summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/29429-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '29429-0.txt')
-rw-r--r--29429-0.txt9094
1 files changed, 9094 insertions, 0 deletions
diff --git a/29429-0.txt b/29429-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..9cddc5c
--- /dev/null
+++ b/29429-0.txt
@@ -0,0 +1,9094 @@
+The Project Gutenberg EBook of Papieren Kinderen, by Justus Van Maurik Jr.
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Papieren Kinderen
+
+Author: Justus Van Maurik Jr.
+
+Release Date: July 17, 2009 [EBook #29429]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PAPIEREN KINDEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Branko Collin and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +-------------------deze regel heeft nummer 1------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van de |
+ | bijbehorende alinea. Bladzijde-nummering is verwijderd. |
+ | Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn |
+ | stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is |
+ | in dit e-boek weergegeven als _uitgespatieerd_. |
+ | |
+ | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het |
+ | origineel zijn bijna allemaal gecorrigeerd. Uitzondering |
+ | zijn de verschillen in spelling bij samentrekkingen. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. |
+ | |
+ +--------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ PAPIEREN KINDEREN
+
+
+
+
+ PAPIEREN KINDEREN
+
+ NOVELLEN EN SCHETSEN
+
+ DOOR
+
+ JUSTUS VAN MAURIK Jr.
+
+ AMSTERDAM
+
+ Tj. VAN HOLKEMA
+
+ 1888
+
+
+
+
+_EEN BENEFIET_.
+
+
+
+
+EEN BENEFIET.
+
+
+I.
+
+Daar stond hij dan nu voor de deur, gereed om te schellen.
+
+Met een zucht, die als een zenuwachtige huivering over zijn lippen
+gleed, zei hij in zichzelf: „Hier moet ’t zijn,” en keek oplettend
+naar de zwarte letters op ’t porseleinen naambordje aan den deurpost.
+
+„W. F. Hostein” ’t stond er duidelijk, hij was dus terecht. Zijn hand
+beefde een weinig, toen hij den blank geschuurden koperen schelknop
+aanvatte, en als geschrikt van den helderen metaalklank trok hij snel
+de hand terug en zocht haastig in den achterzak van zijn jas naar de
+garen handschoenen, die hij onder weg had gekocht; hij begon ze aan te
+trekken. Ze gingen moeilijk over zijn klamme vingers.
+
+Vragend zag het kleine dienstmeisje, dat de deur opende, hem aan.
+
+„M’neer thuis?”
+
+„Wie bedoelt u? Menheer,—of meneer Hostein, die hier binnenshuis
+woont?”
+
+„Meneer Hostein!”
+
+„Jawel, die is thuis, maar.....”
+
+„Niet te spreken misschien?”
+
+„Meneer is aan ’t studeeren voor van avond en....”
+
+„O zoo! Vraag hem dan even: wanneer of ’t schikt dat ik weerom kom.”
+Een ietwat smoezelig naamkaartje, dat haar werd toegereikt, deed het
+meisje zeggen: „Wacht u dan maar effentjes.”
+
+Terwijl zij de gang doorging, las ze halfluid: „Adriaan Walten,
+tooneelspeler a/d. K. S.” en onwillekeurig keek zij even om naar den
+ouden man, die met zijn hoed in de hand op de vloermat stond. In een
+oogwenk zag zij, hoe afgedragen en oud zijn jasje, hoe grauw zijn
+linnengoed was en hoe zonderling zijn grijze pantalon hem op de hielen
+hing.
+
+Vóórdat zij nog de trap op kon gaan, riep van boven uit ’t portaal een
+welluidende mannenstem: „Is de kapper daar, Antje? Laat hem dan maar
+boven komen.”
+
+„Neen, meneer; ’t is een...” ’t Woord „heer” wilde niet vlot over
+Antjes lippen. Vlug wipte zij de trappen op en fluisterde zacht: „’t
+Is zoo’n raar persoon, weet u, zoo’n...” Zij reikte ’t kaartje over.
+
+Beneden in de gang trok Adriaan Walten met zenuwachtige rukjes den
+linkerhandschoen verder aan en wischte zich met de beverige
+rechterhand een paar droppels van ’t hooge voorhoofd, terwijl hij in
+de spiegelruit van de tochtdeur, die op ’t haakje was vastgezet,
+trachtte te ontdekken of zijn das en boord goed zaten.
+
+„Kom boven, meneer Walten!” klonk van het portaal af de mannenstem; ’t
+meisje verscheen opnieuw voor den wachtenden oude en zei, lichtlijk
+hijgend door ’t haastige trap op- en af snellen: „Gaat u maar naar
+m’neers kamer, de trap op linksom; de deur zal u wel zien.”
+
+ * * * * *
+
+In den deurpost, half beschenen door de zon, die, tusschen de
+gedeeltelijk dichtgeslagen overgordijnen door, een baan helder licht
+in de kamer werpt, staat een nog jeugdig man, met een joviaal rond,
+gladgeschoren gezicht; op ’t kort gesneden haar draagt hij een roode
+Fez; een kleurige kamerjapon omgeeft zijn slanke figuur en een witte
+pantalon met geborduurde pantoffels voltooien zijn ochtendkleeding.
+Den bezoeker afwachtend, roept hij hem vroolijk toe: „Pas op ’t
+drempeltje, ouwe heer: ’t is een beetje duister op ’t portaal.”
+
+De „ouwe heer” nadert met zijn hoed in de hand. Nogmaals klinkt hem
+een: „voorzichtig!” tegen en dan hoort hij uit een blauwige wolk van
+sigarettenrook de woorden: „Leef je nog, papa Walten?—Kom binnen.”
+
+Langzaam komt Walten het vertrek binnen; hij ziet even rond, met een
+bijna schuwen blik, vóórdat hij antwoordt.
+
+’t Is alsof die stemmig behangen kamer, met de fraai gesneden
+eikenhouten meubels hem ontstemt, alsof dat sierlijke, gemakkelijk
+ingericht vertrek hem onaangenaam aandoet, want om zijn mond speelt
+eensklaps een pijnlijk droevige trek en zijn wenkbrauwen fronsen zich
+merkbaar terwijl hij enkele seconden de oogleden sluit.
+
+„’t Is hier mooi, fijn!” zegt hij zacht, zóó zacht dat de andere ’t
+niet verstaat en vriendelijk vraagt:
+
+„Zei je wat, Walten?”
+
+„U woont hier chic, comfortabel, meneer Hostein. Ik hoop niet, dat ik
+u erg kom hinderen, maar....”
+
+„Volstrekt niet, papa Walten; voor u heb ik altijd wel een oogenblikje
+over.”
+
+„Dat dacht ik wel, meneer Hostein.”
+
+„Hé?”
+
+„Ik zal u ook niet lang ophouden, meneer Hostein.”
+
+„Maar Walten, ben je nou heelemaal.....? Zeg je: „Meneer”—en dàt tegen
+mij, je ouwen leerling Willem?”
+
+„Ja, maar meneer Hostein...”
+
+„Ben je gek, ouwe heer; wat beteekent dat? Weet je niet meer hoe ik
+heet?”
+
+Een glans van vreugde glijdt bij ’t hooren van dien hartelijken toon
+als een zonneschijntje over ’t gelaat van den ouden Walten, en als
+toegevend aan een plotselinge opwelling van vertrouwelijkheid steekt
+hij beide handen uit naar den vóór hem staanden jongen man, terwijl
+een: „Willem, beste jongen!” zijn mond ontsnapt.
+
+„Zoo! dàt mag ik hooren!” Hartelijk drukt Hostein Waltens magere
+handen, terwijl hij vraagt: „Waarmee kan ik je dienen, papa?”
+
+Eenige seconden lang ziet Walten den jongen man diep treurig aan met
+doffe, moedelooze oogen en dan barst hij plotseling los met:
+
+„Ik ben zoo ongelukkig, Willem!”
+
+Hostein werpt vluchtig een blik op ’t oude beduimelde kaartje, dat hij
+in de hand houdt, leest de woorden: „Tooneelspeler a/d K. S.” en
+terwijl hij denkt: „Aan den Koninklijken Schouwburg,—dat’s heel lang
+geleden, arme vent!” zegt hij met een kleine trilling in zijn stem:
+„Is ’t waarachtig?”
+
+„Ja, ik weet nu geen raad meer.”
+
+„Arme ouwe kerel!”
+
+„’t Is hard, hé! dat ik zóó voor jou moet komen staan! Maar....”
+
+„Kom! kom! je zult wel te helpen zijn.—Is ’t alleen dàt?” Hostein
+maakt de beweging van geld tellen.
+
+„Niet alleen; maar—toch....”
+
+„Zit je weer in den brand?”
+
+„Neen, lach niet, Hostein; ik ben niet alleen met geld geholpen.—Ik
+wou, hum!—’t is zoo ellendig om.... Ik wil niet leenen, begrijp je?
+Waarachtig niet, want ik kan ’t nooit teruggeven en....”
+
+„Dat is ook niet noodig.”
+
+„Neen! Willem, dàt wil ik niet. Maar ik—hum! ik wou nog één ding
+probeeren en daartoe....”
+
+„Waarom ben je niet eerder gekomen? Je wist toch wel, dat ik en andere
+collega’s je met alle liefde wat assisteeren willen en....”
+
+„Ja! ja! dat weet ik wel,” knikt Walten; „maar ik begeer niets te
+hebben; ik....”
+
+„Je hart zit nog altijd te hoog, ouwe heer!”
+
+„Te hoog? Och God! neen, die tijd is er geweest, en je ziet immers
+wel, dat ik nu dan toch....”
+
+„Ja! ik voel er alles voor; ik ken je immers niet van gisteren.—Ga nu
+eerst eens bedaard zitten, dáár in dien fauteuil.—Wil je rooken?—Hier
+staan sigaren.—Niet?—’n Sigaret?—Ook niet?—’n Glas port dan?—Kom! dat
+zou ik nemen, dat geeft ’n beetje toon in de maag.—Wil je niet?—Nu
+wacht dan maar even; ik ken je ouwe gewoonten nog wel!”—Hostein
+schelt, en als ’t meisje een oogenblik later is binnengetreden, zegt
+hij: „Haal eens een kop bouillon, hiernaast in ’t café—en ’n paar
+beschuitjes.”
+
+„Wat heb je dat goed onthouden, Willem?” Een lachje begeleidt die
+woorden.
+
+„Niet waar? Ik heb je voorbeeld trouw gevolgd; ik drink iederen dag
+bouillon. ’t Is bepaald een behoud voor de stem.”
+
+„Zeker! dat heb ik je ook altijd gezegd en....” Plotseling houdt
+Walten op: hij heeft toevallig een blik geslagen in de groote Psyché,
+die tegenover hem staat. De zonnestralen vallen, tusschen de gordijnen
+door, warm en schitterend op den ouden man die, als hij zijn beeld zoo
+fel verlicht in den spiegel weerkaatst ziet, met een zucht over de
+bijna witte lokken, die spaarzaam zijn kruin bedekken, heenstrijkt en
+droevig zegt: „’k Ben ijselijk oud geworden, hé? De laatste jaren
+hebben me kapotgemaakt, en hum!—’k zie er zoo echt sjofel uit.—Neen!
+zeg maar niet, dat ik ’t me verbeeld; ’t is de waarheid,—ik word
+langzaam aan oud; dat voel ik wel.”
+
+„Kom! kom! Walten, je bent melancholiek, maar....”
+
+„Ik weet heel goed, dat ik er ellendig uitzie; maar ik heb ’t ook zoo
+hard gehad in den laatsten tijd.”
+
+„Och! heb je gesukkeld, ben je ziek geweest?”
+
+„Ook al, Willem; maar dat was ’t ergste niet: ’k heb eeuwig en altijd
+„Pech” gehad in de laatste jaren.”
+
+„Ja! voor den wind is ’t je niet gegaan, dat weet ik. Maar waarom
+sprak je niet?”
+
+„Je weet wel, klagen is nooit mijn zwak geweest; ik wou niemand lastig
+vallen en scharrelde er altijd nog zoo wat door. Maar nu....” Walten
+zucht een paar malen en trommelt met zijn vingers op de leuning van
+den stoel, terwijl hij strak voor zich uit staart.
+
+„Heb je niets om handen op ’t oogenblik?”
+
+„Niets, Willem. Je weet immers ’t ongeluk, dat mij trof met mijn
+schouwburgtent?”
+
+„’k Heb er destijds van gehoord.”
+
+„Zoolang ik de kermissen kon afreizen, had ik ten minste een stuk
+brood, soms redelijk goed zelfs; maar toen mijn heele rommel afbrandde
+en.....”
+
+„Je was toch geassureerd?”
+
+„Ja natuurlijk! maar....” Eensklaps worden Waltens oogen rood en
+vochtig, en terwijl langzaam en stil een heldere droppel over zijn
+wangen rolt, glinsterend in ’t zonnestraaltje, dat zijn gelaat helder
+verlicht, vraagt hij zachtkens: „Je weet immers, hoe ik toen bestolen
+ben?”
+
+„Hum ja! ik herinner me wel zoo iets.”
+
+„Ik heb geen cent van ’t geld gezien.”
+
+„Dat ’s een ijselijkheid. En kon je niet nagaan, wie je....?”
+
+„Zeker wel! Ik wist heel goed wie; maar....”
+
+„O! nu herinner ik ’t me weer, ’t is waar ook; dat ’s een ellendige
+historie geweest. Je kondt om je dochter geen gevolg aan die zaak
+geven; die gemeene schoelje had haar ’t leven toch al zuur genoeg
+gemaakt.—Zij is onlangs gestorven, hé?”
+
+„Ruim een jaar geleden. Tot zóólang heb ik haar en haar kinderen ook
+nog moeten onderhouden; die stumperds zijn nu in ’t weeshuis.”
+
+„En hij?”
+
+„Zit ergens in Australië, geloof ik.”
+
+„Zoo’n schoelje!—En—Annette, je tweede meisje?”
+
+„Die is nog altijd ’tzelfde.”
+
+„Dus totaal....?” Hostein wijst met den voorvinger op zijn voorhoofd.
+
+„Neen! alleen maar van tijd tot tijd; maar ’t wordt gaandeweg erger,
+de buien komen nu zoo gauw achter elkaar, dat ik....”
+
+„Jammer, doodjammer van ’t arme schepsel. Ze had wel wat talent, hé?”
+
+„Of ze talent had? Kerel, Willem!”—Waltens oogen worden minder
+dof—„ik heb nooit zoo’n talent gezien als van dàt kind, ’n geboren
+tragédienne! En dat zou ze geworden zijn, dat verzeker ik je, wanneer
+die geschiedenis maar niet gebeurd was met dien.... Enfin! je weet er
+alles van. Wat ’n debuut maakte zij! Heb jij ooit zoo de Ines de
+Castro zien spelen? Je was er immers bij, toen ze voor ’t eerst
+optrad? Wat ’n stem, hé? Sonoor, mooi en fluweelig.—O! dat geluid
+heeft ze nog, maar—’t loopt alles bij haar door mekaar en als ze kalm
+is,—zie je, ik bedoel, als ze zoogenaamd normaal is,—zit ze met de
+handen over mekaâr en zegt niets.” Walten wacht even, en als spreekt
+hij tot zichzelf, herhaalt hij: „Niets, bijna geen stom woord. Die
+vervloekte kale mof met z’n gladde tong had m’n arme Netje totaal
+ingepakt en....”
+
+„En ’t kind, is dat blijven leven?”
+
+„’t Is drie jaren geworden; toen is ’t goddank gestorven. Wonderlijk,
+hé! zij taalde er nooit naar; tusschenbeide was ’t bepaald alsof ze ’t
+niet kende. Ja! dàt was al een raar verschijnsel.”
+
+„’t Is treurig.—O! ben je daar met de bouillon, Antje? Zet den kop
+maar neer, voor meneer.—Kom, papa Walten, proef nu eens of ze goed
+is.—Ja ’t is een droevig geval met je dochter.”
+
+„Ja waarachtig, wel is ’t dat! Dadelijk na haar bevalling is ’t al
+eens mis geweest, maar ’t liep er toen niet zoo erg door; ze beterde
+en daarom kon ik haar weer laten spelen, begrijp je? Daarna is ze een
+paar jaren vrij goed gebleven. Ze was toen nog een heele steun voor
+mijn zaak. Later had ik niets meer aan haar: ze kon zelfs ’t kleinste
+werk niet meer doen, geen geheugen, sufferig—en dan toch weer
+oogenblikken, soms een maand lang, dat je zeggen zoudt: ze is goed in
+orde. Ja, ’t is ’n ellende! Die muzikant met z’n sentimenteele oogen
+heb ik nooit vertrouwd. Netje is wel honderdmaal voor hem
+gewaarschuwd, maar ze was als met blindheid geslagen. Enfin! dat hij
+haar heeft laten zitten was nog ’t ergste niet, dat gebeurt meer; maar
+dat zij door die hum!—die geschiedenis aan ’t malen is geraakt, dat ’s
+fataal.” Walten drinkt langzaam een paar teugen en vervolgt dan: „’t
+Is zuiver physiek, zie je, want ik geloof, dat ze niet eens zoo
+allemachtig dol op dien vent was, ten minste later niet; en daarom heb
+ik altijd nog hoop, dat ze niet ongeneeslijk is. Ik geloof bepaald,
+dat ze geholpen kan worden, maar—ze moet goede verpleging en rust
+kunnen hebben. Vat je, onder dokters handen, in ’n gesticht en....”
+
+„Zou je dat waarlijk denken, Walten?”
+
+„Waarachtig! Maar gauw zal ’t niet gaan. Jongens, Willem, als ze van
+die talentbuien heeft—zoo noem ik ze, weet je?—dan moest je eens
+hooren, hoe ze heele brokken uit haar vroegere rollen zegt en goed
+zegt, verduiveld goed zelfs! En dan dat heerlijke geluid! God! God!
+wat ’n jammer, dat ze zoo....”
+
+„’t Is zonderling!”
+
+„Ja, wel is ’t dàt, en juist daarom wou ik probeeren om haar onder
+behandeling te krijgen; lukt me dàt, dan kan ik voor mij altijd nog
+wel hier of daar „emplooi” vinden.” Een min of meer ijdel lachje
+glijdt vluchtig over Waltens gelaat, terwijl hij vervolgt: „Als ik
+wil, kan ik ’t nog wel. Natuurlijk geen eerste komiek meer, dat
+begrijp je; maar „père noble”, dat zou best gaan; ik zou nog menig
+„jonkie” een lesje kunnen geven.”
+
+Hostein ziet zijn voormaligen leermeester, zonder dat deze ’t merkt,
+met medelijden aan en antwoordt; „Ja, je hebt van de piek op gediend,
+je hebt alles meegemaakt en ik was nooit geworden wat ik ben, als
+ik....”
+
+„Als je niet zoo’n gelukkigen aanleg had gehad. Och! beste jongen,
+artisten worden niet gemaakt, wel geboren; ik heb ’t je dikwijls
+gezegd: je zult carrière maken, want jij voelt goed, jij pakt wat je
+pakken moet.” En Walten ziet met eenigen trots naar Hostein als hij
+vervolgt: „’k Heb eer met jou ingelegd—en ik heb je altijd graag mogen
+lijden omdat je dezelfde gebleven bent voor je ouwe vrinden—daarom kom
+ik nu ook bij jou om hulp.”
+
+„Zoo! En wat kan ik dan eigenlijk voor je doen?”
+
+„Ik wou probeeren om ’n benefiet te geven!”
+
+„Ei! Ei!”
+
+„Ik weet wel, Willem, dat ’t moeilijk zal gaan bij deze directie, want
+die kent mij niet. Bij de vorige heb ik eens een benefiet gehad,
+maar—dat ’s al lang geleden. Nu dacht ik, dat ’t misschien gaan zou,
+als jij mijn voorspraak woudt zijn.”
+
+„Met pleizier! Ik maak me sterk, dat ik ’t wel voor je in orde speel.”
+
+„Zou je denken?—Maar, Willem, ’t moet ’n benefiet zijn, waar ik goed
+wat van overhoud; ik heb bij ’t vorige, een jaar of vier geleden, maar
+’n kleine tweehonderd gulden gemaakt.”
+
+„Dat’s weinig!”
+
+„Och! je begrijpt, ’t ging voor ’t derde, na aftrek van de
+avondkosten; ik was toen al blij, dat ’k ’t kreeg, al had de Directie
+er per saldo ook ’n „goeien” avond aan, want ’t was in den slappen
+tijd, en daarom deden ze ’t. De zaal was goed bezet, we hadden ook
+hard gewerkt met lijsten. We maakten een recette van zoo wat
+negenhonderd gulden; daar ging ’n groote driehonderd gulden af voor
+armengeld en avondkosten. Ik kreeg één derde: reken dus maar zelf na.”
+
+„Ja, dat’s akkoord!”
+
+„En toen ik ’t geld in handen had, was ’t dadelijk geblazen, want
+iedereen, die wat hebben moest, kwam om zijn dubbeltjes; er waren
+zelfs lui, die geld van me moesten hebben, ’s avonds aan den
+schouwburg. Wat ik overhad, was een mondje vol, meer niet.”
+
+„Weet je wat, papa Walten: laat mij dat zaakje maar eens voor je
+opknappen; ik heb nogal een wit voetje bij de Directie. Ik zal ’t wel
+zóó voor je rooien, dat je niets anders hoeft af te geven dan de
+avondkosten; dan hou je allicht een goeie vijf, zeshonderd pop over.”
+
+„Zou ’t lukken, Willem? Zie je, ’t is wel hard om zoo’n
+armoe-benefiet[1] te geven, en ik schaam me eigenlijk wel, maar—och!
+’t is voor Netje, en daarom....” De oude man zucht diep bij die
+woorden.
+
+[1] Benefiet, geheel ten voordeele van den beneficiant.
+
+„’t Zal wel gaan. Maar .... wil je soms „en attendant” ’n pop of tien
+hebben?”
+
+„Graag! Van jou neem ik dat aan; ’k zal ’t dadelijk weerom geven na
+mijn benefiet.”
+
+„Ja! dat komt wel terecht; en als ik soms verder iets voor je doen
+kan.... Hier heb je een muntje.”
+
+„Dank je, Willem!—Wanneer zou je denken, dat ’k hooren kan of ’t
+lukt?”
+
+„’k Zal er morgen dadelijk over spreken.”
+
+„Wil ’k dan overmorgen komen hooren?”
+
+„’k Zal je wel een boodschap sturen. Waar is je adres?”
+
+„Hum! och! ik loop toch, ik kom overmorgenmiddag wel even aan.” En na
+een groet en een handdruk verlaat Walten de kamer, begeleid door
+Hostein, die hem aan de trap nog naroept: „’k Zal ’t wel voor je
+klaren.”
+
+ * * * * *
+
+Niemand zou, wanneer hij den vervallen ouden man had zien heengaan,
+hebben vermoed, dat hij Adriaan Walten den eens zoo gevierden eersten
+komiek van den Koninklijken Schouwburg zag, en toch was dat zoo.
+
+Uit fatsoenlijke burgerouders gesproten, had Walten een vrij
+zorgvuldige opvoeding genoten en was door zijn vader op een
+notaris-kantoor geplaatst, waar ’t droge, iederen dag regelmatig
+terugkeerende, werk volstrekt niet met zijn aard en geest strookte. De
+kantoorvloer brandde den vroolijken jonkman onder de voeten en over de
+brug der Rederijkerij naderde hij, tot ergernis van zijn familie, het
+tooneel, waar hij zijn loopbaan met een zeer kleine rol en een nog
+kleiner salaris begon.
+
+Allengs „kwam hij op”, zooals men dat in de tooneelwereld noemt en
+binnen eenige jaren was hij de lieveling van het publiek. Als Walten
+speelde was de schouwburg eivol; zijn naam op ’t affiche bleek
+voldoende om een stuk te doen „trekken.”
+
+Beminnelijk en vriendelijk van aard, was en bleef hij bij de collega’s
+in aanzien. Ze mochten hem lijden, en de vrouwelijke collega’s, en
+niet het minst de priesteressen van Terpsichore, zagen hem maar al te
+gaarne: zijn „geluk” bij haar evenaarde zijn succes op de planken; en
+zeker zou hij evenals Don Juan zijn veroveringen niet hebben kunnen
+tellen, wanneer hij niet na een vlinderachtige jeugd op rijperen
+leeftijd nòg fladderend, in ’t net van een Fransche danseuse was
+gevlogen, die „le beau Valten” zoodanig de baas werd, dat hij zijn
+rug—misschien met een zucht—eindelijk onder Hymens juk kromde. Of hij
+’t geduldig droeg, blijft de vraag.
+
+Haar eerzucht, haar drijven en doorzetten waren de oorzaken, die hem
+de eerste schreden deden zetten op ’t hellende vlak, waarop hij
+langzaam, maar zeker, omlaaggleed.
+
+Zij wilde hem doen stijgen, zij wilde „Madame la Directrice” heeten—en
+ze deed hem vallen.
+
+„Een eigen troep” was zijn droom geworden. Ongelukkig genoeg duurde
+die droom niet lang; ’t ontwaken er uit was ontnuchterend en akelig.
+
+„De troep” bestond eenigen tijd, werd toen een „troepje” en na veel
+tobben, teleurstellingen en wederwaardigheden opnieuw „een troep”,
+maar in de andere beteekenis van ’t woord.
+
+Van stad tot stad trekkend, beproefde hij nu hier dan daar zich te
+vestigen en aan die stad een eigen schouwburg, een tooneelgezelschap
+te schenken. Telkens werden zijn verwachtingen bedrogen en altijd
+verder gleed hij voort op de schuine helling, die hem ten slotte in de
+kermistent voerde.
+
+Had hij toenmaals nog de kracht bezeten om zich los te maken van die
+vrouw, die hem, als ’t ware met magnetische kracht vasthield en
+beheerschte, zijn gezond verstand benevelend en op allerlei wijze zijn
+ijdelheid prikkelend, hem steeds tot de grootste dwaasheden verleidde,
+misschien ware het hem dan gelukt weer op de hoogte te komen. Hij deed
+het niet; Walten was, zooals men ’t heet, een goeie vent, een
+artistieke natuur, prikkelbaar en opvliegend, maar zwak van karakter,
+toegevend soms meer dan noodig was en zonder doorzettingsvermogen
+dáár, waar ’t hem inspanning kostte zijn wil door te drijven.
+
+’t Ongeluk bleef hem trouw ter zijde, hij werd arm aan geld en moed,
+en toen eindelijk na jaren vol doorworstelde moeilijkheden een
+tijdstip kwam, waarop eenige vrienden—gedachtig aan ’t geen hij
+vroeger was en rekening houdend met ’t geen hij nog kón zijn—hem een
+fatsoenlijk engagement aanboden bij een schouwburg van den 2en rang,
+was ’t alweer die vrouw, die hem er toe dreef zijn eischen zóó hoog te
+stellen, dat men die niet kon toestaan.
+
+Hij bleef dus wat hij geworden was, een kermis-artisten-directeur,
+zich lavend en bedwelmend door de bravo’s en toejuichingen van een
+publiek, dat àl te spoedig tevreden is. Allengs begon hij zijn
+oorspronkelijkheid te verliezen, hij deed zijn talent geweld aan,
+speelde alles, wanneer ’t slechts „DE ROL” was van ’t stuk; ’t
+handgeklap van jan en alleman was hem onontbeerlijk geworden, evenals
+de flesch aan den dronkaard.
+
+Huiselijke onvrede, verdriet dat hij door zijn kinderen ondervond,
+zorg en kommer knakten in hem den „artist” voordat de „mensch” Walten
+oud was; en toen hij inderdaad op leeftijd kwam, waren zijn oogen dof
+geworden, zij zagen slechts schemerend ’t licht der kunst en straalden
+’t niet meer uit. ’t Eenige wat hem voor geheelen ondergang behoedde,
+was de omstandigheid dat hij niet dronk; hij had een aangeboren afkeer
+van „den drank”, en zeker zou hij zonder dien gelukkigen afschuw nog
+veel sneller de maatschappelijke ladder zijn afgedaald.
+
+Arm was hij geworden, zeer arm zelfs, maar een stijfhoofdige trots was
+hem bijgebleven. Hij was in zijn eigen oogen—misschien ook in die van
+anderen—een „gentleman” gebleven; hij „voelde” zich, niettegenstaande
+hij niets meer was.
+
+Dat zijn talent in die worsteling met het leven gebroken was, begreep
+hij niet; zijn stem was rauw en heesch geworden, want hij had in
+allerlei rollen zijn geluid verschreeuwd voor een publiek, dat brult
+en juicht, als ’t degens en dolken ziet, en dat samenvalt van ’t
+lachen, als ’t hansworsterij aanschouwt. Walten was de ruïne van een
+kunstenaar,—een bouwval echter, waarvan de overblijfselen aantoonden
+hoe schoon het geheel eenmaal was.
+
+Eindelijk was de vrouw, die hem niet tot zegen was geweest, gestorven;
+zijn ondernemingen volgden haar de een na de andere, en eindelijk was
+’t gedaan: er bleef hem niets over dan de herinnering aan zijn
+zwerven, de afgodische liefde voor zijn arme krankzinnige dochter,
+zijn jongste kind, een nakomertje, dat jaren na het andere was
+geboren, en het denkbeeld dat hij weer een emplooi moest zoeken.
+
+Dat „zoeken” vond echter een groot beletsel in de omstandigheid,
+dat Walten zijn kind niet kon verlaten, omdat hij de eenige was,
+die wist hoe zij behandeld moest worden, als die vlagen van
+verstandsverbijstering over haar kwamen. Hij zocht dus en wachtte,
+verteerde wat hem nog was overgebleven, en ten slotte vervolgd door
+schuldeischers, door den nood geperst, zocht hij hulp en troost bij
+zijn vroegeren leerling Hostein, die op dat oogenblik de eerste
+acteur, de gevierde artist was bij de Directie en bij ’t publiek.
+
+ * * * * *
+
+Terwijl de oude man de straat opging, zag Hostein van uit ’t venster
+hem na en zei in zichzelf: „Arme kerel! ik zal voor je doen, wat ik
+kan”.
+
+Den volgenden dag wendde hij al zijn invloed aan bij de Directie van
+den Koninklijken Schouwburg, en toen Walten een dag later hem weer
+bezocht kon hij hem met het blijde bericht verheugen, dat binnenkort
+een voorstelling zou worden gegeven, waarvan de geheele opbrengst, na
+aftrek van de alleronvermijdelijkste kosten, ten voordeele zou zijn
+van den ouden komiek en karakterspeler Adriaan Walten.
+
+
+II.
+
+’t Is even na den middag. ’t Is koud en guur winterweer, zonder
+sneeuw, maar met regen aan de lucht en daardoor nattig, doordringend
+kil in de atmosfeer. Nu en dan schijnt een schraal, waterig zonnetje
+een oogenblik tegen de gevels der oude burgermanshuizen van de straat
+der achterbuurt, waar Walten woont, maar ’t is geen zonneschijn die,
+weldadig verwarmend, doordringt in de vertrekken, ’t is alleen een
+teringachtig schijntje, een flauwe glans, die even spoedig verdwijnt
+als komt.
+
+Op ’t open erf, achter het huis van den hokkebaas[1], waarvan Walten
+de beneden-achterkamer en een heel klein keukentje in huur heeft,
+staat een vrouw van middelbare leeftijd met opgestroopte mouwen aan
+de waschtobbe! ’t Is een groote, stoere vrouw met een grof, maar
+goedhartig gelaat, waarop de kinderpokken hier en daar eenige
+herinneringen hebben achtergelaten. Haar lichtblauwe oogen staan
+helder in haar hoofd en vestigen zich nu en dan met welgevallen op een
+klein, dik ventje van een jaar of acht, dat met inspanning van al zijn
+kracht bezig is om tusschen de voegen der klinkertjes, waarmee ’t
+plaatsje bestraat is, een gebroken houten lepel te drijven, door er
+uit alle macht met een stuk plank op te slaan, en als wilde hij
+bewijzen, dat gewillige last licht is, zingt hij het hoogste lied er
+bij uit. Zijn schelle kinderstem snijdt door de lucht, en glimlachend
+luistert de moeder naar hem, totdat het kloppen den zang overstemt en
+„’t lawaai” haar te erg wordt. „Stil, Keesie!” zegt ze, hem even met
+den van zeepsop druipenden vinger dreigend; en als van uit de
+achterkamer, voor welks ramen haar waschtobbe geplaatst is, een paar
+galmende tonen haar oor bereiken, herhaalt zij een weinig luider en
+bevelender: „Stil dan toch, joggie!”
+
+[1] Turf- en houtverkooper.
+
+Die achterkamer is boven het halfgezonken onderstuk, waarin de turf,
+het hout en de cokes van den hokkebaas bewaard worden, en daardoor
+zijn de twee, vrij groote ramen op iets meer dan manslengte van den
+grond. Een paar wit en blauw gestreepte rolgordijnen zijn tot op
+eenige centimeters van de vensterbank neergelaten en beletten zooveel
+mogelijk het inkijken in Waltens kamer, die tamelijk duister zou zijn,
+wanneer niet, door de openstaande deur van ’t kleine keukentje het
+volle daglicht binnenviel.
+
+Opnieuw bereiken eenige op luiden, bijna galmend zingenden toon geuite
+woorden haar oor, en voorzichtig zet de vrouw de zware tobbe van het
+bankje, dat als onderstel dienst doet, herhaalt nog eenmaal haar:
+„Stil dan toch, Keesie” en klimt behoedzaam op ’t bankje. Nu reikt ze
+met haar hoofd juist tot even boven de vensterbank, zoodat zij naar
+binnen in de kamer kan zien.
+
+„Hum!” mompelt zij, „de gordijne benne weer dicht, maar ik ken ze toch
+net effetjes zien.” Zij stapt van ’t bankje af en luistert opnieuw,
+want binnen klinkt de stem al luider en luider.
+
+„Kind! hou nou toch ereissies eve je snater; ’n mensch kan niks niet
+hoore, als jij aldoor zingt; ’t wordt nou net persies mooi.” Zij doet
+een paar passen naar rechts op de plaats en roept halfluid: „Juffrouw
+Jaling! Juffro-ou-w!—toe Keesie, hou je mond nou—juffrouw, kom nou
+gauw! Nou beginne ze weer. Allo! Keesie, jij zoolang naar achtere,
+vort! Roep jij de juffrouw ereis gauw, als een knappe jonge!”
+
+Uit de openstaande achterdeur van ’t naburig huis, dat eveneens op ’t
+erf uitkomt, klinkt een heesch: „Ik kom al!” en dadelijk daarop
+waggelt een buitengewoon zwaarlijvige vrouw, als een vette gans, naar
+buiten.
+
+Een katoenen japon hangt haar, als een hier en daar opgeblazen zak, om
+’t lijf en haar dikke voeten steken in een paar zwartleeren
+pantoffels, die op de straatsteentjes een sloffend gedruisch maken,
+als zij nadert.
+
+„Benne ze weer bezig?” vraagt hijgend de dikke juffrouw, terwijl ze
+een paar droppels van haar slapen veegt, want niettegenstaande ’t
+koude gure weer heeft zij het erg warm, terwijl ze voortschommelt.
+
+„Nou! uwé komt nog bijtijds, juffrouw Jaling; ’t is posetief ’n
+extratje vandaag. Uwé kan nou nog net profeteere van de kemedie. Gaat
+u maar op ’t bankie staan, dan kan je onder de gordijnfranje door in
+de kamer zien; ’t eene raam staat een êndje ope, dat tref je. Je mot
+nou meteens je oore maar ereissies de kost geve. Wacht ’k zal je
+helpe.—Komaan dan!—Ho!—Huup! Eén ootje, twee ootje, mensch! mensch
+wat ben je toch dikkig: als m’n bankie ’t maar uithoudt—drie ootje!
+oepla!—Zoo! Hou je nou stiekum! Zachies prate.—Nou ben je d’r.—Zie je
+wat?”
+
+„Gut, lieve ziel, wacht effies!—’k Ben blij, dat ik staan, hoor! Voor
+’n dikkig persoon is ’t een heele toer om op zoon bankie te komme; ik
+ben weer zoo kort van aassem teugenwoordig, weet je? O! nou kan ik
+zien.”
+
+„Zie je wat?”
+
+„Nou!”
+
+„Wat dan?—Zeg ’t me maar zoetjes.”
+
+„Kristemensch! wat is ’r ’n herrie in die kamer.”
+
+„Nou hé!”
+
+„Alles leit overhoop; zij zit op ’t bed. O! Gossie! wat ziet ze ’r
+raar uit, en hij maakt grimassies voor d’r. Hij buigt. Hè! hè! hè!
+hè!”
+
+„Stil! lach niet zoo hard, anders hoort ie ’t!”
+
+„Dat’s allemachtig kemiek: hij zoent ’r hand.—Zeg, ’k kan ommers niet
+valle, juffrouw Daters?—Hij doet ’t bij wijs alsof ie ’n onderdaan is
+of zoo ies, en.... Sjuut! zij zeit ’n soortement vers op.”
+
+„Nou wat heb ik je gezeid? Allemenschelijk aardig, hé?”
+
+„Stil dan, mensch, laat me nou hoore.”
+
+„Vertel dan ereis, wat ie zeit?”
+
+„Nou persies kan ’k ’t niet verstaan, maar.... Hè! hè! hè! hij gaat op
+z’n eene knie legge en zij—o, groote Gerritje, dat’s grappig—zij
+vliegt op en pakt die ouwe kerel om z’n hals. Sjuut! nou ken ’k ’r
+verstaan. Jij ook?”
+
+„Ja. Hou je nou koest en spreek toch niet zoo hard!”
+
+Een diepe volle altstem zegt binnen in de kamer luid en duidelijk:
+
+ „.... Hernani! ’k beef.... In ’s hemels naam,
+ Spoed, spoed u voort van hier.... Kom! vluchten wij te zaâm.”
+
+en Waltens stem, antwoordt:
+
+ „Te zaâm?—Neen! neen!.... Hélaas! dat uur is heengevaren,
+ Toen gij mij, Donna Sol! uw hart woudt openbaren;
+ Toen gij zoo naamloos goed, tot hulp m’ uw liefde boodt,
+ Mocht ik u bieden, wat mijne armoê overschoot.”
+
+„Zeg,” fluistert juffrouw Jaling zich half omwendend, „hij heit ’t
+over z’n armoê. Nou! dat ’s geen wonder: ’t is daar ’t noordermarkie
+wel.”
+
+„Nou hé?—Pas op dat je niet om valt; ’t bankie is zwak; je mot
+stilstaan, hoor!—Wat ’n malle mensche om zoo met mekaar in d’r eentje
+komedie te doen.”
+
+„Nou!”
+
+Een poosje luisteren de vrouwen zwijgend en aandachtig toe en, als
+eindelijk de vrouwenstem vol innigheid zegt:
+
+ „Neen, ’k volg u, waar gij gaat; ik wil u lijkwa deelen;
+ ’k Hecht me aan uw schreden .... ik hoor naar smeeken noch bevelen.”
+
+zegt juffrouw Jaling zachtkens: „Wat ’n mooie stem heit ze’.”
+
+„Jawel, maar luister nou liever, m’n goeie mensch.”
+
+Walten antwoordt:
+
+ ....... Laat mij alleen ontvluchten!
+
+„Gaat ie ’r van door?” vraagt vrouw Daters fluisterend aan de andere,
+die voortdurend door de ruiten naar binnen ziet.
+
+„Wel, mensch, ’t is ommers allemaal spul!—Nou begint zij weer, hoor je
+wel?”
+
+ ..... „Ge ontvliedt mij!... Hoe ontzind
+ Zijn leven te offeren aan den een’gen, dien men mint,
+ En, weggestooten, nog ’t geluk te moeten derven
+ Na zooveel liefde en smart met hem te mogen sterven.”
+
+Deze laatste strofe is zoo melodieus, zoo goed en met gevoel gezegd
+geworden, dat de dikke juffrouw, die, zooals meer corpulente menschen,
+gevoelig van natuur is, merkt dat haar oogen vochtig worden en tot de
+andere zegt: „’k Heb met ’r te doen, juffrouw; ik word er vol van; je
+gaat er niet voor naar de komedie, hoor; ’t is waar wat je zei—hè!
+dat’s jammer, hij doet de keukedeur dicht, nou wordt ’t zoo donker dat
+’k bekans niets zie—maar hoore kan ’k wel.”
+
+„Haar ken je goed verstaan; ze spreekt zoo duidelijk, is ’t niet?”
+
+„Nou! Maar hij is van de tand—dat hoor je wat goed.”
+
+„’t Is net of ie een aardappel in zijn mond heen en weer draait, als
+ie praat. Je ken ’m haast niet verstaan tusschenbeie.—O! daar beginne
+ze weer; maar....”
+
+Krak! krak! doet ’t bankje en meteen: „Groote Gerritje, daar heb je ’t
+nou,” vangt juffrouw Daters nog bijtijds haar buurvrouw op, houdt haar
+tegen en helpt haar veilig op den grond. ’t Bankje is door „de
+dikkigheid” van juffrouw Jaling en de bewegingen die zij maakte tot
+het uiterste gebracht en bezweken.
+
+Met een: „Da’s nog net bijtijds” blijft de zwaarlijvige juffrouw een
+oogenblik staan, hijgend en blazend; en terwijl ze haar opgeschorte
+japon en zwarten rok over de ontzagwekkend dikke beenen neerslaat,
+vraagt ze:
+
+„En is daar nou alle dage weêr-an zoo’n spektakel?”
+
+„Alle dage, ten minste in den laatsten tijd.”
+
+„Heere, Heere!—’k Wou dat ’k hier eerder was komme wone; ’t
+verdiverteert me wel.”
+
+„M’n man is ereis op z’n kamer geweest.”
+
+„Kom?”
+
+„Waarentig!—’n Rommel, m’n goeie mensch, een rommel, van alles en nog
+wat!”
+
+„Wel, wel!”
+
+„En speult ie nou nog op den Schouwburg?”
+
+„Wel neenik, hij kan niet meer, dat hoor je wel.”
+
+„Wat je zegt!”
+
+„’t Mot vroeger anders ’n baas zijn geweest.”
+
+„Zoo!”
+
+„Jawel, ’n eerste kemiekeling!”
+
+„Ja! je ken nog wel zien, dat ie kemiekig is, vooral als ie zoo buigt;
+anders is z’n gezicht eigentlijk meer mankeliekig, als je ’m zoo
+ziet.”
+
+„Nou!”
+
+„Zoo’n beetje verloopen ook, hé?”
+
+„Nou! ’t is een echte ouwe narigheid op sloffen; maar tusschenbeien
+zeit ie toch nog wel ereis ’n grappie.”
+
+„Och kom!”
+
+„Ja, als Pietersen komt.”
+
+„Wie is Pietersen?”
+
+„O! ken je dien nog niet?”
+
+„Neen!”
+
+„’t Is ook een eerste kemediant geweest; ze vertelle van hem, dat ie
+vroeger bij ’n Fransche opera gezonge heit en gespeuld en later is ie
+zooveel als sefleur geworde. O Gunst! juffrouw, dat’s zoo’n mirakel
+van ’n vent. Hij heit nog één haar en één tand en de rest is beentjes
+met ’n jas van „dankie meneer” er over. ’n Liefhebber van een slokkie,
+erg! Maar vinnig, als ’t er op ankomt ook.”
+
+„Zoo? Ja! die kemediante-lui benne door de bank nogal van: berg ’m
+maar weg achter je stropdas.” Juffrouw Jaling maakt met twee vingers
+van de rechterhand de beweging van iemand, die een glas uitdrinkt.
+
+„Hij vooral! Weet je: als ie genoeg heit, lust ie niet meer, als ie
+niks krijgt en... Kijk! als je van den duvel spreekt, dan staat ie om
+’n hoekie; daar komt ie waarentig de gang in.—O Pietersen!—O!
+Pie-ie-ietersen!”
+
+„Mensch, wat begin je?”
+
+„Nou! mot je ’m niet ereis zien? ’t Is wat ’n smakelijke poelepetaat;
+misschien krijgt ie nog idee in je; zoo’n dikke weduwvrouw zonder
+kindere zou ’m nog wel lijke.—Dag, Pietersen; hoe gaat ’t?”
+
+De aangesprokene, inmiddels genaderd, is inderdaad een zonderling
+type. Lang, mager, min of meer met een knik in de knieën loopend, ziet
+hij er uit alsof hij op ’t punt is om door te breken.
+
+Zijn gelaat is groezelig vaalbleek en om den ingevallen mond, zoowel
+als op de wangen bewijzen talrijke grijze stoppels, dat de barbier
+geen oortje aan hem verdient. Zijn oogen zijn dof, als uitgedoofd, en
+’t is alsof hij de oogleden slechts met moeite openhoudt. Nu en dan
+sluit hij het linkeroog geheel en ziet met het rechter, eenigszins
+scheel en voortdurend knippend, langs den dikken rooden neus. Een
+groote breedgerande hooge hoed dekt zijn kalen schedel, terwijl zijn
+jas en pantalon er uitzien, alsof ze een aandenken zijn aan een of
+anderen menschenvriend.
+
+Door ’t bijna totaal gemis van tanden, klapt zijn tong nu en dan
+dubbel tegen de holle wanden van zijn mond en geeft daardoor aan zijn
+stem een klank, die aan ’t klokken van een flesch, die uitgeschonken
+wordt, doet denken. Pietersen heeft in zijn leven veel meer dan noodig
+was aan Bacchus geofferd en behoort nu tot dat soort van menschen, die
+eenvoudig niet meer beschonken worden, omdat ze ’t voortdurend zijn.
+Zelfs nu op dit oogenblik is hij niet geheel vrij van den invloed des
+alcohols: dronken is hij niet, nuchter evenmin; hij is in een
+zoogenaamde „pleizierige bui”, die zich bij hem aankondigt door een
+kleine moeilijkheid bij ’t uitspreken van enkele woorden en letters.
+Overigens is er aan hem niets bijzonders te bespeuren; zijn gelaat
+heeft de gewone vervallen comische uitdrukking en met zijn rechteroog
+knipt hij niet vaker dan anders.
+
+De vrouwen uit de buurt kennen hem allen en mogen hem lijden, want
+Pietersen heeft er slag van om door een of ander grappig woord of een
+zoogenaamden „ui” op haar lachspieren te werken; hij is de schim van
+een galant man en mengt veel Fransche woorden in zijn gesprek, een
+eigenaardigheid die hem bij de vrouwtjes uit de buurt een soort van
+overwicht bezorgt. „Hij is vroeger een heer geweest,” zeggen ze, en
+hoewel ze hem zoodra ze kunnen in ’t ootje nemen, gaan ze nooit te
+ver; „dat ken je niet met ’m risekeeren, want dan wordt ie zoo akelig
+beleefd dat je dadelijk snapt dat ie je in de maling neemt,” beweert
+vrouw Daters. Intusschen is Pietersen genaderd en vraagt met grappigen
+ernst:
+
+„Rr-oept u, schoone dame?”
+
+„Ja, Pietersen!”
+
+„Meneer Pietersen, als ik u verz—zoeken mag!”
+
+Lachend stoot vrouw Daters juffrouw Jaling aan en zegt: „Nou, voor
+mijn part mag je „meheer” wezen, maar ’n meheer met angst ben je toch,
+ha! ha! ha!”
+
+„Sans peur et sans reproche! Waarom met angst, schoone f-f-fee?”
+
+„Och schei maar uit met je parlevinken; je bent toch ’n oud mirakel.”
+
+„Wanneer u me roept om geridicu—cu—liseerd te worden, beminnelijke,
+dan vertrek ik liever vóór ik arriveer, Donna mia.”
+
+Half achter juffrouw Jalings breede schouders verborgen, giegelt vrouw
+Daters: „Hij heit ’m te pakke van middag!” en luid zegt ze: „Ouwe
+graantjespikker, ga maar naar Walten; die zit zeker al met smart op je
+te wachte. Ha! ha! ’n mooi spannetje voor ’n bokkewage die twee.”
+
+„Aangenaam kennis te hebben gemaakt. Que le bon Dieu vous protège!”
+Pietersen keert zich om en roept plotseling op allesbehalve aangenamen
+toon: „Verdikke! die wasch—tobbe ko—kon je wel ergens anders hebben
+gezet, lieveling!”
+
+Schaterend zien de vrouwen, hoe Pietersen, die over de tobbe is
+gestruikeld, zijn hoed uit ’t zeepsop opvischt en, tegen den muur
+leunend, zijn linker scheenbeen zachtkens wrijft.
+
+„Kom hier, kraantjelek, dan zal ik je ophelpe,” lacht vrouw Daters, en
+juffrouw Jaling, die bij de eerste kennismaking niet erg spraakzaam
+was, voegt er bij: „Uwes pootjes benne nog al dun; ze benne immers
+niet kapot? Ha! Ha! Ha! Mensch! ’t is de pijne waard om te zien.”
+
+Tusschen de tanden iets brommend wat de anderen niet verstaan, gaat
+Pietersen, eenigszins hinkend, terug de gang in en bereikt de deur,
+die toegang geeft tot de trap, die naar Waltens woning leidt. Hij is
+door dien onverwachten stoot tegen den scherpen kant der waschtobbe
+uit zijn humeur geraakt en volkomen ontnuchterd.
+
+„Canaille-pak,” zegt hij halfluid, en als hij de deur binnengaat,
+keert hij zich nog even om naar de vrouwen, neemt met een spottende
+buiging zijn kletsnatten hoed af en roept: „Au revoir, mes anges”.
+
+Hij hoort nog hoe zijn kwelgeesten schateren, vloekt een paar malen
+binnensmonds en gaat dan de trap op.
+
+’t Zijn slechts acht of negen treden, die hij behoeft op te klimmen,
+maar hij wacht toch even in ’t enge donkere portaal, vóórdat hij naar
+boven gaat. Hij luistert, want een hem bekende stem klinkt boven uit
+de kamer:
+
+ „Ik volg u!”
+
+„Dat’s Annette,” zegt hij in zich zelf. „Och Heere! zou ’t weer mis
+wezen? Jawel zeker, want hij antwoordt haar.”
+
+ „De hertog heeft het al, geluk en goud en eer,”
+
+klinkt boven hem Waltens stem.
+
+„Jongens! jongens! ’t is toch ’n ding voor Walten,” vervolgt hij
+hoofdschuddend; en behoedzaam, zacht, zonder gedruisch te maken, klimt
+hij de treden op.
+
+Voordat hij aanklopt aan de deur, die in het schier geheel duistere
+bovenportaal bijna onzichtbaar is en alleen door een flauwe
+lichtstreep onder aan den drempel wordt aangeduid, trekt hij zijn jas
+een weinig naar beneden, slaat zijn natten hoed een paar malen uit en
+strijkt de enkele haren, die aan zijn slapen welken, glad.
+
+„Binnen!” roept Walten op gesmoorden toon, zoodra Pietersen heeft
+aangeklopt.
+
+Nauwelijks heeft hij de deur geopend, of Walten wenkt hem toe, dat hij
+zwijgen moet.
+
+Zijn „me voilà monsieur le Directeur” besterft hem op de lippen, als
+hij een blik in de kamer werpt. Haastig bijt de oude acteur hem toe:
+„Geen grappen, hoor je! ’t Is heelemaal mis, o, zoo erg! ’k Heb ’n
+nachtje gehad!—Ze is nu Donna Sol. Begrepen?”
+
+Pietersen knikt, doet een paar passen voorwaarts in de kamer en slaat
+dan langs zijn rooden neus een meêwarigen blik op de vrouw, die op ’t
+bed achter in de kamer zit. Als zij Pietersen bemerkt, rijst ze
+langzaam op, ziet hem met groote, glazige oogen aan, zonder hem te
+herkennen en zegt:
+
+ „Wij gaan op morgen saam—ik wil niets anders meer.
+ Wil die stoutmoedigheid, hoe vreemd ook, mij vergeven.”
+
+Ongeduldig wenkt zij met de kleine blanke hand, dat Pietersen naderen
+moet; en daar deze aarzelt, fluistert Walten hem haastig toe: „Maar
+ga dan toch naast haar zitten; je weet immers, hoe ze is. Gauw!”
+
+Met een diepe, hoffelijke buiging treedt de oude souffleur tot voor ’t
+bed, kust de hem toegestoken hand en zegt:
+
+ „Ik nader, Donna Sol, ik plaats me aan uw voeten.”
+
+Met de hand zachtkens over Pietersens kalen schedel strijkend,
+vervolgt Waltens dochter:
+
+ „O! mijn Hernani, kom! ik kan niet wederstreven.
+ Zijt gij de engel of de daemon van mijn leven?
+ Geliefde! ’k weet het niet, maar zeker is ’t, o ja!
+ _Ik_, ik ben uw slavin. Ga wáár gij wilt, ik ga.
+ Blijf of vertrek van hier, ik zal steeds de uwe wezen.
+ Waarom?... ’t Is m’ onbewust... Met u noch angst noch vreezen,
+ Ik moet u zien altijd! Wanneer gij mij verlaat,
+ Is ’t of mijn hart niet meer in d’engen boezem slaat.
+ Hernani! spreek dan toch.....”
+
+Met de armen over de borst gekruist ziet Walten, met somberen blik
+tegen de deur van ’t keukentje leunend, de zonderlinge groep dáár voor
+hem aan, en als Pietersen blijft zwijgen, fluistert hij hem toe: „Zeg
+maar wat, als ze je de „de wacht”[1] geeft; anders wordt ze zoo
+ongeduldig.”
+
+[1] „Stichwort”—’t laatste woord, waarop de andere speler invallen
+moet.
+
+Met zijn eene oog herhaaldelijk knippend; hij doet ’t nu uit
+verlegenheid, antwoordt Pietersen:
+
+„’k Heb reeds te lang gehoopt, geliefde Donna Sol.”
+
+Eensklaps lacht de krankzinnige luid en snijdend, ziet den naast haar
+zittenden man met groote oogen aan en zegt daarna, schijnbaar kalm:
+„Je kent je rol niet; dàt staat er niet. Ha! ha! ha!—wat ’n leelijke
+Hernani—maar dat’s minder; ik zal je wel helpen, al ken ik je niet.”
+
+ „Tot morgen Hernani, te middernacht! ’k Zal waken.
+ ’t Gevoel dat mij doorgloeit zal mij manmoedig maken.
+ Klap driewerf in de hand, opdat ik u herken;
+ Aan ’t venster wacht ik u......”
+
+Pietersen, die niet meer weet wàt hij antwoorden moet, ziet met een
+angstigen blik en knipoogend naar Walten, die langzaam nadert, de
+armen om de hals van zijn kind slaat en de rol van Hernani vervolgend,
+op innigen toon vraagt:
+
+ „Weet gij thans wie ik ben?”
+
+Voorzichtig, langzaam neemt Walten de plaats in van den souffleur, die
+met een meêwarigen blik op vader en dochter terugtreedt en in een hoek
+van ’t vertrek zwijgend blijft staan kijken.
+
+’t Is somber halflicht in die vrij groote achterkamer; onder, tusschen
+de rafelige franje der neergelaten gordijnen door, schijnt enkele
+malen een flauw, roodgele zonnestraal op ’t vergroende goudgalon van
+den purperfluweelen mantel, die over Annette Waltens nachtjapon hangt;
+ze weerkaatst eenige seconden in de gekleurde steenen en ’t verguldsel
+van den halsketen, waarmee zij getooid is en schittert nu en dan een
+ondeelbaar oogenblik in de glazen robijnen en saffieren van de
+koningskroon, die op de verward loshangende, zwarte haren van Donna
+Sol prijkt. Soms kleurt die zwakke schijn de bleeke wangen der vrouw
+met een hooger blosje dat verdwijnt, zoodra de jagende wolken ’t
+zonlicht onderscheppen. Eindelijk valt nog een lange matgele
+lichtstreep langs de kozijnen heen op den houten vloer der kamer,
+blijft daar afwisselend flauwer en helderder een korte poos met de
+kwasten en naden van ’t hout spelen en verdwijnt dan, allengs
+verbleekend, geheel en al.
+
+’t Is buiten donkerder geworden, een regenbui komt opzetten en door
+de grauwe wolken breekt zich geen enkel zonnestraaltje meer baan. In
+de kamer is alles grijs van tint, kil en koud evenals te voren; alle
+voorwerpen dommelen weg in één mistigen, vaalgrauwen toon.
+
+ * * * * *
+
+Inderdaad, vrouw Jaling had gelijk, toen zij het „een rommel” noemde
+wat ze in die kamer zag, tusschen de gordijnen door.
+
+De enkele meubels, die er aanwezig zijn, kunnen bezwaarlijk op den
+naam van „ameublement” aanspraak maken; er is van alles zoo wat. Een
+latafel, met half opengetrokken laden, toont dat haar inhoud bestaat
+uit oude, versleten tooneelkostumes. Een paar gekleurde tricot-kousen
+hangen treurig gescheurd uit de bovenste lade, over een verschoten en
+geplet fluweelen kleed, dat met slappe mouwen uit de tweede in de
+onderste lade schijnt te grijpen naar een zwart en rood geruite
+caricatuurjas, die op haar beurt met een der mouwen een poging doet om
+in de tweede lade een paar bontgekleurde vesten te bereiken, die
+nieuwsgierig over den rand kijken naar een aantal niet te herkennen
+zaken, die òf uit de onderste lade zijn gevallen òf daarvoor moeite
+doen. Boven op de latafel staan een paar dansschoenen en een
+geellederen ridderlaars, die met zijn spoor verward is geraakt in een
+kanten kraag, die moeite doet om een broodbak en een melkkan zonder
+oor te bedekken.
+
+Op een der stoelen, die vadzig en gebrekkig achterover tegen den wand
+leunt, prijkt Waltens jas, netjes opgehangen over een oud afgedragen
+Louis XIIIkostuum, waarvan de degen met zwart gevest zijn einde
+verbergt in een zwaar beschadigde infanterietrommel, die onder den
+stoel geplaatst, tot bergplaats dient voor een vergulden schepter en
+een parapluie, die er eendrachtig uitkijken.
+
+Een eind verder tegen den wand der kamer ziet men aan een kapstok
+ettelijke vrouwenkleederen en een drietal versleten pantalons van
+verschillende kleur, terwijl een lias met tooneelaffiches, geel en
+grauw door stof en vlekken, er naast is opgehangen.
+
+Op de tafel, midden in ’t vertrek, liggen in kunstvolle wanorde
+allerlei voorwerpen, die bij het toilet van een actrice noodig kunnen
+zijn, dooreen. Een kapdoos met spiegel, een blikken trommel met
+benoodigdheden voor ’t grimeeren en blanketten; verschillende
+haarvlechten, kapsels en damespruiken rusten naast een drietal
+armbanden en colliers met valsche steenen, in verguld montuur, op een
+kapmantel, die half over de tafel is gehangen.
+
+Twee vuile witte handschoenen steken hun vingers uit naar een potje
+vol rouge de théâtre, met een hazenpootje er in, en een groote
+krulstok ligt dwars over een bord met een paar mootjes haring en een
+halve boterham heen, terwijl een groote ridderhandschoen geduldig zijn
+duim in een half leeggedronken glas met melk doopt.
+
+Een inktfleschje op een schoteltje leunt schuins tegen een penhouder
+en een haarborstel aan, en in een oud sigarenkistje er naast huizen
+eenige pakjes entree-kaarten, die er gloednieuw uitzien.
+
+Het bed, dat aan de andere zijde in de kamer staat, is zonder twijfel
+’t beste meubelstuk dat er aanwezig is. ’t Schijnt òf uit beter tijden
+te stammen òf bij vergissing in deze armoedige omgeving te zijn
+gekomen, want ’t is een zoogenaamd „Lit trône” met een hemel van
+donker gebloemd cretonne er boven; en de aan weerszijden afhangende
+gordijnen zijn, wel is waar, hier en daar gescheurd en gerafeld, maar
+toch met een zekeren smaak gedrapeerd. Een roodkatoenen deken, geheel
+over ’t bed gelegd, verbergt de kussens en lakens en geeft inderdaad
+iets troonachtigs aan ’t geheel, vooral nu op die roode deken de
+rijzige gestalte van Annette in den purperen mantel en met een kroon
+op ’t hoofd gezeten is. Haar bloote voeten, die in met goud
+geborduurde Turksche muiltjes steken en even van onder het witte
+nachtkleed zichtbaar zijn, dragen er toe bij om de illusie te
+vergrooten.
+
+In den tegenovergestelden hoek van ’t vertrek naast een bedstede staat
+een geopende koffer, waarvan de inhoud gedeeltelijk op den grond is
+verspreid.
+
+Kostuumstukken van verschillende kleur en vorm liggen bij en over een
+paar zwaarden en een gebulten en gedeukten helm, terwijl een
+Jacobijnenmuts en een koningskroon in roerende eendracht over elkander
+liggen op ’t vuilwitte Pierrotpak, dat te zamen met een duffelsche jas
+uit den koffer hangt.
+
+Het licht van den reeds scheidenden dag, dat zoo spaarzaam mogelijk in
+de kamer dringt, is medelijdend genoeg om voor den oppervlakkigen
+beschouwer de versletenheid en verschoten tinten van een en ander te
+verbergen, en als een flauw zonnestraaltje zich, bij vergissing, nu en
+dan nog even vertoont, lacht het, als droevig, over den schijn, die
+hier zoo akelig werkelijkheid wordt.
+
+Pietersen, moe van ’t staan, heeft zonder gedruisch te maken een stoel
+genomen, den daarop liggenden zak verwijderd en zit nu met de
+ellebogen op de knieën en de handen onder ’t hoofd naar Walten en
+Annette, die samen „voortspelen,” te kijken.
+
+„Kom, lieveling,” zegt de oude man op zacht, overredenden toon „houd
+op; je wordt moe; je kent je rol uitstekend. Bravo! Bravo!” en zeer
+voorzichtig klapt hij zachtjes in de handen. Pietersen weet nu niets
+beters te doen, dan deel te nemen aan ’t applaudissement; hij richt
+zich op en slaat met kracht zijn knokige handen ineen, terwijl hij
+luidkeels „Bravo! Bravissimo!” roept.
+
+„Om Godswil! niet zoo hard; zachtjes, zachtjes, anders schrikt ze,”
+fluistert Walten, haastig zich omwendend, hem toe.
+
+„O! dat wist ik niet!”
+
+„Zachtjes applaudisseeren, heel zacht! dan hoort ze ’t graag.—Zóó,—ja
+zóó doe je ’t goed.”
+
+De ongelukkige ziet met strakke oogen vóór zich uit, rijst op van haar
+bed, neemt Waltens hand, en terwijl zich een glimlach om haar mond
+vertoont, doet zij een pas vooruit en nijgt diep, twee- of driemaal,
+als voor een onzichtbaar publiek.
+
+„Zie je wel, m’n lieve, dat ze tevreden zijn?—Kom! ga nu wat liggen;
+je bent moê, dat zie ik!” smeekt Walten met angstige blikken zijn kind
+aanziende.
+
+Langzaam schudt Annette het hoofd en dan, als door een plotselinge
+huivering overvallen, rilt ze, wordt bleek en gaat zitten, met de
+handen tegen de borst gedrukt.
+
+„Zoo m’n kind! zóó is ’t goed. Ben je nu tevreden? Ja hé?—Dan nu
+rusten. Kom! doe ’t maar!”
+
+Nogmaals schudt de krankzinnige zachtkens het hoofd, en opstaande doet
+zij een pas of twee vooruit, breidt de armen uit naar Walten, die een
+schrede ter zijde is gegaan, en begint dan te zingen, zacht en
+langzaam, als droomend, terwijl ze met de diepliggende donkere oogen
+voortdurend op één punt staart.
+
+Aangrijpend schoon klinkt haar diepe altstem door ’t vertrek; ademloos
+hoort Pietersen toe, als zij mezzo voce zingt:
+
+ „Onder ’t loof der boomen,
+ In het donkere woud,
+ Is mijn lief gekomen,
+ Heb ik hem vertrouwd:
+ Hoe ’k hem heb geschonken
+ Heel mijn ziel en hart,
+ En hoe trouw mijn liefde
+ Storm en onweêr tart.”
+
+„Neen, neen! Stil! niet doen,” fluistert Walten haastig tot Pietersen,
+die reeds de handen gereedhoudt om zijn bijval te toonen. „Stil! De
+bui loopt op z’n einde; als ze gaat zingen, is ’t gauw gedaan.—Wat ’n
+geluid, hé? God! hoe jammer toch van ’t kind!—Dat lied is nog ’n
+herinnering aan dien—hm! dien moffen-muzikant—dien hm!—Dàt vergeet ze
+niet; hij heeft ’t op muziek gezet, weet je?”
+
+Terwijl Annette zingt, doet zij eenige passen vooruit, slaat met een
+waarlijk schoone beweging den koningsmantel terug en beweegt de ronde
+goed gevormde bloote armen, die halverwege uit de wijde mouwen van de
+nachtjapon steken, op de maat van ’t lied sierlijk heen en weder.
+
+De oude souffleur ziet haar, met zijn eene oog knippend, bewonderend
+aan en wijst aan Walten door een duidelijke handbeweging, hoe schoon
+hij haar bewegingen en gebaren vindt.
+
+Plotseling stoort een zonderling knorrend geluid den zang. Annette,
+die nu ’t tweede couplet van ’t lied meer neuriet dan zingt, hoort het
+niet; zij gaat zitten en ziet naar de punten van haar muiltjes, die ze
+op de maat der melodie op- en neer beweegt. Walten daarentegen is naar
+den hoek der kamer gegaan, van waar ’t knorrend geluid komt, schopt
+met den voet tegen een pakkist, die met een oud tafelkleed overdekt
+Pietersens aandacht ontgaan is, en pruttelt: „Wil jij je bek wel eens
+houden?”
+
+’t Knorrend geluid wordt al luider en luider en begeleid door een
+hevig gestommel in de kist.
+
+De souffleur blijft onbeweeglijk op zijn plaats zitten, maar vraagt
+met een blik uit zijn rechteroog en een optrekken der wenkbrauwen aan
+Walten: „Wat is dàt daar?”
+
+Annette neuriet verder en rijst op, langzaam beweegt zij zich voort
+naar Pietersen, die haar te gemoet gaat en de hem toegestoken hand met
+een eerbiedige beweging aanneemt en kust. Zij slaat haar eenen arm om
+zijn hals en zingt luider:
+
+ „Zeg hem luid, gij bloemen,
+ Hoe mijn hart verlangt,
+ Hoe mijn ziel, mijn leven,
+ Aan zijn leven hangt.”
+
+Pietersen knikt haar toe, verwijdert zachtkens haar arm van zijn
+schouder, en als wilde hij een schreiend kind troosten, zegt hij
+vleiend: „Ja, ja! ma chérie, dat is zoo.—Zeg! Walten, wat heb je toch
+in die kist? ’t Lijkt waarachtig wel een....”
+
+„Stil dan toch!”
+
+„Och, ze hoort ’t immers niet.—Ja! ja! m’n beste, je zingt subliem.
+Ja! ja! we zullen gaan zitten, hé?—Ze is heelemaal abnormaal zie je
+dat niet?”
+
+„Ze kan soms in eens zoo akelig worden; daarom....”
+
+„’k Zal wel zorgen, dat ze kalm blijft.—Wel sacristie! wat ’n
+gestommel en ’n geknor; ’t is of dáár een varken in zit. Heb je
+soms....?”
+
+„Stil! ’t is een big.”
+
+„Hè?”
+
+„Ja! een big.—Kijk naar Annette: ze wankelt. Laat ze gaan zitten,
+gauw!”
+
+„Kom! dan,” herhaalt Pietersen en met zacht geweld doet hij de
+krankzinnige plaats nemen op ’t bed; zij omklemt krampachtig zijn hand
+en staart opnieuw vóór zich op den grond.
+
+„’t Is een biggetje,” herhaalt Walten, steeds moeite doende om het
+dier stil te houden. „Gisterenavond in de Zwarte Zwaan op den Overtoom
+.... je weet wel....?”
+
+„Ja!” knikt de andere, „ze hebben er zulk goed oranjebitter.”
+
+„In de Zwaan,” vervolgt Walten, „heb ik ’t gisterenavond getrokken op
+’n lootje van ’n kwartje.”
+
+„Ei!”
+
+„Och! ’t was een bof. Ik ging er heen, om wat plaatsen van de zestien
+en ’t guldentje kwijt te raken aan ouwe kennissen.”
+
+„En?”
+
+„Toen werd dat zwijntje verloot, en ze hielden niet op: ik moest een
+lootje nemen. Jij een lootje op ’t zwijntje, en wij lootjes op je
+benefiet, zeien ze, en ik heb er heel wat geplaatst; alle beetjes
+helpen; voor m’n benefiet moet ik eerst de kosten hebben. Bij de fijne
+lui raak ik die plaatsen niet kwijt.—Kijk naar Annette,
+Pietersen.—Stil dan toch beest!”
+
+„Ik nam ’t mee, en omdat ik niet wist waar ik er mee heen moest, heb
+ik ’t hier zoolang in die kist ge....”
+
+„Ha! Ha! Ha! Ha!” lacht Pietersen plotseling overluid.
+
+„Lach niet! Groote God! dat kan ze niet velen.”
+
+„O, dat’s waar ook!—Stil! ze snapt ’t niet,—ja toch wel.”
+
+De krankzinnige is, als door een plotselingen schok getroffen,
+opgestaan, een huivering siddert door haar lichaam, haar oogen worden
+nog grooter en glaziger en eensklaps begint ze mee te lachen, zóó
+akelig en snijdend, dat Pietersen er koud van wordt en angstig haar
+beide polsen vastgrijpt, omdat hij ziet, dat zij de armen krampachtig
+verdraait.
+
+Te laat! Zij heeft de duimen reeds stijf binnen in de hand gedrukt,
+stuipachtig trekt zij de armen omhoog, de oogen rollen in hun kassen
+en met een luiden snik slaat zij het hoofd achterover in den nek. Haar
+lachen gaat over in schreien en eindigt in snikkend gillen, gepaard
+met zenuwschokken, die haar achterover op ’t bed doen vallen.
+
+Walten snelt toe en houdt het heen en weer slaande hoofd van zijn
+dochter vast. „Water, geef water!” roept hij. De souffleur grijpt
+haastig een kom met water van de tafel en bevochtigt Annettes slapen
+en polsen. De ongelukkige heeft een toeval en gilt onophoudelijk
+voort; in de kist stommelt al knorrend de big.—Walten roept zijn kind
+met angstige stem bij haar naam, en terwijl zij afwisselend gilt en
+akelig lacht, verschijnen, buiten voor het venster, een paar
+nieuwsgierige mannen en vrouwen, die tusschen en onder de
+gordijnfranje door naar binnen trachten te zien en lachend de hoofden
+bijeensteken om elkander toe te fluisteren: „Nou is de kemedie goed ân
+den gang; hoor ze nou ereis angaan. Wat ’n spul! Wat ’n spul!”
+
+ * * * * *
+
+„De kemedie” is eindelijk uit, want na een benauwd en angstig half uur
+is Annette tot kalmte gekomen en staat Walten met Pietersen, vermoeid
+en warm van de inspanning om haar vast te houden en voor kneuzingen
+van hoofd of lichaam te bewaren, bij ’t bed, waarop de ongelukkige
+vrouw, nu met gesloten oogen, schijnbaar rustig ligt te slapen.
+Voorzichtig wischt de oude man haar nog een paar kleine schuimblaasjes
+van de lippen en eenige kille droppels van ’t voorhoofd, dan brengt
+hij den zakdoek aan zijn oogen en zucht smartelijk, diep. Nu en dan
+schokt Annettes lichaam zenuwachtig heen en weer en trillen de
+oogappels onder de witte, blauwig dooraderde leden, maar de aanval is
+voorbij, en als zij straks de oogen weer opent, zal elke herinnering
+aan de vervlogen uren voor haar zijn uitgewischt.
+
+Medelijdend schenkt de natuur slaap en verademing aan de arme vrouw,
+die allengs rustig wordt en eindelijk met een kalmen lachenden trek om
+den mond stil blijft liggen.
+
+„Dat’s me een baantje geweest,” zegt Pietersen, die met zijn mouw
+langs zijn voorhoofd strijkt. „Heb je niet een druppeltje van een of
+ander in huis, Walten?”
+
+„’k Heb niets; je weet wel, drank gebruik ik niet.”
+
+„Hum! dàt weet ik. Jij bent geen amateur, ik wèl.”
+
+„Dat’s juist je ongeluk; je bent anders waarachtig een goeie vent, als
+je maar niet zoo....”
+
+„Pimpelde, hé?—Och! spaar je Philippica’s, die kennen we; ik weet wel,
+dat je ’t goed meent, mon Prince, maar ik ben nou eenmaal zoo’n
+likkebroêr, en daar is niets aan te veranderen. Heb je nou waarachtig
+niks,—niemendal?”
+
+„Neen!”
+
+„Niks ter wereld, rien du tout?” Pietersen ziet den ouden man zóó
+doordringend aan met zijn wijdgeopend linkeroog en knipt zoo snel en
+guitig met het rechter, dat Walten eindelijk, aarzelend zegt: „Hum!
+misschien heb ik nog een druppeltje brandy; ’k heb laatst een flesch
+cognac gekocht voor Annette; de dokter wou, dat ze dien met melk zou
+drinken.”
+
+„C’est tout ce qu’il me faut, ouwe jongen! Ik wist wel, dat je wat
+voor me zoudt opduiken, hè hè hè!”
+
+„Nou ja, maar....”
+
+„Geen excuses, mon Directeur; voor den dag er mee.”
+
+Pietersen lekt zich vol verwachting de dunne lippen; hij is reeds,
+voor _zijn_ doen, _te_ lang nuchteren geweest.
+
+Schoorvoetend gaat Walten naar een kast in den muur, haalt de flesch
+te voorschijn, vult ’t eenige likeurglaasje dat hij rijk is en zet het
+voor den souffleur neer met de woorden: „Daar dan; meer krijg je in
+geen geval.”
+
+Voorzichtig brengt Pietersen de hand, met middelvinger en duim tot
+grijpen vooruitgestoken, naar ’t glaasje, dat hij knipoogend toelacht;
+maar op ’t oogenblik dat hij ’t aanvatten zal, vraagt hij hoffelijk,
+met een licht kuchje: „Et vous, mon Directeur? Neem je niet zoo’n
+klein, petieterig beetje? Je ziet er zoo betrokken, zoo koud uit.”
+
+„Ik ben niet koud, maar ’k voel me al dagen lang ongesteld duizelig,
+onlekker; ik weet zelf niet hoe, maar ’k ben niets wèl.”
+
+„Dan moet je juist zoo’n cognac fine nemen. Une petite goutte, mon
+Prince.—Après vous dan!”
+
+„Neen! ga jij je gang maar!”
+
+„Jamais de ma vie!” Pietersen schuift met ware zelfverloochening het
+glaasje naar Walten.
+
+„Och zanik nou niet; drink uit.”
+
+„Neen!” Een glimlach omspeelt Pietersens lippen, als hij vervolgt: „Ik
+begrijp je: geen glaswerk meer in huis, hé?—Qui se gêne est gêné; dáár
+is raad voor.” En vóór Walten recht weet wat de andere wil, grijpt
+deze een op tafel staand ledig schoensmeerpotje, spoelt het met
+vaardige hand in de waschkom een paar malen om, droogt ’t vluchtig af
+met de slip van zijn jas, giet den inhoud van ’t glaasje er in over en
+zegt lachend: „Voilà! dee’z beker is voor mij.—A vous!”
+
+Langzaam en weifelend neemt Walten nogmaals de flesch en vult ’t
+glaasje, dat hij daarna half ledig drinkt en voor zich op tafel zet
+met de woorden: „’k Word er misschien wat pleizieriger door; hè! ’k
+ben zoo rillerig.”
+
+„Zenuwen, man! Je hebt je portie ook wel gehad.”
+
+„Ja!”
+
+„En hoe is ’t nu met de lijsten, mon Directeur? Wanneer krijg ik die?”
+
+„Morgenavond. Ze hebben mij beloofd, dat ze klaar zullen zijn.”
+
+„Magnifique! Dan begin ik overmorgen voor je te werken. Ik maak me
+sterk, dat ik ’t geheele parterre en ’t amphitheater voor je verkoop;
+ik zal er wel een broodje uithalen.”
+
+„Tien percent voor jou, Pietersen.”
+
+„Akkoord! Misschien kan ik nog wat loges ook plaatsen.”
+
+„’t Is te wenschen! Ik moet, vóórdat ik mijn benefiet bepaald
+annonceer, zekerheid hebben voor de avondkosten.”
+
+„Hoeveel?”
+
+„Driehonderd gulden!”
+
+„Hm! ze hebben je schappelijk behandeld.—Zeg! die cognac is délicaat.
+Smaakt ze jou niet?”
+
+„Ik hou er niet erg van.”
+
+„Ik wèl!” Pietersen schuift met een gebaar vol uitdrukking het
+schoensmeerpotje vooruit, ziet Walten schuins aan en zegt grinnekend:
+„Da capo, mon Prince.”
+
+„Neen! je hebt genoeg; ’t deugt je niet.”
+
+„Kom!—’n Halfie dan?”
+
+„Nu, in Godsnaam! maar geen droppel meer dan ’n half.”
+
+„Bon! maar ’n slordig halfie, hé? Dan werk ik morgen met meer ambitie
+en dubbel hard.”
+
+„Onverbeterlijke nathals, dáár dan!”
+
+„Merci!—Op je gezondheid, hoor!”
+
+„Vader!” klinkt uit ’t bed Annettes stem. „Vader! Een glas water
+asjeblieft!”
+
+Walten springt op, neemt de flesch van tafel, bergt die haastig weg,
+gaat naar ’t bed en vraagt: „Ben je wakker lieveling? Wou je drinken?
+Ben je weer beter?”
+
+„Ik ben zoo moe, ’k heb zoo’n dorst, zoo’n hoofdpijn.”
+
+„Je hebt ook weer ’n toeval gehad, m’n kind; ’t is geen wonder, dat je
+arme hoofd dan klopt. Wil ’k er een doek met water op leggen?”
+
+„Nog niet; eerst wat drinken, vader!”
+
+„Goed, Netje! Hier, drink dan maar.”
+
+Als zij met groote teugen, haastig gedronken heeft, richt zij zich op
+en vraagt Pietersen, die, om beter te kunnen zien, op den rand der
+tafel is gaan zitten, bemerkend: „Wie zit daar?”
+
+„Pietersen.”
+
+„O! zoo, Pietersen.”
+
+„Dag, juffrouw! Is ’t ’n beetje over?—Jongens, jongens, wat had je ’t
+benauwd daar straks.”
+
+„Ik weet er niets van. O, God! mijn hoofd. Vader, geef me je hand,
+laat me slapen.”
+
+„Hier, lieve kind! Hou mijn hand dan maar vast. Zoo! Is ’t zóó goed?”
+
+„Ja! Ga nu naast me zitten. Ba! wat zie ik er uit! Dien mantel wil ’k
+niet omhebben. Wie heeft me dien omgedaan?”
+
+„Ik, lieveling, omdat je zoo koud waart.”
+
+„En die kroon,—wie heeft dat ding op mijn bed gelegd?”
+
+„Ik, kindlief, omdat je ... hm! je vroegt er om, zie je.”
+
+„Deed ik?”
+
+„Ja, weet je, je zei ... hm! je dacht, dat ... hm!....”
+
+„’k Weet het niet meer, maar mijn hoofd klopt ook zoo. Je hand, vader;
+hou m’n pols goed vast. Zoo! nu niets meer zeggen, vader!”
+
+Walten zit op een stoel, naast ’t bed en omsluit met zijn rechterhand
+Annettes linkerpols; met zijn andere hand strijkt hij zacht
+liefkoozend, als bedarend over de witte doorschijnende vingers, die
+zich nu en dan zenuwachtig bewegen op de roode deken.
+
+Het is alsof een magnetische stroom van den ouden man uitgaat en
+kalmeerend werkt op zijn dochter. Zij sluit de oogen, haar gelaat
+wordt rustiger, de neusvleugels bewegen zich nog wel, maar bijna
+onmerkbaar gaan ze op en neer; regelmatig daalt en rijst haar boezem.
+
+Pietersen is van de tafel opgestaan en heeft in den hoek op de koffer
+plaats genomen, zoodat hij Annettes gelaat kan gadeslaan. Met de
+handen om de opgetrokken knieën samengevouwen, zit hij doodstil vader
+en dochter aan te zien en mompelt: „Wonderlijk! nu gaat ze slapen,
+rustig en kalm; ’t is toch een allerzonderlingste historie: ’k
+begrijp er niks van.—Slaapt ze nu, Walten?”
+
+„St!”
+
+Een kleine poos heerscht er een volslagen stilte in ’t vertrek, alleen
+nu en dan afgebroken door een zacht, bijna onhoorbaar snorken van de
+big, die in de kist ligt te slapen en zich enkele malen beweegt of
+heen en weer schurkt.
+
+Annette sluimert. Voorzichtig laat Walten haar hand uit de zijne
+glijden, legt behoedzaam den purperen mantel over haar heen, maakt dan
+een der cretonnen draperieën los, zoodat ’t gordijn de slapende vrouw
+halverwege aan zijn blikken onttrekt en mompelt in zichzelf:
+
+„Goddank! nu heeft ze weer een dag of wat rust.”
+
+„Heeft die bui dezen keer lang geduurd?” vraagt de souffleur
+opstaande.
+
+„Van gisterennacht tot nu.”
+
+„Dat’s lang, zoo’n heele nacht.”
+
+„Ik ben ook doodop; ’k voel me zoo naar. Ze was gisterenmorgen al niet
+richtig, maar den aanval zelf kreeg ze eerst van nacht, toen ik t’huis
+kwam. Ze begon met Ophélia te wezen.”
+
+„Mon Dieu!—En jij?”
+
+„Ik was Hamlet natuurlijk.”
+
+„Heelemaal buiten je emplooi,” merkt Pietersen aan, met ’t ernstigst
+gelaat der wereld.
+
+Walten ziet hem even schouderophalend aan en vervolgt dan: „Toen werd
+ze in eens Ines de Castro en later Donna Sol.—Dat was ze nog, toen jij
+kwaamt en....”
+
+„Ja!—’t Is toch ongelukkig voor je, Walten!”
+
+„Wel is ’t dat,” zucht de oude man, en terwijl hij in stilte een traan
+uit den hoek van zijn oog wischt, zegt hij: „En voor haarzelf ’t
+ergst.”
+
+„Nu is ze zoo goed, als ’t maar hoeft,—merkwaardig goed, mon
+Directeur!”
+
+„Niet waar? En daarom heb ik hoop, dat ze te genezen is; verleden jaar
+heb ik dien dokter er nog bij gehaald; je weet wel, dien.....”
+
+„Jawel, van ’t gesticht.”
+
+„Juist!—Hij zei, dat Annette niet ongeneeslijk was, maar dat ze
+voortdurend geobserveerd moest worden.”
+
+„C’est clair!—Zeg! dat beestje in die kist is geen eau de cologne. Je
+hebt bijgeval geen sigaren in huis? Zwaar of licht, dat’s me ’t
+zelfde.”
+
+„Neen! ik rook al sedert lang niet meer.”
+
+„Och kom! en je was vroeger zoo’n liefhebber.”
+
+„Ja! maar Netje kon er niet meer tegen.”
+
+„O!”
+
+Een oogenblik zit Walten in gedachten voor zich te kijken en zegt dan:
+„Als ik nu maar ’t geluk heb, dat mijn benefiet zooveel opbrengt, dat
+’k haar kan laten genezen, dan.....”
+
+„Hoeveel moet er wezen?”
+
+„’n Goeie vijfhonderd, op z’n minst.”
+
+„Hm! die blijven er wel over, als ’t een beetje vol loopt.”
+
+„Zoo reken ik ook, Pietersen.—Och! als ik haar maar eerst van den
+vloer heb, zal ik voor mezelf er wel doorscharrelen,—ik kan nog best
+mee;—dan zoek ik weer een emplooi, ouwe rollen en.....”
+
+Pietersen kucht, humt een paar malen en ziet met zijn linkeroog Walten
+strak aan, terwijl hij met het rechter voortdurend knipt, als wilde
+hij zeggen: „Dat zal er nog om spannen.”
+
+De andere vervolgt: „’t Is wel niet pleizierig om ondergeschikte
+rollen te spelen, als je vroeger de keus had; maar och! wat doe je al
+niet voor je kind? Wie weet wanneer zij weer heelemaal in orde is, of
+ik dan geen furore met haar maak; want talent heeft ze, allemachtig
+veel talent, dat heb je daar straks nog gezien. Is ’t niet zoo?”
+
+„Zeker, mon Prince, zeker!” Pietersen spreekt schijnbaar in vollen
+ernst.
+
+„En wat ’n geluid, hé?”
+
+„Kolossaal!”
+
+„En wat ’n verschijning!”
+
+„Kapitaal!”
+
+„Ja, je begrijpt, ze is nu vervallen, ze ziet er niet goed uit, maar
+als ze beter is, komt dat alles weer bij; ze is op ’t tooneel een
+schoonheid; enfin, jij weet het, jij hebt haar gezien, toen ze nog
+„goed” was.”
+
+„Oui, mon directeur!”
+
+Intusschen heeft iemand buiten aan de kamerdeur geklopt maar noch
+Walten, noch Pietersen hebben ’t gehoord, en daarom zien beiden
+verwonderd op, als ze plotseling achter zich een barsche stem hooren
+zeggen: „Pin jelui hier toof? ’k Hèv wol dreimaal jeklopft.”
+
+„Wâblief!” vragen beiden ongeveer te gelijk.
+
+Een groote, dikke, onhebbelijk uitziende man, in de gewone vettig
+witte kleeding van een spekslager, staat voor hen en vraagt, na een
+oogenblik de voor hem zittende personen te hebben aangekeken: „Wer von
+jelui ist Walten?”
+
+„Ik! En u is meneer Träger!”
+
+„So! ja noe herken ik je; ’t wordt hier al doenkel.”
+
+„Wat wenscht u?”
+
+„Was ich will?—Noe das soll jij wol begrijpen” en terwijl de dikke man
+zijn rechterwijsvinger en duim schuivend over elkander beweegt, zegt
+hij: „Ich will de couleur von jou centen ’r is zien.”
+
+„Ik heb waarachtig niets op ’t oogenblik, baas Träger; maar wees niet
+bang: je geld zul je hebben.”
+
+„So! soll je denken?”
+
+„Waarlijk, zoodra mijn benefiet voorbij is, zul je....”
+
+„Papperlapap! ’n benefiz—so’n praatje kennen wir; das heb jijlui
+komödianten-volk immer bij der hand; wann’s voorbij ist, krijg jelui
+gewoonlich kein cent, dann ist alles sjoon op.”
+
+„Maar baas Träger, ik heb je toch altijd eerlijk betaald.”
+
+„Jawol, drei maanden vooruit, oend noe ich so schtom pin geweest om je
+das zweite kwartaal zoe creditiren neem jij me peet.”
+
+Waltens wangen kleuren zich eensklaps met een hoogen blos en zijn
+lippen trillen, als hij antwoordt: „Ik ben een eerlijk man, baas
+Träger, en als ik ’t had, zou je dadelijk geld krijgen; maar....”
+
+„Maar noe hèv je ’t nicht, oend daaroem moess jij janz eenvoudig von
+de kamer af; die roemmel, die prulleboel von je, kun je mitnemen, die
+is kein cent weerdig, allein die bedstelle ist passabel, maar die wil
+’k nicht nehmen weil je kind krank ist.—Oend noen basta! overmorjen
+verhuis je,—versta je? Die drei maanden huur kan je me sjoeldig
+blijven; dat doe ich omdat jij „Walten” bint, waaroem ich vroeger so
+dikwijls jelachen heb. Ik geef je zwei dagen oem zoe verhuizen.—Noe!
+bin je zoefrieden?”
+
+Schamper lachend, antwoordt Walten: „O! volkomen”.
+
+„Komân, dat’s joet; dan kennen wir als vrinden sjeiën. Jij bint
+allezeit ’n fatsoenlicher kerl geweest oend....”
+
+„Dáárom moet ik met m’n zieke kind op straat? ’t Is mooi, baas
+Träger.”
+
+„Kan d’r nichts an thoen! Dabei kommt noch das de hokkepaas, die ’n
+puik joeie betaler ischt oend die andere nachbaren d’r over klagen das
+jijlui zoo spektakelt.”
+
+„Maar, Träger! Over vier of vijf weken is mijn benefiet; dan ontvang
+je ’t zeker en....”
+
+„Das ist mir ejaal. Hèv je jeld?”
+
+„Neen!”
+
+„Dan overmorjen von die kamer af—verschta je?”
+
+Pietersen, die tot dusverre zwijgend het gesprek heeft aangehoord,
+vindt nu het oogenblik gekomen om zich in de zaak te mengen en zegt
+daarom op tamelijk gezwollen toon: „Mijnheer! ’t is een crime om een
+fatsoenlijk mensch zoo maar op straat te zetten. Maar je badineert,
+dat zie ik; je hebt wel een dik spekslagerslichaam, maar geen
+spekslagersziel. Je hart is gevoelig!—Is ’t niet zoo?”
+
+„Nein! ich will blos jeld.”
+
+„Kom, kom! mon Prince, je meent ’t niet! Nog een wijl geduld en alles
+komt terecht. Wil je een borg hebben, disponeer over mij; ik wil
+garant blijven, dat....”
+
+„Kottorie! das waar noch besser!” De spekslager ziet Pietersen aan en
+nolens volens moet hij lachen.
+
+„Qui rit, est desarmé,” zegt Pietersen, maar bij Walten komt
+plotseling de oude trots weer boven.
+
+„Pietersen voor mij borg blijven? Ba!” denkt hij, „’t is al te akelig;
+zóó ver is ’t dus met me gekomen.” Hij heft het hoofd hooger op, doet
+een pas vooruit en zegt: „Ik zal je betalen, baas Träger, morgen aan
+den dag. Hoeveel ben ’k je schuldig?”
+
+„Acht-oen-vierzig joelden!”
+
+„Kom ze morgenavond halen!”
+
+„Was? Morgen! allemaal jekheid, das binnen praatjens; wenn gij nich
+dadelich wat op afrekening jeeft, dan....” De spekslager houdt
+eensklaps op met spreken, steekt ’t hoofd vooruit en luistert, want
+uit den donkersten hoek der kamer vangt hij een hem overbekend geluid
+op. Zijn blikken trachten den allengs duister geworden hoek en de
+kist, die hij flauw daarin onderscheidt, te doorboren.—Ja! ’t is een
+gestommel en een geknor, dat hij dagelijks hoort. „Maar hoe is ’t
+mogelijk”, denkt hij, „hier?”
+
+Pietersen, die eveneens dat zonderlinge gedruisch heeft waargenomen,
+knipt haastig een paar malen met zijn rechteroog, brengt den
+wijsvinger even aan zijn rooden neus, als wilde hij te kennen geven:
+„Daar krijg ik op eens een idee” en is met twee stappen bij de kist.
+
+Voordat baas Träger eigenlijk weet wàt hem gebeurt, voelt hij den
+snoet van een jong varkentje tegen zijn dikke wangen en omvat hij
+schier werktuiglijk het spartelende en luid schreeuwende dier, dat
+Pietersen met één greep uit de kist heeft gepakt en hem in de armen
+drukt met de woorden: „Il te connait, beau masque! Dáár! neem dat op
+afrekening; dat’s voor jou contant geld, mon Prince!”
+
+„Soll der Deibel wissen wo das schweinche von daan kommt,” roept
+verwonderd de spekslager en betast inmiddels, als man van ’t vak, de
+big, binnensmonds zeggend: „’n Feines diercke, joet soort, moess nog
+fett werden, maar drei rijksdalers ist weerdig.”
+
+Evenals een boer op de markt, de vlakke hand uitstekend en met de
+andere er in slaande, roept de souffleur: „Voor vier ben je koopman!”
+
+„Drei!”
+
+„Vier!”
+
+„Noen in Kottesnamen, ’t is jekocht.”
+
+„Mooi!” En plotseling gehoorzamende aan den ouden Adam, die in hem
+wakker wordt, zegt Pietersen, hoog ernstig: „Neem ’t mee, baas Träger!
+Maar zal u ’t goed behandelen? ’t Is zoo’n lief beestje.” En met een
+traan in de stem voegt hij er bij: „We waren er al zoo aan gehecht,
+niet waar Walten?”
+
+Met een zekere walging wendt de oude man zich zwijgend af.
+
+„Noen, soll ich’s mitnemen voor ’n tientje?”
+
+„Ja, ja! maar laat ’t in Godsnaam niet langer zoo schreeuwen!” Walten
+ziet angstig naar ’t bed, waarop zijn dochter rust.
+
+„Sjreeuwen thoen al die ferkens; da’s die natoer.”
+
+„En mag ik je nu verzoeken om heen te gaan? M’n dochter ligt daar ziek
+achter dat gordijn en dus...” Met een tamelijk trotsche beweging wijst
+Annettes vader naar de deur.
+
+„Kott im Himmel! armoeth hèvt ’n hooge broest ooch nog; allemaal
+Komödiantenbluf. Hà! Hà! Hà! Hà!”
+
+„Lach niet, kerel, of...!”
+
+„Maak je niet boos. Dat ’s heelemaal verkeerd, mon Directeur!” zegt
+Pietersen, die ’t onbegrijpelijk vindt, dat de schuldenaar zóó tegen
+zijn schuldeischer durft opstaan, en tot den spekslager gewend,
+vervolgt hij soetsappig: „Meneer Träger, je moet dat zoo hoog niet
+opnemen: hij meent ’t zóó niet.—’n Fijn varkentje, hé?”
+
+„Wie er ’s nimmt, kan mijn niet sjeelen; maar wenn ich morjenavond das
+overige jeld nicht heb, schtaat hij over zwei dagen mit die janze
+rataplan op de jroote schteenen.”
+
+Annette beweegt zich onrustig in haar slaap en mompelt een paar
+onverstaanbare woorden.
+
+Walten ziet angstig naar ’t bed en zegt kalm, bijna fluisterend: „Je
+_zult_ ’t hebben, baas.”
+
+„Joet, maar noen verder?”
+
+„Verder?”
+
+„Jawol, denk jij dat ich jou op ’s nieuw drei monate zal laten wonen
+oend....?”
+
+„’k Zal je nog een maand vooruit betalen ook; maar ga nu heen, wat ik
+je bidden mag. Jij en dat dier, jelui schreeuwen om ’t hardst, en mijn
+arme Netje _moet_ rust hebben.”
+
+„Jou Netchen kan mir jestohlen worden.”
+
+Verder komt de spekslager niet, want Walten heeft eensklaps den
+grooten krulstok van de tafel gegrepen, plaatst zich vlak voor baas
+Träger, ziet hem dreigend aan en bijt hem toe:
+
+„Breng me niet tot ’t uiterste; ga heen, man!”
+
+Er ligt iets in Waltens blik, in ’t heesche geluid van zijn stem dat
+den ruwen slager onwillekeurig een oogenblik doet schrikken; maar dat
+gevoel is dadelijk weer voorbij, en met een tartend lachje om zijn
+dikke lippen antwoordt hij, de grove, groote rechterhand heen en weer
+bewegend: „Bang machen jeldt nich, maar ich will je wol plaisier doen.
+Tot morjenavond dan. Achtoenddreiszig joelden oend ein maand vooruit,
+macht samen vieroendfünfzig. Wenn jij die morjenabend vóór negen uur
+nich hev’t; logier jij verder in ’s Hôtel blauwe lucht, verschta
+je?—Adjé!”
+
+ * * * * *
+
+Zoodra de huisbaas vertrokken is, zegt Pietersen tot Walten, die, op
+den stoel bij de tafel heeft plaats genomen en met de armen slap langs
+het lijf hangend, het hoofd vóórovergebogen, in doffe moedeloosheid
+voor zich zit te staren: „Jij bent en blijft toch altijd onpractisch,
+Walten! Neem me niet kwalijk, maar je kwaamt er heel onzinnig tusschen
+met je propositie om morgen te betalen. Ik had dien kerel wel zóóver
+gekregen, dat hij....”
+
+„Ik wil van zoo’n vent niets hebben, geen consideratie, geen....”
+
+„Mais, mon Prince! als je zoo royaal bent, blijft er per saldo van je
+benefiet niet veel over. Betaal je morgen hém, dan weet overmorgen de
+heele buurt het en komen ze je allemaal op den hals. Boven en behalve
+dàt zal ’t nog mooi wezen, als de Directie je vier en vijftig gulden
+voorschot wil geven op je....”
+
+„Pietersen, hou je in godsnaam stil!”
+
+„Maar heb ik geen gelijk, mon Directeur?”
+
+„Ja! ja! ja! je hebt gelijk, maar schreeuw mijn kind niet wakker: je
+hebt zoo’n harde stem. Zij rust nu en dat is al genezing, weet je?—Ga
+nu heen asjeblieft en neem wat kaarten mee. ’t Zijn eerste galerijen;
+die kun je hier en daar wel plaatsen.”
+
+„Goed! Au revoir dan; morgen haal ik de lijsten.—Hm! heb je soms niet
+een versleten gulden voor me ter leen?—”
+
+„Neen!”
+
+„’n Paar kwartjes dan?”
+
+„Och!”
+
+„Nou één dan?”
+
+„Enfin! daar heb je er één. Maak nu dat je wegkomt.”
+
+„Mon Prince! waar er één is, zitten er meer. Kom! geef er nog eentje
+bij; ik heb m’n portemonnaie thuis gelaten.”
+
+„Dáár dan!—En nu....”
+
+„„Vertrek, heer graaf,”” zooals Egmond zegt. „Adieu!”
+
+ * * * * *
+
+Walten blijft alleen; nog een oogenblik zit hij mijmerend op den stoel
+en ziet naar ’t flauwe licht van den scheidenden dag, dat door de
+groezelige ruiten onder de gordijnen door nog zichtbaar is.
+
+De avond valt; ’t is bijna geheel duister geworden in de kamer. Met
+een zucht staat de oude man op, grabbelt in zijn zak naar een doosje
+lucifers, ontsteekt er een en daarmede een kleine petroleumlamp, die
+hij zóó op de latafel plaatst, dat het licht de zieke niet hinderen
+kan. Dan nadert hij het bed en ziet naar zijn dochter. Zij ademt
+rustig en kalm, een glimlach zweeft om haar lippen. Liefkoozend neemt
+hij haar fijne blanke blauw-dooraderde hand in de zijne, drukt er
+voorzichtig zijn lippen op en strijkt even met den rug zijner hand
+over ’t zacht bedauwde voorhoofd der slapende.
+
+Langzaam knielt hij neder bij ’t bed, legt zijn wang tegen Annettes
+hand, snikt een paar malen en blijft zoo liggen, lang—heel lang.
+
+
+III.
+
+„Hoe staan we er nu mede, Walten?” vraagt den volgenden dag de
+Directeur van den Schouwburg aan den ouden man, die met een
+portefeuille onder den arm in min of meer gebogen houding vóór hem
+staat.
+
+„Heb je al bepaald, welk stuk je wilt geven?”
+
+„Nog niet, mijnheer. Ik heb gedacht over de rol van Jérôme Duflou in
+Arthur of zestien jaren later.”
+
+„Hm! die rol is niet groot voor ’n beneficiant.”
+
+„Wat dunkt u dan van „De Vrek?” Die heb’k altijd met succes gespeeld.”
+
+„Niet kwaad, ten minste wanneer je...” de Directeur zwijgt een paar
+seconden en ziet met een zweem van medelijden zijn bezoeker aan—„hm!
+wanneer je die rol nog aandurft.”
+
+„Nòg...?” Walten verbleekt een weinig, zijn onderlip beeft.
+
+„Ja! je wordt een dagje ouder en ’t is een zware rol.”
+
+„O, ik ken ze nog wel op mijn duim. ’t Is een van mijn beste creatiën;
+ik denk er zelfs over, om, zoodra Annette goed verzorgd is, weer een
+engagement te zoeken. ’t Kon soms zijn, dat u hier nog een plaats had,
+die vervuld moest worden; dan beveel ik me daarvoor aan; ik zou wel
+weer willen optreden.”
+
+In de oogen van den Directeur, die eerst met deelneming op den ouden
+man hebben gerust, komt nu een uitdrukking van medelijdende
+verwondering; zij zien den sollicitant aan als wilden zij vragen:
+„Jij?—Zoek jij nog een engagement? Neen, ’t is niet zoo, je houdt mij
+voor ’t lapje.”
+
+’t Is alsof Walten voelt wat de Directeur denkt, want hij voegt er
+snel bij: „Ik meen ’t in vollen ernst: als u me kunt emploieeren...”
+
+„Daar zullen we later wel over spreken. Walten.—Vertel me nu eerst
+eens: heb je al wat plaatskaarten verkocht?”
+
+„’t Schikt nogal; ik doe natuurlijk mijn best om eerst de avondkosten
+bij mekaar te krijgen; nu, die zullen er gauw zijn. Dan zal ik verder
+met de lijsten werken; ik heb er nu nog maar boven, laten zetten: _’t
+Op te voeren stuk zal nader worden bekend gemaakt._”
+
+„Goed! maar bepaal dat liefst zoo gauw mogelijk; dan heb je meer
+succes bij de lui. Hier heb je een lijstje, waarop ik eenige adressen
+heb genoteerd van menschen, die ik ken als liefhebbers van ’t tooneel;
+ook zullen enkelen ervan zich jou nog wel herinneren van vroeger en
+daarom....”
+
+Walten wordt bleek; dat gezegde: „Enkelen zullen zich jou nog wel
+herinneren” heeft hem getroffen; onmiddellijk beseft hij de treurige
+waarheid er van. Ja! hij leeft eigenlijk alleen nog maar in de
+herinnering van enkelen; den Walten van ’t heden kent men nauwelijks
+meer. Een paar kille droppels, die op zijn voorhoofd verschijnen,
+wischt hij met de hand weg, strijkt even over zijn oogen en dan
+antwoordt hij, met schorre zenuwachtige stem: „’k Heb al een paar oude
+kennissen opgezocht, en die hebben dadelijk een heele loge genomen;
+maar—als u ’t niet kwalijk neemt, meneer Schröder, wou ’k wel gaan
+zitten, want....”
+
+„Och neem me niet kwalijk, ik heb vergeten je een stoel aan te bieden,
+excuseer mijn lompheid!” En snel opspringend, neemt hij een stoel, die
+onder zijn bereik staat, en zet dien naast Walten.
+
+Haastig grijpt de oude man naar de leuning, en terwijl de vale
+bleekheid, die zijn gelaat had overtogen, plaats maakt voor een
+congestieusen blos, wankelt hij een oogenblik en neemt dan plaats. „Ik
+weet niet wat mij mankeert, meneer Schröder, maar in den laatsten tijd
+heb ik telkens van die duizelingen, en daarom ben ik zoo vrij om....”
+
+„Wel, m’n goeie man, geneer je niet, neem je gemak.”
+
+„Dank u; ’t gaat nu alweer over. ’t Is een alleronaangenaamst angstig
+gevoel; tusschenbeide weet ik één oogenblik niet waar ik ben, dan
+draait me alles voor de oogen en zou ik zóó neer kunnen vallen.”
+
+„Dat’s niet goed, Walten. Wil je soms een glas water?”
+
+„O, als u ’t bij de hand heeft, graag.”
+
+Als Walten gedronken heeft, wordt zijn gelaatskleur weer gewoon en is
+het alleen aan het eenigszins rood gekleurde wit van zijn oogen te
+zien, dat hij nog niet geheel normaal is.
+
+„Ik denk, dat ’t van ’t heen en weer loopen en draven komt,” zegt hij:
+„ik ben dat niet meer gewend. Bovendien heb ’k weinig nachtrust gehad
+in de laatste dagen: die toevallen van mijn dochter kwamen zoo gauw
+achter elkander; vroeger bleef ze wel eens een maand, soms zes weken
+vrij. ’t Is treurig, erg treurig.”
+
+„We willen ’t beste hopen, als ze eenmaal onder een geregelde
+behandeling komt,” troost de Directeur.
+
+„Juist! dàt heeft ze hoog noodig; in ’t gesticht zou ze....”
+
+„Ja, ja!” valt hem de Directeur haastig in de rede, omdat hij reeds
+herhaalde malen ’t relaas van den vader heeft gehoord; en om een
+andere wending aan ’t gesprek te geven, vervolgt hij: „Hoe sta je met
+de artisten?”
+
+„Goed!”
+
+„Je begrijpt, hoe meer je van de eerste krachten op je programma kunt
+krijgen, des te beter.”
+
+„Natuurlijk! Ik heb er alleen een hard hoofd in, dat juffrouw Andrée
+zal willen meewerken, als ze de hoofdrol niet krijgt.”
+
+„Hoezoo?—Die moet je vooral hebben, die is op ’t oogenblik „the grand
+attraction.””
+
+„Ik heb haar dezer dagen bezocht en gevraagd, of ze mij steunen wou.
+Ze was heel beleefd, maar ze zei meteen, dat _ik_ wel begrijpen zou,
+dat ze niet anders dan een eerste vrouwenrol, en dan in haar emplooi
+vallend, kon aannemen.”
+
+„Zoo, hm! Och! wat zal ik je zeggen, Walten: jij kent de artisten zoo
+goed als ik. Ze is een jong ding, dat in den laatsten tijd door haar
+aardig bekje veel opgang maakt. Ze heeft een beetje talent, maar ze is
+erg van ’t hondje gebeten, nogal over ’t paard getild.... Binnen!”
+
+Walten heeft, evenals de Directeur, het kloppen op de deur gehoord en
+rijst werktuiglijk op van zijn stoel.
+
+„Is er belet?” vraagt vriendelijk een aangename vrouwenstem en te
+gelijk kijkt een reeds min of meer bejaarde dame, met een zeer
+intelligent en prettig voorkomen, om ’t hoekje van de deur.
+
+„Belet? Voor u is er nooit belet; kom binnen, mevrouw Groote!”
+antwoordt de directeur, terwijl hij opstaat en de naderbij komende
+dame de hand reikt. Met een vriendelijk hoofdknikje begroet zij Walten
+en neemt op den haar aangeboden stoel plaats.
+
+„U komt als geroepen, mevrouw!”
+
+„Waarom?”
+
+„Hier is”—de Directeur wijst op den ouden man, die nog naast zijn
+stoel staat,—„Walten, die u juist wilde gaan bezoeken om u te vragen
+of....”
+
+„Heere! Heere! Walten jij hier? Dat doet me pleizier!” En vriendelijk
+lachend staat zij op, legt haar handen op zijn schouders en drukt hem
+zachtkens neer op zijn stoel, terwijl zij vervolgt: „Ga eerst weer
+zitten, collega. ’k Had je waarlijk zoo gauw niet herkend, maar nu
+zie ik het wel. Hoe gaat het je? Hm! je ziet er niet florissant uit.
+Ben je ziek geweest?”
+
+„’k Voel me niet wel, mevrouw!”
+
+„Dat’s verkeerd, hoor! Ik heb van Hostein gehoord, dat je in den
+laatsten tijd.... hm! hoe zal ik ’t zeggen....”
+
+„Dat ik oud word, mevrouw! Zeg ’t maar.”
+
+„Nu, nu! dat bedoel ik zóó niet, maar.... Zeg! wat denk je voor je
+benefiet te geven?”
+
+„Ik hoop „De Vrek”.”
+
+„Ei! dat’s geen kleinigheid. Ben ik er ook in?”
+
+„Ik ben al bij u aan huis geweest, zonder u te treffen; ’k had u
+beleefd willen vragen, of u de goedheid zoudt willen hebben om....”
+
+„Om mee te doen? Maar, vadertje, dat spreekt immers vanzelf.”
+
+„Ja?” Met een vroolijk gelaat knikt Walten haar toe.
+
+„Zeker! Er zal toch wel een rolletje voor mij inzitten?”
+
+„Ja, mevrouw, maar eigenlijk is er geen eerste moederrol in, en uw
+emplooi....”
+
+„Kom! kom! gekheid, emplooi of geen emplooi, dat komt er niet op aan;
+geef me maar wat je wilt; desnoods breng ik een brief op. Voor een
+collega en vooral voor iemand zooals jij, die zóó getobd heeft, doe ik
+alles. Als ’t niet anders kan, figureer ik zelfs mee,—ten minste als
+je mijn naam graag op ’t programma wil hebben,” voegt zij er met een
+klein vleugje van ijdelheid bij.
+
+„Wat is u goed, mevrouw Groote!”
+
+„Zie je, Walten, daar spreekt nu ’t artistenbloed,” zegt de Directeur;
+en tot mevrouw Groote gewend, voegt hij er bij: „Juffrouw Andrée is
+minder toeschietelijk geweest; ze heeft nog niet toegestemd.”
+
+„Wel! wel!” antwoordt mevrouw Groote met een zweem van hatelijkheid
+in haar stem. „Nu, zoo’n grrroote artiste mag haar kuif ook wel
+opzetten. Zoo’n kolossaal talent wil natuurlijk de eerste rol hebben,
+is ’t niet zoo?”
+
+„Ja, mevrouw.”
+
+„’t Is om te lachen,—zoo’n kind! Ze heeft een aardig gezichtje, een
+mooi figuurtje,—dat ’s waar! Ze heeft geluid ook, maar dat kan zij
+niet helpen. Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel
+komen; maar om een stuk te helpen dragen, zie je! dáárvan heeft ze
+geen kaas gegeten. En welke rol had je haar gegeven?”
+
+„Nog geen rol; ’t was maar bij voorbaat, dat zij....”
+
+„Wel goeie hemel! wat ’n drukte voor niemendal!—Luister eens, Walten,
+ik ken haar: ze schermt altijd met haar emplooi, hé?”
+
+„Ja, mevrouw; nu zei ze ook, dat als ’t niet in haar...”
+
+„Emplooi viel, dat ze dan er voor passen zou. Jawel, dàt kennen we!”
+En plotseling op uitstekend natuurlijke wijze de houding eener
+coquette jonge dame nabootsend, zegt mevrouw Groote, met brauwende
+stem: „’t Spijt me menèrrh Walten, mèrrh wanneerrh de rrhol niet....
+Ha! Ha! Ha! weet je wat, ouwe jongen, laat zij naar de Franschen
+loopen; ik zal je anders en beter helpen. Als onze Directeur ’t
+goedvindt, laat je haar heelemaal buiten alles—ik heb ’t land aan dat
+creatuur—en dan geef je aan juffrouw Berg, mijn élève, een goeie rol.
+Dat’s een aardig eenvoudig kind met ’n snoepje van ’n gezichtje en met
+meer talent dan die „grrhoote juffrrrhouw Andrrhée.” Dan zetten we op
+’t programma: Debuut van Mejuffrouw Berg, élève van Mevrouw
+Groote.—Wat zeg je daar van, meneer Schröder?”
+
+„Nu, dat ’s nog zoo kwaad niet,” merkt Schröder, die eigenlijk
+juffrouw Andrée ook niet goed lijden kan, aan. „’n Debuut met ’n
+benefiet samen is een goed idee.”
+
+„Mevrouw, ’k ben dankbaar, dat ik u hier ontmoet heb.”
+
+„Heel goed, Walten, dat doen we dan zoo.—Kijk!” Mevrouw Groote wrijft
+zich eventjes in de handen, „ik ben heusch in m’n schik, dat we die
+Andrée er zoo liefjes uitknikkeren; ik moet je eerlijk zeggen: ik kan
+haar niet zetten; ze heeft zoo’n paar opera-maniertjes, die ’t publiek
+aardig vindt; ze coquetteert met de jongelui, die sprinkhaantjes uit
+de stalles, ’t balcon enz. Voilà tout! Voor ’t overige zit alles er
+dunnetjes op. Ze is eigenlijk geen artiste, ze heeft voor geen
+dubbeltje sentiment, geen opvatting, geen gloed, geen....”
+
+„Och! Och! mevrouw Groote, als ik je niet zoo _heel lang_ en beter
+kende, zou ik werkelijk denken, dat hier ’n beetje „jalousie de
+métier” in ’t spel was,” hervat Schröder, lachend mevrouw Grootes
+woordenvloed stuitend.
+
+„Kom, Schrödertje! dat weet je wel beter; _ik_ heb me waarachtig niet
+te beklagen, _ik_ heb succes genoeg gehad”—en met een zelfgenoegzaam
+lachje—„en nog succes! Begrijp je, dat’s veel gezegd, als men bijna
+vijf en dertig jaren op de planken is.—Maar ik zie, dat je heen wilt
+gaan, Walten, en ik wou je toch dit nog zeggen: doe mij nu pleizier en
+repeteer zoo spoedig mogelijk. Dan kan ik de kleine Berg nog eens
+flink onder handen nemen; je begrijpt, als ze debuteert, wil ’k ook ’n
+beetje eer met ’r inleggen.”
+
+„Wanneer dunkt u dan, meneer Schröder?”
+
+„’k Zal er met den régisseur over spreken; overmorgen weet u ’t.”
+
+„Best!”—Walten neemt zijn portefeuille op en grijpt naar zijn hoed.
+
+„Ho, vadertje! wacht nog even; ik wou je nog één raad geven. Je moet
+na „De Vrek” een grappig nastukje geven, zoo een van je ouwe comische
+rollen; er zijn nog genoeg lui, die je vroeger in die rollen gezien
+hebben en die zoo’n dolligheid nog eens weer willen zien, b. v. de
+zuster van Jocrisse.—Ja, hm! voor Jocrisse ben je—hm! niet boos
+worden!—een beetje af-tandsch. Maar—zing je nog?”
+
+Walten antwoordt kortaf met een zucht: „Neen Mevrouw!”
+
+„Dat’s jammer; anders zou ik je proponeeren: „’t Huishouden van den
+schoenlapper” of „De Behanger”.”
+
+De Directeur ziet intusschen zwijgend naar Waltens somber gelaat en
+denkt: „Sic transit.”
+
+„Ik weet wat,” gaat mevrouw Groote voort. „Geef als toegift: „De
+dochter van Dominique”; dan speel jij voor Nicolaas den knecht—dat kun
+je best, en ik zal de Cathérine spelen; dat ’s altijd een
+glansrolletje voor me geweest,—al zou ik dat nu alleen maar doen om
+aan die Andrée met al haar drukte te laten zien, dat _ik me nog jong
+kan_ maken, als mij dat blieft”; en terwijl zij dit zegt, ziet zij den
+Directeur even aan.
+
+„Is dat een pique sous l’eau, mevrouw?”
+
+„Onder of boven water, meneer Schröder, zoo je ’t nemen wilt,” lacht
+mevrouw Groote en vervolgt: „Nu, Walten, wat denk je daarvan?”
+
+„’k Ben u dankbaar... mevrouw en... ik... zal... God! daar komt ’t
+weer. O!”
+
+„Mijn hemel! wat scheelt hem op eens?” roept mevrouw Groote, die nog
+juist bijtijds den ouden man om de schouders vat en hem voor vallen
+behoedt. Langzaam doet zij hem weer nederzitten en veegt hem met haar
+geparfumeerden zakdoek langs voorhoofd en slapen. „Vadertje wat wordt
+je bleek. Zeg! wat scheelt je, ouwe heer?—Duizelig?—Zoo, is ’t al weer
+over? Jongens! jongens! je moet er ’n dokter over spreken; dat ’s geen
+gewone toestand.—Ben je nu weer klaar?—Wat voelde je eigenlijk,
+Walten?”
+
+„Duizelig, flauw, ’k werd wee!”
+
+„Zenuwen!—Hier! drink eens.”
+
+„Ja!” Waltens tanden klapperen tegen den rand van ’t glas, dat mevrouw
+Groote hem heeft aangegeven.
+
+„Zenuwen zijn ’t, anders niet; van avond Brom-kali nemen en nu gauw in
+de lucht. Wil ’k met je meegaan?”
+
+„Neen! neen! dank u.”
+
+„Zeg, Schröder, zou je hem niet iemand meegeven, de trap af?” Mevrouw
+Groote vraagt ’t fluisterend, maar Walten heeft het toch verstaan en
+zegt haastig:
+
+„Och! asjeblieft niet; ’t is nu heelemaal over. Ik begrijp ’t wel: ik
+ben van morgen al vroeg de deur uitgegaan, de bakker was er niet
+geweest, en.....”
+
+„Wel Heere! je hebt misschien vergeten te ontbijten, vadertjelief! Dat
+kan den besten gebeuren.—Kom! ga met mij mee in de koffiekamer. Toe!
+ik heb ook nog geen twaalf-uurtje gehad. Hé, ja, laten wij eens samen
+„lunchen”, als ouwe collega’s, recht gezellig. Neen! neen! refuseeren
+mag je niet, hoor kameraad!”
+
+Een trek van innige goedhartigheid siert mevrouw Grootes gelaat, als
+zij den ouden man familiaar onder den arm neemt en tot den Directeur
+zegt: „Excuseer ons, Schröder; wij gaan koffiedrinken.—Ik kom straks
+wel terug om af te handelen, waarvoor ik kwam.—Komaan, beau cavalier,
+je arm! Ha! Ha! Ha! de booze wereld zal ons oudjes toch wel zoo’n tête
+à tête gunnen.”
+
+Walten aarzelt, en mevrouw Groote herhaalt: „Als jij refuseert,
+refuseer ik alle rollen, hoor! Kom! ik heb nu juist groote ambitie om
+je te schaken.”
+
+Schröder ziet aan Waltens houding en blikken, dat hij nog iets op ’t
+hart heeft, en vraagt hem daarom met de oogen: „Heb je nog wat?” De
+oude man, die met zachten drang door zijn dame naar de deur wordt
+geleid, knikt „ja” zonder dat zij ’t ziet. Daarom roept de Directeur
+hem met: „Een oogenblikje, mevrouw Groote; ik wou Walten nog iets
+zeggen”, terug.
+
+„Gauw dan; ik wacht hier”, zegt de actrice.
+
+Als ze een paar passen in de kamer zijn, vraagt Schröder: „Wat wou je
+me vragen?”
+
+„Meneer Schröder, ik ben genoodzaakt om u te verzoeken om..... ’k Heb
+dringend geld noodig; ’t is ellendig, dat ik zoo krap zit, maar ik
+moet van avond huur betalen; anders....”
+
+„Heb je veel noodig?”
+
+„’n Kleine zeventig gulden, en dan heb ik zelf nog niets: ’k heb nog
+een paar kwartjes in huis.—Zou u me niet ’n honderd gulden voorschot
+willen geven?”
+
+„Hum!” Schröder denkt even na.
+
+„’k Geloof toch, dat u er geen kwaad mee kunt. Pietersen heeft
+gisteren al vrij wat kaarten geplaatst en....”
+
+„Pietersen, dien ouwen nathals, laat je dien voor je werken?”
+
+„Och ja! hij is jarenlang mijn souffleur geweest; hij is gaar en kent
+de lui, die vatbaar zijn, en hij heeft er slag van om hen te laten
+teekenen.—Zou u....?”
+
+„Enfin! ’k zal je maar helpen.”
+
+„Kom je nu, kameraad? Mijn maag knort!”
+
+„Dadelijk, mevrouw!”
+
+De Directeur gaat naar zijn bureau, neemt er vier bankjes van ƒ25 uit,
+geeft die aan Walten en zegt: „Ziedaar dan, maar meer dan dit geef ik
+in geen geval.”
+
+ * * * * *
+
+Een oogenblik later zitten Walten en de actrice in de koffiekamer en
+gebruiken met smaak een eenvoudige „lunch.”
+
+Mevrouw Groote heeft er slag van om den ouden kunstenaar, zooals zij
+het noemt, „op zijn gemak” te zetten. Zonder dat hij het zelf merkt,
+laat zij hem vertellen, hoe zijn toestand eigenlijk is; met een enkel
+deelnemend woord, een blik of gebaar vol sympathie, met den fijnen
+tact, sommige ontwikkelde vrouwen eigen, weet zij hem alles te
+ontlokken wat zij weten wil. Haar oogen worden nu en dan vochtig—hij
+merkt het niet—en met klimmende belangstelling en innig medelijden
+ziet zij hem aan, terwijl in haar geest het plan rijpt om met de
+andere artisten iets voor den ouwen, armen collega te doen. Plotseling
+vraagt zij: „En zou je dochter waarachtig kunnen genezen?”
+
+„Zeker!”
+
+„Voorgoed?”
+
+„Voorgoed!—U zou niet kunnen gelooven, mevrouw, hoe kalm ze soms is;
+dan zou je zeggen, ze mankeert niemendal, zooals nu bij voorbeeld.”
+
+„Ik ga met je mee, Walten; ik wil haar eens zien.—Kom! we hebben
+gedaan met eten, laten we opstappen.”
+
+„U bij mij aan huis? Neen! dàt kan niet.”
+
+„Waarom niet?”
+
+„Neen! Neen!”
+
+„Kom! ouwe heer, je zult toch niet te grootsch zijn om...? Of ben je
+soms bang, dat de booze wereld je reputatie zal bederven door te
+zeggen, dat jij „dames seuls” ontvangt? Ha! ha! ha!—Vooruit dan,
+kameraad.”
+
+„Neen, mevrouw, ’t is onmogelijk.—Aannemen!”
+
+„Wou je nog iets gebruiken?”
+
+„Neen!—U?”
+
+„Ik ben voldaan!”
+
+„Ik ook.—Hoeveel is ’t, Jan?”
+
+„Twee gulden zeventig, meneer!”
+
+„Hier, wissel me dat bankje eens; ’n dubbeltje voor jou.”
+
+„Maar, Walten, wat doe je?”
+
+„Ik betaal, mevrouw!”
+
+„Ben je nou dwaas? Ik heb je immers...?”
+
+„De eer aangedaan met mij koffie te drinken.”
+
+„Goeie hemel! wat ’n vent!”
+
+„Ik ken Goddank m’n wereld nog wel, mevrouw!”
+
+„Je bent ’n gek, ’n stijfhoofdig monster, een trotschaard; maar toch
+ben je n’ aardige kerel, ouwe heer!—Kom! laten we nu even naar je huis
+gaan. Toe! laat me je dochter eens zien.”
+
+„’t Kan niet, waarachtig niet!”
+
+Een oogenblik denkt mevrouw Groote na en dan zegt zij plotseling:
+„Kom! ’t is maar alleen om eens te hooren, hoe ze de rei uit
+Gijsbrecht zegt; ik heb gehoord, dat ze dat zoo uitmuntend doet.”
+
+Waltens oogen verliezen iets van hun dofheid, als hij antwoordt: „Ja,
+dat’s waar, dàt doet ze eenig; maar—van wien heeft u ’t gehoord?”
+
+„Hm! ja! Laat eens zien, van wien ook weer?—Hm! hm! O, ja! van
+Pietersen, den souffleur.”
+
+Walten heeft ’t oogenblikje van verlegenheid, waaruit mevrouw Groote
+zich zoo meesterlijk redde, niet opgemerkt en zegt: „Ja, dat kan wel;
+die heeft haar ten minste dikwijls zien spelen, toen ze nog goed was.
+’n Mooi geluid heeft ze, mevrouw!”
+
+„Mag ik haar dan niet eens hooren, collega? Toe! asjeblieft!” En met
+een coquette beweging legt zij haar nog altijd fraaie, blanke hand op
+Waltens arm. „Dat pleiziertje doe je me wel, hé?”
+
+„Maar....” en Waltens blik wordt diep treurig—„dat was vroeger; nu
+doet ze ’t niet meer. Ze zit kalm en bedaard, maar zonder spreken bij
+me, ziet u? En dat noem ik: ze is goed!”
+
+„Och! dat begreep ik niet, ouwe vrind; ik dacht, dat ze graag een rol
+zei of een fragment en....”
+
+„Neen! alleen als ze....”
+
+Mevrouw Groote ziet hem zóó medelijdend en met een licht hoofdschudden
+aan, dat hij onwillekeurig zwijgt.
+
+„Laat me haar toch maar eens zien, Walten!”
+
+„’t Is zoo’n heillooze rommel thuis. Wanneer zij zoo’n hevigen aanval
+heeft, haalt ze soms alles overhoop en doormekaâr; en je _moet_ ’t
+kind haar gang laten gaan. Ik ben waarlijk verlegen om.... U begrijpt,
+met zoo’n geval en geen hulp! Ik schaam me er voor, maar....”
+
+„Wat ’n dwaasheid! Ik heb waarentig dikwijls genoeg zelf in een rommel
+gezeten. Denk maar eens na: toen we samen nog met den troep van Pavot
+in dat kleine gebouwtje „de Variétés” speelden; ik was toen negentien
+en pas bij ’t vak. Jij begont toen ook; je was misschien een jaar of
+zes ouder.—Kom, ouwe kameraad! we kennen mekaar te lang om
+complimenten te maken.”
+
+„Nu, dan in Godsnaam, omdat u ’t _wil_!”
+
+
+IV.
+
+’t Waren moeielijke dagen, die nu voor den ouden Walten volgden, want
+’t loopen met de lijsten voor zijn benefiet viel hem in ieder opzicht
+zwaar.
+
+„Oude heer,” had de Directeur Schröder hem gezegd, terwijl hij hem
+gemoedelijk op den schouder klopte, „ik vertrouw, dat je ’t
+verstandigst handelt door zelf met de lijsten rond te gaan. Geloof me,
+wanneer de menschen jou zien, zullen ze bepaald voor een paar plaatsen
+teekenen,—eerder dan wanneer je door dien verloopen Pietersen de lijst
+laat aanbieden.” Dit laatste zei Schröder er bij, omdat hij op Waltens
+gelaat een treurigen pijnlijken trek meende te bespeuren, toen hij zoo
+ondoordacht zei: „Wanneer ze jou zien.”
+
+’t Kwam hem plotseling in den zin, dat in die paar woorden een
+geheele droevige lijdensgeschiedenis werd verhaald—aan den lijder
+zelf, die zijn toestand maar al te goed kende.
+
+Ja! Walten zag er slecht, ellendig slecht en vervallen uit, al had ook
+Hostein met mevrouw Groote er voor gezorgd, dat hij ten minste een
+fatsoenlijk pak kleeren had gekregen, waarin hij zich bij zijn
+bezoeken aan de kunstvrienden en tooneelliefhebbers kon vertoonen. ’t
+Was werkelijk alsof de man van dag tot dag lichamelijk verzwakte en
+verviel; de vermoeienis van ’t loopen bracht er misschien ook nog toe
+bij, dat zijn uiterlijk, hoe fatsoenlijk ’t ook scheen, toch volkomen
+geschikt was om medelijden op te wekken.
+
+De diep in hun kassen weggezonken oogen, de dikke blauwige wallen
+daaronder, de bolbleeke wangen en nu en dan het beverige schudden van
+’t hoofd spraken duidelijker, dan de dunne, bloedelooze lippen hadden
+kunnen doen, van kommer, zorg en afgematheid. De vaal-geelbleeke
+gelaatskleur, gewoonlijk eigen aan menschen, die zich dagelijks
+blanketten en beschilderen, de tallooze kleine rimpels om mond en
+oogen en de scherpe trekken langs den neus, gaven aan Waltens gelaat
+iets zóó diep zwaarmoedigs, dat het stereotiepe tooneellachje, waarmee
+hij zijn korte aanspraak bij ’t aanbieden van de benefiet-lijst
+begeleidde, niet bij machte was, die sombere uitdrukking te verbergen.
+
+ * * * * *
+
+Over ’t algemeen genomen werd hij vrij goed ontvangen, en was zijn:
+„Ik ben Walten, de voormalige komiek van den Schouwburg enz. enz.”,
+bij de meesten voldoende om hem voor een korte afwijzing te behoeden.
+Maar ook bitter vernederende oogenblikken moest hij doorleven, en wel
+dáár waar hij die ’t minste verwacht had. Oude goede kennissen,
+begunstigers van vroeger, namen met een schuinschen blik op Waltens
+droevig uiterlijk de lijst aan, zetten er zwijgend hun handteekening
+op of gaven door een kort: „’k Heb al TE VEEL van die dingen aan de
+hand” te kennen, dat ze „er niet aan deden”. Een rijk geworden
+kroeghouder o. a., die zich de weelde veroorloofde om van „de kunst”
+te houden, ontving hem met een dikken, plompen lach van genoegen en
+zei: „Wel, wel! ben jij nou Walten?—Manlief, ’t doet me plezier, dat
+ik jou nog eens zie. Ik heb, toen jij nog in je goeie tijd was, wat om
+jou motte lache, m’n buik heb ik vastgehouwe; je was een eeuwig leuke
+pias, hoor! En daarom zal ik nou ook op je benefiet teekene voor mijn
+en mijn heele geslacht. Geef me nege plaatse eerste rang; ’k zal je
+maar vooruit betale, want om de duite is ’t toch te doen. Dat ’s nege
+rikse, hé? Daar heb je een bankie van ƒ25.—; voor dat ééne achterwiel,
+dat er over is, mot je maar een paar potjes bier drinke, hoor!”
+
+O! ’t was zoo bitter, zoo kwetsend voor Walten, die ’t hart zoo hoog
+droeg, om dàt te hooren. Zwijgend nam hij de lijst weer aan, terwijl
+de toornader tusschen zijn oogen zwol en zijn lippen beefden; met
+moeite onderdrukte hij een wederwoord, maar——’t was vijf en twintig
+gulden op eens, en—hij was zoo moe van ’t loopen, van ’t vragen. „’t
+Schijnt bijna bedelen,” dacht hij, terwijl hem ’t bloed naar ’t hoofd
+schoot en de stem hem begaf, toen hij een woord van dank trachtte te
+uiten.
+
+Hier en daar werd hij kortaf met: „Dank je, ik zal er niet van
+profiteeren,” afgewezen; ’t deed hem minder smartelijk aan dan de
+woordenrijkheid van „den ploert,” die zoo royaal was.
+
+Slechts enkele malen klonk hem, als zachte muziek, een vriendelijke
+stem tegen, die met fijn gevoel, den ouden artist in hem waardeerend,
+op zijn vraag antwoordde: „Of ik op uw benefiet wil teekenen, meneer
+Walten?—Wel zeker, gaarne! Ik zou ’t u niet vergeven hebben, als u mij
+had vergeten, want ik heb u niet vergeten; ’k heb veel genot en
+ontspanning door u gehad en velen met mij; ik verheug me er op u nog
+eens weer te zien spelen.—Ei zoo! geeft u „De Vrek?” ’n Mooi stuk, een
+van uw beste rollen. En den Nikolaas in ’t blijspel „De dochter van
+Dominique” toe? Die rol heb ik nooit van u gezien, dáár spits ik me
+op. Welke plaatsen heb je nog over? Stalles, balcon of loge, geef me
+maar wat je missen kunt, want ik vertrouw, dat er plaatsen te kort
+zullen komen.”
+
+Zulk een ontvangst bracht hem als met een tooverslag de oude goede
+tijden weer voor den geest en weemoedige tranen in de oogen.
+Onwillekeurig strekte hij dan vertrouwelijk bij het heengaan de hand
+uit naar die van den man, die hem zoo vriendelijk en met tact te
+gemoet kwam.
+
+Ze waren echter zeldzaam die oogenblikken van waardeering en slechts
+een kleine vergoeding voor de vele teleurstellingen, die hij in den
+vorm van: „Meneer is niet thuis” of: „We houën hier niet van comedie”,
+herhaaldelijk ondervond.
+
+Toch kon hij tevreden zijn, want ’t aantal genomen plaatsen was vrij
+aanzienlijk geworden, en de eerste rangen waren zoo goed als
+uitverkocht.
+
+Pietersen liep, zooals hij ’t zelf eigenaardig uitdrukte, „en tempête”
+de heele stad door, en ofschoon hij zijn tochten rijkelijk met
+spiritueus genot afwisselde,—„’t hoorde er onvermijdelijk bij”,
+beweerde hij, omdat hij voornamelijk koffiehuishouders en slijters
+„exploiteerde”,—kwam hij gewoonlijk des avonds in tamelijk goeden
+welstand op Waltens kamer, om hem verslag te doen van den oogst, dien
+hij had binnengehaald.
+
+Ook aan ’t bureau van den Schouwburg waren, ten gevolge van de
+aanplakbiljetten, de advertentiën in de kranten en een paar
+welwillende dagbladartikelen, waarvoor Hostein en Schröder hadden
+gezorgd, vrij wat plaatsen genomen, zoodat de oude man aan den
+vooravond der voorstelling met zekerheid kon berekenen, dat, als er op
+den speelavond zelf nog wat publiek „inliep”, er een batig saldo voor
+hem zou overblijven, na aftrek van de honderd gulden voorschot,
+voldoende om aan zijn dochter de tijdelijke opneming in een gesticht
+te verzekeren.
+
+ * * * * *
+
+Mevrouw Groote had er intusschen voor gezorgd, dat „de rommel” bij
+Walten door een werkvrouw eenigermate was opgeredderd en verder
+diezelfde vrouw voorloopig als „gezelschap” bij de ongelukkige Annette
+gelaten, omdat zij vond, dat „de stumperd” zoo akelig alleen en
+verlaten zat, als haar vader uit was. Toen was zij naar Hostein gegaan
+en had gezegd: „Luister eens, Willem! Ik ben bij Walten aan huis
+geweest; ’t is daar een echt treurige boel, veel armoediger en
+ellendiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen; wij moesten de
+handen ineenslaan en zien of we iets voor hem kunnen doen; de man
+heeft in _zijn_ tijd voor menigeen wat overgehad.—’t Is waar, hij was
+vroeger ’n beetje bazig en nu soms nog koppig en... Och! maar zoo
+heeft iedereen wat.—Ga jij nu bij jou kennissen rond, dan zoek ik de
+lui op, die IK ken; allicht halen we wat bij mekaar. Dan geven we hem
+dat op den avond van zijn benefiet, netjes in een couvert aan een
+lauwerkrans gebonden.—Wat dunkt je?”
+
+„Je bent een kranige vrouw, hoor! en ik doe mee; ik zal de lui wel ’n
+beetje opwarmen,” antwoordde Hostein. „Maar hoe is ’t op ’t oogenblik?
+Hij heeft een voorschot, hé?”
+
+„Och, beste vrind! ’t was dadelijk op, dat begrijp je, voor huur
+enzoovoort. Maar enfin! dáár is al voor gezorgd: ik heb hem wat
+gestuurd; je begrijpt, voor de zieke, nam hij ’t graag aan, zoo’n
+beetje victualie, en voor de eerste dagen is er over dag een vrouw in
+huis.—Zeg! dat kind van Walten, hum! ik bedoel die Netje, viel me mee;
+ze was doodbedaard, maar ze sprak geen woord. ’n Mooie vrouw is ’t
+zeker, ’n goed tooneelfiguur; maar wáár dat talent zit, waarvan hij
+zoo hoog opgeeft, begrijp ik niet. De man is altijd épris geweest van
+dat meisje, en haar stem is bepaald mooi, maar zoover ik me herinner,
+was ’t verder niets buitengewoons.—Wat dunkt jou?”
+
+Hostein haalde de schouders op en zei glimlachend: „Ieder denkt zijn
+uil een valk te zijn; Waltens omgeving was in de laatste jaren ook
+niet geschikt om.....”
+
+„Och ja!” viel mevrouw Groote hem in de rede. „Je kunt op hem niet
+veel peil meer trekken; ik geloof, dat hij in zijn laatste schoenen
+loopt. Op de repetitie’s was ’t niet om aan te hooren; wezenlijk, _ik_
+kreeg ’t benauwd voor hem; ’k geloof nooit, dat hij ’t er goed
+afbrengt.”
+
+„Kom! ’t is een ouwe tooneelrot; als de avond daar is, doet hij ’t
+wel,—hij kent de trucs!”
+
+„Neen, waarachtig, ’t was brabbelen wat hij deed.”
+
+„Was ’t zóó slecht?”
+
+„Abominabel! Hij is op,—totaal op!”
+
+ * * * * *
+
+„’t Is een steen van mijn hart, Pietersen! dat alles zoo goed is
+gegaan; de zaal wordt vol,” zegt Walten op den avond vóór het benefiet
+tot den souffleur, die hem als naar gewoonte bezoekt.
+
+„C’est clair, mon Prince!” antwoordt Pietersen, en met een schuinschen
+blik uit zijn knippend rechteroog voegt hij er bij: „En is ’t nu wat
+beter gegaan op de repetitie?”
+
+„Hoe bedoel je?”
+
+„Wel, zit „De Vrek” er weer goed in?” Pietersen wijst met het boekje,
+waaruit hij Walten de rol van Nikolaas uit „De dochter van Dominique”
+overhoort, op zijn voorhoofd.
+
+„Ik geloof ’t wel, maar ’k heb nog altijd last van die duizeligheid,
+vooral als ik me inspan bij ’t spelen. Zou dat zwakte zijn?”
+
+„Misschien?—’t Is ook een zware rol.”
+
+„’k Zal morgenochtend nog eens memoriseeren, maar de clausen willen er
+niet goed meer in. Ik begrijp ’t niet: ik kon „De Vrek” vroeger als
+mijn zak, dat weet je wel, en van morgen op de repetitie zat ik
+telkens vast. Hoe is het mogelijk? Mijn geheugen is toch goed.”
+
+„Geweest!” denkt de souffleur, terwijl hij ’t boekje opnemend zegt:
+„Komaan Walten! willen we dan eens even verder gaan? Ik zal je enkel
+maar weer „de wacht” geven. ’t Is een echte lachrol, die Nikolaas.”
+
+„Ja! maar ’t lachen gaat me niet natuurlijk meer af.—Enfin! begin
+maar.”
+
+Walten staat nu eens bij den stoel naast de tafel, waaraan de
+souffleur, die zijn bril heeft opgezet, met de ellebogen onder ’t
+hoofd, zit te souffleeren wat „Nikolaas” zeggen moet, dan weer loopt
+hij even heen en weer door de kamer of plaatst zich naast Annette, die
+somber voor zich uit ziende, op den rand van ’t bed zit en in hetgeen
+in haar tegenwoordigheid voorvalt, geen aandeel schijnt te nemen.
+
+„Heb je weer hoofdpijn, kind?” vraagt Walten bezorgd, terwijl hij
+zachtkens met zijn hand over Annettes donker haar streelt.
+
+„Neen!” Zij plukt onrustig met bevende vingers aan haar loshangende
+ochtendjapon.
+
+„Waarom is die vrouw weg?”
+
+„Ze is naar huis gegaan, dat weet je wel kind!”
+
+„Neen! ze maakt leven, buiten op de trap.”
+
+„Zij? Wel neen, Netje.—Hoor jij wat, Pietersen?”
+
+„Niets, mon Prince!—St! ze zal ’t in haar hoofd hebben.”
+
+„Bonst ’t weer in je hoofd, kindlief?”
+
+„’t Is zoo warm, dáár, dáár,” en met krampachtig gekromde vingers
+grijpt Annette boven op haar kruin.
+
+„Wil je een doek met water erop hebben?”
+
+„Neen!”
+
+„Hindert ’t je, als we spreken?”
+
+„Neen! maar die muziek buiten wèl.”
+
+„Muziek? Er is geen muziek; ’t is doodstil!—God! Pietersen, ze zal
+toch niet weer...?”
+
+„Toe! zeg, dat ze ophouden, die keteltrom... O!”
+
+„Maar lieve Netje, ’t is....”
+
+„Ophouden! Ophouden! O, God! wat doen ze me zeer.”
+
+„Drink eens, kind; hier heb je limonade, die heeft die goeie mevrouw
+Groote je gebracht.—Pietersen! ’t wordt weer mis: wat moet ik
+beginnen?” Walten ziet vol bezorgdheid zijn dochter aan.
+
+„’k Weet het niet, mon Directeur! maar ’t is niet in orde met haar,
+cela va sans dire; ik zal Nikolaas maar wegbergen, hé?” Pietersen
+slaat ’t boekje dicht, knipoogt en zet zijn bril af.
+
+„Vader! vader! laat ze uitscheien.” Annettes oogen krijgen een wilden,
+zonderlingen glans; haar gelaatskleur is afwisselend bleek en
+hoogrood; koortsig huiverend, nu en dan sidderend, klemt ze zich
+angstig aan Walten vast.
+
+„Als je haar eens ’n klein tikkie cognac liet drinken; wil ’k je de
+flesch eens aangeven?” vraagt Pietersen, en een cynisch lachje om zijn
+breeden mond doet even de uiterste spits van zijn tong zichtbaar
+worden.
+
+Walten antwoordt niet; hij houdt zijn kind omvat, legt zijn
+stoppelige wang tegen haar hoofd en sust haar even alsof ze een klein
+meisje was.
+
+„Kijk! zoo’n half kelkje—c’est un tonique!—dat zal ’r waarachtig
+goeddoen.” Pietersen komt met het glaasje in de hand naar Netje en
+Walten, maar drinkt het haastig zelf uit, omdat hij, schier verschrikt
+terugdeinst, bij ’t hooren van Annettes lach, die ditmaal zoo akelig
+snijdend klinkt, dat hij zich omwendt en snel een grooten slok uit de
+flesch neemt om zijn zenuwen te doen bedaren.
+
+Zoo’n proefje smaakt naar meer, en vóórdat Walten het bemerkt, heeft
+Pietersen ’t restant cognac achter elkander uitgedronken en de ledige
+flesch weer in de kast gezet. Zich de lippen lekkend, hikt hij even,
+veegt met den rug der rechterhand langs zijn mond en zegt: „Ze lacht
+leelijk van avond; ’t zal een krasse bui worden. Wil ’k ook even naar
+den dokter loopen?”
+
+„Ja! ja! asjeblieft. Maar wacht nog even: ik ben bang dat ze zoo
+meteen neervalt. Stil! ’t gaat wat over.”
+
+Eensklaps ziet de krankzinnige, die nog voortdurend stuipachtig,
+hoewel minder luid, lacht, met een schier helderen blik haar vader en
+Pietersen aan, laat den eersten los en vat den anderen, die de deur is
+genaderd, bij beide schouders, terwijl zij met gesmoorde stem hem
+toesnauwt: „Waarom lach jij niet mee? Ha! ha! ha! Hij wil niet
+lachen.”
+
+Een wilde woeste uitdrukking komt op haar gelaat, als zij den
+souffleur heen en weer schudt en hem nogmaals toebijt: „Lach!”
+
+„Lach! In Godsnaam, lach dan toch!” fluistert Walten.
+
+Pietersen vertrekt zijn tandeloozen mond tot een mislukte grijns; en
+als Annette ziet, dat hij lacht, laat zij hem los en pakt haars vaders
+arm. „Jij ook! Lachen zul je, ha! ha! ha!”
+
+Ook Walten beproeft te lachen, maar de tranen springen hem uit de
+oogen, zijn hart staat een oogenblik als stil; hij voelt dat hij
+stikken zou aan dien lach en machteloos, bevend, wankelt hij en valt
+half zittend voorover op ’t bed.
+
+Verwonderd, wezenloos ziet Annette om, haar lach verstomt, ze rilt als
+van koude, slaat huiverend de armen over elkander, opent dan wijd en
+glazig de groote oogen, werpt ’t hoofd trots in den nek en zegt op
+bevelenden toon: „_Mijn mantel!—Don Alfons, breng mij mijn
+hermelijn!_”
+
+Walten heeft zich reeds weder opgericht en roept haastig vol angst:
+„Daar is ’t weer! Nu blijft ze zóó weer den geheelen nacht, misschien
+morgen ook nog. Goeie God! wat moet ik beginnen? Hoe kan ik morgen
+avond spelen?” Hij huivert en snikt.
+
+Pietersen, die door het te haastige gebruik van bijna een halve flesch
+cognac toch min of meer anders dan gewoonlijk wordt, antwoordt
+glimlachend: „Waar is je alma-viva dan, m’n wijfje?”
+
+Walten heeft snel den koninginnemantel opgezocht, hangt hem zwijgend
+over Annettes schouders, maar drukt te gelijk haar hand een oogenblik
+tegen zijn lippen.
+
+Gedurende eenige minuten staat de krankzinnige zwijgend doodstil
+midden in de kamer.
+
+„_Zet mij de kroon op ’t hoofd en blijf hier naast mij staan!_”
+Krampachtig houdt zij haars vaders hand vast.
+
+„Toe! Pietersen, gauw de kroon!”
+
+„De kroon? Ik zie ze niet. Wat duivel! gaat me die k—kroon ook
+aan?—Verdijd! daar stoot ik m’n elleboog.—Dat bordpapieren ding is er
+niet; ’n mooi l—lorrr!”
+
+„Maar geef ze dan toch aan, Pietersen! Dáár, op de latafel; zie je ze
+niet? Dáár!”
+
+„Ja, ja! nou zie ’k ze wel; hou je gem—mak, mon P—prince; ik heb ze
+al. Tout doucem—ment. Zóó, zet ze op drie haren, sch—oone D—donna.” En
+vrij onhandig drukt hij de kroon op Annettes lokken.
+
+„God almachtig! hij is dronken! Pietersen, hoe komt dat op eens? Heb
+je...? Je bent bez....”
+
+„Dronken? Waarachtig niet, m—mon Général; ’n beetje tipsy maar,
+legèr—re—m—ment ému. Verduivelde goeie cognac hou jij er op na. Ha!
+ha! Annette, mon—id—ôle, je zit daar heel leuk. ’n Mooie troon, dat
+onopgemaakte mandje!”
+
+ „Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten neder
+ En luister ned’rig naar mijn Koninklijk bevel!”
+
+declameert de ongelukkige luid en krachtig.
+
+„Pietersen, kom dan toch; ga zitten, hier! gauw! Anders wordt ze woest
+en dan is ze straks niet te houwen.”
+
+„H—houwen? Ik heb slaap, verdraaid veel slaap. Zoo dan! Zit ik zoo
+naar je zin ma—majesteit, koningin van mijn hart, r—reine de mon
+c—c—coeur?”
+
+„God! hij slaapt in.—Pietersen, word wakker!”
+
+„Hé?”
+
+„Kom dan, word wakker; je zoudt voor me naar den dokter gaan; ik kan
+haar niet alleen laten. Toe, Pietersen, luister dan toch! Ga niet
+slapen!”
+
+„Dokter? Jawel, akkoord, médecin malgré lui, Molière. De cognac was
+zuiv—ver sterk....” De souffleur slaapt, hij knikkebolt aan de voeten
+van Annette, die hem niet meer schijnt te zien, maar krampachtig de
+hand van haar vader vasthoudend verder declameert.
+
+
+V.
+
+Toen Walten den volgenden avond een half uur vóór den aanvang van ’t
+stuk in Hosteins kleedkamer kwam, waar deze bezig was om zich „in ’t
+pak te steken”[1] voor de rol van Valerius, had hij nauwelijks kracht
+genoeg om te staan. Zijn oogen stonden hol en brandden hem in ’t hoofd
+en op zijn wangen toonden een paar roode vlekken, akelig duidelijk,
+hoe vermoeid en afgemat hij was.
+
+[1] Tooneelterm voor costumeeren.
+
+„Willem,” zuchtte hij, terwijl hij op den stoel naast Hosteins
+kaptafel neerviel en met ’t hoofd vóórovergebogen, de handen slap
+langs ’t lichaam hangend, moedeloos bleef zitten. „Willem, ik kan niet
+meer!—Zoo erg heeft Netje ’t nog nooit gehad, en die aanval hield maar
+niet op: ik ben den heelen nacht en vandaag, tot van avond toe, met
+haar doende geweest. Goddank! ze ligt nu eindelijk te slapen! Ik ben
+dood, doodaf. Hoe zal ik in Godsnaam spelen?”
+
+Verschrikt zag Hostein, die voor den spiegel stond, om naar den naast
+hem zittenden man, lei ’t stuk „vetschmink”, waarmede hij zijn wangen
+bestreek, neer en zei: „’t Is verschrikkelijk;” maar toen de oude man
+opkeek en hem aanzag, terwijl ’t licht der gasvlam vol op zijn ontdaan
+gelaat viel, ontsnapten hem plotseling de woorden: „God! Walten wat
+zie je er uit!—Je hoeft je waarachtig niet te grimeeren; schmink je
+maar een klein beetje op je wangen en zet een pruik op, dan is ’t
+uitmuntend: een Harpagon om te stelen.... Och! neem me niet kwalijk,
+dat ontviel me daar zoo plompverloren; ik kan ’t waarachtig niet
+helpen, ik dacht alleen om ’t stuk, en jij zit daar precies, even
+verslagen, als Harpagon in ’t derde bedrijf, laatste tooneel.”
+
+Walten zag Hostein even aan en lachte smartelijk: „Ik ken je immers
+Willem; je meent ’t goed.”
+
+„Wacht maar even, ik zal je dadelijk eens weer op streek helpen.—Je
+„pak” hebben ze hier gebracht; ik dacht: je zoudt je hier liever
+aankleeden dan alleen. Trek den boel maar al vast aan,—ik ben zóó
+terug; ’k zal een hartversterking voor je halen.”
+
+„Och neen! ik kan toch niets gebruiken.”
+
+„Dat zul je wel!”
+
+Toen Hostein verdwenen was, richtte Walten zich met moeite op, trok
+zijn jas uit, zette zijn hoed af en nam plaats voor den spiegel, op
+den stoel, dien de andere verlaten had.
+
+Een blik in ’t heldere glas riep om zijn lippen een bitter droeven
+glimlach te voorschijn. Hij steunde het hoofd in de rechterhand en zag
+naar zijn roode ingezonken oogen, de blauw getinte wallen daaronder en
+de schier zwarte lijnen van de scherpe trekken langs zijn neus.
+
+„Ja! Willem heeft gelijk,” mompelde hij: „ik heb geen grime noodig.”
+
+Nog een oogenblik bleef hij in gedachten verzonken zitten en toen, met
+een uiterste inspanning van zijn wil, richtte hij zich op en begon
+langzaam zijn kleederen verder uit te doen. Weer sloeg hij een blik in
+den spiegel vóór hem en hij wachtte een oogenblik, starend naar zijn
+beeld. Zijn handen beefden, zijn oogen werden verduisterd door de
+tranen, die er onophoudelijk in opwelden; hij voelde ze langs zijn
+wangen biggelen, hij zag ze één ondeelbaar oogenblik in den spiegel
+weerkaatst en hij wischte ze niet af. ’t Kwam hem voor alsof hij in
+dien spiegel een gelaat zag, dat hij niet herkende en dat toch ’t
+zijne was; ’t scheen hem als hoorde hij een stem, die hem
+toefluisterde: „Die man is Walten immers niet?” en hij had het gevoel
+van iemand, die na langen, langen tijd afwezig te zijn geweest, weer
+terugkomt in bekende streken, maar alleen om alles veranderd en
+vervallen terug te vinden.
+
+Werktuiglijk trok hij de zijden kousen en korte broek van Harpagons
+kostuum aan en bukte zich om de lage schoenen aan te doen. Dat bukken
+viel hem moeielijk; ’t bloed gonsde en bonsde in zijn slapen en een
+donkere nevel kwam over zijn oogen, toen hij eindelijk ’t hoofd weer
+ophief en rondzag.
+
+„’k Had waarachtig haast geen pruik met een kaal hoofd noodig,” zei
+hij in zichzelf, terwijl hij met den haarborstel de weinige grijze
+haren, die plat langs zijn klamme slapen gekleefd lagen, naar achteren
+streek. „Maar komaan, ’t is eenmaal de traditie zóó!” Hij zette de
+pruik op en „schminkte” zijn voorhoofd bij, totdat de afscheiding van
+huid en pruik onzichtbaar was; met onvaste hand trok hij een paar
+zwarte lijnen onder zijn oogleden en langs zijn neus, maakte zijn
+wenkbrauwen wat grijzer en streek een paar malen over zijn stoppelige
+wangen. „’k Ben sedert drie dagen niet geschoren. ’k Heb ’t glad
+vergeten,” dacht hij, en toen hij nogmaals een blik in den spiegel
+wierp, zei hij als tot zichzelf sprekende: „’t Past nu goed in de rol;
+hum! ik zal....”
+
+„Ziezoo, papa! dat zal je goeddoen en opknappen. Allons! drink dat nu
+eens achter mekaar uit,” en met een vriendelijken lach hield Hostein
+hem een glas melk met geklutste eieren voor.
+
+„Je bent toch een goeie kerel, Willem!”
+
+„Jawel! maar zanik nu niet en drink uit. Ik heb er maar één lepel rum
+in laten doen; je zult er dus de hoogte niet van krijgen.”
+
+Onder ’t drinken even ophoudend, zei Walten: „Ik kan ’t haast niet
+inkrijgen; ’t is alsof ik ’n stuk in mijn keel heb, dat ’k niet
+doorslikken kan.”
+
+„Kom, kom! allemaal gekheid! ’t Moet erin.”
+
+„Heelemaal?”
+
+„Achter elkaar, anders helpt ’t niet. Zóó! Je zult eens zien, hoe je
+daarvan opknapt. Ga nu nog een oogenblik zitten, dan kalmeer je
+heelemaal. ’k Heb zoo’n voorgevoel, dat je van avond een succes zult
+hebben.”
+
+Hostein geloofde zelf niet wat hij zei, maar ’t goede hart, dat hij
+zijn ouden leermeester toedroeg, deed hem zoo spreken. „Hum!” ging hij
+voort, „ik heb van morgen nog van Schröder gedaan weten te krijgen,
+dat de souffleur vanavond vrijaf heeft.”
+
+„Wat zeg je daar?” Met schrik zag de oude acteur hem aan en een
+ongeloovige trek kwam op zijn gelaat, toen Hostein er lachend
+bijvoegde: „We spelen „De Vrek” achter mekaar af, de vijf bedrijven,
+zonder scherm neer en we zijn zóó rolvast, dat....”
+
+„Hè, jij zonder souffleur, Hostein?” zei Walten, even glimlachend.
+
+„En jij zonder souffleur?” gaf de andere lachend terug. En terwijl hij
+„Harpagon” vertrouwelijk op den schouder klopte, voegde hij er bij:
+„Neen! ik maak maar gekheid; ik kan er niet buiten—’k ben van jou
+school, papa Walten—maar ik heb van Schröder gedaan gekregen, dat
+Pietersen van avond souffleert.”
+
+„Pietersen?”
+
+„Ja! ’k Heb ’t om jou gedaan, Walten; jij bent zoo aan hem gewend, en
+ik dacht....”
+
+„Dank je, Willem! Ja, ’t is waar—’k heb hèm liever als dien anderen;
+hij kent me beter. Maar.... zeg?”
+
+„Wat?”
+
+„Jelui hebt toch gezorgd, dat hij niets kan krijgen voordat alles
+gedaan is?”
+
+„’t Verbod is uitgevaardigd; geen druppel, hoor!”
+
+„Daar wordt geklopt, Hostein.”
+
+„Mag ik binnenkomen?” klonk buiten de deur mevrouw Grootes
+vriendelijke stem.
+
+„Entrez!”
+
+Dadelijk daarop kwam de actrice—als Frosine gekleed—Hosteins kamer in
+en wendde zich tot Walten, met de woorden: „’k Wou eens even komen
+kijken hoe je bent, want ik heb daar juist van Hostein gehoord, dat ’t
+weer mis is bij je thuis. ’n Ellendige historie voor je, arme vent! En
+is ze nu alleen?”
+
+„Stil! spreek daar nu niet meer van, hij is al zoo zenuwachtig.”
+fluisterde Hostein mevrouw Groote haastig toe.
+
+„Heeft zij niemand tot gezelschap, Walten?”
+
+„Uw schoonmaakster is bij haar, mevrouw.”
+
+„O!—En?”
+
+„Die blijft totdat ik terugkom van avond.”
+
+„Goed!—Jongens, jongens! wat ’n zaal vol menschen. Zeg! dat doet je
+nog eens goed, hé? Heb je al door ’t scherm gekeken? ’t Is stampvol.
+De handjes zullen wel op mekaar komen, als jij opkomt. En wat zeg je
+nu van mij?” Mevrouw Groote draaide vlug op haar hielen rond! „Heb ik
+me niet mooi gemaakt als Frosine? Waarachtig, Walten, ’k doe ’t voor
+jou; anders speelde ik „de koppelaarster” niet.—Hou je nu goed,
+hoor!—Heb je vandaag nog kunnen leeren?”
+
+„Ik?—Groote God! wat ’n vraag!”
+
+„Och, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan.—Nu, dan maar
+hengelen,[1] ouwe heer!” Mevrouw Groote zei het vroolijk en opgeruimd,
+maar toch klonk in die vroolijkheid een nauw hoorbare toon van angst
+en tersluiks zag zij Hostein aan met een blik, die duidelijk de vraag
+uitdrukte: „Hoe zal dat afloopen?”
+
+[1] Op den souffleur spelen.
+
+„’k Ben nog nooit zoo zenuwachtig geweest als van avond,” zuchtte
+Walten, die inmiddels zijn toilet had voltooid en met een lichten
+schrik de stem van den inspiciënt vernam, die, in de gang tusschen de
+kleedkamers loopend, riep: „Tot den aanvang, dames en heeren!—Tot den
+aanvang!”
+
+Vóór het gewone: „_van ’t tooneel_” en „_aan ’t gordijn!_” van den
+inspiciënt weerklonk, drukte mevrouw Groote haar ouden vriend nog even
+de hand, klopte hem op den schouder en zei: „Wees nu maar kalm en
+bedaard. Hoe is ’t mogelijk, dat je zóó zenuwachtig kunt wezen, zoo’n
+ouwe „troupier” als jij...? En denk er vooral om, dat je aan ’t eind
+van ’t tweede bedrijf bij je „sortie” nog even ’t hoofd om de deur
+steekt, om me „_tot wederziens_” toe te roepen; dan kan ik beter mijn
+claus zeggen—en krijg er zeker een applaus op, als ik je zoo uit de
+verte toeroep:
+
+„_Dat de duivel je hale, gemeene vrek, hongerige schraapwolf!_”—Denk
+er asjeblieft om, want op de repititie heb je ’t telkens vergeten. En
+nu: goed succes.—O ja! nog iets, in ’t vierde bedrijf, wanneer ik dat
+gesprek met jou en Kleant heb, kun je me als ik „af” moet, nog even
+terugroepen; en als ik dan weerom kom, doe je zóó met je hand,—je
+maakt zoo’n soort plagerige kushand, begrijp je? Dan zet ik een
+woedend gezicht en maak nog een nijdige „dienaresse”; daar heeft ’t
+publiek pret in, begrijp je? ’t Is anders zoo’n ellendige „sortie”,
+zóó mager, dat, als je er niets van maakt, er geen hand op mekaar
+komt; en ik _wil_ applaus hebben van avond, alléén omdat Andrée ’t
+bepaald _niet_ krijgt in haar rol als Elize.—’t Verwondert me nog, dat
+ze die heeft aangenomen; maar ze durfde niet weigeren om de anderen,
+vat je?”
+
+Daar klonk op eens het schelletje en de roep „Halen!” ’t Scherm ging
+omhoog en ’t stuk was begonnen.
+
+ * * * * *
+
+’t Is vol, zeer vol in den Schouwburg, zelfs het „schellinkie” en „de
+tien” zijn goed bezet. De korte, eenvoudige titel van het stuk „De
+Vrek” heeft de liefhebbers van moord en doodslag ditmaal niet
+afgeschrikt om hun penninkske op het altaar der kunst te gaan offeren.
+
+Misschien ook heeft Waltens naam op ’t affiche—men had hem immers
+vroeger, toen hij nog in zijn kermistent „alles” speelde, zoowel in
+„Rolla”, als in „de komiekigheid” bewonderd—er ’t meest toe
+bijgedragen om ook de hoogere rangen vrij voldoende te doen bezetten.
+
+Achter de coulissen staande, ziet Walten met kloppend hart naar de
+spelers, die in de eerste twee tooneelen optreden, en als het derde
+tooneel komt, waarin hij zijn eerste opkomst heeft, kost het hem
+moeite een lichte siddering te onderdrukken. Plotseling voelt hij de
+hand van den inspiciënt op zijn schouder en hoort hij zich
+toefluisteren: „Asjeblieft, meneer Walten, de beurt is zoo dadelijk
+aan u.”
+
+’t Schijnt bijna alsof die aanraking hem moed geeft, want hij richt
+zich op uit de ietwat gebogen, luisterende houding, waarin hij staat
+en roept met luide stem de enkele woorden van zijn rol, die hij achter
+de schermen moet spreken, pakt „Laflèche”, die naast hem wacht, bij
+den schouder, duwt hem vóór zich uit op het tooneel en—dan draait en
+duizelt alles hem voor de oogen.
+
+Met een daverend handgeklap bij zijn optreden begroet, gaan de
+woorden: „_Voort! ’t huis uit, zonder tegenspraak, op ’t oogenblik,
+voort! Galgenaas! schelm! maak dat je wegkomt!_” waarmee zijn rol
+begint in het applaudissement en bravo-geroep, dat hem verwelkomt,
+verloren. Niemand hoort, hoe zijn stem beeft, hoe heesch en schor zijn
+geluid reeds is bij dien eersten volzin.
+
+Een paar groene kransen en een bloemruiker worden door onzichtbare
+handen op ’t tooneel geworpen. Mevrouw Groote heeft er in stilte voor
+gezorgd, omdat zij meende: „’t Zal den ouwen stumperd een riem onder
+’t hart steken, als hij goed wordt ontvangen.”
+
+Het „Bravo” dat hem tegenklinkt, het handgeklap dat hij hoort, maakt
+hem een oogenblik verward, duizelig, beneveld; de kransen die voor
+zijn voeten neervallen, ziet hij nauwlijks, en zonder dat hij er zich
+eigenlijk bewust van is, buigt hij twee, drie malen diep voor ’t
+publiek, dat hem blijft toejuichen, totdat een paar krachtige „St!
+St’s” uit den Engelenbak, die verlangend is om meer te hooren, hem tot
+de werkelijkheid terugroepen. Als ontwakend slaat hij de oogen op,
+ziet rond, het voetlicht schittert hem weer als vanouds in de oogen en
+voor eenige oogenblikken vergeet hij alles, alles! ook zijn ellende;
+de artist in hem wordt wakker—hij is „Harpagon de Vrek!”
+
+Het tooneel met Laflèche, waarin hij diens handen en zakken
+onderzoekt, wordt inderdaad goed—fijn comisch—door hem gespeeld, en
+als hij, in de wijde broekzakken van zijn knecht grabbelend, met
+grappige verwondering uitroept:
+
+„_Goeie hemel! wat heb jij groote zakken! Magazijnen, rooversholen
+zijn ’t; de politie moest zulke zakken verbieden,_”
+
+Gaat er een luid gelach op uit ’t parterre.
+
+„Hij is toch nog allemachtig komiek,” fluistert een burgerjuffrouw
+haar buurman toe, die met gespannen aandacht zit te kijken en, het
+hoofd even naar haar omwendend, aanmerkt: „Ja, maar hij spreekt toch
+erg onduidelijk; je moet goed opletten, anders versta je ’m niet.”
+
+„Uitstekend gegrimeerd! Ziet u, mevrouw! daaraan herkent men toch
+dadelijk „den artist””, zegt in de stalles de verslaggever van een der
+bladen tot de naast hem zittende dame, die haar binocle aan de oogen
+brengt, scherp en lang naar Harpagon ziet en dan fluisterend
+antwoordt
+
+„’t Is fameus goed gedaan, want zelfs door mijn kijker is de grime nog
+zóó natuurlijk, bepaald alsof ’t geheel en al zijn eigen gezicht is.
+Kijkt u zelf maar eens, meneer!”
+
+„’k Geloof heusch, dat hij er zich goed doorheen werkt, die ouwe
+tooneelrot”, zegt glimlachend mevrouw Groote tot den Directeur, die
+naast haar staande, achter „den manteau d’arlequin”[1] verborgen,
+evenals zij, Waltens spel oplettend gadeslaat.
+
+[1] De draperie, die vóór de zijschermen geplaatst is.
+
+„’t Valt me geducht mee”, antwoordt Schröder en klapt met zijn
+rechterhand, zachtjes applaudisseerend, in den linker, als hij
+Harpagon het eerste bedrijf hoort sluiten met de ernstig-comisch
+gezegde woorden: „_Wat ’n juweel van ’n knecht!—’n Gelukkig mensch,
+die er zóó een heeft en zóó goedkoop._”
+
+
+VI.
+
+In ’t derde bedrijf wordt het reeds zeer merkbaar, dat de beneficiant
+niet meer voort kan. Uit de loges en stalles ziet menig vriend van
+vroeger hem medelijdend aan en fluistert men elkander toe: „Hij is
+totaal op, méér dan op” en van „’t Schellinkie” klinkt nu en dan een
+afkeurend gesis. Die schellingsklanten willen goed bediend worden voor
+hun geld.
+
+„Je hoort alles tweemaal, wat die ouwe zeit,” roept er een, die, met
+minder toegefelijkheid dan ’t overige publiek, opmerkt, dat Walten
+zich uitsluitend op den souffleur moet verlaten.
+
+Hoezeer de medespelers ook hun best doen om Harpagon te redden en hem,
+zooals men dat noemt, „er door te sleepen”, ’t baat niet; hij raakt
+hoe langer hoe meer van streek, verstaat zelfs den souffleur niet
+meer, spreekt allerlei wartaal en weet nu en dan in ’t geheel niet
+meer wat hij zeggen moet.
+
+Mevrouw Groote helpt hem met oneindig veel takt en routine door de
+tooneelen, die zij met hem te spelen heeft heen en gaat eindelijk—een
+vergefelijk iets voor iemand van haar talent en temperament—eenigszins
+knorrig naar haar kleedkamer, omdat Walten geheel en al vergeet, haar
+aan ’t einde van dat tooneel terug te roepen. Daardoor mist zij het
+applausje dat zij begeert en zegt zij in zich zelf: „’t Is een
+treurige boel,—’k heb geen lust om er verder naar te zien.”
+
+In zenuwachtige spanning staan de meesten der medespelende artisten
+tusschen de schermen en zien naar Walten, die achter de deur, waardoor
+hij opkomen moet met het boekje in de hand staat te wachten en
+trillend van inspanning de woorden, die op het tooneel gesproken
+worden, volgt. Eensklaps schreeuwt hij, lezend:
+
+„_Dieven! dieven! roovers! spitsboeven! moord! brand! alarm, ik ben
+bestolen!_” werpt haastig het boek achter zich op den grond en snelt
+het tooneel op.
+
+Hij moet nu de groote scène spelen, waarin Harpagon, de Vrek, die tot
+de ontdekking is gekomen, dat men hem zijn cassette met geld, zijn
+schat, heeft ontstolen, der wanhoop nabij is en hemel en aarde bewegen
+wil om den schuldige te ontdekken.
+
+Gejaagd en met verwilderde oogen rondziende, loopt hij heen en weer
+over het tooneel, ziet links en rechts tusschen de schermen, als zocht
+hij dáár hulp; schreeuwt nogmaals luid en akelig: „_Ik ben bestolen.
+Wie heeft mijn geld, mijn lief geldje genomen. Wat moet ik doen om
+den schelm te vinden? Ik ben in de war, ik weet niet of ’k mezelf
+pakken moet of een ander en...._” Plotseling blijft hij stokstijf
+stilstaan, spreekt haastig eenige woorden achter elkander en ziet dan
+zwijgend, strak op één punt starend, vóór zich uit, even als iemand
+die door een hevigen schrik bevangen wordt.
+
+ * * * * *
+
+„Dat speelt hij waarlijk niet slecht; ’t is wel een zonderlinge
+opvatting, dat plotselinge zwijgen, maar er is toch iets verrassends
+in” zegt fluisterend een dame in ’t balcon tot een heer naast haar,
+die even zachtjes antwoordt: „Ik geloof bepaald dat hij blijft steken,
+mevrouw!—kijk, kijk! de souffleur komt bijna geheel zijn hokje uit.”
+
+„Bedaar Arie, blijf in je pothuis!” roept een stem van boven tot
+Pietersen, die halverwege zichtbaar is geworden en schier luid de
+woorden souffleert: „_nu is het uit met mij; uit, gedaan!_”
+
+„’t Is afschuwelijk om te zien, ja u heeft gelijk, de arme man is de
+kluts kwijt,” fluistert de dame, nu zij ziet hoe Walten, met
+wijdgeopende oogen voor zich uit starend, langzaam een pas voorwaarts
+doet, dan half wezenloos Pietersen aankijkt en werktuigelijk op
+smartelijken toon herhaalt. „_Nu is het uit met mij._”
+
+„Ik wou dat ik hier van daan was meneer, ik kan ’t niet langer
+aanzien, dàt moet een marteling zijn voor dien ouden man” herhaalt de
+medelijdende dame, terwijl zij het hoofd voorover buigt en stipt op
+haar programma blijft kijken.
+
+Walten slaat zich met de vuist op de borst, trekt zijn pruik van ’t
+hoofd en drukt dien voor zijn gelaat.
+
+„Bravo! Bravo!” schreeuwt lachend van „’t schellinkie” iemand die, in
+die akelig wanhopende beweging „spel” meent te zien en als Walten
+nogmaals dof en droevig herhaalt: „_uit! uit!_” klinken zelfs een paar
+bijvalskreten en een licht handgeklap van de overige rangen.
+
+’t Is erg komiek dat hij zijn pruik aftrekt en ’t komt zoo in de rol
+te pas, denkt men eerst, maar al zeer spoedig komt het publiek tot de
+ontdekking dat ’t zuiver „natuur” is wat het aanschouwt.
+
+Harpagon loopt radeloos over het tooneel heen en weer, kijkt in ’t
+souffleurshok, zwaait zijn pruik op en neer en slaat er zich mee voor
+’t hoofd.
+
+’t Wordt mis met Walten, hij blijft steken, denkt Pietersen, zachtjes
+zegt hij: „Enfoncé mon Directeur” en, zich zoo ver mogelijk
+oprichtend, roept hij, halfluid: „Walten! Walten! luister dan
+toch:—_mijn geld, mijn geld, ik word er nog gek van dat ’t weg
+is_—alles is weg!”
+
+„_Weg! alles is weg!_” herhaalt de oude man en als versteend blijft
+hij staan, vlak voor ’t voetlicht; hij beeft aan alle leden.
+
+Nogmaals schatert een gelach van boven uit den Engelenbak, maar uit
+Balcons, Stalles en Loges en andere rangen gaat een toon van
+medelijden op, zacht ruischend van mond tot mond, van oor tot oor.
+
+’t Is ook waarlijk niets grappig om daar dien ouden man te zien, die,
+wezenloos voor zich uitstarend, met de vuist zich voor de borst slaat,
+allerlei onverstaanbare woorden prevelt en eindelijk luid snikkend
+uitroept: „ik ben alles kwijt, alles vergeten!”
+
+„Harpagon” hoort niets meer, verstaat niets meer en wankelt als een
+beschonkene heen en weder.
+
+„Hij is vet”, roept er een van ’t „schellinkie.”
+
+„Hij heit ’em om, hoor!” gilt een ander.
+
+Zelfs die kreten brengen hem niet tot bezinning; nog een paar maal
+opent hij den mond, rukt met de linkerhand zijn halsdoek af, slaat
+zich met de pruik herhaaldelijk in ’t gelaat en is op het punt van
+neer te vallen op ’t tooneel.
+
+De muzikanten staan op in ’t orchest, en rekken de halzen uit om te
+zien wàt er gebeurt, in de Stalles rijst hier en daar een toeschouwer
+op en uit Balcons, Parterre en Loges klinkt een verward gefluister. ’t
+Is alsof plotseling een angstige, gedrukte stemming over alle
+toeschouwers komt—’t wordt stil, men wacht ademloos af wat er verder
+gebeuren zal.
+
+ * * * * *
+
+„Gauw! gauw! een stoel, een glas water gauw!” roept met angstige stem
+een acteur die achter de coulissen Walten heeft gadeslagen, en nog
+juist bijtijds toesnellend den armen man voor vallen behoedt door hem
+onder de armen vast te houden en van ’t tooneel te brengen.
+
+Van alle kanten komen acteurs, actricen, kleedsters en tooneelknechts,
+met nieuwsgierig vragende gezichten aangeloopen en omringen „den
+beneficiant”, die hijgend, doodsbleek, met losgescheurde kleederen en
+verwilderde haren op een stoel, in allerijl door Laflèche aangebracht,
+is neêrgevallen.
+
+Waltens oogen zien verwilderd en dwalend rond; de eene hand,
+krampachtig gebald, houdt nog Harpagons tooneelpruik, samengeknepen,
+vast en de andere woelt met wanhopige bewegingen in de weinige grijze
+haren die zijn kruin bedekken.
+
+„Ting! ting! ting!” doet de electrische schel, ’t is het sein voor ’t
+begin van ’t 5e bedrijf, dat door den inspiciënt van uit de regiekamer
+wordt gegeven.
+
+„God! ’t vijfde,” snikt Walten en werktuiglijk richt hij zich op, maar
+valt dadelijk machteloos terug op den stoel, terwijl hij beide handen
+voor de oogen slaat.
+
+„Klaar voor ’t vijfde?” roept een stem uit de verte.
+
+„Neen! neen!” schreeuwt Laflèche terug. „’t Doek moet vallen, roep den
+inspiciënt!”
+
+Nogmaals beproeft de beneficiant zich op te richten, maar opnieuw
+begeven hem zijn krachten; luid schreiend en snikkend laat hij het
+hoofd vooroverzinken op de borst, als schaamde hij zich voor zijn
+omgeving.
+
+Als ’t beeld van de wanhoop, van de treurigste wanhoop, zit hij daar
+te midden van een groep nieuwsgierigen, die hem met groote, de meesten
+met onverschillige, oogen aanstaren.
+
+Hostein, Schröder en de régisseur zijn nu, met nog anderen, toegesneld
+en allen vragen dooréén: „Wat is er? Wat is er gebeurd?”
+
+Er heerscht op ’t tooneel een verwarring, die zich allengs verder
+uitbreidt, tot in de kleedkamers en foyers; de inspiciënt komt haastig
+aanloopen, terwijl hij vraagt: „Is er iets niet in orde?”
+
+„Laat ’t scherm vallen, gauw!” roept Hostein, die alles begrijpt, nu
+hij zijn ouden leermeester daar voor zich ziet, ineengezonken en als
+vernietigd.
+
+„Walten is blijven steken, heeft totaal gebrabbeld,” fluistert
+Laflèche den Directeur toe, en deze herhaalt luid: „Doek vallen,
+dadelijk! En ’t orchest laten spelen, totdat er een annonce gedaan kan
+worden!”
+
+„Hij was niet meer te redden,” fluistert Laflèche, zijn plaats bij
+Waltens stoel inruimend en overlatend aan mevrouw Groote, die haastig,
+in een peignoir, van uit haar kleedkamer is komen aansnellen.
+
+„Arme kerel! wat is je gebeurd; kom, zeg ’t mij maar? Stumperd, snik
+zoo niet?” vleit zij, terwijl zij Waltens hoofd tegen haar boezem doet
+rusten.
+
+Allen zwijgen, getroffen door den innig medelijdenden toon van
+mevrouw Grootes stem. „Kom!” herhaalt zij, „huil zoo niet, ouwe vrind;
+kom ’t zal wel zoo erg niet wezen.”
+
+„Ik—ik b—ben bl.. blijven st...” Luid schreiend slaat de oude man zijn
+armen om de voor hem staande vrouw en beweegt zijn hoofd, zenuwachtig
+schokkend, heen en weer.
+
+„Stumperd, stakkerd! ben je blijven steken? Ach Heer! moet je dat nu
+ook nog gebeuren op je ouwen dag?”
+
+„O God! O God!” kreunt Walten, als plotseling uit de verte een
+verward, steeds luider wordend, gedruisch van stemmen,
+applaudissement, chuteeren en sissen tot zijn oor doordringt.
+
+„Wat duivel! speelt dat orchest nu nog niet?” schreeuwt de Directeur.
+„Hoor ’t publiek eens aangaan.”
+
+Daar klinkt een vroolijke marsch, die al de andere geluiden overstemt.
+
+Walten krimpt opnieuw ineen, als deden die tonen hem pijn. Mevrouw
+Groote houdt zijn handen vast en fluistert hem in: „Luister er maar
+niet naar, m’n goeierd.—Ja, die muziek is nu erg naar voor je, hé?
+Maar ’t kan niet anders. Hier! ruik eens wat Eau de Cologne.”
+
+Plotseling richt Walten zich op. „’k Moet ’t toch uit—spelen—ik moet,
+ik moet en—o! ik weet niets meer, alles is weg, mijn God! alles is
+weg!”
+
+„Neen, neen, je speelt niet meer van avond; later hoor! later als je
+weer beter bent,” troost mevrouw Groote.—„Luister!—Hostein is voor ’t
+voetlicht, de muziek houdt op.—Hoor je wat hij zegt? Dat je door een
+plotselinge ongesteldheid bent overvallen, ’t gevolg van treurige
+familie-omstandigheden.—Hoor! nou applaudisseeren ze heel zachtjes.
+Zie je, dat wil zeggen: Och! dat’s ongelukkig. Neen, hou nou op met
+schreien, dàt kan ik niet zien. Och! ’t is zoo erg niet, Walten, zoo
+iets is immers wel meer gebeurd.”
+
+„Neen! neen!—nooit gebeurd Mevrouw!” snikt de ongelukkige met de
+handen voor ’t gelaat.
+
+De Directeur neemt met Hostein en den régisseur in allerijl
+maatregelen om aan de verwarring een eind te maken. Een der jongere
+acteurs, die toevallig achter[1] is en de rol van „De Vrek” kent,
+verklaart zich oogenblikkelijk bereid „Harpagon” verder te spelen.
+
+[1] Achter de schermen aanwezig.
+
+In een oogwenk is hij, zoo goed en kwaad als ’t gaat gecostumeerd en
+gegrimeerd, en vóórdat de toeschouwers eigenlijk recht weten wat ze
+doen of laten moeten, wordt ’t laatste bedrijf afgespeeld.
+
+ * * * * *
+
+’t Altijd goedhartige en medelijdende publiek had „de annonce” met een
+gemurmel van medelijden ontvangen, was blijven zitten en bleek dermate
+voldaan over Waltens plaatsvervanger, dat het stormachtig
+bijvalsbetoon aan ’t eind van ’t stuk den Directeur aanleiding gaf om
+tot den régisseur die, met hem, het spel van den jongen tooneelspeler
+aanzag, te zeggen: „Blikslagers! in dat mannetje zit meer dan ik
+dacht; we zullen hem in de volgende maand „De Vrek” eens geheel en al
+laten spelen.”
+
+Na de pauseering verlieten drie vierden van de toeschouwers den
+Schouwburg, want een nastukje met „één gelezen rol[1]” er in, is niet
+aanlokkelijk om te zien, en zelfs een talent als dat van mevrouw
+Groote, die de „Dochter van Dominique” uitstekend speelde, was niet
+voldoende om het blijspel te redden.
+
+[1] Iemand die de ontbrekende rol voorleest.
+
+Toen eindelijk alles gedaan was, stonden de Directeur, Hostein en
+mevrouw Groote in de Directiekamer nog een oogenblik te praten. Zij
+waren alle drie nog onder den indruk van het voorgevallene.
+
+„Jammer, doodjammer, treurig afgeloopen”, zei Schröder, en Hostein
+voegde er met een weemoedigen blik bij: „Wat ’n eind voor ’n artist;
+’t is om ’t te besterven!”
+
+„Arme stakkerd!” zei mevrouw Groote, met tranen in de oogen. „We
+hadden nog zóó ons best gedaan bij de vrinden; ’t zou zoo’n aardige
+kleine ovatie zijn geweest—en de krans is heel mooi, hé,
+Schröder?”—Zij wees op een grooten lauwerkrans, die op tafel lag, en
+vroeg toen aan Hostein: „Zou je ’t couvert er maar niet zoolang
+afnemen. Er zit ’n goeie tweehonderd gulden in; die hadden we nog bij
+mekaâr geklopt.”
+
+„Geef maar hier Hostein, dan zal ik ’t zoolang in mijn brandkast
+sluiten, Walten komt morgen toch met me afrekenen; ik denk zoo tegen
+den middag, dan kom jelui misschien ook wel even hier om hem den krans
+en ’t couvert te geven, hé?—’n Kleine troost voor zoo’n grooten val! A
+propos, wie heeft den ouden man thuis gebracht?”
+
+„Een van de tooneelknechts.”
+
+„O, Zoo!”
+
+„Waarom deed jij zelf ’t niet even Hostein?”
+
+„M’n goeie Mevrouw er was geen gelegenheid voor; ’t was hier zoo’n
+eeuwige consternatie, ik had hem een oogenblik alleen gelaten in mijn
+kleedkamer, en kwam nog net bijtijds anders was hij stilletjes
+uitgeknepen.”
+
+„Arme sukkel! ik kon ook niet bij hem blijven,’k moest me kleeden voor
+’t nastukje.—Wou de stakkerd zóó heengaan? Och?”
+
+„Ja, Mevrouw! Hij wou zich niet eens uitkleeden, ’k heb gauw een
+vigelant laten halen en hem een van de knechts meêgegeven, om zeker te
+zijn dat hij goed thuis kwam.”
+
+„Zei hij nog wat Hostein?”
+
+„Niets, Mevrouw! geen woord, hij was compleet suf.”
+
+„Ik ga morgen dadelijk eens naar hem kijken, Schröder.”
+
+„Doe dat Mevrouw en vertel hem dan meteen, als ’t hem troosten kan,
+dat ik, globaal berekend, behalve ’t voorschot dat hij ontving, een
+zeshonderd gulden voor hem disponibel houd. Met de tweehonderd gulden
+die jelui hebt, is ’t toch een kleine achthonderd, die hij in ’t
+handje krijgt; dáár kan hij zijn dochter een heele poos voor in
+behandeling geven en houdt zelf nog een duitje over. Wat moet die man
+in ’s hemels naam beginnen? Een emplooi vinden? Belachelijk! ’t Zal
+weêr opnieuw armoe worden; hij is voor niets meer te gebruiken.”
+
+
+VII.
+
+De dag is aangebroken, een heldere wintermorgen op komst. In ’t oosten
+kleurt de kim zich met een roode tint, die langzaam overgaat in
+strepen en vegen van helrood, vlammend goud, dat tusschen de violette
+wolken door schittert en gloort als de vurige voorbode van zonneschijn
+en leven.
+
+Reeds breken enkele zonnestralen zich baan door de nog nevelige lucht
+en vergulden de sneeuw op boomen en daken, totdat zij krachtig genoeg
+zullen zijn om het vlokkig donzen kleed te doordringen en te doen
+vergaan.
+
+ * * * * *
+
+In Waltens kamer schijnt het licht reeds tusschen en onder de
+gordijnen door en werpt een zwakken gelen schijn over ’t bed, waarop
+Annette in diepen slaap verzonken ligt.
+
+Haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van den doorgestanen
+aanval; zij trekt nu en dan zenuwachtig met de neusvleugels en
+herhaaldelijk stoort een snik haar ademhaling.
+
+Voor ’t bed geknield, met het hoofd vóórover op de armen rustend,
+ligt Walten, nog in ’t kostuum van den „vrek”, onbewegelijk stil.
+Annettes hand beweegt zich even en raakt zijn hoofd; hij ontwaakt er
+niet van.
+
+De zon komt hooger, ’t wordt al lichter en lichter; de schoone,
+frissche, vroolijke wintermorgen is dáár. Een heldere zonnestraal
+verlicht, tusschen de gordijnfranje door, Waltens grijzen kruin; ze
+hecht kleine, tintelende lichtpijltjes aan zijn verwarde haren en
+glijdt verder voort, over en langs hem heen tot op den vloer, waar ze
+een goudachtigen schijn spreidt over zijn hoed en overjas, die daar
+bij elkander liggen, als had de oude man ze bij zijn t’huiskomst, in
+der haast neergeworpen.
+
+Zóó was het ook.
+
+Terwijl alles op ’t tooneel in rep en roep was en Walten alleen in
+Hosteins kleedkamer zat vloog hem het bloed met geweld naar het hoofd,
+dat gloeide en brandde, alsof daarbinnen alles verteerde in vuur en
+hitte. Toen stroomde het plotseling terug en deed zijn hart
+onrustbarend snel en hevig kloppen; hij huiverde en rilde, ’t klamme
+zweet brak hem uit en beurtelings werd hij koud en warm, totdat een
+krampachtig, zenuwachtig lachen, hem benauwd en angstig ontsnapte.
+Slechts één gedachte kon hij in zijn brein verwerken: „Hij, Walten! de
+eens zoo gevierde kunstenaar, was gevallen, weg, verloren! voor
+altijd!” Hij lachte en snikte en sloeg zich met de vuist voor ’t
+hoofd; eensklaps greep hij zijn overjas en hoed en wilde den
+schouwburg verlaten.
+
+Hostein hield hem tegen, bracht hem in een rijtuig en hij.... hij liet
+alles met zich doen; zijn wilskracht was verlamd. Zonder dat hij ’t
+eigentlijk zelf wist, hoe, kwam hij thuis; de tooneelknecht bracht hem
+de trap op naar zijn woning en verliet hem voor zijn deur met een „van
+harte ’t beste meheer Walten!”
+
+Bevend en wankelend als een dronken mensch trad hij binnen.
+
+De vrouw, die bij Netje oppaste, dommelde op haar stoel, hij zag haar
+zitten, flauw verlicht door een nachtlichtje, dat, in een glas met
+olie brandend, op tafel stond.
+
+Ze ontwaakte, toen hij naderde, rekte zich geeuwend uit, zag hem
+lodderig aan en vroeg: „Is uwes daar; veel pleizier gehad?”
+
+Verder kwam zij niet, want heesch en afgebroken, met een stem die uit
+de diepte scheen te komen, zei hij plotseling: „Je kunt—wel
+heengaan—ik—blijf thuis.” Hij zag haar niet aan bij die woorden; hij
+schaamde zich voor die vrouw!
+
+Haastig wierp hij de deur achter de vertrekkende dicht, deed zijn
+overjas uit, smeet die, naast zijn hoed, op den grond en toen.... toen
+bleef hij een oogenblik gebogen staan over ’t bed, kuste zijn dochter
+zachtkens op haar wang en zonk langzaam met een zwakken kreet op de
+knieën voor ’t ledikant.
+
+„Morgen heb ik toch ’t geld,—voor jou,” fluisterde hij en drukte zijn
+brandende oogen tegen haar op ’t dek rustende hand.
+
+Een poos bleef hij zóó in die houding, roerloos en stil, maar
+eensklaps richtte hij het hoofd hoog op, snikte krampachtig, twee,
+drie malen, achter elkander luid en hevig en liet, als ter dood toe
+vermoeid, zijn hoofd voorover op zijn armen vallen.
+
+Zóó bleef hij liggen.
+
+’t Nachtlichtje brandde flauw en begon te kwijnen; de olie in ’t glas
+was verbrand, ’t pitje spatterde met korte kleine, heftige knallen en
+streed al knetterend om zijn leven. Een paar malen nog lichtte het,
+met een zwakken weêrschijn, van de opflikkerende vlam, door ’t
+vertrek—en toen ging ’t uit.
+
+Een benauwende, vettig riekende damp verspreidde zich in de kamer;
+hij merkte het niet, maar Netje begon in haar slaap zachtkens te
+hoesten en ontwaakte eindelijk met een kleine kuch.
+
+„Vader, ik heb dorst!” riep zij zwakjes en tastte in ’t duister met
+haar hand om zich heen; ze raakte het hoofd van den ouden man even
+aan, streelde zacht over zijn haren en vroeg: „Slaap je, vader?”
+
+Geen antwoord.
+
+„Och! hij slaapt,” herhaalde zij, als in zichzelf, wendde zich om en
+dommelde weer in.
+
+ * * * * *
+
+„Niet ankomme! M’n goeie mensch, brand je vingers niet; eerst mot de
+polisie er bij weze. Groote Gerritje! wat ’n geval,” roept juffrouw
+Daters, die met haar dikke buurvrouw Jaling en een aantal andere buren
+in Waltens kamer staat bij ’t bed waarop de oude man, nog onbeweeglijk
+in dezelfde houding, ligt.
+
+’t Venster is geopend, en de vroolijke winterzonneschijn verlicht, tot
+in de kleinste hoeken, het armoedige vertrek. Netje is door de
+werkvrouw, die doodsbleek en verschrikt bij haar staat, in de haast,
+met den fluweelen koningsmantel omhangen en zit wezenloos naar haar
+bloote voeten te kijken, die onder uit haar nachtjapon steken.
+
+„Goeie genadigheid! wat zal dat schepsel ’n kouwe voete krijge,” zegt
+een van de buurvrouwen, doet haar bonten boezelaar af en wikkelt
+Netjes voeten daarin, met de woorden: „Hoe kan je zoo’n schepsel nou
+zóó op ’n stoel zetten?”
+
+„’k Was al blij, dat ze zat; ’t was me ook een geschiedenis,”
+antwoordt de werkvrouw, en tot Annette gewend, vraagt ze: „Zit je zóó
+goed, kind?”
+
+„Och! ze antwoordt niet; ze schijnt toch ook wel te hebbe begrepe,
+dat ie....”
+
+„Blijf jelui nou toch met je handen van ’m af! Hij mot blijve legge
+zoo as ie leit, anders heb je ’r gedoe mee. Is er nou al iemand om de
+polisie?” vraagt nogmaals vrouw Daters.
+
+„Jawel! Pieterse haalt ’n agent,” antwoordt de werkster.
+
+„Zouën we den stakkerd toch maar niet liever op ’t bed legge of op ’n
+stoel zette?” zegt juffrouw Jaling, maar een van de buren roept
+dadelijk: „Hoor die dikke nou? Wel nee! da’s teugens de wet!”
+
+„Maar ’k zou toch zeggen, dat....”
+
+„Och, mensch! schei uit; hij leit immers goed zóó. Groote Goedheid! de
+schrik zit me nog in me knieën.” Juffrouw Daters gaat even op een
+stoel zitten en vervolgt tot de anderen, die nieuwsgierig toekijken:
+„Wat zeg jelui er wel van? Wat ken ’n mensch er toch gauw uit weze!”
+
+Verschillende uitroepen en deelnemende woorden, dooreen geuit en
+daardoor onverstaanbaar, geven ’t antwoord op juffrouw Daters’ vraag.
+
+„Dat gekke meissie ziet er waarachtig uit als een prinses, met die
+mooiïgheid om,” fluistert een van de omstanders tot een ander, die
+doodkalm antwoord: „’t Is wat moois, ’t lijkt wel niks.”
+
+„O! daar komt de agent met den hokkebaas!” klinkt het plotseling bij
+de deur.
+
+De bewoner van het onderstuk en een agent van politie, op den voet
+gevolgd door meerdere buren en nieuwsgierigen, die elkander stompend,
+duwend en vloekend op de trap en in ’t portaal verdringen, komen de
+kamer in.
+
+„Laat meheer de agent door, menschen!” roepen verschillende stemmen.
+
+„Wat is hier te doen?” vraagt de politieman.
+
+„’n Dooie, meheer de agent!” zegt juffrouw Daters, en haastig voegt
+zij er bij: „Zóó morsdood naast ’t bed gevonde bij dat gekke mensch;
+we binne d’r niet ân geweest; hij leit nog net persies as ie lei.”
+
+„Hoe lang ben jelui hier al?”
+
+„’n Groot kertier, meheer!”
+
+„En heb jelui dien man zóó laten liggen?”
+
+„We hebben d’r geen hand an gehad!”
+
+„Dat’s dom genoeg. Misschien is hij niet eens dood!”
+
+„Niet? Nou, as ’n pier hoor,” roept een man, die achter in de kamer
+staat. „’k Heb ’m evetjes over z’n hoofd gevoeld en an z’n hande
+gepakt: hij is al koud en stijf.”
+
+„Allo! pak eens meê aan; we zullen zien.” De hokkebaas en een paar
+anderen tillen met den agent het lichaam van Walten op, om het op ’t
+bed neer te leggen.
+
+„Hij is waarachtig al zoo goed als stijf,” zegt de hokkebaas, terwijl
+hij met eenige moeite Waltens armen buigt en over de borst legt,
+terwijl de anderen het lichaam een horizontale richting doen aannemen.
+
+„Zoo! Leg het laken nou maar zoolang over hem heen, maar laat zijn
+gezicht vrij.”
+
+„Hij is dood, meheer de agent, ’k versikureer ’t je. ’k Heb zooveel
+dooien gezien van m’n leven. Dek z’n gezicht maar gerust toe,”
+antwoordt de hokkebaas en een derde legt een tip van ’t laken over ’t
+gelaat van den ouden man, dat met de half gesloten oogleden, nu ’t
+volle zonlicht er op schijnt, een vreemde, akelige uitdrukking krijgt,
+door ’t „schmink” en de onafgewasschen grimeerlijnen.
+
+„Wat ziet ie er raar uit: z’n gezicht is beschilderd!” roept er een
+uit den hoop.
+
+„Wie is ’t?” vraagt de agent.
+
+„Hij hiet Walten en speulde op de kemedie,” antwoordt de hokkebaas.
+„Zeg!” hij wendt zich tot de werkvrouw, die naast den stoel van
+Annette staande, zwijgend toekijkt, „zeg! jij zelt er wel ’t fijne van
+weten?”
+
+„’k Zal ’t uwe vertellen, meheer de agent,” antwoordt de vrouw, en tot
+een van de buren gewend: „Let jij ereis op die stumperd, dan zal ik
+zeggen wat ’r gebeurd is.”
+
+„Wie ben jij?”
+
+„Ik ben hier zooveul als oppaster, weet u? En hij is Walten, die
+vroeger kemiekert is geweest an den Schouwburg; daarvan heit ie nou
+nog die korte broek an. Hij is gustere avend thuis gekomme; hij had
+z’n benefiesie gespeuld, weet u?—Gut, meheer! ik bin ’r nog besturve
+van; zoo’n geval! Ja mensch! hij was wel al lang krukkerig, maar zoo
+sebiet is toch....”
+
+„Laat een van jelui gauw een dokter halen! En vertel jij geregeld wat
+’r gebeurd is.”
+
+Niemand verroert zich, want allen willen hooren „hoe ’t geval
+eigenlijk in mekaar zit”. Daarom herhaalt de agent: „Allo, gauw!” en
+een van de naastbijstaanden op den schouder tikkend, zegt hij: „Ga jij
+dan maar; op de Prinsengracht, hier dichtbij, woont een dokter.”
+
+Brommend verwijdert zich de man.
+
+„En nou verder. Hoe heet jij?”
+
+„Ikke? Grietje Bruin!”
+
+De politieman noteert dien naam, en als de werkster dat ziet, vraagt
+zij angstig: „Ik kan d’r toch geen kwaad bij?”
+
+„Neen! ga gerust je gang; ik schrijf alleen je naam op voor ’t
+proces-verbaal.”
+
+„’k Weet van die dinge niet af, want ’k bin ’n fatsoenlijke vrouw,
+ziet uwee, en ik zal met ’n woord van waarachtigheid getuige wat ’k
+gezien heb.”
+
+„Vooruit dan, vrouwtje!”
+
+„Van morgen was ik ’n beetje later dan anders, ’k heb zelf nog ’n
+huishouwe, en daardoor kwam ik eerst teuges ’n uur of twalef, en ik
+dacht ook zoo bij m’n eige: hij is gustere-avend in de pret geweest
+van z’n benefiesie en zal misschien ’n glaassie wijn gedronke hebbe:
+hij zal wel lang slape. Nou kom ik zoo, eve voor twaleve, toevallig
+gelijk met Pietersen, hier voor de deur.”
+
+„Ho! Pietersen, wie is dat?”
+
+„Kan uwee dien niet? En hij heit je nogal gehaald,” roept vrouw
+Daters, en juffrouw Jaling voegt er bij: „Hij is ’n mirakel van ’n
+vent, ’n sefleur, en....”
+
+„Stilte! laat die vrouw verder vertellen.”
+
+„Ik zeg zoo: Pieterse, wat kom jij doen? Ik, zeit ie, ik kom m’n drie
+gulde hale voor gustere-avend, ik heb gesefleurd.—Was ’t mooi? zeg ik
+zoo vragender wijs.. Mooi? zeit hij toen. Mooi? ’t Was ’n... Nou, toen
+zei ie ’n Fransch woord, dat ik niet verstond, maar ik begreep dat ie
+wat miserabels bedoelde. Toen klop ik an. Geen antwoord; toen klopt
+hij an. Ook geen antwoord. ’k Prebeer of de deur ope is. Jawel hij was
+niet op slot. Wij same na binne. Goeie God! ik dacht, dat ze allebei
+sliepe.—’k Vond ’t wel raar, dat ie nog zóó in z’n konstuum lei, maar
+ik dacht er niks niet bij.”
+
+„Verder!”
+
+„Toen mocht ik zoo roepen: meheer Walten, ’t is twalef uur. Maar zij
+werd er wakker van, en hij niet; zij was weêr zoo wat bij d’r
+posetieve,—maar hij was dood; dat morken we, omdat ie volstrekt geen
+aassem meer gaf, op wat we zeië. Pieterse mork ’t ’t eerst en zei weer
+wat op z’n Fransch, ziet uwee; dat wou zooveel zegge as: hij is uit
+z’n lije. Z’n dochter riep: vader! vader! En daarom zei ik
+natuurlijkerwijs: je vader is zekers dood, kind, voel maar: hij is zoo
+koud as ijs. Toen gilde ze evetjes en is dáár gaan zitte en dáár zit
+ze nou nog.—Ik was erg geschrokke en gooide ’t raam ope, om de bure te
+roepe, en toen is Pieterse gegaan om uwee te hale.”
+
+„Zoo! en waar is die man dan nu?”
+
+„Da’ kan ’k u niet zegge; op avontuur is ie van verbouwereerdheid
+weggeloope, of uit z’n eige zelve naar ’n dokter gegaan.—Pieterse is
+nogal gevat, weet u?”
+
+ * * * * *
+
+Eenige oogenblikken later klinkt onder aan de trap een verward
+gedruisch van stemmen en eindelijk hoort men de woorden: „Menschen,
+gaat wat op zij; daar komt ’n dokter an. Laat de heeren passeeren!”
+
+Geleid door Pietersen, die niets beters had weten te doen dan
+onmiddellijk naar mevrouw Groote, zij woonde in de nabijheid, te
+snellen, komt de actrice—die juist gereedstond om uit te gaan, te
+gelijk met een dokter, dien zij onder weg hadden ontmoet in zijn
+koetsje en staande gehouden, de kamer binnen.
+
+Alle aanwezigen wijken ter zijde voor het drietal, dat ’t bed nadert,
+waarop Walten is neêrgelegd.
+
+„Hou jelui stil—St!—’t is de dokter”, zeggen fluisterend eenige buren.
+
+Men kan een speld hooren vallen, als de medicus, naast het ledikant
+staande, het laken oplicht en na een langen blik op Waltens gelaat te
+hebben geworpen, kortaf zegt: „Dood?”
+
+Hij onderzoekt plichtshalve het lijk, en na eenige oogenblikken van
+spannende stilte, wendt hij zich tot mevrouw Groote, die herhaaldelijk
+haar zakdoek aan de oogen brengt en met een innig medelijdenden blik
+op den „Harpagon” van gisteren neerziet:
+
+„Hij is dood, mevrouw! waarschijnlijk al voor een uur of tien
+overleden.”
+
+„Wat zou hem gescheeld hebben, dokter?” Mevrouw Groote wischt zich de
+tranen van de wangen.
+
+„’k Vermoed een plotselinge stilstand van ’t hart, hij heeft NIET
+geleden.”
+
+„Niet geleden? O, dokter! dáár zegt u iets, dat.....” Snikkend buigt
+zij zich over het lijk, drukt zachtkens haar lippen op Waltens ijskoud
+voorhoofd, en terwijl zij den tip van het laken voorzichtig weer over
+het gelaat van den doode legt, zegt ze weêmoedig zacht:
+
+„_Hij is op ’t veld van eer in ’t harrenas gestorven._”[1]
+
+[1] Vondel, Gijsbrecht.
+
+—„Arme ouwe vrind!”
+
+Pietersen, die weenend aan de andere zijde van het bed staat, neemt
+langzaam zijn roodkatoenen zakdoek van voor zijn gelaat, ziet ernstig
+naar den doode en fluistert: „Den krans van gisterenavond zullen we nu
+toch nog voor je gebruiken, mon pauvre Prince, Adieu! En luider vraagt
+hij: Mevrouw Groote! wat moet er nu van haar—hij wijst op
+Annette—worden?”
+
+„Breng haar maar zoolang bij mij aan huis, Pietersen; wij zullen
+zorgen, dat ze in een gesticht komt. Hij”—en zij legt even haar hand
+op ’t lijk—„hij heeft het geld er voor, zuur genoeg, verdiend.”
+
+
+
+
+EEN MASSAGEKUUR.
+
+
+
+
+EEN MASSAGEKUUR.
+
+
+I.
+
+Freiherr von Hattersdorff zu Wiesenbrück was met een tamelijk goed
+pensioen en een aanmerkelijke hoeveelheid heupjicht uit den
+Pruissischen krijgsdienst getreden en logeerde met zijn corpulente
+„Frau Gemahlin” en zijn „Fräulein Tochter,” een spichtige,
+achtentwintigjarige, groezelige blondine, met de bevallige vormen
+eener asperge, sedert eenige weken te Wiesbaden, om daar, indien
+mogelijk, zooal niet genezing, dan toch verlichting voor zijn
+pijnlijke kwaal te vinden.
+
+Iederen morgen om halfzeven kon men geregeld het drietal bij den
+„Kochbrunnen” vinden. Papa zette voortdurend een gezicht als een
+oorwurm en kneep de lippen opeen, waarover elke vijf minuten een
+„Himmeldonnerwetter” scheen te zullen rollen, indien hij ze opende
+onder den stoppeligen, grijzen knevel. Met de eene hand leunde hij op
+den omvangrijken arm van zijn geduldige gade en met de andere op een
+stok, die, minder onwillig dan zijn rechterheup, hem eenige
+verlichting en gemak bij het gaan bezorgde. Driemaal, vóórdat de klok
+in de Kurhalle acht uren sloeg, opende hij zijn aan Rijnwijn en
+Beiersch bier gewenden mond, om met echten heldenmoed een groot glas
+warm Kochbrunnenwasser te verzwelgen, echter niet zonder bij iedere
+teug de woorden: „Grässlich,” „Abscheulich” of „Verdammtes Zeug” te
+doen hooren.
+
+Mama dronk eveneens van het zilte vocht, terwijl zij de zoete hoop
+koesterde om gedurende de badkuur van den Overste eenige kilo’s aan
+gewicht te verliezen; en „Fräulein Tochter” slurpte met een paar
+bleeke, spitse lipjes uit een glazen pijpje hetzelfde heilzame nat,
+omdat zij wel eens had gehoord, dat ’t Wiesbadener water dikker maakte
+en voordeelig op tint, bloedarmoede en huidvlekken werkte.
+
+’t Scheen inderdaad, alsof het geneeskrachtige water gezegend werkte,
+want de oude krijgsheld begon eenige verlichting te bespeuren. Na ’t
+gebruik van een tiental warme baden en ongeveer zesmaal zooveel glazen
+bronwater, liep hij iets minder moeielijk en sleepte zich langzaam aan
+naar de beroemde table-d’hôte in ’t Hôtel Dahlheim. Met een zucht van
+verlichting, nam hij plaats aan tafel en een glimlach van innig
+welgevallen verhelderde zijn gelaat, toen hij zijn min of meer rooden
+neus en grijzen knevel weer voelde doortrekken met de geuren van
+allerlei spijs en gebraad.
+
+Op zijn kamers—hij woonde met de zijnen in een bescheiden „Hôtel
+Garni”—leefde hij uiterst eenvoudig, maar toen het drietal de table
+d’hôte weer kon bezoeken, bewezen zij eenparig, dat zij voor meer
+uitgebreide diners ook iets voelden en voor de drie Mark, die zij per
+hoofd verteerden, het noodige wilden genieten, al was ’t dan ook maar
+om den hôtelier de eer te geven die hem toekwam.
+
+Met onbegrijpelijke virtuositeit verwerkte, zoowel de asperge-achtige
+jonge dame, als de meer bolvormige mama, groote hoeveelheden gekookte
+en gebraden spijs. Papa, die waarschijnlijk het geldelijke evenwicht
+voor den hôtelier wilde bewaren, at weinig maar dronk des te meer en
+verklaarde elken middag aan het dessert, als hij met glimmend
+voorhoofd en kleine oogjes, na de boter en kaas, het laatste teugje
+uit zijn glas dronk en zijn grijzen knevel met zijn servet afwischte,
+dat „der Wein famos,—das Wasser vom Kochbrunnen aber, unter der Kanone
+teufelmässig, niederträchtig gemeines Zeug” was.
+
+Reeds op den eersten dag had de kolonel zijn aanvankelijke beterschap
+met een flesch Rijnwijn, gesteund door een flesch ouden Bourgogne en
+geholpen door een Hochheimer-mousseux, waarvan Mama en dochter echter
+ook het hare kregen, begroet en nu ging hij voort met iederen dag die
+beterschap opnieuw te herdenken, afwisselend met Nuits, Château la
+Rose of Johannisberger, die hem na ’t diner steeds een hoogere
+gelaatskleur, een slaapje en bij ’t ontwaken een knorrige luim
+bezorgden.
+
+’t Duurde niet lang of de Ischias, die in den beginne voor ’t in- en
+uitwendige water de vlucht had willen nemen, kon de uitnoodiging van
+zijn vrienden Bourgogne en Rijnwijn, om weerom te komen, niet
+weerstaan, en de Overste zat, na een dag of veertien table d’hôte, op
+een morgen in zijn kamer „als een blok” in zijn stoel en met zijn hand
+op de heup te kermen.
+
+Een dag later brulde en tierde hij zóó geweldig, dat Mama uit
+medelijden tranen met tuiten huilde en Fräulein Tochter het op haar
+zenuwen kreeg, doordien zij de meer dan ordinaire soldatenvloeken van
+haar lieven papa niet langer kon aanhooren zonder zichzelve erg
+onfatsoenlijk te vinden.
+
+„Himmelhöllenhund Sakrement! dat’s te erg. Schwefelelement! laat een
+dokter komen!” bulderde de Overste met een stem, als stond hij voor
+zijn bataillon.
+
+„Maar welken dokter, lieve man?” vroeg sidderend mevrouw.
+
+„’t Dondert niet! den eerste den besten,—maar niet zoo’n ouwen pruik,
+zoo’n lapzalver; ik moet er een van de nieuwe richting, een
+specialiteit heb... Au! Schwerenoth! ’k word nog gek van de pijn. O,
+sakkrrrement! die satansche heup,” schreeuwde de Overste tot ergernis
+van zijn dochter, die met trillende lippen hem toevoegde:
+
+„O! papa, u bezondigt je heusch!”
+
+„Dat’s wel mogelijk!—maar ’t kan me niet schelen. Au!
+Himmeldonnerwetter!”
+
+Mama schelde vol angst den kellner en verzocht hem den eersten den
+besten dokter te doen roepen.
+
+ * * * * *
+
+Een paar passen verder in de straat dan het Hôtel Garni stond op een
+koperen naamplaat aan den deurpost van een bescheiden woonhuis:
+
+„Dr. Otto Druff, Special-Artz für Massage, etc.”
+
+De kellner wipte met zijn servet over den arm de stoep van het hotel
+af, dien van den dokter op en stond een oogenblik later tegenover den
+medicus, een knap, vriendelijk man, met een gunstig uiterlijk, die hem
+op zijn vraag: „Dokter, of u dadelijk in ons Hôtel wil komen? Overste
+von Hattersdorff zu Wiesenbrück, heeft zoo’n verschrikkelijken aanval
+van jicht, op No. 26,” onmiddellijk antwoordde:
+
+„Zeker, zeer gaarne!” En toen hij vroeg: „Ik versta je immers goed: ’t
+is Overste von Hattersdorff?” schitterde er plotseling iets in het oog
+van den dokter, dat men voor boosaardige vreugde had kunnen houden,
+indien men niet wist, dat medici gewoonlijk ver boven deze minder
+edele aandoening verheven zijn.
+
+„Ik kom oogenblikkelijk; in tien minuten ben ik bij den Overste.”
+
+„Uitstekend, Dokter!”
+
+
+II.
+
+Een bescheiden tikje klonk op de deur van No. 26.
+
+Twee dames, die eensklaps opsprongen, riepen te gelijk: „Binnen!”
+
+Op den drempel verscheen de dokter en boog.
+
+„O! U is zeker de dokter? Kom binnen, als ’t u blieft! O, mijn man
+heeft zoo verschrikkelijk naar u verlangd,” zei de zenuwachtige, dikke
+dame, en haar spruit voorstellend, voegde zij er bij: „Mijn dochter
+Ildegard,—ook ’n beetje nerveus, want papa is inderdaad half razend en
+erg, heel erg ongemakkelijk door de pijn.”
+
+De dokter boog even voor de spichtige Ildegard, die zeer voornaam een
+nijging maakte, en terwijl zij uit haar zeegroene oogen een
+schaamachtig onderzoekenden blik op Dr. Otto Druff sloeg, zuchtte zij
+in stilte: „O! wat ’n lief mensch schijnt dat te zijn.”
+
+„Mag ik u verzoeken, Dokter? Mijn man is in de slaapkamer.”
+
+„Gaarne, Mevrouw!”
+
+De Overste lag in schuinsche houding in een fauteuil en kermde,
+vloekte en raasde afwisselend.
+
+„Herr Oberst!”
+
+„Herr Doktor!”
+
+Een paar minuten keek Aesculapius den kranken Mars oplettend aan. Toen
+hij hem goed had opgenomen en bekeken, flikkerde het vonkje
+boosaardigheid weer een ondeelbaar oogenblik in des dokters oogen en
+bewogen zijn lippen zich onmerkbaar tot een glimlach, terwijl hij met
+deelnemende stem vroeg:
+
+„U lijdt zeker ontzaglijk veel, Overste?”
+
+„O! om er helsch van te worden, Dokter!”
+
+„Maar lieve man!”
+
+„O foei, Papa!”
+
+„Wees zoo goed eens even op te staan.”
+
+„Opstaan?” De kolonel zag den dokter aan, als wilde hij zeggen: Man!
+ben je dol? en herhaalde: „Opstaan?—Onmogelijk!”
+
+„’t Moet, Overste; anders kan ik niet oordeelen over den toestand van
+uw been en heupgewricht. Mag ik u dus verzoeken?” Kermend en klagend
+werkte de Overste zich langzaam met groote inspanning een eind omhoog,
+totdat hij met dikke angstdroppels op ’t voorhoofd, op één been
+balanceerend, met beide handen op den fauteuil leunend, den medicus
+smeekend aanzag.
+
+De dokter greep snel den kranken voet, rukte dien met geweld naar
+beneden en bewoog daarna het been krachtig heen en weer, zoodat de
+Overste doodsbleek werd en bijna flauw van pijn, met een zacht
+kermend: „Jezus-Maria-Joseph”, in den stoel terugzonk.
+
+Mevrouw was bij dit tafereel achter in een hoek van de kamer gaan
+staan, om haar tranen den vrijen loop te kunnen laten, en de dunne
+Ildegard zweefde nader, ten einde papa’s kloppende slapen met wat Eau
+de Cologne te wasschen. Medelijdend hield zij den zachtkreunenden
+lijder haar batisten zakdoekje onder den neus, totdat de dokter op
+bevelenden toon zei: „Komaan! kleed u nu maar eens uit.” Toen nam zij
+de vlucht, en terwijl zij beproefde te blozen, wierp zij een
+vernietigenden blik op den aesculaap, als wilde zij zeggen: „Zulk een
+woord in mijn bijzijn...? Foei, mijnheer, foei!”
+
+Mama nam Ildegards plaats in en hielp haar gemaal bij ’t ontkleeden
+zijner extremiteiten, totdat de dokter zei: „Zóó is ’t genoeg.—Ga nu
+eens voorover op uw bed liggen; dan zal ik u onderzoeken, Overste.”
+
+Met zaakkundige hand bevoelde en betastte de medicus ’t been, ’t
+heupgewricht en den rug van den lijder en zei toen, langzaam en met
+klem:
+
+„Overste, u kan geheel genezen, maar alleen op twee voorwaarden.”
+
+„Zoo! En die zijn, Dokter?”
+
+„1º. Totale onderwerping aan het diëet, dat ik u voorschrijven zal.”
+
+„2º. Moed om een pijnlijke behandeling te ondergaan. U heeft toch
+moed?”
+
+Een flauwe glimlach omspeelde de lippen van den krijgsman, toen hij
+antwoordde:
+
+„Moed?—Ik ben soldaat, Dokter!—Maar aan pijn heb ik een verd.mden
+hekel. Moet ik soms geopereerd worden?—Ga je gang maar, Dokter; maar
+dan onder chloroform, asjeblieft.”
+
+„O God—neen! niet snijden!” steunde mevrouw, doodsbleek wordend.
+
+Uit de andere kamer klonk een klein gilletje; ’t sleutelplaatje viel
+plotseling neer voor ’t slot der porte-brisée, waardoor ten
+duidelijkste bleek, dat Ildegard uit de andere kamer door ’t
+sleutelgat de treurige groep had bekeken en alles had gehoord en
+verstaan.
+
+„Snijden?” vroeg de dokter lachend. „Geen kwestie van,
+Mevrouw!—Wrijven, masseeren, volgens de methode van Dr. Mezger uit
+Amsterdam; ik ben specialiteit in de massage; _’t is het eenige
+middel_, waardoor mijnheer uw echtgenoot kan herstellen.”
+
+Een zucht van verlichting ontsnapte den krijgsman, terwijl hij nog
+steeds vooroverliggend, met zijn hoofd schuins op het kussen, in zijn
+baard bromde: „Anders niet? Maakt de kerel daar zoo’n drukte over?”—en
+luid voegde hij den dokter toe: „Dan maar dadelijk, Dokter; hoe
+eerder, hoe beter. Knijp dan maar!”
+
+„Uitstekend, Overste; we kunnen dadelijk beginnen”. De dokter trok
+zijn jas uit, ontdeed zich van zijn vest, en toen Mevrouw von
+Hattersdorff verschrikt vroeg: „Dokter, u gaat u toch niet uitkl...?”
+viel hij haar lachend in de rede met: „Pardon! ik maak ’t me alleen
+maar wat gemakkelijker; er is nog al kracht noodig voor zoo’n
+massage.” Druff knoopte zijn manchetten los, stroopte zijn hemdsmouwen
+op, toonde een paar buitengewoon zwaar gespierde armen en vroeg:
+„Heeft u ook een weinig zoete olie, Mevrouw? ’k Gebruik anders cold
+cream, maar de Overste ligt nu zoo goed in positie, dat ik....”
+
+„O! Dokter, mijn dochter heeft toevallig cold cream op haar
+toilet.—Ildegard! geef de cold cream eens!”
+
+De porte-brisée werd zoover geopend, dat Ildegard, die nog
+voorzichtigheidshalve de eene hand voor haar kuische oogen hield, de
+andere met het potje cold cream er in, om het hoekje kon steken,
+terwijl zij fluisterde: „Hier, Mama!”
+
+„Als ’t u blieft, Dokter!”
+
+„Dank u!—Leg u nu een weinig op de linkerzijde, Overste. Wacht! ik zal
+u helpen; zoo!”
+
+„Au!—Autsch!—O! Sakkerrrrr!”
+
+„Kalm maar aan, Overste! Zoo—oo—oo! nog een eindje. Mooi! nu zijn we
+er; houd u nu maar rustig. Zoo—oo!”
+
+„Wil ik ook liever weggaan, Dokter?”
+
+„Neen, Mevrouw! Ik wilde gaarne, dat u hier bleef; er mag wel iemand
+bij zijn, om zoo noodig nog eens te kunnen helpen en dus....”
+
+„Goed, Dokter; best!”
+
+„Dat doet u geen pijn, niet waar, Overste?” vroeg Dr. Druff, terwijl
+hij met snelle bewegingen zijner rechterhand de heup, het dijbeen en
+de kuit van den lijder rijkelijk met cold cream inwreef.
+
+„Integendeel, dat doet me goed; ’t is aangenaam. Als je zóó doorgaat,
+Dokter, dan.... Au! Himmelhöllensakrement—Au!—Hou op!—Hou op! Neen,
+Dokter, zóó niet; in Godsnaam schei uit: ik word onwel!”—De Overste
+rilde over zijn geheele lichaam als een juffershondje, want de medicus
+had plotseling met een forschen greep, het zieke heupgewricht onder
+handen genomen en masseerde de pijnlijke plaatsen naar alle regelen
+der kunst.
+
+„O, Dokter, dat is heusch niet om aan te zien; dat is een
+afschuwelijke marteling,” snikte mevrouw, toen zij zag, dat na een
+tiental minuten, waarin de lijder zich onder de hem masseerende handen
+kromde als een worm, dokter Druff zijn behandeling besloot met een
+allervervaarlijksten slag op het dikste gedeelte van des Oversten
+heup, zoodat de patiënt bijna opsprong en brulde: „Gottsdonnerwetter,
+dat is àl te erg!”
+
+„’t Is voor vandaag gedaan,” zei doodbedaard de geneesheer, en wischte
+zich met den zakdoek een aantal druppels van voorhoofd en slapen.
+
+„O, Goddank!” kreunde de zieke, en toen hij met behulp van mama weer
+zoover was aangekleed, dat Ildegard, zonder schaamrood te worden, haar
+papa kon zien, hielp de dokter hem in den fauteuil en zei gemoedelijk:
+
+„Ziezoo, nu zit u goed.—Ja! Ja! ’t is geen aangename gewaarwording,
+Overste; maar ’t eind zal goed zijn.—En nu zullen wij eens over uw
+diëet praten.”
+
+Met matte stem antwoordde de Freiherr:
+
+„’k Ben doodaf!—O, God! die laatste slag! ’t was of ik sterven
+zou.—Maar ik geloof toch, dat uw behandeling de ware is; ’t is alsof
+ik nu al een weinig soulagement gevoel!—En wat moet ik nu al zoo
+vermijden, Dokter?”
+
+„Alles, Overste!”
+
+„Alles?—Hongerlijden?”
+
+„Dat zou u slecht bekomen,” glimlachte Dr. Druff. „Neen! zóó erg is ’t
+niet. U mag brood eten, zooveel u lust, maar—zonder boter; en water
+kan u drinken ad libitum. Wanneer u besluiten kan, dit strenge diëet
+gedurende veertien dagen vol te houden, geef ik u mijn woord van eer,
+dat u van hier gaat met den gezwinden pas en loopen kunt als een hert,
+terwijl uw geheele constitutie aanmerkelijk beter zal zijn.”
+
+„Veertien dagen op water en brood,” zuchtte de kolonel, „dat is heel
+erg, Dokter!”
+
+„Ischias is nog veel erger, Overste!”
+
+„’t Is waar! In Godsnaam dan; ik wil die vervloekte pijn kwijt zijn;
+’k zal doen wat u zegt.”
+
+„U heeft groot gelijk, Overste; en u zult zien: finis coronat opus.”
+
+„Blijf me met dat potjes-latijn van ’t lijf, Dokter! Dat versta ik
+niet.—Vrouwlief! geef me eens een glas Port; ik ben flauw geworden
+door die ranselpartij.”
+
+„Port?—Water! bedoelt u,” zei de dokter en tot mevrouw, die de flesch
+met Portwijn reeds van het buffet genomen had, zich wendend, vervolgde
+hij: „Mevrouw! wanneer u wil, dat mijnheer uw echtgenoot geneest,
+_moet_—en hij drukte op dat woord—_moet_ u zorgen, dat de Overste zijn
+diëet houdt. Gebruikt u zelf soms Port, of mejuffrouw uw dochter?”
+
+„Neen, Dokter, nooit!”
+
+„Permitteer me, dan zullen we voorzichtigheidshalve dit restje”—Dr.
+Druff nam de nog half volle flesch uit mevrouws handen en goot
+eensklaps den inhoud uit ’t venster in den tuin—„verwijderen.—Adieu!
+Overste; tot morgen om tien uur; dan kom ik u verder behandelen.”
+
+Stom van verbazing zag de Overste, die meer gewoon was te bevelen dan
+te gehoorzamen, den kort-aangebonden medicus na en pruttelde in
+zichzelven: „’n Kranige kerel, met een paar handen... Brrrr! en
+drommels kort aangebonden, maar dat mag ik wel. Ik geloof, dat zijn
+behandeling mij wel zal bevallen; maar die ééne slag was—hum!—zoo—hum!
+voor een officier zoo vernederend.”
+
+Voordat Dr. Druff het huis verliet, had hij nog een kort gesprek met
+Ildegard en mevrouw, die hem tot op den corridor geleidden.
+
+Op mevrouws vraag: „Dokter, wat dunkt u van mijn man?” schilderde hij
+met enkele woorden den toestand van den Overste zoo weinig
+rooskleurig, dat de dames, bleek van schrik en bezorgdheid, bij alles
+wat haar lief en dierbaar was verzekerden, dat zij er samen voor
+zouden zorgen, dat papa volstrekt geen anderen drank dan water, geen
+andere spijs dan brood, of droge beschuit, hem bij uitzondering als
+versnapering toegestaan, zou krijgen gedurende de eerste veertien
+dagen.
+
+
+III.
+
+Geregeld elken dag, ’s morgens om tien uren verscheen de medicus in
+het hotel, waar de Overste logeerde en nu onder zijn handen de
+verschrikkelijkste martelingen uitstond, brulde en tierde als een
+bezetene, maar zich toch ieder maal na de massage inderdaad iets beter
+gevoelde en langzaam aan weer begon te loopen.
+
+Hoeveel „Donnerwetters” en „Sakkrrrements” de oude krijgsheld in de
+wereld zond, is niet te bepalen, maar ze waren legio; vooral tegen het
+einde van iedere dagelijksche behandeling ontsnapten die
+verwenschingen en uitroepen in grooten getale zijn gebaarden mond en
+herhaaldelijk verzekerde de Overste aan vrouw en dochter: „Die Druff
+is een wonder van knapheid, een kraan van een vent,—maar—een beul. En
+weet je waar ik eigenlijk het meest tegen opzie? Tegen dien laatsten,
+geweldigen slag, dien hij me na elke massage op mijn—hum!—op mijn—hum!
+geeft. ’t Is alsof de vent een os dollen wil! Die ééne vervloekte slag
+gaat me door merg en been.”
+
+„Ja, manlief!” had Mevrouw geantwoord, „’t is verschrikkelijk—ik kan
+er ten minste niet meer naar zien; ’t is heusch, alsof Dr. Druff al
+zijn krachten nog eens extra te samen neemt om je die laatste...”
+
+„Niet waar? Dus dat heb jij ook opgemerkt; ’t is dan ook alsof er een
+stuk ijzer op me neer komt.—Je begrijpt dat ik me die mishandeling nu
+laat welgevallen, omdat ik _moet_, omdat ik aan dien Druff op genade
+of ongenade ben overgegeven en omdat de kerel me waarachtig iederen
+dag iets beter maakt, anders, als militair”; en de overste zette een
+gezicht, alsof hij de geheele medische faculteit in één grooten hap
+had willen verslinden—„anders zou ik bij hoog en bij laag—me zoo’n
+vernederende aanraking niet laten welgevallen.—Om den d—nder niet.”
+
+„Foei! foei! papa, vloek toch zoo niet, dat’s niet fijn”, riep
+Ildegard verbleekend.
+
+„Neen! zoo’n slag op je—hum!—op je corpus, is fijn.—O! als ik er aan
+denk, dat ik daar, als een schooljongen, vóór dien vent leg en
+behandeld word, dan kookt mijn bloed, en...!”
+
+„Maar manlief, wind je toch niet zoo op, de Dokter doet ’t toch uit
+bestwil, omdat ’t noodig is voor...”
+
+„Noodig! noodig! daar, waar hij nu slaat, heb ik volstrekt geen pijn;
+in mijn heup zit het, nergens anders...”
+
+„Och, papa! ’t is heusch verkeerd, dat u zoo aangaat.”
+
+„Aangaan! Hoor me dat freuletje nu eens; ik geloof dat u wel anders
+piepen zou, jonge dame, wanneer de Dokter u zoo uit alle macht, dag
+in, dag uit, een slag op uw...”
+
+„O, foei! papa, wat ’n ordinaire suppositie.”
+
+Ildegard keerde zich verontwaardigd om.
+
+„Beste man! houd je kalm, je wordt anders weer erger. Wij zullen er
+samen eens met den Dokter over spreken—niet waar, Ildegard?”
+
+„Spreekt u er liever alléén over, mama!”
+
+„Nu, goed, dan zal ik ’t doen—ik durf wel.”
+
+ * * * * *
+
+Een paar dagen later vroeg Mevrouw v. Hattersdorff, toen ze een
+oogenblik met Dr. Druff alleen was: „Dokter, is die laatste slag
+bepaald zoo onmisbaar? Mijn goede, beste man ziet daar zoo erg tegen
+op. Zou u hem dien niet kunnen schenken?”
+
+Met het gewichtigste en ernstigste gelaat van de wereld verzekerde Dr.
+Druff: „Mevrouw! die hoort onvermijdelijk bij de kuur; ’t is wel
+onpleizierig voor den Overste, dàt geef ik gewonnen, maar ik kan er
+niets aan doen,” en, met kalme wreedheid diende hij, na elke
+behandeling, den Overste dien vervaarlijken klap toe.
+
+Ook Ildegard, die beter was dan zij zich voordeed, had zich heimelijk
+papa’s lijden ter harte genomen en aan den ouden dokter, die een dame
+van haar kennis, in ’t zelfde hotel, onder behandeling had, gevraagd:
+„Dokter, ’t is misschien wel wat vreemd, dat ik als jong meisje me met
+dergelijke zaken bemoei,—maar och! mijn goede papa wordt er zoo door
+gedépraveerd weet u,—daarom wou ik u vragen: is dat altijd zoo, dat
+men bij een massagekuur den patiënt zoo’n verschrikkelijken slag op,
+hum—” zij durfde ’t eigenlijke woord niet goed zeggen en zei dus
+blozend: „op de heup toedient?”
+
+Met eenige verwondering had de oude medicus geantwoord: „Neen, Freule,
+gewoonlijk niet. ’t Is wel zonderling, maar mijn collega Druff is een
+door en door geleerd en kundig man en bovenal specialiteit in de
+massage. Hij weet volkomen wat hij doet en zal ’t dus bepaald noodig
+oordeelen voor ’t heil van uw papa.”
+
+Derhalve troostten èn moeder èn dochter den gepijnigden Overste, door
+eenstemmig te verklaren, dat zij ’t volste vertrouwen in Dr. Druff
+hadden, en papa dus maar geduldig moest doorstaan, wat nuttig en
+noodig voor hem was.
+
+ * * * * *
+
+Eindelijk na achttien dagen, vreeselijke dagen voor Freiherr von
+Hattersdorff, verklaarde de dokter, dat zijn patiënt volkomen genezen
+was; en inderdaad, de Ischias van den Overste behoorde tot het
+verledene. Hij liep, ofschoon nog wat zwak, als een kievit door de
+kamer en zag er uit als nieuwgeboren; zijn eertijds min of meer
+violette gelaatskleur was meer normaal geworden, zijn oogen stonden
+helder en de onwillige heup was nu een voorbeeld voor alle heupen.
+
+„Overste!” zei Dr. Druff na den achttienden dag, „ik kom afscheid van
+u nemen: u heeft mijn behandeling niet meer noodig.—Is u tevreden?”
+
+„Tevreden, beste Dokter? Tevreden? Neen, verrukt, dankbaar, innig
+dankbaar! Ik ben een ander mensch geworden; je hebt van een ouden
+kerel weer een jongen vent gemaakt.”
+
+Met tranen in de oogen, drukte mevrouw hem de hand en zei: „O, Dokter!
+nooit! nooit zullen we u onze erkentelijkheid genoeg kunnen betuigen!”
+
+Ildegard, die reeds gedurende achttien dagen de smeltendste blikken
+uit haar zeegroene oogen op den knappen dokter had geslagen,
+fluisterde zachtkens:
+
+„O! lieve Dokter, u is een wonderman, een ideaal van een dokter,” en
+zij zag hem daarbij zoo schaamachtig aan, als wilde zij zeggen:
+„Spreek met mama, Dr. Druff; voor u verzaak ik mijn ouden adel en word
+voor eeuwig Frau Doctorin....”
+
+„Dus mijn behandeling is u per saldo toch niet tegengevallen,
+Overste,” zei met een fijn glimlachje de medicus, als antwoord op den
+stroom van dankbare woorden, die hem overstelpte.
+
+„O, Dokter!” klonk het in trio.
+
+„Dan heb ik verder hier niets meer te doen, dan u een aangenaam
+verblijf te Wiesbaden, een goede thuisreis en voortdurende gezondheid
+te wenschen.”
+
+„Hum! Hum!” zei de Overste en eenigszins verlegen voegde hij er bij:
+„Dokter, hum!.... Uw declaratie, zou u die liefst nog deze week willen
+zenden, want ik reis spoedig naar huis?”
+
+„Mijn declaratie?” vroeg Dr. Druff en onwillekeurig keek hij
+glimlachend naar Ildegard, die dadelijk probeerde of zij ook blozen
+kon.
+
+„Ik weet wel, Dokter, dat wat u aan mij heeft gedaan eigenlijk niet
+met geld te honoreeren is, maar toch zou ik gaarne willen weten wat ik
+u schuldig ben....” antwoordde de Freiherr.
+
+„Honorarium, Overste? Volstrekt niet.—U is mij niets schuldig.”
+
+„Wa-a-at?”
+
+„Wij zijn nu quitte, Overste.”
+
+Mevrouw en Ildegard zagen den dokter aan, als wilden zij zeggen: „De
+arme man is zeker door de inspanning van streek en niet wel bij ’t
+hoofd;” en papa vroeg met onvaste stem: „Quitte? Hoe—be-doelt u dat?”
+
+„Zie mij eens goed aan, Overste. Herkent u mij niet?”
+
+„U, Dokter?—’k Had vóór deze dagen nog nooit de eer....”
+
+„Toch wel, Overste!—Herinner u maar eens. Mijn naam is Otto Druff; ik
+heb in ’70 als soldaat bij uw compagnie gestaan, toen u nog kapitein
+was. Ik was destijds—nu wil ik het wel bekennen—een nogal lastig
+recruut en vrij weerspannig. ’t Ging streng toe in den oorlogstijd, en
+daardoor heb ik eens, door uw vriendelijke bemiddeling, veertien dagen
+arrest gehad op water en brood en vijftien slagen op mijn—hum...”
+
+„Alle donders!” riep de Overste, opspringend, „’t is waar; nu herinner
+ik mij: ’t was te Wezel, toen we de Fransche gevangenen
+surveilleerden.”
+
+„Juist!—Ik had misschien wel wat minder verdiend voor mijn
+betrekkelijk klein vergrijp; maar ’t was oorlogstijd, en daarom heb
+ik, dat in aanmerking nemend, bij wijze van interest, u ook slechts
+vier dagen langer arrest en maar drie klappen meer gegeven.”
+
+Schaterend liepen mevrouw en Ildegard de kamer uit, en de verbaasde
+Overste riep, terwijl hij onwillekeurig zijn hand tegen ’t dikste
+gedeelte der heup wreef: „Himmelhöllenelement, Dokter! jij bent de
+kranigste kerel, dien ik ooit heb ontmoet! Je hebt gelijk: nu zijn we
+quitte!”
+
+„Volkomen!—U hebt mij tot een goed soldaat gemaakt; ik maakte u op
+mijn beurt tot een gezond mensch. We hebben beiden hetzelfde middel
+en, naar ik geloof, met succes gebruikt.—Adieu! Overste,—sans
+rancune!”
+
+Dr. Druff ging vriendelijk groetend de deur uit.
+
+„Bombenschwerenoth!” riep de Overste lachend, „wat een kranige vent!
+Maar”—en zijn gezicht vertrok zich pijnlijk—„’n beetje minder hard had
+hij toch wel kunnen slaan!”
+
+
+
+
+_BIJOU_.
+
+
+
+
+_BIJOU_.
+
+
+I.
+
+’t Was in alle opzichten een model-huishouden, een paar menschen als
+voor elkander geschapen; niemand zou den moed hebben gehad dat te
+betwijfelen, zoodra hij slechts éénmaal het genoegen had te zien, hoe
+mijnheer en mevrouw Straling met elkander omgingen.
+
+Zij was het liefste, blonde vrouwtje, dat ooit met een paar levendige
+helderblauwe oogen in de wereld had gekeken.
+
+Niet te groot, niet te klein en goed van vormen, was zij van nature
+„sierlijk” in al haar bewegingen. Zonder dat zij het zelve wist, deed
+zij haar kleine voetjes bewonderen en trok zij de aandacht op haar
+blanke poezelige handjes, waarin talrijke kleine kuiltjes den aanleg
+tot een gezellig „embonpoint”—in de verre toekomst verrieden.
+
+Wanneer zij lachte, fonkelde er iets guitigs in haar oogen onder de
+donkere, onberispelijk gevormde wenkbrauwen en bewogen zich de
+neusvleugels niet meer dan noodig was om haar zenuwachtig temperament
+te doen vermoeden, terwijl de paarlwitte tanden juist genoeg zichtbaar
+werden om schitterend af te steken tegen de frissche roode lippen, die
+’t kleine mondje zoo verleidelijk maakten. Doorzichtig en blank van
+tint, werden haar gelaat en wangen, zwakker of hooger gekleurd, al
+naarmate de gemoedsbeweging haar frisch, gezond, jeugdig bloed
+langzamer of sneller deed stroomen. Soms kon zij bleek, doodsbleek
+zien, wanneer ’t een of ander haar plotseling hinderde of zenuwachtig
+maakte, maar zelfs die bleekheid stond haar goed; in één woord Marie
+was „een dotje van een wijfje,” zooals oom Harmsen de ex-zeekapitein
+telkens tegen Frits, haar man, beweerde.
+
+Hij, Frits, kon volkomen aanspraak maken op den naam van „’n schoone
+kaerel” hem eveneens door oom Harmsen vereerd. Flink gebouwd, groot en
+gespierd van gestalte met een open gelaat, waaruit meer goedheid, dan
+wel bepaald hoogere ontwikkeling sprak, was hij een toonbeeld van
+levenslust en gezondheid. Zijn bruin krullend haar paste bij zijn
+frissche gelaatskleur en de goed verzorgde donkerblonde knevel met den
+spits, naar de mode geknipten baard gaven hem een mannelijk en te
+gelijk wat men noemt, een prettig voorkomen.
+
+Wanneer zijn donkerbruine oogen met welgevallen op zijn lief vrouwtje
+rustten en zij glimlachend tot hem opzag, straalde er een innig warme
+gloed uit zijn blikken, en als hij dan haar beide kleine rose handjes
+in zijn groote rechterhand nam, terwijl hij met de linker er zachtjes,
+voorzichtig liefkoozend, overheen streek, kon men hem aanzien, dat hij
+Marie in den volsten zin des woords „vergoodde.”
+
+ * * * * *
+
+„Jelui bent nog precies een paar geëngageerde lui: dat koekeloert en
+kirt me waarachtig als een paar duiven” zei oom Harmsen eens op een
+dag, dat hij de Stralings bezocht en ’t echtpaar met een breeden
+genoeglijken glimlach aanzag. Zijn gebruind en verweerd zeemansgelaat
+nam een buitengewoon zonderlinge uitdrukking aan, een uitdrukking
+half weemoedig, half comisch, toen hij er ernstig bijvoegde: „’k Heb
+van mijn Jans—God hebbe haar arme ziel—ook weerlichts veel gehouwen,
+zie je, maar zóó als jullie hebben wij ’t toch nooit beetgehad.”
+
+Marie kon het heusch niet helpen, dat zij bij die wonderlijke
+ontboezeming van oom Harmsen de grootste moeite had om niet in lachen
+uit te barsten; met inspanning hield zij zich goed, maar Frits, die
+ooms eigenaardigheden langer en beter kende, sloeg, zooals men dat
+noemt, met den ouden goedhartigen, maar min of meer ruwen zeeman „op”
+en antwoordde lachend:
+
+„Ja, maar tante Jans was ook zoo’n dot niet als mijn Marie. Was ze
+wel, oom?”
+
+„Nou, dat ’s maar zooals je ’t nemen wilt, jongen,” zeide oom; „’t was
+een flinke driedekker, die goed onder tuig lag. Maar mooi? Neen dat
+was ze niet; daarentegen weergaasch bij de hand;—zie je, dat ’s nog
+wel zoo goed voor een zeemansvrouw.” En met een knipoogje, dat guitig
+moest heeten, maar dat op zijn gezicht vrij cynisch was, voegde hij er
+bij: „Ik hoefde niet bang te zijn voor kapers, vat je? Jans was vijf
+en dertig, toen we trouwden, en van zessen klaar, hoor! Maar als mijn
+wijf zoo’n eeuwig mooi poppetje was geweest als jou Marie.... He!
+Hola! nichtje draai ereis bij: waar ga je zoo op eens naar toe?—dan
+was ik nooit zoo gerust aan boord gegaan en... Neen, Marie! blijf maar
+gerust hier: ik ben alweer fatsoenlijk.”
+
+„Oom, oom, ’t loopt er bepaald overheen,” zei Frits lachend en te
+gelijk wenkte hij Marie, die half lachend, half beschaamd de kamer
+wilde verlaten, om terug te komen.
+
+„Wàt, wàt? ’t Is de waarheid, anders niet. Kom hier, nichtje Marie,
+geef me maar een hand; ik ben ’n beetje ruw, dat weet ik wel, maar ik
+meen ’t goed. En jij bent ook zoo bliksemsch mooi, zie je, dat als
+_ik_ jou man was geweest, ik je geen maand of acht alleen had durven
+laten,—om den dood niet.”
+
+„Maar, oom! foei wat ’n weinig flatteuse gedachten! Neen! laat mijn
+hand los; je bent akelig, hoor!” zei Marie, hem beknorrend.
+
+„Gekheid! ik bedoel immers niet, dat ’t aan jou zou gelegen hebben,
+maar aan.... Och—sakkerloot—ik, ik... Enfin! Frits, jij begrijpt me
+wel, jongen!”
+
+Oom Harmsen voelde onwillekeurig, dat hij toch niet bijzonder kiesch
+was geweest, en daarom stond hij op, liep een paar passen door de
+kamer heen en weer en trachtte het gesprek een andere wending te
+geven, door te zeggen: „Jelui woont hier toch als in Abrams schoot,
+hoor!—eeuwig netjes, alles even fijn en chic; je kunt wel zien: die ’t
+breed heeft, laat ’t breed hangen. ’t Is tegenwoordig ’n heel andere
+thee dan vroeger. Toen ik met m’n Jans onder zeil ging, was ik machtig
+blij, dat ’k een bovenhuis met drie kamers had,—een goeie kooi voor
+mij en m’n vrouw; een tafel met zes stoelen; bij de gratie Gods een
+canapé; een latafel en een chiffonnière voor de losse bagage; een pot
+en een pan,—en klaar was Kees!”
+
+„Dat was dan toch erg primitief, oompje; we houden nú van meer comfort
+en....”
+
+„Ben je er gelukkiger door? Waarachtig niet, ’t is allemaal gekheid;
+zooals ’n mensch went, zoo wil hij. De ouderwetsche lui hadden veel
+minder behoeften, en hun kinderen deden als vader en moeder: ze wisten
+niet beter of ’t hoorde zóó.—Ja! à propos nichtje Marie, dáár doe
+jelui niet aan, hé, aan kindertjes? Kijk me zoo’n paar flinke gezonde
+lui ereis aan, die zijn nu waarachtig al vier jaar getrouwd en hebben
+nog niemendal op stapel gezet; jelui moest je schamen, en jij vooral
+m’n poppetje en.... Zeg, Frits! wat is dat nou? Wat mankeert je vrouw
+op eens?—Hum?—ik—heb toch niet... Hè?”
+
+Met een niet benijdenswaardigen trek van schaapachtige verwondering,
+dubbel dwaas op zijn door de zon verbrand gelaat, zag oom Harmsen zijn
+nichtje na, dat terwijl hij sprak al bleeker en bleeker werd en zich
+plotseling omdraaiend de slaapkamerdeur insnelde, gevolgd door Frits,
+die, zonder zich om het verbaasde gezicht van den zeekapitein te
+bekommeren, de deur achter zich sloot en zijn vrouwtje, dat met haar
+zakdoek voor de oogen op de causeuse was neergevallen, zacht en
+sussend toesprak, terwijl hij haar schouders liefderijk omvatte: „Kom,
+Marie! wees niet dwaas; trek je zoo’n grof woord van oom Harmsen niet
+zoo aan. Kom, wijfje, kom! Die ouwe zeebonk moest zich schamen; ik zal
+hem....”
+
+„Laat me asjeblieft een oogenblik alleen, Frits; ga jij maar naar
+oom.—Ik ben niet boos op hem, hoor!” voegde zij glimlachend, hoewel
+met de oogen vol tranen, er bij, als wilde zij een mogelijke botsing
+tusschen oom en neef voorkomen.
+
+De zondaar Harmsen was intusschen eenigermate tot besef gekomen, dat
+hij, op zijn zachtst genomen, erg onhandig was geweest, en daardoor
+min of meer met zijn figuur verlegen. Goedhartig en rond als hij was,
+besloot hij onmiddellijk een volledige bekentenis van zonden af te
+leggen en te zeggen.... Ja! wàt hij zou zeggen, wist hij eigenlijk
+niet goed vóóraf, maar hij gevoelde, dat hij iets goed te maken had
+en... Dáár kwam Frits de kamer weer binnen en in ’t zelfde oogenblik
+lei de zeekapitein het photographie-album, dat hij werktuiglijk van de
+tafel had genomen, neer, terwijl hij halfluid vroeg:
+
+„Er is toch geen kwaad aan boord?—Jelui moet me dat niet zoo kwalijk
+nemen. Hum! ik wist niet, dat Marie op dat punt, hum!—zoo hum! zoo
+satansch kitteloorig was en....”
+
+„Spreek daar nooit meer over, wat ik u bidden mag, want Maries eenig
+verdriet is, dat ze geen....”
+
+„Akkoord, jongen! nou begrijp ik ’t, maar ’k wist het niet.—Zeg aan je
+„dot”, dat ’t me allemachtig spijt dat ’k haar hinderde; maar, goeie
+God! ik kon toch ook niet weten, dat ze zoo aantrekkelijk is.—Kom!
+kom! ze moet er zich maar overheen zetten; uitstel is niet altijd
+afstel; Sarah kreeg op ’r negentigste jaar nog wel ’n kleintje.—Ha!
+daar is ze weerom.—Kom ereis hier, Marie! Je bent toch niet boos op
+me? Verdord! dat zou ik niet kunnen velen. Allo! kom ereis langs zij
+en laat ik je af zoenen.—Zoo!.... met je permissie, Frits.—Hè! dat
+doet ’n ouwen kerel nog ereis goed.—O! zoo, ben je niet boos
+geweest?—Nou des te beter, dan hoef je niet weer goed te worden
+ook.—Nou! kinderen, ’t wordt tijd dat ik ga.—Saluut! en compliment van
+oom Harmsen en als dàt nou ’t eenige is wat jelui ontbreekt, dan niet
+getreurd! Ik word hier nog peetoom, dat voorspel ik je. Dag „dot”;
+niet sip meer kijken, asjeblieft! Houd je gemak, ik kom er wel uit.—’t
+Ga jelui goed; dag kinderen!”—en weg was oom Harmsen.
+
+
+II.
+
+Ja! in dat model-huishouden ontbrak iets, een heel klein nietig iets
+wel is waar, maar toch een iets, dat de zon in huis zou doen schijnen,
+als ’t kwam; dat een zaligen glimlach zou tooveren om de lippen van de
+jonge vrouw, die ’t mocht bezitten.
+
+En ’t kwam niet,—’t had zelfs nog nimmer pogingen gedaan om te
+verschijnen gedurende de vier jaren, dat ze getrouwd waren.
+
+ * * * * *
+
+In den beginne van hun huwelijk hadden zij zich, zooals alle
+jonggehuwden, illusiën gemaakt, gewacht, gehoopt, gewenscht, geduldig
+en lang, maar altijd tevergeefs.
+
+Marie was een tijd lang stil, zéér stil geworden, toen korzelig van
+humeur en prikkelbaar; daarna was een soort van zwaarmoedigheid
+gekomen, en toen ook die eindelijk was voorbijgegaan, had zij zich
+zelve weten wijs te maken, dat ze er eigenlijk niets meer om gaf, dat
+’t zóó was en niet anders, en dat ’t wel zoo verkieslijk was. Maar
+toch had ze telkens in stilte geschreid, als zij tegenover haar
+venster de timmermansvrouw op den drempel van haar woning zag staan,
+met een dikken jongen, met roode koonen en zijdeachtig krullend haar
+en groote blauwe oogen, op den arm. Zij hield zich echter groot voor
+Frits; hij had zich immers—zoo kwam het haar voor—al zeer spoedig met
+het denkbeeld „geen kinderen te hebben” verzoend. ’t Verwonderde haar
+wel, maar ze vond het gelukkig en toonde hem daarom nooit, dat zij er
+nog altijd onder leed.
+
+En hij?—Och! hij was altijd in één humeur en bemoeide zich nooit met
+kinderen van anderen; ’t scheen zelfs alsof hij minder van kinderen
+hield dan vroeger, en als het teere punt niettegenstaande alle
+voorzorgen toch nu en dan werd aangeroerd, kon hij zoo erg goedig
+tegen Marie zeggen: „Wijfjelief! we zouën er nu misschien niet eens
+meer aan kunnen wennen. ’t Is nog veel beter geen één, dan zoo’n half
+dozijn, als bij mijn compagnon bij voorbeeld.”
+
+Zonderling genoeg had hij echter juist tot dienzelfden compagnon een
+paar malen gezegd: „Wat heb jij toch heerlijke kinderen!—Hum! ik zou
+misschien wel uit de zaken willen; want waar werk ik eigenlijk zoo
+hard voor?” Verder zweeg hij er over en leefde met Marie kalm en
+tevreden voort. Zij lieten elkanders heimelijke wenschen onbesproken,
+gingen altijd _te samen_ uit en kwamen altijd _samen_ weer te huis om,
+zonder dat zij ’t elkander wilden zeggen, telkens opnieuw tot de
+ontdekking te komen, dat er in hun huis toch iets—een kleinigheid
+maar—ontbrak, die geen van beiden meer noemde, omdat zij werkelijk zoo
+veel van elkaar hielden.
+
+’t Is een doodgewoon verschijnsel, dat in een huishouden zonder
+kinderen, na korter of langer tijd, een of ander huisdier, een kat of
+een hond, soms een vogel, als plaatsvervanger dienst doet en dan
+gewoonlijk min of meer despotisch regeert.
+
+Wanneer de man van huis is, heeft de vrouw behoefte aan iets levends,
+dat om haar heen zich beweegt; zij moet—zooals men dat noemt—„een
+aanspraak” hebben, in één woord een wezen, dat, zij het dan ook
+slechts in beperkten zin, een deel van haar teederheid kan ontvangen
+en beantwoorden.
+
+Dit was ook in Stralings huis gebeurd; bijna een jaar geleden was in
+het model-huishouden een kleine tiran binnengekomen en wel in de
+gedaante van een leelijken, grauwig gelen bastaard-smoushond.
+
+Frits had hem op een kouden herfstavond, terwijl ’t regende dat ’t
+goot, bibberend, nat en verkleumd voor de huisdeur gevonden en,
+medelijdend van aard als hij was, ’t kleine diertje binnengebracht en
+aan de meid gegeven, om ’t in de keuken wat te doen opdrogen.
+
+Niet zonder een vrij luid protest, had de kraakzindelijke Jaantje „den
+leelijken straathond” opgenomen, met een ouden lap zoo goed mogelijk
+afgedroogd en in een mandje gelegd, met het vaste voornemen, om hem
+den volgenden ochtend weer weg te jagen. Maar ’t zou heel anders
+gebeuren, dan zij zich voorstelde. Toen Marie het bibberende diertje
+had gezien, dat zoo smeekend van onder zijn verwarde haren tot haar
+opzag, als vroeg het bevend: „Och jaag me niet weer weg!” kon zij niet
+besluiten om Jaantjes raad te volgen en „het mormel aan den dijk te
+zetten”. Integendeel zij bekeek „het mormel” oplettend, vond dat het
+aardige, snuggere oogjes had en zóó vriendelijk met zijn kort staartje
+kwispelde, dat het zonde en jammer zou zijn om ’t arme dier weer in
+zijn vroegere ellende terug te stooten.
+
+Frits had er niets tegen, dat ’t hondje bleef, en met onderling
+goedvinden—Jaantjes stem was natuurlijk van onwaarde—werd besloten,
+dat de vondeling als huisgenoot zou worden aangenomen en voortaan naar
+den naam van „Bijou” te luisteren had.
+
+De naam „Bijou” was een „bon mot” van Frits, die, toen hij lachend
+zijn toestemming gaf tot de opneming van ’t diertje, er bij had
+gevoegd: „Dan zou ik hem „Bijou” noemen, want ik geloof, dat hij een
+juweel van leelijkheid zal worden.”
+
+Marie, meer optimistisch gestemd, verzekerde met allen ernst dat ’t
+nog nestharen waren, die ’t hondje ontsierden, en dat hij eenmaal zijn
+naam alle eer zou aandoen.
+
+Jaantje, in de keuken, was daarentegen danig uit haar humeur en
+beweerde herhaaldelijk tegen de werkster, „dat ’t volk tegenwoordig
+maar persies deê wat ’t wou, en dat ’t voor een fersoenlijke
+dienstmeid geen doen was om behalve de gewone druktens nog de
+akefietjes van zoo’n mormeldier te moeten redderen.”
+
+
+III.
+
+Bijou was, ’t bleek allengs zonder eenigen twijfel, van zeer bijzonder
+plebeïschen oorsprong. Zijn vader—hij had hem nooit gekend—was
+vermoedelijk een fikhond geweest, terwijl zijn moeder, naar
+menschelijke berekening, meer tot het smoushondensoort scheen te
+hebben behoord. Van haar had hij waarschijnlijk het lange geelgrijze
+haar en de snuggere oogen gekregen, terwijl zijn vader meer bepaald
+schuld had aan zijn lompe pooten en den zonderlingen vorm van staart
+en snoet, die beide voor die van een smoushond te spits en voor die
+van een fik te stomp waren.
+
+Opvoeding had hij hoegenaamd niet genoten en van zindelijkheid nog
+niet het minste besef, zoodat hij een voortdurende ergernis bleef in
+Jaantjes oogen. De eerbare keukenmeid was dan ook, van af het
+oogenblik zijner komst in Stralings woning, zijn gezworen vijandin,
+vooral ook omdat Mevrouw zich niet ontzag, de reinheidsovertredingen
+van Bijou op rekening van Jaantjes nalatigheid te schuiven.
+Niettegenstaande de tegenwerking van de keukenmeid, groeide de hond
+een weinig en wist hij zich door allerlei kleine, behendige greepjes
+in ’t hart van Marie en door den weeromstuit in dat van Frits een
+vaste plaats te veroveren.
+
+Een rood halsbandje, hem door zijn meesteres vereerd, wekte in den
+beginne zijn afkeer en toorn in hooge mate op en herhaaldelijk was
+hij, bij zijn pogingen om zijn hals van dat versiersel te ontdoen, op
+het punt zich aan zelfmoord te bezondigen. Aan alles went men echter
+op den duur, zoo ook Bijou aan zijn halsband.
+
+Langzamerhand verloor hij iets van zijn nestharen en onzindelijke
+manieren, en nadat hij, drie maanden na zijn opneming bij ’t
+kinderlooze echtpaar, de kunstbewerking van „’t half geschoren
+worden” had ondergaan, was hij in zooverre een presentabele hond
+geworden, dat hij op een Zondagmiddag na ’t dessert aan oom Harmsen,
+die bij de Stralings had gedineerd, kon worden voorgesteld.
+
+„Wel, oom!” vroeg Marie, toen Bijou de kamer intrippelde, „is ’t geen
+aardig diertje geworden? Wat blijft hij lief klein, hé! En schrander
+is hij, o!”
+
+Oom nam zonder een woord van lof of blaam te vroeg te verspillen „het
+aardige diertje” in zijn nekvel, zoodat het zijn roode tong
+vervaarlijk ver uitstrekte en zijn oogjes van onder de lange gele
+haren naar voren puilden, bekeek het met aandacht en kennis van zaken
+en zette het daarna voor Maries voeten op den grond, terwijl hij de
+gedenkwaardige woorden uitte: „’t Is een monster!”
+
+Frits lachte, dat de tranen hem over de oogen liepen, en Marie nam
+Bijou, die met een schuinschen blik angstig naar oom Harmsen zag, op
+haar schoot en kuste zijn zwarten snoet, terwijl ze half knorrig, half
+lachend, zei: „Kom jij maar hier, m’n beestje; ik vind je lief, hoor!
+Stoor je maar niet aan oom Bullebak!—Dáár heb je een koekje van de
+vrouw.”
+
+Oom zweeg, haalde tegen Frits, die stil voor zich in zijn baard zat te
+lachen, de schouders op en dacht bij zichzelf: „Ieder zijn meug.”
+
+’t Dient ter eere van Bijou gezegd, dat hij, naarmate hij ouder werd
+en fatsoenlijker, zijn uiterste best deed om de liefkoozingen van „de
+vrouw” te verdienen. Geen oogenblik liet hij haar alleen; waar zij
+was, was ook hij en met stoïcijnsche gelatenheid liet hij zich
+herhaaldelijk van al de trappen rollen, omdat hij Maries peignoir bij
+den sleep had aangepakt en zijn buit niet losliet, vóór hij
+holderdebolder zijn meesteres was nagekogeld.
+
+Was zij van huis geweest, dan zat hij haar deftig op ’t kussen in de
+vensterbank af te wachten, en zoodra hij slechts het tipje van haar
+neus te zien kreeg, kwam zijn staart in geweldige ontroering terwijl
+hij de zonderlingste blijdschapstonen uitte die een hondenkeel ooit
+voortbracht. In Maries schoot vergat Bijou gewoonlijk des avonds de
+vermoeienissen van den dag en droomde van een zalig niets doen, zooals
+alleen een verwend schoothondje droomen kan.
+
+Frits, verre van jaloersch te zijn op den kleinen tiran, die zich
+tusschen zijn vrouw en hem had ingedrongen, begon van lieverlede even
+gek te worden op „’t monster”, dat van zijn kant die toenadering
+waardeerde en spoedig met evenveel blijdschap „den baas” begroette als
+„de vrouw”.
+
+„’t Is om je te bedoen,” verzekerde Jaantje, rood van kwaadheid, tegen
+haar vertrouwelinge, de werkster: „daar zit me nou ’s middags dat
+mormel, tusschen meneer en mevrouw in, aan tafel. Ja! zoo waarachtig
+als ik hier voor je sta, m’n goeie mensch! Eerst zat ie op den grond,
+maar nou moet ik, God beter’t, al een stoel voor ’m klaarzetten ’s
+middags. ’t Mankeert er nog maar aan, dat ’k voor ’m dekken moet ook.”
+
+Inderdaad het was zoo, Bijou had het ver gebracht, zéér ver: hij zat
+deftig ’s middags mee aan tafel op een stoel met een voetkussen er op
+als verhooging, tusschen zijn twee getrouwe vazallen in. Maar hij was
+ook zoo verbazend aardig, die kleine dwingeland; ’t was zoo grappig om
+te zien, hoe hij telkens met zijn pootje op Maries arm tikte en zoo
+vleiend zijn brutale bedelaarsneus nu eens links dan rechts naar zijn
+buren wendde. ’t Was heusch alsof hij guitig knipoogde tegen dengeen,
+die hem ’t eerst wat gaf.
+
+Frits en Marie vermaakten zich met hun kleinen dischgenoot, die
+onvermoeid was in ’t dankbaar aannemen.
+
+’t Is onberekenbaar hoeveel dankbaarheid een hondenmaag kan bevatten,
+en Bijou was zóó dankbaar, dat hij liever aan tafel zou zijn
+doodgebleven dan één enkele bete te weigeren, die Maries slanke
+vingers of de vork van Frits hem aanboden. Na tafel hield hij, om geen
+naijver op te wekken zijn siësta beurtelings bij „den baas” en bij „de
+vrouw”, die iederen dag meer schik in hun lieveling kregen en zich
+geduldig onder zijn schepter kromden.
+
+ * * * * *
+
+Bijou regeerde dus bijna despotisch in den huize Straling, maar—niet
+overal. In de keuken was zijn macht zeer beperkt, schier nul, want
+Jaantje was en bleef zijn geslagen vijandin. Zij kon „het mormel”,
+volgens haar eigen getuigenis, „niet luchten of zien, en zou hem”—’t
+waren haar eigen woorden—„wel ereis geknauwd hebben, als ze maar
+gedurfd had vanwegens ’t volk.” Was ’t alleen de herinnering aan de
+talrijke „akefietjes,” die Bijou haar eertijds bezorgd had, waardoor
+het hart der brave Jaantje zoo onvrouwelijk vol bitteren haat klopte?
+O! neen, de oorzaak van haar afkeer had een veel dieperen grond, een
+geldiger oorzaak:—de cavalerie!
+
+Sedert ruim een jaar namelijk, had de brave keukenmeid een eerlijke
+verkeering met Tienus, een cavalerist, die, omdat hij oppasser was van
+den k’rnèl en bekend stond als knap, fatsoenlijk en finaal vrij van
+sterken drank, des Zondagsavonds, als ’t Jaantjes thuisblijfdag was,
+in de keuken mocht komen om....?
+
+Ook een keukenmeid draagt in den vollen boezem een gevoelig, warm
+kloppend hart, en een rechtgeaard cavalerist weet dat te waardeeren,
+voornamelijk op avonden dat ’t stil is en rustig in huis en „’t volk”
+boven zit te schemeren.
+
+Waarschijnlijk was het een gevolg van Bijou’s bloedmenging of een
+erfelijkheid van vader of moeders kant, dat hij een buitengewonen
+afkeer had van de cavalerie-uniform. Reeds bij zijn eerste intrede in
+Stralings huis, in ’t prilste van zijn jeugd, had hij daarvan de
+doorslaandste bewijzen gegeven, door woedend blaffend en keffend op de
+vetleeren laarzen van den „finaal-vrijen dragonder” aan te vliegen en
+daardoor Jaantje de wreedaardige uitnoodiging op de lippen te leggen:
+„Geef hem ’n doodschop, Tienus!”
+
+De dappere krijgsman echter behandelde zijn kleinen vijand
+grootmoedig, tilde Bijou eenvoudig op bij zijn staart en zette hem in
+’t kolenhok, waar hij zich na tallooze vruchtelooze pogingen ter
+ontsnapping eindelijk huilend en jankend in ’t gruis ter ruste legde,
+om den volgenden morgen als een onooglijk vies en zwart ondier te
+voorschijn te komen en Jaantje een strenge berisping van Mevrouw op
+den hals te halen.
+
+Bijou kon waarschijnlijk dien vreeselijken nacht in de kolen nooit
+vergeten; zijn hondenhart zon op wraak.
+
+De vetleeren laarzen en de lakensche cavalerie-pantalon met lederen
+inzetsels waren hem, zooals hij had ondervonden te machtig, en zijn
+eigen staart was hem te dierbaar om een tweeden aanval op Tienus te
+durven wagen; daarom bepaalde hij zich voortaan alleen tot een kort,
+knorrig brommen, wanneer hij ’s Zondagsavonds de nadering van Jaantjes
+vriend bespeurde; maar hevig blaffend en brommend stoof hij naar de
+kamerdeur, wanneer hij op andere dagen door zijn neus of ooren
+gewaarschuwd werd, dat de cavalerie in aantocht of binnengerukt was.
+
+Juist die „verraaierlijkheid” kon Jaantje niet verdragen, zij deed
+haar maagdelijk hart schier bersten van toorn, en toen zij eenige
+malen door Bijou’s vriendelijke tusschenkomst van Mevrouw „een
+compelement” had gekregen, omdat Tienus op andere dagen dan de
+gepermitteerde in de keuken was geweest, ten einde zich over
+ettelijke kliekjes te ontfermen, zei ze tot haar uitverkoren held:
+„Tienus, als jij een kerel bent, dan draai je dien Judas van een
+Besjoe gewoon z’n nek om.”
+
+„’k Zal ’m bij gelegenheid wel ereis waarnemen,” was ’t antwoord
+geweest van den dragonder, die met zijn vlakke rechterhand de
+overblijfselen van een karbonade uit zijn rossigen knevel verwijderde,
+om daarna op Jaantjes bolle wangen twee vette afdrukken achter te
+laten, toen hij haar ijlings verlaten moest, omdat „die stinkende
+hond” boven op eens zoo aanging en Mevrouw in aantocht was, ten einde
+te komen zien, of Bijoutje ’t weer bij ’t rechte eind had.
+
+Ditmaal gelukte het der cavalerie nog om tijdig den aftocht te blazen
+en zei de keukenmeid, met oogen glinsterend van voldoening: „Ziet uwé
+nou wel, Mevrouw, dat die lieve Besjoe drukte maakt voor niemendal?”
+
+
+IV.
+
+’t Was stil in Stralings woning; ’t had er iets van alsof er een doode
+in huis was,—zóó droevig zagen èn Marie èn Frits er uit. Zij zat met
+een bekommerd gelaat op de canapé in de huiskamer, en hij stond naast
+haar met zijn hoed op en een demi-saison aan.
+
+„Niets? Heb je niets van hem gehoord,” vroeg Marie tragisch; en toen
+Frits op een ietwat weemoedigen toon in zijn stem antwoordde: „Niets,
+beste, niemendal,” zuchtte ’t lieve vrouwtje diep en smartelijk,
+terwijl ze zei: „Arme lieveling! Als hem maar niets overkomen is.”
+
+Frits zweeg, hoewel een zwart vermoeden, een duister voorgevoel, dat
+de cavalerie wel meer van de zaak zou weten, in zijn hart opdoemde.
+
+Sedert vier dagen was Bijou plotseling verdwenen, spoorloos
+verdwenen; zonder afscheid van zijn vazallen te nemen, was de tiran
+heengegaan. Waarheen?—Niemand wist het. Zelfs de politie had hem nog
+niet kunnen ontdekken en een in verschillende dagbladen aanstonds
+uitgeloofde belooning voor het terugbrengen van den vluchteling was
+tot dusver zonder eenig gevolg gebleven.
+
+Jaantje was, haar bekende afkeer van Bijou in aanmerking genomen, door
+Straling scherp verhoord en menig „’t is zonde, meheer” of „hoe kan
+uwee nou zoo ies veronderstellen” was met diepe verontwaardiging aan
+haar lippen ontsnapt, toen zoowel Marie als Frits niet ontveinsden,
+dat zij haar verdachten van medeplichtigheid aan Bijou’s
+raadselachtige verdwijning.
+
+Met de hand op ’t hart en bleek van schrik, had zij op het tot haar
+gerichte kruisvuur van vragen geantwoord: „’k Zal hier staande
+sterven, meheer en mevrouw, als ik er iets van weet. Ik kan uwee
+alleen maar zeggen, dat Besjoetje soms wel ereis met een ander hondje
+uit de buurt stoeide, als ik ’m uitliet; maar met een woord van
+waarachtigheid kan ik u ook verzekeren, dat ’k hem juistement dáárom
+in den laatsten tijd nooit anders dan aan ’t touwetje heb uitgelaten.”
+
+„En weet Tienus er niets van?” vroeg Frits, terwijl hij Jaantje, die
+onwillekeurig bij ’t noemen van dien naam de oogen neersloeg,
+doordringend trachtte aan te zien. Marie rilde even en dwong met
+geweld haar tranen terug, want plotseling kwam haar het beeld van den
+stoeren dragonder, Bijou’s antipathie, voor den geest.
+
+„Tienus?” riep Jaantje bijna verontwaardigd. „Tienus, meheer! die is
+de goeïgheid zelf. O heere neen! die heeft er geen part of deel an,
+die zou ’m subiet hebben weerom gebracht, als hij ’m iewers had
+ontmoet.”
+
+Het onderzoek leidde dus tot niets, de ondankbare hond was en bleef
+weg; hij had zijn weldoeners, zijn pleegouders zonder één enkel
+gemoedsbezwaar, zonder wroeging snood verlaten, om.... Neen! laten we
+over Bijou’s afdwalingen zwijgen; zelfs het hondenhart heeft
+wonderlijke gangen en ’t past den redelijken mensch niet om ’t
+redelooze dier te veroordeelen, dáár waar het zondigt—uit liefde.
+
+Aan oom Harmsen, die toevallig in die dagen van beproeving bij de
+Stralings was komen aanwippen, werd—zooals vanzelf spreekt—het geheele
+verhaal van Bijou’s vlucht in geuren en kleuren door Marie medegedeeld
+en niet zonder dat een weerspannige traan zich op de wangen van „’t
+dotje” vertoonde.
+
+Frits, die als rechtgeaard echtgenoot, minstens de helft van ’s
+vrouwtjes verdriet wilde overnemen, vertelde met doffe stem, dat hij
+er „waarlijk veel weet van had,” een verzekering, die oom Harmsens
+lippen in een zonderling ondeugende plooi bracht en den goeden man
+eindelijk in een hartelijk gelach deed uitbarsten.
+
+„’t Is bij mijn ziel om te stikken,” riep de oude zeekapitein, terwijl
+hij een lachtraan uit zijn bakkebaard wischte. „Jelui bent allebei
+groote kinderen, hoor! ’t Is waarachtig alsof er een sterfgeval in de
+familie is: dáár zitten me nu twee groote menschen met gezichten van
+een el lang te lamenteeren over een mormeldier, een monster, een
+schuinsmarscheerder, die ’t verzuipen niet waard is. Ben jelui wel
+goed frisch, allebei?—Nou kijk me zoo boos maar niet aan, mijn
+poppetje; lach liever ereis mee om je eigen gekheid.”
+
+„Ik heb zoo’n idee, dat hij t’ avond of te morgen wel terugkomt,”
+bracht Frits in ’t midden; maar oom viel hem in de rede, door aan
+Marie te vragen: „En zou je dan dien doordraaier weer in huis
+nemen?—Wat! zeg je: ja? Hoor eens, meid, als je niet zoo’n lieve dot
+was, zou ik je eens onder handen nemen; ik geloof waarachtig, dat,
+als je man je zoo’n poets bakte als nou dat kleine monster, je hem
+niet eens zoo dadelijk weer in genade zoudt aannemen!”
+
+„Oom, oom! je slaat weer door,” riep Frits lachend, en Marie schoot
+insgelijks in een lach, toen zij oom aanzag, die met een
+tragi-comische uitdrukking op zijn gelaat zijn rede besloot met de
+woorden: „Ik zou in jou plaats in den zwaren rouw gaan.”
+
+„Ouwe barbaar!” zei Marie, toen oom uitgelachen had; maar in haar
+oogen tintelde weer een vonkje van de vroegere vroolijkheid, en toen
+Frits ook een opgeruimd gezicht zette, zijn arm om haar midden sloeg,
+een kus op haar frissche lippen drukte en schertsend vroeg: „Met uw
+permissie, oom,” riep de vroolijke zeeman: „Zóó mag ik het zien.
+Jongens! geneer je niet, ga je koers maar; ik geloof, dat jelui al
+wijzer wordt.—Kijk nu zoo’n paar lui eens aan: ze zouën waarachtig om
+zoo’n leelijk misbaksel van ’n hond vergeten, dat ze mekaâr nog
+hebben. Als één van jelui beiden er stiekum van door was gegaan, à la
+bonne heure, dan zou ik ’t natuurlijk vinden, dat de andere zijn dek
+schrobde. En wil jelui met geweld een hond in je huis hebben, dan zal
+ik je een van de mijne geven; ’k heb nog vier jonge fikken
+thuis,—mooie bastaards. Ze zijn tot je dispositie.”
+
+ * * * * *
+
+Veertien dagen later verscheen Bijou op een morgen onverwachts aan de
+voordeur. Jaantje sloeg juist de vloermat uit en bleef een poosje met
+open mond en groote oogen den teruggekeerden vluchteling, die met den
+staart tusschen de beenen zich eensklaps voor haar vertoonde,
+aanstaren; toen liet ze de mat vallen, sloeg de handen ineen en uitte
+een doordringend: „Daar is ie!—daar is ie! Mevrouw, kom ereis gauw
+beneden; Besjoe is weerom!”
+
+Marie, in wier gevoelig hart eensklaps de oude, sluimerende teederheid
+voor haar lieveling met nieuwe kracht ontwaakte, stoof „en négligé” de
+trappen af en ontwaarde een onooglijk, vuil, gehavend ondier, dat
+kwispelstaartend, maar min of meer schuw—zelfs een hond heeft
+gewetenswroegingen—haar langzaam naderde.
+
+Was dat Bijou?
+
+„Kristenen-zielen, Mevrouw! wat ziet ie er verloopen uit; hij is
+effetief aan den scharrel geweest, dat kun je hem aanzien,” zei
+Jaantje, terwijl ze naast mevrouw in de gang staande den
+teruggekeerden vagebond oplettend beschouwde. „’k Zal ’m maar eerst
+meenemen naar de keuken en eens een goed vet zeepsoppie geven, want
+uwee avontuurt, dat ie niet alleenig terugkomt. Kijk z’n oogen ereis,
+en z’n neus vol krabbels: hij is in den slag geweest! Wel! Wel! wat is
+ie mager geworden! Nou! die weet, dat ie een slippertje heit gemaakt.”
+
+Wel werd de teruggekeerde lieveling weer in genade aangenomen, toen
+hij, gewasschen en opgeknapt, met luid vreugdegeblaf en gehuil tegen
+zijn meesteres en den baas opsprong en hem en haar onstuimig de handen
+likte, maar—met zijn despotieke heerschappij was ’t voorgoed gedaan;
+hij werd voortaan behandeld als een constitutioneel vorst, wiens
+grillen slechts dan werden geëerbiedigd, als ze niet in tegenspraak
+waren met de grondwet.
+
+Frits en Marie waren beiden door ’t zien van Bijou’s verloopen
+uiterlijk verstandiger geworden, en dachten na over de mogelijkheid,
+dat hij nog niet volkomen van zijn erotische grillen zou kunnen
+genezen zijn. Ze overlegden, dat ’t best zou kunnen gebeuren, dat hun
+lieveling nogmaals voor de verleiding bezweek; daarom namen ze
+voorloopig een afwachtende houding aan en duldden hem nu dáár, waar
+hij vroeger werd vergood en vertroeteld.
+
+Arme Bijou! Beklagenswaardig slachtoffer van „de liefde.”
+
+
+V.
+
+Ongeveer een jaar later was in Stralings huis een groote verandering
+ophanden. Sedert een paar dagen was het geheele huishouden in rep en
+roer; er zweefde als ’t ware een zekere zenuwachtige gejaagdheid in de
+lucht, waarvan al de huisgenooten in meerdere of mindere mate den
+invloed ondervonden. Mijnheer bleef zooveel te huis als hij maar
+eenigszins kon, en ’t was opmerkelijk, dat zijn goedhartig gelaat
+voortdurend een zonderlinge mengeling van angst en trotsche vreugde
+vertoonde, als stond hem een groot geluk te wachten, dat hij met
+angstige spanning verbeidde.
+
+Mevrouw had herhaaldelijk geheime onderhandelingen gevoerd met een
+groote, dikke vrouw, die een onberispelijke neepjesmuts, een lichte
+katoenen japon en een zwartzijden boezelaar droeg, en Jaantje
+pruttelde in zich zelve, terwijl zij in de keuken haar werk
+verrichtte: „Dat mensch begint me derekt al te commandeeren; ze hangt
+me nou al de keel uit. Zoo’n armoede en grootheid! Wat verbeeldt ze
+d’r eigen wel?”
+
+Het „mensch”, dat Jaantjes ontevredenheid opwekte, was juist weer in
+de slaapkamer met Mevrouw aan ’t onderhandelen en verzekerde op
+stelligen toon: „dat ’t vandaag posetief nog gebeuren zou en dat
+meneer den meester maar vast moest gaan waarschuwen.”
+
+Nog nimmer hadden Maries lieve blauwe oogen zoo vol voldoening en
+geluk geschitterd, haar blosje was hooger dan anders en ’t blonde haar
+„en bandeaux” langs de slapen gelegd en van achteren tot één vlecht
+gestrengeld had haar nog nooit zóó goed gestaan als op dien dag.
+
+In een gemakkelijken fauteuil gezeten, zag zij met een zenuwachtig,
+maar gelukkig glimlachje naar de baker, die met kalme bedrijvigheid in
+de kamer heen en weer drentelde om alles voor de komst van „den
+Ooievaar” voor te bereiden; en toen Frits eindelijk binnenkwam en de
+onderhandeling stoorde met een: „Alles is in orde, mijn schat”, wenkte
+Marie haar man tot zich, stak uit de kanten mouwen van haar luchtigen
+peignoir beide poezelige handjes naar hem uit en trok toen blozend
+zijn bruinen krullebol naar beneden. Eerst kustte zij hem zachtkens op
+zijn oor en fluisterde hem toen iets in, dat zijn hart sneller deed
+kloppen en op zijn trillende lippen de woorden: „Zou ’k waarachtig zóó
+gelukkig zijn,—een jongen?” bracht.
+
+Met de armen onder de borst gekruist zag de baker met half spottenden,
+half goedigen glimlach de twee echtgenooten aan en dacht bij zichzelf:
+„Dat geeft minstens een gouden tientje, als ’t heusch een jongen is.”
+
+ * * * * *
+
+En...?
+
+’t Was een jongen! En wel „een dikke gezonde knaap, als uit meheers
+gezicht geformeerd,” zooals op den avond van dienzelfden dag de baker
+met een hoog wijs gezicht verklaarde, terwijl zij den stamhouder der
+Stralings het vanouds gebruikelijke bakkertje opzette, om hem daarna,
+stijf ingebakerd als een pakje, aan Papa te vertoonen en met
+ongeëvenaarde handigheid het haar dientengevolge heimelijk in de hand
+gedrukte goudstukje in den witten zak onder haar japon weg te
+goochelen.
+
+Frits was opgewonden van vreugd en geluk; hij had de geheele wereld
+wel willen omarmen,—de oude baker incluis.—Een zoon was hij rijk! Wat
+kon hij meer verlangen?
+
+Onophoudelijk kwam hij niettegenstaande bakers allengs ernstiger
+wordend protest eens even om ’t hoekje der kamer kijken, waar Marie,
+schoon en liefelijk als een witte roos, sluimerde in ’t sierlijke
+ledikant en achter de zorgvuldig neergelaten kanten gordijnen haar
+eersten droom van moedervreugd droomde, totdat het ontwaken haar de
+zekerheid schonk, dat alles werkelijkheid was.
+
+In Stralings huis was plotseling een waas van rustig, vredig geluk
+verspreid geworden; ’t hing warm en bedwelmend in de vertrekken, waar
+’t de sprekenden noopte hun stemmen te dempen, en ’t hield den al te
+snellen voet in gang en portalen terug, opdat geen onnoodig gedruisch
+de kalmte mocht verstoren.
+
+ * * * * *
+
+Slechts twee wezens gevoelden zich in dat gelukkige huis, op dien dag,
+ellendig, misdeeld, ongelukkig en diep-rampzalig: ’t waren Bijou en
+Jaantje!
+
+Bijou was reeds eenige weken vóórdat de ooievaar op Stralings dak
+neerstreek, naar het sousterrain verbannen; zijn rijk in salon en
+huiskamer was uit en de liefkoozingen, die in vroegere, betere tijden
+met zoo kwistige hand aan hem werden verspild, bepaalden zich sedert
+lang reeds tot niet meer dan een gedachteloos aaien, een strijken over
+zijn kop of rug, als had de hand, die het deed, slechts werktuiglijk
+een oude gewoonte gevolgd.
+
+Een mand met een stuk karpet, in den kelder geplaatst, diende hem nu
+des nachts tot legerstede, en hij, die vroeger sybaritisch in Maries
+schoot of op de knieën van Frits zijn siësta hield, moest zich thans
+tevredenstellen met den schoot en den vettigen bonten boezelaar van
+Jaantje, die niet langer zijn aartsvijandin was.
+
+Het ongeluk had hen samengebracht, beproeving en smart hen tot
+vrienden gemaakt.
+
+Hoe dat gekomen was? Eenvoudig zóó!
+
+Enkele dagen na Bijou’s verbanning naar ’t sousterrain had de
+brievenbesteller onder etenstijd een ongefrankeerden brief gebracht
+van Tienus, die sedert ruim een maand naar een ander garnizoen was
+overgeplaatst. Jaantje betaalde met vreugd de tien cents porto, want
+haar liefdevol hart klopte teeder en warm, toen zij het adres had
+gelezen; en zonder verwijl opende zij het couvert om aan de
+keukentafel zittend, tusschen een restant kalfsgehakt en een bord met
+bloemkool, waarvan ze enkele minuten geleden nog met smaak iets had
+genuttigd, de hartsgeheimen en de ontboezemingen van haar getrouwen
+cavalerist te lezen. „’t Volk” zat nog aan ’t dessert, en daarom had
+ze tijd genoeg, vóórdat er gescheld werd om af te nemen.
+
+Toen zij den brief had geopend en ontvouwde, viel er iets uit en in de
+bloemkoolsaus. ’t Was een portret,—haar eigen beeltenis. Zij had nog
+vijf gelijke en gelijkvormige in voorraad van ’t half dozijn, dat de
+photograaf had vervaardigd ter eere van Tienus.
+
+Ze schrikte, vischte het kaartje met duim en vinger uit de saus, zei:
+„Jaan, wat gebeurt je nou” en likte met kloppend hart „haar beeltenis”
+haastig af.
+
+Wat moest dat beteekenen? Zij begon over haar geheele lichaam te
+beven; de zenuwen werden haar de baas, zoo zelfs, dat ze een oogenblik
+niets hoorde of zag.
+
+Bijou maakte dadelijk van Jaantjes verwarring gebruik; hij sprong op
+een stoel, daarna op tafel en bespaarde in minder dan geen tijd der
+keukenmeid de moeite, haar gehakt op te eten; vervolgens ontfermde hij
+zich over de bloemkool, en eerst toen hij „niet meer kon”, bleef hij
+tegenover Jaantje, die met door tranen verduisterde oogen op Tienus’
+brief zat te staren, zitten en sloeg met zijn staart een zachten
+roffel op de tafel, als kwispelde hij zichzelf een „bravo” toe over ’t
+volvoerd boevenstuk. Terwijl hij zijn zwarten snoet welbehaaglijk
+aflikte, keek hij met schuins gehouden kop belangstellend naar zijn
+overbuur, alsof hij zeggen wilde: „Wat mankeert jou?”
+
+Wat haar mankeerde?—Alles!—Zij had den brief gelezen en haar minnend
+hart was op ’t punt van te breken; hevig zwoegde onder ’t opgespelde
+eva’tje de eerlijke boezem, waarop Tienus’ hoofd in een doublé
+medaillon nog altijd schommelde.
+
+’t Rood van Jaantjes wangen was van glimmend karmijn eensklaps tot
+bleekgrijs steenrood overgegaan en aan haar wimpers parelden dikke
+druppels, die afwisselend langs den tip van haar neus en over de
+heuvelen harer wangen afvloeiden. Zij herlas Tienus’ schrijven
+langzaam, bij ieder woord ophoudend om te zuchten of te snikken.
+
+Bijou keek haar meelijdend aan en krabde met zijn rechterachterpoot
+zijn oor, als wilde hij zeggen: „Jaan! Jaan! dat is een ijselijkheid
+voor je.” Toen kwam hij nader, legde zijn poot op haar arm en keek
+onbescheiden mee in den brief.—„Mejuvfrou”, schreef Tienus. Ach! dat
+ééne woord had onmiddellijk aan de arme Jaantje _alles_ gezegd;
+vroeger schreef hij immers: „Zwaar beminde Jaan,” en nu: „Mejuvfrou.”
+O! ’t was verschrikkelijk, verpletterend! Vooral de verdere inhoud van
+den epistel gaf haar den genadeslag.
+
+ „Hierbij U petret in Dank terug, U gouwe Dasspeld en de
+ Sarrifarie aan mijn kettink zel ik maar als gedagtenis
+ bewaare. Het zal Uw wel speiten, als dat ik uw nu schrijft,
+ dat van trouwe Voorshans geen sprake zijn ken, overwegens ik
+ heeft overgeteekent voor den Oost, bij de Artlerie en
+ vermits wij Zirka twee jaar met genoeglijkheit samen heeft
+ verkeerd zoo ken ik niet nalaate om uw Voorspoet en Geluk te
+ wensen, allerwegens, Zoo verblijf ik uw Dwillege vrient
+
+ vroeger u minnaar
+ MARTINUS PLUIT.
+
+ P.S. hartelijke Groetenis!”
+
+Toen de diepgetroffen keukenmeid den brief nogmaals doorgelezen had,
+veegde zij met haar hand, die nog min of meer zwart was van ’t
+fornuis, langs wangen, neus en oogen, zich zelve tatouëerend zonder
+dat ze ’t wist, pakte eensklaps den naast haar zittenden Bijou bij
+zijn kop, drukte haar lippen tegen zijn verwilderde gele haren en
+snikte: „Ja, stom dier, jij hadt toch wel gelijk, toen je dien Judas
+naar z’n beenen vloogt. Ja! kom jij maar hier, stakker; jij zit nou
+ook in de serijbel; jij bent een goed beest, maar hij is een valsche
+hond; voor mijn part vreten ze ’m derekt op in den Oost—zoo’n Judas!
+Verleden week stuurde ik ’m nog een guldens postwissel.”
+
+Van af dien gedenkwaardigen middag waren Bijou en Jaantje trouwe
+bondgenooten, onafscheidelijke kameraads.
+
+
+VI.
+
+’t Doopmaal was allergezelligst geweest; een klein, maar uitgelezen
+gezelschap had aan den rijk voorzienen disch alle eer bewezen en
+gedurende het dessert was de jongeheer Straling als een rooskleurige
+„bonbon” in een wolk van witte kant, op een sierlijk kussen, door de
+deftig in zwarte zijde gehulde baker aan de gasten vertoond. Men had
+op zijn wangetjes getikt, onder zijn kinnetje „kiele kiele!” gedaan en
+op zijn klein neusje met den vinger heen en weer gewiegeld, totdat het
+hem begon te vervelen en hij een keel opzette, die een der gasten tot
+de opmerking verleidde: „’n Stem als een klok, hoor!” en den dominee,
+die de eer had genoten hem te doopen de deftige woorden ontlokte: „’t
+Ventje heeft zich van morgen in de kerk uitmuntend gedragen; we kunnen
+hem dus nu zijn protesteeren van harte vergeven.”
+
+„Wat ’n wonder!” riep oom Harmsen, die zijn glas Champagne noch vol,
+noch ledig liet staan, „’t wurm sliep als een marmot; jammer genoeg,
+want je hebt ’m hartelijk toegesproken, dominee.” En toen de predikant
+min of meer zuurzoet, maar toch statig glimlachend antwoordde:
+„Gezegend zij die slapen kunnen als de kinderkens.” voegde de joviale
+zeeman er bij: „Ja, tusschenbeide is zoo’n tukkie in de kerk niet
+onlekker.—Maar gekheid op een stokje, dominee, ik kan wel niet tegen
+je optornen wat de welbespraaktheid betreft, maar ik wou toch wel een
+paar woorden zeggen, om mijn neef Frits en zijn dot van ’n wijf—Marie,
+dat ’s een lijntje à part met jou, hoor! Daar ga je!” hij dronk even
+een glas Moët—„hartelijk te feliciteeren. ’t Heeft wel vijf jaren
+geduurd, eer jelui dat knaapje van stapel lieten loopen, maar ’t ziet
+er van voren en van achteren goed uit, en daarom: Lang zal het leven!
+Nu er eenmaal een begin is, zul je zien, dat er geen ophouden aan is.
+Frits!—Marie!”
+
+Oom nam zijn glas op en boog zich over de tafel, om met de jonge
+ouders te klinken.
+
+„Nou zachtjes aan, hoor jongens! dan breekt het lijntje niet; één voor
+één asjeblieft en geen filipientjes er bij. Leve de stamhouder, Hiep,
+Hiep! Hoera!”
+
+ * * * * *
+
+„Hoor ze daarboven ereis aangaan! Wat ’n herrie om zoo’n wurm!—Dat
+mensch met die zwarte samaar an, maakt er alleenig nog een goed
+slaatje uit en ik blijf nuchter van de fooien,” pruttelde Jaantje, die
+in de keuken met Bijou op haar schoot bij de tafel zat. Onverschillig
+staarde zij op een bord met een stuk taart en tevergeefs vonkte een
+glas Champagne haar verleidelijk toe. Zij had geen sjenie in taart,
+zij lustte geen „sampanje”, want in haar ziel was ’t nacht,
+stikdonkere nacht gebleven, sedert de cavalerist zoo wreedaardig haar
+hart had gebroken.
+
+Met zachte hand liefkoosde zij Bijou en sprak: „Jou kunnen ze nou ook
+missen als kiespijn, arme sukkel!” Met een blik vol weemoedig
+verlangen keek de hond naar ’t bord met taart, als dacht hij: „Tienus
+had met dat brokje wel raad geweten; voor mij is ’t te groot, maar ’k
+zou toch mijn best doen, als ’k mocht.”—„Daar, stumperd, proef maar
+eens: ’t is roomtaart,” zuchtte Jaantje, terwijl zij, als raadde zij
+Bijou’s verlangen, hem een stukje van ’t gebak vereerde.
+
+Haar gramschap over Tienus’ ontrouw had zich langzamerhand opgelost in
+een stil, maar hartverterend verdriet, in een weemoedig herdenken aan
+die tijden van Olim, waarin haar ’t kletteren van sporen en zwaard als
+muziek in de ooren had geklonken. Zij kon de cavalerie nog maar niet
+vergeten, hoeveel moeite ze daar ook toe deed, hoeveel eerlijk
+gemeende pogingen zij ook aanwendde.
+
+Toch was er voor haar eenig licht gekomen in de zwarte duisternis van
+haar gemoed, want sedert het 6e regiment infanterie de plaats van de
+dragonders had ingenomen, was des avonds tusschen licht en donker aan
+de deur van het onderhuis een „ko’praal” verschenen, die aan „juffrouw
+Jaantje” met militair salut had verkondigd, dat zij, door een kennis,
+aan hem „gerikmedeerd was als een geschikt meissie voor ’n milletèr.”
+
+„’t Is in ’t geheel geen onknap persoon,—is ’t wel Besjoe?—maar ’n
+piot—daar kan ik zoo in eens niet toe besluiten,” zei de gevoelige
+keukenmeid tegen haar bondgenoot, die in haar kuischen schoot
+knipoogend zijn verloren Paradijs weinig scheen te betreuren en
+behaaglijk geeuwend de tong tegen haar uitstak, toen ze ’t woord tot
+hem richtte.
+
+„’k Zal ’m nog maar geen uitsluitsel geven en wij zullen maar bij
+mekaar blijven, hé stom dier! En als ik t’avond of te morgen
+verhuis,—want ’t wordt me hier veelste druk met dien
+schreeuwleelijk,—dan ga jij met Jaantje mee, arme stakkerd.” In een
+aanval van teederheid greep zij een van Bijou’s voorpooten en drukte
+dien als ware ’t een vriendenhand.
+
+De hond jankte even en trok zijn pootje terug, een beweging die zijn
+vriendin deed zeggen: „’t Is zonde, da’s waar ook, je heit een zeeren
+poot, en dat is notabene de schuld van je eigen baas: hij most z’n
+eigen schamen om jou zoo te schoppen. Kom hier, m’n beessie, ik zal je
+ereis wrijven; dan wordt ’t beter.—Zóó, m’n hondje, zóó! Dat doet je
+goed, hé?”
+
+Was dàt waar? Had Frits zich zoover kunnen vergeten om zijn vroegeren
+lieveling wreedaardig een schop te geven?
+
+Ja! en de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat Bijou die kastijding
+had verdiend.
+
+Waarschijnlijk was het den banneling opgevallen, dat hij zijn
+achteruitzetting niet geheel en al aan zijn uitspattingen te danken
+had, maar dat er zich iemand tusschen hem en zijn pleegouders had
+weten in te dringen, aan wien hij het te danken had, dat hij nu
+letterlijk als een hond werd behandeld. Hij zou geen rechtschapen dier
+zijn geweest, wanneer hij niet tot elken prijs daarvan de zekerheid
+had zoeken te erlangen. In een onbewaakt oogenblik had hij het
+sousterrain verlaten en een verkenningstocht naar zijn vroeger rijk
+ondernomen.
+
+Onbemerkt naderde hij tot aan de huiskamer; op den drempel bleef hij
+staan en stak zijn kop nieuwsgierig om ’t hoekje van de deur.
+
+Wat hij dáár aanschouwde, was meer dan voldoende om zijn toorn gaande
+te maken.
+
+Daar zat „de vrouw,” stralend van geluk, blozend van gezondheid in den
+fauteuil, waarvan hij de zachte zitting maar al te goed kende; en op
+zijn plaats, in haar schoot spartelde een klein rooskleurig wezen,
+dat zij met een blik vol innige teederheid beschouwde en liefkoozend
+toesprak.
+
+Dat was te veel, te tergend; met één sprong was hij in de kamer. Een
+kort, scherp, droog blaffen ontsnapte hem eer hij ’t zelf wist, en met
+een toornigen gloed in zijn donkere oogen trachtte hij tegen dien
+verraderlijken schoot op te springen om aan het kleine wezen, dat hem
+ongelukkig maakte, zijn blikkerende tanden te toonen en hem kort en
+vinnig toe te blaffen: „Jij was ’t dus, jij! Om jou ben ik
+verstooten.”
+
+„Marie! Marie! pas op dien hond: hij is jaloersch; hou ’t kind weg!”
+riep Frits, die tegenover zijn vrouwtje zat, en haastig opstaande,
+diende hij Bijou een schop toe, die hem hinkend en jankend, in aller
+ijl de kamer deed verlaten.
+
+Jaloersch! ja, helsch jaloersch was Bijou; hij kon het kleine kind
+niet zetten, en zoodra het toevallig op moeders arm in zijn nabijheid
+kwam, gromde en blafte hij of liet de tanden zien.
+
+„Als ’t niet mogelijk is om dien hond uit de kamers te houden, moet
+hij weg, de deur uit,” bromde Frits tegen Jaantje, die als goede
+kameraad voor Bijou partij trok door te zeggen: „Dat kan uwes geen
+meenens wezen, meheer; ’t stomme dier heit er toch geen part of deel
+an, dat er ’n kleintje gekommen is.” Die logische opmerking ontwapende
+Frits’ gramschap en behoedde Bijou voor ’t wegjagen.
+
+De keukenmeid, die met de werkster niet meer over Tienus sprak, omdat
+zij eens gezegd had: „’t is de peine nog al waard om over zoo’n
+paarderijer zoo te kremieten”, hechtte zich uit verfijnd egoïsme hoe
+langer hoe meer aan den kleinen hond, die dankbaar was voor de
+beentjes en het brood dat Jaantje hem verstrekte. Soms nam zij hem des
+avonds, als ze „uit ’r werk was”, op den schoot en kamde hem met haar
+eigen kam, omdat „’t beessie er zóó boschduvelig uitzag, dat ’t
+rejeel schande was voor ’n deftig huis”; en terwijl ze zijn geele
+haren ontwarde, dacht ze aan den rossigen knevel van Tienus, en
+zuchtend vertelde ze aan Bijou van die „ondankbare honden van
+cavalleristen”. Dan leefde zij in de bitterzoete herinnering aan ’t
+geen Tienus eenmaal voor haar was, en overlegde in de binnenkameren
+van haar hart, of de infanterie wel ooit geheel in staat zou zijn om
+haar droefheid te lenigen.
+
+Slechts korten tijd mocht de arme hond zich nog in Jaantjes
+bescherming verheugen; een nieuwe, zware beproeving wachtte hem.
+
+Bijna zes maanden lang was zijn vriendin treurend gebleven, maar de
+tijd heelt met zijn kalme, genezende hand zelfs de diepste
+hartewonden, vooral wanneer hij een helper vindt in langzaam
+ontluikende nieuwe sympathieën, waartoe door een beminnend individu de
+eerste kiem met geduld is gelegd.
+
+Een kaartlegster had eenmaal aan Jaantje uit hartenboer, vereenigd met
+ruiten zeven en klaveren heer, voorspeld, „dat zij zooveul als een
+voorbeschikking had om in ’t Milletère verkeering te hebben.” De
+sybille had goed gezien, want na zes maanden van leed en droefheid
+rukte de infanterie, die haar met ijzeren volharding was blijven
+belegeren, triomfantelijk binnen de bolwerken van haar boezem en
+bezette dáár het vroegere kwartier van de cavalerie.
+
+Nu heette hij Janus, was donker van uitzicht, tenger van postuur en
+„ko’praal bij ’t 6e.”
+
+Hoewel minder zwaar van bouw en niet zoo krijgshaftig van uiterlijk
+als Tienus, bleek hij toch evengoed te kunnen beminnen en ontwikkelde
+hij een eetlust, welke, fabelachtig groot, dien van zijn voorganger
+verre overtrof.
+
+Bijou beschouwde, van den dag af dat „de ko’praal” zijn eerste kliek
+aan Jaantjes zijde verorberde, zich als zijn vriend, sprong wellevend
+tegen de infanterie-pantalon op en likte zelfs het zijdgeweer des
+krijgers. Helaas! zijn toenadering werd niet gewaardeerd. Janus
+onthaalde hem op een „allo vort!” en verklaarde, al kauwend, aan zijn
+uitverkorene, „dat hij ’t zuur ân honden had.”
+
+Opnieuw had de arme Bijou gelegenheid om kennis te maken met ’t
+egoïsme van den mensch, want met den dag verkoelde Jaantjes
+genegenheid en al naarmate haar liefde voor „den ko’praal” grooter
+werd, verminderde haar vriendschap voor den armen Bijou, die
+eindelijk, treurig en alleen, soms dagen achtereen, in ’t sousterrain
+ronddoolde. Zijn mand met ’t stuk karpet zag hij niet meer; hij sliep
+dus afwisselend in den turfbak, den kolenemmer of achter ’t fornuis,
+en soms wentelde hij zich grimmig in ’t kolengruis, als wilde hij zich
+in den rouw steken over zijn eigen verval. Zijn eten?—Hij stal het. O!
+’t was ver, zeer ver met hem gekomen!
+
+Soms waagde hij zich tersluiks een oogenblik naar boven om als een
+Peri aan de poorten van ’t paradijs nog eens die verloren heerlijkheid
+te aanschouwen. Dan keek hij met sprekende blikken naar binnen, als
+wilde hij vragen: „Ontferm u over mij, heb medelijden; ik was toch
+ééns uw lieveling. Wanneer zal de tijd mijner beproeving voorbij
+zijn?”
+
+ * * * * *
+
+Het had er inderdaad iets van alsof die tijd van beproeving voor Bijou
+tot in eeuwigheid zou verlengd worden, want zijn plaatsvervanger werd
+hoe langer hoe grooter en begon reeds op handen en voeten over de
+vloerkleeden te kruipen, zoodat zelfs de hond schik kreeg in het
+kleine menschje, dat hem—den viervoeter—zoo natuurlijk nabootste en nu
+en dan, op zijn beide handjes steunend, het hoofdje ophief en tegen
+Mama lachend: „Ma-Ma,” stamelde.
+
+Bijou zou ongetwijfeld naar binnen zijn geloopen om, alle jaloezie en
+afgunst vergetend, met den kleinen jongen te gaan stoeien, indien de
+herinnering aan Frits’ bottine hem niet had teruggehouden; daarom
+bepaalde hij er zich toe om van uit de verte toe te zien en van tijd
+tot tijd, als niemand op hem lette, zijn voorpooten en kop vooruit te
+brengen, heel zachtjes even blaffend een korten sprong voorwaarts te
+doen en dan ijlings weer achteruit te springen, in de hoop dat de
+jonge wereldburger hem zou zien en den eersten stap tot verzoening en
+toenadering doen.
+
+Eenige maanden verliepen, zonder dat er verandering in Bijou’s lot
+kwam; verstooten en verwaarloosd sleepte hij zijn leven voort, totdat
+een onverwachte gebeurtenis verandering in zijn toestand bracht.
+
+Op een namiddag was oom Harmsen even komen kijken hoe zijn peetekindje
+het maakte, en de goede man verheugde zich met „Mama” over de
+omstandigheid, dat de stamhouder aanhoudend pogingen deed om „het
+staan”, dat hij al sedert lang verstond, in loopen te veranderen.
+
+„Potdori, Marie! daar steekt hij waarachtig van wal. Hou je roer
+recht, jongen! Ferm zoo! toe maar! Zorg dat je koers houdt,” riep
+vroolijk lachend de oude zeekapitein, toen hij zag, dat ’t jonge
+mensch zijn standplaats bij den fauteuil verliet en naar Marie, die
+van de canapé haar armen naar hem uitstrekte, kwam toewaggelen.
+
+„Hij is er! Dat’s ’n kerel als Cats.—Marie, ik feliciteer je.”
+
+„Dank u, oom! Kom, beste jongen, nu nog eens geprobeerd. Nu naar oom;
+toe dan!”
+
+„Komaan maat, zeil maar voor ’t lapje weg,” riep oom en stak de handen
+uit.
+
+„Waf!—waf! waf!” Bijou, die aan de deur had staan, kijken, kon ’t nu
+niet langer uithouden; hij wilde meedoen aan dat spelletje, dat hem
+zoo aardig toescheen, ’t kostte dan wat het kostte! En hij stormde
+eensklaps naar binnen.
+
+Blaffend sprong hij tegen den kleinen man op, en deze, tegen dien
+schok nog niet bestand, wankelde, verloor zijn evenwicht, viel op den
+grond en rolde over Bijou heen.
+
+„O God! oom! Gauw! gauw! Die hond is zoo jaloersch. Akiss! vort! Hij
+zal ’t kind kwaad doen,” gilde Marie haastig opspringend.
+
+„Da!—da!” riep de kleine lachend, en in ’t minst niet verschrikt of
+angstig greep hij Bijou bij den kop en drukte zijn eigen blond
+krullebolletje tegen de vuilgele met kolenstof bezoedelde haren van
+den hond, die uit alle macht de wangen van Straling junior likte.
+
+„Wat praat je van jaloersch? Er is geen kwaad aan boord bij dien hond,
+hoor! Kijk maar, ze zijn al dikke vrinden; ’n verduiveld aardig
+gezicht om die twee daar met mekaar te zien rollebollen. Kijk dien
+kleinen rakker hem eens in z’n wammes nemen. Nou, ’t is een lobbes van
+’n hond, wat ik je zeg! Die doet je jongen waarachtig geen kwaad; laat
+ze maar gerust met mekaar spelen.—Toe dan, Bijou, hou je goed,—pak
+ze.—Ha! ha! daar duikelt hij waarachtig over z’n kop,” riep oom
+Harmsen, die schik had in de evolutiën van hond en petekind en lachend
+voegde hij er bij: „Maar als ik je een raad schuldig mag wezen, laat
+’t mormel dan eerst eens wasschen.”
+
+„Neen, maar oom! nu wordt het heusch te erg, hij zal ’t kind
+bezeeren”, riep de jonge moeder, die toch nog met een zekere angst in
+’t hart toekeek en nu verschillende pogingen deed om Bijou en ’t kind
+te scheiden.
+
+„Allo! marsch jij, vort! Toe oom, help me dan toch eens. Vort,
+Bijou!—Ze laten elkaar niet los.—Oom, kom dan toch?”
+
+„Waarom? Laat ze maar begaan.”
+
+„Toe, ventje, kom jij maar weer bij Mama—’t is nu genoeg”—zei Marie,
+en trachtte den kleinen man op haar schoot te tillen.
+
+Maar neen!—de jongeheer had er nog niet „genoeg” van, hij zette een
+keel op, spartelde met handen en voeten tegen, en de hond sprong zoo
+vriendelijk kwispelstaartend om haar heen, dat zij eindelijk wel
+toegeven moest en de twee speelmakkers met een: „Nu, ga dan in
+Godsnaam jelui gang maar”, te zamen op den grond zette.
+
+Juist kwam Frits binnen, en toen hij daar vóór zich op ’t vloerkleed
+dat aardige groepje zag en Marie met Oom zoo hartelijk hoorde lachen
+om de zonderlinge geluiden, die het stoeiend tweetal voortbracht, riep
+hij vroolijk: „Zoo is ’t goed. Toe maar, jongens!—Marie, wat dunkt je:
+zullen wij den vriend van onzen zoon maar niet weer in genade
+aannemen?”
+
+ * * * * *
+
+Een paar weken later zat Bijou, netjes geschoren en gewasschen, deftig
+op zijn oude plaats in het salon en zag oplettend naar zijn vriend,
+die op Mama’s schoot in Zondagstenue werd gestoken; maar intusschen
+zei Jaantje tot den infanterist, die na kerktijd even was komen
+aanwippen en in de keuken front maakte voor een restant vleesch,
+groente en aardappelen, dat de liefde hem opgewarmd als lunch aanbood:
+„Janus, ik ga verhuizen; ’t is hier reëel in huis niet meer uit te
+houwen, want nou heb ik twee mormels te bedienen in plaats van één. ’t
+Volk lijkt wel gek daarboven: verbeeld je, ’s middags zitten Besjoe en
+’t kind ieder op een stoel aan tafel tusschen de ouwe lui in! Zoo ies
+kan geen fatsoenlijke meid verdragen!”
+
+
+
+
+HENRI DE SNOEPER.
+
+
+
+
+HENRI DE SNOEPER.
+
+
+AMSTERDAMSCH TYPE.
+
+Hij is sedert lang overleden en van den arme begraven,—vrede zij zijne
+assche!—maar velen zullen zeker, met mij, zich nog herinneren, dat „de
+Snoeper” lang Amstels straten liep, als de schaduw van een man, die ’t
+eenmaal beter had gehad. Menigeen, die dit stukje leest, zal
+ongetwijfeld met een glimlach terugdenken aan den tijd, toen „Henri”
+den spotlust der straatjeugd opwekte en, als een halve idioot
+voortsukkelend, altijd aan den huizenkant der grachten liep, nu en dan
+stilstaande om de kwajongens, die hem het hatelijke woord „meheer
+kauwbeen” of „snoeper” nariepen, met zijn stok te dreigen en bevend
+van kwaadheid te roepen: „Kwède jongens, indien ge mij nog lènger
+insoleert, zèl ik ’n ègent hèlen!”
+
+Ik zie hem nog duidelijk voor mij. Een klein, verdroogd mannetje met
+een tanig, verschrompeld gezicht zonder noemenswaarde uitdrukking. De
+sterk gebogen neus, die in breede beweeglijke vleugels uitliep, hing
+als ’t ware boven een ingevallen mond, waarin hier en daar zwarte
+stompjes tand, als de overblijfselen van roofsloten aan een meer,
+zichtbaar waren. Zijn dunne bloedelooze onderlip vereenigde zich met
+de lange, vooruitstekende, spitse kin, die, min of meer naar boven
+geheven, met den krommen neus iets havikachtigs aan het geheele
+profiel gaf. Enkele spaarzaam ingeplante haartjes deden pogingen om op
+de naar achteren getrokken bovenlip een knevel voor te stellen en
+ettelijke grauwwitte stoppels aan kin en wangen trachtten het
+menschdom te doen gelooven, dat Henri een baard had kunnen krijgen,
+wanneer de grillige natuur dien niet in zijn wasdom had gestoord.
+
+Zoolang de man zijn ouden, slaprandigen en gedeukten hoogen hoed, die
+gewoonlijk met een rossigen rouwband was omgeven, ophield, bleef men
+in den waan, dat hij nog hoofdhaar bezat; maar zoodra hij dat
+hoofddeksel afnam, verdween die illusie en ontwaarde men een min of
+meer onzindelijk, biljartbalachtig hoofd, dat van achteren en aan de
+slapen zeer sporadisch voorkomende, kort afgebroken, grauwe haartjes
+vertoonde. Wenkbrauwen had hij eenmaal bezeten, en zijn oogen—wanneer
+men de glanslooze, groezelige, met bloed doorloopen weeke massa, die
+de haarlooze en roodgerande openingen vulde, zóó kan noemen—waren
+steeds half dichtgeknepen, als schuwden zij het licht, en met moeite
+onderscheidde men een paar matte, bijna geheel met een grijsachtig
+vlies bedekte oogappels, die onomstootelijk bewezen, dat „de Snoeper”
+zeer slecht van gezicht was.
+
+Een dunne, gevaarlijk dunne, hals verbond het min of meer te groote
+hoofd aan een lichaam, dat kegelvormig, schier zonder schouders
+eindigde in een paar kromgetrokken beentjes, rustende op twee
+damesvoetjes, met in staat van ontbinding verkeerende bottines
+bekleed, of in schoenen gestoken, die bij iederen tred dreigden uiteen
+te vallen. Zijn kleeding was „shabby genteel” in de vijfde macht en
+bestond ’s zomers uit twee, ’s winters uit een drietal jassen zoodanig
+over elkander aangetrokken, dat de ondereinden, de panden,
+amphitheatersgewijs zichtbaar waren en rafelend bewezen, dat zelfs
+goed laken of andere beste stoffen den tand des tijds niet kunnen
+weerstaan. Met een minimum van knoopen werden die jassen dichtgehouden
+over een vest dat.... Neen! laat ik over dat vest liever zwijgen; ’t
+was rijp voor den papiermolen.
+
+Een pantalon, aan de ondereinden omgeslagen, omdat de kleermaker die
+eenmaal voor langere en meer gevulde beenen aanmat, fladderde als ’t
+ware om de dunne loopzuilen van den Snoeper, die, met een sterken knik
+in de knieën loopend, zich door de hulp van een scherp gepunt stokje
+in evenwicht hield, zoodra ’t glad was of glibberig op straat. Iets
+was er echter aan den man, dat hem bepaald behalve „shabby” ook
+„genteel” maakte, en dat iets was een tamelijk zindelijk halfhemdje en
+een boordje, dat met een vrij helder blauw, rood of groen dasje zijn
+sterk naar voren komenden adamsappel en pijpesteelachtigen hals
+omsloot. Wáár hij dat halfhemdje telkens weer deed wasschen, stijven
+en strijken, zal wel altijd een raadsel blijven, evenzeer als ’t nog
+steeds in ’t duister ligt van waar hij de steeds min of meer witte
+manchetten kreeg, die zijn polsen omgaven en sterk afstaken tegen de
+glacé-handschoenen die hij droeg, winter en zomer.
+
+Die handschoenen bleken op zichzelf een studie waard; zonder twijfel
+waren ze niet van ’t nummer, dat hij had moeten dragen, want meestal
+zagen ze om zijn handen er uit als de opperhuid van een tachtigjarige
+negerin. Hij versmaadde alle knoopjes en schalks keken zijn
+vingertoppen door ’t leder, terwijl zij nagels, die in diepen rouw
+waren over ’t verval van hun eigenaar, lieten zien. Afwisselend waren
+die handschoenen bruin, chamoiskleurig of zwart; soms zelfs droeg hij
+links een zwarten, rechts een bruinen of gelen Jouvin; daarop lette
+hij niet zoo heel nauwkeurig; misschien ook speelde hem zijn slecht
+gezicht daarbij een part.
+
+Het stokje, dat hem trouw vergezelde, was evenzeer een curiositeit,
+want ’t had voorheen in een parapluie dienst gedaan en was op de
+behoorlijke lengte gebracht door een timmerman aan wien Henri—hij zag
+hem op straat aan een schaafbank werken—gevraagd had: „Och! vrind, zèg
+me eens twee centimeters vèn dit stokje èf.” Een vriendelijke
+blikslager had het stokje van een ijzeren punt voorzien, doch verzuimd
+de verraderlijke knipveertjes, onder en boven, te verwijderen. Met een
+zekere „chic” droeg hij bij goed weder dat stokje onder den arm of
+over den schouder, soms draaide hij het zwierig rond, terwijl hij op
+zijn langzaam sukkeldrafje verder liep; in ’t barre jaargetij
+gebruikte hij het als balanceerstok.
+
+Gemeenlijk gluurde uit zijn borstzak een wit of rood tipje, dat
+daarbinnen een zakdoek deed vermoeden, en als het lente was of zomer
+werd, stak naast dien zak, in het verminkte knoopsgat, iets geels of
+iets groens,—waarschijnlijk het lijk van een lang verloren kind van
+Flora, dat hij gevonden had.
+
+In zijn bewegingen was hij langzaam, afgemeten en deftig; nooit
+versnelde hij zijn pas, zelfs dan niet, wanneer de straatjeugd hem het
+leven zuur maakte en „meheer kauwbeen!” riep.
+
+Met de grandezza van een Castiliaanschen Hidalgo en stoïcijnsch als
+een Spartaan vervolgde hij zijn weg, zonder zich om de verschillende
+epitheta, die men hem nariep, te bekommeren. Maar trof hem het een of
+andere projectiel, dan ontwaakte zijn gevoel van eigenwaarde, en
+bovenal wanneer dit werptuig een hippologisch spoor op zijn jas of
+hoed achterliet, keerde hij zich, met zijn stokje dreigend, om en
+riep, inwendig ziedend van toorn, niet zonder eenig valsch pathos:
+„Kwède jongens,” „insolente jongens”, of „onbeschèmd rèpèlje!”
+
+Zijn stem klonk min of meer heesch en rauw als van iemand, die ’s
+avonds van te voren veel Chambertin heeft gedronken of lichtelijk
+verkouden is; daarbij was zijn uitspraak beschaafd, zelfs eenigszins
+geaffecteerd, ietwat „Hègsch.” Meestal volgde bij de jeugd een
+uitbarsting van hilariteit op zijn woorden en ging er een gejuich op,
+dat hem schouderophalend deed zeggen: „Onbeschèfd en dom tuig! Dèr is
+niets vèn te wèchten.” Hoofdschuddend vervolgde hij dan zijn weg.
+
+Waarvan hij leefde?
+
+Weinig menschen wisten het; men geloofde, dat hij bedelde, maar dàt
+was zoo niet; misschien zou hij niet te trotsch zijn geweest om van
+deze of gene medelijdende ziel iets aan te nemen, maar hij vroeg nooit
+en aan niemand.
+
+Hij leefde van zijn vroegere vrienden, die—gedachtig aan de dagen van
+Olim, toen zij, met hem, op de met alle comfort ingerichte kamers, die
+hij „en garçon” bewoonde, gastreerden—hem wekelijks een kleine toelaag
+gaven.
+
+Wanneer de arme man geen „passies” had gehad, zou die toelaag, met
+eenige bijverdiensten, die hij als welopgevoed man door schrijfwerk of
+iets dergelijks zeker had kunnen vinden, hem voor gebrek hebben behoed
+niet alleen, maar zelfs een bescheiden stuk brood hebben verschaft.
+Helaas! hij had wèl passies, de ongelukkige,—en die hartstochten
+waren: _beminnen_ en _smullen_.
+
+Toen hij nog „le beau petit Henri” en „in bonis” was, had hij veel
+liefgehad, maar altijd op een nette, kranige manier. Als een
+veroveraar was hij rondgegaan en had zijn zegekar triomfantelijk
+gereden, totdat hij moede van ’t overwinnen zich rust had gegund bij
+een vriendin, die hem, naar hij beweerde, op de handen droeg, maar die
+hem zonder twijfel op diezelfde poezele handjes naar de Ommerschans
+of Veenhuizen zou hebben gebracht, indien zij niet een weinig te vroeg
+gestorven was, hem niets nalatende dan eenige onbetaalde rekeningen en
+een lichte aandoening van ’t ruggemerg, die hem beverig en
+schrikachtig maakte. Die goede vriendin had hem na aan ’t hart
+gelegen, zóó na, dat hij bijna ontroostbaar was en alles aanwendde om
+verstrooiing te vinden voor zijn sombere gedachten. Eindelijk gelukte
+hem dit in ’t gezelschap van eenige dames, die de lieve overledene
+hadden gekend en vriendelijk haar best deden om door liefde en
+toegenegenheid Henri zijn bitter leed te doen vergeten. Hij werd
+minder somber, zelfs vroolijk, soupeerde, dineerde en adoreerde
+evenals vroeger; en hadden niet nu en dan zijn maag en rug hem
+gehinderd, hij zou geheel en al weer de oude zijn geworden.
+
+Uit vermogende ouders geboren, opgevoed—neen! juist niet opgevoed,
+maar verwend—door een al te toegevende, dwaze moeder, die vroeg weduwe
+werd, had hij al de weelde leeren kennen, die een rijk patriciër zich
+kan en mag veroorloven. Vóór den tijd meerderjarig verklaard, na
+moeders dood, en in ’t bezit gekomen van een vrij goed fortuin, was
+hij door goede vrienden, zoowel als door lieve vriendinnen, die
+volgens eigen zeggen „trotsch op hem waren”, geworden hetgeen hij was:
+een doeniet, een „noceur” die nimmer één enkelen cent had weten te
+verdienen, maar met chic wist uit te geven en uitgaf, totdat zijn
+passiva de activa verre overtroffen.
+
+„En privé!” zoo geheel „onder onsjes” was Henri toen „over den kop
+gegaan”; zonder veel drukte of omhaal werd alles netjes en vlot
+beredderd, en toen hij „schoongemaakt” was, zooals de vrienden zeiden,
+bleef hem niets over dan zijn bed, zijn garderobe en—zijn passies!
+
+De vrienden waren in die omstandigheden hartelijk genoeg geweest; ze
+hadden hem van alles beloofd—en waren toen hun eigen weg gegaan, en
+zijn vriendinnen schreiden en klaagden, totdat zij met een hartelijken
+kus van innige deelneming hem verlieten. Zij konden zijn verval niet
+met droge oogen aanzien: daarvoor waren zij veel te zenuwachtig en te
+gevoelig georganiseerd.
+
+„Pauvre petit Henri!” zei de laatste, die met hem had gesoupeerd.
+„Pauvre garçon, probablement nous ne nous reverrons jamais!” Zij sprak
+slechts Fransch—die lieve dame, maar zij meende het daarom even goed.
+
+Henri zag haar zuchtend na; hij had altijd fijne vriendinnen gehad,
+die Fransch spraken, een „pâté aux truffes de Périgord” wisten te
+waardeeren en op een prik het onderscheid proefden tusschen Volnay en
+Château du Pape. Nu vreesde hij, dat hij die conversatie zou moeten
+opgeven.
+
+Van zijn vrienden hoorde of zag hij weinig; allen hadden, de een meer,
+de ander minder, hun handen vol met allerlei zaken, die al hun tijd in
+beslag namen. Enkelen waren getrouwd en verzekerden hem met tranen in
+de stem, dat zij hem „gaarne, o! zoo gaarne bij zich aan huis zouden
+ontvangen om van tijd tot tijd door een familiaar diner, zijn soupers,
+diners en soirées van vroeger te réciproceeren, maar ... hum!—zij
+hoopten niet, dat hij ’t kwalijk zou nemen—hun vrouwen hadden de reuke
+van heiligheid, waarin Amice Henri stond, reeds van verre vernomen en
+daarom ... hum! hum! ’t Speet hun ijselijk en ’t lag heusch alleen aan
+de vrouw, maar .... hum! hum! Als zij hem dus misschien—altijd zonder
+hem te beleedigen—konden assisteeren met een tientje of een bankje,
+dat hij later kon teruggeven, als ’t hem convenieerde, dan .... hum!
+van harte, hoor!—van harte!”
+
+Henri was een goeie jongen, in ’t geheel niet trotsch; hij voelde zich
+in ’t minst niet gekrenkt of beleedigd door dat aanbod; hij zou ’t
+immers, zoodra hij een betrekking had, in dank restitueeren en—zonder
+blozen deed hij zoo’n tientje of meer in zijn toen nog elegante
+portemonnaie verdwijnen.
+
+Slechts één enkele vriend had hem geen geld, maar een bescheiden
+plaats op zijn kantoor aangeboden; ’t salaris was wel is waar niet
+groot, maar toch voldoende om van te leven, wanneer hij slechts de
+tering naar de nering zette.
+
+Dat was een uitkomst! De elegante Henri maakte plaats voor den
+kantoorbediende? O, neen! het kantoor werd alleen een eleganten
+bediende rijk, dat was alles.
+
+De chefs konden er niet beter „gesoigneerd” en „fijner” uitzien dan
+Henri, die met de betrekking en het daaraan verbonden salaris ook zijn
+passies—hoewel min of meer gewijzigd—met nieuwe kracht voelde
+ontwaken.
+
+Op het kantoor werd niet veel, bijna niets van zijn werkkracht
+gevergd; dat beviel hem zeer; hij was er en deed dus meestal alsof hij
+er niet was.
+
+Men duldde dat, wijl de beschermende vriendenhand, die machtig genoeg
+was om het _te kunnen doen_, zich bleef uitstrekken over Henri’s
+hoofd, waaromheen de haren langzamerhand de gedaante van een aureool
+begonnen aan te nemen. Eenige jaren bleef alles gaan, zooals ’t ging,
+totdat de aureool verdween te gelijk met de beschermende hand.
+
+„Er was niets met dien panier percé aan te vangen”, beweerden de
+patroons, en gedachtig aan het „en leid ons niet in verzoeking”
+verwijderde men Henri van cassa en lessenaar. Met een „douceur” als
+afscheid vertrok hij, onbetreurd en onbemind, niet naar zijn kamers,
+maar naar een vriendin, die hem na zijn oorspronkelijke onttroning nu
+en dan aanhankelijkheid had getoond.
+
+Hij nam bij haar zijn intrek. Zij was geen bloem van vreemden bodem,
+maar had bij een der Françaises, die Henri vroeger kende, „meheer wel
+ereis ontmoet, als zij bij ’t schoonmaken hielp”. Zij was niet jong
+meer, ook niet schoon, maar ze had een goed hart en nogal „kennisjes”,
+die aan meheer, toen hij nog in goeden doen was, wel eens verplichting
+hadden gehad. Hier en daar vond hij nu, als oude bekende, een uurtje
+van gezellig verkeer; maar toen ook de douceur, ja zelfs de opbrengst
+van zijn garderobe en de weinige kostbaarheden die hij bezat waren
+omgezet in liefde, punch en wijn met gebak, bleven zelfs de meest
+vervelooze kamerdeuren voor hem gesloten en zocht hij zijn heil op de
+straat; ook daar maakte hij soms nog kennissen, maar—ze waren er dan
+ook naar. Die kennismakingen op de straat en de avondlucht waren
+verderfelijk voor Henri: hij werd er ernstig ziek van en in ’t
+gasthuis had hij lang, zeer lang, tijd om na te denken, hoe hij zoover
+gekomen was.
+
+Sedert jaren reeds had hij ’t werkwoord beminnen niet meer in ’t
+Fransch, maar in zijn moedertaal vervoegd; de toekomende tijd was er
+voor hem reeds geweest en na zijn herstel verdween ook de
+voorwaardelijke te gelijk met zijn laatsten cent.
+
+Lichamelijk en geldelijk had hij afgedaan; alles was op!
+
+Hij was de ruïne van een mensch: droef en akelig ging zijn zon onder,
+voordat ze de volle middaghoogte had bereikt, en de volle maan
+bescheen zijn bouwval.
+
+Kil en koud sloop hij verder door ’t leven. In ’t gewoel der groote
+stad in den menschenstroom verdween hij en bleef langen tijd
+verscholen—onder water—totdat op zekeren dag bij een van de oude,
+gezellige vrienden van vroeger, een mannetje verscheen, dat op de
+schaduw geleek van Henri, die allen zoo goed hadden gekend. Als de
+doffe echo van een bekende stem, weerkaatsend langs de brokkelende
+wanden van een uitgebranden krater, klonk zijn bede om hulp,—om brood!
+
+Nogmaals ontfermden zich eenige vrienden over den gastheer van
+voorheen; zij sloegen de handen ineen en brachten een klein
+wekelijksch inkomen tot stand voor Henri—met zijn passie: want één
+passie was hem nog trouw gebleven, namelijk „het smullen.”
+
+„Le beau petit Henri des dames” was in ’t gasthuis en in het
+straatvuil overleden,—het Amsterdamsche type „Henri de Snoeper”, alias
+„meheer Kauwbeen” was geboren.
+
+
+II.
+
+„Bonjour, m’nèr!” zegt „de Snoeper”, in een der voornaamste
+Amsterdamsche sigarenmagazijnen binnenkomend.
+
+Met schrik bemerkt de winkelier den van dag tot dag zich onsmakelijker
+voordoenden klant, maar goedhartig als hij is en gedachtig aan de
+tijden van weleer, toen hij Henri gaarne in zijn winkel zag komen, wil
+hij hem niet bot-af de deur wijzen en antwoordt flauwtjes: „Morgen,
+m’neer!” maar brengt, te gelijk eenige op de toonbank open uitgestalde
+kistjes sigaren in veiligheid, omdat hij bij ervaring weet, dat „de
+Snoeper” de gewoonte heeft om in de kistjes te grabbelen, de sigaren
+„en fin connaisseur” in de hand te nemen, te bekijken, te beruiken—en
+o, die handen......!
+
+„Èngenèm weer vèndèg”, klinkt het verder uit den mond des bezoekers,
+die intusschen zijn gebulten hoed afneemt en voorzichtig nederzet,
+terwijl hij zijn stokje er naast legt of tegen den kant der toonbank
+doet leunen.
+
+Medelijdend glimlachend ziet de winkelier zijn bezoeker aan, als deze
+zijn glacé-handschoenen uittrekt, ze nonchalant in zijn hoed werpt en
+dan, uiterst beleefd, vervolgt: „Ik wenschte wel, dèt u mij eens een
+pèr soorten sigèren liet zien vèn zes à ècht cents ’t stuk, mèr met
+Hèvènè-dek; ènders kèn ik ze niet rooken, en, èls u ze heeft, tèmelijk
+zwèr.”
+
+Om alle onaangenaamheden te voorkomen biedt de winkelier zijn klant
+geen kistjes aan, maar legt hem van verschillende soorten sigaren
+eenige stuks voor en wacht.
+
+Voorzichtig, chic, tusschen duim en wijsvinger, neemt „de Snoeper”
+achtereenvolgens van elk de ter keuze gelegde soorten een sigaar, op,
+ruikt er aan, tracht met zijn halfblinde oogen de kleur van ’t dekblad
+te onderkennen en vraagt:
+
+„Welken nèm hebben ze?”
+
+„Flor de Sevilla, Conchas.”
+
+„Èh jè! connu, die heb ik vroeger ook veel gerookt; die wèren niet
+slecht, mèr wèt heel zwèr. En die ènderen?”
+
+„Cuba es mi Patria.”
+
+„Uitstekend! Die heb ik èltijd gèrne gerookt; ik zèl dèrvèn een nemen
+èls monster.—Zes cent, niet wèr?”
+
+„Pardon, acht cent!”
+
+„O! ik wès in den wèn, dèt ze zestig gulden wèren; mèr ’t is zoo, ik
+herinner me, ze wèren vèn tèchtig. Ik zèl deze eerst probeeren:
+wènneer ze me bevèllen, wil ik er wel meer vèn hebben.”
+
+De sigaar wordt opgestoken en met een: „Au revoir, m’nèr” zet „de
+Snoeper” zijn hoed op, neemt zijn stokje in de hand, slaat er een
+trois-quarts-parade mee door de lucht en verlaat den winkel,
+medelijdend nagestaard door den winkelier, die hem de sigaar gaarne
+had willen schenken uit oude connectie. Hij heeft het zelfs eenmaal
+geprobeerd, en toen hij zeide: „Houd het geld maar, u kunt de sigaar
+toch wel opsteken”, trots ten antwoord gekregen: „Merci! ik kom èls
+klènt, niet èls bedelèr.”
+
+Sedert dien tijd behandelt hij „de Snoeper”, niettegenstaande diens
+afschuwelijk uiterlijk, toch met een zekere medelijdende
+onderscheiding.
+
+Langzaam de sigaar genietend gaat de ongelukkige verder tot aan een
+comestibelen-magazijn; ook dáár kent men hem, en de juffrouw stoot
+giegelend den winkeljongen aan, als „Kauwbeen” binnenkomt. Ook daar
+neemt hij „gentlemanlike” den hoed af, maar zet dien niet op de
+toonbank, omdat de patroon hem eens gezegd heeft: „Meneer! de toonbank
+is wel eens vettig; ik zou u niet raden uw hoed er op te zetten.” Die
+comestibelenhandelaar was een verkapte diplomaat!
+
+„Geef mij eens een ons gèlèntine aux truffes, mèr wees zoo beleefd het
+goed in te wikkelen in pèpier.” Begeerig snuift hij in dat magazijn de
+lucht van Fromage de Brie, Emmenthaler, Saucisse de Boulogne,
+Ossentong en Salamie op; hij maakt volstrekt geen haast om weg te
+komen, zoekt langzaam de twintig centen voor het ons galantine bijeen,
+bergt het zorgvuldig in den achterzak van een zijner jassen en trekt
+langzaam zijn handschoenen weer aan, die hij had uitgedaan om
+gemakkelijker het geld te kunnen tellen—of om tijd te winnen. ’t Is
+alsof hij zich aan die mengeling van geuren wil te goed doen; zijn
+neusvleugels worden wijder en onbewust opent hij zijn mond een paar
+malen, als kon hij door ’t inademen dier vluchtige deelen van kaas en
+vleesch verzadigd worden.
+
+Zijn derde bezoek gold een bakkerswinkel.
+
+Met den bakker maakt hij weinig omslag; ’t artikel brood is ook te
+gewoon. Met den hoed op ’t hoofd, zijn stokje in de hand, koopt hij
+twee „pains de luxe”, maar vraagt: „In pèpier, s’il vous plait!”
+
+De broodjes verdwijnen in een zijner zakken en hij wandelt verder tot
+aan een banketwinkel. Ook daar schijnt hij een vaste klant te zijn,
+want zoodra de juffrouw zijn nadering bemerkt, schuift zij de schotels
+met taartjes en cakes zoo ver mogelijk buiten ’t bereik van den klant,
+die zich niet ontziet om ze, vóórdat hij ze koopt, liefkoozend te
+bevingeren.
+
+„Wil u de beleefdheid hebben, mij ’n pèr zèndtèrtjes te geven?” vraagt
+hij, na te zijn binnengetreden.
+
+„Van ’n stuiver ’t stuk?” klinkt het min of meer ondeugend van de
+lippen, der juffrouw; zij kent immers zijn stereotiep antwoord:
+
+„Pèrdon! voor ditmèl mèr vèn ’n hèlven stuiver.”
+
+Soms veroorlooft hij zich nog de weelde van een roomhorentje of een
+confituurtaartje, dat hij o! zoo chic en o! zoo langzaam vóór de
+toonbank verorbert, tot ergernis van de juffrouw, die, zooals zij ’t
+noemt, haar hart vasthoudt dat er op ’t oogenblik, dat „meheer
+Kauwbeen” er is, dames zullen binnenkomen. Hij haast zich volstrekt
+niet en praat al etend met de winkeldochter: „Ik heb indertijd
+dikwijls vèn die côtelettes en robe de chèmbre hier vèndèn gehèd; dèr
+hèd de pètroon bepèld slèg vèn om ze èppètissènt te prépèreeren,” zegt
+hij, kruimken voor kruimken kauwend. „Ik woonde toen ter tijd op
+kèmers op ’t Rokin; ’t is onèngenèm voor me, dèt ik me lèter min of
+meer moest ... hum!... Enfin! ik heb...” Daar komen eenige dames
+binnen, en de winkeljuffrouw, die hem tot dusverre heeft aangehoord,
+zegt eensklaps: „Ik krijg zeven en een halven cent van u!”—„Oui,
+Voilè!” De Snoeper betaalt en verwijdert zich na eene hoffelijke
+buiging tegen de binnentredende dames te hebben gemaakt en met een
+glimlach om zijn tandeloozen mond de woorden te hebben geuit: „Sèlut à
+lè beauté!”
+
+Nog is zijn proviand-tocht niet ten einde, want na een vrij lange
+wandeling is hij in een van de achterbuurten der stad gekomen. Voor
+een koffiehuis van den achtsten rang staat hij stil, grijpt even met
+zijn hand in den zak en telt, zonder dat iemand het ziet, zoo gelooft
+hij ten minste, de rest van zijn geld; ’t bedrag valt hem zeker mede,
+want in plaats van het „koffie- en chocolaadhuis” binnen te gaan,
+keert hij op zijn schreden terug en treedt een koomenij binnen, koopt
+daar—niemand ziet het immers—een ons zoetemelksche kaas en twee
+gesmeerde kadetjes, maar beide „in pèpier.”
+
+In ’t chocolaadhuis zitten eenige werklieden, die, zoodra hij
+binnenkomt, beginnen te lachen en hem toevoegen: „Zoo, papa Kauwbeen!
+ben je daar weer? Kom je schaften?” Hij antwoordt niets, maar ziet hen
+met diepe verachting over den schouder aan, als hij zoo ver mogelijk
+van hen af aan een tafeltje gaat zitten en kortaf roept: „Een kop
+chocolèd!”
+
+Dan ontvouwt hij het „pèpier”, belegt met zijn vingers de twee
+kadetjes met het ons kaas, breekt ieder broodje in vier stukken en eet
+met smaak, nu en dan zijn maal afwisselend door een teug
+melk-chocolade.
+
+„Zeg, Snoeper!” schreeuwt een van de werklieden, die, met beide
+ellebogen op tafel steunend, uit een kom koffie drinkt en een dikke
+boterham met roggebrood voor zich heeft liggen, „zeg, waar heb jij nou
+weer die kaas opgedoken?”
+
+„Och, laat hem zitten, hé!” vraagt de bedienende kastelein, en
+glimlachend voegt hij er bij: „Meneer doet jou immers niks!”
+
+„Meneer? ’n Mooie meneer!” grinnikte de werkman. „’k Wou om de dood
+niet graag zoo’n heer wezen.”
+
+„Och hij is halfsuf, laat ’m zitten, Karel; hij is toch vroeger ’n
+heer geweest,” zegt de kastelein halfluid, en zachter voegt hij er
+bij: „Hij is van voornaam komaf, maar z’n femielie is sjofel geworden
+net als hij zelf; ’t is ongelukkig genoeg, dat ie nou van de gift
+leven moet.”
+
+„Wat weêrga, laat ’m dan gaan werken: wij moeten ’t toch ook doen.”
+
+„Hij werken? Kijk ’m ereis goed an: daar is ie veel te petieterig
+voor.”
+
+„Hum ja! je hebt gelijk: daar is hij te miserabel voor.—Afijn laat ’m
+voor mijn part maar zitten; ik wil nog niet eens met ’m ruilen met al
+zijn komaf.”
+
+Intusschen eet de Snoeper, die ’t gesprek niet gehoord heeft, zijn
+broodjes; de laatste kruimeltjes, die op ’t papier liggen, tipt hij
+één voor één met een vingertop op en ’t laatste druppeltje chocolaad
+heeft hij met een stukje brood uit den kop geveegd.
+
+Hij betaalt, steekt het eindje van zijn sigaar weer op en vertrekt
+zonder iemand der aanwezigen te groeten; alleen den kastelein knikt
+hij heel voornaam even toe, als hij de deur uitgaat.
+
+De voorraad, dien hij in zijn zakken heeft, dient nu als teerkost op
+den weg; want—hij wandelt, wandelt als Ahasverus, zonder rust, zonder
+verpoozing. Dan ziet men hem hier, dan weer daar, en altijd peuzelt
+hij uit zijn zak; zijn kakebeenen zijn voortdurend in beweging, en
+heeft hij niets te kauwen in werkelijkheid, dan nog bewegen zich zijn
+kaken werktuiglijk heen en weer als een perpetuum mobile.
+
+Zóó was de Snoeper, zóó zag ik hem, toen ik mij de moeite gaf hem na
+te gaan en te volgen, zonder dat hij ’t wist. Wat ik verder over hem
+vernam was dit. Hij vroeg nooit aan oude bekenden om ondersteuning,
+maar hij had er toch een zekeren slag van om langs diplomatieken weg
+zijn financiën voor ’t oogenblik te verbeteren, en wel op de volgende
+manier. Wanneer hij den een of anderen kennis van vroeger ontmoette,
+die niet tot de wekelijks contribueerenden behoorde, hield hij hem
+staande en zei: „Hé bonjour! Hoe mèk je ’t? ’k Hèd in leng ’t
+genoegen niet je te zien; ik zou je wel eens hebben opgezocht,
+mèr—c’est triste a dire—mijn gèrderobe is op ’t oogenblik niet premier
+choix. Ik heb hélès! veel geld verloren, mèr juist doordien ik
+fètsoenlijk mensch wou blijven. Ik heb nu èlleen ’n kleine lijfrente
+wèrvèn ik existeer; wènneer je dus eens iets voor me hoort, de een of
+èndere betrekking, die niet déshonorèbel is, dèn zul je me obligeeren
+door me te recommèndeeren; wènt, sèns bèdinège, ik heb ’t zeer noodig,
+ik kèn je èls ouwen kennis wel entre-nous vertellen, dèt ik ’t hoog
+noodig, zelfs zeer hoog noodig heb.”
+
+Wanneer dan de aangesprokene, bewogen door des „Snoepers” ellendig
+uiterlijk, hem een gulden, soms zelfs een rijksdaalder in de hand
+wilde leggen, weigerde hij dien eerst met een: „Pèrdon! zóó wès ’t
+niet mijn intentie; ik ben goddènk nog geen bedelèr, mèr èls ik er je
+genoegen mee doe, wil ik ’t momenteel wel èccepteeren, op conditie dèt
+ik ’t je, zoodrè ’t me convenieert, in dènk restitueer. Èdieu! ik hoop
+me spoedig te revèncheeren.”
+
+Van dat „revèncheeren” is nooit iets gekomen—alleen de natuur nam
+„revanche” op de afwijkingen van „Kauwbeen”, want vóór zijn 48e jaar
+stierf hij in ’t Buitengasthuis aan herzenverweeking. Niemand beweent
+hem, niemand verliest iets aan hem—want hij had voor niemand geleefd
+dan voor zichzelf. Een onnut leven is geëindigd, een zonderling
+straattype is verdwenen—ziedaar zijn grafschrift!
+
+
+
+
+DIRK DE SNORDER.
+
+
+
+
+DIRK DE SNORDER.
+
+
+Een bitter koude, donkere winteravond!
+
+Zwaar van hagel en sneeuw, dreigen de wolken in het uitspansel, gereed
+om hun last over de koude, harde aarde uit te storten, zoodra de
+scherpe oostenwind hen niet meer bedwingt door zijn kracht.
+
+Nu en dan, als hij zijn verstijvenden kouden adem een oogenblik
+inhoudt, ontsnappen aan de wolkgevaarten kleine scherpe ijskristallen,
+die naar den grond dwarrelen, als de geeselende voorboden van nog
+strenger vorst. De maan heeft zich verscholen in het donzig wolkenbed,
+en slechts dan wanneer de wind de wollige sprei, die haar gelaat
+bedekt, even scheurt of oplicht, gluurt zij, uit een bleekrooden
+krans, naar de wereld onder haar.
+
+Slaperig en beneveld ziet zij op de slechts hier en daar nog met witte
+plekken bestipte daken der huizen, of in de straten en stegen, waarin
+de sneeuw grootendeels reeds is weggevroren of verpoeierd opstuift,
+als een windstoot gierend tusschen de huizen blaast.
+
+Donker en somber teekenen zich gebouwen en torens af tegen de vale
+plekken in de lucht. Hier en daar smelten alle omtrekken samen tot één
+vormeloozen, zwarten klomp, nauwelijks te onderscheiden van de dikke,
+zware wolken, die den nacht bijna volkomen maken.
+
+Heldere strepen, vierkanten en ruiten van rosachtig geel licht breken
+op verschillende plaatsen, lager of hooger, krachtig door dat duister;
+’t zijn de verlichte vensters van de huizen.
+
+Het Centraal-station staat tegen de donkergrijze lucht, als een zwarte
+massa, alleen gebroken door een groote, langwerpig vierkante plek
+helder licht, den ingang. De schijn der gasvlammen blinkt tegen de
+ijskegels, aan den gevel en tintelt in de sneeuwdeeltjes, die op de
+houten trappen van het gebouw glinsteren.
+
+Een lange rij lichten, op gelijke afstanden van elkaar staande, links
+van het station, wijst de standplaats aan der huurrijtuigen, op de
+reizigers wachtend, die met den laatsten trein moeten aankomen.
+
+’t Is kwartier voor elven.
+
+Om elf uur drie minuten moet de trein het station binnenstoomen en zal
+de betrekkelijk vrij groote kalmte, die nu bij, om en in het gebouw
+heerscht, plaats maken voor zenuwachtige drukte en haast.
+
+De koetsiers van „de aapjes” en vigilantes trappelen op en neer naast
+de geduldig onder hun dekens stilstaande paarden, waarvan een enkel nu
+en dan met den kop schudt of een der voorpooten oplicht, om met zijn
+hoef de straatsteenen te krabben, als wilde het dier de beweging van
+zijn meester nadoen.
+
+De wachthebbende politie-agent heeft tijdelijk een schuilplaats
+gezocht in de vestibule bij de middendeur en ziet met verlangen uit
+naar het oogenblik, waarop hij zijn kouden post voor het warme bureau
+zal kunnen verwisselen.
+
+Een eind voor het station, bij het begin van den oprit, staan een paar
+vigilantes, die telkens, als een passagier instapt, beven en sidderen
+voor zich zelve en voor den roekelooze, die zich waagt aan vehikels
+met paarden er voor, die betere dagen hebben gekend en rijp zijn om
+binnen korten tijd te veranderen in zoolleer, goedkoope biefstuk of
+best rookvleesch.
+
+’t Zijn een paar „snorders”, zooals men te Amsterdam dat soort van
+vervoermiddel noemt.
+
+De stationneerde rijtuigen behooren tegenwoordig aan eene
+maatschappij, die ze tegen een bedongen prijs, hooger of lager, al
+naarmate van de standplaats die zij innemen, verhuurt aan koetsiers,
+die volgens een door burgemeester en wethouders bepaald tarief moeten
+rijden en hun verdienste vinden in het verschil tusschen het geld, dat
+zij voor de ritten ontvangen en den huurprijs dien zij betalen.
+Gewoonlijk houdt de koetsier van een gestationneerd rijtuig of aapje
+een tamelijk goed weekloon over en kan daarvan, wanneer Bacchus hem
+niet de baas is, met een gezin vrij goed, soms zeer goed leven. De
+„snorder” daarentegen is in den regel in dienst bij een baas, die één
+of twee invalide oude rijtuigen bezit en even zooveel afgeleefde
+knollen op stal heeft. Soms rijdt de baas ook zelf, maar dan is
+gewoonlijk het voertuig zoo onaanzienlijk en van een zoodanig verweerd
+en vermolmd soort, dat het, evenals de uilen, alleen des nachts op
+straat komt en in ’t duister ontsnapt aan ’t valkenoog der inspecteurs
+van het voerwezen, of oogluikend wordt toegelaten, als die ambtenaren
+menschelijk genoeg zijn om den armen baas een stukje brood te gunnen.
+
+Zulke open of dichte wagentjes worden meestal alleen door benevelde of
+vroolijke nachtvogels gebruikt, en nergens weten de kreupele paarden,
+die er voor zijn gespannen, zoo goed den weg als op den Zeedijk en in
+de Nes.
+
+De „snorder”, die door een knecht gereden of bestuurd wordt, staat,
+hoewel geen sport, toch iets hooger op de ladder van ’t voerwezen.
+Hij vertoont zich den geheelen dag en doet afbreuk aan de rijtuigen
+der maatschappij en der grootere stalhouders. ’t Is in zeker opzicht
+een vrijbuiter. Hij neemt wat hij krijgen kan, zonder zich aan een
+tarief te houden, loert aan de stations op argelooze passagiers, die
+geen ander rijtuig meer konden krijgen, en rijdt verder stapvoets dan
+hier dan daar rond langs pleinen en straten, om een vrachtje op te
+snorren.
+
+’t Is voor den knecht meestal een schraal stukje brood, want de baas
+betaalt hoogstens 4 à 5 gulden ’s weeks en laat verder zijn koetsier
+aan de weldadigheid der passagiers over. Is zoo’n knecht niet eerlijk,
+dan... Doch ’t is plicht te gelooven, dat ieder mensch als „goud” is,
+en daarom nemen we aan, dat de beide snorders, die op den kouden
+winteravond in de nabijheid van het Centraal-station hebben heen en
+weer gereden en nu naast elkander, op eerbiedigen afstand van den
+politie-agent stilstaan, voor de belangen van hun respectieve bazen in
+alle deelen opkomen zooals ’t behoort.
+
+„’t Is weerlichts koud van avond”, zegt de een tot den ander, die
+evenals hij, naast zijn paard staat te trappelen.
+
+„Nou sicuur, hoor! M’n beenen vallen haast af.—Zeg, Bobberd! heb je
+nog tabak?” is ’t antwoord.
+
+„Geen draadje meer, manke! Anders... Viegelantje, meheer?” De Bobberd
+spreekt een heer toe, die hem rakelings voorbij gaat, en slaat met
+kracht zijne koude handen samen, als applaudisseerde hij zijn eigen
+woorden. „Viegelantje, meheer?”
+
+„De manke” biedt evenals zijn kameraad herhaaldelijk zijn rijtuig met
+een: „Rijtuig, meheer?” of „Viegelant assieblieft?” aan de enkele
+menschen aan, die iemand of iets van ’t station moeten halen en die
+zich om die vraag even weinig bekreunen als om den jongen, die op een
+sukkeldrafje de menschen naloopt en met bibberend stemgeluid vraagt:
+„’N doossie lucifers, heeren?”
+
+„Zeg, Bobberd?”
+
+„Nou?”
+
+„Er staan een boel gestationneerden van avond; ’t is bepaald weer mis;
+’k heb vandaag nog geen gulden gemaakt aan fooien! en geen enkele
+sigaar: ’n kale boel. Ba!”
+
+De Bobberd is een roodneuzig, opgezet drankvet-individu, die dezen
+bijnaam aan zijn lichaamsomvang dankt. Met heesche stem antwoordt de
+Bobberd:
+
+„Ik ook niet, ’k ben casuweel zonder; anders heb ik altijd sigaren
+plentie: ’k rij nogal veel heeren, weet je?”
+
+„Ja, jij bent gelukkig,—je hebt haast altijd volk; maar ik—ik veeg[1]
+gewoonlijk. ’t Is een miserabele tijd: de menschen worden hoe langer
+hoe schrieler.”
+
+[1] Geen volk opdoen om te rijden.
+
+„Dat komt door de algemeene melaise, manke!”
+
+„Wat is dat?”
+
+„Dat weet ik niet; maar iedereen zeit het, en dan zal ’t wel waar
+wezen. Ik geloof, dat het zooveel beduidt alsdat er in zaken van
+handel temet niks niet te doen is. Maar je hebt gelijk, ’t is benauwd
+tegenwoordig; ik heb verleden week nog geen tien gulden gehaald met
+fooien en al.”
+
+„’k Wou, dat ’k ze maar alle weken had”, antwoordt de manke met een
+zucht, terwijl hij de toppen van zijn wanten in den mond steekt en er
+uit alle macht op blaast.
+
+„Wat heb jij vast bij je baas?”
+
+„Ik, Bobberd? Vijf gulden tien!”
+
+„Blikslagers! dan ben jij ’t heertje, hoor! Dan heb jij een halven
+gulden meer dan ik.—Daar moet ’k mijn baas ereis over
+aanspreken.—Prrr! knol sta stil!”
+
+„’k Had vroeger ook vijf gulden, maar een jaar geleden sloeg die ouwe
+dragonder—je hebt hem wel gekend, ’t was een witvoet, een nijdige
+rakkerd zoo oud als hij was,—m’n linkerbeen stuk. ’k Heb dertien weken
+in ’t Gasthuis gelegen, en toen ik er uitkwam, gaf de baas me twee
+kwartjes verhooging.”
+
+„Nou, dan mag jij onzen lieven heer wel danken voor dat beentje; dat
+’s vijftig centen per week waard.”
+
+Terwijl hij dit zegt, lacht de Bobberd zóó, dat zijn breede,
+tabaksbruine mondhoeken zich bijna tot zijn ooren vertrekken. „En ben
+je er nou al rijk door? Neen, hé? Je bent even sjofel als ik; vroeger
+had ik regelier een gulden of acht aan fooien in de week en nou nog
+geen vijf.”
+
+„Nou, en ik had verleden week nog geen vier gulden; en ’k geloof
+waarachtig, dat ’k van deze week ze niet eens haal.”
+
+„Klagers hebben geen nood, manke!—Prrrrr! Jan, hou je gemak, jongen;
+we gaan zoo naar stal.—Ja, wat ik zeggen wou: jij bent immers
+getrouwd, hé?”
+
+„Ja, natuurlijk!”
+
+„Kinderen?”
+
+„Zeven!”
+
+„Godzegenme!—Satansche knol! wat mankeert jou van avond?—Een hok vol.
+Zie je, daar heb ik nou geen last van; ik heb geen kinderen.”
+
+„Ei! hoe komt dat zoo, Bobberd?”
+
+„Omdat ’k geen vrouw heb; ’k ben een vrije jongen!”
+
+„Ja, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan. En klaag jij dan nog
+over den slechten tijd?”
+
+„’n Mooi ding! Een vrije jongen leeft altijd duurder dan een getrouwd
+mensch.”
+
+„Ei!”
+
+„Natuurlijk! Eerstens je kostgeld; tweedens je borreltje. Dat moet een
+mensch toch....”
+
+Het gillend fluiten van een locomotief, het sein van den aankomenden
+trein, doet hem plotseling verstommen; haastig werkt hij zich op den
+bok van zijn rijtuig, bukt zich voorover en trekt de deken van zijn
+paard naar zich toe. Vlugger dan men van den manke zou verwacht
+hebben, is ook deze ten troon gestegen en zegt, met de leidsels in de
+hand, tot zijn collega: „Daar komt ie; als er nou maar volk genoeg
+is.”
+
+Nogmaals gilt de stoomfluit naderbij; dan nog eens lang en schril; de
+trein stoomt binnen. Een oogenblik later komt bij, om en in het
+station, alles in beweging.
+
+Stoomwolken uitsissend, blazend en hijgend met gloeienden adem, is de
+locomotief langs het perron komen aanstuiven, en plotseling in zijn
+vaart bedwongen door de Westinghouse-rem, staat hij nu als een
+vermoeid en amechtig mensch te kuchen voor den langen trein van
+verlichte wagens, die, als zij geopend worden, met de passagiers ook
+de warme lucht uitlaten, die opwolkt en dampt in den kouden
+winternacht.
+
+„Bagasie, heeren! Bagasie!—Niemand bagasie?” roepen de langs de
+waggons snellende kruiers.
+
+Een hoopje bibberende hotelportiers verwelkomt aan den uitgang van ’t
+station de reizigers met: „Hôtel du Doelen, Rondeel! Bible-Hôtel!
+Hôtel Central! Pays-Bas!” enz.
+
+In bouffanten en cachenez, pelzen en overjassen, mantels en doeken
+gehuld en gestoken, komen halfbevroren derde-klasse reizigers en
+huiverende eerste- en tweede-klasse passagiers door den uitgang.
+Sommigen hollen wat ze kunnen, om de tram te bereiken, voordat alle
+plaatsen bezet zijn; anderen loopen hard, om warm te worden; en weer
+anderen haasten zich naar de gereedstaande rijtuigen.
+
+In draf rijden de verschillende „gestationneerden” de snorders
+voorbij. Met wangunstige blikken zien de twee koetsiers, hoe ’t eene
+rijtuig na ’t andere, met koffers op bok of imperiaal, hen
+voorbijrolt.
+
+Of ze al met hun zweepen wenken en op den bok staande roepen:
+„Viegelant?” de passagiers zijn voor hen, naar ’t schijnt, niet
+aangekomen.
+
+’t Begint zachtjes te sneeuwen; dat helpt den Bobberd aan een klant.
+Met lachend gezicht rijdt hij weg en hoort de spijtige woorden niet
+van den manke, die hem naroept: „Gelukkige vent, jij bent er alweer
+uit met een prijs!” Verlangend ziet de overgebleven snorder naar de
+reizigers, die in steeds kleiner aantal hem voorbijkomen.
+
+Eindelijk zijn al de rijtuigen voor ’t station verdwenen; hij wacht
+nog even, dan rijdt hij zachtjes voor ’t plein op en neer: misschien
+komt er ook nog iemand voor hem.
+
+Neen! ... de stationsportier sluit het hek reeds dicht; er is voor den
+manke geen vrachtje.
+
+„Zou ’k van avond alweer vegen?” mompelt hij verdrietig, terwijl hij
+de zweep in den koker zet en den rechterarm tegen zijn lichaam slaat
+om gevoel in de vingertoppen te krijgen. „In godsnaam dan, vort! Brrr!
+wat is het koud.”
+
+’t Is hem alsof hij nu eerst recht den snerpenden wind voelt en ’t
+snijden van de vorst.
+
+„Hort, bles! dan maar naar stal.”
+
+Reeds heeft hij zijn paard aangezet, als een: „Hola, koetsier! stop!”
+hem de teugels strak doet trekken. Hij richt zich overeind op den bok,
+ziet achterom en ontwaart een paar gestalten, die langzaam naar hem
+toe komen.
+
+„Viegelant?” roept hij hun vragend tegen.
+
+„Ja! keer maar om!”
+
+Een ruk aan de leidsels, een aanmoedigend klappen met de tong voor
+zijn paard en ’t rijtuig is naast dengene, die hem roept. Werktuiglijk
+herhaalt hij zijn vraag: „Viegelant?”
+
+Een conducteur, die een oud heer ondersteunt, antwoordt: „Jawel! hier
+heb je een passagier, die in de wachtkamer ongesteld is geworden.
+Breng meneer zoo gauw als je rijen kunt naar ’t Amstel-Hôtel.”
+
+De oude heer, in een fijnen pels gedoken, voegt er met matte stem bij:
+„’k Zal je een flinke fooi geven, als je gauw rijdt.—Dank je,
+conducteur; zet mijn koffertje en dat valiesje maar binnenin, op de
+voorbank. Ziedaar, dat’s voor je moeite.”
+
+„Dank u, mijnheer!—Beterschap!—Vooruit, koetsier!”
+
+De manke legt de zweep over zijn paard en rijdt zoo spoedig de stijve
+beenen van bles het veroorloven in de aangewezen richting voort.
+
+„Dat valt mee,” denkt hij onder weg, „’n goeie fooi, hm! misschien
+maakt die zieke ouwe man mijn dag nog goed. Hort! vooruit dan, ouwe
+jongen.—’k Zal de Kalverstraat nemen,” zegt hij bij zichzelven, „dat
+rijdt lekker. Hm! wat zou dien man mankeeren? Misschien heeft hij te
+veel gegeten en pijn in z’n lijf. Och! wat kan ’t ons schelen, hé,
+bles? Als hij mij maar een paar kwartjes fooi geeft, is ’t me
+onverschillig waar hij mankement heeft, al had hij ook....”
+
+Tikken tegen het raampje stoort hem in zijn overpeinzing. Hij houdt
+even op; de passagier steekt zijn hoofd uit ’t portier en vraagt
+knorrig: „Waar breng je me heen, dat je zoo door de Kalverstraat
+rijdt?”
+
+„Naar ’t Amstel-Hôtel, zooals u gezeid heeft, maar ik neem de
+Kalverstraat, omdat ik veronderstel, weet u, dat voor een ziek mensch
+dat asphalt zachter en....”
+
+„O, zoo! is ’t daarom; dat’s wat anders, dank je. Wat is je nummer?”
+
+„Honderd een en tachtig, meneer!—Doorrijen?”
+
+„Ja, asjeblieft!”
+
+„Hort, bles!—Wat weerga, waarom vraagt die vent op eens mijn nummer?
+Ik heb hem toch niet veraffronteerd,—is ’t wel, ouwe bles? Nou, ’t zal
+mij een zorg wezen, al was hij zoo nijdig als een spin; maar hij zei:
+„Dank je!” Blikslagers, misschien recommandeert hij No. 181 als een
+geschikt persoon. Ook goed!—Kom, bles, vooruit dan, we moeten, allebei
+naar stal.”
+
+’t Is een eigenaardige gewoonte van den manke, om met zijn paard te
+praten, als hij rijdt; misschien doet hij ’t, zonder dat hij ’t zelf
+weet, uit verveling, of om zijn ros aan te moedigen. „Komaan!”
+vervolgt hij, „daar hebben we de Utrechtsche straat al; moet je nou de
+zweep eens eventjes proeven? Ja, steek je ooren maar op; ’k zal....
+Wat weerga! wat schokt daar zoo? Valt daar iets in m’n viegelant?
+Phu-u-u-t!” de koetsier fluit tusschen de tanden.
+
+Bles staat stil en zijn bestuurder klimt van den bok, om te zien wat
+er gebeurd is. Hij opent het portier en brengt even de hand aan zijn
+hoed, als hij vraagt: „Neem me niet verkwalijk, meneer, maar....
+Allemachtig! hij is van zijn stokkie gevallen en ’t koffertje met ’t
+valies leit naast hem.”
+
+„Hei! zeg eens, ouwe heer: scheelt er wat aan? Ben je niet goed?—Dat’s
+een mooi ding! Op avontuur is hij dood: dan ben ik gesjochten voor
+mijn vracht.”
+
+Een paar voorbijgangers blijven staan en zien nieuwsgierig naar den
+manke, die zijn best doet om den passagier weer op de bank te zetten.
+Met hulp van een paar mannen richt hij den ouden heer op, die met een
+zucht weer tot zichzelven komt en flauwtjes zegt: „’k Werd—weer—zoo
+benauwd; rij in Godsnaam voort!”
+
+„Zou uwé ’t dan nou zóó kennen rooien?”
+
+„Ja! ja! rij gauw weg.—Wat doen die mannen hier?”
+
+„Ze hebben zooveel als een handje geholpen.”
+
+„O, zoo!—Dank jelui.”
+
+’t Portier wordt dichtgeslagen en een „vooruit!” van den koetsier
+brengt de vigilante weer op weg.
+
+Eenige minuten later is het Amstel-Hôtel bereikt en wordt de zieke man
+door den portier behoedzaam uit het rijtuig geholpen. De manke hoort
+hem zeggen: „Betaal den koetsier en geef hem een gulden fooi!” ziet
+hem langzaam de trappen opgaan en in de vestibule verdwijnen. Iets
+later ontvangt hij de vracht met de fooi en zal wegrijden. Vóórdat hij
+dat doet, kijkt hij werktuiglijk nog eens in de vigilante en ontwaart
+het valies, dat op den bodem is blijven liggen. Met een: „Hé, portier,
+de ouwe heer heit nog wat vergeten,” reikt hij de reistasch over,
+klimt op den bok en rijdt weg.
+
+„Zoo, jongen! nou als de wind naar stal.—’n Gulden fooi! Zeker en
+bepaald een fijn mensch.—Kom! dat’s een meevallertje; even een hapje
+nemen voor de kouwe voeten, dat kan er nou wel af.”
+
+’t Hapje wordt gebruikt, een sigaar van de vijf er bij genomen en dan
+draaft bles verder. Hij heeft nu geen zweep meer noodig, want ’t paard
+weet, dat hij naar stal gaat. Zijn baas zit genoeglijk te dampen en
+laat af en toe de leidsels van de eene in de andere hand overgaan, om
+dan de vrije hand tegen zijn lichaam warm te slaan.
+
+Bij de brug, die van ’t Leidsche plein naar de Stadhouderskade voert,
+wordt hij aangeroepen door iemand, die met den hoed in den nek tegen
+een lantarenpaal leunt.
+
+„Hé! Hola, koetsier!”
+
+„Phu-u-ut! Prrr!—Ho, bles!—Wou uwé rijen?”
+
+„Ja! Ben je vrij?”
+
+„Om je te dienen, meneer.”
+
+Een jongmensch, netjes in de kleeren, maar ietwat aangeschoten en in
+vroolijke stemming, neemt de kruk van ’t portier in de hand en vraagt
+met min of meer bezwaarde tong:
+
+„Schroef jij ’s avonds dien knol uit mekaar? Ha! ha! ha! ’t Beest valt
+om, als je niet oppast. Zeg, Autómedon! zou je me nog zonder
+ongelukken naar Kras kunnen rijen?”
+
+„’t Zal wel lukken, meneer! Stap maar in; maar ’t is dubbel tarief na
+elven. Weet u ’t?”
+
+„Daar vraag ik je niet na, Autómedon.”
+
+„Zeg ereis, meneer, als je me uitscheldt, rij ik niet.”
+
+„Die is goed. Ha! ha! Heel goed!”
+
+„Kom, stap nou maar in, ’t is al mooi laat.”
+
+„Verduiveld! Die ouwe kast van jou draait. Hou ’m recht, kerel! Dat’s
+zot, dat’s—hm! Die vervloekte tree zit niet vast. Ho dan!”
+
+„Wil ik je ook even helpen, meneer?”
+
+„Neen! ’t Is in orde.—’n Verdraaid gemeene rammelkast! Niet steady.
+Zóó, ik zit. Vooruit!”
+
+Van den bok reikend slaat de manke het portier met een harden slag
+dicht. Een „hort, bles!” en het rijtuig komt in beweging.
+
+Onder weg zegt de snorder tot zijn paard:
+
+„Dat valt mee voor den baas, maar niet voor jou; maar er is niets aan
+te doen. Kom, ouwe jongen, vooruit!”
+
+
+II.
+
+’t Is een armoedige, kleine woning, die door Dirk De Vries, bijgenaamd
+„de manke”, met zijn groot gezin wordt bewoond.
+
+Het lage bouwvallige huisje, dat zich in een slop, uitkomende in de
+Passeerderstraat, bevindt, bestaat slechts uit één vertrek, met een
+klein hokje, een zoogenaamd keukentje er naast.
+
+De deur, die niet goed meer gesloten kan worden, en een smal venster
+laten nauwelijks licht en lucht genoeg in voor zooveel ademende
+wezens. Alles draagt daarbinnen de kenteekenen van verval en ouderdom,
+maar niettegenstaande de wormstekige betimmering, de brokkelende muren
+en den molmenden vloer is het er vrij zindelijk, want Dirks vrouw
+houdt, zooveel zij kan, aan alles de hand.
+
+Aan de linkerzijde van het vertrek is de bedstede en daarnaast een van
+oude ongeschilderde planken getimmerde slaapplaats, waarin twee
+kinderen, meisjes van negen en zes jaren, eendrachtig liggen te
+slapen; onder de tafel, op een stroozak, rusten twee jongens, dertien
+en elf jaren oud, onder een oude wollen deken, en eenige
+kleedingstukken, die hen ternauwernood voor de felle koude beschutten.
+Rechts naast de deur, die tot het keukentje toegang geeft, staat op
+den grond een soort van houten bak met eenig beddegoed, waarin een
+mager meisje van vijf en een aardig, klein, dik roodwangig kereltje
+van drie jaren sluimeren.
+
+Door de geopende deur ziet men de roode wang van een snorrende
+potkachel. Op de platte kachelpijp staat een aarden pan met kool en
+aardappelen te dampen, zoodat de reeds benauwde lucht in het huisje
+niet frisscher wordt door de uitwaseming van ’t snerkende eten. Bij de
+kachel, die aldus den dubbelen plicht van verwarmings- en kooktoestel
+vervult, zit bij het licht van een petroleumlamp vrouw De Vries het
+jasje te verstellen van haar oudsten, die op een sigarenfabriek als
+stripjongen reeds eenige stuivers verdient.
+
+Haar gelaat toont duidelijke sporen van zorg en kommer; ’t vroegtijdig
+gerimpelde voorhoofd, de ingevallen wangen en de bleeke lippen spreken
+van harden strijd en afmattende bezigheden, maar toch is de
+uitdrukking van dat vrouwengelaat niet ontevreden. Er ligt een trek
+van goedhartigheid en kalmte om den mond, en de groote bruine oogen
+met zachten, min of meer matten opslag weerspreken dezen niet.
+
+Zij heeft niettegenstaande haar armelijke kleeding iets fatsoenlijks
+in haar wezen, dat den indruk geeft, als had zij eenmaal betere dagen
+gekend, als ware zij niet uit het plebs, zelfs niet uit de heffe des
+volks ontsproten.
+
+Daar klinkt uit de bedstede een zwakke, pijnlijke kreet. Langzaam, met
+een zucht, staat vrouw De Vries op, legt draad en naald ter zijde en
+gaat naar het bed, waarop zij haar jongste kind, een bleek, ziekelijk
+jongentje van bijna anderhalf jaar heeft neergelegd.
+
+Als zij op is gestaan, kan men zien, dat, zij eenigszins gebogen gaat;
+haar lange, vrij grof gebouwde gestalte is min of meer krom in den rug
+geworden door arbeid en door ’t rondom haar sluimerende zevental, dat
+zij ’t levenslicht schonk.
+
+„Wat is er dan, Jan?” vraagt zij, over ’t bed gebogen, met een licht
+Overijsselsch accent. „Heb je pijn in je mondje? Ben je koud,
+kereltje? Kom dan maar bij moeder.” Zij wikkelt het kind vaster in den
+doek, waarin het te slapen is gelegd, geeft het een teugje water met
+melk en sust het, totdat ’t al kreunend weer indommelt.
+
+Als zij hem op bed wil leggen, ontwaakt en schreeuwt Jan opnieuw;
+daarom neemt zij hem op den schoot en gaat weer bij de kachel zitten.
+
+’t Kind wordt bedaarder en slaapt in. Over zijn kleine gestalte legt
+zij voorzichtig het buisje en vervolgt, zoo goed en kwaad als zij kan,
+haar lapwerk. Soms licht zij het buis even op en ziet naar ’t kind,
+dat, zwaar ademhalend, met gloeiende wangen en brandend hoofdje,
+onrustig slaapt.
+
+„Hij is niet goed; ’k geloof, dat ’t schaap koorts heeft; wat gloeit
+hij,” zegt ze tot zichzelve; „dat moet er nog bijkomen!”—Zij luistert,
+want buiten in de gang klinkt een onregelmatige tred. „Dat ’s Dirk,”
+denkt zij en ziet naar de deur, die een oogenblik later wordt
+opengedaan.
+
+’t Is de „manke”, die thuis komt.
+
+Zijn jas en hoed zijn vol sneeuw, die hij op den drempel zooveel
+mogelijk afschudt.
+
+„Doe gauw de deur dicht, Dirk! De zomer komt er niet in,” roept de
+vrouw hem te gemoet.
+
+„’k Snapte daar net een bui.—’n Avond, Mijntje! Ben je nog op?”
+
+„Ja; ’k moest Gerrits buis wat opknappen: hij moet toch fatsoenlijk op
+’t fabriek komen. Hè! wat breng je een kou mee; ’t is vinnig weer
+buiten; ik kon mijn vingers niet gebruiken, daarom heb ik de kachel
+weer aangelegd; ’k moest je eten toch ook warm houden. Hoe is ’t
+vandaag geweest?”
+
+Terwijl de man zijn groote jas en vochtige laarzen uitdoet, zegt hij
+opgeruimd:
+
+„’k Dacht eerst, dat ’t vandaag weer miserabel zou wezen, maar de
+avond heeft ’t goed gemaakt. Dáár heb je een gulden, twee kwartjes en
+een dubbeltje. ’k Had van avond een paar goeie vrachies. Geef me mijn
+eten, ’k heb trek.”
+
+„Ik kan niet opstaan, Dirk: ’t kind ligt op mijn schoot; hij is niet
+goed; vandaag aldoor onrustig geweest. Twee en dertig stuivers: ’k
+wou, dat je ze alle dagen meebracht!”
+
+„Dat schaap is dan erg aan ’t sukkelen, vrouw; zouën ’t de tanden
+wezen?” antwoordt Dirk, neemt de pan van de kachel, ziet even naar
+kleinen Jan, en begint dan met smaak de kool en aardappelen te
+verorberen.
+
+Al etend verhaalt hij, hoe hij den zieken heer naar ’t Amstel-Hôtel
+moest rijden en een gulden fooi heeft gekregen, en lachend vertelt hij
+van het aangeschoten jongmensch. „Zie je, Mijn, hij had een flink stuk
+in zijn kraag, want toen ik bij Kras voor de deur stilhield, was hij
+ingedut. Ik maakte hem wakker en zei: „We bennen er, meneer!” Maar ’k
+moest hem schudden, zoo lekker was hij ingedommeld. Hij keek me aan
+met een paar lodderige oogen en zei: „Goeie morgen! Ik heb ’n
+verduivelden dorst!—Die rammelkast van jou is geen cent waard,” maar
+hij gaf me toch een kwartje fooi. Nou! mijn een zorg hoe of hij mijn
+spul vindt. ’k Heb anders in den laatsten tijd allemachtig weinig
+verval gehad.”
+
+Zuchtend antwoordt de vrouw: „Dat heb ’k gemerkt.”
+
+Zij werkt een poosje zwijgend verder en zegt dan op eens: „Zeg, Dirk!”
+
+„Nou?”
+
+„Kierssen is er geweest.”
+
+„Hm!”
+
+„Hij kwam zeggen, dat zijn patroon mooi nijdig is.”
+
+„Hm!”
+
+„’t Is nou met mekaar zestien gulden en een stuiver.”
+
+„’k Weet het wel, maar ’k heb het niet, vrouw!”
+
+„En ook niets meer om „weg te brengen.”[1] Kierssen zei, dat hij, als
+Vrijdag ’t geld er niet was...”
+
+[1] Naar den lommerd brengen.
+
+„Nou, wat dan?”
+
+„Ons op straat zou zetten. Ik zei nog: „Meneer Kierssen, je weet wel,
+dat wij knappe menschen zijn; we hebben je altijd prompt de huur
+betaald, maar nou ’t zoo slecht is van den winter met de verdiensten,
+moest je nog wat geduld hebben en...””
+
+„En wat zei hij?”
+
+„Kierssen zelf is de kwaadste niet. Hij zei: „Ik zou je wel willen
+laten wonen, maar ik moet als opzichter doen wat mijn patroon zeit;
+laat je man zelf eens naar hem toe gaan.””
+
+„Och! dat geeft toch niets; die huisbazen staan je niet eens te
+woord.”
+
+„Maar als Kierssen ’t nou toch zeit, Dirk?”
+
+„Praatjes! ze steken samen onder één deken.—Breng morgen dien daalder
+maar aan den opzichter op afrekening; dat zal...”
+
+„Maar Dirk, er is geen cent meer in huis, en ’k heb al overal op de
+lat[1] gehaald: ’k moet toch zorgen, dat de kinderen wat te eten
+hebben. Dan moeten Gerrits schoenen worden gehalvezoold; Piet heeft
+ook bijna niets aan zijn voeten, en Klaasje heeft geen...”
+
+[1] Op crediet.
+
+„Schei maar uit; ik weet het wel, vrouw, maar ik kan ’t niet van mijn
+lijf snijen.” Dirk wordt knorrig en zijn humeur verergert, als Jantje
+onrustig begint te kreunen en eindelijk luidkeels schreeuwt.
+
+„Dat zal me een nachtje geven,” bromt hij, terwijl hij zich ontkleedt.
+Met de woorden: „’k Moet er morgen weer vroeg uit; hou dat kind toch
+stil, Mijn!” stapt hij in bed en kruipt zoo diep mogelijk onder de
+oude, dunne dekens.
+
+„Leg mijn jas er nog maar op: ’t is vervloekt koud en de kachel heeft
+gênacht gezeid,” zegt hij tot zijn vrouw, die den schreeuwenden kleine
+in haar armen sust en tot bedaren tracht te brengen. Een paar van de
+slapende kinderen ontwaken door de pijnlijke kreten van hun broertje,
+en de arme, geduldige vrouw is tot laat in den nacht bezig, om zooveel
+zij kan de rust te bewaren, die haar man noodig heeft.
+
+Koud en huiverig is Dirk opgestaan; zijn dikke, verkleumde handen
+weigeren haar dienst bij ’t aankleeden.
+
+Alles slaapt nog in zijn woning, want eindelijk heeft zich ook de
+vrouw, met ’t zieke kind aan haar borst gedrukt, naast hem kunnen
+neerleggen.
+
+Hij moet naar den stal, om zijn vigilante, schoon te maken en in te
+spannen; want eerst tusschen acht uur en halfnegen komen de
+stationneerende rijtuigen op den Dam of elders, en de snorder kan
+juist vóór dien tijd soms een vrachtje krijgen.
+
+’t Is nog geheel donker. Hij steekt de lamp aan en wascht zich in ’t
+keukentje; vóórdat hij vertrekt, wekt hij den oudsten jongen, die om
+half acht op de sigarenfabriek moet wezen.
+
+Slaperig wrijft de knaap zich de oogen en hoort hoe zijn vader tot hem
+zegt: „Sta op, Gerrit, haal een cent water en vuur en leg de kachel
+aan voor je moeder. Laat ze mijn koffie klaarmaken. Als ik in den stal
+gedaan heb, rij ik wel even aan om m’n boterham te halen.”
+
+ * * * * *
+
+Buiten is ’t nog bijna nacht; de straatlantarens branden en werpen
+haar licht op de hard bevroren sneeuw en de gladgeloopen straat, die
+glimt en glinstert, als met diamantpoeder bestrooid.
+
+De baas is reeds op, als Dirk in den stal komt, en de kleine, morsige
+jongen, die zoo wat „handje voor alles” is, heeft al een paar
+oorvijgen beet, omdat hij nog niet goed wakker is kunnen worden.
+
+„Gêmorgen, Dirk!—Satans koud!” roept de baas hem tegen.
+
+„Nou, baas!”
+
+In den stal brandt een petroleumlamp en verlicht vrij onvoldoende de
+kleine ruimte, waar ternauwernood plaats is voor twee paarden en een
+bok, die nijdig naar Dirk stoot, als hij naast den uit de ruif
+etenden bles gaat staan en zegt: „Komaan, ouwe jongen, eerst zullen we
+jou een beetje opknappen en dan de viegelant. Hu! op zij! Hu dan! Heb
+je nou nog je bekomst niet, vreetzak?”
+
+Hij roskamt zijn paard, en als hij daarmee gereed is, roept hij tot
+den jongen, die tegen de haverkist staat te dutten: „Allo, Jaapie!
+geef jij bles nog een emmertje water; dan ga ik den wagen
+schoonmaken.”
+
+Jaapie rekt zich geeuwend uit en gaat langzaam naar de
+waterleidingkraan, zóó langzaam, dat Dirk, die naar het zoogenaamde
+koetshuis gaat, hem toeroept: „Kun je nog langzamer?”
+
+„Jawel!” is ’t brutale antwoord.
+
+„’k Zal je straks wel krijgen, onbeschofte rekel!—Waar is de schuier?”
+
+„Vraag ’t hem zelf!”
+
+Gelukkig voor Jaapie, hoort de „manke” deze laatste vriendelijke
+woorden niet, want hij heeft juist gevonden wat hij zocht en is reeds
+begonnen met het afschuieren der rijtuigkussens. Daarna neemt hij de
+mat, die op den bodem der vigilante gelegen heeft op, en schudt die
+uit.
+
+Als hij haar weer neerleggen wil, voelt hij een voorwerp, dat hij nog
+niet had opgemerkt; ’t is een klein zwart lederen taschje.
+
+„Hé! wat is dat?” zegt Dirk eensklaps, bijna luid, zoodat Jaapie, die
+den emmer met water voor Bles schuins op zijn knie houdt, zijn hoofd
+omdraait en vraagt:
+
+„Wat mot je?”
+
+„Niks!”
+
+„’k Dacht, dat je riep.”
+
+„Neen!—Kijk naar je emmer.”
+
+Haastig stopt de manke het gevonden voorwerp, zonder het verder te
+bezien, tusschen zijn boezeroen en baaien borstrok en doet dan, alsof
+er niets gebeurd was, zijn werk; alleen fluit hij er nu en dan een
+deuntje bij, iets wat anders nooit voorvalt.
+
+Dirk is in spanning, omdat hij begrijpt, dat in het taschje wel iets
+van waarde kan zitten; daarom schiet hem de gedachte door ’t hoofd:
+„Wie weet, of je daar geen fortuintje hebt?” Hij tracht zich zoo
+onbevangen mogelijk voor te doen en doet daardoor juist iets
+ongewoons, zoodat de baas, die weer in den stal is gekomen, hem
+toeroept:
+
+„Nou, jij schijnt van morgen in je knollentuin te wezen.”
+
+„Ik, baas?”
+
+„Ja, jij! Je fluit als een merel; dat ben ’k niet van je gewend.”
+
+„Hm! Ja! Neen! ’k fluit, omdat ’k zoo koud ben, baas.”
+
+„Zoo!”
+
+Een oogenblik denkt Dirk: „Je moet dat taschje aan den baas geven om
+te bewaren,” maar dadelijk overlegt hij er bij: „Gekheid! eerst kijken
+wat er inzit; is ’t de moeite waard, dan breng jij ’t liever zelf
+terug aan den... Blikslagers! van wien zou ’t wezen? Van dien zieken
+heer voor ’t Amstel-Hôtel, of van dien jongen snuiter, die den prins
+gesproken had? Hm! misschien zit er wel een adres in of....”
+
+In den stal wil hij er niet naar kijken, want dan loopt hij gevaar,
+dat de baas het ziet en—zijn baas neemt veel te graag zelf een fooi
+aan.
+
+Eindelijk is hij met schoonmaken gereed en spant in. ’t Begint te
+schemeren, als hij wegrijdt, en er zijn nog weinig andere menschen op
+straat dan werkvolk dat naar karrewei gaat, of reizigers die zich met
+haast naar de stations spoeden.
+
+Toch oordeelt hij het beter om zoodra hij kan de Heerengracht op te
+rijden.
+
+’t Is daar nog doodstil; hij komt er niemand tegen dan den
+dienstdoenden politie-agent, die bibberend en koud in den
+voorgeschreven pas op de kleine steentjes aan de huizenkant loopt en
+hem even toeknikt als antwoord op zijn groet.
+
+Zoodra hij een gracht verder is, laat hij zijn paard stappen, neemt de
+leidsels in de eene hand en haalt met de andere het taschje te
+voorschijn.
+
+Voorzichtig doet hij ’t open en houdt den inhoud, een pakje papier,
+tusschen zijn vingers.
+
+„Waarachtig! ’t zijn bankies,” zegt hij in zichzelf, en terwijl hij
+met moeite de cijfers onderscheidt, mompelt hij: „Dat’s een vondst!
+Een van vijf en twintig. Een, twee, drie van honderd. Allemachtig!
+drie, vier, zes, zeven van veertig! Dat’s al zeshonderd.—Godzegenme,
+één van duizend!”
+
+Het bankpapier ritselt in zijn hand; hij is er van geschrikt, want
+zooveel geld heeft hij nog nooit bijeen gezien. „Zestienhonderd en
+vijf gulden samen! Geen bagatel,” denkt hij, en als hij verder niets
+hoegenaamd meer in het taschje vindt, vouwt hij de banknoten weer op
+en bergt schielijk een en ander weg,—nu echter tusschen zijn baaien
+hemd en het bloote lijf: daar is ’t zekerder! Terwijl hij verder rijdt
+en werktuiglijk den weg naar den Dam inslaat, denkt hij: „Wie zou dat
+verloren hebben?” Hij weet bepaald, dat er niets van dien aard in zijn
+vigilante lag, toen hij ’s avonds te voren aan het station ging staan,
+want even vóór dien tijd heeft hij de mat, omdat er ingeloopen sneeuw
+op lag, nog uitgeschud. ’t Moet dus van een der twee laatste
+passagiers zijn.
+
+Wat zal hij met dat geld doen? Zal hij het naar ’t bureau van politie
+brengen? „Hum!” overlegt hij bij zichzelf, „’k zal zoo dwaas niet weer
+wezen; ’k heb eenmaal een gouden ring gevonden en naar het
+politiebureau gebracht; daar is hij afgehaald door den eigenaar en
+zelfs geen fooitje is er voor „den manke” overgeschoten; dat doe ik
+nooit weer.—Maar wat dan? ’t Geld houden, nu en dan een bankje
+wisselen?” Hij is ’t nog niet met zichzelven eens. „Een bankje van
+vijf en twintig, desnoods van veertig gulden, dat zou nog gaan; maar
+dat van duizend, dat’s te gevaarlijk! En....”
+
+Werktuiglijk is hij voortgereden, zonder zich te herinneren, dat hij
+nog thuis zou aanrijden om zijn brood te halen. Hij heeft den Dam
+reeds bereikt, als hij er aan denkt. Voorzichtig voelt hij buiten op
+zijn jas naar de kleine verhevenheid, die door het verborgen taschje
+met bankpapier ontstaat; ’t is alsof hij zich telkens opnieuw wil
+overtuigen, dat hij waarlijk zooveel geld bij zich heeft.
+
+„Wat zal moeder de vrouw er wel van zeggen, als zij ’t hoort”, denkt
+hij, terwijl hij op den nog duisteren Dam heen en weder rijdt. Hij
+glimlacht, want hij weet wel, dat zij zeggen zal: „Dadelijk naar ’t
+bureau brengen, Dirk! Eerlijk duurt het langst”, en—zijn hart klopt:
+zóóveel geld en zóó arm!
+
+
+III.
+
+Eenige dagen waren verloopen en nog altijd was de tasch met bankpapier
+in ’t bezit van „den manke”. Hij was, na lang beraad met zichzelven,
+tot het besluit gekomen om ’t geld zoolang te houden, totdat er
+navraag in de kranten kwam.
+
+Iemand, die zooveel geld verloren heeft, dacht hij, doet natuurlijk
+moeite om het terug te krijgen, en zet ’t allereerst een advertentie
+in de dagbladen, om den eerlijken vinder op te sporen.
+
+Hij was vast besloten om, zoodra hij wist wáár of aan wien zich te
+wenden, het geld aan den eigenaar terug te brengen; er zou, zoo
+rekende hij uit, voor hem toch stellig een belooning, misschien wel
+één of een paar bankjes van veertig gulden, opzitten.
+
+Elken avond had hij in „’t Vroolijke Schuttertje”, een kroeg waar
+gewoonlijk de maats verkeerden, de dagbladen nagezien, maar zonder
+gevolg.
+
+Eens zelfs had de Bobberd, de trouwste bezoeker van ’t Schuttertje,
+toen hij Dirk zoo aandachtig het _Handelsblad_ en ’t _Nieuws van den
+Dag_ zag doorsnuffelen, droogjes aan hem gevraagd: „Lees jij
+tegenwoordig de kranten?”
+
+„Ik? Hoe zoo?”
+
+„Wel, je was er vroeger geen liefhebber van en nou snor je sedert een
+paar dagen zoo in die kranten. Heb je misschien wat gevonden in je
+kar?”
+
+Dirk schrikte. Zou de Bobberd iets weten? Waarom zei hij dit zoo
+eensklaps? ’t Zweet brak hem uit, want ’t kwam hem voor, dat hij hem
+zoo wonderlijk aankeek bij die woorden, en verlegen stotterend
+antwoordde hij: „Ne-ne-neen! Hoe kom je daarbij?”
+
+„Nou! ik dacht het maar zoo, manke!”
+
+„Waarom?”
+
+Zijn breeden mond tot een leelijken grijns vertrekkende, zei de
+Bobberd: „Wel! ’t is me ook ereis gebeurd, dat ik wat vond; ’t was
+maar een bagatel, ’n kleine parelmoeren damesportemonnaie; toen heb ik
+ook gekeken naar de advertenties.”
+
+„En?”
+
+„’k Zag er eindelijk een staan, maar ’k had de duiten al op. Ha! ha!
+ha! ’t was nogal de moeite waard om het te bewaren; er zat maar een
+gulden of acht in; ’k heb die dubbeltjes wat lekker gebruikt. Zie je,
+als ’t nou meer was geweest, dan had ik misschien.... Afijn! ik kon
+ook m’n vingers niet branden, want geld is geld, ’t is allemaal even
+rond, en aan een rijksdaalder kun je niet zien of hij van mijn is of
+van jou.”
+
+„Ja! hm! maar Bobberd, ’t was toch niet....!”
+
+„Zeg, ouwe jongen! hang nou maar niet den vrome uit. Jij zou ’t
+evengoed hebben gehouwen als ik.—Je begrijpt, ’t portemonnaietje had
+ik subiet in de kachel gestopt. Geen haan kraaide er naar.”
+
+„Maar als ’t nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de
+lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren.”
+
+„Gekheid! ’k zou ze dadelijk hebben gewisseld. Nou, zeg! zóó mal niet,
+hoor, manke! Als een arm mensch wat vindt, is het een bestiering van
+de Voorzienigheid, dan _moet_ hij ’t hebben, ten minste als ’t niet
+zóóveel is, dat je er door in den kijker loopt. En de nummers bekend?
+Dat ’s een praatje. Ja!—de menschen schrijven daar op, welke nummers
+ze in d’r zak hebben, kun je begrijpen! Als ’t een loterijbriefie is,
+dan is ’t wat anders; maar bankies,—gekheid!—Sakkerloot, manke! wat
+kijk je me raar an.—Neen! waarachtig, ik meen het, en als je er eentje
+gesnapt hebt, al was ’t er ook een van honderd gulden, geef maar hier!
+Voor een rijksdaalder zal ik ’t wel voor je wisselen.—Nou! biecht maar
+ereis op: wat heb je?”
+
+„Niks! Je kletst.—Gênacht!”
+
+ * * * * *
+
+Dirk gaat naar huis. Het gesprek met den Bobberd heeft hem ontstemd,
+en terwijl hij, huiverend en bibberend door de koude nachtlucht, zijn
+pas versnelt, denkt hij na over dat gezegde: „Geld is geld, ’t is
+allemaal even rond en....” Wonderlijk! op eens komt hem zijn moeder
+in de gedachten: ’t was zoo’n brave, eerlijke vrouw, die niemand voor
+een halven cent zou te kort doen. Zonderling! dat hij juist nu aan
+haar denken moet; ze is al zoo lang geleden gestorven en begraven. ’t
+Gebeurt zelden, bijna nooit, dat hij zóó aan haar denkt. Hoe komt hij
+nu plotseling aan die herinnering? ’t Is toch bepaald vreemd, want hij
+kan het niet van zich afzetten; ’t komt hem voor, alsof hij haar
+eensklaps weer voor zich ziet, zooals zij altijd thuis bij de tafel
+zat, met haar ernstig, vriendelijk gelaat; ’t is alsof hij de kracht
+van haar blik voelt, evenals vroeger toen hij nog een jongen was,
+wanneer zij hem aanzag, als hij iets had gedaan wat hij niet mocht.
+Hij is onrustig en stapt steeds sneller voort. Gelukkig! hij is in
+zijn woning; vrouw Mijntje zit als naar gewoonte nog op en is aan ’t
+werk.
+
+„Gênavond, moeder!” zegt hij binnenkomend.
+
+„Gênavond, Dirk.”
+
+„Wat scheelt eraan? Je hebt gehuild! Waarom, Mijntje?”
+
+„Ach, God! weet je ’t nog niet? We moeten er uit; in de andere week
+al.”
+
+„Wat zeg je daar? Is ’t waarachtig?”
+
+„Kierssen is er weer geweest, van morgen. ’k Had geen cent meer en van
+middag is hij toen nog weerom gekomen, om te zeggen, dat zijn patroon
+geen geduld meer hebben wil; morgen over acht dagen moeten we
+verhuizen.”
+
+„Zoo! hm!” Werktuiglijk grijpt de manke naar het taschje.
+
+„’t Is een ijselijkheid. Waar moeten we met die schapen van kinderen
+naar toe?”
+
+„Zoo’n kerel! En we hebben toch altijd goed betaald, Mijntje.”
+
+„Wist ik maar raad, Dirk!” Opnieuw barst zij in tranen uit.
+
+Dirk richt zich op als iemand, die plotseling een besluit genomen
+heeft, en met de vlakke hand op zijn knie slaande, zegt hij: „Huil
+niet, vrouw! Ben je gek om je ongerust te maken. Wat n’alterasie om
+zoo’n lamme vent, hé? Nou, maar morgen zal hij zijn geld hebben en we
+zoeken een andere woning; een betere, hoor!”
+
+„Wat zeg je daar, Dirk? Heb je dan geld, en van wien?”
+
+„Geld, neen! Hm! ja! neen! Maar ’k zal den baas om voorschot vragen
+en....”
+
+„Och heer! reken daar niet op; die is niets scheutig.”
+
+’t Duurde lang eer Dirk dien nacht den slaap kon vatten; onrustig
+woelde hij op zijn legerstede en een paar malen vroeg Mijntje: „Ben je
+niet goed, man? Slaap je nog niet?”
+
+Neen! hij kon niet slapen; dat taschje op zijn borst drukte hem; ’t
+was alsof hij er de nachtmerrie mee kreeg. Dat ook juist nu die
+huisheer om zijn geld moest komen; t kon nooit beter en nooit slechter
+treffen; ’t geld was er immers, en toch... Hij wendde zich links en
+rechts, maar ’t wou hem niet gelukken om in te slapen; onophoudelijk
+kwamen de woorden van den Bobberd hem voor den geest: „als een arm
+mensch wat vindt, dan is ’t een bestiering, dan moet hij het hebben.”
+Waarachtig, ’t scheen wel zoo, ten minste nu. Als hij een bankje van
+vijf en twintig gulden er af nam, was hij voorloopig uit den brand.
+
+Hij luisterde naar het slapen van de kinderen; het geluid van hun
+regelmatige ademhalingen bereikte zijn oor en de vrouw naast hem
+snikte nu en dan zenuwachtig in den slaap; zij had zich overstuur
+gemaakt.
+
+„Arme ziel!” dacht Dirk, „je hebt toch ook je portie; ’k zal zorgen,
+dat je ten minste niet zonder woning bent. Zoo’n rijke kerel, die ’t
+verloren heeft, zal er misschien niet eens verlet van hebben; en
+ik...” Hij sliep in.
+
+Den volgenden dag wisselde „de manke” bij een winkelier in de buurt
+een bankje van vijf en twintig gulden en betaalde den huisheer.
+
+Met een paar rijksdaalders en wat klein geld in den zak stapte hij ’s
+avonds „Het Vroolijke Schuttertje” binnen. De Bobberd was er nog niet;
+gauw dus de kranten nog eens nagezien!
+
+„Alweer niets. Komaan! dat gaat goed,” dacht Dirk; „er schijnt geen
+navraag naar te komen; ’k zal nog een dag of wat wachten en dan...”
+Ja, wat zou hij dan doen? Hij wist het nog niet recht, want om Mijntje
+deelgenoot te maken van zijn geheim ging volstrekt niet aan. Hij moest
+iets verzinnen, een leugen;—ze zou natuurlijk vragen van waar
+plotseling dat geld kwam; en zonder ’t zelf te weten, zat hij te
+soezen over de krant. Hij zag de letters en hij zag ze toch eigenlijk
+niet. Waarom stond er nu niet zoo’n eenvoudig „Verloren” in, dat
+betrekking had op zijn vondst?
+
+Kon hij niet aan zijn vrouw vertellen, dat hij uit de loterij had
+getrokken? Neen! dat wist ze wel beter; hij speelde immers nooit een
+briefje. Een voorschot van den baas? Ze kende den baas even goed als
+hij, en—nu ja, een kleinigheid zou die geven, maar nooit een...
+
+ * * * * *
+
+Daar komt de Bobberd binnen, en als Dirk hem ziet, krijgt hij
+plotseling een onaangenaam gevoel; hij wil naar huis gaan, maar de
+Bobberd houdt hem terug met de woorden: „Wou je nu al heengaan, manke?
+Zijn de centjes alweer op?”
+
+„Wat bedoel je?” Dirk ziet onrustig en, na onwillekeurig even te
+hebben omgekeken, zijn ondervrager aan.
+
+„Niks bijzonders, ouwe jongen!” grinnikt de dikke, en met zijn
+waterige oogjes knippend, voegt hij er bij: „Je hebt van morgen bij
+Van der Wielen een vijf-en-twintigie gewisseld. ’k Stond juist in ’t
+opkamertje,—dat dacht je niet, hé?—ik dronk even een kommetje troost
+bij de juffrouw.”
+
+De manke verbleekt en stottert! „Zoo! ei!—Nou! en wat zou dat?”
+
+„Niks. Je moogt wisselen wat je wilt; maar ik dacht niet, dat je zoo’n
+stiekemerd was om ’t voor een ouwen kennis stil te houden, dat je een
+pennetje[1] hadt gehad.”
+
+[1] Fortuintje (volksuitdrukking).
+
+„Wie zeit je dan, dat ’t zoo is?”
+
+„Hè! hè! hè! hè! Kijk die nou! Wou je mijn nou wijsmaken dat je...”
+
+„Och, Bobberd! hou je grooten mond; bemoei je met je eigen.”
+
+„Ho! ho! maak je niet dik, manke; ik zal je niet lastig vallen; maar
+een paar proppies[1] moet je geven, hoor! Anders ben je een kale
+jakhals.”
+
+[1] Borreltjes.
+
+„Nou, als ’t daarom alleen te doen is, dan... Kobus! geef ons ieder
+een klare, van die dubbelgebeide, hoor!”
+
+„Met suiker!” roept de andere, en tegenover Dirk plaats nemend, zegt
+hij: „Kom, manke, ’n spulletje?”
+
+„Neen! ’k ga naar huis.” Dirk staat op.
+
+„Zeg! mot je de kinderen soms verschoonen?” Uitdagend lachend ziet de
+Bobberd hem aan.
+
+„Neen! maar....”
+
+„Nou, ga dan nog even zitten. Of wil moeder de vrouw ’t niet hebben?
+Als ik zoo’n vent was als jij, zou ’k me waarachtig niet aan een
+spulletje laten kennen,—Kobus! geef de kaarten ereis!—vooral niet als
+je pas een bankie hebt gewisseld. Kom, manke! jij geeft. Kijk! daar
+komt Kees ook. Mooi! nou kunnen we een pandoertje maken.”
+
+Dirks wilskracht is als verlamd; hij weet niet hoe ’t komt, maar hij
+blijft zitten. De Bobberd heeft hem telkens, zoo meent hij, met een
+vreemden, spottenden blik aangezien: zou hij vermoeden, dat hij meer
+geld heeft gevonden dan die gewisselde vijf en twintig gulden? De
+manke durft het voorgeslagen „pandoertje” niet weigeren, neemt
+langzaam de kaarten op en zit eindelijk angstig, als op heete kolen,
+te spelen.
+
+Zijn gedachten bij het spel bepalen kan hij niet, en niettegenstaande
+hij veel goede kaarten krijgt verliest hij telkens, zoodat Kees en de
+Bobberd hem er over in ’t ootje nemen en de laatste eindelijk, met een
+reeds bezwaarde tong, hem toevoegt:
+
+„Zie je wel, manke, dat je duiten te veel hebt?”
+
+’t Is lang over eenen, als hij ’t Schuttertje verlaat. Hij heeft ruim
+twee gulden verloren en veel meer gedronken dan hij verdragen kan;
+geheel dronken is hij echter niet, maar toch is zijn tred onvast en
+worden zijn bewegingen loom en onzeker, als hij thuis komt. Met
+eenigszins dubbelslaande tong antwoordt hij zijn vrouw, die ongerust
+over zijn lang uitblijven nog wakker in bed zit, op haar vragen,
+zoodat zij verschrikt opstaat en ’t licht aansteekt, bij de woorden:
+„Goeie God! Dirk, je hebt te veel. Man! man! dat ben ik niet van je
+gewend! Hoe komt dat? Ben je uit geweest?”
+
+Gelukkig is Mijntje verstandig genoeg om niet verder te vragen, maar
+hem te bed te brengen. Als een kind laat hij zich helpen; nu en dan
+zegt hij een paar onverstaanbare woorden, en als hij te bed ligt,
+snorkt hij spoedig zwaar en luid.
+
+De geduldige vrouw ziet bezorgd den ronkenden man en haar kinderen
+aan, zucht: „Moet dat er nou nog bijkomen!” en weent zich eindelijk in
+slaap.
+
+ * * * * *
+
+Den volgenden dag was Dirk ontstemd en knorrig; hij had zwaar
+gedroomd en was met een angstkreet wakker geworden, want op de
+kentering van slapen en ontwaken had hij gedroomd, dat de Bobberd voor
+zijn bed stond en hem met geweld het taschje wilde ontnemen; daardoor
+was hij met den uitroep: „Blijf er af, valsche hond!” wakker geworden
+en zag met schrik Mijntjes donkere, zwaarmoedige oogen, die hem stil
+verwijtend aanstaarden, op zich gericht. Zwijgend gaf zij hem zijn
+koffie; hij had zich verslapen en haastig spoedde hij zich naar den
+stal, waar de baas hem met een: „Wat mankeert jou van morgen?”
+ontving.
+
+Dirk had, zooals men dat noemt, het land; hij wist niet waar hij ’t
+zoeken moest om weer op zijn verhaal te komen.
+
+Brommend en knorrig deed hij zijn werk en zijn humeur werd er niet
+beter op, toen hij, even na den middag, zonder een enkel vrachtje te
+hebben gehad, weer aan stal kwam en de baas zei: „’t Is weer vegen
+vandaag. Ga maar naar huis om te schaften; misschien is er van avond
+wat werk.”
+
+„Wat zal Mijntje zeggen?” dacht hij onder ’t naar huis gaan; ’t drukte
+hem loodzwaar, dat zijn vrouw hem ’s morgens geen enkel verwijt had
+gedaan; zij had geen woord gezegd, ze was even kalm en goed geweest
+als altijd; dat hinderde hem. „Had ze maar opgespeeld, was ze maar
+begonnen met te zeggen, dat ik ... hm!... ’t Is toch een goed
+wijf!—Verdord! waarom heb ’k nou op eens geen courage meer om nog
+zoo’n briefje te wisselen. Als ik maar wist wat ik haar zeggen zou,
+als ze vraagt waar ’t geld vandaan komt, dan deed ik ’t wel,” mompelde
+hij in zichzelven, terwijl hij zijn woning naderde.
+
+ * * * * *
+
+Nu is hij voor de deur; hij weifelt nog een oogenblik. Weer krijgt hij
+de gedachte: „’k Zal er toch maar een wisselen en haar zeggen,
+dat....” Daar hoort hij Mijntjes stem. ’t Is alsof zij ongenoegen met
+iemand heeft, want zij spreekt luider en op scherper toon dan
+gewoonlijk.
+
+Daarom blijft hij staan en luistert.
+
+Luid en met nadruk hoort hij haar zeggen: „Hoe kom je er aan? Ik wil
+het weten; geef antwoord, Gerrit!”
+
+„Gekregen, moeder!” ’t Is Gerrits stem, die antwoordt.
+
+„Dat is niet waar. Zooveel sigaren krijg je niet; ik weet heel goed,
+dat je er nooit meer dan een stuk of zes hebt; en nu een heel pak van
+vijf en twintig, en met zoo’n mooi lint er om, dat is niet
+zuiver!—Allo! zul je antwoord geven?”
+
+De manke staat besluiteloos achter de deur. Zal hij binnengaan en den
+jongen onder handen nemen? Zal hij blijven luisteren? Werktuiglijk
+doet hij het laatste, en tegen een der stijlen geleund, met de
+rechterhand op den deurknop, blijft hij onbeweeglijk staan.
+
+„Gekregen”, herhaalt Gerrit, „van den meesterknecht gekregen”.
+
+„Zoo. En waarvoor, waarom? Wat heb je er voor gedaan?—Je krijgt een
+kleur, je liegt!”
+
+„Zoo maar, moeder, voor een aardigheid.”
+
+„Leugenaar! ik zie aan je gezicht, dat ’t niet waar is.”
+
+„Gerust, moeder, ik heb ze....”
+
+„Zwijg! kwaje jongen! Denk je, dat moeder zoo onnoozel en dom is om
+dat te gelooven? Neen, ik zal het je wel zeggen: je hebt ze
+weggenomen. Kind! ’t is ijselijk, dat ik dat van je moet beleven: mijn
+Gerrit een dief....!”
+
+„Neen, moeder! ’k ben geen dief!”
+
+„Niet? Noem je dat dan geen stelen? Ja! of je nou huilt en grient, ’t
+is de waarheid: je bent een dief; of je geld steelt of sigaren, dat is
+precies hetzelfde.”
+
+„Maar, moeder....”
+
+„Hou je mond, jongen; ik kan je niet hooren, niet zien. Ga uit mijn
+oogen, leelijke dief! Wat moet er van jou groeien, als je nu al begint
+met sigaren te stelen? Geef hier dat pakje; ik zal ’t....”
+
+„Moeder, ik heb ’t waarachtig niet gestolen; ik ben geen dief!”
+schreit de knaap.
+
+Een oogenblik heeft Dirk een onbeschrijfelijk akelig gevoel gehad bij
+Mijntjes woorden: „Ga uit mijn oogen, leelijke dief!” Hij heeft
+gebeefd en is op ’t punt geweest om binnen te gaan en Gerrit zelf te
+ondervragen; hij kan niet gelooven, dat zijn jongen opzettelijk
+gestolen heeft, en daar valt ’t hem ook als een pak van ’t hart, als
+hij den knaap op zoo stelligen toon hoort zeggen: „Ik ben geen dief.”
+
+Hij luistert verder, en al kan hij niets zien, hij weet, hij merkt,
+dat Mijntje dichter bij den knaap is komen staan, want ze spreekt nu
+minder luid en heftig.
+
+„Kom, Gerrit! zeg mij de waarheid, kind! Hoe kom je aan die sigaren,
+en waarom verstopte je ze, toen je mij zaagt? Als ’t een eerlijke zaak
+was, hoefde je dàt toch niet te doen. Och, jongen! ik meen het zoo
+goed met je. Kom! zeg het moeder maar.”
+
+„Nou dan, moeder, ik heb ze gevonden, eergisteren, in ’t portaal bij
+de sorteerkamer.—Neen! moeder, huil nou niet. ’k Ben toch geen dief,
+moeder, zie je wel? Ik heb ze niet weggenomen; ik spreek de waarheid,
+geloof me nou toch! Ik heb ze gevonden.—Toe, moeder, huil niet zoo; ik
+ben toch niet slecht, maar....”
+
+„Kind! kind! waarom loog je dan? Is ’t wel wezenlijk waar?”
+
+„Gerust, moeder! ze leiên op ’t portaal; een van de sorteerders zal ze
+verloren hebben en de....”
+
+„Zoo! dus gevonden. Maar daarom zijn ze toch nog niet van jou, wel?
+Waarom heb je ze niet dadelijk teruggebracht, Gerrit? Dat had je
+moeten doen, dat was je plicht geweest.”
+
+„Ja, moeder, maar...”
+
+Dirk hoort alles duidelijk. Hij huivert en onwillekeurig brengt hij
+zijn hand op de plaats, waar ’t taschje verborgen is; ’t kost hem
+moeite zich staande te houden, als hij de ernstige stem van zijn vrouw
+weer verneemt, die, tot Gerrit sprekend, zegt:
+
+„En weet je wel, Gerrit, dat nou misschien de sorteerder, die ze
+verloren heeft, als dief wordt aangezien door jou schuld en...”
+
+„Maar ik dacht....”
+
+„Foei, kind!—Ja! nou sta je te huilen; maar... Nou, wat wou je
+zeggen?”
+
+„De sigaren worden eerst morgen door den meesterknecht ingenomen en
+nageteld, en...”
+
+„Goddank! dan is het nog niet te laat; breng ze morgenochtend weerom
+en zeg ... hm!... Ja, wat zul je nou zeggen, dat je ’t pak sigaren al
+twee dagen gehouwen hebt? Zie je, daar heb je ’t al; nou moet je
+alweer liegen, omdat...”
+
+„Maar, moeder!”
+
+„Zeg dan maar, dat je ’t mee naar huis hebt genomen omdat ... hm!...
+Heere! Heere! wat maak je nou toch een verlegenheid door zoo’n
+ding!—Wat zal ik zeggen?”
+
+„Och, moeder!”
+
+„Zeg, dat je vader ’t je had afgenomen en opgeborgen en dat je ’t
+daardoor niet eerder kon...”
+
+„Vader?”
+
+„Neen! zeg maar niets. ’k Zal er zelf heengaan; ik zal ’t dan wel voor
+je beredderen voor dezen keer. Maar! kind! jongen! doe ’t in Godsnaam
+nooit weer—en houd je maar stil, doodstil voor je vader.”
+
+„Zal u ’t ’m dan ook niet zeggen, moe?”
+
+„Neen, jongen! ’k zal mijn mond houwen. Geef ’t pakje maar hier; ik
+zal ’t wegbergen tot morgen, want als je vader ’t wist, dan zou je wat
+beleven: de man is zoo eerlijk als goud. Als hij hoorde, dat jij twee
+dagen een andermans goed onder je hadt gehouwen,—hij sloeg je
+halfdood!”
+
+„Och God, moeder! zeg ’t hem dan niet; ik zal ’t nooit weer doen; maar
+ik dacht, ’t zijn maar sigaren, en....”
+
+Meer hoort de manke niet, want ’t is hem draaierig in ’t hoofd
+geworden bij de laatste woorden van Mijntje. Stil als een hond, die
+slaag heeft gehad, sluipt hij weg van de deur.
+
+Als hij het slop uit is en in de straat, komt het hem voor alsof de
+keien tegen zijn hoofd springen; werktuiglijk loopt hij voort. Met
+geweld verdringen zich allerlei gedachten in zijn brein en de woorden:
+„de man is zoo eerlijk als goud,” klinken hem zóó duidelijk, zóó luid
+in de ooren, als vernam hij ze pas op ’t oogenblik zelf.
+
+„Maar ben ik dan niet eerlijk? Heb ik dan niet iederen avond trouw de
+advertenties nagekeken, en ’t geld is er immers nog? Die vervloekte
+Bobberd met zijn praatjes! die is eigenlijk schuld, dat ik er aan ben
+geweest. En dan die huisbaas! Ik kon me toch niet op straat laten
+zetten met geld in mijn zak. Wat duivel! weet ik ook van wien ’t is?
+Mijn jongen wist ten minste, dat die sigaren door den sorteerder waren
+verloren en...”—„Als dief aangezien door jou schuld!”—„Wat weêrga! wie
+zei dat daar?” mompelt Dirk in zich zelf: „’t Is precies alsof ik ’t
+iemand hoorde zeggen,” denkt hij, en eensklaps komt hem het beeld van
+het jongmensch, dat boven zijn bier was en dat hij naar Kras reed,
+voor den geest. „Hij zag er zoo wat uit als een handelsreiziger; ’t
+zou toch kunnen zijn, dat zoo’n jongmensch voor zijn patroon geld
+ontvangen en, een beetje vroolijk geworden, ’t verloren had.—Neen!
+maar dan had hij er toch wel werk van gemaakt. Wist ik maar van wien
+het was! Hm! ’k Had toch wel eens aan ’t Amstel-Hôtel kunnen vragen
+naar dien zieken heer, die.... Wat weêrga! wat belet me, dat ik ’t nog
+doe, dadelijk?”
+
+ * * * * *
+
+Een half uur later staat Dirk in de vestibule van het Amstel-Hôtel en
+zegt tot den portier:
+
+„’k Heb een dag of tien geleden, ’s avonds van den laatsten trein,
+hier een passagier gebracht....”
+
+„Dat’s wel mogelijk; ’t is hier zoo druk, dat rappeleer ik me niet.”
+
+Met zijn hoed in de hand, staat Dirk min of meer verlegen voor den
+welgedanen portier, die met een zeker „air” hem van het hoofd tot de
+voeten opneemt, als wilde hij zeggen: „Wat moet die armoedige snorder
+hier?”
+
+„En nou wou ik u vragen, of die heer er nog is.”
+
+„Weet je niet hoe hij heet? Moet je geld van hem hebben?”
+
+„Neen!”—de manke glimlacht even—„’t Is die passagier, die ziek
+aankwam. U heeft me nog een gulden fooi moeten geven!”
+
+Eenigszins gevleid door ’t beleefde „U”, antwoordt de portier iets
+vriendelijker:
+
+„O! zoo! ja—’k herinner mij. Jawel, die logeert nog hier. Wat wou je?”
+
+„Goddank!” denkt Dirk, en Mijntjes woorden: „Dan is ’t nog niet te
+laat,” komen hem eensklaps weer in de gedachte. Hij richt zich op uit
+zijn ietwat deemoedige houding en ziet den portier flink aan, terwijl
+hij zegt: „’k Moet hem dadelijk spreken. Is hij thuis?”
+
+„Ja! maar....”
+
+„Zeg asjeblieft, dat No. 181 er is.”
+
+„Zoo! Hm! Kun je mij niet vertellen wat je wilt? Ik weet niet, of de
+baron wel te spreken is.”
+
+„Is ’t een baron, portier?”
+
+„Natuurlijk!—’t Is baron Van der Weyden; hij is pas aan de beterhand.”
+
+„Ja, dat kan wel wezen; hij was ten minste lang niet goed ’s avonds;
+onder weg had hij nog zoo’n soort van flauwte. Och kom! is hij toen
+naarder geworden?”
+
+„Heel erg; hij zit pas sedert een dag of drie op.—Kom dus liever eens
+terug,—later.”
+
+„Neen! dat kan ik niet,” antwoordt Dirk, en hij denkt er bij: „’k Durf
+Mijntje niet weer onder de oogen te komen, vóórdat de zaak in orde
+is.” Daarom herhaalt hij nog eens dringend: „’t Heeft haast, portier!
+Ik zal den baron niet lang ophouden—Och! doe me ’t plezier en vraag of
+ik....”
+
+„Nu, goed dan, ik zal je helpen,” en zich tot den kleinen groom, die
+in de portiersloge op een lei zit te krabbelen, wendend, zegt de
+portier: „Ga eens naar boven, naar No. 12, en vraag of de baron te
+spreken is voor dien snorder.”
+
+„Voor No. 181,” roept de manke den jongen, die inmiddels de trappen
+opwipt, nog na.
+
+Terwijl de groom zijn boodschap verricht, verwaardigt zich de portier,
+die op ’t oogenblik niets beters te doen heeft, met den manke een
+praatje te houden. Hij vertelt hem met een paar woorden, dat baron Van
+der Weyden, in denzelfden nacht van zijn aankomst in ’t hotel, ernstig
+ongesteld is geworden, en sedert door de freule, zijn dochter, die
+telegraphisch werd ontboden, is verpleegd.
+
+„’t Zijn schatrijke lui, beste menschen! Maar je kunt zoo zien, dat ’t
+een baron van het land is: er zit geen echte adeltrots bij! Neen! dan
+heb ik ze hier wel anders, hoor! die geen mensch aankijken van
+voornaamheid,” zegt de portier op ’t oogenblik dat de groom
+terugkeert, en met een vragenden blik voegt hij tot den jongen er bij:
+„Wel?”
+
+„Boven komen”, is ’t lakonieke antwoord.
+
+„Dat tref je!—Allo! wijs jij dien man den weg eens naar No. 12.”
+
+„Kom dan maar mee!” zegt knorrig de groom en gaat vóór Dirk de trappen
+op.
+
+Zenuwachtig en besluiteloos staat de manke voor de kamerdeur, maar
+zoodra hij heeft aangeklopt, wijkt dat angstig gevoel en kalm treedt
+hij, na een zacht: „Binnen!” door een vrouwenstem geuit, het vertrek
+in.
+
+Met zijn hoed in de eene hand en in de andere het taschje, dat hij uit
+zijn borstrok te voorschijn heeft gehaald, staat Dirk in de kamer en
+ziet rond.
+
+Dat moet dan die passagier zijn! Nauwelijks herkent hij hem nu; hij
+heeft hem ook alleen maar ’s avonds gezien, en dan nog wel in een
+dikken pels gedoken. Maar als de baron hem vraagt: „Ben jij No. 181?”
+herinnert hij zich zijne stem en onwillekeurig zegt hij: „Jongens!
+Jongens! meneer, wat zie je er slappies uit,”—en als schaamde hij zich
+plotseling over die gemeenzame woorden, stamelt hij: „Dat viel er zoo
+uit, meneer, neem me niet kwalijk,” en blijft verder zwijgend staan,
+totdat de dame, die naast den ziekenstoel staat, hem vriendelijk
+toevoegt: „Wat wenscht u?”
+
+„Mevrouw—juffrouw—ik .... hm! ik....” stottert de manke, nog altijd
+eenigermate verward door de vreemde omgeving: „ik ben de snorder, die
+den baron ’s avonds hier heeft gebracht en ik wou....”
+
+„Heb je soms de beloofde fooi niet gekregen? Vraag dan maar aan den
+portier of....”
+
+„O, neen! meneer,” valt Dirk snel in, „dat is ’t ’m niet; ’k blijf u
+nog wel dankbaar voor dien gulden, maar ’t is een heel andere
+zaak.—Heeft u bij geval ook iets verloren?”
+
+„Goddank! ’t woord is er uit,” denkt de manke, en alsof ’t hem nu
+gemakkelijker valt om te spreken, herhaalt hij: „Iets van waarde
+verloren?”
+
+„Ik?—Niet dat ik weet, beste vriend!”
+
+„Och God! zou hij ’t nou toch niet wezen?” denkt Dirk; maar hij
+vervolgt: „’k Heb wat in m’n viegelant gevonden, een kleine zwarte
+tasch met....”
+
+„Met bankpapier, een leeren taschje, een bankje van duizend er in
+en...?”
+
+„Juist, meneer! juist!—Hier is ’t, asjeblieft!”
+
+De freule neemt het aan en reikt het over aan haar vader, die ’t
+nauwkeurig bekijkt en dan den man, die voor hem staat, scherp en
+oplettend aanziet.
+
+„Wanneer vond je dat?”
+
+„’s Morgens vroeg, toen ik m’n wagon schoonmaakte. Als ik maar had
+geweten, dat ’t van u was, zou ik ’t dadelijk hebben teruggebracht,
+maar ik had na u nog een passagier; hij was, met uwés verlof, ’n
+beetje sikker, en daarom dacht ik: misschien heeft hij ’t laten
+vallen. Ik wist ook niet wie ’t was en ’k dacht: eerst hier
+informeeren en .... daarom, weet u .... geloofde ik....” Dirk verwart
+zich in zijn eigen woorden, omdat hij denkt: „Wat zal ik zeggen,
+waarom ik ’t zoo lang gehouden heb?”—’t Is een akelig ding, dat die
+woorden van Mijntje hem zoo voortdurend door ’t hoofd spoken.
+
+De baron redt hem uit de verlegenheid door te zeggen:
+
+„Ja!—’t is van mij; ’t is geld, dat ik pas van mijn notaris had
+ontvangen,” en tot de freule: „Zie je, Constance, ik heb door mijn
+ziekte er in ’t geheel niet meer aan gedacht. ’t Zat in mijn valiesje;
+dat sloot niet goed en....”
+
+„Dat kan wel wezen, meneer; dan is ’t er uitgevallen, toen u
+uitstapte: het valies lei open op den grond, dat weet ik, want ik heb
+’t nog dichtgeknipt, voordat ik ’t aan den portier gaf. ’t Taschje had
+ik niet gezien; anders....”
+
+„Zoo!—dus je vondt ’t ’s morgens en je zaagt, dat er geld in zat.”
+Intusschen laat de baron het bankpapier door zijn vingers glijden en
+ziet telkens met vriendelijker oogen den manke, die nog altijd met den
+hoed in de hand voor hem staat, aan. „’k Weet niet juist meer hoeveel
+geld er in was, goeie vrind, maar ’t zal wel akkoord wezen.”
+
+In dat oogenblik schiet met de snelheid des lichts door Dirks brein de
+gedachte: „Hij wist niet hoeveel er in was; je hoeft dus niets te
+zeggen van dat vijf-en-twintigje.” Maar ’t is alsof een inwendige stem
+hem toefluistert: „Neen, neen! je moet het juist wel zeggen; doe je
+werk niet ten halve,” en, eer hij ’t zelf weet, zijn hem de woorden
+ontsnapt: „Neen, meneer, ’t is niet in orde.” En hij kleurt als een
+jongen, dat voelt hij, als hij er bijvoegt: „Kijkt u maar goed na, dan
+zal u wel zien dat ik—hm!—’t spijt me wel—maar...”
+
+De baron heeft nogmaals den inhoud nagezien, en na een oogenblik te
+hebben gedacht, zegt hij: „Zoo! Zoo! En hoeveel was dat wel, goeie
+vriend?”
+
+„Vijf en twintig gulden, meneer!”
+
+„Hum!” De oude heer richt zijn oogen scherp op den snorder en vraagt
+met een zweem van misnoegen in zijn stem: „En waarom deed je dat?”
+
+Een oogenblik is het doodstil in ’t vertrek, dan zucht de manke
+hoorbaar, diep, draait zijn hoed rond in zijn handen en zegt dan
+zachtjes, met trillende stem:
+
+„Ik ben zoo arm!”
+
+Er is iets in de houding van den snorder dat voor hem pleit; hij staat
+daar bescheiden, kalm en rustig. De Baron glimlacht met een heimelijke
+traan in ’t oog en freule Constance, die gedurende het geheele gesprek
+den manke goed heeft opgenomen en zijn gelaat, zonder dat hij ’t
+merkt, trek voor trek bestudeert, slaat een innig meewarigen blik op
+den koetsier, die nog steeds zijn hoed in de hand ronddraait en met
+alle oplettendheid naar die beweging schijnt te zien.
+
+„Ben je getrouwd?” vraagt zij zacht.
+
+„Ja, juffrouw!”
+
+„En heb je kinderen?”
+
+„Om u te dienen, zeven. Ja! we hebben ’t van de winter hard genoeg
+want de verdiensten zijn schraal; er zit geen geld onder de menschen
+en dan loopen ze, als ze maar even kunnen, u begrijpt dus dat ’t geen
+vetpot is....”
+
+„Ja dàt kan ’k begrijpen,” de freule ziet medelijdend hoofdschuddend
+den snorder en dan, vragend, haar vader aan.
+
+„De huisheer had gedreigd om ons op straat te zetten. Midden in den
+winter mijn vrouw en kinderen zonder dak te laten, God! dàt kon ik
+niet;—vooral niet toen ik opeens zooveel geld in handen kreeg: ik hoop
+dus dat u ’t me niet kwalijk zal nemen dat ik er wat afnam—maar ik
+dacht misschien krijg ik wel zooveel fooi, als ik ’t weerom breng.
+Kleine Jan was zoo ziek; de huisbaas wou geen uitstel meer geven en
+toen...”
+
+„Kom eens hier, man! Hoe heet je?” roept eensklaps de baron, het
+verhaal van Dirk afbrekend.
+
+„No. 181; och, neen! Dirk de Vries,” is ’t verwarde antwoord.
+
+„Kom hier, kerel!” Do oude heer rijst van zijn stoel op en herhaalt
+zenuwachtig: „Kom dan!”
+
+Dirk aarzelt en ziet nu eens den ouden heer, dan weer de freule,
+verlegen aan.
+
+„Maar kom dan toch bij me!”
+
+De manke nadert.
+
+„Geef me je hand, De Vries! Zoo! ’n fermen handdruk. Zoo! jij bent een
+eerlijke vent, hoor! God weet, of ik in jou plaats ’t wel zóó had
+getracteerd.—Hm! waar woon je? Vertel me eens wat van je familie.—Je
+hebt zeker een brave vrouw, hé?”
+
+„Ja, meneer, die heb ik Goddank. ’t Is een best wijf, die m’n kinderen
+grootbrengt met God en met eere,” antwoordt de manke, uit de volheid
+zijns harten.
+
+„Dat dacht ik wel.—Constance, schel eens om wat port; laat den man een
+stoel nemen, en ga jij hier bij ons zitten.—Kom, vrind! vertel me nu
+alles eens. Wat verdien je wel en...?”
+
+Een lange poos zit de manke met den ouden baron te praten; hij
+verhaalt hem van Mijntje, van zijn kinderen en eindelijk ook van
+Bles—dat dier ligt hem na aan ’t hart. „Wil u wel gelooven meneer! dat
+hij me als een hondje naloopt, aardig hé? Dat deden alle paarden die
+ik gehad heb.” Dirks oogen beginnen te glinsteren als hij vervolgt:
+„’k heb altijd liefhebberij gehad in mijn vak en toen ik nog
+ongetrouwd was en bij baas Halswijk diende, hield ik men span in orde,
+dat beloof ik je—maar wat krijg je bij zoo’n snorder onderhanden? Ouwe
+dragonders, een enkel afgedankte artillerist, meestal dampig, ja! als
+ik weer eens een span goeie Bovenlanders of Friezen mocht rijen, zou
+ik nog eens kunnen laten zien, dat ’k weet wat ’n paard is en wat het
+toekomt.”
+
+Met toenemend welgevallen ziet de oude heer, achterover in zijn stoel
+geleund, naar Dirk, die bescheiden, maar zonder schroom, voortgaat met
+over paarden en rijtuigen te spreken—telkens weer opnieuw uitgelokt
+door een of andere vraag of opmerking van den Baron. Dirk merkt dat
+niet maar Freule Constance wèl; zij knikt, achter den snorder staande,
+een paar maal levendig met het hoofd, als wilde zij zeggen: „Ik
+begrijp u papa—’t is goed wat je wilt doen.”
+
+Eindelijk weet de Baron wat hij weten wil, neemt zijn zakdoek, brengt
+die even aan ’t voorhoofd en zegt tot den snorder:—„En nu, goeie
+vrind, wil ik wel weer alleen zijn, ik dank je. Ik word wat moe; ’k
+voel toch, dat ik nog zwak ben, maar jou gezicht heeft me heel veel
+goedgedaan.—Ziedaar! neem dat mee, dat’s voor den eerlijken vinder;
+doe mijn groeten aan je vrouw en zeg haar, ze is immers ook van
+Overijssel, dat ik een landsman van haar ben—maar pak dan toch aan,
+man—dat ’s om je kinderen eens te tracteeren. Zeg aan je vrouw, dat ze
+een brave vent heeft en dat ze later wel meer van mij hooren
+zal—Adieu!” Dirk krijgt nog een ferme handdruk van den Baron en
+verlaat het vertrek. Als hij in den corridor staat, ziet hij een
+banknoot in zijn hand—nauwelijks gelooft hij zijn oogen.
+
+„Godallemachtig! Honderd gulden!—Nou naar Mijn! Kristenenzielen, wat
+zal ’t wijf blij zijn!”
+
+Hij stormt de trappen af, en als hij den portier voorbijkomt, vraagt
+deze, uit zijn hokje ziende: „Heb je den baron gesproken?”
+
+„Nou! dat zou ’k je verzoeken.—Dag, portier!”
+
+Dirk maakt, dat hij wegkomt.
+
+Of de baron woord hield?
+
+Vraag dat maar eens aan Dirk of liever aan zijn vrouw, die, gedurende
+het jaar dat zij in het ruime luchtige koetsiershuis van het
+buitengoed „Weijdenstein” boven Zutphen wonen, er welgedaan en gezond
+is gaan uitzien. De kinderen groeien als kool, eten als wolven, en er
+is altijd genoeg.
+
+Als Dirk zijn zevental dan zoo gelukkig bijeen ziet, denkt hij:
+„Vrouw! ’t is eigenlijk jou schuld, dat we ’t nu zoo goed hebben”, en
+zijn vrouw zegt dikwijls tegen de kinderen: „Neem een voorbeeld aan
+jelui’s vader: die is zoo eerlijk als goud!”
+
+
+
+
+DE FASHIONABELE DINEUR.
+
+
+
+
+DE FASHIONABELE DINEUR.
+
+
+Voor den man, van wien ik in deze regelen het portret en de
+beschrijving wil leveren, weet ik inderdaad geen goeden Hollandschen
+naam.
+
+„De fatsoenlijke eter”? Neen! dat drukt niet uit wat hij is.—„De
+deftige gast”? Evenmin!—„De tafelvriend van goeden huize”? Misschien
+zou die naam iets beter zijn, maar ’t is toch de rechte niet. Neen! er
+is bepaald in onze taal geen geheel geschikte uitdrukking om aan te
+toonen, wat ik met „den fashionabelen dineur” bedoel.
+
+’t Is zonderling, maar het mengsel van Engelsch en Fransch schijnt
+noodig te zijn om met twee woorden den persoon te kenschetsen, dien ik
+op ’t oog heb; misschien ligt er wel het bewijs in, dat hij
+oorspronkelijk een „niet inheemsch” type is, maar—ik ben er zeker
+van—velen van hen, die dit schetsje lezen, zullen hem hier of daar
+hebben ontmoet.
+
+Wellicht wisten zij vóór dezen niet, dat de hoogstfatsoenlijke gast,
+dien zij aan tafel ontmoeten, mijn model is geweest; misschien komen
+zij, na ’t lezen van dit opstel, tot de gevolgtrekking, dat de uiterst
+beleefde, spraakzame, beschaafde en bovenal vormelijke man, die hun
+over- of nabuur was, tot het gild der „dineurs” behoorde.
+
+Valt u dus voor hem een goede kernachtige naam in, geachte lezer,—ik
+houd mij aanbevolen om dien over te nemen.
+
+ * * * * *
+
+De fashionabele dineur is meestal een man op zekeren leeftijd,
+ongehuwd en van goede, dikwijls van aristocratische familie; ik
+heb er zelf een gekend, die rechtstreeks van een oud Provinciaal
+regeeringsgeslacht afstamde en nooit verzuimde om die
+familiebetrekking, in den loop van zijn gesprek, op even handige als
+kiesche manier, een oogenblik te laten doorschemeren.
+
+Hij had bepaald een zeker talent om op die afstamming te wijzen,
+zonder dat het den argeloozen toehoorder opviel hoe hij het deed. Met
+een peinzende uitdrukking op zijn gelaat en een vriendelijk glimlachje
+om zijn lippen, kon hij met zijn zacht brouwende stem tegen den een of
+ander, die hem geschikt voorkwam, zeggen, zoo natuurlijk mogelijk:
+„Hoe meer ik u aanzie, hoe meer ’t mij frappeert, dat u sprekend
+gelijkt op Jonker Van Daelen, den intiemsten vriend van mijn oom Baron
+Van Rompselaar. Of is u misschien inderdaad familie van de Van
+Daelens?—Niet? O! maar de gelijkenis is bepaald buitengewoon frappant,
+kolossaal!”
+
+Een tweeden niet onhandigen „truc” gebruikte hij, wanneer er geen
+gelegenheid was om van de toevallige gelijkenis partij te trekken. ’t
+Is niet moeilijk om aan tafel het gesprek langzaam aan tusschen de
+soep en den pudding zoodanig te leiden, dat men eindelijk komt waar
+men wezen wil. Zoo wist hij het dikwijls, door verschillende
+wendingen, op liefdadige instellingen te brengen, en als hij ’t op de
+hoogte had, waar hij zijn moest, begon hij met een zeker pathos:
+„Liefdadige instellingen, Mevrouw?—Ik acht en vereer ze; maar! ....
+mij hebben ze drie ton gekost.—U lacht? Neen! ’t is parôle d’honneur,
+de zuivere waarheid. Voor een jaar of twaalf was ik, of werd ik
+beschouwd als de eenige erfgenaam van Barones Van Bronkenhorst,
+geboren Freule Sprang van Schramade, de eenige zuster van mijn moeder.
+Zij was weduwe en kinderloos; ik was haar petekind.—Wat blijkt nu na
+haar dood? Ze heeft haar geheele vermogen aan liefdadige instellingen
+vermaakt, behalve een klein legaat aan mijn neef Jonkheer Van
+Brijnen,—notabene om daarvoor een hondenasyl te stichten!
+Ridicuul!—Ja, zij was altijd excentriek, hoogst excentriek.”
+
+In de meeste gevallen zou de fashionabele dineur een Mr. voor zijn
+naam hebben gehad, wanneer hij niet met een onoverwinnelijke vrees en
+afschuw voor examens ware ter wereld gekomen, een vrees, die hij trots
+jaren van studie, niet kon overwinnen en die hem noodzaakte om vóór
+het „summa cum laude” afscheid van de universiteit te nemen. Familie
+en vrienden deden alles wat zij konden om hem te doen vergeten, dat
+hij nooit kon slagen in het vinden van een voor hem passende
+betrekking; ’t was ook zoo moeilijk, want hij kon en mocht, om zijn
+afstamming, niet maar ’t eerste ’t beste baantje aannemen.
+
+Een huwelijk uit berekening mislukte hem evenzeer als een verbintenis,
+die hij uit zuivere genegenheid trachtte te sluiten, en daarom werd
+hij, bewust dat zelfs het pogen grootsch is in ’t worstelperk des
+huwelijks, als célibatair te oud om zich nogmaals aan Amors grillen te
+wagen. Misschien ook hielden andere redenen van meer ingrijpenden aard
+hem terug van Hymens boot; hij was immers lang „jongeheer” geweest
+en...... Niemand zou hebben kunnen of willen zeggen wàt hem
+terughield, maar iets of meerdere ietsen kunnen soms geldige
+beletselen zijn om..... Neen! laten we niet verder vragen: de man is
+te fashionabel om zoo onbescheiden te zijn.
+
+Niemand zal, wanneer hij een fashionabelen dineur voor ’t eerst
+ontmoet, in hem een man vermoeden, die met een verleden heeft te
+kampen gehad, om eindelijk op meer dan rijpen leeftijd door ’t
+onverbiddelijke noodlot te worden gedoemd, om, zooals men ’t wel eens
+vulgair uitdrukt, „zijn kostje hier en daar op te halen.”
+
+Toch is het de waarheid: want rijk is hij nooit, behoeftig zelden, arm
+nog minder. Zijn vermogen staat eenvoudig niet in evenredige
+verhouding tot zijn eigen stand en afstamming, en evenmin past het bij
+de maatschappelijke stelling van hen, bij wie hij dineert.
+
+Meestal bestaat hij van een kleine lijfrente, die hem door een of
+anderen aristocratischen oom of tante is nagelaten; in ’t adresboek
+komt hij daardoor onder de rubriek „particulieren” of „renteniers”
+voor. Zoodra ge hem ziet, zegt ge dadelijk: dat is een hoogst
+fatsoenlijk man, goed verzorgd in alle opzichten, wat kleeding en
+vormen betreft; en als ge hem hoort spreken, wordt ge aanstonds
+overtuigd, dat alles wat naar ’t ordinaire zweemt, hem volkomen vreemd
+is. In den loop van het gesprek, zal hij u voortdurend in verbazing
+brengen door den onmetelijken schat van gemeenplaatsen, die hem ten
+dienste staan. Hij vertelt u met een beminnelijk glimlachje, dat hij
+gestudeerd heeft, ten minste dat hij student is geweest; en met een
+zekeren weemoed fluistert hij u in, zoodra hij na een of ander
+familie-diner de pianino ziet openen, dat hij „au beau milieu de sa
+jeunesse” veel aan muziek heeft gedaan, maar dat, door alles wat hij
+ondervonden heeft, zijn stem niet meer is wat ze eenmaal was. Soms is
+die vertrouwelijke mededeeling een verkorte bede om hem tot zingen(?)
+te verleiden.—Wee u, zoo ge u laat vangen!
+
+„J’ai dit la romance”, vertelt hij aan een ieder, die ’t hooren wil;
+en wanneer hij dat zachte woordje: „dit” met een soort van zoetelijken
+glimlach over zijn min of meer gastronomisch ontwikkelde lippen, doet
+suizelen, herinnert hij u onwillekeurig aan den troubadour van
+voorheen, die aan de minnehoven, voor adellijke jonkvrouwen en
+burchtdames stem en speeltuig liet klinken.
+
+„De romance moet niet _gezongen_ worden”, beweert hij; „il faut la
+dire.” Wees voorzichtig, dat ge niet in den lach schiet, want hij zou
+’t u hoogst kwalijk nemen, al zou het timbre van zijn stem u ook
+dadelijk „volkomen vergeving van zonden” verzekeren. Ge kunt u immers
+zonder gerechte vroolijkheid uit zijn Lucullisch ontwikkelden mond
+geen „Rêve parfum au frais murmure” voorstellen, evenmin als ge u
+verbeelden kunt, dat de opgepofte, korte handjes van den min of meer
+dikbuikigen heer, die u met diepen ernst van zijn talenten staat te
+vertellen, ooit citersnaar of pianotoetsen hebben gestreeld.
+
+Natuurlijk houdt ge uit beleefdheid uw gelaat in bedwang; bovendien,
+de man is geen gewone bluffer of ophakker. Integendeel, hij is door en
+door fijn, fatsoenlijk en net; alle gewone ploertigheid is hem vreemd.
+
+In zijn spreken, uiterlijk en manieren is en blijft hij „een
+gentleman” van top tot teen. Of niet nu en dan door de poriën van zijn
+volmaakt fashionabel omhulsel een klein reukje van bekrompenheid en
+bescheiden grootspraak heenwasemt, wil ik niet beslissen, maar in
+allen gevalle wordt dat toch belangrijk gewijzigd door den geur van
+Jockey-club of New-mown-hay-essence, die u uit zijn zakdoek
+tegenwaait, wanneer hij dien met voorname deftigheid even in de hand
+neemt, om daarmee voorzichtig zijn veelal iets te hoog voorhoofd af te
+betten, als hij, na de vermoeiende bezigheid van het dineeren, van
+tafel opstaande, u plechtig verzekert, dat hij „gecharmeerd is van uw
+alleraangenaamst gezelschap”.
+
+Met tact weet hij des winters na ’t diner, zonder dat iemand hem ook
+maar in de verste verte van onbescheidenheid zou kunnen beschuldigen,
+het beste plaatsje aan den open haard te bezetten, en met echte
+virtuositeit kiest hij in een ondeelbaar oogenblik uit het kistje
+Regalia-comme-il-faut, dat men hem aanbiedt, de beste sigaar. Terwijl
+hij zijn koffie „savoureert”, geniet hij „als kenner” die Havana,
+zonder te dampen als een stoomboot en daardoor een ander overlast aan
+te doen. Hij zou iemand „lastig zijn?” O, foei! dat is onmogelijk. Hij
+is—vraag het maar aan al de dames, die hij kent—de meest galante, de
+beleefdste en voorkomendste cavalier, die zonder onderscheid voor alle
+vrouwen—mits fatsoenlijke—een kleinen dienst overheeft, een dienstje
+soms zóó klein, dat een „gewoon heer” het niet zou durven bewijzen.
+Daardoor nemen de dames hem dan ook algemeen „en amitié”. Hij zegt het
+zelf en derhalve zal het wel waar zijn, want—jokken, neen! daarvoor is
+hij veel te fashionabel.
+
+Komt het eens voor, dat hij een enkele maal van ’t een of ander een
+niet geheel juiste voorstelling geeft, dan doet hij dat alleen, omdat
+het volstrekt onvermijdelijk, noodzakelijk is om—„en amitié” te
+blijven; waar ’t doel goed is, wordt ook voor hem ’t middel spoedig
+heilig.
+
+Eigenaardig is het, dat hij dit goede doel nooit uit ’t oog verliest
+bij families, waar hij zijn „vasten dag” heeft, en treffend is het om
+te aanschouwen, hoe hij op die „vaste dagen” prijs stelt. Ontvalt hem
+zoo’n steunpilaar van zijn bestaan, oogenblikkelijk ziet hij rond naar
+een plaatsvervanger. Gewoonlijk vindt hij dien, door zich bij vrienden
+van vrienden in te leiden met een: „Veroorlooft u mij Mevrouw, dat ik
+u eens een visite kom maken? Ik ben zoo gecharmeerd van uw aangenaam
+gezelschap, dat....”
+
+Meestal gelukt hem die manoeuvre, want ’t is voor veel familiën, die
+nogal eens diners geven, wel iets waard iemand „au besoin” te hebben:
+meestal toch doen de heeren opgeld.
+
+Ook als „_veertiende_” komt de „dineur” niet zelden uitmuntend te
+stade; terwijl hij als „chapeau” voor dames van een zekeren leeftijd,
+die niet in de termen vallen om door de jongelui te worden begeleid,
+veel dienst kan doen, als de kruier te vroeg of in ’t geheel niet
+komt.
+
+ * * * * *
+
+’t Is inderdaad een genot om hem te zien dineeren; want hoewel hij een
+lekkerbek is in den overtreffenden trap, een epicurist, die met
+ongeloofelijke juistheid op de punt van zijn tong den jaargang der
+wijnen weet te schatten en onfeilbaar vast elke afwijking in geur of
+smaak van een of ander gerecht ontdekt, is hij, zoodra hij in zijn
+hoedanigheid van „dineur” optreedt, volkomen optimistisch gestemd. Hij
+verzekert u met zooveel plechtige overtuiging, dat de ossenhaas „om te
+zuigen” is, dat ge waarlijk meent een trouweloosheid van uw gebit te
+ontdekken, als ge zelf met moeite die vezelachtige zelfstandigheid
+vermaalt.
+
+Zoodra hij met een zekere, aandoenlijke beslistheid verkondigt, dat de
+doperwtjes „superber” en „délicaat” zijn, schaamt ge u, dat ge een
+oogenblik den moed hebt gehad er iets aangebrands aan te proeven.
+
+Wanneer ge gevoel hebt voor de kunst van dineeren, gaat ge, bijna
+zonder het zelf te weten, hem navolgen in de meesterlijke wijze,
+waarop hij de punt van zijn servet in de holte tusschen adamsappel en
+halsboord steekt; hij doet dat zóó handig, zóó zorgvuldig en „chic”,
+dat ge onmiddellijk beseft, hoe hoog de man staat als „Dineur”, hoe
+ver hij het heeft gebracht in de kunst van hoogst fatsoenlijk
+dineeren. Let op! hoe hij vork en mes hanteert; ’t is met volkomen
+meesterschap. Zie naar hem, als hij, tusschen duim en wijsvinger, zijn
+wijnkelk opneemt. Doet hij het niet juist alsof hij een bedauwd
+rozenblaadje aanvat? Geef u de moeite op te merken, hoe keurig hij
+zijn lepel in evenwicht houdt, en met hoeveel sierlijke zorgeloosheid
+hij met zijn stukje brood weet te spelen, als er niets gewichtigers
+voor hem te doen is. Aan ’t dessert zoekt hij zijn wederga in ’t
+ontkleeden van een Chinaasappel, waarvan hij de schil tot allerlei
+aardige doeleinden weet te gebruiken; niemand dan hij, ontdoet, met
+zooveel innige toewijding en snelheid, een sappige perzik van haar
+donzig huidje, maar ontegenzeggelijk is hij een phoenomeen, als ge
+ziet hoe hij noten ontleedt en bereidt in de perelende „Oeil de
+Perdrix”, die hem steevast een vriendelijken glimlach om de lippen
+toovert. In dat gewichtig oogenblik geeft hij gewoonlijk één of, als
+de champagne bijzonder goed is, twee „uien” van zijn répertoire ten
+beste. Uit beleefdheid en omdat hij toch waarachtig zoo’n „uitstekend
+nette vent” is, lachen enkele gasten die hem kennen om die anecdoten,
+al zijn ze ook even oud als zijn gewoonte om vóórdat hij begint te
+vertellen te zeggen: „Misschien kennen de heeren en dames deze
+aardigheid al, maar...”
+
+Verlies hem geen seconde uit het oog, want ge kunt ontzaglijk veel van
+hem leeren; hij verstaat het „dineeren”, zooals niemand anders. Geen
+wonder: ’t is ook het eenige wat hij met voorliefde doet, het eenige
+waarmee hij zijn leven verslijt—neen! in stand houdt.
+
+ * * * * *
+
+Zijn gesprekken aan tafel zijn ongetwijfeld voor den opmerker uiterst
+leerrijk en belangwekkend, ten minste wanneer die opmerker te gelijk
+leeren wil, hoe men onder ’t eten zijn dame moet bezighouden. Opéra’s,
+concerten enz. bezoekt de fashionabele dineur, uit den aard van zijn
+beurs en vak, niet of hoogst zelden, maar toch weet hij er met tact
+over te babbelen; hij put zijn gunstig of ongunstig oordeel, zonder
+dat iemand het merkt, uit de kranten, die hij elken avond van a tot z
+leest, en zonder aarzelen geeft hij zijn meening te kennen over deze
+of gene zangeres of acteur, soms zelfs zóó apodictisch, dat men
+dadelijk begrijpt dat zijn geoefende voelhorens hem hebben
+medegedeeld, dat hij naast of over iemand zit, die er nog minder
+verstand van heeft dan hij zelf. Zijn onderhoud met anderen, regelt
+zich altijd naar de geaardheid en gezindheid van hem of haar, die het
+toeval naast hem plaatst. Mevrouw X, zijn tafelbuurtje, is streng
+orthodox; oogenblikkelijk dweept hij met dominé Heiler of vindt de
+preeken van den zendeling Indicus overheerlijk en dierbaar. Is de
+coquette, maar min of meer bekrompen en oppervlakkige juffrouw Y hem
+als dame toebedeeld, dan verbaast hij u door zijn kennis van „robes
+Présidente, coiffure à la Japonnaise” en „plissés en biais;” wanneer
+ge hem met haar hoort, praten, zoudt ge—indien ge hem niet als
+„medegast” kendet, oogenblikkelijk uw neus er onder willen verwedden,
+dat hij een dames-kleedermaker is of een confectie-magazijn bestuurt.
+Doet hij—in veel gevallen gebruiken bijgeloovige families den braven
+man daarvoor—als veertiende gast dienst en plaatst het toeval hem niet
+naast een dame, maar naast een heer, dikwijls nog wel een heer, op
+wien ’t minder aankomt, dan is hij politicus, maar altijd
+occasie-politicus, dat wil zeggen: hij verkent eerst zorgvuldig zijn
+nevenman, en al naarmate deze behoudend, radicaal, liberaal of
+clericaal is, sympathiseert hij beurtelings met een dier richtingen;
+hij verandert als een kameleon van kleur, zoodra de omstandigheden het
+gebieden.
+
+Over whisten, omberen en trekjes redeneert hij met grondige kennis en
+niet zonder recht, want hij speelt fijn, uiterst oplettend en meestal
+zóó gelukkig, dat hij minstens de fooi van meid of knecht verdient; ’t
+hoort ook geheel en al bij zijn vak, want bij veel families wordt ’s
+winters, na ’t diner een kaartje gelegd. Ligt zijn naamkaartje op het
+servet, naast het slabbetje van een der kleinen, dan is hij dadelijk
+een hartstochtelijk kindervriend; maar vindt hij het nevens dat der
+kinderlooze Mevrouw A, dan is hij het oogenblikkelijk volkomen met
+haar eens, dat kinderen heel aardig kunnen zijn, maar dat het toch
+oneindig veel beter is: er géén, dan zoo „plebeïsch veel” te hebben.
+
+Alle richtingen, alle gezindheden, liefhebberijen, voorliefden en
+hekels zijn in hem vertegenwoordigd, en daarom vindt iedereen hem „een
+aangenaam welopgevoed mensch”, namelijk zoolang men hem aan eet- en
+speeltafel ontmoet.
+
+Zoodra de tafel is opgeheven, kunt ge den man, dien ge nog slechts
+voor de helft hebt gezien en leeren kennen, geheel bestudeeren.
+
+Met een glimlach van voldaanheid, overtuigd dat hij naar plicht en
+geweten, als een ridder zonder blaam of vrees, heeft gedaan wat zijn
+mond vond om te doen, kunt ge hem dan rond zien kijken met een blik,
+die beter dan woorden zegt: „Ik tart een ieder om mij te overtreffen.”
+
+Beschouw hem nu eens goed. Zaagt ge ooit een beter pas gesneden en
+zorgvuldiger afgewerkten zwarten rok dan den zijnen? Namelijk als ’t
+groot diner is; bij meer huiselijke maaltijden verschijnt hij in een
+zwart lakensche sluitjas van goed fatsoen en voldoende qualiteit. Zijn
+overhemd is altijd onberispelijk wit en gesteven evenals zijn staande
+boord, en een beter gemaakte pantalon dan de zijne hebt ge nooit
+ontmoet.
+
+Keurige manchetten kijken uit zijn mouwen en de gouden knoopen van
+circa 2 centimeters middellijn schitteren als kleine zonnen boven het
+sneeuwwit linnen, dat zijn goed verzorgde handen omvat.
+
+’t Is een lust om zijn „au fainéant” of „au chinois” gegroeide en
+gesneden nagels te bekijken. Wit gebrabd aan den uitersten rand,
+gepolijst op de ronding en rozig getint aan den wortel, passen ze
+volkomen bij zijn dikke vleezige handjes, die door haar blanke
+reinheid, zoowel als door haar week, zacht uiterlijk zijn trots
+uitmaken. Ze bewijzen duidelijk, dat zij geen ander werk kunnen doen
+dan ’t onvermijdelijkste bij het toilet van haar meester of ’t
+allernoodigste aan de speeltafel. Nauwelijks kan men gelooven, dat
+zulke ronde, weeke, wasachtige vingers onschuldige pianinotoetsen zoo
+onbarmhartig kunnen martelen.
+
+Wáár de „dineur” zich scheren laat, wordt zeker met opzet niet
+bekendgemaakt, want ongetwijfeld zou de barbier, die zulk een
+kunstwerk kan verrichten, _al te veel_ te doen krijgen, immers met een
+loep zelfs is geen stoppeltje aan kin en wangen te ontdekken; en waren
+de aristocratisch gesneden bakkebaarden niet op ’s mans gelaat als
+tegenbewijs te zien, niemand zou willen gelooven, dat hij ooit aanleg
+had tot een baard.
+
+Dat hij „rouge de théâtre” of „carmin des bayadères” gebruikt, is niet
+met grond aan te nemen, al schijnen zijn lieve bolle koontjes het u
+ook lachend toe te blozen. O! neen, hij heeft geen hulpmiddelen der
+kunst noodig, want de vriendelijke natuur goot dien dageraadschijn
+over de verhevenheden van zijn vleezig gelaat, zoodat de
+maanlichtachtige bleekheid der overige meer vlakke gedeelten evenals
+de kleine, maar helderblauwe oogen er grillig bij afsteken. Als het
+alpengloeien in den avondstond, spelen na het diner rozige tinten op
+de punt van zijn regelmatig gevormden neus, en om de zinnelijk
+gesneden lippen van zijn meestal te grooten mond.
+
+Als hij eet of lacht, ontwaart ge twee en dertig tanden, die door hun
+buitengewone regelmatigheid en witte kleur u een oogenblik in
+verlegenheid brengen, omdat ge niet weet of moeder natuur, dan wel een
+mannelijk tandheelkundig individu uw bewondering verdient. ’t Zwarte
+haar, dat hij eenmaal in overvloed bezat, is nu voor het grootste
+gedeelte ergens anders. Zijn voorhoofd is daardoor buitengewoon hoog;
+maar aan de slapen en soms ook bij den eersten halswervel is nog haar
+genoeg overgebleven om het bewijs te leveren, dat de goede man
+inderdaad met eere grijs wordt. Een paar volle zware, zwarte
+wenkbrauwen trachten intusschen het tegendeel te betoogen, tenzij de
+kapper, die de eer heeft hem te bedienen, uit de school wou klappen of
+de „teinture capillaire”, die hij verkoopt, wel overal met even goed
+gevolg aan te wenden is. Op zijn neus, en afwisselend op zijn vest ter
+hoogte van zijn fraaie horlogeketting, vertoont zich een pince-nez,
+die er „gedistingeerd” uitziet; en wanneer ge den „fashionabelen
+dineur” over het mollige tapijt in de kamer langzaam en deftig ziet op
+en neer wandelen, blinken zijn verlakte schoenen, behoudens hier of
+daar een enkel spatje bovenop, u zoo nieuw en krakend tegen, dat ge
+onmiddellijk begrijpt, dat ze voor deze gelegenheid expresselijk
+vervaardigd of bewaard zijn en door gutta-percha overschoenen in
+plaats van door een rijtuig weldadig beschermd werden.
+
+ * * * * *
+
+Ziehier dan het beeld van den „fashionabelen dineur” geschetst,
+wanneer hij in zijn kwaliteit als zoodanig optreedt. Hoe hij er
+uitziet en wat hij doet, zoodra zijn plicht hem niet meer roept, zal
+ik trachten nog met korte woorden mee te deelen.
+
+’t Is reeds lang morgen; bijna is het middag en de zon schijnt
+vriendelijk tusschen de franjes door van de neergelaten gordijnen,
+voor de vensters der voorkamer, zoodat op het min of meer verschoten
+vloerkleed enkele heldere plekken en strepen het patroon doen
+herleven. Een vrij goed, maar erg ouderwetsch en met hoezen voorzien
+ameublement dommelt in ’t gedempte licht, en slaperig, stijf, voornaam
+kijken eenige familieportretten uit hun grauwig gouden lijsten u na,
+als ge u langs een tafel—waarop eenige boeken liggen, die eertijds in
+prachtband werden gebonden—naar de achterkamer begeeft.
+
+Ontbloot eerbiedig uw hoofd, want ge zijt in ’t heilige der heiligen!
+Ge hebt een drempel overschreden, waarover nog nooit een van de
+fashionabele kennissen en vrienden des „dineurs” den voet zette. Ge
+zijt er nu eenmaal, maak dus van de aangeboden gelegenheid gebruik, en
+zie rond. Nu is hij thuis, dat is te zeggen voor u—omdat ge
+onzichtbaar zijt; voor ieder ander sterveling is hij altijd „UIT.”
+Alleen op zijn verjaardag ontvangt hij eenige belangstellende vrienden
+en kennissen; dan zien de meubelen er versch gewreven uit en de
+voorname familieleden schijnen op hun portretten te glimlachen over de
+advokaten borrel, die hij—ge moet niet zeggen dat ik het u verklapt
+hebt—’s morgens zelf heeft gemaakt, „omdat hij dan zeker is dat er
+alles in komt.” Kom nu met mij mede, zachtjes? Hij slaapt misschien
+nog. Neen! het met groen saai omhangen ledikant herbergt hem dien we
+zoeken, niet meer. Over een kleerknaap hangt rustend de zwarte rok,
+dien gij onlangs zoo mooi vondt, en daaronder droomt het vest,
+verpoozend van de uitspanning des vorigen maaltijds. Netjes in tweeën
+gevouwen vleit zich de pantalon op den stoel er naast, tegen het
+onbesmette overhemd, dat met vermoeide slappe mouwen over de leuning
+bungelt, terwijl de manchetten bijna den grond raken en de gouden
+knoopen daaraan ondeugend fonkelen in een zonnestraaltje, dat onder de
+reet der deur doorsluipt.—Onwillekeurig ziet ge rond naar de eigenaar
+van de bottines, die zorgvuldig met een wit doekje bedekt, naast den
+stoel verscholen, zich, alleen door één van haar glimmende neusjes
+verraden hebben. Ge ontwaart hem niet. Hij staat ook niet voor de
+waschtafel, waarop tal van flesschjes en potjes met geheimzinnigen
+inhoud u allerlei onbescheiden vragen op de lippen brengen; ook voor
+den scheerspiegel op standaard is hij niet bezig; evenmin ontdekt ge
+hem zittend aan de kleine tafel, waarop hij boord en das met zijn
+horloge en den verderen inhoud van zijn zakken heeft neêrgelegd. Hij
+is nergens te vinden. Zou hij reeds weer bezig zijn met het uitoefenen
+van zijn...? Stil, laat hij uw vraag niet hooren: ge zoudt hem
+plotseling voor goed en geheel onzichtbaar maken. Houd u dood—doodstil
+en volg de kleine lichtschemering die u, uit een tot nog toe niet
+opgemerkte zijdeur, wenkt.
+
+Hij is in het allerheiligste van het heilige der heiligen, en waant
+zich onbespied. In ’s hemelsnaam voorzichtig. Houd uw adem in, indien
+ge hem zien wilt, want, bemerkt hij uwe nadering ook maar bij
+instinct—als met een tooverslag zoudt ge hem geheel en al zien
+verdwijnen; en .. ’t is heusch de moeite waard om hem gade te slaan.
+
+Stil dus! sluip, onhoorbaar zacht, nader. Ziet ge hem nu? Niet?—Wat
+ziet ge dan? Zeg ’t mij maar zachtjes, ik ben bescheiden, zoolang het
+noodig is.
+
+Een man gehuld in een emeritus kamerjapon, die wanhopige pogingen doet
+om, behalve een beverschen borstrok met witbeenen knoopen en een dito
+onderbroek met loshangende bandjes, twee somber afhangende sokken te
+verbergen, omdat zij treurig over neergetrapte pantoffels zakken.
+
+Een geelig witte nachtdas begrenst van onderen een slaperig gelaat,
+dat over ’t voorhoofd den met gaatjes gebreiden rand van een gruwelijk
+burgerlijke pluimmuts voelt streelen.
+
+Maar dat is immers de man niet, dien wij zoeken? Ja zeker! hij is het
+wel, maar ge hebt hem nog niet anders dan „in zijn vak” ontmoet en in
+huisgewaad ziet iemand er, gemeenlijk, eenigszins anders uit dan in
+„gala.” Hij is pas opgestaan; ge kunt het hem niet kwalijk nemen, ’t
+diner bij de Verhovens duurde gisteren buitengewoon lang en de
+Bourgogne was erg zwaar; hij drinkt ze gaarne, maar voelt er zich
+nooit „heel lekker” op den volgenden dag—’t kan echter niet anders,
+zijn vak brengt dergelijke kleine „misères” mede.
+
+Houdt u nog een oogenblik bedaard en zie naar ’t geen hij doet.
+
+Hij gaapt. Hemel! wat gaapt hij leelijk, lang en lui. Welk een minimum
+van tanden, en hoe waterig kijkt hij uit zijn oogen! Hij rekt zich
+uit, met de armen omhoog en gaapt nog eens. Wat doet hij nu? Hij kijkt
+naar een petroleumtoestel dat op het aanrecht—waarachtig! we zijn in
+een keukentje verzeild—staat. Hij draait de pitten wat op en ziet met
+alle aandacht naar het water dat hij warmt om zich te kunnen
+scheren....?
+
+Neen! dat denkt ge maar. Kijk dan ook oplettender s. v. p.: hij heeft
+immers geen keteltje, maar een pannetje boven de vlam staan....
+
+Wat zou daarin zijn? Wellicht het een of andere chemische preparaat;
+wie weet! misschien is de „fashionable dineur” een verkapt alchimist
+die, in zijn vrijen tijd, naar „’t levens Elixir” of naar „den steen
+der wijzen” zoekt.
+
+St! ziet ge hem nu naar dien donkeren hoek van keukentje sluipen? ’t
+Is alsof hij vreest dat men hem hooren zal, zoo zachtjes loopt hij.
+Ha! dáár bewaart hij zijn ingrédiënten, dáár in dat geheime kastje in
+den muur. Laten we nu goed toekijken, misschien komen we er achter,
+hoe hij goud maakt. Hebt ge opgemerkt, dat hij een zwart geheimzinnig
+uitziend fleschje in de eene hand heeft genomen? Ziet ge wel dat hij
+in de andere een blikken busje houdt?
+
+Hoe jammer! daar draait hij zich om en staat met den rug naar ons toe;
+nu kunnen we niet zien welke bestanddeelen hij in ’t pannetje
+werpt.—Ga een eindje met mij achter uit. ’t Mocht eens gevaarlijk goed
+zijn, dat ontploft en uw gelaat zengt, en.....
+
+Groote Goden! hij neemt een lepel, steekt dien in ’t pannetje en ....
+heusch! hij proeft van—de hemel mag weten, wàt—hij kookt.
+
+Onnoozele, begrijpt ge nu nog niet, wat ge daar ziet?
+
+Och ’t is zoo doodeenvoudig. Kijk maar eens even op den scheurkalender
+in de voorkamer.
+
+Nu, welken datum?
+
+Acht en twintig Maart!
+
+Juist, ’t is in ’t laatst van de maand: dan houdt hij om geldige
+redenen niet van restauratie of table d’hôte en—toevallig heeft hij
+heden geen uitnoodigingen.
+
+O!.....
+
+Vat ge ’t nu?
+
+Ik geloof het wel, arme fashionabele man!
+
+
+
+
+HOE JETJE GEZOEND WERD.
+
+
+
+
+HOE JETJE GEZOEND WERD.
+
+
+’t Is voor een eerzaam kruidenier, die min of meer pokdalig,
+weduwnaar en kippig is en een drukke zaak heeft, bepaald een ongeluk,
+wanneer hij een mooie dochter bezit, die jolig en goedlachsch, niet
+besluiten kan om als een hofjesjuffrouw achter de neteldoeksche
+schuifgordijntjes van een sombere binnenkamer te blijven kniezen, maar
+nu en dan zich verstout, met dezen of genen winkelklant een praatje te
+houden, of in den deurpost staande, naar ’t vroolijke zonnetje en de
+voorbijgangers te kijken.
+
+Laat ik u daar eens iets van vertellen, tot nut en leering van alle
+brave kruideniers, alle ondeugende jongelui en aardige meiskens.
+
+ * * * * *
+
+Op den Nieuwendijk woonde sedert jaren een zekere Bommers, die een
+ouderwetschen kruidenierswinkel hield en jaar in jaar uit, met een
+vettig glimmend lustren jasje aan en een dito petje op ’t hoofd,
+achter zijn toonbank stond, om naast een winkelknecht, die er even
+oudbakken en kleverig uitzag als hijzelf, koffie, krenten, suiker en
+andere zoetigheid af te wegen, of petroleum, stroop en patentolie te
+verkoopen.
+
+Bommers was niet alleen kruidenier, maar tevens vader en wel van een
+Jetje, dat in de buurt, om haar frisch blozend gelaat, lachende blauwe
+oogen en kastanjebruin haar als „mooi Jetje” bekend, door de jongelui,
+die in de nabijheid woonden, meer bijzonder „’t lachebekje” werd
+genoemd, omdat ze zoo’n vriendelijk rood mondje had, dat met twee
+schalksche kuiltjes in haar donzige wangen zoo aardig en prettig
+lachte, als deze of gene klant, generis masculini, met haar een grapje
+maakte, als zij toevallig in vaders winkel stond of op de stoep een
+luchtje schepte.
+
+Behalve vijgen, sukade, rozijnen en andere versnaperingen, verkocht
+Bommers ook sigaren, die, hoe gevaarlijk groenachtig geel en
+gespikkeld ze er ook uitzagen, eensklaps bij de omwonende jongelui
+bijzonder in trek kwamen, zóó zelfs dat Jan de winkelknecht er zich
+over verwonderde en grinnikend aan zijn meester durfde zeggen: „Ik
+geloof, dat die spreeuwen”—Jans geliefkoosde benaming voor de spes
+patriae—„een stuk leer in d’r mond hebben in plaats van ’n tong; want
+als ze die bokkies lekker vinden, dan....” Jan liet den volzin
+onvoltooid en ’t was misschien maar gelukkig. Als eenig antwoord
+meesmuilde de patroon, zette den handel in sigaren met kracht door, en
+bracht meteen den prijs der „bokkies” van zes op vier voor een
+dubbeltje. „Je moet maar zeggen, dat ze opgeslagen zijn, hoor Jan! Ze
+nemen ze toch”, zei hij op zekeren dag. Jan pruttelde in zich zelf:
+„Smakelijk rooken!” en hij dacht er bij: „Als Jetje in den winkel is,
+kan ik ze voor drie centen evengoed verkoopen.” ’t Was geen onlogische
+Jan!
+
+ * * * * *
+
+Vlak tegenover Bommers’ winkel, woonde op een kamer van de eerste
+verdieping Herman Stam, een jolig medisch student, die, wanneer hij
+niet studeerde, zijn beenen en pantoffels op de vensterbank voor ’t
+publiek ten toon stelde, of zijn vroolijk, open gelaat naar buiten
+stak en deftig rookend uit een lange pijp, dikwijls vrij lang en
+vrijmoedig in den kruidenierswinkel tegenover hem tuurde. Waarom? Och!
+eenvoudig uit belangstelling om te zien of er veel klanten inliepen.
+Zóó beweerde hij ten minste tegen zijn hospita, die hem eenmaal had
+gevraagd: „Meheir! wat ziet uwee toch an dien ouwen kruideniersrommel?
+Ik heb al driemaal geklopt, maar uwee hoorde me niet, zóó was je an ’t
+kijken.” ’t Goede mensch had niet gezien, dat de jonge juffrouw
+Bommers juist op dat oogenblik in den kruidenierswinkel stond en wel
+in de geopende deur, van waar zij, ze kon het heusch niet helpen,
+Hermans bruine oogen en den dampenden kop van zijn gouwenaar kon zien.
+Zij vond, dat hij zoo gezellig en deftig rookte, en knikte—uit louter
+buurschap—hem toe.
+
+’t Was opmerkelijk, dat sedert dien tijd de zware en lichte van de
+vier, die Bommers verkocht, bij Herman en eenigen van zijne vrienden,
+buitengewoon in trek begonnen te komen. Elken dag verschenen geregeld
+drie of vier van die vroolijke snaken in den winkel en vroegen ieder
+voor één dubbeltje Puantos Infamos van de vier, zwaar of licht, naar
+dat ’t zoo uitkwam,—’t was hun om ’t even. De winkelknecht had reeds
+een paar malen bescheiden aangemerkt: „Ze heeten Upmann-sigaren,
+heeren!” Maar met het leukste gezicht van de wereld had Herman, namens
+zijn vrienden, geantwoord: „O zoo! heeten ze Upmann? Dank je voor de
+communicatie, ’t is wel mogelijk, maar wij kennen ze niet onder dien
+naam en zeggen dus kortheidshalve: „Puantos Infamos”.” Jan zweeg
+tegenover dit argument.
+
+De oude Bommers zag wel is waar met genoegen, dat zijn debiet in
+sigaren iederen dag toenam, maar toch kon hij zich niet ontveinzen,
+dat die Puantos-klanten ijselijk lang bleven praten, niet met hem,
+maar met zijn aardig levenslustig dochtertje, dat heel toevallig
+altijd in den winkel stond, als de jongelui kwamen, en tegen hen, maar
+in ’t bijzonder tegen Herman Stam, heel erg vriendelijk was.
+
+Met schrik en een vaderlijke hartklopping—ook een kruidenier heeft een
+gevoelig hart—zag de oude Bommers, dat Herman soms tweemaal op één dag
+zich aan de Infamos te goed deed, en eens zelfs had Bommers, zonder
+dat de student het wist, gezien, dat de medische jongeling het
+oogenblik dat hij zich omdraaide, om uit den oliebak een paar kan
+patentolie af te meten, bliksemsnel waarnam om Jetjes middel te
+omvatten en een poging te doen om haar een kusje te ontstelen. Wel is
+waar had de roover, in plaats van een zoen, een fermen duw tegen den
+schouder gekregen, maar Jetje had daarbij zoo smakelijk gelachen en
+zoo glunder gekeken, dat vader het toch raadzaam oordeelde om na dien
+dag, zoodra de heeren studiosi in den winkel kwamen, zijn dochter met
+een: „Kind, ga jij ereis van den zolder wat touw voor me halen”, te
+verwijderen. Jan de winkelknecht grinnikte dan inwendig van plezier,
+maar vroeg te gelijk met ’t leukste gezicht van de wereld: „Opsteken,
+meneer?” en streek met kracht een ouderwetschen lucifer over ’t
+doosje, zoodat de phosphor knetterend ontvlamde en de zwavellucht den
+klanten in den neus kwam, een beleefdheid waardoor hij zich
+herhaaldelijk een: „Vade retro, Satanas!”—dat hij niet begreep—op den
+hals haalde.
+
+Ten gevolge van deze niet onhandige vaderlijke manoeuvre van Bommers,
+nam het debiet der Puantos Infamos niet meer toe, want nadat ’t
+herhaaldelijk was gebleken dat Jetje, zoodra „de heeren” zich
+vertoonden, onzichtbaar werd, begonnen Herman en zijn vrienden
+allerlei aanmerkingen te maken, en noemden met een zekere minachting,
+de heerlijke Puantos „bokkies”, een woord dat den winkelbediende een
+heimelijken glimlach ontlokte, als wilde hij zeggen: „Ge komt langzaam
+aan tot de jaren des onderscheids, vriendjes!”
+
+’t Debiet verliep eindelijk totaal, en toen het laatste kistje was
+leegverkocht aan schippers en buitenlui, die ze „voor de acht” kregen,
+omdat het—zooals Bommers zei—een opruiming was, besloot de kruidenier
+den handel in sigaren voorgoed op te geven en zich voortaan alleen tot
+’t Koloniale vak te bepalen.
+
+Nauwelijks was de laatste der Infamos verdwalmd tusschen de lippen van
+een Marker visscher, die haar als toegift op een ons suiker en een
+half ons thee had aangenomen, of Jetjes aardig gezichtje kwam weer te
+voorschijn in den winkel.
+
+Zonderling! een paar dagen later ontdekten Herman en zijn vrienden een
+plotselinge dagelijksche behoefte aan vijgen, rozijnen en amandelen.
+
+Bommers had inwendig het land en behandelde de jongelui zoo stuursch
+mogelijk, maar zij bleven van hun kant uiterst beleefd en fatsoenlijk,
+informeerden altijd naar den staat van „meneers gezondheid”, prezen
+zijn goede waar en kochten elken dag à contant een zekere hoeveelheid
+vijgen of rozijnen.
+
+Toen ten gevolge daarvan Jetje weer onzichtbaar werd, vroegen zij
+belangstellend, of de juffer soms ongesteld of grieperig was, terwijl
+Herman, als semi-arts, dadelijk een gratis behandeling aanbood. De
+kruidenier sloeg min of meer onheusch dit aanbod af en zei zelfs een
+woord, dat naar „zoetekauwen” of „snoepende jongens” zweemde. De
+studenten lachten vriendelijk, presenteerden hoffelijk het gekochte,
+eerst aan Jan en daarna aan den patroon, met de woorden: „Geneert
+jelui niet; proeft maar eens mee!” en kwamen den volgenden dag terug
+met de verzekering, dat ze nergens zulke puike, overheerlijke waar
+konden krijgen en dat ’t hun speet, dat Jetje zoo onzichtbaar bleef.
+
+Om den handel in vijgen enz. evenals dien in sigaren, plotseling op te
+geven, ging evenmin aan, als om zijn levenslustig dochtertje
+voortdurend in de achterkamer opgesloten te houden, en daarom besloot
+de kruidenier voor het meisje bij een bloedverwant buiten de stad
+belet te vragen en haar uit logeeren te zenden.
+
+Bommers was zoo dom niet als hij er wel uitzag en keek scherper dan
+men van zijn kippigheid zou hebben durven verwachten. Glimlachend,
+neen! grinnikend, zag hij op den middag dat hij Jetje uitliet, toen
+zij met Jan den knecht, die haar koffertje bracht, naar ’t station
+ging, hoe Herman Stam zijn krullebol uit ’t venster stak en met groote
+verwonderde oogen ’t meisje naziende, zuchtend uitriep: „Dag Jet—dag
+engel—goeie reis! Denk aan me!”
+
+Hij zag wel, dat Jetje weer omkeek en vriendelijk knikte, maar dàt
+hinderde hem niet. Handenwrijvend ging hij weer achter zijn toonbank
+staan en meesmuilde: „Dat valt je tegen, hé knaapie!” En toen een
+oogenblik daarna een paar van de vijgen-habitués binnenkwamen, woog
+hij buitengewoon ruim en zei vriendelijk: „Pas ontvangen, ’n versche
+zending, heeren,—echt Smirnaasch goed!”
+
+ * * * * *
+
+Op Hermans kamer ging het den volgenden avond zeer levendig toe. Dikke
+rookwolken maakten het achttal jongelieden, dat er bijeen was, bijna
+onzichtbaar en deden de lamp walmen, zóó erg, dat ’t zelfs voor
+studentenlongen nauwlijks houdbaar werd in het niet al te groote
+vertrek. Als de stem van een Jupiter Tonans uit de wolken, klonk
+eindelijk die van Herman, boven het gelach en gepraat uit. „Kerels!”
+riep hij: „luistert nu eens een oogenblik en zet de deur wat open,
+want waarachtig de lamp gaat anders uit.”
+
+’t Rumoer bedaarde en de nevel trok een weinig op. Toen vervolgde hij,
+op de tafel zittend en met een flesch, bij gebrek aan een
+presidentshamer, stilte gebiedend: „Mannen, broeders! wat moeten we
+met den snoodaard doen, die, als een krenterige, pokputtige Paris, mij
+mijn Helena, vulgo Jetje, ontroofde?”
+
+„Laat ’m Puantos Infamos rooken tot in eeuwigheid, dat ’s straf
+genoeg!” riep er een.
+
+„Voer hem krenten, totdat er de dood op volgt!” schreeuwde een ander.
+
+„Doe ’m hertrouwen, dat’s nog erger!” meende een derde.
+
+„Vul hem met keukenstroop en vijgen en noem hem dan „zoetekauw”,”
+lachte een vijgenklant. Ieder gaf een andere manier van wraakneming
+aan en allen schetterden, schreeuwden en lachten dooreen, totdat het
+geraas zóó sterk werd, dat Herman met zijn flesch nogmaals stilte
+moest gebieden en met heftige stem, vol nadruk, sprak: „Mijne heeren!
+ik stel deze motie voor: Laten we kalm overleggen, hoe we op
+exemplaire wijze den aterling zullen straffen, die ’t pronkjuweel der
+schepping, Jetje, uit onze nabijheid durfde verbannen.—Ja! meneeren,
+de ellendeling kon de zon niet in het water zien schijnen; hij
+gedoogde niet, dat ik zijn spruit—de hemel weet, hoe hij zulk een lief
+dochtertje gekregen heeft—kuste. Een kus in eeren, mag niemand
+weren!—Toch heeft deze krenten- en vijgenploert zich verstout zulks te
+doen. De smaad, mij en mijn commilitones aangedaan, eischt wraak,—niet
+waar, mijne heeren?—Wraak!”
+
+„Wraak! Wraak!” klonk het in koor, begeleid door een gestamp en
+gestommel, zóó hevig, dat Hermans grijze hospita verschrikt naar boven
+en de kamer binnenkwam, terwijl ze vroeg: „Meheeren, breekt den boel
+asjeblieft niet af!”—Juist op dat oogenblik gilde een van de acht:
+„Zij zal gezoend worden, dat zweren we!”—een eedsaflegging, die de
+oude hospita met een: „’t Is zonde—wat zal me nou overkomen!” eerst de
+handen ineen deed slaan, om ze oogenblikkelijk daarna schaamachtig
+voor de oogen te brengen.
+
+Deze maagdelijke beweging ontlokte aan een der wraaklustigen de
+vriendelijke woorden: „Vrees niets, eerzame, eenzame, deugdzame: wij
+zijn geen antiquaren.”
+
+„We hebben wel de antieken lief, maar we kussen slechts moderne
+individuen,” riep een ander. En Herman voegde er bij:
+
+„Van uw eerbiedwaardigen toer zal geen haar worden gekrenkt; ga heen
+in vrede.” En toen de juffrouw met een schouderophalend gesproken:
+„Jelui bent nog niet droog achter je ooren,” vertrokken was, vervolgde
+hij:
+
+„Mannen broeders! zweert met mij, dat Jetje Bommers zal gezoend
+worden.”
+
+„Dat zweren wij!” brulde ’t koor.
+
+„Gezoend in tegenwoordigheid van den ouden krentenkooper!”
+
+„Wij zweren!”
+
+De vergadering ging over in geheime zitting.
+
+ * * * * *
+
+Sedert ruim drie weken was in Bommers’ winkel geen enkele vijg of
+amandel, geen lood rozijnen zelfs, aan studenten verkocht geworden en
+met een glimlach van voldoening dacht de vader-kruidenier er over na,
+dat ’t in zijn winkel nu veel stemmiger en rustiger toeging dan
+vroeger. Ook Jan de knecht had reeds eenige malen aangemerkt: „’t Is
+toch wel zoo plezierig achter de toonbank, nu die jonge spreeuwen hier
+den boel niet meer opscheppen; ze hadden ook altijd wat anders te
+reclameeren, dan over u, dan over mijn. Soms zeien ze met een
+vrindelijk gezicht: „Zeg, winkel-os! goed wegen, hoor je!” Dan weer
+vroegen ze beleefd: „Is jou kippige patroon waarachtig de heuschelijke
+vader van Jetje?” Ze namen eeuwig en altijd een loopje met uwe en mijn
+en toch waren ze altijd netjes; maar voor mijn part kan zoo’n
+klandizie wegblijven.” En in stilte dacht hij er bij: „De
+jongejuffrouw ook, want als zij terugkomt, zal ’t lieve leven wel weer
+van voren af aan beginnen.” Bommers zweeg, grinnikte, wreef zich de
+handen en—verkocht koloniale waren.
+
+ * * * * *
+
+Aan alle aardsche zaken komt een einde, zoo ook aan Jetjes logeeren
+bij de tante buiten. Ze was bijna een maand lang van huis geweest en
+zou ’s avonds met den trein van 7.30 terugkomen. Voor de deur van den
+kruidenierswinkel stond een vigilante met een imperiaal er op en vader
+Bommers was juist gereed, om Jetje in eigen persoon van ’t station te
+gaan afhalen, toen een welgekleed jongmensch, met een gunstig, deftig,
+ja! bijna stemmig uiterlijk, zijn winkel binnentrad en beleefd vroeg:
+
+„Heb ik ’t genoegen meneer Bommers te zien?”
+
+„Om U te dienen.”
+
+„U handelt in koloniale waren?”
+
+„Natuurlijk!”
+
+„Ook en-gros?”
+
+„Zeker!”
+
+„Kan ik U een oogenblik spreken?”
+
+„Ja, hm!.... ik sta op ’t punt om uit te gaan.”
+
+„’t Is een dringende zaak, meneer, een particuliere aangelegenheid,
+die geen uitstel duldt.”
+
+„Hum! Hum! ik moet iemand van ’t spoor halen, maar..” Bommers keek op
+zijn horloge, „een paar minuten heb ik nog over. Wanneer u dus....”
+
+„In ’n paar minuten? Neen, mijn waarde heer, dat gaat niet. ’t Spijt
+me, maar dan zal ik u niet langer ophouden. ’t Was anders een zaak
+geheel in uw eigen belang, waarover ik u wilde spreken; een
+spoedeischende zaak, die ik u alleen onder vier oogen kan
+toevertrouwen. Enfin! als ’t u onmogelijk is, dan....”
+
+Het jongmensch zag er zóó bedaard en fatsoenlijk uit, sprak zóó kalm,
+overtuigend en met klem, dat Bommers te gelijk nieuwsgierig en
+verlegen werd.
+
+Wat te doen?—Een oogenblik aarzelde hij nog, maar toen nam hij zijn
+hoed af, zette dien op de toonbank, krauwde even in ’t spaarzame
+grijze haar, dat zijn schedel versierde, mompelde: „’t Is meer dan
+hoog tijd,” en zei toen luid tot den winkelknecht: „Jan! ga jij dan
+maar met de vigilante naar ’t station en haal de jongejuffrouw; dan
+zal ik dezen heer te woord staan.” Bommers zag niet, hoe een fijn
+glimlachje van voldoening over ’t gelaat van zijn bezoeker vloog.
+
+Jan trok haastig zijn jas aan, zette in vergissing den hoed van zijn
+patroon op en holde den winkel uit; onder ’t heengaan wierp hij nog
+een blik op den bezoeker en pruttelde in zich zelf: „’t Is me toch
+precies alsof ik dien snuiter al ereis meer heb gezien.”
+
+Toen de knecht vertrokken was, vroeg Bommers: „Nu, meneer?”
+
+Het jongmensch boog even en sprak uitermate beleefd: „Meneer! laat me
+in de eerste plaats u beleefdelijk dank zeggen voor de heusche,
+gentlemanlike manier, waarop u mij behandelt; ik had nauwelijks durven
+hopen, dat u mij eenige oogenblikken van uw kostbaren tijd zou willen
+afstaan.”
+
+De kruidenier zag zijn bezoeker min of meer verwonderd aan en mompelde
+iets als: „O! volstrekt niet, integendeel,” enz. Hij stond met zijn
+rug naar de straatdeur gekeerd en zag daardoor niet, dat eenige
+vroolijk lachende gezichten om het hoekje van de deur naar binnen
+keken, maar aanstonds weer verdwenen, zoodra hij zich slechts even
+bewoog. Hij zag evenmin, dat, terwijl de bezoeker verder sprak, door
+een hand een grooten ouderwetschen heerenhoed om ’t hoekje van de deur
+in den winkel werd gezet.
+
+„Meneer Bommers,” zei ’t beleefde jongmensch, „ik ben hier gekomen om
+met u over ’t artikel stroop te spreken.”
+
+„Over stroop?”
+
+„Juist meneer, over stroop—s-t-r-o-o-p!”
+
+„Maar had dat dan zoo’n haast, dat u...?”
+
+„Oordeel zelf, meneer Bommers. Stroop is een artikel dat een toekomst
+heeft: primo omdat in iedere huishouding stroop wordt gebruikt:
+secundo omdat de geheele wereld stroop noodig heeft....”
+
+„Maar meneer!”
+
+„Wees zoo goed mij even te laten uitspreken. De wereld—dat wil zeggen
+de menschen—zijn allen vatbaar voor stroop; die ’t meest met den
+strooppot loopt, komt ’t snelst vooruit. Zegt niet de vanouds beroemde
+Judels in zijn onovertreffelijke chansonnette S-t-r-o-o-p, dat ieder
+mensch, wanneer zijn eigenbelang het vordert, dit nuttige, zoete
+voedingsmiddel gebruikt? Judels was niet alleen een komiek, maar ook
+een philosoof.—O, mijnheer, wanneer u eerst, slechts begrijpen kunt,
+hoever men met stroopsmeren komt, dan zult u beseffen hoe....”
+
+De oude Bommers was onder dit gesprek langzaam aan tot achter zijn
+toonbank teruggeweken; hij keek het jongmensch met groote oogen aan,
+als wilde hij zeggen: „Ik geloof, dat jij niet goed bent,” en toen de
+deftige jonkman verder ging met zijn beschouwingen over stroop, ’t nut
+en de aanwending daarvan in ’t maatschappelijk leven, zich daarbij in
+vuur redeneerde, herhaaldelijk heftig gesticuleerde en met de vlakke
+hand eenige malen op het blad der toonbank sloeg, werd Bommers
+angstig, want zulke taal was voor hem te machtig, en ’t zweet brak hem
+uit, toen hij zijn bezoeker hoorde zeggen: „_Stroop_, meneer Bommers,
+is de melk der samenleving, de quintessence der beschaving en de
+hefboom waarmee het sociaal evenwicht kan worden geregeld. S-t-r-o-o-p
+geeft in zes letters de oplossing van ’t moeielijk probleem: vrijheid,
+gelijkheid en broederschap.”
+
+„Maar dat is een gek, een ongelukkige uit Meerenberg ontsnapt,” dacht
+de kruidenier, die eindelijk kans zag om in den woordenstroom, die hem
+dreigde te overstelpen, een dam te werpen door stotterend te vragen:
+„Maar meneer, wat beduidt nu dit alles?”
+
+Weer wenkte een hand om ’t hoekje van de deur, maar de kruidenier zag
+het niet; ’t jongmensch wèl, en toen Bommers, zijn vraag kalmer
+herhalend, zei: „Wat wou u nu eigenlijk?” klonk het antwoord hem als
+een donderslag in de ooren: „Vijf pond beste stroop, als ’t u blieft!”
+
+„Vijf pond str-o-o-p?—Waarin?”
+
+„In dezen hoed, waarde heer.” Met een snelle wending had de jonkman
+den gereedstaanden hoed gegrepen en voor den verbaasden winkelier op
+de toonbank gezet.
+
+„In dien h-oe-d?”
+
+„Juist!—Maar den hoed eerst tarren asjeblieft! Ik wil mijn gewicht
+hebben,” en de klant zag hem dreigend aan.
+
+Bommers’ oogen werden achter zijn bril zoo groot en rond als
+theeschoteltjes en, met een zekeren angst, zag hij zijn overbuur aan.
+Ja, in de oogen van dien klant schitterde een waanzinnige vonk: ’t was
+ongetwijfeld zóó, als hij reeds had gedacht,—een gek. Bliksemsnel
+vloog hem de gedachte door ’t hoofd: met zulke menschen moet men
+voorzichtig zijn en toegevend; daarom veranderde hij dadelijk zijn
+gelaatsuitdrukking en zei met zachte stem, als sprak hij tot een
+verwend knaapje:
+
+„’n Aardig idee, meneer,—stroop in een hoed.”
+
+„Ja, hé? En als je eerst eens wist, burger Bommers, waarom ik die in
+een hoed haal!”
+
+Terwijl Bommers den hoed tarde en daarna langzaam de vijf pond stroop
+er in liet loopen, vervolgde zijn bezoeker, op eenigszins somberen
+toon:
+
+„’t Is een drama, meneer!—neen! een tragédie.—Zal u goed wegen, vijf
+pond?”
+
+„Ja! ja!—Kijk maar, ruim gewogen!” en de winkelier zette den hoed met
+stroop vlak voor zijn klant neer; deze nam het hoofddeksel met beide
+handen bij den rand op, rook er in en sprak toen op somberen toon
+verder: „’t Ruikt bijna als bloed!”—Bommers verschoot van kleur.—„Weet
+u wat de Nemesis is?—Niet?—O, neen! u is immers niet klassiek
+ontwikkeld.—Luister dus.—Een vriend van mij, een boezemvriend, is
+doodelijk beleedigd door een poen, een wanschapen vaderlijk wezen, dat
+Amor in ’t gezicht slaat en Venus haat.—O! meneer! dat eischt wraak!
+Wrr-a-a-k!”
+
+Bommers kreeg ’t nog benauwder dan een oogenblik van te voren, want ’t
+jongmensch begon nu heusch te doen, alsof hij „stapel” was. Plotseling
+wierp hij een rijksdaalder op tafel, maar hield de hand er op en zei:
+„Daar ligt geld, meneer,—’t slijk der aarde”, en toen plotseling
+vriendelijk lachend: „Ik krijg ƒ1.50 terug asjeblieft.”
+
+Bommers kon van achter de toonbank niet zien, dat de hand, die om ’t
+hoekje van de voordeur voortdurend wenken had gegeven, nu eensklaps
+zeer duidelijke en heftige bewegingen maakte. Hij wilde zich reeds
+bukken, om uit de winkellade een daalder kleingeld te nemen, toen zijn
+klant den rijksdaalder nogmaals vasthield en uitriep:
+
+„Weet ge wat mijn wraak zal zijn, meneer? Den ellendeling, die mijn
+vriend heeft beleedigd en gehoond, zet ik dezen hoed op!”
+
+Daar schoot de kruidenier plotseling in een lach; ’t denkbeeld, iemand
+met zoo’n hoed op te zien, was zelfs voor hem te comisch om er niet om
+te lachen, en giegelend riep hij:
+
+„Origineel! heel origineel! Dat ’s een koopje voor wien ’t treft—hè!
+hè! hè! hè!”—Bommers lachte, dat hij schudde.
+
+„Ja, edele vriend! dat is ’t zeker!” antwoordde ’t jongmensch; hij
+liet den rijksdaalder los, en Bommers, die kippig was en zich ongaarne
+met wisselen vergiste, bukte voorover naar de winkellade.
+
+Juist op dat oogenblik vernam men op straat een luid gejoel en
+gedruisch: een open kales, waarin vier studenten waren gezeten, hield
+stil voor den kruidenierswinkel; een der studenten, die een
+reusachtigen bouquet in de hand hield, sprong nog voordat het rijtuig
+geheel stilstond er uit, en opende het portier van de vigilante, die
+met Jan op den bok en Jetje binnenin er achter reed.
+
+Hoffelijk buigend hielp hij de schoone bij het uitstappen, en vol
+verwondering zag Bommers op,—om zijn dochter te zien.—Neen!—plotseling
+zakten vijf pond stroop hem door de haren en over de oogen en dreef
+een krachtige slag den ouden „kachelpijp” over zijn neus. De arme
+vader zei juist: „Genadige hemel! daar is...” ’t Woord Jetje stierf
+reeds in den zoeten zondvloed, die hem overstelpte, maar toch kon hij
+nog verstaan, dat de zonderlinge bezoeker hem daemonisch lachend zijn
+eigen woorden teruggaf: „Origineel! heel origineel! Een koopje voor
+wien ’t treft!”
+
+Er was niets aan te doen; Jan werd eenvoudig boven op de toonbank
+gezet en onschadelijk gemaakt. En Jetje? Zij werd—o!
+snoodheid—achtmaal in eer en deugd gezoend, onder de oogen .... neen!
+in tegenwoordigheid van haar vader, die, toen hij een half uur later
+na veel moeite, ontstroopt was, aanging als een razende Roeland en op
+die „vervloekelingen” schold, totdat Jan hem toevoegde: „Meheer, neem
+me niet kwalijk, maar je zag d’r toch effetief komiek uit!” Toen
+stortten de fiolen van zijn toorn zich eensklaps uit over den armen
+winkelknecht en eerst ’s avonds laat kwam hij tot kalmte en vond zijn
+winkeliers- neen! vaderlijken glimlach terug, omdat zijn dochter hem
+vertelde, dat zij buiten bij tante een vrijer had opgedaan, die heusch
+en echt van trouwen sprak en—niet met stroop liep.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Blz.
+
+ EEN BENEFIET 1.
+ EEN MASSAGEKUUR 101.
+ BIJOU 119.
+ HENRI DE SNOEPER 155.
+ DIRK DE SNORDER 173.
+ DE FASHIONABELE DINEUR 217.
+ HOE JETJE GEZOEND WERD 235.
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Plaats Bron Correctie |
+ | |
+ | Regel 78 [Niet in bron] „ |
+ | Regel 79 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 85 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 126 ochtenkleeding ochtendkleeding |
+ | Regel 143 „ [Verwijderd] |
+ | Regel 160 ” [Verwijderd] |
+ | Regel 172 ontstapt ontsnapt |
+ | Regel 211 collegas collega’s |
+ | Regel 214   . |
+ | Regel 239 , [Verwijderd] |
+ | Regel 295 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 324 mekâar mekaâr |
+ | Regel 335 ” [Verwijderd] |
+ | Regel 346 [Niet in bron] , |
+ | Regel 346 muziekant muzikant |
+ | Regel 666 [(alinea-break)] [Verwijderd] |
+ | Regel 668 „ [Verwijderd] |
+ | Regel 676 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 684 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 694 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 696 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 764 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 787 ” [Verwijderd] |
+ | Regel 836 ’N liefhebber ’n Liefhebber |
+ | Regel 989 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 1278 Walter Walten |
+ | Regel 1434 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 1792 Ha Hà |
+ | Regel 1800 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 1869 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 1897 lâtafel latafel |
+ | Regel 1944 Walter Walten |
+ | Regel 1997 ” [Verwijderd] |
+ | Regel 2070 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 2133 [Niet in bron] „ |
+ | Regel 2163 regisseur régisseur |
+ | Regel 2174 Walter Walten |
+ | Regel 2177 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 2230 colléga’s collega’s |
+ | Regel 2238 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 2281 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 2452 [Niet in bron] „ |
+ | Regel 2597 [Niet in bron] „ |
+ | Regel 3034 aplaudissement applaudissement |
+ | Regel 3051 oogenblikben oogenblikken |
+ | Regel 3070 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 3157 [Niet in bron] „ |
+ | Regel 3216 Balkons Balcons |
+ | Regel 3216 Loge’s Loges |
+ | Regel 3249 Laflêche Laflèche |
+ | Regel 3277 Laflêche Laflèche |
+ | Regel 3318 applaudiseeren applaudisseeren |
+ | Regel 3324 ” [Verwijderd] |
+ | Regel 3349 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 3384 [Niet in bron] „ |
+ | Regel 3387 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 3452 Hostein’s Hosteins |
+ | Regel 3460 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 3516 [Niet in bron] , |
+ | Regel 3531 ” [Verwijderd] |
+ | Regel 3536 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 3543 ïe ie |
+ | Regel 3551 Zouen Zouën |
+ | Regel 3558 kniëen knieën |
+ | Regel 3560 [Niet in bron] „ |
+ | Regel 3569 [Niet in bron] „ |
+ | Regel 3581 [Niet in bron] ’ |
+ | Regel 3611 ” [Verwijderd] |
+ | Regel 3676 Jalink Jaling |
+ | Regel 3792 Himmel-donnerwetter Himmeldonnerwetter |
+ | Regel 3899 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 3936 ondeel baar ondeelbaar |
+ | Regel 4228 word wordt |
+ | Regel 4731 siesta siësta |
+ | Regel 5078 beeldtenis beeltenis |
+ | Regel 5128 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 5224 [Niet in bron] „ |
+ | Regel 5251 sous-terrain sousterrain |
+ | Regel 5296 ” [Verwijderd] |
+ | Regel 5341 sous-terrain sousterrain |
+ | Regel 5388 ” [Verwijderd] |
+ | Regel 5922 [Niet in bron] „ |
+ | Regel 6101 mench mensch |
+ | Regel 6135 andwoordt antwoordt |
+ | Regel 6244 tweede klasse tweede-klasse |
+ | Regel 6334 n N |
+ | Regel 6441 [Niet in bron] . |
+ | Regel 6500 Overijselsch Overijsselsch |
+ | Regel 6548 zouen zouën |
+ | Regel 7263 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 7496 [Niet in bron] . |
+ | Regel 7525 [Niet in bron] ” |
+ | Regel 7526 [Niet in bron] „ |
+ | Regel 7576 [Niet in bron] is |
+ | Regel 7996 , . |
+ | Regel 8051 we wel |
+ | Regel 8052 houd houdt |
+ | Regel 8056 [Niet in bron] . |
+ | |
+ +------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Papieren Kinderen, by Justus Van Maurik Jr.
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PAPIEREN KINDEREN ***
+
+***** This file should be named 29429-0.txt or 29429-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/9/4/2/29429/
+
+Produced by Branko Collin and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.