitten en ziet naar de punten van haar muiltjes, die ze +op de maat der melodie op- en neer beweegt. Walten daarentegen is naar +den hoek der kamer gegaan, van waar ’t knorrend geluid komt, schopt +met den voet tegen een pakkist, die met een oud tafelkleed overdekt +Pietersens aandacht ontgaan is, en pruttelt: „Wil jij je bek wel eens +houden?” + +’t Knorrend geluid wordt al luider en luider en begeleid door een +hevig gestommel in de kist. + +De souffleur blijft onbeweeglijk op zijn plaats zitten, maar vraagt +met een blik uit zijn rechteroog en een optrekken der wenkbrauwen aan +Walten: „Wat is dàt daar?” + +Annette neuriet verder en rijst op, langzaam beweegt zij zich voort +naar Pietersen, die haar te gemoet gaat en de hem toegestoken hand met +een eerbiedige beweging aanneemt en kust. Zij slaat haar eenen arm om +zijn hals en zingt luider: + + „Zeg hem luid, gij bloemen, + Hoe mijn hart verlangt, + Hoe mijn ziel, mijn leven, + Aan zijn leven hangt.” + +Pietersen knikt haar toe, verwijdert zachtkens haar arm van zijn +schouder, en als wilde hij een schreiend kind troosten, zegt hij +vleiend: „Ja, ja! ma chérie, dat is zoo.—Zeg! Walten, wat heb je toch +in die kist? ’t Lijkt waarachtig wel een....” + +„Stil dan toch!” + +„Och, ze hoort ’t immers niet.—Ja! ja! m’n beste, je zingt subliem. +Ja! ja! we zullen gaan zitten, hé?—Ze is heelemaal abnormaal zie je +dat niet?” + +„Ze kan soms in eens zoo akelig worden; daarom....” + +„’k Zal wel zorgen, dat ze kalm blijft.—Wel sacristie! wat ’n +gestommel en ’n geknor; ’t is of dáár een varken in zit. Heb je +soms....?” + +„Stil! ’t is een big.” + +„Hè?” + +„Ja! een big.—Kijk naar Annette: ze wankelt. Laat ze gaan zitten, +gauw!” + +„Kom! dan,” herhaalt Pietersen en met zacht geweld doet hij de +krankzinnige plaats nemen op ’t bed; zij omklemt krampachtig zijn hand +en staart opnieuw vóór zich op den grond. + +„’t Is een biggetje,” herhaalt Walten, steeds moeite doende om het +dier stil te houden. „Gisterenavond in de Zwarte Zwaan op den Overtoom +.... je weet wel....?” + +„Ja!” knikt de andere, „ze hebben er zulk goed oranjebitter.” + +„In de Zwaan,” vervolgt Walten, „heb ik ’t gisterenavond getrokken op +’n lootje van ’n kwartje.” + +„Ei!” + +„Och! ’t was een bof. Ik ging er heen, om wat plaatsen van de zestien +en ’t guldentje kwijt te raken aan ouwe kennissen.” + +„En?” + +„Toen werd dat zwijntje verloot, en ze hielden niet op: ik moest een +lootje nemen. Jij een lootje op ’t zwijntje, en wij lootjes op je +benefiet, zeien ze, en ik heb er heel wat geplaatst; alle beetjes +helpen; voor m’n benefiet moet ik eerst de kosten hebben. Bij de fijne +lui raak ik die plaatsen niet kwijt.—Kijk naar Annette, +Pietersen.—Stil dan toch beest!” + +„Ik nam ’t mee, en omdat ik niet wist waar ik er mee heen moest, heb +ik ’t hier zoolang in die kist ge....” + +„Ha! Ha! Ha! Ha!” lacht Pietersen plotseling overluid. + +„Lach niet! Groote God! dat kan ze niet velen.” + +„O, dat’s waar ook!—Stil! ze snapt ’t niet,—ja toch wel.” + +De krankzinnige is, als door een plotselingen schok getroffen, +opgestaan, een huivering siddert door haar lichaam, haar oogen worden +nog grooter en glaziger en eensklaps begint ze mee te lachen, zóó +akelig en snijdend, dat Pietersen er koud van wordt en angstig haar +beide polsen vastgrijpt, omdat hij ziet, dat zij de armen krampachtig +verdraait. + +Te laat! Zij heeft de duimen reeds stijf binnen in de hand gedrukt, +stuipachtig trekt zij de armen omhoog, de oogen rollen in hun kassen +en met een luiden snik slaat zij het hoofd achterover in den nek. Haar +lachen gaat over in schreien en eindigt in snikkend gillen, gepaard +met zenuwschokken, die haar achterover op ’t bed doen vallen. + +Walten snelt toe en houdt het heen en weer slaande hoofd van zijn +dochter vast. „Water, geef water!” roept hij. De souffleur grijpt +haastig een kom met water van de tafel en bevochtigt Annettes slapen +en polsen. De ongelukkige heeft een toeval en gilt onophoudelijk +voort; in de kist stommelt al knorrend de big.—Walten roept zijn kind +met angstige stem bij haar naam, en terwijl zij afwisselend gilt en +akelig lacht, verschijnen, buiten voor het venster, een paar +nieuwsgierige mannen en vrouwen, die tusschen en onder de +gordijnfranje door naar binnen trachten te zien en lachend de hoofden +bijeensteken om elkander toe te fluisteren: „Nou is de kemedie goed ân +den gang; hoor ze nou ereis angaan. Wat ’n spul! Wat ’n spul!” + + * * * * * + +„De kemedie” is eindelijk uit, want na een benauwd en angstig half uur +is Annette tot kalmte gekomen en staat Walten met Pietersen, vermoeid +en warm van de inspanning om haar vast te houden en voor kneuzingen +van hoofd of lichaam te bewaren, bij ’t bed, waarop de ongelukkige +vrouw, nu met gesloten oogen, schijnbaar rustig ligt te slapen. +Voorzichtig wischt de oude man haar nog een paar kleine schuimblaasjes +van de lippen en eenige kille droppels van ’t voorhoofd, dan brengt +hij den zakdoek aan zijn oogen en zucht smartelijk, diep. Nu en dan +schokt Annettes lichaam zenuwachtig heen en weer en trillen de +oogappels onder de witte, blauwig dooraderde leden, maar de aanval is +voorbij, en als zij straks de oogen weer opent, zal elke herinnering +aan de vervlogen uren voor haar zijn uitgewischt. + +Medelijdend schenkt de natuur slaap en verademing aan de arme vrouw, +die allengs rustig wordt en eindelijk met een kalmen lachenden trek om +den mond stil blijft liggen. + +„Dat’s me een baantje geweest,” zegt Pietersen, die met zijn mouw +langs zijn voorhoofd strijkt. „Heb je niet een druppeltje van een of +ander in huis, Walten?” + +„’k Heb niets; je weet wel, drank gebruik ik niet.” + +„Hum! dàt weet ik. Jij bent geen amateur, ik wèl.” + +„Dat’s juist je ongeluk; je bent anders waarachtig een goeie vent, als +je maar niet zoo....” + +„Pimpelde, hé?—Och! spaar je Philippica’s, die kennen we; ik weet wel, +dat je ’t goed meent, mon Prince, maar ik ben nou eenmaal zoo’n +likkebroêr, en daar is niets aan te veranderen. Heb je nou waarachtig +niks,—niemendal?” + +„Neen!” + +„Niks ter wereld, rien du tout?” Pietersen ziet den ouden man zóó +doordringend aan met zijn wijdgeopend linkeroog en knipt zoo snel en +guitig met het rechter, dat Walten eindelijk, aarzelend zegt: „Hum! +misschien heb ik nog een druppeltje brandy; ’k heb laatst een flesch +cognac gekocht voor Annette; de dokter wou, dat ze dien met melk zou +drinken.” + +„C’est tout ce qu’il me faut, ouwe jongen! Ik wist wel, dat je wat +voor me zoudt opduiken, hè hè hè!” + +„Nou ja, maar....” + +„Geen excuses, mon Directeur; voor den dag er mee.” + +Pietersen lekt zich vol verwachting de dunne lippen; hij is reeds, +voor _zijn_ doen, _te_ lang nuchteren geweest. + +Schoorvoetend gaat Walten naar een kast in den muur, haalt de flesch +te voorschijn, vult ’t eenige likeurglaasje dat hij rijk is en zet het +voor den souffleur neer met de woorden: „Daar dan; meer krijg je in +geen geval.” + +Voorzichtig brengt Pietersen de hand, met middelvinger en duim tot +grijpen vooruitgestoken, naar ’t glaasje, dat hij knipoogend toelacht; +maar op ’t oogenblik dat hij ’t aanvatten zal, vraagt hij hoffelijk, +met een licht kuchje: „Et vous, mon Directeur? Neem je niet zoo’n +klein, petieterig beetje? Je ziet er zoo betrokken, zoo koud uit.” + +„Ik ben niet koud, maar ’k voel me al dagen lang ongesteld duizelig, +onlekker; ik weet zelf niet hoe, maar ’k ben niets wèl.” + +„Dan moet je juist zoo’n cognac fine nemen. Une petite goutte, mon +Prince.—Après vous dan!” + +„Neen! ga jij je gang maar!” + +„Jamais de ma vie!” Pietersen schuift met ware zelfverloochening het +glaasje naar Walten. + +„Och zanik nou niet; drink uit.” + +„Neen!” Een glimlach omspeelt Pietersens lippen, als hij vervolgt: „Ik +begrijp je: geen glaswerk meer in huis, hé?—Qui se gêne est gêné; dáár +is raad voor.” En vóór Walten recht weet wat de andere wil, grijpt +deze een op tafel staand ledig schoensmeerpotje, spoelt het met +vaardige hand in de waschkom een paar malen om, droogt ’t vluchtig af +met de slip van zijn jas, giet den inhoud van ’t glaasje er in over en +zegt lachend: „Voilà! dee’z beker is voor mij.—A vous!” + +Langzaam en weifelend neemt Walten nogmaals de flesch en vult ’t +glaasje, dat hij daarna half ledig drinkt en voor zich op tafel zet +met de woorden: „’k Word er misschien wat pleizieriger door; hè! ’k +ben zoo rillerig.” + +„Zenuwen, man! Je hebt je portie ook wel gehad.” + +„Ja!” + +„En hoe is ’t nu met de lijsten, mon Directeur? Wanneer krijg ik die?” + +„Morgenavond. Ze hebben mij beloofd, dat ze klaar zullen zijn.” + +„Magnifique! Dan begin ik overmorgen voor je te werken. Ik maak me +sterk, dat ik ’t geheele parterre en ’t amphitheater voor je verkoop; +ik zal er wel een broodje uithalen.” + +„Tien percent voor jou, Pietersen.” + +„Akkoord! Misschien kan ik nog wat loges ook plaatsen.” + +„’t Is te wenschen! Ik moet, vóórdat ik mijn benefiet bepaald +annonceer, zekerheid hebben voor de avondkosten.” + +„Hoeveel?” + +„Driehonderd gulden!” + +„Hm! ze hebben je schappelijk behandeld.—Zeg! die cognac is délicaat. +Smaakt ze jou niet?” + +„Ik hou er niet erg van.” + +„Ik wèl!” Pietersen schuift met een gebaar vol uitdrukking het +schoensmeerpotje vooruit, ziet Walten schuins aan en zegt grinnekend: +„Da capo, mon Prince.” + +„Neen! je hebt genoeg; ’t deugt je niet.” + +„Kom!—’n Halfie dan?” + +„Nu, in Godsnaam! maar geen droppel meer dan ’n half.” + +„Bon! maar ’n slordig halfie, hé? Dan werk ik morgen met meer ambitie +en dubbel hard.” + +„Onverbeterlijke nathals, dáár dan!” + +„Merci!—Op je gezondheid, hoor!” + +„Vader!” klinkt uit ’t bed Annettes stem. „Vader! Een glas water +asjeblieft!” + +Walten springt op, neemt de flesch van tafel, bergt die haastig weg, +gaat naar ’t bed en vraagt: „Ben je wakker lieveling? Wou je drinken? +Ben je weer beter?” + +„Ik ben zoo moe, ’k heb zoo’n dorst, zoo’n hoofdpijn.” + +„Je hebt ook weer ’n toeval gehad, m’n kind; ’t is geen wonder, dat je +arme hoofd dan klopt. Wil ’k er een doek met water op leggen?” + +„Nog niet; eerst wat drinken, vader!” + +„Goed, Netje! Hier, drink dan maar.” + +Als zij met groote teugen, haastig gedronken heeft, richt zij zich op +en vraagt Pietersen, die, om beter te kunnen zien, op den rand der +tafel is gaan zitten, bemerkend: „Wie zit daar?” + +„Pietersen.” + +„O! zoo, Pietersen.” + +„Dag, juffrouw! Is ’t ’n beetje over?—Jongens, jongens, wat had je ’t +benauwd daar straks.” + +„Ik weet er niets van. O, God! mijn hoofd. Vader, geef me je hand, +laat me slapen.” + +„Hier, lieve kind! Hou mijn hand dan maar vast. Zoo! Is ’t zóó goed?” + +„Ja! Ga nu naast me zitten. Ba! wat zie ik er uit! Dien mantel wil ’k +niet omhebben. Wie heeft me dien omgedaan?” + +„Ik, lieveling, omdat je zoo koud waart.” + +„En die kroon,—wie heeft dat ding op mijn bed gelegd?” + +„Ik, kindlief, omdat je ... hm! je vroegt er om, zie je.” + +„Deed ik?” + +„Ja, weet je, je zei ... hm! je dacht, dat ... hm!....” + +„’k Weet het niet meer, maar mijn hoofd klopt ook zoo. Je hand, vader; +hou m’n pols goed vast. Zoo! nu niets meer zeggen, vader!” + +Walten zit op een stoel, naast ’t bed en omsluit met zijn rechterhand +Annettes linkerpols; met zijn andere hand strijkt hij zacht +liefkoozend, als bedarend over de witte doorschijnende vingers, die +zich nu en dan zenuwachtig bewegen op de roode deken. + +Het is alsof een magnetische stroom van den ouden man uitgaat en +kalmeerend werkt op zijn dochter. Zij sluit de oogen, haar gelaat +wordt rustiger, de neusvleugels bewegen zich nog wel, maar bijna +onmerkbaar gaan ze op en neer; regelmatig daalt en rijst haar boezem. + +Pietersen is van de tafel opgestaan en heeft in den hoek op de koffer +plaats genomen, zoodat hij Annettes gelaat kan gadeslaan. Met de +handen om de opgetrokken knieën samengevouwen, zit hij doodstil vader +en dochter aan te zien en mompelt: „Wonderlijk! nu gaat ze slapen, +rustig en kalm; ’t is toch een allerzonderlingste historie: ’k +begrijp er niks van.—Slaapt ze nu, Walten?” + +„St!” + +Een kleine poos heerscht er een volslagen stilte in ’t vertrek, alleen +nu en dan afgebroken door een zacht, bijna onhoorbaar snorken van de +big, die in de kist ligt te slapen en zich enkele malen beweegt of +heen en weer schurkt. + +Annette sluimert. Voorzichtig laat Walten haar hand uit de zijne +glijden, legt behoedzaam den purperen mantel over haar heen, maakt dan +een der cretonnen draperieën los, zoodat ’t gordijn de slapende vrouw +halverwege aan zijn blikken onttrekt en mompelt in zichzelf: + +„Goddank! nu heeft ze weer een dag of wat rust.” + +„Heeft die bui dezen keer lang geduurd?” vraagt de souffleur +opstaande. + +„Van gisterennacht tot nu.” + +„Dat’s lang, zoo’n heele nacht.” + +„Ik ben ook doodop; ’k voel me zoo naar. Ze was gisterenmorgen al niet +richtig, maar den aanval zelf kreeg ze eerst van nacht, toen ik t’huis +kwam. Ze begon met Ophélia te wezen.” + +„Mon Dieu!—En jij?” + +„Ik was Hamlet natuurlijk.” + +„Heelemaal buiten je emplooi,” merkt Pietersen aan, met ’t ernstigst +gelaat der wereld. + +Walten ziet hem even schouderophalend aan en vervolgt dan: „Toen werd +ze in eens Ines de Castro en later Donna Sol.—Dat was ze nog, toen jij +kwaamt en....” + +„Ja!—’t Is toch ongelukkig voor je, Walten!” + +„Wel is ’t dat,” zucht de oude man, en terwijl hij in stilte een traan +uit den hoek van zijn oog wischt, zegt hij: „En voor haarzelf ’t +ergst.” + +„Nu is ze zoo goed, als ’t maar hoeft,—merkwaardig goed, mon +Directeur!” + +„Niet waar? En daarom heb ik hoop, dat ze te genezen is; verleden jaar +heb ik dien dokter er nog bij gehaald; je weet wel, dien.....” + +„Jawel, van ’t gesticht.” + +„Juist!—Hij zei, dat Annette niet ongeneeslijk was, maar dat ze +voortdurend geobserveerd moest worden.” + +„C’est clair!—Zeg! dat beestje in die kist is geen eau de cologne. Je +hebt bijgeval geen sigaren in huis? Zwaar of licht, dat’s me ’t +zelfde.” + +„Neen! ik rook al sedert lang niet meer.” + +„Och kom! en je was vroeger zoo’n liefhebber.” + +„Ja! maar Netje kon er niet meer tegen.” + +„O!” + +Een oogenblik zit Walten in gedachten voor zich te kijken en zegt dan: +„Als ik nu maar ’t geluk heb, dat mijn benefiet zooveel opbrengt, dat +’k haar kan laten genezen, dan.....” + +„Hoeveel moet er wezen?” + +„’n Goeie vijfhonderd, op z’n minst.” + +„Hm! die blijven er wel over, als ’t een beetje vol loopt.” + +„Zoo reken ik ook, Pietersen.—Och! als ik haar maar eerst van den +vloer heb, zal ik voor mezelf er wel doorscharrelen,—ik kan nog best +mee;—dan zoek ik weer een emplooi, ouwe rollen en.....” + +Pietersen kucht, humt een paar malen en ziet met zijn linkeroog Walten +strak aan, terwijl hij met het rechter voortdurend knipt, als wilde +hij zeggen: „Dat zal er nog om spannen.” + +De andere vervolgt: „’t Is wel niet pleizierig om ondergeschikte +rollen te spelen, als je vroeger de keus had; maar och! wat doe je al +niet voor je kind? Wie weet wanneer zij weer heelemaal in orde is, of +ik dan geen furore met haar maak; want talent heeft ze, allemachtig +veel talent, dat heb je daar straks nog gezien. Is ’t niet zoo?” + +„Zeker, mon Prince, zeker!” Pietersen spreekt schijnbaar in vollen +ernst. + +„En wat ’n geluid, hé?” + +„Kolossaal!” + +„En wat ’n verschijning!” + +„Kapitaal!” + +„Ja, je begrijpt, ze is nu vervallen, ze ziet er niet goed uit, maar +als ze beter is, komt dat alles weer bij; ze is op ’t tooneel een +schoonheid; enfin, jij weet het, jij hebt haar gezien, toen ze nog +„goed” was.” + +„Oui, mon directeur!” + +Intusschen heeft iemand buiten aan de kamerdeur geklopt maar noch +Walten, noch Pietersen hebben ’t gehoord, en daarom zien beiden +verwonderd op, als ze plotseling achter zich een barsche stem hooren +zeggen: „Pin jelui hier toof? ’k Hèv wol dreimaal jeklopft.” + +„Wâblief!” vragen beiden ongeveer te gelijk. + +Een groote, dikke, onhebbelijk uitziende man, in de gewone vettig +witte kleeding van een spekslager, staat voor hen en vraagt, na een +oogenblik de voor hem zittende personen te hebben aangekeken: „Wer von +jelui ist Walten?” + +„Ik! En u is meneer Träger!” + +„So! ja noe herken ik je; ’t wordt hier al doenkel.” + +„Wat wenscht u?” + +„Was ich will?—Noe das soll jij wol begrijpen” en terwijl de dikke man +zijn rechterwijsvinger en duim schuivend over elkander beweegt, zegt +hij: „Ich will de couleur von jou centen ’r is zien.” + +„Ik heb waarachtig niets op ’t oogenblik, baas Träger; maar wees niet +bang: je geld zul je hebben.” + +„So! soll je denken?” + +„Waarlijk, zoodra mijn benefiet voorbij is, zul je....” + +„Papperlapap! ’n benefiz—so’n praatje kennen wir; das heb jijlui +komödianten-volk immer bij der hand; wann’s voorbij ist, krijg jelui +gewoonlich kein cent, dann ist alles sjoon op.” + +„Maar baas Träger, ik heb je toch altijd eerlijk betaald.” + +„Jawol, drei maanden vooruit, oend noe ich so schtom pin geweest om je +das zweite kwartaal zoe creditiren neem jij me peet.” + +Waltens wangen kleuren zich eensklaps met een hoogen blos en zijn +lippen trillen, als hij antwoordt: „Ik ben een eerlijk man, baas +Träger, en als ik ’t had, zou je dadelijk geld krijgen; maar....” + +„Maar noe hèv je ’t nicht, oend daaroem moess jij janz eenvoudig von +de kamer af; die roemmel, die prulleboel von je, kun je mitnemen, die +is kein cent weerdig, allein die bedstelle ist passabel, maar die wil +’k nicht nehmen weil je kind krank ist.—Oend noen basta! overmorjen +verhuis je,—versta je? Die drei maanden huur kan je me sjoeldig +blijven; dat doe ich omdat jij „Walten” bint, waaroem ich vroeger so +dikwijls jelachen heb. Ik geef je zwei dagen oem zoe verhuizen.—Noe! +bin je zoefrieden?” + +Schamper lachend, antwoordt Walten: „O! volkomen”. + +„Komân, dat’s joet; dan kennen wir als vrinden sjeiën. Jij bint +allezeit ’n fatsoenlicher kerl geweest oend....” + +„Dáárom moet ik met m’n zieke kind op straat? ’t Is mooi, baas +Träger.” + +„Kan d’r nichts an thoen! Dabei kommt noch das de hokkepaas, die ’n +puik joeie betaler ischt oend die andere nachbaren d’r over klagen das +jijlui zoo spektakelt.” + +„Maar, Träger! Over vier of vijf weken is mijn benefiet; dan ontvang +je ’t zeker en....” + +„Das ist mir ejaal. Hèv je jeld?” + +„Neen!” + +„Dan overmorjen von die kamer af—verschta je?” + +Pietersen, die tot dusverre zwijgend het gesprek heeft aangehoord, +vindt nu het oogenblik gekomen om zich in de zaak te mengen en zegt +daarom op tamelijk gezwollen toon: „Mijnheer! ’t is een crime om een +fatsoenlijk mensch zoo maar op straat te zetten. Maar je badineert, +dat zie ik; je hebt wel een dik spekslagerslichaam, maar geen +spekslagersziel. Je hart is gevoelig!—Is ’t niet zoo?” + +„Nein! ich will blos jeld.” + +„Kom, kom! mon Prince, je meent ’t niet! Nog een wijl geduld en alles +komt terecht. Wil je een borg hebben, disponeer over mij; ik wil +garant blijven, dat....” + +„Kottorie! das waar noch besser!” De spekslager ziet Pietersen aan en +nolens volens moet hij lachen. + +„Qui rit, est desarmé,” zegt Pietersen, maar bij Walten komt +plotseling de oude trots weer boven. + +„Pietersen voor mij borg blijven? Ba!” denkt hij, „’t is al te akelig; +zóó ver is ’t dus met me gekomen.” Hij heft het hoofd hooger op, doet +een pas vooruit en zegt: „Ik zal je betalen, baas Träger, morgen aan +den dag. Hoeveel ben ’k je schuldig?” + +„Acht-oen-vierzig joelden!” + +„Kom ze morgenavond halen!” + +„Was? Morgen! allemaal jekheid, das binnen praatjens; wenn gij nich +dadelich wat op afrekening jeeft, dan....” De spekslager houdt +eensklaps op met spreken, steekt ’t hoofd vooruit en luistert, want +uit den donkersten hoek der kamer vangt hij een hem overbekend geluid +op. Zijn blikken trachten den allengs duister geworden hoek en de +kist, die hij flauw daarin onderscheidt, te doorboren.—Ja! ’t is een +gestommel en een geknor, dat hij dagelijks hoort. „Maar hoe is ’t +mogelijk”, denkt hij, „hier?” + +Pietersen, die eveneens dat zonderlinge gedruisch heeft waargenomen, +knipt haastig een paar malen met zijn rechteroog, brengt den +wijsvinger even aan zijn rooden neus, als wilde hij te kennen geven: +„Daar krijg ik op eens een idee” en is met twee stappen bij de kist. + +Voordat baas Träger eigenlijk weet wàt hem gebeurt, voelt hij den +snoet van een jong varkentje tegen zijn dikke wangen en omvat hij +schier werktuiglijk het spartelende en luid schreeuwende dier, dat +Pietersen met één greep uit de kist heeft gepakt en hem in de armen +drukt met de woorden: „Il te connait, beau masque! Dáár! neem dat op +afrekening; dat’s voor jou contant geld, mon Prince!” + +„Soll der Deibel wissen wo das schweinche von daan kommt,” roept +verwonderd de spekslager en betast inmiddels, als man van ’t vak, de +big, binnensmonds zeggend: „’n Feines diercke, joet soort, moess nog +fett werden, maar drei rijksdalers ist weerdig.” + +Evenals een boer op de markt, de vlakke hand uitstekend en met de +andere er in slaande, roept de souffleur: „Voor vier ben je koopman!” + +„Drei!” + +„Vier!” + +„Noen in Kottesnamen, ’t is jekocht.” + +„Mooi!” En plotseling gehoorzamende aan den ouden Adam, die in hem +wakker wordt, zegt Pietersen, hoog ernstig: „Neem ’t mee, baas Träger! +Maar zal u ’t goed behandelen? ’t Is zoo’n lief beestje.” En met een +traan in de stem voegt hij er bij: „We waren er al zoo aan gehecht, +niet waar Walten?” + +Met een zekere walging wendt de oude man zich zwijgend af. + +„Noen, soll ich’s mitnemen voor ’n tientje?” + +„Ja, ja! maar laat ’t in Godsnaam niet langer zoo schreeuwen!” Walten +ziet angstig naar ’t bed, waarop zijn dochter rust. + +„Sjreeuwen thoen al die ferkens; da’s die natoer.” + +„En mag ik je nu verzoeken om heen te gaan? M’n dochter ligt daar ziek +achter dat gordijn en dus...” Met een tamelijk trotsche beweging wijst +Annettes vader naar de deur. + +„Kott im Himmel! armoeth hèvt ’n hooge broest ooch nog; allemaal +Komödiantenbluf. Hà! Hà! Hà! Hà!” + +„Lach niet, kerel, of...!” + +„Maak je niet boos. Dat ’s heelemaal verkeerd, mon Directeur!” zegt +Pietersen, die ’t onbegrijpelijk vindt, dat de schuldenaar zóó tegen +zijn schuldeischer durft opstaan, en tot den spekslager gewend, +vervolgt hij soetsappig: „Meneer Träger, je moet dat zoo hoog niet +opnemen: hij meent ’t zóó niet.—’n Fijn varkentje, hé?” + +„Wie er ’s nimmt, kan mijn niet sjeelen; maar wenn ich morjenavond das +overige jeld nicht heb, schtaat hij over zwei dagen mit die janze +rataplan op de jroote schteenen.” + +Annette beweegt zich onrustig in haar slaap en mompelt een paar +onverstaanbare woorden. + +Walten ziet angstig naar ’t bed en zegt kalm, bijna fluisterend: „Je +_zult_ ’t hebben, baas.” + +„Joet, maar noen verder?” + +„Verder?” + +„Jawol, denk jij dat ich jou op ’s nieuw drei monate zal laten wonen +oend....?” + +„’k Zal je nog een maand vooruit betalen ook; maar ga nu heen, wat ik +je bidden mag. Jij en dat dier, jelui schreeuwen om ’t hardst, en mijn +arme Netje _moet_ rust hebben.” + +„Jou Netchen kan mir jestohlen worden.” + +Verder komt de spekslager niet, want Walten heeft eensklaps den +grooten krulstok van de tafel gegrepen, plaatst zich vlak voor baas +Träger, ziet hem dreigend aan en bijt hem toe: + +„Breng me niet tot ’t uiterste; ga heen, man!” + +Er ligt iets in Waltens blik, in ’t heesche geluid van zijn stem dat +den ruwen slager onwillekeurig een oogenblik doet schrikken; maar dat +gevoel is dadelijk weer voorbij, en met een tartend lachje om zijn +dikke lippen antwoordt hij, de grove, groote rechterhand heen en weer +bewegend: „Bang machen jeldt nich, maar ich will je wol plaisier doen. +Tot morjenavond dan. Achtoenddreiszig joelden oend ein maand vooruit, +macht samen vieroendfünfzig. Wenn jij die morjenabend vóór negen uur +nich hev’t; logier jij verder in ’s Hôtel blauwe lucht, verschta +je?—Adjé!” + + * * * * * + +Zoodra de huisbaas vertrokken is, zegt Pietersen tot Walten, die, op +den stoel bij de tafel heeft plaats genomen en met de armen slap langs +het lijf hangend, het hoofd vóórovergebogen, in doffe moedeloosheid +voor zich zit te staren: „Jij bent en blijft toch altijd onpractisch, +Walten! Neem me niet kwalijk, maar je kwaamt er heel onzinnig tusschen +met je propositie om morgen te betalen. Ik had dien kerel wel zóóver +gekregen, dat hij....” + +„Ik wil van zoo’n vent niets hebben, geen consideratie, geen....” + +„Mais, mon Prince! als je zoo royaal bent, blijft er per saldo van je +benefiet niet veel over. Betaal je morgen hém, dan weet overmorgen de +heele buurt het en komen ze je allemaal op den hals. Boven en behalve +dàt zal ’t nog mooi wezen, als de Directie je vier en vijftig gulden +voorschot wil geven op je....” + +„Pietersen, hou je in godsnaam stil!” + +„Maar heb ik geen gelijk, mon Directeur?” + +„Ja! ja! ja! je hebt gelijk, maar schreeuw mijn kind niet wakker: je +hebt zoo’n harde stem. Zij rust nu en dat is al genezing, weet je?—Ga +nu heen asjeblieft en neem wat kaarten mee. ’t Zijn eerste galerijen; +die kun je hier en daar wel plaatsen.” + +„Goed! Au revoir dan; morgen haal ik de lijsten.—Hm! heb je soms niet +een versleten gulden voor me ter leen?—” + +„Neen!” + +„’n Paar kwartjes dan?” + +„Och!” + +„Nou één dan?” + +„Enfin! daar heb je er één. Maak nu dat je wegkomt.” + +„Mon Prince! waar er één is, zitten er meer. Kom! geef er nog eentje +bij; ik heb m’n portemonnaie thuis gelaten.” + +„Dáár dan!—En nu....” + +„„Vertrek, heer graaf,”” zooals Egmond zegt. „Adieu!” + + * * * * * + +Walten blijft alleen; nog een oogenblik zit hij mijmerend op den stoel +en ziet naar ’t flauwe licht van den scheidenden dag, dat door de +groezelige ruiten onder de gordijnen door nog zichtbaar is. + +De avond valt; ’t is bijna geheel duister geworden in de kamer. Met +een zucht staat de oude man op, grabbelt in zijn zak naar een doosje +lucifers, ontsteekt er een en daarmede een kleine petroleumlamp, die +hij zóó op de latafel plaatst, dat het licht de zieke niet hinderen +kan. Dan nadert hij het bed en ziet naar zijn dochter. Zij ademt +rustig en kalm, een glimlach zweeft om haar lippen. Liefkoozend neemt +hij haar fijne blanke blauw-dooraderde hand in de zijne, drukt er +voorzichtig zijn lippen op en strijkt even met den rug zijner hand +over ’t zacht bedauwde voorhoofd der slapende. + +Langzaam knielt hij neder bij ’t bed, legt zijn wang tegen Annettes +hand, snikt een paar malen en blijft zoo liggen, lang—heel lang. + + +III. + +„Hoe staan we er nu mede, Walten?” vraagt den volgenden dag de +Directeur van den Schouwburg aan den ouden man, die met een +portefeuille onder den arm in min of meer gebogen houding vóór hem +staat. + +„Heb je al bepaald, welk stuk je wilt geven?” + +„Nog niet, mijnheer. Ik heb gedacht over de rol van Jérôme Duflou in +Arthur of zestien jaren later.” + +„Hm! die rol is niet groot voor ’n beneficiant.” + +„Wat dunkt u dan van „De Vrek?” Die heb’k altijd met succes gespeeld.” + +„Niet kwaad, ten minste wanneer je...” de Directeur zwijgt een paar +seconden en ziet met een zweem van medelijden zijn bezoeker aan—„hm! +wanneer je die rol nog aandurft.” + +„Nòg...?” Walten verbleekt een weinig, zijn onderlip beeft. + +„Ja! je wordt een dagje ouder en ’t is een zware rol.” + +„O, ik ken ze nog wel op mijn duim. ’t Is een van mijn beste creatiën; +ik denk er zelfs over, om, zoodra Annette goed verzorgd is, weer een +engagement te zoeken. ’t Kon soms zijn, dat u hier nog een plaats had, +die vervuld moest worden; dan beveel ik me daarvoor aan; ik zou wel +weer willen optreden.” + +In de oogen van den Directeur, die eerst met deelneming op den ouden +man hebben gerust, komt nu een uitdrukking van medelijdende +verwondering; zij zien den sollicitant aan als wilden zij vragen: +„Jij?—Zoek jij nog een engagement? Neen, ’t is niet zoo, je houdt mij +voor ’t lapje.” + +’t Is alsof Walten voelt wat de Directeur denkt, want hij voegt er +snel bij: „Ik meen ’t in vollen ernst: als u me kunt emploieeren...” + +„Daar zullen we later wel over spreken. Walten.—Vertel me nu eerst +eens: heb je al wat plaatskaarten verkocht?” + +„’t Schikt nogal; ik doe natuurlijk mijn best om eerst de avondkosten +bij mekaar te krijgen; nu, die zullen er gauw zijn. Dan zal ik verder +met de lijsten werken; ik heb er nu nog maar boven, laten zetten: _’t +Op te voeren stuk zal nader worden bekend gemaakt._” + +„Goed! maar bepaal dat liefst zoo gauw mogelijk; dan heb je meer +succes bij de lui. Hier heb je een lijstje, waarop ik eenige adressen +heb genoteerd van menschen, die ik ken als liefhebbers van ’t tooneel; +ook zullen enkelen ervan zich jou nog wel herinneren van vroeger en +daarom....” + +Walten wordt bleek; dat gezegde: „Enkelen zullen zich jou nog wel +herinneren” heeft hem getroffen; onmiddellijk beseft hij de treurige +waarheid er van. Ja! hij leeft eigenlijk alleen nog maar in de +herinnering van enkelen; den Walten van ’t heden kent men nauwelijks +meer. Een paar kille droppels, die op zijn voorhoofd verschijnen, +wischt hij met de hand weg, strijkt even over zijn oogen en dan +antwoordt hij, met schorre zenuwachtige stem: „’k Heb al een paar oude +kennissen opgezocht, en die hebben dadelijk een heele loge genomen; +maar—als u ’t niet kwalijk neemt, meneer Schröder, wou ’k wel gaan +zitten, want....” + +„Och neem me niet kwalijk, ik heb vergeten je een stoel aan te bieden, +excuseer mijn lompheid!” En snel opspringend, neemt hij een stoel, die +onder zijn bereik staat, en zet dien naast Walten. + +Haastig grijpt de oude man naar de leuning, en terwijl de vale +bleekheid, die zijn gelaat had overtogen, plaats maakt voor een +congestieusen blos, wankelt hij een oogenblik en neemt dan plaats. „Ik +weet niet wat mij mankeert, meneer Schröder, maar in den laatsten tijd +heb ik telkens van die duizelingen, en daarom ben ik zoo vrij om....” + +„Wel, m’n goeie man, geneer je niet, neem je gemak.” + +„Dank u; ’t gaat nu alweer over. ’t Is een alleronaangenaamst angstig +gevoel; tusschenbeide weet ik één oogenblik niet waar ik ben, dan +draait me alles voor de oogen en zou ik zóó neer kunnen vallen.” + +„Dat’s niet goed, Walten. Wil je soms een glas water?” + +„O, als u ’t bij de hand heeft, graag.” + +Als Walten gedronken heeft, wordt zijn gelaatskleur weer gewoon en is +het alleen aan het eenigszins rood gekleurde wit van zijn oogen te +zien, dat hij nog niet geheel normaal is. + +„Ik denk, dat ’t van ’t heen en weer loopen en draven komt,” zegt hij: +„ik ben dat niet meer gewend. Bovendien heb ’k weinig nachtrust gehad +in de laatste dagen: die toevallen van mijn dochter kwamen zoo gauw +achter elkander; vroeger bleef ze wel eens een maand, soms zes weken +vrij. ’t Is treurig, erg treurig.” + +„We willen ’t beste hopen, als ze eenmaal onder een geregelde +behandeling komt,” troost de Directeur. + +„Juist! dàt heeft ze hoog noodig; in ’t gesticht zou ze....” + +„Ja, ja!” valt hem de Directeur haastig in de rede, omdat hij reeds +herhaalde malen ’t relaas van den vader heeft gehoord; en om een +andere wending aan ’t gesprek te geven, vervolgt hij: „Hoe sta je met +de artisten?” + +„Goed!” + +„Je begrijpt, hoe meer je van de eerste krachten op je programma kunt +krijgen, des te beter.” + +„Natuurlijk! Ik heb er alleen een hard hoofd in, dat juffrouw Andrée +zal willen meewerken, als ze de hoofdrol niet krijgt.” + +„Hoezoo?—Die moet je vooral hebben, die is op ’t oogenblik „the grand +attraction.”” + +„Ik heb haar dezer dagen bezocht en gevraagd, of ze mij steunen wou. +Ze was heel beleefd, maar ze zei meteen, dat _ik_ wel begrijpen zou, +dat ze niet anders dan een eerste vrouwenrol, en dan in haar emplooi +vallend, kon aannemen.” + +„Zoo, hm! Och! wat zal ik je zeggen, Walten: jij kent de artisten zoo +goed als ik. Ze is een jong ding, dat in den laatsten tijd door haar +aardig bekje veel opgang maakt. Ze heeft een beetje talent, maar ze is +erg van ’t hondje gebeten, nogal over ’t paard getild.... Binnen!” + +Walten heeft, evenals de Directeur, het kloppen op de deur gehoord en +rijst werktuiglijk op van zijn stoel. + +„Is er belet?” vraagt vriendelijk een aangename vrouwenstem en te +gelijk kijkt een reeds min of meer bejaarde dame, met een zeer +intelligent en prettig voorkomen, om ’t hoekje van de deur. + +„Belet? Voor u is er nooit belet; kom binnen, mevrouw Groote!” +antwoordt de directeur, terwijl hij opstaat en de naderbij komende +dame de hand reikt. Met een vriendelijk hoofdknikje begroet zij Walten +en neemt op den haar aangeboden stoel plaats. + +„U komt als geroepen, mevrouw!” + +„Waarom?” + +„Hier is”—de Directeur wijst op den ouden man, die nog naast zijn +stoel staat,—„Walten, die u juist wilde gaan bezoeken om u te vragen +of....” + +„Heere! Heere! Walten jij hier? Dat doet me pleizier!” En vriendelijk +lachend staat zij op, legt haar handen op zijn schouders en drukt hem +zachtkens neer op zijn stoel, terwijl zij vervolgt: „Ga eerst weer +zitten, collega. ’k Had je waarlijk zoo gauw niet herkend, maar nu +zie ik het wel. Hoe gaat het je? Hm! je ziet er niet florissant uit. +Ben je ziek geweest?” + +„’k Voel me niet wel, mevrouw!” + +„Dat’s verkeerd, hoor! Ik heb van Hostein gehoord, dat je in den +laatsten tijd.... hm! hoe zal ik ’t zeggen....” + +„Dat ik oud word, mevrouw! Zeg ’t maar.” + +„Nu, nu! dat bedoel ik zóó niet, maar.... Zeg! wat denk je voor je +benefiet te geven?” + +„Ik hoop „De Vrek”.” + +„Ei! dat’s geen kleinigheid. Ben ik er ook in?” + +„Ik ben al bij u aan huis geweest, zonder u te treffen; ’k had u +beleefd willen vragen, of u de goedheid zoudt willen hebben om....” + +„Om mee te doen? Maar, vadertje, dat spreekt immers vanzelf.” + +„Ja?” Met een vroolijk gelaat knikt Walten haar toe. + +„Zeker! Er zal toch wel een rolletje voor mij inzitten?” + +„Ja, mevrouw, maar eigenlijk is er geen eerste moederrol in, en uw +emplooi....” + +„Kom! kom! gekheid, emplooi of geen emplooi, dat komt er niet op aan; +geef me maar wat je wilt; desnoods breng ik een brief op. Voor een +collega en vooral voor iemand zooals jij, die zóó getobd heeft, doe ik +alles. Als ’t niet anders kan, figureer ik zelfs mee,—ten minste als +je mijn naam graag op ’t programma wil hebben,” voegt zij er met een +klein vleugje van ijdelheid bij. + +„Wat is u goed, mevrouw Groote!” + +„Zie je, Walten, daar spreekt nu ’t artistenbloed,” zegt de Directeur; +en tot mevrouw Groote gewend, voegt hij er bij: „Juffrouw Andrée is +minder toeschietelijk geweest; ze heeft nog niet toegestemd.” + +„Wel! wel!” antwoordt mevrouw Groote met een zweem van hatelijkheid +in haar stem. „Nu, zoo’n grrroote artiste mag haar kuif ook wel +opzetten. Zoo’n kolossaal talent wil natuurlijk de eerste rol hebben, +is ’t niet zoo?” + +„Ja, mevrouw.” + +„’t Is om te lachen,—zoo’n kind! Ze heeft een aardig gezichtje, een +mooi figuurtje,—dat ’s waar! Ze heeft geluid ook, maar dat kan zij +niet helpen. Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel +komen; maar om een stuk te helpen dragen, zie je! dáárvan heeft ze +geen kaas gegeten. En welke rol had je haar gegeven?” + +„Nog geen rol; ’t was maar bij voorbaat, dat zij....” + +„Wel goeie hemel! wat ’n drukte voor niemendal!—Luister eens, Walten, +ik ken haar: ze schermt altijd met haar emplooi, hé?” + +„Ja, mevrouw; nu zei ze ook, dat als ’t niet in haar...” + +„Emplooi viel, dat ze dan er voor passen zou. Jawel, dàt kennen we!” +En plotseling op uitstekend natuurlijke wijze de houding eener +coquette jonge dame nabootsend, zegt mevrouw Groote, met brauwende +stem: „’t Spijt me menèrrh Walten, mèrrh wanneerrh de rrhol niet.... +Ha! Ha! Ha! weet je wat, ouwe jongen, laat zij naar de Franschen +loopen; ik zal je anders en beter helpen. Als onze Directeur ’t +goedvindt, laat je haar heelemaal buiten alles—ik heb ’t land aan dat +creatuur—en dan geef je aan juffrouw Berg, mijn élève, een goeie rol. +Dat’s een aardig eenvoudig kind met ’n snoepje van ’n gezichtje en met +meer talent dan die „grrhoote juffrrrhouw Andrrhée.” Dan zetten we op +’t programma: Debuut van Mejuffrouw Berg, élève van Mevrouw +Groote.—Wat zeg je daar van, meneer Schröder?” + +„Nu, dat ’s nog zoo kwaad niet,” merkt Schröder, die eigenlijk +juffrouw Andrée ook niet goed lijden kan, aan. „’n Debuut met ’n +benefiet samen is een goed idee.” + +„Mevrouw, ’k ben dankbaar, dat ik u hier ontmoet heb.” + +„Heel goed, Walten, dat doen we dan zoo.—Kijk!” Mevrouw Groote wrijft +zich eventjes in de handen, „ik ben heusch in m’n schik, dat we die +Andrée er zoo liefjes uitknikkeren; ik moet je eerlijk zeggen: ik kan +haar niet zetten; ze heeft zoo’n paar opera-maniertjes, die ’t publiek +aardig vindt; ze coquetteert met de jongelui, die sprinkhaantjes uit +de stalles, ’t balcon enz. Voilà tout! Voor ’t overige zit alles er +dunnetjes op. Ze is eigenlijk geen artiste, ze heeft voor geen +dubbeltje sentiment, geen opvatting, geen gloed, geen....” + +„Och! Och! mevrouw Groote, als ik je niet zoo _heel lang_ en beter +kende, zou ik werkelijk denken, dat hier ’n beetje „jalousie de +métier” in ’t spel was,” hervat Schröder, lachend mevrouw Grootes +woordenvloed stuitend. + +„Kom, Schrödertje! dat weet je wel beter; _ik_ heb me waarachtig niet +te beklagen, _ik_ heb succes genoeg gehad”—en met een zelfgenoegzaam +lachje—„en nog succes! Begrijp je, dat’s veel gezegd, als men bijna +vijf en dertig jaren op de planken is.—Maar ik zie, dat je heen wilt +gaan, Walten, en ik wou je toch dit nog zeggen: doe mij nu pleizier en +repeteer zoo spoedig mogelijk. Dan kan ik de kleine Berg nog eens +flink onder handen nemen; je begrijpt, als ze debuteert, wil ’k ook ’n +beetje eer met ’r inleggen.” + +„Wanneer dunkt u dan, meneer Schröder?” + +„’k Zal er met den régisseur over spreken; overmorgen weet u ’t.” + +„Best!”—Walten neemt zijn portefeuille op en grijpt naar zijn hoed. + +„Ho, vadertje! wacht nog even; ik wou je nog één raad geven. Je moet +na „De Vrek” een grappig nastukje geven, zoo een van je ouwe comische +rollen; er zijn nog genoeg lui, die je vroeger in die rollen gezien +hebben en die zoo’n dolligheid nog eens weer willen zien, b. v. de +zuster van Jocrisse.—Ja, hm! voor Jocrisse ben je—hm! niet boos +worden!—een beetje af-tandsch. Maar—zing je nog?” + +Walten antwoordt kortaf met een zucht: „Neen Mevrouw!” + +„Dat’s jammer; anders zou ik je proponeeren: „’t Huishouden van den +schoenlapper” of „De Behanger”.” + +De Directeur ziet intusschen zwijgend naar Waltens somber gelaat en +denkt: „Sic transit.” + +„Ik weet wat,” gaat mevrouw Groote voort. „Geef als toegift: „De +dochter van Dominique”; dan speel jij voor Nicolaas den knecht—dat kun +je best, en ik zal de Cathérine spelen; dat ’s altijd een +glansrolletje voor me geweest,—al zou ik dat nu alleen maar doen om +aan die Andrée met al haar drukte te laten zien, dat _ik me nog jong +kan_ maken, als mij dat blieft”; en terwijl zij dit zegt, ziet zij den +Directeur even aan. + +„Is dat een pique sous l’eau, mevrouw?” + +„Onder of boven water, meneer Schröder, zoo je ’t nemen wilt,” lacht +mevrouw Groote en vervolgt: „Nu, Walten, wat denk je daarvan?” + +„’k Ben u dankbaar... mevrouw en... ik... zal... God! daar komt ’t +weer. O!” + +„Mijn hemel! wat scheelt hem op eens?” roept mevrouw Groote, die nog +juist bijtijds den ouden man om de schouders vat en hem voor vallen +behoedt. Langzaam doet zij hem weer nederzitten en veegt hem met haar +geparfumeerden zakdoek langs voorhoofd en slapen. „Vadertje wat wordt +je bleek. Zeg! wat scheelt je, ouwe heer?—Duizelig?—Zoo, is ’t al weer +over? Jongens! jongens! je moet er ’n dokter over spreken; dat ’s geen +gewone toestand.—Ben je nu weer klaar?—Wat voelde je eigenlijk, +Walten?” + +„Duizelig, flauw, ’k werd wee!” + +„Zenuwen!—Hier! drink eens.” + +„Ja!” Waltens tanden klapperen tegen den rand van ’t glas, dat mevrouw +Groote hem heeft aangegeven. + +„Zenuwen zijn ’t, anders niet; van avond Brom-kali nemen en nu gauw in +de lucht. Wil ’k met je meegaan?” + +„Neen! neen! dank u.” + +„Zeg, Schröder, zou je hem niet iemand meegeven, de trap af?” Mevrouw +Groote vraagt ’t fluisterend, maar Walten heeft het toch verstaan en +zegt haastig: + +„Och! asjeblieft niet; ’t is nu heelemaal over. Ik begrijp ’t wel: ik +ben van morgen al vroeg de deur uitgegaan, de bakker was er niet +geweest, en.....” + +„Wel Heere! je hebt misschien vergeten te ontbijten, vadertjelief! Dat +kan den besten gebeuren.—Kom! ga met mij mee in de koffiekamer. Toe! +ik heb ook nog geen twaalf-uurtje gehad. Hé, ja, laten wij eens samen +„lunchen”, als ouwe collega’s, recht gezellig. Neen! neen! refuseeren +mag je niet, hoor kameraad!” + +Een trek van innige goedhartigheid siert mevrouw Grootes gelaat, als +zij den ouden man familiaar onder den arm neemt en tot den Directeur +zegt: „Excuseer ons, Schröder; wij gaan koffiedrinken.—Ik kom straks +wel terug om af te handelen, waarvoor ik kwam.—Komaan, beau cavalier, +je arm! Ha! Ha! Ha! de booze wereld zal ons oudjes toch wel zoo’n tête +à tête gunnen.” + +Walten aarzelt, en mevrouw Groote herhaalt: „Als jij refuseert, +refuseer ik alle rollen, hoor! Kom! ik heb nu juist groote ambitie om +je te schaken.” + +Schröder ziet aan Waltens houding en blikken, dat hij nog iets op ’t +hart heeft, en vraagt hem daarom met de oogen: „Heb je nog wat?” De +oude man, die met zachten drang door zijn dame naar de deur wordt +geleid, knikt „ja” zonder dat zij ’t ziet. Daarom roept de Directeur +hem met: „Een oogenblikje, mevrouw Groote; ik wou Walten nog iets +zeggen”, terug. + +„Gauw dan; ik wacht hier”, zegt de actrice. + +Als ze een paar passen in de kamer zijn, vraagt Schröder: „Wat wou je +me vragen?” + +„Meneer Schröder, ik ben genoodzaakt om u te verzoeken om..... ’k Heb +dringend geld noodig; ’t is ellendig, dat ik zoo krap zit, maar ik +moet van avond huur betalen; anders....” + +„Heb je veel noodig?” + +„’n Kleine zeventig gulden, en dan heb ik zelf nog niets: ’k heb nog +een paar kwartjes in huis.—Zou u me niet ’n honderd gulden voorschot +willen geven?” + +„Hum!” Schröder denkt even na. + +„’k Geloof toch, dat u er geen kwaad mee kunt. Pietersen heeft +gisteren al vrij wat kaarten geplaatst en....” + +„Pietersen, dien ouwen nathals, laat je dien voor je werken?” + +„Och ja! hij is jarenlang mijn souffleur geweest; hij is gaar en kent +de lui, die vatbaar zijn, en hij heeft er slag van om hen te laten +teekenen.—Zou u....?” + +„Enfin! ’k zal je maar helpen.” + +„Kom je nu, kameraad? Mijn maag knort!” + +„Dadelijk, mevrouw!” + +De Directeur gaat naar zijn bureau, neemt er vier bankjes van ƒ25 uit, +geeft die aan Walten en zegt: „Ziedaar dan, maar meer dan dit geef ik +in geen geval.” + + * * * * * + +Een oogenblik later zitten Walten en de actrice in de koffiekamer en +gebruiken met smaak een eenvoudige „lunch.” + +Mevrouw Groote heeft er slag van om den ouden kunstenaar, zooals zij +het noemt, „op zijn gemak” te zetten. Zonder dat hij het zelf merkt, +laat zij hem vertellen, hoe zijn toestand eigenlijk is; met een enkel +deelnemend woord, een blik of gebaar vol sympathie, met den fijnen +tact, sommige ontwikkelde vrouwen eigen, weet zij hem alles te +ontlokken wat zij weten wil. Haar oogen worden nu en dan vochtig—hij +merkt het niet—en met klimmende belangstelling en innig medelijden +ziet zij hem aan, terwijl in haar geest het plan rijpt om met de +andere artisten iets voor den ouwen, armen collega te doen. Plotseling +vraagt zij: „En zou je dochter waarachtig kunnen genezen?” + +„Zeker!” + +„Voorgoed?” + +„Voorgoed!—U zou niet kunnen gelooven, mevrouw, hoe kalm ze soms is; +dan zou je zeggen, ze mankeert niemendal, zooals nu bij voorbeeld.” + +„Ik ga met je mee, Walten; ik wil haar eens zien.—Kom! we hebben +gedaan met eten, laten we opstappen.” + +„U bij mij aan huis? Neen! dàt kan niet.” + +„Waarom niet?” + +„Neen! Neen!” + +„Kom! ouwe heer, je zult toch niet te grootsch zijn om...? Of ben je +soms bang, dat de booze wereld je reputatie zal bederven door te +zeggen, dat jij „dames seuls” ontvangt? Ha! ha! ha!—Vooruit dan, +kameraad.” + +„Neen, mevrouw, ’t is onmogelijk.—Aannemen!” + +„Wou je nog iets gebruiken?” + +„Neen!—U?” + +„Ik ben voldaan!” + +„Ik ook.—Hoeveel is ’t, Jan?” + +„Twee gulden zeventig, meneer!” + +„Hier, wissel me dat bankje eens; ’n dubbeltje voor jou.” + +„Maar, Walten, wat doe je?” + +„Ik betaal, mevrouw!” + +„Ben je nou dwaas? Ik heb je immers...?” + +„De eer aangedaan met mij koffie te drinken.” + +„Goeie hemel! wat ’n vent!” + +„Ik ken Goddank m’n wereld nog wel, mevrouw!” + +„Je bent ’n gek, ’n stijfhoofdig monster, een trotschaard; maar toch +ben je n’ aardige kerel, ouwe heer!—Kom! laten we nu even naar je huis +gaan. Toe! laat me je dochter eens zien.” + +„’t Kan niet, waarachtig niet!” + +Een oogenblik denkt mevrouw Groote na en dan zegt zij plotseling: +„Kom! ’t is maar alleen om eens te hooren, hoe ze de rei uit +Gijsbrecht zegt; ik heb gehoord, dat ze dat zoo uitmuntend doet.” + +Waltens oogen verliezen iets van hun dofheid, als hij antwoordt: „Ja, +dat’s waar, dàt doet ze eenig; maar—van wien heeft u ’t gehoord?” + +„Hm! ja! Laat eens zien, van wien ook weer?—Hm! hm! O, ja! van +Pietersen, den souffleur.” + +Walten heeft ’t oogenblikje van verlegenheid, waaruit mevrouw Groote +zich zoo meesterlijk redde, niet opgemerkt en zegt: „Ja, dat kan wel; +die heeft haar ten minste dikwijls zien spelen, toen ze nog goed was. +’n Mooi geluid heeft ze, mevrouw!” + +„Mag ik haar dan niet eens hooren, collega? Toe! asjeblieft!” En met +een coquette beweging legt zij haar nog altijd fraaie, blanke hand op +Waltens arm. „Dat pleiziertje doe je me wel, hé?” + +„Maar....” en Waltens blik wordt diep treurig—„dat was vroeger; nu +doet ze ’t niet meer. Ze zit kalm en bedaard, maar zonder spreken bij +me, ziet u? En dat noem ik: ze is goed!” + +„Och! dat begreep ik niet, ouwe vrind; ik dacht, dat ze graag een rol +zei of een fragment en....” + +„Neen! alleen als ze....” + +Mevrouw Groote ziet hem zóó medelijdend en met een licht hoofdschudden +aan, dat hij onwillekeurig zwijgt. + +„Laat me haar toch maar eens zien, Walten!” + +„’t Is zoo’n heillooze rommel thuis. Wanneer zij zoo’n hevigen aanval +heeft, haalt ze soms alles overhoop en doormekaâr; en je _moet_ ’t +kind haar gang laten gaan. Ik ben waarlijk verlegen om.... U begrijpt, +met zoo’n geval en geen hulp! Ik schaam me er voor, maar....” + +„Wat ’n dwaasheid! Ik heb waarentig dikwijls genoeg zelf in een rommel +gezeten. Denk maar eens na: toen we samen nog met den troep van Pavot +in dat kleine gebouwtje „de Variétés” speelden; ik was toen negentien +en pas bij ’t vak. Jij begont toen ook; je was misschien een jaar of +zes ouder.—Kom, ouwe kameraad! we kennen mekaar te lang om +complimenten te maken.” + +„Nu, dan in Godsnaam, omdat u ’t _wil_!” + + +IV. + +’t Waren moeielijke dagen, die nu voor den ouden Walten volgden, want +’t loopen met de lijsten voor zijn benefiet viel hem in ieder opzicht +zwaar. + +„Oude heer,” had de Directeur Schröder hem gezegd, terwijl hij hem +gemoedelijk op den schouder klopte, „ik vertrouw, dat je ’t +verstandigst handelt door zelf met de lijsten rond te gaan. Geloof me, +wanneer de menschen jou zien, zullen ze bepaald voor een paar plaatsen +teekenen,—eerder dan wanneer je door dien verloopen Pietersen de lijst +laat aanbieden.” Dit laatste zei Schröder er bij, omdat hij op Waltens +gelaat een treurigen pijnlijken trek meende te bespeuren, toen hij zoo +ondoordacht zei: „Wanneer ze jou zien.” + +’t Kwam hem plotseling in den zin, dat in die paar woorden een +geheele droevige lijdensgeschiedenis werd verhaald—aan den lijder +zelf, die zijn toestand maar al te goed kende. + +Ja! Walten zag er slecht, ellendig slecht en vervallen uit, al had ook +Hostein met mevrouw Groote er voor gezorgd, dat hij ten minste een +fatsoenlijk pak kleeren had gekregen, waarin hij zich bij zijn +bezoeken aan de kunstvrienden en tooneelliefhebbers kon vertoonen. ’t +Was werkelijk alsof de man van dag tot dag lichamelijk verzwakte en +verviel; de vermoeienis van ’t loopen bracht er misschien ook nog toe +bij, dat zijn uiterlijk, hoe fatsoenlijk ’t ook scheen, toch volkomen +geschikt was om medelijden op te wekken. + +De diep in hun kassen weggezonken oogen, de dikke blauwige wallen +daaronder, de bolbleeke wangen en nu en dan het beverige schudden van +’t hoofd spraken duidelijker, dan de dunne, bloedelooze lippen hadden +kunnen doen, van kommer, zorg en afgematheid. De vaal-geelbleeke +gelaatskleur, gewoonlijk eigen aan menschen, die zich dagelijks +blanketten en beschilderen, de tallooze kleine rimpels om mond en +oogen en de scherpe trekken langs den neus, gaven aan Waltens gelaat +iets zóó diep zwaarmoedigs, dat het stereotiepe tooneellachje, waarmee +hij zijn korte aanspraak bij ’t aanbieden van de benefiet-lijst +begeleidde, niet bij machte was, die sombere uitdrukking te verbergen. + + * * * * * + +Over ’t algemeen genomen werd hij vrij goed ontvangen, en was zijn: +„Ik ben Walten, de voormalige komiek van den Schouwburg enz. enz.”, +bij de meesten voldoende om hem voor een korte afwijzing te behoeden. +Maar ook bitter vernederende oogenblikken moest hij doorleven, en wel +dáár waar hij die ’t minste verwacht had. Oude goede kennissen, +begunstigers van vroeger, namen met een schuinschen blik op Waltens +droevig uiterlijk de lijst aan, zetten er zwijgend hun handteekening +op of gaven door een kort: „’k Heb al TE VEEL van die dingen aan de +hand” te kennen, dat ze „er niet aan deden”. Een rijk geworden +kroeghouder o. a., die zich de weelde veroorloofde om van „de kunst” +te houden, ontving hem met een dikken, plompen lach van genoegen en +zei: „Wel, wel! ben jij nou Walten?—Manlief, ’t doet me plezier, dat +ik jou nog eens zie. Ik heb, toen jij nog in je goeie tijd was, wat om +jou motte lache, m’n buik heb ik vastgehouwe; je was een eeuwig leuke +pias, hoor! En daarom zal ik nou ook op je benefiet teekene voor mijn +en mijn heele geslacht. Geef me nege plaatse eerste rang; ’k zal je +maar vooruit betale, want om de duite is ’t toch te doen. Dat ’s nege +rikse, hé? Daar heb je een bankie van ƒ25.—; voor dat ééne achterwiel, +dat er over is, mot je maar een paar potjes bier drinke, hoor!” + +O! ’t was zoo bitter, zoo kwetsend voor Walten, die ’t hart zoo hoog +droeg, om dàt te hooren. Zwijgend nam hij de lijst weer aan, terwijl +de toornader tusschen zijn oogen zwol en zijn lippen beefden; met +moeite onderdrukte hij een wederwoord, maar——’t was vijf en twintig +gulden op eens, en—hij was zoo moe van ’t loopen, van ’t vragen. „’t +Schijnt bijna bedelen,” dacht hij, terwijl hem ’t bloed naar ’t hoofd +schoot en de stem hem begaf, toen hij een woord van dank trachtte te +uiten. + +Hier en daar werd hij kortaf met: „Dank je, ik zal er niet van +profiteeren,” afgewezen; ’t deed hem minder smartelijk aan dan de +woordenrijkheid van „den ploert,” die zoo royaal was. + +Slechts enkele malen klonk hem, als zachte muziek, een vriendelijke +stem tegen, die met fijn gevoel, den ouden artist in hem waardeerend, +op zijn vraag antwoordde: „Of ik op uw benefiet wil teekenen, meneer +Walten?—Wel zeker, gaarne! Ik zou ’t u niet vergeven hebben, als u mij +had vergeten, want ik heb u niet vergeten; ’k heb veel genot en +ontspanning door u gehad en velen met mij; ik verheug me er op u nog +eens weer te zien spelen.—Ei zoo! geeft u „De Vrek?” ’n Mooi stuk, een +van uw beste rollen. En den Nikolaas in ’t blijspel „De dochter van +Dominique” toe? Die rol heb ik nooit van u gezien, dáár spits ik me +op. Welke plaatsen heb je nog over? Stalles, balcon of loge, geef me +maar wat je missen kunt, want ik vertrouw, dat er plaatsen te kort +zullen komen.” + +Zulk een ontvangst bracht hem als met een tooverslag de oude goede +tijden weer voor den geest en weemoedige tranen in de oogen. +Onwillekeurig strekte hij dan vertrouwelijk bij het heengaan de hand +uit naar die van den man, die hem zoo vriendelijk en met tact te +gemoet kwam. + +Ze waren echter zeldzaam die oogenblikken van waardeering en slechts +een kleine vergoeding voor de vele teleurstellingen, die hij in den +vorm van: „Meneer is niet thuis” of: „We houën hier niet van comedie”, +herhaaldelijk ondervond. + +Toch kon hij tevreden zijn, want ’t aantal genomen plaatsen was vrij +aanzienlijk geworden, en de eerste rangen waren zoo goed als +uitverkocht. + +Pietersen liep, zooals hij ’t zelf eigenaardig uitdrukte, „en tempête” +de heele stad door, en ofschoon hij zijn tochten rijkelijk met +spiritueus genot afwisselde,—„’t hoorde er onvermijdelijk bij”, +beweerde hij, omdat hij voornamelijk koffiehuishouders en slijters +„exploiteerde”,—kwam hij gewoonlijk des avonds in tamelijk goeden +welstand op Waltens kamer, om hem verslag te doen van den oogst, dien +hij had binnengehaald. + +Ook aan ’t bureau van den Schouwburg waren, ten gevolge van de +aanplakbiljetten, de advertentiën in de kranten en een paar +welwillende dagbladartikelen, waarvoor Hostein en Schröder hadden +gezorgd, vrij wat plaatsen genomen, zoodat de oude man aan den +vooravond der voorstelling met zekerheid kon berekenen, dat, als er op +den speelavond zelf nog wat publiek „inliep”, er een batig saldo voor +hem zou overblijven, na aftrek van de honderd gulden voorschot, +voldoende om aan zijn dochter de tijdelijke opneming in een gesticht +te verzekeren. + + * * * * * + +Mevrouw Groote had er intusschen voor gezorgd, dat „de rommel” bij +Walten door een werkvrouw eenigermate was opgeredderd en verder +diezelfde vrouw voorloopig als „gezelschap” bij de ongelukkige Annette +gelaten, omdat zij vond, dat „de stumperd” zoo akelig alleen en +verlaten zat, als haar vader uit was. Toen was zij naar Hostein gegaan +en had gezegd: „Luister eens, Willem! Ik ben bij Walten aan huis +geweest; ’t is daar een echt treurige boel, veel armoediger en +ellendiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen; wij moesten de +handen ineenslaan en zien of we iets voor hem kunnen doen; de man +heeft in _zijn_ tijd voor menigeen wat overgehad.—’t Is waar, hij was +vroeger ’n beetje bazig en nu soms nog koppig en... Och! maar zoo +heeft iedereen wat.—Ga jij nu bij jou kennissen rond, dan zoek ik de +lui op, die IK ken; allicht halen we wat bij mekaar. Dan geven we hem +dat op den avond van zijn benefiet, netjes in een couvert aan een +lauwerkrans gebonden.—Wat dunkt je?” + +„Je bent een kranige vrouw, hoor! en ik doe mee; ik zal de lui wel ’n +beetje opwarmen,” antwoordde Hostein. „Maar hoe is ’t op ’t oogenblik? +Hij heeft een voorschot, hé?” + +„Och, beste vrind! ’t was dadelijk op, dat begrijp je, voor huur +enzoovoort. Maar enfin! dáár is al voor gezorgd: ik heb hem wat +gestuurd; je begrijpt, voor de zieke, nam hij ’t graag aan, zoo’n +beetje victualie, en voor de eerste dagen is er over dag een vrouw in +huis.—Zeg! dat kind van Walten, hum! ik bedoel die Netje, viel me mee; +ze was doodbedaard, maar ze sprak geen woord. ’n Mooie vrouw is ’t +zeker, ’n goed tooneelfiguur; maar wáár dat talent zit, waarvan hij +zoo hoog opgeeft, begrijp ik niet. De man is altijd épris geweest van +dat meisje, en haar stem is bepaald mooi, maar zoover ik me herinner, +was ’t verder niets buitengewoons.—Wat dunkt jou?” + +Hostein haalde de schouders op en zei glimlachend: „Ieder denkt zijn +uil een valk te zijn; Waltens omgeving was in de laatste jaren ook +niet geschikt om.....” + +„Och ja!” viel mevrouw Groote hem in de rede. „Je kunt op hem niet +veel peil meer trekken; ik geloof, dat hij in zijn laatste schoenen +loopt. Op de repetitie’s was ’t niet om aan te hooren; wezenlijk, _ik_ +kreeg ’t benauwd voor hem; ’k geloof nooit, dat hij ’t er goed +afbrengt.” + +„Kom! ’t is een ouwe tooneelrot; als de avond daar is, doet hij ’t +wel,—hij kent de trucs!” + +„Neen, waarachtig, ’t was brabbelen wat hij deed.” + +„Was ’t zóó slecht?” + +„Abominabel! Hij is op,—totaal op!” + + * * * * * + +„’t Is een steen van mijn hart, Pietersen! dat alles zoo goed is +gegaan; de zaal wordt vol,” zegt Walten op den avond vóór het benefiet +tot den souffleur, die hem als naar gewoonte bezoekt. + +„C’est clair, mon Prince!” antwoordt Pietersen, en met een schuinschen +blik uit zijn knippend rechteroog voegt hij er bij: „En is ’t nu wat +beter gegaan op de repetitie?” + +„Hoe bedoel je?” + +„Wel, zit „De Vrek” er weer goed in?” Pietersen wijst met het boekje, +waaruit hij Walten de rol van Nikolaas uit „De dochter van Dominique” +overhoort, op zijn voorhoofd. + +„Ik geloof ’t wel, maar ’k heb nog altijd last van die duizeligheid, +vooral als ik me inspan bij ’t spelen. Zou dat zwakte zijn?” + +„Misschien?—’t Is ook een zware rol.” + +„’k Zal morgenochtend nog eens memoriseeren, maar de clausen willen er +niet goed meer in. Ik begrijp ’t niet: ik kon „De Vrek” vroeger als +mijn zak, dat weet je wel, en van morgen op de repetitie zat ik +telkens vast. Hoe is het mogelijk? Mijn geheugen is toch goed.” + +„Geweest!” denkt de souffleur, terwijl hij ’t boekje opnemend zegt: +„Komaan Walten! willen we dan eens even verder gaan? Ik zal je enkel +maar weer „de wacht” geven. ’t Is een echte lachrol, die Nikolaas.” + +„Ja! maar ’t lachen gaat me niet natuurlijk meer af.—Enfin! begin +maar.” + +Walten staat nu eens bij den stoel naast de tafel, waaraan de +souffleur, die zijn bril heeft opgezet, met de ellebogen onder ’t +hoofd, zit te souffleeren wat „Nikolaas” zeggen moet, dan weer loopt +hij even heen en weer door de kamer of plaatst zich naast Annette, die +somber voor zich uit ziende, op den rand van ’t bed zit en in hetgeen +in haar tegenwoordigheid voorvalt, geen aandeel schijnt te nemen. + +„Heb je weer hoofdpijn, kind?” vraagt Walten bezorgd, terwijl hij +zachtkens met zijn hand over Annettes donker haar streelt. + +„Neen!” Zij plukt onrustig met bevende vingers aan haar loshangende +ochtendjapon. + +„Waarom is die vrouw weg?” + +„Ze is naar huis gegaan, dat weet je wel kind!” + +„Neen! ze maakt leven, buiten op de trap.” + +„Zij? Wel neen, Netje.—Hoor jij wat, Pietersen?” + +„Niets, mon Prince!—St! ze zal ’t in haar hoofd hebben.” + +„Bonst ’t weer in je hoofd, kindlief?” + +„’t Is zoo warm, dáár, dáár,” en met krampachtig gekromde vingers +grijpt Annette boven op haar kruin. + +„Wil je een doek met water erop hebben?” + +„Neen!” + +„Hindert ’t je, als we spreken?” + +„Neen! maar die muziek buiten wèl.” + +„Muziek? Er is geen muziek; ’t is doodstil!—God! Pietersen, ze zal +toch niet weer...?” + +„Toe! zeg, dat ze ophouden, die keteltrom... O!” + +„Maar lieve Netje, ’t is....” + +„Ophouden! Ophouden! O, God! wat doen ze me zeer.” + +„Drink eens, kind; hier heb je limonade, die heeft die goeie mevrouw +Groote je gebracht.—Pietersen! ’t wordt weer mis: wat moet ik +beginnen?” Walten ziet vol bezorgdheid zijn dochter aan. + +„’k Weet het niet, mon Directeur! maar ’t is niet in orde met haar, +cela va sans dire; ik zal Nikolaas maar wegbergen, hé?” Pietersen +slaat ’t boekje dicht, knipoogt en zet zijn bril af. + +„Vader! vader! laat ze uitscheien.” Annettes oogen krijgen een wilden, +zonderlingen glans; haar gelaatskleur is afwisselend bleek en +hoogrood; koortsig huiverend, nu en dan sidderend, klemt ze zich +angstig aan Walten vast. + +„Als je haar eens ’n klein tikkie cognac liet drinken; wil ’k je de +flesch eens aangeven?” vraagt Pietersen, en een cynisch lachje om zijn +breeden mond doet even de uiterste spits van zijn tong zichtbaar +worden. + +Walten antwoordt niet; hij houdt zijn kind omvat, legt zijn +stoppelige wang tegen haar hoofd en sust haar even alsof ze een klein +meisje was. + +„Kijk! zoo’n half kelkje—c’est un tonique!—dat zal ’r waarachtig +goeddoen.” Pietersen komt met het glaasje in de hand naar Netje en +Walten, maar drinkt het haastig zelf uit, omdat hij, schier verschrikt +terugdeinst, bij ’t hooren van Annettes lach, die ditmaal zoo akelig +snijdend klinkt, dat hij zich omwendt en snel een grooten slok uit de +flesch neemt om zijn zenuwen te doen bedaren. + +Zoo’n proefje smaakt naar meer, en vóórdat Walten het bemerkt, heeft +Pietersen ’t restant cognac achter elkander uitgedronken en de ledige +flesch weer in de kast gezet. Zich de lippen lekkend, hikt hij even, +veegt met den rug der rechterhand langs zijn mond en zegt: „Ze lacht +leelijk van avond; ’t zal een krasse bui worden. Wil ’k ook even naar +den dokter loopen?” + +„Ja! ja! asjeblieft. Maar wacht nog even: ik ben bang dat ze zoo +meteen neervalt. Stil! ’t gaat wat over.” + +Eensklaps ziet de krankzinnige, die nog voortdurend stuipachtig, +hoewel minder luid, lacht, met een schier helderen blik haar vader en +Pietersen aan, laat den eersten los en vat den anderen, die de deur is +genaderd, bij beide schouders, terwijl zij met gesmoorde stem hem +toesnauwt: „Waarom lach jij niet mee? Ha! ha! ha! Hij wil niet +lachen.” + +Een wilde woeste uitdrukking komt op haar gelaat, als zij den +souffleur heen en weer schudt en hem nogmaals toebijt: „Lach!” + +„Lach! In Godsnaam, lach dan toch!” fluistert Walten. + +Pietersen vertrekt zijn tandeloozen mond tot een mislukte grijns; en +als Annette ziet, dat hij lacht, laat zij hem los en pakt haars vaders +arm. „Jij ook! Lachen zul je, ha! ha! ha!” + +Ook Walten beproeft te lachen, maar de tranen springen hem uit de +oogen, zijn hart staat een oogenblik als stil; hij voelt dat hij +stikken zou aan dien lach en machteloos, bevend, wankelt hij en valt +half zittend voorover op ’t bed. + +Verwonderd, wezenloos ziet Annette om, haar lach verstomt, ze rilt als +van koude, slaat huiverend de armen over elkander, opent dan wijd en +glazig de groote oogen, werpt ’t hoofd trots in den nek en zegt op +bevelenden toon: „_Mijn mantel!—Don Alfons, breng mij mijn +hermelijn!_” + +Walten heeft zich reeds weder opgericht en roept haastig vol angst: +„Daar is ’t weer! Nu blijft ze zóó weer den geheelen nacht, misschien +morgen ook nog. Goeie God! wat moet ik beginnen? Hoe kan ik morgen +avond spelen?” Hij huivert en snikt. + +Pietersen, die door het te haastige gebruik van bijna een halve flesch +cognac toch min of meer anders dan gewoonlijk wordt, antwoordt +glimlachend: „Waar is je alma-viva dan, m’n wijfje?” + +Walten heeft snel den koninginnemantel opgezocht, hangt hem zwijgend +over Annettes schouders, maar drukt te gelijk haar hand een oogenblik +tegen zijn lippen. + +Gedurende eenige minuten staat de krankzinnige zwijgend doodstil +midden in de kamer. + +„_Zet mij de kroon op ’t hoofd en blijf hier naast mij staan!_” +Krampachtig houdt zij haars vaders hand vast. + +„Toe! Pietersen, gauw de kroon!” + +„De kroon? Ik zie ze niet. Wat duivel! gaat me die k—kroon ook +aan?—Verdijd! daar stoot ik m’n elleboog.—Dat bordpapieren ding is er +niet; ’n mooi l—lorrr!” + +„Maar geef ze dan toch aan, Pietersen! Dáár, op de latafel; zie je ze +niet? Dáár!” + +„Ja, ja! nou zie ’k ze wel; hou je gem—mak, mon P—prince; ik heb ze +al. Tout doucem—ment. Zóó, zet ze op drie haren, sch—oone D—donna.” En +vrij onhandig drukt hij de kroon op Annettes lokken. + +„God almachtig! hij is dronken! Pietersen, hoe komt dat op eens? Heb +je...? Je bent bez....” + +„Dronken? Waarachtig niet, m—mon Général; ’n beetje tipsy maar, +legèr—re—m—ment ému. Verduivelde goeie cognac hou jij er op na. Ha! +ha! Annette, mon—id—ôle, je zit daar heel leuk. ’n Mooie troon, dat +onopgemaakte mandje!” + + „Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten neder + En luister ned’rig naar mijn Koninklijk bevel!” + +declameert de ongelukkige luid en krachtig. + +„Pietersen, kom dan toch; ga zitten, hier! gauw! Anders wordt ze woest +en dan is ze straks niet te houwen.” + +„H—houwen? Ik heb slaap, verdraaid veel slaap. Zoo dan! Zit ik zoo +naar je zin ma—majesteit, koningin van mijn hart, r—reine de mon +c—c—coeur?” + +„God! hij slaapt in.—Pietersen, word wakker!” + +„Hé?” + +„Kom dan, word wakker; je zoudt voor me naar den dokter gaan; ik kan +haar niet alleen laten. Toe, Pietersen, luister dan toch! Ga niet +slapen!” + +„Dokter? Jawel, akkoord, médecin malgré lui, Molière. De cognac was +zuiv—ver sterk....” De souffleur slaapt, hij knikkebolt aan de voeten +van Annette, die hem niet meer schijnt te zien, maar krampachtig de +hand van haar vader vasthoudend verder declameert. + + +V. + +Toen Walten den volgenden avond een half uur vóór den aanvang van ’t +stuk in Hosteins kleedkamer kwam, waar deze bezig was om zich „in ’t +pak te steken”[1] voor de rol van Valerius, had hij nauwelijks kracht +genoeg om te staan. Zijn oogen stonden hol en brandden hem in ’t hoofd +en op zijn wangen toonden een paar roode vlekken, akelig duidelijk, +hoe vermoeid en afgemat hij was. + +[1] Tooneelterm voor costumeeren. + +„Willem,” zuchtte hij, terwijl hij op den stoel naast Hosteins +kaptafel neerviel en met ’t hoofd vóórovergebogen, de handen slap +langs ’t lichaam hangend, moedeloos bleef zitten. „Willem, ik kan niet +meer!—Zoo erg heeft Netje ’t nog nooit gehad, en die aanval hield maar +niet op: ik ben den heelen nacht en vandaag, tot van avond toe, met +haar doende geweest. Goddank! ze ligt nu eindelijk te slapen! Ik ben +dood, doodaf. Hoe zal ik in Godsnaam spelen?” + +Verschrikt zag Hostein, die voor den spiegel stond, om naar den naast +hem zittenden man, lei ’t stuk „vetschmink”, waarmede hij zijn wangen +bestreek, neer en zei: „’t Is verschrikkelijk;” maar toen de oude man +opkeek en hem aanzag, terwijl ’t licht der gasvlam vol op zijn ontdaan +gelaat viel, ontsnapten hem plotseling de woorden: „God! Walten wat +zie je er uit!—Je hoeft je waarachtig niet te grimeeren; schmink je +maar een klein beetje op je wangen en zet een pruik op, dan is ’t +uitmuntend: een Harpagon om te stelen.... Och! neem me niet kwalijk, +dat ontviel me daar zoo plompverloren; ik kan ’t waarachtig niet +helpen, ik dacht alleen om ’t stuk, en jij zit daar precies, even +verslagen, als Harpagon in ’t derde bedrijf, laatste tooneel.” + +Walten zag Hostein even aan en lachte smartelijk: „Ik ken je immers +Willem; je meent ’t goed.” + +„Wacht maar even, ik zal je dadelijk eens weer op streek helpen.—Je +„pak” hebben ze hier gebracht; ik dacht: je zoudt je hier liever +aankleeden dan alleen. Trek den boel maar al vast aan,—ik ben zóó +terug; ’k zal een hartversterking voor je halen.” + +„Och neen! ik kan toch niets gebruiken.” + +„Dat zul je wel!” + +Toen Hostein verdwenen was, richtte Walten zich met moeite op, trok +zijn jas uit, zette zijn hoed af en nam plaats voor den spiegel, op +den stoel, dien de andere verlaten had. + +Een blik in ’t heldere glas riep om zijn lippen een bitter droeven +glimlach te voorschijn. Hij steunde het hoofd in de rechterhand en zag +naar zijn roode ingezonken oogen, de blauw getinte wallen daaronder en +de schier zwarte lijnen van de scherpe trekken langs zijn neus. + +„Ja! Willem heeft gelijk,” mompelde hij: „ik heb geen grime noodig.” + +Nog een oogenblik bleef hij in gedachten verzonken zitten en toen, met +een uiterste inspanning van zijn wil, richtte hij zich op en begon +langzaam zijn kleederen verder uit te doen. Weer sloeg hij een blik in +den spiegel vóór hem en hij wachtte een oogenblik, starend naar zijn +beeld. Zijn handen beefden, zijn oogen werden verduisterd door de +tranen, die er onophoudelijk in opwelden; hij voelde ze langs zijn +wangen biggelen, hij zag ze één ondeelbaar oogenblik in den spiegel +weerkaatst en hij wischte ze niet af. ’t Kwam hem voor alsof hij in +dien spiegel een gelaat zag, dat hij niet herkende en dat toch ’t +zijne was; ’t scheen hem als hoorde hij een stem, die hem +toefluisterde: „Die man is Walten immers niet?” en hij had het gevoel +van iemand, die na langen, langen tijd afwezig te zijn geweest, weer +terugkomt in bekende streken, maar alleen om alles veranderd en +vervallen terug te vinden. + +Werktuiglijk trok hij de zijden kousen en korte broek van Harpagons +kostuum aan en bukte zich om de lage schoenen aan te doen. Dat bukken +viel hem moeielijk; ’t bloed gonsde en bonsde in zijn slapen en een +donkere nevel kwam over zijn oogen, toen hij eindelijk ’t hoofd weer +ophief en rondzag. + +„’k Had waarachtig haast geen pruik met een kaal hoofd noodig,” zei +hij in zichzelf, terwijl hij met den haarborstel de weinige grijze +haren, die plat langs zijn klamme slapen gekleefd lagen, naar achteren +streek. „Maar komaan, ’t is eenmaal de traditie zóó!” Hij zette de +pruik op en „schminkte” zijn voorhoofd bij, totdat de afscheiding van +huid en pruik onzichtbaar was; met onvaste hand trok hij een paar +zwarte lijnen onder zijn oogleden en langs zijn neus, maakte zijn +wenkbrauwen wat grijzer en streek een paar malen over zijn stoppelige +wangen. „’k Ben sedert drie dagen niet geschoren. ’k Heb ’t glad +vergeten,” dacht hij, en toen hij nogmaals een blik in den spiegel +wierp, zei hij als tot zichzelf sprekende: „’t Past nu goed in de rol; +hum! ik zal....” + +„Ziezoo, papa! dat zal je goeddoen en opknappen. Allons! drink dat nu +eens achter mekaar uit,” en met een vriendelijken lach hield Hostein +hem een glas melk met geklutste eieren voor. + +„Je bent toch een goeie kerel, Willem!” + +„Jawel! maar zanik nu niet en drink uit. Ik heb er maar één lepel rum +in laten doen; je zult er dus de hoogte niet van krijgen.” + +Onder ’t drinken even ophoudend, zei Walten: „Ik kan ’t haast niet +inkrijgen; ’t is alsof ik ’n stuk in mijn keel heb, dat ’k niet +doorslikken kan.” + +„Kom, kom! allemaal gekheid! ’t Moet erin.” + +„Heelemaal?” + +„Achter elkaar, anders helpt ’t niet. Zóó! Je zult eens zien, hoe je +daarvan opknapt. Ga nu nog een oogenblik zitten, dan kalmeer je +heelemaal. ’k Heb zoo’n voorgevoel, dat je van avond een succes zult +hebben.” + +Hostein geloofde zelf niet wat hij zei, maar ’t goede hart, dat hij +zijn ouden leermeester toedroeg, deed hem zoo spreken. „Hum!” ging hij +voort, „ik heb van morgen nog van Schröder gedaan weten te krijgen, +dat de souffleur vanavond vrijaf heeft.” + +„Wat zeg je daar?” Met schrik zag de oude acteur hem aan en een +ongeloovige trek kwam op zijn gelaat, toen Hostein er lachend +bijvoegde: „We spelen „De Vrek” achter mekaar af, de vijf bedrijven, +zonder scherm neer en we zijn zóó rolvast, dat....” + +„Hè, jij zonder souffleur, Hostein?” zei Walten, even glimlachend. + +„En jij zonder souffleur?” gaf de andere lachend terug. En terwijl hij +„Harpagon” vertrouwelijk op den schouder klopte, voegde hij er bij: +„Neen! ik maak maar gekheid; ik kan er niet buiten—’k ben van jou +school, papa Walten—maar ik heb van Schröder gedaan gekregen, dat +Pietersen van avond souffleert.” + +„Pietersen?” + +„Ja! ’k Heb ’t om jou gedaan, Walten; jij bent zoo aan hem gewend, en +ik dacht....” + +„Dank je, Willem! Ja, ’t is waar—’k heb hèm liever als dien anderen; +hij kent me beter. Maar.... zeg?” + +„Wat?” + +„Jelui hebt toch gezorgd, dat hij niets kan krijgen voordat alles +gedaan is?” + +„’t Verbod is uitgevaardigd; geen druppel, hoor!” + +„Daar wordt geklopt, Hostein.” + +„Mag ik binnenkomen?” klonk buiten de deur mevrouw Grootes +vriendelijke stem. + +„Entrez!” + +Dadelijk daarop kwam de actrice—als Frosine gekleed—Hosteins kamer in +en wendde zich tot Walten, met de woorden: „’k Wou eens even komen +kijken hoe je bent, want ik heb daar juist van Hostein gehoord, dat ’t +weer mis is bij je thuis. ’n Ellendige historie voor je, arme vent! En +is ze nu alleen?” + +„Stil! spreek daar nu niet meer van, hij is al zoo zenuwachtig.” +fluisterde Hostein mevrouw Groote haastig toe. + +„Heeft zij niemand tot gezelschap, Walten?” + +„Uw schoonmaakster is bij haar, mevrouw.” + +„O!—En?” + +„Die blijft totdat ik terugkom van avond.” + +„Goed!—Jongens, jongens! wat ’n zaal vol menschen. Zeg! dat doet je +nog eens goed, hé? Heb je al door ’t scherm gekeken? ’t Is stampvol. +De handjes zullen wel op mekaar komen, als jij opkomt. En wat zeg je +nu van mij?” Mevrouw Groote draaide vlug op haar hielen rond! „Heb ik +me niet mooi gemaakt als Frosine? Waarachtig, Walten, ’k doe ’t voor +jou; anders speelde ik „de koppelaarster” niet.—Hou je nu goed, +hoor!—Heb je vandaag nog kunnen leeren?” + +„Ik?—Groote God! wat ’n vraag!” + +„Och, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan.—Nu, dan maar +hengelen,[1] ouwe heer!” Mevrouw Groote zei het vroolijk en opgeruimd, +maar toch klonk in die vroolijkheid een nauw hoorbare toon van angst +en tersluiks zag zij Hostein aan met een blik, die duidelijk de vraag +uitdrukte: „Hoe zal dat afloopen?” + +[1] Op den souffleur spelen. + +„’k Ben nog nooit zoo zenuwachtig geweest als van avond,” zuchtte +Walten, die inmiddels zijn toilet had voltooid en met een lichten +schrik de stem van den inspiciënt vernam, die, in de gang tusschen de +kleedkamers loopend, riep: „Tot den aanvang, dames en heeren!—Tot den +aanvang!” + +Vóór het gewone: „_van ’t tooneel_” en „_aan ’t gordijn!_” van den +inspiciënt weerklonk, drukte mevrouw Groote haar ouden vriend nog even +de hand, klopte hem op den schouder en zei: „Wees nu maar kalm en +bedaard. Hoe is ’t mogelijk, dat je zóó zenuwachtig kunt wezen, zoo’n +ouwe „troupier” als jij...? En denk er vooral om, dat je aan ’t eind +van ’t tweede bedrijf bij je „sortie” nog even ’t hoofd om de deur +steekt, om me „_tot wederziens_” toe te roepen; dan kan ik beter mijn +claus zeggen—en krijg er zeker een applaus op, als ik je zoo uit de +verte toeroep: + +„_Dat de duivel je hale, gemeene vrek, hongerige schraapwolf!_”—Denk +er asjeblieft om, want op de repititie heb je ’t telkens vergeten. En +nu: goed succes.—O ja! nog iets, in ’t vierde bedrijf, wanneer ik dat +gesprek met jou en Kleant heb, kun je me als ik „af” moet, nog even +terugroepen; en als ik dan weerom kom, doe je zóó met je hand,—je +maakt zoo’n soort plagerige kushand, begrijp je? Dan zet ik een +woedend gezicht en maak nog een nijdige „dienaresse”; daar heeft ’t +publiek pret in, begrijp je? ’t Is anders zoo’n ellendige „sortie”, +zóó mager, dat, als je er niets van maakt, er geen hand op mekaar +komt; en ik _wil_ applaus hebben van avond, alléén omdat Andrée ’t +bepaald _niet_ krijgt in haar rol als Elize.—’t Verwondert me nog, dat +ze die heeft aangenomen; maar ze durfde niet weigeren om de anderen, +vat je?” + +Daar klonk op eens het schelletje en de roep „Halen!” ’t Scherm ging +omhoog en ’t stuk was begonnen. + + * * * * * + +’t Is vol, zeer vol in den Schouwburg, zelfs het „schellinkie” en „de +tien” zijn goed bezet. De korte, eenvoudige titel van het stuk „De +Vrek” heeft de liefhebbers van moord en doodslag ditmaal niet +afgeschrikt om hun penninkske op het altaar der kunst te gaan offeren. + +Misschien ook heeft Waltens naam op ’t affiche—men had hem immers +vroeger, toen hij nog in zijn kermistent „alles” speelde, zoowel in +„Rolla”, als in „de komiekigheid” bewonderd—er ’t meest toe +bijgedragen om ook de hoogere rangen vrij voldoende te doen bezetten. + +Achter de coulissen staande, ziet Walten met kloppend hart naar de +spelers, die in de eerste twee tooneelen optreden, en als het derde +tooneel komt, waarin hij zijn eerste opkomst heeft, kost het hem +moeite een lichte siddering te onderdrukken. Plotseling voelt hij de +hand van den inspiciënt op zijn schouder en hoort hij zich +toefluisteren: „Asjeblieft, meneer Walten, de beurt is zoo dadelijk +aan u.” + +’t Schijnt bijna alsof die aanraking hem moed geeft, want hij richt +zich op uit de ietwat gebogen, luisterende houding, waarin hij staat +en roept met luide stem de enkele woorden van zijn rol, die hij achter +de schermen moet spreken, pakt „Laflèche”, die naast hem wacht, bij +den schouder, duwt hem vóór zich uit op het tooneel en—dan draait en +duizelt alles hem voor de oogen. + +Met een daverend handgeklap bij zijn optreden begroet, gaan de +woorden: „_Voort! ’t huis uit, zonder tegenspraak, op ’t oogenblik, +voort! Galgenaas! schelm! maak dat je wegkomt!_” waarmee zijn rol +begint in het applaudissement en bravo-geroep, dat hem verwelkomt, +verloren. Niemand hoort, hoe zijn stem beeft, hoe heesch en schor zijn +geluid reeds is bij dien eersten volzin. + +Een paar groene kransen en een bloemruiker worden door onzichtbare +handen op ’t tooneel geworpen. Mevrouw Groote heeft er in stilte voor +gezorgd, omdat zij meende: „’t Zal den ouwen stumperd een riem onder +’t hart steken, als hij goed wordt ontvangen.” + +Het „Bravo” dat hem tegenklinkt, het handgeklap dat hij hoort, maakt +hem een oogenblik verward, duizelig, beneveld; de kransen die voor +zijn voeten neervallen, ziet hij nauwlijks, en zonder dat hij er zich +eigenlijk bewust van is, buigt hij twee, drie malen diep voor ’t +publiek, dat hem blijft toejuichen, totdat een paar krachtige „St! +St’s” uit den Engelenbak, die verlangend is om meer te hooren, hem tot +de werkelijkheid terugroepen. Als ontwakend slaat hij de oogen op, +ziet rond, het voetlicht schittert hem weer als vanouds in de oogen en +voor eenige oogenblikken vergeet hij alles, alles! ook zijn ellende; +de artist in hem wordt wakker—hij is „Harpagon de Vrek!” + +Het tooneel met Laflèche, waarin hij diens handen en zakken +onderzoekt, wordt inderdaad goed—fijn comisch—door hem gespeeld, en +als hij, in de wijde broekzakken van zijn knecht grabbelend, met +grappige verwondering uitroept: + +„_Goeie hemel! wat heb jij groote zakken! Magazijnen, rooversholen +zijn ’t; de politie moest zulke zakken verbieden,_” + +Gaat er een luid gelach op uit ’t parterre. + +„Hij is toch nog allemachtig komiek,” fluistert een burgerjuffrouw +haar buurman toe, die met gespannen aandacht zit te kijken en, het +hoofd even naar haar omwendend, aanmerkt: „Ja, maar hij spreekt toch +erg onduidelijk; je moet goed opletten, anders versta je ’m niet.” + +„Uitstekend gegrimeerd! Ziet u, mevrouw! daaraan herkent men toch +dadelijk „den artist””, zegt in de stalles de verslaggever van een der +bladen tot de naast hem zittende dame, die haar binocle aan de oogen +brengt, scherp en lang naar Harpagon ziet en dan fluisterend +antwoordt + +„’t Is fameus goed gedaan, want zelfs door mijn kijker is de grime nog +zóó natuurlijk, bepaald alsof ’t geheel en al zijn eigen gezicht is. +Kijkt u zelf maar eens, meneer!” + +„’k Geloof heusch, dat hij er zich goed doorheen werkt, die ouwe +tooneelrot”, zegt glimlachend mevrouw Groote tot den Directeur, die +naast haar staande, achter „den manteau d’arlequin”[1] verborgen, +evenals zij, Waltens spel oplettend gadeslaat. + +[1] De draperie, die vóór de zijschermen geplaatst is. + +„’t Valt me geducht mee”, antwoordt Schröder en klapt met zijn +rechterhand, zachtjes applaudisseerend, in den linker, als hij +Harpagon het eerste bedrijf hoort sluiten met de ernstig-comisch +gezegde woorden: „_Wat ’n juweel van ’n knecht!—’n Gelukkig mensch, +die er zóó een heeft en zóó goedkoop._” + + +VI. + +In ’t derde bedrijf wordt het reeds zeer merkbaar, dat de beneficiant +niet meer voort kan. Uit de loges en stalles ziet menig vriend van +vroeger hem medelijdend aan en fluistert men elkander toe: „Hij is +totaal op, méér dan op” en van „’t Schellinkie” klinkt nu en dan een +afkeurend gesis. Die schellingsklanten willen goed bediend worden voor +hun geld. + +„Je hoort alles tweemaal, wat die ouwe zeit,” roept er een, die, met +minder toegefelijkheid dan ’t overige publiek, opmerkt, dat Walten +zich uitsluitend op den souffleur moet verlaten. + +Hoezeer de medespelers ook hun best doen om Harpagon te redden en hem, +zooals men dat noemt, „er door te sleepen”, ’t baat niet; hij raakt +hoe langer hoe meer van streek, verstaat zelfs den souffleur niet +meer, spreekt allerlei wartaal en weet nu en dan in ’t geheel niet +meer wat hij zeggen moet. + +Mevrouw Groote helpt hem met oneindig veel takt en routine door de +tooneelen, die zij met hem te spelen heeft heen en gaat eindelijk—een +vergefelijk iets voor iemand van haar talent en temperament—eenigszins +knorrig naar haar kleedkamer, omdat Walten geheel en al vergeet, haar +aan ’t einde van dat tooneel terug te roepen. Daardoor mist zij het +applausje dat zij begeert en zegt zij in zich zelf: „’t Is een +treurige boel,—’k heb geen lust om er verder naar te zien.” + +In zenuwachtige spanning staan de meesten der medespelende artisten +tusschen de schermen en zien naar Walten, die achter de deur, waardoor +hij opkomen moet met het boekje in de hand staat te wachten en +trillend van inspanning de woorden, die op het tooneel gesproken +worden, volgt. Eensklaps schreeuwt hij, lezend: + +„_Dieven! dieven! roovers! spitsboeven! moord! brand! alarm, ik ben +bestolen!_” werpt haastig het boek achter zich op den grond en snelt +het tooneel op. + +Hij moet nu de groote scène spelen, waarin Harpagon, de Vrek, die tot +de ontdekking is gekomen, dat men hem zijn cassette met geld, zijn +schat, heeft ontstolen, der wanhoop nabij is en hemel en aarde bewegen +wil om den schuldige te ontdekken. + +Gejaagd en met verwilderde oogen rondziende, loopt hij heen en weer +over het tooneel, ziet links en rechts tusschen de schermen, als zocht +hij dáár hulp; schreeuwt nogmaals luid en akelig: „_Ik ben bestolen. +Wie heeft mijn geld, mijn lief geldje genomen. Wat moet ik doen om +den schelm te vinden? Ik ben in de war, ik weet niet of ’k mezelf +pakken moet of een ander en...._” Plotseling blijft hij stokstijf +stilstaan, spreekt haastig eenige woorden achter elkander en ziet dan +zwijgend, strak op één punt starend, vóór zich uit, even als iemand +die door een hevigen schrik bevangen wordt. + + * * * * * + +„Dat speelt hij waarlijk niet slecht; ’t is wel een zonderlinge +opvatting, dat plotselinge zwijgen, maar er is toch iets verrassends +in” zegt fluisterend een dame in ’t balcon tot een heer naast haar, +die even zachtjes antwoordt: „Ik geloof bepaald dat hij blijft steken, +mevrouw!—kijk, kijk! de souffleur komt bijna geheel zijn hokje uit.” + +„Bedaar Arie, blijf in je pothuis!” roept een stem van boven tot +Pietersen, die halverwege zichtbaar is geworden en schier luid de +woorden souffleert: „_nu is het uit met mij; uit, gedaan!_” + +„’t Is afschuwelijk om te zien, ja u heeft gelijk, de arme man is de +kluts kwijt,” fluistert de dame, nu zij ziet hoe Walten, met +wijdgeopende oogen voor zich uit starend, langzaam een pas voorwaarts +doet, dan half wezenloos Pietersen aankijkt en werktuigelijk op +smartelijken toon herhaalt. „_Nu is het uit met mij._” + +„Ik wou dat ik hier van daan was meneer, ik kan ’t niet langer +aanzien, dàt moet een marteling zijn voor dien ouden man” herhaalt de +medelijdende dame, terwijl zij het hoofd voorover buigt en stipt op +haar programma blijft kijken. + +Walten slaat zich met de vuist op de borst, trekt zijn pruik van ’t +hoofd en drukt dien voor zijn gelaat. + +„Bravo! Bravo!” schreeuwt lachend van „’t schellinkie” iemand die, in +die akelig wanhopende beweging „spel” meent te zien en als Walten +nogmaals dof en droevig herhaalt: „_uit! uit!_” klinken zelfs een paar +bijvalskreten en een licht handgeklap van de overige rangen. + +’t Is erg komiek dat hij zijn pruik aftrekt en ’t komt zoo in de rol +te pas, denkt men eerst, maar al zeer spoedig komt het publiek tot de +ontdekking dat ’t zuiver „natuur” is wat het aanschouwt. + +Harpagon loopt radeloos over het tooneel heen en weer, kijkt in ’t +souffleurshok, zwaait zijn pruik op en neer en slaat er zich mee voor +’t hoofd. + +’t Wordt mis met Walten, hij blijft steken, denkt Pietersen, zachtjes +zegt hij: „Enfoncé mon Directeur” en, zich zoo ver mogelijk +oprichtend, roept hij, halfluid: „Walten! Walten! luister dan +toch:—_mijn geld, mijn geld, ik word er nog gek van dat ’t weg +is_—alles is weg!” + +„_Weg! alles is weg!_” herhaalt de oude man en als versteend blijft +hij staan, vlak voor ’t voetlicht; hij beeft aan alle leden. + +Nogmaals schatert een gelach van boven uit den Engelenbak, maar uit +Balcons, Stalles en Loges en andere rangen gaat een toon van +medelijden op, zacht ruischend van mond tot mond, van oor tot oor. + +’t Is ook waarlijk niets grappig om daar dien ouden man te zien, die, +wezenloos voor zich uitstarend, met de vuist zich voor de borst slaat, +allerlei onverstaanbare woorden prevelt en eindelijk luid snikkend +uitroept: „ik ben alles kwijt, alles vergeten!” + +„Harpagon” hoort niets meer, verstaat niets meer en wankelt als een +beschonkene heen en weder. + +„Hij is vet”, roept er een van ’t „schellinkie.” + +„Hij heit ’em om, hoor!” gilt een ander. + +Zelfs die kreten brengen hem niet tot bezinning; nog een paar maal +opent hij den mond, rukt met de linkerhand zijn halsdoek af, slaat +zich met de pruik herhaaldelijk in ’t gelaat en is op het punt van +neer te vallen op ’t tooneel. + +De muzikanten staan op in ’t orchest, en rekken de halzen uit om te +zien wàt er gebeurt, in de Stalles rijst hier en daar een toeschouwer +op en uit Balcons, Parterre en Loges klinkt een verward gefluister. ’t +Is alsof plotseling een angstige, gedrukte stemming over alle +toeschouwers komt—’t wordt stil, men wacht ademloos af wat er verder +gebeuren zal. + + * * * * * + +„Gauw! gauw! een stoel, een glas water gauw!” roept met angstige stem +een acteur die achter de coulissen Walten heeft gadeslagen, en nog +juist bijtijds toesnellend den armen man voor vallen behoedt door hem +onder de armen vast te houden en van ’t tooneel te brengen. + +Van alle kanten komen acteurs, actricen, kleedsters en tooneelknechts, +met nieuwsgierig vragende gezichten aangeloopen en omringen „den +beneficiant”, die hijgend, doodsbleek, met losgescheurde kleederen en +verwilderde haren op een stoel, in allerijl door Laflèche aangebracht, +is neêrgevallen. + +Waltens oogen zien verwilderd en dwalend rond; de eene hand, +krampachtig gebald, houdt nog Harpagons tooneelpruik, samengeknepen, +vast en de andere woelt met wanhopige bewegingen in de weinige grijze +haren die zijn kruin bedekken. + +„Ting! ting! ting!” doet de electrische schel, ’t is het sein voor ’t +begin van ’t 5e bedrijf, dat door den inspiciënt van uit de regiekamer +wordt gegeven. + +„God! ’t vijfde,” snikt Walten en werktuiglijk richt hij zich op, maar +valt dadelijk machteloos terug op den stoel, terwijl hij beide handen +voor de oogen slaat. + +„Klaar voor ’t vijfde?” roept een stem uit de verte. + +„Neen! neen!” schreeuwt Laflèche terug. „’t Doek moet vallen, roep den +inspiciënt!” + +Nogmaals beproeft de beneficiant zich op te richten, maar opnieuw +begeven hem zijn krachten; luid schreiend en snikkend laat hij het +hoofd vooroverzinken op de borst, als schaamde hij zich voor zijn +omgeving. + +Als ’t beeld van de wanhoop, van de treurigste wanhoop, zit hij daar +te midden van een groep nieuwsgierigen, die hem met groote, de meesten +met onverschillige, oogen aanstaren. + +Hostein, Schröder en de régisseur zijn nu, met nog anderen, toegesneld +en allen vragen dooréén: „Wat is er? Wat is er gebeurd?” + +Er heerscht op ’t tooneel een verwarring, die zich allengs verder +uitbreidt, tot in de kleedkamers en foyers; de inspiciënt komt haastig +aanloopen, terwijl hij vraagt: „Is er iets niet in orde?” + +„Laat ’t scherm vallen, gauw!” roept Hostein, die alles begrijpt, nu +hij zijn ouden leermeester daar voor zich ziet, ineengezonken en als +vernietigd. + +„Walten is blijven steken, heeft totaal gebrabbeld,” fluistert +Laflèche den Directeur toe, en deze herhaalt luid: „Doek vallen, +dadelijk! En ’t orchest laten spelen, totdat er een annonce gedaan kan +worden!” + +„Hij was niet meer te redden,” fluistert Laflèche, zijn plaats bij +Waltens stoel inruimend en overlatend aan mevrouw Groote, die haastig, +in een peignoir, van uit haar kleedkamer is komen aansnellen. + +„Arme kerel! wat is je gebeurd; kom, zeg ’t mij maar? Stumperd, snik +zoo niet?” vleit zij, terwijl zij Waltens hoofd tegen haar boezem doet +rusten. + +Allen zwijgen, getroffen door den innig medelijdenden toon van +mevrouw Grootes stem. „Kom!” herhaalt zij, „huil zoo niet, ouwe vrind; +kom ’t zal wel zoo erg niet wezen.” + +„Ik—ik b—ben bl.. blijven st...” Luid schreiend slaat de oude man zijn +armen om de voor hem staande vrouw en beweegt zijn hoofd, zenuwachtig +schokkend, heen en weer. + +„Stumperd, stakkerd! ben je blijven steken? Ach Heer! moet je dat nu +ook nog gebeuren op je ouwen dag?” + +„O God! O God!” kreunt Walten, als plotseling uit de verte een +verward, steeds luider wordend, gedruisch van stemmen, +applaudissement, chuteeren en sissen tot zijn oor doordringt. + +„Wat duivel! speelt dat orchest nu nog niet?” schreeuwt de Directeur. +„Hoor ’t publiek eens aangaan.” + +Daar klinkt een vroolijke marsch, die al de andere geluiden overstemt. + +Walten krimpt opnieuw ineen, als deden die tonen hem pijn. Mevrouw +Groote houdt zijn handen vast en fluistert hem in: „Luister er maar +niet naar, m’n goeierd.—Ja, die muziek is nu erg naar voor je, hé? +Maar ’t kan niet anders. Hier! ruik eens wat Eau de Cologne.” + +Plotseling richt Walten zich op. „’k Moet ’t toch uit—spelen—ik moet, +ik moet en—o! ik weet niets meer, alles is weg, mijn God! alles is +weg!” + +„Neen, neen, je speelt niet meer van avond; later hoor! later als je +weer beter bent,” troost mevrouw Groote.—„Luister!—Hostein is voor ’t +voetlicht, de muziek houdt op.—Hoor je wat hij zegt? Dat je door een +plotselinge ongesteldheid bent overvallen, ’t gevolg van treurige +familie-omstandigheden.—Hoor! nou applaudisseeren ze heel zachtjes. +Zie je, dat wil zeggen: Och! dat’s ongelukkig. Neen, hou nou op met +schreien, dàt kan ik niet zien. Och! ’t is zoo erg niet, Walten, zoo +iets is immers wel meer gebeurd.” + +„Neen! neen!—nooit gebeurd Mevrouw!” snikt de ongelukkige met de +handen voor ’t gelaat. + +De Directeur neemt met Hostein en den régisseur in allerijl +maatregelen om aan de verwarring een eind te maken. Een der jongere +acteurs, die toevallig achter[1] is en de rol van „De Vrek” kent, +verklaart zich oogenblikkelijk bereid „Harpagon” verder te spelen. + +[1] Achter de schermen aanwezig. + +In een oogwenk is hij, zoo goed en kwaad als ’t gaat gecostumeerd en +gegrimeerd, en vóórdat de toeschouwers eigenlijk recht weten wat ze +doen of laten moeten, wordt ’t laatste bedrijf afgespeeld. + + * * * * * + +’t Altijd goedhartige en medelijdende publiek had „de annonce” met een +gemurmel van medelijden ontvangen, was blijven zitten en bleek dermate +voldaan over Waltens plaatsvervanger, dat het stormachtig +bijvalsbetoon aan ’t eind van ’t stuk den Directeur aanleiding gaf om +tot den régisseur die, met hem, het spel van den jongen tooneelspeler +aanzag, te zeggen: „Blikslagers! in dat mannetje zit meer dan ik +dacht; we zullen hem in de volgende maand „De Vrek” eens geheel en al +laten spelen.” + +Na de pauseering verlieten drie vierden van de toeschouwers den +Schouwburg, want een nastukje met „één gelezen rol[1]” er in, is niet +aanlokkelijk om te zien, en zelfs een talent als dat van mevrouw +Groote, die de „Dochter van Dominique” uitstekend speelde, was niet +voldoende om het blijspel te redden. + +[1] Iemand die de ontbrekende rol voorleest. + +Toen eindelijk alles gedaan was, stonden de Directeur, Hostein en +mevrouw Groote in de Directiekamer nog een oogenblik te praten. Zij +waren alle drie nog onder den indruk van het voorgevallene. + +„Jammer, doodjammer, treurig afgeloopen”, zei Schröder, en Hostein +voegde er met een weemoedigen blik bij: „Wat ’n eind voor ’n artist; +’t is om ’t te besterven!” + +„Arme stakkerd!” zei mevrouw Groote, met tranen in de oogen. „We +hadden nog zóó ons best gedaan bij de vrinden; ’t zou zoo’n aardige +kleine ovatie zijn geweest—en de krans is heel mooi, hé, +Schröder?”—Zij wees op een grooten lauwerkrans, die op tafel lag, en +vroeg toen aan Hostein: „Zou je ’t couvert er maar niet zoolang +afnemen. Er zit ’n goeie tweehonderd gulden in; die hadden we nog bij +mekaâr geklopt.” + +„Geef maar hier Hostein, dan zal ik ’t zoolang in mijn brandkast +sluiten, Walten komt morgen toch met me afrekenen; ik denk zoo tegen +den middag, dan kom jelui misschien ook wel even hier om hem den krans +en ’t couvert te geven, hé?—’n Kleine troost voor zoo’n grooten val! A +propos, wie heeft den ouden man thuis gebracht?” + +„Een van de tooneelknechts.” + +„O, Zoo!” + +„Waarom deed jij zelf ’t niet even Hostein?” + +„M’n goeie Mevrouw er was geen gelegenheid voor; ’t was hier zoo’n +eeuwige consternatie, ik had hem een oogenblik alleen gelaten in mijn +kleedkamer, en kwam nog net bijtijds anders was hij stilletjes +uitgeknepen.” + +„Arme sukkel! ik kon ook niet bij hem blijven,’k moest me kleeden voor +’t nastukje.—Wou de stakkerd zóó heengaan? Och?” + +„Ja, Mevrouw! Hij wou zich niet eens uitkleeden, ’k heb gauw een +vigelant laten halen en hem een van de knechts meêgegeven, om zeker te +zijn dat hij goed thuis kwam.” + +„Zei hij nog wat Hostein?” + +„Niets, Mevrouw! geen woord, hij was compleet suf.” + +„Ik ga morgen dadelijk eens naar hem kijken, Schröder.” + +„Doe dat Mevrouw en vertel hem dan meteen, als ’t hem troosten kan, +dat ik, globaal berekend, behalve ’t voorschot dat hij ontving, een +zeshonderd gulden voor hem disponibel houd. Met de tweehonderd gulden +die jelui hebt, is ’t toch een kleine achthonderd, die hij in ’t +handje krijgt; dáár kan hij zijn dochter een heele poos voor in +behandeling geven en houdt zelf nog een duitje over. Wat moet die man +in ’s hemels naam beginnen? Een emplooi vinden? Belachelijk! ’t Zal +weêr opnieuw armoe worden; hij is voor niets meer te gebruiken.” + + +VII. + +De dag is aangebroken, een heldere wintermorgen op komst. In ’t oosten +kleurt de kim zich met een roode tint, die langzaam overgaat in +strepen en vegen van helrood, vlammend goud, dat tusschen de violette +wolken door schittert en gloort als de vurige voorbode van zonneschijn +en leven. + +Reeds breken enkele zonnestralen zich baan door de nog nevelige lucht +en vergulden de sneeuw op boomen en daken, totdat zij krachtig genoeg +zullen zijn om het vlokkig donzen kleed te doordringen en te doen +vergaan. + + * * * * * + +In Waltens kamer schijnt het licht reeds tusschen en onder de +gordijnen door en werpt een zwakken gelen schijn over ’t bed, waarop +Annette in diepen slaap verzonken ligt. + +Haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van den doorgestanen +aanval; zij trekt nu en dan zenuwachtig met de neusvleugels en +herhaaldelijk stoort een snik haar ademhaling. + +Voor ’t bed geknield, met het hoofd vóórover op de armen rustend, +ligt Walten, nog in ’t kostuum van den „vrek”, onbewegelijk stil. +Annettes hand beweegt zich even en raakt zijn hoofd; hij ontwaakt er +niet van. + +De zon komt hooger, ’t wordt al lichter en lichter; de schoone, +frissche, vroolijke wintermorgen is dáár. Een heldere zonnestraal +verlicht, tusschen de gordijnfranje door, Waltens grijzen kruin; ze +hecht kleine, tintelende lichtpijltjes aan zijn verwarde haren en +glijdt verder voort, over en langs hem heen tot op den vloer, waar ze +een goudachtigen schijn spreidt over zijn hoed en overjas, die daar +bij elkander liggen, als had de oude man ze bij zijn t’huiskomst, in +der haast neergeworpen. + +Zóó was het ook. + +Terwijl alles op ’t tooneel in rep en roep was en Walten alleen in +Hosteins kleedkamer zat vloog hem het bloed met geweld naar het hoofd, +dat gloeide en brandde, alsof daarbinnen alles verteerde in vuur en +hitte. Toen stroomde het plotseling terug en deed zijn hart +onrustbarend snel en hevig kloppen; hij huiverde en rilde, ’t klamme +zweet brak hem uit en beurtelings werd hij koud en warm, totdat een +krampachtig, zenuwachtig lachen, hem benauwd en angstig ontsnapte. +Slechts één gedachte kon hij in zijn brein verwerken: „Hij, Walten! de +eens zoo gevierde kunstenaar, was gevallen, weg, verloren! voor +altijd!” Hij lachte en snikte en sloeg zich met de vuist voor ’t +hoofd; eensklaps greep hij zijn overjas en hoed en wilde den +schouwburg verlaten. + +Hostein hield hem tegen, bracht hem in een rijtuig en hij.... hij liet +alles met zich doen; zijn wilskracht was verlamd. Zonder dat hij ’t +eigentlijk zelf wist, hoe, kwam hij thuis; de tooneelknecht bracht hem +de trap op naar zijn woning en verliet hem voor zijn deur met een „van +harte ’t beste meheer Walten!” + +Bevend en wankelend als een dronken mensch trad hij binnen. + +De vrouw, die bij Netje oppaste, dommelde op haar stoel, hij zag haar +zitten, flauw verlicht door een nachtlichtje, dat, in een glas met +olie brandend, op tafel stond. + +Ze ontwaakte, toen hij naderde, rekte zich geeuwend uit, zag hem +lodderig aan en vroeg: „Is uwes daar; veel pleizier gehad?” + +Verder kwam zij niet, want heesch en afgebroken, met een stem die uit +de diepte scheen te komen, zei hij plotseling: „Je kunt—wel +heengaan—ik—blijf thuis.” Hij zag haar niet aan bij die woorden; hij +schaamde zich voor die vrouw! + +Haastig wierp hij de deur achter de vertrekkende dicht, deed zijn +overjas uit, smeet die, naast zijn hoed, op den grond en toen.... toen +bleef hij een oogenblik gebogen staan over ’t bed, kuste zijn dochter +zachtkens op haar wang en zonk langzaam met een zwakken kreet op de +knieën voor ’t ledikant. + +„Morgen heb ik toch ’t geld,—voor jou,” fluisterde hij en drukte zijn +brandende oogen tegen haar op ’t dek rustende hand. + +Een poos bleef hij zóó in die houding, roerloos en stil, maar +eensklaps richtte hij het hoofd hoog op, snikte krampachtig, twee, +drie malen, achter elkander luid en hevig en liet, als ter dood toe +vermoeid, zijn hoofd voorover op zijn armen vallen. + +Zóó bleef hij liggen. + +’t Nachtlichtje brandde flauw en begon te kwijnen; de olie in ’t glas +was verbrand, ’t pitje spatterde met korte kleine, heftige knallen en +streed al knetterend om zijn leven. Een paar malen nog lichtte het, +met een zwakken weêrschijn, van de opflikkerende vlam, door ’t +vertrek—en toen ging ’t uit. + +Een benauwende, vettig riekende damp verspreidde zich in de kamer; +hij merkte het niet, maar Netje begon in haar slaap zachtkens te +hoesten en ontwaakte eindelijk met een kleine kuch. + +„Vader, ik heb dorst!” riep zij zwakjes en tastte in ’t duister met +haar hand om zich heen; ze raakte het hoofd van den ouden man even +aan, streelde zacht over zijn haren en vroeg: „Slaap je, vader?” + +Geen antwoord. + +„Och! hij slaapt,” herhaalde zij, als in zichzelf, wendde zich om en +dommelde weer in. + + * * * * * + +„Niet ankomme! M’n goeie mensch, brand je vingers niet; eerst mot de +polisie er bij weze. Groote Gerritje! wat ’n geval,” roept juffrouw +Daters, die met haar dikke buurvrouw Jaling en een aantal andere buren +in Waltens kamer staat bij ’t bed waarop de oude man, nog onbeweeglijk +in dezelfde houding, ligt. + +’t Venster is geopend, en de vroolijke winterzonneschijn verlicht, tot +in de kleinste hoeken, het armoedige vertrek. Netje is door de +werkvrouw, die doodsbleek en verschrikt bij haar staat, in de haast, +met den fluweelen koningsmantel omhangen en zit wezenloos naar haar +bloote voeten te kijken, die onder uit haar nachtjapon steken. + +„Goeie genadigheid! wat zal dat schepsel ’n kouwe voete krijge,” zegt +een van de buurvrouwen, doet haar bonten boezelaar af en wikkelt +Netjes voeten daarin, met de woorden: „Hoe kan je zoo’n schepsel nou +zóó op ’n stoel zetten?” + +„’k Was al blij, dat ze zat; ’t was me ook een geschiedenis,” +antwoordt de werkvrouw, en tot Annette gewend, vraagt ze: „Zit je zóó +goed, kind?” + +„Och! ze antwoordt niet; ze schijnt toch ook wel te hebbe begrepe, +dat ie....” + +„Blijf jelui nou toch met je handen van ’m af! Hij mot blijve legge +zoo as ie leit, anders heb je ’r gedoe mee. Is er nou al iemand om de +polisie?” vraagt nogmaals vrouw Daters. + +„Jawel! Pieterse haalt ’n agent,” antwoordt de werkster. + +„Zouën we den stakkerd toch maar niet liever op ’t bed legge of op ’n +stoel zette?” zegt juffrouw Jaling, maar een van de buren roept +dadelijk: „Hoor die dikke nou? Wel nee! da’s teugens de wet!” + +„Maar ’k zou toch zeggen, dat....” + +„Och, mensch! schei uit; hij leit immers goed zóó. Groote Goedheid! de +schrik zit me nog in me knieën.” Juffrouw Daters gaat even op een +stoel zitten en vervolgt tot de anderen, die nieuwsgierig toekijken: +„Wat zeg jelui er wel van? Wat ken ’n mensch er toch gauw uit weze!” + +Verschillende uitroepen en deelnemende woorden, dooreen geuit en +daardoor onverstaanbaar, geven ’t antwoord op juffrouw Daters’ vraag. + +„Dat gekke meissie ziet er waarachtig uit als een prinses, met die +mooiïgheid om,” fluistert een van de omstanders tot een ander, die +doodkalm antwoord: „’t Is wat moois, ’t lijkt wel niks.” + +„O! daar komt de agent met den hokkebaas!” klinkt het plotseling bij +de deur. + +De bewoner van het onderstuk en een agent van politie, op den voet +gevolgd door meerdere buren en nieuwsgierigen, die elkander stompend, +duwend en vloekend op de trap en in ’t portaal verdringen, komen de +kamer in. + +„Laat meheer de agent door, menschen!” roepen verschillende stemmen. + +„Wat is hier te doen?” vraagt de politieman. + +„’n Dooie, meheer de agent!” zegt juffrouw Daters, en haastig voegt +zij er bij: „Zóó morsdood naast ’t bed gevonde bij dat gekke mensch; +we binne d’r niet ân geweest; hij leit nog net persies as ie lei.” + +„Hoe lang ben jelui hier al?” + +„’n Groot kertier, meheer!” + +„En heb jelui dien man zóó laten liggen?” + +„We hebben d’r geen hand an gehad!” + +„Dat’s dom genoeg. Misschien is hij niet eens dood!” + +„Niet? Nou, as ’n pier hoor,” roept een man, die achter in de kamer +staat. „’k Heb ’m evetjes over z’n hoofd gevoeld en an z’n hande +gepakt: hij is al koud en stijf.” + +„Allo! pak eens meê aan; we zullen zien.” De hokkebaas en een paar +anderen tillen met den agent het lichaam van Walten op, om het op ’t +bed neer te leggen. + +„Hij is waarachtig al zoo goed als stijf,” zegt de hokkebaas, terwijl +hij met eenige moeite Waltens armen buigt en over de borst legt, +terwijl de anderen het lichaam een horizontale richting doen aannemen. + +„Zoo! Leg het laken nou maar zoolang over hem heen, maar laat zijn +gezicht vrij.” + +„Hij is dood, meheer de agent, ’k versikureer ’t je. ’k Heb zooveel +dooien gezien van m’n leven. Dek z’n gezicht maar gerust toe,” +antwoordt de hokkebaas en een derde legt een tip van ’t laken over ’t +gelaat van den ouden man, dat met de half gesloten oogleden, nu ’t +volle zonlicht er op schijnt, een vreemde, akelige uitdrukking krijgt, +door ’t „schmink” en de onafgewasschen grimeerlijnen. + +„Wat ziet ie er raar uit: z’n gezicht is beschilderd!” roept er een +uit den hoop. + +„Wie is ’t?” vraagt de agent. + +„Hij hiet Walten en speulde op de kemedie,” antwoordt de hokkebaas. +„Zeg!” hij wendt zich tot de werkvrouw, die naast den stoel van +Annette staande, zwijgend toekijkt, „zeg! jij zelt er wel ’t fijne van +weten?” + +„’k Zal ’t uwe vertellen, meheer de agent,” antwoordt de vrouw, en tot +een van de buren gewend: „Let jij ereis op die stumperd, dan zal ik +zeggen wat ’r gebeurd is.” + +„Wie ben jij?” + +„Ik ben hier zooveul als oppaster, weet u? En hij is Walten, die +vroeger kemiekert is geweest an den Schouwburg; daarvan heit ie nou +nog die korte broek an. Hij is gustere avend thuis gekomme; hij had +z’n benefiesie gespeuld, weet u?—Gut, meheer! ik bin ’r nog besturve +van; zoo’n geval! Ja mensch! hij was wel al lang krukkerig, maar zoo +sebiet is toch....” + +„Laat een van jelui gauw een dokter halen! En vertel jij geregeld wat +’r gebeurd is.” + +Niemand verroert zich, want allen willen hooren „hoe ’t geval +eigenlijk in mekaar zit”. Daarom herhaalt de agent: „Allo, gauw!” en +een van de naastbijstaanden op den schouder tikkend, zegt hij: „Ga jij +dan maar; op de Prinsengracht, hier dichtbij, woont een dokter.” + +Brommend verwijdert zich de man. + +„En nou verder. Hoe heet jij?” + +„Ikke? Grietje Bruin!” + +De politieman noteert dien naam, en als de werkster dat ziet, vraagt +zij angstig: „Ik kan d’r toch geen kwaad bij?” + +„Neen! ga gerust je gang; ik schrijf alleen je naam op voor ’t +proces-verbaal.” + +„’k Weet van die dinge niet af, want ’k bin ’n fatsoenlijke vrouw, +ziet uwee, en ik zal met ’n woord van waarachtigheid getuige wat ’k +gezien heb.” + +„Vooruit dan, vrouwtje!” + +„Van morgen was ik ’n beetje later dan anders, ’k heb zelf nog ’n +huishouwe, en daardoor kwam ik eerst teuges ’n uur of twalef, en ik +dacht ook zoo bij m’n eige: hij is gustere-avend in de pret geweest +van z’n benefiesie en zal misschien ’n glaassie wijn gedronke hebbe: +hij zal wel lang slape. Nou kom ik zoo, eve voor twaleve, toevallig +gelijk met Pietersen, hier voor de deur.” + +„Ho! Pietersen, wie is dat?” + +„Kan uwee dien niet? En hij heit je nogal gehaald,” roept vrouw +Daters, en juffrouw Jaling voegt er bij: „Hij is ’n mirakel van ’n +vent, ’n sefleur, en....” + +„Stilte! laat die vrouw verder vertellen.” + +„Ik zeg zoo: Pieterse, wat kom jij doen? Ik, zeit ie, ik kom m’n drie +gulde hale voor gustere-avend, ik heb gesefleurd.—Was ’t mooi? zeg ik +zoo vragender wijs.. Mooi? zeit hij toen. Mooi? ’t Was ’n... Nou, toen +zei ie ’n Fransch woord, dat ik niet verstond, maar ik begreep dat ie +wat miserabels bedoelde. Toen klop ik an. Geen antwoord; toen klopt +hij an. Ook geen antwoord. ’k Prebeer of de deur ope is. Jawel hij was +niet op slot. Wij same na binne. Goeie God! ik dacht, dat ze allebei +sliepe.—’k Vond ’t wel raar, dat ie nog zóó in z’n konstuum lei, maar +ik dacht er niks niet bij.” + +„Verder!” + +„Toen mocht ik zoo roepen: meheer Walten, ’t is twalef uur. Maar zij +werd er wakker van, en hij niet; zij was weêr zoo wat bij d’r +posetieve,—maar hij was dood; dat morken we, omdat ie volstrekt geen +aassem meer gaf, op wat we zeië. Pieterse mork ’t ’t eerst en zei weer +wat op z’n Fransch, ziet uwee; dat wou zooveel zegge as: hij is uit +z’n lije. Z’n dochter riep: vader! vader! En daarom zei ik +natuurlijkerwijs: je vader is zekers dood, kind, voel maar: hij is zoo +koud as ijs. Toen gilde ze evetjes en is dáár gaan zitte en dáár zit +ze nou nog.—Ik was erg geschrokke en gooide ’t raam ope, om de bure te +roepe, en toen is Pieterse gegaan om uwee te hale.” + +„Zoo! en waar is die man dan nu?” + +„Da’ kan ’k u niet zegge; op avontuur is ie van verbouwereerdheid +weggeloope, of uit z’n eige zelve naar ’n dokter gegaan.—Pieterse is +nogal gevat, weet u?” + + * * * * * + +Eenige oogenblikken later klinkt onder aan de trap een verward +gedruisch van stemmen en eindelijk hoort men de woorden: „Menschen, +gaat wat op zij; daar komt ’n dokter an. Laat de heeren passeeren!” + +Geleid door Pietersen, die niets beters had weten te doen dan +onmiddellijk naar mevrouw Groote, zij woonde in de nabijheid, te +snellen, komt de actrice—die juist gereedstond om uit te gaan, te +gelijk met een dokter, dien zij onder weg hadden ontmoet in zijn +koetsje en staande gehouden, de kamer binnen. + +Alle aanwezigen wijken ter zijde voor het drietal, dat ’t bed nadert, +waarop Walten is neêrgelegd. + +„Hou jelui stil—St!—’t is de dokter”, zeggen fluisterend eenige buren. + +Men kan een speld hooren vallen, als de medicus, naast het ledikant +staande, het laken oplicht en na een langen blik op Waltens gelaat te +hebben geworpen, kortaf zegt: „Dood?” + +Hij onderzoekt plichtshalve het lijk, en na eenige oogenblikken van +spannende stilte, wendt hij zich tot mevrouw Groote, die herhaaldelijk +haar zakdoek aan de oogen brengt en met een innig medelijdenden blik +op den „Harpagon” van gisteren neerziet: + +„Hij is dood, mevrouw! waarschijnlijk al voor een uur of tien +overleden.” + +„Wat zou hem gescheeld hebben, dokter?” Mevrouw Groote wischt zich de +tranen van de wangen. + +„’k Vermoed een plotselinge stilstand van ’t hart, hij heeft NIET +geleden.” + +„Niet geleden? O, dokter! dáár zegt u iets, dat.....” Snikkend buigt +zij zich over het lijk, drukt zachtkens haar lippen op Waltens ijskoud +voorhoofd, en terwijl zij den tip van het laken voorzichtig weer over +het gelaat van den doode legt, zegt ze weêmoedig zacht: + +„_Hij is op ’t veld van eer in ’t harrenas gestorven._”[1] + +[1] Vondel, Gijsbrecht. + +—„Arme ouwe vrind!” + +Pietersen, die weenend aan de andere zijde van het bed staat, neemt +langzaam zijn roodkatoenen zakdoek van voor zijn gelaat, ziet ernstig +naar den doode en fluistert: „Den krans van gisterenavond zullen we nu +toch nog voor je gebruiken, mon pauvre Prince, Adieu! En luider vraagt +hij: Mevrouw Groote! wat moet er nu van haar—hij wijst op +Annette—worden?” + +„Breng haar maar zoolang bij mij aan huis, Pietersen; wij zullen +zorgen, dat ze in een gesticht komt. Hij”—en zij legt even haar hand +op ’t lijk—„hij heeft het geld er voor, zuur genoeg, verdiend.” + + + + +EEN MASSAGEKUUR. + + + + +EEN MASSAGEKUUR. + + +I. + +Freiherr von Hattersdorff zu Wiesenbrück was met een tamelijk goed +pensioen en een aanmerkelijke hoeveelheid heupjicht uit den +Pruissischen krijgsdienst getreden en logeerde met zijn corpulente +„Frau Gemahlin” en zijn „Fräulein Tochter,” een spichtige, +achtentwintigjarige, groezelige blondine, met de bevallige vormen +eener asperge, sedert eenige weken te Wiesbaden, om daar, indien +mogelijk, zooal niet genezing, dan toch verlichting voor zijn +pijnlijke kwaal te vinden. + +Iederen morgen om halfzeven kon men geregeld het drietal bij den +„Kochbrunnen” vinden. Papa zette voortdurend een gezicht als een +oorwurm en kneep de lippen opeen, waarover elke vijf minuten een +„Himmeldonnerwetter” scheen te zullen rollen, indien hij ze opende +onder den stoppeligen, grijzen knevel. Met de eene hand leunde hij op +den omvangrijken arm van zijn geduldige gade en met de andere op een +stok, die, minder onwillig dan zijn rechterheup, hem eenige +verlichting en gemak bij het gaan bezorgde. Driemaal, vóórdat de klok +in de Kurhalle acht uren sloeg, opende hij zijn aan Rijnwijn en +Beiersch bier gewenden mond, om met echten heldenmoed een groot glas +warm Kochbrunnenwasser te verzwelgen, echter niet zonder bij iedere +teug de woorden: „Grässlich,” „Abscheulich” of „Verdammtes Zeug” te +doen hooren. + +Mama dronk eveneens van het zilte vocht, terwijl zij de zoete hoop +koesterde om gedurende de badkuur van den Overste eenige kilo’s aan +gewicht te verliezen; en „Fräulein Tochter” slurpte met een paar +bleeke, spitse lipjes uit een glazen pijpje hetzelfde heilzame nat, +omdat zij wel eens had gehoord, dat ’t Wiesbadener water dikker maakte +en voordeelig op tint, bloedarmoede en huidvlekken werkte. + +’t Scheen inderdaad, alsof het geneeskrachtige water gezegend werkte, +want de oude krijgsheld begon eenige verlichting te bespeuren. Na ’t +gebruik van een tiental warme baden en ongeveer zesmaal zooveel glazen +bronwater, liep hij iets minder moeielijk en sleepte zich langzaam aan +naar de beroemde table-d’hôte in ’t Hôtel Dahlheim. Met een zucht van +verlichting, nam hij plaats aan tafel en een glimlach van innig +welgevallen verhelderde zijn gelaat, toen hij zijn min of meer rooden +neus en grijzen knevel weer voelde doortrekken met de geuren van +allerlei spijs en gebraad. + +Op zijn kamers—hij woonde met de zijnen in een bescheiden „Hôtel +Garni”—leefde hij uiterst eenvoudig, maar toen het drietal de table +d’hôte weer kon bezoeken, bewezen zij eenparig, dat zij voor meer +uitgebreide diners ook iets voelden en voor de drie Mark, die zij per +hoofd verteerden, het noodige wilden genieten, al was ’t dan ook maar +om den hôtelier de eer te geven die hem toekwam. + +Met onbegrijpelijke virtuositeit verwerkte, zoowel de asperge-achtige +jonge dame, als de meer bolvormige mama, groote hoeveelheden gekookte +en gebraden spijs. Papa, die waarschijnlijk het geldelijke evenwicht +voor den hôtelier wilde bewaren, at weinig maar dronk des te meer en +verklaarde elken middag aan het dessert, als hij met glimmend +voorhoofd en kleine oogjes, na de boter en kaas, het laatste teugje +uit zijn glas dronk en zijn grijzen knevel met zijn servet afwischte, +dat „der Wein famos,—das Wasser vom Kochbrunnen aber, unter der Kanone +teufelmässig, niederträchtig gemeines Zeug” was. + +Reeds op den eersten dag had de kolonel zijn aanvankelijke beterschap +met een flesch Rijnwijn, gesteund door een flesch ouden Bourgogne en +geholpen door een Hochheimer-mousseux, waarvan Mama en dochter echter +ook het hare kregen, begroet en nu ging hij voort met iederen dag die +beterschap opnieuw te herdenken, afwisselend met Nuits, Château la +Rose of Johannisberger, die hem na ’t diner steeds een hoogere +gelaatskleur, een slaapje en bij ’t ontwaken een knorrige luim +bezorgden. + +’t Duurde niet lang of de Ischias, die in den beginne voor ’t in- en +uitwendige water de vlucht had willen nemen, kon de uitnoodiging van +zijn vrienden Bourgogne en Rijnwijn, om weerom te komen, niet +weerstaan, en de Overste zat, na een dag of veertien table d’hôte, op +een morgen in zijn kamer „als een blok” in zijn stoel en met zijn hand +op de heup te kermen. + +Een dag later brulde en tierde hij zóó geweldig, dat Mama uit +medelijden tranen met tuiten huilde en Fräulein Tochter het op haar +zenuwen kreeg, doordien zij de meer dan ordinaire soldatenvloeken van +haar lieven papa niet langer kon aanhooren zonder zichzelve erg +onfatsoenlijk te vinden. + +„Himmelhöllenhund Sakrement! dat’s te erg. Schwefelelement! laat een +dokter komen!” bulderde de Overste met een stem, als stond hij voor +zijn bataillon. + +„Maar welken dokter, lieve man?” vroeg sidderend mevrouw. + +„’t Dondert niet! den eerste den besten,—maar niet zoo’n ouwen pruik, +zoo’n lapzalver; ik moet er een van de nieuwe richting, een +specialiteit heb... Au! Schwerenoth! ’k word nog gek van de pijn. O, +sakkrrrement! die satansche heup,” schreeuwde de Overste tot ergernis +van zijn dochter, die met trillende lippen hem toevoegde: + +„O! papa, u bezondigt je heusch!” + +„Dat’s wel mogelijk!—maar ’t kan me niet schelen. Au! +Himmeldonnerwetter!” + +Mama schelde vol angst den kellner en verzocht hem den eersten den +besten dokter te doen roepen. + + * * * * * + +Een paar passen verder in de straat dan het Hôtel Garni stond op een +koperen naamplaat aan den deurpost van een bescheiden woonhuis: + +„Dr. Otto Druff, Special-Artz für Massage, etc.” + +De kellner wipte met zijn servet over den arm de stoep van het hotel +af, dien van den dokter op en stond een oogenblik later tegenover den +medicus, een knap, vriendelijk man, met een gunstig uiterlijk, die hem +op zijn vraag: „Dokter, of u dadelijk in ons Hôtel wil komen? Overste +von Hattersdorff zu Wiesenbrück, heeft zoo’n verschrikkelijken aanval +van jicht, op No. 26,” onmiddellijk antwoordde: + +„Zeker, zeer gaarne!” En toen hij vroeg: „Ik versta je immers goed: ’t +is Overste von Hattersdorff?” schitterde er plotseling iets in het oog +van den dokter, dat men voor boosaardige vreugde had kunnen houden, +indien men niet wist, dat medici gewoonlijk ver boven deze minder +edele aandoening verheven zijn. + +„Ik kom oogenblikkelijk; in tien minuten ben ik bij den Overste.” + +„Uitstekend, Dokter!” + + +II. + +Een bescheiden tikje klonk op de deur van No. 26. + +Twee dames, die eensklaps opsprongen, riepen te gelijk: „Binnen!” + +Op den drempel verscheen de dokter en boog. + +„O! U is zeker de dokter? Kom binnen, als ’t u blieft! O, mijn man +heeft zoo verschrikkelijk naar u verlangd,” zei de zenuwachtige, dikke +dame, en haar spruit voorstellend, voegde zij er bij: „Mijn dochter +Ildegard,—ook ’n beetje nerveus, want papa is inderdaad half razend en +erg, heel erg ongemakkelijk door de pijn.” + +De dokter boog even voor de spichtige Ildegard, die zeer voornaam een +nijging maakte, en terwijl zij uit haar zeegroene oogen een +schaamachtig onderzoekenden blik op Dr. Otto Druff sloeg, zuchtte zij +in stilte: „O! wat ’n lief mensch schijnt dat te zijn.” + +„Mag ik u verzoeken, Dokter? Mijn man is in de slaapkamer.” + +„Gaarne, Mevrouw!” + +De Overste lag in schuinsche houding in een fauteuil en kermde, +vloekte en raasde afwisselend. + +„Herr Oberst!” + +„Herr Doktor!” + +Een paar minuten keek Aesculapius den kranken Mars oplettend aan. Toen +hij hem goed had opgenomen en bekeken, flikkerde het vonkje +boosaardigheid weer een ondeelbaar oogenblik in des dokters oogen en +bewogen zijn lippen zich onmerkbaar tot een glimlach, terwijl hij met +deelnemende stem vroeg: + +„U lijdt zeker ontzaglijk veel, Overste?” + +„O! om er helsch van te worden, Dokter!” + +„Maar lieve man!” + +„O foei, Papa!” + +„Wees zoo goed eens even op te staan.” + +„Opstaan?” De kolonel zag den dokter aan, als wilde hij zeggen: Man! +ben je dol? en herhaalde: „Opstaan?—Onmogelijk!” + +„’t Moet, Overste; anders kan ik niet oordeelen over den toestand van +uw been en heupgewricht. Mag ik u dus verzoeken?” Kermend en klagend +werkte de Overste zich langzaam met groote inspanning een eind omhoog, +totdat hij met dikke angstdroppels op ’t voorhoofd, op één been +balanceerend, met beide handen op den fauteuil leunend, den medicus +smeekend aanzag. + +De dokter greep snel den kranken voet, rukte dien met geweld naar +beneden en bewoog daarna het been krachtig heen en weer, zoodat de +Overste doodsbleek werd en bijna flauw van pijn, met een zacht +kermend: „Jezus-Maria-Joseph”, in den stoel terugzonk. + +Mevrouw was bij dit tafereel achter in een hoek van de kamer gaan +staan, om haar tranen den vrijen loop te kunnen laten, en de dunne +Ildegard zweefde nader, ten einde papa’s kloppende slapen met wat Eau +de Cologne te wasschen. Medelijdend hield zij den zachtkreunenden +lijder haar batisten zakdoekje onder den neus, totdat de dokter op +bevelenden toon zei: „Komaan! kleed u nu maar eens uit.” Toen nam zij +de vlucht, en terwijl zij beproefde te blozen, wierp zij een +vernietigenden blik op den aesculaap, als wilde zij zeggen: „Zulk een +woord in mijn bijzijn...? Foei, mijnheer, foei!” + +Mama nam Ildegards plaats in en hielp haar gemaal bij ’t ontkleeden +zijner extremiteiten, totdat de dokter zei: „Zóó is ’t genoeg.—Ga nu +eens voorover op uw bed liggen; dan zal ik u onderzoeken, Overste.” + +Met zaakkundige hand bevoelde en betastte de medicus ’t been, ’t +heupgewricht en den rug van den lijder en zei toen, langzaam en met +klem: + +„Overste, u kan geheel genezen, maar alleen op twee voorwaarden.” + +„Zoo! En die zijn, Dokter?” + +„1º. Totale onderwerping aan het diëet, dat ik u voorschrijven zal.” + +„2º. Moed om een pijnlijke behandeling te ondergaan. U heeft toch +moed?” + +Een flauwe glimlach omspeelde de lippen van den krijgsman, toen hij +antwoordde: + +„Moed?—Ik ben soldaat, Dokter!—Maar aan pijn heb ik een verd.mden +hekel. Moet ik soms geopereerd worden?—Ga je gang maar, Dokter; maar +dan onder chloroform, asjeblieft.” + +„O God—neen! niet snijden!” steunde mevrouw, doodsbleek wordend. + +Uit de andere kamer klonk een klein gilletje; ’t sleutelplaatje viel +plotseling neer voor ’t slot der porte-brisée, waardoor ten +duidelijkste bleek, dat Ildegard uit de andere kamer door ’t +sleutelgat de treurige groep had bekeken en alles had gehoord en +verstaan. + +„Snijden?” vroeg de dokter lachend. „Geen kwestie van, +Mevrouw!—Wrijven, masseeren, volgens de methode van Dr. Mezger uit +Amsterdam; ik ben specialiteit in de massage; _’t is het eenige +middel_, waardoor mijnheer uw echtgenoot kan herstellen.” + +Een zucht van verlichting ontsnapte den krijgsman, terwijl hij nog +steeds vooroverliggend, met zijn hoofd schuins op het kussen, in zijn +baard bromde: „Anders niet? Maakt de kerel daar zoo’n drukte over?”—en +luid voegde hij den dokter toe: „Dan maar dadelijk, Dokter; hoe +eerder, hoe beter. Knijp dan maar!” + +„Uitstekend, Overste; we kunnen dadelijk beginnen”. De dokter trok +zijn jas uit, ontdeed zich van zijn vest, en toen Mevrouw von +Hattersdorff verschrikt vroeg: „Dokter, u gaat u toch niet uitkl...?” +viel hij haar lachend in de rede met: „Pardon! ik maak ’t me alleen +maar wat gemakkelijker; er is nog al kracht noodig voor zoo’n +massage.” Druff knoopte zijn manchetten los, stroopte zijn hemdsmouwen +op, toonde een paar buitengewoon zwaar gespierde armen en vroeg: +„Heeft u ook een weinig zoete olie, Mevrouw? ’k Gebruik anders cold +cream, maar de Overste ligt nu zoo goed in positie, dat ik....” + +„O! Dokter, mijn dochter heeft toevallig cold cream op haar +toilet.—Ildegard! geef de cold cream eens!” + +De porte-brisée werd zoover geopend, dat Ildegard, die nog +voorzichtigheidshalve de eene hand voor haar kuische oogen hield, de +andere met het potje cold cream er in, om het hoekje kon steken, +terwijl zij fluisterde: „Hier, Mama!” + +„Als ’t u blieft, Dokter!” + +„Dank u!—Leg u nu een weinig op de linkerzijde, Overste. Wacht! ik zal +u helpen; zoo!” + +„Au!—Autsch!—O! Sakkerrrrr!” + +„Kalm maar aan, Overste! Zoo—oo—oo! nog een eindje. Mooi! nu zijn we +er; houd u nu maar rustig. Zoo—oo!” + +„Wil ik ook liever weggaan, Dokter?” + +„Neen, Mevrouw! Ik wilde gaarne, dat u hier bleef; er mag wel iemand +bij zijn, om zoo noodig nog eens te kunnen helpen en dus....” + +„Goed, Dokter; best!” + +„Dat doet u geen pijn, niet waar, Overste?” vroeg Dr. Druff, terwijl +hij met snelle bewegingen zijner rechterhand de heup, het dijbeen en +de kuit van den lijder rijkelijk met cold cream inwreef. + +„Integendeel, dat doet me goed; ’t is aangenaam. Als je zóó doorgaat, +Dokter, dan.... Au! Himmelhöllensakrement—Au!—Hou op!—Hou op! Neen, +Dokter, zóó niet; in Godsnaam schei uit: ik word onwel!”—De Overste +rilde over zijn geheele lichaam als een juffershondje, want de medicus +had plotseling met een forschen greep, het zieke heupgewricht onder +handen genomen en masseerde de pijnlijke plaatsen naar alle regelen +der kunst. + +„O, Dokter, dat is heusch niet om aan te zien; dat is een +afschuwelijke marteling,” snikte mevrouw, toen zij zag, dat na een +tiental minuten, waarin de lijder zich onder de hem masseerende handen +kromde als een worm, dokter Druff zijn behandeling besloot met een +allervervaarlijksten slag op het dikste gedeelte van des Oversten +heup, zoodat de patiënt bijna opsprong en brulde: „Gottsdonnerwetter, +dat is àl te erg!” + +„’t Is voor vandaag gedaan,” zei doodbedaard de geneesheer, en wischte +zich met den zakdoek een aantal druppels van voorhoofd en slapen. + +„O, Goddank!” kreunde de zieke, en toen hij met behulp van mama weer +zoover was aangekleed, dat Ildegard, zonder schaamrood te worden, haar +papa kon zien, hielp de dokter hem in den fauteuil en zei gemoedelijk: + +„Ziezoo, nu zit u goed.—Ja! Ja! ’t is geen aangename gewaarwording, +Overste; maar ’t eind zal goed zijn.—En nu zullen wij eens over uw +diëet praten.” + +Met matte stem antwoordde de Freiherr: + +„’k Ben doodaf!—O, God! die laatste slag! ’t was of ik sterven +zou.—Maar ik geloof toch, dat uw behandeling de ware is; ’t is alsof +ik nu al een weinig soulagement gevoel!—En wat moet ik nu al zoo +vermijden, Dokter?” + +„Alles, Overste!” + +„Alles?—Hongerlijden?” + +„Dat zou u slecht bekomen,” glimlachte Dr. Druff. „Neen! zóó erg is ’t +niet. U mag brood eten, zooveel u lust, maar—zonder boter; en water +kan u drinken ad libitum. Wanneer u besluiten kan, dit strenge diëet +gedurende veertien dagen vol te houden, geef ik u mijn woord van eer, +dat u van hier gaat met den gezwinden pas en loopen kunt als een hert, +terwijl uw geheele constitutie aanmerkelijk beter zal zijn.” + +„Veertien dagen op water en brood,” zuchtte de kolonel, „dat is heel +erg, Dokter!” + +„Ischias is nog veel erger, Overste!” + +„’t Is waar! In Godsnaam dan; ik wil die vervloekte pijn kwijt zijn; +’k zal doen wat u zegt.” + +„U heeft groot gelijk, Overste; en u zult zien: finis coronat opus.” + +„Blijf me met dat potjes-latijn van ’t lijf, Dokter! Dat versta ik +niet.—Vrouwlief! geef me eens een glas Port; ik ben flauw geworden +door die ranselpartij.” + +„Port?—Water! bedoelt u,” zei de dokter en tot mevrouw, die de flesch +met Portwijn reeds van het buffet genomen had, zich wendend, vervolgde +hij: „Mevrouw! wanneer u wil, dat mijnheer uw echtgenoot geneest, +_moet_—en hij drukte op dat woord—_moet_ u zorgen, dat de Overste zijn +diëet houdt. Gebruikt u zelf soms Port, of mejuffrouw uw dochter?” + +„Neen, Dokter, nooit!” + +„Permitteer me, dan zullen we voorzichtigheidshalve dit restje”—Dr. +Druff nam de nog half volle flesch uit mevrouws handen en goot +eensklaps den inhoud uit ’t venster in den tuin—„verwijderen.—Adieu! +Overste; tot morgen om tien uur; dan kom ik u verder behandelen.” + +Stom van verbazing zag de Overste, die meer gewoon was te bevelen dan +te gehoorzamen, den kort-aangebonden medicus na en pruttelde in +zichzelven: „’n Kranige kerel, met een paar handen... Brrrr! en +drommels kort aangebonden, maar dat mag ik wel. Ik geloof, dat zijn +behandeling mij wel zal bevallen; maar die ééne slag was—hum!—zoo—hum! +voor een officier zoo vernederend.” + +Voordat Dr. Druff het huis verliet, had hij nog een kort gesprek met +Ildegard en mevrouw, die hem tot op den corridor geleidden. + +Op mevrouws vraag: „Dokter, wat dunkt u van mijn man?” schilderde hij +met enkele woorden den toestand van den Overste zoo weinig +rooskleurig, dat de dames, bleek van schrik en bezorgdheid, bij alles +wat haar lief en dierbaar was verzekerden, dat zij er samen voor +zouden zorgen, dat papa volstrekt geen anderen drank dan water, geen +andere spijs dan brood, of droge beschuit, hem bij uitzondering als +versnapering toegestaan, zou krijgen gedurende de eerste veertien +dagen. + + +III. + +Geregeld elken dag, ’s morgens om tien uren verscheen de medicus in +het hotel, waar de Overste logeerde en nu onder zijn handen de +verschrikkelijkste martelingen uitstond, brulde en tierde als een +bezetene, maar zich toch ieder maal na de massage inderdaad iets beter +gevoelde en langzaam aan weer begon te loopen. + +Hoeveel „Donnerwetters” en „Sakkrrrements” de oude krijgsheld in de +wereld zond, is niet te bepalen, maar ze waren legio; vooral tegen het +einde van iedere dagelijksche behandeling ontsnapten die +verwenschingen en uitroepen in grooten getale zijn gebaarden mond en +herhaaldelijk verzekerde de Overste aan vrouw en dochter: „Die Druff +is een wonder van knapheid, een kraan van een vent,—maar—een beul. En +weet je waar ik eigenlijk het meest tegen opzie? Tegen dien laatsten, +geweldigen slag, dien hij me na elke massage op mijn—hum!—op mijn—hum! +geeft. ’t Is alsof de vent een os dollen wil! Die ééne vervloekte slag +gaat me door merg en been.” + +„Ja, manlief!” had Mevrouw geantwoord, „’t is verschrikkelijk—ik kan +er ten minste niet meer naar zien; ’t is heusch, alsof Dr. Druff al +zijn krachten nog eens extra te samen neemt om je die laatste...” + +„Niet waar? Dus dat heb jij ook opgemerkt; ’t is dan ook alsof er een +stuk ijzer op me neer komt.—Je begrijpt dat ik me die mishandeling nu +laat welgevallen, omdat ik _moet_, omdat ik aan dien Druff op genade +of ongenade ben overgegeven en omdat de kerel me waarachtig iederen +dag iets beter maakt, anders, als militair”; en de overste zette een +gezicht, alsof hij de geheele medische faculteit in één grooten hap +had willen verslinden—„anders zou ik bij hoog en bij laag—me zoo’n +vernederende aanraking niet laten welgevallen.—Om den d—nder niet.” + +„Foei! foei! papa, vloek toch zoo niet, dat’s niet fijn”, riep +Ildegard verbleekend. + +„Neen! zoo’n slag op je—hum!—op je corpus, is fijn.—O! als ik er aan +denk, dat ik daar, als een schooljongen, vóór dien vent leg en +behandeld word, dan kookt mijn bloed, en...!” + +„Maar manlief, wind je toch niet zoo op, de Dokter doet ’t toch uit +bestwil, omdat ’t noodig is voor...” + +„Noodig! noodig! daar, waar hij nu slaat, heb ik volstrekt geen pijn; +in mijn heup zit het, nergens anders...” + +„Och, papa! ’t is heusch verkeerd, dat u zoo aangaat.” + +„Aangaan! Hoor me dat freuletje nu eens; ik geloof dat u wel anders +piepen zou, jonge dame, wanneer de Dokter u zoo uit alle macht, dag +in, dag uit, een slag op uw...” + +„O, foei! papa, wat ’n ordinaire suppositie.” + +Ildegard keerde zich verontwaardigd om. + +„Beste man! houd je kalm, je wordt anders weer erger. Wij zullen er +samen eens met den Dokter over spreken—niet waar, Ildegard?” + +„Spreekt u er liever alléén over, mama!” + +„Nu, goed, dan zal ik ’t doen—ik durf wel.” + + * * * * * + +Een paar dagen later vroeg Mevrouw v. Hattersdorff, toen ze een +oogenblik met Dr. Druff alleen was: „Dokter, is die laatste slag +bepaald zoo onmisbaar? Mijn goede, beste man ziet daar zoo erg tegen +op. Zou u hem dien niet kunnen schenken?” + +Met het gewichtigste en ernstigste gelaat van de wereld verzekerde Dr. +Druff: „Mevrouw! die hoort onvermijdelijk bij de kuur; ’t is wel +onpleizierig voor den Overste, dàt geef ik gewonnen, maar ik kan er +niets aan doen,” en, met kalme wreedheid diende hij, na elke +behandeling, den Overste dien vervaarlijken klap toe. + +Ook Ildegard, die beter was dan zij zich voordeed, had zich heimelijk +papa’s lijden ter harte genomen en aan den ouden dokter, die een dame +van haar kennis, in ’t zelfde hotel, onder behandeling had, gevraagd: +„Dokter, ’t is misschien wel wat vreemd, dat ik als jong meisje me met +dergelijke zaken bemoei,—maar och! mijn goede papa wordt er zoo door +gedépraveerd weet u,—daarom wou ik u vragen: is dat altijd zoo, dat +men bij een massagekuur den patiënt zoo’n verschrikkelijken slag op, +hum—” zij durfde ’t eigenlijke woord niet goed zeggen en zei dus +blozend: „op de heup toedient?” + +Met eenige verwondering had de oude medicus geantwoord: „Neen, Freule, +gewoonlijk niet. ’t Is wel zonderling, maar mijn collega Druff is een +door en door geleerd en kundig man en bovenal specialiteit in de +massage. Hij weet volkomen wat hij doet en zal ’t dus bepaald noodig +oordeelen voor ’t heil van uw papa.” + +Derhalve troostten èn moeder èn dochter den gepijnigden Overste, door +eenstemmig te verklaren, dat zij ’t volste vertrouwen in Dr. Druff +hadden, en papa dus maar geduldig moest doorstaan, wat nuttig en +noodig voor hem was. + + * * * * * + +Eindelijk na achttien dagen, vreeselijke dagen voor Freiherr von +Hattersdorff, verklaarde de dokter, dat zijn patiënt volkomen genezen +was; en inderdaad, de Ischias van den Overste behoorde tot het +verledene. Hij liep, ofschoon nog wat zwak, als een kievit door de +kamer en zag er uit als nieuwgeboren; zijn eertijds min of meer +violette gelaatskleur was meer normaal geworden, zijn oogen stonden +helder en de onwillige heup was nu een voorbeeld voor alle heupen. + +„Overste!” zei Dr. Druff na den achttienden dag, „ik kom afscheid van +u nemen: u heeft mijn behandeling niet meer noodig.—Is u tevreden?” + +„Tevreden, beste Dokter? Tevreden? Neen, verrukt, dankbaar, innig +dankbaar! Ik ben een ander mensch geworden; je hebt van een ouden +kerel weer een jongen vent gemaakt.” + +Met tranen in de oogen, drukte mevrouw hem de hand en zei: „O, Dokter! +nooit! nooit zullen we u onze erkentelijkheid genoeg kunnen betuigen!” + +Ildegard, die reeds gedurende achttien dagen de smeltendste blikken +uit haar zeegroene oogen op den knappen dokter had geslagen, +fluisterde zachtkens: + +„O! lieve Dokter, u is een wonderman, een ideaal van een dokter,” en +zij zag hem daarbij zoo schaamachtig aan, als wilde zij zeggen: +„Spreek met mama, Dr. Druff; voor u verzaak ik mijn ouden adel en word +voor eeuwig Frau Doctorin....” + +„Dus mijn behandeling is u per saldo toch niet tegengevallen, +Overste,” zei met een fijn glimlachje de medicus, als antwoord op den +stroom van dankbare woorden, die hem overstelpte. + +„O, Dokter!” klonk het in trio. + +„Dan heb ik verder hier niets meer te doen, dan u een aangenaam +verblijf te Wiesbaden, een goede thuisreis en voortdurende gezondheid +te wenschen.” + +„Hum! Hum!” zei de Overste en eenigszins verlegen voegde hij er bij: +„Dokter, hum!.... Uw declaratie, zou u die liefst nog deze week willen +zenden, want ik reis spoedig naar huis?” + +„Mijn declaratie?” vroeg Dr. Druff en onwillekeurig keek hij +glimlachend naar Ildegard, die dadelijk probeerde of zij ook blozen +kon. + +„Ik weet wel, Dokter, dat wat u aan mij heeft gedaan eigenlijk niet +met geld te honoreeren is, maar toch zou ik gaarne willen weten wat ik +u schuldig ben....” antwoordde de Freiherr. + +„Honorarium, Overste? Volstrekt niet.—U is mij niets schuldig.” + +„Wa-a-at?” + +„Wij zijn nu quitte, Overste.” + +Mevrouw en Ildegard zagen den dokter aan, als wilden zij zeggen: „De +arme man is zeker door de inspanning van streek en niet wel bij ’t +hoofd;” en papa vroeg met onvaste stem: „Quitte? Hoe—be-doelt u dat?” + +„Zie mij eens goed aan, Overste. Herkent u mij niet?” + +„U, Dokter?—’k Had vóór deze dagen nog nooit de eer....” + +„Toch wel, Overste!—Herinner u maar eens. Mijn naam is Otto Druff; ik +heb in ’70 als soldaat bij uw compagnie gestaan, toen u nog kapitein +was. Ik was destijds—nu wil ik het wel bekennen—een nogal lastig +recruut en vrij weerspannig. ’t Ging streng toe in den oorlogstijd, en +daardoor heb ik eens, door uw vriendelijke bemiddeling, veertien dagen +arrest gehad op water en brood en vijftien slagen op mijn—hum...” + +„Alle donders!” riep de Overste, opspringend, „’t is waar; nu herinner +ik mij: ’t was te Wezel, toen we de Fransche gevangenen +surveilleerden.” + +„Juist!—Ik had misschien wel wat minder verdiend voor mijn +betrekkelijk klein vergrijp; maar ’t was oorlogstijd, en daarom heb +ik, dat in aanmerking nemend, bij wijze van interest, u ook slechts +vier dagen langer arrest en maar drie klappen meer gegeven.” + +Schaterend liepen mevrouw en Ildegard de kamer uit, en de verbaasde +Overste riep, terwijl hij onwillekeurig zijn hand tegen ’t dikste +gedeelte der heup wreef: „Himmelhöllenelement, Dokter! jij bent de +kranigste kerel, dien ik ooit heb ontmoet! Je hebt gelijk: nu zijn we +quitte!” + +„Volkomen!—U hebt mij tot een goed soldaat gemaakt; ik maakte u op +mijn beurt tot een gezond mensch. We hebben beiden hetzelfde middel +en, naar ik geloof, met succes gebruikt.—Adieu! Overste,—sans +rancune!” + +Dr. Druff ging vriendelijk groetend de deur uit. + +„Bombenschwerenoth!” riep de Overste lachend, „wat een kranige vent! +Maar”—en zijn gezicht vertrok zich pijnlijk—„’n beetje minder hard had +hij toch wel kunnen slaan!” + + + + +_BIJOU_. + + + + +_BIJOU_. + + +I. + +’t Was in alle opzichten een model-huishouden, een paar menschen als +voor elkander geschapen; niemand zou den moed hebben gehad dat te +betwijfelen, zoodra hij slechts éénmaal het genoegen had te zien, hoe +mijnheer en mevrouw Straling met elkander omgingen. + +Zij was het liefste, blonde vrouwtje, dat ooit met een paar levendige +helderblauwe oogen in de wereld had gekeken. + +Niet te groot, niet te klein en goed van vormen, was zij van nature +„sierlijk” in al haar bewegingen. Zonder dat zij het zelve wist, deed +zij haar kleine voetjes bewonderen en trok zij de aandacht op haar +blanke poezelige handjes, waarin talrijke kleine kuiltjes den aanleg +tot een gezellig „embonpoint”—in de verre toekomst verrieden. + +Wanneer zij lachte, fonkelde er iets guitigs in haar oogen onder de +donkere, onberispelijk gevormde wenkbrauwen en bewogen zich de +neusvleugels niet meer dan noodig was om haar zenuwachtig temperament +te doen vermoeden, terwijl de paarlwitte tanden juist genoeg zichtbaar +werden om schitterend af te steken tegen de frissche roode lippen, die +’t kleine mondje zoo verleidelijk maakten. Doorzichtig en blank van +tint, werden haar gelaat en wangen, zwakker of hooger gekleurd, al +naarmate de gemoedsbeweging haar frisch, gezond, jeugdig bloed +langzamer of sneller deed stroomen. Soms kon zij bleek, doodsbleek +zien, wanneer ’t een of ander haar plotseling hinderde of zenuwachtig +maakte, maar zelfs die bleekheid stond haar goed; in één woord Marie +was „een dotje van een wijfje,” zooals oom Harmsen de ex-zeekapitein +telkens tegen Frits, haar man, beweerde. + +Hij, Frits, kon volkomen aanspraak maken op den naam van „’n schoone +kaerel” hem eveneens door oom Harmsen vereerd. Flink gebouwd, groot en +gespierd van gestalte met een open gelaat, waaruit meer goedheid, dan +wel bepaald hoogere ontwikkeling sprak, was hij een toonbeeld van +levenslust en gezondheid. Zijn bruin krullend haar paste bij zijn +frissche gelaatskleur en de goed verzorgde donkerblonde knevel met den +spits, naar de mode geknipten baard gaven hem een mannelijk en te +gelijk wat men noemt, een prettig voorkomen. + +Wanneer zijn donkerbruine oogen met welgevallen op zijn lief vrouwtje +rustten en zij glimlachend tot hem opzag, straalde er een innig warme +gloed uit zijn blikken, en als hij dan haar beide kleine rose handjes +in zijn groote rechterhand nam, terwijl hij met de linker er zachtjes, +voorzichtig liefkoozend, overheen streek, kon men hem aanzien, dat hij +Marie in den volsten zin des woords „vergoodde.” + + * * * * * + +„Jelui bent nog precies een paar geëngageerde lui: dat koekeloert en +kirt me waarachtig als een paar duiven” zei oom Harmsen eens op een +dag, dat hij de Stralings bezocht en ’t echtpaar met een breeden +genoeglijken glimlach aanzag. Zijn gebruind en verweerd zeemansgelaat +nam een buitengewoon zonderlinge uitdrukking aan, een uitdrukking +half weemoedig, half comisch, toen hij er ernstig bijvoegde: „’k Heb +van mijn Jans—God hebbe haar arme ziel—ook weerlichts veel gehouwen, +zie je, maar zóó als jullie hebben wij ’t toch nooit beetgehad.” + +Marie kon het heusch niet helpen, dat zij bij die wonderlijke +ontboezeming van oom Harmsen de grootste moeite had om niet in lachen +uit te barsten; met inspanning hield zij zich goed, maar Frits, die +ooms eigenaardigheden langer en beter kende, sloeg, zooals men dat +noemt, met den ouden goedhartigen, maar min of meer ruwen zeeman „op” +en antwoordde lachend: + +„Ja, maar tante Jans was ook zoo’n dot niet als mijn Marie. Was ze +wel, oom?” + +„Nou, dat ’s maar zooals je ’t nemen wilt, jongen,” zeide oom; „’t was +een flinke driedekker, die goed onder tuig lag. Maar mooi? Neen dat +was ze niet; daarentegen weergaasch bij de hand;—zie je, dat ’s nog +wel zoo goed voor een zeemansvrouw.” En met een knipoogje, dat guitig +moest heeten, maar dat op zijn gezicht vrij cynisch was, voegde hij er +bij: „Ik hoefde niet bang te zijn voor kapers, vat je? Jans was vijf +en dertig, toen we trouwden, en van zessen klaar, hoor! Maar als mijn +wijf zoo’n eeuwig mooi poppetje was geweest als jou Marie.... He! +Hola! nichtje draai ereis bij: waar ga je zoo op eens naar toe?—dan +was ik nooit zoo gerust aan boord gegaan en... Neen, Marie! blijf maar +gerust hier: ik ben alweer fatsoenlijk.” + +„Oom, oom, ’t loopt er bepaald overheen,” zei Frits lachend en te +gelijk wenkte hij Marie, die half lachend, half beschaamd de kamer +wilde verlaten, om terug te komen. + +„Wàt, wàt? ’t Is de waarheid, anders niet. Kom hier, nichtje Marie, +geef me maar een hand; ik ben ’n beetje ruw, dat weet ik wel, maar ik +meen ’t goed. En jij bent ook zoo bliksemsch mooi, zie je, dat als +_ik_ jou man was geweest, ik je geen maand of acht alleen had durven +laten,—om den dood niet.” + +„Maar, oom! foei wat ’n weinig flatteuse gedachten! Neen! laat mijn +hand los; je bent akelig, hoor!” zei Marie, hem beknorrend. + +„Gekheid! ik bedoel immers niet, dat ’t aan jou zou gelegen hebben, +maar aan.... Och—sakkerloot—ik, ik... Enfin! Frits, jij begrijpt me +wel, jongen!” + +Oom Harmsen voelde onwillekeurig, dat hij toch niet bijzonder kiesch +was geweest, en daarom stond hij op, liep een paar passen door de +kamer heen en weer en trachtte het gesprek een andere wending te +geven, door te zeggen: „Jelui woont hier toch als in Abrams schoot, +hoor!—eeuwig netjes, alles even fijn en chic; je kunt wel zien: die ’t +breed heeft, laat ’t breed hangen. ’t Is tegenwoordig ’n heel andere +thee dan vroeger. Toen ik met m’n Jans onder zeil ging, was ik machtig +blij, dat ’k een bovenhuis met drie kamers had,—een goeie kooi voor +mij en m’n vrouw; een tafel met zes stoelen; bij de gratie Gods een +canapé; een latafel en een chiffonnière voor de losse bagage; een pot +en een pan,—en klaar was Kees!” + +„Dat was dan toch erg primitief, oompje; we houden nú van meer comfort +en....” + +„Ben je er gelukkiger door? Waarachtig niet, ’t is allemaal gekheid; +zooals ’n mensch went, zoo wil hij. De ouderwetsche lui hadden veel +minder behoeften, en hun kinderen deden als vader en moeder: ze wisten +niet beter of ’t hoorde zóó.—Ja! à propos nichtje Marie, dáár doe +jelui niet aan, hé, aan kindertjes? Kijk me zoo’n paar flinke gezonde +lui ereis aan, die zijn nu waarachtig al vier jaar getrouwd en hebben +nog niemendal op stapel gezet; jelui moest je schamen, en jij vooral +m’n poppetje en.... Zeg, Frits! wat is dat nou? Wat mankeert je vrouw +op eens?—Hum?—ik—heb toch niet... Hè?” + +Met een niet benijdenswaardigen trek van schaapachtige verwondering, +dubbel dwaas op zijn door de zon verbrand gelaat, zag oom Harmsen zijn +nichtje na, dat terwijl hij sprak al bleeker en bleeker werd en zich +plotseling omdraaiend de slaapkamerdeur insnelde, gevolgd door Frits, +die, zonder zich om het verbaasde gezicht van den zeekapitein te +bekommeren, de deur achter zich sloot en zijn vrouwtje, dat met haar +zakdoek voor de oogen op de causeuse was neergevallen, zacht en +sussend toesprak, terwijl hij haar schouders liefderijk omvatte: „Kom, +Marie! wees niet dwaas; trek je zoo’n grof woord van oom Harmsen niet +zoo aan. Kom, wijfje, kom! Die ouwe zeebonk moest zich schamen; ik zal +hem....” + +„Laat me asjeblieft een oogenblik alleen, Frits; ga jij maar naar +oom.—Ik ben niet boos op hem, hoor!” voegde zij glimlachend, hoewel +met de oogen vol tranen, er bij, als wilde zij een mogelijke botsing +tusschen oom en neef voorkomen. + +De zondaar Harmsen was intusschen eenigermate tot besef gekomen, dat +hij, op zijn zachtst genomen, erg onhandig was geweest, en daardoor +min of meer met zijn figuur verlegen. Goedhartig en rond als hij was, +besloot hij onmiddellijk een volledige bekentenis van zonden af te +leggen en te zeggen.... Ja! wàt hij zou zeggen, wist hij eigenlijk +niet goed vóóraf, maar hij gevoelde, dat hij iets goed te maken had +en... Dáár kwam Frits de kamer weer binnen en in ’t zelfde oogenblik +lei de zeekapitein het photographie-album, dat hij werktuiglijk van de +tafel had genomen, neer, terwijl hij halfluid vroeg: + +„Er is toch geen kwaad aan boord?—Jelui moet me dat niet zoo kwalijk +nemen. Hum! ik wist niet, dat Marie op dat punt, hum!—zoo hum! zoo +satansch kitteloorig was en....” + +„Spreek daar nooit meer over, wat ik u bidden mag, want Maries eenig +verdriet is, dat ze geen....” + +„Akkoord, jongen! nou begrijp ik ’t, maar ’k wist het niet.—Zeg aan je +„dot”, dat ’t me allemachtig spijt dat ’k haar hinderde; maar, goeie +God! ik kon toch ook niet weten, dat ze zoo aantrekkelijk is.—Kom! +kom! ze moet er zich maar overheen zetten; uitstel is niet altijd +afstel; Sarah kreeg op ’r negentigste jaar nog wel ’n kleintje.—Ha! +daar is ze weerom.—Kom ereis hier, Marie! Je bent toch niet boos op +me? Verdord! dat zou ik niet kunnen velen. Allo! kom ereis langs zij +en laat ik je af zoenen.—Zoo!.... met je permissie, Frits.—Hè! dat +doet ’n ouwen kerel nog ereis goed.—O! zoo, ben je niet boos +geweest?—Nou des te beter, dan hoef je niet weer goed te worden +ook.—Nou! kinderen, ’t wordt tijd dat ik ga.—Saluut! en compliment van +oom Harmsen en als dàt nou ’t eenige is wat jelui ontbreekt, dan niet +getreurd! Ik word hier nog peetoom, dat voorspel ik je. Dag „dot”; +niet sip meer kijken, asjeblieft! Houd je gemak, ik kom er wel uit.—’t +Ga jelui goed; dag kinderen!”—en weg was oom Harmsen. + + +II. + +Ja! in dat model-huishouden ontbrak iets, een heel klein nietig iets +wel is waar, maar toch een iets, dat de zon in huis zou doen schijnen, +als ’t kwam; dat een zaligen glimlach zou tooveren om de lippen van de +jonge vrouw, die ’t mocht bezitten. + +En ’t kwam niet,—’t had zelfs nog nimmer pogingen gedaan om te +verschijnen gedurende de vier jaren, dat ze getrouwd waren. + + * * * * * + +In den beginne van hun huwelijk hadden zij zich, zooals alle +jonggehuwden, illusiën gemaakt, gewacht, gehoopt, gewenscht, geduldig +en lang, maar altijd tevergeefs. + +Marie was een tijd lang stil, zéér stil geworden, toen korzelig van +humeur en prikkelbaar; daarna was een soort van zwaarmoedigheid +gekomen, en toen ook die eindelijk was voorbijgegaan, had zij zich +zelve weten wijs te maken, dat ze er eigenlijk niets meer om gaf, dat +’t zóó was en niet anders, en dat ’t wel zoo verkieslijk was. Maar +toch had ze telkens in stilte geschreid, als zij tegenover haar +venster de timmermansvrouw op den drempel van haar woning zag staan, +met een dikken jongen, met roode koonen en zijdeachtig krullend haar +en groote blauwe oogen, op den arm. Zij hield zich echter groot voor +Frits; hij had zich immers—zoo kwam het haar voor—al zeer spoedig met +het denkbeeld „geen kinderen te hebben” verzoend. ’t Verwonderde haar +wel, maar ze vond het gelukkig en toonde hem daarom nooit, dat zij er +nog altijd onder leed. + +En hij?—Och! hij was altijd in één humeur en bemoeide zich nooit met +kinderen van anderen; ’t scheen zelfs alsof hij minder van kinderen +hield dan vroeger, en als het teere punt niettegenstaande alle +voorzorgen toch nu en dan werd aangeroerd, kon hij zoo erg goedig +tegen Marie zeggen: „Wijfjelief! we zouën er nu misschien niet eens +meer aan kunnen wennen. ’t Is nog veel beter geen één, dan zoo’n half +dozijn, als bij mijn compagnon bij voorbeeld.” + +Zonderling genoeg had hij echter juist tot dienzelfden compagnon een +paar malen gezegd: „Wat heb jij toch heerlijke kinderen!—Hum! ik zou +misschien wel uit de zaken willen; want waar werk ik eigenlijk zoo +hard voor?” Verder zweeg hij er over en leefde met Marie kalm en +tevreden voort. Zij lieten elkanders heimelijke wenschen onbesproken, +gingen altijd _te samen_ uit en kwamen altijd _samen_ weer te huis om, +zonder dat zij ’t elkander wilden zeggen, telkens opnieuw tot de +ontdekking te komen, dat er in hun huis toch iets—een kleinigheid +maar—ontbrak, die geen van beiden meer noemde, omdat zij werkelijk zoo +veel van elkaar hielden. + +’t Is een doodgewoon verschijnsel, dat in een huishouden zonder +kinderen, na korter of langer tijd, een of ander huisdier, een kat of +een hond, soms een vogel, als plaatsvervanger dienst doet en dan +gewoonlijk min of meer despotisch regeert. + +Wanneer de man van huis is, heeft de vrouw behoefte aan iets levends, +dat om haar heen zich beweegt; zij moet—zooals men dat noemt—„een +aanspraak” hebben, in één woord een wezen, dat, zij het dan ook +slechts in beperkten zin, een deel van haar teederheid kan ontvangen +en beantwoorden. + +Dit was ook in Stralings huis gebeurd; bijna een jaar geleden was in +het model-huishouden een kleine tiran binnengekomen en wel in de +gedaante van een leelijken, grauwig gelen bastaard-smoushond. + +Frits had hem op een kouden herfstavond, terwijl ’t regende dat ’t +goot, bibberend, nat en verkleumd voor de huisdeur gevonden en, +medelijdend van aard als hij was, ’t kleine diertje binnengebracht en +aan de meid gegeven, om ’t in de keuken wat te doen opdrogen. + +Niet zonder een vrij luid protest, had de kraakzindelijke Jaantje „den +leelijken straathond” opgenomen, met een ouden lap zoo goed mogelijk +afgedroogd en in een mandje gelegd, met het vaste voornemen, om hem +den volgenden ochtend weer weg te jagen. Maar ’t zou heel anders +gebeuren, dan zij zich voorstelde. Toen Marie het bibberende diertje +had gezien, dat zoo smeekend van onder zijn verwarde haren tot haar +opzag, als vroeg het bevend: „Och jaag me niet weer weg!” kon zij niet +besluiten om Jaantjes raad te volgen en „het mormel aan den dijk te +zetten”. Integendeel zij bekeek „het mormel” oplettend, vond dat het +aardige, snuggere oogjes had en zóó vriendelijk met zijn kort staartje +kwispelde, dat het zonde en jammer zou zijn om ’t arme dier weer in +zijn vroegere ellende terug te stooten. + +Frits had er niets tegen, dat ’t hondje bleef, en met onderling +goedvinden—Jaantjes stem was natuurlijk van onwaarde—werd besloten, +dat de vondeling als huisgenoot zou worden aangenomen en voortaan naar +den naam van „Bijou” te luisteren had. + +De naam „Bijou” was een „bon mot” van Frits, die, toen hij lachend +zijn toestemming gaf tot de opneming van ’t diertje, er bij had +gevoegd: „Dan zou ik hem „Bijou” noemen, want ik geloof, dat hij een +juweel van leelijkheid zal worden.” + +Marie, meer optimistisch gestemd, verzekerde met allen ernst dat ’t +nog nestharen waren, die ’t hondje ontsierden, en dat hij eenmaal zijn +naam alle eer zou aandoen. + +Jaantje, in de keuken, was daarentegen danig uit haar humeur en +beweerde herhaaldelijk tegen de werkster, „dat ’t volk tegenwoordig +maar persies deê wat ’t wou, en dat ’t voor een fersoenlijke +dienstmeid geen doen was om behalve de gewone druktens nog de +akefietjes van zoo’n mormeldier te moeten redderen.” + + +III. + +Bijou was, ’t bleek allengs zonder eenigen twijfel, van zeer bijzonder +plebeïschen oorsprong. Zijn vader—hij had hem nooit gekend—was +vermoedelijk een fikhond geweest, terwijl zijn moeder, naar +menschelijke berekening, meer tot het smoushondensoort scheen te +hebben behoord. Van haar had hij waarschijnlijk het lange geelgrijze +haar en de snuggere oogen gekregen, terwijl zijn vader meer bepaald +schuld had aan zijn lompe pooten en den zonderlingen vorm van staart +en snoet, die beide voor die van een smoushond te spits en voor die +van een fik te stomp waren. + +Opvoeding had hij hoegenaamd niet genoten en van zindelijkheid nog +niet het minste besef, zoodat hij een voortdurende ergernis bleef in +Jaantjes oogen. De eerbare keukenmeid was dan ook, van af het +oogenblik zijner komst in Stralings woning, zijn gezworen vijandin, +vooral ook omdat Mevrouw zich niet ontzag, de reinheidsovertredingen +van Bijou op rekening van Jaantjes nalatigheid te schuiven. +Niettegenstaande de tegenwerking van de keukenmeid, groeide de hond +een weinig en wist hij zich door allerlei kleine, behendige greepjes +in ’t hart van Marie en door den weeromstuit in dat van Frits een +vaste plaats te veroveren. + +Een rood halsbandje, hem door zijn meesteres vereerd, wekte in den +beginne zijn afkeer en toorn in hooge mate op en herhaaldelijk was +hij, bij zijn pogingen om zijn hals van dat versiersel te ontdoen, op +het punt zich aan zelfmoord te bezondigen. Aan alles went men echter +op den duur, zoo ook Bijou aan zijn halsband. + +Langzamerhand verloor hij iets van zijn nestharen en onzindelijke +manieren, en nadat hij, drie maanden na zijn opneming bij ’t +kinderlooze echtpaar, de kunstbewerking van „’t half geschoren +worden” had ondergaan, was hij in zooverre een presentabele hond +geworden, dat hij op een Zondagmiddag na ’t dessert aan oom Harmsen, +die bij de Stralings had gedineerd, kon worden voorgesteld. + +„Wel, oom!” vroeg Marie, toen Bijou de kamer intrippelde, „is ’t geen +aardig diertje geworden? Wat blijft hij lief klein, hé! En schrander +is hij, o!” + +Oom nam zonder een woord van lof of blaam te vroeg te verspillen „het +aardige diertje” in zijn nekvel, zoodat het zijn roode tong +vervaarlijk ver uitstrekte en zijn oogjes van onder de lange gele +haren naar voren puilden, bekeek het met aandacht en kennis van zaken +en zette het daarna voor Maries voeten op den grond, terwijl hij de +gedenkwaardige woorden uitte: „’t Is een monster!” + +Frits lachte, dat de tranen hem over de oogen liepen, en Marie nam +Bijou, die met een schuinschen blik angstig naar oom Harmsen zag, op +haar schoot en kuste zijn zwarten snoet, terwijl ze half knorrig, half +lachend, zei: „Kom jij maar hier, m’n beestje; ik vind je lief, hoor! +Stoor je maar niet aan oom Bullebak!—Dáár heb je een koekje van de +vrouw.” + +Oom zweeg, haalde tegen Frits, die stil voor zich in zijn baard zat te +lachen, de schouders op en dacht bij zichzelf: „Ieder zijn meug.” + +’t Dient ter eere van Bijou gezegd, dat hij, naarmate hij ouder werd +en fatsoenlijker, zijn uiterste best deed om de liefkoozingen van „de +vrouw” te verdienen. Geen oogenblik liet hij haar alleen; waar zij +was, was ook hij en met stoïcijnsche gelatenheid liet hij zich +herhaaldelijk van al de trappen rollen, omdat hij Maries peignoir bij +den sleep had aangepakt en zijn buit niet losliet, vóór hij +holderdebolder zijn meesteres was nagekogeld. + +Was zij van huis geweest, dan zat hij haar deftig op ’t kussen in de +vensterbank af te wachten, en zoodra hij slechts het tipje van haar +neus te zien kreeg, kwam zijn staart in geweldige ontroering terwijl +hij de zonderlingste blijdschapstonen uitte die een hondenkeel ooit +voortbracht. In Maries schoot vergat Bijou gewoonlijk des avonds de +vermoeienissen van den dag en droomde van een zalig niets doen, zooals +alleen een verwend schoothondje droomen kan. + +Frits, verre van jaloersch te zijn op den kleinen tiran, die zich +tusschen zijn vrouw en hem had ingedrongen, begon van lieverlede even +gek te worden op „’t monster”, dat van zijn kant die toenadering +waardeerde en spoedig met evenveel blijdschap „den baas” begroette als +„de vrouw”. + +„’t Is om je te bedoen,” verzekerde Jaantje, rood van kwaadheid, tegen +haar vertrouwelinge, de werkster: „daar zit me nou ’s middags dat +mormel, tusschen meneer en mevrouw in, aan tafel. Ja! zoo waarachtig +als ik hier voor je sta, m’n goeie mensch! Eerst zat ie op den grond, +maar nou moet ik, God beter’t, al een stoel voor ’m klaarzetten ’s +middags. ’t Mankeert er nog maar aan, dat ’k voor ’m dekken moet ook.” + +Inderdaad het was zoo, Bijou had het ver gebracht, zéér ver: hij zat +deftig ’s middags mee aan tafel op een stoel met een voetkussen er op +als verhooging, tusschen zijn twee getrouwe vazallen in. Maar hij was +ook zoo verbazend aardig, die kleine dwingeland; ’t was zoo grappig om +te zien, hoe hij telkens met zijn pootje op Maries arm tikte en zoo +vleiend zijn brutale bedelaarsneus nu eens links dan rechts naar zijn +buren wendde. ’t Was heusch alsof hij guitig knipoogde tegen dengeen, +die hem ’t eerst wat gaf. + +Frits en Marie vermaakten zich met hun kleinen dischgenoot, die +onvermoeid was in ’t dankbaar aannemen. + +’t Is onberekenbaar hoeveel dankbaarheid een hondenmaag kan bevatten, +en Bijou was zóó dankbaar, dat hij liever aan tafel zou zijn +doodgebleven dan één enkele bete te weigeren, die Maries slanke +vingers of de vork van Frits hem aanboden. Na tafel hield hij, om geen +naijver op te wekken zijn siësta beurtelings bij „den baas” en bij „de +vrouw”, die iederen dag meer schik in hun lieveling kregen en zich +geduldig onder zijn schepter kromden. + + * * * * * + +Bijou regeerde dus bijna despotisch in den huize Straling, maar—niet +overal. In de keuken was zijn macht zeer beperkt, schier nul, want +Jaantje was en bleef zijn geslagen vijandin. Zij kon „het mormel”, +volgens haar eigen getuigenis, „niet luchten of zien, en zou hem”—’t +waren haar eigen woorden—„wel ereis geknauwd hebben, als ze maar +gedurfd had vanwegens ’t volk.” Was ’t alleen de herinnering aan de +talrijke „akefietjes,” die Bijou haar eertijds bezorgd had, waardoor +het hart der brave Jaantje zoo onvrouwelijk vol bitteren haat klopte? +O! neen, de oorzaak van haar afkeer had een veel dieperen grond, een +geldiger oorzaak:—de cavalerie! + +Sedert ruim een jaar namelijk, had de brave keukenmeid een eerlijke +verkeering met Tienus, een cavalerist, die, omdat hij oppasser was van +den k’rnèl en bekend stond als knap, fatsoenlijk en finaal vrij van +sterken drank, des Zondagsavonds, als ’t Jaantjes thuisblijfdag was, +in de keuken mocht komen om....? + +Ook een keukenmeid draagt in den vollen boezem een gevoelig, warm +kloppend hart, en een rechtgeaard cavalerist weet dat te waardeeren, +voornamelijk op avonden dat ’t stil is en rustig in huis en „’t volk” +boven zit te schemeren. + +Waarschijnlijk was het een gevolg van Bijou’s bloedmenging of een +erfelijkheid van vader of moeders kant, dat hij een buitengewonen +afkeer had van de cavalerie-uniform. Reeds bij zijn eerste intrede in +Stralings huis, in ’t prilste van zijn jeugd, had hij daarvan de +doorslaandste bewijzen gegeven, door woedend blaffend en keffend op de +vetleeren laarzen van den „finaal-vrijen dragonder” aan te vliegen en +daardoor Jaantje de wreedaardige uitnoodiging op de lippen te leggen: +„Geef hem ’n doodschop, Tienus!” + +De dappere krijgsman echter behandelde zijn kleinen vijand +grootmoedig, tilde Bijou eenvoudig op bij zijn staart en zette hem in +’t kolenhok, waar hij zich na tallooze vruchtelooze pogingen ter +ontsnapping eindelijk huilend en jankend in ’t gruis ter ruste legde, +om den volgenden morgen als een onooglijk vies en zwart ondier te +voorschijn te komen en Jaantje een strenge berisping van Mevrouw op +den hals te halen. + +Bijou kon waarschijnlijk dien vreeselijken nacht in de kolen nooit +vergeten; zijn hondenhart zon op wraak. + +De vetleeren laarzen en de lakensche cavalerie-pantalon met lederen +inzetsels waren hem, zooals hij had ondervonden te machtig, en zijn +eigen staart was hem te dierbaar om een tweeden aanval op Tienus te +durven wagen; daarom bepaalde hij zich voortaan alleen tot een kort, +knorrig brommen, wanneer hij ’s Zondagsavonds de nadering van Jaantjes +vriend bespeurde; maar hevig blaffend en brommend stoof hij naar de +kamerdeur, wanneer hij op andere dagen door zijn neus of ooren +gewaarschuwd werd, dat de cavalerie in aantocht of binnengerukt was. + +Juist die „verraaierlijkheid” kon Jaantje niet verdragen, zij deed +haar maagdelijk hart schier bersten van toorn, en toen zij eenige +malen door Bijou’s vriendelijke tusschenkomst van Mevrouw „een +compelement” had gekregen, omdat Tienus op andere dagen dan de +gepermitteerde in de keuken was geweest, ten einde zich over +ettelijke kliekjes te ontfermen, zei ze tot haar uitverkoren held: +„Tienus, als jij een kerel bent, dan draai je dien Judas van een +Besjoe gewoon z’n nek om.” + +„’k Zal ’m bij gelegenheid wel ereis waarnemen,” was ’t antwoord +geweest van den dragonder, die met zijn vlakke rechterhand de +overblijfselen van een karbonade uit zijn rossigen knevel verwijderde, +om daarna op Jaantjes bolle wangen twee vette afdrukken achter te +laten, toen hij haar ijlings verlaten moest, omdat „die stinkende +hond” boven op eens zoo aanging en Mevrouw in aantocht was, ten einde +te komen zien, of Bijoutje ’t weer bij ’t rechte eind had. + +Ditmaal gelukte het der cavalerie nog om tijdig den aftocht te blazen +en zei de keukenmeid, met oogen glinsterend van voldoening: „Ziet uwé +nou wel, Mevrouw, dat die lieve Besjoe drukte maakt voor niemendal?” + + +IV. + +’t Was stil in Stralings woning; ’t had er iets van alsof er een doode +in huis was,—zóó droevig zagen èn Marie èn Frits er uit. Zij zat met +een bekommerd gelaat op de canapé in de huiskamer, en hij stond naast +haar met zijn hoed op en een demi-saison aan. + +„Niets? Heb je niets van hem gehoord,” vroeg Marie tragisch; en toen +Frits op een ietwat weemoedigen toon in zijn stem antwoordde: „Niets, +beste, niemendal,” zuchtte ’t lieve vrouwtje diep en smartelijk, +terwijl ze zei: „Arme lieveling! Als hem maar niets overkomen is.” + +Frits zweeg, hoewel een zwart vermoeden, een duister voorgevoel, dat +de cavalerie wel meer van de zaak zou weten, in zijn hart opdoemde. + +Sedert vier dagen was Bijou plotseling verdwenen, spoorloos +verdwenen; zonder afscheid van zijn vazallen te nemen, was de tiran +heengegaan. Waarheen?—Niemand wist het. Zelfs de politie had hem nog +niet kunnen ontdekken en een in verschillende dagbladen aanstonds +uitgeloofde belooning voor het terugbrengen van den vluchteling was +tot dusver zonder eenig gevolg gebleven. + +Jaantje was, haar bekende afkeer van Bijou in aanmerking genomen, door +Straling scherp verhoord en menig „’t is zonde, meheer” of „hoe kan +uwee nou zoo ies veronderstellen” was met diepe verontwaardiging aan +haar lippen ontsnapt, toen zoowel Marie als Frits niet ontveinsden, +dat zij haar verdachten van medeplichtigheid aan Bijou’s +raadselachtige verdwijning. + +Met de hand op ’t hart en bleek van schrik, had zij op het tot haar +gerichte kruisvuur van vragen geantwoord: „’k Zal hier staande +sterven, meheer en mevrouw, als ik er iets van weet. Ik kan uwee +alleen maar zeggen, dat Besjoetje soms wel ereis met een ander hondje +uit de buurt stoeide, als ik ’m uitliet; maar met een woord van +waarachtigheid kan ik u ook verzekeren, dat ’k hem juistement dáárom +in den laatsten tijd nooit anders dan aan ’t touwetje heb uitgelaten.” + +„En weet Tienus er niets van?” vroeg Frits, terwijl hij Jaantje, die +onwillekeurig bij ’t noemen van dien naam de oogen neersloeg, +doordringend trachtte aan te zien. Marie rilde even en dwong met +geweld haar tranen terug, want plotseling kwam haar het beeld van den +stoeren dragonder, Bijou’s antipathie, voor den geest. + +„Tienus?” riep Jaantje bijna verontwaardigd. „Tienus, meheer! die is +de goeïgheid zelf. O heere neen! die heeft er geen part of deel an, +die zou ’m subiet hebben weerom gebracht, als hij ’m iewers had +ontmoet.” + +Het onderzoek leidde dus tot niets, de ondankbare hond was en bleef +weg; hij had zijn weldoeners, zijn pleegouders zonder één enkel +gemoedsbezwaar, zonder wroeging snood verlaten, om.... Neen! laten we +over Bijou’s afdwalingen zwijgen; zelfs het hondenhart heeft +wonderlijke gangen en ’t past den redelijken mensch niet om ’t +redelooze dier te veroordeelen, dáár waar het zondigt—uit liefde. + +Aan oom Harmsen, die toevallig in die dagen van beproeving bij de +Stralings was komen aanwippen, werd—zooals vanzelf spreekt—het geheele +verhaal van Bijou’s vlucht in geuren en kleuren door Marie medegedeeld +en niet zonder dat een weerspannige traan zich op de wangen van „’t +dotje” vertoonde. + +Frits, die als rechtgeaard echtgenoot, minstens de helft van ’s +vrouwtjes verdriet wilde overnemen, vertelde met doffe stem, dat hij +er „waarlijk veel weet van had,” een verzekering, die oom Harmsens +lippen in een zonderling ondeugende plooi bracht en den goeden man +eindelijk in een hartelijk gelach deed uitbarsten. + +„’t Is bij mijn ziel om te stikken,” riep de oude zeekapitein, terwijl +hij een lachtraan uit zijn bakkebaard wischte. „Jelui bent allebei +groote kinderen, hoor! ’t Is waarachtig alsof er een sterfgeval in de +familie is: dáár zitten me nu twee groote menschen met gezichten van +een el lang te lamenteeren over een mormeldier, een monster, een +schuinsmarscheerder, die ’t verzuipen niet waard is. Ben jelui wel +goed frisch, allebei?—Nou kijk me zoo boos maar niet aan, mijn +poppetje; lach liever ereis mee om je eigen gekheid.” + +„Ik heb zoo’n idee, dat hij t’ avond of te morgen wel terugkomt,” +bracht Frits in ’t midden; maar oom viel hem in de rede, door aan +Marie te vragen: „En zou je dan dien doordraaier weer in huis +nemen?—Wat! zeg je: ja? Hoor eens, meid, als je niet zoo’n lieve dot +was, zou ik je eens onder handen nemen; ik geloof waarachtig, dat, +als je man je zoo’n poets bakte als nou dat kleine monster, je hem +niet eens zoo dadelijk weer in genade zoudt aannemen!” + +„Oom, oom! je slaat weer door,” riep Frits lachend, en Marie schoot +insgelijks in een lach, toen zij oom aanzag, die met een +tragi-comische uitdrukking op zijn gelaat zijn rede besloot met de +woorden: „Ik zou in jou plaats in den zwaren rouw gaan.” + +„Ouwe barbaar!” zei Marie, toen oom uitgelachen had; maar in haar +oogen tintelde weer een vonkje van de vroegere vroolijkheid, en toen +Frits ook een opgeruimd gezicht zette, zijn arm om haar midden sloeg, +een kus op haar frissche lippen drukte en schertsend vroeg: „Met uw +permissie, oom,” riep de vroolijke zeeman: „Zóó mag ik het zien. +Jongens! geneer je niet, ga je koers maar; ik geloof, dat jelui al +wijzer wordt.—Kijk nu zoo’n paar lui eens aan: ze zouën waarachtig om +zoo’n leelijk misbaksel van ’n hond vergeten, dat ze mekaâr nog +hebben. Als één van jelui beiden er stiekum van door was gegaan, à la +bonne heure, dan zou ik ’t natuurlijk vinden, dat de andere zijn dek +schrobde. En wil jelui met geweld een hond in je huis hebben, dan zal +ik je een van de mijne geven; ’k heb nog vier jonge fikken +thuis,—mooie bastaards. Ze zijn tot je dispositie.” + + * * * * * + +Veertien dagen later verscheen Bijou op een morgen onverwachts aan de +voordeur. Jaantje sloeg juist de vloermat uit en bleef een poosje met +open mond en groote oogen den teruggekeerden vluchteling, die met den +staart tusschen de beenen zich eensklaps voor haar vertoonde, +aanstaren; toen liet ze de mat vallen, sloeg de handen ineen en uitte +een doordringend: „Daar is ie!—daar is ie! Mevrouw, kom ereis gauw +beneden; Besjoe is weerom!” + +Marie, in wier gevoelig hart eensklaps de oude, sluimerende teederheid +voor haar lieveling met nieuwe kracht ontwaakte, stoof „en négligé” de +trappen af en ontwaarde een onooglijk, vuil, gehavend ondier, dat +kwispelstaartend, maar min of meer schuw—zelfs een hond heeft +gewetenswroegingen—haar langzaam naderde. + +Was dat Bijou? + +„Kristenen-zielen, Mevrouw! wat ziet ie er verloopen uit; hij is +effetief aan den scharrel geweest, dat kun je hem aanzien,” zei +Jaantje, terwijl ze naast mevrouw in de gang staande den +teruggekeerden vagebond oplettend beschouwde. „’k Zal ’m maar eerst +meenemen naar de keuken en eens een goed vet zeepsoppie geven, want +uwee avontuurt, dat ie niet alleenig terugkomt. Kijk z’n oogen ereis, +en z’n neus vol krabbels: hij is in den slag geweest! Wel! Wel! wat is +ie mager geworden! Nou! die weet, dat ie een slippertje heit gemaakt.” + +Wel werd de teruggekeerde lieveling weer in genade aangenomen, toen +hij, gewasschen en opgeknapt, met luid vreugdegeblaf en gehuil tegen +zijn meesteres en den baas opsprong en hem en haar onstuimig de handen +likte, maar—met zijn despotieke heerschappij was ’t voorgoed gedaan; +hij werd voortaan behandeld als een constitutioneel vorst, wiens +grillen slechts dan werden geëerbiedigd, als ze niet in tegenspraak +waren met de grondwet. + +Frits en Marie waren beiden door ’t zien van Bijou’s verloopen +uiterlijk verstandiger geworden, en dachten na over de mogelijkheid, +dat hij nog niet volkomen van zijn erotische grillen zou kunnen +genezen zijn. Ze overlegden, dat ’t best zou kunnen gebeuren, dat hun +lieveling nogmaals voor de verleiding bezweek; daarom namen ze +voorloopig een afwachtende houding aan en duldden hem nu dáár, waar +hij vroeger werd vergood en vertroeteld. + +Arme Bijou! Beklagenswaardig slachtoffer van „de liefde.” + + +V. + +Ongeveer een jaar later was in Stralings huis een groote verandering +ophanden. Sedert een paar dagen was het geheele huishouden in rep en +roer; er zweefde als ’t ware een zekere zenuwachtige gejaagdheid in de +lucht, waarvan al de huisgenooten in meerdere of mindere mate den +invloed ondervonden. Mijnheer bleef zooveel te huis als hij maar +eenigszins kon, en ’t was opmerkelijk, dat zijn goedhartig gelaat +voortdurend een zonderlinge mengeling van angst en trotsche vreugde +vertoonde, als stond hem een groot geluk te wachten, dat hij met +angstige spanning verbeidde. + +Mevrouw had herhaaldelijk geheime onderhandelingen gevoerd met een +groote, dikke vrouw, die een onberispelijke neepjesmuts, een lichte +katoenen japon en een zwartzijden boezelaar droeg, en Jaantje +pruttelde in zich zelve, terwijl zij in de keuken haar werk +verrichtte: „Dat mensch begint me derekt al te commandeeren; ze hangt +me nou al de keel uit. Zoo’n armoede en grootheid! Wat verbeeldt ze +d’r eigen wel?” + +Het „mensch”, dat Jaantjes ontevredenheid opwekte, was juist weer in +de slaapkamer met Mevrouw aan ’t onderhandelen en verzekerde op +stelligen toon: „dat ’t vandaag posetief nog gebeuren zou en dat +meneer den meester maar vast moest gaan waarschuwen.” + +Nog nimmer hadden Maries lieve blauwe oogen zoo vol voldoening en +geluk geschitterd, haar blosje was hooger dan anders en ’t blonde haar +„en bandeaux” langs de slapen gelegd en van achteren tot één vlecht +gestrengeld had haar nog nooit zóó goed gestaan als op dien dag. + +In een gemakkelijken fauteuil gezeten, zag zij met een zenuwachtig, +maar gelukkig glimlachje naar de baker, die met kalme bedrijvigheid in +de kamer heen en weer drentelde om alles voor de komst van „den +Ooievaar” voor te bereiden; en toen Frits eindelijk binnenkwam en de +onderhandeling stoorde met een: „Alles is in orde, mijn schat”, wenkte +Marie haar man tot zich, stak uit de kanten mouwen van haar luchtigen +peignoir beide poezelige handjes naar hem uit en trok toen blozend +zijn bruinen krullebol naar beneden. Eerst kustte zij hem zachtkens op +zijn oor en fluisterde hem toen iets in, dat zijn hart sneller deed +kloppen en op zijn trillende lippen de woorden: „Zou ’k waarachtig zóó +gelukkig zijn,—een jongen?” bracht. + +Met de armen onder de borst gekruist zag de baker met half spottenden, +half goedigen glimlach de twee echtgenooten aan en dacht bij zichzelf: +„Dat geeft minstens een gouden tientje, als ’t heusch een jongen is.” + + * * * * * + +En...? + +’t Was een jongen! En wel „een dikke gezonde knaap, als uit meheers +gezicht geformeerd,” zooals op den avond van dienzelfden dag de baker +met een hoog wijs gezicht verklaarde, terwijl zij den stamhouder der +Stralings het vanouds gebruikelijke bakkertje opzette, om hem daarna, +stijf ingebakerd als een pakje, aan Papa te vertoonen en met +ongeëvenaarde handigheid het haar dientengevolge heimelijk in de hand +gedrukte goudstukje in den witten zak onder haar japon weg te +goochelen. + +Frits was opgewonden van vreugd en geluk; hij had de geheele wereld +wel willen omarmen,—de oude baker incluis.—Een zoon was hij rijk! Wat +kon hij meer verlangen? + +Onophoudelijk kwam hij niettegenstaande bakers allengs ernstiger +wordend protest eens even om ’t hoekje der kamer kijken, waar Marie, +schoon en liefelijk als een witte roos, sluimerde in ’t sierlijke +ledikant en achter de zorgvuldig neergelaten kanten gordijnen haar +eersten droom van moedervreugd droomde, totdat het ontwaken haar de +zekerheid schonk, dat alles werkelijkheid was. + +In Stralings huis was plotseling een waas van rustig, vredig geluk +verspreid geworden; ’t hing warm en bedwelmend in de vertrekken, waar +’t de sprekenden noopte hun stemmen te dempen, en ’t hield den al te +snellen voet in gang en portalen terug, opdat geen onnoodig gedruisch +de kalmte mocht verstoren. + + * * * * * + +Slechts twee wezens gevoelden zich in dat gelukkige huis, op dien dag, +ellendig, misdeeld, ongelukkig en diep-rampzalig: ’t waren Bijou en +Jaantje! + +Bijou was reeds eenige weken vóórdat de ooievaar op Stralings dak +neerstreek, naar het sousterrain verbannen; zijn rijk in salon en +huiskamer was uit en de liefkoozingen, die in vroegere, betere tijden +met zoo kwistige hand aan hem werden verspild, bepaalden zich sedert +lang reeds tot niet meer dan een gedachteloos aaien, een strijken over +zijn kop of rug, als had de hand, die het deed, slechts werktuiglijk +een oude gewoonte gevolgd. + +Een mand met een stuk karpet, in den kelder geplaatst, diende hem nu +des nachts tot legerstede, en hij, die vroeger sybaritisch in Maries +schoot of op de knieën van Frits zijn siësta hield, moest zich thans +tevredenstellen met den schoot en den vettigen bonten boezelaar van +Jaantje, die niet langer zijn aartsvijandin was. + +Het ongeluk had hen samengebracht, beproeving en smart hen tot +vrienden gemaakt. + +Hoe dat gekomen was? Eenvoudig zóó! + +Enkele dagen na Bijou’s verbanning naar ’t sousterrain had de +brievenbesteller onder etenstijd een ongefrankeerden brief gebracht +van Tienus, die sedert ruim een maand naar een ander garnizoen was +overgeplaatst. Jaantje betaalde met vreugd de tien cents porto, want +haar liefdevol hart klopte teeder en warm, toen zij het adres had +gelezen; en zonder verwijl opende zij het couvert om aan de +keukentafel zittend, tusschen een restant kalfsgehakt en een bord met +bloemkool, waarvan ze enkele minuten geleden nog met smaak iets had +genuttigd, de hartsgeheimen en de ontboezemingen van haar getrouwen +cavalerist te lezen. „’t Volk” zat nog aan ’t dessert, en daarom had +ze tijd genoeg, vóórdat er gescheld werd om af te nemen. + +Toen zij den brief had geopend en ontvouwde, viel er iets uit en in de +bloemkoolsaus. ’t Was een portret,—haar eigen beeltenis. Zij had nog +vijf gelijke en gelijkvormige in voorraad van ’t half dozijn, dat de +photograaf had vervaardigd ter eere van Tienus. + +Ze schrikte, vischte het kaartje met duim en vinger uit de saus, zei: +„Jaan, wat gebeurt je nou” en likte met kloppend hart „haar beeltenis” +haastig af. + +Wat moest dat beteekenen? Zij begon over haar geheele lichaam te +beven; de zenuwen werden haar de baas, zoo zelfs, dat ze een oogenblik +niets hoorde of zag. + +Bijou maakte dadelijk van Jaantjes verwarring gebruik; hij sprong op +een stoel, daarna op tafel en bespaarde in minder dan geen tijd der +keukenmeid de moeite, haar gehakt op te eten; vervolgens ontfermde hij +zich over de bloemkool, en eerst toen hij „niet meer kon”, bleef hij +tegenover Jaantje, die met door tranen verduisterde oogen op Tienus’ +brief zat te staren, zitten en sloeg met zijn staart een zachten +roffel op de tafel, als kwispelde hij zichzelf een „bravo” toe over ’t +volvoerd boevenstuk. Terwijl hij zijn zwarten snoet welbehaaglijk +aflikte, keek hij met schuins gehouden kop belangstellend naar zijn +overbuur, alsof hij zeggen wilde: „Wat mankeert jou?” + +Wat haar mankeerde?—Alles!—Zij had den brief gelezen en haar minnend +hart was op ’t punt van te breken; hevig zwoegde onder ’t opgespelde +eva’tje de eerlijke boezem, waarop Tienus’ hoofd in een doublé +medaillon nog altijd schommelde. + +’t Rood van Jaantjes wangen was van glimmend karmijn eensklaps tot +bleekgrijs steenrood overgegaan en aan haar wimpers parelden dikke +druppels, die afwisselend langs den tip van haar neus en over de +heuvelen harer wangen afvloeiden. Zij herlas Tienus’ schrijven +langzaam, bij ieder woord ophoudend om te zuchten of te snikken. + +Bijou keek haar meelijdend aan en krabde met zijn rechterachterpoot +zijn oor, als wilde hij zeggen: „Jaan! Jaan! dat is een ijselijkheid +voor je.” Toen kwam hij nader, legde zijn poot op haar arm en keek +onbescheiden mee in den brief.—„Mejuvfrou”, schreef Tienus. Ach! dat +ééne woord had onmiddellijk aan de arme Jaantje _alles_ gezegd; +vroeger schreef hij immers: „Zwaar beminde Jaan,” en nu: „Mejuvfrou.” +O! ’t was verschrikkelijk, verpletterend! Vooral de verdere inhoud van +den epistel gaf haar den genadeslag. + + „Hierbij U petret in Dank terug, U gouwe Dasspeld en de + Sarrifarie aan mijn kettink zel ik maar als gedagtenis + bewaare. Het zal Uw wel speiten, als dat ik uw nu schrijft, + dat van trouwe Voorshans geen sprake zijn ken, overwegens ik + heeft overgeteekent voor den Oost, bij de Artlerie en + vermits wij Zirka twee jaar met genoeglijkheit samen heeft + verkeerd zoo ken ik niet nalaate om uw Voorspoet en Geluk te + wensen, allerwegens, Zoo verblijf ik uw Dwillege vrient + + vroeger u minnaar + MARTINUS PLUIT. + + P.S. hartelijke Groetenis!” + +Toen de diepgetroffen keukenmeid den brief nogmaals doorgelezen had, +veegde zij met haar hand, die nog min of meer zwart was van ’t +fornuis, langs wangen, neus en oogen, zich zelve tatouëerend zonder +dat ze ’t wist, pakte eensklaps den naast haar zittenden Bijou bij +zijn kop, drukte haar lippen tegen zijn verwilderde gele haren en +snikte: „Ja, stom dier, jij hadt toch wel gelijk, toen je dien Judas +naar z’n beenen vloogt. Ja! kom jij maar hier, stakker; jij zit nou +ook in de serijbel; jij bent een goed beest, maar hij is een valsche +hond; voor mijn part vreten ze ’m derekt op in den Oost—zoo’n Judas! +Verleden week stuurde ik ’m nog een guldens postwissel.” + +Van af dien gedenkwaardigen middag waren Bijou en Jaantje trouwe +bondgenooten, onafscheidelijke kameraads. + + +VI. + +’t Doopmaal was allergezelligst geweest; een klein, maar uitgelezen +gezelschap had aan den rijk voorzienen disch alle eer bewezen en +gedurende het dessert was de jongeheer Straling als een rooskleurige +„bonbon” in een wolk van witte kant, op een sierlijk kussen, door de +deftig in zwarte zijde gehulde baker aan de gasten vertoond. Men had +op zijn wangetjes getikt, onder zijn kinnetje „kiele kiele!” gedaan en +op zijn klein neusje met den vinger heen en weer gewiegeld, totdat het +hem begon te vervelen en hij een keel opzette, die een der gasten tot +de opmerking verleidde: „’n Stem als een klok, hoor!” en den dominee, +die de eer had genoten hem te doopen de deftige woorden ontlokte: „’t +Ventje heeft zich van morgen in de kerk uitmuntend gedragen; we kunnen +hem dus nu zijn protesteeren van harte vergeven.” + +„Wat ’n wonder!” riep oom Harmsen, die zijn glas Champagne noch vol, +noch ledig liet staan, „’t wurm sliep als een marmot; jammer genoeg, +want je hebt ’m hartelijk toegesproken, dominee.” En toen de predikant +min of meer zuurzoet, maar toch statig glimlachend antwoordde: +„Gezegend zij die slapen kunnen als de kinderkens.” voegde de joviale +zeeman er bij: „Ja, tusschenbeide is zoo’n tukkie in de kerk niet +onlekker.—Maar gekheid op een stokje, dominee, ik kan wel niet tegen +je optornen wat de welbespraaktheid betreft, maar ik wou toch wel een +paar woorden zeggen, om mijn neef Frits en zijn dot van ’n wijf—Marie, +dat ’s een lijntje à part met jou, hoor! Daar ga je!” hij dronk even +een glas Moët—„hartelijk te feliciteeren. ’t Heeft wel vijf jaren +geduurd, eer jelui dat knaapje van stapel lieten loopen, maar ’t ziet +er van voren en van achteren goed uit, en daarom: Lang zal het leven! +Nu er eenmaal een begin is, zul je zien, dat er geen ophouden aan is. +Frits!—Marie!” + +Oom nam zijn glas op en boog zich over de tafel, om met de jonge +ouders te klinken. + +„Nou zachtjes aan, hoor jongens! dan breekt het lijntje niet; één voor +één asjeblieft en geen filipientjes er bij. Leve de stamhouder, Hiep, +Hiep! Hoera!” + + * * * * * + +„Hoor ze daarboven ereis aangaan! Wat ’n herrie om zoo’n wurm!—Dat +mensch met die zwarte samaar an, maakt er alleenig nog een goed +slaatje uit en ik blijf nuchter van de fooien,” pruttelde Jaantje, die +in de keuken met Bijou op haar schoot bij de tafel zat. Onverschillig +staarde zij op een bord met een stuk taart en tevergeefs vonkte een +glas Champagne haar verleidelijk toe. Zij had geen sjenie in taart, +zij lustte geen „sampanje”, want in haar ziel was ’t nacht, +stikdonkere nacht gebleven, sedert de cavalerist zoo wreedaardig haar +hart had gebroken. + +Met zachte hand liefkoosde zij Bijou en sprak: „Jou kunnen ze nou ook +missen als kiespijn, arme sukkel!” Met een blik vol weemoedig +verlangen keek de hond naar ’t bord met taart, als dacht hij: „Tienus +had met dat brokje wel raad geweten; voor mij is ’t te groot, maar ’k +zou toch mijn best doen, als ’k mocht.”—„Daar, stumperd, proef maar +eens: ’t is roomtaart,” zuchtte Jaantje, terwijl zij, als raadde zij +Bijou’s verlangen, hem een stukje van ’t gebak vereerde. + +Haar gramschap over Tienus’ ontrouw had zich langzamerhand opgelost in +een stil, maar hartverterend verdriet, in een weemoedig herdenken aan +die tijden van Olim, waarin haar ’t kletteren van sporen en zwaard als +muziek in de ooren had geklonken. Zij kon de cavalerie nog maar niet +vergeten, hoeveel moeite ze daar ook toe deed, hoeveel eerlijk +gemeende pogingen zij ook aanwendde. + +Toch was er voor haar eenig licht gekomen in de zwarte duisternis van +haar gemoed, want sedert het 6e regiment infanterie de plaats van de +dragonders had ingenomen, was des avonds tusschen licht en donker aan +de deur van het onderhuis een „ko’praal” verschenen, die aan „juffrouw +Jaantje” met militair salut had verkondigd, dat zij, door een kennis, +aan hem „gerikmedeerd was als een geschikt meissie voor ’n milletèr.” + +„’t Is in ’t geheel geen onknap persoon,—is ’t wel Besjoe?—maar ’n +piot—daar kan ik zoo in eens niet toe besluiten,” zei de gevoelige +keukenmeid tegen haar bondgenoot, die in haar kuischen schoot +knipoogend zijn verloren Paradijs weinig scheen te betreuren en +behaaglijk geeuwend de tong tegen haar uitstak, toen ze ’t woord tot +hem richtte. + +„’k Zal ’m nog maar geen uitsluitsel geven en wij zullen maar bij +mekaar blijven, hé stom dier! En als ik t’avond of te morgen +verhuis,—want ’t wordt me hier veelste druk met dien +schreeuwleelijk,—dan ga jij met Jaantje mee, arme stakkerd.” In een +aanval van teederheid greep zij een van Bijou’s voorpooten en drukte +dien als ware ’t een vriendenhand. + +De hond jankte even en trok zijn pootje terug, een beweging die zijn +vriendin deed zeggen: „’t Is zonde, da’s waar ook, je heit een zeeren +poot, en dat is notabene de schuld van je eigen baas: hij most z’n +eigen schamen om jou zoo te schoppen. Kom hier, m’n beessie, ik zal je +ereis wrijven; dan wordt ’t beter.—Zóó, m’n hondje, zóó! Dat doet je +goed, hé?” + +Was dàt waar? Had Frits zich zoover kunnen vergeten om zijn vroegeren +lieveling wreedaardig een schop te geven? + +Ja! en de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat Bijou die kastijding +had verdiend. + +Waarschijnlijk was het den banneling opgevallen, dat hij zijn +achteruitzetting niet geheel en al aan zijn uitspattingen te danken +had, maar dat er zich iemand tusschen hem en zijn pleegouders had +weten in te dringen, aan wien hij het te danken had, dat hij nu +letterlijk als een hond werd behandeld. Hij zou geen rechtschapen dier +zijn geweest, wanneer hij niet tot elken prijs daarvan de zekerheid +had zoeken te erlangen. In een onbewaakt oogenblik had hij het +sousterrain verlaten en een verkenningstocht naar zijn vroeger rijk +ondernomen. + +Onbemerkt naderde hij tot aan de huiskamer; op den drempel bleef hij +staan en stak zijn kop nieuwsgierig om ’t hoekje van de deur. + +Wat hij dáár aanschouwde, was meer dan voldoende om zijn toorn gaande +te maken. + +Daar zat „de vrouw,” stralend van geluk, blozend van gezondheid in den +fauteuil, waarvan hij de zachte zitting maar al te goed kende; en op +zijn plaats, in haar schoot spartelde een klein rooskleurig wezen, +dat zij met een blik vol innige teederheid beschouwde en liefkoozend +toesprak. + +Dat was te veel, te tergend; met één sprong was hij in de kamer. Een +kort, scherp, droog blaffen ontsnapte hem eer hij ’t zelf wist, en met +een toornigen gloed in zijn donkere oogen trachtte hij tegen dien +verraderlijken schoot op te springen om aan het kleine wezen, dat hem +ongelukkig maakte, zijn blikkerende tanden te toonen en hem kort en +vinnig toe te blaffen: „Jij was ’t dus, jij! Om jou ben ik +verstooten.” + +„Marie! Marie! pas op dien hond: hij is jaloersch; hou ’t kind weg!” +riep Frits, die tegenover zijn vrouwtje zat, en haastig opstaande, +diende hij Bijou een schop toe, die hem hinkend en jankend, in aller +ijl de kamer deed verlaten. + +Jaloersch! ja, helsch jaloersch was Bijou; hij kon het kleine kind +niet zetten, en zoodra het toevallig op moeders arm in zijn nabijheid +kwam, gromde en blafte hij of liet de tanden zien. + +„Als ’t niet mogelijk is om dien hond uit de kamers te houden, moet +hij weg, de deur uit,” bromde Frits tegen Jaantje, die als goede +kameraad voor Bijou partij trok door te zeggen: „Dat kan uwes geen +meenens wezen, meheer; ’t stomme dier heit er toch geen part of deel +an, dat er ’n kleintje gekommen is.” Die logische opmerking ontwapende +Frits’ gramschap en behoedde Bijou voor ’t wegjagen. + +De keukenmeid, die met de werkster niet meer over Tienus sprak, omdat +zij eens gezegd had: „’t is de peine nog al waard om over zoo’n +paarderijer zoo te kremieten”, hechtte zich uit verfijnd egoïsme hoe +langer hoe meer aan den kleinen hond, die dankbaar was voor de +beentjes en het brood dat Jaantje hem verstrekte. Soms nam zij hem des +avonds, als ze „uit ’r werk was”, op den schoot en kamde hem met haar +eigen kam, omdat „’t beessie er zóó boschduvelig uitzag, dat ’t +rejeel schande was voor ’n deftig huis”; en terwijl ze zijn geele +haren ontwarde, dacht ze aan den rossigen knevel van Tienus, en +zuchtend vertelde ze aan Bijou van die „ondankbare honden van +cavalleristen”. Dan leefde zij in de bitterzoete herinnering aan ’t +geen Tienus eenmaal voor haar was, en overlegde in de binnenkameren +van haar hart, of de infanterie wel ooit geheel in staat zou zijn om +haar droefheid te lenigen. + +Slechts korten tijd mocht de arme hond zich nog in Jaantjes +bescherming verheugen; een nieuwe, zware beproeving wachtte hem. + +Bijna zes maanden lang was zijn vriendin treurend gebleven, maar de +tijd heelt met zijn kalme, genezende hand zelfs de diepste +hartewonden, vooral wanneer hij een helper vindt in langzaam +ontluikende nieuwe sympathieën, waartoe door een beminnend individu de +eerste kiem met geduld is gelegd. + +Een kaartlegster had eenmaal aan Jaantje uit hartenboer, vereenigd met +ruiten zeven en klaveren heer, voorspeld, „dat zij zooveul als een +voorbeschikking had om in ’t Milletère verkeering te hebben.” De +sybille had goed gezien, want na zes maanden van leed en droefheid +rukte de infanterie, die haar met ijzeren volharding was blijven +belegeren, triomfantelijk binnen de bolwerken van haar boezem en +bezette dáár het vroegere kwartier van de cavalerie. + +Nu heette hij Janus, was donker van uitzicht, tenger van postuur en +„ko’praal bij ’t 6e.” + +Hoewel minder zwaar van bouw en niet zoo krijgshaftig van uiterlijk +als Tienus, bleek hij toch evengoed te kunnen beminnen en ontwikkelde +hij een eetlust, welke, fabelachtig groot, dien van zijn voorganger +verre overtrof. + +Bijou beschouwde, van den dag af dat „de ko’praal” zijn eerste kliek +aan Jaantjes zijde verorberde, zich als zijn vriend, sprong wellevend +tegen de infanterie-pantalon op en likte zelfs het zijdgeweer des +krijgers. Helaas! zijn toenadering werd niet gewaardeerd. Janus +onthaalde hem op een „allo vort!” en verklaarde, al kauwend, aan zijn +uitverkorene, „dat hij ’t zuur ân honden had.” + +Opnieuw had de arme Bijou gelegenheid om kennis te maken met ’t +egoïsme van den mensch, want met den dag verkoelde Jaantjes +genegenheid en al naarmate haar liefde voor „den ko’praal” grooter +werd, verminderde haar vriendschap voor den armen Bijou, die +eindelijk, treurig en alleen, soms dagen achtereen, in ’t sousterrain +ronddoolde. Zijn mand met ’t stuk karpet zag hij niet meer; hij sliep +dus afwisselend in den turfbak, den kolenemmer of achter ’t fornuis, +en soms wentelde hij zich grimmig in ’t kolengruis, als wilde hij zich +in den rouw steken over zijn eigen verval. Zijn eten?—Hij stal het. O! +’t was ver, zeer ver met hem gekomen! + +Soms waagde hij zich tersluiks een oogenblik naar boven om als een +Peri aan de poorten van ’t paradijs nog eens die verloren heerlijkheid +te aanschouwen. Dan keek hij met sprekende blikken naar binnen, als +wilde hij vragen: „Ontferm u over mij, heb medelijden; ik was toch +ééns uw lieveling. Wanneer zal de tijd mijner beproeving voorbij +zijn?” + + * * * * * + +Het had er inderdaad iets van alsof die tijd van beproeving voor Bijou +tot in eeuwigheid zou verlengd worden, want zijn plaatsvervanger werd +hoe langer hoe grooter en begon reeds op handen en voeten over de +vloerkleeden te kruipen, zoodat zelfs de hond schik kreeg in het +kleine menschje, dat hem—den viervoeter—zoo natuurlijk nabootste en nu +en dan, op zijn beide handjes steunend, het hoofdje ophief en tegen +Mama lachend: „Ma-Ma,” stamelde. + +Bijou zou ongetwijfeld naar binnen zijn geloopen om, alle jaloezie en +afgunst vergetend, met den kleinen jongen te gaan stoeien, indien de +herinnering aan Frits’ bottine hem niet had teruggehouden; daarom +bepaalde hij er zich toe om van uit de verte toe te zien en van tijd +tot tijd, als niemand op hem lette, zijn voorpooten en kop vooruit te +brengen, heel zachtjes even blaffend een korten sprong voorwaarts te +doen en dan ijlings weer achteruit te springen, in de hoop dat de +jonge wereldburger hem zou zien en den eersten stap tot verzoening en +toenadering doen. + +Eenige maanden verliepen, zonder dat er verandering in Bijou’s lot +kwam; verstooten en verwaarloosd sleepte hij zijn leven voort, totdat +een onverwachte gebeurtenis verandering in zijn toestand bracht. + +Op een namiddag was oom Harmsen even komen kijken hoe zijn peetekindje +het maakte, en de goede man verheugde zich met „Mama” over de +omstandigheid, dat de stamhouder aanhoudend pogingen deed om „het +staan”, dat hij al sedert lang verstond, in loopen te veranderen. + +„Potdori, Marie! daar steekt hij waarachtig van wal. Hou je roer +recht, jongen! Ferm zoo! toe maar! Zorg dat je koers houdt,” riep +vroolijk lachend de oude zeekapitein, toen hij zag, dat ’t jonge +mensch zijn standplaats bij den fauteuil verliet en naar Marie, die +van de canapé haar armen naar hem uitstrekte, kwam toewaggelen. + +„Hij is er! Dat’s ’n kerel als Cats.—Marie, ik feliciteer je.” + +„Dank u, oom! Kom, beste jongen, nu nog eens geprobeerd. Nu naar oom; +toe dan!” + +„Komaan maat, zeil maar voor ’t lapje weg,” riep oom en stak de handen +uit. + +„Waf!—waf! waf!” Bijou, die aan de deur had staan, kijken, kon ’t nu +niet langer uithouden; hij wilde meedoen aan dat spelletje, dat hem +zoo aardig toescheen, ’t kostte dan wat het kostte! En hij stormde +eensklaps naar binnen. + +Blaffend sprong hij tegen den kleinen man op, en deze, tegen dien +schok nog niet bestand, wankelde, verloor zijn evenwicht, viel op den +grond en rolde over Bijou heen. + +„O God! oom! Gauw! gauw! Die hond is zoo jaloersch. Akiss! vort! Hij +zal ’t kind kwaad doen,” gilde Marie haastig opspringend. + +„Da!—da!” riep de kleine lachend, en in ’t minst niet verschrikt of +angstig greep hij Bijou bij den kop en drukte zijn eigen blond +krullebolletje tegen de vuilgele met kolenstof bezoedelde haren van +den hond, die uit alle macht de wangen van Straling junior likte. + +„Wat praat je van jaloersch? Er is geen kwaad aan boord bij dien hond, +hoor! Kijk maar, ze zijn al dikke vrinden; ’n verduiveld aardig +gezicht om die twee daar met mekaar te zien rollebollen. Kijk dien +kleinen rakker hem eens in z’n wammes nemen. Nou, ’t is een lobbes van +’n hond, wat ik je zeg! Die doet je jongen waarachtig geen kwaad; laat +ze maar gerust met mekaar spelen.—Toe dan, Bijou, hou je goed,—pak +ze.—Ha! ha! daar duikelt hij waarachtig over z’n kop,” riep oom +Harmsen, die schik had in de evolutiën van hond en petekind en lachend +voegde hij er bij: „Maar als ik je een raad schuldig mag wezen, laat +’t mormel dan eerst eens wasschen.” + +„Neen, maar oom! nu wordt het heusch te erg, hij zal ’t kind +bezeeren”, riep de jonge moeder, die toch nog met een zekere angst in +’t hart toekeek en nu verschillende pogingen deed om Bijou en ’t kind +te scheiden. + +„Allo! marsch jij, vort! Toe oom, help me dan toch eens. Vort, +Bijou!—Ze laten elkaar niet los.—Oom, kom dan toch?” + +„Waarom? Laat ze maar begaan.” + +„Toe, ventje, kom jij maar weer bij Mama—’t is nu genoeg”—zei Marie, +en trachtte den kleinen man op haar schoot te tillen. + +Maar neen!—de jongeheer had er nog niet „genoeg” van, hij zette een +keel op, spartelde met handen en voeten tegen, en de hond sprong zoo +vriendelijk kwispelstaartend om haar heen, dat zij eindelijk wel +toegeven moest en de twee speelmakkers met een: „Nu, ga dan in +Godsnaam jelui gang maar”, te zamen op den grond zette. + +Juist kwam Frits binnen, en toen hij daar vóór zich op ’t vloerkleed +dat aardige groepje zag en Marie met Oom zoo hartelijk hoorde lachen +om de zonderlinge geluiden, die het stoeiend tweetal voortbracht, riep +hij vroolijk: „Zoo is ’t goed. Toe maar, jongens!—Marie, wat dunkt je: +zullen wij den vriend van onzen zoon maar niet weer in genade +aannemen?” + + * * * * * + +Een paar weken later zat Bijou, netjes geschoren en gewasschen, deftig +op zijn oude plaats in het salon en zag oplettend naar zijn vriend, +die op Mama’s schoot in Zondagstenue werd gestoken; maar intusschen +zei Jaantje tot den infanterist, die na kerktijd even was komen +aanwippen en in de keuken front maakte voor een restant vleesch, +groente en aardappelen, dat de liefde hem opgewarmd als lunch aanbood: +„Janus, ik ga verhuizen; ’t is hier reëel in huis niet meer uit te +houwen, want nou heb ik twee mormels te bedienen in plaats van één. ’t +Volk lijkt wel gek daarboven: verbeeld je, ’s middags zitten Besjoe en +’t kind ieder op een stoel aan tafel tusschen de ouwe lui in! Zoo ies +kan geen fatsoenlijke meid verdragen!” + + + + +HENRI DE SNOEPER. + + + + +HENRI DE SNOEPER. + + +AMSTERDAMSCH TYPE. + +Hij is sedert lang overleden en van den arme begraven,—vrede zij zijne +assche!—maar velen zullen zeker, met mij, zich nog herinneren, dat „de +Snoeper” lang Amstels straten liep, als de schaduw van een man, die ’t +eenmaal beter had gehad. Menigeen, die dit stukje leest, zal +ongetwijfeld met een glimlach terugdenken aan den tijd, toen „Henri” +den spotlust der straatjeugd opwekte en, als een halve idioot +voortsukkelend, altijd aan den huizenkant der grachten liep, nu en dan +stilstaande om de kwajongens, die hem het hatelijke woord „meheer +kauwbeen” of „snoeper” nariepen, met zijn stok te dreigen en bevend +van kwaadheid te roepen: „Kwède jongens, indien ge mij nog lènger +insoleert, zèl ik ’n ègent hèlen!” + +Ik zie hem nog duidelijk voor mij. Een klein, verdroogd mannetje met +een tanig, verschrompeld gezicht zonder noemenswaarde uitdrukking. De +sterk gebogen neus, die in breede beweeglijke vleugels uitliep, hing +als ’t ware boven een ingevallen mond, waarin hier en daar zwarte +stompjes tand, als de overblijfselen van roofsloten aan een meer, +zichtbaar waren. Zijn dunne bloedelooze onderlip vereenigde zich met +de lange, vooruitstekende, spitse kin, die, min of meer naar boven +geheven, met den krommen neus iets havikachtigs aan het geheele +profiel gaf. Enkele spaarzaam ingeplante haartjes deden pogingen om op +de naar achteren getrokken bovenlip een knevel voor te stellen en +ettelijke grauwwitte stoppels aan kin en wangen trachtten het +menschdom te doen gelooven, dat Henri een baard had kunnen krijgen, +wanneer de grillige natuur dien niet in zijn wasdom had gestoord. + +Zoolang de man zijn ouden, slaprandigen en gedeukten hoogen hoed, die +gewoonlijk met een rossigen rouwband was omgeven, ophield, bleef men +in den waan, dat hij nog hoofdhaar bezat; maar zoodra hij dat +hoofddeksel afnam, verdween die illusie en ontwaarde men een min of +meer onzindelijk, biljartbalachtig hoofd, dat van achteren en aan de +slapen zeer sporadisch voorkomende, kort afgebroken, grauwe haartjes +vertoonde. Wenkbrauwen had hij eenmaal bezeten, en zijn oogen—wanneer +men de glanslooze, groezelige, met bloed doorloopen weeke massa, die +de haarlooze en roodgerande openingen vulde, zóó kan noemen—waren +steeds half dichtgeknepen, als schuwden zij het licht, en met moeite +onderscheidde men een paar matte, bijna geheel met een grijsachtig +vlies bedekte oogappels, die onomstootelijk bewezen, dat „de Snoeper” +zeer slecht van gezicht was. + +Een dunne, gevaarlijk dunne, hals verbond het min of meer te groote +hoofd aan een lichaam, dat kegelvormig, schier zonder schouders +eindigde in een paar kromgetrokken beentjes, rustende op twee +damesvoetjes, met in staat van ontbinding verkeerende bottines +bekleed, of in schoenen gestoken, die bij iederen tred dreigden uiteen +te vallen. Zijn kleeding was „shabby genteel” in de vijfde macht en +bestond ’s zomers uit twee, ’s winters uit een drietal jassen zoodanig +over elkander aangetrokken, dat de ondereinden, de panden, +amphitheatersgewijs zichtbaar waren en rafelend bewezen, dat zelfs +goed laken of andere beste stoffen den tand des tijds niet kunnen +weerstaan. Met een minimum van knoopen werden die jassen dichtgehouden +over een vest dat.... Neen! laat ik over dat vest liever zwijgen; ’t +was rijp voor den papiermolen. + +Een pantalon, aan de ondereinden omgeslagen, omdat de kleermaker die +eenmaal voor langere en meer gevulde beenen aanmat, fladderde als ’t +ware om de dunne loopzuilen van den Snoeper, die, met een sterken knik +in de knieën loopend, zich door de hulp van een scherp gepunt stokje +in evenwicht hield, zoodra ’t glad was of glibberig op straat. Iets +was er echter aan den man, dat hem bepaald behalve „shabby” ook +„genteel” maakte, en dat iets was een tamelijk zindelijk halfhemdje en +een boordje, dat met een vrij helder blauw, rood of groen dasje zijn +sterk naar voren komenden adamsappel en pijpesteelachtigen hals +omsloot. Wáár hij dat halfhemdje telkens weer deed wasschen, stijven +en strijken, zal wel altijd een raadsel blijven, evenzeer als ’t nog +steeds in ’t duister ligt van waar hij de steeds min of meer witte +manchetten kreeg, die zijn polsen omgaven en sterk afstaken tegen de +glacé-handschoenen die hij droeg, winter en zomer. + +Die handschoenen bleken op zichzelf een studie waard; zonder twijfel +waren ze niet van ’t nummer, dat hij had moeten dragen, want meestal +zagen ze om zijn handen er uit als de opperhuid van een tachtigjarige +negerin. Hij versmaadde alle knoopjes en schalks keken zijn +vingertoppen door ’t leder, terwijl zij nagels, die in diepen rouw +waren over ’t verval van hun eigenaar, lieten zien. Afwisselend waren +die handschoenen bruin, chamoiskleurig of zwart; soms zelfs droeg hij +links een zwarten, rechts een bruinen of gelen Jouvin; daarop lette +hij niet zoo heel nauwkeurig; misschien ook speelde hem zijn slecht +gezicht daarbij een part. + +Het stokje, dat hem trouw vergezelde, was evenzeer een curiositeit, +want ’t had voorheen in een parapluie dienst gedaan en was op de +behoorlijke lengte gebracht door een timmerman aan wien Henri—hij zag +hem op straat aan een schaafbank werken—gevraagd had: „Och! vrind, zèg +me eens twee centimeters vèn dit stokje èf.” Een vriendelijke +blikslager had het stokje van een ijzeren punt voorzien, doch verzuimd +de verraderlijke knipveertjes, onder en boven, te verwijderen. Met een +zekere „chic” droeg hij bij goed weder dat stokje onder den arm of +over den schouder, soms draaide hij het zwierig rond, terwijl hij op +zijn langzaam sukkeldrafje verder liep; in ’t barre jaargetij +gebruikte hij het als balanceerstok. + +Gemeenlijk gluurde uit zijn borstzak een wit of rood tipje, dat +daarbinnen een zakdoek deed vermoeden, en als het lente was of zomer +werd, stak naast dien zak, in het verminkte knoopsgat, iets geels of +iets groens,—waarschijnlijk het lijk van een lang verloren kind van +Flora, dat hij gevonden had. + +In zijn bewegingen was hij langzaam, afgemeten en deftig; nooit +versnelde hij zijn pas, zelfs dan niet, wanneer de straatjeugd hem het +leven zuur maakte en „meheer kauwbeen!” riep. + +Met de grandezza van een Castiliaanschen Hidalgo en stoïcijnsch als +een Spartaan vervolgde hij zijn weg, zonder zich om de verschillende +epitheta, die men hem nariep, te bekommeren. Maar trof hem het een of +andere projectiel, dan ontwaakte zijn gevoel van eigenwaarde, en +bovenal wanneer dit werptuig een hippologisch spoor op zijn jas of +hoed achterliet, keerde hij zich, met zijn stokje dreigend, om en +riep, inwendig ziedend van toorn, niet zonder eenig valsch pathos: +„Kwède jongens,” „insolente jongens”, of „onbeschèmd rèpèlje!” + +Zijn stem klonk min of meer heesch en rauw als van iemand, die ’s +avonds van te voren veel Chambertin heeft gedronken of lichtelijk +verkouden is; daarbij was zijn uitspraak beschaafd, zelfs eenigszins +geaffecteerd, ietwat „Hègsch.” Meestal volgde bij de jeugd een +uitbarsting van hilariteit op zijn woorden en ging er een gejuich op, +dat hem schouderophalend deed zeggen: „Onbeschèfd en dom tuig! Dèr is +niets vèn te wèchten.” Hoofdschuddend vervolgde hij dan zijn weg. + +Waarvan hij leefde? + +Weinig menschen wisten het; men geloofde, dat hij bedelde, maar dàt +was zoo niet; misschien zou hij niet te trotsch zijn geweest om van +deze of gene medelijdende ziel iets aan te nemen, maar hij vroeg nooit +en aan niemand. + +Hij leefde van zijn vroegere vrienden, die—gedachtig aan de dagen van +Olim, toen zij, met hem, op de met alle comfort ingerichte kamers, die +hij „en garçon” bewoonde, gastreerden—hem wekelijks een kleine toelaag +gaven. + +Wanneer de arme man geen „passies” had gehad, zou die toelaag, met +eenige bijverdiensten, die hij als welopgevoed man door schrijfwerk of +iets dergelijks zeker had kunnen vinden, hem voor gebrek hebben behoed +niet alleen, maar zelfs een bescheiden stuk brood hebben verschaft. +Helaas! hij had wèl passies, de ongelukkige,—en die hartstochten +waren: _beminnen_ en _smullen_. + +Toen hij nog „le beau petit Henri” en „in bonis” was, had hij veel +liefgehad, maar altijd op een nette, kranige manier. Als een +veroveraar was hij rondgegaan en had zijn zegekar triomfantelijk +gereden, totdat hij moede van ’t overwinnen zich rust had gegund bij +een vriendin, die hem, naar hij beweerde, op de handen droeg, maar die +hem zonder twijfel op diezelfde poezele handjes naar de Ommerschans +of Veenhuizen zou hebben gebracht, indien zij niet een weinig te vroeg +gestorven was, hem niets nalatende dan eenige onbetaalde rekeningen en +een lichte aandoening van ’t ruggemerg, die hem beverig en +schrikachtig maakte. Die goede vriendin had hem na aan ’t hart +gelegen, zóó na, dat hij bijna ontroostbaar was en alles aanwendde om +verstrooiing te vinden voor zijn sombere gedachten. Eindelijk gelukte +hem dit in ’t gezelschap van eenige dames, die de lieve overledene +hadden gekend en vriendelijk haar best deden om door liefde en +toegenegenheid Henri zijn bitter leed te doen vergeten. Hij werd +minder somber, zelfs vroolijk, soupeerde, dineerde en adoreerde +evenals vroeger; en hadden niet nu en dan zijn maag en rug hem +gehinderd, hij zou geheel en al weer de oude zijn geworden. + +Uit vermogende ouders geboren, opgevoed—neen! juist niet opgevoed, +maar verwend—door een al te toegevende, dwaze moeder, die vroeg weduwe +werd, had hij al de weelde leeren kennen, die een rijk patriciër zich +kan en mag veroorloven. Vóór den tijd meerderjarig verklaard, na +moeders dood, en in ’t bezit gekomen van een vrij goed fortuin, was +hij door goede vrienden, zoowel als door lieve vriendinnen, die +volgens eigen zeggen „trotsch op hem waren”, geworden hetgeen hij was: +een doeniet, een „noceur” die nimmer één enkelen cent had weten te +verdienen, maar met chic wist uit te geven en uitgaf, totdat zijn +passiva de activa verre overtroffen. + +„En privé!” zoo geheel „onder onsjes” was Henri toen „over den kop +gegaan”; zonder veel drukte of omhaal werd alles netjes en vlot +beredderd, en toen hij „schoongemaakt” was, zooals de vrienden zeiden, +bleef hem niets over dan zijn bed, zijn garderobe en—zijn passies! + +De vrienden waren in die omstandigheden hartelijk genoeg geweest; ze +hadden hem van alles beloofd—en waren toen hun eigen weg gegaan, en +zijn vriendinnen schreiden en klaagden, totdat zij met een hartelijken +kus van innige deelneming hem verlieten. Zij konden zijn verval niet +met droge oogen aanzien: daarvoor waren zij veel te zenuwachtig en te +gevoelig georganiseerd. + +„Pauvre petit Henri!” zei de laatste, die met hem had gesoupeerd. +„Pauvre garçon, probablement nous ne nous reverrons jamais!” Zij sprak +slechts Fransch—die lieve dame, maar zij meende het daarom even goed. + +Henri zag haar zuchtend na; hij had altijd fijne vriendinnen gehad, +die Fransch spraken, een „pâté aux truffes de Périgord” wisten te +waardeeren en op een prik het onderscheid proefden tusschen Volnay en +Château du Pape. Nu vreesde hij, dat hij die conversatie zou moeten +opgeven. + +Van zijn vrienden hoorde of zag hij weinig; allen hadden, de een meer, +de ander minder, hun handen vol met allerlei zaken, die al hun tijd in +beslag namen. Enkelen waren getrouwd en verzekerden hem met tranen in +de stem, dat zij hem „gaarne, o! zoo gaarne bij zich aan huis zouden +ontvangen om van tijd tot tijd door een familiaar diner, zijn soupers, +diners en soirées van vroeger te réciproceeren, maar ... hum!—zij +hoopten niet, dat hij ’t kwalijk zou nemen—hun vrouwen hadden de reuke +van heiligheid, waarin Amice Henri stond, reeds van verre vernomen en +daarom ... hum! hum! ’t Speet hun ijselijk en ’t lag heusch alleen aan +de vrouw, maar .... hum! hum! Als zij hem dus misschien—altijd zonder +hem te beleedigen—konden assisteeren met een tientje of een bankje, +dat hij later kon teruggeven, als ’t hem convenieerde, dan .... hum! +van harte, hoor!—van harte!” + +Henri was een goeie jongen, in ’t geheel niet trotsch; hij voelde zich +in ’t minst niet gekrenkt of beleedigd door dat aanbod; hij zou ’t +immers, zoodra hij een betrekking had, in dank restitueeren en—zonder +blozen deed hij zoo’n tientje of meer in zijn toen nog elegante +portemonnaie verdwijnen. + +Slechts één enkele vriend had hem geen geld, maar een bescheiden +plaats op zijn kantoor aangeboden; ’t salaris was wel is waar niet +groot, maar toch voldoende om van te leven, wanneer hij slechts de +tering naar de nering zette. + +Dat was een uitkomst! De elegante Henri maakte plaats voor den +kantoorbediende? O, neen! het kantoor werd alleen een eleganten +bediende rijk, dat was alles. + +De chefs konden er niet beter „gesoigneerd” en „fijner” uitzien dan +Henri, die met de betrekking en het daaraan verbonden salaris ook zijn +passies—hoewel min of meer gewijzigd—met nieuwe kracht voelde +ontwaken. + +Op het kantoor werd niet veel, bijna niets van zijn werkkracht +gevergd; dat beviel hem zeer; hij was er en deed dus meestal alsof hij +er niet was. + +Men duldde dat, wijl de beschermende vriendenhand, die machtig genoeg +was om het _te kunnen doen_, zich bleef uitstrekken over Henri’s +hoofd, waaromheen de haren langzamerhand de gedaante van een aureool +begonnen aan te nemen. Eenige jaren bleef alles gaan, zooals ’t ging, +totdat de aureool verdween te gelijk met de beschermende hand. + +„Er was niets met dien panier percé aan te vangen”, beweerden de +patroons, en gedachtig aan het „en leid ons niet in verzoeking” +verwijderde men Henri van cassa en lessenaar. Met een „douceur” als +afscheid vertrok hij, onbetreurd en onbemind, niet naar zijn kamers, +maar naar een vriendin, die hem na zijn oorspronkelijke onttroning nu +en dan aanhankelijkheid had getoond. + +Hij nam bij haar zijn intrek. Zij was geen bloem van vreemden bodem, +maar had bij een der Françaises, die Henri vroeger kende, „meheer wel +ereis ontmoet, als zij bij ’t schoonmaken hielp”. Zij was niet jong +meer, ook niet schoon, maar ze had een goed hart en nogal „kennisjes”, +die aan meheer, toen hij nog in goeden doen was, wel eens verplichting +hadden gehad. Hier en daar vond hij nu, als oude bekende, een uurtje +van gezellig verkeer; maar toen ook de douceur, ja zelfs de opbrengst +van zijn garderobe en de weinige kostbaarheden die hij bezat waren +omgezet in liefde, punch en wijn met gebak, bleven zelfs de meest +vervelooze kamerdeuren voor hem gesloten en zocht hij zijn heil op de +straat; ook daar maakte hij soms nog kennissen, maar—ze waren er dan +ook naar. Die kennismakingen op de straat en de avondlucht waren +verderfelijk voor Henri: hij werd er ernstig ziek van en in ’t +gasthuis had hij lang, zeer lang, tijd om na te denken, hoe hij zoover +gekomen was. + +Sedert jaren reeds had hij ’t werkwoord beminnen niet meer in ’t +Fransch, maar in zijn moedertaal vervoegd; de toekomende tijd was er +voor hem reeds geweest en na zijn herstel verdween ook de +voorwaardelijke te gelijk met zijn laatsten cent. + +Lichamelijk en geldelijk had hij afgedaan; alles was op! + +Hij was de ruïne van een mensch: droef en akelig ging zijn zon onder, +voordat ze de volle middaghoogte had bereikt, en de volle maan +bescheen zijn bouwval. + +Kil en koud sloop hij verder door ’t leven. In ’t gewoel der groote +stad in den menschenstroom verdween hij en bleef langen tijd +verscholen—onder water—totdat op zekeren dag bij een van de oude, +gezellige vrienden van vroeger, een mannetje verscheen, dat op de +schaduw geleek van Henri, die allen zoo goed hadden gekend. Als de +doffe echo van een bekende stem, weerkaatsend langs de brokkelende +wanden van een uitgebranden krater, klonk zijn bede om hulp,—om brood! + +Nogmaals ontfermden zich eenige vrienden over den gastheer van +voorheen; zij sloegen de handen ineen en brachten een klein +wekelijksch inkomen tot stand voor Henri—met zijn passie: want één +passie was hem nog trouw gebleven, namelijk „het smullen.” + +„Le beau petit Henri des dames” was in ’t gasthuis en in het +straatvuil overleden,—het Amsterdamsche type „Henri de Snoeper”, alias +„meheer Kauwbeen” was geboren. + + +II. + +„Bonjour, m’nèr!” zegt „de Snoeper”, in een der voornaamste +Amsterdamsche sigarenmagazijnen binnenkomend. + +Met schrik bemerkt de winkelier den van dag tot dag zich onsmakelijker +voordoenden klant, maar goedhartig als hij is en gedachtig aan de +tijden van weleer, toen hij Henri gaarne in zijn winkel zag komen, wil +hij hem niet bot-af de deur wijzen en antwoordt flauwtjes: „Morgen, +m’neer!” maar brengt, te gelijk eenige op de toonbank open uitgestalde +kistjes sigaren in veiligheid, omdat hij bij ervaring weet, dat „de +Snoeper” de gewoonte heeft om in de kistjes te grabbelen, de sigaren +„en fin connaisseur” in de hand te nemen, te bekijken, te beruiken—en +o, die handen......! + +„Èngenèm weer vèndèg”, klinkt het verder uit den mond des bezoekers, +die intusschen zijn gebulten hoed afneemt en voorzichtig nederzet, +terwijl hij zijn stokje er naast legt of tegen den kant der toonbank +doet leunen. + +Medelijdend glimlachend ziet de winkelier zijn bezoeker aan, als deze +zijn glacé-handschoenen uittrekt, ze nonchalant in zijn hoed werpt en +dan, uiterst beleefd, vervolgt: „Ik wenschte wel, dèt u mij eens een +pèr soorten sigèren liet zien vèn zes à ècht cents ’t stuk, mèr met +Hèvènè-dek; ènders kèn ik ze niet rooken, en, èls u ze heeft, tèmelijk +zwèr.” + +Om alle onaangenaamheden te voorkomen biedt de winkelier zijn klant +geen kistjes aan, maar legt hem van verschillende soorten sigaren +eenige stuks voor en wacht. + +Voorzichtig, chic, tusschen duim en wijsvinger, neemt „de Snoeper” +achtereenvolgens van elk de ter keuze gelegde soorten een sigaar, op, +ruikt er aan, tracht met zijn halfblinde oogen de kleur van ’t dekblad +te onderkennen en vraagt: + +„Welken nèm hebben ze?” + +„Flor de Sevilla, Conchas.” + +„Èh jè! connu, die heb ik vroeger ook veel gerookt; die wèren niet +slecht, mèr wèt heel zwèr. En die ènderen?” + +„Cuba es mi Patria.” + +„Uitstekend! Die heb ik èltijd gèrne gerookt; ik zèl dèrvèn een nemen +èls monster.—Zes cent, niet wèr?” + +„Pardon, acht cent!” + +„O! ik wès in den wèn, dèt ze zestig gulden wèren; mèr ’t is zoo, ik +herinner me, ze wèren vèn tèchtig. Ik zèl deze eerst probeeren: +wènneer ze me bevèllen, wil ik er wel meer vèn hebben.” + +De sigaar wordt opgestoken en met een: „Au revoir, m’nèr” zet „de +Snoeper” zijn hoed op, neemt zijn stokje in de hand, slaat er een +trois-quarts-parade mee door de lucht en verlaat den winkel, +medelijdend nagestaard door den winkelier, die hem de sigaar gaarne +had willen schenken uit oude connectie. Hij heeft het zelfs eenmaal +geprobeerd, en toen hij zeide: „Houd het geld maar, u kunt de sigaar +toch wel opsteken”, trots ten antwoord gekregen: „Merci! ik kom èls +klènt, niet èls bedelèr.” + +Sedert dien tijd behandelt hij „de Snoeper”, niettegenstaande diens +afschuwelijk uiterlijk, toch met een zekere medelijdende +onderscheiding. + +Langzaam de sigaar genietend gaat de ongelukkige verder tot aan een +comestibelen-magazijn; ook dáár kent men hem, en de juffrouw stoot +giegelend den winkeljongen aan, als „Kauwbeen” binnenkomt. Ook daar +neemt hij „gentlemanlike” den hoed af, maar zet dien niet op de +toonbank, omdat de patroon hem eens gezegd heeft: „Meneer! de toonbank +is wel eens vettig; ik zou u niet raden uw hoed er op te zetten.” Die +comestibelenhandelaar was een verkapte diplomaat! + +„Geef mij eens een ons gèlèntine aux truffes, mèr wees zoo beleefd het +goed in te wikkelen in pèpier.” Begeerig snuift hij in dat magazijn de +lucht van Fromage de Brie, Emmenthaler, Saucisse de Boulogne, +Ossentong en Salamie op; hij maakt volstrekt geen haast om weg te +komen, zoekt langzaam de twintig centen voor het ons galantine bijeen, +bergt het zorgvuldig in den achterzak van een zijner jassen en trekt +langzaam zijn handschoenen weer aan, die hij had uitgedaan om +gemakkelijker het geld te kunnen tellen—of om tijd te winnen. ’t Is +alsof hij zich aan die mengeling van geuren wil te goed doen; zijn +neusvleugels worden wijder en onbewust opent hij zijn mond een paar +malen, als kon hij door ’t inademen dier vluchtige deelen van kaas en +vleesch verzadigd worden. + +Zijn derde bezoek gold een bakkerswinkel. + +Met den bakker maakt hij weinig omslag; ’t artikel brood is ook te +gewoon. Met den hoed op ’t hoofd, zijn stokje in de hand, koopt hij +twee „pains de luxe”, maar vraagt: „In pèpier, s’il vous plait!” + +De broodjes verdwijnen in een zijner zakken en hij wandelt verder tot +aan een banketwinkel. Ook daar schijnt hij een vaste klant te zijn, +want zoodra de juffrouw zijn nadering bemerkt, schuift zij de schotels +met taartjes en cakes zoo ver mogelijk buiten ’t bereik van den klant, +die zich niet ontziet om ze, vóórdat hij ze koopt, liefkoozend te +bevingeren. + +„Wil u de beleefdheid hebben, mij ’n pèr zèndtèrtjes te geven?” vraagt +hij, na te zijn binnengetreden. + +„Van ’n stuiver ’t stuk?” klinkt het min of meer ondeugend van de +lippen, der juffrouw; zij kent immers zijn stereotiep antwoord: + +„Pèrdon! voor ditmèl mèr vèn ’n hèlven stuiver.” + +Soms veroorlooft hij zich nog de weelde van een roomhorentje of een +confituurtaartje, dat hij o! zoo chic en o! zoo langzaam vóór de +toonbank verorbert, tot ergernis van de juffrouw, die, zooals zij ’t +noemt, haar hart vasthoudt dat er op ’t oogenblik, dat „meheer +Kauwbeen” er is, dames zullen binnenkomen. Hij haast zich volstrekt +niet en praat al etend met de winkeldochter: „Ik heb indertijd +dikwijls vèn die côtelettes en robe de chèmbre hier vèndèn gehèd; dèr +hèd de pètroon bepèld slèg vèn om ze èppètissènt te prépèreeren,” zegt +hij, kruimken voor kruimken kauwend. „Ik woonde toen ter tijd op +kèmers op ’t Rokin; ’t is onèngenèm voor me, dèt ik me lèter min of +meer moest ... hum!... Enfin! ik heb...” Daar komen eenige dames +binnen, en de winkeljuffrouw, die hem tot dusverre heeft aangehoord, +zegt eensklaps: „Ik krijg zeven en een halven cent van u!”—„Oui, +Voilè!” De Snoeper betaalt en verwijdert zich na eene hoffelijke +buiging tegen de binnentredende dames te hebben gemaakt en met een +glimlach om zijn tandeloozen mond de woorden te hebben geuit: „Sèlut à +lè beauté!” + +Nog is zijn proviand-tocht niet ten einde, want na een vrij lange +wandeling is hij in een van de achterbuurten der stad gekomen. Voor +een koffiehuis van den achtsten rang staat hij stil, grijpt even met +zijn hand in den zak en telt, zonder dat iemand het ziet, zoo gelooft +hij ten minste, de rest van zijn geld; ’t bedrag valt hem zeker mede, +want in plaats van het „koffie- en chocolaadhuis” binnen te gaan, +keert hij op zijn schreden terug en treedt een koomenij binnen, koopt +daar—niemand ziet het immers—een ons zoetemelksche kaas en twee +gesmeerde kadetjes, maar beide „in pèpier.” + +In ’t chocolaadhuis zitten eenige werklieden, die, zoodra hij +binnenkomt, beginnen te lachen en hem toevoegen: „Zoo, papa Kauwbeen! +ben je daar weer? Kom je schaften?” Hij antwoordt niets, maar ziet hen +met diepe verachting over den schouder aan, als hij zoo ver mogelijk +van hen af aan een tafeltje gaat zitten en kortaf roept: „Een kop +chocolèd!” + +Dan ontvouwt hij het „pèpier”, belegt met zijn vingers de twee +kadetjes met het ons kaas, breekt ieder broodje in vier stukken en eet +met smaak, nu en dan zijn maal afwisselend door een teug +melk-chocolade. + +„Zeg, Snoeper!” schreeuwt een van de werklieden, die, met beide +ellebogen op tafel steunend, uit een kom koffie drinkt en een dikke +boterham met roggebrood voor zich heeft liggen, „zeg, waar heb jij nou +weer die kaas opgedoken?” + +„Och, laat hem zitten, hé!” vraagt de bedienende kastelein, en +glimlachend voegt hij er bij: „Meneer doet jou immers niks!” + +„Meneer? ’n Mooie meneer!” grinnikte de werkman. „’k Wou om de dood +niet graag zoo’n heer wezen.” + +„Och hij is halfsuf, laat ’m zitten, Karel; hij is toch vroeger ’n +heer geweest,” zegt de kastelein halfluid, en zachter voegt hij er +bij: „Hij is van voornaam komaf, maar z’n femielie is sjofel geworden +net als hij zelf; ’t is ongelukkig genoeg, dat ie nou van de gift +leven moet.” + +„Wat weêrga, laat ’m dan gaan werken: wij moeten ’t toch ook doen.” + +„Hij werken? Kijk ’m ereis goed an: daar is ie veel te petieterig +voor.” + +„Hum ja! je hebt gelijk: daar is hij te miserabel voor.—Afijn laat ’m +voor mijn part maar zitten; ik wil nog niet eens met ’m ruilen met al +zijn komaf.” + +Intusschen eet de Snoeper, die ’t gesprek niet gehoord heeft, zijn +broodjes; de laatste kruimeltjes, die op ’t papier liggen, tipt hij +één voor één met een vingertop op en ’t laatste druppeltje chocolaad +heeft hij met een stukje brood uit den kop geveegd. + +Hij betaalt, steekt het eindje van zijn sigaar weer op en vertrekt +zonder iemand der aanwezigen te groeten; alleen den kastelein knikt +hij heel voornaam even toe, als hij de deur uitgaat. + +De voorraad, dien hij in zijn zakken heeft, dient nu als teerkost op +den weg; want—hij wandelt, wandelt als Ahasverus, zonder rust, zonder +verpoozing. Dan ziet men hem hier, dan weer daar, en altijd peuzelt +hij uit zijn zak; zijn kakebeenen zijn voortdurend in beweging, en +heeft hij niets te kauwen in werkelijkheid, dan nog bewegen zich zijn +kaken werktuiglijk heen en weer als een perpetuum mobile. + +Zóó was de Snoeper, zóó zag ik hem, toen ik mij de moeite gaf hem na +te gaan en te volgen, zonder dat hij ’t wist. Wat ik verder over hem +vernam was dit. Hij vroeg nooit aan oude bekenden om ondersteuning, +maar hij had er toch een zekeren slag van om langs diplomatieken weg +zijn financiën voor ’t oogenblik te verbeteren, en wel op de volgende +manier. Wanneer hij den een of anderen kennis van vroeger ontmoette, +die niet tot de wekelijks contribueerenden behoorde, hield hij hem +staande en zei: „Hé bonjour! Hoe mèk je ’t? ’k Hèd in leng ’t +genoegen niet je te zien; ik zou je wel eens hebben opgezocht, +mèr—c’est triste a dire—mijn gèrderobe is op ’t oogenblik niet premier +choix. Ik heb hélès! veel geld verloren, mèr juist doordien ik +fètsoenlijk mensch wou blijven. Ik heb nu èlleen ’n kleine lijfrente +wèrvèn ik existeer; wènneer je dus eens iets voor me hoort, de een of +èndere betrekking, die niet déshonorèbel is, dèn zul je me obligeeren +door me te recommèndeeren; wènt, sèns bèdinège, ik heb ’t zeer noodig, +ik kèn je èls ouwen kennis wel entre-nous vertellen, dèt ik ’t hoog +noodig, zelfs zeer hoog noodig heb.” + +Wanneer dan de aangesprokene, bewogen door des „Snoepers” ellendig +uiterlijk, hem een gulden, soms zelfs een rijksdaalder in de hand +wilde leggen, weigerde hij dien eerst met een: „Pèrdon! zóó wès ’t +niet mijn intentie; ik ben goddènk nog geen bedelèr, mèr èls ik er je +genoegen mee doe, wil ik ’t momenteel wel èccepteeren, op conditie dèt +ik ’t je, zoodrè ’t me convenieert, in dènk restitueer. Èdieu! ik hoop +me spoedig te revèncheeren.” + +Van dat „revèncheeren” is nooit iets gekomen—alleen de natuur nam +„revanche” op de afwijkingen van „Kauwbeen”, want vóór zijn 48e jaar +stierf hij in ’t Buitengasthuis aan herzenverweeking. Niemand beweent +hem, niemand verliest iets aan hem—want hij had voor niemand geleefd +dan voor zichzelf. Een onnut leven is geëindigd, een zonderling +straattype is verdwenen—ziedaar zijn grafschrift! + + + + +DIRK DE SNORDER. + + + + +DIRK DE SNORDER. + + +Een bitter koude, donkere winteravond! + +Zwaar van hagel en sneeuw, dreigen de wolken in het uitspansel, gereed +om hun last over de koude, harde aarde uit te storten, zoodra de +scherpe oostenwind hen niet meer bedwingt door zijn kracht. + +Nu en dan, als hij zijn verstijvenden kouden adem een oogenblik +inhoudt, ontsnappen aan de wolkgevaarten kleine scherpe ijskristallen, +die naar den grond dwarrelen, als de geeselende voorboden van nog +strenger vorst. De maan heeft zich verscholen in het donzig wolkenbed, +en slechts dan wanneer de wind de wollige sprei, die haar gelaat +bedekt, even scheurt of oplicht, gluurt zij, uit een bleekrooden +krans, naar de wereld onder haar. + +Slaperig en beneveld ziet zij op de slechts hier en daar nog met witte +plekken bestipte daken der huizen, of in de straten en stegen, waarin +de sneeuw grootendeels reeds is weggevroren of verpoeierd opstuift, +als een windstoot gierend tusschen de huizen blaast. + +Donker en somber teekenen zich gebouwen en torens af tegen de vale +plekken in de lucht. Hier en daar smelten alle omtrekken samen tot één +vormeloozen, zwarten klomp, nauwelijks te onderscheiden van de dikke, +zware wolken, die den nacht bijna volkomen maken. + +Heldere strepen, vierkanten en ruiten van rosachtig geel licht breken +op verschillende plaatsen, lager of hooger, krachtig door dat duister; +’t zijn de verlichte vensters van de huizen. + +Het Centraal-station staat tegen de donkergrijze lucht, als een zwarte +massa, alleen gebroken door een groote, langwerpig vierkante plek +helder licht, den ingang. De schijn der gasvlammen blinkt tegen de +ijskegels, aan den gevel en tintelt in de sneeuwdeeltjes, die op de +houten trappen van het gebouw glinsteren. + +Een lange rij lichten, op gelijke afstanden van elkaar staande, links +van het station, wijst de standplaats aan der huurrijtuigen, op de +reizigers wachtend, die met den laatsten trein moeten aankomen. + +’t Is kwartier voor elven. + +Om elf uur drie minuten moet de trein het station binnenstoomen en zal +de betrekkelijk vrij groote kalmte, die nu bij, om en in het gebouw +heerscht, plaats maken voor zenuwachtige drukte en haast. + +De koetsiers van „de aapjes” en vigilantes trappelen op en neer naast +de geduldig onder hun dekens stilstaande paarden, waarvan een enkel nu +en dan met den kop schudt of een der voorpooten oplicht, om met zijn +hoef de straatsteenen te krabben, als wilde het dier de beweging van +zijn meester nadoen. + +De wachthebbende politie-agent heeft tijdelijk een schuilplaats +gezocht in de vestibule bij de middendeur en ziet met verlangen uit +naar het oogenblik, waarop hij zijn kouden post voor het warme bureau +zal kunnen verwisselen. + +Een eind voor het station, bij het begin van den oprit, staan een paar +vigilantes, die telkens, als een passagier instapt, beven en sidderen +voor zich zelve en voor den roekelooze, die zich waagt aan vehikels +met paarden er voor, die betere dagen hebben gekend en rijp zijn om +binnen korten tijd te veranderen in zoolleer, goedkoope biefstuk of +best rookvleesch. + +’t Zijn een paar „snorders”, zooals men te Amsterdam dat soort van +vervoermiddel noemt. + +De stationneerde rijtuigen behooren tegenwoordig aan eene +maatschappij, die ze tegen een bedongen prijs, hooger of lager, al +naarmate van de standplaats die zij innemen, verhuurt aan koetsiers, +die volgens een door burgemeester en wethouders bepaald tarief moeten +rijden en hun verdienste vinden in het verschil tusschen het geld, dat +zij voor de ritten ontvangen en den huurprijs dien zij betalen. +Gewoonlijk houdt de koetsier van een gestationneerd rijtuig of aapje +een tamelijk goed weekloon over en kan daarvan, wanneer Bacchus hem +niet de baas is, met een gezin vrij goed, soms zeer goed leven. De +„snorder” daarentegen is in den regel in dienst bij een baas, die één +of twee invalide oude rijtuigen bezit en even zooveel afgeleefde +knollen op stal heeft. Soms rijdt de baas ook zelf, maar dan is +gewoonlijk het voertuig zoo onaanzienlijk en van een zoodanig verweerd +en vermolmd soort, dat het, evenals de uilen, alleen des nachts op +straat komt en in ’t duister ontsnapt aan ’t valkenoog der inspecteurs +van het voerwezen, of oogluikend wordt toegelaten, als die ambtenaren +menschelijk genoeg zijn om den armen baas een stukje brood te gunnen. + +Zulke open of dichte wagentjes worden meestal alleen door benevelde of +vroolijke nachtvogels gebruikt, en nergens weten de kreupele paarden, +die er voor zijn gespannen, zoo goed den weg als op den Zeedijk en in +de Nes. + +De „snorder”, die door een knecht gereden of bestuurd wordt, staat, +hoewel geen sport, toch iets hooger op de ladder van ’t voerwezen. +Hij vertoont zich den geheelen dag en doet afbreuk aan de rijtuigen +der maatschappij en der grootere stalhouders. ’t Is in zeker opzicht +een vrijbuiter. Hij neemt wat hij krijgen kan, zonder zich aan een +tarief te houden, loert aan de stations op argelooze passagiers, die +geen ander rijtuig meer konden krijgen, en rijdt verder stapvoets dan +hier dan daar rond langs pleinen en straten, om een vrachtje op te +snorren. + +’t Is voor den knecht meestal een schraal stukje brood, want de baas +betaalt hoogstens 4 à 5 gulden ’s weeks en laat verder zijn koetsier +aan de weldadigheid der passagiers over. Is zoo’n knecht niet eerlijk, +dan... Doch ’t is plicht te gelooven, dat ieder mensch als „goud” is, +en daarom nemen we aan, dat de beide snorders, die op den kouden +winteravond in de nabijheid van het Centraal-station hebben heen en +weer gereden en nu naast elkander, op eerbiedigen afstand van den +politie-agent stilstaan, voor de belangen van hun respectieve bazen in +alle deelen opkomen zooals ’t behoort. + +„’t Is weerlichts koud van avond”, zegt de een tot den ander, die +evenals hij, naast zijn paard staat te trappelen. + +„Nou sicuur, hoor! M’n beenen vallen haast af.—Zeg, Bobberd! heb je +nog tabak?” is ’t antwoord. + +„Geen draadje meer, manke! Anders... Viegelantje, meheer?” De Bobberd +spreekt een heer toe, die hem rakelings voorbij gaat, en slaat met +kracht zijne koude handen samen, als applaudisseerde hij zijn eigen +woorden. „Viegelantje, meheer?” + +„De manke” biedt evenals zijn kameraad herhaaldelijk zijn rijtuig met +een: „Rijtuig, meheer?” of „Viegelant assieblieft?” aan de enkele +menschen aan, die iemand of iets van ’t station moeten halen en die +zich om die vraag even weinig bekreunen als om den jongen, die op een +sukkeldrafje de menschen naloopt en met bibberend stemgeluid vraagt: +„’N doossie lucifers, heeren?” + +„Zeg, Bobberd?” + +„Nou?” + +„Er staan een boel gestationneerden van avond; ’t is bepaald weer mis; +’k heb vandaag nog geen gulden gemaakt aan fooien! en geen enkele +sigaar: ’n kale boel. Ba!” + +De Bobberd is een roodneuzig, opgezet drankvet-individu, die dezen +bijnaam aan zijn lichaamsomvang dankt. Met heesche stem antwoordt de +Bobberd: + +„Ik ook niet, ’k ben casuweel zonder; anders heb ik altijd sigaren +plentie: ’k rij nogal veel heeren, weet je?” + +„Ja, jij bent gelukkig,—je hebt haast altijd volk; maar ik—ik veeg[1] +gewoonlijk. ’t Is een miserabele tijd: de menschen worden hoe langer +hoe schrieler.” + +[1] Geen volk opdoen om te rijden. + +„Dat komt door de algemeene melaise, manke!” + +„Wat is dat?” + +„Dat weet ik niet; maar iedereen zeit het, en dan zal ’t wel waar +wezen. Ik geloof, dat het zooveel beduidt alsdat er in zaken van +handel temet niks niet te doen is. Maar je hebt gelijk, ’t is benauwd +tegenwoordig; ik heb verleden week nog geen tien gulden gehaald met +fooien en al.” + +„’k Wou, dat ’k ze maar alle weken had”, antwoordt de manke met een +zucht, terwijl hij de toppen van zijn wanten in den mond steekt en er +uit alle macht op blaast. + +„Wat heb jij vast bij je baas?” + +„Ik, Bobberd? Vijf gulden tien!” + +„Blikslagers! dan ben jij ’t heertje, hoor! Dan heb jij een halven +gulden meer dan ik.—Daar moet ’k mijn baas ereis over +aanspreken.—Prrr! knol sta stil!” + +„’k Had vroeger ook vijf gulden, maar een jaar geleden sloeg die ouwe +dragonder—je hebt hem wel gekend, ’t was een witvoet, een nijdige +rakkerd zoo oud als hij was,—m’n linkerbeen stuk. ’k Heb dertien weken +in ’t Gasthuis gelegen, en toen ik er uitkwam, gaf de baas me twee +kwartjes verhooging.” + +„Nou, dan mag jij onzen lieven heer wel danken voor dat beentje; dat +’s vijftig centen per week waard.” + +Terwijl hij dit zegt, lacht de Bobberd zóó, dat zijn breede, +tabaksbruine mondhoeken zich bijna tot zijn ooren vertrekken. „En ben +je er nou al rijk door? Neen, hé? Je bent even sjofel als ik; vroeger +had ik regelier een gulden of acht aan fooien in de week en nou nog +geen vijf.” + +„Nou, en ik had verleden week nog geen vier gulden; en ’k geloof +waarachtig, dat ’k van deze week ze niet eens haal.” + +„Klagers hebben geen nood, manke!—Prrrrr! Jan, hou je gemak, jongen; +we gaan zoo naar stal.—Ja, wat ik zeggen wou: jij bent immers +getrouwd, hé?” + +„Ja, natuurlijk!” + +„Kinderen?” + +„Zeven!” + +„Godzegenme!—Satansche knol! wat mankeert jou van avond?—Een hok vol. +Zie je, daar heb ik nou geen last van; ik heb geen kinderen.” + +„Ei! hoe komt dat zoo, Bobberd?” + +„Omdat ’k geen vrouw heb; ’k ben een vrije jongen!” + +„Ja, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan. En klaag jij dan nog +over den slechten tijd?” + +„’n Mooi ding! Een vrije jongen leeft altijd duurder dan een getrouwd +mensch.” + +„Ei!” + +„Natuurlijk! Eerstens je kostgeld; tweedens je borreltje. Dat moet een +mensch toch....” + +Het gillend fluiten van een locomotief, het sein van den aankomenden +trein, doet hem plotseling verstommen; haastig werkt hij zich op den +bok van zijn rijtuig, bukt zich voorover en trekt de deken van zijn +paard naar zich toe. Vlugger dan men van den manke zou verwacht +hebben, is ook deze ten troon gestegen en zegt, met de leidsels in de +hand, tot zijn collega: „Daar komt ie; als er nou maar volk genoeg +is.” + +Nogmaals gilt de stoomfluit naderbij; dan nog eens lang en schril; de +trein stoomt binnen. Een oogenblik later komt bij, om en in het +station, alles in beweging. + +Stoomwolken uitsissend, blazend en hijgend met gloeienden adem, is de +locomotief langs het perron komen aanstuiven, en plotseling in zijn +vaart bedwongen door de Westinghouse-rem, staat hij nu als een +vermoeid en amechtig mensch te kuchen voor den langen trein van +verlichte wagens, die, als zij geopend worden, met de passagiers ook +de warme lucht uitlaten, die opwolkt en dampt in den kouden +winternacht. + +„Bagasie, heeren! Bagasie!—Niemand bagasie?” roepen de langs de +waggons snellende kruiers. + +Een hoopje bibberende hotelportiers verwelkomt aan den uitgang van ’t +station de reizigers met: „Hôtel du Doelen, Rondeel! Bible-Hôtel! +Hôtel Central! Pays-Bas!” enz. + +In bouffanten en cachenez, pelzen en overjassen, mantels en doeken +gehuld en gestoken, komen halfbevroren derde-klasse reizigers en +huiverende eerste- en tweede-klasse passagiers door den uitgang. +Sommigen hollen wat ze kunnen, om de tram te bereiken, voordat alle +plaatsen bezet zijn; anderen loopen hard, om warm te worden; en weer +anderen haasten zich naar de gereedstaande rijtuigen. + +In draf rijden de verschillende „gestationneerden” de snorders +voorbij. Met wangunstige blikken zien de twee koetsiers, hoe ’t eene +rijtuig na ’t andere, met koffers op bok of imperiaal, hen +voorbijrolt. + +Of ze al met hun zweepen wenken en op den bok staande roepen: +„Viegelant?” de passagiers zijn voor hen, naar ’t schijnt, niet +aangekomen. + +’t Begint zachtjes te sneeuwen; dat helpt den Bobberd aan een klant. +Met lachend gezicht rijdt hij weg en hoort de spijtige woorden niet +van den manke, die hem naroept: „Gelukkige vent, jij bent er alweer +uit met een prijs!” Verlangend ziet de overgebleven snorder naar de +reizigers, die in steeds kleiner aantal hem voorbijkomen. + +Eindelijk zijn al de rijtuigen voor ’t station verdwenen; hij wacht +nog even, dan rijdt hij zachtjes voor ’t plein op en neer: misschien +komt er ook nog iemand voor hem. + +Neen! ... de stationsportier sluit het hek reeds dicht; er is voor den +manke geen vrachtje. + +„Zou ’k van avond alweer vegen?” mompelt hij verdrietig, terwijl hij +de zweep in den koker zet en den rechterarm tegen zijn lichaam slaat +om gevoel in de vingertoppen te krijgen. „In godsnaam dan, vort! Brrr! +wat is het koud.” + +’t Is hem alsof hij nu eerst recht den snerpenden wind voelt en ’t +snijden van de vorst. + +„Hort, bles! dan maar naar stal.” + +Reeds heeft hij zijn paard aangezet, als een: „Hola, koetsier! stop!” +hem de teugels strak doet trekken. Hij richt zich overeind op den bok, +ziet achterom en ontwaart een paar gestalten, die langzaam naar hem +toe komen. + +„Viegelant?” roept hij hun vragend tegen. + +„Ja! keer maar om!” + +Een ruk aan de leidsels, een aanmoedigend klappen met de tong voor +zijn paard en ’t rijtuig is naast dengene, die hem roept. Werktuiglijk +herhaalt hij zijn vraag: „Viegelant?” + +Een conducteur, die een oud heer ondersteunt, antwoordt: „Jawel! hier +heb je een passagier, die in de wachtkamer ongesteld is geworden. +Breng meneer zoo gauw als je rijen kunt naar ’t Amstel-Hôtel.” + +De oude heer, in een fijnen pels gedoken, voegt er met matte stem bij: +„’k Zal je een flinke fooi geven, als je gauw rijdt.—Dank je, +conducteur; zet mijn koffertje en dat valiesje maar binnenin, op de +voorbank. Ziedaar, dat’s voor je moeite.” + +„Dank u, mijnheer!—Beterschap!—Vooruit, koetsier!” + +De manke legt de zweep over zijn paard en rijdt zoo spoedig de stijve +beenen van bles het veroorloven in de aangewezen richting voort. + +„Dat valt mee,” denkt hij onder weg, „’n goeie fooi, hm! misschien +maakt die zieke ouwe man mijn dag nog goed. Hort! vooruit dan, ouwe +jongen.—’k Zal de Kalverstraat nemen,” zegt hij bij zichzelven, „dat +rijdt lekker. Hm! wat zou dien man mankeeren? Misschien heeft hij te +veel gegeten en pijn in z’n lijf. Och! wat kan ’t ons schelen, hé, +bles? Als hij mij maar een paar kwartjes fooi geeft, is ’t me +onverschillig waar hij mankement heeft, al had hij ook....” + +Tikken tegen het raampje stoort hem in zijn overpeinzing. Hij houdt +even op; de passagier steekt zijn hoofd uit ’t portier en vraagt +knorrig: „Waar breng je me heen, dat je zoo door de Kalverstraat +rijdt?” + +„Naar ’t Amstel-Hôtel, zooals u gezeid heeft, maar ik neem de +Kalverstraat, omdat ik veronderstel, weet u, dat voor een ziek mensch +dat asphalt zachter en....” + +„O, zoo! is ’t daarom; dat’s wat anders, dank je. Wat is je nummer?” + +„Honderd een en tachtig, meneer!—Doorrijen?” + +„Ja, asjeblieft!” + +„Hort, bles!—Wat weerga, waarom vraagt die vent op eens mijn nummer? +Ik heb hem toch niet veraffronteerd,—is ’t wel, ouwe bles? Nou, ’t zal +mij een zorg wezen, al was hij zoo nijdig als een spin; maar hij zei: +„Dank je!” Blikslagers, misschien recommandeert hij No. 181 als een +geschikt persoon. Ook goed!—Kom, bles, vooruit dan, we moeten, allebei +naar stal.” + +’t Is een eigenaardige gewoonte van den manke, om met zijn paard te +praten, als hij rijdt; misschien doet hij ’t, zonder dat hij ’t zelf +weet, uit verveling, of om zijn ros aan te moedigen. „Komaan!” +vervolgt hij, „daar hebben we de Utrechtsche straat al; moet je nou de +zweep eens eventjes proeven? Ja, steek je ooren maar op; ’k zal.... +Wat weerga! wat schokt daar zoo? Valt daar iets in m’n viegelant? +Phu-u-u-t!” de koetsier fluit tusschen de tanden. + +Bles staat stil en zijn bestuurder klimt van den bok, om te zien wat +er gebeurd is. Hij opent het portier en brengt even de hand aan zijn +hoed, als hij vraagt: „Neem me niet verkwalijk, meneer, maar.... +Allemachtig! hij is van zijn stokkie gevallen en ’t koffertje met ’t +valies leit naast hem.” + +„Hei! zeg eens, ouwe heer: scheelt er wat aan? Ben je niet goed?—Dat’s +een mooi ding! Op avontuur is hij dood: dan ben ik gesjochten voor +mijn vracht.” + +Een paar voorbijgangers blijven staan en zien nieuwsgierig naar den +manke, die zijn best doet om den passagier weer op de bank te zetten. +Met hulp van een paar mannen richt hij den ouden heer op, die met een +zucht weer tot zichzelven komt en flauwtjes zegt: „’k Werd—weer—zoo +benauwd; rij in Godsnaam voort!” + +„Zou uwé ’t dan nou zóó kennen rooien?” + +„Ja! ja! rij gauw weg.—Wat doen die mannen hier?” + +„Ze hebben zooveel als een handje geholpen.” + +„O, zoo!—Dank jelui.” + +’t Portier wordt dichtgeslagen en een „vooruit!” van den koetsier +brengt de vigilante weer op weg. + +Eenige minuten later is het Amstel-Hôtel bereikt en wordt de zieke man +door den portier behoedzaam uit het rijtuig geholpen. De manke hoort +hem zeggen: „Betaal den koetsier en geef hem een gulden fooi!” ziet +hem langzaam de trappen opgaan en in de vestibule verdwijnen. Iets +later ontvangt hij de vracht met de fooi en zal wegrijden. Vóórdat hij +dat doet, kijkt hij werktuiglijk nog eens in de vigilante en ontwaart +het valies, dat op den bodem is blijven liggen. Met een: „Hé, portier, +de ouwe heer heit nog wat vergeten,” reikt hij de reistasch over, +klimt op den bok en rijdt weg. + +„Zoo, jongen! nou als de wind naar stal.—’n Gulden fooi! Zeker en +bepaald een fijn mensch.—Kom! dat’s een meevallertje; even een hapje +nemen voor de kouwe voeten, dat kan er nou wel af.” + +’t Hapje wordt gebruikt, een sigaar van de vijf er bij genomen en dan +draaft bles verder. Hij heeft nu geen zweep meer noodig, want ’t paard +weet, dat hij naar stal gaat. Zijn baas zit genoeglijk te dampen en +laat af en toe de leidsels van de eene in de andere hand overgaan, om +dan de vrije hand tegen zijn lichaam warm te slaan. + +Bij de brug, die van ’t Leidsche plein naar de Stadhouderskade voert, +wordt hij aangeroepen door iemand, die met den hoed in den nek tegen +een lantarenpaal leunt. + +„Hé! Hola, koetsier!” + +„Phu-u-ut! Prrr!—Ho, bles!—Wou uwé rijen?” + +„Ja! Ben je vrij?” + +„Om je te dienen, meneer.” + +Een jongmensch, netjes in de kleeren, maar ietwat aangeschoten en in +vroolijke stemming, neemt de kruk van ’t portier in de hand en vraagt +met min of meer bezwaarde tong: + +„Schroef jij ’s avonds dien knol uit mekaar? Ha! ha! ha! ’t Beest valt +om, als je niet oppast. Zeg, Autómedon! zou je me nog zonder +ongelukken naar Kras kunnen rijen?” + +„’t Zal wel lukken, meneer! Stap maar in; maar ’t is dubbel tarief na +elven. Weet u ’t?” + +„Daar vraag ik je niet na, Autómedon.” + +„Zeg ereis, meneer, als je me uitscheldt, rij ik niet.” + +„Die is goed. Ha! ha! Heel goed!” + +„Kom, stap nou maar in, ’t is al mooi laat.” + +„Verduiveld! Die ouwe kast van jou draait. Hou ’m recht, kerel! Dat’s +zot, dat’s—hm! Die vervloekte tree zit niet vast. Ho dan!” + +„Wil ik je ook even helpen, meneer?” + +„Neen! ’t Is in orde.—’n Verdraaid gemeene rammelkast! Niet steady. +Zóó, ik zit. Vooruit!” + +Van den bok reikend slaat de manke het portier met een harden slag +dicht. Een „hort, bles!” en het rijtuig komt in beweging. + +Onder weg zegt de snorder tot zijn paard: + +„Dat valt mee voor den baas, maar niet voor jou; maar er is niets aan +te doen. Kom, ouwe jongen, vooruit!” + + +II. + +’t Is een armoedige, kleine woning, die door Dirk De Vries, bijgenaamd +„de manke”, met zijn groot gezin wordt bewoond. + +Het lage bouwvallige huisje, dat zich in een slop, uitkomende in de +Passeerderstraat, bevindt, bestaat slechts uit één vertrek, met een +klein hokje, een zoogenaamd keukentje er naast. + +De deur, die niet goed meer gesloten kan worden, en een smal venster +laten nauwelijks licht en lucht genoeg in voor zooveel ademende +wezens. Alles draagt daarbinnen de kenteekenen van verval en ouderdom, +maar niettegenstaande de wormstekige betimmering, de brokkelende muren +en den molmenden vloer is het er vrij zindelijk, want Dirks vrouw +houdt, zooveel zij kan, aan alles de hand. + +Aan de linkerzijde van het vertrek is de bedstede en daarnaast een van +oude ongeschilderde planken getimmerde slaapplaats, waarin twee +kinderen, meisjes van negen en zes jaren, eendrachtig liggen te +slapen; onder de tafel, op een stroozak, rusten twee jongens, dertien +en elf jaren oud, onder een oude wollen deken, en eenige +kleedingstukken, die hen ternauwernood voor de felle koude beschutten. +Rechts naast de deur, die tot het keukentje toegang geeft, staat op +den grond een soort van houten bak met eenig beddegoed, waarin een +mager meisje van vijf en een aardig, klein, dik roodwangig kereltje +van drie jaren sluimeren. + +Door de geopende deur ziet men de roode wang van een snorrende +potkachel. Op de platte kachelpijp staat een aarden pan met kool en +aardappelen te dampen, zoodat de reeds benauwde lucht in het huisje +niet frisscher wordt door de uitwaseming van ’t snerkende eten. Bij de +kachel, die aldus den dubbelen plicht van verwarmings- en kooktoestel +vervult, zit bij het licht van een petroleumlamp vrouw De Vries het +jasje te verstellen van haar oudsten, die op een sigarenfabriek als +stripjongen reeds eenige stuivers verdient. + +Haar gelaat toont duidelijke sporen van zorg en kommer; ’t vroegtijdig +gerimpelde voorhoofd, de ingevallen wangen en de bleeke lippen spreken +van harden strijd en afmattende bezigheden, maar toch is de +uitdrukking van dat vrouwengelaat niet ontevreden. Er ligt een trek +van goedhartigheid en kalmte om den mond, en de groote bruine oogen +met zachten, min of meer matten opslag weerspreken dezen niet. + +Zij heeft niettegenstaande haar armelijke kleeding iets fatsoenlijks +in haar wezen, dat den indruk geeft, als had zij eenmaal betere dagen +gekend, als ware zij niet uit het plebs, zelfs niet uit de heffe des +volks ontsproten. + +Daar klinkt uit de bedstede een zwakke, pijnlijke kreet. Langzaam, met +een zucht, staat vrouw De Vries op, legt draad en naald ter zijde en +gaat naar het bed, waarop zij haar jongste kind, een bleek, ziekelijk +jongentje van bijna anderhalf jaar heeft neergelegd. + +Als zij op is gestaan, kan men zien, dat, zij eenigszins gebogen gaat; +haar lange, vrij grof gebouwde gestalte is min of meer krom in den rug +geworden door arbeid en door ’t rondom haar sluimerende zevental, dat +zij ’t levenslicht schonk. + +„Wat is er dan, Jan?” vraagt zij, over ’t bed gebogen, met een licht +Overijsselsch accent. „Heb je pijn in je mondje? Ben je koud, +kereltje? Kom dan maar bij moeder.” Zij wikkelt het kind vaster in den +doek, waarin het te slapen is gelegd, geeft het een teugje water met +melk en sust het, totdat ’t al kreunend weer indommelt. + +Als zij hem op bed wil leggen, ontwaakt en schreeuwt Jan opnieuw; +daarom neemt zij hem op den schoot en gaat weer bij de kachel zitten. + +’t Kind wordt bedaarder en slaapt in. Over zijn kleine gestalte legt +zij voorzichtig het buisje en vervolgt, zoo goed en kwaad als zij kan, +haar lapwerk. Soms licht zij het buis even op en ziet naar ’t kind, +dat, zwaar ademhalend, met gloeiende wangen en brandend hoofdje, +onrustig slaapt. + +„Hij is niet goed; ’k geloof, dat ’t schaap koorts heeft; wat gloeit +hij,” zegt ze tot zichzelve; „dat moet er nog bijkomen!”—Zij luistert, +want buiten in de gang klinkt een onregelmatige tred. „Dat ’s Dirk,” +denkt zij en ziet naar de deur, die een oogenblik later wordt +opengedaan. + +’t Is de „manke”, die thuis komt. + +Zijn jas en hoed zijn vol sneeuw, die hij op den drempel zooveel +mogelijk afschudt. + +„Doe gauw de deur dicht, Dirk! De zomer komt er niet in,” roept de +vrouw hem te gemoet. + +„’k Snapte daar net een bui.—’n Avond, Mijntje! Ben je nog op?” + +„Ja; ’k moest Gerrits buis wat opknappen: hij moet toch fatsoenlijk op +’t fabriek komen. Hè! wat breng je een kou mee; ’t is vinnig weer +buiten; ik kon mijn vingers niet gebruiken, daarom heb ik de kachel +weer aangelegd; ’k moest je eten toch ook warm houden. Hoe is ’t +vandaag geweest?” + +Terwijl de man zijn groote jas en vochtige laarzen uitdoet, zegt hij +opgeruimd: + +„’k Dacht eerst, dat ’t vandaag weer miserabel zou wezen, maar de +avond heeft ’t goed gemaakt. Dáár heb je een gulden, twee kwartjes en +een dubbeltje. ’k Had van avond een paar goeie vrachies. Geef me mijn +eten, ’k heb trek.” + +„Ik kan niet opstaan, Dirk: ’t kind ligt op mijn schoot; hij is niet +goed; vandaag aldoor onrustig geweest. Twee en dertig stuivers: ’k +wou, dat je ze alle dagen meebracht!” + +„Dat schaap is dan erg aan ’t sukkelen, vrouw; zouën ’t de tanden +wezen?” antwoordt Dirk, neemt de pan van de kachel, ziet even naar +kleinen Jan, en begint dan met smaak de kool en aardappelen te +verorberen. + +Al etend verhaalt hij, hoe hij den zieken heer naar ’t Amstel-Hôtel +moest rijden en een gulden fooi heeft gekregen, en lachend vertelt hij +van het aangeschoten jongmensch. „Zie je, Mijn, hij had een flink stuk +in zijn kraag, want toen ik bij Kras voor de deur stilhield, was hij +ingedut. Ik maakte hem wakker en zei: „We bennen er, meneer!” Maar ’k +moest hem schudden, zoo lekker was hij ingedommeld. Hij keek me aan +met een paar lodderige oogen en zei: „Goeie morgen! Ik heb ’n +verduivelden dorst!—Die rammelkast van jou is geen cent waard,” maar +hij gaf me toch een kwartje fooi. Nou! mijn een zorg hoe of hij mijn +spul vindt. ’k Heb anders in den laatsten tijd allemachtig weinig +verval gehad.” + +Zuchtend antwoordt de vrouw: „Dat heb ’k gemerkt.” + +Zij werkt een poosje zwijgend verder en zegt dan op eens: „Zeg, Dirk!” + +„Nou?” + +„Kierssen is er geweest.” + +„Hm!” + +„Hij kwam zeggen, dat zijn patroon mooi nijdig is.” + +„Hm!” + +„’t Is nou met mekaar zestien gulden en een stuiver.” + +„’k Weet het wel, maar ’k heb het niet, vrouw!” + +„En ook niets meer om „weg te brengen.”[1] Kierssen zei, dat hij, als +Vrijdag ’t geld er niet was...” + +[1] Naar den lommerd brengen. + +„Nou, wat dan?” + +„Ons op straat zou zetten. Ik zei nog: „Meneer Kierssen, je weet wel, +dat wij knappe menschen zijn; we hebben je altijd prompt de huur +betaald, maar nou ’t zoo slecht is van den winter met de verdiensten, +moest je nog wat geduld hebben en...”” + +„En wat zei hij?” + +„Kierssen zelf is de kwaadste niet. Hij zei: „Ik zou je wel willen +laten wonen, maar ik moet als opzichter doen wat mijn patroon zeit; +laat je man zelf eens naar hem toe gaan.”” + +„Och! dat geeft toch niets; die huisbazen staan je niet eens te +woord.” + +„Maar als Kierssen ’t nou toch zeit, Dirk?” + +„Praatjes! ze steken samen onder één deken.—Breng morgen dien daalder +maar aan den opzichter op afrekening; dat zal...” + +„Maar Dirk, er is geen cent meer in huis, en ’k heb al overal op de +lat[1] gehaald: ’k moet toch zorgen, dat de kinderen wat te eten +hebben. Dan moeten Gerrits schoenen worden gehalvezoold; Piet heeft +ook bijna niets aan zijn voeten, en Klaasje heeft geen...” + +[1] Op crediet. + +„Schei maar uit; ik weet het wel, vrouw, maar ik kan ’t niet van mijn +lijf snijen.” Dirk wordt knorrig en zijn humeur verergert, als Jantje +onrustig begint te kreunen en eindelijk luidkeels schreeuwt. + +„Dat zal me een nachtje geven,” bromt hij, terwijl hij zich ontkleedt. +Met de woorden: „’k Moet er morgen weer vroeg uit; hou dat kind toch +stil, Mijn!” stapt hij in bed en kruipt zoo diep mogelijk onder de +oude, dunne dekens. + +„Leg mijn jas er nog maar op: ’t is vervloekt koud en de kachel heeft +gênacht gezeid,” zegt hij tot zijn vrouw, die den schreeuwenden kleine +in haar armen sust en tot bedaren tracht te brengen. Een paar van de +slapende kinderen ontwaken door de pijnlijke kreten van hun broertje, +en de arme, geduldige vrouw is tot laat in den nacht bezig, om zooveel +zij kan de rust te bewaren, die haar man noodig heeft. + +Koud en huiverig is Dirk opgestaan; zijn dikke, verkleumde handen +weigeren haar dienst bij ’t aankleeden. + +Alles slaapt nog in zijn woning, want eindelijk heeft zich ook de +vrouw, met ’t zieke kind aan haar borst gedrukt, naast hem kunnen +neerleggen. + +Hij moet naar den stal, om zijn vigilante, schoon te maken en in te +spannen; want eerst tusschen acht uur en halfnegen komen de +stationneerende rijtuigen op den Dam of elders, en de snorder kan +juist vóór dien tijd soms een vrachtje krijgen. + +’t Is nog geheel donker. Hij steekt de lamp aan en wascht zich in ’t +keukentje; vóórdat hij vertrekt, wekt hij den oudsten jongen, die om +half acht op de sigarenfabriek moet wezen. + +Slaperig wrijft de knaap zich de oogen en hoort hoe zijn vader tot hem +zegt: „Sta op, Gerrit, haal een cent water en vuur en leg de kachel +aan voor je moeder. Laat ze mijn koffie klaarmaken. Als ik in den stal +gedaan heb, rij ik wel even aan om m’n boterham te halen.” + + * * * * * + +Buiten is ’t nog bijna nacht; de straatlantarens branden en werpen +haar licht op de hard bevroren sneeuw en de gladgeloopen straat, die +glimt en glinstert, als met diamantpoeder bestrooid. + +De baas is reeds op, als Dirk in den stal komt, en de kleine, morsige +jongen, die zoo wat „handje voor alles” is, heeft al een paar +oorvijgen beet, omdat hij nog niet goed wakker is kunnen worden. + +„Gêmorgen, Dirk!—Satans koud!” roept de baas hem tegen. + +„Nou, baas!” + +In den stal brandt een petroleumlamp en verlicht vrij onvoldoende de +kleine ruimte, waar ternauwernood plaats is voor twee paarden en een +bok, die nijdig naar Dirk stoot, als hij naast den uit de ruif +etenden bles gaat staan en zegt: „Komaan, ouwe jongen, eerst zullen we +jou een beetje opknappen en dan de viegelant. Hu! op zij! Hu dan! Heb +je nou nog je bekomst niet, vreetzak?” + +Hij roskamt zijn paard, en als hij daarmee gereed is, roept hij tot +den jongen, die tegen de haverkist staat te dutten: „Allo, Jaapie! +geef jij bles nog een emmertje water; dan ga ik den wagen +schoonmaken.” + +Jaapie rekt zich geeuwend uit en gaat langzaam naar de +waterleidingkraan, zóó langzaam, dat Dirk, die naar het zoogenaamde +koetshuis gaat, hem toeroept: „Kun je nog langzamer?” + +„Jawel!” is ’t brutale antwoord. + +„’k Zal je straks wel krijgen, onbeschofte rekel!—Waar is de schuier?” + +„Vraag ’t hem zelf!” + +Gelukkig voor Jaapie, hoort de „manke” deze laatste vriendelijke +woorden niet, want hij heeft juist gevonden wat hij zocht en is reeds +begonnen met het afschuieren der rijtuigkussens. Daarna neemt hij de +mat, die op den bodem der vigilante gelegen heeft op, en schudt die +uit. + +Als hij haar weer neerleggen wil, voelt hij een voorwerp, dat hij nog +niet had opgemerkt; ’t is een klein zwart lederen taschje. + +„Hé! wat is dat?” zegt Dirk eensklaps, bijna luid, zoodat Jaapie, die +den emmer met water voor Bles schuins op zijn knie houdt, zijn hoofd +omdraait en vraagt: + +„Wat mot je?” + +„Niks!” + +„’k Dacht, dat je riep.” + +„Neen!—Kijk naar je emmer.” + +Haastig stopt de manke het gevonden voorwerp, zonder het verder te +bezien, tusschen zijn boezeroen en baaien borstrok en doet dan, alsof +er niets gebeurd was, zijn werk; alleen fluit hij er nu en dan een +deuntje bij, iets wat anders nooit voorvalt. + +Dirk is in spanning, omdat hij begrijpt, dat in het taschje wel iets +van waarde kan zitten; daarom schiet hem de gedachte door ’t hoofd: +„Wie weet, of je daar geen fortuintje hebt?” Hij tracht zich zoo +onbevangen mogelijk voor te doen en doet daardoor juist iets +ongewoons, zoodat de baas, die weer in den stal is gekomen, hem +toeroept: + +„Nou, jij schijnt van morgen in je knollentuin te wezen.” + +„Ik, baas?” + +„Ja, jij! Je fluit als een merel; dat ben ’k niet van je gewend.” + +„Hm! Ja! Neen! ’k fluit, omdat ’k zoo koud ben, baas.” + +„Zoo!” + +Een oogenblik denkt Dirk: „Je moet dat taschje aan den baas geven om +te bewaren,” maar dadelijk overlegt hij er bij: „Gekheid! eerst kijken +wat er inzit; is ’t de moeite waard, dan breng jij ’t liever zelf +terug aan den... Blikslagers! van wien zou ’t wezen? Van dien zieken +heer voor ’t Amstel-Hôtel, of van dien jongen snuiter, die den prins +gesproken had? Hm! misschien zit er wel een adres in of....” + +In den stal wil hij er niet naar kijken, want dan loopt hij gevaar, +dat de baas het ziet en—zijn baas neemt veel te graag zelf een fooi +aan. + +Eindelijk is hij met schoonmaken gereed en spant in. ’t Begint te +schemeren, als hij wegrijdt, en er zijn nog weinig andere menschen op +straat dan werkvolk dat naar karrewei gaat, of reizigers die zich met +haast naar de stations spoeden. + +Toch oordeelt hij het beter om zoodra hij kan de Heerengracht op te +rijden. + +’t Is daar nog doodstil; hij komt er niemand tegen dan den +dienstdoenden politie-agent, die bibberend en koud in den +voorgeschreven pas op de kleine steentjes aan de huizenkant loopt en +hem even toeknikt als antwoord op zijn groet. + +Zoodra hij een gracht verder is, laat hij zijn paard stappen, neemt de +leidsels in de eene hand en haalt met de andere het taschje te +voorschijn. + +Voorzichtig doet hij ’t open en houdt den inhoud, een pakje papier, +tusschen zijn vingers. + +„Waarachtig! ’t zijn bankies,” zegt hij in zichzelf, en terwijl hij +met moeite de cijfers onderscheidt, mompelt hij: „Dat’s een vondst! +Een van vijf en twintig. Een, twee, drie van honderd. Allemachtig! +drie, vier, zes, zeven van veertig! Dat’s al zeshonderd.—Godzegenme, +één van duizend!” + +Het bankpapier ritselt in zijn hand; hij is er van geschrikt, want +zooveel geld heeft hij nog nooit bijeen gezien. „Zestienhonderd en +vijf gulden samen! Geen bagatel,” denkt hij, en als hij verder niets +hoegenaamd meer in het taschje vindt, vouwt hij de banknoten weer op +en bergt schielijk een en ander weg,—nu echter tusschen zijn baaien +hemd en het bloote lijf: daar is ’t zekerder! Terwijl hij verder rijdt +en werktuiglijk den weg naar den Dam inslaat, denkt hij: „Wie zou dat +verloren hebben?” Hij weet bepaald, dat er niets van dien aard in zijn +vigilante lag, toen hij ’s avonds te voren aan het station ging staan, +want even vóór dien tijd heeft hij de mat, omdat er ingeloopen sneeuw +op lag, nog uitgeschud. ’t Moet dus van een der twee laatste +passagiers zijn. + +Wat zal hij met dat geld doen? Zal hij het naar ’t bureau van politie +brengen? „Hum!” overlegt hij bij zichzelf, „’k zal zoo dwaas niet weer +wezen; ’k heb eenmaal een gouden ring gevonden en naar het +politiebureau gebracht; daar is hij afgehaald door den eigenaar en +zelfs geen fooitje is er voor „den manke” overgeschoten; dat doe ik +nooit weer.—Maar wat dan? ’t Geld houden, nu en dan een bankje +wisselen?” Hij is ’t nog niet met zichzelven eens. „Een bankje van +vijf en twintig, desnoods van veertig gulden, dat zou nog gaan; maar +dat van duizend, dat’s te gevaarlijk! En....” + +Werktuiglijk is hij voortgereden, zonder zich te herinneren, dat hij +nog thuis zou aanrijden om zijn brood te halen. Hij heeft den Dam +reeds bereikt, als hij er aan denkt. Voorzichtig voelt hij buiten op +zijn jas naar de kleine verhevenheid, die door het verborgen taschje +met bankpapier ontstaat; ’t is alsof hij zich telkens opnieuw wil +overtuigen, dat hij waarlijk zooveel geld bij zich heeft. + +„Wat zal moeder de vrouw er wel van zeggen, als zij ’t hoort”, denkt +hij, terwijl hij op den nog duisteren Dam heen en weder rijdt. Hij +glimlacht, want hij weet wel, dat zij zeggen zal: „Dadelijk naar ’t +bureau brengen, Dirk! Eerlijk duurt het langst”, en—zijn hart klopt: +zóóveel geld en zóó arm! + + +III. + +Eenige dagen waren verloopen en nog altijd was de tasch met bankpapier +in ’t bezit van „den manke”. Hij was, na lang beraad met zichzelven, +tot het besluit gekomen om ’t geld zoolang te houden, totdat er +navraag in de kranten kwam. + +Iemand, die zooveel geld verloren heeft, dacht hij, doet natuurlijk +moeite om het terug te krijgen, en zet ’t allereerst een advertentie +in de dagbladen, om den eerlijken vinder op te sporen. + +Hij was vast besloten om, zoodra hij wist wáár of aan wien zich te +wenden, het geld aan den eigenaar terug te brengen; er zou, zoo +rekende hij uit, voor hem toch stellig een belooning, misschien wel +één of een paar bankjes van veertig gulden, opzitten. + +Elken avond had hij in „’t Vroolijke Schuttertje”, een kroeg waar +gewoonlijk de maats verkeerden, de dagbladen nagezien, maar zonder +gevolg. + +Eens zelfs had de Bobberd, de trouwste bezoeker van ’t Schuttertje, +toen hij Dirk zoo aandachtig het _Handelsblad_ en ’t _Nieuws van den +Dag_ zag doorsnuffelen, droogjes aan hem gevraagd: „Lees jij +tegenwoordig de kranten?” + +„Ik? Hoe zoo?” + +„Wel, je was er vroeger geen liefhebber van en nou snor je sedert een +paar dagen zoo in die kranten. Heb je misschien wat gevonden in je +kar?” + +Dirk schrikte. Zou de Bobberd iets weten? Waarom zei hij dit zoo +eensklaps? ’t Zweet brak hem uit, want ’t kwam hem voor, dat hij hem +zoo wonderlijk aankeek bij die woorden, en verlegen stotterend +antwoordde hij: „Ne-ne-neen! Hoe kom je daarbij?” + +„Nou! ik dacht het maar zoo, manke!” + +„Waarom?” + +Zijn breeden mond tot een leelijken grijns vertrekkende, zei de +Bobberd: „Wel! ’t is me ook ereis gebeurd, dat ik wat vond; ’t was +maar een bagatel, ’n kleine parelmoeren damesportemonnaie; toen heb ik +ook gekeken naar de advertenties.” + +„En?” + +„’k Zag er eindelijk een staan, maar ’k had de duiten al op. Ha! ha! +ha! ’t was nogal de moeite waard om het te bewaren; er zat maar een +gulden of acht in; ’k heb die dubbeltjes wat lekker gebruikt. Zie je, +als ’t nou meer was geweest, dan had ik misschien.... Afijn! ik kon +ook m’n vingers niet branden, want geld is geld, ’t is allemaal even +rond, en aan een rijksdaalder kun je niet zien of hij van mijn is of +van jou.” + +„Ja! hm! maar Bobberd, ’t was toch niet....!” + +„Zeg, ouwe jongen! hang nou maar niet den vrome uit. Jij zou ’t +evengoed hebben gehouwen als ik.—Je begrijpt, ’t portemonnaietje had +ik subiet in de kachel gestopt. Geen haan kraaide er naar.” + +„Maar als ’t nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de +lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren.” + +„Gekheid! ’k zou ze dadelijk hebben gewisseld. Nou, zeg! zóó mal niet, +hoor, manke! Als een arm mensch wat vindt, is het een bestiering van +de Voorzienigheid, dan _moet_ hij ’t hebben, ten minste als ’t niet +zóóveel is, dat je er door in den kijker loopt. En de nummers bekend? +Dat ’s een praatje. Ja!—de menschen schrijven daar op, welke nummers +ze in d’r zak hebben, kun je begrijpen! Als ’t een loterijbriefie is, +dan is ’t wat anders; maar bankies,—gekheid!—Sakkerloot, manke! wat +kijk je me raar an.—Neen! waarachtig, ik meen het, en als je er eentje +gesnapt hebt, al was ’t er ook een van honderd gulden, geef maar hier! +Voor een rijksdaalder zal ik ’t wel voor je wisselen.—Nou! biecht maar +ereis op: wat heb je?” + +„Niks! Je kletst.—Gênacht!” + + * * * * * + +Dirk gaat naar huis. Het gesprek met den Bobberd heeft hem ontstemd, +en terwijl hij, huiverend en bibberend door de koude nachtlucht, zijn +pas versnelt, denkt hij na over dat gezegde: „Geld is geld, ’t is +allemaal even rond en....” Wonderlijk! op eens komt hem zijn moeder +in de gedachten: ’t was zoo’n brave, eerlijke vrouw, die niemand voor +een halven cent zou te kort doen. Zonderling! dat hij juist nu aan +haar denken moet; ze is al zoo lang geleden gestorven en begraven. ’t +Gebeurt zelden, bijna nooit, dat hij zóó aan haar denkt. Hoe komt hij +nu plotseling aan die herinnering? ’t Is toch bepaald vreemd, want hij +kan het niet van zich afzetten; ’t komt hem voor, alsof hij haar +eensklaps weer voor zich ziet, zooals zij altijd thuis bij de tafel +zat, met haar ernstig, vriendelijk gelaat; ’t is alsof hij de kracht +van haar blik voelt, evenals vroeger toen hij nog een jongen was, +wanneer zij hem aanzag, als hij iets had gedaan wat hij niet mocht. +Hij is onrustig en stapt steeds sneller voort. Gelukkig! hij is in +zijn woning; vrouw Mijntje zit als naar gewoonte nog op en is aan ’t +werk. + +„Gênavond, moeder!” zegt hij binnenkomend. + +„Gênavond, Dirk.” + +„Wat scheelt eraan? Je hebt gehuild! Waarom, Mijntje?” + +„Ach, God! weet je ’t nog niet? We moeten er uit; in de andere week +al.” + +„Wat zeg je daar? Is ’t waarachtig?” + +„Kierssen is er weer geweest, van morgen. ’k Had geen cent meer en van +middag is hij toen nog weerom gekomen, om te zeggen, dat zijn patroon +geen geduld meer hebben wil; morgen over acht dagen moeten we +verhuizen.” + +„Zoo! hm!” Werktuiglijk grijpt de manke naar het taschje. + +„’t Is een ijselijkheid. Waar moeten we met die schapen van kinderen +naar toe?” + +„Zoo’n kerel! En we hebben toch altijd goed betaald, Mijntje.” + +„Wist ik maar raad, Dirk!” Opnieuw barst zij in tranen uit. + +Dirk richt zich op als iemand, die plotseling een besluit genomen +heeft, en met de vlakke hand op zijn knie slaande, zegt hij: „Huil +niet, vrouw! Ben je gek om je ongerust te maken. Wat n’alterasie om +zoo’n lamme vent, hé? Nou, maar morgen zal hij zijn geld hebben en we +zoeken een andere woning; een betere, hoor!” + +„Wat zeg je daar, Dirk? Heb je dan geld, en van wien?” + +„Geld, neen! Hm! ja! neen! Maar ’k zal den baas om voorschot vragen +en....” + +„Och heer! reken daar niet op; die is niets scheutig.” + +’t Duurde lang eer Dirk dien nacht den slaap kon vatten; onrustig +woelde hij op zijn legerstede en een paar malen vroeg Mijntje: „Ben je +niet goed, man? Slaap je nog niet?” + +Neen! hij kon niet slapen; dat taschje op zijn borst drukte hem; ’t +was alsof hij er de nachtmerrie mee kreeg. Dat ook juist nu die +huisheer om zijn geld moest komen; t kon nooit beter en nooit slechter +treffen; ’t geld was er immers, en toch... Hij wendde zich links en +rechts, maar ’t wou hem niet gelukken om in te slapen; onophoudelijk +kwamen de woorden van den Bobberd hem voor den geest: „als een arm +mensch wat vindt, dan is ’t een bestiering, dan moet hij het hebben.” +Waarachtig, ’t scheen wel zoo, ten minste nu. Als hij een bankje van +vijf en twintig gulden er af nam, was hij voorloopig uit den brand. + +Hij luisterde naar het slapen van de kinderen; het geluid van hun +regelmatige ademhalingen bereikte zijn oor en de vrouw naast hem +snikte nu en dan zenuwachtig in den slaap; zij had zich overstuur +gemaakt. + +„Arme ziel!” dacht Dirk, „je hebt toch ook je portie; ’k zal zorgen, +dat je ten minste niet zonder woning bent. Zoo’n rijke kerel, die ’t +verloren heeft, zal er misschien niet eens verlet van hebben; en +ik...” Hij sliep in. + +Den volgenden dag wisselde „de manke” bij een winkelier in de buurt +een bankje van vijf en twintig gulden en betaalde den huisheer. + +Met een paar rijksdaalders en wat klein geld in den zak stapte hij ’s +avonds „Het Vroolijke Schuttertje” binnen. De Bobberd was er nog niet; +gauw dus de kranten nog eens nagezien! + +„Alweer niets. Komaan! dat gaat goed,” dacht Dirk; „er schijnt geen +navraag naar te komen; ’k zal nog een dag of wat wachten en dan...” +Ja, wat zou hij dan doen? Hij wist het nog niet recht, want om Mijntje +deelgenoot te maken van zijn geheim ging volstrekt niet aan. Hij moest +iets verzinnen, een leugen;—ze zou natuurlijk vragen van waar +plotseling dat geld kwam; en zonder ’t zelf te weten, zat hij te +soezen over de krant. Hij zag de letters en hij zag ze toch eigenlijk +niet. Waarom stond er nu niet zoo’n eenvoudig „Verloren” in, dat +betrekking had op zijn vondst? + +Kon hij niet aan zijn vrouw vertellen, dat hij uit de loterij had +getrokken? Neen! dat wist ze wel beter; hij speelde immers nooit een +briefje. Een voorschot van den baas? Ze kende den baas even goed als +hij, en—nu ja, een kleinigheid zou die geven, maar nooit een... + + * * * * * + +Daar komt de Bobberd binnen, en als Dirk hem ziet, krijgt hij +plotseling een onaangenaam gevoel; hij wil naar huis gaan, maar de +Bobberd houdt hem terug met de woorden: „Wou je nu al heengaan, manke? +Zijn de centjes alweer op?” + +„Wat bedoel je?” Dirk ziet onrustig en, na onwillekeurig even te +hebben omgekeken, zijn ondervrager aan. + +„Niks bijzonders, ouwe jongen!” grinnikt de dikke, en met zijn +waterige oogjes knippend, voegt hij er bij: „Je hebt van morgen bij +Van der Wielen een vijf-en-twintigie gewisseld. ’k Stond juist in ’t +opkamertje,—dat dacht je niet, hé?—ik dronk even een kommetje troost +bij de juffrouw.” + +De manke verbleekt en stottert! „Zoo! ei!—Nou! en wat zou dat?” + +„Niks. Je moogt wisselen wat je wilt; maar ik dacht niet, dat je zoo’n +stiekemerd was om ’t voor een ouwen kennis stil te houden, dat je een +pennetje[1] hadt gehad.” + +[1] Fortuintje (volksuitdrukking). + +„Wie zeit je dan, dat ’t zoo is?” + +„Hè! hè! hè! hè! Kijk die nou! Wou je mijn nou wijsmaken dat je...” + +„Och, Bobberd! hou je grooten mond; bemoei je met je eigen.” + +„Ho! ho! maak je niet dik, manke; ik zal je niet lastig vallen; maar +een paar proppies[1] moet je geven, hoor! Anders ben je een kale +jakhals.” + +[1] Borreltjes. + +„Nou, als ’t daarom alleen te doen is, dan... Kobus! geef ons ieder +een klare, van die dubbelgebeide, hoor!” + +„Met suiker!” roept de andere, en tegenover Dirk plaats nemend, zegt +hij: „Kom, manke, ’n spulletje?” + +„Neen! ’k ga naar huis.” Dirk staat op. + +„Zeg! mot je de kinderen soms verschoonen?” Uitdagend lachend ziet de +Bobberd hem aan. + +„Neen! maar....” + +„Nou, ga dan nog even zitten. Of wil moeder de vrouw ’t niet hebben? +Als ik zoo’n vent was als jij, zou ’k me waarachtig niet aan een +spulletje laten kennen,—Kobus! geef de kaarten ereis!—vooral niet als +je pas een bankie hebt gewisseld. Kom, manke! jij geeft. Kijk! daar +komt Kees ook. Mooi! nou kunnen we een pandoertje maken.” + +Dirks wilskracht is als verlamd; hij weet niet hoe ’t komt, maar hij +blijft zitten. De Bobberd heeft hem telkens, zoo meent hij, met een +vreemden, spottenden blik aangezien: zou hij vermoeden, dat hij meer +geld heeft gevonden dan die gewisselde vijf en twintig gulden? De +manke durft het voorgeslagen „pandoertje” niet weigeren, neemt +langzaam de kaarten op en zit eindelijk angstig, als op heete kolen, +te spelen. + +Zijn gedachten bij het spel bepalen kan hij niet, en niettegenstaande +hij veel goede kaarten krijgt verliest hij telkens, zoodat Kees en de +Bobberd hem er over in ’t ootje nemen en de laatste eindelijk, met een +reeds bezwaarde tong, hem toevoegt: + +„Zie je wel, manke, dat je duiten te veel hebt?” + +’t Is lang over eenen, als hij ’t Schuttertje verlaat. Hij heeft ruim +twee gulden verloren en veel meer gedronken dan hij verdragen kan; +geheel dronken is hij echter niet, maar toch is zijn tred onvast en +worden zijn bewegingen loom en onzeker, als hij thuis komt. Met +eenigszins dubbelslaande tong antwoordt hij zijn vrouw, die ongerust +over zijn lang uitblijven nog wakker in bed zit, op haar vragen, +zoodat zij verschrikt opstaat en ’t licht aansteekt, bij de woorden: +„Goeie God! Dirk, je hebt te veel. Man! man! dat ben ik niet van je +gewend! Hoe komt dat? Ben je uit geweest?” + +Gelukkig is Mijntje verstandig genoeg om niet verder te vragen, maar +hem te bed te brengen. Als een kind laat hij zich helpen; nu en dan +zegt hij een paar onverstaanbare woorden, en als hij te bed ligt, +snorkt hij spoedig zwaar en luid. + +De geduldige vrouw ziet bezorgd den ronkenden man en haar kinderen +aan, zucht: „Moet dat er nou nog bijkomen!” en weent zich eindelijk in +slaap. + + * * * * * + +Den volgenden dag was Dirk ontstemd en knorrig; hij had zwaar +gedroomd en was met een angstkreet wakker geworden, want op de +kentering van slapen en ontwaken had hij gedroomd, dat de Bobberd voor +zijn bed stond en hem met geweld het taschje wilde ontnemen; daardoor +was hij met den uitroep: „Blijf er af, valsche hond!” wakker geworden +en zag met schrik Mijntjes donkere, zwaarmoedige oogen, die hem stil +verwijtend aanstaarden, op zich gericht. Zwijgend gaf zij hem zijn +koffie; hij had zich verslapen en haastig spoedde hij zich naar den +stal, waar de baas hem met een: „Wat mankeert jou van morgen?” +ontving. + +Dirk had, zooals men dat noemt, het land; hij wist niet waar hij ’t +zoeken moest om weer op zijn verhaal te komen. + +Brommend en knorrig deed hij zijn werk en zijn humeur werd er niet +beter op, toen hij, even na den middag, zonder een enkel vrachtje te +hebben gehad, weer aan stal kwam en de baas zei: „’t Is weer vegen +vandaag. Ga maar naar huis om te schaften; misschien is er van avond +wat werk.” + +„Wat zal Mijntje zeggen?” dacht hij onder ’t naar huis gaan; ’t drukte +hem loodzwaar, dat zijn vrouw hem ’s morgens geen enkel verwijt had +gedaan; zij had geen woord gezegd, ze was even kalm en goed geweest +als altijd; dat hinderde hem. „Had ze maar opgespeeld, was ze maar +begonnen met te zeggen, dat ik ... hm!... ’t Is toch een goed +wijf!—Verdord! waarom heb ’k nou op eens geen courage meer om nog +zoo’n briefje te wisselen. Als ik maar wist wat ik haar zeggen zou, +als ze vraagt waar ’t geld vandaan komt, dan deed ik ’t wel,” mompelde +hij in zichzelven, terwijl hij zijn woning naderde. + + * * * * * + +Nu is hij voor de deur; hij weifelt nog een oogenblik. Weer krijgt hij +de gedachte: „’k Zal er toch maar een wisselen en haar zeggen, +dat....” Daar hoort hij Mijntjes stem. ’t Is alsof zij ongenoegen met +iemand heeft, want zij spreekt luider en op scherper toon dan +gewoonlijk. + +Daarom blijft hij staan en luistert. + +Luid en met nadruk hoort hij haar zeggen: „Hoe kom je er aan? Ik wil +het weten; geef antwoord, Gerrit!” + +„Gekregen, moeder!” ’t Is Gerrits stem, die antwoordt. + +„Dat is niet waar. Zooveel sigaren krijg je niet; ik weet heel goed, +dat je er nooit meer dan een stuk of zes hebt; en nu een heel pak van +vijf en twintig, en met zoo’n mooi lint er om, dat is niet +zuiver!—Allo! zul je antwoord geven?” + +De manke staat besluiteloos achter de deur. Zal hij binnengaan en den +jongen onder handen nemen? Zal hij blijven luisteren? Werktuiglijk +doet hij het laatste, en tegen een der stijlen geleund, met de +rechterhand op den deurknop, blijft hij onbeweeglijk staan. + +„Gekregen”, herhaalt Gerrit, „van den meesterknecht gekregen”. + +„Zoo. En waarvoor, waarom? Wat heb je er voor gedaan?—Je krijgt een +kleur, je liegt!” + +„Zoo maar, moeder, voor een aardigheid.” + +„Leugenaar! ik zie aan je gezicht, dat ’t niet waar is.” + +„Gerust, moeder, ik heb ze....” + +„Zwijg! kwaje jongen! Denk je, dat moeder zoo onnoozel en dom is om +dat te gelooven? Neen, ik zal het je wel zeggen: je hebt ze +weggenomen. Kind! ’t is ijselijk, dat ik dat van je moet beleven: mijn +Gerrit een dief....!” + +„Neen, moeder! ’k ben geen dief!” + +„Niet? Noem je dat dan geen stelen? Ja! of je nou huilt en grient, ’t +is de waarheid: je bent een dief; of je geld steelt of sigaren, dat is +precies hetzelfde.” + +„Maar, moeder....” + +„Hou je mond, jongen; ik kan je niet hooren, niet zien. Ga uit mijn +oogen, leelijke dief! Wat moet er van jou groeien, als je nu al begint +met sigaren te stelen? Geef hier dat pakje; ik zal ’t....” + +„Moeder, ik heb ’t waarachtig niet gestolen; ik ben geen dief!” +schreit de knaap. + +Een oogenblik heeft Dirk een onbeschrijfelijk akelig gevoel gehad bij +Mijntjes woorden: „Ga uit mijn oogen, leelijke dief!” Hij heeft +gebeefd en is op ’t punt geweest om binnen te gaan en Gerrit zelf te +ondervragen; hij kan niet gelooven, dat zijn jongen opzettelijk +gestolen heeft, en daar valt ’t hem ook als een pak van ’t hart, als +hij den knaap op zoo stelligen toon hoort zeggen: „Ik ben geen dief.” + +Hij luistert verder, en al kan hij niets zien, hij weet, hij merkt, +dat Mijntje dichter bij den knaap is komen staan, want ze spreekt nu +minder luid en heftig. + +„Kom, Gerrit! zeg mij de waarheid, kind! Hoe kom je aan die sigaren, +en waarom verstopte je ze, toen je mij zaagt? Als ’t een eerlijke zaak +was, hoefde je dàt toch niet te doen. Och, jongen! ik meen het zoo +goed met je. Kom! zeg het moeder maar.” + +„Nou dan, moeder, ik heb ze gevonden, eergisteren, in ’t portaal bij +de sorteerkamer.—Neen! moeder, huil nou niet. ’k Ben toch geen dief, +moeder, zie je wel? Ik heb ze niet weggenomen; ik spreek de waarheid, +geloof me nou toch! Ik heb ze gevonden.—Toe, moeder, huil niet zoo; ik +ben toch niet slecht, maar....” + +„Kind! kind! waarom loog je dan? Is ’t wel wezenlijk waar?” + +„Gerust, moeder! ze leiên op ’t portaal; een van de sorteerders zal ze +verloren hebben en de....” + +„Zoo! dus gevonden. Maar daarom zijn ze toch nog niet van jou, wel? +Waarom heb je ze niet dadelijk teruggebracht, Gerrit? Dat had je +moeten doen, dat was je plicht geweest.” + +„Ja, moeder, maar...” + +Dirk hoort alles duidelijk. Hij huivert en onwillekeurig brengt hij +zijn hand op de plaats, waar ’t taschje verborgen is; ’t kost hem +moeite zich staande te houden, als hij de ernstige stem van zijn vrouw +weer verneemt, die, tot Gerrit sprekend, zegt: + +„En weet je wel, Gerrit, dat nou misschien de sorteerder, die ze +verloren heeft, als dief wordt aangezien door jou schuld en...” + +„Maar ik dacht....” + +„Foei, kind!—Ja! nou sta je te huilen; maar... Nou, wat wou je +zeggen?” + +„De sigaren worden eerst morgen door den meesterknecht ingenomen en +nageteld, en...” + +„Goddank! dan is het nog niet te laat; breng ze morgenochtend weerom +en zeg ... hm!... Ja, wat zul je nou zeggen, dat je ’t pak sigaren al +twee dagen gehouwen hebt? Zie je, daar heb je ’t al; nou moet je +alweer liegen, omdat...” + +„Maar, moeder!” + +„Zeg dan maar, dat je ’t mee naar huis hebt genomen omdat ... hm!... +Heere! Heere! wat maak je nou toch een verlegenheid door zoo’n +ding!—Wat zal ik zeggen?” + +„Och, moeder!” + +„Zeg, dat je vader ’t je had afgenomen en opgeborgen en dat je ’t +daardoor niet eerder kon...” + +„Vader?” + +„Neen! zeg maar niets. ’k Zal er zelf heengaan; ik zal ’t dan wel voor +je beredderen voor dezen keer. Maar! kind! jongen! doe ’t in Godsnaam +nooit weer—en houd je maar stil, doodstil voor je vader.” + +„Zal u ’t ’m dan ook niet zeggen, moe?” + +„Neen, jongen! ’k zal mijn mond houwen. Geef ’t pakje maar hier; ik +zal ’t wegbergen tot morgen, want als je vader ’t wist, dan zou je wat +beleven: de man is zoo eerlijk als goud. Als hij hoorde, dat jij twee +dagen een andermans goed onder je hadt gehouwen,—hij sloeg je +halfdood!” + +„Och God, moeder! zeg ’t hem dan niet; ik zal ’t nooit weer doen; maar +ik dacht, ’t zijn maar sigaren, en....” + +Meer hoort de manke niet, want ’t is hem draaierig in ’t hoofd +geworden bij de laatste woorden van Mijntje. Stil als een hond, die +slaag heeft gehad, sluipt hij weg van de deur. + +Als hij het slop uit is en in de straat, komt het hem voor alsof de +keien tegen zijn hoofd springen; werktuiglijk loopt hij voort. Met +geweld verdringen zich allerlei gedachten in zijn brein en de woorden: +„de man is zoo eerlijk als goud,” klinken hem zóó duidelijk, zóó luid +in de ooren, als vernam hij ze pas op ’t oogenblik zelf. + +„Maar ben ik dan niet eerlijk? Heb ik dan niet iederen avond trouw de +advertenties nagekeken, en ’t geld is er immers nog? Die vervloekte +Bobberd met zijn praatjes! die is eigenlijk schuld, dat ik er aan ben +geweest. En dan die huisbaas! Ik kon me toch niet op straat laten +zetten met geld in mijn zak. Wat duivel! weet ik ook van wien ’t is? +Mijn jongen wist ten minste, dat die sigaren door den sorteerder waren +verloren en...”—„Als dief aangezien door jou schuld!”—„Wat weêrga! wie +zei dat daar?” mompelt Dirk in zich zelf: „’t Is precies alsof ik ’t +iemand hoorde zeggen,” denkt hij, en eensklaps komt hem het beeld van +het jongmensch, dat boven zijn bier was en dat hij naar Kras reed, +voor den geest. „Hij zag er zoo wat uit als een handelsreiziger; ’t +zou toch kunnen zijn, dat zoo’n jongmensch voor zijn patroon geld +ontvangen en, een beetje vroolijk geworden, ’t verloren had.—Neen! +maar dan had hij er toch wel werk van gemaakt. Wist ik maar van wien +het was! Hm! ’k Had toch wel eens aan ’t Amstel-Hôtel kunnen vragen +naar dien zieken heer, die.... Wat weêrga! wat belet me, dat ik ’t nog +doe, dadelijk?” + + * * * * * + +Een half uur later staat Dirk in de vestibule van het Amstel-Hôtel en +zegt tot den portier: + +„’k Heb een dag of tien geleden, ’s avonds van den laatsten trein, +hier een passagier gebracht....” + +„Dat’s wel mogelijk; ’t is hier zoo druk, dat rappeleer ik me niet.” + +Met zijn hoed in de hand, staat Dirk min of meer verlegen voor den +welgedanen portier, die met een zeker „air” hem van het hoofd tot de +voeten opneemt, als wilde hij zeggen: „Wat moet die armoedige snorder +hier?” + +„En nou wou ik u vragen, of die heer er nog is.” + +„Weet je niet hoe hij heet? Moet je geld van hem hebben?” + +„Neen!”—de manke glimlacht even—„’t Is die passagier, die ziek +aankwam. U heeft me nog een gulden fooi moeten geven!” + +Eenigszins gevleid door ’t beleefde „U”, antwoordt de portier iets +vriendelijker: + +„O! zoo! ja—’k herinner mij. Jawel, die logeert nog hier. Wat wou je?” + +„Goddank!” denkt Dirk, en Mijntjes woorden: „Dan is ’t nog niet te +laat,” komen hem eensklaps weer in de gedachte. Hij richt zich op uit +zijn ietwat deemoedige houding en ziet den portier flink aan, terwijl +hij zegt: „’k Moet hem dadelijk spreken. Is hij thuis?” + +„Ja! maar....” + +„Zeg asjeblieft, dat No. 181 er is.” + +„Zoo! Hm! Kun je mij niet vertellen wat je wilt? Ik weet niet, of de +baron wel te spreken is.” + +„Is ’t een baron, portier?” + +„Natuurlijk!—’t Is baron Van der Weyden; hij is pas aan de beterhand.” + +„Ja, dat kan wel wezen; hij was ten minste lang niet goed ’s avonds; +onder weg had hij nog zoo’n soort van flauwte. Och kom! is hij toen +naarder geworden?” + +„Heel erg; hij zit pas sedert een dag of drie op.—Kom dus liever eens +terug,—later.” + +„Neen! dat kan ik niet,” antwoordt Dirk, en hij denkt er bij: „’k Durf +Mijntje niet weer onder de oogen te komen, vóórdat de zaak in orde +is.” Daarom herhaalt hij nog eens dringend: „’t Heeft haast, portier! +Ik zal den baron niet lang ophouden—Och! doe me ’t plezier en vraag of +ik....” + +„Nu, goed dan, ik zal je helpen,” en zich tot den kleinen groom, die +in de portiersloge op een lei zit te krabbelen, wendend, zegt de +portier: „Ga eens naar boven, naar No. 12, en vraag of de baron te +spreken is voor dien snorder.” + +„Voor No. 181,” roept de manke den jongen, die inmiddels de trappen +opwipt, nog na. + +Terwijl de groom zijn boodschap verricht, verwaardigt zich de portier, +die op ’t oogenblik niets beters te doen heeft, met den manke een +praatje te houden. Hij vertelt hem met een paar woorden, dat baron Van +der Weyden, in denzelfden nacht van zijn aankomst in ’t hotel, ernstig +ongesteld is geworden, en sedert door de freule, zijn dochter, die +telegraphisch werd ontboden, is verpleegd. + +„’t Zijn schatrijke lui, beste menschen! Maar je kunt zoo zien, dat ’t +een baron van het land is: er zit geen echte adeltrots bij! Neen! dan +heb ik ze hier wel anders, hoor! die geen mensch aankijken van +voornaamheid,” zegt de portier op ’t oogenblik dat de groom +terugkeert, en met een vragenden blik voegt hij tot den jongen er bij: +„Wel?” + +„Boven komen”, is ’t lakonieke antwoord. + +„Dat tref je!—Allo! wijs jij dien man den weg eens naar No. 12.” + +„Kom dan maar mee!” zegt knorrig de groom en gaat vóór Dirk de trappen +op. + +Zenuwachtig en besluiteloos staat de manke voor de kamerdeur, maar +zoodra hij heeft aangeklopt, wijkt dat angstig gevoel en kalm treedt +hij, na een zacht: „Binnen!” door een vrouwenstem geuit, het vertrek +in. + +Met zijn hoed in de eene hand en in de andere het taschje, dat hij uit +zijn borstrok te voorschijn heeft gehaald, staat Dirk in de kamer en +ziet rond. + +Dat moet dan die passagier zijn! Nauwelijks herkent hij hem nu; hij +heeft hem ook alleen maar ’s avonds gezien, en dan nog wel in een +dikken pels gedoken. Maar als de baron hem vraagt: „Ben jij No. 181?” +herinnert hij zich zijne stem en onwillekeurig zegt hij: „Jongens! +Jongens! meneer, wat zie je er slappies uit,”—en als schaamde hij zich +plotseling over die gemeenzame woorden, stamelt hij: „Dat viel er zoo +uit, meneer, neem me niet kwalijk,” en blijft verder zwijgend staan, +totdat de dame, die naast den ziekenstoel staat, hem vriendelijk +toevoegt: „Wat wenscht u?” + +„Mevrouw—juffrouw—ik .... hm! ik....” stottert de manke, nog altijd +eenigermate verward door de vreemde omgeving: „ik ben de snorder, die +den baron ’s avonds hier heeft gebracht en ik wou....” + +„Heb je soms de beloofde fooi niet gekregen? Vraag dan maar aan den +portier of....” + +„O, neen! meneer,” valt Dirk snel in, „dat is ’t ’m niet; ’k blijf u +nog wel dankbaar voor dien gulden, maar ’t is een heel andere +zaak.—Heeft u bij geval ook iets verloren?” + +„Goddank! ’t woord is er uit,” denkt de manke, en alsof ’t hem nu +gemakkelijker valt om te spreken, herhaalt hij: „Iets van waarde +verloren?” + +„Ik?—Niet dat ik weet, beste vriend!” + +„Och God! zou hij ’t nou toch niet wezen?” denkt Dirk; maar hij +vervolgt: „’k Heb wat in m’n viegelant gevonden, een kleine zwarte +tasch met....” + +„Met bankpapier, een leeren taschje, een bankje van duizend er in +en...?” + +„Juist, meneer! juist!—Hier is ’t, asjeblieft!” + +De freule neemt het aan en reikt het over aan haar vader, die ’t +nauwkeurig bekijkt en dan den man, die voor hem staat, scherp en +oplettend aanziet. + +„Wanneer vond je dat?” + +„’s Morgens vroeg, toen ik m’n wagon schoonmaakte. Als ik maar had +geweten, dat ’t van u was, zou ik ’t dadelijk hebben teruggebracht, +maar ik had na u nog een passagier; hij was, met uwés verlof, ’n +beetje sikker, en daarom dacht ik: misschien heeft hij ’t laten +vallen. Ik wist ook niet wie ’t was en ’k dacht: eerst hier +informeeren en .... daarom, weet u .... geloofde ik....” Dirk verwart +zich in zijn eigen woorden, omdat hij denkt: „Wat zal ik zeggen, +waarom ik ’t zoo lang gehouden heb?”—’t Is een akelig ding, dat die +woorden van Mijntje hem zoo voortdurend door ’t hoofd spoken. + +De baron redt hem uit de verlegenheid door te zeggen: + +„Ja!—’t is van mij; ’t is geld, dat ik pas van mijn notaris had +ontvangen,” en tot de freule: „Zie je, Constance, ik heb door mijn +ziekte er in ’t geheel niet meer aan gedacht. ’t Zat in mijn valiesje; +dat sloot niet goed en....” + +„Dat kan wel wezen, meneer; dan is ’t er uitgevallen, toen u +uitstapte: het valies lei open op den grond, dat weet ik, want ik heb +’t nog dichtgeknipt, voordat ik ’t aan den portier gaf. ’t Taschje had +ik niet gezien; anders....” + +„Zoo!—dus je vondt ’t ’s morgens en je zaagt, dat er geld in zat.” +Intusschen laat de baron het bankpapier door zijn vingers glijden en +ziet telkens met vriendelijker oogen den manke, die nog altijd met den +hoed in de hand voor hem staat, aan. „’k Weet niet juist meer hoeveel +geld er in was, goeie vrind, maar ’t zal wel akkoord wezen.” + +In dat oogenblik schiet met de snelheid des lichts door Dirks brein de +gedachte: „Hij wist niet hoeveel er in was; je hoeft dus niets te +zeggen van dat vijf-en-twintigje.” Maar ’t is alsof een inwendige stem +hem toefluistert: „Neen, neen! je moet het juist wel zeggen; doe je +werk niet ten halve,” en, eer hij ’t zelf weet, zijn hem de woorden +ontsnapt: „Neen, meneer, ’t is niet in orde.” En hij kleurt als een +jongen, dat voelt hij, als hij er bijvoegt: „Kijkt u maar goed na, dan +zal u wel zien dat ik—hm!—’t spijt me wel—maar...” + +De baron heeft nogmaals den inhoud nagezien, en na een oogenblik te +hebben gedacht, zegt hij: „Zoo! Zoo! En hoeveel was dat wel, goeie +vriend?” + +„Vijf en twintig gulden, meneer!” + +„Hum!” De oude heer richt zijn oogen scherp op den snorder en vraagt +met een zweem van misnoegen in zijn stem: „En waarom deed je dat?” + +Een oogenblik is het doodstil in ’t vertrek, dan zucht de manke +hoorbaar, diep, draait zijn hoed rond in zijn handen en zegt dan +zachtjes, met trillende stem: + +„Ik ben zoo arm!” + +Er is iets in de houding van den snorder dat voor hem pleit; hij staat +daar bescheiden, kalm en rustig. De Baron glimlacht met een heimelijke +traan in ’t oog en freule Constance, die gedurende het geheele gesprek +den manke goed heeft opgenomen en zijn gelaat, zonder dat hij ’t +merkt, trek voor trek bestudeert, slaat een innig meewarigen blik op +den koetsier, die nog steeds zijn hoed in de hand ronddraait en met +alle oplettendheid naar die beweging schijnt te zien. + +„Ben je getrouwd?” vraagt zij zacht. + +„Ja, juffrouw!” + +„En heb je kinderen?” + +„Om u te dienen, zeven. Ja! we hebben ’t van de winter hard genoeg +want de verdiensten zijn schraal; er zit geen geld onder de menschen +en dan loopen ze, als ze maar even kunnen, u begrijpt dus dat ’t geen +vetpot is....” + +„Ja dàt kan ’k begrijpen,” de freule ziet medelijdend hoofdschuddend +den snorder en dan, vragend, haar vader aan. + +„De huisheer had gedreigd om ons op straat te zetten. Midden in den +winter mijn vrouw en kinderen zonder dak te laten, God! dàt kon ik +niet;—vooral niet toen ik opeens zooveel geld in handen kreeg: ik hoop +dus dat u ’t me niet kwalijk zal nemen dat ik er wat afnam—maar ik +dacht misschien krijg ik wel zooveel fooi, als ik ’t weerom breng. +Kleine Jan was zoo ziek; de huisbaas wou geen uitstel meer geven en +toen...” + +„Kom eens hier, man! Hoe heet je?” roept eensklaps de baron, het +verhaal van Dirk afbrekend. + +„No. 181; och, neen! Dirk de Vries,” is ’t verwarde antwoord. + +„Kom hier, kerel!” Do oude heer rijst van zijn stoel op en herhaalt +zenuwachtig: „Kom dan!” + +Dirk aarzelt en ziet nu eens den ouden heer, dan weer de freule, +verlegen aan. + +„Maar kom dan toch bij me!” + +De manke nadert. + +„Geef me je hand, De Vries! Zoo! ’n fermen handdruk. Zoo! jij bent een +eerlijke vent, hoor! God weet, of ik in jou plaats ’t wel zóó had +getracteerd.—Hm! waar woon je? Vertel me eens wat van je familie.—Je +hebt zeker een brave vrouw, hé?” + +„Ja, meneer, die heb ik Goddank. ’t Is een best wijf, die m’n kinderen +grootbrengt met God en met eere,” antwoordt de manke, uit de volheid +zijns harten. + +„Dat dacht ik wel.—Constance, schel eens om wat port; laat den man een +stoel nemen, en ga jij hier bij ons zitten.—Kom, vrind! vertel me nu +alles eens. Wat verdien je wel en...?” + +Een lange poos zit de manke met den ouden baron te praten; hij +verhaalt hem van Mijntje, van zijn kinderen en eindelijk ook van +Bles—dat dier ligt hem na aan ’t hart. „Wil u wel gelooven meneer! dat +hij me als een hondje naloopt, aardig hé? Dat deden alle paarden die +ik gehad heb.” Dirks oogen beginnen te glinsteren als hij vervolgt: +„’k heb altijd liefhebberij gehad in mijn vak en toen ik nog +ongetrouwd was en bij baas Halswijk diende, hield ik men span in orde, +dat beloof ik je—maar wat krijg je bij zoo’n snorder onderhanden? Ouwe +dragonders, een enkel afgedankte artillerist, meestal dampig, ja! als +ik weer eens een span goeie Bovenlanders of Friezen mocht rijen, zou +ik nog eens kunnen laten zien, dat ’k weet wat ’n paard is en wat het +toekomt.” + +Met toenemend welgevallen ziet de oude heer, achterover in zijn stoel +geleund, naar Dirk, die bescheiden, maar zonder schroom, voortgaat met +over paarden en rijtuigen te spreken—telkens weer opnieuw uitgelokt +door een of andere vraag of opmerking van den Baron. Dirk merkt dat +niet maar Freule Constance wèl; zij knikt, achter den snorder staande, +een paar maal levendig met het hoofd, als wilde zij zeggen: „Ik +begrijp u papa—’t is goed wat je wilt doen.” + +Eindelijk weet de Baron wat hij weten wil, neemt zijn zakdoek, brengt +die even aan ’t voorhoofd en zegt tot den snorder:—„En nu, goeie +vrind, wil ik wel weer alleen zijn, ik dank je. Ik word wat moe; ’k +voel toch, dat ik nog zwak ben, maar jou gezicht heeft me heel veel +goedgedaan.—Ziedaar! neem dat mee, dat’s voor den eerlijken vinder; +doe mijn groeten aan je vrouw en zeg haar, ze is immers ook van +Overijssel, dat ik een landsman van haar ben—maar pak dan toch aan, +man—dat ’s om je kinderen eens te tracteeren. Zeg aan je vrouw, dat ze +een brave vent heeft en dat ze later wel meer van mij hooren +zal—Adieu!” Dirk krijgt nog een ferme handdruk van den Baron en +verlaat het vertrek. Als hij in den corridor staat, ziet hij een +banknoot in zijn hand—nauwelijks gelooft hij zijn oogen. + +„Godallemachtig! Honderd gulden!—Nou naar Mijn! Kristenenzielen, wat +zal ’t wijf blij zijn!” + +Hij stormt de trappen af, en als hij den portier voorbijkomt, vraagt +deze, uit zijn hokje ziende: „Heb je den baron gesproken?” + +„Nou! dat zou ’k je verzoeken.—Dag, portier!” + +Dirk maakt, dat hij wegkomt. + +Of de baron woord hield? + +Vraag dat maar eens aan Dirk of liever aan zijn vrouw, die, gedurende +het jaar dat zij in het ruime luchtige koetsiershuis van het +buitengoed „Weijdenstein” boven Zutphen wonen, er welgedaan en gezond +is gaan uitzien. De kinderen groeien als kool, eten als wolven, en er +is altijd genoeg. + +Als Dirk zijn zevental dan zoo gelukkig bijeen ziet, denkt hij: +„Vrouw! ’t is eigenlijk jou schuld, dat we ’t nu zoo goed hebben”, en +zijn vrouw zegt dikwijls tegen de kinderen: „Neem een voorbeeld aan +jelui’s vader: die is zoo eerlijk als goud!” + + + + +DE FASHIONABELE DINEUR. + + + + +DE FASHIONABELE DINEUR. + + +Voor den man, van wien ik in deze regelen het portret en de +beschrijving wil leveren, weet ik inderdaad geen goeden Hollandschen +naam. + +„De fatsoenlijke eter”? Neen! dat drukt niet uit wat hij is.—„De +deftige gast”? Evenmin!—„De tafelvriend van goeden huize”? Misschien +zou die naam iets beter zijn, maar ’t is toch de rechte niet. Neen! er +is bepaald in onze taal geen geheel geschikte uitdrukking om aan te +toonen, wat ik met „den fashionabelen dineur” bedoel. + +’t Is zonderling, maar het mengsel van Engelsch en Fransch schijnt +noodig te zijn om met twee woorden den persoon te kenschetsen, dien ik +op ’t oog heb; misschien ligt er wel het bewijs in, dat hij +oorspronkelijk een „niet inheemsch” type is, maar—ik ben er zeker +van—velen van hen, die dit schetsje lezen, zullen hem hier of daar +hebben ontmoet. + +Wellicht wisten zij vóór dezen niet, dat de hoogstfatsoenlijke gast, +dien zij aan tafel ontmoeten, mijn model is geweest; misschien komen +zij, na ’t lezen van dit opstel, tot de gevolgtrekking, dat de uiterst +beleefde, spraakzame, beschaafde en bovenal vormelijke man, die hun +over- of nabuur was, tot het gild der „dineurs” behoorde. + +Valt u dus voor hem een goede kernachtige naam in, geachte lezer,—ik +houd mij aanbevolen om dien over te nemen. + + * * * * * + +De fashionabele dineur is meestal een man op zekeren leeftijd, +ongehuwd en van goede, dikwijls van aristocratische familie; ik +heb er zelf een gekend, die rechtstreeks van een oud Provinciaal +regeeringsgeslacht afstamde en nooit verzuimde om die +familiebetrekking, in den loop van zijn gesprek, op even handige als +kiesche manier, een oogenblik te laten doorschemeren. + +Hij had bepaald een zeker talent om op die afstamming te wijzen, +zonder dat het den argeloozen toehoorder opviel hoe hij het deed. Met +een peinzende uitdrukking op zijn gelaat en een vriendelijk glimlachje +om zijn lippen, kon hij met zijn zacht brouwende stem tegen den een of +ander, die hem geschikt voorkwam, zeggen, zoo natuurlijk mogelijk: +„Hoe meer ik u aanzie, hoe meer ’t mij frappeert, dat u sprekend +gelijkt op Jonker Van Daelen, den intiemsten vriend van mijn oom Baron +Van Rompselaar. Of is u misschien inderdaad familie van de Van +Daelens?—Niet? O! maar de gelijkenis is bepaald buitengewoon frappant, +kolossaal!” + +Een tweeden niet onhandigen „truc” gebruikte hij, wanneer er geen +gelegenheid was om van de toevallige gelijkenis partij te trekken. ’t +Is niet moeilijk om aan tafel het gesprek langzaam aan tusschen de +soep en den pudding zoodanig te leiden, dat men eindelijk komt waar +men wezen wil. Zoo wist hij het dikwijls, door verschillende +wendingen, op liefdadige instellingen te brengen, en als hij ’t op de +hoogte had, waar hij zijn moest, begon hij met een zeker pathos: +„Liefdadige instellingen, Mevrouw?—Ik acht en vereer ze; maar! .... +mij hebben ze drie ton gekost.—U lacht? Neen! ’t is parôle d’honneur, +de zuivere waarheid. Voor een jaar of twaalf was ik, of werd ik +beschouwd als de eenige erfgenaam van Barones Van Bronkenhorst, +geboren Freule Sprang van Schramade, de eenige zuster van mijn moeder. +Zij was weduwe en kinderloos; ik was haar petekind.—Wat blijkt nu na +haar dood? Ze heeft haar geheele vermogen aan liefdadige instellingen +vermaakt, behalve een klein legaat aan mijn neef Jonkheer Van +Brijnen,—notabene om daarvoor een hondenasyl te stichten! +Ridicuul!—Ja, zij was altijd excentriek, hoogst excentriek.” + +In de meeste gevallen zou de fashionabele dineur een Mr. voor zijn +naam hebben gehad, wanneer hij niet met een onoverwinnelijke vrees en +afschuw voor examens ware ter wereld gekomen, een vrees, die hij trots +jaren van studie, niet kon overwinnen en die hem noodzaakte om vóór +het „summa cum laude” afscheid van de universiteit te nemen. Familie +en vrienden deden alles wat zij konden om hem te doen vergeten, dat +hij nooit kon slagen in het vinden van een voor hem passende +betrekking; ’t was ook zoo moeilijk, want hij kon en mocht, om zijn +afstamming, niet maar ’t eerste ’t beste baantje aannemen. + +Een huwelijk uit berekening mislukte hem evenzeer als een verbintenis, +die hij uit zuivere genegenheid trachtte te sluiten, en daarom werd +hij, bewust dat zelfs het pogen grootsch is in ’t worstelperk des +huwelijks, als célibatair te oud om zich nogmaals aan Amors grillen te +wagen. Misschien ook hielden andere redenen van meer ingrijpenden aard +hem terug van Hymens boot; hij was immers lang „jongeheer” geweest +en...... Niemand zou hebben kunnen of willen zeggen wàt hem +terughield, maar iets of meerdere ietsen kunnen soms geldige +beletselen zijn om..... Neen! laten we niet verder vragen: de man is +te fashionabel om zoo onbescheiden te zijn. + +Niemand zal, wanneer hij een fashionabelen dineur voor ’t eerst +ontmoet, in hem een man vermoeden, die met een verleden heeft te +kampen gehad, om eindelijk op meer dan rijpen leeftijd door ’t +onverbiddelijke noodlot te worden gedoemd, om, zooals men ’t wel eens +vulgair uitdrukt, „zijn kostje hier en daar op te halen.” + +Toch is het de waarheid: want rijk is hij nooit, behoeftig zelden, arm +nog minder. Zijn vermogen staat eenvoudig niet in evenredige +verhouding tot zijn eigen stand en afstamming, en evenmin past het bij +de maatschappelijke stelling van hen, bij wie hij dineert. + +Meestal bestaat hij van een kleine lijfrente, die hem door een of +anderen aristocratischen oom of tante is nagelaten; in ’t adresboek +komt hij daardoor onder de rubriek „particulieren” of „renteniers” +voor. Zoodra ge hem ziet, zegt ge dadelijk: dat is een hoogst +fatsoenlijk man, goed verzorgd in alle opzichten, wat kleeding en +vormen betreft; en als ge hem hoort spreken, wordt ge aanstonds +overtuigd, dat alles wat naar ’t ordinaire zweemt, hem volkomen vreemd +is. In den loop van het gesprek, zal hij u voortdurend in verbazing +brengen door den onmetelijken schat van gemeenplaatsen, die hem ten +dienste staan. Hij vertelt u met een beminnelijk glimlachje, dat hij +gestudeerd heeft, ten minste dat hij student is geweest; en met een +zekeren weemoed fluistert hij u in, zoodra hij na een of ander +familie-diner de pianino ziet openen, dat hij „au beau milieu de sa +jeunesse” veel aan muziek heeft gedaan, maar dat, door alles wat hij +ondervonden heeft, zijn stem niet meer is wat ze eenmaal was. Soms is +die vertrouwelijke mededeeling een verkorte bede om hem tot zingen(?) +te verleiden.—Wee u, zoo ge u laat vangen! + +„J’ai dit la romance”, vertelt hij aan een ieder, die ’t hooren wil; +en wanneer hij dat zachte woordje: „dit” met een soort van zoetelijken +glimlach over zijn min of meer gastronomisch ontwikkelde lippen, doet +suizelen, herinnert hij u onwillekeurig aan den troubadour van +voorheen, die aan de minnehoven, voor adellijke jonkvrouwen en +burchtdames stem en speeltuig liet klinken. + +„De romance moet niet _gezongen_ worden”, beweert hij; „il faut la +dire.” Wees voorzichtig, dat ge niet in den lach schiet, want hij zou +’t u hoogst kwalijk nemen, al zou het timbre van zijn stem u ook +dadelijk „volkomen vergeving van zonden” verzekeren. Ge kunt u immers +zonder gerechte vroolijkheid uit zijn Lucullisch ontwikkelden mond +geen „Rêve parfum au frais murmure” voorstellen, evenmin als ge u +verbeelden kunt, dat de opgepofte, korte handjes van den min of meer +dikbuikigen heer, die u met diepen ernst van zijn talenten staat te +vertellen, ooit citersnaar of pianotoetsen hebben gestreeld. + +Natuurlijk houdt ge uit beleefdheid uw gelaat in bedwang; bovendien, +de man is geen gewone bluffer of ophakker. Integendeel, hij is door en +door fijn, fatsoenlijk en net; alle gewone ploertigheid is hem vreemd. + +In zijn spreken, uiterlijk en manieren is en blijft hij „een +gentleman” van top tot teen. Of niet nu en dan door de poriën van zijn +volmaakt fashionabel omhulsel een klein reukje van bekrompenheid en +bescheiden grootspraak heenwasemt, wil ik niet beslissen, maar in +allen gevalle wordt dat toch belangrijk gewijzigd door den geur van +Jockey-club of New-mown-hay-essence, die u uit zijn zakdoek +tegenwaait, wanneer hij dien met voorname deftigheid even in de hand +neemt, om daarmee voorzichtig zijn veelal iets te hoog voorhoofd af te +betten, als hij, na de vermoeiende bezigheid van het dineeren, van +tafel opstaande, u plechtig verzekert, dat hij „gecharmeerd is van uw +alleraangenaamst gezelschap”. + +Met tact weet hij des winters na ’t diner, zonder dat iemand hem ook +maar in de verste verte van onbescheidenheid zou kunnen beschuldigen, +het beste plaatsje aan den open haard te bezetten, en met echte +virtuositeit kiest hij in een ondeelbaar oogenblik uit het kistje +Regalia-comme-il-faut, dat men hem aanbiedt, de beste sigaar. Terwijl +hij zijn koffie „savoureert”, geniet hij „als kenner” die Havana, +zonder te dampen als een stoomboot en daardoor een ander overlast aan +te doen. Hij zou iemand „lastig zijn?” O, foei! dat is onmogelijk. Hij +is—vraag het maar aan al de dames, die hij kent—de meest galante, de +beleefdste en voorkomendste cavalier, die zonder onderscheid voor alle +vrouwen—mits fatsoenlijke—een kleinen dienst overheeft, een dienstje +soms zóó klein, dat een „gewoon heer” het niet zou durven bewijzen. +Daardoor nemen de dames hem dan ook algemeen „en amitié”. Hij zegt het +zelf en derhalve zal het wel waar zijn, want—jokken, neen! daarvoor is +hij veel te fashionabel. + +Komt het eens voor, dat hij een enkele maal van ’t een of ander een +niet geheel juiste voorstelling geeft, dan doet hij dat alleen, omdat +het volstrekt onvermijdelijk, noodzakelijk is om—„en amitié” te +blijven; waar ’t doel goed is, wordt ook voor hem ’t middel spoedig +heilig. + +Eigenaardig is het, dat hij dit goede doel nooit uit ’t oog verliest +bij families, waar hij zijn „vasten dag” heeft, en treffend is het om +te aanschouwen, hoe hij op die „vaste dagen” prijs stelt. Ontvalt hem +zoo’n steunpilaar van zijn bestaan, oogenblikkelijk ziet hij rond naar +een plaatsvervanger. Gewoonlijk vindt hij dien, door zich bij vrienden +van vrienden in te leiden met een: „Veroorlooft u mij Mevrouw, dat ik +u eens een visite kom maken? Ik ben zoo gecharmeerd van uw aangenaam +gezelschap, dat....” + +Meestal gelukt hem die manoeuvre, want ’t is voor veel familiën, die +nogal eens diners geven, wel iets waard iemand „au besoin” te hebben: +meestal toch doen de heeren opgeld. + +Ook als „_veertiende_” komt de „dineur” niet zelden uitmuntend te +stade; terwijl hij als „chapeau” voor dames van een zekeren leeftijd, +die niet in de termen vallen om door de jongelui te worden begeleid, +veel dienst kan doen, als de kruier te vroeg of in ’t geheel niet +komt. + + * * * * * + +’t Is inderdaad een genot om hem te zien dineeren; want hoewel hij een +lekkerbek is in den overtreffenden trap, een epicurist, die met +ongeloofelijke juistheid op de punt van zijn tong den jaargang der +wijnen weet te schatten en onfeilbaar vast elke afwijking in geur of +smaak van een of ander gerecht ontdekt, is hij, zoodra hij in zijn +hoedanigheid van „dineur” optreedt, volkomen optimistisch gestemd. Hij +verzekert u met zooveel plechtige overtuiging, dat de ossenhaas „om te +zuigen” is, dat ge waarlijk meent een trouweloosheid van uw gebit te +ontdekken, als ge zelf met moeite die vezelachtige zelfstandigheid +vermaalt. + +Zoodra hij met een zekere, aandoenlijke beslistheid verkondigt, dat de +doperwtjes „superber” en „délicaat” zijn, schaamt ge u, dat ge een +oogenblik den moed hebt gehad er iets aangebrands aan te proeven. + +Wanneer ge gevoel hebt voor de kunst van dineeren, gaat ge, bijna +zonder het zelf te weten, hem navolgen in de meesterlijke wijze, +waarop hij de punt van zijn servet in de holte tusschen adamsappel en +halsboord steekt; hij doet dat zóó handig, zóó zorgvuldig en „chic”, +dat ge onmiddellijk beseft, hoe hoog de man staat als „Dineur”, hoe +ver hij het heeft gebracht in de kunst van hoogst fatsoenlijk +dineeren. Let op! hoe hij vork en mes hanteert; ’t is met volkomen +meesterschap. Zie naar hem, als hij, tusschen duim en wijsvinger, zijn +wijnkelk opneemt. Doet hij het niet juist alsof hij een bedauwd +rozenblaadje aanvat? Geef u de moeite op te merken, hoe keurig hij +zijn lepel in evenwicht houdt, en met hoeveel sierlijke zorgeloosheid +hij met zijn stukje brood weet te spelen, als er niets gewichtigers +voor hem te doen is. Aan ’t dessert zoekt hij zijn wederga in ’t +ontkleeden van een Chinaasappel, waarvan hij de schil tot allerlei +aardige doeleinden weet te gebruiken; niemand dan hij, ontdoet, met +zooveel innige toewijding en snelheid, een sappige perzik van haar +donzig huidje, maar ontegenzeggelijk is hij een phoenomeen, als ge +ziet hoe hij noten ontleedt en bereidt in de perelende „Oeil de +Perdrix”, die hem steevast een vriendelijken glimlach om de lippen +toovert. In dat gewichtig oogenblik geeft hij gewoonlijk één of, als +de champagne bijzonder goed is, twee „uien” van zijn répertoire ten +beste. Uit beleefdheid en omdat hij toch waarachtig zoo’n „uitstekend +nette vent” is, lachen enkele gasten die hem kennen om die anecdoten, +al zijn ze ook even oud als zijn gewoonte om vóórdat hij begint te +vertellen te zeggen: „Misschien kennen de heeren en dames deze +aardigheid al, maar...” + +Verlies hem geen seconde uit het oog, want ge kunt ontzaglijk veel van +hem leeren; hij verstaat het „dineeren”, zooals niemand anders. Geen +wonder: ’t is ook het eenige wat hij met voorliefde doet, het eenige +waarmee hij zijn leven verslijt—neen! in stand houdt. + + * * * * * + +Zijn gesprekken aan tafel zijn ongetwijfeld voor den opmerker uiterst +leerrijk en belangwekkend, ten minste wanneer die opmerker te gelijk +leeren wil, hoe men onder ’t eten zijn dame moet bezighouden. Opéra’s, +concerten enz. bezoekt de fashionabele dineur, uit den aard van zijn +beurs en vak, niet of hoogst zelden, maar toch weet hij er met tact +over te babbelen; hij put zijn gunstig of ongunstig oordeel, zonder +dat iemand het merkt, uit de kranten, die hij elken avond van a tot z +leest, en zonder aarzelen geeft hij zijn meening te kennen over deze +of gene zangeres of acteur, soms zelfs zóó apodictisch, dat men +dadelijk begrijpt dat zijn geoefende voelhorens hem hebben +medegedeeld, dat hij naast of over iemand zit, die er nog minder +verstand van heeft dan hij zelf. Zijn onderhoud met anderen, regelt +zich altijd naar de geaardheid en gezindheid van hem of haar, die het +toeval naast hem plaatst. Mevrouw X, zijn tafelbuurtje, is streng +orthodox; oogenblikkelijk dweept hij met dominé Heiler of vindt de +preeken van den zendeling Indicus overheerlijk en dierbaar. Is de +coquette, maar min of meer bekrompen en oppervlakkige juffrouw Y hem +als dame toebedeeld, dan verbaast hij u door zijn kennis van „robes +Présidente, coiffure à la Japonnaise” en „plissés en biais;” wanneer +ge hem met haar hoort, praten, zoudt ge—indien ge hem niet als +„medegast” kendet, oogenblikkelijk uw neus er onder willen verwedden, +dat hij een dames-kleedermaker is of een confectie-magazijn bestuurt. +Doet hij—in veel gevallen gebruiken bijgeloovige families den braven +man daarvoor—als veertiende gast dienst en plaatst het toeval hem niet +naast een dame, maar naast een heer, dikwijls nog wel een heer, op +wien ’t minder aankomt, dan is hij politicus, maar altijd +occasie-politicus, dat wil zeggen: hij verkent eerst zorgvuldig zijn +nevenman, en al naarmate deze behoudend, radicaal, liberaal of +clericaal is, sympathiseert hij beurtelings met een dier richtingen; +hij verandert als een kameleon van kleur, zoodra de omstandigheden het +gebieden. + +Over whisten, omberen en trekjes redeneert hij met grondige kennis en +niet zonder recht, want hij speelt fijn, uiterst oplettend en meestal +zóó gelukkig, dat hij minstens de fooi van meid of knecht verdient; ’t +hoort ook geheel en al bij zijn vak, want bij veel families wordt ’s +winters, na ’t diner een kaartje gelegd. Ligt zijn naamkaartje op het +servet, naast het slabbetje van een der kleinen, dan is hij dadelijk +een hartstochtelijk kindervriend; maar vindt hij het nevens dat der +kinderlooze Mevrouw A, dan is hij het oogenblikkelijk volkomen met +haar eens, dat kinderen heel aardig kunnen zijn, maar dat het toch +oneindig veel beter is: er géén, dan zoo „plebeïsch veel” te hebben. + +Alle richtingen, alle gezindheden, liefhebberijen, voorliefden en +hekels zijn in hem vertegenwoordigd, en daarom vindt iedereen hem „een +aangenaam welopgevoed mensch”, namelijk zoolang men hem aan eet- en +speeltafel ontmoet. + +Zoodra de tafel is opgeheven, kunt ge den man, dien ge nog slechts +voor de helft hebt gezien en leeren kennen, geheel bestudeeren. + +Met een glimlach van voldaanheid, overtuigd dat hij naar plicht en +geweten, als een ridder zonder blaam of vrees, heeft gedaan wat zijn +mond vond om te doen, kunt ge hem dan rond zien kijken met een blik, +die beter dan woorden zegt: „Ik tart een ieder om mij te overtreffen.” + +Beschouw hem nu eens goed. Zaagt ge ooit een beter pas gesneden en +zorgvuldiger afgewerkten zwarten rok dan den zijnen? Namelijk als ’t +groot diner is; bij meer huiselijke maaltijden verschijnt hij in een +zwart lakensche sluitjas van goed fatsoen en voldoende qualiteit. Zijn +overhemd is altijd onberispelijk wit en gesteven evenals zijn staande +boord, en een beter gemaakte pantalon dan de zijne hebt ge nooit +ontmoet. + +Keurige manchetten kijken uit zijn mouwen en de gouden knoopen van +circa 2 centimeters middellijn schitteren als kleine zonnen boven het +sneeuwwit linnen, dat zijn goed verzorgde handen omvat. + +’t Is een lust om zijn „au fainéant” of „au chinois” gegroeide en +gesneden nagels te bekijken. Wit gebrabd aan den uitersten rand, +gepolijst op de ronding en rozig getint aan den wortel, passen ze +volkomen bij zijn dikke vleezige handjes, die door haar blanke +reinheid, zoowel als door haar week, zacht uiterlijk zijn trots +uitmaken. Ze bewijzen duidelijk, dat zij geen ander werk kunnen doen +dan ’t onvermijdelijkste bij het toilet van haar meester of ’t +allernoodigste aan de speeltafel. Nauwelijks kan men gelooven, dat +zulke ronde, weeke, wasachtige vingers onschuldige pianinotoetsen zoo +onbarmhartig kunnen martelen. + +Wáár de „dineur” zich scheren laat, wordt zeker met opzet niet +bekendgemaakt, want ongetwijfeld zou de barbier, die zulk een +kunstwerk kan verrichten, _al te veel_ te doen krijgen, immers met een +loep zelfs is geen stoppeltje aan kin en wangen te ontdekken; en waren +de aristocratisch gesneden bakkebaarden niet op ’s mans gelaat als +tegenbewijs te zien, niemand zou willen gelooven, dat hij ooit aanleg +had tot een baard. + +Dat hij „rouge de théâtre” of „carmin des bayadères” gebruikt, is niet +met grond aan te nemen, al schijnen zijn lieve bolle koontjes het u +ook lachend toe te blozen. O! neen, hij heeft geen hulpmiddelen der +kunst noodig, want de vriendelijke natuur goot dien dageraadschijn +over de verhevenheden van zijn vleezig gelaat, zoodat de +maanlichtachtige bleekheid der overige meer vlakke gedeelten evenals +de kleine, maar helderblauwe oogen er grillig bij afsteken. Als het +alpengloeien in den avondstond, spelen na het diner rozige tinten op +de punt van zijn regelmatig gevormden neus, en om de zinnelijk +gesneden lippen van zijn meestal te grooten mond. + +Als hij eet of lacht, ontwaart ge twee en dertig tanden, die door hun +buitengewone regelmatigheid en witte kleur u een oogenblik in +verlegenheid brengen, omdat ge niet weet of moeder natuur, dan wel een +mannelijk tandheelkundig individu uw bewondering verdient. ’t Zwarte +haar, dat hij eenmaal in overvloed bezat, is nu voor het grootste +gedeelte ergens anders. Zijn voorhoofd is daardoor buitengewoon hoog; +maar aan de slapen en soms ook bij den eersten halswervel is nog haar +genoeg overgebleven om het bewijs te leveren, dat de goede man +inderdaad met eere grijs wordt. Een paar volle zware, zwarte +wenkbrauwen trachten intusschen het tegendeel te betoogen, tenzij de +kapper, die de eer heeft hem te bedienen, uit de school wou klappen of +de „teinture capillaire”, die hij verkoopt, wel overal met even goed +gevolg aan te wenden is. Op zijn neus, en afwisselend op zijn vest ter +hoogte van zijn fraaie horlogeketting, vertoont zich een pince-nez, +die er „gedistingeerd” uitziet; en wanneer ge den „fashionabelen +dineur” over het mollige tapijt in de kamer langzaam en deftig ziet op +en neer wandelen, blinken zijn verlakte schoenen, behoudens hier of +daar een enkel spatje bovenop, u zoo nieuw en krakend tegen, dat ge +onmiddellijk begrijpt, dat ze voor deze gelegenheid expresselijk +vervaardigd of bewaard zijn en door gutta-percha overschoenen in +plaats van door een rijtuig weldadig beschermd werden. + + * * * * * + +Ziehier dan het beeld van den „fashionabelen dineur” geschetst, +wanneer hij in zijn kwaliteit als zoodanig optreedt. Hoe hij er +uitziet en wat hij doet, zoodra zijn plicht hem niet meer roept, zal +ik trachten nog met korte woorden mee te deelen. + +’t Is reeds lang morgen; bijna is het middag en de zon schijnt +vriendelijk tusschen de franjes door van de neergelaten gordijnen, +voor de vensters der voorkamer, zoodat op het min of meer verschoten +vloerkleed enkele heldere plekken en strepen het patroon doen +herleven. Een vrij goed, maar erg ouderwetsch en met hoezen voorzien +ameublement dommelt in ’t gedempte licht, en slaperig, stijf, voornaam +kijken eenige familieportretten uit hun grauwig gouden lijsten u na, +als ge u langs een tafel—waarop eenige boeken liggen, die eertijds in +prachtband werden gebonden—naar de achterkamer begeeft. + +Ontbloot eerbiedig uw hoofd, want ge zijt in ’t heilige der heiligen! +Ge hebt een drempel overschreden, waarover nog nooit een van de +fashionabele kennissen en vrienden des „dineurs” den voet zette. Ge +zijt er nu eenmaal, maak dus van de aangeboden gelegenheid gebruik, en +zie rond. Nu is hij thuis, dat is te zeggen voor u—omdat ge +onzichtbaar zijt; voor ieder ander sterveling is hij altijd „UIT.” +Alleen op zijn verjaardag ontvangt hij eenige belangstellende vrienden +en kennissen; dan zien de meubelen er versch gewreven uit en de +voorname familieleden schijnen op hun portretten te glimlachen over de +advokaten borrel, die hij—ge moet niet zeggen dat ik het u verklapt +hebt—’s morgens zelf heeft gemaakt, „omdat hij dan zeker is dat er +alles in komt.” Kom nu met mij mede, zachtjes? Hij slaapt misschien +nog. Neen! het met groen saai omhangen ledikant herbergt hem dien we +zoeken, niet meer. Over een kleerknaap hangt rustend de zwarte rok, +dien gij onlangs zoo mooi vondt, en daaronder droomt het vest, +verpoozend van de uitspanning des vorigen maaltijds. Netjes in tweeën +gevouwen vleit zich de pantalon op den stoel er naast, tegen het +onbesmette overhemd, dat met vermoeide slappe mouwen over de leuning +bungelt, terwijl de manchetten bijna den grond raken en de gouden +knoopen daaraan ondeugend fonkelen in een zonnestraaltje, dat onder de +reet der deur doorsluipt.—Onwillekeurig ziet ge rond naar de eigenaar +van de bottines, die zorgvuldig met een wit doekje bedekt, naast den +stoel verscholen, zich, alleen door één van haar glimmende neusjes +verraden hebben. Ge ontwaart hem niet. Hij staat ook niet voor de +waschtafel, waarop tal van flesschjes en potjes met geheimzinnigen +inhoud u allerlei onbescheiden vragen op de lippen brengen; ook voor +den scheerspiegel op standaard is hij niet bezig; evenmin ontdekt ge +hem zittend aan de kleine tafel, waarop hij boord en das met zijn +horloge en den verderen inhoud van zijn zakken heeft neêrgelegd. Hij +is nergens te vinden. Zou hij reeds weer bezig zijn met het uitoefenen +van zijn...? Stil, laat hij uw vraag niet hooren: ge zoudt hem +plotseling voor goed en geheel onzichtbaar maken. Houd u dood—doodstil +en volg de kleine lichtschemering die u, uit een tot nog toe niet +opgemerkte zijdeur, wenkt. + +Hij is in het allerheiligste van het heilige der heiligen, en waant +zich onbespied. In ’s hemelsnaam voorzichtig. Houd uw adem in, indien +ge hem zien wilt, want, bemerkt hij uwe nadering ook maar bij +instinct—als met een tooverslag zoudt ge hem geheel en al zien +verdwijnen; en .. ’t is heusch de moeite waard om hem gade te slaan. + +Stil dus! sluip, onhoorbaar zacht, nader. Ziet ge hem nu? Niet?—Wat +ziet ge dan? Zeg ’t mij maar zachtjes, ik ben bescheiden, zoolang het +noodig is. + +Een man gehuld in een emeritus kamerjapon, die wanhopige pogingen doet +om, behalve een beverschen borstrok met witbeenen knoopen en een dito +onderbroek met loshangende bandjes, twee somber afhangende sokken te +verbergen, omdat zij treurig over neergetrapte pantoffels zakken. + +Een geelig witte nachtdas begrenst van onderen een slaperig gelaat, +dat over ’t voorhoofd den met gaatjes gebreiden rand van een gruwelijk +burgerlijke pluimmuts voelt streelen. + +Maar dat is immers de man niet, dien wij zoeken? Ja zeker! hij is het +wel, maar ge hebt hem nog niet anders dan „in zijn vak” ontmoet en in +huisgewaad ziet iemand er, gemeenlijk, eenigszins anders uit dan in +„gala.” Hij is pas opgestaan; ge kunt het hem niet kwalijk nemen, ’t +diner bij de Verhovens duurde gisteren buitengewoon lang en de +Bourgogne was erg zwaar; hij drinkt ze gaarne, maar voelt er zich +nooit „heel lekker” op den volgenden dag—’t kan echter niet anders, +zijn vak brengt dergelijke kleine „misères” mede. + +Houdt u nog een oogenblik bedaard en zie naar ’t geen hij doet. + +Hij gaapt. Hemel! wat gaapt hij leelijk, lang en lui. Welk een minimum +van tanden, en hoe waterig kijkt hij uit zijn oogen! Hij rekt zich +uit, met de armen omhoog en gaapt nog eens. Wat doet hij nu? Hij kijkt +naar een petroleumtoestel dat op het aanrecht—waarachtig! we zijn in +een keukentje verzeild—staat. Hij draait de pitten wat op en ziet met +alle aandacht naar het water dat hij warmt om zich te kunnen +scheren....? + +Neen! dat denkt ge maar. Kijk dan ook oplettender s. v. p.: hij heeft +immers geen keteltje, maar een pannetje boven de vlam staan.... + +Wat zou daarin zijn? Wellicht het een of andere chemische preparaat; +wie weet! misschien is de „fashionable dineur” een verkapt alchimist +die, in zijn vrijen tijd, naar „’t levens Elixir” of naar „den steen +der wijzen” zoekt. + +St! ziet ge hem nu naar dien donkeren hoek van keukentje sluipen? ’t +Is alsof hij vreest dat men hem hooren zal, zoo zachtjes loopt hij. +Ha! dáár bewaart hij zijn ingrédiënten, dáár in dat geheime kastje in +den muur. Laten we nu goed toekijken, misschien komen we er achter, +hoe hij goud maakt. Hebt ge opgemerkt, dat hij een zwart geheimzinnig +uitziend fleschje in de eene hand heeft genomen? Ziet ge wel dat hij +in de andere een blikken busje houdt? + +Hoe jammer! daar draait hij zich om en staat met den rug naar ons toe; +nu kunnen we niet zien welke bestanddeelen hij in ’t pannetje +werpt.—Ga een eindje met mij achter uit. ’t Mocht eens gevaarlijk goed +zijn, dat ontploft en uw gelaat zengt, en..... + +Groote Goden! hij neemt een lepel, steekt dien in ’t pannetje en .... +heusch! hij proeft van—de hemel mag weten, wàt—hij kookt. + +Onnoozele, begrijpt ge nu nog niet, wat ge daar ziet? + +Och ’t is zoo doodeenvoudig. Kijk maar eens even op den scheurkalender +in de voorkamer. + +Nu, welken datum? + +Acht en twintig Maart! + +Juist, ’t is in ’t laatst van de maand: dan houdt hij om geldige +redenen niet van restauratie of table d’hôte en—toevallig heeft hij +heden geen uitnoodigingen. + +O!..... + +Vat ge ’t nu? + +Ik geloof het wel, arme fashionabele man! + + + + +HOE JETJE GEZOEND WERD. + + + + +HOE JETJE GEZOEND WERD. + + +’t Is voor een eerzaam kruidenier, die min of meer pokdalig, +weduwnaar en kippig is en een drukke zaak heeft, bepaald een ongeluk, +wanneer hij een mooie dochter bezit, die jolig en goedlachsch, niet +besluiten kan om als een hofjesjuffrouw achter de neteldoeksche +schuifgordijntjes van een sombere binnenkamer te blijven kniezen, maar +nu en dan zich verstout, met dezen of genen winkelklant een praatje te +houden, of in den deurpost staande, naar ’t vroolijke zonnetje en de +voorbijgangers te kijken. + +Laat ik u daar eens iets van vertellen, tot nut en leering van alle +brave kruideniers, alle ondeugende jongelui en aardige meiskens. + + * * * * * + +Op den Nieuwendijk woonde sedert jaren een zekere Bommers, die een +ouderwetschen kruidenierswinkel hield en jaar in jaar uit, met een +vettig glimmend lustren jasje aan en een dito petje op ’t hoofd, +achter zijn toonbank stond, om naast een winkelknecht, die er even +oudbakken en kleverig uitzag als hijzelf, koffie, krenten, suiker en +andere zoetigheid af te wegen, of petroleum, stroop en patentolie te +verkoopen. + +Bommers was niet alleen kruidenier, maar tevens vader en wel van een +Jetje, dat in de buurt, om haar frisch blozend gelaat, lachende blauwe +oogen en kastanjebruin haar als „mooi Jetje” bekend, door de jongelui, +die in de nabijheid woonden, meer bijzonder „’t lachebekje” werd +genoemd, omdat ze zoo’n vriendelijk rood mondje had, dat met twee +schalksche kuiltjes in haar donzige wangen zoo aardig en prettig +lachte, als deze of gene klant, generis masculini, met haar een grapje +maakte, als zij toevallig in vaders winkel stond of op de stoep een +luchtje schepte. + +Behalve vijgen, sukade, rozijnen en andere versnaperingen, verkocht +Bommers ook sigaren, die, hoe gevaarlijk groenachtig geel en +gespikkeld ze er ook uitzagen, eensklaps bij de omwonende jongelui +bijzonder in trek kwamen, zóó zelfs dat Jan de winkelknecht er zich +over verwonderde en grinnikend aan zijn meester durfde zeggen: „Ik +geloof, dat die spreeuwen”—Jans geliefkoosde benaming voor de spes +patriae—„een stuk leer in d’r mond hebben in plaats van ’n tong; want +als ze die bokkies lekker vinden, dan....” Jan liet den volzin +onvoltooid en ’t was misschien maar gelukkig. Als eenig antwoord +meesmuilde de patroon, zette den handel in sigaren met kracht door, en +bracht meteen den prijs der „bokkies” van zes op vier voor een +dubbeltje. „Je moet maar zeggen, dat ze opgeslagen zijn, hoor Jan! Ze +nemen ze toch”, zei hij op zekeren dag. Jan pruttelde in zich zelf: +„Smakelijk rooken!” en hij dacht er bij: „Als Jetje in den winkel is, +kan ik ze voor drie centen evengoed verkoopen.” ’t Was geen onlogische +Jan! + + * * * * * + +Vlak tegenover Bommers’ winkel, woonde op een kamer van de eerste +verdieping Herman Stam, een jolig medisch student, die, wanneer hij +niet studeerde, zijn beenen en pantoffels op de vensterbank voor ’t +publiek ten toon stelde, of zijn vroolijk, open gelaat naar buiten +stak en deftig rookend uit een lange pijp, dikwijls vrij lang en +vrijmoedig in den kruidenierswinkel tegenover hem tuurde. Waarom? Och! +eenvoudig uit belangstelling om te zien of er veel klanten inliepen. +Zóó beweerde hij ten minste tegen zijn hospita, die hem eenmaal had +gevraagd: „Meheir! wat ziet uwee toch an dien ouwen kruideniersrommel? +Ik heb al driemaal geklopt, maar uwee hoorde me niet, zóó was je an ’t +kijken.” ’t Goede mensch had niet gezien, dat de jonge juffrouw +Bommers juist op dat oogenblik in den kruidenierswinkel stond en wel +in de geopende deur, van waar zij, ze kon het heusch niet helpen, +Hermans bruine oogen en den dampenden kop van zijn gouwenaar kon zien. +Zij vond, dat hij zoo gezellig en deftig rookte, en knikte—uit louter +buurschap—hem toe. + +’t Was opmerkelijk, dat sedert dien tijd de zware en lichte van de +vier, die Bommers verkocht, bij Herman en eenigen van zijne vrienden, +buitengewoon in trek begonnen te komen. Elken dag verschenen geregeld +drie of vier van die vroolijke snaken in den winkel en vroegen ieder +voor één dubbeltje Puantos Infamos van de vier, zwaar of licht, naar +dat ’t zoo uitkwam,—’t was hun om ’t even. De winkelknecht had reeds +een paar malen bescheiden aangemerkt: „Ze heeten Upmann-sigaren, +heeren!” Maar met het leukste gezicht van de wereld had Herman, namens +zijn vrienden, geantwoord: „O zoo! heeten ze Upmann? Dank je voor de +communicatie, ’t is wel mogelijk, maar wij kennen ze niet onder dien +naam en zeggen dus kortheidshalve: „Puantos Infamos”.” Jan zweeg +tegenover dit argument. + +De oude Bommers zag wel is waar met genoegen, dat zijn debiet in +sigaren iederen dag toenam, maar toch kon hij zich niet ontveinzen, +dat die Puantos-klanten ijselijk lang bleven praten, niet met hem, +maar met zijn aardig levenslustig dochtertje, dat heel toevallig +altijd in den winkel stond, als de jongelui kwamen, en tegen hen, maar +in ’t bijzonder tegen Herman Stam, heel erg vriendelijk was. + +Met schrik en een vaderlijke hartklopping—ook een kruidenier heeft een +gevoelig hart—zag de oude Bommers, dat Herman soms tweemaal op één dag +zich aan de Infamos te goed deed, en eens zelfs had Bommers, zonder +dat de student het wist, gezien, dat de medische jongeling het +oogenblik dat hij zich omdraaide, om uit den oliebak een paar kan +patentolie af te meten, bliksemsnel waarnam om Jetjes middel te +omvatten en een poging te doen om haar een kusje te ontstelen. Wel is +waar had de roover, in plaats van een zoen, een fermen duw tegen den +schouder gekregen, maar Jetje had daarbij zoo smakelijk gelachen en +zoo glunder gekeken, dat vader het toch raadzaam oordeelde om na dien +dag, zoodra de heeren studiosi in den winkel kwamen, zijn dochter met +een: „Kind, ga jij ereis van den zolder wat touw voor me halen”, te +verwijderen. Jan de winkelknecht grinnikte dan inwendig van plezier, +maar vroeg te gelijk met ’t leukste gezicht van de wereld: „Opsteken, +meneer?” en streek met kracht een ouderwetschen lucifer over ’t +doosje, zoodat de phosphor knetterend ontvlamde en de zwavellucht den +klanten in den neus kwam, een beleefdheid waardoor hij zich +herhaaldelijk een: „Vade retro, Satanas!”—dat hij niet begreep—op den +hals haalde. + +Ten gevolge van deze niet onhandige vaderlijke manoeuvre van Bommers, +nam het debiet der Puantos Infamos niet meer toe, want nadat ’t +herhaaldelijk was gebleken dat Jetje, zoodra „de heeren” zich +vertoonden, onzichtbaar werd, begonnen Herman en zijn vrienden +allerlei aanmerkingen te maken, en noemden met een zekere minachting, +de heerlijke Puantos „bokkies”, een woord dat den winkelbediende een +heimelijken glimlach ontlokte, als wilde hij zeggen: „Ge komt langzaam +aan tot de jaren des onderscheids, vriendjes!” + +’t Debiet verliep eindelijk totaal, en toen het laatste kistje was +leegverkocht aan schippers en buitenlui, die ze „voor de acht” kregen, +omdat het—zooals Bommers zei—een opruiming was, besloot de kruidenier +den handel in sigaren voorgoed op te geven en zich voortaan alleen tot +’t Koloniale vak te bepalen. + +Nauwelijks was de laatste der Infamos verdwalmd tusschen de lippen van +een Marker visscher, die haar als toegift op een ons suiker en een +half ons thee had aangenomen, of Jetjes aardig gezichtje kwam weer te +voorschijn in den winkel. + +Zonderling! een paar dagen later ontdekten Herman en zijn vrienden een +plotselinge dagelijksche behoefte aan vijgen, rozijnen en amandelen. + +Bommers had inwendig het land en behandelde de jongelui zoo stuursch +mogelijk, maar zij bleven van hun kant uiterst beleefd en fatsoenlijk, +informeerden altijd naar den staat van „meneers gezondheid”, prezen +zijn goede waar en kochten elken dag à contant een zekere hoeveelheid +vijgen of rozijnen. + +Toen ten gevolge daarvan Jetje weer onzichtbaar werd, vroegen zij +belangstellend, of de juffer soms ongesteld of grieperig was, terwijl +Herman, als semi-arts, dadelijk een gratis behandeling aanbood. De +kruidenier sloeg min of meer onheusch dit aanbod af en zei zelfs een +woord, dat naar „zoetekauwen” of „snoepende jongens” zweemde. De +studenten lachten vriendelijk, presenteerden hoffelijk het gekochte, +eerst aan Jan en daarna aan den patroon, met de woorden: „Geneert +jelui niet; proeft maar eens mee!” en kwamen den volgenden dag terug +met de verzekering, dat ze nergens zulke puike, overheerlijke waar +konden krijgen en dat ’t hun speet, dat Jetje zoo onzichtbaar bleef. + +Om den handel in vijgen enz. evenals dien in sigaren, plotseling op te +geven, ging evenmin aan, als om zijn levenslustig dochtertje +voortdurend in de achterkamer opgesloten te houden, en daarom besloot +de kruidenier voor het meisje bij een bloedverwant buiten de stad +belet te vragen en haar uit logeeren te zenden. + +Bommers was zoo dom niet als hij er wel uitzag en keek scherper dan +men van zijn kippigheid zou hebben durven verwachten. Glimlachend, +neen! grinnikend, zag hij op den middag dat hij Jetje uitliet, toen +zij met Jan den knecht, die haar koffertje bracht, naar ’t station +ging, hoe Herman Stam zijn krullebol uit ’t venster stak en met groote +verwonderde oogen ’t meisje naziende, zuchtend uitriep: „Dag Jet—dag +engel—goeie reis! Denk aan me!” + +Hij zag wel, dat Jetje weer omkeek en vriendelijk knikte, maar dàt +hinderde hem niet. Handenwrijvend ging hij weer achter zijn toonbank +staan en meesmuilde: „Dat valt je tegen, hé knaapie!” En toen een +oogenblik daarna een paar van de vijgen-habitués binnenkwamen, woog +hij buitengewoon ruim en zei vriendelijk: „Pas ontvangen, ’n versche +zending, heeren,—echt Smirnaasch goed!” + + * * * * * + +Op Hermans kamer ging het den volgenden avond zeer levendig toe. Dikke +rookwolken maakten het achttal jongelieden, dat er bijeen was, bijna +onzichtbaar en deden de lamp walmen, zóó erg, dat ’t zelfs voor +studentenlongen nauwlijks houdbaar werd in het niet al te groote +vertrek. Als de stem van een Jupiter Tonans uit de wolken, klonk +eindelijk die van Herman, boven het gelach en gepraat uit. „Kerels!” +riep hij: „luistert nu eens een oogenblik en zet de deur wat open, +want waarachtig de lamp gaat anders uit.” + +’t Rumoer bedaarde en de nevel trok een weinig op. Toen vervolgde hij, +op de tafel zittend en met een flesch, bij gebrek aan een +presidentshamer, stilte gebiedend: „Mannen, broeders! wat moeten we +met den snoodaard doen, die, als een krenterige, pokputtige Paris, mij +mijn Helena, vulgo Jetje, ontroofde?” + +„Laat ’m Puantos Infamos rooken tot in eeuwigheid, dat ’s straf +genoeg!” riep er een. + +„Voer hem krenten, totdat er de dood op volgt!” schreeuwde een ander. + +„Doe ’m hertrouwen, dat’s nog erger!” meende een derde. + +„Vul hem met keukenstroop en vijgen en noem hem dan „zoetekauw”,” +lachte een vijgenklant. Ieder gaf een andere manier van wraakneming +aan en allen schetterden, schreeuwden en lachten dooreen, totdat het +geraas zóó sterk werd, dat Herman met zijn flesch nogmaals stilte +moest gebieden en met heftige stem, vol nadruk, sprak: „Mijne heeren! +ik stel deze motie voor: Laten we kalm overleggen, hoe we op +exemplaire wijze den aterling zullen straffen, die ’t pronkjuweel der +schepping, Jetje, uit onze nabijheid durfde verbannen.—Ja! meneeren, +de ellendeling kon de zon niet in het water zien schijnen; hij +gedoogde niet, dat ik zijn spruit—de hemel weet, hoe hij zulk een lief +dochtertje gekregen heeft—kuste. Een kus in eeren, mag niemand +weren!—Toch heeft deze krenten- en vijgenploert zich verstout zulks te +doen. De smaad, mij en mijn commilitones aangedaan, eischt wraak,—niet +waar, mijne heeren?—Wraak!” + +„Wraak! Wraak!” klonk het in koor, begeleid door een gestamp en +gestommel, zóó hevig, dat Hermans grijze hospita verschrikt naar boven +en de kamer binnenkwam, terwijl ze vroeg: „Meheeren, breekt den boel +asjeblieft niet af!”—Juist op dat oogenblik gilde een van de acht: +„Zij zal gezoend worden, dat zweren we!”—een eedsaflegging, die de +oude hospita met een: „’t Is zonde—wat zal me nou overkomen!” eerst de +handen ineen deed slaan, om ze oogenblikkelijk daarna schaamachtig +voor de oogen te brengen. + +Deze maagdelijke beweging ontlokte aan een der wraaklustigen de +vriendelijke woorden: „Vrees niets, eerzame, eenzame, deugdzame: wij +zijn geen antiquaren.” + +„We hebben wel de antieken lief, maar we kussen slechts moderne +individuen,” riep een ander. En Herman voegde er bij: + +„Van uw eerbiedwaardigen toer zal geen haar worden gekrenkt; ga heen +in vrede.” En toen de juffrouw met een schouderophalend gesproken: +„Jelui bent nog niet droog achter je ooren,” vertrokken was, vervolgde +hij: + +„Mannen broeders! zweert met mij, dat Jetje Bommers zal gezoend +worden.” + +„Dat zweren wij!” brulde ’t koor. + +„Gezoend in tegenwoordigheid van den ouden krentenkooper!” + +„Wij zweren!” + +De vergadering ging over in geheime zitting. + + * * * * * + +Sedert ruim drie weken was in Bommers’ winkel geen enkele vijg of +amandel, geen lood rozijnen zelfs, aan studenten verkocht geworden en +met een glimlach van voldoening dacht de vader-kruidenier er over na, +dat ’t in zijn winkel nu veel stemmiger en rustiger toeging dan +vroeger. Ook Jan de knecht had reeds eenige malen aangemerkt: „’t Is +toch wel zoo plezierig achter de toonbank, nu die jonge spreeuwen hier +den boel niet meer opscheppen; ze hadden ook altijd wat anders te +reclameeren, dan over u, dan over mijn. Soms zeien ze met een +vrindelijk gezicht: „Zeg, winkel-os! goed wegen, hoor je!” Dan weer +vroegen ze beleefd: „Is jou kippige patroon waarachtig de heuschelijke +vader van Jetje?” Ze namen eeuwig en altijd een loopje met uwe en mijn +en toch waren ze altijd netjes; maar voor mijn part kan zoo’n +klandizie wegblijven.” En in stilte dacht hij er bij: „De +jongejuffrouw ook, want als zij terugkomt, zal ’t lieve leven wel weer +van voren af aan beginnen.” Bommers zweeg, grinnikte, wreef zich de +handen en—verkocht koloniale waren. + + * * * * * + +Aan alle aardsche zaken komt een einde, zoo ook aan Jetjes logeeren +bij de tante buiten. Ze was bijna een maand lang van huis geweest en +zou ’s avonds met den trein van 7.30 terugkomen. Voor de deur van den +kruidenierswinkel stond een vigilante met een imperiaal er op en vader +Bommers was juist gereed, om Jetje in eigen persoon van ’t station te +gaan afhalen, toen een welgekleed jongmensch, met een gunstig, deftig, +ja! bijna stemmig uiterlijk, zijn winkel binnentrad en beleefd vroeg: + +„Heb ik ’t genoegen meneer Bommers te zien?” + +„Om U te dienen.” + +„U handelt in koloniale waren?” + +„Natuurlijk!” + +„Ook en-gros?” + +„Zeker!” + +„Kan ik U een oogenblik spreken?” + +„Ja, hm!.... ik sta op ’t punt om uit te gaan.” + +„’t Is een dringende zaak, meneer, een particuliere aangelegenheid, +die geen uitstel duldt.” + +„Hum! Hum! ik moet iemand van ’t spoor halen, maar..” Bommers keek op +zijn horloge, „een paar minuten heb ik nog over. Wanneer u dus....” + +„In ’n paar minuten? Neen, mijn waarde heer, dat gaat niet. ’t Spijt +me, maar dan zal ik u niet langer ophouden. ’t Was anders een zaak +geheel in uw eigen belang, waarover ik u wilde spreken; een +spoedeischende zaak, die ik u alleen onder vier oogen kan +toevertrouwen. Enfin! als ’t u onmogelijk is, dan....” + +Het jongmensch zag er zóó bedaard en fatsoenlijk uit, sprak zóó kalm, +overtuigend en met klem, dat Bommers te gelijk nieuwsgierig en +verlegen werd. + +Wat te doen?—Een oogenblik aarzelde hij nog, maar toen nam hij zijn +hoed af, zette dien op de toonbank, krauwde even in ’t spaarzame +grijze haar, dat zijn schedel versierde, mompelde: „’t Is meer dan +hoog tijd,” en zei toen luid tot den winkelknecht: „Jan! ga jij dan +maar met de vigilante naar ’t station en haal de jongejuffrouw; dan +zal ik dezen heer te woord staan.” Bommers zag niet, hoe een fijn +glimlachje van voldoening over ’t gelaat van zijn bezoeker vloog. + +Jan trok haastig zijn jas aan, zette in vergissing den hoed van zijn +patroon op en holde den winkel uit; onder ’t heengaan wierp hij nog +een blik op den bezoeker en pruttelde in zich zelf: „’t Is me toch +precies alsof ik dien snuiter al ereis meer heb gezien.” + +Toen de knecht vertrokken was, vroeg Bommers: „Nu, meneer?” + +Het jongmensch boog even en sprak uitermate beleefd: „Meneer! laat me +in de eerste plaats u beleefdelijk dank zeggen voor de heusche, +gentlemanlike manier, waarop u mij behandelt; ik had nauwelijks durven +hopen, dat u mij eenige oogenblikken van uw kostbaren tijd zou willen +afstaan.” + +De kruidenier zag zijn bezoeker min of meer verwonderd aan en mompelde +iets als: „O! volstrekt niet, integendeel,” enz. Hij stond met zijn +rug naar de straatdeur gekeerd en zag daardoor niet, dat eenige +vroolijk lachende gezichten om het hoekje van de deur naar binnen +keken, maar aanstonds weer verdwenen, zoodra hij zich slechts even +bewoog. Hij zag evenmin, dat, terwijl de bezoeker verder sprak, door +een hand een grooten ouderwetschen heerenhoed om ’t hoekje van de deur +in den winkel werd gezet. + +„Meneer Bommers,” zei ’t beleefde jongmensch, „ik ben hier gekomen om +met u over ’t artikel stroop te spreken.” + +„Over stroop?” + +„Juist meneer, over stroop—s-t-r-o-o-p!” + +„Maar had dat dan zoo’n haast, dat u...?” + +„Oordeel zelf, meneer Bommers. Stroop is een artikel dat een toekomst +heeft: primo omdat in iedere huishouding stroop wordt gebruikt: +secundo omdat de geheele wereld stroop noodig heeft....” + +„Maar meneer!” + +„Wees zoo goed mij even te laten uitspreken. De wereld—dat wil zeggen +de menschen—zijn allen vatbaar voor stroop; die ’t meest met den +strooppot loopt, komt ’t snelst vooruit. Zegt niet de vanouds beroemde +Judels in zijn onovertreffelijke chansonnette S-t-r-o-o-p, dat ieder +mensch, wanneer zijn eigenbelang het vordert, dit nuttige, zoete +voedingsmiddel gebruikt? Judels was niet alleen een komiek, maar ook +een philosoof.—O, mijnheer, wanneer u eerst, slechts begrijpen kunt, +hoever men met stroopsmeren komt, dan zult u beseffen hoe....” + +De oude Bommers was onder dit gesprek langzaam aan tot achter zijn +toonbank teruggeweken; hij keek het jongmensch met groote oogen aan, +als wilde hij zeggen: „Ik geloof, dat jij niet goed bent,” en toen de +deftige jonkman verder ging met zijn beschouwingen over stroop, ’t nut +en de aanwending daarvan in ’t maatschappelijk leven, zich daarbij in +vuur redeneerde, herhaaldelijk heftig gesticuleerde en met de vlakke +hand eenige malen op het blad der toonbank sloeg, werd Bommers +angstig, want zulke taal was voor hem te machtig, en ’t zweet brak hem +uit, toen hij zijn bezoeker hoorde zeggen: „_Stroop_, meneer Bommers, +is de melk der samenleving, de quintessence der beschaving en de +hefboom waarmee het sociaal evenwicht kan worden geregeld. S-t-r-o-o-p +geeft in zes letters de oplossing van ’t moeielijk probleem: vrijheid, +gelijkheid en broederschap.” + +„Maar dat is een gek, een ongelukkige uit Meerenberg ontsnapt,” dacht +de kruidenier, die eindelijk kans zag om in den woordenstroom, die hem +dreigde te overstelpen, een dam te werpen door stotterend te vragen: +„Maar meneer, wat beduidt nu dit alles?” + +Weer wenkte een hand om ’t hoekje van de deur, maar de kruidenier zag +het niet; ’t jongmensch wèl, en toen Bommers, zijn vraag kalmer +herhalend, zei: „Wat wou u nu eigenlijk?” klonk het antwoord hem als +een donderslag in de ooren: „Vijf pond beste stroop, als ’t u blieft!” + +„Vijf pond str-o-o-p?—Waarin?” + +„In dezen hoed, waarde heer.” Met een snelle wending had de jonkman +den gereedstaanden hoed gegrepen en voor den verbaasden winkelier op +de toonbank gezet. + +„In dien h-oe-d?” + +„Juist!—Maar den hoed eerst tarren asjeblieft! Ik wil mijn gewicht +hebben,” en de klant zag hem dreigend aan. + +Bommers’ oogen werden achter zijn bril zoo groot en rond als +theeschoteltjes en, met een zekeren angst, zag hij zijn overbuur aan. +Ja, in de oogen van dien klant schitterde een waanzinnige vonk: ’t was +ongetwijfeld zóó, als hij reeds had gedacht,—een gek. Bliksemsnel +vloog hem de gedachte door ’t hoofd: met zulke menschen moet men +voorzichtig zijn en toegevend; daarom veranderde hij dadelijk zijn +gelaatsuitdrukking en zei met zachte stem, als sprak hij tot een +verwend knaapje: + +„’n Aardig idee, meneer,—stroop in een hoed.” + +„Ja, hé? En als je eerst eens wist, burger Bommers, waarom ik die in +een hoed haal!” + +Terwijl Bommers den hoed tarde en daarna langzaam de vijf pond stroop +er in liet loopen, vervolgde zijn bezoeker, op eenigszins somberen +toon: + +„’t Is een drama, meneer!—neen! een tragédie.—Zal u goed wegen, vijf +pond?” + +„Ja! ja!—Kijk maar, ruim gewogen!” en de winkelier zette den hoed met +stroop vlak voor zijn klant neer; deze nam het hoofddeksel met beide +handen bij den rand op, rook er in en sprak toen op somberen toon +verder: „’t Ruikt bijna als bloed!”—Bommers verschoot van kleur.—„Weet +u wat de Nemesis is?—Niet?—O, neen! u is immers niet klassiek +ontwikkeld.—Luister dus.—Een vriend van mij, een boezemvriend, is +doodelijk beleedigd door een poen, een wanschapen vaderlijk wezen, dat +Amor in ’t gezicht slaat en Venus haat.—O! meneer! dat eischt wraak! +Wrr-a-a-k!” + +Bommers kreeg ’t nog benauwder dan een oogenblik van te voren, want ’t +jongmensch begon nu heusch te doen, alsof hij „stapel” was. Plotseling +wierp hij een rijksdaalder op tafel, maar hield de hand er op en zei: +„Daar ligt geld, meneer,—’t slijk der aarde”, en toen plotseling +vriendelijk lachend: „Ik krijg ƒ1.50 terug asjeblieft.” + +Bommers kon van achter de toonbank niet zien, dat de hand, die om ’t +hoekje van de voordeur voortdurend wenken had gegeven, nu eensklaps +zeer duidelijke en heftige bewegingen maakte. Hij wilde zich reeds +bukken, om uit de winkellade een daalder kleingeld te nemen, toen zijn +klant den rijksdaalder nogmaals vasthield en uitriep: + +„Weet ge wat mijn wraak zal zijn, meneer? Den ellendeling, die mijn +vriend heeft beleedigd en gehoond, zet ik dezen hoed op!” + +Daar schoot de kruidenier plotseling in een lach; ’t denkbeeld, iemand +met zoo’n hoed op te zien, was zelfs voor hem te comisch om er niet om +te lachen, en giegelend riep hij: + +„Origineel! heel origineel! Dat ’s een koopje voor wien ’t treft—hè! +hè! hè! hè!”—Bommers lachte, dat hij schudde. + +„Ja, edele vriend! dat is ’t zeker!” antwoordde ’t jongmensch; hij +liet den rijksdaalder los, en Bommers, die kippig was en zich ongaarne +met wisselen vergiste, bukte voorover naar de winkellade. + +Juist op dat oogenblik vernam men op straat een luid gejoel en +gedruisch: een open kales, waarin vier studenten waren gezeten, hield +stil voor den kruidenierswinkel; een der studenten, die een +reusachtigen bouquet in de hand hield, sprong nog voordat het rijtuig +geheel stilstond er uit, en opende het portier van de vigilante, die +met Jan op den bok en Jetje binnenin er achter reed. + +Hoffelijk buigend hielp hij de schoone bij het uitstappen, en vol +verwondering zag Bommers op,—om zijn dochter te zien.—Neen!—plotseling +zakten vijf pond stroop hem door de haren en over de oogen en dreef +een krachtige slag den ouden „kachelpijp” over zijn neus. De arme +vader zei juist: „Genadige hemel! daar is...” ’t Woord Jetje stierf +reeds in den zoeten zondvloed, die hem overstelpte, maar toch kon hij +nog verstaan, dat de zonderlinge bezoeker hem daemonisch lachend zijn +eigen woorden teruggaf: „Origineel! heel origineel! Een koopje voor +wien ’t treft!” + +Er was niets aan te doen; Jan werd eenvoudig boven op de toonbank +gezet en onschadelijk gemaakt. En Jetje? Zij werd—o! +snoodheid—achtmaal in eer en deugd gezoend, onder de oogen .... neen! +in tegenwoordigheid van haar vader, die, toen hij een half uur later +na veel moeite, ontstroopt was, aanging als een razende Roeland en op +die „vervloekelingen” schold, totdat Jan hem toevoegde: „Meheer, neem +me niet kwalijk, maar je zag d’r toch effetief komiek uit!” Toen +stortten de fiolen van zijn toorn zich eensklaps uit over den armen +winkelknecht en eerst ’s avonds laat kwam hij tot kalmte en vond zijn +winkeliers- neen! vaderlijken glimlach terug, omdat zijn dochter hem +vertelde, dat zij buiten bij tante een vrijer had opgedaan, die heusch +en echt van trouwen sprak en—niet met stroop liep. + + + + +INHOUD. + + + Blz. + + EEN BENEFIET 1. + EEN MASSAGEKUUR 101. + BIJOU 119. + HENRI DE SNOEPER 155. + DIRK DE SNORDER 173. + DE FASHIONABELE DINEUR 217. + HOE JETJE GEZOEND WERD 235. + + + + + +------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Plaats Bron Correctie | + | | + | Regel 78 [Niet in bron] „ | + | Regel 79 [Niet in bron] ” | + | Regel 85 [Niet in bron] ” | + | Regel 126 ochtenkleeding ochtendkleeding | + | Regel 143 „ [Verwijderd] | + | Regel 160 ” [Verwijderd] | + | Regel 172 ontstapt ontsnapt | + | Regel 211 collegas collega’s | + | Regel 214 . | + | Regel 239 , [Verwijderd] | + | Regel 295 [Niet in bron] ” | + | Regel 324 mekâar mekaâr | + | Regel 335 ” [Verwijderd] | + | Regel 346 [Niet in bron] , | + | Regel 346 muziekant muzikant | + | Regel 666 [(alinea-break)] [Verwijderd] | + | Regel 668 „ [Verwijderd] | + | Regel 676 [Niet in bron] ” | + | Regel 684 [Niet in bron] ” | + | Regel 694 [Niet in bron] ” | + | Regel 696 [Niet in bron] ” | + | Regel 764 [Niet in bron] ” | + | Regel 787 ” [Verwijderd] | + | Regel 836 ’N liefhebber ’n Liefhebber | + | Regel 989 [Niet in bron] ” | + | Regel 1278 Walter Walten | + | Regel 1434 [Niet in bron] ” | + | Regel 1792 Ha Hà | + | Regel 1800 [Niet in bron] ” | + | Regel 1869 [Niet in bron] ” | + | Regel 1897 lâtafel latafel | + | Regel 1944 Walter Walten | + | Regel 1997 ” [Verwijderd] | + | Regel 2070 [Niet in bron] ” | + | Regel 2133 [Niet in bron] „ | + | Regel 2163 regisseur régisseur | + | Regel 2174 Walter Walten | + | Regel 2177 [Niet in bron] ” | + | Regel 2230 colléga’s collega’s | + | Regel 2238 [Niet in bron] ” | + | Regel 2281 [Niet in bron] ” | + | Regel 2452 [Niet in bron] „ | + | Regel 2597 [Niet in bron] „ | + | Regel 3034 aplaudissement applaudissement | + | Regel 3051 oogenblikben oogenblikken | + | Regel 3070 [Niet in bron] ” | + | Regel 3157 [Niet in bron] „ | + | Regel 3216 Balkons Balcons | + | Regel 3216 Loge’s Loges | + | Regel 3249 Laflêche Laflèche | + | Regel 3277 Laflêche Laflèche | + | Regel 3318 applaudiseeren applaudisseeren | + | Regel 3324 ” [Verwijderd] | + | Regel 3349 [Niet in bron] ” | + | Regel 3384 [Niet in bron] „ | + | Regel 3387 [Niet in bron] ” | + | Regel 3452 Hostein’s Hosteins | + | Regel 3460 [Niet in bron] ” | + | Regel 3516 [Niet in bron] , | + | Regel 3531 ” [Verwijderd] | + | Regel 3536 [Niet in bron] ” | + | Regel 3543 ïe ie | + | Regel 3551 Zouen Zouën | + | Regel 3558 kniëen knieën | + | Regel 3560 [Niet in bron] „ | + | Regel 3569 [Niet in bron] „ | + | Regel 3581 [Niet in bron] ’ | + | Regel 3611 ” [Verwijderd] | + | Regel 3676 Jalink Jaling | + | Regel 3792 Himmel-donnerwetter Himmeldonnerwetter | + | Regel 3899 [Niet in bron] ” | + | Regel 3936 ondeel baar ondeelbaar | + | Regel 4228 word wordt | + | Regel 4731 siesta siësta | + | Regel 5078 beeldtenis beeltenis | + | Regel 5128 [Niet in bron] ” | + | Regel 5224 [Niet in bron] „ | + | Regel 5251 sous-terrain sousterrain | + | Regel 5296 ” [Verwijderd] | + | Regel 5341 sous-terrain sousterrain | + | Regel 5388 ” [Verwijderd] | + | Regel 5922 [Niet in bron] „ | + | Regel 6101 mench mensch | + | Regel 6135 andwoordt antwoordt | + | Regel 6244 tweede klasse tweede-klasse | + | Regel 6334 n N | + | Regel 6441 [Niet in bron] . | + | Regel 6500 Overijselsch Overijsselsch | + | Regel 6548 zouen zouën | + | Regel 7263 [Niet in bron] ” | + | Regel 7496 [Niet in bron] . | + | Regel 7525 [Niet in bron] ” | + | Regel 7526 [Niet in bron] „ | + | Regel 7576 [Niet in bron] is | + | Regel 7996 , . | + | Regel 8051 we wel | + | Regel 8052 houd houdt | + | Regel 8056 [Niet in bron] . | + | | + +------------------------------------------------------+ + + + + + + +End of Project Gutenberg's Papieren Kinderen, by Justus Van Maurik Jr. + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PAPIEREN KINDEREN *** + +***** This file should be named 29429-0.txt or 29429-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/9/4/2/29429/ + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
